summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/34590-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:01:56 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:01:56 -0700
commit91af3e1b88eb0584a14b5ca6bf70f4036a791ae3 (patch)
tree0870091d83993cd9982e27f694f68b5b4eb0471e /34590-8.txt
initial commit of ebook 34590HEADmain
Diffstat (limited to '34590-8.txt')
-rw-r--r--34590-8.txt10307
1 files changed, 10307 insertions, 0 deletions
diff --git a/34590-8.txt b/34590-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..cb43ad3
--- /dev/null
+++ b/34590-8.txt
@@ -0,0 +1,10307 @@
+The Project Gutenberg EBook of Handboek voor Bijenhouders, by J. Dirks
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Handboek voor Bijenhouders
+
+Author: J. Dirks
+
+Release Date: February 4, 2011 [EBook #34590]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HANDBOEK VOOR BIJENHOUDERS ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg
+
+
+
+
+
+
+
+
+ HANDBOEK VOOR BIJENHOUDERS,
+
+ Waarin
+
+ De natuurlijke geschiedenis der bijen, en hare teelt
+ volgens de Dzierzon'sche methode, naar de jongste
+ waarnemingen worden medegedeeld,
+
+ Door
+
+ J. DIRKS.
+
+
+
+
+ Dordrecht.
+
+ P. K. Braat.
+
+ 1861.
+
+
+
+
+
+
+
+ AAN
+ ZIJNE MAJESTEIT
+ DEN
+ KONING DER NEDERLANDEN,
+ WORDT
+ DIT WERK
+ MET VERSCHULDIGDE HOOGACHTING
+ EERBIEDIG OPGEDRAGEN
+ DOOR
+ ZIJNER MAJESTEITS
+ GETROUWEN ONDERDAAN,
+
+ J. DIRKS.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERIGT.
+
+
+Met een enkel woord moet ik den lezer mededeelen, dat een vriend mij
+heeft bijgestaan, om deze bladen het licht te doen zien. Zoowel door
+het teekenen der figuren, als door het omwerken van mijn handschrift,
+dat voor de pers minder geschikt was, heeft hij mij eene dienst
+bewezen.
+
+Daar enkele onnaauwkeurigheden eerst na het afdrukken door mij ontdekt
+zijn, zoo is het noodig de achterstaande verbeteringen op te geven. De
+lezer vergeve het, dat die misstellingen in den tekst zijn ingeslopen,
+verschoone het gebrekkige, dat mijn arbeid nog mag aankleven, en doe
+zijn voordeel mei het goede, dat er in gevonden wordt!
+
+
+ Lunteren, Januarij 1861.
+
+ J. D.
+
+
+
+
+
+VERBETERINGEN.
+
+
+Bl. 9 reg. 2 v.b. staat: gekerfde insecten, lees: insecten of
+ gekorven dieren.
+
+,, 14 ,, 15 v.b. ,, voeren zij dan met den snuit door eene
+ kleine opening, die zoowel daartoe, als
+ tot toetreding der lucht, in de cel gelaten
+ is, lees: bijten dan op zijde van de cel
+ een gaatje, waardoor zij van tijd tot tijd
+ den snuit steken, en van de werkbijen het
+ voedsel ontvangen; dit gaatje dient tevens
+ tot toetreding der lucht.
+
+,, 17 ,, 13 v.o. ,, zulk een stok zal meestal niet zwermen,
+ maar zoodra ééne moederbij is uitgeloopen,
+ zullen de bijen de overige afmaken, indien
+ hij echter nog een zwerm geeft, dan is dit
+ gewoonlijk na 12 à 14 dagen, lees: van zulk
+ een stok kan men gewoonlijk na 12 à 14
+ dagen een zwerm verwachten, indien het weder
+ niet ongunstig is; dan zullen zij de
+ overtollige moederbijen meestal afmaken, in
+ welk geval de stok dat jaar met zekerheid
+ niet meer zwermen zal.
+
+,, 20 ,, 11 v.b. ,, den stok, lees: de stokken.
+
+,, 46 ,, 11 v.o. ,, den honigvoorraad, lees: honig en
+ bloemenstof.
+
+,, 46 ,, 3 v.o. hierachter te lezen: Behalve tot het uitbroeijen
+ van hommels, dienen de hommelcellen ook om
+ er honig, doch nimmer om er bloemenstof in
+ op te leggen.
+
+,, 48 ,, 10 v.o. staat: klein, lees: kort.
+
+,, 156 ,, 19 v.o. ,, in ,, tegen.
+
+,, 170 ,, 1 v.b. ,, zal ,, kan.
+
+,, 185 ,, 15 v.b. ,, hupcel ,, hulpcel.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+INLEIDING 1
+
+De bijen bevorderen de bevruchting bij de planten, bl. 1. Onkunde
+van vele bijenhouders, bl. 2. In Duitschland bestaat eene groote
+belangstelling in de bijenteelt, bl. 3. Dzierzon'sche bijenwoningen,
+bl. 3. Verdeeling der landstreken in honigrijke en honigarme,
+bl. 6. Bijengeluk, bl. 7.
+
+
+I. NATUURLIJKE GESCHIEDENIS DER BIJEN 9
+
+De bijen behoeven warmte en ontwikkelen die, bl. 9. Zij leven in
+familiën, die koloniën of stokken heeten, bl. 10. Soorten van bijen,
+bl. 10. Vermeerdering der stokken, bl. 10.
+
+
+DE MOEDERBIJ OF KONINGIN 11
+
+De koningin is het hoofd van den stok, bl. 11. Zij is de moeder
+van al de bijen, bl. 11. Italiaansche bijen, bl. 11. Beschrijving
+der koningin, bl. 12. Zij gebruikt den angel alleen tegen haars
+gelijken, bl. 12. Onverdraagzaamheid der koninginnen onderling,
+bl. 12. De koningin bezit het vermogen om geluid voort te brengen,
+bl. 13. De bijen herkennen elkander, bl. 15. Het aankweeken
+van moederbijen, bl. 15. Uit ongedekt werkbijenbroed kan eene
+koningin worden aangekweekt, bl. 17. De bevruchting der moederbij,
+bl. 17. Eene bevruchte moederbij vliegt niet uit, bl. 19. Mannelijke
+eijeren behoeven geene bevruchting, bl. 19. Hommelbroedige stokken,
+bl. 20. Eene bevruchte koningin wordt hoog geschat, bl. 21. Zij kan
+willekeurig mannelijke of vrouwelijke eijeren leggen, bl. 21. Haar
+voortteelend vermogen is bijzonder groot, bl. 21.
+
+
+DE HOMMELS OF MANNETJES-BIJEN 22
+
+Beschrijving van de hommels, bl. 23. Zij heeten ook muzikanten,
+bl. 23. Strijd over hun geslacht, bl. 23. Zij worden ten onregte
+broedbijen genoemd, bl. 25. Wanneer zij aangekweekt worden, bl. 26. Het
+is goed hunne aankweeking tegen te gaan, bl. 26. De paring, bl. 27. De
+hommelslagt, bl. 27.
+
+
+DE WERKBIJEN 28
+
+De werkbijen verrigten alle bezigheden, bl. 28. Haar levensduur,
+bl. 28. Beschrijving van de werkbij, bl. 29. Hare ontwikkeling in de
+cel, bl. 31. Zij kent hare woning, bl. 32. Het verdwalen op andere
+woningen, bl. 33. Het geslacht der werkbij, bl. 34. Hare eijerlage,
+bl. 34.
+
+
+BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN BUITEN DE WONING 35
+
+Het wachthouden, bl. 35. Het luchtpompen, trommelen of stertsen,
+bl. 36. Het voorliggen, bl. 36. Het voorspelen, bl. 37. Het waterhalen,
+bl. 38. Het opzamelen van honig, bl. 38. Het opzamelen van bloemenstof,
+bl. 40. Het opzamelen van voorwas, bl. 42. Het zoeken van eene nieuwe
+woning, bl. 43.
+
+
+BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN IN DE WONING 43
+
+De wasbereiding en de cellenbouw, bl. 43. De vorming van het was,
+bl. 43. Zij kost veel honig, bl. 44. Een nieuw opgezette zwerm bouwt
+met spoed, bl. 44. Hoe de tafels gebouwd worden, bl. 45. De soorten van
+cellen, bl. 46. Het verlengen der cellen, bl. 47. Het verkleuren der
+tafels, bl. 48. Het verzegelen der cellen, bl. 48. Warme en koude bouw,
+bl. 48. Kruisbouw, bl. 49. Het opleggen van den honig, bl. 49. Het
+honigsap der bloemen behoeft geene verdere bewerking, bl. 49. Het
+opleggen van het bloemenstof, bl. 50. Het verzorgen van het broed,
+bl. 51. Het reinigen van de woning, bl. 52. Het verkitten, bl. 52.
+
+
+HET ZWERMEN 53
+
+Hoe de zwermen ontstaan, bl. 53. Oorzaken van het zwermen,
+bl. 55. Natuurlijke zwermen en kunstzwermen, bl. 57. Verdeeling der
+natuurlijke zwermen, bl. 57. Voorzwermen, bl. 57. Wanneer men een
+voorzwerm kan verwachten, bl. 57. Onvoorbereide zwermen, bl. 59. De
+voorzwermen leveren het meeste voordeel op, bl. 60. Ouderdom der
+moederbijen, bl. 62. Nazwermen, bl. 62. Wanneer men een nazwerm kan
+verwachten, bl. 62. Nazwermen zijn minder waard dan voorzwermen,
+bl. 62. Het nazwermen is soms zeer nadeelig, bl. 63. Hoe het wordt
+tegengegaan, bl. 64. Hoe men een nazwerm weder met den moederstok
+vereenigen kan, bl. 66. Hoe van een stok veel nazwermen getrokken
+worden, bl. 67. Het vereenigen van zwermen, bl. 67. Zingende
+voorzwermen, bl. 68. Maagdezwermen, bl. 69. Dubbelzwermen,
+bl. 70. Vrijwillige vereeniging van zwermen, bl. 70. Hoe men den
+vereenigden zwerm scheiden kan, bl. 70. Wat bij het vereenigen van
+zwermen valt op te merken, bl. 72. Noodzwermen, bl. 72. Het afvliegen,
+het aanleggen en het opvangen van zwermen, bl. 73. De werkbijen geven
+de eerste aanleiding tot het afvliegen van den zwerm, bl. 73. Het
+aanleggen van de zwermen, bl. 75. Het opvangen van de zwermen, bl. 75.
+
+
+II. DE BIJENTEELT 80
+
+
+DE WONINGEN 80
+
+Eerste woningen met lossen bouw, bl. 81. Blad- of boek-woning,
+bl. 81. Dzierzon's woningen, bl. 81. Liggende en staande woningen,
+bl. 82. De breedte der woningen, bl. 82. De staafjes waaraan de
+wastafels hangen, bl. 83. Hoe zij vervaardigd worden, bl. 83. De
+zamenstelling der woningen, bl. 84. De liggende woning, bl. 85. De
+staande woning, bl. 91. Zamengestelde woningen, bl. 93. De dubbele
+woning, bl. 93. Zij is zeer geschikt om zwermen te vereenigen en te
+verdeelen, bl. 94. De drievoudige woning, bl. 95. Zes- en negenvoudige
+woningen, bl. 96. Eene woning waarvan de bovenwand weggenomen kan
+worden, bl. 97. De voorregten van de woningen met lossen bouw,
+bl. 100. Zij moeten stevig en met naauwkeurigheid gemaakt zijn,
+bl. 102. Het gereed maken van eene woning, bl. 102. Het bevestigen
+van wastafels aan de staafjes, bl. 104.
+
+
+DE BIJENSTAL 105
+
+Bij het gebruik van Dzierzon'sche woningen kan de stal gemist worden,
+bl. 105. Inrigting der bijenstallen, bl. 106. Het plaatsen van den
+stal, bl. 109.
+
+
+HET GEREEDSCHAP 112
+
+De rookpijp, bl. 112. De bijenkap, bl. 115. Messen, bl. 116. De gaffel,
+bl. 117. De stommeknecht, bl. 117. De bok, bl. 119. Transportkastjes,
+bl. 119. De stortbak, bl. 121. De schepper, bl. 122. Een ijzeren haak,
+bl. 122. Moederhuisjes, bl. 122. Voederbakjes, bl. 125. De pers,
+bl. 127. De wasketel, bl. 128.
+
+
+HET AANHOUDEN EN HET KOOPEN VAN STOKKEN 130
+
+De bijen behoeven warmte, bl. 130. Sterke stokken behoeven naar
+evenredigheid minder voedsel dan zwakke, bl. 131. Eene vroege
+broedaanzetting is voordeelig, bl. 132. Het zuiveren van de woning in
+het voorjaar, bl. 132. Het is van belang dat de wasbereiding vroeg
+begint, bl. 132. Sterke stokken zwermen vroeg, bl. 133. Zij zamelen
+naar verhouding meer in dan zwakke, bl. 134. Zij zijn beter bestand
+tegen ongunstige toevallen, bl. 134. Zij kunnen de vijandelijke
+aanvallen beter afweren, bl. 135. Men moet alleen volkrijke stokken
+koopen, bl. 135. Men moet geene zwakke stokken inwinteren, bl. 137. De
+stokken mogen niet verzwakt worden, bl. 138. Men moet steeds trachten
+hen te versterken, bl. 138.
+
+
+DE OVERWINTERING 139
+
+De bijen zijn bij ons niet inheemsch, bl. 139. Zij hebben geen
+winterslaap, bl. 139. Eene goede verzorging in den winter is van veel
+belang, bl. 140. De bijen moeten in den winter van een voldoenden
+voorraad voorzien zijn, bl. 142. Zij moeten voor strenge koude beschut
+worden, bl. 142. Luchtverversching, bl. 144. Het zonlicht mag in
+den winter niet op de woning vallen, bl. 145. De woningen moeten
+rustig staan, bl. 145. Men moet de stokken niet te vroeg inwinteren,
+bl. 146. Wanneer men de bijen eene reinigings-uitvlugt kan laten
+houden, bl. 147. Hoe men bijen, welke door de koude verstijfd zijn,
+kan doen herleven, bl. 147. Zoodra men de bijen heeft laten vliegen,
+moeten ook de bodems der woningen gezuiverd worden, bl. 148.
+
+
+DE BROEDAANZETTING 149
+
+Men kan de bijen tot het broedaanzetten opwekken, bl. 149. Het is
+nadeelig zoo de broedaanzetting te vroeg begint, bl. 149. Wanneer
+moet zij beginnen? bl. 152. Warmte is een voornaam vereischte
+voor het broeijen, bl. 158. Het vergrooten van het broednest,
+bl. 154. Het verkleinen van het broednest, bl. 155. In den nazomer
+moet de broedaanzetting belet worden, bl. 155. Bij het voêren moet
+men zorgen geene aanleiding tot broeijen te geven, bl. 156. Wanneer
+het wegnemen der moederbij een stok niet benadeelt, bl. 157. Het
+broed kost veel honig, bl. 157.
+
+
+HET VOÊREN 158
+
+Speculatief voêren, bl. 158. Bloemenstoftafels moeten bewaard worden
+en hoe dit geschiedt, bl. 158. Het voêren in strookorven, bl. 159. Het
+voêren in Dzierzon'sche woningen, bl. 161. In het voorjaar is het goed
+water aan de bijen te geven, bl. 162. Men moet nooit met gekochten
+honig voêren, bl. 163. Suiker en kandij geven geene aanleiding tot
+rooven, bl. 163.
+
+
+DE KUNSTZWERMEN OF AFLEGGERS 163
+
+Het is van veel belang de zwermen kunstmatig te kunnen afdrijven,
+bl. 163. Wanneer een stok zwermgeregt is, bl. 164. Onderscheid tusschen
+natuurlijke zwermen en kunstzwermen, bl. 164. Het aftrommelen van
+zwermen, bl. 165. Het maken van zwermen door Schirach's bedrog,
+bl. 167. Kunstzwermen te maken door zamenvoeging van bijen uit
+onderscheidene stokken, bl. 171. In plaats van met eene moederbij,
+kan men ook met onbedekt broed een kunstzwerm zamenstellen,
+bl. 172. Kunstzwermen te maken zonder een tweeden stand te behoeven,
+bl. 173. Dit te doen door verdeeling van een stok, bl. 173. Het te
+doen met broedtafels, die eene moedercel bevatten, bl. 175. Bezwaren,
+die tegen het maken van kunstzwermen worden ingebragt, bl. 176.
+
+
+HET ROOVEN 177
+
+De zoekers of schuimers, bl. 177. Gelukt het hun een stok binnen
+te dringen, dan zal die spoedig eene prooi der roovers worden,
+bl. 177. Wat aanleiding tot het rooven geeft, bl. 178. Wat men
+vermijden moet om er geene aanleiding toe te geven, bl. 179. Waaraan
+men de roovers herkent, bl. 179. Hoe het rooven wordt tegengegaan,
+wanneer men eigenaar van den roovenden en den beroofden stok is,
+bl. 180. Wat men te doen heeft indien de eerste een ander toebehoort,
+bl. 182. Hoe men den roovenden stok kan ontdekken, bl. 183.
+
+
+DE MOEDERLOOSHEID 184
+
+In een moederloozen stok kan toch hommelbroed zijn, bl. 184. Waaraan
+men ontdekt of een hommelbroedige stok moederloos is, bl. 185. Eene
+vruchtbare moederbij kan kunstmatig hommelbroedig gemaakt worden,
+bl. 186. Aan zichzelven overgelaten moet een moederlooze stok
+omkomen, bl. 186. Kan of wil men hem niet helpen, dan moet hij
+gedood worden, bl. 186. Waaraan een moederlooze stok te herkennen is,
+bl. 187. Waardoor de moederloosheid veroorzaakt wordt, bl. 190. Hoe
+zij hersteld wordt, bl. 191.
+
+
+DE ZIEKTEN 194
+
+De loop, bl. 194. Waardoor hij ontstaat, bl. 194. Hoe hij voorkomen
+wordt, bl. 194. Hoe hij hersteld kan worden, bl. 195. Omstandigheden,
+die den loop ten gevolge kunnen hebben, bl. 196. Hoe men ontdekt dat
+een stok aan loop lijdt, bl. 198. De vuilbroed, bl. 199. Goedaardige
+vuilbroed, bl. 199. Pestaardige vuilbroed, bl. 200. De voorjaars-ziekte
+of dolheid, bl. 201.
+
+
+DE VIJANDEN 203
+
+De mees, bl. 204. De specht, bl. 204. De muis, bl. 204. De padde,
+bl. 205. De mieren, bl. 205. De wilde hommelbij, bl. 206. De wespen,
+bl. 206. De luis, bl. 206. De spin, bl. 206. De wasmot, bl. 207. Er
+zijn twee soorten, bl. 207. Wat men te doen heeft zoo zij zich in het
+broednest gevestigd heeft, bl. 208. Hoe de wastafels voor de wasmot
+beveiligd worden, bl. 209.
+
+
+HET BESNIJDEN 210
+
+Is het besnijden noodig of niet? bl. 210. Wanneer moet het
+geschieden? bl. 211. Waar en hoe men de stokken besnijdt, bl. 212. Hoe
+het broednest van een stok vernieuwd kan worden, bl. 213.
+
+
+HET BEDWELMEN 214
+
+Bedwelmen met bovist, of stuifzwam, bl. 214. Bedwelmen met buskruid,
+bl. 215. Bedwelmen met zwavelether en chloroform, bl. 216.
+
+
+DE BIJENSTEEK 217
+
+Waardoor de steeklust der bijen wordt opgewekt, bl. 217. Welke gevolgen
+de steek na zich sleept, bl. 217. Hoe de gestoken deelen behandeld
+moeten worden, bl. 218. De dragt en het weder hebben invloed op den
+steeklust, bl. 218. Voorzorgen die men moet nemen, bl. 219.
+
+
+HET REIZEN MET DE STOKKEN 220
+
+Voorzorgen die men moet nemen om de stokken te kunnen vervoeren,
+bl. 221. Hoe zij vervoerd worden, bl. 222. Hoe zij, ter bestemder
+plaatse gekomen, behandeld worden, bl. 222. Het bezoeken der
+boekweitvelden, bl. 223. Het reizen met Dzierzon'sche woningen,
+bl. 225.
+
+
+DE HONIG- EN WASOOGST 227
+
+Hoe men in Noord-Braband daarbij te werk gaat, bl. 227. Het bezoeken
+der heide, bl. 228. Hoe het werk uit de korven genomen wordt,
+bl. 229. Het dooden der bijen met zwaveldamp, bl. 229. Het zuiveren van
+den honig, bl. 230. De honig uit korven is met broed en bloemenstof
+verontreinigd, bl. 231. Bij Dzierzon'sche woningen kan dat voorkomen
+worden, bl. 231. Hoe de honigoogst bij die woningen plaats heeft,
+bl. 232. Hoe men haar gereed maakt om er de heide mede te bezoeken,
+bl. 232. Hoe men de stokken daarin behandelt als zij van de heide
+zijn teruggebragt, bl. 232. Het zuiveren van het was, bl. 234. Hoe de
+maden uit hommeltafels verwijderd worden, bl. 235. Hoe beschimmelde
+wastafels gezuiverd worden, bl. 236. Het zuiveren van honig, die in
+de cellen versuikerd is, bl. 236.
+
+
+DE BEREIDING VAN MEDE EN AZIJN 237
+
+De bereiding van mede, bl. 237. De bereiding van azijn, bl. 238.
+
+
+BESLUIT 239
+
+Zamenvatting van verschillende werkzaamheden, zoo als die elkander
+in den loop van het jaar opvolgen. November, bl. 239. December,
+bl. 240. Januarij, bl. 241. Februarij, bl. 242. Maart, bl. 243. April,
+bl. 243. Mei, bl. 244. Junij, bl. 245. Julij, bl. 248. Augustus,
+bl. 250. September, bl. 251. October, bl. 251.
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Wanneer wij in de lente of des zomers door de velden wandelen en den
+rijken voorraad van bloemen aanschouwen, welker geur ons omgeeft, dan
+is het voorzeker te bejammeren, dat daarin zulk een schat verborgen
+is, die verloren moet gaan, omdat de arbeiders ontbreken, die alleen
+in staat zijn hem te verzamelen. Die schat is de honig; die arbeiders
+zijn de bijen.
+
+Deze opmerking kwam mij menigmalen voor den geest, toen ik mij voor
+eenige jaren met den landbouw bezig hield. Ik stelde er groot belang
+in dat bij mij, zoowel op boerderij als akker, niets verloren ging,
+en hoewel ik daarnaar streefde, toch bleef bij mij, even als bij zoo
+velen, de honig onopgezameld.
+
+Een goed landbouwer mogt, naar mijn inzien, niets verloren laten gaan,
+van hetgeen zijn akker voortbrengt. Aan de bijen moest dus bij mij
+eene plaats worden aangewezen, om ook datgene te verzamelen, wat de
+Schepper in zoo ruime mate in de bloemen doet ontwikkelen, en dat
+er, zonder eenig nadeel voor de verdere vorming van de vrucht of het
+zaad, kan worden uitgenomen. Ja, men meent zelfs opgemerkt te hebben
+dat vruchtboomen, die door bijen bevlogen worden, een ruimeren oogst
+opleveren dan die, waarbij dit het geval niet is; door haar aanhoudend
+heen en weder vliegen, bevorderen zij de uitstorting van het stuifmeel
+of bevruchtend mannelijk zaad, op het vrouwelijk gedeelte der bloemen.
+
+Ik zou dus bijenkweeker worden; eene mij geheel onbekende zaak. Er
+waren echter in mijne nabijheid verscheidene personen, die zich,
+als bijmiddel van bestaan, op de bijenteelt toelegden, bij wie ik
+licht hoopte te vinden in wat mij duister was. In die hoop schafte ik
+mij twee bevolkte bijenkorven aan. Maar hoe werd mijne verwachting
+teleurgesteld! Bijna alle bijenkweekers meenen in het bezit te
+zijn van geheimen, die zij aan geen ander mededeelen, ten einde er
+alleen de vruchten van te plukken. Berlepsch zegt dan ook teregt:
+"bij een bijenhouder om raad te vragen is even vruchtbaar, als dat
+men in het hok van den hond brood gaat zoeken." Maar neen! niet allen
+weigerden mij inlichtingen te geven; enkelen deelden mij als vriend
+hunne geheimen mede. En wat leerde ik daaruit?--Dat die geheimen
+grootendeels gegrond waren op onkunde en bijgeloof en die bijenkweekers
+van de natuurlijke huishouding der bijen weinig of niets wisten en
+alleen bijen-houders waren. Wat de een mij mededeelde, werd dikwerf
+door den anderen weêrsproken, en toch verbonden beide aan het door hen
+gezegde een onfeilbaar gunstig gevolg. Weinig over mijne leermeesters
+voldaan, benijdde ik hun niets, dan het onbevreesd omgaan met deze
+welgewapende dieren. Ik had hun gevraagd of er ook boeken bestonden,
+die over de bijenteelt handelden, en op deze vraag een bevestigend
+antwoord ontvangen; sommigen hadden een dergelijk boek, dat zij
+weder van anderen hadden overgeschreven en het werd ook aan mij, als
+vriend, geleend. Het grootste gedeelte van dit geheimzinnig schrift
+kon ik niet lezen, en wat ik er van lezen kon, kwam mij voor, meest
+onzin te zijn. Getrouw aan mijne belofte, om den schat van kennis,
+die in hun geschrift lag opgesloten, aan geen ander mede te deelen,
+gaf ik het geleende onder dankbetuiging terug, weinig voldaan met
+hetgeen ik daardoor geleerd had. Ten slotte ontving ik den raad nog,
+mij alleen op geschreven boeken te verlaten; want dat al wat over de
+bijen gedrukt was, niet deugde. In strijd met dezen raad, zocht ik
+naar eene handleiding.
+
+Een der eerste werken, die mij in de handen kwamen, was: "Nieuwe
+leerwijze omtrent de bijen en derzelver zoogenaamde magazijnenteelt,
+door Rijkend Jakob Brouwer, 1809." Naar aanleiding hiervan, liet ik
+mij magazijnkastjes maken, welke mij in het gebruik echter niet best
+bevielen. De leerwijze van voornoemd werk beviel mij evenmin, als die
+uit de drie bekroonde verhandelingen over de bijenteelt, uitgegeven
+door de maatschappij ter bevordering van den landbouw te Amsterdam.
+
+Het zag er dus met mijne bijenteelt in den beginne zeer treurig uit,
+en de gedachte was mij niet vreemd, haar weder te laten varen, daar het
+mij niet aanstond in den blinde te moeten voortwerken.--Toch wilde ik
+nog beproeven of er niet eene leerwijze, gegrond op eigene ervaring,
+te bekomen zou zijn; want al, wat mij tot dien tijd ten dienste stond,
+was meestal geschreven door mannen, die hunne kennis niet aan de bron,
+den bijenstok zelven, hadden opgedaan, en om over eene zaak met grond
+te kunnen schrijven en anderen te leeren, moet men er zich zelf op
+hebben toegelegd.
+
+De heer R. J. Brouwer wendde zich reeds in 1809 naar
+Duitschland. Daaruit meende ik te mogen afleiden, dat het vak destijds
+daar reeds met meer belangstelling behandeld werd, dan bij ons. Ik
+wilde beproeven of dit nog zoo was, en mijne verwachting werd nu
+niet teleurgesteld. Dáár was men in de laatste jaren, op het gebied
+der bijenteelt, met reuzenschreden vooruitgegaan, en mannen van
+bekenden naam en verdienste achtten het dáár niet beneden zich, er
+hunne belangstelling en zorg aan te wijden. Zoo b. v. Von Siebold,
+Professor te Munchen; Doctor R. Leuckart, Professor te Giessen; baron
+August von Berlepsch, op het ridderslot Seebach, bij Langensaltz
+in Thuringen, en meer anderen, waaronder een aantal geestelijken en
+onderwijzers der jeugd.
+
+Schriftelijk wendde ik mij tot Von Berlepsch, die zich uitsluitend
+met de bijenteelt bezighoudt, en dit alleen doet uit liefde voor de
+zaak, daar hij een zeer vermogend man is. Spoedig ontving ik een
+vriendelijk antwoord, waarin hij mij met de groote, in de laatste
+jaren in Duitschland gemaakte, vorderingen bekend maakte, welke
+hoofdzakelijk het gevolg waren van eene nieuwe soort van bijenwoningen,
+door Dzierzon, Predikant te Carlsmarkt in Silezië, uitgevonden, en in
+1845 door hem algemeen bekend gemaakt. In deze woningen kan men het
+werk der bijen, even als de bladen van een boek, openslaan en haar
+leven en zijn op het naauwkeurigst gadeslaan. Door de toezending van
+eene zoodanige woning, stelde hij mij tevens in staat, mij van hare
+doelmatigheid te overtuigen.
+
+Van toen af herleefde mijn lust in de bijen, en is mij tot heden
+bijgebleven. Het is mijne dagelijksche bezigheid, zoowel theoretisch
+als praktisch, hierin op de tegenwoordige hoogte te komen, en ik
+geloof dat deze poging niet geheel vruchteloos zal zijn; tot heden
+vond ik echter tot mijn leedwezen hier te lande geen bijenkweekers, die
+belang in de zaak stelden en lust hadden haar met mij te beoefenen. En
+toch is zij die belangstelling overwaardig; want, in de wonderbare
+huishouding van deze kleine dieren, ziet men zoo vele blijken van
+de Almagt van Hem, die alles uit niets te voorschijn riep, dat hij,
+die geen te koud opmerker is, gedrongen wordt de grootheid van den
+Schepper, in Zijne schepselen te erkennen.
+
+Onbekendheid met den aard van en vrees voor de bijen zijn zeker de
+hoofdredenen, waarom men er hier te lande zoo weinig acht op slaat;
+de wijze, waarop de bijenteelt hier tot heden werd beoefend, heeft
+ook weinig aantrekkelijks. Werken op goed geluk alleen, kan toch
+den geest niet bevredigen. Toegerust met de kennis van de natuur en
+de huishouding der bijen, voorzien van de nieuwe woningen en bekend
+met haar gebruik, zal men in de bijenteelt eene aangename bezigheid
+vinden en ook in de slechtste jaren ten minste zooveel honig winnen,
+dat men de rente van zijn kapitaal ruimschoots vergoed vindt.
+
+Teregt zeide Von Ehrenfels: "de bijenteelt is de poëzij van
+het landleven." Hoe velen, die landhuizen bewonen, zouden dit
+moeten toestemmen, wanneer zij, door op hunne buitengoederen eene
+plaats aan een bijenstand te gunnen, voor altijd de dikwerf daar
+heerschende eentoonigheid verdreven. Daardoor zou dan tevens op eigen
+grond verzameld worden, wat thans jaarlijks groote sommen naar het
+buitenland voert; en zij, die de voordeelen niet voor zich behoefden,
+zouden, behalve het genot dat hun het bijenkweeken zou verschaffen,
+nog in staat zijn, door hun toedoen en zonder geldelijke opoffering,
+een gezin het onderhoud te doen vinden. Ook voor den veldarbeider
+zou het van belang zijn eenige stokken te bezitten, die hem jaarlijks
+voordeel konden aanbrengen, zonder dat hij er veel voor zou behoeven
+te verzuimen; want de nieuwe wijze van behandeling kan zoodanig worden
+ingerigt, dat zij weinig tijd vereischt.
+
+In de naburige Duitsche staten acht men de bijenteelt van zooveel
+gewigt, dat de hooge regeringen haar, door het uitloven van premiën
+aan de best bezette standen, zooveel mogelijk bevorderen. Zou het ook
+voor ons land niet van belang zijn, dezen tak van nijverheid op een
+hooger standpunt te brengen, door het algemeen er meer opmerkzaam
+op, en meer bekend mede te doen worden? Zou het daartoe niet goed
+zijn, aan eenige landbouwkundige inrigting in ons land, een rationeel
+behandelden bijenstand te hebben, en den aldaar aanwezigen kweekelingen
+theoretisch en praktisch onderwijs in dat vak te doen geven?
+
+Daar er in onze taal geene handleiding bestaat, die op de hoogte van
+den tegenwoordigen tijd is, en velen of niet bekend zijn met de werken,
+die het buitenland oplevert, of de taal niet genoeg magtig, om die
+duidelijk te bevatten, zoo heb ik mij voorgenomen in deze behoefte,
+naar vermogen, te voorzien. Daar echter geen roem- of winzucht mij
+aanspoort, zoo hoop ik dat men, bij de beoordeeling van mijn werk,
+steeds in het oog zal houden, dat de liefde tot de bijenteelt en de
+zucht om haar zooveel mogelijk te bevorderen, door anderen bekend te
+maken, met wat mij bij ondervinding gebleken is goed en waar te zijn,
+de eenige drijfveren zijn, die mij hebben doen besluiten deze bladen
+het licht te doen zien.
+
+Ik zal voornamelijk mededeelen, wat ik van de opgaven van anderen,
+door eigen onderzoek, bewaarheid heb gevonden; slechts weinige zaken
+zullen geheel van mij zelven zijn, en nu en dan zal ik mij veroorloven
+ook datgene mede te deelen, wat mij door vertrouwde vrienden voor
+waarheid is opgegeven; het geheel zal blijken geene nietswaardige
+fabelen of geheimen te bevatten, zijnde het alleen gegrond op de
+natuurlijke huishouding der bijen: slechts van zoodanige behandeling
+mag men goede gevolgen verwachten; want geenerlei kunstmatige bewerking
+kan goed slagen, wanneer zij met de natuur in strijd is.
+
+Voor het theoretisch gedeelte zal ik voornamelijk Dzierzon volgen,
+die in de laatste jaren, bij het gebruik van zijne woningen,
+volgens zijne daarin gedane ontdekkingen, zijne nieuwe theorie
+zamenstelde. Deze vond, even als zijne woningen, aanvankelijk veel
+tegenstand, doch het aantal navolgers neemt thans aanhoudend toe. Op
+de wereldtentoonstelling te Parijs was eene Dzierzon'sche bijenwoning
+tentoongesteld, die met de medaille der tweede klasse werd bekroond,
+vergezeld van een brief van den volgenden inhoud:
+
+
+ "Monsieur!
+
+ "La commission, nommée par l'académie nationale pour examiner
+ les produits les plus remarquables de l'exposition universelle,
+ a particulièrement fixé son attention sur vos ruches pour
+ observer le travail des abeilles.
+
+ "Nous pensons rendre justice a votre mérite en vous appelant à
+ partager nos travaux et en vous offrant le titre de membre de
+ notre assemblée.
+
+ "L'extrait de nos statuts, consigné en marge de cette lettre,
+ vous donnera les renseignements les plus nécessaires, sur le but
+ de l'institution qui vous ouvre ses rangs.
+
+ "Votre adhésion nous sera fort précieuse; recevez l'assurance
+ de notre haute considération.
+
+
+ "Le Président de l'académie nationale."
+
+
+Eerst zal ik de natuurlijke geschiedenis en dan de teelt der bijen
+behandelen. Men moet echter niet verwachten dat ik mij angstvallig
+aan die verdeeling zal houden. Ik zal mij zoowel veroorloven, om in
+de eerste afdeeling eenige practische bijzonderheden mede te deelen,
+als dat ik in de tweede nog veel over de natuur der bijen, vooral
+over haar leven in den winter, zeggen zal. Ik zal beginnen met een
+enkel woord te spreken over de verdeeling der landstreken en over
+het zoogenaamd bijengeluk.
+
+
+
+De landstreken, waar de bijenteelt wordt uitgeoefend, verdeelt
+men gewoonlijk in honigrijke en honigarme streken. Honigrijk wordt
+eene streek genoemd, waar de bijen reeds in het vroege voorjaar iets
+vinden, en die haar daarna gelegenheid geeft ruime voorjaarsbloemen,
+zoo als de zaadbloem en die der vruchtboomen, te bevliegen, terwijl
+zij daartoe des zomers de boekweit, de lindeboomen en de witte klaver,
+en eindelijk in het najaar de heidebloem aanbiedt.--Honigarm noemt men
+de zoodanige streken, waar de bloemen elkander niet geregeld opvolgen,
+en de weide der bijen zich tot een korten tijd bepaalt, en soms eerst
+laat begint; zoo zijn er in Noord-Braband vele streken, waar zij eerst
+begint met de boekweit; op andere plaatsen vinden zij de zaadbloem
+weder overvloedig, doch ook na deze weinig of niets meer. Het is
+duidelijk dat men de behandeling van zijne bijen moet inrigten naar
+de streek, waar men woont. Wat in de eene voordeelig was, zou dikwerf
+in de andere verkeerd uitkomen, ja den eigenaar ten onder kunnen
+brengen; doch zelden is eene streek zoo honigarm of men zal, met eene
+behoorlijke kennis der bijen toegerust, bij eene goede behandeling,
+zijne moeite beloond vinden. Het behoeft niet gezegd te worden dat,
+wanneer men de bijen in eene honigrijke streek behandelt, als of
+men in eene honigarme woonde, men daarmede altijd voordeeliger moet
+uitkomen dan in de laatste het geval zou zijn; doch van de gunstiger
+ligging gebruik makende, zal men de stokken reeds van honig voorzien
+kunnen hebben, ja reeds natuurlijke en kunstzwermen kunnen bezitten,
+terwijl in de andere nog aan geen zwermen te denken valt, en de bijen
+soms zelfs nog gevoerd moeten worden.
+
+In ons land hebben de honigarme streken verreweg de overhand en zij,
+die de bijenteelt als middel van bestaan uitoefenen, bezoeken daarom
+met hunne korven telkens die streken, waar de bijen steeds ruimere
+bloemvelden kunnen bevliegen dan in hun omtrek. Het in dit werk
+gezegde, zal voornamelijk op honigarme streken van toepassing zijn.
+
+
+
+In ons land bestaat, even als in de meeste landen, het vooroordeel,
+dat men, om voordeel van de bijenteelt te kunnen trekken, zoogenaamd
+bijengeluk moet hebben. Zelden schrijft men den slechten uitslag aan
+eigene onkunde, aan verkeerde behandeling toe; maar wijt hem meestal
+aan gemis aan bijengeluk, en gaat soms zoover van te gelooven, dat
+degene, die in zijne nabijheid er meer voorspoed mede heeft, dien
+te danken heeft aan kunstgrepen en toovermiddelen, waardoor hij de
+bijen zou dwingen honig te halen en was te bereiden, niet kunnende
+gelooven, dat het gewaande toovermiddel alleen bestaat in de betere
+behandeling. Den zoodanigen gaat het even als de buren van den kundigen
+Claus. Deze had geluk en voorspoed met zijne bijen en zijn stand
+vermeerderde van jaar tot jaar, terwijl zij niet vooruitgingen. Wanneer
+de zijne reeds volop den kost hadden, ja voorraad oplegden, moesten zij
+veeltijds de hunne nog met duur betaalden honig te hulp komen. Zijn
+geluk ziende, zeiden zij hoofdschuddende en aan zijne toovermiddelen
+denkende: "het gaat daar niet rigtig." Claus wist dit, en met hen
+sprekende, zeide hij: "gij hebt regt, ik wend toovermiddelen aan
+en ieder zal, en ook gij zult geluk hebben, na de goede aanwending
+van mijne tovermiddelen." "Zij bestaan in drie spreuken, die ik u
+gaarne wil mededeelen." Met belangstelling namen zij dat aanbod aan,
+en hij deelde hun de volgende spreuken mede, waarin ik betuigen moet,
+en alle deskundigen zullen mij dit toestemmen, dat alles bevat is,
+wat een gunstig gevolg mag doen verwachten.
+
+Eerste of Diamanten Spreuk: Wilt gij met voordeel bijen kweeken,
+laat u dan vooraf goed onderrigten, hoe zij leven, wat zij gaarne
+hebben en wat zij schuwen, wat haar voor- en wat haar nadeelig is.
+
+Tweede of Gouden Spreuk: Alleen die stokken zijn nuttig, vruchtbaar
+en bestand tegen de veranderingen van weersgesteldheid, die gezond
+en volkrijk zijn. Ziekelijke en slecht bevolkte stokken brengen nooit
+voordeel aan, maar gaan te gronde.
+
+Derde of Zilveren Spreuk: Verzorgt de bijen in den winter goed.
+
+
+
+
+
+
+
+I. NATUURLIJKE GESCHIEDENIS DER BIJEN.
+
+
+De honigbij (Apis mellifica) behoort tot de vliesvleugelige, gekerfde
+insecten, welke in groote hoeveelheden bij elkander leven. Zij doen
+dit niet uit zucht tot gezelligheid, doch kunnen, alleen levende,
+evenmin bestaan als zich voortplanten. Zoo als alle insecten zijn
+het koudbloedige dieren, die echter, om te kunnen leven en tieren,
+eene matige warmte behoeven van 55 tot 100 graden Fahrenheit. Bij een
+warmtegraad van 50° F. en daar beneden, verstijven zij, en kunnen zich
+niet meer bewegen. Heeft deze schijndood echter niet langer dan 48 uren
+geduurd, zoo komen zij, in de warmte gebragt, weder geheel bij en zijn,
+na een weinig laauwen, eenigzins verdunden honig gekregen te hebben,
+weder gezond en geschikt voor hare gewone bezigheden. Doordringt de
+vorst haar geheel, zoodat zij hard bevrozen zijn, dan komen zij,
+hoewel in de warmte gebragt, niet meer tot het leven, ten minste
+niet meer tot hare volle krachten terug, al bewogen zij zich nog
+eenigzins. Zij zouden dus in onze luchtstreek niet kunnen leven,
+indien zij niet in staat waren om in hare woningen den vereischten
+warmtegraad te ontwikkelen; zij kunnen dit echter slechts wanneer
+zij bij duizenden tot een digten tros vereenigd zijn. Zij wekken dan
+de warmte op, door een aanhoudend beven met de vleugels, en door de
+wrijving van hare ligchamen tegen elkander. De lucht, in de cellen
+der wastafels besloten, en de haren van haar ligchaam doen van de
+opgewekte warmte slechts weinig verloren gaan, daar beide haar
+moeijelijk geleiden. Men zou dus een bijenzwerm, als een geheel
+beschouwd, een warmbloedig dier kunnen noemen. Men kan de warmte,
+die zij ontwikkelen, dagelijks waarnemen, door een thermometer
+zoodanig in de woning te hangen, dat de kwikbol in het midden der
+bijenmassa geplaatst is: ik zeg in het midden, omdat de warmtegraad
+rondom de groep bijen tot op het vriespunt zou kunnen gedaald zijn,
+terwijl hij in het midden nog meer dan 80° F. bedroeg.
+
+Een in ééne woning bijeenverzamelde zwerm bijen heet bijenkolonie,
+bijenstok, of kortweg stok, welke benaming alleen betrekking heeft op
+de groep bijen, niet op de woning, hetzij zij deze zelf hebben gekozen
+in een hollen boom, spleet van een muur of elders, hetzij zij door den
+mensch in eene woning van hout of stroo zijn gebragt. Zoo zegt men:
+de stok vliegt, de stok is sterk of zwak, is afgestorven, heeft zijne
+woning verlaten enz. De tot een stok vereenigde bijen noemt men ook
+het volk, en spreekt dan van een volkrijken of volkarmen stok.
+
+Er zijn drie soorten van bijen, n. l. de moederbij of koningin, de
+hommelbijen of mannetjes, ook meerels genoemd, en de werkbijen. In
+gezonde stokken zijn de drie soorten slechts een gedeelte van het
+jaar, gewoonlijk van het begin van Mei tot in Augustus, aanwezig;
+want in deze worden de hommels eerst tegen de maand Mei aangekweekt,
+en in het begin van Augustus niet meer noodig zijnde, door de werkbijen
+uitgedreven of uitgehongerd.
+
+De vermeerdering van het aantal stokken of koloniën heeft plaats door
+dat een gedeelte van het volk van een stok, de woning verlaat. Men
+noemt dit zwermen, en de nieuwe stok, die er door ontstaat, heet
+zwerm. Een zwerm is niet altijd even talrijk: er zijn er van 2000,
+10000, 20000, ja soms nog meer bijen. [1]
+
+
+
+
+
+DE MOEDERBIJ OF KONINGIN.
+
+
+De koningin verdient, als het hoofd van den geheelen stok, in de eerste
+plaats door ons behandeld te worden. Gedurende hare tegenwoordigheid,
+hebben alle werkzaamheden in den stok geregeld plaats; is zij echter
+ziek geworden, of wat nog erger is, verloren gegaan of gestorven, dan
+komt de geheele stok in onrust: verwarring, werkeloosheid en droefheid
+heerschen daar, waar vroeger orde, vlijt en vreugde woonde! Het
+getal neemt dan dagelijks door den dood af; want daar de koningin het
+eenige, volkomen vrouwelijke wezen in den stok is, en zij alléén de
+eijeren voor de drie soorten van bijen legt, zoo kunnen er bij haar
+gemis geene aangekweekt worden, en gaat de geheele stok te gronde,
+indien de werkbijen, door de aanwezigheid van eijeren of geschikt
+broed, niet in staat zijn zich eene nieuwe regentes te verschaffen,
+of indien de mensch er haar geene geven kan.
+
+Het is lang en door sommigen hevig bestreden, dat de koningin de
+eijeren voor de drie soorten van bijen verschafte. Men wilde dat er
+zoogenaamde "hommelmoeders" waren, die de eijeren voor de hommels
+legden; doch dat de koningin de moeder van al de bijen is, werd in
+1853 bewezen. Dzierzon zette in het begin van Mei eene Italiaansche
+[2] koningin in eene, met onze gewone bijen bevolkte, woning. Na
+verloop van eene maand zag men reeds werkbijen en spoedig daarna ook
+hommels, van de Italiaansche soort, onder de andere. In het begin der
+maand September zag men nog maar enkele gewone bijen in de woning;
+de stok was geheel van Italiaansch ras geworden, en in den zomer was
+er niet één inlandsche hommel in geweest.--Behalve de beslissing van
+bovengenoemd geschil, werd nu ook tevens aangetoond, hoe kort het leven
+der werkbijen is; dat der koningin is veel langer, daar het tot vijf
+jaren kan opklimmen, hetgeen men beproeven kan door eene jonge, reeds
+bevruchte koningin, door het korten der vleugels, kenbaar te maken. [3]
+
+De koningin is door hare gestalte, hare kleur en haar langzamen en
+deftigen gang, gemakkelijk van de overige bijen te onderscheiden. De
+kop is ronder, het borststuk breeder en het achterlijf loopt
+spitser toe, dan bij de werkbijen; zij heeft even als de laatsten
+zes beenen, welke echter merkelijk langer zijn, en vier vleugels,
+die dezelfde lengte hebben, hoewel zij kleiner schijnen te zijn,
+omdat het achterlijf, dat langer is, er onderuitsteekt. In den tijd
+der sterkste eijerlage, van duizende eijeren zwanger gaande, vertoont
+zij zich het langst; haar gang is dan het traagst en het vliegen haar
+moeijelijk. Jonge, nog onbevruchte koninginnen loopen daarentegen
+vlug en vliegen met gemak, zoodat men deze bij de behandeling meer
+moet bewaken, wil men haar niet zien ontsnappen. De kleur is boven op
+het ligchaam glanzend bruin, soms bijna zwart, terwijl het onderste
+gedeelte en de beenen tot het gele overgaan. Het zal dus iemand,
+die eens eene koningin gezien heeft, niet moeijelijk vallen haar
+onder duizende werkbijen te herkennen.
+
+Inwendig bevinden zich de eijerstok, het bevruchtingsblaasje en de
+angel. Van den angel bedient de koningin zich alleen tegen haars
+gelijken, om zich van eene mededingster te bevrijden, of zich tegen
+haar te verdedigen.
+
+De onverdraagzaamheid der koninginnen onderling is zeer
+groot. Ontmoeten zij elkander, dan zullen zij, vooral in dat gedeelte
+van het jaar, waarin de voortplanting het sterkst is, elkander
+terstond aanvallen, en den strijd niet opgeven, voor dat eene der
+partijen gedood is, waarbij de overblijvende ook soms, ten gevolge
+van bekomen wonden, sterft of voor haar werk ongeschikt wordt, en
+de stok, waartoe zij behoort, dus te gronde gaat. In den nazomer en
+herfst, als de voortplantingsdrift sluimert, dulden zij soms elkanders
+tegenwoordigheid. Er zijn toch voorbeelden, dat twee moederbijen in
+één stok overwinterden; ook bij mij is dit eens voorgekomen. Met het
+voorjaar houdt dit rustig zamenzijn op: eene der partijen moet dan
+als offer vallen. Men kan van zulk een strijd getuige zijn, indien
+men twee koninginnen onder een glas plaatst.
+
+Het verdient opmerking, dat, terwijl de werkbijen bij de minste
+drukking steken, men de koningin ongestraft kan in de hand nemen,
+drukken en plagen, zonder dat zij zich van haar wapen zal bedienen;
+voorzeker in de bewustheid verkeerende dat het steken haar dood,
+en deze den ondergang van den geheelen stok ten gevolge heeft; want
+de angel moet, door de zich daaraan bevindende weêrhaken, in de wond
+achterblijven.
+
+Sommigen meenen dat de koningin geene stem bezit. Zij heeft echter het
+vermogen om geluid te geven.--Hoewel enkelen beweren ook de stem van
+oude, bevruchte koninginnen gehoord te hebben, die er zich zeldzaam
+van bedienen, zoo mogt het mij alleen gelukken, die van jonge, nog
+onbevruchte te hooren, dat soms op een afstand van twee en meer
+schreden mogelijk is.--In den zwermtijd, wanneer er soms tien en
+meer jonge koninginnen in een stok gekweekt worden, hoort men er
+somtijds in verscheidene stokken, gewoonlijk van het vallen van
+den avond tot in den vroegen ochtend, gedurende een of meer dagen,
+qua, qua roepen, terwijl andere wederom op een schellen toon thu,
+thu antwoorden. Het doffe qua, qua, komt van jonge koninginnen,
+die, hoewel volwassen zijnde, nog in de cel verblijven en deze niet
+durven verlaten, uit vrees voor eene reeds uitgeloopen mededingster,
+waarvan zij toch terstond een aanval zouden te vreezen hebben. Het
+is dus zucht tot zelfbehoud, die haar in de cel doet blijven; zij
+wil deze niet verlaten zonder zich verzekerd te hebben hoe het daar
+buiten gaat. Berlepsch zegt daarom dat men haar qua, qua als eene
+signaalsvraag kan beschouwen. Ontvangt zij daarop het schelle thu,
+thu ten antwoord, dat eene jonge, de cel reeds verlaten hebbende
+koningin doet hooren, dan blijft zij in hare cel terug; zoo niet, dan
+verlaat zij die terstond, en wanneer zij dan nog andere qua, qua hoort
+roepen, beantwoordt zij dit op hare beurt dadelijk met thu, thu. Verder
+tracht zij, even als de eerst uitgeloopen en met den eersten nazwerm
+afgevlogen koningin dit gedaan heeft, alle moederwiegen op te zoeken,
+en de daarin aanwezige mededingsters te dooden. Wanneer de werkbijen
+echter nog aan zwermen denken, dan verhinderen zij haar hierin, door de
+cellen te omsingelen en zoo elken aanval af te weren. De in de cellen
+opgesloten moederbijen voeren zij dan met den snuit door eene kleine
+opening, die zoowel daartoe, als tot toetreding der lucht, in de cel
+gelaten is. Wordt er daarentegen door de werkbijen aan geen verder
+zwermen gedacht, dan laten zij het toe, dat de uitgeloopen koningin
+de nog gesloten moedercellen opzoekt en de daarin aanwezigen doodt.
+
+Sommigen meenen dat het doffe qua, qua van de overjarige, reeds
+bevruchte koningin komt, dat echter niet mogelijk is, omdat deze den
+stok altijd, eenige dagen voor het uitloopen der jonge moederbijen, met
+den voorzwerm verlaat.--Wij moeten de zorg van den Schepper, voor de
+instandhouding van het geschapene, hier weder in opmerken, dat Hij de
+oude koningin als het ware de bewustheid schonk, dat zij niet bestand
+zou zijn tegen een gevecht met een jonge, veel vluggere mededingster.
+
+Hoort men in een stok, waarvan de voorzwerm is afgevlogen, geene
+thutoonen meer, dan kan men verzekerd zijn dat er maar ééne jonge
+moederbij aanwezig, en dus geen nazwerm te wachten is; daarentegen
+kan men het als een zeker teeken beschouwen, dat men binnen drie
+dagen van een stok een zwerm te wachten heeft, wanneer daarin het
+thuten der hare cel verlaten hebbende koningin gehoord wordt, en
+het weder, gebrek aan honig of te weinig volk dit niet beletten. Bij
+deze zwermen bevinden zich gewoonlijk verscheidene koninginnen: ik
+heb er eens een gehad waarin er tien waren. De oorzaak hiervan moet
+daarin gezocht worden, dat wanneer de eenige thutende moederbij met
+den zwerm afgaat, de overige gevangen gehoudene van de verwarring en
+een onbewaakt oogenblik gebruik maken, om hare gevangenis te verlaten
+en met den zwerm mede te gaan.
+
+Soms worden van deze overtollige moederbijen, terstond op de
+zwermplaats, reeds eenige afgemaakt; meestal vindt men haar echter
+den volgenden morgen dood liggen, voor het vlieggat of op den bodem
+van de woning, waarin men den zwerm gevangen heeft. Gewoonlijk wordt
+de eerst uitgeloopen koningin algemeen als heerscheres verkozen. Niet
+zelden gebeurt het echter ook, dat zij verscheidene partijen vormen,
+die elk eene vorstin kiezen, in welk geval zij weder allen uit de
+woning zwermen, en zich, meestal in afzonderlijke deelen, buiten
+aanzetten. Men moet haar dan weder opvangen, en zet de woning, om
+verdere moeite voor te komen, met een zoogenaamd bijenkleed gesloten,
+gedurende 24 uren op eene donkere plaats; zij zullen dan meest altijd
+de overtollige koninginnen dooden en in de woning blijven.
+
+Het verdient opmerking dat de bijen niet alleen allen hare koningin,
+maar ook elkander onderling herkennen. Eene bij, op een vreemden stok
+komende, is meest altijd een kind des doods. Men veronderstelt dat
+elke koningin een eigenaardigen reuk van zich geeft, die zich aan de
+overige bijen mededeelt, en deze daardoor in staat stelt elkander
+te herkennen. Dat de reuk werkelijk bij de bijen sterk ontwikkeld
+is, bleek mij uit de volgende gebeurtenis. Bij het opvangen van een
+nazwerm, zag ik overtollige koninginnen, en drukte er eene, die mij
+op de hand vloog, dood en liet haar op den grond vallen. Later vond
+ik deze doode koningin met eene menigte bijen bedekt; na deze verjaagd
+te hebben, vertrad ik de doode geheel en wreef haar zoo door het zand
+dat er niets meer van zigtbaar was. Eenigen tijd daarna zaten er weder
+bijen en wel in eene streep, die mijn voet moet beschreven hebben;
+deze vereeniging kon moeijelijk anders dan op den reuk plaats hebben.
+
+Tegen den zwermtijd beginnen de werkbijen, die alleen voor de
+aankweeking der drie soorten van bijen zorgen, moedercellen aan
+te leggen. Zij schijnen reeds vooruit te begrijpen dat tegen het
+tijdstip, dat de natuur voor de vermeerdering van het aantal stokken
+bestemd heeft, hare woning te klein en te warm wordt, om haar allen
+te bevatten, en voorzien, daar zij zonder vorstin den stok niet
+kunnen verlaten en omdat deze, zonder regentes achterblijvende, te
+gronde zou moeten gaan, in tijds in deze behoefte, door aan de randen
+der wastafels en daar, waar tusschen deze eene opening is gelaten,
+moeder-wiegen of cellen aan te leggen. In elke dezer cellen, die
+aanvankelijk de gedaante van een napje hebben en veel gelijken op den
+dop, waarin de eikel aan den boom hangt, legt de moederbij een ei,
+waarna zij door de werkbijen, die de eijeren tevens bebroeijen,
+tot volkomen moederwiegen of zwermcellen worden opgebouwd. Is
+echter de koningin op deze of gene wijze verloren gegaan, hetgeen
+de werkbijen terstond ontdekken, dan kiezen zij eene werkbijencel,
+waarin eene geschikte made aanwezig is, onverschillig waar zij deze
+vinden, om zich daaruit eene nieuwe koningin te verschaffen, waarom
+men deze moedercellen, die men hulpcellen of cellen, aangelegd na
+de ontdekking der moederloosheid, noemt, meestal in het midden der
+wastafels aantreft.
+
+Door het aanleggen van hulpcellen toonen de bijen bewust te zijn van
+de onmogelijkheid, om in hare gereed gemaakte moederwiegen eijeren
+te verkrijgen, nu de moederbij niet meer aanwezig is; men heeft tot
+heden nog niet kunnen ontdekken of de bijen in staat zijn een ei van
+de eene cel in de andere te dragen; de genomen proeven schijnen zelfs
+het tegendeel te bewijzen.
+
+Daar eene moedercel wijder en langer moet zijn dan die der werkbijen,
+zoo moeten zij bij het aanleggen van hulpcellen meestal verscheidene,
+met eijeren of maden bezette werkbijencellen uitbreken; zij kiezen
+echter de plaats voor hulpcellen altijd zoo, dat zij zoo weinig
+mogelijk behoeven te vernietigen.
+
+De stand der werkbijencellen is nagenoeg horizontaal, slechts een
+weinig naar boven staande, waarschijnlijk om het uitvloeijen van den
+ingedragen honig te beletten. De moederwiegen hangen daarentegen naar
+beneden. De hulpcellen worden daarom eerst een weinig naar voren,
+en dan verder naar beneden afgebouwd.
+
+De cellen der koninginnen zijn veel grooter en zwaarder van was,
+dan die der werkbijen: eene der eerste weegt soms meer dan honderd
+van de laatste. De hulpcellen zijn wegens hare gewrongen gedaante
+dikwijls nog grooter en zwaarder.
+
+De gebruikte moedercellen breken de bijen gewoonlijk weder tot op
+den grond van het napje af, waarschijnlijk om het was weder op andere
+plaatsen aan te wenden.
+
+In het midden der vorige eeuw werd door Schirach, een geestelijke
+te Klein-Bautzen in Duitschland, opgemerkt, dat de bijen uit elke
+werkbijenmade, mits niet ouder dan vier dagen zijnde, nog eene koningin
+konden aankweeken, door de cel te vergrooten en deze made overvloedig
+van krachtiger voederpap dan de overige te voorzien. In de laatste
+jaren heeft men vele proeven genomen om deze zaak te onderzoeken,
+en het is gebleken dat de bijen, tot het aankweeken van koninginnen,
+nog oudere maden kunnen gebruiken, en wel zoolang als de cel nog niet
+met haar gewoon wasdeksel is gesloten geworden.
+
+Wanneer de bijen koninginnen willen aankweeken, hetzij om aan den
+zwermlust te voldoen, hetzij omdat zij genoodzaakt zijn door een
+toevallig verlies der moederbij, tot hulpwiegen hare toevlugt te
+nemen, zoo vergenoegen zij zich niet met eene enkele, maar leggen
+verschillende cellen daartoe aan om, ingeval van mislukking van enkele,
+toch in hare behoefte te kunnen voorzien. Zetten zij moederwiegen aan,
+dan doen zij dit verscheidene dagen achtereen, opdat de moederbijen
+niet tegelijk volwassen zijn zouden; vandaar dat het nazwermen zoo
+vele dagen achter elkander kan plaats hebben.--De hulpcellen leggen
+zij gewoonlijk alle, den dag, waarop zij de moederloosheid ontdekt
+hebben, of den daarop volgenden nacht aan; zulk een stok zal meestal
+niet zwermen, maar zoodra ééne moederbij is uitgeloopen, zullen de
+bijen de overige afmaken, indien hij echter nog een zwerm geeft,
+dan is dit gewoonlijk na 12 à 14 dagen.
+
+Over de bevruchting der moederbijen heerschen de uiteenloopendste
+denkbeelden. De een zegt dat de jonge koningin herhaalde malen moet
+bevrucht worden; de ander dat er geene bevruchting noodig is, doch
+dat eene nu en dan herhaalde vlugt den eijerstok moet ontwikkelen;
+deze meent dat de bevruchting slechts in de open lucht, gene dat zij
+ook in den stok kan plaats hebben; sommigen willen eindelijk dat
+de koningin twee eijerstokken zou hebben, een voor vrouwelijke en
+een voor mannelijke eijeren. Er is nog altijd strijd over de wijze,
+waarop de voortplanting eigenlijk plaats heeft, hoewel dit thans
+op de duidelijkste wijze aan het licht gebragt is. Het is dan ook
+alleen volstrekte lust tot tegenspreken, of onwil om de waarheid
+te erkennen, waar men zijne eigene verkeerde denkbeelden zou moeten
+opofferen, die den strijd over dit punt doet voortduren. Alles mede
+te deelen, wat over dit onderwerp gezegd is, ligt buiten mijn bestek;
+den belangstellenden verwijs ik naar de werken van Leuckart, Von
+Siebold, Berlepsch en Dzierzon. Voor eenige jaren trad de laatste
+met de volgende, door de ondervinding bewezen theorie op: "De jonge
+koningin moet eens bevrucht worden, hetgeen in de lucht plaats heeft,
+om beide, mannelijke en vrouwelijke eijeren te kunnen leggen; tot het
+eerste is echter geene bevruchting noodig. De eijerstok wordt niet
+bevrucht, doch bij de paring vult zich een zeker blaasje, zaadblaasje
+genoemd, dat vóór de paring bijna ledig is, slechts eenig waterhelder
+vocht bevattende, met een melkachtig vocht, zaadvocht geheeten, welk
+vocht nu voldoende is om al de eijeren, welke de koningin gedurende
+haar geheele leven legt, tot vrouwelijke eijeren te bevruchten." De
+waarheid van deze theorie wordt door de volgende daadzaken bevestigd,
+zooals ieder dat zal kunnen onderzoeken.
+
+Verminkt men eene jonge, pas bevruchte koningin de vleugels, zoodat
+zij niet meer vliegen kan, zoo zal zij nogtans haar geheele leven
+vruchtbaar blijven. Dat er in den stok geene bevruchting plaats
+heeft, wordt aangetoond, wanneer men een kunstzwerm maakt met eene
+jonge nog onbevruchte koningin, die men het vliegen onmogelijk maakt;
+men zal in zoodanigen stok, indien de koningin eijeren legt, dat in
+het eerste jaar zelden, doch in het daaropvolgend voorjaar gewoonlijk
+plaats heeft, uit de eijeren alleen hommels zien ontstaan. Men moet in
+zulk een stok, die uit zich zelven niet bevolkt kan blijven, nu en dan
+eene tafel met broed uit andere stokken hangen; tegen den winter moet
+men ook bijen toevoegen, anders kan hij toch het voorjaar niet beleven.
+
+Hoe zou de koningin het ook in den stok kunnen uithouden, wanneer
+daar de bevruchting plaats had, daar zij er soms in omgeven is door
+honderde hommels? Men ziet dan ook de jonge koningin, nadat zij de
+alleenheerschappij in den stok bekomen heeft, op het heetst van den
+dag, gewoonlijk tusschen twaalf en twee uren, uit de woning vliegen,
+die, in den omtrek rond vliegende en steeds het vlieggat in het
+oog houdende, goed beschouwen en dan meestal weder binnen gaan,
+waarschijnlijk om haar goed te leeren kennen. Gewoonlijk komt zij
+dan terstond terug en begeeft zich gedurende een kwartier tot een
+uur in de lucht. Heeft nu de paring plaats gehad, dan vliegt zij niet
+meer uit, doch herhaalt, in het tegenovergestelde geval, hare vlugt
+een of meer dagen, om eenmaal bevrucht zijnde, de woning niet meer
+te verlaten. Zij doet geene reinigings-uitvlugten en houdt ook geen
+zoogenaamd voorspel als de andere bijen. Hare uitwerpselen kunnen de
+woning niet verontreinigen, daar zij slechts in een dun geelachtig
+vocht bestaan, dat de werkbijen gretig opzuigen; daarenboven eet
+zij niets dan zuiveren honig, en in den tijd der broedaanzetting
+hoofdzakelijk voederbrij, dien de werkbijen haar met den snuit
+toereiken.
+
+Als bewijs dat de koningin slechts eens of enkele malen uitvliegt,
+tot dat de bevruchting heeft plaats gehad, kan ook dienen, dat als men
+eene bevruchte, overjarige koningin in eene andere woning overplaatst,
+en zij onder de bewerking komt te ontvliegen, zij weder naar die plaats
+terugvliegt, van waar zij is uitgevlogen om bevrucht te worden, al
+was zij reeds een jaar in de nieuwe woning geweest, en al had zij op
+eene andere plaats gestaan dan waarvan zij de bevruchtings-uitvlugt
+had gehouden; zij heeft dus deze nieuwe standplaats niet leeren
+kennen. Behalve voor de bevruchting, verlaat de koningin de woning
+eens in het jaar, om met den voorzwerm af te gaan. De woning, waarin
+men haar dan plaatst, verlaat zij niet voor het volgende jaar, om
+weder met den voorzwerm af te gaan.
+
+Den meesten tegenstand ondervond Dzierzon's bewering dat de eijeren,
+waaruit de hommels of mannelijke bijen voortkomen, geene bevruchting
+behoeven; dat onbevruchte of mannelijke eijeren woorden van eene
+beteekenis zijn, daar alle eijeren oorspronkelijk van het mannelijk
+geslacht zijn, doch, voorbij het zaadblaasje gaande, de kiem ontvangen
+om vrouwelijke bijen te vormen. Men kreet hem uit voor iemand, die
+stellingen wilde opperen, die tegen al wat de ondervinding dagelijks
+leert, aandruischten, zeggende: "Zonder bevruchting kan geen leven
+ontstaan." Dzierzon geeft tot bevestiging van zijne stelling op, dat
+als men jonge moederbijen, die nog geen bevruchtings-uitvlugt gehouden
+hebben, opent en onder het microscoop beschouwt, men het zaadblaasje
+altijd ledig zal vinden, terwijl dit, na de paring, met het genoemde
+zaadvocht zal gevuld zijn. Daar er nu soms koninginnen voorkomen, die
+van hare geboorte af een gebrek aan de vleugels hebben, dat haar het
+vliegen belet, zoo kunnen deze niet bevrucht worden; eveneens blijven
+die koninginnen onbevrucht, die op een tijd geboren worden, dat er
+geene hommels in den stok zijn, terwijl later, wanneer deze aanwezig
+zijn, de tijd der bevruchting voor haar voorbij is. Van zoodanige
+koninginnen verkrijgt men het volgende jaar gewoonlijk toch eijeren,
+waaruit bijen voortkomen, die echter allen van het mannelijk geslacht
+zijn. Een stok, waarin zich dit voordoet, noemt men hommelbroedig en
+hij gaat te gronde, daar de hommels leven ten koste van den voorraad,
+dien de werkbijen inzamelen, en deze laatste dagelijks door den dood
+wegvallen, zoodat er eindelijk alleen hommels overblijven, die van
+gebrek omkomen. Worden de koninginnen uit zoodanige stokken onder het
+microscoop beschouwd, zoo vindt men steeds het zaadblaasje ledig, dat
+bij moederbijen, in den normalen staat, nooit plaats heeft. Somtijds
+ziet men ook dat koninginnen, die steeds eijeren van beiderlei geslacht
+gelegd hebben, hiermede ophouden en alleen eijeren van het mannelijk
+geslacht verschaffen. Zij geven zich wel moeite om eijeren van het
+vrouwelijk geslacht te leggen, en bezetten ook al de werkbijencellen
+met eijeren, doch er komen niets dan hommels van, die, omdat zij in
+cellen gekweekt zijn, die niet tot hunne vorming geschikt waren, van
+een kleineren ligchaamsbouw zijn dan de overige. Ook bij zoodanige
+koninginnen vindt men bij de ontleding het bevruchtingsblaasje ledig:
+dit is dus uitgeput.
+
+Het bovengezegde mag in strijd zijn met wat wij dagelijks waarnemen,
+omtrent de voortplanting van het dierenrijk, toch heeft men ontdekt
+dat er meer insecten zijn, die zonder bevruchting eijeren leggen,
+waaruit levende jongen voortkomen.
+
+Von Siebold heeft in 1856 verscheidene bevruchte en onbevruchte
+koninginnen onderzocht, en de Dzierzon'sche theorie bewaarheid
+gevonden, waarover hij eene uitvoerige verhandeling heeft in het licht
+gegeven. De naam van Dzierzon zal dan ook niet in vergetelheid geraken,
+daar het licht, door hem op het gebied der bijenteelt ontstoken, zoowel
+door zijne hommeltheorie als door de woningen van zijne vinding, dezen
+tak van nijverheid eene belangrijke schrede heeft doen vooruitgaan.
+
+Ik moet hier nog opmerken, dat eene bevruchte koningin door de
+bijen hooggeschat wordt. Vervangt men in een stok eene bevruchte
+koningin door eene onbevruchte, zoo zullen de werkbijen deze
+aanvallen en dooden, terwijl zij, in het tegenovergestelde geval, de
+nieuwe moederbij met vreugde zullen ontvangen. Bij het omzetten van
+stokken is dit van veel belang: zet men er een, die eene bevruchte
+koningin heeft, op de plaats van een, die eene onbevruchte heeft,
+zoo zullen de te huis komende bijen met den ruil zeer te vreden zijn;
+zet men echter den laatsten op de plaats van den eersten, dan zullen
+de te huis komende bijen, die eene bevruchte moederbij verlieten,
+en nu eene onbevruchte vinden, haar aanvallen en dooden, waardoor
+de stok moederloos wordt. Het omzetten van stokken, dat soms zoo
+onbezorgd gedaan wordt, gaat dan ook met groot gevaar verzeld en het
+onbedachtzaam verplaatsen moet ik daarom ten sterkste afraden.
+
+Hoewel het ons onbekend is, of er dieren zijn, die weten van welk
+geslacht zij jongen zullen voortbrengen, zoo moet dit bij de moederbij
+toch het geval zijn: daar tot de uitbroeijing en ontwikkeling van
+mannelijke en vrouwelijke bijen, cellen van onderscheidene grootte
+vereischt worden, zoo moet zij het geslacht der eijeren kunnen bepalen,
+naar de cellen welke zij er mede bezet.
+
+Opmerkelijk is het, dat de koningin, hoewel zij het meest ontwikkelde
+wezen in den stok is, nogtans den minsten tijd tot hare vorming
+behoeft. Zij heeft, gerekend van het leggen van het ei, 16 à 17 dagen
+voor hare ontwikkeling noodig, terwijl de werkbijen eerst den 20sten of
+21sten en de hommels meestal den 22sten of 23sten dag de cel verlaten.
+
+Men moet verbaasd staan over het ontzettend voortteelend vermogen,
+dat de koningin bezit. Zij is toch in staat om in den tijd der
+sterkste eijerlage, die in de maanden Mei en Junij invalt, in 24
+uren, van 1500 tot 3000 eijeren te leggen. Hoe ongeloofelijk dit
+schijnen mag, men kan er zich van overtuigen door de wastafels
+uit het broednest te nemen, en dit den volgenden dag te herhalen,
+daarbij nagaande hoeveel cellen in dien tijd zijn bezet geworden,
+hetgeen gemakkelijk geschieden kan, omdat de moederbij de tafels, en
+van elke tafel de cellen, geregeld met eijeren bezet, zonder er eene
+over te slaan. Daar nu 25 cellen een vierkanten Rhijnlandschen duim
+[4] beslaan, zoo zal het aantal in eene tafel van 6 duim breed en 11
+lang, aan beide zijden evenveel cellen bevattende, 3300 bedragen;
+men behoeft dus de met eijeren bezette cellen slechts twee dagen
+achter elkander te meten om het aantal eijeren, in 24 uren gelegd,
+te leeren kennen. Hoewel de voortteeling verbazend groot genoemd mag
+worden, zoo is ook het dagelijksch verlies groot, daar de werkbijen
+zich, in den tijd der drukste dragt, veel afmatten en dikwerf op
+het veld terug blijven, terwijl ook velen door wind of regen worden
+neêrgeslagen, door vogels verslonden of in het spinnenweb gevangen.
+
+Laat ons thans van de beschrijving der moederbij afstappen; ik heb mij
+daarmede lang moeten bezighouden, omdat hare grondige kennis het eenig
+rigtsnoer is, om in de bijenteelt wel te slagen. Wie met de natuur
+der moederbij goed bekend is, zal zelden mistasten, terwijl hij,
+die er een verkeerd begrip van heeft, op goed geluk moet werken.
+
+
+
+
+
+DE HOMMELS OF MANNETJES-BIJEN.
+
+
+Zoo als boven reeds gezegd is, ontstaan de hommels uit eijeren,
+door de koningin gelegd, en hebben zij, na het leggen van het ei,
+22 à 23 dagen, en dus van de drie soorten van bijen den meesten
+tijd, tot hunne ontwikkeling noodig. Zij zijn op het eerste gezigt
+van de werkbijen en de koningin te onderkennen, aan hun grooteren en
+plomperen ligchaamsbouw. De kop is grooter en ronder, de snuit korter,
+het borststuk sterker, het achterlijf langer en aan het einde meer
+afgerond dan bij de werkbijen. De vleugels zijn breeder en iets langer,
+ook zijn zij over het geheele ligchaam sterker behaard en missen de
+schopjes en borsteltjes, die men aan de achterbeenen der werkbijen
+vindt. Hun uiterlijk aanzien is veel minder bevallig, dan dat van de
+statige moederbij of de kleine en zeer vlugge werkbij. Zij hebben een
+slependen gang en vliegen moeijelijk op, doch, eenmaal in de vlugt
+zijnde, kunnen zij de lucht pijlsnel doorklieven. Zij hebben geen
+angel, en kunnen dus zonder eenige vrees worden aangevat.--Wanneer zij
+in den omtrek der stokken rondvliegen, kan men hen terstond herkennen
+aan het sterke geluid, dat de beweging van hunne vleugels veroorzaakt,
+en aan het laten afhangen van hunne lange achterbeenen. Als zij op
+een warmen dag in grooten getale aanwezig zijn, kunnen zij de lucht
+als het ware doen dreunen, door de beweging van hunne vleugels. Dit
+eigenaardige geluid, dat zij verwekken, heeft hun ook den naam van
+muzikanten doen verkrijgen, en sommigen verkeeren zelfs in de stellige
+meening, dat zij voornamelijk tegenwoordig zijn, om door hunne muzijk
+den arbeid der werkbijen te verligten; anderen beschouwen hen als
+misgeboorten en schuimloopers, die zich in ledigheid voeden van
+het door de werkbijen ingezamelde; doch daar de werkbijen zelven
+de cellen voor de hommels aanleggen en de door de koningin daarin
+gelegde eijeren uitbroeijen, zoo moeten zij wel degelijk als leden
+van hetzelfde gezin beschouwd worden.
+
+Het geslacht en de bestemming van deze bijensoort hebben steeds
+aanleiding tot een ernstigen pennestrijd gegeven. Men scheen liever
+zijn eenmaal aangenomen gevoelen vol te houden, dan de waarheid
+te zoeken; want voor hen, die met de ontleedkunde bekend, en van
+vergrootingswerktuigen voorzien zijn, is het niet moeijelijk de
+mannelijke geslachtsdeelen bij hen te onderkennen. Had men slechts
+gelezen wat door Swammerdam [5] en Reaumur [6] over het geslacht der
+bijen geleerd wordt, en de bij hunne werken gevoegde afbeeldingen
+beschouwd, de bestaande onzekerheid zou spoedig opgeheven geweest
+zijn; want beide toonden aan: "dat de koningin het eenig volkomen
+ontwikkeld vrouwelijk wezen in den stok is; dat ook de werkbijen tot
+het vrouwelijk geslacht behooren, maar in cellen ontstaan, die te
+klein zijn om hare geslachtsdeelen geheel te doen ontwikkelen; en dat
+eindelijk de grootere of hommelbijen van het mannelijk geslacht zijn,
+daar zij duidelijk te herkennen, mannelijke geslachtsdeelen hebben."
+
+Waarschijnlijk stelden de bijenhouders niet genoeg vertrouwen in de
+bekwaamheden van deskundigen, om het geslacht der bijen te kunnen
+bepalen.--Ieder behield ten minste zijne eigene denkbeelden over de
+huishouding der bijen en wilde onveranderd staande houden, dat deze
+alleen waarheid bevatten. Hierdoor bleef de strijd bestaan, totdat
+nu in de laatste jaren de bijenteelt in Duitschland met zooveel
+inspanning en wezenlijke belangstelling werd uitgeoefend, men zich
+daar niet alleen bepaalde tot het gewin, maar ook de natuurlijke
+huishouding der bijen grondig wenschte te leeren kennen. Het was
+voornamelijk door de stelling van Dzierzon: "De hommels zijn volkomen
+mannelijke bijen, die alleen dienen ter bevruchting van de koningin;
+hommeleijeren behoeven geene bevruchting, zoodat onbevruchte en
+hommeleijeren woorden van ééne beteekenis zijn,"--dat onderscheidene
+geleerden werden aangespoord, om zich met een naauwkeurig onderzoek
+van dit punt bezig te houden. Zijne schijnbaar valsche stelling,
+waarom hij aanvankelijk door velen bespot werd, is na een groot
+aantal waarnemingen volkomen bevestigd geworden. In de Eichstädter
+Bienen-Zeitung, van den 15en October 1854, vindt men een stuk
+van Von Siebold, waarin hij zegt, dat alles wat door Swammerdam en
+Reaumur, omtrent het geslacht der bijen is geleerd geworden, door hem
+bevonden is waarheid te bevatten. Eenige onnaauwkeurigheden in hunne
+afbeeldingen moeten worden toegeschreven aan de mindere volkomenheid
+der werktuigen, die hun ten dienste stonden. Wij mogen dus op gezag
+van Von Siebold en andere geleerden aannemen, dat er geen twijfel
+meer bestaat, omtrent het geslacht der bijen, en hopen dat er voor
+goed aan de twisten hierover een einde mag gekomen zijn.
+
+Vrij algemeen, vooral hier te lande, worden de hommels "broedbijen"
+genoemd en gelooft men dat zij bestemd zijn, om het broed te verwarmen
+en uit te broeijen. Het wederleggen van deze stelling zal moeijelijk
+vallen; want daar er geen enkele schijngrond voor bekend is, is er
+ook niets te wederleggen.--Het broed wordt voornamelijk aangezet
+in Maart en April, en dan zijn er in den regel geen hommels in
+den stok aanwezig; het meeste hommelbroed wordt in het laatst van
+April en het begin van Mei aangezet. Ook dit moet door de werkbijen
+worden uitgebroeid. Gewoonlijk ziet men dan de eerste hommels te
+voorschijn komen, eenige dagen voor dat de oude, bevruchte moederbij,
+de woning, met den voorzwerm, verlaat. Heeft deze de woning verlaten,
+dan houdt natuurlijk alle verdere broedaanzetting op, terwijl de
+grootste hoeveelheid hommelbroed dan nog aan de zorg der overgebleven
+werkbijen is overgelaten. Is er eene week verloopen, nadat de bevruchte
+koningin de woning heeft verlaten, dan is zeker al het door haar
+achtergelaten broed reeds bedekt, en dit zou dan wel zonder eenige
+verdere verzorging uitkomen. Ongeveer eene maand na het afvliegen
+van den voorzwerm, begint de jonge intusschen bevruchte koningin
+eijeren te leggen, zoodat er dan weder wat te broeijen zou zijn;
+doch dan nadert ook het tijdstip, waarop de hommels als overtollig
+worden uitgedreven en al het broed, dat hierna tot in October wordt
+aangezet, moet worden uitgebroeid, zonder dat er in gezonde stokken
+een enkele hommel aanwezig is.
+
+De ongerijmdheid van de geheel uit de lucht gegrepen stelling,
+dat de hommels broedbijen zouden zijn, zal elk onbevooroordeelde,
+door eene naauwkeurige waarneming aan de bijenstokken, spoedig
+inzien. In de koudere jaargetijden, wanneer er het meest gebroeid
+moet worden, zouden de gewaande broedbijen ontbreken; terwijl er,
+in de heetste maanden van het jaar, wanneer de warmte in de woningen
+bijna ondragelijk is geworden, en de bijen er buiten gaan liggen
+om de daarbinnen heerschende warmte te ontgaan, afzonderlijke bijen
+zouden noodig zijn, om het broed warm te houden.--Dit dwaalbegrip zal,
+dunkt mij, geene verdere behandeling behoeven.
