diff options
Diffstat (limited to 'old/33308-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/33308-8.txt | 7411 |
1 files changed, 7411 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/33308-8.txt b/old/33308-8.txt new file mode 100644 index 0000000..75fcfaa --- /dev/null +++ b/old/33308-8.txt @@ -0,0 +1,7411 @@ +The Project Gutenberg EBook of Fortuna, by Alexander Kielland + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Fortuna + Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif") + +Author: Alexander Kielland + +Translator: Margaretha Meijboom + +Release Date: July 31, 2010 [EBook #33308] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK FORTUNA *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Wereld Bibliotheek + Onder leiding van L. Simons + + + Alexander Kjelland + + + + FORTUNA + + Een roman uit het Noorsch + (Voortzetting van "Vergif") + + + + Vertaald door + Marg. Meyboom + + + Uitgegeven door de + Maatschappij voor + Goede en Goedkoope + Lectuur--Amsterdam + + + + + + + + + +I. + + +Abraham Lövdahl was student geworden. + +Hij was negentien jaar oud, knap van uiterlijk, gezond en vroolijk; +goed gekleed en goed van geld voorzien. Het leven sprong voor hem +open als de deuren van een balzaal en hij stormde het binnen met +groote oogen. + +Nog lag er over het studentenleven de laatste wegstervende glans +van een schoonen, zorgeloozen tijd; nog kon men spreken van idealen, +zonder dat allen lachten; en als de president met zijn heldere stem, +'t mooie blonde hoofd in den nek, liefelijke woorden door de zaal deed +ruischen, dan voelden de jongelieden als 't ware machtige wiekslagen +over zich heen gaan;--de borst zwol en 't was als werd hun lichaam +lichter, alsof ze zouden kunnen vliegen. + +Abraham Lövdahl had ook zijn vleugels voelen groeien. De plotselinge +overgang van 't grauwe schoolleven in dwang en eentonigheid tot deze +gulden vrijheid onder enkel vreemden--die bedwelmde hem als wijn. + +Al de glans, waarin de studententijd voor hem straalde in zijn +moeilijke schooluren, was nu over zijn eigen leven neergedaald. En +'t was hem alsof zijn voeten de aarde niet raakten, hij zweefde met +een vriend in elken arm hoog daarboven in een lichtstroom van mooie +woorden, van geestdrift en aandoening. + +Tot hij geplukt werd. + +Want rondom, in de maatschappij en in de restauraties--altijd op +dezelfde vaste plaatsen--zat een groep begaafde menschen, die leefden +van het plukken van jongelieden. Ze namen hun niet hun geld af; +maar de glanzende veeren, die de besten onder hen droegen. + +'t Waren hoog ontwikkelde geesten, die alles kenden en bijna alles +hadden doorgemaakt; daar was niets in den hemel of op de aarde, wat zij +niet in een grap omzetten; en toen Abraham een jaar lang de eer genoten +had zijn vaste plaats bij hen te hebben, was ook hij in staat om alles +te lachen, zelfbewust, zonder belangstelling, geblaseerd--geplukt. + +Hij ging toen over tot de conversatie, maakte daar opgang, en was +spoedig verloofd met de dochter van den advokaat Meinhardt. + +Dat kwam zoo van zelf, omdat Mevrouw Meinhardt het graag wilde en +Abraham was in de wolken van geluk. + +Zijn meisje was zeker ook wel gelukkig. Maar Clara was zwak. 't Was +tegen 't eind van den winter, dat hun verloving beklonken werd en ze +had zóóveel gedanst, dat ze volkomen uitgeput was. + +Clara Meinhardt was de schoonheid van de familie; de drie andere +zusters waren ook mooi, maar Clara--zij was een schoonheid, dat zei +Mama ook. + +Abraham Lövdahl was de beste partij op dat oogenblik, hoewel hij wel +heel jong was. Maar Mevrouw Meinhardt vond, dat 't aardig was als de +heeren jong trouwden. Later werden ze waarlijk al te nonchalant. + +De studie in de medicijnen was geen vak voor hem; dat duurde veel +te lang. + +Maar Abraham was al begonnen. En 't was altijd zijn plan geweest die +wetenschap te kiezen, waarin zijn vader zoo'n grooten naam verworven +had,--ja, hij droomde er zelfs van 't werk van zijn vader voort te +zetten en zich als specialiteit aan de oogheelkunde te wijden. + +Professor Lövdahl had ook altijd gemeend, dat het van zelf sprak, +dat zijn zoon dokter zou worden. + +Maar wat hielp dat alles nu, als Mevrouw Meinhardt het niet wilde. + +Abraham streed eerst half in gekheid, later in vollen ernst met de +heele familie Meinhardt; maar hij verloor het en gaf zich over, +toen Clara op een goeden dag in tranen badende zeide, dat ze 't +nu wel begreep; hij wilde het tot een breuk laten komen door zijn +halsstarrigheid. + +Daar kon hij niet tegen. En zoo werd het dan in "de rechten." De +professor was meer bereid de verandering goed te keuren, dan men +verwachtte. Eigenlijk had hij er niets tegen, dat de opvoeding van +zijn zoon in de richting van het juridische ging, nu hij zich door de +nieuwe fabriek meer van de wetenschap af en tot het praktische leven +aangetrokken voelde. Maar voor Abraham zelf werd die verandering van +studie een inleiding tot en een oefening in het buigen van zijn wil +en toch gelukkig zijn. Want Clara beloonde hem en Mevrouw Meinhardt +vergaf hem. + +'t Voornaamste was immers gelukkig te leven in een tevreden omgeving; +hij gaf een geliefd levensplan op,--dat was een offer; maar daar zou +hij voor beloond worden. 't Was geen principe, dat hij opgaf;--want +in dat geval zou hij nooit hebben toegegeven--nooit! Thuis, in de +groote woning van zijn vader ging 't leven zoo stil en vreedzaam +voort, juist zooals Abraham het graag had; sterke gemoedsbewegingen +herinnerde hij zich alleen uit den tijd, toen zijn moeder leefde. + +Hij herinnerde zich haar zoo goed, trek voor trek en vooral die +wonderlijke diepe oogen; maar in die herinneringen mengden zich +anderen aan veel pijnlijke oogenblikken, als hij vol schuldgevoel +voor die niet te ontwijken oogen gestaan had, die altijd hetzelfde +van hem verlangden: waar en oprecht te zijn. + +Er was veel in hem, waarin die eisch weerklank vond; maar het leven +had hem geen aanleiding gegeven een slag te slaan voor zijn innige +overtuiging; en veel onaangename kleinigheden hadden gemaakt, dat +'t hem bijna pijnlijk was aan zijn moeder te denken, die hij toch +zoo innig had liefgehad en zoo vroeg verloren. + +Zijn jonge ziel nam veel nieuwe gedachten en ideeën in zich op, die +heelemaal niet pasten in het salon van de familie Meinhardt--niet +eens recht bij Professor Lövdahl. Zijn godsdienstige en politieke +opvattingen veranderden snel, want hij had een sterke neiging tot +kritiek en tegenstand. Maar zijn positie was noodlottig! Waar moest +hij heen met alles wat in hem gistte? Bij de menschen op wier liefde +hij prijs stelde zou dat maar onnoodige tweespalt en misverstand +geven. Waarom zou hij verspelen wat hij liefhad, zonder eenig nut? En +zoo ging hij het verste van al zijn kameraden, en zijn wilde paradoxen +schitterden in de tabaksrook, als de vrienden bijeen zaten te drinken, +tot ze welsprekend werden en zich in toekomstdroomen verloren. + +Abraham Lövdahl deed zijn juridisch examen in korten tijd--gelokt +door zijn verlangen naar 't bezit van zijn geliefde en aangezet door +de lichte grijze oogen van Mevrouw Meinhardt. + +Na een kort verblijf thuis--hij was zoo ongeduldig, dat hij zich geen +tijd gaf voor een reis in het buitenland--vierde hij in Christiania +zijn bruiloft met Mejuffrouw Clara Meinhardt. + +De jonggehuwden deden ook geen reis in het buitenland; want Mevrouw +Meinhardt vond, dat het veel gezelliger was al dat geld te gebruiken +voor een zomer buiten met de heele familie. De jongelui zouden +afzonderlijk op een boerderij in de buurt logeeren, dan waren ze toch +waarempel even vrij als in Zwitserland. + +Maar Abraham verlangde met ongeduld naar zijn eigen huis, om van al +die Meinhardts af te komen en ook om zijn vrouwtje te toonen hoe mooi +alles in hun eigen kamers was ingericht. + +Ze zouden de bovenverdieping van Professor Lövdahls groot ruim huis +bewonen. De hooge, deftige, ouderwetsche kamers, en suite, stonden +op den zomeravond, toen het jonge paar thuis kwam vol bloemen, maar +ze lagen halfdonker in 't laatste roode licht van de avondzon. + +De tweede verdieping van het groote huis lag zoo hoog, dat men het +uitzicht had over de lage huizen aan 't strand; en het fjord lag daar +als een glanzende spiegel en droeg de kleine eilanden en de gladde uit +het water opstekende rotsen, terwijl 't land in een dalende lijn al +lager en lager weggleed in den horizont, die samenviel met de open zee. + +Abraham had zijn huis lief en zijn borst zwol, toen hij zijn vrouw +naar het open raam van hun eetkamer bracht. + +"Is 't hier niet heerlijk, Clara?" + +"Waar?--wat bedoel je?" + +"'t Uitzicht,--de zee--'t licht--" + +"Maar lieve hemel!--hier is immers geen enkele boom." + +"Ach--jij domme Oostlander," antwoordde hij vroolijk en draaide haar +rond, zoodat ze de kamer inzag, "is 't hier dan niet mooi, hè?" + +"'t Is hier bijna donker." + +"Ik zal 't licht aansteken." + +"O neen--dat hoeft niet; dat heeft geen haast." + +Maar hij stak gauw hier een kandelaber en daar een lamp aan, zoodat +er een soort ongelijkmatig licht in de kamers viel; en nu trok hij +haar meê om haar het allerbeste te laten zien: haar eigen boudoirtje. + +"Hier kan 't zeker wel aardig zijn overdag," zei ze en voelde de +portière tusschen de vingers. + +"Komt hier zon?" + +"Den heelen langen dag," antwoordde Abraham blij. + +"O foei!--dan moeten we overal hoezen over maken. We kunnen onze +beste meubelen toch niet door de zon laten bederven." + +"Och kom!--die tijd, die zorg. Ze moeten maar tegen een beetje zon +kunnen," zei Abraham; "maar zie nu eens hier. Dit is nog 't mooiste van +alles--'t naaitafeltje van mijn moeder. Dat is jaren geleden hierheen +gekomen uit Japan met een van de schippers van Grootvader Knorr." + +"Dat kan men wel zien." + +"Wat bedoel je?--Clara!" + +"Maar lieve hemel!--Kijk nu eens, al dat goud en die gekke figuren; +'t is heelemaal niet smaakvol." + +"Neen hoor eens! nu heb je 't toch waarachtig mis, Clara! Kijk eens +naar den jager hier op den deksel, met de valk op de hand en die +ingelegde figuren van goud!--'t Is een prachtstuk--moet je weten--dat +naar het oordeel van kenners een eerste plaats in een museum verdient." + +"Ja, maar ik wil geen museum hebben." + +"Maar je moet toch kunnen begrijpen..." + +"Ja, ik kan me zoo best begrijpen, dat jij verrukt bent over dat +oude meubel, omdat het van je moeder was, waar je immers zooveel +van hieldt. Maar je moet toch toegeven, dat je zooiets nu niet meer +gebruikt." + +Hij antwoordde niet, maar sloot het tafeltje. + +"Neen--weet je wat het mooiste is wat ik hier in huis gezien +heb?"--vroeg Clara, terwijl ze voor den spiegel stond en haar haren +in orde bracht. + +"Jij zelf waarschijnlijk." + +"Hê, wat ben jij onaardig?"--er kwam dadelijk een strammen trek om +haar mond. + +"Neen, neen," riep hij lachend; "dat kwam me maar zoo op de lippen, +toen ik je in den spiegel zag, want jij bent wezenlijk het mooiste en +liefste wat er in 't heele huis is"--en met veel dergelijke woorden +en kussen werd ze eindelijk tevreden gesteld en ging voort: + +"Het mooiste, wat ik tot nu toe gezien heb is werkelijk je vader." + +"Ja, niet waar!" riep Abraham verheugd. "Is dat niet een indrukwekkende +figuur?" + +"Hij heeft werkelijk iets gedistingueerds. Hij is een man, die men +zelfs in de stad opmerken zou." + +"Ja, dat wil ik zoowaar wel gelooven," zei Abraham en glimlachte +wat uit de hoogte. Zij dacht dadelijk, dat hij aan haar kleinen +uitgedroogden vader dacht, en voegde er bij: + +"Jij lijkt zeker 't meest op je moeder, Abraham." + +"Moet dat een kleine... steek verbeelden?" + +"Een steek?--maar mijn hemel, hoe kom je er bij?--je moeder, waar je +immers zoo veel van hieldt!" + +"Ja zeker--'t klonk alleen maar zoo wonderlijk, nadat je pas Vader +zoo sterk geprezen hadt." + +"Hoor eens Abraham, je ben werkelijk irriteerend met je achterdocht--" + +"Ik achterdochtig!--maar lieve kind, hoe kun je nu beweren..." + +"Ja, dat ben je; je ben vreeselijk achterdochtig, je meent altijd, +dat achter de onschuldigste woorden..." + +"Gekheid! laat ons nu niet onzen intocht in huis houden met onzin +en misverstand; komm Clärchen, zu Bett!"--en hij sloeg vroolijk den +arm om haar middel en droeg haar half naar de slaapkamer; maar ze +spartelde tegen en wilde niet op zijn scherts ingaan. + +Maar toen zij in de flauw verlichte kleedkamer en later in de +slaapkamer kwam, werd ze zachter gestemd. + +Daar waren zooveel zaken, die in de eenvoudige slaapkamer van de +meisjes Meinhardt nooit waren voorgekomen; en daar was een weelde en +een smaak in de inrichting van het geheel, die een sterken indruk op +haar maakte. Zij kuste haar man en zeide: "Naar zoo'n slaapkamer heb +ik altijd verlangd." + +In verrukking ging hij heen om de kaarsen en lampen uit te doen +en te zien of alles in huis in orde was en de vensters gesloten +waren. Eindelijk kwam hij in 't kamertje van zijn vrouw en bleef voor +het Japansche naaitafeltje staan. + +Van zijn vroegste kindsheid af was hij gewend geweest vreemden bij +dit prachtstuk te zien stilstaan, zoodat hij er toe gekomen was +het voor een van de mooiste en merkwaardigste dingen in de wereld +te houden. Hij kende iedere veer van den bonten valk en de scheeve +oogen in het gele gezicht van den jager. En terwijl hij daar stond, +mompelde hij: ""dat oude meubel!"--zei ze. Dat meent ze niet. Ze +meende er niets kwaads meê." + + + + + + +II. + + +De directeur van de bank, Christensen, naderde het slot van zijn +toespraak; hij wisselde een blik met Professor Lövdahl, terwijl hij +zich van zijn presidentsplaats vooroverboog naar zijn medebestuursleden +en zijn stem dempte tot een vertrouwelijken, familiaren toon. + +"Maar hoewel in dit alles nu geenszins een direct gevaar ligt voor de +toekomst van de fabriek, moeten we toch nauwkeurig acht geven op alle +omstandigheden, die schadelijk of voordeelig kunnen werken en over +'t geheel, naar ons beste vermogen trachten de belangen van onze +medeaandeelhouders te behartigen. En daar nu de prijzen van velen +van onze voornaamste produkten ontegenzeggelijk neiging tot dalen +vertoonen, moeten we naar mijn overtuiging al onze aandacht richten +op het verminderen van onze exploitatiekosten. + +Dat kan op twee manieren gebeuren, òf doordat we tijdelijk enkele +takken van ons bedrijf neerleggen en vrij wat arbeiders ontslaan òf +door alle uitgaven voor administratie en loonen zooveel mogelijk in +te korten." + +"Ik voor mij zou zeer weinig geneigd zijn met een beperking van ons +bedrijf mee te gaan," antwoordde Professor Lövdahl, "evenzeer ter +wille van onze brave arbeiders, als om een andere reden en wel deze: +dat ik de bezwaren van onzen geachten president in het geheel niet +deel. Ik wil gaarne toegeven, dat de aanleg zelf wat kostbaar was, +dat verscheiden uitgaven, die in 't eerst noodig waren, nog moeten +blijven bestaan, en meer dergelijke zaken. Maar ik twijfel er geen +oogenblik aan, of Fortuna, wanneer de zaak met kennis van zaken en +verstandige zuinigheid bestuurd wordt, zal blijken, zooal niet een +goudmijn--dan toch een goede zaak voor de aandeelhouders te zijn, +zooals ze nu al een zegen voor de stad is." + +Nu was de afspraak, dat consul With op dit oogenblik een vrij +groote verlaging van 't honorarium van den chef--Mordtmann--zou +voorstellen. Maar voor hij aan het woord komen kon, stond de jonge chef +op; hij was uitdrukkelijk voor deze bestuursvergadering uitgenoodigd. + +"Mijne Heeren," begon Michal Mordtmann vrij en ongedwongen. "Het +verheugt mij in zekeren zin, dat de verhandelingen vandaag deze +richting genomen hebben; want dat maakt het nog gemakkelijker iets te +zeggen, wat ik op het hart heb. Ik heb zelf met zorg het dalen der +prijzen in het buitenland gevolgd; en zonder mij daar verder al te +veel door te laten verontrusten, heb ik toch ingezien, dat nu en voor +de naaste toekomst alle mogelijke besparingen van het allergrootste +belang zijn. Ik heb dus eens rondgezien--in alle hoeken en gaten of er +niet hier en daar iets overtolligs zou zijn, iets wat men zou kunnen +missen, een post, die men uitsparen kon. En eindelijk heb ik werkelijk +iets overtolligs gevonden, iets wat ik geloof, dat de fabriek nu goed +missen kan en dat is... mijne Heeren,--ja, dat ben ik zelf." + +De heeren directeuren zetten groote oogen op; maar hij ging vriendelijk +en glimlachend voort: + +"Zoo noodig als ik wel durf zeggen, dat ik was bij het aanleggen van +de fabriek, even overbodig ben ik nu, nadat zij geheel in werking is +gekomen, de arbeiders geoefend, het kantoorpersoneel geroutineerd, +en vooral nu er een directie is, bestaande uit de meest deskundige en +voornaamste mannen van zaken uit de stad. Ik heb er daarom al lang +over gedacht u voor te stellen mijn post te schrappen. Een groot +gedeelte van de loopende zaken zouden kunnen overgelaten worden aan +onzen vertegenwoordiger Marcussen en overigens zou de fabriek door +de geëerde directie zelf bestuurd kunnen worden. Maar ik heb er wat +tegen op gezien, met dit voorstel voor den dag te komen; ten eerste +omdat er toch misschien wat zelfbeheersching noodig is om je eigen +overbodigheid in te zien; en dan kan ik niet ontkennen--dat spreekt +trouwens van zelf--dat ik slechts ongaarne van deze fabriek afscheid +neem, die me lief geworden is, en van het aangenaam samenwerken +met u, mijne Heeren." Op deze woorden volgde een pauze. Consul With +verheugde zich over de gelukkige wending, die de zaak nam, en keek +glimlachend Professor Lövdahl aan; maar de bankdirecteur Christensen +wreef zijn groote neus en verborg met de vingers zijn oogen, terwijl +hij wantrouwend en van ter zijde naar Mordtmann zag. + +'t Was eigenlijk Professor Lövdahl, die een samenzwering in de directie +tot stand had gebracht, om--zoo mogelijk--Mordtmann weg te krijgen; +en nu ging hij vrijwillig, bij den eersten wenk. Daar moest iets +achter steken. + +"Ik, als president, kan 't er niet meê eens zijn--ten minste niet +zonder nader motiveering meê eens zijn,--dat de heer Mordtmann als +directeur plotseling overbodig zou geworden zijn. Er zou in ieder +geval eenige tijd moeten verloopen..." + +"Pardon, Mijnheer de president!--maar ik wilde om persoonlijke redenen, +juist aan de geëerde directie verzoeken mij toe te staan reeds met +Kerstmis af te treden." + +"Met Kerstmis al!"... De president keek nog bedenkelijker. + +"Wij willen natuurlijk maar noode zulk een bekwaam directeur laten +gaan; maar als Mijnheer Mordtmann 't zelf wenscht, dan..." + +De professor zette de toespraak van Consul With voort: "dan hebben wij +waarlijk alle reden om hem hierin zooveel mogelijk tegemoet te komen, +hoezeer we ook betreuren..." + +"Maar hebben de heeren wel aan het meerder werk en de groote +verantwoordelijkheid voor ons gedacht, wanneer de directeur nu +plotseling aftreedt?" vroeg Christensen. "Wat mij betreft, ik durf +in dat geval mijn plaats als president niet langer bekleeden. Dat +wordt mij te veel. Ik ben niet sterk," en half verscholen achter zijn +groote witte hand, die hij over zijn gezicht liet glijden, sloeg hij +nauwkeurig de anderen gade--overtuigd, dat zij allen als gewoonlijk +zouden verzekeren, dat hij onmisbaar was. + +Maar Professor Lövdahl voorkwam de anderen door eenigszins droog +te zeggen: + +"Als het om het welzijn van onze fabriek gaat, neem ik aan, dat wij +allen ons met genoegen tot het uiterste zullen inspannen." + +De bankdirecteur Christensen aarzelde. Hij was tot nu toe +algemeen erkend als de eerste in den kleinen kring van mannen, +die directeuren, bestuurders, vertegenwoordigers van alle mogelijke +zaken in de stad waren. 't Was zijn lust en zijn leven vergaderingen +te houden, besluiten te redigeeren en zijn eigen zware stem te hooren +voortrollen door de vergaderlokalen met welgevormde, edele en verheven +zinnen. Maar bovendien bezat hij een onuitsprekelijke fijne snuif +in handelszaken. Zijn groote zachte neus kon als 't ware een slechte +zaak op grooten afstand ruiken; en nadat hij nog eens ter sluiks een +blik op Mordtmann geworpen had, nam hij zijn besluit en zei: + +"Ik heb geen overdreven voorstellingen van mijn eigen beteekenis +als president; maar daar de post mij nu te moeilijk worden zal, +wil ik de heeren verzoeken, een ander te kiezen op de eerstkomende +Algemeene Vergadering." + +Een ontevreden, afwijzend gemompel werd om de tafel gehoord, maar +Christensen ging voort: "Ja, ja,--laat het zoo blijven, Heeren. Mijn +gezondheid is, zooals u weet, niet zoo heel sterk; en de steeds +toenemende ontwikkeling van de stad legt immers op velerlei wijzen +beslag op... de meer op den voorgrond staande burgers. Bovendien moet +ik eerlijk bekennen, dat ik geen deskundige ben..." + +"Kom... Mijnheer Christensen"--riepen velen glimlachend. + +"Neen, neen. Ik meen het in ernst; er is--ronduit gezegd--eigenlijk +maar één onder ons, die al die scheikunde begrijpt, en dat is Professor +Lövdahl. Als hij genegen is de plaats als president over te nemen, +dan twijfel ik er niet aan of de Algemeene Vergadering zal dit met +acclamatie aannemen." + +"De Heeren weten zeker allen wel, dat ik meer voor het +wetenschappelijke dan voor het mercantile voel," begon de professor, +"en in 't begin trad ik eigenlijk alleen tot de directie toe om een +onderneming, waarvan men geluk en zegen voor onze stad verwachten kon, +aan den gang te brengen. + +Maar later is 't me zoo gegaan, dat ik deze fabriek steeds liever +gekregen heb; en als die nu te lijden zal hebben van slechte tijden, +wil ik er mijn ouden rug gaarne onder zetten: maar Heeren--die rug +is oud. Ik kan niet als Mijnheer Mordtmann in drie stappen van de +fabriek naar de stad komen..." + +"Natuurlijk! men zou den president een assistent moeten geven--" + +"Pardon,--'t is niet mijn bedoeling om indiscreet te wezen," zei Michal +Mordtmann; "maar zooals we weten, heeft de professor een zoon, die +onlangs met glans zijn examen in de rechten heeft gedaan. Zou zulk een +post niet heel geschikt en aangenaam zijn voor een jongen candidaat--om +meê te beginnen? De juridische kennis--ik kan u verzekeren, dat die +in velerlei gevallen van groot belang voor onze zaak wezen zou." + +Professor Lövdahl kwam in de war. Voor de tweede keer doorzag die +Mordtmann zijn geheimste gedachten; juist zóó had hij den uitslag van +de zaak gewenscht; maar hij was voorbereid op veel kleine intrigues, +om het doel te bereiken. En nu werd hem dit alles aangebracht in een +oogenblik en juist door den man, dien hij ten val had willen brengen. + +Want nu werd snel en bijna zonder debat aangenomen aan de Algemeene +Vergadering deze veranderingen voor te stellen. De post als directeur +in zijn vroegeren vorm wordt opgeheven. De directie zelf met Professor +Lövdahl als president neemt het bestuur van de fabriek over. Aan +den president wordt toegestaan een assistent te kiezen voor wien het +traktement door de Algemeene Vergadering zal worden vastgesteld. + +Toen zij op straat gekomen waren, nam consul With den arm van den +professor en feliciteerde hem lachend met dien gelukkigen uitslag. + +"Maar kun je begrijpen wat Mordtmann bezielde? Wij hadden ons +voorgesteld, dat hij zich met handen en voeten aan zijn baantje zou +vastklampen. Hij moet gemerkt hebben, dat de stemming al te veel +tegen hem was." + +"Misschien heeft hij dat wel," antwoordde de professor verstrooid; +maar toen hij afscheid van den consul genomen had, bleef hij op 't +kleine plein voor zijn huis staan en zag uit over de haven, waar de +rookende schoorsteenen van Fortuna zich tegen den hemel afteekenden. De +menschen, die voorbijgingen, groetten de statige figuur eerbiedig, +zooals hij daar stond, geleund op zijn kostbaren donker bruinen +stok--met uitgesneden ivoren knop, een geschenk van zijn collega's +aan de universiteit. Hij groette terug zonder ze te zien, want hij +dacht aan het pas gebeurde met Mordtmann. Carsten Lövdahl had dien +man altijd gehaat, en daardoor was hij er toe gekomen Fortuna en haar +directeur nauwlettend te controleeren; voortdurend ging hij Mordtmann +na,--nooit op een wijze, die persoonlijke bitterheid verraadde; +maar alleen als een conscientieus directeur. + +Eindelijk had hij het zoo ver gebracht, dat een partij in de directie +tegen den directeur gestemd was; de een vond hem te kostbaar, een +ander hield niet van hem en de goedige consul With ging met zijn +vriend, den professor, meê. + +En nu opeens--vrijwillig--glimlachend gaf Mordtmann alles op en +ging heen. + +Niet zóó had de professor zijn doel willen bereiken: de ander had +verdrongen, verworpen, vernederd moeten worden! + +Maar nu was hij dan toch weg, en dat was de hoofdzaak. 't Meerdere +werk en de grooter verantwoording verontrustten Carsten Lövdahl niet +bizonder. Hij had werkelijk in deze jaren lust gekregen om dat groote +veelzijdige werk te besturen. Het ging zoo goed en gaf aan zoo velen +werk. En hij brandde van verlangen te toonen hoe heel anders en veel +beter 't zou gaan zonder dien kwast--Mordtmann. + +En 't meest verheugde hij zich als hij er aan dacht, dat Abraham zijn +assistent zou worden. Het jonge paar zou boven wonen; er zou leven en +vroolijkheid in huis komen, en de vele bittere herinneringen zouden +in de hoeken worden gedrongen en verdwijnen. + +Maar de bankdirecteur Christensen was in zijn eigen kantoor blijven +zitten, waar de vergadering gehouden was--nog steeds onzeker en +wantrouwend. + +Wat zou zijn vrouw zeggen als ze te weten kwam, dat hij zijn +presidentsplaats had opgegeven en dat nog wel voor Professor Lövdahl, +die eigenlijk niet in den kring thuis hoorde! Want zij wilde, dat hij +de eerste, absoluut de eerste wezen zou in de stad, en dat was hij tot +nu toe geweest. 't Zou de noodige scènes geven. En toch... toch had +hij er geen berouw van. Hij vertrouwde op zijn neus, die hem nog nooit +bedrogen had. Er moest iets aan de lucht zijn. Mordtmann was niet de +man, die zoo'n positie zonder reden opgaf; hij was een slimme snaak, +en zijn vader Isaak Mordtmann en Co. in Bergen was nog slimmer; zij +hoorden niet tot de ratten, die 't schip verlieten vóór er gevaar was. + +Dus vatte hij moed en besloot te dragen wat gedragen moest worden, +want zelfs niet al kon het hem redden, wilde hij tegenover zijn +vrouw den minsten twijfel uiten over Fortuna; daarvoor had hij te +veel aandeelen en zij te veel vriendinnen. + +Michal Mordtmann schreef denzelfden dag aan zijn vader: + +"'t Ging gladder dan een van ons zich had voorgesteld. Ik nam een +toevallige ontstemming in de directievergadering te baat,--u kunt +wel begrijpen van wien die kwam--en eer iemand het wist, was ik +van alles af. En daar ben ik heel blij om, hoewel ik--in elk geval +voorloopig--zonder betrekking ben; maar ik denk wel, dat u wat voor +mij vinden zult. Wat de fabriek zelf betreft,--ik ben het volkomen +eens met wat u in uw brief van den 18den schreef." + +Zoo kwam het, dat Professor Lövdahl in nader contact kwam met de +handelswereld in de stad, die hij tot nu toe had trachten te vermijden. + +Maar Fortuna nam meer en meer zijn belangstelling in, naarmate het +werk en 't groote bedrijf hem helderder werd. Hij las buitenlandsche +werken en tijdschriften, veranderde en verbeterde, en maakte groote +plannen voor nieuwe bedrijfsvormen en kostbare machines. + +Zijn praktijk als dokter was niet groot en die beperkte zich +langzamerhand tot eenige goede oude huizen, waar hij bleef komen +als huisvriend. + +Daarentegen werden zijn wachtkamer en studeerkamer meer en meer in +kantoren veranderd; er kwam een penningmeester en een jong mensch +om boodschappen in de stad en naar de fabriek te doen; en agenten en +makelaars begonnen er te komen als op een gewoon koopmanskantoor. Op +een dag gelukte het een indringerigen korenagent, half onder scherts, +een lading rogge aan Carsten Lövdahl te verkoopen; 't schip lag in +Dantzig te laden. + +De professor was in spanning--in een spanning, die voor hem geheel +nieuw was; hij ergerde er zich eigenlijk over; maar de rogge steeg. + +En toen hij ten slotte 3000 kronen zuivere winst voor zich op zijn +lessenaar liggen zag, toen voelde Carsten Lövdahl een geheel nieuw +en eigenaardig welbehagen. + +Als volwassen man was hij altijd rijk geweest door 't groote vermogen +van zijn vrouw; maar van zijn jeugd af zat hem de openlijke verachting +voor "kooplui" en 't heimelijke respect van ambtenaarsfamilies voor +geld in het bloed. 't Vermogen van zijn vrouw had hij verstandig +en voorzichtig beheerd, blij met het welvaren, dat het geld bracht; +maar zonder het directe gevoel van de macht van 't geld en 't vele, +dat daarmeê te bereiken is. + +Maar dit geld, dat daar voor hem op tafel lag, had iets heel +bizonders. Hij zelf had het in een oogenblik voortgebracht; hij +had macht zich nog meer te verschaffen. Voor 't eerst had hij dat +bedwelmend gevoel, dat in zijn handen een kracht berustte, die als +een natuurmacht menschen opheffen en neerbuigen kon. En terwijl hij +over de banknoten streek, tintelden zijn vingers en hij vond zelfs, +dat het gekreukelde papier een aangenamen geur had. + +Toen Abraham thuis kwam, vond hij dus zijn vader als verjongd en +ijverig bezig in een groot bewegen van verschillende ondernemingen, +ofschoon Fortuna nog als de voornaamste genoemd werd. + +Hij kreeg zijn vaste plaats aan een nieuwen lessenaar en ging aan +'t werk--gelukkig en vol moed. + + + + + + +III. + + +"Kom binnen, kom er maar in, Meneer! dan kunt u eens zien hoe de +mindere man het heeft; dat is wel eens goed voor u. En dan is 't ook +in de mode, wat zegt u nou? De werkgevers kennen immers tegenwoordig +het leven en de omstandigheden van hun arbeiders door en door. En +kijk eens naar de letterkunde. Wat zegt u! de kleine burgerman, +de arbeiders, de armen... O m'n waarde Meneer! we vloeien over van +meêvoelen en medelijden! Ja 't is een heerlijke wereld, waar we in +leven. Wat zegt u nou?" + +En bij die woorden wees hij rond in de kleine donkere kamer, waar +bijna niets stond. + +Alleen dicht bij 't venster lag een hoop riet en witte afgeschilde +teenen en daar midden in zat een jong meisje manden te vlechten. + +"Wie hebt u daar bij u, Vader?" vroeg ze scherp. + +"De advokaat, de jonge Lövdahl, de nieuwe directeur zegt men;--ja +Meneer, ze is blind" voegde hij er droogweg bij:--"dat komt niet +zelden voor bij de armen, de kleine burgerlui en de arbeiders." + +De dochter glimlachte bitter en keerde de doffe waterachtige blauwe +oogen tegen 't licht, terwijl haar witte vingers een wilgeteen bogen. + +Abraham Lövdahl voelde zich onaangenaam aangedaan; en toen de oude man +naar de kleine keuken ging om zijn koffie te halen, zei hij verlegen: + +"Is u altijd... is u al van uw geboorte af zoo ongelukkig geweest?" + +Het jonge meisje keerde zich om, zoodra ze zijn stem hoorde, sloeg +de oogen neer en luisterde oplettend naar die weinige woorden. Maar +toen ze zoo zat en hij niet meer gedwongen werd in die pijnlijke, +leege oogen te zien, trof het hem hoe wonderlijk mooi ze was. + +'t Bittere en ontevredene in haar mond, dat ook in de licht opgetrokken +neusvleugels trilde, was nu weg en haar zuiver gevormd voorhoofd met +donkerblond golvend haar stond zoo onschuldig en droevig boven de +doffe oogen, boven 't magere, zwaarmoedige gezicht. + +"Zeg dat nog eens," vroeg ze. + +"Hoor je 't niet, Greta! die deftige Meneer doet je de eer aan je +te vragen of je blind geboren ben. Ja, Meneer, dat is ze;--slecht +bloed--slecht armelui's bloed." + +De oude man ging zitten met zijn kop koffie in de eene en een stuk +grof roggebrood, met een beetje boter vol zoutklompen besmeerd, +in de andere hand. + +Abraham Lövdahl had anders in den korten tijd, dat hij aan de fabriek +was, de arbeiders toeschietelijk gevonden en prettig om meê om te +gaan, maar deze oude machinist trok hem heelemaal niet aan, en hij +had er spijt van, dat hij zich in zijn hol had laten lokken. + +"Ja, zwarte koffie, zwart brood en boter, die als glas tusschen je +tanden knarst;--dat zal nu nog wel niet iets zijn, om u aan te bieden." + +"Nu nog niet...?" Abraham zag hem aan. + +"Ja, ja, men kan nooit weten, wat men nog eens zal moeten eten,--voor +men doodgaat. Wat zegt u nou?" + +Hij schaterde van 't lachen over zijn eigen geestigheid en 't jonge +meisje lachte meê; maar zij hield gauw op en boog zich over haar werk, +terwijl Abraham, die deze menschen heelemaal niet begreep, afscheid +nam en naar de deur ging. + +"Als u eens weer komt, moet u eens naar Greta's manden komen zien." + +"Hij komt nooit weer, Vader!" zei de dochter halfluid; maar Abraham +hoorde het. En er was iets in haar toon, dat hem trof. + +"Ik wil gaarne eens binnenkomen, als ik hier voorbijkom en uw +manden zien; ik zal zeker wel manden noodig hebben voor mijn nieuwe +huis."--Hij richtte deze woorden vriendelijk tot haar en ging heen +zonder verder op den ouden man te letten. + +"Vader, zeg u eens!--wat is dat toch voor een soort mensch, die oude +machinist Steffensen." + +"Och, een praatjesmaker, die van alles in de wereld heeft geprobeerd +en nooit ergens voor deugde." + +"Maar hij zorgt toch voor de machines." + +"Nu ja!--Mordtmann protegeerde hem. Ze zijn allebei een beetje +kwasterig; maar Steffensen is een oproermaker, die niet in een +behoorlijke fabriek als de onze past." + +"U denkt er toch niet aan hem weg te zenden?" + +"Ja, zoodra er een gelegenheid is." + +"Maar hij is arm." + +"Er zijn er, die meenen dat hij rijk is." + +"Maar zijn dochter is blind." + +"Heeft hij een dochter?" + +"Ik dacht, dat u haar oogen wel gezien had. Dat is een interessant +geval." + +"Zoo," antwoordde de professor droog en ging voort met zijn werk. + +Maar Abraham besloot nauwkeuriger op Greta's oogen te letten. Alle +boeken van den professor waren naar boven gebracht. En Abraham +bracht daar menig uur door, liefst 's Zondags, als de anderen naar +de kerk waren. + +'t Was een drukke dag; en de jongelui boven zouden dien avond voor +'t eerst gasten ontvangen. De professor had het zoo gewild en zijn +bedienden beneden zorgden voor 't souper en al 't andere. Toch was de +jonge Mevrouw zoo moe, dat ze niet dacht ooit met haar toilet klaar +te zullen komen. Abraham liep zenuwachtig de kamers in en uit: nu was +'t haast tijd; hij wachtte en luisterde aan de deur. 't Dienstmeisje +kwam de kamer uit,--neen--Mevrouw was nog niet klaar. + +"Goede hemel, Clara! Kun je je niet een beetje haasten, al was 't +alleen maar ter wille van Vader." + +"Ach!--spreek niet over je vader! Een man als hij zou me nooit zoo +overspannen hebben als hij 't geweten had. Maar hij kan 't immers +niet weten en als jij dan niet meer zorg voor me hebt." + +"Nu, laat ons dan liever de menschen afzeggen." + +"Hè, Abraham, wat ben je onverdragelijk--als je zooiets zegt wat je +toch niet meent" + +"Ja, maar als je nu werkelijk zoo onwel ben..." + +"Als--geloof je me soms niet?" + +"Ja natuurlijk Clara! maar 't is ook een drommelsch werk om in die +omstandigheden gasten te ontvangen." + +"Foei toch! Vloek toch niet zoo vreeselijk." + +Toch kwam ze mooi en stralend van vriendelijkheid haar schoonvader +tegemoet en luisterde blozend naar zijn ouderwetsche complimentjes. En +Abraham moest wel de kracht bewonderen waarmeê de zwakke Clara haar +vermoeidheid overwon, als 't moest. Neen, eigenlijk--om de waarheid te +zeggen, hij ergerde er zich over, dat hij moest doen alsof hij aan die +vermoeidheid geloofde--die vreeselijke vermoeidheid, die plotseling +als weggeblazen kon worden. Maar 't waren grillen, die Clara van haar +moeder had. Die zou hij er wel uit krijgen. Maar behalve dat was ze +bekoorlijk--dat zei iedereen. + +De avond liep goed van stapel; de oude heeren speelden kaart; in het +salon werd muziek gemaakt, en 't gezelschap was feestelijk gestemd, +omdat men voor 't eerst bijeen was in 't nieuwe huis, waar veel te +zien en te bewonderen was. + +Maar juist toen alles het vroolijkste toeging ontdekte Abraham +plotseling een paar stramme plooien om den mond van zijn vrouw, +een sprekende copie waren ze van anderen, die hij kende--die van +Mevrouw Meinhardt. + +Ze werd opeens stil, zag hem voorbij; en als hij 't woord regelrecht +tot haar richtte, hoorde zij 't niet. Zelfs 't algemeene gesprek +stokte--er kwam als een domper over de vroolijkheid; 't was als ging er +koude uit van de jonge gastvrouw. 't Was wezenlijk zoo vreemd. Men zag +elkaar aan, een paar jonge vrouwen begrepen het,--ja zelfs Peter Kruse, +die ongetrouwd was, mompelde in zichzelf: "Daar heb je waarachtig +wat moois op sleeptouw gekregen--mijn beste Abraham à Santa Clara." + +Abraham streed den heelen avond als een wanhopende, met die rimpels; +hij werd opgewonden vroolijk, om de stemming te bewaren; maar niemand +kon goed meêdoen onder den ijskouden glimlach van de gastvrouw. + +Hij trachtte haar te bereiken om haar iets in te fluisteren--ze keerde +zich om en sprak met wie 't dichtst bij haar stond; hij smeekte haar +met de oogen, dat ze toch ontdooien zou, en met die afschuwelijke +comedie uitscheiden; had hij wat verkeerds gedaan--en daar had hij een +duister gevoel van--dan konden ze daar immers later over praten--maar +niet hier--niet zich bloot geven voor al die vreemden! + +Maar hij had even goed gezichten kunnen trekken tegen de kachel; +ze bleef voortdurend stijf, koud en beleefd--of onbeleefd--zooals +'t uitkwam. Toen Abraham dus eindelijk, afgemat van dien moeilijken +avond--zijn laatsten gast had uitgelaten, liep hij snel door de kamers +naar 't boudoir van zijn vrouw, waar ze op hem stond te wachten, +maar deed alsof ze onverschillig een paar bloemen schikte. + +"Ziezoo! wat is er nu? zeg me wat er is, Clara," riep hij en ging +vlak voor haar staan. + +"Wat er is?--Wat bedoel je?" + +"Och, dat weet je heel goed, zooals jij den heelen avond gedaan +hebt! Opeens, voor iemand 't weet, zit je als een mummie, lacht niet, +geeft geen antwoord." + +"Als ik tegen 't eind van den avond niet heb kunnen verbergen dat ik +ontstemd was--hoewel God weet, dat ik er al mijn krachten voor heb +ingespannen--dan weet jij tenminste de reden en hoeft er niet naar +te vragen." + +"Ik weet de reden niet. Ik begrijp wel, dat je boos op mij ben; +maar de drommel hale me, als ik weet wat ik gedaan heb!" + +"En daar durf je op te vloeken!--je weet misschien niet hoe je daar +achter de piano zat, met je neus in de haren van die malle Lina With." + +"We zaten toch niet achter de piano!" + +"Nou... er was ten minste niet veel van jelui te zien; maar aan je +lachen kon je wel hooren wat voor dingen jelui behandelde. En toen +ik er aan kwam, omdat ik me voor jou schaamde en vriendelijk en +voorkomend iets over haar japon zei..." + +"Ja, je zei, dat je niet van die groene kleur hieldt." + +"Toen antwoordde ze, bizonder impertinent: die is blauw, Mevrouw! en +jij--wat deedt jij?"... + +"Ik zei zeker ook dat die blauw was, want dat was-ie." + +"Die was groen, flesschegroen, zoo groen als spinazie, maar dat +doet er trouwens geen zier toe; je kunt niet begrijpen hoe volkomen +onverschillig 't me is of dat mensch haar botten met groen of blauw +overtrekt; maar 't karakteristieke voor jou, 't leelijke van je is, +dat zelfs in de kleinste, de meest onverschillige kwesties dadelijk +naar de tegenpartij overloopt,--nooit kun je mij helpen..." + +"Neen maar lieve Clara! als nu de japon me blauw toeschijnt." + +"Waarom denk je, dat ze je blauw voorkomt? Alleen omdat die misselijke +Lina With 't zei; dadelijk natuurlijk! was je 't met haar eens! maar +ik--je eigen vrouw!" + +"Geloof je heusch, dat Lina With gevaarlijk is?" + +"Och, 't is met allemaal 't zelfde! je trekt iedereen boven mij voor; +ik ben alleen tusschen al die vreemde menschen; en jij, die me steunen +moest je laat me gemeen in den steek, om... om... om..." Ze schreide +zoo hevig, dat haar stem weg ging en vloog de kamer uit. + +Abraham liep haar achterna; maar aan de deur van de slaapkamer keerde +hij om en stak een sigaar aan; hij liep op en neer in de kamers, +die nog warm waren na 't feest; en hij dacht na over zijn huwelijk +en zijn vrouw--over zijn leven, zooals 't met hem was voortgegleden +in zonneschijn en geluk, zonder schokken. Nu en dan bleef hij voor +een spiegel staan en bekeek zichzelf half verwonderd. + +Was hij dat werkelijk, die dit beleefd had? Was hij het, die niet +meer bereikt had. Dit leven, dat zoo los om hem heen hing, zoo zonder +beteekenis,--was dat zijn leven?... Wel was hem zijn eerste frissche +jeugd al spoedig ontnomen, maar later was hij toch zoover gekomen in +moderne lectuur, dat hij al gauw vermoedde, dat 't niet heelemaal zoo +in de wereld toeging, als 't aan de studenten aan de universiteit te +Christiania gedoceerd werd. + +'t Was niet zoo, dat alles bijna overal in orde was, behalve in +Amerika, dat alle raadsels der wetenschap waren opgelost of in ieder +geval vandaag of morgen zouden worden opgelost aan de universiteit te +Christiania. In plaats van dat de waarheid vast stond, het bestaan over +'t algemeen harmonisch en rechtvaardig was, de jeugd voor inspanning +bijna geheel bewaard, omdat de ouden alles zoo buitengewoon goed hadden +ingericht--in plaats van dit alles, waar zijn thuis, de school en de +universiteit zijn hoofd meê hadden opgevuld, zag hij al spoedig, dat +hij integendeel geboren was in een tijd vol van de meest verschillende +bewegingen, en in een maatschappij, die juist behoefte had aan moedige +jonge menschen. + +En Abraham Lövdahl had een machtigen drang gevoeld om aan te +pakken--waar 't maar mogelijk was--overal! 