diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:01:56 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:01:56 -0700 |
| commit | 91af3e1b88eb0584a14b5ca6bf70f4036a791ae3 (patch) | |
| tree | 0870091d83993cd9982e27f694f68b5b4eb0471e /34590-8.txt | |
Diffstat (limited to '34590-8.txt')
| -rw-r--r-- | 34590-8.txt | 10307 |
1 files changed, 10307 insertions, 0 deletions
diff --git a/34590-8.txt b/34590-8.txt new file mode 100644 index 0000000..cb43ad3 --- /dev/null +++ b/34590-8.txt @@ -0,0 +1,10307 @@ +The Project Gutenberg EBook of Handboek voor Bijenhouders, by J. Dirks + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Handboek voor Bijenhouders + +Author: J. Dirks + +Release Date: February 4, 2011 [EBook #34590] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HANDBOEK VOOR BIJENHOUDERS *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg + + + + + + + + + HANDBOEK VOOR BIJENHOUDERS, + + Waarin + + De natuurlijke geschiedenis der bijen, en hare teelt + volgens de Dzierzon'sche methode, naar de jongste + waarnemingen worden medegedeeld, + + Door + + J. DIRKS. + + + + + Dordrecht. + + P. K. Braat. + + 1861. + + + + + + + + AAN + ZIJNE MAJESTEIT + DEN + KONING DER NEDERLANDEN, + WORDT + DIT WERK + MET VERSCHULDIGDE HOOGACHTING + EERBIEDIG OPGEDRAGEN + DOOR + ZIJNER MAJESTEITS + GETROUWEN ONDERDAAN, + + J. DIRKS. + + + + + + + +VOORBERIGT. + + +Met een enkel woord moet ik den lezer mededeelen, dat een vriend mij +heeft bijgestaan, om deze bladen het licht te doen zien. Zoowel door +het teekenen der figuren, als door het omwerken van mijn handschrift, +dat voor de pers minder geschikt was, heeft hij mij eene dienst +bewezen. + +Daar enkele onnaauwkeurigheden eerst na het afdrukken door mij ontdekt +zijn, zoo is het noodig de achterstaande verbeteringen op te geven. De +lezer vergeve het, dat die misstellingen in den tekst zijn ingeslopen, +verschoone het gebrekkige, dat mijn arbeid nog mag aankleven, en doe +zijn voordeel mei het goede, dat er in gevonden wordt! + + + Lunteren, Januarij 1861. + + J. D. + + + + + +VERBETERINGEN. + + +Bl. 9 reg. 2 v.b. staat: gekerfde insecten, lees: insecten of + gekorven dieren. + +,, 14 ,, 15 v.b. ,, voeren zij dan met den snuit door eene + kleine opening, die zoowel daartoe, als + tot toetreding der lucht, in de cel gelaten + is, lees: bijten dan op zijde van de cel + een gaatje, waardoor zij van tijd tot tijd + den snuit steken, en van de werkbijen het + voedsel ontvangen; dit gaatje dient tevens + tot toetreding der lucht. + +,, 17 ,, 13 v.o. ,, zulk een stok zal meestal niet zwermen, + maar zoodra ééne moederbij is uitgeloopen, + zullen de bijen de overige afmaken, indien + hij echter nog een zwerm geeft, dan is dit + gewoonlijk na 12 à 14 dagen, lees: van zulk + een stok kan men gewoonlijk na 12 à 14 + dagen een zwerm verwachten, indien het weder + niet ongunstig is; dan zullen zij de + overtollige moederbijen meestal afmaken, in + welk geval de stok dat jaar met zekerheid + niet meer zwermen zal. + +,, 20 ,, 11 v.b. ,, den stok, lees: de stokken. + +,, 46 ,, 11 v.o. ,, den honigvoorraad, lees: honig en + bloemenstof. + +,, 46 ,, 3 v.o. hierachter te lezen: Behalve tot het uitbroeijen + van hommels, dienen de hommelcellen ook om + er honig, doch nimmer om er bloemenstof in + op te leggen. + +,, 48 ,, 10 v.o. staat: klein, lees: kort. + +,, 156 ,, 19 v.o. ,, in ,, tegen. + +,, 170 ,, 1 v.b. ,, zal ,, kan. + +,, 185 ,, 15 v.b. ,, hupcel ,, hulpcel. + + + + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + +INLEIDING 1 + +De bijen bevorderen de bevruchting bij de planten, bl. 1. Onkunde +van vele bijenhouders, bl. 2. In Duitschland bestaat eene groote +belangstelling in de bijenteelt, bl. 3. Dzierzon'sche bijenwoningen, +bl. 3. Verdeeling der landstreken in honigrijke en honigarme, +bl. 6. Bijengeluk, bl. 7. + + +I. NATUURLIJKE GESCHIEDENIS DER BIJEN 9 + +De bijen behoeven warmte en ontwikkelen die, bl. 9. Zij leven in +familiën, die koloniën of stokken heeten, bl. 10. Soorten van bijen, +bl. 10. Vermeerdering der stokken, bl. 10. + + +DE MOEDERBIJ OF KONINGIN 11 + +De koningin is het hoofd van den stok, bl. 11. Zij is de moeder +van al de bijen, bl. 11. Italiaansche bijen, bl. 11. Beschrijving +der koningin, bl. 12. Zij gebruikt den angel alleen tegen haars +gelijken, bl. 12. Onverdraagzaamheid der koninginnen onderling, +bl. 12. De koningin bezit het vermogen om geluid voort te brengen, +bl. 13. De bijen herkennen elkander, bl. 15. Het aankweeken +van moederbijen, bl. 15. Uit ongedekt werkbijenbroed kan eene +koningin worden aangekweekt, bl. 17. De bevruchting der moederbij, +bl. 17. Eene bevruchte moederbij vliegt niet uit, bl. 19. Mannelijke +eijeren behoeven geene bevruchting, bl. 19. Hommelbroedige stokken, +bl. 20. Eene bevruchte koningin wordt hoog geschat, bl. 21. Zij kan +willekeurig mannelijke of vrouwelijke eijeren leggen, bl. 21. Haar +voortteelend vermogen is bijzonder groot, bl. 21. + + +DE HOMMELS OF MANNETJES-BIJEN 22 + +Beschrijving van de hommels, bl. 23. Zij heeten ook muzikanten, +bl. 23. Strijd over hun geslacht, bl. 23. Zij worden ten onregte +broedbijen genoemd, bl. 25. Wanneer zij aangekweekt worden, bl. 26. Het +is goed hunne aankweeking tegen te gaan, bl. 26. De paring, bl. 27. De +hommelslagt, bl. 27. + + +DE WERKBIJEN 28 + +De werkbijen verrigten alle bezigheden, bl. 28. Haar levensduur, +bl. 28. Beschrijving van de werkbij, bl. 29. Hare ontwikkeling in de +cel, bl. 31. Zij kent hare woning, bl. 32. Het verdwalen op andere +woningen, bl. 33. Het geslacht der werkbij, bl. 34. Hare eijerlage, +bl. 34. + + +BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN BUITEN DE WONING 35 + +Het wachthouden, bl. 35. Het luchtpompen, trommelen of stertsen, +bl. 36. Het voorliggen, bl. 36. Het voorspelen, bl. 37. Het waterhalen, +bl. 38. Het opzamelen van honig, bl. 38. Het opzamelen van bloemenstof, +bl. 40. Het opzamelen van voorwas, bl. 42. Het zoeken van eene nieuwe +woning, bl. 43. + + +BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN IN DE WONING 43 + +De wasbereiding en de cellenbouw, bl. 43. De vorming van het was, +bl. 43. Zij kost veel honig, bl. 44. Een nieuw opgezette zwerm bouwt +met spoed, bl. 44. Hoe de tafels gebouwd worden, bl. 45. De soorten van +cellen, bl. 46. Het verlengen der cellen, bl. 47. Het verkleuren der +tafels, bl. 48. Het verzegelen der cellen, bl. 48. Warme en koude bouw, +bl. 48. Kruisbouw, bl. 49. Het opleggen van den honig, bl. 49. Het +honigsap der bloemen behoeft geene verdere bewerking, bl. 49. Het +opleggen van het bloemenstof, bl. 50. Het verzorgen van het broed, +bl. 51. Het reinigen van de woning, bl. 52. Het verkitten, bl. 52. + + +HET ZWERMEN 53 + +Hoe de zwermen ontstaan, bl. 53. Oorzaken van het zwermen, +bl. 55. Natuurlijke zwermen en kunstzwermen, bl. 57. Verdeeling der +natuurlijke zwermen, bl. 57. Voorzwermen, bl. 57. Wanneer men een +voorzwerm kan verwachten, bl. 57. Onvoorbereide zwermen, bl. 59. De +voorzwermen leveren het meeste voordeel op, bl. 60. Ouderdom der +moederbijen, bl. 62. Nazwermen, bl. 62. Wanneer men een nazwerm kan +verwachten, bl. 62. Nazwermen zijn minder waard dan voorzwermen, +bl. 62. Het nazwermen is soms zeer nadeelig, bl. 63. Hoe het wordt +tegengegaan, bl. 64. Hoe men een nazwerm weder met den moederstok +vereenigen kan, bl. 66. Hoe van een stok veel nazwermen getrokken +worden, bl. 67. Het vereenigen van zwermen, bl. 67. Zingende +voorzwermen, bl. 68. Maagdezwermen, bl. 69. Dubbelzwermen, +bl. 70. Vrijwillige vereeniging van zwermen, bl. 70. Hoe men den +vereenigden zwerm scheiden kan, bl. 70. Wat bij het vereenigen van +zwermen valt op te merken, bl. 72. Noodzwermen, bl. 72. Het afvliegen, +het aanleggen en het opvangen van zwermen, bl. 73. De werkbijen geven +de eerste aanleiding tot het afvliegen van den zwerm, bl. 73. Het +aanleggen van de zwermen, bl. 75. Het opvangen van de zwermen, bl. 75. + + +II. DE BIJENTEELT 80 + + +DE WONINGEN 80 + +Eerste woningen met lossen bouw, bl. 81. Blad- of boek-woning, +bl. 81. Dzierzon's woningen, bl. 81. Liggende en staande woningen, +bl. 82. De breedte der woningen, bl. 82. De staafjes waaraan de +wastafels hangen, bl. 83. Hoe zij vervaardigd worden, bl. 83. De +zamenstelling der woningen, bl. 84. De liggende woning, bl. 85. De +staande woning, bl. 91. Zamengestelde woningen, bl. 93. De dubbele +woning, bl. 93. Zij is zeer geschikt om zwermen te vereenigen en te +verdeelen, bl. 94. De drievoudige woning, bl. 95. Zes- en negenvoudige +woningen, bl. 96. Eene woning waarvan de bovenwand weggenomen kan +worden, bl. 97. De voorregten van de woningen met lossen bouw, +bl. 100. Zij moeten stevig en met naauwkeurigheid gemaakt zijn, +bl. 102. Het gereed maken van eene woning, bl. 102. Het bevestigen +van wastafels aan de staafjes, bl. 104. + + +DE BIJENSTAL 105 + +Bij het gebruik van Dzierzon'sche woningen kan de stal gemist worden, +bl. 105. Inrigting der bijenstallen, bl. 106. Het plaatsen van den +stal, bl. 109. + + +HET GEREEDSCHAP 112 + +De rookpijp, bl. 112. De bijenkap, bl. 115. Messen, bl. 116. De gaffel, +bl. 117. De stommeknecht, bl. 117. De bok, bl. 119. Transportkastjes, +bl. 119. De stortbak, bl. 121. De schepper, bl. 122. Een ijzeren haak, +bl. 122. Moederhuisjes, bl. 122. Voederbakjes, bl. 125. De pers, +bl. 127. De wasketel, bl. 128. + + +HET AANHOUDEN EN HET KOOPEN VAN STOKKEN 130 + +De bijen behoeven warmte, bl. 130. Sterke stokken behoeven naar +evenredigheid minder voedsel dan zwakke, bl. 131. Eene vroege +broedaanzetting is voordeelig, bl. 132. Het zuiveren van de woning in +het voorjaar, bl. 132. Het is van belang dat de wasbereiding vroeg +begint, bl. 132. Sterke stokken zwermen vroeg, bl. 133. Zij zamelen +naar verhouding meer in dan zwakke, bl. 134. Zij zijn beter bestand +tegen ongunstige toevallen, bl. 134. Zij kunnen de vijandelijke +aanvallen beter afweren, bl. 135. Men moet alleen volkrijke stokken +koopen, bl. 135. Men moet geene zwakke stokken inwinteren, bl. 137. De +stokken mogen niet verzwakt worden, bl. 138. Men moet steeds trachten +hen te versterken, bl. 138. + + +DE OVERWINTERING 139 + +De bijen zijn bij ons niet inheemsch, bl. 139. Zij hebben geen +winterslaap, bl. 139. Eene goede verzorging in den winter is van veel +belang, bl. 140. De bijen moeten in den winter van een voldoenden +voorraad voorzien zijn, bl. 142. Zij moeten voor strenge koude beschut +worden, bl. 142. Luchtverversching, bl. 144. Het zonlicht mag in +den winter niet op de woning vallen, bl. 145. De woningen moeten +rustig staan, bl. 145. Men moet de stokken niet te vroeg inwinteren, +bl. 146. Wanneer men de bijen eene reinigings-uitvlugt kan laten +houden, bl. 147. Hoe men bijen, welke door de koude verstijfd zijn, +kan doen herleven, bl. 147. Zoodra men de bijen heeft laten vliegen, +moeten ook de bodems der woningen gezuiverd worden, bl. 148. + + +DE BROEDAANZETTING 149 + +Men kan de bijen tot het broedaanzetten opwekken, bl. 149. Het is +nadeelig zoo de broedaanzetting te vroeg begint, bl. 149. Wanneer +moet zij beginnen? bl. 152. Warmte is een voornaam vereischte +voor het broeijen, bl. 158. Het vergrooten van het broednest, +bl. 154. Het verkleinen van het broednest, bl. 155. In den nazomer +moet de broedaanzetting belet worden, bl. 155. Bij het voêren moet +men zorgen geene aanleiding tot broeijen te geven, bl. 156. Wanneer +het wegnemen der moederbij een stok niet benadeelt, bl. 157. Het +broed kost veel honig, bl. 157. + + +HET VOÊREN 158 + +Speculatief voêren, bl. 158. Bloemenstoftafels moeten bewaard worden +en hoe dit geschiedt, bl. 158. Het voêren in strookorven, bl. 159. Het +voêren in Dzierzon'sche woningen, bl. 161. In het voorjaar is het goed +water aan de bijen te geven, bl. 162. Men moet nooit met gekochten +honig voêren, bl. 163. Suiker en kandij geven geene aanleiding tot +rooven, bl. 163. + + +DE KUNSTZWERMEN OF AFLEGGERS 163 + +Het is van veel belang de zwermen kunstmatig te kunnen afdrijven, +bl. 163. Wanneer een stok zwermgeregt is, bl. 164. Onderscheid tusschen +natuurlijke zwermen en kunstzwermen, bl. 164. Het aftrommelen van +zwermen, bl. 165. Het maken van zwermen door Schirach's bedrog, +bl. 167. Kunstzwermen te maken door zamenvoeging van bijen uit +onderscheidene stokken, bl. 171. In plaats van met eene moederbij, +kan men ook met onbedekt broed een kunstzwerm zamenstellen, +bl. 172. Kunstzwermen te maken zonder een tweeden stand te behoeven, +bl. 173. Dit te doen door verdeeling van een stok, bl. 173. Het te +doen met broedtafels, die eene moedercel bevatten, bl. 175. Bezwaren, +die tegen het maken van kunstzwermen worden ingebragt, bl. 176. + + +HET ROOVEN 177 + +De zoekers of schuimers, bl. 177. Gelukt het hun een stok binnen +te dringen, dan zal die spoedig eene prooi der roovers worden, +bl. 177. Wat aanleiding tot het rooven geeft, bl. 178. Wat men +vermijden moet om er geene aanleiding toe te geven, bl. 179. Waaraan +men de roovers herkent, bl. 179. Hoe het rooven wordt tegengegaan, +wanneer men eigenaar van den roovenden en den beroofden stok is, +bl. 180. Wat men te doen heeft indien de eerste een ander toebehoort, +bl. 182. Hoe men den roovenden stok kan ontdekken, bl. 183. + + +DE MOEDERLOOSHEID 184 + +In een moederloozen stok kan toch hommelbroed zijn, bl. 184. Waaraan +men ontdekt of een hommelbroedige stok moederloos is, bl. 185. Eene +vruchtbare moederbij kan kunstmatig hommelbroedig gemaakt worden, +bl. 186. Aan zichzelven overgelaten moet een moederlooze stok +omkomen, bl. 186. Kan of wil men hem niet helpen, dan moet hij +gedood worden, bl. 186. Waaraan een moederlooze stok te herkennen is, +bl. 187. Waardoor de moederloosheid veroorzaakt wordt, bl. 190. Hoe +zij hersteld wordt, bl. 191. + + +DE ZIEKTEN 194 + +De loop, bl. 194. Waardoor hij ontstaat, bl. 194. Hoe hij voorkomen +wordt, bl. 194. Hoe hij hersteld kan worden, bl. 195. Omstandigheden, +die den loop ten gevolge kunnen hebben, bl. 196. Hoe men ontdekt dat +een stok aan loop lijdt, bl. 198. De vuilbroed, bl. 199. Goedaardige +vuilbroed, bl. 199. Pestaardige vuilbroed, bl. 200. De voorjaars-ziekte +of dolheid, bl. 201. + + +DE VIJANDEN 203 + +De mees, bl. 204. De specht, bl. 204. De muis, bl. 204. De padde, +bl. 205. De mieren, bl. 205. De wilde hommelbij, bl. 206. De wespen, +bl. 206. De luis, bl. 206. De spin, bl. 206. De wasmot, bl. 207. Er +zijn twee soorten, bl. 207. Wat men te doen heeft zoo zij zich in het +broednest gevestigd heeft, bl. 208. Hoe de wastafels voor de wasmot +beveiligd worden, bl. 209. + + +HET BESNIJDEN 210 + +Is het besnijden noodig of niet? bl. 210. Wanneer moet het +geschieden? bl. 211. Waar en hoe men de stokken besnijdt, bl. 212. Hoe +het broednest van een stok vernieuwd kan worden, bl. 213. + + +HET BEDWELMEN 214 + +Bedwelmen met bovist, of stuifzwam, bl. 214. Bedwelmen met buskruid, +bl. 215. Bedwelmen met zwavelether en chloroform, bl. 216. + + +DE BIJENSTEEK 217 + +Waardoor de steeklust der bijen wordt opgewekt, bl. 217. Welke gevolgen +de steek na zich sleept, bl. 217. Hoe de gestoken deelen behandeld +moeten worden, bl. 218. De dragt en het weder hebben invloed op den +steeklust, bl. 218. Voorzorgen die men moet nemen, bl. 219. + + +HET REIZEN MET DE STOKKEN 220 + +Voorzorgen die men moet nemen om de stokken te kunnen vervoeren, +bl. 221. Hoe zij vervoerd worden, bl. 222. Hoe zij, ter bestemder +plaatse gekomen, behandeld worden, bl. 222. Het bezoeken der +boekweitvelden, bl. 223. Het reizen met Dzierzon'sche woningen, +bl. 225. + + +DE HONIG- EN WASOOGST 227 + +Hoe men in Noord-Braband daarbij te werk gaat, bl. 227. Het bezoeken +der heide, bl. 228. Hoe het werk uit de korven genomen wordt, +bl. 229. Het dooden der bijen met zwaveldamp, bl. 229. Het zuiveren van +den honig, bl. 230. De honig uit korven is met broed en bloemenstof +verontreinigd, bl. 231. Bij Dzierzon'sche woningen kan dat voorkomen +worden, bl. 231. Hoe de honigoogst bij die woningen plaats heeft, +bl. 232. Hoe men haar gereed maakt om er de heide mede te bezoeken, +bl. 232. Hoe men de stokken daarin behandelt als zij van de heide +zijn teruggebragt, bl. 232. Het zuiveren van het was, bl. 234. Hoe de +maden uit hommeltafels verwijderd worden, bl. 235. Hoe beschimmelde +wastafels gezuiverd worden, bl. 236. Het zuiveren van honig, die in +de cellen versuikerd is, bl. 236. + + +DE BEREIDING VAN MEDE EN AZIJN 237 + +De bereiding van mede, bl. 237. De bereiding van azijn, bl. 238. + + +BESLUIT 239 + +Zamenvatting van verschillende werkzaamheden, zoo als die elkander +in den loop van het jaar opvolgen. November, bl. 239. December, +bl. 240. Januarij, bl. 241. Februarij, bl. 242. Maart, bl. 243. April, +bl. 243. Mei, bl. 244. Junij, bl. 245. Julij, bl. 248. Augustus, +bl. 250. September, bl. 251. October, bl. 251. + + + + + + + +INLEIDING. + + +Wanneer wij in de lente of des zomers door de velden wandelen en den +rijken voorraad van bloemen aanschouwen, welker geur ons omgeeft, dan +is het voorzeker te bejammeren, dat daarin zulk een schat verborgen +is, die verloren moet gaan, omdat de arbeiders ontbreken, die alleen +in staat zijn hem te verzamelen. Die schat is de honig; die arbeiders +zijn de bijen. + +Deze opmerking kwam mij menigmalen voor den geest, toen ik mij voor +eenige jaren met den landbouw bezig hield. Ik stelde er groot belang +in dat bij mij, zoowel op boerderij als akker, niets verloren ging, +en hoewel ik daarnaar streefde, toch bleef bij mij, even als bij zoo +velen, de honig onopgezameld. + +Een goed landbouwer mogt, naar mijn inzien, niets verloren laten gaan, +van hetgeen zijn akker voortbrengt. Aan de bijen moest dus bij mij +eene plaats worden aangewezen, om ook datgene te verzamelen, wat de +Schepper in zoo ruime mate in de bloemen doet ontwikkelen, en dat +er, zonder eenig nadeel voor de verdere vorming van de vrucht of het +zaad, kan worden uitgenomen. Ja, men meent zelfs opgemerkt te hebben +dat vruchtboomen, die door bijen bevlogen worden, een ruimeren oogst +opleveren dan die, waarbij dit het geval niet is; door haar aanhoudend +heen en weder vliegen, bevorderen zij de uitstorting van het stuifmeel +of bevruchtend mannelijk zaad, op het vrouwelijk gedeelte der bloemen. + +Ik zou dus bijenkweeker worden; eene mij geheel onbekende zaak. Er +waren echter in mijne nabijheid verscheidene personen, die zich, +als bijmiddel van bestaan, op de bijenteelt toelegden, bij wie ik +licht hoopte te vinden in wat mij duister was. In die hoop schafte ik +mij twee bevolkte bijenkorven aan. Maar hoe werd mijne verwachting +teleurgesteld! Bijna alle bijenkweekers meenen in het bezit te +zijn van geheimen, die zij aan geen ander mededeelen, ten einde er +alleen de vruchten van te plukken. Berlepsch zegt dan ook teregt: +"bij een bijenhouder om raad te vragen is even vruchtbaar, als dat +men in het hok van den hond brood gaat zoeken." Maar neen! niet allen +weigerden mij inlichtingen te geven; enkelen deelden mij als vriend +hunne geheimen mede. En wat leerde ik daaruit?--Dat die geheimen +grootendeels gegrond waren op onkunde en bijgeloof en die bijenkweekers +van de natuurlijke huishouding der bijen weinig of niets wisten en +alleen bijen-houders waren. Wat de een mij mededeelde, werd dikwerf +door den anderen weêrsproken, en toch verbonden beide aan het door hen +gezegde een onfeilbaar gunstig gevolg. Weinig over mijne leermeesters +voldaan, benijdde ik hun niets, dan het onbevreesd omgaan met deze +welgewapende dieren. Ik had hun gevraagd of er ook boeken bestonden, +die over de bijenteelt handelden, en op deze vraag een bevestigend +antwoord ontvangen; sommigen hadden een dergelijk boek, dat zij +weder van anderen hadden overgeschreven en het werd ook aan mij, als +vriend, geleend. Het grootste gedeelte van dit geheimzinnig schrift +kon ik niet lezen, en wat ik er van lezen kon, kwam mij voor, meest +onzin te zijn. Getrouw aan mijne belofte, om den schat van kennis, +die in hun geschrift lag opgesloten, aan geen ander mede te deelen, +gaf ik het geleende onder dankbetuiging terug, weinig voldaan met +hetgeen ik daardoor geleerd had. Ten slotte ontving ik den raad nog, +mij alleen op geschreven boeken te verlaten; want dat al wat over de +bijen gedrukt was, niet deugde. In strijd met dezen raad, zocht ik +naar eene handleiding. + +Een der eerste werken, die mij in de handen kwamen, was: "Nieuwe +leerwijze omtrent de bijen en derzelver zoogenaamde magazijnenteelt, +door Rijkend Jakob Brouwer, 1809." Naar aanleiding hiervan, liet ik +mij magazijnkastjes maken, welke mij in het gebruik echter niet best +bevielen. De leerwijze van voornoemd werk beviel mij evenmin, als die +uit de drie bekroonde verhandelingen over de bijenteelt, uitgegeven +door de maatschappij ter bevordering van den landbouw te Amsterdam. + +Het zag er dus met mijne bijenteelt in den beginne zeer treurig uit, +en de gedachte was mij niet vreemd, haar weder te laten varen, daar het +mij niet aanstond in den blinde te moeten voortwerken.--Toch wilde ik +nog beproeven of er niet eene leerwijze, gegrond op eigene ervaring, +te bekomen zou zijn; want al, wat mij tot dien tijd ten dienste stond, +was meestal geschreven door mannen, die hunne kennis niet aan de bron, +den bijenstok zelven, hadden opgedaan, en om over eene zaak met grond +te kunnen schrijven en anderen te leeren, moet men er zich zelf op +hebben toegelegd. + +De heer R. J. Brouwer wendde zich reeds in 1809 naar +Duitschland. Daaruit meende ik te mogen afleiden, dat het vak destijds +daar reeds met meer belangstelling behandeld werd, dan bij ons. Ik +wilde beproeven of dit nog zoo was, en mijne verwachting werd nu +niet teleurgesteld. Dáár was men in de laatste jaren, op het gebied +der bijenteelt, met reuzenschreden vooruitgegaan, en mannen van +bekenden naam en verdienste achtten het dáár niet beneden zich, er +hunne belangstelling en zorg aan te wijden. Zoo b. v. Von Siebold, +Professor te Munchen; Doctor R. Leuckart, Professor te Giessen; baron +August von Berlepsch, op het ridderslot Seebach, bij Langensaltz +in Thuringen, en meer anderen, waaronder een aantal geestelijken en +onderwijzers der jeugd. + +Schriftelijk wendde ik mij tot Von Berlepsch, die zich uitsluitend +met de bijenteelt bezighoudt, en dit alleen doet uit liefde voor de +zaak, daar hij een zeer vermogend man is. Spoedig ontving ik een +vriendelijk antwoord, waarin hij mij met de groote, in de laatste +jaren in Duitschland gemaakte, vorderingen bekend maakte, welke +hoofdzakelijk het gevolg waren van eene nieuwe soort van bijenwoningen, +door Dzierzon, Predikant te Carlsmarkt in Silezië, uitgevonden, en in +1845 door hem algemeen bekend gemaakt. In deze woningen kan men het +werk der bijen, even als de bladen van een boek, openslaan en haar +leven en zijn op het naauwkeurigst gadeslaan. Door de toezending van +eene zoodanige woning, stelde hij mij tevens in staat, mij van hare +doelmatigheid te overtuigen. + +Van toen af herleefde mijn lust in de bijen, en is mij tot heden +bijgebleven. Het is mijne dagelijksche bezigheid, zoowel theoretisch +als praktisch, hierin op de tegenwoordige hoogte te komen, en ik +geloof dat deze poging niet geheel vruchteloos zal zijn; tot heden +vond ik echter tot mijn leedwezen hier te lande geen bijenkweekers, die +belang in de zaak stelden en lust hadden haar met mij te beoefenen. En +toch is zij die belangstelling overwaardig; want, in de wonderbare +huishouding van deze kleine dieren, ziet men zoo vele blijken van +de Almagt van Hem, die alles uit niets te voorschijn riep, dat hij, +die geen te koud opmerker is, gedrongen wordt de grootheid van den +Schepper, in Zijne schepselen te erkennen. + +Onbekendheid met den aard van en vrees voor de bijen zijn zeker de +hoofdredenen, waarom men er hier te lande zoo weinig acht op slaat; +de wijze, waarop de bijenteelt hier tot heden werd beoefend, heeft +ook weinig aantrekkelijks. Werken op goed geluk alleen, kan toch +den geest niet bevredigen. Toegerust met de kennis van de natuur en +de huishouding der bijen, voorzien van de nieuwe woningen en bekend +met haar gebruik, zal men in de bijenteelt eene aangename bezigheid +vinden en ook in de slechtste jaren ten minste zooveel honig winnen, +dat men de rente van zijn kapitaal ruimschoots vergoed vindt. + +Teregt zeide Von Ehrenfels: "de bijenteelt is de poëzij van +het landleven." Hoe velen, die landhuizen bewonen, zouden dit +moeten toestemmen, wanneer zij, door op hunne buitengoederen eene +plaats aan een bijenstand te gunnen, voor altijd de dikwerf daar +heerschende eentoonigheid verdreven. Daardoor zou dan tevens op eigen +grond verzameld worden, wat thans jaarlijks groote sommen naar het +buitenland voert; en zij, die de voordeelen niet voor zich behoefden, +zouden, behalve het genot dat hun het bijenkweeken zou verschaffen, +nog in staat zijn, door hun toedoen en zonder geldelijke opoffering, +een gezin het onderhoud te doen vinden. Ook voor den veldarbeider +zou het van belang zijn eenige stokken te bezitten, die hem jaarlijks +voordeel konden aanbrengen, zonder dat hij er veel voor zou behoeven +te verzuimen; want de nieuwe wijze van behandeling kan zoodanig worden +ingerigt, dat zij weinig tijd vereischt. + +In de naburige Duitsche staten acht men de bijenteelt van zooveel +gewigt, dat de hooge regeringen haar, door het uitloven van premiën +aan de best bezette standen, zooveel mogelijk bevorderen. Zou het ook +voor ons land niet van belang zijn, dezen tak van nijverheid op een +hooger standpunt te brengen, door het algemeen er meer opmerkzaam +op, en meer bekend mede te doen worden? Zou het daartoe niet goed +zijn, aan eenige landbouwkundige inrigting in ons land, een rationeel +behandelden bijenstand te hebben, en den aldaar aanwezigen kweekelingen +theoretisch en praktisch onderwijs in dat vak te doen geven? + +Daar er in onze taal geene handleiding bestaat, die op de hoogte van +den tegenwoordigen tijd is, en velen of niet bekend zijn met de werken, +die het buitenland oplevert, of de taal niet genoeg magtig, om die +duidelijk te bevatten, zoo heb ik mij voorgenomen in deze behoefte, +naar vermogen, te voorzien. Daar echter geen roem- of winzucht mij +aanspoort, zoo hoop ik dat men, bij de beoordeeling van mijn werk, +steeds in het oog zal houden, dat de liefde tot de bijenteelt en de +zucht om haar zooveel mogelijk te bevorderen, door anderen bekend te +maken, met wat mij bij ondervinding gebleken is goed en waar te zijn, +de eenige drijfveren zijn, die mij hebben doen besluiten deze bladen +het licht te doen zien. + +Ik zal voornamelijk mededeelen, wat ik van de opgaven van anderen, +door eigen onderzoek, bewaarheid heb gevonden; slechts weinige zaken +zullen geheel van mij zelven zijn, en nu en dan zal ik mij veroorloven +ook datgene mede te deelen, wat mij door vertrouwde vrienden voor +waarheid is opgegeven; het geheel zal blijken geene nietswaardige +fabelen of geheimen te bevatten, zijnde het alleen gegrond op de +natuurlijke huishouding der bijen: slechts van zoodanige behandeling +mag men goede gevolgen verwachten; want geenerlei kunstmatige bewerking +kan goed slagen, wanneer zij met de natuur in strijd is. + +Voor het theoretisch gedeelte zal ik voornamelijk Dzierzon volgen, +die in de laatste jaren, bij het gebruik van zijne woningen, +volgens zijne daarin gedane ontdekkingen, zijne nieuwe theorie +zamenstelde. Deze vond, even als zijne woningen, aanvankelijk veel +tegenstand, doch het aantal navolgers neemt thans aanhoudend toe. Op +de wereldtentoonstelling te Parijs was eene Dzierzon'sche bijenwoning +tentoongesteld, die met de medaille der tweede klasse werd bekroond, +vergezeld van een brief van den volgenden inhoud: + + + "Monsieur! + + "La commission, nommée par l'académie nationale pour examiner + les produits les plus remarquables de l'exposition universelle, + a particulièrement fixé son attention sur vos ruches pour + observer le travail des abeilles. + + "Nous pensons rendre justice a votre mérite en vous appelant à + partager nos travaux et en vous offrant le titre de membre de + notre assemblée. + + "L'extrait de nos statuts, consigné en marge de cette lettre, + vous donnera les renseignements les plus nécessaires, sur le but + de l'institution qui vous ouvre ses rangs. + + "Votre adhésion nous sera fort précieuse; recevez l'assurance + de notre haute considération. + + + "Le Président de l'académie nationale." + + +Eerst zal ik de natuurlijke geschiedenis en dan de teelt der bijen +behandelen. Men moet echter niet verwachten dat ik mij angstvallig +aan die verdeeling zal houden. Ik zal mij zoowel veroorloven, om in +de eerste afdeeling eenige practische bijzonderheden mede te deelen, +als dat ik in de tweede nog veel over de natuur der bijen, vooral +over haar leven in den winter, zeggen zal. Ik zal beginnen met een +enkel woord te spreken over de verdeeling der landstreken en over +het zoogenaamd bijengeluk. + + + +De landstreken, waar de bijenteelt wordt uitgeoefend, verdeelt +men gewoonlijk in honigrijke en honigarme streken. Honigrijk wordt +eene streek genoemd, waar de bijen reeds in het vroege voorjaar iets +vinden, en die haar daarna gelegenheid geeft ruime voorjaarsbloemen, +zoo als de zaadbloem en die der vruchtboomen, te bevliegen, terwijl +zij daartoe des zomers de boekweit, de lindeboomen en de witte klaver, +en eindelijk in het najaar de heidebloem aanbiedt.--Honigarm noemt men +de zoodanige streken, waar de bloemen elkander niet geregeld opvolgen, +en de weide der bijen zich tot een korten tijd bepaalt, en soms eerst +laat begint; zoo zijn er in Noord-Braband vele streken, waar zij eerst +begint met de boekweit; op andere plaatsen vinden zij de zaadbloem +weder overvloedig, doch ook na deze weinig of niets meer. Het is +duidelijk dat men de behandeling van zijne bijen moet inrigten naar +de streek, waar men woont. Wat in de eene voordeelig was, zou dikwerf +in de andere verkeerd uitkomen, ja den eigenaar ten onder kunnen +brengen; doch zelden is eene streek zoo honigarm of men zal, met eene +behoorlijke kennis der bijen toegerust, bij eene goede behandeling, +zijne moeite beloond vinden. Het behoeft niet gezegd te worden dat, +wanneer men de bijen in eene honigrijke streek behandelt, als of +men in eene honigarme woonde, men daarmede altijd voordeeliger moet +uitkomen dan in de laatste het geval zou zijn; doch van de gunstiger +ligging gebruik makende, zal men de stokken reeds van honig voorzien +kunnen hebben, ja reeds natuurlijke en kunstzwermen kunnen bezitten, +terwijl in de andere nog aan geen zwermen te denken valt, en de bijen +soms zelfs nog gevoerd moeten worden. + +In ons land hebben de honigarme streken verreweg de overhand en zij, +die de bijenteelt als middel van bestaan uitoefenen, bezoeken daarom +met hunne korven telkens die streken, waar de bijen steeds ruimere +bloemvelden kunnen bevliegen dan in hun omtrek. Het in dit werk +gezegde, zal voornamelijk op honigarme streken van toepassing zijn. + + + +In ons land bestaat, even als in de meeste landen, het vooroordeel, +dat men, om voordeel van de bijenteelt te kunnen trekken, zoogenaamd +bijengeluk moet hebben. Zelden schrijft men den slechten uitslag aan +eigene onkunde, aan verkeerde behandeling toe; maar wijt hem meestal +aan gemis aan bijengeluk, en gaat soms zoover van te gelooven, dat +degene, die in zijne nabijheid er meer voorspoed mede heeft, dien +te danken heeft aan kunstgrepen en toovermiddelen, waardoor hij de +bijen zou dwingen honig te halen en was te bereiden, niet kunnende +gelooven, dat het gewaande toovermiddel alleen bestaat in de betere +behandeling. Den zoodanigen gaat het even als de buren van den kundigen +Claus. Deze had geluk en voorspoed met zijne bijen en zijn stand +vermeerderde van jaar tot jaar, terwijl zij niet vooruitgingen. Wanneer +de zijne reeds volop den kost hadden, ja voorraad oplegden, moesten zij +veeltijds de hunne nog met duur betaalden honig te hulp komen. Zijn +geluk ziende, zeiden zij hoofdschuddende en aan zijne toovermiddelen +denkende: "het gaat daar niet rigtig." Claus wist dit, en met hen +sprekende, zeide hij: "gij hebt regt, ik wend toovermiddelen aan +en ieder zal, en ook gij zult geluk hebben, na de goede aanwending +van mijne tovermiddelen." "Zij bestaan in drie spreuken, die ik u +gaarne wil mededeelen." Met belangstelling namen zij dat aanbod aan, +en hij deelde hun de volgende spreuken mede, waarin ik betuigen moet, +en alle deskundigen zullen mij dit toestemmen, dat alles bevat is, +wat een gunstig gevolg mag doen verwachten. + +Eerste of Diamanten Spreuk: Wilt gij met voordeel bijen kweeken, +laat u dan vooraf goed onderrigten, hoe zij leven, wat zij gaarne +hebben en wat zij schuwen, wat haar voor- en wat haar nadeelig is. + +Tweede of Gouden Spreuk: Alleen die stokken zijn nuttig, vruchtbaar +en bestand tegen de veranderingen van weersgesteldheid, die gezond +en volkrijk zijn. Ziekelijke en slecht bevolkte stokken brengen nooit +voordeel aan, maar gaan te gronde. + +Derde of Zilveren Spreuk: Verzorgt de bijen in den winter goed. + + + + + + + +I. NATUURLIJKE GESCHIEDENIS DER BIJEN. + + +De honigbij (Apis mellifica) behoort tot de vliesvleugelige, gekerfde +insecten, welke in groote hoeveelheden bij elkander leven. Zij doen +dit niet uit zucht tot gezelligheid, doch kunnen, alleen levende, +evenmin bestaan als zich voortplanten. Zoo als alle insecten zijn +het koudbloedige dieren, die echter, om te kunnen leven en tieren, +eene matige warmte behoeven van 55 tot 100 graden Fahrenheit. Bij een +warmtegraad van 50° F. en daar beneden, verstijven zij, en kunnen zich +niet meer bewegen. Heeft deze schijndood echter niet langer dan 48 uren +geduurd, zoo komen zij, in de warmte gebragt, weder geheel bij en zijn, +na een weinig laauwen, eenigzins verdunden honig gekregen te hebben, +weder gezond en geschikt voor hare gewone bezigheden. Doordringt de +vorst haar geheel, zoodat zij hard bevrozen zijn, dan komen zij, +hoewel in de warmte gebragt, niet meer tot het leven, ten minste +niet meer tot hare volle krachten terug, al bewogen zij zich nog +eenigzins. Zij zouden dus in onze luchtstreek niet kunnen leven, +indien zij niet in staat waren om in hare woningen den vereischten +warmtegraad te ontwikkelen; zij kunnen dit echter slechts wanneer +zij bij duizenden tot een digten tros vereenigd zijn. Zij wekken dan +de warmte op, door een aanhoudend beven met de vleugels, en door de +wrijving van hare ligchamen tegen elkander. De lucht, in de cellen +der wastafels besloten, en de haren van haar ligchaam doen van de +opgewekte warmte slechts weinig verloren gaan, daar beide haar +moeijelijk geleiden. Men zou dus een bijenzwerm, als een geheel +beschouwd, een warmbloedig dier kunnen noemen. Men kan de warmte, +die zij ontwikkelen, dagelijks waarnemen, door een thermometer +zoodanig in de woning te hangen, dat de kwikbol in het midden der +bijenmassa geplaatst is: ik zeg in het midden, omdat de warmtegraad +rondom de groep bijen tot op het vriespunt zou kunnen gedaald zijn, +terwijl hij in het midden nog meer dan 80° F. bedroeg. + +Een in ééne woning bijeenverzamelde zwerm bijen heet bijenkolonie, +bijenstok, of kortweg stok, welke benaming alleen betrekking heeft op +de groep bijen, niet op de woning, hetzij zij deze zelf hebben gekozen +in een hollen boom, spleet van een muur of elders, hetzij zij door den +mensch in eene woning van hout of stroo zijn gebragt. Zoo zegt men: +de stok vliegt, de stok is sterk of zwak, is afgestorven, heeft zijne +woning verlaten enz. De tot een stok vereenigde bijen noemt men ook +het volk, en spreekt dan van een volkrijken of volkarmen stok. + +Er zijn drie soorten van bijen, n. l. de moederbij of koningin, de +hommelbijen of mannetjes, ook meerels genoemd, en de werkbijen. In +gezonde stokken zijn de drie soorten slechts een gedeelte van het +jaar, gewoonlijk van het begin van Mei tot in Augustus, aanwezig; +want in deze worden de hommels eerst tegen de maand Mei aangekweekt, +en in het begin van Augustus niet meer noodig zijnde, door de werkbijen +uitgedreven of uitgehongerd. + +De vermeerdering van het aantal stokken of koloniën heeft plaats door +dat een gedeelte van het volk van een stok, de woning verlaat. Men +noemt dit zwermen, en de nieuwe stok, die er door ontstaat, heet +zwerm. Een zwerm is niet altijd even talrijk: er zijn er van 2000, +10000, 20000, ja soms nog meer bijen. [1] + + + + + +DE MOEDERBIJ OF KONINGIN. + + +De koningin verdient, als het hoofd van den geheelen stok, in de eerste +plaats door ons behandeld te worden. Gedurende hare tegenwoordigheid, +hebben alle werkzaamheden in den stok geregeld plaats; is zij echter +ziek geworden, of wat nog erger is, verloren gegaan of gestorven, dan +komt de geheele stok in onrust: verwarring, werkeloosheid en droefheid +heerschen daar, waar vroeger orde, vlijt en vreugde woonde! Het +getal neemt dan dagelijks door den dood af; want daar de koningin het +eenige, volkomen vrouwelijke wezen in den stok is, en zij alléén de +eijeren voor de drie soorten van bijen legt, zoo kunnen er bij haar +gemis geene aangekweekt worden, en gaat de geheele stok te gronde, +indien de werkbijen, door de aanwezigheid van eijeren of geschikt +broed, niet in staat zijn zich eene nieuwe regentes te verschaffen, +of indien de mensch er haar geene geven kan. + +Het is lang en door sommigen hevig bestreden, dat de koningin de +eijeren voor de drie soorten van bijen verschafte. Men wilde dat er +zoogenaamde "hommelmoeders" waren, die de eijeren voor de hommels +legden; doch dat de koningin de moeder van al de bijen is, werd in +1853 bewezen. Dzierzon zette in het begin van Mei eene Italiaansche +[2] koningin in eene, met onze gewone bijen bevolkte, woning. Na +verloop van eene maand zag men reeds werkbijen en spoedig daarna ook +hommels, van de Italiaansche soort, onder de andere. In het begin der +maand September zag men nog maar enkele gewone bijen in de woning; +de stok was geheel van Italiaansch ras geworden, en in den zomer was +er niet één inlandsche hommel in geweest.--Behalve de beslissing van +bovengenoemd geschil, werd nu ook tevens aangetoond, hoe kort het leven +der werkbijen is; dat der koningin is veel langer, daar het tot vijf +jaren kan opklimmen, hetgeen men beproeven kan door eene jonge, reeds +bevruchte koningin, door het korten der vleugels, kenbaar te maken. [3] + +De koningin is door hare gestalte, hare kleur en haar langzamen en +deftigen gang, gemakkelijk van de overige bijen te onderscheiden. De +kop is ronder, het borststuk breeder en het achterlijf loopt +spitser toe, dan bij de werkbijen; zij heeft even als de laatsten +zes beenen, welke echter merkelijk langer zijn, en vier vleugels, +die dezelfde lengte hebben, hoewel zij kleiner schijnen te zijn, +omdat het achterlijf, dat langer is, er onderuitsteekt. In den tijd +der sterkste eijerlage, van duizende eijeren zwanger gaande, vertoont +zij zich het langst; haar gang is dan het traagst en het vliegen haar +moeijelijk. Jonge, nog onbevruchte koninginnen loopen daarentegen +vlug en vliegen met gemak, zoodat men deze bij de behandeling meer +moet bewaken, wil men haar niet zien ontsnappen. De kleur is boven op +het ligchaam glanzend bruin, soms bijna zwart, terwijl het onderste +gedeelte en de beenen tot het gele overgaan. Het zal dus iemand, +die eens eene koningin gezien heeft, niet moeijelijk vallen haar +onder duizende werkbijen te herkennen. + +Inwendig bevinden zich de eijerstok, het bevruchtingsblaasje en de +angel. Van den angel bedient de koningin zich alleen tegen haars +gelijken, om zich van eene mededingster te bevrijden, of zich tegen +haar te verdedigen. + +De onverdraagzaamheid der koninginnen onderling is zeer +groot. Ontmoeten zij elkander, dan zullen zij, vooral in dat gedeelte +van het jaar, waarin de voortplanting het sterkst is, elkander +terstond aanvallen, en den strijd niet opgeven, voor dat eene der +partijen gedood is, waarbij de overblijvende ook soms, ten gevolge +van bekomen wonden, sterft of voor haar werk ongeschikt wordt, en +de stok, waartoe zij behoort, dus te gronde gaat. In den nazomer en +herfst, als de voortplantingsdrift sluimert, dulden zij soms elkanders +tegenwoordigheid. Er zijn toch voorbeelden, dat twee moederbijen in +één stok overwinterden; ook bij mij is dit eens voorgekomen. Met het +voorjaar houdt dit rustig zamenzijn op: eene der partijen moet dan +als offer vallen. Men kan van zulk een strijd getuige zijn, indien +men twee koninginnen onder een glas plaatst. + +Het verdient opmerking, dat, terwijl de werkbijen bij de minste +drukking steken, men de koningin ongestraft kan in de hand nemen, +drukken en plagen, zonder dat zij zich van haar wapen zal bedienen; +voorzeker in de bewustheid verkeerende dat het steken haar dood, +en deze den ondergang van den geheelen stok ten gevolge heeft; want +de angel moet, door de zich daaraan bevindende weêrhaken, in de wond +achterblijven. + +Sommigen meenen dat de koningin geene stem bezit. Zij heeft echter het +vermogen om geluid te geven.--Hoewel enkelen beweren ook de stem van +oude, bevruchte koninginnen gehoord te hebben, die er zich zeldzaam +van bedienen, zoo mogt het mij alleen gelukken, die van jonge, nog +onbevruchte te hooren, dat soms op een afstand van twee en meer +schreden mogelijk is.--In den zwermtijd, wanneer er soms tien en +meer jonge koninginnen in een stok gekweekt worden, hoort men er +somtijds in verscheidene stokken, gewoonlijk van het vallen van +den avond tot in den vroegen ochtend, gedurende een of meer dagen, +qua, qua roepen, terwijl andere wederom op een schellen toon thu, +thu antwoorden. Het doffe qua, qua, komt van jonge koninginnen, +die, hoewel volwassen zijnde, nog in de cel verblijven en deze niet +durven verlaten, uit vrees voor eene reeds uitgeloopen mededingster, +waarvan zij toch terstond een aanval zouden te vreezen hebben. Het +is dus zucht tot zelfbehoud, die haar in de cel doet blijven; zij +wil deze niet verlaten zonder zich verzekerd te hebben hoe het daar +buiten gaat. Berlepsch zegt daarom dat men haar qua, qua als eene +signaalsvraag kan beschouwen. Ontvangt zij daarop het schelle thu, +thu ten antwoord, dat eene jonge, de cel reeds verlaten hebbende +koningin doet hooren, dan blijft zij in hare cel terug; zoo niet, dan +verlaat zij die terstond, en wanneer zij dan nog andere qua, qua hoort +roepen, beantwoordt zij dit op hare beurt dadelijk met thu, thu. Verder +tracht zij, even als de eerst uitgeloopen en met den eersten nazwerm +afgevlogen koningin dit gedaan heeft, alle moederwiegen op te zoeken, +en de daarin aanwezige mededingsters te dooden. Wanneer de werkbijen +echter nog aan zwermen denken, dan verhinderen zij haar hierin, door de +cellen te omsingelen en zoo elken aanval af te weren. De in de cellen +opgesloten moederbijen voeren zij dan met den snuit door eene kleine +opening, die zoowel daartoe, als tot toetreding der lucht, in de cel +gelaten is. Wordt er daarentegen door de werkbijen aan geen verder +zwermen gedacht, dan laten zij het toe, dat de uitgeloopen koningin +de nog gesloten moedercellen opzoekt en de daarin aanwezigen doodt. + +Sommigen meenen dat het doffe qua, qua van de overjarige, reeds +bevruchte koningin komt, dat echter niet mogelijk is, omdat deze den +stok altijd, eenige dagen voor het uitloopen der jonge moederbijen, met +den voorzwerm verlaat.--Wij moeten de zorg van den Schepper, voor de +instandhouding van het geschapene, hier weder in opmerken, dat Hij de +oude koningin als het ware de bewustheid schonk, dat zij niet bestand +zou zijn tegen een gevecht met een jonge, veel vluggere mededingster. + +Hoort men in een stok, waarvan de voorzwerm is afgevlogen, geene +thutoonen meer, dan kan men verzekerd zijn dat er maar ééne jonge +moederbij aanwezig, en dus geen nazwerm te wachten is; daarentegen +kan men het als een zeker teeken beschouwen, dat men binnen drie +dagen van een stok een zwerm te wachten heeft, wanneer daarin het +thuten der hare cel verlaten hebbende koningin gehoord wordt, en +het weder, gebrek aan honig of te weinig volk dit niet beletten. Bij +deze zwermen bevinden zich gewoonlijk verscheidene koninginnen: ik +heb er eens een gehad waarin er tien waren. De oorzaak hiervan moet +daarin gezocht worden, dat wanneer de eenige thutende moederbij met +den zwerm afgaat, de overige gevangen gehoudene van de verwarring en +een onbewaakt oogenblik gebruik maken, om hare gevangenis te verlaten +en met den zwerm mede te gaan. + +Soms worden van deze overtollige moederbijen, terstond op de +zwermplaats, reeds eenige afgemaakt; meestal vindt men haar echter +den volgenden morgen dood liggen, voor het vlieggat of op den bodem +van de woning, waarin men den zwerm gevangen heeft. Gewoonlijk wordt +de eerst uitgeloopen koningin algemeen als heerscheres verkozen. Niet +zelden gebeurt het echter ook, dat zij verscheidene partijen vormen, +die elk eene vorstin kiezen, in welk geval zij weder allen uit de +woning zwermen, en zich, meestal in afzonderlijke deelen, buiten +aanzetten. Men moet haar dan weder opvangen, en zet de woning, om +verdere moeite voor te komen, met een zoogenaamd bijenkleed gesloten, +gedurende 24 uren op eene donkere plaats; zij zullen dan meest altijd +de overtollige koninginnen dooden en in de woning blijven. + +Het verdient opmerking dat de bijen niet alleen allen hare koningin, +maar ook elkander onderling herkennen. Eene bij, op een vreemden stok +komende, is meest altijd een kind des doods. Men veronderstelt dat +elke koningin een eigenaardigen reuk van zich geeft, die zich aan de +overige bijen mededeelt, en deze daardoor in staat stelt elkander +te herkennen. Dat de reuk werkelijk bij de bijen sterk ontwikkeld +is, bleek mij uit de volgende gebeurtenis. Bij het opvangen van een +nazwerm, zag ik overtollige koninginnen, en drukte er eene, die mij +op de hand vloog, dood en liet haar op den grond vallen. Later vond +ik deze doode koningin met eene menigte bijen bedekt; na deze verjaagd +te hebben, vertrad ik de doode geheel en wreef haar zoo door het zand +dat er niets meer van zigtbaar was. Eenigen tijd daarna zaten er weder +bijen en wel in eene streep, die mijn voet moet beschreven hebben; +deze vereeniging kon moeijelijk anders dan op den reuk plaats hebben. + +Tegen den zwermtijd beginnen de werkbijen, die alleen voor de +aankweeking der drie soorten van bijen zorgen, moedercellen aan +te leggen. Zij schijnen reeds vooruit te begrijpen dat tegen het +tijdstip, dat de natuur voor de vermeerdering van het aantal stokken +bestemd heeft, hare woning te klein en te warm wordt, om haar allen +te bevatten, en voorzien, daar zij zonder vorstin den stok niet +kunnen verlaten en omdat deze, zonder regentes achterblijvende, te +gronde zou moeten gaan, in tijds in deze behoefte, door aan de randen +der wastafels en daar, waar tusschen deze eene opening is gelaten, +moeder-wiegen of cellen aan te leggen. In elke dezer cellen, die +aanvankelijk de gedaante van een napje hebben en veel gelijken op den +dop, waarin de eikel aan den boom hangt, legt de moederbij een ei, +waarna zij door de werkbijen, die de eijeren tevens bebroeijen, +tot volkomen moederwiegen of zwermcellen worden opgebouwd. Is +echter de koningin op deze of gene wijze verloren gegaan, hetgeen +de werkbijen terstond ontdekken, dan kiezen zij eene werkbijencel, +waarin eene geschikte made aanwezig is, onverschillig waar zij deze +vinden, om zich daaruit eene nieuwe koningin te verschaffen, waarom +men deze moedercellen, die men hulpcellen of cellen, aangelegd na +de ontdekking der moederloosheid, noemt, meestal in het midden der +wastafels aantreft. + +Door het aanleggen van hulpcellen toonen de bijen bewust te zijn van +de onmogelijkheid, om in hare gereed gemaakte moederwiegen eijeren +te verkrijgen, nu de moederbij niet meer aanwezig is; men heeft tot +heden nog niet kunnen ontdekken of de bijen in staat zijn een ei van +de eene cel in de andere te dragen; de genomen proeven schijnen zelfs +het tegendeel te bewijzen. + +Daar eene moedercel wijder en langer moet zijn dan die der werkbijen, +zoo moeten zij bij het aanleggen van hulpcellen meestal verscheidene, +met eijeren of maden bezette werkbijencellen uitbreken; zij kiezen +echter de plaats voor hulpcellen altijd zoo, dat zij zoo weinig +mogelijk behoeven te vernietigen. + +De stand der werkbijencellen is nagenoeg horizontaal, slechts een +weinig naar boven staande, waarschijnlijk om het uitvloeijen van den +ingedragen honig te beletten. De moederwiegen hangen daarentegen naar +beneden. De hulpcellen worden daarom eerst een weinig naar voren, +en dan verder naar beneden afgebouwd. + +De cellen der koninginnen zijn veel grooter en zwaarder van was, +dan die der werkbijen: eene der eerste weegt soms meer dan honderd +van de laatste. De hulpcellen zijn wegens hare gewrongen gedaante +dikwijls nog grooter en zwaarder. + +De gebruikte moedercellen breken de bijen gewoonlijk weder tot op +den grond van het napje af, waarschijnlijk om het was weder op andere +plaatsen aan te wenden. + +In het midden der vorige eeuw werd door Schirach, een geestelijke +te Klein-Bautzen in Duitschland, opgemerkt, dat de bijen uit elke +werkbijenmade, mits niet ouder dan vier dagen zijnde, nog eene koningin +konden aankweeken, door de cel te vergrooten en deze made overvloedig +van krachtiger voederpap dan de overige te voorzien. In de laatste +jaren heeft men vele proeven genomen om deze zaak te onderzoeken, +en het is gebleken dat de bijen, tot het aankweeken van koninginnen, +nog oudere maden kunnen gebruiken, en wel zoolang als de cel nog niet +met haar gewoon wasdeksel is gesloten geworden. + +Wanneer de bijen koninginnen willen aankweeken, hetzij om aan den +zwermlust te voldoen, hetzij omdat zij genoodzaakt zijn door een +toevallig verlies der moederbij, tot hulpwiegen hare toevlugt te +nemen, zoo vergenoegen zij zich niet met eene enkele, maar leggen +verschillende cellen daartoe aan om, ingeval van mislukking van enkele, +toch in hare behoefte te kunnen voorzien. Zetten zij moederwiegen aan, +dan doen zij dit verscheidene dagen achtereen, opdat de moederbijen +niet tegelijk volwassen zijn zouden; vandaar dat het nazwermen zoo +vele dagen achter elkander kan plaats hebben.--De hulpcellen leggen +zij gewoonlijk alle, den dag, waarop zij de moederloosheid ontdekt +hebben, of den daarop volgenden nacht aan; zulk een stok zal meestal +niet zwermen, maar zoodra ééne moederbij is uitgeloopen, zullen de +bijen de overige afmaken, indien hij echter nog een zwerm geeft, +dan is dit gewoonlijk na 12 à 14 dagen. + +Over de bevruchting der moederbijen heerschen de uiteenloopendste +denkbeelden. De een zegt dat de jonge koningin herhaalde malen moet +bevrucht worden; de ander dat er geene bevruchting noodig is, doch +dat eene nu en dan herhaalde vlugt den eijerstok moet ontwikkelen; +deze meent dat de bevruchting slechts in de open lucht, gene dat zij +ook in den stok kan plaats hebben; sommigen willen eindelijk dat +de koningin twee eijerstokken zou hebben, een voor vrouwelijke en +een voor mannelijke eijeren. Er is nog altijd strijd over de wijze, +waarop de voortplanting eigenlijk plaats heeft, hoewel dit thans +op de duidelijkste wijze aan het licht gebragt is. Het is dan ook +alleen volstrekte lust tot tegenspreken, of onwil om de waarheid +te erkennen, waar men zijne eigene verkeerde denkbeelden zou moeten +opofferen, die den strijd over dit punt doet voortduren. Alles mede +te deelen, wat over dit onderwerp gezegd is, ligt buiten mijn bestek; +den belangstellenden verwijs ik naar de werken van Leuckart, Von +Siebold, Berlepsch en Dzierzon. Voor eenige jaren trad de laatste +met de volgende, door de ondervinding bewezen theorie op: "De jonge +koningin moet eens bevrucht worden, hetgeen in de lucht plaats heeft, +om beide, mannelijke en vrouwelijke eijeren te kunnen leggen; tot het +eerste is echter geene bevruchting noodig. De eijerstok wordt niet +bevrucht, doch bij de paring vult zich een zeker blaasje, zaadblaasje +genoemd, dat vóór de paring bijna ledig is, slechts eenig waterhelder +vocht bevattende, met een melkachtig vocht, zaadvocht geheeten, welk +vocht nu voldoende is om al de eijeren, welke de koningin gedurende +haar geheele leven legt, tot vrouwelijke eijeren te bevruchten." De +waarheid van deze theorie wordt door de volgende daadzaken bevestigd, +zooals ieder dat zal kunnen onderzoeken. + +Verminkt men eene jonge, pas bevruchte koningin de vleugels, zoodat +zij niet meer vliegen kan, zoo zal zij nogtans haar geheele leven +vruchtbaar blijven. Dat er in den stok geene bevruchting plaats +heeft, wordt aangetoond, wanneer men een kunstzwerm maakt met eene +jonge nog onbevruchte koningin, die men het vliegen onmogelijk maakt; +men zal in zoodanigen stok, indien de koningin eijeren legt, dat in +het eerste jaar zelden, doch in het daaropvolgend voorjaar gewoonlijk +plaats heeft, uit de eijeren alleen hommels zien ontstaan. Men moet in +zulk een stok, die uit zich zelven niet bevolkt kan blijven, nu en dan +eene tafel met broed uit andere stokken hangen; tegen den winter moet +men ook bijen toevoegen, anders kan hij toch het voorjaar niet beleven. + +Hoe zou de koningin het ook in den stok kunnen uithouden, wanneer +daar de bevruchting plaats had, daar zij er soms in omgeven is door +honderde hommels? Men ziet dan ook de jonge koningin, nadat zij de +alleenheerschappij in den stok bekomen heeft, op het heetst van den +dag, gewoonlijk tusschen twaalf en twee uren, uit de woning vliegen, +die, in den omtrek rond vliegende en steeds het vlieggat in het +oog houdende, goed beschouwen en dan meestal weder binnen gaan, +waarschijnlijk om haar goed te leeren kennen. Gewoonlijk komt zij +dan terstond terug en begeeft zich gedurende een kwartier tot een +uur in de lucht. Heeft nu de paring plaats gehad, dan vliegt zij niet +meer uit, doch herhaalt, in het tegenovergestelde geval, hare vlugt +een of meer dagen, om eenmaal bevrucht zijnde, de woning niet meer +te verlaten. Zij doet geene reinigings-uitvlugten en houdt ook geen +zoogenaamd voorspel als de andere bijen. Hare uitwerpselen kunnen de +woning niet verontreinigen, daar zij slechts in een dun geelachtig +vocht bestaan, dat de werkbijen gretig opzuigen; daarenboven eet +zij niets dan zuiveren honig, en in den tijd der broedaanzetting +hoofdzakelijk voederbrij, dien de werkbijen haar met den snuit +toereiken. + +Als bewijs dat de koningin slechts eens of enkele malen uitvliegt, +tot dat de bevruchting heeft plaats gehad, kan ook dienen, dat als men +eene bevruchte, overjarige koningin in eene andere woning overplaatst, +en zij onder de bewerking komt te ontvliegen, zij weder naar die plaats +terugvliegt, van waar zij is uitgevlogen om bevrucht te worden, al +was zij reeds een jaar in de nieuwe woning geweest, en al had zij op +eene andere plaats gestaan dan waarvan zij de bevruchtings-uitvlugt +had gehouden; zij heeft dus deze nieuwe standplaats niet leeren +kennen. Behalve voor de bevruchting, verlaat de koningin de woning +eens in het jaar, om met den voorzwerm af te gaan. De woning, waarin +men haar dan plaatst, verlaat zij niet voor het volgende jaar, om +weder met den voorzwerm af te gaan. + +Den meesten tegenstand ondervond Dzierzon's bewering dat de eijeren, +waaruit de hommels of mannelijke bijen voortkomen, geene bevruchting +behoeven; dat onbevruchte of mannelijke eijeren woorden van eene +beteekenis zijn, daar alle eijeren oorspronkelijk van het mannelijk +geslacht zijn, doch, voorbij het zaadblaasje gaande, de kiem ontvangen +om vrouwelijke bijen te vormen. Men kreet hem uit voor iemand, die +stellingen wilde opperen, die tegen al wat de ondervinding dagelijks +leert, aandruischten, zeggende: "Zonder bevruchting kan geen leven +ontstaan." Dzierzon geeft tot bevestiging van zijne stelling op, dat +als men jonge moederbijen, die nog geen bevruchtings-uitvlugt gehouden +hebben, opent en onder het microscoop beschouwt, men het zaadblaasje +altijd ledig zal vinden, terwijl dit, na de paring, met het genoemde +zaadvocht zal gevuld zijn. Daar er nu soms koninginnen voorkomen, die +van hare geboorte af een gebrek aan de vleugels hebben, dat haar het +vliegen belet, zoo kunnen deze niet bevrucht worden; eveneens blijven +die koninginnen onbevrucht, die op een tijd geboren worden, dat er +geene hommels in den stok zijn, terwijl later, wanneer deze aanwezig +zijn, de tijd der bevruchting voor haar voorbij is. Van zoodanige +koninginnen verkrijgt men het volgende jaar gewoonlijk toch eijeren, +waaruit bijen voortkomen, die echter allen van het mannelijk geslacht +zijn. Een stok, waarin zich dit voordoet, noemt men hommelbroedig en +hij gaat te gronde, daar de hommels leven ten koste van den voorraad, +dien de werkbijen inzamelen, en deze laatste dagelijks door den dood +wegvallen, zoodat er eindelijk alleen hommels overblijven, die van +gebrek omkomen. Worden de koninginnen uit zoodanige stokken onder het +microscoop beschouwd, zoo vindt men steeds het zaadblaasje ledig, dat +bij moederbijen, in den normalen staat, nooit plaats heeft. Somtijds +ziet men ook dat koninginnen, die steeds eijeren van beiderlei geslacht +gelegd hebben, hiermede ophouden en alleen eijeren van het mannelijk +geslacht verschaffen. Zij geven zich wel moeite om eijeren van het +vrouwelijk geslacht te leggen, en bezetten ook al de werkbijencellen +met eijeren, doch er komen niets dan hommels van, die, omdat zij in +cellen gekweekt zijn, die niet tot hunne vorming geschikt waren, van +een kleineren ligchaamsbouw zijn dan de overige. Ook bij zoodanige +koninginnen vindt men bij de ontleding het bevruchtingsblaasje ledig: +dit is dus uitgeput. + +Het bovengezegde mag in strijd zijn met wat wij dagelijks waarnemen, +omtrent de voortplanting van het dierenrijk, toch heeft men ontdekt +dat er meer insecten zijn, die zonder bevruchting eijeren leggen, +waaruit levende jongen voortkomen. + +Von Siebold heeft in 1856 verscheidene bevruchte en onbevruchte +koninginnen onderzocht, en de Dzierzon'sche theorie bewaarheid +gevonden, waarover hij eene uitvoerige verhandeling heeft in het licht +gegeven. De naam van Dzierzon zal dan ook niet in vergetelheid geraken, +daar het licht, door hem op het gebied der bijenteelt ontstoken, zoowel +door zijne hommeltheorie als door de woningen van zijne vinding, dezen +tak van nijverheid eene belangrijke schrede heeft doen vooruitgaan. + +Ik moet hier nog opmerken, dat eene bevruchte koningin door de +bijen hooggeschat wordt. Vervangt men in een stok eene bevruchte +koningin door eene onbevruchte, zoo zullen de werkbijen deze +aanvallen en dooden, terwijl zij, in het tegenovergestelde geval, de +nieuwe moederbij met vreugde zullen ontvangen. Bij het omzetten van +stokken is dit van veel belang: zet men er een, die eene bevruchte +koningin heeft, op de plaats van een, die eene onbevruchte heeft, +zoo zullen de te huis komende bijen met den ruil zeer te vreden zijn; +zet men echter den laatsten op de plaats van den eersten, dan zullen +de te huis komende bijen, die eene bevruchte moederbij verlieten, +en nu eene onbevruchte vinden, haar aanvallen en dooden, waardoor +de stok moederloos wordt. Het omzetten van stokken, dat soms zoo +onbezorgd gedaan wordt, gaat dan ook met groot gevaar verzeld en het +onbedachtzaam verplaatsen moet ik daarom ten sterkste afraden. + +Hoewel het ons onbekend is, of er dieren zijn, die weten van welk +geslacht zij jongen zullen voortbrengen, zoo moet dit bij de moederbij +toch het geval zijn: daar tot de uitbroeijing en ontwikkeling van +mannelijke en vrouwelijke bijen, cellen van onderscheidene grootte +vereischt worden, zoo moet zij het geslacht der eijeren kunnen bepalen, +naar de cellen welke zij er mede bezet. + +Opmerkelijk is het, dat de koningin, hoewel zij het meest ontwikkelde +wezen in den stok is, nogtans den minsten tijd tot hare vorming +behoeft. Zij heeft, gerekend van het leggen van het ei, 16 à 17 dagen +voor hare ontwikkeling noodig, terwijl de werkbijen eerst den 20sten of +21sten en de hommels meestal den 22sten of 23sten dag de cel verlaten. + +Men moet verbaasd staan over het ontzettend voortteelend vermogen, +dat de koningin bezit. Zij is toch in staat om in den tijd der +sterkste eijerlage, die in de maanden Mei en Junij invalt, in 24 +uren, van 1500 tot 3000 eijeren te leggen. Hoe ongeloofelijk dit +schijnen mag, men kan er zich van overtuigen door de wastafels +uit het broednest te nemen, en dit den volgenden dag te herhalen, +daarbij nagaande hoeveel cellen in dien tijd zijn bezet geworden, +hetgeen gemakkelijk geschieden kan, omdat de moederbij de tafels, en +van elke tafel de cellen, geregeld met eijeren bezet, zonder er eene +over te slaan. Daar nu 25 cellen een vierkanten Rhijnlandschen duim +[4] beslaan, zoo zal het aantal in eene tafel van 6 duim breed en 11 +lang, aan beide zijden evenveel cellen bevattende, 3300 bedragen; +men behoeft dus de met eijeren bezette cellen slechts twee dagen +achter elkander te meten om het aantal eijeren, in 24 uren gelegd, +te leeren kennen. Hoewel de voortteeling verbazend groot genoemd mag +worden, zoo is ook het dagelijksch verlies groot, daar de werkbijen +zich, in den tijd der drukste dragt, veel afmatten en dikwerf op +het veld terug blijven, terwijl ook velen door wind of regen worden +neêrgeslagen, door vogels verslonden of in het spinnenweb gevangen. + +Laat ons thans van de beschrijving der moederbij afstappen; ik heb mij +daarmede lang moeten bezighouden, omdat hare grondige kennis het eenig +rigtsnoer is, om in de bijenteelt wel te slagen. Wie met de natuur +der moederbij goed bekend is, zal zelden mistasten, terwijl hij, +die er een verkeerd begrip van heeft, op goed geluk moet werken. + + + + + +DE HOMMELS OF MANNETJES-BIJEN. + + +Zoo als boven reeds gezegd is, ontstaan de hommels uit eijeren, +door de koningin gelegd, en hebben zij, na het leggen van het ei, +22 à 23 dagen, en dus van de drie soorten van bijen den meesten +tijd, tot hunne ontwikkeling noodig. Zij zijn op het eerste gezigt +van de werkbijen en de koningin te onderkennen, aan hun grooteren en +plomperen ligchaamsbouw. De kop is grooter en ronder, de snuit korter, +het borststuk sterker, het achterlijf langer en aan het einde meer +afgerond dan bij de werkbijen. De vleugels zijn breeder en iets langer, +ook zijn zij over het geheele ligchaam sterker behaard en missen de +schopjes en borsteltjes, die men aan de achterbeenen der werkbijen +vindt. Hun uiterlijk aanzien is veel minder bevallig, dan dat van de +statige moederbij of de kleine en zeer vlugge werkbij. Zij hebben een +slependen gang en vliegen moeijelijk op, doch, eenmaal in de vlugt +zijnde, kunnen zij de lucht pijlsnel doorklieven. Zij hebben geen +angel, en kunnen dus zonder eenige vrees worden aangevat.--Wanneer zij +in den omtrek der stokken rondvliegen, kan men hen terstond herkennen +aan het sterke geluid, dat de beweging van hunne vleugels veroorzaakt, +en aan het laten afhangen van hunne lange achterbeenen. Als zij op +een warmen dag in grooten getale aanwezig zijn, kunnen zij de lucht +als het ware doen dreunen, door de beweging van hunne vleugels. Dit +eigenaardige geluid, dat zij verwekken, heeft hun ook den naam van +muzikanten doen verkrijgen, en sommigen verkeeren zelfs in de stellige +meening, dat zij voornamelijk tegenwoordig zijn, om door hunne muzijk +den arbeid der werkbijen te verligten; anderen beschouwen hen als +misgeboorten en schuimloopers, die zich in ledigheid voeden van +het door de werkbijen ingezamelde; doch daar de werkbijen zelven +de cellen voor de hommels aanleggen en de door de koningin daarin +gelegde eijeren uitbroeijen, zoo moeten zij wel degelijk als leden +van hetzelfde gezin beschouwd worden. + +Het geslacht en de bestemming van deze bijensoort hebben steeds +aanleiding tot een ernstigen pennestrijd gegeven. Men scheen liever +zijn eenmaal aangenomen gevoelen vol te houden, dan de waarheid +te zoeken; want voor hen, die met de ontleedkunde bekend, en van +vergrootingswerktuigen voorzien zijn, is het niet moeijelijk de +mannelijke geslachtsdeelen bij hen te onderkennen. Had men slechts +gelezen wat door Swammerdam [5] en Reaumur [6] over het geslacht der +bijen geleerd wordt, en de bij hunne werken gevoegde afbeeldingen +beschouwd, de bestaande onzekerheid zou spoedig opgeheven geweest +zijn; want beide toonden aan: "dat de koningin het eenig volkomen +ontwikkeld vrouwelijk wezen in den stok is; dat ook de werkbijen tot +het vrouwelijk geslacht behooren, maar in cellen ontstaan, die te +klein zijn om hare geslachtsdeelen geheel te doen ontwikkelen; en dat +eindelijk de grootere of hommelbijen van het mannelijk geslacht zijn, +daar zij duidelijk te herkennen, mannelijke geslachtsdeelen hebben." + +Waarschijnlijk stelden de bijenhouders niet genoeg vertrouwen in de +bekwaamheden van deskundigen, om het geslacht der bijen te kunnen +bepalen.--Ieder behield ten minste zijne eigene denkbeelden over de +huishouding der bijen en wilde onveranderd staande houden, dat deze +alleen waarheid bevatten. Hierdoor bleef de strijd bestaan, totdat +nu in de laatste jaren de bijenteelt in Duitschland met zooveel +inspanning en wezenlijke belangstelling werd uitgeoefend, men zich +daar niet alleen bepaalde tot het gewin, maar ook de natuurlijke +huishouding der bijen grondig wenschte te leeren kennen. Het was +voornamelijk door de stelling van Dzierzon: "De hommels zijn volkomen +mannelijke bijen, die alleen dienen ter bevruchting van de koningin; +hommeleijeren behoeven geene bevruchting, zoodat onbevruchte en +hommeleijeren woorden van ééne beteekenis zijn,"--dat onderscheidene +geleerden werden aangespoord, om zich met een naauwkeurig onderzoek +van dit punt bezig te houden. Zijne schijnbaar valsche stelling, +waarom hij aanvankelijk door velen bespot werd, is na een groot +aantal waarnemingen volkomen bevestigd geworden. In de Eichstädter +Bienen-Zeitung, van den 15en October 1854, vindt men een stuk +van Von Siebold, waarin hij zegt, dat alles wat door Swammerdam en +Reaumur, omtrent het geslacht der bijen is geleerd geworden, door hem +bevonden is waarheid te bevatten. Eenige onnaauwkeurigheden in hunne +afbeeldingen moeten worden toegeschreven aan de mindere volkomenheid +der werktuigen, die hun ten dienste stonden. Wij mogen dus op gezag +van Von Siebold en andere geleerden aannemen, dat er geen twijfel +meer bestaat, omtrent het geslacht der bijen, en hopen dat er voor +goed aan de twisten hierover een einde mag gekomen zijn. + +Vrij algemeen, vooral hier te lande, worden de hommels "broedbijen" +genoemd en gelooft men dat zij bestemd zijn, om het broed te verwarmen +en uit te broeijen. Het wederleggen van deze stelling zal moeijelijk +vallen; want daar er geen enkele schijngrond voor bekend is, is er +ook niets te wederleggen.--Het broed wordt voornamelijk aangezet +in Maart en April, en dan zijn er in den regel geen hommels in +den stok aanwezig; het meeste hommelbroed wordt in het laatst van +April en het begin van Mei aangezet. Ook dit moet door de werkbijen +worden uitgebroeid. Gewoonlijk ziet men dan de eerste hommels te +voorschijn komen, eenige dagen voor dat de oude, bevruchte moederbij, +de woning, met den voorzwerm, verlaat. Heeft deze de woning verlaten, +dan houdt natuurlijk alle verdere broedaanzetting op, terwijl de +grootste hoeveelheid hommelbroed dan nog aan de zorg der overgebleven +werkbijen is overgelaten. Is er eene week verloopen, nadat de bevruchte +koningin de woning heeft verlaten, dan is zeker al het door haar +achtergelaten broed reeds bedekt, en dit zou dan wel zonder eenige +verdere verzorging uitkomen. Ongeveer eene maand na het afvliegen +van den voorzwerm, begint de jonge intusschen bevruchte koningin +eijeren te leggen, zoodat er dan weder wat te broeijen zou zijn; +doch dan nadert ook het tijdstip, waarop de hommels als overtollig +worden uitgedreven en al het broed, dat hierna tot in October wordt +aangezet, moet worden uitgebroeid, zonder dat er in gezonde stokken +een enkele hommel aanwezig is. + +De ongerijmdheid van de geheel uit de lucht gegrepen stelling, +dat de hommels broedbijen zouden zijn, zal elk onbevooroordeelde, +door eene naauwkeurige waarneming aan de bijenstokken, spoedig +inzien. In de koudere jaargetijden, wanneer er het meest gebroeid +moet worden, zouden de gewaande broedbijen ontbreken; terwijl er, +in de heetste maanden van het jaar, wanneer de warmte in de woningen +bijna ondragelijk is geworden, en de bijen er buiten gaan liggen +om de daarbinnen heerschende warmte te ontgaan, afzonderlijke bijen +zouden noodig zijn, om het broed warm te houden.