summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/31120-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 19:55:09 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 19:55:09 -0700
commit5228e64305ba44523433894d8a752ecee8cf341d (patch)
tree0918e191bdc6b0912a4995b40a792ceade930f51 /31120-8.txt
initial commit of ebook 31120HEADmain
Diffstat (limited to '31120-8.txt')
-rw-r--r--31120-8.txt2045
1 files changed, 2045 insertions, 0 deletions
diff --git a/31120-8.txt b/31120-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..992d6a7
--- /dev/null
+++ b/31120-8.txt
@@ -0,0 +1,2045 @@
+The Project Gutenberg eBook, Hoe men schilder wordt, by Hendrik Conscience
+
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+
+
+
+Title: Hoe men schilder wordt
+
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+
+
+Release Date: January 29, 2010 [eBook #31120]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+
+***START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HOE MEN SCHILDER WORDT***
+
+
+E-text prepared by Branko Collin and the Project Gutenberg Online
+Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
+
+
+
+Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this
+ file which includes the original illustrations.
+ See 31120-h.htm or 31120-h.zip:
+ (http://www.gutenberg.org/files/31120/31120-h/31120-h.htm)
+ or
+ (http://www.gutenberg.org/files/31120/31120-h.zip)
+
+
+
+
+
+HOE MEN SCHILDER WORDT
+
+HENDRIK CONSCIENCE
+
+
+
+
+I
+
+Ontdekking van een wonderbaar vernuft.--Huiselijke raad over de bestemming
+van een kind.--De Academie van Antwerpen door eenen werkman
+beschreven.--Schilderen is een lekker stieltje.
+
+
+In een klein huisje, behoorende tot de St.-Andriesparochie te Antwerpen,
+zaten op eenen avond der maand Mei 1832, drie personen bij eene kleine
+blikken lamp te werken.
+
+Eene oude vrouw was voor een kantkussen gezeten en wierp de ratelende
+bouten onophoudend door elkander, terwijl zij, met eene wonderlijke
+vinnigheid, de spelden over het kassen deed wandelen. Op haar gelaat glom
+die zoete welwillendheid, welke het aangezicht van sommige oude lieden met
+aantrekkelijkheid versiert, ondanks de diep gegravene rimpels.
+
+Zij scheen welgemoed en liet zich den eentonigen arbeid niet verdrieten,
+aangezien dat zij van tijd tot tijd hare heesche stem tot het vormen van
+verschillende tonen poogde te dwingen en slepend een liedeken zong van
+haren jongen tijd. Dit liedeken scheen uit een enkel referein te bestaan en
+begon telkens met deze woorden:
+
+ En Coredommeken hy issere gesteurve.
+
+Het onveranderlijk einde was:
+
+ Hy schreef daer in het zand
+ Dat zyn jonk hart verbrandt.
+
+Nevens haar bevond zich eene jongere vrouw, fraai van gelaat en schoon van
+gestalte.
+
+Zij was insgelijks bezig met kantwerken. Evenals de oude, droeg zij de
+gewone kleeding der arme burgers of werklieden van Antwerpen: een
+rozekleurig jak, eenen zwarten baaien rok en eene trekmuts van bevalligen
+vorm. Tusschen de kleeding der twee vrouwen was alleenlijk dit verschil,
+dat de oude met de groote bloemen der vorige eeuw behangen was, terwijl de
+jongere vrouw meer de hedendaagsche kleuren droeg, zijnde kleine bloemkens
+op gemengden grond.
+
+De derde persoon, die zich in de kamer bevond, was een jongsken van omtrent
+elf jaar,--met een aangezichtje zoo zuiver en zoet als dit van een
+engeltje. Groote zwarte oogen, vol beweging en vol leven, stonden blinkend
+onder zijne lange wimpers, en losten als gitsteenen op de rozen zijner
+wangen uit. Zijn mondje, welks hoeken eenigszins achteruit getrokken waren,
+gaf aan zijne wezenstrekken eene uitdrukking, die geest en begrip
+aanduidde. Boven dit alles was een bosch van schoone krullende haren
+ingeplant; zoodat dit jongsken, rijk aan gezondheid en aan geest, waarlijk
+een schoon beeld van een kind was en geenszins de kenteekens der armoede
+droeg.
+
+Dit kind zat bij de tafel en scheen met een potlood iets op een stuk papier
+te schrijven. Bij poozen hief hij het hoofd op, bezag met metende aandacht
+de oude vrouw en zette dan telkens eenen trek meer op het papier.--Men kon
+niets anders denken, dan dat hij de oude vrouw uitteekende of ten minste
+dit poogde te doen..... Er was in de blikken, die het kind op zijn papier
+en op de oude vrouw wierp, zooveel aandachtige navorsching, in zijne
+houding en op zijn gelaat zooveel ernstigheid, dat men niet kon twijfelen,
+of er lag in dien jongen geest een buitengewoon aanleg tot de kunsten van
+nabootsing. Eene andere omstandigheid kwam dit vermoeden nog versterken:
+wanneer men nauwkeurig de halfverlichte muren bezag, erkende men met
+verwondering dat er geene plaats genoeg om de hand te leggen overig was
+tusschen al de beelden van burgers, soldaten, katten, honden, vogels,--die,
+op eene zekere hoogte, ontwijfelbaar door eene kinderhand, met houtskool en
+rood krijt er op moesten geschetst zijn.
+
+Gloeide er van dan af in den schedel van dit kind eene vonk van het vuur
+des vernufts?--Ontkiemde reeds in hem een zaad van kunstgevoel?
+
+Nadat deze drie personen bijna een half uur in dezelfde houding waren
+blijven zitten, hoorde men in de Kloosterstraat de trommel van de taptoe
+slaan.
+
+De jonge vrouw stond op, plaatste haar kantkussen op eenen stoel en sprak
+tot het kind:
+
+Fransken[1], gij moet gaan slapen..... Kom, doe die papieren nu weg.
+
+Fransken.--Och, moederlief, mag ik nog wat opblijven? Ik zal zoo stil zijn.
+
+De Grootmoeder.--Kom, kom, Annemie[2], laat ons Fransken nog maar wat uit
+zijn bed.--Laat hem nog wat teekenen.
+
+De Moeder.--Ja maar, als zijn vader thuis komt, zal het weer gekijf
+zijn..... En hij is nu al zoo lang bezig met dit papier. God weet heeft hij
+u alweer geen twintig keeren uitgeteekend!
+
+De Grootmoeder.--Och, Annemie, als het kind zijn verzet daar nu in vindt,
+hoe kunt gij daar tegen zijn?
+
+De Moeder.--Zie, Meken[3], gij zult ons Fransken nog bederven, gij! want
+gij ziet hem liever dan de appelen uwer oogen. Maar hij móét gaan
+slapen.--Kom, Fransken.
+
+Gedurende die woordenwisseling had Frans, als een gehoorzaam kind, zijne
+stukjes papier bijeengeraapt en zijn potlood er in gerold. Dan tot eene
+kleine bedstede gaande, stak hij zijn teekenwerk met zorg onder het
+hoofdkussen, en kwam bij zijne moeder om ontkleed te worden. Dit gedaan
+zijnde, sprak de moeder tot hem:
+
+«Maak uw kruisken, Fransken,--en zeg uw gebeêken.»
+
+Het kind ging bij de bedstede op zijne knieën zitten, en begon met de
+handen te zamen en met luider stemme te bidden:
+
+ 's Avonds, als ik slapen ga,
+ Volgen mij veertien engeltjes na:
+ Twee aan mijn hoofdeneind,
+ Twee aan mijn voeteneind,
+ Twee aan mijn rechterzij,
+ Twee aan mijn linkerzij,
+ Twee die mij dekken,
+ Twee die mij wekken,
+ Twee die mij wijzen,
+ Naar 's hemels Paradijze[4].
+
+Vervolgens ging hij tot zijne moeder, daarna tot zijne grootmoeder, kreeg
+van elk eenen kus en een kruisken op het voorhoofd, en kroop dan
+stilzwijgend in het bed.
+
+Wanneer de vrouwen dachten, dat het kind in slaap was, begonnen zij in
+stilte het volgende gesprek:
+
+De Grootmoeder.--Maar, Annemie, was ik gelijk gij, ik zou toch zien, dat ik
+dit kind op de Academie kreeg. Wees zeker, daar steekt een schilder in.
+
+De Moeder.--Ik weet het wel, Meken. Denkt gij, dat ik het niet zie? Maar
+hoe zal hij op de Academie geraken? Nog zoo bitter jong en zonder
+voorspraak!
+
+De Grootmoeder.--Och, ze zeggen, dat M. Van Bree zoo een goed mensch
+is..... En M. Wabbes[5] dan! Ik zou, al is het dat ik zoo oud en zoo
+sukkelachtig ben, er nog wel alleen durven naartoe gaan, om eene plaats
+voor ons Fransken te vragen.
+
+De Moeder.--Ja, gij, Meken, gij zoudt er voor door een vuur vliegen, dat
+weet ik wel. Maar dit is nog het ergste niet: zijn vader wil maar volstrekt
+dat hij op het metserdienen gaat.
+
+De Grootmoeder, _met verontwaardiging_.--Wat? ons Fransken metserdienen!
+Het eenige kind van mijne Annemie!--Neen, dit zal niet waar zijn, zoo lang
+ik leef..... Als hij dan toch eenen stiel moet leeren, zal hij op het
+meubelmaken gaan.
+
+De Moeder.--Ik moet het ronduit zeggen: ik zou toch ook liever onzen Frans
+op de Academie zien.
+
+De Grootmoeder, _vol geestdrift_.--Ja, en denk toch eens, Annemie, gij kunt
+niet weten wat er kan gebeuren.--Als ons Fransken nu eens goed van aannemen
+was, en hij werd zoo eens schilder ..... wat zou het dan zijn? Hoe zouden
+de geburen dan staan zien! Frans schoon gekleed; geld winnen gelijk slijk;
+in een huis met twee stagiën wonen; overal aangehaald gelijk een Prins! Eh?
+En als hij dan een schoon stuk gemaakt heeft, dan zullen zij ons op de
+straat nawijzen en zeggen: ziet! dat zijn de moeder en het meken van den
+schilder! Eh, Annemie, wat zegt gij daarvan? Mijn hart klopt als ik er aan
+denk.
+
+De Moeder, _met eenen zucht_.--Ja, ja, maar als dit nu zoo eens gebeurde,
+zou Frans zijne gemeene ouders dan wel gaarne blijven zien[6]?
