summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/33308-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/33308-8.txt')
-rw-r--r--old/33308-8.txt7411
1 files changed, 7411 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/33308-8.txt b/old/33308-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..75fcfaa
--- /dev/null
+++ b/old/33308-8.txt
@@ -0,0 +1,7411 @@
+The Project Gutenberg EBook of Fortuna, by Alexander Kielland
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Fortuna
+ Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")
+
+Author: Alexander Kielland
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: July 31, 2010 [EBook #33308]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK FORTUNA ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Wereld Bibliotheek
+ Onder leiding van L. Simons
+
+
+ Alexander Kjelland
+
+
+
+ FORTUNA
+
+ Een roman uit het Noorsch
+ (Voortzetting van "Vergif")
+
+
+
+ Vertaald door
+ Marg. Meyboom
+
+
+ Uitgegeven door de
+ Maatschappij voor
+ Goede en Goedkoope
+ Lectuur--Amsterdam
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+
+Abraham Lövdahl was student geworden.
+
+Hij was negentien jaar oud, knap van uiterlijk, gezond en vroolijk;
+goed gekleed en goed van geld voorzien. Het leven sprong voor hem
+open als de deuren van een balzaal en hij stormde het binnen met
+groote oogen.
+
+Nog lag er over het studentenleven de laatste wegstervende glans
+van een schoonen, zorgeloozen tijd; nog kon men spreken van idealen,
+zonder dat allen lachten; en als de president met zijn heldere stem,
+'t mooie blonde hoofd in den nek, liefelijke woorden door de zaal deed
+ruischen, dan voelden de jongelieden als 't ware machtige wiekslagen
+over zich heen gaan;--de borst zwol en 't was als werd hun lichaam
+lichter, alsof ze zouden kunnen vliegen.
+
+Abraham Lövdahl had ook zijn vleugels voelen groeien. De plotselinge
+overgang van 't grauwe schoolleven in dwang en eentonigheid tot deze
+gulden vrijheid onder enkel vreemden--die bedwelmde hem als wijn.
+
+Al de glans, waarin de studententijd voor hem straalde in zijn
+moeilijke schooluren, was nu over zijn eigen leven neergedaald. En
+'t was hem alsof zijn voeten de aarde niet raakten, hij zweefde met
+een vriend in elken arm hoog daarboven in een lichtstroom van mooie
+woorden, van geestdrift en aandoening.
+
+Tot hij geplukt werd.
+
+Want rondom, in de maatschappij en in de restauraties--altijd op
+dezelfde vaste plaatsen--zat een groep begaafde menschen, die leefden
+van het plukken van jongelieden. Ze namen hun niet hun geld af;
+maar de glanzende veeren, die de besten onder hen droegen.
+
+'t Waren hoog ontwikkelde geesten, die alles kenden en bijna alles
+hadden doorgemaakt; daar was niets in den hemel of op de aarde, wat zij
+niet in een grap omzetten; en toen Abraham een jaar lang de eer genoten
+had zijn vaste plaats bij hen te hebben, was ook hij in staat om alles
+te lachen, zelfbewust, zonder belangstelling, geblaseerd--geplukt.
+
+Hij ging toen over tot de conversatie, maakte daar opgang, en was
+spoedig verloofd met de dochter van den advokaat Meinhardt.
+
+Dat kwam zoo van zelf, omdat Mevrouw Meinhardt het graag wilde en
+Abraham was in de wolken van geluk.
+
+Zijn meisje was zeker ook wel gelukkig. Maar Clara was zwak. 't Was
+tegen 't eind van den winter, dat hun verloving beklonken werd en ze
+had zóóveel gedanst, dat ze volkomen uitgeput was.
+
+Clara Meinhardt was de schoonheid van de familie; de drie andere
+zusters waren ook mooi, maar Clara--zij was een schoonheid, dat zei
+Mama ook.
+
+Abraham Lövdahl was de beste partij op dat oogenblik, hoewel hij wel
+heel jong was. Maar Mevrouw Meinhardt vond, dat 't aardig was als de
+heeren jong trouwden. Later werden ze waarlijk al te nonchalant.
+
+De studie in de medicijnen was geen vak voor hem; dat duurde veel
+te lang.
+
+Maar Abraham was al begonnen. En 't was altijd zijn plan geweest die
+wetenschap te kiezen, waarin zijn vader zoo'n grooten naam verworven
+had,--ja, hij droomde er zelfs van 't werk van zijn vader voort te
+zetten en zich als specialiteit aan de oogheelkunde te wijden.
+
+Professor Lövdahl had ook altijd gemeend, dat het van zelf sprak,
+dat zijn zoon dokter zou worden.
+
+Maar wat hielp dat alles nu, als Mevrouw Meinhardt het niet wilde.
+
+Abraham streed eerst half in gekheid, later in vollen ernst met de
+heele familie Meinhardt; maar hij verloor het en gaf zich over,
+toen Clara op een goeden dag in tranen badende zeide, dat ze 't
+nu wel begreep; hij wilde het tot een breuk laten komen door zijn
+halsstarrigheid.
+
+Daar kon hij niet tegen. En zoo werd het dan in "de rechten." De
+professor was meer bereid de verandering goed te keuren, dan men
+verwachtte. Eigenlijk had hij er niets tegen, dat de opvoeding van
+zijn zoon in de richting van het juridische ging, nu hij zich door de
+nieuwe fabriek meer van de wetenschap af en tot het praktische leven
+aangetrokken voelde. Maar voor Abraham zelf werd die verandering van
+studie een inleiding tot en een oefening in het buigen van zijn wil
+en toch gelukkig zijn. Want Clara beloonde hem en Mevrouw Meinhardt
+vergaf hem.
+
+'t Voornaamste was immers gelukkig te leven in een tevreden omgeving;
+hij gaf een geliefd levensplan op,--dat was een offer; maar daar zou
+hij voor beloond worden. 't Was geen principe, dat hij opgaf;--want
+in dat geval zou hij nooit hebben toegegeven--nooit! Thuis, in de
+groote woning van zijn vader ging 't leven zoo stil en vreedzaam
+voort, juist zooals Abraham het graag had; sterke gemoedsbewegingen
+herinnerde hij zich alleen uit den tijd, toen zijn moeder leefde.
+
+Hij herinnerde zich haar zoo goed, trek voor trek en vooral die
+wonderlijke diepe oogen; maar in die herinneringen mengden zich
+anderen aan veel pijnlijke oogenblikken, als hij vol schuldgevoel
+voor die niet te ontwijken oogen gestaan had, die altijd hetzelfde
+van hem verlangden: waar en oprecht te zijn.
+
+Er was veel in hem, waarin die eisch weerklank vond; maar het leven
+had hem geen aanleiding gegeven een slag te slaan voor zijn innige
+overtuiging; en veel onaangename kleinigheden hadden gemaakt, dat
+'t hem bijna pijnlijk was aan zijn moeder te denken, die hij toch
+zoo innig had liefgehad en zoo vroeg verloren.
+
+Zijn jonge ziel nam veel nieuwe gedachten en ideeën in zich op, die
+heelemaal niet pasten in het salon van de familie Meinhardt--niet
+eens recht bij Professor Lövdahl. Zijn godsdienstige en politieke
+opvattingen veranderden snel, want hij had een sterke neiging tot
+kritiek en tegenstand. Maar zijn positie was noodlottig! Waar moest
+hij heen met alles wat in hem gistte? Bij de menschen op wier liefde
+hij prijs stelde zou dat maar onnoodige tweespalt en misverstand
+geven. Waarom zou hij verspelen wat hij liefhad, zonder eenig nut? En
+zoo ging hij het verste van al zijn kameraden, en zijn wilde paradoxen
+schitterden in de tabaksrook, als de vrienden bijeen zaten te drinken,
+tot ze welsprekend werden en zich in toekomstdroomen verloren.
+
+Abraham Lövdahl deed zijn juridisch examen in korten tijd--gelokt
+door zijn verlangen naar 't bezit van zijn geliefde en aangezet door
+de lichte grijze oogen van Mevrouw Meinhardt.
+
+Na een kort verblijf thuis--hij was zoo ongeduldig, dat hij zich geen
+tijd gaf voor een reis in het buitenland--vierde hij in Christiania
+zijn bruiloft met Mejuffrouw Clara Meinhardt.
+
+De jonggehuwden deden ook geen reis in het buitenland; want Mevrouw
+Meinhardt vond, dat het veel gezelliger was al dat geld te gebruiken
+voor een zomer buiten met de heele familie. De jongelui zouden
+afzonderlijk op een boerderij in de buurt logeeren, dan waren ze toch
+waarempel even vrij als in Zwitserland.
+
+Maar Abraham verlangde met ongeduld naar zijn eigen huis, om van al
+die Meinhardts af te komen en ook om zijn vrouwtje te toonen hoe mooi
+alles in hun eigen kamers was ingericht.
+
+Ze zouden de bovenverdieping van Professor Lövdahls groot ruim huis
+bewonen. De hooge, deftige, ouderwetsche kamers, en suite, stonden
+op den zomeravond, toen het jonge paar thuis kwam vol bloemen, maar
+ze lagen halfdonker in 't laatste roode licht van de avondzon.
+
+De tweede verdieping van het groote huis lag zoo hoog, dat men het
+uitzicht had over de lage huizen aan 't strand; en het fjord lag daar
+als een glanzende spiegel en droeg de kleine eilanden en de gladde uit
+het water opstekende rotsen, terwijl 't land in een dalende lijn al
+lager en lager weggleed in den horizont, die samenviel met de open zee.
+
+Abraham had zijn huis lief en zijn borst zwol, toen hij zijn vrouw
+naar het open raam van hun eetkamer bracht.
+
+"Is 't hier niet heerlijk, Clara?"
+
+"Waar?--wat bedoel je?"
+
+"'t Uitzicht,--de zee--'t licht--"
+
+"Maar lieve hemel!--hier is immers geen enkele boom."
+
+"Ach--jij domme Oostlander," antwoordde hij vroolijk en draaide haar
+rond, zoodat ze de kamer inzag, "is 't hier dan niet mooi, hè?"
+
+"'t Is hier bijna donker."
+
+"Ik zal 't licht aansteken."
+
+"O neen--dat hoeft niet; dat heeft geen haast."
+
+Maar hij stak gauw hier een kandelaber en daar een lamp aan, zoodat
+er een soort ongelijkmatig licht in de kamers viel; en nu trok hij
+haar meê om haar het allerbeste te laten zien: haar eigen boudoirtje.
+
+"Hier kan 't zeker wel aardig zijn overdag," zei ze en voelde de
+portière tusschen de vingers.
+
+"Komt hier zon?"
+
+"Den heelen langen dag," antwoordde Abraham blij.
+
+"O foei!--dan moeten we overal hoezen over maken. We kunnen onze
+beste meubelen toch niet door de zon laten bederven."
+
+"Och kom!--die tijd, die zorg. Ze moeten maar tegen een beetje zon
+kunnen," zei Abraham; "maar zie nu eens hier. Dit is nog 't mooiste van
+alles--'t naaitafeltje van mijn moeder. Dat is jaren geleden hierheen
+gekomen uit Japan met een van de schippers van Grootvader Knorr."
+
+"Dat kan men wel zien."
+
+"Wat bedoel je?--Clara!"
+
+"Maar lieve hemel!--Kijk nu eens, al dat goud en die gekke figuren;
+'t is heelemaal niet smaakvol."
+
+"Neen hoor eens! nu heb je 't toch waarachtig mis, Clara! Kijk eens
+naar den jager hier op den deksel, met de valk op de hand en die
+ingelegde figuren van goud!--'t Is een prachtstuk--moet je weten--dat
+naar het oordeel van kenners een eerste plaats in een museum verdient."
+
+"Ja, maar ik wil geen museum hebben."
+
+"Maar je moet toch kunnen begrijpen..."
+
+"Ja, ik kan me zoo best begrijpen, dat jij verrukt bent over dat
+oude meubel, omdat het van je moeder was, waar je immers zooveel
+van hieldt. Maar je moet toch toegeven, dat je zooiets nu niet meer
+gebruikt."
+
+Hij antwoordde niet, maar sloot het tafeltje.
+
+"Neen--weet je wat het mooiste is wat ik hier in huis gezien
+heb?"--vroeg Clara, terwijl ze voor den spiegel stond en haar haren
+in orde bracht.
+
+"Jij zelf waarschijnlijk."
+
+"Hê, wat ben jij onaardig?"--er kwam dadelijk een strammen trek om
+haar mond.
+
+"Neen, neen," riep hij lachend; "dat kwam me maar zoo op de lippen,
+toen ik je in den spiegel zag, want jij bent wezenlijk het mooiste en
+liefste wat er in 't heele huis is"--en met veel dergelijke woorden
+en kussen werd ze eindelijk tevreden gesteld en ging voort:
+
+"Het mooiste, wat ik tot nu toe gezien heb is werkelijk je vader."
+
+"Ja, niet waar!" riep Abraham verheugd. "Is dat niet een indrukwekkende
+figuur?"
+
+"Hij heeft werkelijk iets gedistingueerds. Hij is een man, die men
+zelfs in de stad opmerken zou."
+
+"Ja, dat wil ik zoowaar wel gelooven," zei Abraham en glimlachte
+wat uit de hoogte. Zij dacht dadelijk, dat hij aan haar kleinen
+uitgedroogden vader dacht, en voegde er bij:
+
+"Jij lijkt zeker 't meest op je moeder, Abraham."
+
+"Moet dat een kleine... steek verbeelden?"
+
+"Een steek?--maar mijn hemel, hoe kom je er bij?--je moeder, waar je
+immers zoo veel van hieldt!"
+
+"Ja zeker--'t klonk alleen maar zoo wonderlijk, nadat je pas Vader
+zoo sterk geprezen hadt."
+
+"Hoor eens Abraham, je ben werkelijk irriteerend met je achterdocht--"
+
+"Ik achterdochtig!--maar lieve kind, hoe kun je nu beweren..."
+
+"Ja, dat ben je; je ben vreeselijk achterdochtig, je meent altijd,
+dat achter de onschuldigste woorden..."
+
+"Gekheid! laat ons nu niet onzen intocht in huis houden met onzin
+en misverstand; komm Clärchen, zu Bett!"--en hij sloeg vroolijk den
+arm om haar middel en droeg haar half naar de slaapkamer; maar ze
+spartelde tegen en wilde niet op zijn scherts ingaan.
+
+Maar toen zij in de flauw verlichte kleedkamer en later in de
+slaapkamer kwam, werd ze zachter gestemd.
+
+Daar waren zooveel zaken, die in de eenvoudige slaapkamer van de
+meisjes Meinhardt nooit waren voorgekomen; en daar was een weelde en
+een smaak in de inrichting van het geheel, die een sterken indruk op
+haar maakte. Zij kuste haar man en zeide: "Naar zoo'n slaapkamer heb
+ik altijd verlangd."
+
+In verrukking ging hij heen om de kaarsen en lampen uit te doen
+en te zien of alles in huis in orde was en de vensters gesloten
+waren. Eindelijk kwam hij in 't kamertje van zijn vrouw en bleef voor
+het Japansche naaitafeltje staan.
+
+Van zijn vroegste kindsheid af was hij gewend geweest vreemden bij
+dit prachtstuk te zien stilstaan, zoodat hij er toe gekomen was
+het voor een van de mooiste en merkwaardigste dingen in de wereld
+te houden. Hij kende iedere veer van den bonten valk en de scheeve
+oogen in het gele gezicht van den jager. En terwijl hij daar stond,
+mompelde hij: ""dat oude meubel!"--zei ze. Dat meent ze niet. Ze
+meende er niets kwaads meê."
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+
+De directeur van de bank, Christensen, naderde het slot van zijn
+toespraak; hij wisselde een blik met Professor Lövdahl, terwijl hij
+zich van zijn presidentsplaats vooroverboog naar zijn medebestuursleden
+en zijn stem dempte tot een vertrouwelijken, familiaren toon.
+
+"Maar hoewel in dit alles nu geenszins een direct gevaar ligt voor de
+toekomst van de fabriek, moeten we toch nauwkeurig acht geven op alle
+omstandigheden, die schadelijk of voordeelig kunnen werken en over
+'t geheel, naar ons beste vermogen trachten de belangen van onze
+medeaandeelhouders te behartigen. En daar nu de prijzen van velen
+van onze voornaamste produkten ontegenzeggelijk neiging tot dalen
+vertoonen, moeten we naar mijn overtuiging al onze aandacht richten
+op het verminderen van onze exploitatiekosten.
+
+Dat kan op twee manieren gebeuren, òf doordat we tijdelijk enkele
+takken van ons bedrijf neerleggen en vrij wat arbeiders ontslaan òf
+door alle uitgaven voor administratie en loonen zooveel mogelijk in
+te korten."
+
+"Ik voor mij zou zeer weinig geneigd zijn met een beperking van ons
+bedrijf mee te gaan," antwoordde Professor Lövdahl, "evenzeer ter
+wille van onze brave arbeiders, als om een andere reden en wel deze:
+dat ik de bezwaren van onzen geachten president in het geheel niet
+deel. Ik wil gaarne toegeven, dat de aanleg zelf wat kostbaar was,
+dat verscheiden uitgaven, die in 't eerst noodig waren, nog moeten
+blijven bestaan, en meer dergelijke zaken. Maar ik twijfel er geen
+oogenblik aan, of Fortuna, wanneer de zaak met kennis van zaken en
+verstandige zuinigheid bestuurd wordt, zal blijken, zooal niet een
+goudmijn--dan toch een goede zaak voor de aandeelhouders te zijn,
+zooals ze nu al een zegen voor de stad is."
+
+Nu was de afspraak, dat consul With op dit oogenblik een vrij
+groote verlaging van 't honorarium van den chef--Mordtmann--zou
+voorstellen. Maar voor hij aan het woord komen kon, stond de jonge chef
+op; hij was uitdrukkelijk voor deze bestuursvergadering uitgenoodigd.
+
+"Mijne Heeren," begon Michal Mordtmann vrij en ongedwongen. "Het
+verheugt mij in zekeren zin, dat de verhandelingen vandaag deze
+richting genomen hebben; want dat maakt het nog gemakkelijker iets te
+zeggen, wat ik op het hart heb. Ik heb zelf met zorg het dalen der
+prijzen in het buitenland gevolgd; en zonder mij daar verder al te
+veel door te laten verontrusten, heb ik toch ingezien, dat nu en voor
+de naaste toekomst alle mogelijke besparingen van het allergrootste
+belang zijn. Ik heb dus eens rondgezien--in alle hoeken en gaten of er
+niet hier en daar iets overtolligs zou zijn, iets wat men zou kunnen
+missen, een post, die men uitsparen kon. En eindelijk heb ik werkelijk
+iets overtolligs gevonden, iets wat ik geloof, dat de fabriek nu goed
+missen kan en dat is... mijne Heeren,--ja, dat ben ik zelf."
+
+De heeren directeuren zetten groote oogen op; maar hij ging vriendelijk
+en glimlachend voort:
+
+"Zoo noodig als ik wel durf zeggen, dat ik was bij het aanleggen van
+de fabriek, even overbodig ben ik nu, nadat zij geheel in werking is
+gekomen, de arbeiders geoefend, het kantoorpersoneel geroutineerd,
+en vooral nu er een directie is, bestaande uit de meest deskundige en
+voornaamste mannen van zaken uit de stad. Ik heb er daarom al lang
+over gedacht u voor te stellen mijn post te schrappen. Een groot
+gedeelte van de loopende zaken zouden kunnen overgelaten worden aan
+onzen vertegenwoordiger Marcussen en overigens zou de fabriek door
+de geëerde directie zelf bestuurd kunnen worden. Maar ik heb er wat
+tegen op gezien, met dit voorstel voor den dag te komen; ten eerste
+omdat er toch misschien wat zelfbeheersching noodig is om je eigen
+overbodigheid in te zien; en dan kan ik niet ontkennen--dat spreekt
+trouwens van zelf--dat ik slechts ongaarne van deze fabriek afscheid
+neem, die me lief geworden is, en van het aangenaam samenwerken
+met u, mijne Heeren." Op deze woorden volgde een pauze. Consul With
+verheugde zich over de gelukkige wending, die de zaak nam, en keek
+glimlachend Professor Lövdahl aan; maar de bankdirecteur Christensen
+wreef zijn groote neus en verborg met de vingers zijn oogen, terwijl
+hij wantrouwend en van ter zijde naar Mordtmann zag.
+
+'t Was eigenlijk Professor Lövdahl, die een samenzwering in de directie
+tot stand had gebracht, om--zoo mogelijk--Mordtmann weg te krijgen;
+en nu ging hij vrijwillig, bij den eersten wenk. Daar moest iets
+achter steken.
+
+"Ik, als president, kan 't er niet meê eens zijn--ten minste niet
+zonder nader motiveering meê eens zijn,--dat de heer Mordtmann als
+directeur plotseling overbodig zou geworden zijn. Er zou in ieder
+geval eenige tijd moeten verloopen..."
+
+"Pardon, Mijnheer de president!--maar ik wilde om persoonlijke redenen,
+juist aan de geëerde directie verzoeken mij toe te staan reeds met
+Kerstmis af te treden."
+
+"Met Kerstmis al!"... De president keek nog bedenkelijker.
+
+"Wij willen natuurlijk maar noode zulk een bekwaam directeur laten
+gaan; maar als Mijnheer Mordtmann 't zelf wenscht, dan..."
+
+De professor zette de toespraak van Consul With voort: "dan hebben wij
+waarlijk alle reden om hem hierin zooveel mogelijk tegemoet te komen,
+hoezeer we ook betreuren..."
+
+"Maar hebben de heeren wel aan het meerder werk en de groote
+verantwoordelijkheid voor ons gedacht, wanneer de directeur nu
+plotseling aftreedt?" vroeg Christensen. "Wat mij betreft, ik durf
+in dat geval mijn plaats als president niet langer bekleeden. Dat
+wordt mij te veel. Ik ben niet sterk," en half verscholen achter zijn
+groote witte hand, die hij over zijn gezicht liet glijden, sloeg hij
+nauwkeurig de anderen gade--overtuigd, dat zij allen als gewoonlijk
+zouden verzekeren, dat hij onmisbaar was.
+
+Maar Professor Lövdahl voorkwam de anderen door eenigszins droog
+te zeggen:
+
+"Als het om het welzijn van onze fabriek gaat, neem ik aan, dat wij
+allen ons met genoegen tot het uiterste zullen inspannen."
+
+De bankdirecteur Christensen aarzelde. Hij was tot nu toe
+algemeen erkend als de eerste in den kleinen kring van mannen,
+die directeuren, bestuurders, vertegenwoordigers van alle mogelijke
+zaken in de stad waren. 't Was zijn lust en zijn leven vergaderingen
+te houden, besluiten te redigeeren en zijn eigen zware stem te hooren
+voortrollen door de vergaderlokalen met welgevormde, edele en verheven
+zinnen. Maar bovendien bezat hij een onuitsprekelijke fijne snuif
+in handelszaken. Zijn groote zachte neus kon als 't ware een slechte
+zaak op grooten afstand ruiken; en nadat hij nog eens ter sluiks een
+blik op Mordtmann geworpen had, nam hij zijn besluit en zei:
+
+"Ik heb geen overdreven voorstellingen van mijn eigen beteekenis
+als president; maar daar de post mij nu te moeilijk worden zal,
+wil ik de heeren verzoeken, een ander te kiezen op de eerstkomende
+Algemeene Vergadering."
+
+Een ontevreden, afwijzend gemompel werd om de tafel gehoord, maar
+Christensen ging voort: "Ja, ja,--laat het zoo blijven, Heeren. Mijn
+gezondheid is, zooals u weet, niet zoo heel sterk; en de steeds
+toenemende ontwikkeling van de stad legt immers op velerlei wijzen
+beslag op... de meer op den voorgrond staande burgers. Bovendien moet
+ik eerlijk bekennen, dat ik geen deskundige ben..."
+
+"Kom... Mijnheer Christensen"--riepen velen glimlachend.
+
+"Neen, neen. Ik meen het in ernst; er is--ronduit gezegd--eigenlijk
+maar één onder ons, die al die scheikunde begrijpt, en dat is Professor
+Lövdahl. Als hij genegen is de plaats als president over te nemen,
+dan twijfel ik er niet aan of de Algemeene Vergadering zal dit met
+acclamatie aannemen."
+
+"De Heeren weten zeker allen wel, dat ik meer voor het
+wetenschappelijke dan voor het mercantile voel," begon de professor,
+"en in 't begin trad ik eigenlijk alleen tot de directie toe om een
+onderneming, waarvan men geluk en zegen voor onze stad verwachten kon,
+aan den gang te brengen.
+
+Maar later is 't me zoo gegaan, dat ik deze fabriek steeds liever
+gekregen heb; en als die nu te lijden zal hebben van slechte tijden,
+wil ik er mijn ouden rug gaarne onder zetten: maar Heeren--die rug
+is oud. Ik kan niet als Mijnheer Mordtmann in drie stappen van de
+fabriek naar de stad komen..."
+
+"Natuurlijk! men zou den president een assistent moeten geven--"
+
+"Pardon,--'t is niet mijn bedoeling om indiscreet te wezen," zei Michal
+Mordtmann; "maar zooals we weten, heeft de professor een zoon, die
+onlangs met glans zijn examen in de rechten heeft gedaan. Zou zulk een
+post niet heel geschikt en aangenaam zijn voor een jongen candidaat--om
+meê te beginnen? De juridische kennis--ik kan u verzekeren, dat die
+in velerlei gevallen van groot belang voor onze zaak wezen zou."
+
+Professor Lövdahl kwam in de war. Voor de tweede keer doorzag die
+Mordtmann zijn geheimste gedachten; juist zóó had hij den uitslag van
+de zaak gewenscht; maar hij was voorbereid op veel kleine intrigues,
+om het doel te bereiken. En nu werd hem dit alles aangebracht in een
+oogenblik en juist door den man, dien hij ten val had willen brengen.
+
+Want nu werd snel en bijna zonder debat aangenomen aan de Algemeene
+Vergadering deze veranderingen voor te stellen. De post als directeur
+in zijn vroegeren vorm wordt opgeheven. De directie zelf met Professor
+Lövdahl als president neemt het bestuur van de fabriek over. Aan
+den president wordt toegestaan een assistent te kiezen voor wien het
+traktement door de Algemeene Vergadering zal worden vastgesteld.
+
+Toen zij op straat gekomen waren, nam consul With den arm van den
+professor en feliciteerde hem lachend met dien gelukkigen uitslag.
+
+"Maar kun je begrijpen wat Mordtmann bezielde? Wij hadden ons
+voorgesteld, dat hij zich met handen en voeten aan zijn baantje zou
+vastklampen. Hij moet gemerkt hebben, dat de stemming al te veel
+tegen hem was."
+
+"Misschien heeft hij dat wel," antwoordde de professor verstrooid;
+maar toen hij afscheid van den consul genomen had, bleef hij op 't
+kleine plein voor zijn huis staan en zag uit over de haven, waar de
+rookende schoorsteenen van Fortuna zich tegen den hemel afteekenden. De
+menschen, die voorbijgingen, groetten de statige figuur eerbiedig,
+zooals hij daar stond, geleund op zijn kostbaren donker bruinen
+stok--met uitgesneden ivoren knop, een geschenk van zijn collega's
+aan de universiteit. Hij groette terug zonder ze te zien, want hij
+dacht aan het pas gebeurde met Mordtmann. Carsten Lövdahl had dien
+man altijd gehaat, en daardoor was hij er toe gekomen Fortuna en haar
+directeur nauwlettend te controleeren; voortdurend ging hij Mordtmann
+na,--nooit op een wijze, die persoonlijke bitterheid verraadde;
+maar alleen als een conscientieus directeur.
+
+Eindelijk had hij het zoo ver gebracht, dat een partij in de directie
+tegen den directeur gestemd was; de een vond hem te kostbaar, een
+ander hield niet van hem en de goedige consul With ging met zijn
+vriend, den professor, meê.
+
+En nu opeens--vrijwillig--glimlachend gaf Mordtmann alles op en
+ging heen.
+
+Niet zóó had de professor zijn doel willen bereiken: de ander had
+verdrongen, verworpen, vernederd moeten worden!
+
+Maar nu was hij dan toch weg, en dat was de hoofdzaak. 't Meerdere
+werk en de grooter verantwoording verontrustten Carsten Lövdahl niet
+bizonder. Hij had werkelijk in deze jaren lust gekregen om dat groote
+veelzijdige werk te besturen. Het ging zoo goed en gaf aan zoo velen
+werk. En hij brandde van verlangen te toonen hoe heel anders en veel
+beter 't zou gaan zonder dien kwast--Mordtmann.
+
+En 't meest verheugde hij zich als hij er aan dacht, dat Abraham zijn
+assistent zou worden. Het jonge paar zou boven wonen; er zou leven en
+vroolijkheid in huis komen, en de vele bittere herinneringen zouden
+in de hoeken worden gedrongen en verdwijnen.
+
+Maar de bankdirecteur Christensen was in zijn eigen kantoor blijven
+zitten, waar de vergadering gehouden was--nog steeds onzeker en
+wantrouwend.
+
+Wat zou zijn vrouw zeggen als ze te weten kwam, dat hij zijn
+presidentsplaats had opgegeven en dat nog wel voor Professor Lövdahl,
+die eigenlijk niet in den kring thuis hoorde! Want zij wilde, dat hij
+de eerste, absoluut de eerste wezen zou in de stad, en dat was hij tot
+nu toe geweest. 't Zou de noodige scènes geven. En toch... toch had
+hij er geen berouw van. Hij vertrouwde op zijn neus, die hem nog nooit
+bedrogen had. Er moest iets aan de lucht zijn. Mordtmann was niet de
+man, die zoo'n positie zonder reden opgaf; hij was een slimme snaak,
+en zijn vader Isaak Mordtmann en Co. in Bergen was nog slimmer; zij
+hoorden niet tot de ratten, die 't schip verlieten vóór er gevaar was.
+
+Dus vatte hij moed en besloot te dragen wat gedragen moest worden,
+want zelfs niet al kon het hem redden, wilde hij tegenover zijn
+vrouw den minsten twijfel uiten over Fortuna; daarvoor had hij te
+veel aandeelen en zij te veel vriendinnen.
+
+Michal Mordtmann schreef denzelfden dag aan zijn vader:
+
+"'t Ging gladder dan een van ons zich had voorgesteld. Ik nam een
+toevallige ontstemming in de directievergadering te baat,--u kunt
+wel begrijpen van wien die kwam--en eer iemand het wist, was ik
+van alles af. En daar ben ik heel blij om, hoewel ik--in elk geval
+voorloopig--zonder betrekking ben; maar ik denk wel, dat u wat voor
+mij vinden zult. Wat de fabriek zelf betreft,--ik ben het volkomen
+eens met wat u in uw brief van den 18den schreef."
+
+Zoo kwam het, dat Professor Lövdahl in nader contact kwam met de
+handelswereld in de stad, die hij tot nu toe had trachten te vermijden.
+
+Maar Fortuna nam meer en meer zijn belangstelling in, naarmate het
+werk en 't groote bedrijf hem helderder werd. Hij las buitenlandsche
+werken en tijdschriften, veranderde en verbeterde, en maakte groote
+plannen voor nieuwe bedrijfsvormen en kostbare machines.
+
+Zijn praktijk als dokter was niet groot en die beperkte zich
+langzamerhand tot eenige goede oude huizen, waar hij bleef komen
+als huisvriend.
+
+Daarentegen werden zijn wachtkamer en studeerkamer meer en meer in
+kantoren veranderd; er kwam een penningmeester en een jong mensch
+om boodschappen in de stad en naar de fabriek te doen; en agenten en
+makelaars begonnen er te komen als op een gewoon koopmanskantoor. Op
+een dag gelukte het een indringerigen korenagent, half onder scherts,
+een lading rogge aan Carsten Lövdahl te verkoopen; 't schip lag in
+Dantzig te laden.
+
+De professor was in spanning--in een spanning, die voor hem geheel
+nieuw was; hij ergerde er zich eigenlijk over; maar de rogge steeg.
+
+En toen hij ten slotte 3000 kronen zuivere winst voor zich op zijn
+lessenaar liggen zag, toen voelde Carsten Lövdahl een geheel nieuw
+en eigenaardig welbehagen.
+
+Als volwassen man was hij altijd rijk geweest door 't groote vermogen
+van zijn vrouw; maar van zijn jeugd af zat hem de openlijke verachting
+voor "kooplui" en 't heimelijke respect van ambtenaarsfamilies voor
+geld in het bloed. 't Vermogen van zijn vrouw had hij verstandig
+en voorzichtig beheerd, blij met het welvaren, dat het geld bracht;
+maar zonder het directe gevoel van de macht van 't geld en 't vele,
+dat daarmeê te bereiken is.
+
+Maar dit geld, dat daar voor hem op tafel lag, had iets heel
+bizonders. Hij zelf had het in een oogenblik voortgebracht; hij
+had macht zich nog meer te verschaffen. Voor 't eerst had hij dat
+bedwelmend gevoel, dat in zijn handen een kracht berustte, die als
+een natuurmacht menschen opheffen en neerbuigen kon. En terwijl hij
+over de banknoten streek, tintelden zijn vingers en hij vond zelfs,
+dat het gekreukelde papier een aangenamen geur had.
+
+Toen Abraham thuis kwam, vond hij dus zijn vader als verjongd en
+ijverig bezig in een groot bewegen van verschillende ondernemingen,
+ofschoon Fortuna nog als de voornaamste genoemd werd.
+
+Hij kreeg zijn vaste plaats aan een nieuwen lessenaar en ging aan
+'t werk--gelukkig en vol moed.
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+
+"Kom binnen, kom er maar in, Meneer! dan kunt u eens zien hoe de
+mindere man het heeft; dat is wel eens goed voor u. En dan is 't ook
+in de mode, wat zegt u nou? De werkgevers kennen immers tegenwoordig
+het leven en de omstandigheden van hun arbeiders door en door. En
+kijk eens naar de letterkunde. Wat zegt u! de kleine burgerman,
+de arbeiders, de armen... O m'n waarde Meneer! we vloeien over van
+meêvoelen en medelijden! Ja 't is een heerlijke wereld, waar we in
+leven. Wat zegt u nou?"
+
+En bij die woorden wees hij rond in de kleine donkere kamer, waar
+bijna niets stond.
+
+Alleen dicht bij 't venster lag een hoop riet en witte afgeschilde
+teenen en daar midden in zat een jong meisje manden te vlechten.
+
+"Wie hebt u daar bij u, Vader?" vroeg ze scherp.
+
+"De advokaat, de jonge Lövdahl, de nieuwe directeur zegt men;--ja
+Meneer, ze is blind" voegde hij er droogweg bij:--"dat komt niet
+zelden voor bij de armen, de kleine burgerlui en de arbeiders."
+
+De dochter glimlachte bitter en keerde de doffe waterachtige blauwe
+oogen tegen 't licht, terwijl haar witte vingers een wilgeteen bogen.
+
+Abraham Lövdahl voelde zich onaangenaam aangedaan; en toen de oude man
+naar de kleine keuken ging om zijn koffie te halen, zei hij verlegen:
+
+"Is u altijd... is u al van uw geboorte af zoo ongelukkig geweest?"
+
+Het jonge meisje keerde zich om, zoodra ze zijn stem hoorde, sloeg
+de oogen neer en luisterde oplettend naar die weinige woorden. Maar
+toen ze zoo zat en hij niet meer gedwongen werd in die pijnlijke,
+leege oogen te zien, trof het hem hoe wonderlijk mooi ze was.
+
+'t Bittere en ontevredene in haar mond, dat ook in de licht opgetrokken
+neusvleugels trilde, was nu weg en haar zuiver gevormd voorhoofd met
+donkerblond golvend haar stond zoo onschuldig en droevig boven de
+doffe oogen, boven 't magere, zwaarmoedige gezicht.
+
+"Zeg dat nog eens," vroeg ze.
+
+"Hoor je 't niet, Greta! die deftige Meneer doet je de eer aan je
+te vragen of je blind geboren ben. Ja, Meneer, dat is ze;--slecht
+bloed--slecht armelui's bloed."
+
+De oude man ging zitten met zijn kop koffie in de eene en een stuk
+grof roggebrood, met een beetje boter vol zoutklompen besmeerd,
+in de andere hand.
+
+Abraham Lövdahl had anders in den korten tijd, dat hij aan de fabriek
+was, de arbeiders toeschietelijk gevonden en prettig om meê om te
+gaan, maar deze oude machinist trok hem heelemaal niet aan, en hij
+had er spijt van, dat hij zich in zijn hol had laten lokken.
+
+"Ja, zwarte koffie, zwart brood en boter, die als glas tusschen je
+tanden knarst;--dat zal nu nog wel niet iets zijn, om u aan te bieden."
+
+"Nu nog niet...?" Abraham zag hem aan.
+
+"Ja, ja, men kan nooit weten, wat men nog eens zal moeten eten,--voor
+men doodgaat. Wat zegt u nou?"
+
+Hij schaterde van 't lachen over zijn eigen geestigheid en 't jonge
+meisje lachte meê; maar zij hield gauw op en boog zich over haar werk,
+terwijl Abraham, die deze menschen heelemaal niet begreep, afscheid
+nam en naar de deur ging.
+
+"Als u eens weer komt, moet u eens naar Greta's manden komen zien."
+
+"Hij komt nooit weer, Vader!" zei de dochter halfluid; maar Abraham
+hoorde het. En er was iets in haar toon, dat hem trof.
+
+"Ik wil gaarne eens binnenkomen, als ik hier voorbijkom en uw
+manden zien; ik zal zeker wel manden noodig hebben voor mijn nieuwe
+huis."--Hij richtte deze woorden vriendelijk tot haar en ging heen
+zonder verder op den ouden man te letten.
+
+"Vader, zeg u eens!--wat is dat toch voor een soort mensch, die oude
+machinist Steffensen."
+
+"Och, een praatjesmaker, die van alles in de wereld heeft geprobeerd
+en nooit ergens voor deugde."
+
+"Maar hij zorgt toch voor de machines."
+
+"Nu ja!--Mordtmann protegeerde hem. Ze zijn allebei een beetje
+kwasterig; maar Steffensen is een oproermaker, die niet in een
+behoorlijke fabriek als de onze past."
+
+"U denkt er toch niet aan hem weg te zenden?"
+
+"Ja, zoodra er een gelegenheid is."
+
+"Maar hij is arm."
+
+"Er zijn er, die meenen dat hij rijk is."
+
+"Maar zijn dochter is blind."
+
+"Heeft hij een dochter?"
+
+"Ik dacht, dat u haar oogen wel gezien had. Dat is een interessant
+geval."
+
+"Zoo," antwoordde de professor droog en ging voort met zijn werk.
+
+Maar Abraham besloot nauwkeuriger op Greta's oogen te letten. Alle
+boeken van den professor waren naar boven gebracht. En Abraham
+bracht daar menig uur door, liefst 's Zondags, als de anderen naar
+de kerk waren.
+
+'t Was een drukke dag; en de jongelui boven zouden dien avond voor
+'t eerst gasten ontvangen. De professor had het zoo gewild en zijn
+bedienden beneden zorgden voor 't souper en al 't andere. Toch was de
+jonge Mevrouw zoo moe, dat ze niet dacht ooit met haar toilet klaar
+te zullen komen. Abraham liep zenuwachtig de kamers in en uit: nu was
+'t haast tijd; hij wachtte en luisterde aan de deur. 't Dienstmeisje
+kwam de kamer uit,--neen--Mevrouw was nog niet klaar.
+
+"Goede hemel, Clara! Kun je je niet een beetje haasten, al was 't
+alleen maar ter wille van Vader."
+
+"Ach!--spreek niet over je vader! Een man als hij zou me nooit zoo
+overspannen hebben als hij 't geweten had. Maar hij kan 't immers
+niet weten en als jij dan niet meer zorg voor me hebt."
+
+"Nu, laat ons dan liever de menschen afzeggen."
+
+"Hè, Abraham, wat ben je onverdragelijk--als je zooiets zegt wat je
+toch niet meent"
+
+"Ja, maar als je nu werkelijk zoo onwel ben..."
+
+"Als--geloof je me soms niet?"
+
+"Ja natuurlijk Clara! maar 't is ook een drommelsch werk om in die
+omstandigheden gasten te ontvangen."
+
+"Foei toch! Vloek toch niet zoo vreeselijk."
+
+Toch kwam ze mooi en stralend van vriendelijkheid haar schoonvader
+tegemoet en luisterde blozend naar zijn ouderwetsche complimentjes. En
+Abraham moest wel de kracht bewonderen waarmeê de zwakke Clara haar
+vermoeidheid overwon, als 't moest. Neen, eigenlijk--om de waarheid te
+zeggen, hij ergerde er zich over, dat hij moest doen alsof hij aan die
+vermoeidheid geloofde--die vreeselijke vermoeidheid, die plotseling
+als weggeblazen kon worden. Maar 't waren grillen, die Clara van haar
+moeder had. Die zou hij er wel uit krijgen. Maar behalve dat was ze
+bekoorlijk--dat zei iedereen.
+
+De avond liep goed van stapel; de oude heeren speelden kaart; in het
+salon werd muziek gemaakt, en 't gezelschap was feestelijk gestemd,
+omdat men voor 't eerst bijeen was in 't nieuwe huis, waar veel te
+zien en te bewonderen was.
+
+Maar juist toen alles het vroolijkste toeging ontdekte Abraham
+plotseling een paar stramme plooien om den mond van zijn vrouw,
+een sprekende copie waren ze van anderen, die hij kende--die van
+Mevrouw Meinhardt.
+
+Ze werd opeens stil, zag hem voorbij; en als hij 't woord regelrecht
+tot haar richtte, hoorde zij 't niet. Zelfs 't algemeene gesprek
+stokte--er kwam als een domper over de vroolijkheid; 't was als ging er
+koude uit van de jonge gastvrouw. 't Was wezenlijk zoo vreemd. Men zag
+elkaar aan, een paar jonge vrouwen begrepen het,--ja zelfs Peter Kruse,
+die ongetrouwd was, mompelde in zichzelf: "Daar heb je waarachtig
+wat moois op sleeptouw gekregen--mijn beste Abraham à Santa Clara."
+
+Abraham streed den heelen avond als een wanhopende, met die rimpels;
+hij werd opgewonden vroolijk, om de stemming te bewaren; maar niemand
+kon goed meêdoen onder den ijskouden glimlach van de gastvrouw.
+
+Hij trachtte haar te bereiken om haar iets in te fluisteren--ze keerde
+zich om en sprak met wie 't dichtst bij haar stond; hij smeekte haar
+met de oogen, dat ze toch ontdooien zou, en met die afschuwelijke
+comedie uitscheiden; had hij wat verkeerds gedaan--en daar had hij een
+duister gevoel van--dan konden ze daar immers later over praten--maar
+niet hier--niet zich bloot geven voor al die vreemden!
+
+Maar hij had even goed gezichten kunnen trekken tegen de kachel;
+ze bleef voortdurend stijf, koud en beleefd--of onbeleefd--zooals
+'t uitkwam. Toen Abraham dus eindelijk, afgemat van dien moeilijken
+avond--zijn laatsten gast had uitgelaten, liep hij snel door de kamers
+naar 't boudoir van zijn vrouw, waar ze op hem stond te wachten,
+maar deed alsof ze onverschillig een paar bloemen schikte.
+
+"Ziezoo! wat is er nu? zeg me wat er is, Clara," riep hij en ging
+vlak voor haar staan.
+
+"Wat er is?--Wat bedoel je?"
+
+"Och, dat weet je heel goed, zooals jij den heelen avond gedaan
+hebt! Opeens, voor iemand 't weet, zit je als een mummie, lacht niet,
+geeft geen antwoord."
+
+"Als ik tegen 't eind van den avond niet heb kunnen verbergen dat ik
+ontstemd was--hoewel God weet, dat ik er al mijn krachten voor heb
+ingespannen--dan weet jij tenminste de reden en hoeft er niet naar
+te vragen."
+
+"Ik weet de reden niet. Ik begrijp wel, dat je boos op mij ben;
+maar de drommel hale me, als ik weet wat ik gedaan heb!"
+
+"En daar durf je op te vloeken!--je weet misschien niet hoe je daar
+achter de piano zat, met je neus in de haren van die malle Lina With."
+
+"We zaten toch niet achter de piano!"
+
+"Nou... er was ten minste niet veel van jelui te zien; maar aan je
+lachen kon je wel hooren wat voor dingen jelui behandelde. En toen
+ik er aan kwam, omdat ik me voor jou schaamde en vriendelijk en
+voorkomend iets over haar japon zei..."
+
+"Ja, je zei, dat je niet van die groene kleur hieldt."
+
+"Toen antwoordde ze, bizonder impertinent: die is blauw, Mevrouw! en
+jij--wat deedt jij?"...
+
+"Ik zei zeker ook dat die blauw was, want dat was-ie."
+
+"Die was groen, flesschegroen, zoo groen als spinazie, maar dat
+doet er trouwens geen zier toe; je kunt niet begrijpen hoe volkomen
+onverschillig 't me is of dat mensch haar botten met groen of blauw
+overtrekt; maar 't karakteristieke voor jou, 't leelijke van je is,
+dat zelfs in de kleinste, de meest onverschillige kwesties dadelijk
+naar de tegenpartij overloopt,--nooit kun je mij helpen..."
+
+"Neen maar lieve Clara! als nu de japon me blauw toeschijnt."
+
+"Waarom denk je, dat ze je blauw voorkomt? Alleen omdat die misselijke
+Lina With 't zei; dadelijk natuurlijk! was je 't met haar eens! maar
+ik--je eigen vrouw!"
+
+"Geloof je heusch, dat Lina With gevaarlijk is?"
+
+"Och, 't is met allemaal 't zelfde! je trekt iedereen boven mij voor;
+ik ben alleen tusschen al die vreemde menschen; en jij, die me steunen
+moest je laat me gemeen in den steek, om... om... om..." Ze schreide
+zoo hevig, dat haar stem weg ging en vloog de kamer uit.
+
+Abraham liep haar achterna; maar aan de deur van de slaapkamer keerde
+hij om en stak een sigaar aan; hij liep op en neer in de kamers,
+die nog warm waren na 't feest; en hij dacht na over zijn huwelijk
+en zijn vrouw--over zijn leven, zooals 't met hem was voortgegleden
+in zonneschijn en geluk, zonder schokken. Nu en dan bleef hij voor
+een spiegel staan en bekeek zichzelf half verwonderd.
+
+Was hij dat werkelijk, die dit beleefd had? Was hij het, die niet
+meer bereikt had. Dit leven, dat zoo los om hem heen hing, zoo zonder
+beteekenis,--was dat zijn leven?... Wel was hem zijn eerste frissche
+jeugd al spoedig ontnomen, maar later was hij toch zoover gekomen in
+moderne lectuur, dat hij al gauw vermoedde, dat 't niet heelemaal zoo
+in de wereld toeging, als 't aan de studenten aan de universiteit te
+Christiania gedoceerd werd.