--Dit dwaalbegrip zal, +dunkt mij, geene verdere behandeling behoeven. + +Sterke stokken, die gewoonlijk ook zwermen, kweeken hommels. Zij +doen dit in de bewustheid van hunne toenemende bevolking, als eene +voorbereiding tot het zwermen. In den zwermtijd, wanneer de jonge +koninginnen bevrucht moeten worden, zijn de meeste hommels aanwezig, +en de naauwkeurigste waarnemingen hebben geene andere bestemming +van deze bijensoort kunnen aantoonen, dan het bevruchten der jonge +koninginnen. Die stokken, welke hunne koningin verliezen, terwijl +er geen hommels aanwezig zijn, en dan jonge moederbijen aankweeken, +blijven onvruchtbaar en gaan met rassche schreden hun ondergang +te gemoet. + +Zij, die eene andere bestemming aan de hommels toekennen, dan het +bevruchten der koninginnen, wijzen op hun groot aantal, daar toch een +veel kleiner getal voldoende zou zijn, om de weinige moederbijen te +bevruchten. Dit kan zijn in een door menschen bezetten bijenstand, +waarin zich soms meer dan honderd stokken bijeen bevinden, doch +men moet in het oog houden, dat de bijen zich daar niet in den +natuurstaat bevinden. Stelt men zich de bijen in het wild voor, in +bosschen huizende, waar de eene stok soms verscheidene uren van den +anderen verwijderd is, zoodat de hommels van den eenen stok zelden de +koninginnen van een anderen kunnen bevruchten, en zij dus elk voor +hunne eigene bevruchting moeten zorgen, dan kan dit getal niet als +te groot beschouwd worden; want, daar de bevruchting in de lucht +plaats heeft en de hommels niet allen op denzelfden tijd van den +dag de woning verlaten, en zij zich daar buiten zeer verspreiden, +zoo moeten er wel veel aanwezig zijn, zal de koningin er een kunnen +vinden om zich mede te vereenigen. + +Eene al te groote hoeveelheid hommels is niet voordeelig, en +meestal een gevolg van eene tegennatuurlijke behandeling. Men doet +altijd wel met hunne aankweeking zooveel mogelijk tegen te gaan, +door het verwijderen van de tafels der hommelcellen, er tafels met +werkbijencellen voor in de plaats stellende; want daarvan heeft men +nog nooit nadeelige gevolgen ondervonden, omdat er op een bezetten +bijenstand altijd nog hommels genoeg gevonden worden. Geheel kan men +hen toch niet tegengaan; want verwijderde men alle hommelcellen +uit de woning, dan zouden er toch eenige aangezet worden in +werkbijencellen. Dit kan men ontdekken aan de verhooging van het +gesloten broed. De op deze wijze gekweekte hommels zijn kleiner. + +De hommels moeten de paring met de koningin altijd met den dood +bekoopen, omdat hun mannelijk lid zoo naauw in de vrouwelijke schede +sluit, dat zij dit na de paring niet kunnen terug trekken; het wordt +met geweld afgescheurd en blijft in de schede vastzitten. Men heeft +in de laatste jaren, toen men alles naauwkeuriger begon na te gaan, +verscheidene koninginnen, nog bezet met het mannelijk lid, van hare +bevruchtingsuitvlugt zien terug keeren. Onlangs zond Berlepsch zulk +eene koningin, na haar gedood en in wijngeest gedaan te hebben, +aan Von Siebold, die het in de schede stekend ligchaam, duidelijk +herkende als het afgescheurd mannelijk lid. + +In het begin van Augustus worden in gezonde stokken de hommels, +als niet meer noodig, uitgedreven. Men noemt dit gewoonlijk de +hommelslagt. Wanneer de werkbijen hiertoe overgaan, zijn zij geheel +zonder erbarming, in tegenstelling van de liefde, die zij voor +hun broed betoonen, indien zij hen behoeven voor de bevruchting +der koninginnen. Het uitdrijven doen zij op verschillende wijzen, +naardat zij dit het best kunnen. Nu bijten en plukken zij hun stukken +uit de vleugels, dan gaan zij weder op hen zitten, dat men paardrijden +noemt, en dragen hen zoo uit de woning, waarna zij hun het terugkeeren +zoo veel mogelijk beletten; meestal echter drijven zij hen van den +honigvoorraad tot beneden in een hoek van de woning en laten hen daar, +door honger en koude, omkomen. Soms kan men in de woningen geheele +hoopen van aldus uitgedreven hommels vinden. Stokken, die hen in de +tweede helft van Augustus nog met vrede laten, worden verdacht van +moederloosheid, en zij, die hen in September nog dulden, zijn bepaald +moederloos en hun ondergang nabij. Vindt men een zoodanigen stok, +zoo is het best hem zoo spoedig mogelijk met den onmiddellijk naast +hem staanden gezonden stok te vereenigen, en de woning zoo te plaatsen +dat zij het midden houdt, tusschen hare vroegere standplaats en die +van den weggenomen stok: men noemt dit op den halven man stellen. + + + + + +DE WERKBIJEN. + + +Even noodzakelijk als de koningin voor de werkbijen is, zijn deze het +voor haar en de geheele huishouding, waarvan zij den eigenlijken kern +uitmaken, daar zij alléén allen arbeid verrigten. Zij vervaardigen +de cellen en brengen het voedsel, het water en den voorraad aan; zij +zijn de dappere verdedigers van de koningin en de gemeenschappelijke +bezittingen. + +De bijen zijn altijd, en met regt, als een zinnebeeld van vlijt +voorgesteld; want zij zijn onvermoeid in den arbeid en kunnen nooit +van verzuim beschuldigd worden. Wanneer er honig of bloemenstof te +vinden is en het weder haar het vliegen niet belet, gaan allen, die bij +de verzorging van het broed of de verrigting van andere huisselijke +bezigheden gemist kunnen worden, gedurende den dag, op de inzameling +uit. Het ingezamelde zetten zij in de eerste ledige cellen, die zij +vinden, haastig af, terwijl zij zich dan den nacht ten nutte maken, +om het op de behoorlijke plaats te brengen, de woning te zuiveren +van onreinheden, die er in mogten gekomen zijn, de dooden uit te +dragen, verbeteringen in den bouw te brengen, oneffenheden af te +bijten en overtollige openingen te sluiten, tot dat de opkomende zon +haar weder in het veld roept, om haar voorraad te vergrooten. In den +zomer verdienen zij dus vooral den goed gekozen naam van werk-bijen, +daar zij dan onophoudelijk arbeiden. Het is ook daaraan te wijten +dat de leeftijd van haar, die in April en Mei de cel verlaten, maar +drie of hoogstens vier maanden bedraagt; deze overspannen zich en +zijn daardoor spoedig afgeleefd. Zij daarentegen, die in Augustus +en later geboren worden, leven in een veel minder drukken tijd, en +verouderen minder, daar zij gedurende den winter rustig in den stok +zitten. Haar levensduur bedraagt echter op zijn hoogst acht maanden, +dat bewezen werd door eene Italiaansche koningin in een stok, met +gewone bijen bevolkt, te plaatsen. [7] + +Na deze algemeene opmerkingen, zal ik van deze bijensoort eene meer +uitvoerige beschrijving geven, dan van de beide andere geschied is. + +De werkbij heeft vijf oogen, waarvan er een aan elke zijde van den +kop geplaatst is, terwijl de drie overige, die kleiner zijn, zich +in een driehoek op het voorhoofd bevinden. Met kleine wijzigingen, +vindt men deze vijf oogen ook bij de andere bijensoorten. Het gezigt +der bijen moet bijzonder sterk zijn, daar zij van alle kanten in de +snelste vlugt naar den stok toevliegen. Ook is dit daaruit op te maken +dat zij bij het sterkste voorspel en het zwermen, wanneer er duizenden +op het snelst dooreen vliegen, nooit tegen elkander stooten. Buiten de +woning schijnen zij, als het donker is, niets bepaald te onderscheiden; +want laat men haar dan vliegen, zoo kunnen zij haar stok niet vinden, +en hangen zich overal aan. In de woning, waar het bijna altijd donker +is, daar het kleine vlieggat slechts weinig licht doorlaat, is het +echter niet te denken dat zij niet zouden kunnen zien; misschien +dat de kleine, op het voorhoofd geplaatste oogen haar daar goede +diensten bewijzen. + +Tusschen de beide op zijde staande oogen, bevinden zich de beide +voelhorens, waarvan zij zich schijnen te bedienen om de haar bij +den arbeid voorkomende voorwerpen te betasten, en zich onderling +verstaanbaar te maken; want men ziet haar hiermede elkander +aanraken. Ook moeten zij de zintuigen van den reuk zijn, die bij haar +sterk ontwikkeld is, [8] daar zij honig en andere zoetigheden op zeer +groote afstanden bemerken. Dr. Dönhoff, te Orsoy, toonde dit aan door +de volgende proeven, die men ook zelf gemakkelijk nemen kan. Wanneer +men eene moederbij onder een pijpedop plaatst, dan blijven daar eene +menigte werkbijen bijzitten; knipt men daarop enkelen één voelhoren +af, zoo verlaten zij de koningin niet, doch haar daarop ook van +de tweede beroovende, toonen zij er geen de minste belangstelling +meer in, en vliegen terstond weg. Indien men bijen opsluit en haar +dan een met honig bestreken stokje voorhoudt, zoo zullen zij daar +terstond den snuit naar toe steken; houdt men haar echter een stokje +voor bestreken met knuflook, of eene andere stof, welker reuk haar +hinderlijk is, dan wenden zij zich daarvan onmiddellijk af. Knipt men +haar daarna één voelhoren af, dan blijft het verschijnsel hetzelfde, +doch ontneemt men haar ook den tweeden, dan schijnen zij onbewust te +blijven van den aard der stoffen, waarmede men haar nadert. + +Aan het onderste gedeelte van den kop, bevindt zich de mond. De hierin +geplaatste tanden zijn niet ingekerfd, zoo als die van de koningin en +de hommels, maar plat om het was behoorlijk te kunnen verwerken. De +tong is eene gesloten, met haren bezette buis, die in een in tweeën +gespleten koker tusschen de tanden ligt; de beide deelen van dezen +koker sluiten digt tegen de tong en vormen daarmede den snuit. De +snuit van de koningin en de hommels is korter en minder behaard dan +die der werkbijen. + +De kop is door middel van de spijsbuis met het borststuk verbonden. De +vleugels zijn vier in getal. Van de zes beenen dienen de beide +voorste, die het kortst zijn, haar tot armen en handen; terwijl de +beide achterste zich onderscheiden door de zich daaraan bevindende +borsteltjes en schopjes of korfjes. De borsteltjes zijn aan de +binnenzijde op het laatste schenkellid geplaatst, en bestaan uit 8 tot +10 rijen dwars loopende haren. Den naam van korfjes geeft men aan eene +driekante verdieping aan de buitenzijde in het middelste schenkellid, +welke met steile haren omringd is. Met de borsteltjes strijken zij het +bloemenstof van de vleugels en de haren in de korfjes en dragen het, +tot balletjes gemaakt, daarin naar huis. Aan het einde van elk been +staan twee naar binnen gebogen, met tanden voorziene haakjes. + +Den honig verzamelt de bij op het veld, door middel van den snuit +en de spijsbuis, in de voor- of honigmaag, en ledigt deze te huis +komende in de cellen. Achter deze voormaag ligt de eigenlijke maag, +in welke zij den uit honig en bloemenstof bestaanden voederbrij voor +het broed bereiden. + +Aan de onderzijde van het achterlijf bevinden zich zes halfringen, +welke aan de zijden door de zes grootere halfringen van den rug bedekt +worden. Tusschen de eerste of buikringen liggen de washuidjes, die de +geheime werkplaatsen zijn, waarin de wasbereiding plaats heeft. Zij +zweeten daar het was, dat tusschen de halfringen naar buiten dringt, +als het ware uit. + +De angel bestaat uit eene holle, hoornachtige buis, aan beide zijden +met weêrhaken voorzien en inwendig met de giftblaas verbonden. Bij +het steken ontlaadt zich de giftblaas, door den angel, in de wond: +vandaar de brandende pijn en de zwelling, die den steek gewoonlijk +volgen. De weêrhaken doen den angel meestal afscheuren en in de wond +achterblijven, wanneer de bij hem terugtrekken wil; dikwijls blijft +er bij het afscheuren de giftblaas aanhangen. Het verlies van den +angel heeft den dood van de bij ten gevolge. + +De bij ademt, even als andere insecten, door luchtbuizen, welke aan +de zijden aanwezig zijn. Wanneer zij dus in water of honig omkomt, +moet dit meer als verstikken dan als verdrinken beschouwd worden. + +Boven werd reeds van het gezigt en den reuk der bijen gesproken, +die zij in zeer hooge mate bezitten. Men mag haar ook niet als van +smaak beroofd beschouwen, daar zij op alle zoetigheden aanvallen, +doch voor allen steeds den honig verkiezen. Zij bezitten ook een +vrij sterk geheugen; want verplaatst men de woning, doch niet meer +dan een half uur, zoo zullen velen, zelfs na een langdurigen winter, +als zij haar dus in verscheidene maanden niet verlaten hebben, naar +hare oude standplaats terugkeeren: het is dus zeer verkeerd de stokken +onbedachtzaam te verplaatsen, en bij den aankoop van bijen moet men +wel toezien haar niet van een stand te nemen, die niet meer dan een +half uur van den zijnen verwijderd is. Eens in haar leven vergeet +de bij hare standplaats, en wel bij het zwermen. De woning, waarin +men den zwerm opvangt, kan men plaatsen waar men goedvindt; want, +slechts zeer weinigen zullen naar den moederstok terug keeren. Wij +zien hierin weder een bewijs van de voortreffelijke inrigting der +natuur: vergat toch de bij, bij het zwermen, hare standplaats niet, +zoo zouden de meeste zwermen weder naar den moederstok terugkeeren +en de vermeerdering der stokken dus maar zeer gering kunnen zijn. + +Het instinkt, dat de bijen toonen te bezitten, is opmerkelijk. Wanneer +het b. v. bij eene sterke dragt hard waait, dan zullen zij bij het van +huis gaan steeds tegen den wind invliegen, wel wetende dat zij, beladen +zijnde, geen weêrstand aan den hevigen wind zouden kunnen bieden. + +De werkbij komt voort uit de eijeren, die de koningin in de kleine +cellen (werkbijencellen) legt. Deze eijeren zijn ruim eene lijn +lang, doorgaans eenigzins gebogen en wit van kleur. Op den derden +dag splijt het buitenste vlies in de lengte open, en er vertoont zich +dan eene kleine made, die door de werkbijen van een weinig voederbrij +voorzien wordt. + +Deze made groeit nu zoo dat zij op den achtsten dag, na het leggen +van het ei, den geheelen bodem van de cel bedekt; den volgenden dag +rigt zij zich daarin op, zoodat zij eene staande houding aanneemt, +met den kop naar de opening gekeerd, terwijl het achterlijf op +den bodem rust. Nu voorzien de bijen haar nog eens overvloedig van +voederbrij, en sluiten daarop de cel met een wasdeksel. De made spint +zich dan in en omkleedt zich met een dun huidje, in welken toestand, +nimfen-toestand genoemd, hare oogen, snuit, vleugels en beenen zich +ontwikkelen, totdat zij op den 20sten of 21sten dag, na het leggen +van het ei, in eene volkomen bij hervormd, het deksel van hare cel +rondom af knaagt en deze verlaat. Soms loopen de bijen wel eens een +dag vroeger of later uit, dat afhangt van de meerdere of mindere +warmte, die in den stok heerscht. Heeft de bij hare cel verlaten, dan +zuivert zij haar ligchaam, vooral de vleugels, van de onreinheden der +cel. Zij wordt door de oudere bijen vriendelijk ontvangen, belekt en +gevoêrd door haar met den snuit honig toe te reiken, wanneer zij ten +minste welgemaakt is; want zij, die met eenig gebrek de cel verlaten, +worden niet in den stok geduld, doch terstond uitgestooten, na aan +een vleugel of poot beschadigd te zijn geworden; meestal eindigen +zij dan met haar den genadesteek te geven. + +De jonge bij, die aan hare grijsachtige kleur gemakkelijk te herkennen +is, vliegt niet dadelijk uit, zooals sommigen meenen, doch blijft ten +minste de eerste acht dagen in den stok, en is daar behulpzaam aan de +verzorging van het nog in de cellen aanwezige broed, waardoor hare +nog teedere leden sterker worden; dan begeeft zij zich naar buiten, +draait zich op het vliegplankje regts en links, vliegt daarna langzaam, +met den kop naar de woning gekeerd, en beschouwt die zeer naauwkeurig, +om hare herkenningsteekenen goed op te nemen. Gedurende dit eerste +voorspel ontlast zij zich van den drek, waarvan haar achterlijf geheel +opgezwollen is, maakt daarbij hare kringen al grooter en grooter, +en vliegt eindelijk het luchtruim in. Bij hare terugkomst neemt zij +dezelfde voorzigtigheid in acht, om de moederlijke woning niet mis +te loopen. + +Hoewel het den mensch onbekend is, welke voorwerpen de bijen als +bakens aannemen, zoo laat het zich toch niet denken, dat zij er geen +zouden hebben; want al verwijderen zij zich ook meer dan een half uur +van den stok, zij weten hem toch meest altijd terug te vinden. Zij +zijn ook naauwkeurig bekend met het personeel, dat tot haar stok +behoort. Verdwaalt er eene op een vreemden stok, zoo zal zij slechts +dan geduld worden, als zij voorraad medebrengt; komt zij er ledig, +dan wordt zij terstond als vreemdeling herkend en afgemaakt. + +Men heeft in de laatste jaren getracht, haar het herkennen van hare +woning uit de daarnevens staande gemakkelijker te maken, door den +omtrek der vlieggaten met harde en zooveel mogelijk verschillende +kleuren te verwen; want het verdwalen van bijen op een vreemden stok +is zeer gevaarlijk. Dat de verdwaalde bijen er meestal bij omkomen, +is nog het ergste niet: veel noodlottiger kan het worden voor den +stok waar vreemde bijen op vallen, omdat bij een druk voorspel alle +vreemdelingen niet terstond herkend worden, maar enkele ongestoord +binnenkomen; deze nu, in de meening dat zij in hare eigene woning zijn, +en daarin eene moederbij vinden, die zij niet kennen, zullen haar +veelal dadelijk aanvallen en ombrengen, of ten minste beschadigen, +dat niet zelden moederloosheid ten gevolge heeft, die, zoo zij niet +in tijds ontdekt wordt, den stok doet te gronde gaan, wanneer het +op een tijdstip plaats heeft, dat er geen geschikt broed in den stok +aanwezig is, om eene nieuwe moederbij aan te kweeken. + +Eene voorname oorzaak dat veel bijen op de nevenstokken verdwalen, +bestaat daarin, dat zij te digt bij elkander staan; want vooral in het +voorjaar, bij het eerste voorspel, heerscht er voor de woningen meestal +eene ontzettende verwarring, waarbij de bijen van verschillende stokken +onder elkander vliegen, die er veel op vreemde kan doen verdwalen. Er +hebben dan ook op zulke dagen niet zelden hevige gevechten plaats, +wanneer men, nadat de rust hersteld is, den grond voor den bijenstand +met dooden en gekwetsten als bezaaid vindt. Dit te voorkomen is voor +den bijenkweeker van veel belang, en het zou daarom goed zijn de +woningen zoo te plaatsen, dat de vlieggaten ten minste drie voet van +elkander verwijderd zijn, dat echter dikwijls, door het groot aantal +stokken en de betrekkelijk geringe plaats, moeijelijk is. + +Bij de behandeling der moederbij is reeds opgemerkt, dat de bijen +van elke werkbijen-made, die niet te oud is, eene koningin kunnen +aankweeken; hierom moet deze made en dus ook de werkbij, van het +vrouwelijk geslacht zijn. Alle proeven bevestigen dan ook dat zij tot +dit geslacht behoort, doch dat zij in eene cel gekweekt wordt, die +te klein is, en ook te weinig voederpap ontvangt, die niet voedzaam +genoeg is, om hare geslachtsdeelen behoorlijk te doen ontwikkelen: +het voortplantingsvermogen ontbreekt haar dan ook gewoonlijk. Soms +komen er echter werkbijen voor, die in moederlooze stokken eijeren +leggen, want in stokken, die moederloos worden op een tijdstip dat +er in geen nieuwe moederbij kan worden voorzien, vindt men niet +zelden toch eenig broed, dat alleen van eene werkbij kan afkomstig +zijn. In stokken, waarin eene moederbij aanwezig is, zal nooit eene +werkbij eijeren leggen. Deze werkbijen zijn waarschijnlijk die, welke +gekweekt zijn in die overgangscellen (zie bl. 46), welke zich in den +omtrek der moedercellen bevinden, en die daarom toevallig iets van +den krachtiger, voor de koninklijke cellen bestemden voederbrij hebben +bekomen, hetgeen haar beter heeft doen ontwikkelen, en misschien ook +een grooteren ligchaamsbouw doet ontvangen. + +Over deze eijerlage der werkbijen is men het lang oneens geweest; +men kon zich dit vermoeden niet met zekerheid verklaren. Berlepsch, +die zich van deze zaak zoo veel mogelijk wilde vergewissen, maakte +opzettelijk moederlooze stokken, en had het geluk in 1856 eene werkbij +de eijerlage te zien verrigten; tevens had hij gelegenheid haar te +vatten en zond haar, na gedood en in wijngeest gedaan te zijn, ter +onderzoeking aan Von Siebold. Deze vond den eijerstok bij deze werkbij +meer ontwikkeld dan gewoonlijk bij hare soort het geval is, en bemerkte +ook nog eenige volkomen ontwikkelde eijeren. Het bevruchtingsblaasje +ontbrak haar echter geheel. Dit komt ook met de ondervinding overeen; +want het broed, dat men in moederlooze stokken vindt, is steeds van +het mannelijk geslacht. + + + + + +BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN BUITEN DE WONING. + + +HET WACHTHOUDEN. + +Men veronderstelde vroeger, en ook thans gelooven de bijenhouders nog +vrij algemeen, dat de bijen aan het vlieggat steeds de wacht houden, +om het indringen van vreemde bijen, wespen, motten, muizen en andere +vijanden te beletten. Men vindt dan ook, in meest alle werken over +de bijenteelt, deze bestemming toegekend aan eene menigte bijen, die +men meestal aan het vlieggat vereenigd vindt. Met Dr. Dönhoff zou ik +echter meenen, dat door deze bijen niet bepaald wacht gedaan wordt; +want: 1o in zwak bevolkte stokken, die hun nest ver van het vlieggat +afhebben, ontbreekt deze zoogenaamde wacht meestal, en zulke stokken +moesten toch dubbel waakzaam zijn; 2o men vindt haar zeer zelden +gedurende den nacht en het gevaar voor het indringen van vijanden is +dan juist het grootst; 3o zij plaatst zich dikwijls zoover van het +vlieggat dat er aan geen wachthouden te denken valt; 4o de sterkte +van deze wacht is zeer afhankelijk van de fraaiheid van het weder, +de meer of minder vrolijke stemming van de bijen en den tijd, dat zij +het licht en de warmte der zon ontbeerd hebben (zij is zeer sterk, +nadat men haar ruim gevoêrd heeft en het sterkst, wanneer zij voor het +eerst haar winterkwartier verlaten); en eindelijk 5o houdt elke bij, +onder alle omstandigheden en waar ook, in het bijzonder wacht: hetzij +zij het vlieggat verlaat of van het veld terugkeert, zij zal niet +nalaten den vijand, dien zij ontmoet, terstond aan te vallen; men zegt +daarom dat, bij zoogenaamde roofaanvallen, de wacht versterkt wordt, +omdat zoowel de uitgaande als de te huis komende zich verweren. Enkele +roovers, die binnengedrongen zijn, worden door de bijen in den stok +aangevallen en uitgedreven, waarna zij, zoo er nog veel roovers zijn, +het vlieggat niet meer verlaten, want na den eenen verjaagd of gedood +te hebben, grijpen zij den anderen aan. Is de roofaanval sterk, +dan ziet men soms duizende bijen vechtende vóór de woning. + +De verschillende bezwaren, die tegen het wachthouden zijn aangevoerd, +maken het veel waarschijnlijker, dat de zich aan het vlieggat +bevindende bijen daar voornamelijk zijn, om het licht en de warmte +der zon, die haar bevallen en goed doen, te genieten. + + + +HET LUCHTPOMPEN, TROMMELEN OF STERTSEN. + +Men ziet in den zomer, bij elken gezonden stok, in den omtrek van +het vlieggat van 5 tot 20 en meer bijen staan, met den kop naar het +binnenste van de woning en het onderlijf naar boven gerigt, welke +onophoudelijk met de vleugels slaan en daarbij onafgebroken een vrij +sterk en brommend geluid doen hooren. Men noemt dit luchtpompen, +omdat zij door dit slaan met de vleugels een niet onbeduidenden +luchtstroom veroorzaken, waardoor de warme en bedorven lucht uit +de woning gedreven en door koudere buitenlucht vervangen wordt. Hoe +volkrijker en gezonder de stok is, en hoe rijker de honigdragt geweest +is, des te meer bijen ziet men hiermede bezig.--Daar men dit stertsen +ook ziet bij het intrekken van een zwerm in eene nieuwe woning, +het wedervinden van den stok, het terugvinden van de koningin of het +ontdekken van gezond broed in een moederloozen stok, het voorspel enz., +zoo moet het ook als een teeken van vreugde beschouwd worden, en dit +te meer, omdat het in een moederloozen stok geheel ontbreekt. Men +kan het er dan ook bijna zeker voor houden dat een stok, waarbij het +gezien wordt, van eene moederbij voorzien is. + + + +HET VOORLIGGEN. + +Bij groote hitte blijft, bij volkrijke stokken, eene grootere of +kleinere hoeveelheid bijen buiten de woning, en deze gaan meestal +onder het vlieggat in trossen aanhangen. Men zegt dan dat de bijen +voorliggen. Het is een gevolg van te groote warmte binnen de woning +en eene hooge temperatuur der buitenlucht of gebrek aan ruimte in +de woning. Veelheid van volk en broed, groote werkzaamheid der bijen +in den stok, bij eene rijke dragt, en ook de zonnewarmte, wanneer de +woningen niet in de schaduw staan, kunnen de warmte daarin zoo groot +doen worden, dat het was week wordt en de tafels daardoor afvallen; dit +maakt de bijen werkeloos en zij gaan voorliggen om, bij invallend koel +weder, haar werk te hervatten. Gebrek aan ruimte ontstaat er, wanneer +de woning is volgebouwd, en gevuld met broed en honig. De bijen hebben +dan geene gelegenheid om den arbeid voort te zetten, doch gaan voor +de deur liggen en den luijaard uithangen. Houden zij dag en nacht met +voorliggen aan, ook bij koeler lucht en goede dragt, en beginnen zij, +dat echter zelden geschiedt, onder aan de vliegplank was te bouwen, +dan is dit een zeker teeken dat het van binnen aan ruimte ontbreekt. + +Het verwijden van het vlieggat, het luchten gedurende den nacht, +het beschaduwen der stokken, en het geven van meer ruimte zijn de +beste middelen om het voorliggen, dat hoogst nadeelig is, te voorkomen. + + + +HET VOORSPELEN. + +Op warme en zonnige dagen, en meestal tegen den middag, ziet men +een grooter aantal bijen uit de woningen komen dan gewoonlijk, en op +eenigen afstand er voor blijven vliegen, allen steeds met den kop naar +hare woning gekeerd, waarbij zij een vrolijk gegons doen hooren, dat +eenige overeenkomst heeft met het geluid dat men steeds bij een zwerm +hoort. Dit zoogenaamde voorspel heeft gewoonlijk zeer sterk plaats +op den eersten schoonen voorjaarsdag. Zij verlaten dan de woning +voor het eerst, na er soms weken of maanden onophoudelijk in te zijn +geweest, ontdoen zich van het vuil, dat zij bij zich opgehoopt hebben, +en verkwikken zich verder in den zonneschijn en de frissche lucht. + +De ruimte voor de woningen kan dan zoo met bijen gevuld zijn, dat +het onmogelijk is er doorheen te zien. Iederen dag, waarop het weder +schoon is, heeft het voorspelen plaats: het sterkst wanneer er eene +goede dragt is. + +Een sterk voorspel is een bewijs van volksterkte en gezondheid van den +stok. Moederlooze en andere ziekelijke stokken houden geen voorspel. + +Het is gedurende het voorspel dat de jonge koningin haar +bevruchtings-uitvlugt houdt, en het aftrekken van een zwerm wordt er +steeds door voorafgegaan. + + + +HET WATERHALEN. + +Zoowel voor haar eigen onderhoud, als ter bereiding van den voederbrij +voor het broed, heeft de bij behoefte aan water. In den winter +maakt zij gebruik van den aanslag tegen de wanden van de woning, +veroorzaakt door dat het daarbinnen zoo veel warmer is dan in de +buitenlucht. Des zomers zuigt zij het gewoonlijk, met den honig, uit +de bloemen. Vroeg in het jaar, wanneer er nog geene bloemen zijn, +en in drooge zomers, haalt zij ook water uit slooten en putten of +verzamelt de daauwdruppels. + +Zij haalt ook van het vocht, dat steeds uit mestputten vloeit, +waarschijnlijk omdat zij de daarin opgeloste zouten in hare huishouding +behoeft; want al kan zij goed water in overvloed bekomen, toch ziet +men haar op mestvaalten. + +Men doet goed de bijen, vooral in het voorjaar, de vele lange en +gevaarlijke togten, tot het halen van water, te besparen, door in de +nabijheid van den bijenstand, op eene windstille plaats, een schotel +water te zetten. Zij hebben er dan toch vooral groote behoefte aan, +omdat zij dan veel honig voor het broed moeten hebben en deze meestal +te dik of te veel versuikerd is, zoodat zij hem eerst moeten verdunnen. + +Om haar niet in het water te doen omkomen, moet men er iets in leggen, +waarop zij zich kunnen plaatsen, b. v. gehakt stroo, riet, mos of +iets dergelijks; ook kan men er stukken van ledige wastafels in leggen. + +Hoewel de bijen geen water in voorraad in de cellen dragen, zoo nemen +zij het vroeg in het jaar, wanneer zij nog niet kunnen uitvliegen, +toch gretig aan, als men het in ledige wastafels giet, en deze in de +woning plaatst. + + + +HET OPZAMELEN VAN HONIG. + +De honig wordt met een onverzadelijken hartstogt door de bijen +nagejaagd: zij zamelen hem onvermoeid in, waar zij hem ook ontdekken +mogen. Wanneer zij hem in de bloemen op het veld vinden kunnen, en +het weder het slechts eenigzins toelaat, vliegen zij uit en in, en +halen er, zonder zich de minste rust te gunnen, zooveel mogelijk van +in hare woning, zoolang zij daartoe in de gelegenheid zijn. Vinden zij +in de natuur geen honig meer, dan nemen zij ook andere zoete stoffen +aan. Zij zuigen dan het sap wel eens uit zeer rijpe vruchten, doch +doen dit maar zeer zelden; veeleer trachten zij dan haar onleschbaren +dorst naar honig te voldoen, door hem op vreemde stokken te rooven, +tot groot nadeel, zoowel van deze stokken zelven, als van hun +eigenaar. Over dit rooven zal later gesproken worden. + +Het is merkwaardig dat elke bij, op het veld honig inzamelende, nooit +verschillende soorten van bloemen bezoekt, maar zich zóó lang bij +ééne soort bepaalt, als deze haar genoegzaam honig oplevert. Men kan +dit zien aan het bloemenstof, dat zij gelijktijdig inzamelt; want zij +brengt van elke vlugt gelijkelijk gekleurde stuifmeel-balletjes mede. + +In strijd met wat ik meestal door anderen vermeld heb gevonden, is +het mij gebleken, dat de bijen een bloemveld, dat onmiddellijk bij +den bijenstand gelegen is, minder gaarne bevliegen, dan een, dat iets +meer verwijderd is. Kunnen zij in de buurt geene bloemen vinden, dan +zoeken zij die nog wel tot op een uur afstands. Het zal ieder duidelijk +zijn dat het voordeelig is, indien het bloemveld niet te ver af is, +daar zij dan in denzelfden tijd meer togten kunnen doen. Op dagen +dat de grond, bij een helderen zonneschijn, nu en dan door wolken +afgebroken, het noodige vocht heeft, en vooral bij eene zoele, +onweerachtige lucht, honigen de bloemen gewoonlijk zeer sterk. De +bijen zijn dan buitengewoon naarstig, komen zonder eenig oponthoud +uit het vlieggat en vliegen regelregt naar het honigende bloemveld. + +De van het veld terugkomenden laten een eigenaardig geluid hooren en +zijn meestal geheel vermoeid; zij vallen dan, met een opgezwollen en +blinkenden buik en een nederhangend achterlijf, hoorbaar voor het +vlieggat neder en rusten daar een weinig, voordat zij in de woning +gaan. Op zulke, voor de honig-inzameling, bijzonder gunstige dagen, +brengen zij veel minder bloemenstof in dan anders. Volkrijke stokken +kunnen gedurende zulk een dag van twee tot vijf Ned. pond honig +inbrengen. Men kan dit nagaan door de woning 's morgens op eene +bascule te plaatsen en, zoowel dan als 's avonds, het gewigt te +bepalen. Men zou kunnen vreezen dat de bijen zich op zulke drukke +dagen al te veel met de honig-inzameling bezig hielden, en den stok +als het ware ontvolkten; doch dit is geenszins het geval: men ziet +steeds een genoegzaam aantal bijen in de woning, ter verzorging van +het broed en ter verrigting van andere huisselijke bezigheden. + +Het uitvliegen en te huis komen geschiedt zeer regelmatig. Er heerscht +aan het vlieggat eene aanhoudende, geregelde drukte: nooit ziet men +er nu eens veel, dan weder weinig in- en uitgaan. + +Op dagen dat de bloemen sterk honigen, ziet men gewoonlijk weinig +bijen zich aan het vlieggat ophouden: het ontbreekt haar dan aan tijd +om te rusten; zij gaan uit, komen slechts terug om haar last af te +leggen en gaan weder op nieuwen voorraad uit. + + + +HET OPZAMELEN VAN BLOEMENSTOF. + +Bloemenstof of stuifmeel noemt men het fijne stof, dat zich aan de +meeldraden der bloemen bevindt. Dit stof is voor de bijen onmisbaar, +niet alleen tot haar eigen voedsel, maar nog veel meer ter bereiding +van den voederbrij voor het broed; men noemt het daarom ook wel +bijenbrood. Zelf kunnen zij wel eenigen tijd van enkel honig leven; +doch het broed kunnen zij zonder bloemenstof niet tot ontwikkeling +brengen. Of zij gedurende den winter ook bloemenstof gebruiken of dan +alleen van honig leven, is nog niet bekend. Ik houd het er voor dat +zij, bij strenge koude, wanneer zij in een digten tros op elkander +moeten zitten om de noodige warmte te ontwikkelen, het niet eten, doch +dat zij het weder gebruiken, zoodra het zachtere weder haar uiteengaan +gedoogt. Hare uitwerpselen schijnen een voortdurend gebruik, wanneer +het slechts te bekomen is, te bewijzen; want zij vertoonen duidelijke +sporen van de overblijfselen er van. In den druksten tijd, zoowel van +het broeijen als de dragt, hebben zij het volstrekt noodig om hare +levenskrachten te onderhouden; want het is het eenig stikstofhoudend +voedsel, dat zij gebruiken. + +Bij het verzamelen van bloemenstof komt haar behaard ligchaam haar zeer +te stade. Zij verrigten dit meestal door het stof van de meeldraden +af te bijten, of door zich eenige malen in de bloem om te rollen, het +dan met de borsteltjes der achterbeenen af te borstelen en daarna, tot +kleine balletjes gekneed, in de schopjes der achterbeenen naar huis te +dragen. Bij droog weder, wanneer het stof zich niet tot balletjes laat +kneden, of ook wanneer zij zich daartoe den tijd niet gunnen, komen zij +geheel bepoederd te huis, waar zij het dan afborstelen en in de cellen +leggen; zij worden hierin veeltijds door de te huis zijnde geholpen. + +In het voorjaar, wanneer het broedzetten sterk begint toe te nemen, +zijn zij het ijverigst in het verzamelen van dit stof. Ook nieuw +opgezette zwermen zijn hierin zeer vlijtig, omdat zij in hunne nieuwe +woning niets vinden, en de voortteeling zonder dat stof geen plaats +kan hebben. + +Tegen den winter zamelen zij er nog zooveel mogelijk van in, en leggen +het in die tafels, die het naast aan het broednest zijn aangelegd, +waardoor zij toonen te weten, dat het bij het aanzetten van het eerste +broed, dat in volkrijke stokken, bij zachte winters, reeds in Januarij +begint, nog niet in de natuur voorhanden is. + +Het bloemenstof heeft voor de bijen meer waarde dan de honig; want het +verzamelen van een pond bloemenstof kost haar veel meer inspanning, +dan dat van een pond honig, en terwijl zij zich met het eerste +bezighouden, kunnen zij zich niet geheel aan het laatste wijden. Het +is dus van zeer veel belang om, bij het uitbreken van stokken, dit +stof niet onder het was of den honig te werpen, daar het dan alleen +dient om deze te verontreinigen; maar het veeleer aan late zwermen +toe te voegen, die meestal geen tijd gehad hebben om er genoeg van te +verzamelen. Ook door het aan oude stokken of vroege zwermen te geven, +zal het goede rente opbrengen, daar het in de eerste maanden van het +jaar maar zeer zelden in de natuur te vinden is. + +Velen zijn nog onbekend met het belang van dit stof voor de bijenteelt, +ja meenen er zelfs een nadeel in te zien, wanneer zij het in de +stokken vinden, werpen het, even als het hommelbroed, als schadelijk +en overtollig uit, en bestempelen het wel eens met den naam van +valsch broed. + +Vroeger meende men, dat het meel van graansoorten voor de bijen +nadeelig was; omdat het met den honig tot verzuring zou overgaan en +de bijen den loop doen krijgen. Daar men echter had opgemerkt dat de +bijen, wanneer het vliegbaar weder is, zonder dat er nog bloemenstof te +vinden is, en inzonderheid die, welke in de nabijheid van graanmolens +geplaatst waren, toch met vlijt vlogen en balletjes meel te huis +bragten, zoo plaatste men tarwen- of roggenmeel voor den bijenstand, +en zag er de bijen terstond van in de woningen dragen, zonder er de +minste nadeelige gevolgen van te ondervinden. Tegenwoordig plaatst +men daarom op mooije vliegbare dagen, in het laatst van Februarij, +meel op eene windstille plaats vóór den bijenstand. Om het voor +verstuiven te behoeden, vult men er oude, ledige wastafels mede, of +strooit het op ongeschaafde planken, wanneer de bijen het gemakkelijk +verzamelen kunnen. Bij ongunstig weder, is het ook goed om met meel +gevulde wastafels in de woningen te plaatsen; want de bijen maken +gaarne van dit hulpmiddel gebruik, wanneer zij geen bloemenstof in +de natuur kunnen verzamelen, doch zij laten het, zoodra zij hiertoe +weder gelegenheid hebben, onaangeroerd. + + + +HET OPZAMELEN VAN VOORWAS. + +Het voorwas, ook wel propolis genoemd, is eene soort van hars, die +een aangenamen, aromatieken reuk bezit. De bijen verzamelen het van +de knoppen der boomen, en brengen het, even als het bloemenstof, +tot balletjes gemaakt, in de schopjes der achterbeenen naar huis. + +Zij maken er gebruik van om reten en overtollige openingen digt te +maken, oneffenheden bij te werken, de vlieggaten te verkleinen en de +wastafels aan de wanden der woning te bevestigen. Men gelooft veelal +dat de bijen tot deze oogmerken het voorwas bezigen, omdat het gewone +was haar daartoe te kostbaar voorkomt. Dit kan echter niet waar zijn; +want zij zouden onmogelijk altijd was kunnen gebruiken, wanneer zij +zich van voorwas bedienen. Het was kunnen zij toch alleen bereiden +bij warm weder, het voorwas daarentegen kunnen zij altijd bekomen, +wanneer het maar eenigzins vliegbaar is. + + + +HET ZOEKEN VAN EENE NIEUWE WONING. + +In den zwermtijd ziet men soms dagen achtereen, dat eenige bijen +eene zelfde plaats naarstig omvliegen en waarnemen; men noemt deze +daarom spoorbijen; want zij schijnen het zwermen te voorzien en +daarom eene geschikte woning op te sporen, waar zij zich zouden +kunnen vestigen. Men zal dan ook bevinden dat een zwerm, aan zich +zelven overgelaten wordende, deze plaats met der woon betrekt. Hij +doet dit echter niet terstond, maar hangt zich hier of daar aan, +waar de bijen zich verzamelen en wat uitrusten; worden zij in dezen +toestand niet opgevangen en in eene woning geplaatst, die haar bevalt, +dan betrekken zij, na korter of langer tijd, de vroeger opgespoorde +woning, waarheen dan de spoorbijen haar waarschijnlijk den weg wijzen. + + + + + +BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN IN DE WONING. + + +DE WASBEREIDING EN DE CELLENBOUW. + +Vroeger merkte ik reeds met een enkel woord aan, dat de bijen het was +uitzweeten, nadat dit in de washuidjes, tusschen de buikringen, bereid +is. Zij hebben hiertoe eene ruime hoeveelheid honig en bloemenstof +en een verhoogden warmtegraad noodig. Om de vereischte warmte te +ontwikkelen, leggen zij zich, even als een ketting, in trossen over +elkander. Na aldus eenige uren te hebben gehangen, waarbij zij het +aanzien hebben van geheel werkeloos te zijn, beginnen de wasblaadjes +zich te vormen bij diegenen, welke zich in het midden van den tros +bevinden en die, door de buiten aanhangenden, als met een kleed +overdekt zijn. Van den aanvang en den voortgang der wasbereiding is +weinig met zekerheid te zeggen, daar zij alleen in het midden van den +tros plaats heeft, en dus niet bespied kan worden. Deze wasblaadjes +zijn vijfhoekig en worden door de bijen met de tanden verwerkt. Men +vindt er meest altijd op den bodem der woningen, die door nieuwe +zwermen bezet zijn, en die zij zeker bij het bouwen laten vallen. + +Uit enkel honig kunnen de bijen wel eenig was bereiden, maar zij +kunnen dit niet lang volhouden. Daar het was geen stikstof bevat, +en het bloemenstof haar eenig stikstofhoudend voedsel uitmaakt, zoo +is het waarschijnlijk dat zij dit niet direct voor de wasbereiding, +als eene grondstof daartoe, behoeven, maar dat het dienen moet +om haar de noodige krachten te geven, voor de groote inspanning, +die zij vereischt. Proeven hebben bewezen dat de bijen, alléén honig +gebruikende, daarvan twintig pond behoeven ter bereiding van één pond +was, terwijl zij, ook van bloemenstof voorzien zijnde, slechts elf +à vijftien pond honig daartoe noodig hebben. + +De groote hoeveelheid honig, die zij voor de wasbereiding moeten +gebruiken, en den tijd en de inspanning, die zij vereischt, doen de +schade duidelijk in het oog vallen, die men zich berokkent, door de +bijen de ledige wastafels te ontnemen; heeft men deze toevallig, +dan is het goed haar zorgvuldig te bewaren en aan nieuw opgezette +zwermen toe te voegen, wanneer deze terstond het ingezamelde kunnen +afleggen en met de eijerlage beginnen. Ieder, die slechts eenigzins +met de bijenteelt bekend is, zal inzien welke voordeelen dit geven +kan; want, hoewel een Ned. pond was in den handel van f 1.50 tot f +2.--geldt en een Ned. pond honig slechts 40 à 50 cts. waard is, zoo +zal het ingezamelde was duur te staan komen: rekent men toch dat er +ter bereiding van een pond was, vijftien pond honig vereischt wordt, +die gemiddeld 45 cts. kan opbrengen, dan zal het Ned. pond was, behalve +het tijdverlies, f 6.75 kosten. Men moet daarom geen was verzamelen dan +dat met honig gevuld is. De houder van bijen in de gewone strookorven +zal mij toeroepen: "eene schoone les, voorwaar! maar hoe zult gij dit +ten uitvoer brengen?" Ik moet hem toestemmen dat hij het niet kan doen; +maar wie zich met de Dzierzon'sche wijze heeft gemeenzaam gemaakt, +zal mij de hooge waarde van goede ledige wastafels niet betwisten. In +het practische gedeelte zal ik hier nog op terugkomen. + +Elke zwerm, die eene nieuwe woning betrokken heeft, begint terstond +aan de wasbereiding: hoewel men meenen zou dat hij geheel werkeloos +was, moet men den tweeden dag verbaasd staan over den bouw, dien hij +reeds opgetrokken heeft. Hij heeft dan ook terstond groote behoefte +aan berging voor den medegevoerden en reeds ingezamelden honig. Hij +verlaat den moederstok niet, dan na zich van eene ruime hoeveelheid +honig voorzien te hebben, die bij een sterken zwerm wel twee tot +drie Ned. pond bedragen kan. Deden zij dit niet, dan konden zij niet +alleen niet terstond met den cellenbouw beginnen, maar zouden ook, +bij ongunstig weder, van gebrek moeten omkomen. Zoodra een zwerm +eene nieuwe woning betrokken heeft, gaan er bij vliegbaar weder +reeds op de inzameling uit, en het is dus hiervoor, zoowel als ter +bevordering van de broedaanzetting, van belang, dat er spoedig cellen +worden aangebouwd. + +De bijen bouwen de wastafels in den regel van boven naar beneden, +en kiezen voor begin van den bouw het hoogste gedeelte van de +woning. Een middelmatige zwerm kan, van eene voldoende hoeveelheid +honig en bloemenstof voorzien, in 24 uren eene tafel bouwen van een +Rhijnl. voet lang en half zoo breed, die dan ongeveer 3600 cellen +bevat. Bij den aanvang van eene tafel, leggen zij een grond tegen het +bovenste gedeelte van de woning, door daar eene genoegzame hoeveelheid +was op te hoopen en te bevestigen. Dit stukje was vergrooten zij +naderhand, zoodat het den vorm van eene linze verkrijgt, welker +scherpe rand later den tusschenwand vormt, die de aan beide zijden +gebouwde cellen van elkander scheidt. De tafel behoudt den vorm van +eene linze, zoolang zij vrij hangt, zoodat de cellen in het midden het +langst zijn en naar de randen korter worden. Raakt de tafel echter, +bij het aanbouwen, den wand van de woning of eene andere tafel aan, +dan worden ook de kortere cellen verlengd en de linzevorm is verdwenen. + +De dwars-doorsnede in het midden der cellen is een regelmatige zeshoek, +doch van daar naar den tusschenwand worden de hoeken minder scherp, +zoodat zij achteraan bijna rond zijn. Voorop gezien, schijnen de +cellen geheel rond te zijn; want de bijen leggen er daar een rand +om. Hierdoor wordt hare sterkte veel vermeerderd, en voorkomen dat +de maden of jonge bijen haar uit elkander drukken of dat het druk +heen en weder loopen haar beschadigt. Heeft er eenige beschadiging +aan eene tafel plaats, dan wordt zij terstond hersteld. + +De zeshoekige vorm der cellen maakt dat er geen ruimte verloren gaat, +en dat er tevens zoo weinig mogelijk was wordt verbruikt; want elke +der zes zijden van eene cel dient weder tot zijde voor eene andere. + +Hoe volkrijker een zwerm is, des te meer tafels worden er te gelijk +begonnen. Die, welke in ééne lijn worden aangezet, worden, bij het +tegen elkander stooten, tot een geheel vereenigd; die, welke naast +elkander worden gebouwd, loopen steeds evenwijdig, en zóó dat er eene +ruimte van een halven Rhijnl. duim tusschen open blijft, welke zij +juist noodig hebben, om, over de tafels loopende, voorbij elkander +te kunnen gaan en waaraan men den naam van straat geeft. + +Eene tafel kan uit verschillende cellen bestaan, die, naar haar +verschil in grootte, vorm en bestemming, in de vijf volgende soorten +onderscheiden worden: + +1o. Moedercellen of moederwiegen. Bij de behandeling der moederbij is +over deze reeds gesproken. Zij zijn rond en naar beneden afhangend. Zij +dienen dan ook nooit ter bewaring van honig, en staan meestal op zich +zelve aan de randen der wastafels; men kan haar hierdoor gemakkelijk +van de overige cellen onderscheiden. + +2o. Gewone of werkbijencellen. In gezonde stokken zijn deze cellen +aan meest al de tafels het talrijkst en er zijn er vele, waaraan geene +andere gevonden worden, vooral in het broednest. Zij liggen nagenoeg +horizontaal; de opening is slechts eenigzins naar boven gekeerd om het +uitvloeijen van den ingedragen honig te voorkomen. Zij zijn in eene +schoone, bevallige orde aan beide zijden van de tafels geplaatst. Hare +bestemming is de opname van eijeren, die er tot volkomen werkbijen +in worden uitgebroeid, en de oplegging van den honigvoorraad. + +3o. Hommelcellen. Daar deze dienen moeten om er de hommels in uit te +broeijen, die veel grooter zijn dan de werkbijen, zoo zijn zij ook +grooter dan de werkbijencellen, en wel zooveel, dat vier hommelcellen +dezelfde lengte hebben als vijf gewone, dat is een Rhijnl. duim; +de bouworde en de vorm zijn overigens gelijk. Men vindt deze cellen +zelden bovenaan de tafels, doch meestal onderaan en aan de zijden. Soms +vindt men er ook geheele tafels van. + +4o. Overgangscellen. Aldus noemt men de cellen, die de bijen optrekken, +wanneer zij van gewone tot hommelcellen willen overgaan. Zij beginnen +dan de cellen langzamerhand te vergrooten, zoodat de overgang bijna +onmerkbaar is. Tusschen de gewone en hommelcellen zijn meestal drie +rijen van deze soort. Vroeger meende men dat deze cellen bestemd +waren, om er de hommelmoeders in te kweeken, dat nog door sommigen +geloofd wordt; daar ik echter aangetoond heb, dat deze hommelmoeders +slechts in de verbeelding bestaan, zoo behoeft deze verkeerde meening +geene verdere wederlegging. Er bestaat veel grond om aan te nemen, +dat in deze cellen die werkbijen ontstaan, welker geslachtsdeelen +meer ontwikkeld zijn, zoodat zij soms, in moederlooze stokken, +eijeren leggen, en over welke vroeger gesproken werd. + +5o. Bevestigingscellen. Deze zijn bestemd om de wastafels aan het +boveneinde van de woning te bevestigen. Zij zijn vijfhoekig. Waren +zij even als de andere zeskant, dan zouden zij alleen met een der +scherpe kanten tegen den wand komen, hetgeen eene zwakke verbinding +zou geven, of veel was zou kosten, wanneer de hoek tusschen elke twee +cellen moest worden aangevuld. Nu komen zij, met eene der zijden, vlak +tegen den wand van de woning te liggen, waardoor zij, bij een gebruik +van weinig was, veel sterker bevestigd worden. Wanneer de wastafels +met broed of honig bezwaard zijn, worden zij nogmaals bevestigd. + +De benamingen honig- en broedcellen hebben dezelfde beteekenis, +want alle, behalve de moedercellen, dienen voor beide. + +Het broed vindt men meestal in het middelste en laagste gedeelte der +tafels, in een kring, waarin de warmte binnen den stok het grootst +is. Den honig brengen zij voornamelijk bovenaan en op zijde, en +verder op alle plaatsen in de woning, die te koel zijn om broed +aan te zetten. Bij sterke dragt en daaruit ontstane behoefte aan +cellen, bouwen zij op alle ledige plaatsen cellen aan, die zij met +honig vullen. Om meer honig te kunnen opleggen, verlengen zij de +cellen ook wel eens, waardoor de zoogenoemde straten naauwer worden +en de tafels soms eene aanzienlijke dikte en zwaarte verkrijgen. In +woningen met lossen bouw kan men dit verlengen der cellen bevorderen, +door de tafeldragers, buiten het broednest, dagelijks een paar +lijnen van elkander te verwijderen; het spreekt van zelf dat er, om +dit te doen gelukken, bij eene ruime dragt, gebrek aan cellen moet +zijn. Wanneer de bijen later deze verlengde cellen, tot het aanzetten +van broed, moeten gebruiken, dan verkorten zij haar weder tot op de +oorspronkelijke lengte. + +Aanvankelijk hebben de tafels eene witte kleur. Spoedig worden zij +geelachtig en, na een paar jaren voor broed gediend te hebben, +zwart. De oorzaak hiervan is dat elke bij, bij het verlaten der +cel, twee nimfenhuidjes achterlaat, waarvan het buitenste een fijn, +zijdeachtig weefsel heeft en zoo vast aan den wand der cel kleeft, dat +de bijen het er bij de reiniging der cellen niet kunnen uittrekken, +en zich moeten tevreden stellen met het van aanhangend vuil te +ontdoen. Het terugblijven van dit huidje, bij ieder broeisel, versterkt +de cellen, die bij den aanleg zeer zwak zijn, veel, doch verkleint haar +ook, zoodat zij eindelijk te klein worden voor de volkomen ontwikkeling +der bijen. In de eerste zes jaren behoeft men zich hierover echter +nog niet te verontrusten, maar het is toch goed, om zoo mogelijk, +om de twee of drie jaren, het broednest te vernieuwen, door er nieuwe +tafels in te hangen, of de bijen te noodzaken die te bouwen. + +Indien er reeds zooveel honig is ingedragen, dat verscheidene cellen +daarmede gevuld zijn, en hij er genoegzaam in verdikt is, dan sluiten +zij die met een wasdeksel. Men noemt dit verzegelen. Ook de broedcellen +worden, zoodra de zich daarin bevindende made den nimfentoestand +aanneemt, d. i. zich inspint, verzegeld. Indien de cel te kort is voor +de daarin gevormde made, hetgeen onder anderen plaats heeft, wanneer +hommeleijeren in werkbijencellen gelegd zijn, dat hoog broed heet, +dan maken zij het deksel bol of gewelfd, om daardoor de ruimte te +vergrooten. Daar de hommelcellen echter gewoonlijk wat klein zijn, +zoo worden deze ook met een bol deksel gesloten. Men vindt hierin +een gemakkelijk middel, om het hommelbroed van het werkbijenbroed te +onderkennen. Het laatste is altijd met platte deksels gesloten. Wanneer +de bij hare cel verlaat, stoot zij het wasdeksel weg, en men ziet dan +ook soms eene menigte van die deksels op den bodem der woningen liggen. + +De bouw der bijen wordt onderscheiden in een warmen en kouden bouw, +naar de rigting waarin de wastafels zijn aangelegd. Hangen zij +dwars voor het vlieggat, dan heet hij warm, omdat de buitenlucht dan +moeijelijk tusschen de tafels kan dringen; doch daardoor heeft hij ook +het nadeel, dat de bedorven lucht er tusschen blijft hangen, en dat +er in den winter spoedig schimmel ontstaat. Loopen de tafels met den +scherpen kant naar het vlieggat, dan kan de lucht er vrij tusschen +spelen; dit maakt den bouw koud, doch zuivert ook het broednest +van de bedorven lucht. Men is het er niet over eens, welke dezer +bouwwijzen te verkiezen is: beide, zagen wij, hebben hare voor- en +nadeelen. In de gewone korven hangt het geheel van de bijen af, welke +dezer bouwwijzen zij volgen willen, terwijl men in de Dzierzon'sche +woningen het in zijne magt heeft, den bouw koud of warm te doen zijn, +daar dit afhangt van de plaatsing van het vlieggat. + +Wanneer het aanleggen der tafels geheel aan de willekeur der bijen +wordt overgelaten, dan kan het soms gebeuren dat zij in verschillende +rigtingen worden aangezet. Dit kan plaats hebben bij volkrijke stokken, +omdat die geene voldoende ruimte hebben om gezamenlijk op dezelfde +plaats te werken; zij verdeelen zich dan in twee groepen, die soms +in verschillende rigtingen beginnen te werken, en ieder haar eigen +werk voltooijen. Men noemt dat kruisbouw. + + + +HET OPLEGGEN VAN DEN HONIG. + +Door de meeste bijenhouders wordt aangenomen dat het honigsap der +bloemen eigenlijk nog geen honig is, maar dat het in de maag der bij +daartoe verwerkt wordt. Zij meenen dat de bijen, gedurende den dag, het +ingezamelde honigsap maar in de cellen nederleggen, om dit des nachts +weder op te zuigen en er dan, in digte trossen op elkander zittende, +in hare honigmagen den honig uit te bereiden, dien zij daarna weder +in de cellen zouden uitwerpen, en deze dan van een wasdeksel voorzien. + +Proeven, door anderen en ook door mij genomen, hebben aangetoond, dat +het honigsap der bloemen zuivere honig is, die alleen met eenig water +vermengd is, waardoor het zich als eene dunne vloeistof voordoet. De +eenige bewerking, die het dus moet ondergaan, is het verdampen van +het water. Men zal dit bevestigd vinden, wanneer men eene tafel, die +op den dag zelven is volgedragen, uit eene woning neemt; de honig, +dien zij bevat, is waterdun en vloeit, bij het minste schuins houden, +uit de cellen; stelt men haar echter binnenshuis aan eene matige +zonnewarmte bloot, dan zal men, na twee of drie dagen, bevinden dat +er geen verschil is tusschen den honig, dien zij bevat, en dien, +welke in de woning verdikt is; de bijen bereiden dus den honig niet, +maar verzamelen hem slechts. + +Waarschijnlijk is de bovengenoemde dwaling ontstaan, doordat men +bevond dat de bijen, na dagen van drukke dragt, gedurende den nacht +weder cellen ledigden, die zij overdag hadden volgedragen, en andere +met honig vulden. Zij doen dan echter niets dan den honig verdragen +naar die cellen, waarin zij hem als voorraad willen opleggen; want +overdag halen zij slechts zooveel mogelijk in de woning en leggen +het ingezamelde in de eerste cel, die zij ledig vinden, neder, zich +geen tijd gunnende om het daar te brengen, waar zij het verlangen +te bewaren. + +Wanneer men, in den tijd van de drukste dragt, de bijen in digte +trossen ziet zitten, dan kan men zich verzekerd houden, dat zij zich +met de wasbereiding en de vergrooting van den bouw bezig houden. + +De cellen, die ter bewaring het eerst met honig gevuld worden, zijn die +boven het broednest; in deze leggen zij haar eigenlijken wintervoorraad +op; want bij strenge koude kunnen zij zich wel opwaarts, maar niet +zijdelings verplaatsen: zij zouden dus, wanneer zij in den winter +door een ruimen voorraad omringd waren, doch niets boven zich hadden, +den hongerdood moeten sterven. Het is daarom van veel belang om zich, +bij de inwintering van zijne stokken, te overtuigen, dat de bijen +een genoegzamen honigvoorraad boven zich hebben; want men weet niet +hoe lang de koude haar het uiteengaan zal beletten. + + + +HET OPLEGGEN VAN HET BLOEMENSTOF. + +De bij, die met bloemenstof beladen te huis komt, zoekt terstond +de cel op, die er voor bestemd is, klemt zich met de voorbeenen aan +den rand vast, steekt er de achterbeenen in en ontdoet deze met de +middelste van de stuifmeelballetjes. Komt zij bepoederd te huis, +dan borstelt zij het stof bijeen en legt het in de cel, waarbij zij +veelal door de te huis zijnde bijen geholpen wordt. Is zij van haar +last ontdaan, dan gaat zij weder op nieuwen voorraad uit, en laat +het aan de te huis blijvende over, om het stuifmeel in de cellen te +stampen, na eerst de balletjes te hebben fijn gemaakt. + +De bergplaats van het bloemenstof is gewoonlijk in de onmiddellijke +nabijheid van het broednest, omdat zij het daarin steeds voor het +broed behoeven. In woningen met lossen bouw zal men den voorraad +gewoonlijk in de eerste en tweede tafel, te rekenen van den voorwand +van de woning, vinden. Neemt men dus den bouw uiteen, dan zal men +dit stof, in de laatste tafel en in de laatste op eene na, aantreffen. + +Om het bloemenstof voor uitdroogen te bewaren, bedekken zij de +daarmede gevulde cellen met een blinkend vlies, geheel verschillend +van de wasdeksels der honigcellen. + +Het uitwendig aanzien van eene met bloemenstof gevulde tafel is zeer +bevallig, daar men er al de verschillende kleuren van het stof in ziet. + + + +HET VERZORGEN VAN HET BROED. + +Onder den naam van broed verstaat men al de zich in den stok +bevindende eijeren, maden en nimfen, waaruit de drie soorten van +bijen ontstaan. De verzorging daarvan is aan de werkbijen alléén +overgelaten. Zij zijn het, die de cellen voor de ontvangst van het ei +voorbereiden en dit bebroeijen. Zij voorzien de made van voederbrij +en sluiten de cel, wanneer de made zich wil inspinnen. + +Opdat het broed zich behoorlijk zal kunnen ontwikkelen, zorgen de +bijen vooral voor het onderhouden van eene voldoende warmte; want hoe +hooger de warmtegraad in den stok is, des te spoediger en krachtiger +ontwikkelen zich de jonge bijen. Hiertoe bedekken zij de bezette +cellen nacht en dag, in dikke lagen op elkander zittende; vooral bij +koel weder doen zij dit zeer sterk. Het is niet gemakkelijk haar van +de broedtafels te verwijderen; zelfs bij het aanbrengen van rook, +bieden zij zoolang mogelijk tegenstand. + +Wanneer er in het najaar, terwijl zich nog broed in de stokken bevindt, +of in het voorjaar, wanneer er reeds veel broed kan aanwezig zijn, +onverhoeds koude invalt, dan zijn zij genoodzaakt, tot haar eigen +behoud, zich op elkander te dringen en dus het onderste broed +te verlaten, dat daardoor moet verloren gaan. Eenigen blijven er +echter altijd op zitten, maar deze zijn niet in staat een voldoenden +warmtegraad te ontwikkelen, doch verstijven zelve en worden dus de +slagtoffers van hare liefde. + +In den zomer wordt de warmte in den stok veel verhoogd door het warmere +weder, de sterkere bevolking en de grootere hoeveelheid broed. Zij +behoeven dit dan zoo sterk niet te bezetten; nu en dan kunnen zij +er zich zelfs geheel van verwijderen. Stokken met gedekt broed kan +men dan gerust van het grootste gedeelte van hunne bijen berooven, +zonder de ontwikkeling van het broed te benadeelen, die meestal zonder +eenige zorg zal plaats hebben. + + + +HET REINIGEN VAN DE WONING. + +De bijen dulden geene onreinheden in hare woning. Zoodra de winter +voorbij is, en de koude haar dus het uiteengaan niet meer belet, +beginnen zij die te zuiveren. Hare dooden dragen zij uit. Het schimmel, +dat hier of daar op de wastafels mogt zijn ontstaan, bijten zij af. Het +bloemenstof, dat beschimmeld en te veel verdroogd is, werpen zij uit +de cellen, en soms doen zij dit ook den versuikerden honig. + + + +HET VERKITTEN. + +Verkitten noemt men het digt maken van overtollige openingen, het +gelijk maken van oneffenheden, en het verkleinen der vlieggaten, +waartoe boven gezegd werd dat zij het voorwas inzamelen. Het digt maken +van reten en scheuren belet de motten zich daarin te nestelen. Door +het sluiten van overtollige openingen maken zij den roovers het +indringen moeijelijk. Daar het gelijk maken van oneffenheden haar +veel moeite kost, moet men steeds zorg dragen dat de woningen, die +men haar geeft, zoo glad mogelijk zijn. Zij verkleinen de vlieggaten +tegen den winter, zoodat er maar een of twee bijen tegelijk door +kunnen, om de koude lucht of wel muizen en andere vijanden buiten te +houden. Het is verwonderlijk met welk een spoed zij deze werkzaamheden +kunnen verrigten. + + + + + +HET ZWERMEN. + + +De woorden: "zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt u," worden bij de bijen +op tweeërlei wijze vervuld; vooreerst door het aankweeken van jonge +bijen, waardoor de stok volkrijk wordt, maar dat het aantal stokken +niet onmiddellijk doet toenemen; ten tweede door eene deeling van +het volk van een stok in twee deelen, waardoor dus een nieuwe stok +ontstaat: dit noemt men zwermen. De nieuw-geboren stok heet zwerm +en die, waarvan hij zich heeft afgescheiden, zijn moederstok. Men +moet hierom echter niet denken dat de zwerm geheel uit jonge bijen +bestaat; dit is geenszins het geval: er gaan zoowel oude als jonge +bijen mede, en vroeger (bl. 14) zagen wij reeds dat met den eersten +of voorzwerm altijd de oude moederbij, en bij het verder zwermen, +steeds de eerstuitgeloopen, jonge koningin medegaat. + +In het algemeen ontstaan de zwermen, door dat de vruchtbaarheid der +moederbij in het voorjaar, met het herleven der natuur, weder wordt +opgewekt, waardoor het werkbijenbroed dagelijks vermeerdert, en des +te sterker, naarmate de natuur de bijen meer gelegenheid geeft, om +honig en bloemenstof te verzamelen. De wasbouw heeft met de meeste +inspanning plaats, en hoewel het aantal cellen dagelijks sterk +toeneemt, zijn zij weldra niet toereikend, om de groote hoeveelheid +broed en het ingezamelde te bevatten. Als een teeken van den grootsten +bloei van den stok, komt nu ook veel hommelbroed te voorschijn, +en ontdekt men zelfs moederwiegen. Heeft hij aldus zijn hoogste +standpunt bereikt, dan wordt de woning spoedig te klein en te warm +om al het volk te bevatten; daarbij zijn er jonge moederbijen op het +uitkomen, en, daar twee koninginnen niet in één stok blijven kunnen, +maakt de oude moederbij, die de ontwikkeling der jonge met leede +oogen heeft aangezien, zich gereed om met een gedeelte der bijen de +woning te verlaten. Zij weet toch dat zij den strijd tegen de jonge +mededingsters niet zou uithouden, en het dooden van deze, terwijl zij +nog in de cellen besloten zijn, wordt haar geheel onmogelijk gemaakt +door de werkbijen, die de moedercellen aanhoudend bewaken en tegen +elken vijandelijken aanval beschermen. + +Eenige dagen voor dat de jonge koninginnen de cel verlaten, trekt +de oude, met den voorzwerm, die uit eenige duizenden werkbijen en +enkele hommels bestaat, uit de woning. Er zal dan, wanneer het weder +er gunstig voor is, gewoonlijk op den 8sten of 9den dag, weder een +zwerm den moederstok verlaten. Dit kan echter ook vroeger geschieden, +wanneer het afvliegen van den voorzwerm, door ongunstig weder was +verhinderd geworden; want de jonge moederbij, die nu de cel verlaten +heeft, bemerkt spoedig dat er nog geheel ontwikkelde koninginnen in +de cellen besloten zijn. Het is haar, even als de oude moederbij, +onmogelijk deze mededingsters in de cellen om te brengen. Ook zij +verlaat den stok liever dan zich aan een strijd op leven en dood +bloot te stellen; zij zoekt daarom een aanhang en verlaat met dezen +de woning, om eene nieuwe kolonie te vormen, waarin zij van de +alleenheerschappij verzekerd is. + +Daar de moederwiegen niet allen op denzelfden dag zijn aangezet, kan +zich het afvliegen van een zwerm nog verscheidene malen herhalen. Zelfs +kan er, 18 à 20 dagen nadat de oude moederbij met den voorzwerm is +afgegaan, nog een nazwerm afkomen; want de bijen konden nog eene of +meer hulpcellen hebben aangezet, van eijeren, die de moederbij gelegd +had op den dag, waarop zij de woning verliet. Dit heeft echter slechts +zeer zelden plaats, en als regel kan men aannemen dat er, na den 14den +dag, geene nazwermen meer afkomen. Bij de meeste stokken, waarvan de +voorzwerm afvliegt, zal men geene eijeren en weinig ongedekt broed +vinden; want de oude moederbij tracht, eenige dagen voor het verlaten +der woning, haar eijerstok zooveel mogelijk buiten werking te stellen, +om bij het zwermen gemakkelijk te kunnen vliegen: haar met al te veel +eijeren bezwaard ligchaam zou haar anders hierin zeer hinderlijk zijn. + +Veel nazwermen is zeer nadeelig voor den eigenaar, daar de moederstok +er te veel door ontvolkt wordt, in welken geen nieuw broed komt, +voordat de laatst achtergebleven koningin de alleenheerschappij +verkregen heeft en daarna bevrucht is. Er kunnen dikwijls zes tot +acht weken voorbij gaan, voordat er weder jonge bijen uitloopen, en +dan heeft de meeste inzameling van honig gewoonlijk opgehouden. Het +nazwermen te kunnen verminderen of, zoo mogelijk, voorkomen is voor +den bijenhouder van het grootste belang; want heeft de moederstok +vele zwermen afgegeven, dan kunnen deze even moeijelijk als hij zelf, +ja bijna nooit, een genoegzamen wintervoorraad opleggen, maar moeten +òf omkomen, òf gevoerd worden en in dit geval zijn het meest altijd +nog zeer zwakke stokken, waarvan men niets dan verdriet heeft. + +De voornaamste oorzaken van het zwermen zijn: + +1o. Eene gezonde en zeer vruchtbare koningin, die minstens een jaar +oud is; stokken met jonge moederbijen zwermen in hetzelfde jaar bij +ons nooit. + +2o. Overvloed van volk. Zoolang het voor de bijen toegankelijk gedeelte +der woning niet is volgebouwd, geene gesloten moederwiegen gevonden +worden en niet reeds enkele hommels vliegen, kan men geen zwerm +verwachten. Er zijn evenwel uitzonderingen op dezen regel; want soms +ziet men op het onverwachts een zwerm vliegen uit eene woning, die nog +ver van volbouwd is, en waarin dus evenmin gebrek aan ruimte bestaan +kan, als dat de warmte er zoo buitengewoon groot in kan geworden zijn, +dat zij voor haar ondragelijk is. Deze ontijdig afkomende zwermen +zijn meestal zoogenaamde zingende voorzwermen, die later afzonderlijk +zullen worden behandeld; bij de behandeling der voorzwermen zullen +wij ook nog andere onvoorbereide zwermen leeren kennen. + +3o. Overvloed van honig op het veld en in den stok. Deze doet de +vruchtbaarheid der moederbij toenemen, waardoor het volk vermeerderd +en den wasbouw bevorderd wordt. Vandaar dat ook het ruim voêren in +het voorjaar het zwermen bespoedigt. Bij een ongunstig voorjaar en +in streken, waar weinig dragt is, komen in den regel weinig vroege +zwermen. Is het voorjaar gunstig en de dragt ruim, dan wordt de +zwermdrift vroeg opgewekt en dien ten gevolge worden moederwiegen en +hommelcellen aangelegd, welke de moeder bij met eijeren bezet. Valt +er nu echter plotseling ongunstig weder in, dan houdt alle inzameling +op, en de koude vertraagt den wasbouw. Duurt deze toestand eenige +dagen, zoodat de bijen bespeuren dat het zwermen haar onmogelijk is, +dan vernietigen zij de moederwiegen en het hommelbroed, en geven de +zwermdrift geheel op; doch zij laten het broed ongeschonden, wanneer +het ongunstige weder spoedig door warme dagen wordt opgevolgd. Door +de daarna afvliegende zwermen worden de stokken, welker voorraad de +bijen gedurende het oponthoud in de inzameling, voor zich zelven en +het broed, reeds beduidend moesten aanspreken, van hun meeste volk +en een groot gedeelte van hun voorraad beroofd, zoodat de moederstok +met veel broed, doch arm aan volk en voorraad, overblijft, terwijl de +weide, door het voorbijgaan van den besten bloeitijd, veel is verkort +geworden. De zwermen zijn, zoowel als de moederstok, slecht, en valt +er geen bijzonder gunstige tijd in, dan blijven allen arm aan volk +en zonder genoegzamen wintervoorraad. + +Het is dus van veel belang, wanneer men onder de genoemde +omstandigheden het zwermen in zijne magt heeft. Bij woningen met +lossen bouw is dit het geval: is b. v. de voorzwerm met de oude +moederbij afgegaan en acht men dit ongunstig, dan neemt men den bouw +uit den moederstok, vernietigt de moederwiegen op ééne na en laat den +zwerm, na hem de moederbij ontnomen te hebben, weder op den moederstok +vliegen. De stok verkrijgt nu eene jonge koningin en zal het zwermen +met zekerheid nalaten, en daar er nog eenige dagen moeten verloopen, +voordat er weder broed wordt aangezet, kunnen de bijen al den in +dezen tijd ingezamelden honig voor den winter opleggen. Door deze +handelwijze zal men den stok niet alleen voor ondergang behoeden, +maar hij zal soms nog een goede honigstok worden, die meer dan zijn +wintervoorraad heeft opgezameld. + +4o. Een jonge of ten minste nog in goeden toestand verkeerende wasbouw, +die niet overmatig groot is. Zwermen, van het voorgaande jaar, zwermen +in den regel het liefst; misschien alleen wegens den jongen bouw. + +5o. Eene vrij groote warmte in de woning. Stokken die beschaduwd en +koel, b. v. op het noorden staan, zwermen niet spoedig en soms in +het geheel niet. Gewoonlijk worden zij echter goede honigstokken. + +6o. Eene niet te groot zijnde woning; want in overmatig groote +woningen heerscht niet zoo spoedig de gevorderde warmte; daarbij +moeten de bijen zich te lang bezig houden met het volbouwen van de +ledige ruimte, en de volksvermeerdering wordt er zelden te groot in. + +7o. Gunstig weder in den zwermtijd; want al is de zwermdrift zoo hoog +geklommen, dat de zwerm elk oogenblik zou kunnen afvliegen, dan komt +er toch soms niets van, wanneer eenige regendagen elkander opvolgen, +zoodat het gewone uitvliegen, en dus ook het zwermen, geheel belet +wordt. Zelfs benemen zij dan zich zelven de gelegenheid om te zwermen, +door het koninklijke broed en het hommelbroed uit te trekken en uit +de woning te werpen. + +Daar het weder en de aard der weide zooveel invloed op het zwermen +uitoefenen, zoo is het duidelijk dat niet elken zomer, in iedere +landstreek, alle stokken even sterk zullen zwermen. Met zekerheid +kan dan een zwerm ook nooit verwacht worden, en men kan hen ook niet +altijd op de natuurlijke wijze verkrijgen. + +Men onderscheidt de zwermen hoofdzakelijk in natuurlijke zwermen en +kunstzwermen. Natuurlijke zijn die, welke uit zich zelven ontstaan; +kunstzwermen noemt men daarentegen zulke, welker ontstaan door den +mensch wordt veroorzaakt. Deze zullen later beschouwd worden. De +natuurlijke zwermen worden verdeeld in: voorzwermen, nazwermen, +zingende voorzwermen, maagdezwermen, dubbelzwermen en noodzwermen. Wij +zullen thans overgaan tot de afzonderlijke beschrijving van elk dezer +soorten, om daarna het afvliegen en het aanleggen der zwermen in het +algemeen te behandelen, waarbij dan tevens zal worden opgegeven hoe +zij het best worden opgevangen. + + + +VOORZWERMEN. + +Den eersten zwerm, dien de moederstok afgeeft en waarbij zich steeds de +oude moederbij bevindt, noemt men voorzwerm. Deze zwermen bevatten van +5000 tot 15000 en soms nog meer werkbijen en eenige honderden hommels. + +Het ophanden zijn van een voorzwerm wordt voornamelijk aangeduid +door de volgende verschijnselen: bij overvloed van volk is de geheele +wasbouw met honig en bloemenstof gevuld en het broednest tot onderin +met eijeren bezet; er is veel hommelbroed aangezet, zelfs vliegen er +reeds eenige hommels (zoolang die niet vliegen, kan men in den regel +geen zwerm verwachten); van de aangezette moederwiegen zijn er reeds +geheel gesloten en de moederbijen, daarin bevat, de rijpheid nabij; +de vlugt der bijen vermindert; zij liggen in trossen voor en onder +het vlieggat. + +Hoe meer der genoemde kenteekenen men gelijktijdig waarneemt, met des +te meer zekerheid kan men, bij gunstig weder, binnen eenige dagen, +een voorzwerm verwachten. + +Op den zwermdag zelven, is de vlugt der bijen, reeds vroeg in den +morgen, onregelmatig. Er vliegen er velen af, doch zij gaan niet +naar het veld: zij vliegen in kringen om de woning en gaan er weder +in. Eenigen loopen op de vliegplank onrustig heen en weder, zonder +af te vliegen. Nu is de vliegplank sterk bezet, dan is zij weder +ledig. Bij herhaling beginnen er eenigen voor te spelen en heffen +den zwermtoon aan; spoedig breken zij dat voorspel weder af en gaan +in de woning terug. De met bloemenstof-balletjes beladen, uit het +veld komenden leggen die niet af, doch loopen er mede over het werk +rond of komen er het vlieggat weder mede uit, en voegen zich bij de +voorliggende bijen. De zwerm kan nu ieder oogenblik afkomen; doch voor +dit geschiedt komen er eenige bijen uit de woning en loopen over de +voorliggende heen en weder, waarop allen zich met overhaasting in de +woning begeven, daarbij met de vleugels slaande en een vrolijk gonzen +aanheffende, terwijl zij zoo sterk dringen, dat het vlieggat als het +ware verstopt wordt. Thans gaat al het volk naar de honigcellen en +vult zich de honigmaag. Zij weten toch dat zij in eene ledige woning +zullen komen, en moeten zich dus van eenigen voorraad voorzien om, +in geval het weder ongunstig werd, niet om te komen. Vóór den stok +ontstaat nu een meer en meer toenemend voorspel, onder het aanheffen +van den vrolijken zwermtoon; de bijen stroomen met overhaasting en +gedrang uit het vlieggat en--de zwerm is geboren. + +Het afvliegen van een voorzwerm heeft alleen bij schoon, warm weder +plaats; gewoonlijk tusschen 's morgens acht en 's namiddags twee ure: +vroeger of later zal men hen zelden zien afkomen. + +Het kan gebeuren dat men bij gunstig weder al de opgegeven voorteekenen +waarneemt, en toch verscheidene dagen te vergeefs naar een zwerm +wacht; soms komt hij zelfs in het geheel niet, en worden de aangezette +moedercellen door de bijen vernietigd. Met zekerheid kan daarom nooit +gezegd worden dat een zwerm komen zal; doch, wanneer de uit het veld +komende bijen de bloemenstof-balletjes niet afleggen, dan mag men dit +als het meest te vertrouwen voorteeken beschouwen, dat er een zwerm +op handen is. + +Soms, vooral op sterk bezette standen, vliegt plotseling een voorzwerm +af, zonder dat een der opgegeven kenmerken te zien geweest is, ja +zelfs terwijl er nog geene moederwiegen zijn aangezet. Het ontstaan +van deze zwermen, die onvoorbereide zwermen heeten, moet hoofdzakelijk +worden toegeschreven aan het opwekken van de zwermdrift door oorzaken, +die buiten den stok aanwezig zijn. Hoewel zij de toebereidselen tot +het zwermen nog niet aangevangen, veel min voleindigd hebben, kunnen +volkrijke stokken hieraan soms geen weêrstand bieden. Wanneer b. v. na +koude donkere dagen, die het inzamelen niet geheel verhinderd hebben, +maar toch de zwermdrift onderdrukten, plotseling een warme dag, +met rijke honigdragt, volgt, zoodat alle stokken sterk vliegen en +voorspelen, en van verscheidene zwermen afvliegen, dan kan een nog +onvoorbereide stok hierdoor zoo worden opgewekt, dat hij een lustig +voorspel begint te houden en, onder het aanheffen van den vrolijken +zwermtoon, vliegt nu een zwerm af. + +Dat werkelijk het zwermen van den eenen stok er ook andere toe +aanspoort, mag men daaruit afleiden, dat men op enkele dagen vele +zwermen te gelijk ziet afvliegen, terwijl er wederom op andere geen +enkele stok zwermt. + +Ook ziet men wel onvoorbereide zwermen afvliegen, wanneer na een +ongunstig voorjaar, waarin weinig is opgelegd en dien ten gevolge de +wasbouw heeft stilgestaan, gunstiger weder invalt. De moederbij is +daardoor toch in staat gesteld de voorhanden zijnde cellen spoedig met +eijeren te bezetten; ontwaakt nu plotseling