't Was alles immers +averechts verkeerd. Maar altijd was dit de noodlottige vraag: Waar +moest hij ingrijpen? 't Moest zóó gebeuren dat er werkelijk iets door +bereikt werd--een of andere taak voor hem; anders hielp het immers +niet;--anders kon hij immers zijn naaste omgeving niet doen begrijpen +wat hij bedoelde met dat "aanpakken." + +Hij had het met Clara geprobeerd, toen zij geëngageerd waren. Hij had +haar al zijn wilde ideeën toevertrouwd; en tot zekere hoogte amuseerde +'t haar te luisteren naar al die schreeuwende tegenstellingen met al +wat ze geleerd had en geloofde. Alleen als 't al te gek werd lachte +ze en beweerde, dat hij dat niet meenen kon. + +Tot wat Clara 't meest aantrok hoorde de emancipatie van de vrouw. Ze +luisterde oplettend als hij in woorden, die gloeiden van toorn, den man +aanviel, die duizende jaren lang in ruwheid de vrouwen had onderdrukt +en verongelijkt. En als hij de toekomst schilderde, waar man en vrouw +gelijken zouden zijn, die in onderling overleg handelden, dan drukte +Clara zich tegen hem aan: "Zul je altijd zóó tegen mij wezen, Abraham?" + +Al die beloften, die oprechte verzekeringen!--had hij ze gebroken? + +Neen,--hij vond het niet; hij was zich bewust, dat hij er eerlijk naar +had gestreefd hun samenleven vredig te maken en mooi; maar Clara was +verwend--dat viel niet te ontkennen. Zulke afschuwelijke scènes als +die van dezen avond moest hij niet verdragen. + +Hij wilde ze ook niet langer verdragen; nu wachtte ze hem--dat +wist hij--tot een verzoening bereid, als hij zich eerst voldoende +verootmoedigd had; maar Abraham zwoer, dat hij zich niet verootmoedigen +zou en bleef in de kamers heen en weer loopen; en terwijl zijn +sigaar langzamerhand uitging kwamen de machinist Steffensen en het +blinde meisje hem weer in de gedachten. 't Was een wonderlijk paar; +hij zou den advokaat Kruse, die alle menschen kende, eens vragen, +waar zij eigenlijk vandaan kwamen. + +Voorloopig besloot hij ook zich te verzetten tegen zijn vaders plan +om Steffensen te ontslaan. Het streed tegen Abrahams opvatting een +bekwaam man uit 't werk te laten wegzenden, omdat hij een praatjesmaker +was--waarschijnlijk een knappe bol. Hij moest juist blijven. + +Hoe zou 't anders met dat arme blinde kind gaan? + +En haar beeld stond opeens zoo helder voor hem--aandoenlijk, als was 't +een herinnering uit zijn jeugd: dat witte voorhoofd, dat zoo onschuldig +boven die doffe oogen lag, boven dat magere, zwaarmoedige gezicht. + +Lang en ver weg voerden Abraham zijn fantastische droomen over die +oogen, waar misschien weer leven in zou kunnen komen; droomen van een +blik vol dankbaarheid en genegenheid, waaraan hij zulk een behoefte +had. En 't was laat in den nacht toen hij naar bed ging. Clara +sliep al. + + + + + + +IV. + + +"De Heer zegene uw ingaan en uw uitgaan van nu af, alle dagen uws +levens." + +Met deze woorden leidde de kapelaan zijn verloofde over den drempel +van zijn vaders huis. De dikke Jörgen Kruse kwam zóó in de war door +dien plechtigen intocht, dat hij de handen vouwde en "Amen" zei. + +Maar zijn vrouw, die even mager was, als hij dik, wierp haar breiwerk +weg en liep snel haar nieuwe schoondochter tegemoet. + +"Welkom! Welkom in ons huis--lieve kind. En God geve, dat je je bij +ons tevreden en gelukkig voelt; jij ben ook welkom, lieve Maarten!--ik +kan je niet eens behoorlijk een kus geven om je grooten baard. Jelui +verrast ons. De boot zou hier niet vóór zes uur wezen, zei Peter. Zag +jelui hem niet? Dan komt hij wel dadelijk hier. Maar Frederika--hoe +kun je Maarten nu met zoo'n akeligen baard laten loopen. Dat zou ik +hem wel verbieden als ik jou was." + +"Zooiets moet Moeder niet tegen Frederika zeggen. De gedachte komt +niet in haar op--dat weet ik wel zeker--dat zij zou opstaan tegen +haar aanstaanden echtgenoot. Heb ik geen gelijk, Frederika?" + +"Ja Maarten." + +"Och"--zei Juffrouw Kruse, "zóó plechtig meende ik 't ook niet; een +vrouw kan waarempel heel wat klaar spelen, zonder juist tegen haar +man op te staan." + +"De Schrift leert ons--zooals Moeder weet." + +"Ja jongen, dat weet ik," viel zijn moeder hem droog in de rede; +"maar nu moeten we niet met de theologie beginnen; maar met een +kop koffie. Alles op zijn tijd. Ga zitten, Frederika, en nog eens: +hartelijk welkom in ons huis, lieve kinderen!" + +Jörgen Kruse dacht, zooals altijd, wanneer zijn vrouw sprak: "Wat +drommel, waar haalt ze al die woorden vandaan?" Eindelijk kwam hij +ook naar voren en mompelde wat, maar trok zich dadelijk terug in +zijn hoek. Intusschen was 't niet zoozeer zijn nieuwe schoondochter, +maar eigenlijk zijn zoon, die hem zoo verlegen maakte. Toen Maarten +de theologie als zijn studie koos, verheugden zijn beide ouders zich +daarover. Dat paste ook goed: de oudste, Peter, was jurist, en de +oude Jörgen dacht zoo: als 't nu eenmaal een uitgemaakte zaak was, +dat hij geen van zijn zonen daar kon krijgen, waar hij ze 't liefst +hebben wou--n.l. in den winkel, dan zou het toch eigenlijk wel aardig +wezen zijn eigen jongen met de toga aan op den preekstoel te zien. + +Maar was dat nu werkelijk zijn kleine, dikke Maarten, die hier zoo +uit de hoogte aankwam en hem zoo ernstig--bijna beschermend de hand +drukte? Groot was hij nu, met een dikken baard en hij keek de menschen +zoo streng aan door zijn lichtblauwen bril. + +'t Werd zijn vader heel wonderlijk te moede; en terwijl de flinke, +kleine Juffrouw Kruse al gauw Frederika aan 't praten kreeg onder +de koffie en onvervaard Maarten als vroeger behandelde, liep de oude +Jörgen verlegen rond en zocht tevergeefs naar den toon, die hij moest +aanslaan tegenover dien plechtig gestemden zoon. + +"Rook je ook, Maarten?" vroeg hij eindelijk, half bang. + +"Bijna nooit," antwoordde Maarten met diepen ernst en een zucht, die +moest aanduiden, dat dit een van zijn vele vrijwillige ontberingen was. + +Allen vonden trouwens, dat Maarten heel waardig geworden was, nadat hij +aan de studie van de theologie begonnen was. Het stugge, wat Maarten, +de achterblijver, in de school eigen was, ging in den loop der jaren +over in een zuren ernst, die hem als van zelf tot de theologie bracht. + +Hij behoorde tot de gelukkigen; hij was reeds kapelaan aan de nieuwe +kerk in de stad; kort na zijn benoeming volgde zijn verloving en hij +was van plan dadelijk te trouwen; want zijn verloofde was rijk en +had geen ouders. + +Mooi was Frederika Andersen eigenlijk niet; maar Juffrouw Kruse meende, +dat ze echt goed en lief wezen moest... zóó teer als ze soms naar +Maarten op kon zien. + +Kort daarna kwam de oudste zoon--de advokaat binnen; hij was buiten +adem, kwam regelrecht van de stoomboot en maakte veel excuses, omdat +hij niet bij de aankomst van 't verloofde paar had kunnen zijn. + +"Maar dat komt door die lieve vereeniging, die al mijn tijd in beslag +neemt," zei hij. "Ik moet hulp hebben. Jij, broer Maarten! moet +meêdoen; onze menschen wonen meest in de buurt van de fabriek." + +"Je meent Fortuna; maar wat is dat voor een vereeniging waar je +over praat?" + +"O--een arbeidersvereeniging. Eerst was 't enkel een +verbruiksvereeniging; nu is er een spaarkas aan verbonden, en een +ziekenkas en van allerlei." + +"Een vereeniging van arbeiders dus?--en daar ben jij lid van, Peter?" + +"Lid?"--riep Juffrouw Kruse, "'t is immers Peters vereeniging; hij +heeft ze gesticht en alles op streek geholpen." + +"Zoo," antwoordde Maarten droog. + +Juffrouw Kruse kreeg een kleur en wilde iets zeggen; maar zij bedacht +zich en vroeg haar schoondochter met haar meê naar boven te gaan naar +haar kamertje. + +De vader was ook weer weggeslopen naar den winkel, zoodat de beide +broeders alleen waren. + +"Ik feliciteer je--Maarten! met je benoeming èn met je verloving; +ze ziet er zoo aardig en lief uit." + +"Frederika is een ernstig en streng opgevoed meisje." + +"Ja?--maar ze kan daarom wel aardig wezen." + +"Zulke lichtzinnige woorden passen in 't geheel niet voor mijn +verloofde. En ik wil je van te voren verzoeken om..." + +"Onzin, Maarten. Stel je niet zoo aan. Die toon kan misschien goed +voor anderen zijn; maar je moet je niet verbeelden, dat ik, die je +zoo goed ken, daarvan onder den indruk kom. Onder vier oogen kun je +gerust je heele dominé'swaardigheid op zij leggen; gerust jongen, +je maakt er je in mijn oogen alleen maar belachelijk door." + +"Het doet me oprecht leed, Peter, dat je nog voortdurend schijnt..." + +Maar Peter was al de deur uit en Maarten bleef hem een oogenblik +staan nakijken. Toen ging hij aan de tafel zitten, schreef cijfers +in zijn zakboekje en ging aan 't optellen. + +De advokaat Peter Kruse had den naam tamelijk dom te zijn; en hij +had het dan ook niet ver in de wereld gebracht. Hij verdiende zooveel +als hij noodig had en woonde trouwens thuis, omdat de oudelui Kruse +dat graag hadden. + +De toekomst scheen niet schitterend; want 't sprak van zelf, dat +geen enkele publieke inrichting haar rechtszaken aan dat radicale +advokaatje kon toevertrouwen. De ambtman kon hem geen zaken geven +en omdat hij nu niet dronk en ook niet onvertrouwbaar was, werd men +'t er over eens, dat hij te dom was. + +Daarentegen had hij er een zekeren slag van op een slinksche manier +het vertrouwen van eenvoudige menschen te winnen. + +Hij stookte namentlijk het volk op, heette het. Hoewel hij een aan de +academie opgeleid man was, verkeerde hij onder de arbeiders en bracht +ze er toe zich aaneen te sluiten ter wille van gemeenschappelijke +belangen: goedkooper voedsel en betere woningen. + +Hij was daarom van harte gehaat door alle fatsoenlijke menschen en +werd in hun courant uitgescholden. Peter Kruse was zooveel ouder +dan zijn broeder Maarten, dat hij al een volwassen man was toen +Maarten nog op school ging. En daarom viel het hem nog moeilijker +dien neerbuigenden dominé'stoon te verdragen; ook kon hij over 't +geheel de predikanten niet uitstaan; of--zooals 't in de courant +heette--ongeloof en goddeloosheid waren ook bij hem onafscheidelijk +verbonden met politiek radicalisme. + +Thuis had hij steun aan zijn moeder; want Jörgen Kruse ging geheel +in zijn zaak op. Maar zijn moeder, die van zijn kindsheid af hem +alleen gehad had om voor te zorgen,--zij volgde hem zoo goed zij kon +en kreeg daardoor belangstelling voor en kennis van allerlei; want in +'t begin had ze van geen van beiden veel. + +Ze was begonnen als winkeljuffrouw bij Jörgen Kruse, in den tijd, +toen hij nog een bescheiden komenijs-mannetje was, die kaarsen, en +witte suiker en stroop verkocht aan den kleinen man. En eerst een +heele poos, nadat ze hem een zoon geschonken had, werd ze tot de +waardigheid van "Juffrouw" verheven en kwam in de kamer, als ze in +den winkel gemist kon worden. + +Maar later werd die kleine onregelmatigheid door bijna allen vergeten; +zij sloofde en werkte met haar man; en toen ze eindelijk den weg +tegen den steilen heuvel opgekomen waren, die van niets naar iets +leidt;--toen zei Jörgen Kruse: "Ja, nu dank ik je wel voor je +hulp--Amalia Catherina,--kom nu in de kamer zitten en rust uit." + +Toen kwamen de goede dagen, en toen kwam Maarten ter wereld;--daarom +was hij zoo dik geworden! De goede dagen gebruikte Juffrouw Kruse om +een en ander te leeren, en hoewel 't altijd met de geleerdheid maar +zóó zóó ging, toch kreeg ze er zóóveel respect voor, dat ze doorzette, +dat haar beide zonen zouden studeeren. + +Bij den eersten liet Jörgen dat zonder veel tegenwerking toe: Peter +was mager en bleek en had lust in leeren. Maar toen Maarten op zijn +twaalfde jaar naar 't gymnasium moest, probeerde hij een klein gevecht +te leveren. + +Maarten was dik en stug en speelde nooit iets anders dan "winkeltje;" +hij verloor nooit een cent. En eer 't werd uitgemaakt, dat hij +studeeren moest;--want dat werd uitgemaakt: Jörgen kon 't niet +houden als Amalia Catherina met al die vele woorden aankwam--voor +dien tijd stond Maarten met zijn vader in den winkel en dreef in +allen ernst handel. + +En hoe vaak had Jörgen niet met bewondering de taaie zekerheid gezien, +waarmeê de kleine jongen de tabaksrol nam, die uitmeette volgens de +streepjes op de toonbank en tabak afsneed voor twee cent, zoo precies +op 't streepje, dat--als 't er niet binnen was, dan in elk geval er +toch niet buiten. + +"Och ja!" zuchtte de oude Jörgen Kruse in zijn kantoortje, "nu is +hij dan dominé geworden, en dat is nu wel heel mooi; maar waarachtig, +de jongen hoort hier." + +In de kamer zat Maarten en schreef op wat de reis van hem en zijn +verloofde gekost had; en toen ze beneden kwam, zei hij: + +"Frederika!--ik heb nu onze rekening opgemaakt en ik krijg nog twee +en dertig en een halve cent van je." + +De nieuwe kapelaan had overigens nog niet veel succes in de stad; +er was niets nieuws aan hem; alle menschen kenden den dikken zoon van +Jörgen Kruse; en toen zij hem nu opeens op den preekstoel zagen met +toga en bef en hem van uit de hoogte de gemeente bestraffend hoorde +toespreken, vonden velen--vooral de ouderen--dat wat wonderlijk. + +Maar toen hij zijn examens gedaan had en uitdrukkelijk naar deze +gemeente gezonden was door hen, die volgens Gods eigen wil Zijn +rijk hier op aarde in Stockholm besturen, toen moest men hem immers +ootmoedig erkennen als degene, die een waardigheid bekleedde, die +recht tot bestraffen gaf,--hoe wonderlijk 't ook wezen mocht voor +vleesch en bloed, dat die dikke jongen opeens voor hen stond om hun +zielen te verzorgen. + +En al kwamen de menschen nu niet in zoo grooten getale toestroomen +wanneer hij preekte, als gewoonlijk gebeurt bij een nieuwen predikant, +hij won aan den anderen kant de onverdeelde achting en genegenheid +van zijn superieuren en collega's. Want hij was nooit lastig; hij +wilde nooit iets nieuws of moeilijks, maar had een gepasten eerbied +voor het oude, die hem goed stond. + +Vooral het armbestuur was verrukt. Nieuwe kapelanen waren gewoonlijk +een ware beproeving voor hen: dàn moest er een onderzoek naar een +arm gezin gedaan worden, dan moest je hier en dan daar helpen; dames +kwamen met soep aanzetten en de armen kwamen allemaal in beweging, +zoodat je ze geen baas blijven kon. + +Maar niets van dat alles gebeurde bij dezen nieuwen kapelaan. Hij +verwees den eersten arme, die 't bij hem probeerde, naar 't armbestuur, +zooals 't hoort, en er kwam geen enkel potje soep door zijn toedoen. + +Toen Maarten getrouwd was, huurde hij een woning dicht bij 't huis +van zijn vader, zoodat ze meestal even de straat overstaken om bij +de oudelui te eten. 't Vermogen van zijn vrouw was in aandeel en in +schepen en dergelijke fondsen geplaatst in haar geboortestad Kragerö; +maar Maarten wilde geen handel drijven en vroeg het geld op. + +Juffrouw Kruse had er zich zoo op verheugd het jonge paar zoo dicht +bij zich te hebben--misschien wel al te veel, dacht ze later; een +mensch moet zich niet te veel ergens op verheugen; want dan volgt +zoo licht een teleurstelling. + +Was ze teleurgesteld?--Volstrekt niet. Juffrouw Kruse zou zich +geschaamd hebben, als iemand zooiets had durven zeggen;--neen, dat +niet;--maar 't was alleen zoo vreemd. + +Maarten was immers dominé--streng en ernstig; en Frederika--ja ze +was zoo lief en aardig als 't maar kon voor wie van haar hielden; +maar ze was werkelijk te oud voor Juffrouw Kruse. Jonge menschen +moeten toch waarachtig jong zijn, vond Juffrouw Kruse. + +En dan kwam er nog iets bij: ze moest erkennen, dat de jongelui er veel +meer slag van hadden zuinig huis te houden, dan zij en haar man ooit +gehad hadden--zelfs niet toen ze 't zoo krap hadden die eerste jaren. + +Ze hadden ook eenvoudig geleefd--ach! heel eenvoudig; maar zooals +Maarten en Frederika--op een cent af te weten wat er kon worden +uitgespaard op zeep en lucifers--dat had zij--en zelfs Jörgen nooit +geweten. + +Maar alles hadden de jongelui uitgerekend en berekend en alles konden +ze goedkooper krijgen, van eieren af--die kochten ze trouwens niet +vaak--tot schuurzand toe--en altijd keek Juffrouw Kruse even verlegen, +als Maarten zei: + +"Dat is maar heerlijk, dat Moeder 't zoo ruim heeft en zoo duur koopen +kan, niet waar Frederika?" + +"Ja--je hebt gelijk--Maarten!--'t is alleen maar ongelukkig voor kleine +burgers als wij, dat de prijzen stijgen als sommigen te veel betalen." + +En dan met de dienstboden... Juffrouw Kruse had er nooit op gelet, +voor Frederika er haar opmerkzaam op maakte, hoe ongelooflijk veel +de meiden "aan kunnen" als ze zelf over de boter mogen gaan. De +dienstmeisjes van Frederika--ze hield er maar één, maar telkens kreeg +ze een andere--die aten waarempel bijna niets. + +Het begon de goede Juffrouw Kruse te drukken, dat ze een oude vrouw +zou zijn geworden, zonder geleerd te hebben op de kleintjes te passen +en een goede huisvrouw te zijn. Want ze was 't aan den anderen kant +volkomen met de jongelui eens, dat niets leelijker is dan Gods gaven +te verspillen en te vermorsen. + +Aan tafel op een Zondag vroeg Peter Maarten of hij de fabriek had +gezien. "Er is veel veranderd sinds je de laatste keer naar Christiania +ging;--daar kun je van op aan." + +"Ik ben er een paar keer voorbij gegaan," antwoordde Maarten; "wordt +er geld verdiend?" + +"Als water! Vraag Vader maar; hij heeft ieder jaar spijt als haren +op zijn hoofd, omdat hij er maar één aandeel in heeft." + +"Och, één is genoeg," bromde Jörgen; "een mensch moet niet al te +begeerig zijn." + +"Als 't is zooals Peter zegt, dat er geld verdiend wordt, weet ik +niet, waarom u zich achteraf zoudt houden; 't is immers een volkomen +eerlijke zaak en behalve dat ook nuttig voor de stad." + +"Wil je aandeelen koopen, Maarten?" + +"Ik drijf geen handel," antwoordde Maarten stug, na een poosje vroeg +hij zijn vader: "Hoe hoog staan zij?" + +"Ze zijn niet op de beurs genoteerd," antwoordde Peter, "want hier +worden zoo goed als geen aandeelen in Fortuna verkocht. Men wacht +ieder jaar een enorme winst; tot nu toe maakten ze maar 6%." + +"Zes en een half," verbeterde de vader. + +"Ja, maar dan is er bijna niets voor het reservefonds afgenomen." + +"Kom--een man als Prof. Lövdahl is zoo goed als een reservefonds." + +"Vindt Peter soms niet, dat 6% een mooie rente is? Weet je veel zaken, +die meer geven?" Maartens toon tegenover zijn broeder was meestal +een beetje oorlogszuchtig. + +"Die rente is groot genoeg; maar er staat niemand borg voor..." + +"Borg!" viel de oude man hem in de rede, "dat zijn immers de Professor +en de directeur Christensen." + +"Ja, Christensen, vader. Maar hij zit nu overal in, dus kan hij wel +niet zoo'n sterke borg zijn voor elke zaak afzonderlijk; maar wie +kan er trouwens voor instaan, dat de produkten niet dalen in prijs, +zoodat de fabriek met verlies werkt, en 't kapitaal opvorderen moet +en zich dan toch niet redden kan. Wie staat daar borg voor?" + +"Dat is immers onzin, Peter!--we weten allemaal wel, dat ieder +menschelijke onderneming aan de wisselingen van 't geluk onderworpen +is, of ik bedoel aan 't bestuur van de Voorzienigheid; maar als de +directie zorgvuldig en voorzichtig is, dan is een onderneming als +Fortuna menschelijkerwijs gesproken--vrij zeker. Iedereen heeft immers +vertrouwen in Professor Lövdahl?" + +"Ja, dat is een groot man," riep Jörgen Kruse, en legde zijn mes en +vork neer. "Hij kan alles aan den gang krijgen, wat 't ook is. En +dan is hij ontzettend rijk." + +"Ik zou wel eens willen weten, waarom die man geld leent," zei Peter. + +"Leent hij geld?" vroegen de beide anderen. + +"Ja, ik heb verscheidene cliënten gehad, die mij verteld hebben, +dat zij Carsten Lövdahl geld geleend hebben, enkel op zijn quitantie." + +"Wat zijn dat voor menschen?" + +"Eenvoudige luidjes, die een beetje overgespaard hebben." + +"Ja, dan begrijp ik het wel," meende Jörgen. + +"Dat zijn dan van die stakkers, die geen kapitaal genoeg hebben om +van te leven; en dan is Lövdahl goedhartig genoeg om hun geld te +nemen en "in zijn zaak te zetten"--zooals dat heet; en dan betaalt +hij ze meestal een rente van 6 à 7 procent." + +"Wat zegt u?" Maarten sprong op. "Zei u 6 à 7 procent?" + +"Ja, wat weet ik er van?" antwoordde de oude. + +"Maar dat lijkt op Professor Lövdahl om op die manier wel te doen. Want +wel verdient hij zelf onnoemelijk veel; maar hij is een van die +menschen, die graag hebben, dat ook anderen geld verdienen; hij is +niet als sommige andere Pausen hier in de stad, die een armen stakker +geen cent verdienste gunnen, omdat ze alles zelf willen hebben." + +Daardoor kwamen ze aan 't praten over Christensen en anderen uit dien +kring; en Peter bracht den ouden man aan 't lachen door 't laatste +nieuws uit de stad te vertellen. + +Maarten at in gedachten voort en mompelde nu en dan: "Zeven procent!" + + + + + + +V. + + +Abraham haalde langzamerhand heel wat mandjes bij Greta Steffensen, +tot ze zulke goede kennissen werden, dat er geen voorwendsel voor +een bezoek meer noodig was. + +Ze trok hem op een vreemde manier aan, met een zachte, stille kracht; +hij dacht er geen oogenblik aan die te weerstaan. + +En de oude was eigenlijk interessant, als men maar eerst aan hem +gewend was. Abraham vond in de spottende redevoeringen, die Steffensen +gewoonlijk hield, veel van de moderne beschouwingen terug, waar hij +zelf in stilte mee rond liep. Maar liefst als er in Abraham iets in +beweging kwam, een gevoel, dat er iets niet in orde was met hem, dat +er een fout in zijn leven was, iets hols in 't geluk, dat hem altijd +gediend had, of als dat een nog erger vorm aannam en hij zich als 't +ware in bochten wrong voor twee onverbiddelijke oogen--dàn 't liefst +sloop hij 't huisje binnen, dat daar aan den bocht van den weg lag, +waar die zich van de fabriek af boog. Dan ging hij dicht bij Greta +zitten, nam een van haar kleine, fijne handen en legde die op zijn +gezicht, opdat ze de vingers over zijn trekken zou laten gaan om +te raden, waar hij aan dacht. Ze zat met hem te babbelen onder haar +werk, en dan was er niets van 't honende en bittere, dat daarop te +voorschijn kwam, als haar vader sprak. Zij boog het hoofd en luisterde +naar Abrahams stem, en een gelukkige glimlach lag om den fijnen mond, +zoolang hij daar was. + +'t Was niet moeilijk geweest voor Abraham om haar vertrouwelijkheid +te winnen. Van 't oogenblik dat zij zijn stem voor 't eerst hoorde, +had ze hem zooveel vertrouwen getoond, als een gewoon jong meisje hem +nooit zou gegeven hebben. Maar omdat zij niet zien kon, werd ze nooit +in de war gebracht door een schaduw of een veranderde uitdrukking op +zijn gezicht, en daardoor kwam het, dat ze vrijmoedig en onbekommerd +sprak over allerlei waar men anders over heen glijdt met een blik of +een lichte handbeweging. + +Ze was gewend de dingen bij hun naam te hooren noemen; en de omgang +met haar grof besnaarde vader had haar een naieve zekerheid gegeven, +die nooit geschokt was door een dubbelzinnigen glimlach of een +kwetsenden blik. + +Abraham was de eerste, dien zij ontmoette uit een wereld, die +beschaafder was dan de hare; en daarom waren er ontelbare zaken, +waar zij met hem over wilde spreken, en die ze vroeger vóór zich +gehouden had. Zoo werden hun bijeenkomsten een bonte mengeling van +kinderpraatjes en de allerintiemste vertrouwelijkheid. + +"Hoe kun je 't toch verdragen, dat je zoo rijk ben!" zei ze eens +tegen hem. + +"Wat meen je met "verdragen?"" + +"Kun je dat niet begrijpen, dan ben je dom." + +"Ja, je weet, dat ik dom ben." + +"Alleen maar als je wilt; want anders ben je verschrikkelijk wijs." + +"Wat meende je dan?" + +"Heb je Vader nooit hooren vertellen van de armen? van de echte armen, +niet zooals wij, maar van menschen, die geen eten hebben?" + +"Vader is rijk; ik ben niet rijk." + +"Och--zoo kom je er niet af; je kunt alles krijgen, wat je wilt; en +als hij sterft, krijg je alles. Wat zul je dan met al dat geld doen?" + +"Ik zal jou zooveel geven als je hebben wilt." + +"Waarom wil je mij zooveel geven?" + +"Omdat... omdat..." + +"Omdat je me liefhebt," zei ze en lachte. + +Abraham voelde dit als een schok en zocht naar antwoord; ze gebruikte +dat zeldzame, moeilijke woord even gemakkelijk als ze op andere +oogenblikken met een echte ruwe uitdrukking van haar vader aan +kon komen. + +"Of heb je me niet lief? Waarom kom je dan hier en zit me op te houden +als ik werken moet?" Ze lachte weer zoo vergenoegd. "Maar je kunt er +van op aan, dat ik het weet. En van je vrouw houdt je ook niet meer." + +"Neen maar, Grete! Hoe ben je zoo wijs geworden!" + +"Dat heb ik gehoord." + +"Van wie?" + +"Van jou." + +"Dat is heelemaal niet waar,--Grete!--Ik heb nooit een woord gezegd..." + +"Neen, geen woord!--'t Zijn niet de woorden, die ik hoor, 't is +de klank. Ik weet al waar je aan denkt, als je "Dag Grete," gezegd +hebt! Ja, ik kan 't aan je voetstappen buiten hooren of je alleen +komt om me op te houden, of dat..." + +--"of dat...?" + +Ze liet haar werk vallen en strekte de armen naar hem uit; en eer +hij het kon verhinderen--als hij het al gewild had--gleed zij op zijn +schoot en fluisterde hem in 't oor: + +"Of dat je komt--moe en gedrukt, omdat je verdriet hebt, Abraham." + +Zonnestralen vielen in de kamer; 't was herfst--vroeg in den herfst, +met laag staande zon, die de kleine vensters binnenscheen en de kamer +met warm goud licht vulde. En terwijl Abraham, wonderlijk bedwelmd +en half beschaamd trachtte zich te houden, als gebeurde er niets +bizonders om haar niet af te schrikken, legde Greta haar wang tegen +de zijne en zei, dat ze voelde hoe de zonneschijn haar omringde aan +alle kanten en dat het haar zoo goed deed. + +Hij werd opeens zoo grenzenloos bedroefd, dat hij wel had willen +schreien, zooals hij daar zat en haar in de armen hield; hij had het +nooit te voren zóó gevoeld; maar 't was als zag hij op dit oogenblik +voor 't eerst, hoe onuitsprekelijk averechts en onzinnig het leven was; +alles werd hem zoo helder--zoo helder en leeg; 't kwam hem voor of hij +zelf al oud was en door een lange laan van teleurstellingen liep. En +wat zou 't leven die stumper brengen, die zich aan hem vastklemde? + +Ze voelde zijn stemming dadelijk. Dat deed ze altijd. + +"Vandaag ben je gedrukt, Abraham!--en weet je waarom?" + +"Weet jij het, Grete?" + +"Je zoudt mij liever tot vrouw hebben dan haar, die je nu hebt." + +"Ja, weet je; dat was misschien beter," barstte hij bitter uit. + +"Maar dat gaat niet," ging zij ernstig voort, en ging--voor zich uit +voelend, weer naar haar plaats. + +"Waarom niet?" + +"Ten eerste omdat je er al een hebt, en ten tweede--ik kan niet +trouwen." + +"Wie zegt dat?" + +"Vader heeft het gezegd." + +"Och--als je een man vondt, dien je goed kende en waar je van hieldt." + +"Neen, 't is niet om den man; maar om de kinderen; vader zegt, dat als +'t kleintje naar de kachel gaat en kokende koffie over zich heen gooit, +dan kan ik het niet zien;--ach--ik zie het vóór me!" ze hield de hand +voor de blinde oogen--, "neen, neen, het gaat niet." + +'t Was duidelijk, dat dit beeld in haar bewustzijn gebrand stond en +alle gedachten aan zooiets buitensloot. + +Abraham was in gedachten verdiept geraakt; hij zat met haar lange +vlechten te spelen; zij boog zich over haar werk en zei ook niets. + +Zoo zaten ze toen Steffensen tegen zeven uur van de fabriek thuis +kwam. Abraham kon er niet goed achter komen of de oude iets tegen +zijn bezoeken aan Greta had; maar vandaag was het toch duidelijk, +dat Steffensen 't niet prettig vond hem te ontmoeten. + +Hij liep door de kamer te fluiten, en Greta fluisterde Abraham toe: +"Vader is boos." + +Intusschen was Steffensen naar de keuken gegaan, waar hij zich +gewoonlijk waschte, als hij van 't werk kwam; en terwijl hij in +'t waschwater dook en proestte als een nijlpaard, riep hij hardop: + +"Een trekpot!--wat zeg je--een zilveren trekpot met suikerpot +en melkkan!--van alle... ho! ho!"--hij dook weer met het gezicht +onder water--"van alle arbeiders op Fortuna; dat wordt buitengewoon +plechtig--wat zeg je?" + +"Begrijp je 't?" fluisterde Greta. + +"'k Begrijp er geen woord van,"--antwoordde Abraham, en stond op om +heen te gaan. + +--"voor de vriendelijkheid: de trekpot;--voor de goede zorg: de +suikerpot;--en voor de humane behandeling: de melkkan!--wat zal de +brave man verrast wezen! haha!--neem me niet kwalijk--jongeheer!--de +oude Steffensen neemt de vrijheid jelui allemaal uit te lachen." + +"Wat is dat toch voor een trekpot, waar je van praat?" riep Abraham. + +"Och--stel u nu niet aan! hoe aandoenlijk dat u zoo'n stukje comedie +wilt spelen voor een eenvoudig man. Ik heb ook comedie gespeeld in +mijn jeugd--dat was nog wel in Mandal; God betere 't! maar ik speelde +beter dan u, Meneer de directeur!" + +"Best mogelijk! Want ik speel geen comedie. Ik begrijp u niet,--geen +woord van al wat u zegt." + +Steffensen kwam in de deur staan, terwijl hij zich met den handdoek +afdroogde. Hij had een rood vet glimmend gezicht met twee groote +uitpuilende oogen, die hij nu op Abraham richtte als een tooneelkijker. + +"En u wilt me wijs maken..." + +"Hij weet niets, Vader." + +"Bah, wat weet jij daarvan?--ik heb een paar goede oogen in mijn +hoofd; durft u me vlak aankijken en zeggen, dat u niets weet van het +arbeidersfeest, dat op Fortuna wordt voorbereid?" + +"Ik heb er geen woord van gehoord," antwoordde Abraham. + +"U kunt er zeker van zijn, dat hij niets weet," voegde Greta er +ernstig bij. + +"Wel drommels!" mompelde Steffensen ongeloovig; "misschien weet u ook +niets van het eeregeschenk: trekpot, suikerpot en voor de humane..." + +"Schei uit," riep Abraham knorrig, "ik heb geen lust naar je onzin +te hooren; dag Greta!" + +"Och, Meneer de directeur," zei Steffensen en wreef zich vergenoegd +in de handen. "Wil Meneer niet zoo vriendelijk zijn een paar minuten +te blijven, dan zult u eens wat hooren. Vandaag ging Marcussen,--de +kindermeid--zooals ze hem noemen--rond op de heele fabriek en zei +ons aan, dat alle arbeiders overeen gekomen waren aan Professor +Lövdahl een eeregeschenk te overhandigen--wat zegt u? op den 4den +October,--den beroemden verjaardag van den professor. 't Was natuurlijk +volkomen vrijwillig; maar hij twijfelde er niet aan, dat elke brave +arbeider met vreugde deze welkome gelegenheid zou aangrijpen... ja, +dat lesje kent u wel?--'t Komt regelrecht van den droogzolder van +den bankdirecteur Christensen. + +"Wilt u meêdoen?" vroeg Abraham. + +"Nee, nee, mijn beste Meneer! De oude Steffensen antwoordde: "nee niks, +padetout!"--en de anderen hadden grooten lust hetzelfde te doen; maar +toen zagen we allemaal, dat Marcussen een streepje in zijn boekje +zette, en dat moest zeker beteekenen, dat Steffensen den langsten +tijd op de fabriek geweest is." + +"Och onzin! Steffensen! meen je nu, dat Vader om zulke dingen geeft; +ik ben er zeker van, dat hij alles zou doen om die dwaze collecte te +verhinderen, als hij er van wist." + +"Ach, wist je maar... wist je maar..." neuriede de oude en liep weer +de keuken in om zich verder klaar te maken. + +"Waarom kunt u niet meê doen, Vader?" vroeg Grete wat angstig; +"'t is toch zeker niet veel voor elk apart." + +"Waarom ik niet meê kan doen, mijn kind?--ja, dat zal ik je zeggen." En +hij ging midden in de deur staan en richtte 't hoofd op, alsof hij +van 't spreekgestoelte sprak: "omdat dit heelemaal humbug is--een +spiegelgevecht en een drommelsche vertooning! Meen je soms, dat de +menschen, die daar op de fabriek werken,--dat die ooit een cent +bezitten, die ze niet zelf hard noodig hebben?--en toch komen ze +allen met hun vrijwillige bijdragen aan.--Ja, vrijwillig, omdat ze +liever een paar dagen droog brood eten, dan 't er op te wagen om den +heelen winter zonder brood te zitten;--daarom komen ze, omdat ze zóó +arm zijn, dat ze gedwongen zijn om laf te zijn,--zóó arm is de oude +Steffensen niet--dat is 't heele verschil." + +En alsof hij 't niet prettig vond, dat hij dat laatste gezegd had, +ging hij haastig voort: + +"Want je moet weten, kind! dat het hier in 't land als een genade +beschouwd wordt zich dood te werken voor een loon, dat je maar +even in 't leven houdt en je lichaam zoowat bekleed. En als je +'t nu zoo gelukkig treft, dat je slooft voor een kapitalist, die +je niet heelemaal dood knijpt, en die je niet direct voor de minste +kleinigheid de straat op jaagt--ja, dan moet je komen aanzetten met +je vrijwillige bijdragen. 't Kapitaal wil zilver hebben: een trekpot +voor de vriendelijkheid, voor de goede zorg een suikerpot en voor de +humane behandeling een melkkan." + +Hij werd gestoord door dat iemand op de deur klopte; dat was Mevrouw +Gottwald, die binnenkwam en groette. 't Was nog zoo licht in het +westen, dat men elkaar kon zien in de kamer, en Abraham groette wat +verlegen; 't was lang geleden, dat hij haar gezien had. + +Mevrouw Gottwald gebruikte in hare modezaak veel manden van Greta +Steffensen en kwam daarom dikwijls bij haar aan. Abraham had haar +een paar maal ontmoet; maar vermeed dit liefst. Gedeeltelijk had hij +een slecht geweten, omdat hij haar zoo zelden een bezoek bracht, +gedeeltelijk vond hij het niet prettig menschen uit de stad te +ontmoeten, als hij bij Greta was. + +Maar dien avond kon hij niet ontsnappen. Mevrouw Gottwald verzocht +hem ronduit te wachten, dan konden zij te samen naar huis gaan. Hij +presenteerde haar den arm, en zij liepen een eindweegs voort, beiden +wat verlegen. Eindelijk zeide zij: "U komt nooit meer bij mij, +Mijnheer Lövdahl." + +"Lieve Mevrouw Gottwald, noem u mij toch Abraham, zooals vroeger." + +"Ik wil u zoo heel graag noemen als vroeger. Maar u is me in den +laatsten tijd zoo vreemd geworden, ik kan u niet meer zien als de +vriend en de afgod van kleine Marius, want dat was je. Herinner je +hem nog?" + +"Ja, zoo duidelijk," antwoordde Abraham; "vooral in die kleine grijze +winterjas, met die ceinture in den rug." + +"Ach, lieve hemel, ja!--die heb ik nog altijd. Het doet me zoo goed +iemand te spreken, die hem gekend heeft. En je ben zoowat de eenigste." + +Abraham nam zich voor haar vaker een bezoek te brengen; en intusschen +waren zij aan het kerkhof gekomen, waar Mevrouw Gottwald heen +wilde,--naar het graf van kleinen Marius. + +'t Was Abraham een paar maal voorgekomen alsof zij iets trachtte te +zeggen, maar 't weer opgaf. + +Maar toen ze afscheid van elkaar zouden nemen en elkaar bij de hand +hielden, keerde zij 't mooie bedroefde gezicht naar hem toe met een +angstige uitdrukking in de heldere, bruine oogen: "Je moet niet boos +op me worden,--Abraham!--Er is iets wat ik je zeggen moet. Greta +Steffensen..." + +Hij maakte een ongeduldige beweging en wilde zijn hand terugtrekken. + +"Neen, neen!... zóó meen ik het niet--lieve Abraham. Ik weet wel, dat +je zoo niet ben. Maar toch--ja dat wilde ik maar zeggen, omdat... omdat +ik altijd een gevoel heb, dat je ook een beetje van mij ben, ter wille +van kleine Marius. Nu moet je niet boos wezen en niet denken, dat ik +me met iets bemoei, wat me niet aangaat; mijn leven is zoo geweest, +dat 't me is alsof alle weerlooze vrouwen mij aangaan. Goeden nacht!" + +Abraham liep door in de richting van de stad, en dacht intusschen +aan zijn moeder. Er was altijd iets in Mevrouw Gottwald, dat hem aan +haar herinnerde. + +Dat de menschen hem konden wantrouwen in zijn verhouding met Greta +Steffensen, had hij wel gedacht. Maar het ergerde hem, dat Mevrouw +Gottwald daarop gezinspeeld had. En door deze nieuwe indrukken raakte +wat hij van Steffensen had gehoord wat op den achtergrond. + +'t Was donker in de kamer van den professor; maar boven in zijn +eigen woning vond Abraham zijn vader in een vertrouwelijk gesprek +met Mevrouw Clara. + +"Goeden avond, mijn jongen! je ben den heelen middag uit geweest--zegt +Clara. Kom nu eens bij ons zitten. Ik wil van avond jelui gast zijn." + +'t Gezicht van den professor straalde, terwijl hij het mooie jonge +paar aanzag, de elegante kamers, al die weelde en al dat geluk, +wat hij geschapen had voor die twee menschen, die hem zoo lief waren. + +"Ja--ik zou ook wel eens willen weten, waar je al dien tijd geweest +ben, Abraham?" begon Clara nu. + +Maar de professor merkte, dat Abraham niet best gehumeurd was, en +hij had al geleerd kleine scènes tusschen hen te voorkomen. + +"Laat ons dat nu niet vragen, Clara! Er zitten zooveel geheimen en +verrassingen in de lucht; je kunt er wel zeker van zijn, dat Abraham +er ook een heeft." + +"'t Is dus waar, wat men vertelt, dat er een arbeidersfeest op Fortuna +wordt voorbereid?" vroeg Abraham. + +"Heb je dat dan niet eerder gehoord?" vroeg Clara. + +"Niemand heeft er me een woord van gezegd." + +"Ja, mij ook niet; 't moet een plannetje van de jonge Mevrouw zijn," +zei de professor; hij wilde er klaarblijkelijk schertsend over heen +glijden. + +"En die collecte, Vader..." + +"St! st! Hoe kun je zoo indiscreet zijn?" riep de professor en hield +de handen voor de ooren. + +"Ja, dat moet ik ook zeggen," merkte Clara op. + +"U weet het dus--Vader!--Dat had ik niet gedacht. U moet toch zoo'n +collecte onder arme arbeiders uiterst pijnlijk vinden." + +"Als we er nu juist over moeten praten," antwoordde de professor, +"dan vind ik zoo'n idee, als het van de arbeiders zelf uitgaat, +mooi en eervol voor beide partijen." + +"Ja, als het van de arbeiders uitgaat." + +"Daaromtrent bestaat in dat geval niet de minste reden tot twijfel," +sprak de professor met heel zijn waardigheid, die altijd indruk op +Abraham maakte. + +"Je meende misschien, dat die collecte van Vader zelf was +uitgegaan?" vroeg Clara honend, terwijl ze den professor een glas warme +grog bracht, die ze zelf voor hem had klaargemaakt; hij kuste haar +galant de hand, en ze nam dicht bij hem plaats met haar werk. Abraham +liep de kamer op en neer met een sigaar. + +Na een pauze zei hij: + +"'t Kan zijn, dat 't oorspronkelijk plan van de arbeiders is +uitgegaan; maar dit weten we toch allemaal, dat velen--misschien de +meesten--meêdoen enkel omdat ze niet anders durven; ja ik weet zelfs, +dat ze op de fabriek zeggen, dat hij, die niet met een bijdrage +aankomt, niet zeker is dat hij in 't werk blijft." + +"Wie heeft je dien onzin wijsgemaakt? Abraham! nu heb je zeker weer +met je vriend Steffensen gepraat." + +Abraham moest toegeven, dat het zoo was. + +"Ja, wat hem betreft is 't vrijwel hetzelfde of hij al dan niet +"met zijn bijdrage aankomt," zooals jij 't noemt. Zijn ontslag is al +besloten, en hij krijgt het binnen kort." + +"Dat kan toch niet, Vader?--Moet Steffensen weggejaagd worden? een +bekwaam arbeider, die nooit drinkt." + +"Weggejaagd!--wie zegt nu, dat hij zal worden weggejaagd?! De directie +verlangt bezuinigingen en nu hebben we uitgezien naar goedkooper +werkkracht. Die hebben we gevonden en nu moet Steffensen weg. Dat is +toch zoo eenvoudig en klaar als de dag." + +In den laatsten tijd was het een paar maal gebeurd, dat Abraham zijn +vader in kleinigheden niet zoo groot en volmaakt gevonden had als +hij hem anders toescheen; maar 't was nog nooit gebeurd, dat Abraham +zich ronduit tegen zijn vader verzette. Maar op dit oogenblik werd +hij driftig; 't bloed steeg hem naar het hoofd, en hij zei: + +"Ik vind niet, dat ik volkomen royaal behandeld word: hier worden +afspraken en schikkingen gemaakt, waar ik geen woord van weet;--òf ik +ben directeur, en dan wil ik als directeur behandeld worden, òf ik kan +heengaan. Ik wil niet als een nul voor spek en boonen er bij loopen!" + +"Neen maar... wat bezielt je, Abraham!" riep Clara. + +"Wees maar kalm, kind! Abraham is altijd wat driftig geweest, +dat zit hem in 't bloed.