+
+'t Was niet zoo, dat alles bijna overal in orde was, behalve in
+Amerika, dat alle raadsels der wetenschap waren opgelost of in ieder
+geval vandaag of morgen zouden worden opgelost aan de universiteit te
+Christiania. In plaats van dat de waarheid vast stond, het bestaan over
+'t algemeen harmonisch en rechtvaardig was, de jeugd voor inspanning
+bijna geheel bewaard, omdat de ouden alles zoo buitengewoon goed hadden
+ingericht--in plaats van dit alles, waar zijn thuis, de school en de
+universiteit zijn hoofd meê hadden opgevuld, zag hij al spoedig, dat
+hij integendeel geboren was in een tijd vol van de meest verschillende
+bewegingen, en in een maatschappij, die juist behoefte had aan moedige
+jonge menschen.
+
+En Abraham Lövdahl had een machtigen drang gevoeld om aan te
+pakken--waar 't maar mogelijk was--overal! 't Was alles immers
+averechts verkeerd. Maar altijd was dit de noodlottige vraag: Waar
+moest hij ingrijpen? 't Moest zóó gebeuren dat er werkelijk iets door
+bereikt werd--een of andere taak voor hem; anders hielp het immers
+niet;--anders kon hij immers zijn naaste omgeving niet doen begrijpen
+wat hij bedoelde met dat "aanpakken."
+
+Hij had het met Clara geprobeerd, toen zij geëngageerd waren. Hij had
+haar al zijn wilde ideeën toevertrouwd; en tot zekere hoogte amuseerde
+'t haar te luisteren naar al die schreeuwende tegenstellingen met al
+wat ze geleerd had en geloofde. Alleen als 't al te gek werd lachte
+ze en beweerde, dat hij dat niet meenen kon.
+
+Tot wat Clara 't meest aantrok hoorde de emancipatie van de vrouw. Ze
+luisterde oplettend als hij in woorden, die gloeiden van toorn, den man
+aanviel, die duizende jaren lang in ruwheid de vrouwen had onderdrukt
+en verongelijkt. En als hij de toekomst schilderde, waar man en vrouw
+gelijken zouden zijn, die in onderling overleg handelden, dan drukte
+Clara zich tegen hem aan: "Zul je altijd zóó tegen mij wezen, Abraham?"
+
+Al die beloften, die oprechte verzekeringen!--had hij ze gebroken?
+
+Neen,--hij vond het niet; hij was zich bewust, dat hij er eerlijk naar
+had gestreefd hun samenleven vredig te maken en mooi; maar Clara was
+verwend--dat viel niet te ontkennen. Zulke afschuwelijke scènes als
+die van dezen avond moest hij niet verdragen.
+
+Hij wilde ze ook niet langer verdragen; nu wachtte ze hem--dat
+wist hij--tot een verzoening bereid, als hij zich eerst voldoende
+verootmoedigd had; maar Abraham zwoer, dat hij zich niet verootmoedigen
+zou en bleef in de kamers heen en weer loopen; en terwijl zijn
+sigaar langzamerhand uitging kwamen de machinist Steffensen en het
+blinde meisje hem weer in de gedachten. 't Was een wonderlijk paar;
+hij zou den advokaat Kruse, die alle menschen kende, eens vragen,
+waar zij eigenlijk vandaan kwamen.
+
+Voorloopig besloot hij ook zich te verzetten tegen zijn vaders plan
+om Steffensen te ontslaan. Het streed tegen Abrahams opvatting een
+bekwaam man uit 't werk te laten wegzenden, omdat hij een praatjesmaker
+was--waarschijnlijk een knappe bol. Hij moest juist blijven.
+
+Hoe zou 't anders met dat arme blinde kind gaan?
+
+En haar beeld stond opeens zoo helder voor hem--aandoenlijk, als was 't
+een herinnering uit zijn jeugd: dat witte voorhoofd, dat zoo onschuldig
+boven die doffe oogen lag, boven dat magere, zwaarmoedige gezicht.
+
+Lang en ver weg voerden Abraham zijn fantastische droomen over die
+oogen, waar misschien weer leven in zou kunnen komen; droomen van een
+blik vol dankbaarheid en genegenheid, waaraan hij zulk een behoefte
+had. En 't was laat in den nacht toen hij naar bed ging. Clara
+sliep al.
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+
+"De Heer zegene uw ingaan en uw uitgaan van nu af, alle dagen uws
+levens."
+
+Met deze woorden leidde de kapelaan zijn verloofde over den drempel
+van zijn vaders huis. De dikke Jörgen Kruse kwam zóó in de war door
+dien plechtigen intocht, dat hij de handen vouwde en "Amen" zei.
+
+Maar zijn vrouw, die even mager was, als hij dik, wierp haar breiwerk
+weg en liep snel haar nieuwe schoondochter tegemoet.
+
+"Welkom! Welkom in ons huis--lieve kind. En God geve, dat je je bij
+ons tevreden en gelukkig voelt; jij ben ook welkom, lieve Maarten!--ik
+kan je niet eens behoorlijk een kus geven om je grooten baard. Jelui
+verrast ons. De boot zou hier niet vóór zes uur wezen, zei Peter. Zag
+jelui hem niet? Dan komt hij wel dadelijk hier. Maar Frederika--hoe
+kun je Maarten nu met zoo'n akeligen baard laten loopen. Dat zou ik
+hem wel verbieden als ik jou was."
+
+"Zooiets moet Moeder niet tegen Frederika zeggen. De gedachte komt
+niet in haar op--dat weet ik wel zeker--dat zij zou opstaan tegen
+haar aanstaanden echtgenoot. Heb ik geen gelijk, Frederika?"
+
+"Ja Maarten."
+
+"Och"--zei Juffrouw Kruse, "zóó plechtig meende ik 't ook niet; een
+vrouw kan waarempel heel wat klaar spelen, zonder juist tegen haar
+man op te staan."
+
+"De Schrift leert ons--zooals Moeder weet."
+
+"Ja jongen, dat weet ik," viel zijn moeder hem droog in de rede;
+"maar nu moeten we niet met de theologie beginnen; maar met een
+kop koffie. Alles op zijn tijd. Ga zitten, Frederika, en nog eens:
+hartelijk welkom in ons huis, lieve kinderen!"
+
+Jörgen Kruse dacht, zooals altijd, wanneer zijn vrouw sprak: "Wat
+drommel, waar haalt ze al die woorden vandaan?" Eindelijk kwam hij
+ook naar voren en mompelde wat, maar trok zich dadelijk terug in
+zijn hoek. Intusschen was 't niet zoozeer zijn nieuwe schoondochter,
+maar eigenlijk zijn zoon, die hem zoo verlegen maakte. Toen Maarten
+de theologie als zijn studie koos, verheugden zijn beide ouders zich
+daarover. Dat paste ook goed: de oudste, Peter, was jurist, en de
+oude Jörgen dacht zoo: als 't nu eenmaal een uitgemaakte zaak was,
+dat hij geen van zijn zonen daar kon krijgen, waar hij ze 't liefst
+hebben wou--n.l. in den winkel, dan zou het toch eigenlijk wel aardig
+wezen zijn eigen jongen met de toga aan op den preekstoel te zien.
+
+Maar was dat nu werkelijk zijn kleine, dikke Maarten, die hier zoo
+uit de hoogte aankwam en hem zoo ernstig--bijna beschermend de hand
+drukte? Groot was hij nu, met een dikken baard en hij keek de menschen
+zoo streng aan door zijn lichtblauwen bril.
+
+'t Werd zijn vader heel wonderlijk te moede; en terwijl de flinke,
+kleine Juffrouw Kruse al gauw Frederika aan 't praten kreeg onder
+de koffie en onvervaard Maarten als vroeger behandelde, liep de oude
+Jörgen verlegen rond en zocht tevergeefs naar den toon, die hij moest
+aanslaan tegenover dien plechtig gestemden zoon.
+
+"Rook je ook, Maarten?" vroeg hij eindelijk, half bang.
+
+"Bijna nooit," antwoordde Maarten met diepen ernst en een zucht, die
+moest aanduiden, dat dit een van zijn vele vrijwillige ontberingen was.
+
+Allen vonden trouwens, dat Maarten heel waardig geworden was, nadat hij
+aan de studie van de theologie begonnen was. Het stugge, wat Maarten,
+de achterblijver, in de school eigen was, ging in den loop der jaren
+over in een zuren ernst, die hem als van zelf tot de theologie bracht.
+
+Hij behoorde tot de gelukkigen; hij was reeds kapelaan aan de nieuwe
+kerk in de stad; kort na zijn benoeming volgde zijn verloving en hij
+was van plan dadelijk te trouwen; want zijn verloofde was rijk en
+had geen ouders.
+
+Mooi was Frederika Andersen eigenlijk niet; maar Juffrouw Kruse meende,
+dat ze echt goed en lief wezen moest... zóó teer als ze soms naar
+Maarten op kon zien.
+
+Kort daarna kwam de oudste zoon--de advokaat binnen; hij was buiten
+adem, kwam regelrecht van de stoomboot en maakte veel excuses, omdat
+hij niet bij de aankomst van 't verloofde paar had kunnen zijn.
+
+"Maar dat komt door die lieve vereeniging, die al mijn tijd in beslag
+neemt," zei hij. "Ik moet hulp hebben. Jij, broer Maarten! moet
+meêdoen; onze menschen wonen meest in de buurt van de fabriek."
+
+"Je meent Fortuna; maar wat is dat voor een vereeniging waar je
+over praat?"
+
+"O--een arbeidersvereeniging. Eerst was 't enkel een
+verbruiksvereeniging; nu is er een spaarkas aan verbonden, en een
+ziekenkas en van allerlei."
+
+"Een vereeniging van arbeiders dus?--en daar ben jij lid van, Peter?"
+
+"Lid?"--riep Juffrouw Kruse, "'t is immers Peters vereeniging; hij
+heeft ze gesticht en alles op streek geholpen."
+
+"Zoo," antwoordde Maarten droog.
+
+Juffrouw Kruse kreeg een kleur en wilde iets zeggen; maar zij bedacht
+zich en vroeg haar schoondochter met haar meê naar boven te gaan naar
+haar kamertje.
+
+De vader was ook weer weggeslopen naar den winkel, zoodat de beide
+broeders alleen waren.
+
+"Ik feliciteer je--Maarten! met je benoeming èn met je verloving;
+ze ziet er zoo aardig en lief uit."
+
+"Frederika is een ernstig en streng opgevoed meisje."
+
+"Ja?--maar ze kan daarom wel aardig wezen."
+
+"Zulke lichtzinnige woorden passen in 't geheel niet voor mijn
+verloofde. En ik wil je van te voren verzoeken om..."
+
+"Onzin, Maarten. Stel je niet zoo aan. Die toon kan misschien goed
+voor anderen zijn; maar je moet je niet verbeelden, dat ik, die je
+zoo goed ken, daarvan onder den indruk kom. Onder vier oogen kun je
+gerust je heele dominé'swaardigheid op zij leggen; gerust jongen,
+je maakt er je in mijn oogen alleen maar belachelijk door."
+
+"Het doet me oprecht leed, Peter, dat je nog voortdurend schijnt..."
+
+Maar Peter was al de deur uit en Maarten bleef hem een oogenblik
+staan nakijken. Toen ging hij aan de tafel zitten, schreef cijfers
+in zijn zakboekje en ging aan 't optellen.
+
+De advokaat Peter Kruse had den naam tamelijk dom te zijn; en hij
+had het dan ook niet ver in de wereld gebracht. Hij verdiende zooveel
+als hij noodig had en woonde trouwens thuis, omdat de oudelui Kruse
+dat graag hadden.
+
+De toekomst scheen niet schitterend; want 't sprak van zelf, dat
+geen enkele publieke inrichting haar rechtszaken aan dat radicale
+advokaatje kon toevertrouwen. De ambtman kon hem geen zaken geven
+en omdat hij nu niet dronk en ook niet onvertrouwbaar was, werd men
+'t er over eens, dat hij te dom was.
+
+Daarentegen had hij er een zekeren slag van op een slinksche manier
+het vertrouwen van eenvoudige menschen te winnen.
+
+Hij stookte namentlijk het volk op, heette het. Hoewel hij een aan de
+academie opgeleid man was, verkeerde hij onder de arbeiders en bracht
+ze er toe zich aaneen te sluiten ter wille van gemeenschappelijke
+belangen: goedkooper voedsel en betere woningen.
+
+Hij was daarom van harte gehaat door alle fatsoenlijke menschen en
+werd in hun courant uitgescholden. Peter Kruse was zooveel ouder
+dan zijn broeder Maarten, dat hij al een volwassen man was toen
+Maarten nog op school ging. En daarom viel het hem nog moeilijker
+dien neerbuigenden dominé'stoon te verdragen; ook kon hij over 't
+geheel de predikanten niet uitstaan; of--zooals 't in de courant
+heette--ongeloof en goddeloosheid waren ook bij hem onafscheidelijk
+verbonden met politiek radicalisme.
+
+Thuis had hij steun aan zijn moeder; want Jörgen Kruse ging geheel
+in zijn zaak op. Maar zijn moeder, die van zijn kindsheid af hem
+alleen gehad had om voor te zorgen,--zij volgde hem zoo goed zij kon
+en kreeg daardoor belangstelling voor en kennis van allerlei; want in
+'t begin had ze van geen van beiden veel.
+
+Ze was begonnen als winkeljuffrouw bij Jörgen Kruse, in den tijd,
+toen hij nog een bescheiden komenijs-mannetje was, die kaarsen, en
+witte suiker en stroop verkocht aan den kleinen man. En eerst een
+heele poos, nadat ze hem een zoon geschonken had, werd ze tot de
+waardigheid van "Juffrouw" verheven en kwam in de kamer, als ze in
+den winkel gemist kon worden.
+
+Maar later werd die kleine onregelmatigheid door bijna allen vergeten;
+zij sloofde en werkte met haar man; en toen ze eindelijk den weg
+tegen den steilen heuvel opgekomen waren, die van niets naar iets
+leidt;--toen zei Jörgen Kruse: "Ja, nu dank ik je wel voor je
+hulp--Amalia Catherina,--kom nu in de kamer zitten en rust uit."
+
+Toen kwamen de goede dagen, en toen kwam Maarten ter wereld;--daarom
+was hij zoo dik geworden! De goede dagen gebruikte Juffrouw Kruse om
+een en ander te leeren, en hoewel 't altijd met de geleerdheid maar
+zóó zóó ging, toch kreeg ze er zóóveel respect voor, dat ze doorzette,
+dat haar beide zonen zouden studeeren.
+
+Bij den eersten liet Jörgen dat zonder veel tegenwerking toe: Peter
+was mager en bleek en had lust in leeren. Maar toen Maarten op zijn
+twaalfde jaar naar 't gymnasium moest, probeerde hij een klein gevecht
+te leveren.
+
+Maarten was dik en stug en speelde nooit iets anders dan "winkeltje;"
+hij verloor nooit een cent. En eer 't werd uitgemaakt, dat hij
+studeeren moest;--want dat werd uitgemaakt: Jörgen kon 't niet
+houden als Amalia Catherina met al die vele woorden aankwam--voor
+dien tijd stond Maarten met zijn vader in den winkel en dreef in
+allen ernst handel.
+
+En hoe vaak had Jörgen niet met bewondering de taaie zekerheid gezien,
+waarmeê de kleine jongen de tabaksrol nam, die uitmeette volgens de
+streepjes op de toonbank en tabak afsneed voor twee cent, zoo precies
+op 't streepje, dat--als 't er niet binnen was, dan in elk geval er
+toch niet buiten.
+
+"Och ja!" zuchtte de oude Jörgen Kruse in zijn kantoortje, "nu is
+hij dan dominé geworden, en dat is nu wel heel mooi; maar waarachtig,
+de jongen hoort hier."
+
+In de kamer zat Maarten en schreef op wat de reis van hem en zijn
+verloofde gekost had; en toen ze beneden kwam, zei hij:
+
+"Frederika!--ik heb nu onze rekening opgemaakt en ik krijg nog twee
+en dertig en een halve cent van je."
+
+De nieuwe kapelaan had overigens nog niet veel succes in de stad;
+er was niets nieuws aan hem; alle menschen kenden den dikken zoon van
+Jörgen Kruse; en toen zij hem nu opeens op den preekstoel zagen met
+toga en bef en hem van uit de hoogte de gemeente bestraffend hoorde
+toespreken, vonden velen--vooral de ouderen--dat wat wonderlijk.
+
+Maar toen hij zijn examens gedaan had en uitdrukkelijk naar deze
+gemeente gezonden was door hen, die volgens Gods eigen wil Zijn
+rijk hier op aarde in Stockholm besturen, toen moest men hem immers
+ootmoedig erkennen als degene, die een waardigheid bekleedde, die
+recht tot bestraffen gaf,--hoe wonderlijk 't ook wezen mocht voor
+vleesch en bloed, dat die dikke jongen opeens voor hen stond om hun
+zielen te verzorgen.
+
+En al kwamen de menschen nu niet in zoo grooten getale toestroomen
+wanneer hij preekte, als gewoonlijk gebeurt bij een nieuwen predikant,
+hij won aan den anderen kant de onverdeelde achting en genegenheid
+van zijn superieuren en collega's. Want hij was nooit lastig; hij
+wilde nooit iets nieuws of moeilijks, maar had een gepasten eerbied
+voor het oude, die hem goed stond.
+
+Vooral het armbestuur was verrukt. Nieuwe kapelanen waren gewoonlijk
+een ware beproeving voor hen: dàn moest er een onderzoek naar een
+arm gezin gedaan worden, dan moest je hier en dan daar helpen; dames
+kwamen met soep aanzetten en de armen kwamen allemaal in beweging,
+zoodat je ze geen baas blijven kon.
+
+Maar niets van dat alles gebeurde bij dezen nieuwen kapelaan. Hij
+verwees den eersten arme, die 't bij hem probeerde, naar 't armbestuur,
+zooals 't hoort, en er kwam geen enkel potje soep door zijn toedoen.
+
+Toen Maarten getrouwd was, huurde hij een woning dicht bij 't huis
+van zijn vader, zoodat ze meestal even de straat overstaken om bij
+de oudelui te eten. 't Vermogen van zijn vrouw was in aandeel en in
+schepen en dergelijke fondsen geplaatst in haar geboortestad Kragerö;
+maar Maarten wilde geen handel drijven en vroeg het geld op.
+
+Juffrouw Kruse had er zich zoo op verheugd het jonge paar zoo dicht
+bij zich te hebben--misschien wel al te veel, dacht ze later; een
+mensch moet zich niet te veel ergens op verheugen; want dan volgt
+zoo licht een teleurstelling.
+
+Was ze teleurgesteld?--Volstrekt niet. Juffrouw Kruse zou zich
+geschaamd hebben, als iemand zooiets had durven zeggen;--neen, dat
+niet;--maar 't was alleen zoo vreemd.
+
+Maarten was immers dominé--streng en ernstig; en Frederika--ja ze
+was zoo lief en aardig als 't maar kon voor wie van haar hielden;
+maar ze was werkelijk te oud voor Juffrouw Kruse. Jonge menschen
+moeten toch waarachtig jong zijn, vond Juffrouw Kruse.
+
+En dan kwam er nog iets bij: ze moest erkennen, dat de jongelui er veel
+meer slag van hadden zuinig huis te houden, dan zij en haar man ooit
+gehad hadden--zelfs niet toen ze 't zoo krap hadden die eerste jaren.
+
+Ze hadden ook eenvoudig geleefd--ach! heel eenvoudig; maar zooals
+Maarten en Frederika--op een cent af te weten wat er kon worden
+uitgespaard op zeep en lucifers--dat had zij--en zelfs Jörgen nooit
+geweten.
+
+Maar alles hadden de jongelui uitgerekend en berekend en alles konden
+ze goedkooper krijgen, van eieren af--die kochten ze trouwens niet
+vaak--tot schuurzand toe--en altijd keek Juffrouw Kruse even verlegen,
+als Maarten zei:
+
+"Dat is maar heerlijk, dat Moeder 't zoo ruim heeft en zoo duur koopen
+kan, niet waar Frederika?"
+
+"Ja--je hebt gelijk--Maarten!--'t is alleen maar ongelukkig voor kleine
+burgers als wij, dat de prijzen stijgen als sommigen te veel betalen."
+
+En dan met de dienstboden... Juffrouw Kruse had er nooit op gelet,
+voor Frederika er haar opmerkzaam op maakte, hoe ongelooflijk veel
+de meiden "aan kunnen" als ze zelf over de boter mogen gaan. De
+dienstmeisjes van Frederika--ze hield er maar één, maar telkens kreeg
+ze een andere--die aten waarempel bijna niets.
+
+Het begon de goede Juffrouw Kruse te drukken, dat ze een oude vrouw
+zou zijn geworden, zonder geleerd te hebben op de kleintjes te passen
+en een goede huisvrouw te zijn. Want ze was 't aan den anderen kant
+volkomen met de jongelui eens, dat niets leelijker is dan Gods gaven
+te verspillen en te vermorsen.
+
+Aan tafel op een Zondag vroeg Peter Maarten of hij de fabriek had
+gezien. "Er is veel veranderd sinds je de laatste keer naar Christiania
+ging;--daar kun je van op aan."
+
+"Ik ben er een paar keer voorbij gegaan," antwoordde Maarten; "wordt
+er geld verdiend?"
+
+"Als water! Vraag Vader maar; hij heeft ieder jaar spijt als haren
+op zijn hoofd, omdat hij er maar één aandeel in heeft."
+
+"Och, één is genoeg," bromde Jörgen; "een mensch moet niet al te
+begeerig zijn."
+
+"Als 't is zooals Peter zegt, dat er geld verdiend wordt, weet ik
+niet, waarom u zich achteraf zoudt houden; 't is immers een volkomen
+eerlijke zaak en behalve dat ook nuttig voor de stad."
+
+"Wil je aandeelen koopen, Maarten?"
+
+"Ik drijf geen handel," antwoordde Maarten stug, na een poosje vroeg
+hij zijn vader: "Hoe hoog staan zij?"
+
+"Ze zijn niet op de beurs genoteerd," antwoordde Peter, "want hier
+worden zoo goed als geen aandeelen in Fortuna verkocht. Men wacht
+ieder jaar een enorme winst; tot nu toe maakten ze maar 6%."
+
+"Zes en een half," verbeterde de vader.
+
+"Ja, maar dan is er bijna niets voor het reservefonds afgenomen."
+
+"Kom--een man als Prof. Lövdahl is zoo goed als een reservefonds."
+
+"Vindt Peter soms niet, dat 6% een mooie rente is? Weet je veel zaken,
+die meer geven?" Maartens toon tegenover zijn broeder was meestal
+een beetje oorlogszuchtig.
+
+"Die rente is groot genoeg; maar er staat niemand borg voor..."
+
+"Borg!" viel de oude man hem in de rede, "dat zijn immers de Professor
+en de directeur Christensen."
+
+"Ja, Christensen, vader. Maar hij zit nu overal in, dus kan hij wel
+niet zoo'n sterke borg zijn voor elke zaak afzonderlijk; maar wie
+kan er trouwens voor instaan, dat de produkten niet dalen in prijs,
+zoodat de fabriek met verlies werkt, en 't kapitaal opvorderen moet
+en zich dan toch niet redden kan. Wie staat daar borg voor?"
+
+"Dat is immers onzin, Peter!--we weten allemaal wel, dat ieder
+menschelijke onderneming aan de wisselingen van 't geluk onderworpen
+is, of ik bedoel aan 't bestuur van de Voorzienigheid; maar als de
+directie zorgvuldig en voorzichtig is, dan is een onderneming als
+Fortuna menschelijkerwijs gesproken--vrij zeker. Iedereen heeft immers
+vertrouwen in Professor Lövdahl?"
+
+"Ja, dat is een groot man," riep Jörgen Kruse, en legde zijn mes en
+vork neer. "Hij kan alles aan den gang krijgen, wat 't ook is. En
+dan is hij ontzettend rijk."
+
+"Ik zou wel eens willen weten, waarom die man geld leent," zei Peter.
+
+"Leent hij geld?" vroegen de beide anderen.
+
+"Ja, ik heb verscheidene cliënten gehad, die mij verteld hebben,
+dat zij Carsten Lövdahl geld geleend hebben, enkel op zijn quitantie."
+
+"Wat zijn dat voor menschen?"
+
+"Eenvoudige luidjes, die een beetje overgespaard hebben."
+
+"Ja, dan begrijp ik het wel," meende Jörgen.
+
+"Dat zijn dan van die stakkers, die geen kapitaal genoeg hebben om
+van te leven; en dan is Lövdahl goedhartig genoeg om hun geld te
+nemen en "in zijn zaak te zetten"--zooals dat heet; en dan betaalt
+hij ze meestal een rente van 6 à 7 procent."
+
+"Wat zegt u?" Maarten sprong op. "Zei u 6 à 7 procent?"
+
+"Ja, wat weet ik er van?" antwoordde de oude.
+
+"Maar dat lijkt op Professor Lövdahl om op die manier wel te doen. Want
+wel verdient hij zelf onnoemelijk veel; maar hij is een van die
+menschen, die graag hebben, dat ook anderen geld verdienen; hij is
+niet als sommige andere Pausen hier in de stad, die een armen stakker
+geen cent verdienste gunnen, omdat ze alles zelf willen hebben."
+
+Daardoor kwamen ze aan 't praten over Christensen en anderen uit dien
+kring; en Peter bracht den ouden man aan 't lachen door 't laatste
+nieuws uit de stad te vertellen.
+
+Maarten at in gedachten voort en mompelde nu en dan: "Zeven procent!"
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+
+Abraham haalde langzamerhand heel wat mandjes bij Greta Steffensen,
+tot ze zulke goede kennissen werden, dat er geen voorwendsel voor
+een bezoek meer noodig was.
+
+Ze trok hem op een vreemde manier aan, met een zachte, stille kracht;
+hij dacht er geen oogenblik aan die te weerstaan.
+
+En de oude was eigenlijk interessant, als men maar eerst aan hem
+gewend was. Abraham vond in de spottende redevoeringen, die Steffensen
+gewoonlijk hield, veel van de moderne beschouwingen terug, waar hij
+zelf in stilte mee rond liep. Maar liefst als er in Abraham iets in
+beweging kwam, een gevoel, dat er iets niet in orde was met hem, dat
+er een fout in zijn leven was, iets hols in 't geluk, dat hem altijd
+gediend had, of als dat een nog erger vorm aannam en hij zich als 't
+ware in bochten wrong voor twee onverbiddelijke oogen--dàn 't liefst
+sloop hij 't huisje binnen, dat daar aan den bocht van den weg lag,
+waar die zich van de fabriek af boog. Dan ging hij dicht bij Greta
+zitten, nam een van haar kleine, fijne handen en legde die op zijn
+gezicht, opdat ze de vingers over zijn trekken zou laten gaan om
+te raden, waar hij aan dacht. Ze zat met hem te babbelen onder haar
+werk, en dan was er niets van 't honende en bittere, dat daarop te
+voorschijn kwam, als haar vader sprak. Zij boog het hoofd en luisterde
+naar Abrahams stem, en een gelukkige glimlach lag om den fijnen mond,
+zoolang hij daar was.
+
+'t Was niet moeilijk geweest voor Abraham om haar vertrouwelijkheid
+te winnen. Van 't oogenblik dat zij zijn stem voor 't eerst hoorde,
+had ze hem zooveel vertrouwen getoond, als een gewoon jong meisje hem
+nooit zou gegeven hebben. Maar omdat zij niet zien kon, werd ze nooit
+in de war gebracht door een schaduw of een veranderde uitdrukking op
+zijn gezicht, en daardoor kwam het, dat ze vrijmoedig en onbekommerd
+sprak over allerlei waar men anders over heen glijdt met een blik of
+een lichte handbeweging.
+
+Ze was gewend de dingen bij hun naam te hooren noemen; en de omgang
+met haar grof besnaarde vader had haar een naieve zekerheid gegeven,
+die nooit geschokt was door een dubbelzinnigen glimlach of een
+kwetsenden blik.
+
+Abraham was de eerste, dien zij ontmoette uit een wereld, die
+beschaafder was dan de hare; en daarom waren er ontelbare zaken,
+waar zij met hem over wilde spreken, en die ze vroeger vóór zich
+gehouden had. Zoo werden hun bijeenkomsten een bonte mengeling van
+kinderpraatjes en de allerintiemste vertrouwelijkheid.
+
+"Hoe kun je 't toch verdragen, dat je zoo rijk ben!" zei ze eens
+tegen hem.
+
+"Wat meen je met "verdragen?""
+
+"Kun je dat niet begrijpen, dan ben je dom."
+
+"Ja, je weet, dat ik dom ben."
+
+"Alleen maar als je wilt; want anders ben je verschrikkelijk wijs."
+
+"Wat meende je dan?"
+
+"Heb je Vader nooit hooren vertellen van de armen? van de echte armen,
+niet zooals wij, maar van menschen, die geen eten hebben?"
+
+"Vader is rijk; ik ben niet rijk."
+
+"Och--zoo kom je er niet af; je kunt alles krijgen, wat je wilt; en
+als hij sterft, krijg je alles. Wat zul je dan met al dat geld doen?"
+
+"Ik zal jou zooveel geven als je hebben wilt."
+
+"Waarom wil je mij zooveel geven?"
+
+"Omdat... omdat..."
+
+"Omdat je me liefhebt," zei ze en lachte.
+
+Abraham voelde dit als een schok en zocht naar antwoord; ze gebruikte
+dat zeldzame, moeilijke woord even gemakkelijk als ze op andere
+oogenblikken met een echte ruwe uitdrukking van haar vader aan
+kon komen.
+
+"Of heb je me niet lief? Waarom kom je dan hier en zit me op te houden
+als ik werken moet?" Ze lachte weer zoo vergenoegd. "Maar je kunt er
+van op aan, dat ik het weet. En van je vrouw houdt je ook niet meer."
+
+"Neen maar, Grete! Hoe ben je zoo wijs geworden!"
+
+"Dat heb ik gehoord."
+
+"Van wie?"
+
+"Van jou."
+
+"Dat is heelemaal niet waar,--Grete!--Ik heb nooit een woord gezegd..."
+
+"Neen, geen woord!--'t Zijn niet de woorden, die ik hoor, 't is
+de klank. Ik weet al waar je aan denkt, als je "Dag Grete," gezegd
+hebt! Ja, ik kan 't aan je voetstappen buiten hooren of je alleen
+komt om me op te houden, of dat..."
+
+--"of dat...?"
+
+Ze liet haar werk vallen en strekte de armen naar hem uit; en eer
+hij het kon verhinderen--als hij het al gewild had--gleed zij op zijn
+schoot en fluisterde hem in 't oor:
+
+"Of dat je komt--moe en gedrukt, omdat je verdriet hebt, Abraham."
+
+Zonnestralen vielen in de kamer; 't was herfst--vroeg in den herfst,
+met laag staande zon, die de kleine vensters binnenscheen en de kamer
+met warm goud licht vulde. En terwijl Abraham, wonderlijk bedwelmd
+en half beschaamd trachtte zich te houden, als gebeurde er niets
+bizonders om haar niet af te schrikken, legde Greta haar wang tegen
+de zijne en zei, dat ze voelde hoe de zonneschijn haar omringde aan
+alle kanten en dat het haar zoo goed deed.
+
+Hij werd opeens zoo grenzenloos bedroefd, dat hij wel had willen
+schreien, zooals hij daar zat en haar in de armen hield; hij had het
+nooit te voren zóó gevoeld; maar 't was als zag hij op dit oogenblik
+voor 't eerst, hoe onuitsprekelijk averechts en onzinnig het leven was;
+alles werd hem zoo helder--zoo helder en leeg; 't kwam hem voor of hij
+zelf al oud was en door een lange laan van teleurstellingen liep. En
+wat zou 't leven die stumper brengen, die zich aan hem vastklemde?
+
+Ze voelde zijn stemming dadelijk. Dat deed ze altijd.
+
+"Vandaag ben je gedrukt, Abraham!--en weet je waarom?"
+
+"Weet jij het, Grete?"
+
+"Je zoudt mij liever tot vrouw hebben dan haar, die je nu hebt."
+
+"Ja, weet je; dat was misschien beter," barstte hij bitter uit.
+
+"Maar dat gaat niet," ging zij ernstig voort, en ging--voor zich uit
+voelend, weer naar haar plaats.
+
+"Waarom niet?"
+
+"Ten eerste omdat je er al een hebt, en ten tweede--ik kan niet
+trouwen."
+
+"Wie zegt dat?"
+
+"Vader heeft het gezegd."
+
+"Och--als je een man vondt, dien je goed kende en waar je van hieldt."
+
+"Neen, 't is niet om den man; maar om de kinderen; vader zegt, dat als
+'t kleintje naar de kachel gaat en kokende koffie over zich heen gooit,
+dan kan ik het niet zien;--ach--ik zie het vóór me!" ze hield de hand
+voor de blinde oogen--, "neen, neen, het gaat niet."
+
+'t Was duidelijk, dat dit beeld in haar bewustzijn gebrand stond en
+alle gedachten aan zooiets buitensloot.
+
+Abraham was in gedachten verdiept geraakt; hij zat met haar lange
+vlechten te spelen; zij boog zich over haar werk en zei ook niets.
+
+Zoo zaten ze toen Steffensen tegen zeven uur van de fabriek thuis
+kwam. Abraham kon er niet goed achter komen of de oude iets tegen
+zijn bezoeken aan Greta had; maar vandaag was het toch duidelijk,
+dat Steffensen 't niet prettig vond hem te ontmoeten.
+
+Hij liep door de kamer te fluiten, en Greta fluisterde Abraham toe:
+"Vader is boos."
+
+Intusschen was Steffensen naar de keuken gegaan, waar hij zich
+gewoonlijk waschte, als hij van 't werk kwam; en terwijl hij in
+'t waschwater dook en proestte als een nijlpaard, riep hij hardop:
+
+"Een trekpot!--wat zeg je--een zilveren trekpot met suikerpot
+en melkkan!--van alle... ho! ho!"--hij dook weer met het gezicht
+onder water--"van alle arbeiders op Fortuna; dat wordt buitengewoon
+plechtig--wat zeg je?"
+
+"Begrijp je 't?" fluisterde Greta.
+
+"'k Begrijp er geen woord van,"--antwoordde Abraham, en stond op om
+heen te gaan.
+
+--"voor de vriendelijkheid: de trekpot;--voor de goede zorg: de
+suikerpot;--en voor de humane behandeling: de melkkan!--wat zal de
+brave man verrast wezen! haha!--neem me niet kwalijk--jongeheer!--de
+oude Steffensen neemt de vrijheid jelui allemaal uit te lachen."
+
+"Wat is dat toch voor een trekpot, waar je van praat?" riep Abraham.
+
+"Och--stel u nu niet aan! hoe aandoenlijk dat u zoo'n stukje comedie
+wilt spelen voor een eenvoudig man. Ik heb ook comedie gespeeld in
+mijn jeugd--dat was nog wel in Mandal; God betere 't! maar ik speelde
+beter dan u, Meneer de directeur!"
+
+"Best mogelijk! Want ik speel geen comedie. Ik begrijp u niet,--geen
+woord van al wat u zegt."
+
+Steffensen kwam in de deur staan, terwijl hij zich met den handdoek
+afdroogde. Hij had een rood vet glimmend gezicht met twee groote
+uitpuilende oogen, die hij nu op Abraham richtte als een tooneelkijker.
+
+"En u wilt me wijs maken..."
+
+"Hij weet niets, Vader."
+
+"Bah, wat weet jij daarvan?--ik heb een paar goede oogen in mijn
+hoofd; durft u me vlak aankijken en zeggen, dat u niets weet van het
+arbeidersfeest, dat op Fortuna wordt voorbereid?"
+
+"Ik heb er geen woord van gehoord," antwoordde Abraham.
+
+"U kunt er zeker van zijn, dat hij niets weet," voegde Greta er
+ernstig bij.
+
+"Wel drommels!" mompelde Steffensen ongeloovig; "misschien weet u ook
+niets van het eeregeschenk: trekpot, suikerpot en voor de humane..."
+
+"Schei uit," riep Abraham knorrig, "ik heb geen lust naar je onzin
+te hooren; dag Greta!"
+
+"Och, Meneer de directeur," zei Steffensen en wreef zich vergenoegd
+in de handen. "Wil Meneer niet zoo vriendelijk zijn een paar minuten
+te blijven, dan zult u eens wat hooren. Vandaag ging Marcussen,--de
+kindermeid--zooals ze hem noemen--rond op de heele fabriek en zei
+ons aan, dat alle arbeiders overeen gekomen waren aan Professor
+Lövdahl een eeregeschenk te overhandigen--wat zegt u? op den 4den
+October,--den beroemden verjaardag van den professor. 't Was natuurlijk
+volkomen vrijwillig; maar hij twijfelde er niet aan, dat elke brave
+arbeider met vreugde deze welkome gelegenheid zou aangrijpen... ja,
+dat lesje kent u wel?--'t Komt regelrecht van den droogzolder van
+den bankdirecteur Christensen.
+
+"Wilt u meêdoen?" vroeg Abraham.
+
+"Nee, nee, mijn beste Meneer! De oude Steffensen antwoordde: "nee niks,
+padetout!"--en de anderen hadden grooten lust hetzelfde te doen; maar
+toen zagen we allemaal, dat Marcussen een streepje in zijn boekje
+zette, en dat moest zeker beteekenen, dat Steffensen den langsten
+tijd op de fabriek geweest is."
+
+"Och onzin! Steffensen! meen je nu, dat Vader om zulke dingen geeft;
+ik ben er zeker van, dat hij alles zou doen om die dwaze collecte te
+verhinderen, als hij er van wist."
+
+"Ach, wist je maar... wist je maar..." neuriede de oude en liep weer
+de keuken in om zich verder klaar te maken.
+
+"Waarom kunt u niet meê doen, Vader?" vroeg Grete wat angstig;
+"'t is toch zeker niet veel voor elk apart."
+
+"Waarom ik niet meê kan doen, mijn kind?--ja, dat zal ik je zeggen." En
+hij ging midden in de deur staan en richtte 't hoofd op, alsof hij
+van 't spreekgestoelte sprak: "omdat dit heelemaal humbug is--een
+spiegelgevecht en een drommelsche vertooning! Meen je soms, dat de
+menschen, die daar op de fabriek werken,--dat die ooit een cent
+bezitten, die ze niet zelf hard noodig hebben?--en toch komen ze
+allen met hun vrijwillige bijdragen aan.--Ja, vrijwillig, omdat ze
+liever een paar dagen droog brood eten, dan 't er op te wagen om den
+heelen winter zonder brood te zitten;--daarom komen ze, omdat ze zóó
+arm zijn, dat ze gedwongen zijn om laf te zijn,--zóó arm is de oude
+Steffensen niet--dat is 't heele verschil."
+
+En alsof hij 't niet prettig vond, dat hij dat laatste gezegd had,
+ging hij haastig voort:
+
+"Want je moet weten, kind! dat het hier in 't land als een genade
+beschouwd wordt zich dood te werken voor een loon, dat je maar
+even in 't leven houdt en je lichaam zoowat bekleed. En als je
+'t nu zoo gelukkig treft, dat je slooft voor een kapitalist, die
+je niet heelemaal dood knijpt, en die je niet direct voor de minste
+kleinigheid de straat op jaagt--ja, dan moet je komen aanzetten met
+je vrijwillige bijdragen. 't Kapitaal wil zilver hebben: een trekpot
+voor de vriendelijkheid, voor de goede zorg een suikerpot en voor de
+humane behandeling een melkkan."
+
+Hij werd gestoord door dat iemand op de deur klopte; dat was Mevrouw
+Gottwald, die binnenkwam en groette. 't Was nog zoo licht in het
+westen, dat men elkaar kon zien in de kamer, en Abraham groette wat
+verlegen; 't was lang geleden, dat hij haar gezien had.
+
+Mevrouw Gottwald gebruikte in hare modezaak veel manden van Greta
+Steffensen en kwam daarom dikwijls bij haar aan. Abraham had haar
+een paar maal ontmoet; maar vermeed dit liefst. Gedeeltelijk had hij
+een slecht geweten, omdat hij haar zoo zelden een bezoek bracht,
+gedeeltelijk vond hij het niet prettig menschen uit de stad te
+ontmoeten, als hij bij Greta was.
+
+Maar dien avond kon hij niet ontsnappen. Mevrouw Gottwald verzocht
+hem ronduit te wachten, dan konden zij te samen naar huis gaan. Hij
+presenteerde haar den arm, en zij liepen een eindweegs voort, beiden
+wat verlegen. Eindelijk zeide zij: "U komt nooit meer bij mij,
+Mijnheer Lövdahl."
+
+"Lieve Mevrouw Gottwald, noem u mij toch Abraham, zooals vroeger."
+
+"Ik wil u zoo heel graag noemen als vroeger. Maar u is me in den
+laatsten tijd zoo vreemd geworden, ik kan u niet meer zien als de
+vriend en de afgod van kleine Marius, want dat was je. Herinner je
+hem nog?"
+
+"Ja, zoo duidelijk," antwoordde Abraham; "vooral in die kleine grijze
+winterjas, met die ceinture in den rug."
+
+"Ach, lieve hemel, ja!--die heb ik nog altijd. Het doet me zoo goed
+iemand te spreken, die hem gekend heeft. En je ben zoowat de eenigste."
+
+Abraham nam zich voor haar vaker een bezoek te brengen; en intusschen
+waren zij aan het kerkhof gekomen, waar Mevrouw Gottwald heen
+wilde,--naar het graf van kleinen Marius.
+
+'t Was Abraham een paar maal voorgekomen alsof zij iets trachtte te
+zeggen, maar 't weer opgaf.
+
+Maar toen ze afscheid van elkaar zouden nemen en elkaar bij de hand
+hielden, keerde zij 't mooie bedroefde gezicht naar hem toe met een
+angstige uitdrukking in de heldere, bruine oogen: "Je moet niet boos
+op me worden,--Abraham!--Er is iets wat ik je zeggen moet. Greta
+Steffensen..."
+
+Hij maakte een ongeduldige beweging en wilde zijn hand terugtrekken.
+
+"Neen, neen!... zóó meen ik het niet--lieve Abraham. Ik weet wel, dat
+je zoo niet ben. Maar toch--ja dat wilde ik maar zeggen, omdat... omdat
+ik altijd een gevoel heb, dat je ook een beetje van mij ben, ter wille
+van kleine Marius. Nu moet je niet boos wezen en niet denken, dat ik
+me met iets bemoei, wat me niet aangaat; mijn leven is zoo geweest,
+dat 't me is alsof alle weerlooze vrouwen mij aangaan. Goeden nacht!"
+
+Abraham liep door in de richting van de stad, en dacht intusschen
+aan zijn moeder. Er was altijd iets in Mevrouw Gottwald, dat hem aan
+haar herinnerde.
+
+Dat de menschen hem konden wantrouwen in zijn verhouding met Greta
+Steffensen, had hij wel gedacht. Maar het ergerde hem, dat Mevrouw
+Gottwald daarop gezinspeeld had. En door deze nieuwe indrukken raakte
+wat hij van Steffensen had gehoord wat op den achtergrond.
+
+'t Was donker in de kamer van den professor; maar boven in zijn
+eigen woning vond Abraham zijn vader in een vertrouwelijk gesprek
+met Mevrouw Clara.
+
+"Goeden avond, mijn jongen! je ben den heelen middag uit geweest--zegt
+Clara. Kom nu eens bij ons zitten. Ik wil van avond jelui gast zijn."
+
+'t Gezicht van den professor straalde, terwijl hij het mooie jonge
+paar aanzag, de elegante kamers, al die weelde en al dat geluk,
+wat hij geschapen had voor die twee menschen, die hem zoo lief waren.
+
+"Ja--ik zou ook wel eens willen weten, waar je al dien tijd geweest
+ben, Abraham?" begon Clara nu.
+
+Maar de professor merkte, dat Abraham niet best gehumeurd was, en
+hij had al geleerd kleine scènes tusschen hen te voorkomen.
+
+"Laat ons dat nu niet vragen, Clara! Er zitten zooveel geheimen en
+verrassingen in de lucht; je kunt er wel zeker van zijn, dat Abraham
+er ook een heeft."
+
+"'t Is dus waar, wat men vertelt, dat er een arbeidersfeest op Fortuna
+wordt voorbereid?" vroeg Abraham.
+
+"Heb je dat dan niet eerder gehoord?" vroeg Clara.
+
+"Niemand heeft er me een woord van gezegd."
+
+"Ja, mij ook niet; 't moet een plannetje van de jonge Mevrouw zijn,"
+zei de professor; hij wilde er klaarblijkelijk schertsend over heen
+glijden.
+
+"En die collecte, Vader..."
+
+"St! st! Hoe kun je zoo indiscreet zijn?" riep de professor en hield
+de handen voor de ooren.
+
+"Ja, dat moet ik ook zeggen," merkte Clara op.
+
+"U weet het dus--Vader!--Dat had ik niet gedacht. U moet toch zoo'n
+collecte onder arme arbeiders uiterst pijnlijk vinden."
+
+"Als we er nu juist over moeten praten," antwoordde de professor,
+"dan vind ik zoo'n idee, als het van de arbeiders zelf uitgaat,
+mooi en eervol voor beide partijen."
+
+"Ja, als het van de arbeiders uitgaat."
+
+"Daaromtrent bestaat in dat geval niet de minste reden tot twijfel,"
+sprak de professor met heel zijn waardigheid, die altijd indruk op
+Abraham maakte.
+
+"Je meende misschien, dat die collecte van Vader zelf was
+uitgegaan?" vroeg Clara honend, terwijl ze den professor een glas warme
+grog bracht, die ze zelf voor hem had klaargemaakt; hij kuste haar
+galant de hand, en ze nam dicht bij hem plaats met haar werk. Abraham
+liep de kamer op en neer met een sigaar.
+
+Na een pauze zei hij:
+
+"'t Kan zijn, dat 't oorspronkelijk plan van de arbeiders is
+uitgegaan; maar dit weten we toch allemaal, dat velen--misschien de
+meesten--meêdoen enkel omdat ze niet anders durven; ja ik weet zelfs,
+dat ze op de fabriek zeggen, dat hij, die niet met een bijdrage
+aankomt, niet zeker is dat hij in 't werk blijft."
+
+"Wie heeft je dien onzin wijsgemaakt? Abraham! nu heb je zeker weer
+met je vriend Steffensen gepraat."
+
+Abraham moest toegeven, dat het zoo was.
+
+"Ja, wat hem betreft is 't vrijwel hetzelfde of hij al dan niet
+"met zijn bijdrage aankomt," zooals jij 't noemt. Zijn ontslag is al
+besloten, en hij krijgt het binnen kort."
+
+"Dat kan toch niet, Vader?--Moet Steffensen weggejaagd worden? een
+bekwaam arbeider, die nooit drinkt."
+
+"Weggejaagd!--wie zegt nu, dat hij zal worden weggejaagd?! De directie
+verlangt bezuinigingen en nu hebben we uitgezien naar goedkooper
+werkkracht. Die hebben we gevonden en nu moet Steffensen weg. Dat is
+toch zoo eenvoudig en klaar als de dag."