+
+De Grootmoeder.--Wel, sukkel dat gij zijt, denkt gij daarop? Al moest ik,
+mijn geheel leven lang, droog brood eten en zonder schoenen aan mijne
+voeten gaan, als ons Fransken maar schilder wordt, dan zal ik nog gelukkig
+zijn.
+
+De Moeder.--Zie, Meken, laat ons daar niet meer van spreken. Gij zult
+mijnen kop nog zoo vol muizenissen steken, dat ik er zot van zal worden. Ik
+weet het ook wel, dat ons Fransken geen ezel is en dat er in dit kind iets
+steekt; maar maak dit aan zijn vader eens wijs?
+
+De Grootmoeder.--Eh wel, eh wel, ik zal het hem wijs maken, en dat nog
+dezen avond. Help mij maar een beetje--het zal wel gaan.
+
+De Moeder, _opstaande_.--Ik hoor hem. Daar is hij, die klopt!
+
+De deur ging open; een man trad stilzwijgend binnen. Nadat hij zijn
+schobejak[7] uitgedaan had, plaatste hij zich bij de tafel, als iemand, die
+eten wil. Een wijde schotel, met gestoofde aardappelen overladen, werd hem
+voorgezet, en hij begon met gretigheid zijn avondmaal.
+
+Alhoewel machtig en van reuzenspieren voorzien, was het lichaam van dien
+man door den arbeid gekromd; zijn rug helde als een boog over de tafel; op
+zijn betrokken aangezicht lagen van die rimpels, welke niet door den
+ouderdom veroorzaakt zijn; en de stijve onveranderlijkheid van zijn afgemat
+gelaat toonde genoeg, dat zwaar en onophoudend werken zijn gevoel ten deele
+had verstompt.
+
+Terwijl hij bezig was met eten, hitsten de twee vrouwen elkander op, om de
+netelige samenspraak aan te vangen. Eindelijk nam de grootmoeder aldus het
+woord:
+
+--Maar, Pauw,[8] ik moet u toch eens iets zeggen.
+
+De Vader, _onverschillig_.--Ja? Laat hooren, Meken, wat is het?
+
+De Grootmoeder.--Wel, hebt gij nog niet belet, dat onze Frans den geheelen
+dag niets doet dan mannekens maken?--De gansche muur staat er vol van; al
+mijne patronen zijn vol honden, katten en alle soorten van vreemde beesten,
+die ik zelf nog niet ken. Geen koffiezaksken kan er in ons huis komen, of
+poef!..... daar staan mannekens op!
+
+De Vader.--Laat gij Fransken maar mannekens maken, Meken. Het is beter, dat
+hij dit doet, dan dat hij op straat zou loopen.
+
+De Grootmoeder.--Dat zeg ik ook; maar ziet gij niet, dat er in dit jongsken
+iets steekt, en dat het misschien spijt zou zijn, dat hij daar afgetrokken
+werd?..... gij kunt het niet weten.
+
+De Vader, _met aandacht_.--Wel, en wat is het nu?--Zeg het maar rechtuit.
+
+De Grootmoeder.--Zou het niet goed zijn, dat wij hem op de Academie deden?
+God weet, of hij van zijn leven nog geen schilder wordt.
+
+De Vader, _met nadruk_.--Ik heb u al lang op uwe sokken hooren afkomen,
+Meken. Gij denkt zeker, dat ik u niet in de buis had, met al die
+slenders[9]. Begint gij weer met dat oud liêken? Onze Frans zal
+metserdiener worden; en laat hem zoolang maar gerust, of gij breekt zijnen
+groei nog.
+
+[Afbeelding: En scheen met een potlood iets op een stuk papier te
+schrijven. (Bladz. 75.)]
+
+De Moeder, _met bitsigheid opspringende_.--Zie, Pauw, Fransken is mijn kind
+zoowel als het uwe, en gij hebt, gij alleen, er alles toch niet aan te
+zeggen..... Ons jongsken is vol geest, en daar steekt veel te veel in om er
+eenen metserdiener van te maken.
+
+De Vader, _half verstoord_.--Ja, gij hebt u zeker wat laten opstoken door
+Meken? Ik zeg u, dat ik van geenen schilder wil hooren,--en breek er mij
+den kop niet langer mede.
+
+De Grootmoeder.--Annemie heeft gelijk, gij ziet uw kind niet gaarne; want
+anders zoudt gij zoo niet spreken.
+
+De Moeder, _bijna schreiend_.--Dat heb ik al lang genoeg gezien, dat gij
+ons kind niet gaarne ziet. Het is u te veel dat gij het aanspreekt, dit arm
+schaap!
+
+De Vader, _met droefheid; zijne spraak verkrijgt eene drukkende klem_.--Zie
+ik mijn kind niet gaarne? Omdat ik hem een goed ambacht wil doen leeren en
+hem wil opbrengen gelijk zijne ouders zijn opgebracht? Heeft hij geene
+handen aan zijn lijf, om te werken,--of zoudt gij er gaarne een luien
+bliksem van maken?--Schilderen! Schilderen! Dit is misschien geen slecht
+ambacht, maar het is ook kostelijk en moeilijk om te leeren.
+
+De Moeder; _zij snauwt hem toe_.--Een ander leert het wel!
+
+De Vader.--Ja, maar een ander heeft geld, en wij niet..... Ziet, vrouwen,
+gij weet daar niets van. Gij hebt nu al zoo lang aan mijne ooren liggen
+zagen met dat zelfde oremus, dat ik bij eenen schilder ben gegaan, die nog
+al dikwijls bij onzen baas komt. Dat gij wist, wat boeksken hij mij heeft
+uiteengedaan over dat lekker stieltje, uw haar rees er van te berge op uwen
+kop!
+
+De Grootmoeder.--Hij heeft u wat leugens wijs gemaakt. Zoo zijn de
+schilders allemaal; als er wat te veel komen, dan bederft de stiel.
+
+De Vader.--Ja, luister maar..... Ziet, zoo wordt gij schilder: Als gij op
+de Academie moogt komen, dan gaat gij eerst een jaar lang op de klasse van
+de _Neuzen_ en de _Ooren_; dan een jaar op de _Koppen_; dan twee jaar op de
+_Mannekens_; dan een jaar of drie op het _Pleister_; dan een jaar of vier
+op het _Leven_..... En als ge dan al zoo elf lange jaren hebt zitten
+krabben en u de borst hebt _gecreveerd_, dan kunt gij al zooveel
+schilderijen maken als ik of gij..... En dan moet gij nog eens een heel
+jaar op de klasse van _Tante Mie_[10] den dood gaan uitteekenen.--En weet
+ge wat ge dan kent?--Nog niets!..... Kunnen wij nu elf jaren onzen Frans
+houden, zonder dat hij iets verdiene? Kunnen wij hem verf, penseelen, en
+doeken koopen, gedurende al dien tijd? En zal hij dan niet ongelukkig zijn,
+als hij mislukt?--Ja, want dan is 't kalf verdronken; dan is het te laat;
+dan zullen zijne meiskenshanden nergens meer goed voor zijn, en hij zal te
+lui geworden zijn om te werken. Neen, ik zie mijn kind zoo gaarne als gij;
+maar ik ben gelukkig in mijnen stiel; ik kom geen brood te kort, en ik
+geloof, dat ik niet beter kan doen dan onzen Frans ook zijn brood te leeren
+verdienen. Zoo weet ik zeker, dat hij geen gebrek zal lijden..... Hij zal
+metserdiener worden,--ik wil het en het is mijn laatste woord:
+metserdiener!
+
+De twee vrouwen zwegen. Zij konden niets inbrengen tegen de goede redenen
+van den man; ook hadden zij bij het hooren zijner woorden van hun eerste
+inzicht afgezien en besloten niet meer van deze zaak te spreken; maar op
+het oogenblik dat de vader, als een vonnis, had uitgeroepen: hij zal
+metserdiener worden! hoorde men eensklaps het kind in zijn bed zuchten en
+snikken, als iemand, wiens tranen na lang bedwingen, losbarsten.
+
+Fransken had alles in de grootste benauwdheid afgeluisterd. Een straal van
+hoop en van blijdschap was in zijn hart gesprongen, toen hij van de
+Academie had hooren spreken; doch de woorden zijns vaders, die, als de
+uitspraak van een onherroepelijk oordeel, hem tot den metserstiel verwezen,
+hadden zijn hart met droefheid overkropt;--en, zich niet langer kunnende
+inhouden, was hij op eens aan het schreien gegaan.
+
+De grootmoeder liep ijlings naar het bed, nam Fransken er uit, en hem op
+haren schoot plaatsende, begon zij het kind te zoenen, terwijl hare eigene
+tranen over haar aangezicht rolden. De moeder ving insgelijks aan met
+weenen:--en het was in dit huisgezin eene droefheid zoo innig en zoo
+bitter, alsof er een schrikkelijk ongeluk voorgevallen ware. Dan sprak de
+grootmoeder met bitsigheid tot den man:
+
+Hoe kunt gij uw kind zoo _trêteren_[11]. Gij zult het wel dood krijgen.....
+
+De Moeder.--Ja, ja, dat zal er wel van komen: gij zult het wel in zijnen
+put helpen..... Waarom kunt gij Frans niet naar de Academie laten gaan,
+zeg? Als hij daar nu goesting voor heeft?
+
+De Vader, _met hevige gramschap zijne vuist toonende_.--Maak mij niet
+kwaad!
+
+Fransken; _hij springt van den schoot zijner grootmoeder en loopt bij
+zijnen vader_.--Och, vaderken lief, maak u niet kwaad..... Ik zal
+metserdiener worden.
+
+De Vader; _hij kust het kind met teederheid; er blinkt een traan in zijne
+oogen_.--Fransken, mijn kind, ik zal niet kwaad worden. Ga maar gerust in
+uw bed.
+
+Fransken; _hij neemt de hand zijns vaders en streelt ze_.--Vader, weet gij
+wel, dat Koben[12] van den hoek ook op de Academie is, en hij is toch wel
+metserdiener.
+
+De Vader, _geheel kalm_.--Ja maar, kind, dat is wat anders. Hij maakt daar
+geene mannekens; want hij is op de klasse van _koepe-de-peer_[13].
+
+Fransken.--Wat maken ze daar dan, vader?