+
+Sterke stokken, die gewoonlijk ook zwermen, kweeken hommels. Zij
+doen dit in de bewustheid van hunne toenemende bevolking, als eene
+voorbereiding tot het zwermen. In den zwermtijd, wanneer de jonge
+koninginnen bevrucht moeten worden, zijn de meeste hommels aanwezig,
+en de naauwkeurigste waarnemingen hebben geene andere bestemming
+van deze bijensoort kunnen aantoonen, dan het bevruchten der jonge
+koninginnen. Die stokken, welke hunne koningin verliezen, terwijl
+er geen hommels aanwezig zijn, en dan jonge moederbijen aankweeken,
+blijven onvruchtbaar en gaan met rassche schreden hun ondergang
+te gemoet.
+
+Zij, die eene andere bestemming aan de hommels toekennen, dan het
+bevruchten der koninginnen, wijzen op hun groot aantal, daar toch een
+veel kleiner getal voldoende zou zijn, om de weinige moederbijen te
+bevruchten. Dit kan zijn in een door menschen bezetten bijenstand,
+waarin zich soms meer dan honderd stokken bijeen bevinden, doch
+men moet in het oog houden, dat de bijen zich daar niet in den
+natuurstaat bevinden. Stelt men zich de bijen in het wild voor, in
+bosschen huizende, waar de eene stok soms verscheidene uren van den
+anderen verwijderd is, zoodat de hommels van den eenen stok zelden de
+koninginnen van een anderen kunnen bevruchten, en zij dus elk voor
+hunne eigene bevruchting moeten zorgen, dan kan dit getal niet als
+te groot beschouwd worden; want, daar de bevruchting in de lucht
+plaats heeft en de hommels niet allen op denzelfden tijd van den
+dag de woning verlaten, en zij zich daar buiten zeer verspreiden,
+zoo moeten er wel veel aanwezig zijn, zal de koningin er een kunnen
+vinden om zich mede te vereenigen.
+
+Eene al te groote hoeveelheid hommels is niet voordeelig, en
+meestal een gevolg van eene tegennatuurlijke behandeling. Men doet
+altijd wel met hunne aankweeking zooveel mogelijk tegen te gaan,
+door het verwijderen van de tafels der hommelcellen, er tafels met
+werkbijencellen voor in de plaats stellende; want daarvan heeft men
+nog nooit nadeelige gevolgen ondervonden, omdat er op een bezetten
+bijenstand altijd nog hommels genoeg gevonden worden. Geheel kan men
+hen toch niet tegengaan; want verwijderde men alle hommelcellen
+uit de woning, dan zouden er toch eenige aangezet worden in
+werkbijencellen. Dit kan men ontdekken aan de verhooging van het
+gesloten broed. De op deze wijze gekweekte hommels zijn kleiner.
+
+De hommels moeten de paring met de koningin altijd met den dood
+bekoopen, omdat hun mannelijk lid zoo naauw in de vrouwelijke schede
+sluit, dat zij dit na de paring niet kunnen terug trekken; het wordt
+met geweld afgescheurd en blijft in de schede vastzitten. Men heeft
+in de laatste jaren, toen men alles naauwkeuriger begon na te gaan,
+verscheidene koninginnen, nog bezet met het mannelijk lid, van hare
+bevruchtingsuitvlugt zien terug keeren. Onlangs zond Berlepsch zulk
+eene koningin, na haar gedood en in wijngeest gedaan te hebben,
+aan Von Siebold, die het in de schede stekend ligchaam, duidelijk
+herkende als het afgescheurd mannelijk lid.
+
+In het begin van Augustus worden in gezonde stokken de hommels,
+als niet meer noodig, uitgedreven. Men noemt dit gewoonlijk de
+hommelslagt. Wanneer de werkbijen hiertoe overgaan, zijn zij geheel
+zonder erbarming, in tegenstelling van de liefde, die zij voor
+hun broed betoonen, indien zij hen behoeven voor de bevruchting
+der koninginnen. Het uitdrijven doen zij op verschillende wijzen,
+naardat zij dit het best kunnen. Nu bijten en plukken zij hun stukken
+uit de vleugels, dan gaan zij weder op hen zitten, dat men paardrijden
+noemt, en dragen hen zoo uit de woning, waarna zij hun het terugkeeren
+zoo veel mogelijk beletten; meestal echter drijven zij hen van den
+honigvoorraad tot beneden in een hoek van de woning en laten hen daar,
+door honger en koude, omkomen. Soms kan men in de woningen geheele
+hoopen van aldus uitgedreven hommels vinden. Stokken, die hen in de
+tweede helft van Augustus nog met vrede laten, worden verdacht van
+moederloosheid, en zij, die hen in September nog dulden, zijn bepaald
+moederloos en hun ondergang nabij. Vindt men een zoodanigen stok,
+zoo is het best hem zoo spoedig mogelijk met den onmiddellijk naast
+hem staanden gezonden stok te vereenigen, en de woning zoo te plaatsen
+dat zij het midden houdt, tusschen hare vroegere standplaats en die
+van den weggenomen stok: men noemt dit op den halven man stellen.
+
+
+
+
+
+DE WERKBIJEN.
+
+
+Even noodzakelijk als de koningin voor de werkbijen is, zijn deze het
+voor haar en de geheele huishouding, waarvan zij den eigenlijken kern
+uitmaken, daar zij alléén allen arbeid verrigten. Zij vervaardigen
+de cellen en brengen het voedsel, het water en den voorraad aan; zij
+zijn de dappere verdedigers van de koningin en de gemeenschappelijke
+bezittingen.
+
+De bijen zijn altijd, en met regt, als een zinnebeeld van vlijt
+voorgesteld; want zij zijn onvermoeid in den arbeid en kunnen nooit
+van verzuim beschuldigd worden. Wanneer er honig of bloemenstof te
+vinden is en het weder haar het vliegen niet belet, gaan allen, die bij
+de verzorging van het broed of de verrigting van andere huisselijke
+bezigheden gemist kunnen worden, gedurende den dag, op de inzameling
+uit. Het ingezamelde zetten zij in de eerste ledige cellen, die zij
+vinden, haastig af, terwijl zij zich dan den nacht ten nutte maken,
+om het op de behoorlijke plaats te brengen, de woning te zuiveren
+van onreinheden, die er in mogten gekomen zijn, de dooden uit te
+dragen, verbeteringen in den bouw te brengen, oneffenheden af te
+bijten en overtollige openingen te sluiten, tot dat de opkomende zon
+haar weder in het veld roept, om haar voorraad te vergrooten. In den
+zomer verdienen zij dus vooral den goed gekozen naam van werk-bijen,
+daar zij dan onophoudelijk arbeiden. Het is ook daaraan te wijten
+dat de leeftijd van haar, die in April en Mei de cel verlaten, maar
+drie of hoogstens vier maanden bedraagt; deze overspannen zich en
+zijn daardoor spoedig afgeleefd. Zij daarentegen, die in Augustus
+en later geboren worden, leven in een veel minder drukken tijd, en
+verouderen minder, daar zij gedurende den winter rustig in den stok
+zitten. Haar levensduur bedraagt echter op zijn hoogst acht maanden,
+dat bewezen werd door eene Italiaansche koningin in een stok, met
+gewone bijen bevolkt, te plaatsen. [7]
+
+Na deze algemeene opmerkingen, zal ik van deze bijensoort eene meer
+uitvoerige beschrijving geven, dan van de beide andere geschied is.
+
+De werkbij heeft vijf oogen, waarvan er een aan elke zijde van den
+kop geplaatst is, terwijl de drie overige, die kleiner zijn, zich
+in een driehoek op het voorhoofd bevinden. Met kleine wijzigingen,
+vindt men deze vijf oogen ook bij de andere bijensoorten. Het gezigt
+der bijen moet bijzonder sterk zijn, daar zij van alle kanten in de
+snelste vlugt naar den stok toevliegen. Ook is dit daaruit op te maken
+dat zij bij het sterkste voorspel en het zwermen, wanneer er duizenden
+op het snelst dooreen vliegen, nooit tegen elkander stooten. Buiten de
+woning schijnen zij, als het donker is, niets bepaald te onderscheiden;
+want laat men haar dan vliegen, zoo kunnen zij haar stok niet vinden,
+en hangen zich overal aan. In de woning, waar het bijna altijd donker
+is, daar het kleine vlieggat slechts weinig licht doorlaat, is het
+echter niet te denken dat zij niet zouden kunnen zien; misschien
+dat de kleine, op het voorhoofd geplaatste oogen haar daar goede
+diensten bewijzen.
+
+Tusschen de beide op zijde staande oogen, bevinden zich de beide
+voelhorens, waarvan zij zich schijnen te bedienen om de haar bij
+den arbeid voorkomende voorwerpen te betasten, en zich onderling
+verstaanbaar te maken; want men ziet haar hiermede elkander
+aanraken. Ook moeten zij de zintuigen van den reuk zijn, die bij haar
+sterk ontwikkeld is, [8] daar zij honig en andere zoetigheden op zeer
+groote afstanden bemerken. Dr. Dönhoff, te Orsoy, toonde dit aan door
+de volgende proeven, die men ook zelf gemakkelijk nemen kan. Wanneer
+men eene moederbij onder een pijpedop plaatst, dan blijven daar eene
+menigte werkbijen bijzitten; knipt men daarop enkelen één voelhoren
+af, zoo verlaten zij de koningin niet, doch haar daarop ook van
+de tweede beroovende, toonen zij er geen de minste belangstelling
+meer in, en vliegen terstond weg. Indien men bijen opsluit en haar
+dan een met honig bestreken stokje voorhoudt, zoo zullen zij daar
+terstond den snuit naar toe steken; houdt men haar echter een stokje
+voor bestreken met knuflook, of eene andere stof, welker reuk haar
+hinderlijk is, dan wenden zij zich daarvan onmiddellijk af. Knipt men
+haar daarna één voelhoren af, dan blijft het verschijnsel hetzelfde,
+doch ontneemt men haar ook den tweeden, dan schijnen zij onbewust te
+blijven van den aard der stoffen, waarmede men haar nadert.
+
+Aan het onderste gedeelte van den kop, bevindt zich de mond. De hierin
+geplaatste tanden zijn niet ingekerfd, zoo als die van de koningin en
+de hommels, maar plat om het was behoorlijk te kunnen verwerken. De
+tong is eene gesloten, met haren bezette buis, die in een in tweeën
+gespleten koker tusschen de tanden ligt; de beide deelen van dezen
+koker sluiten digt tegen de tong en vormen daarmede den snuit. De
+snuit van de koningin en de hommels is korter en minder behaard dan
+die der werkbijen.
+
+De kop is door middel van de spijsbuis met het borststuk verbonden. De
+vleugels zijn vier in getal. Van de zes beenen dienen de beide
+voorste, die het kortst zijn, haar tot armen en handen; terwijl de
+beide achterste zich onderscheiden door de zich daaraan bevindende
+borsteltjes en schopjes of korfjes. De borsteltjes zijn aan de
+binnenzijde op het laatste schenkellid geplaatst, en bestaan uit 8 tot
+10 rijen dwars loopende haren. Den naam van korfjes geeft men aan eene
+driekante verdieping aan de buitenzijde in het middelste schenkellid,
+welke met steile haren omringd is. Met de borsteltjes strijken zij het
+bloemenstof van de vleugels en de haren in de korfjes en dragen het,
+tot balletjes gemaakt, daarin naar huis. Aan het einde van elk been
+staan twee naar binnen gebogen, met tanden voorziene haakjes.
+
+Den honig verzamelt de bij op het veld, door middel van den snuit
+en de spijsbuis, in de voor- of honigmaag, en ledigt deze te huis
+komende in de cellen. Achter deze voormaag ligt de eigenlijke maag,
+in welke zij den uit honig en bloemenstof bestaanden voederbrij voor
+het broed bereiden.
+
+Aan de onderzijde van het achterlijf bevinden zich zes halfringen,
+welke aan de zijden door de zes grootere halfringen van den rug bedekt
+worden. Tusschen de eerste of buikringen liggen de washuidjes, die de
+geheime werkplaatsen zijn, waarin de wasbereiding plaats heeft. Zij
+zweeten daar het was, dat tusschen de halfringen naar buiten dringt,
+als het ware uit.
+
+De angel bestaat uit eene holle, hoornachtige buis, aan beide zijden
+met weêrhaken voorzien en inwendig met de giftblaas verbonden. Bij
+het steken ontlaadt zich de giftblaas, door den angel, in de wond:
+vandaar de brandende pijn en de zwelling, die den steek gewoonlijk
+volgen. De weêrhaken doen den angel meestal afscheuren en in de wond
+achterblijven, wanneer de bij hem terugtrekken wil; dikwijls blijft
+er bij het afscheuren de giftblaas aanhangen. Het verlies van den
+angel heeft den dood van de bij ten gevolge.
+
+De bij ademt, even als andere insecten, door luchtbuizen, welke aan
+de zijden aanwezig zijn. Wanneer zij dus in water of honig omkomt,
+moet dit meer als verstikken dan als verdrinken beschouwd worden.
+
+Boven werd reeds van het gezigt en den reuk der bijen gesproken,
+die zij in zeer hooge mate bezitten. Men mag haar ook niet als van
+smaak beroofd beschouwen, daar zij op alle zoetigheden aanvallen,
+doch voor allen steeds den honig verkiezen. Zij bezitten ook een
+vrij sterk geheugen; want verplaatst men de woning, doch niet meer
+dan een half uur, zoo zullen velen, zelfs na een langdurigen winter,
+als zij haar dus in verscheidene maanden niet verlaten hebben, naar
+hare oude standplaats terugkeeren: het is dus zeer verkeerd de stokken
+onbedachtzaam te verplaatsen, en bij den aankoop van bijen moet men
+wel toezien haar niet van een stand te nemen, die niet meer dan een
+half uur van den zijnen verwijderd is. Eens in haar leven vergeet
+de bij hare standplaats, en wel bij het zwermen. De woning, waarin
+men den zwerm opvangt, kan men plaatsen waar men goedvindt; want,
+slechts zeer weinigen zullen naar den moederstok terug keeren. Wij
+zien hierin weder een bewijs van de voortreffelijke inrigting der
+natuur: vergat toch de bij, bij het zwermen, hare standplaats niet,
+zoo zouden de meeste zwermen weder naar den moederstok terugkeeren
+en de vermeerdering der stokken dus maar zeer gering kunnen zijn.
+
+Het instinkt, dat de bijen toonen te bezitten, is opmerkelijk. Wanneer
+het b. v. bij eene sterke dragt hard waait, dan zullen zij bij het van
+huis gaan steeds tegen den wind invliegen, wel wetende dat zij, beladen
+zijnde, geen weêrstand aan den hevigen wind zouden kunnen bieden.
+
+De werkbij komt voort uit de eijeren, die de koningin in de kleine
+cellen (werkbijencellen) legt. Deze eijeren zijn ruim eene lijn
+lang, doorgaans eenigzins gebogen en wit van kleur. Op den derden
+dag splijt het buitenste vlies in de lengte open, en er vertoont zich
+dan eene kleine made, die door de werkbijen van een weinig voederbrij
+voorzien wordt.
+
+Deze made groeit nu zoo dat zij op den achtsten dag, na het leggen
+van het ei, den geheelen bodem van de cel bedekt; den volgenden dag
+rigt zij zich daarin op, zoodat zij eene staande houding aanneemt,
+met den kop naar de opening gekeerd, terwijl het achterlijf op
+den bodem rust. Nu voorzien de bijen haar nog eens overvloedig van
+voederbrij, en sluiten daarop de cel met een wasdeksel. De made spint
+zich dan in en omkleedt zich met een dun huidje, in welken toestand,
+nimfen-toestand genoemd, hare oogen, snuit, vleugels en beenen zich
+ontwikkelen, totdat zij op den 20sten of 21sten dag, na het leggen
+van het ei, in eene volkomen bij hervormd, het deksel van hare cel
+rondom af knaagt en deze verlaat. Soms loopen de bijen wel eens een
+dag vroeger of later uit, dat afhangt van de meerdere of mindere
+warmte, die in den stok heerscht. Heeft de bij hare cel verlaten, dan
+zuivert zij haar ligchaam, vooral de vleugels, van de onreinheden der
+cel. Zij wordt door de oudere bijen vriendelijk ontvangen, belekt en
+gevoêrd door haar met den snuit honig toe te reiken, wanneer zij ten
+minste welgemaakt is; want zij, die met eenig gebrek de cel verlaten,
+worden niet in den stok geduld, doch terstond uitgestooten, na aan
+een vleugel of poot beschadigd te zijn geworden; meestal eindigen
+zij dan met haar den genadesteek te geven.
+
+De jonge bij, die aan hare grijsachtige kleur gemakkelijk te herkennen
+is, vliegt niet dadelijk uit, zooals sommigen meenen, doch blijft ten
+minste de eerste acht dagen in den stok, en is daar behulpzaam aan de
+verzorging van het nog in de cellen aanwezige broed, waardoor hare
+nog teedere leden sterker worden; dan begeeft zij zich naar buiten,
+draait zich op het vliegplankje regts en links, vliegt daarna langzaam,
+met den kop naar de woning gekeerd, en beschouwt die zeer naauwkeurig,
+om hare herkenningsteekenen goed op te nemen. Gedurende dit eerste
+voorspel ontlast zij zich van den drek, waarvan haar achterlijf geheel
+opgezwollen is, maakt daarbij hare kringen al grooter en grooter,
+en vliegt eindelijk het luchtruim in. Bij hare terugkomst neemt zij
+dezelfde voorzigtigheid in acht, om de moederlijke woning niet mis
+te loopen.
+
+Hoewel het den mensch onbekend is, welke voorwerpen de bijen als
+bakens aannemen, zoo laat het zich toch niet denken, dat zij er geen
+zouden hebben; want al verwijderen zij zich ook meer dan een half uur
+van den stok, zij weten hem toch meest altijd terug te vinden. Zij
+zijn ook naauwkeurig bekend met het personeel, dat tot haar stok
+behoort. Verdwaalt er eene op een vreemden stok, zoo zal zij slechts
+dan geduld worden, als zij voorraad medebrengt; komt zij er ledig,
+dan wordt zij terstond als vreemdeling herkend en afgemaakt.
+
+Men heeft in de laatste jaren getracht, haar het herkennen van hare
+woning uit de daarnevens staande gemakkelijker te maken, door den
+omtrek der vlieggaten met harde en zooveel mogelijk verschillende
+kleuren te verwen; want het verdwalen van bijen op een vreemden stok
+is zeer gevaarlijk. Dat de verdwaalde bijen er meestal bij omkomen,
+is nog het ergste niet: veel noodlottiger kan het worden voor den
+stok waar vreemde bijen op vallen, omdat bij een druk voorspel alle
+vreemdelingen niet terstond herkend worden, maar enkele ongestoord
+binnenkomen; deze nu, in de meening dat zij in hare eigene woning zijn,
+en daarin eene moederbij vinden, die zij niet kennen, zullen haar
+veelal dadelijk aanvallen en ombrengen, of ten minste beschadigen,
+dat niet zelden moederloosheid ten gevolge heeft, die, zoo zij niet
+in tijds ontdekt wordt, den stok doet te gronde gaan, wanneer het
+op een tijdstip plaats heeft, dat er geen geschikt broed in den stok
+aanwezig is, om eene nieuwe moederbij aan te kweeken.
+
+Eene voorname oorzaak dat veel bijen op de nevenstokken verdwalen,
+bestaat daarin, dat zij te digt bij elkander staan; want vooral in het
+voorjaar, bij het eerste voorspel, heerscht er voor de woningen meestal
+eene ontzettende verwarring, waarbij de bijen van verschillende stokken
+onder elkander vliegen, die er veel op vreemde kan doen verdwalen. Er
+hebben dan ook op zulke dagen niet zelden hevige gevechten plaats,
+wanneer men, nadat de rust hersteld is, den grond voor den bijenstand
+met dooden en gekwetsten als bezaaid vindt. Dit te voorkomen is voor
+den bijenkweeker van veel belang, en het zou daarom goed zijn de
+woningen zoo te plaatsen, dat de vlieggaten ten minste drie voet van
+elkander verwijderd zijn, dat echter dikwijls, door het groot aantal
+stokken en de betrekkelijk geringe plaats, moeijelijk is.
+
+Bij de behandeling der moederbij is reeds opgemerkt, dat de bijen
+van elke werkbijen-made, die niet te oud is, eene koningin kunnen
+aankweeken; hierom moet deze made en dus ook de werkbij, van het
+vrouwelijk geslacht zijn. Alle proeven bevestigen dan ook dat zij tot
+dit geslacht behoort, doch dat zij in eene cel gekweekt wordt, die
+te klein is, en ook te weinig voederpap ontvangt, die niet voedzaam
+genoeg is, om hare geslachtsdeelen behoorlijk te doen ontwikkelen:
+het voortplantingsvermogen ontbreekt haar dan ook gewoonlijk. Soms
+komen er echter werkbijen voor, die in moederlooze stokken eijeren
+leggen, want in stokken, die moederloos worden op een tijdstip dat
+er in geen nieuwe moederbij kan worden voorzien, vindt men niet
+zelden toch eenig broed, dat alleen van eene werkbij kan afkomstig
+zijn. In stokken, waarin eene moederbij aanwezig is, zal nooit eene
+werkbij eijeren leggen. Deze werkbijen zijn waarschijnlijk die, welke
+gekweekt zijn in die overgangscellen (zie bl. 46), welke zich in den
+omtrek der moedercellen bevinden, en die daarom toevallig iets van
+den krachtiger, voor de koninklijke cellen bestemden voederbrij hebben
+bekomen, hetgeen haar beter heeft doen ontwikkelen, en misschien ook
+een grooteren ligchaamsbouw doet ontvangen.
+
+Over deze eijerlage der werkbijen is men het lang oneens geweest;
+men kon zich dit vermoeden niet met zekerheid verklaren. Berlepsch,
+die zich van deze zaak zoo veel mogelijk wilde vergewissen, maakte
+opzettelijk moederlooze stokken, en had het geluk in 1856 eene werkbij
+de eijerlage te zien verrigten; tevens had hij gelegenheid haar te
+vatten en zond haar, na gedood en in wijngeest gedaan te zijn, ter
+onderzoeking aan Von Siebold. Deze vond den eijerstok bij deze werkbij
+meer ontwikkeld dan gewoonlijk bij hare soort het geval is, en bemerkte
+ook nog eenige volkomen ontwikkelde eijeren. Het bevruchtingsblaasje
+ontbrak haar echter geheel. Dit komt ook met de ondervinding overeen;
+want het broed, dat men in moederlooze stokken vindt, is steeds van
+het mannelijk geslacht.
+
+
+
+
+
+BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN BUITEN DE WONING.
+
+
+HET WACHTHOUDEN.
+
+Men veronderstelde vroeger, en ook thans gelooven de bijenhouders nog
+vrij algemeen, dat de bijen aan het vlieggat steeds de wacht houden,
+om het indringen van vreemde bijen, wespen, motten, muizen en andere
+vijanden te beletten. Men vindt dan ook, in meest alle werken over
+de bijenteelt, deze bestemming toegekend aan eene menigte bijen, die
+men meestal aan het vlieggat vereenigd vindt. Met Dr. Dönhoff zou ik
+echter meenen, dat door deze bijen niet bepaald wacht gedaan wordt;
+want: 1o in zwak bevolkte stokken, die hun nest ver van het vlieggat
+afhebben, ontbreekt deze zoogenaamde wacht meestal, en zulke stokken
+moesten toch dubbel waakzaam zijn; 2o men vindt haar zeer zelden
+gedurende den nacht en het gevaar voor het indringen van vijanden is
+dan juist het grootst; 3o zij plaatst zich dikwijls zoover van het
+vlieggat dat er aan geen wachthouden te denken valt; 4o de sterkte
+van deze wacht is zeer afhankelijk van de fraaiheid van het weder,
+de meer of minder vrolijke stemming van de bijen en den tijd, dat zij
+het licht en de warmte der zon ontbeerd hebben (zij is zeer sterk,
+nadat men haar ruim gevoêrd heeft en het sterkst, wanneer zij voor het
+eerst haar winterkwartier verlaten); en eindelijk 5o houdt elke bij,
+onder alle omstandigheden en waar ook, in het bijzonder wacht: hetzij
+zij het vlieggat verlaat of van het veld terugkeert, zij zal niet
+nalaten den vijand, dien zij ontmoet, terstond aan te vallen; men zegt
+daarom dat, bij zoogenaamde roofaanvallen, de wacht versterkt wordt,
+omdat zoowel de uitgaande als de te huis komende zich verweren. Enkele
+roovers, die binnengedrongen zijn, worden door de bijen in den stok
+aangevallen en uitgedreven, waarna zij, zoo er nog veel roovers zijn,
+het vlieggat niet meer verlaten, want na den eenen verjaagd of gedood
+te hebben, grijpen zij den anderen aan. Is de roofaanval sterk,
+dan ziet men soms duizende bijen vechtende vóór de woning.
+
+De verschillende bezwaren, die tegen het wachthouden zijn aangevoerd,
+maken het veel waarschijnlijker, dat de zich aan het vlieggat
+bevindende bijen daar voornamelijk zijn, om het licht en de warmte
+der zon, die haar bevallen en goed doen, te genieten.
+
+
+
+HET LUCHTPOMPEN, TROMMELEN OF STERTSEN.
+
+Men ziet in den zomer, bij elken gezonden stok, in den omtrek van
+het vlieggat van 5 tot 20 en meer bijen staan, met den kop naar het
+binnenste van de woning en het onderlijf naar boven gerigt, welke
+onophoudelijk met de vleugels slaan en daarbij onafgebroken een vrij
+sterk en brommend geluid doen hooren. Men noemt dit luchtpompen,
+omdat zij door dit slaan met de vleugels een niet onbeduidenden
+luchtstroom veroorzaken, waardoor de warme en bedorven lucht uit
+de woning gedreven en door koudere buitenlucht vervangen wordt. Hoe
+volkrijker en gezonder de stok is, en hoe rijker de honigdragt geweest
+is, des te meer bijen ziet men hiermede bezig.--Daar men dit stertsen
+ook ziet bij het intrekken van een zwerm in eene nieuwe woning,
+het wedervinden van den stok, het terugvinden van de koningin of het
+ontdekken van gezond broed in een moederloozen stok, het voorspel enz.,
+zoo moet het ook als een teeken van vreugde beschouwd worden, en dit
+te meer, omdat het in een moederloozen stok geheel ontbreekt. Men
+kan het er dan ook bijna zeker voor houden dat een stok, waarbij het
+gezien wordt, van eene moederbij voorzien is.
+
+
+
+HET VOORLIGGEN.
+
+Bij groote hitte blijft, bij volkrijke stokken, eene grootere of
+kleinere hoeveelheid bijen buiten de woning, en deze gaan meestal
+onder het vlieggat in trossen aanhangen. Men zegt dan dat de bijen
+voorliggen. Het is een gevolg van te groote warmte binnen de woning
+en eene hooge temperatuur der buitenlucht of gebrek aan ruimte in
+de woning. Veelheid van volk en broed, groote werkzaamheid der bijen
+in den stok, bij eene rijke dragt, en ook de zonnewarmte, wanneer de
+woningen niet in de schaduw staan, kunnen de warmte daarin zoo groot
+doen worden, dat het was week wordt en de tafels daardoor afvallen; dit
+maakt de bijen werkeloos en zij gaan voorliggen om, bij invallend koel
+weder, haar werk te hervatten. Gebrek aan ruimte ontstaat er, wanneer
+de woning is volgebouwd, en gevuld met broed en honig. De bijen hebben
+dan geene gelegenheid om den arbeid voort te zetten, doch gaan voor
+de deur liggen en den luijaard uithangen. Houden zij dag en nacht met
+voorliggen aan, ook bij koeler lucht en goede dragt, en beginnen zij,
+dat echter zelden geschiedt, onder aan de vliegplank was te bouwen,
+dan is dit een zeker teeken dat het van binnen aan ruimte ontbreekt.
+
+Het verwijden van het vlieggat, het luchten gedurende den nacht,
+het beschaduwen der stokken, en het geven van meer ruimte zijn de
+beste middelen om het voorliggen, dat hoogst nadeelig is, te voorkomen.
+
+
+
+HET VOORSPELEN.
+
+Op warme en zonnige dagen, en meestal tegen den middag, ziet men
+een grooter aantal bijen uit de woningen komen dan gewoonlijk, en op
+eenigen afstand er voor blijven vliegen, allen steeds met den kop naar
+hare woning gekeerd, waarbij zij een vrolijk gegons doen hooren, dat
+eenige overeenkomst heeft met het geluid dat men steeds bij een zwerm
+hoort. Dit zoogenaamde voorspel heeft gewoonlijk zeer sterk plaats
+op den eersten schoonen voorjaarsdag. Zij verlaten dan de woning
+voor het eerst, na er soms weken of maanden onophoudelijk in te zijn
+geweest, ontdoen zich van het vuil, dat zij bij zich opgehoopt hebben,
+en verkwikken zich verder in den zonneschijn en de frissche lucht.
+
+De ruimte voor de woningen kan dan zoo met bijen gevuld zijn, dat
+het onmogelijk is er doorheen te zien. Iederen dag, waarop het weder
+schoon is, heeft het voorspelen plaats: het sterkst wanneer er eene
+goede dragt is.
+
+Een sterk voorspel is een bewijs van volksterkte en gezondheid van den
+stok. Moederlooze en andere ziekelijke stokken houden geen voorspel.
+
+Het is gedurende het voorspel dat de jonge koningin haar
+bevruchtings-uitvlugt houdt, en het aftrekken van een zwerm wordt er
+steeds door voorafgegaan.
+
+
+
+HET WATERHALEN.
+
+Zoowel voor haar eigen onderhoud, als ter bereiding van den voederbrij
+voor het broed, heeft de bij behoefte aan water. In den winter
+maakt zij gebruik van den aanslag tegen de wanden van de woning,
+veroorzaakt door dat het daarbinnen zoo veel warmer is dan in de
+buitenlucht. Des zomers zuigt zij het gewoonlijk, met den honig, uit
+de bloemen. Vroeg in het jaar, wanneer er nog geene bloemen zijn,
+en in drooge zomers, haalt zij ook water uit slooten en putten of
+verzamelt de daauwdruppels.
+
+Zij haalt ook van het vocht, dat steeds uit mestputten vloeit,
+waarschijnlijk omdat zij de daarin opgeloste zouten in hare huishouding
+behoeft; want al kan zij goed water in overvloed bekomen, toch ziet
+men haar op mestvaalten.
+
+Men doet goed de bijen, vooral in het voorjaar, de vele lange en
+gevaarlijke togten, tot het halen van water, te besparen, door in de
+nabijheid van den bijenstand, op eene windstille plaats, een schotel
+water te zetten. Zij hebben er dan toch vooral groote behoefte aan,
+omdat zij dan veel honig voor het broed moeten hebben en deze meestal
+te dik of te veel versuikerd is, zoodat zij hem eerst moeten verdunnen.
+
+Om haar niet in het water te doen omkomen, moet men er iets in leggen,
+waarop zij zich kunnen plaatsen, b. v. gehakt stroo, riet, mos of
+iets dergelijks; ook kan men er stukken van ledige wastafels in leggen.
+
+Hoewel de bijen geen water in voorraad in de cellen dragen, zoo nemen
+zij het vroeg in het jaar, wanneer zij nog niet kunnen uitvliegen,
+toch gretig aan, als men het in ledige wastafels giet, en deze in de
+woning plaatst.
+
+
+
+HET OPZAMELEN VAN HONIG.
+
+De honig wordt met een onverzadelijken hartstogt door de bijen
+nagejaagd: zij zamelen hem onvermoeid in, waar zij hem ook ontdekken
+mogen. Wanneer zij hem in de bloemen op het veld vinden kunnen, en
+het weder het slechts eenigzins toelaat, vliegen zij uit en in, en
+halen er, zonder zich de minste rust te gunnen, zooveel mogelijk van
+in hare woning, zoolang zij daartoe in de gelegenheid zijn. Vinden zij
+in de natuur geen honig meer, dan nemen zij ook andere zoete stoffen
+aan. Zij zuigen dan het sap wel eens uit zeer rijpe vruchten, doch
+doen dit maar zeer zelden; veeleer trachten zij dan haar onleschbaren
+dorst naar honig te voldoen, door hem op vreemde stokken te rooven,
+tot groot nadeel, zoowel van deze stokken zelven, als van hun
+eigenaar. Over dit rooven zal later gesproken worden.
+
+Het is merkwaardig dat elke bij, op het veld honig inzamelende, nooit
+verschillende soorten van bloemen bezoekt, maar zich zóó lang bij
+ééne soort bepaalt, als deze haar genoegzaam honig oplevert. Men kan
+dit zien aan het bloemenstof, dat zij gelijktijdig inzamelt; want zij
+brengt van elke vlugt gelijkelijk gekleurde stuifmeel-balletjes mede.
+
+In strijd met wat ik meestal door anderen vermeld heb gevonden, is
+het mij gebleken, dat de bijen een bloemveld, dat onmiddellijk bij
+den bijenstand gelegen is, minder gaarne bevliegen, dan een, dat iets
+meer verwijderd is. Kunnen zij in de buurt geene bloemen vinden, dan
+zoeken zij die nog wel tot op een uur afstands. Het zal ieder duidelijk
+zijn dat het voordeelig is, indien het bloemveld niet te ver af is,
+daar zij dan in denzelfden tijd meer togten kunnen doen. Op dagen
+dat de grond, bij een helderen zonneschijn, nu en dan door wolken
+afgebroken, het noodige vocht heeft, en vooral bij eene zoele,
+onweerachtige lucht, honigen de bloemen gewoonlijk zeer sterk. De
+bijen zijn dan buitengewoon naarstig, komen zonder eenig oponthoud
+uit het vlieggat en vliegen regelregt naar het honigende bloemveld.
+
+De van het veld terugkomenden laten een eigenaardig geluid hooren en
+zijn meestal geheel vermoeid; zij vallen dan, met een opgezwollen en
+blinkenden buik en een nederhangend achterlijf, hoorbaar voor het
+vlieggat neder en rusten daar een weinig, voordat zij in de woning
+gaan. Op zulke, voor de honig-inzameling, bijzonder gunstige dagen,
+brengen zij veel minder bloemenstof in dan anders. Volkrijke stokken
+kunnen gedurende zulk een dag van twee tot vijf Ned. pond honig
+inbrengen. Men kan dit nagaan door de woning 's morgens op eene
+bascule te plaatsen en, zoowel dan als 's avonds, het gewigt te
+bepalen. Men zou kunnen vreezen dat de bijen zich op zulke drukke
+dagen al te veel met de honig-inzameling bezig hielden, en den stok
+als het ware ontvolkten; doch dit is geenszins het geval: men ziet
+steeds een genoegzaam aantal bijen in de woning, ter verzorging van
+het broed en ter verrigting van andere huisselijke bezigheden.
+
+Het uitvliegen en te huis komen geschiedt zeer regelmatig. Er heerscht
+aan het vlieggat eene aanhoudende, geregelde drukte: nooit ziet men
+er nu eens veel, dan weder weinig in- en uitgaan.
+
+Op dagen dat de bloemen sterk honigen, ziet men gewoonlijk weinig
+bijen zich aan het vlieggat ophouden: het ontbreekt haar dan aan tijd
+om te rusten; zij gaan uit, komen slechts terug om haar last af te
+leggen en gaan weder op nieuwen voorraad uit.
+
+
+
+HET OPZAMELEN VAN BLOEMENSTOF.
+
+Bloemenstof of stuifmeel noemt men het fijne stof, dat zich aan de
+meeldraden der bloemen bevindt. Dit stof is voor de bijen onmisbaar,
+niet alleen tot haar eigen voedsel, maar nog veel meer ter bereiding
+van den voederbrij voor het broed; men noemt het daarom ook wel
+bijenbrood. Zelf kunnen zij wel eenigen tijd van enkel honig leven;
+doch het broed kunnen zij zonder bloemenstof niet tot ontwikkeling
+brengen. Of zij gedurende den winter ook bloemenstof gebruiken of dan
+alleen van honig leven, is nog niet bekend. Ik houd het er voor dat
+zij, bij strenge koude, wanneer zij in een digten tros op elkander
+moeten zitten om de noodige warmte te ontwikkelen, het niet eten, doch
+dat zij het weder gebruiken, zoodra het zachtere weder haar uiteengaan
+gedoogt. Hare uitwerpselen schijnen een voortdurend gebruik, wanneer
+het slechts te bekomen is, te bewijzen; want zij vertoonen duidelijke
+sporen van de overblijfselen er van. In den druksten tijd, zoowel van
+het broeijen als de dragt, hebben zij het volstrekt noodig om hare
+levenskrachten te onderhouden; want het is het eenig stikstofhoudend
+voedsel, dat zij gebruiken.
+
+Bij het verzamelen van bloemenstof komt haar behaard ligchaam haar zeer
+te stade. Zij verrigten dit meestal door het stof van de meeldraden
+af te bijten, of door zich eenige malen in de bloem om te rollen, het
+dan met de borsteltjes der achterbeenen af te borstelen en daarna, tot
+kleine balletjes gekneed, in de schopjes der achterbeenen naar huis te
+dragen. Bij droog weder, wanneer het stof zich niet tot balletjes laat
+kneden, of ook wanneer zij zich daartoe den tijd niet gunnen, komen zij
+geheel bepoederd te huis, waar zij het dan afborstelen en in de cellen
+leggen; zij worden hierin veeltijds door de te huis zijnde geholpen.
+
+In het voorjaar, wanneer het broedzetten sterk begint toe te nemen,
+zijn zij het ijverigst in het verzamelen van dit stof. Ook nieuw
+opgezette zwermen zijn hierin zeer vlijtig, omdat zij in hunne nieuwe
+woning niets vinden, en de voortteeling zonder dat stof geen plaats
+kan hebben.
+
+Tegen den winter zamelen zij er nog zooveel mogelijk van in, en leggen
+het in die tafels, die het naast aan het broednest zijn aangelegd,
+waardoor zij toonen te weten, dat het bij het aanzetten van het eerste
+broed, dat in volkrijke stokken, bij zachte winters, reeds in Januarij
+begint, nog niet in de natuur voorhanden is.
+
+Het bloemenstof heeft voor de bijen meer waarde dan de honig; want het
+verzamelen van een pond bloemenstof kost haar veel meer inspanning,
+dan dat van een pond honig, en terwijl zij zich met het eerste
+bezighouden, kunnen zij zich niet geheel aan het laatste wijden. Het
+is dus van zeer veel belang om, bij het uitbreken van stokken, dit
+stof niet onder het was of den honig te werpen, daar het dan alleen
+dient om deze te verontreinigen; maar het veeleer aan late zwermen
+toe te voegen, die meestal geen tijd gehad hebben om er genoeg van te
+verzamelen. Ook door het aan oude stokken of vroege zwermen te geven,
+zal het goede rente opbrengen, daar het in de eerste maanden van het
+jaar maar zeer zelden in de natuur te vinden is.
+
+Velen zijn nog onbekend met het belang van dit stof voor de bijenteelt,
+ja meenen er zelfs een nadeel in te zien, wanneer zij het in de
+stokken vinden, werpen het, even als het hommelbroed, als schadelijk
+en overtollig uit, en bestempelen het wel eens met den naam van
+valsch broed.
+
+Vroeger meende men, dat het meel van graansoorten voor de bijen
+nadeelig was; omdat het met den honig tot verzuring zou overgaan en
+de bijen den loop doen krijgen. Daar men echter had opgemerkt dat de
+bijen, wanneer het vliegbaar weder is, zonder dat er nog bloemenstof te
+vinden is, en inzonderheid die, welke in de nabijheid van graanmolens
+geplaatst waren, toch met vlijt vlogen en balletjes meel te huis
+bragten, zoo plaatste men tarwen- of roggenmeel voor den bijenstand,
+en zag er de bijen terstond van in de woningen dragen, zonder er de
+minste nadeelige gevolgen van te ondervinden. Tegenwoordig plaatst
+men daarom op mooije vliegbare dagen, in het laatst van Februarij,
+meel op eene windstille plaats vóór den bijenstand. Om het voor
+verstuiven te behoeden, vult men er oude, ledige wastafels mede, of
+strooit het op ongeschaafde planken, wanneer de bijen het gemakkelijk
+verzamelen kunnen. Bij ongunstig weder, is het ook goed om met meel
+gevulde wastafels in de woningen te plaatsen; want de bijen maken
+gaarne van dit hulpmiddel gebruik, wanneer zij geen bloemenstof in
+de natuur kunnen verzamelen, doch zij laten het, zoodra zij hiertoe
+weder gelegenheid hebben, onaangeroerd.
+
+
+
+HET OPZAMELEN VAN VOORWAS.
+
+Het voorwas, ook wel propolis genoemd, is eene soort van hars, die
+een aangenamen, aromatieken reuk bezit. De bijen verzamelen het van
+de knoppen der boomen, en brengen het, even als het bloemenstof,
+tot balletjes gemaakt, in de schopjes der achterbeenen naar huis.
+
+Zij maken er gebruik van om reten en overtollige openingen digt te
+maken, oneffenheden bij te werken, de vlieggaten te verkleinen en de
+wastafels aan de wanden der woning te bevestigen. Men gelooft veelal
+dat de bijen tot deze oogmerken het voorwas bezigen, omdat het gewone
+was haar daartoe te kostbaar voorkomt. Dit kan echter niet waar zijn;
+want zij zouden onmogelijk altijd was kunnen gebruiken, wanneer zij
+zich van voorwas bedienen. Het was kunnen zij toch alleen bereiden
+bij warm weder, het voorwas daarentegen kunnen zij altijd bekomen,
+wanneer het maar eenigzins vliegbaar is.
+
+
+
+HET ZOEKEN VAN EENE NIEUWE WONING.
+
+In den zwermtijd ziet men soms dagen achtereen, dat eenige bijen
+eene zelfde plaats naarstig omvliegen en waarnemen; men noemt deze
+daarom spoorbijen; want zij schijnen het zwermen te voorzien en
+daarom eene geschikte woning op te sporen, waar zij zich zouden
+kunnen vestigen. Men zal dan ook bevinden dat een zwerm, aan zich
+zelven overgelaten wordende, deze plaats met der woon betrekt. Hij
+doet dit echter niet terstond, maar hangt zich hier of daar aan,
+waar de bijen zich verzamelen en wat uitrusten; worden zij in dezen
+toestand niet opgevangen en in eene woning geplaatst, die haar bevalt,
+dan betrekken zij, na korter of langer tijd, de vroeger opgespoorde
+woning, waarheen dan de spoorbijen haar waarschijnlijk den weg wijzen.
+
+
+
+
+
+BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN IN DE WONING.
+
+
+DE WASBEREIDING EN DE CELLENBOUW.
+
+Vroeger merkte ik reeds met een enkel woord aan, dat de bijen het was
+uitzweeten, nadat dit in de washuidjes, tusschen de buikringen, bereid
+is. Zij hebben hiertoe eene ruime hoeveelheid honig en bloemenstof
+en een verhoogden warmtegraad noodig. Om de vereischte warmte te
+ontwikkelen, leggen zij zich, even als een ketting, in trossen over
+elkander. Na aldus eenige uren te hebben gehangen, waarbij zij het
+aanzien hebben van geheel werkeloos te zijn, beginnen de wasblaadjes
+zich te vormen bij diegenen, welke zich in het midden van den tros
+bevinden en die, door de buiten aanhangenden, als met een kleed
+overdekt zijn. Van den aanvang en den voortgang der wasbereiding is
+weinig met zekerheid te zeggen, daar zij alleen in het midden van den
+tros plaats heeft, en dus niet bespied kan worden. Deze wasblaadjes
+zijn vijfhoekig en worden door de bijen met de tanden verwerkt. Men
+vindt er meest altijd op den bodem der woningen, die door nieuwe
+zwermen bezet zijn, en die zij zeker bij het bouwen laten vallen.
+
+Uit enkel honig kunnen de bijen wel eenig was bereiden, maar zij
+kunnen dit niet lang volhouden. Daar het was geen stikstof bevat,
+en het bloemenstof haar eenig stikstofhoudend voedsel uitmaakt, zoo
+is het waarschijnlijk dat zij dit niet direct voor de wasbereiding,
+als eene grondstof daartoe, behoeven, maar dat het dienen moet
+om haar de noodige krachten te geven, voor de groote inspanning,
+die zij vereischt. Proeven hebben bewezen dat de bijen, alléén honig
+gebruikende, daarvan twintig pond behoeven ter bereiding van één pond
+was, terwijl zij, ook van bloemenstof voorzien zijnde, slechts elf
+à vijftien pond honig daartoe noodig hebben.
+
+De groote hoeveelheid honig, die zij voor de wasbereiding moeten
+gebruiken, en den tijd en de inspanning, die zij vereischt, doen de
+schade duidelijk in het oog vallen, die men zich berokkent, door de
+bijen de ledige wastafels te ontnemen; heeft men deze toevallig,
+dan is het goed haar zorgvuldig te bewaren en aan nieuw opgezette
+zwermen toe te voegen, wanneer deze terstond het ingezamelde kunnen
+afleggen en met de eijerlage beginnen. Ieder, die slechts eenigzins
+met de bijenteelt bekend is, zal inzien welke voordeelen dit geven
+kan; want, hoewel een Ned. pond was in den handel van f 1.50 tot f
+2.--geldt en een Ned. pond honig slechts 40 à 50 cts. waard is, zoo
+zal het ingezamelde was duur te staan komen: rekent men toch dat er
+ter bereiding van een pond was, vijftien pond honig vereischt wordt,
+die gemiddeld 45 cts. kan opbrengen, dan zal het Ned. pond was, behalve
+het tijdverlies, f 6.75 kosten. Men moet daarom geen was verzamelen dan
+dat met honig gevuld is. De houder van bijen in de gewone strookorven
+zal mij toeroepen: "eene schoone les, voorwaar! maar hoe zult gij dit
+ten uitvoer brengen?" Ik moet hem toestemmen dat hij het niet kan doen;
+maar wie zich met de Dzierzon'sche wijze heeft gemeenzaam gemaakt,
+zal mij de hooge waarde van goede ledige wastafels niet betwisten. In
+het practische gedeelte zal ik hier nog op terugkomen.
+
+Elke zwerm, die eene nieuwe woning betrokken heeft, begint terstond
+aan de wasbereiding: hoewel men meenen zou dat hij geheel werkeloos
+was, moet men den tweeden dag verbaasd staan over den bouw, dien hij
+reeds opgetrokken heeft. Hij heeft dan ook terstond groote behoefte
+aan berging voor den medegevoerden en reeds ingezamelden honig. Hij
+verlaat den moederstok niet, dan na zich van eene ruime hoeveelheid
+honig voorzien te hebben, die bij een sterken zwerm wel twee tot
+drie Ned. pond bedragen kan. Deden zij dit niet, dan konden zij niet
+alleen niet terstond met den cellenbouw beginnen, maar zouden ook,
+bij ongunstig weder, van gebrek moeten omkomen. Zoodra een zwerm
+eene nieuwe woning betrokken heeft, gaan er bij vliegbaar weder
+reeds op de inzameling uit, en het is dus hiervoor, zoowel als ter
+bevordering van de broedaanzetting, van belang, dat er spoedig cellen
+worden aangebouwd.
+
+De bijen bouwen de wastafels in den regel van boven naar beneden,
+en kiezen voor begin van den bouw het hoogste gedeelte van de
+woning. Een middelmatige zwerm kan, van eene voldoende hoeveelheid
+honig en bloemenstof voorzien, in 24 uren eene tafel bouwen van een
+Rhijnl. voet lang en half zoo breed, die dan ongeveer 3600 cellen
+bevat. Bij den aanvang van eene tafel, leggen zij een grond tegen het
+bovenste gedeelte van de woning, door daar eene genoegzame hoeveelheid
+was op te hoopen en te bevestigen. Dit stukje was vergrooten zij
+naderhand, zoodat het den vorm van eene linze verkrijgt, welker
+scherpe rand later den tusschenwand vormt, die de aan beide zijden
+gebouwde cellen van elkander scheidt. De tafel behoudt den vorm van
+eene linze, zoolang zij vrij hangt, zoodat de cellen in het midden het
+langst zijn en naar de randen korter worden. Raakt de tafel echter,
+bij het aanbouwen, den wand van de woning of eene andere tafel aan,
+dan worden ook de kortere cellen verlengd en de linzevorm is verdwenen.
+
+De dwars-doorsnede in het midden der cellen is een regelmatige zeshoek,
+doch van daar naar den tusschenwand worden de hoeken minder scherp,
+zoodat zij achteraan bijna rond zijn. Voorop gezien, schijnen de
+cellen geheel rond te zijn; want de bijen leggen er daar een rand
+om. Hierdoor wordt hare sterkte veel vermeerderd, en voorkomen dat
+de maden of jonge bijen haar uit elkander drukken of dat het druk
+heen en weder loopen haar beschadigt. Heeft er eenige beschadiging
+aan eene tafel plaats, dan wordt zij terstond hersteld.
+
+De zeshoekige vorm der cellen maakt dat er geen ruimte verloren gaat,
+en dat er tevens zoo weinig mogelijk was wordt verbruikt; want elke
+der zes zijden van eene cel dient weder tot zijde voor eene andere.
+
+Hoe volkrijker een zwerm is, des te meer tafels worden er te gelijk
+begonnen. Die, welke in ééne lijn worden aangezet, worden, bij het
+tegen elkander stooten, tot een geheel vereenigd; die, welke naast
+elkander worden gebouwd, loopen steeds evenwijdig, en zóó dat er eene
+ruimte van een halven Rhijnl. duim tusschen open blijft, welke zij
+juist noodig hebben, om, over de tafels loopende, voorbij elkander
+te kunnen gaan en waaraan men den naam van straat geeft.
+
+Eene tafel kan uit verschillende cellen bestaan, die, naar haar
+verschil in grootte, vorm en bestemming, in de vijf volgende soorten
+onderscheiden worden:
+
+1o. Moedercellen of moederwiegen. Bij de behandeling der moederbij is
+over deze reeds gesproken. Zij zijn rond en naar beneden afhangend. Zij
+dienen dan ook nooit ter bewaring van honig, en staan meestal op zich
+zelve aan de randen der wastafels; men kan haar hierdoor gemakkelijk
+van de overige cellen onderscheiden.
+
+2o. Gewone of werkbijencellen. In gezonde stokken zijn deze cellen
+aan meest al de tafels het talrijkst en er zijn er vele, waaraan geene
+andere gevonden worden, vooral in het broednest. Zij liggen nagenoeg
+horizontaal; de opening is slechts eenigzins naar boven gekeerd om het
+uitvloeijen van den ingedragen honig te voorkomen. Zij zijn in eene
+schoone, bevallige orde aan beide zijden van de tafels geplaatst. Hare
+bestemming is de opname van eijeren, die er tot volkomen werkbijen
+in worden uitgebroeid, en de oplegging van den honigvoorraad.
+
+3o. Hommelcellen. Daar deze dienen moeten om er de hommels in uit te
+broeijen, die veel grooter zijn dan de werkbijen, zoo zijn zij ook
+grooter dan de werkbijencellen, en wel zooveel, dat vier hommelcellen
+dezelfde lengte hebben als vijf gewone, dat is een Rhijnl. duim;
+de bouworde en de vorm zijn overigens gelijk. Men vindt deze cellen
+zelden bovenaan de tafels, doch meestal onderaan en aan de zijden. Soms
+vindt men er ook geheele tafels van.
+
+4o. Overgangscellen. Aldus noemt men de cellen, die de bijen optrekken,
+wanneer zij van gewone tot hommelcellen willen overgaan. Zij beginnen
+dan de cellen langzamerhand te vergrooten, zoodat de overgang bijna
+onmerkbaar is. Tusschen de gewone en hommelcellen zijn meestal drie
+rijen van deze soort. Vroeger meende men dat deze cellen bestemd
+waren, om er de hommelmoeders in te kweeken, dat nog door sommigen
+geloofd wordt; daar ik echter aangetoond heb, dat deze hommelmoeders
+slechts in de verbeelding bestaan, zoo behoeft deze verkeerde meening
+geene verdere wederlegging. Er bestaat veel grond om aan te nemen,
+dat in deze cellen die werkbijen ontstaan, welker geslachtsdeelen
+meer ontwikkeld zijn, zoodat zij soms, in moederlooze stokken,
+eijeren leggen, en over welke vroeger gesproken werd.
+
+5o. Bevestigingscellen. Deze zijn bestemd om de wastafels aan het
+boveneinde van de woning te bevestigen. Zij zijn vijfhoekig. Waren
+zij even als de andere zeskant, dan zouden zij alleen met een der
+scherpe kanten tegen den wand komen, hetgeen eene zwakke verbinding
+zou geven, of veel was zou kosten, wanneer de hoek tusschen elke twee
+cellen moest worden aangevuld. Nu komen zij, met eene der zijden, vlak
+tegen den wand van de woning te liggen, waardoor zij, bij een gebruik
+van weinig was, veel sterker bevestigd worden. Wanneer de wastafels
+met broed of honig bezwaard zijn, worden zij nogmaals bevestigd.
+
+De benamingen honig- en broedcellen hebben dezelfde beteekenis,
+want alle, behalve de moedercellen, dienen voor beide.
+
+Het broed vindt men meestal in het middelste en laagste gedeelte der
+tafels, in een kring, waarin de warmte binnen den stok het grootst
+is. Den honig brengen zij voornamelijk bovenaan en op zijde, en
+verder op alle plaatsen in de woning, die te koel zijn om broed
+aan te zetten. Bij sterke dragt en daaruit ontstane behoefte aan
+cellen, bouwen zij op alle ledige plaatsen cellen aan, die zij met
+honig vullen. Om meer honig te kunnen opleggen, verlengen zij de
+cellen ook wel eens, waardoor de zoogenoemde straten naauwer worden
+en de tafels soms eene aanzienlijke dikte en zwaarte verkrijgen. In
+woningen met lossen bouw kan men dit verlengen der cellen bevorderen,
+door de tafeldragers, buiten het broednest, dagelijks een paar
+lijnen van elkander te verwijderen; het spreekt van zelf dat er, om
+dit te doen gelukken, bij eene ruime dragt, gebrek aan cellen moet
+zijn. Wanneer de bijen later deze verlengde cellen, tot het aanzetten
+van broed, moeten gebruiken, dan verkorten zij haar weder tot op de
+oorspronkelijke lengte.
+
+Aanvankelijk hebben de tafels eene witte kleur. Spoedig worden zij
+geelachtig en, na een paar jaren voor broed gediend te hebben,
+zwart. De oorzaak hiervan is dat elke bij, bij het verlaten der
+cel, twee nimfenhuidjes achterlaat, waarvan het buitenste een fijn,
+zijdeachtig weefsel heeft en zoo vast aan den wand der cel kleeft, dat
+de bijen het er bij de reiniging der cellen niet kunnen uittrekken,
+en zich moeten tevreden stellen met het van aanhangend vuil te
+ontdoen. Het terugblijven van dit huidje, bij ieder broeisel, versterkt
+de cellen, die bij den aanleg zeer zwak zijn, veel, doch verkleint haar
+ook, zoodat zij eindelijk te klein worden voor de volkomen ontwikkeling
+der bijen. In de eerste zes jaren behoeft men zich hierover echter
+nog niet te verontrusten, maar het is toch goed, om zoo mogelijk,
+om de twee of drie jaren, het broednest te vernieuwen, door er nieuwe
+tafels in te hangen, of de bijen te noodzaken die te bouwen.
+
+Indien er reeds zooveel honig is ingedragen, dat verscheidene cellen
+daarmede gevuld zijn, en hij er genoegzaam in verdikt is, dan sluiten
+zij die met een wasdeksel. Men noemt dit verzegelen. Ook de broedcellen
+worden, zoodra de zich daarin bevindende made den nimfentoestand
+aanneemt, d. i. zich inspint, verzegeld. Indien de cel te kort is voor
+de daarin gevormde made, hetgeen onder anderen plaats heeft, wanneer
+hommeleijeren in werkbijencellen gelegd zijn, dat hoog broed heet,
+dan maken zij het deksel bol of gewelfd, om daardoor de ruimte te
+vergrooten. Daar de hommelcellen echter gewoonlijk wat klein zijn,
+zoo worden deze ook met een bol deksel gesloten. Men vindt hierin
+een gemakkelijk middel, om het hommelbroed van het werkbijenbroed te
+onderkennen. Het laatste is altijd met platte deksels gesloten. Wanneer
+de bij hare cel verlaat, stoot zij het wasdeksel weg, en men ziet dan
+ook soms eene menigte van die deksels op den bodem der woningen liggen.
+
+De bouw der bijen wordt onderscheiden in een warmen en kouden bouw,
+naar de rigting waarin de wastafels zijn aangelegd. Hangen zij
+dwars voor het vlieggat, dan heet hij warm, omdat de buitenlucht dan
+moeijelijk tusschen de tafels kan dringen; doch daardoor heeft hij ook
+het nadeel, dat de bedorven lucht er tusschen blijft hangen, en dat
+er in den winter spoedig schimmel ontstaat. Loopen de tafels met den
+scherpen kant naar het vlieggat, dan kan de lucht er vrij tusschen
+spelen; dit maakt den bouw koud, doch zuivert ook het broednest
+van de bedorven lucht. Men is het er niet over eens, welke dezer
+bouwwijzen te verkiezen is: beide, zagen wij, hebben hare voor- en
+nadeelen. In de gewone korven hangt het geheel van de bijen af, welke
+dezer bouwwijzen zij volgen willen, terwijl men in de Dzierzon'sche
+woningen het in zijne magt heeft, den bouw koud of warm te doen zijn,
+daar dit afhangt van de plaatsing van het vlieggat.
+
+Wanneer het aanleggen der tafels geheel aan de willekeur der bijen
+wordt overgelaten, dan kan het soms gebeuren dat zij in verschillende
+rigtingen worden aangezet. Dit kan plaats hebben bij volkrijke stokken,
+omdat die geene voldoende ruimte hebben om gezamenlijk op dezelfde
+plaats te werken; zij verdeelen zich dan in twee groepen, die soms
+in verschillende rigtingen beginnen te werken, en ieder haar eigen
+werk voltooijen. Men noemt dat kruisbouw.
+
+
+
+HET OPLEGGEN VAN DEN HONIG.
+
+Door de meeste bijenhouders wordt aangenomen dat het honigsap der
+bloemen eigenlijk nog geen honig is, maar dat het in de maag der bij
+daartoe verwerkt wordt. Zij meenen dat de bijen, gedurende den dag, het
+ingezamelde honigsap maar in de cellen nederleggen, om dit des nachts
+weder op te zuigen en er dan, in digte trossen op elkander zittende,
+in hare honigmagen den honig uit te bereiden, dien zij daarna weder
+in de cellen zouden uitwerpen, en deze dan van een wasdeksel voorzien.
+
+Proeven, door anderen en ook door mij genomen, hebben aangetoond, dat
+het honigsap der bloemen zuivere honig is, die alleen met eenig water
+vermengd is, waardoor het zich als eene dunne vloeistof voordoet. De
+eenige bewerking, die het dus moet ondergaan, is het verdampen van
+het water. Men zal dit bevestigd vinden, wanneer men eene tafel, die
+op den dag zelven is volgedragen, uit eene woning neemt; de honig,
+dien zij bevat, is waterdun en vloeit, bij het minste schuins houden,
+uit de cellen; stelt men haar echter binnenshuis aan eene matige
+zonnewarmte bloot, dan zal men, na twee of drie dagen, bevinden dat
+er geen verschil is tusschen den honig, dien zij bevat, en dien,
+welke in de woning verdikt is; de bijen bereiden dus den honig niet,
+maar verzamelen hem slechts.
+
+Waarschijnlijk is de bovengenoemde dwaling ontstaan, doordat men
+bevond dat de bijen, na dagen van drukke dragt, gedurende den nacht
+weder cellen ledigden, die zij overdag hadden volgedragen, en andere
+met honig vulden. Zij doen dan echter niets dan den honig verdragen
+naar die cellen, waarin zij hem als voorraad willen opleggen; want
+overdag halen zij slechts zooveel mogelijk in de woning en leggen
+het ingezamelde in de eerste cel, die zij ledig vinden, neder, zich
+geen tijd gunnende om het daar te brengen, waar zij het verlangen
+te bewaren.
+
+Wanneer men, in den tijd van de drukste dragt, de bijen in digte
+trossen ziet zitten, dan kan men zich verzekerd houden, dat zij zich
+met de wasbereiding en de vergrooting van den bouw bezig houden.
+
+De cellen, die ter bewaring het eerst met honig gevuld worden, zijn die
+boven het broednest; in deze leggen zij haar eigenlijken wintervoorraad
+op; want bij strenge koude kunnen zij zich wel opwaarts, maar niet
+zijdelings verplaatsen: zij zouden dus, wanneer zij in den winter
+door een ruimen voorraad omringd waren, doch niets boven zich hadden,
+den hongerdood moeten sterven. Het is daarom van veel belang om zich,
+bij de inwintering van zijne stokken, te overtuigen, dat de bijen
+een genoegzamen honigvoorraad boven zich hebben; want men weet niet
+hoe lang de koude haar het uiteengaan zal beletten.
+
+
+
+HET OPLEGGEN VAN HET BLOEMENSTOF.
+
+De bij, die met bloemenstof beladen te huis komt, zoekt terstond
+de cel op, die er voor bestemd is, klemt zich met de voorbeenen aan
+den rand vast, steekt er de achterbeenen in en ontdoet deze met de
+middelste van de stuifmeelballetjes. Komt zij bepoederd te huis,
+dan borstelt zij het stof bijeen en legt het in de cel, waarbij zij
+veelal door de te huis zijnde bijen geholpen wordt. Is zij van haar
+last ontdaan, dan gaat zij weder op nieuwen voorraad uit, en laat
+het aan de te huis blijvende over, om het stuifmeel in de cellen te
+stampen, na eerst de balletjes te hebben fijn gemaakt.
+
+De bergplaats van het bloemenstof is gewoonlijk in de onmiddellijke
+nabijheid van het broednest, omdat zij het daarin steeds voor het
+broed behoeven. In woningen met lossen bouw zal men den voorraad
+gewoonlijk in de eerste en tweede tafel, te rekenen van den voorwand
+van de woning, vinden. Neemt men dus den bouw uiteen, dan zal men
+dit stof, in de laatste tafel en in de laatste op eene na, aantreffen.
+
+Om het bloemenstof voor uitdroogen te bewaren, bedekken zij de
+daarmede gevulde cellen met een blinkend vlies, geheel verschillend
+van de wasdeksels der honigcellen.
+
+Het uitwendig aanzien van eene met bloemenstof gevulde tafel is zeer
+bevallig, daar men er al de verschillende kleuren van het stof in ziet.
+
+
+
+HET VERZORGEN VAN HET BROED.
+
+Onder den naam van broed verstaat men al de zich in den stok
+bevindende eijeren, maden en nimfen, waaruit de drie soorten van
+bijen ontstaan. De verzorging daarvan is aan de werkbijen alléén
+overgelaten. Zij zijn het, die de cellen voor de ontvangst van het ei
+voorbereiden en dit bebroeijen. Zij voorzien de made van voederbrij
+en sluiten de cel, wanneer de made zich wil inspinnen.
+
+Opdat het broed zich behoorlijk zal kunnen ontwikkelen, zorgen de
+bijen vooral voor het onderhouden van eene voldoende warmte; want hoe
+hooger de warmtegraad in den stok is, des te spoediger en krachtiger
+ontwikkelen zich de jonge bijen. Hiertoe bedekken zij de bezette
+cellen nacht en dag, in dikke lagen op elkander zittende; vooral bij
+koel weder doen zij dit zeer sterk. Het is niet gemakkelijk haar van
+de broedtafels te verwijderen; zelfs bij het aanbrengen van rook,
+bieden zij zoolang mogelijk tegenstand.
+
+Wanneer er in het najaar, terwijl zich nog broed in de stokken bevindt,
+of in het voorjaar, wanneer er reeds veel broed kan aanwezig zijn,
+onverhoeds koude invalt, dan zijn zij genoodzaakt, tot haar eigen
+behoud, zich op elkander te dringen en dus het onderste broed
+te verlaten, dat daardoor moet verloren gaan. Eenigen blijven er
+echter altijd op zitten, maar deze zijn niet in staat een voldoenden
+warmtegraad te ontwikkelen, doch verstijven zelve en worden dus de
+slagtoffers van hare liefde.
+
+In den zomer wordt de warmte in den stok veel verhoogd door het warmere
+weder, de sterkere bevolking en de grootere hoeveelheid broed. Zij
+behoeven dit dan zoo sterk niet te bezetten; nu en dan kunnen zij
+er zich zelfs geheel van verwijderen. Stokken met gedekt broed kan
+men dan gerust van het grootste gedeelte van hunne bijen berooven,
+zonder de ontwikkeling van het broed te benadeelen, die meestal zonder
+eenige zorg zal plaats hebben.
+
+
+
+HET REINIGEN VAN DE WONING.
+
+De bijen dulden geene onreinheden in hare woning. Zoodra de winter
+voorbij is, en de koude haar dus het uiteengaan niet meer belet,
+beginnen zij die te zuiveren. Hare dooden dragen zij uit. Het schimmel,
+dat hier of daar op de wastafels mogt zijn ontstaan, bijten zij af. Het
+bloemenstof, dat beschimmeld en te veel verdroogd is, werpen zij uit
+de cellen, en soms doen zij dit ook den versuikerden honig.
+
+
+
+HET VERKITTEN.
+
+Verkitten noemt men het digt maken van overtollige openingen, het
+gelijk maken van oneffenheden, en het verkleinen der vlieggaten,
+waartoe boven gezegd werd dat zij het voorwas inzamelen. Het digt maken
+van reten en scheuren belet de motten zich daarin te nestelen. Door
+het sluiten van overtollige openingen maken zij den roovers het
+indringen moeijelijk. Daar het gelijk maken van oneffenheden haar
+veel moeite kost, moet men steeds zorg dragen dat de woningen, die
+men haar geeft, zoo glad mogelijk zijn. Zij verkleinen de vlieggaten
+tegen den winter, zoodat er maar een of twee bijen tegelijk door
+kunnen, om de koude lucht of wel muizen en andere vijanden buiten te
+houden. Het is verwonderlijk met welk een spoed zij deze werkzaamheden
+kunnen verrigten.
+
+
+
+
+
+HET ZWERMEN.
+
+
+De woorden: "zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt u," worden bij de bijen
+op tweeërlei wijze vervuld; vooreerst door het aankweeken van jonge
+bijen, waardoor de stok volkrijk wordt, maar dat het aantal stokken
+niet onmiddellijk doet toenemen; ten tweede door eene deeling van
+het volk van een stok in twee deelen, waardoor dus een nieuwe stok
+ontstaat: dit noemt men zwermen. De nieuw-geboren stok heet zwerm
+en die, waarvan hij zich heeft afgescheiden, zijn moederstok. Men
+moet hierom echter niet denken dat de zwerm geheel uit jonge bijen
+bestaat; dit is geenszins het geval: er gaan zoowel oude als jonge
+bijen mede, en vroeger (bl. 14) zagen wij reeds dat met den eersten
+of voorzwerm altijd de oude moederbij, en bij het verder zwermen,
+steeds de eerstuitgeloopen, jonge koningin medegaat.
+
+In het algemeen ontstaan de zwermen, door dat de vruchtbaarheid der
+moederbij in het voorjaar, met het herleven der natuur, weder wordt
+opgewekt, waardoor het werkbijenbroed dagelijks vermeerdert, en des
+te sterker, naarmate de natuur de bijen meer gelegenheid geeft, om
+honig en bloemenstof te verzamelen. De wasbouw heeft met de meeste
+inspanning plaats, en hoewel het aantal cellen dagelijks sterk
+toeneemt, zijn zij weldra niet toereikend, om de groote hoeveelheid
+broed en het ingezamelde te bevatten. Als een teeken van den grootsten
+bloei van den stok, komt nu ook veel hommelbroed te voorschijn,
+en ontdekt men zelfs moederwiegen. Heeft hij aldus zijn hoogste
+standpunt bereikt, dan wordt de woning spoedig te klein en te warm
+om al het volk te bevatten; daarbij zijn er jonge moederbijen op het
+uitkomen, en, daar twee koninginnen niet in één stok blijven kunnen,
+maakt de oude moederbij, die de ontwikkeling der jonge met leede
+oogen heeft aangezien, zich gereed om met een gedeelte der bijen de
+woning te verlaten. Zij weet toch dat zij den strijd tegen de jonge
+mededingsters niet zou uithouden, en het dooden van deze, terwijl zij
+nog in de cellen besloten zijn, wordt haar geheel onmogelijk gemaakt
+door de werkbijen, die de moedercellen aanhoudend bewaken en tegen
+elken vijandelijken aanval beschermen.
+
+Eenige dagen voor dat de jonge koninginnen de cel verlaten, trekt
+de oude, met den voorzwerm, die uit eenige duizenden werkbijen en
+enkele hommels bestaat, uit de woning. Er zal dan, wanneer het weder
+er gunstig voor is, gewoonlijk op den 8sten of 9den dag, weder een
+zwerm den moederstok verlaten. Dit kan echter ook vroeger geschieden,
+wanneer het afvliegen van den voorzwerm, door ongunstig weder was
+verhinderd geworden; want de jonge moederbij, die nu de cel verlaten
+heeft, bemerkt spoedig dat er nog geheel ontwikkelde koninginnen in
+de cellen besloten zijn. Het is haar, even als de oude moederbij,
+onmogelijk deze mededingsters in de cellen om te brengen. Ook zij
+verlaat den stok liever dan zich aan een strijd op leven en dood
+bloot te stellen; zij zoekt daarom een aanhang en verlaat met dezen
+de woning, om eene nieuwe kolonie te vormen, waarin zij van de
+alleenheerschappij verzekerd is.
+
+Daar de moederwiegen niet allen op denzelfden dag zijn aangezet, kan
+zich het afvliegen van een zwerm nog verscheidene malen herhalen. Zelfs
+kan er, 18 à 20 dagen nadat de oude moederbij met den voorzwerm is
+afgegaan, nog een nazwerm afkomen; want de bijen konden nog eene of
+meer hulpcellen hebben aangezet, van eijeren, die de moederbij gelegd
+had op den dag, waarop zij de woning verliet. Dit heeft echter slechts
+zeer zelden plaats, en als regel kan men aannemen dat er, na den 14den
+dag, geene nazwermen meer afkomen. Bij de meeste stokken, waarvan de
+voorzwerm afvliegt, zal men geene eijeren en weinig ongedekt broed
+vinden; want de oude moederbij tracht, eenige dagen voor het verlaten
+der woning, haar eijerstok zooveel mogelijk buiten werking te stellen,
+om bij het zwermen gemakkelijk te kunnen vliegen: haar met al te veel
+eijeren bezwaard ligchaam zou haar anders hierin zeer hinderlijk zijn.
+
+Veel nazwermen is zeer nadeelig voor den eigenaar, daar de moederstok
+er te veel door ontvolkt wordt, in welken geen nieuw broed komt,
+voordat de laatst achtergebleven koningin de alleenheerschappij
+verkregen heeft en daarna bevrucht is. Er kunnen dikwijls zes tot
+acht weken voorbij gaan, voordat er weder jonge bijen uitloopen, en
+dan heeft de meeste inzameling van honig gewoonlijk opgehouden. Het
+nazwermen te kunnen verminderen of, zoo mogelijk, voorkomen is voor
+den bijenhouder van het grootste belang; want heeft de moederstok
+vele zwermen afgegeven, dan kunnen deze even moeijelijk als hij zelf,
+ja bijna nooit, een genoegzamen wintervoorraad opleggen, maar moeten
+òf omkomen, òf gevoerd worden en in dit geval zijn het meest altijd
+nog zeer zwakke stokken, waarvan men niets dan verdriet heeft.
+
+De voornaamste oorzaken van het zwermen zijn:
+
+1o. Eene gezonde en zeer vruchtbare koningin, die minstens een jaar
+oud is; stokken met jonge moederbijen zwermen in hetzelfde jaar bij
+ons nooit.
+
+2o. Overvloed van volk. Zoolang het voor de bijen toegankelijk gedeelte
+der woning niet is volgebouwd, geene gesloten moederwiegen gevonden
+worden en niet reeds enkele hommels vliegen, kan men geen zwerm
+verwachten. Er zijn evenwel uitzonderingen op dezen regel; want soms
+ziet men op het onverwachts een zwerm vliegen uit eene woning, die nog
+ver van volbouwd is, en waarin dus evenmin gebrek aan ruimte bestaan
+kan, als dat de warmte er zoo buitengewoon groot in kan geworden zijn,
+dat zij voor haar ondragelijk is. Deze ontijdig afkomende zwermen
+zijn meestal zoogenaamde zingende voorzwermen, die later afzonderlijk
+zullen worden behandeld; bij de behandeling der voorzwermen zullen
+wij ook nog andere onvoorbereide zwermen leeren kennen.
+
+3o. Overvloed van honig op het veld en in den stok. Deze doet de
+vruchtbaarheid der moederbij toenemen, waardoor het volk vermeerderd
+en den wasbouw bevorderd wordt. Vandaar dat ook het ruim voêren in
+het voorjaar het zwermen bespoedigt. Bij een ongunstig voorjaar en
+in streken, waar weinig dragt is, komen in den regel weinig vroege
+zwermen. Is het voorjaar gunstig en de dragt ruim, dan wordt de
+zwermdrift vroeg opgewekt en dien ten gevolge worden moederwiegen en
+hommelcellen aangelegd, welke de moeder bij met eijeren bezet. Valt
+er nu echter plotseling ongunstig weder in, dan houdt alle inzameling
+op, en de koude vertraagt den wasbouw. Duurt deze toestand eenige
+dagen, zoodat de bijen bespeuren dat het zwermen haar onmogelijk is,
+dan vernietigen zij de moederwiegen en het hommelbroed, en geven de
+zwermdrift geheel op; doch zij laten het broed ongeschonden, wanneer
+het ongunstige weder spoedig door warme dagen wordt opgevolgd. Door
+de daarna afvliegende zwermen worden de stokken, welker voorraad de
+bijen gedurende het oponthoud in de inzameling, voor zich zelven en
+het broed, reeds beduidend moesten aanspreken, van hun meeste volk
+en een groot gedeelte van hun voorraad beroofd, zoodat de moederstok
+met veel broed, doch arm aan volk en voorraad, overblijft, terwijl de
+weide, door het voorbijgaan van den besten bloeitijd, veel is verkort
+geworden. De zwermen zijn, zoowel als de moederstok, slecht, en valt
+er geen bijzonder gunstige tijd in, dan blijven allen arm aan volk
+en zonder genoegzamen wintervoorraad.
+
+Het is dus van veel belang, wanneer men onder de genoemde
+omstandigheden het zwermen in zijne magt heeft. Bij woningen met
+lossen bouw is dit het geval: is b. v. de voorzwerm met de oude
+moederbij afgegaan en acht men dit ongunstig, dan neemt men den bouw
+uit den moederstok, vernietigt de moederwiegen op ééne na en laat den
+zwerm, na hem de moederbij ontnomen te hebben, weder op den moederstok
+vliegen. De stok verkrijgt nu eene jonge koningin en zal het zwermen
+met zekerheid nalaten, en daar er nog eenige dagen moeten verloopen,
+voordat er weder broed wordt aangezet, kunnen de bijen al den in
+dezen tijd ingezamelden honig voor den winter opleggen. Door deze
+handelwijze zal men den stok niet alleen voor ondergang behoeden,
+maar hij zal soms nog een goede honigstok worden, die meer dan zijn
+wintervoorraad heeft opgezameld.
+
+4o. Een jonge of ten minste nog in goeden toestand verkeerende wasbouw,
+die niet overmatig groot is. Zwermen, van het voorgaande jaar, zwermen
+in den regel het liefst; misschien alleen wegens den jongen bouw.
+
+5o. Eene vrij groote warmte in de woning. Stokken die beschaduwd en
+koel, b. v. op het noorden staan, zwermen niet spoedig en soms in
+het geheel niet. Gewoonlijk worden zij echter goede honigstokken.
+
+6o. Eene niet te groot zijnde woning; want in overmatig groote
+woningen heerscht niet zoo spoedig de gevorderde warmte; daarbij
+moeten de bijen zich te lang bezig houden met het volbouwen van de
+ledige ruimte, en de volksvermeerdering wordt er zelden te groot in.
+
+7o. Gunstig weder in den zwermtijd; want al is de zwermdrift zoo hoog
+geklommen, dat de zwerm elk oogenblik zou kunnen afvliegen, dan komt
+er toch soms niets van, wanneer eenige regendagen elkander opvolgen,
+zoodat het gewone uitvliegen, en dus ook het zwermen, geheel belet
+wordt. Zelfs benemen zij dan zich zelven de gelegenheid om te zwermen,
+door het koninklijke broed en het hommelbroed uit te trekken en uit
+de woning te werpen.
+
+Daar het weder en de aard der weide zooveel invloed op het zwermen
+uitoefenen, zoo is het duidelijk dat niet elken zomer, in iedere
+landstreek, alle stokken even sterk zullen zwermen. Met zekerheid
+kan dan een zwerm ook nooit verwacht worden, en men kan hen ook niet
+altijd op de natuurlijke wijze verkrijgen.
+
+Men onderscheidt de zwermen hoofdzakelijk in natuurlijke zwermen en
+kunstzwermen. Natuurlijke zijn die, welke uit zich zelven ontstaan;
+kunstzwermen noemt men daarentegen zulke, welker ontstaan door den
+mensch wordt veroorzaakt. Deze zullen later beschouwd worden. De
+natuurlijke zwermen worden verdeeld in: voorzwermen, nazwermen,
+zingende voorzwermen, maagdezwermen, dubbelzwermen en noodzwermen. Wij
+zullen thans overgaan tot de afzonderlijke beschrijving van elk dezer
+soorten, om daarna het afvliegen en het aanleggen der zwermen in het
+algemeen te behandelen, waarbij dan tevens zal worden opgegeven hoe
+zij het best worden opgevangen.
+
+
+
+VOORZWERMEN.
+
+Den eersten zwerm, dien de moederstok afgeeft en waarbij zich steeds de
+oude moederbij bevindt, noemt men voorzwerm. Deze zwermen bevatten van
+5000 tot 15000 en soms nog meer werkbijen en eenige honderden hommels.
+
+Het ophanden zijn van een voorzwerm wordt voornamelijk aangeduid
+door de volgende verschijnselen: bij overvloed van volk is de geheele
+wasbouw met honig en bloemenstof gevuld en het broednest tot onderin
+met eijeren bezet; er is veel hommelbroed aangezet, zelfs vliegen er
+reeds eenige hommels (zoolang die niet vliegen, kan men in den regel
+geen zwerm verwachten); van de aangezette moederwiegen zijn er reeds
+geheel gesloten en de moederbijen, daarin bevat, de rijpheid nabij;
+de vlugt der bijen vermindert; zij liggen in trossen voor en onder
+het vlieggat.
+
+Hoe meer der genoemde kenteekenen men gelijktijdig waarneemt, met des
+te meer zekerheid kan men, bij gunstig weder, binnen eenige dagen,
+een voorzwerm verwachten.
+
+Op den zwermdag zelven, is de vlugt der bijen, reeds vroeg in den
+morgen, onregelmatig. Er vliegen er velen af, doch zij gaan niet
+naar het veld: zij vliegen in kringen om de woning en gaan er weder
+in. Eenigen loopen op de vliegplank onrustig heen en weder, zonder
+af te vliegen. Nu is de vliegplank sterk bezet, dan is zij weder
+ledig. Bij herhaling beginnen er eenigen voor te spelen en heffen
+den zwermtoon aan; spoedig breken zij dat voorspel weder af en gaan
+in de woning terug. De met bloemenstof-balletjes beladen, uit het
+veld komenden leggen die niet af, doch loopen er mede over het werk
+rond of komen er het vlieggat weder mede uit, en voegen zich bij de
+voorliggende bijen. De zwerm kan nu ieder oogenblik afkomen; doch voor
+dit geschiedt komen er eenige bijen uit de woning en loopen over de
+voorliggende heen en weder, waarop allen zich met overhaasting in de
+woning begeven, daarbij met de vleugels slaande en een vrolijk gonzen
+aanheffende, terwijl zij zoo sterk dringen, dat het vlieggat als het
+ware verstopt wordt. Thans gaat al het volk naar de honigcellen en
+vult zich de honigmaag. Zij weten toch dat zij in eene ledige woning
+zullen komen, en moeten zich dus van eenigen voorraad voorzien om,
+in geval het weder ongunstig werd, niet om te komen. Vóór den stok
+ontstaat nu een meer en meer toenemend voorspel, onder het aanheffen
+van den vrolijken zwermtoon; de bijen stroomen met overhaasting en
+gedrang uit het vlieggat en--de zwerm is geboren.
+
+Het afvliegen van een voorzwerm heeft alleen bij schoon, warm weder
+plaats; gewoonlijk tusschen 's morgens acht en 's namiddags twee ure:
+vroeger of later zal men hen zelden zien afkomen.