+
+In den laatsten tijd was het een paar maal gebeurd, dat Abraham zijn
+vader in kleinigheden niet zoo groot en volmaakt gevonden had als
+hij hem anders toescheen; maar 't was nog nooit gebeurd, dat Abraham
+zich ronduit tegen zijn vader verzette. Maar op dit oogenblik werd
+hij driftig; 't bloed steeg hem naar het hoofd, en hij zei:
+
+"Ik vind niet, dat ik volkomen royaal behandeld word: hier worden
+afspraken en schikkingen gemaakt, waar ik geen woord van weet;--òf ik
+ben directeur, en dan wil ik als directeur behandeld worden, òf ik kan
+heengaan. Ik wil niet als een nul voor spek en boonen er bij loopen!"
+
+"Neen maar... wat bezielt je, Abraham!" riep Clara.
+
+"Wees maar kalm, kind! Abraham is altijd wat driftig geweest,
+dat zit hem in 't bloed.--Je zult zelf wel inzien, lieve Abraham,
+als je even kalm nadenkt, dat je je vergist. Men geeft je alle eer,
+die je toekomt, als assistent van de directie; maar dat jij noch ik
+iets van deze geheime voorbereidselen voor 't feest gehoord hebben,
+zie je, dat is immers alleen uit kieschheid."
+
+"Nu ja, dat kan wel zijn: maar ik vraag nu: zal Steffensen ontslagen
+worden, als ik uitdrukkelijk verlang, dat hij blijven zal?"
+
+"Steffensen--die Steffensen?--je kent hem niet, Abraham."
+
+Op dat oogenblik kwam het dienstmeisje binnen en zei, dat er een heer
+en dame in de vestibule waren, die vroegen of de familie thuis was. 't
+Bleek, dat het dominé Kruse en zijn vrouw was. Zij spraken allebei
+tegelijk, en maakten veel excuses, omdat ze zoo laat op den avond de
+familie nog kwamen storen. Maar ze kwamen juist van de bijbellezing
+en zagen, dat er nog licht op was, en toen kregen zij zoo'n lust om
+even binnen te komen.
+
+Ze werden heel vriendelijk ontvangen, omdat ze zoo heel gelegen kwamen.
+
+En dan ook--Clara hield veel van Mevrouw Frederika. Ze vond het
+prettig de dominé en zijn vrouw goed te onthalen,--liefst wat
+royaal--en tegelijk hoorde ze met belangstelling naar alle kunstjes,
+die Frederika haar leerde om zuinig te koken. En als Abraham dan
+den volgenden dag knorde over saus, die eigenlijk niet meer dan een
+dikke meelpap was, vond ze er een genoegen in hem voor te houden,
+hoe akelig en burgerlijk 't was overdadig met eten en drinken om te
+gaan, zelfs al kon men 't wel betalen.
+
+De professor en de predikant kwamen spoedig in een gesprek, dat over de
+armen begon, toen op de fabrieksarbeiders kwam en eindelijk neerkwam op
+'t inwendig bedrijf van de fabriek.
+
+Alleen Abraham voelde zich steeds onaangenaam gestemd; hij hield niet
+van dien pedanten Maarten de achterblijver, ook niet van zijn vrouw; en
+'t was hem zelfs onaangenaam, dat deze menschen zich in den laatsten
+tijd meer en meer in zijn kring drongen. Hij bleef op en neer loopen
+na tafel en nam maar weinig deel aan 't gesprek.
+
+Dat was anders levendig genoeg; want de predikant had evenveel aan
+den professor te vragen als Clara aan Frederika; en toen ze afscheid
+namen, hadden de dames afgesproken den volgenden Maandag weer bij
+elkaar te komen, terwijl de predikant,--wat verlegen--vroeg wanneer
+hij den professor over zaken zou kunnen spreken.
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Een paar dagen later bracht de kapelaan volgens afspraak aan Professor
+Lövdahl een bezoek in zijn particulier kantoor. De predikant was wat
+zenuwachtig en onrustig en moest gedurig het zweet van zijn voorhoofd
+vegen met zijn zakdoek, die hij in de gesloten vuist ineenkneep. De
+professor was kalm en welwillend, maar 't viel niet te ontkennen,
+dat hij wat nieuwsgierig was.
+
+Omdat hij meende dat 't op een liefdadigheidscollecte of ander
+vereeniging zou neerkomen, begon hij, om den verlegen jongen man te
+hulp te komen, met een paar algemeene gezegden over de vele plichten
+en moeilijkheden, die een nauwgezet zieleherder konden drukken.
+
+Maar hij begreep gauw, dat daar 't gesprek niet over loopen moest;
+en eindelijk was hij op het punt ronduit te vragen wat de predikant
+wilde, toen deze eindelijk heel onhandig de vraag er uit bracht of
+de professor zich tevreden voelde in zijn arbeid als administreerend
+directeur van de fabriek.
+
+"Och ja, zoo tamelijk; er is immers altijd een groote
+verantwoordelijkheid verbonden aan het feit dat men zoowat een
+Voorzienigheid in 't klein moet wezen voor zooveel menschen. We
+probeeren zooveel we kunnen het lot van de arbeiders te verbeteren."
+
+Maar dat was het ook niet.--Ook over de arbeiders wilde de kapelaan
+niet spreken. Hij hoestte en zei toen aarzelend:
+
+"De aandeelen zijn zeker over verschillende personen verdeeld."
+
+"De aandeelen!--wat blieft u?--nu ja. U vroeg naar de aandeelen,--ja,
+die zijn over veel personen verdeeld, dat wil zeggen--zoo heel veel
+zijn er niet. Het bedrag is groot. Elk aandeel is van 1000 kronen,
+en wij hebben geen halve of kleinere willen uitgeven."
+
+De professor herwon zijn zelfbeheersching, die hij bijna verloren had,
+toen hij begreep, dat dit een gesprek over zaken zou worden.
+
+Als hij met menschen uit zijn vroegeren kring sprak, was de professor
+altijd de man van wetenschap--klaar met spot van uit de hoogte met de
+"kooplui." Daarom kwam het hem al dadelijk wat ongewoon en als iets
+uit de verkeerde wereld voor, dat twee academieburgers over aandeelen
+en winst zouden zitten praten.
+
+Maar Maarten Kruse nam de zaak heel verstandig op, toen hij maar eerst
+op het gewenschte onderwerp van gesprek gekomen was. En hij sprak er
+over met een kennis van zaken, die den professor ten hoogste verbaasde.
+
+"Hoe hoog staan de aandeelen van Fortuna op dit oogenblik?" vroeg de
+predikant, toen zij een poosje gepraat hadden.
+
+"Ja,--om u de waarheid te zeggen, dat weet ik niet. Toen ik er 't
+laatst van kocht..."
+
+"Koopt u ze dan zelf?"
+
+"Neen, dat doe ik eigenlijk niet," antwoordde de professor; "ik heb al
+zooveel aandeden; maar het is een paar maal gebeurd, dat een enkele
+aandeelhouder zich raar aanstelde op de algemeene ledenvergadering
+en dan wilde ik liever de aandeelen van den ontevredene koopen,
+dan onaangenaamheden hebben."
+
+"En toen hebt u betaald...?"
+
+"Ik heb de aandeelen voor den inkoopsprijs overgenomen--voor zoover
+ik me herinneren kan."
+
+"Kan men dan nog aandeelen à pari koopen?" vroeg de kapelaan levendig.
+
+"Wilt u dan koopen?"
+
+"Ik zal u zeggen, Professor," antwoordde Maarten en trachtte wat
+zalvend te spreken, "mijn vrouw is niet geheel en al ontbloot van
+wat men aardsche goederen noemt."
+
+"Ik heb gehoord, dat uw vrouw fortuin heeft."
+
+"Ach, fortuin kan men het eigenlijk niet noemen. Een sommetje als steun
+in ziekte of andere beproevingen--dat is alles. Maar hoe onbeduidend
+het ook is, ik wilde het toch graag in de stad plaatsen en liefst op
+een wijze, die zoo min mogelijk in het oog valt."
+
+"Natuurlijk," merkte de professor op.
+
+"'t Is in geen enkel opzicht goed, als de gemeente haar predikant
+voor vermogend houdt," voegde de kapelaan er ernstig bij.
+
+De professor, die nu eindelijk begreep waar zijn bezoeker heen wilde,
+zei welwillend:
+
+"Wanneer u er over denkt effecten te koopen, of in 't algemeen door
+mij uw geld te laten plaatsen..."
+
+"Ja juist, dat wilde ik juist zoo graag," riep Maarten levendig uit;
+"een man in mijn positie kan immers niet zoo goed zulke zaken zelf
+regelen; maar aan den anderen kant is het toch ook niet goed het
+tijdelijke te verwaarloozen."
+
+"Zeer zeker niet,... neen... ik begrijp u zoo goed, en 't zal mij
+een genoegen zijn, als ik..."
+
+"Dank u, ik dank u hartelijk!" riep de kapelaan en herwon nu al zijn
+waardigheid; "als ik dus met Gods hulp wat geld overhoud, mag ik
+hopen dat bij u te kunnen plaatsen?"
+
+"Ik wil u graag naar vermogen helpen uw geld op de voordeeligste
+wijze uit te zetten."
+
+"Het voordeeligste zou wel zijn het in uw eigen zaak te plaatsen?" zei
+Maarten onderzoekend, en zag den ander oplettend aan.
+
+"In mijn zaak?" herhaalde de professor langzaam.
+
+"Dat laat ik geheel aan u over," zei Maarten haastig, terwijl hij
+opstond om heen te gaan. "U weet zelf, Professor, hoe kleiner 't
+kapitaal is, hoe meer men er van moet zien te maken."
+
+Toen hij weg was, dacht Professor Lövdahl lang na over dit merkwaardig
+bezoek. 't Was wel waar, dat enkele van de kleine burgers hun
+spaarpenningen aan hem hadden gebracht en dat hij uit goedhartigheid
+hun een aandeeltje in een goede zaak hier en daar had gegeven,
+zoodat hun geld een betere rente gaf, dan in een bank. Maar 't zou
+nooit in hem zijn opgekomen zoo iets in 't groot te doen; hij had
+geen geld noodig--allerminst duur geld; en als 't op hoop van hooger
+rente was, dat de predikant zijn geld bij hem wilde plaatsen, kon
+'t wel gebeuren dat hij teleurgesteld werd; maar wilde hij aandeelen
+in Fortuna nemen--dat was iets anders. 't Was altijd een steun als
+er koopers kwamen.
+
+Maar Maarten liep er over te denken--of hij toch niet dom gedaan had
+door niet ronduit te vragen op welke rente hij rekenen kon.
+
+--'t Was niet gemakkelijk uit te maken van wie het idee van 't
+groote arbeidersfeest op de fabriek was uitgegaan. Marcussen had eens
+tegen consul With gezegd, dat in den herfst de fabriek tien jaar had
+bestaan. En toen had de consul zeker gedacht dat dit magere jubileum
+wat steviger zou worden als 't op den verjaardag van Professor Lövdahl
+werd gezet. En zoo was er telkens wat bij gekomen, tot het eindelijk op
+'t zilveren servies en de grootsche toebereidselen was neergekomen.
+
+Mevrouw Christensen schreide--ja zoowaar, dat deed ze,--ze schreide
+iederen dag een deuntje om dat zilveren servies.
+
+Stel je voor! dat alles had zij kunnen hebben: Trekpot, suikerpot en
+melkkan van massief zilver!
+
+Niet daarom: ze had zelf een zilveren theeservies; maar dat was nu
+niets voor haar man om daarmeê aan te komen. 't Was daarom geen zier
+minder ergerlijk!
+
+Soms, als ze lang over dat zilver gedacht had kwam het haar voor,
+alsof Professor Lövdahl 't uit haar eigen kast gestolen had;--ja er was
+zelfs een plaats in de kast, waar het had moeten staan; en nooit keek
+Mevrouw Christensen naar haar zilver of ze zuchtte: "Daar stond het!"
+
+"Je ben een uil--Christensen," herhaalde ze snikkend toen het
+feest naderde; "je kunt president zijn van vereenigingen voor arme
+kraamvrouwen en voor alle mogelijke ziekenfondsen; maar je geeft me,
+goeie God!--je geeft me daar vrijwillig 't eenige baantje op, waar
+een beetje zilver van kon komen,--ja, want dat kon je toch wel van
+te voren weten. En dan moet ons--ja ik zeg met opzet: ons zilver naar
+dien... dien..." Ze kon geen woord vinden, dat vreeselijk genoeg was
+voor Professor Lövdahl en ze schreide, dat ze er van beefde.
+
+'t Huwelijk van den bankdirecteur was als de meesten; hij was helaas
+niet zoo autoritair in zijn huiskamer als in zijn kantoor; tegen zijn
+vrouw kon hij niet op en dan werd hij boos, en dan werd zij boos en
+dan kibbelden ze en dan bleven ze boos op elkaar. Maar op den duur
+kon dat toch niet, omdat ze in 't zelfde huis woonden; en dan werden
+ze weer goed op elkaar--tot ze weer boos werden.
+
+Christensen moest deze keer den toorn van zijn vrouw zoo goed mogelijk
+verdragen en tegelijk zich voorbereiden voor de toespraak, die hij
+uit naam van de arbeiders tot Professor Lövdahl zou houden.
+
+En terwijl hij daar zat en bezig was met groote woorden en klinkende
+zinnen, wreef hij zijn zachte neus en snuffelde zoowat, alsof zijn
+eigen lofrede hem wat verdacht voorkwam.
+
+Alles kwam zoo goed bij elkaar voor dit feest. Er was een troep
+Duitsche muzikanten in de stad gekomen, en op den dag zelf was het
+weer zoo mooi als het maar kon. 't Was heel stil in de lucht,--frisch,
+maar niet koud. De zon scheen met een roodachtigen gloed zacht door de
+lichte herfstnevelen, die optrokken en verdwenen; en de glad gespoelde
+landpunten en landtongen met paarse strepen heidekruid in de spleten
+staken uit in de blauwe, licht gerimpelde zee.
+
+De fabrieksgebouwen zelf waren zoo leelijk en zoo vol roet, dat
+ze alle mogelijke versiering trotseerden; en Marcussen gaf ze ook
+intijds op en bracht al wat er was aan kransen en vlaggen bijeen
+om een groote estrade, die hij in de haast boven op den heuvel had
+laten opslaan. Van hier kon de spreker de fabriek overzien en zijn
+stem doen voort klinken over de menigte op de helling beneden.
+
+Marcussen was aan 't versieren met vlaggen en groen; hij had een paar
+van de dienstmeisjes van den directeur tot hulp gekregen; en hij
+hielp ze op en af van trappen en stoelen--gedienstig en galant. En
+de meisjes lachten en gilden zoo'n beetje, en lieten zich in zijn
+armen vallen en konden niets doen zonder zijn hulp.
+
+Marcussen was een groote, knappe man met een vluggen blik en een
+tact om met meisjes om te gaan, waar hij door beroemd geworden
+was. Hij had werkelijk een bizonder slechten naam en zelf placht hij
+onder vrienden te verklaren, dat hij een apart folio in 't kerkeboek
+had. Maar overigens was hij in de zaak de rechterhand van den professor
+geworden en wat het feest betreft--hij was eigenlijk daar de man.
+
+Intusschen was 't ook druk in 't huis van de Lövdahls: er zou een
+groot heerendiner gegeven worden ter eere van 't feest en de tafel
+stond al gedekt in de zaal.
+
+Het rijtuig stond voor de deur, en de koetsier zat in gala op den bok
+en hield de glanzende paarden. De professor liep, als naar gewoonte,
+heen en weer onder 't kleeden en studeerde zijn toespraak in, waarmeê
+hij voor de ontvangen eerbewijzingen danken zou.
+
+Daar kwam het dienstmeisje van de jongelui boven met de boodschap
+van Mevrouw of de professor niet zoo vriendelijk zou willen zijn
+even boven te komen, liefst dadelijk. De professor ging haastig heen
+met de witte das in de hand; hij meende, dat de jonge Mevrouw iets
+scheelde. Maar Clara kwam hem al in de voorkamer tegemoet, warm en
+met een kleur en de japon nog maar half dicht.
+
+"Stel u voor, papa, hij wil niet meê. Abraham wil niet meê naar het
+feest, zegt hij."
+
+"O zoo, is 't anders niet?--Kind, je hebt me zoo doen schrikken. Wat
+is er? Abraham, waarom wil je niet meê?" vroeg de professor vriendelijk
+aan zijn zoon, die juist uit zijn kamer kwam.
+
+"Och anders niet, dan dat ik geen lust heb naar dit feest te gaan. Maar
+Clara stuift dadelijk op en dan..."
+
+"'t Verjaarfeest van je vader," viel de professor hem glimlachend in
+de rede.
+
+"Neen Vader,--dat is 't niet. Dàt vieren we hier--thuis; maar 't feest
+op de fabriek is niets dan aanstellerij, een echte vertooning--als u
+'t bij den naam noemen wilt."
+
+De professor wenkte Clara kalm te zijn en antwoordde: "Ik heb geen
+tijd en wil ook mijn feestelijke stemming niet bederven door nu met
+jou hierover te disputeeren. Er kan wel wat van aan wezen, van wat je
+zegt of liever van wat je meent; maar je hebt--zooals de jeugd over
+'t algemeen tegenwoordig--een ongelukkige lust om met een te groote
+ethische maatstaf aan te komen dragen, ook ten ontijde en in gevallen
+waar 't in 't geheel niet past."
+
+"Maar als 't nu mijn overtuiging is."
+
+"Als je overtuiging je niet toelaat getuige te zijn van de eerbewijzen,
+die aan je vader worden aangeboden, dan moet je thuisblijven, dat
+is duidelijk. Maar ik hoop, dat je overtuiging je zal toestaan van
+middag om 4 uur bij mij te komen eten?"
+
+"'t Is niet goed van u, Vader, om 't zoo op te nemen; u weet best..."
+
+"Ja zeker, ik weet 't zoo best, dat je 't op jouw manier goed meent,
+en dat je deze manier kiest is iets, waar ik op voorbereid had moeten
+zijn; dat zit je in 't bloed. Ik probeerde--zooals je je misschien
+herinnert--meermalen in je jeugd je te waarschuwen tegen dien geest
+van ontevredenheid, die niet hebben kan, dat iets of iemand zich boven
+'t gemiddeld peil verheft--neen, neen! laat me uitspreken; we zullen
+niet disputeeren, maar dat is 't toch, waar alles uit voortkomt.--Och,
+lieve Clara, wil je niet even een knoop in mijn das leggen?"
+
+Abraham bedwong met geweld een heftig antwoord, keerde zich om en
+ging in zijn kamer. Zijn vrouw ging hem rakelings voorbij toen zij
+naar de slaapkamer terugging om zich verder te kleeden, en een poos
+later weer, toen ze naar het rijtuig ging. Hij merkte haar parfum en
+haar japon raakte hem bijna; maar geen van beiden sprak een woord.
+
+Hij bleef voor zich uit zitten staren tot hij het rijtuig hoorde
+wegrijden. Daar zaten zij naast elkaar,--zijn mooie vrouw--vroolijk
+in feestdos en zijn vader met zijn ridderorden in groot formaat,
+den stok tusschen de knieën en de handen gevouwen over den ivoren
+knop. Die twee pasten bij elkaar. Abraham kon zich niet herinneren
+dat zijn vader en zijn vrouw 't ooit over iets oneens geweest waren.
+
+Bijna als bij instinct kwamen zij altijd tot elkaar met dezelfde
+opinie en die was bijna altijd precies het tegenovergestelde van die
+van Abraham.
+
+Hij had, terwijl hij daar zoo aan 't venster stond een gevoel,
+alsof er tusschen zijn levensbeschouwing en die van zijn vader een
+diepe klove moest zijn, een grooter afstand dan ooit tusschen oud
+en jong bestond. Er was immers, als hij 't nauwkeurig naging geen
+enkele zaak, die zij van de zelfde zijde konden zien; geen gedachte,
+die zich niet dadelijk in tweeën spleet en hen ver uit elkaar deed
+gaan in oneenigheid en ontstemming. Als hij nu alles samen nam aan
+toespelingen, gesprekken en warme debatten, kon hij niet begrijpen
+hoe zijn groote en bewonderde vader, wiens hoofd zoo helder, wiens
+gedachtengang in den grond toch zoo edel was,--hoe hij zoo vreemd, ja
+bijna vijandelijk tegenover alles kon staan, wat Abraham volgens den
+drang van zijn hart moest bewonderen en waar hij voor strijden wilde.
+
+En Clara,--zij ook!--wel was zij opgegroeid in oude, zonderlinge
+pruiken-ideeën; maar hij had toch met haar zooveel gesproken over
+de nieuwe gedachten en zij had toch veel daarvan met zulk een ijver
+aangenomen. Nu ontkende zij, dat zij ooit aan zijn dwaze en goddelooze
+paradoxen haar bijval geschonken had.
+
+Welnu, des te krachtiger moest hij zelf staan; aan de strenge eischen,
+die de nieuwe tijd stelde aan persoonlijke waarheid en verantwoording,
+zou hij wel weten te voldoen. In dit oogenblik dacht hij aan zijn
+moeder: zóó zou zij hem gaarne hebben gezien: als hij zulk een
+arbeidersfeest als humbug beschouwde, moest hij protesteeren en niet
+ter wille van zijn vader er zich aan medeplichtig maken.
+
+Abraham bleef lang aan 't hoekvenster staan en keek neer op de
+straat. Er waren bijna geen menschen; want de halve stad was buiten
+bij het feest; en terwijl hij de enkele achterblijvers nazag, die
+haastig weg gingen, dacht hij er over, hoe mooi het weer was, en welk
+een genoegen het voor oud en jong wezen zou een wandeling buiten de
+stad te doen en frissche lucht te scheppen.
+
+Vele brave burgers en eenvoudige lieden gingen met hun vrouwen
+daarheen; ze begrepen niet veel van de toespraken en dachten niet veel
+na over de diepere beteekenis van het feest. Voor hen was 't enkel
+een Zondag midden in de week, een halve vrije dag, die hun goed deed.
+
+En hier liep hij in zijn mooie kamers te protesteeren! Was daar toch
+niet eigenlijk iets heel belachelijks in?
+
+Opeens stond het duidelijk voor hem, dat als dat protesteeren wat
+beteekenen zou, dan had hij òf zich ernstig tegen zijn vader moeten
+verzetten, òf--beter nog, midden op 't feest moeten optreden en 't
+luide uitspreken, dat hij zoo'n vertooning, waar het kapitaal indirect
+de arbeiders tot vernederende eerbewijzen dwong--humbug vond, en erger!
+
+Durfde hij geen van beiden dan kon hij waarachtig even goed als
+die onschuldige burgers meegaan naar 't feest; niets was toch zoo
+miserabel als dat protesteeren in zijn eigen kamers.
+
+En weer kwam die stemming, die een enkele keer over hem was gekomen
+als een domper: 't gevoel hoe averechts en onzinnig 't leven was
+ingericht; hoe mislukt hij zelf was,--bedorven, een sukkel, die 't
+nooit verder zou brengen dan tot een paar belachelijke aanloopjes en
+groote schandelijke nederlagen.
+
+Mismoedig en onverschillig nam hij zijn hoed en slenterde naar
+buiten, om een poosje naar Greta te gaan; maar hij vond het huis
+gesloten. Waarschijnlijk had Steffensen haar meê naar het feest
+genomen; ze vond het prettig onder menschen te zijn; allen kenden
+haar en hadden een vriendelijk woord voor haar en dan was er ook
+muziek. Abraham ging ook verder, de kant naar de fabriek uit. De
+muzikanten speelden: "die Wacht am Rhein" tusschen de verschillende
+toespraken in.
+
+Toen hij op den top van den heuvel gekomen was bleef hij onwillekeurig
+staan, onder den indruk van dit wonderlijk tooneel. Hij was zoo gewoon
+hier iederen dag heen en weer te loopen, dat hij iedere plek om de
+fabriek kende; maar nu was het alsof vreemden hem alles afgenomen
+hadden en hij zelf heelemaal overcompleet was.
+
+De groote tribune op den heuvel was vol elegant gekleede dames;
+champagneglazen fonkelden en bedienden liepen ijverig bezig rond. De
+vlaggen hingen onbewegelijk in rijke plooien neer over 't laatste groen
+uit de tuinen, goudgele bladen en roode bessen. Aan beide zijden stond
+de nieuwsgierige menigte uit de stad; maar beneden aan den heuvel
+hadden de arbeiders van Fortuna zich om een lange tafel geschaard,
+waar ze werden onthaald op bier en sigaren. Hun vrouwen en dochters
+stonden in groepjes daar omheen;--stil en ernstig.
+
+Abraham was niet in de stemming om zijn vrouw en de anderen te
+ontmoeten; hij nam een omweg tusschen de gebouwen van de fabriek door
+en van daar kwam hij onder de arbeiders terecht en ging tusschen hen
+in staan.
+
+De bankdirecteur had gesproken over dezen dag en het dubbele feest,
+en de professor had geantwoord; een deputatie had het zilver gebracht
+en Lövdahl had bedankt met een: "Leve de arbeiders!" Die toast was
+juist gedronken toen Abraham kwam en het feest was dus bijna voorbij.
+
+Warm door 't bier drinken in de zon, en van 't hoera! roepen stonden
+de arbeiders vergenoegd met hun korte pijpjes of met de kostelijke
+sigaren diep in den mond gestoken en in een rookwolk zóó dicht, alsof
+die uit de schoorsteenen kwam. Zij ontvingen Abraham eerbiedig en
+vriendelijk en het werd dadelijk zoo uitgelegd, dat de jonge directeur
+geen champagne met de deftige lui wou drinken, maar dat hij zich niet
+te goed achtte om een glas bier te nemen onder 't volk.
+
+Zonder veel van den indruk, dien hij maakte, te merken; zocht Abraham
+naar Greta en vond haar onder de vrouwen. Ze werd in 't minst niet
+verlegen, maar vuurrood van blijdschap, toen ze zijn stem hoorde.
+
+De vrouwen en meisjes trokken zich een weinig van haar terug, maar
+bleven toch in een opeen gedrongen groepje staan, zoodat ze van uit
+de tribune niet gezien konden worden. Er was niemand onder hen, die
+aan iets kwaads dacht,--niet omdat ze meenden, dat de jonge Lövdahl
+een haar beter was dan deftige stadsmenschen over 't geheel waren;
+maar Greta Steffensen was blind, en niet als andere meisjes; het
+ongeluk beschermde haar tegen gevaar en tegen afgunst, zoodat ze
+bijna kon doen, wat ze wilde.
+
+"Is je vader hier niet, Grete?"
+
+"Ja,--hij was juist hier; zie je hem niet?"
+
+"Neen--tenzij hij tusschen de menschenmassa daar ginds bij 't
+spreekgestoelte is, daar verdringen ze zich omheen."
+
+"Ja, daar is hij zeker," meende Greta met een slim lachje.
+
+Abraham merkte dat dadelijk op. Haar mimiek was zoo opvallend.
+
+"Wat bedoel je?--wat is je vader van plan te doen?"
+
+"Vader zal een toespraak houden," fluisterde Greta triomfeerend.
+
+"Goeie hemel!--dat moet hij niet doen!" riep Abraham onwillekeurig;
+hij dacht er aan hoe moeilijk het nu al voor Steffensen was zijn werk
+te behouden. Als hij nu vandaag een onaangename toespraak hield--en
+die zou natuurlijk onaangenaam worden--dan maakte hij zichzelf
+heelemaal onmogelijk.
+
+Maar Steffensen stond al op 't spreekgestoelte; met den hoed in de
+hand en kromme armen maakte hij een reeks eerbiedige buigingen voor
+het deftige publiek, terwijl de jongelui uit de stad begonnen te
+lachen en hem met allerlei grappen aanmoedigden.
+
+Abraham merkte op hoe zijn vader den bankdirecteur iets toefluisterde;
+en 't heele gezelschap op de tribune trok zich zoo ver mogelijk van
+'t spreekgestoelte terug in een verwarde mengeling van gedwongen
+beleefdheid en vrees voor dien algemeen bekenden, slecht gezinden
+man. Maar Steffensen liet hun geen tijd; hij begon dadelijk:
+
+"Dames en Heeren!--ik ben een arbeider--een van de slecht
+gezinden--zegt men;--een van de ergsten, zeggen sommigen. Maar wees
+u maar niet bang, hooggeëerde heeren en dames!--Ik wil u hier alleen
+maar danken, u innig danken, zóó aangedaan als een diep bewogen
+arbeider op uw fabriek Fortuna maar wezen kan."
+
+Intusschen schenen de "Hooggeëerde heeren en dames" 't plotseling
+druk te krijgen met afscheid nemen en elkaar de hand te drukken.
+
+"Ik wil u dank zeggen," riep Steffensen luid, "u dank zeggen, omdat
+u vandaag--dames en heeren!--de zon zoo heerlijk en gratis op ons,
+kleine luidjes, laat schijnen, omdat u niet meer van ons verlangt dan
+onze spaarduiten voor een zilveren servies, omdat u onze vrouwen en
+dochters zoowat met rust laat, ja u allen wil ik vooral danken, omdat u
+ons zoo mooi vergunt ons leven te slijten in gezegenden arbeid voor u."
+
+Nu was er geen enkele van de hooggeëerde dames en heeren meer; de
+groote tribune was leeg; alleen enkele verblufte bedienden stonden
+bij de tafel met champagne. Maar Steffensen maakte toch een diepe
+buiging voor het gezelschap, dat zich bijeen groepeerde en heenging
+naar den weg waar de rijtuigen stonden; toen wendde hij zich luid
+lachend tot de arbeiders.
+
+"Daar gaat de heele chique! Wat zeg je? Nu zal ik mijn toespraak voor
+jelui houden."
+
+"Steffensen moet zijn bek houden," klonk een zware stem uit de
+arbeiders.
+
+"Neen, neen! laat Steffensen spreken," riepen zij van andere zijden;
+maar er werd een stil gemor gehoord, dat toenam, tot een ernstig,
+kalm man zei: "Steffensen moet niet spreken."
+
+'t Was een van de oudste meesterknechts op de fabriek, en nu riepen
+verscheidenen: "Steffensen moet niet spreken," terwijl de beste
+arbeiders zich om Abraham schaarden.
+
+Steffensen werd bleek; maar hij bedwong zich en riep: "Als hij 't
+is--de jonge Lövdahl, waar jelui bang voor ben, dan kun jullie je de
+moeite sparen; want hij is 't met ons eens;--hij is een van de onzen,
+niet waar, Mijnheer de directeur?"
+
+Abraham voelde aller oogen op zich rusten; maar wist niet wat hij
+zeggen moest.
+
+"Maar waarom antwoord je niet?" vroeg Greta verwonderd; "je ben
+'t immers met ons eens."
+
+Steffensen greep de aanleiding aan om op een eenigszins behoorlijke
+manier van het spreekgestoelte af te komen en er ontstond een oogenblik
+van stilte en gespannen verwachting in den kring. Er stonden nu
+verscheiden rijen arbeiders dicht om Abraham heen.
+
+Maar in zijn binnenste schoot plotseling een lang onderdrukte kiem
+op: een jeugdig besluit vol geestdrift. Hij voelde kracht in zijn
+ziel en een opbruisende moed als iemand, die zich plotseling bewust
+wordt zelf te kunnen handelen, met vaste hand in 't leven te kunnen
+ingrijpen en zijn man te staan.
+
+"Ja, zeker ben ik een van de uwen," riep hij den arbeiders toe;
+"daarom blijf ik hier beneden bij u--en niet daar boven bij de
+aristocraten. Wij,--wij arbeiders--we zullen elkaar trouw blijven,
+hier is mijn hand!"
+
+Die werd door honderden gegrepen--gedrukt en omklemd. En niemand had
+den directeur ooit te voren zóó gezien,--rank en stralend, zooals
+hij zich langzaam een weg baande door de schare heen.
+
+Steffensen wilde weer van 't oogenblik gebruik maken en stelde luide
+voor onmiddellijk een vereeniging te stichten, een comité te vormen,
+enz. Maar zoodra Steffensen sprak, kwam er iets koels over de meesten;
+allen wisten, dat hij slecht aangeschreven stond: zijn dagen op de
+fabriek waren geteld, en hij kon zoo licht anderen meêsleepen in
+zijn val.
+
+Naar zijn voorstel luisterde men niet en 't verloor zich geheel in een
+donderend "hoera!" voor den directeur; men wilde op zijn gezondheid
+drinken; maar er was niets meer; de bedienden hadden de tafel
+opgeruimd, het feest was voorbij en de volksmassa had zich verspreid.
+
+De arbeiders trokken zich toen ook terug in kleine groepjes na eerst
+Abrahams hand stevig gedrukt te hebben.
+
+Op weg naar de stad was Abraham in een vreemde, plechtige,
+strijdlustige stemming.
+
+Flauwe beelden en herinneringen van wat hij in zijn jeugd gelezen
+had doken weer in hem op en hij zag een toekomst voor zich, waarin
+hij aan 't hoofd van de arbeidersbeweging stond. De omtrekken van
+dat beeld werden grooter: hij brak alle bruggen af, hij ruimde al
+die grove onrechtvaardigheid in de samenleving weg, en toen hij de
+stad naderde was hij juist zoover gekomen, dat Clara en zijn vader
+zich voor hem bogen en zeiden:
+
+"Je hadt toch gelijk!"
+
+Maar Steffensen ging stil en knorrig naar huis. Greta was ook niet
+blij. Ze ergerde zich ter wille van haar vader en was niet heelemaal
+tevreden over Abraham.
+
+"Er zijn toch, God bewaar me, geen arbeiders in de wereld, die zoo
+laf zijn als jelui," zei Steffensen tegen een ouden timmerman, die
+lid was geweest van 't comité, dat het zilver had aangeboden.
+
+"We hebben zoo weinig, waarmeê we ons verweren kunnen."
+
+"Bah! als we ons maar bij elkaar aansloten."
+
+"Ja, enkelen van ons hebben zich immers aangesloten--bij de directie,"
+meende de timmerman.
+
+"Ja, en wat heb jelui nu voor dat ellendige gekruip."
+
+"Dat zal mettertijd wel blijken."
+
+"Ja, dat zal 't wel," bromde Steffensen nijdig; hij begreep de
+toespeling.
+
+De verjaardag van den professor was een feest voor de heeren van
+de stad, en vooral na den dood van zijn vrouw had het groote diner
+langzamerhand een eigenaardigen vorm aangenomen met traditioneele
+toasten en wonderlijke plechtigheden.
+
+Abraham was nog voortdurend in een strijdlustige stemming; maar
+er was geen aanleiding tot een uitbarsting. Clara was vriendelijk
+en beminnelijk, zacht als een lam. Ze had namelijk een gesprek met
+haar schoonvader gehad, waarin zij het er over eens geworden waren,
+dat Abraham tegenwoordig zenuwachtig was en dat men maar wat met hem
+meêpraten moest om te voorkomen dat het erger werd.
+
+Ook aan tafel viel er niets voor, dat hem aanleiding kon geven op een
+of andere wijze een uitval te doen; iedereen was even zacht gestemd
+en zat innig vergenoegd te knipoogen.
+
+En naarmate hij de roes bij de anderen zag toenemen en zelf onbekommerd
+meêdronk, werden de strenge lijnen van den maatschappelijken strijd
+uitgewischt en de aanrukkende kolonne der arbeiders werd overstemd
+door het vroolijk gerinkel van glazen en vorken.
+
+Hij stond op en ging naar het hoofd van de tafel om te klinken met
+zijn vader, zooals op dien dag de gewoonte was.
+
+De professor stond dadelijk van zijn plaats aan tafel op en trok zijn
+zoon naar 't venster, waar ze samen konden spreken, zonder door het
+geraas van den feestdisch gestoord te worden.
+
+"Ik wist wel, dat je komen zoudt--mijn beste jongen," zei de professor
+hartelijk en legde den linkerarm om zijn schouders.
+
+Abraham werd bewogen en stotterde; maar zijn vader ging voort:
+
+"Er kan wel allerlei humbug zijn bij velerlei dingen in deze wereld;
+maar je moet de beteekenis van een goede vriendschappelijke verhouding
+tusschen arbeiders en werkgevers niet te laag schatten; hoe nauwer
+ze aan elkaar verbonden worden..."
+
+"Men verbindt zich niet nauwer aan de arbeiders met champagne en
+zilver," antwoordde Abraham dapper; nu was het hem ernst; hij had
+een idee, waar hij meê voor den dag wilde komen.
+
+"Hoe meen je dat?" vroeg zijn vader en trok zijn arm terug.
+
+"Ik was vandaag beneden bij de arbeiders, Vader."
+
+"Ja, ik zag je daar."
+
+"En ik heb me heelemaal bij hen aangesloten; ze schaarden zich allen
+om mij heen."
+
+"Heb je een vereeniging gesticht?" vroeg zijn vader koel.
+
+"Neen--geen vereeniging--geen bepaalde vereeniging; maar we
+hebben ons bij elkaar aangesloten--weet u.--Zoo'n heel hartelijke
+aaneensluiting--zooiets trouwhartigs, ziet u..." Abraham sprak onzeker
+en kreeg een kleur. Was 't toch niet eigenlijk iets heel belachelijks,
+wat hij gedaan had? Maar 't gezicht van den professor helderde op
+tot het straalde:
+
+"Dat is goed--dat was uitstekend van je, Abraham. Zóó moet het juist
+zijn. Geen dwaze vereeniging die den enkele bindt."
+
+"Dat bedoelde ik juist," viel Abraham hem in de rede. Hij kreeg nu
+al zijn moed terug.
+
+"...en die alleen maar dient om kleine eerzuchtige wezens omhoog
+te helpen, zooals b.v...." de professor legde weer zijn arm om
+de schouders van zijn zoon en fluisterde hem vertrouwelijk in
+'t oor,--"zooals b.v. onze waardige vriend daar, de bankdirecteur
+Christensen."
+
+Abraham lachte--gevleid als hij was doordat zijn vader zich met hem
+vroolijk wilde maken over den machtigsten man van de stad, die nog
+wel in al zijn waardigheid op drie pas afstand van hen zat.
+
+"Weet u, waar hij van achteren op lijkt, Vader?--op een olifant,"
+fluisterde Abraham.
+
+"Ja, je hebt gelijk," lachte de professor; "maar het gaat niet aan, dat
+we hier onze waardige gasten staan uit te lachen. Ik dank je hartelijk,
+Abraham; je hadt me vandaag geen beter cadeau komen brengen; juist
+in die ongedwongen verhouding tusschen ondergeschikten en superieuren
+zie ik een gezegenden weerglans van den goeden ouden tijd en een hoop
+voor de toekomst. Groet je volk van mij."
+
+Zij scheidden met een handdruk en gingen ieder naar zijn plaats aan
+tafel, waar de algemeene vroolijkheid hen spoedig weer meêsleepte.
+
+Maar Abraham was dien geheelen avond als buiten zichzelf van blijdschap
+en hoop op de toekomst. En hij eindigde met in uitgelatenheid zijn
+vrouw alle trappen op te dragen, toen zij naar bed moest. Hij had in
+'t leven ingegrepen, zich in den strijd van den dag geworpen; maar hij
+had al half overwonnen. Zijn vader stond aan zijn zijde, zijn groote,
+bewonderde vader!
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Carsten Lövdahl zat in zijn particulier bureau. Drie hooge vensters,
+die uitzagen op den tuin van het huis--een ouderwetsche, stille
+stadstuin met dichte lindeboomen, die de omliggende huizen verborg. 's
+Zomers viel een koele groene glans in de groote kamer, en 's winters
+lichtte de sneeuw wit van de knoestige stammen en van 't onbetreden
+grasveld, waar de katten van de buren voorzichtig in elkaars spoor
+stapten en de pooten schudden.
+
+De massieve schrijftafel van donker oud eikenhout zonder versiering
+stond midden op den vloer; brieven en papieren in goed gerangschikte
+stapels bedekten de zijkanten, en op het groene laken, midden voor
+den chef stond een prachtig bronzen inktkoker--de godin van 't
+geluk op een bal staande, met een krans van eikenbladen in de hand;
+'t was een cadeau van de mededirecteuren van Fortuna en daar naast
+lag een pen in den vorm van een witte zwanenveer, door Mevrouw Clara
+met eigen handen met bloemen beschilderd.
+
+In het rond stonden zware deftige stoelen op een rij, dan kwam een
+kast, een sofa en dan weer stoelen; en de wanden zelf waren behangen
+met modellen van schepen en kaarten, een paar zee-schilderstukken en
+teekeningen en fotografieën van Fortuna.
+
+Het dikke donkergroene vloerkleed, dat zomer en winter bleef liggen,
+dempte de voetstappen en maakte de kamer nog plechtiger. Zware
+portières scheidden het bureau van den chef van de buitenkantoren af,
+waar de makelaars en agenten uit en in liepen; de man van vertrouwen,
+Marcussen, was de eenige, die onversaagd door de portière binnen kwam
+en berichten van en aan den principaal bracht.
+
+Nergens was een spoor overgebleven van den geneesheer of den man van
+wetenschap; Carsten Lövdahl had geen halve maatregelen genomen: hij was
+met hart en ziel koopman geworden; zijn speculatiën interesseerden hem
+en namen hem geheel in beslag, en hij was er trotsch op, dat hij aan
+'t hoofd van den grootsten omzet in de stad stond.
+
+'t Was zoo met hem gegaan, dat hij bijna altijd de eerste werd in al
+wat hij ondernam. Als oogendokter had hij spoedig den grootsten naam
+gemaakt; en hij had zich teruggetrokken, nog vóór zijn roem begon af
+te nemen.
+
+Later had hij zich wat eenzaam gevoeld met zijn belangstelling in
+literatuur en wetenschap onder louter geldmenschen. En vooral toen
+er een leegte in zijn gezellige conversatie kwam, na den dood van
+Mevrouw Wenche, voelde hij meer en meer behoefte zijn leven met iets
+te vullen. Toen kreeg hij smaak in 't financieele leven en liet er
+zich geheel door meesleepen.
+
+Met een ijver, alsof hij een jonge man was, stelde Carsten Lövdahl
+zich aan 't hoofd van een menigte nieuwe ondernemingen, die als
+'t ware opgroeiden in zijn voetstappen--onder zijn handen, en die
+plaats en werk gaven aan grooten en kleinen, die verdiensten en
+welvaart in ruimen kring verspreidden. 't Groote vermogen van zijn
+vrouw, dat hoofdzakelijk bestond uit buitenlandsche effecten en
+geldswaardige papieren, deponeerde hij voor een groot gedeelte in
+binnen- en buitenlandsche banken, waardoor hij gemakkelijk wissels
+op anderen kon trekken, zonder al dadelijk in den beginne in ruime
+mate van wissels op zijn naam geëndosseerd gebruik te maken.
+
+Als hoofddirecteur van de fabriek zond hij alle papieren uit, die
+op het bedrijf betrekking hadden en deze "Fortunawissels"--zooals
+zij in het kantoor genoemd werden--liepen met zijn eigene samen over
+al de met hem bevriende handelshuizen, zoodat Abraham al, bij zijn
+komst in de zaak, door het wisselboek een grootschen indruk van
+'t werken van 't huis kreeg. 't Was intusschen niet alleen door
+'t kantoor van Carsten Lövdahl, dat de wissels rijkelijk stroomden;
+men zei dat geld gemakkelijk te krijgen was, maar men zag eigenlijk
+niet waar het vandaan kwam. Wat men voor oogen zag was ook geen goud;
+maar een massa snel circuleerende papieren, die als een stroom zich
+vermeerderden en op hun smalle, driemaandelijksche coupons aller hoop
+op inwisseling met zich omdroegen. In plaats van ingewisseld te worden,
+werden ze telkens vernieuwd.
+
+Alles tierde in de stad; allen wilden meedoen en voor aller plannen
+was er plaats. Wilde iemand naar Spitsbergen om zeldzame waterplanten
+te zoeken of kopermijnen exploiteeren ergens aan 't eind van de
+wereld in Dovrefjeld, stoombooten bouwen of bedehuizen, waterpompen
+of een circus oprichten, men ging maar het imposante kantoor van
+Lövdahl binnen, zette zijn plannen uiteen en noemde een paar namen,
+dan was de vennootschap gevormd, een crediet geopend en een nieuw
+wisselstroompje werd geboren, dat voortschuimde, zich met den grooten
+stroom vereenigde en in de bewegelijke massa verdween.
+
+Mevrouw Christensen beleefde menig smartelijk uur; haar man ging
+achteruit, dat was zonneklaar. Lövdahl vóór en Lövdahl na! en dan
+achteraan kwam Christensen,--hij, die vroeger altijd de eerste
+was. Maar de bankdirecteur zelf scheen er vrede meê te hebben,
+dat hij de tweede in den kring geworden was; hij vormde geen
+oppositie. En in de schoonste eendracht besliste de kring over alle
+groote en kleine zaken in de stad, bestuurde alle vennootschappen en
+"interessentskaber," bezette alle posten, bestuurde de banken, en
+hielp zichzelf en zijn naaste betrekkingen en hield de menschen, die
+er buiten moesten blijven, er buiten; verder dronken zij toasten op
+elkaar en lieten hoera! voor zich roepen bij feestelijke gelegenheden.
+
+Als sieraad waren ook de ambtenaren in den kring opgenomen--hoog geacht
+en gevleid; maar op hun manier versterkten zij ook het kapitaal in
+leven en sterven--allen: de tolbeambte, de rechter, de notaris, die
+de boedelscheiding behandelde en zelfs de predikant, die de lijkrede
+houden moest.
+
+Verder was geld en niets anders dan geld de spil, waarom het heele
+leven draaide, waarom allen zich vrijwillig rangschikten,--het eenige
+wat iemand recht gaf zijn mond open te doen om een zelfstandige
+overtuiging uit te spreken.
+
+Carsten Lövdahl leunde achterover in den breeden leunstoel en zag
+met welbehagen rond in zijn kantoor.
+
+Nu kon hij met een glimlach terugdenken aan de tijden, dat hij in
+zijn wetenschappelijken trots den handelsstand verachtte. Nu had
+hij gevoeld hoe zoet het is macht over veel menschen te hebben. De
+knielende aanbidding, waarmeê zijn geld en invloed hem nu overal
+omringden, was een heel ander voedsel voor zijn ijdelheid dan de
+koele wetenschappelijke waardeering, die vroeger zijn loon was.
+
+En dan was hij ook veel vrijer dan vroeger, hij behoefde niet
+voorzichtig te zijn of op zich zelf te letten; hij behoefde niet bang
+te zijn zich te verspreken; nergens lag er een nauwlettende critiek
+op den loer; alles wat hij deed werd goed bevonden en verhoogde
+de aanbidding.
+
+Hij had spoedig bemerkt, dat hij kon doen wat hij wilde--ja, dat een
+zekere nonchalance tegenover kleinere collega's tot de voorrechten
+van den kring behoorde. Carsten Lövdahl werd daarom ook spoedig
+vrijgevig met beloften en wonderbaarlijk vergeetachtig; neerbuigend
+en behulpzaam tegenover hen, die kropen, koel en uit de hoogte als
+eigenmachtigheid zich op wilde werken.