+
+De Vader.--Dat weet ik niet: huizen zeker. (_Hij bedenkt zich een weinig;
+het kind ziet met angst in zijne oogen._) Maar hoort, ik zie wel, dat gij
+mij toch niet zult gerust laten. Laat Frans dan maar naar de Academie gaan,
+als gij hem er op kunt krijgen. (_Het kind springt op van blijdschap, kust
+zijnen vader, kust zijne moeder, kust zijne grootmoeder en vervult de kamer
+met blijde kreten_). Maar op ééne _conditie_: dat is, als Frans niet goed
+en gauw leert, hij op mijn eerste woord van de Academie blijve.
+
+Fransken, _met blinkende oogen en met geestdrift_.--Och, ik zal zoo goed
+leeren, vaderken lief!
+
+De Vader.--Ga nu maar slapen, kind.
+
+Fransken kroop welgemoed en met vinnigheid in zijn bed. De drie andere
+personen namen de lamp en klommen op eene kleine, steile trap, om zich
+insgelijks tot de rust te begeven. Boven gekomen zijnde, begonnen zij te
+beraadslagen over de middelen, die werkstellig konden gemaakt worden, om
+voor Fransken eene plaats op de Academie te verkrijgen. Na eene tamelijk
+lange onderhandeling besloot men tot het volgende:
+
+Trees[14], van daar naast de deur, heeft kennis met den leerjongen van den
+barbier van den knecht van M. Wappers. Door Trees zou men de voorspraak van
+dezen leerjongen kunnen verkrijgen; hij zou spreken aan zijnen baas, de
+baas aan den knecht van M. Wappers, de knecht aan M. Wappers zelven;--en M.
+Wappers zou er van spreken aan M. Van Bree.
+
+Zij twijfelden niet, of die buitengewone samenhang van voorsprekers zou hun
+doen gelukken;--en nog meer werden zij daarvan overtuigd, toen de
+grootmoeder bemerkte, dat er niets voordeeliger is dan de voorspraak van
+eenen barbier, aangezien men weinig te weigeren heeft aan eenen man, die
+ons dagelijks een mes op de keel houdt, enz.
+
+Dan, overmorgen zullen moeder en grootmoeder hunne Zondagsche kleederen
+aantrekken: het fijne jak, den stoffen rok, de kanten trekmuts en de
+fluweelen schoenen. Zij zullen eenige teekeningen van Frans medenemen, om
+aan de heeren der Academie te toonen, en grootmoeder zal het woord voeren,
+om hun te doen verstaan, wat vernuft er in Fransken steekt.
+
+[1] Verkleinwoord van den voornaam _Franciscus_.
+
+[2] Verkorting van _Anna Maria_.
+
+[3] _Meken_ beteekent _grootmoeder_ onder de Antwerpsche burgerklasse; voor
+_grootvader_ zegt men _Peken_. Van oude lieden zegt men in het algemeen:
+het was een _Meken_, ik zag een oud _Peken_.
+
+[4] Dit zonderling avondgebed als ook een ander, dus beginnende _Heiligen
+Engel Sinte Michiel, ik beveel u mijn lijf en ziel_, worden nog dagelijks
+in honderden huisgezinnen door de kinderen opgezegd. Daarbij echter wordt
+dan het _Vader ons_ of een ander erkend gebed gevoegd.
+
+[5] _Wabbes_ is de volksnaam van den heer Wappers, gewezen bestierder der
+koninklijke Academie.
+
+[6] Men merke hier aan, dat het werkwoord _beminnen_ zeer zelden in
+Antwerpen wordt uitgesproken. Men bezigt daarvoor meest altijd het
+samengestelde werkwoord _gaarne zien_.
+
+[7] De werklieden, die aan het ontladen der schepen arbeiden, dragen een
+kort hemd van grof lijnwaad over hunne kleederen. Dit hemd of liever dien
+kiel noemt men _schobejak_.
+
+[8] Verkorting van den voornaam _Paulus_.
+
+[9] Ik hoorde u in stilte afkomen: ik bemerkte uw inzicht, met uwe treken.
+
+[10] Zoo noemt de volksklasse den leergang van _ontleedkunde_ of
+_anatomie_.
+
+[11] Plagen.
+
+[12] Verkorting van den voornaam _Jacobus_.
+
+[13] _La coupe des pierres_--_de Steensnede_, die men van overlang gewoon
+is met haren Franschen naam te noemen.
+
+[14] Verkorting van den voornaam _Theresia_.
+
+
+
+
+II
+
+Gang naar de Academie.--De opvolgers van Uilespiegel.--Raad van Professoren
+over den roep van Frans.--Onderzoek van bewijsstukken.--De Academie krijgt
+een leerling meer.
+
+
+De zon, de grootste schilderesse der wereld, was bezig met achter de kim
+haar palet te bereiden; zij vereenigde en mengde er de schoonste verven op,
+welke zij bezit, om dien plechtigen dag,--om den eersten stap van Frans in
+de baan der kunst, met eenen ongemeenen glans te beschijnen. Weldra wierp
+zij, door enkelen penseeltoets, de grijsgele doodverf op haar onmeetbaar
+paneel ..... en de stad Antwerpen stond, als eene aangelegde schets,
+zichtbaar in het schemerlicht.
+
+De hanen, die afgodendienaars der zon, begroetten hare komst met snijdend
+keelgeluid, en schreeuwden zoo lang en zoo hevig, dat de grootmoeder er
+door ontwaakte, terwijl zij hare eerste gedachte aan het geluk van haar
+Fransken gaf.
+
+Alhoewel schrikkelijk afgeschilderd, is de nacht niet zelden een weldoener.
+Hij alleen is rechtvaardig ten allen tijde: de goeden overlaadt hij met
+blijdschap en genot, de kwaden martelt hij door ingebeelde straffen. Als
+een gezant van God ziet hij in het binnenste der harten, en voorzegt den
+mensch, wat loon of wat wraak zijne daden verdienen en verwachten moeten.
+
+De schoonste tafereelen had hij ditmaal uit zijne goocheltasch gehaald en
+voor de oogen der grootmoeder doen verschijnen. Zij had rijkdommen gezien:
+schoone huizen als paleizen, paarden als herten, koetsen als tronen,
+lusthoven als paradijzen,--jeugdige lauwertakken! En te midden van dit
+alles haar Fransken, zijne moeder, zijnen vader en zich zelve. Ontwakende,
+wreef zij hare oogen rood, om die verleidende beelden te kunnen wederzien;
+doch nadat zij, niet zonder spijt, bevonden had, dat het slechts een droom
+was geweest, verging hare blijdschap niet geheel. De streelende
+vooruitzichten verlieten haar bij haar wakend leven ook niet.
+
+Ternauwernood was de stad met eene tweede en goudgele tint oversapt, of het
+gansche huisgezin was te been. De man moest vroeg op zijn werk zijn en kon
+niet zonder ontbijt vertrekken; de ouders kwamen dan alle drie beneden.
+
+Met éénen blik en te gelijk zagen zij naar Fransken en bemerkten, dat hij
+reeds in zijn bed recht zat en, bij den twijfelachtigen schijn van den
+morgen, met zelfvergeten aan het teekenen was.
+
+Het vuur aangestoken zijnde, ging de moeder tot het kind, nam het uit bed
+en deed het op zijne knieën zitten.
+
+«Lees vandaag een goed gebeêken, Fransken,» sprak zij, «dat Onze Heerken
+ons doe gelukken!»
+
+Het jongske knielde zoo langzaam en zoo plechtig neder, dat het genoeg te
+zien was, wat godsvrucht en wat vuur hij in zijn gebed ging stellen. Hij
+sprak met fijne stemme:
+
+ 's Morgens als ik opstaan,
+ Zie ik twee engeltjes vóór mij staan,
+ Engeltjes lief, engeltjes zoet,
+ Maakt dat Fransken geen kwaad en doet.
+ Onze Vader, enz.
+
+Na dit gebed werd hij gekleed en gewasschen; en zoodra men hem dan vrij
+liet, vatte hij zijne stukjes papier, ging bij het vuur zitten en begaf
+zich aan het nateekenen van het een of ander voorwerp, dat zich in de kamer
+bevond.
+
+Weldra was de koffie opgeschonken, de zware boterhammen gesneden en de
+tassen voorgezet. Alvorens zij begonnen te eten, maakten zij allen een
+kruis; doch Fransken voegde er zijn gewoon gebedeken bij:
+
+ Deezeken[15], kom eten mee,
+ Breng uw liefste moeder mee.
+ Deezeken, waar gij zijt,
+ Is het al gebenedijd.
+ Eet en drink, maar wees gedachtig,
+ Dat het komt van God almachtig.
+
+Een werkman verslijt niet veel tijds aan de tafel: op een oogenblik waren
+al de boterhammen verdwenen. De vader trok zijn schobejak aan en ging de
+deur uit, met de woorden:
+
+«Tot den noen, zullen!»
+
+Nu begon eerst de groote voorbereiding; Fransken werd nog eens ontkleed en
+opnieuw gewasschen met Spaansche zeep en warm water; zijne krullende haren
+netjes opgekamd; zijn strepen broeksken en zijn kieltje werden hem
+aangedaan.
+
+Hierna begonnen de twee vrouwen hun eigen _toilet_. Uit eene kist kwamen
+twee sneeuwwitte trekmutsen voor den dag; twee rokken, een zwarte en een
+met groote bloemen; twee paar fluweelen schoenen; twee jakken, een lang en
+een kort, en een katoenen mantel van de grootmoeder. Dit was alles.--Met
+deze kleedingstukken moesten de vrouwen zich schoon en zindelijk maken, om
+met voordeel voor de heeren der Academie te verschijnen.
+
+Toen de optooi bijna gedaan was, vroeg de grootmoeder: «Maar, Annemie, zijt
+gij nu zeker, dat Trees, van hiernaast, aan den leerjongen van den barbier
+van den knecht van M. Wabbes gesproken heeft?»
+
+De Moeder.--Ja, hij zegt, dat het nog al moeilijk is, iemand op de Academie
+te krijgen; maar hij heeft beloofd, dat hij alles zal doen wat hij kan, en
+de baas is nog al goede vriend van den knecht van M. Wabbes.
+
+De Grootmoeder.--De Academie gaat te zes uren open; wij moeten maken, dat
+wij niet te laat komen. Spoed u wat.
+
+De Moeder.--Maar weet gij waar wij zijn moeten? Zij zeggen, dat die
+Academie zoo groot is, dat men gemakkelijk eenen geheelen dag er kan in
+verloren loopen.