+
+Het kan gebeuren dat men bij gunstig weder al de opgegeven voorteekenen
+waarneemt, en toch verscheidene dagen te vergeefs naar een zwerm
+wacht; soms komt hij zelfs in het geheel niet, en worden de aangezette
+moedercellen door de bijen vernietigd. Met zekerheid kan daarom nooit
+gezegd worden dat een zwerm komen zal; doch, wanneer de uit het veld
+komende bijen de bloemenstof-balletjes niet afleggen, dan mag men dit
+als het meest te vertrouwen voorteeken beschouwen, dat er een zwerm
+op handen is.
+
+Soms, vooral op sterk bezette standen, vliegt plotseling een voorzwerm
+af, zonder dat een der opgegeven kenmerken te zien geweest is, ja
+zelfs terwijl er nog geene moederwiegen zijn aangezet. Het ontstaan
+van deze zwermen, die onvoorbereide zwermen heeten, moet hoofdzakelijk
+worden toegeschreven aan het opwekken van de zwermdrift door oorzaken,
+die buiten den stok aanwezig zijn. Hoewel zij de toebereidselen tot
+het zwermen nog niet aangevangen, veel min voleindigd hebben, kunnen
+volkrijke stokken hieraan soms geen weêrstand bieden. Wanneer b. v. na
+koude donkere dagen, die het inzamelen niet geheel verhinderd hebben,
+maar toch de zwermdrift onderdrukten, plotseling een warme dag,
+met rijke honigdragt, volgt, zoodat alle stokken sterk vliegen en
+voorspelen, en van verscheidene zwermen afvliegen, dan kan een nog
+onvoorbereide stok hierdoor zoo worden opgewekt, dat hij een lustig
+voorspel begint te houden en, onder het aanheffen van den vrolijken
+zwermtoon, vliegt nu een zwerm af.
+
+Dat werkelijk het zwermen van den eenen stok er ook andere toe
+aanspoort, mag men daaruit afleiden, dat men op enkele dagen vele
+zwermen te gelijk ziet afvliegen, terwijl er wederom op andere geen
+enkele stok zwermt.
+
+Ook ziet men wel onvoorbereide zwermen afvliegen, wanneer na een
+ongunstig voorjaar, waarin weinig is opgelegd en dien ten gevolge de
+wasbouw heeft stilgestaan, gunstiger weder invalt. De moederbij is
+daardoor toch in staat gesteld de voorhanden zijnde cellen spoedig met
+eijeren te bezetten; ontwaakt nu plotseling de zwermdrift, dan zetten
+de bijen moedercellen aan en verzuimen den wasbouw, en weldra ziet men
+een zwerm afkomen, hoewel de woning soms niet ten halve volbouwd is.
+
+Voor de voortplanting der bijen en het welslagen van hare teelt zijn
+de voorzwermen de beste; want, omdat zij het vroegst en gewoonlijk in
+de rijkste honigdragt komen en meestal het volkrijkst zijn, kunnen zij
+niet alleen in de eerste twee of drie weken een voldoenden wasbouw
+optrekken, maar zelfs zooveel honig opzamelen, dat zij hun geheelen
+wintervoorraad, van 10 tot 12 Ned. pond, en soms nog veel meer inhalen.
+
+Een belangrijk voordeel bezitten deze zwermen ook in de bevruchte
+moederbij. Zoodra er toch cellen gereed zijn, kan zij die met eijeren
+bezetten en na drie weken begint het broed alweder uit te loopen,
+waardoor nieuwe inzamelaars in den gunstigsten tijd worden geboren,
+terwijl ook het dagelijksch verlies van volk, door den natuurlijken
+dood of door toevallige omstandigheden veroorzaakt, wordt hersteld.
+
+Het moet ieder in het oog vallen, dat het van zeer veel belang is,
+dat nieuwe zwermen nog in tijds een behoorlijken wasbouw kunnen
+optrekken. Zonder cellen kan er toch geen broed worden aangezet,
+en honig noch bloemenstof worden opgelegd.
+
+Volgens de oude leerwijze schatte men daarom de voorzwermen bijzonder
+hoog. Men kon toch den zwerm geen reeds bestaanden bouw toevoegen
+dan door hem, in het gunstigste geval, in een korf te plaatsen,
+waar men het vorige jaar de bijen had uitgedreven, nadat hij
+door haar gedeeltelijk bebouwd was. Zulk een bouw is echter in de
+meeste gevallen, door de daarin aanwezige wasmotmaden, geheel of
+gedeeltelijk bedorven, hetgeen men, omdat de bouw onbewegelijk is,
+niet altijd kan ontdekken. Men loopt dus gevaar meer na- dan voordeel
+van deze handelwijze te bekomen: ik heb er ten minste nooit het
+beoogde doel mede bereikt. Veeleer scheen het mij toe dat er aan de
+bijen de moed door benomen werd, omdat zij meestal eene vervuilde,
+met wasmot verontreinigde, woning ontvingen, welke te zuiveren haar
+meer tijd kostte, dan het optrekken van een geheel nieuwen bouw. Had
+men geene gedeeltelijk bebouwde korven, dan bevestigde men boven in
+de woning eenige stukjes van wastafels, waaraan de bijen haar bouw
+konden beginnen en voortzetten.
+
+Bij de Dzierzon'sche woningen, waarin de bouw geheel aan losse
+staafjes hangt, zoodat men elke tafel afzonderlijk kan uitnemen,
+kan men de geheel ledige tafels wegnemen en zorgvuldig bewaren. Men
+kan dan elken zwerm een goeden bouw aanbieden; want heeft men geene
+ledige tafels voorhanden, dan neemt men uit andere woningen de misbare
+tafels, die alleen werkbijencellen bevatten, en geeft er hem zooveel,
+als men naar zijne sterkte noodig oordeelt. Hij kan dan terstond
+den medegebragten honig opleggen en dadelijk honig en bloemenstof
+inzamelen en bergen. De bijen behoeven nu haar tijd en hare krachten
+niet aan de wasbereiding op te offeren; de groote hoeveelheid honig,
+daartoe vereischt, blijft gespaard, en eindelijk behoeft de moederbij,
+voor de eijerlage, geen oogenblik naar cellen te wachten.
+
+Het is ook zeer nuttig om bij de in te hangen wastafels er eene met
+honig en eene met bloemenstof te voegen. Men hangt dan eerst die met
+bloemenstof, daarna de ledige en eindelijk de met honig gevulde in
+de woning. Bij onverhoopt invallend ongunstig weder, behoedt men de
+bijen hierdoor voor gebrek.
+
+Dat men de bijen de zorg voor de wasbereiding bespaart, kan ten gevolge
+hebben, dat zulk een zwerm zijn wintervoorraad heeft ingedragen,
+wanneer andere nog niets dan ledige tafels hebben. Wil men deze
+dan door den winter brengen, dan moet men hen sterk voeren of met
+anderen vereenigen.
+
+Den kleinsten zwerm kan men ook in weinige dagen tot den sterksten
+maken, door tafels met broed, dat op het uitloopen is, in de woning
+te hangen. Men ontneemt dat aan die stokken, die er overvloed van
+hebben en die hun verlies, door de vruchtbare moederbij, spoedig
+hersteld zien. In vele gevallen is het zelfs eene nuttige berooving,
+omdat men er soms volkrijke stokken de gelegenheid door aanbiedt,
+om de ledige tafels, die de plaats van het uitgenomen broed innemen,
+terstond met honig te vullen, en er hun tevens verkoeling door geeft.
+
+Het voordeel, dat de voorzwerm van de oude, bevruchte koningin heeft,
+en dat wij reeds opgaven, heeft slechts betrekking op den loopenden
+zomer; want jonge moederbijen zijn veel beter dan oude, omdat in het
+derde jaar hare vruchtbaarheid sterk afneemt. Wilde men nu jaarlijks
+den voorzwerm als zoo voordeelig blijven beschouwen, men zou zich,
+in het derde jaar minder en in het vierde weinig over zijn voorspoed
+behoeven te verheugen, maar zelfs moederloosheid kunnen verwachten,
+door het sterven der afgeleefde koningin. Het is dan ook voor den
+bijenhouder van het grootste belang, om bekend te zijn met den ouderdom
+der moederbijen; want het intreden van moederloosheid, in het najaar
+of vroeg in het voorjaar, is toch meestal daaraan toe te schrijven,
+dat men te weinig acht slaat op haar ouderdom. Men moet haar niet
+ouder dan drie jaar laten worden, doch haar dan, tegen het najaar,
+uit den stok nemen en vervangen door eene bevruchte, van hetzelfde
+jaar. Het zijn de Dzierzon'sche woningen alweder, die dit gemakkelijk
+maken, terwijl het in de oude moeijelijk, of in het geheel niet kan
+worden verrigt.
+
+
+
+NAZWERMEN.
+
+Alle zwermen, die na het af vliegen van den voorzwerm afkomen, worden
+nazwermen genoemd en naar de volgorde, waarin zij afvliegen, heeten zij
+de eerste nazwerm, de tweede enz. Zij zijn gewoonlijk minder sterk dan
+de voorzwermen en worden steeds zwakker, zoodat ten laatste zwermen
+afvliegen, die naauwelijks 1000 werkbijen tellen. Naar evenredigheid
+is het aantal hommels altijd grooter dan bij de voorzwermen.
+
+Wanneer men het thuten der jonge moederbijen 's morgens of 's avonds in
+een stok gehoord heeft, dan kan men, denzelfden of den volgenden dag,
+bijna met zekerheid een nazwerm verwachten, wanneer het weder niet al
+te ongunstig is. Soms komen zij zelfs af bij koud regenachtig weder,
+dat men geheel ongeschikt voor het zwermen zou rekenen; wanneer de
+zon maar een oogenblik doorbreekt, dan maken zij van die gelegenheid
+gebruik om de woning te verlaten. Men moet dus in den tijd van het
+nazwermen, ook bij minder gunstig weder, en van 's morgens tot 's
+avonds, de stokken blijven bewaken.
+
+Er is reeds opgemerkt dat de nazwermen altijd van mindere waarde zijn
+dan de voorzwermen; het kleiner getal bijen, het later afkomen, en het
+onbevrucht zijn der moederbij zijn daar oorzaak van. Het laatste is
+vooral van beteekenis, omdat de koningin op hare bevruchtings-uitvlugt
+aan vele gevaren is blootgesteld: een vogel kan haar verslinden,
+de wind kan haar in het water slaan, of zij kan op een vreemden
+stok verdwalen en daar terstond gedood worden. Komt zij om, dan
+moet ook de zwerm te gronde gaan. In het gunstigste geval, dat is,
+wanneer de koningin behoorlijk bevrucht tot haar stok terugkeert,
+duurt het toch nog ruim drie weken, eer dat in dezen stok jonge
+bijen kunnen uitloopen, terwijl het reeds klein getal dergene, die
+in den zwerm aanwezig waren, gedurende dien tijd nog veel verminderd
+is. De voornaamste honigoogst is dan ook veelal reeds geëindigd,
+zoodat het niet zelden gebeurt, dat zij haar wasbouw niet behoorlijk
+kunnen optrekken, noch haar wintervoorraad verzamelen.
+
+Het nazwermen is eene der redenen, waarom de bijenteelt soms zoo
+weinig voordeel aanbrengt, en kan meestal als eene plaag voor den
+eigenaar beschouwd worden. Wanneer de bijen zeer zwermlustig zijn,
+is het gewoonlijk een slecht honigjaar; want zoolang de moederstok
+het zwermen niet heeft opgegeven, dat hij niet doet, voordat er maar
+ééne moederbij in teruggebleven is, wordt er weinig ingezameld en ook
+geen broed aangezet, omdat geene koningin hare bevruchtings-uitvlugt
+houdt, voordat zij van de alleenheerschappij verzekerd is. Gedurende
+dien tusschentijd, die gewoonlijk veertien dagen duurt, is meest al
+het aanwezige broed uitgeloopen en grootendeels met de nazwermen
+afgevlogen, zoodat, wanneer het zwermen eindelijk ophoudt, de
+moederstok overblijft, met weinig volk en van zijn grootsten voorraad
+beroofd; want elke zwerm neemt hiervan een gedeelte mede. Dan moet
+de jonge moederbij hare bevruchtings-uitvlugt houden en, zoo deze
+gelukkig afloopt, duurt het toch nog ruim drie weken voordat het
+eerste broed de cel verlaat. Men kan aannemen dat er gewoonlijk zes
+weken verloopen zullen, tusschen het afvliegen van den voorzwerm en het
+uitloopen der eerste bijen, van de jonge koningin. In dit tijdsverloop
+zijn, op weinige uitzonderingen na, de hoofddragten voorbij, zoodat
+de moederstok, zoowel als de nazwermen, wel vermeerdering van volk
+konden aanbrengen, doch zonder zich van leeftogt te hebben voorzien,
+en dus allen den hongerdood moeten sterven of gevoêrd worden.
+
+Den moederstok het veel nazwermen te beletten werd door de bijenhouders
+steeds beproefd, doch men trof zelden het beoogde doel. Men zette
+den afgevlogen voorzwerm op de plaats van den moederstok en plaatste
+dezen elders, na er het koninklijke broed en het hommelbroed te
+hebben uitgesneden. Het volk van den moederstok gaat, bij zijne eerste
+uitvlugt, naar zijne oude plaats terug en versterkt den voorzwerm. De
+moederstok daarentegen wordt er bijna geheel door ontvolkt; want
+hij verliest al die bijen, die reeds van de vroegere standplaats
+waren uitgevlogen, zoodat het broed, bij ongunstig weder, gevaar
+loopt geheel af te sterven, omdat het noodige volk, ter verzorging
+daarvan, ontbreekt: de geheele ondergang van den stok kon hiervan
+het gevolg zijn.
+
+Beter zou het zijn om den voorzwerm op de plaats van een moederstok te
+zetten, waarvan de voorzwerm reeds eene week te voren is afgevlogen. De
+vrees voor het afsterven van het broed behoeft dan zoo groot niet te
+zijn, omdat het hierin reeds bedekt zal zijn en gewoonlijk zonder
+eenige zorg zal uitkomen. Hoewel de bij den zwerm vliegende bijen
+vreemd zijn, zoo zal de moederbij nu geen gevaar loopen door haar
+aangevallen te worden; want, daar zij eene onbevruchte moederbij of
+slechts koninklijk broed achter lieten, zijn zij zeer verheugd nu eene
+bevruchte moederbij te vinden. De zwerm zal ook de vreemde bijen niet
+aanvallen; want in den zwermtijd zijn de bijen het verdraagzaamst
+jegens vreemde, ja zij nemen dan zelfs gaarne hulp aan, om den bouw
+des te spoediger te kunnen optrekken.
+
+Eene andere handelwijze, om het nazwermen tegen te gaan, bestaat
+daarin, dat men den moederstok, na het afvliegen van den voorzwerm,
+omkeert en er de moederwiegen op eene na en het hommelbroed geheel
+uitsnijdt, en hem dan weder op zijne plaats stelt. Tien dagen later
+moet men dan nog eens zien of de bijen, om aan haar zwermlust te
+voldoen, ook hulpcellen hebben aangezet en ook deze vernietigen. Nu
+kunnen zij die niet meer aanzetten; want tien dagen na het afvliegen
+van den voorzwerm, is al het broed reeds gedekt en dus ongeschikt om er
+moederbijen uit aan te kweeken. Aldus handelende zal men het nazwermen
+geheel beletten, wanneer men maar zorgt geene moederwiegen over het
+hoofd te zien, hetgeen in gewone korven en alle andere woningen met
+vasten bouw, bijna altijd geschiedt, omdat de moederwiegen veeltijds op
+de onzigtbaarste en ongenaakbaarste plaatsen hangen. De schrijvers over
+de bijenteelt, die zeggen: "men moet de korven niet laten zwermen",
+alsof men dit geheel in zijne magt had, bewijzen daardoor dat zij
+zich niet aan de bijenstokken zelve geoefend hebben; zij zouden anders
+toch inzien dat dit bijna onmogelijk is. Bij woningen met lossen bouw
+daarentegen, zal het altijd aan de onoplettendheid van den bijenhouder
+zijn toe te schrijven, indien hij het nazwermen niet geheel belet,
+en hij is daardoor in staat gesteld om, ook in ongunstige jaren,
+nog eenigen honig te winnen. Den dag, na dien waarop de voorzwerm is
+afgevlogen, neemt hij alle tafels uit de woningen, vernietigt, zoo
+er nog geene jonge moederbij was uitgeloopen, alle moederwiegen tot
+op eene na, (had echter reeds eene jonge koningin de cel verlaten,
+dan vernietigt hij haar allen) en hangt den geheelen bouw weder zoo
+als hij gehangen heeft. Of er reeds eene moederbij is uitgeloopen kan
+ontdekt worden, hetzij door dat men haar gedurende de behandeling in
+den stok ziet, hetzij door al de moederwiegen zorgvuldig te bezien:
+is er eene bij, die van haar wasdeksel beroofd is, dan wordt daardoor
+aangetoond dat er reeds eene koningin is uitgeloopen. Had men door
+deze bewerking den stok soms moederloos gemaakt, dan heeft dit, in
+het hier gestelde geval, niet het minste bezwaar. De bijen zullen
+haar toestand terstond bemerken, zich onrustig betoonen, maar zich
+ook in haar lot schikken, den eerstvolgenden nacht hulpcellen uit
+het voorhanden broed aanzetten en weder aan hare gewone bezigheden
+gaan. Tien dagen later moet men den bouw nogmaals uiteen nemen. Ontdekt
+men nu geene hulpcellen, dan kan men verzekerd wezen dat er, bij de
+eerste uitneming, reeds eene koningin was uitgeloopen, (soms wordt dit
+bewezen, door dat men reeds eijeren van haar ziet) of dat de bijen,
+uit de haar gelaten moedercel, eene koningin bekomen hadden. Vindt
+men integendeel hulpcellen, dan laat men eene der grootste hangen en
+neemt alle andere weg. De stok zal nu weder eene moederbij bekomen,
+en loopt hare bevruchtings-uitvlugt gelukkig af, dan zal hij in allen
+deele gezond, en tegen den winter meestal ruim van voorraad voorzien
+zijn, en dus een goede stok wezen, met eene jonge moederbij. Mogt door
+deze behandeling een stok geheel moederloos worden, dan helpt men hem,
+door uit eene andere woning eene tafel, met eene gesloten moederwieg
+of met ongedekt werkbijenbroed, in te hangen.
+
+Had men tegen alle verwachting nog eene uitgeloopen moederbij of eene
+moedercel over het hoofd gezien, zoodat er nog een zwerm afvloog,
+dan behoeft men dezen slechts op te vangen en, met een weinig water
+besprenkeld, op een witten doek uit te storten en in een ledigen
+korf te laten trekken, intusschen acht gevende op de koningin, en
+deze ziende, haar met een glas te bedekken en te dooden, of haar,
+in een moederhuisje besloten, tusschen de staafjes te hangen, waar
+de bijen haar gewoonlijk voedsel zullen toereiken. Men kan haar
+aldus tot een ander doel bewaren. De bijen, in den ledigen korf
+hare moederloosheid ontdekkende, zullen hem weder verlaten en op den
+moederstok terugvliegen.
+
+De hier beschreven handelwijze volgt men ook wel, om in gewone
+strookorven de afgevlogen zwermen weder te doen terugkeeren. Men kan
+er dan echter lang mede aan den gang blijven; want de zwerm komt bij
+herhaling, wanneer weder eene moederbij is uitgeloopen, terug. Op een
+goed bezetten bijenstand kan men haar dan ook in het geheel niet ten
+uitvoer brengen.
+
+Met een afgevlogen zwerm, dien men weder met den moederstok vereenigen
+wil, kan men nog op de volgende wijze te werk gaan. Men stelt den
+zwerm, in een ledigen korf, op de plaats van den moederstok en zet
+dezen, op een paar voet afstands er voor. De meeste bijen van den
+moederstok vliegen nu bij den zwerm, waardoor gene zóó ontvolkt
+wordt, dat hij verder allen lust tot zwermen zal opgeven, en de
+overtollige moederwiegen vernietigen. Indien er nog te veel bijen in
+waren gebleven, dan moet men hem bij het verzetten nog wat uitkloppen,
+opdat hij zooveel mogelijk verzwakt zou worden. Zoodra men bespeurt
+dat hij de moederwiegen vernietigd heeft, hetgeen gewoonlijk den
+tweeden dag reeds zal geschied zijn, stoot men er den zwerm weder
+op en zet hem weder op zijne oude plaats.--Op deze wijze bereikt men
+veelal zijn doel, hoewel er niet met zekerheid op gerekend kan worden.
+
+Nog beter zou het zijn den zwerm niet aan zijn eigen moederstok, maar
+aan een anderen, dien men ook het zwermen beletten wil, te geven;
+hij komt dan in eene onbekende vlugt en in eene vreemde woning en,
+eene eigene huishouding willende beginnen, valt hij de in den stok
+aanwezige moedercellen vijandelijk aan, vernietigt haar, en doodt
+ook de overtollige moederbij, waardoor dus het zwermen van dezen stok
+wordt verhinderd.
+
+Het is mij steeds voorgekomen dat men, volgens de oude leerwijze
+werkende, met de laatste behandeling er het best in slaagt om het
+zwermen te voorkomen. Met zekerheid kan men er echter niet op rekenen,
+maar ziet soms nog wel eens een zwerm afkomen.
+
+Ik moet hier nog doen opmerken dat, bij het gebruik van Dzierzon'sche
+woningen, het verschijnen van enkele nazwermen niet als zoo nadeelig
+beschouwd moet worden. Door het inhangen van wastafels en tafels met
+broed, kan men de zwakste zwermen tot sterke maken. Men komt in het
+bezit van jonge, bevruchte moederbijen, die in den herfst kunnen dienen
+om de oude, in voorzwermen, te vervangen, en van wastafels met enkel
+werkbijencellen; zulke wastafels hebben, bij het volgen der nieuwe
+methode, eene groote waarde om haar andere stokken toe te voegen.
+
+Wenscht men van een stok verschillende nazwermen te trekken, en wil
+men hem daarbij voor ontvolking bewaren, dan hangt men er aanhoudend
+tafels met broed in, die men ontneemt aan sterke stokken, die niet
+willen zwermen, hun ledige tafels in de plaats gevende. Voor deze is
+die berooving veeltijds eene weldaad, daar er eene veel te groote
+warmte in kan heerschen, en het wegnemen van het broed hun eenige
+verkoeling schenkt.
+
+Heeft men in het najaar eenige zwermen, welker bouw te klein is of
+die te weinig voorraad hebben ingezameld, dan maakt men van twee,
+drie of meer stokken er een, naarmate zij sterk bevolkt zijn. Men
+verdeelt de tafels dan zoo, dat elke goed bevolkte stok 12 Ned. pond
+bedekten honig heeft, dien hij zal behoeven om de voorjaarsweide
+te kunnen bereiken. Men moet bij de vereeniging van stokken altijd
+wel in aanmerking nemen, dat het slechts geschieden kan met die,
+welke onmiddellijk naast elkander hebben gestaan. Den vereenigden
+stok zet men dan op de plaats, die het midden houdt tusschen hunne
+vroegere standplaatsen; want werden zij in een ander gedeelte van
+den bijenstand geplaatst, dan zouden de bijen hare oude plaats weder
+opzoeken en, daar geene woning vindende, omkomen of bij anderen ingaan
+en daar soms verwarring veroorzaken. Wanneer men er gelegenheid toe
+heeft, dan is het echter nog beter den vereenigden stok op een anderen
+stand te plaatsen, die ten minste een half uur van hunne oude plaats
+verwijderd is; vereenigt men meer dan twee zwermen met elkander, dan
+moet dit, om goed te slagen, altijd geschieden. De bijen komen dan
+in eene onbekende vlugt, die zij allen moeten leeren en vervliegen
+dan niet. Wanneer men de stokken in hun winterverblijf wil plaatsen,
+haalt men hen terug, en in het volgende jaar zullen slechts enkele
+bijen de vroegere standplaats opzoeken.
+
+De jonge, bevruchte moederbijen, die men door de vereeniging van
+nazwermen verkrijgt, kunnen, zoo als reeds vroeger is opgemerkt,
+met vrucht worden gebruikt om te oud geworden koninginnen te vervangen.
+
+
+
+ZINGENDE VOORZWERMEN.
+
+De zingende voorzwermen zou men als eene tusschensoort, tusschen de
+voor- en nazwermen, kunnen beschouwen. Zij komen toch als eerste
+zwermen van de stokken, en zijn gewoonlijk zoo volkrijk als de
+voorzwermen, terwijl zij, even als de nazwermen, eene onbevruchte
+moederbij hebben. Zij ontstaan meestal doordat de oude moederbij is
+gestorven, of op eenige andere wijze verloren gegaan. Gewoonlijk
+is uitputting door de overmatige eijerlage, of hoogen ouderdom
+de oorzaak van haar dood. Zij kon echter ook door vreemde bijen
+zijn afgestoken of op eene andere wijze zijn omgekomen. Welke ook
+de oorzaak van haar verlies zijn mag, de bijen zijn er moederloos
+door geworden en zetten, wanneer zij haar toestand ontdekt hebben,
+hulpcellen aan uit het voorhanden, ongedekt broed. De nu eerst
+uitloopende, jonge moederbij beantwoordt het qua! qua! der nog in
+de cellen beslotene, met de gewone thu-toonen en verlaat de woning,
+met den bereids verkregen aanhang. Somtijds verkrijgt men ook zulke
+zwermen, wanneer het ongunstige weder het afvliegen van den voorzwerm
+eenige dagen verhindert en de bijen de in de cellen besloten, jonge
+koninginnen niet willen vernietigen. Verlaat nu eene jonge moederbij
+de cel, terwijl de oude nog in den stok aanwezig is, dan zal, in
+den strijd die nu volgen moet, gewoonlijk de oude vallen; want door
+haar met eijeren bezwangerd ligchaam, is zij veel trager in hare
+bewegingen dan hare tegenpartij. De stok heeft nu eene jonge koningin
+en de eerste zwerm, die van dezen afkomt, is dus, zoowel als die van
+een in het boven beschreven geval verkeerenden stok, een voorzwerm,
+met eene onbevruchte moederbij en wordt daarom zingende of thutende
+voorzwerm genoemd.
+
+De ophanden zijnde verschijning van deze zwermen kondigt zich, even
+als die der nazwermen, het zekerst aan, door het thuten der jonge
+moederbij. Hoort men het 's morgens of 's avonds in een stok, dan kan
+men er bijna zeker op rekenen dat hij of dien, of den volgenden dag,
+wanneer het weder niet al te ongunstig is, zwermen zal.
+
+Omdat deze zwermen gewoonlijk eenige dagen later komen dan de
+voorzwermen, en het onbevrucht zijn der moederbij het broedaanzetten
+nog eenige dagen vertraagt, zou men hen van mindere waarde moeten
+beschouwen dan de voorzwermen; komt de bevruchting echter gelukkig
+tot stand dan hebben zij, wegens de jonge koningin, weder eene
+grootere waarde.
+
+
+
+MAAGDEZWERMEN.
+
+Bij gunstig weder en ruime honigdragt, kan het gebeuren dat een vroege
+en volkrijke voorzwerm zooveel gebouwd heeft, en door de vruchtbare
+moederbij zoo volkrijk wordt, dat de woning te klein en te warm voor
+hem wordt, en hij dus behoefte gevoelt om zich te deelen. Hij zet
+dan moedercellen aan en geeft een, soms meer zwermen.
+
+Men noemt deze zwermen oneigenlijk maagdezwermen; want, hoewel zij
+van een zwerm van hetzelfde jaar afkomen, toch komt de oude moederbij
+weder het eerst af.
+
+Hier te lande komen deze zwermen in het algemeen minder voor, en
+bijna nooit komt er een nazwerm van een stok van hetzelfde jaar. Er
+zijn intusschen enkele voorbeelden van.
+
+Deze zwermen komen altijd laat in het jaar, wanneer meest alle
+honigdragt voorbij is en de stok, waarvan zij afkomen, wordt er
+gewoonlijk door ontvolkt en verliest een groot gedeelte van zijn
+voorraad. Van beiden komt dan ook gewoonlijk niets teregt; zoodat
+men dit zwermen zoo mogelijk moet tegengaan, door dergelijke stokken
+tegen minder bevolkte over te zetten, en te trachten er de moedercellen
+uit te nemen.
+
+Bij woningen met lossen bouw vangt men de moederbij uit den stok,
+en vernietigt daarna al de moederwiegen op eene na. Deze blijven de
+bijen bebroeijen, en men zal dus in den stok eene jonge moederbij
+verkrijgen, waarna hij niet meer zwermen kan. Tien dagen na het
+wegnemen der moederbij, moet men den bouw nogmaals uiteen nemen, om
+te zien of er ook hulpcellen zijn aangezet; zoo ja, dan neemt men die
+op eene na weg; het aanzetten van hulpcellen zou toch een bewijs zijn,
+dat de vroeger gespaarde moederwieg was verongelukt.
+
+
+
+DUBBELZWERMEN.
+
+Dubbelzwermen noemt men die, welke door vereeniging van twee of
+meer zwermen zijn ontstaan. Die vereeniging kan vrijwillig zijn;
+want op een sterk bezetten bijenstand kan het dikwijls gebeuren,
+dat van twee of meer stokken gelijktijdig zwermen afvliegen, en dat
+deze afzonderlijke zwermen zich, al vliegende, bij elkander voegen
+en zich als één zwerm aanleggen.
+
+Heeft er eene vereeniging van nazwermen plaats, dan is dat eene
+gewenschte zaak; zijn het daarentegen voorzwermen, die zich bij
+elkander voegen, dan moet men hen weder van elkander scheiden, omdat
+elke moederbij met haar volk dan een goeden stok kan vormen.
+
+Dit afscheiden geschiedt door, op eene beschaduwde plaats, een witten
+doek uit te spreiden en daarop zoo veel ledige korven te plaatsen, als
+men denkt dat er zwermen zijn, onder elken korf een steentje of iets
+dergelijks leggende, zoodat hij aan den eenen kant op den doek rust,
+terwijl er aan den anderen eene opening, ter breedte van een vinger,
+tusschen hem en den doek blijft. Nu maakt men de in een korf geschepte
+zwermen, een weinig nat en stort hen op den doek uit. De bijen zullen
+hierover beginnen te loopen en men leidt haar daarbij naar een der
+korven: deze rigting eenmaal aangenomen hebbende, zullen zij elkander
+als eene kudde schapen volgen en den korf binnen trekken. Men geeft nu
+acht of men ook moederbijen ziet, en deze bemerkende, plaatst men er
+terstond een glas overheen, steekt een blikken plaatje tusschen den
+doek en het glas en zet dit ter zijde. Zoodra men denkt dat in een
+korf genoeg bijen zijn gegaan, neemt men hem weg en leidt de bijen
+naar een anderen, steeds acht gevende op de moederbijen. Heeft men
+op deze wijze de moederbijen afgevangen, dan verdeelt men de bijen
+in zoovele korven als er koninginnen zijn en plaatst deze elk in een
+moederhuisje. Het zou kunnen gebeuren dat men eene of meer moederbijen
+over het hoofd gezien had, en deze dus met de bijen in de korven
+waren getrokken. Dit zal men spoedig ontdekken aan de rustige houding,
+die de bijen in zulk een korf zullen aannemen, in tegenstelling van
+die, welke moederloos zijn. Men kan verzekerd zijn dat een zwerm van
+eene moederbij voorzien is, wanneer de bijen, na een half uur in den
+korf geweest te zijn, rustig blijven en zich boven in tot een digten
+tros vereenigen. Die, welke moederloos zijn, zullen onrustig worden,
+heen en weder loopen en den korf weder beginnen te verlaten. Aan
+deze geeft men, zoo spoedig mogelijk, eene der koninginnen (doch
+laat haar in het huisje besloten) waarna zij zich terstond bevredigd
+zullen toonen, door de gevangen moederbij te omringen, zich als een
+tros er om heen verzamelende. Men moet zooveel mogelijk zorgen dat
+er geen twee koninginnen in een korf komen, want eene derzelve zou
+zeker worden afgestoken, terwijl ook de andere gevaar zou loopen
+van te worden beschadigd en men dus beide kon verliezen. Heeft men
+eene of meer moederbijen overgehouden, dan moet men uit elken korf
+wat bijen scheppen, zoodat men voor elk van haar nog eene voldoende
+hoeveelheid bijen bekomt. Voor het geval, dat dit terugscheppen
+noodig was, is het dat men de koninginnen in de moederhuisjes moet
+laten blijven; men zou toch anders gevaar loopen ook de moederbij
+terug te nemen. Wanneer eindelijk alle korven in orde zijn, dan zet
+men hen op de bestemde plaats of doet de bijen aldaar in die woning,
+waarin men haar wenscht te houden, en laat daarna de koninginnen los.
+
+Op sterk bezette bijenstanden vliegen soms, van tien tot twintig
+stokken te gelijk, zwermen af, die allen ondereen op één hoop
+vallen. In zulk een geval is het ondoenlijk hen op de voorgaande
+wijze te scheiden. Men schept dan de bijen in eenige korven, zoodat
+elk daarvan een genoegzaam aantal krijgt, en zet deze op eenigen
+afstand van elkander neder. Die korven, waarin geene moederbij is,
+zullen de bijen spoedig verlaten en zich dan gewoonlijk over de andere
+verdeelen; terwijl dat in die korven, waar er meer dan ééne in gekomen
+is, de overtollige gedood zullen worden. [9]
+
+Men kan ook de geheele bijenmassa in eene groote kuip scheppen, in
+deze eenige houten staven in het rond zetten, haar dan met een luchtig
+kleed goed digt dekken, en tot den volgenden morgen rustig laten
+staan. Gedurende den nacht zullen de zwermen zich grootendeels van
+elkander gescheiden, en zich ieder om eene staaf gehangen hebben. Men
+neemt nu elken zwerm, aan de staaf gehecht, uit de kuip en doet hem
+in de voor hem bestemde woning.
+
+De vereeniging van zwermen kan ook door den eigenaar bewerkstelligd
+worden, om van eenige kleine nazwermen, een volkrijken daar te
+stellen. Men moet intusschen wel in aanmerking nemen, dat men voor-
+en na-zwermen slechts met groot gevaar met elkander vereenigen kan;
+want zwermen met bevruchte en onbevruchte moederbijen zijn elkanders
+doodsvijanden. Bij de vereeniging zou juist de bevruchte moederbij,
+de traagste zijnde, het meest gevaar loopen om te komen. Ook zouden
+de werkbijen elkander bij duizenden afsteken. Wilde men hen daarom
+volstrekt bij elkander plaatsen, dan zou men de jonge moederbij uit
+den nazwerm moeten vangen, en de bijen zeer sterk met muskuswater
+[10] moeten besprenkelen.
+
+
+
+NOODZWERMEN.
+
+Somtijds verlaat eene geheele bijenkolonie, in het vroege voorjaar
+of zelfs ook reeds in het najaar, hare woning. De nood dringt haar
+hiertoe, hetzij dat de woning door instorting van den wasbouw, door
+stank van muizen, motten of andere onreinheden onbewoonbaar voor haar
+is geworden, hetzij dat haar geheele voorraad opgeteerd is. In dit
+geval noemt men den noodzwerm ook wel hongerzwerm.
+
+De noodzwermen bedelen zich soms bij moederlooze of zwak bevolkte
+stokken in, waarom zij ook wel bedelzwermen heeten. Meestal hangen
+zij zich echter hier of daar aan en komen van gebrek om.
+
+
+
+HET AFVLIEGEN, HET AANLEGGEN EN HET OPVANGEN VAN DE ZWERMEN.
+
+Vroeger meende men dat bij het afvliegen van een zwerm de moederbij
+voorging, en den geheelen zwerm tot geleide diende. Dit is echter
+zoo niet. Een gedeelte der werkbijen opent den togt, en men heeft
+zelfs gezien dat koninginnen, die door een gebrek aan de pooten of
+vleugels de woning niet konden verlaten, er door de werkbijen met
+geweld uitgedreven werden.
+
+Bij een voorzwerm trekt gewoonlijk eerst ongeveer de helft van zijn
+volk, in vrolijke drift uit de woning; dan wordt de vliegplank ledig,
+en kan men veelal de koningin te voorschijn zien komen, alleen begeleid
+door de zoogenaamde lijfwacht. Dikwijls vertoeft zij een oogenblik op
+de vliegplank, alsof zij zich nog eens bedenken wilde, en vliegt dan
+af, waarna het overige van den zwerm haar volgt. Het gebeurt ook wel
+dat zij niet af wil vliegen, maar in de woning terugkeert, misschien
+omdat het weder haar niet bevalt. In dit geval blijven de uitgevlogen
+bijen niet lang buiten; want de koningin missende, vliegen zij spoedig
+weder op den moederstok terug. Wanneer het weder den volgenden dag
+gunstig is, dan kan men den zwerm op nieuw verwachten.
+
+Door een gebrek aan de vleugels, wordt de moederbij wel eens
+verhinderd den zwerm te volgen; zij valt dan op eenigen afstand van
+de woning neêr. De zwermende bijen zullen haar daar gewoonlijk niet
+ontdekken. Ziet men een zwerm lang dralen met zich aan te leggen,
+dan moet men omzien of men de koningin ook op den grond vindt. Zij
+is daar spoedig te ontdekken, omdat zij steeds door enkele bijen
+zal omringd zijn, die haar geheel zullen bedekken. Doet men deze
+met een houtje of iets dergelijks wat op zijde, dan zal men de
+moederbij in het gezigt krijgen. Vindt men haar spoedig genoeg,
+om haar aan de zich hier of daar reeds aangelegd hebbende bijen te
+geven, dan zullen de nog omzwervende zich ook spoedig om haar heen
+verzamelen, en de zwerm zal geslaagd zijn. Ook kan men de moederbij,
+in een moederhuisje geplaatst, in de voor den zwerm bestemde woning
+zetten, waarna men deze op de plaats van den moederstok stelt. De
+bijen, hare koningin missende, zullen weder op den moederstok willen
+vliegen, en in plaats van dezen zullen zij eene ledige woning vinden,
+die zij, nu zij er hare koningin in ontdekken, met vreugde zullen
+aannemen. Men moet met deze handelwijze vlug te werk gaan, en zal
+dan zelfs van het opvangen van den zwerm ontslagen zijn.
+
+Hoe men ook met eene gebrekkige moederbij handelen moge, men moet
+haar nooit aan den moederstok terug geven; want den volgenden dag
+zou zij weder afkomen. Haar te dooden zou ongeraden zijn; want voor
+de eijerlage is zij even goed als eene geheel gezonde. Men moet haar
+dan liever voor een kunstzwerm bezigen, en in den herfst door eene
+jonge vervangen.
+
+Er zijn gewoonlijk verscheidene moederbijen in die zwermen, die
+met jonge moederbijen afgaan. Deze komen dan niet geregeld, maar
+verstrooid, uit de woning; nu eens bij het begin, dan weder in het
+midden, soms zelfs op het einde van den zwerm. Men mag dus wel aannemen
+dat de werkbijen en niet de koninginnen de eerste aanleiding tot het
+zwermen geven. De laatste, bij de verwarring van het zwermen, door
+de werkbijen niet meer bewaakt wordende en geene thu-toonen hoorende,
+verlaten hare cel en worden door de zwermende bijen voortgestuwd. Daar
+de eene nu wat vroeger, de andere wat later uit de cel komt, zoo zijn
+zij ongeregeld in den zwerm verstrooid.
+
+Gewoonlijk vliegen de uit de woning stroomende bijen, onder het
+aanheffen van den zwermtoon, zoolang in den omtrek van den bijenstand
+rond, totdat de geheele zwerm den stok heeft verlaten. Bevindt de
+koningin zich in haar midden en hebben zij zich daarvan verzekerd,
+dan trekken de bijen zich meer en meer zamen en leggen zich hier of
+daar aan. Meestal geschiedt dit aan een boomtak of struik. Aanvankelijk
+zetten slechts enkelen zich neêr, welke door anderen gevolgd worden;
+daarbij voegt zich de koningin en eindelijk ook al de overige bijen,
+zoodat zij ten slotte in een belangrijken tros, veel op een druiventros
+gelijkende, aanhangen. De zwerm legt zich altijd dáár aan, waar zich
+de koningin bevindt; daar deze echter het vliegen niet gewoon is,
+zet zij zich soms op het eerste het beste rustpunt neder, of wordt
+ook wel eens door eene windvlaag neêrgeworpen, waardoor de zwermen
+veeltijds op die plaatsen aanleggen, die het ongeschiktst zijn om
+hen op te vangen. Soms verzamelen zij zich op een dak, in eene haag
+of op andere lastige plaatsen. Het is mij eens gebeurd dat een zwerm
+zich op mijn hoed verzamelde!
+
+Zwermen, met jonge koninginnen, leggen zich ook veelal in verscheidene
+trossen aan; want, waar zich eene moederbij nederzet, daar zullen
+de haar omringende bijen zich ook plaatsen. Deze verschillende
+trossen voegt men in ééne woning bij elkander, sluit haar met een
+doek, die de lucht gemakkelijk doorlaat en zet haar aldus op eene
+koele, donkere plaats. Gedurende den nacht zullen dan de bijen de
+overtollige koninginnen dooden. Zet men de woning den volgenden morgen
+op hare plaats, dan zullen zij haar zelden meer verlaten. De aldus
+opgevangen bijen moet men zoo spoedig mogelijk van de zwermplaats
+verwijderen, daar er anders te veel aan die plaats gewennen en er
+blijven hangen. Heeft men den zwerm spoedig weggenomen, dan zullen
+de achtergebleven bijen, die hare moederbij niet vinden kunnen, op
+den moederstok terug vliegen. Velen zullen deze handelwijze afkeuren,
+en de woning liever tot den avond op de zwermplaats laten staan, omdat
+de verspreide bijen er zich dan meer in verzameld zullen hebben. Dit
+is echter slechts een schijnbaar voordeel; want den volgenden morgen
+zullen zij, die den vorigen dag daar de vlugt leerden, weder naar de
+zwermplaats terug keeren. Deze verstrooide bijen kunnen als verloren
+beschouwd worden; want haar eigen stok weten zij niet te vinden, en
+indien zij op andere vliegen, dan worden zij afgestoken. Haar getal
+zal kleiner zijn, naarmate men den zwerm spoediger van de zwermplaats
+heeft verwijderd; want die bijen, die weder op den moederstok terug
+vliegen, zijn wel voor den zwerm, maar niet voor den eigenaar verloren.
+
+Wil men den zwerm in eene Dzierzon'sche woning plaatsen, dan vangt men
+hem in een gewonen korf en zet hem op eene koele, donkere plaats tot
+het vallen van den avond; dan doet men hem in de voor hem bestemde
+woning. Dit geschiedt het best door een gedeelte der bijen, met een
+blank ijzeren vuurlepel, voorzigtig uit den korf in de woning te
+scheppen. Zij zullen zich dadelijk naar het voorste gedeelte daarvan
+begeven, en daar een vrolijken loktoon aanheffen. Nu behoeft men de
+opening van den korf slechts voor de woning te houden, en spoedig
+zullen allen er in overgaan. Men behoeft hierbij niet de minste
+vrees te koesteren; veeleer zal men zich vermaken bij het zien der
+vrolijke dieren.
+
+Een zwerm verlaat soms plotseling zijne aanlegplaats, verheft zich
+in de lucht, en gaat de ruimte in. Hij is dan gewoonlijk verloren;
+want hij vliegt soms in een digten drom zoo snel heen, dat men hem
+moeijelijk volgen kan; dit wordt ook soms onmogelijk, door dat hij over
+water gaat of een uur en langer vliegende blijft. Eindelijk hangt hij
+zich van vermoeidheid hier of daar aan, en wordt hij door anderen niet
+opgevangen, dan komt hij gewoonlijk om. Als mij een zwerm ontvliegt,
+dan ga ik hem niet lang na, denkende: "zijt gij met mij niet tevreden,
+zoek dan een beteren meester!"
+
+De oorzaak van het wegvliegen van een zwerm moet meestal daarin gezocht
+worden, dat men te lang gewacht heeft met hem op te vangen. Wanneer hij
+zich ergens heeft aangehangen, waar hij aan de brandende zonnestralen
+is blootgesteld, zoodat de hitte in den opeengepakten klomp bijen
+weldra ondragelijk wordt, of indien er verscheidene koninginnen in
+zijn, die elkander trachten af te steken, waardoor onrust in den
+zwerm ontstaat, dan vliegt hij spoedig het luchtruim in.
+
+Het doel, van het eerste aanleggen van een zwerm, is voorzeker het
+verzamelen van alle bijen, die mede uitgetrokken zijn, ten einde een
+weinig uit te rusten, en dan de door de spoorbijen opgezochte woning
+gezamenlijk in bezit te nemen, of er op goed geluk eene te gaan zoeken.
+
+Indien een zwerm zich zoodanig aan een boomtak heeft gehangen,
+dat men er een korf onmiddellijk onder kan houden, dan behoeft men
+tegen den tak slechts een stoot te geven, om hem grootendeels in den
+ondergehouden korf te doen vallen. Men stelt nu den korf zoo digt
+mogelijk bij de plaats, waar den zwerm heeft gehangen, en zet er aan
+een kant iets onder, zoodat er eene opening, van eene hand breed,
+overblijft. Is de koningin reeds in den korf, dan trekt zij, met de
+bij haar zijnde bijen, naar het bovenste gedeelte; daar verzamelen
+zij zich tot een digten tros, en de nog rond vliegende bijen zullen
+zich bij haar voegen. Was de moederbij echter niet mede in den korf
+gevangen, dan trekken al de bijen er weder uit en zetten zich daar
+aan, waar zij zich bevindt; men moet haar dan op nieuw opvangen en
+dit herhalen, tot men ook de moederbij heeft, dat echter meestal
+den eersten keer het geval zal zijn, wanneer men ten minste niet te
+voorbarig is geweest bij het opvangen, maar daarmede zoolang gewacht
+heeft, tot de zwerm zich behoorlijk had aangelegd en verzameld.
+
+Men moet er wel op letten den korf, waar de zwerm in gevangen is,
+in de schaduw te plaatsen, en is daar bij de zwermplaats geene
+gelegenheid toe, dan brengt men schaduw aan, door eene plank tegen
+den korf te zetten of hem met groene takken te bedekken. Verzuimde
+men dit, de zwerm zou den korf weder spoedig verlaten, voortgejaagd
+door de brandende hitte, die de zonnestralen spoedig in den korf
+zouden doen ontstaan.
+
+Om het wegvliegen der bijen, bij het opvangen van een zwerm, te
+voorkomen, is het goed haar nat te maken. Men doet dit het best door
+haar met een handvegertje te besproeijen, maar moet er niet te vlug
+mede zijn, doch wachten tot het grootste gedeelte van den zwerm
+zich heeft aangehangen; want deed men het voor dat de moederbij
+zich had neêrgezet, dan zouden zij weder wegvliegen en zich elders
+aanleggen. Met het nat maken kan men nooit kwaad doen en, wanneer de
+bijen al te oproerig zijn en men er geen meester over kan worden,
+dan kan men haar gerust druipnat maken: zijn zij weder opgedroogd,
+dan hebben zij er niet het minste letsel van.
+
+Hebben de bijen zich tegen een zwaren boomtak, tegen den stam of elders
+zoodanig aangelegd, dat zij niet afgeschud kunnen worden, dan moet
+men haar met een blank ijzeren vuurlepel opscheppen, en aldus bij
+gedeelten in den korf brengen. Men moet daarbij in acht nemen haar
+langzaam, van onderaf, te scheppen, zij zullen dit gewillig toelaten
+en slechts weinigen zullen op den grond vallen. Men wachte zich wel
+van boven naar beneden te scheppen, om haar als het ware in den korf
+te strijken, dat oogenschijnlijk in vele gevallen gemakkelijker zou
+zijn; de bijen kunnen dit niet verdragen: men zou haar meest altijd
+in toorn brengen en er ook meer kwetsen, dan van onderaf scheppende.
+
+Indien een zwerm zich hoog in een boom heeft gehangen, zoodat men
+er niet gemakkelijk bij kan klimmen, dan neemt men een ligten korf,
+die in den top eene opening heeft, steekt hierin een stok en houdt
+hem aldus onder den zwerm, terwijl een ander, met een aan een stok
+bevestigden haak, den tak een ruk geeft, die den zwerm in den korf
+doet vallen. Men zet dezen nu op den grond neder, opdat de bijen er
+zich in verzamelen.
+
+Heeft een zwerm zich aldus geplaatst, dat het niet mogelijk is hem op
+te vangen, dan moet men trachten hem, door het aanbrengen van rook,
+van die plaats te verdrijven, in de hoop dat hij zich op eene meer
+geschikte zal aanleggen. Wanneer hij voor den rook van lappen zijne
+plaats niet spoedig wil verlaten, dan maakt men eene soort van lont
+van lappen, en doet daar wat haar tusschen; voor den rook daarvan
+zal hij meest altijd wijken; mogt het echter nog niet helpen, voor
+den rook van brandenden duivelsdrek zal hij zeker uit den weg gaan.
+
+Is de plaats, waar de zwerm zich heeft aangelegd, zelfs niet met
+rook te bereiken, zonder zich zelven aan gevaar bloot te stellen,
+dan doet men best hem maar verloren te laten gaan, zich troostende
+met de gedachte, dat het beter is een zwerm te missen, dan om zijn
+bezit den hals te breken.
+
+Over het algemeen kan men aannemen, dat een zwerm de hem aangewezen
+woning aanneemt, wanneer de bijen, tot een digten tros vereenigd, een
+aanvang met den wasbouw maken; terwijl er eenigen aan het vlieggat
+staan, die, met den kop naar hetzelve en het achterlijf naar boven
+gerigt, vrolijk met de vleugels slaan; dit is het gewone teeken dat
+de moederbij in den stok is. Men ziet dan ook reeds eenige bijen
+uitvliegen, en met voorraad beladen te huis komen. Andere zijn weder
+bezig met de woning van onzuiverheden te ontdoen, en oneffenheden weg
+te bijten. Dit laatste is wel als het zekerste bewijs te beschouwen,
+dat de zwerm de woning niet meer zal verlaten.
+
+
+
+
+
+
+
+II. DE BIJENTEELT.
+
+
+DE WONINGEN.
+
+
+Deze tweede afdeeling, waarin meer bepaald de teelt der bijen zal
+behandeld worden, wil ik aanvangen met het beschrijven der woningen. Ik
+zal mij daarbij bepalen tot de Dzierzon'sche; want wilde ik, van
+alle vroeger en thans nog in gebruik zijnde woningen, de inrigting
+opgeven, dan zou ik mijn bestek ver te buiten gaan; daarenboven zou
+dit nutteloos zijn, daar er in onze taal verscheidene werken zijn,
+waarin zij goed beschreven worden. [11]
+
+Men heeft reeds sedert eeuwen ingezien, dat de gewone bijenkorven
+veel te wenschen overlaten: in den bouw kan men niet zien en meest
+alles is van het toeval afhankelijk; de willekeur der bijen kan men
+niet behoorlijk tegengaan en aan zijn wil onderwerpen. Men trachtte
+daarom steeds betere en meer geschikte woningen uit te denken,
+maar die, welke men te voorschijn bragt, beantwoordden niet aan het
+oogmerk. Zij waren zeer zamengesteld, hoog in prijs en moeijelijk
+en omslagtig in de behandeling: men stelde haar daarom ter zijde en
+gebruikte weder strookorven.
+
+De oude Grieken gebruikten reeds woningen met lossen bouw, doch zij
+waren ondoelmatig en vonden geene navolging. De eerste, die er in
+geslaagd is om de bijenteelt met eenig goed gevolg in zulke woningen te
+beoefenen, was Frans Huber, een Fransch bijenvriend, die in de tweede
+helft der vorige eeuw leefde. Hij werd op eene zeer eenvoudige wijze
+tot hare zamenstelling gebragt. Voor zijne waarnemingen omtrent het
+leven der bijen, gebruikte hij zeer ondiepe kasten, die slechts eene
+tafel konden bevatten, en waarin hij dus de bijen aan beide kanten,
+in al haar doen kon bespieden. Van deze kasten, welke ieder een los
+raampje bevatteden, waarin de tafels gebouwd moesten worden, plaatste
+hij er eenige tegen elkander, vereenigde die door ijzeren stangen met
+schroeven, en verkreeg daardoor eene woning, uit kleinere te zamen
+gevoegd, die naar willekeur kon worden uit elkander genomen. Hij
+noemde haar blad- of boek-woning, omdat men haar, even als een boek,
+kon openen en bezien. Al gaf zij gelegenheid om den bouw uiteen te
+nemen en weder zamen te voegen, waarvan men het nut erkende, voor
+algemeen gebruik was zij te kostbaar en te omslagtig, en werd daarom
+bijna geheel der vergetelheid prijs gegeven.
+
+Aan Dzierzon komt de eer toe de teelt der bijen, in woningen met lossen
+bouw, gemakkelijk en voor iedereen uitvoerbaar gemaakt te hebben,
+en hoewel zijne woningen nog wel voor verbetering vatbaar zullen
+zijn, vergeten zullen zij nooit worden. Het eerst maakte hij die
+bekend in de Bienenzeitung voor 1845, No. 12, na haar reeds geruimen
+tijd, onder toepassing van zijne theorie, op zijn stand gebruikt te
+hebben. Later maakte hij haar, door verscheidene afzonderlijke werken,
+meer algemeen, zooals in zijne: "Theorie und Praxis," "Nachtrage zur
+Theorie und Praxis" en "Bienenfreund aus Schlesiën."
+
+Bij de vervaardiging zijner woningen, ging hij van het beginsel
+uit, dat zij slechts uit ééne kast moesten bestaan, waarin de bouw
+gemakkelijk uiteen genomen, en zonder hem te beschadigen, weder in
+elkander gevoegd of in eene andere woning overgeplaatst kon worden. Dit
+doel heeft hij volkomen bereikt, en zijne woningen bevelen zich als
+van zelven aan, aan allen, die slechts willen zien en met oordeel
+nadenken. Zij vinden dan ook, niet slechts in geheel Duitschland,
+maar ook in vele andere landen, meer en meer navolging, en op vele
+bijenstanden hebben zij alle andere woningen geheel verdrongen.
+
+Deze woningen en de toevallige invoering der Italiaansche bijen,
+hebben in de laatste tien jaren meer omtrent de huishouding der bijen
+aan het licht gebragt, dan alle vroegere eeuwen te zamen, en tevens
+doen zien, dat een aantal der vroeger als goed erkende leerstellingen,
+slechts fabels waren.
+
+Dzierzon geeft twee soorten van woningen op, te weten: liggende,
+waarbij de lengte grooter is dan de hoogte, en staande, waarbij in
+tegendeel de hoogte de lengte overtreft. De ondervinding heeft geleerd
+dat de liggende het honigwinnen meer bevorderen, terwijl de staande
+het broedaanzetten meer begunstigen, daar er eene meer gelijkmatige
+warmte in heerscht.
+
+Wegens de ruimere honigopbrengst zou dus de liggende woning te
+verkiezen zijn; doch in eene andere, zeer belangrijke zaak, staan zij
+weder ver achter de staande: de overwintering is toch in deze veel
+gemakkelijker; want in de liggende woningen hebben de bijen te weinig
+honig boven zich, zoodat zij in strenge winters de meer afgelegen
+tafels niet kunnen bereiken. Thans geeft men vrij algemeen de voorkeur
+aan woningen, die tusschen de liggende en de staande invallen.
+
+Voor ik tot de beschrijving der woningen, van welke thans reeds zoo
+vele soorten bestaan, dat ik slechts de voornaamste behandelen kan,
+overga, moet ik de opmerking maken dat, welke afmetingen men zijne
+woningen ook geven wil, de breedte van allen volkomen dezelfde moet
+zijn. Voor den inwendigen afstand der zijwanden moet men dus eene
+bestendige maat kiezen. Deed men dit niet, men zou woningen met lossen
+bouw hebben, en de voornaamste van hare voordeelen missen! De staafjes,
+waaraan de bouw hangt, zouden verschillende lengten moeten hebben,
+en konden dus niet uit de eene woning in de andere geplaatst worden.
+
+De ondervinding heeft mij geleerd, dat breede woningen moeijelijk te
+behandelen zijn. Den inwendigen afstand der zijwanden van allen, die ik
+beschrijven zal, stel ik op 9 1/2 Rhijnl. duim. De staafjes, waaraan de
+tafels gebouwd moeten worden, zullen dan 9 7/8 duim lang moeten zijn,
+omdat zij in de zijwanden in groeven, van 1/4 duim diep, gemakkelijk
+geschoven moeten kunnen worden, zonder dat zij daarin kunnen klemmen
+of er uit vallen. Eene afbeelding van een staafje ziet men in fig. 1.
+
+Men maakt hen van eene soort van hout, dat niet splinterachtig
+is; ik neem er olmen voor. In een latje, van ruim 1/4 duim dik,
+bij eene lengte ab, van 9 7/8 en eene breedte ac, van 1 1/2 duim,
+worden, 1 duim van de uiteinden, bij e, f, g en h, insnijdingen,
+van 1/4 duim diep, gemaakt, en het hout daar tusschen weggestoken,
+zoodat het gedeelte efgh van het staafje 1 duim breed is, terwijl de
+verbreeding aan de uiteinden, aan weêrskanten 1/4 duim zijnde, er bij
+het tegen elkander schuiven der staafjes in het midden eene ruimte
+van 1/2 duim vrij blijft; (zie fig. 3, die eene woning voorstelt,
+waar men bovenin ziet, nadat de bovenwand er afgenomen is).
+
+Het is een bepaald vereischte dat de staafjes de afmetingen hebben,
+die ik hier opgeef; want de bijen geven de wastafels eene breedte
+van 1 duim, en laten tusschen elke twee tafels eene ruimte van 1/2
+duim vrij (zie bladz. 46); was de tusschenruimte der staafjes te
+klein, zij zouden de tafels aan elkander bouwen; was zij te groot,
+zij zouden er kleine tafels tusschen brengen, en de uitneembaarheid
+van den bouw zou in beide gevallen verloren gaan. Op de staafjes en
+hare plaatsing berust de geheele Dzierzon'sche methode.
+
+Om de staafjes spoedig en goed te maken, zaagt men van eene olmen
+plank, van 1 1/2 duim dik, stukken af, fig. 2, die de lengte ab der
+staafjes hebben; 1 duim van de uiteinden maakt men, aan eene der
+zijden, zaagsneden gi en hk, van 1/4 duim diep, schaaft het hout
+tusschen deze zaagsneden vlak weg, en bewerkt daarna de andere zijde
+der plank eveneens. Men zaagt er nu plaatjes van 3/8 duim dik af, die,
+opgeschaafd zijnde, dus ruim 1/4 duim dik en allen van gelijken vorm
+zijn zullen. Men moet hen slechts aan eene zijde glad schaven; want
+de aanhechting der wastafels geschiedt gemakkelijker en beter aan eene
+ruwe oppervlakte: zij worden dus aan de ongeschaafde zijde bevestigd.
+
+
+
+De woningen worden vervaardigd van planken, van 3/4 duim dik, die
+behoorlijk aan elkander geploegd en gelijmd moeten worden. Men zaagt
+eenige stukken af op de lengte, die de wand hebben moet, zaagt deze
+daarna op het hart door, om het krom trekken te voorkomen, en ploegt
+van de verkregene plankjes er zoovele aan elkander, dat men een blad
+van de vereischte breedte verkrijgt. De voegen moeten, opdat zij niet
+open zouden trekken, gelijmd worden. Daartoe moet eene lijm gebezigd
+worden, die tegen water bestand is; want vooral in den winter, is in
+sterk bevolkte woningen veel waterdamp aanwezig. Men gebruikt daarvoor
+versch gestremde melk, met gestampte en gezifte, ongebluschte kalk
+vermengd, welk mengsel eene taaije pap zal vormen; hiermede worden
+de voegen aan een gelijmd, waarna men het blad, gedurende een paar
+dagen, tegen elkander geklemd, te droogen legt. Is de lijm goed droog,
+dan wordt het blad vlak geschaafd.
+
+De bodem en bovenwand der woning (zie fig. 4) worden zoo lang genomen,
+dat de uiteinden aan weêrskanten 3 à 4 duim over den zijwand uitsteken;
+in onze figuur ziet men de stukken ae, bf, cg en dh. Op de kanten der
+zijwanden worden dan stukken abfe en cdhg, welker breedte gelijk is
+aan de buiten uitstekende gedeelten van den bodem en den bovenwand,
+bevestigd. Aan de achterzijde der woning, die hier onzigtbaar is,
+worden eveneens dergelijke strooken aangebragt. In fig. 3 ziet men
+haar in doorsnede; a, b, c en d zijn de vier strooken, ef en gh
+de zijwanden.
+
+Aan de buitenzijde der woning verkrijgt men nu eene ingesloten ruimte,
+die boven- en onderaan begrensd wordt door de uitstekende gedeelten
+van den boven- en onderwand, aan de zijden door de daar aangebragte
+strooken en achter-aan door den zijwand. Die ruimte wordt opgevuld
+met stroo of mos, dat voor de netheid nog met riet bedekt kan worden,
+waarna men het vulsel bevestigt, door drie of vier houten lijsten,
+(efgh, iklm en nopq, fig. 5,) die op de zijwanden gespijkerd worden;
+om het opbuigen te voorkomen, vereenigt men haar in het midden door
+een enkelen spijker met den binnenwand.
+
+Het opvulsel moet niet te los zijn, doch ook niet met geweld aangedrukt
+worden; de lijsten moeten het behoorlijk kunnen tegenhouden.
+
+Men verkrijgt op deze wijze zijwanden, die de warmte zeer moeijelijk
+geleiden en die daarom, in den winter, het ontwijken der inwendige
+warmte en, in den zomer, eene te sterke verhitting tegengaan.
+
+Ter voorkoming van het vezelen van het riet en het indringen van
+muizen, wordt het vulsel, nadat de woning voltooid is, tusschen de
+houten lijsten bepleisterd, met een mengsel, bestaande uit koemest
+en gezifte asch. Het aanzien verbetert hierdoor ook.
+
+Om het opvullen gemakkelijker te maken, bedient men zich van stroo-
+of riet-matjes, die men eveneens vervaardigt, als de dekmatten der
+tuinlieden. Het onderste gedeelte der op te vullen ruimte wordt dan
+met los stroo gevuld, hierop een matje gelegd en dit met de lijsten
+nedergedrukt.
+
+Wanneer men het uiterlijk aanzien der woningen bevallig wil maken,
+en zich daarvoor eene kleine verhooging in prijs getroosten, dan kan
+men het opvulsel ook bedekken met over elkander gespijkerde, dunne
+plankjes (zie fig. 4). Dit is ook goed voor het behoud der woning,
+omdat alle regen goed kan afloopen, waardoor het vulsel geheel droog
+blijft. Eigenlijk wordt de geringe prijsverhooging aanmerkelijk
+opgewogen, door het voordeel dezer bekleeding; ik heb haar daarom
+dit jaar bij al mijne nieuw gemaakte woningen aangebragt.
+
+
+
+DE LIGGENDE WONING.
+
+Voor de zijwanden der liggende woning maakt men, op boven gezegde
+wijze, twee bladen, die, bij eene lengte van 15 1/2 duim, eene
+breedte van 30 duim bezitten. Men moet zorgen dat eene der zijden
+van elk derzelve, die de binnenwanden der woning moeten vormen, goed
+vlak geschaafd zijn, daar deze wanden evenwijdig wezen moeten. Aan
+die zijden schaaft men aan weêrskanten eene sponning, van 1 1/2 duim
+breed en ruim 1/4 duim diep, waarin de deuren moeten rusten. Bij e,
+f, g en h, fig. 3, ziet men de deuren i en k in doorsnede, in die
+sponningen rustende, terwijl dat eene daarvan gezien wordt bij ik,
+fig. 4, en eene bij rs, fig. 5.
+
+Vervolgens maakt men, aan dezelfde zijden dezer bladen, 12 1/4 duim van
+den onderkant, eene groef, van 1/4 duim diep en ruim 1/4 duim breed,
+(zie lm, fig. 4 en tu, fig. 5,) zoodat zij, de bladen op elkander
+liggende, elkander volkomen bedekken. Die groeven moeten dienen om
+er de staafjes in te schuiven.
+
+In het midden, van een dezer zijstukken, wordt nu, 1 1/4 duim van den
+onderkant, eene opening voor het vlieggat, (no, fig. 4) gemaakt. Voor
+het gemak en de netheid maak ik voor deze gaten kokertjes, door
+tusschen twee plankjes van 5 duim breed en 1/2 duim dik, aan beide
+zijden latjes te spijkeren, van 1/2 duim breed en 3/8 duim dik,
+waardoor dan een koker (fig. 6) ontstaat, die inwendig 4 duim breed
+en 3/8 duim hoog is, waar ik nu stukjes afzaag, welker lengte gelijk
+is aan de dikte van den zijwand. Deze kokertjes moeten aldus in het
+zijstuk gebragt worden, dat de opening in het midden der breedte en
+haar onderkant 1 1/4 duim boven den onderrand komt te liggen.
+
+Voor de boven- en onderwanden maakt men bladen, van 17 1/2 duim lang
+en 30 duim breed, schaaft aan de zijden, die de binnenkanten moeten
+vormen, op gelijke afstanden van de uiteinden, groeven van 1/4 duim
+diep en 3/4 duim breed, welker binnenranden juist 9 1/2 duim van
+elkander verwijderd moeten zijn. In fig. 4 zijn deze groeven aangeduid
+door de letters p, q, r en s en in fig. 5 door v, w, x en y.
+
+De zijwanden worden nu in deze groeven van de boven- en onderwanden
+geschoven en met spijkers daarin bevestigd. Aan de kanten, waar
+de deuren moeten komen, zet ik, voor het afwijken, gewoonlijk eene
+houtschroef. Men vult daarna de zijwanden op de vroeger omschreven
+wijze en maakt in de onderste lijst, die het vulsel bedekt,
+eene opening, waardoor het kokertje voor het vlieggat, gestoken
+kan worden; maakt dit er in vast en brengt aan de buitenzijde een
+zinken schuifje voor hetzelve. Nu wordt onder het vlieggat nog een
+vliegplankje gemaakt, dat 2 duim breed en 6 duim lang is. Het moet
+zoo aangebragt worden, dat de bovenkant gelijk komt met de onderzijde
+van het vlieggat, opdat de te huis komende bijen, na zich op dit
+plankje nedergezet te hebben, ongehinderd kunnen binnengaan en niet
+behoeven te klimmen. Naar buiten moet het eenigzins afhangen om den
+regen te doen afloopen. Bij het vervoeren is het zeer gemakkelijk,
+als de vliegplankjes van de woningen genomen kunnen worden. Zij
+nemen daardoor minder plaats in, en het gebeurt ook dikwijls, dat
+deze plankjes er afbreken. Een vliegplankje ziet men bij t, fig. 4,
+een zinken schuifje bij z, fig. 5.
+
+Voor de schuifjes neemt men stukjes zink, van 7 duim lang en 1 1/4
+duim breed; maakt 3/4 duim van de uiteinden, bij a', b', c' en d',
+fig. 5, insnijdingen van 3/16 duim diep en vouwt de gedeelten a'b'
+en c'd' om. Wil men dit netjes doen, zonder gevaar van scheuren te
+hebben, dan moet men het zink warm maken; het laat zich dan nagenoeg
+even gemakkelijk buigen als lood. Men maakt nu tusschen de omgevouwen
+randen eene opening, van 4 duim lang en 3/8 duim hoog, en maakt twee
+schuifjes, l' en m', om deze te sluiten. Hiervoor zijn twee schuifjes
+noodig, omdat, bij het vergrooten en verkleinen van het vlieggat,
+de opening steeds in het midden moet blijven. De schuifjes moeten aan
+het uiteinde, bij l' en m', kokervormig opgerold worden; behalve voor
+het aanvatten bij het openen en sluiten, dient dat kokertje nog om,
+bij het vervoeren der woning, de schuifjes aan elkander te binden,
+om het openvallen te beletten.
+
+Aan de woning ontbreken nu nog maar de deuren. Deze ziet men in
+doorsnede bij i en k, fig. 3; terwijl dat in fig. 5 de deur e'f',
+op eenigen afstand der woning, afgebeeld is. Zij worden gemaakt van
+dwars over elkander liggende plankjes, waardoor het krom trekken
+voorkomen wordt. Op de omschreven wijze maakt men twee bladen,
+het eene lang 10 en breed 15 duim, het andere omgekeerd lang 15 en
+breed 10 duim, en lijmt en spijkert, terwijl de lijm nog versch is,
+deze bladen op elkander.
+
+Het is goed eene opening, van 4 duim breed en 10 à 12 duim hoog, in
+het midden der deuren te maken. Men zaagt deze openingen dan in de
+bladen, voor dat zij op elkander gebragt worden en legt daar tusschen
+een traliewerk van dun ijzerdraad, dat haar overspant, waarna zij
+aaneen gehecht worden. Het traliewerk moet dan aan beide zijden door
+blindjes, g'h' fig. 5, van 3/4 duim dik, gesloten worden, om er de
+bijen en de buitenlucht af te houden. De blindjes moeten goed sluiten,
+zoodat er geene reten open blijven, waardoor licht in de woning zou
+kunnen vallen. Door vier wervels worden deze blindjes vastgezet; die
+aan de binnenzijde der deur worden van bandijzer gemaakt; zij zijn dan
+plat en staan dus niet in den weg; de buitenste kunnen van hout zijn.
+
+Deze luchtgaten zijn zeer gemakkelijk voor hen, die met de bijen
+reizen. Men neemt het binnenste blindje weg en sluit, nadat de bijen
+te huis gekomen zijn, het vlieggat, bindt dit toe en neemt nu ook
+het buitenste blindje weg; de woning kan dan vervoerd worden, zonder
+dat er eenig gevaar bestaat dat de bijen stikken. Op de plaats zijner
+bestemming aangekomen, opent men het vlieggat en zet, nadat de bijen
+een paar uren gevlogen hebben, de blindjes weder in de deuren; alles
+is nu weder in den gewonen toestand.
+
+Al trekt men niet met zijne bijen, toch zijn de luchtgaten zeer nuttig
+om haar, bij zeer heet weder, versche lucht te doen bekomen. Men
+zet die gedurende den nacht open en kan dit, op zeer heete dagen,
+ook overdag doen, wanneer men er maar een kleedje voor hangt, om
+het licht buiten te sluiten; er zal dan een weldadige trek op het
+vlieggat ontstaan. Door het aanbrengen van verkoeling, bewijst men dan
+de bijen eene groote dienst, en zij worden er tevens ijveriger door.
+
+De ringen i' en k', fig. 5, dienen om de deur gemakkelijk te kunnen
+aanvatten. Maakt men er geene luchtgaten in, dan is het voldoende één
+ring, in het midden der breedte en op 2/3 der hoogte, aan te brengen.
+
+Om het krom trekken der deuren nog meer tegen te gaan, maak ik daarvoor
+een raam van vier strooken, dat buitenwerks 15 duim hoog en 10 duim
+breed is. Aan eene zijde worden hierop dunne plankjes gespijkerd, die
+de binnenzijde der deur vormen, waarna de ingesloten ruimte met stroo
+wordt gevuld, dat met drie lijsten bevestigd en daarna bepleisterd
+wordt, zooals dit voor de zijwanden is gezegd. Luchtgaten worden er
+niet in gemaakt. De breedte der strooken wordt zoo groot genomen,
+dat zij, nadat de plankjes er opgespijkerd zijn, de deur eene dikte
+van 1 1/2 duim geven.
+
+Door vier wervels, u, v, w en x fig. 4, wordt de deur in de woning
+bevestigd; al weder om haar vlak te doen blijven.
+
+Wij hebben nu de zamenstelling van eene woning leeren kennen, en willen
+haar van binnen bezien. Zij zal daar eene hoogte van 15, eene breedte
+van 9 1/2 en eene diepte van 27 duim hebben; 12 duim boven den bodem
+zal aan weêrskanten in den zijwand eene groef, van 1/4 duim diep en
+ruim zoo breed zijn, waarin dus 18 staafjes kunnen geschoven worden
+(zie fig. 3, 4 en 5). Wilde men er nu een zwerm in plaatsen, de woning
+zou veel te groot zijn; hij kon haar in het eerste jaar onmogelijk
+vol bouwen en zou er dus geen geschikt verblijf in hebben. Men moet
+haar dus kunnen verkleinen. Hiervoor bezigt men een verkleinplankje
+(fig. 7) dat, zonder groote reten open te laten, gemakkelijk in
+de woning geschoven moet kunnen worden. In dit plankje boort men
+vier ronde gaten, a, b, f en g, van 1 duim middellijn, waarvan de
+middelpunten 2 duim van de zijwanden verwijderd zijn, terwijl zij
+voor de beide onderste, a en b, 3 en voor de beide bovenste, f en g,
+10 duim boven den onderkant moeten liggen. Over deze gaten brengt
+men strookjes, cd en hi, van 1 1/2 duim breed en bevestigt deze in
+hun midden, bij e en k, met een spijker, waarom zij, als een wervel
+draaijen kunnen. De gaten kunnen dan gesloten of zoo ver geopend
+worden, als men verlangt. De lengte der strooken moet zoo groot zijn,
+dat de gaten gesloten zijnde, de beide uiteinden tegen de wanden der
+woning klemmen, waardoor het plankje vast staat.
+
+Men schuift het verkleinplankje tot eene diepte van 9 duim in de woning
+en bevestigt het zoo, dat het niet kan omvallen, maar toch gemakkelijk
+kan worden uitgenomen. Daar de wervels geopend moeten worden, zet
+men het voor de zekerheid met een paar wiggen vast. De openingen, die
+aan weêrskanten daarvan door de groeven, die het vrijlaat, ontstaan,
+worden met mos digt gestopt, om de afgesloten ruimte voor de bijen
+vooreerst ontoegankelijk te maken. Dit afgezonderd gedeelte der
+woning heet honig-kamer of magazijn. In het eerste jaar hebben zij
+het niet noodig en men kan het dan geheel met mos vullen; doch in het
+tweede jaar, wanneer het andere gedeelte der woning volgebouwd is en
+de dragt nog niet heeft opgehouden, geeft men haar den toegang tot
+de honig-kamer, door de wervels zoover om te draaijen, dat van elk
+der gaten een gedeelte vrij wordt, waar juist ééne werkbij door kan,
+doch dat te klein is, om de moederbij of de hommels door te laten. Men
+schuift er dan zes staafjes, waaraan wastafels bevestigd zijn, in. De
+bijen zullen de haar aangeboden ruimte dadelijk in bezit nemen en er,
+indien de dragt blijft aanhouden, den zuiversten honig opleggen;
+want zij dragen er geen bloemenstof in, en er zal geen broed in
+worden aangezet, wanneer men de koningin belet heeft zich er in
+te begeven. Wanneer de dragt zoo ruim is, dat ook dit magazijn is
+volgedragen, dan ontneemt men haar eenige volle tafels en hangt er
+ledige voor in de plaats. Bij gebrek aan heele, ledige wastafels,
+kan men er ook strooken van aan de staafjes bevestigen.
+
+De ruimte, die men aan de andere zijde der woning nu nog heeft, is
+vooreerst voor een zwerm nog te groot, en ook deze moet verkleind
+kunnen worden. Men maakt daarvoor een dergelijk plankje als het
+andere, doch zooveel lager, dat het slechts tot aan de groef, waarin
+de staafjes geschoven worden, reikt. Op de bovenzijde wordt nu een
+gewoon staafje zoo bevestigd, dat de uiteinden aan beide zijden even
+ver oversteken en dat dus in de groeven sluitende, het plankje belet
+om te vallen, en gelegenheid geeft het naar willekeur te verschuiven.
+
+Men is nu in staat de grootte der woning, naar de sterkte van den
+zwerm, te wijzigen, doch moet de bijen ook beletten zich naar de
+ruimte, boven de staafjes, te begeven. Deze dient alleen om haar te
+voêren, om in den winter met mos gevuld te worden en om de behandeling
+der staafjes gemakkelijk te maken. De afsluiting dezer ruimte geschiedt
+met plankjes, van 1/2 duim dik, 9 1/4 duim lang en 2 7/8 duim breed,
+die overlangs en ook dwars op de staafjes gelegd kunnen worden en
+in beide gevallen, zonder te klemmen, alle openingen kunnen sluiten;
+want de naden, die zij aan de kanten openlaten, worden door de staafjes
+zelve gesloten.
+
+
+
+In bovenstaande beschrijving heb ik mij, wat vorm en afmetingen
+aangaat, geheel aan Dzierzon gehouden. In zulk eene woning worden
+tafels gebouwd, die bijna 12 duim hoog zijn, dat door velen en ook door
+mij, voor gevaarlijk en moeijelijk in de behandeling wordt gehouden:
+met honig of broed gevuld zijnde, verkrijgen zij toch eene aanzienlijke
+zwaarte en breken daarom ligt af. Hoewel nu Dzierzon teregt zegt,
+dat het minder gunstig is, om op de halve hoogte nog eene tweede
+rij staafjes aan te brengen, omdat de bijen, op deze stuitende, een
+beletsel ondervinden, dat haar eenigen tijd met bouwen doet ophouden,
+toch zijn de meesten er voor, om de tafels minder groot te laten
+bouwen. De zamenstelling der woning ondergaat dan eenige wijziging;
+De inwendige hoogte wordt 19 duim genomen, terwijl men de buitenlengte
+tot 28 duim vermindert; 16 duim boven den bodem wordt nu eene groef
+en midden tusschen deze en den bodem eene tweede groef gemaakt,
+zoodat nu twee rijen staafjes boven elkander komen, waaraan tafels,
+van 9 1/2 duim breed en nog geen 8 duim hoog, gebouwd worden, die
+zich bij eenige oplettendheid goed laten behandelen.
+
+De liggende woningen zijn zeer geschikt om tegen, en op elkander
+geplaatst te worden, waardoor zij elkander onderling verwarmen. Men
+bekleedt dan één der zijwanden niet met stroo, doch maakt hem van
+een plank, van 1 duim dik, waarover de boven- en onderwanden niet
+moeten uitsteken. Twee dezer woningen worden nu, met deze zijwanden,
+tegen elkander geschoven; twee andere worden er dwars op geplaatst,
+en op dezelfde wijze zet men er hierop nog twee, die nu weder even
+als de onderste staan. Een klein planken dak, zoo laag mogelijk,
+kan haar voor den regen bewaren. Op eene zeer kleine ruimte staan nu
+zes stokken, die weinig van de winterkoude te lijden hebben. Om den
+kouden wind niet tusschen de tegen elkander staande zijwanden te doen
+spelen, worden de naden tegen den winter, met mos digt gestopt. In
+den zomer daarentegen schuift men de woningen een weinig van elkander,
+daar eenige afkoeling dan wenschelijk is. Uit aldus te zamen gevoegde
+woningen, vliegen de bijen naar alle windstreken; de ondervinding
+heeft mij geleerd dat hiertegen geen bezwaar is.
+
+
+
+DE STAANDE WONING.
+
+De ineenvoeging der zamenstellende deelen heeft bij de staande woning
+op dezelfde wijze plaats, als voor de liggende is opgegeven. Men
+geeft haar slechts ééne deur. In den wand, tegenover de deur gelegen,
+wordt het vlieggat aangebragt, en even als de zijwanden, wordt hij
+met stroo gevuld.
+
+Inwendig is de staande woning 26 1/2 duim hoog, 9 1/2 duim breed
+en 18 duim diep; (er wordt hier verondersteld dat de deur gesloten
+is; daar deze 1 1/2 duim dik is, is de geopende woning 19 1/2 duim
+diep). Er worden drie rijen staafjes ingeschoven: elke rij bevat er
+12. De onderkanten van de groeven, voor de staafjes, liggen 8 1/4,
+16 1/2 en 24 3/4 duim boven den bodem. Boven de bovenste rij staafjes
+blijft er dus nog eene ruimte, van 1 1/2 duim, die dient om de staafjes
+gemakkelijk in de groeven te kunnen schuiven. Eene afbeelding dezer
+woning ziet men in fig. 8.
+
+Wil men eene staande woning met een zwerm bezetten, dan schuift men,
+in de beide onderste groeven, 5 of 6 staafjes, zet hier tegen een
+verkleinplankje, eveneens ingerigt als boven is opgegeven, en legt
+dekplankjes op de tweede rij staafjes. In het eerste jaar zal hij
+aan deze 10 of 12 staafjes gewoonlijk genoeg hebben.