+
+Zoo zat hij op een morgen tegen het eind van den winter; een lentestorm
+uit het zuidwesten met stortregen ruischte door de stad en sloeg nu
+en dan met kracht tegen de lindeboomen in den tuin van den professor,
+waar de aarde zwart en zuur was van het sneeuwwater en waar de katten
+met groote sprongen over 't grasveld stoven met de staarten in de
+hoogte, om in huis te komen.
+
+De professor was wat zenuwachtig--bijna plechtig gestemd; zijn zoon
+had hem juist laten zeggen, dat Clara zich onwel voelde. Dr. Bentzen,
+de huisdokter van de jongelui boven, was ook in 't kantoor geweest
+om den professor meê te deelen, dat de bevalling van de jonge mevrouw
+aanstaande was.
+
+Lövdahl werkte verstrooid; keek op de klok boven den schoorsteenmantel,
+voor den grooten spiegel, of richtte zich een beetje in den stoel op
+en keek in den spiegel: hij zat graag zóó, dat hij zich zelf kon zien.
+
+Marcussen kondigde den bankdirecteur Christensen aan.
+
+De professor werd onaangenaam verrast. Wat wilde de bankdirecteur
+toch vandaag? Ze waren pas--eergisteren--bij elkaar geweest op de
+bestuursvergadering van de fabriek; 't ging niet heelemaal zoo goed
+daar, als men verwacht had.
+
+De stemming was wat vreemd geweest. Kwam de bankdirecteur al vandaag,
+in dit weer! En dan midden in zijn spanning over den uitslag van de
+groote gebeurtenis boven bij de jongelui.
+
+"Goeden morgen--Mijnheer Christensen!--Gaat u uit in dien storm?"
+
+"Ik loop altijd met den wind in den rug, zooals Randolf zaliger placht
+te zeggen."
+
+De bankdirecteur nam een stoel en ging heel bij den lessenaar zitten,
+en scheen lang te willen blijven; hij was tot schertsen geneigd;
+dat stond den professor ook niet aan.
+
+"Ik kom om met u te spreken over enkele dingen, de fabriek betreffende,
+die ik--ten minste voorloopig--niet op een bestuursvergadering wil
+aanroeren."
+
+"Ja, dat dacht ik wel;--Mijnheer Christensen schrikt gauw."
+
+"Ja zeker, al te gauw," antwoordde Christensen goedig; "maar ik ben
+om zoo te zeggen opgegroeid tusschen wissels en papieren, en op die
+manier wordt men niet, wat de professor een moedig man zou noemen."
+
+"Ik meen, dat men niet zoo maar zijn ervaringen aan een bank kan
+overbrengen op een produktieve zaak als een fabriek."
+
+"Daar hebt u gelijk in--Professor, dat kan men niet," antwoordde
+de bankdirecteur toestemmend; hij leunde achterover in zijn
+stoel en streek zich over 't gezicht, ernstig en waardig met al de
+zelfbewustheid, die hem eigen was, wanneer hij zich meester van den
+toestand voelde.
+
+De professor voelde dat en hield zich even stijf en imponeerend
+in zijn breeden leunstoel voor Fortuna, die hem half zwevende haar
+krans reikte.
+
+Een oogenblik stilte--dat de storm vulde door zich met een waanzinnigen
+wervelwind van de daken te storten en de naakte lindentakken te
+zweepen zoodat dor loof, water en zand tegen de ruiten stoven.
+
+"'t Is geen uitlokkend reisweer," zuchtte de bankdirecteur.
+
+"Moet u op reis?"
+
+"Ik moet immers naar Carlsbad, zooals gewoonlijk."
+
+"Maar dat doet u toch nog vooreerst niet."
+
+"'t Zal niet zoo lang duren; want van 't jaar wil ik 't eerste
+seizoen nemen, dat is niet zoo duur en ik denk wel, dat de meesten
+van ons--groot en klein--zich voorloopig wat zullen moeten bekrimpen."
+
+"Dat geloof ik volstrekt niet," riep de professor levendig. "Lieve
+hemel! wat moeten de menschen in deze vochtigen uithoek zich nog
+verder ontzeggen. Hier zijn immers geen andere amusementen dan zich
+een stuk in den kraag te drinken,--geen muziek, geen theater, geen
+openbare vermakelijkheden. Neen, neen, laat ons toch niet meenen, dat
+'t leven hier nog grijzer en treuriger worden zal; ik wil liever hopen,
+dat de tegenwoordige opkomst van de stad zal leiden tot een lichter,
+vroolijker leven voor groot en klein."
+
+"Ja, laat ons dat hopen--Professor. 't Doet goed u zoo vol vertrouwen
+te hooren spreken; God geve, dat u gelijk hebt."
+
+"Maar zie u dan toch maar eens om u heen, Mijnheer Christensen,
+hoe de eene onderneming na de andere op touw wordt gezet."
+
+"Die gaan nu niet allen even goed."
+
+"U bedoelt...?"
+
+"Ik bedoel b.v. dat onze fabriek in den loop van dit jaar
+bedrijfskapitaal te kort komen zal."
+
+"Er is geen reden voor bezorgdheid. We hebben een zeer grooten
+voorraad, waarvan de verkoop..."
+
+"waarvan de verkoop ons schade geven zal," viel de bankdirecteur hem
+kalm in de rede; "en behalve dat hebt u aan de fabriek een aanzienlijk
+voorschot gegeven; en al is u nu ook nog zoo'n geduldig crediteur--dat
+geld moet toch vroeg of laat terugbetaald worden."
+
+"Mijn vertrouwen op Fortuna is onbeperkt," antwoordde de professor
+met een handbeweging.
+
+"Dat is het zeker wel; maar als de fabriek haar schuld aan u had
+afbetaald, was er zeker geen winst geweest verleden jaar."
+
+De professor maakte een ongeduldige beweging. 't Had hem moeite genoeg
+gekost om met behulp van Marcussen een voordeelige balans voor de
+fabriek in orde te maken; maar hij wilde liever zijn eigen geld wagen
+dan bekennen, dat de fabriek onder zijn leiding slecht ging.
+
+"Ik denk wel, dat we op de eerstvolgende algemeene vergadering
+genoodzaakt zullen zijn een vrij groote bijbetaling op de aandeelen
+te vragen en dat zal zonder twijfel voor velen een moeilijkheid
+zijn. Ik heb niet minder dan 15 aandeelen voor mijn rekening,"
+zuchtte de bankdirecteur.
+
+"Neen--nu moet ik werkelijk lachen!--vindt u, dat u te veel aandeelen
+in Fortuna hebt?"
+
+"Wilt u er misschien vijf van koopen?"
+
+"Koopen?--nu, goed dan!--Ik koop vijf van uw aandeelen."
+
+"Wat geeft u er voor?"
+
+"Ik wil ze nemen voor wat u er voor betaald hebt, à pari."
+
+"Goed," zei de bankdirecteur. "Duizend gulden per aandeel. Wilt u er
+soms meer hebben?"
+
+"U hebt zeker slecht geslapen, Mijnheer Christensen," lachte de
+professor wat gedwongen.
+
+"Ik slaap nooit goed in 't voorjaar," antwoordde de andere droog en
+stond op; 't scheen, dat hij zijn doel met dit bezoek bereikt had.
+
+Aan de deur zei de professor nog eens schertsend: "U moogt uw aandeelen
+terugnemen als we a.s. jaar 10% winst uitbetalen."
+
+"Dank u zeer," antwoordde de bankdirecteur glimlachend en ging
+heen door 't bijkantoor. Achter zijn hand keek hij ter sluiks over
+alle lessenaars en tafels en snuffelde even, alsof hij met den neus
+onderzocht of de lucht wel de echte onvervalschte goudgeur had. Maar
+professor Lövdahl bleef in zijn leuningstoel achter en zag rond in
+het kantoor, alsof hier binnen iets veranderd was. Alles stond op
+zijn plaats. De klokwijzer was een kwartier verder gegaan,--dat was
+alles. En toch scheen 't hem alsof er iets was bijgekomen, dat er
+vroeger niet geweest was--of iets weggenomen.
+
+Dat was de eerste schaduw, die over zijn nieuwe leven trok; tot nu
+toe was alles goed gegaan, allen hadden hem bewonderd met 't volste
+vertrouwen; en nooit had hij zelf zich iets anders voorgesteld, dan
+dat, als hij--Carsten Lövdahl--eerst zich verwaardigde koopman te
+willen worden, dan moest hij--dat sprak van zelf--in alle opzichten
+boven die halfbeschaafde groothandelaars staan, waar hij tusschen
+leefde.
+
+Maar in dit oogenblik liepen zijn gedachten onwillekeurig en zonder
+dat hij ze terughouden kon, over de meest wilde mogelijkheden van
+verliezen... geruïneerd zijn... failliet gaan!
+
+Hij dacht opeens aan groote huizen, die plotseling in elkaar
+gestort waren, fortuinen, die waren versmolten, rijke menschen met
+leege handen--een zee van ongelukken, val, vernedering doken op als
+herinneringen, die op een rij gingen staan en vooruitwezen als waren
+ze profetieën.
+
+Hij rukte zich uit die gedachten los, veegde zijn voorhoofd af,
+ging naar 't middenste venster en staarde naar beneden in den kalen,
+ingesloten tuin, waar de storm huishield.
+
+Hij hoorde niet, dat iemand op het deurtje in de lambriseering klopte,
+dat in den corridor uit kwam, waar een kleine wenteltrap naar de tweede
+verdieping liep en een uitgang aan de achterzijde van 't huis was.
+
+Langs dien weg kwamen alleen schuwe smeekelingen en de intiemste
+huisvrienden; en toen de professor eindelijk merkte, dat de deur
+kraakte, terwijl die voorzichtig geopend werd, keerde hij zich snel
+om en dacht in eens weer aan den toestand boven.
+
+Maar 't was geen boodschap van de jongelui. Maarten Kruse's dik lichaam
+kwam voor den dag,--waardig, maar wat verlegen--in de lage deur.
+
+"Pardon, Professor!--ik maak gebruik van mijn kennis van uw huis,
+die ik nog uit mijn jongensjaren heb; ik wilde niet graag de kantoren
+doorgaan. Dr. Bentzen vertelde 't me; en toen meende ik, dat een
+bezoek van den predikant misschien de familie eenigszins goed kon
+doen; dit is immers een oogenblik--een gebeurtenis zoo verblijdend in
+'t einde--dat willen we ten minste bidden en hopen."
+
+"Ik dank u, dominé,--dat is heel vriendelijk van u."
+
+"Hoe staat het er nu meê?"
+
+"Alles wijst er op, dat het normaal en goed verloopen zal;--maar
+'t is toch altijd..."
+
+"Natuurlijk. Het is juist een oogenblik om te bidden en den Heer aan
+te roepen."
+
+De kapelaan ging zitten in den stoel, waarvan de bankdirecteur zooeven
+was opgestaan, en zat uit te blazen; hij was wat kortademig geworden
+door tegen den storm in te loopen.
+
+De professor trok zijn gezicht in de rechte plooi voor een stichtelijk,
+godsdienstig gesprek. Eigenlijk mocht hij dien dominé niet lijden;
+er was iets dubbels, of iets halfs in hem; hij wist nooit hoe hem
+aan te pakken.
+
+En de predikant scheen even erg in de war. 't Ging weer juist als de
+laatste keer, toen hij hier kwam om over de aandeelen in Fortuna te
+spreken. Vandaag was 't nu iets anders; maar de pauze werd lang en
+de professor wilde even graag als toen een half godsdienstig gesprek
+met dezen jongen theoloog vermijden. Hij legde 't eene been over 't
+andere, zag van de godin van 't geluk naar den kapelaan en zei--zoo in
+'t voorbijgaan:
+
+"Interesseert u zich nog voor onze fabriek, Mijnheer Kruse?"
+
+"Ja, Professor!--dat doe ik. Ik interesseer me zeer voor Fortuna."
+
+"Die is ook een zegen voor veel kleine burgers hier in de stad."
+
+"Zeker, zeker!"
+
+"En de aandeelhouders hebben zich waarlijk ook niet te beklagen."
+
+"Dat hoor ik! Er was verleden jaar een mooie winst."
+
+"En die wordt van 't jaar niet minder."
+
+Opeens kwam er een echte schachergeest over den professor. Hij begon te
+vertellen en de zaken van de fabriek op te hemelen, tot de predikant
+al levendiger en belangstellender werd en als in een roes kwam door
+die groote getallen. En beiden schenen heelemaal de arme Mevrouw
+Clara te vergeten, die daarboven lag.
+
+Eindelijk zei de predikant, terwijl hij een beweging naar zijn
+borstzak maakte:
+
+"U hebt me verleden beloofd me te helpen met het plaatsen van geld,
+als ik een beetje over had."
+
+Op datzelfde oogenblik kwam Marcussen binnen. De beide heeren aan den
+lessenaar dachten dadelijk, dat hij een boodschap van boven brengen
+kwam en hun gezicht veranderde van uitdrukking; maar het was enkel
+een pak van den bankdirecteur Christensen.
+
+De professor maakte het open; 't waren de vijf aandeelen voorzien
+van de formeele overschrijving.
+
+"Hij heeft haast," mompelde de professor geërgerd.
+
+"De bode wacht," zei Marcussen.
+
+"Waar wacht de bode op?"
+
+Marcussen fluisterde: "Ik geloof dat hij iets van contant geld zei."
+
+De professor week achteruit: "Nu dadelijk! na banktijd?--wat zijn dat
+voor praatjes!--Maar wacht Marcussen, laat de bode even gaan zitten."
+
+Marcussen ging heen, en de professor wierp de aandeelbewijzen
+nonchalant voor zich neer en leunde achterover om het gesprek
+voort te zetten. De oogen van den predikant weken niet van de mooi
+geïllustreerde papieren, waarop een geluksgodin met een krans stond,
+die precies op 't beeldje op den inktkoker leek.
+
+De professor liet hem den tijd; en eindelijk zei de andere:
+
+"Zijn dat aandeelen in de fabriek?"
+
+"Ja, dat zijn een paar aandeelen, die mijn vriend Christensen mij
+gelaten heeft."
+
+"Verkoopt hij ze dan?" vroeg Kruse voorzichtig.
+
+"Neen, verre van daar! 't was een oude afrekening, een liquidatie,
+eigenlijk een soort vriendelijkheid."
+
+"Voor welken prijs heeft de professor ze overgenomen?"
+
+"Ik weet het waarlijk op 't oogenblik niet. We zullen 't Marcussen
+vragen."
+
+Maar de predikant hield zijn hand terug, die reeds bij de schel was:
+"'t Komt er niet zoo veel op aan; zij staan wel een heel eind boven
+pari."
+
+"Ja, natuurlijk," antwoordde de professor en boog zich ver achter den
+lessenaar, alsof hij iets van den grond opnam; hij voelde het bloed
+naar de wangen stijgen; 't was voor 't eerst, dat hij een zaak als
+deze probeerde.
+
+De predikant had de aandeelbewijzen open geslagen en streek ze glad
+met zijn dikke hand.
+
+"Mooie papieren," zei hij glimlachend. "Was het niet 7 procent
+verleden jaar?"
+
+"Ja, voorzoover ik me herinneren kan; maar... een idee! dominé!" riep
+de professor vroolijk, "neem u ze! 't zijn juist stukken voor u;
+hebt u er lust in--als 't u belieft!... vijf stuks."
+
+"Wilt u ze verkoopen, Professor!"
+
+"Ik wil mijn belofte houden: u te helpen."
+
+"O dank u, dank u; als ze niet te duur zijn."
+
+"Och, daar worden we 't wel over eens," meende de professor. Hij
+keek aldoor voor zich neer in de la, die hij half uitgetrokken had
+en deed alsof hij ergens naar zocht. Maar in werkelijkheid klopten
+zijn polsen en slapen; hij aarzelde en was onzeker. 't Was voor
+'t eerst, dat hij koopman in 't klein zou zijn; hij voelde hoe de
+grenzen tusschen goed en kwaad in elkaar liepen--de grenzen, tusschen
+dat wat voluit eerlijk en wat een beetje schurkachtig was.
+
+Maar hoe kort die aanval van schrik en bange voorgevoelens na het
+bezoek van den bankdirecteur Christensen ook geduurd had, toch had die
+iets achtergelaten, een herinnering--een richting aan zijn gedachten
+gevend, die zij te voren nog niet gevolgd hadden.
+
+Nu hij eenmaal koopman was, moest hij 't ook heelemaal zijn. 't Ging
+niet aan de fijngevoelige man van wetenschap te spelen, als men tegen
+Christensen en consorten op wou werken. In die dubbelheid lag juist het
+gevaar; dáár vooral moest hij zich voor wachten. En bovendien--op deze
+zaak was niets te zeggen. Hij voor zich twijfelde niet aan Fortuna,
+en kon hij 't eene oogenblik een waar koopen en die in 't volgende wat
+duurder verkoopen--dat was immers 't principe van den handel,--volkomen
+"fair play". Hij zei daarom eindelijk op een kalmen, welwillenden toon:
+
+"Ik wil u deze vijf aandeelen laten voor een duizend en vijftig gulden
+per aandeel; dat is vijf procent boven 't betaalde bedrag."
+
+"Staan ze niet hooger?"
+
+De professor voelde dadelijk, dat hij dom geweest was; hij had veel
+meer kunnen vragen; maar hij antwoordde:
+
+"Ik geloof wel, dat als men de aandeelen van Fortuna aan de markt
+bracht, het blijken zou, dat ze hooger staan; maar..."
+
+"Dank u wel!--ik begrijp u; dat is heel vriendelijk van u." Op 't
+gezicht van Maarten Kruse kwam bijna een glimlach, terwijl hij in
+zijn borstzak greep en zijn portefeuille voor den dag haalde.
+
+"Wel, dat mag ik graag zien," riep de professor, "een contante post."
+
+En terwijl hij met officieele langzaamheid ieder aandeelbewijs van
+zijn handteekening voor overschrijving voorzag, telde Maarten de
+vijfduizend gulden even langzaam op in groote bankbiljetten, daarna
+het overige in kleine biljetten te samen f 5250.
+
+De professor kon zien, dat er nog meer in de portefeuille was en
+toen hij het geld onder een presse-papier had gelegd en den ander de
+aandeelbewijzen overhandigd had, zei hij:
+
+"U hebt zeker een groot gedeelte van 't vermogen van uw vrouw in de
+zaak van Mijnheer uw vader gestoken?"
+
+"Neen,--Vader zegt, dat dit niet voor zijn zaken past."
+
+"Dat kan ik me wel begrijpen," lachte de professor, "Jörgen Kruse
+heeft zeker geld genoeg."
+
+"Denkt u dat?"
+
+"Uw vader is zeker heel rijk; maar hij moest eigenlijk twee maal
+zooveel hebben."
+
+"Hoe dat?"
+
+"Hij kon immers door zijn geld in nieuwe ondernemingen te steken
+en met ondernemende menschen samen te werken, zonder twijfel zijn
+inkomen verdubbelen."
+
+"Meent u dat werkelijk?"
+
+Maarten herkauwde deze woorden van den professor nog terwijl hij zijn
+jas toeknoopte en afscheid nam.
+
+Maar toen zij de kleine deur, die op de trap uitkwam, open deden,
+klonk een scherpe, snijdende gil door het huis.
+
+Beide heeren bleven staan en keken elkaar verlegen aan, heel beschaamd
+toen ze aan dit gesprek dachten, dat zoo vroom begon en met geld en
+procenten eindigde,--vooral de predikant. Hij begon te kuchen en te
+stotteren zonder iets te kunnen uitbrengen.
+
+Maar de professor als de oudste, kreeg het eerst zijn plechtige stem
+weer terug: "Nu er nog geen boodschap van boven gekomen is, willen
+we maar hopen, dat alles goed gaat: we moeten wachten en hopen."
+
+"Juist wat ik dacht; we moeten hopen--hopen en bidden," zei de
+predikant en stak zijn hand uit; en 't was hun beiden, terwijl
+ze elkaar in de oogen zagen een zekere voldoening te zien, dat ze
+wederkeerig elkaar deze kleine menschelijke zwakheid vergaven.
+
+Zoodra hij weg was, stak de professor de vijfduizend gulden in een
+couvert, verzegelde het met zijn particulier signet en drukte op den
+knop voor de electrische bel.
+
+"Marcussen--geef dezen brief aan de bode van Christensen."
+
+Daarop nam hij de tweehonderdvijftig gulden, telde ze en borg ze
+zorgvuldig in zijn eigen portemonnaie. Hij glimlachte, ja hij lachte
+bij de gedachte aan dien voorzichtigen Christensen; die zijn aandeelen
+à pari had gekocht; hier had hij in een half uur tweehonderdvijftig
+gulden op diezelfde papieren verdiend.
+
+Och ja! Carsten Lövdahl kon wel tegen hen allen op, als hij maar
+wilde. Rustig en tevreden liet hij zijn oogen door de kamer gaan, begon
+bij de vensters, waar de regen in den verwaaiden tuin neerstriemde,
+en eindigde bij de godin van 't geluk, die hem half zwevend haar
+krans toereikte.
+
+Op 't zelfde oogenblik hoorde hij snelle voetstappen den wenteltrap
+afstormen; hij stond op in angst en spanning; Abraham kwam
+binnenstuiven--bleek, met 't gezicht van aandoening vertrokken. De
+tranen liepen hem over de wangen, zonder dat hij 't zelf wist. Hij
+wierp zich in de armen van zijn vader:
+
+"Een zoon--Vader! alles gelukkig afgeloopen, een heerlijke, flinke
+jongen!"
+
+"Ik feliciteer je, mijn jongen, ik feliciteer ons allen. God zij
+geloofd!"
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+De lente kwam vroeg, maar langzaam; 't was nog vrij koud 's morgens
+als Abraham naar de fabriek ging.
+
+Maar de lucht was frisch en licht en 't was een gelukkige tijd voor
+hem. Terwijl Clara ziek was,--en dat duurde lang,--woonde hij in zijn
+zoogenaamd kantoor, waar zijn vaders boeken stonden; hij at beneden
+bij den professor of ergens anders en had het vrije leven van een
+ongetrouwd man, wat hij zeer aangenaam vond.
+
+Zijn vrouw zag hij daarentegen weinig; ze vond het niet prettig als
+hij kwam. Clara was veranderd, ze was nadenkend geworden en lag liefst
+heel stil.
+
+Ze had vreeselijk geleden; haar fijn, weinig ontwikkeld lichaam
+was zoo mishandeld geworden en ze dacht, dat ze nooit weer geheel
+herstellen zou.
+
+En dàt was het, waar ze aan lag te denken. Als ze zich herinnerde wat
+ze doorgemaakt had, voelde ze een rilling langs haar rug gaan tot in
+de punten van de teenen toe, en als ze in een onrustigen slaap viel,
+richtte ze zich met een schok op en meende, dat het weer van voren
+af aan beginnen zou. Verscheiden keer per dag vroeg ze of het zeker
+was, dat ze weer als vroeger worden zou--heelemaal? Alle mogelijke
+maatregelen en de grootste voorzichtigheid paste ze gehoorzaam
+en geduldig toe en dacht er aan als de dokter of de baker wat
+vergaten. Over haar gezicht was ze gerust, als ze vermoeid den
+handspiegel neêrlegde: de huid was zelfs blanker geworden.
+
+In de eerste dagen bekommerde Mevrouw Clara zich niet zooveel om
+haar kind.
+
+"Ze is te jong; wacht maar," zei de baker.
+
+Maar zij kon bijna niet verdragen den vader te zien. Als hij zijn
+gezicht vertoonde, achter het gordijn, glimlachend en overgelukkig,
+maakte zij een ongeduldige beweging en verzocht hem heen te gaan. Ze
+was zoo moe.
+
+En hij ging zingende heen naar zijn fabriek, nadat hij zijn oogen
+had verlustigd met dat kleine geelachtig gerimpelde propje, dat in
+de wieg lag. Daar buiten onder 't volk was hij 't best op zijn plaats.
+
+Marcussen was onontbeerlijk op het kantoor in de stad, zoodat het
+dagelijksch toezicht op het bedrijf op Abraham rustte; dat deed hij
+ook het liefst. Kantoorwerk was hem nog altijd vreemd gebleven.
+
+Maar van 't eene werk naar het andere te gaan, met 't volk te praten,
+naar vrouw en kinderen te vragen, en vooral een beetje dokter te
+spelen--dat was juist een werkje voor Abraham. Hij was zoo blij als
+hij hen mocht helpen in ziekte en bij ongelukken. Maar het moest een
+beetje in 't verborgen gaan, want Dr. Bentzen was de dokter van de
+onderneming. Intusschen begrepen de arbeiders spoedig, dat het de
+ambitie van den jongen Lövdahl was een even goed dokter te zijn als
+Bentzen, en ze vonden gauw uit, dat hij beter was. In dezen tijd, toen
+de vadervreugde hem zoo licht om het hart maakte en zijn gedachten
+zoozeer innam, voelde hij minder behoefte om Greta te bezoeken; en
+zij miste hem ook minder, nadat men haar verteld had, dat Mevrouw
+Lövdahl een zoon gekregen had. Abraham sprak er niet over, want hij
+had een gevoel alsof het haar hinderen zou; maar hij merkte duidelijk,
+dat zij het wist.
+
+Greta was ook niet ontwikkeld als andere jonge meisjes; het onvaste
+en overdrevene in haar vaders karakter had ook haar kennis van 't
+leven onvast en grillig gemaakt; maar nu was ze zelf volwassen; ze
+wist ongeveer wat er met Mevrouw Clara gebeurd was en daarna voelde
+ze minder vreugde als Abraham kwam.
+
+Greta Steffensen had van haar vader geleerd, dat het leven een bloedige
+onrechtvaardigheid is; dat eenigen mogen genieten en millioenen
+lijden. Als hij goed aan den gang was kon ze gloeien van ergernis of
+stroomden de tranen uit haar oogen.
+
+Maar zij had het goed wat haarzelf betrof. Met al zijn gebulder was
+Steffensen in den grond teer voor haar; alle menschen hadden haar
+altijd zacht gestreeld en "arme Grete," gezegd, op een manier, die
+haar goed deed.
+
+Zij kon niet zien--dat was waar; 't moest iets wonderlijks zijn,
+dat licht, dat 's morgens kwam, en dat ze aan haar open oogen voelen
+kon. Maar lieve hemel! zij had het zoo goed in andere opzichten.
+
+Zoo was het leven tot nu toe voor haar voorbij gegaan: geregeld werk
+en een opgeruimd gemoed hadden er haar boven op gehouden; nu was ze
+bijna negentien jaar en begon sterker te worden.
+
+Maar nu was 't alsof alles stil stond. Dat kind, dat die vreemde dame
+ter wereld gebracht had, en dat Abrahams stem van vreugde deed trillen
+hoewel hij er nooit over sprak,--dat kind veranderde heel het leven
+voor Greta Steffensen.
+
+Wat haar vader haar had uitgelegd, dat zij, die blind was, geen kind
+kon verzorgen, klonk haar nu als dom gepraat. Zou zij haar kind niet
+kunnen verzorgen--zijn kind! Ach--dat zou ze geen oogenblik alleen
+laten; zij zou het zoo vast--zoo vast houden!--en ze drukte haar
+hoofdkussen tegen haar warme borst in slapelooze nachten, die vol
+tranen en halfbewuste ellende waren over die jeugd, die verdorren
+moest--die liefde, die verwelken zou, zonder iemand tot vreugde
+te zijn.
+
+De onrust in zijn huis had ook dit gevolg voor Abraham, dat hij
+meer tijd kreeg om zijn vrienden onder de ongetrouwde jongelui
+te bezoeken. Hij bracht vooral vaak zijn avonden bij Peter Kruse
+door. Wel was er een groot verschil in leeftijd tusschen hen; maar
+Kruse was een gemoedelijke kerel; je dacht nooit aan zijn ouderdom.
+
+"Dat is toch niet waar!" riep daarom Abraham op een dag uit, "je bent
+toch nog geen veertig!"
+
+"Ik ben waarempel al vijf en veertig," antwoordde Kruse kalm en streek
+over zijn dun haar.
+
+"Dat zou ik nooit gedacht hebben. Je moeder is toch nog zoo oud niet."
+
+"Ja, zie je... ik kwam ook tamelijk vroeg op de wereld," antwoordde
+Kruse glimlachend. "En vrouwen houden zich ook langer goed."
+
+"Och welneen! Vrouwen worden veel gauwer oud."
+
+"Ja, enkelen; maar kijk nu b.v. eens naar Mevrouw Gottwald."
+
+"Mevrouw Gottwald!" riep Abraham, "zij ziet er toch even oud uit
+als jij."
+
+"Och--onzin, kinderpraat!" stoof Kruse plotseling op. "Mevrouw Gottwald
+ziet er waarachtig even jong uit als je vrouw."
+
+Abraham wou grappig zijn, liet de pijp uit den mond vallen, sperde
+de oogen wijd open en riep:
+
+"Brand!--brand in een oud huis!"
+
+Maar toen werd de goede Peter Kruse heelemaal wanhopend; hij knorde
+en vloekte een paar maal geweldig.
+
+Hij was inwoner geworden bij Mevrouw Gottwald en woonde boven in
+de drie kleine kamers. Waarom hij van huis was weggegaan, waar zijn
+moeder hem zoo graag had willen houden wist niemand met zekerheid;
+maar Abraham leidde uit enkele woorden af, dat Maarten op een of
+andere manier schuld aan deze verhuizing had.
+
+Over zijn broeder Maarten sprak Peter Kruse niet graag; daarentegen
+had hij 't druk over zijn gastvrouw, en Abraham had ieder oogenblik
+aanleiding om: "Brand!" te roepen.
+
+"Och, schei nu uit," zei Kruse uit de hoogte. "Je ben heelemaal
+niet grappig."
+
+"Ja, maar je vindt dus--in ernst, dat ze jong, mooi en rijk is--ja,
+want ze is wel rijk ook."
+
+"Neen, rijk geloof ik toch niet, dat ze is," zei Kruse goedig,
+"maar ze heeft wel een spaarbankboekje met een paar honderd kronen."
+
+"Hoe weet je dat?"
+
+"Ik heb het boekje gezien."
+
+"Kijk eens hier!--dus jelui ben al aan de geldquæstie toegekomen."
+
+"Ja, zooals je ziet; maar weet je wat ze met dat geld doen wil?"
+
+"Vermoedelijk voor jou een nieuwe pruik koopen."
+
+"Neen--wees nu eens even ernstig! Stel je voor: ze heeft 't vaste plan
+een mooi monument op te richten op het kerkhof voor haar zoon;--je
+weet immers, dat ze een zoon had?--hm! je kent die geschiedenis wel?"
+
+Ja, Abraham wist het wel; hij voelde een steek in het hart, zooals
+altijd als hij aan den kleinen trouwen Marius dacht en de bouquet, die
+hij eens gekregen had. Hij werd opeens ernstig genoeg en luisterde maar
+half naar Kruse, die doorging met het bespreken van Mevrouw Gottwalds
+aangelegenheden, die hem blijkbaar in hooge mate interesseerden.
+
+Abraham stond op om heen te gaan; 't was nog vroeg in den avond. De
+zon stond laag in 't westen en scheen onder de laatste zware wolken
+door, die na een regendag naar 't zuiden dreven. Hij kreeg lust naar
+Greta te gaan; ze zag zoo bleek toen hij 't laatste bij haar was.
+
+Peter Kruse ging meê om wat frissche lucht te scheppen en terwijl ze
+voortliepen, zei hij:
+
+"Ik begrijp niet, Lövdahl, dat je dien Steffensen kunt uitstaan."
+
+"Hij is vermakelijk; er zijn werkelijk veel wonderlijke ideeën in
+zijn hoofd."
+
+"Een fraseur, een oude gek!"
+
+"Voor een eenvoudige arbeider, vind ik toch..."
+
+"Een arbeider! zeg je. Verbeeldt je je misschien, dat een arbeider in
+dezen tijd met zulke holle praatjes aankomt? Neen, zie je, Steffensen
+kan wel goed genoeg geweest zijn in zijn jeugd, tien à twintig jaar
+geleden; toen waren menschen als hij noodig om de arbeiders wakker te
+schudden met groote woorden en goed klinkende zinwendingen. Maar de
+arbeiders van heden zijn wakker en vrij wat meer ontwikkeld; daarom
+loopt Steffensen rond als een oude schreeuwer. Je ziet zelf wel,
+dat hij niet den minsten invloed onder 't volk heeft."
+
+"Ze begrijpen hem niet."
+
+"Ja, òf ze. Ze doorzien hem en lachen om hem. Er zijn vrij wat
+meer solide eigenschappen noodig om vertrouwen en invloed onder onze
+arbeiders te winnen; zij zijn waarachtig verder gekomen dan de meesten
+van ons weten."
+
+"Hoor eens Kruse!" zei Abraham en lachte. "Nu zijn we onder vier oogen
+en je weet, dat ik 't over 't geheel met je eens ben wat de meeste van
+je nieuwe ideeën betreft. Maar zeg me nu eens eerlijk: Geloof je niet,
+dat je in je haat tegen de steunpilaren van de maatschappij geneigd
+ben je lieve kleine burgers wat te veel in de hoogte te steken?"
+
+"Ik geloof alleen wat ik weet. En dat is, dat in dit land de bovenste
+lagen van de maatschappij een paar geslachten stil gestaan hebben,
+terwijl een heel nieuwe levensbeschouwing de kamers van de denkers
+en boekengeleerden heeft verlaten, om in de maatschappij van onder
+op door te dringen als een levende stroom van bruikbare kennis van
+'t leven, zooals het in werkelijkheid is."
+
+"Waarom alleen van onder op?"
+
+"Omdat de tijd de steunpilaren van de maatschappij angstig maakt. Hun
+pers heeft hun zoolang de ooren vol gepraat over anarchie en de
+heerschappij van 't gepeupel, dat als je maar komt met een klein
+voorstel van politieke vrijheid of invloed van 't volk, ze dadelijk
+meenen, dat er sprake is van hun geld te deelen en hun vrouwen en
+kinderen prijs te geven. Maar op die manier, dat begrijp je wel,
+leeren die menschen niets ter wereld."
+
+Abraham lachte.
+
+"Maar je kleine burgers dan! Wat leeren die?"
+
+"Ten eerste lezen ze niet de couranten van de steunpilaren der
+maatschappij, waarin de heele wereld op den kop gezet wordt in usum
+Delphini, doode gedachten met versche scheldwoorden opgedischt; een
+wegdoezelen van de werkelijke trekken van den tijd en een dagelijksch
+herhalen van de oude oer-waarheden, dat er schurken in Amerika wonen
+en "communards" in Parijs, de wijsheid in Christiania en de deugd in
+Stockholm;--dàt lezen ze niet."
+
+"Dat is altijd iets," meende Abraham.
+
+"Ja zeker--dat is nog niet zoo weinig!--Maar zij lezen, waar bijna
+niemand van ons aan denkt,--zij lezen en herlezen duizende brieven,
+die ons elk jaar toestroomen van de Noren in Amerika. Zie je, dat is
+een bron van ontwikkeling beter dan alle couranten en boeken. Want
+daar leert het volk voor 't eerst van zijn eigen familie, in zijn
+eigen taal, uit zijn eigen gedachtenkring--het eenigste wat een
+mensch door en door begrijpen kan. En denk eens aan al die kritiek,
+die in die brieven ligt over al onze toestanden van onder tot boven,
+heldere, gemakkelijk te begrijpen oordeelvellingen en vergelijkingen
+van neven en nichten of van Oom Lars, die zoo geloofwaardig was en
+die allen kennen."
+
+Abraham liet hem uitspreken en antwoordde maar met enkele woorden;
+hij was in zekeren zin welsprekend--Kruse, als hij aan den gang kwam;
+en er was veel in wat hij zei, wat Abraham bewonderde.
+
+Maar zich geheel bij hem en zijn opvattingen aansluiten, dat kon
+Abraham niet. Hij vond als 't ware geen waarborg in die kleine,
+radicale rechtsgeleerde, die hij al van zijn jongensjaren af had
+leeren beschouwen als een gevaarlijk, half verachtelijk mensch.
+
+Toen ze afscheid namen voor het huis van Steffensen spraken ze af
+elkaar te ontmoeten in de arbeidersvereeniging, waar Abraham na het
+feest veel vertrouwen en de plaats als vice-president verworven had.
+
+Terwijl Kruse verder ging en zijn toespraak in zich zelf voortzette,
+trad Abraham het kamertje binnen, waar hij Greta op haar gewone plaats
+midden in haar werk vond.
+
+"Je ziet zoo bleek, Grete! voel je je niet beter?"
+
+"Ja, dank je, veel beter; je medicijn smaakt niet lekker, maar ik vind,
+dat ik er sterker van word."
+
+"'t Is zeker wat bitter."
+
+"Och dat hindert niet; kom, ga zitten."
+
+"Je ben niet wel--Grete."
+
+"Ja zeker, hoor je. Scheid nu maar uit."
+
+"Ach, ik wou..."
+
+"Wat wou je?"
+
+"Als ik je alles zou vertellen, wat ik graag wou--Grete! dan werd
+'t een lang verhaal."
+
+"Vertel maar en laat het maar goed lang worden."
+
+"Allereerst zou ik zoo'n vaste hand willen hebben als Vader had in zijn
+allerbesten tijd; en dan wou ik voorspoed en moed hebben--voorspoed
+vooral..."
+
+"En dan?"
+
+"Ja--dat kan ik niet vertellen."
+
+"Neen, nu moet ik wel lachen!--dat zijn de domste wenschen, die ik
+ooit gehoord heb; maar meer--nog meer domme wenschen!"
+
+"Dan wou ik, dat ik op een stoomschip was."
+
+"Och ja! wie moest er meegaan."
+
+"Veel, heel veel menschen! Alle arbeiders op Fortuna."
+
+"Wie nog meer?"
+
+"Jij moest meegaan."
+
+"Wie nog meer?"
+
+"Je vader."
+
+"Wie nog meer?"
+
+"Mijn vader."
+
+"Wie nog meer?"
+
+"Wil je nog meer meêhebben, Grete?"
+
+"Wil je niet nog iemand meêhebben, Abraham?"
+
+"Ik weet het niet."
+
+"Nu zeg je de waarheid niet."
+
+"Welnu, nog één dan."
+
+"Maar één?"
+
+"Maar één!"
+
+"Een heel kleintje?"
+
+"Ja zeker, en dan moesten we..."
+
+"Niemand meer, wel?"
+
+"Neen, kind! nu zijn we dan aan boord; 't is niet zoo'n vreeselijk
+groot schip; maar dan moesten we ver weg reizen."
+
+"Maar dan vielen alle anderen in 't water behalve wij beiden, neen--wij
+tweeën, neen wij drieën, niet waar, Abraham."
+
+"Ja, als jij 't beter kunt dan ik, dan is 't maar beter, dat jij
+wenscht."
+
+Zoo liep hun gesprek, maar plotseling hoorden zij geraas; dat was
+Steffensen, die thuis kwam. De deur vloog open door een schop en
+een pak met olie bevlekte linnen kleeren vloog naar binnen, daarop
+een kist met werktuigen en eindelijk Steffensen zelf,--vuurrood,
+de handen diep in de zak, met uitpuilende oogen, maar stil,--stil
+als een kanon, vóór het afgaat.
+
+Greta liet haar werk los en greep Abrahams arm.
+
+"Vader!--u is ontslagen."
+
+"Ja!"--'t eerste schot bulderde los, "ik ben ontslagen binnentijds,
+op een verachtelijke manier. Steffensen, die uitdrukkelijk van uit
+Christiania hierheen geroepen is om met die lorrige machines te werken,
+waar niemand hier begrip van had--mij hebben ze er uit gesmeten! Maar
+dat alles was nog zoo erg niet. Ik weet immers wel wat het lot van
+een gewoon arbeider is, en ik ken de bloedzuigers wel;--er was niets
+beters te verwachten; maar één ding brandt me in mijn ziel! Weet je
+waarom ik ontslagen ben--Greta!"
+
+Hij ging vlak voor hen beide staan. En eerst toen drong het tot hem
+door--hevig bewogen als hij was, wie Abraham was.
+
+"Ja kijk! daar heb je nou een van de hooge heeren. Wat zegt u er
+van? Hij kan 't je vertellen. Vraag 't hem maar, Greta!--dan kun je
+hooren wat er aan je vader mankeert."
+
+"Ik weet hier niets van, Steffensen! en ik kan eigenlijk niet gelooven,
+dat het mogelijk is," antwoordde Abraham. Hij zelf was bleek geworden
+en hij voelde zijn drift opkomen, omdat de directie, of zijn vader
+dit toch gedaan had zonder er hem over te raadplegen.
+
+"Nu als u dan niets weet, dan zult u en de anderen 't hooren, voor den
+duivel! Ik ben weggejaagd zonder behoorlijke opzegging van te voren
+en zonder dat ze zich de moeite geven, een voorwendsel te zoeken,
+ze hebben me ronduit gezegd, dat 't was om oneerbiedig optreden--hoor
+jelui!--wat zegt u daarvan?"
+
+De man werd vuurrood en 't was alsof hem de oogen uit 't hoofd
+zouden springen: "Stel je voor! eerst moet je verdragen, dat ze alles
+bezitten, de aarde hier en de hemel hiernamaals--tot die vervloekte
+machines toe, waar je op loopt te passen zoo zorgvuldig alsof 't je
+eigen vleesch en bloed was en dan willen ze nog, dat je ze eerbiedigen
+zult!--En wie--Marcussen--dat zwijn--Lövdahl!..."
+
+"Stil, Vader!"
+
+"Hoor eens Steffensen!" zei Abraham en stond op. "Ik ben 't met je
+eens. Dit is absoluut onverantwoordelijk van de directie en ik geef
+er je mijn woord op, dat je volkomen in je eer hersteld zult worden."
+
+Die woorden brachten Steffensen in de war; maar Greta riep blij:
+
+"Ziet u wel, Vader! kom nu bij ons en wees kalm, u hoort, dat de
+directeur alles in orde brengen zal."
+
+Steffensen scheen 't meest geneigd er weer op los te bulderen; maar
+hij kwam onder den indruk van de vastheid, die over de houding van
+den jongen directeur gekomen was, en toen Abraham was heengegaan,
+bromde de oude:
+
+"Misschien zit er toch wel wat in dien jongen."
+
+"Ziet u wel!" riep Greta zegevierend. "U, die altijd gezegd hebt,
+dat hij precies als de anderen was."
+
+Steffensen zag haar aan en zei: "Als je nu toch eens teleurgesteld
+werd, Greta."
+
+"Ja, dan moest ik maar sterven," zei ze zacht.
+
+Maar Abraham liep met stormpas de stad in. Nu zou hij met allen
+afrekenen. De directie moest bijeenkomen. Hij was niet bang. Hij
+wilde vrijuit spreken. Ze zouden niet zeggen van de fabriek waar hij
+directeur was, dat bekwame menschen werden weggejaagd, omdat ze op
+een feest woorden spraken, die de groote lui niet aanstonden.
+
+Maar eerst zou de slag geleverd worden tusschen zijn vader en hem. Er
+was toch een grens aan den kinderlijken eerbied; hij wilde zijn recht
+als volwassene eischen. Hoe uitstekend zijn vader in alle opzichten ook
+was--'t viel toch niet te ontkennen, dat hij door dit leven tusschen
+al die geldmenschen niet weinig was veranderd.
+
+Ook dat wilde Abraham hem zeggen--open en eerlijk, zonder heftigheid,
+en overigens er op staan, dat Steffensen zijn plaats behield en in
+zijn eer hersteld werd.
+
+Hij liep zijn toespraak aan zijn vader in te studeeren en toen hij
+in de stad kwam, had hij die klaar; hij zou zóó beginnen: "Vader! ik
+kom mijn recht eischen als volwassene."
+
+De professor was niet thuis en dadelijk kwam bij Abraham de verdenking
+op, dat zijn vader op zijn komst was voorbereid en zich aan zijn eerste
+heftigheid wilde onttrekken; want zij hadden zoo vaak over Steffensen
+gesproken, dat de professor weten moest, dat dit Abraham krenken zou.
+
+'t Dienstmeisje zei, dat de professor boven was. Abraham ging de
+trap op: nu werd het erger: hij moest de verklaring uitlokken in
+zijn eigen kamer, waar het stil moest gehouden worden voor de zieke,
+en waar de feestelijke rust om den jong-geborene heen 't moeielijker
+maakte harde en scherpe woorden te gebruiken.
+
+Maar dat hielp niet; nu moest het gebeuren; hij zou ze nu eens toonen,
+dat hij moed en wilskracht had als 't er op aan kwam.
+
+In de voorkamer lag een vreemde hoed en stok, maar hij dacht er niet
+over na en ging met vaste schreden de huiskamer binnen.
+
+Hier kwam zijn vader hem te gemoet uit de slaapkamer. De professor
+hief de hand op en wilde iets zeggen; maar Abraham begon dadelijk,
+met gedempte stem, maar ernstig:
+
+"Vader, ik kom om mijn recht..."
+
+"Stil, stil, in Gods naam--mijn jongen. Praat zoo hard niet,"
+fluisterde de professor en duwde hem de kamer weer uit in de voorkamer.
+
+"Ik zal kalm zijn, Vader en zacht spreken; maar nu moet u me
+aanhooren."
+
+"Ja, ja lieve Abraham, maar op dit oogenblik..."
+
+"Ik kan niet langer wachten, Vader."
+
+"Maar Bentzen is daar alleen."
+
+"De dokter!"--Abraham herinnerde zich opeens dien vreemden hoed. "Wat
+doet hij hier?"
+
+"Ik had je een boodschap willen sturen, maar ik wist niet waar je was."
+
+"Maar mijn God!" riep Abraham; "wat is er dan? Is Clara ziek?"
+
+"Neen, neen. Clara neemt het kalmer op dan ik dacht."
+
+"Maar wat is er dan, Vader? Zeg het dan!"
+
+"Ik dacht, dat 't meisje het je gezegd had. 't Begon zoo, dat hij..."
+
+"Hij!--kleine Carsten? Vader!--Vader, 't zijn toch geen stuipen?"
+
+"Neen, mijn jongen. Stuipen zijn 't niet; dat wil zeggen..."
+
+"U is er niet zeker van!--o Vader, laat me bij hem!"
+
+"Neen, neen.--Wees nu kalm!--Ik zal naar binnen gaan. Mogelijk is
+'t alleen maar wat koorts."
+
+"Ja, ga u naar binnen, Vader.--Gauw! en vertel u me wat het is. Groote
+God! Als we hem moesten verliezen!"
+
+Hij stond voor het venster, terwijl zijn vader in de slaapkamer
+was. Hij stond in de oude ingesloten tuin te kijken, waar hij als kind
+had gespeeld; 't grasveld werd groen en de knoppen van de lindeboomen
+zwollen op.
+
+Maar geen herinnering, geen gedachte kon plaats vinden in zijn
+hoofd--behalve dat ééne verschrikkelijke, wat in zijn licht bewogen
+fantaisie van een akelig voorgevoel aangroeide tot een halve
+zekerheid: 't zou zoo moeten zijn: hij zou hem verliezen. Niets was
+waarschijnlijker; zwak en buitengewoon klein was de jongen, en met
+moeite was hij ter wereld gekomen. Stierven niet gezonde en normale
+kinderen bij massa's op dien leeftijd? Neen--er was geen hoop. Hij
+voelde 't zoo duidelijk.