--Je zult zelf wel inzien, lieve Abraham, +als je even kalm nadenkt, dat je je vergist. Men geeft je alle eer, +die je toekomt, als assistent van de directie; maar dat jij noch ik +iets van deze geheime voorbereidselen voor 't feest gehoord hebben, +zie je, dat is immers alleen uit kieschheid." + +"Nu ja, dat kan wel zijn: maar ik vraag nu: zal Steffensen ontslagen +worden, als ik uitdrukkelijk verlang, dat hij blijven zal?" + +"Steffensen--die Steffensen?--je kent hem niet, Abraham." + +Op dat oogenblik kwam het dienstmeisje binnen en zei, dat er een heer +en dame in de vestibule waren, die vroegen of de familie thuis was. 't +Bleek, dat het dominé Kruse en zijn vrouw was. Zij spraken allebei +tegelijk, en maakten veel excuses, omdat ze zoo laat op den avond de +familie nog kwamen storen. Maar ze kwamen juist van de bijbellezing +en zagen, dat er nog licht op was, en toen kregen zij zoo'n lust om +even binnen te komen. + +Ze werden heel vriendelijk ontvangen, omdat ze zoo heel gelegen kwamen. + +En dan ook--Clara hield veel van Mevrouw Frederika. Ze vond het +prettig de dominé en zijn vrouw goed te onthalen,--liefst wat +royaal--en tegelijk hoorde ze met belangstelling naar alle kunstjes, +die Frederika haar leerde om zuinig te koken. En als Abraham dan +den volgenden dag knorde over saus, die eigenlijk niet meer dan een +dikke meelpap was, vond ze er een genoegen in hem voor te houden, +hoe akelig en burgerlijk 't was overdadig met eten en drinken om te +gaan, zelfs al kon men 't wel betalen. + +De professor en de predikant kwamen spoedig in een gesprek, dat over de +armen begon, toen op de fabrieksarbeiders kwam en eindelijk neerkwam op +'t inwendig bedrijf van de fabriek. + +Alleen Abraham voelde zich steeds onaangenaam gestemd; hij hield niet +van dien pedanten Maarten de achterblijver, ook niet van zijn vrouw; en +'t was hem zelfs onaangenaam, dat deze menschen zich in den laatsten +tijd meer en meer in zijn kring drongen. Hij bleef op en neer loopen +na tafel en nam maar weinig deel aan 't gesprek. + +Dat was anders levendig genoeg; want de predikant had evenveel aan +den professor te vragen als Clara aan Frederika; en toen ze afscheid +namen, hadden de dames afgesproken den volgenden Maandag weer bij +elkaar te komen, terwijl de predikant,--wat verlegen--vroeg wanneer +hij den professor over zaken zou kunnen spreken. + + + + + + +VI. + + +Een paar dagen later bracht de kapelaan volgens afspraak aan Professor +Lövdahl een bezoek in zijn particulier kantoor. De predikant was wat +zenuwachtig en onrustig en moest gedurig het zweet van zijn voorhoofd +vegen met zijn zakdoek, die hij in de gesloten vuist ineenkneep. De +professor was kalm en welwillend, maar 't viel niet te ontkennen, +dat hij wat nieuwsgierig was. + +Omdat hij meende dat 't op een liefdadigheidscollecte of ander +vereeniging zou neerkomen, begon hij, om den verlegen jongen man te +hulp te komen, met een paar algemeene gezegden over de vele plichten +en moeilijkheden, die een nauwgezet zieleherder konden drukken. + +Maar hij begreep gauw, dat daar 't gesprek niet over loopen moest; +en eindelijk was hij op het punt ronduit te vragen wat de predikant +wilde, toen deze eindelijk heel onhandig de vraag er uit bracht of +de professor zich tevreden voelde in zijn arbeid als administreerend +directeur van de fabriek. + +"Och ja, zoo tamelijk; er is immers altijd een groote +verantwoordelijkheid verbonden aan het feit dat men zoowat een +Voorzienigheid in 't klein moet wezen voor zooveel menschen. We +probeeren zooveel we kunnen het lot van de arbeiders te verbeteren." + +Maar dat was het ook niet.--Ook over de arbeiders wilde de kapelaan +niet spreken. Hij hoestte en zei toen aarzelend: + +"De aandeelen zijn zeker over verschillende personen verdeeld." + +"De aandeelen!--wat blieft u?--nu ja. U vroeg naar de aandeelen,--ja, +die zijn over veel personen verdeeld, dat wil zeggen--zoo heel veel +zijn er niet. Het bedrag is groot. Elk aandeel is van 1000 kronen, +en wij hebben geen halve of kleinere willen uitgeven." + +De professor herwon zijn zelfbeheersching, die hij bijna verloren had, +toen hij begreep, dat dit een gesprek over zaken zou worden. + +Als hij met menschen uit zijn vroegeren kring sprak, was de professor +altijd de man van wetenschap--klaar met spot van uit de hoogte met de +"kooplui." Daarom kwam het hem al dadelijk wat ongewoon en als iets +uit de verkeerde wereld voor, dat twee academieburgers over aandeelen +en winst zouden zitten praten. + +Maar Maarten Kruse nam de zaak heel verstandig op, toen hij maar eerst +op het gewenschte onderwerp van gesprek gekomen was. En hij sprak er +over met een kennis van zaken, die den professor ten hoogste verbaasde. + +"Hoe hoog staan de aandeelen van Fortuna op dit oogenblik?" vroeg de +predikant, toen zij een poosje gepraat hadden. + +"Ja,--om u de waarheid te zeggen, dat weet ik niet. Toen ik er 't +laatst van kocht..." + +"Koopt u ze dan zelf?" + +"Neen, dat doe ik eigenlijk niet," antwoordde de professor; "ik heb al +zooveel aandeden; maar het is een paar maal gebeurd, dat een enkele +aandeelhouder zich raar aanstelde op de algemeene ledenvergadering +en dan wilde ik liever de aandeelen van den ontevredene koopen, +dan onaangenaamheden hebben." + +"En toen hebt u betaald...?" + +"Ik heb de aandeelen voor den inkoopsprijs overgenomen--voor zoover +ik me herinneren kan." + +"Kan men dan nog aandeelen à pari koopen?" vroeg de kapelaan levendig. + +"Wilt u dan koopen?" + +"Ik zal u zeggen, Professor," antwoordde Maarten en trachtte wat +zalvend te spreken, "mijn vrouw is niet geheel en al ontbloot van +wat men aardsche goederen noemt." + +"Ik heb gehoord, dat uw vrouw fortuin heeft." + +"Ach, fortuin kan men het eigenlijk niet noemen. Een sommetje als steun +in ziekte of andere beproevingen--dat is alles. Maar hoe onbeduidend +het ook is, ik wilde het toch graag in de stad plaatsen en liefst op +een wijze, die zoo min mogelijk in het oog valt." + +"Natuurlijk," merkte de professor op. + +"'t Is in geen enkel opzicht goed, als de gemeente haar predikant +voor vermogend houdt," voegde de kapelaan er ernstig bij. + +De professor, die nu eindelijk begreep waar zijn bezoeker heen wilde, +zei welwillend: + +"Wanneer u er over denkt effecten te koopen, of in 't algemeen door +mij uw geld te laten plaatsen..." + +"Ja juist, dat wilde ik juist zoo graag," riep Maarten levendig uit; +"een man in mijn positie kan immers niet zoo goed zulke zaken zelf +regelen; maar aan den anderen kant is het toch ook niet goed het +tijdelijke te verwaarloozen." + +"Zeer zeker niet,... neen... ik begrijp u zoo goed, en 't zal mij +een genoegen zijn, als ik..." + +"Dank u, ik dank u hartelijk!" riep de kapelaan en herwon nu al zijn +waardigheid; "als ik dus met Gods hulp wat geld overhoud, mag ik +hopen dat bij u te kunnen plaatsen?" + +"Ik wil u graag naar vermogen helpen uw geld op de voordeeligste +wijze uit te zetten." + +"Het voordeeligste zou wel zijn het in uw eigen zaak te plaatsen?" zei +Maarten onderzoekend, en zag den ander oplettend aan. + +"In mijn zaak?" herhaalde de professor langzaam. + +"Dat laat ik geheel aan u over," zei Maarten haastig, terwijl hij +opstond om heen te gaan. "U weet zelf, Professor, hoe kleiner 't +kapitaal is, hoe meer men er van moet zien te maken." + +Toen hij weg was, dacht Professor Lövdahl lang na over dit merkwaardig +bezoek. 't Was wel waar, dat enkele van de kleine burgers hun +spaarpenningen aan hem hadden gebracht en dat hij uit goedhartigheid +hun een aandeeltje in een goede zaak hier en daar had gegeven, +zoodat hun geld een betere rente gaf, dan in een bank. Maar 't zou +nooit in hem zijn opgekomen zoo iets in 't groot te doen; hij had +geen geld noodig--allerminst duur geld; en als 't op hoop van hooger +rente was, dat de predikant zijn geld bij hem wilde plaatsen, kon +'t wel gebeuren dat hij teleurgesteld werd; maar wilde hij aandeelen +in Fortuna nemen--dat was iets anders. 't Was altijd een steun als +er koopers kwamen. + +Maar Maarten liep er over te denken--of hij toch niet dom gedaan had +door niet ronduit te vragen op welke rente hij rekenen kon. + +--'t Was niet gemakkelijk uit te maken van wie het idee van 't +groote arbeidersfeest op de fabriek was uitgegaan. Marcussen had eens +tegen consul With gezegd, dat in den herfst de fabriek tien jaar had +bestaan. En toen had de consul zeker gedacht dat dit magere jubileum +wat steviger zou worden als 't op den verjaardag van Professor Lövdahl +werd gezet. En zoo was er telkens wat bij gekomen, tot het eindelijk op +'t zilveren servies en de grootsche toebereidselen was neergekomen. + +Mevrouw Christensen schreide--ja zoowaar, dat deed ze,--ze schreide +iederen dag een deuntje om dat zilveren servies. + +Stel je voor! dat alles had zij kunnen hebben: Trekpot, suikerpot en +melkkan van massief zilver! + +Niet daarom: ze had zelf een zilveren theeservies; maar dat was nu +niets voor haar man om daarmeê aan te komen. 't Was daarom geen zier +minder ergerlijk! + +Soms, als ze lang over dat zilver gedacht had kwam het haar voor, +alsof Professor Lövdahl 't uit haar eigen kast gestolen had;--ja er was +zelfs een plaats in de kast, waar het had moeten staan; en nooit keek +Mevrouw Christensen naar haar zilver of ze zuchtte: "Daar stond het!" + +"Je ben een uil--Christensen," herhaalde ze snikkend toen het +feest naderde; "je kunt president zijn van vereenigingen voor arme +kraamvrouwen en voor alle mogelijke ziekenfondsen; maar je geeft me, +goeie God!--je geeft me daar vrijwillig 't eenige baantje op, waar +een beetje zilver van kon komen,--ja, want dat kon je toch wel van +te voren weten. En dan moet ons--ja ik zeg met opzet: ons zilver naar +dien... dien..." Ze kon geen woord vinden, dat vreeselijk genoeg was +voor Professor Lövdahl en ze schreide, dat ze er van beefde. + +'t Huwelijk van den bankdirecteur was als de meesten; hij was helaas +niet zoo autoritair in zijn huiskamer als in zijn kantoor; tegen zijn +vrouw kon hij niet op en dan werd hij boos, en dan werd zij boos en +dan kibbelden ze en dan bleven ze boos op elkaar. Maar op den duur +kon dat toch niet, omdat ze in 't zelfde huis woonden; en dan werden +ze weer goed op elkaar--tot ze weer boos werden. + +Christensen moest deze keer den toorn van zijn vrouw zoo goed mogelijk +verdragen en tegelijk zich voorbereiden voor de toespraak, die hij +uit naam van de arbeiders tot Professor Lövdahl zou houden. + +En terwijl hij daar zat en bezig was met groote woorden en klinkende +zinnen, wreef hij zijn zachte neus en snuffelde zoowat, alsof zijn +eigen lofrede hem wat verdacht voorkwam. + +Alles kwam zoo goed bij elkaar voor dit feest. Er was een troep +Duitsche muzikanten in de stad gekomen, en op den dag zelf was het +weer zoo mooi als het maar kon. 't Was heel stil in de lucht,--frisch, +maar niet koud. De zon scheen met een roodachtigen gloed zacht door de +lichte herfstnevelen, die optrokken en verdwenen; en de glad gespoelde +landpunten en landtongen met paarse strepen heidekruid in de spleten +staken uit in de blauwe, licht gerimpelde zee. + +De fabrieksgebouwen zelf waren zoo leelijk en zoo vol roet, dat +ze alle mogelijke versiering trotseerden; en Marcussen gaf ze ook +intijds op en bracht al wat er was aan kransen en vlaggen bijeen +om een groote estrade, die hij in de haast boven op den heuvel had +laten opslaan. Van hier kon de spreker de fabriek overzien en zijn +stem doen voort klinken over de menigte op de helling beneden. + +Marcussen was aan 't versieren met vlaggen en groen; hij had een paar +van de dienstmeisjes van den directeur tot hulp gekregen; en hij +hielp ze op en af van trappen en stoelen--gedienstig en galant. En +de meisjes lachten en gilden zoo'n beetje, en lieten zich in zijn +armen vallen en konden niets doen zonder zijn hulp. + +Marcussen was een groote, knappe man met een vluggen blik en een +tact om met meisjes om te gaan, waar hij door beroemd geworden +was. Hij had werkelijk een bizonder slechten naam en zelf placht hij +onder vrienden te verklaren, dat hij een apart folio in 't kerkeboek +had. Maar overigens was hij in de zaak de rechterhand van den professor +geworden en wat het feest betreft--hij was eigenlijk daar de man. + +Intusschen was 't ook druk in 't huis van de Lövdahls: er zou een +groot heerendiner gegeven worden ter eere van 't feest en de tafel +stond al gedekt in de zaal. + +Het rijtuig stond voor de deur, en de koetsier zat in gala op den bok +en hield de glanzende paarden. De professor liep, als naar gewoonte, +heen en weer onder 't kleeden en studeerde zijn toespraak in, waarmeê +hij voor de ontvangen eerbewijzingen danken zou. + +Daar kwam het dienstmeisje van de jongelui boven met de boodschap +van Mevrouw of de professor niet zoo vriendelijk zou willen zijn +even boven te komen, liefst dadelijk. De professor ging haastig heen +met de witte das in de hand; hij meende, dat de jonge Mevrouw iets +scheelde. Maar Clara kwam hem al in de voorkamer tegemoet, warm en +met een kleur en de japon nog maar half dicht. + +"Stel u voor, papa, hij wil niet meê. Abraham wil niet meê naar het +feest, zegt hij." + +"O zoo, is 't anders niet?--Kind, je hebt me zoo doen schrikken. Wat +is er? Abraham, waarom wil je niet meê?" vroeg de professor vriendelijk +aan zijn zoon, die juist uit zijn kamer kwam. + +"Och anders niet, dan dat ik geen lust heb naar dit feest te gaan. Maar +Clara stuift dadelijk op en dan..." + +"'t Verjaarfeest van je vader," viel de professor hem glimlachend in +de rede. + +"Neen Vader,--dat is 't niet. Dàt vieren we hier--thuis; maar 't feest +op de fabriek is niets dan aanstellerij, een echte vertooning--als u +'t bij den naam noemen wilt." + +De professor wenkte Clara kalm te zijn en antwoordde: "Ik heb geen +tijd en wil ook mijn feestelijke stemming niet bederven door nu met +jou hierover te disputeeren. Er kan wel wat van aan wezen, van wat je +zegt of liever van wat je meent; maar je hebt--zooals de jeugd over +'t algemeen tegenwoordig--een ongelukkige lust om met een te groote +ethische maatstaf aan te komen dragen, ook ten ontijde en in gevallen +waar 't in 't geheel niet past." + +"Maar als 't nu mijn overtuiging is." + +"Als je overtuiging je niet toelaat getuige te zijn van de eerbewijzen, +die aan je vader worden aangeboden, dan moet je thuisblijven, dat +is duidelijk. Maar ik hoop, dat je overtuiging je zal toestaan van +middag om 4 uur bij mij te komen eten?" + +"'t Is niet goed van u, Vader, om 't zoo op te nemen; u weet best..." + +"Ja zeker, ik weet 't zoo best, dat je 't op jouw manier goed meent, +en dat je deze manier kiest is iets, waar ik op voorbereid had moeten +zijn; dat zit je in 't bloed. Ik probeerde--zooals je je misschien +herinnert--meermalen in je jeugd je te waarschuwen tegen dien geest +van ontevredenheid, die niet hebben kan, dat iets of iemand zich boven +'t gemiddeld peil verheft--neen, neen! laat me uitspreken; we zullen +niet disputeeren, maar dat is 't toch, waar alles uit voortkomt.--Och, +lieve Clara, wil je niet even een knoop in mijn das leggen?" + +Abraham bedwong met geweld een heftig antwoord, keerde zich om en +ging in zijn kamer. Zijn vrouw ging hem rakelings voorbij toen zij +naar de slaapkamer terugging om zich verder te kleeden, en een poos +later weer, toen ze naar het rijtuig ging. Hij merkte haar parfum en +haar japon raakte hem bijna; maar geen van beiden sprak een woord. + +Hij bleef voor zich uit zitten staren tot hij het rijtuig hoorde +wegrijden. Daar zaten zij naast elkaar,--zijn mooie vrouw--vroolijk +in feestdos en zijn vader met zijn ridderorden in groot formaat, +den stok tusschen de knieën en de handen gevouwen over den ivoren +knop. Die twee pasten bij elkaar. Abraham kon zich niet herinneren +dat zijn vader en zijn vrouw 't ooit over iets oneens geweest waren. + +Bijna als bij instinct kwamen zij altijd tot elkaar met dezelfde +opinie en die was bijna altijd precies het tegenovergestelde van die +van Abraham. + +Hij had, terwijl hij daar zoo aan 't venster stond een gevoel, +alsof er tusschen zijn levensbeschouwing en die van zijn vader een +diepe klove moest zijn, een grooter afstand dan ooit tusschen oud +en jong bestond. Er was immers, als hij 't nauwkeurig naging geen +enkele zaak, die zij van de zelfde zijde konden zien; geen gedachte, +die zich niet dadelijk in tweeën spleet en hen ver uit elkaar deed +gaan in oneenigheid en ontstemming. Als hij nu alles samen nam aan +toespelingen, gesprekken en warme debatten, kon hij niet begrijpen +hoe zijn groote en bewonderde vader, wiens hoofd zoo helder, wiens +gedachtengang in den grond toch zoo edel was,--hoe hij zoo vreemd, ja +bijna vijandelijk tegenover alles kon staan, wat Abraham volgens den +drang van zijn hart moest bewonderen en waar hij voor strijden wilde. + +En Clara,--zij ook!--wel was zij opgegroeid in oude, zonderlinge +pruiken-ideeën; maar hij had toch met haar zooveel gesproken over +de nieuwe gedachten en zij had toch veel daarvan met zulk een ijver +aangenomen. Nu ontkende zij, dat zij ooit aan zijn dwaze en goddelooze +paradoxen haar bijval geschonken had. + +Welnu, des te krachtiger moest hij zelf staan; aan de strenge eischen, +die de nieuwe tijd stelde aan persoonlijke waarheid en verantwoording, +zou hij wel weten te voldoen. In dit oogenblik dacht hij aan zijn +moeder: zóó zou zij hem gaarne hebben gezien: als hij zulk een +arbeidersfeest als humbug beschouwde, moest hij protesteeren en niet +ter wille van zijn vader er zich aan medeplichtig maken. + +Abraham bleef lang aan 't hoekvenster staan en keek neer op de +straat. Er waren bijna geen menschen; want de halve stad was buiten +bij het feest; en terwijl hij de enkele achterblijvers nazag, die +haastig weg gingen, dacht hij er over, hoe mooi het weer was, en welk +een genoegen het voor oud en jong wezen zou een wandeling buiten de +stad te doen en frissche lucht te scheppen. + +Vele brave burgers en eenvoudige lieden gingen met hun vrouwen +daarheen; ze begrepen niet veel van de toespraken en dachten niet veel +na over de diepere beteekenis van het feest. Voor hen was 't enkel +een Zondag midden in de week, een halve vrije dag, die hun goed deed. + +En hier liep hij in zijn mooie kamers te protesteeren! Was daar toch +niet eigenlijk iets heel belachelijks in? + +Opeens stond het duidelijk voor hem, dat als dat protesteeren wat +beteekenen zou, dan had hij òf zich ernstig tegen zijn vader moeten +verzetten, òf--beter nog, midden op 't feest moeten optreden en 't +luide uitspreken, dat hij zoo'n vertooning, waar het kapitaal indirect +de arbeiders tot vernederende eerbewijzen dwong--humbug vond, en erger! + +Durfde hij geen van beiden dan kon hij waarachtig even goed als +die onschuldige burgers meegaan naar 't feest; niets was toch zoo +miserabel als dat protesteeren in zijn eigen kamers. + +En weer kwam die stemming, die een enkele keer over hem was gekomen +als een domper: 't gevoel hoe averechts en onzinnig 't leven was +ingericht; hoe mislukt hij zelf was,--bedorven, een sukkel, die 't +nooit verder zou brengen dan tot een paar belachelijke aanloopjes en +groote schandelijke nederlagen. + +Mismoedig en onverschillig nam hij zijn hoed en slenterde naar +buiten, om een poosje naar Greta te gaan; maar hij vond het huis +gesloten. Waarschijnlijk had Steffensen haar meê naar het feest +genomen; ze vond het prettig onder menschen te zijn; allen kenden +haar en hadden een vriendelijk woord voor haar en dan was er ook +muziek. Abraham ging ook verder, de kant naar de fabriek uit. De +muzikanten speelden: "die Wacht am Rhein" tusschen de verschillende +toespraken in. + +Toen hij op den top van den heuvel gekomen was bleef hij onwillekeurig +staan, onder den indruk van dit wonderlijk tooneel. Hij was zoo gewoon +hier iederen dag heen en weer te loopen, dat hij iedere plek om de +fabriek kende; maar nu was het alsof vreemden hem alles afgenomen +hadden en hij zelf heelemaal overcompleet was. + +De groote tribune op den heuvel was vol elegant gekleede dames; +champagneglazen fonkelden en bedienden liepen ijverig bezig rond. De +vlaggen hingen onbewegelijk in rijke plooien neer over 't laatste groen +uit de tuinen, goudgele bladen en roode bessen. Aan beide zijden stond +de nieuwsgierige menigte uit de stad; maar beneden aan den heuvel +hadden de arbeiders van Fortuna zich om een lange tafel geschaard, +waar ze werden onthaald op bier en sigaren. Hun vrouwen en dochters +stonden in groepjes daar omheen;--stil en ernstig. + +Abraham was niet in de stemming om zijn vrouw en de anderen te +ontmoeten; hij nam een omweg tusschen de gebouwen van de fabriek door +en van daar kwam hij onder de arbeiders terecht en ging tusschen hen +in staan. + +De bankdirecteur had gesproken over dezen dag en het dubbele feest, +en de professor had geantwoord; een deputatie had het zilver gebracht +en Lövdahl had bedankt met een: "Leve de arbeiders!" Die toast was +juist gedronken toen Abraham kwam en het feest was dus bijna voorbij. + +Warm door 't bier drinken in de zon, en van 't hoera! roepen stonden +de arbeiders vergenoegd met hun korte pijpjes of met de kostelijke +sigaren diep in den mond gestoken en in een rookwolk zóó dicht, alsof +die uit de schoorsteenen kwam. Zij ontvingen Abraham eerbiedig en +vriendelijk en het werd dadelijk zoo uitgelegd, dat de jonge directeur +geen champagne met de deftige lui wou drinken, maar dat hij zich niet +te goed achtte om een glas bier te nemen onder 't volk. + +Zonder veel van den indruk, dien hij maakte, te merken; zocht Abraham +naar Greta en vond haar onder de vrouwen. Ze werd in 't minst niet +verlegen, maar vuurrood van blijdschap, toen ze zijn stem hoorde. + +De vrouwen en meisjes trokken zich een weinig van haar terug, maar +bleven toch in een opeen gedrongen groepje staan, zoodat ze van uit +de tribune niet gezien konden worden. Er was niemand onder hen, die +aan iets kwaads dacht,--niet omdat ze meenden, dat de jonge Lövdahl +een haar beter was dan deftige stadsmenschen over 't geheel waren; +maar Greta Steffensen was blind, en niet als andere meisjes; het +ongeluk beschermde haar tegen gevaar en tegen afgunst, zoodat ze +bijna kon doen, wat ze wilde. + +"Is je vader hier niet, Grete?" + +"Ja,--hij was juist hier; zie je hem niet?" + +"Neen--tenzij hij tusschen de menschenmassa daar ginds bij 't +spreekgestoelte is, daar verdringen ze zich omheen." + +"Ja, daar is hij zeker," meende Greta met een slim lachje. + +Abraham merkte dat dadelijk op. Haar mimiek was zoo opvallend. + +"Wat bedoel je?--wat is je vader van plan te doen?" + +"Vader zal een toespraak houden," fluisterde Greta triomfeerend. + +"Goeie hemel!--dat moet hij niet doen!" riep Abraham onwillekeurig; +hij dacht er aan hoe moeilijk het nu al voor Steffensen was zijn werk +te behouden. Als hij nu vandaag een onaangename toespraak hield--en +die zou natuurlijk onaangenaam worden--dan maakte hij zichzelf +heelemaal onmogelijk. + +Maar Steffensen stond al op 't spreekgestoelte; met den hoed in de +hand en kromme armen maakte hij een reeks eerbiedige buigingen voor +het deftige publiek, terwijl de jongelui uit de stad begonnen te +lachen en hem met allerlei grappen aanmoedigden. + +Abraham merkte op hoe zijn vader den bankdirecteur iets toefluisterde; +en 't heele gezelschap op de tribune trok zich zoo ver mogelijk van +'t spreekgestoelte terug in een verwarde mengeling van gedwongen +beleefdheid en vrees voor dien algemeen bekenden, slecht gezinden +man. Maar Steffensen liet hun geen tijd; hij begon dadelijk: + +"Dames en Heeren!--ik ben een arbeider--een van de slecht +gezinden--zegt men;--een van de ergsten, zeggen sommigen. Maar wees +u maar niet bang, hooggeëerde heeren en dames!--Ik wil u hier alleen +maar danken, u innig danken, zóó aangedaan als een diep bewogen +arbeider op uw fabriek Fortuna maar wezen kan." + +Intusschen schenen de "Hooggeëerde heeren en dames" 't plotseling +druk te krijgen met afscheid nemen en elkaar de hand te drukken. + +"Ik wil u dank zeggen," riep Steffensen luid, "u dank zeggen, omdat +u vandaag--dames en heeren!--de zon zoo heerlijk en gratis op ons, +kleine luidjes, laat schijnen, omdat u niet meer van ons verlangt dan +onze spaarduiten voor een zilveren servies, omdat u onze vrouwen en +dochters zoowat met rust laat, ja u allen wil ik vooral danken, omdat u +ons zoo mooi vergunt ons leven te slijten in gezegenden arbeid voor u." + +Nu was er geen enkele van de hooggeëerde dames en heeren meer; de +groote tribune was leeg; alleen enkele verblufte bedienden stonden +bij de tafel met champagne. Maar Steffensen maakte toch een diepe +buiging voor het gezelschap, dat zich bijeen groepeerde en heenging +naar den weg waar de rijtuigen stonden; toen wendde hij zich luid +lachend tot de arbeiders. + +"Daar gaat de heele chique! Wat zeg je? Nu zal ik mijn toespraak voor +jelui houden." + +"Steffensen moet zijn bek houden," klonk een zware stem uit de +arbeiders. + +"Neen, neen! laat Steffensen spreken," riepen zij van andere zijden; +maar er werd een stil gemor gehoord, dat toenam, tot een ernstig, +kalm man zei: "Steffensen moet niet spreken." + +'t Was een van de oudste meesterknechts op de fabriek, en nu riepen +verscheidenen: "Steffensen moet niet spreken," terwijl de beste +arbeiders zich om Abraham schaarden. + +Steffensen werd bleek; maar hij bedwong zich en riep: "Als hij 't +is--de jonge Lövdahl, waar jelui bang voor ben, dan kun jullie je de +moeite sparen; want hij is 't met ons eens;--hij is een van de onzen, +niet waar, Mijnheer de directeur?" + +Abraham voelde aller oogen op zich rusten; maar wist niet wat hij +zeggen moest. + +"Maar waarom antwoord je niet?" vroeg Greta verwonderd; "je ben +'t immers met ons eens." + +Steffensen greep de aanleiding aan om op een eenigszins behoorlijke +manier van het spreekgestoelte af te komen en er ontstond een oogenblik +van stilte en gespannen verwachting in den kring. Er stonden nu +verscheiden rijen arbeiders dicht om Abraham heen. + +Maar in zijn binnenste schoot plotseling een lang onderdrukte kiem +op: een jeugdig besluit vol geestdrift. Hij voelde kracht in zijn +ziel en een opbruisende moed als iemand, die zich plotseling bewust +wordt zelf te kunnen handelen, met vaste hand in 't leven te kunnen +ingrijpen en zijn man te staan. + +"Ja, zeker ben ik een van de uwen," riep hij den arbeiders toe; +"daarom blijf ik hier beneden bij u--en niet daar boven bij de +aristocraten. Wij,--wij arbeiders--we zullen elkaar trouw blijven, +hier is mijn hand!" + +Die werd door honderden gegrepen--gedrukt en omklemd. En niemand had +den directeur ooit te voren zóó gezien,--rank en stralend, zooals +hij zich langzaam een weg baande door de schare heen. + +Steffensen wilde weer van 't oogenblik gebruik maken en stelde luide +voor onmiddellijk een vereeniging te stichten, een comité te vormen, +enz. Maar zoodra Steffensen sprak, kwam er iets koels over de meesten; +allen wisten, dat hij slecht aangeschreven stond: zijn dagen op de +fabriek waren geteld, en hij kon zoo licht anderen meêsleepen in +zijn val. + +Naar zijn voorstel luisterde men niet en 't verloor zich geheel in een +donderend "hoera!" voor den directeur; men wilde op zijn gezondheid +drinken; maar er was niets meer; de bedienden hadden de tafel +opgeruimd, het feest was voorbij en de volksmassa had zich verspreid. + +De arbeiders trokken zich toen ook terug in kleine groepjes na eerst +Abrahams hand stevig gedrukt te hebben. + +Op weg naar de stad was Abraham in een vreemde, plechtige, +strijdlustige stemming. + +Flauwe beelden en herinneringen van wat hij in zijn jeugd gelezen +had doken weer in hem op en hij zag een toekomst voor zich, waarin +hij aan 't hoofd van de arbeidersbeweging stond. De omtrekken van +dat beeld werden grooter: hij brak alle bruggen af, hij ruimde al +die grove onrechtvaardigheid in de samenleving weg, en toen hij de +stad naderde was hij juist zoover gekomen, dat Clara en zijn vader +zich voor hem bogen en zeiden: + +"Je hadt toch gelijk!" + +Maar Steffensen ging stil en knorrig naar huis. Greta was ook niet +blij. Ze ergerde zich ter wille van haar vader en was niet heelemaal +tevreden over Abraham. + +"Er zijn toch, God bewaar me, geen arbeiders in de wereld, die zoo +laf zijn als jelui," zei Steffensen tegen een ouden timmerman, die +lid was geweest van 't comité, dat het zilver had aangeboden. + +"We hebben zoo weinig, waarmeê we ons verweren kunnen." + +"Bah! als we ons maar bij elkaar aansloten." + +"Ja, enkelen van ons hebben zich immers aangesloten--bij de directie," +meende de timmerman. + +"Ja, en wat heb jelui nu voor dat ellendige gekruip." + +"Dat zal mettertijd wel blijken." + +"Ja, dat zal 't wel," bromde Steffensen nijdig; hij begreep de +toespeling. + +De verjaardag van den professor was een feest voor de heeren van +de stad, en vooral na den dood van zijn vrouw had het groote diner +langzamerhand een eigenaardigen vorm aangenomen met traditioneele +toasten en wonderlijke plechtigheden. + +Abraham was nog voortdurend in een strijdlustige stemming; maar +er was geen aanleiding tot een uitbarsting. Clara was vriendelijk +en beminnelijk, zacht als een lam. Ze had namelijk een gesprek met +haar schoonvader gehad, waarin zij het er over eens geworden waren, +dat Abraham tegenwoordig zenuwachtig was en dat men maar wat met hem +meêpraten moest om te voorkomen dat het erger werd. + +Ook aan tafel viel er niets voor, dat hem aanleiding kon geven op een +of andere wijze een uitval te doen; iedereen was even zacht gestemd +en zat innig vergenoegd te knipoogen. + +En naarmate hij de roes bij de anderen zag toenemen en zelf onbekommerd +meêdronk, werden de strenge lijnen van den maatschappelijken strijd +uitgewischt en de aanrukkende kolonne der arbeiders werd overstemd +door het vroolijk gerinkel van glazen en vorken. + +Hij stond op en ging naar het hoofd van de tafel om te klinken met +zijn vader, zooals op dien dag de gewoonte was. + +De professor stond dadelijk van zijn plaats aan tafel op en trok zijn +zoon naar 't venster, waar ze samen konden spreken, zonder door het +geraas van den feestdisch gestoord te worden. + +"Ik wist wel, dat je komen zoudt--mijn beste jongen," zei de professor +hartelijk en legde den linkerarm om zijn schouders. + +Abraham werd bewogen en stotterde; maar zijn vader ging voort: + +"Er kan wel allerlei humbug zijn bij velerlei dingen in deze wereld; +maar je moet de beteekenis van een goede vriendschappelijke verhouding +tusschen arbeiders en werkgevers niet te laag schatten; hoe nauwer +ze aan elkaar verbonden worden..." + +"Men verbindt zich niet nauwer aan de arbeiders met champagne en +zilver," antwoordde Abraham dapper; nu was het hem ernst; hij had +een idee, waar hij meê voor den dag wilde komen. + +"Hoe meen je dat?" vroeg zijn vader en trok zijn arm terug. + +"Ik was vandaag beneden bij de arbeiders, Vader." + +"Ja, ik zag je daar." + +"En ik heb me heelemaal bij hen aangesloten; ze schaarden zich allen +om mij heen." + +"Heb je een vereeniging gesticht?" vroeg zijn vader koel. + +"Neen--geen vereeniging--geen bepaalde vereeniging; maar we +hebben ons bij elkaar aangesloten--weet u.--Zoo'n heel hartelijke +aaneensluiting--zooiets trouwhartigs, ziet u..." Abraham sprak onzeker +en kreeg een kleur. Was 't toch niet eigenlijk iets heel belachelijks, +wat hij gedaan had? Maar 't gezicht van den professor helderde op +tot het straalde: + +"Dat is goed--dat was uitstekend van je, Abraham. Zóó moet het juist +zijn. Geen dwaze vereeniging die den enkele bindt." + +"Dat bedoelde ik juist," viel Abraham hem in de rede. Hij kreeg nu +al zijn moed terug. + +"...en die alleen maar dient om kleine eerzuchtige wezens omhoog +te helpen, zooals b.v...." de professor legde weer zijn arm om +de schouders van zijn zoon en fluisterde hem vertrouwelijk in +'t oor,--"zooals b.v. onze waardige vriend daar, de bankdirecteur +Christensen." + +Abraham lachte--gevleid als hij was doordat zijn vader zich met hem +vroolijk wilde maken over den machtigsten man van de stad, die nog +wel in al zijn waardigheid op drie pas afstand van hen zat. + +"Weet u, waar hij van achteren op lijkt, Vader?--op een olifant," +fluisterde Abraham. + +"Ja, je hebt gelijk," lachte de professor; "maar het gaat niet aan, dat +we hier onze waardige gasten staan uit te lachen. Ik dank je hartelijk, +Abraham; je hadt me vandaag geen beter cadeau komen brengen; juist +in die ongedwongen verhouding tusschen ondergeschikten en superieuren +zie ik een gezegenden weerglans van den goeden ouden tijd en een hoop +voor de toekomst. Groet je volk van mij." + +Zij scheidden met een handdruk en gingen ieder naar zijn plaats aan +tafel, waar de algemeene vroolijkheid hen spoedig weer meêsleepte. + +Maar Abraham was dien geheelen avond als buiten zichzelf van blijdschap +en hoop op de toekomst. En hij eindigde met in uitgelatenheid zijn +vrouw alle trappen op te dragen, toen zij naar bed moest. Hij had in +'t leven ingegrepen, zich in den strijd van den dag geworpen; maar hij +had al half overwonnen. Zijn vader stond aan zijn zijde, zijn groote, +bewonderde vader! + + + + + + +VII. + + +Carsten Lövdahl zat in zijn particulier bureau. Drie hooge vensters, +die uitzagen op den tuin van het huis--een ouderwetsche, stille +stadstuin met dichte lindeboomen, die de omliggende huizen verborg. 's +Zomers viel een koele groene glans in de groote kamer, en 's winters +lichtte de sneeuw wit van de knoestige stammen en van 't onbetreden +grasveld, waar de katten van de buren voorzichtig in elkaars spoor +stapten en de pooten schudden. + +De massieve schrijftafel van donker oud eikenhout zonder versiering +stond midden op den vloer; brieven en papieren in goed gerangschikte +stapels bedekten de zijkanten, en op het groene laken, midden voor +den chef stond een prachtig bronzen inktkoker--de godin van 't +geluk op een bal staande, met een krans van eikenbladen in de hand; +'t was een cadeau van de mededirecteuren van Fortuna en daar naast +lag een pen in den vorm van een witte zwanenveer, door Mevrouw Clara +met eigen handen met bloemen beschilderd. + +In het rond stonden zware deftige stoelen op een rij, dan kwam een +kast, een sofa en dan weer stoelen; en de wanden zelf waren behangen +met modellen van schepen en kaarten, een paar zee-schilderstukken en +teekeningen en fotografieën van Fortuna. + +Het dikke donkergroene vloerkleed, dat zomer en winter bleef liggen, +dempte de voetstappen en maakte de kamer nog plechtiger. Zware +portières scheidden het bureau van den chef van de buitenkantoren af, +waar de makelaars en agenten uit en in liepen; de man van vertrouwen, +Marcussen, was de eenige, die onversaagd door de portière binnen kwam +en berichten van en aan den principaal bracht. + +Nergens was een spoor overgebleven van den geneesheer of den man van +wetenschap; Carsten Lövdahl had geen halve maatregelen genomen: hij was +met hart en ziel koopman geworden; zijn speculatiën interesseerden hem +en namen hem geheel in beslag, en hij was er trotsch op, dat hij aan +'t hoofd van den grootsten omzet in de stad stond. + +'t Was zoo met hem gegaan, dat hij bijna altijd de eerste werd in al +wat hij ondernam. Als oogendokter had hij spoedig den grootsten naam +gemaakt; en hij had zich teruggetrokken, nog vóór zijn roem begon af +te nemen. + +Later had hij zich wat eenzaam gevoeld met zijn belangstelling in +literatuur en wetenschap onder louter geldmenschen. En vooral toen +er een leegte in zijn gezellige conversatie kwam, na den dood van +Mevrouw Wenche, voelde hij meer en meer behoefte zijn leven met iets +te vullen. Toen kreeg hij smaak in 't financieele leven en liet er +zich geheel door meesleepen. + +Met een ijver, alsof hij een jonge man was, stelde Carsten Lövdahl +zich aan 't hoofd van een menigte nieuwe ondernemingen, die als +'t ware opgroeiden in zijn voetstappen--onder zijn handen, en die +plaats en werk gaven aan grooten en kleinen, die verdiensten en +welvaart in ruimen kring verspreidden. 't Groote vermogen van zijn +vrouw, dat hoofdzakelijk bestond uit buitenlandsche effecten en +geldswaardige papieren, deponeerde hij voor een groot gedeelte in +binnen- en buitenlandsche banken, waardoor hij gemakkelijk wissels +op anderen kon trekken, zonder al dadelijk in den beginne in ruime +mate van wissels op zijn naam geëndosseerd gebruik te maken. + +Als hoofddirecteur van de fabriek zond hij alle papieren uit, die +op het bedrijf betrekking hadden en deze "Fortunawissels"--zooals +zij in het kantoor genoemd werden--liepen met zijn eigene samen over +al de met hem bevriende handelshuizen, zoodat Abraham al, bij zijn +komst in de zaak, door het wisselboek een grootschen indruk van +'t werken van 't huis kreeg. 't Was intusschen niet alleen door +'t kantoor van Carsten Lövdahl, dat de wissels rijkelijk stroomden; +men zei dat geld gemakkelijk te krijgen was, maar men zag eigenlijk +niet waar het vandaan kwam. Wat men voor oogen zag was ook geen goud; +maar een massa snel circuleerende papieren, die als een stroom zich +vermeerderden en op hun smalle, driemaandelijksche coupons aller hoop +op inwisseling met zich omdroegen. In plaats van ingewisseld te worden, +werden ze telkens vernieuwd. + +Alles tierde in de stad; allen wilden meedoen en voor aller plannen +was er plaats. Wilde iemand naar Spitsbergen om zeldzame waterplanten +te zoeken of kopermijnen exploiteeren ergens aan 't eind van de +wereld in Dovrefjeld, stoombooten bouwen of bedehuizen, waterpompen +of een circus oprichten, men ging maar het imposante kantoor van +Lövdahl binnen, zette zijn plannen uiteen en noemde een paar namen, +dan was de vennootschap gevormd, een crediet geopend en een nieuw +wisselstroompje werd geboren, dat voortschuimde, zich met den grooten +stroom vereenigde en in de bewegelijke massa verdween. + +Mevrouw Christensen beleefde menig smartelijk uur; haar man ging +achteruit, dat was zonneklaar. Lövdahl vóór en Lövdahl na! en dan +achteraan kwam Christensen,--hij, die vroeger altijd de eerste +was. Maar de bankdirecteur zelf scheen er vrede meê te hebben, +dat hij de tweede in den kring geworden was; hij vormde geen +oppositie. En in de schoonste eendracht besliste de kring over alle +groote en kleine zaken in de stad, bestuurde alle vennootschappen en +"interessentskaber," bezette alle posten, bestuurde de banken, en +hielp zichzelf en zijn naaste betrekkingen en hield de menschen, die +er buiten moesten blijven, er buiten; verder dronken zij toasten op +elkaar en lieten hoera! voor zich roepen bij feestelijke gelegenheden. + +Als sieraad waren ook de ambtenaren in den kring opgenomen--hoog geacht +en gevleid; maar op hun manier versterkten zij ook het kapitaal in +leven en sterven--allen: de tolbeambte, de rechter, de notaris, die +de boedelscheiding behandelde en zelfs de predikant, die de lijkrede +houden moest. + +Verder was geld en niets anders dan geld de spil, waarom het heele +leven draaide, waarom allen zich vrijwillig rangschikten,--het eenige +wat iemand recht gaf zijn mond open te doen om een zelfstandige +overtuiging uit te spreken. + +Carsten Lövdahl leunde achterover in den breeden leunstoel en zag +met welbehagen rond in zijn kantoor. + +Nu kon hij met een glimlach terugdenken aan de tijden, dat hij in +zijn wetenschappelijken trots den handelsstand verachtte. Nu had +hij gevoeld hoe zoet het is macht over veel menschen te hebben. De +knielende aanbidding, waarmeê zijn geld en invloed hem nu overal +omringden, was een heel ander voedsel voor zijn ijdelheid dan de +koele wetenschappelijke waardeering, die vroeger zijn loon was. + +En dan was hij ook veel vrijer dan vroeger, hij behoefde niet +voorzichtig te zijn of op zich zelf te letten; hij behoefde niet bang +te zijn zich te verspreken; nergens lag er een nauwlettende critiek +op den loer; alles wat hij deed werd goed bevonden en verhoogde +de aanbidding. + +Hij had spoedig bemerkt, dat hij kon doen wat hij wilde--ja, dat een +zekere nonchalance tegenover kleinere collega's tot de voorrechten +van den kring behoorde. Carsten Lövdahl werd daarom ook spoedig +vrijgevig met beloften en wonderbaarlijk vergeetachtig; neerbuigend +en behulpzaam tegenover hen, die kropen, koel en uit de hoogte als +eigenmachtigheid zich op wilde werken. + +Zoo zat hij op een morgen tegen het eind van den winter; een lentestorm +uit het zuidwesten met stortregen ruischte door de stad en sloeg nu +en dan met kracht tegen de lindeboomen in den tuin van den professor, +waar de aarde zwart en zuur was van het sneeuwwater en waar de katten +met groote sprongen over 't grasveld stoven met de staarten in de +hoogte, om in huis te komen. + +De professor was wat zenuwachtig--bijna plechtig gestemd; zijn zoon +had hem juist laten zeggen, dat Clara zich onwel voelde. Dr. Bentzen, +de huisdokter van de jongelui boven, was ook in 't kantoor geweest +om den professor meê te deelen, dat de bevalling van de jonge mevrouw +aanstaande was. + +Lövdahl werkte verstrooid; keek op de klok boven den schoorsteenmantel, +voor den grooten spiegel, of richtte zich een beetje in den stoel op +en keek in den spiegel: hij zat graag zóó, dat hij zich zelf kon zien. + +Marcussen kondigde den bankdirecteur Christensen aan. + +De professor werd onaangenaam verrast. Wat wilde de bankdirecteur +toch vandaag? Ze waren pas--eergisteren--bij elkaar geweest op de +bestuursvergadering van de fabriek; 't ging niet heelemaal zoo goed +daar, als men verwacht had. + +De stemming was wat vreemd geweest. Kwam de bankdirecteur al vandaag, +in dit weer! En dan midden in zijn spanning over den uitslag van de +groote gebeurtenis boven bij de jongelui. + +"Goeden morgen--Mijnheer Christensen!