+
+Wanneer de hem gegeven ruimte volbouwd is, geeft men hem toegang
+tot het bovenste gedeelte der woning, de honigkamer. In de bovenste
+groef schuift men ook staafjes, waaraan geheele wastafels, of strooken
+daarvan zijn gehecht; hierop legt men dekplankjes, want de ruimte boven
+deze staafjes mag niet bebouwd worden, daar dit het uitnemen der tafels
+zou bemoeijelijken. De dekplankjes der tweede rij staafjes blijven
+liggen, maar men stelt de honigkamer met het volbouwde gedeelte der
+woning in gemeenschap, door tusschen de deur en het laatste dekplankje
+eene reet van 1/2 duim te laten. Hierdoor moeten de bijen opklimmen;
+zij zullen dit spoedig doen wanneer men de voorste wastafel, die
+in de honigkamer hangt, zoo lang neemt dat zij voor de reet komt,
+zonder deze echter te sluiten. In de honigkamer zullen de bijen nu den
+zuiversten honig, vrij van bloemenstof, opleggen; ook zal er geen broed
+in worden aangezet, daar de moederbij er zich zelden of nooit heen
+zal begeven, omdat de toegang te ver van het broednest verwijderd is,
+en het haar daar gewoonlijk ook te koud zijn zal. Mogt de koningin
+zich echter ook daarheen begeven, dan moet men haar den toegang zoo
+veel mogelijk beletten, door den bouw tot aan het broednest uit te
+nemen en hiertegen een of twee verzegelde honigtafels te hangen,
+daar de moederbij zich over deze tafels niet ligt heen begeven zal om
+ledige cellen te zoeken. Voor de zekerheid kan men het verkleinplankje
+nog tegen de verzegelde tafels zetten, de gaten in dit plankje een
+weinig openende. Het ledige gedeelte der woning wordt nu weder,
+tot aan de deur volgehangen. Mogt eene zeer vruchtbare moederbij,
+ondanks deze voorzorgen, toch in de honigkamer opklimmen, dan moet
+men de broedaanzetting onmogelijk maken, door haar eenigen tijd in
+een moederhuisje op te sluiten.
+
+Tegen den winter moet men de honigkamer geheel ledig maken en haar
+met stroo, mos of een kussen aanvullen, na de reten naauwkeurig
+digtgemaakt te hebben. Deed men dit niet, men zou gevaar loopen dat
+de waterdamp, die gedurende den zit der bijen gevormd wordt, naar
+boven trok, waardoor zij geen water zouden kunnen bekomen, om haar
+te dik voedsel te verdunnen: te midden van haar voorraad moesten zij
+dan den hongerdood sterven!
+
+Ook de ruimte, tusschen de deur en het verkleinplankje, wordt tegen
+den winter met stroo of mos gevuld. Zij moet ten minste drie duim
+diep zijn. Is de bouw te groot, zoodat deze ruimte kleiner is,
+dan neemt men een of meer tafels uit elke rij weg, waardoor het
+verkleinplankje dieper geschoven kan worden. In het voorjaar geeft
+men haar de weggenomen tafels terug.
+
+Men moet het verkleinplankje in den winter niet tegen het broednest
+laten staan, maar er gevulde of ledige tafels tusschen hangen, daar
+dit den bouw warmer maakt.
+
+Bevindt men in het voorjaar, na de eerste vlugt der bijen, dat de
+vulling nat of schimmelachtig is geworden, dan neemt men deze weg
+en geeft haar eene nieuwe; had men kussens gebruikt dan laat men
+die droogen.
+
+
+
+ZAMENGESTELDE WONINGEN.
+
+Twee of meer Dzierzon'sche woningen kunnen tot een geheel vereenigd
+worden, hetgeen bouwstoffen bespaart en warmteverlies voorkomt. De
+zamengestelde woningen, die men daardoor verkrijgt, zullen wij thans
+nader beschouwen, beginnende met de dubbele.
+
+De dubbele, zoowel liggende als staande woningen, worden eveneens
+vervaardigd als de enkelvoudige, doch men maakt de binnenwijdte een
+duim grooter, dan tweemaal die der enkelvoudige, en dus 20 duim. Door
+een tusschenschot, van één duim dik, dat aan beide zijden groeven
+heeft, die met die der zijwanden overeenkomen, wordt de woning nu in
+twee volkomen gelijke deelen verdeeld, die elk weder 9 1/2 duim breed
+zijn. Bij de liggende woning maakt men, in het midden der breedte van
+elk der zijwanden, een vlieggat; bij de staande daarentegen komt wel
+in elken zijwand een vlieggat, maar dit wordt zoo digt mogelijk naar
+den voorwand gebragt.
+
+De dubbele heeft met vele zamengestelde woningen het voordeel, dat
+de vereeniging der zwermen tegen den winter en hunne scheiding in het
+voorjaar, zeer gemakkelijk geschiedt. Men maakt daartoe eene opening
+in den tusschenwand, van 2 à 3 duim breed en 1 duim hoog, die juist
+tegenover de beide vlieggaten ligt, zoodat men er doorheen kan zien. De
+opening wordt met eene houten stop gesloten en deze goed bevestigd.
+
+Wanneer men nu in het najaar de in beide afdeelingen der woning
+geplaatste zwermen wil vereenigen, omdat het een van hen of wel beide
+aan voldoenden voorraad ontbreekt, dan ontneemt men den geheelen
+bouw aan dien stok, welken men met den anderen wil vereenigen en
+voegt dezen nog zoovele, met honig en broed gevulde, tafels toe,
+als de vereenigde zwerm zal behoeven. In de ledig gemaakte afdeeling
+der woning, wordt de opening in den tusschenwand, na er de stop te
+hebben uitgenomen, in verbinding gebragt met het vlieggat, door er een
+doorgang in te plaatsen, gemaakt van een plankje, waarop aan beide
+kanten latjes bevestigd zijn. De breedte en hoogte van den doorgang
+moeten overeenkomen met die van het vlieggat, terwijl hij in de lengte
+juist in de woning moet sluiten. Alle bijen worden nu uit dit gedeelte
+der woning gejaagd, waarna het met hooi of stroo aangevuld en gesloten
+wordt. De terugkeerende bijen zullen, haar eigen vlieggat ingaande,
+toch bij hare buren komen. Om het vechten te voorkomen moet men de
+bijen, van beide stokken, met muscuswater besprenkelen en de moederbij
+uit dien stok vangen, dien men met den anderen wil vereenigen. Beide
+vlieggaten moet men nu geopend laten; want elke bij blijft door haar
+eigen vlieggat invliegen; het andere leert zij niet kennen. Het zou
+daarom niet baten, wanneer men beide stokken in eene afdeeling der
+woning plaatste; want elke bij zou weder naar haar eigen vlieggat
+terugkeeren en die het gesloten vonden zouden of op andere stokken
+vervliegen en daar groote schade aanrigten, of omkomen.
+
+Even gemakkelijk als men nu de vereeniging bewerkstelligd heeft,
+kan men in het voorjaar de bijen weder scheiden. Die in het voorjaar
+uitgebroeid zijn, vliegen gedeeltelijk door het eene, gedeeltelijk door
+het andere vlieggat, maar elke bij kent er slechts één. Neemt men dus
+den doorgang weder weg en sluit men de opening in den tusschenwand,
+na den bouw over beide afdeelingen der woning verdeeld te hebben,
+dan is de scheiding volbragt. Den nieuwen stok geeft men het meeste,
+en vooral al het gesloten broed, maar zorgt ook hem eene tafel met
+ongedekt broed te geven; want geene moederbij hebbende, moet hij
+hulpcellen aanzetten en hij zal dit den eerstvolgenden nacht doen. Had
+de oude stok reeds moederwiegen aangezet, dan geeft men den nieuwen
+eene tafel, waarin er zich eene bevindt; de bijen, aan deze gewoon
+zijnde, zullen haar blijven bebroeijen en in weinige dagen weder eene
+koningin hebben. Wegens de jonge moederbij zal de stok dat jaar niet
+zwermen, doch hij kan daarentegen een goede honigstok worden. Het is
+ook omdat er geruimen tijd verloopt, eer dat de moederbij bevrucht
+kan zijn en dus met de eijerlage begint, dat men den nieuwen stok
+het op het uitkomen staande broed moet geven, en het is ook goed
+hem van tijd tot tijd eene tafel met broed toe te voegen, totdat
+men overtuigd is dat de jonge koningin bevrucht is. In den anderen,
+die de bevruchte moederbij behoudt, gaat de eijerlage geregeld voort.
+
+Bij de drievoudige woning wordt de binnenafstand der zijwanden 30 1/2
+duim genomen, welke ruimte nu door twee tusschenschotten, van 1 duim
+dik, in drie vakken, elk van 9 1/2 duim breed, verdeeld wordt. Het
+vlieggat der middelste afdeeling komt midden in den voorwand;
+die der buitenste worden in de zijwanden, zoo na mogelijk bij den
+voorwand gemaakt.
+
+Als algemeene regel, voor de plaatsing der vlieggaten, moet men in
+het oog houden dat zij, zoo wel onderling als van de deur, zoo ver
+mogelijk verwijderd moeten zijn.
+
+Indien men, bij den voornoemden afstand der zijwanden, den inwendigen
+afstand, tusschen den bodem en den bovenwand, 54 duim neemt en de
+ingesloten ruimte door eene plank, van een duim dik, in twee gelijke
+deelen verdeelt, die elk 26 1/2 duim hoog zijn zullen, dan verkrijgt
+men, na deze in de breedte elk weder, door tusschenschotten, in drie
+gelijke deelen verdeeld te hebben, de zesvoudige woning. Bij deze
+komen nu in den voorwand en in elk der zijwanden twee vlieggaten
+boven elkander.
+
+Maakt men de woning nog eene verdieping hooger, dan ontstaat de
+negenvoudige woning, die van alle zamengestelde het meest aan te
+bevelen is, wegens de geregelde verdeeling der vlieggaten. Het volk
+van elken stok heeft daarbij eene vrije vlugt en kan niet gemakkelijk
+vervliegen, hetgeen, wanneer de vlieggaten in dezelfde rigting en
+digt bij elkander geplaatst zijn, niet zelden tot verwarring en groot
+verlies aanleiding geeft.
+
+Worden drie zesvoudige, staande woningen, zoo geplaatst, dat hare
+voorwanden tegen het zuiden, het oosten en het westen staan, terwijl
+zij, met de kanten der zij- en achterwanden, elkander aanraken, dan
+zal er tegenover het noorden eene ruimte door haar worden ingesloten,
+welker breedte en diepte gelijk is aan de breedte der woningen. Sluit
+men deze opening nu met eene deur, en overdekt men haar en de woningen
+met één dak, dan heeft men, op eene zeer kleine ruimte, achttien
+bijenkoloniën geplaatst, van welke er, naar het zuiden zes, en naar
+elk der drie overige windstreken vier, zullen uitvliegen. Wanneer men
+nu tegen den winter de hoeken, waar de woningen tegen elkander staan,
+en ook die, tusschen de onderzijde van het dak en de bovenwanden der
+woningen, met stroo vult, en tegen de deur stroomatten stelt of, wat
+nog beter is, eene dubbele deur aanbrengt, dan zal in de ruimte, door
+de woningen ingesloten, de koude niet gemakkelijk doordringen, terwijl
+het er volkomen donker in zijn zal. Men behoeft nu de achterzijde
+der woningen niet met mos te vullen, doch hangt in de ledige ruimte
+wastafels. Maakt men nu in de deuren ook vlieggaten, dan kan men de
+buitenste sluiten; want door de achterste zullen zij voldoende van
+versche lucht voorzien worden; kwamen zij zelf eens aan het vlieggat,
+dan zouden zij, meenende dat het nacht was, terstond weder terugkeeren.
+
+Beter en gemakkelijker kan men zijne stokken niet doen overwinteren;
+men moet slechts zorgen, door een paar togtgaten, versche lucht in
+de afgesloten ruimte te kunnen brengen. Wanneer eens een schoone dag
+invalt, dan is het openen van de buitenste vlieggaten voldoende, om
+de bijen te doen uitvliegen; terwijl men er die, welker vlieggaten
+niet door de zon beschenen worden, toe kan opwekken, door haar
+met een weinig laauwen, verdunden honig te besprenkelen, dat het
+gemakkelijkst geschiedt met eene spuit, waarvan de pijp gebogen is;
+deze door het vlieggat stekende, en den straal naar boven rigtende,
+treft men zeker de bijen. Na eenige oogenblikken zullen nu alle stokken
+voorspelen en zich reinigen. Sluit men des avonds de vlieggaten weder,
+dan zijn de stokken in hun wintertoestand teruggebragt.
+
+Het ligt in den aard der zaak, dat zamengestelde woningen moeijelijk
+zijn voor hen, die met de bijen reizen; wanneer zij met honig gevuld
+zijn, wordt het vervoeren moeijelijk, wegens hare zwaarte. Daartoe
+gebruikt men dan ook alleen dubbele woningen, waarvan men er twee of
+drie op elkander plaatst en met één dak bedekt. Verplaatst men deze
+nu, dan zullen de bijen zich terstond te huis gevoelen, wanneer de
+woningen weder zoo op elkander gesteld en met het dak gedekt zijn,
+als zij dit vroeger waren. Maar ook het vervoeren der dubbele woningen
+wordt nog zeer lastig door hare zwaarte, waarom men meestal de voorkeur
+schenkt aan enkelvoudige, liggende woningen, die zoo ingerigt zijn,
+dat zij op elkander geplaatst kunnen worden.
+
+
+
+Het is hier de plaats om nog eene woning te beschrijven, welker
+zamenstelling ik zelf bedacht heb, en die mij, zoowel wegens haar
+gemak, als om haar bevallig aanzien, zeer voldoet. Zij is ook zeer
+geschikt voor hen, die met de bijen trekken, doch zij moet even
+als de korven in een stal geplaatst worden, daar de eigenschap
+haar ontbreekt, dat er eenige op elkander geplaatst en met één dak
+overdekt kunnen worden. Wil men haar echter afzonderlijk plaatsen,
+dan kan dit ook geschieden, wanneer men haar met een los houten of
+zinken dak overdekt, en haar alzoo voor den regen beschermt. Men ziet
+haar in fig. 9 afgebeeld.
+
+Voor de beide zijwanden maakt men van strooken, ter breedte van 3 en
+ter dikte van 3/4 duim, ramen, die buitenwerks 20 duim hoog en 24 duim
+lang zijn. De eene zijde van elk dier ramen wordt bekleed met een,
+op de vroeger vermelde wijze, geploegd en gelijmd blad, van gelijke
+hoogte en lengte als het raam, bij eene dikte van 3/4 duim. In deze
+bladen worden twee groeven gemaakt, waarin de staafjes geschoven moeten
+worden. De onderkanten dezer groeven neemt men 8 1/2 en 16 3/4 duim
+boven den onderrand der bladen. Ook de sponningen, die tot aanslag der
+deuren moeten dienen, worden in deze bladen geschaafd. Men maakt haar
+beide ruim 1/4 duim diep; de voorsten, waarvan er hier eene gezien
+wordt bij abcd, geeft men eene breedte ab van 4 duim, terwijl die
+der achtersten slechts 1 1/2 duim wordt genomen. In het midden van
+het raam brengt men, op de buitenzijde van het blad, een klamp aan,
+van 1 duim dik. Zijne bestemming is het vasthouden der spijkers,
+die, na de opvulling, de beide lijsten ef en gh in het midden het
+doorbuigen moeten beletten; hij behoeft dus niet breed te zijn.
+
+Zijn nu de wanden zoover gereed, dan worden zij met stroo gevuld,
+waarover een stroomatje gelegd wordt, dat door vier lijsten, lm, ef,
+gh en ik wordt neergedrukt. Men neemt deze lijsten 2 duim breed en
+1/2 duim dik. Zij worden staande aangebragt, twee gelijk met de voor-
+en achterkanten van het raam en de beide anderen op onderling gelijke
+afstanden daar tusschen.
+
+Tegen de nu voltooide zijwanden wordt een, te voren behoorlijk aan een
+geploegde en gelijmde bodem, van 1 duim dik, gespijkerd. De afstand
+der zijwanden wordt weder 9 1/2 duim genomen, waartoe de bodem 16
+1/2 duim breed zal moeten zijn, wil men de lijsten lm, ef, gh en ik,
+in één vlak met de kanten van den bodem doen vallen, gelijk dat in
+de figuur geteekend is.
+
+Aan de voor- en de achterzijde wordt nu, boven op de zijstukken,
+eene strook, van 4 duim breed bij 1/2 duim dik, gebragt, die met
+de buitenkanten gelijk komt. Deze strooken, waarvan men er eene bij
+no voorop ziet, houden, met den bodem, de zijwanden 9 1/2 duim van
+elkander verwijderd.
+
+Boven aan de zijwanden worden nu lijsten pq en rs, van 3 duim breed
+en 3/4 duim dik, gebragt, die 1 duim op den wand liggen en daar dus 2
+duim boven uitsteken, terwijl zij voor en achter gelijk met de voor-
+en achterwanden komen. Tusschen deze beide lijsten brengt men nu voor
+en achter, op de kanten der strooken waardoor de zijwanden aaneen
+gehouden worden, latten tu en vw, van 3/4 duim dik en 1 1/2 duim hoog,
+waarvan de bovenkanten, met die der op de zijden aangebragte lijsten,
+in één vlak zullen liggen. Op de zijwanden legt men, tusschen de beide
+strooken, die hen bijeen houden, plankjes, van 1/2 duim dik, die de
+opening geheel sluiten. Boven deze plankjes is nu, tusschen de lijsten,
+eene ruimte van 1 1/2 duim hoog, waarin eene stroomat gelegd wordt.
+
+Voor de voorste deur maakt men van strooken, van 3 1/2 duim breed
+en 3/4 duim dik, een raam, dat juist in de opening sluit, en dus
+buitenwerks 10 duim breed en 20 duim hoog is. Den eenen kant er van
+bekleedt men met plankjes, van 1/2 duim dik, die den binnenkant der
+deur moeten vormen. Daarna wordt het met stroo gevuld, en dit met
+drie lijsten neêrgedrukt. In deze deur wordt het vlieggat aangebragt,
+zooals dat op bl. 86 is opgegeven.
+
+De achterdeur wordt van dwars over elkander liggende planken, van
+3/4 duim dik gemaakt, zooals op bl. 87 voor de liggende woning is
+gezegd. Door vier wervels x, ij, z en a' worden de deuren gesloten.
+
+De honigkamer vervalt in deze woningen. Ik schuif ten minste in elke
+groef 8 staafjes en zet daar tegen een verkleinplankje als boven
+beschreven werd. In de ruimte tusschen dit en de deur, laat ik den
+honig dragen.
+
+Bij zeer ruime honigdragt, kan men een gedeelte van het dek wegnemen
+en door de opening een van onderen open, met wastafels gevuld kastje,
+van dunne plankjes gemaakt, op de bovenste rij staafjes plaatsen: de
+bijen zullen deze tafels voldragen. Als de dragt geëindigd is neemt men
+het kastje weder weg. Ook kan men op de bovenste rij staafjes kleine
+gevlochten korfjes of groote bierglazen, waarin wastafels bevestigd
+zijn, plaatsen; ook deze zullen zij voldragen. Het spreekt van zelf
+dat, wat men er ook op plaatsen mag, voor eene goede afsluiting der
+gemaakte opening gezorgd moet worden; de bijen zouden er anders toch
+een uitgang door hebben en, wat veel erger zijn zou, men zou een vrijen
+toegang voor roovers openen! Wanneer men glazen op de staafjes zet,
+dan moeten deze voor het licht bedekt worden; het eenvoudigst is er
+een bloempot over te zetten.
+
+
+
+Met de Dzierzon'sche woningen nu bekend geworden zijnde, vraagt men
+zichzelven af: "verdienen deze woningen nu werkelijk, boven alle
+vroeger in gebruik zijnde, de voorkeur, of moet men hen gelooven, die
+beweren dat zij meer aardig dan nuttig zijn."--Mogt deze twijfel ook
+bij enkele van mijne lezers ontstaan zijn, de opsomming van eenige
+voorregten der woningen met lossen bouw zal dien, hoop ik, terstond
+weder wegnemen.
+
+Bij deze woningen kan men zich overtuigen of er eene moederbij aanwezig
+is, en zoo ja, of zij die eigenschappen bezit, die voor de welvaart van
+den stok noodig zijn: of zij vruchtbaar is en het broed geregeld afzet,
+zonder er ledige plaatsen tusschen te laten of, wat nog erger is,
+hommelbroed onder het werkbijenbroed aan te zetten. Men kan er zich
+van verzekeren dat eene jonge moederbij geen gebrek aan de vleugels
+heeft, dat haar het houden der bevruchtings-uitvlugt zou beletten;
+of zij vruchtbaar geworden en met de eijerlage begonnen is, en of
+er volk genoeg aanwezig is om de eijeren te bebroeijen en voorraad
+op te halen. Met veel meer zekerheid, dan het wegen met de hand dit
+leeren kan, ziet men in deze woning, of zij rijk of arm aan volk en
+voorraad is, of er veel of weinig broed is aangezet. In geene andere
+woning kan men het natuurlijk evenwigt zoo spoedig en gemakkelijk, en
+tevens zoo doelmatig herstellen, als dit hier door het inhangen van
+tafels, met broed, honig of bloemenstof gevuld, kan geschieden. Is
+men van den goeden staat zijner overstanders verzekerd, dan gaat
+men den winter gerust te gemoet, en wanneer er met het voorjaar
+weder leven en bedrijvigheid in den stok ontstaat, dan kan men
+met eene Dzierzon'sche woning handelen, zoo als geene andere dat
+toelaat. Zonder het broedaanzetten in het minst te verstoren, kan
+men het broednest vernieuwen, het hommelwas geheel verwijderen en
+de beschadigde tafels met nieuwe verwisselen. Ingeslopen wasmotten
+kunnen weggevangen en de woning kan geheel gereinigd worden. Wanneer
+een natuurlijke zwerm of een kunstzwerm wordt opgezet, dan kan men hem
+zonder groote onkosten zijne voorraadschuren geven, waardoor men hem
+verscheidene dagen van inspanning bespaart, die hij aan de wasbereiding
+zou hebben moeten opofferen: de moeite en kosten van deze uitrusting
+zal men ruim beloond zien. [12] Het zwermen kan men zoowel bevorderen
+als verhinderen, en wanneer men kunstzwermen verlangt te maken, weet
+men vooruit dat het oogmerk bereikt zal worden. Onvolbouwde stokken
+kunnen in den herfst zeer gemakkelijk met elkander vereenigd worden en
+in geene woning geschiedt de honigoogst zoo gemakkelijk als in die van
+Dzierzon. Maar waar zou ik eindigen, indien ik alles wilde opsommen,
+waartoe deze woningen ons in staat stellen? Ieder bijenkweeker, die
+behoorlijk nadenkt, zal moeten erkennen, dat hare inrigting hoogst
+doelmatig is en dat er bij haar gebruik geene sprake van aardigheid
+zijn kan, maar dat het eene nieuwe leerwijze geldt, die de bijenteelt
+op eene hoogte zal brengen, waaraan men vroeger niet kon denken.
+
+Is het dan ook waar dat Dzierzon's woningen geen honig zweeten kunnen;
+dat er geen honig kan worden ingezameld, wanneer de natuur hem niet
+oplevert; niet minder waar is het, dat zij van het grootste gewigt
+zijn, vooral in die streken, waar de honig slechts spaarzaam en
+gedurende een korten tijd kan verzameld worden, terwijl zij, ook in
+honigrijke streken, met het meeste voordeel worden aangewend.
+
+Wie nu Dzierzon's leerwijze volgen wil, zorge dat zijne woningen
+zoo volkomen mogelijk zijn. Waren zij toch onnaauwkeurig gemaakt,
+zoodat de staafjes, of in de groeven klemden, of er uit konden
+vallen, in beide gevallen zou men de woningen veroordeelen en gevaar
+loopen om zijn tegenspoed aan de leerwijze te wijten, terwijl de
+slechte zamenstelling der woningen er de schuld van droeg. Bij eene
+naauwkeurige bewerking is, om haar nut niet verloren te doen gaan,
+stevigheid een hoofdvereischte; zij moeten haar vorm behouden en geene
+scheuren of openingen verkrijgen. Bij de zamengestelde woningen moet
+men er ook vooral op letten, de tusschenwanden zoo aan te brengen,
+dat de bijen van verschillende stokken niet bij elkander kunnen komen,
+want dit zou haar te zamen doen omkomen.
+
+Wil men nu een zwerm in eene woning plaatsen, dan moeten vooraf
+wastafels aan de staafjes gehangen worden. Hierdoor geeft men hem
+de aanwijzing hoe er gebouwd moet worden. Liet men dit geheel aan de
+willekeur der bijen over, in de meeste gevallen zouden zij den bouw
+dwars aan de staafjes hangen, waardoor zijne uitneembaarheid geheel
+vervallen zou. Is haar eene aanwijzing gegeven, dan onderwerpen
+zij zich onvoorwaardelijk, den bouw met eene bewonderenswaardige
+gelijkmatigheid vervolgende in die rigting, die men haar aangegeven
+heeft. Men moet voor deze aanwijzing wastafels hebben, die men uit
+zijne eigene stokken nemen kan, en, zoo deze die niet missen kunnen,
+is men verpligt haar te koopen. De kleinste stukjes dezer tafels
+moet men met zorg bewaren, want veelal heeft men er groote behoefte
+aan. Aanvankelijk moeten in de woning niet meer dan acht of hoogstens
+tien staafjes, waaraan wastafels of gedeelten daarvan zijn bevestigd,
+worden gehangen. De bijen willen haar allen bezetten, en zouden,
+zoo het getal grooter was, hare krachten te veel verdeelen, en de
+voor den wasbouw vereischte warmte niet kunnen ontwikkelen. Zijn
+deze tafels volbouwd en met broed en voorraad gevuld, dan voegt men
+er weder een paar bij, maar nooit te veel in eens.
+
+Vóór de bevestiging der tafels aan de staafjes, moet men zich
+overtuigen dat zij regt zijn; waren zij dit niet, dan zouden zij er
+aan den eenen kant oversteken en aan de andere zijde niet tot aan
+den kant van het staafje reiken. Vervolgden nu de bijen den bouw,
+dan zouden zij de tafels aan elkander of ten minste met bogten bouwen,
+waarvan de schuld niet bij haar zou liggen. Heeft men slechts kromme
+tafels, dan moet men die vooraf regt maken, door haar in de zon of
+door eene zachte warmte week te maken, en op een plat vlak, met eene
+kleine, gelijkmatige drukking, neder te leggen; ik doe dit tusschen
+twee boeken. Na de bekoeling blijven zij regt.
+
+Men snijdt de tafels zoo, dat zij de breedte der woning hebben,
+waarin zij geplaatst moeten worden, hare hoogte gelijk nemende aan
+die, waartoe men gebouwd wil hebben. Er moet ook op de rigting der
+cellen gelet worden; de bijen bouwen deze toch eenigzins schuins
+naar boven staande; plaatste men de tafel omgekeerd in de woning,
+zij zouden haar moeten verbouwen.
+
+Is men niet ruim van tafels voorzien, dan is het voldoende eene
+strook, van 1 duim breed, aan de staafjes te hechten, zoo zij slechts
+de geheele lengte van het staafje bedekt; bij groote behoefte kan
+men zelfs volstaan met aan elk staafje een paar kleine stukjes van
+wastafels te bevestigen.
+
+Hoe helderder de kleur der tafels is, des te beter zijn
+zij. Sprokkelige, die bij de minste aanraking kruimelen, kunnen niet
+dienen; want de bijen bijten deze af en dragen de stukken buiten de
+woning; in plaats van haar eene dienst te bewijzen, zou men haar dus
+veel werk bezorgen. Bij groote behoefte kan men ook gebruik maken
+van geheel zwart geworden tafels, maar van deze neemt men altijd maar
+strooken, die de bijen eerst zuiveren en daardoor voor haar gebruik
+geschikt maken.
+
+De aanhechting der tafels geschiedt met was, dat men daartoe langzaam
+smelt in een blikken bakje, welks lengte gelijk is aan die der
+staafjes. In het gesmolten was doopt men den te voren glad gesneden
+kant der tafel en zet haar met spoed op het staafje, zorgende dat zij
+er goed regt op staat; met de hand wordt zij nu een weinig aangedrukt
+en met de bekoeling van het was is de aanhechting voltooid.
+
+Dit bevestigen met was gaat spoedig, doch het is kostbaar en men
+heeft weinig tijd om de tafel de vereischte rigting te geven. Door de
+Bienen-Zeitung, voor 1857, heb ik eene andere wijze leeren kennen,
+die aanbeveling verdient. Zij bestaat daarin dat men op twee of
+drie plaatsen van den regtgesneden kant der tafel, een weinig van
+de kalklijm legt, die voor het lijmen der woningen dient, en haar nu
+vast op het staafje drukt. Na een paar dagen is deze lijm droog. Nog
+gemakkelijker geschiedt de aanhechting met tarwenbloem, die met water
+tot eene dikke pap gemaakt is. Deze bevestigt de tafels volkomen,
+en de bijen hebben er geen hinder van. Van alle middelen is dit wel
+het beste; het kan altijd bij de hand zijn, het is zeer goedkoop en
+men heeft behoorlijk tijd om de tafel regt te zetten, terwijl dat
+zij na 24 uren stevig bevestigd is.
+
+Het bevestigen der wastafels aan de staafjes kan eenige dagen voor dat
+zij gebruikt moeten worden reeds geschieden, wanneer men haar dan maar
+in eene ledige woning hangt en deze geheel sluit, ook het vlieggat,
+opdat er geene wasmotten binnen kunnen dringen en hare eijeren in de
+cellen leggen.
+
+Aan ieder staafje behoeft de aanhechting maar eens te geschieden; want
+bij den honigoogst snijdt men de tafels niet geheel van de staafjes af,
+maar laat er eene strook van een halven duim aan zitten. Men legt deze
+staafjes aldus, gedurende eenige uren, op den bodem van eene bevolkte
+woning; de bijen zullen den uit de verbrijzelde cellen vloeijenden
+honig oplikken, waarna men de staafjes bewaren kan.
+
+
+
+
+
+DE BIJENSTAL.
+
+
+Om de bijenwoningen voor den onmiddellijken invloed van de
+weêrsgesteldheid te beveiligen, plaatst men haar in zoogenaamde
+bijenstanden of stallen.
+
+Bij de Dzierzon'sche woningen zouden zij geheel gemist kunnen
+worden. Men kan deze toch gemakkelijk voor den regen bewaren; terwijl
+dat die, welke uit zes of meer tot een geheel vereenigde afdeelingen
+bestaan, in geen stal geplaatst kunnen worden. Heeft men een doelmatig
+lokaal beschikbaar, waarin men de enkelvoudige en dubbele woningen
+gedurende den winter kan plaatsen, dan acht ik het bezit van een
+stand niet eens bijzonder wenschelijk. Het is toch, voor het goed
+slagen der bijenteelt, van zeer veel belang, dat de woningen ver van
+elkander verwijderd zijn. Groote bijenstallen, waarin twee of drie
+rijen korven boven elkander staan, mogen voor het oog schoon zijn,
+vooral wanneer zij geheel bezet zijn, omdat men alle stokken met een
+oogopslag kan zien vliegen; zij zijn echter zeer nadeelig. Er heerscht
+toch in den omtrek dezer stallen meestal een zeer sterke honigreuk,
+die niet zelden rooverij uitlokt, en de bijen uit de bovenste woningen
+vervliegen veelal op de onderste; vooral zwakke stokken worden er
+gewoonlijk nog zwakker; wanneer b. v. de jonge bijen uit een zwakken
+stok haar eerste voorspel houden, terwijl ook de bijen van sterkere
+stokken, in hare nabijheid voorspelen, dan verlokken deze door haar
+sterker gezang de eersten om zich bij haar te voegen.
+
+Bij het zwermen zijn groote bijenstanden ook zeer nadeelig. Wanneer
+toch de moederbij door eenig gebrek niet vliegen kan, of om eene
+andere reden door de bijen gemist wordt, dan zullen zij weder op den
+moederstok terug willen vliegen, maar in de verwarring zullen velen op
+de in de nabijheid staande stokken vallen en daar òf worden afgestoken,
+òf de haar onbekende moederbij voor eene vreemde indringster houden
+en haar afmaken. Ook is het digt bij elkander staan der woningen
+gevaarlijk voor jonge moederbijen, die van hare bevruchtings-uitvlugt
+terugkeeren, daar zij niet zelden op naburige stokken verdwalen
+en daar een zekeren dood vinden. De beide laatste bezwaren zijn
+zeker hoofdoorzaken, dat men op groote bijenstanden zooveel over
+moederloosheid klaagt, terwijl dat deze, bij vrij staande woningen,
+zelden voorkomt.
+
+De stallen, die men het meest bij de bijenhouders aantreft, bestaan uit
+lage afdakken, welke aan de voorzijde 4 en aan de achterzijde 3 à 3 1/2
+voet hoog zijn, terwijl de diepte 3 voet bedraagt. Van boven worden zij
+met pannen gedekt, en de zij- en achterwanden worden met planken, stroo
+of riet digtgemaakt; de voorzijde blijft geheel open. In deze stallen
+plaatst men de woningen naast elkander op een planken vloer, die 1 voet
+boven den grond ligt. Zij zijn zeer eenvoudig, maar hebben tegen zich,
+dat men de stokken, alleen vóór den stand staande, kan behandelen,
+hetgeen om verschillende redenen nadeelig is; bij de zamenstelling
+wordt ook niet gezorgd, dat de voorzijde in den winter gesloten kan
+worden, en het geheel is meestal ook niet volkomen digt gemaakt.
+
+Mijne stallen zijn wel kostbaarder, doch zij beantwoorden ook veel
+beter aan hunne bestemming. Zij zijn 30 voet lang, 3 1/2 voet diep, aan
+de voorzijde 3 1/2 en aan de achterzijde 4 1/2 voet hoog, zoodat zij
+vooraan, in eene daar aangebragte goot, afwateren. Voor den voorwand
+neemt men als onderlegger eene rib van 4 duim breed en dik, en als
+bovenlegger eene rib van 4 duim breed en 6 duim dik. Deze leggers
+worden door zeven staande stijlen, van 4 duim breed en dik, met pen
+en gat aan elkander verbonden. De stijlen worden op gelijke afstanden
+van elkander geplaatst, zoodat men in den voorwand nu zes vakken
+heeft, die met deuren gesloten worden. De sponningen, waarin deze
+deuren rusten, verkrijgt men door aan de binnenzijde tegen de leggers
+doorloopende latten, van 2 duim breed en 1 duim dik, te spijkeren,
+die er 1 duim opliggen en er even zooveel overheen steken. Tusschen
+deze latten worden op de stijlen strooken, van 6 duim breed en 1 duim
+dik, bevestigd, zoodat zij er aan beide zijden 1 duim buiten komen;
+(voor den eersten en den laatsten stijl, behoeft het maar eene lat
+te zijn, als op de leggers, want zij moet daar maar aan een kant over
+den stijl komen). Voor de deuren maakt men ramen, die in deze vakken
+passen, van strooken duims hout, van 2 1/2 duim breed. Deze ramen
+worden met stroo gevuld. Hiervoor spijkert men op de eene zijde, aan
+weêrskanten strooken, van 3 duim breed en 3/4 duim dik, en tusschen
+deze met gelijke tusschenruimten nog drie latten, die ook 3/4 duim
+dik moeten zijn. Het raam wordt nu met stroo gevuld, dat bevestigd
+wordt door de andere zijde evenzoo te bespijkeren, als met de eerste
+geschied is. Daarna bepleistert men het stroo, tusschen de strooken,
+met een mengsel van kalk, leem, zaagsel en koemest. De deuren zijn
+aan de kanten nu 4 duim dik, en sluiten dus juist in de sponningen;
+door vier wervels, die op de stijlen bevestigd zijn, zet men haar vast.
+
+De achterwand wordt op dezelfde wijze gemaakt, als voor den voorwand
+nu is opgegeven; de hoogte behoeft slechts 1 voet grooter genomen
+te worden. Voor den bovenlegger kan men echter volstaan met eene
+rib van 4 duim breed en dik; in den voorwand wordt de grootere dikte
+vereischt, om plaats voor de goot te bekomen, zonder dat deze het uit-
+en inzetten der deuren verhindert.
+
+De zijwanden maakt men van over elkander gerabatteerde planken. Zij
+worden aan de voor- en achterwanden bevestigd door middel van zware
+ijzeren krammen, die in de uiteinden der leggers geslagen zijn, en
+door openingen in de zijwanden zoover naar buiten komen, dat er daar
+wiggen in gestoken kunnen worden.
+
+Het dak wordt van planken gemaakt, die aan de achterzijde, voor
+het inwateren, 4 duim uitsteken en op de bovenleggers der voor- en
+achterwanden zijn bevestigd. Over de naden worden tengels gelegd. Dit
+dak wordt nu nog met pannen gedekt, waarna men aan den voorkant eene
+zinken goot aanbrengt. In fig. 10 ziet men een gedeelte van zulk een
+stand afgebeeld, waarbij de pannen en de goot zijn weggelaten.
+
+In plaats van de stroodeuren, die ik boven opgaf, kan men planken
+deuren gebruiken. Deze zijn veel gemakkelijker te maken, doch zij doen
+meer warmte verloren gaan, en zijn ook meer aan trekken onderhevig.
+
+Zet men den geheelen stal, zooals hij hier beschreven werd, op eene
+rollaag, dan zal de prijsverhooging ruim vergoed worden door de
+grootere duurzaamheid, die hij daardoor verkrijgt.
+
+In dezen stal zet ik eene losse stelling, waarop de woningen gezet
+worden. Zij wordt gemaakt van twee ribben, van 4 duim breed en 6
+duim dik, die op zes paar pooten rusten. Elk paar pooten wordt,
+aan de onderzijde der ribben, aan elkander bevestigd, zoodat deze
+binnenwerks overal 6 duim van elkander verwijderd zijn. De bovenkant
+der stelling moet 1 voet boven den grond komen. Onder elken poot legt
+men, voor het rotten en het in den grond zakken, een plaveisteen.
+
+De Dzierzon'sche woningen kunnen onmiddellijk op deze stelling
+geplaatst worden, doch de strookorven, die onderaan open zijn,
+moeten op planken staan. In plaats van een doorloopenden, planken
+vloer hiervoor te nemen, maak ik vierkante bladen, van 18 duim lang
+en breed, die uit twee aan elkander geploegde duimsplanken bestaan,
+welke aan de onderzijde door een klamp, van 6 duim breed, aan elkander
+verbonden zijn. Deze klamp past nu tusschen de leggers der stelling,
+zoodat men het blad daarover verschuiven kan, zonder dat het er af kan
+vallen. Op de kop-einden der planken spijkert men, voor het trekken
+en springen, nog eene duimslat. Iedere korf wordt nu op zulk eene
+onderplank geplaatst. Dat elke korf zijne eigene onderplank heeft,
+geeft gelegenheid, om den korf opligtende, de plank weg te nemen,
+en er eene schoone voor in de plaats te leggen. De weggenomene wordt
+nu schoon gemaakt en onder een volgenden korf gelegd; zoo voortgaande
+kan men hen allen verschoonen.
+
+De stal moet goed sluitend in elkander gemaakt zijn, zoodat er,
+wanneer de deuren gesloten zijn, geen licht binnen kan dringen, al
+wordt hij door de zon beschenen. Ook moet de warmte er zooveel mogelijk
+in besloten blijven. In het voorjaar en den zomer worden de deuren in
+den voorwand geopend. De behandeling der stokken geschiedt aan den
+achterkant, waarvoor men dan eene deur uitneemt; van de omvliegende
+bijen heeft men dan geen last, en staat haar ook niet in de vlugt. Er
+kunnen twaalf Dzierzon'sche woningen of achttien strookorven in dezen
+stal geplaatst worden. Zet men er meer in, dan komen de vlieggaten te
+digt bijeen. Gedurende den winter kan men evenwel den stal geheel vol
+plaatsen, wanneer men de overtollige woningen, bij de eerste vlugt
+der bijen in het voorjaar, maar naar hare gewone plaats brengt.
+
+Behoeft men geene kosten te ontzien dan is het verkieslijk zijne
+stallen zoo groot te laten maken, dat men er in kan gaan om de stokken
+te behandelen. De voorwand wordt dan eveneens gemaakt als boven gezegd
+is, doch 6 voet hoog genomen en bovenaan 2 voet met planken gesloten,
+opdat de zon niet op de woningen zou schijnen. De achterwand wordt
+8 voet hoog genomen, en, even als de zijwanden, van over elkander
+gerabatteerde planken gemaakt. De diepte neemt men zoo groot, dat
+er achter de woningen nog eene ruimte van 4 voet vrij blijft, die
+voldoende is voor alle werkzaamheden, welke aan de stokken verrigt
+moeten worden. In den eenen zijwand maakt men eene deur en in den
+achterwand twee of drie ramen, die met blinden gesloten worden. Het
+is duidelijk dat deze stallen de voorkeur verdienen. In den winter kan
+men een beter toezigt op zijne stokken hebben en naar zijne strengheid
+de dekking wijzigen; de muizen worden gemakkelijker weggevangen; de
+lucht kan in een oogenblik ververscht worden door 's avonds de deur
+te openen; eindelijk kan men 's winters een groot aantal woningen
+in de achterste ruimte plaatsen, daar men dan, niets in de stokken
+te verrigten hebbende, slechts een gang noodig heeft waar men door
+gaan kan.
+
+De kosten, aan eene doelmatige inrigting der stallen besteed, brengen
+hunne rente goed op, doordat het leven van een groot aantal bijen
+gespaard wordt, die anders, onvoldoende voor de koude beschut,
+omkomen. Wie er geen bezwaar in ziet, zijne bijen gedurende den
+winter, aan zon en wind bloot te stellen, denkende dat het voldoende
+is wanneer zij voor den regen beveiligd zijn, zal er de schouders
+wel eens voor ophalen, dat ik zulke kostbare stallen opgeef; maar
+hij kent de verliezen niet, die hij jaarlijks lijdt. Bij Dzierzon's
+woningen is de invloed van zon en wind minder nadeelig dan bij de
+korven, omdat de vlieggaten onder tegen den bodem geplaatst zijn en
+door de schuifjes verkleind kunnen worden.
+
+Nog zijn er bijenhouders, die het vroeger algemeen aangenomen gevoelen
+voorstaan, dat de bijenstand op het zuiden moet staan. Zij verheugen
+er zich over als zij, op het heetst van den dag, de korven geheel
+door de zon beschenen zien, en denken dat hunne bijen uitmuntend
+geplaatst zijn, terwijl zij, door de onlijdelijkste hitte gekweld,
+het niet alleen in hare woningen niet kunnen uithouden, maar ook
+veelal te afgemat zijn, om op de inzameling uit te gaan en dus
+werkeloos voorliggen.
+
+Het is moeijelijk bepaald aan te geven welke rigting voor den
+bijenstand de beste is. Men bepaalt haar naar de plaats, welke
+men beschikbaar heeft. Kan men hem alleen op het zuiden plaatsen,
+dan moet men zorgen dat ten minste de bovenste helft der woningen,
+en zoo mogelijk ook de vlieggaten, door boomen of andere opzettelijk
+daartoe aangebragte voorwerpen beschaduwd worden. Men zal, wanneer
+de zon midden op den dag boven op de woningen schijnt, vooral in
+strookorven, niet zelden den bouw zien instorten.
+
+Wanneer de stand op het zuidoosten staat, dan worden de woningen door
+de morgenzon beschenen, waardoor de bijen reeds vroeg tot de vlugt
+uitgelokt worden; terwijl de zon haar tegen elf ure grootendeels
+verlaten zal hebben, en er dus geene te groote warmte in kan doen
+ontstaan.
+
+De in de laatste jaren genomen proeven hebben aangetoond dat eene
+plaatsing tegen het noorden, die meestal voor bepaald ongeschikt
+gehouden wordt, ook hare voordeelen heeft. Hoewel de stokken later op
+den dag uitvliegen, en in het voorjaar ook later tot de broedaanzetting
+overgaan, dan wanneer zij op het zuiden staan, en dus later dan in
+dit geval, of wel in het geheel niet zwermen, zoo maakt hunne koelere
+plaatsing dat de bijen door de drukkende hitte minder gekweld worden,
+en dus ijveriger in hare uitvlugten zijn. Op het noorden geplaatste
+stokken zijn dan ook in den regel rijker aan honig, dan die op het
+zuiden gesteld zijn; terwijl het op een goed bezetten bijenstand eene
+gewenschte zaak is, dat eenige stokken niet zwermen. Vreest men dat
+zij dit toch, maar te laat, doen zouden, dan kan men, óf den zwerm op
+den geschikten tijd kunstmatig afdrijven, óf het zwermen beletten. Ik
+heb nu sedert drie jaar eene dubbele woning zoo geplaatst, dat de
+eene stok naar het zuiden, de andere naar het noorden vliegt; deze won
+het in honigrijkdom jaarlijks van genen en toch is hij in het zwermen
+weinig later; bij heet weder is hij altijd moediger dan zijn buurman.
+
+Nieuw opgezette zwermen moet men zoo mogelijk altijd op het noorden
+plaatsen. Eene plaatsing op het zuiden kan toch zeer lastig zijn omdat
+zij, door de hitte geplaagd, de hun aangewezen woning ligt verlaten,
+of anders door de warmte te veel worden aangespoord, om zich op de
+broedaanzetting toe te leggen, zoodat zij later maagdezwermen zouden
+afgeven: dat dit niet wenschelijk is, zagen wij reeds. Men moet daarom
+zijne zwermen, zoo zij niet dan op het zuiden geplaatst kunnen worden,
+vooral goed beschaduwen.
+
+Daar men uit het westen de meeste regenvlagen en stormwinden te wachten
+heeft, zoo is de plaatsing op het westen het minst te verkiezen.
+
+Vóór den bijenstal moet men eene ruimte, van minstens 15 voet,
+vrij hebben. Zij moet met zand bestrooid worden, en er mag gras noch
+onkruid groeijen, opdat men alles op den grond gemakkelijk zou kunnen
+ontdekken; vooral of er ook afgestoken moederbijen uit de woningen
+gedragen zijn, dat overtuigend bewijzen zou, dat er een moederlooze
+stok was. Als het door de zon beschenen kan worden, dan is het zand
+ook goed om de door de koude bevangen bijen, die er op vallen, door
+de warmte weder te doen herleven en in hare woningen terugkeeren;
+wanneer het niet verwarmd wordt, kan men de bijen toch opzamelen,
+dat van een begroeiden grond niet geschieden kan; daarop moet men er
+ook onvermijdelijk vele vertrappen.
+
+Aan de zijkanten der stallen moeten rietmatten geplaatst worden,
+om de woningen zooveel mogelijk voor den wind te beschutten; anders
+konden toch de bijen door den wind nedergeslagen, of op vreemde
+stokken geworpen worden.
+
+De grond, waarop de stal staat, mag niet te vochtig zijn, daar
+dit aanleiding zou geven tot het beschimmelen van den wasbouw. Het
+moet zoo mogelijk vermeden worden, om hem in de nabijheid van een
+breed water of van een straatweg te plaatsen. In het water zouden
+bij sterken wind vele bijen omkomen, en bij strenge vorst zouden de
+dreuningen, door de over den straatweg rijdende wagens veroorzaakt,
+haar aanhoudend verontrusten. Daar de bijen een volstrekten afkeer
+van rook hebben, mag hij niet in den omtrek van fabrijken, die veel
+rook geven, geplaatst worden. Ook moet de nabijheid van hooge boomen
+vermeden worden, want daarin zouden de zwermen zich aanleggen en
+dus moeijelijk te bereiken zijn. Op een afstand van 20 tot 40 voet,
+moeten zich, voor aanlegplaatsen der zwermen, eenige lage boomen en
+struiken bevinden, waartoe vruchtboomen en kruisbessen het geschiktst
+zijn. Vooral aan de laatsten leggen de zwermen gaarne aan, en in het
+vroege voorjaar geven zij de bijen eene gezochte dragt.
+
+Wanneer men zijn stand alleen op een onbeplant terrein kan plaatsen,
+dan kan men de bijen toch geschikte aanlegplaatsen, in de nabijheid
+der stokken bezorgen, door 20 á 40 voet voor den stand eenige staken,
+van 6 tot 8 voet hoog, in den grond te planten en aan deze eenige
+stukken eikenschors, van 2 voet lang en 1 voet breed, te hangen. Dit
+doet men, door in de hoeken van de stukken schors gaten te maken,
+waardoor men touwen steekt, die te zamen gebonden en aan den staak
+bevestigd worden. Men moet zorgen dat de buitenzijde der schors naar
+boven hangt. De zwermen leggen, bij gebrek van andere voorwerpen
+ook daar aan, en men behoeft de stukken schors maar los te maken,
+op den korf te leggen en er een slag op te geven, om de bijen daarin
+te doen vallen. Maakt men de inrigting zoo, dat men hen kan laten
+zakken, dan wordt het opvangen van de zwermen zeer eenvoudig. Ook
+kan men op verschillende hoogten eenige oude korven ophangen, waarin
+de zwermen gaarne aanleggen. Om hen naar die voorwerpen te lokken,
+is het goed de schors van onderen, en de korven van binnen, nu en
+dan met wat honig te bestrijken.
+
+
+
+
+
+HET GEREEDSCHAP.
+
+
+Eenige voorwerpen, die men voor de behandeling der bijen bezitten moet,
+wil ik in dit hoofdstuk opgeven, beschrijven en hunne zamenstelling,
+zoo noodig door afbeeldingen, aanschouwelijk voorstellen. Ik zal mij
+daarbij tot de noodzakelijkste bepalen. Zij zullen voldoende zijn om
+de bewerkingen, die ik opgeef, ten uitvoer te brengen.
+
+
+
+DE ROOKPIJP.
+
+Bij de behandeling der bijen is het aanbrengen van rook bijna altijd
+noodig, om haar daar te verdrijven, waar men iets te verrigten heeft,
+hetzij omdat men gevaar zou loopen door haar gestoken te worden, hetzij
+omdat zij, op haar werk zittende, beletten zouden dit goed te bezien,
+of omdat men haar zou kunnen kwetsen. Heeft men slechts weinig rook
+noodig, dan is eene gewone goudsche pijp of eene sigaar voldoende;
+veelal kan men hiermede volstaan, doch wie niet gewoon is te rooken
+moet naar andere middelen omzien, en dikwerf kan men ook langs dien weg
+niet genoeg rook aanbrengen; men kan zich dan van de volgende rookpijp
+bedienen, die door blazen en niet door trekken aangehouden wordende,
+ook door niet-rookers kan worden gebruikt. In fig. 11 ziet men haar in
+doorsnede afgebeeld. Het gedeelte abcdef wordt van wortelhout gedraaid;
+bij be is het uitwendig 1 3/4 duim dik en loopt naar boven taps toe;
+van af tot be is de lengte 3 1/2 duim; bij be wordt het afgedraaid,
+zoodat bcde bij be 3/4 duim dik is, naar cd taps toeloopt en 1 duim
+lang is. Inwendig wordt het 3 duim diep uitgedraaid, ter wijdte van
+1 duim, en midden in het stuk bcde wordt nu een gat geboord, van 3/8
+duim wijd, dat in de uitgedraaide holte uitloopt. Om het doorbranden
+te voorkomen moet deze kop der pijp inwendig bekleed worden. Daartoe
+wordt een blikken koker met pijpje vervaardigd, die juist in dezen
+kop sluit; bovenaan bij af wordt de rand omgeslagen, opdat het hout
+ook daar niet met het vuur in aanraking zou komen. Het pijpje laat
+men bij cd een weinig buiten het hout uitsteken. Het gemakkelijkst
+zal het wel zijn eerst het blikken bekleedsel te laten maken, en
+daarnaar het hout uit te draaijen. Buiten om het houten pijpje bcde
+wordt ook een blikken bandje gelegd, om het springen te beletten;
+men laat het even ver over het hout uitsteken als het pijpje er door
+komt, en vult den rand tusschen beide met soldeersel; hierdoor belet
+men dat het hout afwisselend nat en droog wordt, waardoor er, ondanks
+het blikken bandje, toch nog scheuren in zouden komen. Uitwendig wordt
+het gedeelte abfe met dubbel laken bekleed, dat met enkele koperen
+stiftjes op het hout bevestigd wordt, daar het anders spoedig gaat
+draaijen. Dit laken overtrekt men nog met kalfsleder. De bekleeding
+van den kop dient, zoowel om bij het aanvatten de handen niet te
+branden, als om het deksel, dat er opgezet moet worden, luchtdigt te
+doen sluiten; dit is toch een vereischte, omdat de tabak door blazen
+aangehouden moet worden. Het blikken deksel hgik is van gi tot hk 1
+1/2 duim lang en moet goed op den kop sluiten. Midden in den bodem
+van het deksel, wordt een mondstuk lm gesoldeerd, van 4 duim lang en
+van onder bij l 1/2 duim en van boven bij m 1/8 duim wijd.
+
+Men moet nog drie blikken pijpjes hebben, die op de punt bcde van
+den kop gezet worden, om den rook daar heen te leiden, waar men hem
+behoeft. Aan het uiteinde moeten zij 1/8 duim wijd zijn. Twee dezer
+pijpjes worden regt gemaakt, een van 4 duim lang, dat hier in de
+figuur is voorgesteld (zie nop), en het andere van 6 duim lang. Het
+derde qr wordt eveneens 6 duim lang gemaakt, doch de punt er van
+moet zoo omgebogen zijn, dat de rookstraal regthoekig op de lengte
+lijn van den geheelen toestel staat. Van de beide regte pijpjes
+gebruikt men het langste of kortste, naardat men den rook verder van,
+of digter bij zich behoeft, terwijl dat het gebogen pijpje dient,
+om hem onmiddellijk tusschen de wastafels te kunnen brengen. Aan de
+beide uiteinden worden om elk pijpje randen gelegd; aan het wijdste
+om het verwijden te voorkomen, waardoor het niet meer op den kop zou
+sluiten; aan het naauwste om het, zoo noodig, met den mond vast te
+kunnen houden.
+
+Opdat het gat in bcde niet verstoppen zou, leggen sommigen in den kop
+een doorboord plaatje of een stukje ijzergaas. Deze raken echter ook
+wel verstopt; daarom steek ik er een gewonen pijpedop in, zoodat de
+punt juist tegen het gaatje komt en bevind mij daarbij uitmuntend.
+
+Wil men de rookpijp gebruiken, dan wordt de kop met tabak gestopt,
+hierop een stuk brandend zwam gelegd, en nu het deksel op den kop
+gezet. Naarmate men nu door het mondstuk harder of zachter blaast,
+zal men meer of minder rook verkrijgen.
+
+Ik heb deze rookpijp al sedert eenige jaren gebruikt, en er altijd
+mede kunnen volstaan. Andere rooktoestellen zal ik daarom niet
+beschrijven; de meesten zijn voor het gewone gebruik veel te omslagtig
+en men kan hen ontberen. Het eenige bezwaar, dat het gebruik der hier
+beschreven rookpijp medebrengt, is dat de tabak uitgaat, wanneer men
+een oogenblik verzuimt te blazen, zoodat men iemand bij zich dient te
+hebben, die voor het aanhouden der pijp zorgt. Wanneer men gedurende
+eenigen tijd geen rook behoeft, kan men den tabak ook door trekken,
+in plaats van door blazen aanhouden; als men gewoon is te rooken,
+dan is dit veel gemakkelijker.
+
+
+
+DE BIJENKAP.
+
+Niet minder noodzakelijk dan de rookpijp is de bijenkap, om het
+gezigt en den hals voor den bijensteek te beveiligen. Wél zijn er
+bijenhouders, die het belagchelijk vinden, om bij Dzierzon'sche
+woningen nog eene kap te gebruiken; wél wordt men langzamerhand
+minder vatbaar voor het bijengif, zoodat de steek eindelijk slechts
+eene oogenblikkelijke pijn verwekt; maar dit neemt niet weg dat de
+steek soms, vooral in het gezigt, sterke zwelling ten gevolge kan
+hebben, en dat de bijen, wat veel verontrust wordende, als het ware
+steken laten regenen. Het gebruik van eene kap acht ik dan ook altijd
+raadzaam; waarom zal men zich aan het gevaar blootstellen, om dagen
+achtereen met een gezwollen gezigt te loopen? En had men het ongeluk
+dat eene bij in den mond vloog en daar stak, dan konden de gevolgen
+zeer noodlottig wezen.
+
+De kap wordt vervaardigd van eene lap grof linnen, aa' bb' (zie
+fig. 12), die 26 duim lang en 30 duim breed is. Bij d en d', 12
+duim van b en b' verwijderd, begint men de stukken deb en d'e'b'
+rond uit te snijden, zoodat be en b'e' 1 duim breed zijn; 6 1/2
+duim van het midden h, maakt men aan weêrskanten de insnijdingen gi
+en g'i', die 12 duim diep zijn, en van c, 19 duim boven h, snijdt
+men naar a en a' het linnen rond weg. Wordt de lap nu om de lijn
+ch toegevouwen, dan komt a op a', d op d' enz., te liggen, omdat
+de figuur aan weêrskanten der lijn ch symetriek is; ac wordt nu op
+a'c' en de op d'e' genaaid. Bij ad blijft er nu eene opening, waarin
+een ovaal draadwerk k, dat minstens 9 spijlen op elken duim bevat,
+van 9 duim hoog en 7 1/2 duim breed, wordt genaaid. Van i, langs
+g en g' tot i' wordt de rand gezoomd; evenzoo van i langs f en f'
+(die bij e aaneengenaaid zijn) tot i'. Aan de hoeken f en f' worden
+koperen ringen, en aan de hoeken g en g' sterke banden genaaid. Wordt
+deze kap nu, met het draadwerk voor het gezigt, op het hoofd gezet,
+dan valt het stuk ighg'i' op den rug, terwijl dat ifef'i' de borst
+bedekt en de hoeken i en i' op de schouders komen te liggen. Voor het
+aansluiten en het inscheuren worden daar kleine, driehoekige stukjes
+ingezet. De banden van het achterste stuk worden nu, onder de armen
+door, in de ringen van het voorste gedeelte gestoken, en dan weder
+onder de armen door naar achter gebragt en om het lijf gebonden. Men
+kan, door het aanhalen der banden, de kap nu zoo doen sluiten,
+dat er nergens eene bij door kan. Begeeft men zich, aldus gewapend,
+naar de stokken, dan is men verzekerd niet het minste letsel van de
+steken der bijen te kunnen hebben.
+
+De opening in het draadwerk is bestemd om er het mondstuk van de
+rookpijp door te steken; de wijdte moet daarnaar geregeld worden. Naar
+verkiezing maakt men haar regts of links. Voor het uitwijken zijn
+de traliën daar tusschen twee koperen plaatjes gesoldeerd. Wanneer
+men de rookpijp niet gebruikt, moet men deze opening digt stoppen;
+kroop er toch eene bij door, dan zou men van haar nog veel meer last
+hebben, dan als men zonder kap was.
+
+
+
+MESSEN.
+
+Wanneer men de tafels uit de woning nemen wil, dan moet men beginnen
+met haar aan den kant los te maken, want de bijen bevestigen haar
+na elke uitneming weder. Hiervoor moet men twee messen hebben. Het
+eene met een dun, buigzaam lemmet (zie fig. 13), van 6 of 7 duim
+lang en 1 duim breed, met ronde punt en tot 4 duim van de punt aan
+beide kanten scherp, dient om de tafel van den wand der woning los te
+maken, waartoe men het vlak tegen den wand drukt en van onder naar
+boven snijdende, de tafel voorzigtig los maakt; is de tafel ook aan
+een daar onder liggend staafje bevestigd, dan wordt zij ook daaraf
+gesneden, met het mes zoo vlak mogelijk langs het staafje gaande.
+
+Het tweede mes moet een lemmet van dezelfde lengte en breedte hebben,
+doch dat dikker, niet buigzaam en slechts aan eene zijde scherp is,
+en in eene spitse punt eindigt (zie fig. 14). Met dit mes wordt het
+staafje, waaraan de tafel hangt, in de groef, waar het door de bijen
+vastgemaakt is, losgestoken.
+
+Eindelijk moet men nog een mesje hebben, om moederwiegen uit de
+tafels te snijden, indien men die op andere plaatsen wil gebruiken;
+een klein puntig knipmesje kan hiervoor dienen.
+
+
+
+DE GAFFEL.
+
+Om de staafjes, met de daaraan hangende wastafels, nadat zij van de
+wanden der woning losgemaakt zijn, naar zich toe te halen, bedient men
+zich van het werktuig, in fig. 15 afgebeeld; men noemt het gaffel. Het
+wordt van ijzer vervaardigd, dat slechts zoo zwaar behoeft genomen
+te worden, dat er geen gevaar voor buigen bestaat. De lengte, het
+handvatsel mede gerekend, is ongeveer 10 duim. De beide punten zijn
+bij a en b regthoekig omgebogen, en bij c en d zijn blokjes bevestigd,
+zoodat de ruimten tusschen a en c en tusschen b en d juist 1 duim
+bedragen. De buitenafstand dezer klaauwen moet zoo groot genomen
+worden, dat het gedeelte der staafjes, dat 1 duim breed is, er juist
+in past. Hunne diepte moet gelijk zijn aan de dikte der staafjes. Men
+legt deze gaffel boven op het staafje, zoodat dit juist tusschen
+de klaauwen gevat wordt, en haalt het dan naar zich toe; voor in de
+groef gekomen, neemt men het met de hand uit de woning. Wil men de
+tafels weder in de woning hangen, dan schuift men het staafje voor
+in de groef, en duwt het eveneens met de gaffel verder in de woning.
+
+Het voordeel, dat men van dit werktuig heeft, bestaat daarin, dat beide
+uiteinden van het staafje gelijkmatig voortbewogen worden, terwijl men
+het daarentegen met de hand al ligt een weinig scheef voortschuift,
+waardoor het in de groef geklemd zou worden; daarenboven loopt men
+veel minder gevaar om de tafels te beschadigen.
+
+
+
+DE STOMMEKNECHT.
+
+De uit de woning genomen tafels, voor beschadiging bewaard moetende
+blijven, zoo bezigt men een opzettelijk daartoe vervaardigd kastje, om
+haar tijdelijk daarin te hangen; het wordt stommeknecht genoemd. Dit
+kastje moet zoo lang zijn, dat alle tafels, die in eene woning
+voorhanden zijn, daarin kunnen hangen. De breedte moet 1/4 duim grooter
+zijn dan de lengte der staafjes, en de hoogte dient 2 duim meer te
+bedragen, dan de diepte, waartoe de tafels gebouwd worden. Aan den
+binnenkant der zijwanden wordt, 1 duim van den bovenrand, een latje
+van 1/2 duim dik gespijkerd. Tusschen deze latjes hangt de tafel,
+wanneer het staafje met de uiteinden er op rust. Op dit kastje wordt
+een deksel gemaakt, waarin een gat van 6 duim in het vierkant gezaagd
+is; dat gat wordt gesloten met een ijzeren traliewerk, dat minstens
+9 traliën op elken duim bevat; er wordt eene schuif over gemaakt,
+waarin een plankje geschoven kan worden, om het te sluiten.
+
+Wanneer men nu den bouw uit eene woning neemt, dan hangt men de
+uitgenomen tafels, waar honderden bijen opzitten, een voor een in
+dit kastje; ontdekt men dat vreemde bijen er op willen rooven, dan
+legt men er het deksel op, en geeft de opgesloten bijen lucht, door
+het schuifje een weinig te openen. Mogt het noodzakelijk zijn haar
+lang in dit kastje besloten te houden, dan zet men het op eene koele,
+donkere plaats en opent de schuif geheel.
+
+Des noods kan deze stommeknecht ook dienen, om de bijen naar een
+anderen stand over te brengen, doch men doet beter zich daartoe van
+de later te beschrijven transportkastjes te bedienen.
+
+Indien men de tafels weder in de woning hangen wil, dan moet men
+opletten dat dit in dezelfde volgorde geschiedt, als waarin zij
+gehangen hebben. De bijen, welke, nadat alle tafels zijn ingehangen,
+op den bodem van het kastje terugblijven, worden op een hoop gestooten,
+door het een schok te geven; daarna schept men haar in de woning. Het
+is niet goed om, gelijk sommigen doen, deze bijen in de zon op een doek
+te storten, in de veronderstelling dat zij weder op haar stok zullen
+terugvliegen. Met velen zal dit het geval niet zijn, omdat er zich vele
+jongen onder bevinden, die, nog nooit hare woning verlaten hebbende,
+haar niet kennen. Ook de moederbij kon aldus wel eens verloren gaan,
+wanneer zij zich onder de van de tafels gevallen bijen bevond. Met
+het opscheppen moet men dan ook altijd zeer voorzigtig zijn om haar,
+in geval zij in het kastje teruggebleven was, niet te kwetsen.
+
+
+
+DE BOK.
+
+De stommeknecht kan alleen dienen om de tafels, die men uit eene
+woning neemt, te dragen; om haar naauwkeurig te kunnen bezien, moet
+men nog een bok hebben, waarop de tafels een voor een gehangen, en
+dan aan beide zijden beschouwd kunnen worden. Dezen bok, die een der
+onmisbaarste gereedschappen is, ziet men afgebeeld in fig. 16. Het
+gedeelte ab is lang 15, breed 3 en dik 1 1/4 duim. De latjes cd en
+ef, die er met pen en gat in bevestigd zijn, worden 2 duim breed,
+1 1/4 duim dik en ongeveer 8 duim lang genomen. Aan den binnenkant
+is in deze latjes eene groef geschaafd, van ruim 1/4 duim breed en
+diep, en zij worden zoo ver van elkander geplaatst, dat de staafjes
+gemakkelijk in deze groeven geschoven kunnen worden, zonder daaruit
+te kunnen vallen. Zij mogen daarom niet zwakker genomen worden,
+dan ik hier opgaf, anders liep men gevaar dat zij van een weken;
+zij moeten ook zuiver evenwijdig en volkomen onbewegelijk in het
+stuk ab bevestigd zijn. In het midden van ab en aan de uiteinden der
+stukken cd en ef, worden aan de onderzijde gaten geboord, waarin de
+drie pooten h, i en k gestoken worden, die minstens 10 duim hoog zijn.
+
+Bij het gebruik stelt men den bok in een zinken bak, waarin de van
+de tafels vallende bijen worden opgevangen, die men dan later in de
+woning schept.
+
+
+
+TRANSPORTKASTJES.
+
+De naam transportkastjes duidt de bestemming reeds aan van de
+voorwerpen, die dien naam dragen. Zij zijn slechts geschikt om er
+de bijen een korten tijd in te doen verblijven, maar zij maken haar
+vervoer naar elders zeer gemakkelijk. Men maakt deze kastjes van
+plankjes, van 1/2 duim dik, die eenvoudig op elkander gespijkerd
+worden. De breedte ab en de hoogte ac (zie fig. 17) neemt men 10 à 12
+duim, terwijl men het 16 à 20 duim lang maakt. Het deksel bestaat uit
+twee deelen d en e, die in groeven schuiven. Deze groeven verkrijgt
+men, door boven op den kant van elken zijwand, en aan de binnenzijde
+daartegen, latjes te spijkeren. Het hout is te dun om er eene groef
+in te schaven, en door het dikker te nemen, zou men het gewigt
+der kastjes noodeloos vergrooten. De voorwand wordt niet van hout
+gemaakt; het strookje fg, dat men 1 duim breed neemt, dient alleen
+om het uitwijken der zijwanden te beletten; de ruimte, tusschen dit
+strookje, de zijwanden en den bodem, wordt met ijzergaas of met een
+fijn traliewerk gesloten. Men zou het gaas of traliewerk ook in een
+los raampje kunnen plaatsen, en dit dan voor in het kastje bevestigen.
+
+Om den zwerm, dien men met dit kastje vervoeren wil, daarin te doen
+loopen, zet men het op den achterwand, dus met het draadwerk naar
+boven, doch bedekt dit, om het invallen van het licht te voorkomen. De
+schuif e, die dan de onderste zijn zal, neemt men weg, doch laat d
+gesloten. Om in dien stand het doorschieten van de schuif te beletten,
+neemt men haar een weinig langer, dan de halve lengte van het kastje,
+en tegen den onderkant van het buiten uitstekend gedeelte spijkert
+men een dun latje, dat, tegen den wand stuitende, het doorschuiven
+belet. Zoodra de zwerm, door de hem voorgehouden opening, in het
+kastje is getrokken, sluit men het met de tweede schuif en laat het,
+met de schuiven naar boven, tot het vallen van den avond rustig staan;
+dan brengt men den zwerm naar de verlangde plaats, en schept hem daar
+in de voor hem bestemde woning.
+
+Voor het opvangen en transporteren van natuurlijke zwermen, kan men
+zich ook van gewone strookorven bedienen; doch de transportkastjes
+zijn onmisbaar, wanneer men kunstzwermen wil maken, door bijen, uit
+onderscheidene stokken genomen, aan eene moederbij toe te voegen. Later
+komen wij daarop terug. Ook zijn deze kastjes zeer gemakkelijk,
+wanneer men stokken, die op een verwijderden stand geplaatst zijn,
+bijen ter versterking wil geven.
+
+Behalve de reeds beschrevene, moet men zich nog eenige kastjes
+aanschaffen, welke buitenwerks zoo lang en breed zijn, dat zij juist in
+de woningen passen; de hoogte moet zoo genomen worden dat zij, na het
+wegnemen der dekplankjes, op de staafjes kunnen worden geplaatst. Voor
+het deksel maakt men uit vier latten een raam, dat juist in het
+kastje past, en bespant dit met ijzergaas of bijendoek. Om de bijen,
+die de randen van het kastje soms sterk bezetten, niet te kwetsen,
+maakt men voor den aanslag van het deksel geene sponningen in de
+zijwanden, doch slaat in deze vier stiften, waarop het rust.
+
+Men zet deze kastjes, met den open kant onder, op de staafjes der
+woning, waaruit men de bijen vangen wil, en drijft haar daarin. De
+geheele zwerm kan nu in eens uit de woning genomen worden, waarna het
+kastje terstond met het deksel wordt gesloten. Onder in de nieuwe
+woning, die door den zwerm bevolkt moet worden, schuift men nu het
+kastje en neemt er het deksel af, waarna de bijen er spoedig uit
+zullen opklimmen.
+
+Zulk een kastje is ook zeer geschikt om de bijen, die in eene woning,
+waar de bouw uitgenomen is, nog achtergebleven zijn, daar in eens
+uit te nemen: men zet het dan op den bodem der woning, en veegt er
+de bijen met eene penneveêr in. Ook kan men er een zwerm in laten
+trekken, wanneer men aan eene der zijden, vlak boven den bodem, eene
+reet, even als een vlieggat maakt, waarvoor dan ook een schuifje moet
+worden aangebragt: de moederbij wordt er dan, in een moederhuisje
+besloten, ingezet, waarna het, met het vlieggat geopend, op een doek
+wordt geplaatst, waarop men de bijen uitstort; daarbij moet op het
+deksel nog een plankje gelegd worden, opdat de bijen alleen door het
+vlieggat, gemeenschap met de moederbij kunnen hebben.
+
+Bij alle kastjes, waarin de bijen eenigen tijd opgesloten worden,
+moet men onder in de zijwanden twee of drie zaagsneden maken, waardoor
+er versche lucht indringt, die de verwarmde lucht doet ontwijken.
+
+
+
+DE STORTBAK.
+
+Voor men de tafels uit eene woning neemt, moet men in deze een stortbak
+plaatsen, om de daaraf vallende bijen op te vangen. Men neemt daarvoor
+een zinken bak (zie fig. 18), waarvan de breedte ab iets kleiner is dan
+de binnenwijdte der woningen, zoodat hij er gemakkelijk in geschoven
+kan worden. De lengte ce neemt men 7 of 8 duim. Aan de beide zijkanten
+en vooraan, moeten de staande wanden 3 duim hoog zijn, achteraan is
+hij open; op den voorkant is een handvatsel gesoldeerd. De zijwanden
+moeten bovenaan den achterkant, bij e en f wat buitenuit gebogen zijn,
+zoodat de bak, gedeeltelijk in eene woning geschoven wordende, daarin
+klemt en dus blijft hangen.
+
+Wil men de tafels uit eene woning nemen, dan schuift men er eerst
+dezen bak in, doch laat er hem een eind buiten uitsteken. De bijen,
+die van de tafels vallen, zullen er dan in blijven liggen. Na afloop
+der bewerking, worden zij met eene penneveêr in de woning geveegd. Ook
+kan men dezen bak, bij het uitnemen der tafels, daaronder houden om,
+wanneer het ongeluk wilde dat eene zware honigtafel afbrak, haar
+daarin op te vangen.
+
+
+
+DE SCHEPPER.
+
+De schepper wordt gebruikt om de bijen, uit of in de woning en overal
+waar zulks verder noodig is, te scheppen. Hij wordt, even als de
+stortbak, van zink gemaakt. Hem van blik te maken is minder goed,
+omdat dit ligt roest; de bijen zouden er dan aan blijven hangen. Men
+geeft hem eene breedte van 6 en eene lengte van 7 duim (zie fig. 19);
+de opstaande rand moet 2 1/2 duim hoog en naar den voorkant afgerond
+zijn; aan het achtereind is een steel bevestigd, die het behandelen
+gemakkelijk maakt.
+
+
+
+EEN IJZEREN HAAK.
+
+Om de dooden en de onreinheden, die zich op den bodem der woning
+verzamelen, daaruit te verwijderen, maakt men gebruik van een ijzeren
+haak, bestaande in een plat vierkant stuk ijzer, van 1/2 duim breed
+en 1/8 duim dik, waarvan het eene einde regthoekig omgebogen is. Het
+omgebogen gedeelte is 1 1/2 duim lang. Aan het andere uiteinde wordt
+een handvatsel bevestigd. De lengte moet, met het handvatsel, ongeveer
+16 duim zijn, men kan dan met den haak den geheelen bodem zuiveren.
+
+
+
+MOEDERHUISJES. [13]
+
+Reeds meermalen is het gebruik maken van een moederhuisje aanbevolen;
+thans zullen wij er nader kennis mede maken. Zijne bestemming is
+eene moederbij van de overige bijen afgezonderd te houden, maar deze
+toch gelegenheid te geven om haar voedsel toe te reiken. Wanneer
+het nu maar zoo ingerigt is, dat dit mogelijk is en dat de gevangen
+moederbij versche lucht bekomt, en er zich in kan omdraaijen, dan
+is het overigens onverschillig hoe en waarvan men het maakt. Het
+traliewerk, dat er voorgemaakt wordt, mag niet zoo wijd zijn, dat de
+bijen er den kop door kunden steken; bij het terug halen konden zij hem
+aftrekken; toch moeten zij er de koningin door kunnen voêren. De wijdte
+zal goed zijn als men, op eene lengte van 1 duim, negen stijltjes zet,
+die de dikte van eene dunne breinaald hebben.
+
+Men maakt wel moederhuisjes van een stukje vlierhout, door er het
+merg uit te doen, er in de lengte eenige sneden in te geven en de
+uiteinden met kurken te sluiten. Beter is het echter een rond stukje
+wilgenhout te nemen, van 1 duim dik en 5 duim lang; daarin worden 1/2
+en 2 duim van het eene uiteinde, zaagsneden gemaakt, die even voorbij
+het midden gaan; tusschen deze zaagsneden steekt men het hout weg. Men
+neemt nu stukjes ijzerdraad, van 2 1/4 duim lang, en buigt de beide
+uiteinden daarvan 1/4 duim regthoekig om. Met eene els worden nu, 1/8
+duim boven en onder het weggestoken gedeelte (zie fig. 20), gaatjes in
+het hout gemaakt, waarin de omgebogen einden der ijzerdraadjes worden
+geslagen. Het langste gedeelte van het hout wordt nu tot eene punt
+gesneden, welke dient om in de strookorven gestoken te worden. In
+plaats van deze punt, zou men ook een spijker in het hout kunnen
+slaan. Boven wordt nu een gat, van ruim 1/4 duim doorsnede geboord,
+waardoor de moederbij uit en in het huisje gelaten wordt. Dit gat
+wordt met eene kurk gesloten.
+
+Voor Dzierzon's woningen is het beter de moederhuisjes zoo in
+te rigten, als fig. 21 dat voorstelt. Men neemt er een stukje
+zacht hout voor (linden-, wilgen- of populierhout) van 2 1/2 duim
+lang, 1 duim breed en 3/4 duim dik; 1/2 duim van de uiteinden van
+eene der breedte-zijden worden zaagsneden, van ruim 1/2 duim diep
+gemaakt, waartusschen het hout wordt weggestoken. Over de voor- en de
+bovenzijde worden nu, zooals boven gezegd is, ijzeren traliën gemaakt;
+de onderkant wordt gesloten met een houten klosje, dat weggenomen kan
+worden, om door de opening de moederbij uit en in het huisje te laten.
+
+Dit huisje kan overal in den stok geplaatst worden, waar de bijen er
+bij kunnen. Men kan het op de staafjes leggen of het aan de staafjes,
+midden in het broednest hangen, door er een ijzerdraad door te steken,
+en dien boven het staafje om te buigen; het kan tusschen de staafjes
+gestoken, ja zelfs in de tafels zelven geplaatst worden, door hierin
+eene opening te snijden, waarin het past.
+
+Wanneer men zijn bijenstand door afleggers wil vermeerderen, of
+koninginnen in voorraad wenscht te hebben, om daarover bij voorkomende
+gevallen te kunnen beschikken, dan is het goed eenige moederhuisjes te
+hebben, die zooveel grooter zijn, dat er moedercellen, zonder haar te
+beschadigen, in gelegd kunnen worden. Aldus worden zij, in een warm
+gedeelte van den stok geplaatst, waar de koninginnen dan uitgebroeid
+zullen worden, zonder dat de bijen haar kunnen uitbijten. In den
+zwermtijd heeft men soms den eenen dag verscheidene moedercellen te
+veel, terwijl men haar op een anderen dag gaarne zou hebben, zonder
+haar evenwel te kunnen bekomen. Het is dan goed er eenigen in voorraad
+te hebben.
+
+Om de bijen zelven de in een huisje besloten moederbij in vrijheid
+te doen stellen, sluit men de opening slechts voor de helft met een
+houten klosje, en maakt het open gebleven gedeelte met een wasplaatje
+digt, waartoe men een stukje wastafel plat drukt, dat nu met de punt
+van een warm mes, gemakkelijk wordt bevestigd. De bijen bijten dit
+plaatje door, en nemen de moederbij dan het zekerst aan.
+
+In enkele gevallen kan men zich, voor de opsluiting van eene koningin,
+ook van een langen pijpedop bedienen; inzonderheid wanneer men haar
+in de tafel zelve wil plaatsen.
+
+
+
+VOEDERBAKJES.
+
+De voederbakjes kunnen van potaarde gebakken, of van dunne plankjes
+of blik gemaakt worden. Aan blikken geef ik de voorkeur, wanneer
+zij tegen het roesten, binnen en buiten geverwd zijn. De lengte ab
+(zie fig. 22), wordt 1/4 duim kleiner genomen dan de breedte der
+woningen: nadat het deksel er opgelegd is, kan het dan gemakkelijk
+daarin geschoven worden, en op de staafjes staande, de plaats van
+een dekplankje vervangen. Het wordt 3 à 4 duim breed en 2 duim hoog
+gemaakt. In het midden van den bodem moet een buisje c, van 1 1/2
+duim hoog en 1 duim wijd, worden gesoldeerd, waardoor de bijen, van
+den onderkant, in het bakje kunnen komen, zonder dat het voedsel er
+uit kan vloeijen. In dit bakje wordt een plankje de gelegd, dat er
+gemakkelijk in op en neder bewegen kan, en in welks midden een gat f
+is, waardoor het buisje c heengaat. Dit plankje moet op het voedsel
+drijven, opdat de bijen daarin niet zouden verongelukken. Er moeten
+of zaagsneden, zoo als in onze figuur, in gemaakt worden, of het moet
+zooveel mogelijk doorboord zijn met gaatjes, van omtrent 3/16 duim
+middellijn. Door de zaagsneden of de gaatjes kunnen dan de bijen het
+voedsel opnemen, zonder het minste gevaar te loopen daarin om te komen.
+
+Het deksel gh moet gemakkelijk op het bakje gelegd en daaraf genomen
+kunnen worden, zonder evenwel reten te laten, waar bijen door kunnen
+kruipen. In het midden maakt men eene opening i, van 3 duim lang en
+2 duim breed, waarin een stuk glas wordt bevestigd, waardoor men,
+zonder er het deksel af te nemen, zien kan of er nog voedsel in het
+bakje is. Dit glaasje moet goed bedekt worden; want zagen de bijen er
+licht door vallen, dan zouden zij het met was bekleeden. Aan het eene
+einde van het deksel kan men een pijpje k laten maken, dat met eene
+kurk gesloten wordt, en waardoor men, met behulp van een trechter,
+het voedsel in het bakje kan brengen, zonder dit te openen. Het plankje
+de moet nog voorzien zijn van twee touwtjes l en m, die door de reten
+n en o van het deksel heengaan en waarmede men, het bakje gesloten
+latende, nadat het voedsel er in gedaan is, het plankje opligt; anders
+kon het op den bodem blijven liggen, en dus zijne bestemming missen.