de zwermdrift, dan zetten +de bijen moedercellen aan en verzuimen den wasbouw, en weldra ziet men +een zwerm afkomen, hoewel de woning soms niet ten halve volbouwd is. + +Voor de voortplanting der bijen en het welslagen van hare teelt zijn +de voorzwermen de beste; want, omdat zij het vroegst en gewoonlijk in +de rijkste honigdragt komen en meestal het volkrijkst zijn, kunnen zij +niet alleen in de eerste twee of drie weken een voldoenden wasbouw +optrekken, maar zelfs zooveel honig opzamelen, dat zij hun geheelen +wintervoorraad, van 10 tot 12 Ned. pond, en soms nog veel meer inhalen. + +Een belangrijk voordeel bezitten deze zwermen ook in de bevruchte +moederbij. Zoodra er toch cellen gereed zijn, kan zij die met eijeren +bezetten en na drie weken begint het broed alweder uit te loopen, +waardoor nieuwe inzamelaars in den gunstigsten tijd worden geboren, +terwijl ook het dagelijksch verlies van volk, door den natuurlijken +dood of door toevallige omstandigheden veroorzaakt, wordt hersteld. + +Het moet ieder in het oog vallen, dat het van zeer veel belang is, +dat nieuwe zwermen nog in tijds een behoorlijken wasbouw kunnen +optrekken. Zonder cellen kan er toch geen broed worden aangezet, +en honig noch bloemenstof worden opgelegd. + +Volgens de oude leerwijze schatte men daarom de voorzwermen bijzonder +hoog. Men kon toch den zwerm geen reeds bestaanden bouw toevoegen +dan door hem, in het gunstigste geval, in een korf te plaatsen, +waar men het vorige jaar de bijen had uitgedreven, nadat hij +door haar gedeeltelijk bebouwd was. Zulk een bouw is echter in de +meeste gevallen, door de daarin aanwezige wasmotmaden, geheel of +gedeeltelijk bedorven, hetgeen men, omdat de bouw onbewegelijk is, +niet altijd kan ontdekken. Men loopt dus gevaar meer na- dan voordeel +van deze handelwijze te bekomen: ik heb er ten minste nooit het +beoogde doel mede bereikt. Veeleer scheen het mij toe dat er aan de +bijen de moed door benomen werd, omdat zij meestal eene vervuilde, +met wasmot verontreinigde, woning ontvingen, welke te zuiveren haar +meer tijd kostte, dan het optrekken van een geheel nieuwen bouw. Had +men geene gedeeltelijk bebouwde korven, dan bevestigde men boven in +de woning eenige stukjes van wastafels, waaraan de bijen haar bouw +konden beginnen en voortzetten. + +Bij de Dzierzon'sche woningen, waarin de bouw geheel aan losse +staafjes hangt, zoodat men elke tafel afzonderlijk kan uitnemen, +kan men de geheel ledige tafels wegnemen en zorgvuldig bewaren. Men +kan dan elken zwerm een goeden bouw aanbieden; want heeft men geene +ledige tafels voorhanden, dan neemt men uit andere woningen de misbare +tafels, die alleen werkbijencellen bevatten, en geeft er hem zooveel, +als men naar zijne sterkte noodig oordeelt. Hij kan dan terstond +den medegebragten honig opleggen en dadelijk honig en bloemenstof +inzamelen en bergen. De bijen behoeven nu haar tijd en hare krachten +niet aan de wasbereiding op te offeren; de groote hoeveelheid honig, +daartoe vereischt, blijft gespaard, en eindelijk behoeft de moederbij, +voor de eijerlage, geen oogenblik naar cellen te wachten. + +Het is ook zeer nuttig om bij de in te hangen wastafels er eene met +honig en eene met bloemenstof te voegen. Men hangt dan eerst die met +bloemenstof, daarna de ledige en eindelijk de met honig gevulde in +de woning. Bij onverhoopt invallend ongunstig weder, behoedt men de +bijen hierdoor voor gebrek. + +Dat men de bijen de zorg voor de wasbereiding bespaart, kan ten gevolge +hebben, dat zulk een zwerm zijn wintervoorraad heeft ingedragen, +wanneer andere nog niets dan ledige tafels hebben. Wil men deze +dan door den winter brengen, dan moet men hen sterk voeren of met +anderen vereenigen. + +Den kleinsten zwerm kan men ook in weinige dagen tot den sterksten +maken, door tafels met broed, dat op het uitloopen is, in de woning +te hangen. Men ontneemt dat aan die stokken, die er overvloed van +hebben en die hun verlies, door de vruchtbare moederbij, spoedig +hersteld zien. In vele gevallen is het zelfs eene nuttige berooving, +omdat men er soms volkrijke stokken de gelegenheid door aanbiedt, +om de ledige tafels, die de plaats van het uitgenomen broed innemen, +terstond met honig te vullen, en er hun tevens verkoeling door geeft. + +Het voordeel, dat de voorzwerm van de oude, bevruchte koningin heeft, +en dat wij reeds opgaven, heeft slechts betrekking op den loopenden +zomer; want jonge moederbijen zijn veel beter dan oude, omdat in het +derde jaar hare vruchtbaarheid sterk afneemt. Wilde men nu jaarlijks +den voorzwerm als zoo voordeelig blijven beschouwen, men zou zich, +in het derde jaar minder en in het vierde weinig over zijn voorspoed +behoeven te verheugen, maar zelfs moederloosheid kunnen verwachten, +door het sterven der afgeleefde koningin. Het is dan ook voor den +bijenhouder van het grootste belang, om bekend te zijn met den ouderdom +der moederbijen; want het intreden van moederloosheid, in het najaar +of vroeg in het voorjaar, is toch meestal daaraan toe te schrijven, +dat men te weinig acht slaat op haar ouderdom. Men moet haar niet +ouder dan drie jaar laten worden, doch haar dan, tegen het najaar, +uit den stok nemen en vervangen door eene bevruchte, van hetzelfde +jaar. Het zijn de Dzierzon'sche woningen alweder, die dit gemakkelijk +maken, terwijl het in de oude moeijelijk, of in het geheel niet kan +worden verrigt. + + + +NAZWERMEN. + +Alle zwermen, die na het af vliegen van den voorzwerm afkomen, worden +nazwermen genoemd en naar de volgorde, waarin zij afvliegen, heeten zij +de eerste nazwerm, de tweede enz. Zij zijn gewoonlijk minder sterk dan +de voorzwermen en worden steeds zwakker, zoodat ten laatste zwermen +afvliegen, die naauwelijks 1000 werkbijen tellen. Naar evenredigheid +is het aantal hommels altijd grooter dan bij de voorzwermen. + +Wanneer men het thuten der jonge moederbijen 's morgens of 's avonds in +een stok gehoord heeft, dan kan men, denzelfden of den volgenden dag, +bijna met zekerheid een nazwerm verwachten, wanneer het weder niet al +te ongunstig is. Soms komen zij zelfs af bij koud regenachtig weder, +dat men geheel ongeschikt voor het zwermen zou rekenen; wanneer de +zon maar een oogenblik doorbreekt, dan maken zij van die gelegenheid +gebruik om de woning te verlaten. Men moet dus in den tijd van het +nazwermen, ook bij minder gunstig weder, en van 's morgens tot 's +avonds, de stokken blijven bewaken. + +Er is reeds opgemerkt dat de nazwermen altijd van mindere waarde zijn +dan de voorzwermen; het kleiner getal bijen, het later afkomen, en het +onbevrucht zijn der moederbij zijn daar oorzaak van. Het laatste is +vooral van beteekenis, omdat de koningin op hare bevruchtings-uitvlugt +aan vele gevaren is blootgesteld: een vogel kan haar verslinden, +de wind kan haar in het water slaan, of zij kan op een vreemden +stok verdwalen en daar terstond gedood worden. Komt zij om, dan +moet ook de zwerm te gronde gaan. In het gunstigste geval, dat is, +wanneer de koningin behoorlijk bevrucht tot haar stok terugkeert, +duurt het toch nog ruim drie weken, eer dat in dezen stok jonge +bijen kunnen uitloopen, terwijl het reeds klein getal dergene, die +in den zwerm aanwezig waren, gedurende dien tijd nog veel verminderd +is. De voornaamste honigoogst is dan ook veelal reeds geëindigd, +zoodat het niet zelden gebeurt, dat zij haar wasbouw niet behoorlijk +kunnen optrekken, noch haar wintervoorraad verzamelen. + +Het nazwermen is eene der redenen, waarom de bijenteelt soms zoo +weinig voordeel aanbrengt, en kan meestal als eene plaag voor den +eigenaar beschouwd worden. Wanneer de bijen zeer zwermlustig zijn, +is het gewoonlijk een slecht honigjaar; want zoolang de moederstok +het zwermen niet heeft opgegeven, dat hij niet doet, voordat er maar +ééne moederbij in teruggebleven is, wordt er weinig ingezameld en ook +geen broed aangezet, omdat geene koningin hare bevruchtings-uitvlugt +houdt, voordat zij van de alleenheerschappij verzekerd is. Gedurende +dien tusschentijd, die gewoonlijk veertien dagen duurt, is meest al +het aanwezige broed uitgeloopen en grootendeels met de nazwermen +afgevlogen, zoodat, wanneer het zwermen eindelijk ophoudt, de +moederstok overblijft, met weinig volk en van zijn grootsten voorraad +beroofd; want elke zwerm neemt hiervan een gedeelte mede. Dan moet +de jonge moederbij hare bevruchtings-uitvlugt houden en, zoo deze +gelukkig afloopt, duurt het toch nog ruim drie weken voordat het +eerste broed de cel verlaat. Men kan aannemen dat er gewoonlijk zes +weken verloopen zullen, tusschen het afvliegen van den voorzwerm en het +uitloopen der eerste bijen, van de jonge koningin. In dit tijdsverloop +zijn, op weinige uitzonderingen na, de hoofddragten voorbij, zoodat +de moederstok, zoowel als de nazwermen, wel vermeerdering van volk +konden aanbrengen, doch zonder zich van leeftogt te hebben voorzien, +en dus allen den hongerdood moeten sterven of gevoêrd worden. + +Den moederstok het veel nazwermen te beletten werd door de bijenhouders +steeds beproefd, doch men trof zelden het beoogde doel. Men zette +den afgevlogen voorzwerm op de plaats van den moederstok en plaatste +dezen elders, na er het koninklijke broed en het hommelbroed te +hebben uitgesneden. Het volk van den moederstok gaat, bij zijne eerste +uitvlugt, naar zijne oude plaats terug en versterkt den voorzwerm. De +moederstok daarentegen wordt er bijna geheel door ontvolkt; want +hij verliest al die bijen, die reeds van de vroegere standplaats +waren uitgevlogen, zoodat het broed, bij ongunstig weder, gevaar +loopt geheel af te sterven, omdat het noodige volk, ter verzorging +daarvan, ontbreekt: de geheele ondergang van den stok kon hiervan +het gevolg zijn. + +Beter zou het zijn om den voorzwerm op de plaats van een moederstok te +zetten, waarvan de voorzwerm reeds eene week te voren is afgevlogen. De +vrees voor het afsterven van het broed behoeft dan zoo groot niet te +zijn, omdat het hierin reeds bedekt zal zijn en gewoonlijk zonder +eenige zorg zal uitkomen. Hoewel de bij den zwerm vliegende bijen +vreemd zijn, zoo zal de moederbij nu geen gevaar loopen door haar +aangevallen te worden; want, daar zij eene onbevruchte moederbij of +slechts koninklijk broed achter lieten, zijn zij zeer verheugd nu eene +bevruchte moederbij te vinden. De zwerm zal ook de vreemde bijen niet +aanvallen; want in den zwermtijd zijn de bijen het verdraagzaamst +jegens vreemde, ja zij nemen dan zelfs gaarne hulp aan, om den bouw +des te spoediger te kunnen optrekken. + +Eene andere handelwijze, om het nazwermen tegen te gaan, bestaat +daarin, dat men den moederstok, na het afvliegen van den voorzwerm, +omkeert en er de moederwiegen op eene na en het hommelbroed geheel +uitsnijdt, en hem dan weder op zijne plaats stelt. Tien dagen later +moet men dan nog eens zien of de bijen, om aan haar zwermlust te +voldoen, ook hulpcellen hebben aangezet en ook deze vernietigen. Nu +kunnen zij die niet meer aanzetten; want tien dagen na het afvliegen +van den voorzwerm, is al het broed reeds gedekt en dus ongeschikt om er +moederbijen uit aan te kweeken. Aldus handelende zal men het nazwermen +geheel beletten, wanneer men maar zorgt geene moederwiegen over het +hoofd te zien, hetgeen in gewone korven en alle andere woningen met +vasten bouw, bijna altijd geschiedt, omdat de moederwiegen veeltijds op +de onzigtbaarste en ongenaakbaarste plaatsen hangen. De schrijvers over +de bijenteelt, die zeggen: "men moet de korven niet laten zwermen", +alsof men dit geheel in zijne magt had, bewijzen daardoor dat zij +zich niet aan de bijenstokken zelve geoefend hebben; zij zouden anders +toch inzien dat dit bijna onmogelijk is. Bij woningen met lossen bouw +daarentegen, zal het altijd aan de onoplettendheid van den bijenhouder +zijn toe te schrijven, indien hij het nazwermen niet geheel belet, +en hij is daardoor in staat gesteld om, ook in ongunstige jaren, +nog eenigen honig te winnen. Den dag, na dien waarop de voorzwerm is +afgevlogen, neemt hij alle tafels uit de woningen, vernietigt, zoo +er nog geene jonge moederbij was uitgeloopen, alle moederwiegen tot +op eene na, (had echter reeds eene jonge koningin de cel verlaten, +dan vernietigt hij haar allen) en hangt den geheelen bouw weder zoo +als hij gehangen heeft. Of er reeds eene moederbij is uitgeloopen kan +ontdekt worden, hetzij door dat men haar gedurende de behandeling in +den stok ziet, hetzij door al de moederwiegen zorgvuldig te bezien: +is er eene bij, die van haar wasdeksel beroofd is, dan wordt daardoor +aangetoond dat er reeds eene koningin is uitgeloopen. Had men door +deze bewerking den stok soms moederloos gemaakt, dan heeft dit, in +het hier gestelde geval, niet het minste bezwaar. De bijen zullen +haar toestand terstond bemerken, zich onrustig betoonen, maar zich +ook in haar lot schikken, den eerstvolgenden nacht hulpcellen uit +het voorhanden broed aanzetten en weder aan hare gewone bezigheden +gaan. Tien dagen later moet men den bouw nogmaals uiteen nemen. Ontdekt +men nu geene hulpcellen, dan kan men verzekerd wezen dat er, bij de +eerste uitneming, reeds eene koningin was uitgeloopen, (soms wordt dit +bewezen, door dat men reeds eijeren van haar ziet) of dat de bijen, +uit de haar gelaten moedercel, eene koningin bekomen hadden. Vindt +men integendeel hulpcellen, dan laat men eene der grootste hangen en +neemt alle andere weg. De stok zal nu weder eene moederbij bekomen, +en loopt hare bevruchtings-uitvlugt gelukkig af, dan zal hij in allen +deele gezond, en tegen den winter meestal ruim van voorraad voorzien +zijn, en dus een goede stok wezen, met eene jonge moederbij. Mogt door +deze behandeling een stok geheel moederloos worden, dan helpt men hem, +door uit eene andere woning eene tafel, met eene gesloten moederwieg +of met ongedekt werkbijenbroed, in te hangen. + +Had men tegen alle verwachting nog eene uitgeloopen moederbij of eene +moedercel over het hoofd gezien, zoodat er nog een zwerm afvloog, +dan behoeft men dezen slechts op te vangen en, met een weinig water +besprenkeld, op een witten doek uit te storten en in een ledigen +korf te laten trekken, intusschen acht gevende op de koningin, en +deze ziende, haar met een glas te bedekken en te dooden, of haar, +in een moederhuisje besloten, tusschen de staafjes te hangen, waar +de bijen haar gewoonlijk voedsel zullen toereiken. Men kan haar +aldus tot een ander doel bewaren. De bijen, in den ledigen korf +hare moederloosheid ontdekkende, zullen hem weder verlaten en op den +moederstok terugvliegen. + +De hier beschreven handelwijze volgt men ook wel, om in gewone +strookorven de afgevlogen zwermen weder te doen terugkeeren. Men kan +er dan echter lang mede aan den gang blijven; want de zwerm komt bij +herhaling, wanneer weder eene moederbij is uitgeloopen, terug. Op een +goed bezetten bijenstand kan men haar dan ook in het geheel niet ten +uitvoer brengen. + +Met een afgevlogen zwerm, dien men weder met den moederstok vereenigen +wil, kan men nog op de volgende wijze te werk gaan. Men stelt den +zwerm, in een ledigen korf, op de plaats van den moederstok en zet +dezen, op een paar voet afstands er voor. De meeste bijen van den +moederstok vliegen nu bij den zwerm, waardoor gene zóó ontvolkt +wordt, dat hij verder allen lust tot zwermen zal opgeven, en de +overtollige moederwiegen vernietigen. Indien er nog te veel bijen in +waren gebleven, dan moet men hem bij het verzetten nog wat uitkloppen, +opdat hij zooveel mogelijk verzwakt zou worden. Zoodra men bespeurt +dat hij de moederwiegen vernietigd heeft, hetgeen gewoonlijk den +tweeden dag reeds zal geschied zijn, stoot men er den zwerm weder +op en zet hem weder op zijne oude plaats.--Op deze wijze bereikt men +veelal zijn doel, hoewel er niet met zekerheid op gerekend kan worden. + +Nog beter zou het zijn den zwerm niet aan zijn eigen moederstok, maar +aan een anderen, dien men ook het zwermen beletten wil, te geven; +hij komt dan in eene onbekende vlugt en in eene vreemde woning en, +eene eigene huishouding willende beginnen, valt hij de in den stok +aanwezige moedercellen vijandelijk aan, vernietigt haar, en doodt +ook de overtollige moederbij, waardoor dus het zwermen van dezen stok +wordt verhinderd. + +Het is mij steeds voorgekomen dat men, volgens de oude leerwijze +werkende, met de laatste behandeling er het best in slaagt om het +zwermen te voorkomen. Met zekerheid kan men er echter niet op rekenen, +maar ziet soms nog wel eens een zwerm afkomen. + +Ik moet hier nog doen opmerken dat, bij het gebruik van Dzierzon'sche +woningen, het verschijnen van enkele nazwermen niet als zoo nadeelig +beschouwd moet worden. Door het inhangen van wastafels en tafels met +broed, kan men de zwakste zwermen tot sterke maken. Men komt in het +bezit van jonge, bevruchte moederbijen, die in den herfst kunnen dienen +om de oude, in voorzwermen, te vervangen, en van wastafels met enkel +werkbijencellen; zulke wastafels hebben, bij het volgen der nieuwe +methode, eene groote waarde om haar andere stokken toe te voegen. + +Wenscht men van een stok verschillende nazwermen te trekken, en wil +men hem daarbij voor ontvolking bewaren, dan hangt men er aanhoudend +tafels met broed in, die men ontneemt aan sterke stokken, die niet +willen zwermen, hun ledige tafels in de plaats gevende. Voor deze is +die berooving veeltijds eene weldaad, daar er eene veel te groote +warmte in kan heerschen, en het wegnemen van het broed hun eenige +verkoeling schenkt. + +Heeft men in het najaar eenige zwermen, welker bouw te klein is of +die te weinig voorraad hebben ingezameld, dan maakt men van twee, +drie of meer stokken er een, naarmate zij sterk bevolkt zijn. Men +verdeelt de tafels dan zoo, dat elke goed bevolkte stok 12 Ned. pond +bedekten honig heeft, dien hij zal behoeven om de voorjaarsweide +te kunnen bereiken. Men moet bij de vereeniging van stokken altijd +wel in aanmerking nemen, dat het slechts geschieden kan met die, +welke onmiddellijk naast elkander hebben gestaan. Den vereenigden +stok zet men dan op de plaats, die het midden houdt tusschen hunne +vroegere standplaatsen; want werden zij in een ander gedeelte van +den bijenstand geplaatst, dan zouden de bijen hare oude plaats weder +opzoeken en, daar geene woning vindende, omkomen of bij anderen ingaan +en daar soms verwarring veroorzaken. Wanneer men er gelegenheid toe +heeft, dan is het echter nog beter den vereenigden stok op een anderen +stand te plaatsen, die ten minste een half uur van hunne oude plaats +verwijderd is; vereenigt men meer dan twee zwermen met elkander, dan +moet dit, om goed te slagen, altijd geschieden. De bijen komen dan +in eene onbekende vlugt, die zij allen moeten leeren en vervliegen +dan niet. Wanneer men de stokken in hun winterverblijf wil plaatsen, +haalt men hen terug, en in het volgende jaar zullen slechts enkele +bijen de vroegere standplaats opzoeken. + +De jonge, bevruchte moederbijen, die men door de vereeniging van +nazwermen verkrijgt, kunnen, zoo als reeds vroeger is opgemerkt, +met vrucht worden gebruikt om te oud geworden koninginnen te vervangen. + + + +ZINGENDE VOORZWERMEN. + +De zingende voorzwermen zou men als eene tusschensoort, tusschen de +voor- en nazwermen, kunnen beschouwen. Zij komen toch als eerste +zwermen van de stokken, en zijn gewoonlijk zoo volkrijk als de +voorzwermen, terwijl zij, even als de nazwermen, eene onbevruchte +moederbij hebben. Zij ontstaan meestal doordat de oude moederbij is +gestorven, of op eenige andere wijze verloren gegaan. Gewoonlijk +is uitputting door de overmatige eijerlage, of hoogen ouderdom +de oorzaak van haar dood. Zij kon echter ook door vreemde bijen +zijn afgestoken of op eene andere wijze zijn omgekomen. Welke ook +de oorzaak van haar verlies zijn mag, de bijen zijn er moederloos +door geworden en zetten, wanneer zij haar toestand ontdekt hebben, +hulpcellen aan uit het voorhanden, ongedekt broed. De nu eerst +uitloopende, jonge moederbij beantwoordt het qua! qua! der nog in +de cellen beslotene, met de gewone thu-toonen en verlaat de woning, +met den bereids verkregen aanhang. Somtijds verkrijgt men ook zulke +zwermen, wanneer het ongunstige weder het afvliegen van den voorzwerm +eenige dagen verhindert en de bijen de in de cellen besloten, jonge +koninginnen niet willen vernietigen. Verlaat nu eene jonge moederbij +de cel, terwijl de oude nog in den stok aanwezig is, dan zal, in +den strijd die nu volgen moet, gewoonlijk de oude vallen; want door +haar met eijeren bezwangerd ligchaam, is zij veel trager in hare +bewegingen dan hare tegenpartij. De stok heeft nu eene jonge koningin +en de eerste zwerm, die van dezen afkomt, is dus, zoowel als die van +een in het boven beschreven geval verkeerenden stok, een voorzwerm, +met eene onbevruchte moederbij en wordt daarom zingende of thutende +voorzwerm genoemd. + +De ophanden zijnde verschijning van deze zwermen kondigt zich, even +als die der nazwermen, het zekerst aan, door het thuten der jonge +moederbij. Hoort men het 's morgens of 's avonds in een stok, dan kan +men er bijna zeker op rekenen dat hij of dien, of den volgenden dag, +wanneer het weder niet al te ongunstig is, zwermen zal. + +Omdat deze zwermen gewoonlijk eenige dagen later komen dan de +voorzwermen, en het onbevrucht zijn der moederbij het broedaanzetten +nog eenige dagen vertraagt, zou men hen van mindere waarde moeten +beschouwen dan de voorzwermen; komt de bevruchting echter gelukkig +tot stand dan hebben zij, wegens de jonge koningin, weder eene +grootere waarde. + + + +MAAGDEZWERMEN. + +Bij gunstig weder en ruime honigdragt, kan het gebeuren dat een vroege +en volkrijke voorzwerm zooveel gebouwd heeft, en door de vruchtbare +moederbij zoo volkrijk wordt, dat de woning te klein en te warm voor +hem wordt, en hij dus behoefte gevoelt om zich te deelen. Hij zet +dan moedercellen aan en geeft een, soms meer zwermen. + +Men noemt deze zwermen oneigenlijk maagdezwermen; want, hoewel zij +van een zwerm van hetzelfde jaar afkomen, toch komt de oude moederbij +weder het eerst af. + +Hier te lande komen deze zwermen in het algemeen minder voor, en +bijna nooit komt er een nazwerm van een stok van hetzelfde jaar. Er +zijn intusschen enkele voorbeelden van. + +Deze zwermen komen altijd laat in het jaar, wanneer meest alle +honigdragt voorbij is en de stok, waarvan zij afkomen, wordt er +gewoonlijk door ontvolkt en verliest een groot gedeelte van zijn +voorraad. Van beiden komt dan ook gewoonlijk niets teregt; zoodat +men dit zwermen zoo mogelijk moet tegengaan, door dergelijke stokken +tegen minder bevolkte over te zetten, en te trachten er de moedercellen +uit te nemen. + +Bij woningen met lossen bouw vangt men de moederbij uit den stok, +en vernietigt daarna al de moederwiegen op eene na. Deze blijven de +bijen bebroeijen, en men zal dus in den stok eene jonge moederbij +verkrijgen, waarna hij niet meer zwermen kan. Tien dagen na het +wegnemen der moederbij, moet men den bouw nogmaals uiteen nemen, om +te zien of er ook hulpcellen zijn aangezet; zoo ja, dan neemt men die +op eene na weg; het aanzetten van hulpcellen zou toch een bewijs zijn, +dat de vroeger gespaarde moederwieg was verongelukt. + + + +DUBBELZWERMEN. + +Dubbelzwermen noemt men die, welke door vereeniging van twee of +meer zwermen zijn ontstaan. Die vereeniging kan vrijwillig zijn; +want op een sterk bezetten bijenstand kan het dikwijls gebeuren, +dat van twee of meer stokken gelijktijdig zwermen afvliegen, en dat +deze afzonderlijke zwermen zich, al vliegende, bij elkander voegen +en zich als één zwerm aanleggen. + +Heeft er eene vereeniging van nazwermen plaats, dan is dat eene +gewenschte zaak; zijn het daarentegen voorzwermen, die zich bij +elkander voegen, dan moet men hen weder van elkander scheiden, omdat +elke moederbij met haar volk dan een goeden stok kan vormen. + +Dit afscheiden geschiedt door, op eene beschaduwde plaats, een witten +doek uit te spreiden en daarop zoo veel ledige korven te plaatsen, als +men denkt dat er zwermen zijn, onder elken korf een steentje of iets +dergelijks leggende, zoodat hij aan den eenen kant op den doek rust, +terwijl er aan den anderen eene opening, ter breedte van een vinger, +tusschen hem en den doek blijft. Nu maakt men de in een korf geschepte +zwermen, een weinig nat en stort hen op den doek uit. De bijen zullen +hierover beginnen te loopen en men leidt haar daarbij naar een der +korven: deze rigting eenmaal aangenomen hebbende, zullen zij elkander +als eene kudde schapen volgen en den korf binnen trekken. Men geeft nu +acht of men ook moederbijen ziet, en deze bemerkende, plaatst men er +terstond een glas overheen, steekt een blikken plaatje tusschen den +doek en het glas en zet dit ter zijde. Zoodra men denkt dat in een +korf genoeg bijen zijn gegaan, neemt men hem weg en leidt de bijen +naar een anderen, steeds acht gevende op de moederbijen. Heeft men +op deze wijze de moederbijen afgevangen, dan verdeelt men de bijen +in zoovele korven als er koninginnen zijn en plaatst deze elk in een +moederhuisje. Het zou kunnen gebeuren dat men eene of meer moederbijen +over het hoofd gezien had, en deze dus met de bijen in de korven +waren getrokken. Dit zal men spoedig ontdekken aan de rustige houding, +die de bijen in zulk een korf zullen aannemen, in tegenstelling van +die, welke moederloos zijn. Men kan verzekerd zijn dat een zwerm van +eene moederbij voorzien is, wanneer de bijen, na een half uur in den +korf geweest te zijn, rustig blijven en zich boven in tot een digten +tros vereenigen. Die, welke moederloos zijn, zullen onrustig worden, +heen en weder loopen en den korf weder beginnen te verlaten. Aan +deze geeft men, zoo spoedig mogelijk, eene der koninginnen (doch +laat haar in het huisje besloten) waarna zij zich terstond bevredigd +zullen toonen, door de gevangen moederbij te omringen, zich als een +tros er om heen verzamelende. Men moet zooveel mogelijk zorgen dat +er geen twee koninginnen in een korf komen, want eene derzelve zou +zeker worden afgestoken, terwijl ook de andere gevaar zou loopen +van te worden beschadigd en men dus beide kon verliezen. Heeft men +eene of meer moederbijen overgehouden, dan moet men uit elken korf +wat bijen scheppen, zoodat men voor elk van haar nog eene voldoende +hoeveelheid bijen bekomt. Voor het geval, dat dit terugscheppen +noodig was, is het dat men de koninginnen in de moederhuisjes moet +laten blijven; men zou toch anders gevaar loopen ook de moederbij +terug te nemen. Wanneer eindelijk alle korven in orde zijn, dan zet +men hen op de bestemde plaats of doet de bijen aldaar in die woning, +waarin men haar wenscht te houden, en laat daarna de koninginnen los. + +Op sterk bezette bijenstanden vliegen soms, van tien tot twintig +stokken te gelijk, zwermen af, die allen ondereen op één hoop +vallen. In zulk een geval is het ondoenlijk hen op de voorgaande +wijze te scheiden. Men schept dan de bijen in eenige korven, zoodat +elk daarvan een genoegzaam aantal krijgt, en zet deze op eenigen +afstand van elkander neder. Die korven, waarin geene moederbij is, +zullen de bijen spoedig verlaten en zich dan gewoonlijk over de andere +verdeelen; terwijl dat in die korven, waar er meer dan ééne in gekomen +is, de overtollige gedood zullen worden. [9] + +Men kan ook de geheele bijenmassa in eene groote kuip scheppen, in +deze eenige houten staven in het rond zetten, haar dan met een luchtig +kleed goed digt dekken, en tot den volgenden morgen rustig laten +staan. Gedurende den nacht zullen de zwermen zich grootendeels van +elkander gescheiden, en zich ieder om eene staaf gehangen hebben. Men +neemt nu elken zwerm, aan de staaf gehecht, uit de kuip en doet hem +in de voor hem bestemde woning. + +De vereeniging van zwermen kan ook door den eigenaar bewerkstelligd +worden, om van eenige kleine nazwermen, een volkrijken daar te +stellen. Men moet intusschen wel in aanmerking nemen, dat men voor- +en na-zwermen slechts met groot gevaar met elkander vereenigen kan; +want zwermen met bevruchte en onbevruchte moederbijen zijn elkanders +doodsvijanden. Bij de vereeniging zou juist de bevruchte moederbij, +de traagste zijnde, het meest gevaar loopen om te komen. Ook zouden +de werkbijen elkander bij duizenden afsteken. Wilde men hen daarom +volstrekt bij elkander plaatsen, dan zou men de jonge moederbij uit +den nazwerm moeten vangen, en de bijen zeer sterk met muskuswater +[10] moeten besprenkelen. + + + +NOODZWERMEN. + +Somtijds verlaat eene geheele bijenkolonie, in het vroege voorjaar +of zelfs ook reeds in het najaar, hare woning. De nood dringt haar +hiertoe, hetzij dat de woning door instorting van den wasbouw, door +stank van muizen, motten of andere onreinheden onbewoonbaar voor haar +is geworden, hetzij dat haar geheele voorraad opgeteerd is. In dit +geval noemt men den noodzwerm ook wel hongerzwerm. + +De noodzwermen bedelen zich soms bij moederlooze of zwak bevolkte +stokken in, waarom zij ook wel bedelzwermen heeten. Meestal hangen +zij zich echter hier of daar aan en komen van gebrek om. + + + +HET AFVLIEGEN, HET AANLEGGEN EN HET OPVANGEN VAN DE ZWERMEN. + +Vroeger meende men dat bij het afvliegen van een zwerm de moederbij +voorging, en den geheelen zwerm tot geleide diende. Dit is echter +zoo niet. Een gedeelte der werkbijen opent den togt, en men heeft +zelfs gezien dat koninginnen, die door een gebrek aan de pooten of +vleugels de woning niet konden verlaten, er door de werkbijen met +geweld uitgedreven werden. + +Bij een voorzwerm trekt gewoonlijk eerst ongeveer de helft van zijn +volk, in vrolijke drift uit de woning; dan wordt de vliegplank ledig, +en kan men veelal de koningin te voorschijn zien komen, alleen begeleid +door de zoogenaamde lijfwacht. Dikwijls vertoeft zij een oogenblik op +de vliegplank, alsof zij zich nog eens bedenken wilde, en vliegt dan +af, waarna het overige van den zwerm haar volgt. Het gebeurt ook wel +dat zij niet af wil vliegen, maar in de woning terugkeert, misschien +omdat het weder haar niet bevalt. In dit geval blijven de uitgevlogen +bijen niet lang buiten; want de koningin missende, vliegen zij spoedig +weder op den moederstok terug. Wanneer het weder den volgenden dag +gunstig is, dan kan men den zwerm op nieuw verwachten. + +Door een gebrek aan de vleugels, wordt de moederbij wel eens +verhinderd den zwerm te volgen; zij valt dan op eenigen afstand van +de woning neêr. De zwermende bijen zullen haar daar gewoonlijk niet +ontdekken. Ziet men een zwerm lang dralen met zich aan te leggen, +dan moet men omzien of men de koningin ook op den grond vindt. Zij +is daar spoedig te ontdekken, omdat zij steeds door enkele bijen +zal omringd zijn, die haar geheel zullen bedekken. Doet men deze +met een houtje of iets dergelijks wat op zijde, dan zal men de +moederbij in het gezigt krijgen. Vindt men haar spoedig genoeg, +om haar aan de zich hier of daar reeds aangelegd hebbende bijen te +geven, dan zullen de nog omzwervende zich ook spoedig om haar heen +verzamelen, en de zwerm zal geslaagd zijn. Ook kan men de moederbij, +in een moederhuisje geplaatst, in de voor den zwerm bestemde woning +zetten, waarna men deze op de plaats van den moederstok stelt. De +bijen, hare koningin missende, zullen weder op den moederstok willen +vliegen, en in plaats van dezen zullen zij eene ledige woning vinden, +die zij, nu zij er hare koningin in ontdekken, met vreugde zullen +aannemen. Men moet met deze handelwijze vlug te werk gaan, en zal +dan zelfs van het opvangen van den zwerm ontslagen zijn. + +Hoe men ook met eene gebrekkige moederbij handelen moge, men moet +haar nooit aan den moederstok terug geven; want den volgenden dag +zou zij weder afkomen. Haar te dooden zou ongeraden zijn; want voor +de eijerlage is zij even goed als eene geheel gezonde. Men moet haar +dan liever voor een kunstzwerm bezigen, en in den herfst door eene +jonge vervangen. + +Er zijn gewoonlijk verscheidene moederbijen in die zwermen, die +met jonge moederbijen afgaan. Deze komen dan niet geregeld, maar +verstrooid, uit de woning; nu eens bij het begin, dan weder in het +midden, soms zelfs op het einde van den zwerm. Men mag dus wel aannemen +dat de werkbijen en niet de koninginnen de eerste aanleiding tot het +zwermen geven. De laatste, bij de verwarring van het zwermen, door +de werkbijen niet meer bewaakt wordende en geene thu-toonen hoorende, +verlaten hare cel en worden door de zwermende bijen voortgestuwd. Daar +de eene nu wat vroeger, de andere wat later uit de cel komt, zoo zijn +zij ongeregeld in den zwerm verstrooid. + +Gewoonlijk vliegen de uit de woning stroomende bijen, onder het +aanheffen van den zwermtoon, zoolang in den omtrek van den bijenstand +rond, totdat de geheele zwerm den stok heeft verlaten. Bevindt de +koningin zich in haar midden en hebben zij zich daarvan verzekerd, +dan trekken de bijen zich meer en meer zamen en leggen zich hier of +daar aan. Meestal geschiedt dit aan een boomtak of struik. Aanvankelijk +zetten slechts enkelen zich neêr, welke door anderen gevolgd worden; +daarbij voegt zich de koningin en eindelijk ook al de overige bijen, +zoodat zij ten slotte in een belangrijken tros, veel op een druiventros +gelijkende, aanhangen. De zwerm legt zich altijd dáár aan, waar zich +de koningin bevindt; daar deze echter het vliegen niet gewoon is, +zet zij zich soms op het eerste het beste rustpunt neder, of wordt +ook wel eens door eene windvlaag neêrgeworpen, waardoor de zwermen +veeltijds op die plaatsen aanleggen, die het ongeschiktst zijn om +hen op te vangen. Soms verzamelen zij zich op een dak, in eene haag +of op andere lastige plaatsen. Het is mij eens gebeurd dat een zwerm +zich op mijn hoed verzamelde! + +Zwermen, met jonge koninginnen, leggen zich ook veelal in verscheidene +trossen aan; want, waar zich eene moederbij nederzet, daar zullen +de haar omringende bijen zich ook plaatsen. Deze verschillende +trossen voegt men in ééne woning bij elkander, sluit haar met een +doek, die de lucht gemakkelijk doorlaat en zet haar aldus op eene +koele, donkere plaats. Gedurende den nacht zullen dan de bijen de +overtollige koninginnen dooden. Zet men de woning den volgenden morgen +op hare plaats, dan zullen zij haar zelden meer verlaten. De aldus +opgevangen bijen moet men zoo spoedig mogelijk van de zwermplaats +verwijderen, daar er anders te veel aan die plaats gewennen en er +blijven hangen. Heeft men den zwerm spoedig weggenomen, dan zullen +de achtergebleven bijen, die hare moederbij niet vinden kunnen, op +den moederstok terug vliegen. Velen zullen deze handelwijze afkeuren, +en de woning liever tot den avond op de zwermplaats laten staan, omdat +de verspreide bijen er zich dan meer in verzameld zullen hebben. Dit +is echter slechts een schijnbaar voordeel; want den volgenden morgen +zullen zij, die den vorigen dag daar de vlugt leerden, weder naar de +zwermplaats terug keeren. Deze verstrooide bijen kunnen als verloren +beschouwd worden; want haar eigen stok weten zij niet te vinden, en +indien zij op andere vliegen, dan worden zij afgestoken. Haar getal +zal kleiner zijn, naarmate men den zwerm spoediger van de zwermplaats +heeft verwijderd; want die bijen, die weder op den moederstok terug +vliegen, zijn wel voor den zwerm, maar niet voor den eigenaar verloren. + +Wil men den zwerm in eene Dzierzon'sche woning plaatsen, dan vangt men +hem in een gewonen korf en zet hem op eene koele, donkere plaats tot +het vallen van den avond; dan doet men hem in de voor hem bestemde +woning. Dit geschiedt het best door een gedeelte der bijen, met een +blank ijzeren vuurlepel, voorzigtig uit den korf in de woning te +scheppen. Zij zullen zich dadelijk naar het voorste gedeelte daarvan +begeven, en daar een vrolijken loktoon aanheffen. Nu behoeft men de +opening van den korf slechts voor de woning te houden, en spoedig +zullen allen er in overgaan. Men behoeft hierbij niet de minste +vrees te koesteren; veeleer zal men zich vermaken bij het zien der +vrolijke dieren. + +Een zwerm verlaat soms plotseling zijne aanlegplaats, verheft zich +in de lucht, en gaat de ruimte in. Hij is dan gewoonlijk verloren; +want hij vliegt soms in een digten drom zoo snel heen, dat men hem +moeijelijk volgen kan; dit wordt ook soms onmogelijk, door dat hij over +water gaat of een uur en langer vliegende blijft. Eindelijk hangt hij +zich van vermoeidheid hier of daar aan, en wordt hij door anderen niet +opgevangen, dan komt hij gewoonlijk om. Als mij een zwerm ontvliegt, +dan ga ik hem niet lang na, denkende: "zijt gij met mij niet tevreden, +zoek dan een beteren meester!" + +De oorzaak van het wegvliegen van een zwerm moet meestal daarin gezocht +worden, dat men te lang gewacht heeft met hem op te vangen. Wanneer hij +zich ergens heeft aangehangen, waar hij aan de brandende zonnestralen +is blootgesteld, zoodat de hitte in den opeengepakten klomp bijen +weldra ondragelijk wordt, of indien er verscheidene koninginnen in +zijn, die elkander trachten af te steken, waardoor onrust in den +zwerm ontstaat, dan vliegt hij spoedig het luchtruim in. + +Het doel, van het eerste aanleggen van een zwerm, is voorzeker het +verzamelen van alle bijen, die mede uitgetrokken zijn, ten einde een +weinig uit te rusten, en dan de door de spoorbijen opgezochte woning +gezamenlijk in bezit te nemen, of er op goed geluk eene te gaan zoeken. + +Indien een zwerm zich zoodanig aan een boomtak heeft gehangen, +dat men er een korf onmiddellijk onder kan houden, dan behoeft men +tegen den tak slechts een stoot te geven, om hem grootendeels in den +ondergehouden korf te doen vallen. Men stelt nu den korf zoo digt +mogelijk bij de plaats, waar den zwerm heeft gehangen, en zet er aan +een kant iets onder, zoodat er eene opening, van eene hand breed, +overblijft. Is de koningin reeds in den korf, dan trekt zij, met de +bij haar zijnde bijen, naar het bovenste gedeelte; daar verzamelen +zij zich tot een digten tros, en de nog rond vliegende bijen zullen +zich bij haar voegen. Was de moederbij echter niet mede in den korf +gevangen, dan trekken al de bijen er weder uit en zetten zich daar +aan, waar zij zich bevindt; men moet haar dan op nieuw opvangen en +dit herhalen, tot men ook de moederbij heeft, dat echter meestal +den eersten keer het geval zal zijn, wanneer men ten minste niet te +voorbarig is geweest bij het opvangen, maar daarmede zoolang gewacht +heeft, tot de zwerm zich behoorlijk had aangelegd en verzameld. + +Men moet er wel op letten den korf, waar de zwerm in gevangen is, +in de schaduw te plaatsen, en is daar bij de zwermplaats geene +gelegenheid toe, dan brengt men schaduw aan, door eene plank tegen +den korf te zetten of hem met groene takken te bedekken. Verzuimde +men dit, de zwerm zou den korf weder spoedig verlaten, voortgejaagd +door de brandende hitte, die de zonnestralen spoedig in den korf +zouden doen ontstaan. + +Om het wegvliegen der bijen, bij het opvangen van een zwerm, te +voorkomen, is het goed haar nat te maken. Men doet dit het best door +haar met een handvegertje te besproeijen, maar moet er niet te vlug +mede zijn, doch wachten tot het grootste gedeelte van den zwerm +zich heeft aangehangen; want deed men het voor dat de moederbij +zich had neêrgezet, dan zouden zij weder wegvliegen en zich elders +aanleggen. Met het nat maken kan men nooit kwaad doen en, wanneer de +bijen al te oproerig zijn en men er geen meester over kan worden, +dan kan men haar gerust druipnat maken: zijn zij weder opgedroogd, +dan hebben zij er niet het minste letsel van. + +Hebben de bijen zich tegen een zwaren boomtak, tegen den stam of elders +zoodanig aangelegd, dat zij niet afgeschud kunnen worden, dan moet +men haar met een blank ijzeren vuurlepel opscheppen, en aldus bij +gedeelten in den korf brengen. Men moet daarbij in acht nemen haar +langzaam, van onderaf, te scheppen, zij zullen dit gewillig toelaten +en slechts weinigen zullen op den grond vallen. Men wachte zich wel +van boven naar beneden te scheppen, om haar als het ware in den korf +te strijken, dat oogenschijnlijk in vele gevallen gemakkelijker zou +zijn; de bijen kunnen dit niet verdragen: men zou haar meest altijd +in toorn brengen en er ook meer kwetsen, dan van onderaf scheppende. + +Indien een zwerm zich hoog in een boom heeft gehangen, zoodat men +er niet gemakkelijk bij kan klimmen, dan neemt men een ligten korf, +die in den top eene opening heeft, steekt hierin een stok en houdt +hem aldus onder den zwerm, terwijl een ander, met een aan een stok +bevestigden haak, den tak een ruk geeft, die den zwerm in den korf +doet vallen. Men zet dezen nu op den grond neder, opdat de bijen er +zich in verzamelen. + +Heeft een zwerm zich aldus geplaatst, dat het niet mogelijk is hem op +te vangen, dan moet men trachten hem, door het aanbrengen van rook, +van die plaats te verdrijven, in de hoop dat hij zich op eene meer +geschikte zal aanleggen. Wanneer hij voor den rook van lappen zijne +plaats niet spoedig wil verlaten, dan maakt men eene soort van lont +van lappen, en doet daar wat haar tusschen; voor den rook daarvan +zal hij meest altijd wijken; mogt het echter nog niet helpen, voor +den rook van brandenden duivelsdrek zal hij zeker uit den weg gaan. + +Is de plaats, waar de zwerm zich heeft aangelegd, zelfs niet met +rook te bereiken, zonder zich zelven aan gevaar bloot te stellen, +dan doet men best hem maar verloren te laten gaan, zich troostende +met de gedachte, dat het beter is een zwerm te missen, dan om zijn +bezit den hals te breken. + +Over het algemeen kan men aannemen, dat een zwerm de hem aangewezen +woning aanneemt, wanneer de bijen, tot een digten tros vereenigd, een +aanvang met den wasbouw maken; terwijl er eenigen aan het vlieggat +staan, die, met den kop naar hetzelve en het achterlijf naar boven +gerigt, vrolijk met de vleugels slaan; dit is het gewone teeken dat +de moederbij in den stok is. Men ziet dan ook reeds eenige bijen +uitvliegen, en met voorraad beladen te huis komen. Andere zijn weder +bezig met de woning van onzuiverheden te ontdoen, en oneffenheden weg +te bijten. Dit laatste is wel als het zekerste bewijs te beschouwen, +dat de zwerm de woning niet meer zal verlaten. + + + + + + + +II. DE BIJENTEELT. + + +DE WONINGEN. + + +Deze tweede afdeeling, waarin meer bepaald de teelt der bijen zal +behandeld worden, wil ik aanvangen met het beschrijven der woningen. Ik +zal mij daarbij bepalen tot de Dzierzon'sche; want wilde ik, van +alle vroeger en thans nog in gebruik zijnde woningen, de inrigting +opgeven, dan zou ik mijn bestek ver te buiten gaan; daarenboven zou +dit nutteloos zijn, daar er in onze taal verscheidene werken zijn, +waarin zij goed beschreven worden. [11] + +Men heeft reeds sedert eeuwen ingezien, dat de gewone bijenkorven +veel te wenschen overlaten: in den bouw kan men niet zien en meest +alles is van het toeval afhankelijk; de willekeur der bijen kan men +niet behoorlijk tegengaan en aan zijn wil onderwerpen. Men trachtte +daarom steeds betere en meer geschikte woningen uit te denken, +maar die, welke men te voorschijn bragt, beantwoordden niet aan het +oogmerk. Zij waren zeer zamengesteld, hoog in prijs en moeijelijk +en omslagtig in de behandeling: men stelde haar daarom ter zijde en +gebruikte weder strookorven. + +De oude Grieken gebruikten reeds woningen met lossen bouw, doch zij +waren ondoelmatig en vonden geene navolging. De eerste, die er in +geslaagd is om de bijenteelt met eenig goed gevolg in zulke woningen te +beoefenen, was Frans Huber, een Fransch bijenvriend, die in de tweede +helft der vorige eeuw leefde. Hij werd op eene zeer eenvoudige wijze +tot hare zamenstelling gebragt. Voor zijne waarnemingen omtrent het +leven der bijen, gebruikte hij zeer ondiepe kasten, die slechts eene +tafel konden bevatten, en waarin hij dus de bijen aan beide kanten, +in al haar doen kon bespieden. Van deze kasten, welke ieder een los +raampje bevatteden, waarin de tafels gebouwd moesten worden, plaatste +hij er eenige tegen elkander, vereenigde die door ijzeren stangen met +schroeven, en verkreeg daardoor eene woning, uit kleinere te zamen +gevoegd, die naar willekeur kon worden uit elkander genomen. Hij +noemde haar blad- of boek-woning, omdat men haar, even als een boek, +kon openen en bezien. Al gaf zij gelegenheid om den bouw uiteen te +nemen en weder zamen te voegen, waarvan men het nut erkende, voor +algemeen gebruik was zij te kostbaar en te omslagtig, en werd daarom +bijna geheel der vergetelheid prijs gegeven. + +Aan Dzierzon komt de eer toe de teelt der bijen, in woningen met lossen +bouw, gemakkelijk en voor iedereen uitvoerbaar gemaakt te hebben, +en hoewel zijne woningen nog wel voor verbetering vatbaar zullen +zijn, vergeten zullen zij nooit worden. Het eerst maakte hij die +bekend in de Bienenzeitung voor 1845, No. 12, na haar reeds geruimen +tijd, onder toepassing van zijne theorie, op zijn stand gebruikt te +hebben. Later maakte hij haar, door verscheidene afzonderlijke werken, +meer algemeen, zooals in zijne: "Theorie und Praxis," "Nachtrage zur +Theorie und Praxis" en "Bienenfreund aus Schlesiën." + +Bij de vervaardiging zijner woningen, ging hij van het beginsel +uit, dat zij slechts uit ééne kast moesten bestaan, waarin de bouw +gemakkelijk uiteen genomen, en zonder hem te beschadigen, weder in +elkander gevoegd of in eene andere woning overgeplaatst kon worden. Dit +doel heeft hij volkomen bereikt, en zijne woningen bevelen zich als +van zelven aan, aan allen, die slechts willen zien en met oordeel +nadenken. Zij vinden dan ook, niet slechts in geheel Duitschland, +maar ook in vele andere landen, meer en meer navolging, en op vele +bijenstanden hebben zij alle andere woningen geheel verdrongen. + +Deze woningen en de toevallige invoering der Italiaansche bijen, +hebben in de laatste tien jaren meer omtrent de huishouding der bijen +aan het licht gebragt, dan alle vroegere eeuwen te zamen, en tevens +doen zien, dat een aantal der vroeger als goed erkende leerstellingen, +slechts fabels waren. + +Dzierzon geeft twee soorten van woningen op, te weten: liggende, +waarbij de lengte grooter is dan de hoogte, en staande, waarbij in +tegendeel de hoogte de lengte overtreft. De ondervinding heeft geleerd +dat de liggende het honigwinnen meer bevorderen, terwijl de staande +het broedaanzetten meer begunstigen, daar er eene meer gelijkmatige +warmte in heerscht. + +Wegens de ruimere honigopbrengst zou dus de liggende woning te +verkiezen zijn; doch in eene andere, zeer belangrijke zaak, staan zij +weder ver achter de staande: de overwintering is toch in deze veel +gemakkelijker; want in de liggende woningen hebben de bijen te weinig +honig boven zich, zoodat zij in strenge winters de meer afgelegen +tafels niet kunnen bereiken. Thans geeft men vrij algemeen de voorkeur +aan woningen, die tusschen de liggende en de staande invallen. + +Voor ik tot de beschrijving der woningen, van welke thans reeds zoo +vele soorten bestaan, dat ik slechts de voornaamste behandelen kan, +overga, moet ik de opmerking maken dat, welke afmetingen men zijne +woningen ook geven wil, de breedte van allen volkomen dezelfde moet +zijn. Voor den inwendigen afstand der zijwanden moet men dus eene +bestendige maat kiezen. Deed men dit niet, men zou woningen met lossen +bouw hebben, en de voornaamste van hare voordeelen missen! De staafjes, +waaraan de bouw hangt, zouden verschillende lengten moeten hebben, +en konden dus niet uit de eene woning in de andere geplaatst worden. + +De ondervinding heeft mij geleerd, dat breede woningen moeijelijk te +behandelen zijn. Den inwendigen afstand der zijwanden van allen, die ik +beschrijven zal, stel ik op 9 1/2 Rhijnl. duim. De staafjes, waaraan de +tafels gebouwd moeten worden, zullen dan 9 7/8 duim lang moeten zijn, +omdat zij in de zijwanden in groeven, van 1/4 duim diep, gemakkelijk +geschoven moeten kunnen worden, zonder dat zij daarin kunnen klemmen +of er uit vallen. Eene afbeelding van een staafje ziet men in fig. 1. + +Men maakt hen van eene soort van hout, dat niet splinterachtig +is; ik neem er olmen voor. In een latje, van ruim 1/4 duim dik, +bij eene lengte ab, van 9 7/8 en eene breedte ac, van 1 1/2 duim, +worden, 1 duim van de uiteinden, bij e, f, g en h, insnijdingen, +van 1/4 duim diep, gemaakt, en het hout daar tusschen weggestoken, +zoodat het gedeelte efgh van het staafje 1 duim breed is, terwijl de +verbreeding aan de uiteinden, aan weêrskanten 1/4 duim zijnde, er bij +het tegen elkander schuiven der staafjes in het midden eene ruimte +van 1/2 duim vrij blijft; (zie fig. 3, die eene woning voorstelt, +waar men bovenin ziet, nadat de bovenwand er afgenomen is). + +Het is een bepaald vereischte dat de staafjes de afmetingen hebben, +die ik hier opgeef; want de bijen geven de wastafels eene breedte +van 1 duim, en laten tusschen elke twee tafels eene ruimte van 1/2 +duim vrij (zie bladz. 46); was de tusschenruimte der staafjes te +klein, zij zouden de tafels aan elkander bouwen; was zij te groot, +zij zouden er kleine tafels tusschen brengen, en de uitneembaarheid +van den bouw zou in beide gevallen verloren gaan. Op de staafjes en +hare plaatsing berust de geheele Dzierzon'sche methode. + +Om de staafjes spoedig en goed te maken, zaagt men van eene olmen +plank, van 1 1/2 duim dik, stukken af, fig. 2, die de lengte ab der +staafjes hebben; 1 duim van de uiteinden maakt men, aan eene der +zijden, zaagsneden gi en hk, van 1/4 duim diep, schaaft het hout +tusschen deze zaagsneden vlak weg, en bewerkt daarna de andere zijde +der plank eveneens. Men zaagt er nu plaatjes van 3/8 duim dik af, die, +opgeschaafd zijnde, dus ruim 1/4 duim dik en allen van gelijken vorm +zijn zullen. Men moet hen slechts aan eene zijde glad schaven; want +de aanhechting der wastafels geschiedt gemakkelijker en beter aan eene +ruwe oppervlakte: zij worden dus aan de ongeschaafde zijde bevestigd. + + + +De woningen worden vervaardigd van planken, van 3/4 duim dik, die +behoorlijk aan elkander geploegd en gelijmd moeten worden. Men zaagt +eenige stukken af op de lengte, die de wand hebben moet, zaagt deze +daarna op het hart door, om het krom trekken te voorkomen, en ploegt +van de verkregene plankjes er zoovele aan elkander, dat men een blad +van de vereischte breedte verkrijgt. De voegen moeten, opdat zij niet +open zouden trekken, gelijmd worden. Daartoe moet eene lijm gebezigd +worden, die tegen water bestand is; want vooral in den winter, is in +sterk bevolkte woningen veel waterdamp aanwezig. Men gebruikt daarvoor +versch gestremde melk, met gestampte en gezifte, ongebluschte kalk +vermengd, welk mengsel eene taaije pap zal vormen; hiermede worden +de voegen aan een gelijmd, waarna men het blad, gedurende een paar +dagen, tegen elkander geklemd, te droogen legt. Is de lijm goed droog, +dan wordt het blad vlak geschaafd. + +De bodem en bovenwand der woning (zie fig. 4) worden zoo lang genomen, +dat de uiteinden aan weêrskanten 3 à 4 duim over den zijwand uitsteken; +in onze figuur ziet men de stukken ae, bf, cg en dh. Op de kanten der +zijwanden worden dan stukken abfe en cdhg, welker breedte gelijk is +aan de buiten uitstekende gedeelten van den bodem en den bovenwand, +bevestigd. Aan de achterzijde der woning, die hier onzigtbaar is, +worden eveneens dergelijke strooken aangebragt. In fig. 3 ziet men +haar in doorsnede; a, b, c en d zijn de vier strooken, ef en gh +de zijwanden. + +Aan de buitenzijde der woning verkrijgt men nu eene ingesloten ruimte, +die boven- en onderaan begrensd wordt door de uitstekende gedeelten +van den boven- en onderwand, aan de zijden door de daar aangebragte +strooken en achter-aan door den zijwand. Die ruimte wordt opgevuld +met stroo of mos, dat voor de netheid nog met riet bedekt kan worden, +waarna men het vulsel bevestigt, door drie of vier houten lijsten, +(efgh, iklm en nopq, fig. 5,) die op de zijwanden gespijkerd worden; +om het opbuigen te voorkomen, vereenigt men haar in het midden door +een enkelen spijker met den binnenwand. + +Het opvulsel moet niet te los zijn, doch ook niet met geweld aangedrukt +worden; de lijsten moeten het behoorlijk kunnen tegenhouden. + +Men verkrijgt op deze wijze zijwanden, die de warmte zeer moeijelijk +geleiden en die daarom, in den winter, het ontwijken der inwendige +warmte en, in den zomer, eene te sterke verhitting tegengaan. + +Ter voorkoming van het vezelen van het riet en het indringen van +muizen, wordt het vulsel, nadat de woning voltooid is, tusschen de +houten lijsten bepleisterd, met een mengsel, bestaande uit koemest +en gezifte asch. Het aanzien verbetert hierdoor ook. + +Om het opvullen gemakkelijker te maken, bedient men zich van stroo- +of riet-matjes, die men eveneens vervaardigt, als de dekmatten der +tuinlieden. Het onderste gedeelte der op te vullen ruimte wordt dan +met los stroo gevuld, hierop een matje gelegd en dit met de lijsten +nedergedrukt. + +Wanneer men het uiterlijk aanzien der woningen bevallig wil maken, +en zich daarvoor eene kleine verhooging in prijs getroosten, dan kan +men het opvulsel ook bedekken met over elkander gespijkerde, dunne +plankjes (zie fig. 4). Dit is ook goed voor het behoud der woning, +omdat alle regen goed kan afloopen, waardoor het vulsel geheel droog +blijft. Eigenlijk wordt de geringe prijsverhooging aanmerkelijk +opgewogen, door het voordeel dezer bekleeding; ik heb haar daarom +dit jaar bij al mijne nieuw gemaakte woningen aangebragt. + + + +DE LIGGENDE WONING. + +Voor de zijwanden der liggende woning maakt men, op boven gezegde +wijze, twee bladen, die, bij eene lengte van 15 1/2 duim, eene +breedte van 30 duim bezitten. Men moet zorgen dat eene der zijden +van elk derzelve, die de binnenwanden der woning moeten vormen, goed +vlak geschaafd zijn, daar deze wanden evenwijdig wezen moeten. Aan +die zijden schaaft men aan weêrskanten eene sponning, van 1 1/2 duim +breed en ruim 1/4 duim diep, waarin de deuren moeten rusten. Bij e, +f, g en h, fig. 3, ziet men de deuren i en k in doorsnede, in die +sponningen rustende, terwijl dat eene daarvan gezien wordt bij ik, +fig. 4, en eene bij rs, fig. 5. + +Vervolgens maakt men, aan dezelfde zijden dezer bladen, 12 1/4 duim van +den onderkant, eene groef, van 1/4 duim diep en ruim 1/4 duim breed, +(zie lm, fig. 4 en tu, fig. 5,) zoodat zij, de bladen op elkander +liggende, elkander volkomen bedekken. Die groeven moeten dienen om +er de staafjes in te schuiven. + +In het midden, van een dezer zijstukken, wordt nu, 1 1/4 duim van den +onderkant, eene opening voor het vlieggat, (no, fig. 4) gemaakt. Voor +het gemak en de netheid maak ik voor deze gaten kokertjes, door +tusschen twee plankjes van 5 duim breed en 1/2 duim dik, aan beide +zijden latjes te spijkeren, van 1/2 duim breed en 3/8 duim dik, +waardoor dan een koker (fig. 6) ontstaat, die inwendig 4 duim breed +en 3/8 duim hoog is, waar ik nu stukjes afzaag, welker lengte gelijk +is aan de dikte van den zijwand. Deze kokertjes moeten aldus in het +zijstuk gebragt worden, dat de opening in het midden der breedte en +haar onderkant 1 1/4 duim boven den onderrand komt te liggen. + +Voor de boven- en onderwanden maakt men bladen, van 17 1/2 duim lang +en 30 duim breed, schaaft aan de zijden, die de binnenkanten moeten +vormen, op gelijke afstanden van de uiteinden, groeven van 1/4 duim +diep en 3/4 duim breed, welker binnenranden juist 9 1/2 duim van +elkander verwijderd moeten zijn. In fig. 4 zijn deze groeven aangeduid +door de letters p, q, r en s en in fig. 5 door v, w, x en y. + +De zijwanden worden nu in deze groeven van de boven- en onderwanden +geschoven en met spijkers daarin bevestigd. Aan de kanten, waar +de deuren moeten komen, zet ik, voor het afwijken, gewoonlijk eene +houtschroef. Men vult daarna de zijwanden op de vroeger omschreven +wijze en maakt in de onderste lijst, die het vulsel bedekt, +eene opening, waardoor het kokertje voor het vlieggat, gestoken +kan worden; maakt dit er in vast en brengt aan de buitenzijde een +zinken schuifje voor hetzelve. Nu wordt onder het vlieggat nog een +vliegplankje gemaakt, dat 2 duim breed en 6 duim lang is. Het moet +zoo aangebragt worden, dat de bovenkant gelijk komt met de onderzijde +van het vlieggat, opdat de te huis komende bijen, na zich op dit +plankje nedergezet te hebben, ongehinderd kunnen binnengaan en niet +behoeven te klimmen. Naar buiten moet het eenigzins afhangen om den +regen te doen afloopen. Bij het vervoeren is het zeer gemakkelijk, +als de vliegplankjes van de woningen genomen kunnen worden. Zij +nemen daardoor minder plaats in, en het gebeurt ook dikwijls, dat +deze plankjes er afbreken. Een vliegplankje ziet men bij t, fig. 4, +een zinken schuifje bij z, fig. 5. + +Voor de schuifjes neemt men stukjes zink, van 7 duim lang en 1 1/4 +duim breed; maakt 3/4 duim van de uiteinden, bij a', b', c' en d', +fig. 5, insnijdingen van 3/16 duim diep en vouwt de gedeelten a'b' +en c'd' om. Wil men dit netjes doen, zonder gevaar van scheuren te +hebben, dan moet men het zink warm maken; het laat zich dan nagenoeg +even gemakkelijk buigen als lood. Men maakt nu tusschen de omgevouwen +randen eene opening, van 4 duim lang en 3/8 duim hoog, en maakt twee +schuifjes, l' en m', om deze te sluiten. Hiervoor zijn twee schuifjes +noodig, omdat, bij het vergrooten en verkleinen van het vlieggat, +de opening steeds in het midden moet blijven. De schuifjes moeten aan +het uiteinde, bij l' en m', kokervormig opgerold worden; behalve voor +het aanvatten bij het openen en sluiten, dient dat kokertje nog om, +bij het vervoeren der woning, de schuifjes aan elkander te binden, +om het openvallen te beletten. + +Aan de woning ontbreken nu nog maar de deuren. Deze ziet men in +doorsnede bij i en k, fig. 3; terwijl dat in fig. 5 de deur e'f', +op eenigen afstand der woning, afgebeeld is. Zij worden gemaakt van +dwars over elkander liggende plankjes, waardoor het krom trekken +voorkomen wordt. Op de omschreven wijze maakt men twee bladen, +het eene lang 10 en breed 15 duim, het andere omgekeerd lang 15 en +breed 10 duim, en lijmt en spijkert, terwijl de lijm nog versch is, +deze bladen op elkander. + +Het is goed eene opening, van 4 duim breed en 10 à 12 duim hoog, in +het midden der deuren te maken. Men zaagt deze openingen dan in de +bladen, voor dat zij op elkander gebragt worden en legt daar tusschen +een traliewerk van dun ijzerdraad, dat haar overspant, waarna zij +aaneen gehecht worden. Het traliewerk moet dan aan beide zijden door +blindjes, g'h' fig. 5, van 3/4 duim dik, gesloten worden, om er de +bijen en de buitenlucht af te houden. De blindjes moeten goed sluiten, +zoodat er geene reten open blijven, waardoor licht in de woning zou +kunnen vallen. Door vier wervels worden deze blindjes vastgezet; die +aan de binnenzijde der deur worden van bandijzer gemaakt; zij zijn dan +plat en staan dus niet in den weg; de buitenste kunnen van hout zijn. + +Deze luchtgaten zijn zeer gemakkelijk voor hen, die met de bijen +reizen. Men neemt het binnenste blindje weg en sluit, nadat de bijen +te huis gekomen zijn, het vlieggat, bindt dit toe en neemt nu ook +het buitenste blindje weg; de woning kan dan vervoerd worden, zonder +dat er eenig gevaar bestaat dat de bijen stikken. Op de plaats zijner +bestemming aangekomen, opent men het vlieggat en zet, nadat de bijen +een paar uren gevlogen hebben, de blindjes weder in de deuren; alles +is nu weder in den gewonen toestand. + +Al trekt men niet met zijne bijen, toch zijn de luchtgaten zeer nuttig +om haar, bij zeer heet weder, versche lucht te doen bekomen. Men +zet die gedurende den nacht open en kan dit, op zeer heete dagen, +ook overdag doen, wanneer men er maar een kleedje voor hangt, om +het licht buiten te sluiten; er zal dan een weldadige trek op het +vlieggat ontstaan. Door het aanbrengen van verkoeling, bewijst men dan +de bijen eene groote dienst, en zij worden er tevens ijveriger door. + +De ringen i' en k', fig. 5, dienen om de deur gemakkelijk te kunnen +aanvatten. Maakt men er geene luchtgaten in, dan is het voldoende één +ring, in het midden der breedte en op 2/3 der hoogte, aan te brengen. + +Om het krom trekken der deuren nog meer tegen te gaan, maak ik daarvoor +een raam van vier strooken, dat buitenwerks 15 duim hoog en 10 duim +breed is. Aan eene zijde worden hierop dunne plankjes gespijkerd, die +de binnenzijde der deur vormen, waarna de ingesloten ruimte met stroo +wordt gevuld, dat met drie lijsten bevestigd en daarna bepleisterd +wordt, zooals dit voor de zijwanden is gezegd. Luchtgaten worden er +niet in gemaakt. De breedte der strooken wordt zoo groot genomen, +dat zij, nadat de plankjes er opgespijkerd zijn, de deur eene dikte +van 1 1/2 duim geven. + +Door vier wervels, u, v, w en x fig. 4, wordt de deur in de woning +bevestigd; al weder om haar vlak te doen blijven. + +Wij hebben nu de zamenstelling van eene woning leeren kennen, en willen +haar van binnen bezien. Zij zal daar eene hoogte van 15, eene breedte +van 9 1/2 en eene diepte van 27 duim hebben; 12 duim boven den bodem +zal aan weêrskanten in den zijwand eene groef, van 1/4 duim diep en +ruim zoo breed zijn, waarin dus 18 staafjes kunnen geschoven worden +(zie fig. 3, 4 en 5). Wilde men er nu een zwerm in plaatsen, de woning +zou veel te groot zijn; hij kon haar in het eerste jaar onmogelijk +vol bouwen en zou er dus geen geschikt verblijf in hebben. Men moet +haar dus kunnen verkleinen. Hiervoor bezigt men een verkleinplankje +(fig. 7) dat, zonder groote reten open te laten, gemakkelijk in +de woning geschoven moet kunnen worden. In dit plankje boort men +vier ronde gaten, a, b, f en g, van 1 duim middellijn, waarvan de +middelpunten 2 duim van de zijwanden verwijderd zijn, terwijl zij +voor de beide onderste, a en b, 3 en voor de beide bovenste, f en g, +10 duim boven den onderkant moeten liggen. Over deze gaten brengt +men strookjes, cd en hi, van 1 1/2 duim breed en bevestigt deze in +hun midden, bij e en k, met een spijker, waarom zij, als een wervel +draaijen kunnen. De gaten kunnen dan gesloten of zoo ver geopend +worden, als men verlangt. De lengte der strooken moet zoo groot zijn, +dat de gaten gesloten zijnde, de beide uiteinden tegen de wanden der +woning klemmen, waardoor het plankje vast staat. + +Men schuift het verkleinplankje tot eene diepte van 9 duim in de woning +en bevestigt het zoo, dat het niet kan omvallen, maar toch gemakkelijk +kan worden uitgenomen. Daar de wervels geopend moeten worden, zet +men het voor de zekerheid met een paar wiggen vast. De openingen, die +aan weêrskanten daarvan door de groeven, die het vrijlaat, ontstaan, +worden met mos digt gestopt, om de afgesloten ruimte voor de bijen +vooreerst ontoegankelijk te maken. Dit afgezonderd gedeelte der +woning heet honig-kamer of magazijn. In het eerste jaar hebben zij +het niet noodig en men kan het dan geheel met mos vullen; doch in het +tweede jaar, wanneer het andere gedeelte der woning volgebouwd is en +de dragt nog niet heeft opgehouden, geeft men haar den toegang tot +de honig-kamer, door de wervels zoover om te draaijen, dat van elk +der gaten een gedeelte vrij wordt, waar juist ééne werkbij door kan, +doch dat te klein is, om de moederbij of de hommels door te laten. Men +schuift er dan zes staafjes, waaraan wastafels bevestigd zijn, in. De +bijen zullen de haar aangeboden ruimte dadelijk in bezit nemen en er, +indien de dragt blijft aanhouden, den zuiversten honig opleggen; +want zij dragen er geen bloemenstof in, en er zal geen broed in +worden aangezet, wanneer men de koningin belet heeft zich er in +te begeven. Wanneer de dragt zoo ruim is, dat ook dit magazijn is +volgedragen, dan ontneemt men haar eenige volle tafels en hangt er +ledige voor in de plaats. Bij gebrek aan heele, ledige wastafels, +kan men er ook strooken van aan de staafjes bevestigen. + +De ruimte, die men aan de andere zijde der woning nu nog heeft, is +vooreerst voor een zwerm nog te groot, en ook deze moet verkleind +kunnen worden. Men maakt daarvoor een dergelijk plankje als het +andere, doch zooveel lager, dat het slechts tot aan de groef, waarin +de staafjes geschoven worden, reikt. Op de bovenzijde wordt nu een +gewoon staafje zoo bevestigd, dat de uiteinden aan beide zijden even +ver oversteken en dat dus in de groeven sluitende, het plankje belet +om te vallen, en gelegenheid geeft het naar willekeur te verschuiven. + +Men is nu in staat de grootte der woning, naar de sterkte van den +zwerm, te wijzigen, doch moet de bijen ook beletten zich naar de +ruimte, boven de staafjes, te begeven. Deze dient alleen om haar te +voêren, om in den winter met mos gevuld te worden en om de behandeling +der staafjes gemakkelijk te maken. De afsluiting dezer ruimte geschiedt +met plankjes, van 1/2 duim dik, 9 1/4 duim lang en 2 7/8 duim breed, +die overlangs en ook dwars op de staafjes gelegd kunnen worden en +in beide gevallen, zonder te klemmen, alle openingen kunnen sluiten; +want de naden, die zij aan de kanten openlaten, worden door de staafjes +zelve gesloten. + + + +In bovenstaande beschrijving heb ik mij, wat vorm en afmetingen +aangaat, geheel aan Dzierzon gehouden. In zulk eene woning worden +tafels gebouwd, die bijna 12 duim hoog zijn, dat door velen en ook door +mij, voor gevaarlijk en moeijelijk in de behandeling wordt gehouden: +met honig of broed gevuld zijnde, verkrijgen zij toch eene aanzienlijke +zwaarte en breken daarom ligt af. Hoewel nu Dzierzon teregt zegt, +dat het minder gunstig is, om op de halve hoogte nog eene tweede +rij staafjes aan te brengen, omdat de bijen, op deze stuitende, een +beletsel ondervinden, dat haar eenigen tijd met bouwen doet ophouden, +toch zijn de meesten er voor, om de tafels minder groot te laten +bouwen. De zamenstelling der woning ondergaat dan eenige wijziging; +De inwendige hoogte wordt 19 duim genomen, terwijl men de buitenlengte +tot 28 duim vermindert; 16 duim boven den bodem wordt nu eene groef +en midden tusschen deze en den bodem eene tweede groef gemaakt, +zoodat nu twee rijen staafjes boven elkander komen, waaraan tafels, +van 9 1/2 duim breed en nog geen 8 duim hoog, gebouwd worden, die +zich bij eenige oplettendheid goed laten behandelen. + +De liggende woningen zijn zeer geschikt om tegen, en op elkander +geplaatst te worden, waardoor zij elkander onderling verwarmen. Men +bekleedt dan één der zijwanden niet met stroo, doch maakt hem van +een plank, van 1 duim dik, waarover de boven- en onderwanden niet +moeten uitsteken. Twee dezer woningen worden nu, met deze zijwanden, +tegen elkander geschoven; twee andere worden er dwars op geplaatst, +en op dezelfde wijze zet men er hierop nog twee, die nu weder even +als de onderste staan. Een klein planken dak, zoo laag mogelijk, +kan haar voor den regen bewaren. Op eene zeer kleine ruimte staan nu +zes stokken, die weinig van de winterkoude te lijden hebben. Om den +kouden wind niet tusschen de tegen elkander staande zijwanden te doen +spelen, worden de naden tegen den winter, met mos digt gestopt. In +den zomer daarentegen schuift men de woningen een weinig van elkander, +daar eenige afkoeling dan wenschelijk is. Uit aldus te zamen gevoegde +woningen, vliegen de bijen naar alle windstreken; de ondervinding +heeft mij geleerd dat hiertegen geen bezwaar is. + + + +DE STAANDE WONING. + +De ineenvoeging der zamenstellende deelen heeft bij de staande woning +op dezelfde wijze plaats, als voor de liggende is opgegeven. Men +geeft haar slechts ééne deur. In den wand, tegenover de deur gelegen, +wordt het vlieggat aangebragt, en even als de zijwanden, wordt hij +met stroo gevuld. + +Inwendig is de staande woning 26 1/2 duim hoog, 9 1/2 duim breed +en 18 duim diep; (er wordt hier verondersteld dat de deur gesloten +is; daar deze 1 1/2 duim dik is, is de geopende woning 19 1/2 duim +diep). Er worden drie rijen staafjes ingeschoven: elke rij bevat er +12. De onderkanten van de groeven, voor de staafjes, liggen 8 1/4, +16 1/2 en 24 3/4 duim boven den bodem. Boven de bovenste rij staafjes +blijft er dus nog eene ruimte, van 1 1/2 duim, die dient om de staafjes +gemakkelijk in de groeven te kunnen schuiven. Eene afbeelding dezer +woning ziet men in fig. 8. + +Wil men eene staande woning met een zwerm bezetten, dan schuift men, +in de beide onderste groeven, 5 of 6 staafjes, zet hier tegen een +verkleinplankje, eveneens ingerigt als boven is opgegeven, en legt +dekplankjes op de tweede rij staafjes. In het eerste jaar zal hij +aan deze 10 of 12 staafjes gewoonlijk genoeg hebben. + +Wanneer de hem gegeven ruimte volbouwd is, geeft men hem toegang +tot het bovenste gedeelte der woning, de honigkamer. In de bovenste +groef schuift men ook staafjes, waaraan geheele wastafels, of strooken +daarvan zijn gehecht; hierop legt men dekplankjes, want de ruimte boven +deze staafjes mag niet bebouwd worden, daar dit het uitnemen der tafels +zou bemoeijelijken. De dekplankjes der tweede rij staafjes blijven +liggen, maar men stelt de honigkamer met het volbouwde gedeelte der +woning in gemeenschap, door tusschen de deur en het laatste dekplankje +eene reet van 1/2 duim te laten. Hierdoor moeten de bijen opklimmen; +zij zullen dit spoedig doen wanneer men de voorste wastafel, die +in de honigkamer hangt, zoo lang neemt dat zij voor de reet komt, +zonder deze echter te sluiten. In de honigkamer zullen de bijen nu den +zuiversten honig, vrij van bloemenstof, opleggen; ook zal er geen broed +in worden aangezet, daar de moederbij er zich zelden of nooit heen +zal begeven, omdat de toegang te ver van het broednest verwijderd is, +en het haar daar gewoonlijk ook te koud zijn zal. Mogt de koningin +zich echter ook daarheen begeven, dan moet men haar den toegang zoo +veel mogelijk beletten, door den bouw tot aan het broednest uit te +nemen en hiertegen een of twee verzegelde honigtafels te hangen, +daar de moederbij zich over deze tafels niet ligt heen begeven zal om +ledige cellen te zoeken. Voor de zekerheid kan men het verkleinplankje +nog tegen de verzegelde tafels zetten, de gaten in dit plankje een +weinig openende. Het ledige gedeelte der woning wordt nu weder, +tot aan de deur volgehangen. Mogt eene zeer vruchtbare moederbij, +ondanks deze voorzorgen, toch in de honigkamer opklimmen, dan moet +men de broedaanzetting onmogelijk maken, door haar eenigen tijd in +een moederhuisje op te sluiten. + +Tegen den winter moet men de honigkamer geheel ledig maken en haar +met stroo, mos of een kussen aanvullen, na de reten naauwkeurig +digtgemaakt te hebben. Deed men dit niet, men zou gevaar loopen dat +de waterdamp, die gedurende den zit der bijen gevormd wordt, naar +boven trok, waardoor zij geen water zouden kunnen bekomen, om haar +te dik voedsel te verdunnen: te midden van haar voorraad moesten zij +dan den hongerdood sterven! + +Ook de ruimte, tusschen de deur en het verkleinplankje, wordt tegen +den winter met stroo of mos gevuld. Zij moet ten minste drie duim +diep zijn. Is de bouw te groot, zoodat deze ruimte kleiner is, +dan neemt men een of meer tafels uit elke rij weg, waardoor het +verkleinplankje dieper geschoven kan worden. In het voorjaar geeft +men haar de weggenomen tafels terug. + +Men moet het verkleinplankje in den winter niet tegen het broednest +laten staan, maar er gevulde of ledige tafels