--Gaat u uit in dien storm?" + +"Ik loop altijd met den wind in den rug, zooals Randolf zaliger placht +te zeggen." + +De bankdirecteur nam een stoel en ging heel bij den lessenaar zitten, +en scheen lang te willen blijven; hij was tot schertsen geneigd; +dat stond den professor ook niet aan. + +"Ik kom om met u te spreken over enkele dingen, de fabriek betreffende, +die ik--ten minste voorloopig--niet op een bestuursvergadering wil +aanroeren." + +"Ja, dat dacht ik wel;--Mijnheer Christensen schrikt gauw." + +"Ja zeker, al te gauw," antwoordde Christensen goedig; "maar ik ben +om zoo te zeggen opgegroeid tusschen wissels en papieren, en op die +manier wordt men niet, wat de professor een moedig man zou noemen." + +"Ik meen, dat men niet zoo maar zijn ervaringen aan een bank kan +overbrengen op een produktieve zaak als een fabriek." + +"Daar hebt u gelijk in--Professor, dat kan men niet," antwoordde +de bankdirecteur toestemmend; hij leunde achterover in zijn +stoel en streek zich over 't gezicht, ernstig en waardig met al de +zelfbewustheid, die hem eigen was, wanneer hij zich meester van den +toestand voelde. + +De professor voelde dat en hield zich even stijf en imponeerend +in zijn breeden leunstoel voor Fortuna, die hem half zwevende haar +krans reikte. + +Een oogenblik stilte--dat de storm vulde door zich met een waanzinnigen +wervelwind van de daken te storten en de naakte lindentakken te +zweepen zoodat dor loof, water en zand tegen de ruiten stoven. + +"'t Is geen uitlokkend reisweer," zuchtte de bankdirecteur. + +"Moet u op reis?" + +"Ik moet immers naar Carlsbad, zooals gewoonlijk." + +"Maar dat doet u toch nog vooreerst niet." + +"'t Zal niet zoo lang duren; want van 't jaar wil ik 't eerste +seizoen nemen, dat is niet zoo duur en ik denk wel, dat de meesten +van ons--groot en klein--zich voorloopig wat zullen moeten bekrimpen." + +"Dat geloof ik volstrekt niet," riep de professor levendig. "Lieve +hemel! wat moeten de menschen in deze vochtigen uithoek zich nog +verder ontzeggen. Hier zijn immers geen andere amusementen dan zich +een stuk in den kraag te drinken,--geen muziek, geen theater, geen +openbare vermakelijkheden. Neen, neen, laat ons toch niet meenen, dat +'t leven hier nog grijzer en treuriger worden zal; ik wil liever hopen, +dat de tegenwoordige opkomst van de stad zal leiden tot een lichter, +vroolijker leven voor groot en klein." + +"Ja, laat ons dat hopen--Professor. 't Doet goed u zoo vol vertrouwen +te hooren spreken; God geve, dat u gelijk hebt." + +"Maar zie u dan toch maar eens om u heen, Mijnheer Christensen, +hoe de eene onderneming na de andere op touw wordt gezet." + +"Die gaan nu niet allen even goed." + +"U bedoelt...?" + +"Ik bedoel b.v. dat onze fabriek in den loop van dit jaar +bedrijfskapitaal te kort komen zal." + +"Er is geen reden voor bezorgdheid. We hebben een zeer grooten +voorraad, waarvan de verkoop..." + +"waarvan de verkoop ons schade geven zal," viel de bankdirecteur hem +kalm in de rede; "en behalve dat hebt u aan de fabriek een aanzienlijk +voorschot gegeven; en al is u nu ook nog zoo'n geduldig crediteur--dat +geld moet toch vroeg of laat terugbetaald worden." + +"Mijn vertrouwen op Fortuna is onbeperkt," antwoordde de professor +met een handbeweging. + +"Dat is het zeker wel; maar als de fabriek haar schuld aan u had +afbetaald, was er zeker geen winst geweest verleden jaar." + +De professor maakte een ongeduldige beweging. 't Had hem moeite genoeg +gekost om met behulp van Marcussen een voordeelige balans voor de +fabriek in orde te maken; maar hij wilde liever zijn eigen geld wagen +dan bekennen, dat de fabriek onder zijn leiding slecht ging. + +"Ik denk wel, dat we op de eerstvolgende algemeene vergadering +genoodzaakt zullen zijn een vrij groote bijbetaling op de aandeelen +te vragen en dat zal zonder twijfel voor velen een moeilijkheid +zijn. Ik heb niet minder dan 15 aandeelen voor mijn rekening," +zuchtte de bankdirecteur. + +"Neen--nu moet ik werkelijk lachen!--vindt u, dat u te veel aandeelen +in Fortuna hebt?" + +"Wilt u er misschien vijf van koopen?" + +"Koopen?--nu, goed dan!--Ik koop vijf van uw aandeelen." + +"Wat geeft u er voor?" + +"Ik wil ze nemen voor wat u er voor betaald hebt, à pari." + +"Goed," zei de bankdirecteur. "Duizend gulden per aandeel. Wilt u er +soms meer hebben?" + +"U hebt zeker slecht geslapen, Mijnheer Christensen," lachte de +professor wat gedwongen. + +"Ik slaap nooit goed in 't voorjaar," antwoordde de andere droog en +stond op; 't scheen, dat hij zijn doel met dit bezoek bereikt had. + +Aan de deur zei de professor nog eens schertsend: "U moogt uw aandeelen +terugnemen als we a.s. jaar 10% winst uitbetalen." + +"Dank u zeer," antwoordde de bankdirecteur glimlachend en ging +heen door 't bijkantoor. Achter zijn hand keek hij ter sluiks over +alle lessenaars en tafels en snuffelde even, alsof hij met den neus +onderzocht of de lucht wel de echte onvervalschte goudgeur had. Maar +professor Lövdahl bleef in zijn leuningstoel achter en zag rond in +het kantoor, alsof hier binnen iets veranderd was. Alles stond op +zijn plaats. De klokwijzer was een kwartier verder gegaan,--dat was +alles. En toch scheen 't hem alsof er iets was bijgekomen, dat er +vroeger niet geweest was--of iets weggenomen. + +Dat was de eerste schaduw, die over zijn nieuwe leven trok; tot nu +toe was alles goed gegaan, allen hadden hem bewonderd met 't volste +vertrouwen; en nooit had hij zelf zich iets anders voorgesteld, dan +dat, als hij--Carsten Lövdahl--eerst zich verwaardigde koopman te +willen worden, dan moest hij--dat sprak van zelf--in alle opzichten +boven die halfbeschaafde groothandelaars staan, waar hij tusschen +leefde. + +Maar in dit oogenblik liepen zijn gedachten onwillekeurig en zonder +dat hij ze terughouden kon, over de meest wilde mogelijkheden van +verliezen... geruïneerd zijn... failliet gaan! + +Hij dacht opeens aan groote huizen, die plotseling in elkaar +gestort waren, fortuinen, die waren versmolten, rijke menschen met +leege handen--een zee van ongelukken, val, vernedering doken op als +herinneringen, die op een rij gingen staan en vooruitwezen als waren +ze profetieën. + +Hij rukte zich uit die gedachten los, veegde zijn voorhoofd af, +ging naar 't middenste venster en staarde naar beneden in den kalen, +ingesloten tuin, waar de storm huishield. + +Hij hoorde niet, dat iemand op het deurtje in de lambriseering klopte, +dat in den corridor uit kwam, waar een kleine wenteltrap naar de tweede +verdieping liep en een uitgang aan de achterzijde van 't huis was. + +Langs dien weg kwamen alleen schuwe smeekelingen en de intiemste +huisvrienden; en toen de professor eindelijk merkte, dat de deur +kraakte, terwijl die voorzichtig geopend werd, keerde hij zich snel +om en dacht in eens weer aan den toestand boven. + +Maar 't was geen boodschap van de jongelui. Maarten Kruse's dik lichaam +kwam voor den dag,--waardig, maar wat verlegen--in de lage deur. + +"Pardon, Professor!--ik maak gebruik van mijn kennis van uw huis, +die ik nog uit mijn jongensjaren heb; ik wilde niet graag de kantoren +doorgaan. Dr. Bentzen vertelde 't me; en toen meende ik, dat een +bezoek van den predikant misschien de familie eenigszins goed kon +doen; dit is immers een oogenblik--een gebeurtenis zoo verblijdend in +'t einde--dat willen we ten minste bidden en hopen." + +"Ik dank u, dominé,--dat is heel vriendelijk van u." + +"Hoe staat het er nu meê?" + +"Alles wijst er op, dat het normaal en goed verloopen zal;--maar +'t is toch altijd..." + +"Natuurlijk. Het is juist een oogenblik om te bidden en den Heer aan +te roepen." + +De kapelaan ging zitten in den stoel, waarvan de bankdirecteur zooeven +was opgestaan, en zat uit te blazen; hij was wat kortademig geworden +door tegen den storm in te loopen. + +De professor trok zijn gezicht in de rechte plooi voor een stichtelijk, +godsdienstig gesprek. Eigenlijk mocht hij dien dominé niet lijden; +er was iets dubbels, of iets halfs in hem; hij wist nooit hoe hem +aan te pakken. + +En de predikant scheen even erg in de war. 't Ging weer juist als de +laatste keer, toen hij hier kwam om over de aandeelen in Fortuna te +spreken. Vandaag was 't nu iets anders; maar de pauze werd lang en +de professor wilde even graag als toen een half godsdienstig gesprek +met dezen jongen theoloog vermijden. Hij legde 't eene been over 't +andere, zag van de godin van 't geluk naar den kapelaan en zei--zoo in +'t voorbijgaan: + +"Interesseert u zich nog voor onze fabriek, Mijnheer Kruse?" + +"Ja, Professor!--dat doe ik. Ik interesseer me zeer voor Fortuna." + +"Die is ook een zegen voor veel kleine burgers hier in de stad." + +"Zeker, zeker!" + +"En de aandeelhouders hebben zich waarlijk ook niet te beklagen." + +"Dat hoor ik! Er was verleden jaar een mooie winst." + +"En die wordt van 't jaar niet minder." + +Opeens kwam er een echte schachergeest over den professor. Hij begon te +vertellen en de zaken van de fabriek op te hemelen, tot de predikant +al levendiger en belangstellender werd en als in een roes kwam door +die groote getallen. En beiden schenen heelemaal de arme Mevrouw +Clara te vergeten, die daarboven lag. + +Eindelijk zei de predikant, terwijl hij een beweging naar zijn +borstzak maakte: + +"U hebt me verleden beloofd me te helpen met het plaatsen van geld, +als ik een beetje over had." + +Op datzelfde oogenblik kwam Marcussen binnen. De beide heeren aan den +lessenaar dachten dadelijk, dat hij een boodschap van boven brengen +kwam en hun gezicht veranderde van uitdrukking; maar het was enkel +een pak van den bankdirecteur Christensen. + +De professor maakte het open; 't waren de vijf aandeelen voorzien +van de formeele overschrijving. + +"Hij heeft haast," mompelde de professor geërgerd. + +"De bode wacht," zei Marcussen. + +"Waar wacht de bode op?" + +Marcussen fluisterde: "Ik geloof dat hij iets van contant geld zei." + +De professor week achteruit: "Nu dadelijk! na banktijd?--wat zijn dat +voor praatjes!--Maar wacht Marcussen, laat de bode even gaan zitten." + +Marcussen ging heen, en de professor wierp de aandeelbewijzen +nonchalant voor zich neer en leunde achterover om het gesprek +voort te zetten. De oogen van den predikant weken niet van de mooi +geïllustreerde papieren, waarop een geluksgodin met een krans stond, +die precies op 't beeldje op den inktkoker leek. + +De professor liet hem den tijd; en eindelijk zei de andere: + +"Zijn dat aandeelen in de fabriek?" + +"Ja, dat zijn een paar aandeelen, die mijn vriend Christensen mij +gelaten heeft." + +"Verkoopt hij ze dan?" vroeg Kruse voorzichtig. + +"Neen, verre van daar! 't was een oude afrekening, een liquidatie, +eigenlijk een soort vriendelijkheid." + +"Voor welken prijs heeft de professor ze overgenomen?" + +"Ik weet het waarlijk op 't oogenblik niet. We zullen 't Marcussen +vragen." + +Maar de predikant hield zijn hand terug, die reeds bij de schel was: +"'t Komt er niet zoo veel op aan; zij staan wel een heel eind boven +pari." + +"Ja, natuurlijk," antwoordde de professor en boog zich ver achter den +lessenaar, alsof hij iets van den grond opnam; hij voelde het bloed +naar de wangen stijgen; 't was voor 't eerst, dat hij een zaak als +deze probeerde. + +De predikant had de aandeelbewijzen open geslagen en streek ze glad +met zijn dikke hand. + +"Mooie papieren," zei hij glimlachend. "Was het niet 7 procent +verleden jaar?" + +"Ja, voorzoover ik me herinneren kan; maar... een idee! dominé!" riep +de professor vroolijk, "neem u ze! 't zijn juist stukken voor u; +hebt u er lust in--als 't u belieft!... vijf stuks." + +"Wilt u ze verkoopen, Professor!" + +"Ik wil mijn belofte houden: u te helpen." + +"O dank u, dank u; als ze niet te duur zijn." + +"Och, daar worden we 't wel over eens," meende de professor. Hij +keek aldoor voor zich neer in de la, die hij half uitgetrokken had +en deed alsof hij ergens naar zocht. Maar in werkelijkheid klopten +zijn polsen en slapen; hij aarzelde en was onzeker. 't Was voor +'t eerst, dat hij koopman in 't klein zou zijn; hij voelde hoe de +grenzen tusschen goed en kwaad in elkaar liepen--de grenzen, tusschen +dat wat voluit eerlijk en wat een beetje schurkachtig was. + +Maar hoe kort die aanval van schrik en bange voorgevoelens na het +bezoek van den bankdirecteur Christensen ook geduurd had, toch had die +iets achtergelaten, een herinnering--een richting aan zijn gedachten +gevend, die zij te voren nog niet gevolgd hadden. + +Nu hij eenmaal koopman was, moest hij 't ook heelemaal zijn. 't Ging +niet aan de fijngevoelige man van wetenschap te spelen, als men tegen +Christensen en consorten op wou werken. In die dubbelheid lag juist het +gevaar; dáár vooral moest hij zich voor wachten. En bovendien--op deze +zaak was niets te zeggen. Hij voor zich twijfelde niet aan Fortuna, +en kon hij 't eene oogenblik een waar koopen en die in 't volgende wat +duurder verkoopen--dat was immers 't principe van den handel,--volkomen +"fair play". Hij zei daarom eindelijk op een kalmen, welwillenden toon: + +"Ik wil u deze vijf aandeelen laten voor een duizend en vijftig gulden +per aandeel; dat is vijf procent boven 't betaalde bedrag." + +"Staan ze niet hooger?" + +De professor voelde dadelijk, dat hij dom geweest was; hij had veel +meer kunnen vragen; maar hij antwoordde: + +"Ik geloof wel, dat als men de aandeelen van Fortuna aan de markt +bracht, het blijken zou, dat ze hooger staan; maar..." + +"Dank u wel!--ik begrijp u; dat is heel vriendelijk van u." Op 't +gezicht van Maarten Kruse kwam bijna een glimlach, terwijl hij in +zijn borstzak greep en zijn portefeuille voor den dag haalde. + +"Wel, dat mag ik graag zien," riep de professor, "een contante post." + +En terwijl hij met officieele langzaamheid ieder aandeelbewijs van +zijn handteekening voor overschrijving voorzag, telde Maarten de +vijfduizend gulden even langzaam op in groote bankbiljetten, daarna +het overige in kleine biljetten te samen f 5250. + +De professor kon zien, dat er nog meer in de portefeuille was en +toen hij het geld onder een presse-papier had gelegd en den ander de +aandeelbewijzen overhandigd had, zei hij: + +"U hebt zeker een groot gedeelte van 't vermogen van uw vrouw in de +zaak van Mijnheer uw vader gestoken?" + +"Neen,--Vader zegt, dat dit niet voor zijn zaken past." + +"Dat kan ik me wel begrijpen," lachte de professor, "Jörgen Kruse +heeft zeker geld genoeg." + +"Denkt u dat?" + +"Uw vader is zeker heel rijk; maar hij moest eigenlijk twee maal +zooveel hebben." + +"Hoe dat?" + +"Hij kon immers door zijn geld in nieuwe ondernemingen te steken +en met ondernemende menschen samen te werken, zonder twijfel zijn +inkomen verdubbelen." + +"Meent u dat werkelijk?" + +Maarten herkauwde deze woorden van den professor nog terwijl hij zijn +jas toeknoopte en afscheid nam. + +Maar toen zij de kleine deur, die op de trap uitkwam, open deden, +klonk een scherpe, snijdende gil door het huis. + +Beide heeren bleven staan en keken elkaar verlegen aan, heel beschaamd +toen ze aan dit gesprek dachten, dat zoo vroom begon en met geld en +procenten eindigde,--vooral de predikant. Hij begon te kuchen en te +stotteren zonder iets te kunnen uitbrengen. + +Maar de professor als de oudste, kreeg het eerst zijn plechtige stem +weer terug: "Nu er nog geen boodschap van boven gekomen is, willen +we maar hopen, dat alles goed gaat: we moeten wachten en hopen." + +"Juist wat ik dacht; we moeten hopen--hopen en bidden," zei de +predikant en stak zijn hand uit; en 't was hun beiden, terwijl +ze elkaar in de oogen zagen een zekere voldoening te zien, dat ze +wederkeerig elkaar deze kleine menschelijke zwakheid vergaven. + +Zoodra hij weg was, stak de professor de vijfduizend gulden in een +couvert, verzegelde het met zijn particulier signet en drukte op den +knop voor de electrische bel. + +"Marcussen--geef dezen brief aan de bode van Christensen." + +Daarop nam hij de tweehonderdvijftig gulden, telde ze en borg ze +zorgvuldig in zijn eigen portemonnaie. Hij glimlachte, ja hij lachte +bij de gedachte aan dien voorzichtigen Christensen; die zijn aandeelen +à pari had gekocht; hier had hij in een half uur tweehonderdvijftig +gulden op diezelfde papieren verdiend. + +Och ja! Carsten Lövdahl kon wel tegen hen allen op, als hij maar +wilde. Rustig en tevreden liet hij zijn oogen door de kamer gaan, begon +bij de vensters, waar de regen in den verwaaiden tuin neerstriemde, +en eindigde bij de godin van 't geluk, die hem half zwevend haar +krans toereikte. + +Op 't zelfde oogenblik hoorde hij snelle voetstappen den wenteltrap +afstormen; hij stond op in angst en spanning; Abraham kwam +binnenstuiven--bleek, met 't gezicht van aandoening vertrokken. De +tranen liepen hem over de wangen, zonder dat hij 't zelf wist. Hij +wierp zich in de armen van zijn vader: + +"Een zoon--Vader! alles gelukkig afgeloopen, een heerlijke, flinke +jongen!" + +"Ik feliciteer je, mijn jongen, ik feliciteer ons allen. God zij +geloofd!" + + + + + + +VIII. + + +De lente kwam vroeg, maar langzaam; 't was nog vrij koud 's morgens +als Abraham naar de fabriek ging. + +Maar de lucht was frisch en licht en 't was een gelukkige tijd voor +hem. Terwijl Clara ziek was,--en dat duurde lang,--woonde hij in zijn +zoogenaamd kantoor, waar zijn vaders boeken stonden; hij at beneden +bij den professor of ergens anders en had het vrije leven van een +ongetrouwd man, wat hij zeer aangenaam vond. + +Zijn vrouw zag hij daarentegen weinig; ze vond het niet prettig als +hij kwam. Clara was veranderd, ze was nadenkend geworden en lag liefst +heel stil. + +Ze had vreeselijk geleden; haar fijn, weinig ontwikkeld lichaam +was zoo mishandeld geworden en ze dacht, dat ze nooit weer geheel +herstellen zou. + +En dàt was het, waar ze aan lag te denken. Als ze zich herinnerde wat +ze doorgemaakt had, voelde ze een rilling langs haar rug gaan tot in +de punten van de teenen toe, en als ze in een onrustigen slaap viel, +richtte ze zich met een schok op en meende, dat het weer van voren +af aan beginnen zou. Verscheiden keer per dag vroeg ze of het zeker +was, dat ze weer als vroeger worden zou--heelemaal? Alle mogelijke +maatregelen en de grootste voorzichtigheid paste ze gehoorzaam +en geduldig toe en dacht er aan als de dokter of de baker wat +vergaten. Over haar gezicht was ze gerust, als ze vermoeid den +handspiegel neêrlegde: de huid was zelfs blanker geworden. + +In de eerste dagen bekommerde Mevrouw Clara zich niet zooveel om +haar kind. + +"Ze is te jong; wacht maar," zei de baker. + +Maar zij kon bijna niet verdragen den vader te zien. Als hij zijn +gezicht vertoonde, achter het gordijn, glimlachend en overgelukkig, +maakte zij een ongeduldige beweging en verzocht hem heen te gaan. Ze +was zoo moe. + +En hij ging zingende heen naar zijn fabriek, nadat hij zijn oogen +had verlustigd met dat kleine geelachtig gerimpelde propje, dat in +de wieg lag. Daar buiten onder 't volk was hij 't best op zijn plaats. + +Marcussen was onontbeerlijk op het kantoor in de stad, zoodat het +dagelijksch toezicht op het bedrijf op Abraham rustte; dat deed hij +ook het liefst. Kantoorwerk was hem nog altijd vreemd gebleven. + +Maar van 't eene werk naar het andere te gaan, met 't volk te praten, +naar vrouw en kinderen te vragen, en vooral een beetje dokter te +spelen--dat was juist een werkje voor Abraham. Hij was zoo blij als +hij hen mocht helpen in ziekte en bij ongelukken. Maar het moest een +beetje in 't verborgen gaan, want Dr. Bentzen was de dokter van de +onderneming. Intusschen begrepen de arbeiders spoedig, dat het de +ambitie van den jongen Lövdahl was een even goed dokter te zijn als +Bentzen, en ze vonden gauw uit, dat hij beter was. In dezen tijd, toen +de vadervreugde hem zoo licht om het hart maakte en zijn gedachten +zoozeer innam, voelde hij minder behoefte om Greta te bezoeken; en +zij miste hem ook minder, nadat men haar verteld had, dat Mevrouw +Lövdahl een zoon gekregen had. Abraham sprak er niet over, want hij +had een gevoel alsof het haar hinderen zou; maar hij merkte duidelijk, +dat zij het wist. + +Greta was ook niet ontwikkeld als andere jonge meisjes; het onvaste +en overdrevene in haar vaders karakter had ook haar kennis van 't +leven onvast en grillig gemaakt; maar nu was ze zelf volwassen; ze +wist ongeveer wat er met Mevrouw Clara gebeurd was en daarna voelde +ze minder vreugde als Abraham kwam. + +Greta Steffensen had van haar vader geleerd, dat het leven een bloedige +onrechtvaardigheid is; dat eenigen mogen genieten en millioenen +lijden. Als hij goed aan den gang was kon ze gloeien van ergernis of +stroomden de tranen uit haar oogen. + +Maar zij had het goed wat haarzelf betrof. Met al zijn gebulder was +Steffensen in den grond teer voor haar; alle menschen hadden haar +altijd zacht gestreeld en "arme Grete," gezegd, op een manier, die +haar goed deed. + +Zij kon niet zien--dat was waar; 't moest iets wonderlijks zijn, +dat licht, dat 's morgens kwam, en dat ze aan haar open oogen voelen +kon. Maar lieve hemel! zij had het zoo goed in andere opzichten. + +Zoo was het leven tot nu toe voor haar voorbij gegaan: geregeld werk +en een opgeruimd gemoed hadden er haar boven op gehouden; nu was ze +bijna negentien jaar en begon sterker te worden. + +Maar nu was 't alsof alles stil stond. Dat kind, dat die vreemde dame +ter wereld gebracht had, en dat Abrahams stem van vreugde deed trillen +hoewel hij er nooit over sprak,--dat kind veranderde heel het leven +voor Greta Steffensen. + +Wat haar vader haar had uitgelegd, dat zij, die blind was, geen kind +kon verzorgen, klonk haar nu als dom gepraat. Zou zij haar kind niet +kunnen verzorgen--zijn kind! Ach--dat zou ze geen oogenblik alleen +laten; zij zou het zoo vast--zoo vast houden!--en ze drukte haar +hoofdkussen tegen haar warme borst in slapelooze nachten, die vol +tranen en halfbewuste ellende waren over die jeugd, die verdorren +moest--die liefde, die verwelken zou, zonder iemand tot vreugde +te zijn. + +De onrust in zijn huis had ook dit gevolg voor Abraham, dat hij +meer tijd kreeg om zijn vrienden onder de ongetrouwde jongelui +te bezoeken. Hij bracht vooral vaak zijn avonden bij Peter Kruse +door. Wel was er een groot verschil in leeftijd tusschen hen; maar +Kruse was een gemoedelijke kerel; je dacht nooit aan zijn ouderdom. + +"Dat is toch niet waar!" riep daarom Abraham op een dag uit, "je bent +toch nog geen veertig!" + +"Ik ben waarempel al vijf en veertig," antwoordde Kruse kalm en streek +over zijn dun haar. + +"Dat zou ik nooit gedacht hebben. Je moeder is toch nog zoo oud niet." + +"Ja, zie je... ik kwam ook tamelijk vroeg op de wereld," antwoordde +Kruse glimlachend. "En vrouwen houden zich ook langer goed." + +"Och welneen! Vrouwen worden veel gauwer oud." + +"Ja, enkelen; maar kijk nu b.v. eens naar Mevrouw Gottwald." + +"Mevrouw Gottwald!" riep Abraham, "zij ziet er toch even oud uit +als jij." + +"Och--onzin, kinderpraat!" stoof Kruse plotseling op. "Mevrouw Gottwald +ziet er waarachtig even jong uit als je vrouw." + +Abraham wou grappig zijn, liet de pijp uit den mond vallen, sperde +de oogen wijd open en riep: + +"Brand!--brand in een oud huis!" + +Maar toen werd de goede Peter Kruse heelemaal wanhopend; hij knorde +en vloekte een paar maal geweldig. + +Hij was inwoner geworden bij Mevrouw Gottwald en woonde boven in +de drie kleine kamers. Waarom hij van huis was weggegaan, waar zijn +moeder hem zoo graag had willen houden wist niemand met zekerheid; +maar Abraham leidde uit enkele woorden af, dat Maarten op een of +andere manier schuld aan deze verhuizing had. + +Over zijn broeder Maarten sprak Peter Kruse niet graag; daarentegen +had hij 't druk over zijn gastvrouw, en Abraham had ieder oogenblik +aanleiding om: "Brand!" te roepen. + +"Och, schei nu uit," zei Kruse uit de hoogte. "Je ben heelemaal +niet grappig." + +"Ja, maar je vindt dus--in ernst, dat ze jong, mooi en rijk is--ja, +want ze is wel rijk ook." + +"Neen, rijk geloof ik toch niet, dat ze is," zei Kruse goedig, +"maar ze heeft wel een spaarbankboekje met een paar honderd kronen." + +"Hoe weet je dat?" + +"Ik heb het boekje gezien." + +"Kijk eens hier!--dus jelui ben al aan de geldquæstie toegekomen." + +"Ja, zooals je ziet; maar weet je wat ze met dat geld doen wil?" + +"Vermoedelijk voor jou een nieuwe pruik koopen." + +"Neen--wees nu eens even ernstig! Stel je voor: ze heeft 't vaste plan +een mooi monument op te richten op het kerkhof voor haar zoon;--je +weet immers, dat ze een zoon had?--hm! je kent die geschiedenis wel?" + +Ja, Abraham wist het wel; hij voelde een steek in het hart, zooals +altijd als hij aan den kleinen trouwen Marius dacht en de bouquet, die +hij eens gekregen had. Hij werd opeens ernstig genoeg en luisterde maar +half naar Kruse, die doorging met het bespreken van Mevrouw Gottwalds +aangelegenheden, die hem blijkbaar in hooge mate interesseerden. + +Abraham stond op om heen te gaan; 't was nog vroeg in den avond. De +zon stond laag in 't westen en scheen onder de laatste zware wolken +door, die na een regendag naar 't zuiden dreven. Hij kreeg lust naar +Greta te gaan; ze zag zoo bleek toen hij 't laatste bij haar was. + +Peter Kruse ging meê om wat frissche lucht te scheppen en terwijl ze +voortliepen, zei hij: + +"Ik begrijp niet, Lövdahl, dat je dien Steffensen kunt uitstaan." + +"Hij is vermakelijk; er zijn werkelijk veel wonderlijke ideeën in +zijn hoofd." + +"Een fraseur, een oude gek!" + +"Voor een eenvoudige arbeider, vind ik toch..." + +"Een arbeider! zeg je. Verbeeldt je je misschien, dat een arbeider in +dezen tijd met zulke holle praatjes aankomt? Neen, zie je, Steffensen +kan wel goed genoeg geweest zijn in zijn jeugd, tien à twintig jaar +geleden; toen waren menschen als hij noodig om de arbeiders wakker te +schudden met groote woorden en goed klinkende zinwendingen. Maar de +arbeiders van heden zijn wakker en vrij wat meer ontwikkeld; daarom +loopt Steffensen rond als een oude schreeuwer. Je ziet zelf wel, +dat hij niet den minsten invloed onder 't volk heeft." + +"Ze begrijpen hem niet." + +"Ja, òf ze. Ze doorzien hem en lachen om hem. Er zijn vrij wat +meer solide eigenschappen noodig om vertrouwen en invloed onder onze +arbeiders te winnen; zij zijn waarachtig verder gekomen dan de meesten +van ons weten." + +"Hoor eens Kruse!" zei Abraham en lachte. "Nu zijn we onder vier oogen +en je weet, dat ik 't over 't geheel met je eens ben wat de meeste van +je nieuwe ideeën betreft. Maar zeg me nu eens eerlijk: Geloof je niet, +dat je in je haat tegen de steunpilaren van de maatschappij geneigd +ben je lieve kleine burgers wat te veel in de hoogte te steken?" + +"Ik geloof alleen wat ik weet. En dat is, dat in dit land de bovenste +lagen van de maatschappij een paar geslachten stil gestaan hebben, +terwijl een heel nieuwe levensbeschouwing de kamers van de denkers +en boekengeleerden heeft verlaten, om in de maatschappij van onder +op door te dringen als een levende stroom van bruikbare kennis van +'t leven, zooals het in werkelijkheid is." + +"Waarom alleen van onder op?" + +"Omdat de tijd de steunpilaren van de maatschappij angstig maakt. Hun +pers heeft hun zoolang de ooren vol gepraat over anarchie en de +heerschappij van 't gepeupel, dat als je maar komt met een klein +voorstel van politieke vrijheid of invloed van 't volk, ze dadelijk +meenen, dat er sprake is van hun geld te deelen en hun vrouwen en +kinderen prijs te geven. Maar op die manier, dat begrijp je wel, +leeren die menschen niets ter wereld." + +Abraham lachte. + +"Maar je kleine burgers dan! Wat leeren die?" + +"Ten eerste lezen ze niet de couranten van de steunpilaren der +maatschappij, waarin de heele wereld op den kop gezet wordt in usum +Delphini, doode gedachten met versche scheldwoorden opgedischt; een +wegdoezelen van de werkelijke trekken van den tijd en een dagelijksch +herhalen van de oude oer-waarheden, dat er schurken in Amerika wonen +en "communards" in Parijs, de wijsheid in Christiania en de deugd in +Stockholm;--dàt lezen ze niet." + +"Dat is altijd iets," meende Abraham. + +"Ja zeker--dat is nog niet zoo weinig!--Maar zij lezen, waar bijna +niemand van ons aan denkt,--zij lezen en herlezen duizende brieven, +die ons elk jaar toestroomen van de Noren in Amerika. Zie je, dat is +een bron van ontwikkeling beter dan alle couranten en boeken. Want +daar leert het volk voor 't eerst van zijn eigen familie, in zijn +eigen taal, uit zijn eigen gedachtenkring--het eenigste wat een +mensch door en door begrijpen kan. En denk eens aan al die kritiek, +die in die brieven ligt over al onze toestanden van onder tot boven, +heldere, gemakkelijk te begrijpen oordeelvellingen en vergelijkingen +van neven en nichten of van Oom Lars, die zoo geloofwaardig was en +die allen kennen." + +Abraham liet hem uitspreken en antwoordde maar met enkele woorden; +hij was in zekeren zin welsprekend--Kruse, als hij aan den gang kwam; +en er was veel in wat hij zei, wat Abraham bewonderde. + +Maar zich geheel bij hem en zijn opvattingen aansluiten, dat kon +Abraham niet. Hij vond als 't ware geen waarborg in die kleine, +radicale rechtsgeleerde, die hij al van zijn jongensjaren af had +leeren beschouwen als een gevaarlijk, half verachtelijk mensch. + +Toen ze afscheid namen voor het huis van Steffensen spraken ze af +elkaar te ontmoeten in de arbeidersvereeniging, waar Abraham na het +feest veel vertrouwen en de plaats als vice-president verworven had. + +Terwijl Kruse verder ging en zijn toespraak in zich zelf voortzette, +trad Abraham het kamertje binnen, waar hij Greta op haar gewone plaats +midden in haar werk vond. + +"Je ziet zoo bleek, Grete! voel je je niet beter?" + +"Ja, dank je, veel beter; je medicijn smaakt niet lekker, maar ik vind, +dat ik er sterker van word." + +"'t Is zeker wat bitter." + +"Och dat hindert niet; kom, ga zitten." + +"Je ben niet wel--Grete." + +"Ja zeker, hoor je. Scheid nu maar uit." + +"Ach, ik wou..." + +"Wat wou je?" + +"Als ik je alles zou vertellen, wat ik graag wou--Grete! dan werd +'t een lang verhaal." + +"Vertel maar en laat het maar goed lang worden." + +"Allereerst zou ik zoo'n vaste hand willen hebben als Vader had in zijn +allerbesten tijd; en dan wou ik voorspoed en moed hebben--voorspoed +vooral..." + +"En dan?" + +"Ja--dat kan ik niet vertellen." + +"Neen, nu moet ik wel lachen!--dat zijn de domste wenschen, die ik +ooit gehoord heb; maar meer--nog meer domme wenschen!" + +"Dan wou ik, dat ik op een stoomschip was." + +"Och ja! wie moest er meegaan." + +"Veel, heel veel menschen! Alle arbeiders op Fortuna." + +"Wie nog meer?" + +"Jij moest meegaan." + +"Wie nog meer?" + +"Je vader." + +"Wie nog meer?" + +"Mijn vader." + +"Wie nog meer?" + +"Wil je nog meer meêhebben, Grete?" + +"Wil je niet nog iemand meêhebben, Abraham?" + +"Ik weet het niet." + +"Nu zeg je de waarheid niet." + +"Welnu, nog één dan." + +"Maar één?" + +"Maar één!" + +"Een heel kleintje?" + +"Ja zeker, en dan moesten we..." + +"Niemand meer, wel?" + +"Neen, kind! nu zijn we dan aan boord; 't is niet zoo'n vreeselijk +groot schip; maar dan moesten we ver weg reizen." + +"Maar dan vielen alle anderen in 't water behalve wij beiden, neen--wij +tweeën, neen wij drieën, niet waar, Abraham." + +"Ja, als jij 't beter kunt dan ik, dan is 't maar beter, dat jij +wenscht." + +Zoo liep hun gesprek, maar plotseling hoorden zij geraas; dat was +Steffensen, die thuis kwam. De deur vloog open door een schop en +een pak met olie bevlekte linnen kleeren vloog naar binnen, daarop +een kist met werktuigen en eindelijk Steffensen zelf,--vuurrood, +de handen diep in de zak, met uitpuilende oogen, maar stil,--stil +als een kanon, vóór het afgaat. + +Greta liet haar werk los en greep Abrahams arm. + +"Vader!--u is ontslagen." + +"Ja!"--'t eerste schot bulderde los, "ik ben ontslagen binnentijds, +op een verachtelijke manier. Steffensen, die uitdrukkelijk van uit +Christiania hierheen geroepen is om met die lorrige machines te werken, +waar niemand hier begrip van had--mij hebben ze er uit gesmeten! Maar +dat alles was nog zoo erg niet. Ik weet immers wel wat het lot van +een gewoon arbeider is, en ik ken de bloedzuigers wel;--er was niets +beters te verwachten; maar één ding brandt me in mijn ziel! Weet je +waarom ik ontslagen ben--Greta!" + +Hij ging vlak voor hen beide staan. En eerst toen drong het tot hem +door--hevig bewogen als hij was, wie Abraham was. + +"Ja kijk! daar heb je nou een van de hooge heeren. Wat zegt u er +van? Hij kan 't je vertellen. Vraag 't hem maar, Greta!--dan kun je +hooren wat er aan je vader mankeert." + +"Ik weet hier niets van, Steffensen! en ik kan eigenlijk niet gelooven, +dat het mogelijk is," antwoordde Abraham. Hij zelf was bleek geworden +en hij voelde zijn drift opkomen, omdat de directie, of zijn vader +dit toch gedaan had zonder er hem over te raadplegen. + +"Nu als u dan niets weet, dan zult u en de anderen 't hooren, voor den +duivel! Ik ben weggejaagd zonder behoorlijke opzegging van te voren +en zonder dat ze zich de moeite geven, een voorwendsel te zoeken, +ze hebben me ronduit gezegd, dat 't was om oneerbiedig optreden--hoor +jelui!--wat zegt u daarvan?" + +De man werd vuurrood en 't was alsof hem de oogen uit 't hoofd +zouden springen: "Stel je voor! eerst moet je verdragen, dat ze alles +bezitten, de aarde hier en de hemel hiernamaals--tot die vervloekte +machines toe, waar je op loopt te passen zoo zorgvuldig alsof 't je +eigen vleesch en bloed was en dan willen ze nog, dat je ze eerbiedigen +zult!--En wie--Marcussen--dat zwijn--Lövdahl!..." + +"Stil, Vader!" + +"Hoor eens Steffensen!" zei Abraham en stond op. "Ik ben 't met je +eens. Dit is absoluut onverantwoordelijk van de directie en ik geef +er je mijn woord op, dat je volkomen in je eer hersteld zult worden." + +Die woorden brachten Steffensen in de war; maar Greta riep blij: + +"Ziet u wel, Vader! kom nu bij ons en wees kalm, u hoort, dat de +directeur alles in orde brengen zal." + +Steffensen scheen 't meest geneigd er weer op los te bulderen; maar +hij kwam onder den indruk van de vastheid, die over de houding van +den jongen directeur gekomen was, en toen Abraham was heengegaan, +bromde de oude: + +"Misschien zit er toch wel wat in dien jongen." + +"Ziet u wel!" riep Greta zegevierend. "U, die altijd gezegd hebt, +dat hij precies als de anderen was." + +Steffensen zag haar aan en zei: "Als je nu toch eens teleurgesteld +werd, Greta." + +"Ja, dan moest ik maar sterven," zei ze zacht. + +Maar Abraham liep met stormpas de stad in. Nu zou hij met allen +afrekenen. De directie moest bijeenkomen. Hij was niet bang. Hij +wilde vrijuit spreken. Ze zouden niet zeggen van de fabriek waar hij +directeur was, dat bekwame menschen werden weggejaagd, omdat ze op +een feest woorden spraken, die de groote lui niet aanstonden. + +Maar eerst zou de slag geleverd worden tusschen zijn vader en hem. Er +was toch een grens aan den kinderlijken eerbied; hij wilde zijn recht +als volwassene eischen. Hoe uitstekend zijn vader in alle opzichten ook +was--'t viel toch niet te ontkennen, dat hij door dit leven tusschen +al die geldmenschen niet weinig was veranderd. + +Ook dat wilde Abraham hem zeggen--open en eerlijk, zonder heftigheid, +en overigens er op staan, dat Steffensen zijn plaats behield en in +zijn eer hersteld werd. + +Hij liep zijn toespraak aan zijn vader in te studeeren en toen hij +in de stad kwam, had hij die klaar; hij zou zóó beginnen: "Vader! ik +kom mijn recht eischen als volwassene." + +De professor was niet thuis en dadelijk kwam bij Abraham de verdenking +op, dat zijn vader op zijn komst was voorbereid en zich aan zijn eerste +heftigheid wilde onttrekken; want zij hadden zoo vaak over Steffensen +gesproken, dat de professor weten moest, dat dit Abraham krenken zou. + +'t Dienstmeisje zei, dat de professor boven was. Abraham ging de +trap op: nu werd het erger: hij moest de verklaring uitlokken in +zijn eigen kamer, waar het stil moest gehouden worden voor de zieke, +en waar de feestelijke rust om den jong-geborene heen 't moeielijker +maakte harde en scherpe woorden te gebruiken. + +Maar dat hielp niet; nu moest het gebeuren; hij zou ze nu eens toonen, +dat hij moed en wilskracht had als 't er op aan kwam. + +In de voorkamer lag een vreemde hoed en stok, maar hij dacht er niet +over na en ging met vaste schreden de huiskamer binnen. + +Hier kwam zijn vader hem te gemoet uit de slaapkamer. De professor +hief de hand op en wilde iets zeggen; maar Abraham begon dadelijk, +met gedempte stem, maar ernstig: + +"Vader, ik kom om mijn recht..." + +"Stil, stil, in Gods naam--mijn jongen. Praat zoo hard niet," +fluisterde de professor en duwde hem de kamer weer uit in de voorkamer. + +"Ik zal kalm zijn, Vader en zacht spreken; maar nu moet u me +aanhooren." + +"Ja, ja lieve Abraham, maar op dit oogenblik..." + +"Ik kan niet langer wachten, Vader." + +"Maar Bentzen is daar alleen." + +"De dokter!"--Abraham herinnerde zich opeens dien vreemden hoed. "Wat +doet hij hier?" + +"Ik had je een boodschap willen sturen, maar ik wist niet waar je was." + +"Maar mijn God!" riep Abraham; "wat is er dan? Is Clara ziek?" + +"Neen, neen. Clara neemt het kalmer op dan ik dacht." + +"Maar wat is er dan, Vader? Zeg het dan!" + +"Ik dacht, dat 't meisje het je gezegd had. 't Begon zoo, dat hij..." + +"Hij!--kleine Carsten? Vader!--Vader, 't zijn toch geen stuipen?" + +"Neen, mijn jongen. Stuipen zijn 't niet; dat wil zeggen..." + +"U is er niet zeker van!--o Vader, laat me bij hem!" + +"Neen, neen.--Wees nu kalm!--Ik zal naar binnen gaan. Mogelijk is +'t alleen maar wat koorts." + +"Ja, ga u naar binnen, Vader.--Gauw! en vertel u me wat het is. Groote +God! Als we hem moesten verliezen!" + +Hij stond voor het venster, terwijl zijn vader in de slaapkamer +was. Hij stond in de oude ingesloten tuin te kijken, waar hij als kind +had gespeeld; 't grasveld werd groen en de knoppen van de lindeboomen +zwollen op. + +Maar geen herinnering, geen gedachte kon plaats vinden in zijn +hoofd--behalve dat ééne verschrikkelijke, wat in zijn licht bewogen +fantaisie van een akelig voorgevoel aangroeide tot een halve +zekerheid: 't zou zoo moeten zijn: hij zou hem verliezen. Niets was +waarschijnlijker; zwak en buitengewoon klein was de jongen, en met +moeite was hij ter wereld gekomen. Stierven niet gezonde en normale +kinderen bij massa's op dien leeftijd? Neen--er was geen hoop. Hij +voelde 't zoo duidelijk. + +'t Dienstmeisje kwam uit de keuken om te zeggen dat 't water nu +warm was en de professor kwam uit de slaapkamer om 't bad in orde te +maken. Terwijl hij Abraham voorbijging zei hij geruststellend: + +"'t Wordt beter." + +Maar Abraham geloofde 't niet; en de tijd ging voorbij. In de keuken +hoorde hij water in de badkuip schenken; maar binnen bij kleine Carsten +was alles stil. Geen enkel geluid, dat hoop gaf. Dr. Bentzen kwam de +kamer uit. + +"Nu, dokter?"