+
+Om in het geheel niet door de bijen gehinderd te worden, kan men,
+bij het vullen van het bakje, het buisje c sluiten. Daarvoor moeten
+in de zijwanden van het bakje gaatjes p en q gemaakt worden, waardoor
+een ijzerdraad rs geschoven kan worden, aan welks midden een blikken
+plaatje t bevestigd is, dat vlak langs den bovenrand van het pijpje
+c beweegt. In het deksel moeten voor dezen ijzerdraad ook openingen
+gemaakt worden, waarvan er hier eene bij u gezien wordt. Ziet men door
+het glaasje dat er nog bijen in het voederbakje zijn, dan blaast men
+door het pijpje k daarin eenigen rook; zij zullen het dan spoedig
+verlaten, waarna men het buisje c sluit. Het deksel kan nu van het
+bakje genomen worden. Na het met voedsel gevuld te hebben, sluit men
+het weder en trekt het plaatje t van de opening c weg.
+
+Het voêren geschiedt met deze bakjes zeer gemakkelijk; men kan het
+gerust zonder kap doen. Ook in strookorven kan men er de bijen mede
+voêren, wanneer in den top van den korf een gat is. Op alle uren van
+den dag kan men het voedsel geven, zonder dat er vrees voor rooverij
+behoeft te zijn, indien men de bakjes bedekt, en de opening, tusschen
+den bodem en den korf, goed met klei digt smeert. Moeten de bakjes
+alléén voor strookorven dienen, dan is het beter hen rond te maken,
+en voor het vaststaan, het pijpje c 1 duim onder door den bodem te doen
+uitsteken. In het gat van den korf wordt nu een houten stop gezet, met
+eene opening, waarin dit pijpje juist past. Over het bakje zet men een
+bloempot en smeert de reet, tusschen dezen en den korf, met klei digt.
+
+De voederbakjes zijn bestemd voor vloeibaar voedsel. Voor verdikten
+honig kunnen zij echter ook dienen: men drukt er dezen in en laat het
+plankje weg. Wil men alleen met verzegelde honigtafels, of met kandij
+voêren, dan heeft men bij Dzierzon's woningen in het geheel geene
+bakjes noodig: de honigtafels worden op de gewone wijze ingehangen,
+en de stukken kandij legt men op de staafjes; er wordt dan een doek
+overgelegd en de ruimte, tusschen dezen en den bovenwand der woning,
+met stroo of mos gevuld. Om de bijen in korven met kandij te voêren,
+moet men vierkante raampjes, van 3 of 4 duim lang en breed en 4 duim
+hoog maken. Zulk een raampje wordt, na het gat van den korf geopend
+te hebben, er opgezet. Aan elke zijde er van steekt men in den korf
+een spijker, omdat het er niet af zou vallen, en smeert de reet, die
+aan den onderkant van het raampje open blijft, met klei digt. De door
+het raampje ingesloten ruimte wordt nu met kandij gevuld, waarover men
+een nat doekje legt; het raampje wordt nu met een plankje gesloten,
+waarop voor het afvallen een steen geplaatst wordt. Men bedekt het
+geheel met een bloempot. Deze wijze van voêren is voordeelig, goed
+en gemakkelijk. Reeds sedert jaren heb ik er de beste gevolgen van
+ondervonden, en ik kan haar daarom gerust aanbevelen. In het voorjaar,
+als de bijen zich behoorlijk uiteen kunnen begeven, kan men er met
+zekerheid op vertrouwen.
+
+
+
+DE PERS.
+
+Tot het persen van honig en was moet men eene doelmatig ingerigte pers
+hebben. Eene afbeelding er van ziet men in fig. 23. Op vier stevige
+pooten, van 16 duim hoog, rust eene plank ab, van 24 duim lang, 15
+duim breed en 3 duim dik. Aan de beide uiteinden zijn hierin met pen en
+gat twee staanders cd en ef, van 10 duim breed en 2 duim dik, met eene
+tusschenruimte van 15 duim bevestigd, terwijl deze staanders bovenaan
+eveneens verbonden zijn door den legger gh, die ook 10 duim breed en
+ten minste 4 duim dik is. In het midden van dezen legger is eene moer,
+waardoor de ijzeren of houten schroef i beweegt. In de gaten k en
+l worden handboomen gestoken, om de schroef aan te draaijen. Onder
+aan de schroef is het blok m zoo bevestigd, dat zij gedraaid kan
+worden, terwijl het blok in den straks te vermelden persbak beweegt;
+dit blok dient ten minste 3 duim dik te zijn; de lengte en breedte
+wordt 10 3/4 duim genomen. De binnenafstand, tusschen de plank ab
+en den legger gh, is voldoende, wanneer de onderkant van het blok
+m 7 duim boven de plank ab kan gebragt worden. Wat meer ruimte te
+hebben is echter gemakkelijk. De lengte der staanders wijzigt men,
+naar de meerdere of mindere ruimte, die men verlangt.
+
+De persbak (zie fig. 24) wordt van planken, van minstens 1 1/4 duim dik
+gemaakt. Hij is binnenwerks 12 duim lang en breed en 5 duim hoog. De
+bodem en de zijwanden zijn aan de binnenzijde van eene menigte groeven
+voorzien. In het midden van den bodem is een rond gat, van 1 1/2 duim
+wijd, waarmede al de groeven in verband staan, en waarin eene tinnen
+pijp wordt bevestigd, die omtrent 5 duim lang is. Tot het doorlaten van
+deze pijp, is midden in de plank ab een gat gemaakt. Op den bodem en
+tegen de zijwanden van den persbak, worden losse plankjes, van 1/2 duim
+dik gelegd, waarin kleine gaatjes zijn aangebragt, waardoor de honig
+of het was vloeijen kan, om zich daarna in de groeven te verzamelen,
+en door de tinnen pijp in een onder de pers geplaatst vat te loopen.
+
+Het is gemakkelijker in losse doeken, die dan goed toegevouwen moeten
+worden, te persen, dan van zakken gebruik te maken; het uitnemen
+der koeken is bij zakken zeer lastig. Voor persdoeken neemt men
+koffijbalen, na die goed gezuiverd te hebben; zij kunnen eene groote
+drukking weêrstaan zonder te scheuren.
+
+De persbak wordt gewoonlijk vast op de plank ab gebragt. Voor het
+honig persen heeft dit geen bezwaar, doch voor het was is het beter
+twee losse bakken te hebben, die in kokend water gelegd worden,
+waardoor zij zoo heet worden dat het was er gemakkelijk afvloeit;
+terwijl men dan den eenen bak gebruikt, wordt de andere weder gewarmd,
+zoodat het was er goed vloeibaar in blijft. Om de waskoeken goed uit te
+kunnen persen, moet men hen dun maken en liever een keer meer persen.
+
+
+
+DE WAS-KETEL.
+
+Tot het zuiveren van het was van den honig en de onreinheden, die nog
+in de koeken zijn teruggebleven, kan men zich, zoo de hoeveelheid
+gering is, van een ronden blikken ketel (zie fig. 25), van 11
+duim wijd en 12 duim hoog, bedienen. Hij heeft twee handvatsels,
+waarvan er hier een bij a gezien wordt. Aan den binnenkant wordt,
+7 duim boven den bodem, een rand van 1/8 duim breed gesoldeerd,
+waarop eene blikken schijf b komt te liggen, die juist in den
+ketel past en die zooveel mogelijk doorboord is, met gaatjes ter
+grootte van eene gierstkorrel. Op deze schijf worden twee stangen,
+van 1 duim breed en 4 1/2 duim lang gesoldeerd, waarvan er hier eene
+bij c wordt gezien. Aan de bovenzijde worden deze stangen door een
+legger de verbonden, die aan de uiteinden van ijzeren grendeltjes
+voorzien is, welke in gaatjes schuiven, die daartoe in den wand van
+den ketel zijn aangebragt. De doorboorde blikken plaat wordt daardoor
+vastgezet. De legger en de beide stangen worden van zwaar blik gemaakt,
+en daarenboven moeten voor de sterkte in de randen ijzerdraden gelegd
+worden. Om in den ketel te kunnen roeren, wordt regthoekig aan het
+uiteinde van een rond stokje, van 3/4 duim dik en 16 duim lang, een
+latje bevestigd, van 10 duim lang, 1 duim dik en bovenop 1 duim breed,
+doch naar de onderzijde schuins bijloopende. In het midden van den
+doorboorden bodem en van den daarop gebragten legger, worden ronde
+gaten gemaakt, welke ruim 3/4 duim wijd zijn, en waardoor de steel
+fg van het roerstokje gestoken wordt.
+
+Er moet nu, 1 duim boven den doorboorden bodem, nog een rond pijpje
+h op den buitenkant van den ketel gesoldeerd worden. Het moet 1 1/2
+duim lang en 3/4 duim wijd zijn, en wordt met eene kurk gesloten. Aan
+den buitenkant wordt om het pijpje een randje gelegd, om een touw
+te kunnen tegenhouden, waarmede men de kurk vastbindt, hetgeen ter
+voorkoming van ongelukken noodzakelijk is.
+
+Bij het gebruik doet men onder in den ketel zoo veel waskoek, als men
+denkt dat 1 of 1 1/2 Ned. pond was zal opleveren; deed men er meer
+in, dan liep men gevaar van aanbranden. Nu wordt de roerstok door den
+doorboorden bodem gestoken, waarna deze in den ketel gelegd, en met
+de grendeltjes vastgezet wordt. In den ketel giet men nu zooveel
+kokend water, dat het ruim 1 duim boven het pijpje h staat. Op
+een zacht vuur wordt het water nu aan het koken gebragt; waarbij
+men beurtelings over den bodem, en door den roerstok op te ligten,
+vlak langs den doorboorden bodem roert. Na 1/2 uur koken, zal het was
+bijna zuiver bovenop drijven. De ketel wordt dan van het vuur genomen,
+en na een weinig stil gestaan te hebben, laat men het was door het
+pijpje h afloopen in een pot, die gedeeltelijk met heet water gevuld
+is. Na het pijpje gesloten en water in den ketel gedaan te hebben,
+laat men dit nog 1/4 uur koken en giet het boven drijvende was weder
+af. De nu nog overblijvende vezels kunnen gerust weggeworpen worden;
+zij zullen geen spoor van was meer bevatten.
+
+Sedert drie jaar maak ik van dezen ketel gebruik, en hij bevalt
+mij uitmuntend. Het was wordt behoorlijk afgezonderd en men heeft
+niet het minste gemors. In de Bienen-Zeitung wordt hij bij herhaling
+aanbevolen. Eens heeft iemand daarin berigt dat hij er een ongeluk mede
+gehad heeft, daarin bestaande dat de ketel, toen hij te vuur stond,
+uit een sprong en de kokende massa in het rond spatte. Dit kan zeer
+ligt waar zijn, doch die persoon zal dan ook wel verzuimd hebben,
+langs den onderkant van den doorboorden bodem te roeren; misschien
+heeft hij daarenboven een sterk vuur gebruikt. Het laat zich goed
+hooren dat er, wanneer men door aanhoudend te roeren niet zorgt,
+dat de gaatjes in den doorboorden bodem open blijven, stoom gevormd
+wordt, welks spanning, zoo de hitte wat groot is, den ketel uit een
+doet slaan. Indien men maar aanhoudend, nu hooger, dan lager in den
+ketel roert, en het vuur niet te sterk neemt, zal men niet bevreesd
+voor ongelukken behoeven te zijn.
+
+
+
+
+
+HET AANHOUDEN EN HET KOOPEN VAN STOKKEN.
+
+
+De tweede der drie spreuken, waarmede ik de inleiding besloot,
+leerde, dat alleen gezonde en volkrijke stokken voordeel kunnen
+opleveren. Thans zal ik de waarheid van deze stelling betoogen,
+door het opsommen van eenige omstandigheden, die den stok meer winst
+kunnen doen aanbrengen, en die zich allen in eene voorwaarde laten
+zamenvatten, namelijk: "dat de stok volkrijk moet zijn."
+
+1o. Zonder warmte kunnen de bijen niet bestaan. Vroeger zeide ik
+reeds dat zij, wanneer de warmtegraad minder dan 50° F. bedraagt,
+verstijven en zoo die toestand eenigen tijd aanhoudt, een wissen dood
+vinden. Om dus den winter te kunnen overleven, moeten zij warmte kunnen
+ontwikkelen. Dit geschiedt door het verterings-proces. De warmte,
+die daardoor vrij wordt, zou echter oogenblikkelijk verloren gaan,
+wanneer de bijen zich niet tot een digten tros vereenigden. Daarbij
+komt nog dat zij, tot een klomp vereenigd zijnde, door de aanhoudende
+trilling en wrijving van hare ledematen langs elkander, ook eenige
+warmte ontwikkelen. Bij sterk vriezend weder kan de thermometer,
+waarvan de kwikbal in het midden der bijenmassa is gebragt, nog meer
+dan 75° F. teekenen. En toch bevriezen, gedurende strenge en langdurige
+winters, soms geheele stokken, wanneer de buitenlucht te veel op hen
+kan werken; want daardoor verliest de bijenmassa de ontwikkelde warmte
+zeer spoedig: langzamerhand verstijven zij, en zijn dan niet meer in
+staat om den honig, die boven haar in de cellen hangt, te bereiken,
+zoodat zij dan van koude en gebrek tevens omkomen. Hoe volkrijker de
+stok is, hoe minder hij natuurlijk aan dit gevaar is blootgesteld;
+want naar die mate kan hij de warmte meer besloten houden. En al kwamen
+er in een stok, die b. v. 16000 bijen bevat, gedurende den winter eens
+3000 à 4000 om, dan bleven er in het voorjaar toch nog meer dan 12000
+over, zoodat het nog een goede stok zou zijn. Daarentegen zullen die
+stokken, die bij de inwintering zwak aan volk zijn, geheel bezwijken,
+of zoo er nog 2000 of 3000 bijen van overblijven, dan zullen deze
+toch weinig nut kunnen aanbrengen, omdat de beste tijd reeds voorbij
+zal zijn, tegen dat zij zich een weinig hersteld hebben.
+
+Van hoeveel belang het is alleen sterke stokken in te winteren,
+bevestigt elke strenge winter. In het voorjaar zullen de sterke
+behouden, doch de zwakke stokken voor altijd ingeslapen zijn!
+
+2o. Hoe minder honig de bijen als voedsel bezigen, des te meer
+voordeel zullen zij voor den eigenaar opleveren. Sterke stokken hebben
+werkelijk, naar evenredigheid, minder voedsel noodig dan zwakke. Dit
+moge vreemd schijnen, proeven hebben het evenwel bevestigd, en bij
+eenig nadenken zal men inzien, dat het een natuurlijk gevolg van het
+voorgaande is. De zwakke stok verliest toch, naar evenredigheid, meer
+warmte dan de sterke; hij moet dus ook meer warmte ontwikkelen. Dit
+kan hij echter niet dan door meer voedsel te verteren; zoodat hij
+door nood gedwongen wordt, om den voorraad sterker aan te spreken.
+
+Men zou de proef hiervan kunnen nemen door, wanneer men b. v. zes
+stokken, elk van 5000 bijen had, drie derzelve tot één stok te
+vereenigen. Men zou dan bevinden dat deze, gedurende den winter,
+minder honig gebruikt had, dan de drie andere te zamen.
+
+3o. Er zal meer ingezameld worden, naarmate er meer volk is, dat
+aan die inzameling deel neemt. Daarom is het van veel belang dat de
+stokken in het voorjaar veel broed aanzetten; want dan zijn er bij
+de eerste voorjaarsweide reeds vele bijen, die haar kunnen bevliegen.
+
+Sterke stokken zetten, bij zachte winters, voortdurend eenig broed
+aan, terwijl zij, bij strenge winters, er stellig niet later dan
+in Februarij mede beginnen; de vereischte broeiwarmte is dan reeds
+aanwezig; (dat het broedaanzetten dan niet gewenscht is, zullen wij
+later zien, maar het kan niet belet worden). Het broednest zet zich
+daardoor meer en meer uit, en heeft op het einde van Maart reeds eene
+beduidende grootte bereikt. In April zijn in zulke stokken reeds
+duizende bijen geboren, die bij de eerste dragt dus veel voordeel
+kunnen aanbrengen.
+
+Door gebrek aan de noodige warmte, kunnen zwakke stokken niet met
+de broedaanzetting beginnen, voor dat het weder warmer geworden is,
+zoodat de bijen zich meer uiteen kunnen begeven. Zij zullen in het
+laatst van April nog maar een beperkt broednest hebben, en het volk
+zal meer verminderd dan vermeerderd zijn; tegen dat zij volkrijker
+worden, is de beste dragt gewoonlijk voorbij.
+
+4o. Wanneer in het voorjaar de woning en de bouw spoedig van het
+schimmel, dat zich in den winter heeft aangezet, worden gezuiverd,
+dan behoeven de bijen haar tijd daaraan niet meer te wijden, als er
+gunstig weder voor de inzameling invalt. Sterke stokken zijn met de
+zuivering in de eerste vliegbare dagen gereed, terwijl men er de
+zwakke soms in Mei en Junij nog mede bezig ziet, die daardoor den
+gunstigsten tijd voor de inzameling verzuimen.
+
+5o. Het is van veel belang dat de stokken vroeg met de wasbereiding
+beginnen, opdat er spoedig een uitgebreiden bouw tot stand zou komen,
+om bij gunstige dragt, en ook voor de eijerlage der koningin, geen
+gebrek aan cellen te hebben. Om het was te kunnen bereiden, moeten
+de bijen ruim van honig en bloemenstof voorzien zijn, en veel warmte
+kunnen ontwikkelen. Sterke stokken kunnen, door de veelheid van volk,
+veel vroeger eene voldoende hoeveelheid honig en bloemenstof hebben
+ingezameld dan de zwakke. Zij kunnen ook den warmtegraad tot eene
+veel grootere hoogte brengen. Zwakke stokken dragen soms in Mei,
+wanneer de wasbouw in vollen gang moet zijn, met moeite zooveel in,
+als zij tot voedsel voor zich zelven en het weinige broed, dat is
+aangezet, behoeven; soms moeten zij zelfs, bij eenig ongunstig weder,
+nog geholpen worden. De weinige bijen worden vereischt, om het broed
+te bezetten, en zij beginnen veeltijds eerst in Junij of Julij eenig
+was te bouwen, dat, daar de dragt dan grootendeels voorbij is, meestal
+ledig blijft. In den herfst zijn zij dan wel tot eenig volk gekomen,
+doch zij hebben geen wintervoorraad en moeten dus gevoêrd worden.
+
+Omgekeerd kan een sterke stok veel later met den wasbouw beginnen
+dan een zwakke. De reden daarvan is, dat de sterke stok nog een
+uitgebreiden, voorjarigen wasbouw heeft en daardoor over genoeg
+cellen kan beschikken, voor het opleggen van honig en de eijerlage
+der koningin. Hij zal dan niet bouwen, voordat er behoefte aan cellen
+gekomen is. Treedt deze behoefte later in, dan vergroot hij den bouw
+met spoed.
+
+Heeft men een zwakken stok in het voorjaar te veel van zijn bouw
+beroofd, in den waan hem daardoor tot meer werkzaamheid aan te
+sporen, zoodat hij volstrekt geene ledige cellen beschikbaar heeft
+gehouden, dan is hij wel genoodzaakt om, wil hij later het broed en
+den honigvoorraad kunnen vermeerderen, nu alles aan den wasbouw op te
+offeren. Zijne vlijt zal echter niet zoo groot zijn, als wanneer men
+hem niet besneden had. Dan had hij den ingezamelden honig voor het
+broed kunnen behouden en als voorraad opleggen, wanneer de voorhanden
+wasbouw ten minste gedurende den winter niet te veel beschimmeld was.
+
+6o. Wij zagen bij de behandeling van het zwermen reeds, dat late en
+zwakke zwermen weinig waarde hebben, ja veelal als nadeelig zijn te
+beschouwen. Nu ligt het in den aard der zaak, dat aan de voorwaarden
+tot het ontstaan van zwermen vereischt, in sterke stokken veel
+spoediger zal voldaan zijn dan in zwakke; terwijl de zwermen van de
+eerste, bij het voordeel, dat zij veel vroeger afkomen, nog dat zullen
+voegen, dat zij volkrijker zijn. Zwakke stokken kunnen den geheelen
+zomer niet aan zwermen denken, en middelmatige gaan er slechts laat
+toe over; deze kunnen dan gewoonlijk, evenmin als hunne zwermen,
+den vereischten wintervoorraad inzamelen.
+
+7o. De beste honigdragt is gewoonlijk zeer kort, en het is dus van
+veel belang, dat er zoo vele bijen als mogelijk is aan deel nemen. Hoe
+volkrijker de stok is, hoe meer bijen zich naar evenredigheid aan de
+inzameling kunnen wijden. Van een stok met 30000 en meer bijen kan
+men aannemen dat er, bij goede dragt, hoogstens 1/3 te huis zullen
+blijven, om het broed te verzorgen en andere huisselijke bezigheden te
+verrigten, terwijl de overigen den geheelen dag door honig inzamelen,
+en wel 3 tot 5 Ned. pond kunnen inbrengen. Daarentegen zal van een
+zwakken stok, die niet meer dan 10000 bijen telt, stellig niet meer
+dan de helft kunnen uitvliegen, en hoe weinig zullen deze maar kunnen
+inzamelen!
+
+Met den wasbouw ligt de zwakke stok ook veel ten achter bij den
+sterken. Deze kan in weinige dagen zijne woning half vol bouwen,
+terwijl gene nog slechts enkele tafels zal hebben voltooid.
+
+8o. Om aan ongunstige toevallen weêrstand te kunnen bieden, moeten de
+stokken volkrijk zijn; zwakke gaan er gewoonlijk geheel door te niet.
+
+Jaren, waarin de dragt slechts kort duurt, komen niet zelden voor. De
+laatst verloopene konden meest tot de onvoordeelige gerekend worden,
+daar het weder in het voorjaar, dikwijls tot in Junij, nat en koud, of
+dor en schraal was, terwijl het dan in den zomer werd afgewisseld door
+groote hitte en droogte of door veel regen, zoodat de beste tijd voor
+de honig-inzameling, onder ongunstige omstandigheden voorbijging. Het
+jaar 1856 leverde daarvan in mijne streken een treurig voorbeeld op:
+het voorjaar was langdurig koud, en later, toen de ruimst honigende
+gewassen bloeiden, regende het meest altijd, zoodat er slechts enkele
+dagen van elken dragttijd kon worden ingezameld. Sterke stokken
+kunnen in die enkele goede dagen zoo sterk vliegen, dat zij, zoo
+dan al geen overvloed, ten minste hun eigen wintervoorraad bekomen,
+terwijl zwakke stokken, veelal reeds eer de herfst ten einde is,
+den hongerdood sterven.
+
+Wanneer het weder vroeg in het voorjaar gunstig is geweest, zoodat
+er veel broed is aangezet, en er valt daarop koud of nat weder in,
+dan zal een sterke stok zijn broed behoorlijk bedekken, en daardoor
+voor verkoelen en afsterven bewaren, wanneer de koude ten minste niet
+te streng is en niet te lang aanhoudt.
+
+Sterke stokken zijn minder aan ziekten onderhevig dan zwakke, en
+in het algemeen kunnen zij ook elken schadelijken toestand beter te
+boven komen, hetzij dat die schade veroorzaakt is door eene verkeerde
+behandeling, hetzij dat andere omstandigheden er aanleiding toe hebben
+gegeven. Ook het volkverlies, dat soms ontzettend groot kan zijn,
+kan door een sterken stok uit den aard der zaak beter worden geleden
+dan door een zwakken. Hij heeft toch in zich zelven kracht genoeg,
+om zijn verlies te herstellen.
+
+9o. De vijandelijke aanvallen, van welken aard die ook zijn, moeten de
+bijen behoorlijk kunnen afweren. Daar nu het volk van een sterken stok
+veel meer door de woning verspreid is, zoo zal het ook alle plaatsen
+meer kunnen bewaken, en dus het indringen van roofbijen en andere op
+honig en was azende dieren veel moeijelijker maken dan een zwakke,
+die er gewoonlijk door overwonnen wordt.
+
+
+
+Naar aanleiding van het voorgaande kan men nu de volgende regels
+vaststellen, welker getrouwe nakoming den bijenkweeker niet dan
+voordeelig zijn kan:
+
+1o. Koop bij den aanleg van een bijenstand vooral geene zwakke stokken:
+voor niet gekregen, komen zij nog te duur te staan! Men zal er nooit
+een goeden stand mede kunnen daarstellen, en het verdriet, dat men er
+van heeft, zal allen lust in den aanvang uitdooven. Door de slechte
+gevolgen van zijn aanleg afgeschrikt, zal men de zaak veelal laten
+varen, daar zij voordeel noch genoegen zal opleveren.
+
+Wie een bijenstand wil aanleggen, koope minstens twee of drie gezonde,
+volkrijke stokken; al moet men hen ook wat duur betalen, zij zullen
+toch eene goede rente opleveren, want ging men den zomer met drie
+stokken te gemoet, wanneer hij niet al te ongunstig is geweest,
+zal men den winter met een grooter getal, misschien het dubbel ingaan.
+
+Het aankoopen van stokken geschiedt het best in het voorjaar, doch niet
+voor dat zij uitvliegen en reeds bloemenstof indragen. Uit het indragen
+van vele en zware bloemenstof-balletjes kan men met zekerheid het
+besluit afleiden, dat de stok volkrijk en van eene koningin voorzien
+is. Ook lette men er op of er vele bijen rond het vlieggat staan,
+die, met den kop naar hetzelve gekeerd en het achterlijf naar boven
+gerigt, vrolijk met de vleugels slaan, hetgeen een zeker teeken is,
+dat de stok gezond en volkrijk is.
+
+Men koope geene kleine korven, want in deze kan geen magtig volk
+ontstaan: het zwakke volk kan dan ook geene sterke zwermen afgeven
+en maar weinig inzamelen. Zulke stokken bezetten veeltijds uit
+plaatsgebrek den geheelen korf met broed; de bijen kunnen geen honig
+opleggen, daar zij hem voor zich en het broed behoeven; wordt er nog
+iets opgelegd, dan nemen de afvliegende zwermen het als uitzet mede,
+en bij het einde van de dragt heeft de stok wel eenig volk, maar
+geen voorraad, zoodat hij sterk gevoêrd moet worden, om den winter
+te boven te komen. Is hij, na er vele kosten aan besteed te hebben,
+gelukkig door den winter gebragt, dan heeft men er den aanstaanden
+zomer niet meer voordeel van te wachten dan den voorgaanden.
+
+Een stok moet minstens één sterken zwerm kunnen afgeven, en
+zooveel honig behouden, dat hij den winter kan doorstaan; bij
+gunstige jaren moet hij daarenboven iets afleggen of anders, bij de
+uitbreking in het najaar, 10 à 15 Ned. pond honig en 5 à 7 ons was,
+opleveren. Strookorven, welke inwendig 18 duim hoog en 13 duim wijd
+zijn, kunnen als de beste beschouwd worden. Ik spreek hier alleen
+van strookorven, omdat men hier te lande vooralsnog geene bevolkte
+Dzierzon'sche woningen zal kunnen koopen.
+
+Heeft men een korf naar het uitvliegen en het bezetten van het vlieggat
+uitgezocht, dan moet men hem omkeeren, om te zien of hij een goeden
+bouw heeft. Deze moet ten minste den halven korf vullen en bruingeel,
+niet zwart van kleur zijn. Een halfvolbouwde korf, met een zwerm van
+het vorige jaar, en eene moederbij van een of twee jaar, is gewoonlijk
+het beste. De bouw mag niet doorknaagd noch met wasmotten bezet,
+door de bijen bevuild noch beschimmeld zijn. Hij moet een aangenamen
+honigreuk, vooral geen stank verspreiden; deze kon ontstaan door dat
+er broed was afgestorven of door dat de bijen aan den loop leden.
+
+Hoe meer bijen men tusschen de wastafels bijeen verzameld ziet, hoe
+boozer zij zijn en hoe spoediger zij te voorschijn komen, als men
+haar beademt, des te zekerder kan men den stok voor gezond en volkrijk
+houden. Men moet vooral opletten of de onderplank zuiver is: gezonde en
+volkrijke stokken ontdoen den bodem van hunne woning steeds van vuil
+en doode bijen. Ook moet er reeds broed zijn aangezet, anders zou de
+stok moederloos zijn; in het laatst van Maart en het begin van April,
+moet men zonder veel moeite in elken stok broed kunnen zien. Eindelijk
+moet men nog toezien dat er genoeg honig voorhanden is, opdat men,
+voor het beginnen der dragt, niet meer behoeve te voêren. Voor de
+maanden April en Mei dient een stok nog 4 à 5 Ned. pond honig te
+hebben. Het is echter zeer moeijelijk, om in gewone strookorven over
+den honigvoorraad te oordeelen, daar er alleen onderin gezien kan
+worden, terwijl de honig meest in het bovenste gedeelte zit. Het best
+is een puntig stokje in de bovenste tafels te steken; teruggetrokken
+zal het aangeven hoe diep de honig reikt. Het gewigt van den stok
+moet ook in aanmerking genomen worden; dit is echter zeer onbepaald,
+want het broed kan reeds eene aanzienlijke zwaarte verkregen hebben,
+waardoor men zich al ligt zou bedriegen.
+
+In Dzierzon'sche woningen kan men zich, door het uitnemen van den
+bouw, in een oogopslag overtuigen, of aan al de voorwaarden voldaan
+is, welker vervulling wordt vereischt, om verzekerd te zijn dat de
+stok gezond en volkrijk is.
+
+In ons land is de prijs van een goeden stok, met den korf, 3 à
+7 gulden.
+
+2o. Op goed bezette bijenstanden zal men in den herfst steeds eenige
+zwakke stokken vinden. Hoe gaarne men zijn stand ook vergrooten wil,
+toch moet men deze niet inwinteren, daar men er vele moeite en kosten
+aan zou moeten besteden. Brengt men hen gelukkig door den winter, dan
+heeft men er nog maar zorg zonder voordeel van te wachten. Men doet
+beter van twee of drie zwakke stokken een sterken te maken, die dan
+behoorlijk door den winter gebragt en daarna winstgevend kan worden.
+
+3o. Moet men geene zwakke stokken koopen of aanhouden, niet minder
+noodzakelijk is het zorg te dragen dat sterke stokken niet verzwakken.
+
+Door aan stokken, die men denkt dat te veel honigvoorraad hebben,
+daarvan een gedeelte te ontnemen, maakt men openingen in den bouw
+en dus de woning koud. Om enkele ponden honig te oogsten, zou men
+in den herfst er den stok door in gevaar brengen, om een strengen
+winter niet te kunnen doorstaan; in het voorjaar zou men al ligt
+meest al den voorraad weg nemen, zoodat hij, in het veld geen honig
+kunnende vinden, gebrek leed: het gevolg zou zijn dat hij, den voorraad
+opgeteerd zijnde, de woning als hongerzwerm verliet; kon hij in het
+veld reeds iets, doch niet genoeg vergaderen, dan zou de moederbij met
+de eijerlage ophouden, en de bijen zouden het aangezette broed uit de
+cellen trekken, om het tot haar eigen levensonderhoud uit te zuigen,
+waardoor de volksvermeerdering belet werd. Indien men in het voorjaar
+het uitwerpen van broed bespeurt, dan moet men zich haasten om den stok
+voedsel toe te reiken, daar het een zeker teeken is dat hij daaraan
+behoefte heeft. Het is echter beter het intreden van dezen nood zoo
+mogelijk te voorkomen, en er vooral geene aanleiding toe te geven.
+
+Het besnijden van den wasbouw is eveneens gevaarlijk, wanneer het te
+vroeg en te sterk gedaan wordt. Het maakt de woning onderaan te ruim,
+en bij invallende koude kunnen de bijen zichzelven en het broed niet
+meer verwarmen.
+
+Door overmatig zwermen kunnen de stokken eveneens zeer verzwakken. Hoe
+dit tegengegaan kan worden is vroeger gezegd, en dat men ook zorg
+moet dragen, door het maken van kunstzwermen zijne stokken niet te
+veel te verzwakken, zal wel geen betoog behoeven. De kunstzwermen
+zijn voor de bijenteelt van hoog belang, maar zij moeten met oordeel,
+en alleen op den daarvoor geschikten tijd afgedreven worden.
+
+Er is hier maar ter loops gewaarschuwd, om het besnijden van den bouw
+en het afdrijven van kunstzwermen niet te overdrijven; aan elk dezer
+onderwerpen zal later een hoofdstuk gewijd worden.
+
+4o. Men moet zelfs trachten sterke stokken nog sterker te maken.
+
+Het behoort niet onder de zeldzaamheden dat men in April en Mei
+schoon warm weder met goede dragt heeft, terwijl daarna vele natte,
+koude dagen volgen, waarin de bijen niets kunnen inzamelen. De
+moederbij houdt dan terstond met de eijerlage op, tot het weder
+verbetert. De bijen zullen dan, het zwermen nog veraf ziende,
+het aangezette koninklijke broed en het hommelbroed, dat haar
+overbodig schijnt, uit de cellen trekken. Hierdoor wordt het zwermen
+natuurlijk vertraagd. Geeft men aan zulke stokken dagelijks twee of
+drie lepels verdunden honig of suikerstroop, dan zal de moederbij met
+de eijerlage voortgaan, en de bijen zullen geen broed vernietigen. Om
+de vruchtbaarheid der moederbij te bevorderen, dat vóór den zwermtijd
+van zooveel belang is, om spoedig volk en zwermen te kunnen hebben,
+is het zeer goed den stok, al is er in het veld reeds eenige dragt,
+toch dagelijks eenig voedsel te geven.
+
+
+
+
+
+DE OVERWINTERING.
+
+
+De bijen zijn in onze noordelijke streken niet inheemsch. Zij zijn
+voor een warmer klimaat geschapen, waar zij zich in een voortdurenden
+zomer kunnen verheugen en onverpoosd uitvliegen.
+
+Dat de natuur de bijen niet voor onze luchtstreek bestemd heeft,
+wordt daardoor aangetoond, dat zij geen winterslaap hebben, zoo
+als haar verwante, inlandsche insecten, als: wespen, hommels [14]
+enz. Deze brengen den winter in een staat van verdooving door,
+zonder door de koude gehinderd te worden, of voedsel te behoeven;
+door de voorjaarszon beschenen, keeren zij weder tot hun leven en
+werken terug. De bijen daarentegen blijven den geheelen winter wakker,
+en behoeven voortdurend voedsel. Aan aanhoudende, strenge koude kunnen
+zij geen weêrstand bieden.
+
+De omstandigheid, dat de bijen aanhoudend water behoeven, en dit toch
+niet als voorraad opleggen, kan ook als bewijs dienen dat zij hier
+niet te huis behooren. Ware dit het geval, dan zouden zij voorzeker
+ook instinktmatig water in hare woning opleggen, daar zij soms vier of
+vijf maanden buiten de mogelijkheid zijn, dit daarbuiten te halen. Maar
+in de landen, haar door de natuur als woonplaats aangewezen, kunnen
+zij dagelijks uitvliegen en dan tevens water vinden, al ware het
+door vroeg in den morgen de daauwdruppels te verzamelen. Met honig
+en bloemenstof is dit niet het geval; die kunnen haar ook in een
+heet klimaat vele weken ontbreken. Evenwel staat de oorzaak, waarom
+zij die dáár niet kunnen vinden, lijnregt tegenover die, welke het
+hier onmogelijk maakt: dáár is het de alle bloemen verschroeijende,
+brandende zonnehitte; hier integendeel de winterkoude!
+
+De toestand, waarin de bijen dus gedurende den winter bij ons
+verkeeren, is geheel onnatuurlijk. Bij eenige voorzorg kunnen zij
+nog al eenige koude doorstaan, maar elke strenge winter leert toch,
+door de offers die hij kost, dat men haar den onnatuurlijken toestand,
+waarin zij gebragt zijn, zooveel mogelijk moet verzachten.
+
+De meeste bijenhouders beschouwen de overwintering als niet zeer
+gewigtig. Zij achten hunne bijen genoegzaam verzorgd, indien zij van
+voorraad voorzien en zoo geplaatst zijn, dat zij voor regen en sneeuw,
+en ook eenigzins voor wind beschut staan. Oppervlakkig beschouwd hebben
+zij gelijk; want als de vorst niet te aanhoudend en te streng is,
+zullen de meeste stokken het voorjaar beleven. Maar waarom zal men er
+dan zooveel moeite aan besteden, om de bijen wat beter te verzorgen,
+indien men zonder dat toch meestal zijne stokken door den winter
+brengt? Omdat men zijne stokken wel door den winter brengt, maar met
+ontzettend verlies: de volkrijke stokken worden tot middelmatige en
+deze tot zwakke teruggebragt. Hierbij komt nog dat het honigverbruik
+van zulke, aan te veel koude blootgestelde stokken, veel grooter is.
+
+In den winter van 1854 op 1855 heb ik eene proef genomen met een
+stok, die in het najaar volkrijk en van voldoenden voorraad voorzien
+was. Mijne bevinding zal ik hier mededeelen.
+
+De winter was streng, en in het begin van December hadden wij reeds
+sneeuw en felle vorst. Met weinig afwisseling bleef dat zoo tot in
+Maart. De stok stond geheel vrij op zijn zomerstand; aan de voorzijde
+open en met het vlieggat naar het zuidoosten gerigt. Bij regenachtige
+dagen of bij eene betrokken lucht, hielden de bijen zich rustig;
+men zag er niet eene vliegen; maar zoodra de zon de woning bescheen,
+en zij hare stralen door het vlieggat zagen binnendringen, en de
+warmte haar bereikte, kwamen er eenigen te voorschijn, en lokten,
+door haar vrolijk gegons, de overigen naar buiten. Zij hielden een
+druk voorspel en hielden zelfs kortere of langere uitvlugten, waarop
+velen door de koude werden bevangen, en de woning niet meer kunnende
+bereiken, zich hier of daar nederzetteden, of op den grond vielen,
+om weldra den dood te vinden. Als er sneeuw lag, zag men den grond
+tot verscheidene schreden voor de woning met lijken overdekt. Zulke
+verliezen hadden dien winter, die zooveel zonnige dagen opleverde,
+niet zelden plaats.
+
+Op een warmen dag in het begin van Maart, liet ik de andere stokken
+hunne reinigings-uitvlugten houden en bezag ook den bewusten stok. De
+binnenwanden der woning waren met ijs bezet, en het werk onderaan sterk
+beschimmeld. Op de onderplank lagen vele dooden, die denkelijk door den
+kouden, snijdenden wind, welke door het vlieggat kon blazen, verstijfd
+van den verzamelden tros waren afgevallen, zonder er meer naar te
+kunnen opklimmen. Het volk was tot op minder dan de helft verminderd,
+en toen later het vliegbare weder daar was, was de stok wel gespaard
+gebleven, maar zwak en arm aan volk, zoodat hij veel tijd behoefde,
+om zich te herstellen. Eerst laat gaf hij een zeer kleinen zwerm.
+
+De stokken daarentegen, die ik met meer zorg door den winter gebragt
+had, hadden weinig dooden; zij waren vrij droog en de bouw was slechts
+eenigzins beschimmeld. Bij het begin der dragt verkeerden zij allen
+in vrij goeden toestand en gaven sterke voorzwermen.
+
+Gesteld dat deze stok 2000 bijen meer verloren had dan de anderen,
+dat zeker nog te weinig is, dan zou men, op een stand van 100
+stokken, 200000 bijen meer verloren hebben, dan door hen doelmatig
+te overwinteren. In het voorjaar kan een stok van 20000 bijen als
+een sterke beschouwd worden, en rekent men zijne waarde maar f 4,
+dat nog te laag is, dan had men toch een verlies van f 40. Behalve het
+direct verlies, door het verminderen van het totaal aantal arbeiders
+geleden, heeft men ook het nadeel dat zijne stokken minder volkrijk
+zijn, en vroeger zagen wij van hoeveel belang het is, het voorjaar
+alleen met volkrijke stokken in te treden.
+
+Hoe men de bijen, gedurende den winter, haar onnatuurlijken toestand
+dragelijk kan maken, zal ik nu nader opgeven.
+
+1o. Een eerste vereischte is dat zij van eene voldoende hoeveelheid
+voedsel voorzien zijn; zij hebben deze voorwaarde gemeen met alle
+dieren, die geen winterslaap hebben. Voor men dus zijne stokken
+inwintert, overtuige men zich hoe het met den voorraad gesteld is. Is
+hij te klein dan moet men hun vroeg in den herfst voedsel toereiken;
+zij kunnen dat dan in de cellen brengen en verzegelen. Men kan aannemen
+dat een volkrijke stok, 10 à 12 Ned. pond verzegelden honig behoeft,
+om de voorjaarsdragt te kunnen bereiken.
+
+Het is niet onverschillig waar de voorraad zich in de woning
+bevindt. Reeds vroeger (bl. 50) zeide ik dat de bijen zich bij strenge
+koude niet zijdelings kunnen verplaatsen. De voorraad moet zich daarom
+boven in de woning bevinden. Ook mogen er geene openingen in den bouw
+zijn, want zij zouden tot deze opklimmen, maar dan blijven zitten en
+van gebrek omkomen. Zoodra het weder haar veroorlooft zich uit een te
+begeven, verdragen zij den honig uit de zijdelings geplaatste cellen,
+naar de bovenste, die zij reeds geledigd hebben.
+
+Men doet altijd beter te zorgen dat de stokken overmatig van voedsel
+voorzien zijn, dan het hun te krap toe te meten. In lange winters
+geeft dit eene groote gerustheid, en men behoeft niet bevreesd te
+zijn dat de bijen, ruim van voorraad voorzien, daar te verkwistend
+mede zullen omgaan.
+
+2o. De bijen moeten in den winter voor strenge koude beschut
+worden; want hoewel sterke stokken, met genoegzamen voorraad, niet
+ligt bevriezen zullen, en men eenigzins op het taaije leven der
+bijen kan rekenen, zoo heeft strenge en aanhoudende vorst toch een
+allernadeeligsten invloed. De bijen, welke zich buiten aan den tros
+bevinden, kunnen de haar omgevende koude niet verduren. Zij beginnen
+te verstijven en vallen op den bodem der woning, vanwaar zij niet
+weder kunnen opklimmen, zoodat zij spoedig den dood vinden.
+
+Nog veel erger dan haar aan de vorst bloot te stellen is het, wanneer
+men den wind toegang tot hare woning geeft. In het vlieggat blazende,
+doet deze de koude aanhoudend tot in alle hoeken doordringen.
+
+Het is niet alleen hoogst nadeelig voor het leven der bijen, wanneer
+zij aan de koude en den wind zijn blootgesteld, het is ook schadelijk
+wegens het grooter honigverbruik. Door de koude gefolterd, wenden
+zij alles aan wat haar mogelijk is, om zich warmte te verschaffen;
+er ontstaat in den verzamelden hoop meer krachtsinspanning, om zich
+door beweging te verwarmen. De afmatting, die daarvan het gevolg is,
+moet door meer voedsel hersteld worden.
+
+Andere nadeelen van eene slechte inwintering niet tellende, zal alleen
+de hoeveelheid voedsel, die gebruikt wordt, zooveel grooter zijn dan
+bij goed verzorgde stokken, dat de kosten, aan die goede verzorging
+besteed, ruim opgewogen worden door de grootere opbrengst. Men kan
+rekenen dat de laatsten niet meer gebruiken dan 2/3 van het voedsel,
+dat de eersten behoeven.
+
+Wie gelegenheid heeft om zijne bijen in een vorstvrij, geheel
+donker vertrek te plaatsen, zal zich steeds met eene gelukkige en
+onkostbare overwintering mogen verblijden, terwijl anderen over groote
+verliezen en een ruim honigverbruik moeten klagen. Ik was tot dusverre
+genoodzaakt mijne stokken op den zomerstand te overwinteren. Hoe
+die ingerigt is, heb ik reeds gezegd (zie bl. 106). In het laatst
+van October, wanneer niet te hevige schuddingen de stokken nog
+niet benadeelen, zet ik strooringen op de korven, en vul deze met
+goed droog, overjarig stroo [15], of leg eenige oude kleedjes op de
+korven. In het vlieggat steek ik eenige spijkers, opdat de muizen
+er niet kunnen binnendringen, en de reet, tusschen den korf en de
+onderplank, smeer ik met klei digt. Zoodra de winter nu invalt, en
+ik verzekerd ben dat de bijen een ruimen voorraad hebben, sluit ik
+den voorwand van den stal, en laat de stokken verder aan zich zelven
+over. De uitkomst heeft mij zelden teleurgesteld. Ik sprak hier van
+strookorven, waarvan ik er altijd nog eenige heb. In Dzierzon's
+woningen wordt, zooals bij hare beschrijving werd opgegeven, de
+ruimte boven de staafjes en die tusschen den bouw en de deur, tegen
+den winter met stroo of mos gevuld, terwijl de wanden 4 duim dik zijn;
+daarin hebben de bijen dan ook zeer weinig koude te verduren.
+
+3o. Men moet zorgen dat de bijen geen gebrek aan versche lucht
+hebben. Hiervoor ziet men in den herfst den bouw na, en kort de te laag
+afgebouwde tafels zooveel in, dat er overal eene opening, van ruim
+1 duim, tusschen den bouw en de onderplank, vrij blijft. Zonder deze
+voorzorg zouden de stokken eene gewigtige levensvoorwaarde missen! Hoe
+noodzakelijk echter ook de toevoer van zuivere lucht zijn mag,
+toch zorge men dat het vlieggat de eenige opening in de woning zij,
+opdat er geen togt zou kunnen ontstaan. De versche lucht moet de bijen
+alleen van onderen, langzaam opklimmende, kunnen bereiken. Zij toonen
+zelven aan, dat zij geen trek in hare woning hebben willen, door alle
+openingen, met uitzondering van het vlieggat, met voorwas te sluiten,
+zoodra het weder kouder wordt; zelfs het vlieggat verkleinen zij nog,
+wanneer dit haar te groot toeschijnt.
+
+Daar het voor de bijen nadeelig is, wanneer de lucht onmiddellijk in
+het broednest stroomt, waar zij hare zitplaats hebben, zoo moet men het
+vlieggat altijd in het onderste, ledige gedeelte der woning geven. Elk
+zal het nadeel van eene opening, in de onmiddellijke nabijheid van
+hare zitplaats, terstond inzien, en toch ziet men bij velen juist
+daar het vlieggat, zoodat de bijen dadelijk blootgesteld zijn aan
+de toevloeijende buitenlucht en het inblazen van den wind. Altijd,
+zoowel 's winters als 's zomers, is de beste stand voor het vlieggat
+onder in de woning; 's winters om haar voor den onmiddellijken invloed
+der koude buitenlucht te beschermen; 's zomers om te voorkomen dat
+het daglicht of de zonnestralen in het broednest vallen: dat zij dit
+niet willen blijkt daaruit, dat zij, aan zich zelven overgelaten, en
+eene eigene woning gekozen hebbende, het broednest zooveel mogelijk
+boven het vlieggat plaatsen. Een laag vlieggat vermeerdert den ijver
+van een zwerm ook, om den bouw zoo spoedig mogelijk met het vlieggat
+gelijk te brengen; waarschijnlijk omdat zij daar veel gemakkelijker
+tegen oploopen dan tegen de wanden.
+
+Vóór de inwintering, moet men de bodems der woningen zuiveren: de
+dooden en andere onreinheden, daar aanwezig, zouden anders de lucht
+bederven, tot groot nadeel van de bijen.
+
+Het lokaal, waarin de stokken overwinteren, moet bij droog weder,
+na het vallen van den avond, gedurende een paar uren gelucht worden,
+door de deur en daar tegenover eene tweede opening te ontsluiten. Er
+kan dan een luchtstroom doortrekken, die het beschimmelen van de
+stokken belet. Bij hevigen wind moet men het luchten achterwege
+laten, en bij vriezend weder slechts nu en dan eens even versche
+lucht laten binnendringen.
+
+4o. In den winter is het zonlicht de grootste vijand der bijen, en
+men mag niet over het hoofd zien, dat zij daarvoor beschermd moeten
+worden. Zien zij het zonlicht door reten of naden binnendringen, dan
+worden zij terstond verlokt om te gaan vliegen; door die openingen gaan
+zij naar buiten, en terugkomende kunnen zij natuurlijk haar stok niet
+terug vinden: zij moeten buiten blijven en van koude bezwijken. Bij
+slechte sluiting en sterken zonneschijn, kan men dagelijks velen
+zien rondvliegen, die spoedig als slagtoffers vallen. Ik zou geheel
+open stallen nog verkiezen boven slecht geslotene. Zijn zij gesloten,
+dan moet men er, bij sterken zonneschijn, in gaan en alle openingen,
+waar licht door valt, goed digt maken.
+
+Om bij Dzierzon'sche woningen, die buiten staan, geen gevaar te loopen
+dat de bijen uitvliegen, sluit ik de vlieggaten overdag. Tegen het
+vallen van den avond open ik hen, doch bij winderig weder schuif ik er
+een, met kleine gaatjes doorboord, plaatje voor, om wel versche lucht,
+maar geen wind te doen binnendringen. Reeds sedert jaren behandel ik de
+stokken op deze wijze, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Het
+schijnt geen kwaad te kunnen, dat de lucht overdag afgesloten is,
+indien zij 's nachts maar vrijen toegang heeft.
+
+5o. Daar stooten of dreunen de stokken, welke op hun winterstand
+geplaatst zijn, zeer zou benadeelen, moet men hen daarvoor
+vrijwaren. Bij den minsten stoot gaan de bijen uit een; hierdoor
+verliezen zij de opgesloten warmte, en eer zij zich weder te zamen
+getrokken hebben, zijn velen, door de koude bevangen, van den tros
+afgevallen, en deze moeten omkomen, want zij bezitten de kracht
+niet meer, om tot de overigen op te klimmen. Bij het spreken over
+den bijenstal is reeds gezegd, dat men dit, bij zijne plaatsing,
+in aanmerking moest nemen.
+
+Houdt de winter lang aan, dan is het ligchaam der bijen geheel
+opgezwollen van het opgehoopte vuil, en zij moeten dan vooral zoo
+rustig mogelijk blijven staan. Gaan zij in dien toestand uit een, dan
+kunnen zij den drek niet langer bij zich houden en moeten dien dan,
+zoo zij niet kunnen uitvliegen, in de woning laten vallen; daardoor
+bezoedelen zij zichzelven en den bouw, en komt er niet spoedig een
+dag, waarop zij vliegen kunnen, zoodat zij zich van haar vuil kunnen
+ontlasten, terwijl men tevens gelegenheid heeft om het bevuilde werk
+gedeeltelijk weg te nemen, dan moet de geheele stok omkomen.
+
+In den bijenstal moet men gedurende den winter nooit voorwerpen bergen,
+die men nu of dan kan noodig hebben. Het uitnemen daarvan zou ligt
+tot onvoorziene schokken aanleiding geven. Nooit moet men er katten
+in laten, om muizen weg te vangen. Deze konden, door hare sprongen,
+in korten tijd een geheelen stand ten onder brengen.
+
+
+
+Indien men al het mogelijke gedaan heeft om den winter voor de bijen
+te verligten, dan kan men hem met vertrouwen te gemoet zien. Al
+was het dat zij vier of vijf maanden opgesloten moesten blijven,
+volkomen rustig staande zouden zij al dien tijd haar vuil bij zich
+kunnen houden. Het is evenwel verkieslijk, dat dit niet langer dan drie
+maanden behoeft te duren, en in de meeste winters zal men ook, binnen
+dien tijd, wel eens gelegenheid hebben om zijne bijen te laten vliegen.
+
+Om de opsluiting niet noodeloos te verlengen, moet men er niet te
+vroeg toe overgaan; want tot in het begin van December kan men nog
+heerlijke dagen hebben, die eene reinigings-uitvlugt toelaten. Zoodra
+de winter zich echter door vorst of sneeuw aankondigt, sluit men
+zijn stal, en welke schoone dagen nu ook volgen, men opent hem niet,
+voor dat de bijen minstens zes weken opgesloten zijn geweest. Komt
+er in het laatst van Januarij of in het begin van Februarij eens
+een zoogenaamde zomersche dag, dan kan men daarvan gebruik maken,
+om haar eens te laten vliegen. Maar men doet dit niet, wanneer men
+niet met grond kan verwachten, dat de dag schoon en warm blijven zal;
+de thermometer moet in de schaduw minstens 50° F. teekenen. Waait
+het sterk, dan kan men haar ook niet uitlaten, want het vliegen nu
+niet gewoon zijnde, zouden zij spoedig worden nedergeslagen.
+
+Wanneer de grond met sneeuw bedekt is, en de reinigings-uitvlugt niet
+volstrekt vereischt wordt, dan late men haar niet vliegen. Allen die
+op de sneeuw gaan zitten om te rusten zijn verloren. Achtte men het
+vliegen hoog noodig, dan zou men vooraf den grond voor den stal met
+stroo moeten beleggen, waarop de vermoeid te huis komende bijen zich
+konden plaatsen.
+
+Welke redenen men ook hebben mag om te veronderstellen dat een dag
+schoon en warm zal blijven, toch kan men zich tegen alle verwachting
+bedriegen. Ik heb dat ook eens ondervonden, doch vond toen ook een
+middel om de verstijfde bijen weder te doen herleven, en naar hare
+stokken terugkeeren; mijne bevinding wil ik hier mededeelen.
+
+Tegen elf ure 's morgens maakte ik, op een zomerschen dag, in het
+midden van Februarij, mijn bijenstal open. Spoedig speelden alle
+stokken voor; de lucht in den omtrek was met bijen vervuld. Het was
+een genot, haar zoo gezond en vrolijk te zien vliegen en te hooren
+gonzen! Maar ziet, tegen twee ure komen er wolken op, er begint een
+koude wind te waaijen en de zon verdwijnt geheel. Nu komen de bijen in
+digte drommen naar huis, maar een groot gedeelte is onderweg reeds door
+de koude bevangen en kan het vlieggat niet meer bereiken. Duizenden
+zijn voor den stal nedergevallen en waren reddeloos verloren, zoo men
+haar niet te hulp kwam. Ik bedenk wat te doen en kom tot het gelukkige
+besluit, om de gevallenen op te rapen, haar in een blikken bak te
+verzamelen, en dezen op eene flaauw verwarmde stoof te zetten. Over
+den bak leg ik een doek, slechts een klein hoekje als een vlieggat
+openlatende. Weldra herleven de bijen, en zij vliegen door de opening,
+ieder naar hare eigene woning. Dat dit herleven spoedig plaats had,
+kan men daaruit opmaken, dat wij met ons drieën raapten, en dat tegen
+vier ure het bakje reeds ledig was, enkele verongelukten uitgezonderd.
+
+Is men er toe overgegaan om de bijen uit te laten, dan moet men,
+zoodra alles geopend is of de binnenshuis overwinterde stokken weder
+op hunne plaats gezet zijn, de bodems der woningen reinigen. Bij
+de Dzierzon'sche geschiedt dit met den vroeger beschreven haak (zie
+bl. 122). Voor de korven moet men een helper hebben, en terwijl dan
+de eene den korf opligt, zuivert de andere de onderplank, of legt er,
+wat nog beter is, eene schoone voor in de plaats. Men moet dit zoo
+spoedig mogelijk doen, daar de bijen er anders zelve toe overgaan, en
+men er haar een vermoeijend werk door ontneemt, dat daarbij aan velen
+het leven kost; bij geene bezigheid zijn de bijen zoo onbeholpen,
+als bij het uitdragen van hare dooden. Dikwijls blijven zij, met de
+haakjes van hare pooten er aan hangen, zoodat zij er zich niet van
+kunnen losmaken; zij vallen dan met haar op den kouden, natten grond
+en komen om, op de lijken die zij uitdroegen.
+
+Bij het wegnemen der dooden moet men toezien of de moederbij zich
+ook daar onder bevindt; hoewel zelden, toch komt dit nu en dan
+voor. De stok is dan moederloos, en kan in dien tijd van het jaar
+geene volkomene moederbij bekomen, daar er geene hommels zijn, om
+haar te bevruchten. Zulk een stok kan men niet laten staan; hij zou
+dan spoedig ontvolkt en uitgeroofd worden. Het best is hem met den
+nevensstaanden stok te vereenigen; de ontvolkte woning kan men dan, met
+den bouw dien zij bevat, bewaren, om er later een zwerm in te zetten.
+
+Het vuil, dat men met de doode bijen op de bodems der woningen,
+of op de onderplanken vindt, moet niet weggeworpen worden. Voor een
+groot deel bestaat het toch uit wasdeksels, die de bijen van de cellen
+genomen hebben, om den honig te kunnen bereiken. Men zift het, om er
+de doode bijen af te zonderen, en smelt het later met ander was op.
+
+De bijen hebben de dooden niet gaarne in hare nabijheid; deze moeten
+daarom niet te digt bij den stal worden geworpen, want zij zouden
+haar dan van den grond opnemen en haar verder wegdragen.
+
+
+
+
+
+DE BROEDAANZETTING.
+
+
+Ieder bijenkweeker weet dat het mogelijk is de bijen tot het aanzetten
+van broed aan te sporen, zelfs op een tijd, die daarvoor door de
+natuur geenszins bestemd is. Wanneer men b. v. laat in den herfst
+een stok, die aan alles gebrek heeft, die bij de karige weide moeite
+heeft om zijn dagelijksch voedsel te verzamelen, eenige honigtafels
+en ook eene tafel met bloemenstof inhangt, hem 's avonds nog wat
+laauw-warmen, eenigzins verdunden honig geeft, en hem zoo warm mogelijk
+plaatst, dan zal die hongerlijder, zich zoo plotseling in overvloed
+geplaatst ziende, als het ware herleven, en zijn geheelen rijkdom
+tot het aanzetten van broed aanwenden. Een voorraad, die voor drie
+maanden tot onderhoud had kunnen dienen, zal in drie of vier weken
+verbruikt zijn en de stok zal vol broed staan.--Hieruit volgt, dat
+men de broedaanzetting nog veel meer zal bevorderen, door de bijen,
+op een daarvoor geschikten tijd, in daartoe gunstige omstandigheden
+te plaatsen.
+
+Als de dagen iets langer worden, dan begint zich ook in den bijenstok
+eene verhoogde werkzaamheid te ontwikkelen. De broedaanzetting neemt
+dan een aanvang en wordt meer en meer voortgezet en uitgebreid, indien
+het de bijen ten minste niet aan honig, bloemenstof en water ontbreekt,
+en wanneer zij tegen de koude van den winter of het voorjaar beschermd
+zijn. Oppervlakkig beschouwd, zou het voordeelig schijnen om zwakkere
+stokken reeds vroegtijdig tot de broedaanzetting op te wekken. Indien
+zij slechts eene maand vóór de sterke stokken hiermede begonnen waren,
+konden zij bij het begin van de dragt aan deze gelijk zijn. De hun
+gegeven honig zou eene groote winst kunnen opbrengen, daar jonge bijen
+in het voorjaar de grootste waarde hebben. Men late zich echter niet
+tot zulk eene handelwijze verleiden! Even als men den groei van eene
+plant in eene broeikast bevordert, kan men de bijen ook kunstmatig
+tot volksvermeerdering brengen; maar de plant is aan hare plaats
+gebonden. Zij kan in eene beperkte ruimte leven; de bij daarentegen
+moet de vrije lucht kunnen genieten; zij moet zich buiten hare woning
+kunnen reinigen, hetgeen sterk broeijende stokken ten minste eens in
+de week moeten doen. Dikwerf leveren hiertoe de maanden Februarij en
+Maart, soms zelfs ook April, geene geschikte dagen op. Kunnen zij zich
+niet geregeld reinigen, dan houden zij niet alleen met broeijen op,
+maar worden ziek; zij bevuilen elkander en het werk, en vallen bij
+honderden, ja bij duizenden neder; de geheele stok komt in de grootste
+ellende, zoo hij niet geheel ten onder gaat. Vallen er van tijd tot
+tijd geschikte dagen in, waarop de bijen eene reinigings-uitvlugt
+kunnen houden, dan zal men toch van eene te vroege broedaanzetting
+geen voordeel hebben. Een volk, dat in zijne woning werkzaam is,
+wil, al heeft het aan niets gebrek, ook daarbuiten bezig zijn en zijn
+voorraad vermeerderen. In de woning heerscht het voorjaar, en in de
+meening dat dit ook daarbuiten zoo zijn zal, wagen de bijen telkens
+wanneer de zon doorbreekt verre uitvlugten om, als zij zich achter
+wolken verbergt, op den kouden grond, of zelfs op de sneeuw neder te
+vallen en te verstijven. De honig, aangewend om het broed vroeg in
+het jaar te vermeerderen, is dus gewoonlijk niet alleen verloren, maar
+daarenboven verliest men meer bijen, dan er aangekweekt worden, en de
+overblijvende verspillen hare krachten nutteloos; ook de vruchtbaarheid
+der koningin wordt doelloos verminderd; putte eene oude moederbij door
+vervroegde broedaanzetting hare vruchtbaarheid geheel uit, en stierf
+zij, voordat er hommels waren, om hare opvolgster te bevruchten,
+dan kon een sterke stok hierdoor te gronde gaan. De stokken, die te
+vroeg tot broedaanzetten zijn opgewekt, zullen ook meestal, óf in
+het geheel niet zwermen, óf dit veel later doen dan die, welke daar
+later mede begonnen, maar er dan ook onafgebroken mede voortgingen.
+
+In plaats van dus zijne stokken tot eene vroegtijdige broedaanzetting
+aan te sporen, moet men elken dag, dat de bijen in het voorjaar langer
+in de winterrust blijven, als eene winst beschouwen. Stokken, die in
+den winter besloten gestaan hebben, zoo lang mogelijk te laten staan,
+en die, welke men op een schoonen dag eens had laten vliegen, weder
+te sluiten, zal het doelmatigst zijn. Zonder noodzakelijkheid moet
+men de stokken nooit in hunne winterrust storen, om hen te vroeg te
+besnijden of onnoodig te voêren.
+
+Velen beschouwen het bij herhaling openen van eene woning, en
+het uitnemen der wastafels, ook in den zomer als schadelijk,
+omdat men er de bijen onnoodig werk door bezorgt, daar zij alles
+weder met voorwas bevestigen, en de inzameling daardoor belet zou
+worden. Dit is echter eene dwaling. De meerdere werkzaamheid in den
+stok, veroorzaakt ook eene grootere vlijt bij die bijen, die honig
+en bloemenstof verzamelen. De bijen, die de huisselijke bezigheden
+verrigten, halen toch niets in, maar de groote vlijt, die zij moeten
+aan den dag leggen, spoort ook de indragende aan, om zich ijveriger te
+betoonen. Daarom zijn ook besneden stokken soms vlijtiger dan andere:
+niet omdat zij besneden zijn, maar omdat zij, besneden zijnde, ook
+moeten bouwen. Zij halen dan onbesneden gebleven stokken niet alleen
+in, maar streven die vooruit.
+
+Eene geheel andere zaak is het om de stokken, bij het einde van
+den winter, door veel openen, besnijden, voêren en dergelijke te
+verontrusten. Dan kan het alleen schadelijk zijn, want de werkzaamheid,
+waartoe de bijen worden opgewekt, heeft eene inspanning, soms eene
+geheele uitputting van hare krachten ten gevolge, zonder dat de
+stok daar eenig voordeel van ondervindt. Zoolang er buiten niets
+voor de bijen te halen is, moet men haar zooveel mogelijk met rust
+laten, haar van onnoodig uitvliegen afhouden, en vooral niet tot
+broedaanzetten opwekken. Men moet daarom de stokken, die in den
+herfst niet genoegzaam van voedsel voorzien zijn, dit dan toevoegen,
+om hen, als in het vroege voorjaar alles opgeteerd was, niet te moeten
+verontrusten. Alle nuttelooze uitvlugten hebben, wegens de koude van
+de lucht en van den grond, onvermijdelijk volksverlies ten gevolge;
+er kon ook onverwachts grootere koude invallen. Soms schijnt het dat
+de lente alles met nieuw leven zal bezielen; maar in plaats daarvan
+slaat plotseling het weder om, en men heeft sneeuwbuijen met kouden
+wind gepaard. Wee den zwakken stokken, die dan tot eene sterke
+broedaanzetting opgewekt zijn geworden, en zich daardoor meer uit
+elkander begeven hebben. Het broed willen zij soms niet verlaten; zij
+kunnen den voorraad niet meer bereiken en zich ook niet zamentrekken;
+zij verstijven dan op het broed en gaan daarmede te niet. Geheel kan
+deze ongunstige toestand niet voorkomen worden, wanneer de maand
+Februarij zacht weder opleverde, terwijl het in Maart ruw en koud
+is; maar de bijenkweeker moet zorgen dit gevaar niet te vergrooten,
+door zijne bijen, vóór den tijd, tot de broedaanzetting uit te lokken.
+
+Als van zelf komt men nu tot de vraag: "Wanneer moet de broedaanzetting
+beginnen?" Met de beantwoording daarvan willen wij ons dan nu bezig
+houden.
+
+Sterke stokken hebben somtijds reeds in Januarij broed aangezet,
+terwijl de zwakke er eerst na de eerste reinigingsuitvlugt toe
+overgaan, en dat nog niet eens doen, wanneer er spoedig hevige koude
+invalt. Het voordeeligst zou het te achten zijn, dat zoowel sterke
+als zwakke stokken, er niet voor April mede aanvingen; evenwel kan
+verschil in de luchtgesteldheid, het meer of minder gunstig zijn van
+het weder, en de aard der weide hierin verandering brengen: wat in de
+eene streek laat genoemd moet worden, zou in eene andere vroeg kunnen
+zijn. Een stok, die niet te ruim van honig voorzien is, zal zich niet
+zeer geneigd toonen om veel broed aan te zetten; maar stokken, die
+rijk aan honig zijn, en dan gewoonlijk ook nog bloemenstof bezitten,
+doen dit reeds vroeg. Wanneer zij echter vroeg broed hebben aangezet,
+en de winter lang aanhoudt, dan kan de voorraad opraken, voordat zij
+het buiten kunnen halen; zij moeten dan het broedaanzetten niet alleen
+staken, maar ook het aanwezige broed laten afsterven. Dit gebrek
+kan men ontdekken, doordat men op den bodem der woning en voor het
+vlieggat uitgeworpen broed vindt liggen. Zulk een stok moet dadelijk
+met voedsel te hulp gekomen worden, opdat hij met het broedaanzetten
+voort zou kunnen gaan. De behoeftige stokken moeten, vooral in April,
+goed ondersteund worden, om hen tot het broedaanzetten op te wekken,
+en hen daardoor zoo mogelijk tot eenige volkssterkte te doen komen,
+tegen dat de voorjaarsdragt begint. Het is toch door het groot
+aantal volk, niet door de groote hoeveelheid, die elke bij inbrengt,
+dat een goede bijenstok, bij rijke weide en gunstig weder, zoo veel
+kan inzamelen. Gedurende de beste dragt moeten dus de stokken het
+volkrijkst zijn, om voordeel te kunnen aanbrengen. Het volksverlies
+is dan ook juist het grootst. In volkrijke, sterk broeijende stokken
+bemerkt men daar niets van, omdat het dagelijks uitloopende broed
+het meer dan herstelt.
+
+Hoe meer broed een stok bij het begin der hoofdweide heeft, des te
+voordeeliger kan hij dit aanwenden, en daarbij zullen de zwermen,
+die hij afgeeft, sterker zijn en vroeger afkomen. Bleef hij echter bij
+het afnemen der weide even sterk broeijen, dan zou hij al ligt het als
+voorraad opgelegde weder aan het broed opofferen, en bij middelmatige
+jaren, na het eindigen der weide, zelfs door gebrek bedreigd worden,
+in plaats van iets te kunnen afgeven. Van hoeveel belang het is het
+broedaanzetten te kunnen bevorderen of beperken, valt nu duidelijk
+in het oog, en de omstandigheden, die er nog invloed op uitoefenen,
+wanneer aan de hoofdvoorwaarde "het aanwezig zijn van een ruimen
+voorraad of eene goede dragt," voldaan wordt, verdienen dus wel hier
+vermeld te worden.
+
+Warmte is een voornaam vereischte voor het broeijen. Hoe grooter
+zij is, en hoe gelijkmatiger zij door den stok is verspreid, des te
+meer zal het broednest uitgebreid worden. De warmtegraad, die in
+een stok heerscht, hangt van verschillende oorzaken af. Vooreerst
+komt de warmte der buitenlucht in aanmerking; neemt zij toe, dan
+zal het ook in de woning warmer worden. In woningen, die door de zon
+beschenen worden, wordt veel broed aangezet, en dientengevolge ook
+het zwermen bevorderd. Van meer invloed is evenwel de inrigting der
+woning. Hoe slechter hare wanden de warmte geleiden, hoe hooger en
+gelijkmatiger de warmtegraad zijn zal. Ook de dikste, de warmte het
+slechtst geleidende wanden, zullen haar toch altijd nog eenigzins
+doorlaten. Dit verlies moet hersteld worden door de bijen, die in
+het midden der woning verzameld zijn, en van daar naar de wanden
+moet dus de warmte afnemen. In eene lange, smalle woning zal het
+voor- en achteraan betrekkelijk koel zijn. Veel gelijkmatiger is de
+warmte verspreid in vierkante, nog meer in ronde woningen. In deze
+heeft daarom ook eene gelijkmatige broedaanzetting, door de geheele
+woning plaats.
+
+Het spreekt van zelf dat hetzelfde volk eene kleine woning beter
+verwarmt, dan eene grootere. Is deze echter naar evenredigheid van
+hare grootte ook sterker bevolkt, dan zal zij nog warmer zijn dan de
+kleine, omdat de buitenlucht eene groote verwarmde massa betrekkelijk
+minder afkoelt dan eene kleine.
+
+Door het vlieggat ontwijkt veel warmte, en daar de verwarmde lucht
+naar boven stijgt, zoo zal het warmteverlies toenemen, met de wijdte
+en de hoogte van het vlieggat. Is het laag en daarbij onder in de
+woning aangebragt, dan zal er het minste warmte verloren gaan; de
+bijen worden dan ook tot eene uitbreiding van het broednest uitgelokt,
+omdat zij dit gaarne zoo digt mogelijk bij het vlieggat hebben.
+
+Slechts als de buitenlucht koud is, en als de bijen zich vooral op de
+broedaanzetting moeten toeleggen, is het wenschelijk dat de warmte in
+de woning besloten blijft. In den zomer, als zij zich voornamelijk
+met den honigoogst moeten bezig houden, wordt groote hitte de bijen
+tot last; zij mat haar af en noodzaakt een groot gedeelte werkeloos
+te blijven, dat gaat voorliggen om de warmte te ontgaan. Om doelmatig
+genoemd te mogen worden, zal eene bijenwoning dus zoo ingerigt moeten
+zijn, dat men haar naar verkiezing warm of koud, klein of groot
+kan maken. Met Dzierzon's woningen kan dit geschieden. Door middel
+van het verkleinplankje, kan de lengte naar goedvinden verkleind
+worden. De ruimte, tusschen dit plankje en de deur, en die boven de
+dekplankjes, met stroo of mos aanvullende, verkrijgt men dan een zeer
+warm broedruim; de broedaanzetting wordt bevorderd en van stokken,
+die men tot in den zwermtijd zoo besloten laat, verkrijgt men daarom
+de vroegste zwermen. Verwijdert men echter bij vermeerdering van volk
+en ruimere dragt de vulling, en trekt men het verkleinplankje terug,
+dan zal de warmte in de woning verminderd worden, terwijl er tevens
+ruimte gewonnen wordt, waarin de bijen honig kunnen afzetten.
+
+Men kan, door de zamenstelling van een warm broednest, de bijen
+aanleiding geven om vroeg en veel broed aan te zetten, en men heeft
+het eveneens in zijne magt, om het tot eene zekere ruimte, tot een
+bepaald aantal tafels, te beperken.
+
+Het is bekend dat het broed zich onafgebroken, in eene gesloten ruimte
+bevindt; het wordt cel voor cel en tafel voor tafel aangezet. Wanneer
+van eene tafel een zeker aantal bijen zijn uitgeloopen, dan reinigen
+de werkbijen de cellen, en de moederbij bezet haar onmiddellijk weder
+met eijeren, om het broed gesloten en dus warm te houden. Wil men
+het broednest vergrooten, dan behoeft men maar eene ledige wastafel,
+tusschen twee met broed gevulde tafels te hangen. De moederbij zal
+zich haasten haar met eijeren te bezetten, om weder slot in haar
+nest te brengen. Daar het broed van zulke tafels op den 20sten dag
+meest te gelijk uitloopt, zoo zijn zij bijzonder geschikt om er
+zwakke stokken mede te versterken. Van het streven der bijen om
+haar broednest gesloten te houden, kan men zich ook bedienen, om
+haar met spoed te doen bouwen. Hangt men een staafje, waaraan eene
+strook wastafel bevestigd is, tusschen twee met broed gevulde tafels,
+dan zullen de bijen deze tafel met verwonderlijke snelheid volbouwen.
+
+Het verkleinen van het broednest geschiedt door tafels met broed uit
+de woning te nemen, die dan ter versterking van zwakke zwermen, of tot
+het maken van afleggers kunnen dienen. Tegen dit verkleinde broednest
+hangt men een of twee verzegelde honigtafels, waarover de koningin
+zich niet ligt heen begeeft, om ledige cellen op te zoeken. Het
+beperken van het broednest kan ook zeer goed geschieden, door er een
+verkleinplankje tegen te zetten, waarin men de gaten zoover opent,
+dat alleen de werkbijen zich daar achter kunnen begeven (zie bl. 89
+en 92). Men moet er niet langer mede wachten, dan tot in de helft der
+maand Julij; het broed, dat later aangezet wordt, komt te laat uit om
+nog in te zamelen, terwijl het veel honig vereischt; in den herfst zal
+men, tot het versterken van zwakke stokken, steeds bijen in overmaat
+hebben, uit de stokken, die voor den honigoogst zijn uitgebroken. In
+den laten nazomer, wanneer de dragt spaarzamer wordt, zal de moederbij
+zich van zelve niet geneigd toonen, om zich buiten het broednest te
+begeven, om tafels, die tot dusverre vrij van broed waren, daarmede
+te bezetten; maar tegen den zwermtijd wil zij, zeer vruchtbaar zijnde,
+dit wel eens doen; het moet haar echter zooveel mogelijk belet worden.
+
+Eene gezonde en vruchtbare moederbij schijnt de werkzaamheid van
+haar eijerstok willekeurig te kunnen beperken of vermeerderen. Eene
+gebrekkige of door ouderdom verzwakte kan haar daarentegen niet zoo
+doen stijgen, dat zij een uitgebreid broednest behoorlijk met eijeren
+kan bezetten. Om veel broed te kunnen verkrijgen, moet de koningin
+dus gezond, jong en zonder gebreken zijn, terwijl de stok genoeg
+bevolkt moet zijn, om het behoorlijk te kunnen bebroeijen en verzorgen.
+
+Indien er in den nazomer nog eenige dragt bestaat, kunnen de bijen
+zich zoo sterk op de broedaanzetting toeleggen, dat zij nog een
+uitgebreid broednest verkrijgen. Belet men dit niet zooveel mogelijk,
+dan kunnen zij haar wintervoorraad geheel aan dit nutteloos broeijen
+besteden, en daardoor in volslagen gebrek komen. Zelfs bij het voêren
+van stokken, die hun wintervoorraad niet hebben ingehaald, moet men in
+den herfst wel voorzigtig zijn, daardoor geene aanleiding tot broeijen
+te geven. Men moet hen zoo mogelijk met verzegelde honigtafels, of
+bij gebrek daarvan met verdikten honig of kandij voêren. Wil men hun
+liever verdunden honig voêren, dan geeft men dien in groote, snel
+op elkander volgende giften, door b. v. alle avonden een Ned. pond
+in de woning te plaatsen, totdat zij hun voorraad hebben. De bijen,
+zoo ruim van honig voorzien zijnde, zullen hem dadelijk in de ledige
+cellen dragen, er zoo vele als mogelijk is mede vullen, en dus de
+moederbij beletten er velen met eijeren te bezetten. Evenwel ziet men
+zich in zijne verwachting wel eens teleurgesteld, want gevoêrd wordende
+bijen zijn steeds tot het aanzetten van broed opgewekt; vooral zij,
+die door kleine giften aanhoudend tot werkzaamheid worden aangespoord,
+zullen het niet nalaten; zij zullen zelfs veel broed zetten, indien
+het voêren op een tijd geschiedt, dat zij nog bloemenstof en water
+kunnen binnenhalen. Het voêren is dan even doelloos, als in Februarij
+en Maart.
+
+Willen de stokken, die men in den winter te hulp komen moet, het
+broedaanzetten volstrekt niet nalaten, dan is men genoodzaakt er
+de moederbij uit te vangen en haar, in een moederhuisje besloten,
+in het broednest te hangen. De meeste stokken zullen de gevangen
+moederbij blijven voêren en bezetten; later laat men haar weder
+vrij. Andere zullen de koningin wel verzorgen, maar tevens hulpcellen
+aanzetten. Doen zij dit, en is de koningin ouder dan twee jaar, dan
+neemt men haar en de hulpcellen tot op eene na weg. De stok verkrijgt
+dan eene jonge moederbij; wordt zij, zoo er nog hommels aanwezig zijn,
+gelukkig bevrucht, dan kan zij nog een aantal bijen voortbrengen,
+waardoor de volksvermindering, door de lange moederloosheid ontstaan,
+hersteld wordt. Zulke stokken worden gewoonlijk volkrijk genoeg,
+en gaan den winter met ruimen voorraad in. Er zijn soms stokken,
+die van eene gevangen moederbij niets willen weten, maar haar
+laten verhongeren; de hulpcellen, die zij aanzetten, worden zoo als
+gezegd is, tot op eene na weggenomen. Is het jaar te ver gevorderd,
+dan geeft men hun eene moederbij uit een stok, dien men tegen den
+winter uitbreekt.
+
+In het algemeen kan het wegnemen der moederbij een stok niet
+benadeelen, wanneer hij bij een goeden bouw, overvloed van volk en
+broed bezit, en het hommelbroed zich begint te ontwikkelen. Is de
+moederbij ouder dan twee jaar, dan is het voordeelig, want men belet
+het zwermen, en de bijen, geen broed meer te verzorgen hebbende, zetten
+hulpcellen aan, waardoor zij eene jonge moederbij bekomen, terwijl zij
+het ingezamelde geheel als voorraad kunnen opleggen. Ontneemt men de
+hulpcellen aan een stok, dien men vroeger van zijne koningin beroofd
+had, en geeft men hem eene op het uitloopen staande moederwieg in de
+plaats, dan zal hij deze blijven bebroeijen, en binnen weinige dagen
+weder eene regentes hebben, waarna er dat jaar geen hommelbroed meer
+aangezet zal worden, omdat jonge moederbijen het eerste jaar zelden
+aan zwermen denken. Zulke stokken bevatten gewoonlijk veel honig, want
+wat in anderen door de hommels en hun broed gebruikt wordt, wordt hier
+als voorraad opgelegd. Hoeveel honig aan hommelbroed ten koste gelegd
+moet worden, kan men opmaken uit de zwaarte van eene daarmede gevulde
+tafel. De bijenhouder moet dit broed daarom zoo veel mogelijk weren
+(zie bl. 26). Ook moet men, daar alle broed veel honig vereischt,
+de bijen maar niet zoo veel laten aanzetten als zij willen, om het
+daarna bij den honigoogst, meedoogenloos te dooden, tot het bekomen
+van eenige ponden honig, die de stokken soms, lang voor het aangezet
+werd, reeds bezaten; terwijl zij, bij verhindering der broedaanzetting,
+zooveel te meer gevulde honigtafels zouden bezitten. Zelfs kan, indien
+men het broeijen en zwermen geheel vrijlaat, alle in den voorzomer
+ingezamelde honig, aan het broed besteed worden. Het vele zwermen
+doet haar dan verscheidene dragtdagen verzuimen, en levert de nazomer
+eindelijk een schralen oogst op, dan zullen de stokken, hoe gunstig
+ook het voorjaar mag geweest zijn, in den herfst zonder voorraad zijn
+en den winter, zonder sterke ondersteuning, niet te boven kunnen komen.
+
+
+
+
+
+HET VOÊREN.
+
+
+Men onderscheidt het voêren, naar de omstandigheden die er toe leiden,
+in speculatief voêren en voêren uit nood.