+
+'t Dienstmeisje kwam uit de keuken om te zeggen dat 't water nu
+warm was en de professor kwam uit de slaapkamer om 't bad in orde te
+maken. Terwijl hij Abraham voorbijging zei hij geruststellend:
+
+"'t Wordt beter."
+
+Maar Abraham geloofde 't niet; en de tijd ging voorbij. In de keuken
+hoorde hij water in de badkuip schenken; maar binnen bij kleine Carsten
+was alles stil. Geen enkel geluid, dat hoop gaf. Dr. Bentzen kwam de
+kamer uit.
+
+"Nu, dokter?"--Abraham dacht, dat alles voorbij was.
+
+"O, 't gaat goed, heel goed," antwoordde de dokter; en toen 't
+dienstmeisje en de professor op 't zelfde oogenblik met de kleine
+badkuip van 't kind kwamen aandragen, zei hij: "Ik geloof niet, dat
+het bad noodig is--Lövdahl. De pols is nu vrij normaal; wat zwak;
+maar verder is 't kind volkomen rustig."
+
+Beide doktoren gingen naar binnen, en Abraham bleef voor de dampende
+badkuip staan en luisterde. Hij durfde nog niet hopen:--de pols was
+zwak, had de dokter gezegd.
+
+Na een lange, lange poos kwamen de twee heeren terug; zij slopen zacht
+voort en hielden de deurknop vast; Abraham keerde zich naar hen toe
+met een vraag in elken trek van zijn angstig vertrokken gezicht.
+
+"Hij slaapt; alle gevaar is voorbij," fluisterde de professor.
+
+Abraham wierp zich in zijn armen en barstte in schreien uit, zoodat
+ze hem verder weg moesten brengen.
+
+Toen hij weer eenigszins in evenwicht gekomen was, zei Dr. Bentzen,
+die zich verkwikte met een glas portwijn:
+
+"Ik zal je wat in vertrouwen zeggen,--mijn beste Abraham! Als we
+grootvader worden, dan worden we heel angstig; vooral als het een
+kleinzoontje geldt, dat onzen hooggeachten naam dragen zal."
+
+"Ja, achterna kun je wel moedig zijn," meende de professor.
+
+"Ach! je hadt me waarachtig wel met rust kunnen laten op de club,
+Professor! 't Heele geval was niets anders dan een beetje koorts en
+dan misschien een beetje maagpijn." Daarop dronk hij zijn glas uit
+en nam afscheid.
+
+Zij gingen met hem meê naar beneden en bleven een oogenblik op de
+stoep staan. 't Was laat geworden. De straat was leeg en stil, de
+avond mooi en zacht na den regen, en allen voelden zich min of meer
+verlicht na al die gemoedsbewegingen.
+
+Maar eindelijk zei de professor:
+
+"Nu, goeden nacht! nu wil ik graag naar bed. Ik ben zoo moe als na
+een langen dag praktijk in den ouden tijd."
+
+Bentzen ging heen en trok de huisdeur dicht.
+
+Maar toen zij in 't donker achterbleven zei de professor: "Ja,
+'t is waar ook! Nu denk ik er aan: er was iets, waar je me over
+spreken wou, Abraham."
+
+"Nu is u moe, Vader."
+
+"Maar 't kwam me voor, alsof 't iets heel gewichtigs was."
+
+"Ja, dat was 't ook. Maar nu ben ik ook moe, om u de waarheid te
+zeggen. We laten dat rusten tot morgen. Goeden nacht Vader;--ik
+dank u."
+
+Steffensen?--Steffensen! hoe oneindig ver weg was hij niet van
+Abrahams gedachten; en hoe in de wereld had hij er aan kunnen
+denken zich om zooiets tegen zijn vader te verzetten--tegen zulk
+een vader!--Natuurlijk zou hij die zaak in orde brengen--morgen;
+maar dat kon immers wel in alle kalmte gebeuren.
+
+Op de teenen sloop hij de slaapkamer binnen. Clara lag--bleek en
+mooi--in dat groote bed; en kleine Carsten sliep met zachte snikken
+in zijn heel klein neusje, en rimpeltjes in de fijne vingertjes,
+die op gepelde garnaaltjes leken, van de allerkleinste soort.
+
+Toen ging ook Abraham ter ruste en sliep als een Patriarch tot aan
+den helderen morgen.
+
+Iets onaangenaams hinderde hem dadelijk, vóór hij nog goed wakker was;
+dat was Steffensen. Maar hij zette dat op zij, belde en vroeg aan
+'t dienstmeisje hoe het gegaan was.
+
+O, goed! Mevrouw en de kleine hadden een rustigen nacht gehad.
+
+Dat was het voornaamste; de rest zou wel in orde komen. Nadat hij
+Clara goeden morgen gezegd en er zich persoonlijk van overtuigd had,
+dat de kleine met de garnaalvingertjes wel bewaard was, ging hij naar
+beneden om te ontbijten.
+
+Aan tafel begon de professor dadelijk:
+
+"Ik dacht er gisteren avond laat nog over, wat het toch zou zijn,
+waar je me over spreken wou, en ik kwam eindelijk op Steffensen."
+
+Abraham gaf toe, dat het zoo was; en nu begon de professor, steeds
+onder 't eten, de zaak uit te leggen. De directie had eenstemmig
+zijn ontslag geëischt; de man was niet onontbeerlijk; hij was ook
+niet zoo arm als hij zich voordeed; men zei, dat hij gespaard had;
+daar kwam bij, dat hij een uiterst moeilijk heer was, slecht gezind en
+ontevreden. Er waren veel klachten van de andere arbeiders ingekomen;
+één had zelfs er op gewezen, maar alleen mondeling, dat er machineolie
+verdwenen was uit de machinekamer.
+
+Abraham verdedigde Steffensen heel kalm en bezonnen; en de professor
+was bereid veel toe te geven. Vooral was hij 't met Abraham eens, dat
+'t dwaas was over een oneerbiedig optreden te spreken, dat moest iets
+zijn wat Marcussen verzonnen had.
+
+Maar aan den anderen kant moest Abraham ook zijn vader hierin gelijk
+geven, dat hij tenminste niet anders had kunnen handelen. Wilde
+Abraham zich tot de directie wenden, dan stond hem dat natuurlijk vrij;
+maar de professor zou 't hem om verschillende redenen afraden.
+
+Abraham zou zich bedenken. En daarbij bleef het.
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+
+De onversaagde Juffrouw Kruse begon te tobben, iets, wat ze nooit te
+voren had gedaan.
+
+Maar in den loop der jaren en nu de goede tijd gekomen was kreeg ze
+steeds minder te doen en steeds langer kousebeenen te breien; en dàn,
+als ze kousebeenen zitten te breien, gaan de oude vrouwtjes tobben.
+
+Wat vooral in Juffrouw Kruse's verstandig kopje spookte, was een
+voortdurend toenemende verbazing over de tegenwoordige jeugd; maar
+ze verwonderde zich niet, als andere oude vrouwen over de dwaasheid
+en lichtzinnigheid van de jonge menschen, integendeel, ze kon niet
+begrijpen waarom de jonge menschen zoo zwaar op de hand geworden
+waren en zich 't leven zoo zuur maakten.
+
+Ze dacht 't meest aan haar eigen kring; van anderen wist ze niet veel.
+
+Peter was haar oogappel. Als hij getrouwd was zou hij zonder vlek of
+rimpel geweest zijn; maar iets jongs en frisch was er nooit aan hem
+geweest! dat moest ze toegeven.
+
+En dan Maarten en nog erger--Frederika!
+
+Juffrouw Kruse liet de breikous zinken en langen tijd op den schoot
+rusten, terwijl ze in gedachten voor zich uit staarde, zonder iets
+te zien. Dat waren de wonderlijkste jonge menschen, die men zich kon
+voorstellen. Hadden zij ooit een of ander vermaak? Hoorde men ooit,
+dat ze ergens blij mee waren? Nooit een schertsend woord!--nooit een
+frisch jong lachen.
+
+Maarten was dominé,--nu ja. Goeie hemel! Ze had toch heel wat dominés
+gekend, die even goed waren als hij en die toch niet bang waren
+voor wat scherts en vroolijkheid. En dan Frederika! Wie zou kunnen
+gelooven dat ze een jonggetrouwde vrouw van 24 à 25 jaar was. Juffrouw
+Kruse dacht aan haar eigen jeugd, hoe ze toen pleizier hadden, hoe ze
+lachten--lachten en werkten! want dat deden ze ook. En hun vermaken
+waren niet duur; zij zouden niemand ruïneeren. 't Grootste genoegen
+was--dat ze jong waren. En dat hadden ze gratis. Verder was alles
+eenvoudig. Ze wisten ook wat sparen was;--hier nam juffrouw Kruse
+vlijtig de kous weer ter hand om de gedachten, die nu opkwamen,
+weg te breien.
+
+Toen de welstand in huis steeds toenam en bijna rijkdom werd, had
+juffrouw Kruse op een Zondag in de kerk de proost Sparre hooren
+preeken over de tekst: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult ge
+in uw gordelen hebben."
+
+'t Was midden in den zomer en nog ver van den dag, dat de gemeenteleden
+hun offer [2] moesten betalen, zoodat de proost den rijkdom en de
+rijken ernstig onder handen nam; en alsof hij opeens met deze zaak voor
+'t heele jaar wou afrekenen, nam hij in zijn preek alles samen, wat er
+over rijkdom geschreven staat; de beide mantels en de rijke jongeling,
+de rijke man en Lazarus, de kameel en 't naaldeoog--'t kwam alles in
+die preek voor. Zij, die de proost kenden en met hem omgingen wisten
+wel, dat die preek meer als troost voor de armen, dan als bestraffing
+voor de rijken dienen moest; maar de eerlijke ziel van Juffrouw Kruse
+kon die woorden maar niet vergeten. Zij sprak er met haar man over,
+toen zij uit de kerk kwamen; maar Jörgen had juist niet aan zich
+zelf gedacht, omdat hij heelemaal nog niet vond, dat hij zoo rijk
+was. Maar nu legde zij hem uit, dat zij al lang geleden rijk genoeg
+waren om aan de verzoekingen van den rijkdom te zijn blootgesteld;
+en daar Jörgen altijd te kort schoot in het debat, moest hij vrede
+hebben met wat meer uitgaven en wat minder schraperigheid.
+
+Sinds dien tijd was Juffrouw Kruse op haar post in haar eigen hart,
+en ze paste ook op haar man, zoo goed zij kon. Maar hij had nu zijn
+veiligen schuilhoek in den donkeren ouden winkel, waar hij zijn
+vermogen verdiende bij stuivers door krap te meten en te wegen en
+daar bleef het ongeveer gaan als vroeger. De voornaamste verbetering
+met Jörgen kwam wel hierop neer, dat hij--als het jaar eens heel
+goed geweest was,--'t met de kerstgeschenken en 't offer voor den
+predikant wat ruimer nam.
+
+Maar wat haar zelf betreft overwon zijn vrouw de verzoeking tot
+gierigheid, die anders voor de hand lag, voor haar, die zelf zoo meê
+gezwoegd had om alles bij elkaar te houden. En toen Juffrouw Kruse
+tijd en geld over kreeg om allerlei nood om zich heen te lenigen,
+deed ze ook uit haar huis en haar huishouden al 't pijnlijke weg, wat
+uit den tijd van armoede overgebleven was; en Jörgen, die altijd dik
+geweest was, hij kreeg nog meer omvang in nieuwe kleeren en schoone
+boordjes, en hij glom door goed voedsel en goede verpleging.
+
+Hij durfde niet te knorren over de uitgaven; hij had er eigenlijk
+ook geen lust in, want hij voelde zich behagelijk. En behalve
+dat--hij had ook van oudsher zulk een vertrouwen in Amalia Catherine,
+dat--al had zij de huisdeur verguld--hij alleen gezegd zou hebben:
+"Ja Moeder,--daar zul je wel een bedoeling meê hebben."
+
+Ze vergulde de huisdeur niet, maar ze versierde en knapte op, bij
+kleine beetjes te gelijk, ieder jaar wat, tot de kale, saaie kamers
+leven kregen door gordijnen en muurbloemen, tapijten en gemakkelijke
+stoelen, terwijl de stijve, ouderwetsche houten stoelen naar de
+eetkamer of naar boven verhuisden.
+
+'t Eetservies veranderde ook. Ze waren begonnen met een stuk
+rookvleesch, dat op de tafel lag en waar ze om beurten een stuk van
+sneden, dat ze in de hand hielden en waar ze van beten.
+
+Nu was Juffrouw Kruse zoover in haar ontwikkeling gekomen, dat ze
+eergierig werd wat damast tafelgoed betrof. Haar tafelkleeden en
+servetten blonken tegen de zilveren vorken en de glimmend gepoetste
+messen op; 't huis was zooals 't behoorde, een eenvoudig, solide,
+welgesteld huis.
+
+Waarom moest ze nu op haar ouden dag daarmeê ophouden, en teruggaan
+naar de pijnlijkheid van de armoedige dagen? Zou het wezenlijk de
+bedoeling van Onzen lieven Heer zijn, dat elk dubbeltje ontelbare
+malen heen en weer gedraaid moest worden--dat men altijd op zijn dood
+moest zijn, dat ook niet de kleinste kleinigheid verspild wordt?
+
+"Och! geen sprake van. Dat is nooit Zijn bedoeling," zei Juffrouw
+Kruse halfluid en trok stevig aan de kous, zoodat die een eindelooze
+lange dunne worst scheen. En dat verlangden ze toch van haar,--niet
+ronduit, maar door honderd kleine toespelingen--allebei, Maarten en
+Frederika. In 't begin gaf ze er niet veel om; maar langzamerhand kon
+ze niet laten een steekje onder water te voelen in bijna elk woord,
+wat de jongelui spraken. Ze antwoordde niets; en lang meende zij,
+dat niemand anders het merkte, tot Peter op een dag plotseling zei:
+
+"Zeg, Moeder!--ik heb drie kamertjes boven Mevrouw Gottwald gehuurd."
+
+"Maar mijn God! Peter! Waarom wil je uit huis gaan?"
+
+"Vindt u niet, dat ik daar oud genoeg voor ben, Moeder?"
+
+"Praatjes, Peter! meen je, dat ik niet aan je zien kan, dat je er
+een andere reden voor hebt!"
+
+"Ja, dat heb ik ook. En als u weten wilt, welke dat is--dan is 't
+omdat ik Maartens hatelijkheden niet langer verdragen kan."
+
+"Pas toch op je woorden, Peter! Heb je 't ook gemerkt?"
+
+Juffrouw Kruse keek onwillekeurig de kamer rond: "maar daar moet je
+je niet aan storen. Hij meent er niets kwaads meê."
+
+"Zoo?--Is u daar zoo zeker van? Hij heeft nu elken Zondag over de
+huishuur gesproken: hoe hoog die is en hoe goed zij 't hebben, die
+ze niet hoeven te betalen; en dan valt zij meê in--zijn spaarpot!..."
+
+"Stil, stil Peter! je kunt zoo raar praten. Frederika is een flinke
+vrouw. En stoor jij je maar niet aan Maarten; hij is wat wonderlijk,
+en je weet, dat je me een groot verdriet zou doen door heen te gaan."
+
+"Ja, dat wist ik wel, Moeder, en daarom heb ik 't zoo lang mogelijk
+verdragen; maar verleden Zondag, toen u uit was, vroeg hij mij hoeveel
+ik dacht, dat u in huur zoudt kunnen krijgen voor mijn kamers, als
+ik verhuisde."
+
+Juffrouw Kruse werd rood: "En dat zei Maarten tegen jou--Peter?"
+
+"Ja, meent u, dat Mijnheer de kapelaan zich daarvoor geneert?"
+
+"Hij is dominé--zie je," mompelde de moeder aarzelend; en die gedachte
+verzachtte haar telkens.
+
+Ze kon niets meer aan de zaak doen en Peter verhuisde.
+
+Maar toen begon zij zijn nieuw tehuis in orde te maken; al zijn
+oude meubels en wat hij verder noodig had, liet zij naar het huis
+van Mevrouw Gottwald brengen; en 't was haar een genot te zien hoe
+gezellig hij 't kreeg.
+
+Toen Mevrouw Frederika de volgende keer met haar man bij haar
+schoonouders kwam, om daar te eten, zei ze met haar eigenaardig
+zuur glimlachje:
+
+"Zoo, hier is boedelscheiding geweest--hoor ik."
+
+Juffrouw Kruse schrikte op; maar ze antwoordde kalm: "Wat meen je
+daarmeê, Frederika."
+
+"Och, 't was maar, omdat ik zoo'n verhuisboel van hier zag
+wegrijden,--eergisteren."
+
+"Maar kind, dat waren immers Peters meubelen, dat kon je toch wel
+weten."
+
+"O, zoo! ik wist niet, dat Peter 't heele ameublement krijgen zou. Wist
+jij dat, Maarten?"
+
+"Neen maar Frederika, hoe kun je nu zoo praten," riep Juffrouw Kruse
+en probeerde te lachen. "'t Waren natuurlijk enkel de meubels, die
+hij altijd boven in zijn kamers heeft gehad."
+
+"Neen, pardon Moeder, dat was 't niet."
+
+"Maar ik verzeker je, Frederika."
+
+"Ja, Moeder hoeft mij geen rekenschap van haar doen en laten te geven;
+maar dat donkere mahoniehouten speeltafeltje--dat heeft ten minste
+in de voorkamer gestaan, in elk geval, zoolang ik hier in huis kom."
+
+"Ja, dat speeltafeltje!--daar heb je gelijk in," antwoordde Juffrouw
+Kruse heel verlegen; "er waren misschien ook nog een paar andere
+kleinigheden bij; maar dat kwam omdat hij nu drie kamers kreeg en
+zoo was het er wat leeg, en toen..."
+
+"Ja, lieve Hemel!--het gaat mij natuurlijk niet aan, wat u weggeven
+wilt; maar dan moet u niet beweren, dat Peter alleen zijn oude
+ameublement meê kreeg: eerlijk is eerlijk, dàt wil ik maar zeggen."
+
+Juffrouw Kruse drukte de lippen op elkaar. Ze wilde niets zeggen. En
+toch wist zij--en de anderen wisten 't ook--dat de jonggetrouwden een
+flinke som van Jörgen gekregen hadden voor een ameublement, terwijl
+de oude rommel, die Peter meegekregen had, daar geen vierde part van
+waard was.
+
+Dat alles wist Juffrouw Kruse, en ze wist ook, dat, als ze nu zweeg,
+Frederika een volgende keer nog vrijmoediger op zou treden, en toch
+zei ze geen woord.
+
+Waarom?--ze wilde geen ongenoegen maken; en ook was ze een beetje bang
+voor die twee menschen die 't zóó samen eens waren. En dan ook--hij
+was dominé.
+
+Maar ze wist zelf niet, dat de ware reden, waarom ze allen strijd
+vermeed, deze was: dat ze te fijn voelde om tot hen af te dalen. En
+dat merkten ze en maakten er gebruik van.
+
+Maarten was trouwens zoo onhandig, dat hij niet zooveel kleine
+behendige steekjes kon geven als Frederika; maar hij steunde haar door
+daar zoo welgedaan en instemmend naast haar te zitten. Het eenige
+wat hij uit zich zelf bedenken kon, was te doen, alsof zijn moeder
+hem altijd bij Peter achter stelde. Maar als er iets was wat Juffrouw
+Kruse's hart raakte, dan was het juist dit. Tusschen kinderen verschil
+te maken, was al meê het leelijkste wat ze zich voorstellen kon. En
+'t allerergste was, dat haar geweten juist op dit punt haar niet
+heelemaal met rust liet.
+
+Hij--Peter--was immers in den boozen tijd geboren en veel had ze
+nagedacht, terwijl ze hem onder 't hart droeg--ongehuwd en onzeker
+hoe dit alles zou gaan.
+
+'t Zou dus geen wonder zijn, als dit kleine zwakke kindje, dat bij
+haar geweest was in schande en zwaren arbeid, haar hart zóó vervuld
+had, dat er misschien niet precies evenveel plaats was overgebleven
+voor den kleinen dikzak, die zoo lang daarna kwam.
+
+Maar 't was niet waar--heelemaal niet waar, als iemand zou willen
+zeggen, dat ze Maarten niet even lief had, als 't er op aan kwam;
+en nog minder waar was het, als iemand zou beweren, dat ze in woorden
+of daden Peter voortrok ten koste van zijn broer.
+
+'t Ging integendeel zoo toe: uit vrees voor te dwalen door een
+geheime neiging overlaadde ze Maarten met weldaden, breide ze en spon,
+bakte en maakte zij in voor zijn huis, terwijl ze heel angstig werd
+als ze in alle stilte Peter een paar kousen toestopte. Maar of 't nu
+kousen waren of een of ander kleinigheid in huis--een voetenbankje,
+een spiegeltje of zooiets, dat ze Peter gegeven had voor zijn nieuwe
+woning--ze kon er zeker van zijn, dat, zoodra Frederika den volgenden
+keer de deur binnenkwam, haar oog juist op die leege plaats viel,
+al was die ook nog zoo klein, en dan kwam dat zure glimlachje of
+een of ander vlijmscherpe opmerking, die door de teerste vezels van
+'t oude hart van Juffrouw Kruse ging.
+
+Langzamerhand kwam het zoover, dat Juffrouw Kruse werkelijk
+dagelijks een beetje strijd voeren moest om haar huis in de
+eenvoudige welvarendheid te houden, die zij in de latere jaren had
+ingevoerd. Zelfs de oude Jörgen merkte het en werd zoo moedig, dat
+hij wat bromde over den wijn iederen Zondag. Maar zie, dat werd Amalia
+Catherine toch te kras, en hij werd zóó grondig onder handen genomen,
+dat hij daar niet meer meê aankwam. Maar met Frederika was het erger.
+
+Op een zondag zei de jonge dominésvrouw:
+
+"Ik geloof zeker, dat Moeder een halve koe zondags in die soep kookt."
+
+"Ja, maar die is dan ook zoo sterk, dat ik ze de heele week in mijn
+rug kan voelen; mag ik nog een schepje, Moeder."
+
+Dat was Peter, die zijn moeder placht te hulp te komen, als er een
+bui op komst was. Maar Frederika liet zich niet van de wijs brengen;
+ze wierp een snellen blik op haar man, die daar naast haar zat, bleek,
+vet en slap, maar heel waardig.
+
+'t Was over 't algemeen een merkwaardige ongelijkheid in het uiterlijk
+tusschen die twee, innerlijk zoo geheel overeenstemmende echtgenooten;
+want terwijl Maarten steeds dikker werd, was Frederika heel mager
+geworden na haar bruiloft. Het jeugdige in haar gezicht dat de
+eenigszins scherpe trekken afrondde, had zij verloren; en er was
+iets vogelachtigs in de ronde oogen en de neus, die dor en spits
+geworden was.
+
+Nadat ze kracht geput had uit een blik op Maarten, ging ze op dien
+vriendelijken, neerbuigenden toon voort, die Peter razend maken kon:
+
+"Och ja,--als men meent, dat het er af kan en niet denkt aan al die
+vele monden, die verzadigd hadden kunnen worden met het vleesch,
+dat hier opgekookt is, om ons een onnatuurlijke--ja, ik noem dit
+"een onnatuurlijke sterke" soep te geven--niet waar? Maarten.--Ik
+vind het bepaald verkeerd, zoo'n overdaad."
+
+Er kriebelde en prikte iets in Juffrouw Kruse's hart; zij wist door
+wat ze in de keuken hoorde heel goed wat de armen gewoonlijk bij de
+jonge dominésvrouw kregen; maar ze kon er niet toe komen te spreken
+over haar eigen weldadigheid en over wat ze met dat gekookte vleesch
+deed; daarom zei ze vriendelijk, maar met een ietwat bevende stem:
+
+"Hoe maak jij dan vleeschsoep, lieve Frederika? Laat mij dat eens
+van je leeren."
+
+Frederika werd wat verlegen.
+
+"Ja, dat kunnen we niet zoo heel dikwijls doen; maar verleden week
+of misschien de week daarvoor--toen kreeg je vleeschsoep, niet waar
+Maarten? Weet je 't nog? je vondt ze lekker."
+
+"Die was misschien nog wel zoo lekker als die van Moeder," antwoordde
+Maarten plechtig.
+
+"Wel, dat doet me pleizier," antwoordde Juffrouw Kruse en zette haar
+muts recht; "en wat had je dan in die soep gedaan, kind?"
+
+"Ja, er was goed kalfsvleesch in en dan een volle lepel Liebig en
+dan wat gebruind meel."
+
+Maar toen was Juffrouw Kruse's geduld uitgeput. Als er iets was wat
+zij als solide ouderwetsche kookster haatte en verachtte, dan waren
+'t zulke poespas-gerechten, en alleen al 't woord Liebig kon haar
+tot een uitbarsting brengen.
+
+Zij wendde zich geheel naar haar schoondochter en zei zóó levendig
+en met zooveel nadruk, dat haar mutsenbanden er van trilden:
+
+"Ja, wil ik je eens wat zeggen--Frederika!--dan dank ik den hemel,
+dat ik zulke knoeierij niet hoef te eten."
+
+Peter barstte in hartelijk lachen uit. De oude Jörgen, die altijd
+eerst een poos daarna begreep wat er gaande was, keek van den een
+naar den ander, maar Frederika zat een oogenblik als verstomd. Ze
+kon van boosheid geen woord uitbrengen. Maarten--die stoffel--kwam
+haar ook niet te hulp, en plotseling barstte ze in luid huilen uit
+en vloog de eetkamer uit.
+
+Maarten was bleek geworden; hij zei streng en verwijtend:
+
+"Hoe kunt u 't hart hebben, die arme Frederika zoo te mishandelen,
+Moeder."
+
+Ja zeker, dat was verkeerd, heelemaal verkeerd; maar het was haar
+zoo uit den mond gevallen, zei de moeder; ze had alweer vergeten,
+hoe het gekomen was en had enkel een gevoel, dat ze onaardig tegen
+haar schoondochter geweest was. En 't eind was, dat ze de kamer
+uit moest gaan om Frederika op te zoeken, die ze snikkend op de
+sofa in de huiskamer vond. En daar moest de oude vrouw haar met
+veel verontschuldigingen verzachten om haar weer aan tafel terug
+te brengen. Maar die gebeurtenis werd voor Mevrouw Frederika een
+onuitputtelijke wapenkamer, van waar ze menig scherpe dolk haalde om
+haar schoonmoeder meê te kwetsen. En de oude vrouw had zoo oprecht
+berouw, dat ze dit aannam als een rechtvaardige straf.
+
+Intusschen was het gevolg van dit alles, dat de oude Juffrouw Kruse
+zich angstig en onzeker voelde in haar eigen huis; 't kwam al spoedig
+zoover dat ook bij de kleinste kleinigheid, die ze deed, in zich
+zelf dacht: "Wat zullen Maarten en Frederika daarvan zeggen?"--En
+uren lang zat zij te peinzen bij haar breikous.
+
+Maar altijd richtte zij zich met een ruk op en zette de breipennen
+aan 't werk als die groote vraag bij haar opkwam: hoe zou 't toch met
+Maarten zijn--hij, die een dienaar des Heeren zijn moest, en die toch
+klaarblijkelijk--dat kon ze niet langer voor zich zelf verbergen--die
+toch klaarblijkelijk verslaafd was--of in elk geval groot gevaar
+liep verslaafd te worden aan de zonde van de gierigheid? Hoe kon dat
+samengaan? Moest ze de gedachte plaats in haar ziel geven, dat haar
+kind een verharde huichelaar was?--neen--neen, dat kon zoo niet zijn;
+hij moest door de list des duivels verblind zijn voor 't gevaar, dat
+hem dreigde. Als hij maar niet zoo stijf geweest was--zoo geharnast
+in zijn priesterwaardigheid, dan zou ze hem wel geholpen hebben; zij
+had immers die preek van proost Sparre in haar hart gegrift. Maar hij
+was als een groot hoog pantserschip en zij als een oud vrouwtje in
+een roeiboot,--zij kon niet naast hem gaan liggen en hem toeroepen,
+dat er klippen voor den boeg lagen.
+
+Als men een oude vrouw ziet--gerimpeld en met keurig linnen aan, in
+een leunstoel met een breikous,--de kamer gezellig, met muurbloemen en
+schuine zonnestralen over 't tapijt, dan heeft zij het goed, het oudje.
+
+En als ze dan toch de mutsenbanden schudt en zegt: "Ja, ja! de jeugd
+kan wel blij en luchthartig zijn; wij ouden moeten den last van 't
+leven dragen,"--dan zou al licht de oneerbiedige jeugd denken: "De oude
+ziel! waar heeft zij zich over te beklagen? Ze zit daar in een rustig
+hoekje, en heeft afgedaan met den strijd en de teleurstellingen van
+'t leven; ze breit onbekommerd voort, verdiept in haar herinneringen,
+tot de zon ondergaat."
+
+En toch!--er gaat zooveel om in zoo'n oud hoofd en 't zou kunnen zijn,
+dat ze een zwaren last van de bitterheid des levens draagt, zooals
+ze daar zit, te midden van muurbloemen en zonneschijn, gerimpeld
+en met keurig linnen aan--een oude vrouw, die zit te peinzen bij
+haar breikous.
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+
+Daar rolt een stroom van goud van 't eene land naar 't andere. Waar
+de wereldhandel de groote sommen verplaatst vloeit die stroom in een
+breede, geweldige bedding, en naar alle kanten in tallooze vertakkingen
+gaan de kleine gulden stroompjes tot naar de verste achterhoeken van
+de wereld.
+
+Maar boven op dien stroom kronkelt het blauw-witte schuim van de
+wissels rond.
+
+Dat ziedt en ritselt en verspreidt zich in strepen over de heele
+aarde en loopt heen en terug in een onophoudelijke haast.
+
+Maar als de groote goudstroom daar buiten daalt--dan snellen de kleine
+gulden wateraartjes terug van uit de uithoekjes van de wereld. Alsof
+de aarde zelf haar goud weer tot zich gezogen had--zoo verdwijnt het:
+eerst in de verste kleine kanalen, dan dichter en dichter bij, tot
+ook de groote vertakkingen inkrimpen en als tot ijs verstijven.
+
+Maar juist als zulk een ijstijd nadert wordt het gewemel van de
+wissels steeds woester. Het schuimt en neemt toe, stijgt en stijgt
+als een opkomende vloed, drukt een smal, langwerpig streepje purper
+onder de deur door,--nog een, en nog een tot de deur meêgeeft en
+de losgebroken wateren heenspoelen over huizen en tuinen, velden en
+eigendommen, 't groote en 't kleine verwoesten, uit elkaar scheuren,
+doen splijten en voor alle winden heen jagen wat menschen met vlijt
+en liefde bijeen brachten. En daarna blijft niets over dan berouw en
+schande, vernedering en zelfverwijt, vervloekingen en tranen.
+
+Niet eens de bankdirecteur Christensen had er een vermoeden van,
+dat een wereldcrisis naderde; maar zijn nooit falende neus begon te
+merken, dat de echte, onvervalschte goudlucht al zwakker en zwakker
+werd op sommige punten.
+
+Daarom had hij een harden strijd te voeren, niet alleen met zijn vrouw,
+maar ook met zijn collega's in de directie van de bank. De bank van
+Christensen--zooals die in de volkstaal heette--was opgericht door
+de eerste kooplieden in de stad en werd nauwgezet alleen tot hulp
+van den kring zelf gebruikt; maar Christensen, de eigenlijke stichter
+en oprichter behield altijd den grootsten invloed in 't bestuur. Dat
+verdiende hij ook, omdat hij in de eerste moeilijke dagen zijn kracht
+en tijd ten offer had gebracht om de bank op te werken.
+
+Daardoor kwam het ook, dat men hem de directeur van de bank bleef
+noemen, zelfs lang, nadat een gehonoreerd ambtenaar was aangesteld
+om de dagelijksche zaken te regelen. Maar men zei van Christensen,
+dat hij niet zou kunnen leven zonder een paar keer daags in zijn
+dierbare bank rond te snuffelen.
+
+De strijd, dien hij nu voerde met zijn medebestuurders, liep over de
+zoogenaamde Fortunawissels. Christensen had zich in 't hoofd gezet,
+dat hij ze uit de bank wilde hebben; zij moesten opgekocht worden,
+naarmate ze vervielen en niet weer vernieuwd.
+
+Dat zei hij intusschen niet in het openbaar; hij was een te
+nauwgezet koopman om 't crediet van een onderneming te willen
+verzwakken--allerminst zoolang hij zelf aandeelen had. Maar hij
+werkte heel voorzichtig met toespelingen en schijnbaar onschuldige
+voorstellen, zoodat de anderen ongeveer de bedoeling wel konden
+vermoeden, zonder dat ze die behoefden te begrijpen of er in toe te
+stemmen; en de vergadering eindigde als gewoonlijk daarmeê, dat men
+met vage, onbepaalde woorden den president de handen vrij liet.
+
+Groote kooplieden in een kleine omgeving haten elkaar altijd,
+omdat de een zich niet bewegen kan zonder den ander te hinderen;
+maar de bankdirecteur Christensen had een zeer bizonderen hekel aan
+Carsten Lövdahl. En dat niet alleen, omdat Lövdahl hem over het
+hoofd groeide; maar Christensen, die van kind af aan zich op den
+handel had toegelegd en zich zelf had opgewerkt,--rijk was hij pas
+door zijn huwelijk geworden,--hij kon 't eenvoudig niet uitstaan,
+dat die trotsche man van wetenschap zich in de koopmanswereld indrong
+en daar den baas wilde spelen. Door allerlei intrigues en door middel
+van zijn invloed was het hem gelukt den professor buiten het bestuur
+van zijn bank te houden, waartoe Lövdahl anders natuurlijk zou zijn
+uitgenoodigd; en toen hij nu zoo half en half de toestemming van de
+andere bestuursleden had om de Fortunawissels te weren, wendde hij
+zich dadelijk tot den administreerenden directeur, die hem gehoorzaamde
+als een hond en gaf hem de noodige orders.
+
+Marcussen kwam dus op een dag half lachend en half verbluft bij den
+professor binnen met een paar wissels in de hand.
+
+"Nu zal ik u eens wat moois vertellen, Professor! Rasmus komt terug
+van de bank van Christensen met de boodschap, dat de Fortunawissels
+tegen contanten moeten worden ingewisseld."
+
+"Welnu Marcussen, dan wisselen wij ze in. Christensen is werkelijk
+belachelijk met zijn angst."
+
+"Pardon Professor! maar er kan toch geen sprake van zijn, dat we alle
+Fortunawissels zullen inwisselen."
+
+"Bedoelde hij alle!"
+
+"Ja, dat heeft Rasmus begrepen, dat er bedoeld werd voor 't vervolg."
+
+"Hoeveel kan de fabriek zoowat in Christensens bank aan wissels
+hebben staan?"
+
+"Ik weet 't niet precies; zoowat honderdvijftig à tweehonderd duizend
+gulden."
+
+"Maar Groote hemel!--Marcussen!--en dat moeten we tegen contanten
+inwisselen, nu dadelijk? een dezer dagen?"
+
+Het bloed steeg den professor naar het hoofd; hij was zoo in 't geheel
+niet gewend aan zulk soort verrassingen, dat hij dadelijk radeloos
+werd. De sombere voorgevoelens, waaraan hij al eens door Christensen's
+schuld geleden had, kwamen hem nu weer bestormen. Wilde die man hem in
+'t verderf storten? Was het mogelijk Carsten Lövdahl te ruïneeren. 't
+Was ongehoord! absoluut ongehoord! papieren te weigeren, waarop zijn
+naam stond--en de schrik uitte zich in een stroom booze woorden over
+den bankdirecteur.
+
+Marcussen luisterde verwonderd naar deze uitbarsting, maar hij was 't
+er trouwens volkomen meê eens; hij ook voelde zich beleedigd in zijn
+zaak; en toen de professor zweeg, stelde hij voor, dat ze heel kalm
+Rasmus weer naar de bank terug zouden zenden, met de boodschap, dat
+het nu niet schikte deze papieren in te wisselen. Dan kon de professor
+Christensen onder handen nemen, als zij elkaar eens ontmoetten.
+
+Maar daar wilde de professor niet van hooren. Toen de toorn was
+uitgebarsten bleef alleen de schrik over; en hij begon Marcussen
+levendig uit te vragen of Fortuna niet iets te goed had in de boeken
+of contant in de kas.
+
+Marcussen streek zijn mooie knevel op en vertrok den mond tot een
+schuinschen glimlach--ongeveer als wanneer de meisjes geld wilden
+hebben:--
+
+"Als de professor werkelijk Christensens onbeschaamdheid verdragen wil,
+dan is er immers niets tegen die papieren in te wisselen."
+
+"Zoo--je hebt dus geld?"
+
+"We hebben 't niet liggen; maar we kunnen ons crediet gebruiken."
+
+"Crediet--Marcussen! Als de bank de wissels van de fabriek weigert
+is dat immers juist omdat ons crediet verzwakt is."
+
+"Pardon, Professor! maar in deze zaak gebruiken we ons crediet
+heelemaal niet."
+
+"'t Is een solide zaak, Marcussen."
+
+"Al te solide--ten minste in ons geval. Met den naam Carsten Lövdahl op
+'t papier kan ik in acht dagen een millioen krijgen."
+
+De professor leunde achterover in zijn stoel, hij wist, dat het
+waar was. De naam was uitstekend; het groote vermogen, dat op eens
+losgemaakt was, had zijn zaak den naam gegeven van een van de meest
+solide en contante van de geheele kust, en Lövdahl hoorde dat graag.
+
+"De fabriek heeft nog al veel schuld," zeide hij.
+
+"'t Beste zou zijn de fabriek naar den drommel te laten loopen,"
+zeide Marcussen openhartig.
+
+"Maar Marcussen, hoe kun je...!"
+
+"Pardon Professor!--ik meende alleen, dat we wel veel doen voor
+die fabriek."
+
+"'t Zal gaan met Fortuna; je zult 't zien,--jij en al die wijze
+heeren;--laat ons daar niet meer over praten.--Wat meende je met
+"ons crediet gebruiken?""
+
+Marcussen zag zijn chef aarzelend aan; hij had zijn handelsopvoeding
+gekregen in zaken, die hun crediet zeer goed tot het uiterste wisten
+te gebruiken.
+
+"Wij gaan naar de Noorsche bank en halen zooveel geld als we willen,"
+zei hij glimlachend.
+
+"Maar waar dekken we dat meê?"...
+
+Nu vond Marcussen dat 't mooi genoeg was--al die onschuld. En hij
+verklaarde daarom vlug en vloeiend:
+
+"We trekken voor de som, die we vandaag noodig hebben--b.v. op
+O. T. Falch-Olsen te Christiania met 6 dagen zicht, disconteeren de
+wissels in de Noorsche bank en zenden van avond per post ons drie
+maandsaccept tot dekking."
+
+"Hm, ja, dat zouden we kunnen doen," antwoordde de professor; maar
+de zaak was eigenlijk dat hij, die er zoo laat aan begonnen was, niet
+zooals Marcussen met wissels om kon gaan; hij was daarvan altijd een
+weinig onder den indruk en liet graag zulke dingen aan zijn vertrouwden
+vertegenwoordiger over.
+
+Marcussen voerde zijn plan in een ommezien uit en ging zelf naar
+de bank van Christensen om het genoegen te hebben daar eenige
+vriendelijkheden te zeggen.
+
+De administreerende directeur kromp dan ook ineen als een worm onder
+Marcussens scherpe tong,--'t was dan ook werkelijk al te dwaas een
+papier te weigeren, waarop Carsten Lövdahls naam stond.
+
+Maar de bankdirecteur Christensen, die aan 't ander eind van 't
+kantoor stond en deed alsof hij een paar papieren doorzag, nam de
+zaak heel kalm op. En toen Marcussen weg was en de directeur een
+bescheiden opmerking wilde wagen over zijn al te groote strengheid,
+nam zijn chef alleen maar het geld, dat Marcussen gebracht had op,
+en hield ze den directeur onder den neus.
+
+"Kijk eens naar deze bankbiljetten. Splinternieuwe banknoten uit de
+Noorsche bank!"
+
+"Ja, wat meent u daarmeê?"
+
+"Nu, dat beteekent geld opnemen op zijn eigen accept," fluisterde
+Christensen, en ging heen, om verdere vragen te voorkomen. Maar de arme
+directeur was dien heelen morgen in de war. Zijn vertrouwen op den
+neus van den bankdirecteur was juist even vast als zijn overtuiging,
+dat Carsten Lövdahl solide was, en dat evenwicht hield hem in de
+pijnlijkste onrust.
+
+Hij sprak ook met niemand over de verdenking, die Christensen in zijn
+ziel gezaaid had. En hoewel de naam van Carsten Lövdahl straalde in
+den glans van steeds toenemende macht, waren er toch op dit oogenblik
+eenige van die fijne, onzichtbare miasmen geboren geworden, die in
+de lucht zweven en zich verdichten tot een stil, zacht gesuis in
+'t riet, een fluisteren in de hoeken, een zweem van een gerucht,
+geheimzinnige toespelingen, een vragen, dat 't gerucht versterkt,
+algemeene spanning, tot de laster opeens opvlamt om een nieuwen naam
+die bedorven is, verteerd, versleten, gekauwd en weer uitgespuwd.
+
+Maar in de zaak van Lövdahl kwam van dezen dag af nog meer leven en
+omzet. Marcussen was er de man voor om zijn crediet te gebruiken, en de
+professor, die juist in dat jaar veel geld op koren verdiende, werkte
+met lust en vlijt en vond in Marcussen een medewerker, die hem kon
+volgen èn zijn plannen uitvoeren, en die--dit was 't voornaamste--nooit
+verlegen was om middelen of met vervelende bezwaren aankwam.
+
+De lange blonde knevel van Marcussen glansde en naarmate zijn positie
+als de eerste man op 't eerste kantoor van de stad den kring van zijn
+kennissen uitbreidde, strekte hij zijn werk onder de dienstmeisjes
+uit tot hoogere kringen en was spoedig de ridder onder de dames. Dat
+verbeterde zijn naam niet, die even slecht bleef, maar wel zijn
+manieren; en zijn onbeschrijfelijke brutaliteit tegenover vrouwen
+maakte hem eenvoudig onweerstaanbaar. Onder mannen was hij vroolijk
+en ruw, vol van de ergste histories; een heerlijke kameraad--tot
+alles bereid--tot drinken en betalen; dat laatste deed hij uit een
+dikke portefeuille, waar de muntjes en de bonte bladen uit het boek
+der liefde door elkaar lagen.
+
+Tegenover Abraham was hij altijd eerbiedig en nam nauwkeurig den
+afstand tusschen hen in acht. Maar juist daarom was Abraham, die
+daar niet van hield, dubbel vriendelijk en kameraadschappelijk. En
+daar het steeds meer bleek, dat Abraham het best op de fabriek thuis
+was, nam Marcussen langzamerhand de plaats op het kantoor in, die
+oorspronkelijk aan den zoon van den chef was toegedacht.
+
+Maar Abraham had de handen vol,--allereerst in zijn dubbele positie als
+de officiëele leider en de geheime dokter van de fabriek; bovendien
+had hij heel wat werk van allerlei aard als vicepresident van de
+arbeidersvereeniging.
+
+'t Was intusschen zijn lust en zijn leven bezig te zijn voor
+zulke dingen als het spaargeld van de arbeiders, hun ziekenfonds en
+dergelijke zaken; 't was dan ook door zijn positie aan de vereeniging,
+dat hij in staat werd gesteld de zaak van Steffensen in orde te
+brengen.
+
+Toen hij namentlijk een paar dagen er over had loopen denken wat hij
+doen moest naar aanleiding van Steffensens onrechtvaardig ontslag,
+werd de heele zaak hem ten slotte uiterst onaangenaam om over te
+denken. En hij zou er zich misschien geheel van hebben teruggetrokken,
+als niet altijd het beeld van Greta weer teruggekomen was,--zooals
+ze daar zat met haar riet en wilgentakjes en op hem wachtte met dat
+sterke vertrouwen, dat hij niet meer kon ontberen.
+
+'t Hinderde hem zóó, dat hij bijna niet tot zijn dagelijkschen gang
+naar de fabriek kon komen, omdat hij haar deur voorbij moest en wist,
+dat de oude in de kamer zat en haar telkens vertelde, dat hij haar
+deur voorbij ging.
+
+Eindelijk nam hij zijn vriend Kruse in vertrouwen en vertelde hem de
+heele geschiedenis.
+
+Kruse begreep alles. Hij zat zooals gewoonlijk, wat in elkaar gedoken
+en sloot de oogen half in een wolk van tabaksrook. In alle stilte
+zag hij dien sterken, knappen man aan, die geen raad wist met die
+kleine moeilijkheid en met een vlugge beweging sloeg hij de asch van
+zijn sigaar.
+
+"Ik vind niet, dat je hier herrie over moet maken."
+
+"Neen, niet waar? Wat voor den drommel geeft dat ook--om iets wat
+eigenlijk zoo onbeduidend is; ging 't om iets, dat de moeite waard was,
+dan zouden de hooge heeren 't wel voelen..."
+
+"Maar ik raad je aan om de zaak heen te gaan," ging Kruse droog
+voort. "We maken Steffensen tot chef in den winkel."
+
+"In de verbruiksvereeniging?"
+
+"Ja, dat is toch ook een baantje, en nog niet zoo'n verkeerd baantje,
+als de handel blijft toenemen zooals tot nu toe."
+
+"Maar denk je, dat ze hem willen hebben? Je weet, hij is niet gezien
+onder de arbeiders."
+
+"We moeten onzen invloed gebruiken, zooals Christensen zou zeggen. Ik
+kan Steffensen niet uitstaan--dat weet je; maar ik geloof, dat hij
+geschikt is om den winkel te besturen; en ik denk ook, dat jij dien
+uitweg wel goed zult vinden."
+
+"Natuurlijk! Ik zou heel blij zijn..."
+
+--"en nu nog iets," viel Kruse hem in de rede en zag den ander met een
+fijn glimlachje aan: "'t Is voor die brave heeren van de directie heel
+goed te zien, dat de arbeiders zich zelf helpen; den man, dien zij
+zonder reden hebben uitgestooten, helpen de arbeiders zelf aan brood."
+
+"Ja, ja, ja! Daar heb je ook gelijk aan. 't Is een prachtig idee! Dank
+je wel, Kruse! Ik dank je hartelijk."
+
+En Abraham sloeg het kleine mannetje krachtig op den schouder. Hij
+was verrukt, vol lust en ijver om aan den gang te gaan--direct!
+
+Maar toen hij weg was stond Peter Kruse lang met dat bittere glimlachje
+op de lippen in gedachten verzonken en eindelijk zei hij in zich zelf:
+"Ja zie eens, zóó worden ze--zij, die de besten en moedigsten van
+ons allen zouden kunnen zijn!"