--Abraham dacht, dat alles voorbij was. + +"O, 't gaat goed, heel goed," antwoordde de dokter; en toen 't +dienstmeisje en de professor op 't zelfde oogenblik met de kleine +badkuip van 't kind kwamen aandragen, zei hij: "Ik geloof niet, dat +het bad noodig is--Lövdahl. De pols is nu vrij normaal; wat zwak; +maar verder is 't kind volkomen rustig." + +Beide doktoren gingen naar binnen, en Abraham bleef voor de dampende +badkuip staan en luisterde. Hij durfde nog niet hopen:--de pols was +zwak, had de dokter gezegd. + +Na een lange, lange poos kwamen de twee heeren terug; zij slopen zacht +voort en hielden de deurknop vast; Abraham keerde zich naar hen toe +met een vraag in elken trek van zijn angstig vertrokken gezicht. + +"Hij slaapt; alle gevaar is voorbij," fluisterde de professor. + +Abraham wierp zich in zijn armen en barstte in schreien uit, zoodat +ze hem verder weg moesten brengen. + +Toen hij weer eenigszins in evenwicht gekomen was, zei Dr. Bentzen, +die zich verkwikte met een glas portwijn: + +"Ik zal je wat in vertrouwen zeggen,--mijn beste Abraham! Als we +grootvader worden, dan worden we heel angstig; vooral als het een +kleinzoontje geldt, dat onzen hooggeachten naam dragen zal." + +"Ja, achterna kun je wel moedig zijn," meende de professor. + +"Ach! je hadt me waarachtig wel met rust kunnen laten op de club, +Professor! 't Heele geval was niets anders dan een beetje koorts en +dan misschien een beetje maagpijn." Daarop dronk hij zijn glas uit +en nam afscheid. + +Zij gingen met hem meê naar beneden en bleven een oogenblik op de +stoep staan. 't Was laat geworden. De straat was leeg en stil, de +avond mooi en zacht na den regen, en allen voelden zich min of meer +verlicht na al die gemoedsbewegingen. + +Maar eindelijk zei de professor: + +"Nu, goeden nacht! nu wil ik graag naar bed. Ik ben zoo moe als na +een langen dag praktijk in den ouden tijd." + +Bentzen ging heen en trok de huisdeur dicht. + +Maar toen zij in 't donker achterbleven zei de professor: "Ja, +'t is waar ook! Nu denk ik er aan: er was iets, waar je me over +spreken wou, Abraham." + +"Nu is u moe, Vader." + +"Maar 't kwam me voor, alsof 't iets heel gewichtigs was." + +"Ja, dat was 't ook. Maar nu ben ik ook moe, om u de waarheid te +zeggen. We laten dat rusten tot morgen. Goeden nacht Vader;--ik +dank u." + +Steffensen?--Steffensen! hoe oneindig ver weg was hij niet van +Abrahams gedachten; en hoe in de wereld had hij er aan kunnen +denken zich om zooiets tegen zijn vader te verzetten--tegen zulk +een vader!--Natuurlijk zou hij die zaak in orde brengen--morgen; +maar dat kon immers wel in alle kalmte gebeuren. + +Op de teenen sloop hij de slaapkamer binnen. Clara lag--bleek en +mooi--in dat groote bed; en kleine Carsten sliep met zachte snikken +in zijn heel klein neusje, en rimpeltjes in de fijne vingertjes, +die op gepelde garnaaltjes leken, van de allerkleinste soort. + +Toen ging ook Abraham ter ruste en sliep als een Patriarch tot aan +den helderen morgen. + +Iets onaangenaams hinderde hem dadelijk, vóór hij nog goed wakker was; +dat was Steffensen. Maar hij zette dat op zij, belde en vroeg aan +'t dienstmeisje hoe het gegaan was. + +O, goed! Mevrouw en de kleine hadden een rustigen nacht gehad. + +Dat was het voornaamste; de rest zou wel in orde komen. Nadat hij +Clara goeden morgen gezegd en er zich persoonlijk van overtuigd had, +dat de kleine met de garnaalvingertjes wel bewaard was, ging hij naar +beneden om te ontbijten. + +Aan tafel begon de professor dadelijk: + +"Ik dacht er gisteren avond laat nog over, wat het toch zou zijn, +waar je me over spreken wou, en ik kwam eindelijk op Steffensen." + +Abraham gaf toe, dat het zoo was; en nu begon de professor, steeds +onder 't eten, de zaak uit te leggen. De directie had eenstemmig +zijn ontslag geëischt; de man was niet onontbeerlijk; hij was ook +niet zoo arm als hij zich voordeed; men zei, dat hij gespaard had; +daar kwam bij, dat hij een uiterst moeilijk heer was, slecht gezind en +ontevreden. Er waren veel klachten van de andere arbeiders ingekomen; +één had zelfs er op gewezen, maar alleen mondeling, dat er machineolie +verdwenen was uit de machinekamer. + +Abraham verdedigde Steffensen heel kalm en bezonnen; en de professor +was bereid veel toe te geven. Vooral was hij 't met Abraham eens, dat +'t dwaas was over een oneerbiedig optreden te spreken, dat moest iets +zijn wat Marcussen verzonnen had. + +Maar aan den anderen kant moest Abraham ook zijn vader hierin gelijk +geven, dat hij tenminste niet anders had kunnen handelen. Wilde +Abraham zich tot de directie wenden, dan stond hem dat natuurlijk vrij; +maar de professor zou 't hem om verschillende redenen afraden. + +Abraham zou zich bedenken. En daarbij bleef het. + + + + + + +IX. + + +De onversaagde Juffrouw Kruse begon te tobben, iets, wat ze nooit te +voren had gedaan. + +Maar in den loop der jaren en nu de goede tijd gekomen was kreeg ze +steeds minder te doen en steeds langer kousebeenen te breien; en dàn, +als ze kousebeenen zitten te breien, gaan de oude vrouwtjes tobben. + +Wat vooral in Juffrouw Kruse's verstandig kopje spookte, was een +voortdurend toenemende verbazing over de tegenwoordige jeugd; maar +ze verwonderde zich niet, als andere oude vrouwen over de dwaasheid +en lichtzinnigheid van de jonge menschen, integendeel, ze kon niet +begrijpen waarom de jonge menschen zoo zwaar op de hand geworden +waren en zich 't leven zoo zuur maakten. + +Ze dacht 't meest aan haar eigen kring; van anderen wist ze niet veel. + +Peter was haar oogappel. Als hij getrouwd was zou hij zonder vlek of +rimpel geweest zijn; maar iets jongs en frisch was er nooit aan hem +geweest! dat moest ze toegeven. + +En dan Maarten en nog erger--Frederika! + +Juffrouw Kruse liet de breikous zinken en langen tijd op den schoot +rusten, terwijl ze in gedachten voor zich uit staarde, zonder iets +te zien. Dat waren de wonderlijkste jonge menschen, die men zich kon +voorstellen. Hadden zij ooit een of ander vermaak? Hoorde men ooit, +dat ze ergens blij mee waren? Nooit een schertsend woord!--nooit een +frisch jong lachen. + +Maarten was dominé,--nu ja. Goeie hemel! Ze had toch heel wat dominés +gekend, die even goed waren als hij en die toch niet bang waren +voor wat scherts en vroolijkheid. En dan Frederika! Wie zou kunnen +gelooven dat ze een jonggetrouwde vrouw van 24 à 25 jaar was. Juffrouw +Kruse dacht aan haar eigen jeugd, hoe ze toen pleizier hadden, hoe ze +lachten--lachten en werkten! want dat deden ze ook. En hun vermaken +waren niet duur; zij zouden niemand ruïneeren. 't Grootste genoegen +was--dat ze jong waren. En dat hadden ze gratis. Verder was alles +eenvoudig. Ze wisten ook wat sparen was;--hier nam juffrouw Kruse +vlijtig de kous weer ter hand om de gedachten, die nu opkwamen, +weg te breien. + +Toen de welstand in huis steeds toenam en bijna rijkdom werd, had +juffrouw Kruse op een Zondag in de kerk de proost Sparre hooren +preeken over de tekst: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult ge +in uw gordelen hebben." + +'t Was midden in den zomer en nog ver van den dag, dat de gemeenteleden +hun offer [2] moesten betalen, zoodat de proost den rijkdom en de +rijken ernstig onder handen nam; en alsof hij opeens met deze zaak voor +'t heele jaar wou afrekenen, nam hij in zijn preek alles samen, wat er +over rijkdom geschreven staat; de beide mantels en de rijke jongeling, +de rijke man en Lazarus, de kameel en 't naaldeoog--'t kwam alles in +die preek voor. Zij, die de proost kenden en met hem omgingen wisten +wel, dat die preek meer als troost voor de armen, dan als bestraffing +voor de rijken dienen moest; maar de eerlijke ziel van Juffrouw Kruse +kon die woorden maar niet vergeten. Zij sprak er met haar man over, +toen zij uit de kerk kwamen; maar Jörgen had juist niet aan zich +zelf gedacht, omdat hij heelemaal nog niet vond, dat hij zoo rijk +was. Maar nu legde zij hem uit, dat zij al lang geleden rijk genoeg +waren om aan de verzoekingen van den rijkdom te zijn blootgesteld; +en daar Jörgen altijd te kort schoot in het debat, moest hij vrede +hebben met wat meer uitgaven en wat minder schraperigheid. + +Sinds dien tijd was Juffrouw Kruse op haar post in haar eigen hart, +en ze paste ook op haar man, zoo goed zij kon. Maar hij had nu zijn +veiligen schuilhoek in den donkeren ouden winkel, waar hij zijn +vermogen verdiende bij stuivers door krap te meten en te wegen en +daar bleef het ongeveer gaan als vroeger. De voornaamste verbetering +met Jörgen kwam wel hierop neer, dat hij--als het jaar eens heel +goed geweest was,--'t met de kerstgeschenken en 't offer voor den +predikant wat ruimer nam. + +Maar wat haar zelf betreft overwon zijn vrouw de verzoeking tot +gierigheid, die anders voor de hand lag, voor haar, die zelf zoo meê +gezwoegd had om alles bij elkaar te houden. En toen Juffrouw Kruse +tijd en geld over kreeg om allerlei nood om zich heen te lenigen, +deed ze ook uit haar huis en haar huishouden al 't pijnlijke weg, wat +uit den tijd van armoede overgebleven was; en Jörgen, die altijd dik +geweest was, hij kreeg nog meer omvang in nieuwe kleeren en schoone +boordjes, en hij glom door goed voedsel en goede verpleging. + +Hij durfde niet te knorren over de uitgaven; hij had er eigenlijk +ook geen lust in, want hij voelde zich behagelijk. En behalve +dat--hij had ook van oudsher zulk een vertrouwen in Amalia Catherine, +dat--al had zij de huisdeur verguld--hij alleen gezegd zou hebben: +"Ja Moeder,--daar zul je wel een bedoeling meê hebben." + +Ze vergulde de huisdeur niet, maar ze versierde en knapte op, bij +kleine beetjes te gelijk, ieder jaar wat, tot de kale, saaie kamers +leven kregen door gordijnen en muurbloemen, tapijten en gemakkelijke +stoelen, terwijl de stijve, ouderwetsche houten stoelen naar de +eetkamer of naar boven verhuisden. + +'t Eetservies veranderde ook. Ze waren begonnen met een stuk +rookvleesch, dat op de tafel lag en waar ze om beurten een stuk van +sneden, dat ze in de hand hielden en waar ze van beten. + +Nu was Juffrouw Kruse zoover in haar ontwikkeling gekomen, dat ze +eergierig werd wat damast tafelgoed betrof. Haar tafelkleeden en +servetten blonken tegen de zilveren vorken en de glimmend gepoetste +messen op; 't huis was zooals 't behoorde, een eenvoudig, solide, +welgesteld huis. + +Waarom moest ze nu op haar ouden dag daarmeê ophouden, en teruggaan +naar de pijnlijkheid van de armoedige dagen? Zou het wezenlijk de +bedoeling van Onzen lieven Heer zijn, dat elk dubbeltje ontelbare +malen heen en weer gedraaid moest worden--dat men altijd op zijn dood +moest zijn, dat ook niet de kleinste kleinigheid verspild wordt? + +"Och! geen sprake van. Dat is nooit Zijn bedoeling," zei Juffrouw +Kruse halfluid en trok stevig aan de kous, zoodat die een eindelooze +lange dunne worst scheen. En dat verlangden ze toch van haar,--niet +ronduit, maar door honderd kleine toespelingen--allebei, Maarten en +Frederika. In 't begin gaf ze er niet veel om; maar langzamerhand kon +ze niet laten een steekje onder water te voelen in bijna elk woord, +wat de jongelui spraken. Ze antwoordde niets; en lang meende zij, +dat niemand anders het merkte, tot Peter op een dag plotseling zei: + +"Zeg, Moeder!--ik heb drie kamertjes boven Mevrouw Gottwald gehuurd." + +"Maar mijn God! Peter! Waarom wil je uit huis gaan?" + +"Vindt u niet, dat ik daar oud genoeg voor ben, Moeder?" + +"Praatjes, Peter! meen je, dat ik niet aan je zien kan, dat je er +een andere reden voor hebt!" + +"Ja, dat heb ik ook. En als u weten wilt, welke dat is--dan is 't +omdat ik Maartens hatelijkheden niet langer verdragen kan." + +"Pas toch op je woorden, Peter! Heb je 't ook gemerkt?" + +Juffrouw Kruse keek onwillekeurig de kamer rond: "maar daar moet je +je niet aan storen. Hij meent er niets kwaads meê." + +"Zoo?--Is u daar zoo zeker van? Hij heeft nu elken Zondag over de +huishuur gesproken: hoe hoog die is en hoe goed zij 't hebben, die +ze niet hoeven te betalen; en dan valt zij meê in--zijn spaarpot!..." + +"Stil, stil Peter! je kunt zoo raar praten. Frederika is een flinke +vrouw. En stoor jij je maar niet aan Maarten; hij is wat wonderlijk, +en je weet, dat je me een groot verdriet zou doen door heen te gaan." + +"Ja, dat wist ik wel, Moeder, en daarom heb ik 't zoo lang mogelijk +verdragen; maar verleden Zondag, toen u uit was, vroeg hij mij hoeveel +ik dacht, dat u in huur zoudt kunnen krijgen voor mijn kamers, als +ik verhuisde." + +Juffrouw Kruse werd rood: "En dat zei Maarten tegen jou--Peter?" + +"Ja, meent u, dat Mijnheer de kapelaan zich daarvoor geneert?" + +"Hij is dominé--zie je," mompelde de moeder aarzelend; en die gedachte +verzachtte haar telkens. + +Ze kon niets meer aan de zaak doen en Peter verhuisde. + +Maar toen begon zij zijn nieuw tehuis in orde te maken; al zijn +oude meubels en wat hij verder noodig had, liet zij naar het huis +van Mevrouw Gottwald brengen; en 't was haar een genot te zien hoe +gezellig hij 't kreeg. + +Toen Mevrouw Frederika de volgende keer met haar man bij haar +schoonouders kwam, om daar te eten, zei ze met haar eigenaardig +zuur glimlachje: + +"Zoo, hier is boedelscheiding geweest--hoor ik." + +Juffrouw Kruse schrikte op; maar ze antwoordde kalm: "Wat meen je +daarmeê, Frederika." + +"Och, 't was maar, omdat ik zoo'n verhuisboel van hier zag +wegrijden,--eergisteren." + +"Maar kind, dat waren immers Peters meubelen, dat kon je toch wel +weten." + +"O, zoo! ik wist niet, dat Peter 't heele ameublement krijgen zou. Wist +jij dat, Maarten?" + +"Neen maar Frederika, hoe kun je nu zoo praten," riep Juffrouw Kruse +en probeerde te lachen. "'t Waren natuurlijk enkel de meubels, die +hij altijd boven in zijn kamers heeft gehad." + +"Neen, pardon Moeder, dat was 't niet." + +"Maar ik verzeker je, Frederika." + +"Ja, Moeder hoeft mij geen rekenschap van haar doen en laten te geven; +maar dat donkere mahoniehouten speeltafeltje--dat heeft ten minste +in de voorkamer gestaan, in elk geval, zoolang ik hier in huis kom." + +"Ja, dat speeltafeltje!--daar heb je gelijk in," antwoordde Juffrouw +Kruse heel verlegen; "er waren misschien ook nog een paar andere +kleinigheden bij; maar dat kwam omdat hij nu drie kamers kreeg en +zoo was het er wat leeg, en toen..." + +"Ja, lieve Hemel!--het gaat mij natuurlijk niet aan, wat u weggeven +wilt; maar dan moet u niet beweren, dat Peter alleen zijn oude +ameublement meê kreeg: eerlijk is eerlijk, dàt wil ik maar zeggen." + +Juffrouw Kruse drukte de lippen op elkaar. Ze wilde niets zeggen. En +toch wist zij--en de anderen wisten 't ook--dat de jonggetrouwden een +flinke som van Jörgen gekregen hadden voor een ameublement, terwijl +de oude rommel, die Peter meegekregen had, daar geen vierde part van +waard was. + +Dat alles wist Juffrouw Kruse, en ze wist ook, dat, als ze nu zweeg, +Frederika een volgende keer nog vrijmoediger op zou treden, en toch +zei ze geen woord. + +Waarom?--ze wilde geen ongenoegen maken; en ook was ze een beetje bang +voor die twee menschen die 't zóó samen eens waren. En dan ook--hij +was dominé. + +Maar ze wist zelf niet, dat de ware reden, waarom ze allen strijd +vermeed, deze was: dat ze te fijn voelde om tot hen af te dalen. En +dat merkten ze en maakten er gebruik van. + +Maarten was trouwens zoo onhandig, dat hij niet zooveel kleine +behendige steekjes kon geven als Frederika; maar hij steunde haar door +daar zoo welgedaan en instemmend naast haar te zitten. Het eenige +wat hij uit zich zelf bedenken kon, was te doen, alsof zijn moeder +hem altijd bij Peter achter stelde. Maar als er iets was wat Juffrouw +Kruse's hart raakte, dan was het juist dit. Tusschen kinderen verschil +te maken, was al meê het leelijkste wat ze zich voorstellen kon. En +'t allerergste was, dat haar geweten juist op dit punt haar niet +heelemaal met rust liet. + +Hij--Peter--was immers in den boozen tijd geboren en veel had ze +nagedacht, terwijl ze hem onder 't hart droeg--ongehuwd en onzeker +hoe dit alles zou gaan. + +'t Zou dus geen wonder zijn, als dit kleine zwakke kindje, dat bij +haar geweest was in schande en zwaren arbeid, haar hart zóó vervuld +had, dat er misschien niet precies evenveel plaats was overgebleven +voor den kleinen dikzak, die zoo lang daarna kwam. + +Maar 't was niet waar--heelemaal niet waar, als iemand zou willen +zeggen, dat ze Maarten niet even lief had, als 't er op aan kwam; +en nog minder waar was het, als iemand zou beweren, dat ze in woorden +of daden Peter voortrok ten koste van zijn broer. + +'t Ging integendeel zoo toe: uit vrees voor te dwalen door een +geheime neiging overlaadde ze Maarten met weldaden, breide ze en spon, +bakte en maakte zij in voor zijn huis, terwijl ze heel angstig werd +als ze in alle stilte Peter een paar kousen toestopte. Maar of 't nu +kousen waren of een of ander kleinigheid in huis--een voetenbankje, +een spiegeltje of zooiets, dat ze Peter gegeven had voor zijn nieuwe +woning--ze kon er zeker van zijn, dat, zoodra Frederika den volgenden +keer de deur binnenkwam, haar oog juist op die leege plaats viel, +al was die ook nog zoo klein, en dan kwam dat zure glimlachje of +een of ander vlijmscherpe opmerking, die door de teerste vezels van +'t oude hart van Juffrouw Kruse ging. + +Langzamerhand kwam het zoover, dat Juffrouw Kruse werkelijk +dagelijks een beetje strijd voeren moest om haar huis in de +eenvoudige welvarendheid te houden, die zij in de latere jaren had +ingevoerd. Zelfs de oude Jörgen merkte het en werd zoo moedig, dat +hij wat bromde over den wijn iederen Zondag. Maar zie, dat werd Amalia +Catherine toch te kras, en hij werd zóó grondig onder handen genomen, +dat hij daar niet meer meê aankwam. Maar met Frederika was het erger. + +Op een zondag zei de jonge dominésvrouw: + +"Ik geloof zeker, dat Moeder een halve koe zondags in die soep kookt." + +"Ja, maar die is dan ook zoo sterk, dat ik ze de heele week in mijn +rug kan voelen; mag ik nog een schepje, Moeder." + +Dat was Peter, die zijn moeder placht te hulp te komen, als er een +bui op komst was. Maar Frederika liet zich niet van de wijs brengen; +ze wierp een snellen blik op haar man, die daar naast haar zat, bleek, +vet en slap, maar heel waardig. + +'t Was over 't algemeen een merkwaardige ongelijkheid in het uiterlijk +tusschen die twee, innerlijk zoo geheel overeenstemmende echtgenooten; +want terwijl Maarten steeds dikker werd, was Frederika heel mager +geworden na haar bruiloft. Het jeugdige in haar gezicht dat de +eenigszins scherpe trekken afrondde, had zij verloren; en er was +iets vogelachtigs in de ronde oogen en de neus, die dor en spits +geworden was. + +Nadat ze kracht geput had uit een blik op Maarten, ging ze op dien +vriendelijken, neerbuigenden toon voort, die Peter razend maken kon: + +"Och ja,--als men meent, dat het er af kan en niet denkt aan al die +vele monden, die verzadigd hadden kunnen worden met het vleesch, +dat hier opgekookt is, om ons een onnatuurlijke--ja, ik noem dit +"een onnatuurlijke sterke" soep te geven--niet waar? Maarten.--Ik +vind het bepaald verkeerd, zoo'n overdaad." + +Er kriebelde en prikte iets in Juffrouw Kruse's hart; zij wist door +wat ze in de keuken hoorde heel goed wat de armen gewoonlijk bij de +jonge dominésvrouw kregen; maar ze kon er niet toe komen te spreken +over haar eigen weldadigheid en over wat ze met dat gekookte vleesch +deed; daarom zei ze vriendelijk, maar met een ietwat bevende stem: + +"Hoe maak jij dan vleeschsoep, lieve Frederika? Laat mij dat eens +van je leeren." + +Frederika werd wat verlegen. + +"Ja, dat kunnen we niet zoo heel dikwijls doen; maar verleden week +of misschien de week daarvoor--toen kreeg je vleeschsoep, niet waar +Maarten? Weet je 't nog? je vondt ze lekker." + +"Die was misschien nog wel zoo lekker als die van Moeder," antwoordde +Maarten plechtig. + +"Wel, dat doet me pleizier," antwoordde Juffrouw Kruse en zette haar +muts recht; "en wat had je dan in die soep gedaan, kind?" + +"Ja, er was goed kalfsvleesch in en dan een volle lepel Liebig en +dan wat gebruind meel." + +Maar toen was Juffrouw Kruse's geduld uitgeput. Als er iets was wat +zij als solide ouderwetsche kookster haatte en verachtte, dan waren +'t zulke poespas-gerechten, en alleen al 't woord Liebig kon haar +tot een uitbarsting brengen. + +Zij wendde zich geheel naar haar schoondochter en zei zóó levendig +en met zooveel nadruk, dat haar mutsenbanden er van trilden: + +"Ja, wil ik je eens wat zeggen--Frederika!--dan dank ik den hemel, +dat ik zulke knoeierij niet hoef te eten." + +Peter barstte in hartelijk lachen uit. De oude Jörgen, die altijd +eerst een poos daarna begreep wat er gaande was, keek van den een +naar den ander, maar Frederika zat een oogenblik als verstomd. Ze +kon van boosheid geen woord uitbrengen. Maarten--die stoffel--kwam +haar ook niet te hulp, en plotseling barstte ze in luid huilen uit +en vloog de eetkamer uit. + +Maarten was bleek geworden; hij zei streng en verwijtend: + +"Hoe kunt u 't hart hebben, die arme Frederika zoo te mishandelen, +Moeder." + +Ja zeker, dat was verkeerd, heelemaal verkeerd; maar het was haar +zoo uit den mond gevallen, zei de moeder; ze had alweer vergeten, +hoe het gekomen was en had enkel een gevoel, dat ze onaardig tegen +haar schoondochter geweest was. En 't eind was, dat ze de kamer +uit moest gaan om Frederika op te zoeken, die ze snikkend op de +sofa in de huiskamer vond. En daar moest de oude vrouw haar met +veel verontschuldigingen verzachten om haar weer aan tafel terug +te brengen. Maar die gebeurtenis werd voor Mevrouw Frederika een +onuitputtelijke wapenkamer, van waar ze menig scherpe dolk haalde om +haar schoonmoeder meê te kwetsen. En de oude vrouw had zoo oprecht +berouw, dat ze dit aannam als een rechtvaardige straf. + +Intusschen was het gevolg van dit alles, dat de oude Juffrouw Kruse +zich angstig en onzeker voelde in haar eigen huis; 't kwam al spoedig +zoover dat ook bij de kleinste kleinigheid, die ze deed, in zich +zelf dacht: "Wat zullen Maarten en Frederika daarvan zeggen?"--En +uren lang zat zij te peinzen bij haar breikous. + +Maar altijd richtte zij zich met een ruk op en zette de breipennen +aan 't werk als die groote vraag bij haar opkwam: hoe zou 't toch met +Maarten zijn--hij, die een dienaar des Heeren zijn moest, en die toch +klaarblijkelijk--dat kon ze niet langer voor zich zelf verbergen--die +toch klaarblijkelijk verslaafd was--of in elk geval groot gevaar +liep verslaafd te worden aan de zonde van de gierigheid? Hoe kon dat +samengaan? Moest ze de gedachte plaats in haar ziel geven, dat haar +kind een verharde huichelaar was?--neen--neen, dat kon zoo niet zijn; +hij moest door de list des duivels verblind zijn voor 't gevaar, dat +hem dreigde. Als hij maar niet zoo stijf geweest was--zoo geharnast +in zijn priesterwaardigheid, dan zou ze hem wel geholpen hebben; zij +had immers die preek van proost Sparre in haar hart gegrift. Maar hij +was als een groot hoog pantserschip en zij als een oud vrouwtje in +een roeiboot,--zij kon niet naast hem gaan liggen en hem toeroepen, +dat er klippen voor den boeg lagen. + +Als men een oude vrouw ziet--gerimpeld en met keurig linnen aan, in +een leunstoel met een breikous,--de kamer gezellig, met muurbloemen en +schuine zonnestralen over 't tapijt, dan heeft zij het goed, het oudje. + +En als ze dan toch de mutsenbanden schudt en zegt: "Ja, ja! de jeugd +kan wel blij en luchthartig zijn; wij ouden moeten den last van 't +leven dragen,"--dan zou al licht de oneerbiedige jeugd denken: "De oude +ziel! waar heeft zij zich over te beklagen? Ze zit daar in een rustig +hoekje, en heeft afgedaan met den strijd en de teleurstellingen van +'t leven; ze breit onbekommerd voort, verdiept in haar herinneringen, +tot de zon ondergaat." + +En toch!--er gaat zooveel om in zoo'n oud hoofd en 't zou kunnen zijn, +dat ze een zwaren last van de bitterheid des levens draagt, zooals +ze daar zit, te midden van muurbloemen en zonneschijn, gerimpeld +en met keurig linnen aan--een oude vrouw, die zit te peinzen bij +haar breikous. + + + + + + +X. + + +Daar rolt een stroom van goud van 't eene land naar 't andere. Waar +de wereldhandel de groote sommen verplaatst vloeit die stroom in een +breede, geweldige bedding, en naar alle kanten in tallooze vertakkingen +gaan de kleine gulden stroompjes tot naar de verste achterhoeken van +de wereld. + +Maar boven op dien stroom kronkelt het blauw-witte schuim van de +wissels rond. + +Dat ziedt en ritselt en verspreidt zich in strepen over de heele +aarde en loopt heen en terug in een onophoudelijke haast. + +Maar als de groote goudstroom daar buiten daalt--dan snellen de kleine +gulden wateraartjes terug van uit de uithoekjes van de wereld. Alsof +de aarde zelf haar goud weer tot zich gezogen had--zoo verdwijnt het: +eerst in de verste kleine kanalen, dan dichter en dichter bij, tot +ook de groote vertakkingen inkrimpen en als tot ijs verstijven. + +Maar juist als zulk een ijstijd nadert wordt het gewemel van de +wissels steeds woester. Het schuimt en neemt toe, stijgt en stijgt +als een opkomende vloed, drukt een smal, langwerpig streepje purper +onder de deur door,--nog een, en nog een tot de deur meêgeeft en +de losgebroken wateren heenspoelen over huizen en tuinen, velden en +eigendommen, 't groote en 't kleine verwoesten, uit elkaar scheuren, +doen splijten en voor alle winden heen jagen wat menschen met vlijt +en liefde bijeen brachten. En daarna blijft niets over dan berouw en +schande, vernedering en zelfverwijt, vervloekingen en tranen. + +Niet eens de bankdirecteur Christensen had er een vermoeden van, +dat een wereldcrisis naderde; maar zijn nooit falende neus begon te +merken, dat de echte, onvervalschte goudlucht al zwakker en zwakker +werd op sommige punten. + +Daarom had hij een harden strijd te voeren, niet alleen met zijn vrouw, +maar ook met zijn collega's in de directie van de bank. De bank van +Christensen--zooals die in de volkstaal heette--was opgericht door +de eerste kooplieden in de stad en werd nauwgezet alleen tot hulp +van den kring zelf gebruikt; maar Christensen, de eigenlijke stichter +en oprichter behield altijd den grootsten invloed in 't bestuur. Dat +verdiende hij ook, omdat hij in de eerste moeilijke dagen zijn kracht +en tijd ten offer had gebracht om de bank op te werken. + +Daardoor kwam het ook, dat men hem de directeur van de bank bleef +noemen, zelfs lang, nadat een gehonoreerd ambtenaar was aangesteld +om de dagelijksche zaken te regelen. Maar men zei van Christensen, +dat hij niet zou kunnen leven zonder een paar keer daags in zijn +dierbare bank rond te snuffelen. + +De strijd, dien hij nu voerde met zijn medebestuurders, liep over de +zoogenaamde Fortunawissels. Christensen had zich in 't hoofd gezet, +dat hij ze uit de bank wilde hebben; zij moesten opgekocht worden, +naarmate ze vervielen en niet weer vernieuwd. + +Dat zei hij intusschen niet in het openbaar; hij was een te +nauwgezet koopman om 't crediet van een onderneming te willen +verzwakken--allerminst zoolang hij zelf aandeelen had. Maar hij +werkte heel voorzichtig met toespelingen en schijnbaar onschuldige +voorstellen, zoodat de anderen ongeveer de bedoeling wel konden +vermoeden, zonder dat ze die behoefden te begrijpen of er in toe te +stemmen; en de vergadering eindigde als gewoonlijk daarmeê, dat men +met vage, onbepaalde woorden den president de handen vrij liet. + +Groote kooplieden in een kleine omgeving haten elkaar altijd, +omdat de een zich niet bewegen kan zonder den ander te hinderen; +maar de bankdirecteur Christensen had een zeer bizonderen hekel aan +Carsten Lövdahl. En dat niet alleen, omdat Lövdahl hem over het +hoofd groeide; maar Christensen, die van kind af aan zich op den +handel had toegelegd en zich zelf had opgewerkt,--rijk was hij pas +door zijn huwelijk geworden,--hij kon 't eenvoudig niet uitstaan, +dat die trotsche man van wetenschap zich in de koopmanswereld indrong +en daar den baas wilde spelen. Door allerlei intrigues en door middel +van zijn invloed was het hem gelukt den professor buiten het bestuur +van zijn bank te houden, waartoe Lövdahl anders natuurlijk zou zijn +uitgenoodigd; en toen hij nu zoo half en half de toestemming van de +andere bestuursleden had om de Fortunawissels te weren, wendde hij +zich dadelijk tot den administreerenden directeur, die hem gehoorzaamde +als een hond en gaf hem de noodige orders. + +Marcussen kwam dus op een dag half lachend en half verbluft bij den +professor binnen met een paar wissels in de hand. + +"Nu zal ik u eens wat moois vertellen, Professor! Rasmus komt terug +van de bank van Christensen met de boodschap, dat de Fortunawissels +tegen contanten moeten worden ingewisseld." + +"Welnu Marcussen, dan wisselen wij ze in. Christensen is werkelijk +belachelijk met zijn angst." + +"Pardon Professor! maar er kan toch geen sprake van zijn, dat we alle +Fortunawissels zullen inwisselen." + +"Bedoelde hij alle!" + +"Ja, dat heeft Rasmus begrepen, dat er bedoeld werd voor 't vervolg." + +"Hoeveel kan de fabriek zoowat in Christensens bank aan wissels +hebben staan?" + +"Ik weet 't niet precies; zoowat honderdvijftig à tweehonderd duizend +gulden." + +"Maar Groote hemel!--Marcussen!--en dat moeten we tegen contanten +inwisselen, nu dadelijk? een dezer dagen?" + +Het bloed steeg den professor naar het hoofd; hij was zoo in 't geheel +niet gewend aan zulk soort verrassingen, dat hij dadelijk radeloos +werd. De sombere voorgevoelens, waaraan hij al eens door Christensen's +schuld geleden had, kwamen hem nu weer bestormen. Wilde die man hem in +'t verderf storten? Was het mogelijk Carsten Lövdahl te ruïneeren. 't +Was ongehoord! absoluut ongehoord! papieren te weigeren, waarop zijn +naam stond--en de schrik uitte zich in een stroom booze woorden over +den bankdirecteur. + +Marcussen luisterde verwonderd naar deze uitbarsting, maar hij was 't +er trouwens volkomen meê eens; hij ook voelde zich beleedigd in zijn +zaak; en toen de professor zweeg, stelde hij voor, dat ze heel kalm +Rasmus weer naar de bank terug zouden zenden, met de boodschap, dat +het nu niet schikte deze papieren in te wisselen. Dan kon de professor +Christensen onder handen nemen, als zij elkaar eens ontmoetten. + +Maar daar wilde de professor niet van hooren. Toen de toorn was +uitgebarsten bleef alleen de schrik over; en hij begon Marcussen +levendig uit te vragen of Fortuna niet iets te goed had in de boeken +of contant in de kas. + +Marcussen streek zijn mooie knevel op en vertrok den mond tot een +schuinschen glimlach--ongeveer als wanneer de meisjes geld wilden +hebben:-- + +"Als de professor werkelijk Christensens onbeschaamdheid verdragen wil, +dan is er immers niets tegen die papieren in te wisselen." + +"Zoo--je hebt dus geld?" + +"We hebben 't niet liggen; maar we kunnen ons crediet gebruiken." + +"Crediet--Marcussen! Als de bank de wissels van de fabriek weigert +is dat immers juist omdat ons crediet verzwakt is." + +"Pardon, Professor! maar in deze zaak gebruiken we ons crediet +heelemaal niet." + +"'t Is een solide zaak, Marcussen." + +"Al te solide--ten minste in ons geval. Met den naam Carsten Lövdahl op +'t papier kan ik in acht dagen een millioen krijgen." + +De professor leunde achterover in zijn stoel, hij wist, dat het +waar was. De naam was uitstekend; het groote vermogen, dat op eens +losgemaakt was, had zijn zaak den naam gegeven van een van de meest +solide en contante van de geheele kust, en Lövdahl hoorde dat graag. + +"De fabriek heeft nog al veel schuld," zeide hij. + +"'t Beste zou zijn de fabriek naar den drommel te laten loopen," +zeide Marcussen openhartig. + +"Maar Marcussen, hoe kun je...!" + +"Pardon Professor!--ik meende alleen, dat we wel veel doen voor +die fabriek." + +"'t Zal gaan met Fortuna; je zult 't zien,--jij en al die wijze +heeren;--laat ons daar niet meer over praten.--Wat meende je met +"ons crediet gebruiken?"" + +Marcussen zag zijn chef aarzelend aan; hij had zijn handelsopvoeding +gekregen in zaken, die hun crediet zeer goed tot het uiterste wisten +te gebruiken. + +"Wij gaan naar de Noorsche bank en halen zooveel geld als we willen," +zei hij glimlachend. + +"Maar waar dekken we dat meê?"... + +Nu vond Marcussen dat 't mooi genoeg was--al die onschuld. En hij +verklaarde daarom vlug en vloeiend: + +"We trekken voor de som, die we vandaag noodig hebben--b.v. op +O. T. Falch-Olsen te Christiania met 6 dagen zicht, disconteeren de +wissels in de Noorsche bank en zenden van avond per post ons drie +maandsaccept tot dekking." + +"Hm, ja, dat zouden we kunnen doen," antwoordde de professor; maar +de zaak was eigenlijk dat hij, die er zoo laat aan begonnen was, niet +zooals Marcussen met wissels om kon gaan; hij was daarvan altijd een +weinig onder den indruk en liet graag zulke dingen aan zijn vertrouwden +vertegenwoordiger over. + +Marcussen voerde zijn plan in een ommezien uit en ging zelf naar +de bank van Christensen om het genoegen te hebben daar eenige +vriendelijkheden te zeggen. + +De administreerende directeur kromp dan ook ineen als een worm onder +Marcussens scherpe tong,--'t was dan ook werkelijk al te dwaas een +papier te weigeren, waarop Carsten Lövdahls naam stond. + +Maar de bankdirecteur Christensen, die aan 't ander eind van 't +kantoor stond en deed alsof hij een paar papieren doorzag, nam de +zaak heel kalm op. En toen Marcussen weg was en de directeur een +bescheiden opmerking wilde wagen over zijn al te groote strengheid, +nam zijn chef alleen maar het geld, dat Marcussen gebracht had op, +en hield ze den directeur onder den neus. + +"Kijk eens naar deze bankbiljetten. Splinternieuwe banknoten uit de +Noorsche bank!" + +"Ja, wat meent u daarmeê?" + +"Nu, dat beteekent geld opnemen op zijn eigen accept," fluisterde +Christensen, en ging heen, om verdere vragen te voorkomen. Maar de arme +directeur was dien heelen morgen in de war. Zijn vertrouwen op den +neus van den bankdirecteur was juist even vast als zijn overtuiging, +dat Carsten Lövdahl solide was, en dat evenwicht hield hem in de +pijnlijkste onrust. + +Hij sprak ook met niemand over de verdenking, die Christensen in zijn +ziel gezaaid had. En hoewel de naam van Carsten Lövdahl straalde in +den glans van steeds toenemende macht, waren er toch op dit oogenblik +eenige van die fijne, onzichtbare miasmen geboren geworden, die in +de lucht zweven en zich verdichten tot een stil, zacht gesuis in +'t riet, een fluisteren in de hoeken, een zweem van een gerucht, +geheimzinnige toespelingen, een vragen, dat 't gerucht versterkt, +algemeene spanning, tot de laster opeens opvlamt om een nieuwen naam +die bedorven is, verteerd, versleten, gekauwd en weer uitgespuwd. + +Maar in de zaak van Lövdahl kwam van dezen dag af nog meer leven en +omzet. Marcussen was er de man voor om zijn crediet te gebruiken, en de +professor, die juist in dat jaar veel geld op koren verdiende, werkte +met lust en vlijt en vond in Marcussen een medewerker, die hem kon +volgen èn zijn plannen uitvoeren, en die--dit was 't voornaamste--nooit +verlegen was om middelen of met vervelende bezwaren aankwam. + +De lange blonde knevel van Marcussen glansde en naarmate zijn positie +als de eerste man op 't eerste kantoor van de stad den kring van zijn +kennissen uitbreidde, strekte hij zijn werk onder de dienstmeisjes +uit tot hoogere kringen en was spoedig de ridder onder de dames. Dat +verbeterde zijn naam niet, die even slecht bleef, maar wel zijn +manieren; en zijn onbeschrijfelijke brutaliteit tegenover vrouwen +maakte hem eenvoudig onweerstaanbaar. Onder mannen was hij vroolijk +en ruw, vol van de ergste histories; een heerlijke kameraad--tot +alles bereid--tot drinken en betalen; dat laatste deed hij uit een +dikke portefeuille, waar de muntjes en de bonte bladen uit het boek +der liefde door elkaar lagen. + +Tegenover Abraham was hij altijd eerbiedig en nam nauwkeurig den +afstand tusschen hen in acht. Maar juist daarom was Abraham, die +daar niet van hield, dubbel vriendelijk en kameraadschappelijk. En +daar het steeds meer bleek, dat Abraham het best op de fabriek thuis +was, nam Marcussen langzamerhand de plaats op het kantoor in, die +oorspronkelijk aan den zoon van den chef was toegedacht. + +Maar Abraham had de handen vol,--allereerst in zijn dubbele positie als +de officiëele leider en de geheime dokter van de fabriek; bovendien +had hij heel wat werk van allerlei aard als vicepresident van de +arbeidersvereeniging. + +'t Was intusschen zijn lust en zijn leven bezig te zijn voor +zulke dingen als het spaargeld van de arbeiders, hun ziekenfonds en +dergelijke zaken; 't was dan ook door zijn positie aan de vereeniging, +dat hij in staat werd gesteld de zaak van Steffensen in orde te +brengen. + +Toen hij namentlijk een paar dagen er over had loopen denken wat hij +doen moest naar aanleiding van Steffensens onrechtvaardig ontslag, +werd de heele zaak hem ten slotte uiterst onaangenaam om over te +denken. En hij zou er zich misschien geheel van hebben teruggetrokken, +als niet altijd het beeld van Greta weer teruggekomen was,--zooals +ze daar zat met haar riet en wilgentakjes en op hem wachtte met dat +sterke vertrouwen, dat hij niet meer kon ontberen. + +'t Hinderde hem zóó, dat hij bijna niet tot zijn dagelijkschen gang +naar de fabriek kon komen, omdat hij haar deur voorbij moest en wist, +dat de oude in de kamer zat en haar telkens vertelde, dat hij haar +deur voorbij ging. + +Eindelijk nam hij zijn vriend Kruse in vertrouwen en vertelde hem de +heele geschiedenis. + +Kruse begreep alles. Hij zat zooals gewoonlijk, wat in elkaar gedoken +en sloot de oogen half in een wolk van tabaksrook. In alle stilte +zag hij dien sterken, knappen man aan, die geen raad wist met die +kleine moeilijkheid en met een vlugge beweging sloeg hij de asch van +zijn sigaar. + +"Ik vind niet, dat je hier herrie over moet maken." + +"Neen, niet waar? Wat voor den drommel geeft dat ook--om iets wat +eigenlijk zoo onbeduidend is; ging 't om iets, dat de moeite waard was, +dan zouden de hooge heeren 't wel voelen..." + +"Maar ik raad je aan om de zaak heen te gaan," ging Kruse droog +voort. "We maken Steffensen tot chef in den winkel." + +"In de verbruiksvereeniging?" + +"Ja, dat is toch ook een baantje, en nog niet zoo'n verkeerd baantje, +als de handel blijft toenemen zooals tot nu toe." + +"Maar denk je, dat ze hem willen hebben? Je weet, hij is niet gezien +onder de arbeiders." + +"We moeten onzen invloed gebruiken, zooals Christensen zou zeggen. Ik +kan Steffensen niet uitstaan--dat weet je; maar ik geloof, dat hij +geschikt is om den winkel te besturen; en ik denk ook, dat jij dien +uitweg wel goed zult vinden." + +"Natuurlijk! Ik zou heel blij zijn..." + +--"en nu nog iets," viel Kruse hem in de rede en zag den ander met een +fijn glimlachje aan: "'t Is voor die brave heeren van de directie heel +goed te zien, dat de arbeiders zich zelf helpen; den man, dien zij +zonder reden hebben uitgestooten, helpen de arbeiders zelf aan brood." + +"Ja, ja, ja! Daar heb je ook gelijk aan. 't Is een prachtig idee! Dank +je wel, Kruse! Ik dank je hartelijk." + +En Abraham sloeg het kleine mannetje krachtig op den schouder. Hij +was verrukt, vol lust en ijver om aan den gang te gaan--direct! + +Maar toen hij weg was stond Peter Kruse lang met dat bittere glimlachje +op de lippen in gedachten verzonken en eindelijk zei hij in zich zelf: +"Ja zie eens, zóó worden ze--zij, die de besten en moedigsten van +ons allen zouden kunnen zijn!" + +Abraham liep langzamer, naarmate hij dichter bij 't huis van Steffensen +kwam; hij bereidde het tooneel voor, maakte het plan en wist, toen +hij de hand aan de deurknop bracht, precies hoe hij het zeggen zou +en wat indruk het op die twee menschen maken zou. + +"Goedenavond Steffensen, goedenavond Grete! 