tusschen hangen, daar +dit den bouw warmer maakt. + +Bevindt men in het voorjaar, na de eerste vlugt der bijen, dat de +vulling nat of schimmelachtig is geworden, dan neemt men deze weg +en geeft haar eene nieuwe; had men kussens gebruikt dan laat men +die droogen. + + + +ZAMENGESTELDE WONINGEN. + +Twee of meer Dzierzon'sche woningen kunnen tot een geheel vereenigd +worden, hetgeen bouwstoffen bespaart en warmteverlies voorkomt. De +zamengestelde woningen, die men daardoor verkrijgt, zullen wij thans +nader beschouwen, beginnende met de dubbele. + +De dubbele, zoowel liggende als staande woningen, worden eveneens +vervaardigd als de enkelvoudige, doch men maakt de binnenwijdte een +duim grooter, dan tweemaal die der enkelvoudige, en dus 20 duim. Door +een tusschenschot, van één duim dik, dat aan beide zijden groeven +heeft, die met die der zijwanden overeenkomen, wordt de woning nu in +twee volkomen gelijke deelen verdeeld, die elk weder 9 1/2 duim breed +zijn. Bij de liggende woning maakt men, in het midden der breedte van +elk der zijwanden, een vlieggat; bij de staande daarentegen komt wel +in elken zijwand een vlieggat, maar dit wordt zoo digt mogelijk naar +den voorwand gebragt. + +De dubbele heeft met vele zamengestelde woningen het voordeel, dat +de vereeniging der zwermen tegen den winter en hunne scheiding in het +voorjaar, zeer gemakkelijk geschiedt. Men maakt daartoe eene opening +in den tusschenwand, van 2 à 3 duim breed en 1 duim hoog, die juist +tegenover de beide vlieggaten ligt, zoodat men er doorheen kan zien. De +opening wordt met eene houten stop gesloten en deze goed bevestigd. + +Wanneer men nu in het najaar de in beide afdeelingen der woning +geplaatste zwermen wil vereenigen, omdat het een van hen of wel beide +aan voldoenden voorraad ontbreekt, dan ontneemt men den geheelen +bouw aan dien stok, welken men met den anderen wil vereenigen en +voegt dezen nog zoovele, met honig en broed gevulde, tafels toe, +als de vereenigde zwerm zal behoeven. In de ledig gemaakte afdeeling +der woning, wordt de opening in den tusschenwand, na er de stop te +hebben uitgenomen, in verbinding gebragt met het vlieggat, door er een +doorgang in te plaatsen, gemaakt van een plankje, waarop aan beide +kanten latjes bevestigd zijn. De breedte en hoogte van den doorgang +moeten overeenkomen met die van het vlieggat, terwijl hij in de lengte +juist in de woning moet sluiten. Alle bijen worden nu uit dit gedeelte +der woning gejaagd, waarna het met hooi of stroo aangevuld en gesloten +wordt. De terugkeerende bijen zullen, haar eigen vlieggat ingaande, +toch bij hare buren komen. Om het vechten te voorkomen moet men de +bijen, van beide stokken, met muscuswater besprenkelen en de moederbij +uit dien stok vangen, dien men met den anderen wil vereenigen. Beide +vlieggaten moet men nu geopend laten; want elke bij blijft door haar +eigen vlieggat invliegen; het andere leert zij niet kennen. Het zou +daarom niet baten, wanneer men beide stokken in eene afdeeling der +woning plaatste; want elke bij zou weder naar haar eigen vlieggat +terugkeeren en die het gesloten vonden zouden of op andere stokken +vervliegen en daar groote schade aanrigten, of omkomen. + +Even gemakkelijk als men nu de vereeniging bewerkstelligd heeft, +kan men in het voorjaar de bijen weder scheiden. Die in het voorjaar +uitgebroeid zijn, vliegen gedeeltelijk door het eene, gedeeltelijk door +het andere vlieggat, maar elke bij kent er slechts één. Neemt men dus +den doorgang weder weg en sluit men de opening in den tusschenwand, +na den bouw over beide afdeelingen der woning verdeeld te hebben, +dan is de scheiding volbragt. Den nieuwen stok geeft men het meeste, +en vooral al het gesloten broed, maar zorgt ook hem eene tafel met +ongedekt broed te geven; want geene moederbij hebbende, moet hij +hulpcellen aanzetten en hij zal dit den eerstvolgenden nacht doen. Had +de oude stok reeds moederwiegen aangezet, dan geeft men den nieuwen +eene tafel, waarin er zich eene bevindt; de bijen, aan deze gewoon +zijnde, zullen haar blijven bebroeijen en in weinige dagen weder eene +koningin hebben. Wegens de jonge moederbij zal de stok dat jaar niet +zwermen, doch hij kan daarentegen een goede honigstok worden. Het is +ook omdat er geruimen tijd verloopt, eer dat de moederbij bevrucht +kan zijn en dus met de eijerlage begint, dat men den nieuwen stok +het op het uitkomen staande broed moet geven, en het is ook goed +hem van tijd tot tijd eene tafel met broed toe te voegen, totdat +men overtuigd is dat de jonge koningin bevrucht is. In den anderen, +die de bevruchte moederbij behoudt, gaat de eijerlage geregeld voort. + +Bij de drievoudige woning wordt de binnenafstand der zijwanden 30 1/2 +duim genomen, welke ruimte nu door twee tusschenschotten, van 1 duim +dik, in drie vakken, elk van 9 1/2 duim breed, verdeeld wordt. Het +vlieggat der middelste afdeeling komt midden in den voorwand; +die der buitenste worden in de zijwanden, zoo na mogelijk bij den +voorwand gemaakt. + +Als algemeene regel, voor de plaatsing der vlieggaten, moet men in +het oog houden dat zij, zoo wel onderling als van de deur, zoo ver +mogelijk verwijderd moeten zijn. + +Indien men, bij den voornoemden afstand der zijwanden, den inwendigen +afstand, tusschen den bodem en den bovenwand, 54 duim neemt en de +ingesloten ruimte door eene plank, van een duim dik, in twee gelijke +deelen verdeelt, die elk 26 1/2 duim hoog zijn zullen, dan verkrijgt +men, na deze in de breedte elk weder, door tusschenschotten, in drie +gelijke deelen verdeeld te hebben, de zesvoudige woning. Bij deze +komen nu in den voorwand en in elk der zijwanden twee vlieggaten +boven elkander. + +Maakt men de woning nog eene verdieping hooger, dan ontstaat de +negenvoudige woning, die van alle zamengestelde het meest aan te +bevelen is, wegens de geregelde verdeeling der vlieggaten. Het volk +van elken stok heeft daarbij eene vrije vlugt en kan niet gemakkelijk +vervliegen, hetgeen, wanneer de vlieggaten in dezelfde rigting en +digt bij elkander geplaatst zijn, niet zelden tot verwarring en groot +verlies aanleiding geeft. + +Worden drie zesvoudige, staande woningen, zoo geplaatst, dat hare +voorwanden tegen het zuiden, het oosten en het westen staan, terwijl +zij, met de kanten der zij- en achterwanden, elkander aanraken, dan +zal er tegenover het noorden eene ruimte door haar worden ingesloten, +welker breedte en diepte gelijk is aan de breedte der woningen. Sluit +men deze opening nu met eene deur, en overdekt men haar en de woningen +met één dak, dan heeft men, op eene zeer kleine ruimte, achttien +bijenkoloniën geplaatst, van welke er, naar het zuiden zes, en naar +elk der drie overige windstreken vier, zullen uitvliegen. Wanneer men +nu tegen den winter de hoeken, waar de woningen tegen elkander staan, +en ook die, tusschen de onderzijde van het dak en de bovenwanden der +woningen, met stroo vult, en tegen de deur stroomatten stelt of, wat +nog beter is, eene dubbele deur aanbrengt, dan zal in de ruimte, door +de woningen ingesloten, de koude niet gemakkelijk doordringen, terwijl +het er volkomen donker in zijn zal. Men behoeft nu de achterzijde +der woningen niet met mos te vullen, doch hangt in de ledige ruimte +wastafels. Maakt men nu in de deuren ook vlieggaten, dan kan men de +buitenste sluiten; want door de achterste zullen zij voldoende van +versche lucht voorzien worden; kwamen zij zelf eens aan het vlieggat, +dan zouden zij, meenende dat het nacht was, terstond weder terugkeeren. + +Beter en gemakkelijker kan men zijne stokken niet doen overwinteren; +men moet slechts zorgen, door een paar togtgaten, versche lucht in +de afgesloten ruimte te kunnen brengen. Wanneer eens een schoone dag +invalt, dan is het openen van de buitenste vlieggaten voldoende, om +de bijen te doen uitvliegen; terwijl men er die, welker vlieggaten +niet door de zon beschenen worden, toe kan opwekken, door haar +met een weinig laauwen, verdunden honig te besprenkelen, dat het +gemakkelijkst geschiedt met eene spuit, waarvan de pijp gebogen is; +deze door het vlieggat stekende, en den straal naar boven rigtende, +treft men zeker de bijen. Na eenige oogenblikken zullen nu alle stokken +voorspelen en zich reinigen. Sluit men des avonds de vlieggaten weder, +dan zijn de stokken in hun wintertoestand teruggebragt. + +Het ligt in den aard der zaak, dat zamengestelde woningen moeijelijk +zijn voor hen, die met de bijen reizen; wanneer zij met honig gevuld +zijn, wordt het vervoeren moeijelijk, wegens hare zwaarte. Daartoe +gebruikt men dan ook alleen dubbele woningen, waarvan men er twee of +drie op elkander plaatst en met één dak bedekt. Verplaatst men deze +nu, dan zullen de bijen zich terstond te huis gevoelen, wanneer de +woningen weder zoo op elkander gesteld en met het dak gedekt zijn, +als zij dit vroeger waren. Maar ook het vervoeren der dubbele woningen +wordt nog zeer lastig door hare zwaarte, waarom men meestal de voorkeur +schenkt aan enkelvoudige, liggende woningen, die zoo ingerigt zijn, +dat zij op elkander geplaatst kunnen worden. + + + +Het is hier de plaats om nog eene woning te beschrijven, welker +zamenstelling ik zelf bedacht heb, en die mij, zoowel wegens haar +gemak, als om haar bevallig aanzien, zeer voldoet. Zij is ook zeer +geschikt voor hen, die met de bijen trekken, doch zij moet even +als de korven in een stal geplaatst worden, daar de eigenschap +haar ontbreekt, dat er eenige op elkander geplaatst en met één dak +overdekt kunnen worden. Wil men haar echter afzonderlijk plaatsen, +dan kan dit ook geschieden, wanneer men haar met een los houten of +zinken dak overdekt, en haar alzoo voor den regen beschermt. Men ziet +haar in fig. 9 afgebeeld. + +Voor de beide zijwanden maakt men van strooken, ter breedte van 3 en +ter dikte van 3/4 duim, ramen, die buitenwerks 20 duim hoog en 24 duim +lang zijn. De eene zijde van elk dier ramen wordt bekleed met een, +op de vroeger vermelde wijze, geploegd en gelijmd blad, van gelijke +hoogte en lengte als het raam, bij eene dikte van 3/4 duim. In deze +bladen worden twee groeven gemaakt, waarin de staafjes geschoven moeten +worden. De onderkanten dezer groeven neemt men 8 1/2 en 16 3/4 duim +boven den onderrand der bladen. Ook de sponningen, die tot aanslag der +deuren moeten dienen, worden in deze bladen geschaafd. Men maakt haar +beide ruim 1/4 duim diep; de voorsten, waarvan er hier eene gezien +wordt bij abcd, geeft men eene breedte ab van 4 duim, terwijl die +der achtersten slechts 1 1/2 duim wordt genomen. In het midden van +het raam brengt men, op de buitenzijde van het blad, een klamp aan, +van 1 duim dik. Zijne bestemming is het vasthouden der spijkers, +die, na de opvulling, de beide lijsten ef en gh in het midden het +doorbuigen moeten beletten; hij behoeft dus niet breed te zijn. + +Zijn nu de wanden zoover gereed, dan worden zij met stroo gevuld, +waarover een stroomatje gelegd wordt, dat door vier lijsten, lm, ef, +gh en ik wordt neergedrukt. Men neemt deze lijsten 2 duim breed en +1/2 duim dik. Zij worden staande aangebragt, twee gelijk met de voor- +en achterkanten van het raam en de beide anderen op onderling gelijke +afstanden daar tusschen. + +Tegen de nu voltooide zijwanden wordt een, te voren behoorlijk aan een +geploegde en gelijmde bodem, van 1 duim dik, gespijkerd. De afstand +der zijwanden wordt weder 9 1/2 duim genomen, waartoe de bodem 16 +1/2 duim breed zal moeten zijn, wil men de lijsten lm, ef, gh en ik, +in één vlak met de kanten van den bodem doen vallen, gelijk dat in +de figuur geteekend is. + +Aan de voor- en de achterzijde wordt nu, boven op de zijstukken, +eene strook, van 4 duim breed bij 1/2 duim dik, gebragt, die met +de buitenkanten gelijk komt. Deze strooken, waarvan men er eene bij +no voorop ziet, houden, met den bodem, de zijwanden 9 1/2 duim van +elkander verwijderd. + +Boven aan de zijwanden worden nu lijsten pq en rs, van 3 duim breed +en 3/4 duim dik, gebragt, die 1 duim op den wand liggen en daar dus 2 +duim boven uitsteken, terwijl zij voor en achter gelijk met de voor- +en achterwanden komen. Tusschen deze beide lijsten brengt men nu voor +en achter, op de kanten der strooken waardoor de zijwanden aaneen +gehouden worden, latten tu en vw, van 3/4 duim dik en 1 1/2 duim hoog, +waarvan de bovenkanten, met die der op de zijden aangebragte lijsten, +in één vlak zullen liggen. Op de zijwanden legt men, tusschen de beide +strooken, die hen bijeen houden, plankjes, van 1/2 duim dik, die de +opening geheel sluiten. Boven deze plankjes is nu, tusschen de lijsten, +eene ruimte van 1 1/2 duim hoog, waarin eene stroomat gelegd wordt. + +Voor de voorste deur maakt men van strooken, van 3 1/2 duim breed +en 3/4 duim dik, een raam, dat juist in de opening sluit, en dus +buitenwerks 10 duim breed en 20 duim hoog is. Den eenen kant er van +bekleedt men met plankjes, van 1/2 duim dik, die den binnenkant der +deur moeten vormen. Daarna wordt het met stroo gevuld, en dit met +drie lijsten neêrgedrukt. In deze deur wordt het vlieggat aangebragt, +zooals dat op bl. 86 is opgegeven. + +De achterdeur wordt van dwars over elkander liggende planken, van +3/4 duim dik gemaakt, zooals op bl. 87 voor de liggende woning is +gezegd. Door vier wervels x, ij, z en a' worden de deuren gesloten. + +De honigkamer vervalt in deze woningen. Ik schuif ten minste in elke +groef 8 staafjes en zet daar tegen een verkleinplankje als boven +beschreven werd. In de ruimte tusschen dit en de deur, laat ik den +honig dragen. + +Bij zeer ruime honigdragt, kan men een gedeelte van het dek wegnemen +en door de opening een van onderen open, met wastafels gevuld kastje, +van dunne plankjes gemaakt, op de bovenste rij staafjes plaatsen: de +bijen zullen deze tafels voldragen. Als de dragt geëindigd is neemt men +het kastje weder weg. Ook kan men op de bovenste rij staafjes kleine +gevlochten korfjes of groote bierglazen, waarin wastafels bevestigd +zijn, plaatsen; ook deze zullen zij voldragen. Het spreekt van zelf +dat, wat men er ook op plaatsen mag, voor eene goede afsluiting der +gemaakte opening gezorgd moet worden; de bijen zouden er anders toch +een uitgang door hebben en, wat veel erger zijn zou, men zou een vrijen +toegang voor roovers openen! Wanneer men glazen op de staafjes zet, +dan moeten deze voor het licht bedekt worden; het eenvoudigst is er +een bloempot over te zetten. + + + +Met de Dzierzon'sche woningen nu bekend geworden zijnde, vraagt men +zichzelven af: "verdienen deze woningen nu werkelijk, boven alle +vroeger in gebruik zijnde, de voorkeur, of moet men hen gelooven, die +beweren dat zij meer aardig dan nuttig zijn."--Mogt deze twijfel ook +bij enkele van mijne lezers ontstaan zijn, de opsomming van eenige +voorregten der woningen met lossen bouw zal dien, hoop ik, terstond +weder wegnemen. + +Bij deze woningen kan men zich overtuigen of er eene moederbij aanwezig +is, en zoo ja, of zij die eigenschappen bezit, die voor de welvaart van +den stok noodig zijn: of zij vruchtbaar is en het broed geregeld afzet, +zonder er ledige plaatsen tusschen te laten of, wat nog erger is, +hommelbroed onder het werkbijenbroed aan te zetten. Men kan er zich +van verzekeren dat eene jonge moederbij geen gebrek aan de vleugels +heeft, dat haar het houden der bevruchtings-uitvlugt zou beletten; +of zij vruchtbaar geworden en met de eijerlage begonnen is, en of +er volk genoeg aanwezig is om de eijeren te bebroeijen en voorraad +op te halen. Met veel meer zekerheid, dan het wegen met de hand dit +leeren kan, ziet men in deze woning, of zij rijk of arm aan volk en +voorraad is, of er veel of weinig broed is aangezet. In geene andere +woning kan men het natuurlijk evenwigt zoo spoedig en gemakkelijk, en +tevens zoo doelmatig herstellen, als dit hier door het inhangen van +tafels, met broed, honig of bloemenstof gevuld, kan geschieden. Is +men van den goeden staat zijner overstanders verzekerd, dan gaat +men den winter gerust te gemoet, en wanneer er met het voorjaar +weder leven en bedrijvigheid in den stok ontstaat, dan kan men +met eene Dzierzon'sche woning handelen, zoo als geene andere dat +toelaat. Zonder het broedaanzetten in het minst te verstoren, kan +men het broednest vernieuwen, het hommelwas geheel verwijderen en +de beschadigde tafels met nieuwe verwisselen. Ingeslopen wasmotten +kunnen weggevangen en de woning kan geheel gereinigd worden. Wanneer +een natuurlijke zwerm of een kunstzwerm wordt opgezet, dan kan men hem +zonder groote onkosten zijne voorraadschuren geven, waardoor men hem +verscheidene dagen van inspanning bespaart, die hij aan de wasbereiding +zou hebben moeten opofferen: de moeite en kosten van deze uitrusting +zal men ruim beloond zien. [12] Het zwermen kan men zoowel bevorderen +als verhinderen, en wanneer men kunstzwermen verlangt te maken, weet +men vooruit dat het oogmerk bereikt zal worden. Onvolbouwde stokken +kunnen in den herfst zeer gemakkelijk met elkander vereenigd worden en +in geene woning geschiedt de honigoogst zoo gemakkelijk als in die van +Dzierzon. Maar waar zou ik eindigen, indien ik alles wilde opsommen, +waartoe deze woningen ons in staat stellen? Ieder bijenkweeker, die +behoorlijk nadenkt, zal moeten erkennen, dat hare inrigting hoogst +doelmatig is en dat er bij haar gebruik geene sprake van aardigheid +zijn kan, maar dat het eene nieuwe leerwijze geldt, die de bijenteelt +op eene hoogte zal brengen, waaraan men vroeger niet kon denken. + +Is het dan ook waar dat Dzierzon's woningen geen honig zweeten kunnen; +dat er geen honig kan worden ingezameld, wanneer de natuur hem niet +oplevert; niet minder waar is het, dat zij van het grootste gewigt +zijn, vooral in die streken, waar de honig slechts spaarzaam en +gedurende een korten tijd kan verzameld worden, terwijl zij, ook in +honigrijke streken, met het meeste voordeel worden aangewend. + +Wie nu Dzierzon's leerwijze volgen wil, zorge dat zijne woningen +zoo volkomen mogelijk zijn. Waren zij toch onnaauwkeurig gemaakt, +zoodat de staafjes, of in de groeven klemden, of er uit konden +vallen, in beide gevallen zou men de woningen veroordeelen en gevaar +loopen om zijn tegenspoed aan de leerwijze te wijten, terwijl de +slechte zamenstelling der woningen er de schuld van droeg. Bij eene +naauwkeurige bewerking is, om haar nut niet verloren te doen gaan, +stevigheid een hoofdvereischte; zij moeten haar vorm behouden en geene +scheuren of openingen verkrijgen. Bij de zamengestelde woningen moet +men er ook vooral op letten, de tusschenwanden zoo aan te brengen, +dat de bijen van verschillende stokken niet bij elkander kunnen komen, +want dit zou haar te zamen doen omkomen. + +Wil men nu een zwerm in eene woning plaatsen, dan moeten vooraf +wastafels aan de staafjes gehangen worden. Hierdoor geeft men hem +de aanwijzing hoe er gebouwd moet worden. Liet men dit geheel aan de +willekeur der bijen over, in de meeste gevallen zouden zij den bouw +dwars aan de staafjes hangen, waardoor zijne uitneembaarheid geheel +vervallen zou. Is haar eene aanwijzing gegeven, dan onderwerpen +zij zich onvoorwaardelijk, den bouw met eene bewonderenswaardige +gelijkmatigheid vervolgende in die rigting, die men haar aangegeven +heeft. Men moet voor deze aanwijzing wastafels hebben, die men uit +zijne eigene stokken nemen kan, en, zoo deze die niet missen kunnen, +is men verpligt haar te koopen. De kleinste stukjes dezer tafels +moet men met zorg bewaren, want veelal heeft men er groote behoefte +aan. Aanvankelijk moeten in de woning niet meer dan acht of hoogstens +tien staafjes, waaraan wastafels of gedeelten daarvan zijn bevestigd, +worden gehangen. De bijen willen haar allen bezetten, en zouden, +zoo het getal grooter was, hare krachten te veel verdeelen, en de +voor den wasbouw vereischte warmte niet kunnen ontwikkelen. Zijn +deze tafels volbouwd en met broed en voorraad gevuld, dan voegt men +er weder een paar bij, maar nooit te veel in eens. + +Vóór de bevestiging der tafels aan de staafjes, moet men zich +overtuigen dat zij regt zijn; waren zij dit niet, dan zouden zij er +aan den eenen kant oversteken en aan de andere zijde niet tot aan +den kant van het staafje reiken. Vervolgden nu de bijen den bouw, +dan zouden zij de tafels aan elkander of ten minste met bogten bouwen, +waarvan de schuld niet bij haar zou liggen. Heeft men slechts kromme +tafels, dan moet men die vooraf regt maken, door haar in de zon of +door eene zachte warmte week te maken, en op een plat vlak, met eene +kleine, gelijkmatige drukking, neder te leggen; ik doe dit tusschen +twee boeken. Na de bekoeling blijven zij regt. + +Men snijdt de tafels zoo, dat zij de breedte der woning hebben, +waarin zij geplaatst moeten worden, hare hoogte gelijk nemende aan +die, waartoe men gebouwd wil hebben. Er moet ook op de rigting der +cellen gelet worden; de bijen bouwen deze toch eenigzins schuins +naar boven staande; plaatste men de tafel omgekeerd in de woning, +zij zouden haar moeten verbouwen. + +Is men niet ruim van tafels voorzien, dan is het voldoende eene +strook, van 1 duim breed, aan de staafjes te hechten, zoo zij slechts +de geheele lengte van het staafje bedekt; bij groote behoefte kan +men zelfs volstaan met aan elk staafje een paar kleine stukjes van +wastafels te bevestigen. + +Hoe helderder de kleur der tafels is, des te beter zijn +zij. Sprokkelige, die bij de minste aanraking kruimelen, kunnen niet +dienen; want de bijen bijten deze af en dragen de stukken buiten de +woning; in plaats van haar eene dienst te bewijzen, zou men haar dus +veel werk bezorgen. Bij groote behoefte kan men ook gebruik maken +van geheel zwart geworden tafels, maar van deze neemt men altijd maar +strooken, die de bijen eerst zuiveren en daardoor voor haar gebruik +geschikt maken. + +De aanhechting der tafels geschiedt met was, dat men daartoe langzaam +smelt in een blikken bakje, welks lengte gelijk is aan die der +staafjes. In het gesmolten was doopt men den te voren glad gesneden +kant der tafel en zet haar met spoed op het staafje, zorgende dat zij +er goed regt op staat; met de hand wordt zij nu een weinig aangedrukt +en met de bekoeling van het was is de aanhechting voltooid. + +Dit bevestigen met was gaat spoedig, doch het is kostbaar en men +heeft weinig tijd om de tafel de vereischte rigting te geven. Door de +Bienen-Zeitung, voor 1857, heb ik eene andere wijze leeren kennen, +die aanbeveling verdient. Zij bestaat daarin dat men op twee of +drie plaatsen van den regtgesneden kant der tafel, een weinig van +de kalklijm legt, die voor het lijmen der woningen dient, en haar nu +vast op het staafje drukt. Na een paar dagen is deze lijm droog. Nog +gemakkelijker geschiedt de aanhechting met tarwenbloem, die met water +tot eene dikke pap gemaakt is. Deze bevestigt de tafels volkomen, +en de bijen hebben er geen hinder van. Van alle middelen is dit wel +het beste; het kan altijd bij de hand zijn, het is zeer goedkoop en +men heeft behoorlijk tijd om de tafel regt te zetten, terwijl dat +zij na 24 uren stevig bevestigd is. + +Het bevestigen der wastafels aan de staafjes kan eenige dagen voor dat +zij gebruikt moeten worden reeds geschieden, wanneer men haar dan maar +in eene ledige woning hangt en deze geheel sluit, ook het vlieggat, +opdat er geene wasmotten binnen kunnen dringen en hare eijeren in de +cellen leggen. + +Aan ieder staafje behoeft de aanhechting maar eens te geschieden; want +bij den honigoogst snijdt men de tafels niet geheel van de staafjes af, +maar laat er eene strook van een halven duim aan zitten. Men legt deze +staafjes aldus, gedurende eenige uren, op den bodem van eene bevolkte +woning; de bijen zullen den uit de verbrijzelde cellen vloeijenden +honig oplikken, waarna men de staafjes bewaren kan. + + + + + +DE BIJENSTAL. + + +Om de bijenwoningen voor den onmiddellijken invloed van de +weêrsgesteldheid te beveiligen, plaatst men haar in zoogenaamde +bijenstanden of stallen. + +Bij de Dzierzon'sche woningen zouden zij geheel gemist kunnen +worden. Men kan deze toch gemakkelijk voor den regen bewaren; terwijl +dat die, welke uit zes of meer tot een geheel vereenigde afdeelingen +bestaan, in geen stal geplaatst kunnen worden. Heeft men een doelmatig +lokaal beschikbaar, waarin men de enkelvoudige en dubbele woningen +gedurende den winter kan plaatsen, dan acht ik het bezit van een +stand niet eens bijzonder wenschelijk. Het is toch, voor het goed +slagen der bijenteelt, van zeer veel belang, dat de woningen ver van +elkander verwijderd zijn. Groote bijenstallen, waarin twee of drie +rijen korven boven elkander staan, mogen voor het oog schoon zijn, +vooral wanneer zij geheel bezet zijn, omdat men alle stokken met een +oogopslag kan zien vliegen; zij zijn echter zeer nadeelig. Er heerscht +toch in den omtrek dezer stallen meestal een zeer sterke honigreuk, +die niet zelden rooverij uitlokt, en de bijen uit de bovenste woningen +vervliegen veelal op de onderste; vooral zwakke stokken worden er +gewoonlijk nog zwakker; wanneer b. v. de jonge bijen uit een zwakken +stok haar eerste voorspel houden, terwijl ook de bijen van sterkere +stokken, in hare nabijheid voorspelen, dan verlokken deze door haar +sterker gezang de eersten om zich bij haar te voegen. + +Bij het zwermen zijn groote bijenstanden ook zeer nadeelig. Wanneer +toch de moederbij door eenig gebrek niet vliegen kan, of om eene +andere reden door de bijen gemist wordt, dan zullen zij weder op den +moederstok terug willen vliegen, maar in de verwarring zullen velen op +de in de nabijheid staande stokken vallen en daar òf worden afgestoken, +òf de haar onbekende moederbij voor eene vreemde indringster houden +en haar afmaken. Ook is het digt bij elkander staan der woningen +gevaarlijk voor jonge moederbijen, die van hare bevruchtings-uitvlugt +terugkeeren, daar zij niet zelden op naburige stokken verdwalen +en daar een zekeren dood vinden. De beide laatste bezwaren zijn +zeker hoofdoorzaken, dat men op groote bijenstanden zooveel over +moederloosheid klaagt, terwijl dat deze, bij vrij staande woningen, +zelden voorkomt. + +De stallen, die men het meest bij de bijenhouders aantreft, bestaan uit +lage afdakken, welke aan de voorzijde 4 en aan de achterzijde 3 à 3 1/2 +voet hoog zijn, terwijl de diepte 3 voet bedraagt. Van boven worden zij +met pannen gedekt, en de zij- en achterwanden worden met planken, stroo +of riet digtgemaakt; de voorzijde blijft geheel open. In deze stallen +plaatst men de woningen naast elkander op een planken vloer, die 1 voet +boven den grond ligt. Zij zijn zeer eenvoudig, maar hebben tegen zich, +dat men de stokken, alleen vóór den stand staande, kan behandelen, +hetgeen om verschillende redenen nadeelig is; bij de zamenstelling +wordt ook niet gezorgd, dat de voorzijde in den winter gesloten kan +worden, en het geheel is meestal ook niet volkomen digt gemaakt. + +Mijne stallen zijn wel kostbaarder, doch zij beantwoorden ook veel +beter aan hunne bestemming. Zij zijn 30 voet lang, 3 1/2 voet diep, aan +de voorzijde 3 1/2 en aan de achterzijde 4 1/2 voet hoog, zoodat zij +vooraan, in eene daar aangebragte goot, afwateren. Voor den voorwand +neemt men als onderlegger eene rib van 4 duim breed en dik, en als +bovenlegger eene rib van 4 duim breed en 6 duim dik. Deze leggers +worden door zeven staande stijlen, van 4 duim breed en dik, met pen +en gat aan elkander verbonden. De stijlen worden op gelijke afstanden +van elkander geplaatst, zoodat men in den voorwand nu zes vakken +heeft, die met deuren gesloten worden. De sponningen, waarin deze +deuren rusten, verkrijgt men door aan de binnenzijde tegen de leggers +doorloopende latten, van 2 duim breed en 1 duim dik, te spijkeren, +die er 1 duim opliggen en er even zooveel overheen steken. Tusschen +deze latten worden op de stijlen strooken, van 6 duim breed en 1 duim +dik, bevestigd, zoodat zij er aan beide zijden 1 duim buiten komen; +(voor den eersten en den laatsten stijl, behoeft het maar eene lat +te zijn, als op de leggers, want zij moet daar maar aan een kant over +den stijl komen). Voor de deuren maakt men ramen, die in deze vakken +passen, van strooken duims hout, van 2 1/2 duim breed. Deze ramen +worden met stroo gevuld. Hiervoor spijkert men op de eene zijde, aan +weêrskanten strooken, van 3 duim breed en 3/4 duim dik, en tusschen +deze met gelijke tusschenruimten nog drie latten, die ook 3/4 duim +dik moeten zijn. Het raam wordt nu met stroo gevuld, dat bevestigd +wordt door de andere zijde evenzoo te bespijkeren, als met de eerste +geschied is. Daarna bepleistert men het stroo, tusschen de strooken, +met een mengsel van kalk, leem, zaagsel en koemest. De deuren zijn +aan de kanten nu 4 duim dik, en sluiten dus juist in de sponningen; +door vier wervels, die op de stijlen bevestigd zijn, zet men haar vast. + +De achterwand wordt op dezelfde wijze gemaakt, als voor den voorwand +nu is opgegeven; de hoogte behoeft slechts 1 voet grooter genomen +te worden. Voor den bovenlegger kan men echter volstaan met eene +rib van 4 duim breed en dik; in den voorwand wordt de grootere dikte +vereischt, om plaats voor de goot te bekomen, zonder dat deze het uit- +en inzetten der deuren verhindert. + +De zijwanden maakt men van over elkander gerabatteerde planken. Zij +worden aan de voor- en achterwanden bevestigd door middel van zware +ijzeren krammen, die in de uiteinden der leggers geslagen zijn, en +door openingen in de zijwanden zoover naar buiten komen, dat er daar +wiggen in gestoken kunnen worden. + +Het dak wordt van planken gemaakt, die aan de achterzijde, voor +het inwateren, 4 duim uitsteken en op de bovenleggers der voor- en +achterwanden zijn bevestigd. Over de naden worden tengels gelegd. Dit +dak wordt nu nog met pannen gedekt, waarna men aan den voorkant eene +zinken goot aanbrengt. In fig. 10 ziet men een gedeelte van zulk een +stand afgebeeld, waarbij de pannen en de goot zijn weggelaten. + +In plaats van de stroodeuren, die ik boven opgaf, kan men planken +deuren gebruiken. Deze zijn veel gemakkelijker te maken, doch zij doen +meer warmte verloren gaan, en zijn ook meer aan trekken onderhevig. + +Zet men den geheelen stal, zooals hij hier beschreven werd, op eene +rollaag, dan zal de prijsverhooging ruim vergoed worden door de +grootere duurzaamheid, die hij daardoor verkrijgt. + +In dezen stal zet ik eene losse stelling, waarop de woningen gezet +worden. Zij wordt gemaakt van twee ribben, van 4 duim breed en 6 +duim dik, die op zes paar pooten rusten. Elk paar pooten wordt, +aan de onderzijde der ribben, aan elkander bevestigd, zoodat deze +binnenwerks overal 6 duim van elkander verwijderd zijn. De bovenkant +der stelling moet 1 voet boven den grond komen. Onder elken poot legt +men, voor het rotten en het in den grond zakken, een plaveisteen. + +De Dzierzon'sche woningen kunnen onmiddellijk op deze stelling +geplaatst worden, doch de strookorven, die onderaan open zijn, +moeten op planken staan. In plaats van een doorloopenden, planken +vloer hiervoor te nemen, maak ik vierkante bladen, van 18 duim lang +en breed, die uit twee aan elkander geploegde duimsplanken bestaan, +welke aan de onderzijde door een klamp, van 6 duim breed, aan elkander +verbonden zijn. Deze klamp past nu tusschen de leggers der stelling, +zoodat men het blad daarover verschuiven kan, zonder dat het er af kan +vallen. Op de kop-einden der planken spijkert men, voor het trekken +en springen, nog eene duimslat. Iedere korf wordt nu op zulk eene +onderplank geplaatst. Dat elke korf zijne eigene onderplank heeft, +geeft gelegenheid, om den korf opligtende, de plank weg te nemen, +en er eene schoone voor in de plaats te leggen. De weggenomene wordt +nu schoon gemaakt en onder een volgenden korf gelegd; zoo voortgaande +kan men hen allen verschoonen. + +De stal moet goed sluitend in elkander gemaakt zijn, zoodat er, +wanneer de deuren gesloten zijn, geen licht binnen kan dringen, al +wordt hij door de zon beschenen. Ook moet de warmte er zooveel mogelijk +in besloten blijven. In het voorjaar en den zomer worden de deuren in +den voorwand geopend. De behandeling der stokken geschiedt aan den +achterkant, waarvoor men dan eene deur uitneemt; van de omvliegende +bijen heeft men dan geen last, en staat haar ook niet in de vlugt. Er +kunnen twaalf Dzierzon'sche woningen of achttien strookorven in dezen +stal geplaatst worden. Zet men er meer in, dan komen de vlieggaten te +digt bijeen. Gedurende den winter kan men evenwel den stal geheel vol +plaatsen, wanneer men de overtollige woningen, bij de eerste vlugt +der bijen in het voorjaar, maar naar hare gewone plaats brengt. + +Behoeft men geene kosten te ontzien dan is het verkieslijk zijne +stallen zoo groot te laten maken, dat men er in kan gaan om de stokken +te behandelen. De voorwand wordt dan eveneens gemaakt als boven gezegd +is, doch 6 voet hoog genomen en bovenaan 2 voet met planken gesloten, +opdat de zon niet op de woningen zou schijnen. De achterwand wordt +8 voet hoog genomen, en, even als de zijwanden, van over elkander +gerabatteerde planken gemaakt. De diepte neemt men zoo groot, dat +er achter de woningen nog eene ruimte van 4 voet vrij blijft, die +voldoende is voor alle werkzaamheden, welke aan de stokken verrigt +moeten worden. In den eenen zijwand maakt men eene deur en in den +achterwand twee of drie ramen, die met blinden gesloten worden. Het +is duidelijk dat deze stallen de voorkeur verdienen. In den winter kan +men een beter toezigt op zijne stokken hebben en naar zijne strengheid +de dekking wijzigen; de muizen worden gemakkelijker weggevangen; de +lucht kan in een oogenblik ververscht worden door 's avonds de deur +te openen; eindelijk kan men 's winters een groot aantal woningen +in de achterste ruimte plaatsen, daar men dan, niets in de stokken +te verrigten hebbende, slechts een gang noodig heeft waar men door +gaan kan. + +De kosten, aan eene doelmatige inrigting der stallen besteed, brengen +hunne rente goed op, doordat het leven van een groot aantal bijen +gespaard wordt, die anders, onvoldoende voor de koude beschut, +omkomen. Wie er geen bezwaar in ziet, zijne bijen gedurende den +winter, aan zon en wind bloot te stellen, denkende dat het voldoende +is wanneer zij voor den regen beveiligd zijn, zal er de schouders +wel eens voor ophalen, dat ik zulke kostbare stallen opgeef; maar +hij kent de verliezen niet, die hij jaarlijks lijdt. Bij Dzierzon's +woningen is de invloed van zon en wind minder nadeelig dan bij de +korven, omdat de vlieggaten onder tegen den bodem geplaatst zijn en +door de schuifjes verkleind kunnen worden. + +Nog zijn er bijenhouders, die het vroeger algemeen aangenomen gevoelen +voorstaan, dat de bijenstand op het zuiden moet staan. Zij verheugen +er zich over als zij, op het heetst van den dag, de korven geheel +door de zon beschenen zien, en denken dat hunne bijen uitmuntend +geplaatst zijn, terwijl zij, door de onlijdelijkste hitte gekweld, +het niet alleen in hare woningen niet kunnen uithouden, maar ook +veelal te afgemat zijn, om op de inzameling uit te gaan en dus +werkeloos voorliggen. + +Het is moeijelijk bepaald aan te geven welke rigting voor den +bijenstand de beste is. Men bepaalt haar naar de plaats, welke +men beschikbaar heeft. Kan men hem alleen op het zuiden plaatsen, +dan moet men zorgen dat ten minste de bovenste helft der woningen, +en zoo mogelijk ook de vlieggaten, door boomen of andere opzettelijk +daartoe aangebragte voorwerpen beschaduwd worden. Men zal, wanneer +de zon midden op den dag boven op de woningen schijnt, vooral in +strookorven, niet zelden den bouw zien instorten. + +Wanneer de stand op het zuidoosten staat, dan worden de woningen door +de morgenzon beschenen, waardoor de bijen reeds vroeg tot de vlugt +uitgelokt worden; terwijl de zon haar tegen elf ure grootendeels +verlaten zal hebben, en er dus geene te groote warmte in kan doen +ontstaan. + +De in de laatste jaren genomen proeven hebben aangetoond dat eene +plaatsing tegen het noorden, die meestal voor bepaald ongeschikt +gehouden wordt, ook hare voordeelen heeft. Hoewel de stokken later op +den dag uitvliegen, en in het voorjaar ook later tot de broedaanzetting +overgaan, dan wanneer zij op het zuiden staan, en dus later dan in +dit geval, of wel in het geheel niet zwermen, zoo maakt hunne koelere +plaatsing dat de bijen door de drukkende hitte minder gekweld worden, +en dus ijveriger in hare uitvlugten zijn. Op het noorden geplaatste +stokken zijn dan ook in den regel rijker aan honig, dan die op het +zuiden gesteld zijn; terwijl het op een goed bezetten bijenstand eene +gewenschte zaak is, dat eenige stokken niet zwermen. Vreest men dat +zij dit toch, maar te laat, doen zouden, dan kan men, óf den zwerm op +den geschikten tijd kunstmatig afdrijven, óf het zwermen beletten. Ik +heb nu sedert drie jaar eene dubbele woning zoo geplaatst, dat de +eene stok naar het zuiden, de andere naar het noorden vliegt; deze won +het in honigrijkdom jaarlijks van genen en toch is hij in het zwermen +weinig later; bij heet weder is hij altijd moediger dan zijn buurman. + +Nieuw opgezette zwermen moet men zoo mogelijk altijd op het noorden +plaatsen. Eene plaatsing op het zuiden kan toch zeer lastig zijn omdat +zij, door de hitte geplaagd, de hun aangewezen woning ligt verlaten, +of anders door de warmte te veel worden aangespoord, om zich op de +broedaanzetting toe te leggen, zoodat zij later maagdezwermen zouden +afgeven: dat dit niet wenschelijk is, zagen wij reeds. Men moet daarom +zijne zwermen, zoo zij niet dan op het zuiden geplaatst kunnen worden, +vooral goed beschaduwen. + +Daar men uit het westen de meeste regenvlagen en stormwinden te wachten +heeft, zoo is de plaatsing op het westen het minst te verkiezen. + +Vóór den bijenstal moet men eene ruimte, van minstens 15 voet, +vrij hebben. Zij moet met zand bestrooid worden, en er mag gras noch +onkruid groeijen, opdat men alles op den grond gemakkelijk zou kunnen +ontdekken; vooral of er ook afgestoken moederbijen uit de woningen +gedragen zijn, dat overtuigend bewijzen zou, dat er een moederlooze +stok was. Als het door de zon beschenen kan worden, dan is het zand +ook goed om de door de koude bevangen bijen, die er op vallen, door +de warmte weder te doen herleven en in hare woningen terugkeeren; +wanneer het niet verwarmd wordt, kan men de bijen toch opzamelen, +dat van een begroeiden grond niet geschieden kan; daarop moet men er +ook onvermijdelijk vele vertrappen. + +Aan de zijkanten der stallen moeten rietmatten geplaatst worden, +om de woningen zooveel mogelijk voor den wind te beschutten; anders +konden toch de bijen door den wind nedergeslagen, of op vreemde +stokken geworpen worden. + +De grond, waarop de stal staat, mag niet te vochtig zijn, daar +dit aanleiding zou geven tot het beschimmelen van den wasbouw. Het +moet zoo mogelijk vermeden worden, om hem in de nabijheid van een +breed water of van een straatweg te plaatsen. In het water zouden +bij sterken wind vele bijen omkomen, en bij strenge vorst zouden de +dreuningen, door de over den straatweg rijdende wagens veroorzaakt, +haar aanhoudend verontrusten. Daar de bijen een volstrekten afkeer +van rook hebben, mag hij niet in den omtrek van fabrijken, die veel +rook geven, geplaatst worden. Ook moet de nabijheid van hooge boomen +vermeden worden, want daarin zouden de zwermen zich aanleggen en +dus moeijelijk te bereiken zijn. Op een afstand van 20 tot 40 voet, +moeten zich, voor aanlegplaatsen der zwermen, eenige lage boomen en +struiken bevinden, waartoe vruchtboomen en kruisbessen het geschiktst +zijn. Vooral aan de laatsten leggen de zwermen gaarne aan, en in het +vroege voorjaar geven zij de bijen eene gezochte dragt. + +Wanneer men zijn stand alleen op een onbeplant terrein kan plaatsen, +dan kan men de bijen toch geschikte aanlegplaatsen, in de nabijheid +der stokken bezorgen, door 20 á 40 voet voor den stand eenige staken, +van 6 tot 8 voet hoog, in den grond te planten en aan deze eenige +stukken eikenschors, van 2 voet lang en 1 voet breed, te hangen. Dit +doet men, door in de hoeken van de stukken schors gaten te maken, +waardoor men touwen steekt, die te zamen gebonden en aan den staak +bevestigd worden. Men moet zorgen dat de buitenzijde der schors naar +boven hangt. De zwermen leggen, bij gebrek van andere voorwerpen +ook daar aan, en men behoeft de stukken schors maar los te maken, +op den korf te leggen en er een slag op te geven, om de bijen daarin +te doen vallen. Maakt men de inrigting zoo, dat men hen kan laten +zakken, dan wordt het opvangen van de zwermen zeer eenvoudig. Ook +kan men op verschillende hoogten eenige oude korven ophangen, waarin +de zwermen gaarne aanleggen. Om hen naar die voorwerpen te lokken, +is het goed de schors van onderen, en de korven van binnen, nu en +dan met wat honig te bestrijken. + + + + + +HET GEREEDSCHAP. + + +Eenige voorwerpen, die men voor de behandeling der bijen bezitten moet, +wil ik in dit hoofdstuk opgeven, beschrijven en hunne zamenstelling, +zoo noodig door afbeeldingen, aanschouwelijk voorstellen. Ik zal mij +daarbij tot de noodzakelijkste bepalen. Zij zullen voldoende zijn om +de bewerkingen, die ik opgeef, ten uitvoer te brengen. + + + +DE ROOKPIJP. + +Bij de behandeling der bijen is het aanbrengen van rook bijna altijd +noodig, om haar daar te verdrijven, waar men iets te verrigten heeft, +hetzij omdat men gevaar zou loopen door haar gestoken te worden, hetzij +omdat zij, op haar werk zittende, beletten zouden dit goed te bezien, +of omdat men haar zou kunnen kwetsen. Heeft men slechts weinig rook +noodig, dan is eene gewone goudsche pijp of eene sigaar voldoende; +veelal kan men hiermede volstaan, doch wie niet gewoon is te rooken +moet naar andere middelen omzien, en dikwerf kan men ook langs dien weg +niet genoeg rook aanbrengen; men kan zich dan van de volgende rookpijp +bedienen, die door blazen en niet door trekken aangehouden wordende, +ook door niet-rookers kan worden gebruikt. In fig. 11 ziet men haar in +doorsnede afgebeeld. Het gedeelte abcdef wordt van wortelhout gedraaid; +bij be is het uitwendig 1 3/4 duim dik en loopt naar boven taps toe; +van af tot be is de lengte 3 1/2 duim; bij be wordt het afgedraaid, +zoodat bcde bij be 3/4 duim dik is, naar cd taps toeloopt en 1 duim +lang is. Inwendig wordt het 3 duim diep uitgedraaid, ter wijdte van +1 duim, en midden in het stuk bcde wordt nu een gat geboord, van 3/8 +duim wijd, dat in de uitgedraaide holte uitloopt. Om het doorbranden +te voorkomen moet deze kop der pijp inwendig bekleed worden. Daartoe +wordt een blikken koker met pijpje vervaardigd, die juist in dezen +kop sluit; bovenaan bij af wordt de rand omgeslagen, opdat het hout +ook daar niet met het vuur in aanraking zou komen. Het pijpje laat +men bij cd een weinig buiten het hout uitsteken. Het gemakkelijkst +zal het wel zijn eerst het blikken bekleedsel te laten maken, en +daarnaar het hout uit te draaijen. Buiten om het houten pijpje bcde +wordt ook een blikken bandje gelegd, om het springen te beletten; +men laat het even ver over het hout uitsteken als het pijpje er door +komt, en vult den rand tusschen beide met soldeersel; hierdoor belet +men dat het hout afwisselend nat en droog wordt, waardoor er, ondanks +het blikken bandje, toch nog scheuren in zouden komen. Uitwendig wordt +het gedeelte abfe met dubbel laken bekleed, dat met enkele koperen +stiftjes op het hout bevestigd wordt, daar het anders spoedig gaat +draaijen. Dit laken overtrekt men nog met kalfsleder. De bekleeding +van den kop dient, zoowel om bij het aanvatten de handen niet te +branden, als om het deksel, dat er opgezet moet worden, luchtdigt te +doen sluiten; dit is toch een vereischte, omdat de tabak door blazen +aangehouden moet worden. Het blikken deksel hgik is van gi tot hk 1 +1/2 duim lang en moet goed op den kop sluiten. Midden in den bodem +van het deksel, wordt een mondstuk lm gesoldeerd, van 4 duim lang en +van onder bij l 1/2 duim en van boven bij m 1/8 duim wijd. + +Men moet nog drie blikken pijpjes hebben, die op de punt bcde van +den kop gezet worden, om den rook daar heen te leiden, waar men hem +behoeft. Aan het uiteinde moeten zij 1/8 duim wijd zijn. Twee dezer +pijpjes worden regt gemaakt, een van 4 duim lang, dat hier in de +figuur is voorgesteld (zie nop), en het andere van 6 duim lang. Het +derde qr wordt eveneens 6 duim lang gemaakt, doch de punt er van +moet zoo omgebogen zijn, dat de rookstraal regthoekig op de lengte +lijn van den geheelen toestel staat. Van de beide regte pijpjes +gebruikt men het langste of kortste, naardat men den rook verder van, +of digter bij zich behoeft, terwijl dat het gebogen pijpje dient, +om hem onmiddellijk tusschen de wastafels te kunnen brengen. Aan de +beide uiteinden worden om elk pijpje randen gelegd; aan het wijdste +om het verwijden te voorkomen, waardoor het niet meer op den kop zou +sluiten; aan het naauwste om het, zoo noodig, met den mond vast te +kunnen houden. + +Opdat het gat in bcde niet verstoppen zou, leggen sommigen in den kop +een doorboord plaatje of een stukje ijzergaas. Deze raken echter ook +wel verstopt; daarom steek ik er een gewonen pijpedop in, zoodat de +punt juist tegen het gaatje komt en bevind mij daarbij uitmuntend. + +Wil men de rookpijp gebruiken, dan wordt de kop met tabak gestopt, +hierop een stuk brandend zwam gelegd, en nu het deksel op den kop +gezet. Naarmate men nu door het mondstuk harder of zachter blaast, +zal men meer of minder rook verkrijgen. + +Ik heb deze rookpijp al sedert eenige jaren gebruikt, en er altijd +mede kunnen volstaan. Andere rooktoestellen zal ik daarom niet +beschrijven; de meesten zijn voor het gewone gebruik veel te omslagtig +en men kan hen ontberen. Het eenige bezwaar, dat het gebruik der hier +beschreven rookpijp medebrengt, is dat de tabak uitgaat, wanneer men +een oogenblik verzuimt te blazen, zoodat men iemand bij zich dient te +hebben, die voor het aanhouden der pijp zorgt. Wanneer men gedurende +eenigen tijd geen rook behoeft, kan men den tabak ook door trekken, +in plaats van door blazen aanhouden; als men gewoon is te rooken, +dan is dit veel gemakkelijker. + + + +DE BIJENKAP. + +Niet minder noodzakelijk dan de rookpijp is de bijenkap, om het +gezigt en den hals voor den bijensteek te beveiligen. Wél zijn er +bijenhouders, die het belagchelijk vinden, om bij Dzierzon'sche +woningen nog eene kap te gebruiken; wél wordt men langzamerhand +minder vatbaar voor het bijengif, zoodat de steek eindelijk slechts +eene oogenblikkelijke pijn verwekt; maar dit neemt niet weg dat de +steek soms, vooral in het gezigt, sterke zwelling ten gevolge kan +hebben, en dat de bijen, wat veel verontrust wordende, als het ware +steken laten regenen. Het gebruik van eene kap acht ik dan ook altijd +raadzaam; waarom zal men zich aan het gevaar blootstellen, om dagen +achtereen met een gezwollen gezigt te loopen? En had men het ongeluk +dat eene bij in den mond vloog en daar stak, dan konden de gevolgen +zeer noodlottig wezen. + +De kap wordt vervaardigd van eene lap grof linnen, aa' bb' (zie +fig. 12), die 26 duim lang en 30 duim breed is. Bij d en d', 12 +duim van b en b' verwijderd, begint men de stukken deb en d'e'b' +rond uit te snijden, zoodat be en b'e' 1 duim breed zijn; 6 1/2 +duim van het midden h, maakt men aan weêrskanten de insnijdingen gi +en g'i', die 12 duim diep zijn, en van c, 19 duim boven h, snijdt +men naar a en a' het linnen rond weg. Wordt de lap nu om de lijn +ch toegevouwen, dan komt a op a', d op d' enz., te liggen, omdat +de figuur aan weêrskanten der lijn ch symetriek is; ac wordt nu op +a'c' en de op d'e' genaaid. Bij ad blijft er nu eene opening, waarin +een ovaal draadwerk k, dat minstens 9 spijlen op elken duim bevat, +van 9 duim hoog en 7 1/2 duim breed, wordt genaaid. Van i, langs +g en g' tot i' wordt de rand gezoomd; evenzoo van i langs f en f' +(die bij e aaneengenaaid zijn) tot i'. Aan de hoeken f en f' worden +koperen ringen, en aan de hoeken g en g' sterke banden genaaid. Wordt +deze kap nu, met het draadwerk voor het gezigt, op het hoofd gezet, +dan valt het stuk ighg'i' op den rug, terwijl dat ifef'i' de borst +bedekt en de hoeken i en i' op de schouders komen te liggen. Voor het +aansluiten en het inscheuren worden daar kleine, driehoekige stukjes +ingezet. De banden van het achterste stuk worden nu, onder de armen +door, in de ringen van het voorste gedeelte gestoken, en dan weder +onder de armen door naar achter gebragt en om het lijf gebonden. Men +kan, door het aanhalen der banden, de kap nu zoo doen sluiten, +dat er nergens eene bij door kan. Begeeft men zich, aldus gewapend, +naar de stokken, dan is men verzekerd niet het minste letsel van de +steken der bijen te kunnen hebben. + +De opening in het draadwerk is bestemd om er het mondstuk van de +rookpijp door te steken; de wijdte moet daarnaar geregeld worden. Naar +verkiezing maakt men haar regts of links. Voor het uitwijken zijn +de traliën daar tusschen twee koperen plaatjes gesoldeerd. Wanneer +men de rookpijp niet gebruikt, moet men deze opening digt stoppen; +kroop er toch eene bij door, dan zou men van haar nog veel meer last +hebben, dan als men zonder kap was. + + + +MESSEN. + +Wanneer men de tafels uit de woning nemen wil, dan moet men beginnen +met haar aan den kant los te maken, want de bijen bevestigen haar +na elke uitneming weder. Hiervoor moet men twee messen hebben. Het +eene met een dun, buigzaam lemmet (zie fig. 13), van 6 of 7 duim +lang en 1 duim breed, met ronde punt en tot 4 duim van de punt aan +beide kanten scherp, dient om de tafel van den wand der woning los te +maken, waartoe men het vlak tegen den wand drukt en van onder naar +boven snijdende, de tafel voorzigtig los maakt; is de tafel ook aan +een daar onder liggend staafje bevestigd, dan wordt zij ook daaraf +gesneden, met het mes zoo vlak mogelijk langs het staafje gaande. + +Het tweede mes moet een lemmet van dezelfde lengte en breedte hebben, +doch dat dikker, niet buigzaam en slechts aan eene zijde scherp is, +en in eene spitse punt eindigt (zie fig. 14). Met dit mes wordt het +staafje, waaraan de tafel hangt, in de groef, waar het door de bijen +vastgemaakt is, losgestoken. + +Eindelijk moet men nog een mesje hebben, om moederwiegen uit de +tafels te snijden, indien men die op andere plaatsen wil gebruiken; +een klein puntig knipmesje kan hiervoor dienen. + + + +DE GAFFEL. + +Om de staafjes, met de daaraan hangende wastafels, nadat zij van de +wanden der woning losgemaakt zijn, naar zich toe te halen, bedient men +zich van het werktuig, in fig. 15 afgebeeld; men noemt het gaffel. Het +wordt van ijzer vervaardigd, dat slechts zoo zwaar behoeft genomen +te worden, dat er geen gevaar voor buigen bestaat. De lengte, het +handvatsel mede gerekend, is ongeveer 10 duim. De beide punten zijn +bij a en b regthoekig omgebogen, en bij c en d zijn blokjes bevestigd, +zoodat de ruimten tusschen a en c en tusschen b en d juist 1 duim +bedragen. De buitenafstand dezer klaauwen moet zoo groot genomen +worden, dat het gedeelte der staafjes, dat 1 duim breed is, er juist +in past. Hunne diepte moet gelijk zijn aan de dikte der staafjes. Men +legt deze gaffel boven op het staafje, zoodat dit juist tusschen +de klaauwen gevat wordt, en haalt het dan naar zich toe; voor in de +groef gekomen, neemt men het met de hand uit de woning. Wil men de +tafels weder in de woning hangen, dan schuift men het staafje voor +in de groef, en duwt het eveneens met de gaffel verder in de woning. + +Het voordeel, dat men van dit werktuig heeft, bestaat daarin, dat beide +uiteinden van het staafje gelijkmatig voortbewogen worden, terwijl men +het daarentegen met de hand al ligt een weinig scheef voortschuift, +waardoor het in de groef geklemd zou worden; daarenboven loopt men +veel minder gevaar om de tafels te beschadigen. + + + +DE STOMMEKNECHT. + +De uit de woning genomen tafels, voor beschadiging bewaard moetende +blijven, zoo bezigt men een opzettelijk daartoe vervaardigd kastje, om +haar tijdelijk daarin te hangen; het wordt stommeknecht genoemd. Dit +kastje moet zoo lang zijn, dat alle tafels, die in eene woning +voorhanden zijn, daarin kunnen hangen. De breedte moet 1/4 duim grooter +zijn dan de lengte der staafjes, en de hoogte dient 2 duim meer te +bedragen, dan de diepte, waartoe de tafels gebouwd worden. Aan den +binnenkant der zijwanden wordt, 1 duim van den bovenrand, een latje +van 1/2 duim dik gespijkerd. Tusschen deze latjes hangt de tafel, +wanneer het staafje met de uiteinden er op rust. Op dit kastje wordt +een deksel gemaakt, waarin een gat van 6 duim in het vierkant gezaagd +is; dat gat wordt gesloten met een ijzeren traliewerk, dat minstens +9 traliën op elken duim bevat; er wordt eene schuif over gemaakt, +waarin een plankje geschoven kan worden, om het te sluiten. + +Wanneer men nu den bouw uit eene woning neemt, dan hangt men de +uitgenomen tafels, waar honderden bijen opzitten, een voor een in +dit kastje; ontdekt men dat vreemde bijen er op willen rooven, dan +legt men er het deksel op, en geeft de opgesloten bijen lucht, door +het schuifje een weinig te openen. Mogt het noodzakelijk zijn haar +lang in dit kastje besloten te houden, dan zet men het op eene koele, +donkere plaats en opent de schuif geheel. + +Des noods kan deze stommeknecht ook dienen, om de bijen naar een +anderen stand over te brengen, doch men doet beter zich daartoe van +de later te beschrijven transportkastjes te bedienen. + +Indien men de tafels weder in de woning hangen wil, dan moet men +opletten dat dit in dezelfde volgorde geschiedt, als waarin zij +gehangen hebben. De bijen, welke, nadat alle tafels zijn ingehangen, +op den bodem van het kastje terugblijven, worden op een hoop gestooten, +door het een schok te geven; daarna schept men haar in de woning. Het +is niet goed om, gelijk sommigen doen, deze bijen in de zon op een doek +te storten, in de veronderstelling dat zij weder op haar stok zullen +terugvliegen. Met velen zal dit het geval niet zijn, omdat er zich vele +jongen onder bevinden, die, nog nooit hare woning verlaten hebbende, +haar niet kennen. Ook de moederbij kon aldus wel eens verloren gaan, +wanneer zij zich onder de van de tafels gevallen bijen bevond. Met +het opscheppen moet men dan ook altijd zeer voorzigtig zijn om haar, +in geval zij in het kastje teruggebleven was, niet te kwetsen. + + + +DE BOK. + +De stommeknecht kan alleen dienen om de tafels, die men uit eene +woning neemt, te dragen; om haar naauwkeurig te kunnen bezien, moet +men nog een bok hebben, waarop de tafels een voor een gehangen, en +dan aan beide zijden beschouwd kunnen worden. Dezen bok, die een der +onmisbaarste gereedschappen is, ziet men afgebeeld in fig. 16. Het +gedeelte ab is lang 15, breed 3 en dik 1 1/4 duim. De latjes cd en +ef, die er met pen en gat in bevestigd zijn, worden 2 duim breed, +1 1/4 duim dik en ongeveer 8 duim lang genomen. Aan den binnenkant +is in deze latjes eene groef geschaafd, van ruim 1/4 duim breed en +diep, en zij worden zoo ver van elkander geplaatst, dat de staafjes +gemakkelijk in deze groeven geschoven kunnen worden, zonder daaruit +te kunnen vallen. Zij mogen daarom niet zwakker genomen worden, +dan ik hier opgaf, anders liep men gevaar dat zij van een weken; +zij moeten ook zuiver evenwijdig en volkomen onbewegelijk in het +stuk ab bevestigd zijn. In het midden van ab en aan de uiteinden der +stukken cd en ef, worden aan de onderzijde gaten geboord, waarin de +drie pooten h, i en k gestoken worden, die minstens 10 duim hoog zijn. + +Bij het gebruik stelt men den bok in een zinken bak, waarin de van +de tafels vallende bijen worden opgevangen, die men dan later in de +woning schept. + + + +TRANSPORTKASTJES. + +De naam transportkastjes duidt de bestemming reeds aan van de +voorwerpen, die dien naam dragen. Zij zijn slechts geschikt om er +de bijen een korten tijd in te doen verblijven, maar zij maken haar +vervoer naar elders zeer gemakkelijk. Men maakt deze kastjes van +plankjes, van 1/2 duim dik, die eenvoudig op elkander gespijkerd +worden. De breedte ab en de hoogte ac (zie fig. 17) neemt men 10 à 12 +duim, terwijl men het 16 à 20 duim lang maakt. Het deksel bestaat uit +twee deelen d en e, die in groeven schuiven. Deze groeven verkrijgt +men, door boven op den kant van elken zijwand, en aan de binnenzijde +daartegen, latjes te spijkeren. Het hout is te dun om er eene groef +in te schaven, en door het dikker te nemen, zou men het gewigt +der kastjes noodeloos vergrooten. De voorwand wordt niet van hout +gemaakt; het strookje fg, dat men 1 duim breed neemt, dient alleen +om het uitwijken der zijwanden te beletten; de ruimte, tusschen dit +strookje, de zijwanden en den bodem, wordt met ijzergaas of met een +fijn traliewerk gesloten. Men zou het gaas of traliewerk ook in een +los raampje kunnen plaatsen, en dit dan voor in het kastje bevestigen. + +Om den zwerm, dien men met dit kastje vervoeren wil, daarin te doen +loopen, zet men het op den achterwand, dus met het draadwerk naar +boven, doch bedekt dit, om het invallen van het licht te voorkomen. De +schuif e, die dan de onderste zijn zal, neemt men weg, doch laat d +gesloten. Om in dien stand het doorschieten van de schuif te beletten, +neemt men haar een weinig langer, dan de halve lengte van het kastje, +en tegen den onderkant van het buiten uitstekend gedeelte spijkert +men een dun latje, dat, tegen den wand stuitende, het doorschuiven +belet. Zoodra de zwerm, door de hem voorgehouden opening, in het +kastje is getrokken, sluit men het met de tweede schuif en laat het, +met de schuiven naar boven, tot het vallen van den avond rustig staan; +dan brengt men den zwerm naar de verlangde plaats, en schept hem daar +in de voor hem bestemde woning. + +Voor het opvangen en transporteren van natuurlijke zwermen, kan men +zich ook van gewone strookorven bedienen; doch de transportkastjes +zijn onmisbaar, wanneer men kunstzwermen wil maken, door bijen, uit +onderscheidene stokken genomen, aan eene moederbij toe te voegen. Later +komen wij daarop terug. Ook zijn deze kastjes zeer gemakkelijk, +wanneer men stokken, die op een verwijderden stand geplaatst zijn, +bijen ter versterking wil geven. + +Behalve de reeds beschrevene, moet men zich nog eenige kastjes +aanschaffen, welke buitenwerks zoo lang en breed zijn, dat zij juist in +de woningen passen; de hoogte moet zoo genomen worden dat zij, na het +wegnemen der dekplankjes, op de staafjes kunnen worden geplaatst. Voor +het deksel maakt men uit vier latten een raam, dat juist in het +kastje past, en bespant dit met ijzergaas of bijendoek. Om de bijen, +die de randen van het kastje soms sterk bezetten, niet te kwetsen, +maakt men voor den aanslag van het deksel geene sponningen in de +zijwanden, doch slaat in deze vier stiften, waarop het rust. + +Men zet deze kastjes, met den open kant onder, op de staafjes der +woning, waaruit men de bijen vangen wil, en drijft haar daarin. De +geheele zwerm kan nu in eens uit de woning genomen worden, waarna het +kastje terstond met het deksel wordt gesloten. Onder in de nieuwe +woning, die door den zwerm bevolkt moet worden, schuift men nu het +kastje en neemt er het deksel af, waarna de bijen er spoedig uit +zullen opklimmen. + +Zulk een kastje is ook zeer geschikt om de bijen, die in eene woning, +waar de bouw uitgenomen is, nog achtergebleven zijn, daar in eens +uit te nemen: men zet het dan op den bodem der woning, en veegt er +de bijen met eene penneveêr in. Ook kan men er een zwerm in laten +trekken, wanneer men aan eene der zijden, vlak boven den bodem, eene +reet, even als een vlieggat maakt, waarvoor dan ook een schuifje moet +worden aangebragt: de moederbij wordt er dan, in een moederhuisje +besloten, ingezet, waarna het, met het vlieggat geopend, op een doek +wordt geplaatst, waarop men de bijen uitstort; daarbij moet op het +deksel nog een plankje gelegd worden, opdat de bijen alleen door het +vlieggat, gemeenschap met de moederbij kunnen hebben. + +Bij alle kastjes, waarin de bijen eenigen tijd opgesloten worden, +moet men onder in de zijwanden twee of drie zaagsneden maken, waardoor +er versche lucht indringt, die de verwarmde lucht doet ontwijken. + + + +DE STORTBAK. + +Voor men de tafels uit eene woning neemt, moet men in deze een stortbak +plaatsen, om de daaraf vallende bijen op te vangen. Men neemt daarvoor +een zinken bak (zie fig. 18), waarvan de breedte ab iets kleiner is dan +de binnenwijdte der woningen, zoodat hij er gemakkelijk in geschoven +kan worden. De lengte ce neemt men 7 of 8 duim. Aan de beide zijkanten +en vooraan, moeten de staande wanden 3 duim hoog zijn, achteraan is +hij open; op den voorkant is een handvatsel gesoldeerd. De zijwanden +moeten bovenaan den achterkant, bij e en f wat buitenuit gebogen zijn, +zoodat de bak, gedeeltelijk in eene woning geschoven wordende, daarin +klemt en dus blijft hangen. + +Wil men de tafels uit eene woning nemen, dan schuift men er eerst +dezen bak in, doch laat er hem een eind buiten uitsteken. De bijen, +die van de tafels vallen, zullen er dan in blijven liggen. Na afloop +der bewerking, worden zij met eene penneveêr in de woning geveegd. Ook +kan men dezen bak, bij het uitnemen der tafels, daaronder houden om, +wanneer het ongeluk wilde dat eene zware honigtafel afbrak, haar +daarin op te vangen. + + + +DE SCHEPPER. + +De schepper wordt gebruikt om de bijen, uit of in de woning en overal +waar zulks verder noodig is, te scheppen. Hij wordt, even als de +stortbak, van zink gemaakt. Hem van blik te maken is minder goed, +omdat dit ligt roest; de bijen zouden er dan aan blijven hangen. Men +geeft hem eene breedte van 6 en eene lengte van 7 duim (zie fig. 19); +de opstaande rand moet 2 1/2 duim hoog en naar den voorkant afgerond +zijn; aan het achtereind is een steel bevestigd, die het behandelen +gemakkelijk maakt. + + + +EEN IJZEREN HAAK. + +Om de dooden en de onreinheden, die zich op den bodem der woning +verzamelen, daaruit te verwijderen, maakt men gebruik van een ijzeren +haak, bestaande in een plat vierkant stuk ijzer, van 1/2 duim breed +en 1/8 duim dik, waarvan het eene einde regthoekig omgebogen is. Het +omgebogen gedeelte is 1 1/2 duim lang. Aan het andere uiteinde wordt +een handvatsel bevestigd. De lengte moet, met het handvatsel, ongeveer +16 duim zijn, men kan dan met den haak den geheelen bodem zuiveren. + + + +MOEDERHUISJES. [13] + +Reeds meermalen is het gebruik maken van een moederhuisje aanbevolen; +thans zullen wij er nader kennis mede maken. Zijne bestemming is +eene moederbij van de overige bijen afgezonderd te houden, maar deze +toch gelegenheid te geven om haar voedsel toe te reiken. Wanneer +het nu maar zoo ingerigt is, dat dit mogelijk is en dat de gevangen +moederbij versche lucht bekomt, en er zich in kan omdraaijen, dan +is het overigens onverschillig hoe en waarvan men het maakt. Het +traliewerk, dat er voorgemaakt wordt, mag niet zoo wijd zijn, dat de +bijen er den kop door kunden steken; bij het terug halen konden zij hem +aftrekken; toch moeten zij er de koningin door kunnen voêren. De wijdte +zal goed zijn als men, op eene lengte van 1 duim, negen stijltjes zet, +die de dikte van eene dunne breinaald hebben. + +Men maakt wel moederhuisjes van een stukje vlierhout, door er het +merg uit te doen, er in de lengte eenige sneden in te geven en de +uiteinden met kurken te sluiten. Beter is het echter een rond stukje +wilgenhout te nemen, van 1 duim dik en 5 duim lang; daarin worden 1/2 +en 2 duim van het eene uiteinde, zaagsneden gemaakt, die even voorbij +het midden gaan; tusschen deze zaagsneden steekt men het hout weg. Men +neemt nu stukjes ijzerdraad, van 2 1/4 duim lang, en buigt de beide +uiteinden daarvan 1/4 duim regthoekig om. Met eene els worden nu, 1/8 +duim boven en onder het weggestoken gedeelte (zie fig. 20), gaatjes in +het hout gemaakt, waarin de omgebogen einden der ijzerdraadjes worden +geslagen. Het langste gedeelte van het hout wordt nu tot eene punt +gesneden, welke dient om in de strookorven gestoken te worden. In +plaats van deze punt, zou men ook een spijker in het hout kunnen +slaan. Boven wordt nu een gat, van ruim 1/4 duim doorsnede geboord, +waardoor de moederbij uit en in het huisje gelaten wordt. Dit gat +wordt met eene kurk gesloten. + +Voor Dzierzon's woningen is het beter de moederhuisjes zoo in +te rigten, als fig. 21 dat voorstelt. Men neemt er een stukje +zacht hout voor (linden-, wilgen- of populierhout) van 2 1/2 duim +lang, 1 duim breed en 3/4 duim dik; 1/2 duim van de uiteinden van +eene der breedte-zijden worden zaagsneden, van ruim 1/2 duim diep +gemaakt, waartusschen het hout wordt weggestoken. Over de voor- en de +bovenzijde worden nu, zooals boven gezegd is, ijzeren traliën gemaakt; +de onderkant wordt gesloten met een houten klosje, dat weggenomen kan +worden, om door de opening de moederbij uit en in het huisje te laten. + +Dit huisje kan overal in den stok geplaatst worden, waar de bijen er +bij kunnen. Men kan het op de staafjes leggen of het aan de staafjes, +midden in het broednest hangen, door er een ijzerdraad door te steken, +en dien boven het staafje om te buigen; het kan tusschen de staafjes +gestoken, ja zelfs in de tafels zelven geplaatst worden, door hierin +eene opening te snijden, waarin het past. + +Wanneer men zijn bijenstand door afleggers wil vermeerderen, of +koninginnen in voorraad wenscht te hebben, om daarover bij voorkomende +gevallen te kunnen beschikken, dan is het goed eenige moederhuisjes te +hebben, die zooveel grooter zijn, dat er moedercellen, zonder haar te +beschadigen, in gelegd kunnen worden. Aldus worden zij, in een warm +gedeelte van den stok geplaatst, waar de koninginnen dan uitgebroeid +zullen worden, zonder dat de bijen haar kunnen uitbijten. In den +zwermtijd heeft men soms den eenen dag verscheidene moedercellen te +veel, terwijl men haar op een anderen dag gaarne zou hebben, zonder +haar evenwel te kunnen bekomen. Het is dan goed er eenigen in voorraad +te hebben. + +Om de bijen zelven de in een huisje besloten moederbij in vrijheid +te doen stellen, sluit men de opening slechts voor de helft met een +houten klosje, en maakt het open gebleven gedeelte met een wasplaatje +digt, waartoe men een stukje wastafel plat drukt, dat nu met de punt +van een warm mes, gemakkelijk wordt bevestigd. De bijen bijten dit +plaatje door, en nemen de moederbij dan het zekerst aan. + +In enkele gevallen kan men zich, voor de opsluiting van eene koningin, +ook van een langen pijpedop bedienen; inzonderheid wanneer men haar +in de tafel zelve wil plaatsen. + + + +VOEDERBAKJES. + +De voederbakjes kunnen van potaarde gebakken, of van dunne plankjes +of blik gemaakt worden. Aan blikken geef ik de voorkeur, wanneer +zij tegen het roesten, binnen en buiten geverwd zijn. De lengte ab +(zie fig. 22), wordt 1/4 duim kleiner genomen dan de breedte der +woningen: nadat het deksel er opgelegd is, kan het dan gemakkelijk +daarin geschoven worden, en op de staafjes staande, de plaats van +een dekplankje vervangen. Het wordt 3 à 4 duim breed en 2 duim hoog +gemaakt. In het midden van den bodem moet een buisje c, van 1 1/2 +duim hoog en 1 duim wijd, worden gesoldeerd, waardoor de bijen, van +den onderkant, in het bakje kunnen komen, zonder dat het voedsel er +uit kan vloeijen. In dit bakje wordt een plankje de gelegd, dat er +gemakkelijk in op en neder bewegen kan, en in welks midden een gat f +is, waardoor het buisje c heengaat. Dit plankje moet op het voedsel +drijven, opdat de bijen daarin niet zouden verongelukken. Er moeten +of zaagsneden, zoo als in onze figuur, in gemaakt worden, of het moet +zooveel mogelijk doorboord zijn met gaatjes, van omtrent 3/16 duim +middellijn. Door de zaagsneden of de gaatjes kunnen dan de bijen het +voedsel opnemen, zonder het minste gevaar te loopen daarin om te komen. + +Het deksel gh moet gemakkelijk op het bakje gelegd en daaraf genomen +kunnen worden, zonder evenwel reten te laten, waar bijen door kunnen +kruipen. In het midden maakt men eene opening i, van 3 duim lang en +2 duim breed, waarin een stuk glas wordt bevestigd, waardoor men, +zonder er het deksel af te nemen, zien kan of er nog voedsel in het +bakje is. Dit glaasje moet goed bedekt worden; want zagen de bijen er +licht door vallen, dan zouden zij het met was bekleeden. Aan het eene +einde van het deksel kan men een pijpje k laten maken, dat met eene +kurk gesloten wordt, en waardoor men, met behulp van een trechter, +het voedsel in het bakje kan brengen, zonder dit te openen. Het plankje +de moet nog voorzien zijn van twee touwtjes l en m, die door de reten +n en o van het deksel heengaan en waarmede men, het bakje gesloten +latende, nadat het voedsel er in gedaan is, het plankje opligt; anders +kon het op den bodem blijven liggen, en dus zijne bestemming missen. + +Om in het geheel niet door de bijen gehinderd te worden, kan men, +bij het vullen van het bakje, het buisje c sluiten. Daarvoor moeten +in de zijwanden van het bakje gaatjes p en q gemaakt worden, waardoor +een ijzerdraad rs geschoven kan worden, aan welks midden een blikken +plaatje t bevestigd is, dat vlak langs den bovenrand van het pijpje +c beweegt. In het deksel moeten voor dezen ijzerdraad ook openingen +gemaakt worden, waarvan er hier eene bij u gezien wordt. Ziet men door +het glaasje dat er nog bijen in het voederbakje zijn, dan blaast men +door het pijpje k daarin eenigen rook; zij zullen het dan spoedig +verlaten, waarna men het buisje c sluit. Het deksel kan nu van het +bakje genomen worden. Na het met voedsel gevuld te hebben, sluit men +het weder en trekt het plaatje t van de opening c weg. + +Het voêren geschiedt met deze bakjes zeer gemakkelijk; men kan het +gerust zonder kap doen. Ook in strookorven kan men er de bijen mede +voêren, wanneer in den top van den korf een gat is. Op alle uren van +den dag kan men het voedsel geven, zonder dat er vrees voor rooverij +behoeft te zijn, indien men de bakjes bedekt, en de opening, tusschen +den bodem en den korf, goed met klei digt smeert. Moeten de bakjes +alléén voor strookorven dienen, dan is het beter hen rond te maken, +en voor het vaststaan, het pijpje c 1 duim onder door den bodem te doen +uitsteken. In het gat van den korf wordt nu een houten stop gezet, met +eene opening, waarin dit pijpje juist past. Over het bakje zet men een +bloempot en smeert de reet, tusschen dezen en den korf, met klei digt. + +De voederbakjes zijn bestemd voor vloeibaar voedsel. Voor verdikten +honig kunnen zij echter ook dienen: men drukt er dezen in en laat het +plankje weg. Wil men alleen met verzegelde honigtafels, of met kandij +voêren, dan heeft men bij Dzierzon's woningen in het geheel geene +bakjes noodig: de honigtafels worden op de gewone wijze ingehangen, +en de stukken kandij legt men op de staafjes; er wordt dan een doek +overgelegd en de ruimte, tusschen dezen en den bovenwand der woning, +met stroo of mos gevuld. Om de bijen in korven met kandij te voêren, +moet men vierkante raampjes, van 3 of 4 duim lang en breed en 4 duim +hoog maken. Zulk een raampje wordt, na het gat van den korf geopend +te hebben, er opgezet. Aan elke zijde er van steekt men in den korf +een spijker, omdat het er niet af zou vallen, en