+
+De Grootmoeder.--Gij zijt toch een sukkel, gij! Met vragen komt men immers
+te Rome?
+
+De Moeder.--Ja, dat is waar. Maar wat zullen wij nu aan die heeren zeggen?
+Want gij weet wel, dat gij die heeren niet moogt aanspreken gelijk u of
+mij, en dat die groote mannen nog al gauw op hunnen teen getrapt zijn. Gij
+moest u zoo eens misspreken.
+
+De Grootmoeder.--Daar is geen nood voor; laat mij maar doen. Als ik
+binnenkom, dan zeg ik: Goeden dag, M. Van Bree! Goeden dag, M. Wabbes!
+Dienaar, Mijnheeren!..... Kunnen zij dat nu kwalijk nemen? Het is immers
+beleefd genoeg?
+
+De Moeder.--Ja, ja. En dan? Hoe zult gij de zaak van onzen Frans aan hun
+verstand brengen? Zie, daar ligt de knoop.
+
+De Grootmoeder, _met ongeduld_.--Wees maar gerust: ik neem de teekeningen
+van onzen Frans mede, en als ik die zal laten zien, zullen zij misschien
+van zelf willen hebben, dat hij op de Academie blijve. Kom, het is al bij
+den zessen; laat ons gaan.--Fransken, geef mij al de papieren eens hier,
+dat ik ze in mijnen zak steke. Zijt gij gereed, Annemie? Vergeet gij niets?
+Doe dan de deur maar toe.....
+
+ * * * * *
+
+Wat vreugd was er niet in het hart van Fransken, terwijl hij tusschen zijne
+moeder en grootmoeder naar de Academie ging! Hoe licht en hoe vinnig waren
+zijne huppelende stapkens! Met wat liefde bezag hij elken jongen, die, met
+eene rol papier in de hand, hem voorbij ging..... Reeds waren al deze
+leerlingen der Academie zijne vrienden. Hadde hij ze mogen omhelzen!
+
+Aan de poort der Academie gekomen, vóórdat de klassen geopend waren, vielen
+de twee verbaasde vrouwen tusschen een hoop wachtende jongens, die op hunne
+vragen niet dan met spotternij antwoordden. Beschaamd en verlegen, wilden
+zij zich verwijderen tot het openen der poort: doch de spottende jongens
+liepen rondom hen en sloten ze in eenen onverbreekbaren kring. Dan volgde
+er een _concerto_ van honderden fluiten, die als messen door de ooren
+gingen; een afgrijselijk gebrom in de rollen papier; honderden roepen van
+Meken! Meken! Wouw! Wouw!--en een bonzend geschreeuw van hoera! hoera!
+zoodat de ongelukkige vrouwen niet meer hoorden of zagen, en bereid waren
+om te weenen; maar gelukkiglijk, of liever ongelukkiglijk, ging de poort
+der Academie op dit oogenblik open.
+
+Gelijk de razende vloed, die eenen dijk doorbreekt, stroomden de jongens
+onder de poort door. De vrouwen konden dit woest geweld niet wederstaan, en
+werden mede door de poort en door den hof gesleurd en gestooten, totdat zij
+zich weldra in eenen langen gang bevonden, zonder te weten, hoe zij daar
+geraakt waren en nog duizelig van deze bestorming. De trekmuts van
+grootmoeder stond scheef, zonder dat het mogelijk was, ze weder op hare
+plooi te brengen; het haar van Fransken was in de war, en de kleederen der
+beide vrouwen leelijk verkrookt.
+
+Met stille, bevende stem sprak de grootmoeder:
+
+«Wel, heilige deugd, Annemie! Wat is dat hier voor een leven? 't Is gelijk
+een hoop duivels!»
+
+De Moeder.--Och God, Meken, ik dacht, dat zij ons nog wel een half uur
+verre zouden gestooten hebben. Maar waar zijn wij hier? Het is gelijk een
+klooster.--Zie, daar komt een klein jongsken; dat ziet er geen deugniet
+uit. Vraag hem eens, waar de kamer van M. Van Bree is..... Manneken, weet
+gij niet waar wij gaan moeten om M. Van Bree te spreken? Waar is M. Van
+Bree?
+
+De Jongen; _hij steekt zijne tong uit en zet een *beeldeken*, gelijk men
+dit te Antwerpen noemt:_
+
+ Mijnheer Van Bree is in zijn vel.
+ En als hij er uit komt, is hij niet wel!
+ (_Hij loopt weg._)
+
+De Grootmoeder, _met wanhoop_.--Wel, wel! wat Uilespiegels altemaal!
+Annemie, hier geraken wij nimmer te recht. (_Er komt een jongen, die hare
+muts bij den vleugel vat en ze bijna van het hoofd rukt._) Wel, wat
+schurken! Zij zullen ons nog de kleederen van het lijf scheuren..... Willen
+wij maar naar huis gaan?
+
+De Moeder.--Toe, toe, zet uwe trekmuts maar recht! Het is gelijk eene kat,
+daar de straatjongens mede geleefd hebben. Nu zien wij er net uit om voor
+die heeren te komen!
+
+Fransken, _met stille stem_.--Zie, Meken, daar komt een heer aan; zie, hij
+neemt zijnen hoed af voor u. Daar, hij gaat in die deur!
+
+De Grootmoeder.--Och Heer! nu weten wij nog niets.
+
+Fransken.--Ja maar, Meken, daar staat iets boven de deur te lezen. Laat ons
+eens gaan zien.
+
+(_Zij gaan tot bij de deur._)
+
+De Moeder.--Kunt gij dat lezen, Fransken?
+
+Fransken.--Ja, moeder. (_Hij beziet het opschrift een oogenblik en leest._)
+Ka.....mer der di.....rectie.
+
+De Grootmoeder.--Wel, wat botte getrekken dat wij toch zijn! Dat is nu de
+kamer van M. Van Bree en van M. Wabbes. En als ik mij wel bepeins, die
+jonge heer was M. Wabbes zelf.--Fransken, gij moet uwe klak afnemen,
+zullen?
+
+Fransken.--Ja, Meken.
+
+De Grootmoeder.--Klop eens.
+
+De Moeder.--Ja, maar mogen wij wel kloppen? Daar hangt eene bel boven de
+deur ..... laat ons liever bellen.
+
+(_Zij zoeken vruchteloos naar het belkoord, vermits dat het binnen de kamer
+hangt._)
+
+De Grootmoeder.--Dat is aardig, eh? Toe, klop maar.
+
+(_Er komt een jongen voorbij, die om de vrouwen in verlegenheid te brengen,
+zulk een zwaren stamp tegen de deur geeft, dat de gang er van dreunt._)
+
+De Moeder, _verschrikt_.--Och, Meken, willen wij maar gaan loopen? Ik durf
+hier niet langer blijven staan.....
+
+De Grootmoeder.--Ja, ja, kom: wij gaan naar huis.
+
+Fransken, _zijne moeder weerhoudende_.--Och neen, moederken lief, laat ons
+niet naar huis gaan!
+
+Eene stem in de kamer.--Komt binnen!
+
+Fransken.--Hoort gij wel, moeder? zij roepen, dat wij moeten binnenkomen.
+
+(_De vrouwen gaan bevend binnen en blijven vol vrees bij de deur staan._)
+
+De Grootmoeder, _met het hoofd knikkende_.--Goeden dag, Mijnheer Van Bree,
+goeden dag, Mijnheer Wabbes;--Dienaar, Mijnheeren!
+
+M. Wappers.--Kom hier, moederken. Wat is er van uw beliefte?
+
+De Grootmoeder.--Mijnheer Wabbes, als gij het niet kwalijk neemt, gij weet
+wel ..... uw knecht ..... de barbier ..... en.....
+
+De Moeder; _zij geeft haar eenen stoot met den elleboog_.--Is dat nu
+spreken?--Hakkel zoo niet![16]
+
+M. Van Bree.--Vrouwken, het is zeker voor dit jongsken, dat gij komt?
+
+M. Snyers.--Om eene plaats voor hem op de Academie? Gij moogt niet bang
+zijn, Vrouw. Spreek maar ronduit, en zeg maar wat gij begeert.
+
+De Grootmoeder, _met eenen dankbaren glimlach_.--Wel, Mijnheeren, wat zijt
+gij toch goed! Ja, Mijnheer Van Bree, ja, Mijnheer Wabbes, als gij de
+goedheid wilt hebben om ons Fransken (_zij brengt het kind vooruit_) op de
+Academie te laten komen ..... gij weet niet hoe blij wij zullen zijn.
+
+M. Van Bree.--Hoe oud is hij, moeder?
+
+De Moeder.--Elf jaar, Mijnheer.
+
+M. Wappers.--Dit zou men niet zeggen. Zie, moeder, als ik u eenen raad mag
+geven, laat hem dan liever nog een jaar of twee naar de school gaan; want
+hier zou hij toch niets leeren. Hij is te klein en kan nog niet aan de
+tafels staan.
+
+De Grootmoeder, _bedroefd_.--Och, Mijnheer Wabbes!..... Hij heeft er zoo
+eene goesting voor;--zie, de tranen komen al in zijne oogen, och arme!
+(_Het kind beziet beurtelings al de professors met eenen smeekenden blik;
+zijn gelaat is zoo sprekend en zoo zoet, dat het eenen diepen indruk op hun
+gemoed maakt._) En dat gij wist, Mijnheeren, hoe hij altijd bezig is met
+teekenen!
+
+De Moeder, _invallende_.--Ja, Mijnheeren, hij is er altijd mede bezig. Al
+etende, al drinkende, tot in zijn bed toe, maakt hij niets dan mannekens.
+Ons geheele huis staat er vol van..... Gisteren avond heeft hij zijn
+Meken, die daar staat, nog uitgeteekend.
+
+De Grootmoeder.--Ja, het is waar, Mijnheer.
+
+(_De professors betuigen eene groote nieuwsgierigheid._)
+
+M. Snyers.--Daar steekt misschien iets in dit kind. Hebt gij het portret
+niet bij u, moeder?
+
+De Moeder.--Ja, Meken heeft het in haren zak.
+
+M. Wappers.--Laat eens zien, Vrouw; geef dit eens hier.
+
+De Grootmoeder, _zij wroet tamelijk lang in haren zak_.--Och Heer! Zou ik
+het verloren hebben? Ha, neen. Hier is het.--Ziet, Mijnheeren.--Het is nog
+maar een kind, Mijnheeren.--Ik zeg niet, dat het portret goed gedaan is;
+maar het lijkt toch een beetje.