't is een heel poosje +geleden, dat we elkaar zagen," zoo begon hij met een zachte stem, +alsof hij wat moe was. + +"Ja, ik kan me wel voorstellen, dat u het druk gehad hebt," bromde +Steffensen. + +Greta zeide niets, maar luisterde met hoopvolle verwachting. + +"Ja, ik heb 't druk gehad, met mijn eigen zaken en met die van +anderen." + +Steffensen, die in 't begin dwars en stug was blijven zitten, werd nu +onrustig. Die dagen van wachten hadden hem gedrukt. 't Was ook geen +gekheid: een oud man met een blinde dochter en dan zonder werk! Wel was +'t waar wat men zei, dat hij wat geld op de spaarbank had, maar dat +had hij altijd gehoopt Greta te kunnen nalaten. Als hij nu dat geld +moest gebruiken dan was er voor haar geen ander vooruitzicht dan de +armenzorg, als hij er niet meer was. Hij probeerde nog zich goed te +houden, maar in werkelijkheid zat hij bevend zijn vonnis af te wachten. + +"Nu," zei hij zoo barsch als hij maar kon, "zal ik nu stoker blijven +of niet?" + +"Neen, je zult geen stoker blijven," antwoordde Abraham kalm. + +Hij voelde, hoe Greta, die naast hem zat, ineen kromp, maar Steffensen +sprong op en begon te vloeken en te razen, zooals hij gewoonlijk +deed. Abraham bleef heel kalm en had er pleizier in hoe het heele +tooneel zich precies afspeelde zooals hij 't zich had voorgesteld. Nu +vond hij het oogenblik gekomen het beslissende woord te spreken. + +"Herinner je je wel, dat ik beloofde de zaak in orde te maken?" + +"Jawel! En de oude Steffensen was dom genoeg het te gelooven." + +"Och, dat was nog zoo dom niet," antwoordde Abraham lachend--"en toen +ik eenmaal op me genomen had te helpen, meende ik, dat het 't beste +was 't afdoende te doen. 't Is een vrij hard werk met die machines, +en in den winter voor de gezondheid gevaarlijk, zóó van de warmte in +de open schuren--niet waar?" + +"'t Is een ellendig werk, maar je hebt er toch je brood door." + +"Ja, je brood!--Er zijn verschillende manieren om je brood te +verdienen, maar als je oud wordt dan komt 't er op aan een manier +te vinden, die voor je krachten past en je niet vóór je tijd om +hals helpt." + +Steffensen voelde zich weer onzeker. Hij deed een paar stappen vooruit +en keek Abraham met zijn strakke oogen vlak in 't gezicht. + +"Ik wilde je daarom de betrekking aanbieden van chef in den winkel +van de arbeidersvereeniging." + +Steffensen was verbaasd. 't Eerste wat in hem opkwam was de lust om +op de knieën te danken voor die redding uit armoede en ellende. + +Maar dat duurde maar een oogwenk; zijn lange haat tegen 't kapitaal, +zijn ingewortelde gewoonte om onverzoenlijk en misnoegd te zijn zat +hem te diep in 't bloed. Hij bromde maar wat van "dat je maar nemen +moest wat zich voordeed als je eerst uit je werk getrapt was." + +Maar in werkelijkheid was hij zóó bewogen, dat hij naar de keuken +ging, waar hij gedachteloos kopjes en emmers ging verzetten. 't +Was algemeen bekend, dat de vrouw, die tot nu toe den verkoop in +den winkel bestuurd had, geld had overgelegd en nu trouwen ging, +ofschoon ze een weduwe over de vijftig jaar was. + +Eerst toen de oude was heengegaan, keerde Abraham zich naar Greta +om van zijn triomf te genieten, maar hij werd teleurgesteld door de +uitdrukking op haar gezicht. + +"Nu Grete?--ben je niet over me tevreden?" + +"Jawel! Ik dank je wel! Vader is zoo bang geweest, maar ik wist wel, +dat je zou helpen en voor hem opkomen. Dat heb je toch gedaan?" + +"Ja, natuurlijk, dat kun je toch wel begrijpen," antwoordde Abraham +wat verlegen. + +Greta werd dadelijk belangstellend, zoodat hij er haastig bijvoegde: + +"Je kunt er van op aan, dat ik hen voelen liet..." + +"Wat zei je? Toe vertel dat! wat zei je tegen hen? Was je vader +er bij?" + +Dat interesseerde haar klaarblijkelijk 't meeste. Ze had haars vader +bloed! En niets kwam haar zoo groot en heerlijk voor, als dat iemand +zich tegen de machtigen verzette en hun de waarheid in het gezicht zei. + +Nadat het ontwaakt bewustzijn van den geheelen omvang van haar +ongeluk haar liefde zoo teer, zoo pijnlijk gemaakt had, was ze +tegenover Abraham niet zoo gelijkmatig als vroeger; en terwijl ze +nu haar gezicht naar hem toekeerde--zoo gespannen, zoo vol liefde, +zoo begeerig hem nog meer te mogen bewonderen--ja toen had Abraham de +kracht niet dit eenige menschenhart los te laten, dat hem heel zijn +geloof--heel zijn vertrouwen gaf. En hij begon te liegen.--Opgewonden +en door haar vragen geleid werd hij vindingrijk; hij had zoo vaak +met haar de reis gemaakt door fantastische sprookjes. Deze keer waren +'t nu rondweg leugens; maar 't leek er toch wat op. + +En hij gaf een referaat van zijn heele toespraak die hij had willen +houden, en die zoo begon: "Ik kom om mijn recht te eischen."--Ja, +toen hij eenmaal aan den gang was gaf hij nergens meer om en beschreef +hoe de heele directie gesmeekt had om Steffensen als stoker te mogen +behouden; maar hij had het afgeslagen; hij--Abraham Lövdahl--zou de +hooge heeren toonen, dat de arbeiders zich zelf kunnen helpen. + +Maar te gelijkertijd voelde hij, dat hij vuurrood werd, toen hij +haar liet beloven niets van dit alles aan iemand te zeggen, zelfs +niet aan Steffensen. + +Greta straalde en merkte niets en Abraham trachtte zijn slecht geweten +gerust te stellen en nam haar bewondering aan. Nu was 't maar goed, +dat ze hem niet zien kon. 't Zou hem onmogelijk geweest zijn zoo te +doen tegenover een paar oogen, een paar niet te ontwijken oogen! + +"Wat scheelt je? Abraham! Waarom loop je van me weg? Waar ben je? Kom +weer hier en ga zitten." + +"Neen Grete! ik moet weg. 't Is al laat. Goeie nacht!--ik kom gauw +terug." + +Abraham keerde van zijn triomftocht terug met gebogen rug, schuw en +zoo wonderlijk slap in de beenen. Niets van alles wat hij probeerde, +hielp. 't Was waarlijk geen kleinigheid wat er gebeurd was; want +'t waren leugens, echte, zonneklare leugens! Hij had wel vroeger al +gelogen zoo in 't klein; maar nooit zóó laf, zóó met opzet. + +En een paar groote, diepe oogen hadden als 't ware plaats genomen in +dat blinde gezicht en een oogenblik voor hem gestaan. En hij kon ze +niet ontwijken, wat hij ook deed en hoe hij zich wendde en keerde; +hij moest aan zijn moeder denken, met pijn en tegenzin, maar hij moest! + +Naarmate de tijd voorbij ging en hij in 't werk in kwam kreeg ook +de kapelaan Maarten Kruse veel te doen. Zijn priesterlijk ambt +nam hij waar door Zondags te preeken op zijn beurt en een of ander +bijbellezing te houden, zoodat de leekenpredikanten geen voorwendsel +tot aanmerkingen zouden hebben. Maar overigens werd zijn tijd eigenlijk +gezegd--door zeer wereldsche zaken in beslag genomen, en hij werd +een trouw bezoeker van Lövdahls kantoor--altijd door de achterdeur. + +'t Nieuwe principe van Marcussen, dat het crediet gebruikt moest +worden, maakte het wenschelijk voor de zaak van den professor meer +en solide endossanten te hebben. Tot nu toe had men bijna geen andere +namen noodig gehad dan Consul With, maar nu zou 't goed zijn er meer +te hebben; en Marcussen stelde de oude Jörgen Kruse voor. + +De professor legde toen den kapelaan uit hoe 't eenvoudig dwaas was in +tijden als deze geld te laten liggen voor nauwelijks vier procent en +'t gevolg werd spoedig, dat er voorzichtig handelsbetrekkingen werden +aangeknoopt tusschen Jörgen Kruse en Carsten Lövdahl. + +De oude Jörgen moest de geschiktheid voor zaken doen van zijn zoon +bewonderen, al was hij 't niet altijd eens met de jongelui als ze +geld opnamen. Maar hij kon toch over 't geheel niet tegen Maarten op, +want zoodra er oneenigheid kwam werd de zoon opeens predikant en dan +wist de oude Jörgen niet hoe hij zich houden moest. Zoo kwam heel +wat van Kruses goed bewaard geld voor den dag--"om in de zaak van +Lövdahl gestoken te worden,"--zooals Maarten 't noemde en de rente +was een aardig sommetje bij de eerste half jaarlijksche afrekening, +dat moest de oude Jörgen zelf toegeven. En langzamerhand werd het +gewoonte onder de menschen om hun spaarpenningen naar Carsten Lövdahl +te brengen; de hoogere rente, die hij gaf maakte, dat de sierlijke +"rekening-couranten" van Marcussen verre boven 't spaarbankboekje te +verkiezen waren. + +En toen de oude Jörgen eerst den smaak beet kreeg van deze inkomsten, +verkregen zonder moeite en bijna zonder risico, gaf hij zijn dwaze +kleingeestige voorzichtigheid op en werd bijna nog begeeriger dan zijn +zoon om met die schitterende zaak van Lövdahl aan den gang te gaan, +waar zooveel goud uit vloeide. + +Toen Maarten Kruse zijn vrouw voor 't eerst de renten van 't geld +bracht, dat langzamerhand bij Carsten Lövdahl geplaatst was, legde +Mevrouw Frederika haar magere armen om den hals van haar man en +fluisterde: + +"Dat is zeker bijna zeven procent, Maarten." + +"Dat weet ik niet; ik heb 't niet nagerekend," antwoordde Maarten +met waardigheid; "maar 't schijnt wel alsof een rijke zegen dien +man begeleidt." + +"Maar dit geld--zullen we dat niet in de bank zetten? Dat is toch +zekerder." + +"Zooals je wilt, Frederika." + +En toen werd dit geld in de bank gezet. + +Maar acht dagen later zei Mevrouw Kruse: + +"Weet je Maarten, hoeveel we in deze week verloren hebben?" + +"Hebben we wat verloren?" + +"Door die rente--je weet wel--in de bank te zetten in plaats van bij +Lövdahl hebben we meer dan drie gulden in één week verloren.--Ik heb +het uitgerekend." + +"Zoo!" antwoordde haar man teleurgesteld, en er ontstond een pauze. + +De predikant zat in zijn vaders couranten te lezen--zij werden 't +eerst bij de jongelui gebracht;--en Mevrouw Frederika was bezig een +hoed te maken van een zwarte das, die Maarten niet langer gebruiken +kon, omdat hij altijd met een witte das liep. + +"Zeg eens," zei eindelijk Mevrouw Frederika, "vind je niet, dat er +iets verkeerds in is om zoo 't geld te verspillen. Denk eens aan deze +drie gulden. Wat hadden we daar niet voor kunnen koopen!" + +"Of ze weggeven, Frederika." + +"Ja zeker, denk eens aan hoeveel armen hadden we niet met dat geld +kunnen voeden, die nu niemand ten goede komen?--Ik geloof wezenlijk +dat je naar den professor moet gaan--ja, want je ben toch wel zeker +van hem?" en alsof die vraag alleen haar al ontzette, richtte zij +haar scherpe vogel-oogen op haar man. + +Maarten antwoordde door van uit de hoogte de schouders even op +te halen. + +"Wil je, dat ik dat geld ook naar Lövdahl breng?" vroeg hij. + +"Ja, je moet maar doen wat je wilt; maar ik vind wel,... ja, je weet +dat ik van zulke dingen geen verstand heb; maar 't komt me voor, +dat het eenvoudig verkeerd--zonde--is iets verloren te laten gaan." + +Toen Marcussen den volgenden dag in het kantoor van den chef geroepen +werd door de electrische bel, riep de professor hem opgeruimd toe: + +"Je hadt gelijk, Marcussen! De dominé is hier geweest met het geld." + + + + + + +XI. + + +De baker had gelijk, toen ze de eerste dagen na de geboorte van kleine +Carsten steeds herhaalde, dat Mevrouw te jong was om dadelijk het +heele geluk te voelen van een kind te hebben;--dat zou wel komen. + +Want toen Clara er zich van overtuigd had, dat haar schoonheid niets +geleden had, omringde ze den kleine met een liefde zoo begeerig en +jaloersch, dat ze zich bijna op voet van oorlog voelde met allen, +die haar omgaven en zich een beetje eigendomsrecht op het kind wilden +toeëigenen. + +Ze knorde op verpleegsters en kindermeisjes, omdat ze er geen verstand +van hadden hoe 't kind behandeld moest worden. Zoolang de kleine gezond +was kwam het door dat Clara hem behandelde volgens een boek of volgens +lange brieven van haar moeder. Maar kwam er wat maagpijn of zooiets, +dan was 't altijd doordat de verpleegster of 't dienstmeisje--of +iemand anders--iets doms of verkeerds gedaan had. + +Dat kind was een stuk van haar eigen schoonheid, van haar eigen +volkomenheid; daarom moest het zijn--en opgroeien als--een manlijk +evenbeeld van haar; het moest zich eenmaal vertoonen in de stad en +aan de familie en vrienden, aan de versmaadde balcavaliers, ja voor de +heele hoofdstad tot op het Koninklijk Paleis toe, als het meesterstuk +van Clara Meinhardt. + +"'t Schijnt, dat je kleine Carsten als jouw uitsluitend eigendom +beschouwt," zei Abraham goedig, als ze hem niet wilde toestaan bij +het kind te komen. + +"Ja, dat doe ik;--dat spreekt!" + +"Maar ik dan!" riep Abraham lachend, "je behandelt me heelemaal als +oud kruit." + +"Wat is dat nu voor onzin?" + +"Der Mohr hat seine schuldigkeit getan, der Mohr kann gehen." + +"Ja, dat kan hij ook," antwoordde Clara zonder een spoor van een +glimlach. + +Maar Abraham lachte; hij wilde dit niet in ernst opnemen; hij wilde +gelukkig zijn. Hij had een zoon, die van hem was; en hij zou den +jongen wel naderen, later! 't Was zoo natuurlijk, dat de moeder den +eersten tijd heelemaal voor hem zorgde. + +Alleen met één kon en wilde Clara het kind deelen. De professor had +ten allen tijde toegang; en hij werd ontelbare malen de wenteltrap +opgeroepen voor een consult of soms ook alleen, omdat Grootvader zien +moest hoe lief hij was--kleine Carsten in 't bad. + +En Moeder en Grootvader konden uren bij de wieg zitten te lachen en +iederen trek te bewonderen in dat kleine gezicht, waarin ze allerlei +glimlachen, familiegelijkenissen en sporen van intelligentie ontdekten, +terwijl 't kind--oprecht gesproken--'t meest op een zieken aap geleek. + +De professor was zóó vol van dat kind, dat hij 't stof van een paar +geneeskundige geschriften afborstelde en de kinderziekten weer ging +"repeteeren." 't Was zijn lust en zijn vreugd, dat kleine wezen, +dat zijn naam dragen zou. En als hij in de diepe stilte midden in +zijn groot kantoor van verre 't geluid van 't schreien van een kind +hoorde, dan leunde hij achterover in zijn stoel en glimlachte tegen +de geluksgodin, die half zwevend hem haar krans reikte en ook tegen +hem glimlachte. + +Ook aan haar vriendin, Mevrouw Frederika, vertoonde Clara soms haar +kind, want zij had er geen en 't scheen ook niet, dat ze kinderen +krijgen zou; en Clara was er trotsch op dit boven haar voor te hebben. + +Want wat zuinig huishouden betreft moest zij erkennen, dat Mevrouw +Frederika verre haar meerdere was. Wel behoefde Clara niet zuinig te +zijn, en dat was ze ook eigenlijk niet; maar ze had toch van haar +moeder de liefhebberij geërfd om zuinig met de boter te zijn en de +suiker voor de dienstmeisjes weg te sluiten. + +Mevrouw Frederika leerde haar een menigte kunstjes met het vet in +'t eten, met aanmaken met meel, stroop en chicorei en--Liebig niet +te vergeten; en Mevrouw Clara maakte er zich een gewetenszaak van +haar man en haar dienstboden te onthalen op sommige mystieke zaken, +die zij moesten eten. + +Op andere oogenblikken,--b.v. bij partijen, deinsde ze niet voor +uitgaven terug. Royaal te zijn en veel geld uit te geven, als +de menschen het zagen, lag eigenlijk in haar aard--vooral met een +verfijnde manier van uitpingelen; op 't oogenblik, dat ze de kookvrouw +vrij liet rondtasten in truffels en oesters, verzuimde ze nooit de +pruimen te tellen voor de zoete soep van de dienstboden. + +Voor Mevrouw Frederika was een bezoek en vooral een partij in dat +huis, waar zooveel omging, werkelijk aangrijpend. Haar valken-oogen +rustten op alles wat er verbruikt werd en taxeerden alles wat er werd +verspild. En daarna voelde ze zich alsof ze had meêgedaan aan een +waanzinnige overdaad, die ze zelf moest herstellen door nog zuiniger op +'t allerzuinigste uit te zuinigen. + +Ze benijdde waarlijk haar vriendin niet; 't moest vreeselijk zijn +aan 't hoofd van zulk een huis te staan. Want Mevrouw Frederika +begeerde eigenlijk niet rijk te zijn; veel te bezitten; evenmin had +ze een bepaalde vrees voor de ontberingen en de bekrompenheid van de +armoede,--ze had in werkelijkheid zoo weinig noodig. + +Haar hartstocht was de bewustheid, dat alle penningen, die maar op +een of de andere manier tot haar konden komen--ook werkelijk kwamen; +dat geen enkele cent van haar wegkwam, die op een of andere manier +uitgespaard had kunnen worden. Ze was een goudmijn voor haar man en +werd zeer bewonderd. + +Neen--als ze Clara Lövdahl iets benijdde, dan zou 't haar man +zijn;--hij was met zoo weinig tevreden,--dàt moest ze bewonderen. + +Als ze hoorde met wat voor middageten de rijke, verwende Abraham +Lövdahl genoegen nam moest ze wel eens aan haar man denken;--hem +kon ze waarlijk niet makkelijk foppen met opgewarmde restjes en +dergelijke zaken. + +Maar dat kwam ook doordat Maarten niet sterk was,--en behalve dat +had hij aan goed, krachtig voedsel behoefte in zijn moeilijke +betrekking. En in 't huis van den kapelaan was 't daardoor +langzamerhand gewoonte geworden, dat de huisvader uit een +afzonderlijken schotel at; terwijl de huisvrouw, die trouwens bijna +geen voedsel noodig had, iets anders kreeg, dat men eigenlijk niet +den naam van een of ander bepaalde spijze geven kon. + +--Zoodra Clara Lövdahl zich weer geheel hersteld voelde, wilde zij +vergoeding hebben voor den langen, vervelenden en pijnlijken tijd, dien +ze had doorgemaakt; ze bracht leven en beweging in 't oude huis--ja +in de geheele stad. Ze gaf den stoot aan een druk converseeren en een +feeststemming, die naar alle kanten uitsloeg en ieder meêsleepte en den +geheelen winter opvroolijkte door schitterende bals, fakkeloptochten op +'t ijs, champagne en raketten. + +'t Was wel Clara Lövdahl niet alleen, die de bedaarde stad op stelten +bracht; maar zij sloeg op het rechte oogenblik den rechten toon +aan; en ze vond weerklank in de blijdschap en 't gejubel van alle +kanten. Niet alleen bij de grooten, zooals de Lövdahls, de Withs, +de Garmans--maar ook onder de kleine burgerij was men uitgelaten in +dezen winter. Er was niet één bekommerd gezicht te zien--behalve dat +van den bankdirecteur Christensen; en dat verhoogde de vroolijkheid. + +Er gaat soms zulk een geest van uitgelatenheid door kleine afgelegen +groepen menschen, als ze lang geslapen hebben. Een prins of een +landbouwtentoonstelling brengt de machine aan den gang en dan gaat +het door, slag op slag met feesten en partijen. + +Zij, die geld over hebben, halen 't voor den dag en zij, die 't niet +hebben kunnen 't met alle genoegen te leen krijgen; en er ontstaat een +royaliteit en een overdaad, zóó dat de verraste kooplieden champagne +en zware zijden stoffen uit Hamburg laten komen. + +Maar die champagne wordt nooit betaald en als een vreemde klant vele +jaren later verbaasd wordt door 't vinden van een prachtige zijden +stof in een stoffigen, halfleegen winkel, dan antwoordde de koopman: +"Ja, ziet u, dat goed is nog uit den prinsentijd," en hij schudt +weemoedig zijn gefailleerd hoofd. + +Deze keer was het dus Mevrouw Clara, die de vroolijkheid aan den +gang bracht; maar ze had ook goede hulp. Allereerst in den professor, +die dat juist "la haute finance" vond: bals, concerten en maskeraden +'s avonds en groote omzet, massa's brieven en expedities 's morgens +op het kantoor. + +Hij deed meê met alle vermaken en was het zelf, die Clara aanmoedigde +en haar hielp met iets nieuws, pikants te bedenken. + +Consul With was ook een zeer te waardeeren medewerker; zijn +specialiteit was maskeraden. Hij had een garderobe, groot genoeg voor +een heel tooneel en was onvermoeid bezig en altijd bereid om er van +uit te leenen, als hij maar een maskerade in orde kon brengen of ook +maar een eenvoudig pretje, waar verkleeden bij te pas kwam. + +Booze tongen beweerden, dat die liefhebberij van den consul hieruit +ontstond, dat hij alleen onder zijn meesterlijke verkleedingen +zich des avonds wat kon vermaken; daar zijn vrouw--"de strijkplank" +genaamd--hem scherp in 't oog hield. En dat was noodig; want de naam +van Consul With was bijna nog erger dan die van Marcussen. + +Ook Marcussen bracht Clara aan den gang; het amuseerde haar hem in +een voortdurende verwarring te houden. In 't eerst lette hij niet op +haar, anders dan in eerbiedige bewondering voor de mooie vrouw van +zijn patroon; maar Clara gaf hem spoedig wat anders om over te denken. + +Ze kende zijn leven goed en wist, dat hij onder de burgermeisjes in de +stad onweerstaanbaar was. Nu zou 't haar amuseeren dien mooien lompen +visch te vangen, om hem te zien spartelen onder haar behandeling van +uit de hoogte. + +En hij beet dadelijk--maar ze trok te vroeg aan het snoer. + +Want hoe weinig fijn Marcussen ook was--een vrouw bedroog hem niet +gemakkelijk. En daar hij onmiddellijk merkte waar hij voor gebruikt +zou worden, bleef hij haar eerbiedige ridder, zonder ooit de kleine +wenken tot toenadering te willen begrijpen. + +Clara verbaasde en ergerde zich; die kleinsteedsche ridder--wou hij +niet toegeven? Ze zou hem dwingen! Maar daardoor werd haar manier +van doen zoo wonderlijk gemaakt, dat Abraham eens, na een partij tot +Clara waagde te zeggen: + +"Zeg eens, je verwent ons dien Marcussen." + +"Wat meen je?" + +"Je neemt te veel notitie van hem. Hij is immers niet anders dan..." + +"dan je vaders kantoorbediende?--dat was 't zeker wat je zeggen +wou; ja, jij meent 't nog al eerlijk met je praatjes over vrijheid +en gelijkheid. Als 't er op aan komt, ben je een belachelijke +aristocraat." + +"Ik wou niets van zijn positie zeggen, ik wou zeggen..." + +"Ja, dat wou je wèl zeggen, dat kon ik aan je gezicht zien." + +Abraham Lövdahl was nu bijna twee jaar getrouwd; over zulke dingen +disputeerde hij niet meer en hij wilde zwijgend zijn courant nemen. + +Maar nu wilde Clara juist weten wat hij bedoelde. Zij eischte, dat +hij zou verklaren wat hij met zijn insinuaties meende; waarom hij +haar allerlei verwijten deed en... + +"Nu, nu Clara! antwoord me nu eens: vind je werkelijk, dat Marcussen +fatsoenlijk is." + +"Hij is mooi, veel mooier dan jij." + +"Ieder zijn smaak!" antwoordde Abraham vroolijk; hij wist best, dat +hij knap was en dat ze dit alleen zei om hem te ergeren, "maar vindt +je dat hij beschaafd is." + +"Nu, weet je wat? ik ken veel getrouwde mannen, die van den heer +Marcussen hoffelijkheid tegenover dames konden leeren." + +"Denk je, dat die sierlijke kunsten een getrouwd man goed zouden +staan?" + +"Je zoudt 't altijd kunnen probeeren. Maar nu wil ik weten, wat je +mij tegenover Marcussen te verwijten hebt." + +"Zijn naam..." + +"Dien ken ik; de meeste mannen hebben geen al te besten naam; wil +jij misschien den eersten steen werpen?" + +"Ik wil heelemaal niet over me zelf spreken; maar 't verwondert me, +dat jij, Clara! die werkelijk zoo scherp ziet, als je dat wilt,--dat +jij de innerlijke ruwheid niet ziet, die bij Marcussen door alles +heen schijnt." + +"Je ben jaloersch,--ja, dat ben je." + +"Och neen, ik ben waarachtig niet jaloersch." + +"Meen je dat ik, die zoo scherp zie, zooals je zegt, de jaloezie niet +uit je oogen zie kijken? Dat is wel een mooie trek van je! Herinner +je je den tijd wel toen je den lof zong van de gelijke rechten, +dezelfde eischen voor man en vrouw, het weerkeerig vertrouwen..." + +"Nu, wat zou dat?" + +"Wat dat zou?--ja, jij ben een mooie Eman... Emancipist!" riep Mevrouw +Clara, "je ben geen haar beter dan al die andere ellendige mannen; +terwijl jij van je vrouw verlangt..." + +"Wat meen je, Clara? Ik?--" + +Toen keerde ze zich naar hem toe en haar mooie blauwe oogen werden +koud als glas. + +"Greta Steffensen," zei ze halfluid. + +Abraham sprong op bij dien naam en Clara maakte daar dadelijk +gebruik van. + +"Ja, je ziet, ik weet er alles van; je meent misschien, dat het je +mooi staat hier met je afschuwelijke en onredelijke jaloezie aan te +komen, terwijl je zelf zooiets op je geweten hebt." + +"Maar ben je nu heelemaal gek, Clara! 't is immers een arm blind kind." + +--"Ja blind moest ze ook wel wezen--" + +"om door mij bekoord te worden?" ging Abraham voort en moest er toch +om lachen. + +"Dat wou ik heelemaal niet zeggen," antwoordde Clara en wendde zich +af.--Want dat had ze juist willen zeggen, maar ze hield op, omdat ze +zelf voelde, dat het al te dwaas was. + +Intusschen herwon ze spoedig haar kalmte en terwijl ze hem voorbij +ging zei ze--met de stem van haar moeder: + +"Hoe dat alles nu zijn mag--ik verzoek van je jaloezie verschoond te +blijven; pas jij maar op je eigen zaken, ik zal wel voor de mijnen +zorgen. Goeie nacht!" + +Na dat gesprek werd Abraham bang, dat praatjes en booze tongen +zijn verhouding met Greta konden bederven; en ze was hem onmisbaar +geworden. Langzamerhand was zijn liefde van Clara weggegleden; hij +had immers al spoedig ingezien, dat het onmogelijk was de dwepende +liefde te bewaren, die hij in 't begin voor haar had gevoeld en +wanneer het nog niet ten volle tot hem was doorgedrongen, hoe ver zij +in werkelijkheid van elkaar stonden dan was dat meer omdat Abraham +in zijn karakter een bepaalden tegenzin had om diep in een toestand +door te dringen, waar hij op den bodem iets droevigs of verontrustends +vermoeden kon. + +Maar de behoefte aan toewijdende liefde, die bij Clara geen +beantwoording vond, keerde zich naar Greta,--natuurlijk en zonder dat +hij aan iets verkeerds dacht. Nu wist Abraham heel goed, dat hij Greta +liefhad en dat hij gelukkig was met haar onschuldig vertrouwen; alle +wenschen, die verder gingen dan dit hield hij van zich af; hij had +zich zelf beloofd, dat hij in deze zaak ten minste volkomen eerlijk +en rechtschapen wilde zijn. + +En voor hem, die telkens in de kleine dingen van 't leven uitweek, +waar hij recht door zee had moeten gaan;--zweeg, waar hij had moeten +spreken--werd deze verhouding met Greta een toevluchtsoord voor +een behoefte in zijn karakter, die van zijn jeugd af onderdrukt +geworden was: hij voelde zich als haar ridder; zij was volkomen in +zijn macht; maar hij zou die nooit misbruiken. En toch was ook hier +een schaduw. Als Abraham over zijn leven dacht, kwam het hem voor alsof +'t zijn onverbiddelijk noodlot was, dat juist hij, die in werkelijkheid +zoo graag alles helder en zuiver om zich heen zou hebben,--dat juist +hij telkens in kleine onwaarheden moest raken, lastige kleine dingen, +die hij in 't begin de moeite niet nam om ze weg te ruimen, maar er +over heen stapte, en die dan later achter zijn rug opgroeiden tot +groote lastige dingen met lange schaduwen. + +Waarom moest het nu weer zoo gaan, dat hij er toe kwam Greta voor +te liegen! + +Want het bleef niet bij dien éénen keer. Toen hij zag hoe gelukkig het +haar maakte, werkte hij zijn heele leven om naar wat grooter maatstaf +en vertelde van zijn kindsheid en jeugd, van dag tot dag. De draad +was echt en waar, maar 't waren juist de versierselen, waar Greta +'t meeste prijs op stelde. + +Hij vertelde--en schaamde zich, en vertelde weer, tot de schaamte +uitsleet; en die lange uren als hij zoo voor haar zat uit te werken +wat hij gedaan had en vooral, wat hij zou doen in dit of dat geval--ze +werden hem liever dan al 't andere. Niet alleen, dat hij 't geluk +genoot bij haar te zijn; maar de fantastische verhalen zelf begonnen +iets ontspannends voor hem te krijgen. Zij kwamen te gemoet aan het +leege, slappe van zijn leven. + +Zoo werd hij een meester in dat soort van verdichting en zij werd +nooit moede te vragen en te bewonderen. + +--Maar in zijn huis moest Abraham zich inspannen om zich niet als +een vreemde te voelen. Door de vriendschappelijke verhouding tusschen +Clara en den professor werd hij wat overcompleet. Naar verschillende +vermaken ging hij meestal meê, maar wat hij niet verdragen kon--waar +hij rondweg 't huis voor ontweek--was een eigenaardig soort vroomheid, +die Clara bezig was in te voeren. + +Mevrouw Lövdahl had om de conversatie in dit saisoen een buitengewone +vaart te geven zich ook met veel weldadige dames vereenigd en een +schitterende bazar met dans en tooneelspel op touw gezet. + +En na dien tijd kreeg ze smaak voor half godsdienstige bijeenkomsten +met een kopje thee en een predikant. + +De professor schertste in 't begin met zijn mooie schoondochter +over die plotselinge vroomheid. Maar al spoedig was 't alsof hij 't +anders ging inzien. Hij stemde zelfs toe den post op zich te nemen +van president van de vereeniging voor gevallen vrouwen in de gemeente +van Sint Peter, van welken post de consul With om zekere redenen zich +gaarne ontheven zag. + +Dit:--dat zijn vader meêdeed--kon Abraham 't allerminst verdragen; +want hij wist toch wel zooveel van de opvatting van den godsdienst +door den professor, dat hij onmogelijk gelooven kon, dat de oude man +van wetenschap nu met een oprecht hart psalmen zat te zingen met de +dames en meê ging naar de kerk, ja zelfs naar 't avondmaal met Clara. + +Maar daar kon hij immers met zijn vader niet over spreken. Hij ging +hem daarom maar uit den weg. + +Overigens was er over den professor een levendigheid, een rustelooze +werkzaamheid gekomen, die Abraham soms bijna angstig kon maken. Aan +alle partijen nam de oude man deel en vroeg en laat was hij in +'t kantoor. + +Op een dag liet hij Abraham een wissel onderteekenen. + +Abraham nam lachend de pen. + +"Ja, kan ik u een pleizier doen met mijn naam dan met alle +genoegen. Iedereen weet wel, dat ik geen cent bezit!" + +"'t Is ook alleen maar voor den vorm," zei de professor snel, en nam +het papier aan. "Mijn naam is 't voornaamste." + +"Ja, uw naam is als de koeien van Farao; die verslindt den mijnen en +wordt er geen greintje vetter door." + +"Maar jouw naam Abraham, zal eens even goed worden als de mijne!" + +"Ach Vader! Ik word toch nooit zoo'n koopman als u." + +"We zullen zien, mijn jongen," antwoordde de professor; maar lang nadat +Abraham het kantoor had verlaten, zat hij in gedachten verdiept,--in +onrustige gedachten. + + + + + + +XII. + + +"Mijnheer de bankdirecteur!--nu begin ik in ernst te gelooven, dat +u me tegenwerkt." + +"Volstrekt niet, Professor! integendeel! Niemand kan er meer naar +verlangen u te helpen dan ik." + +"Te helpen?--Dank u! maar ik heb waarlijk geen hulp noodig." + +"Neen, neen. U begrijpt me verkeerd, ik meende alleen, dat in deze +slechte tijden--" + +"Och, die crisis is een idee fixe van u, Mijnheer Christensen, en u +weet, ik geloof er niet aan." + +'t Gesprek had een heele poos geduurd en de beide heeren waren +tamelijk opgewonden--ieder op zijn manier. Vooral was 't gezicht van +den professor als gevlamd, en hij speelde zenuwachtig met zijn lineaal. + +Christensen was kalmer; hij snuffelde alleen wat meer dan gewoonlijk +en keek rond in het kantoor. + +"Welnu, Professor Lövdahl--crisis of geen crisis--één ding is zeker. En +dat is, dat Fortuna hoe eer hoe liever moet liquideeren." + +Dat kwam zóó plotseling,--dat de professor een oogenblik als verstomd +bleef zitten met wijd opengesperde oogen. + +"Moet dat een grap verbeelden, mijnheer Christensen?" + +"In 't geheel niet, helaas! Ik dacht, dat u 't volkomen met mij eens +zoudt zijn: u moet den heelen toestand immers nog beter kennen." + +"Ja, dat doe ik ook; en ik kan u verzekeren, dat er in 't geheel geen +sprake kan zijn van de mogelijkheid waar u van spreekt. Maar nu zal +ik u eens wat zeggen, Mijnheer Christensen! U hebt, van den dag af, +dat ik administreerend directeur van Fortuna werd, gedaan wat u kon +om mij te doen vallen en toen u dat niet lukte, hebt u geprobeerd de +fabriek zelf te schaden; daarom komt u met al uw bezorgdheid op de +algemeene vergaderingen, en om dezelfde persoonlijke redenen hebt u +de Fortunawissels uit uw bank verdreven." + +"Persoonlijke redenen? Professor!" + +"Ja, ik noem dat persoonlijke redenen;--want dit alles komt, doordat +uw ijdelheid niet verdragen kon, dat ik president werd toen Mordtmann +heenging; nu weet u het!" + +De professor was geheel buiten zich zelf en liep de kamer op en neer; +Christensen voelde aan zijn neus en glimlachte zoowat achter zijn hand: + +"Laat ons beiden niet over persoonlijke ijdelheid spreken, Professor +Lövdahl!--'t Zou beter zijn als we gezamenlijk het ongeluk trachtten +te dragen. Die fabriek is--een mislukte onderneming--laat ons maar +beginnen met dat te erkennen." + +"Volstrekt niet--dat wil ik in 't geheel niet erkennen. De fabriek +is goed en wordt goed bestuurd; maar de samenloop van omstandigheden +is buitengewoon ongelukkig geweest." + +"Ja, dan ben ik genoodzaakt u te zeggen, Professor,--dat mijn bezoek +bij u vandaag ten doel had er u op voor te bereiden, dat ik voornemens +ben op de eerstvolgende algemeene vergadering een voorstel in te +dienen tot liquidatie van de fabriek." + +"Ga uw gang"--antwoordde de professor, keerde zich om en ging naar +het middenste venster in de kamer. + +Hij was zoo heftig bewogen, dat hij 't een poos lang niet begreep; +maar terwijl hij daar in den tuin staarde, waar de crocussen zich +langs den kant van de paden begonnen te vertoonen kwam de geheele +toestand met al zijn gevaar hem helder voor den geest. + +De positie van Fortuna was helaas uiterst slecht--niemand wist dat +beter dan hij zelf, die met groote persoonlijke offers de fabriek +in leven en in oogenschijnlijken bloei gehouden had. 't Was niet +onmogelijk, dat de aandeelhouders, als ze volkomen over den staat van +zaken werden ingelicht, de voorkeur zouden geven aan een liquidatie, +en dan zou hij zelf staan als iemand, die zijn medeburgers verlies +berokkend had; zijn heele positie, al de aanbidding, die hem zoo lief, +zoo onontbeerlijk geworden was--'t zou alles weg zijn. + +Maar iets veel--veel ergers rees in vage omtrekken voor hem op: +als de fabriek failliet ging zou zijn naam half bedorven zijn, zijn +crediet zou een stoot krijgen, de allergrootste moeilijkheden konden +daaruit voortvloeien. Carsten Lövdahl voelde dat zijn knieën knikten; +dàt mocht nu niet gebeuren; de tijden waren werkelijk dreigend. Alles +kon nog terecht komen; als hij maar tijd had! Een oogenblik zonk +zijn moed zóó zeer, dat hij er aan dacht zich te verootmoedigen en +Christensen te vragen zijn voorstel niet in te dienen. + +Maar terwijl hij zich weer tot den bankdirecteur wendde, die langzaam +zijn handschoenen aantrok, kreeg hij een goeden inval: + +"Als u zoo angstig voor uw aandeelen in Fortuna is, dan is 't beter, +dat ik ze overneem. Hoeveel hebt u op 't oogenblik?" + +"Ik heb er tien, maar ik kan niet verwachten, dat u ze weer terug +zult nemen, Professor." + +"Wees u maar niet bekommerd over mij," zei de professor en lachte +wat uit de hoogte, "de vorige vijf aandeelen, die ik van u kocht, +heb ik een half uur later met winst verkocht." + +"Waarlijk?"--antwoordde Christensen beleefd. "Zoudt u ook deze +aandeelen voor den vollen prijs willen overnemen?" + +"Tegen pari--zooals laatst--natuurlijk," antwoordde de professor, +"en dan hoop ik, dat u zult inzien, dat uw voorstel de fabriek te +liquideeren minstens ontijdig wezen zou." + +"Nu kan er van dat voorstel immers geen sprake meer zijn; nu ik niet +langer aandeelhouder ben, treed ik natuurlijk uit de directie op de +eerstvolgende algemeene vergadering." + +Die wending had de professor niet voorzien. Als Christensen uit de +directie van Fortuna ging na al zijn aandeelen te hebben verkocht, +dan was dat een even doodelijke slag voor de fabriek als zijn +voorgenomen voorstel. + +De professor maakte daarom een afwijzende beweging. + +"Neen, neen, Mijnheer Christensen!--niet op die manier! U hebt mij +niet goed begrepen. Als ik nu uw aandeelen overneem, dan gebeurt +dat niet om een of ander oogenblikkelijk voordeel--dat weet u heel +goed; maar ik doe dat uit belangstelling voor de fabriek. Ik verlang +daarentegen van u, dat u niet alleen dat voorstel niet indient, +maar dat u ook de directie steunt, speciaal mij, als president; +en dat u over 't geheel op de algemeene vergadering zoo optreedt, +dat het vertrouwen in de fabriek, niettegenstaande het ongelukkige +bedrijfsjaar, bij de aandeelhouders niet geschokt wordt." + +"Ja, maar ik kan toch niet goed op eenige manier optreden, als ik +niet langer zelf aandeelhouder ben." + +"Dan houdt u een paar aandeelen," zei de professor, maar omdat +hij dadelijk den ander aan kon zien, dat hij ze kwijt wilde wezen, +verbeet hij zijn ergernis en ging voort: "of laat mij ze liever alle +tien nemen--zooals ik eerst voorstelde, dan kunnen immers een paar +aandeelbewijzen onovergeschreven blijven liggen, bij u, voor den vorm, +ten minste tot na de algemeene vergadering. Dat is immers een volkomen +particuliere transactie tusschen ons en raakt uw belangstelling niet, +voor de fabriek die u immers zelf hebt helpen stichten en waarvan de +bloei u zoo zeer aan 't hart gaat." + +"Dat is wel waar. Ik wou alleen maar, dat u geen grooter assistentie +van me verlangde dan mijn overtuiging toelaat." + +"Ja, ziet u! mijn waarde Mijnheer Christensen," zei de professor half +schertsend; "u is immers angstig van nature." + +"Zullen we niet liever zeggen: "voorzichtig" Professor?" + +"Neen, laat ons zeggen: angstig, dat is toch 't woord. Maar als u +nu ziet, dat ik,--die naar uw eigen zeggen, 't best den toestand +moet kennen--dat ik me niet bedenk, als er sprake is van nog tien +aandeelen te nemen, dan moet u dat toch wel de overtuiging geven, dat +de onderneming heel wat beter is en er beter voor staat, dan u meent." + +"Ja, u hebt toch wel gelijk, Professor! Ik moet bekennen, dat u met uw +wetenschappelijke vorming de man is, die deze zaak 't best beoordeelen +kan en 't zou mij zeer spijten als u niet beloond werd voor al uw +werk en uw opofferingen met een uitslag, die aan uw verwachtingen +beantwoordt. Ik zal doen wat ik kan." + +De beide heeren waren opeens heel hartelijk geworden en scheidden +met een vriendschappelijken handdruk. + +In de deur zei de bankdirecteur zachtmoedig: + +"Ik mag dus hopen, dat onze zaken vandaag contant worden afgerekend? Ik +ken uw handelsprincipes." + +"De helft contant en de rest tegen drie maands accept," antwoordde +de professor. + +"Drie maands accept..." herhaalde de bankdirecteur wat langzaam; +maar een blik op het gezicht van den ander overtuigde hem, dat de +grens nu bereikt was: hier was niet meer te halen;--en hij veranderde +behendig van toon: + +"Ja, dat is immers 't zelfde als contant; een stuk, waar "Carsten +Lövdahl" op staat is even goed als de bank van Noorwegen. Goeden +morgen Professor." + +En zij bogen glimlachend voor elkaar. + +"Marcussen, we moeten vanmiddag 5000 gulden contant aan den +bankdirecteur Christensen betalen. Wil je die som klaar leggen?" + +De onvervaarde Marcussen, die nooit zijn gezicht vertrok, werd deze +keer wel wat beduusd. Iedere dag had genoeg aan zijn eigen kwaad en +'t was geen gekheid vijf duizend gulden te voorschijn te tooveren +naast al het andere wat gedekt en afbetaald moest worden. Ook was +'t al vrij laat op den dag. + +Maar de professor was den laatsten tijd zoo heftig en opvliegend +geworden, dat Marcussen, die de vrede liefhad, placht te doen alsof +alles van een leien dakje ging. + +Hij zei daarom alleen: + +"Hm! vijf duizend gulden? in orde, Professor!" + +Zooals de zaak van Professor Lövdahl nu gedreven werd, paste Marcussen +er voortreffelijk in. 