smeert de reet, die +aan den onderkant van het raampje open blijft, met klei digt. De door +het raampje ingesloten ruimte wordt nu met kandij gevuld, waarover men +een nat doekje legt; het raampje wordt nu met een plankje gesloten, +waarop voor het afvallen een steen geplaatst wordt. Men bedekt het +geheel met een bloempot. Deze wijze van voêren is voordeelig, goed +en gemakkelijk. Reeds sedert jaren heb ik er de beste gevolgen van +ondervonden, en ik kan haar daarom gerust aanbevelen. In het voorjaar, +als de bijen zich behoorlijk uiteen kunnen begeven, kan men er met +zekerheid op vertrouwen. + + + +DE PERS. + +Tot het persen van honig en was moet men eene doelmatig ingerigte pers +hebben. Eene afbeelding er van ziet men in fig. 23. Op vier stevige +pooten, van 16 duim hoog, rust eene plank ab, van 24 duim lang, 15 +duim breed en 3 duim dik. Aan de beide uiteinden zijn hierin met pen en +gat twee staanders cd en ef, van 10 duim breed en 2 duim dik, met eene +tusschenruimte van 15 duim bevestigd, terwijl deze staanders bovenaan +eveneens verbonden zijn door den legger gh, die ook 10 duim breed en +ten minste 4 duim dik is. In het midden van dezen legger is eene moer, +waardoor de ijzeren of houten schroef i beweegt. In de gaten k en +l worden handboomen gestoken, om de schroef aan te draaijen. Onder +aan de schroef is het blok m zoo bevestigd, dat zij gedraaid kan +worden, terwijl het blok in den straks te vermelden persbak beweegt; +dit blok dient ten minste 3 duim dik te zijn; de lengte en breedte +wordt 10 3/4 duim genomen. De binnenafstand, tusschen de plank ab +en den legger gh, is voldoende, wanneer de onderkant van het blok +m 7 duim boven de plank ab kan gebragt worden. Wat meer ruimte te +hebben is echter gemakkelijk. De lengte der staanders wijzigt men, +naar de meerdere of mindere ruimte, die men verlangt. + +De persbak (zie fig. 24) wordt van planken, van minstens 1 1/4 duim dik +gemaakt. Hij is binnenwerks 12 duim lang en breed en 5 duim hoog. De +bodem en de zijwanden zijn aan de binnenzijde van eene menigte groeven +voorzien. In het midden van den bodem is een rond gat, van 1 1/2 duim +wijd, waarmede al de groeven in verband staan, en waarin eene tinnen +pijp wordt bevestigd, die omtrent 5 duim lang is. Tot het doorlaten van +deze pijp, is midden in de plank ab een gat gemaakt. Op den bodem en +tegen de zijwanden van den persbak, worden losse plankjes, van 1/2 duim +dik gelegd, waarin kleine gaatjes zijn aangebragt, waardoor de honig +of het was vloeijen kan, om zich daarna in de groeven te verzamelen, +en door de tinnen pijp in een onder de pers geplaatst vat te loopen. + +Het is gemakkelijker in losse doeken, die dan goed toegevouwen moeten +worden, te persen, dan van zakken gebruik te maken; het uitnemen +der koeken is bij zakken zeer lastig. Voor persdoeken neemt men +koffijbalen, na die goed gezuiverd te hebben; zij kunnen eene groote +drukking weêrstaan zonder te scheuren. + +De persbak wordt gewoonlijk vast op de plank ab gebragt. Voor het +honig persen heeft dit geen bezwaar, doch voor het was is het beter +twee losse bakken te hebben, die in kokend water gelegd worden, +waardoor zij zoo heet worden dat het was er gemakkelijk afvloeit; +terwijl men dan den eenen bak gebruikt, wordt de andere weder gewarmd, +zoodat het was er goed vloeibaar in blijft. Om de waskoeken goed uit te +kunnen persen, moet men hen dun maken en liever een keer meer persen. + + + +DE WAS-KETEL. + +Tot het zuiveren van het was van den honig en de onreinheden, die nog +in de koeken zijn teruggebleven, kan men zich, zoo de hoeveelheid +gering is, van een ronden blikken ketel (zie fig. 25), van 11 +duim wijd en 12 duim hoog, bedienen. Hij heeft twee handvatsels, +waarvan er hier een bij a gezien wordt. Aan den binnenkant wordt, +7 duim boven den bodem, een rand van 1/8 duim breed gesoldeerd, +waarop eene blikken schijf b komt te liggen, die juist in den +ketel past en die zooveel mogelijk doorboord is, met gaatjes ter +grootte van eene gierstkorrel. Op deze schijf worden twee stangen, +van 1 duim breed en 4 1/2 duim lang gesoldeerd, waarvan er hier eene +bij c wordt gezien. Aan de bovenzijde worden deze stangen door een +legger de verbonden, die aan de uiteinden van ijzeren grendeltjes +voorzien is, welke in gaatjes schuiven, die daartoe in den wand van +den ketel zijn aangebragt. De doorboorde blikken plaat wordt daardoor +vastgezet. De legger en de beide stangen worden van zwaar blik gemaakt, +en daarenboven moeten voor de sterkte in de randen ijzerdraden gelegd +worden. Om in den ketel te kunnen roeren, wordt regthoekig aan het +uiteinde van een rond stokje, van 3/4 duim dik en 16 duim lang, een +latje bevestigd, van 10 duim lang, 1 duim dik en bovenop 1 duim breed, +doch naar de onderzijde schuins bijloopende. In het midden van den +doorboorden bodem en van den daarop gebragten legger, worden ronde +gaten gemaakt, welke ruim 3/4 duim wijd zijn, en waardoor de steel +fg van het roerstokje gestoken wordt. + +Er moet nu, 1 duim boven den doorboorden bodem, nog een rond pijpje +h op den buitenkant van den ketel gesoldeerd worden. Het moet 1 1/2 +duim lang en 3/4 duim wijd zijn, en wordt met eene kurk gesloten. Aan +den buitenkant wordt om het pijpje een randje gelegd, om een touw +te kunnen tegenhouden, waarmede men de kurk vastbindt, hetgeen ter +voorkoming van ongelukken noodzakelijk is. + +Bij het gebruik doet men onder in den ketel zoo veel waskoek, als men +denkt dat 1 of 1 1/2 Ned. pond was zal opleveren; deed men er meer +in, dan liep men gevaar van aanbranden. Nu wordt de roerstok door den +doorboorden bodem gestoken, waarna deze in den ketel gelegd, en met +de grendeltjes vastgezet wordt. In den ketel giet men nu zooveel +kokend water, dat het ruim 1 duim boven het pijpje h staat. Op +een zacht vuur wordt het water nu aan het koken gebragt; waarbij +men beurtelings over den bodem, en door den roerstok op te ligten, +vlak langs den doorboorden bodem roert. Na 1/2 uur koken, zal het was +bijna zuiver bovenop drijven. De ketel wordt dan van het vuur genomen, +en na een weinig stil gestaan te hebben, laat men het was door het +pijpje h afloopen in een pot, die gedeeltelijk met heet water gevuld +is. Na het pijpje gesloten en water in den ketel gedaan te hebben, +laat men dit nog 1/4 uur koken en giet het boven drijvende was weder +af. De nu nog overblijvende vezels kunnen gerust weggeworpen worden; +zij zullen geen spoor van was meer bevatten. + +Sedert drie jaar maak ik van dezen ketel gebruik, en hij bevalt +mij uitmuntend. Het was wordt behoorlijk afgezonderd en men heeft +niet het minste gemors. In de Bienen-Zeitung wordt hij bij herhaling +aanbevolen. Eens heeft iemand daarin berigt dat hij er een ongeluk mede +gehad heeft, daarin bestaande dat de ketel, toen hij te vuur stond, +uit een sprong en de kokende massa in het rond spatte. Dit kan zeer +ligt waar zijn, doch die persoon zal dan ook wel verzuimd hebben, +langs den onderkant van den doorboorden bodem te roeren; misschien +heeft hij daarenboven een sterk vuur gebruikt. Het laat zich goed +hooren dat er, wanneer men door aanhoudend te roeren niet zorgt, +dat de gaatjes in den doorboorden bodem open blijven, stoom gevormd +wordt, welks spanning, zoo de hitte wat groot is, den ketel uit een +doet slaan. Indien men maar aanhoudend, nu hooger, dan lager in den +ketel roert, en het vuur niet te sterk neemt, zal men niet bevreesd +voor ongelukken behoeven te zijn. + + + + + +HET AANHOUDEN EN HET KOOPEN VAN STOKKEN. + + +De tweede der drie spreuken, waarmede ik de inleiding besloot, +leerde, dat alleen gezonde en volkrijke stokken voordeel kunnen +opleveren. Thans zal ik de waarheid van deze stelling betoogen, +door het opsommen van eenige omstandigheden, die den stok meer winst +kunnen doen aanbrengen, en die zich allen in eene voorwaarde laten +zamenvatten, namelijk: "dat de stok volkrijk moet zijn." + +1o. Zonder warmte kunnen de bijen niet bestaan. Vroeger zeide ik +reeds dat zij, wanneer de warmtegraad minder dan 50° F. bedraagt, +verstijven en zoo die toestand eenigen tijd aanhoudt, een wissen dood +vinden. Om dus den winter te kunnen overleven, moeten zij warmte kunnen +ontwikkelen. Dit geschiedt door het verterings-proces. De warmte, +die daardoor vrij wordt, zou echter oogenblikkelijk verloren gaan, +wanneer de bijen zich niet tot een digten tros vereenigden. Daarbij +komt nog dat zij, tot een klomp vereenigd zijnde, door de aanhoudende +trilling en wrijving van hare ledematen langs elkander, ook eenige +warmte ontwikkelen. Bij sterk vriezend weder kan de thermometer, +waarvan de kwikbal in het midden der bijenmassa is gebragt, nog meer +dan 75° F. teekenen. En toch bevriezen, gedurende strenge en langdurige +winters, soms geheele stokken, wanneer de buitenlucht te veel op hen +kan werken; want daardoor verliest de bijenmassa de ontwikkelde warmte +zeer spoedig: langzamerhand verstijven zij, en zijn dan niet meer in +staat om den honig, die boven haar in de cellen hangt, te bereiken, +zoodat zij dan van koude en gebrek tevens omkomen. Hoe volkrijker de +stok is, hoe minder hij natuurlijk aan dit gevaar is blootgesteld; +want naar die mate kan hij de warmte meer besloten houden. En al kwamen +er in een stok, die b. v. 16000 bijen bevat, gedurende den winter eens +3000 à 4000 om, dan bleven er in het voorjaar toch nog meer dan 12000 +over, zoodat het nog een goede stok zou zijn. Daarentegen zullen die +stokken, die bij de inwintering zwak aan volk zijn, geheel bezwijken, +of zoo er nog 2000 of 3000 bijen van overblijven, dan zullen deze +toch weinig nut kunnen aanbrengen, omdat de beste tijd reeds voorbij +zal zijn, tegen dat zij zich een weinig hersteld hebben. + +Van hoeveel belang het is alleen sterke stokken in te winteren, +bevestigt elke strenge winter. In het voorjaar zullen de sterke +behouden, doch de zwakke stokken voor altijd ingeslapen zijn! + +2o. Hoe minder honig de bijen als voedsel bezigen, des te meer +voordeel zullen zij voor den eigenaar opleveren. Sterke stokken hebben +werkelijk, naar evenredigheid, minder voedsel noodig dan zwakke. Dit +moge vreemd schijnen, proeven hebben het evenwel bevestigd, en bij +eenig nadenken zal men inzien, dat het een natuurlijk gevolg van het +voorgaande is. De zwakke stok verliest toch, naar evenredigheid, meer +warmte dan de sterke; hij moet dus ook meer warmte ontwikkelen. Dit +kan hij echter niet dan door meer voedsel te verteren; zoodat hij +door nood gedwongen wordt, om den voorraad sterker aan te spreken. + +Men zou de proef hiervan kunnen nemen door, wanneer men b. v. zes +stokken, elk van 5000 bijen had, drie derzelve tot één stok te +vereenigen. Men zou dan bevinden dat deze, gedurende den winter, +minder honig gebruikt had, dan de drie andere te zamen. + +3o. Er zal meer ingezameld worden, naarmate er meer volk is, dat +aan die inzameling deel neemt. Daarom is het van veel belang dat de +stokken in het voorjaar veel broed aanzetten; want dan zijn er bij +de eerste voorjaarsweide reeds vele bijen, die haar kunnen bevliegen. + +Sterke stokken zetten, bij zachte winters, voortdurend eenig broed +aan, terwijl zij, bij strenge winters, er stellig niet later dan +in Februarij mede beginnen; de vereischte broeiwarmte is dan reeds +aanwezig; (dat het broedaanzetten dan niet gewenscht is, zullen wij +later zien, maar het kan niet belet worden). Het broednest zet zich +daardoor meer en meer uit, en heeft op het einde van Maart reeds eene +beduidende grootte bereikt. In April zijn in zulke stokken reeds +duizende bijen geboren, die bij de eerste dragt dus veel voordeel +kunnen aanbrengen. + +Door gebrek aan de noodige warmte, kunnen zwakke stokken niet met +de broedaanzetting beginnen, voor dat het weder warmer geworden is, +zoodat de bijen zich meer uiteen kunnen begeven. Zij zullen in het +laatst van April nog maar een beperkt broednest hebben, en het volk +zal meer verminderd dan vermeerderd zijn; tegen dat zij volkrijker +worden, is de beste dragt gewoonlijk voorbij. + +4o. Wanneer in het voorjaar de woning en de bouw spoedig van het +schimmel, dat zich in den winter heeft aangezet, worden gezuiverd, +dan behoeven de bijen haar tijd daaraan niet meer te wijden, als er +gunstig weder voor de inzameling invalt. Sterke stokken zijn met de +zuivering in de eerste vliegbare dagen gereed, terwijl men er de +zwakke soms in Mei en Junij nog mede bezig ziet, die daardoor den +gunstigsten tijd voor de inzameling verzuimen. + +5o. Het is van veel belang dat de stokken vroeg met de wasbereiding +beginnen, opdat er spoedig een uitgebreiden bouw tot stand zou komen, +om bij gunstige dragt, en ook voor de eijerlage der koningin, geen +gebrek aan cellen te hebben. Om het was te kunnen bereiden, moeten +de bijen ruim van honig en bloemenstof voorzien zijn, en veel warmte +kunnen ontwikkelen. Sterke stokken kunnen, door de veelheid van volk, +veel vroeger eene voldoende hoeveelheid honig en bloemenstof hebben +ingezameld dan de zwakke. Zij kunnen ook den warmtegraad tot eene +veel grootere hoogte brengen. Zwakke stokken dragen soms in Mei, +wanneer de wasbouw in vollen gang moet zijn, met moeite zooveel in, +als zij tot voedsel voor zich zelven en het weinige broed, dat is +aangezet, behoeven; soms moeten zij zelfs, bij eenig ongunstig weder, +nog geholpen worden. De weinige bijen worden vereischt, om het broed +te bezetten, en zij beginnen veeltijds eerst in Junij of Julij eenig +was te bouwen, dat, daar de dragt dan grootendeels voorbij is, meestal +ledig blijft. In den herfst zijn zij dan wel tot eenig volk gekomen, +doch zij hebben geen wintervoorraad en moeten dus gevoêrd worden. + +Omgekeerd kan een sterke stok veel later met den wasbouw beginnen +dan een zwakke. De reden daarvan is, dat de sterke stok nog een +uitgebreiden, voorjarigen wasbouw heeft en daardoor over genoeg +cellen kan beschikken, voor het opleggen van honig en de eijerlage +der koningin. Hij zal dan niet bouwen, voordat er behoefte aan cellen +gekomen is. Treedt deze behoefte later in, dan vergroot hij den bouw +met spoed. + +Heeft men een zwakken stok in het voorjaar te veel van zijn bouw +beroofd, in den waan hem daardoor tot meer werkzaamheid aan te +sporen, zoodat hij volstrekt geene ledige cellen beschikbaar heeft +gehouden, dan is hij wel genoodzaakt om, wil hij later het broed en +den honigvoorraad kunnen vermeerderen, nu alles aan den wasbouw op te +offeren. Zijne vlijt zal echter niet zoo groot zijn, als wanneer men +hem niet besneden had. Dan had hij den ingezamelden honig voor het +broed kunnen behouden en als voorraad opleggen, wanneer de voorhanden +wasbouw ten minste gedurende den winter niet te veel beschimmeld was. + +6o. Wij zagen bij de behandeling van het zwermen reeds, dat late en +zwakke zwermen weinig waarde hebben, ja veelal als nadeelig zijn te +beschouwen. Nu ligt het in den aard der zaak, dat aan de voorwaarden +tot het ontstaan van zwermen vereischt, in sterke stokken veel +spoediger zal voldaan zijn dan in zwakke; terwijl de zwermen van de +eerste, bij het voordeel, dat zij veel vroeger afkomen, nog dat zullen +voegen, dat zij volkrijker zijn. Zwakke stokken kunnen den geheelen +zomer niet aan zwermen denken, en middelmatige gaan er slechts laat +toe over; deze kunnen dan gewoonlijk, evenmin als hunne zwermen, +den vereischten wintervoorraad inzamelen. + +7o. De beste honigdragt is gewoonlijk zeer kort, en het is dus van +veel belang, dat er zoo vele bijen als mogelijk is aan deel nemen. Hoe +volkrijker de stok is, hoe meer bijen zich naar evenredigheid aan de +inzameling kunnen wijden. Van een stok met 30000 en meer bijen kan +men aannemen dat er, bij goede dragt, hoogstens 1/3 te huis zullen +blijven, om het broed te verzorgen en andere huisselijke bezigheden te +verrigten, terwijl de overigen den geheelen dag door honig inzamelen, +en wel 3 tot 5 Ned. pond kunnen inbrengen. Daarentegen zal van een +zwakken stok, die niet meer dan 10000 bijen telt, stellig niet meer +dan de helft kunnen uitvliegen, en hoe weinig zullen deze maar kunnen +inzamelen! + +Met den wasbouw ligt de zwakke stok ook veel ten achter bij den +sterken. Deze kan in weinige dagen zijne woning half vol bouwen, +terwijl gene nog slechts enkele tafels zal hebben voltooid. + +8o. Om aan ongunstige toevallen weêrstand te kunnen bieden, moeten de +stokken volkrijk zijn; zwakke gaan er gewoonlijk geheel door te niet. + +Jaren, waarin de dragt slechts kort duurt, komen niet zelden voor. De +laatst verloopene konden meest tot de onvoordeelige gerekend worden, +daar het weder in het voorjaar, dikwijls tot in Junij, nat en koud, of +dor en schraal was, terwijl het dan in den zomer werd afgewisseld door +groote hitte en droogte of door veel regen, zoodat de beste tijd voor +de honig-inzameling, onder ongunstige omstandigheden voorbijging. Het +jaar 1856 leverde daarvan in mijne streken een treurig voorbeeld op: +het voorjaar was langdurig koud, en later, toen de ruimst honigende +gewassen bloeiden, regende het meest altijd, zoodat er slechts enkele +dagen van elken dragttijd kon worden ingezameld. Sterke stokken +kunnen in die enkele goede dagen zoo sterk vliegen, dat zij, zoo +dan al geen overvloed, ten minste hun eigen wintervoorraad bekomen, +terwijl zwakke stokken, veelal reeds eer de herfst ten einde is, +den hongerdood sterven. + +Wanneer het weder vroeg in het voorjaar gunstig is geweest, zoodat +er veel broed is aangezet, en er valt daarop koud of nat weder in, +dan zal een sterke stok zijn broed behoorlijk bedekken, en daardoor +voor verkoelen en afsterven bewaren, wanneer de koude ten minste niet +te streng is en niet te lang aanhoudt. + +Sterke stokken zijn minder aan ziekten onderhevig dan zwakke, en +in het algemeen kunnen zij ook elken schadelijken toestand beter te +boven komen, hetzij dat die schade veroorzaakt is door eene verkeerde +behandeling, hetzij dat andere omstandigheden er aanleiding toe hebben +gegeven. Ook het volkverlies, dat soms ontzettend groot kan zijn, +kan door een sterken stok uit den aard der zaak beter worden geleden +dan door een zwakken. Hij heeft toch in zich zelven kracht genoeg, +om zijn verlies te herstellen. + +9o. De vijandelijke aanvallen, van welken aard die ook zijn, moeten de +bijen behoorlijk kunnen afweren. Daar nu het volk van een sterken stok +veel meer door de woning verspreid is, zoo zal het ook alle plaatsen +meer kunnen bewaken, en dus het indringen van roofbijen en andere op +honig en was azende dieren veel moeijelijker maken dan een zwakke, +die er gewoonlijk door overwonnen wordt. + + + +Naar aanleiding van het voorgaande kan men nu de volgende regels +vaststellen, welker getrouwe nakoming den bijenkweeker niet dan +voordeelig zijn kan: + +1o. Koop bij den aanleg van een bijenstand vooral geene zwakke stokken: +voor niet gekregen, komen zij nog te duur te staan! Men zal er nooit +een goeden stand mede kunnen daarstellen, en het verdriet, dat men er +van heeft, zal allen lust in den aanvang uitdooven. Door de slechte +gevolgen van zijn aanleg afgeschrikt, zal men de zaak veelal laten +varen, daar zij voordeel noch genoegen zal opleveren. + +Wie een bijenstand wil aanleggen, koope minstens twee of drie gezonde, +volkrijke stokken; al moet men hen ook wat duur betalen, zij zullen +toch eene goede rente opleveren, want ging men den zomer met drie +stokken te gemoet, wanneer hij niet al te ongunstig is geweest, +zal men den winter met een grooter getal, misschien het dubbel ingaan. + +Het aankoopen van stokken geschiedt het best in het voorjaar, doch niet +voor dat zij uitvliegen en reeds bloemenstof indragen. Uit het indragen +van vele en zware bloemenstof-balletjes kan men met zekerheid het +besluit afleiden, dat de stok volkrijk en van eene koningin voorzien +is. Ook lette men er op of er vele bijen rond het vlieggat staan, +die, met den kop naar hetzelve gekeerd en het achterlijf naar boven +gerigt, vrolijk met de vleugels slaan, hetgeen een zeker teeken is, +dat de stok gezond en volkrijk is. + +Men koope geene kleine korven, want in deze kan geen magtig volk +ontstaan: het zwakke volk kan dan ook geene sterke zwermen afgeven +en maar weinig inzamelen. Zulke stokken bezetten veeltijds uit +plaatsgebrek den geheelen korf met broed; de bijen kunnen geen honig +opleggen, daar zij hem voor zich en het broed behoeven; wordt er nog +iets opgelegd, dan nemen de afvliegende zwermen het als uitzet mede, +en bij het einde van de dragt heeft de stok wel eenig volk, maar +geen voorraad, zoodat hij sterk gevoêrd moet worden, om den winter +te boven te komen. Is hij, na er vele kosten aan besteed te hebben, +gelukkig door den winter gebragt, dan heeft men er den aanstaanden +zomer niet meer voordeel van te wachten dan den voorgaanden. + +Een stok moet minstens één sterken zwerm kunnen afgeven, en +zooveel honig behouden, dat hij den winter kan doorstaan; bij +gunstige jaren moet hij daarenboven iets afleggen of anders, bij de +uitbreking in het najaar, 10 à 15 Ned. pond honig en 5 à 7 ons was, +opleveren. Strookorven, welke inwendig 18 duim hoog en 13 duim wijd +zijn, kunnen als de beste beschouwd worden. Ik spreek hier alleen +van strookorven, omdat men hier te lande vooralsnog geene bevolkte +Dzierzon'sche woningen zal kunnen koopen. + +Heeft men een korf naar het uitvliegen en het bezetten van het vlieggat +uitgezocht, dan moet men hem omkeeren, om te zien of hij een goeden +bouw heeft. Deze moet ten minste den halven korf vullen en bruingeel, +niet zwart van kleur zijn. Een halfvolbouwde korf, met een zwerm van +het vorige jaar, en eene moederbij van een of twee jaar, is gewoonlijk +het beste. De bouw mag niet doorknaagd noch met wasmotten bezet, +door de bijen bevuild noch beschimmeld zijn. Hij moet een aangenamen +honigreuk, vooral geen stank verspreiden; deze kon ontstaan door dat +er broed was afgestorven of door dat de bijen aan den loop leden. + +Hoe meer bijen men tusschen de wastafels bijeen verzameld ziet, hoe +boozer zij zijn en hoe spoediger zij te voorschijn komen, als men +haar beademt, des te zekerder kan men den stok voor gezond en volkrijk +houden. Men moet vooral opletten of de onderplank zuiver is: gezonde en +volkrijke stokken ontdoen den bodem van hunne woning steeds van vuil +en doode bijen. Ook moet er reeds broed zijn aangezet, anders zou de +stok moederloos zijn; in het laatst van Maart en het begin van April, +moet men zonder veel moeite in elken stok broed kunnen zien. Eindelijk +moet men nog toezien dat er genoeg honig voorhanden is, opdat men, +voor het beginnen der dragt, niet meer behoeve te voêren. Voor de +maanden April en Mei dient een stok nog 4 à 5 Ned. pond honig te +hebben. Het is echter zeer moeijelijk, om in gewone strookorven over +den honigvoorraad te oordeelen, daar er alleen onderin gezien kan +worden, terwijl de honig meest in het bovenste gedeelte zit. Het best +is een puntig stokje in de bovenste tafels te steken; teruggetrokken +zal het aangeven hoe diep de honig reikt. Het gewigt van den stok +moet ook in aanmerking genomen worden; dit is echter zeer onbepaald, +want het broed kan reeds eene aanzienlijke zwaarte verkregen hebben, +waardoor men zich al ligt zou bedriegen. + +In Dzierzon'sche woningen kan men zich, door het uitnemen van den +bouw, in een oogopslag overtuigen, of aan al de voorwaarden voldaan +is, welker vervulling wordt vereischt, om verzekerd te zijn dat de +stok gezond en volkrijk is. + +In ons land is de prijs van een goeden stok, met den korf, 3 à +7 gulden. + +2o. Op goed bezette bijenstanden zal men in den herfst steeds eenige +zwakke stokken vinden. Hoe gaarne men zijn stand ook vergrooten wil, +toch moet men deze niet inwinteren, daar men er vele moeite en kosten +aan zou moeten besteden. Brengt men hen gelukkig door den winter, dan +heeft men er nog maar zorg zonder voordeel van te wachten. Men doet +beter van twee of drie zwakke stokken een sterken te maken, die dan +behoorlijk door den winter gebragt en daarna winstgevend kan worden. + +3o. Moet men geene zwakke stokken koopen of aanhouden, niet minder +noodzakelijk is het zorg te dragen dat sterke stokken niet verzwakken. + +Door aan stokken, die men denkt dat te veel honigvoorraad hebben, +daarvan een gedeelte te ontnemen, maakt men openingen in den bouw +en dus de woning koud. Om enkele ponden honig te oogsten, zou men +in den herfst er den stok door in gevaar brengen, om een strengen +winter niet te kunnen doorstaan; in het voorjaar zou men al ligt +meest al den voorraad weg nemen, zoodat hij, in het veld geen honig +kunnende vinden, gebrek leed: het gevolg zou zijn dat hij, den voorraad +opgeteerd zijnde, de woning als hongerzwerm verliet; kon hij in het +veld reeds iets, doch niet genoeg vergaderen, dan zou de moederbij met +de eijerlage ophouden, en de bijen zouden het aangezette broed uit de +cellen trekken, om het tot haar eigen levensonderhoud uit te zuigen, +waardoor de volksvermeerdering belet werd. Indien men in het voorjaar +het uitwerpen van broed bespeurt, dan moet men zich haasten om den stok +voedsel toe te reiken, daar het een zeker teeken is dat hij daaraan +behoefte heeft. Het is echter beter het intreden van dezen nood zoo +mogelijk te voorkomen, en er vooral geene aanleiding toe te geven. + +Het besnijden van den wasbouw is eveneens gevaarlijk, wanneer het te +vroeg en te sterk gedaan wordt. Het maakt de woning onderaan te ruim, +en bij invallende koude kunnen de bijen zichzelven en het broed niet +meer verwarmen. + +Door overmatig zwermen kunnen de stokken eveneens zeer verzwakken. Hoe +dit tegengegaan kan worden is vroeger gezegd, en dat men ook zorg +moet dragen, door het maken van kunstzwermen zijne stokken niet te +veel te verzwakken, zal wel geen betoog behoeven. De kunstzwermen +zijn voor de bijenteelt van hoog belang, maar zij moeten met oordeel, +en alleen op den daarvoor geschikten tijd afgedreven worden. + +Er is hier maar ter loops gewaarschuwd, om het besnijden van den bouw +en het afdrijven van kunstzwermen niet te overdrijven; aan elk dezer +onderwerpen zal later een hoofdstuk gewijd worden. + +4o. Men moet zelfs trachten sterke stokken nog sterker te maken. + +Het behoort niet onder de zeldzaamheden dat men in April en Mei +schoon warm weder met goede dragt heeft, terwijl daarna vele natte, +koude dagen volgen, waarin de bijen niets kunnen inzamelen. De +moederbij houdt dan terstond met de eijerlage op, tot het weder +verbetert. De bijen zullen dan, het zwermen nog veraf ziende, +het aangezette koninklijke broed en het hommelbroed, dat haar +overbodig schijnt, uit de cellen trekken. Hierdoor wordt het zwermen +natuurlijk vertraagd. Geeft men aan zulke stokken dagelijks twee of +drie lepels verdunden honig of suikerstroop, dan zal de moederbij met +de eijerlage voortgaan, en de bijen zullen geen broed vernietigen. Om +de vruchtbaarheid der moederbij te bevorderen, dat vóór den zwermtijd +van zooveel belang is, om spoedig volk en zwermen te kunnen hebben, +is het zeer goed den stok, al is er in het veld reeds eenige dragt, +toch dagelijks eenig voedsel te geven. + + + + + +DE OVERWINTERING. + + +De bijen zijn in onze noordelijke streken niet inheemsch. Zij zijn +voor een warmer klimaat geschapen, waar zij zich in een voortdurenden +zomer kunnen verheugen en onverpoosd uitvliegen. + +Dat de natuur de bijen niet voor onze luchtstreek bestemd heeft, +wordt daardoor aangetoond, dat zij geen winterslaap hebben, zoo +als haar verwante, inlandsche insecten, als: wespen, hommels [14] +enz. Deze brengen den winter in een staat van verdooving door, +zonder door de koude gehinderd te worden, of voedsel te behoeven; +door de voorjaarszon beschenen, keeren zij weder tot hun leven en +werken terug. De bijen daarentegen blijven den geheelen winter wakker, +en behoeven voortdurend voedsel. Aan aanhoudende, strenge koude kunnen +zij geen weêrstand bieden. + +De omstandigheid, dat de bijen aanhoudend water behoeven, en dit toch +niet als voorraad opleggen, kan ook als bewijs dienen dat zij hier +niet te huis behooren. Ware dit het geval, dan zouden zij voorzeker +ook instinktmatig water in hare woning opleggen, daar zij soms vier of +vijf maanden buiten de mogelijkheid zijn, dit daarbuiten te halen. Maar +in de landen, haar door de natuur als woonplaats aangewezen, kunnen +zij dagelijks uitvliegen en dan tevens water vinden, al ware het +door vroeg in den morgen de daauwdruppels te verzamelen. Met honig +en bloemenstof is dit niet het geval; die kunnen haar ook in een +heet klimaat vele weken ontbreken. Evenwel staat de oorzaak, waarom +zij die dáár niet kunnen vinden, lijnregt tegenover die, welke het +hier onmogelijk maakt: dáár is het de alle bloemen verschroeijende, +brandende zonnehitte; hier integendeel de winterkoude! + +De toestand, waarin de bijen dus gedurende den winter bij ons +verkeeren, is geheel onnatuurlijk. Bij eenige voorzorg kunnen zij +nog al eenige koude doorstaan, maar elke strenge winter leert toch, +door de offers die hij kost, dat men haar den onnatuurlijken toestand, +waarin zij gebragt zijn, zooveel mogelijk moet verzachten. + +De meeste bijenhouders beschouwen de overwintering als niet zeer +gewigtig. Zij achten hunne bijen genoegzaam verzorgd, indien zij van +voorraad voorzien en zoo geplaatst zijn, dat zij voor regen en sneeuw, +en ook eenigzins voor wind beschut staan. Oppervlakkig beschouwd hebben +zij gelijk; want als de vorst niet te aanhoudend en te streng is, +zullen de meeste stokken het voorjaar beleven. Maar waarom zal men er +dan zooveel moeite aan besteden, om de bijen wat beter te verzorgen, +indien men zonder dat toch meestal zijne stokken door den winter +brengt? Omdat men zijne stokken wel door den winter brengt, maar met +ontzettend verlies: de volkrijke stokken worden tot middelmatige en +deze tot zwakke teruggebragt. Hierbij komt nog dat het honigverbruik +van zulke, aan te veel koude blootgestelde stokken, veel grooter is. + +In den winter van 1854 op 1855 heb ik eene proef genomen met een +stok, die in het najaar volkrijk en van voldoenden voorraad voorzien +was. Mijne bevinding zal ik hier mededeelen. + +De winter was streng, en in het begin van December hadden wij reeds +sneeuw en felle vorst. Met weinig afwisseling bleef dat zoo tot in +Maart. De stok stond geheel vrij op zijn zomerstand; aan de voorzijde +open en met het vlieggat naar het zuidoosten gerigt. Bij regenachtige +dagen of bij eene betrokken lucht, hielden de bijen zich rustig; +men zag er niet eene vliegen; maar zoodra de zon de woning bescheen, +en zij hare stralen door het vlieggat zagen binnendringen, en de +warmte haar bereikte, kwamen er eenigen te voorschijn, en lokten, +door haar vrolijk gegons, de overigen naar buiten. Zij hielden een +druk voorspel en hielden zelfs kortere of langere uitvlugten, waarop +velen door de koude werden bevangen, en de woning niet meer kunnende +bereiken, zich hier of daar nederzetteden, of op den grond vielen, +om weldra den dood te vinden. Als er sneeuw lag, zag men den grond +tot verscheidene schreden voor de woning met lijken overdekt. Zulke +verliezen hadden dien winter, die zooveel zonnige dagen opleverde, +niet zelden plaats. + +Op een warmen dag in het begin van Maart, liet ik de andere stokken +hunne reinigings-uitvlugten houden en bezag ook den bewusten stok. De +binnenwanden der woning waren met ijs bezet, en het werk onderaan sterk +beschimmeld. Op de onderplank lagen vele dooden, die denkelijk door den +kouden, snijdenden wind, welke door het vlieggat kon blazen, verstijfd +van den verzamelden tros waren afgevallen, zonder er meer naar te +kunnen opklimmen. Het volk was tot op minder dan de helft verminderd, +en toen later het vliegbare weder daar was, was de stok wel gespaard +gebleven, maar zwak en arm aan volk, zoodat hij veel tijd behoefde, +om zich te herstellen. Eerst laat gaf hij een zeer kleinen zwerm. + +De stokken daarentegen, die ik met meer zorg door den winter gebragt +had, hadden weinig dooden; zij waren vrij droog en de bouw was slechts +eenigzins beschimmeld. Bij het begin der dragt verkeerden zij allen +in vrij goeden toestand en gaven sterke voorzwermen. + +Gesteld dat deze stok 2000 bijen meer verloren had dan de anderen, +dat zeker nog te weinig is, dan zou men, op een stand van 100 +stokken, 200000 bijen meer verloren hebben, dan door hen doelmatig +te overwinteren. In het voorjaar kan een stok van 20000 bijen als +een sterke beschouwd worden, en rekent men zijne waarde maar f 4, +dat nog te laag is, dan had men toch een verlies van f 40. Behalve het +direct verlies, door het verminderen van het totaal aantal arbeiders +geleden, heeft men ook het nadeel dat zijne stokken minder volkrijk +zijn, en vroeger zagen wij van hoeveel belang het is, het voorjaar +alleen met volkrijke stokken in te treden. + +Hoe men de bijen, gedurende den winter, haar onnatuurlijken toestand +dragelijk kan maken, zal ik nu nader opgeven. + +1o. Een eerste vereischte is dat zij van eene voldoende hoeveelheid +voedsel voorzien zijn; zij hebben deze voorwaarde gemeen met alle +dieren, die geen winterslaap hebben. Voor men dus zijne stokken +inwintert, overtuige men zich hoe het met den voorraad gesteld is. Is +hij te klein dan moet men hun vroeg in den herfst voedsel toereiken; +zij kunnen dat dan in de cellen brengen en verzegelen. Men kan aannemen +dat een volkrijke stok, 10 à 12 Ned. pond verzegelden honig behoeft, +om de voorjaarsdragt te kunnen bereiken. + +Het is niet onverschillig waar de voorraad zich in de woning +bevindt. Reeds vroeger (bl. 50) zeide ik dat de bijen zich bij strenge +koude niet zijdelings kunnen verplaatsen. De voorraad moet zich daarom +boven in de woning bevinden. Ook mogen er geene openingen in den bouw +zijn, want zij zouden tot deze opklimmen, maar dan blijven zitten en +van gebrek omkomen. Zoodra het weder haar veroorlooft zich uit een te +begeven, verdragen zij den honig uit de zijdelings geplaatste cellen, +naar de bovenste, die zij reeds geledigd hebben. + +Men doet altijd beter te zorgen dat de stokken overmatig van voedsel +voorzien zijn, dan het hun te krap toe te meten. In lange winters +geeft dit eene groote gerustheid, en men behoeft niet bevreesd te +zijn dat de bijen, ruim van voorraad voorzien, daar te verkwistend +mede zullen omgaan. + +2o. De bijen moeten in den winter voor strenge koude beschut +worden; want hoewel sterke stokken, met genoegzamen voorraad, niet +ligt bevriezen zullen, en men eenigzins op het taaije leven der +bijen kan rekenen, zoo heeft strenge en aanhoudende vorst toch een +allernadeeligsten invloed. De bijen, welke zich buiten aan den tros +bevinden, kunnen de haar omgevende koude niet verduren. Zij beginnen +te verstijven en vallen op den bodem der woning, vanwaar zij niet +weder kunnen opklimmen, zoodat zij spoedig den dood vinden. + +Nog veel erger dan haar aan de vorst bloot te stellen is het, wanneer +men den wind toegang tot hare woning geeft. In het vlieggat blazende, +doet deze de koude aanhoudend tot in alle hoeken doordringen. + +Het is niet alleen hoogst nadeelig voor het leven der bijen, wanneer +zij aan de koude en den wind zijn blootgesteld, het is ook schadelijk +wegens het grooter honigverbruik. Door de koude gefolterd, wenden +zij alles aan wat haar mogelijk is, om zich warmte te verschaffen; +er ontstaat in den verzamelden hoop meer krachtsinspanning, om zich +door beweging te verwarmen. De afmatting, die daarvan het gevolg is, +moet door meer voedsel hersteld worden. + +Andere nadeelen van eene slechte inwintering niet tellende, zal alleen +de hoeveelheid voedsel, die gebruikt wordt, zooveel grooter zijn dan +bij goed verzorgde stokken, dat de kosten, aan die goede verzorging +besteed, ruim opgewogen worden door de grootere opbrengst. Men kan +rekenen dat de laatsten niet meer gebruiken dan 2/3 van het voedsel, +dat de eersten behoeven. + +Wie gelegenheid heeft om zijne bijen in een vorstvrij, geheel +donker vertrek te plaatsen, zal zich steeds met eene gelukkige en +onkostbare overwintering mogen verblijden, terwijl anderen over groote +verliezen en een ruim honigverbruik moeten klagen. Ik was tot dusverre +genoodzaakt mijne stokken op den zomerstand te overwinteren. Hoe +die ingerigt is, heb ik reeds gezegd (zie bl. 106). In het laatst +van October, wanneer niet te hevige schuddingen de stokken nog +niet benadeelen, zet ik strooringen op de korven, en vul deze met +goed droog, overjarig stroo [15], of leg eenige oude kleedjes op de +korven. In het vlieggat steek ik eenige spijkers, opdat de muizen +er niet kunnen binnendringen, en de reet, tusschen den korf en de +onderplank, smeer ik met klei digt. Zoodra de winter nu invalt, en +ik verzekerd ben dat de bijen een ruimen voorraad hebben, sluit ik +den voorwand van den stal, en laat de stokken verder aan zich zelven +over. De uitkomst heeft mij zelden teleurgesteld. Ik sprak hier van +strookorven, waarvan ik er altijd nog eenige heb. In Dzierzon's +woningen wordt, zooals bij hare beschrijving werd opgegeven, de +ruimte boven de staafjes en die tusschen den bouw en de deur, tegen +den winter met stroo of mos gevuld, terwijl de wanden 4 duim dik zijn; +daarin hebben de bijen dan ook zeer weinig koude te verduren. + +3o. Men moet zorgen dat de bijen geen gebrek aan versche lucht +hebben. Hiervoor ziet men in den herfst den bouw na, en kort de te laag +afgebouwde tafels zooveel in, dat er overal eene opening, van ruim +1 duim, tusschen den bouw en de onderplank, vrij blijft. Zonder deze +voorzorg zouden de stokken eene gewigtige levensvoorwaarde missen! Hoe +noodzakelijk echter ook de toevoer van zuivere lucht zijn mag, +toch zorge men dat het vlieggat de eenige opening in de woning zij, +opdat er geen togt zou kunnen ontstaan. De versche lucht moet de bijen +alleen van onderen, langzaam opklimmende, kunnen bereiken. Zij toonen +zelven aan, dat zij geen trek in hare woning hebben willen, door alle +openingen, met uitzondering van het vlieggat, met voorwas te sluiten, +zoodra het weder kouder wordt; zelfs het vlieggat verkleinen zij nog, +wanneer dit haar te groot toeschijnt. + +Daar het voor de bijen nadeelig is, wanneer de lucht onmiddellijk in +het broednest stroomt, waar zij hare zitplaats hebben, zoo moet men het +vlieggat altijd in het onderste, ledige gedeelte der woning geven. Elk +zal het nadeel van eene opening, in de onmiddellijke nabijheid van +hare zitplaats, terstond inzien, en toch ziet men bij velen juist +daar het vlieggat, zoodat de bijen dadelijk blootgesteld zijn aan +de toevloeijende buitenlucht en het inblazen van den wind. Altijd, +zoowel 's winters als 's zomers, is de beste stand voor het vlieggat +onder in de woning; 's winters om haar voor den onmiddellijken invloed +der koude buitenlucht te beschermen; 's zomers om te voorkomen dat +het daglicht of de zonnestralen in het broednest vallen: dat zij dit +niet willen blijkt daaruit, dat zij, aan zich zelven overgelaten, en +eene eigene woning gekozen hebbende, het broednest zooveel mogelijk +boven het vlieggat plaatsen. Een laag vlieggat vermeerdert den ijver +van een zwerm ook, om den bouw zoo spoedig mogelijk met het vlieggat +gelijk te brengen; waarschijnlijk omdat zij daar veel gemakkelijker +tegen oploopen dan tegen de wanden. + +Vóór de inwintering, moet men de bodems der woningen zuiveren: de +dooden en andere onreinheden, daar aanwezig, zouden anders de lucht +bederven, tot groot nadeel van de bijen. + +Het lokaal, waarin de stokken overwinteren, moet bij droog weder, +na het vallen van den avond, gedurende een paar uren gelucht worden, +door de deur en daar tegenover eene tweede opening te ontsluiten. Er +kan dan een luchtstroom doortrekken, die het beschimmelen van de +stokken belet. Bij hevigen wind moet men het luchten achterwege +laten, en bij vriezend weder slechts nu en dan eens even versche +lucht laten binnendringen. + +4o. In den winter is het zonlicht de grootste vijand der bijen, en +men mag niet over het hoofd zien, dat zij daarvoor beschermd moeten +worden. Zien zij het zonlicht door reten of naden binnendringen, dan +worden zij terstond verlokt om te gaan vliegen; door die openingen gaan +zij naar buiten, en terugkomende kunnen zij natuurlijk haar stok niet +terug vinden: zij moeten buiten blijven en van koude bezwijken. Bij +slechte sluiting en sterken zonneschijn, kan men dagelijks velen +zien rondvliegen, die spoedig als slagtoffers vallen. Ik zou geheel +open stallen nog verkiezen boven slecht geslotene. Zijn zij gesloten, +dan moet men er, bij sterken zonneschijn, in gaan en alle openingen, +waar licht door valt, goed digt maken. + +Om bij Dzierzon'sche woningen, die buiten staan, geen gevaar te loopen +dat de bijen uitvliegen, sluit ik de vlieggaten overdag. Tegen het +vallen van den avond open ik hen, doch bij winderig weder schuif ik er +een, met kleine gaatjes doorboord, plaatje voor, om wel versche lucht, +maar geen wind te doen binnendringen. Reeds sedert jaren behandel ik de +stokken op deze wijze, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Het +schijnt geen kwaad te kunnen, dat de lucht overdag afgesloten is, +indien zij 's nachts maar vrijen toegang heeft. + +5o. Daar stooten of dreunen de stokken, welke op hun winterstand +geplaatst zijn, zeer zou benadeelen, moet men hen daarvoor +vrijwaren. Bij den minsten stoot gaan de bijen uit een; hierdoor +verliezen zij de opgesloten warmte, en eer zij zich weder te zamen +getrokken hebben, zijn velen, door de koude bevangen, van den tros +afgevallen, en deze moeten omkomen, want zij bezitten de kracht +niet meer, om tot de overigen op te klimmen. Bij het spreken over +den bijenstal is reeds gezegd, dat men dit, bij zijne plaatsing, +in aanmerking moest nemen. + +Houdt de winter lang aan, dan is het ligchaam der bijen geheel +opgezwollen van het opgehoopte vuil, en zij moeten dan vooral zoo +rustig mogelijk blijven staan. Gaan zij in dien toestand uit een, dan +kunnen zij den drek niet langer bij zich houden en moeten dien dan, +zoo zij niet kunnen uitvliegen, in de woning laten vallen; daardoor +bezoedelen zij zichzelven en den bouw, en komt er niet spoedig een +dag, waarop zij vliegen kunnen, zoodat zij zich van haar vuil kunnen +ontlasten, terwijl men tevens gelegenheid heeft om het bevuilde werk +gedeeltelijk weg te nemen, dan moet de geheele stok omkomen. + +In den bijenstal moet men gedurende den winter nooit voorwerpen bergen, +die men nu of dan kan noodig hebben. Het uitnemen daarvan zou ligt +tot onvoorziene schokken aanleiding geven. Nooit moet men er katten +in laten, om muizen weg te vangen. Deze konden, door hare sprongen, +in korten tijd een geheelen stand ten onder brengen. + + + +Indien men al het mogelijke gedaan heeft om den winter voor de bijen +te verligten, dan kan men hem met vertrouwen te gemoet zien. Al +was het dat zij vier of vijf maanden opgesloten moesten blijven, +volkomen rustig staande zouden zij al dien tijd haar vuil bij zich +kunnen houden. Het is evenwel verkieslijk, dat dit niet langer dan drie +maanden behoeft te duren, en in de meeste winters zal men ook, binnen +dien tijd, wel eens gelegenheid hebben om zijne bijen te laten vliegen. + +Om de opsluiting niet noodeloos te verlengen, moet men er niet te +vroeg toe overgaan; want tot in het begin van December kan men nog +heerlijke dagen hebben, die eene reinigings-uitvlugt toelaten. Zoodra +de winter zich echter door vorst of sneeuw aankondigt, sluit men +zijn stal, en welke schoone dagen nu ook volgen, men opent hem niet, +voor dat de bijen minstens zes weken opgesloten zijn geweest. Komt +er in het laatst van Januarij of in het begin van Februarij eens +een zoogenaamde zomersche dag, dan kan men daarvan gebruik maken, +om haar eens te laten vliegen. Maar men doet dit niet, wanneer men +niet met grond kan verwachten, dat de dag schoon en warm blijven zal; +de thermometer moet in de schaduw minstens 50° F. teekenen. Waait +het sterk, dan kan men haar ook niet uitlaten, want het vliegen nu +niet gewoon zijnde, zouden zij spoedig worden nedergeslagen. + +Wanneer de grond met sneeuw bedekt is, en de reinigings-uitvlugt niet +volstrekt vereischt wordt, dan late men haar niet vliegen. Allen die +op de sneeuw gaan zitten om te rusten zijn verloren. Achtte men het +vliegen hoog noodig, dan zou men vooraf den grond voor den stal met +stroo moeten beleggen, waarop de vermoeid te huis komende bijen zich +konden plaatsen. + +Welke redenen men ook hebben mag om te veronderstellen dat een dag +schoon en warm zal blijven, toch kan men zich tegen alle verwachting +bedriegen. Ik heb dat ook eens ondervonden, doch vond toen ook een +middel om de verstijfde bijen weder te doen herleven, en naar hare +stokken terugkeeren; mijne bevinding wil ik hier mededeelen. + +Tegen elf ure 's morgens maakte ik, op een zomerschen dag, in het +midden van Februarij, mijn bijenstal open. Spoedig speelden alle +stokken voor; de lucht in den omtrek was met bijen vervuld. Het was +een genot, haar zoo gezond en vrolijk te zien vliegen en te hooren +gonzen! Maar ziet, tegen twee ure komen er wolken op, er begint een +koude wind te waaijen en de zon verdwijnt geheel. Nu komen de bijen in +digte drommen naar huis, maar een groot gedeelte is onderweg reeds door +de koude bevangen en kan het vlieggat niet meer bereiken. Duizenden +zijn voor den stal nedergevallen en waren reddeloos verloren, zoo men +haar niet te hulp kwam. Ik bedenk wat te doen en kom tot het gelukkige +besluit, om de gevallenen op te rapen, haar in een blikken bak te +verzamelen, en dezen op eene flaauw verwarmde stoof te zetten. Over +den bak leg ik een doek, slechts een klein hoekje als een vlieggat +openlatende. Weldra herleven de bijen, en zij vliegen door de opening, +ieder naar hare eigene woning. Dat dit herleven spoedig plaats had, +kan men daaruit opmaken, dat wij met ons drieën raapten, en dat tegen +vier ure het bakje reeds ledig was, enkele verongelukten uitgezonderd. + +Is men er toe overgegaan om de bijen uit te laten, dan moet men, +zoodra alles geopend is of de binnenshuis overwinterde stokken weder +op hunne plaats gezet zijn, de bodems der woningen reinigen. Bij +de Dzierzon'sche geschiedt dit met den vroeger beschreven haak (zie +bl. 122). Voor de korven moet men een helper hebben, en terwijl dan +de eene den korf opligt, zuivert de andere de onderplank, of legt er, +wat nog beter is, eene schoone voor in de plaats. Men moet dit zoo +spoedig mogelijk doen, daar de bijen er anders zelve toe overgaan, en +men er haar een vermoeijend werk door ontneemt, dat daarbij aan velen +het leven kost; bij geene bezigheid zijn de bijen zoo onbeholpen, +als bij het uitdragen van hare dooden. Dikwijls blijven zij, met de +haakjes van hare pooten er aan hangen, zoodat zij er zich niet van +kunnen losmaken; zij vallen dan met haar op den kouden, natten grond +en komen om, op de lijken die zij uitdroegen. + +Bij het wegnemen der dooden moet men toezien of de moederbij zich +ook daar onder bevindt; hoewel zelden, toch komt dit nu en dan +voor. De stok is dan moederloos, en kan in dien tijd van het jaar +geene volkomene moederbij bekomen, daar er geene hommels zijn, om +haar te bevruchten. Zulk een stok kan men niet laten staan; hij zou +dan spoedig ontvolkt en uitgeroofd worden. Het best is hem met den +nevensstaanden stok te vereenigen; de ontvolkte woning kan men dan, met +den bouw dien zij bevat, bewaren, om er later een zwerm in te zetten. + +Het vuil, dat men met de doode bijen op de bodems der woningen, +of op de onderplanken vindt, moet niet weggeworpen worden. Voor een +groot deel bestaat het toch uit wasdeksels, die de bijen van de cellen +genomen hebben, om den honig te kunnen bereiken. Men zift het, om er +de doode bijen af te zonderen, en smelt het later met ander was op. + +De bijen hebben de dooden niet gaarne in hare nabijheid; deze moeten +daarom niet te digt bij den stal worden geworpen, want zij zouden +haar dan van den grond opnemen en haar verder wegdragen. + + + + + +DE BROEDAANZETTING. + + +Ieder bijenkweeker weet dat het mogelijk is de bijen tot het aanzetten +van broed aan te sporen, zelfs op een tijd, die daarvoor door de +natuur geenszins bestemd is. Wanneer men b. v. laat in den herfst +een stok, die aan alles gebrek heeft, die bij de karige weide moeite +heeft om zijn dagelijksch voedsel te verzamelen, eenige honigtafels +en ook eene tafel met bloemenstof inhangt, hem 's avonds nog wat +laauw-warmen, eenigzins verdunden honig geeft, en hem zoo warm mogelijk +plaatst, dan zal die hongerlijder, zich zoo plotseling in overvloed +geplaatst ziende, als het ware herleven, en zijn geheelen rijkdom +tot het aanzetten van broed aanwenden. Een voorraad, die voor drie +maanden tot onderhoud had kunnen dienen, zal in drie of vier weken +verbruikt zijn en de stok zal vol broed staan.--Hieruit volgt, dat +men de broedaanzetting nog veel meer zal bevorderen, door de bijen, +op een daarvoor geschikten tijd, in daartoe gunstige omstandigheden +te plaatsen. + +Als de dagen iets langer worden, dan begint zich ook in den bijenstok +eene verhoogde werkzaamheid te ontwikkelen. De broedaanzetting neemt +dan een aanvang en wordt meer en meer voortgezet en uitgebreid, indien +het de bijen ten minste niet aan honig, bloemenstof en water ontbreekt, +en wanneer zij tegen de koude van den winter of het voorjaar beschermd +zijn. Oppervlakkig beschouwd, zou het voordeelig schijnen om zwakkere +stokken reeds vroegtijdig tot de broedaanzetting op te wekken. Indien +zij slechts eene maand vóór de sterke stokken hiermede begonnen waren, +konden zij bij het begin van de dragt aan deze gelijk zijn. De hun +gegeven honig zou eene groote winst kunnen opbrengen, daar jonge bijen +in het voorjaar de grootste waarde hebben. Men late zich echter niet +tot zulk eene handelwijze verleiden! Even als men den groei van eene +plant in eene broeikast bevordert, kan men de bijen ook kunstmatig +tot volksvermeerdering brengen; maar de plant is aan hare plaats +gebonden. Zij kan in eene beperkte ruimte leven; de bij daarentegen +moet de vrije lucht kunnen genieten; zij moet zich buiten hare woning +kunnen reinigen, hetgeen sterk broeijende stokken ten minste eens in +de week moeten doen. Dikwerf leveren hiertoe de maanden Februarij en +Maart, soms zelfs ook April, geene geschikte dagen op. Kunnen zij zich +niet geregeld reinigen, dan houden zij niet alleen met broeijen op, +maar worden ziek; zij bevuilen elkander en het werk, en vallen bij +honderden, ja bij duizenden neder; de geheele stok komt in de grootste +ellende, zoo hij niet geheel ten onder gaat. Vallen er van tijd tot +tijd geschikte dagen in, waarop de bijen eene reinigings-uitvlugt +kunnen houden, dan zal men toch van eene te vroege broedaanzetting +geen voordeel hebben. Een volk, dat in zijne woning werkzaam is, +wil, al heeft het aan niets gebrek, ook daarbuiten bezig zijn en zijn +voorraad vermeerderen. In de woning heerscht het voorjaar, en in de +meening dat dit ook daarbuiten zoo zijn zal, wagen de bijen telkens +wanneer de zon doorbreekt verre uitvlugten om, als zij zich achter +wolken verbergt, op den kouden grond, of zelfs op de sneeuw neder te +vallen en te verstijven. De honig, aangewend om het broed vroeg in +het jaar te vermeerderen, is dus gewoonlijk niet alleen verloren, maar +daarenboven verliest men meer bijen, dan er aangekweekt worden, en de +overblijvende verspillen hare krachten nutteloos; ook de vruchtbaarheid +der koningin wordt doelloos verminderd; putte eene oude moederbij door +vervroegde broedaanzetting hare vruchtbaarheid geheel uit, en stierf +zij, voordat er hommels waren, om hare opvolgster te bevruchten, +dan kon een sterke stok hierdoor te gronde gaan. De stokken, die te +vroeg tot broedaanzetten zijn opgewekt, zullen ook meestal, óf in +het geheel niet zwermen, óf dit veel later doen dan die, welke daar +later mede begonnen, maar er dan ook onafgebroken mede voortgingen. + +In plaats van dus zijne stokken tot eene vroegtijdige broedaanzetting +aan te sporen, moet men elken dag, dat de bijen in het voorjaar langer +in de winterrust blijven, als eene winst beschouwen. Stokken, die in +den winter besloten gestaan hebben, zoo lang mogelijk te laten staan, +en die, welke men op een schoonen dag eens had laten vliegen, weder +te sluiten, zal het doelmatigst zijn. Zonder noodzakelijkheid moet +men de stokken nooit in hunne winterrust storen, om hen te vroeg te +besnijden of onnoodig te voêren. + +Velen beschouwen het bij herhaling openen van eene woning, en +het uitnemen der wastafels, ook in den zomer als schadelijk, +omdat men er de bijen onnoodig werk door bezorgt, daar zij alles +weder met voorwas bevestigen, en de inzameling daardoor belet zou +worden. Dit is echter eene dwaling. De meerdere werkzaamheid in den +stok, veroorzaakt ook eene grootere vlijt bij die bijen, die honig +en bloemenstof verzamelen. De bijen, die de huisselijke bezigheden +verrigten, halen toch niets in, maar de groote vlijt, die zij moeten +aan den dag leggen, spoort ook de indragende aan, om zich ijveriger te +betoonen. Daarom zijn ook besneden stokken soms vlijtiger dan andere: +niet omdat zij besneden zijn, maar omdat zij, besneden zijnde, ook +moeten bouwen. Zij halen dan onbesneden gebleven stokken niet alleen +in, maar streven die vooruit. + +Eene geheel andere zaak is het om de stokken, bij het einde van +den winter, door veel openen, besnijden, voêren en dergelijke te +verontrusten. Dan kan het alleen schadelijk zijn, want de werkzaamheid, +waartoe de bijen worden opgewekt, heeft eene inspanning, soms eene +geheele uitputting van hare krachten ten gevolge, zonder dat de +stok daar eenig voordeel van ondervindt. Zoolang er buiten niets +voor de bijen te halen is, moet men haar zooveel mogelijk met rust +laten, haar van onnoodig uitvliegen afhouden, en vooral niet tot +broedaanzetten opwekken. Men moet daarom de stokken, die in den +herfst niet genoegzaam van voedsel voorzien zijn, dit dan toevoegen, +om hen, als in het vroege voorjaar alles opgeteerd was, niet te moeten +verontrusten. Alle nuttelooze uitvlugten hebben, wegens de koude van +de lucht en van den grond, onvermijdelijk volksverlies ten gevolge; +er kon ook onverwachts grootere koude invallen. Soms schijnt het dat +de lente alles met nieuw leven zal bezielen; maar in plaats daarvan +slaat plotseling het weder om, en men heeft sneeuwbuijen met kouden +wind gepaard. Wee den zwakken stokken, die dan tot eene sterke +broedaanzetting opgewekt zijn geworden, en zich daardoor meer uit +elkander begeven hebben. Het broed willen zij soms niet verlaten; zij +kunnen den voorraad niet meer bereiken en zich ook niet zamentrekken; +zij verstijven dan op het broed en gaan daarmede te niet. Geheel kan +deze ongunstige toestand niet voorkomen worden, wanneer de maand +Februarij zacht weder opleverde, terwijl het in Maart ruw en koud +is; maar de bijenkweeker moet zorgen dit gevaar niet te vergrooten, +door zijne bijen, vóór den tijd, tot de broedaanzetting uit te lokken. + +Als van zelf komt men nu tot de vraag: "Wanneer moet de broedaanzetting +beginnen?" Met de beantwoording daarvan willen wij ons dan nu bezig +houden. + +Sterke stokken hebben somtijds reeds in Januarij broed aangezet, +terwijl de zwakke er eerst na de eerste reinigingsuitvlugt toe +overgaan, en dat nog niet eens doen, wanneer er spoedig hevige koude +invalt. Het voordeeligst zou het te achten zijn, dat zoowel sterke +als zwakke stokken, er niet voor April mede aanvingen; evenwel kan +verschil in de luchtgesteldheid, het meer of minder gunstig zijn van +het weder, en de aard der weide hierin verandering brengen: wat in de +eene streek laat genoemd moet worden, zou in eene andere vroeg kunnen +zijn. Een stok, die niet te ruim van honig voorzien is, zal zich niet +zeer geneigd toonen om veel broed aan te zetten; maar stokken, die +rijk aan honig zijn, en dan gewoonlijk ook nog bloemenstof bezitten, +doen dit reeds vroeg. Wanneer zij echter vroeg broed hebben aangezet, +en de winter lang aanhoudt, dan kan de voorraad opraken, voordat zij +het buiten kunnen halen; zij moeten dan het broedaanzetten niet alleen +staken, maar ook het aanwezige broed laten afsterven. Dit gebrek +kan men ontdekken, doordat men op den bodem der woning en voor het +vlieggat uitgeworpen broed vindt liggen. Zulk een stok moet dadelijk +met voedsel te hulp gekomen worden, opdat hij met het broedaanzetten +voort zou kunnen gaan. De behoeftige stokken moeten, vooral in April, +goed ondersteund worden, om hen tot het broedaanzetten op te wekken, +en hen daardoor zoo mogelijk tot eenige volkssterkte te doen komen, +tegen dat de voorjaarsdragt begint. Het is toch door het groot +aantal volk, niet door de groote hoeveelheid, die elke bij inbrengt, +dat een goede bijenstok, bij rijke weide en gunstig weder, zoo veel +kan inzamelen. Gedurende de beste dragt moeten dus de stokken het +volkrijkst zijn, om voordeel te kunnen aanbrengen. Het volksverlies +is dan ook juist het grootst. In volkrijke, sterk broeijende stokken +bemerkt men daar niets van, omdat het dagelijks uitloopende broed +het meer dan herstelt. + +Hoe meer broed een stok bij het begin der hoofdweide heeft, des te +voordeeliger kan hij dit aanwenden, en daarbij zullen de zwermen, +die hij afgeeft, sterker zijn en vroeger afkomen. Bleef hij echter bij +het afnemen der weide even sterk broeijen, dan zou hij al ligt het als +voorraad opgelegde weder aan het broed opofferen, en bij middelmatige +jaren, na het eindigen der weide, zelfs door gebrek bedreigd worden, +in plaats van iets te kunnen afgeven. Van hoeveel belang het is het +broedaanzetten te kunnen bevorderen of beperken, valt nu duidelijk +in het oog, en de omstandigheden, die er nog invloed op uitoefenen, +wanneer aan de hoofdvoorwaarde "het aanwezig zijn van een ruimen +voorraad of eene goede dragt," voldaan wordt, verdienen dus wel hier +vermeld te worden. + +Warmte is een voornaam vereischte voor het broeijen. Hoe grooter +zij is, en hoe gelijkmatiger zij door den stok is verspreid, des te +meer zal het broednest uitgebreid worden. De warmtegraad, die in +een stok heerscht, hangt van verschillende oorzaken af. Vooreerst +komt de warmte der buitenlucht in aanmerking; neemt zij toe, dan +zal het ook in de woning warmer worden. In woningen, die door de zon +beschenen worden, wordt veel broed aangezet, en dientengevolge ook +het zwermen bevorderd. Van meer invloed is evenwel de inrigting der +woning. Hoe slechter hare wanden de warmte geleiden, hoe hooger en +gelijkmatiger de warmtegraad zijn zal. Ook de dikste, de warmte het +slechtst geleidende wanden, zullen haar toch altijd nog eenigzins +doorlaten. Dit verlies moet hersteld worden door de bijen, die in +het midden der woning verzameld zijn, en van daar naar de wanden +moet dus de warmte afnemen. In eene lange, smalle woning zal het +voor- en achteraan betrekkelijk koel zijn. Veel gelijkmatiger is de +warmte verspreid in vierkante, nog meer in ronde woningen. In deze +heeft daarom ook eene gelijkmatige broedaanzetting, door de geheele +woning plaats. + +Het spreekt van zelf dat hetzelfde volk eene kleine woning beter +verwarmt, dan eene grootere. Is deze echter naar evenredigheid van +hare grootte ook sterker bevolkt, dan zal zij nog warmer zijn dan de +kleine, omdat de buitenlucht eene groote verwarmde massa betrekkelijk +minder afkoelt dan eene kleine. + +Door het vlieggat ontwijkt veel warmte, en daar de verwarmde lucht +naar boven stijgt, zoo zal het warmteverlies toenemen, met de wijdte +en de hoogte van het vlieggat. Is het laag en daarbij onder in de +woning aangebragt, dan zal er het minste warmte verloren gaan; de +bijen worden dan ook tot eene uitbreiding van het broednest uitgelokt, +omdat zij dit gaarne zoo digt mogelijk bij het vlieggat hebben. + +Slechts als de buitenlucht koud is, en als de bijen zich vooral op de +broedaanzetting moeten toeleggen, is het wenschelijk dat de warmte in +de woning besloten blijft. In den zomer, als zij zich voornamelijk +met den honigoogst moeten bezig houden, wordt groote hitte de bijen +tot last; zij mat haar af en noodzaakt een groot gedeelte werkeloos +te blijven, dat gaat voorliggen om de warmte te ontgaan. Om doelmatig +genoemd te mogen worden, zal eene bijenwoning dus zoo ingerigt moeten +zijn, dat men haar naar verkiezing warm of koud, klein of groot +kan maken. Met Dzierzon's woningen kan dit geschieden. Door middel +van het verkleinplankje, kan de lengte naar goedvinden verkleind +worden. De ruimte, tusschen dit plankje en de deur, en die boven de +dekplankjes, met stroo of mos aanvullende, verkrijgt men dan een zeer +warm broedruim; de broedaanzetting wordt bevorderd en van stokken, +die men tot in den zwermtijd zoo besloten laat, verkrijgt men daarom +de vroegste zwermen. Verwijdert men echter bij vermeerdering van volk +en ruimere dragt de vulling, en trekt men het verkleinplankje terug, +dan zal de warmte in de woning verminderd worden, terwijl er tevens +ruimte gewonnen wordt, waarin de bijen honig kunnen afzetten. + +Men kan, door de zamenstelling van een warm broednest, de bijen +aanleiding geven om vroeg en veel broed aan te zetten, en men heeft +het eveneens in zijne magt, om het tot eene zekere ruimte, tot een +bepaald aantal tafels, te beperken. + +Het is bekend dat het broed zich onafgebroken, in eene gesloten ruimte +bevindt; het wordt cel voor cel en tafel voor tafel aangezet. Wanneer +van eene tafel een zeker aantal bijen zijn uitgeloopen, dan reinigen +de werkbijen de cellen, en de moederbij bezet haar onmiddellijk weder +met eijeren, om het broed gesloten en dus warm te houden. Wil men +het broednest vergrooten, dan behoeft men maar eene ledige wastafel, +tusschen twee met broed gevulde tafels te hangen. De moederbij zal +zich haasten haar met eijeren te bezetten, om weder slot in haar +nest te brengen. Daar het broed van zulke tafels op den 20sten dag +meest te gelijk uitloopt, zoo zijn zij bijzonder geschikt om er +zwakke stokken mede te versterken. Van het streven der bijen om +haar broednest gesloten te houden, kan men zich ook bedienen, om +haar met spoed te doen bouwen. Hangt men een staafje, waaraan eene +strook wastafel bevestigd is, tusschen twee met broed gevulde tafels, +dan zullen de bijen deze tafel met verwonderlijke snelheid volbouwen. + +Het verkleinen van het broednest geschiedt door tafels met broed uit +de woning te nemen, die dan ter versterking van zwakke zwermen, of tot +het maken van afleggers kunnen dienen. Tegen dit verkleinde broednest +hangt men een of twee verzegelde honigtafels, waarover de koningin +zich niet ligt heen begeeft, om ledige cellen op te zoeken. Het +beperken van het broednest kan ook zeer goed geschieden, door er een +verkleinplankje tegen te zetten, waarin men de gaten zoover opent, +dat alleen de werkbijen zich daar achter kunnen begeven (zie bl. 89 +en 92). Men moet er niet langer mede wachten, dan tot in de helft der +maand Julij; het broed, dat later aangezet wordt, komt te laat uit om +nog in te zamelen, terwijl het veel honig vereischt; in den herfst zal +men, tot het versterken van zwakke stokken, steeds bijen in overmaat +hebben, uit de stokken, die voor den honigoogst zijn uitgebroken. In +den laten nazomer, wanneer de dragt spaarzamer wordt, zal de moederbij +zich van zelve niet geneigd toonen, om zich buiten het broednest te +begeven, om tafels, die tot dusverre vrij van broed waren, daarmede +te bezetten; maar tegen den zwermtijd wil zij, zeer vruchtbaar zijnde, +dit wel eens doen; het moet haar echter zooveel mogelijk belet worden. + +Eene gezonde en vruchtbare moederbij schijnt de werkzaamheid van +haar eijerstok willekeurig te kunnen beperken of vermeerderen. Eene +gebrekkige of door ouderdom verzwakte kan haar daarentegen niet zoo +doen stijgen, dat zij een uitgebreid broednest behoorlijk met eijeren +kan bezetten. Om veel broed te kunnen verkrijgen, moet de koningin +dus gezond, jong en zonder gebreken zijn, terwijl de stok genoeg +bevolkt moet zijn, om het behoorlijk te kunnen bebroeijen en verzorgen. + +Indien er in den nazomer nog eenige dragt bestaat, kunnen de bijen +zich zoo sterk op de broedaanzetting toeleggen, dat zij nog een +uitgebreid broednest verkrijgen. Belet men dit niet zooveel mogelijk, +dan kunnen zij haar wintervoorraad geheel aan dit nutteloos broeijen +besteden, en daardoor in volslagen gebrek komen. Zelfs bij het voêren +van stokken, die hun wintervoorraad niet hebben ingehaald, moet men in +den herfst wel voorzigtig zijn, daardoor geene aanleiding tot broeijen +te geven. Men moet hen zoo mogelijk met verzegelde honigtafels, of +bij gebrek daarvan met verdikten honig of kandij voêren. Wil men hun +liever verdunden honig voêren, dan geeft men dien in groote, snel +op elkander volgende giften, door b. v. alle avonden een Ned. pond +in de woning te plaatsen, totdat zij hun voorraad hebben. De bijen, +zoo ruim van honig voorzien zijnde, zullen hem dadelijk in de ledige +cellen dragen, er zoo vele als mogelijk is mede vullen, en dus de +moederbij beletten er velen met eijeren te bezetten. Evenwel ziet men +zich in zijne verwachting wel eens teleurgesteld, want gevoêrd wordende +bijen zijn steeds tot het aanzetten van broed opgewekt; vooral zij, +die door kleine giften aanhoudend tot werkzaamheid worden aangespoord, +zullen het niet nalaten; zij zullen zelfs veel broed zetten, indien +het voêren op een tijd geschiedt, dat zij nog bloemenstof en water +kunnen binnenhalen. Het voêren is dan even doelloos, als in Februarij +en Maart. + +Willen de stokken, die men in den winter te hulp komen moet, het +broedaanzetten volstrekt niet nalaten, dan is men genoodzaakt er +de moederbij uit te vangen en haar, in een moederhuisje besloten, +in het broednest te hangen. De meeste stokken zullen de gevangen +moederbij blijven voêren en bezetten; later laat men haar weder +vrij. Andere zullen de koningin wel verzorgen, maar tevens hulpcellen +aanzetten. Doen zij dit, en is de koningin ouder dan twee jaar, dan +neemt men haar en de hulpcellen tot op eene na weg. De stok verkrijgt +dan eene jonge moederbij; wordt zij, zoo er nog hommels aanwezig zijn, +gelukkig bevrucht, dan kan zij nog een aantal bijen voortbrengen, +waardoor de volksvermindering, door de lange moederloosheid ontstaan, +hersteld wordt. Zulke stokken worden gewoonlijk volkrijk genoeg, +en gaan den winter met ruimen voorraad in. Er zijn soms stokken, +die van eene gevangen moederbij niets willen weten, maar haar +laten verhongeren; de hulpcellen, die zij aanzetten, worden zoo als +gezegd is, tot op eene na weggenomen. Is het jaar te ver gevorderd, +dan geeft men hun eene moederbij uit een stok, dien men tegen den +winter uitbreekt. + +In het algemeen kan het wegnemen der moederbij een stok niet +benadeelen, wanneer hij bij een goeden bouw, overvloed van volk en +broed bezit, en het hommelbroed zich begint te ontwikkelen. Is de +moederbij ouder dan twee jaar, dan is het voordeelig, want men belet +het zwermen, en de bijen, geen broed meer te verzorgen hebbende, zetten +hulpcellen aan, waardoor zij eene jonge moederbij bekomen, terwijl zij +het ingezamelde geheel als voorraad kunnen opleggen. Ontneemt men de +hulpcellen aan een stok, dien men vroeger van zijne koningin beroofd +had, en geeft men hem eene op het uitloopen staande moederwieg in de +plaats, dan zal hij deze blijven bebroeijen, en binnen weinige dagen +weder eene regentes hebben, waarna er dat jaar geen hommelbroed meer +aangezet zal worden, omdat jonge moederbijen het eerste jaar zelden +aan zwermen denken. Zulke stokken bevatten gewoonlijk veel honig, want +wat in anderen door de hommels en hun broed gebruikt wordt, wordt hier +als voorraad opgelegd. Hoeveel honig aan hommelbroed ten koste gelegd +moet worden, kan men opmaken uit de zwaarte van eene daarmede gevulde +tafel. De bijenhouder moet dit broed daarom zoo veel mogelijk weren +(zie bl. 26). Ook moet men, daar alle broed veel honig vereischt, +de bijen maar niet zoo veel laten aanzetten als zij willen, om het +daarna bij den honigoogst, meedoogenloos te dooden, tot het bekomen +van eenige ponden honig, die de stokken soms, lang voor het aangezet +werd, reeds bezaten; terwijl zij, bij verhindering der broedaanzetting, +zooveel te meer gevulde honigtafels zouden bezitten. Zelfs kan, indien +men het broeijen en zwermen geheel vrijlaat, alle in den voorzomer +ingezamelde honig, aan het broed besteed worden. Het vele zwermen +doet haar dan verscheidene dragtdagen verzuimen, en levert de nazomer +eindelijk een schralen oogst op, dan zullen de stokken, hoe gunstig +ook het voorjaar mag geweest zijn, in den herfst zonder voorraad zijn +en den winter, zonder sterke ondersteuning, niet te boven kunnen komen. + + + + + +HET VOÊREN. + + +Men onderscheidt het voêren, naar de omstandigheden die er toe leiden, +in speculatief voêren en voêren uit nood. + +Het speculatief voêren geschiedt in het voorjaar, om de bijen tot +eene ruime broedaanzetting op te wekken, waardoor de volkssterkte bij +de eerste hoofdweide "de zaadbloem," tot de grootste hoogte gebragt +wordt. Men moet dan, drie of vier weken voordat men meent dat de +weide zal beginnen, tot het voêren overgaan, haar in groote giften, +van minstens 1 Ned. pond, laauw warmen, verdunden honig gevende. Om +den anderen avond geeft men haar tot driemalen zulk eene gift. Door +dezen ruimen voorraad worden de bijen tot groote werkzaamheid opgewekt, +en de moederbij bezet vele der gereedgemaakte cellen met eijeren. Dit +broed zal nu in den aanvang der hoofdweide beginnen uit te loopen, +en gaat alles zoo als wij dat berekenden, dan zullen de aangekweekte +bijen, den aan haar ten koste gelegden honig ruim vergoeden. Valt +daarentegen het weder tegen, zoodat de hoofdweide zich langer laat +wachten dan men vermoed had, dan moet men zulke stokken, die alles +aan het broed verspild hebben, sterk blijven voêren, waardoor men van +zijne speculatie meer schade dan voordeel heeft. Ik bepaal mij daarom +alleen tot het voêren uit nood, tot het te hulp komen van die stokken, +die hun voorraad opgeteerd hebben, de anderen zooveel mogelijk met +rust latende. + +Om broed te kunnen aanzetten, moeten de bijen niet alleen honig of +suiker en water, maar ook bloemenstof hebben, en dit ontbreekt haar +veeltijds, waardoor bij ruimen honigvoorraad de broedaanzetting toch +maar traag voortgaat. Is het weder te ongunstig om dit stof buiten +te verzamelen, dan moet men het haar ook zoo mogelijk toevoegen, +waarom het van belang is, bij het uitbreken van stokken, die tafels, +welke geheel of gedeeltelijk met dit stof gevuld zijn, zorgvuldig te +bewaren. Vooral in moederlooze stokken vindt men soms bijna alle tafels +uit het broednest daarmede gevuld. Daar het stof zeer ligt uitdroogt of +beschimmelt, en daardoor ongeschikt voor de bijen wordt, moet men het +met honig of suikerstroop overgieten, waardoor het zeer lang bewaard +kan worden. Ook kan men de gedeeltelijk met bloemenstof gevulde tafels +verbrijzelen, en haar aldus onder den voor voeder bestemden honig +bewaren. Het bloemenstof uit zulk voedsel gebruiken zij met graagte, +en het wekt haar tot eene sterke broedaanzetting op. Er gaat echter op +deze wijze een gedeelte der wastafels verloren, want de bijen dragen +deze naar buiten of bijten haar tot gruis. Kan men geen bloemenstof +aan de stokken, die men tot broedaanzetten wil opwekken, toevoegen, +dan kan men dit vervangen door tarwen- of roggenmeel (zie bl. 42); +men moet zorg dragen dat dit meel door regen of dauw niet vochtig +wordt, want dan kunnen de bijen het niet meer opnemen. + +Het natuurlijke voedsel der bijen is honig; doch alle zoetigheden +worden door haar aangenomen, en met het beste gevolg geeft men haar +suikerstroop, kandij [16] en nu sedert een paar jaar ook 4 deelen +Surinaamsche suiker, met 1 deel honig tot eene pap gemaakt. Zelfs +blanke aardappelstroop, met een weinig suiker of honig dooreen +gesmolten, kan men haar gerust geven. + +In de gewone strookorven is het voêren zeer lastig; het voedsel kan +alleen van onderen gegeven worden. Moeten de bijen, daarin geplaatst, +in het voorjaar ondersteund worden, dan zet men den korf tegen den +avond, als de vlugt heeft opgehouden, op den kop, giet er eenige +lepels verdunden honig in, dekt hem met een kleedje en laat hem zoo +een paar uren staan, totdat de bijen den honig hebben opgenomen. Men +herhaalt dit om den anderen dag. + +Wil men deze omslagtige wijze vermijden, hetgeen soms door het koele +weder noodzakelijk wordt gemaakt, dan kan men ook verboterden honig +nemen, daarvan 1 of 2 Ned. pond met een lepel afschrappende, zoodat +er geene brokken in blijven. Men doet dezen in een grof linnen zak, +legt dien onder op het werk, bedekt hem met een papier of eene ledige +wastafel en steekt alles met houten pennen vast, opdat het bij het +omkeeren van den korf niet naar beneden zou vallen. Het papier of +de wastafel dient om den honig, die door den zak kon druipen, op te +vangen. Op deze wijze kan men de bijen voor een paar weken in eens +voorzien. Ook kan men op het een weinig gelijk gesneden werk stukken +kandij leggen, deze met een natten doek of beter nog met eene natte +spons bedekken, daarover een kleedje leggen en dan de opene ruimte +van den korf met een kafkussen aanvullen. Men kan hem dan op den +kop laten staan. Niettegenstaande de onnatuurlijke stelling, kan men +op deze wijze zelfs een stok, die bijna geen eigen voorraad heeft, +door den winter brengen. Om de vier weken ziet men er maar eens naar, +of er nog genoeg kandij is en giet wat water op den doek of de spons; +in het voorjaar, als zij meer voedsel behoeven, ziet men er om de +14 dagen naar. Neemt men in plaats van kandij, Surinaamsche suiker, +met blanke aardappelstroop tot eene stijve pap gemaakt, en legt men +deze in een zak op het werk, dan behoeft men daar geen nat voorwerp +op te leggen. + +Heeft men boven in de strookorven openingen gemaakt, dan kan het +voêren met behulp der voederbakjes (zie bl. 125) veel gemakkelijker +geschieden. Men kan dan, indien men met dunnen honig of blanke +aardappelstroop wil voêren, ook gebruik maken van eene blikken buis, +die in de opening in den korf past. Men laat aan den onderkant een rand +maken, waarover een doek gebonden wordt, vult haar dan met het voedsel, +legt er een deksel op, smeert de reet tusschen de buis en den korf +met klei digt, en bedekt de buis met een bloempot; de reet tusschen +dezen en den korf wordt ook met klei gesloten. De bijen zullen nu het +voeder, dat door den doek zijpelt, oplikken en men behoeft van tijd +tot tijd de buis maar aan te vullen. In plaats van eene blikken buis, +kan men zich ook bedienen van een zoogenaamd suikerglas, waaruit men +den bodem heeft laten springen. Men behoeft dan het deksel niet af +te nemen, doch kan aan de buitenzijde zien of er nog voorraad in is. + +De verschillende wijzen van voêren, die ik hier opgeef, zijn allen +door mij meermalen met goed gevolg aangewend. Men kan er zich op +verlaten, maar moet vooral zorg dragen alles zoo te sluiten, dat +vreemde bijen door den reuk niet tot rooverij worden uitgelokt; +door alles met kleedjes te bedekken, moet men den invloed der koude +onschadelijk maken. + +In Dzierzon's woningen geschiedt het voêren veel gemakkelijker dan in +korven. Door het uitnemen der tafels weet men bij deze met zekerheid +of er behoefte aan voedsel bestaat, terwijl dat bij de korven, door +het wegen met de hand, daarnaar slechts geraden worden moet. Men +kan zich daarbij grootelijks vergissen, omdat een korf veel broed, +van een beduidend gewigt kan hebben, terwijl de voorraad opgeteerd +is. Men moet daarom goed opletten, of de bijen in de strookorven ook +onvolwassen broed uittrekken, want dit is een zeker teeken dat er +volslagen gebrek is, zoodat het voêren van den stok dan geen oogenblik +meer uitgesteld mag worden. + +De beste en natuurlijkste wijze om in Dzierzon'sche woningen te voêren, +bestaat in het inhangen van tafels met verzegelden honig. Men neemt dan +den bouw tot aan de zitplaats der bijen weg, hangt daar twee of meer +verzegelde honigtafels tegen, en hangt hiertegen de eerst uitgenomen +tafels. Niet altijd kan men evenwel over verzegelde honigtafels +beschikken. Zij kunnen vervangen worden door in ledige wastafels honig +of suikerstroop te gieten, waarna men deze nog met fijne witte suiker +bestrooit, om het uitloopen van het voeder te beletten. + +Indien de bijen hare zitplaats diep in de woning hebben, en men alle +tafels tot daartoe niet wil uitnemen, dan kunnen de honigtafels haar +ook boven hare zitplaats gegeven worden, door een der dekplankjes +weg te nemen.