+
+(_De professoren geven elkander het stuk papier over. De eene bijt op zijne
+lippen, de andere schijnt te moeten niezen; doch bij het bezien der
+grootmoeder, die zich als vergelijkingsmiddel in het midden der kamer
+plaatst, barsten zij eindelijk in eenen langen lach los._)
+
+De Moeder, _stil tot de grootmoeder_.--Meken, zij lachen!
+
+De Grootmoeder, _met blijdschap_.--Laat ze maar lachen; hoe meer hoe
+liever. Ziet gij niet, dat ik het er om doe; nu komt Frans zeker op de
+Academie.
+
+De Moeder, _met twijfel_.--Ik geloof het niet.
+
+De Grootmoeder, _tot de professoren_.--Ja, Mijnheeren, niemand heeft zijn
+eigen zelven gemaakt ..... het is mijne schuld niet, dat ik niet meer
+schoon ben.--Wat is een oud mensch?
+
+M. Schafels.--Maar, Vrouw, hij heeft zeker betere dingen geteekend; hebt
+gij geene andere bij u?
+
+De Moeder.--Wel, Mijnheer, hij kan niets zien of hij teekent het uit. Daar
+is de tamboer-majoor van het 6de, die heeft kennis in onze geburen; hij
+was nog geene drie keeren door onze straat gegaan, of Fransken had hem al
+op zijn papier staan..... Laat het eens zien, Meken.
+
+De Grootmoeder; _zij geeft een stuk papier aan M. Van Bree_.--Ziet,
+Mijnheeren! Dat gelijkt misschien nog beter.
+
+(_De professoren doen geweld om zich te bedwingen; M. Schafels ligt met het
+hoofd op de tafel._)
+
+De Grootmoeder, _voortgaande_.--En met de St.-Andrieskerk is hij ook al
+naar huis gekomen, en dat was schoon, met deuren en vensters nog al. Ik heb
+het ook in mijnen zak:--ziet, Mijnheeren.
+
+M. Van Bree.--Daar staat gelijk eene schouw op de kerk? Dat is wat nieuws.
+
+De Grootmoeder, _met eene merkbare spijt_.--Ja, dat is mis. Dat is mis,
+Fransken. Waarom hebt gij eene schouw op de kerk gezet?
+
+Fransken.--Wel, Meken, dat is om M. Pastoor zijn eten te koken. (_Dit
+antwoord verwekt een nieuwen lach._)
+
+M. Van Bree, _tot M. Wappers_.--Wat dunkt er u van, zouden wij dit kind op
+de Academie laten?
+
+M. Wappers.--Ik geloof dat dit goed ware; het jongsken is niet zonder
+geest. Mij dunkt, dat er waarlijk iets zou van te maken zijn.
+
+M. Serrure.--Maar, Vrouwken, kan hij wel lezen en schrijven?
+
+De Grootmoeder.--Wel, Mijnheer, hij gaat al vijf jaar naar de
+Broôkens-kapel; en vraag het maar eens aan meester Klincko: hij heeft dit
+jaar nog twee prijzen gehad. In het Vlaamsch kan hem al niets meer geleerd
+worden;--hij leert al Fransch!
+
+M. Serrure.--Zoo! dat is wat anders.
+
+M. Wappers, _tot M. Van Bree_.--Laat mij het kind eens
+aanspreken.--Manneken, kom gij eens hier. (_Het jongsken gaat bij hem; hij
+streelt het onder de kin. Fransken lacht hem dankbaar toe._) Zeg mij eens,
+lief kind, welken stiel zoudt gij gaarne leeren?
+
+Fransken; _er komt eene wonderlijke uitdrukking op zijn gelaat; uit zijne
+zwarte oogen straalt een vurige blik_.--Schilderen, gelijk Rubbes[17],
+Mijnheer!
+
+M. Wappers.--Maar, kind, zeg mij eens: zie, dit manneken is uwe
+grootmoeder, niet waar? Zoo is zij immers niet, met al dit haar rond het
+hoofd?
+
+Fransken, _met stille stem_.--Ja, maar als Meken 's avonds werkt, dan doet
+zij hare muts af, en dan heeft zij zoo een haar wel.
+
+M. Wappers, _tot M. Van Bree_.--Wij zullen het kind maar op de Academie
+laten komen; het ziet er vinnig en verstandig uit.
+
+M. Van Bree.--Ja, ja!
+
+M. Wappers, _tot het kind_.--Zult gij goed leeren, manneken?
+
+Fransken, _hem met hoop in de oogen ziende_.--Och ja, Mijnheer!
+
+M. Schafels.--Wij zullen hem op een banksken zetten.
+
+M. Wappers.--Wel, leer dan maar goed;--en wacht een weinig, ik zal met M.
+Van Hool eene plaats voor u gaan zoeken.
+
+De Grootmoeder; _met blijdschap tot Fransken gaande_.--Bedank die heeren en
+kus uwe hand!
+
+(_Het kind kust zijne hand en beziet beurtelings al de professoren,
+blijkbaar om ze allen te bedanken. Vervolgens gaat het bij zijne moeder en
+grootmoeder en beziet haar met tranen van blijdschap in de oogen._)
+
+M. Wappers, _tot de vrouwen_.--Gaat gij lieden maar naar huis, Vrouwkens.
+Fransken blijft op de Academie.
+
+De Grootmoeder, _knikkende_.--Gij zijt bedankt, Mijnheer Van Bree; gij zijt
+bedankt, Mijnheer Wabbes; bedankt altemaal, Mijnheeren.--Kom nu maar aan,
+Annemie;--'t is nu wel!
+
+(_Zij gaan de deur uit en begeven zich naar huis langs de
+Minderbroedersstraat._)
+
+De Moeder, _met blij gemoed_.--Wel, Meken, wie zou dat toch zeggen! Wat is
+toch iemand, die nog nooit iets gezien of bijgewoond heeft! Wij, die zoo
+bang waren om voor de heeren te komen..... Maar zie, ik mag wat zijn, als
+ik niet liever met die menschen zou te doen hebben dan met die van ons
+kwartier. Hoe beleefd en hoe goed dat zij waren! Zij hebben met ons
+gesproken gelijk zuster en broer.--Dat zijn nu eerst menschen!..... Een
+geluk dat M. Wabbes u geholpen heeft, of gij bleeft er wat schoon in
+steken!
+
+De Grootmoeder.--Ja, M. Wabbes, die is goed voor de burgermenschen; dat
+weet ik toch al lang. Zie, hij gaat zelf eene plaats voor ons Fransken
+zoeken, alsof het zijn eigen kind was!
+
+De Moeder.--Ja, M. Van Bree toch ook, Meken.
+
+De Grootmoeder.--Och! het zijn altemaal goede menschen.
+
+(_De vrouwen gaan dus koutend tot in hunne woning._)
+
+ * * * * *
+
+Fransken had eene plaats op de Academie bekomen. Van dien dag af begon hij
+de baan, die hij intrad, met een weinig kennis van zaken te beschouwen. Hij
+begreep, hoe langzaam en hoe moeilijk de studie der kunst zijn moest, daar
+hij, die gedroomd had van mannekens en schilderijen, nu reeds eenen
+geheelen morgen, met het zweet op zijn aanschijn, gepoogd had eenen grooten
+neus na te teekenen, zonder in die poging te hebben kunnen gelukken; maar
+hij zou te huis zich zelf vergoeden voor de lastige studiën. Daarom bezag
+hij met driftige aandacht al de beelden, die in het bereik van zijn gezicht
+waren, en prentte wel in zijnen geest, waar hun de oogen, neus en mond in
+het hoofd stonden, en hoe hun de armen en beenen aan het lichaam hingen.
+Dan vol van deze herinneringen, verliet hij de Academie na het eindigen der
+lessen, en begaf zich naar het Kasteelplein, dat niet verre van zijne
+woning gelegen was, en waar hij wist dat de soldaten op dit oogenblik bezig
+waren met krijgsoefening te leeren. Na hen een half uur bezien te hebben,
+liep hij naar huis en viel seffens aan het teekenen. Weldra toonde hij aan
+zijne grootmoeder een stuk papier, terwijl hij zegepralend uitriep:
+
+«Zie, zoo staan de soldaten op het Kasteelplein!»
+
+«Maar hoe is 't godsmogelijk!» riep de verwonderde grootmoeder.
+
+[15] _Deezeken_ beteekent Jesus in de taal der kinderen.
+
+[16] Stamel zoo niet.
+
+[17] De naam Rubbens wordt evenals de naam van Wappers, met weglating der
+voorlaatste letter, door het volk uitgesproken.
+
+
+
+
+III
+
+De baan der Kunst.--Verschillende klassen der Academie.--Prijs,
+uitdeeling.--Waar men kennis maakt met Baron De Pret.
+
+
+Sedert zijne aanneming op de Academie was Frans nog meer dan ooit op de
+schilderkunst verslingerd geworden; alle spelen verveelden hem; er kwam
+meer ernst in zijn gemoed, en hij verzelfstandigde zich met zijne hooge
+bestemming. Papier en potlood verlieten hem nooit; en kreeg hij van zijne
+ouders een Zondagsoordje, zoo hing hij het meteen aan een blad mannekens,
+dat dan wel twintigmaal door hem werd nageteekend. Op de Academie werd zijn
+voortgang er niet merkelijk door versneld; want hij bleef een geheel jaar
+op de _Hoofden in omtrek_. Die gang was te traag voor zijnen onverduldigen
+geest; geen wonder dus, dat hij, te huis zijnde, zich altijd eene klasse
+verder tooverde dan op de Academie. Nog op den _Omtrek_ zijnde, teekende
+hij reeds geschaduwde beeldekens na, die hij in de school, om zijne
+leerzaamheid, van den Pastoor gekregen had. Het tweede jaar was Frans de
+_eerste_ van het _Figuur in omtrek_. Hij won een lauwertaksken, dat hem bij
+de prachtige prijsuitdeeling en onder handgeklap werd toegereikt.
+Grootmoeder en moeder kusten haren zoon wel tienmaal, en in hunne
+onwetendheid dachten deze vrouwen, dat de gedroomde rijkdommen nu
+onfeilbaar op de komst waren. De vader alleen zag die vreugdebedrijven met
+mistrouwen en beweerde, dat er nog geene groote kunst te vinden was in de
+beelden, die zijn zoon nog dienzelfden dag geteekend had; maar hij kon de
+vreugd der vrouwen niet verminderen.