+
+Het speculatief voêren geschiedt in het voorjaar, om de bijen tot
+eene ruime broedaanzetting op te wekken, waardoor de volkssterkte bij
+de eerste hoofdweide "de zaadbloem," tot de grootste hoogte gebragt
+wordt. Men moet dan, drie of vier weken voordat men meent dat de
+weide zal beginnen, tot het voêren overgaan, haar in groote giften,
+van minstens 1 Ned. pond, laauw warmen, verdunden honig gevende. Om
+den anderen avond geeft men haar tot driemalen zulk eene gift. Door
+dezen ruimen voorraad worden de bijen tot groote werkzaamheid opgewekt,
+en de moederbij bezet vele der gereedgemaakte cellen met eijeren. Dit
+broed zal nu in den aanvang der hoofdweide beginnen uit te loopen,
+en gaat alles zoo als wij dat berekenden, dan zullen de aangekweekte
+bijen, den aan haar ten koste gelegden honig ruim vergoeden. Valt
+daarentegen het weder tegen, zoodat de hoofdweide zich langer laat
+wachten dan men vermoed had, dan moet men zulke stokken, die alles
+aan het broed verspild hebben, sterk blijven voêren, waardoor men van
+zijne speculatie meer schade dan voordeel heeft. Ik bepaal mij daarom
+alleen tot het voêren uit nood, tot het te hulp komen van die stokken,
+die hun voorraad opgeteerd hebben, de anderen zooveel mogelijk met
+rust latende.
+
+Om broed te kunnen aanzetten, moeten de bijen niet alleen honig of
+suiker en water, maar ook bloemenstof hebben, en dit ontbreekt haar
+veeltijds, waardoor bij ruimen honigvoorraad de broedaanzetting toch
+maar traag voortgaat. Is het weder te ongunstig om dit stof buiten
+te verzamelen, dan moet men het haar ook zoo mogelijk toevoegen,
+waarom het van belang is, bij het uitbreken van stokken, die tafels,
+welke geheel of gedeeltelijk met dit stof gevuld zijn, zorgvuldig te
+bewaren. Vooral in moederlooze stokken vindt men soms bijna alle tafels
+uit het broednest daarmede gevuld. Daar het stof zeer ligt uitdroogt of
+beschimmelt, en daardoor ongeschikt voor de bijen wordt, moet men het
+met honig of suikerstroop overgieten, waardoor het zeer lang bewaard
+kan worden. Ook kan men de gedeeltelijk met bloemenstof gevulde tafels
+verbrijzelen, en haar aldus onder den voor voeder bestemden honig
+bewaren. Het bloemenstof uit zulk voedsel gebruiken zij met graagte,
+en het wekt haar tot eene sterke broedaanzetting op. Er gaat echter op
+deze wijze een gedeelte der wastafels verloren, want de bijen dragen
+deze naar buiten of bijten haar tot gruis. Kan men geen bloemenstof
+aan de stokken, die men tot broedaanzetten wil opwekken, toevoegen,
+dan kan men dit vervangen door tarwen- of roggenmeel (zie bl. 42);
+men moet zorg dragen dat dit meel door regen of dauw niet vochtig
+wordt, want dan kunnen de bijen het niet meer opnemen.
+
+Het natuurlijke voedsel der bijen is honig; doch alle zoetigheden
+worden door haar aangenomen, en met het beste gevolg geeft men haar
+suikerstroop, kandij [16] en nu sedert een paar jaar ook 4 deelen
+Surinaamsche suiker, met 1 deel honig tot eene pap gemaakt. Zelfs
+blanke aardappelstroop, met een weinig suiker of honig dooreen
+gesmolten, kan men haar gerust geven.
+
+In de gewone strookorven is het voêren zeer lastig; het voedsel kan
+alleen van onderen gegeven worden. Moeten de bijen, daarin geplaatst,
+in het voorjaar ondersteund worden, dan zet men den korf tegen den
+avond, als de vlugt heeft opgehouden, op den kop, giet er eenige
+lepels verdunden honig in, dekt hem met een kleedje en laat hem zoo
+een paar uren staan, totdat de bijen den honig hebben opgenomen. Men
+herhaalt dit om den anderen dag.
+
+Wil men deze omslagtige wijze vermijden, hetgeen soms door het koele
+weder noodzakelijk wordt gemaakt, dan kan men ook verboterden honig
+nemen, daarvan 1 of 2 Ned. pond met een lepel afschrappende, zoodat
+er geene brokken in blijven. Men doet dezen in een grof linnen zak,
+legt dien onder op het werk, bedekt hem met een papier of eene ledige
+wastafel en steekt alles met houten pennen vast, opdat het bij het
+omkeeren van den korf niet naar beneden zou vallen. Het papier of
+de wastafel dient om den honig, die door den zak kon druipen, op te
+vangen. Op deze wijze kan men de bijen voor een paar weken in eens
+voorzien. Ook kan men op het een weinig gelijk gesneden werk stukken
+kandij leggen, deze met een natten doek of beter nog met eene natte
+spons bedekken, daarover een kleedje leggen en dan de opene ruimte
+van den korf met een kafkussen aanvullen. Men kan hem dan op den
+kop laten staan. Niettegenstaande de onnatuurlijke stelling, kan men
+op deze wijze zelfs een stok, die bijna geen eigen voorraad heeft,
+door den winter brengen. Om de vier weken ziet men er maar eens naar,
+of er nog genoeg kandij is en giet wat water op den doek of de spons;
+in het voorjaar, als zij meer voedsel behoeven, ziet men er om de
+14 dagen naar. Neemt men in plaats van kandij, Surinaamsche suiker,
+met blanke aardappelstroop tot eene stijve pap gemaakt, en legt men
+deze in een zak op het werk, dan behoeft men daar geen nat voorwerp
+op te leggen.
+
+Heeft men boven in de strookorven openingen gemaakt, dan kan het
+voêren met behulp der voederbakjes (zie bl. 125) veel gemakkelijker
+geschieden. Men kan dan, indien men met dunnen honig of blanke
+aardappelstroop wil voêren, ook gebruik maken van eene blikken buis,
+die in de opening in den korf past. Men laat aan den onderkant een rand
+maken, waarover een doek gebonden wordt, vult haar dan met het voedsel,
+legt er een deksel op, smeert de reet tusschen de buis en den korf
+met klei digt, en bedekt de buis met een bloempot; de reet tusschen
+dezen en den korf wordt ook met klei gesloten. De bijen zullen nu het
+voeder, dat door den doek zijpelt, oplikken en men behoeft van tijd
+tot tijd de buis maar aan te vullen. In plaats van eene blikken buis,
+kan men zich ook bedienen van een zoogenaamd suikerglas, waaruit men
+den bodem heeft laten springen. Men behoeft dan het deksel niet af
+te nemen, doch kan aan de buitenzijde zien of er nog voorraad in is.
+
+De verschillende wijzen van voêren, die ik hier opgeef, zijn allen
+door mij meermalen met goed gevolg aangewend. Men kan er zich op
+verlaten, maar moet vooral zorg dragen alles zoo te sluiten, dat
+vreemde bijen door den reuk niet tot rooverij worden uitgelokt;
+door alles met kleedjes te bedekken, moet men den invloed der koude
+onschadelijk maken.
+
+In Dzierzon's woningen geschiedt het voêren veel gemakkelijker dan in
+korven. Door het uitnemen der tafels weet men bij deze met zekerheid
+of er behoefte aan voedsel bestaat, terwijl dat bij de korven, door
+het wegen met de hand, daarnaar slechts geraden worden moet. Men
+kan zich daarbij grootelijks vergissen, omdat een korf veel broed,
+van een beduidend gewigt kan hebben, terwijl de voorraad opgeteerd
+is. Men moet daarom goed opletten, of de bijen in de strookorven ook
+onvolwassen broed uittrekken, want dit is een zeker teeken dat er
+volslagen gebrek is, zoodat het voêren van den stok dan geen oogenblik
+meer uitgesteld mag worden.
+
+De beste en natuurlijkste wijze om in Dzierzon'sche woningen te voêren,
+bestaat in het inhangen van tafels met verzegelden honig. Men neemt dan
+den bouw tot aan de zitplaats der bijen weg, hangt daar twee of meer
+verzegelde honigtafels tegen, en hangt hiertegen de eerst uitgenomen
+tafels. Niet altijd kan men evenwel over verzegelde honigtafels
+beschikken. Zij kunnen vervangen worden door in ledige wastafels honig
+of suikerstroop te gieten, waarna men deze nog met fijne witte suiker
+bestrooit, om het uitloopen van het voeder te beletten.
+
+Indien de bijen hare zitplaats diep in de woning hebben, en men alle
+tafels tot daartoe niet wil uitnemen, dan kunnen de honigtafels haar
+ook boven hare zitplaats gegeven worden, door een der dekplankjes
+weg te nemen.--In plaats van deze tafels kan men ook stukken dikken,
+verboterden honig, in papier wikkelen, zoodat zij maar aan eene zijde
+ontbloot zijn. Met dien kant worden zij op de staafjes gelegd.--Of men
+legt op de staafjes een linnen zak, die met suiker, met aardappelstroop
+tot een brij gekneed, is gevuld.--Voêrt men met kandij, dan wordt
+ook deze op de staafjes gelegd, en met een doek of eene spons, die
+te voren natgemaakt is, bedekt; wanneer de vorst het niet belet,
+dan moet men om de acht dagen den doek of de spons wat bevochtigen;
+want is de kandij te droog, dan kunnen de bijen haar, bij gemis van
+water, niet gebruiken.--Vroeger is reeds opgegeven hoe het voêren met
+de voederbakjes geschiedt, die meer bepaald voor dun voedsel dienen.
+
+Welk voedsel men ook op de staafjes legt, altijd moet dit zoo goed
+mogelijk met plankjes belegd, en de ruimte daarboven met mos gevuld
+worden, zoowel tegen de koude, als omdat de bijen niet naar boven
+zouden kruipen.
+
+Is het vlieggat niet onmiddellijk tegen den bodem der woning, maar een
+weinig daarboven aangebragt, dan kan men, door middel van een trechter
+met eene gebogen pijp, dunnen honig of stroop door het vlieggat,
+op den bodem der woning gieten. Dit voeder zal niet wegvloeijen,
+daar de bijen alle reten digtmaken; wanneer men ten minste tegen de
+deur eene rigchel van klei legt. Op deze wijze kan men maar weinig
+voeder in eens geven, zoodat het elken avond herhaald moet worden. Al
+voert men de bijen niet op deze wijze, dan is het toch altijd goed,
+dat het vlieggat een weinig boven den bodem is aangebragt. Staat
+het te laag, dan dragen de bijen de kleine stukjes kandij of de
+verbrokkelde wastafels, die op den bodem gevallen zijn, naar buiten,
+zoodat zij verloren gaan.
+
+Deze wijze van voêren, kan alleen in het voorjaar, wanneer de bijen
+zich uit een kunnen begeven, worden toegepast. Men kan het voeder
+dan ook in de vroeger beschreven voederbakjes doen, en deze, zonder
+deksel, op den bodem der woning plaatsen.
+
+In het voorjaar is het ook zeer goed de bijen een weinig water te
+geven. Men giet het in wastafels, en hangt deze in de woning. Men
+kan haar dan ook met kandij of versuikerden honig voêren, die zij
+zelf zullen verdunnen. Het water, dat men haar geeft, mag niet met
+suiker of honig vermengd worden, want dan vallen zij er te begeerig
+op aan, en zouden door er te veel van te gebruiken, den loop kunnen
+krijgen, indien het weder haar belette uit te vliegen, om zich van
+het overtollige vocht te ontlasten.
+
+In vele woningen vormt zich steeds een aanslag, die de bijen voldoende
+van water voorziet. Andere, inzonderheid de zamengestelde woningen,
+houden zich bijzonder droog, zoo zelfs, dat de bijen in het voorjaar
+grooten dorst toonen te hebben. Men moet haar dan water in hare woning
+geven, of bij goed vliegbaar weder, haar in de gelegenheid stellen
+dit daarbuiten te verzamelen (zie bl. 38).
+
+Voor vele, vooral pas beginnende bijenhouders, is het voêren eene
+lastige zaak. Mij heeft het aanvankelijk veel moeite en schade
+berokkend. Ik heb daarom gemeend het niet te vlugtig te moeten
+behandelen. De verschillende wijzen van voêren, boven opgegeven,
+heb ik allen bij ondervinding als zeer doelmatig leeren kennen.
+
+Voêrt men met honig, dan moet men zich alleen van eigen honig
+bedienen. Kocht men daarvoor honig, van welks zuiverheid men
+niet bepaald overtuigd was, dan kon men zijn geheelen stand ten
+onder brengen, indien het ongeluk wilde dat daaronder ook honig
+uit vuilbroedige stokken was. Om dit gevaar te ontgaan, moet men
+veel liever met suiker of kandij voêren. Bij gemis van verzegelde
+honigtafels voêr ik altijd met kandij. Deze is goedkooper dan
+honig en daar zij volstrekt niet naar honig ruikt, geeft men
+ook geene aanleiding tot rooven. De minste honigreuk maakt de
+bijen dadelijk opmerkzaam; bij het voêren moet men daarom vooral
+zorgen niet te storten, en het mag ook alleen 's avonds, als alle
+vlugt heeft opgehouden, geschieden. Den volgenden morgen moeten,
+voordat de vlugt begint, alle voedergereedschappen, die onder in
+de woningen geplaatst zijn, weggenomen en van den stand verwijderd
+worden. Suiker of kandij kan men op alle uren van den dag geven,
+maar verdund voedsel mag niet onder in de woning gesloten worden,
+dan bij volstrekt onvliegbaar weder.
+
+
+
+
+
+DE KUNSTZWERMEN OF AFLEGGERS.
+
+
+Hier te lande komen de natuurlijke zwermen gewoonlijk in ruime mate,
+en soms zelfs zoo overtollig voor, dat het wenschelijk is hen te
+beperken. Eene kunstmatige bewerking, om zwermen te verkrijgen, zou dus
+als nutteloos beschouwd kunnen worden voor den bijenkweeker, die alleen
+op winst bedacht is. Dit is evenwel het geval niet. Bij het gunstigste
+weder kan het soms lang vertragen eer de zwermen afkomen, zoodat men
+zijne stokken dagen, ja weken achtereen te vergeefs bewaakt. Om van
+dit bewaken ontslagen te zijn, en de zwermen zoo vroeg en zoo geregeld
+mogelijk te hebben, drijft men hen dan veelal kunstmatig af.
+
+Dat vooral de voorzwermen zoo vroeg mogelijk afkomen, is van het
+grootste belang. Een verschil van acht dagen kan maken dat de eene zijn
+bouw reeds voor een groot gedeelte heeft opgetrokken, ja reeds eenigen
+voorraad heeft opgelegd, als de andere nog moet beginnen te bouwen,
+en slaat het weder om, dan moet hij ver ten achter blijven. Ook het
+nazwermen is spoediger afgeloopen, wanneer men de voorzwermen geregeld
+van zijne stokken kan nemen, want zij kunnen hoogstens drie weken na
+deze afkomen. Eindelijk kan men gedwongen zijn tot de kunst zijne
+toevlugt te nemen, wanneer men zijn stand nog vergrooten wil. Bij
+eene zeer rijke weide, maken toch de bijen zelve soms het zwermen
+onmogelijk, door de cellen zoo spoedig met honig te vullen, dat de
+moederbij er slechts weinige met eijeren kan bezetten, waardoor de
+volksvermeerdering gering moet blijven. In zulke jaren kan men ook
+maar zeer weinig kunstzwermen verkrijgen, want men moet als een vaste
+regel aannemen, nooit zulke zwermen te maken, wanneer de stokken niet
+zwermgeregt zijn.
+
+Om zwermgeregt te wezen moet een stok volkrijk zijn; hij moet veel
+broed en gesloten moederwiegen of anders ongedekt broed bezitten, om
+daaruit hulpcellen te kunnen, aanzetten; er moet reeds eenige honig
+zijn opgelegd; op den stand moeten er reeds hommels vliegen, of anders
+moet er hommelbroed aanwezig zijn, dat op het uitloopen staat. Al
+wordt aan deze eischen voldaan, dan mag men toch nooit kunstzwermen
+maken, dan bij eene ruime dragt. Zij onderscheiden zich toch van de
+natuurlijke zwermen daardoor, dat deze zich voor het afvliegen van een
+belangrijken voorraad honig voorzien, terwijl de kunstzwermen maar in
+de haast een weinig medenemen. Zoo er dus onvliegbaar weder inviel,
+nadat men deze zwermen had gemaakt, dan moest men hen dadelijk met
+voeder bijspringen, indien dit in den aanvang niet geschied was;
+anders zouden zij, als honger- of bedelzwermen, de woningen weder
+moeten verlaten.
+
+Hoe korter de dragt is, welke hun nog ten dienste staat, hoe minder
+broed en wastafels men hun kan toevoegen, en hoe grooter de woning
+is, welke zij bevolken moeten, des te sterker moet men de zwermen
+maken. Wanneer zij toch den wintervoorraad nog geheel moeten inhalen,
+ja zelfs daarbij den bouw nog optrekken moeten, dan dient ook de
+bevolking talrijk te zijn, omdat de jonge bijen eerst na verloop van
+drie weken uitloopen, wanneer de dragt veelal reeds merkelijk bekort
+is. Vroege afleggers, die de volle dragt nog voor zich hebben, kunnen
+minder sterk zijn. Het is echter voordeelig ook dezen eenige wastafels,
+en zoo mogelijk een geheelen bouw, toe te voegen. De koningin kan dan,
+zoodra mogelijk, veel broed aanzetten, terwijl zij anders daarvoor
+gebrek aan cellen zou hebben, want daar de zwerm zwak is kan hij
+niet zoo spoedig cellen aanbouwen, als de koningin haar met eijeren
+bezet. Komt men de bijen in zulk een toestand sterk met voeder te hulp,
+dan zal dit later ruime winst opbrengen.
+
+Behalve het bovengenoemde bestaat er nog een tweede verschil, tusschen
+natuurlijke zwermen en kunstzwermen. De eersten hebben hunne oude
+standplaats vergeten, de laatsten daarentegen zoeken haar weder op. Het
+is daarom dat de meest gebruikelijke wijzen om kunstzwermen te maken,
+een tweeden stand vereischen, minstens een half uur verwijderd van
+dien, waarop de moederstokken staan. In de laatste jaren heeft men
+ook middelen bedacht om dit bezwaar, voor velen een bepaald beletsel,
+op te heffen. Dit is van te meer gewigt, omdat bij zamengestelde
+woningen aan geen verplaatsen gedacht kan worden, al kon men over
+een tweeden stand beschikken.
+
+
+
+De oudste en meest bekende wijze om kunstzwermen te maken, is het
+aftrommelen. De oude, vruchtbare moederbij wordt, met het grootste
+gedeelte der bijen, uit de bebouwde woning gedreven; men laat haar
+in eene ledige woning overgaan, waarin zij een nieuwen stok moeten
+uitmaken.
+
+Het afdrijven of aftrommelen van den zwerm geschiedt het best 's
+namiddags, bij schoon, warm weder. Is het een korf, waar de zwerm
+uitgedreven moet worden, dan neemt men dezen van zijne plaats, en zet
+hem eenige schreden achter den bijenstand, met den kop naar onder, in
+een daartoe in den grond gegraven kuiltje of beter nog in een daartoe
+geschikten stoel met eene opening, waarin de korf hangt. Intusschen
+zet men een ledigen korf op zijne plaats in den stal, waarin de van het
+veld te huis keerende bijen zich verzamelen kunnen. In den korf, die nu
+onderste-boven staat, blaast men een weinig rook, en zet er een ledigen
+korf, of een ring, met een deksel gesloten, op. De naad, tusschen beide
+korven, wordt, door daarom heen een doek te slaan, zoo gesloten, dat
+er geene bijen door kruipen kunnen. Met de vlakke hand, of met een
+paar dunne stokjes, begint men nu tegen den kop van den ondersten
+korf zacht te kloppen; langzamerhand verwijdert men zich daarbij
+verder van den kop. Ten gevolge van het geraas en van de warmte,
+door den ingeblazen rook veroorzaakt, begeven zich de meeste bijen,
+en daarbij ook de koningin, naar den bovensten korf. Gewoonlijk heeft
+dit in enkele minuten, hoogstens binnen een kwartier, plaats. Wilden
+de bijen niet gemakkelijk naar den bovensten korf opklimmen, dan moest
+men haar nogmaals berooken, en haar daarbij naar die zijde drijven,
+waar zij toonen te willen opklimmen; met het kloppen houdt men aan. Om
+de bijen, die zich tusschen de tafels zouden willen vastzetten, tot het
+opklimmen te noodzaken, blaast men rook door het vlieggat en steekt,
+in de rigting der tafels, eenige gaatjes in den kop van den korf,
+waardoor men met de rookpijp dan ook rook blaast. Het oor tegen den
+bovensten korf houdende, kan men hooren of daar vele bijen in zijn
+opgeklommen. Nu neemt men den korf weg, en ziet men dat zich een zwerm
+van voldoende sterkte daarin heeft vereenigd, dan zet men hem op eene
+zwart geverwde plank, of op zwart papier. Blijven de bijen langer
+dan een half uur rustig, en trekken zij zich meer en meer te zamen,
+dan kan men verzekerd wezen dat ook de moederbij in den zwerm is,
+en de bewerking kan als goed gelukt beschouwd worden. Meestal zal men
+zich van de tegenwoordigheid der moederbij reeds na een kwartier kunnen
+overtuigen, door de eijeren, die men op de plank of het papier, onder
+den korf liggende, kan ontdekken. De koningin kan toch, gedurende de
+drukste eijerlage, onverwachts uitgedreven wordende, niet plotseling
+met leggen ophouden, maar moet, bij gebrek aan cellen, de eijeren
+laten vallen. Ontdekte men geene eijeren, en werd de zwerm onrustig;
+kwamen de bijen buiten over den korf heen en weder loopen, als of
+zij iets zochten, dan kan men verzekerd zijn dat de moederbij in den
+ouden stok is teruggebleven: de bewerking moet dan herhaald worden,
+en de tweede maal zal men in den regel beter slagen.
+
+Het terugblijven der koningin is wel eens het gevolg daarvan, dat
+zij de haakjes van hare pooten verloren heeft, en daardoor niet
+tegen den wand van den korf kan opklimmen. Het is daarom goed om
+te beginnen met in den ondersten korf een paar stukken van ledige
+wastafels te zetten, die tot in den ledigen korf reiken. De moederbij
+kan daartegen gemakkelijk opklimmen, en de bijen, die men er nog op
+vindt, nadat de korven van elkander zijn genomen, veegt men met eene
+veêr bij den zwerm. Soms vindt men er ook de koningin nog opzitten,
+en haar bij den zwerm voegende, is men zeker van zijne zaak.
+
+
+
+De ontdekking van Schirach dat de bijen, uit elke werkbijenmade, mits
+niet ouder dan vier dagen zijnde, eene koningin konden aankweeken [17],
+gaf hem aanleiding om in korven, ook op de volgende wijze kunstzwermen
+zamen te stellen; men noemt haar het Schirach'sche bedrog. In het
+bovenste gedeelte van een ledigen korf, bevestigt men eene ledige
+wastafel, die ongedekt broed bevat, en zet hem op de plaats van een
+sterk bevolkten korf, dezen elders zettende. De nog uit den korf
+vliegende bijen, zoowel als de uit het veld terugkeerende, vliegen
+allen naar de bekende plaats en trekken in den ledigen korf. Daar
+bemerken zij het bedrog, en zijn wel wat onwillig om in den korf te
+blijven, maar geen ander onderkomen hebbende, schikken zij zich in
+haar lot, en leggen uit het haar gegeven broed hulpcellen aan. In
+de meeste gevallen zullen de zwermen volkomen gelukken. Zij heeten
+zwermen door bedrog, en dat met het meeste regt; maar het grootste
+bedrog pleegt de bijenhouder jegens zich zelven. Hij denkt zich te
+bevoordeelen, en meestal zal het omgekeerde plaats hebben. Door het
+verplaatsen berooft men den moederstok van al het volk, dat reeds had
+uitgevlogen, zoodat hij veelal te weinig overhoudt, om het broed te
+verzorgen. Aan inzamelen valt in de eerste acht dagen niet te denken,
+en hij zal in het geheel niet zwermen, of nog zeer laat een zwerm
+geven. Men krijgt een goeden en vroegtijdigen voorzwerm minder.
+
+En wat heeft men van den zwerm te wachten? Het duurt zeker drie
+weken eer de aangekweekte moederbij met de eijerlage zal beginnen,
+en het broed behoeft nog drie weken ter ontwikkeling, waardoor deze
+stok, in zes weken, zonder eenigen toevoer van bijen blijft. In dien
+tijd zal de zwerm, door het dagelijksch verlies, wel tot op de helft
+gedund zijn. Ook zal er niet veel honig opgelegd zijn, daar deze
+grootendeels aan het broed en de wasbereiding is besteed. Begint de
+nieuwe bevolking de cel te verlaten, dan is de beste dragt voorbij,
+zoodat men van zulk een stok weinig genoegen kan hebben, en hem altijd
+sterk zal moeten ondersteunen, om hem door den winter te brengen.
+
+
+
+Bij Dzierzon's woningen, geschiedt het aftrommelen der zwermen
+veel beter dan bij strookorven. De bewerking kan daarin niet
+tegenvallen. Des noods kan men alle tafels uitnemen, om de moederbij
+te vangen, en deze dan zooveel bijen toevoegen, als men noodig
+oordeelt. Deed men het in een tijd, dat er nog niet veel honig in
+de stokken was, dan zou dit de zekerste, en misschien ook de kortste
+weg zijn. Zijn evenwel de stokken reeds honigrijk, en de verzwaarde
+tafels reeds aan de wanden der woning vastgebouwd, dan moet men een
+anderen weg inslaan, die zich rigten moet naar den vorm der woning.
+
+In eene staande woning maakt men de honigkamer ledig, en schuift in
+de bovenste groef twee ledige staafjes; het eene tegen den voorwand,
+het andere tegen de deur. Op deze beide staafjes legt men een plankje
+[18], dat juist in de woning past, en aan welks onderkant twee of
+drie smalle strooken wastafel zoo bevestigd zijn, dat zij tegen den
+voorwand der woning hangen. Nu worden de dekplankjes weggenomen,
+waarna men van onderen rook tusschen al de tafels blaast, en tevens
+zacht klopt op den bodem en de wanden der woning. Is zij zamengesteld,
+dan zal dit de bijen in de andere afdeelingen niet hinderen. Men houdt
+met deze bewerking aan, tot dat men de koningin naar boven heeft zien
+klimmen, of met waarschijnlijkheid vermoedt, dat zij zich onder de
+bijen bevindt, die zich onderaan het plankje tot een tros verzameld
+hebben. Door dit plankje weg te nemen, neemt men den geheelen zwerm
+in eens uit de woning, en kan hem in de nieuwe woning, die hij
+zal moeten bevolken, daar weder afschudden. De stukken wastafel,
+onderaan het plankje bevestigd, maken het de bijen gemakkelijk zich
+daar vast te houden, zoodat zij er niet afvallen, als men het uit de
+woning neemt. Men moet zich hiermede niet haasten, maar het liever
+eenigen tijd laten hangen: aan de meer of minder rustige houding der
+bijen zal men dan met zekerheid kunnen ontdekken, of de koningin zich
+daar al dan niet onder bevindt. Is zij er onder, dan trekken de bijen
+zich meer en meer te zamen; in het omgekeerde geval, begeven zij zich
+binnen een kwartier weder uiteen; men is dan genoodzaakt het werk uit
+te nemen, en haar op de tafels, of op den bodem der woning te zoeken.
+
+In eene liggende woning bekomt men de moederbij gewoonlijk gemakkelijk,
+door de eene deur te openen en de bijen, door rook en kloppen,
+naar de andere te drijven. Opent men die dan spoedig, dan vindt men
+de koningin meestal op de eerste of tweede tafel, die men dan, zoo
+als zij is, overhangt in de woning, die door den zwerm bevolkt moet
+worden; daarin doet men dan nog zoovele bijen, als men noodig acht,
+waarna de zwerm tot stand gebragt is.
+
+
+
+Een zwerm, welke op eene der aangegeven wijzen is afgedreven, moet
+zoo mogelijk naar een verwijderden stand gebragt worden. Velen zetten
+hem, om dit bezwaar te voorkomen, op de plaats van den moederstok,
+dezen ergens anders plaatsende. Daardoor kan evenwel de moederstok
+aan groot gevaar blootgesteld worden. Hij verliest toch meest al het
+volk, dat reeds gevlogen had, (zijne oude plaats opzoekende versterkt
+dat den zwerm), en hij behoudt dan niet genoeg bijen, om het broed
+te verzorgen, dat daardoor zal afsterven. Beter zou het dan zijn
+den zwerm op de plaats van een moederstok te zetten, waarvan reeds
+acht dagen vroeger een zwerm was afgedreven. In dezen zou het broed
+geen gevaar loopen af te sterven, daar het, reeds bedekt zijnde,
+zonder verdere verzorging kan uitkomen. Ook zou hij waarschijnlijk
+geen nazwerm meer geven, dat als gunstig moet beschouwd worden.
+
+Is de moederstok op zijne oude plaats blijven staan, dan blijft hij
+als gewoonlijk vliegen. Den eerstvolgenden nacht zal hij, zijne
+moederloosheid ontdekt hebbende, hulpcellen aanzetten, indien er
+geene moederwiegen aanwezig zijn. In het eerste geval kan men er na
+verloop van 14 dagen, en in het tweede nog spoediger een nazwerm van
+verwachten [19], wanneer men hem ten minste niet te veel verzwakt
+heeft, hetgeen men nooit doen mag, wegens de zorg, die het ongedekte
+broed nog vereischt. Men doet beter den zwerm niet te sterk af te
+drijven, maar hem liever met broedtafels of met bijen uit andere
+stokken te versterken. Deze bijen verkrijgt men, hetzij door haar
+ook door rook naar boven te drijven, hetzij door haar van de deuren
+en de eerste wastafels met eene veêr af te vegen. Men behoeft voor
+geene onvriendelijke opname te vreezen, indien men deze bij den
+zwerm voegt, daar de bijen van weêrskanten beschroomd zijn. Voor de
+zekerheid is het echter goed haar met muskuswater te besprenkelen. Om
+de moederbij in geen geval aan gevaar bloot te stellen, is het goed
+haar in een moederhuisje te sluiten, en haar eerst na 24 uren los
+te laten. Het zou ook kunnen gebeuren dat men, door bijen uit andere
+stokken te geven, eene tweede koningin in den zwerm gebragt had. Om
+hier zekerheid van te hebben, neemt men de opgesloten moederbij
+slechts eenigen tijd uit de woning; blijven de bijen dan rustig,
+dan zullen zij nog eene regentes hebben, doch worden zij onrustig,
+dan geeft men haar de gevangene terug.
+
+Is men hierdoor, of op eenige andere wijze, in het bezit van eene
+vruchtbare moederbij geraakt, dan kan men daar terstond weder een
+aflegger mede maken, door haar uit volkrijke stokken bijen toe te
+voegen. Met eene onbevruchte koningin kan dit niet geschieden, want
+de bijen, die men haar geeft, zouden haar ombrengen, omdat zij aan
+eene bevruchte moederbij gewend zijn.
+
+Men plaatst de koningin in een moederhuisje, en bevestigt dat in
+een transportkastje, aan de bovenzijde van het draadwerk. Vindt men
+nu, bij het openen der woningen, waaraan men de bijen ontnemen wil,
+dat er velen op de deuren zitten, dan steekt men deze met het eene
+einde in het kastje, en veegt er alle bijen af, die zich dadelijk
+naar voren zullen begeven, omdat zij daar licht zien invallen, en
+dus meenen te kunnen ontsnappen. Zij zien zich hierin bedrogen, maar
+ontdekken de gevangen moederbij, en verzamelen zich daar om heen. Men
+herhaalt deze bewerking bij zoovele goed bevolkte woningen, tot dat
+men meent een zwerm van voldoende sterkte te hebben. Mogten er op de
+deuren niet genoeg bijen gevonden worden, dan neemt men haar ook van
+de eerste tafels. Zoo als boven reeds gezegd werd, zijn de bijen in
+dezen toestand allen eenigzins vreesachtig, en laten dus elkander
+met rust. Evenwel is het voor alle zekerheid goed wat rook in het
+kastje te blazen, of de bijen met muskuswater te besprenkelen. Daarna
+wordt het gesloten en naar den verwijderden stand gebragt, waar men
+de bijen in de voor haar bestemde woning overplaatst.
+
+Het ontnemen van bijen geschiedt het best gedurende de volle vlugt. Men
+verkrijgt dan voornamelijk jonge, die zich met de broedverzorging
+bezig houden, terwijl de meeste oudere, die reeds voorraad inhalen,
+in den stok blijven. Door de vermoeidheid van de vliegende, en de
+afwezigheid van vele bijen, heeft men dan ook de minste steken te
+wachten. In den vroegen morgen en bij regenachtig weder onvermoeid
+zijnde, zijn zij zeer steeklustig, en bij het vallen van den avond
+willen zij vooral niet gestoord worden, maar geraken dan spoedig
+in hevigen toorn. Neemt men voorliggende bijen, dan moet men zeer
+op zijne hoede zijn. Men schept haar zeer bedachtzaam, onder het
+langzaam maar aanhoudend toeblazen van rook, met een blanken ijzeren
+lepel, steeds van onderen naar boven af; of twee personen nemen een
+doek bij de punten en strijken haar, van onderen naar boven gaande,
+daar in eens op af, schudden haar in een korf, die met een luchtig
+kleed wordt gesloten en als zij tot rust gekomen zijn, voegt men
+haar bij de overigen. Is het aantal voorliggende bijen niet groot,
+dan late men haar liever met rust en neme bijen uit de woningen,
+waarbij men weinig steken te vreezen heeft.
+
+Heeft men de gemaakte zwermen op een verwijderden stand gebragt,
+dan geeft men haar terstond (zoo het reeds te laat op den dag was,
+dan doet men dit den volgenden ochtend) een weinig verdunden honig,
+waarna zij onverwijld zullen gaan voorspelen, en de nieuwe vlugt leeren
+kennen. Is het weder gunstig, dan zullen deze zwermen dadelijk aan de
+inzameling en den wasbouw beginnen, even als de natuurlijke. Indien men
+op den stand, waar zij gebragt zijn, reeds meer stokken heeft staan,
+die iets missen kunnen, dan kan men de zwermen, als zij soms wat zwak
+zijn uitgevallen, een of twee broedtafels toevoegen; men kan deze
+niet mede nemen, omdat zij door de zwaarte, gedurende het transport,
+zouden afbreken.
+
+Kan men over geene moederbij beschikken, dan kan men zich ook van
+onbedekt broed bedienen, om een kunstzwerm zamen te stellen; de
+bijen verschaffen zich daaruit dan zelf eene koningin. In de tweede
+groef van eene ledige woning hangt men daartoe eerst eene ledige
+wastafel. Hiertegen hangt men twee tafels, welke broed van elken
+ouderdom bevatten. Dan laat men nog eene verzegelde honigtafel en
+twee ledige wastafels volgen. De bouw bestaat nu uit zes tafels. In
+de onderste groef hangt men even zoo vele wastafels; bij gebrek van
+heele neemt men strooken. In de woning brengt men nu een voldoend
+getal bijen, die op bovengezegde wijze verkregen worden, en brengt
+haar tegen den avond naar den verwijderden stand. Den volgenden morgen
+opent men het vlieggat, en besprenkelt de bijen met verdunden honig,
+waarna zij spoedig zullen voorspelen. Gedurende den nacht zullen
+de bijen zich onderling bevriend hebben, en na het ontdekken van
+hare moederloosheid, zullen zij terstond hulpcellen aanzetten. Kan
+men over eene tafel beschikken, waaraan zich eene moedercel bevindt,
+die spoedig eene jonge moederbij kan opleveren, dan hangt men deze den
+tweeden of derden dag tegen de broedtafels. Nu aan moedercellen gewoon
+zijnde, zullen de bijen deze meestal aannemen en bebroeijen, en dus
+spoedig weder eene koningin bekomen, welke, gelukkig bevrucht rakende,
+spoedig eene ruime nakomelingschap zal bezitten. Een paar dagen na
+het geven der moedercel, moet men zien of de bijen haar bebroeijen en
+dus aangenomen hebben, in welk geval men de hulpcellen moet wegnemen.
+
+
+
+Zoo als boven reeds werd opgemerkt, heeft men in de laatste jaren
+middelen bedacht, om kunstzwermen zamen te stellen, zonder daartoe
+een tweeden stand te behoeven.
+
+Dit kan geschieden door eene eenvoudige deeling van het volk
+van een stok, die zwermgeregt is. Moet de zwerm een vak van eene
+zamengestelde woning bewonen, dan plaatst men een stommeknecht bij
+den te deelen stok; moet hij in eene enkelvoudige woning geplaatst
+worden, dan zet men er deze naast. Het vlieggat der bevolkte woning
+wordt gesloten, en de deur geopend, waarna men er een weinig rook in
+blaast, hetgeen van tijd tot tijd herhaald moet worden, om de bijen
+rustig te houden. Nu neemt men tafel voor tafel uit de woning, en
+hangt haar in den stommeknecht, of in de andere woning over, intusschen
+toeziende of men de moederbij ook ontdekt, want die moet bij den zwerm
+komen. Heeft men den geheelen bouw uitgenomen, dan schept men alle
+bijen voorzigtig over; de moederbij zal daar veelal onder zijn. De bouw
+wordt nu verdeeld. Van de honig- en bloemenstof-tafels geeft men er
+ieder evenveel, doch de broedtafels verdeelt men zoo, dat de oude stok
+alle tafels verkrijgt, waarop zich ongedekt broed bevindt, en daarbij
+ook zoo mogelijk ééne geslotene moederwieg; de overige moederwiegen
+vernietigt men. Den zwerm geeft men al het bedekte broed en alle bijen,
+met uitzondering van die, welke de tafels met ongedekt broed bezetten;
+men moet goed toezien dat de koningin zich daar niet bij bevindt.
+
+Bij het inhangen van tafels begint men met eene die met bloemenstof
+gevuld is, dan volgen de broedtafels, daarna zoo zij er zijn de
+overige bloemenstoftafels, vervolgens de honigtafels en eindelijk de
+ledige. Heeft men voor elken stok geen twee of drie ledige tafels,
+dan moet men die aan andere stokken ontnemen, en zoo die haar niet
+missen kunnen, dan kan men met strooken van tafels volstaan.
+
+De deur van de woning, waaraan de zwerm is ontnomen, wordt nu weder
+gesloten en het vlieggat geopend. De omvliegende bijen kunnen er dan
+weder intrekken. Den zwerm plaatst men nu waar men goedvindt; moet hij
+een vak van eene zamengestelde woning bevolken, dan wordt hij daarin
+overgeplaatst. Alle bijen, die reeds gevlogen hebben, zullen nu van
+den zwerm naar den ouden stok terug vliegen. Daar gekomen missen zij
+de koningin. Na eenig onrustig in- en uitvliegen getroosten zij zich
+haar verlies en zetten, wanneer zij geene moedercel hebben, eene
+of meer hulpcellen aan, waarna zij weder geregeld op de inzameling
+gaan vliegen. Wordt de aangekweekte koningin gelukkig bevrucht, dan
+is de stok spoedig weder in volle kracht. Daar er in de eerste dagen
+weinig of geen broed te verzorgen is, zullen de bijen dan allen kunnen
+vliegen, en dus veel voorraad opleggen zoo de dragt gunstig is.
+
+Met den zwerm is het anders gesteld. Hij heeft veel verloren,
+maar daarentegen is hij in het bezit der vruchtbare moederbij,
+die dadelijk met de eijerlage voortgaat. Ook heeft hij alle bijen,
+die nog niet gevlogen hadden, behouden en hij heeft ook het broed,
+dat op het uitkomen staat. In de eerste dagen, wanneer zij nog geen
+broed te verzorgen hebben, spelen de bijen voor en gaan daarna op de
+inzameling uit, en na eenigen tijd zal ook deze stok weder voldoende
+bevolkt zijn, en geregeld voorraad kunnen inhalen. Mogt hij later
+nog een zwerm willen afgeven, dan moet men trachten dit te beletten.
+
+Wanneer de woning, waaruit de zwerm genomen moet worden, zoowel als
+die, waarin men hem wil plaatsen, eene enkelvoudige woning is, en
+de vlieggaten in beide dezelfde hoogte hebben, dan kan de deeling
+eenvoudiger geschieden. Men neemt uit de bevolkte woning twee of
+drie tafels met ongedekt broed, en hangt deze met de bijen, die er op
+zitten, in de ledige woning, toeziende dat de moederbij er niet bij
+is, want deze moet in den ouden stok blijven. Tegen deze broedtafels
+hangt men een paar honigtafels, en daartegen een paar ledige. Na in
+de onderste groef staafjes met ledige wastafels, of strooken daarvan,
+gehangen te hebben, zet men het verkleinplankje tegen het werk, en
+sluit de woning. Men zet haar nu in de plaats van den ouden stok,
+en plaatst dezen elders. Gedurende de twee eerste dagen vliegen de
+bijen, die reeds gevlogen hebben, naar de nieuwe woning, zetten daar
+uit het ongedekt broed (wanneer zich daar geene moedercel bij bevindt)
+hulpcellen aan en hervatten hare bezigheden. Ook de oude stok begint
+na twee of drie dagen weder te vliegen. Bij deze deeling geschiedt
+hetzelfde als bij de vorige, maar nu wordt de oude stok verzet,
+de moederbij wordt minder verontrust, en de deeling is spoediger te
+bewerken. Op beide wijzen heb ik in de laatste jaren met het beste
+gevolg kunstzwermen gemaakt.
+
+
+
+Door middel van broedtafels, die eene moedercel bevatten, kan men
+ook kunstzwermen verkrijgen. Men hangt zulk eene tafel in de bovenste
+groef der woning, hangt er nog eene tafel met ongedekt broed en eene
+honigtafel tegen, en schuift nu in de bovenste groef nog drie, en in de
+onderste zes staafjes, waaraan ledige wastafels, of strooken daarvan,
+zijn bevestigd. Het verkleinplankje wordt tegen de staafjes geschoven,
+nadat op de bovenste rij dekplankjes zijn gelegd. Dan sluit men de
+woning en zet haar op de plaats van eene sterk bevolkte woning en zet
+deze ergens anders. Men kiest hiervoor den middag, wanneer de meeste
+bijen in het veld zijn. Deze en alle die de verplaatste woning reeds
+vroeger verlaten hebben, vliegen naar de haar bekende plaats. Daar
+eene vreemde woning vindende, zullen zij aanvankelijk onrustig heen en
+weder vliegen, doch het gebeurde niet kunnende verhelpen, trekken zij
+de woning binnen, stellen zich tevreden met hetgeen zij daar vinden,
+en hervatten hare bezigheden. Soms kunnen de moedercellen haar niet
+bevredigen; zij vernietigen die dan in de eerste opgewondenheid, en
+daarna hare moederloosheid ontdekkende, zetten zij hulpcellen aan,
+uit het voorhanden broed. Die de moedercel aannemen en bebroeijen,
+zullen in weinige dagen eene jonge koningin hebben, en wordt zij
+gelukkig bevrucht, dan zal de stok spoedig volkrijk worden.
+
+De verzette stokken behouden het broed en de jonge bijen, en na een
+paar dagen hebben zij weder eene voldoende vlugt. Hadden zij reeds
+moedercellen staan, dan vernietigen zij die gewoonlijk, na het verlies
+van zooveel volk, waardoor het zwermen belet wordt. Maakten zij,
+weder volkrijk geworden, nog eenige aanstalten tot zwermen, dan moet
+men dit tegengaan, door de moederbij in een huisje besloten, tusschen
+de tafels te hangen en de moedercellen weg te nemen. Is de moederbij
+ouder dan twee jaar, dan neemt men haar weg, en laat ééne moedercel
+in den stok terugblijven, waarvan hij eene jonge koningin verkrijgt.
+
+
+
+Het maken van kunstzwermen kan nog op verschillende andere wijzen
+geschieden, doch er meer op te geven zou overbodig zijn. Ieder die
+behoorlijk over de zaak nadenkt, en de natuurlijke eigenschappen
+der bijen in het oog houdt zal, wanneer hij er den geschikten tijd
+voor kiest, op allerlei wijzen kunstzwermen kunnen verkrijgen. Is
+de theorie die men volgt goed, dan zal men zich nooit teleurgesteld
+zien,--en toch zijn velen er tegen. Sommigen omdat het de natuurlijke
+wijze om de stokken te vermeerderen niet is, anderen omdat zij het
+met een ongunstig gevolg beproefden. De eersten zouden gelijk hebben,
+indien de natuurlijke wijze altijd de spoedigste was, of indien zij ten
+minste even spoedig tot het doel bragt als de kunstmatige. Dzierzon
+zegt: "Wie op de natuurlijke wijze, dus te voet reist, zal een
+geruimen tijd later aankomen dan een ander, die denzelfden weg met
+een spoortrein, dus op eene kunstmatige wijze aflegt". De laatsten
+zullen het mislukken gewoonlijk aan eigen verzuim te wijten hebben;
+hetzij dat de tijd slecht gekozen was, of dat zij de zwermen en de
+moederstokken niet behoorlijk in het oog hielden. Het kan heden het
+gunstigste weder zijn, en morgen kan het omslaan, en vele dagen,
+waarop de bijen volstrekt niet vliegen kunnen, kunnen elkander
+opvolgen. Dan moet men, zoo noodig, de stokken met voeder te hulp
+komen. De moederstokken, die van hunne koningin beroofd zijn, of de
+zwermen, die er nog eene moeten aankweeken, moet men goed gadeslaan, om
+te zien of de ontwikkeling der jonge moederbijen geregeld plaats heeft,
+en of zij, de cel verlaten hebbende, van hare bevruchtings-uitvlugt
+behoorlijk bevrucht terugkeeren. Ontdekt men dat hierin mislukking
+heeft plaats gehad, dan kome men zulk een stok onmiddellijk te hulp,
+door hem eene moederbij of geschikt broed te geven, en hem zoo hij
+te sterk ontvolkt is, ook broedtafels toe te voegen, totdat men
+verzekerd is dat de jonge moederbij met de eijerlage is begonnen,
+zoodat door haar in de vereischte volksvermeerdering wordt voorzien.
+
+
+
+
+
+HET ROOVEN.
+
+
+Het rooven is eene wezenlijke plaag voor den bijenhouder. Hoewel de
+schuld daarvan ten deele bij de bijen ligt, zoo wordt het door de
+onachtzaamheid van den bijenhouder bevorderd, en kan omgekeerd door
+zijne zorg grootendeels worden tegengegaan.
+
+De onverzadelijke begeerte naar honig, de bijen door de natuur
+ingeschapen, geeft aanleiding dat zij, in het veld niets meer vindende,
+andere stokken trachten binnen te dringen om, zoo haar dit gelukt,
+rijk met honig beladen naar hare woning terug te keeren.
+
+Heeft dit rooven slechts door enkele bijen plaats, dan noemt men
+deze zoekers of schuimers, en hoewel men ook deze niet gaarne ziet,
+toch vindt men hen het geheele jaar door. Zij zijn kenbaar aan de
+kleine schermutselingen, waaraan men nu en dan enkele bijen voor
+de vlieggaten ziet deelnemen. Zij onderscheiden zich ook door eene
+onzekere en vreesachtige vlugt; terwijl de eigene bewoners regelregt
+op de vliegplank aanvliegen, zich daarop plaatsen en terstond in de
+woning gaan, blijven zij vreesachtig, met nederhangende achterpooten
+voor de woning vliegen, zetten zich eindelijk beschroomd op de
+vliegplank neder, en vliegen veelal ook weder met schrik af.
+
+Zijn de bijen van den bezochten stok waakzaam, dan zullen zij de
+ongenoode gasten wel afwijzen, en er zullen geene nadeelige gevolgen
+uit het bezoek voortvloeijen. Zijn zij integendeel niet op hare hoede,
+zoodat het den zoekers gelukt binnen te dringen, zich met honig vol
+te zuigen, en naar hunne eigene woning rijk beladen terug te keeren,
+dan zal er voor den bezochten stok een zware strijd ophanden zijn,
+die veelal met zijn ondergang eindigen zal, vooral indien het plaats
+heeft, wanneer er in het veld niets te vinden is. De zoekers, die
+rijk beladen in hunne eigene woning zijn teruggekeerd, zoeken den
+ontdekten schat niet alleen weder op, maar brengen andere bijen mede,
+die op hare beurt weder andere verlokken. Zij leggen alle vrees af,
+en vliegen driftig en regelregt aan op het vlieggat en de andere
+openingen, die er zijn mogten. Spoedig is het getal der roovers,
+die den stok bevliegen, sterker dan zijn eigen volk. Met overhaasting
+zuigen zij zich vol; met gevulde magen komen zij uit het vlieggat, en
+zij vliegen af zonder zich lang op de vliegplank op te houden. Vat men
+zulk eene bij, en opent men de honigmaag, dan kan men zich overtuigen
+van de groote hoeveelheid honig, die zij met zich voert, en daarbij
+het groot aantal roovers in aanmerking nemende, zal men zich niet meer
+verwonderen over den spoed, waarmede een stok kan worden uitgeplunderd.
+
+In het bijzonder moet men zijne stokken gadeslaan, wanneer er eene
+ruime weide volgt, op een tijd dat er geene dragt was. De bijen
+vliegen begeerig naar de weide, zonder zich op de vliegplank op te
+houden, en van deze gelegenheid trekken andere veeltijds partij, om
+een roof-aanval te wagen. De rooverij kan in zulk een geval reeds eene
+aanmerkelijke hoogte bereikt hebben, voor dat de beroofden bemerken,
+wat er in hare huishouding omgaat. Zij zijn dan veelal niet meer in
+staat om de moedig en sterk geworden roovers het hoofd te bieden;
+door schrik bevangen, geven zij zich geheel over aan de vermetele
+indringers. Nu komen de roovers in grooter en grooter wordende drommen
+terug, en komt de bijenhouder den stok niet te hulp, dan dragen zij hem
+spoedig geheel ledig. Niet zelden wordt de koningin van den beroofden
+stok in de verwarring beschadigd of gedood. Het beroofde volk, hierdoor
+geheel ontmoedigd, maakt dan dikwijls gemeene zaak met de roovers,
+trekt met hen mede, en laat de woning met den ledigen bouw in den
+steek. De eigenaar moet het evenwel zoo ver niet laten komen. Hij
+moet zorgen dat er geene rooverij ontstaat, en is zij uitgebroken,
+dan moet hij haar zoo spoedig mogelijk tegengaan.
+
+De aanleiding tot rooven moet dikwerf gezocht worden in de ligging
+van den bijenstand. Moeten bijen van den eenen stand, naar de weide
+vliegende, over een anderen stand trekken, dan lokt de honigreuk haar
+niet zelden uit, den honig liever hier weg te nemen, dan hem op het
+veld met moeite te verzamelen. Dit is zeker de hoofdreden, waarom
+op den eenen stand zooveel en op een anderen slechts zelden rooverij
+gepleegd wordt. De roovende stokken worden gewoonlijk rijk aan honig
+en geven hunnen eigenaar goede renten. Nogtans zal de weldenkende
+bijenhouder, die ongaarne ziet dat zijne stokken beroofd worden,
+ook alle moeite aanwenden om hun het rooven te beletten.
+
+Meestal geeft de bijenhouder zelf aanleiding tot de rooverij,
+door op den stand zwakke, ja zelfs moederlooze stokken te laten
+staan. Deze verliezen door hun onnatuurlijken toestand, gene door
+hunne ontoereikende bevolking, den moed om zich te verdedigen:
+spoedig worden zij eene prooi der roovers, die door het goede gevolg
+van hun aanval moedig geworden, hun rooflust niet opgeven, wanneer
+deze stokken uitgeplunderd zijn. Veeleer trachten zij zich dan op
+sterkere stokken te werpen, die een verdubbelden wederstand moeten
+bieden, om de vermetel en sterk geworden aanvallen af te weren. Aan
+zich zelven overgelaten, zullen zij hiertoe veelal niet in staat zijn,
+en er zal spoedig eene algemeene rooverij ontstaan.
+
+Al wat rooverij kan veroorzaken, moet zorgvuldig vermeden worden. In
+de eerste plaats zal men moeten letten op de vlieggaten. Elke
+enkelvoudige woning, of elk vak van eene zamengestelde, mag er
+slechts een of hoogstens twee hebben: in het laatste geval mogen
+beiden slechts bij eene zeer rijke dragt geopend zijn. Reten, die
+hier of daar toegang tot de woning konden geven, mogen er volstrekt
+niet bestaan; worden zij hier of daar gevonden, dan moeten zij
+met klei gesloten worden. De vlieggaten make men laag en breed,
+opdat de roovers daar niet in de vlugt binnen kunnen dringen, maar
+zich eerst op de vliegplank moeten zetten, waar zij gemakkelijker
+worden aangevallen en teruggedreven. Ten tweede moet men alles van
+den stand verwijderen, wat er honigreuk verspreiden kon; inzonderheid
+in het voor- en najaar is dit noodzakelijk. Bij eene rijke weide zou
+men op zijn stand misschien dagen lang honig laten staan, zonder er
+eene enkele bij op te bespeuren; doch het nemen van zulke proeven
+zal wel niet aan te raden zijn. Bij het voêren mag men op den dag
+geene voeder-gereedschappen op den stand laten blijven, en bij het
+besnijden zal men ook de wastafels met zorg moeten wegruimen. De reuk
+zou de bijen naar deze voorwerpen lokken; in digte drommen er rond
+zwermende, om er den honig uit te likken, zou haar rooflust opgewekt
+worden, en men zou zijne zorgeloosheid zwaar kunnen boeten. Er zijn
+wel verscheidene middelen om de rooverij, wanneer zij pas begonnen
+is, tegen te gaan, maar het zal toch beter en voorzigtiger zijn haar
+ontstaan te verhoeden.
+
+Men ontdekt de roovers door hunne buitengewoon sterke vlugt, door den
+bijzonderen toon dien zij doen hooren, door hunne onrustige houding,
+door het afhangen van hunne achterpooten, door dat zij het vlieggat
+in de vlugt trachten binnen te dringen, en door dat zij de woning met
+een sterk opgezwollen achterlijf verlaten; bij haar eigen volk heeft
+juist het omgekeerde plaats. Zekerder evenwel dan aan een van deze
+kenmerken, herkent men de roovers aan den tijd van hunne vlugt. Zij
+beginnen reeds te vliegen, als de andere bijen nog in volle rust zijn,
+en houden er lang mede aan, nadat deze het gestaakt hebben, veelal
+tot het invallen der avondschemering. Het is dus goed zijne stokken
+dagelijks tegen den avond te bezoeken. Vindt men alles in rust, dan
+kan men zich ook verzekerd houden, dat er geene rooverij plaats heeft.
+
+De middelen, die men moet aanwenden om het kwaad, zoo dit ontdekt
+is, tegen te gaan, hangen af van de hoogte waartoe het geklommen is,
+van den aard der woningen, en van de omstandigheid, of men eigenaar
+van beide stokken, den roovenden en den beroofden, dan slechts van
+een van beiden is.
+
+Is het rooven pas begonnen, en is de aangevallen stok van eene koningin
+en van een niet te klein volk voorzien, dan kan men het spoedig doen
+ophouden. In de meeste gevallen zal men zijn doel bereiken, door
+het vlieggat zoo te verkleinen, dat er slechts een of twee bijen te
+gelijk door kunnen, en den ingang en den buitenwand der woning in
+den omtrek er van, met stinkende stoffen in te wrijven, waartoe men
+meestal duivelsdrek of knoflook gebruikt. Dzierzon geeft als het
+beste middel op, om den angel, met de daaraan hangende giftblaas,
+uit eenige afgestoken bijen, tegen het vlieggat stuk te wrijven. Ik
+gebruik nu sedert een paar jaar brandige, dierlijke olie. Daarmede
+bestrijk ik ook een kaartenblad, of een plankje, en bevestig dit
+zoo tegen het vlieggat, dat de bijen zich op de vliegplank moeten
+plaatsen, om in de woning te kunnen komen. Door dezen hinderpaal
+en den stank afgeschrikt, laten de roovers af; de beroofde bijen,
+door den stank boozer geworden, verdedigen zich ook beter.
+
+Veeltijds ziet men de beroofde bijen reeds niet meer aan tegenweer
+denken, wanneer de rooverij nog maar kort heeft geduurd: zij laten de
+roovers vrij uit- en ingaan. Dit moet daaraan worden toegeschreven,
+dat allen denzelfden reuk hebben verkregen, zoodat zij geen vriend
+of vijand kunnen herkennen. Velen raden aan den beroofden stok en den
+roofstok dan onderling van plaats te verwisselen. Dit kan zonder gevaar
+geschieden, daar er geene vechterij door zal ontstaan, maar de bijen
+elkander wederkeerig zullen verdragen. Zelden zal men er evenwel baat
+bij vinden. Gewoonlijk wisselen de rollen slechts: de roover wordt
+de beroofde en omgekeerd.--In de Bienenzeitung wordt opgegeven, den
+beroofden stok in zulk een geval een muskusreuk mede te deelen. Dit
+geschiedt door 's avonds, wanneer alle vlugt heeft opgehouden, en alle
+roovers naar hunne eigene woning zijn teruggekeerd, een paar grein
+muskus, in papier gevouwen, onder in de woning te leggen. Den volgenden
+morgen neemt men het papier met muskus weder weg, en bewaart het in
+een goed gesloten fleschje; het kan dan jaren tot hetzelfde doel
+worden gebruikt. Het beroofde volk heeft nu een sterken, vreemden
+reuk verkregen, en daardoor boosaardig geworden, zal de vroegere
+verdraagzaamheid geëindigd zijn. De toevliegende roovers worden door
+den vreemden reuk afgeschrikt en vreesachtig, waardoor zij veeltijds
+worden afgeslagen, en van verder rooven afzien. Het doelmatige van
+deze behandeling heb ik ondervonden. Wanneer de rooverij te sterk is
+toegenomen, helpt het evenwel niet; de roovers laten zich dan door
+niets meer afschrikken.
+
+Het is beter en zekerder tevens, om een der stokken op een verwijderden
+stand te brengen, en hem daar eenigen tijd te laten staan. Het hangt
+van omstandigheden af, welken stok men bij verkiezing verplaatsen
+moet. Is de beroofde stok tevens slecht bevolkt, dan kan men hem bijen
+toevoegen of een gedeelte der roovers opvangen. Dit geschiedt door
+een buisje van drie of vier duim lang, in eene schuinsche rigting zoo
+in het vlieggat te steken, dat het uiteinde ten minste een paar duim
+binnen de woning doorsteekt. Dit buisje moet het vlieggat niet geheel
+sluiten, maar aan de kanten openingen vrij laten, waar licht door valt,
+doch die te klein zijn om eene bij door te laten. De bijen kunnen
+nu wel in de woning gaan, maar den uitgang kunnen zij niet vinden,
+want zij zoeken dien daar, waar zij het licht zien. Meent men aldus
+genoeg bijen opgevangen te hebben, dan brengt men den stok naar den
+verwijderden stand. Hij is dan voor verdere aanvallen gevrijwaard en
+tevens versterkt; men heeft hem dus dubbel voordeel aangebragt. Was
+het evenwel te vreezen dat de roover zich, na de verplaatsing van
+den beroofden stok, op de nevenstokken zou werpen, en dat deze geen
+behoorlijken wederstand zouden kunnen bieden, dan deed men beter
+den roover te verplaatsen. Daar het echter gevaarlijk kon zijn om
+in den zomer eene volbouwde woning te vervoeren, en de roover zich
+ook in eene zamengestelde woning kon bevinden, zoo is het beste
+hem als kunstzwerm af te drijven, en zoo naar een anderen stand te
+brengen. Aan de weinige bijen, die dan in de woning terug blijven,
+voegt men een anderen afgedreven zwerm toe, om te zamen een nieuwen
+stok te vormen. Men heeft op deze wijze het rooven doen ophouden en
+bovendien nog een stok gewonnen, die, zoo de dragt nog eenigen tijd
+blijft aanhouden, nog genoeg kan binnenhalen.
+
+Behoort de roofstok echter aan een ander, die geene pogingen
+wil aanwenden om het rooven tegen te gaan, of kan men hem niet
+ontdekken, dan moet men, door nood gedrongen, de roovers zoo veel
+mogelijk opvangen, hen aan een zwakken stok geven en dezen dan
+verplaatsen. Het vereischt geen betoog, dat de billijkheid medebrengt,
+dat men het rooven van zijne bijen evenzeer tegengaat, als het beroofd
+worden. Wederkeerig zal men ook beter gebaat zijn, door elkanders
+eigendom zoo veel mogelijk te eerbiedigen, dan door de bijen tot
+handlangers te gebruiken, om zich vreemd goed toe te eigenen. Dan
+zou men er toch van beide zijden door wraakzucht toe geleid worden,
+om middelen te bedenken, waardoor men elkander de geleden verliezen
+kon betaald zetten, wat voorzeker voor geen der partijen wenschelijk
+zou zijn.
+
+Boven werd reeds een middel opgegeven om de roovers op te vangen. Dit
+kan ook op de volgende wijze geschieden. Men neemt de beroofde woning
+weg en zet er eene ledige, die haar gelijkt, voor in plaats. In
+die ledige woning hangt men eene tafel, waarin de honig versuikerd
+is; bij gebrek daarvan kan men ook eene ledige wastafel, met hard
+geworden honig besmeren. Daar de bijen dezen honig niet gemakkelijk
+kunnen inzuigen, zoo zullen er zich na eenigen tijd verscheidene
+op die tafel verzameld hebben. Men neemt haar dan uit de woning,
+en schudt de bijen daar af in een transportkastje. Dan hangt men de
+tafel weder in de woning, en herhaalt dezelfde bewerking zoo dikwijls,
+tot dat men eene voldoende hoeveelheid roovers heeft opgevangen, en
+er weinig of geen meer binnen komen. De roofstok wordt op deze wijze
+zoo verzwakt, dat alle verdere lust tot rooven hem wel zal benomen
+zijn. Kent men hem, dan kan men nog een handvol klein gesneden stroo
+of houtkrullen in zijn werk werpen, waardoor men het overgebleven volk
+zooveel bezigheid verschaft, met het uitdragen van deze onreinheden,
+dat zij aan geen rooven meer denken kunnen.
+
+Bij het afschudden der tafel in het transportkastje, zouden er al
+ligt vele bijen ontsnappen, indien men geene voorzorgen nam, om dit
+te voorkomen.
+
+Men neemt een blikken kokertje, van 4 duim diep, met eene opening,
+welke 3 duim breed is, terwijl hare lengte gelijk moet zijn aan de
+breedte van het kastje. Aan het eene uiteinde wordt de rand van dit
+kokertje omgebogen, en een gemakkelijk daarin sluitend deksel wordt
+er bij gemaakt. De van het draadwerk meest verwijderde schuif van het
+kastje opent men zoover, dat dit kokertje tusschen de beide schuiven
+geplaatst kan worden: op den omgebogen rand rustende, kan het niet
+naar binnen vallen. Aldus plaatst men het kastje, met het draadwerk
+naar het licht gekeerd, bij de woning. Schudt men er bijen in af, dan
+zullen deze terstond naar voren vliegen, en zich tegen het draadwerk
+verzamelen, zoodat er slechts weinige ontsnappen. Telkens als er
+bijen in het kastje gedaan zijn, sluit men de opening weder.
+
+Het kan soms moeijelijk zijn om den roofstok te ontdekken. Geschiedt
+de rooverij door bijen van denzelfden stand, dan ontdekt men hem,
+zoo als dat voor den beroofden stok werd opgegeven, aan de late
+vlugt. Midden op den dag, als alle stokken vliegen, is het soms
+moeijelijk te zien. Dan is het best om het vlieggat van den beroofden
+stok eenigen tijd te sluiten, tot dat er zich een klomp bijen voor
+verzameld heeft. Deze bepoedert men dan sterk met meel of krijt,
+en ziet toe waar zij binnengaan. Ook kan men de standplaats van den
+roofstok eenigzins afleiden, uit de rigting, waarin de roofbijen
+afvliegen; gewoonlijk vliegen zij er regt op aan. Bevindt de roover
+zich niet op den stand, dan moet men bij zijne buren opletten of
+daar ook witte bijen aankomen, of dat er een stok is, die laat in den
+avond vliegt, en welks bijen, in de rigting van den beroofden stok,
+op hare woning toevliegen. Kan men op deze wijzen niet te weten komen,
+waar de roovers te huis behooren, dan moet men er eenige opvangen,
+en op eenigen afstand van den bijenstal er enkele laten vliegen. De
+rigting, waarin zij wegvliegen, moet men goed waarnemen. Van tijd
+tot tijd laat men er weder eenige vrij, welke allen denzelfden koers
+zullen kiezen. Hierdoor zal men den roofstok meestal kunnen ontdekken.
+
+
+
+
+
+DE MOEDERLOOSHEID.
+
+
+De wijzen, waarop een stok zijne moederbij kan verliezen, zoodat hij
+moederloos of zoo als sommigen zeggen ongeregt wordt, zijn veelvuldig,
+en er gaan dan ook jaarlijks vele stokken door dit verlies te gronde.
+
+Verliest een stok zijne moederbij op een tijd, dat er geen ongedekt
+broed aanwezig is, dan kan hij zijn verlies niet herstellen. Had hij
+ongedekt broed, maar kwam eene daaruit aangekweekte moederbij op hare
+bevruchtings-uitvlugt om, dan zou er geen broed meer zijn, dat geschikt
+was om nieuwe hulpcellen aan te leggen. Kweeken zij eene koningin aan,
+op een tijd dat er geene mannetjes zijn, om haar te bevruchten, zoodat
+de stok hommelbroedig wordt, dan is hij er nog veel erger aan toe,
+dan wanneer hij moederloos is. Het zal dus van veel belang zijn aan te
+toonen, waaraan een moederlooze of hommelbroedige stok te herkennen
+is, hoe zijn gebrek hersteld kan worden, en hoe het ontstaan van dit
+gebrek kan worden voorkomen.
+
+Een stok kan zijne moederbij missen en toch broed, maar alleen
+hommelbroed, bevatten. Dit kan veroorzaakt worden door dat eene werkbij
+de taak der koningin heeft op zich genomen, en eijeren legt. Indien
+er hommelcellen aanwezig zijn, dan vindt men deze vooral met eijeren
+bezet, want de werkbij kan, met hare lange vleugels en haar kort
+achterlijf, moeijelijk eijeren in de kleine cellen leggen. Zij doet
+dit evenwel toch, wanneer er geene hommelcellen zijn, doch bezet haar
+dan ongeregeld, verscheidene, soms geheele hoopjes eijeren in eene
+cel leggende, die dan niet tegen den bodem, maar tegen den kant der
+cel geplaatst zijn. Ook in moedercellen legt de werkbij eijeren. Deze
+cellen komen in moederlooze stokken veel voor, waarschijnlijk omdat
+de bijen, door het gemis dat zij gevoelen, tot het aanleggen daarvan
+worden opgewekt. Een stok, die zeer veel begonnen moederwiegen
+bevat, moet als zeer verdacht beschouwd worden. Verkeert een stok in
+het hier beschreven geval, dan is hij moeijelijk, veeltijds in het
+geheel niet te helpen. De bijen hechten zich soms zoo sterk aan eene
+leggende werkbij, dat zij geen acht slaan op het broed, dat men haar
+geeft, om er eene hulpcel uit aan te zetten, ja eene moedercel, die
+men haar heeft gegeven, vernietigen en zelfs eene haar toegevoegde
+moederbij ombrengen; wanneer zij haar echter aannemen dan houdt de
+werkbij met leggen op. Zulk een stok met een anderen te vereenigen
+is gevaarlijk, daar veelal de moederbij zal worden omgebragt. Er de
+leggende werkbij uit te vangen gaat niet. Het best is den stok te
+dooden, en zijn voorraad in veiligheid te brengen, want de pogingen
+tot herstel worden zelden met een goed gevolg bekroond. Eens gelukte
+het mij zulk een stok weder in zijn normalen toestand terug te brengen,
+door er een kleinen nazwerm bij te voegen.
+
+Bezit een stok eene onvruchtbare moederbij, die hommelbroedig is,
+dan legt deze hare eijeren regelmatig in werkbijencellen, want zij
+tracht werkbijeneijeren te leggen, doch is daartoe niet in staat. Aan
+de regelmatige of onregelmatige afzetting der hommeleijeren, kan men
+dus ontdekken of zij van eene koningin, of van eene werkbij komen. De
+koningin kan het vermogen om werkbijeneijeren te leggen soms in het
+geheel niet bezeten hebben, doordat zij van hare geboorte een gebrek
+aan de vleugels had, dat haar het houden der bevruchtings-uitvlugt
+onmogelijk maakte; of doordat zij op een tijd geboren werd, dat het
+weder te ongunstig was om te vliegen, terwijl dat later, toen het
+weder gunstiger geworden was, hare geslachtsdrift was uitgedoofd; of
+ook wanneer zij aangekweekt is, nadat alle hommels reeds verdreven
+zijn. Hare vruchtbaarheid kan ook uitgeput zijn; dit zal spoedig
+geschieden, wanneer de paring slechts onvoldoende heeft plaats gehad,
+zoodat het bevruchtingsblaasje slechts gedeeltelijk gevuld was;
+doch door de drukke eijerlage moet eindelijk het zaadblaasje toch
+geledigd worden. Niet zelden treft men moederbijen aan, die door groote
+vruchtbaarheid hebben uitgemunt, maar die toch eindelijk hommelbroedig
+zijn geworden. Dr. Dönhoff ontdekte, dat men eene vruchtbare moederbij,
+zonder haar leven te benadeelen, het vermogen om vrouwelijke eijeren
+te leggen kan benemen, door het onderste gedeelte van het achterlijf
+te drukken. Voor de zuivere voortteeling der Italiaansche bijen, kan
+deze ontdekking van veel belang zijn, omdat zij het middel aan de hand
+geeft, om op buitengewone tijden hommels te verkrijgen. Ook bemerkte
+men toevallig, dat volkomen vruchtbare moederbijen hommelbroedig
+worden, wanneer zij te lang door koude verstijfd zijn geweest. De
+proef, door Berlepsch hieromtrent genomen, bevestigde dit. Hij bragt
+drie gezonde, vruchtbare koninginnen in een ijskelder; na eenige uren
+in de warmte gebragt zijnde, herleefde er slechts eene, die nu geen
+enkel werkbijenei meer legde. De jonge moederbijen, die onbevrucht
+blijven, leggen gewoonlijk den eersten zomer niet, maar beginnen,
+in het volgende voorjaar, bij het ontwaken der voortplantingsdrift,
+hommeleijeren te leggen.
+
+Bleef hij aan zich zelven overgelaten, dan zou de moederloosheid van
+een stok altijd zijn ondergang na zich slepen, en toch heeft zij in
+de meeste gevallen weinig te beteekenen, wanneer zij maar spoedig
+ontdekt wordt, zoodat zij verholpen kan worden. Naar den tijd van het
+jaar, moeten daarvoor verschillende wegen worden ingeslagen. Men kan
+den stok, door hem ongedekt broed te geven, of hem eene voorhanden
+moederbij toe te voegen, weder in normalen staat brengen of hem ook
+helpen, door hem met een anderen stok te vereenigen. Kan of wil men
+hem niet helpen, dan mag hij in geen geval op den stand gelaten worden;
+men moet hem dooden, en zijn voorraad zoo spoedig mogelijk in zekerheid
+brengen; deed men dit niet, dan zou de voorraad òf nutteloos verteerd
+worden, òf hij zou eene prooi der roofbijen worden, die, eenmaal tot
+rooven opgewekt zijnde, zich ook op andere stokken zouden werpen.
+
+Het is dus van het hoogste gewigt te weten, waaraan een moederlooze
+stok te herkennen is. Het zekerste en duidelijkste bewijs van het
+verliezen der moederbij is de onrust, die het geheele volk bevangt,
+kort nadat het zijn verlies bemerkt heeft. Gewoonlijk ontdekken de
+bijen het dadelijk, maar bij uitzondering ook wel den volgenden of den
+tweeden dag. Men ziet dan eene menigte bijen uit het vlieggat komen;
+sommigen vliegen af, maar niet in die rigting, waarin zij op de dragt
+uitvliegen; zij vliegen slechts rond de woning en komen weder terug;
+anderen loopen over de geheele woning, vooral in den omtrek van het
+vlieggat, heen en weder, als of zij iets zochten, zij betoonen groote
+onrust, gaan de woning weder binnen, doch komen terstond terug, en
+herhalen dit onafgebroken, zelfs totdat het reeds donker wordt, en alle
+andere stokken in rust zijn. Deze zoekende bijen zijn zeer geneigd tot
+steken; komt men er digt bij, dan vliegen zij plotseling in het gezigt.
+
+Het angstig heen en weder loopen in den laten avond van warme
+zomerdagen, heeft soms een geheel anderen grond dan moederloosheid, en
+de onkundige kon hierdoor al ligt misleid worden. Evenwel zal men dan
+spoedig ontdekken, dat het eene andere oorzaak heeft, daar men het,
+zoo al niet bij alle, dan toch bij de meeste stokken waarneemt. In
+dit geval houden zij zich bezig met het afweren van wasmotten, die in
+de avondschemering, na warme dagen, in groote hoeveelheden omvliegen,
+en in de woningen trachten te dringen.
+
+Om moederlooze stokken zoo spoedig mogelijk te ontdekken, moet
+men zijn stand, vooral in den zwermtijd, alle avonden bezoeken,
+want de onrust, die zij betoonen, is een onbedriegelijk teeken, dat
+evenwel veelal maar kort is waar te nemen; wanneer zij eenmaal de
+zekerheid verkregen hebben, dat hare moederbij verloren is, dan zijn
+de bijen gewoonlijk in haar lot getroost, waarna men geene onrust meer
+bespeurt. Dan wordt het moeijelijk, vooral voor eerstbeginnenden, om
+den waren toestand van den stok te leeren kennen. Het terugkeeren der
+rust kan het gevolg zijn van het aanzetten van hulpcellen, uit broed
+dat voorhanden was; in woningen met lossen bouw kan men zich daarvan
+terstond overtuigen. Maar de bijen zullen ook tot rust komen, en hare
+bezigheden hervatten, als of zij eene moederbij hadden, indien zich
+slechts eene enkele werkbij in den stok bevindt, die de cellen met
+eijeren bezet. Ook zullen zij zich tevreden stellen met moedercellen,
+aangelegd van geheel ledige of slechts hommelbroed bevattende cellen,
+in de hoop dat daaruit eene koningin zal geboren worden. Eijerleggende
+werkbijen zijn niet zoo zeldzaam, als men dit wel zou denken;
+in moederlooze stokken vindt men immers, in de meeste gevallen,
+na korter of langer tijd, hommelbroed, en soms in zoo ruime mate,
+dat het onmogelijk van ééne bij afkomstig kan zijn. Het gebeurt ook
+wel dat eene werkbij eijeren begint te leggen, zoodra de bevruchte
+moederbij met den zwerm is afgevlogen; zij houdt daarmede aan, zoo
+lang de stok nog slechts moederwiegen bezit, of de jonge koningin
+nog niet bevrucht is; wanneer deze echter met de eijerlage begint,
+dan houdt de werkbij er mede op.
+
+Een tweede kenmerk van een moederloozen stok bestaat daarin,
+dat als men de woning opent, kort nadat de moederbij verloren is,
+men de bijen langs de wanden en over het werk verspreid zal vinden,
+waar zij, zoekende heen en weder loopen. Blaast men er den adem op,
+dan doen zij een bijzonderen, huilenden klaagtoon hooren, zeer goed
+te onderscheiden van den korten, krachtigen, bruisenden toon, dien
+een gezond volk doet hooren, als men slechts even tegen zijne woning
+tikt. Wie die toonen naauwkeurig weet te onderscheiden, behoeft de
+woning niet te openen. Hij legt het oor tegen den wand en tikt daar met
+den vinger tegen. Is de stok gezond, dan zal hij een sterk, bruisend
+geluid doen hooren, dat terstond weder verstomt; is hij moederloos,
+dan zal het een huilende toon zijn, die eenigen tijd aanhoudt. Door de
+stokken, bij het einde van den winter, voordat men hen laat vliegen,
+aldus te onderzoeken, kan men de gezonde gemakkelijk onderscheiden
+van die, welke als verdacht in het oog gehouden moeten worden.
+
+Heeft de moederlooze toestand evenwel reeds eenigen tijd geduurd,
+dan zal men bij het onderzoek de bijen geheel in het broednest
+teruggetrokken vinden. Blaast men er nu den adem op, dan komen zij
+met drift te voorschijn, en doen het huilende geluid hooren, daarop
+trekken zij terstond terug, en niet eene bij zal aan vliegen of steken
+denken. Als gezonde stokken eene sterke vlugt hebben, dan zal de hare
+traag zijn; wel komen er eenige met bloemenstofballetjes te huis,
+maar deze zijn zeer klein; zij gaan wel in de woning, doch leggen
+alle balletjes niet af, maar komen er terstond weder mede terug en
+vliegen af. Zijn de moederlooze stokken volkrijk, en bezitten zij
+eene eijerleggende werkbij, dan dragen zij soms eene belangrijke
+hoeveelheid bloemenstof in, zoodat zij er het geheele broednest bijna
+mede vullen. Bij ruime weide kunnen zij dan ook veel honig opleggen;
+want daar de bijen het er voor houden dat zij eene moederbij bezitten,
+zoo vervolgen zij al hare bezigheden, en kunnen, nu zij slechts weinig
+broed te verzorgen hebben, veel honig inzamelen.
+
+De bijen, uit moederlooze stokken, vervliegen veelal op andere stokken,
+en er zijn bijenhouders die veronderstellen, dat zij er zich op
+toeleggen, om hare verlaten woning te berooven, en ook andere bijen
+daarheen te lokken; dit zou dan de reden zijn, dat moederlooze stokken
+zoo spoedig door roovers worden uitgeplunderd. Deze veronderstelling
+kan zeer juist zijn.
+
+Een derde teeken van moederloosheid is het niet uitdragen van dooden
+en andere onreinheden, hetgeen gezonde stokken altijd doen. Zoodra de
+moederloosheid bestaat, onttrekken de bijen zich aan alle bezigheden:
+zij bekommeren zich niet meer om de huisselijke zaken. Bij gezonde
+stokken ziet men, zoowel bij dag als 's avonds, vele bijen aan het
+vlieggat vereenigd, om de zonnewarmte of de avondkoelte te genieten,
+terwijl eenige, met den kop naar het vlieggat en het achterlijf
+naar boven gerigt, als een teeken van vreugde onophoudelijk met de
+vleugels slaan. Bij moederlooze stokken ziet men van dit alles niets;
+alle vreugde is van hen geweken; ook houdt het voorspel spoedig geheel
+op. Terwijl gezonde stokken zich uiterlijk in het begin van Augustus
+van alle hommels ontdoen, zoo behouden de moederlooze hen, zonder
+aan de uitdrijving te denken, waarschijnlijk omdat zij weten geene
+bevruchte moeder te kunnen bekomen, wanneer er geene mannetjes in den
+stok zijn. Bij hunne eigene nuttelooze kostgangers, bedelen zich ook
+nog eene menigte hommels in, die uit andere stokken verdreven werden,
+om gezamenlijk op den steeds verminderenden voorraad te teren. Wanneer
+dus een stok in het laatst van Augustus de hommels nog niet heeft
+uitgedreven, dan moet men hem in het oog houden, en duldt hij die in
+September nog, dan kan men verzekerd zijn dat hij moederloos is.
+
+Blijft men, ondanks de opgegeven kenmerken, in het onzekere omtrent
+een stok, dan moet men tot het laatste en meest afdoende middel zijne
+toevlugt nemen, en trachten te ontdekken of zich werkbijenbroed in
+den stok bevindt. Ontdekt men eijeren en broed van verschillenden
+ouderdom, dan mag men als zeker aannemen, dat de stok eene goede
+moederbij bezit. Vindt men geene eijeren, doch wel ongedekt broed,
+dan kan men zich overtuigd houden dat de koningin in de laatste drie
+of vier dagen vermist is; wanneer er nog hommels zijn, behoeft men zich
+over het verlies niet te verontrusten, want zoo er nog geene hulpcellen
+zijn aangezet, dan zullen de bijen het zeker den eerstvolgenden nacht
+doen. Is er niets dan gedekt broed, dan moet de moederbij reeds sedert
+acht dagen verloren zijn, en hadden zij geene hulpcellen aangezet,
+dan moeten zij moederloos blijven. Wordt er in het geheel geen broed
+gevonden, dan heeft de moederloosheid ten minste reeds twintig dagen
+bestaan, wanneer het namelijk in een tijd is, dat de stokken broed
+moeten hebben.