't Was juist iets voor hem van dag tot dag +uitwegen te vinden, zonder met bekommering over de gevolgen te denken; +en hoe schaarscher 't geld werd, hoe sterker Marcussens vindingrijkheid +zich ontwikkelde. + +Hij was gewoon zich door heel wat erger moeilijkheden heen te slaan: +jaloersche vrouwen, bedrogen meisjes, onvrijwillige schoonmoeders, +bijdragen voor opvoeding van kinderen, predikanten en vermaners--de +moeilijkheden op 't kantoor waren maar kinderspel voor hem. + +Vervallen papieren met nieuwe af te doen, die er uitzagen als +deugdelijke stukken, naar links en rechts te trekken, de steeds +toenemende schuld in voortdurenden omloop te houden, wat den indruk +maakte van een sterken omzet--dat was juist een werkje voor Marcussen. + +En als hij rondtastte in geld en papieren was hij niet slordig en +onverschillig, omdat het geld van een ander was; hij zou zeer zeker +zijn eigen zaak op dezelfde manier gedreven hebben, als hij er een +had gehad. + +Hij hield zelfs veel van den professor en van het huis en zou zoo +innig graag willen, dat het zoo goed, zoo schitterend mogelijk mocht +gaan. Goedig en hulpvaardig als hij was wenschte Marcussen zeker, +dat alle menschen rijk waren, even oprecht als hij wenschte, dat alle +meisjes mooi waren. + +Ook de professor werkte van zijn kant. Hij was nu zoo ver gekomen, +dat hij niet angstig wezen wilde, hij wilde 't niet merken, dat 't +heele handelsleven als 't ware begon te verflauwen, ineen te krimpen; +hij wilde niet verder zien dan van dag tot dag. + +Maar daarentegen spande hij al zijn krachten in om den stroom te +stuiten, die wegvloeide. Hij kocht groote partijen van waarde--alles +wat men hem aanbood: koren, koffie, visch, zout--en verkocht het weer, +bijna zonder dat hij aan winst of verlies dacht--als 't maar gauw ging, +als hij maar altijd geld door zijn handen voelde gaan. + +En de koortsachtige kracht, door dien eenen man ontwikkeld, werkte +aanstekelijk in wijden kring; en een lust tot speculeeren, een periode, +als van het meest woeste spelen op de beurs, wierp een korten tijd +zijn valschen glans over dien stillen uithoek van de wereld, waar +Carsten Lövdahl aan den gang was. + +Hoe verder hij het veld van zijn operaties uitstrekte, hoe meer namen +hij binnen den kring van zijn endossanten trok; en daar de geheele +omzet op wissels ging, was er spoedig geen huis van eenige beteekenis +in de stad of in de naburige steden, dat niet met Lövdahl samen op +een of ander stuk stond. + +Maar zoolang de banken en het buitenland zonder morren disconteerden, +was die manier om geld te krijgen zoo gemakkelijk, dat maar zeer +weinigen de kracht hadden bijtijds op te houden. + +Zelfs niet toen het disconto begon te stijgen zoodat dit geld waarmeê +zoo gemakkelijk en zoo vlug gespeculeerd werd, in werkelijkheid zoo +duur was, dat het weinig kans op verdienste gaf. + +Ook scheen niemand zich in ernst ongerust te maken over de berichten +uit het buitenland; het eene artikel na het andere daalde 50% +in een week: de petroleum begon, toen verdwenen er millioenen in +spoorwegaandeelen, toen ging de koffie naar den kelder en de suiker +er achter aan, maar niemand scheen te begrijpen, dat dit een gevaar +voor alles en allen was. + +Er waren niet veel neuzen als die van den bankdirecteur en het +vertrouwen op Carsten Lövdahl was zoo boven allen twijfel verheven, +dat geen mensch er aan dacht zijn naam te weigeren. + +Trouwens, daar zou ook meer moed toe behooren dan de koopmansstand +gewoonlijk bezit. Want Lövdahl behoorde tot "den kring," die de +stad en de bank bestuurde. Een onvoorzichtig woord tegen een van +de "grootelui" kon genoeg zijn om er zachtjes aan uit geschoven, +geïsoleerd, vergeten te worden; en wie niet sterk genoeg was om alleen +te staan, hij moest verdorren en afsterven, omdat alle bronnen voor +hem werden afgesloten. Daarom klonken er louter lofredenen op die +grootsche en voor de stad zoo gezegende werkzaamheid, de bezige handen, +de vele monden--enz.; en met die lofspraken bedwelmde men zich zelf en +doofde zijn twijfel. In alle andere omstandigheden zou de balans van +'t laatste bedrijfjaar van de maatschappij op aandeelen "Fortuna" +een gebeurtenis geweest zijn, dat wel tot nadenken kon stemmen. + +'t Was een allerwonderlijkste algemeene vergadering geweest. + +Na een vlug en kort financiëel overzicht, door Marcussen geschreven, +had Prof. Lövdahl zijn spijt betuigd te moeten meêdeelen, dat de +fabriek dit jaar geen winst gemaakt had. + +Dat was een onaangename verrassing voor allen; en de stemming werd +zeer gedrukt; een enkele ontevreden stem probeerde voorzichtig een +paar onaangenaamheden tot de directie te richten. + +De directeur van de bank bleef zwijgend zitten en de vergadering +kreeg den indruk, dat de ontevredenheid onder zijn bescherming kwam +aanrukken; 't was immers genoeg bekend, dat hij Lövdahl haatte;--men +werd dus moediger; het scheen een stormachtige vergadering te zullen +worden. + +Christensen liet het ver komen, vóór hij opstond. Maar toen viel +hij de verblufte ontevredenen in den rug aan, met een toespraak, +zóó vol besef van zijn meerderheid, zoo open, zóó vol vertrouwen, +dat de sterk bewogen algemeene vergadering tot een lachend meer werd, +waarin het herkozen bestuur zich veilig spiegelen kon. + +Daarop ging de bankdirecteur weer zijn jaarlijksche badreis maken en +nam zijn neus meê; hij wist nu wel hoe het gaan zou. + +Maar hij had niet de opvatting van zijn roeping, dat hij waarschuwen +en voorkomen moest. Toen hij zijn eigen zaken geregeld had en naar +zijn beste vermogens zijn dierbare bank beschut tegen de ongelukken, +die hij voorzag, liet hij met een gerust hart zijn lieve medeburgers +zich zelf ruïneeren, en hij wachtte kalm op het oogenblik, dat hij +alleen zou blijven staan, terwijl rondom de gevallenen of wankelenden +hem om hulp zouden smeeken. + +--Carsten Lövdahl herademde na die algemeene vergadering en hij zag +met vreugde de Hamburger boot met Christensen aan boord het fjord +uit stoomen. + +Toen de zomer kwam werden de zaken matter. De menschen gingen op reis +of kregen bezoek en intusschen liepen de wissels hun gewonen loop, +uit en in de banken, die op sluizen geleken, waardoor de stroom +op den middag bruisend heen ging om op den namiddag in de kas een +allerbedroevendste leegte na te laten. + +In het ruime huis van den professor was de heele familie Meinhardt +op bezoek; en de grootere huishouding werd gedreven uit een overdadig +ruime beurs, wat Mevrouw Meinhardt in verrukking bracht. + +De oude uitgedroogde Assessor daarentegen werd onrustig; hij begon te +snuffelen en te onderzoeken, maakte enkele berekeningen en eindigde +met op een zekeren dag aan den professor voor te stellen enkele van +de onroerende goederen op naam van zijn kleinzoon te zetten. + +Abraham had nooit groote eischen gesteld als man van zaken, en daarom +viel het den assessor minder moeilijk de zaak zóó te wenden, dat dit +voorstel in 't geheel niet uit eenig wantrouwen tegen den professor +voortkwam. 't Was alleen om intijds de familie in 't bezit van de +vaste eigendommen te stellen, als de zaak later bleek niet even +schitterend te gaan in de handen van Abraham. + +Op die manier kon de professor ook gemakkelijker het voorstel aannemen, +dat hem trouwens toelachte; en de twee grootvaders schreven een aantal +juridische meesterstukken in den vorm van giftbrieven en stukken van +overdracht, die den kleinen Carsten tot een gezeten man maakten, +terwijl hij boven liep te schreeuwen, omdat hij niet meer kersen +mocht hebben. + +Hiervan kwam Abraham niets te weten; hij had het zoo druk met de +belangen van de arbeiders. Dat was iets, waar hij vol van was--vooral +hun bouwfonds, dat zoo flink aangroeide, dat er al gauw sprake wezen +zou van 't bouwen van een vereenigingslokaal. De advokaat Kruse liet +het bestuur daarvan aan zijn jongen vriend over, want Abraham was +door allen geacht en bemind. + +Abraham was niet langer ongerust over de verandering, die hij in zijn +vader had meenen op te merken. Hij meende, nu dat alles zoo goed ging, +dat die rusteloosheid groote werklust was; en hij kon niet anders dan +den grooten man bewonderen, die met het klimmen der jaren steeds over +grooter kracht scheen te beschikken. + +Op een dag, dat Abraham in 't kantoor was, riep zijn vader hem toe: + +"Heb je wat contant geld om ons te leenen? Marcussen is niet bij kas." + +"Ik heb niet anders, weet u, dan de spaarbankboekjes voor het bouwfonds +en voor..." + +"Ja--geef maar wat je hebt; we geven 't morgen of over een paar +dagen terug." + +Abraham haalde snel zijn kistje uit de brandkast van het kantoor. + +"Ziehier, Vader! Is 't niet prachtig? 't Bouwfonds heeft al bijna +twaalfduizend kronen en de ziekenkas is ook nog zoo verkeerd niet." + +"Goed--goed!" antwoordde de professor haastig en greep naar de boeken. + +"Wilt u alles hebben?" vroeg Abraham lachend. + +"Neen--we nemen alleen maar wat we vandaag noodig hebben." + +"En dan moet u de menschen de rente vergoeden--liefst wat royaal--als u +'t geld morgen teruggeeft." + +"Ja zeker,--natuurlijk," antwoordde de professor, die al weer bij +zijn lessenaar stond, waar Marcussen wachtte. + +--Nu was de laatste, woeste strijd begonnen voor Carsten Lövdahl. + +Hij nam geld op naar alle kanten. Zelfs heel verre, kleine bevriende +handelshuizen gebruikte hij voor onbeduidende sommetjes; hij spaarde +niets, berekende niets meer, sloeg er zich maar door met den trouwen +Marcussen, van den eenen dag tot den anderen. + +Hij spande zijn crediet tot het uiterste, kocht van alles tegen +driemaandswissels en verkocht tegen alle mogelijke prijzen, ver onder +inkoopsprijs, als 't maar contant geld inbracht. De stukken van den +ouden Abraham Knorr gingen in alle stilte naar Hamburg om verkocht +te worden, en alles wat ze bijeen konden schrapen aan stukken van +werkelijke waarde, wierpen ze in den eenen put na den anderen--tot +alles stilstond voor een, bodemloozen afgrond. + +En toen was het gedaan met Carsten Lövdahl. + + + + + + +XIII. + + +'t Was een koude regenachtige morgen tegen 't eind van den herfst. De +familie Meinhardt was reeds lang vertrokken uit het huis van den +professor en Abraham was op reis voor zaken, naar 't noorden, in +dienst van de fabriek. + +Verscheidene dagen lang was 't zoo wonderlijk stil in de stad +geweest; een ademloos wachten, waarin de onzinnigste geruchten onzeker +rondfladderden. Alle tongen waren klaar om aan 't werk te gaan en 't +was eenvoudig uit gebrek aan feiten, dat men elkaar de meest dwaze +dingen vertelde, die niemand geloofde. Want nu was de lucht geheel +vervuld met die kleine, fijne dampen, waaruit de geruchten ontstaan; +en 't gevoel, dat er iets ongehoords, iets verschrikkelijks op handen +was, werd steeds sterker. + +De arbeiders op Fortuna stonden bekommerd bijeen en vertelden elkaar, +dat de fabriek gesloten zou worden. Niemand wist van waar dat bericht +kwam; maar hoe meer enkelen dat ontkenden en den draak staken +met hen, die naar zulke praatjes luisterden, hoe meer de meesten +het geloofden. 't Zat in de lucht, dat er een of ander onheil in +aantocht was. + +De directeuren van de verschillende banken durfden elkaar niet aan +te zien. De laatste dagen waren er verontrustende informaties van +verschillende kanten gekomen, beleefde verzoeken om afbetaling +op enkele posten; eindelijk werden het telegrammen om vaster +zekerheidsstelling, of ronduit weigeringen om crediet te geven voor +verschillende namen. + +'t Was een Maandagmorgen na een veelbewogen week, waarin Carsten +Lövdahl op zoo goed als al zijn handelsvrienden wissels had getrokken +voor groote sommen en gedeeltelijk op geheel nieuwe papieren. + +Reeds Zaterdagmiddags had Marcussen een paar onrustbarende telegrammen +gekregen; maar hij had ze op zij gelegd, volgens de gewoonte van +het huis. Zaterdagavond speelde de professor zijn partijtje kaart en +Zondag was een rustdag. + +Maar Maandagmorgen had zich een stapel telegrammen op Marcussens +lessenaar opgehoopt--"een vlucht vervloekte roofvogels," dacht hij, +terwijl hij zijn natte jas uittrok. Hij begon met ze op zijn lessenaar +te sorteeren in kleine hoopjes, nadat hij ze doorgeloopen had. Maar +eindelijk gooide hij alle telegrammen op een hoop en sloeg er met +zijn groote vuist op. + +Rasmussen kwam met de zwarte leeren tasch om de orders te ontvangen +voor de werkzaamheden aan de banken voor dien dag; maar Marcussen +verzocht hem met zijn tasch naar den duivel te loopen. + +Daarop nam hij na een oogenblik nadenken alle telegrammen in één hand, +ging het kantoor van den professor binnen, sloot de deur achter zich +en trok de portière dicht. + +Carsten Lövdahl had voor 't venster in den tuin staan kijken; hij +wendde zich heftig om en zei: + +"Wat is er? Marcussen!" + +'t Gezicht van den professor was bijna aschgrauw en de oogen lagen +hem diep in het hoofd. Hij had verscheiden nachten niet geslapen en de +inspanning van de laatste dagen om zich er boven op te houden,--zijn +woeste plannen, de wanhopige zekerheid, die van alle kanten 't hoofd +opstak--dat alles had van den grooten statigen man een gejaagden +misdadiger gemaakt. + +"Wat is er? Marcussen!" + +Zelfs zijn stem was veranderd,--ruw, alsof die niets gemeen had met +menschenspraak, maar van een dier kwam. + +Marcussen beefde van ontroering; hij legde de telegrammen voor zijn +chef neer. Lövdahl zette zich met moeite in zijn leunstoel. + +"Telegrammen! allemaal telegrammen?--van Donner? uit Christiania? Wat +moet dat beduiden Marcussen!--waarom breng je mij dat alles door +elkaar? Heb ik je niet gezegd, dat het jouw werk is en niet het mijne +om dagelijks de papieren te regelen? Antwoord dan toch, man! Sta daar +niet als een stok! Wat beteekent dat?" + +"Professor Lövdahl!"--antwoordde Marcussen, en de tranen kwamen hem +in de oogen, "dat beteekent, dat we 't niet langer kunnen uithouden." + +"Wat zeg je?" schreeuwde de professor en stond op, "kunnen we 't +niet langer uithouden? Zeg je dat?--bedoel je--man!--bedoel je, dat +ik--dat Carsten Lövdahl failliet zou zijn ?"--Bliksemsnel gingen zijn +strakke oogen door de kamer, toen dat woord was uitgesproken--dat +woord, waarmeê hij dag en nacht gestreden had in de laatste jaren; +dat woord, dat nooit wegging, dat hem op de lippen kwam, als hij +alleen in zijn kantoor was, dat hij in de oogen van ieder las, die +hem op straat groette. + +"Stil, stil!--je sloot de deur toch wel? sluit hem af, Marcussen! We +moeten 't hoofd niet verliezen,--we moeten een uitweg vinden--alles +kan nog niet verloren zijn,--onmogelijk!--laat me eens zien,--laat +me de telegrammen zien--allemaal!" + +En de oude man nam de telegrammen, die in zijn bevende handen +ritselden; hij keek nu de een, dan de ander in, legde ze uit over +den lessenaar en nam ze weer bij elkaar, tot hij ineen zonk met het +hoofd in de handen en luid steunde. + +Marcussen zei later, dat hij nog liever de aankondiging van de geboorte +van een paar tweelingen had gehoord, dan dat hij dit oogenblik moest +beleven. + +Eindelijk ging hij naar zijn chef en legde de hand op zijn schouder. + +De professor zag hem aan en stond met moeite van zijn stoel op: + +"Ga heen, Marcussen en laat niemand bij mij binnen."-- + +Dien voormiddag ging de zaak schijnbaar als gewoonlijk. Makelaars en +agenten kwamen binnen en spraken met Marcussen; er werden orders naar +de fabriek gezonden en de kassier zat achter zijn hekje, de menschen +kwamen en gingen met geld. Maar de kleine Rasmussen kroop ineen in +een hoek en staarde onafgebroken naar Marcussen. Dat hij niet naar +een van de banken moest met een of ander stuk--dat kon hij maar niet +begrijpen; en hij peinsde er over, wat dat beteekenen moest. + +Maar toen het tegen één uur liep, kwam Taraldsen aandraven, de oude +bode uit de Noorsche bank; hij liep altijd op een sukkeldrafje en +zwaaide met de armen. Voor den lessenaar van Marcussen bleef hij +staan en groette; een onzeker glimlachje speelde op zijn oud gezicht, +toen hij vroeg: + +"'t Is--hm--natuurlijk een verzuim?" + +"Wat?" vroeg Marcussen droog. + +De glimlach verdween geheel en ademloos van schrik vroeg Taraldsen +weer: + +"Moeten uw wissels vandaag niet voldaan worden?" + +"Neen." + +"Mijnheer Marcussen! De menschen zeggen, dat u van schertsen houdt; +maar dit..." + +"Ik scherts niet,--voor den duivel!" + +De oude Taraldsen richtte zich op; 't heele personeel zat over 't +werk gebogen; alleen de oogen van kleine Rasmussen ontmoetten de +zijnen. De jongen zag bleek van schrik; hij begon het te begrijpen. + +Ook voor den ouden Taraldsen begon alles duidelijk te worden; maar +onmiddellijk daarna kwam hij weer in de war; want hij begreep den +vollen omvang van wat hij hier hoorde; de wisselrelaties van de +geheele stad had hij in zijn hoofd; en hoewel hij veel dergelijks +in zijn lang leven had gezien, toch was dit alles maar kinderspel, +vergeleken bij wat er nu gebeuren zou. Zijn stem beefde, toen hij +bijna plechtig vroeg: + +"Moeten de papieren van Carsten Lövdahl geprotesteerd worden?" + +"Ja," antwoordde Marcussen, zonder op te zien. + +De oude Taraldsen draafde 't kantoor uit, maar op de trap kwam hij +den bode van de "Bank op aandeelen" tegen: + +"Is 't waar?--Taraldsen!" + +"Nu gaat de heele stad!" antwoordde de oude met een wanhopige +handbeweging. + +"Is 't waar?--is 't waar?" Die woorden gingen snel door de heele +stad. En toen de zekerheid kwam, stond alles stil--alle werk, alle +gesprekken, alle gedachten; en dat nieuwe vervulde alle menschen, +tot de kinderen toe, die met groote oogen en ontzette gezichtjes +elkaar vroegen: "Heb je gehoord, dat Lövdahl failliet is ?" + +Om één uur ging de beurs open. Zoo plotseling was dit gekomen, dat +consul With, die door Lövdahls failliet volslagen geruïneerd was, +alleen door een toevallige ontmoeting met een directeur van een der +banken verhinderd werd op de beurs te komen. + +Hij keerde terug naar huis en sloot zich in zijn kantoor op. + +Op de beurs was het stil; de menschen liepen zacht rond, zonder elkaar +aan te zien; zij hadden allen 't gevoel, dat ze er plotseling zoo +armoedig uitzagen. + +De banken in de millioenenhoek--zooals men 't noemde--stonden leeg, +en de leden van den "kring," die tegenwoordig waren, wilden vandaag +liever in een groep meer vooraan in de zaal staan. + +Niet eens Garman en Worse zat op zijn oude plaats en die leege banken +slopen als een stomme verschrikking langs de wanden door de heele zaal; +niemand durfde er gaan zitten, alsof ze vreesden, dat ze niet zouden +houden, dat alle banken vermolmd waren, dat een algemeen bankroet ze +allen stuk zou slaan of ze allen omgooien. + +Een paar jongere kooplieden probeerden royaal te doen; maar zij gaven +'t dadelijk op; en toen hun stemmen weer even gedempt klonken als het +gemompel van de anderen, werd de stilte dubbel akelig. Een enkele kon +het niet langer uithouden, maar keek op zijn horloge en ging heen, +en drie minuten later was de zaal leeg. + +Maar dien middag zaten bezorgde mannen rondom in de stad in hun +particuliere kantoren en zagen de boeken na, noteerden en telden +op--en schudden de hoofden. + +En in alle banken vergaderden de besturen, de boden brachten 't +eene bericht na het andere, de telegraafboden maakten 't niet beter; +en de arme directeuren, die aan hun eigen zorgen al genoeg hadden, +begonnen te vreezen voor hun bank nu de eene kring na den ander werd +meêgesleept in de draaikolk, waarin Lövdahl eerst verzonken was. + +Door de bank van Christensen werd er getelegrafeerd door heel Europa +naar den directeur, die dit jaar een zeer lange nakuur in Italië +deed. En 't was bijna, alsof de heele stad een beetje verlichting +voelde, toen 't bericht kwam, dat de directeur al op de terugreis +was en uit Hamburg was vertrokken. + +Reeds vóór vijf uur had men behalve de ontelbare kleine burgers, +die geplukt waren, van groote faillieten de volgende bijeen: Carsten +Lövdahl--met Abraham K. Lövdahl, de vennootschap Fortuna, C. R. With, +Randulphs zonen en Co., en Jörgen Kruse. + +Dat de zonen van Randulph met With meêgingen, kon men verwachten; +ze waren zwagers en hadden veel gemeenschappelijke relaties. Maar +onbeschrijfelijk was de schrik, toen hij ging--de oude Jörgen Kruse. + +Niet alleen, omdat hij voor schatrijk gehouden werd--wat hij ook +was; maar zoo'n klein voorzichtig kruideniertje, van wie niemand +dacht, dat hij ooit tien gulden ergens aan waagde--dat hij nu bleek +verward te zitten in al de meest wanhopige zaken van Lövdahl; met +een wisselschuld, die alles verslond, wat hij bezat en misschien +nog meer,--ja, toen dat bekend werd, was het toppunt bereikt en +men was geheel verslagen van schrik. En met Kruse kwam de ellende +buiten de stad; want hij was de koopman van de boeren; en als nu al +zijn voorschotten en vorderingen met de haast van advokaten in een +failliet moesten worden geïnd, dan zouden velen van hun hoeve en +akkers verdreven worden in deze slechte tijden. + +Terwijl het groote ongeluk zoo in alle stilte ver in 't rond +voortwoekerde, als brand in 't veen, ratelde de onmetelijke machine +van den laster en weefde haar bont weefsel van boosaardigheid en +leedvermaak. + +De lang onvoldane behoefte aan stof wierp zich nu op dezen rijken +voorraad met een razenden honger; en ieder, die niet zoo persoonlijk +bij de zaken betrokken was, dat hij stom van wanhoop neêrzat, begon te +praten, te praten en te praten, alsof zijn leven er meê gemoeid was, +als hij zijn tong niet roerde. + +En de stof--hoe overvloedig groot de hoeveelheid ook was--bleek spoedig +nog onvoldoende te zijn. Men had er niet genoeg aan de gebeurtenissen +te volgen, die nu slag op slag elkaar opvolgden; maar men snelde ze +ver vooruit met voorspellingen en toespelingen; en 't was alsof men +geen rust kon vinden voor de diepste wanhoop allen bereikt had. + +Sommigen namen de zaak zóó op, dat ze alle zijden japonnen van Clara +Lövdahl nagingen en zich over ieder afzonderlijk ergerden, om daarna +zich te verkwikken met de gedachte, dat ze geen draad aan haar lijf +meer bezitten zou, als alles naar recht en billijkheid ging. + +Anderen waren goedaardiger en verdiepten er zich in hoe zij zich wel +moesten voelen--die menschen, die zoo onmetelijk rijk geweest waren +en nu--letterlijk tot den bedelstaf gebracht--geruïneerd waren--op +straat stonden. + +Weer anderen konden maar geen vrede hebben met die millioenen, die +verloren waren; wie zou ze gekregen hebben? ergens moesten ze toch +wezen; maar waar voor den drommel was die massa geld gebleven?--dat +zouden ze wel eens willen weten. + +Er was ook medelijden; maar van zeer gemengden aard; en menig kleine +burger, die vrij gekomen was van den val der grooten, vond dat het +bier hem vandaag bizonder goed smaakte. + +Onder allen daar beneden--de arbeiders en zij, die van dag tot dag +leefden van het werk van hun handen voor anderen,--onder hen heerschte +een doffe stilte. Slechts enkelen barstten uit in vervloekingen en +de ergste scheldwoorden tegen die rijken, die een lekker leventje +leidden en den arbeider zwoegen lieten, om hem dan op een mooien dag +op straat te laten staan zonder werk of verdienste. + +Maar de meesten zwegen stil en vermaanden vrouw en kinderen om zich +kalm te houden. Wisten ze bij ondervinding hoe 't kapitaal in dagen +van bloei den arbeider uitperst tot het uiterste toe; ze wisten ook, +dat ze nooit in hooger mate slaven van datzelfde kapitaal waren dan +juist in de slechte tijden, als de straf kwam voor de zwendelarij en +de speculatie van de grooten. + +Want ze wisten wel, wie vooral die straf zouden moeten dragen. Nu +stonden ze voor dat bestaan van werkeloosheid, van ongeregeld +werk hebben, halve werkdagen, en lange leege uren zonder werk met +honger,--kleine leeningen hier en daar, 't laatste crediet bij den +koopman, later naar de bank van leening en 't allerlaatst, in den +uitersten nood, op den rand van de wanhoop--de wachtkamer van den +armvoogd. + +Daarom zaten zij stil neer en vermaanden de hunnen zich kalm te houden, +opdat hun klachten niet gehoord zouden worden door dat vreeselijke +kapitaal--nu vreeselijker dan ooit, nu 't als een aardstorting kwam +aanrollen en de kleinen verpletterde. + +Ze begeerden niet anders dan te mogen werken, hun spieren waren bereid +zich zoo sterk te spannen als iemand maar verlangen kon,--ze zouden +er nog dankbaar voor zijn. Als ze maar niet stil hoefden te zitten +en verslappen in honger en met slecht voedsel; 's morgens uitgaan +om wat te vinden, en 's avonds thuiskomen om aan de deur die groote +kinderoogen te zien, die vroegen--of Vader een brood meêbracht? + +De oude Steffensen probeerde natuurlijk in troebel water te visschen; +maar een troep arbeiders van Fortuna had hem bijna kreupel geslagen, +toen hij de directie uitschold en 't bestuur en 't heele zoodje. Daarna +verdween hij. + +Neen--neen--Prof. Lövdahl was een eerlijk man; de jonge ook; niemand +moest iets van hen zeggen; misschien kwamen zij er wel weer boven op; +zooiets was meer gebeurd. Ja, enkelen hadden zelfs medelijden met die +rijke menschen, die nu niet rijker waren dan een eenvoudig arbeider. + +Maar er waren niet velen, die zoo ver gingen. Want dat wisten ze immers +allen, hoe wonderlijk het is, met menschen, die in mooie kleeren +geboren zijn. Die blijven ze dragen hoe 't ook gaat. Men hoort wel, +dat ze alles verloren hebben en ook voor anderen alles bedorven en +toch was het nog nooit gebeurd, dat zulke menschen heelemaal zonken +tot het peil van arbeiders en onder hen kwamen wonen en zwoegen. Zij +bleven met een overjas loopen, kregen warm eten en rookten, zoodat ze +'t toch niet zoo bizonder slecht hadden. + +En dat was voor hen 't alleronbegrijpelijkst van het kapitaal; maar +dat boezemde hun juist daarom 't meeste ontzag in; 't moest dus Gods +wil zijn, dat dit groote verschil er zijn zou, dat sommigen alleen maar +voor anderen zouden werken en sloven,--en dat dit zoo blijven moest. + +Maar ook daarvoor was er vergelding. "In den poel der hel zouden ze +pijn lijden en branden, omdat ze hier een korten tijd in rijkdom en +wellust geleefd hadden. Denk maar aan den rijken man, die den bedelaar +om een droppel water smeekte; maar hij kreeg hem niet; neen--gepijnigd +zouden ze worden--al die grooten en machtigen--, men kon ze één voor +één met name noemen; in 't helsche vuur met hen! en daar zouden ze +eeuwig branden! Stel je voor:--eeuwig!" + +Maar hoe veel de predikanten hier ook over preekten, toch waren er, +die niet de rechte troost in deze gedachten vonden. Menigeen dacht, dat +'t beter zou zijn, als er in een volgend leven niet zoo heet gestookt +werd onder de rijken, en de armen maar wat minder kou behoefden +te lijden in dit leven. En dan waren er ook enkele rijken waarvan +'t jammer zou zijn als ze verbrand werden. Ja--zou 't eigenlijk wel +zulk een doodzonde wezen: rijk te zijn? De heele wereld streefde er +immers naar.--Dat klopte niet, als je er goed over nadacht. Neen, +hier was ergens iets niet in orde, waar 't dan ook zijn mocht. + +Ja--zie, dat was ook een gevolg van de werkeloosheid--al die vervloekte +gedachten, die je in 't hoofd kreeg, als je zoo stil naar den wand +zat te staren. Maar al dat denken deugde niet voor de kleine luidjes; +ze moesten verdragen en zwijgen; hopen,--hopen,--en vooral geen +brandewijn drinken. + +Zoo gingen zij den winter tegemoet. + +--Maar terwijl al die gemoedsbewegingen als een zee ver in 't rond +golfden, zat hij, de oorzaak van dit alles, alleen in zijn groot, +prachtig kantoor. Hij zat niet in den leunstoel voor de godin van +'t geluk; maar voor 't middenste venster.--Zoo had Carsten Lövdahl +uren lang gezeten en naar beneden in den omheinden tuin gestaard. Soms +waren zijn gejaagde gedachten zoo mat, dat hij bijna sliep; dan weer +stond de ellende, de schande, de vernedering vlak voor zijn oogen, +zóó dichtbij, zoo vlammend, dat hij de handen afwerend voor zich hield. + +Hij had met zijn vrouw gestreden, de onverbiddelijke oogen waren er +geweest, en hadden zich diep in zijn ziel geboord;--en voor 't laatst +overwonnen, gaf hij den strijd op en verheugde er zich lafhartig over, +dat die oogen gesloten waren. + +Maar er waren anderen, die hij ontmoeten moest: Abraham, Christensen, +Clara--en 't heele heirleger van hen, wier geld hij voor alle winden +gestrooid had; hoe--o hoe zou hij dat kunnen verdragen, hoe was het +toch mogelijk zooiets uit te houden?--Er was iets, dat zijn gedachten +als 't ware naar een uitweg trok; maar die sloot hij dadelijk af;--dàt +wilde hij niet. + +En weer begonnen ze op hem aan te stormen: alle kleine bizonderheden +vol schande en vernedering. 't Begon heel in de verte als een klein +balletje, dat op hem toe kwam rollen en grooter en grooter werd, tot +alles samenliep in één geweldig groote rol, die over hem heen rolde +en hem heelemaal plat drukte--of zou het niet mogelijk zijn toch 't +hoofd hoog te houden? Hij was toch altijd Professor Lövdahl, de man +van wetenschap, de leeraar aan de universiteit; hij had schipbreuk +geleden hier onder die kooplui--welnu!--hij was niet rijk meer; +maar hij was nog iets meer dan een geldman. + +Ach neen! dat ging toch niet--dat hij 't hoofd hoog hield. Hij +moest het liever zoo diep mogelijk buigen om te trachten er door +te komen. Er was al te veel in zijn laatste transacties waar èn de +crediteuren èn de overheid de oogen heel dicht voor moesten sluiten, +als dat er door zou kunnen. Zijn positie was niet van dien aard, dat +het hem goed zou staan, als hij zich oprichtte; 't kostte hem veel, +maar hij moest het hoofd buigen. + +Zich laten trappen!--voor de voeten van Christensen liggen zonder een +spoor van macht!--niets anders kunnen na dit alles--zijn heele leven +lang--dan als een hond de slagen verdragen en daarna de hand likken, +die hem sloeg!-- + +En er lag toch een wapen vlak bij de hand--een wapen, waarmeê hij +zelfs tot zekere hoogte zich den laatsten tijd had geoefend. + +Professor Lövdahl kende zijn tijd en de maatschappij, waarin hij +leefde. Hij wist, dat in dezen tijd en in deze maatschappij, waarin +het Christendom niet bestaat, maar waar alles er op aan komt, dat +men dat niet uitspreekt; waar alle krachten gebruikt worden om de +openhartigheid te onderdrukken, zoodat niet heel die reusachtige +comedie: dat allen Christensen zijn--uiteen spat, doordat één den +moed krijgt te zeggen: "Ik speel niet meer meê,"--hij wist, dat de +huichelarij de levensmacht in die maatschappij is. + +Hij wist, dat niets zoo sterk is als die huichelarij, die nooit de +oogen neerslaat; dat geen rechtschapenheid, geen deugd in die mate de +boosheid ontwapent of tegen verdenking beschut, als die huichelarij, +die zich nooit schaamt, hij wist, dat hij, die zich een harnas kan +maken van die stof, waarmeê de meeste menschen zich gedeeltelijk +bedekken--hij zou door het vagevuur, dat hem wachtte, kunnen heengaan +en weer vasten voet verkrijgen; ja misschien zijn schande tot een +aureool maken, die niemand hem zou durven afrukken. + +En toch aarzelde hij. De laatste overblijfselen van reinheid in hem +verzetten zich tegen zulk een gemeenheid; hij dacht aan zijn jeugd, +den korten, helderen dag van zijn wetenschap, hij dacht aan Wenche +Knorr, en hij kon er niet toe komen zich neer te laten glijden in +dien modderigen afgrond. + +Maar wat hielp dat?--Die gedachten kwamen telkens terug. 't Zou +niet verdacht schijnen; de beproeving heeft zoo menig mensch tot +den godsdienst gebracht; en behalve dat was hij al lang met Clara +naar de kerk gegaan en had aan haar godsdienstige bijeenkomsten +deelgenomen;--waarom eigenlijk?--als 't niet juist was, omdat hij +een vage behoefte aan een uitweg had, toen de mogelijkheid van dit +groote ongeluk voor hem begon door te schemeren. + +Als hij, een oud, onder leed gebogen man, nu de handen vouwde: +"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren +zij geloofd!" Ja--met Abraham was het 't ergste; maar de anderen kon +hij wel aan, dat voelde hij. En toch liep deze overdenking er niet +op uit, dat hij met volle bewustheid de huichelarij koos; maar de +kleine achterdeur in de lambriseering werd opengerukt en de kapelaan +stormde naar binnen. Hij liep recht op den professor aan, doodsbleek +met het koude zweet parelend op zijn gezicht: + +"Mijn geld,--mijn geld!" riep hij heesch. + +De professor was opgestaan en hield zich aan de vensterbank vast; +zijn lippen trilden en zijn oogen waren strak op 't vertrokken gezicht +van den predikant gevestigd; maar hij kon niet spreken. + +"Vader is geruïneerd--dat weet ik!--maar mijn +geld?--Frederika's geld!--dat is behouden, niet +waar?--natuurlijk! geef het me dadelijk! Wat? U hebt het niet! Het is +weg,--verloren--verdwenen! o! vreeselijke man! Je hebt ons bedrogen! Je +zult gestraft worden--neen--Je zult me alleen mijn geld terug geven." + +De professor was een paar seconden als lam geslagen geweest. Nu hief +hij zijn blanke hand op, glimlachte weemoedig en antwoordde: + +"Mijn waarde dominé Kruse! U weet zelf wel, dat ik op dit oogenblik +helaas niet in staat ben u dit geld te bezorgen. Maar ik zal iets +anders voor u doen,--iets wat misschien nog wel zoo goed en nuttig +voor u zijn kan." + +"Wat is dat? Zeg het gauw!--Weet u een uitweg?--O! God zij geloofd!" + +Maarten Kruse beefde over zijn geheele lichaam. Er was nog hoop; +die merkwaardige man, op wien hij zoo blind vertrouwd had; hij wist +misschien nog hulp--hulp voor hem alleen! + +De professor legde vaderlijk de hand op zijn schouder en zei: + +"Ik zal Jezus bidden, dat Hij u helpe!" + +De predikant stoof achteruit, alsof men hem met dien naam in 't gezicht +geslagen had; de beide mannen stonden onbeweeglijk stil en zagen elkaar +vast in de oogen; hun gemeenschappelijk geheim hield hen gebonden. Wie +had recht den ander iets te zeggen? De blik van den predikant gleed +'t eerste weg. Hij greep zijn hoed en stoof de kamer uit. + +Carsten Lövdahl zonk terug in zijn stoel. Dit was zijn eerste +overwinning. + +'t Groote kantoor lag daar in de namiddagschaduwen; maar enkele +gulden zonnestralen vonden hun weg door de verwaaide lindenbladen, en +vielen schuins de kamer in over den man aan 't venster, over het zware +tapijt; en daar ginds op de tafel trof een straal de bronzen Fortuna, +die half zwevend haar krans toereikte aan den ledigen leunstoel. + +--Maar in één huis in de stad heerschte onvermengde vreugd. + +De vrouw van den bankdirecteur Christensen hing om den hals van +haar man, die juist was thuisgekomen en smeekte hem luid schreiend +om vergiffenis, omdat ze hem zoo schandelijk miskend had; en half +verward van aandoening lag ze te fantaiseeren over alles wat ze op +de verkooping van Lövdahl koopen zou. + +'t Leek wel een tableau!-- + + + + + + +XIV. + + +Clara kwam het te weten doordat ze vond, dat de dienstmeisjes zoo +wonderlijk deden; maar toen ze haar vroeg wat er was, kreeg ze geen +ander antwoord dan dat er zeker iets beneden in 't kantoor gebeurd was. + +Ze werd nieuwsgierig, maar ze schaamde zich een beetje voor haar +schoonvader en zond een boodschap naar Marcussen. + +Mevrouw Clara was keurig gekleed in 't bruin. Het bleeke, +bloed-armoedige meisje van de bals, was in haar huwelijk een +vastgebouwde, bekoorlijke figuur geworden. + +Marcussen was een poos lang in ongenade geweest; nu zou hij weer wat +zonneschijn genieten; Mevrouw Clara ging hem tegemoet en reikte hem +glimlachend de hand. + +Nooit was Marcussen minder goed gestemd geweest dan vandaag; maar +zijn adem stokte toch bijna, zóó prachtig als ze was; en zijn oogen +vlamden een oogenblik, zoodat zelfs Clara, die anders niet gauw bang +was, de hare afwenden moest. + +"Kom hier zitten, Mijnheer Marcussen! 't Is zoo lang geleden..." + +Zij gingen op haar kleine sofa zitten onder den onmisbaren palm; en +Marcussen--als een goede jachthond, die op 't spoor gebracht is,--ging +dadelijk meê, vergat al de smart van dien dag, was in spanning en +bereid: zou er toch nog wat van komen met dit prachtige vrouwmensch, +waar hij al zoo lang omheen had gedraaid? + +"Maar eerst moet u mij vertellen, wat er vandaag op het kantoor +gebeurd is?--mijn dienstmeisjes beweren, dat er iets gaande is." + +Ja, was dat ook niet een duivelsch werk! Marcussen raakte hals over +kop uit zijn pas opkomende droomen; hij vloekte en sprong van de sofa +op en vergat heelemaal zijn deftige manieren. + +"Wat is er toch? Mijnheer Marcussen! Waarom trekt u aan mijn +bloemen? laat dat toch! Kom hier en vertel mij wat er voor onraad +is. Waarschijnlijk een van uw eigen geschiedenissen midden in 't +kantoor... Hê?" + +"Neen, waarachtig niet, Mevrouw!" barstte Marcussen uit, "deze keer is +'t niet een van mijn eigen geschiedenissen,--was het dat maar! Neen +Mevrouw, 't is erger--o! duizendmaal erger! En u moogt me gelooven--'t +is zoo pijnlijk, zoo zwaar voor den professor en voor u, ja, voor +Mijnheer Abraham natuurlijk ook." + +"Maar mijn God--Marcussen! schrei je? Wat is er dan? Antwoord dan +toch!" + +"Ja, 't helpt immers niet het voor u te verbergen; we hebben onze +betalingen gestaakt." + +"Gestaakt?--wie?--wat?--ik begrijp er geen woord van." + +"De zaak--ons huis--Carsten Lövdahl heeft zijn betalingen gestaakt!" + +Mevrouw Clara gaf een gil--die Marcussen de deur uitjoeg. Dat was +het eenigste, wat hij niet verdragen kon: vrouwen, die gilden. + +De dienstmeisjes kwamen toeloopen; Mevrouw lag op de sofa in een +toeval of wat het nu was, en was geheel buiten zich zelf. + +De professor wilde niet boven komen; hij gaf bevel een boodschap naar +Dr. Bentzen te zenden. + +'t Eerste gevoel wat bij Clara opkwam, toen haar bewustzijn eenigszins +terugkeerde, was woede tegen hen, die dit over haar gebracht hadden, +niet zoo zeer de professor, hij imponeerde haar altijd. + +Maar Abraham!--die stumper van een man!--hij was dus niet eens +rijk. Zij was bedrogen, afgezet! + +En haar japonnen, haar juweelen. Wat? Verkocht men zulke dingen niet +als iemand zijn betalingen staakte?--ja, dat wist ze wel;--maar de +haren. Goede hemel, ze zou nog gek worden; moest zij eenvoudig gaan +leven? gaan uitsparen in allen ernst, om 't hardst met Frederika--dat +was toch niet mogelijk,--dat was onzin! + +Een telegram werd binnen gebracht; ze gooide hem weg; die was +natuurlijk van Abraham! dat moest zeker een troost verbeelden;--maar +zij wilde niet getroost worden;--allerminst door hem; ze wilde dien +telegram niet lezen--heelemaal niet!-- + +Maar een gesloten telegram kan men niet zoo gemakkelijk laten liggen; +en toen Mevrouw Clara er een paar keer voorbij gekomen was, terwijl +ze de kamer op en neer liep en de handen wrong,--scheurde ze hem open. + +Hij was van haar vader en luidde: "Houd moed! met wijsheid en +voorzichtigheid kan veel gered worden, brief volgt." + +Een straal van hoop!--alles was dus niet verloren! nooit had +ze geweten, dat ze zooveel van haar vader hield, als op dit +oogenblik. Veel kon gered worden,--gered? Clara was opeens sterk, +ondernemend, vast besloten geworden. + +Ze had een beetje begrip van politieagenten, verkooping en zulke +dingen; maar heel helder was dat begrip niet; ze wist alleen, dat +het iets vijandigs was en dat men de mannen van de wet kon en moest +beetnemen. + +Haastig ging haar oog de kamer rond; daar stonden twee massieve +zilveren kandelaars op den schoorsteenmantel. Als een roofvogel vloog +zij er op aan, liep er meê naar haar slaapkamer en verborg ze in een +lade onder haar eigen linnengoed. + +--En de eerste van de deelnemende vriendinnen, die bij haar geweest +was, moest de anderen van hun kring een teleurstelling bereiden. Clara +Lövdahl was heelemaal niet verslagen; integendeel. Ze nam het zoo +goed op. + +Ze had er over gesproken, dat ze nu natuurlijk allen moesten werken +en in den grootsten eenvoud leven; maar wat haar betrof--zij was daar +niet bang voor; ze had eigenlijk nooit veel om weelde gegeven; als maar +ieder het zijne krijgen kon, zou ze blij toe zijn en niet klagen.-- + +--Abraham was op den terugreis uit het noorden, toen hij een telegram +van Peter Kruse kreeg; die werd hem aan boord van de stoomboot gebracht +op een der aanlegstations. + +Eerst kon hij het niet begrijpen; een oogenblik zelfs dacht hij dat +het een ruwe grap was;--maar dat leek niet op Kruse. + +En nu--toen hij daar op het achterdek stond met de telegram in de +hand, was hij opeens heelemaal alleen met den stuurman, die aan 't +roer stond; al de anderen waren verdwenen; en nu eerst viel het hem +op, dat zijn reisgenooten al den vorigen dag zoo vreemd tegenover +hem gedaan hadden. + +Toen begreep Abraham, dat dit bittere ernst was; en hij haastte zich +naar beneden in zijn hut, en terwijl de zee schuimend voorbij 't kleine +ronde patrijspoortje ruischte, gaf hij zich over aan zijn pijnlijke +gedachten en trachtte het groote ongeluk te overzien en te begrijpen. + +Hij dacht het allereerst aan zijn vader; wat moest die al lang geleden +hebben. Maar toen alle treurige gevolgen één voor één hem voor den +geest kwamen verzonk hij diep in smart en moedeloosheid. Het lieve +oude huis, de tuin, waar hij als kind in gespeeld had, al de duizend +voorwerpen, elke hoek, zoo vol herinneringen,--dat alles verlaten; +met leege handen heengaan en vreemden daar zien binnentrekken en er +zich vestigen. En kleine Carsten zou niet als hij in dien omheinden +tuin spelen en met steenen naar de katten gooien; en die kleine pony, +waar Abraham over gefantaiseerd had als hij over de kinderjaren van +zijn jongen dacht! van dat alles zou niets komen. Kleine Carsten +zou de wereld ingaan als de zoon van een man, die zijn schulden niet +betaald had. + +'t Was eigenlijk voor 't eerst, dat 't leven hem zóó aangreep, dat hij +zich op zich zelf alleen voelde aangewezen. Tot nu toe had hij altijd +zijn geërfde plaats gehad onder hen, die veilig waren; op dit oogenblik +voelde hij zich zonder steun, verantwoordelijk voor zijn zoon, die +de wereld in moest en die niemand had om op te steunen dan zijn vader. + +Maar van die gedachte ging een wonderlijke kracht uit. Nu was hij +eindelijk gekomen, de groote tijd dat Abraham Lövdahl toonen zou wie +hij was, als hij maar eerst voor een taak stond, groot genoeg voor +zijn wil. + +Ja, nu was eindelijk zijn tijd gekomen. Greta zou blij zijn, +zelfs Clara zou hem leeren waardeeren. Maar eerst uit al dien handel +weg!