+
+Het vierde jaar behaalde Frans den tweeden prijs van het _Geschaduwd
+Figuur_.
+
+Nu was hij reeds vijftien jaar, en, daar hij nog al rijzig van gestalte
+was, had hij reeds het voorkomen van een jonkman. Al zijne pogingen
+strekten dan om op het _Antiek_ te kunnen gaan; maar dit gelukte hem niet,
+alzoo er geene plaats op die klasse open was. In afwachting maakte hij
+kennis met eenen leerling van het _Leven_ en vroeg hem alle weken, welk
+_onderwerp_ er voor de _Samenstelling_ en _Uitdrukking_ gegeven was, en
+teekende dan in stilte de gegevene onderwerpen, om ze door den leerling van
+het _Leven_ te doen nazien. De eerste maal, dat hij eene _Samenstelling_
+poogde te maken, had M. Van Bree het volgende _onderwerp_ gegeven:
+
+«De schilder Brouwer, in eene herberg wel gedronken hebbende en zijn gelag
+niet kunnende betalen, vraagt pen en papier, en maakt eene teekening op de
+tafel, waarbij hij gezeten is. Terwijl komen de drinkebroêrs achter hem
+staan; ja, er zijn er, die op de stoelen klimmen.»
+
+Frans toonde deze _Samenstelling_ aan den leerling van het _Leven_.
+
+Hoe weinig de eerste poging hem ook gelukt ware, ging hij niettemin vlijtig
+voort, en maakte op korten tijd tamelijk goede _Samenstellingen_.
+
+Alhoewel Frans door den dagelijkschen omgang met zijne kameraden de
+aantrekkelijke zoetheid zijner inborst gedeeltelijk had verloren, was er
+nochtans altijd evenveel gevoel en deugd in zijn hart.
+
+Zijne grootmoeder had hij den diepsten eerbied en de warmste liefde
+toegewijd. Dikwijls, wanneer de stokoude vrouw hem door de streelende
+vooruitzichten aanmoedigde, riep hij met oogen, die van dankbaarheid
+blonken:
+
+«O, Grootmoeder, zoo ik schilder word en gelukkig ben, dat ik geld kan
+verdienen, oh, dan zal ik u en mijne ouders al uwe zorgen en goedheid
+vergelden. Dan zal ik maken, dat uwe oude dagen schoon en vroolijk zijn.
+Gij zult mij nimmer verlaten, en ik zal nimmer trouwen om u altijd te
+kunnen beminnen. Vrees niet, ik zal niet doen gelijk vele schilders, die
+evenals ik uit arme burgers zijn voortgekomen, en die hunne ouders niet
+meer kennen willen. Neen, indien ik eene overwinning in de kunst mocht
+behalen, dan zou ik u met fierheid durven toonen en zeggen: daar is zij,
+die mij tot schilder heeft gemaakt!»
+
+De vreugdetranen leekten dan over de berimpelde wangen der oude vrouw, en
+een wederzijdsche zoen was het slot van zulke liefdesbetuiging.
+
+ * * * * *
+
+Nu begon Frans de echte baan der kunst in te treden: hij was op de klasse
+van _Antiek_ of _Pleister_, en moest nu niet meer geteekende beelden
+nabootsen, maar wel de schoone vormen van den _Apollo_ of den _Laocoön_ op
+het papier teruggeven. Dit viel hem in het eerst moeilijk, et het duurde
+toch al tamelijk lang, eer hij de middelen begrepen had om de hoogten en de
+diepten, de lichten en de schaduwen wel en vloeiend uit te drukken. Hij
+moest ter zelfder tijd de leergangen van _Samenstelling_ en van
+_Uitdrukking_ volgen. In deze laatste oefening vond hij een bijzonder
+behagen, en reeds aan zijne eerste proef, alhoewel gebrekkig, kon men
+bemerken, dat hij groote geschiktheid had om de hartstochten op de
+wezenstrekken uit te drukken.
+
+Weldra zal zijne hand de ingevingen van zijnen geest kunnen beantwoorden:
+hij is op de klasse van het _Levend Model_ overgegaan. Nu gaat hij de
+vormen van het menschenlichaam in de natuur zelve bestudeeren.
+
+ * * * * *
+
+Sedert eenigen tijd was er eene merkbare verandering in de levenswijs van
+Frans omgegaan. Hij had begrepen, dat een schilder, zonder allerhande
+kennis ten minste oppervlakkig te bezitten, niet gemakkelijk een goed
+kunstenaar kan worden en der kunst zelve geene eer kan toebrengen; daarom
+zocht hij naar boeken over geschiedenis, kostumen en oudheden; kocht of
+ontleende ze en bracht al zijne avonden door met ze te bestudeeren en er
+krabbelingen naar te maken, om zich de hand in de _Samenstelling_ te
+oefenen.
+
+Wanneer Frans een werk aantrof, dat hem eenige schoone gedachten
+inboezemde, voerde hij deze onmiddellijk op het papier uit, en vormde zich
+op deze wijze eene rijke verzameling van studiën en krabbelingen, die hem
+later zeer nuttig moesten zijn. Wat hij ook vinden mocht, dat hem oorzaak
+tot het oefenen van zijnen geest gaf, hij maakte er gebruik van, en had,
+dit doende, het ware middel gevonden om een goed en geleerd kunstenaar te
+worden.
+
+Al die vlijt, al die moeite, gepaard met eene ingeborene geschiktheid,
+deden onzen jongen kunstenaar met groote stappen vooruitspoeden; hij snelde
+in de studie al zijne kameraden voorbij. In den loop van 1839, en in zijn
+negentiende jaar zijnde, behaalde hij meest al de eerste prijzen van de
+hoogere klassen der Academie.
+
+Het onderwerp, dat voor den prijskamp van _Samenstelling_ gegeven was,
+moest eene openbare halsrechting in Spanje vertoonen. Frans maakte daarvan
+eene schoone schets; doch er was nog eene betere ingebracht, want hij
+verkreeg slechts den tweeden prijs. Dan, in den prijskamp van _Uitdrukking_
+was hij gelukkiger en overtrof daarin al zijne medekampers.
+
+Eindelijk, voor overmaat van geluk, behaalde Frans dit jaar den eersten
+prijs van _Teekening naar het levend Model_, zijnde dit het hoogste punt,
+dat men in dien tijd op de Academie bereiken kon.
+
+Op den dag der prijsuitdeeling kon men onder de aanschouwers eene oude
+vrouw zien zitten, die telkenmaal, als de naam van Frans werd uitgeroepen,
+van haren stoel opsprong en met geweld eenen traan van blijdschap in elk
+harer oogen terughield. Haar hart was vol gelukzaligheid: zij had haar
+kind, haren beminden Frans, reeds viermaal bekroond gezien, en met vier
+zilveren of gouden medailles, onder een lang handgeklap, van de verhevene
+stelling zien komen.
+
+De Burgemeester had hem gekust, de Gouverneur had hem de hand gedrukt! En
+de grootmoeder zag dit alles in verrukking, ja met verdwaaldheid aan.
+
+De prijsuitdeeling gedaan zijnde, wilde de heer Baron De Pret in zijn eigen
+rijtuig den bekroonde huiswaarts voeren, doch eerst nam hij hem mede naar
+zijne eigene woning, beschonk hem daar met een glas wijn, en gaf hem eenige
+kostelijke boeken over kostumen en oudheden ten geschenke, benevens eenige
+belangrijke raadgevingen.
+
+Onderweg had Frans op de vragen van Baron De Pret met rechtzinnigheid
+geantwoord en hem met zooveel liefde van zijne grootmoeder gesproken, dat
+de Baron de oude vrouw zien wilde.
+
+Toen het rijtuig in het St.-Andrieskwartier en omtrent de woning van Frans
+kwam, werd de koetsier gedwongen zijne vaart te vertragen en de paarden op
+stap te doen gaan,--zooveel volk stond er in de straten. Het gansche
+kwartier was te been; jong en oud wedijverde om aan Frans, den jongen van
+hunne parochie, eer en hulde te bewijzen; overal werd hij begroet door een
+lang en schaterend gejuich.
+
+De Baron stapte met Frans uit het rijtuig in zijn huis en sprak eenige
+vriendelijke woorden tot zijne ouders, waarna hij vertrok.
+
+De moeder en de grootmoeder van Frans waren niet verre van zot te worden;
+de vader zelf was vol hoogmoed. Hoe kon het met de vrouwen anders
+zijn?--Baron De Pret, die edele beschermer der kunsten, was in hun huis
+geweest; hij had hen aangesproken, en het gansche kwartier wist het; al de
+geburen betoonden hun eerbied of benijdden hun geluk!
+
+Maar wat verrukking was het niet, wat eer!--Des avonds kwam er eene
+talrijke Harmonie voor de deur der arme woning spelen!
+
+Bovenal bracht het deuntje _Waar kan men beter zijn_ de vreugd tot den
+hoogsten top in de harten der vrouwen. Grootmoeder, alhoewel stijf en
+verstramd door den ouderdom, sprong nog eens als eene jonge meid van haren
+stoel op, huppelde de kamer rond, greep Frans en zijne moeder bij de hand
+en dwong hen in eenen _rondedans_ te draaien, terwijl zij met eene heesche
+stem het liedje zong:
+
+ Waar kan men beter zijn,
+ Waar kan men beter zijn
+ Dan bij zijn beste vrienden?
+ Wij zijn kontent;
+ Wij hebben geenen vent
+ Laat ons drinken,
+ Laat ons schenken,
+ Gelijk wij zijn gewend!
+
+Hare stem werd weldra verdoofd door het razend geroep der leerlingen van de
+Academie, die voor de deur stonden en tot barstens toe schreeuwden:
+
+«Vivat Frans!..... Vivat de Primus!»
+
+Wie zou de vreugdetranen tellen, welke op dezen dag door dit gelukkige
+huisgezin werden gestort?.....
+
+
+
+
+IV
+
+Verandering van toon.--Waarom er zoo weinig goede schilders zijn. Middelen
+om in de kunst gewissen voortgang te doen.
+
+
+Er zijn in België oneindig veel kunstenaars. Maar waarom zijn er zoo
+weinig, wier namen met eenigen luister omgeven zijn? Waarom bevinden velen
+zich in broodsgebrek?
+
+Hierop zou men oppervlakkig kunnen antwoorden met de bekende spreuk: _velen
+zijn geroepen maar weinigen uitverkoren_. Of wel met de woorden van den
+Franschen dichter:
+
+ Soyez plutôt maçon, si c'est votre métier.