+
+Abraham liep langzamer, naarmate hij dichter bij 't huis van Steffensen
+kwam; hij bereidde het tooneel voor, maakte het plan en wist, toen
+hij de hand aan de deurknop bracht, precies hoe hij het zeggen zou
+en wat indruk het op die twee menschen maken zou.
+
+"Goedenavond Steffensen, goedenavond Grete! 't is een heel poosje
+geleden, dat we elkaar zagen," zoo begon hij met een zachte stem,
+alsof hij wat moe was.
+
+"Ja, ik kan me wel voorstellen, dat u het druk gehad hebt," bromde
+Steffensen.
+
+Greta zeide niets, maar luisterde met hoopvolle verwachting.
+
+"Ja, ik heb 't druk gehad, met mijn eigen zaken en met die van
+anderen."
+
+Steffensen, die in 't begin dwars en stug was blijven zitten, werd nu
+onrustig. Die dagen van wachten hadden hem gedrukt. 't Was ook geen
+gekheid: een oud man met een blinde dochter en dan zonder werk! Wel was
+'t waar wat men zei, dat hij wat geld op de spaarbank had, maar dat
+had hij altijd gehoopt Greta te kunnen nalaten. Als hij nu dat geld
+moest gebruiken dan was er voor haar geen ander vooruitzicht dan de
+armenzorg, als hij er niet meer was. Hij probeerde nog zich goed te
+houden, maar in werkelijkheid zat hij bevend zijn vonnis af te wachten.
+
+"Nu," zei hij zoo barsch als hij maar kon, "zal ik nu stoker blijven
+of niet?"
+
+"Neen, je zult geen stoker blijven," antwoordde Abraham kalm.
+
+Hij voelde, hoe Greta, die naast hem zat, ineen kromp, maar Steffensen
+sprong op en begon te vloeken en te razen, zooals hij gewoonlijk
+deed. Abraham bleef heel kalm en had er pleizier in hoe het heele
+tooneel zich precies afspeelde zooals hij 't zich had voorgesteld. Nu
+vond hij het oogenblik gekomen het beslissende woord te spreken.
+
+"Herinner je je wel, dat ik beloofde de zaak in orde te maken?"
+
+"Jawel! En de oude Steffensen was dom genoeg het te gelooven."
+
+"Och, dat was nog zoo dom niet," antwoordde Abraham lachend--"en toen
+ik eenmaal op me genomen had te helpen, meende ik, dat het 't beste
+was 't afdoende te doen. 't Is een vrij hard werk met die machines,
+en in den winter voor de gezondheid gevaarlijk, zóó van de warmte in
+de open schuren--niet waar?"
+
+"'t Is een ellendig werk, maar je hebt er toch je brood door."
+
+"Ja, je brood!--Er zijn verschillende manieren om je brood te
+verdienen, maar als je oud wordt dan komt 't er op aan een manier
+te vinden, die voor je krachten past en je niet vóór je tijd om
+hals helpt."
+
+Steffensen voelde zich weer onzeker. Hij deed een paar stappen vooruit
+en keek Abraham met zijn strakke oogen vlak in 't gezicht.
+
+"Ik wilde je daarom de betrekking aanbieden van chef in den winkel
+van de arbeidersvereeniging."
+
+Steffensen was verbaasd. 't Eerste wat in hem opkwam was de lust om
+op de knieën te danken voor die redding uit armoede en ellende.
+
+Maar dat duurde maar een oogwenk; zijn lange haat tegen 't kapitaal,
+zijn ingewortelde gewoonte om onverzoenlijk en misnoegd te zijn zat
+hem te diep in 't bloed. Hij bromde maar wat van "dat je maar nemen
+moest wat zich voordeed als je eerst uit je werk getrapt was."
+
+Maar in werkelijkheid was hij zóó bewogen, dat hij naar de keuken
+ging, waar hij gedachteloos kopjes en emmers ging verzetten. 't
+Was algemeen bekend, dat de vrouw, die tot nu toe den verkoop in
+den winkel bestuurd had, geld had overgelegd en nu trouwen ging,
+ofschoon ze een weduwe over de vijftig jaar was.
+
+Eerst toen de oude was heengegaan, keerde Abraham zich naar Greta
+om van zijn triomf te genieten, maar hij werd teleurgesteld door de
+uitdrukking op haar gezicht.
+
+"Nu Grete?--ben je niet over me tevreden?"
+
+"Jawel! Ik dank je wel! Vader is zoo bang geweest, maar ik wist wel,
+dat je zou helpen en voor hem opkomen. Dat heb je toch gedaan?"
+
+"Ja, natuurlijk, dat kun je toch wel begrijpen," antwoordde Abraham
+wat verlegen.
+
+Greta werd dadelijk belangstellend, zoodat hij er haastig bijvoegde:
+
+"Je kunt er van op aan, dat ik hen voelen liet..."
+
+"Wat zei je? Toe vertel dat! wat zei je tegen hen? Was je vader
+er bij?"
+
+Dat interesseerde haar klaarblijkelijk 't meeste. Ze had haars vader
+bloed! En niets kwam haar zoo groot en heerlijk voor, als dat iemand
+zich tegen de machtigen verzette en hun de waarheid in het gezicht zei.
+
+Nadat het ontwaakt bewustzijn van den geheelen omvang van haar
+ongeluk haar liefde zoo teer, zoo pijnlijk gemaakt had, was ze
+tegenover Abraham niet zoo gelijkmatig als vroeger; en terwijl ze
+nu haar gezicht naar hem toekeerde--zoo gespannen, zoo vol liefde,
+zoo begeerig hem nog meer te mogen bewonderen--ja toen had Abraham de
+kracht niet dit eenige menschenhart los te laten, dat hem heel zijn
+geloof--heel zijn vertrouwen gaf. En hij begon te liegen.--Opgewonden
+en door haar vragen geleid werd hij vindingrijk; hij had zoo vaak
+met haar de reis gemaakt door fantastische sprookjes. Deze keer waren
+'t nu rondweg leugens; maar 't leek er toch wat op.
+
+En hij gaf een referaat van zijn heele toespraak die hij had willen
+houden, en die zoo begon: "Ik kom om mijn recht te eischen."--Ja,
+toen hij eenmaal aan den gang was gaf hij nergens meer om en beschreef
+hoe de heele directie gesmeekt had om Steffensen als stoker te mogen
+behouden; maar hij had het afgeslagen; hij--Abraham Lövdahl--zou de
+hooge heeren toonen, dat de arbeiders zich zelf kunnen helpen.
+
+Maar te gelijkertijd voelde hij, dat hij vuurrood werd, toen hij
+haar liet beloven niets van dit alles aan iemand te zeggen, zelfs
+niet aan Steffensen.
+
+Greta straalde en merkte niets en Abraham trachtte zijn slecht geweten
+gerust te stellen en nam haar bewondering aan. Nu was 't maar goed,
+dat ze hem niet zien kon. 't Zou hem onmogelijk geweest zijn zoo te
+doen tegenover een paar oogen, een paar niet te ontwijken oogen!
+
+"Wat scheelt je? Abraham! Waarom loop je van me weg? Waar ben je? Kom
+weer hier en ga zitten."
+
+"Neen Grete! ik moet weg. 't Is al laat. Goeie nacht!--ik kom gauw
+terug."
+
+Abraham keerde van zijn triomftocht terug met gebogen rug, schuw en
+zoo wonderlijk slap in de beenen. Niets van alles wat hij probeerde,
+hielp. 't Was waarlijk geen kleinigheid wat er gebeurd was; want
+'t waren leugens, echte, zonneklare leugens! Hij had wel vroeger al
+gelogen zoo in 't klein; maar nooit zóó laf, zóó met opzet.
+
+En een paar groote, diepe oogen hadden als 't ware plaats genomen in
+dat blinde gezicht en een oogenblik voor hem gestaan. En hij kon ze
+niet ontwijken, wat hij ook deed en hoe hij zich wendde en keerde;
+hij moest aan zijn moeder denken, met pijn en tegenzin, maar hij moest!
+
+Naarmate de tijd voorbij ging en hij in 't werk in kwam kreeg ook
+de kapelaan Maarten Kruse veel te doen. Zijn priesterlijk ambt
+nam hij waar door Zondags te preeken op zijn beurt en een of ander
+bijbellezing te houden, zoodat de leekenpredikanten geen voorwendsel
+tot aanmerkingen zouden hebben. Maar overigens werd zijn tijd eigenlijk
+gezegd--door zeer wereldsche zaken in beslag genomen, en hij werd
+een trouw bezoeker van Lövdahls kantoor--altijd door de achterdeur.
+
+'t Nieuwe principe van Marcussen, dat het crediet gebruikt moest
+worden, maakte het wenschelijk voor de zaak van den professor meer
+en solide endossanten te hebben. Tot nu toe had men bijna geen andere
+namen noodig gehad dan Consul With, maar nu zou 't goed zijn er meer
+te hebben; en Marcussen stelde de oude Jörgen Kruse voor.
+
+De professor legde toen den kapelaan uit hoe 't eenvoudig dwaas was in
+tijden als deze geld te laten liggen voor nauwelijks vier procent en
+'t gevolg werd spoedig, dat er voorzichtig handelsbetrekkingen werden
+aangeknoopt tusschen Jörgen Kruse en Carsten Lövdahl.
+
+De oude Jörgen moest de geschiktheid voor zaken doen van zijn zoon
+bewonderen, al was hij 't niet altijd eens met de jongelui als ze
+geld opnamen. Maar hij kon toch over 't geheel niet tegen Maarten op,
+want zoodra er oneenigheid kwam werd de zoon opeens predikant en dan
+wist de oude Jörgen niet hoe hij zich houden moest. Zoo kwam heel
+wat van Kruses goed bewaard geld voor den dag--"om in de zaak van
+Lövdahl gestoken te worden,"--zooals Maarten 't noemde en de rente
+was een aardig sommetje bij de eerste half jaarlijksche afrekening,
+dat moest de oude Jörgen zelf toegeven. En langzamerhand werd het
+gewoonte onder de menschen om hun spaarpenningen naar Carsten Lövdahl
+te brengen; de hoogere rente, die hij gaf maakte, dat de sierlijke
+"rekening-couranten" van Marcussen verre boven 't spaarbankboekje te
+verkiezen waren.
+
+En toen de oude Jörgen eerst den smaak beet kreeg van deze inkomsten,
+verkregen zonder moeite en bijna zonder risico, gaf hij zijn dwaze
+kleingeestige voorzichtigheid op en werd bijna nog begeeriger dan zijn
+zoon om met die schitterende zaak van Lövdahl aan den gang te gaan,
+waar zooveel goud uit vloeide.
+
+Toen Maarten Kruse zijn vrouw voor 't eerst de renten van 't geld
+bracht, dat langzamerhand bij Carsten Lövdahl geplaatst was, legde
+Mevrouw Frederika haar magere armen om den hals van haar man en
+fluisterde:
+
+"Dat is zeker bijna zeven procent, Maarten."
+
+"Dat weet ik niet; ik heb 't niet nagerekend," antwoordde Maarten
+met waardigheid; "maar 't schijnt wel alsof een rijke zegen dien
+man begeleidt."
+
+"Maar dit geld--zullen we dat niet in de bank zetten? Dat is toch
+zekerder."
+
+"Zooals je wilt, Frederika."
+
+En toen werd dit geld in de bank gezet.
+
+Maar acht dagen later zei Mevrouw Kruse:
+
+"Weet je Maarten, hoeveel we in deze week verloren hebben?"
+
+"Hebben we wat verloren?"
+
+"Door die rente--je weet wel--in de bank te zetten in plaats van bij
+Lövdahl hebben we meer dan drie gulden in één week verloren.--Ik heb
+het uitgerekend."
+
+"Zoo!" antwoordde haar man teleurgesteld, en er ontstond een pauze.
+
+De predikant zat in zijn vaders couranten te lezen--zij werden 't
+eerst bij de jongelui gebracht;--en Mevrouw Frederika was bezig een
+hoed te maken van een zwarte das, die Maarten niet langer gebruiken
+kon, omdat hij altijd met een witte das liep.
+
+"Zeg eens," zei eindelijk Mevrouw Frederika, "vind je niet, dat er
+iets verkeerds in is om zoo 't geld te verspillen. Denk eens aan deze
+drie gulden. Wat hadden we daar niet voor kunnen koopen!"
+
+"Of ze weggeven, Frederika."
+
+"Ja zeker, denk eens aan hoeveel armen hadden we niet met dat geld
+kunnen voeden, die nu niemand ten goede komen?--Ik geloof wezenlijk
+dat je naar den professor moet gaan--ja, want je ben toch wel zeker
+van hem?" en alsof die vraag alleen haar al ontzette, richtte zij
+haar scherpe vogel-oogen op haar man.
+
+Maarten antwoordde door van uit de hoogte de schouders even op
+te halen.
+
+"Wil je, dat ik dat geld ook naar Lövdahl breng?" vroeg hij.
+
+"Ja, je moet maar doen wat je wilt; maar ik vind wel,... ja, je weet
+dat ik van zulke dingen geen verstand heb; maar 't komt me voor,
+dat het eenvoudig verkeerd--zonde--is iets verloren te laten gaan."
+
+Toen Marcussen den volgenden dag in het kantoor van den chef geroepen
+werd door de electrische bel, riep de professor hem opgeruimd toe:
+
+"Je hadt gelijk, Marcussen! De dominé is hier geweest met het geld."
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+
+De baker had gelijk, toen ze de eerste dagen na de geboorte van kleine
+Carsten steeds herhaalde, dat Mevrouw te jong was om dadelijk het
+heele geluk te voelen van een kind te hebben;--dat zou wel komen.
+
+Want toen Clara er zich van overtuigd had, dat haar schoonheid niets
+geleden had, omringde ze den kleine met een liefde zoo begeerig en
+jaloersch, dat ze zich bijna op voet van oorlog voelde met allen,
+die haar omgaven en zich een beetje eigendomsrecht op het kind wilden
+toeëigenen.
+
+Ze knorde op verpleegsters en kindermeisjes, omdat ze er geen verstand
+van hadden hoe 't kind behandeld moest worden. Zoolang de kleine gezond
+was kwam het door dat Clara hem behandelde volgens een boek of volgens
+lange brieven van haar moeder. Maar kwam er wat maagpijn of zooiets,
+dan was 't altijd doordat de verpleegster of 't dienstmeisje--of
+iemand anders--iets doms of verkeerds gedaan had.
+
+Dat kind was een stuk van haar eigen schoonheid, van haar eigen
+volkomenheid; daarom moest het zijn--en opgroeien als--een manlijk
+evenbeeld van haar; het moest zich eenmaal vertoonen in de stad en
+aan de familie en vrienden, aan de versmaadde balcavaliers, ja voor de
+heele hoofdstad tot op het Koninklijk Paleis toe, als het meesterstuk
+van Clara Meinhardt.
+
+"'t Schijnt, dat je kleine Carsten als jouw uitsluitend eigendom
+beschouwt," zei Abraham goedig, als ze hem niet wilde toestaan bij
+het kind te komen.
+
+"Ja, dat doe ik;--dat spreekt!"
+
+"Maar ik dan!" riep Abraham lachend, "je behandelt me heelemaal als
+oud kruit."
+
+"Wat is dat nu voor onzin?"
+
+"Der Mohr hat seine schuldigkeit getan, der Mohr kann gehen."
+
+"Ja, dat kan hij ook," antwoordde Clara zonder een spoor van een
+glimlach.
+
+Maar Abraham lachte; hij wilde dit niet in ernst opnemen; hij wilde
+gelukkig zijn. Hij had een zoon, die van hem was; en hij zou den
+jongen wel naderen, later! 't Was zoo natuurlijk, dat de moeder den
+eersten tijd heelemaal voor hem zorgde.
+
+Alleen met één kon en wilde Clara het kind deelen. De professor had
+ten allen tijde toegang; en hij werd ontelbare malen de wenteltrap
+opgeroepen voor een consult of soms ook alleen, omdat Grootvader zien
+moest hoe lief hij was--kleine Carsten in 't bad.
+
+En Moeder en Grootvader konden uren bij de wieg zitten te lachen en
+iederen trek te bewonderen in dat kleine gezicht, waarin ze allerlei
+glimlachen, familiegelijkenissen en sporen van intelligentie ontdekten,
+terwijl 't kind--oprecht gesproken--'t meest op een zieken aap geleek.
+
+De professor was zóó vol van dat kind, dat hij 't stof van een paar
+geneeskundige geschriften afborstelde en de kinderziekten weer ging
+"repeteeren." 't Was zijn lust en zijn vreugd, dat kleine wezen,
+dat zijn naam dragen zou. En als hij in de diepe stilte midden in
+zijn groot kantoor van verre 't geluid van 't schreien van een kind
+hoorde, dan leunde hij achterover in zijn stoel en glimlachte tegen
+de geluksgodin, die half zwevend hem haar krans reikte en ook tegen
+hem glimlachte.
+
+Ook aan haar vriendin, Mevrouw Frederika, vertoonde Clara soms haar
+kind, want zij had er geen en 't scheen ook niet, dat ze kinderen
+krijgen zou; en Clara was er trotsch op dit boven haar voor te hebben.
+
+Want wat zuinig huishouden betreft moest zij erkennen, dat Mevrouw
+Frederika verre haar meerdere was. Wel behoefde Clara niet zuinig te
+zijn, en dat was ze ook eigenlijk niet; maar ze had toch van haar
+moeder de liefhebberij geërfd om zuinig met de boter te zijn en de
+suiker voor de dienstmeisjes weg te sluiten.
+
+Mevrouw Frederika leerde haar een menigte kunstjes met het vet in
+'t eten, met aanmaken met meel, stroop en chicorei en--Liebig niet
+te vergeten; en Mevrouw Clara maakte er zich een gewetenszaak van
+haar man en haar dienstboden te onthalen op sommige mystieke zaken,
+die zij moesten eten.
+
+Op andere oogenblikken,--b.v. bij partijen, deinsde ze niet voor
+uitgaven terug. Royaal te zijn en veel geld uit te geven, als
+de menschen het zagen, lag eigenlijk in haar aard--vooral met een
+verfijnde manier van uitpingelen; op 't oogenblik, dat ze de kookvrouw
+vrij liet rondtasten in truffels en oesters, verzuimde ze nooit de
+pruimen te tellen voor de zoete soep van de dienstboden.
+
+Voor Mevrouw Frederika was een bezoek en vooral een partij in dat
+huis, waar zooveel omging, werkelijk aangrijpend. Haar valken-oogen
+rustten op alles wat er verbruikt werd en taxeerden alles wat er werd
+verspild. En daarna voelde ze zich alsof ze had meêgedaan aan een
+waanzinnige overdaad, die ze zelf moest herstellen door nog zuiniger op
+'t allerzuinigste uit te zuinigen.
+
+Ze benijdde waarlijk haar vriendin niet; 't moest vreeselijk zijn
+aan 't hoofd van zulk een huis te staan. Want Mevrouw Frederika
+begeerde eigenlijk niet rijk te zijn; veel te bezitten; evenmin had
+ze een bepaalde vrees voor de ontberingen en de bekrompenheid van de
+armoede,--ze had in werkelijkheid zoo weinig noodig.
+
+Haar hartstocht was de bewustheid, dat alle penningen, die maar op
+een of de andere manier tot haar konden komen--ook werkelijk kwamen;
+dat geen enkele cent van haar wegkwam, die op een of andere manier
+uitgespaard had kunnen worden. Ze was een goudmijn voor haar man en
+werd zeer bewonderd.
+
+Neen--als ze Clara Lövdahl iets benijdde, dan zou 't haar man
+zijn;--hij was met zoo weinig tevreden,--dàt moest ze bewonderen.
+
+Als ze hoorde met wat voor middageten de rijke, verwende Abraham
+Lövdahl genoegen nam moest ze wel eens aan haar man denken;--hem
+kon ze waarlijk niet makkelijk foppen met opgewarmde restjes en
+dergelijke zaken.
+
+Maar dat kwam ook doordat Maarten niet sterk was,--en behalve dat
+had hij aan goed, krachtig voedsel behoefte in zijn moeilijke
+betrekking. En in 't huis van den kapelaan was 't daardoor
+langzamerhand gewoonte geworden, dat de huisvader uit een
+afzonderlijken schotel at; terwijl de huisvrouw, die trouwens bijna
+geen voedsel noodig had, iets anders kreeg, dat men eigenlijk niet
+den naam van een of ander bepaalde spijze geven kon.
+
+--Zoodra Clara Lövdahl zich weer geheel hersteld voelde, wilde zij
+vergoeding hebben voor den langen, vervelenden en pijnlijken tijd, dien
+ze had doorgemaakt; ze bracht leven en beweging in 't oude huis--ja
+in de geheele stad. Ze gaf den stoot aan een druk converseeren en een
+feeststemming, die naar alle kanten uitsloeg en ieder meêsleepte en den
+geheelen winter opvroolijkte door schitterende bals, fakkeloptochten op
+'t ijs, champagne en raketten.
+
+'t Was wel Clara Lövdahl niet alleen, die de bedaarde stad op stelten
+bracht; maar zij sloeg op het rechte oogenblik den rechten toon
+aan; en ze vond weerklank in de blijdschap en 't gejubel van alle
+kanten. Niet alleen bij de grooten, zooals de Lövdahls, de Withs,
+de Garmans--maar ook onder de kleine burgerij was men uitgelaten in
+dezen winter. Er was niet één bekommerd gezicht te zien--behalve dat
+van den bankdirecteur Christensen; en dat verhoogde de vroolijkheid.
+
+Er gaat soms zulk een geest van uitgelatenheid door kleine afgelegen
+groepen menschen, als ze lang geslapen hebben. Een prins of een
+landbouwtentoonstelling brengt de machine aan den gang en dan gaat
+het door, slag op slag met feesten en partijen.
+
+Zij, die geld over hebben, halen 't voor den dag en zij, die 't niet
+hebben kunnen 't met alle genoegen te leen krijgen; en er ontstaat een
+royaliteit en een overdaad, zóó dat de verraste kooplieden champagne
+en zware zijden stoffen uit Hamburg laten komen.
+
+Maar die champagne wordt nooit betaald en als een vreemde klant vele
+jaren later verbaasd wordt door 't vinden van een prachtige zijden
+stof in een stoffigen, halfleegen winkel, dan antwoordde de koopman:
+"Ja, ziet u, dat goed is nog uit den prinsentijd," en hij schudt
+weemoedig zijn gefailleerd hoofd.
+
+Deze keer was het dus Mevrouw Clara, die de vroolijkheid aan den
+gang bracht; maar ze had ook goede hulp. Allereerst in den professor,
+die dat juist "la haute finance" vond: bals, concerten en maskeraden
+'s avonds en groote omzet, massa's brieven en expedities 's morgens
+op het kantoor.
+
+Hij deed meê met alle vermaken en was het zelf, die Clara aanmoedigde
+en haar hielp met iets nieuws, pikants te bedenken.
+
+Consul With was ook een zeer te waardeeren medewerker; zijn
+specialiteit was maskeraden. Hij had een garderobe, groot genoeg voor
+een heel tooneel en was onvermoeid bezig en altijd bereid om er van
+uit te leenen, als hij maar een maskerade in orde kon brengen of ook
+maar een eenvoudig pretje, waar verkleeden bij te pas kwam.
+
+Booze tongen beweerden, dat die liefhebberij van den consul hieruit
+ontstond, dat hij alleen onder zijn meesterlijke verkleedingen
+zich des avonds wat kon vermaken; daar zijn vrouw--"de strijkplank"
+genaamd--hem scherp in 't oog hield. En dat was noodig; want de naam
+van Consul With was bijna nog erger dan die van Marcussen.
+
+Ook Marcussen bracht Clara aan den gang; het amuseerde haar hem in
+een voortdurende verwarring te houden. In 't eerst lette hij niet op
+haar, anders dan in eerbiedige bewondering voor de mooie vrouw van
+zijn patroon; maar Clara gaf hem spoedig wat anders om over te denken.
+
+Ze kende zijn leven goed en wist, dat hij onder de burgermeisjes in de
+stad onweerstaanbaar was. Nu zou 't haar amuseeren dien mooien lompen
+visch te vangen, om hem te zien spartelen onder haar behandeling van
+uit de hoogte.
+
+En hij beet dadelijk--maar ze trok te vroeg aan het snoer.
+
+Want hoe weinig fijn Marcussen ook was--een vrouw bedroog hem niet
+gemakkelijk. En daar hij onmiddellijk merkte waar hij voor gebruikt
+zou worden, bleef hij haar eerbiedige ridder, zonder ooit de kleine
+wenken tot toenadering te willen begrijpen.
+
+Clara verbaasde en ergerde zich; die kleinsteedsche ridder--wou hij
+niet toegeven? Ze zou hem dwingen! Maar daardoor werd haar manier
+van doen zoo wonderlijk gemaakt, dat Abraham eens, na een partij tot
+Clara waagde te zeggen:
+
+"Zeg eens, je verwent ons dien Marcussen."
+
+"Wat meen je?"
+
+"Je neemt te veel notitie van hem. Hij is immers niet anders dan..."
+
+"dan je vaders kantoorbediende?--dat was 't zeker wat je zeggen
+wou; ja, jij meent 't nog al eerlijk met je praatjes over vrijheid
+en gelijkheid. Als 't er op aan komt, ben je een belachelijke
+aristocraat."
+
+"Ik wou niets van zijn positie zeggen, ik wou zeggen..."
+
+"Ja, dat wou je wèl zeggen, dat kon ik aan je gezicht zien."
+
+Abraham Lövdahl was nu bijna twee jaar getrouwd; over zulke dingen
+disputeerde hij niet meer en hij wilde zwijgend zijn courant nemen.
+
+Maar nu wilde Clara juist weten wat hij bedoelde. Zij eischte, dat
+hij zou verklaren wat hij met zijn insinuaties meende; waarom hij
+haar allerlei verwijten deed en...
+
+"Nu, nu Clara! antwoord me nu eens: vind je werkelijk, dat Marcussen
+fatsoenlijk is."
+
+"Hij is mooi, veel mooier dan jij."
+
+"Ieder zijn smaak!" antwoordde Abraham vroolijk; hij wist best, dat
+hij knap was en dat ze dit alleen zei om hem te ergeren, "maar vindt
+je dat hij beschaafd is."
+
+"Nu, weet je wat? ik ken veel getrouwde mannen, die van den heer
+Marcussen hoffelijkheid tegenover dames konden leeren."
+
+"Denk je, dat die sierlijke kunsten een getrouwd man goed zouden
+staan?"
+
+"Je zoudt 't altijd kunnen probeeren. Maar nu wil ik weten, wat je
+mij tegenover Marcussen te verwijten hebt."
+
+"Zijn naam..."
+
+"Dien ken ik; de meeste mannen hebben geen al te besten naam; wil
+jij misschien den eersten steen werpen?"
+
+"Ik wil heelemaal niet over me zelf spreken; maar 't verwondert me,
+dat jij, Clara! die werkelijk zoo scherp ziet, als je dat wilt,--dat
+jij de innerlijke ruwheid niet ziet, die bij Marcussen door alles
+heen schijnt."
+
+"Je ben jaloersch,--ja, dat ben je."
+
+"Och neen, ik ben waarachtig niet jaloersch."
+
+"Meen je dat ik, die zoo scherp zie, zooals je zegt, de jaloezie niet
+uit je oogen zie kijken? Dat is wel een mooie trek van je! Herinner
+je je den tijd wel toen je den lof zong van de gelijke rechten,
+dezelfde eischen voor man en vrouw, het weerkeerig vertrouwen..."
+
+"Nu, wat zou dat?"
+
+"Wat dat zou?--ja, jij ben een mooie Eman... Emancipist!" riep Mevrouw
+Clara, "je ben geen haar beter dan al die andere ellendige mannen;
+terwijl jij van je vrouw verlangt..."
+
+"Wat meen je, Clara? Ik?--"
+
+Toen keerde ze zich naar hem toe en haar mooie blauwe oogen werden
+koud als glas.
+
+"Greta Steffensen," zei ze halfluid.
+
+Abraham sprong op bij dien naam en Clara maakte daar dadelijk
+gebruik van.
+
+"Ja, je ziet, ik weet er alles van; je meent misschien, dat het je
+mooi staat hier met je afschuwelijke en onredelijke jaloezie aan te
+komen, terwijl je zelf zooiets op je geweten hebt."
+
+"Maar ben je nu heelemaal gek, Clara! 't is immers een arm blind kind."
+
+--"Ja blind moest ze ook wel wezen--"
+
+"om door mij bekoord te worden?" ging Abraham voort en moest er toch
+om lachen.
+
+"Dat wou ik heelemaal niet zeggen," antwoordde Clara en wendde zich
+af.--Want dat had ze juist willen zeggen, maar ze hield op, omdat ze
+zelf voelde, dat het al te dwaas was.
+
+Intusschen herwon ze spoedig haar kalmte en terwijl ze hem voorbij
+ging zei ze--met de stem van haar moeder:
+
+"Hoe dat alles nu zijn mag--ik verzoek van je jaloezie verschoond te
+blijven; pas jij maar op je eigen zaken, ik zal wel voor de mijnen
+zorgen. Goeie nacht!"
+
+Na dat gesprek werd Abraham bang, dat praatjes en booze tongen
+zijn verhouding met Greta konden bederven; en ze was hem onmisbaar
+geworden. Langzamerhand was zijn liefde van Clara weggegleden; hij
+had immers al spoedig ingezien, dat het onmogelijk was de dwepende
+liefde te bewaren, die hij in 't begin voor haar had gevoeld en
+wanneer het nog niet ten volle tot hem was doorgedrongen, hoe ver zij
+in werkelijkheid van elkaar stonden dan was dat meer omdat Abraham
+in zijn karakter een bepaalden tegenzin had om diep in een toestand
+door te dringen, waar hij op den bodem iets droevigs of verontrustends
+vermoeden kon.
+
+Maar de behoefte aan toewijdende liefde, die bij Clara geen
+beantwoording vond, keerde zich naar Greta,--natuurlijk en zonder dat
+hij aan iets verkeerds dacht. Nu wist Abraham heel goed, dat hij Greta
+liefhad en dat hij gelukkig was met haar onschuldig vertrouwen; alle
+wenschen, die verder gingen dan dit hield hij van zich af; hij had
+zich zelf beloofd, dat hij in deze zaak ten minste volkomen eerlijk
+en rechtschapen wilde zijn.
+
+En voor hem, die telkens in de kleine dingen van 't leven uitweek,
+waar hij recht door zee had moeten gaan;--zweeg, waar hij had moeten
+spreken--werd deze verhouding met Greta een toevluchtsoord voor
+een behoefte in zijn karakter, die van zijn jeugd af onderdrukt
+geworden was: hij voelde zich als haar ridder; zij was volkomen in
+zijn macht; maar hij zou die nooit misbruiken. En toch was ook hier
+een schaduw. Als Abraham over zijn leven dacht, kwam het hem voor alsof
+'t zijn onverbiddelijk noodlot was, dat juist hij, die in werkelijkheid
+zoo graag alles helder en zuiver om zich heen zou hebben,--dat juist
+hij telkens in kleine onwaarheden moest raken, lastige kleine dingen,
+die hij in 't begin de moeite niet nam om ze weg te ruimen, maar er
+over heen stapte, en die dan later achter zijn rug opgroeiden tot
+groote lastige dingen met lange schaduwen.
+
+Waarom moest het nu weer zoo gaan, dat hij er toe kwam Greta voor
+te liegen!
+
+Want het bleef niet bij dien éénen keer. Toen hij zag hoe gelukkig het
+haar maakte, werkte hij zijn heele leven om naar wat grooter maatstaf
+en vertelde van zijn kindsheid en jeugd, van dag tot dag. De draad
+was echt en waar, maar 't waren juist de versierselen, waar Greta
+'t meeste prijs op stelde.
+
+Hij vertelde--en schaamde zich, en vertelde weer, tot de schaamte
+uitsleet; en die lange uren als hij zoo voor haar zat uit te werken
+wat hij gedaan had en vooral, wat hij zou doen in dit of dat geval--ze
+werden hem liever dan al 't andere. Niet alleen, dat hij 't geluk
+genoot bij haar te zijn; maar de fantastische verhalen zelf begonnen
+iets ontspannends voor hem te krijgen. Zij kwamen te gemoet aan het
+leege, slappe van zijn leven.
+
+Zoo werd hij een meester in dat soort van verdichting en zij werd
+nooit moede te vragen en te bewonderen.
+
+--Maar in zijn huis moest Abraham zich inspannen om zich niet als
+een vreemde te voelen. Door de vriendschappelijke verhouding tusschen
+Clara en den professor werd hij wat overcompleet. Naar verschillende
+vermaken ging hij meestal meê, maar wat hij niet verdragen kon--waar
+hij rondweg 't huis voor ontweek--was een eigenaardig soort vroomheid,
+die Clara bezig was in te voeren.
+
+Mevrouw Lövdahl had om de conversatie in dit saisoen een buitengewone
+vaart te geven zich ook met veel weldadige dames vereenigd en een
+schitterende bazar met dans en tooneelspel op touw gezet.
+
+En na dien tijd kreeg ze smaak voor half godsdienstige bijeenkomsten
+met een kopje thee en een predikant.
+
+De professor schertste in 't begin met zijn mooie schoondochter
+over die plotselinge vroomheid. Maar al spoedig was 't alsof hij 't
+anders ging inzien. Hij stemde zelfs toe den post op zich te nemen
+van president van de vereeniging voor gevallen vrouwen in de gemeente
+van Sint Peter, van welken post de consul With om zekere redenen zich
+gaarne ontheven zag.
+
+Dit:--dat zijn vader meêdeed--kon Abraham 't allerminst verdragen;
+want hij wist toch wel zooveel van de opvatting van den godsdienst
+door den professor, dat hij onmogelijk gelooven kon, dat de oude man
+van wetenschap nu met een oprecht hart psalmen zat te zingen met de
+dames en meê ging naar de kerk, ja zelfs naar 't avondmaal met Clara.
+
+Maar daar kon hij immers met zijn vader niet over spreken. Hij ging
+hem daarom maar uit den weg.
+
+Overigens was er over den professor een levendigheid, een rustelooze
+werkzaamheid gekomen, die Abraham soms bijna angstig kon maken. Aan
+alle partijen nam de oude man deel en vroeg en laat was hij in
+'t kantoor.
+
+Op een dag liet hij Abraham een wissel onderteekenen.
+
+Abraham nam lachend de pen.
+
+"Ja, kan ik u een pleizier doen met mijn naam dan met alle
+genoegen. Iedereen weet wel, dat ik geen cent bezit!"
+
+"'t Is ook alleen maar voor den vorm," zei de professor snel, en nam
+het papier aan. "Mijn naam is 't voornaamste."
+
+"Ja, uw naam is als de koeien van Farao; die verslindt den mijnen en
+wordt er geen greintje vetter door."
+
+"Maar jouw naam Abraham, zal eens even goed worden als de mijne!"
+
+"Ach Vader! Ik word toch nooit zoo'n koopman als u."
+
+"We zullen zien, mijn jongen," antwoordde de professor; maar lang nadat
+Abraham het kantoor had verlaten, zat hij in gedachten verdiept,--in
+onrustige gedachten.
+
+
+
+
+
+
+XII.
+
+
+"Mijnheer de bankdirecteur!--nu begin ik in ernst te gelooven, dat
+u me tegenwerkt."
+
+"Volstrekt niet, Professor! integendeel! Niemand kan er meer naar
+verlangen u te helpen dan ik."
+
+"Te helpen?--Dank u! maar ik heb waarlijk geen hulp noodig."
+
+"Neen, neen. U begrijpt me verkeerd, ik meende alleen, dat in deze
+slechte tijden--"
+
+"Och, die crisis is een idee fixe van u, Mijnheer Christensen, en u
+weet, ik geloof er niet aan."
+
+'t Gesprek had een heele poos geduurd en de beide heeren waren
+tamelijk opgewonden--ieder op zijn manier. Vooral was 't gezicht van
+den professor als gevlamd, en hij speelde zenuwachtig met zijn lineaal.
+
+Christensen was kalmer; hij snuffelde alleen wat meer dan gewoonlijk
+en keek rond in het kantoor.
+
+"Welnu, Professor Lövdahl--crisis of geen crisis--één ding is zeker. En
+dat is, dat Fortuna hoe eer hoe liever moet liquideeren."
+
+Dat kwam zóó plotseling,--dat de professor een oogenblik als verstomd
+bleef zitten met wijd opengesperde oogen.
+
+"Moet dat een grap verbeelden, mijnheer Christensen?"
+
+"In 't geheel niet, helaas! Ik dacht, dat u 't volkomen met mij eens
+zoudt zijn: u moet den heelen toestand immers nog beter kennen."
+
+"Ja, dat doe ik ook; en ik kan u verzekeren, dat er in 't geheel geen
+sprake kan zijn van de mogelijkheid waar u van spreekt. Maar nu zal
+ik u eens wat zeggen, Mijnheer Christensen! U hebt, van den dag af,
+dat ik administreerend directeur van Fortuna werd, gedaan wat u kon
+om mij te doen vallen en toen u dat niet lukte, hebt u geprobeerd de
+fabriek zelf te schaden; daarom komt u met al uw bezorgdheid op de
+algemeene vergaderingen, en om dezelfde persoonlijke redenen hebt u
+de Fortunawissels uit uw bank verdreven."
+
+"Persoonlijke redenen? Professor!"
+
+"Ja, ik noem dat persoonlijke redenen;--want dit alles komt, doordat
+uw ijdelheid niet verdragen kon, dat ik president werd toen Mordtmann
+heenging; nu weet u het!"
+
+De professor was geheel buiten zich zelf en liep de kamer op en neer;
+Christensen voelde aan zijn neus en glimlachte zoowat achter zijn hand:
+
+"Laat ons beiden niet over persoonlijke ijdelheid spreken, Professor
+Lövdahl!--'t Zou beter zijn als we gezamenlijk het ongeluk trachtten
+te dragen. Die fabriek is--een mislukte onderneming--laat ons maar
+beginnen met dat te erkennen."
+
+"Volstrekt niet--dat wil ik in 't geheel niet erkennen. De fabriek
+is goed en wordt goed bestuurd; maar de samenloop van omstandigheden
+is buitengewoon ongelukkig geweest."
+
+"Ja, dan ben ik genoodzaakt u te zeggen, Professor,--dat mijn bezoek
+bij u vandaag ten doel had er u op voor te bereiden, dat ik voornemens
+ben op de eerstvolgende algemeene vergadering een voorstel in te
+dienen tot liquidatie van de fabriek."
+
+"Ga uw gang"--antwoordde de professor, keerde zich om en ging naar
+het middenste venster in de kamer.
+
+Hij was zoo heftig bewogen, dat hij 't een poos lang niet begreep;
+maar terwijl hij daar in den tuin staarde, waar de crocussen zich
+langs den kant van de paden begonnen te vertoonen kwam de geheele
+toestand met al zijn gevaar hem helder voor den geest.
+
+De positie van Fortuna was helaas uiterst slecht--niemand wist dat
+beter dan hij zelf, die met groote persoonlijke offers de fabriek
+in leven en in oogenschijnlijken bloei gehouden had. 't Was niet
+onmogelijk, dat de aandeelhouders, als ze volkomen over den staat van
+zaken werden ingelicht, de voorkeur zouden geven aan een liquidatie,
+en dan zou hij zelf staan als iemand, die zijn medeburgers verlies
+berokkend had; zijn heele positie, al de aanbidding, die hem zoo lief,
+zoo onontbeerlijk geworden was--'t zou alles weg zijn.
+
+Maar iets veel--veel ergers rees in vage omtrekken voor hem op:
+als de fabriek failliet ging zou zijn naam half bedorven zijn, zijn
+crediet zou een stoot krijgen, de allergrootste moeilijkheden konden
+daaruit voortvloeien. Carsten Lövdahl voelde dat zijn knieën knikten;
+dàt mocht nu niet gebeuren; de tijden waren werkelijk dreigend. Alles
+kon nog terecht komen; als hij maar tijd had! Een oogenblik zonk
+zijn moed zóó zeer, dat hij er aan dacht zich te verootmoedigen en
+Christensen te vragen zijn voorstel niet in te dienen.
+
+Maar terwijl hij zich weer tot den bankdirecteur wendde, die langzaam
+zijn handschoenen aantrok, kreeg hij een goeden inval:
+
+"Als u zoo angstig voor uw aandeelen in Fortuna is, dan is 't beter,
+dat ik ze overneem. Hoeveel hebt u op 't oogenblik?"
+
+"Ik heb er tien, maar ik kan niet verwachten, dat u ze weer terug
+zult nemen, Professor."
+
+"Wees u maar niet bekommerd over mij," zei de professor en lachte
+wat uit de hoogte, "de vorige vijf aandeelen, die ik van u kocht,
+heb ik een half uur later met winst verkocht."
+
+"Waarlijk?"--antwoordde Christensen beleefd. "Zoudt u ook deze
+aandeelen voor den vollen prijs willen overnemen?"
+
+"Tegen pari--zooals laatst--natuurlijk," antwoordde de professor,
+"en dan hoop ik, dat u zult inzien, dat uw voorstel de fabriek te
+liquideeren minstens ontijdig wezen zou."
+
+"Nu kan er van dat voorstel immers geen sprake meer zijn; nu ik niet
+langer aandeelhouder ben, treed ik natuurlijk uit de directie op de
+eerstvolgende algemeene vergadering."
+
+Die wending had de professor niet voorzien. Als Christensen uit de
+directie van Fortuna ging na al zijn aandeelen te hebben verkocht,
+dan was dat een even doodelijke slag voor de fabriek als zijn
+voorgenomen voorstel.
+
+De professor maakte daarom een afwijzende beweging.
+
+"Neen, neen, Mijnheer Christensen!--niet op die manier! U hebt mij
+niet goed begrepen. Als ik nu uw aandeelen overneem, dan gebeurt
+dat niet om een of ander oogenblikkelijk voordeel--dat weet u heel
+goed; maar ik doe dat uit belangstelling voor de fabriek. Ik verlang
+daarentegen van u, dat u niet alleen dat voorstel niet indient,
+maar dat u ook de directie steunt, speciaal mij, als president;
+en dat u over 't geheel op de algemeene vergadering zoo optreedt,
+dat het vertrouwen in de fabriek, niettegenstaande het ongelukkige
+bedrijfsjaar, bij de aandeelhouders niet geschokt wordt."
+
+"Ja, maar ik kan toch niet goed op eenige manier optreden, als ik
+niet langer zelf aandeelhouder ben."
+
+"Dan houdt u een paar aandeelen," zei de professor, maar omdat
+hij dadelijk den ander aan kon zien, dat hij ze kwijt wilde wezen,
+verbeet hij zijn ergernis en ging voort: "of laat mij ze liever alle
+tien nemen--zooals ik eerst voorstelde, dan kunnen immers een paar
+aandeelbewijzen onovergeschreven blijven liggen, bij u, voor den vorm,
+ten minste tot na de algemeene vergadering. Dat is immers een volkomen
+particuliere transactie tusschen ons en raakt uw belangstelling niet,
+voor de fabriek die u immers zelf hebt helpen stichten en waarvan de
+bloei u zoo zeer aan 't hart gaat."
+
+"Dat is wel waar. Ik wou alleen maar, dat u geen grooter assistentie
+van me verlangde dan mijn overtuiging toelaat."
+
+"Ja, ziet u! mijn waarde Mijnheer Christensen," zei de professor half
+schertsend; "u is immers angstig van nature."
+
+"Zullen we niet liever zeggen: "voorzichtig" Professor?"
+
+"Neen, laat ons zeggen: angstig, dat is toch 't woord. Maar als u
+nu ziet, dat ik,--die naar uw eigen zeggen, 't best den toestand
+moet kennen--dat ik me niet bedenk, als er sprake is van nog tien
+aandeelen te nemen, dan moet u dat toch wel de overtuiging geven, dat
+de onderneming heel wat beter is en er beter voor staat, dan u meent."
+
+"Ja, u hebt toch wel gelijk, Professor! Ik moet bekennen, dat u met uw
+wetenschappelijke vorming de man is, die deze zaak 't best beoordeelen
+kan en 't zou mij zeer spijten als u niet beloond werd voor al uw
+werk en uw opofferingen met een uitslag, die aan uw verwachtingen
+beantwoordt. Ik zal doen wat ik kan."
+
+De beide heeren waren opeens heel hartelijk geworden en scheidden
+met een vriendschappelijken handdruk.
+
+In de deur zei de bankdirecteur zachtmoedig:
+
+"Ik mag dus hopen, dat onze zaken vandaag contant worden afgerekend? Ik
+ken uw handelsprincipes."
+
+"De helft contant en de rest tegen drie maands accept," antwoordde
+de professor.
+
+"Drie maands accept..." herhaalde de bankdirecteur wat langzaam;
+maar een blik op het gezicht van den ander overtuigde hem, dat de
+grens nu bereikt was: hier was niet meer te halen;--en hij veranderde
+behendig van toon:
+
+"Ja, dat is immers 't zelfde als contant; een stuk, waar "Carsten
+Lövdahl" op staat is even goed als de bank van Noorwegen. Goeden
+morgen Professor."
+
+En zij bogen glimlachend voor elkaar.
+
+"Marcussen, we moeten vanmiddag 5000 gulden contant aan den
+bankdirecteur Christensen betalen. Wil je die som klaar leggen?"
+
+De onvervaarde Marcussen, die nooit zijn gezicht vertrok, werd deze
+keer wel wat beduusd. Iedere dag had genoeg aan zijn eigen kwaad en
+'t was geen gekheid vijf duizend gulden te voorschijn te tooveren
+naast al het andere wat gedekt en afbetaald moest worden. Ook was
+'t al vrij laat op den dag.
+
+Maar de professor was den laatsten tijd zoo heftig en opvliegend
+geworden, dat Marcussen, die de vrede liefhad, placht te doen alsof
+alles van een leien dakje ging.
+
+Hij zei daarom alleen:
+
+"Hm! vijf duizend gulden? in orde, Professor!"
+
+Zooals de zaak van Professor Lövdahl nu gedreven werd, paste Marcussen
+er voortreffelijk in. 't Was juist iets voor hem van dag tot dag
+uitwegen te vinden, zonder met bekommering over de gevolgen te denken;
+en hoe schaarscher 't geld werd, hoe sterker Marcussens vindingrijkheid
+zich ontwikkelde.
+
+Hij was gewoon zich door heel wat erger moeilijkheden heen te slaan:
+jaloersche vrouwen, bedrogen meisjes, onvrijwillige schoonmoeders,
+bijdragen voor opvoeding van kinderen, predikanten en vermaners--de
+moeilijkheden op 't kantoor waren maar kinderspel voor hem.
+
+Vervallen papieren met nieuwe af te doen, die er uitzagen als
+deugdelijke stukken, naar links en rechts te trekken, de steeds
+toenemende schuld in voortdurenden omloop te houden, wat den indruk
+maakte van een sterken omzet--dat was juist een werkje voor Marcussen.
+
+En als hij rondtastte in geld en papieren was hij niet slordig en
+onverschillig, omdat het geld van een ander was; hij zou zeer zeker
+zijn eigen zaak op dezelfde manier gedreven hebben, als hij er een
+had gehad.