--heelemaal weg uit dat alles, dat voor hen allen een vloek geweest +was!--Nu zag hij het in. Laat de schuldeischers nemen wat er is; en +dan met leege handen beginnen aan een nieuw leven van eenvoudig werk. + +Die gedachte maakte zijn hoofd zoo warm, dat hij 't poortje moest +openzetten om zich aan 't zoute schuim te verfrisschen; hij voelde +zich zoo sterk en zoo vol hoop!-- + +Hij zag het al--hun vreedzaam thuis in een van de kleine kustplaatsjes; +de Steffensens moesten ook verhuizen. De beroemde Professor Lövdahl +zou zijn praktijk weer opvatten en Abraham zou hem helpen. 't Zou wel +onmogelijk zijn nu nog zijn doctoraal in de medicijnen te doen; maar +hij was immers Mr. in de rechten; dat radicaal zou hij toch wel voor +'t een of ander kunnen gebruiken. + +In die stemming kwam hij thuis tegen 't donker, den vierden dag na +het failliet. + +Abraham ging door de donkerste straten en bereikte 't huis van zijn +vader door een gangetje achter den tuin. Niemand had hem herkend. Op +de eerste verdieping was alles donker; de gordijnen waren neergelaten; +alleen boven op zijn kleine woning was één venster verlicht; zijn +hart klopte warm; dat was de kamer van zijn zoontje. + +Hij zag met verwondering hoe groot en leeg de gang was. Maar hij +dacht dadelijk aan de groote kast, waar zijn moeder het tafelgoed +bergde. Die was van Grootvader Knorr en was meer dan honderd jaar +in de familie geweest; vermoedelijk moest die naar de verkooping; +misschien was die al verkocht. + +Abraham bleef staan en leunde tegen de trap; 't was toch vreeselijk +hard--dat wat hij nu moest doormaken. Stuk voor stuk zijn liefste +herinneringen uitrukken; alles wat hem dierbaar was naar vreemde, +onverschillige menschen zien gaan. Maar hij verbeet zijn smart en +verzamelde al zijn kracht; zoo moest het juist zijn,--ja--hij was +er blij om, dat er al een begin gemaakt was, en hij ging langzaam de +trap op. + +Boven hadden ze hem beiden verwacht: Clara en de professor. Deze +dagen had hen nader tot elkaar gebracht; en zonder, dat zij 't elkaar +behoefden te zeggen of iets af te spreken, werkten zij beiden, ieder +op zijn manier, om het ongeluk te verzachten en te redden wat nog +gered kon worden. De eerste opvlammende toorn van Mevrouw Clara was +snel geweken, toen de diep neergebogen man haar een paar documenten +bracht, die bewezen, dat kleine Carsten al lang meer bezeten had, +dan de moeder vermoedde. En de professor had niet eens een kleinen, +schuwen wenk behoeven te geven, dat het niet noodig was deze papieren +dadelijk aan Abraham te laten zien; dat begreep ze volkomen. Beiden +waren in spanning, angstig voor zijn thuiskomst--ieder op zijn manier. + +De professor was voor Abraham 't meeste bang--en tot het laatste +oogenblik wist hij niet hoe hij zijn zoon zou durven aanzien. Moest +hij niet verwachten, dat Abraham met zijn heftige natuur zou komen +aanstormen met verwijten, omdat zijn leven bedorven was, zijn toekomst, +zijn naam, zijn eer--alles meê getrokken in den ondergang van zijn +vader. + +Hij kon er niets op antwoorden--in 't geheel niets; want dat was +alles waar. + +Hij had zelf van den beginne aan, dezen zoon opgevoed in volkomen +afhankelijkheid en bewondering; tot op 't allerlaatste oogenblik had +hij alles verborgen, wat in Abrahams oogen de minste schaduw op hem +werpen kon; en nu!--nu wist hij geen schaduw waarin hij wegkruipen kon. + +--Mevrouw Clara was ook bang voor Abraham, maar op een andere wijze; +ook zij kende zijn natuur; maar zij nam bij tijds haar maatregelen. Wat +zij vreesde, was, dat Abraham met zijn gewone neiging tot overdrijven +alles zou opgeven; alles voor de voeten der schuldeischers neergooien +en schoon schip maken. + +Ze wist het best, dat hij in 't geheel niet meê zou willen helpen om +te redden wat gered kon worden, en daarom zag zij zijn thuiskomst met +grooten angst tegemoet; hij was in staat al haar werk te bederven,--dat +had de assessor Meinhardt haar ook geschreven. + +Abraham Knorr Lövdahl was natuurlijk failliet gegaan, tegelijk met +Carsten Lövdahl, maar de inboedel van den zoon was in werkelijkheid +belachelijk klein; hij was meê verantwoordelijk voor bijna de geheele +schuld van de firma, voor zoover als zijn naam gebruikt was; en dat +was 't geval op alle wissels van den laatsten tijd; en nu bezat hij +feitelijk niets dan zijn meubels. + +De door de wet voorgeschreven registratie boven bij de jongelui was +bijna humoristisch. Of de schuldeischers een half of een kwart procent +van dien inboedel kregen, kwam er werkelijk in 't minst niet op aan bij +dat ontzettend tekort. En de door den notaris gezonden gevolmachtigde +liep rond en was doodverlegen tegenover Mevrouw Clara, die absoluut +met hem meê wilde gaan in alle kamers om deuren en kasten voor hem +open te doen en hem te laten zien wat opgeschreven moest worden. + +'t Was maar een paar weken geleden, dat hij in deze zelfde kamers met +haar had gedanst, als een eenvoudige, bescheiden gast, en nu moest +hij haar theelepeltjes tellen! dat was toch te veel verlangd van een +jong, welopgevoed candidaat in de rechten; en de notaris ging immers +nooit zelf op zulke zaken uit. + +Daarom werd 't een vrij gebrekkige lijst; en toen die op de verkooping +kwam, gaf hij aanleiding tot veel scherpe opmerkingen over 't feit, +dat dit overdadig weelderige huis zoo opvallend slecht van zilver en +andere voorwerpen van waarde was voorzien. Maar anderen daarentegen +legden er sterk den nadruk op, dat Mevrouw Clara alles had open +gelegd en niets achtergehouden. Men kon ook wel zien, hoe zij zich +zelf geplukt had, als men hoorde, dat zelfs 't beroemde japansche +naaitafeltje van de overleden Mevrouw Lövdahl zou verkocht worden, +dat Mevrouw Clara toch best had kunnen behouden, want het was een +huwelijkscadeau van den professor. Waar alles nu ook gebleven mocht +zijn--reeds bij Abrahams thuiskomst was 't zoo leeg en eenvoudig in +de kamers, dat het iedereen opvallen moest. + +Mevrouw Clara had het zoo geschikt, dat het donker was in de gang, +waar vroeger een prachtige gascandelabre brandde; 't eenigste licht +daar kwam door een glazen ruit uit de keukendeur. De eetkamer was ook +donker en koud; zij zouden in de huiskamer eten, om niet in twee kamers +te moeten stoken. Zij was er zeker van, dat Abraham die kleinigheden +zou opmerken; en ze hoopte, dat dit goed zou werken. Als men maar +tijd kon winnen en hem op 't rechte spoor kon brengen, dan was de +zaak gewonnen. Later kon er weer licht en warmte komen en al wat er +verdwenen was kon weer van den zolder worden gehaald; maar stuk voor +stuk,--met tusschenpoozen. + +Toen ze hem in de gang hoorden, begon de professor zóó te beven, dat +hij zijn courant moest neerleggen; maar Clara stond op en liep haar +man in de eetkamer tegemoet. Zóó was Abraham nog nooit door zijn vrouw +ontvangen; en hij had in stilte voor iets heel anders gevreesd. Van +'t oogenblik af, dat hij 't ongeluk vernam had hij zijn best gedaan +zoo min mogelijk aan Clara te denken; zij zou naar zijn berekening +heelemaal gebroken zijn, vol klachten--misschien vol verwijten. + +En nu snelde ze hem tegemoet--liefderijk, vrijmoedig, bijna blij! maar +zoo wonderlijk vreemd in die zwarte, wollen japon zonder garneering, +en toch zoo net en zoo mooi, alsof juist de eenvoud haar het allerbeste +stond. + +Hij werd heelemaal warm en door haar betooverd; en toen hij zijn +vader ontmoette, die hem met trillende lippen wachtte,--een gebogen +grijsaard, wierp hij zich in zijn armen: + +"O Vader, arme Vader! wat hebt u 't vreeselijk gehad!" + +"Kun je mij vergeven? Abraham!" + +"Spreek u zoo niet, Vader. Laat ons allen elkaar vergeven en een +nieuwe rekening beginnen, die beter uitkomen zal, niet waar?" + +"Ja, met Gods hulp!" antwoordde de professor, met een diepe zucht; +het ergste was voorbij. + +Ze stonden een oogenblik alle drie hand in hand en zagen elkaar aan +met een glimlach, die bijna blij was; 't was boven verwachting gegaan +voor alle drie--die eerste ontmoeting: en ieder kreeg weer hoop, +maar om zeer verschillende redenen. + +'t Dienstmeisje stoorde hen met een boodschap van den advokaat Kruse, +of de jonge Mijnheer Lövdahl wel dadelijk even bij hem wilde komen. + +De professor kromp ineen; maar Clara antwoordde: + +"Zeg, dat Mijnheer pas is thuis gekomen en te moe is van de reis, +om van avond nog uit te gaan.--'t Is toch ook wel wat kras om je +dadelijk te laten halen." + +Abraham meende ook, dat het morgen wel tijds genoeg zou zijn; en nu +begon hij rond te kijken. + +"Ja, je kijkt rond," zei Clara; "ik heb alles wat verkocht moet +worden beneden in de kamers van Vader laten zetten, waar 't voor +de verkooping klaar staat; ik dacht, dat je 't liefst hebben zou, +dat er niets werd achter gehouden." + +"Natuurlijk, lieve Clara!--ik ben er zoo blij om, dat je zoo +moedig, zoo onvervaard ben. Dat is juist goed en--zal ik 't maar +bekennen?--meer dan ik van je verwacht had." + +"Ja," antwoordde zij met een berustenden glimlach, "ik weet helaas +maar al te goed, dat je niet veel van me verwacht. Je denkt altijd, +dat ik opga in pronk en..." + +"Neen, zeker niet!--dàt heb ik nooit gedacht en als ik je ooit in +mijn gedachten onrecht deed--vergeef 't me dan nu." + +Toen kwam kleine Carsten binnen, om goeden nacht te zeggen--in zijn +deken gerold, slaperig en lief en toen gingen ze aan tafel in een +gezellig hoekje bij de kachel. + +"Ja, zie je, Abraham! we hebben niet anders dan brood en boter--en +een stukje kaas ter eere van je thuiskomst." + +"Dat is uitstekend, Clara! Ik kon niets beters verlangen," en hij +boog zich neer om haar hand te kussen. + +"Maar je ziet zoo vreemd rond?--wat is er?" + +"Is ook... Moeders naaitafel?--Was dat noodig?" + +"Je zou toch niet willen, dat ik dat prachtstuk gehouden had?" vroeg +Clara scherp. "Dat zou zeker aanleiding tot praatjes gegeven hebben." + +"Ja, ik voor mij," viel de professor hem in de rede, "ik vond werkelijk +ook, dat Clara dat met een gerust geweten had kunnen houden,--'t was +een persoonlijk geschenk uit gelukkiger dagen." + +--"Neen Vader.--Clara heeft toch gelijk," antwoordde Abraham met +inspanning; "laat ons de bittere kelk tot op den laatsten droppel +drinken!--'t was flink van je, Clara." + +Toen zij gegeten hadden en juist gezellig om de ronde tafel bij de +sofa zouden gaan zitten, kwam het dienstmeisje weer binnen met een +briefje voor Abraham. + +"Wat is er nu weer? Is dat weer van dien afschuwelijken Kruse?" vroeg +Clara. + +"Ja; er moet iets heel gewichtigs wezen, want hij schrijft, dat ik +van avond nog moet komen. Ik moet dus wel gaan." + +"Neen, dat moet je heelemaal niet. Ik ben er van overtuigd, dat +'t morgen tijds genoeg is." + +"Neen Clara! denk er aan, dat we niet meer onafhankelijk zijn; nu jij +de last heelemaal op je schouders genomen hebt, wil ik de mijne niet +afschuiven. We zullen ons niet vernederen, maar we moeten ons buigen, +niet waar, Vader?" + +De oude man mompelde wat en zag voortdurend zijn zoon aan; en toen +Abraham hun goeden nacht had gewenscht en naar de deur ging, was +het alsof de professor op wilde staan om iets te zeggen of hem terug +te houden; maar hij zonk weer ineen en verborg het gezicht in beide +handen. Clara liet haar man uit en vroeg hem met veel liefkoozingen +om gauw terug te komen. Zij zou op hem wachten. Het stond haar in +'t geheel niet aan, dat hij dadelijk in de handen van dien Kruse +vallen moest; hij had ook zulke dwaze overdreven opvattingen. + +"O Clara!--Wat is Vader oud geworden!" zei Abraham, toen ze hem zijn +jas hielp aandoen. "Stel je voor, ik zag hem beven, toen hij zijn kop +thee aannam! en hij, die zoo'n vaste hand heeft gehad.--Arme Vader!" + +Onderweg was hij hier nog zóó van onder den indruk, dat hij er niet +toe kwam er over te denken, wat het toch wezen kon, wat Kruse van +hem wilde. + +--Ze waren beiden wat verlegen, toen zij elkaar ontmoetten; Kruse +drukte hem hartelijk de hand. + +"Arme jongen!--dat is zeker als een donderbui over je gekomen; maar +ik dacht, 't was maar 't best, dat je 't door mij hoorde." + +"Ja, ja! ik dank je voor je telegram. Dat was goed van je bedacht." + +"Ik stuurde om je van avond; neem me dat niet kwalijk, omdat +ik--eerlijk gezegd--in de pijnlijkste ongerustheid heb rondgeloopen +in deze dagen; en veel anderen met mij. Ik ben blij je zoo vrijmoedig +te zien, want nu kan ik wel begrijpen dat alles in orde is; maar +'t was onvoorzichtig--" + +"Wat bedoel je?" vroeg Abraham. En een duister voorgevoel van iets +vreeselijks snoerde hem de keel dicht. + +"Wat ik bedoel?--ben je gek--Jongen? 't Geld natuurlijk... dat heb +je toch? 't Geld van de arbeiders--'t bouwfonds en de ziekenkas?" + +Abraham drukte beide handen in de zij, waar hij een pijn voelde als +na een slag tegen 't hart; zijn keel werd dik en met moeite bracht +hij een geluid uit: + +"Vader..." + +"Ja zeker--je vader heeft het geld uit de spaarbank gehaald, dat +weten we! maar dat was natuurlijk maar voor een dag te leen?" + +Abraham knikte. + +--"en je vader gaf je 't geld den volgenden dag terug?" + +Abraham bleef met open mond en wijd opengesperde oogen staan. + +"Groote God in den hemel!" schreeuwde de kleine advokaat. "Jelui +zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar! Je vrouw gaat +heen en verstopt haar zilver en steelt--ja ik zeg 't je ronduit--ze +steelt! en je vader! je groote vader--niet genoeg, dat hij mijn vader +en nog veel anderen ruïneert; maar ik zal je maar één ding vertellen, +dat toont wat hij voor een kerel is; jij hebt hem gezegd, dat Mevrouw +Gottwald wat gespaard had..." + +"Neen," antwoordde Abraham; maar hij werd op 't zelfde oogenblik +rood, want zoo gemarteld als hij zich op dat oogenblik voelde, toch +herinnerde hij zich, dat hij op een dag aan tafel over dat idee van +een monument voor kleine Marius had gesproken. + +"Zie je wel?" riep Kruse bitter, "je herinnert 't je wel. Luister +nu: acht dagen vóór 't failliet was je vader hier en praatte Mevrouw +Gottwald haar spaarbankboekje af, onder voorwendsel van haar hooger +rente te willen bezorgen!--Wat zeg je daarvan? Zal ik je zeggen wat +hij is--je groote vader? nu, hij is gewoon weg een gemeene schurk!" + +Abraham viel achterover tegen een stoel en was verscheiden minuten +bewusteloos. Kruse werd bang en had berouw over zijn woorden, en +toen hij 't eindelijk zoover gebracht had, dat de ander de oogen weer +opsloeg, zei hij: + +"Je moet niet boos op me wezen, Lövdahl--maar je kunt wel begrijpen, +dat die geschiedenis met de arbeiders mijn halve leven bederft." + +Abraham greep half bewusteloos zijn hand, maar 't was duidelijk, dat +hij nog als verlamd was. Kruse liet hem met rust en liep intusschen +de kamer op en neer. Na een lange stilte zei Abraham: + +"Wat moet ik doen?" + +"Dat hangt er van af wat je kunt." + +"Wat ik kan?" + +"Waar je kracht en moed voor hebt." + +"Je denkt toch niet, dat ik me meê schuldig wil maken..."--hij kwam +niet verder, want hij hield op door een blik van zijn vriend en +een glimlach, dien hij kende: half moedeloos, half verachtelijk; +en Abraham voelde dien glimlach branden in zijn hart. + +'t Was waar! Hij had noch moed, noch kracht zich van de anderen los +te maken, om open en hardop te zeggen: "Zie! dit heeft mijn vader +gedaan, dit heeft mijn vrouw gedaan en dat heb ik zelf gedaan. Straf +ons, als dat moet; maar laat ons na onze schuld geboet te hebben een +nieuw leven beginnen." + +Dàt kon hij niet, dat wist hij zelf wel. Beschaamd en zonder op te +zien sloop hij heen en Peter Kruse sloot de deur achter hem dicht. + +Maar één gedachte was er in zijn hoofd, één naam op zijn lippen; +hij ging regelrecht Greta zoeken. + +Hij was door de stille, leege straten zóó ver gekomen, dat er geen +lantarens meer waren. Langs den kant van den weg waren groote steenen +gezet en in de diepte beneden hoorde hij 't zware zuigen van de golven, +die tegen de rotsen opstegen en weer neerzegen, zuigend en trekkend +aan het taaie zeewier. Abraham stond stil, ging terug naar de laatste +lantaarn om op zijn horloge te zien. 't Was over tienen. + +Greta zou wel naar bed zijn; maar dat deed er niet toe; hij wilde +alleen maar naast haar bed zitten, haar hand in de zijne nemen en +naar haar stem luisteren, waarin geen twijfel, geen ontrouw was. + +Maar terwijl hij zich omkeerde om verder te gaan in het donker, hoorde +hij zijn naam roepen en een dame in 't zwart kwam uit de schaduw van +de kerkhofpoort en snelde hem tegemoet. + +"Ga niet verder, ik smeek je, Abraham. Ik smeek je er om, ter wille +van kleine Marius! ga niet alleen zoo ver buiten de stad in 't donker!" + +"Maar lieve Mevrouw Gottwald, waarom mag ik dat niet?" + +"Omdat ik vroeger gezien heb, dat... had ik toen maar..." + +"Wanneer? Wie?" + +"Je moeder stond ook hier! Ga niet verder, Abraham! Ik kan het niet +verdragen." + +Eerst had hij gemeend, dat zij krankzinnig geworden was door 't +verlies van haar geld; maar toen ze zijn moeder noemde: + +"Antwoord me, lieve Mevrouw Gottwald! antwoord me!--wat was dat +met Moeder?" + +"Niets. Vraag 't me niet. Ik weet niets." + +"Antwoord me! U moet me antwoorden--ter wille van kleine Marius." En +hij hield haar vast. "Wat was dat met Moeder?" + +"Ik zal je antwoorden en alles zeggen wat ik weet; maar dan moet je +niet meer vragen--arme Abraham!" + +Nu was ze zooals in den ouden tijd de moeder van Marius en hij was +de beste vriend van haar jongen. + +"Ik heb je moeder juist hier zien staan, waar wij nu staan; 't was +nacht en donker als nu. En zij zag op haar horloge en hief toen haar +gezicht op in 't gaslicht;--o dat gezicht!--Ik stond daar in de schaduw +van de kerkhofpoort en ik kwam niet te voorschijn; ik was immers--die +ik ben. En zij was de vrouw van Professor Lövdahl. En toch zag ik, +dat ze eenzaam was en in nood, en we waren beide moeders! Was 't niet +vreeselijk laf van me? En ze stierf dien zelfden nacht." + +"Stierf ze? was dat de laatste nacht?--waar stierf zij?" + +"Je moeder stierf in haar bed," antwoordde Mevrouw Gottwald vast; +maar toen ik nu vanavond van Marius kwam en juist aan jou en je +familie in je groot ongeluk dacht--ja, ik dacht vooral aan jou, +Abraham!--daar zie ik ineens je gezicht--dat zoo op 't hare lijkt. Je +haalde je horloge uit, en keek daarna naar boven in 't gaslicht--; ja, +kun je je niet begrijpen, dat ik angstig werd, omdat je daar alleen, +in wanhoop rondliep?" + +"Maar Moeder!--gelooft u dan,--Mevrouw Gottwald! gelooft u, dat +Moeder..." + +"Ik weet noch geloof iets; maar menschen, die ongelukkig zijn, moet +men niet in 't donker laten loopen; kom, ga met mij naar de stad +terug." Ze nam zijn arm en zij liepen zwijgend voort. + +"Was mijn moeder ongelukkig?" + +"Hoe weet ik dat? Wat weet de eene mensch van den andere? Doen we +wel anders dan elkaar bedriegen? Sommigen met een booze, anderen +met een goede bedoeling. Ik kende haar trouwens ook niet zoo goed; +maar zij was zeker een bizondere vrouw, en juist daarom--" + +"--"daarom" zegt u?" + +"Ja, lieve Abraham! daarom was ze zeker niet gelukkig;--dat is +gewoonlijk zoo." + +Hij moest haar beloven niet buiten de stad te gaan; maar hij hield +zijn belofte niet. 't Was hem onmogelijk naar huis te gaan en er was +voor hem geen gevaar. Hij dacht er niet aan in zee te springen of +zich voor 't hoofd te schieten. + +En toch moest hij stilstaan en naar 't geheimzinnige klotsen der golven +luisteren--daar beneden in het donkere fjord, waar de lichten van +de stad hem tegemoet kwamen springen in strepen van kleine glanzende +puntjes. Had zijn moeder er over gedacht langs dezen donkeren weg het +leven te verlaten? Was ze vrijwillig heengegaan?--Wat moest hij denken? + +Hij doorleefde weer zijn herinneringen uit dien tijd. Nooit had hij er +een flauw vermoeden van gehad, dat zijn moeder ongelukkig geweest was; +eerst nu herinnerde hij zich hoe wonderlijk zwaarmoedig ze zeggen kon: +"Arme kleine Abby!" + +Maar als er een ongeluk in haar leven geweest was, dan moest het op +een of andere manier met haar huwelijk in verband gestaan hebben +en dat was het vreeselijke voor Abraham, dat alles vandaag zoo +overweldigend samenliep om dien vader te verbrijzelen, dien vader, +waar hij zijn leven lang tegen had opgezien, dien hij bijna aanbeden +had met een soort godsdienstige vereering. De diepe kloof tusschen den +aard van zijn ouders--in zijn kindschheid soms flauw vermoed, stond +hem nu klaar voor den geest. En nu wist hij ook wat hij had moeten +kiezen.--Dat--wat in zijn moeder geknakt was had de kracht van zijn +leven moeten worden. En in plaats daarvan?--er kwam een vreeselijke +leegte in hem en in zijn ooren klonk het met de scherpe stem van Kruse: +"Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar!" + +Zou het toch niet het beste zijn als hij zijn schande daar beneden +verborg, waar 't zoo zwart en zoo stil was; dan was 't voorbij--dan +konden ze van hem zeggen wat ze wilden. Wat zouden ze zeggen?--Hij +begon over alle gevolgen na te denken en kon niet verder komen dan +zijn vaderlooze kleine Carsten. Maar opeens keerde hij zich af met +een beweging alsof hij van zich zelf walgde; hij wist, dat hij nu niet +en nooit zou durven; hij zag voor zijn oogen al de kleine treden van +lafheid, waarlangs hij gedaald was, telkens lager van zijn kindschheid +af tot op dit oogenblik toe. + +Alle groote woorden, alle schitterende fantaisieën, alle kleine, +slappe aanloopjes; heel die behoefte om waar en moedig te zijn, die +hem altijd lokkend en bedriegelijk vergezeld had; alle mogelijkheden, +die hij in handen had gehad, alle gelegenheden, die zich aan hem +hebben voorgedaan--waarom? waarom was dat alles een rij van de meest +smadelijke nederlagen geworden. + +Hij streek zich in wanhoop met beide handen door 't haar en riep zich +zelf luid toe: + +"Wat scheelt mij toch!--Wat voor duivel huist toch in mij, die maakt, +dat ik nooit--nooit doen kan wat ik zelf wil. Eén laffe leugen, +één carricatuur is mijn leven! 't Is alsof elke vezel in mijn ziel +vergiftigd is." Grete! Grete! Nu was er niets anders in de wereld +meer voor hem!--En hij liep bijna zoo hard als hij kon de stad uit. + +Toen hij het huis naderde vond hij, dat de deur er zoo vreemd uitzag; +hij tastte er langs in 't halfdonker en merkte, dat zij de deur uit +de hengsels hadden gelicht en dien buitenshuis tegen den muur gezet. + +In de kamers was niet de gewone lucht, ook was er niet... er was +niets! hij liep langs de wanden in de keuken, in 't slaapkamertje, +in de huiskamer; er was niets--niets ter wereld, behalve stroo en +afval, dat hij onder zijn voeten voelde. + +Eindelijk stootte hij tegen de bank onder 't venster, waarop hij +gewoonlijk met Grete zat: die was vast aan den muur gebouwd. + +Hier wierp hij zich neer. Steffensen was weg! Hij begreep alles: Grete +had gehoord, dat hij de spaarpenningen van de arbeiders had weggenomen +en toen was zij weggegaan. Zoo was 't gegaan. En daarmee was 't uit. + +De duisternis werd verdrongen door de schemering, 't werd lichter en +lichter. De wind stak op tegen den morgen en ritselde in 't stroo op +den grond. + +Daar ginds onder 't venster, op 't overschot van Grete's wilgentakjes +en riet lag Abraham Lövdahl te slapen. Hij was van de bank +afgegleden.-- + + + + + + +XV. + + +Toen de faillissementen eindelijk allen bekend waren, zoodat men het +ongeluk kon overzien, kwam er meer rust in de gemoederen; het eerste, +haastig gevelde oordeel werd gewijzigd; de ontzettend groote omvang +van de ellende, de groote omwentelingen en veranderingen, die men +voorspeld had--alles kromp als 't ware van dag tot dag, en 't leven +hernam bijna zijn ouden vorm, maar in wat grauwer kleuren. Haat +en vergeving schaarden zich om zekere brandpunten. Van Professor +Lövdahl was niet veel kwaads te zeggen; 't haar van dien armen man +was sneeuwwit geworden in een paar weken. + +'t Was eerder de zoon, die al dit kwaad gesticht had; hij was +een vrijdenker en hield zich met Kruse op, om de arme arbeiders +af te zetten; zij hadden ook gevoeld wat de liefde van die twee +beteekende; en 't was bewezen, zei men, dat Abraham Lövdahl zich in +de arbeidersvereeniging gedrongen had, alleen maar om aan 't geld te +kunnen komen. + +Men vertelde ook al spoedig, dat hij naar de gevangenis moest--hij en +Marcussen, allebei. 't Was een goed paar; maar Lövdahl, een getrouwd +man, was toch de ergste. En 't meisje was nog al blind, en nu was zij +de stad uit gestuurd,--zij moest weg!--zeker met een flinke portie van +'t gestolen geld. + +Intusschen werd spoedig verteld, dat de bankdirecteur Christensen +gezegd zou hebben, dat er Goddank--geen sprake was van vervolging +van een der gefailleerden; en als zijn woorden vroeger van gewicht +waren--nu waren ze als orakels en werden door allen met onbepaald +geloof en vertrouwen aangehoord. + +De groote gestalte van den bankdirecteur met zijn onfeilbare neus was +nu 't eenige in de stad wat hoop gaf aan wie hem zagen; en wanneer +hij als een olifant van zijn kantoor naar zijn dierbare bank liep, +zagen de schuwe kleine burgers naar hem op als de Israëlieten naar +de koperen slang in de woestijn. + +Hij was overal aan 't werk als aanvoerder, hij regelde en maakte orde +en schikte en plooide, zoodat midden in de wanhopende ruïnen wat hoop +begon te ontkiemen, nu voor dezen, dan voor dien. + +De arbeiders dankten hem met tranen in de oogen, omdat ze op zijn +scheepswerf mochten werken voor f 1.25 per dag; menschen, die verlegen +waren om contant geld, kwamen bij hem om allerlei soort papieren en +zaken van waarde te verkoopen; hij had hulp voor allen--en men zei, +dat hij in dat jaar zijn vermogen bijna verdubbelde. + +Op Mevrouw Frederika maakte het ongeluk den indruk, dat er nu met +dubbele kracht gepingeld moest worden; het groote verlies kon ze niet +recht vatten; wel kon ze de groote getallen herhalen en daarbij rillen, +maar 't ging haar toch veel erger aan 't hart, als ze er achter kwam, +dat de kruidenier haar voor vijftien cents had beetgenomen. + +Maarten daarentegen had een knak voor zijn leven gekregen: zijn +berekeningen, zijn dierbare berekeningen hadden alles vernield wat +hij had,--en alles wat hij berekend had te zullen erven van den ouden +Jörgen. Hij ging door met rekenen en rekenen, tot hij zóó verbitterd +was, dat zijn preeken, waar vroeger weinig op gelet werd, den naam +kregen van "dierbaar" te zijn. + +Maar in 't huis van de oude Kruses veranderde alles; daar was alles +gesloten,--leeg, uitgestorven. + +Zoodra Juffrouw Kruse bekomen was van haar oprechte, onmetelijke +verbazing, beval ze haar zoon Peter, dat hij nooit--met geen enkel +woord, de schuld noemen zou, die Maarten hieraan had; zij hoopte, +dat dit ongeluk voor haar jongsten zoon tot een zegen en een redding +zou worden. + +Maar daarbij pakte zij de zaak aan; en twee dagen na de beëindiging +van het faillissement van Jörgen Kruse, verhuisden hij en zijn vrouw +naar een van de drie kamers bij hun zoon den advokaat boven Mevrouw +Gottwald. + +De oude Jörgen zelf was half verward in 't hoofd geworden toen +hij begreep wat er was gebeurd.--Ja, hij begreep het eigenlijk +nooit. Want zijn hersens, die altijd zwakke plekken gehad hadden, +konden dien vreeselijken slag niet verdragen: de arbeid van een heel +leven vergeefs! Als Amalia Catherine hem een oud kasboek gaf om op +te tellen, was hij er den heelen dag meê bezig, tot men hem voor +de maaltijden riep; alleen vroeg hij een enkele keer geheimzinnig, +of Maarten nu in den winkel stond. + +Juffrouw Kruse daarentegen hief haar klein hoofdje op en werd +werkelijk vroolijk. + +Peter en zij zetten den dikken advokaat Kahrs zoo zeer tot spoed aan, +dat alles in korten tijd verkocht en afgedaan werd. En toen het bleek, +dat de crediteuren bijna hun geheele vordering kregen uitbetaald, +had Juffrouw Kruse geen zucht over voor al het geld, dat ze zoo trouw +had helpen bijeengaren. 't Leven had haar nu werkelijk een afschrik +van geld gegeven. Nu zou ze juist gelukkig zijn; en ze hoopte, dat +ook anderen 't zouden worden. + +'t Meest medelijden had ze met Peter; want hij trok het zich zoo +aan--die historie met 't geld van de arbeiders; en Peter had toch +geen schuld; 't was die Lövdahl, die 't gedaan had. + +Maar daar wilde Peter niet van hooren. Hij liep er voortdurend over +te tobben, en verweet het zich, dat hij niet zelf de zaken behartigd +had. 't Hielp niet wat zijn moeder ook zei, niet eens hielp het, dat de +arbeiders zelf hem verzekerden, dat ze hem niet het minst te verwijten +hadden en hem dringend verzochten hun president te willen blijven. + +Peter kon dat geld maar niet vergeten wat hij met zooveel vreugde +had zien vermeerderen. Dat zou zijn liefsten droom tot werkelijkheid +hebben gemaakt; de arbeiders vergaderd in hun eigen huis, sterk en +vereenigd!--Nu was alles bedorven en verstrooid--erger dan vroeger; +wantrouwen, lafheid en al de oude ellende; er moest weer van voren +af aan worden begonnen. Hij moest wat opgevroolijkt worden, dacht +Juffrouw Kruse en klampte dadelijk Mevrouw Gottwald aan; ze had +natuurlijk al lang Peters geheim ontdekt. + +Mevrouw Gottwald verweerde zich lang schertsend door te doen, alsof +zij 't niet begreep; maar eindelijk werd zij ernstig: + +"Luister eens, Mevrouw Kruse! daar moeten we niet meer over praten, +niet eens uit gekheid. Zelfs al waren er geen honderd andere dingen +tegen dat, waar u op zinspeelt, dan moest het al volkomen genoeg--en +meer dan genoeg zijn, dat u mijn verleden kende." + +"Dat ken ik, Mevrouw Gottwald." + +"Ik ben geen Mevrouw," antwoordde de andere en boog zich over haar +werk. + +"Dat weet ik ook; maar u hebt een kind gehad." + +"Ach ja! Een lieve, kleine ongelukkige jongen." + +"Luister u nu eens--Mevrouw Gottwald!--die man, waar ik zoo graag +zou zien, dat u van hieldt, is ook zoo'n ongelukkig jongetje." + +"Ik begrijp u niet,--of u begrijpt mij niet." + +"Zijn moeder was ook niet getrouwd, toen hij ter wereld kwam; er +zijn tranen op zijn hoofdje gevallen--zulke tranen als u kent. Ja,--u +ziet mij aan!--hier zit zij voor u--zijn moeder. Wij beiden--Mevrouw +Gottwald--wij zijn gelijken." + +"Groote God! dat heb ik nooit geweten!" + +"Neen, ziet u! Van mij heeft men het vergeten; omdat het mij meêliep +en ik getrouwd ben; maar op u bleef de schande drukken, heel uw leven +door. En daarom heb ik nu gedacht, dat de schande eigenlijk niet zoo +groot kan zijn--voor geen van ons beiden; ik geloof, dat we ons al +te veel geschaamd hebben--vooral u. Ja--u ziet me aan! maar ik meen +het in ernst en daarom heb ik mijn schaamte overwonnen en Peter ook." + +"Weet hij het dan?" + +"Ja, daar ben ik van overtuigd. Maar nog meer overtuigd ben ik er van, +dat hij nooit in 't verborgenste hoekje van zijn hart daarom ook maar +een ziertje zou hebben van iets, dat op minachting voor zijn moeder +lijkt. En dat zou uw zoon ook niet gehad hebben als hij was blijven +leven. Hoe heette hij?" + +"Hij heette Marius--kleine Marius." + +"Nu,--Marius en mijn kleine Peter--zij zijn ongeveer broers. U hebt +uw zoon verloren, neem u den mijnen in zijn plaats; hij zal van ons +beiden zijn--van ons allebei." + +Mevrouw Gottwald lachte en schreide tegelijk; 't overviel haar zoo; +maar de oude haalde haar toch over om mee naar boven te gaan om thee +te drinken. Op de trap bedacht Mevrouw Gottwald zich toch weer en +wilde terugkeeren; maar gelukkig kwam er toen juist een heer de trap +op en toen dit Peter bleek te zijn, nam Mevrouw Kruse dat aan als een +zekere vingerwijzing en stelde zich zelf gerust in de overtuiging, +dat "de jongelui" 't nu wel samen eens zouden worden. + +Haar zorgen voor haar tweeden zoon waren van heel anderen aard en +voor hem had zij minder hoop. Morgen zou ze hem beproeven. Hij zou +preeken over haar tekst: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult +gij in uw gordelen verzamelen." Frederika had het verteld. Maarten +beschouwde het als zijn plicht juist in dezen tijd krachtig ten strijde +te trekken tegen de Mammonvergoding. Juffrouw Kruse zou niet zooveel +om de woorden geven: zoo welsprekend als de Proost Sparre was Maarten +immers in 't geheel niet. Maar hij was haar zoon; ze kende elk geluid +van hem. Zij zou 't wel hooren of de rechte geest in hem was. + +'t Was de tweeëntwintigste Zondag na Trinitatis, in den overgang +van herfst tot vollen winter. 't Weer was guur en doordringend koud +zonder 't frissche van de vorst; de menschen stroomden naar de kerk en +haastten zich om onder dak te komen voor den gierenden zuidwestenwind. + +Er waren veel menschen; de groote rampen hadden menschen naar de kerk +gedreven, die er anders nooit kwamen. De vrouwen waren in donkere +kleuren gekleed--als boetelingen--; geen bonte linten waren er te zien. + +De mannen zaten somber neer en worstelden met hun bekommeringen; of +'t ergste nu voorbij was; of was dit maar 't begin van erger dingen? + +Daar kwam consul With, die na zijn failliet in de directie van de bank +was gekomen onder Christensen; hij bracht zijn "strijkplank" galant +naar haar plaats en legde de plooien van haar mantel zorgvuldig om haar +heen. Zooiets had men nog nooit gezien. Misschien had het ongeluk dit +echtpaar tot elkaar gebracht. Daar kwam Juffrouw Kruse alleen--flink +en beweeglijk, alsof er niets gebeurd was. Zij had zeker aardig wat +achtergehouden, de oude raaf--dat ze er zoo onbekommerd uitzag. + +Maar daar kwamen de Lövdahls! Alle hoofden keerden zich om; alle +oogen volgden hen. + +Mevrouw Clara liep bleek, met gebogen hoofd--schoon en onderworpen +als een martelares. De japon, de eenvoudige hoed waren van een +onwillekeurige gratie, die bijna aandoenlijk was. + +Met den hoed in de hand, 't witte hoofd wat op zij en een glimlach op +de lippen, alsof hij allen om vergeving vroeg, liep Carsten Lövdahl +naast haar. + +Hij had zijn linkerhand in den arm van Mevrouw Clara gestoken; maar +met de rechter steunde hij op den bedelstaf,--allen konden dien zien; +hij was van bruin bamboes met ivoren knop. + +De vrouwen taxeerden Clara. Ja zeker was zij eenvoudiger gekleed, +véél eenvoudiger dan vroeger; toch was er, als men goed toekeek, +iets irriteerends aan haar; echt geknakt was ze in 't geheel niet. + +Maar de professor was lief! Stel je voor,--met bijna heelemaal wit +haar! En zooals hij 't opnam,--zoo ootmoedig, zoo onderworpen aan God, +zoo stichtelijk voor de heele gemeente. + +De mannen hielden beschouwingen over het accoord van 50 procent, +dat--naar men zei--Christensen voor Lövdahl zou zien te verkrijgen; +over de vele schandelijke transacties, die de curators hadden +ontdekt--naar men zei. 't Was toch eigenlijk al te erg, dat zooiets +er maar door kon. De overheid van den ambtman tot den minsten klerk +wisten 't waarachtig goed genoeg; maar welke particulier had den moed +of de macht om die overheid te dwingen, om te zien wat zij volstrekt +niet zien wou. De weinigen, die nog vast stonden, behoorden zelf tot +den kring; en hoewel alle menschen onder vier oogen en in vertrouwen +'t er over eens waren, dat het volkomen onverantwoordelijk was zooals +het ging, toch kon men met geen mogelijkheid aantoonen, dat niet +alles met de meest nauwgezette inachtneming van de voorschriften der +wet plaats had. + +Zulke gedachten volgden Clara en den professor door de kerk; en zóó +druk hadden de oogen 't met hen, dat de gemeente eerst later opmerkte, +dat er nog iemand achteraan kwam. + +Dat was Abraham. + +--Er is smart in de wereld--vooral dat soort smart, die schande +meêbrengt, die 't een mensch volkomen onmogelijk doen voorkomen het +leven verder te verdragen. Des namiddags en 's nachts voelt hij zich +alsof hij sterven moet, vóór 't licht weer terugkomt. + +En als de morgen komt, heeft hij een gevoel alsof er toch nog leven +in hem is; hij moet de kleeren weer aantrekken, zijn haar borstelen +en hij moet eten. + +'s Avonds zegt hij: "Hoe is 't toch mogelijk, dat ik een heelen dag +geleefd heb--en dit gedragen?" + +Den volgenden dag scheert hij zich; acht dagen later komt hij er toe +een grap te zeggen en er zelf om te lachen. + +--Zoo had Abraham een paar weken geleefd. Dagen en nachten hadden +hem heen en weer geslingerd. Niets was zwaarder of lichter geworden; +maar alles rondde zich af onder het zwoegen in die uren. + +Tot zekere hoogte had hij 't nog nooit zoo goed gehad thuis; men +behandelde hem als een lieve zieke. Zijn vader was zoo zacht, bijna +eerbiedig;--en Clara omringde hem met alle teerheid, waar hij ooit +van gedroomd had vóór zij getrouwd waren en die hij vroeger nooit +bij haar gevonden had. + +Zij waren beiden bang voor hem. Eén woord, één uitbarsting van zijn +overdreven principes kon alles omverwerpen, wat zij opgebouwd en +gered hadden. + +Maar in werkelijkheid behoefden ze voor hem niet langer bang te +wezen;--met hem was 't gedaan. + +En toen Clara hem dien Zondagmorgen half angstig in 't oor fluisterde: +"Je weet niet wat een pleizier je Vader zou doen, als je met ons naar +de kerk ging," antwoordde hij heel kalm: + +"Ja, dat wil ik wel doen." + +Toch kromp iets in hem ineen, toen hij onder den boog +doorging en de groote oude kerk voor hem lag in sombere, grauwe +herfstkleuren. Herinneringen drongen zich naar boven, oogen drongen +op hem aan. Maar hij ontweek ze bijna zonder strijd; zij hadden geen +macht meer over hem. + +En terwijl hij achter zijn vader en zijn vrouw liep, spuwde hij in +gedachten zich zelf in 't gezicht en riep zich zelf toe: + +"Kijk ootmoedig! Kijk vooral ootmoedig, hond, die je ben!" + +Wat zag hij er akelig en griezelig uit! Niet een was er, die hem +vertrouwde. Vrouwen en mannen zagen hem na met booze oogen. Hij--die +de arme arbeiders bedrogen en bestolen had.-- + +--Maar daar kwam Christensen--de bankdirecteur en zijn vrouw in een +nieuwen zwaren zijden mantel uit Hamburg! Goede hemel! 't deed allen +werkelijk goed menschen te zien, die nog zijde konden koopen! + +Mevrouw Christensen glimlachte bewogen; 't zilver stond nu op zijn +plaats en het dwaze opschrift was er van weggenomen. + +De houding van den bankdirecteur scheen te zeggen: "Aanbid mij niet!" + +Maar hij kon het niet verhinderen. Hij was aller hoop en toevlucht; +niet één had den moed aan zijn laatste zonderlinge manier van doen +op de algemeene ledenvergadering van Fortuna te herinneren. + +Toen begon Maarten Kruse zijn preek over de tienduizend talenten; +over de booze macht, die 't geld onder ons menschen heeft; over den +mammon en de leliën des velds, en als grondtoon kwamen telkens deze +woorden terug: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw +gordelen verzamelen." + +Daar stond midden onder de preek een kleine gestalte op aan den +kant van de vrouwen. 't Was Juffrouw Kruse! Ja waarachtig! 't was +Juffrouw Kruse. + +Ze hield den zakdoek niet voor haar mond; ze had geen neusbloeding, ze +was niet onpasselijk, want ze zag in 't geheel niet bleek. Integendeel +ze zag er frisch en krachtig uit, zooals ze zich een weg baande +tusschen de dames door, die van schrik vergaten plaats te maken. + +Toen Juffrouw Kruse eindelijk het middenpad bereikt had, schikte +ze kalm haar mantel terecht en ging toen met haar rustige oude +vrouwen-stapjes, voort door 't lange middenpad en de kerk uit. + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een korte beschrijving van dit document. + +[2] Bij kerkelijke plechtigheden betalen de gemeenteleden in +Scandinavië een zeker bedrag aan den predikant. Dat wordt "offer" +genoemd. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Fortuna, by Alexander Kielland + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK FORTUNA *** + +***** This file should be named 33308-8.txt or 33308-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/3/3/0/33308/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