+
+Maar die redenen zijn alleen niet voldoende om de schaarschheid van goede
+kunstenaren uit te leggen; er bestaan andere oorzaken, die eenen veel
+verderfelijkeren invloed op den voortgang der jonge leerlingen uitoefenen,
+en hunne bestemming den hals breken, eer zij nog weten kunnen, of zij
+waarlijk tot het vak der kunsten geroepen zijn. Om deze oorzaken tastbaar
+voor te stellen, zullen wij hier eene kleine schets ophangen van de wijze,
+waarop een leerling, die _moet mislukken_, zijne studiën oefent.
+
+ * * * * *
+
+Een vader denkt in zijnen zoon groote voorbeschiktheid tot de schilderkunst
+te bemerken; wie denkt zulks niet van zijne kinderen?--Hij doet hem op eene
+Academie of teekenschool zijner stad gaan. Lui en loom van gemoed, leert
+dit kind dan toch na ettelijke jaren de beginselen der teekenkunde; of wel,
+vlijtiger, leert hij ze in minder tijds.--En wij vooronderstellen, dat hij
+waarlijk alles in zich hebbe om een groot kunstenaar te worden ..... maar
+de hoogmoed, die bedrieger, die valsche raadsman, moeit zich met de zaak.
+De vader slaagt de armen in de hoogte bij het zien der nog weinig
+gevorderde studiën van zijnen zoon: het schijnt hem dat hij reeds mirakelen
+doet. Hij gaat in herbergen, koffiehuizen en gezelschappen, en valt
+iedereen lastig door het onophoudend verhaal van het vernuft des jongens.
+Eenigen geven geloof aan de pocherij; zij verspreiden ze. Eindelijk gaat de
+zoon in de gebuurte door voor een klein kunstwonder, en al die loftuigingen
+komen aan zijne ooren. Hij blaast zich op,--en niet zoodra heeft hij eenige
+dagen naar _Antieken_ geteekend, of hij moet een _atelier_ hebben; hij moet
+schilderen, schilderijen maken:--hij, die nog geenen goeden neus uit zijn
+hoofd kan teekenen!
+
+Waarlijk, hij heeft een paneel en eenen schilderbak gekocht. Zijne nog
+witte knevels komen beschaamd op zijne lippen staan; zijn haar groeit
+schrikkelijk en wild op zijn hoofd, en de straatjongens roepen hem na met
+het woord _Artist_.
+
+Hij schildert dan;--maar wat zal het beteekenen? Het is een manneke, dat
+op eene tafel ligt te slapen,--bemerkt, dat hij dan het aangezicht niet
+schilderen moet, daarbij eene hesp in eenen schotel, met eenen hond, die er
+aan komt bijten; in het verschiet wat kassen, potten, ketels, enz.
+
+Aan die onbeduidende samenstelling arbeidt hij drie maanden; hij wrijft,
+hij veegt, hij knoeit, hij steelt ..... en ziet! eindelijk komt er iets uit
+zijne handen, dat van verre aan eene schilderij gelijkt.
+
+De vader en de vrienden zeggen:
+
+«Het is een Teniersken!»
+
+Maar anderen zeggen met meer reden, dat het een armzalig broddelwerk is.
+Het doorzicht is er niet in verstaan; de voorwerpen van de tweede diepte of
+_plan_ zijn grooter dan die van de eerste; de beenen en armen hangen
+gebrekkelijk aan het lichaam, of zijn te lang of te kort; de voorwerpen
+vallen om; de hond is een raadsel, dat _Buffon_ zelf gewis niet zou hebben
+kunnen oplossen.....
+
+Tot hiertoe is het kwaad nog niet groot: de jongen luistert nog naar
+raadgeving van meerdere kunstenaren; hij gaat nog naar de teekenschool,
+alhoewel hij er met tegengoesting leert.
+
+Maar, o ongeluk! een vriend van zijn huisgezin of een arm, onkundig
+liefhebber geeft hem honderd franken voor zijn schilderij!
+
+Nu is de bom geborsten..... Hij wil en zal een _atelier_ hebben, dat niet
+in het huis zijns vaders zij, opdat men voortaan vrage: waar is het
+_atelier_ van zulk eenen? Hij neemt en bederft eenen jongen, en heeft dus
+eenen _élève_ of leerling: dus is hij Meester..... Zal hij op de Academie
+voortgaan in de teekenkunde? Zal hij, die Meester is, tusschen leerlingen
+zitten? Dit kan immers met zijne opgeblazenheid niet samenstaan?
+Dienvolgens verlaat hij de Academie of Teekenschool.
+
+Wat kan er nu van den zoo gezegden kunstenaar geworden? Hij kan niet
+teekenen; hij kent niets van het samenstel van het menschelijk lichaam;
+doorzicht is hem eene vreemde wetenschap.....
+
+Hij kan zijne teekenstudie te huis vervorderen,--zou men kunnen
+denken,--maar het is onder schilders eene bekende waarheid, dat hij, die
+aan het schilderen geraakt, meest altijd eenen afkeer van het teekenen
+krijgt.
+
+Neen, die ongeleerde kunstenaar blijft zijn geheele leven lang knoeien,
+verkoopt van tijd tot tijd eene slechte en onbeduidende schilderij en
+sleept zijne bittere dagen tusschen hoogmoed, nijd en moedeloosheid. Hij is
+afgunstig op iedereen, spreekt kwaad van zijne kunstgenooten ..... en
+sterft meubelschilder.
+
+En misschien was hij geroepen om zijn vaderland te verheerlijken! Misschien
+lagen rijkdom, eer en geluk voor hem bestemd; maar zijne slechte studiën
+hebben hem in den grond geboord, en zijn ingeboren vernuft ten onnutte
+gemaakt.
+
+Wij moeten het bekennen, enkele werkzame geesten beseffen in dien toestand
+de middelen om zich nog te redden, en redden zich inderdaad; maar daartoe
+behoeft geene kleine hoeveelheid moeds. Wij kennen er, die een gedeelte van
+den dag en menigen avond zich oefenen in de teekenkunde, die lezen,
+onderzoeken en vergelijken, en niets nalaten om den verloren tijd in te
+winnen. Wij kennen er, die door zoeken en door zwoegen zich eene
+eigenaardige kleur hebben aangeschaft; die arbeiden van den morgen tot den
+avond, en door echt schoone voortbrengsels zich onderscheiden. Tot deze
+werkzame kunstenaren zijn onze harde woorden niet gericht. Integendeel,
+dezen prijzen en achten wij als mannen, die veel bijbrengen tot den roem
+der Vlaamsche school. Nooit is een arbeid met moed ondernomen en met
+standvastigheid voortgezet, of zijne vruchten waren gewichtig en
+aanzienlijk.
+
+Neen, onze looden waarheden vallen op den hals van hen, die hunnen tijd in
+zorgeloosheid verspillen; die gedurende een gering gedeelte van den dag aan
+een knoeiwerk arbeiden, en misschien noch potlood, noch krijt in hun bezit
+hebben; die in een geheel jaar niet eenen enkelen avond uit de herberg
+blijven, en daar door pochen en zwetsen doen gelooven, dat de kunst in
+praten bestaat; zoodanig dat zelfs eenvoudige menschen de schouders er van
+optrekken;--van hen, die met eene ongehoorde waanwijsheid over alles durven
+oordeelen, en denken, dat het genoeg is met den naam _Artist_ behangen te
+zijn, om de _Science infuse_ of ingeboren wetenschap te bezitten, zonder
+dat het noodig zij ooit een boek in de hand te nemen ..... van hen, die de
+kunst verlagen door hunne hoogmoedige onwetendheid!
+
+Wanneer dan zullen deze ongelukkigen begrijpen, dat de kunst een tempel is,
+waar men niet binnentreedt zonder voorbereiding?--waar men niet ingaat,
+vooraleer men door het water der leerzaamheid de vlekken der onkunde van
+zijnen schedel gewasschen hebbe? Wanneer zullen zij beseffen, dat men het
+vaderland niet vereeren kan, vooraleer men zich zelven eeren en achten
+doet? Nimmer.--Begrijpt de waanwijsheid?
+
+Jongere leerlingen! gij, die uwe teekenstudiën begint, geeft acht op mijne
+woorden! Voorwaar, ik zeg het u, wilt gij schilder worden en glorie zoeken,
+leert dan alles, wat er in de kunsten kan geleerd worden,--dan zult gij
+rijk aan kennis zijn; uw vernuft zal zich zonder moeite ontwikkelen, uwe
+hand zal kunnen gehoorzamen aan de inspraak van uwen geest, en niets zal in
+het uitvoeren uwer scheppingen een hinderpaal zijn. Leert en arbeidt in uwe
+jonge jaren ..... zoo niet, moogt gij deze woorden als eene voorzegging
+aannemen: _vergeten knoeier--arm leven--en bitter brood_!
+
+
+
+
+V
+
+De geschiedenis van Frans wordt treurig.--Hoe Baron De Pret de kunsten
+aanmoedigt.--Groote rampen, die Frans overvallen.--Hoe hij eindelijk het
+loon zijner werkzaamheid krijgt.--Wat hij nu is en hoe hij nu leeft.--Slot.
+
+
+Zij dwalen, die denken, dat men met de grootste geschiktheid van geest, met
+het fijnste ingeboren vernuft en met de beste studiën zoo maar in korten
+tijd kan schilder worden; neen, er verloopen nog al eenige lange maanden,
+somtijds wel jaren, eer men de kleuren en verven meester wordt en over deze
+als over gehoorzame werkstoffen kan beschikken. Men maakt zooveel
+gebrekkelijk schilderwerk, eer men een goed tafereel voor den dag brenge!
+
+Dit begon het huisgezin van Frans, en hij zelf nu eerst bitter te gevoelen.
+Zijne ouders hadden voor hem alle opofferingen gedaan zonder de minste
+achterdocht, omdat zij niet twijfelden, of Frans zou eerlang een groot loon
+voor zijne werken krijgen; maar, eilaas! hoe bedrogen de goede lieden zich!
+Hunne opofferingen werden noodzakelijk allengs grooter en lastiger,
+naarmate hun zoon dichter bij de mannenjaren kwam. Hij moest alle
+oogenblikken verf, penseelen of doeken hebben; en al deze kosten moesten
+genomen worden op de geringe winst van het kantwerk van Meken en op het
+dagloon des vaders.