--In plaats van deze tafels kan men ook stukken dikken, +verboterden honig, in papier wikkelen, zoodat zij maar aan eene zijde +ontbloot zijn. Met dien kant worden zij op de staafjes gelegd.--Of men +legt op de staafjes een linnen zak, die met suiker, met aardappelstroop +tot een brij gekneed, is gevuld.--Voêrt men met kandij, dan wordt +ook deze op de staafjes gelegd, en met een doek of eene spons, die +te voren natgemaakt is, bedekt; wanneer de vorst het niet belet, +dan moet men om de acht dagen den doek of de spons wat bevochtigen; +want is de kandij te droog, dan kunnen de bijen haar, bij gemis van +water, niet gebruiken.--Vroeger is reeds opgegeven hoe het voêren met +de voederbakjes geschiedt, die meer bepaald voor dun voedsel dienen. + +Welk voedsel men ook op de staafjes legt, altijd moet dit zoo goed +mogelijk met plankjes belegd, en de ruimte daarboven met mos gevuld +worden, zoowel tegen de koude, als omdat de bijen niet naar boven +zouden kruipen. + +Is het vlieggat niet onmiddellijk tegen den bodem der woning, maar een +weinig daarboven aangebragt, dan kan men, door middel van een trechter +met eene gebogen pijp, dunnen honig of stroop door het vlieggat, +op den bodem der woning gieten. Dit voeder zal niet wegvloeijen, +daar de bijen alle reten digtmaken; wanneer men ten minste tegen de +deur eene rigchel van klei legt. Op deze wijze kan men maar weinig +voeder in eens geven, zoodat het elken avond herhaald moet worden. Al +voert men de bijen niet op deze wijze, dan is het toch altijd goed, +dat het vlieggat een weinig boven den bodem is aangebragt. Staat +het te laag, dan dragen de bijen de kleine stukjes kandij of de +verbrokkelde wastafels, die op den bodem gevallen zijn, naar buiten, +zoodat zij verloren gaan. + +Deze wijze van voêren, kan alleen in het voorjaar, wanneer de bijen +zich uit een kunnen begeven, worden toegepast. Men kan het voeder +dan ook in de vroeger beschreven voederbakjes doen, en deze, zonder +deksel, op den bodem der woning plaatsen. + +In het voorjaar is het ook zeer goed de bijen een weinig water te +geven. Men giet het in wastafels, en hangt deze in de woning. Men +kan haar dan ook met kandij of versuikerden honig voêren, die zij +zelf zullen verdunnen. Het water, dat men haar geeft, mag niet met +suiker of honig vermengd worden, want dan vallen zij er te begeerig +op aan, en zouden door er te veel van te gebruiken, den loop kunnen +krijgen, indien het weder haar belette uit te vliegen, om zich van +het overtollige vocht te ontlasten. + +In vele woningen vormt zich steeds een aanslag, die de bijen voldoende +van water voorziet. Andere, inzonderheid de zamengestelde woningen, +houden zich bijzonder droog, zoo zelfs, dat de bijen in het voorjaar +grooten dorst toonen te hebben. Men moet haar dan water in hare woning +geven, of bij goed vliegbaar weder, haar in de gelegenheid stellen +dit daarbuiten te verzamelen (zie bl. 38). + +Voor vele, vooral pas beginnende bijenhouders, is het voêren eene +lastige zaak. Mij heeft het aanvankelijk veel moeite en schade +berokkend. Ik heb daarom gemeend het niet te vlugtig te moeten +behandelen. De verschillende wijzen van voêren, boven opgegeven, +heb ik allen bij ondervinding als zeer doelmatig leeren kennen. + +Voêrt men met honig, dan moet men zich alleen van eigen honig +bedienen. Kocht men daarvoor honig, van welks zuiverheid men +niet bepaald overtuigd was, dan kon men zijn geheelen stand ten +onder brengen, indien het ongeluk wilde dat daaronder ook honig +uit vuilbroedige stokken was. Om dit gevaar te ontgaan, moet men +veel liever met suiker of kandij voêren. Bij gemis van verzegelde +honigtafels voêr ik altijd met kandij. Deze is goedkooper dan +honig en daar zij volstrekt niet naar honig ruikt, geeft men +ook geene aanleiding tot rooven. De minste honigreuk maakt de +bijen dadelijk opmerkzaam; bij het voêren moet men daarom vooral +zorgen niet te storten, en het mag ook alleen 's avonds, als alle +vlugt heeft opgehouden, geschieden. Den volgenden morgen moeten, +voordat de vlugt begint, alle voedergereedschappen, die onder in +de woningen geplaatst zijn, weggenomen en van den stand verwijderd +worden. Suiker of kandij kan men op alle uren van den dag geven, +maar verdund voedsel mag niet onder in de woning gesloten worden, +dan bij volstrekt onvliegbaar weder. + + + + + +DE KUNSTZWERMEN OF AFLEGGERS. + + +Hier te lande komen de natuurlijke zwermen gewoonlijk in ruime mate, +en soms zelfs zoo overtollig voor, dat het wenschelijk is hen te +beperken. Eene kunstmatige bewerking, om zwermen te verkrijgen, zou dus +als nutteloos beschouwd kunnen worden voor den bijenkweeker, die alleen +op winst bedacht is. Dit is evenwel het geval niet. Bij het gunstigste +weder kan het soms lang vertragen eer de zwermen afkomen, zoodat men +zijne stokken dagen, ja weken achtereen te vergeefs bewaakt. Om van +dit bewaken ontslagen te zijn, en de zwermen zoo vroeg en zoo geregeld +mogelijk te hebben, drijft men hen dan veelal kunstmatig af. + +Dat vooral de voorzwermen zoo vroeg mogelijk afkomen, is van het +grootste belang. Een verschil van acht dagen kan maken dat de eene zijn +bouw reeds voor een groot gedeelte heeft opgetrokken, ja reeds eenigen +voorraad heeft opgelegd, als de andere nog moet beginnen te bouwen, +en slaat het weder om, dan moet hij ver ten achter blijven. Ook het +nazwermen is spoediger afgeloopen, wanneer men de voorzwermen geregeld +van zijne stokken kan nemen, want zij kunnen hoogstens drie weken na +deze afkomen. Eindelijk kan men gedwongen zijn tot de kunst zijne +toevlugt te nemen, wanneer men zijn stand nog vergrooten wil. Bij +eene zeer rijke weide, maken toch de bijen zelve soms het zwermen +onmogelijk, door de cellen zoo spoedig met honig te vullen, dat de +moederbij er slechts weinige met eijeren kan bezetten, waardoor de +volksvermeerdering gering moet blijven. In zulke jaren kan men ook +maar zeer weinig kunstzwermen verkrijgen, want men moet als een vaste +regel aannemen, nooit zulke zwermen te maken, wanneer de stokken niet +zwermgeregt zijn. + +Om zwermgeregt te wezen moet een stok volkrijk zijn; hij moet veel +broed en gesloten moederwiegen of anders ongedekt broed bezitten, om +daaruit hulpcellen te kunnen, aanzetten; er moet reeds eenige honig +zijn opgelegd; op den stand moeten er reeds hommels vliegen, of anders +moet er hommelbroed aanwezig zijn, dat op het uitloopen staat. Al +wordt aan deze eischen voldaan, dan mag men toch nooit kunstzwermen +maken, dan bij eene ruime dragt. Zij onderscheiden zich toch van de +natuurlijke zwermen daardoor, dat deze zich voor het afvliegen van een +belangrijken voorraad honig voorzien, terwijl de kunstzwermen maar in +de haast een weinig medenemen. Zoo er dus onvliegbaar weder inviel, +nadat men deze zwermen had gemaakt, dan moest men hen dadelijk met +voeder bijspringen, indien dit in den aanvang niet geschied was; +anders zouden zij, als honger- of bedelzwermen, de woningen weder +moeten verlaten. + +Hoe korter de dragt is, welke hun nog ten dienste staat, hoe minder +broed en wastafels men hun kan toevoegen, en hoe grooter de woning +is, welke zij bevolken moeten, des te sterker moet men de zwermen +maken. Wanneer zij toch den wintervoorraad nog geheel moeten inhalen, +ja zelfs daarbij den bouw nog optrekken moeten, dan dient ook de +bevolking talrijk te zijn, omdat de jonge bijen eerst na verloop van +drie weken uitloopen, wanneer de dragt veelal reeds merkelijk bekort +is. Vroege afleggers, die de volle dragt nog voor zich hebben, kunnen +minder sterk zijn. Het is echter voordeelig ook dezen eenige wastafels, +en zoo mogelijk een geheelen bouw, toe te voegen. De koningin kan dan, +zoodra mogelijk, veel broed aanzetten, terwijl zij anders daarvoor +gebrek aan cellen zou hebben, want daar de zwerm zwak is kan hij +niet zoo spoedig cellen aanbouwen, als de koningin haar met eijeren +bezet. Komt men de bijen in zulk een toestand sterk met voeder te hulp, +dan zal dit later ruime winst opbrengen. + +Behalve het bovengenoemde bestaat er nog een tweede verschil, tusschen +natuurlijke zwermen en kunstzwermen. De eersten hebben hunne oude +standplaats vergeten, de laatsten daarentegen zoeken haar weder op. Het +is daarom dat de meest gebruikelijke wijzen om kunstzwermen te maken, +een tweeden stand vereischen, minstens een half uur verwijderd van +dien, waarop de moederstokken staan. In de laatste jaren heeft men +ook middelen bedacht om dit bezwaar, voor velen een bepaald beletsel, +op te heffen. Dit is van te meer gewigt, omdat bij zamengestelde +woningen aan geen verplaatsen gedacht kan worden, al kon men over +een tweeden stand beschikken. + + + +De oudste en meest bekende wijze om kunstzwermen te maken, is het +aftrommelen. De oude, vruchtbare moederbij wordt, met het grootste +gedeelte der bijen, uit de bebouwde woning gedreven; men laat haar +in eene ledige woning overgaan, waarin zij een nieuwen stok moeten +uitmaken. + +Het afdrijven of aftrommelen van den zwerm geschiedt het best 's +namiddags, bij schoon, warm weder. Is het een korf, waar de zwerm +uitgedreven moet worden, dan neemt men dezen van zijne plaats, en zet +hem eenige schreden achter den bijenstand, met den kop naar onder, in +een daartoe in den grond gegraven kuiltje of beter nog in een daartoe +geschikten stoel met eene opening, waarin de korf hangt. Intusschen +zet men een ledigen korf op zijne plaats in den stal, waarin de van het +veld te huis keerende bijen zich verzamelen kunnen. In den korf, die nu +onderste-boven staat, blaast men een weinig rook, en zet er een ledigen +korf, of een ring, met een deksel gesloten, op. De naad, tusschen beide +korven, wordt, door daarom heen een doek te slaan, zoo gesloten, dat +er geene bijen door kruipen kunnen. Met de vlakke hand, of met een +paar dunne stokjes, begint men nu tegen den kop van den ondersten +korf zacht te kloppen; langzamerhand verwijdert men zich daarbij +verder van den kop. Ten gevolge van het geraas en van de warmte, +door den ingeblazen rook veroorzaakt, begeven zich de meeste bijen, +en daarbij ook de koningin, naar den bovensten korf. Gewoonlijk heeft +dit in enkele minuten, hoogstens binnen een kwartier, plaats. Wilden +de bijen niet gemakkelijk naar den bovensten korf opklimmen, dan moest +men haar nogmaals berooken, en haar daarbij naar die zijde drijven, +waar zij toonen te willen opklimmen; met het kloppen houdt men aan. Om +de bijen, die zich tusschen de tafels zouden willen vastzetten, tot het +opklimmen te noodzaken, blaast men rook door het vlieggat en steekt, +in de rigting der tafels, eenige gaatjes in den kop van den korf, +waardoor men met de rookpijp dan ook rook blaast. Het oor tegen den +bovensten korf houdende, kan men hooren of daar vele bijen in zijn +opgeklommen. Nu neemt men den korf weg, en ziet men dat zich een zwerm +van voldoende sterkte daarin heeft vereenigd, dan zet men hem op eene +zwart geverwde plank, of op zwart papier. Blijven de bijen langer +dan een half uur rustig, en trekken zij zich meer en meer te zamen, +dan kan men verzekerd wezen dat ook de moederbij in den zwerm is, +en de bewerking kan als goed gelukt beschouwd worden. Meestal zal men +zich van de tegenwoordigheid der moederbij reeds na een kwartier kunnen +overtuigen, door de eijeren, die men op de plank of het papier, onder +den korf liggende, kan ontdekken. De koningin kan toch, gedurende de +drukste eijerlage, onverwachts uitgedreven wordende, niet plotseling +met leggen ophouden, maar moet, bij gebrek aan cellen, de eijeren +laten vallen. Ontdekte men geene eijeren, en werd de zwerm onrustig; +kwamen de bijen buiten over den korf heen en weder loopen, als of +zij iets zochten, dan kan men verzekerd zijn dat de moederbij in den +ouden stok is teruggebleven: de bewerking moet dan herhaald worden, +en de tweede maal zal men in den regel beter slagen. + +Het terugblijven der koningin is wel eens het gevolg daarvan, dat +zij de haakjes van hare pooten verloren heeft, en daardoor niet +tegen den wand van den korf kan opklimmen. Het is daarom goed om +te beginnen met in den ondersten korf een paar stukken van ledige +wastafels te zetten, die tot in den ledigen korf reiken. De moederbij +kan daartegen gemakkelijk opklimmen, en de bijen, die men er nog op +vindt, nadat de korven van elkander zijn genomen, veegt men met eene +veêr bij den zwerm. Soms vindt men er ook de koningin nog opzitten, +en haar bij den zwerm voegende, is men zeker van zijne zaak. + + + +De ontdekking van Schirach dat de bijen, uit elke werkbijenmade, mits +niet ouder dan vier dagen zijnde, eene koningin konden aankweeken [17], +gaf hem aanleiding om in korven, ook op de volgende wijze kunstzwermen +zamen te stellen; men noemt haar het Schirach'sche bedrog. In het +bovenste gedeelte van een ledigen korf, bevestigt men eene ledige +wastafel, die ongedekt broed bevat, en zet hem op de plaats van een +sterk bevolkten korf, dezen elders zettende. De nog uit den korf +vliegende bijen, zoowel als de uit het veld terugkeerende, vliegen +allen naar de bekende plaats en trekken in den ledigen korf. Daar +bemerken zij het bedrog, en zijn wel wat onwillig om in den korf te +blijven, maar geen ander onderkomen hebbende, schikken zij zich in +haar lot, en leggen uit het haar gegeven broed hulpcellen aan. In +de meeste gevallen zullen de zwermen volkomen gelukken. Zij heeten +zwermen door bedrog, en dat met het meeste regt; maar het grootste +bedrog pleegt de bijenhouder jegens zich zelven. Hij denkt zich te +bevoordeelen, en meestal zal het omgekeerde plaats hebben. Door het +verplaatsen berooft men den moederstok van al het volk, dat reeds had +uitgevlogen, zoodat hij veelal te weinig overhoudt, om het broed te +verzorgen. Aan inzamelen valt in de eerste acht dagen niet te denken, +en hij zal in het geheel niet zwermen, of nog zeer laat een zwerm +geven. Men krijgt een goeden en vroegtijdigen voorzwerm minder. + +En wat heeft men van den zwerm te wachten? Het duurt zeker drie +weken eer de aangekweekte moederbij met de eijerlage zal beginnen, +en het broed behoeft nog drie weken ter ontwikkeling, waardoor deze +stok, in zes weken, zonder eenigen toevoer van bijen blijft. In dien +tijd zal de zwerm, door het dagelijksch verlies, wel tot op de helft +gedund zijn. Ook zal er niet veel honig opgelegd zijn, daar deze +grootendeels aan het broed en de wasbereiding is besteed. Begint de +nieuwe bevolking de cel te verlaten, dan is de beste dragt voorbij, +zoodat men van zulk een stok weinig genoegen kan hebben, en hem altijd +sterk zal moeten ondersteunen, om hem door den winter te brengen. + + + +Bij Dzierzon's woningen, geschiedt het aftrommelen der zwermen +veel beter dan bij strookorven. De bewerking kan daarin niet +tegenvallen. Des noods kan men alle tafels uitnemen, om de moederbij +te vangen, en deze dan zooveel bijen toevoegen, als men noodig +oordeelt. Deed men het in een tijd, dat er nog niet veel honig in +de stokken was, dan zou dit de zekerste, en misschien ook de kortste +weg zijn. Zijn evenwel de stokken reeds honigrijk, en de verzwaarde +tafels reeds aan de wanden der woning vastgebouwd, dan moet men een +anderen weg inslaan, die zich rigten moet naar den vorm der woning. + +In eene staande woning maakt men de honigkamer ledig, en schuift in +de bovenste groef twee ledige staafjes; het eene tegen den voorwand, +het andere tegen de deur. Op deze beide staafjes legt men een plankje +[18], dat juist in de woning past, en aan welks onderkant twee of +drie smalle strooken wastafel zoo bevestigd zijn, dat zij tegen den +voorwand der woning hangen. Nu worden de dekplankjes weggenomen, +waarna men van onderen rook tusschen al de tafels blaast, en tevens +zacht klopt op den bodem en de wanden der woning. Is zij zamengesteld, +dan zal dit de bijen in de andere afdeelingen niet hinderen. Men houdt +met deze bewerking aan, tot dat men de koningin naar boven heeft zien +klimmen, of met waarschijnlijkheid vermoedt, dat zij zich onder de +bijen bevindt, die zich onderaan het plankje tot een tros verzameld +hebben. Door dit plankje weg te nemen, neemt men den geheelen zwerm +in eens uit de woning, en kan hem in de nieuwe woning, die hij +zal moeten bevolken, daar weder afschudden. De stukken wastafel, +onderaan het plankje bevestigd, maken het de bijen gemakkelijk zich +daar vast te houden, zoodat zij er niet afvallen, als men het uit de +woning neemt. Men moet zich hiermede niet haasten, maar het liever +eenigen tijd laten hangen: aan de meer of minder rustige houding der +bijen zal men dan met zekerheid kunnen ontdekken, of de koningin zich +daar al dan niet onder bevindt. Is zij er onder, dan trekken de bijen +zich meer en meer te zamen; in het omgekeerde geval, begeven zij zich +binnen een kwartier weder uiteen; men is dan genoodzaakt het werk uit +te nemen, en haar op de tafels, of op den bodem der woning te zoeken. + +In eene liggende woning bekomt men de moederbij gewoonlijk gemakkelijk, +door de eene deur te openen en de bijen, door rook en kloppen, +naar de andere te drijven. Opent men die dan spoedig, dan vindt men +de koningin meestal op de eerste of tweede tafel, die men dan, zoo +als zij is, overhangt in de woning, die door den zwerm bevolkt moet +worden; daarin doet men dan nog zoovele bijen, als men noodig acht, +waarna de zwerm tot stand gebragt is. + + + +Een zwerm, welke op eene der aangegeven wijzen is afgedreven, moet +zoo mogelijk naar een verwijderden stand gebragt worden. Velen zetten +hem, om dit bezwaar te voorkomen, op de plaats van den moederstok, +dezen ergens anders plaatsende. Daardoor kan evenwel de moederstok +aan groot gevaar blootgesteld worden. Hij verliest toch meest al het +volk, dat reeds gevlogen had, (zijne oude plaats opzoekende versterkt +dat den zwerm), en hij behoudt dan niet genoeg bijen, om het broed +te verzorgen, dat daardoor zal afsterven. Beter zou het dan zijn +den zwerm op de plaats van een moederstok te zetten, waarvan reeds +acht dagen vroeger een zwerm was afgedreven. In dezen zou het broed +geen gevaar loopen af te sterven, daar het, reeds bedekt zijnde, +zonder verdere verzorging kan uitkomen. Ook zou hij waarschijnlijk +geen nazwerm meer geven, dat als gunstig moet beschouwd worden. + +Is de moederstok op zijne oude plaats blijven staan, dan blijft hij +als gewoonlijk vliegen. Den eerstvolgenden nacht zal hij, zijne +moederloosheid ontdekt hebbende, hulpcellen aanzetten, indien er +geene moederwiegen aanwezig zijn. In het eerste geval kan men er na +verloop van 14 dagen, en in het tweede nog spoediger een nazwerm van +verwachten [19], wanneer men hem ten minste niet te veel verzwakt +heeft, hetgeen men nooit doen mag, wegens de zorg, die het ongedekte +broed nog vereischt. Men doet beter den zwerm niet te sterk af te +drijven, maar hem liever met broedtafels of met bijen uit andere +stokken te versterken. Deze bijen verkrijgt men, hetzij door haar +ook door rook naar boven te drijven, hetzij door haar van de deuren +en de eerste wastafels met eene veêr af te vegen. Men behoeft voor +geene onvriendelijke opname te vreezen, indien men deze bij den +zwerm voegt, daar de bijen van weêrskanten beschroomd zijn. Voor de +zekerheid is het echter goed haar met muskuswater te besprenkelen. Om +de moederbij in geen geval aan gevaar bloot te stellen, is het goed +haar in een moederhuisje te sluiten, en haar eerst na 24 uren los +te laten. Het zou ook kunnen gebeuren dat men, door bijen uit andere +stokken te geven, eene tweede koningin in den zwerm gebragt had. Om +hier zekerheid van te hebben, neemt men de opgesloten moederbij +slechts eenigen tijd uit de woning; blijven de bijen dan rustig, +dan zullen zij nog eene regentes hebben, doch worden zij onrustig, +dan geeft men haar de gevangene terug. + +Is men hierdoor, of op eenige andere wijze, in het bezit van eene +vruchtbare moederbij geraakt, dan kan men daar terstond weder een +aflegger mede maken, door haar uit volkrijke stokken bijen toe te +voegen. Met eene onbevruchte koningin kan dit niet geschieden, want +de bijen, die men haar geeft, zouden haar ombrengen, omdat zij aan +eene bevruchte moederbij gewend zijn. + +Men plaatst de koningin in een moederhuisje, en bevestigt dat in +een transportkastje, aan de bovenzijde van het draadwerk. Vindt men +nu, bij het openen der woningen, waaraan men de bijen ontnemen wil, +dat er velen op de deuren zitten, dan steekt men deze met het eene +einde in het kastje, en veegt er alle bijen af, die zich dadelijk +naar voren zullen begeven, omdat zij daar licht zien invallen, en +dus meenen te kunnen ontsnappen. Zij zien zich hierin bedrogen, maar +ontdekken de gevangen moederbij, en verzamelen zich daar om heen. Men +herhaalt deze bewerking bij zoovele goed bevolkte woningen, tot dat +men meent een zwerm van voldoende sterkte te hebben. Mogten er op de +deuren niet genoeg bijen gevonden worden, dan neemt men haar ook van +de eerste tafels. Zoo als boven reeds gezegd werd, zijn de bijen in +dezen toestand allen eenigzins vreesachtig, en laten dus elkander +met rust. Evenwel is het voor alle zekerheid goed wat rook in het +kastje te blazen, of de bijen met muskuswater te besprenkelen. Daarna +wordt het gesloten en naar den verwijderden stand gebragt, waar men +de bijen in de voor haar bestemde woning overplaatst. + +Het ontnemen van bijen geschiedt het best gedurende de volle vlugt. Men +verkrijgt dan voornamelijk jonge, die zich met de broedverzorging +bezig houden, terwijl de meeste oudere, die reeds voorraad inhalen, +in den stok blijven. Door de vermoeidheid van de vliegende, en de +afwezigheid van vele bijen, heeft men dan ook de minste steken te +wachten. In den vroegen morgen en bij regenachtig weder onvermoeid +zijnde, zijn zij zeer steeklustig, en bij het vallen van den avond +willen zij vooral niet gestoord worden, maar geraken dan spoedig +in hevigen toorn. Neemt men voorliggende bijen, dan moet men zeer +op zijne hoede zijn. Men schept haar zeer bedachtzaam, onder het +langzaam maar aanhoudend toeblazen van rook, met een blanken ijzeren +lepel, steeds van onderen naar boven af; of twee personen nemen een +doek bij de punten en strijken haar, van onderen naar boven gaande, +daar in eens op af, schudden haar in een korf, die met een luchtig +kleed wordt gesloten en als zij tot rust gekomen zijn, voegt men +haar bij de overigen. Is het aantal voorliggende bijen niet groot, +dan late men haar liever met rust en neme bijen uit de woningen, +waarbij men weinig steken te vreezen heeft. + +Heeft men de gemaakte zwermen op een verwijderden stand gebragt, +dan geeft men haar terstond (zoo het reeds te laat op den dag was, +dan doet men dit den volgenden ochtend) een weinig verdunden honig, +waarna zij onverwijld zullen gaan voorspelen, en de nieuwe vlugt leeren +kennen. Is het weder gunstig, dan zullen deze zwermen dadelijk aan de +inzameling en den wasbouw beginnen, even als de natuurlijke. Indien men +op den stand, waar zij gebragt zijn, reeds meer stokken heeft staan, +die iets missen kunnen, dan kan men de zwermen, als zij soms wat zwak +zijn uitgevallen, een of twee broedtafels toevoegen; men kan deze +niet mede nemen, omdat zij door de zwaarte, gedurende het transport, +zouden afbreken. + +Kan men over geene moederbij beschikken, dan kan men zich ook van +onbedekt broed bedienen, om een kunstzwerm zamen te stellen; de +bijen verschaffen zich daaruit dan zelf eene koningin. In de tweede +groef van eene ledige woning hangt men daartoe eerst eene ledige +wastafel. Hiertegen hangt men twee tafels, welke broed van elken +ouderdom bevatten. Dan laat men nog eene verzegelde honigtafel en +twee ledige wastafels volgen. De bouw bestaat nu uit zes tafels. In +de onderste groef hangt men even zoo vele wastafels; bij gebrek van +heele neemt men strooken. In de woning brengt men nu een voldoend +getal bijen, die op bovengezegde wijze verkregen worden, en brengt +haar tegen den avond naar den verwijderden stand. Den volgenden morgen +opent men het vlieggat, en besprenkelt de bijen met verdunden honig, +waarna zij spoedig zullen voorspelen. Gedurende den nacht zullen +de bijen zich onderling bevriend hebben, en na het ontdekken van +hare moederloosheid, zullen zij terstond hulpcellen aanzetten. Kan +men over eene tafel beschikken, waaraan zich eene moedercel bevindt, +die spoedig eene jonge moederbij kan opleveren, dan hangt men deze den +tweeden of derden dag tegen de broedtafels. Nu aan moedercellen gewoon +zijnde, zullen de bijen deze meestal aannemen en bebroeijen, en dus +spoedig weder eene koningin bekomen, welke, gelukkig bevrucht rakende, +spoedig eene ruime nakomelingschap zal bezitten. Een paar dagen na +het geven der moedercel, moet men zien of de bijen haar bebroeijen en +dus aangenomen hebben, in welk geval men de hulpcellen moet wegnemen. + + + +Zoo als boven reeds werd opgemerkt, heeft men in de laatste jaren +middelen bedacht, om kunstzwermen zamen te stellen, zonder daartoe +een tweeden stand te behoeven. + +Dit kan geschieden door eene eenvoudige deeling van het volk +van een stok, die zwermgeregt is. Moet de zwerm een vak van eene +zamengestelde woning bewonen, dan plaatst men een stommeknecht bij +den te deelen stok; moet hij in eene enkelvoudige woning geplaatst +worden, dan zet men er deze naast. Het vlieggat der bevolkte woning +wordt gesloten, en de deur geopend, waarna men er een weinig rook in +blaast, hetgeen van tijd tot tijd herhaald moet worden, om de bijen +rustig te houden. Nu neemt men tafel voor tafel uit de woning, en +hangt haar in den stommeknecht, of in de andere woning over, intusschen +toeziende of men de moederbij ook ontdekt, want die moet bij den zwerm +komen. Heeft men den geheelen bouw uitgenomen, dan schept men alle +bijen voorzigtig over; de moederbij zal daar veelal onder zijn. De bouw +wordt nu verdeeld. Van de honig- en bloemenstof-tafels geeft men er +ieder evenveel, doch de broedtafels verdeelt men zoo, dat de oude stok +alle tafels verkrijgt, waarop zich ongedekt broed bevindt, en daarbij +ook zoo mogelijk ééne geslotene moederwieg; de overige moederwiegen +vernietigt men. Den zwerm geeft men al het bedekte broed en alle bijen, +met uitzondering van die, welke de tafels met ongedekt broed bezetten; +men moet goed toezien dat de koningin zich daar niet bij bevindt. + +Bij het inhangen van tafels begint men met eene die met bloemenstof +gevuld is, dan volgen de broedtafels, daarna zoo zij er zijn de +overige bloemenstoftafels, vervolgens de honigtafels en eindelijk de +ledige. Heeft men voor elken stok geen twee of drie ledige tafels, +dan moet men die aan andere stokken ontnemen, en zoo die haar niet +missen kunnen, dan kan men met strooken van tafels volstaan. + +De deur van de woning, waaraan de zwerm is ontnomen, wordt nu weder +gesloten en het vlieggat geopend. De omvliegende bijen kunnen er dan +weder intrekken. Den zwerm plaatst men nu waar men goedvindt; moet hij +een vak van eene zamengestelde woning bevolken, dan wordt hij daarin +overgeplaatst. Alle bijen, die reeds gevlogen hebben, zullen nu van +den zwerm naar den ouden stok terug vliegen. Daar gekomen missen zij +de koningin. Na eenig onrustig in- en uitvliegen getroosten zij zich +haar verlies en zetten, wanneer zij geene moedercel hebben, eene +of meer hulpcellen aan, waarna zij weder geregeld op de inzameling +gaan vliegen. Wordt de aangekweekte koningin gelukkig bevrucht, dan +is de stok spoedig weder in volle kracht. Daar er in de eerste dagen +weinig of geen broed te verzorgen is, zullen de bijen dan allen kunnen +vliegen, en dus veel voorraad opleggen zoo de dragt gunstig is. + +Met den zwerm is het anders gesteld. Hij heeft veel verloren, +maar daarentegen is hij in het bezit der vruchtbare moederbij, +die dadelijk met de eijerlage voortgaat. Ook heeft hij alle bijen, +die nog niet gevlogen hadden, behouden en hij heeft ook het broed, +dat op het uitkomen staat. In de eerste dagen, wanneer zij nog geen +broed te verzorgen hebben, spelen de bijen voor en gaan daarna op de +inzameling uit, en na eenigen tijd zal ook deze stok weder voldoende +bevolkt zijn, en geregeld voorraad kunnen inhalen. Mogt hij later +nog een zwerm willen afgeven, dan moet men trachten dit te beletten. + +Wanneer de woning, waaruit de zwerm genomen moet worden, zoowel als +die, waarin men hem wil plaatsen, eene enkelvoudige woning is, en +de vlieggaten in beide dezelfde hoogte hebben, dan kan de deeling +eenvoudiger geschieden. Men neemt uit de bevolkte woning twee of +drie tafels met ongedekt broed, en hangt deze met de bijen, die er op +zitten, in de ledige woning, toeziende dat de moederbij er niet bij +is, want deze moet in den ouden stok blijven. Tegen deze broedtafels +hangt men een paar honigtafels, en daartegen een paar ledige. Na in +de onderste groef staafjes met ledige wastafels, of strooken daarvan, +gehangen te hebben, zet men het verkleinplankje tegen het werk, en +sluit de woning. Men zet haar nu in de plaats van den ouden stok, +en plaatst dezen elders. Gedurende de twee eerste dagen vliegen de +bijen, die reeds gevlogen hebben, naar de nieuwe woning, zetten daar +uit het ongedekt broed (wanneer zich daar geene moedercel bij bevindt) +hulpcellen aan en hervatten hare bezigheden. Ook de oude stok begint +na twee of drie dagen weder te vliegen. Bij deze deeling geschiedt +hetzelfde als bij de vorige, maar nu wordt de oude stok verzet, +de moederbij wordt minder verontrust, en de deeling is spoediger te +bewerken. Op beide wijzen heb ik in de laatste jaren met het beste +gevolg kunstzwermen gemaakt. + + + +Door middel van broedtafels, die eene moedercel bevatten, kan men +ook kunstzwermen verkrijgen. Men hangt zulk eene tafel in de bovenste +groef der woning, hangt er nog eene tafel met ongedekt broed en eene +honigtafel tegen, en schuift nu in de bovenste groef nog drie, en in de +onderste zes staafjes, waaraan ledige wastafels, of strooken daarvan, +zijn bevestigd. Het verkleinplankje wordt tegen de staafjes geschoven, +nadat op de bovenste rij dekplankjes zijn gelegd. Dan sluit men de +woning en zet haar op de plaats van eene sterk bevolkte woning en zet +deze ergens anders. Men kiest hiervoor den middag, wanneer de meeste +bijen in het veld zijn. Deze en alle die de verplaatste woning reeds +vroeger verlaten hebben, vliegen naar de haar bekende plaats. Daar +eene vreemde woning vindende, zullen zij aanvankelijk onrustig heen en +weder vliegen, doch het gebeurde niet kunnende verhelpen, trekken zij +de woning binnen, stellen zich tevreden met hetgeen zij daar vinden, +en hervatten hare bezigheden. Soms kunnen de moedercellen haar niet +bevredigen; zij vernietigen die dan in de eerste opgewondenheid, en +daarna hare moederloosheid ontdekkende, zetten zij hulpcellen aan, +uit het voorhanden broed. Die de moedercel aannemen en bebroeijen, +zullen in weinige dagen eene jonge koningin hebben, en wordt zij +gelukkig bevrucht, dan zal de stok spoedig volkrijk worden. + +De verzette stokken behouden het broed en de jonge bijen, en na een +paar dagen hebben zij weder eene voldoende vlugt. Hadden zij reeds +moedercellen staan, dan vernietigen zij die gewoonlijk, na het verlies +van zooveel volk, waardoor het zwermen belet wordt. Maakten zij, +weder volkrijk geworden, nog eenige aanstalten tot zwermen, dan moet +men dit tegengaan, door de moederbij in een huisje besloten, tusschen +de tafels te hangen en de moedercellen weg te nemen. Is de moederbij +ouder dan twee jaar, dan neemt men haar weg, en laat ééne moedercel +in den stok terugblijven, waarvan hij eene jonge koningin verkrijgt. + + + +Het maken van kunstzwermen kan nog op verschillende andere wijzen +geschieden, doch er meer op te geven zou overbodig zijn. Ieder die +behoorlijk over de zaak nadenkt, en de natuurlijke eigenschappen +der bijen in het oog houdt zal, wanneer hij er den geschikten tijd +voor kiest, op allerlei wijzen kunstzwermen kunnen verkrijgen. Is +de theorie die men volgt goed, dan zal men zich nooit teleurgesteld +zien,--en toch zijn velen er tegen. Sommigen omdat het de natuurlijke +wijze om de stokken te vermeerderen niet is, anderen omdat zij het +met een ongunstig gevolg beproefden. De eersten zouden gelijk hebben, +indien de natuurlijke wijze altijd de spoedigste was, of indien zij ten +minste even spoedig tot het doel bragt als de kunstmatige. Dzierzon +zegt: "Wie op de natuurlijke wijze, dus te voet reist, zal een +geruimen tijd later aankomen dan een ander, die denzelfden weg met +een spoortrein, dus op eene kunstmatige wijze aflegt". De laatsten +zullen het mislukken gewoonlijk aan eigen verzuim te wijten hebben; +hetzij dat de tijd slecht gekozen was, of dat zij de zwermen en de +moederstokken niet behoorlijk in het oog hielden. Het kan heden het +gunstigste weder zijn, en morgen kan het omslaan, en vele dagen, +waarop de bijen volstrekt niet vliegen kunnen, kunnen elkander +opvolgen. Dan moet men, zoo noodig, de stokken met voeder te hulp +komen. De moederstokken, die van hunne koningin beroofd zijn, of de +zwermen, die er nog eene moeten aankweeken, moet men goed gadeslaan, om +te zien of de ontwikkeling der jonge moederbijen geregeld plaats heeft, +en of zij, de cel verlaten hebbende, van hare bevruchtings-uitvlugt +behoorlijk bevrucht terugkeeren. Ontdekt men dat hierin mislukking +heeft plaats gehad, dan kome men zulk een stok onmiddellijk te hulp, +door hem eene moederbij of geschikt broed te geven, en hem zoo hij +te sterk ontvolkt is, ook broedtafels toe te voegen, totdat men +verzekerd is dat de jonge moederbij met de eijerlage is begonnen, +zoodat door haar in de vereischte volksvermeerdering wordt voorzien. + + + + + +HET ROOVEN. + + +Het rooven is eene wezenlijke plaag voor den bijenhouder. Hoewel de +schuld daarvan ten deele bij de bijen ligt, zoo wordt het door de +onachtzaamheid van den bijenhouder bevorderd, en kan omgekeerd door +zijne zorg grootendeels worden tegengegaan. + +De onverzadelijke begeerte naar honig, de bijen door de natuur +ingeschapen, geeft aanleiding dat zij, in het veld niets meer vindende, +andere stokken trachten binnen te dringen om, zoo haar dit gelukt, +rijk met honig beladen naar hare woning terug te keeren. + +Heeft dit rooven slechts door enkele bijen plaats, dan noemt men +deze zoekers of schuimers, en hoewel men ook deze niet gaarne ziet, +toch vindt men hen het geheele jaar door. Zij zijn kenbaar aan de +kleine schermutselingen, waaraan men nu en dan enkele bijen voor +de vlieggaten ziet deelnemen. Zij onderscheiden zich ook door eene +onzekere en vreesachtige vlugt; terwijl de eigene bewoners regelregt +op de vliegplank aanvliegen, zich daarop plaatsen en terstond in de +woning gaan, blijven zij vreesachtig, met nederhangende achterpooten +voor de woning vliegen, zetten zich eindelijk beschroomd op de +vliegplank neder, en vliegen veelal ook weder met schrik af. + +Zijn de bijen van den bezochten stok waakzaam, dan zullen zij de +ongenoode gasten wel afwijzen, en er zullen geene nadeelige gevolgen +uit het bezoek voortvloeijen. Zijn zij integendeel niet op hare hoede, +zoodat het den zoekers gelukt binnen te dringen, zich met honig vol +te zuigen, en naar hunne eigene woning rijk beladen terug te keeren, +dan zal er voor den bezochten stok een zware strijd ophanden zijn, +die veelal met zijn ondergang eindigen zal, vooral indien het plaats +heeft, wanneer er in het veld niets te vinden is. De zoekers, die +rijk beladen in hunne eigene woning zijn teruggekeerd, zoeken den +ontdekten schat niet alleen weder op, maar brengen andere bijen mede, +die op hare beurt weder andere verlokken. Zij leggen alle vrees af, +en vliegen driftig en regelregt aan op het vlieggat en de andere +openingen, die er zijn mogten. Spoedig is het getal der roovers, +die den stok bevliegen, sterker dan zijn eigen volk. Met overhaasting +zuigen zij zich vol; met gevulde magen komen zij uit het vlieggat, en +zij vliegen af zonder zich lang op de vliegplank op te houden. Vat men +zulk eene bij, en opent men de honigmaag, dan kan men zich overtuigen +van de groote hoeveelheid honig, die zij met zich voert, en daarbij +het groot aantal roovers in aanmerking nemende, zal men zich niet meer +verwonderen over den spoed, waarmede een stok kan worden uitgeplunderd. + +In het bijzonder moet men zijne stokken gadeslaan, wanneer er eene +ruime weide volgt, op een tijd dat er geene dragt was. De bijen +vliegen begeerig naar de weide, zonder zich op de vliegplank op te +houden, en van deze gelegenheid trekken andere veeltijds partij, om +een roof-aanval te wagen. De rooverij kan in zulk een geval reeds eene +aanmerkelijke hoogte bereikt hebben, voor dat de beroofden bemerken, +wat er in hare huishouding omgaat. Zij zijn dan veelal niet meer in +staat om de moedig en sterk geworden roovers het hoofd te bieden; +door schrik bevangen, geven zij zich geheel over aan de vermetele +indringers. Nu komen de roovers in grooter en grooter wordende drommen +terug, en komt de bijenhouder den stok niet te hulp, dan dragen zij hem +spoedig geheel ledig. Niet zelden wordt de koningin van den beroofden +stok in de verwarring beschadigd of gedood. Het beroofde volk, hierdoor +geheel ontmoedigd, maakt dan dikwijls gemeene zaak met de roovers, +trekt met hen mede, en laat de woning met den ledigen bouw in den +steek. De eigenaar moet het evenwel zoo ver niet laten komen. Hij +moet zorgen dat er geene rooverij ontstaat, en is zij uitgebroken, +dan moet hij haar zoo spoedig mogelijk tegengaan. + +De aanleiding tot rooven moet dikwerf gezocht worden in de ligging +van den bijenstand. Moeten bijen van den eenen stand, naar de weide +vliegende, over een anderen stand trekken, dan lokt de honigreuk haar +niet zelden uit, den honig liever hier weg te nemen, dan hem op het +veld met moeite te verzamelen. Dit is zeker de hoofdreden, waarom +op den eenen stand zooveel en op een anderen slechts zelden rooverij +gepleegd wordt. De roovende stokken worden gewoonlijk rijk aan honig +en geven hunnen eigenaar goede renten. Nogtans zal de weldenkende +bijenhouder, die ongaarne ziet dat zijne stokken beroofd worden, +ook alle moeite aanwenden om hun het rooven te beletten. + +Meestal geeft de bijenhouder zelf aanleiding tot de rooverij, +door op den stand zwakke, ja zelfs moederlooze stokken te laten +staan. Deze verliezen door hun onnatuurlijken toestand, gene door +hunne ontoereikende bevolking, den moed om zich te verdedigen: +spoedig worden zij eene prooi der roovers, die door het goede gevolg +van hun aanval moedig geworden, hun rooflust niet opgeven, wanneer +deze stokken uitgeplunderd zijn. Veeleer trachten zij zich dan op +sterkere stokken te werpen, die een verdubbelden wederstand moeten +bieden, om de vermetel en sterk geworden aanvallen af te weren. Aan +zich zelven overgelaten, zullen zij hiertoe veelal niet in staat zijn, +en er zal spoedig eene algemeene rooverij ontstaan. + +Al wat rooverij kan veroorzaken, moet zorgvuldig vermeden worden. In +de eerste plaats zal men moeten letten op de vlieggaten. Elke +enkelvoudige woning, of elk vak van eene zamengestelde, mag er +slechts een of hoogstens twee hebben: in het laatste geval mogen +beiden slechts bij eene zeer rijke dragt geopend zijn. Reten, die +hier of daar toegang tot de woning konden geven, mogen er volstrekt +niet bestaan; worden zij hier of daar gevonden, dan moeten zij +met klei gesloten worden. De vlieggaten make men laag en breed, +opdat de roovers daar niet in de vlugt binnen kunnen dringen, maar +zich eerst op de vliegplank moeten zetten, waar zij gemakkelijker +worden aangevallen en teruggedreven. Ten tweede moet men alles van +den stand verwijderen, wat er honigreuk verspreiden kon; inzonderheid +in het voor- en najaar is dit noodzakelijk. Bij eene rijke weide zou +men op zijn stand misschien dagen lang honig laten staan, zonder er +eene enkele bij op te bespeuren; doch het nemen van zulke proeven +zal wel niet aan te raden zijn. Bij het voêren mag men op den dag +geene voeder-gereedschappen op den stand laten blijven, en bij het +besnijden zal men ook de wastafels met zorg moeten wegruimen. De reuk +zou de bijen naar deze voorwerpen lokken; in digte drommen er rond +zwermende, om er den honig uit te likken, zou haar rooflust opgewekt +worden, en men zou zijne zorgeloosheid zwaar kunnen boeten. Er zijn +wel verscheidene middelen om de rooverij, wanneer zij pas begonnen +is, tegen te gaan, maar het zal toch beter en voorzigtiger zijn haar +ontstaan te verhoeden. + +Men ontdekt de roovers door hunne buitengewoon sterke vlugt, door den +bijzonderen toon dien zij doen hooren, door hunne onrustige houding, +door het afhangen van hunne achterpooten, door dat zij het vlieggat +in de vlugt trachten binnen te dringen, en door dat zij de woning met +een sterk opgezwollen achterlijf verlaten; bij haar eigen volk heeft +juist het omgekeerde plaats. Zekerder evenwel dan aan een van deze +kenmerken, herkent men de roovers aan den tijd van hunne vlugt. Zij +beginnen reeds te vliegen, als de andere bijen nog in volle rust zijn, +en houden er lang mede aan, nadat deze het gestaakt hebben, veelal +tot het invallen der avondschemering. Het is dus goed zijne stokken +dagelijks tegen den avond te bezoeken. Vindt men alles in rust, dan +kan men zich ook verzekerd houden, dat er geene rooverij plaats heeft. + +De middelen, die men moet aanwenden om het kwaad, zoo dit ontdekt +is, tegen te gaan, hangen af van de hoogte waartoe het geklommen is, +van den aard der woningen, en van de omstandigheid, of men eigenaar +van beide stokken, den roovenden en den beroofden, dan slechts van +een van beiden is. + +Is het rooven pas begonnen, en is de aangevallen stok van eene koningin +en van een niet te klein volk voorzien, dan kan men het spoedig doen +ophouden. In de meeste gevallen zal men zijn doel bereiken, door +het vlieggat zoo te verkleinen, dat er slechts een of twee bijen te +gelijk door kunnen, en den ingang en den buitenwand der woning in +den omtrek er van, met stinkende stoffen in te wrijven, waartoe men +meestal duivelsdrek of knoflook gebruikt. Dzierzon geeft als het +beste middel op, om den angel, met de daaraan hangende giftblaas, +uit eenige afgestoken bijen, tegen het vlieggat stuk te wrijven. Ik +gebruik nu sedert een paar jaar brandige, dierlijke olie. Daarmede +bestrijk ik ook een kaartenblad, of een plankje, en bevestig dit +zoo tegen het vlieggat, dat de bijen zich op de vliegplank moeten +plaatsen, om in de woning te kunnen komen. Door dezen hinderpaal +en den stank afgeschrikt, laten de roovers af; de beroofde bijen, +door den stank boozer geworden, verdedigen zich ook beter. + +Veeltijds ziet men de beroofde bijen reeds niet meer aan tegenweer +denken, wanneer de rooverij nog maar kort heeft geduurd: zij laten de +roovers vrij uit- en ingaan. Dit moet daaraan worden toegeschreven, +dat allen denzelfden reuk hebben verkregen, zoodat zij geen vriend +of vijand kunnen herkennen. Velen raden aan den beroofden stok en den +roofstok dan onderling van plaats te verwisselen. Dit kan zonder gevaar +geschieden, daar er geene vechterij door zal ontstaan, maar de bijen +elkander wederkeerig zullen verdragen. Zelden zal men er evenwel baat +bij vinden. Gewoonlijk wisselen de rollen slechts: de roover wordt +de beroofde en omgekeerd.--In de Bienenzeitung wordt opgegeven, den +beroofden stok in zulk een geval een muskusreuk mede te deelen. Dit +geschiedt door 's avonds, wanneer alle vlugt heeft opgehouden, en alle +roovers naar hunne eigene woning zijn teruggekeerd, een paar grein +muskus, in papier gevouwen, onder in de woning te leggen. Den volgenden +morgen neemt men het papier met muskus weder weg, en bewaart het in +een goed gesloten fleschje; het kan dan jaren tot hetzelfde doel +worden gebruikt. Het beroofde volk heeft nu een sterken, vreemden +reuk verkregen, en daardoor boosaardig geworden, zal de vroegere +verdraagzaamheid geëindigd zijn. De toevliegende roovers worden door +den vreemden reuk afgeschrikt en vreesachtig, waardoor zij veeltijds +worden afgeslagen, en van verder rooven afzien. Het doelmatige van +deze behandeling heb ik ondervonden. Wanneer de rooverij te sterk is +toegenomen, helpt het evenwel niet; de roovers laten zich dan door +niets meer afschrikken. + +Het is beter en zekerder tevens, om een der stokken op een verwijderden +stand te brengen, en hem daar eenigen tijd te laten staan. Het hangt +van omstandigheden af, welken stok men bij verkiezing verplaatsen +moet. Is de beroofde stok tevens slecht bevolkt, dan kan men hem bijen +toevoegen of een gedeelte der roovers opvangen. Dit geschiedt door +een buisje van drie of vier duim lang, in eene schuinsche rigting zoo +in het vlieggat te steken, dat het uiteinde ten minste een paar duim +binnen de woning doorsteekt. Dit buisje moet het vlieggat niet geheel +sluiten, maar aan de kanten openingen vrij laten, waar licht door valt, +doch die te klein zijn om eene bij door te laten. De bijen kunnen +nu wel in de woning gaan, maar den uitgang kunnen zij niet vinden, +want zij zoeken dien daar, waar zij het licht zien. Meent men aldus +genoeg bijen opgevangen te hebben, dan brengt men den stok naar den +verwijderden stand. Hij is dan voor verdere aanvallen gevrijwaard en +tevens versterkt; men heeft hem dus dubbel voordeel aangebragt. Was +het evenwel te vreezen dat de roover zich, na de verplaatsing van +den beroofden stok, op de nevenstokken zou werpen, en dat deze geen +behoorlijken wederstand zouden kunnen bieden, dan deed men beter +den roover te verplaatsen. Daar het echter gevaarlijk kon zijn om +in den zomer eene volbouwde woning te vervoeren, en de roover zich +ook in eene zamengestelde woning kon bevinden, zoo is het beste +hem als kunstzwerm af te drijven, en zoo naar een anderen stand te +brengen. Aan de weinige bijen, die dan in de woning terug blijven, +voegt men een anderen afgedreven zwerm toe, om te zamen een nieuwen +stok te vormen. Men heeft op deze wijze het rooven doen ophouden en +bovendien nog een stok gewonnen, die, zoo de dragt nog eenigen tijd +blijft aanhouden, nog genoeg kan binnenhalen. + +Behoort de roofstok echter aan een ander, die geene pogingen +wil aanwenden om het rooven tegen te gaan, of kan men hem niet +ontdekken, dan moet men, door nood gedrongen, de roovers zoo veel +mogelijk opvangen, hen aan een zwakken stok geven en dezen dan +verplaatsen. Het vereischt geen betoog, dat de billijkheid medebrengt, +dat men het rooven van zijne bijen evenzeer tegengaat, als het beroofd +worden. Wederkeerig zal men ook beter gebaat zijn, door elkanders +eigendom zoo veel mogelijk te eerbiedigen, dan door de bijen tot +handlangers te gebruiken, om zich vreemd goed toe te eigenen. Dan +zou men er toch van beide zijden door wraakzucht toe geleid worden, +om middelen te bedenken, waardoor men elkander de geleden verliezen +kon betaald zetten, wat voorzeker voor geen der partijen wenschelijk +zou zijn. + +Boven werd reeds een middel opgegeven om de roovers op te vangen. Dit +kan ook op de volgende wijze geschieden. Men neemt de beroofde woning +weg en zet er eene ledige, die haar gelijkt, voor in plaats. In +die ledige woning hangt men eene tafel, waarin de honig versuikerd +is; bij gebrek daarvan kan men ook eene ledige wastafel, met hard +geworden honig besmeren. Daar de bijen dezen honig niet gemakkelijk +kunnen inzuigen, zoo zullen er zich na eenigen tijd verscheidene +op die tafel verzameld hebben. Men neemt haar dan uit de woning, +en schudt de bijen daar af in een transportkastje. Dan hangt men de +tafel weder in de woning, en herhaalt dezelfde bewerking zoo dikwijls, +tot dat men eene voldoende hoeveelheid roovers heeft opgevangen, en +er weinig of geen meer binnen komen. De roofstok wordt op deze wijze +zoo verzwakt, dat alle verdere lust tot rooven hem wel zal benomen +zijn. Kent men hem, dan kan men nog een handvol klein gesneden stroo +of houtkrullen in zijn werk werpen, waardoor men het overgebleven volk +zooveel bezigheid verschaft, met het uitdragen van deze onreinheden, +dat zij aan geen rooven meer denken kunnen. + +Bij het afschudden der tafel in het transportkastje, zouden er al +ligt vele bijen ontsnappen, indien men geene voorzorgen nam, om dit +te voorkomen. + +Men neemt een blikken kokertje, van 4 duim diep, met eene opening, +welke 3 duim breed is, terwijl hare lengte gelijk moet zijn aan de +breedte van het kastje. Aan het eene uiteinde wordt de rand van dit +kokertje omgebogen, en een gemakkelijk daarin sluitend deksel wordt +er bij gemaakt. De van het draadwerk meest verwijderde schuif van het +kastje opent men zoover, dat dit kokertje tusschen de beide schuiven +geplaatst kan worden: op den omgebogen rand rustende, kan het niet +naar binnen vallen. Aldus plaatst men het kastje, met het draadwerk +naar het licht gekeerd, bij de woning. Schudt men er bijen in af, dan +zullen deze terstond naar voren vliegen, en zich tegen het draadwerk +verzamelen, zoodat er slechts weinige ontsnappen. Telkens als er +bijen in het kastje gedaan zijn, sluit men de opening weder. + +Het kan soms moeijelijk zijn om den roofstok te ontdekken. Geschiedt +de rooverij door bijen van denzelfden stand, dan ontdekt men hem, +zoo als dat voor den beroofden stok werd opgegeven, aan de late +vlugt. Midden op den dag, als alle stokken vliegen, is het soms +moeijelijk te zien. Dan is het best om het vlieggat van den beroofden +stok eenigen tijd te sluiten, tot dat er zich een klomp bijen voor +verzameld heeft. Deze bepoedert men dan sterk met meel of krijt, +en ziet toe waar zij binnengaan. Ook kan men de standplaats van den +roofstok eenigzins afleiden, uit de rigting, waarin de roofbijen +afvliegen; gewoonlijk vliegen zij er regt op aan. Bevindt de roover +zich niet op den stand, dan moet men bij zijne buren opletten of +daar ook witte bijen aankomen, of dat er een stok is, die laat in den +avond vliegt, en welks bijen, in de rigting van den beroofden stok, +op hare woning toevliegen. Kan men op deze wijzen niet te weten komen, +waar de roovers te huis behooren, dan moet men er eenige opvangen, +en op eenigen afstand van den bijenstal er enkele laten vliegen. De +rigting, waarin zij wegvliegen, moet men goed waarnemen. Van tijd +tot tijd laat men er weder eenige vrij, welke allen denzelfden koers +zullen kiezen. Hierdoor zal men den roofstok meestal kunnen ontdekken. + + + + + +DE MOEDERLOOSHEID. + + +De wijzen, waarop een stok zijne moederbij kan verliezen, zoodat hij +moederloos of zoo als sommigen zeggen ongeregt wordt, zijn veelvuldig, +en er gaan dan ook jaarlijks vele stokken door dit verlies te gronde. + +Verliest een stok zijne moederbij op een tijd, dat er geen ongedekt +broed aanwezig is, dan kan hij zijn verlies niet herstellen. Had hij +ongedekt broed, maar kwam eene daaruit aangekweekte moederbij op hare +bevruchtings-uitvlugt om, dan zou er geen broed meer zijn, dat geschikt +was om nieuwe hulpcellen aan te leggen. Kweeken zij eene koningin aan, +op een tijd dat er geene mannetjes zijn, om haar te bevruchten, zoodat +de stok hommelbroedig wordt, dan is hij er nog veel erger aan toe, +dan wanneer hij moederloos is. Het zal dus van veel belang zijn aan te +toonen, waaraan een moederlooze of hommelbroedige stok te herkennen +is, hoe zijn gebrek hersteld kan worden, en hoe het ontstaan van dit +gebrek kan worden voorkomen. + +Een stok kan zijne moederbij missen en toch broed, maar alleen +hommelbroed, bevatten. Dit kan veroorzaakt worden door dat eene werkbij +de taak der koningin heeft op zich genomen, en eijeren legt. Indien +er hommelcellen aanwezig zijn, dan vindt men deze vooral met eijeren +bezet, want de werkbij kan, met hare lange vleugels en haar kort +achterlijf, moeijelijk eijeren in de kleine cellen leggen. Zij doet +dit evenwel toch, wanneer er geene hommelcellen zijn, doch bezet haar +dan ongeregeld, verscheidene, soms geheele hoopjes eijeren in eene +cel leggende, die dan niet tegen den bodem, maar tegen den kant der +cel geplaatst zijn. Ook in moedercellen legt de werkbij eijeren. Deze +cellen komen in moederlooze stokken veel voor, waarschijnlijk omdat +de bijen, door het gemis dat zij gevoelen, tot het aanleggen daarvan +worden opgewekt. Een stok, die zeer veel begonnen moederwiegen +bevat, moet als zeer verdacht beschouwd worden. Verkeert een stok in +het hier beschreven geval, dan is hij moeijelijk, veeltijds in het +geheel niet te helpen. De bijen hechten zich soms zoo sterk aan eene +leggende werkbij, dat zij geen acht slaan op het broed, dat men haar +geeft, om er eene hulpcel uit aan te zetten, ja eene moedercel, die +men haar heeft gegeven, vernietigen en zelfs eene haar toegevoegde +moederbij ombrengen; wanneer zij haar echter aannemen dan houdt de +werkbij met leggen op. Zulk een stok met een anderen te vereenigen +is gevaarlijk, daar veelal de moederbij zal worden omgebragt. Er de +leggende werkbij uit te vangen gaat niet. Het best is den stok te +dooden, en zijn voorraad in veiligheid te brengen, want de pogingen +tot herstel worden zelden met een goed gevolg bekroond. Eens gelukte +het mij zulk een stok weder in zijn normalen toestand terug te brengen, +door er een kleinen nazwerm bij te voegen. + +Bezit een stok eene onvruchtbare moederbij, die hommelbroedig is, +dan legt deze hare eijeren regelmatig in werkbijencellen, want zij +tracht werkbijeneijeren te leggen, doch is daartoe niet in staat. Aan +de regelmatige of onregelmatige afzetting der hommeleijeren, kan men +dus ontdekken of zij van eene koningin, of van eene werkbij komen. De +koningin kan het vermogen om werkbijeneijeren te leggen soms in het +geheel niet bezeten hebben, doordat zij van hare geboorte een gebrek +aan de vleugels had, dat haar het houden der bevruchtings-uitvlugt +onmogelijk maakte; of doordat zij op een tijd geboren werd, dat het +weder te ongunstig was om te vliegen, terwijl dat later, toen het +weder gunstiger geworden was, hare geslachtsdrift was uitgedoofd; of +ook wanneer zij aangekweekt is, nadat alle hommels reeds verdreven +zijn. Hare vruchtbaarheid kan ook uitgeput zijn; dit zal spoedig +geschieden, wanneer de paring slechts onvoldoende heeft plaats gehad, +zoodat het bevruchtingsblaasje slechts gedeeltelijk gevuld was; +doch door de drukke eijerlage moet eindelijk het zaadblaasje toch +geledigd worden. Niet zelden treft men moederbijen aan, die door groote +vruchtbaarheid hebben uitgemunt, maar die toch eindelijk hommelbroedig +zijn geworden. Dr. Dönhoff ontdekte, dat men eene vruchtbare moederbij, +zonder haar leven te benadeelen, het vermogen om vrouwelijke eijeren +te leggen kan benemen, door het onderste gedeelte van het achterlijf +te drukken. Voor de zuivere voortteeling der Italiaansche bijen, kan +deze ontdekking van veel belang zijn, omdat zij het middel aan de hand +geeft, om op buitengewone tijden hommels te verkrijgen. Ook bemerkte +men toevallig, dat volkomen vruchtbare moederbijen hommelbroedig +worden, wanneer zij te lang door koude verstijfd zijn geweest. De +proef, door Berlepsch hieromtrent genomen, bevestigde dit. Hij bragt +drie gezonde, vruchtbare koninginnen in een ijskelder; na eenige uren +in de warmte gebragt zijnde, herleefde er slechts eene, die nu geen +enkel werkbijenei meer legde. De jonge moederbijen, die onbevrucht +blijven, leggen gewoonlijk den eersten zomer niet, maar beginnen, +in het volgende voorjaar, bij het ontwaken der voortplantingsdrift, +hommeleijeren te leggen. + +Bleef hij aan zich zelven overgelaten, dan zou de moederloosheid van +een stok altijd zijn ondergang na zich slepen, en toch heeft zij in +de meeste gevallen weinig te beteekenen, wanneer zij maar spoedig +ontdekt wordt, zoodat zij verholpen kan worden. Naar den tijd van het +jaar, moeten daarvoor verschillende wegen worden ingeslagen. Men kan +den stok, door hem ongedekt broed te geven, of hem eene voorhanden +moederbij toe te voegen, weder in normalen staat brengen of hem ook +helpen, door hem met een anderen stok te vereenigen. Kan of wil men +hem niet helpen, dan mag hij in geen geval op den stand gelaten worden; +men moet hem dooden, en zijn voorraad zoo spoedig mogelijk in zekerheid +brengen; deed men dit niet, dan zou de voorraad òf nutteloos verteerd +worden, òf hij zou eene prooi der roofbijen worden, die, eenmaal tot +rooven opgewekt zijnde, zich ook op andere stokken zouden werpen. + +Het is dus van het hoogste gewigt te weten, waaraan een moederlooze +stok te herkennen is. Het zekerste en duidelijkste bewijs van het +verliezen der moederbij is de onrust, die het geheele volk bevangt, +kort nadat het zijn verlies bemerkt heeft. Gewoonlijk ontdekken de +bijen het dadelijk, maar bij uitzondering ook wel den volgenden of den +tweeden dag. Men ziet dan eene menigte bijen uit het vlieggat komen; +sommigen vliegen af, maar niet in die rigting, waarin zij op de dragt +uitvliegen; zij vliegen slechts rond de woning en komen weder terug; +anderen loopen over de geheele woning, vooral in den omtrek van het +vlieggat, heen en weder, als of zij iets zochten, zij betoonen groote +onrust, gaan de woning weder binnen, doch komen terstond terug, en +herhalen dit onafgebroken, zelfs totdat het reeds donker wordt, en alle +andere stokken in rust zijn. Deze zoekende bijen zijn zeer geneigd tot +steken; komt men er digt bij, dan vliegen zij plotseling in het gezigt. + +Het angstig heen en weder loopen in den laten avond van warme +zomerdagen, heeft soms een geheel anderen grond dan moederloosheid, en +de onkundige kon hierdoor al ligt misleid worden. Evenwel zal men dan +spoedig ontdekken, dat het eene andere oorzaak heeft, daar men het, +zoo al niet bij alle, dan toch bij de meeste stokken waarneemt. In +dit geval houden zij zich bezig met het afweren van wasmotten, die in +de avondschemering, na warme dagen, in groote hoeveelheden omvliegen, +en in de woningen trachten te dringen. + +Om moederlooze stokken zoo spoedig mogelijk te ontdekken, moet +men zijn stand, vooral in den zwermtijd, alle avonden bezoeken, +want de onrust, die zij betoonen, is een onbedriegelijk teeken, dat +evenwel veelal maar kort is waar te nemen; wanneer zij eenmaal de +zekerheid verkregen hebben, dat hare moederbij verloren is, dan zijn +de bijen gewoonlijk in haar lot getroost, waarna men geene onrust meer +bespeurt. Dan wordt het moeijelijk, vooral voor eerstbeginnenden, om +den waren toestand van den stok te leeren kennen. Het terugkeeren der +rust kan het gevolg zijn van het aanzetten van hulpcellen, uit broed +dat voorhanden was; in woningen met lossen bouw kan men zich daarvan +terstond overtuigen. Maar de bijen zullen ook tot rust komen, en hare +bezigheden hervatten, als of zij eene moederbij hadden, indien zich +slechts eene enkele werkbij in den stok bevindt, die de cellen met +eijeren bezet. Ook zullen zij zich tevreden stellen met moedercellen, +aangelegd van geheel ledige of slechts hommelbroed bevattende cellen, +in de hoop dat daaruit eene koningin zal geboren worden. Eijerleggende +werkbijen zijn niet zoo zeldzaam, als men dit wel zou denken; +in moederlooze stokken vindt men immers, in de meeste gevallen, +na korter of langer tijd, hommelbroed, en soms in zoo ruime mate, +dat het onmogelijk van ééne bij afkomstig kan zijn. Het gebeurt ook +wel dat eene werkbij eijeren begint te leggen, zoodra de bevruchte +moederbij met den zwerm is afgevlogen; zij houdt daarmede aan, zoo +lang de stok nog slechts moederwiegen bezit, of de jonge koningin +nog niet bevrucht is; wanneer deze echter met de eijerlage begint, +dan houdt de werkbij er mede op. + +Een tweede kenmerk van een moederloozen stok bestaat daarin, +dat als men de woning opent, kort nadat de moederbij verloren is, +men de bijen langs de wanden en over het werk verspreid zal vinden, +waar zij, zoekende heen en weder loopen. Blaast men er den adem op, +dan doen zij een bijzonderen, huilenden klaagtoon hooren, zeer goed +te onderscheiden van den korten, krachtigen, bruisenden toon, dien +een gezond volk doet hooren, als men slechts even tegen zijne woning +tikt. Wie die toonen naauwkeurig weet te onderscheiden, behoeft de +woning niet te openen. Hij legt het oor tegen den wand en tikt daar met +den vinger tegen. Is de stok gezond, dan zal hij een sterk, bruisend +geluid doen hooren, dat terstond weder verstomt; is hij moederloos, +dan zal het een huilende toon zijn, die eenigen tijd aanhoudt. Door de +stokken, bij het einde van den winter, voordat men hen laat vliegen, +aldus te onderzoeken, kan men de gezonde gemakkelijk onderscheiden +van die, welke als verdacht in het oog gehouden moeten worden. + +Heeft de moederlooze toestand evenwel reeds eenigen tijd geduurd, +dan zal men bij het onderzoek de bijen geheel in het broednest +teruggetrokken vinden. Blaast men er nu den adem op, dan komen zij +met drift te voorschijn, en doen het huilende geluid hooren, daarop +trekken zij terstond terug, en niet eene bij zal aan vliegen of steken +denken. Als gezonde stokken eene sterke vlugt hebben, dan zal de hare +traag zijn; wel komen er eenige met bloemenstofballetjes te huis, +maar deze zijn zeer klein; zij gaan wel in de woning, doch leggen +alle balletjes niet af, maar komen er terstond weder mede terug en +vliegen af. Zijn de moederlooze stokken volkrijk, en bezitten zij +eene eijerleggende werkbij, dan dragen zij soms eene belangrijke +hoeveelheid bloemenstof in, zoodat zij er het geheele broednest bijna +mede vullen. Bij ruime weide kunnen zij dan ook veel honig opleggen; +want daar de bijen het er voor houden dat zij eene moederbij bezitten, +zoo vervolgen zij al hare bezigheden, en kunnen, nu zij slechts weinig +broed te verzorgen hebben, veel honig inzamelen. + +De bijen, uit moederlooze stokken, vervliegen veelal op andere stokken, +en er zijn bijenhouders die veronderstellen, dat zij er zich op +toeleggen, om hare verlaten woning te berooven, en ook andere bijen +daarheen te lokken; dit zou dan de reden zijn, dat moederlooze stokken +zoo spoedig door roovers worden uitgeplunderd. Deze veronderstelling +kan zeer juist zijn. + +Een derde teeken van moederloosheid is het niet uitdragen van dooden +en andere onreinheden, hetgeen gezonde stokken altijd doen. Zoodra de +moederloosheid bestaat, onttrekken de bijen zich aan alle bezigheden: +zij bekommeren zich niet meer om de huisselijke zaken. Bij gezonde +stokken ziet men, zoowel bij dag als 's avonds, vele bijen aan het +vlieggat vereenigd, om de zonnewarmte of de avondkoelte te genieten, +terwijl eenige, met den kop naar het vlieggat en het achterlijf +naar boven gerigt, als een teeken van vreugde onophoudelijk met de +vleugels slaan. Bij moederlooze stokken ziet men van dit alles niets; +alle vreugde is van hen geweken; ook houdt het voorspel spoedig geheel +op. Terwijl gezonde stokken zich uiterlijk in het begin van Augustus +van alle hommels ontdoen, zoo behouden de moederlooze hen, zonder +aan de uitdrijving te denken, waarschijnlijk omdat zij weten geene +bevruchte moeder te kunnen bekomen, wanneer er geene mannetjes in den +stok zijn. Bij hunne eigene nuttelooze kostgangers, bedelen zich ook +nog eene menigte hommels in, die uit andere stokken verdreven werden, +om gezamenlijk op den steeds verminderenden voorraad te teren. Wanneer +dus een stok in het laatst van Augustus de hommels nog niet heeft +uitgedreven, dan moet men hem in het oog houden, en duldt hij die in +September nog, dan kan men verzekerd zijn dat hij moederloos is. + +Blijft men, ondanks de opgegeven kenmerken, in het onzekere omtrent +een stok, dan moet men tot het laatste en meest afdoende middel zijne +toevlugt nemen, en trachten te ontdekken of zich werkbijenbroed in +den stok bevindt. Ontdekt men eijeren en broed van verschillenden +ouderdom, dan mag men als zeker aannemen, dat de stok eene goede +moederbij bezit. Vindt men geene eijeren, doch wel ongedekt broed, +dan kan men zich overtuigd houden dat de koningin in de laatste drie +of vier dagen vermist is; wanneer er nog hommels zijn, behoeft men zich +over het verlies niet te verontrusten, want zoo er nog geene hulpcellen +zijn aangezet, dan zullen de bijen het zeker den eerstvolgenden nacht +doen. Is er niets dan gedekt broed, dan moet de moederbij reeds sedert +acht dagen verloren zijn, en hadden zij geene hulpcellen aangezet, +dan moeten zij moederloos blijven. Wordt er in het geheel geen broed +gevonden, dan heeft de moederloosheid ten minste reeds twintig dagen +bestaan, wanneer het namelijk in een tijd is, dat de stokken broed +moeten hebben. + +Het hier opgegeven onderzoek geschiedt in Dzierzon's woningen zeer +gemakkelijk, doch bij korven heeft het eenig bezwaar. Men moet deze +omkeeren en de tafels met de hand zooveel mogelijk uit elkander buigen, +er de zon zoo zij schijnt tusschen doen vallen, en dan trachten te +zien, hoe het met het broed gesteld is. Daar het broed evenwel in zulke +twijfelachtige gevallen alleen in den top van den korf staat, zoo moet +men veeltijds de tafels tot op de zitplaats der bijen inkorten, en zoo +het oogmerk dan nog niet bereikt wordt, dan moet men uit de zitplaats +zelve vierkante stukjes snijden, en die zorgvuldig bezien. Ontdekt +men er het verlangde broed in, dan is de stok in orde, men steekt +de uitgesneden stukjes weder op hunne plaats, en bevestigt hen met +kleine pennetjes; in het omgekeerde geval is de stok moederloos. + +De hoofdoorzaken der moederloosheid zijn: + +1o. Dat de moederbij, ten gevolge van hoogen ouderdom komt te +sterven. Door haar niet ouder dan twee of hoogstens drie jaar te +laten worden, neemt men deze oorzaak weg. + +2o. Het te digt bij elkander plaatsen der stokken, zoodat de bijen bij +het voorspel, en vooral bij het eerste in het voorjaar, gemakkelijk op +de nevenstokken vervliegen, en de haar vreemde koningin ombrengen. Ook +verdwalen hierdoor vele jonge koninginnen, na het houden van hare +bevruchtings-uitvlugt, die nu eene prooi des doods worden, en dus +voor hare stokken verloren zijn. Men moet de vlieggaten ten minste +twee voet van