+
+Het hier opgegeven onderzoek geschiedt in Dzierzon's woningen zeer
+gemakkelijk, doch bij korven heeft het eenig bezwaar. Men moet deze
+omkeeren en de tafels met de hand zooveel mogelijk uit elkander buigen,
+er de zon zoo zij schijnt tusschen doen vallen, en dan trachten te
+zien, hoe het met het broed gesteld is. Daar het broed evenwel in zulke
+twijfelachtige gevallen alleen in den top van den korf staat, zoo moet
+men veeltijds de tafels tot op de zitplaats der bijen inkorten, en zoo
+het oogmerk dan nog niet bereikt wordt, dan moet men uit de zitplaats
+zelve vierkante stukjes snijden, en die zorgvuldig bezien. Ontdekt
+men er het verlangde broed in, dan is de stok in orde, men steekt
+de uitgesneden stukjes weder op hunne plaats, en bevestigt hen met
+kleine pennetjes; in het omgekeerde geval is de stok moederloos.
+
+De hoofdoorzaken der moederloosheid zijn:
+
+1o. Dat de moederbij, ten gevolge van hoogen ouderdom komt te
+sterven. Door haar niet ouder dan twee of hoogstens drie jaar te
+laten worden, neemt men deze oorzaak weg.
+
+2o. Het te digt bij elkander plaatsen der stokken, zoodat de bijen bij
+het voorspel, en vooral bij het eerste in het voorjaar, gemakkelijk op
+de nevenstokken vervliegen, en de haar vreemde koningin ombrengen. Ook
+verdwalen hierdoor vele jonge koninginnen, na het houden van hare
+bevruchtings-uitvlugt, die nu eene prooi des doods worden, en dus
+voor hare stokken verloren zijn. Men moet de vlieggaten ten minste
+twee voet van elkander verwijderd houden. Ook zou het goed zijn,
+tusschen naast elkander staande woningen, eene vooruitstekende
+plank aan te brengen; de bijen konden dan niet zoo gemakkelijk van
+de eene woning op de andere loopen. Heeft men vele stokken en weinig
+plaats, dan is men wel genoodzaakt de woningen digt bij elkander te
+zetten. Het overloopen van de eene woning op de andere wordt dan het
+best voorkomen, door er een haarachtig voorwerp tusschen te plaatsen;
+zij keeren daarvoor terug. Ik gebruik er wel strooken konijnenvel
+toe. Gedurende den zwermtijd moet men, tusschen twaalf en vier ure,
+niet de minste verandering aan de woningen aanbrengen, en er ook niet
+te digt voor staan of heen en weder loopen. Eene jonge moederbij, die
+hare bevruchtingsuitvlugt hield, kon door het eerste hare woning niet
+meer herkennen, of door het laatste verhinderd worden haar te bereiken.
+
+Heeft men de moederloosheid met zekerheid ontdekt, dan moet men
+trachten haar zoo spoedig mogelijk te herstellen. In het vroege
+voorjaar is dit zeer moeijelijk, want men heeft dan geene overtollige
+moederbijen, en gaf men de bijen eene tafel met ongedekt broed,
+dan komt de jonge koningin, wanneer zij er eene aankweeken, op een
+tijd dat er nog geene hommels zijn, om haar te bevruchten. Ook zou de
+jonge moederbij, op hare vele nuttelooze uitvlugten, zeer ligt door de
+koude bevangen worden en omkomen, of ontmoedigd door hare vergeefsche
+togten, het vliegen geheel nalaten, en dus onbevrucht blijven,
+waardoor de stok hommelbroedig kon worden. Wanneer de moederloosheid
+ontdekt wordt, vóórdat er nog hommelbroed in de stokken te vinden is,
+dan doet men het best met de bijen uit de woning te nemen, en haar
+aan den nevenstok toe te voegen, na vooraf beide volken berookt, en
+met muskuswater besprenkeld te hebben. Bewaart men den nu ledigen
+bouw zorgvuldig voor wasmot, dan kan men hem later aan een zwerm
+toevoegen. Bevindt men echter den moederloozen stok hommelbroedig,
+en dat niet door eene werkbij, dan kan men de ongeschikte koningin
+vinden, door den bouw uit te nemen en haar op de tafels te zoeken; bij
+korven moet men de bijen bedwelmen en haar dan zoeken. Is de koningin
+weggenomen, dan kan men de bijen met den nevenstok vereenigen. Is
+men verzekerd dat het hommelbroed van eene werkbij is gekomen, dan
+kan, zoo als boven reeds werd opgegeven, niets beters gedaan worden,
+dan den stok te dooden en den voorraad er uit te nemen.
+
+Ontdekt men de moederloosheid in een tijd, dat er hommelbroed aanwezig
+is, dan kan men ongedekt broed geven, waaruit de bijen zich eene
+koningin kunnen aankweeken. Heeft de moederloosheid reeds eenigen
+tijd bestaan, dan zullen de bijen aan haar onnatuurlijken toestand
+reeds zoo gewend zijn, dat zij het broed wel verzorgen, maar er geene
+hulpcellen uit aanzetten. Men moet daarom eerst een of twee tafels,
+met op het uitloopen staand broed in de woning hangen, en zoodra het
+broed uitgeloopen is, er eene tafel met ongedekt broed bijvoegen. De
+jonge bijen zullen, als zij haar toestand ontdekt hebben, terstond
+hulpcellen aanleggen. In den regel is het evenwel voordeeliger zich
+zooveel moeite niet te geven, want in het gunstigste geval verloopen
+er nog zes weken, voordat het broed van de jonge moederbij uitloopt,
+en dan is de dragt dikwerf grootendeels verstreken. Men zal zijn belang
+meer bevorderen, door de bijen met een anderen stok te vereenigen,
+waardoor men een volkrijken stok verkrijgt, die spoedig een sterken
+zwerm kan geven.
+
+Kort voor of in den zwermtijd, zal een stok die moederloos geworden is,
+zichzelven gewoonlijk helpen, wanneer er ten minste ongedekt broed
+voorhanden is. In den zwermtijd heeft er ook dikwijls verwisseling
+van moederbijen plaats, zonder dat de eigenaar dit bespeurt.
+
+Ontstaat er moederloosheid bij een nazwerm, door dat de moederbij
+op hare bevruchtings-uitvlugt is verloren gegaan, dan moet de stok,
+die volstrekt geen broed bezit, noodzakelijk omkomen, zoo men hem
+geene hulp verschaft. Zulk een zwerm moet men dan dadelijk eene
+moederbij geven, die voor de zekerheid in een moederhuisje besloten
+wordt; men kan hem ook eene moedercel, of bij gebrek daarvan eene
+tafel met ongedekt broed toevoegen. Had men soms een nazwerm van
+denzelfden dag, die dus nog niet gevlogen had, dan was het best van
+allen, dezen bij den moederloozen zwerm te voegen, na beide eerst met
+muskuswater besprenkeld te hebben. Men verkrijgt nu een sterken zwerm,
+die spoedig eene bevruchte moederbij zal bezitten. Om de nazwermen
+in de gelegenheid te stellen, dadelijk zich zelf te kunnen helpen,
+wanneer de moederbij verloren raakt, is het aan te bevelen bij hunne
+opzetting eene tafel met ongedekt broed in de woning te hangen;
+zij nemen de woning dan ook gereeder aan.
+
+Valt de moederloosheid in, wanneer er geene hommels meer zijn,
+zoodat eene aangekweekte koningin onbevrucht zou moeten blijven, dan
+heeft men geene andere toevlugt, dan het geven van eene bevruchte
+moederbij, welke men daarom zorgen moet in voorraad te hebben. Men
+zet daartoe drie of vier kleine nazwermen afzonderlijk, of maakt
+er kleine kunstzwermen voor. In bloempotten of zeer kleine korfjes
+kan men deze opzetten, wanneer men slechts zorg draagt hen goed
+te voêren. In den herfst kan men altijd helpen, want men heeft dan,
+bij de vereeniging van stokken, moederbijen genoeg. De moederbij, die
+men aan een stok geeft, moet vooral in den zomer in een moederhuisje
+besloten worden, daar zij anders meestal vijandelijk aangevallen en
+gedood zou worden. Na een paar dagen in het broednest gehangen te
+hebben, laat men haar vrij, doch houdt haar tevens in het oog. Wordt
+zij met vreugde en liefde aangenomen, hetgeen de bijen toonen door
+haar te lekken en te voêren, dan kan men gerust zijn. Verzamelen de
+bijen zich daarentegen al digter en digter om haar, en doen zij daarbij
+een sissend geluid hooren, dan kan men zich verzekerd houden dat zij
+geene goede bedoelingen hebben; men moet dan de koningin zoo spoedig
+mogelijk van de haar omringende bijen bevrijden, en haar weder in het
+huisje plaatsen. Men hangt dit nu nog eenige dagen in het broednest,
+en als men de moederbij vrij wil geven, sluit men de opening met
+een wasblaadje, dat de bijen openbijten om haar dus te bevrijden. Op
+die wijze nemen de bijen haar meest altijd aan; waarschijnlijk in de
+veronderstelling dat zij haar zelf aangekweekt hebben. In den herfst
+is het opsluiten der moederbij minder noodig, daar zij dan gewoonlijk
+vreedzaam wordt aangenomen. Er zijn zelfs voorbeelden van dat zij twee
+koninginnen aannamen, die den geheelen winter in den stok bleven. In
+het voorjaar wordt echter eene van beiden afgemaakt.
+
+
+
+
+
+DE ZIEKTEN.
+
+
+De bijen zijn, even als alle dieren, aan ziekten onderhevig. De
+gevaarlijkste, te weten, de loop, de vuilbroed en de meiziekte
+of dolheid, zullen hier slechts behandeld worden; want de overige
+zoogenaamde ziekten bestaan, òf alleen in de verbeelding, òf hebben
+zeer weinig te beteekenen en herstellen weder van zelven, zonder
+eenig nadeel aangebragt te hebben.
+
+
+
+DE LOOP.
+
+De loop ontstaat hoofdzakelijk tegen het einde van den winter,
+wanneer de bijen, door lange en aanhoudende koude, verhinderd zijn
+om uit te vliegen, en zich van haar vuil te ontlasten. Dit hoopt
+zich dan in hare ingewanden op, en eindelijk zijn zij genoodzaakt
+het te laten vallen, waardoor zij niet alleen de woning en den bouw
+bevuilen, maar zich ook onderling verontreinigen. Het laatste heeft
+ten gevolge, dat zij in hare natuurlijke bewegingen bemoeijelijkt
+worden, en niet minder nadeelig is de reuk, dien hare uitwerpselen in
+de woning verspreiden. Door de zamenwerking van deze beide oorzaken
+ontstaat de loop, die soms een besmettelijk karakter aannemen, en
+zoo boosaardig worden kan, dat gezonde bijen, die men een zwakken,
+aan den loop lijdenden stok ter versterking geeft, zeer spoedig worden
+aangetast en wegkwijnen.
+
+Meestal behoeft er geene vrees te bestaan, dat deze ziekte zich
+vertoonen zal, wanneer de bijen, door een aanhoudenden, strengen
+winter, niet verhinderd zijn geworden hare woning te verlaten. Bij
+eene rustige standplaats kunnen zij, zonder eenig gevaar, vier maanden
+opgesloten blijven; komt er dan een schoone dag, waarop zij kunnen
+voorspelen, dan ontlasten zij zich. Dralen zij, bij gunstig weder, soms
+lang met naar buiten te komen, dan moet men haar daartoe aansporen,
+door tegen de woning te kloppen, en haar wat laauw-warmen, verdunden
+honig te geven. Een halve eetlepel is voldoende. In Dzierzon's
+woningen neemt men een dekplankje weg en stort hem, tusschendoor de
+nu vrij geworden staafjes, op de bijen; is er boven in de korven eene
+opening, dan kan ook zij daarvoor dienen; ontbreekt zij, dan keert
+men den korf om, en laat den honig op de bijen vallen. Spoedig zullen
+nu alle stokken voorspelen en zich ontlasten.
+
+Heeft een stok, die aan loop lijdt, eenmaal kunnen voorspelen, dan zal
+hij zich gewoonlijk spoedig herstellen. De onreinheden, die aan den
+bouw en de woning kleven, zullen wel is waar door dit voorspel niet
+worden weggenomen, maar zij zullen spoedig opgedroogd zijn, waarna
+zij geen schadelijken reuk meer verspreiden; kunnen de bijen nu en
+dan vliegen, dan reinigen zij den bouw en de woning. In woningen met
+lossen bouw, kan men haar evenwel deze moeite besparen. Men neemt er
+den geheelen bouw uit, krabt de wanden met een mes schoon, of wascht
+hen desnoods met een natten doek af. De bouw wordt nu weder ingehangen;
+doch de tafels, die te veel bezoedeld zijn, verwisselt men met andere,
+waarna men de bijen weder in de woning laat trekken.
+
+Is het weder echter te koud om den stok te laten voorspelen, en
+den bouw en de woning te zuiveren, dan kan men hem ook in eene
+verwarmde kamer brengen en daar laten vliegen. De bijen begeven
+zich dadelijk naar de vensters, waardoor het licht invalt, en
+onder het daarheen vliegen zullen zij haar vuil laten vallen. Al
+wat men voor verontreiniging bewaren wil, moet dan met doeken of
+papier bedekt worden, en het is goed, vooral in de vensterbanken,
+bovendien onbruikbare wastafels of een draadwerk te leggen, opdat de
+nedervallende bijen geen gevaar loopen zich zelven te bemorsen. Om
+haar de woning spoedig te doen verlaten, geeft men haar nu ook,
+zooals boven gezegd werd, een weinig honig. Hebben de bijen zich,
+na hare reiniging, tegen het raam verzameld, dan heeft men de woning,
+die intusschen gezuiverd is geworden, slechts met het vlieggat naar
+haar toegekeerd bij haar te plaatsen, en zij zullen er vrolijk en
+met overhaasting ingaan. Om tijd te winnen kan men haar ook in de
+woning scheppen.
+
+Bewoont de stok een gedeelte van eene zamengestelde woning, dan is men
+verpligt den bouw met het volk in eene ledige woning over te plaatsen,
+en deze dan in de verwarmde kamer te brengen. Heeft men de woning
+en het werk gezuiverd, dan brengt men de bijen, die zich intusschen
+ontlast hebben, daar weder in, hetgeen zeer omzigtig moet geschieden,
+om haar niet door de koude te doen lijden. Het beste is de bijen te
+verzamelen in een plat kistje, dat men onder in de woning schuift,
+na den bouw zooveel ingekort te hebben, dat zulks mogelijk wordt;
+neemt men nu het deksel weg, dan zullen zij weder naar het broednest
+opklimmen.
+
+Door stokken, die na eene langdurige koude aan den loop lijden, op de
+opgegeven wijze te behandelen, bewijst men hun eene groote weldaad,
+en behoedt hen in de meeste gevallen voor een geheelen ondergang.
+
+Behalve de bovengenoemde oorzaak tot het ontstaan van den loop, zijn
+er nog eenige omstandigheden, die deze kwaal ten gevolge kunnen hebben.
+
+1o. Het gebruik van den honig, die laat in den herfst van de heide is
+opgezameld, en vooral ook van dien, welken de bijen van laat gevallen
+honigdauw ophaalden, is zeer nadeelig. Wegens de late inzameling moet
+deze honig meestal onverzegeld blijven, en zijne nadeelige werking
+zal misschien meer het gevolg zijn der verandering, die hij daardoor
+ondergaat, dan dat hij in aard van anderen honig verschilt.
+
+2o. Storingen in de winterrust, wanneer zij reeds eenigen tijd
+heeft geduurd, en de koude nog aanhoudt, kunnen aanleiding tot den
+loop geven. Door de storing daartoe opgewekt, gaan zij uit elkander,
+kunnen nu het vuil niet bij zich houden, maar moeten het in den stok
+laten vallen; boven zagen wij reeds hoe hieruit deze kwaal ontstaat.
+
+Door het stooten tegen de woning, ook door muizen of vogels, kan er
+onrust in den stok gebragt worden; maar de ergste onrust is die, welke
+de bijen zelve in den stok brengen, wanneer het vlieggat door een of
+ander toeval verstopt is. Er zonderen zich toch altijd enkele bijen
+van den verzamelden tros af, om aan het vlieggat te komen zien. Vinden
+zij het open, dan keeren zij weder terug, doch in het tegenovergestelde
+geval gaan zij zoeken en brommen, brengen daardoor ook de overigen in
+onrust, en het gevreesde kwaad is geboren. Het vlieggat kan verstopt
+raken door doode bijen, die van den tros gevallen zijn, doch kan ook
+toevriezen. Men moet er altijd een wakend oog op houden, vooral bij
+die woningen, die buiten staan, en welker vlieggaten beschaduwd moeten
+worden. Het sluiten van de vlieggaten mag slechts gedurende enkele
+uren geschieden; zoodra het begint te schemeren opent men hen weder;
+hoort men overdag beweging en onrust in eene woning, dan moet men
+het vlieggat dadelijk openen; het is beter dat de bijen dan vliegen,
+dan dat zij zich in den stok ontlasten.
+
+3o. De waterdamp, die gedurende strenge winters, in woningen, die
+niet genoeg tegen de koude beschermd zijn, tegen de wanden en het
+werk verdigt, moet voor een gedeelte door de bijen opgezogen worden,
+waardoor zij veelal den loop krijgen. Vooral is het nadeelig, wanneer
+er vocht van boven op haar druipt; want zij moeten dat dan aanhoudend
+opzuigen, en het zal haar bijna zeker ziek maken. De woningen moeten
+daarom, inzonderheid aan de bovenzijde, tegen de koude beschermd
+worden, opdat zich daar geene ijskegels vormen, die bij dooiweder
+aanhoudend afdruipen. Dat de woningen geheel droog blijven, is ook
+niet gewenscht, want de bijen konden van gebrek omkomen, wanneer
+zij geen water hadden, om den verdikten honig te verdunnen. Maar in
+woningen, die goed tegen de vorst zijn beveiligd, vormt zich niet
+te veel waterdamp, ook zal zij zich voornamelijk tegen de zijwanden
+aanzetten, daar afloopen en dus weinig nadeel verwekken.
+
+4o. Ook eene te sterke verkoeling kan de bijen den loop bezorgen. Men
+kan zulks daaruit afleiden, dat jonge stokken altijd meer aan deze
+ziekte lijden dan oude; de bouw van deze laatste is toch veel
+warmer. Zelfs in den zomer ziet men deze ongesteldheid wel uit
+afkoeling ontstaan, wanneer er koude invalt, nadat men een sterken
+stok, door het afnemen van zwermen of het verzetten, veel verzwakt
+heeft. De broeijende bijen bevuilen dan het vlieggat en de buitenzijde
+der woning, en de verkoeling zal waarschijnlijk hare ingewanden
+verzwakken. Om zich tegen de koude, die bij aanhoudende strenge vorst,
+ook door de dikste wanden dringt, te beveiligen, moeten zij meer warmte
+ontwikkelen, door het trillen met de vleugels en de onderlinge wrijving
+van hare ligchamen; deze krachtsinspanning heeft een grooter gebruik
+van voedsel ten gevolge, en de grootere hoeveelheid drek, die zich
+daardoor bij haar ophoopt, moet onvermijdelijk den loop doen ontstaan.
+
+Het kenmerk dat een stok aan loop lijdt, bestaat daarin, dat het
+vlieggat sterk met de uitwerpselen der bijen besmet is. Eenige
+weinige vlekken hebben echter geene beteekenis. Opent men de woning,
+dan vindt men deze zoowel als het werk bevuild, en op den bodem liggen
+vele dooden, die sterk opgezwollen zijn; er hangen ook dooden tusschen
+het werk, en de woning verspreidt een onaangenamen reuk.
+
+Alles, wat aanleiding tot de ziekte geven kan, moet natuurlijk
+vermeden worden; is zij, ondanks alle voorzorgen, uitgebroken, dan
+moet het weder beslissen, hoe men haar herstellen zal. In alle geval
+moet men de bijen laten vliegen; men doet dit, zooals boven reeds is
+gezegd, als het weder te koud is, in een verwarmd vertrek. Op de daar
+aangegeven wijzen, moet men haar tot een spoedig voorspel uitnoodigen,
+want bij zwakke stokken is de zitplaats ver van het vlieggat; eer nu
+de tusschenliggende ruimte verwarmd was, kon de gunstige gelegenheid
+om voor te spelen reeds voorbij zijn, zoodat de bijen zich niet meer
+naar buiten konden begeven, om zich te reinigen. Wanneer men ziet dat
+bij schoon weder verscheidene stokken voorspelen, dan moet men er de
+andere ook toe opwekken. Ontdekt men nu zieke stokken, dan moet men,
+zoo het weder het toelaat, de verontreinigde tafels door zuivere
+vervangen. Bij woningen met vasten bouw, snijdt men het bevuilde
+gedeelte zooveel mogelijk weg, en vult de ledige ruimte met een
+kussen, dat met mos of kaf gevuld is, ten einde door de besnijding
+geene verkoeling aan te brengen.
+
+Vele bijenhouders achten het nuttig om de bijen, die aan loop
+lijden, te voêren met honig, waaronder een aftreksel van steranijs
+of muskaatnoot en Spaansche wijn gemengd is. Het kan goed wezen,
+doch ik houd zuiveren honig voor het beste. Kunnen de bijen vliegen
+en kan men haar, door het werk te zuiveren, te hulp komen, dan heeft
+de kwaal weinig te beteekenen, en zonder verdere zorg herstelt zij
+spoedig. Heeft men bij ongunstig weder geene gelegenheid om de bijen in
+een verwarmd vertrek te brengen, dan moet men haar zoo mogelijk eene
+verzegelde honigtafel of stukken kandij boven het broednest geven,
+haar overigens zoo stil mogelijk laten staan, zonder de toestrooming
+van versche lucht door het vlieggat te beletten, tegen verkoeling
+waken, en met geduld goed weder afwachten.
+
+
+
+DE VUILBROED.
+
+De vuilbroed kan zulk een aanstekend, pestachtig karakter aannemen,
+dat zij geheele bijenstanden verwoest. Zij is gelukkig niet zoo
+algemeen als de loop, ja in sommige streken heeft men haar zelfs
+nimmer zien woeden; nogtans moet men zorgvuldig alles vermijden,
+wat haar zou kunnen doen uitbreken. Ik heb het geluk gehad, dat zij
+zich nog nooit op mijn stand heeft vertoond, en wat ik dus van haar
+zal zeggen, kan ik alleen op gezag van anderen mededeelen.
+
+Vroeger schreef Dzierzon, gelijk ik thans doe, dat die plaag hem vreemd
+was; vijf of zes jaar geleden brak zij evenwel op zijn stand uit; twee
+jaar heeft hij met haar moeten worstelen, eer hij haar grootendeels
+overwonnen had, en na groote verliezen geleden te hebben, vindt hij
+er ook nu van tijd tot tijd nog enkele sporen van.
+
+Deze ziekte treft de bij niet als volwassen insect, zoo als dat
+met andere ziekten het geval is, maar zij bepaalt zich alleen
+tot het broed, en wel hoofdzakelijk tot het bedekte broed, dat den
+nimfen-toestand reeds heeft aangenomen. In plaats van zich tot bijen
+te ontwikkelen, sterven de maskers in de cellen, en gaan daar tot
+verrotting over.
+
+Naar dat de ziekte het ongedekte of het gedekte broed treft,
+onderscheidt men haar in de goedaardige en de pestaardige of
+aanstekende vuilbroed.
+
+De goedaardige vuilbroed ontstaat, wanneer er koud weder invalt, nadat
+de bijen vroeg in het jaar veel broed hebben aangezet, waardoor zij
+tot zelfbehoud genoodzaakt worden om het broed te verlaten en zich
+zamen te trekken. Het gedekte broed, dat zich boven in de woning
+bevindt, zal nu zelden afsterven. Het ongedekte moet daarentegen
+omkomen. De doode maden gaan in eene brijachtige stof over, die op
+den bodem der cel tot eene zwartbruine korst uitdroogt, welke daar,
+goed droog zijnde, gemakkelijk afgetrokken kan worden, en dan door de
+bijen wordt uitgeworpen. Vindt men deze zwartbruine schilfers op den
+bodem van eene woning, dan kan men verzekerd zijn dat er vuilbroed in
+geweest is. Men ontdekt dit ook aan den onaangenamen reuk, dien de
+woning van zich geeft. De goedaardige vuilbroed verwekt gewoonlijk
+weinig schade. Zij is niet aanstekend, en valt er gunstig weder in,
+dan helpen de bijen gewoonlijk zich zelven.
+
+De aanstekende of pestaardige vuilbroed, die zich alleen tot het
+gedekte broed bepaalt, is zeer gevaarlijk. De gestorven maskers gaan in
+eene taaije stof over; deze droogt eindelijk tot eene zwarte korst uit,
+die zich zoo aan de cel hecht, dat de bijen haar niet kunnen wegnemen.
+
+Men ontdekt deze kwaal door dat het volk dagelijks vermindert, omdat
+er geene jonge bijen uitloopen; door den onaangenamen stank, dien de
+stok verspreidt; door de zwarte kleur, die de broedtafels verkrijgen,
+en door het invallen der wasdeksels.
+
+Deze ziekte is, wegens haar aanstekend vermogen, zeer te
+vreezen. Hoewel de bijen zelven er niet door lijden, zoo dragen
+zij toch de smetstof bij zich. Vervliegen zij op een gezonden stok,
+dan is ook deze besmet; rooft een gezonde stok op een vuilbroedigen,
+dan zal hij ook vuilbroedig worden.
+
+Er is weinig aan de pestaardige vuilbroed te doen. Het best is,
+vooral in den herfst, wanneer de bijen weinig waarde hebben, haar met
+zwaveldamp te dooden, zoodra men de ziekte ontdekt heeft. Het werk
+snijdt men uit de woning, en alle tafels, die vuilbroed bevatten,
+begraaft men op eenigen afstand van den bijenstal. De ledige woning
+brandt men uit, en stelt haar minstens twee jaar aan weêr en wind
+bloot, voor men haar weder gebruikt.
+
+In het voorjaar, wanneer men de bijen niet gaarne zou missen, ook
+dan, als de kwaal zich reeds over een groot aantal stokken heeft
+uitgebreid, kan men de bijen uit de woning jagen, en haar een paar
+dagen, in een ledigen korf, met een luchtig kleed gedekt, laten staan;
+in den korf voêrt men haar met dunne suikerstroop. Vervolgens brengt
+men haar naar een verwijderden stand, waar zij zich bij de eerste
+uitvlugt van het bij haar opgehoopte vuil zullen ontdoen. Dan doet
+men haar in eene nieuwe woning, die men van gezond werk voorziet,
+zonder er evenwel gevulde honigtafels in te hangen, daar deze de
+smetstof zouden aannemen. Bij ongunstig weder voêrt men haar liever,
+gedurende den nacht, met honig of suikerstroop. De moederbij geeft
+men haar de twee eerste dagen in een moederhuisje besloten, opdat
+de bijen zich, door het uitvliegen, zooveel mogelijk van de smetstof
+zouden kunnen ontdoen, voordat er weder eijeren gelegd worden.
+
+Welke de oorzaak van het ontstaan der pestaardige vuilbroed is,
+weet men niet met zekerheid. Waarschijnlijk is zij te zoeken in
+het voêren met honig, waarvan men de afkomst niet kent, zoodat er
+honig uit vuilbroedige stokken onder zijn kan. Daarom is het zoo
+gevaarlijk om met vreemden honig te voêren. Heeft men geen honig,
+van welks zuiverheid men zeker is, dan voêre men liever met kandij
+of suikerstroop. Wanneer er geen broed in de stokken staat, zou van
+het voêren met honig uit vuilbroedige stokken weinig te vreezen
+zijn. Zelfs zou men dan zonder gevaar bijen, uit zulke stokken,
+met gezonde kunnen vereenigen, omdat de ziekte alleen het broed
+aantast. Maar waarom zou men zijne gezonde stokken, wanneer het niet
+noodig is, aan de besmetting blootstellen?
+
+De verspreiding der ziekte, van den eenen stok op den anderen,
+geschiedt ongetwijfeld doordat de bijen, uit aangestoken stokken,
+op gezonde stokken vervliegen.
+
+
+
+DE VOORJAARSZIEKTE OF DOLHEID.
+
+In Mei, soms reeds in April, kunnen stokken, die sterk door den winter
+gekomen zijn, in korten tijd zoo arm aan volk worden, dat men niet
+weet waar de bijen gebleven zijn. Bij eenige oplettendheid, ontdekt
+men evenwel spoedig waaraan het volksverlies is toe te schrijven. Men
+ziet vele bijen, met een sterk opgezwollen buik, afvliegen, doch niet
+terugkeeren. Soms vallen zij, dadelijk na het verlaten der woning,
+op den grond neder, draaijen op den rug in het rond en sterven. Deze
+ziekte, die men voorjaarsziekte of dolheid noemt, is vrij algemeen
+bekend, doch het is niet gemakkelijk op te sporen hoe zij ontstaat;
+vele oogenschijnlijke oorzaken bleken bij nader onderzoek onjuist
+te zijn.
+
+In Duitschland gelooft men de oorzaak van haar ontstaan gevonden
+te hebben. Zij zou gelegen zijn in het gebruik van honig, die in de
+cellen ongedekt is gebleven, en die, na gedurende den winter water tot
+zich getrokken te hebben, in het voorjaar tot gisting overgaat. Het
+gebruik van dezen honig doet het ligchaam der bijen opzwellen, omdat
+de gisting voortgaat, hetgeen den dood der bij ten gevolge heeft. Het
+is bekend dat men bijen kan vergeven, door haar honig te voêren,
+die met gist vermengd is.
+
+Het verdient opmerking, dat jonge en zwakke stokken zelden door deze
+ziekte worden aangetast, terwijl dat oude en sterke stokken er hevig
+aan kunnen lijden. Bij eene naauwkeurige beschouwing laat zich dit,
+hoe zonderling het schijnen mag, gemakkelijk verklaren. Men ziet toch
+dat die stokken, welke nog laat in den herfst veel broed hebben staan,
+ook in het volgende jaar het meest worden aangetast. Het is bekend dat
+de bijen, bij drukke dragt, den honig zoo spoedig mogelijk afleggen,
+in de eerste de beste cel, die zij ledig vinden; later dragen zij
+hem over naar die cellen, waarin zij hem willen bewaren. Zoodra nu
+het broed vermindert en er in het broednest ledige cellen komen,
+brengen zij den honig uit de meer verwijderde cellen hierin. Begint
+het weder nu kouder te worden, dan trekken de bijen zich te zamen op
+het laatste broed, en vestigen daar hare winterzitplaats, terwijl
+de honig, dien zij kort te voren verdroegen, zoowel als die, welke
+ver van het broednest verwijderd is, ongedekt blijft. Boven, naast en
+onder de bijen, bevindt zich nu ongedekte honig. Komen er nog vliegbare
+dagen, dan gebruiken zij hier nog veel van, doch kunnen zij zich niet
+meer uiteen begeven, wegens ingevallen koude, dan blijft de honig,
+die zich bezijden en onder haar bevindt, staan. De waterdamp, die
+zich in de woning vormt, slaat ook op den ongedekten honig neder, die
+verdunt en in het voorjaar, bij het toenemen der warmte, tot gisting
+overgaat. Bij het onderzoeken der stokken zal men dan gewoonlijk
+zulken honig vinden. Hij is dun, troebel en van eene melkachtige
+kleur; hij smaakt bedorven en geen enkele bij raakt hem aan. In
+den digten bijenklomp wordt intusschen broed aangezet, dat zich bij
+stijgende warmte meer en meer uitzet. Om hiervoor plaats te bekomen,
+moet deze bedorven honig uit de cellen verwijderd worden, want het
+broednest moet steeds in een gesloten geheel bestaan. Bleven er opene
+cellen tusschen, dan zou de vereischte broeiwarmte niet ontwikkeld
+worden. De bijen moeten dus den bedorven honig opzuigen, en velen
+zullen, wat vroeger of later, door de dolheid worden aangetast. De
+sterke uitbreiding van het broednest heeft eerst bij grootere warmte
+plaats, van daar dat de ziekte op zijn vroegst in April, doch het
+meest in Mei uitbreekt. Zij wordt dan ook wel meiziekte genoemd.
+
+Een stok, die in het najaar weinig broed heeft, is in de gelegenheid
+om den honig boven het broednest te brengen en te bedekken, en hij
+zal dus niet of zeer weinig door deze ziekte worden aangetast. Zoo
+laat het zich dan verklaren, waarom zwakke en jonge stokken, die
+over het algemeen in den herfst weinig broed hebben staan, weinig
+van deze ziekte te lijden hebben, terwijl sterke stokken er hevig
+door aangetast kunnen worden.
+
+Men zegt algemeen dat de honig, die op de heide gewonnen wordt,
+niet goed is om tot wintervoorraad te dienen. Men moet dit evenwel
+niet daaraan toeschrijven dat deze honig heide-honig is, maar aan
+de omstandigheid dat hij laat gewonnen is, en dus meestal ongedekt
+moet blijven.
+
+Het eenige waardoor men de meiziekte kan voorkomen, is het wegnemen
+van den ongedekt gebleven honig, er goede, verzegelde honigtafels
+voor in de plaats gevende.
+
+
+
+
+
+DE VIJANDEN.
+
+
+Het aantal bijen, dat in het voorjaar met den dag toeneemt,
+vermindert in den herfst, als het broeijen heeft opgehouden, weder
+even spoedig, zoodat de stokken, die in den zomer zoo volkrijk waren,
+dat de woningen hen bijna niet bevatten konden, nu weder zoo zwak
+geworden zijn, dat zij den bouw niet geheel kunnen bezetten. Hoewel
+vele bijen door ouderdom sterven, of wanneer zij, door beschadiging
+van hare vleugels, niet meer in staat zijn haar ligchaam te dragen,
+hier of daar nedervallen en omkomen, toch is dit verlies betrekkelijk
+gering. De meesten komen om door ongunstig weder, of door dat zij
+eene prooi worden van een van hare talrijke vijanden.
+
+Men moet zich niet voorstellen dat de vijanden der bijen haar vervolgen
+uit natuurlijken afkeer. Zij zijn de bijen slechts daarom vijandig,
+omdat zij zich met haar, of met haar voorraad willen voeden. Zoo zijn
+er een aantal vogels, die aanhoudend jagt op de bijen maaken, en er
+dagelijks eene menigte wegvangen, zoo als de musch, de roodstaart,
+de zwaluw enz. Ook de ooijevaar snapt, als hij door de weide loopt,
+menige bij van de bloemen weg.
+
+Van alle vogels zal het de mees wel zijn, die de meeste schade aan
+de bijen toebrengt, niet zoo zeer door dat zij er zoo vele vangt,
+maar door de onrust, die zij 's winters in de stokken veroorzaakt,
+die onbedekt staan. Zij plaatst zich aan het vlieggat, en verontrust
+de bijen door haar aanhoudend gepik zoo, dat velen zich van den
+verzamelden tros afscheiden en aan het vlieggat komen zien. Gaan zij
+naar buiten, dan worden zij terstond door de koude bevangen en vallen
+op den grond, waarna de mees haar verslindt; die weder in de woning
+terugkeeren, zijn toch niet meer in staat tot de andere bijen op te
+klimmen, maar vinden haar dood op den bodem der woning.
+
+De specht kan, in de streken waar hij gevonden wordt, vooral in den
+winter, veel schade verwekken. Hij klopt soms gaten, ter grootte van
+eene vuist, in de woning. Door de veroorzaakte onrust kan de geheele
+stok omkomen.
+
+De muis, welke de bijen in den zomer goed uit de stokken weren kunnen,
+of die, zoo zij er in mogt komen, dit spoedig met den dood moet
+bekoopen, is in den winter een geduchte vijand. Zij zoekt in de woning
+te komen, begint met de dooden, die zij op den bodem vindt, op te eten,
+beknabbelt daarna den wasbouw en eet er den honig uit, voor zoo ver
+de tafels niet door de bijen bezet zijn. De dadelijke schade, die zij
+verwekt door hetgeen zij verteert, is niet bijzonder groot, maar de
+aanhoudende onrust, die zij in den stok brengt, noodzaakt de bijen
+meer honig te verbruiken, om de ontwijkende warmte te herstellen. Ook
+veroorzaken hare uitwerpselen een ondragelijken stank, die niet zelden
+de bijen voor altijd hare woning doet verlaten, zoodra het weder haar
+het uiteengaan vergunt. De vlieggaten mag men niet met doorboorde
+schuifjes sluiten (voor enkele uren kunnen zij zonder gevaar gesloten
+worden, doch dit zou hier niet helpen), want hoewel hierdoor de lucht
+toegang kan hebben, zoo willen de bijen vrij zijn. Men moet hen met
+spijkers of schuifjes dus zoo vernaauwen, dat er geene muis door kan;
+dit moet met zorg geschieden, daar het spitsmuisje door eene opening
+weet te dringen, weinig grooter dan die, welke een hommel behoeft. In
+alle geval vange men de muizen zooveel mogelijk, want al belet men
+haar in de woningen te dringen, zij trachten dat toch te doen, en
+verontrusten de bijen door er buiten aan te knagen. Het is daarom
+beter de wanden der woningen dik te maken, dan haar dunne wanden te
+geven, en die met stroo of iets dergelijks te bekleeden, om de warmte
+er in te houden. In de bekleeding zouden de muizen de meest gezochte
+sluiphoeken vinden, en er hare nesten maken. Dat men nooit katten in
+den stal mag laten, om de muizen te vangen, werd reeds vroeger gezegd.
+
+De padde is ook als een vijand der bijen te beschouwen. De bijen, die
+door de koude bevangen op den grond vallen, en die, wanneer zij den
+volgenden dag door de zon beschenen werden, weder zouden herleven,
+zoekt de padde op. Zij vertoeft ook wel onder de vlieggaten, om,
+zoodra er eene bij valt, deze weg te pakken. Het is daarom goed dat
+de grond voor den stal niet begroeid is, anders kon zij zich daar
+verschuilen, zonder dat men haar kon ontdekken.
+
+De mieren, die voor de bijen zelven als onschadelijk te beschouwen
+zijn, zijn niettemin eene groote plaag voor den bijenhouder, omdat
+hij haar maar moeijelijk uit de woningen kan houden, binnen welke zij
+door de kleinste openingen weten te geraken, om zich met den honig
+te voeden; soms slaan zij er zelfs, op voor de bijen ontoegankelijke
+plaatsen, hare nesten op. De bijen zelve vervolgen haar, en jagen haar
+zooveel mogelijk uit de woning. De mieren schijnen het ook te weten,
+dat zij geene welkome gasten zijn, want sterk bevolkte woningen durven
+zij zelden door het vlieggat binnen dringen, waar de bijen haar dan
+ook dadelijk terugwijzen. Veeleer zoeken zij door deze of gene reet
+binnen te komen.
+
+Mij zijn bijenhouders bekend, die de mieren gaarne in hunne stokken
+zien, meenende dat dit een goed honigjaar voorspelt. Ik zie haar echter
+minder gaarne, en tracht haar zooveel mogelijk te verdrijven. Het best
+geschiedt dit door de nesten met zorg op te zoeken en te vernietigen,
+en in den omtrek van en onder de woningen asch te strooijen. Dit
+helpt veel, want zoolang de asch droog is, zullen de mieren er
+niet ligt overheen loopen. Strooit men ook asch tusschen woningen,
+die men op elkander wil plaatsen, dan belet men haar zich daar te
+nestelen. Met hetzelfde doel strooi ik ook asch tusschen het stroo,
+waarmede ik de wanden der woningen opvul.
+
+De wilde hommelbij wordt door Dzierzon en anderen als een groote
+vijand der bijen opgegeven, die haar op de bloemen en zelfs voor de
+vlieggaten zou vangen, en na er het voorlijf te hebben afgetrokken,
+met het achterlijf naar haar nest zou vliegen, om er het broed
+mede te voeden. Zelfs zou zij in de stokken sluipen, en daar zeer
+gevaarlijk voor de koningin worden; vooral in het najaar, als er in
+het veld niets meer te vinden is, zou zij groote schade aan de stokken
+kunnen toebrengen. Men raadt daarom aan in het voorjaar de wijfjes der
+hommelbijen, die dan nog alléén omvliegen, te vangen en te dooden, daar
+de dood van elk wijfje als het ware een geheel nest vernietigt. Ik
+voor mij heb het nadeel der hommelbijen nimmer kunnen opmerken,
+hoewel ik aan de waarheid van het bovenstaande toch niet twijfel.
+
+De wespen zijn voor de bijen niet schadelijk; zij jagen echter den
+honig na, vliegen daarom rond de woningen en trachten binnen te
+dringen. Gelukt haar dit, dan kunnen vele bijen er door omkomen,
+wanneer zij de wespen willen verjagen, want deze zijn veel sterker
+dan de bijen. Door, even als dit voor de hommelbijen gezegd is, de
+wespen, die in het voorjaar omvliegen (het zijn de wijfjes, die uit
+haar winterslaap ontwaakt zijn), weg te vangen en te dooden, gaat
+men haar het beste tegen. Verder kan men haar vangen door flesschen,
+voor de helft gevuld met water, dat met honig of suiker vermengd is,
+bij de stokken te zetten; zij kruipen daarin en komen zoo om.
+
+De luis wordt ook onder de vijanden der bijen gerekend. Bij voorkeur
+schijnt zij zich bij de moederbij op te houden, en zich op den rug
+te plaatsen. Komt zij slechts in geringe mate voor, dan is ook het
+nadeel niet groot; in overmaat vindt men haar alleen bij ziekelijke
+stokken. Ik kan over het nadeel evenwel niet oordeelen, daar ik haar
+nooit in mijne stokken ontdekt hebt.
+
+De spin is voor de bijen een gevaarlijke vijand. Velen vinden in
+hare netten den dood, en het is daarom goed de netten, in den omtrek
+van den bijenstand, dagelijks weg te nemen, en de spinnen zooveel
+mogelijk te dooden. Het best vindt men haar tegen het vallen van den
+avond, wanneer zij uit hare schuilplaatsen komen, om hare beschadigde
+netten te herstellen. Het nadeel der huisspinnen is evenwel gering, in
+vergelijking van dat der veldspinnen, welke in het najaar menigvuldig
+voorkomen. Den grond en vooral de heide bedekken zij met hare weefsels,
+waarin de bijen bij duizenden omkomen. Dit kwaad kan niet weggenomen
+worden, dan door eene sterke regenbui, die de netten verwoest, waarna
+de bijen de heide ook weder moediger bevliegen, dan toen zij er haar
+mede overtrokken vonden.
+
+De wasmot, of liever hare wormen of maden, zijn voor de bijen,
+zoowel als voor haar eigenaar, de grootste plaag. Zij komen op elken
+bijenstand en in elke onbezorgd nedergelegde wastafel zoo zeker,
+dat ieder, die zich met bijenteelt bezighoudt, haar maar al te goed
+zal kennen.
+
+Er bestaan twee soorten, eene kleinere en eene grootere, welke laatste
+de dikte van eene matige penneschacht kan verkrijgen. De eerste komt
+meer voor dan de tweede, doch zij is minder schadelijk. De maden
+komen van die zilverkleurige vlinders, welke in den avond van warme
+dagen, in groote menigte voor de vlieggaten der woningen rondvliegen,
+en deze trachten binnen te sluipen, om hunne eijeren in de ledige
+cellen te leggen. De bijen, die hare vijanden goed schijnen te kennen,
+betwisten hun den ingang wel, door angstig rond het vlieggat en over
+de woning te loopen, als of zij de moederbij zochten, maar het is haar
+onmogelijk allen het indringen te beletten. Sterke stokken houden de
+meeste wasmotten buiten hunne woning, en daar de bijen er alle cellen
+in bezoeken, en de eijeren der wasmotten goed schijnen te kennen,
+zoo worden zij spoedig uitgeworpen, waardoor deze stokken er weinig
+door lijden.
+
+De kleinste soort van maden vindt men meest op den bodem der woning,
+onder eenig wasmul verborgen, en verder op die plaatsen, die voor
+de bijen ontoegankelijk zijn. Zij leven voornamelijk van den afval,
+doch vreten ook de wastafels wel door, zonder die evenwel zoo te
+doorspinnen, als de grootere soort het doet. Deze vestigen zich
+dikwijls in de broedtafels, en nergens kunnen zij zooveel schade
+aanrigten, en zijn zij zoo moeijelijk te verdrijven. Zij vreten
+den tusschenwand der tafels door, en kruipen, tusschen het broed,
+van de eene cel naar de andere, zonder dat het de bijen mogelijk is,
+haar meester te worden. Zij spinnen de maskers der bijen in de cellen
+vast, zoodat deze, na hare volkomene ontwikkeling, de cel niet kunnen
+verlaten, of zoo het haar mogelijk is, dan blijven zij met een gedeelte
+van het spinsel omgeven, dat haar het vliegen belet. De bijen moeten
+in zulke tafels soms geheele gaten bijten, om er het vastgesponnen
+broed uit te verwijderen.
+
+Hebben de maden zich eenmaal in het broednest gevestigd, dan kan
+men niet beter doen, dan de koningin uit den stok vangen en daar
+een aflegger mede maken, of haar anders zoolang in een moederhuisje
+sluiten, totdat al het broed is uitgeloopen. De maden vinden dan geene
+verborgene plaatsen meer, en kunnen door de bijen geheel bemagtigd en
+uitgeworpen worden, waarna de beschadigde tafels worden hersteld. In
+Dzierzon'sche woningen kan men het kwaad ook volkomen wegnemen, door
+den bouw en het volk uit de woning te nemen, en haar dan met stroo
+uit te branden, waarna men er nieuwe tafels inhangt, en er de bijen
+weder in laat loopen.
+
+Men moet bij voortduring toezien, dat zich geene wasmotmaden in de
+woningen vestigen, en haar verwijderen, waar men haar ook ontdekt. Bij
+korven moet men vooral goed toezien, want waar zich in den wand
+maar eene kleine holte bevindt, houden zij zich veeltijds op, en men
+vindt haar ook dikwerf in den ondersten rand, waarmede de korf op de
+onderplank staat.
+
+Voor den bijenhouder zijn de wasmotten eene voortdurende plaag. In
+weinig tijd kunnen zij de schoonste tafels vernietigen, en veelal vindt
+men daar niets meer van, dan eene aaneengesponnen pruik, waarin zich
+eene menigte wormen ophouden, terwijl het was grootendeels, zoo niet
+geheel, verdwenen is. Het is hierdoor ook dat men zoo dikwerf wordt
+teleurgesteld, wanneer men een zwerm in een bebouwden korf plaatst,
+dien men het voorgaande jaar bewaard had. Veeltijds schijnt de bouw
+geheel gespaard te zijn, terwijl hij, boven in den kop van den korf,
+geheel doorsponnen is. In plaats, van de bijen eene belangrijke
+schrede voorwaarts te plaatsen, berokkent men haar een ontzettend
+werk. Overwinnen zij de kwaal, dan komen zij toch niet vooruit,
+en zoo niet, dan verlaten zij den korf weder.
+
+Daar de wastafels, hoe men die ook opbergen mag, zeer spoedig eene
+prooi der wasmotten worden, die hare eijeren reeds in de cellen
+gelegd hadden, zoo smelten vele bijenhouders de stukken wastafel,
+die nu en dan van den bouw afvallen, terstond op, waardoor het was
+niet meer voor de verwoesting der motten blootstaat. Bij het volgen
+van Dzierzon's leerwijze, is dit evenwel niet voldoende. De wastafels
+zijn daarbij geheel onmisbaar, en het komt er dus niet alleen op aan
+het was te bewaren, maar ook de tafels, zoo als de bijen haar gebouwd
+hebben, ongeschonden te laten. Men heeft daartoe verschillende middelen
+beproefd, die allen meer of minder te wenschen overlieten, doch is
+er nu sedert 2 of 3 jaar in geslaagd, de wastafels geheel voor de mot
+te beveiligen, hetgeen voor de bijenteelt van het hoogste belang is.
+
+Men legt de wastafels, hetzij los of aan staafjes, in eene kuip, en
+giet deze vol water, na de tafels zoo bevestigd te hebben, dat zij
+onder water blijven. Het water trekt in de cellen, weekt de eijeren
+los en doodt de reeds aanwezige wormen. Na 24 uren giet men het water
+af, en doet er weder versch op. Den volgenden dag neemt men er dan
+de tafels uit, en legt haar op een hellend latwerk, dat in de schaduw
+staat en aan den wind is blootgesteld. Het water zal nu grootendeels
+uit de cellen vloeijen, en om dit te bevorderen, keert men de tafels
+nu en dan om. Na een paar dagen kan men haar binnenshuis op eene
+luchtige plaats leggen, en na eenige weken zullen zij volkomen droog
+zijn. Moet men haar vroeger gebruiken, dan legt men haar op kladpapier,
+wanneer zij na een paar dagen droog zijn.
+
+De hier opgegeven handelwijze is voldoende om de tafels volkomen
+te reinigen, en zóólang voor de wasmot te beveiligen, als de
+cellen water bevatten, want dan kan de mot er hare eijeren niet in
+afzetten. Zoodra zij evenwel droog zijn, zijn zij weder aan hetzelfde
+gevaar blootgesteld, zoodat men dezelfde omslagtige bewerking zou
+moeten herhalen. Op tafels, die gedeeltelijk met honig gevuld zijn,
+kan zij in het geheel niet worden toegepast, want de honig zou worden
+opgelost. Later heeft men echter nog een ander hulpmiddel gevonden,
+dat eenvoudiger is, en volkomen aan het doel beantwoordt, en dat ook
+op gedeeltelijk met honig gevulde tafels kan worden toegepast.
+
+In eene kist, die goed gesloten kan worden, zijn op den vereischten
+afstand latten bevestigd, waarop de staafjes, waaraan de wastafels
+hangen, met de uiteinden worden geplaatst. Op deze staafjes legt men
+nu, met eenige tusschenruimte, de losse stukken wastafel, en zet op den
+bodem der kist eene test, waarin eenig zwaveldraad wordt ontstoken. Het
+deksel der kist wordt nu goed gesloten, en gesloten gehouden. Van vier
+tot zes weken kan men haar laten staan, doch na verloop van dien tijd,
+en ook wanneer men de kist lang geopend heeft gehouden, moet men
+het zwavelen herhalen. De tafels worden aldus volkomen voor de mot
+beveiligd, de eijeren en wormen, die zich reeds in de cellen mogten
+bevinden, worden ook geheel vernietigd, en de zwaveldamp heeft noch
+op het was, noch op den honig, die zich daarin mogt bevinden, eenigen
+nadeeligen invloed. Een paar uren voor dat men haar gebruikt, stelt men
+haar aan de lucht bloot, waarna de bijen haar met graagte aannemen:
+zij beginnen haar terstond op te zuiveren, waarna de moederbij haar
+met eijeren bezet.--Ook in eene Dzierzon'sche woning kan men de tafels
+zwavelen en bewaren, wanneer zij maar goed gesloten kan worden.
+
+Bebouwde korven kan men voor de wasmot beveiligen, door haar op
+brandende zwavel te plaatsen, en haar daarna op eene laag droog zand
+te zetten, waardoor de korf geheel wordt afgesloten. Het zwavelen
+wordt nu en dan herhaald.
+
+
+
+
+
+HET BESNIJDEN.
+
+
+Men is het lang niet eens over het al of niet noodzakelijke van
+het besnijden. De een vindt het hoog noodig om in het voorjaar de
+stokken te besnijden: vooreerst om het oude werk te laten vernieuwen,
+en ten andere om de bijen tot meer vlijt op te wekken, want besneden
+stokken bouwen spoediger dan onbesnedene, en de moederbij bezet de
+nieuw gebouwde cellen vroeger met eijeren dan de oude.--De ander
+verwerpt het besnijden geheel: hij beschouwt het als een bepaald
+nadeel om den bouw ook maar een duim in te korten, omdat men daardoor
+de bijen slechts noodeloos werk zou bezorgen; nu moet toch de honig
+aan een nieuwen bouw ten koste gelegd worden, terwijl anders het
+opgezamelde in de voorhanden cellen kon worden geborgen.--Voor de
+beide bovengemelde opvattingen bestaat eenige grond, doch er is nog
+eene soort van bijenhouders, die de stokken wel besnijden, maar alleen
+uit gewoonte en navolging, om de ledige tafels meester te worden en
+op te smelten. Een bijenhouder, dien ik bezig vond met zijne stokken
+sterk te besnijden, antwoordde mij op de vraag waarom hij dit deed:
+"Wel dit is de eerste opbrengst die zij geven, en de bijen moeten
+maar zorgen dat zij het weder volbouwen."
+
+Een vaste regel kan er voor het besnijden niet aangenomen worden. Het
+moet zich regelen naar de streek, waarin men woont. Heeft men eene
+vroege hoofdweide, en moet deze als het ware den geheelen oogst
+opleveren, dan besnijde men zoo weinig mogelijk, en neme alleen
+de beschadigde of sterk beschimmelde gedeelten der tafels weg. Zij
+zouden anders, door eene gedwongen bouwing, genoodzaakt worden om
+den oogsttijd voor een gedeelte te verzuimen. Woont men daarentegen
+in eene streek, waar de hoofdweide laat invalt, dan kan men zijne
+stokken zonder nadeel matig besnijden; want tegen dat de hoofddragt
+begint, zullen zij toch weder volbouwd zijn, en daar de moederbij
+de nieuw gebouwde cellen werkelijk spoediger met eijeren bezet dan
+de oude, zoo geeft het ook aanleiding dat de stokken, gedurende de
+rijkste dragt, volkrijk zijn. Voorjarige zwermen moet men evenwel in
+geen geval besnijden, zelfs dan niet, wanneer de punten der tafels
+eenigzins beschimmeld zijn, want de bijen weten haar goed te zuiveren.
+
+Is men het niet eens omtrent het nut van het besnijden, evenmin zijn de
+voorstanders er van het eens, omtrent den tijd, die daarvoor geschikt
+is. Is men echter eenigzins met de natuur der bijen bekend geworden,
+dan weet men ook dat het niet te vroeg en niet te sterk mag geschieden;
+want door sterk en vroeg besnijden, kan men zijne bijen in volkomen
+ellende storten, ja haar geheel doen omkomen! Men verkoelt er toch
+hare zitplaats aanmerkelijk door, en kwam er nog een nawinter, dan
+konden zij zich niet voldoende meer verwarmen; aan broedzetten viel
+niet meer te denken; veeleer zouden zij, ten gevolge der verkoeling,
+aan loop gaan lijden, en bij duizenden omkomen. Ondanks het gevaar
+dat er in gelegen is, kunnen toch velen, in hunne voortvarendheid,
+niet nalaten de stokken vroeg te besnijden. Zoodra er in het laatst
+van Februarij of het begin van Maart maar enkele schoone dagen
+zijn, haasten zij zich om dit, naar hun inzien, noodzakelijk werk
+te verrigten. En wat winnen zij daardoor? Dat de stokken aan groot
+gevaar blootgesteld zijn, of voor het minst in hun vooruitgang zijn
+gestuit; want broedaanzetting en wasbouw gaan steeds hand aan hand, en
+zonder een aanmerkelijken warmtegraad en weder, dat de bijen toelaat
+bloemenstof en water op te halen, is de wasbouw onmogelijk; vóór Mei
+valt het geschikte weder zelden in. Als men de besneden stokken sterk
+voêrde, hun tevens, ter vervanging van bloemenstof, meel aanbood, en
+de woningen goed dekte, dan zou men hen tot het bouwen en broedzetten
+kunnen brengen, hetgeen ik vroeger reeds heb opgemerkt. Maar waartoe
+zich deze moeite te berokkenen, wanneer men niet weet of zij het
+gewenscht gevolg zal hebben, ja veeleer vreezen moet er zich door te
+benadeelen? Reeds vroeger is het aangetoond, in het voorjaar kan men
+niet beter doen, dan zijne stokken zoolang mogelijk in rust laten.
+
+Vóór half April besnijde men zijne stokken nooit; is het weder
+dan nog ongunstig, dan wacht men beter af. Bij de besnijding zorge
+men het hommelwas zooveel mogelijk weg te nemen, en om het weder
+opbouwen er van te beletten, stelt men er kleine stukjes wastafel,
+met werkbijen-cellen, voor in de plaats, die met pennetjes worden
+vastgestoken. Indien de stokken soms aan de achterzijde nog te veel
+gevulde honigtafels hebben, dan neemt men ook deze gedeeltelijk weg,
+wel toeziende hun niet al te veel te berooven, want het is beter hun
+wat veel te laten behouden, dan hen te sterk te ontblooten.
+
+Men besnijdt de stokken achter den bijenstal, waar men den korf op
+den kop zet, en de bijen met rook terugblaast. Men gebruikt er een
+mes voor, waarvan de punt omgebogen is, zoodat men de tafels vlak kan
+afsnijden. De ledige en de met honig gevulde tafels, welke men heeft
+afgesneden, moeten terstond in een pot of iets dergelijks, dat met
+een deksel of een doek goed gesloten is, worden gelegd; anders zou
+men ligt aanleiding tot rooverij geven. Doet men het op een dag dat de
+bijen goed kunnen vliegen, dan heeft men daar het minst van te vreezen.
+
+Het werk wordt van onderen eene kleine hand breedte, of zoover als
+het beschadigd of beschimmeld is, weggesneden. De tafels snijdt men
+zoo gelijk mogelijk af, zoodat de onderkanten er van in één vlak
+komen. Valt er nu soms nog koude in, dan doet men goed met eenige
+ledige wastafels plat tegen het werk te leggen, en met pennen vast
+te steken; de bijen worden daardoor veel voor de koude beschut. Wordt
+het weder warmer, dan neemt men die tafels weder weg.
+
+Heeft men stokken met een te oud broednest, en wil men hen niet
+uitbreken, en toch het broednest vernieuwen, dan kan dit het beste
+gedaan worden door hen, veertien dagen na het afvliegen van den
+voorzwerm, zoo diep mogelijk uit te snijden. Het broed is dan bijna
+geheel uitgeloopen, en door de ledige cellen weg te nemen, brengt men
+den stok bijna in den toestand van een zwerm (hij heeft alleen den
+honigvoorraad bij dezen vooruit). De bijen hangen zich in een tros aan
+het besneden werk, en zijn even ijverig in het verlengen van den bouw,
+als een nieuw opgezette zwerm. Het verder zwermen kan den stok belet
+worden, door de moederwiegen, die nog mogten aanwezig zijn, tot op
+eene na te vernietigen. Hoewel zelden, zoo kon er toch nog een zwerm
+afvliegen, dien men dan de moederbij maar behoeft te ontnemen, om de
+bijen weder op den stok terug te doen vliegen; het zwermen heeft dan
+zeker opgehouden.--De stokken, welke men op de hier vermelde wijze
+behandeld heeft, worden meestal van een voldoenden wintervoorraad
+voorzien, en men kan hun meestal nog eenige ledige wastafels ontnemen.
+
+Bij Dzierzon's woningen komt geen besnijden te pas, of het zou moeten
+zijn om wastafels te bekomen. In het laatst van Augustus of het begin
+van September, neemt men den bouw uit de woning, verwisselt de oude
+tafels uit het broednest met nieuwe, en verwijdert tevens al het
+hommelwas. Zijn de stokken volkrijk in den winter gebragt, en hebben
+zij voorraad genoeg, dan zullen zij gewoonlijk in het voorjaar nog
+volkrijk genoeg zijn, om bij gunstig weder de beschimmelde tafels
+te zuiveren. Men zorge slechts het voor de bijen toegankelijk
+gedeelte der woning niet te vergrooten, voordat dit noodig is, en
+neme het verwarmende dek, dat in de woning gebragt is, niet weg,
+voordat bestendig, warm weder is ingevallen. Men kan zich niet te
+zeer wachten voor het te vroeg verkoelen der woningen.
+
+
+
+
+
+HET BEDWELMEN.
+
+
+Er bestaan verscheidene middelen om de bijen geheel of gedeeltelijk
+te bedwelmen, waarna men haar zoo kan behandelen als men goedvindt,
+zonder dat men voor hare steken behoeft te vreezen. Na ongeveer een
+kwartier aan de buitenlucht blootgesteld te zijn geweest, ontwaken zij
+weder, en vliegen naar haar stok terug, om daar hare gewone bezigheden
+te hervatten. De bedwelming zal haar volstrekt niet benadeeld hebben,
+wanneer zij maar niet is aangewend gedurende eene goede dragt; dan
+zouden vele bijen, die vol honig zijn, er door stikken. Er wordt
+daarom alleen vroeg in het voorjaar en in het najaar gebruik van
+gemaakt, om de bijen uit uitgebroken korven, aan andere stokken
+toe te voegen. Bij Dzierzon'sche woningen komt het minder te pas,
+want daarbij kan men den geheelen bouw uitnemen, de moederbij op de
+tafels vangen, en de bijen met eene veêr of een vegertje afstrijken,
+waarna zij met den schepper bij den te versterken stok gevoegd worden.
+
+Het meest algemeen en van ouds her bedwelmt men de bijen door middel
+van bovist of stuifzwam. Men maakt in den grond een kuil, van een
+voet diep en zoo wijd, dat de korf hem geheel kan bedekken. In den
+kuil legt men een doek, zet daarop eene test, met een weinig vuur er
+in, en legt op het vuur drie of vier stukjes bovist, ter grootte van
+eene okkernoot. De test wordt met eene potscherf gedeeltelijk bedekt,
+en hierop plaatst men een stuk blik of zink, dat tot een scherpen rug
+gebogen is, opdat de bijen niet op de verhitte scherf zouden vallen,
+maar langs het metaal afglijden. Het vuur mag niet zoo bedekt worden,
+dat het zou kunnen uitdooven, en rond de test moet nog iets geplaatst
+worden, opdat de bijen zich ook daaraan niet kunnen branden. De korf
+wordt nu terstond op den kuil geplaatst, en langs den rand wordt zand
+of iets dergelijks gestrooid, om den rook niet te doen ontwijken. Na
+een paar minuten hoort men de bijen sterk bruisen, waarop spoedig
+alles stil zal worden. Legt men nu het oor tegen den korf, dan hoort
+men de bijen vallen. Om dit te bevorderen klopt men met de hand tegen
+den korf. Hoort men geene bijen meer vallen, dan is de bedwelming
+afgeloopen. Nu ligt men den korf op, en vindt meest alle bijen op den
+grond gevallen; de weinige, die nog tusschen de tafels zijn blijven
+hangen, worden met eene veêr weggestreken, waartoe de tafels een weinig
+van een gebogen worden. De test wordt weggenomen, en de bijen ligt men,
+met den doek, in eens uit den kuil, en zoekt er de moederbij uit, welke
+gewoonlijk met de laatsten gevallen is, en dus bovenop zal liggen. De
+bedwelmde bijen worden nu met een weinig verdunden honig besprenkeld,
+en in een strooring gelegd. Op den ring zet men nu den korf, waarin
+de zwerm, dien men versterken wil, geplaatst is, en bindt de reet,
+tusschen den korf en den ring, met een doek digt. Moeten de bijen in
+eene Dzierzon'sche woning geplaatst worden, dan legt men haar op den
+bodem neder. De bedwelmde bijen beginnen spoedig te ontwaken; de andere
+komen op den honigreuk naar beneden, lekken de ontwakende bijen af,
+en beiden vereenigen zich gewoonlijk vreedzaam. Vijandelijke aanvallen
+hebben daarbij zelden plaats, en den volgenden morgen zullen bijna
+alle bijen opgeklommen zijn, zoodat men slechts enkele dooden vindt.
+
+In plaats van een kuil in den grond te graven, kan men ook een lossen
+strooring gebruiken, wanneer men slechts zorgt dat de reet, tusschen
+dezen en den korf, goed gesloten wordt.
+
+Wil men de bijen in Dzierzon'sche woningen bedwelmen, dan neemt men
+daar eenige der onderste tafels uit, en zet de test op den bodem
+der woning.
+
+In plaats van bovist kan men ook buskruid gebruiken. Men neemt daar
+een halven pijpekop van, maakt het met water tot een zoogenoemden
+sisser, en legt daar een stukje brandend zwam op; er wordt iets over
+geplaatst, opdat de vonken de bijen niet zouden raken. De bedwelming
+zal even goed, en naar men wil, zelfs meer volkomen geschieden, dan
+met bovist. Een bezwaar is evenwel dat het moeijelijk is, om het kruid
+juist vochtig genoeg te maken. Is het te nat dan brandt het niet;
+is het te droog dan ontploft het te snel.
+
+Men geeft thans op dat het beter zijn zou een half jagtschot kruid,
+even als een poeder, in een papier te vouwen, op den rug daarvan een
+gaatje te maken, en daarin een stuk zwam te steken. Een ledige korf
+wordt met den kop in een ring vastgezet, het papier met kruid er in
+gelegd, en na het zwam aangestoken te hebben, wordt daar eene potscherf
+over gelegd. Nu zet men den korf met de te bedwelmen bijen dadelijk op
+den ledigen korf, en sluit de reet niet, voordat het kruid ontploft
+is, opdat de lucht, die weggedreven wordt door de bij de ontploffing
+gevormde gassen, zou kunnen ontwijken. Is de reet dadelijk na de
+ontploffing gesloten, dan klopt men nog wat tegen den korf, en spoedig
+zal alles stil worden, en de bedwelming is volbragt. De ontploffing
+doet de bijen, die haar gedeeltelijk ondervinden, schrikken, zij laten
+dan los en vallen gelijktijdig neêr. Branden kunnen zij zich niet,
+want zij vallen eerst na de ontploffing, en de vlam kan de hoogte,
+waarop zij te voren zaten, niet bereiken.
+
+In Dzierzon'sche woningen kan men het kruid op de zelfde wijze
+aanwenden, doch men moet dan de deur, tot na de ontploffing, los
+aanzetten, en haar daarna sluiten.
+
+Met zwavelether en ook met chloroform, kan men de bijen bedwelmen. Men
+giet een half Ned. lood van deze stoffen op een sponsje, en bevestigt
+dit op een stokje, dat in den korf gestoken wordt, of legt het op
+een paar stokjes, om de verdamping vrij te laten, op den bodem der
+Dzierzon'sche woningen. Alle openingen worden daarna zorgvuldig
+gesloten. De ether bedwelmt niet volkomen; de bijen vallen wel
+neder, maar zij blijven zich toch nog eenigzins bewegen; men kan er
+evenwel goed mede omgaan, daar zij buiten staat zijn om te steken. De
+chloroform bedwelmt volkomen, maar is te kostbaar.
+
+Indien men slechts eene gedeeltelijke bedwelming beoogt, om de bijen
+gedwee te maken, en haar steken tegen te gaan, dan kan men eene kleine
+hoeveelheid bovist door den tabak in de rookpijp doen, en den rook er
+van matig over de bijen blazen. Het geheele jaar door kan dit zonder
+gevaar geschieden.
+
+
+
+
+
+DE BIJENSTEEK.
+
+
+Niets staat voorzeker de algemeene beoefening der bijenteelt meer in
+den weg dan de vrees voor den bijensteek. De angel is een geducht
+verdedigingswapen, dat alleen de bijen van het vrouwelijk geslacht
+bezitten, en waarvan zij zich hoofdzakelijk bedienen, tegen haars
+gelijken, wanneer vreemde bijen in hare woning willen dringen, om
+daar rooverij te plegen. Ook gebruiken zij het niet zelden tegen
+den mensch, of tegen dieren, wanneer die op de eene of andere wijze
+haar toorn hebben gaande gemaakt. Men moet daarom, in den omtrek der
+bijenstokken, nooit naar eene bij slaan, of haar door hard wegloopen
+zoeken te ontgaan, want dan zal men in de meeste gevallen den steek
+ontvangen. Wordt men door eene bij boosaardig vervolgd, en blijft
+zij steeds rond het hoofd vliegen, dan is het beste zich langzaam te
+verwijderen, zonder er naar te slaan; in de meeste gevallen zal men
+haar dan ontkomen.
+
+Wanneer men sterk bezweet is, worden de bijen zeer boos, omdat zij
+den zweetreuk niet verdragen kunnen. De reuk van geestrijke vochten,
+van ajuin en van de meeste sterk riekende stoffen, is haar zeer
+hinderlijk. Bij het zien van donkere kleuren, vooral van zwart,
+en op den reuk van haar eigen gift, worden zij zeer toornig. Het is
+daarom raadzaam zich niet te donker te kleeden, wanneer men iets aan
+de stokken moet verrigten, en ook geene kleederen te dragen, waarin
+de bijen reeds menigmaal gestoken hebben, zoodat er zich nog angels
+in bevinden. Ook wordt haar steeklust sterk opgewekt, als zij in hare
+woning verontrust worden.
+
+De bijen steken alleen in den omtrek van hare woning; die in het veld
+honig opzamelen behoeft men nooit te vreezen.
+
+Het is niet zoo zeer de steek zelf, die gevreesd moet worden, dan
+wel de gevolgen, die hij na zich sleept, welke zeer hinderlijk kunnen
+zijn. Het bijengift, dat bij den steek door den angel in de wond komt,
+werkt bij verschillende personen niet met dezelfde hevigheid. De
+eene is vatbaarder dan de andere voor den invloed daarvan; sommigen
+hebben er weinig hinder van, bij anderen daarentegen heeft het hevige
+zwelling ten gevolge, die gepaard gaat met brandende pijn, welke dagen
+kan aanhouden. Langzamerhand gewent men er aan, zoodat iemand, die
+meermalen gestoken is, er bijna geene zwelling of pijn meer van heeft.
+
+Het bijengift is een zuur, dat dezelfde eigenschappen bezit als het
+mierenzuur. Meestal heeft het ontsteking ten gevolge, en het is daarom
+goed het gestoken deel met verkoelende middelen te behandelen. Omslagen
+met koud water zijn het best. Vooraf moet men er evenwel den angel
+uithalen en de wond een weinig overdwars krabben, om er zoo mogelijk
+eenig gift uit te drukken; overlangs moet men nimmer krabben, daar
+dit het dieper zou doen dringen.
+
+De steeklust der bijen is niet altijd even groot. Hij hangt veel af
+van de dragt en het weder. Is er in het veld veel te halen, dan moet
+men vooral zorgen niet te digt voor de stokken te staan, want zoo de
+bijen dan slechts de minste verhindering in hare vlugt ondervonden,
+dan kon men verzekerd zijn door haar gestoken te zullen worden. Bij
+zoel, drukkend weder, zijn zij ook zeer steeklustig. Men moet het
+werken aan de stokken dan vermijden. Is het echter noodzakelijk er
+iets in te verrigten, dan is het beste om dit op het midden van den
+dag te doen; de meeste bijen zijn dan van huis en van die, welke het
+broed verzorgen, heeft men niets te vreezen; deze zijn niet geschikt
+om dadelijk op te vliegen; door het plotseling invallende licht
+worden zij zelfs eenigzins vreesachtig, hetgeen zij toonen door zich
+tusschen de tafels te verbergen. Men moet echter zorgen haar niet te
+drukken, want dan zouden zij uit noodweer steken. De groote storing,
+die de bijen in de korven ondergaan, door dat men deze van hunne
+plaats nemen en omwenden moet, wekt haar toorn niet zelden op. De
+te huis komende bijen, die hare woning niet vinden, vliegen verward
+rond en vallen spoedig haar verstoorder aan, om zich te wreken. Bij
+het gebruik van Dzierzon'sche woningen, heeft men veel minder steken
+te wachten. Opent men de deur, dan vliegen de bijen toch in en uit,
+zonder het als het ware te bemerken, dat hare rust verstoord is;
+de bijen, die zich in het voorste gedeelte der woning bevinden,
+bespeuren er ook weinig of niets van.
+
+Bij het behandelen der bijen neemt men altijd eenige voorzorg. Hoe
+meer en hoe langer men met de bijen heeft omgegaan, hoe beter men
+haar heeft leeren kennen, des te minder denkt men er aan zich tegen
+haar te beveiligen. Men moet evenwel nooit nalaten eene bijenkap op
+te zetten. Eerstbeginnenden kunnen zich ook van handschoenen bedienen,
+welke van dubbel linnen gemaakt worden, en eveneens zijn ingerigt als
+gewone wanten: de vier vingers bijeen, doch de duim afzonderlijk. Zij
+worden zoo wijd en lang gemaakt, dat zij over de mouwen getrokken en
+boven den pols toegebonden kunnen worden. Trekt men nu nog laarzen aan,
+en bindt men de broekspijpen daarover toe, dan kan de meest bevreesde
+zich onder de bijen begeven: het is haar onmogelijk hem te steken.
+
+Men moet de bijen onbevreesd behandelen, zich steeds langzaam
+haastende. Altijd moet men er op bedacht zijn, dat men gestoken zou
+kunnen worden. Anders kon men, een steek ontvangende, verschrikken,
+daardoor een korf of eene tafel met bijen laten vallen, en dus schade
+aanrigten en de bijen in toorn brengen. Gaat men bedachtzaam en bedaard
+te werk, dan blijven de bijen het rustigst, en men zal weinig gevaar
+loopen van gestoken te worden. En een enkele steek heeft dan ook zoo
+bijzonder veel niet te beteekenen; het is geene doodwond.
+
+Het beste middel, om de bijen meer handelbaar te maken, is rook. De
+boosaardigste stok wordt daardoor gedwee. Men begeeft zich dan ook
+nooit naar de stokken, zonder rook te kunnen maken. Eene gewone,
+goudsche pijp is veeltijds voldoende. Zoodra men een korf heeft
+omgekeerd, of eene Dzierzon'sche woning heeft geopend, blaast men
+er eenige rookwolken in, waarop de bijen een bruisend geluid doen
+hooren. Men kan dan met het inblazen van rook ophouden, en dit bruisen
+als een teeken beschouwen, dat de bijen zich hebben onderworpen. Zij
+trekken zich tusschen de tafels terug, en blaast men nu en dan nog
+eenigen rook in de woning, dan zal men weinig last van de bijen hebben.
+
+Is men bevreesd dat de bijen, bij het omkeeren van een korf of het
+openen van eene Dzierzon'sche woning, te woest zullen zijn, hetgeen
+bij volkrijke stokken dikwijls het geval is, dan ligt men den korf een
+weinig op, of opent de deur met eene reet en blaast rook in den stok,
+totdat men de bijen hoort bruisen; dan kan men zijn gang gaan.
+
+Men moet voorzigtig wezen het berooken niet te ver te drijven, want
+het onbedekte broed zou daardoor afsterven.
+
+Wil men geene rookpijp bezigen, dan kan men ook goed droog, vermolmd
+hout gebruiken; wordt dit aangestoken, dan blijft het vuur houden en
+rook geven. Ook kan men eene lont maken van linnen lappen, en daar
+een weinig haar tusschen doen. De rook van haar is voor de bijen
+bijzonder hinderlijk en maakt haar spoedig gedwee. Van hennip of vlas
+kan men ook lonten maken, die gedompeld worden in eene oplossing van
+salpeter in water. Zijn zij goed gedroogd, dan blijven zij branden,
+en de bijen worden door den rook van deze lonten zeer handelbaar. Ook
+heeft deze rook de minst nadeelige gevolgen. Alleen bij Dzierzon'sche
+woningen kan men van de hier opgegeven middelen gebruik maken. Het
+hout of de lont wordt brandend op den bodem gelegd, de rook klimt dan
+van zelf tot de bijen op. Bij korven kan dit niet geschieden, daar zij
+omgewend moeten worden. Men moet daar dus den rook altijd in blazen.
+
+
+
+
+
+HET REIZEN MET DE STOKKEN.
+
+
+Men onderscheidt gewoonlijk tweeërlei wijze om de bijenteelt uit
+te oefenen. De eerste bestaat daarin, dat de bijenstokken altijd op
+denzelfden stand gehouden worden; men noemt haar tuincultuur, omdat men
+den stand dan ook meestal digt bij zijne woning heeft. Wil men echter
+meer voordeel van zijne bijen trekken, hetgeen noodzakelijk is voor
+hem, die in de bijenteelt zijn middel van bestaan zoekt, dan verplaatst
+men de stokken steeds naar streken, waarin eene ruimere weide gevonden
+wordt, dan in zijne woonplaats. Men ontziet daartoe noch verre reizen,
+noch groote kosten, want de moeite en de kosten worden gewoonlijk
+ruim beloond. Zoo trekt de bijenhouder, die in eene streek woont,
+waar boekweit gekweekt wordt, en waar dus slechts eene late weide
+bestaat, naar de plaatsen waar de zaadbloem wordt gevonden. Is het zaad
+uitgebloeid, dan trekt hij weder naar de boekweit, en levert die niets
+meer op, dan zoekt hij de heidebloem. Zoo gaat men in Noord-Braband,
+wanneer het weder er geschikt toe is, gewoonlijk in het midden van
+April, naar Zeeland, waar veel koolzaad wordt verbouwd. Op het zaad
+verzamelen de bijen veel honig en bloemenstof; zij kunnen er dus veel
+voorraad opleggen en veel broed aanzetten. Bij gunstig weder kunnen
+de stokken al vroeg honig- en volkrijk worden. In het laatst van Mei
+of in het begin van Junij geven zij gewoonlijk hunne voorzwermen,
+en soms zelfs reeds eenige nazwermen af.
+
+Om de stokken zonder gevaar te kunnen vervoeren, dient men eenige
+voorzorgen te nemen. Een of twee dagen voor dat men vertrekken wil,
+zet men den korf op den kop, en steekt tusschen elke twee op elkander
+volgende tafels een of twee houten pinnen, welke met de punt in den
+korf worden gedrukt. De dikte der pinnen moet gelijk zijn aan de
+wijdte der straten; zij houden dan de tafels op den vereischten
+afstand; zonder de pinnen konden zij wel eens tegen elkander
+vallen. De korf wordt nu weder op zijne plaats gezet. Naardat
+men veel of weinig stokken te behandelen heeft, begint men in den
+namiddag of tegen den avond, die den nacht, waarin men de reis wil
+aanvangen, voorafgaat, met de vlieggaten der korven digt te maken;
+daarna plaatst men hen op den kop, en legt over de opening van den
+korf een vierkant stuk zoogenaamd bijendoek, waarvan de vier punten,
+elk tusschen twee stukjes leder, met een tweeduims kopspijker, op
+den buitenkant van den korf worden bevestigd. De doek wordt zoo strak
+mogelijk aangehaald, en door de punten een paar malen om te draaijen,
+kan men de kanten van den doek zoo sterk tegen den korf doen sluiten,
+dat er geene enkele bij kan ontsnappen. Nu maakt men een der spijkers
+weder los, en trekt de vrij geworden punt van den doek van den korf,
+zoodat zijne opening maar voor de helft meer gesloten is. De korf
+wordt nu in den stal in eene schuinsche rigting op zijde gelegd,
+door den kop een weinig te ligten; de opening moet vooraan liggen,
+daar waar zich vroeger het vlieggat bevond. De bijen zullen nu wel
+eenigzins verward rondvliegen, maar zich toch al spoedig in den korf
+begeven; daar de warmte daarin aanmerkelijk verminderd is, zullen zij
+zich zoo digt mogelijk tusschen het werk te zamen trekken. Wanneer
+de avond gevallen is, zullen alle bijen in den korf zijn; dan trekt
+men den doek weder over de opening en steekt hem met den spijker vast.
+
+Zijn alle korven aldus gesloten, dan worden zij zoo op een wagen
+op zijde gelegd, dat de tafels regtop staan, dat de lucht in elken
+korf vrij kan binnendringen, en dat men den doek van elken korf met
+eene spuit kan bereiken, om hem te bevochtigen. Dit kan noodig zijn,
+wanneer de bijen, door te sterk tegen den doek te liggen, de toetreding
+der lucht beletten. Een weinig water doet haar dan gedeeltelijk van
+den doek vallen, en het frischt haar tevens op. Gewoonlijk worden er
+30 à 40 korven op een wagen geladen.
+
+Men begint de reis laat in den avond, kiest altijd de beste
+wegen, al moet men daar ook een omweg voor maken, en rijdt zeer
+langzaam. Aanvankelijk worden de bijen door de ongewone beweging
+onrustig, en men moet dan, minstens om de vijf minuten, een weinig stil
+houden, om haar te doen bedaren. Gaandeweg kan men het ophouden wat
+langer uitstellen, totdat men eindelijk geregeld blijft doorrijden,
+dat echter altijd stapvoets gaan moet.
+
+Moet men meer dan een nacht onderweg zijn, dan moeten de korven
+tegen den morgen in een stal of in eene schuur afgeladen worden,
+waar zij zoo donker mogelijk geplaatst, en nu en dan een weinig met
+water bespoten worden. Den volgenden nacht vervolgt men zijne reis.
+
+Wanneer de reis ook voor een gedeelte met een vaartuig moet geschieden,
+dan legt men de korven met den kop tegen den scheepswand, en laat
+den doek ongehinderd, zoodat de lucht vrijen toegang heeft, en men
+langs de korven gaan kan, om zich aanhoudend van den toestand der
+bijen te overtuigen.