+
+Hij hield zelfs veel van den professor en van het huis en zou zoo
+innig graag willen, dat het zoo goed, zoo schitterend mogelijk mocht
+gaan. Goedig en hulpvaardig als hij was wenschte Marcussen zeker,
+dat alle menschen rijk waren, even oprecht als hij wenschte, dat alle
+meisjes mooi waren.
+
+Ook de professor werkte van zijn kant. Hij was nu zoo ver gekomen,
+dat hij niet angstig wezen wilde, hij wilde 't niet merken, dat 't
+heele handelsleven als 't ware begon te verflauwen, ineen te krimpen;
+hij wilde niet verder zien dan van dag tot dag.
+
+Maar daarentegen spande hij al zijn krachten in om den stroom te
+stuiten, die wegvloeide. Hij kocht groote partijen van waarde--alles
+wat men hem aanbood: koren, koffie, visch, zout--en verkocht het weer,
+bijna zonder dat hij aan winst of verlies dacht--als 't maar gauw ging,
+als hij maar altijd geld door zijn handen voelde gaan.
+
+En de koortsachtige kracht, door dien eenen man ontwikkeld, werkte
+aanstekelijk in wijden kring; en een lust tot speculeeren, een periode,
+als van het meest woeste spelen op de beurs, wierp een korten tijd
+zijn valschen glans over dien stillen uithoek van de wereld, waar
+Carsten Lövdahl aan den gang was.
+
+Hoe verder hij het veld van zijn operaties uitstrekte, hoe meer namen
+hij binnen den kring van zijn endossanten trok; en daar de geheele
+omzet op wissels ging, was er spoedig geen huis van eenige beteekenis
+in de stad of in de naburige steden, dat niet met Lövdahl samen op
+een of ander stuk stond.
+
+Maar zoolang de banken en het buitenland zonder morren disconteerden,
+was die manier om geld te krijgen zoo gemakkelijk, dat maar zeer
+weinigen de kracht hadden bijtijds op te houden.
+
+Zelfs niet toen het disconto begon te stijgen zoodat dit geld waarmeê
+zoo gemakkelijk en zoo vlug gespeculeerd werd, in werkelijkheid zoo
+duur was, dat het weinig kans op verdienste gaf.
+
+Ook scheen niemand zich in ernst ongerust te maken over de berichten
+uit het buitenland; het eene artikel na het andere daalde 50%
+in een week: de petroleum begon, toen verdwenen er millioenen in
+spoorwegaandeelen, toen ging de koffie naar den kelder en de suiker
+er achter aan, maar niemand scheen te begrijpen, dat dit een gevaar
+voor alles en allen was.
+
+Er waren niet veel neuzen als die van den bankdirecteur en het
+vertrouwen op Carsten Lövdahl was zoo boven allen twijfel verheven,
+dat geen mensch er aan dacht zijn naam te weigeren.
+
+Trouwens, daar zou ook meer moed toe behooren dan de koopmansstand
+gewoonlijk bezit. Want Lövdahl behoorde tot "den kring," die de
+stad en de bank bestuurde. Een onvoorzichtig woord tegen een van
+de "grootelui" kon genoeg zijn om er zachtjes aan uit geschoven,
+geïsoleerd, vergeten te worden; en wie niet sterk genoeg was om alleen
+te staan, hij moest verdorren en afsterven, omdat alle bronnen voor
+hem werden afgesloten. Daarom klonken er louter lofredenen op die
+grootsche en voor de stad zoo gezegende werkzaamheid, de bezige handen,
+de vele monden--enz.; en met die lofspraken bedwelmde men zich zelf en
+doofde zijn twijfel. In alle andere omstandigheden zou de balans van
+'t laatste bedrijfjaar van de maatschappij op aandeelen "Fortuna"
+een gebeurtenis geweest zijn, dat wel tot nadenken kon stemmen.
+
+'t Was een allerwonderlijkste algemeene vergadering geweest.
+
+Na een vlug en kort financiëel overzicht, door Marcussen geschreven,
+had Prof. Lövdahl zijn spijt betuigd te moeten meêdeelen, dat de
+fabriek dit jaar geen winst gemaakt had.
+
+Dat was een onaangename verrassing voor allen; en de stemming werd
+zeer gedrukt; een enkele ontevreden stem probeerde voorzichtig een
+paar onaangenaamheden tot de directie te richten.
+
+De directeur van de bank bleef zwijgend zitten en de vergadering
+kreeg den indruk, dat de ontevredenheid onder zijn bescherming kwam
+aanrukken; 't was immers genoeg bekend, dat hij Lövdahl haatte;--men
+werd dus moediger; het scheen een stormachtige vergadering te zullen
+worden.
+
+Christensen liet het ver komen, vóór hij opstond. Maar toen viel
+hij de verblufte ontevredenen in den rug aan, met een toespraak,
+zóó vol besef van zijn meerderheid, zoo open, zóó vol vertrouwen,
+dat de sterk bewogen algemeene vergadering tot een lachend meer werd,
+waarin het herkozen bestuur zich veilig spiegelen kon.
+
+Daarop ging de bankdirecteur weer zijn jaarlijksche badreis maken en
+nam zijn neus meê; hij wist nu wel hoe het gaan zou.
+
+Maar hij had niet de opvatting van zijn roeping, dat hij waarschuwen
+en voorkomen moest. Toen hij zijn eigen zaken geregeld had en naar
+zijn beste vermogens zijn dierbare bank beschut tegen de ongelukken,
+die hij voorzag, liet hij met een gerust hart zijn lieve medeburgers
+zich zelf ruïneeren, en hij wachtte kalm op het oogenblik, dat hij
+alleen zou blijven staan, terwijl rondom de gevallenen of wankelenden
+hem om hulp zouden smeeken.
+
+--Carsten Lövdahl herademde na die algemeene vergadering en hij zag
+met vreugde de Hamburger boot met Christensen aan boord het fjord
+uit stoomen.
+
+Toen de zomer kwam werden de zaken matter. De menschen gingen op reis
+of kregen bezoek en intusschen liepen de wissels hun gewonen loop,
+uit en in de banken, die op sluizen geleken, waardoor de stroom
+op den middag bruisend heen ging om op den namiddag in de kas een
+allerbedroevendste leegte na te laten.
+
+In het ruime huis van den professor was de heele familie Meinhardt
+op bezoek; en de grootere huishouding werd gedreven uit een overdadig
+ruime beurs, wat Mevrouw Meinhardt in verrukking bracht.
+
+De oude uitgedroogde Assessor daarentegen werd onrustig; hij begon te
+snuffelen en te onderzoeken, maakte enkele berekeningen en eindigde
+met op een zekeren dag aan den professor voor te stellen enkele van
+de onroerende goederen op naam van zijn kleinzoon te zetten.
+
+Abraham had nooit groote eischen gesteld als man van zaken, en daarom
+viel het den assessor minder moeilijk de zaak zóó te wenden, dat dit
+voorstel in 't geheel niet uit eenig wantrouwen tegen den professor
+voortkwam. 't Was alleen om intijds de familie in 't bezit van de
+vaste eigendommen te stellen, als de zaak later bleek niet even
+schitterend te gaan in de handen van Abraham.
+
+Op die manier kon de professor ook gemakkelijker het voorstel aannemen,
+dat hem trouwens toelachte; en de twee grootvaders schreven een aantal
+juridische meesterstukken in den vorm van giftbrieven en stukken van
+overdracht, die den kleinen Carsten tot een gezeten man maakten,
+terwijl hij boven liep te schreeuwen, omdat hij niet meer kersen
+mocht hebben.
+
+Hiervan kwam Abraham niets te weten; hij had het zoo druk met de
+belangen van de arbeiders. Dat was iets, waar hij vol van was--vooral
+hun bouwfonds, dat zoo flink aangroeide, dat er al gauw sprake wezen
+zou van 't bouwen van een vereenigingslokaal. De advokaat Kruse liet
+het bestuur daarvan aan zijn jongen vriend over, want Abraham was
+door allen geacht en bemind.
+
+Abraham was niet langer ongerust over de verandering, die hij in zijn
+vader had meenen op te merken. Hij meende, nu dat alles zoo goed ging,
+dat die rusteloosheid groote werklust was; en hij kon niet anders dan
+den grooten man bewonderen, die met het klimmen der jaren steeds over
+grooter kracht scheen te beschikken.
+
+Op een dag, dat Abraham in 't kantoor was, riep zijn vader hem toe:
+
+"Heb je wat contant geld om ons te leenen? Marcussen is niet bij kas."
+
+"Ik heb niet anders, weet u, dan de spaarbankboekjes voor het bouwfonds
+en voor..."
+
+"Ja--geef maar wat je hebt; we geven 't morgen of over een paar
+dagen terug."
+
+Abraham haalde snel zijn kistje uit de brandkast van het kantoor.
+
+"Ziehier, Vader! Is 't niet prachtig? 't Bouwfonds heeft al bijna
+twaalfduizend kronen en de ziekenkas is ook nog zoo verkeerd niet."
+
+"Goed--goed!" antwoordde de professor haastig en greep naar de boeken.
+
+"Wilt u alles hebben?" vroeg Abraham lachend.
+
+"Neen--we nemen alleen maar wat we vandaag noodig hebben."
+
+"En dan moet u de menschen de rente vergoeden--liefst wat royaal--als u
+'t geld morgen teruggeeft."
+
+"Ja zeker,--natuurlijk," antwoordde de professor, die al weer bij
+zijn lessenaar stond, waar Marcussen wachtte.
+
+--Nu was de laatste, woeste strijd begonnen voor Carsten Lövdahl.
+
+Hij nam geld op naar alle kanten. Zelfs heel verre, kleine bevriende
+handelshuizen gebruikte hij voor onbeduidende sommetjes; hij spaarde
+niets, berekende niets meer, sloeg er zich maar door met den trouwen
+Marcussen, van den eenen dag tot den anderen.
+
+Hij spande zijn crediet tot het uiterste, kocht van alles tegen
+driemaandswissels en verkocht tegen alle mogelijke prijzen, ver onder
+inkoopsprijs, als 't maar contant geld inbracht. De stukken van den
+ouden Abraham Knorr gingen in alle stilte naar Hamburg om verkocht
+te worden, en alles wat ze bijeen konden schrapen aan stukken van
+werkelijke waarde, wierpen ze in den eenen put na den anderen--tot
+alles stilstond voor een, bodemloozen afgrond.
+
+En toen was het gedaan met Carsten Lövdahl.
+
+
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+'t Was een koude regenachtige morgen tegen 't eind van den herfst. De
+familie Meinhardt was reeds lang vertrokken uit het huis van den
+professor en Abraham was op reis voor zaken, naar 't noorden, in
+dienst van de fabriek.
+
+Verscheidene dagen lang was 't zoo wonderlijk stil in de stad
+geweest; een ademloos wachten, waarin de onzinnigste geruchten onzeker
+rondfladderden. Alle tongen waren klaar om aan 't werk te gaan en 't
+was eenvoudig uit gebrek aan feiten, dat men elkaar de meest dwaze
+dingen vertelde, die niemand geloofde. Want nu was de lucht geheel
+vervuld met die kleine, fijne dampen, waaruit de geruchten ontstaan;
+en 't gevoel, dat er iets ongehoords, iets verschrikkelijks op handen
+was, werd steeds sterker.
+
+De arbeiders op Fortuna stonden bekommerd bijeen en vertelden elkaar,
+dat de fabriek gesloten zou worden. Niemand wist van waar dat bericht
+kwam; maar hoe meer enkelen dat ontkenden en den draak staken
+met hen, die naar zulke praatjes luisterden, hoe meer de meesten
+het geloofden. 't Zat in de lucht, dat er een of ander onheil in
+aantocht was.
+
+De directeuren van de verschillende banken durfden elkaar niet aan
+te zien. De laatste dagen waren er verontrustende informaties van
+verschillende kanten gekomen, beleefde verzoeken om afbetaling
+op enkele posten; eindelijk werden het telegrammen om vaster
+zekerheidsstelling, of ronduit weigeringen om crediet te geven voor
+verschillende namen.
+
+'t Was een Maandagmorgen na een veelbewogen week, waarin Carsten
+Lövdahl op zoo goed als al zijn handelsvrienden wissels had getrokken
+voor groote sommen en gedeeltelijk op geheel nieuwe papieren.
+
+Reeds Zaterdagmiddags had Marcussen een paar onrustbarende telegrammen
+gekregen; maar hij had ze op zij gelegd, volgens de gewoonte van
+het huis. Zaterdagavond speelde de professor zijn partijtje kaart en
+Zondag was een rustdag.
+
+Maar Maandagmorgen had zich een stapel telegrammen op Marcussens
+lessenaar opgehoopt--"een vlucht vervloekte roofvogels," dacht hij,
+terwijl hij zijn natte jas uittrok. Hij begon met ze op zijn lessenaar
+te sorteeren in kleine hoopjes, nadat hij ze doorgeloopen had. Maar
+eindelijk gooide hij alle telegrammen op een hoop en sloeg er met
+zijn groote vuist op.
+
+Rasmussen kwam met de zwarte leeren tasch om de orders te ontvangen
+voor de werkzaamheden aan de banken voor dien dag; maar Marcussen
+verzocht hem met zijn tasch naar den duivel te loopen.
+
+Daarop nam hij na een oogenblik nadenken alle telegrammen in één hand,
+ging het kantoor van den professor binnen, sloot de deur achter zich
+en trok de portière dicht.
+
+Carsten Lövdahl had voor 't venster in den tuin staan kijken; hij
+wendde zich heftig om en zei:
+
+"Wat is er? Marcussen!"
+
+'t Gezicht van den professor was bijna aschgrauw en de oogen lagen
+hem diep in het hoofd. Hij had verscheiden nachten niet geslapen en de
+inspanning van de laatste dagen om zich er boven op te houden,--zijn
+woeste plannen, de wanhopige zekerheid, die van alle kanten 't hoofd
+opstak--dat alles had van den grooten statigen man een gejaagden
+misdadiger gemaakt.
+
+"Wat is er? Marcussen!"
+
+Zelfs zijn stem was veranderd,--ruw, alsof die niets gemeen had met
+menschenspraak, maar van een dier kwam.
+
+Marcussen beefde van ontroering; hij legde de telegrammen voor zijn
+chef neer. Lövdahl zette zich met moeite in zijn leunstoel.
+
+"Telegrammen! allemaal telegrammen?--van Donner? uit Christiania? Wat
+moet dat beduiden Marcussen!--waarom breng je mij dat alles door
+elkaar? Heb ik je niet gezegd, dat het jouw werk is en niet het mijne
+om dagelijks de papieren te regelen? Antwoord dan toch, man! Sta daar
+niet als een stok! Wat beteekent dat?"
+
+"Professor Lövdahl!"--antwoordde Marcussen, en de tranen kwamen hem
+in de oogen, "dat beteekent, dat we 't niet langer kunnen uithouden."
+
+"Wat zeg je?" schreeuwde de professor en stond op, "kunnen we 't
+niet langer uithouden? Zeg je dat?--bedoel je--man!--bedoel je, dat
+ik--dat Carsten Lövdahl failliet zou zijn ?"--Bliksemsnel gingen zijn
+strakke oogen door de kamer, toen dat woord was uitgesproken--dat
+woord, waarmeê hij dag en nacht gestreden had in de laatste jaren;
+dat woord, dat nooit wegging, dat hem op de lippen kwam, als hij
+alleen in zijn kantoor was, dat hij in de oogen van ieder las, die
+hem op straat groette.
+
+"Stil, stil!--je sloot de deur toch wel? sluit hem af, Marcussen! We
+moeten 't hoofd niet verliezen,--we moeten een uitweg vinden--alles
+kan nog niet verloren zijn,--onmogelijk!--laat me eens zien,--laat
+me de telegrammen zien--allemaal!"
+
+En de oude man nam de telegrammen, die in zijn bevende handen
+ritselden; hij keek nu de een, dan de ander in, legde ze uit over
+den lessenaar en nam ze weer bij elkaar, tot hij ineen zonk met het
+hoofd in de handen en luid steunde.
+
+Marcussen zei later, dat hij nog liever de aankondiging van de geboorte
+van een paar tweelingen had gehoord, dan dat hij dit oogenblik moest
+beleven.
+
+Eindelijk ging hij naar zijn chef en legde de hand op zijn schouder.
+
+De professor zag hem aan en stond met moeite van zijn stoel op:
+
+"Ga heen, Marcussen en laat niemand bij mij binnen."--
+
+Dien voormiddag ging de zaak schijnbaar als gewoonlijk. Makelaars en
+agenten kwamen binnen en spraken met Marcussen; er werden orders naar
+de fabriek gezonden en de kassier zat achter zijn hekje, de menschen
+kwamen en gingen met geld. Maar de kleine Rasmussen kroop ineen in
+een hoek en staarde onafgebroken naar Marcussen. Dat hij niet naar
+een van de banken moest met een of ander stuk--dat kon hij maar niet
+begrijpen; en hij peinsde er over, wat dat beteekenen moest.
+
+Maar toen het tegen één uur liep, kwam Taraldsen aandraven, de oude
+bode uit de Noorsche bank; hij liep altijd op een sukkeldrafje en
+zwaaide met de armen. Voor den lessenaar van Marcussen bleef hij
+staan en groette; een onzeker glimlachje speelde op zijn oud gezicht,
+toen hij vroeg:
+
+"'t Is--hm--natuurlijk een verzuim?"
+
+"Wat?" vroeg Marcussen droog.
+
+De glimlach verdween geheel en ademloos van schrik vroeg Taraldsen
+weer:
+
+"Moeten uw wissels vandaag niet voldaan worden?"
+
+"Neen."
+
+"Mijnheer Marcussen! De menschen zeggen, dat u van schertsen houdt;
+maar dit..."
+
+"Ik scherts niet,--voor den duivel!"
+
+De oude Taraldsen richtte zich op; 't heele personeel zat over 't
+werk gebogen; alleen de oogen van kleine Rasmussen ontmoetten de
+zijnen. De jongen zag bleek van schrik; hij begon het te begrijpen.
+
+Ook voor den ouden Taraldsen begon alles duidelijk te worden; maar
+onmiddellijk daarna kwam hij weer in de war; want hij begreep den
+vollen omvang van wat hij hier hoorde; de wisselrelaties van de
+geheele stad had hij in zijn hoofd; en hoewel hij veel dergelijks
+in zijn lang leven had gezien, toch was dit alles maar kinderspel,
+vergeleken bij wat er nu gebeuren zou. Zijn stem beefde, toen hij
+bijna plechtig vroeg:
+
+"Moeten de papieren van Carsten Lövdahl geprotesteerd worden?"
+
+"Ja," antwoordde Marcussen, zonder op te zien.
+
+De oude Taraldsen draafde 't kantoor uit, maar op de trap kwam hij
+den bode van de "Bank op aandeelen" tegen:
+
+"Is 't waar?--Taraldsen!"
+
+"Nu gaat de heele stad!" antwoordde de oude met een wanhopige
+handbeweging.
+
+"Is 't waar?--is 't waar?" Die woorden gingen snel door de heele
+stad. En toen de zekerheid kwam, stond alles stil--alle werk, alle
+gesprekken, alle gedachten; en dat nieuwe vervulde alle menschen,
+tot de kinderen toe, die met groote oogen en ontzette gezichtjes
+elkaar vroegen: "Heb je gehoord, dat Lövdahl failliet is ?"
+
+Om één uur ging de beurs open. Zoo plotseling was dit gekomen, dat
+consul With, die door Lövdahls failliet volslagen geruïneerd was,
+alleen door een toevallige ontmoeting met een directeur van een der
+banken verhinderd werd op de beurs te komen.
+
+Hij keerde terug naar huis en sloot zich in zijn kantoor op.
+
+Op de beurs was het stil; de menschen liepen zacht rond, zonder elkaar
+aan te zien; zij hadden allen 't gevoel, dat ze er plotseling zoo
+armoedig uitzagen.
+
+De banken in de millioenenhoek--zooals men 't noemde--stonden leeg,
+en de leden van den "kring," die tegenwoordig waren, wilden vandaag
+liever in een groep meer vooraan in de zaal staan.
+
+Niet eens Garman en Worse zat op zijn oude plaats en die leege banken
+slopen als een stomme verschrikking langs de wanden door de heele zaal;
+niemand durfde er gaan zitten, alsof ze vreesden, dat ze niet zouden
+houden, dat alle banken vermolmd waren, dat een algemeen bankroet ze
+allen stuk zou slaan of ze allen omgooien.
+
+Een paar jongere kooplieden probeerden royaal te doen; maar zij gaven
+'t dadelijk op; en toen hun stemmen weer even gedempt klonken als het
+gemompel van de anderen, werd de stilte dubbel akelig. Een enkele kon
+het niet langer uithouden, maar keek op zijn horloge en ging heen,
+en drie minuten later was de zaal leeg.
+
+Maar dien middag zaten bezorgde mannen rondom in de stad in hun
+particuliere kantoren en zagen de boeken na, noteerden en telden
+op--en schudden de hoofden.
+
+En in alle banken vergaderden de besturen, de boden brachten 't
+eene bericht na het andere, de telegraafboden maakten 't niet beter;
+en de arme directeuren, die aan hun eigen zorgen al genoeg hadden,
+begonnen te vreezen voor hun bank nu de eene kring na den ander werd
+meêgesleept in de draaikolk, waarin Lövdahl eerst verzonken was.
+
+Door de bank van Christensen werd er getelegrafeerd door heel Europa
+naar den directeur, die dit jaar een zeer lange nakuur in Italië
+deed. En 't was bijna, alsof de heele stad een beetje verlichting
+voelde, toen 't bericht kwam, dat de directeur al op de terugreis
+was en uit Hamburg was vertrokken.
+
+Reeds vóór vijf uur had men behalve de ontelbare kleine burgers,
+die geplukt waren, van groote faillieten de volgende bijeen: Carsten
+Lövdahl--met Abraham K. Lövdahl, de vennootschap Fortuna, C. R. With,
+Randulphs zonen en Co., en Jörgen Kruse.
+
+Dat de zonen van Randulph met With meêgingen, kon men verwachten;
+ze waren zwagers en hadden veel gemeenschappelijke relaties. Maar
+onbeschrijfelijk was de schrik, toen hij ging--de oude Jörgen Kruse.
+
+Niet alleen, omdat hij voor schatrijk gehouden werd--wat hij ook
+was; maar zoo'n klein voorzichtig kruideniertje, van wie niemand
+dacht, dat hij ooit tien gulden ergens aan waagde--dat hij nu bleek
+verward te zitten in al de meest wanhopige zaken van Lövdahl; met
+een wisselschuld, die alles verslond, wat hij bezat en misschien
+nog meer,--ja, toen dat bekend werd, was het toppunt bereikt en
+men was geheel verslagen van schrik. En met Kruse kwam de ellende
+buiten de stad; want hij was de koopman van de boeren; en als nu al
+zijn voorschotten en vorderingen met de haast van advokaten in een
+failliet moesten worden geïnd, dan zouden velen van hun hoeve en
+akkers verdreven worden in deze slechte tijden.
+
+Terwijl het groote ongeluk zoo in alle stilte ver in 't rond
+voortwoekerde, als brand in 't veen, ratelde de onmetelijke machine
+van den laster en weefde haar bont weefsel van boosaardigheid en
+leedvermaak.
+
+De lang onvoldane behoefte aan stof wierp zich nu op dezen rijken
+voorraad met een razenden honger; en ieder, die niet zoo persoonlijk
+bij de zaken betrokken was, dat hij stom van wanhoop neêrzat, begon te
+praten, te praten en te praten, alsof zijn leven er meê gemoeid was,
+als hij zijn tong niet roerde.
+
+En de stof--hoe overvloedig groot de hoeveelheid ook was--bleek spoedig
+nog onvoldoende te zijn. Men had er niet genoeg aan de gebeurtenissen
+te volgen, die nu slag op slag elkaar opvolgden; maar men snelde ze
+ver vooruit met voorspellingen en toespelingen; en 't was alsof men
+geen rust kon vinden voor de diepste wanhoop allen bereikt had.
+
+Sommigen namen de zaak zóó op, dat ze alle zijden japonnen van Clara
+Lövdahl nagingen en zich over ieder afzonderlijk ergerden, om daarna
+zich te verkwikken met de gedachte, dat ze geen draad aan haar lijf
+meer bezitten zou, als alles naar recht en billijkheid ging.
+
+Anderen waren goedaardiger en verdiepten er zich in hoe zij zich wel
+moesten voelen--die menschen, die zoo onmetelijk rijk geweest waren
+en nu--letterlijk tot den bedelstaf gebracht--geruïneerd waren--op
+straat stonden.
+
+Weer anderen konden maar geen vrede hebben met die millioenen, die
+verloren waren; wie zou ze gekregen hebben? ergens moesten ze toch
+wezen; maar waar voor den drommel was die massa geld gebleven?--dat
+zouden ze wel eens willen weten.
+
+Er was ook medelijden; maar van zeer gemengden aard; en menig kleine
+burger, die vrij gekomen was van den val der grooten, vond dat het
+bier hem vandaag bizonder goed smaakte.
+
+Onder allen daar beneden--de arbeiders en zij, die van dag tot dag
+leefden van het werk van hun handen voor anderen,--onder hen heerschte
+een doffe stilte. Slechts enkelen barstten uit in vervloekingen en
+de ergste scheldwoorden tegen die rijken, die een lekker leventje
+leidden en den arbeider zwoegen lieten, om hem dan op een mooien dag
+op straat te laten staan zonder werk of verdienste.
+
+Maar de meesten zwegen stil en vermaanden vrouw en kinderen om zich
+kalm te houden. Wisten ze bij ondervinding hoe 't kapitaal in dagen
+van bloei den arbeider uitperst tot het uiterste toe; ze wisten ook,
+dat ze nooit in hooger mate slaven van datzelfde kapitaal waren dan
+juist in de slechte tijden, als de straf kwam voor de zwendelarij en
+de speculatie van de grooten.
+
+Want ze wisten wel, wie vooral die straf zouden moeten dragen. Nu
+stonden ze voor dat bestaan van werkeloosheid, van ongeregeld
+werk hebben, halve werkdagen, en lange leege uren zonder werk met
+honger,--kleine leeningen hier en daar, 't laatste crediet bij den
+koopman, later naar de bank van leening en 't allerlaatst, in den
+uitersten nood, op den rand van de wanhoop--de wachtkamer van den
+armvoogd.
+
+Daarom zaten zij stil neer en vermaanden de hunnen zich kalm te houden,
+opdat hun klachten niet gehoord zouden worden door dat vreeselijke
+kapitaal--nu vreeselijker dan ooit, nu 't als een aardstorting kwam
+aanrollen en de kleinen verpletterde.
+
+Ze begeerden niet anders dan te mogen werken, hun spieren waren bereid
+zich zoo sterk te spannen als iemand maar verlangen kon,--ze zouden
+er nog dankbaar voor zijn. Als ze maar niet stil hoefden te zitten
+en verslappen in honger en met slecht voedsel; 's morgens uitgaan
+om wat te vinden, en 's avonds thuiskomen om aan de deur die groote
+kinderoogen te zien, die vroegen--of Vader een brood meêbracht?
+
+De oude Steffensen probeerde natuurlijk in troebel water te visschen;
+maar een troep arbeiders van Fortuna had hem bijna kreupel geslagen,
+toen hij de directie uitschold en 't bestuur en 't heele zoodje. Daarna
+verdween hij.
+
+Neen--neen--Prof. Lövdahl was een eerlijk man; de jonge ook; niemand
+moest iets van hen zeggen; misschien kwamen zij er wel weer boven op;
+zooiets was meer gebeurd. Ja, enkelen hadden zelfs medelijden met die
+rijke menschen, die nu niet rijker waren dan een eenvoudig arbeider.
+
+Maar er waren niet velen, die zoo ver gingen. Want dat wisten ze immers
+allen, hoe wonderlijk het is, met menschen, die in mooie kleeren
+geboren zijn. Die blijven ze dragen hoe 't ook gaat. Men hoort wel,
+dat ze alles verloren hebben en ook voor anderen alles bedorven en
+toch was het nog nooit gebeurd, dat zulke menschen heelemaal zonken
+tot het peil van arbeiders en onder hen kwamen wonen en zwoegen. Zij
+bleven met een overjas loopen, kregen warm eten en rookten, zoodat ze
+'t toch niet zoo bizonder slecht hadden.
+
+En dat was voor hen 't alleronbegrijpelijkst van het kapitaal; maar
+dat boezemde hun juist daarom 't meeste ontzag in; 't moest dus Gods
+wil zijn, dat dit groote verschil er zijn zou, dat sommigen alleen maar
+voor anderen zouden werken en sloven,--en dat dit zoo blijven moest.
+
+Maar ook daarvoor was er vergelding. "In den poel der hel zouden ze
+pijn lijden en branden, omdat ze hier een korten tijd in rijkdom en
+wellust geleefd hadden. Denk maar aan den rijken man, die den bedelaar
+om een droppel water smeekte; maar hij kreeg hem niet; neen--gepijnigd
+zouden ze worden--al die grooten en machtigen--, men kon ze één voor
+één met name noemen; in 't helsche vuur met hen! en daar zouden ze
+eeuwig branden! Stel je voor:--eeuwig!"
+
+Maar hoe veel de predikanten hier ook over preekten, toch waren er,
+die niet de rechte troost in deze gedachten vonden. Menigeen dacht, dat
+'t beter zou zijn, als er in een volgend leven niet zoo heet gestookt
+werd onder de rijken, en de armen maar wat minder kou behoefden
+te lijden in dit leven. En dan waren er ook enkele rijken waarvan
+'t jammer zou zijn als ze verbrand werden. Ja--zou 't eigenlijk wel
+zulk een doodzonde wezen: rijk te zijn? De heele wereld streefde er
+immers naar.--Dat klopte niet, als je er goed over nadacht. Neen,
+hier was ergens iets niet in orde, waar 't dan ook zijn mocht.
+
+Ja--zie, dat was ook een gevolg van de werkeloosheid--al die vervloekte
+gedachten, die je in 't hoofd kreeg, als je zoo stil naar den wand
+zat te staren. Maar al dat denken deugde niet voor de kleine luidjes;
+ze moesten verdragen en zwijgen; hopen,--hopen,--en vooral geen
+brandewijn drinken.
+
+Zoo gingen zij den winter tegemoet.
+
+--Maar terwijl al die gemoedsbewegingen als een zee ver in 't rond
+golfden, zat hij, de oorzaak van dit alles, alleen in zijn groot,
+prachtig kantoor. Hij zat niet in den leunstoel voor de godin van
+'t geluk; maar voor 't middenste venster.--Zoo had Carsten Lövdahl
+uren lang gezeten en naar beneden in den omheinden tuin gestaard. Soms
+waren zijn gejaagde gedachten zoo mat, dat hij bijna sliep; dan weer
+stond de ellende, de schande, de vernedering vlak voor zijn oogen,
+zóó dichtbij, zoo vlammend, dat hij de handen afwerend voor zich hield.
+
+Hij had met zijn vrouw gestreden, de onverbiddelijke oogen waren er
+geweest, en hadden zich diep in zijn ziel geboord;--en voor 't laatst
+overwonnen, gaf hij den strijd op en verheugde er zich lafhartig over,
+dat die oogen gesloten waren.
+
+Maar er waren anderen, die hij ontmoeten moest: Abraham, Christensen,
+Clara--en 't heele heirleger van hen, wier geld hij voor alle winden
+gestrooid had; hoe--o hoe zou hij dat kunnen verdragen, hoe was het
+toch mogelijk zooiets uit te houden?--Er was iets, dat zijn gedachten
+als 't ware naar een uitweg trok; maar die sloot hij dadelijk af;--dàt
+wilde hij niet.
+
+En weer begonnen ze op hem aan te stormen: alle kleine bizonderheden
+vol schande en vernedering. 't Begon heel in de verte als een klein
+balletje, dat op hem toe kwam rollen en grooter en grooter werd, tot
+alles samenliep in één geweldig groote rol, die over hem heen rolde
+en hem heelemaal plat drukte--of zou het niet mogelijk zijn toch 't
+hoofd hoog te houden? Hij was toch altijd Professor Lövdahl, de man
+van wetenschap, de leeraar aan de universiteit; hij had schipbreuk
+geleden hier onder die kooplui--welnu!--hij was niet rijk meer;
+maar hij was nog iets meer dan een geldman.
+
+Ach neen! dat ging toch niet--dat hij 't hoofd hoog hield. Hij
+moest het liever zoo diep mogelijk buigen om te trachten er door
+te komen. Er was al te veel in zijn laatste transacties waar èn de
+crediteuren èn de overheid de oogen heel dicht voor moesten sluiten,
+als dat er door zou kunnen. Zijn positie was niet van dien aard, dat
+het hem goed zou staan, als hij zich oprichtte; 't kostte hem veel,
+maar hij moest het hoofd buigen.
+
+Zich laten trappen!--voor de voeten van Christensen liggen zonder een
+spoor van macht!--niets anders kunnen na dit alles--zijn heele leven
+lang--dan als een hond de slagen verdragen en daarna de hand likken,
+die hem sloeg!--
+
+En er lag toch een wapen vlak bij de hand--een wapen, waarmeê hij
+zelfs tot zekere hoogte zich den laatsten tijd had geoefend.
+
+Professor Lövdahl kende zijn tijd en de maatschappij, waarin hij
+leefde. Hij wist, dat in dezen tijd en in deze maatschappij, waarin
+het Christendom niet bestaat, maar waar alles er op aan komt, dat
+men dat niet uitspreekt; waar alle krachten gebruikt worden om de
+openhartigheid te onderdrukken, zoodat niet heel die reusachtige
+comedie: dat allen Christensen zijn--uiteen spat, doordat één den
+moed krijgt te zeggen: "Ik speel niet meer meê,"--hij wist, dat de
+huichelarij de levensmacht in die maatschappij is.
+
+Hij wist, dat niets zoo sterk is als die huichelarij, die nooit de
+oogen neerslaat; dat geen rechtschapenheid, geen deugd in die mate de
+boosheid ontwapent of tegen verdenking beschut, als die huichelarij,
+die zich nooit schaamt, hij wist, dat hij, die zich een harnas kan
+maken van die stof, waarmeê de meeste menschen zich gedeeltelijk
+bedekken--hij zou door het vagevuur, dat hem wachtte, kunnen heengaan
+en weer vasten voet verkrijgen; ja misschien zijn schande tot een
+aureool maken, die niemand hem zou durven afrukken.
+
+En toch aarzelde hij. De laatste overblijfselen van reinheid in hem
+verzetten zich tegen zulk een gemeenheid; hij dacht aan zijn jeugd,
+den korten, helderen dag van zijn wetenschap, hij dacht aan Wenche
+Knorr, en hij kon er niet toe komen zich neer te laten glijden in
+dien modderigen afgrond.
+
+Maar wat hielp dat?--Die gedachten kwamen telkens terug. 't Zou
+niet verdacht schijnen; de beproeving heeft zoo menig mensch tot
+den godsdienst gebracht; en behalve dat was hij al lang met Clara
+naar de kerk gegaan en had aan haar godsdienstige bijeenkomsten
+deelgenomen;--waarom eigenlijk?--als 't niet juist was, omdat hij
+een vage behoefte aan een uitweg had, toen de mogelijkheid van dit
+groote ongeluk voor hem begon door te schemeren.
+
+Als hij, een oud, onder leed gebogen man, nu de handen vouwde:
+"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren
+zij geloofd!" Ja--met Abraham was het 't ergste; maar de anderen kon
+hij wel aan, dat voelde hij. En toch liep deze overdenking er niet
+op uit, dat hij met volle bewustheid de huichelarij koos; maar de
+kleine achterdeur in de lambriseering werd opengerukt en de kapelaan
+stormde naar binnen. Hij liep recht op den professor aan, doodsbleek
+met het koude zweet parelend op zijn gezicht:
+
+"Mijn geld,--mijn geld!" riep hij heesch.
+
+De professor was opgestaan en hield zich aan de vensterbank vast;
+zijn lippen trilden en zijn oogen waren strak op 't vertrokken gezicht
+van den predikant gevestigd; maar hij kon niet spreken.
+
+"Vader is geruïneerd--dat weet ik!--maar mijn
+geld?--Frederika's geld!--dat is behouden, niet
+waar?--natuurlijk! geef het me dadelijk! Wat? U hebt het niet! Het is
+weg,--verloren--verdwenen! o! vreeselijke man! Je hebt ons bedrogen! Je
+zult gestraft worden--neen--Je zult me alleen mijn geld terug geven."
+
+De professor was een paar seconden als lam geslagen geweest. Nu hief
+hij zijn blanke hand op, glimlachte weemoedig en antwoordde:
+
+"Mijn waarde dominé Kruse! U weet zelf wel, dat ik op dit oogenblik
+helaas niet in staat ben u dit geld te bezorgen. Maar ik zal iets
+anders voor u doen,--iets wat misschien nog wel zoo goed en nuttig
+voor u zijn kan."
+
+"Wat is dat? Zeg het gauw!--Weet u een uitweg?--O! God zij geloofd!"
+
+Maarten Kruse beefde over zijn geheele lichaam. Er was nog hoop;
+die merkwaardige man, op wien hij zoo blind vertrouwd had; hij wist
+misschien nog hulp--hulp voor hem alleen!
+
+De professor legde vaderlijk de hand op zijn schouder en zei:
+
+"Ik zal Jezus bidden, dat Hij u helpe!"
+
+De predikant stoof achteruit, alsof men hem met dien naam in 't gezicht
+geslagen had; de beide mannen stonden onbeweeglijk stil en zagen elkaar
+vast in de oogen; hun gemeenschappelijk geheim hield hen gebonden. Wie
+had recht den ander iets te zeggen? De blik van den predikant gleed
+'t eerste weg. Hij greep zijn hoed en stoof de kamer uit.
+
+Carsten Lövdahl zonk terug in zijn stoel. Dit was zijn eerste
+overwinning.
+
+'t Groote kantoor lag daar in de namiddagschaduwen; maar enkele
+gulden zonnestralen vonden hun weg door de verwaaide lindenbladen, en
+vielen schuins de kamer in over den man aan 't venster, over het zware
+tapijt; en daar ginds op de tafel trof een straal de bronzen Fortuna,
+die half zwevend haar krans toereikte aan den ledigen leunstoel.
+
+--Maar in één huis in de stad heerschte onvermengde vreugd.
+
+De vrouw van den bankdirecteur Christensen hing om den hals van
+haar man, die juist was thuisgekomen en smeekte hem luid schreiend
+om vergiffenis, omdat ze hem zoo schandelijk miskend had; en half
+verward van aandoening lag ze te fantaiseeren over alles wat ze op
+de verkooping van Lövdahl koopen zou.
+
+'t Leek wel een tableau!--
+
+
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+Clara kwam het te weten doordat ze vond, dat de dienstmeisjes zoo
+wonderlijk deden; maar toen ze haar vroeg wat er was, kreeg ze geen
+ander antwoord dan dat er zeker iets beneden in 't kantoor gebeurd was.
+
+Ze werd nieuwsgierig, maar ze schaamde zich een beetje voor haar
+schoonvader en zond een boodschap naar Marcussen.
+
+Mevrouw Clara was keurig gekleed in 't bruin. Het bleeke,
+bloed-armoedige meisje van de bals, was in haar huwelijk een
+vastgebouwde, bekoorlijke figuur geworden.
+
+Marcussen was een poos lang in ongenade geweest; nu zou hij weer wat
+zonneschijn genieten; Mevrouw Clara ging hem tegemoet en reikte hem
+glimlachend de hand.
+
+Nooit was Marcussen minder goed gestemd geweest dan vandaag; maar
+zijn adem stokte toch bijna, zóó prachtig als ze was; en zijn oogen
+vlamden een oogenblik, zoodat zelfs Clara, die anders niet gauw bang
+was, de hare afwenden moest.
+
+"Kom hier zitten, Mijnheer Marcussen! 't Is zoo lang geleden..."
+
+Zij gingen op haar kleine sofa zitten onder den onmisbaren palm; en
+Marcussen--als een goede jachthond, die op 't spoor gebracht is,--ging
+dadelijk meê, vergat al de smart van dien dag, was in spanning en
+bereid: zou er toch nog wat van komen met dit prachtige vrouwmensch,
+waar hij al zoo lang omheen had gedraaid?
+
+"Maar eerst moet u mij vertellen, wat er vandaag op het kantoor
+gebeurd is?--mijn dienstmeisjes beweren, dat er iets gaande is."
+
+Ja, was dat ook niet een duivelsch werk! Marcussen raakte hals over
+kop uit zijn pas opkomende droomen; hij vloekte en sprong van de sofa
+op en vergat heelemaal zijn deftige manieren.
+
+"Wat is er toch? Mijnheer Marcussen! Waarom trekt u aan mijn
+bloemen? laat dat toch! Kom hier en vertel mij wat er voor onraad
+is. Waarschijnlijk een van uw eigen geschiedenissen midden in 't
+kantoor... Hê?"
+
+"Neen, waarachtig niet, Mevrouw!" barstte Marcussen uit, "deze keer is
+'t niet een van mijn eigen geschiedenissen,--was het dat maar! Neen
+Mevrouw, 't is erger--o! duizendmaal erger! En u moogt me gelooven--'t
+is zoo pijnlijk, zoo zwaar voor den professor en voor u, ja, voor
+Mijnheer Abraham natuurlijk ook."
+
+"Maar mijn God--Marcussen! schrei je? Wat is er dan? Antwoord dan
+toch!"
+
+"Ja, 't helpt immers niet het voor u te verbergen; we hebben onze
+betalingen gestaakt."
+
+"Gestaakt?--wie?--wat?--ik begrijp er geen woord van."
+
+"De zaak--ons huis--Carsten Lövdahl heeft zijn betalingen gestaakt!"
+
+Mevrouw Clara gaf een gil--die Marcussen de deur uitjoeg. Dat was
+het eenigste, wat hij niet verdragen kon: vrouwen, die gilden.
+
+De dienstmeisjes kwamen toeloopen; Mevrouw lag op de sofa in een
+toeval of wat het nu was, en was geheel buiten zich zelf.
+
+De professor wilde niet boven komen; hij gaf bevel een boodschap naar
+Dr. Bentzen te zenden.
+
+'t Eerste gevoel wat bij Clara opkwam, toen haar bewustzijn eenigszins
+terugkeerde, was woede tegen hen, die dit over haar gebracht hadden,
+niet zoo zeer de professor, hij imponeerde haar altijd.
+
+Maar Abraham!--die stumper van een man!--hij was dus niet eens
+rijk. Zij was bedrogen, afgezet!
+
+En haar japonnen, haar juweelen. Wat? Verkocht men zulke dingen niet
+als iemand zijn betalingen staakte?--ja, dat wist ze wel;--maar de
+haren. Goede hemel, ze zou nog gek worden; moest zij eenvoudig gaan
+leven? gaan uitsparen in allen ernst, om 't hardst met Frederika--dat
+was toch niet mogelijk,--dat was onzin!
+
+Een telegram werd binnen gebracht; ze gooide hem weg; die was
+natuurlijk van Abraham! dat moest zeker een troost verbeelden;--maar
+zij wilde niet getroost worden;--allerminst door hem; ze wilde dien
+telegram niet lezen--heelemaal niet!--
+
+Maar een gesloten telegram kan men niet zoo gemakkelijk laten liggen;
+en toen Mevrouw Clara er een paar keer voorbij gekomen was, terwijl
+ze de kamer op en neer liep en de handen wrong,--scheurde ze hem open.
+
+Hij was van haar vader en luidde: "Houd moed! met wijsheid en
+voorzichtigheid kan veel gered worden, brief volgt."
+
+Een straal van hoop!--alles was dus niet verloren! nooit had
+ze geweten, dat ze zooveel van haar vader hield, als op dit
+oogenblik. Veel kon gered worden,--gered? Clara was opeens sterk,
+ondernemend, vast besloten geworden.
+
+Ze had een beetje begrip van politieagenten, verkooping en zulke
+dingen; maar heel helder was dat begrip niet; ze wist alleen, dat
+het iets vijandigs was en dat men de mannen van de wet kon en moest
+beetnemen.
+
+Haastig ging haar oog de kamer rond; daar stonden twee massieve
+zilveren kandelaars op den schoorsteenmantel. Als een roofvogel vloog
+zij er op aan, liep er meê naar haar slaapkamer en verborg ze in een
+lade onder haar eigen linnengoed.
+
+--En de eerste van de deelnemende vriendinnen, die bij haar geweest
+was, moest de anderen van hun kring een teleurstelling bereiden. Clara
+Lövdahl was heelemaal niet verslagen; integendeel. Ze nam het zoo
+goed op.
+
+Ze had er over gesproken, dat ze nu natuurlijk allen moesten werken
+en in den grootsten eenvoud leven; maar wat haar betrof--zij was daar
+niet bang voor; ze had eigenlijk nooit veel om weelde gegeven; als maar
+ieder het zijne krijgen kon, zou ze blij toe zijn en niet klagen.--
+
+--Abraham was op den terugreis uit het noorden, toen hij een telegram
+van Peter Kruse kreeg; die werd hem aan boord van de stoomboot gebracht
+op een der aanlegstations.
+
+Eerst kon hij het niet begrijpen; een oogenblik zelfs dacht hij dat
+het een ruwe grap was;--maar dat leek niet op Kruse.
+
+En nu--toen hij daar op het achterdek stond met de telegram in de
+hand, was hij opeens heelemaal alleen met den stuurman, die aan 't
+roer stond; al de anderen waren verdwenen; en nu eerst viel het hem
+op, dat zijn reisgenooten al den vorigen dag zoo vreemd tegenover
+hem gedaan hadden.
+
+Toen begreep Abraham, dat dit bittere ernst was; en hij haastte zich
+naar beneden in zijn hut, en terwijl de zee schuimend voorbij 't kleine
+ronde patrijspoortje ruischte, gaf hij zich over aan zijn pijnlijke
+gedachten en trachtte het groote ongeluk te overzien en te begrijpen.
+
+Hij dacht het allereerst aan zijn vader; wat moest die al lang geleden
+hebben. Maar toen alle treurige gevolgen één voor één hem voor den
+geest kwamen verzonk hij diep in smart en moedeloosheid. Het lieve
+oude huis, de tuin, waar hij als kind in gespeeld had, al de duizend
+voorwerpen, elke hoek, zoo vol herinneringen,--dat alles verlaten;
+met leege handen heengaan en vreemden daar zien binnentrekken en er
+zich vestigen. En kleine Carsten zou niet als hij in dien omheinden
+tuin spelen en met steenen naar de katten gooien; en die kleine pony,
+waar Abraham over gefantaiseerd had als hij over de kinderjaren van
+zijn jongen dacht! van dat alles zou niets komen. Kleine Carsten
+zou de wereld ingaan als de zoon van een man, die zijn schulden niet
+betaald had.