elkander verwijderd houden. Ook zou het goed zijn, +tusschen naast elkander staande woningen, eene vooruitstekende +plank aan te brengen; de bijen konden dan niet zoo gemakkelijk van +de eene woning op de andere loopen. Heeft men vele stokken en weinig +plaats, dan is men wel genoodzaakt de woningen digt bij elkander te +zetten. Het overloopen van de eene woning op de andere wordt dan het +best voorkomen, door er een haarachtig voorwerp tusschen te plaatsen; +zij keeren daarvoor terug. Ik gebruik er wel strooken konijnenvel +toe. Gedurende den zwermtijd moet men, tusschen twaalf en vier ure, +niet de minste verandering aan de woningen aanbrengen, en er ook niet +te digt voor staan of heen en weder loopen. Eene jonge moederbij, die +hare bevruchtingsuitvlugt hield, kon door het eerste hare woning niet +meer herkennen, of door het laatste verhinderd worden haar te bereiken. + +Heeft men de moederloosheid met zekerheid ontdekt, dan moet men +trachten haar zoo spoedig mogelijk te herstellen. In het vroege +voorjaar is dit zeer moeijelijk, want men heeft dan geene overtollige +moederbijen, en gaf men de bijen eene tafel met ongedekt broed, +dan komt de jonge koningin, wanneer zij er eene aankweeken, op een +tijd dat er nog geene hommels zijn, om haar te bevruchten. Ook zou de +jonge moederbij, op hare vele nuttelooze uitvlugten, zeer ligt door de +koude bevangen worden en omkomen, of ontmoedigd door hare vergeefsche +togten, het vliegen geheel nalaten, en dus onbevrucht blijven, +waardoor de stok hommelbroedig kon worden. Wanneer de moederloosheid +ontdekt wordt, vóórdat er nog hommelbroed in de stokken te vinden is, +dan doet men het best met de bijen uit de woning te nemen, en haar +aan den nevenstok toe te voegen, na vooraf beide volken berookt, en +met muskuswater besprenkeld te hebben. Bewaart men den nu ledigen +bouw zorgvuldig voor wasmot, dan kan men hem later aan een zwerm +toevoegen. Bevindt men echter den moederloozen stok hommelbroedig, +en dat niet door eene werkbij, dan kan men de ongeschikte koningin +vinden, door den bouw uit te nemen en haar op de tafels te zoeken; bij +korven moet men de bijen bedwelmen en haar dan zoeken. Is de koningin +weggenomen, dan kan men de bijen met den nevenstok vereenigen. Is +men verzekerd dat het hommelbroed van eene werkbij is gekomen, dan +kan, zoo als boven reeds werd opgegeven, niets beters gedaan worden, +dan den stok te dooden en den voorraad er uit te nemen. + +Ontdekt men de moederloosheid in een tijd, dat er hommelbroed aanwezig +is, dan kan men ongedekt broed geven, waaruit de bijen zich eene +koningin kunnen aankweeken. Heeft de moederloosheid reeds eenigen +tijd bestaan, dan zullen de bijen aan haar onnatuurlijken toestand +reeds zoo gewend zijn, dat zij het broed wel verzorgen, maar er geene +hulpcellen uit aanzetten. Men moet daarom eerst een of twee tafels, +met op het uitloopen staand broed in de woning hangen, en zoodra het +broed uitgeloopen is, er eene tafel met ongedekt broed bijvoegen. De +jonge bijen zullen, als zij haar toestand ontdekt hebben, terstond +hulpcellen aanleggen. In den regel is het evenwel voordeeliger zich +zooveel moeite niet te geven, want in het gunstigste geval verloopen +er nog zes weken, voordat het broed van de jonge moederbij uitloopt, +en dan is de dragt dikwerf grootendeels verstreken. Men zal zijn belang +meer bevorderen, door de bijen met een anderen stok te vereenigen, +waardoor men een volkrijken stok verkrijgt, die spoedig een sterken +zwerm kan geven. + +Kort voor of in den zwermtijd, zal een stok die moederloos geworden is, +zichzelven gewoonlijk helpen, wanneer er ten minste ongedekt broed +voorhanden is. In den zwermtijd heeft er ook dikwijls verwisseling +van moederbijen plaats, zonder dat de eigenaar dit bespeurt. + +Ontstaat er moederloosheid bij een nazwerm, door dat de moederbij +op hare bevruchtings-uitvlugt is verloren gegaan, dan moet de stok, +die volstrekt geen broed bezit, noodzakelijk omkomen, zoo men hem +geene hulp verschaft. Zulk een zwerm moet men dan dadelijk eene +moederbij geven, die voor de zekerheid in een moederhuisje besloten +wordt; men kan hem ook eene moedercel, of bij gebrek daarvan eene +tafel met ongedekt broed toevoegen. Had men soms een nazwerm van +denzelfden dag, die dus nog niet gevlogen had, dan was het best van +allen, dezen bij den moederloozen zwerm te voegen, na beide eerst met +muskuswater besprenkeld te hebben. Men verkrijgt nu een sterken zwerm, +die spoedig eene bevruchte moederbij zal bezitten. Om de nazwermen +in de gelegenheid te stellen, dadelijk zich zelf te kunnen helpen, +wanneer de moederbij verloren raakt, is het aan te bevelen bij hunne +opzetting eene tafel met ongedekt broed in de woning te hangen; +zij nemen de woning dan ook gereeder aan. + +Valt de moederloosheid in, wanneer er geene hommels meer zijn, +zoodat eene aangekweekte koningin onbevrucht zou moeten blijven, dan +heeft men geene andere toevlugt, dan het geven van eene bevruchte +moederbij, welke men daarom zorgen moet in voorraad te hebben. Men +zet daartoe drie of vier kleine nazwermen afzonderlijk, of maakt +er kleine kunstzwermen voor. In bloempotten of zeer kleine korfjes +kan men deze opzetten, wanneer men slechts zorg draagt hen goed +te voêren. In den herfst kan men altijd helpen, want men heeft dan, +bij de vereeniging van stokken, moederbijen genoeg. De moederbij, die +men aan een stok geeft, moet vooral in den zomer in een moederhuisje +besloten worden, daar zij anders meestal vijandelijk aangevallen en +gedood zou worden. Na een paar dagen in het broednest gehangen te +hebben, laat men haar vrij, doch houdt haar tevens in het oog. Wordt +zij met vreugde en liefde aangenomen, hetgeen de bijen toonen door +haar te lekken en te voêren, dan kan men gerust zijn. Verzamelen de +bijen zich daarentegen al digter en digter om haar, en doen zij daarbij +een sissend geluid hooren, dan kan men zich verzekerd houden dat zij +geene goede bedoelingen hebben; men moet dan de koningin zoo spoedig +mogelijk van de haar omringende bijen bevrijden, en haar weder in het +huisje plaatsen. Men hangt dit nu nog eenige dagen in het broednest, +en als men de moederbij vrij wil geven, sluit men de opening met +een wasblaadje, dat de bijen openbijten om haar dus te bevrijden. Op +die wijze nemen de bijen haar meest altijd aan; waarschijnlijk in de +veronderstelling dat zij haar zelf aangekweekt hebben. In den herfst +is het opsluiten der moederbij minder noodig, daar zij dan gewoonlijk +vreedzaam wordt aangenomen. Er zijn zelfs voorbeelden van dat zij twee +koninginnen aannamen, die den geheelen winter in den stok bleven. In +het voorjaar wordt echter eene van beiden afgemaakt. + + + + + +DE ZIEKTEN. + + +De bijen zijn, even als alle dieren, aan ziekten onderhevig. De +gevaarlijkste, te weten, de loop, de vuilbroed en de meiziekte +of dolheid, zullen hier slechts behandeld worden; want de overige +zoogenaamde ziekten bestaan, òf alleen in de verbeelding, òf hebben +zeer weinig te beteekenen en herstellen weder van zelven, zonder +eenig nadeel aangebragt te hebben. + + + +DE LOOP. + +De loop ontstaat hoofdzakelijk tegen het einde van den winter, +wanneer de bijen, door lange en aanhoudende koude, verhinderd zijn +om uit te vliegen, en zich van haar vuil te ontlasten. Dit hoopt +zich dan in hare ingewanden op, en eindelijk zijn zij genoodzaakt +het te laten vallen, waardoor zij niet alleen de woning en den bouw +bevuilen, maar zich ook onderling verontreinigen. Het laatste heeft +ten gevolge, dat zij in hare natuurlijke bewegingen bemoeijelijkt +worden, en niet minder nadeelig is de reuk, dien hare uitwerpselen in +de woning verspreiden. Door de zamenwerking van deze beide oorzaken +ontstaat de loop, die soms een besmettelijk karakter aannemen, en +zoo boosaardig worden kan, dat gezonde bijen, die men een zwakken, +aan den loop lijdenden stok ter versterking geeft, zeer spoedig worden +aangetast en wegkwijnen. + +Meestal behoeft er geene vrees te bestaan, dat deze ziekte zich +vertoonen zal, wanneer de bijen, door een aanhoudenden, strengen +winter, niet verhinderd zijn geworden hare woning te verlaten. Bij +eene rustige standplaats kunnen zij, zonder eenig gevaar, vier maanden +opgesloten blijven; komt er dan een schoone dag, waarop zij kunnen +voorspelen, dan ontlasten zij zich. Dralen zij, bij gunstig weder, soms +lang met naar buiten te komen, dan moet men haar daartoe aansporen, +door tegen de woning te kloppen, en haar wat laauw-warmen, verdunden +honig te geven. Een halve eetlepel is voldoende. In Dzierzon's +woningen neemt men een dekplankje weg en stort hem, tusschendoor de +nu vrij geworden staafjes, op de bijen; is er boven in de korven eene +opening, dan kan ook zij daarvoor dienen; ontbreekt zij, dan keert +men den korf om, en laat den honig op de bijen vallen. Spoedig zullen +nu alle stokken voorspelen en zich ontlasten. + +Heeft een stok, die aan loop lijdt, eenmaal kunnen voorspelen, dan zal +hij zich gewoonlijk spoedig herstellen. De onreinheden, die aan den +bouw en de woning kleven, zullen wel is waar door dit voorspel niet +worden weggenomen, maar zij zullen spoedig opgedroogd zijn, waarna +zij geen schadelijken reuk meer verspreiden; kunnen de bijen nu en +dan vliegen, dan reinigen zij den bouw en de woning. In woningen met +lossen bouw, kan men haar evenwel deze moeite besparen. Men neemt er +den geheelen bouw uit, krabt de wanden met een mes schoon, of wascht +hen desnoods met een natten doek af. De bouw wordt nu weder ingehangen; +doch de tafels, die te veel bezoedeld zijn, verwisselt men met andere, +waarna men de bijen weder in de woning laat trekken. + +Is het weder echter te koud om den stok te laten voorspelen, en +den bouw en de woning te zuiveren, dan kan men hem ook in eene +verwarmde kamer brengen en daar laten vliegen. De bijen begeven +zich dadelijk naar de vensters, waardoor het licht invalt, en +onder het daarheen vliegen zullen zij haar vuil laten vallen. Al +wat men voor verontreiniging bewaren wil, moet dan met doeken of +papier bedekt worden, en het is goed, vooral in de vensterbanken, +bovendien onbruikbare wastafels of een draadwerk te leggen, opdat de +nedervallende bijen geen gevaar loopen zich zelven te bemorsen. Om +haar de woning spoedig te doen verlaten, geeft men haar nu ook, +zooals boven gezegd werd, een weinig honig. Hebben de bijen zich, +na hare reiniging, tegen het raam verzameld, dan heeft men de woning, +die intusschen gezuiverd is geworden, slechts met het vlieggat naar +haar toegekeerd bij haar te plaatsen, en zij zullen er vrolijk en +met overhaasting ingaan. Om tijd te winnen kan men haar ook in de +woning scheppen. + +Bewoont de stok een gedeelte van eene zamengestelde woning, dan is men +verpligt den bouw met het volk in eene ledige woning over te plaatsen, +en deze dan in de verwarmde kamer te brengen. Heeft men de woning +en het werk gezuiverd, dan brengt men de bijen, die zich intusschen +ontlast hebben, daar weder in, hetgeen zeer omzigtig moet geschieden, +om haar niet door de koude te doen lijden. Het beste is de bijen te +verzamelen in een plat kistje, dat men onder in de woning schuift, +na den bouw zooveel ingekort te hebben, dat zulks mogelijk wordt; +neemt men nu het deksel weg, dan zullen zij weder naar het broednest +opklimmen. + +Door stokken, die na eene langdurige koude aan den loop lijden, op de +opgegeven wijze te behandelen, bewijst men hun eene groote weldaad, +en behoedt hen in de meeste gevallen voor een geheelen ondergang. + +Behalve de bovengenoemde oorzaak tot het ontstaan van den loop, zijn +er nog eenige omstandigheden, die deze kwaal ten gevolge kunnen hebben. + +1o. Het gebruik van den honig, die laat in den herfst van de heide is +opgezameld, en vooral ook van dien, welken de bijen van laat gevallen +honigdauw ophaalden, is zeer nadeelig. Wegens de late inzameling moet +deze honig meestal onverzegeld blijven, en zijne nadeelige werking +zal misschien meer het gevolg zijn der verandering, die hij daardoor +ondergaat, dan dat hij in aard van anderen honig verschilt. + +2o. Storingen in de winterrust, wanneer zij reeds eenigen tijd +heeft geduurd, en de koude nog aanhoudt, kunnen aanleiding tot den +loop geven. Door de storing daartoe opgewekt, gaan zij uit elkander, +kunnen nu het vuil niet bij zich houden, maar moeten het in den stok +laten vallen; boven zagen wij reeds hoe hieruit deze kwaal ontstaat. + +Door het stooten tegen de woning, ook door muizen of vogels, kan er +onrust in den stok gebragt worden; maar de ergste onrust is die, welke +de bijen zelve in den stok brengen, wanneer het vlieggat door een of +ander toeval verstopt is. Er zonderen zich toch altijd enkele bijen +van den verzamelden tros af, om aan het vlieggat te komen zien. Vinden +zij het open, dan keeren zij weder terug, doch in het tegenovergestelde +geval gaan zij zoeken en brommen, brengen daardoor ook de overigen in +onrust, en het gevreesde kwaad is geboren. Het vlieggat kan verstopt +raken door doode bijen, die van den tros gevallen zijn, doch kan ook +toevriezen. Men moet er altijd een wakend oog op houden, vooral bij +die woningen, die buiten staan, en welker vlieggaten beschaduwd moeten +worden. Het sluiten van de vlieggaten mag slechts gedurende enkele +uren geschieden; zoodra het begint te schemeren opent men hen weder; +hoort men overdag beweging en onrust in eene woning, dan moet men +het vlieggat dadelijk openen; het is beter dat de bijen dan vliegen, +dan dat zij zich in den stok ontlasten. + +3o. De waterdamp, die gedurende strenge winters, in woningen, die +niet genoeg tegen de koude beschermd zijn, tegen de wanden en het +werk verdigt, moet voor een gedeelte door de bijen opgezogen worden, +waardoor zij veelal den loop krijgen. Vooral is het nadeelig, wanneer +er vocht van boven op haar druipt; want zij moeten dat dan aanhoudend +opzuigen, en het zal haar bijna zeker ziek maken. De woningen moeten +daarom, inzonderheid aan de bovenzijde, tegen de koude beschermd +worden, opdat zich daar geene ijskegels vormen, die bij dooiweder +aanhoudend afdruipen. Dat de woningen geheel droog blijven, is ook +niet gewenscht, want de bijen konden van gebrek omkomen, wanneer +zij geen water hadden, om den verdikten honig te verdunnen. Maar in +woningen, die goed tegen de vorst zijn beveiligd, vormt zich niet +te veel waterdamp, ook zal zij zich voornamelijk tegen de zijwanden +aanzetten, daar afloopen en dus weinig nadeel verwekken. + +4o. Ook eene te sterke verkoeling kan de bijen den loop bezorgen. Men +kan zulks daaruit afleiden, dat jonge stokken altijd meer aan deze +ziekte lijden dan oude; de bouw van deze laatste is toch veel +warmer. Zelfs in den zomer ziet men deze ongesteldheid wel uit +afkoeling ontstaan, wanneer er koude invalt, nadat men een sterken +stok, door het afnemen van zwermen of het verzetten, veel verzwakt +heeft. De broeijende bijen bevuilen dan het vlieggat en de buitenzijde +der woning, en de verkoeling zal waarschijnlijk hare ingewanden +verzwakken. Om zich tegen de koude, die bij aanhoudende strenge vorst, +ook door de dikste wanden dringt, te beveiligen, moeten zij meer warmte +ontwikkelen, door het trillen met de vleugels en de onderlinge wrijving +van hare ligchamen; deze krachtsinspanning heeft een grooter gebruik +van voedsel ten gevolge, en de grootere hoeveelheid drek, die zich +daardoor bij haar ophoopt, moet onvermijdelijk den loop doen ontstaan. + +Het kenmerk dat een stok aan loop lijdt, bestaat daarin, dat het +vlieggat sterk met de uitwerpselen der bijen besmet is. Eenige +weinige vlekken hebben echter geene beteekenis. Opent men de woning, +dan vindt men deze zoowel als het werk bevuild, en op den bodem liggen +vele dooden, die sterk opgezwollen zijn; er hangen ook dooden tusschen +het werk, en de woning verspreidt een onaangenamen reuk. + +Alles, wat aanleiding tot de ziekte geven kan, moet natuurlijk +vermeden worden; is zij, ondanks alle voorzorgen, uitgebroken, dan +moet het weder beslissen, hoe men haar herstellen zal. In alle geval +moet men de bijen laten vliegen; men doet dit, zooals boven reeds is +gezegd, als het weder te koud is, in een verwarmd vertrek. Op de daar +aangegeven wijzen, moet men haar tot een spoedig voorspel uitnoodigen, +want bij zwakke stokken is de zitplaats ver van het vlieggat; eer nu +de tusschenliggende ruimte verwarmd was, kon de gunstige gelegenheid +om voor te spelen reeds voorbij zijn, zoodat de bijen zich niet meer +naar buiten konden begeven, om zich te reinigen. Wanneer men ziet dat +bij schoon weder verscheidene stokken voorspelen, dan moet men er de +andere ook toe opwekken. Ontdekt men nu zieke stokken, dan moet men, +zoo het weder het toelaat, de verontreinigde tafels door zuivere +vervangen. Bij woningen met vasten bouw, snijdt men het bevuilde +gedeelte zooveel mogelijk weg, en vult de ledige ruimte met een +kussen, dat met mos of kaf gevuld is, ten einde door de besnijding +geene verkoeling aan te brengen. + +Vele bijenhouders achten het nuttig om de bijen, die aan loop +lijden, te voêren met honig, waaronder een aftreksel van steranijs +of muskaatnoot en Spaansche wijn gemengd is. Het kan goed wezen, +doch ik houd zuiveren honig voor het beste. Kunnen de bijen vliegen +en kan men haar, door het werk te zuiveren, te hulp komen, dan heeft +de kwaal weinig te beteekenen, en zonder verdere zorg herstelt zij +spoedig. Heeft men bij ongunstig weder geene gelegenheid om de bijen in +een verwarmd vertrek te brengen, dan moet men haar zoo mogelijk eene +verzegelde honigtafel of stukken kandij boven het broednest geven, +haar overigens zoo stil mogelijk laten staan, zonder de toestrooming +van versche lucht door het vlieggat te beletten, tegen verkoeling +waken, en met geduld goed weder afwachten. + + + +DE VUILBROED. + +De vuilbroed kan zulk een aanstekend, pestachtig karakter aannemen, +dat zij geheele bijenstanden verwoest. Zij is gelukkig niet zoo +algemeen als de loop, ja in sommige streken heeft men haar zelfs +nimmer zien woeden; nogtans moet men zorgvuldig alles vermijden, +wat haar zou kunnen doen uitbreken. Ik heb het geluk gehad, dat zij +zich nog nooit op mijn stand heeft vertoond, en wat ik dus van haar +zal zeggen, kan ik alleen op gezag van anderen mededeelen. + +Vroeger schreef Dzierzon, gelijk ik thans doe, dat die plaag hem vreemd +was; vijf of zes jaar geleden brak zij evenwel op zijn stand uit; twee +jaar heeft hij met haar moeten worstelen, eer hij haar grootendeels +overwonnen had, en na groote verliezen geleden te hebben, vindt hij +er ook nu van tijd tot tijd nog enkele sporen van. + +Deze ziekte treft de bij niet als volwassen insect, zoo als dat +met andere ziekten het geval is, maar zij bepaalt zich alleen +tot het broed, en wel hoofdzakelijk tot het bedekte broed, dat den +nimfen-toestand reeds heeft aangenomen. In plaats van zich tot bijen +te ontwikkelen, sterven de maskers in de cellen, en gaan daar tot +verrotting over. + +Naar dat de ziekte het ongedekte of het gedekte broed treft, +onderscheidt men haar in de goedaardige en de pestaardige of +aanstekende vuilbroed. + +De goedaardige vuilbroed ontstaat, wanneer er koud weder invalt, nadat +de bijen vroeg in het jaar veel broed hebben aangezet, waardoor zij +tot zelfbehoud genoodzaakt worden om het broed te verlaten en zich +zamen te trekken. Het gedekte broed, dat zich boven in de woning +bevindt, zal nu zelden afsterven. Het ongedekte moet daarentegen +omkomen. De doode maden gaan in eene brijachtige stof over, die op +den bodem der cel tot eene zwartbruine korst uitdroogt, welke daar, +goed droog zijnde, gemakkelijk afgetrokken kan worden, en dan door de +bijen wordt uitgeworpen. Vindt men deze zwartbruine schilfers op den +bodem van eene woning, dan kan men verzekerd zijn dat er vuilbroed in +geweest is. Men ontdekt dit ook aan den onaangenamen reuk, dien de +woning van zich geeft. De goedaardige vuilbroed verwekt gewoonlijk +weinig schade. Zij is niet aanstekend, en valt er gunstig weder in, +dan helpen de bijen gewoonlijk zich zelven. + +De aanstekende of pestaardige vuilbroed, die zich alleen tot het +gedekte broed bepaalt, is zeer gevaarlijk. De gestorven maskers gaan in +eene taaije stof over; deze droogt eindelijk tot eene zwarte korst uit, +die zich zoo aan de cel hecht, dat de bijen haar niet kunnen wegnemen. + +Men ontdekt deze kwaal door dat het volk dagelijks vermindert, omdat +er geene jonge bijen uitloopen; door den onaangenamen stank, dien de +stok verspreidt; door de zwarte kleur, die de broedtafels verkrijgen, +en door het invallen der wasdeksels. + +Deze ziekte is, wegens haar aanstekend vermogen, zeer te +vreezen. Hoewel de bijen zelven er niet door lijden, zoo dragen +zij toch de smetstof bij zich. Vervliegen zij op een gezonden stok, +dan is ook deze besmet; rooft een gezonde stok op een vuilbroedigen, +dan zal hij ook vuilbroedig worden. + +Er is weinig aan de pestaardige vuilbroed te doen. Het best is, +vooral in den herfst, wanneer de bijen weinig waarde hebben, haar met +zwaveldamp te dooden, zoodra men de ziekte ontdekt heeft. Het werk +snijdt men uit de woning, en alle tafels, die vuilbroed bevatten, +begraaft men op eenigen afstand van den bijenstal. De ledige woning +brandt men uit, en stelt haar minstens twee jaar aan weêr en wind +bloot, voor men haar weder gebruikt. + +In het voorjaar, wanneer men de bijen niet gaarne zou missen, ook +dan, als de kwaal zich reeds over een groot aantal stokken heeft +uitgebreid, kan men de bijen uit de woning jagen, en haar een paar +dagen, in een ledigen korf, met een luchtig kleed gedekt, laten staan; +in den korf voêrt men haar met dunne suikerstroop. Vervolgens brengt +men haar naar een verwijderden stand, waar zij zich bij de eerste +uitvlugt van het bij haar opgehoopte vuil zullen ontdoen. Dan doet +men haar in eene nieuwe woning, die men van gezond werk voorziet, +zonder er evenwel gevulde honigtafels in te hangen, daar deze de +smetstof zouden aannemen. Bij ongunstig weder voêrt men haar liever, +gedurende den nacht, met honig of suikerstroop. De moederbij geeft +men haar de twee eerste dagen in een moederhuisje besloten, opdat +de bijen zich, door het uitvliegen, zooveel mogelijk van de smetstof +zouden kunnen ontdoen, voordat er weder eijeren gelegd worden. + +Welke de oorzaak van het ontstaan der pestaardige vuilbroed is, +weet men niet met zekerheid. Waarschijnlijk is zij te zoeken in +het voêren met honig, waarvan men de afkomst niet kent, zoodat er +honig uit vuilbroedige stokken onder zijn kan. Daarom is het zoo +gevaarlijk om met vreemden honig te voêren. Heeft men geen honig, +van welks zuiverheid men zeker is, dan voêre men liever met kandij +of suikerstroop. Wanneer er geen broed in de stokken staat, zou van +het voêren met honig uit vuilbroedige stokken weinig te vreezen +zijn. Zelfs zou men dan zonder gevaar bijen, uit zulke stokken, +met gezonde kunnen vereenigen, omdat de ziekte alleen het broed +aantast. Maar waarom zou men zijne gezonde stokken, wanneer het niet +noodig is, aan de besmetting blootstellen? + +De verspreiding der ziekte, van den eenen stok op den anderen, +geschiedt ongetwijfeld doordat de bijen, uit aangestoken stokken, +op gezonde stokken vervliegen. + + + +DE VOORJAARSZIEKTE OF DOLHEID. + +In Mei, soms reeds in April, kunnen stokken, die sterk door den winter +gekomen zijn, in korten tijd zoo arm aan volk worden, dat men niet +weet waar de bijen gebleven zijn. Bij eenige oplettendheid, ontdekt +men evenwel spoedig waaraan het volksverlies is toe te schrijven. Men +ziet vele bijen, met een sterk opgezwollen buik, afvliegen, doch niet +terugkeeren. Soms vallen zij, dadelijk na het verlaten der woning, +op den grond neder, draaijen op den rug in het rond en sterven. Deze +ziekte, die men voorjaarsziekte of dolheid noemt, is vrij algemeen +bekend, doch het is niet gemakkelijk op te sporen hoe zij ontstaat; +vele oogenschijnlijke oorzaken bleken bij nader onderzoek onjuist +te zijn. + +In Duitschland gelooft men de oorzaak van haar ontstaan gevonden +te hebben. Zij zou gelegen zijn in het gebruik van honig, die in de +cellen ongedekt is gebleven, en die, na gedurende den winter water tot +zich getrokken te hebben, in het voorjaar tot gisting overgaat. Het +gebruik van dezen honig doet het ligchaam der bijen opzwellen, omdat +de gisting voortgaat, hetgeen den dood der bij ten gevolge heeft. Het +is bekend dat men bijen kan vergeven, door haar honig te voêren, +die met gist vermengd is. + +Het verdient opmerking, dat jonge en zwakke stokken zelden door deze +ziekte worden aangetast, terwijl dat oude en sterke stokken er hevig +aan kunnen lijden. Bij eene naauwkeurige beschouwing laat zich dit, +hoe zonderling het schijnen mag, gemakkelijk verklaren. Men ziet toch +dat die stokken, welke nog laat in den herfst veel broed hebben staan, +ook in het volgende jaar het meest worden aangetast. Het is bekend dat +de bijen, bij drukke dragt, den honig zoo spoedig mogelijk afleggen, +in de eerste de beste cel, die zij ledig vinden; later dragen zij +hem over naar die cellen, waarin zij hem willen bewaren. Zoodra nu +het broed vermindert en er in het broednest ledige cellen komen, +brengen zij den honig uit de meer verwijderde cellen hierin. Begint +het weder nu kouder te worden, dan trekken de bijen zich te zamen op +het laatste broed, en vestigen daar hare winterzitplaats, terwijl +de honig, dien zij kort te voren verdroegen, zoowel als die, welke +ver van het broednest verwijderd is, ongedekt blijft. Boven, naast en +onder de bijen, bevindt zich nu ongedekte honig. Komen er nog vliegbare +dagen, dan gebruiken zij hier nog veel van, doch kunnen zij zich niet +meer uiteen begeven, wegens ingevallen koude, dan blijft de honig, +die zich bezijden en onder haar bevindt, staan. De waterdamp, die +zich in de woning vormt, slaat ook op den ongedekten honig neder, die +verdunt en in het voorjaar, bij het toenemen der warmte, tot gisting +overgaat. Bij het onderzoeken der stokken zal men dan gewoonlijk +zulken honig vinden. Hij is dun, troebel en van eene melkachtige +kleur; hij smaakt bedorven en geen enkele bij raakt hem aan. In +den digten bijenklomp wordt intusschen broed aangezet, dat zich bij +stijgende warmte meer en meer uitzet. Om hiervoor plaats te bekomen, +moet deze bedorven honig uit de cellen verwijderd worden, want het +broednest moet steeds in een gesloten geheel bestaan. Bleven er opene +cellen tusschen, dan zou de vereischte broeiwarmte niet ontwikkeld +worden. De bijen moeten dus den bedorven honig opzuigen, en velen +zullen, wat vroeger of later, door de dolheid worden aangetast. De +sterke uitbreiding van het broednest heeft eerst bij grootere warmte +plaats, van daar dat de ziekte op zijn vroegst in April, doch het +meest in Mei uitbreekt. Zij wordt dan ook wel meiziekte genoemd. + +Een stok, die in het najaar weinig broed heeft, is in de gelegenheid +om den honig boven het broednest te brengen en te bedekken, en hij +zal dus niet of zeer weinig door deze ziekte worden aangetast. Zoo +laat het zich dan verklaren, waarom zwakke en jonge stokken, die +over het algemeen in den herfst weinig broed hebben staan, weinig +van deze ziekte te lijden hebben, terwijl sterke stokken er hevig +door aangetast kunnen worden. + +Men zegt algemeen dat de honig, die op de heide gewonnen wordt, +niet goed is om tot wintervoorraad te dienen. Men moet dit evenwel +niet daaraan toeschrijven dat deze honig heide-honig is, maar aan +de omstandigheid dat hij laat gewonnen is, en dus meestal ongedekt +moet blijven. + +Het eenige waardoor men de meiziekte kan voorkomen, is het wegnemen +van den ongedekt gebleven honig, er goede, verzegelde honigtafels +voor in de plaats gevende. + + + + + +DE VIJANDEN. + + +Het aantal bijen, dat in het voorjaar met den dag toeneemt, +vermindert in den herfst, als het broeijen heeft opgehouden, weder +even spoedig, zoodat de stokken, die in den zomer zoo volkrijk waren, +dat de woningen hen bijna niet bevatten konden, nu weder zoo zwak +geworden zijn, dat zij den bouw niet geheel kunnen bezetten. Hoewel +vele bijen door ouderdom sterven, of wanneer zij, door beschadiging +van hare vleugels, niet meer in staat zijn haar ligchaam te dragen, +hier of daar nedervallen en omkomen, toch is dit verlies betrekkelijk +gering. De meesten komen om door ongunstig weder, of door dat zij +eene prooi worden van een van hare talrijke vijanden. + +Men moet zich niet voorstellen dat de vijanden der bijen haar vervolgen +uit natuurlijken afkeer. Zij zijn de bijen slechts daarom vijandig, +omdat zij zich met haar, of met haar voorraad willen voeden. Zoo zijn +er een aantal vogels, die aanhoudend jagt op de bijen maaken, en er +dagelijks eene menigte wegvangen, zoo als de musch, de roodstaart, +de zwaluw enz. Ook de ooijevaar snapt, als hij door de weide loopt, +menige bij van de bloemen weg. + +Van alle vogels zal het de mees wel zijn, die de meeste schade aan +de bijen toebrengt, niet zoo zeer door dat zij er zoo vele vangt, +maar door de onrust, die zij 's winters in de stokken veroorzaakt, +die onbedekt staan. Zij plaatst zich aan het vlieggat, en verontrust +de bijen door haar aanhoudend gepik zoo, dat velen zich van den +verzamelden tros afscheiden en aan het vlieggat komen zien. Gaan zij +naar buiten, dan worden zij terstond door de koude bevangen en vallen +op den grond, waarna de mees haar verslindt; die weder in de woning +terugkeeren, zijn toch niet meer in staat tot de andere bijen op te +klimmen, maar vinden haar dood op den bodem der woning. + +De specht kan, in de streken waar hij gevonden wordt, vooral in den +winter, veel schade verwekken. Hij klopt soms gaten, ter grootte van +eene vuist, in de woning. Door de veroorzaakte onrust kan de geheele +stok omkomen. + +De muis, welke de bijen in den zomer goed uit de stokken weren kunnen, +of die, zoo zij er in mogt komen, dit spoedig met den dood moet +bekoopen, is in den winter een geduchte vijand. Zij zoekt in de woning +te komen, begint met de dooden, die zij op den bodem vindt, op te eten, +beknabbelt daarna den wasbouw en eet er den honig uit, voor zoo ver +de tafels niet door de bijen bezet zijn. De dadelijke schade, die zij +verwekt door hetgeen zij verteert, is niet bijzonder groot, maar de +aanhoudende onrust, die zij in den stok brengt, noodzaakt de bijen +meer honig te verbruiken, om de ontwijkende warmte te herstellen. Ook +veroorzaken hare uitwerpselen een ondragelijken stank, die niet zelden +de bijen voor altijd hare woning doet verlaten, zoodra het weder haar +het uiteengaan vergunt. De vlieggaten mag men niet met doorboorde +schuifjes sluiten (voor enkele uren kunnen zij zonder gevaar gesloten +worden, doch dit zou hier niet helpen), want hoewel hierdoor de lucht +toegang kan hebben, zoo willen de bijen vrij zijn. Men moet hen met +spijkers of schuifjes dus zoo vernaauwen, dat er geene muis door kan; +dit moet met zorg geschieden, daar het spitsmuisje door eene opening +weet te dringen, weinig grooter dan die, welke een hommel behoeft. In +alle geval vange men de muizen zooveel mogelijk, want al belet men +haar in de woningen te dringen, zij trachten dat toch te doen, en +verontrusten de bijen door er buiten aan te knagen. Het is daarom +beter de wanden der woningen dik te maken, dan haar dunne wanden te +geven, en die met stroo of iets dergelijks te bekleeden, om de warmte +er in te houden. In de bekleeding zouden de muizen de meest gezochte +sluiphoeken vinden, en er hare nesten maken. Dat men nooit katten in +den stal mag laten, om de muizen te vangen, werd reeds vroeger gezegd. + +De padde is ook als een vijand der bijen te beschouwen. De bijen, die +door de koude bevangen op den grond vallen, en die, wanneer zij den +volgenden dag door de zon beschenen werden, weder zouden herleven, +zoekt de padde op. Zij vertoeft ook wel onder de vlieggaten, om, +zoodra er eene bij valt, deze weg te pakken. Het is daarom goed dat +de grond voor den stal niet begroeid is, anders kon zij zich daar +verschuilen, zonder dat men haar kon ontdekken. + +De mieren, die voor de bijen zelven als onschadelijk te beschouwen +zijn, zijn niettemin eene groote plaag voor den bijenhouder, omdat +hij haar maar moeijelijk uit de woningen kan houden, binnen welke zij +door de kleinste openingen weten te geraken, om zich met den honig +te voeden; soms slaan zij er zelfs, op voor de bijen ontoegankelijke +plaatsen, hare nesten op. De bijen zelve vervolgen haar, en jagen haar +zooveel mogelijk uit de woning. De mieren schijnen het ook te weten, +dat zij geene welkome gasten zijn, want sterk bevolkte woningen durven +zij zelden door het vlieggat binnen dringen, waar de bijen haar dan +ook dadelijk terugwijzen. Veeleer zoeken zij door deze of gene reet +binnen te komen. + +Mij zijn bijenhouders bekend, die de mieren gaarne in hunne stokken +zien, meenende dat dit een goed honigjaar voorspelt. Ik zie haar echter +minder gaarne, en tracht haar zooveel mogelijk te verdrijven. Het best +geschiedt dit door de nesten met zorg op te zoeken en te vernietigen, +en in den omtrek van en onder de woningen asch te strooijen. Dit +helpt veel, want zoolang de asch droog is, zullen de mieren er +niet ligt overheen loopen. Strooit men ook asch tusschen woningen, +die men op elkander wil plaatsen, dan belet men haar zich daar te +nestelen. Met hetzelfde doel strooi ik ook asch tusschen het stroo, +waarmede ik de wanden der woningen opvul. + +De wilde hommelbij wordt door Dzierzon en anderen als een groote +vijand der bijen opgegeven, die haar op de bloemen en zelfs voor de +vlieggaten zou vangen, en na er het voorlijf te hebben afgetrokken, +met het achterlijf naar haar nest zou vliegen, om er het broed +mede te voeden. Zelfs zou zij in de stokken sluipen, en daar zeer +gevaarlijk voor de koningin worden; vooral in het najaar, als er in +het veld niets meer te vinden is, zou zij groote schade aan de stokken +kunnen toebrengen. Men raadt daarom aan in het voorjaar de wijfjes der +hommelbijen, die dan nog alléén omvliegen, te vangen en te dooden, daar +de dood van elk wijfje als het ware een geheel nest vernietigt. Ik +voor mij heb het nadeel der hommelbijen nimmer kunnen opmerken, +hoewel ik aan de waarheid van het bovenstaande toch niet twijfel. + +De wespen zijn voor de bijen niet schadelijk; zij jagen echter den +honig na, vliegen daarom rond de woningen en trachten binnen te +dringen. Gelukt haar dit, dan kunnen vele bijen er door omkomen, +wanneer zij de wespen willen verjagen, want deze zijn veel sterker +dan de bijen. Door, even als dit voor de hommelbijen gezegd is, de +wespen, die in het voorjaar omvliegen (het zijn de wijfjes, die uit +haar winterslaap ontwaakt zijn), weg te vangen en te dooden, gaat +men haar het beste tegen. Verder kan men haar vangen door flesschen, +voor de helft gevuld met water, dat met honig of suiker vermengd is, +bij de stokken te zetten; zij kruipen daarin en komen zoo om. + +De luis wordt ook onder de vijanden der bijen gerekend. Bij voorkeur +schijnt zij zich bij de moederbij op te houden, en zich op den rug +te plaatsen. Komt zij slechts in geringe mate voor, dan is ook het +nadeel niet groot; in overmaat vindt men haar alleen bij ziekelijke +stokken. Ik kan over het nadeel evenwel niet oordeelen, daar ik haar +nooit in mijne stokken ontdekt hebt. + +De spin is voor de bijen een gevaarlijke vijand. Velen vinden in +hare netten den dood, en het is daarom goed de netten, in den omtrek +van den bijenstand, dagelijks weg te nemen, en de spinnen zooveel +mogelijk te dooden. Het best vindt men haar tegen het vallen van den +avond, wanneer zij uit hare schuilplaatsen komen, om hare beschadigde +netten te herstellen. Het nadeel der huisspinnen is evenwel gering, in +vergelijking van dat der veldspinnen, welke in het najaar menigvuldig +voorkomen. Den grond en vooral de heide bedekken zij met hare weefsels, +waarin de bijen bij duizenden omkomen. Dit kwaad kan niet weggenomen +worden, dan door eene sterke regenbui, die de netten verwoest, waarna +de bijen de heide ook weder moediger bevliegen, dan toen zij er haar +mede overtrokken vonden. + +De wasmot, of liever hare wormen of maden, zijn voor de bijen, +zoowel als voor haar eigenaar, de grootste plaag. Zij komen op elken +bijenstand en in elke onbezorgd nedergelegde wastafel zoo zeker, +dat ieder, die zich met bijenteelt bezighoudt, haar maar al te goed +zal kennen. + +Er bestaan twee soorten, eene kleinere en eene grootere, welke laatste +de dikte van eene matige penneschacht kan verkrijgen. De eerste komt +meer voor dan de tweede, doch zij is minder schadelijk. De maden +komen van die zilverkleurige vlinders, welke in den avond van warme +dagen, in groote menigte voor de vlieggaten der woningen rondvliegen, +en deze trachten binnen te sluipen, om hunne eijeren in de ledige +cellen te leggen. De bijen, die hare vijanden goed schijnen te kennen, +betwisten hun den ingang wel, door angstig rond het vlieggat en over +de woning te loopen, als of zij de moederbij zochten, maar het is haar +onmogelijk allen het indringen te beletten. Sterke stokken houden de +meeste wasmotten buiten hunne woning, en daar de bijen er alle cellen +in bezoeken, en de eijeren der wasmotten goed schijnen te kennen, +zoo worden zij spoedig uitgeworpen, waardoor deze stokken er weinig +door lijden. + +De kleinste soort van maden vindt men meest op den bodem der woning, +onder eenig wasmul verborgen, en verder op die plaatsen, die voor +de bijen ontoegankelijk zijn. Zij leven voornamelijk van den afval, +doch vreten ook de wastafels wel door, zonder die evenwel zoo te +doorspinnen, als de grootere soort het doet. Deze vestigen zich +dikwijls in de broedtafels, en nergens kunnen zij zooveel schade +aanrigten, en zijn zij zoo moeijelijk te verdrijven. Zij vreten +den tusschenwand der tafels door, en kruipen, tusschen het broed, +van de eene cel naar de andere, zonder dat het de bijen mogelijk is, +haar meester te worden. Zij spinnen de maskers der bijen in de cellen +vast, zoodat deze, na hare volkomene ontwikkeling, de cel niet kunnen +verlaten, of zoo het haar mogelijk is, dan blijven zij met een gedeelte +van het spinsel omgeven, dat haar het vliegen belet. De bijen moeten +in zulke tafels soms geheele gaten bijten, om er het vastgesponnen +broed uit te verwijderen. + +Hebben de maden zich eenmaal in het broednest gevestigd, dan kan +men niet beter doen, dan de koningin uit den stok vangen en daar +een aflegger mede maken, of haar anders zoolang in een moederhuisje +sluiten, totdat al het broed is uitgeloopen. De maden vinden dan geene +verborgene plaatsen meer, en kunnen door de bijen geheel bemagtigd en +uitgeworpen worden, waarna de beschadigde tafels worden hersteld. In +Dzierzon'sche woningen kan men het kwaad ook volkomen wegnemen, door +den bouw en het volk uit de woning te nemen, en haar dan met stroo +uit te branden, waarna men er nieuwe tafels inhangt, en er de bijen +weder in laat loopen. + +Men moet bij voortduring toezien, dat zich geene wasmotmaden in de +woningen vestigen, en haar verwijderen, waar men haar ook ontdekt. Bij +korven moet men vooral goed toezien, want waar zich in den wand +maar eene kleine holte bevindt, houden zij zich veeltijds op, en men +vindt haar ook dikwerf in den ondersten rand, waarmede de korf op de +onderplank staat. + +Voor den bijenhouder zijn de wasmotten eene voortdurende plaag. In +weinig tijd kunnen zij de schoonste tafels vernietigen, en veelal vindt +men daar niets meer van, dan eene aaneengesponnen pruik, waarin zich +eene menigte wormen ophouden, terwijl het was grootendeels, zoo niet +geheel, verdwenen is. Het is hierdoor ook dat men zoo dikwerf wordt +teleurgesteld, wanneer men een zwerm in een bebouwden korf plaatst, +dien men het voorgaande jaar bewaard had. Veeltijds schijnt de bouw +geheel gespaard te zijn, terwijl hij, boven in den kop van den korf, +geheel doorsponnen is. In plaats, van de bijen eene belangrijke +schrede voorwaarts te plaatsen, berokkent men haar een ontzettend +werk. Overwinnen zij de kwaal, dan komen zij toch niet vooruit, +en zoo niet, dan verlaten zij den korf weder. + +Daar de wastafels, hoe men die ook opbergen mag, zeer spoedig eene +prooi der wasmotten worden, die hare eijeren reeds in de cellen +gelegd hadden, zoo smelten vele bijenhouders de stukken wastafel, +die nu en dan van den bouw afvallen, terstond op, waardoor het was +niet meer voor de verwoesting der motten blootstaat. Bij het volgen +van Dzierzon's leerwijze, is dit evenwel niet voldoende. De wastafels +zijn daarbij geheel onmisbaar, en het komt er dus niet alleen op aan +het was te bewaren, maar ook de tafels, zoo als de bijen haar gebouwd +hebben, ongeschonden te laten. Men heeft daartoe verschillende middelen +beproefd, die allen meer of minder te wenschen overlieten, doch is +er nu sedert 2 of 3 jaar in geslaagd, de wastafels geheel voor de mot +te beveiligen, hetgeen voor de bijenteelt van het hoogste belang is. + +Men legt de wastafels, hetzij los of aan staafjes, in eene kuip, en +giet deze vol water, na de tafels zoo bevestigd te hebben, dat zij +onder water blijven. Het water trekt in de cellen, weekt de eijeren +los en doodt de reeds aanwezige wormen. Na 24 uren giet men het water +af, en doet er weder versch op. Den volgenden dag neemt men er dan +de tafels uit, en legt haar op een hellend latwerk, dat in de schaduw +staat en aan den wind is blootgesteld. Het water zal nu grootendeels +uit de cellen vloeijen, en om dit te bevorderen, keert men de tafels +nu en dan om. Na een paar dagen kan men haar binnenshuis op eene +luchtige plaats leggen, en na eenige weken zullen zij volkomen droog +zijn. Moet men haar vroeger gebruiken, dan legt men haar op kladpapier, +wanneer zij na een paar dagen droog zijn. + +De hier opgegeven handelwijze is voldoende om de tafels volkomen +te reinigen, en zóólang voor de wasmot te beveiligen, als de +cellen water bevatten, want dan kan de mot er hare eijeren niet in +afzetten. Zoodra zij evenwel droog zijn, zijn zij weder aan hetzelfde +gevaar blootgesteld, zoodat men dezelfde omslagtige bewerking zou +moeten herhalen. Op tafels, die gedeeltelijk met honig gevuld zijn, +kan zij in het geheel niet worden toegepast, want de honig zou worden +opgelost. Later heeft men echter nog een ander hulpmiddel gevonden, +dat eenvoudiger is, en volkomen aan het doel beantwoordt, en dat ook +op gedeeltelijk met honig gevulde tafels kan worden toegepast. + +In eene kist, die goed gesloten kan worden, zijn op den vereischten +afstand latten bevestigd, waarop de staafjes, waaraan de wastafels +hangen, met de uiteinden worden geplaatst. Op deze staafjes legt men +nu, met eenige tusschenruimte, de losse stukken wastafel, en zet op den +bodem der kist eene test, waarin eenig zwaveldraad wordt ontstoken. Het +deksel der kist wordt nu goed gesloten, en gesloten gehouden. Van vier +tot zes weken kan men haar laten staan, doch na verloop van dien tijd, +en ook wanneer men de kist lang geopend heeft gehouden, moet men +het zwavelen herhalen. De tafels worden aldus volkomen voor de mot +beveiligd, de eijeren en wormen, die zich reeds in de cellen mogten +bevinden, worden ook geheel vernietigd, en de zwaveldamp heeft noch +op het was, noch op den honig, die zich daarin mogt bevinden, eenigen +nadeeligen invloed. Een paar uren voor dat men haar gebruikt, stelt men +haar aan de lucht bloot, waarna de bijen haar met graagte aannemen: +zij beginnen haar terstond op te zuiveren, waarna de moederbij haar +met eijeren bezet.--Ook in eene Dzierzon'sche woning kan men de tafels +zwavelen en bewaren, wanneer zij maar goed gesloten kan worden. + +Bebouwde korven kan men voor de wasmot beveiligen, door haar op +brandende zwavel te plaatsen, en haar daarna op eene laag droog zand +te zetten, waardoor de korf geheel wordt afgesloten. Het zwavelen +wordt nu en dan herhaald. + + + + + +HET BESNIJDEN. + + +Men is het lang niet eens over het al of niet noodzakelijke van +het besnijden. De een vindt het hoog noodig om in het voorjaar de +stokken te besnijden: vooreerst om het oude werk te laten vernieuwen, +en ten andere om de bijen tot meer vlijt op te wekken, want besneden +stokken bouwen spoediger dan onbesnedene, en de moederbij bezet de +nieuw gebouwde cellen vroeger met eijeren dan de oude.--De ander +verwerpt het besnijden geheel: hij beschouwt het als een bepaald +nadeel om den bouw ook maar een duim in te korten, omdat men daardoor +de bijen slechts noodeloos werk zou bezorgen; nu moet toch de honig +aan een nieuwen bouw ten koste gelegd worden, terwijl anders het +opgezamelde in de voorhanden cellen kon worden geborgen.--Voor de +beide bovengemelde opvattingen bestaat eenige grond, doch er is nog +eene soort van bijenhouders, die de stokken wel besnijden, maar alleen +uit gewoonte en navolging, om de ledige tafels meester te worden en +op te smelten. Een bijenhouder, dien ik bezig vond met zijne stokken +sterk te besnijden, antwoordde mij op de vraag waarom hij dit deed: +"Wel dit is de eerste opbrengst die zij geven, en de bijen moeten +maar zorgen dat zij het weder volbouwen." + +Een vaste regel kan er voor het besnijden niet aangenomen worden. Het +moet zich regelen naar de streek, waarin men woont. Heeft men eene +vroege hoofdweide, en moet deze als het ware den geheelen oogst +opleveren, dan besnijde men zoo weinig mogelijk, en neme alleen +de beschadigde of sterk beschimmelde gedeelten der tafels weg. Zij +zouden anders, door eene gedwongen bouwing, genoodzaakt worden om +den oogsttijd voor een gedeelte te verzuimen. Woont men daarentegen +in eene streek, waar de hoofdweide laat invalt, dan kan men zijne +stokken zonder nadeel matig besnijden; want tegen dat de hoofddragt +begint, zullen zij toch weder volbouwd zijn, en daar de moederbij +de nieuw gebouwde cellen werkelijk spoediger met eijeren bezet dan +de oude, zoo geeft het ook aanleiding dat de stokken, gedurende de +rijkste dragt, volkrijk zijn. Voorjarige zwermen moet men evenwel in +geen geval besnijden, zelfs dan niet, wanneer de punten der tafels +eenigzins beschimmeld zijn, want de bijen weten haar goed te zuiveren. + +Is men het niet eens omtrent het nut van het besnijden, evenmin zijn de +voorstanders er van het eens, omtrent den tijd, die daarvoor geschikt +is. Is men echter eenigzins met de natuur der bijen bekend geworden, +dan weet men ook dat het niet te vroeg en niet te sterk mag geschieden; +want door sterk en vroeg besnijden, kan men zijne bijen in volkomen +ellende storten, ja haar geheel doen omkomen! Men verkoelt er toch +hare zitplaats aanmerkelijk door, en kwam er nog een nawinter, dan +konden zij zich niet voldoende meer verwarmen; aan broedzetten viel +niet meer te denken; veeleer zouden zij, ten gevolge der verkoeling, +aan loop gaan lijden, en bij duizenden omkomen. Ondanks het gevaar +dat er in gelegen is, kunnen toch velen, in hunne voortvarendheid, +niet nalaten de stokken vroeg te besnijden. Zoodra er in het laatst +van Februarij of het begin van Maart maar enkele schoone dagen +zijn, haasten zij zich om dit, naar hun inzien, noodzakelijk werk +te verrigten. En wat winnen zij daardoor? Dat de stokken aan groot +gevaar blootgesteld zijn, of voor het minst in hun vooruitgang zijn +gestuit; want broedaanzetting en wasbouw gaan steeds hand aan hand, en +zonder een aanmerkelijken warmtegraad en weder, dat de bijen toelaat +bloemenstof en water op te halen, is de wasbouw onmogelijk; vóór Mei +valt het geschikte weder zelden in. Als men de besneden stokken sterk +voêrde, hun tevens, ter vervanging van bloemenstof, meel aanbood, en +de woningen goed dekte, dan zou men hen tot het bouwen en broedzetten +kunnen brengen, hetgeen ik vroeger reeds heb opgemerkt. Maar waartoe +zich deze moeite te berokkenen, wanneer men niet weet of zij het +gewenscht gevolg zal hebben, ja veeleer vreezen moet er zich door te +benadeelen? Reeds vroeger is het aangetoond, in het voorjaar kan men +niet beter doen, dan zijne stokken zoolang mogelijk in rust laten. + +Vóór half April besnijde men zijne stokken nooit; is het weder +dan nog ongunstig, dan wacht men beter af. Bij de besnijding zorge +men het hommelwas zooveel mogelijk weg te nemen, en om het weder +opbouwen er van te beletten, stelt men er kleine stukjes wastafel, +met werkbijen-cellen, voor in de plaats, die met pennetjes worden +vastgestoken. Indien de stokken soms aan de achterzijde nog te veel +gevulde honigtafels hebben, dan neemt men ook deze gedeeltelijk weg, +wel toeziende hun niet al te veel te berooven, want het is beter hun +wat veel te laten behouden, dan hen te sterk te ontblooten. + +Men besnijdt de stokken achter den bijenstal, waar men den korf op +den kop zet, en de bijen met rook terugblaast. Men gebruikt er een +mes voor, waarvan de punt omgebogen is, zoodat men de tafels vlak kan +afsnijden. De ledige en de met honig gevulde tafels, welke men heeft +afgesneden, moeten terstond in een pot of iets dergelijks, dat met +een deksel of een doek goed gesloten is, worden gelegd; anders zou +men ligt aanleiding tot rooverij geven. Doet men het op een dag dat de +bijen goed kunnen vliegen, dan heeft men daar het minst van te vreezen. + +Het werk wordt van onderen eene kleine hand breedte, of zoover als +het beschadigd of beschimmeld is, weggesneden. De tafels snijdt men +zoo gelijk mogelijk af, zoodat de onderkanten er van in één vlak +komen. Valt er nu soms nog koude in, dan doet men goed met eenige +ledige wastafels plat tegen het werk te leggen, en met pennen vast +te steken; de bijen worden daardoor veel voor de koude beschut. Wordt +het weder warmer, dan neemt men die tafels weder weg. + +Heeft men stokken met een te oud broednest, en wil men hen niet +uitbreken, en toch het broednest vernieuwen, dan kan dit het beste +gedaan worden door hen, veertien dagen na het afvliegen van den +voorzwerm, zoo diep mogelijk uit te snijden. Het broed is dan bijna +geheel uitgeloopen, en door de ledige cellen weg te nemen, brengt men +den stok bijna in den toestand van een zwerm (hij heeft alleen den +honigvoorraad bij dezen vooruit). De bijen hangen zich in een tros aan +het besneden werk, en zijn even ijverig in het verlengen van den bouw, +als een nieuw opgezette zwerm. Het verder zwermen kan den stok belet +worden, door de moederwiegen, die nog mogten aanwezig zijn, tot op +eene na te vernietigen. Hoewel zelden, zoo kon er toch nog een zwerm +afvliegen, dien men dan de moederbij maar behoeft te ontnemen, om de +bijen weder op den stok terug te doen vliegen; het zwermen heeft dan +zeker opgehouden.--De stokken, welke men op de hier vermelde wijze +behandeld heeft, worden meestal van een voldoenden wintervoorraad +voorzien, en men kan hun meestal nog eenige ledige wastafels ontnemen. + +Bij Dzierzon's woningen komt geen besnijden te pas, of het zou moeten +zijn om wastafels te bekomen. In het laatst van Augustus of het begin +van September, neemt men den bouw uit de woning, verwisselt de oude +tafels uit het broednest met nieuwe, en verwijdert tevens al het +hommelwas. Zijn de stokken volkrijk in den winter gebragt, en hebben +zij voorraad genoeg, dan zullen zij gewoonlijk in het voorjaar nog +volkrijk genoeg zijn, om bij gunstig weder de beschimmelde tafels +te zuiveren. Men zorge slechts het voor de bijen toegankelijk +gedeelte der woning niet te vergrooten, voordat dit noodig is, en +neme het verwarmende dek, dat in de woning gebragt is, niet weg, +voordat bestendig, warm weder is ingevallen. Men kan zich niet te +zeer wachten voor het te vroeg verkoelen der woningen. + + + + + +HET BEDWELMEN. + + +Er bestaan verscheidene middelen om de bijen geheel of gedeeltelijk +te bedwelmen, waarna men haar zoo kan behandelen als men goedvindt, +zonder dat men voor hare steken behoeft te vreezen. Na ongeveer een +kwartier aan de buitenlucht blootgesteld te zijn geweest, ontwaken zij +weder, en vliegen naar haar stok terug, om daar hare gewone bezigheden +te hervatten. De bedwelming zal haar volstrekt niet benadeeld hebben, +wanneer zij maar niet is aangewend gedurende eene goede dragt; dan +zouden vele bijen, die vol honig zijn, er door stikken. Er wordt +daarom alleen vroeg in het voorjaar en in het najaar gebruik van +gemaakt, om de bijen uit uitgebroken korven, aan andere stokken +toe te voegen. Bij Dzierzon'sche woningen komt het minder te pas, +want daarbij kan men den geheelen bouw uitnemen, de moederbij op de +tafels vangen, en de bijen met eene veêr of een vegertje afstrijken, +waarna zij met den schepper bij den te versterken stok gevoegd worden. + +Het meest algemeen en van ouds her bedwelmt men de bijen door middel +van bovist of stuifzwam. Men maakt in den grond een kuil, van een +voet diep en zoo wijd, dat de korf hem geheel kan bedekken. In den +kuil legt men een doek, zet daarop eene test, met een weinig vuur er +in, en legt op het vuur drie of vier stukjes bovist, ter grootte van +eene okkernoot. De test wordt met eene potscherf gedeeltelijk bedekt, +en hierop plaatst men een stuk blik of zink, dat tot een scherpen rug +gebogen is, opdat de bijen niet op de verhitte scherf zouden vallen, +maar langs het metaal afglijden. Het vuur mag niet zoo bedekt worden, +dat het zou kunnen uitdooven, en rond de test moet nog iets geplaatst +worden, opdat de bijen zich ook daaraan niet kunnen branden. De korf +wordt nu terstond op den kuil geplaatst, en langs den rand wordt zand +of iets dergelijks gestrooid, om den rook niet te doen ontwijken. Na +een paar minuten hoort men de bijen sterk bruisen, waarop spoedig +alles stil zal worden. Legt men nu het oor tegen den korf, dan hoort +men de bijen vallen. Om dit te bevorderen klopt men met de hand tegen +den korf. Hoort men geene bijen meer vallen, dan is de bedwelming +afgeloopen. Nu ligt men den korf op, en vindt meest alle bijen op den +grond gevallen; de weinige, die nog tusschen de tafels zijn blijven +hangen, worden met eene veêr weggestreken, waartoe de tafels een weinig +van een gebogen worden. De test wordt weggenomen, en de bijen ligt men, +met den doek, in eens uit den kuil, en zoekt er de moederbij uit, welke +gewoonlijk met de laatsten gevallen is, en dus bovenop zal liggen. De +bedwelmde bijen worden nu met een weinig verdunden honig besprenkeld, +en in een strooring gelegd. Op den ring zet men nu den korf, waarin +de zwerm, dien men versterken wil, geplaatst is, en bindt de reet, +tusschen den korf en den ring, met een doek digt. Moeten de bijen in +eene Dzierzon'sche woning geplaatst worden, dan legt men haar op den +bodem neder. De bedwelmde bijen beginnen spoedig te ontwaken; de andere +komen op den honigreuk naar beneden, lekken de ontwakende bijen af, +en beiden vereenigen zich gewoonlijk vreedzaam. Vijandelijke aanvallen +hebben daarbij zelden plaats, en den volgenden morgen zullen bijna +alle bijen opgeklommen zijn, zoodat men slechts enkele dooden vindt. + +In plaats van een kuil in den grond te graven, kan men ook een lossen +strooring gebruiken, wanneer men slechts zorgt dat de reet, tusschen +dezen en den korf, goed gesloten wordt. + +Wil men de bijen in Dzierzon'sche woningen bedwelmen, dan neemt men +daar eenige der onderste tafels uit, en zet de test op den bodem +der woning. + +In plaats van bovist kan men ook buskruid gebruiken. Men neemt daar +een halven pijpekop van, maakt het met water tot een zoogenoemden +sisser, en legt daar een stukje brandend zwam op; er wordt iets over +geplaatst, opdat de vonken de bijen niet zouden raken. De bedwelming +zal even goed, en naar men wil, zelfs meer volkomen geschieden, dan +met bovist. Een bezwaar is evenwel dat het moeijelijk is, om het kruid +juist vochtig genoeg te maken. Is het te nat dan brandt het niet; +is het te droog dan ontploft het te snel. + +Men geeft thans op dat het beter zijn zou een half jagtschot kruid, +even als een poeder, in een papier te vouwen, op den rug daarvan een +gaatje te maken, en daarin een stuk zwam te steken. Een ledige korf +wordt met den kop in een ring vastgezet, het papier met kruid er in +gelegd, en na het zwam aangestoken te hebben, wordt daar eene potscherf +over gelegd. Nu zet men den korf met de te bedwelmen bijen dadelijk op +den ledigen korf, en sluit de reet niet, voordat het kruid ontploft +is, opdat de lucht, die weggedreven wordt door de bij de ontploffing +gevormde gassen, zou kunnen ontwijken. Is de reet dadelijk na de +ontploffing gesloten, dan klopt men nog wat tegen den korf, en spoedig +zal alles stil worden, en de bedwelming is volbragt. De ontploffing +doet de bijen, die haar gedeeltelijk ondervinden, schrikken, zij laten +dan los en vallen gelijktijdig neêr. Branden kunnen zij zich niet, +want zij vallen eerst na de ontploffing, en de vlam kan de hoogte, +waarop zij te voren zaten, niet bereiken. + +In Dzierzon'sche woningen kan men het kruid op de zelfde wijze +aanwenden, doch men moet dan de deur, tot na de ontploffing, los +aanzetten, en haar daarna sluiten. + +Met zwavelether en ook met chloroform, kan men de bijen bedwelmen. Men +giet een half Ned. lood van deze stoffen op een sponsje, en bevestigt +dit op een stokje, dat in den korf gestoken wordt, of legt het op +een paar stokjes, om de verdamping vrij te laten, op den bodem der +Dzierzon'sche woningen. Alle openingen worden daarna zorgvuldig +gesloten. De ether bedwelmt niet volkomen; de bijen vallen wel +neder, maar zij blijven zich toch nog eenigzins bewegen; men kan er +evenwel goed mede omgaan, daar zij buiten staat zijn om te steken. De +chloroform bedwelmt volkomen, maar is te kostbaar. + +Indien men slechts eene gedeeltelijke bedwelming beoogt, om de bijen +gedwee te maken, en haar steken tegen te gaan, dan kan men eene kleine +hoeveelheid bovist door den tabak in de rookpijp doen, en den rook er +van matig over de bijen blazen. Het geheele jaar door kan dit zonder +gevaar geschieden. + + + + + +DE BIJENSTEEK. + + +Niets staat voorzeker de algemeene beoefening der bijenteelt meer in +den weg dan de vrees voor den bijensteek. De angel is een geducht +verdedigingswapen, dat alleen de bijen van het vrouwelijk geslacht +bezitten, en waarvan zij zich hoofdzakelijk bedienen, tegen haars +gelijken, wanneer vreemde bijen in hare woning willen dringen, om +daar rooverij te plegen. Ook gebruiken zij het niet zelden tegen +den mensch, of tegen dieren, wanneer die op de eene of andere wijze +haar toorn hebben gaande gemaakt. Men moet daarom, in den omtrek der +bijenstokken, nooit naar eene bij slaan, of haar door hard wegloopen +zoeken te ontgaan, want dan zal men in de meeste gevallen den steek +ontvangen. Wordt men door eene bij boosaardig vervolgd, en blijft +zij steeds rond het hoofd vliegen, dan is het beste zich langzaam te +verwijderen, zonder er naar te slaan; in de meeste gevallen zal men +haar dan ontkomen. + +Wanneer men sterk bezweet is, worden de bijen zeer boos, omdat zij +den zweetreuk niet verdragen kunnen. De reuk van geestrijke vochten, +van ajuin en van de meeste sterk riekende stoffen, is haar zeer +hinderlijk. Bij het zien van donkere kleuren, vooral van zwart, +en op den reuk van haar eigen gift, worden zij zeer toornig. Het is +daarom raadzaam zich niet te donker te kleeden, wanneer men iets aan +de stokken moet verrigten, en ook geene kleederen te dragen, waarin +de bijen reeds menigmaal gestoken hebben, zoodat er zich nog angels +in bevinden. Ook wordt haar steeklust sterk opgewekt, als zij in hare +woning verontrust worden. + +De bijen steken alleen in den omtrek van hare woning; die in het veld +honig opzamelen behoeft men nooit te vreezen. + +Het is niet zoo zeer de steek zelf, die gevreesd moet worden, dan +wel de gevolgen, die hij na zich sleept, welke zeer hinderlijk kunnen +zijn. Het bijengift, dat bij den steek door den angel in de wond komt, +werkt bij verschillende personen niet met dezelfde hevigheid. De +eene is vatbaarder dan de andere voor den invloed daarvan; sommigen +hebben er weinig hinder van, bij anderen daarentegen heeft het hevige +zwelling ten gevolge, die gepaard gaat met brandende pijn, welke dagen +kan aanhouden. Langzamerhand gewent men er aan, zoodat iemand, die +meermalen gestoken is, er bijna geene zwelling of pijn meer van heeft. + +Het bijengift is een zuur, dat dezelfde eigenschappen bezit als het +mierenzuur. Meestal heeft het ontsteking ten gevolge, en het is daarom +goed het gestoken deel met verkoelende middelen te behandelen. Omslagen +met koud water zijn het best. Vooraf moet men er evenwel den angel +uithalen en de wond een weinig overdwars krabben, om er zoo mogelijk +eenig gift uit te drukken; overlangs moet men nimmer krabben, daar +dit het dieper zou doen dringen. + +De steeklust der bijen is niet altijd even groot. Hij hangt veel af +van de dragt en het weder. Is er in het veld veel te halen, dan moet +men vooral zorgen niet te digt voor de stokken te staan, want zoo de +bijen dan slechts de minste verhindering in hare vlugt ondervonden, +dan kon men verzekerd zijn door haar gestoken te zullen worden. Bij +zoel, drukkend weder, zijn zij ook zeer steeklustig. Men moet het +werken aan de stokken dan vermijden. Is het echter noodzakelijk er +iets in te verrigten, dan is het beste om dit op het midden van den +dag te doen; de meeste bijen zijn dan van huis en van die, welke het +broed verzorgen, heeft men niets te vreezen; deze zijn niet geschikt +om dadelijk op te vliegen; door het plotseling invallende licht +worden zij zelfs eenigzins vreesachtig, hetgeen zij toonen door zich +tusschen de tafels te verbergen. Men moet echter zorgen haar niet te +drukken, want dan zouden zij uit noodweer steken. De groote storing, +die de bijen in de korven ondergaan, door dat men deze van hunne +plaats nemen en omwenden moet, wekt haar toorn niet zelden op. De +te huis komende bijen, die hare woning niet vinden, vliegen verward +rond en vallen spoedig haar verstoorder aan, om zich te wreken. Bij +het gebruik van Dzierzon'sche woningen, heeft men veel minder steken +te wachten. Opent men de deur, dan vliegen de bijen toch in en uit, +zonder het als het ware te bemerken, dat hare rust verstoord is; +de bijen, die zich in het voorste gedeelte der woning bevinden, +bespeuren er ook weinig of niets van. + +Bij het behandelen der bijen neemt men altijd eenige voorzorg. Hoe +meer en hoe langer men met de bijen heeft omgegaan, hoe beter men +haar heeft leeren kennen, des te minder denkt men er aan zich tegen +haar te beveiligen. Men moet evenwel nooit nalaten eene bijenkap op +te zetten. Eerstbeginnenden kunnen zich ook van handschoenen bedienen, +welke van dubbel linnen gemaakt worden, en eveneens zijn ingerigt als +gewone wanten: de vier vingers bijeen, doch de duim afzonderlijk. Zij +worden zoo wijd en lang gemaakt, dat zij over de mouwen getrokken en +boven den pols toegebonden kunnen worden. Trekt men nu nog laarzen aan, +en bindt men de broekspijpen daarover toe, dan kan de meest bevreesde +zich onder de bijen begeven: het is haar onmogelijk hem te steken. + +Men moet de bijen onbevreesd behandelen, zich steeds langzaam +haastende. Altijd moet men er op bedacht zijn, dat men gestoken zou +kunnen worden. Anders kon men, een steek ontvangende, verschrikken, +daardoor een korf of eene tafel met bijen laten vallen, en dus schade +aanrigten en de bijen in toorn brengen. Gaat men bedachtzaam en bedaard +te werk, dan blijven de bijen het rustigst, en men zal weinig gevaar +loopen van gestoken te worden. En een enkele steek heeft dan ook zoo +bijzonder veel niet te beteekenen; het is geene doodwond. + +Het beste middel, om de bijen meer handelbaar te maken, is rook. De +boosaardigste stok wordt daardoor gedwee. Men begeeft zich dan ook +nooit naar de stokken, zonder rook te kunnen maken. Eene gewone, +goudsche pijp is veeltijds voldoende. Zoodra men een korf heeft +omgekeerd, of eene Dzierzon'sche woning heeft geopend, blaast men +er eenige rookwolken in, waarop de bijen een bruisend geluid doen +hooren. Men kan dan met het inblazen van rook ophouden, en dit bruisen +als een teeken beschouwen, dat de bijen zich hebben onderworpen. Zij +trekken zich tusschen de tafels terug, en blaast men nu en dan nog +eenigen rook in de woning, dan zal men weinig last van de bijen hebben. + +Is men bevreesd dat de bijen, bij het omkeeren van een korf of het +openen van eene Dzierzon'sche woning, te woest zullen zijn, hetgeen +bij volkrijke stokken dikwijls het geval is, dan ligt men den korf een +weinig op, of opent de deur met eene reet en blaast rook in den stok, +totdat men de bijen hoort bruisen; dan kan men zijn gang gaan. + +Men moet voorzigtig wezen het berooken niet te ver te drijven, want +het onbedekte broed zou daardoor afsterven. + +Wil men geene rookpijp bezigen, dan kan men ook goed droog, vermolmd +hout gebruiken; wordt dit aangestoken, dan blijft het vuur houden en +rook geven. Ook kan men eene lont maken van linnen lappen, en daar +een weinig haar tusschen doen. De rook van haar is voor de bijen +bijzonder hinderlijk en maakt haar spoedig gedwee. Van hennip of vlas +kan men ook lonten maken, die gedompeld worden in eene oplossing van +salpeter in water. Zijn zij goed gedroogd, dan blijven zij branden, +en de bijen worden door den rook van deze lonten zeer handelbaar. Ook +heeft deze rook de minst nadeelige gevolgen. Alleen bij Dzierzon'sche +woningen kan men van de hier opgegeven middelen gebruik maken. Het +hout of de lont wordt brandend op den bodem gelegd, de rook klimt dan +van zelf tot de bijen op. Bij korven kan dit niet geschieden, daar zij +omgewend moeten worden. Men moet daar dus den rook altijd in blazen. + + + + + +HET REIZEN MET DE STOKKEN. + + +Men onderscheidt gewoonlijk tweeërlei wijze om de bijenteelt uit +te oefenen. De eerste bestaat daarin, dat de bijenstokken altijd op +denzelfden stand gehouden worden; men noemt haar tuincultuur, omdat men +den stand dan ook meestal digt bij zijne woning heeft. Wil men echter +meer voordeel van zijne bijen trekken, hetgeen noodzakelijk is voor +hem, die in de bijenteelt zijn middel van bestaan zoekt, dan verplaatst +men de stokken steeds naar streken, waarin eene ruimere weide gevonden +wordt, dan in zijne woonplaats. Men ontziet daartoe noch verre reizen, +noch groote kosten, want de moeite en de kosten worden gewoonlijk +ruim beloond. Zoo trekt de bijenhouder, die in eene streek woont, +waar boekweit gekweekt wordt, en waar dus slechts eene late weide +bestaat, naar de plaatsen waar de zaadbloem wordt gevonden. Is het zaad +uitgebloeid, dan trekt hij weder naar de boekweit, en levert die niets +meer op, dan zoekt hij de heidebloem. Zoo gaat men in Noord-Braband, +wanneer het weder er geschikt toe is, gewoonlijk in het midden van +April, naar Zeeland, waar veel koolzaad wordt verbouwd. Op het zaad +verzamelen de bijen veel honig en bloemenstof; zij kunnen er dus veel +voorraad opleggen en veel broed aanzetten. Bij gunstig weder kunnen +de stokken al vroeg honig- en volkrijk worden. In het laatst van Mei +of in het begin van Junij geven zij gewoonlijk hunne voorzwermen, +en soms zelfs reeds eenige nazwermen af. + +Om de stokken zonder gevaar te kunnen vervoeren, dient men eenige +voorzorgen te nemen. Een of twee dagen voor dat men vertrekken wil, +zet men den korf op den kop, en steekt tusschen elke twee op elkander +volgende tafels een of twee houten pinnen, welke met de punt in den +korf worden gedrukt. De dikte der pinnen moet gelijk zijn aan de +wijdte der straten; zij houden dan de tafels op den vereischten +afstand; zonder de pinnen konden zij wel eens tegen elkander +vallen. De korf wordt nu weder op zijne plaats gezet. Naardat +men veel of weinig stokken te behandelen heeft, begint men in den +namiddag of tegen den avond, die den nacht, waarin men de reis wil +aanvangen, voorafgaat, met de vlieggaten der korven digt te maken; +daarna plaatst men hen op den kop, en legt over de opening van den +korf een vierkant stuk zoogenaamd bijendoek, waarvan de vier punten, +elk tusschen twee stukjes leder, met een tweeduims kopspijker, op +den buitenkant van den korf worden bevestigd. De doek wordt zoo strak +mogelijk aangehaald, en door de punten een paar malen om te draaijen, +kan men de kanten van den doek zoo sterk tegen den korf doen sluiten, +dat er geene enkele bij kan ontsnappen. Nu maakt men een der spijkers +weder los, en trekt de vrij geworden punt van den doek van den korf, +zoodat zijne opening maar voor de helft meer gesloten is. De korf +wordt nu in den stal in eene schuinsche rigting op zijde gelegd, +door den kop een weinig te ligten; de opening moet vooraan liggen, +daar waar zich vroeger het vlieggat bevond. De bijen zullen nu wel +eenigzins verward rondvliegen, maar zich toch al spoedig in den korf +begeven; daar de warmte daarin aanmerkelijk verminderd is, zullen zij +zich zoo digt mogelijk tusschen het werk te zamen trekken. Wanneer +de avond gevallen is, zullen alle bijen in den korf zijn; dan trekt +men den doek weder over de opening en steekt hem met den spijker vast. + +Zijn alle korven aldus gesloten, dan worden zij zoo op een wagen +op zijde gelegd, dat de tafels regtop staan, dat de lucht in elken +korf vrij kan binnendringen, en dat men den doek van elken korf met +eene spuit kan bereiken, om hem te bevochtigen. Dit kan noodig zijn, +wanneer de bijen, door te sterk tegen den doek te liggen, de toetreding +der lucht beletten. Een weinig water doet haar dan gedeeltelijk van +den doek vallen, en het frischt haar tevens op. Gewoonlijk worden er +30 à 40 korven op een wagen geladen. + +Men begint de reis laat in den avond, kiest altijd de beste +wegen, al moet men daar ook een omweg voor maken, en rijdt zeer +langzaam. Aanvankelijk worden de bijen door de ongewone beweging +onrustig, en men moet dan, minstens om de vijf minuten, een weinig stil +houden, om haar te doen bedaren. Gaandeweg kan men het ophouden wat +langer uitstellen, totdat men eindelijk geregeld blijft doorrijden, +dat echter altijd stapvoets gaan moet. + +Moet men meer dan een nacht onderweg zijn, dan moeten de korven +tegen den morgen in een stal of in eene schuur afgeladen worden, +waar zij zoo donker mogelijk geplaatst, en nu en dan een weinig met +water bespoten worden. Den volgenden nacht vervolgt men zijne reis. + +Wanneer de reis ook voor een gedeelte met een vaartuig moet geschieden, +dan legt men de korven met den kop tegen den scheepswand, en laat +den doek ongehinderd, zoodat de lucht vrijen toegang heeft, en men +langs de korven gaan kan, om zich aanhoudend van den toestand der +bijen te overtuigen. + +Op de plaats van zijne bestemming aangekomen, legt men eene laag stroo +of planken op den grond, zet de korven daarop, opent de vlieggaten +en dekt de korven voor den regen met losse pannen. Sommigen nemen +er maar ééne voor elken korf, doch het is beter er twee of drie te +nemen. Hebben de korven aldus een dag gestaan, zoodat de bijen de +vlugt hebben leeren kennen, dan neemt men er de kleedjes af, en trekt +de pinnen tusschen de tafels weg. + +Gewoonlijk blijft men tot het laatst van Junij of het begin van Julij +op het zaad, en trekt dan naar de boekweit, die omstreeks dezen tijd +begint te bloeijen. Wie er maar eenigzins gelegenheid toe heeft, +verzuimt niet de boekweit te bezoeken. Bij gunstige dagen, met een +half bewolkten hemel en zuiden of westen wind, en vooral kort voor +het regenen of terwijl het reeds zacht regent, kunnen de bijen er +ongeloofelijk veel op verzamelen. Het is of het dan honig regent. Een +volkrijke stok kan op zulk een dag gemakkelijk 5 Ned. pond binnen +brengen. Bij helder weder honigt de boekweitbloem soms ook sterk, en +de dragt kan zelfs ruim zijn als het, bij eene geheel betrokken lucht, +zeer zoel is; de bloem honigt dan wel eens tot laat in den namiddag; +bij helder, droog weder doet zij dit zelden langer dan tot den middag, +waarna de bijen haar dan ook weinig meer bevliegen [20]. + +Als men van het zaad komt, heeft men in den regel het getal van zijne +stokken verdubbeld. Gewoonlijk zijn dan toch meest alle voorzwermen +en reeds vele nazwermen afgevlogen. Daar men evenwel eene te sterke +vermeerdering voor ongunstig houdt, verhindert men het nazwermen +zooveel mogelijk. Twee kleine voorzwermen voegt men soms bijeen, +en van de afgevlogen nazwermen vereenigt men er soms drie of vier; +veeltijds geeft men hen ook aan den moederstok terug. + +De terugreis gaat met veel meer moeite gepaard dan de heenreis. Men +heeft niet alleen een grooter getal stokken te vervoeren, maar de +moederstokken kunnen ook, wanneer de gelegenheid gunstig geweest is, +een aanmerkelijk gewigt bekomen hebben. Daarbij komt nog dat het nieuwe +werk veel zwakker is dan het overjarige, en dat het weder veel warmer +is geworden. Met de meeste zorg moeten er pinnen tusschen de tafels +gestoken worden, en de zwermen, welker bouw nog zeer teeder is, dient +men vooral goed te voorzien. Door het gewigt van het broed en den honig +kon de bouw toch al zeer ligt instorten. Men moet ook goed zorgen voor +eene vrije toetreding der lucht, en dikwijls water tegen de kleedjes +spuiten, daar de bijen anders veel gevaar loopen van te stikken. + +Heeft men de plaats van zijne bestemming bereikt, dan handelt men weder +even als vroeger. Wie in de nabijheid der boekweitvelden woont, plaatst +de stokken weder op hun gewonen stand, en zoo mogelijk ieder op zijne +oude plaats. Er zullen nu altijd nog vele nazwermen, en zelfs enkele +voorzwermen afkomen, zoodat men de stokken nog geregeld moet bewaken. + +In de eerste helft van Augustus houdt het bloeijen van de boekweit +gewoonlijk op, waarna men met de zwermen, en de ligt gebleven +moederstokken, de heide opzoekt, die tot half September bloeit, en +soms nog eene ruime dragt kan geven. Vroeger hebben wij reeds gezien +dat de heidehonig, die op het einde van de dragt wordt ingezameld, +gewoonlijk onbedekt meet blijven, daar het dan reeds te koud is, +om was te bereiden. Hij gaat dan tot verzuring over, en kan de bijen +den loop doen krijgen. + +In de streken van Noord-Braband, welke mij bekend zijn, gaat men met +de stokken, die reeds veel ingezameld hebben, niet naar de heide, +als de bloeitijd van de boekweit voorbij is. Het vervoer van zulke +stokken zou nutteloos zijn, daar gebrek aan ruimte hun de verdere +dragt zou verbieden. Zelfs zouden de spinnewebben, waarmede de heide +veelal overdekt is, eene menigte bijen doen omkomen. Men brengt +dan ook gewoonlijk slechts die bijen naar de heide, die men bij den +honigoogst te veel heeft. + +Ik heb getracht in het bovenstaande zoo volledig mogelijk op te geven, +hoe men in Noord-Braband met zijne korven reist. Zoover mij bekend is, +zijn er hier te lande geene bijenkweekers, die Dzierzon'sche woningen +gebruiken. Zij kunnen er dus niet grondig over oordeelen. Enkelen, +die haar bij mij zagen, beweerden dat zij nooit algemeene navolging +konden vinden, daar zij naar hun inzien, geheel ongeschikt waren, +om er mede te trekken. En toch moet ik, en zullen allen met mij, +die haar goed hebben leeren kennen, haar ook in dit opzigt boven +strookorven verkiezen. Het is wel waar dat deze woningen eene grootere +plaats innemen, en dat haar vervoer dus kostbaarder is; maar er zullen +toch wel twintig enkelvoudige woningen op een wagen geladen kunnen +worden. De groote transportkosten zijn niet alleen geen overwegend +bezwaar, maar worden ruim opgewogen door de voordeelen, die zij, +met de korven vergeleken, aanbieden. Men is vrij wat spoediger en +gemakkelijker tot de reis gereed. Heeft men geene luchtgaten in +de deuren laten maken (zie bl. 88), dan maakt men voor elke woning +een raam, dat in de deuropening past, spijkert hierop vliegengaas +of bijendoek, en zet het in de plaats van de deur; een plankje, +waarin zoovele zaagsneden als mogelijk is, gemaakt zijn, zou ook al +kunnen volstaan. + +Niet alle woningen zijn geschikt om er mede te reizen. De zamengestelde +en de staande woningen leenen er zich minder goed toe. Maar +met de bijen uit die woningen kan men toch wel andere plaatsen +bezoeken. Men maakt daartoe, van planken of dunne stroowanden, ligte +kastjes, waarin men het werk hangt; de bijen, die nog in de woning +teruggebleven zijn, doet men ook in het kastje. Het is duidelijk dat +men het werk en de bijen, uit elk vak van eene zamengestelde woning, +in een afzonderlijk kastje plaatst. De ledige tafels, zoowel als die +met broed en bloemenstof, hangt men allen in het kastje, doch van de +honigtafels geeft men er slechts eene, waaraan de bijen voor de reis +genoeg zullen hebben: de verligting, die de stok hierdoor ondergaat, +maakt het vervoer veel gemakkelijker. De tafels, die in het kastje +gehangen zijn, moeten, daar zij aan de kanten geheel los zijn, van +onderen nog door een paar latjes ondersteund worden. Men moet goed +toezien dat ook de moederbij in het kastje komt, of dat er ten minste +in elken stok ongedekt broed voorhanden is, opdat een stok, welke +zijne moederbij toevallig miste, hulpwiegen zou kunnen aanzetten, +en daardoor zich zelven redden. + +In de leêg gemaakte woningen verzamelen zich altijd nog eenige bijen, +welke men den volgenden morgen, indien haar getal groot genoeg is, +bijeenvoegt en in eene woning plaatst, welke met ledige wastafels +voorzien is, en waarin men ook eene tafel met honig, en eene met +ongedekt broed hangt. Vond men soms eene teruggeblevene koningin, +dan plaatst men die in een moederhuisje en geeft haar aan den zwerm, +dien men nu naar een verwijderden stand brengt; na een paar dagen laat +men de koningin los. Zijn er te weinig bijen, om er een kunstzwerm +van te maken, dan versterkt men er een stok mede, dien men dan, na wat +muscuswater op de bijen gesprenkeld te hebben, naar een verwijderden +stand brengt. + +Bij alle reizen neemt men de honigtafels op eene na uit de woningen, +en hangt of legt deze in daartoe bestemde kistjes, welke goed digt +moeten zijn, opdat de honig er niet uit zou vloeijen, al braken er op +de reis enkele tafels. Het is juist doordat zij de gelegenheid geven, +om den honig gedurende de reis uit de woning te nemen en dien later, +zoo noodig, er weder in te hangen, dat Dzierzon's woningen boven alle +andere zijn aan te bevelen, om met de bijen te reizen. De grootere +reiskosten worden door dit voordeel ruim vergoed. De bijen loopen +niet alleen geen gevaar om door het breken van tafels om te komen, +maar hare woning wordt er ook ruimer en koeler door, hetgeen bij heet +weder voor de reis hoogst wenschelijk is. + +De woningen, die ik op bladz. 