+
+Op de plaats van zijne bestemming aangekomen, legt men eene laag stroo
+of planken op den grond, zet de korven daarop, opent de vlieggaten
+en dekt de korven voor den regen met losse pannen. Sommigen nemen
+er maar ééne voor elken korf, doch het is beter er twee of drie te
+nemen. Hebben de korven aldus een dag gestaan, zoodat de bijen de
+vlugt hebben leeren kennen, dan neemt men er de kleedjes af, en trekt
+de pinnen tusschen de tafels weg.
+
+Gewoonlijk blijft men tot het laatst van Junij of het begin van Julij
+op het zaad, en trekt dan naar de boekweit, die omstreeks dezen tijd
+begint te bloeijen. Wie er maar eenigzins gelegenheid toe heeft,
+verzuimt niet de boekweit te bezoeken. Bij gunstige dagen, met een
+half bewolkten hemel en zuiden of westen wind, en vooral kort voor
+het regenen of terwijl het reeds zacht regent, kunnen de bijen er
+ongeloofelijk veel op verzamelen. Het is of het dan honig regent. Een
+volkrijke stok kan op zulk een dag gemakkelijk 5 Ned. pond binnen
+brengen. Bij helder weder honigt de boekweitbloem soms ook sterk, en
+de dragt kan zelfs ruim zijn als het, bij eene geheel betrokken lucht,
+zeer zoel is; de bloem honigt dan wel eens tot laat in den namiddag;
+bij helder, droog weder doet zij dit zelden langer dan tot den middag,
+waarna de bijen haar dan ook weinig meer bevliegen [20].
+
+Als men van het zaad komt, heeft men in den regel het getal van zijne
+stokken verdubbeld. Gewoonlijk zijn dan toch meest alle voorzwermen
+en reeds vele nazwermen afgevlogen. Daar men evenwel eene te sterke
+vermeerdering voor ongunstig houdt, verhindert men het nazwermen
+zooveel mogelijk. Twee kleine voorzwermen voegt men soms bijeen,
+en van de afgevlogen nazwermen vereenigt men er soms drie of vier;
+veeltijds geeft men hen ook aan den moederstok terug.
+
+De terugreis gaat met veel meer moeite gepaard dan de heenreis. Men
+heeft niet alleen een grooter getal stokken te vervoeren, maar de
+moederstokken kunnen ook, wanneer de gelegenheid gunstig geweest is,
+een aanmerkelijk gewigt bekomen hebben. Daarbij komt nog dat het nieuwe
+werk veel zwakker is dan het overjarige, en dat het weder veel warmer
+is geworden. Met de meeste zorg moeten er pinnen tusschen de tafels
+gestoken worden, en de zwermen, welker bouw nog zeer teeder is, dient
+men vooral goed te voorzien. Door het gewigt van het broed en den honig
+kon de bouw toch al zeer ligt instorten. Men moet ook goed zorgen voor
+eene vrije toetreding der lucht, en dikwijls water tegen de kleedjes
+spuiten, daar de bijen anders veel gevaar loopen van te stikken.
+
+Heeft men de plaats van zijne bestemming bereikt, dan handelt men weder
+even als vroeger. Wie in de nabijheid der boekweitvelden woont, plaatst
+de stokken weder op hun gewonen stand, en zoo mogelijk ieder op zijne
+oude plaats. Er zullen nu altijd nog vele nazwermen, en zelfs enkele
+voorzwermen afkomen, zoodat men de stokken nog geregeld moet bewaken.
+
+In de eerste helft van Augustus houdt het bloeijen van de boekweit
+gewoonlijk op, waarna men met de zwermen, en de ligt gebleven
+moederstokken, de heide opzoekt, die tot half September bloeit, en
+soms nog eene ruime dragt kan geven. Vroeger hebben wij reeds gezien
+dat de heidehonig, die op het einde van de dragt wordt ingezameld,
+gewoonlijk onbedekt meet blijven, daar het dan reeds te koud is,
+om was te bereiden. Hij gaat dan tot verzuring over, en kan de bijen
+den loop doen krijgen.
+
+In de streken van Noord-Braband, welke mij bekend zijn, gaat men met
+de stokken, die reeds veel ingezameld hebben, niet naar de heide,
+als de bloeitijd van de boekweit voorbij is. Het vervoer van zulke
+stokken zou nutteloos zijn, daar gebrek aan ruimte hun de verdere
+dragt zou verbieden. Zelfs zouden de spinnewebben, waarmede de heide
+veelal overdekt is, eene menigte bijen doen omkomen. Men brengt
+dan ook gewoonlijk slechts die bijen naar de heide, die men bij den
+honigoogst te veel heeft.
+
+Ik heb getracht in het bovenstaande zoo volledig mogelijk op te geven,
+hoe men in Noord-Braband met zijne korven reist. Zoover mij bekend is,
+zijn er hier te lande geene bijenkweekers, die Dzierzon'sche woningen
+gebruiken. Zij kunnen er dus niet grondig over oordeelen. Enkelen,
+die haar bij mij zagen, beweerden dat zij nooit algemeene navolging
+konden vinden, daar zij naar hun inzien, geheel ongeschikt waren,
+om er mede te trekken. En toch moet ik, en zullen allen met mij,
+die haar goed hebben leeren kennen, haar ook in dit opzigt boven
+strookorven verkiezen. Het is wel waar dat deze woningen eene grootere
+plaats innemen, en dat haar vervoer dus kostbaarder is; maar er zullen
+toch wel twintig enkelvoudige woningen op een wagen geladen kunnen
+worden. De groote transportkosten zijn niet alleen geen overwegend
+bezwaar, maar worden ruim opgewogen door de voordeelen, die zij,
+met de korven vergeleken, aanbieden. Men is vrij wat spoediger en
+gemakkelijker tot de reis gereed. Heeft men geene luchtgaten in
+de deuren laten maken (zie bl. 88), dan maakt men voor elke woning
+een raam, dat in de deuropening past, spijkert hierop vliegengaas
+of bijendoek, en zet het in de plaats van de deur; een plankje,
+waarin zoovele zaagsneden als mogelijk is, gemaakt zijn, zou ook al
+kunnen volstaan.
+
+Niet alle woningen zijn geschikt om er mede te reizen. De zamengestelde
+en de staande woningen leenen er zich minder goed toe. Maar
+met de bijen uit die woningen kan men toch wel andere plaatsen
+bezoeken. Men maakt daartoe, van planken of dunne stroowanden, ligte
+kastjes, waarin men het werk hangt; de bijen, die nog in de woning
+teruggebleven zijn, doet men ook in het kastje. Het is duidelijk dat
+men het werk en de bijen, uit elk vak van eene zamengestelde woning,
+in een afzonderlijk kastje plaatst. De ledige tafels, zoowel als die
+met broed en bloemenstof, hangt men allen in het kastje, doch van de
+honigtafels geeft men er slechts eene, waaraan de bijen voor de reis
+genoeg zullen hebben: de verligting, die de stok hierdoor ondergaat,
+maakt het vervoer veel gemakkelijker. De tafels, die in het kastje
+gehangen zijn, moeten, daar zij aan de kanten geheel los zijn, van
+onderen nog door een paar latjes ondersteund worden. Men moet goed
+toezien dat ook de moederbij in het kastje komt, of dat er ten minste
+in elken stok ongedekt broed voorhanden is, opdat een stok, welke
+zijne moederbij toevallig miste, hulpwiegen zou kunnen aanzetten,
+en daardoor zich zelven redden.
+
+In de leêg gemaakte woningen verzamelen zich altijd nog eenige bijen,
+welke men den volgenden morgen, indien haar getal groot genoeg is,
+bijeenvoegt en in eene woning plaatst, welke met ledige wastafels
+voorzien is, en waarin men ook eene tafel met honig, en eene met
+ongedekt broed hangt. Vond men soms eene teruggeblevene koningin,
+dan plaatst men die in een moederhuisje en geeft haar aan den zwerm,
+dien men nu naar een verwijderden stand brengt; na een paar dagen laat
+men de koningin los. Zijn er te weinig bijen, om er een kunstzwerm
+van te maken, dan versterkt men er een stok mede, dien men dan, na wat
+muscuswater op de bijen gesprenkeld te hebben, naar een verwijderden
+stand brengt.
+
+Bij alle reizen neemt men de honigtafels op eene na uit de woningen,
+en hangt of legt deze in daartoe bestemde kistjes, welke goed digt
+moeten zijn, opdat de honig er niet uit zou vloeijen, al braken er op
+de reis enkele tafels. Het is juist doordat zij de gelegenheid geven,
+om den honig gedurende de reis uit de woning te nemen en dien later,
+zoo noodig, er weder in te hangen, dat Dzierzon's woningen boven alle
+andere zijn aan te bevelen, om met de bijen te reizen. De grootere
+reiskosten worden door dit voordeel ruim vergoed. De bijen loopen
+niet alleen geen gevaar om door het breken van tafels om te komen,
+maar hare woning wordt er ook ruimer en koeler door, hetgeen bij heet
+weder voor de reis hoogst wenschelijk is.
+
+De woningen, die ik op bladz. 91, aan het slot van het hoofdstuk,
+waarin de liggende woningen beschreven worden, opgaf, zijn de
+meest geschikte voor het reizen. Worden deze woningen, als men
+ter bestemder plaatse gekomen is, weder zoo tegen en op elkander
+gezet, als zij vroeger gestaan hebben, en met hetzelfde dak gedekt,
+dan zullen de bijen zich zeer spoedig te huis gevoelen, en op de
+inzameling uitvliegen. De dubbele liggende woning, en die woningen,
+welke tusschen de staande en de liggende in vallen (zie bl. 91,
+bovenaan) zijn ook vatbaar voor verplaatsing.
+
+Wanneer men den stokken lucht gegeven, de vlieggaten gesloten en de
+schuifjes toegebonden heeft, dan neemt men (het best geschiedt dit
+door twee personen), de woningen van hare plaats, zorg dragende
+haar goed regt te houden, en zet haar zoo op den wagen, dat de
+wastafels in dezelfde rigting loopen als de wagenassen, en door het
+schokken niet tegen elkander kunnen vallen of afbreken. Neemt men de
+opgegeven voorzorgen in acht, dan zal men geene ongelukken te vreezen
+hebben. Indien men op de plaats van zijne bestemming gekomen is,
+zet men alle woningen zooveel mogelijk even als zij te huis stonden,
+dekt haar voor den regen, opent de vlieggaten, en zet de gewone
+deuren weder in de woningen, nadat de latten, die tot ondersteuning
+der tafels gediend mogten hebben, er uitgenomen zijn. In korten tijd
+zullen de bijen nu de nieuwe vlugt leeren kennen. Wanneer de eerste
+dagen soms ongunstig voor de inzameling zijn mogten, dan geeft men
+den stokken, welke daar behoefte aan hebben, eene der honigtafels,
+die men tot dat einde op reis medeneemt.
+
+Is men van zijne reis teruggekomen, dan geeft men den stokken, die
+men door den winter brengen wil, zooveel tafels, als men rekent dat
+zij noodig zullen hebben; daarbij moet men liever wat ruim dan te
+karig te werk gaan.
+
+Indien men het reizen met strookorven vergelijkt, met het reizen
+met Dzierzon'sche woningen, dan laat het zich niet betwijfelen,
+of de laatste de overwinning wel zullen behalen. De voordeelen van
+Dzierzon's woningen, ook in dit opzigt, vallen te zeer in het oog,
+om er verder over uit te weiden.
+
+
+
+
+
+DE HONIG- EN WASOOGST.
+
+
+Wanneer de bijenhouders in Noord-Braband, nadat de boekweit uitgebloeid
+is, weder met hunne bijen zijn teruggekeerd, houden zij den honig- en
+wasoogst. Gewoonlijk geschiedt dit in de eerste helft van Augustus. Zij
+gaan daarbij op de volgende wijze te werk.
+
+De zware moederstokken en alle zwermen, die, om goed door den
+winter te kunnen komen, te weinig bouw en voorraad hebben, worden
+ter zijde gezet. De zwermen, hetzij voor- of nazwermen, welker bouw
+en honigvoorraad toereikend is, worden als overstanders uitgekozen,
+en zijn er te weinig voor den stand, dan zoekt men uit de ter
+zijde gezette zwermen er nog zoovele, als men noodig heeft, en
+maakt die, door hun eenige ondersteuning te geven, geschikt voor de
+overwintering. Heeft men nu nog te weinig stokken, om door den winter
+te brengen, dan neemt men er nog moederstokken bij, waaruit men een
+gedeelte van het werk snijdt, indien men meent dat zij dat niet noodig
+hebben. Gewoonlijk behoudt men jaarlijks het zelfde getal stokken, en
+neemt dit, voor een mogelijk verlies in den winter, niet te klein. De
+uitgekozen overstanders worden op de gewone plaats in den stal gezet.
+
+De stokken, welke men ter zijde gezet heeft om uitgebroken te worden,
+laat men nog een paar dagen staan, het is onverschillig waar, opdat de
+bijen er de vlugt zouden leeren kennen. Dan neemt men hen een voor een
+van hunne plaats, en zet daar een ledigen korf, waarin de omvliegende
+bijen zich kunnen verzamelen, en trommelt hen op eenigen afstand van
+den stand uit, zooals dit voor het maken van kunstzwermen (zie bl. 165)
+is opgegeven, doch tracht nu, door wat meer rook aan te brengen,
+er de bijen zooveel mogelijk uit te verwijderen. Indien de grootste
+hoeveelheid bijen naar den bovensten korf is opgeklommen, dan neemt men
+hem weg, en zet hem op de plaats, waar de volle korf heeft gestaan. De
+ledige korf, dien men daar gezet had, opdat de omvliegende bijen er
+zich in zouden verzamelen, wordt weder weggenomen; de bijen, die er
+in mogten zijn, zoeken de haar bekende plaats weder op. Nu tracht
+men, door kloppen en berooken, de bijen, die nog teruggebleven zijn,
+zooveel mogelijk te verwijderen; men buigt daarom ook de tafels een
+weinig van elkander, en strijkt er met eene veêr alle bijen tusschen
+weg. De korf wordt nu, in een besloten lokaal, liefst met een naar
+buiten openslaand venster, op den kop gezet; de nog teruggebleven
+bijen vliegen nu uit den korf naar het venster, en worden, door dit
+van tijd tot tijd even te openen, gemakkelijk verwijderd. Men moet
+het niet open laten, want dan konden andere bijen komen rooven.
+
+Indien alle stokken, die uitgebroken moeten worden, op de aangegeven
+wijze zijn afgetrommeld, dan worden tegen den avond twee, drie, soms
+vier stokken met elkander vereenigd, zoodat de geheele korf soms met
+bijen is aangevuld. Die stokken brengt men dan naar de heide. Zij
+worden zoo volkrijk gemaakt, omdat er op de heide zoo ontzettend
+veel bijen kunnen omkomen. Dikwijls worden zij er nog zeer zwak,
+en men houdt daarom gewoonlijk nog enkele stokken te huis, om hen
+te versterken. Wanneer er ongunstig weder mogt invallen, dan moeten
+deze stokken, omdat zij zonder eenigen voorraad zijn weggebragt,
+ondersteund worden.
+
+Zijn de bijen nu behoorlijk besteld, dan begint de eigenlijke honig-
+en wasoogst. Men trekt daartoe al de kruisstokjes, die dienden om
+den bouw te ondersteunen, uit de korven, snijdt er eenige tafels,
+die den zuiversten honig bevatten, uit, en steekt daarna met eene
+kleine, ijzeren spade al het werk los, onverschillig of dit honig,
+broed of bloemenstof bevat, en werpt het dooreen in eene ton, die
+gewoonlijk 150 Ned. pond kan bevatten. De geledigde korven zet men op
+een paar latten, boven de ton, om uit te druipen; is dat geschied,
+dan worden zij tot den volgenden zomer op zolder gezet, waar zij
+zooveel mogelijk voor muizen en voor onreinheden bewaard worden.
+
+De heide bloeit gewoonlijk tot half September, en zoo het weder gunstig
+is, kunnen de stokken daar soms nog een voldoenden bouw optrekken, en
+van een genoegzamen wintervoorraad voorzien raken. Daar de heidehonig
+echter voor de overwintering minder geschikt is, zoo breekt men hem
+meestal uit, en verdeelt de bijen, die hem verzameld hebben, over
+zijne andere stokken, of doodt haar met zwaveldamp.
+
+Wie niet met zijne bijen naar de heide gaat, hetzij omdat de
+gelegenheid daartoe ontbreekt, of omdat de kans op voordeel te onzeker
+is, trommelt haar niet af, wanneer men haar ten minste niet behoeft,
+om er andere stokken mede te versterken. Men doodt haar dan door
+zwaveldamp. In den grond graaft men een kuil, steekt daarin een paar
+stokjes, waaraan brandend zwavellint bevestigd is, zet er den korf
+boven en sluit den rand met zand of klei, om den zwaveldamp niet te
+doen ontwijken. Nadat de korf een kwartier zoo gestaan heeft, zijn
+meest alle bijen gestikt en uit den korf gevallen; zij worden in den
+grond begraven. De ontvolkte korven worden eveneens behandeld, als
+boven is gezegd. De doode bijen, die nog tusschen de tafels hangen,
+neemt men zooveel mogelijk weg, maar ziet er ook niet op, er eenige,
+met den honig en het werk, in de ton te werpen.
+
+Den ruwen honig, zooals die in de ton verzameld is, verkoopt men aan
+de honigbrekers. Met dezen naam bestempelt men de personen, die den
+honig en het was zuiveren en in den handel brengen. De bijenhouders
+doen dit gewoonlijk niet. Zij zuiveren slechts een weinig van den
+besten honig, en bewaren dien om, zoo noodig, als voedsel te dienen.
+
+Het zuiveren van den honig, die nu nog in vloeibaren toestand in
+de cellen is, geschiedt door de tafels te verbreken, waardoor zij
+in eene dunne pap overgaan, die in een puntig, van witte teenen digt
+gevlochten mandje, dat boven eene kuip geplaatst is, wordt geworpen. De
+honig druipt nagenoeg zuiver in de kuip; de kleine stukjes was,
+die er zich nog onder bevinden, verzamelen zich langzamerhand op de
+oppervlakte. Den volgenden dag neemt men die met een lepel en eene
+pennenveêr weg, en legt hen in het mandje, op het daar teruggebleven
+was. De mede geschepte honig zal nu weder zuiver uit het mandje
+druipen.
+
+De honig, die op deze wijze verkregen is, heet lekhonig. Hij is helder
+doorschijnend, en wit, geel of bruin van kleur. De kleur is afhankelijk
+van de bloemen, waarop hij gewonnen is. De vloeibare honig wordt zeer
+spoedig vast. Het vat, waarin hij is vast geworden, kan omgekeerd
+worden, zonder dat hij daaruit zal vloeijen. De lekhonig is na dien,
+welke in de tafels bewaard is, het beste voor voeder.
+
+Uit het was, dat in het mandje is teruggebleven, kan door middel
+van de honigpers nog eenige honig verkregen worden. De uitgeperste
+koeken worden in water van een gedrukt; dit mengsel wordt eenigen
+tijd geroerd, om den honig goed met het water te vermengen, en dan in
+bovengenoemd mandje geworpen. Het waschwater, dat nu door het mandje
+loopt, wordt opgevangen om er mede of azijn van te maken. Hoe dit
+geschiedt zal later worden opgegeven.
+
+Ik heb de Dzierzon'sche woningen steeds vergeleken met de gewone
+strookorven, en dikwijls waren de voordeelen, die zij aanboden, zeer
+in het oog loopend. Vergelijkt men beide nu weder met betrekking tot
+den honigoogst, en het gereed maken der stokken om in de heide gebragt
+te worden, dan zullen Dzierzon's woningen weder eene schitterende
+overwinning behalen. De ronde vorm der strookorven heeft ten gevolge
+dat de warmte daarin overal bijna dezelfde hoogte bereikt. De moederbij
+heeft daardoor gelegenheid om alle cellen te bezoeken en die, welke zij
+ledig vindt, met eijeren te bezetten. Indien zij zeer vruchtbaar is,
+houdt zij dit den geheelen zomer vol, en een groot gedeelte van de
+nakomelingschap, die zij verwekt, komt veel te laat, zoodat duizende
+bijen, zooals wij boven zagen, voordat zij de cellen verlaten hebben,
+door den honig geworpen worden. Het eenige nut dat zij aanbrengen
+bestaat daarin, dat zij het gewigt vermeerderen; maar de honig wordt er
+dan ook zeer door verontreinigd en tot een walgelijk produkt gemaakt,
+waartoe ook het bloemenstof, dat er eveneens door geworpen wordt, het
+zijne bijdraagt. Ik heb hierover wel eens met bijenhouders gesproken,
+en zij zagen wel in dat eene late broedaanzetting nadeelig was, maar
+zij wisten haar niet tegen te gaan, en in korven is dit ook niet
+mogelijk. Zulk een bijenhouder zeide mij eens, dat het hem het best
+toescheen, om in Julij het werkbijenbroed, even als het hommelbroed,
+zooveel mogelijk te vernietigen. Maar hij begreep niet dat het
+middel erger dan de kwaal was. De sterke volksvermeerdering zou men
+er wel door voorkomen, maar men zou de bijen ook een zeer moeijelijk
+werk geven, want zij moesten nu al de bijna volwassen bijen uit de
+cellen trekken, buiten den korf dragen, en de cellen zuiveren. Dit
+zou haar een geruimen tijd beletten om op de dragt uit te vliegen,
+en zoodra als de cellen weder gezuiverd en hersteld waren, zou de
+moederbij haar weder met eijeren bezetten; de bijen moesten deze weder
+bebroeijen, en de maden van voedsel voorzien, hetgeen weder veel honig
+zou vereischen. Men was dus niets gevorderd, maar had nog het nadeel,
+dat de bijen minder honig indroegen, en meer honig aan broed moesten
+ten koste leggen. Het beste zal dus nog maar wezen om het broeijen
+in de korven vrij te laten.
+
+Doordat de Dzierzon'sche woningen langwerpig vierkant zijn, bereikt de
+warmtegraad niet overal dezelfde hoogte. Het broednest wordt daardoor
+van zelf begrensd, omdat de moederbij niet ligt de koudere gedeelten
+van den stok bezoekt. Mogt zij daartoe, bij zeer warm zomerweder,
+geneigd zijn, dan kan het haar belet worden (zie bladz. 155). Zoodra
+men berekenen kan, dat het aangezette broed te laat zal komen, om
+nog in te zamelen, dan belet men de broedaanzetting geheel, door de
+moederbij in een huisje te sluiten.
+
+Is de dragt van de boekweit geëindigd, dan bepaalt men het aantal
+stokken, dat men inwinteren wil, en ontneemt die den overtolligen honig
+en het meeste broed. Die te weinig honig hebben geeft men, in plaats
+van de weggenomen broedtafels, zoovele honigtafels, dat zij ruim voor
+den winter voorzien zijn. Den stokken, die men wil uitbreken, ontneemt
+men den geheelen voorraad honig en bloemenstof en versterkt hen met de
+broedtafels, die men uit de andere stokken genomen heeft. Daarna geeft
+men hun elk nog eene honigtafel, om tot voedsel te dienen, wanneer er
+soms ongunstig weder inviel. De ruimte, welke nu nog in de woningen
+open is, hangt men vol met ledige wastafels, en brengt de stokken zoo
+naar de heide. Het verlies, dat zij daar dagelijks lijden, wordt door
+het broed, dat dagelijks uitloopt, hersteld, en om hen zoo volkrijk
+mogelijk te houden, geeft men hun van tijd tot tijd de broedtafels,
+die men de overstanders heeft laten behouden. Deze kunnen dan toch
+gewoonlijk niet veel inzamelen, en op zijn hoogst maar zooveel,
+als zij voor hun dagelijksch onderhoud behoeven.
+
+Zal het nog noodig zijn op te merken dat de stokken, die men op deze
+wijze heeft voorbereid, zich het verblijf op de heide vrij wat beter
+ten nutte kunnen maken, dan die in korven daarheen gebragt zijn? Deze
+hebben eene ledige woning en moeten tijd en honig aan den bouw ten
+koste leggen, en daar zij bovendien dagelijks volk verliezen, zoo komen
+zij veeltijds in een treurigen toestand te huis. Gene daarentegen
+zijn van een goeden voorraad broed voorzien, dat het volksverlies
+ruim vergoedt, en bovendien hebben zij een volkomen wasbouw en eenig
+voedsel, om aanvankelijk in hun onderhoud te voorzien. Wilde men
+hun ook het broedaanzetten geheel beletten, dan moest men er bij de
+afreis de moederbijen uit vangen. Zij zouden dan terstond hulpcellen
+aanzetten, en behoefden verder tijd noch honig aan het broed ten koste
+te leggen. Tegen dat de aangekweekte koninginnen de cellen verlaten, is
+gewoonlijk de heide uitgebloeid. Wanneer men deze stokken weder te huis
+gebragt heeft, dan neemt men den geheelen bouw uit, en vangt en doodt
+de moederbijen, welke men meent dat onbevrucht zijn. De bijen geeft
+men dan ter versterking aan de stokken, die te huis zijn gebleven. Men
+versterke echter niet in te groote mate, want overbevolking kan in den
+winter ook nadeelig zijn. De bijen toch, die onder het werk moesten
+hangen, zouden te veel aan de koude blootgesteld, en daarbij te ver van
+den voorraad verwijderd zijn, zoodat de andere bijen haar geen voedsel
+konden toereiken. Zij zouden dus van gebrek en koude omkomen, of wat
+nog erger is, onrust in den stok brengen, en dezen dus geheel kunnen
+doen omkomen. De stokken zullen sterk genoeg bevolkt zijn, wanneer
+de bijen de straten, tusschen vier of vijf tafels, goed bezetten.
+
+Indien men van de heide meer bijen terugbrengt, dan men ter
+versterking noodig heeft, dan kan men daar nog een of meer stokken
+van zamenstellen. Men ontneemt haar evenwel al den heidehonig,
+en geeft er tafels met boekweit- of zaadhonig voor in de plaats. De
+bloemenstoftafels laat men haar behouden. Men heeft uit het voorgaande
+gezien, dat men, bij het gebruik van Dzierzon'sche woningen, volstrekt
+niet genoodzaakt is om de bijen, die zoo ijverig gewerkt hebben,
+meêdoogenloos te dooden. Veeleer zorgt men er voor, dat er niet te
+veel bijen worden aangekweekt, hetgeen den honigoogst nog vergroot.
+
+Bij den honigoogst moet men altijd tafels met boekweit- of zaadhonig
+bewaren, zoowel om er den heidehonig door te vervangen, als om in het
+voorjaar de behoeftige stokken te voêren. Een zorgvuldig bijenhouder
+moet zorgen altijd ledige en met honig gevulde tafels in voorraad te
+hebben. De overtollige bloemenstoftafels bewaart hij ook, of vermengt
+haar met den honig, dien hij tot voedsel in het voorjaar bestemt.
+
+Heeft men door het uitbreken van stokken jonge, bevruchte moederbijen
+bekomen, dan gebruikt men die om de koninginnen, die drie of meer
+jaar oud zijn, in andere stokken te vervangen. De jonge moederbij
+kan voor de zekerheid in een moederhuisje geplaatst worden, dat men
+dan met een wasblaadje sluit. De bijen zullen haar dan in vrijheid
+stellen en aannemen. Nadat men de oude moederbij weggenomen heeft,
+kan men evenwel in den herfst de jonge wel in den stok laten loopen;
+wanneer de bijen hare moederloosheid ontdekt hebben, zijn zij in
+dien tijd van het jaar niet onverdraagzaam: soms laten zij zelfs twee
+moederbijen in den stok toe.
+
+De tafels met honig, welke men uit de woningen genomen heeft,
+snijdt men aan weêrskanten schuins van het staafje weg, zoodat daar
+een scherpe rug, van een halven duim hoog, aangehecht blijft. Deze
+staafjes legt men zoo eenigen tijd op den bodem van eene bevolkte
+woning. De bijen zuigen allen lossen honig op, waarna men hen tot
+een volgend gebruik kan bewaren. De afgesneden honigtafels worden
+eveneens behandeld, als boven werd opgegeven. Men oogst nu niet alleen
+zuiveren honig, bevrijd van broed en bloemenstof, maar men kan zelfs
+alle soorten van honig afzonderlijk houden. De aldus gewonnen honig
+is veel zuiverder van kleur en smaak, dan die uit de korven, en heeft
+daarom ook eene grootere waarde.
+
+
+
+Het was, dat, nadat het met water afgewasschen is, in het mandje is
+teruggebleven, wordt op de volgende wijze gezuiverd. Een ketel, die
+half met water gevuld is, wordt op het vuur geplaatst, en het water
+aan het koken gebragt. Dan werpt men er zooveel was in, als de ketel,
+zonder dat er gevaar voor overkoken bestaat, kan bevatten. Is alles
+goed gesmolten, dan wordt het in den persbak gebragt, die te voren
+in warm water heeft gelegen, zooals dit bij de beschrijving der pers
+is opgegeven. De pers wordt ook vooraf goed nat gemaakt, om het was,
+dat daartegen spat, nadat het koud geworden is, gemakkelijk te kunnen
+verwijderen. Het uitgeperste was wordt opgevangen in een pot met heet
+water, die onder de pers geplaatst is. De uitgeperste koek wordt uit
+den doek genomen, en deze weder gevuld. Men herhaalt dit tot al het
+was geperst is. Denkt men dat er in de koeken nog was is teruggebleven,
+dan kookt en perst men die nogmaals uit.
+
+Het verkregen was moet nu nog verder gezuiverd worden. Ik doe het
+in een ketel met een weinig water, en breng het mengsel, nu en dan
+roerende, aan den kook, waarna ik het door een doek giet. Deze doek
+is op een raam gespannen, dat op een paar stoelen of iets dergelijks
+rust. Er wordt dan een pot met een weinig kokend water onder gezet,
+om het doorgeloopen was op te vangen. De grove onzuiverheden, die op
+den doek terugblijven, worden tot eene volgende waszuivering bewaard,
+en dan op nieuw uitgekookt. Het was, dat in den pot gevloeid is,
+laat men stil staan om te bekoelen; de waskoek zal dan aan de kanten
+geheel los zijn, en kan uit den pot genomen worden, wanneer men zorg
+gedragen heeft er een te nemen, die naar boven wijd uitloopt. De
+meeste onzuiverheden hangen nu onder aan de wasschijf. Zij worden er
+luchtig afgeschrapt, en daar zij volstrekt geen was meer bevatten,
+weggeworpen. De onderste laag van den koek was, die nog veel vuil
+bevat, wordt er met een beitel afgestoken, en het zoo ver gezuiverde
+was nogmaals met water opgekookt en afgeschuimd. Daarna giet men
+het in een pot of schotel, die een weinig heet water bevat, en laat
+het stil staan. Het schuim, dat zich op de oppervlakte verzamelt,
+wordt met eene veêr weggenomen, waarna men den pot of schotel digt
+dekt en laat bekoelen. Dekt men hem niet, dan komen er gewoonlijk
+scheuren in het was. Den volgenden dag neemt men dit uit den vorm,
+en schrapt er het weinige vuil, dat er nog aankleeft, met een mes af,
+waarna het was in den handel gebragt kan worden.
+
+Voor eenige jaren heeft Stockmann, in de Bienen-Zeitung, een ketel
+tot het zuiveren van was aanbevolen, die daartoe zeer geschikt is,
+wanneer de hoeveelheid was, die gezuiverd moet worden, niet te groot
+is. Bij het gereedschap is hij opgenomen, en daar is tevens opgegeven
+hoe hij gebruikt wordt.
+
+
+
+Niet enkel bij den honigoogst bekomt men was. Ook gedurende het
+voorjaar en den zomer verkrijgt men het nu en dan, bij het besnijden
+van stokken, het wegnemen van hommeltafels, enz. De moederwiegen,
+die men aan de stokken ontneemt, moet men, daar zij zeer zwaar van was
+zijn, vooral zorgvuldig bewaren. Zoo men zulke kleine hoeveelheden was
+niet dadelijk wil zuiveren, dan moet men het toch opsmelten, om het
+voor de wasmot te beveiligen. Het wasmul, dat men in het voorjaar op de
+bodems der woningen vindt, moet men, na van de doode bijen gezuiverd te
+zijn, opsmelten en bewaren. De hommeltafels, die men uitgesneden heeft,
+en die gewoonlijk met maden gevuld zijn, worden daarvan bevrijd, door,
+op eenigen afstand van den stal, de deksels van de cellen te snijden,
+en dan met de vlakke tafel zacht op een houtje te kloppen. Meest alle
+maden vallen er nu uit; men laat de tafel daarbij op den grond liggen,
+en al spoedig zullen er vogels op de uitgeworpen maden afkomen, en
+ook haar, die nog in de cellen zitten, daaruit pikken. Den volgenden
+dag keert men de tafel om, opdat de vogels ook aan die zijde de maden
+kunnen wegpikken. Na een paar dagen is het was van maden bevrijd en
+droog, men knijpt het dan tot ballen en smelt het op.
+
+Indien men niet ruim van wastafels voorzien is, dan moet men ook
+de ledige hommeltafels bewaren. Bij rijke dragt kunnen deze zeer
+goed dienen, om in de honigkamer gehangen te worden. De beschimmelde
+tafels moet men niet opsmelten, dan wanneer men zuivere in overvloed
+heeft. Zij kunnen van het schimmel gereinigd worden door haar, nadat
+zij goed droog geworden zijn, af te borstelen, en daarna met water
+te borstelen en af te spoelen. Wanneer zij weder opgedroogd zijn, kan
+men haar gerust gebruiken, de bijen zullen er weinig aan te zuiveren
+hebben. Tafels die lang voor broed gediend hebben, en welke dien ten
+gevolge zwart zijn geworden (zie bl. 48), moet men opsmelten. Het
+was dat men nu gaandeweg bijeenverzameld heeft, wordt op de boven
+aangegeven wijze gezuiverd, wanneer de hoeveelheid groot genoeg is,
+om er de moeite aan te geven.
+
+
+
+Ten slotte wil ik hier nog opgeven, hoe men den honig, die in
+de cellen versuikerd is, zuiveren kan. De tafels worden zoo klein
+mogelijk gemaakt, door de cellen steeds dwars te snijden; dan doet men
+haar in een pot, en stelt dien aan eene langzame warmte bloot. Het
+best is hem in een ketel met water te plaatsen en dezen te vuur te
+zetten. Men onderhoudt het vuur totdat de honig en het was geheel
+vloeibaar zijn geworden, schept hen dan in een grof linnen zak, en
+legt dezen in de pers. Het mengsel van was en honig, dat men nu heeft
+gezuiverd, wordt in een pot opgevangen, dien men in heet water plaatst
+en daarin langzaam laat bekoelen. Het was zal zich dan langzamerhand
+op de oppervlakte verzamelen, en koud geworden, kan het er afgenomen
+worden. De honig, die nog aan den waskoek hangt, wordt er afgespoeld,
+en het waschwater voegt men bij het overige, en maakt er mede of azijn
+van. Men kan het ook op eenigen afstand van den bijenstal plaatsen;
+de bijen zullen het dan ophalen en weder als voorraad opleggen.
+
+Wanneer men er de gelegenheid toe heeft, dan plaatse men de klein
+gesneden tafels op een schotel in een bakoven, nadat het brood daaruit
+genomen is. De oven is dan nog heet genoeg, om den honig en het was
+te doen smelten. Den volgenden dag neemt men den schotel uit den oven,
+en vindt er den honig onderin, en het was als een koek op den honig. De
+aldus verkregen honig is nooit zoo goed als de lekhonig, en men heeft
+veel moeite om hem te zuiveren, waarom men steeds zorgen moet den
+honig van het was te scheiden, als hij daarin nog vloeibaar is.
+
+
+
+
+
+DE BEREIDING VAN MEDE EN AZIJN.
+
+
+De mede maakt men over het algemeen alléén van het honigwater, dat men
+verkregen heeft door het afwasschen van het ruwe was, waar de honig
+reeds uitgeperst was, en door het afspoelen der bij de honigzuivering
+gebruikte gereedschappen. Zelden wordt er mede van reeds gezuiverden
+honig gemaakt.
+
+Het bijeenverzamelde honigwater wordt, onder gestadig afschuimen,
+ingekookt, totdat het zooveel verdikt is, dat een ei daarop drijft;
+dit behoeft maar even met de punt buiten de vloeistof te komen. Dan
+laat men het vocht bekoelen, totdat het laauwwarm geworden is,
+en giet het dan in een vat, dat er geheel mede gevuld moet zijn,
+opdat de onreinheden, die gedurende de gisting naar boven gevoerd
+worden, uit het bomgat zouden kunnen vloeijen; het vat moet daarom
+voortdurend vol gehouden en het bomgat open gelaten worden. Om
+de gisting spoedig te doen intreden, is het goed wat brandersgist
+door het zoete water te mengen; 2 1/2 Ned. lood gist, op elke 10
+kan der vloeistof, is voldoende. Het vat moet matig warm liggen,
+het best is eene temperatuur van 55° à 60° F. Na zes à acht weken
+[21] tapt men het heldere vocht op een ander vat over. Den bezonken
+droes laat men door filtreer-papier loopen, en voegt het verkregen,
+heldere vocht bij het overige. De gisting blijft nu voortgaan, en
+opdat het daarbij gevormde koolzuurgas zou kunnen ontwijken, wordt
+het bomgat slechts los gesloten. Dit vat moet ook voortdurend vol
+gehouden worden; het best is daartoe voorjarige mede te nemen.
+
+Heeft de mede nu aldus een jaar gelegen, dan tapt men haar weder op een
+schoon vat over, en filtreert den droes, zoodat er alleen heldere mede
+in het vat komt. Is het vat geheel gevuld, dan wordt het goed gesloten,
+en na zes weken zal de mede volkomen helder geworden zijn; zij kan
+dan op flesschen getapt worden, die goed gekurkt moeten worden. Men
+kan haar jaren op flesschen bewaren; zij zal voortdurend krachtiger
+en aangenamer van smaak worden.
+
+
+
+Wil men er azijn van bereiden, dan moet het honigwater ook wel even
+opgekookt en afgeschuimd worden, maar het behoeft niet zoover verdampt
+te worden, als wanneer het voor mede dienen moet. Het laauwwarme
+vocht doet men in een vat, voegt er gist bij, en legt het vat, met
+het bomgat open, op eene warme plaats; het best is het op zolder,
+digt onder de pannen te leggen.
+
+Wanneer de wijngisting heeft opgehouden, dan werpt men een stukje
+zuurdeeg in het vocht, om de azijngisting spoedig te doen intreden. Is
+deze geëindigd, hetgeen men daaraan bespeurt, dat het vocht helder
+wordt en zuur smaakt, dan legt men het vat nog eenige weken in den
+kelder, en tapt het eindelijk op een schoon vat of op flesschen over.
+
+
+
+
+
+BESLUIT.
+
+
+In het voorgaande heb ik de bijenteelt, voor zoover ik dit noodig
+oordeelde, theoretisch en practisch behandeld, en zoowel de woningen
+als de noodzakelijkste gereedschappen, die hare beoefening vereischt,
+beschreven. Dit werk zou dus als voltooid te beschouwen zijn. Ik
+heb mij evenwel voorgesteld nog eenige bladzijden te wijden, aan
+eene beknopte zamenvatting van verschillende werkzaamheden, zooals
+die elkander in den loop van het jaar opvolgen. Voor hen, die nog
+vreemdelingen in de bijenteelt zijn, zal dit niet onwelkom zijn. Zij
+vinden hier dan een leiddraad, dien zij terstond kunnen volgen,
+terwijl zij anders, zoolang zij niet genoegzaam met den inhoud van het
+handboek bekend waren, aanhoudend zwarigheden zouden ontmoeten, die
+hun een tegenzin in het bijenkweeken zouden doen krijgen. Om niet in
+noodelooze herhalingen te vervallen, zal ik dikwerf verwijzen naar het
+vroeger behandelde, hetgeen men dan desverkiezende zal kunnen nalezen.
+
+Daar waar ik spreek van onderwerpen, waaraan vroeger een afzonderlijk
+hoofdstuk gewijd is, zal men goed doen dat eens na te slaan, al ware
+het dat ik er niet naar verwees.
+
+
+
+November.
+
+Over het algemeen is het weder in November van dien aard, dat men
+rekenen kan dat de wintertoestand der bijen in die maand begint. Zij
+trekken zich meer en meer te zamen, en blijven in volkomen rust,
+zoodat men niet het minste geruis hoort. Veeltijds komen er echter
+nog enkele dagen, waarop de bijen in de middaguren voorspelen en zich
+reinigen kunnen. Zulk een voorspel is zeer nuttig, daar zij het dan
+in het voorjaar, wanneer zij opgesloten zijn, zooveel langer in de
+woning kunnen uithouden. Indien men op zulk een dag enkele stokken
+ziet voorspelen, terwijl andere er mede dralen, dan is het goed er
+ook deze toe op te wekken, door tegen de woning te kloppen, den adem
+in het vlieggat te blazen, of hun wat verdunden, laauwwarmen honig te
+geven. Hebben de bijen nog laat gevallen honigdauw in hare woningen
+gedragen, dan is eene late uitvlugt vooral wenschelijk.
+
+Het is nu te laat om stokken, welke te weinig voorraad hebben, nog met
+vloeibaren honig te voêren. Zij kunnen hem niet meer verzegelen. Met
+verzegelden en verdikten honig of met kandij, kan men hen nu, en des
+noods den geheelen winter voêren; dit moet echter zoo geschieden, dat
+er geene onrust in den stok komt. Wie zijne bijen 's winters binnen
+brengt, overhaaste zich daarmede niet. Het kan soms in het begin van
+deze maand sneeuwen en vriezen, terwijl er later nog schoone en warme
+dagen volgen, waarop men haar kan laten voorspelen.
+
+
+
+December.
+
+Wie zijne bijen nog niet voor den winter bezorgd heeft, moet dit nu
+doen. De bijen hebben toch nu aan uitvliegen geene behoefte meer,
+en op de nuttelooze togten zouden er vele omkomen. Moeten de stokken
+op den zomerstand blijven staan, dan moet men hen ook daar zooveel
+mogelijk voor koude beschermen, door de tusschenruimten tusschen
+de woningen, welker wanden te dun zijn, met hooi aan te vullen;
+verder moet de toegang voor vogels, muizen, wind, sneeuw en vooral
+voor de zonnestralen afgesloten worden. Plaatst men zijne bijen in
+een besloten vertrek, dat niet eens volkomen vorstvrij behoeft te
+zijn, dan voldoet men in eens aan de hoofdvoorwaarden, aan eene goede
+overwintering verbonden. Als men er een lokaal voor laat maken, dan
+zal men de kosten daarvan spoedig gewonnen hebben, doordat er minder
+bijen verloren gaan en het honigverbruik kleiner is. Weet men dat zijne
+bijen een voldoenden voorraad hebben, en dat zij tegen de ongemakken
+van den winter beschermd zijn, dan kan men hem gerust afwachten;
+hetzij het weder streng koud of ruw, bestendig of veranderlijk is,
+de bijen zullen er geen hinder van hebben.
+
+
+
+Januarij.
+
+De strenge koude, die gewoonlijk in Januarij invalt, doet de bijen
+in een zwakken levenstoestand overgaan. Zij hebben evenwel geen
+winterslaap, zooals vele andere insecten, die daardoor ongevoelig
+voor koude worden. Zij moeten eene bestendige warmte, van minstens 55°
+F. kunnen onderhouden en behoeven daartoe aanhoudend voedsel. Zoodra
+de zon weder hooger begint te staan, hervatten zij haar werk en zetten
+broed aan, somtijds als het zoo vroeg geschiedt, tot schade van de
+bijenhouders; want er wordt voorraad verbruikt, die later met meer
+voordeel kon worden aangewend. Hebben zij thans reeds broed, dan
+wordt de invallende koude des te gevaarlijker. Door het broed zijn
+zij aan eene bepaalde plaats gebonden; zij verlaten het niet gaarne,
+en loopen gevaar van honger om te komen, als de honig, die zich boven
+het broednest bevindt, verteerd is. Hoewel de algemeene regel is, om
+de bijen nu zoo weinig mogelijk te verontrusten, zoo kan het toch zeer
+noodzakelijk zijn, wanneer men kan vermoeden dat zij reeds veel broed
+hebben aangezet, om de leeg geworden wastafels tegen hare zitplaats,
+door met honig gevulde te vervangen.
+
+Middelmatige stokken, die een genoegzamen voorraad boven,
+of onmiddellijk naast hunne zitplaats hebben, komen den winter
+gewoonlijk goed door, en ontwikkelen zich later zeer gunstig. Zeer
+sterke stokken kunnen er wel eens door lijden, wanneer bij strenge
+winters de voorraad, in de nabijheid van het broednest, verbruikt
+is. Zij moeten dan toch verder opklimmen, waarbij gewoonlijk vele
+bijen terugblijven en omkomen.
+
+Indien men gebrek aan gevulde honigtafels heeft, dan kan men, ook
+in het midden van den winter, het voedsel boven in de woning geven,
+door tegen een der zijwanden (bij zamengestelde woningen tegen
+den tusschenwand) eene reet te maken, door welke de bijen uit alle
+straten, in de ruimte boven de staafjes komen kunnen. Tegen deze reet
+legt men nu het voedsel. Neemt men verboterden honig, dan wikkelt men
+dien in een papier, maakt daarin eene opening, tegenover de reet, en
+drukt het daar vast tegen aan. Het voedsel moet goed bedekt en alle
+openingen digt gestopt worden, om de koude te weren. Om de genoemde
+reet in tijd van nood te kunnen maken, legt men bij de inwintering,
+op de staafjes tegen den wand een latje, van een duim breed, en sluit
+verder alles met dekplankjes. Neemt men nu later dat latje weg, dan
+is de reet gemaakt. Al voêrt men niet, dan is zulk eene reet toch
+goed, want de bijen kunnen daardoor van de eene straat in de andere
+komen. Van boven moet alles zoo gesloten worden, dat de reet alleen een
+doorgang vormt, zonder dat de bijen boven de dekplankjes kunnen komen.
+
+
+
+Februarij.
+
+De dagen worden in Februarij reeds langer en de zon krijgt meer
+kracht. In den bijenstok begint zich nu eene vernieuwde werkzaamheid
+te ontwikkelen; zelfs bij strenge koude zetten sterke stokken nu broed
+aan. Men spore hen daartoe echter niet aan, door onnoodig voêren of
+door hen aan het zonlicht bloot te stellen, want de broedaanzetting
+is nog niet wenschelijk (zie bl. 150). Wil men de stokken goed
+overwinteren, dan houdt men hen zoo lang mogelijk in rust, en tracht
+het broeijen tegen te gaan. Acht men het noodig dat de bijen eene
+reinigings-uitvlugt houden, dan kan men haar, bij eene warme lucht,
+nu reeds laten vliegen, al ligt de grond nog met sneeuw bedekt, zoo
+boomen en struiken daar maar van bevrijd zijn. Bij sterken zonneschijn
+kunnen de bijen ook wel van de sneeuw opvliegen, wanneer zij maar met
+eene vaste korst bedekt is. Men kan, zoo eene uitvlugt hoog noodig
+is, de sneeuw voor den stand ook met matten of stroo bedekken. Is
+de uitvlugt niet dringend noodzakelijk, dan late men de bijen niet
+uit. Hebben zij eens gevlogen, dan willen zij het meer doen.
+
+Indien men een stok eene nieuwe standplaats geven wil, dan moet dit
+geschieden voor dat hij gevlogen heeft; bij het eerste voorspel zullen
+de bijen ook de nieuwe standplaats leeren kennen; slechts weinigen
+zullen vervliegen. Zonder noodzakelijkheid moet men hem evenwel niet
+verplaatsen. Wil men stokken aankoopen, dan moet men toezien dat zij
+reeds gevlogen hebben, want gedurende het transport zouden de bijen het
+vuil niet bij zich kunnen houden, maar elkander en het werk bevuilen,
+en daardoor den loop kunnen krijgen. Na zich gereinigd te hebben,
+kunnen zij ook langer opgesloten blijven.
+
+
+
+Maart.
+
+In Maart heeft men gewoonlijk eenige schoone, warme dagen, waarop
+de stokken kunnen voorspelen en zich reinigen, wanneer dit in de
+vorige maand nog niet geschied is. Men moet er nu vooral op letten,
+of zich onder de stokken geene moederlooze bevinden, hetgeen men het
+gemakkelijkst zien kan aan de onrust, die de bijen bij hare eerste
+uitvlugt toonen (zie bl. 187). Men kan den stok thans geene bevruchte
+moederbij bezorgen, en moet hem dus met den nevenstok vereenigen
+(zie bl. 191). Terwijl de bijen hare eerste uitvlugt houden, zuivert
+men hare woning van de dooden en de onreinheden, die zich op den
+bodem bevinden (zie bl. 148). Houdt de warmte nu eenige dagen aan,
+dan beginnen zelfs zwakke stokken broed aan te zetten; men kan dit
+niet meer tegengaan, maar moet het ook niet bevorderen, door met
+verdunden honig te voêren. Men kan gerust als regel aannemen, om ook
+in Maart zijne stokken nog met rust te laten.
+
+
+
+April.
+
+Er zijn sommige streken, waar de bijen in April reeds gelegenheid
+vinden, om van vroeg bloeijende boomen en struiken bloemenstof, ja
+zelfs eenigen honig in te zamelen. Vooral daar, waar de wilgenboom,
+de waterwilg, de kruisbes, enz. gekweekt worden, is dit het geval. Bij
+gunstig weder moet men nu de beschimmelde punten van den wasbouw
+wegnemen. Men doe dit echter niet te vroeg, en late het zuivere
+werk zooveel mogelijk staan (zie bl. 212). Moet men ledige tafels
+hebben voor andere woningen, dan is men tot eene grootere inkorting
+van den bouw genoodzaakt, maar legt dan eene ledige wastafel tegen
+het verkorte werk, opdat het broed beschut zij voor de indringende,
+koude lucht. Voor het broed is nu veel honig noodig; men moet dus
+zijne stokken, vooral bij invallend koud en nat weder, goed gadeslaan,
+of zij ook voedsel behoeven.
+
+Ontdekt men nu uitgeworpen broed, dan moet men zich haasten met voedsel
+te geven. Het kon evenwel ook een gevolg van gebrek aan water zijn. Men
+doet daarom wel, zoo men bij koud, regenachtig weder, en ook bij felle
+droogte, een weinig water in eene ledige wastafel giet, en deze onder
+in de woning plaatst. De zwakke stokken moet men versterken, door er
+van tijd tot tijd eene tafel met broed, dat op het uitloopen staat,
+in te hangen: men ontneemt die aan sterke stokken. Heeft men twee
+bijenstanden, dan doet men nog beter met den zwakken stokken van den
+eenen stand bijen uit de sterke stokken van den anderen stand toe te
+voegen. De bijen moeten dan met muskuswater besprenkeld worden. Men
+neemt er de bijen voor, die op de deur en de voorste wastafels zitten,
+schudt haar of strijkt haar met eene veêr in een transportkastje, of
+in een ledigen korf, dien men met een kleed dekt, en brengt haar aldus
+naar den anderen stand. Om van eene goede opname der vreemde bijen
+verzekerd te zijn, geeft men den stok verdunden honig. Wanneer men
+een stok aldus versterkt, moet men zich vooraf wel verzekerd hebben,
+dat hij eene gezonde, vruchtbare koningin bezit.
+
+
+
+Mei.
+
+De maand Mei zou men de vreugdemaand van de bijenkweekers kunnen
+noemen. Alle zorg voor het onderhoud is nu gewoonlijk geweken, de
+vlijt der stokken wordt aanhoudend grooter, en hunne bevolking neemt
+dagelijks toe. In streken, met vroege weide, kan men in het laatst
+van deze maand de stokken reeds op den hoogsten trap van ontwikkeling
+zien. Ongelukkig bestaan er ook streken, waar met het einde van den
+boombloei, alle dragt ophoudt, tot dat de dragt op de boekweit begint,
+zoodat men zijne bijen nu nog moet voêren. In deze streken valt nu
+nog aan geen zwermen te denken. Door dat er in zoo langen tijd geene
+dragt is, welk gemis door voêren niet natuurlijk wordt aangevuld,
+worden de bijen moedeloos, en moeten door vernieuwde dragt tot het
+zwermen opgewekt worden. Men doet dan beter de zwermen kunstmatig af
+te drijven, en het voeder aan de afleggers te besteden. Zoodra men
+hommelbroed in de stokken ziet, en de bijen nacht en dag voorliggen,
+kan men er mede beginnen. Men weet dan dat er rijkdom aan volk bestaat,
+en dat er hommels zijn zullen, om de koninginnen te bevruchten. Heeft
+men stokken, die veel hommelbroed hebben aangezet, dan is het goed hen
+zoo vroeg mogelijk af te drijven. Men krijgt er binnen eenige dagen
+jonge moederbijen of moederwiegen door, die voor andere afleggers
+kunnen dienen, en het aanzetten van hommelbroed heeft een einde. Oude
+moederbijen hebben alleen in het voorjaar waarde, omdat zij vroeg
+duizende werkbijen kunnen verwekken. De jonge moederbijen moeten zoo
+vroeg mogelijk aangekweekt worden, want kunnen zij nog eene dragt
+van twee maanden bijwonen, dan kunnen zij den stok nog volkrijk doen
+worden, en voor een volgend jaar heeft deze dan veel meer waarde,
+dan een stok met eene oude moederbij, welker vruchtbaarheid reeds
+begint af te nemen. Men moet goed opletten of de jonge koninginnen
+van de bevruchtings-uitvlugt terugkeeren. Bemerkt men, door de onrust
+van den stok, dat zij verloren is gegaan, dan moet men hem met eene
+moederbij of eene moederwieg te hulp komen. Wil men een aflegger,
+met eene jonge moederbij, bijen ter versterking geven, dan moet dit
+zeer voorzigtig geschieden, want nam men die bijen uit een stok met
+eene bevruchte moederbij, dan zouden zij de onbevruchte dadelijk
+afsteken. Men versterke daarom bij voorkeur met broedtafels. Het
+weder is nu gewoonlijk reeds zoo warm, dat het broed ook zal uitkomen,
+wanneer het niet geheel bezet kan worden. Het versterken behoeft ook
+niet in eens te geschieden; men kan het geleidelijk doen, door van
+tijd tot tijd eene tafel met broed in te hangen.
+
+
+
+Junij.
+
+Hoewel er in gunstige streken reeds vroeger zwermen afvliegen, en
+afleggers gemaakt kunnen worden, zoo komen toch de meeste zwermen in de
+maand Junij, die men daarom de zwermmaand noemt. In streken, met eene
+late hoofdweide, komen toch op het laatst ook eenige zwermen, zoodat
+hetgeen over het maken van afleggers in de vorige maand gezegd werd,
+nu ruime toepassing vindt. In het begin van deze maand leveren zulke
+streken de dragt op de witte klaver, de koornbloem en het mosterdzaad,
+en tegen het einde ontsluit de lindeboom zijne honigrijke bloemkelken,
+terwijl zich dan ook reeds enkele vroege boekweitbloemen openen. Daar
+waar de zaadbloem voorkomt, levert zij in het begin van deze maand nog
+eene goede dragt, en ook de doornstruik en de paardenboonen beginnen
+er te bloeijen. Met het uitbloeijen der lindeboomen heeft daar nu
+echter ook bijna alle dragt opgehouden: alleen de witte klaver kan,
+als het weder niet te droog is, nog eenig voedsel geven, en bij zeer
+gunstig weder kan er zelfs nog eenigen voorraad op verzameld worden.
+
+Deze en de volgende maand geven den bijenhouder de meeste
+bezigheden. Van 's morgens negen tot 's namiddags drie ure, en soms
+nog later, moet hij zijne stokken bewaken, opdat er geene zwermen
+ongemerkt afvliegen en dus verloren gaan. De ledige woningen moet
+hij in gereedheid brengen, om er de zwermen in te plaatsen, en de
+gereedschappen, om hen op te vangen, moeten voor de hand liggen. Op
+een grooten stand kan de drukte met gunstige dagen zeer groot zijn;
+want terwijl men zich met den eenen zwerm bezighoudt, vliegen er soms
+weder andere af. Wil men de vrijwillige zwermen niet afwachten, dan
+maakt men afleggers. Vooral is het goed die stokken wat spoedig af te
+drijven, waarvan de bouw of de moederbij te oud is. Is dan na drie
+weken al het broed uitgeloopen, dan kan men den ouden bouw geheel
+of gedeeltelijk wegnemen en door den stok zelven doen vernieuwen,
+hetgeen hij even goed doet als een zwerm, dien men in eene ledige
+woning plaatst.
+
+Begint er nu bij ruime dragt gebrek aan ruimte te komen, dan opent
+men de honigkamer. Hierdoor wordt de ijver der bijen aanzienlijk
+vermeerderd; kan men er slechts stukken van wastafels in hangen,
+zij worden met spoed volbouwd en met honig gevuld. Later in den
+zomer hebben de bijen minder lust om te bouwen, en bepalen zich
+meer uitsluitend tot de inzameling. Het is nu het moeijelijkst
+om de wastafels voor de wasmot te bewaren (zie bl. 208); het best
+geschiedt dit door de bijen zelve, waarom men haar hangt in het ledig
+gedeelte der woningen, die met zwermen bezet zijn. De spoorbijen,
+die vooral ledige woningen, en bij voorkeur die, waarin eenig werk
+hangt, bezoeken, zullen dit niet alleen voor wasmot beveiligen, maar
+zoo noodig het ook daarvan zuiveren. Het is daarom goed de tafels,
+die men in voorraad heeft, te bergen in woningen, die door spoorbijen
+bezocht worden. Soms zullen de afvliegende zwermen hun intrek dadelijk
+in zulk eene woning nemen, waartoe men hen kan lokken, door haar
+van tijd tot tijd met melisse te wrijven.--Hoe later in het jaar men
+een zwerm opzet, hoe volkrijker hij zijn moet om zijn voorraad op te
+halen. Bij late zwermen is het vooral van belang, dat men hun een bouw
+kan toevoegen, die zoo volledig mogelijk is, daar zij den tijd niet
+meer hebben om dien zamen te stellen en een bouw, waarin nog maar eens
+broed is geweest, ook voor den winter te koud is. Indien men gebrek
+aan wastafels had, dan kon men zich die verschaffen, door den bouw
+van den moederstok, drie weken nadat de oude moederbij is afgevlogen,
+dus voor dat de jonge met de eijerlage is begonnen, [22] te besnijden
+of geheel uit te snijden. De bouw wordt dan nog gemakkelijk vernieuwd,
+en het oude was kan den laten zwermen goede diensten bewijzen.
+
+Ik spreek hier natuurlijk van strookorven, want uit Dzierzon's
+woningen neemt men de geheele tafel met het staafje weg. Indien men
+genoodzaakt is ook de geheel zwart geworden tafels te gebruiken,
+dan moet men die niet in het broednest, maar op zijde hangen, waar
+zij gemakkelijk door andere vervangen kunnen woorden. Bevatten de
+uitgesneden tafels veel honig en bloemenstof, dan moet men die een
+nacht in een sterken stok leggen; de bijen maken haar dan op de snede
+droog en ledig; is zij dat niet, dan kan zij niet aan het staafje
+gehecht worden. Is de weide niet overvloedig, en het weder ongunstig,
+dan moet men de zwermen sterk voêren. Het was bouwen gaat bij een
+zwerm in het begin het snelst; naarmate er meer bijen verloren gaan
+en de bouw meer uitgebreid wordt, vertraagt het, en wordt eindelijk
+geheel gestaakt. Nu loopen er vooreerst geene bijen uit, en daar het
+bouwen niet hervat kan worden, voordat er eene menigte bijen geboren
+zijn, hetgeen bij late zwermen meest altijd eerst heeft plaats gehad,
+wanneer de weide geëindigd of ten minste schraal geworden is, zoo is
+het van veel belang de zwermen vroeg met broedtafels en voedsel te
+ondersteunen; het voedsel moet verdund zijn, om hen tot bouwen aan te
+sporen.--Men moet aan late zwermen slechts een kleinen bouw geven,
+daar het beter is dat een zwerm enkele volbouwde tafels heeft, dan
+eene menigte gedeelten van tafels. In het eerste geval kan men in den
+herfst den bouw gemakkelijk warm maken, door hem tafels toe te voegen,
+terwijl een korte bouw altijd koud blijft.
+
+
+
+Julij.
+
+In de meeste streken van ons land beslist de maand Julij of het jaar
+voor den bijenhouder gunstig, middelmatig of slecht zijn zal. Zij is
+de oogstmaand. De hoofddragt op de boekweit begint nu en duurt tot in
+het begin van Augustus. Wat voor Junij gezegd is omtrent de zwermen,
+is ook nu geheel toepasselijk. Op de honigrijke boekweit kunnen zij
+zeer zwaar worden, wanneer het weder gunstig is. De eerste zwermen
+geven dan soms maagdezwermen (zie bl. 69). De stokken moeten nu uit
+zich zelven de broedaanzetting beperken, en zich meer bepaald op
+de honiginzameling toeleggen. Zij doen dit echter veeltijds niet,
+vooral als er, bij vochtig, warm weder, van tijd tot tijd warme
+regen valt; zij breiden dan het broednest nog meer uit en zetten
+hommelbroed aan. Slaat het weder om, dan blijven de tafels, die met
+broed bezet geweest zijn, ledig en de stok gaat den winter honigarm
+te gemoet. Dit moet de bijenkweeker trachten te voorkomen, en zijne
+werkzaamheden moeten zich naar de weêrsgesteldheid wijzigen. Is het
+weder droog, zoodat de bijen veel kunnen inzamelen, dan moet hij
+zorgen dat er ruimte is, om te bouwen en honig op te leggen. Hij
+opent de honigkamer, neemt de gevulde tafels weg en hangt er ledige
+voor in de plaats: bij aanhoudende dragt kan dit soms bij herhaling
+geschieden. De vlijt der bijen wordt hierdoor levendig gehouden,
+terwijl zij merkelijk verflaauwt, als zij in het bezit van een ruimen
+voorraad zijn. Wordt er veel ingezameld, dan wordt de broedaanzetting
+van zelve beperkt, daar de ledig komende cellen terstond met honig
+bezet worden. Bij eene warme, vochtige lucht en minder ruime dragt,
+kan daarentegen de broedaanzetting overmatig sterk zijn; men moet
+het broednest dan beperken tot vier of vijf tafels, daartegen dan
+gevulde honigtafels hangen en tegen deze het verkleinplankje zetten
+(zie bl. 89 en 92). De gaten daarin worden slechts zoover geopend, dat
+er eene werkbij door kan. Bij staande woningen, die met zwermen bezet
+zijn, kan men onder het werk een plat liggend plankje schuiven, opdat
+de tafels niet te laag afgebouwd zouden worden; want het is beter dat
+de zwermen eene kleine ruimte volbouwen en zooveel mogelijk met honig
+vullen, dan dat zij lange tafels bouwen, die tegen den herfst ledig
+zijn, daar de honig voor den wasbouw en het broed gebruikt is. Wil
+men het broedaanzetten geheel tegengaan, dan zet men de koningin
+in een moederhuisje. Is zij reeds oud, dan kan men haar wegnemen,
+in welk geval de stok eene jonge zal aankweeken. Het is nu de tijd
+om in alle stokken, met oude moederbijen, voor de aankweeking van
+jonge te zorgen, wanneer men er ten minste geene in voorraad heeft,
+om die in den herfst in de stokken te plaatsen; want tegen het einde
+van deze maand begint de hommelslagt reeds.
+
+Op een bezetten stand, kunnen ligt enkele stokken zijn, welke, nadat
+zij een zwerm gegeven hebben, hunne jonge koningin verloren hebben,
+of waarin zij onbevrucht is teruggekeerd of eenig gebrek heeft. Kan
+men den bouw niet uitnemen, dan moet men er daarom, zes weken nadat de
+oude moederbij met den zwerm is afgegaan, op letten of er jonge bijen
+voorspelen, en of de stokken de hommels uitdrijven. Stokken, waarin
+de jonge moederbij bevrucht is, doen dit vroeger dan die, welke eene
+oude koningin hebben. Den moederloozen stokken geeft men zoo spoedig
+mogelijk eene bevruchte moederbij, en doet dit ook met die, waarin
+de koningin eenig gebrek heeft, na er deze uit gevangen te hebben.
+
+Heeft men jonge, zwakke zwermen, welke men toch gaarne zou
+overwinteren, dan moeten zij daar thans toe voorbereid worden, door
+hun broed- en honigtafels uit andere stokken toe te voegen. Dit mag
+niet te lang uitgesteld worden, omdat het geschieden moet, terwijl
+er nog eenige dragt is. De bijen kunnen dan het bijgegeven werk met
+hetgeen zij reeds bezaten in gelijkheid brengen, de tusschenruimten
+aanvullen, den honigvoorraad boven het broednest brengen en alles
+behoorlijk bevestigen. Men mag de broed- en honigtafels niet aan
+andere stokken ontnemen, wanneer zij er niet bepaald overvloed van
+hebben. In plaats van die te verzwakken, is het dan beter de zwakke
+zwermen later te vereenigen.
+
+
+
+Augustus.
+
+In de meeste streken van ons land eindigt de weide in Augustus. Van
+de weinige bloemen, welke de natuur nog aanbiedt, halen de bijen,
+bij gunstig weder, misschien zooveel, als zij voor haar dagelijksch
+onderhoud behoeven, en verzamelen ook nog eenig bloemenstof; veeltijds
+moeten zij echter den voorraad reeds aanspreken. Waar de boekweit
+nog bloeit, kan bij gunstig weder nog veel worden opgelegd. Deze late
+boekweit vindt men echter alleen op de veengronden in Vriesland. Maar
+men vindt in vele streken van ons land heide, en deze bloeit van
+half Augustus tot half September. Over het in de heide brengen van
+de bijen leze men bl. 228 en 232.
+
+Is de hommelslagt in de vorige maand nog niet begonnen, dan gebeurt
+dit zeker nu, en anders gaan de bijen er mede voort. Men moet hier wel
+op letten. Stokken, die in het midden van deze maand de hommels nog
+niet verdrijven, kunnen van moederloosheid verdacht worden, en die,
+waarin er op het laatst der maand nog veel gezien worden, zijn zeker
+moederloos. Men moet hun eene bevruchte moederbij geven, of hen met
+andere stokken vereenigen. Bij het eindigen der weide zijn de bijen
+zeer tot rooven geneigd, en men moet er dan inzonderheid op letten,
+haar daartoe geene aanleiding te geven (zie bl. 179). Het ontnemen van
+overtollige honigtafels, en het voêren van stokken, doe men alleen
+in de avondschemering, bij koel weder, en in het algemeen vermijde
+men alles, waardoor honigreuk op den stand verspreid kan worden. Hoe
+minder dragt er is en hoe meer stokken er bij elkander staan, des te
+waakzamer moet men zijn.
+
+
+
+September.
+
+Is de heide uitgebloeid, dan is de dragt geëindigd, tenzij er nog
+eenige honigdauw viel. Alle togten, die de bijen nu doen, zijn
+nadeelig; er komen meer bijen om, dan er worden aangekweekt, en de
+weinige honig, dien zij nog inzamelen, blijft ongedekt en kan haar
+in den winter den loop doen krijgen.
+
+Tegen het einde van deze maand, is gewoonlijk bijna al het broed
+uitgeloopen; met de bijen en het broed uit die stokken, welke men
+niet wil overwinteren, kan men dan de andere versterken. Den honig
+en het was kan men uitbreken of voor een volgend jaar bewaren. Om
+te overwinteren, neemt men geene stokken, die zwak of van te weinig
+voorraad voorzien zijn. De zoodanigen vereenige men liever, want één
+goede stok is beter, dan drie zwakke. Om de overwintering waard te
+zijn, moet een stok ten minste 10 Ned. pond bedekten honig bezitten, en
+een bouw hebben, die twee derden van de woning vult, terwijl het volk
+ten minste vier of vijf tafels moet bezetten. Hoe slechter het jaar
+geweest is, hoe sterker men moet vereenigen, opdat de overgehoudene
+genoegzamen voorraad zouden bezitten.
+
+De stokken, die in het midden van September nog hommels dulden,
+zijn zeker moederloos.
+
+
+
+October.
+
+Zoo men de zwakke stokken, die men niet zoo als zij zijn in den winter
+kan brengen, nog niet vereenigd heeft, dan moet dit nu geschieden. Het
+broed is nu zeker uitgeloopen, en wegens het koele weder heeft men nu
+minder nood van rooven, terwijl ook de wasmot het ledige werk minder
+zal aantasten.
+
+Alleen op het warmst van den dag spelen de stokken voor, en even
+als in het voorjaar is veel uitvliegen schadelijk. Men moet hen
+ook niet verontrusten, door hen aanhoudend te voêren. Kan men hun
+het ontbrekende niet in eens in verzegelde honigtafels geven, dan
+geve men het voedsel toch in groote giften, en tegen den avond,
+als de vlugt heeft opgehouden. Is de zomer zoo tegengevallen, dat
+men de stokken veel moet voêren, dan is het goed hun minstens voor
+een gedeelte kandij te geven. Door in den herfst veel dun voedsel te
+geven, maakt men de overwintering duur en onzeker; de bijen zitten er
+te koud door, en kunnen er ligt den loop door krijgen.--Hoe men het
+voedsel aan de bijen geeft, is vroeger opgegeven (zie bl. 159 e. v.).
+
+Hoewel men nu, door voedsel toe te reiken, in staat is om de stokken
+door den winter te brengen, zoo is het aan te raden dit alleen dan te
+doen, wanneer men, ten gevolge van een ongunstigen zomer, geene goede
+overstanders heeft, want het is kostbaar, werkzaam en onzeker. In
+het voorjaar kan men lang met het voêren moeten aanhouden, en in de
+meeste gevallen heeft men veel last van zulke stokken.
+
+Nu de bijen het vlieggat niet geregeld meer bezetten, trachten de
+wespen wel eens in de woning te dringen. Soms vinden vele bijen den
+dood, wanneer zij de indringers willen verdrijven, omdat deze het
+in sterkte van haar winnen. Men moet de wespen zien te vangen door
+flesschen, die half met honig- of suikerwater gevuld zijn, op den
+stand te plaatsen, en hare nesten zooveel mogelijk verwoesten.
+
+De muizen wagen zich nu ook al wel eens in de woningen. Men moet
+daarom de vlieggaten verkleinen, of er spijkers in steken, om haar
+het indringen te beletten. Bij het verkleinen der vlieggaten zorge
+men er echter voor, dat de doorgang voor de bijen vrij blijft.
+
+
+ EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Men kan het aantal bijen, in een zwerm vereenigd, begrooten, door
+eerst de ledige woning te wegen en deze met den zwerm, nadat hij er in
+tot rust gekomen is, nogmaals te wegen, waardoor men, het gewigt der
+bijen kennende, ook haar aantal ten naastenbij kan bepalen, daar 100
+bijen gewoonlijk 1 Ned. lood wegen. Regtstreeks kan men haar tellen,
+dat echter zeer omslagtig is, door haar te bedwelmen, waarover later
+gesproken zal worden.
+
+[2] Sommige bijen in Italië en wel die uit de omstreken van Genua,
+want zij zijn er niet algemeen, zijn van de gewone bijen niet
+onderscheiden dan door de kleur. Beide soorten vereenigen zich
+vreedzaam tot een gezelschap, nemen wederkeerig was-, honig- en
+broedtafels, ook broedcellen en zelfs moederbijen aan, doch blijven,
+gedurende haar geheele leven, naauwkeurig van elkander onderscheiden;
+want de beide eerste ringen van het achterlijf, welke bij onze gewone
+bijen, even als de overige, eene zwartbruine kleur hebben, zijn bij
+de Italiaansche bijen roodgeel of oranje en, tegen de zon gezien,
+bijna doorschijnend. Zij mogen met den tijd hare haren verliezen,
+deze kleur blijft stand houden, ja schijnt er nog duidelijker door
+te worden. Dit verschil in kleur doet de mogelijkheid ontstaan om
+verschillende waarnemingen te doen.
+
+[3] Men moet deze koningin dan elk voorjaar, wanneer de stok daartoe in
+staat of zoogenaamd zwermgeregt is, met den zwerm kunstmatig afdrijven
+en haar in eene woning, die reeds met werk voorzien is, als voorzwerm
+plaatsen. Deze kunstzwerm moet dan telkens, minstens een half uur van
+den ouden stok geplaatst worden, daar anders de meeste bijen weder
+naar hare oude bekende plaats zouden terugvliegen,--of men moet hem
+op de plaats van den moederstok stellen.
+
+[4] Wanneer ik lengtemaat opgeef, bedoel ik de Rhijnlandsche,
+waarbij, zooals men weet, de voet in 12 duimen en de duim in 12 lijnen
+verdeeld wordt. Ik heb aan deze maat de voorkeur gegeven, omdat de
+bijenhouder steeds het hulpmiddel bij de hand heeft, om zich die maat
+te verschaffen; want 5 werkbijencellen of 4 hommelcellen zijn juist
+een Rhijnlandschen duim lang.
+
+[5] Biblia Naturae, Sive Historia Insectorum, Ao. 1737 in
+fol. uitgegeven, met eene Nederd. vertaling.--Swammerdam was reeds
+in 1680 overleden; deze uitgave werd door Boerhave bezorgd.
+
+[6] Histoire naturelle des insectes, 6 v. Paris 1734-1742.
+
+[7] Zie hierover bladz. 11.
+
+[8] Zie hiervan een sprekend voorbeeld op bladz. 15.
+
+[9] Het is altijd goed eenige ledige strookorven beschikbaar te
+hebben, daar deze zich voor de hier opgegeven en verscheidene andere
+handelwijzen beter laten gebruiken dan de nieuwe woningen.
+
+[10] Het muskuswater bereidt men door twee grein muskus op te lossen
+in een maatje brandewijn en hiervan een eetlepel te vermengen met
+een flesch regenwater.
+
+[11] Hier te lande gebruikt men de gewone strookorven met slechts
+ééne toegankelijke plaats, namelijk de onderzijde, zoodat men
+slechts onder in dezelve iets kan verrigten, waarvoor men dan nog
+genoodzaakt is die om te keeren. Bij het voêren is dit lastig en
+veelal ondoelmatig. Vroeger gebruikte ik hen ook zoo, maar sedert ik
+met de Duitsche bijencultuur bekend ben geworden, maak ik boven in
+den kop van den korf een rond gat, van drie duim middellijn. Wanneer
+ik over het voêren spreek, zal men zien hoeveel nut en gemak men van
+deze tweede opening kan hebben.
+
+[12] Dat men de bijen, bij het betrekken van eene nieuwe woning,
+wastafels of gedeelten daarvan toevoegen kan, is voorzeker een
+der belangrijkste voordeelen van Dzierzon's woningen. Al kan men
+maar een zeer kleinen bouw voor haar in gereedheid brengen, zoo is
+daardoor een zwerm, dien men hem toevoegt, toch een anderen, dien
+men in een ledigen korf plaatst, verre vooruit. In dien korf kunnen
+de bijen den medegevoerden honig niet afleggen, en de koningin moet
+de eijeren laten vallen. De bijen begeven zich naar den top van
+den korf en hangen zich daar in een digten tros aan; veler arbeid
+blijft nutteloos, omdat zij geene plaats kunnen vinden om te bouwen;
+zij moeten dan de uitgezweete wasblaadjes laten vallen: den volgenden
+dag vindt men de onderplank daarmede bedekt. Haar werk dan beziende,
+ontdekt men slechts een of twee kleine stukjes wastafel. Een zwerm,
+die in eene Dzierzon'sche woning met een begonnen bouw is geplaatst,
+zal in dien zelfden tijd den bouw reeds op verscheidene plaatsen
+vergroot, honig en bloemenstof ingedragen en ook broed aangezet hebben.
+
+Waartoe Dzierzon's woningen ons al in staat stellen, kan het volgende
+nog leeren:
+
+Ik liet eens een korf vallen, waardoor de geheele bouw in elkander
+stortte. Aan herstel was niet te denken, daar het in den nazomer
+was. Ik had echter gelegenheid dadelijk eene Dzierzon'sche woning
+met wastafels vol te hangen, waarvan er reeds eenige, met honig waren
+gevuld. De bijen verzamelde ik zooveel mogelijk en had het geluk de
+koningin onbeschadigd te vinden. Na haar in de woning geplaatst te
+hebben, liet ik er de bijen inloopen, en spoedig trokken zij zich
+tusschen de tafels te zamen. De stok kwam even goed door den winter,
+als of er niets mede voorgevallen was.
+
+[13] Van de koningin sprekende zegt men veelal, in plaats van
+moederbij, kortaf moeder. Dat deze uitdrukking onjuist is, vooral
+wanneer men van eene moederbij spreekt, die nog geen moeder zijn
+kan, zal geen betoog behoeven. Ik heb daarom getracht haar nimmer te
+bezigen. Mogt zij eene enkele maal gevonden worden, dan verzoek ik
+dat te verschoonen. Het woord moederhuisje, dat ook onnaauwkeurig is,
+meende ik echter te moeten behouden. Koninginnehuisje wordt nooit
+gezegd, en dit woord is niet zeer welluidend. Aan moederbijhuisje
+zal wel niemand de voorkeur geven.
+
+[14] In de familie der honigdragers, waartoe de honigbijen behooren,
+draagt een geslacht den naam van hommels. Men moet deze niet verwarren
+met de mannetjes der honigbijen, die ook hommels heeten en die in
+Noord-Braband meerels en in Gelderland darren genoemd worden.
+
+[15] Dit stroo moet oud en reeds gebruikt zijn, opdat de muizen er
+niet in zoeken naar teruggebleven graankorrels, hetgeen de bijen
+zou verontrusten.
+
+[16] Men moet altijd bruine kandij nemen. De witte en de gele zijn
+te hard en te moeijelijk oplosbaar.
+
+[17] Frans Huber toonde aan dat ook jonger broed daartoe de
+geschiktheid bezit. Dzierzon bewees dat het er voor dienen kan,
+zoolang het nog onbedekt is, en geen ander voedsel dan de voederpap
+heeft genoten; (de bijen voêren de maden der werkbijen en der hommels,
+kort voor de sluiting der cel, ook met honig en bloemenstof). Leuckart
+verklaarde het verschijnsel door te wijzen op den invloed, dien eene
+ruimere en krachtigere voeding op de ontwikkeling der geslachtsdeelen
+uitoefent; (zie Bienenzeitung, 1855, No. 17 en 18).
+
+[18] Op bl. 120 is een kastje beschreven, waarin men een zwerm
+drijven kan; hier vindt men hoe met een los plankje de zwerm uit de
+woning genomen kan worden. Men kan naar verkiezing het een of het
+ander gebruiken.
+
+[19] Indien men geen nazwerm wenscht te krijgen, dan moet men den
+bouw, na het afdrijven van den zwerm, uitnemen, en zoo er moederwiegen
+aangelegd zijn, deze tot op ééne na verwijderen. Zijn zij nog niet
+aanwezig, dan moet men na 10 dagen den bouw weder uitnemen, en dan
+de intusschen aangezette hulpcellen tot op ééne na wegnemen.
+
+[20] Wanneer de boekweitbloem bij eene betrokken lucht sterk honigt,
+ziet men soms de bijen bij duizenden als verlamd nedervallen. De
+koude is hiervan de oorzaak niet, want het gebeurt soms terwijl
+de thermometer nog 65° F. aanwijst, en als de bijen andere bloemen
+bevliegen, dan neemt men dit verschijnsel nooit waar. De nedergevallen
+bijen kunnen zich niet opheffen. Zij verzamelen zich op den grond
+tot hoopjes, en komen weder bij wanneer de zon, den zelfden of den
+volgenden dag doorbreekt en haar verwarmt. Verloopt er meer tijd,
+voordat zij door de zon beschenen worden, dan komen allen om. Door
+haar te verzamelen en te verwarmen, kan men er velen behouden, doch
+doordat zij zoo verspreid liggen is het moeijelijk haar te vinden. Niet
+alle jaren vertoont zich het bovengenoemde verschijnsel. Ik heb het
+tweemaal gezien.
+
+[21] De tijd, die tot de gisting vereischt wordt, is afhankelijk van de
+temperatuur en van de grootte van het vat. Men maakt de mede evenwel
+zelden met groote hoeveelheden. De tijd, dien ik hier opgeef, geldt
+voor een vat van bijna veertig kan (een anker) bij eene gemiddelde
+warmte van 55° à 60° F.
+
+[22] In enkele gevallen, en wel als de moederstok geene nazwermen
+geeft, kan de jonge moederbij binnen drie weken bevrucht worden en
+eijeren leggen.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Handboek voor Bijenhouders, by J. Dirks
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HANDBOEK VOOR BIJENHOUDERS ***
+
+***** This file should be named 34590-8.txt or 34590-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/4/5/9/34590/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.