+
+'t Was eigenlijk voor 't eerst, dat 't leven hem zóó aangreep, dat hij
+zich op zich zelf alleen voelde aangewezen. Tot nu toe had hij altijd
+zijn geërfde plaats gehad onder hen, die veilig waren; op dit oogenblik
+voelde hij zich zonder steun, verantwoordelijk voor zijn zoon, die
+de wereld in moest en die niemand had om op te steunen dan zijn vader.
+
+Maar van die gedachte ging een wonderlijke kracht uit. Nu was hij
+eindelijk gekomen, de groote tijd dat Abraham Lövdahl toonen zou wie
+hij was, als hij maar eerst voor een taak stond, groot genoeg voor
+zijn wil.
+
+Ja, nu was eindelijk zijn tijd gekomen. Greta zou blij zijn,
+zelfs Clara zou hem leeren waardeeren. Maar eerst uit al dien handel
+weg!--heelemaal weg uit dat alles, dat voor hen allen een vloek geweest
+was!--Nu zag hij het in. Laat de schuldeischers nemen wat er is; en
+dan met leege handen beginnen aan een nieuw leven van eenvoudig werk.
+
+Die gedachte maakte zijn hoofd zoo warm, dat hij 't poortje moest
+openzetten om zich aan 't zoute schuim te verfrisschen; hij voelde
+zich zoo sterk en zoo vol hoop!--
+
+Hij zag het al--hun vreedzaam thuis in een van de kleine kustplaatsjes;
+de Steffensens moesten ook verhuizen. De beroemde Professor Lövdahl
+zou zijn praktijk weer opvatten en Abraham zou hem helpen. 't Zou wel
+onmogelijk zijn nu nog zijn doctoraal in de medicijnen te doen; maar
+hij was immers Mr. in de rechten; dat radicaal zou hij toch wel voor
+'t een of ander kunnen gebruiken.
+
+In die stemming kwam hij thuis tegen 't donker, den vierden dag na
+het failliet.
+
+Abraham ging door de donkerste straten en bereikte 't huis van zijn
+vader door een gangetje achter den tuin. Niemand had hem herkend. Op
+de eerste verdieping was alles donker; de gordijnen waren neergelaten;
+alleen boven op zijn kleine woning was één venster verlicht; zijn
+hart klopte warm; dat was de kamer van zijn zoontje.
+
+Hij zag met verwondering hoe groot en leeg de gang was. Maar hij
+dacht dadelijk aan de groote kast, waar zijn moeder het tafelgoed
+bergde. Die was van Grootvader Knorr en was meer dan honderd jaar
+in de familie geweest; vermoedelijk moest die naar de verkooping;
+misschien was die al verkocht.
+
+Abraham bleef staan en leunde tegen de trap; 't was toch vreeselijk
+hard--dat wat hij nu moest doormaken. Stuk voor stuk zijn liefste
+herinneringen uitrukken; alles wat hem dierbaar was naar vreemde,
+onverschillige menschen zien gaan. Maar hij verbeet zijn smart en
+verzamelde al zijn kracht; zoo moest het juist zijn,--ja--hij was
+er blij om, dat er al een begin gemaakt was, en hij ging langzaam de
+trap op.
+
+Boven hadden ze hem beiden verwacht: Clara en de professor. Deze
+dagen had hen nader tot elkaar gebracht; en zonder, dat zij 't elkaar
+behoefden te zeggen of iets af te spreken, werkten zij beiden, ieder
+op zijn manier, om het ongeluk te verzachten en te redden wat nog
+gered kon worden. De eerste opvlammende toorn van Mevrouw Clara was
+snel geweken, toen de diep neergebogen man haar een paar documenten
+bracht, die bewezen, dat kleine Carsten al lang meer bezeten had,
+dan de moeder vermoedde. En de professor had niet eens een kleinen,
+schuwen wenk behoeven te geven, dat het niet noodig was deze papieren
+dadelijk aan Abraham te laten zien; dat begreep ze volkomen. Beiden
+waren in spanning, angstig voor zijn thuiskomst--ieder op zijn manier.
+
+De professor was voor Abraham 't meeste bang--en tot het laatste
+oogenblik wist hij niet hoe hij zijn zoon zou durven aanzien. Moest
+hij niet verwachten, dat Abraham met zijn heftige natuur zou komen
+aanstormen met verwijten, omdat zijn leven bedorven was, zijn toekomst,
+zijn naam, zijn eer--alles meê getrokken in den ondergang van zijn
+vader.
+
+Hij kon er niets op antwoorden--in 't geheel niets; want dat was
+alles waar.
+
+Hij had zelf van den beginne aan, dezen zoon opgevoed in volkomen
+afhankelijkheid en bewondering; tot op 't allerlaatste oogenblik had
+hij alles verborgen, wat in Abrahams oogen de minste schaduw op hem
+werpen kon; en nu!--nu wist hij geen schaduw waarin hij wegkruipen kon.
+
+--Mevrouw Clara was ook bang voor Abraham, maar op een andere wijze;
+ook zij kende zijn natuur; maar zij nam bij tijds haar maatregelen. Wat
+zij vreesde, was, dat Abraham met zijn gewone neiging tot overdrijven
+alles zou opgeven; alles voor de voeten der schuldeischers neergooien
+en schoon schip maken.
+
+Ze wist het best, dat hij in 't geheel niet meê zou willen helpen om
+te redden wat gered kon worden, en daarom zag zij zijn thuiskomst met
+grooten angst tegemoet; hij was in staat al haar werk te bederven,--dat
+had de assessor Meinhardt haar ook geschreven.
+
+Abraham Knorr Lövdahl was natuurlijk failliet gegaan, tegelijk met
+Carsten Lövdahl, maar de inboedel van den zoon was in werkelijkheid
+belachelijk klein; hij was meê verantwoordelijk voor bijna de geheele
+schuld van de firma, voor zoover als zijn naam gebruikt was; en dat
+was 't geval op alle wissels van den laatsten tijd; en nu bezat hij
+feitelijk niets dan zijn meubels.
+
+De door de wet voorgeschreven registratie boven bij de jongelui was
+bijna humoristisch. Of de schuldeischers een half of een kwart procent
+van dien inboedel kregen, kwam er werkelijk in 't minst niet op aan bij
+dat ontzettend tekort. En de door den notaris gezonden gevolmachtigde
+liep rond en was doodverlegen tegenover Mevrouw Clara, die absoluut
+met hem meê wilde gaan in alle kamers om deuren en kasten voor hem
+open te doen en hem te laten zien wat opgeschreven moest worden.
+
+'t Was maar een paar weken geleden, dat hij in deze zelfde kamers met
+haar had gedanst, als een eenvoudige, bescheiden gast, en nu moest
+hij haar theelepeltjes tellen! dat was toch te veel verlangd van een
+jong, welopgevoed candidaat in de rechten; en de notaris ging immers
+nooit zelf op zulke zaken uit.
+
+Daarom werd 't een vrij gebrekkige lijst; en toen die op de verkooping
+kwam, gaf hij aanleiding tot veel scherpe opmerkingen over 't feit,
+dat dit overdadig weelderige huis zoo opvallend slecht van zilver en
+andere voorwerpen van waarde was voorzien. Maar anderen daarentegen
+legden er sterk den nadruk op, dat Mevrouw Clara alles had open
+gelegd en niets achtergehouden. Men kon ook wel zien, hoe zij zich
+zelf geplukt had, als men hoorde, dat zelfs 't beroemde japansche
+naaitafeltje van de overleden Mevrouw Lövdahl zou verkocht worden,
+dat Mevrouw Clara toch best had kunnen behouden, want het was een
+huwelijkscadeau van den professor. Waar alles nu ook gebleven mocht
+zijn--reeds bij Abrahams thuiskomst was 't zoo leeg en eenvoudig in
+de kamers, dat het iedereen opvallen moest.
+
+Mevrouw Clara had het zoo geschikt, dat het donker was in de gang,
+waar vroeger een prachtige gascandelabre brandde; 't eenigste licht
+daar kwam door een glazen ruit uit de keukendeur. De eetkamer was ook
+donker en koud; zij zouden in de huiskamer eten, om niet in twee kamers
+te moeten stoken. Zij was er zeker van, dat Abraham die kleinigheden
+zou opmerken; en ze hoopte, dat dit goed zou werken. Als men maar
+tijd kon winnen en hem op 't rechte spoor kon brengen, dan was de
+zaak gewonnen. Later kon er weer licht en warmte komen en al wat er
+verdwenen was kon weer van den zolder worden gehaald; maar stuk voor
+stuk,--met tusschenpoozen.
+
+Toen ze hem in de gang hoorden, begon de professor zóó te beven, dat
+hij zijn courant moest neerleggen; maar Clara stond op en liep haar
+man in de eetkamer tegemoet. Zóó was Abraham nog nooit door zijn vrouw
+ontvangen; en hij had in stilte voor iets heel anders gevreesd. Van
+'t oogenblik af, dat hij 't ongeluk vernam had hij zijn best gedaan
+zoo min mogelijk aan Clara te denken; zij zou naar zijn berekening
+heelemaal gebroken zijn, vol klachten--misschien vol verwijten.
+
+En nu snelde ze hem tegemoet--liefderijk, vrijmoedig, bijna blij! maar
+zoo wonderlijk vreemd in die zwarte, wollen japon zonder garneering,
+en toch zoo net en zoo mooi, alsof juist de eenvoud haar het allerbeste
+stond.
+
+Hij werd heelemaal warm en door haar betooverd; en toen hij zijn
+vader ontmoette, die hem met trillende lippen wachtte,--een gebogen
+grijsaard, wierp hij zich in zijn armen:
+
+"O Vader, arme Vader! wat hebt u 't vreeselijk gehad!"
+
+"Kun je mij vergeven? Abraham!"
+
+"Spreek u zoo niet, Vader. Laat ons allen elkaar vergeven en een
+nieuwe rekening beginnen, die beter uitkomen zal, niet waar?"
+
+"Ja, met Gods hulp!" antwoordde de professor, met een diepe zucht;
+het ergste was voorbij.
+
+Ze stonden een oogenblik alle drie hand in hand en zagen elkaar aan
+met een glimlach, die bijna blij was; 't was boven verwachting gegaan
+voor alle drie--die eerste ontmoeting: en ieder kreeg weer hoop,
+maar om zeer verschillende redenen.
+
+'t Dienstmeisje stoorde hen met een boodschap van den advokaat Kruse,
+of de jonge Mijnheer Lövdahl wel dadelijk even bij hem wilde komen.
+
+De professor kromp ineen; maar Clara antwoordde:
+
+"Zeg, dat Mijnheer pas is thuis gekomen en te moe is van de reis,
+om van avond nog uit te gaan.--'t Is toch ook wel wat kras om je
+dadelijk te laten halen."
+
+Abraham meende ook, dat het morgen wel tijds genoeg zou zijn; en nu
+begon hij rond te kijken.
+
+"Ja, je kijkt rond," zei Clara; "ik heb alles wat verkocht moet
+worden beneden in de kamers van Vader laten zetten, waar 't voor
+de verkooping klaar staat; ik dacht, dat je 't liefst hebben zou,
+dat er niets werd achter gehouden."
+
+"Natuurlijk, lieve Clara!--ik ben er zoo blij om, dat je zoo
+moedig, zoo onvervaard ben. Dat is juist goed en--zal ik 't maar
+bekennen?--meer dan ik van je verwacht had."
+
+"Ja," antwoordde zij met een berustenden glimlach, "ik weet helaas
+maar al te goed, dat je niet veel van me verwacht. Je denkt altijd,
+dat ik opga in pronk en..."
+
+"Neen, zeker niet!--dàt heb ik nooit gedacht en als ik je ooit in
+mijn gedachten onrecht deed--vergeef 't me dan nu."
+
+Toen kwam kleine Carsten binnen, om goeden nacht te zeggen--in zijn
+deken gerold, slaperig en lief en toen gingen ze aan tafel in een
+gezellig hoekje bij de kachel.
+
+"Ja, zie je, Abraham! we hebben niet anders dan brood en boter--en
+een stukje kaas ter eere van je thuiskomst."
+
+"Dat is uitstekend, Clara! Ik kon niets beters verlangen," en hij
+boog zich neer om haar hand te kussen.
+
+"Maar je ziet zoo vreemd rond?--wat is er?"
+
+"Is ook... Moeders naaitafel?--Was dat noodig?"
+
+"Je zou toch niet willen, dat ik dat prachtstuk gehouden had?" vroeg
+Clara scherp. "Dat zou zeker aanleiding tot praatjes gegeven hebben."
+
+"Ja, ik voor mij," viel de professor hem in de rede, "ik vond werkelijk
+ook, dat Clara dat met een gerust geweten had kunnen houden,--'t was
+een persoonlijk geschenk uit gelukkiger dagen."
+
+--"Neen Vader.--Clara heeft toch gelijk," antwoordde Abraham met
+inspanning; "laat ons de bittere kelk tot op den laatsten droppel
+drinken!--'t was flink van je, Clara."
+
+Toen zij gegeten hadden en juist gezellig om de ronde tafel bij de
+sofa zouden gaan zitten, kwam het dienstmeisje weer binnen met een
+briefje voor Abraham.
+
+"Wat is er nu weer? Is dat weer van dien afschuwelijken Kruse?" vroeg
+Clara.
+
+"Ja; er moet iets heel gewichtigs wezen, want hij schrijft, dat ik
+van avond nog moet komen. Ik moet dus wel gaan."
+
+"Neen, dat moet je heelemaal niet. Ik ben er van overtuigd, dat
+'t morgen tijds genoeg is."
+
+"Neen Clara! denk er aan, dat we niet meer onafhankelijk zijn; nu jij
+de last heelemaal op je schouders genomen hebt, wil ik de mijne niet
+afschuiven. We zullen ons niet vernederen, maar we moeten ons buigen,
+niet waar, Vader?"
+
+De oude man mompelde wat en zag voortdurend zijn zoon aan; en toen
+Abraham hun goeden nacht had gewenscht en naar de deur ging, was
+het alsof de professor op wilde staan om iets te zeggen of hem terug
+te houden; maar hij zonk weer ineen en verborg het gezicht in beide
+handen. Clara liet haar man uit en vroeg hem met veel liefkoozingen
+om gauw terug te komen. Zij zou op hem wachten. Het stond haar in
+'t geheel niet aan, dat hij dadelijk in de handen van dien Kruse
+vallen moest; hij had ook zulke dwaze overdreven opvattingen.
+
+"O Clara!--Wat is Vader oud geworden!" zei Abraham, toen ze hem zijn
+jas hielp aandoen. "Stel je voor, ik zag hem beven, toen hij zijn kop
+thee aannam! en hij, die zoo'n vaste hand heeft gehad.--Arme Vader!"
+
+Onderweg was hij hier nog zóó van onder den indruk, dat hij er niet
+toe kwam er over te denken, wat het toch wezen kon, wat Kruse van
+hem wilde.
+
+--Ze waren beiden wat verlegen, toen zij elkaar ontmoetten; Kruse
+drukte hem hartelijk de hand.
+
+"Arme jongen!--dat is zeker als een donderbui over je gekomen; maar
+ik dacht, 't was maar 't best, dat je 't door mij hoorde."
+
+"Ja, ja! ik dank je voor je telegram. Dat was goed van je bedacht."
+
+"Ik stuurde om je van avond; neem me dat niet kwalijk, omdat
+ik--eerlijk gezegd--in de pijnlijkste ongerustheid heb rondgeloopen
+in deze dagen; en veel anderen met mij. Ik ben blij je zoo vrijmoedig
+te zien, want nu kan ik wel begrijpen dat alles in orde is; maar
+'t was onvoorzichtig--"
+
+"Wat bedoel je?" vroeg Abraham. En een duister voorgevoel van iets
+vreeselijks snoerde hem de keel dicht.
+
+"Wat ik bedoel?--ben je gek--Jongen? 't Geld natuurlijk... dat heb
+je toch? 't Geld van de arbeiders--'t bouwfonds en de ziekenkas?"
+
+Abraham drukte beide handen in de zij, waar hij een pijn voelde als
+na een slag tegen 't hart; zijn keel werd dik en met moeite bracht
+hij een geluid uit:
+
+"Vader..."
+
+"Ja zeker--je vader heeft het geld uit de spaarbank gehaald, dat
+weten we! maar dat was natuurlijk maar voor een dag te leen?"
+
+Abraham knikte.
+
+--"en je vader gaf je 't geld den volgenden dag terug?"
+
+Abraham bleef met open mond en wijd opengesperde oogen staan.
+
+"Groote God in den hemel!" schreeuwde de kleine advokaat. "Jelui
+zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar! Je vrouw gaat
+heen en verstopt haar zilver en steelt--ja ik zeg 't je ronduit--ze
+steelt! en je vader! je groote vader--niet genoeg, dat hij mijn vader
+en nog veel anderen ruïneert; maar ik zal je maar één ding vertellen,
+dat toont wat hij voor een kerel is; jij hebt hem gezegd, dat Mevrouw
+Gottwald wat gespaard had..."
+
+"Neen," antwoordde Abraham; maar hij werd op 't zelfde oogenblik
+rood, want zoo gemarteld als hij zich op dat oogenblik voelde, toch
+herinnerde hij zich, dat hij op een dag aan tafel over dat idee van
+een monument voor kleine Marius had gesproken.
+
+"Zie je wel?" riep Kruse bitter, "je herinnert 't je wel. Luister
+nu: acht dagen vóór 't failliet was je vader hier en praatte Mevrouw
+Gottwald haar spaarbankboekje af, onder voorwendsel van haar hooger
+rente te willen bezorgen!--Wat zeg je daarvan? Zal ik je zeggen wat
+hij is--je groote vader? nu, hij is gewoon weg een gemeene schurk!"
+
+Abraham viel achterover tegen een stoel en was verscheiden minuten
+bewusteloos. Kruse werd bang en had berouw over zijn woorden, en
+toen hij 't eindelijk zoover gebracht had, dat de ander de oogen weer
+opsloeg, zei hij:
+
+"Je moet niet boos op me wezen, Lövdahl--maar je kunt wel begrijpen,
+dat die geschiedenis met de arbeiders mijn halve leven bederft."
+
+Abraham greep half bewusteloos zijn hand, maar 't was duidelijk, dat
+hij nog als verlamd was. Kruse liet hem met rust en liep intusschen
+de kamer op en neer. Na een lange stilte zei Abraham:
+
+"Wat moet ik doen?"
+
+"Dat hangt er van af wat je kunt."
+
+"Wat ik kan?"
+
+"Waar je kracht en moed voor hebt."
+
+"Je denkt toch niet, dat ik me meê schuldig wil maken..."--hij kwam
+niet verder, want hij hield op door een blik van zijn vriend en
+een glimlach, dien hij kende: half moedeloos, half verachtelijk;
+en Abraham voelde dien glimlach branden in zijn hart.
+
+'t Was waar! Hij had noch moed, noch kracht zich van de anderen los
+te maken, om open en hardop te zeggen: "Zie! dit heeft mijn vader
+gedaan, dit heeft mijn vrouw gedaan en dat heb ik zelf gedaan. Straf
+ons, als dat moet; maar laat ons na onze schuld geboet te hebben een
+nieuw leven beginnen."
+
+Dàt kon hij niet, dat wist hij zelf wel. Beschaamd en zonder op te
+zien sloop hij heen en Peter Kruse sloot de deur achter hem dicht.
+
+Maar één gedachte was er in zijn hoofd, één naam op zijn lippen;
+hij ging regelrecht Greta zoeken.
+
+Hij was door de stille, leege straten zóó ver gekomen, dat er geen
+lantarens meer waren. Langs den kant van den weg waren groote steenen
+gezet en in de diepte beneden hoorde hij 't zware zuigen van de golven,
+die tegen de rotsen opstegen en weer neerzegen, zuigend en trekkend
+aan het taaie zeewier. Abraham stond stil, ging terug naar de laatste
+lantaarn om op zijn horloge te zien. 't Was over tienen.
+
+Greta zou wel naar bed zijn; maar dat deed er niet toe; hij wilde
+alleen maar naast haar bed zitten, haar hand in de zijne nemen en
+naar haar stem luisteren, waarin geen twijfel, geen ontrouw was.
+
+Maar terwijl hij zich omkeerde om verder te gaan in het donker, hoorde
+hij zijn naam roepen en een dame in 't zwart kwam uit de schaduw van
+de kerkhofpoort en snelde hem tegemoet.
+
+"Ga niet verder, ik smeek je, Abraham. Ik smeek je er om, ter wille
+van kleine Marius! ga niet alleen zoo ver buiten de stad in 't donker!"
+
+"Maar lieve Mevrouw Gottwald, waarom mag ik dat niet?"
+
+"Omdat ik vroeger gezien heb, dat... had ik toen maar..."
+
+"Wanneer? Wie?"
+
+"Je moeder stond ook hier! Ga niet verder, Abraham! Ik kan het niet
+verdragen."
+
+Eerst had hij gemeend, dat zij krankzinnig geworden was door 't
+verlies van haar geld; maar toen ze zijn moeder noemde:
+
+"Antwoord me, lieve Mevrouw Gottwald! antwoord me!--wat was dat
+met Moeder?"
+
+"Niets. Vraag 't me niet. Ik weet niets."
+
+"Antwoord me! U moet me antwoorden--ter wille van kleine Marius." En
+hij hield haar vast. "Wat was dat met Moeder?"
+
+"Ik zal je antwoorden en alles zeggen wat ik weet; maar dan moet je
+niet meer vragen--arme Abraham!"
+
+Nu was ze zooals in den ouden tijd de moeder van Marius en hij was
+de beste vriend van haar jongen.
+
+"Ik heb je moeder juist hier zien staan, waar wij nu staan; 't was
+nacht en donker als nu. En zij zag op haar horloge en hief toen haar
+gezicht op in 't gaslicht;--o dat gezicht!--Ik stond daar in de schaduw
+van de kerkhofpoort en ik kwam niet te voorschijn; ik was immers--die
+ik ben. En zij was de vrouw van Professor Lövdahl. En toch zag ik,
+dat ze eenzaam was en in nood, en we waren beide moeders! Was 't niet
+vreeselijk laf van me? En ze stierf dien zelfden nacht."
+
+"Stierf ze? was dat de laatste nacht?--waar stierf zij?"
+
+"Je moeder stierf in haar bed," antwoordde Mevrouw Gottwald vast;
+maar toen ik nu vanavond van Marius kwam en juist aan jou en je
+familie in je groot ongeluk dacht--ja, ik dacht vooral aan jou,
+Abraham!--daar zie ik ineens je gezicht--dat zoo op 't hare lijkt. Je
+haalde je horloge uit, en keek daarna naar boven in 't gaslicht--; ja,
+kun je je niet begrijpen, dat ik angstig werd, omdat je daar alleen,
+in wanhoop rondliep?"
+
+"Maar Moeder!--gelooft u dan,--Mevrouw Gottwald! gelooft u, dat
+Moeder..."
+
+"Ik weet noch geloof iets; maar menschen, die ongelukkig zijn, moet
+men niet in 't donker laten loopen; kom, ga met mij naar de stad
+terug." Ze nam zijn arm en zij liepen zwijgend voort.
+
+"Was mijn moeder ongelukkig?"
+
+"Hoe weet ik dat? Wat weet de eene mensch van den andere? Doen we
+wel anders dan elkaar bedriegen? Sommigen met een booze, anderen
+met een goede bedoeling. Ik kende haar trouwens ook niet zoo goed;
+maar zij was zeker een bizondere vrouw, en juist daarom--"
+
+"--"daarom" zegt u?"
+
+"Ja, lieve Abraham! daarom was ze zeker niet gelukkig;--dat is
+gewoonlijk zoo."
+
+Hij moest haar beloven niet buiten de stad te gaan; maar hij hield
+zijn belofte niet. 't Was hem onmogelijk naar huis te gaan en er was
+voor hem geen gevaar. Hij dacht er niet aan in zee te springen of
+zich voor 't hoofd te schieten.
+
+En toch moest hij stilstaan en naar 't geheimzinnige klotsen der golven
+luisteren--daar beneden in het donkere fjord, waar de lichten van
+de stad hem tegemoet kwamen springen in strepen van kleine glanzende
+puntjes. Had zijn moeder er over gedacht langs dezen donkeren weg het
+leven te verlaten? Was ze vrijwillig heengegaan?--Wat moest hij denken?
+
+Hij doorleefde weer zijn herinneringen uit dien tijd. Nooit had hij er
+een flauw vermoeden van gehad, dat zijn moeder ongelukkig geweest was;
+eerst nu herinnerde hij zich hoe wonderlijk zwaarmoedig ze zeggen kon:
+"Arme kleine Abby!"
+
+Maar als er een ongeluk in haar leven geweest was, dan moest het op
+een of andere manier met haar huwelijk in verband gestaan hebben
+en dat was het vreeselijke voor Abraham, dat alles vandaag zoo
+overweldigend samenliep om dien vader te verbrijzelen, dien vader,
+waar hij zijn leven lang tegen had opgezien, dien hij bijna aanbeden
+had met een soort godsdienstige vereering. De diepe kloof tusschen den
+aard van zijn ouders--in zijn kindschheid soms flauw vermoed, stond
+hem nu klaar voor den geest. En nu wist hij ook wat hij had moeten
+kiezen.--Dat--wat in zijn moeder geknakt was had de kracht van zijn
+leven moeten worden. En in plaats daarvan?--er kwam een vreeselijke
+leegte in hem en in zijn ooren klonk het met de scherpe stem van Kruse:
+"Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar!"
+
+Zou het toch niet het beste zijn als hij zijn schande daar beneden
+verborg, waar 't zoo zwart en zoo stil was; dan was 't voorbij--dan
+konden ze van hem zeggen wat ze wilden. Wat zouden ze zeggen?--Hij
+begon over alle gevolgen na te denken en kon niet verder komen dan
+zijn vaderlooze kleine Carsten. Maar opeens keerde hij zich af met
+een beweging alsof hij van zich zelf walgde; hij wist, dat hij nu niet
+en nooit zou durven; hij zag voor zijn oogen al de kleine treden van
+lafheid, waarlangs hij gedaald was, telkens lager van zijn kindschheid
+af tot op dit oogenblik toe.
+
+Alle groote woorden, alle schitterende fantaisieën, alle kleine,
+slappe aanloopjes; heel die behoefte om waar en moedig te zijn, die
+hem altijd lokkend en bedriegelijk vergezeld had; alle mogelijkheden,
+die hij in handen had gehad, alle gelegenheden, die zich aan hem
+hebben voorgedaan--waarom? waarom was dat alles een rij van de meest
+smadelijke nederlagen geworden.
+
+Hij streek zich in wanhoop met beide handen door 't haar en riep zich
+zelf luid toe:
+
+"Wat scheelt mij toch!--Wat voor duivel huist toch in mij, die maakt,
+dat ik nooit--nooit doen kan wat ik zelf wil. Eén laffe leugen,
+één carricatuur is mijn leven! 't Is alsof elke vezel in mijn ziel
+vergiftigd is." Grete! Grete! Nu was er niets anders in de wereld
+meer voor hem!--En hij liep bijna zoo hard als hij kon de stad uit.
+
+Toen hij het huis naderde vond hij, dat de deur er zoo vreemd uitzag;
+hij tastte er langs in 't halfdonker en merkte, dat zij de deur uit
+de hengsels hadden gelicht en dien buitenshuis tegen den muur gezet.
+
+In de kamers was niet de gewone lucht, ook was er niet... er was
+niets! hij liep langs de wanden in de keuken, in 't slaapkamertje,
+in de huiskamer; er was niets--niets ter wereld, behalve stroo en
+afval, dat hij onder zijn voeten voelde.
+
+Eindelijk stootte hij tegen de bank onder 't venster, waarop hij
+gewoonlijk met Grete zat: die was vast aan den muur gebouwd.
+
+Hier wierp hij zich neer. Steffensen was weg! Hij begreep alles: Grete
+had gehoord, dat hij de spaarpenningen van de arbeiders had weggenomen
+en toen was zij weggegaan. Zoo was 't gegaan. En daarmee was 't uit.
+
+De duisternis werd verdrongen door de schemering, 't werd lichter en
+lichter. De wind stak op tegen den morgen en ritselde in 't stroo op
+den grond.
+
+Daar ginds onder 't venster, op 't overschot van Grete's wilgentakjes
+en riet lag Abraham Lövdahl te slapen. Hij was van de bank
+afgegleden.--
+
+
+
+
+
+
+XV.
+
+
+Toen de faillissementen eindelijk allen bekend waren, zoodat men het
+ongeluk kon overzien, kwam er meer rust in de gemoederen; het eerste,
+haastig gevelde oordeel werd gewijzigd; de ontzettend groote omvang
+van de ellende, de groote omwentelingen en veranderingen, die men
+voorspeld had--alles kromp als 't ware van dag tot dag, en 't leven
+hernam bijna zijn ouden vorm, maar in wat grauwer kleuren. Haat
+en vergeving schaarden zich om zekere brandpunten. Van Professor
+Lövdahl was niet veel kwaads te zeggen; 't haar van dien armen man
+was sneeuwwit geworden in een paar weken.
+
+'t Was eerder de zoon, die al dit kwaad gesticht had; hij was
+een vrijdenker en hield zich met Kruse op, om de arme arbeiders
+af te zetten; zij hadden ook gevoeld wat de liefde van die twee
+beteekende; en 't was bewezen, zei men, dat Abraham Lövdahl zich in
+de arbeidersvereeniging gedrongen had, alleen maar om aan 't geld te
+kunnen komen.
+
+Men vertelde ook al spoedig, dat hij naar de gevangenis moest--hij en
+Marcussen, allebei. 't Was een goed paar; maar Lövdahl, een getrouwd
+man, was toch de ergste. En 't meisje was nog al blind, en nu was zij
+de stad uit gestuurd,--zij moest weg!--zeker met een flinke portie van
+'t gestolen geld.
+
+Intusschen werd spoedig verteld, dat de bankdirecteur Christensen
+gezegd zou hebben, dat er Goddank--geen sprake was van vervolging
+van een der gefailleerden; en als zijn woorden vroeger van gewicht
+waren--nu waren ze als orakels en werden door allen met onbepaald
+geloof en vertrouwen aangehoord.
+
+De groote gestalte van den bankdirecteur met zijn onfeilbare neus was
+nu 't eenige in de stad wat hoop gaf aan wie hem zagen; en wanneer
+hij als een olifant van zijn kantoor naar zijn dierbare bank liep,
+zagen de schuwe kleine burgers naar hem op als de Israëlieten naar
+de koperen slang in de woestijn.
+
+Hij was overal aan 't werk als aanvoerder, hij regelde en maakte orde
+en schikte en plooide, zoodat midden in de wanhopende ruïnen wat hoop
+begon te ontkiemen, nu voor dezen, dan voor dien.
+
+De arbeiders dankten hem met tranen in de oogen, omdat ze op zijn
+scheepswerf mochten werken voor f 1.25 per dag; menschen, die verlegen
+waren om contant geld, kwamen bij hem om allerlei soort papieren en
+zaken van waarde te verkoopen; hij had hulp voor allen--en men zei,
+dat hij in dat jaar zijn vermogen bijna verdubbelde.
+
+Op Mevrouw Frederika maakte het ongeluk den indruk, dat er nu met
+dubbele kracht gepingeld moest worden; het groote verlies kon ze niet
+recht vatten; wel kon ze de groote getallen herhalen en daarbij rillen,
+maar 't ging haar toch veel erger aan 't hart, als ze er achter kwam,
+dat de kruidenier haar voor vijftien cents had beetgenomen.
+
+Maarten daarentegen had een knak voor zijn leven gekregen: zijn
+berekeningen, zijn dierbare berekeningen hadden alles vernield wat
+hij had,--en alles wat hij berekend had te zullen erven van den ouden
+Jörgen. Hij ging door met rekenen en rekenen, tot hij zóó verbitterd
+was, dat zijn preeken, waar vroeger weinig op gelet werd, den naam
+kregen van "dierbaar" te zijn.
+
+Maar in 't huis van de oude Kruses veranderde alles; daar was alles
+gesloten,--leeg, uitgestorven.
+
+Zoodra Juffrouw Kruse bekomen was van haar oprechte, onmetelijke
+verbazing, beval ze haar zoon Peter, dat hij nooit--met geen enkel
+woord, de schuld noemen zou, die Maarten hieraan had; zij hoopte,
+dat dit ongeluk voor haar jongsten zoon tot een zegen en een redding
+zou worden.
+
+Maar daarbij pakte zij de zaak aan; en twee dagen na de beëindiging
+van het faillissement van Jörgen Kruse, verhuisden hij en zijn vrouw
+naar een van de drie kamers bij hun zoon den advokaat boven Mevrouw
+Gottwald.
+
+De oude Jörgen zelf was half verward in 't hoofd geworden toen
+hij begreep wat er was gebeurd.--Ja, hij begreep het eigenlijk
+nooit. Want zijn hersens, die altijd zwakke plekken gehad hadden,
+konden dien vreeselijken slag niet verdragen: de arbeid van een heel
+leven vergeefs! Als Amalia Catherine hem een oud kasboek gaf om op
+te tellen, was hij er den heelen dag meê bezig, tot men hem voor
+de maaltijden riep; alleen vroeg hij een enkele keer geheimzinnig,
+of Maarten nu in den winkel stond.
+
+Juffrouw Kruse daarentegen hief haar klein hoofdje op en werd
+werkelijk vroolijk.
+
+Peter en zij zetten den dikken advokaat Kahrs zoo zeer tot spoed aan,
+dat alles in korten tijd verkocht en afgedaan werd. En toen het bleek,
+dat de crediteuren bijna hun geheele vordering kregen uitbetaald,
+had Juffrouw Kruse geen zucht over voor al het geld, dat ze zoo trouw
+had helpen bijeengaren. 't Leven had haar nu werkelijk een afschrik
+van geld gegeven. Nu zou ze juist gelukkig zijn; en ze hoopte, dat
+ook anderen 't zouden worden.
+
+'t Meest medelijden had ze met Peter; want hij trok het zich zoo
+aan--die historie met 't geld van de arbeiders; en Peter had toch
+geen schuld; 't was die Lövdahl, die 't gedaan had.
+
+Maar daar wilde Peter niet van hooren. Hij liep er voortdurend over
+te tobben, en verweet het zich, dat hij niet zelf de zaken behartigd
+had. 't Hielp niet wat zijn moeder ook zei, niet eens hielp het, dat de
+arbeiders zelf hem verzekerden, dat ze hem niet het minst te verwijten
+hadden en hem dringend verzochten hun president te willen blijven.
+
+Peter kon dat geld maar niet vergeten wat hij met zooveel vreugde
+had zien vermeerderen. Dat zou zijn liefsten droom tot werkelijkheid
+hebben gemaakt; de arbeiders vergaderd in hun eigen huis, sterk en
+vereenigd!--Nu was alles bedorven en verstrooid--erger dan vroeger;
+wantrouwen, lafheid en al de oude ellende; er moest weer van voren
+af aan worden begonnen. Hij moest wat opgevroolijkt worden, dacht
+Juffrouw Kruse en klampte dadelijk Mevrouw Gottwald aan; ze had
+natuurlijk al lang Peters geheim ontdekt.
+
+Mevrouw Gottwald verweerde zich lang schertsend door te doen, alsof
+zij 't niet begreep; maar eindelijk werd zij ernstig:
+
+"Luister eens, Mevrouw Kruse! daar moeten we niet meer over praten,
+niet eens uit gekheid. Zelfs al waren er geen honderd andere dingen
+tegen dat, waar u op zinspeelt, dan moest het al volkomen genoeg--en
+meer dan genoeg zijn, dat u mijn verleden kende."
+
+"Dat ken ik, Mevrouw Gottwald."
+
+"Ik ben geen Mevrouw," antwoordde de andere en boog zich over haar
+werk.
+
+"Dat weet ik ook; maar u hebt een kind gehad."
+
+"Ach ja! Een lieve, kleine ongelukkige jongen."
+
+"Luister u nu eens--Mevrouw Gottwald!--die man, waar ik zoo graag
+zou zien, dat u van hieldt, is ook zoo'n ongelukkig jongetje."
+
+"Ik begrijp u niet,--of u begrijpt mij niet."
+
+"Zijn moeder was ook niet getrouwd, toen hij ter wereld kwam; er
+zijn tranen op zijn hoofdje gevallen--zulke tranen als u kent. Ja,--u
+ziet mij aan!--hier zit zij voor u--zijn moeder. Wij beiden--Mevrouw
+Gottwald--wij zijn gelijken."
+
+"Groote God! dat heb ik nooit geweten!"
+
+"Neen, ziet u! Van mij heeft men het vergeten; omdat het mij meêliep
+en ik getrouwd ben; maar op u bleef de schande drukken, heel uw leven
+door. En daarom heb ik nu gedacht, dat de schande eigenlijk niet zoo
+groot kan zijn--voor geen van ons beiden; ik geloof, dat we ons al
+te veel geschaamd hebben--vooral u. Ja--u ziet me aan! maar ik meen
+het in ernst en daarom heb ik mijn schaamte overwonnen en Peter ook."
+
+"Weet hij het dan?"
+
+"Ja, daar ben ik van overtuigd. Maar nog meer overtuigd ben ik er van,
+dat hij nooit in 't verborgenste hoekje van zijn hart daarom ook maar
+een ziertje zou hebben van iets, dat op minachting voor zijn moeder
+lijkt. En dat zou uw zoon ook niet gehad hebben als hij was blijven
+leven. Hoe heette hij?"
+
+"Hij heette Marius--kleine Marius."
+
+"Nu,--Marius en mijn kleine Peter--zij zijn ongeveer broers. U hebt
+uw zoon verloren, neem u den mijnen in zijn plaats; hij zal van ons
+beiden zijn--van ons allebei."
+
+Mevrouw Gottwald lachte en schreide tegelijk; 't overviel haar zoo;
+maar de oude haalde haar toch over om mee naar boven te gaan om thee
+te drinken. Op de trap bedacht Mevrouw Gottwald zich toch weer en
+wilde terugkeeren; maar gelukkig kwam er toen juist een heer de trap
+op en toen dit Peter bleek te zijn, nam Mevrouw Kruse dat aan als een
+zekere vingerwijzing en stelde zich zelf gerust in de overtuiging,
+dat "de jongelui" 't nu wel samen eens zouden worden.
+
+Haar zorgen voor haar tweeden zoon waren van heel anderen aard en
+voor hem had zij minder hoop. Morgen zou ze hem beproeven. Hij zou
+preeken over haar tekst: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult
+gij in uw gordelen verzamelen." Frederika had het verteld. Maarten
+beschouwde het als zijn plicht juist in dezen tijd krachtig ten strijde
+te trekken tegen de Mammonvergoding. Juffrouw Kruse zou niet zooveel
+om de woorden geven: zoo welsprekend als de Proost Sparre was Maarten
+immers in 't geheel niet. Maar hij was haar zoon; ze kende elk geluid
+van hem. Zij zou 't wel hooren of de rechte geest in hem was.
+
+'t Was de tweeëntwintigste Zondag na Trinitatis, in den overgang
+van herfst tot vollen winter. 't Weer was guur en doordringend koud
+zonder 't frissche van de vorst; de menschen stroomden naar de kerk en
+haastten zich om onder dak te komen voor den gierenden zuidwestenwind.
+
+Er waren veel menschen; de groote rampen hadden menschen naar de kerk
+gedreven, die er anders nooit kwamen. De vrouwen waren in donkere
+kleuren gekleed--als boetelingen--; geen bonte linten waren er te zien.
+
+De mannen zaten somber neer en worstelden met hun bekommeringen; of
+'t ergste nu voorbij was; of was dit maar 't begin van erger dingen?
+
+Daar kwam consul With, die na zijn failliet in de directie van de bank
+was gekomen onder Christensen; hij bracht zijn "strijkplank" galant
+naar haar plaats en legde de plooien van haar mantel zorgvuldig om haar
+heen. Zooiets had men nog nooit gezien. Misschien had het ongeluk dit
+echtpaar tot elkaar gebracht. Daar kwam Juffrouw Kruse alleen--flink
+en beweeglijk, alsof er niets gebeurd was. Zij had zeker aardig wat
+achtergehouden, de oude raaf--dat ze er zoo onbekommerd uitzag.
+
+Maar daar kwamen de Lövdahls! Alle hoofden keerden zich om; alle
+oogen volgden hen.
+
+Mevrouw Clara liep bleek, met gebogen hoofd--schoon en onderworpen
+als een martelares. De japon, de eenvoudige hoed waren van een
+onwillekeurige gratie, die bijna aandoenlijk was.
+
+Met den hoed in de hand, 't witte hoofd wat op zij en een glimlach op
+de lippen, alsof hij allen om vergeving vroeg, liep Carsten Lövdahl
+naast haar.
+
+Hij had zijn linkerhand in den arm van Mevrouw Clara gestoken; maar
+met de rechter steunde hij op den bedelstaf,--allen konden dien zien;
+hij was van bruin bamboes met ivoren knop.
+
+De vrouwen taxeerden Clara. Ja zeker was zij eenvoudiger gekleed,
+véél eenvoudiger dan vroeger; toch was er, als men goed toekeek,
+iets irriteerends aan haar; echt geknakt was ze in 't geheel niet.
+
+Maar de professor was lief! Stel je voor,--met bijna heelemaal wit
+haar! En zooals hij 't opnam,--zoo ootmoedig, zoo onderworpen aan God,
+zoo stichtelijk voor de heele gemeente.
+
+De mannen hielden beschouwingen over het accoord van 50 procent,
+dat--naar men zei--Christensen voor Lövdahl zou zien te verkrijgen;
+over de vele schandelijke transacties, die de curators hadden
+ontdekt--naar men zei. 't Was toch eigenlijk al te erg, dat zooiets
+er maar door kon. De overheid van den ambtman tot den minsten klerk
+wisten 't waarachtig goed genoeg; maar welke particulier had den moed
+of de macht om die overheid te dwingen, om te zien wat zij volstrekt
+niet zien wou. De weinigen, die nog vast stonden, behoorden zelf tot
+den kring; en hoewel alle menschen onder vier oogen en in vertrouwen
+'t er over eens waren, dat het volkomen onverantwoordelijk was zooals
+het ging, toch kon men met geen mogelijkheid aantoonen, dat niet
+alles met de meest nauwgezette inachtneming van de voorschriften der
+wet plaats had.
+
+Zulke gedachten volgden Clara en den professor door de kerk; en zóó
+druk hadden de oogen 't met hen, dat de gemeente eerst later opmerkte,
+dat er nog iemand achteraan kwam.
+
+Dat was Abraham.
+
+--Er is smart in de wereld--vooral dat soort smart, die schande
+meêbrengt, die 't een mensch volkomen onmogelijk doen voorkomen het
+leven verder te verdragen. Des namiddags en 's nachts voelt hij zich
+alsof hij sterven moet, vóór 't licht weer terugkomt.
+
+En als de morgen komt, heeft hij een gevoel alsof er toch nog leven
+in hem is; hij moet de kleeren weer aantrekken, zijn haar borstelen
+en hij moet eten.
+
+'s Avonds zegt hij: "Hoe is 't toch mogelijk, dat ik een heelen dag
+geleefd heb--en dit gedragen?"
+
+Den volgenden dag scheert hij zich; acht dagen later komt hij er toe
+een grap te zeggen en er zelf om te lachen.
+
+--Zoo had Abraham een paar weken geleefd. Dagen en nachten hadden
+hem heen en weer geslingerd. Niets was zwaarder of lichter geworden;
+maar alles rondde zich af onder het zwoegen in die uren.
+
+Tot zekere hoogte had hij 't nog nooit zoo goed gehad thuis; men
+behandelde hem als een lieve zieke. Zijn vader was zoo zacht, bijna
+eerbiedig;--en Clara omringde hem met alle teerheid, waar hij ooit
+van gedroomd had vóór zij getrouwd waren en die hij vroeger nooit
+bij haar gevonden had.
+
+Zij waren beiden bang voor hem. Eén woord, één uitbarsting van zijn
+overdreven principes kon alles omverwerpen, wat zij opgebouwd en
+gered hadden.
+
+Maar in werkelijkheid behoefden ze voor hem niet langer bang te
+wezen;--met hem was 't gedaan.
+
+En toen Clara hem dien Zondagmorgen half angstig in 't oor fluisterde:
+"Je weet niet wat een pleizier je Vader zou doen, als je met ons naar
+de kerk ging," antwoordde hij heel kalm:
+
+"Ja, dat wil ik wel doen."
+
+Toch kromp iets in hem ineen, toen hij onder den boog
+doorging en de groote oude kerk voor hem lag in sombere, grauwe
+herfstkleuren. Herinneringen drongen zich naar boven, oogen drongen
+op hem aan. Maar hij ontweek ze bijna zonder strijd; zij hadden geen
+macht meer over hem.
+
+En terwijl hij achter zijn vader en zijn vrouw liep, spuwde hij in
+gedachten zich zelf in 't gezicht en riep zich zelf toe:
+
+"Kijk ootmoedig! Kijk vooral ootmoedig, hond, die je ben!"
+
+Wat zag hij er akelig en griezelig uit! Niet een was er, die hem
+vertrouwde. Vrouwen en mannen zagen hem na met booze oogen. Hij--die
+de arme arbeiders bedrogen en bestolen had.--
+
+--Maar daar kwam Christensen--de bankdirecteur en zijn vrouw in een
+nieuwen zwaren zijden mantel uit Hamburg! Goede hemel! 't deed allen
+werkelijk goed menschen te zien, die nog zijde konden koopen!
+
+Mevrouw Christensen glimlachte bewogen; 't zilver stond nu op zijn
+plaats en het dwaze opschrift was er van weggenomen.
+
+De houding van den bankdirecteur scheen te zeggen: "Aanbid mij niet!"
+
+Maar hij kon het niet verhinderen. Hij was aller hoop en toevlucht;
+niet één had den moed aan zijn laatste zonderlinge manier van doen
+op de algemeene ledenvergadering van Fortuna te herinneren.
+
+Toen begon Maarten Kruse zijn preek over de tienduizend talenten;
+over de booze macht, die 't geld onder ons menschen heeft; over den
+mammon en de leliën des velds, en als grondtoon kwamen telkens deze
+woorden terug: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw
+gordelen verzamelen."
+
+Daar stond midden onder de preek een kleine gestalte op aan den
+kant van de vrouwen. 't Was Juffrouw Kruse! Ja waarachtig! 't was
+Juffrouw Kruse.
+
+Ze hield den zakdoek niet voor haar mond; ze had geen neusbloeding, ze
+was niet onpasselijk, want ze zag in 't geheel niet bleek. Integendeel
+ze zag er frisch en krachtig uit, zooals ze zich een weg baande
+tusschen de dames door, die van schrik vergaten plaats te maken.
+
+Toen Juffrouw Kruse eindelijk het middenpad bereikt had, schikte
+ze kalm haar mantel terecht en ging toen met haar rustige oude
+vrouwen-stapjes, voort door 't lange middenpad en de kerk uit.
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Een korte beschrijving van dit document.
+
+[2] Bij kerkelijke plechtigheden betalen de gemeenteleden in
+Scandinavië een zeker bedrag aan den predikant. Dat wordt "offer"
+genoemd.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Fortuna, by Alexander Kielland
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK FORTUNA ***
+
+***** This file should be named 33308-8.txt or 33308-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/3/3/0/33308/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.