91, aan het slot van het hoofdstuk, +waarin de liggende woningen beschreven worden, opgaf, zijn de +meest geschikte voor het reizen. Worden deze woningen, als men +ter bestemder plaatse gekomen is, weder zoo tegen en op elkander +gezet, als zij vroeger gestaan hebben, en met hetzelfde dak gedekt, +dan zullen de bijen zich zeer spoedig te huis gevoelen, en op de +inzameling uitvliegen. De dubbele liggende woning, en die woningen, +welke tusschen de staande en de liggende in vallen (zie bl. 91, +bovenaan) zijn ook vatbaar voor verplaatsing. + +Wanneer men den stokken lucht gegeven, de vlieggaten gesloten en de +schuifjes toegebonden heeft, dan neemt men (het best geschiedt dit +door twee personen), de woningen van hare plaats, zorg dragende +haar goed regt te houden, en zet haar zoo op den wagen, dat de +wastafels in dezelfde rigting loopen als de wagenassen, en door het +schokken niet tegen elkander kunnen vallen of afbreken. Neemt men de +opgegeven voorzorgen in acht, dan zal men geene ongelukken te vreezen +hebben. Indien men op de plaats van zijne bestemming gekomen is, +zet men alle woningen zooveel mogelijk even als zij te huis stonden, +dekt haar voor den regen, opent de vlieggaten, en zet de gewone +deuren weder in de woningen, nadat de latten, die tot ondersteuning +der tafels gediend mogten hebben, er uitgenomen zijn. In korten tijd +zullen de bijen nu de nieuwe vlugt leeren kennen. Wanneer de eerste +dagen soms ongunstig voor de inzameling zijn mogten, dan geeft men +den stokken, welke daar behoefte aan hebben, eene der honigtafels, +die men tot dat einde op reis medeneemt. + +Is men van zijne reis teruggekomen, dan geeft men den stokken, die +men door den winter brengen wil, zooveel tafels, als men rekent dat +zij noodig zullen hebben; daarbij moet men liever wat ruim dan te +karig te werk gaan. + +Indien men het reizen met strookorven vergelijkt, met het reizen +met Dzierzon'sche woningen, dan laat het zich niet betwijfelen, +of de laatste de overwinning wel zullen behalen. De voordeelen van +Dzierzon's woningen, ook in dit opzigt, vallen te zeer in het oog, +om er verder over uit te weiden. + + + + + +DE HONIG- EN WASOOGST. + + +Wanneer de bijenhouders in Noord-Braband, nadat de boekweit uitgebloeid +is, weder met hunne bijen zijn teruggekeerd, houden zij den honig- en +wasoogst. Gewoonlijk geschiedt dit in de eerste helft van Augustus. Zij +gaan daarbij op de volgende wijze te werk. + +De zware moederstokken en alle zwermen, die, om goed door den +winter te kunnen komen, te weinig bouw en voorraad hebben, worden +ter zijde gezet. De zwermen, hetzij voor- of nazwermen, welker bouw +en honigvoorraad toereikend is, worden als overstanders uitgekozen, +en zijn er te weinig voor den stand, dan zoekt men uit de ter +zijde gezette zwermen er nog zoovele, als men noodig heeft, en +maakt die, door hun eenige ondersteuning te geven, geschikt voor de +overwintering. Heeft men nu nog te weinig stokken, om door den winter +te brengen, dan neemt men er nog moederstokken bij, waaruit men een +gedeelte van het werk snijdt, indien men meent dat zij dat niet noodig +hebben. Gewoonlijk behoudt men jaarlijks het zelfde getal stokken, en +neemt dit, voor een mogelijk verlies in den winter, niet te klein. De +uitgekozen overstanders worden op de gewone plaats in den stal gezet. + +De stokken, welke men ter zijde gezet heeft om uitgebroken te worden, +laat men nog een paar dagen staan, het is onverschillig waar, opdat de +bijen er de vlugt zouden leeren kennen. Dan neemt men hen een voor een +van hunne plaats, en zet daar een ledigen korf, waarin de omvliegende +bijen zich kunnen verzamelen, en trommelt hen op eenigen afstand van +den stand uit, zooals dit voor het maken van kunstzwermen (zie bl. 165) +is opgegeven, doch tracht nu, door wat meer rook aan te brengen, +er de bijen zooveel mogelijk uit te verwijderen. Indien de grootste +hoeveelheid bijen naar den bovensten korf is opgeklommen, dan neemt men +hem weg, en zet hem op de plaats, waar de volle korf heeft gestaan. De +ledige korf, dien men daar gezet had, opdat de omvliegende bijen er +zich in zouden verzamelen, wordt weder weggenomen; de bijen, die er +in mogten zijn, zoeken de haar bekende plaats weder op. Nu tracht +men, door kloppen en berooken, de bijen, die nog teruggebleven zijn, +zooveel mogelijk te verwijderen; men buigt daarom ook de tafels een +weinig van elkander, en strijkt er met eene veêr alle bijen tusschen +weg. De korf wordt nu, in een besloten lokaal, liefst met een naar +buiten openslaand venster, op den kop gezet; de nog teruggebleven +bijen vliegen nu uit den korf naar het venster, en worden, door dit +van tijd tot tijd even te openen, gemakkelijk verwijderd. Men moet +het niet open laten, want dan konden andere bijen komen rooven. + +Indien alle stokken, die uitgebroken moeten worden, op de aangegeven +wijze zijn afgetrommeld, dan worden tegen den avond twee, drie, soms +vier stokken met elkander vereenigd, zoodat de geheele korf soms met +bijen is aangevuld. Die stokken brengt men dan naar de heide. Zij +worden zoo volkrijk gemaakt, omdat er op de heide zoo ontzettend +veel bijen kunnen omkomen. Dikwijls worden zij er nog zeer zwak, +en men houdt daarom gewoonlijk nog enkele stokken te huis, om hen +te versterken. Wanneer er ongunstig weder mogt invallen, dan moeten +deze stokken, omdat zij zonder eenigen voorraad zijn weggebragt, +ondersteund worden. + +Zijn de bijen nu behoorlijk besteld, dan begint de eigenlijke honig- +en wasoogst. Men trekt daartoe al de kruisstokjes, die dienden om +den bouw te ondersteunen, uit de korven, snijdt er eenige tafels, +die den zuiversten honig bevatten, uit, en steekt daarna met eene +kleine, ijzeren spade al het werk los, onverschillig of dit honig, +broed of bloemenstof bevat, en werpt het dooreen in eene ton, die +gewoonlijk 150 Ned. pond kan bevatten. De geledigde korven zet men op +een paar latten, boven de ton, om uit te druipen; is dat geschied, +dan worden zij tot den volgenden zomer op zolder gezet, waar zij +zooveel mogelijk voor muizen en voor onreinheden bewaard worden. + +De heide bloeit gewoonlijk tot half September, en zoo het weder gunstig +is, kunnen de stokken daar soms nog een voldoenden bouw optrekken, en +van een genoegzamen wintervoorraad voorzien raken. Daar de heidehonig +echter voor de overwintering minder geschikt is, zoo breekt men hem +meestal uit, en verdeelt de bijen, die hem verzameld hebben, over +zijne andere stokken, of doodt haar met zwaveldamp. + +Wie niet met zijne bijen naar de heide gaat, hetzij omdat de +gelegenheid daartoe ontbreekt, of omdat de kans op voordeel te onzeker +is, trommelt haar niet af, wanneer men haar ten minste niet behoeft, +om er andere stokken mede te versterken. Men doodt haar dan door +zwaveldamp. In den grond graaft men een kuil, steekt daarin een paar +stokjes, waaraan brandend zwavellint bevestigd is, zet er den korf +boven en sluit den rand met zand of klei, om den zwaveldamp niet te +doen ontwijken. Nadat de korf een kwartier zoo gestaan heeft, zijn +meest alle bijen gestikt en uit den korf gevallen; zij worden in den +grond begraven. De ontvolkte korven worden eveneens behandeld, als +boven is gezegd. De doode bijen, die nog tusschen de tafels hangen, +neemt men zooveel mogelijk weg, maar ziet er ook niet op, er eenige, +met den honig en het werk, in de ton te werpen. + +Den ruwen honig, zooals die in de ton verzameld is, verkoopt men aan +de honigbrekers. Met dezen naam bestempelt men de personen, die den +honig en het was zuiveren en in den handel brengen. De bijenhouders +doen dit gewoonlijk niet. Zij zuiveren slechts een weinig van den +besten honig, en bewaren dien om, zoo noodig, als voedsel te dienen. + +Het zuiveren van den honig, die nu nog in vloeibaren toestand in +de cellen is, geschiedt door de tafels te verbreken, waardoor zij +in eene dunne pap overgaan, die in een puntig, van witte teenen digt +gevlochten mandje, dat boven eene kuip geplaatst is, wordt geworpen. De +honig druipt nagenoeg zuiver in de kuip; de kleine stukjes was, +die er zich nog onder bevinden, verzamelen zich langzamerhand op de +oppervlakte. Den volgenden dag neemt men die met een lepel en eene +pennenveêr weg, en legt hen in het mandje, op het daar teruggebleven +was. De mede geschepte honig zal nu weder zuiver uit het mandje +druipen. + +De honig, die op deze wijze verkregen is, heet lekhonig. Hij is helder +doorschijnend, en wit, geel of bruin van kleur. De kleur is afhankelijk +van de bloemen, waarop hij gewonnen is. De vloeibare honig wordt zeer +spoedig vast. Het vat, waarin hij is vast geworden, kan omgekeerd +worden, zonder dat hij daaruit zal vloeijen. De lekhonig is na dien, +welke in de tafels bewaard is, het beste voor voeder. + +Uit het was, dat in het mandje is teruggebleven, kan door middel +van de honigpers nog eenige honig verkregen worden. De uitgeperste +koeken worden in water van een gedrukt; dit mengsel wordt eenigen +tijd geroerd, om den honig goed met het water te vermengen, en dan in +bovengenoemd mandje geworpen. Het waschwater, dat nu door het mandje +loopt, wordt opgevangen om er mede of azijn van te maken. Hoe dit +geschiedt zal later worden opgegeven. + +Ik heb de Dzierzon'sche woningen steeds vergeleken met de gewone +strookorven, en dikwijls waren de voordeelen, die zij aanboden, zeer +in het oog loopend. Vergelijkt men beide nu weder met betrekking tot +den honigoogst, en het gereed maken der stokken om in de heide gebragt +te worden, dan zullen Dzierzon's woningen weder eene schitterende +overwinning behalen. De ronde vorm der strookorven heeft ten gevolge +dat de warmte daarin overal bijna dezelfde hoogte bereikt. De moederbij +heeft daardoor gelegenheid om alle cellen te bezoeken en die, welke zij +ledig vindt, met eijeren te bezetten. Indien zij zeer vruchtbaar is, +houdt zij dit den geheelen zomer vol, en een groot gedeelte van de +nakomelingschap, die zij verwekt, komt veel te laat, zoodat duizende +bijen, zooals wij boven zagen, voordat zij de cellen verlaten hebben, +door den honig geworpen worden. Het eenige nut dat zij aanbrengen +bestaat daarin, dat zij het gewigt vermeerderen; maar de honig wordt er +dan ook zeer door verontreinigd en tot een walgelijk produkt gemaakt, +waartoe ook het bloemenstof, dat er eveneens door geworpen wordt, het +zijne bijdraagt. Ik heb hierover wel eens met bijenhouders gesproken, +en zij zagen wel in dat eene late broedaanzetting nadeelig was, maar +zij wisten haar niet tegen te gaan, en in korven is dit ook niet +mogelijk. Zulk een bijenhouder zeide mij eens, dat het hem het best +toescheen, om in Julij het werkbijenbroed, even als het hommelbroed, +zooveel mogelijk te vernietigen. Maar hij begreep niet dat het +middel erger dan de kwaal was. De sterke volksvermeerdering zou men +er wel door voorkomen, maar men zou de bijen ook een zeer moeijelijk +werk geven, want zij moesten nu al de bijna volwassen bijen uit de +cellen trekken, buiten den korf dragen, en de cellen zuiveren. Dit +zou haar een geruimen tijd beletten om op de dragt uit te vliegen, +en zoodra als de cellen weder gezuiverd en hersteld waren, zou de +moederbij haar weder met eijeren bezetten; de bijen moesten deze weder +bebroeijen, en de maden van voedsel voorzien, hetgeen weder veel honig +zou vereischen. Men was dus niets gevorderd, maar had nog het nadeel, +dat de bijen minder honig indroegen, en meer honig aan broed moesten +ten koste leggen. Het beste zal dus nog maar wezen om het broeijen +in de korven vrij te laten. + +Doordat de Dzierzon'sche woningen langwerpig vierkant zijn, bereikt de +warmtegraad niet overal dezelfde hoogte. Het broednest wordt daardoor +van zelf begrensd, omdat de moederbij niet ligt de koudere gedeelten +van den stok bezoekt. Mogt zij daartoe, bij zeer warm zomerweder, +geneigd zijn, dan kan het haar belet worden (zie bladz. 155). Zoodra +men berekenen kan, dat het aangezette broed te laat zal komen, om +nog in te zamelen, dan belet men de broedaanzetting geheel, door de +moederbij in een huisje te sluiten. + +Is de dragt van de boekweit geëindigd, dan bepaalt men het aantal +stokken, dat men inwinteren wil, en ontneemt die den overtolligen honig +en het meeste broed. Die te weinig honig hebben geeft men, in plaats +van de weggenomen broedtafels, zoovele honigtafels, dat zij ruim voor +den winter voorzien zijn. Den stokken, die men wil uitbreken, ontneemt +men den geheelen voorraad honig en bloemenstof en versterkt hen met de +broedtafels, die men uit de andere stokken genomen heeft. Daarna geeft +men hun elk nog eene honigtafel, om tot voedsel te dienen, wanneer er +soms ongunstig weder inviel. De ruimte, welke nu nog in de woningen +open is, hangt men vol met ledige wastafels, en brengt de stokken zoo +naar de heide. Het verlies, dat zij daar dagelijks lijden, wordt door +het broed, dat dagelijks uitloopt, hersteld, en om hen zoo volkrijk +mogelijk te houden, geeft men hun van tijd tot tijd de broedtafels, +die men de overstanders heeft laten behouden. Deze kunnen dan toch +gewoonlijk niet veel inzamelen, en op zijn hoogst maar zooveel, +als zij voor hun dagelijksch onderhoud behoeven. + +Zal het nog noodig zijn op te merken dat de stokken, die men op deze +wijze heeft voorbereid, zich het verblijf op de heide vrij wat beter +ten nutte kunnen maken, dan die in korven daarheen gebragt zijn? Deze +hebben eene ledige woning en moeten tijd en honig aan den bouw ten +koste leggen, en daar zij bovendien dagelijks volk verliezen, zoo komen +zij veeltijds in een treurigen toestand te huis. Gene daarentegen +zijn van een goeden voorraad broed voorzien, dat het volksverlies +ruim vergoedt, en bovendien hebben zij een volkomen wasbouw en eenig +voedsel, om aanvankelijk in hun onderhoud te voorzien. Wilde men +hun ook het broedaanzetten geheel beletten, dan moest men er bij de +afreis de moederbijen uit vangen. Zij zouden dan terstond hulpcellen +aanzetten, en behoefden verder tijd noch honig aan het broed ten koste +te leggen. Tegen dat de aangekweekte koninginnen de cellen verlaten, is +gewoonlijk de heide uitgebloeid. Wanneer men deze stokken weder te huis +gebragt heeft, dan neemt men den geheelen bouw uit, en vangt en doodt +de moederbijen, welke men meent dat onbevrucht zijn. De bijen geeft +men dan ter versterking aan de stokken, die te huis zijn gebleven. Men +versterke echter niet in te groote mate, want overbevolking kan in den +winter ook nadeelig zijn. De bijen toch, die onder het werk moesten +hangen, zouden te veel aan de koude blootgesteld, en daarbij te ver van +den voorraad verwijderd zijn, zoodat de andere bijen haar geen voedsel +konden toereiken. Zij zouden dus van gebrek en koude omkomen, of wat +nog erger is, onrust in den stok brengen, en dezen dus geheel kunnen +doen omkomen. De stokken zullen sterk genoeg bevolkt zijn, wanneer +de bijen de straten, tusschen vier of vijf tafels, goed bezetten. + +Indien men van de heide meer bijen terugbrengt, dan men ter +versterking noodig heeft, dan kan men daar nog een of meer stokken +van zamenstellen. Men ontneemt haar evenwel al den heidehonig, +en geeft er tafels met boekweit- of zaadhonig voor in de plaats. De +bloemenstoftafels laat men haar behouden. Men heeft uit het voorgaande +gezien, dat men, bij het gebruik van Dzierzon'sche woningen, volstrekt +niet genoodzaakt is om de bijen, die zoo ijverig gewerkt hebben, +meêdoogenloos te dooden. Veeleer zorgt men er voor, dat er niet te +veel bijen worden aangekweekt, hetgeen den honigoogst nog vergroot. + +Bij den honigoogst moet men altijd tafels met boekweit- of zaadhonig +bewaren, zoowel om er den heidehonig door te vervangen, als om in het +voorjaar de behoeftige stokken te voêren. Een zorgvuldig bijenhouder +moet zorgen altijd ledige en met honig gevulde tafels in voorraad te +hebben. De overtollige bloemenstoftafels bewaart hij ook, of vermengt +haar met den honig, dien hij tot voedsel in het voorjaar bestemt. + +Heeft men door het uitbreken van stokken jonge, bevruchte moederbijen +bekomen, dan gebruikt men die om de koninginnen, die drie of meer +jaar oud zijn, in andere stokken te vervangen. De jonge moederbij +kan voor de zekerheid in een moederhuisje geplaatst worden, dat men +dan met een wasblaadje sluit. De bijen zullen haar dan in vrijheid +stellen en aannemen. Nadat men de oude moederbij weggenomen heeft, +kan men evenwel in den herfst de jonge wel in den stok laten loopen; +wanneer de bijen hare moederloosheid ontdekt hebben, zijn zij in +dien tijd van het jaar niet onverdraagzaam: soms laten zij zelfs twee +moederbijen in den stok toe. + +De tafels met honig, welke men uit de woningen genomen heeft, +snijdt men aan weêrskanten schuins van het staafje weg, zoodat daar +een scherpe rug, van een halven duim hoog, aangehecht blijft. Deze +staafjes legt men zoo eenigen tijd op den bodem van eene bevolkte +woning. De bijen zuigen allen lossen honig op, waarna men hen tot +een volgend gebruik kan bewaren. De afgesneden honigtafels worden +eveneens behandeld, als boven werd opgegeven. Men oogst nu niet alleen +zuiveren honig, bevrijd van broed en bloemenstof, maar men kan zelfs +alle soorten van honig afzonderlijk houden. De aldus gewonnen honig +is veel zuiverder van kleur en smaak, dan die uit de korven, en heeft +daarom ook eene grootere waarde. + + + +Het was, dat, nadat het met water afgewasschen is, in het mandje is +teruggebleven, wordt op de volgende wijze gezuiverd. Een ketel, die +half met water gevuld is, wordt op het vuur geplaatst, en het water +aan het koken gebragt. Dan werpt men er zooveel was in, als de ketel, +zonder dat er gevaar voor overkoken bestaat, kan bevatten. Is alles +goed gesmolten, dan wordt het in den persbak gebragt, die te voren +in warm water heeft gelegen, zooals dit bij de beschrijving der pers +is opgegeven. De pers wordt ook vooraf goed nat gemaakt, om het was, +dat daartegen spat, nadat het koud geworden is, gemakkelijk te kunnen +verwijderen. Het uitgeperste was wordt opgevangen in een pot met heet +water, die onder de pers geplaatst is. De uitgeperste koek wordt uit +den doek genomen, en deze weder gevuld. Men herhaalt dit tot al het +was geperst is. Denkt men dat er in de koeken nog was is teruggebleven, +dan kookt en perst men die nogmaals uit. + +Het verkregen was moet nu nog verder gezuiverd worden. Ik doe het +in een ketel met een weinig water, en breng het mengsel, nu en dan +roerende, aan den kook, waarna ik het door een doek giet. Deze doek +is op een raam gespannen, dat op een paar stoelen of iets dergelijks +rust. Er wordt dan een pot met een weinig kokend water onder gezet, +om het doorgeloopen was op te vangen. De grove onzuiverheden, die op +den doek terugblijven, worden tot eene volgende waszuivering bewaard, +en dan op nieuw uitgekookt. Het was, dat in den pot gevloeid is, +laat men stil staan om te bekoelen; de waskoek zal dan aan de kanten +geheel los zijn, en kan uit den pot genomen worden, wanneer men zorg +gedragen heeft er een te nemen, die naar boven wijd uitloopt. De +meeste onzuiverheden hangen nu onder aan de wasschijf. Zij worden er +luchtig afgeschrapt, en daar zij volstrekt geen was meer bevatten, +weggeworpen. De onderste laag van den koek was, die nog veel vuil +bevat, wordt er met een beitel afgestoken, en het zoo ver gezuiverde +was nogmaals met water opgekookt en afgeschuimd. Daarna giet men +het in een pot of schotel, die een weinig heet water bevat, en laat +het stil staan. Het schuim, dat zich op de oppervlakte verzamelt, +wordt met eene veêr weggenomen, waarna men den pot of schotel digt +dekt en laat bekoelen. Dekt men hem niet, dan komen er gewoonlijk +scheuren in het was. Den volgenden dag neemt men dit uit den vorm, +en schrapt er het weinige vuil, dat er nog aankleeft, met een mes af, +waarna het was in den handel gebragt kan worden. + +Voor eenige jaren heeft Stockmann, in de Bienen-Zeitung, een ketel +tot het zuiveren van was aanbevolen, die daartoe zeer geschikt is, +wanneer de hoeveelheid was, die gezuiverd moet worden, niet te groot +is. Bij het gereedschap is hij opgenomen, en daar is tevens opgegeven +hoe hij gebruikt wordt. + + + +Niet enkel bij den honigoogst bekomt men was. Ook gedurende het +voorjaar en den zomer verkrijgt men het nu en dan, bij het besnijden +van stokken, het wegnemen van hommeltafels, enz. De moederwiegen, +die men aan de stokken ontneemt, moet men, daar zij zeer zwaar van was +zijn, vooral zorgvuldig bewaren. Zoo men zulke kleine hoeveelheden was +niet dadelijk wil zuiveren, dan moet men het toch opsmelten, om het +voor de wasmot te beveiligen. Het wasmul, dat men in het voorjaar op de +bodems der woningen vindt, moet men, na van de doode bijen gezuiverd te +zijn, opsmelten en bewaren. De hommeltafels, die men uitgesneden heeft, +en die gewoonlijk met maden gevuld zijn, worden daarvan bevrijd, door, +op eenigen afstand van den stal, de deksels van de cellen te snijden, +en dan met de vlakke tafel zacht op een houtje te kloppen. Meest alle +maden vallen er nu uit; men laat de tafel daarbij op den grond liggen, +en al spoedig zullen er vogels op de uitgeworpen maden afkomen, en +ook haar, die nog in de cellen zitten, daaruit pikken. Den volgenden +dag keert men de tafel om, opdat de vogels ook aan die zijde de maden +kunnen wegpikken. Na een paar dagen is het was van maden bevrijd en +droog, men knijpt het dan tot ballen en smelt het op. + +Indien men niet ruim van wastafels voorzien is, dan moet men ook +de ledige hommeltafels bewaren. Bij rijke dragt kunnen deze zeer +goed dienen, om in de honigkamer gehangen te worden. De beschimmelde +tafels moet men niet opsmelten, dan wanneer men zuivere in overvloed +heeft. Zij kunnen van het schimmel gereinigd worden door haar, nadat +zij goed droog geworden zijn, af te borstelen, en daarna met water +te borstelen en af te spoelen. Wanneer zij weder opgedroogd zijn, kan +men haar gerust gebruiken, de bijen zullen er weinig aan te zuiveren +hebben. Tafels die lang voor broed gediend hebben, en welke dien ten +gevolge zwart zijn geworden (zie bl. 48), moet men opsmelten. Het +was dat men nu gaandeweg bijeenverzameld heeft, wordt op de boven +aangegeven wijze gezuiverd, wanneer de hoeveelheid groot genoeg is, +om er de moeite aan te geven. + + + +Ten slotte wil ik hier nog opgeven, hoe men den honig, die in +de cellen versuikerd is, zuiveren kan. De tafels worden zoo klein +mogelijk gemaakt, door de cellen steeds dwars te snijden; dan doet men +haar in een pot, en stelt dien aan eene langzame warmte bloot. Het +best is hem in een ketel met water te plaatsen en dezen te vuur te +zetten. Men onderhoudt het vuur totdat de honig en het was geheel +vloeibaar zijn geworden, schept hen dan in een grof linnen zak, en +legt dezen in de pers. Het mengsel van was en honig, dat men nu heeft +gezuiverd, wordt in een pot opgevangen, dien men in heet water plaatst +en daarin langzaam laat bekoelen. Het was zal zich dan langzamerhand +op de oppervlakte verzamelen, en koud geworden, kan het er afgenomen +worden. De honig, die nog aan den waskoek hangt, wordt er afgespoeld, +en het waschwater voegt men bij het overige, en maakt er mede of azijn +van. Men kan het ook op eenigen afstand van den bijenstal plaatsen; +de bijen zullen het dan ophalen en weder als voorraad opleggen. + +Wanneer men er de gelegenheid toe heeft, dan plaatse men de klein +gesneden tafels op een schotel in een bakoven, nadat het brood daaruit +genomen is. De oven is dan nog heet genoeg, om den honig en het was +te doen smelten. Den volgenden dag neemt men den schotel uit den oven, +en vindt er den honig onderin, en het was als een koek op den honig. De +aldus verkregen honig is nooit zoo goed als de lekhonig, en men heeft +veel moeite om hem te zuiveren, waarom men steeds zorgen moet den +honig van het was te scheiden, als hij daarin nog vloeibaar is. + + + + + +DE BEREIDING VAN MEDE EN AZIJN. + + +De mede maakt men over het algemeen alléén van het honigwater, dat men +verkregen heeft door het afwasschen van het ruwe was, waar de honig +reeds uitgeperst was, en door het afspoelen der bij de honigzuivering +gebruikte gereedschappen. Zelden wordt er mede van reeds gezuiverden +honig gemaakt. + +Het bijeenverzamelde honigwater wordt, onder gestadig afschuimen, +ingekookt, totdat het zooveel verdikt is, dat een ei daarop drijft; +dit behoeft maar even met de punt buiten de vloeistof te komen. Dan +laat men het vocht bekoelen, totdat het laauwwarm geworden is, +en giet het dan in een vat, dat er geheel mede gevuld moet zijn, +opdat de onreinheden, die gedurende de gisting naar boven gevoerd +worden, uit het bomgat zouden kunnen vloeijen; het vat moet daarom +voortdurend vol gehouden en het bomgat open gelaten worden. Om +de gisting spoedig te doen intreden, is het goed wat brandersgist +door het zoete water te mengen; 2 1/2 Ned. lood gist, op elke 10 +kan der vloeistof, is voldoende. Het vat moet matig warm liggen, +het best is eene temperatuur van 55° à 60° F. Na zes à acht weken +[21] tapt men het heldere vocht op een ander vat over. Den bezonken +droes laat men door filtreer-papier loopen, en voegt het verkregen, +heldere vocht bij het overige. De gisting blijft nu voortgaan, en +opdat het daarbij gevormde koolzuurgas zou kunnen ontwijken, wordt +het bomgat slechts los gesloten. Dit vat moet ook voortdurend vol +gehouden worden; het best is daartoe voorjarige mede te nemen. + +Heeft de mede nu aldus een jaar gelegen, dan tapt men haar weder op een +schoon vat over, en filtreert den droes, zoodat er alleen heldere mede +in het vat komt. Is het vat geheel gevuld, dan wordt het goed gesloten, +en na zes weken zal de mede volkomen helder geworden zijn; zij kan +dan op flesschen getapt worden, die goed gekurkt moeten worden. Men +kan haar jaren op flesschen bewaren; zij zal voortdurend krachtiger +en aangenamer van smaak worden. + + + +Wil men er azijn van bereiden, dan moet het honigwater ook wel even +opgekookt en afgeschuimd worden, maar het behoeft niet zoover verdampt +te worden, als wanneer het voor mede dienen moet. Het laauwwarme +vocht doet men in een vat, voegt er gist bij, en legt het vat, met +het bomgat open, op eene warme plaats; het best is het op zolder, +digt onder de pannen te leggen. + +Wanneer de wijngisting heeft opgehouden, dan werpt men een stukje +zuurdeeg in het vocht, om de azijngisting spoedig te doen intreden. Is +deze geëindigd, hetgeen men daaraan bespeurt, dat het vocht helder +wordt en zuur smaakt, dan legt men het vat nog eenige weken in den +kelder, en tapt het eindelijk op een schoon vat of op flesschen over. + + + + + +BESLUIT. + + +In het voorgaande heb ik de bijenteelt, voor zoover ik dit noodig +oordeelde, theoretisch en practisch behandeld, en zoowel de woningen +als de noodzakelijkste gereedschappen, die hare beoefening vereischt, +beschreven. Dit werk zou dus als voltooid te beschouwen zijn. Ik +heb mij evenwel voorgesteld nog eenige bladzijden te wijden, aan +eene beknopte zamenvatting van verschillende werkzaamheden, zooals +die elkander in den loop van het jaar opvolgen. Voor hen, die nog +vreemdelingen in de bijenteelt zijn, zal dit niet onwelkom zijn. Zij +vinden hier dan een leiddraad, dien zij terstond kunnen volgen, +terwijl zij anders, zoolang zij niet genoegzaam met den inhoud van het +handboek bekend waren, aanhoudend zwarigheden zouden ontmoeten, die +hun een tegenzin in het bijenkweeken zouden doen krijgen. Om niet in +noodelooze herhalingen te vervallen, zal ik dikwerf verwijzen naar het +vroeger behandelde, hetgeen men dan desverkiezende zal kunnen nalezen. + +Daar waar ik spreek van onderwerpen, waaraan vroeger een afzonderlijk +hoofdstuk gewijd is, zal men goed doen dat eens na te slaan, al ware +het dat ik er niet naar verwees. + + + +November. + +Over het algemeen is het weder in November van dien aard, dat men +rekenen kan dat de wintertoestand der bijen in die maand begint. Zij +trekken zich meer en meer te zamen, en blijven in volkomen rust, +zoodat men niet het minste geruis hoort. Veeltijds komen er echter +nog enkele dagen, waarop de bijen in de middaguren voorspelen en zich +reinigen kunnen. Zulk een voorspel is zeer nuttig, daar zij het dan +in het voorjaar, wanneer zij opgesloten zijn, zooveel langer in de +woning kunnen uithouden. Indien men op zulk een dag enkele stokken +ziet voorspelen, terwijl andere er mede dralen, dan is het goed er +ook deze toe op te wekken, door tegen de woning te kloppen, den adem +in het vlieggat te blazen, of hun wat verdunden, laauwwarmen honig te +geven. Hebben de bijen nog laat gevallen honigdauw in hare woningen +gedragen, dan is eene late uitvlugt vooral wenschelijk. + +Het is nu te laat om stokken, welke te weinig voorraad hebben, nog met +vloeibaren honig te voêren. Zij kunnen hem niet meer verzegelen. Met +verzegelden en verdikten honig of met kandij, kan men hen nu, en des +noods den geheelen winter voêren; dit moet echter zoo geschieden, dat +er geene onrust in den stok komt. Wie zijne bijen 's winters binnen +brengt, overhaaste zich daarmede niet. Het kan soms in het begin van +deze maand sneeuwen en vriezen, terwijl er later nog schoone en warme +dagen volgen, waarop men haar kan laten voorspelen. + + + +December. + +Wie zijne bijen nog niet voor den winter bezorgd heeft, moet dit nu +doen. De bijen hebben toch nu aan uitvliegen geene behoefte meer, +en op de nuttelooze togten zouden er vele omkomen. Moeten de stokken +op den zomerstand blijven staan, dan moet men hen ook daar zooveel +mogelijk voor koude beschermen, door de tusschenruimten tusschen +de woningen, welker wanden te dun zijn, met hooi aan te vullen; +verder moet de toegang voor vogels, muizen, wind, sneeuw en vooral +voor de zonnestralen afgesloten worden. Plaatst men zijne bijen in +een besloten vertrek, dat niet eens volkomen vorstvrij behoeft te +zijn, dan voldoet men in eens aan de hoofdvoorwaarden, aan eene goede +overwintering verbonden. Als men er een lokaal voor laat maken, dan +zal men de kosten daarvan spoedig gewonnen hebben, doordat er minder +bijen verloren gaan en het honigverbruik kleiner is. Weet men dat zijne +bijen een voldoenden voorraad hebben, en dat zij tegen de ongemakken +van den winter beschermd zijn, dan kan men hem gerust afwachten; +hetzij het weder streng koud of ruw, bestendig of veranderlijk is, +de bijen zullen er geen hinder van hebben. + + + +Januarij. + +De strenge koude, die gewoonlijk in Januarij invalt, doet de bijen +in een zwakken levenstoestand overgaan. Zij hebben evenwel geen +winterslaap, zooals vele andere insecten, die daardoor ongevoelig +voor koude worden. Zij moeten eene bestendige warmte, van minstens 55° +F. kunnen onderhouden en behoeven daartoe aanhoudend voedsel. Zoodra +de zon weder hooger begint te staan, hervatten zij haar werk en zetten +broed aan, somtijds als het zoo vroeg geschiedt, tot schade van de +bijenhouders; want er wordt voorraad verbruikt, die later met meer +voordeel kon worden aangewend. Hebben zij thans reeds broed, dan +wordt de invallende koude des te gevaarlijker. Door het broed zijn +zij aan eene bepaalde plaats gebonden; zij verlaten het niet gaarne, +en loopen gevaar van honger om te komen, als de honig, die zich boven +het broednest bevindt, verteerd is. Hoewel de algemeene regel is, om +de bijen nu zoo weinig mogelijk te verontrusten, zoo kan het toch zeer +noodzakelijk zijn, wanneer men kan vermoeden dat zij reeds veel broed +hebben aangezet, om de leeg geworden wastafels tegen hare zitplaats, +door met honig gevulde te vervangen. + +Middelmatige stokken, die een genoegzamen voorraad boven, +of onmiddellijk naast hunne zitplaats hebben, komen den winter +gewoonlijk goed door, en ontwikkelen zich later zeer gunstig. Zeer +sterke stokken kunnen er wel eens door lijden, wanneer bij strenge +winters de voorraad, in de nabijheid van het broednest, verbruikt +is. Zij moeten dan toch verder opklimmen, waarbij gewoonlijk vele +bijen terugblijven en omkomen. + +Indien men gebrek aan gevulde honigtafels heeft, dan kan men, ook +in het midden van den winter, het voedsel boven in de woning geven, +door tegen een der zijwanden (bij zamengestelde woningen tegen +den tusschenwand) eene reet te maken, door welke de bijen uit alle +straten, in de ruimte boven de staafjes komen kunnen. Tegen deze reet +legt men nu het voedsel. Neemt men verboterden honig, dan wikkelt men +dien in een papier, maakt daarin eene opening, tegenover de reet, en +drukt het daar vast tegen aan. Het voedsel moet goed bedekt en alle +openingen digt gestopt worden, om de koude te weren. Om de genoemde +reet in tijd van nood te kunnen maken, legt men bij de inwintering, +op de staafjes tegen den wand een latje, van een duim breed, en sluit +verder alles met dekplankjes. Neemt men nu later dat latje weg, dan +is de reet gemaakt. Al voêrt men niet, dan is zulk eene reet toch +goed, want de bijen kunnen daardoor van de eene straat in de andere +komen. Van boven moet alles zoo gesloten worden, dat de reet alleen een +doorgang vormt, zonder dat de bijen boven de dekplankjes kunnen komen. + + + +Februarij. + +De dagen worden in Februarij reeds langer en de zon krijgt meer +kracht. In den bijenstok begint zich nu eene vernieuwde werkzaamheid +te ontwikkelen; zelfs bij strenge koude zetten sterke stokken nu broed +aan. Men spore hen daartoe echter niet aan, door onnoodig voêren of +door hen aan het zonlicht bloot te stellen, want de broedaanzetting +is nog niet wenschelijk (zie bl. 150). Wil men de stokken goed +overwinteren, dan houdt men hen zoo lang mogelijk in rust, en tracht +het broeijen tegen te gaan. Acht men het noodig dat de bijen eene +reinigings-uitvlugt houden, dan kan men haar, bij eene warme lucht, +nu reeds laten vliegen, al ligt de grond nog met sneeuw bedekt, zoo +boomen en struiken daar maar van bevrijd zijn. Bij sterken zonneschijn +kunnen de bijen ook wel van de sneeuw opvliegen, wanneer zij maar met +eene vaste korst bedekt is. Men kan, zoo eene uitvlugt hoog noodig +is, de sneeuw voor den stand ook met matten of stroo bedekken. Is +de uitvlugt niet dringend noodzakelijk, dan late men de bijen niet +uit. Hebben zij eens gevlogen, dan willen zij het meer doen. + +Indien men een stok eene nieuwe standplaats geven wil, dan moet dit +geschieden voor dat hij gevlogen heeft; bij het eerste voorspel zullen +de bijen ook de nieuwe standplaats leeren kennen; slechts weinigen +zullen vervliegen. Zonder noodzakelijkheid moet men hem evenwel niet +verplaatsen. Wil men stokken aankoopen, dan moet men toezien dat zij +reeds gevlogen hebben, want gedurende het transport zouden de bijen het +vuil niet bij zich kunnen houden, maar elkander en het werk bevuilen, +en daardoor den loop kunnen krijgen. Na zich gereinigd te hebben, +kunnen zij ook langer opgesloten blijven. + + + +Maart. + +In Maart heeft men gewoonlijk eenige schoone, warme dagen, waarop +de stokken kunnen voorspelen en zich reinigen, wanneer dit in de +vorige maand nog niet geschied is. Men moet er nu vooral op letten, +of zich onder de stokken geene moederlooze bevinden, hetgeen men het +gemakkelijkst zien kan aan de onrust, die de bijen bij hare eerste +uitvlugt toonen (zie bl. 187). Men kan den stok thans geene bevruchte +moederbij bezorgen, en moet hem dus met den nevenstok vereenigen +(zie bl. 191). Terwijl de bijen hare eerste uitvlugt houden, zuivert +men hare woning van de dooden en de onreinheden, die zich op den +bodem bevinden (zie bl. 148). Houdt de warmte nu eenige dagen aan, +dan beginnen zelfs zwakke stokken broed aan te zetten; men kan dit +niet meer tegengaan, maar moet het ook niet bevorderen, door met +verdunden honig te voêren. Men kan gerust als regel aannemen, om ook +in Maart zijne stokken nog met rust te laten. + + + +April. + +Er zijn sommige streken, waar de bijen in April reeds gelegenheid +vinden, om van vroeg bloeijende boomen en struiken bloemenstof, ja +zelfs eenigen honig in te zamelen. Vooral daar, waar de wilgenboom, +de waterwilg, de kruisbes, enz. gekweekt worden, is dit het geval. Bij +gunstig weder moet men nu de beschimmelde punten van den wasbouw +wegnemen. Men doe dit echter niet te vroeg, en late het zuivere +werk zooveel mogelijk staan (zie bl. 212). Moet men ledige tafels +hebben voor andere woningen, dan is men tot eene grootere inkorting +van den bouw genoodzaakt, maar legt dan eene ledige wastafel tegen +het verkorte werk, opdat het broed beschut zij voor de indringende, +koude lucht. Voor het broed is nu veel honig noodig; men moet dus +zijne stokken, vooral bij invallend koud en nat weder, goed gadeslaan, +of zij ook voedsel behoeven. + +Ontdekt men nu uitgeworpen broed, dan moet men zich haasten met voedsel +te geven. Het kon evenwel ook een gevolg van gebrek aan water zijn. Men +doet daarom wel, zoo men bij koud, regenachtig weder, en ook bij felle +droogte, een weinig water in eene ledige wastafel giet, en deze onder +in de woning plaatst. De zwakke stokken moet men versterken, door er +van tijd tot tijd eene tafel met broed, dat op het uitloopen staat, +in te hangen: men ontneemt die aan sterke stokken. Heeft men twee +bijenstanden, dan doet men nog beter met den zwakken stokken van den +eenen stand bijen uit de sterke stokken van den anderen stand toe te +voegen. De bijen moeten dan met muskuswater besprenkeld worden. Men +neemt er de bijen voor, die op de deur en de voorste wastafels zitten, +schudt haar of strijkt haar met eene veêr in een transportkastje, of +in een ledigen korf, dien men met een kleed dekt, en brengt haar aldus +naar den anderen stand. Om van eene goede opname der vreemde bijen +verzekerd te zijn, geeft men den stok verdunden honig. Wanneer men +een stok aldus versterkt, moet men zich vooraf wel verzekerd hebben, +dat hij eene gezonde, vruchtbare koningin bezit. + + + +Mei. + +De maand Mei zou men de vreugdemaand van de bijenkweekers kunnen +noemen. Alle zorg voor het onderhoud is nu gewoonlijk geweken, de +vlijt der stokken wordt aanhoudend grooter, en hunne bevolking neemt +dagelijks toe. In streken, met vroege weide, kan men in het laatst +van deze maand de stokken reeds op den hoogsten trap van ontwikkeling +zien. Ongelukkig bestaan er ook streken, waar met het einde van den +boombloei, alle dragt ophoudt, tot dat de dragt op de boekweit begint, +zoodat men zijne bijen nu nog moet voêren. In deze streken valt nu +nog aan geen zwermen te denken. Door dat er in zoo langen tijd geene +dragt is, welk gemis door voêren niet natuurlijk wordt aangevuld, +worden de bijen moedeloos, en moeten door vernieuwde dragt tot het +zwermen opgewekt worden. Men doet dan beter de zwermen kunstmatig af +te drijven, en het voeder aan de afleggers te besteden. Zoodra men +hommelbroed in de stokken ziet, en de bijen nacht en dag voorliggen, +kan men er mede beginnen. Men weet dan dat er rijkdom aan volk bestaat, +en dat er hommels zijn zullen, om de koninginnen te bevruchten. Heeft +men stokken, die veel hommelbroed hebben aangezet, dan is het goed hen +zoo vroeg mogelijk af te drijven. Men krijgt er binnen eenige dagen +jonge moederbijen of moederwiegen door, die voor andere afleggers +kunnen dienen, en het aanzetten van hommelbroed heeft een einde. Oude +moederbijen hebben alleen in het voorjaar waarde, omdat zij vroeg +duizende werkbijen kunnen verwekken. De jonge moederbijen moeten zoo +vroeg mogelijk aangekweekt worden, want kunnen zij nog eene dragt +van twee maanden bijwonen, dan kunnen zij den stok nog volkrijk doen +worden, en voor een volgend jaar heeft deze dan veel meer waarde, +dan een stok met eene oude moederbij, welker vruchtbaarheid reeds +begint af te nemen. Men moet goed opletten of de jonge koninginnen +van de bevruchtings-uitvlugt terugkeeren. Bemerkt men, door de onrust +van den stok, dat zij verloren is gegaan, dan moet men hem met eene +moederbij of eene moederwieg te hulp komen. Wil men een aflegger, +met eene jonge moederbij, bijen ter versterking geven, dan moet dit +zeer voorzigtig geschieden, want nam men die bijen uit een stok met +eene bevruchte moederbij, dan zouden zij de onbevruchte dadelijk +afsteken. Men versterke daarom bij voorkeur met broedtafels. Het +weder is nu gewoonlijk reeds zoo warm, dat het broed ook zal uitkomen, +wanneer het niet geheel bezet kan worden. Het versterken behoeft ook +niet in eens te geschieden; men kan het geleidelijk doen, door van +tijd tot tijd eene tafel met broed in te hangen. + + + +Junij. + +Hoewel er in gunstige streken reeds vroeger zwermen afvliegen, en +afleggers gemaakt kunnen worden, zoo komen toch de meeste zwermen in de +maand Junij, die men daarom de zwermmaand noemt. In streken, met eene +late hoofdweide, komen toch op het laatst ook eenige zwermen, zoodat +hetgeen over het maken van afleggers in de vorige maand gezegd werd, +nu ruime toepassing vindt. In het begin van deze maand leveren zulke +streken de dragt op de witte klaver, de koornbloem en het mosterdzaad, +en tegen het einde ontsluit de lindeboom zijne honigrijke bloemkelken, +terwijl zich dan ook reeds enkele vroege boekweitbloemen openen. Daar +waar de zaadbloem voorkomt, levert zij in het begin van deze maand nog +eene goede dragt, en ook de doornstruik en de paardenboonen beginnen +er te bloeijen. Met het uitbloeijen der lindeboomen heeft daar nu +echter ook bijna alle dragt opgehouden: alleen de witte klaver kan, +als het weder niet te droog is, nog eenig voedsel geven, en bij zeer +gunstig weder kan er zelfs nog eenigen voorraad op verzameld worden. + +Deze en de volgende maand geven den bijenhouder de meeste +bezigheden. Van 's morgens negen tot 's namiddags drie ure, en soms +nog later, moet hij zijne stokken bewaken, opdat er geene zwermen +ongemerkt afvliegen en dus verloren gaan. De ledige woningen moet +hij in gereedheid brengen, om er de zwermen in te plaatsen, en de +gereedschappen, om hen op te vangen, moeten voor de hand liggen. Op +een grooten stand kan de drukte met gunstige dagen zeer groot zijn; +want terwijl men zich met den eenen zwerm bezighoudt, vliegen er soms +weder andere af. Wil men de vrijwillige zwermen niet afwachten, dan +maakt men afleggers. Vooral is het goed die stokken wat spoedig af te +drijven, waarvan de bouw of de moederbij te oud is. Is dan na drie +weken al het broed uitgeloopen, dan kan men den ouden bouw geheel +of gedeeltelijk wegnemen en door den stok zelven doen vernieuwen, +hetgeen hij even goed doet als een zwerm, dien men in eene ledige +woning plaatst. + +Begint er nu bij ruime dragt gebrek aan ruimte te komen, dan opent +men de honigkamer. Hierdoor wordt de ijver der bijen aanzienlijk +vermeerderd; kan men er slechts stukken van wastafels in hangen, +zij worden met spoed volbouwd en met honig gevuld. Later in den +zomer hebben de bijen minder lust om te bouwen, en bepalen zich +meer uitsluitend tot de inzameling. Het is nu het moeijelijkst +om de wastafels voor de wasmot te bewaren (zie bl. 208); het best +geschiedt dit door de bijen zelve, waarom men haar hangt in het ledig +gedeelte der woningen, die met zwermen bezet zijn. De spoorbijen, +die vooral ledige woningen, en bij voorkeur die, waarin eenig werk +hangt, bezoeken, zullen dit niet alleen voor wasmot beveiligen, maar +zoo noodig het ook daarvan zuiveren. Het is daarom goed de tafels, +die men in voorraad heeft, te bergen in woningen, die door spoorbijen +bezocht worden. Soms zullen de afvliegende zwermen hun intrek dadelijk +in zulk eene woning nemen, waartoe men hen kan lokken, door haar +van tijd tot tijd met melisse te wrijven.--Hoe later in het jaar men +een zwerm opzet, hoe volkrijker hij zijn moet om zijn voorraad op te +halen. Bij late zwermen is het vooral van belang, dat men hun een bouw +kan toevoegen, die zoo volledig mogelijk is, daar zij den tijd niet +meer hebben om dien zamen te stellen en een bouw, waarin nog maar eens +broed is geweest, ook voor den winter te koud is. Indien men gebrek +aan wastafels had, dan kon men zich die verschaffen, door den bouw +van den moederstok, drie weken nadat de oude moederbij is afgevlogen, +dus voor dat de jonge met de eijerlage is begonnen, [22] te besnijden +of geheel uit te snijden. De bouw wordt dan nog gemakkelijk vernieuwd, +en het oude was kan den laten zwermen goede diensten bewijzen. + +Ik spreek hier natuurlijk van strookorven, want uit Dzierzon's +woningen neemt men de geheele tafel met het staafje weg. Indien men +genoodzaakt is ook de geheel zwart geworden tafels te gebruiken, +dan moet men die niet in het broednest, maar op zijde hangen, waar +zij gemakkelijk door andere vervangen kunnen woorden. Bevatten de +uitgesneden tafels veel honig en bloemenstof, dan moet men die een +nacht in een sterken stok leggen; de bijen maken haar dan op de snede +droog en ledig; is zij dat niet, dan kan zij niet aan het staafje +gehecht worden. Is de weide niet overvloedig, en het weder ongunstig, +dan moet men de zwermen sterk voêren. Het was bouwen gaat bij een +zwerm in het begin het snelst; naarmate er meer bijen verloren gaan +en de bouw meer uitgebreid wordt, vertraagt het, en wordt eindelijk +geheel gestaakt. Nu loopen er vooreerst geene bijen uit, en daar het +bouwen niet hervat kan worden, voordat er eene menigte bijen geboren +zijn, hetgeen bij late zwermen meest altijd eerst heeft plaats gehad, +wanneer de weide geëindigd of ten minste schraal geworden is, zoo is +het van veel belang de zwermen vroeg met broedtafels en voedsel te +ondersteunen; het voedsel moet verdund zijn, om hen tot bouwen aan te +sporen.--Men moet aan late zwermen slechts een kleinen bouw geven, +daar het beter is dat een zwerm enkele volbouwde tafels heeft, dan +eene menigte gedeelten van tafels. In het eerste geval kan men in den +herfst den bouw gemakkelijk warm maken, door hem tafels toe te voegen, +terwijl een korte bouw altijd koud blijft. + + + +Julij. + +In de meeste streken van ons land beslist de maand Julij of het jaar +voor den bijenhouder gunstig, middelmatig of slecht zijn zal. Zij is +de oogstmaand. De hoofddragt op de boekweit begint nu en duurt tot in +het begin van Augustus. Wat voor Junij gezegd is omtrent de zwermen, +is ook nu geheel toepasselijk. Op de honigrijke boekweit kunnen zij +zeer zwaar worden, wanneer het weder gunstig is. De eerste zwermen +geven dan soms maagdezwermen (zie bl. 69). De stokken moeten nu uit +zich zelven de broedaanzetting beperken, en zich meer bepaald op +de honiginzameling toeleggen. Zij doen dit echter veeltijds niet, +vooral als er, bij vochtig, warm weder, van tijd tot tijd warme +regen valt; zij breiden dan het broednest nog meer uit en zetten +hommelbroed aan. Slaat het weder om, dan blijven de tafels, die met +broed bezet geweest zijn, ledig en de stok gaat den winter honigarm +te gemoet. Dit moet de bijenkweeker trachten te voorkomen, en zijne +werkzaamheden moeten zich naar de weêrsgesteldheid wijzigen. Is het +weder droog, zoodat de bijen veel kunnen inzamelen, dan moet hij +zorgen dat er ruimte is, om te bouwen en honig op te leggen. Hij +opent de honigkamer, neemt de gevulde tafels weg en hangt er ledige +voor in de plaats: bij aanhoudende dragt kan dit soms bij herhaling +geschieden. De vlijt der bijen wordt hierdoor levendig gehouden, +terwijl zij merkelijk verflaauwt, als zij in het bezit van een ruimen +voorraad zijn. Wordt er veel ingezameld, dan wordt de broedaanzetting +van zelve beperkt, daar de ledig komende cellen terstond met honig +bezet worden. Bij eene warme, vochtige lucht en minder ruime dragt, +kan daarentegen de broedaanzetting overmatig sterk zijn; men moet +het broednest dan beperken tot vier of vijf tafels, daartegen dan +gevulde honigtafels hangen en tegen deze het verkleinplankje zetten +(zie bl. 89 en 92). De gaten daarin worden slechts zoover geopend, dat +er eene werkbij door kan. Bij staande woningen, die met zwermen bezet +zijn, kan men onder het werk een plat liggend plankje schuiven, opdat +de tafels niet te laag afgebouwd zouden worden; want het is beter dat +de zwermen eene kleine ruimte volbouwen en zooveel mogelijk met honig +vullen, dan dat zij lange tafels bouwen, die tegen den herfst ledig +zijn, daar de honig voor den wasbouw en het broed gebruikt is. Wil +men het broedaanzetten geheel tegengaan, dan zet men de koningin +in een moederhuisje. Is zij reeds oud, dan kan men haar wegnemen, +in welk geval de stok eene jonge zal aankweeken. Het is nu de tijd +om in alle stokken, met oude moederbijen, voor de aankweeking van +jonge te zorgen, wanneer men er ten minste geene in voorraad heeft, +om die in den herfst in de stokken te plaatsen; want tegen het einde +van deze maand begint de hommelslagt reeds. + +Op een bezetten stand, kunnen ligt enkele stokken zijn, welke, nadat +zij een zwerm gegeven hebben, hunne jonge koningin verloren hebben, +of waarin zij onbevrucht is teruggekeerd of eenig gebrek heeft. Kan +men den bouw niet uitnemen, dan moet men er daarom, zes weken nadat de +oude moederbij met den zwerm is afgegaan, op letten of er jonge bijen +voorspelen, en of de stokken de hommels uitdrijven. Stokken, waarin +de jonge moederbij bevrucht is, doen dit vroeger dan die, welke eene +oude koningin hebben. Den moederloozen stokken geeft men zoo spoedig +mogelijk eene bevruchte moederbij, en doet dit ook met die, waarin +de koningin eenig gebrek heeft, na er deze uit gevangen te hebben. + +Heeft men jonge, zwakke zwermen, welke men toch gaarne zou +overwinteren, dan moeten zij daar thans toe voorbereid worden, door +hun broed- en honigtafels uit andere stokken toe te voegen. Dit mag +niet te lang uitgesteld worden, omdat het geschieden moet, terwijl +er nog eenige dragt is. De bijen kunnen dan het bijgegeven werk met +hetgeen zij reeds bezaten in gelijkheid brengen, de tusschenruimten +aanvullen, den honigvoorraad boven het broednest brengen en alles +behoorlijk bevestigen. Men mag de broed- en honigtafels niet aan +andere stokken ontnemen, wanneer zij er niet bepaald overvloed van +hebben. In plaats van die te verzwakken, is het dan beter de zwakke +zwermen later te vereenigen. + + + +Augustus. + +In de meeste streken van ons land eindigt de weide in Augustus. Van +de weinige bloemen, welke de natuur nog aanbiedt, halen de bijen, +bij gunstig weder, misschien zooveel, als zij voor haar dagelijksch +onderhoud behoeven, en verzamelen ook nog eenig bloemenstof; veeltijds +moeten zij echter den voorraad reeds aanspreken. Waar de boekweit +nog bloeit, kan bij gunstig weder nog veel worden opgelegd. Deze late +boekweit vindt men echter alleen op de veengronden in Vriesland. Maar +men vindt in vele streken van ons land heide, en deze bloeit van +half Augustus tot half September. Over het in de heide brengen van +de bijen leze men bl. 228 en 232. + +Is de hommelslagt in de vorige maand nog niet begonnen, dan gebeurt +dit zeker nu, en anders gaan de bijen er mede voort. Men moet hier wel +op letten. Stokken, die in het midden van deze maand de hommels nog +niet verdrijven, kunnen van moederloosheid verdacht worden, en die, +waarin er op het laatst der maand nog veel gezien worden, zijn zeker +moederloos. Men moet hun eene bevruchte moederbij geven, of hen met +andere stokken vereenigen. Bij het eindigen der weide zijn de bijen +zeer tot rooven geneigd, en men moet er dan inzonderheid op letten, +haar daartoe geene aanleiding te geven (zie bl. 179). Het ontnemen van +overtollige honigtafels, en het voêren van stokken, doe men alleen +in de avondschemering, bij koel weder, en in het algemeen vermijde +men alles, waardoor honigreuk op den stand verspreid kan worden. Hoe +minder dragt er is en hoe meer stokken er bij elkander staan, des te +waakzamer moet men zijn. + + + +September. + +Is de heide uitgebloeid, dan is de dragt geëindigd, tenzij er nog +eenige honigdauw viel. Alle togten, die de bijen nu doen, zijn +nadeelig; er komen meer bijen om, dan er worden aangekweekt, en de +weinige honig, dien zij nog inzamelen, blijft ongedekt en kan haar +in den winter den loop doen krijgen. + +Tegen het einde van deze maand, is gewoonlijk bijna al het broed +uitgeloopen; met de bijen en het broed uit die stokken, welke men +niet wil overwinteren, kan men dan de andere versterken. Den honig +en het was kan men uitbreken of voor een volgend jaar bewaren. Om +te overwinteren, neemt men geene stokken, die zwak of van te weinig +voorraad voorzien zijn. De zoodanigen vereenige men liever, want één +goede stok is beter, dan drie zwakke. Om de overwintering waard te +zijn, moet een stok ten minste 10 Ned. pond bedekten honig bezitten, en +een bouw hebben, die twee derden van de woning vult, terwijl het volk +ten minste vier of vijf tafels moet bezetten. Hoe slechter het jaar +geweest is, hoe sterker men moet vereenigen, opdat de overgehoudene +genoegzamen voorraad zouden bezitten. + +De stokken, die in het midden van September nog hommels dulden, +zijn zeker moederloos. + + + +October. + +Zoo men de zwakke stokken, die men niet zoo als zij zijn in den winter +kan brengen, nog niet vereenigd heeft, dan moet dit nu geschieden. Het +broed is nu zeker uitgeloopen, en wegens het koele weder heeft men nu +minder nood van rooven, terwijl ook de wasmot het ledige werk minder +zal aantasten. + +Alleen op het warmst van den dag spelen de stokken voor, en even +als in het voorjaar is veel uitvliegen schadelijk. Men moet hen +ook niet verontrusten, door hen aanhoudend te voêren. Kan men hun +het ontbrekende niet in eens in verzegelde honigtafels geven, dan +geve men het voedsel toch in groote giften, en tegen den avond, +als de vlugt heeft opgehouden. Is de zomer zoo tegengevallen, dat +men de stokken veel moet voêren, dan is het goed hun minstens voor +een gedeelte kandij te geven. Door in den herfst veel dun voedsel te +geven, maakt men de overwintering duur en onzeker; de bijen zitten er +te koud door, en kunnen er ligt den loop door krijgen.--Hoe men het +voedsel aan de bijen geeft, is vroeger opgegeven (zie bl. 159 e. v.). + +Hoewel men nu, door voedsel toe te reiken, in staat is om de stokken +door den winter te brengen, zoo is het aan te raden dit alleen dan te +doen, wanneer men, ten gevolge van een ongunstigen zomer, geene goede +overstanders heeft, want het is kostbaar, werkzaam en onzeker. In +het voorjaar kan men lang met het voêren moeten aanhouden, en in de +meeste gevallen heeft men veel last van zulke stokken. + +Nu de bijen het vlieggat niet geregeld meer bezetten, trachten de +wespen wel eens in de woning te dringen. Soms vinden vele bijen den +dood, wanneer zij de indringers willen verdrijven, omdat deze het +in sterkte van haar winnen. Men moet de wespen zien te vangen door +flesschen, die half met honig- of suikerwater gevuld zijn, op den +stand te plaatsen, en hare nesten zooveel mogelijk verwoesten. + +De muizen wagen zich nu ook al wel eens in de woningen. Men moet +daarom de vlieggaten verkleinen, of er spijkers in steken, om haar +het indringen te beletten. Bij het verkleinen der vlieggaten zorge +men er echter voor, dat de doorgang voor de bijen vrij blijft. + + + EINDE. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Men kan het aantal bijen, in een zwerm vereenigd, begrooten, door +eerst de ledige woning te wegen en deze met den zwerm, nadat hij er in +tot rust gekomen is, nogmaals te wegen, waardoor men, het gewigt der +bijen kennende, ook haar aantal ten naastenbij kan bepalen, daar 100 +bijen gewoonlijk 1 Ned. lood wegen. Regtstreeks kan men haar tellen, +dat echter zeer omslagtig is, door haar te bedwelmen, waarover later +gesproken zal worden. + +[2] Sommige bijen in Italië en wel die uit de omstreken van Genua, +want zij zijn er niet algemeen, zijn van de gewone bijen niet +onderscheiden dan door de kleur. Beide soorten vereenigen zich +vreedzaam tot een gezelschap, nemen wederkeerig was-, honig- en +broedtafels, ook broedcellen en zelfs moederbijen aan, doch blijven, +gedurende haar geheele leven, naauwkeurig van elkander onderscheiden; +want de beide eerste ringen van het achterlijf, welke bij onze gewone +bijen, even als de overige, eene zwartbruine kleur hebben, zijn bij +de Italiaansche bijen roodgeel of oranje en, tegen de zon gezien, +bijna doorschijnend. Zij mogen met den tijd hare haren verliezen, +deze kleur blijft stand houden, ja schijnt er nog duidelijker door +te worden. Dit verschil in kleur doet de mogelijkheid ontstaan om +verschillende waarnemingen te doen. + +[3] Men moet deze koningin dan elk voorjaar, wanneer de stok daartoe in +staat of zoogenaamd zwermgeregt is, met den zwerm kunstmatig afdrijven +en haar in eene woning, die reeds met werk voorzien is, als voorzwerm +plaatsen. Deze kunstzwerm moet dan telkens, minstens een half uur van +den ouden stok geplaatst worden, daar anders de meeste bijen weder +naar hare oude bekende plaats zouden terugvliegen,--of men moet hem +op de plaats van den moederstok stellen. + +[4] Wanneer ik lengtemaat opgeef, bedoel ik de Rhijnlandsche, +waarbij, zooals men weet, de voet in 12 duimen en de duim in 12 lijnen +verdeeld wordt. Ik heb aan deze maat de voorkeur gegeven, omdat de +bijenhouder steeds het hulpmiddel bij de hand heeft, om zich die maat +te verschaffen; want 5 werkbijencellen of 4 hommelcellen zijn juist +een Rhijnlandschen duim lang. + +[5] Biblia Naturae, Sive Historia Insectorum, Ao. 1737 in +fol. uitgegeven, met eene Nederd. vertaling.--Swammerdam was reeds +in 1680 overleden; deze uitgave werd door Boerhave bezorgd. + +[6] Histoire naturelle des insectes, 6 v. Paris 1734-1742. + +[7] Zie hierover bladz. 11. + +[8] Zie hiervan een sprekend voorbeeld op bladz. 15. + +[9] Het is altijd goed eenige ledige strookorven beschikbaar te +hebben, daar deze zich voor de hier opgegeven en verscheidene andere +handelwijzen beter laten gebruiken dan de nieuwe woningen. + +[10] Het muskuswater bereidt men door twee grein muskus op te lossen +in een maatje brandewijn en hiervan een eetlepel te vermengen met +een flesch regenwater. + +[11] Hier te lande gebruikt men de gewone strookorven met slechts +ééne toegankelijke plaats, namelijk de onderzijde, zoodat men +slechts onder in dezelve iets kan verrigten, waarvoor men dan nog +genoodzaakt is die om te keeren. Bij het voêren is dit lastig en +veelal ondoelmatig. Vroeger gebruikte ik hen ook zoo, maar sedert ik +met de Duitsche bijencultuur bekend ben geworden, maak ik boven in +den kop van den korf een rond gat, van drie duim middellijn. Wanneer +ik over het voêren spreek, zal men zien hoeveel nut en gemak men van +deze tweede opening kan hebben. + +[12] Dat men de bijen, bij het betrekken van eene nieuwe woning, +wastafels of gedeelten daarvan toevoegen kan, is voorzeker een +der belangrijkste voordeelen van Dzierzon's woningen. Al kan men +maar een zeer kleinen bouw voor haar in gereedheid brengen, zoo is +daardoor een zwerm, dien men hem toevoegt, toch een anderen, dien +men in een ledigen korf plaatst, verre vooruit. In dien korf kunnen +de bijen den medegevoerden honig niet afleggen, en de koningin moet +de eijeren laten vallen. De bijen begeven zich naar den top van +den korf en hangen zich daar in een digten tros aan; veler arbeid +blijft nutteloos, omdat zij geene plaats kunnen vinden om te bouwen; +zij moeten dan de uitgezweete wasblaadjes laten vallen: den volgenden +dag vindt men de onderplank daarmede bedekt. Haar werk dan beziende, +ontdekt men slechts een of twee kleine stukjes wastafel. Een zwerm, +die in eene Dzierzon'sche woning met een begonnen bouw is geplaatst, +zal in dien zelfden tijd den bouw reeds op verscheidene plaatsen +vergroot, honig en bloemenstof ingedragen en ook broed aangezet hebben. + +Waartoe Dzierzon's woningen ons al in staat stellen, kan het volgende +nog leeren: + +Ik liet eens een korf vallen, waardoor de geheele bouw in elkander +stortte. Aan herstel was niet te denken, daar het in den nazomer +was. Ik had echter gelegenheid dadelijk eene Dzierzon'sche woning +met wastafels vol te hangen, waarvan er reeds eenige, met honig waren +gevuld. De bijen verzamelde ik zooveel mogelijk en had het geluk de +koningin onbeschadigd te vinden. Na haar in de woning geplaatst te +hebben, liet ik er de bijen inloopen, en spoedig trokken zij zich +tusschen de tafels te zamen. De stok kwam even goed door den winter, +als of er niets mede voorgevallen was. + +[13] Van de koningin sprekende zegt men veelal, in plaats van +moederbij, kortaf moeder. Dat deze uitdrukking onjuist is, vooral +wanneer men van eene moederbij spreekt, die nog geen moeder zijn +kan, zal geen betoog behoeven. Ik heb daarom getracht haar nimmer te +bezigen. Mogt zij eene enkele maal gevonden worden, dan verzoek ik +dat te verschoonen. Het woord moederhuisje, dat ook onnaauwkeurig is, +meende ik echter te moeten behouden. Koninginnehuisje wordt nooit +gezegd, en dit woord is niet zeer welluidend. Aan moederbijhuisje +zal wel niemand de voorkeur geven. + +[14] In de familie der honigdragers, waartoe de honigbijen behooren, +draagt een geslacht den naam van hommels. Men moet deze niet verwarren +met de mannetjes der honigbijen, die ook hommels heeten en die in +Noord-Braband meerels en in Gelderland darren genoemd worden. + +[15] Dit stroo moet oud en reeds gebruikt zijn, opdat de muizen er +niet in zoeken naar teruggebleven graankorrels, hetgeen de bijen +zou verontrusten. + +[16] Men moet altijd bruine kandij nemen. De witte en de gele zijn +te hard en te moeijelijk oplosbaar. + +[17] Frans Huber toonde aan dat ook jonger broed daartoe de +geschiktheid bezit. Dzierzon bewees dat het er voor dienen kan, +zoolang het nog onbedekt is, en geen ander voedsel dan de voederpap +heeft genoten; (de bijen voêren de maden der werkbijen en der hommels, +kort voor de sluiting der cel, ook met honig en bloemenstof). Leuckart +verklaarde het verschijnsel door te wijzen op den invloed, dien eene +ruimere en krachtigere voeding op de ontwikkeling der geslachtsdeelen +uitoefent; (zie Bienenzeitung, 1855, No. 17 en 18). + +[18] Op bl. 120 is een kastje beschreven, waarin men een zwerm +drijven kan; hier vindt men hoe met een los plankje de zwerm uit de +woning genomen kan worden. Men kan naar verkiezing het een of het +ander gebruiken. + +[19] Indien men geen nazwerm wenscht te krijgen, dan moet men den +bouw, na het afdrijven van den zwerm, uitnemen, en zoo er moederwiegen +aangelegd zijn, deze tot op ééne na verwijderen. Zijn zij nog niet +aanwezig, dan moet men na 10 dagen den bouw weder uitnemen, en dan +de intusschen aangezette hulpcellen tot op ééne na wegnemen. + +[20] Wanneer de boekweitbloem bij eene betrokken lucht sterk honigt, +ziet men soms de bijen bij duizenden als verlamd nedervallen. De +koude is hiervan de oorzaak niet, want het gebeurt soms terwijl +de thermometer nog 65° F. aanwijst, en als de bijen andere bloemen +bevliegen, dan neemt men dit verschijnsel nooit waar. De nedergevallen +bijen kunnen zich niet opheffen. Zij verzamelen zich op den grond +tot hoopjes, en komen weder bij wanneer de zon, den zelfden of den +volgenden dag doorbreekt en haar verwarmt. Verloopt er meer tijd, +voordat zij door de zon beschenen worden, dan komen allen om. Door +haar te verzamelen en te verwarmen, kan men er velen behouden, doch +doordat zij zoo verspreid liggen is het moeijelijk haar te vinden. Niet +alle jaren vertoont zich het bovengenoemde verschijnsel. Ik heb het +tweemaal gezien. + +[21] De tijd, die tot de gisting vereischt wordt, is afhankelijk van de +temperatuur en van de grootte van het vat. Men maakt de mede evenwel +zelden met groote hoeveelheden. De tijd, dien ik hier opgeef, geldt +voor een vat van bijna veertig kan (een anker) bij eene gemiddelde +warmte van 55° à 60° F. + +[22] In enkele gevallen, en wel als de moederstok geene nazwermen +geeft, kan de jonge moederbij binnen drie weken bevrucht worden en +eijeren leggen. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Handboek voor Bijenhouders, by J. Dirks + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HANDBOEK VOOR BIJENHOUDERS *** + +***** This file should be named 34590-8.txt or 34590-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/4/5/9/34590/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