+
+De twee vrouwen hielden lang voor den man verborgen, dat zij geld ontleend
+hadden; eindelijk bekenden zij hem, dat zij tot aan den hals in de schuld
+staken. Dit verschrikte den eerlijken en fieren werkman zeer; hij ging meer
+dan eens met verdriet naar zijn werk, doch hij sprak geen enkel bitsig
+woord tegen Frans of tegen de vrouwen. Hij zelf was hoogmoedig over zijnen
+zoon geworden en begreep dat het nu geen tijd meer was om terug te keeren.
+Hij verkropte dan in stilte de schaamte, die de gedachte van schuld te
+hebben hem veroorzaakte, en zag eene bittere toekomst te gemoet.
+
+Een eenvoudig voorval redde het droeve huisgezin uit dien dreigenden nood.
+
+Meken ging sedert eenigen tijd alle dagen een gebed lezen in de
+St.-Andrieskerk, voor het beeld der bedrukte moeder. Eens dat zij na haar
+gebed huiswaarts keerde, ontmoette zij Baron De Pret in
+St.-Andrieskerkstraat. De edelmoedige man herinnerde zich de wezenstrekken
+der oude vrouw, en vroeg haar met veel goedheid, hoe het met haar ging, en
+of zij nu tevreden was. Hierop volgde natuurlijkerwijze eene lange klacht
+van grootmoeder; des te meer, daar zij niet anders kon denken, of die
+weldoener der kunstenaren was haar door toedoen der Moeder Gods ter hulp
+gestuurd. Zij bedroog zich niet in haar geloof, de goede vrouw! De Baron
+vatte hare magere hand in de zijne en sprak glimlachend tot haar:
+
+«Waarom hebt gij mij dat niet eerder gezegd? Wees maar gerust, vrouwken.
+Kent gij M. Wappers?»
+
+«Ja, Mijnheer de Baron.»
+
+«Welnu, zeg aan Frans, dat hij bij M. Wappers alle maanden vijf en twintig
+franken mag halen: ik zal ze daar leggen voor hem.»
+
+Hiermede ging de Baron van haar weg en liet haar ontsteld staan. Gedurende
+eene halve straat weegs bezag hij met ontroering twee ronde tranen, die
+Meken als een verbond van eeuwige erkentenis op zijne hand gestort had!
+
+De weldadigheid van Baron De Pret liet aan Frans toe, zijne studiën zonder
+hartzeer te vervorderen; hij geraakte dan zoo ver, dat hij het durfde
+ondernemen een schilderij samen te stellen en uit te voeren.
+
+Een onvoorzichtige, ja, veeleer een domme vriend deed hem gelooven, dat
+zijn werk goed was, en dat hij het in de bestendige vertoonzaal of
+_Exposition permanente_ moest ophangen.--Maar, hoe betreurde Frans zijne
+onbezonnenheid! Zijn tafereel, dat inderdaad nog gebrekkig was, werd des te
+meer beknibbeld en des te luidruchtiger afgekeurd, omdat het van een
+beginneling kwam, die zich nog geene eeuwige verdedigers of _opzetters_ had
+aangeschaft.
+
+Hij maakte schoonere en betere schilderijen; doch de reeds ingewortelde
+vooringenomenheid stiet hem telkens terug. Nu scheen het, alsof hij nergens
+goed voor ware, alsof hij nimmer iets anders dan broddelwerk zou kunnen
+voortbrengen. Dit vooroordeel was ten laatste zoo sterk aangegroeid, dat
+zijne weinige vrienden zelven zijn werk niet durfden prijzen, uit vreeze
+van door te gaan voor _épiciers_ of onkundigen van slechten smaak.
+Verstooten uit den kring der kunstenaren, altijd achteruitgeplaatst door
+mannen, die minder vernuft hadden dan hij, bekend voor eenen knoeier, bleef
+Frans echter leeren en arbeiden; maar zijne schilderijen bleven ook, ter
+bewondering van zijn Meken, tegen de wanden zijner arme woning hangen.
+
+Dit zij eene les voor alle jonge kunstenaren! Al wie voor de eerste maal
+eene schilderij ten toon hangt met de wetenschap, dat hij eene betere maken
+kan of zou moeten kunnen maken, is een dommerik, die zich zelven eene
+onherstelbare schade doet. Want, is het niet bij het eerste voortbrengsel
+van eenen kunstenaar dat men over zijn verleden, zijn tegenwoordig en zijn
+toekomend vernuft oordeelt? En wat moeite, wat uitsteken gewrocht zal er
+niet noodig zijn om dit eerste oordeel te niet te doen? Die, welke de
+slechte schilderijen gezien hebben, zien daarom altijd de goede niet, en
+blijven dus bij hunne eerste gedachte.
+
+Meer dan eens nog beweende Frans bitterlijk zijne eerste onvoorzichtigheid;
+dikwijls, wanneer hij voor een paneel op zijnen zolder of _atelier_ gezeten
+was, sloeg hij zich met de vuist op het voorhoofd en riep:
+
+«Hoe is het mogelijk! Wat domheid, wat verblindheid heeft mij gedreven? Ik
+wist, dat mijne schilderij vol gebreken was. En ze ten toon hangen? Ho, ik
+was zeker van mijne zinnen.....»
+
+ * * * * *
+
+Maar zijne ongelukken waren nog niet ten einde.
+
+Alsof God hem in de baan der kunst beproeven wilde, werd hij in eens door
+twee schrikkelijke rampen geslagen. Zijn vader, die aan het lossen der
+schepen arbeidde, brak door het vallen eener ton zijnen rechterarm, die
+daarenboven nog ten deele was verpletterd.
+
+Drie dagen later stierf zijn weldoener Baron De Pret!
+
+Dit laatste ongeluk trof het arme huisgezin zoodanig, dat zij allen twee
+dagen in tranen doorbrachten, zonder bijna een woord te spreken.
+
+ * * * * *
+
+Op den dag der begrafenis van Baron De Pret volgde eene ootmoedige
+_vigilante_ van verre den lijkstoet. Te Hemixem en bij de begraafplaats
+gekomen, stapten drie personen uit het geringe rijtuig. Zij gingen nevens
+het kerkhof in eenen zijdeweg en waren gedurende de begrafenis niet
+zichtbaar.
+
+Toen alles gedaan was, en de prachtige koetsen al de aanschouwers der
+lijkplecht op de baan van Antwerpen in volle vaart stedewaarts voerden, zag
+men drie personen met stille stappen het kerkhof binnentreden. Het was
+Frans, die zijne stokoude grootmoeder onder den arm hield, terwijl zijne
+moeder haar aan de andere zijde ondersteunde. Niemand zag hen, want alles
+was doodstil op het kerkhof, en de grootste eenzaamheid heerschte er.
+
+Ziet gij ze alle drie, met roodgeweende oogen, met snorkenden adem, dien
+hoop versch opgeworpen aarde genaken? Daar rust hij, die het goed in stilte
+deed.....
+
+O, zegt niet, dat de deugd niet geëerd, niet beloond wordt: de tranen dezer
+menschen wegen duizend in de schaal van God!
+
+Ziet, de vrouwen knielen neer op den hoop aarde.
+
+Zij vouwen de handen te zamen en buigen het hoofd naar het lijk: hunne
+lippen bewegen.....
+
+Spreken zij ook in rethorische taal? Zijn hare woorden berekend, gemeten en
+geschreven, opdat zij ze niet vergeten? O, neen, zij kennen maar één gebed,
+hun door den Zaligmaker zelven geleerd: zij bidden en herbidden het
+krachtig en alvragend Onze Vader! Hunne stemmen worden helderder, als zij
+murmelen:
+
+«Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.
+
+Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, nu en in de ure onzes doods.
+Amen.»
+
+Hunne zielen, hunne tranen, hunne zuchten zeggen het overige tot den Heer.
+
+Slaap gerust, o Goede! Wij planten geene bloemen op uw graf: zij zijn niet
+onsterfelijk als de heugenis uwer ontelbare weldaden..... Uwe ziel ontvange
+in den schoot der Godheid een loon, dat de wereld niet geven kon.
+
+Maar waarom knielt Frans niet op het graf? Waarom? Hij is verslonden door
+droefheid; hij voelt zich niet meer leven en heeft vergeten, waar hij zich
+bevindt. Ziet, daar staat hij als een steenen beeld, met het hoofd op de
+borst, met de nijpende hand aan het voorhoofd. Hoe blinken de rollende
+tranen, die zijnen oogen ontsnappen! Ongelukkige jongeling! Wie beschrijft
+de doodende wanhoop, die uw hart tot barstens toe verkropt?
+
+Ontwaak! Ziet gij niet, dat die koude aarde de gezondheid uwer grootmoeder
+krenken zal! De avond vindt haar wellicht nog geknield en weenend. Heb
+moed, keer terug naar uwe woning.....
+
+Des anderen daags sprak Frans op droeven toon in dezer voege tot zijne
+ouders:
+
+«Wij zijn ongelukkig en arm; ik ben de schuld van al uw verdriet, ik weet
+het. Maar laat mij u eene vraag doen, en antwoordt mij openhartig;--kunnen
+wij nog drie maanden bestaan zonder het minste geld te winnen?»
+
+Deze vraag bleef eenen langen tijd zonder antwoord. De moeder, die wist,
+wat haar zoon zich voorstelde, ging bij den zieken man en overwoog de zaak
+met hem; dan sprak zij:
+
+«Drie maanden, ternauwernood, maar niet langer.»
+
+«Welaan,» hernam Frans, «ik ga eene poging doen. Nog ééne schilderij zal ik
+maken, eene enkele; en verkoop ik die niet in korten tijd ..... dan, o
+moeder, o grootmoeder, dan word ik meubelschilder!»
+
+Dit laatste woord kostte hem moeite om uit te spreken; doch hij herstelde
+zich welhaast en vroeg nogmaals, of men hem drie maanden gerust en
+onverhinderd wilde laten werken. Zijne ouders stemden toe in zijn
+voornemen.
+
+Frans ging bij M. Wappers en kreeg daar de laatste vijf en twintig franken,
+die zijn weldoener er voor hem had nedergelegd. Voor een gedeelte van dit
+geld kocht hij verven, sloot zich den dag daarna op den zolder zijner
+woning en schetste in doodverf het onderwerp, dat hij behandelen wilde, op
+het doek.
+
+Het was het kerkhof van Hemixem met een versch gesloten graf, waarop twee
+vrouwen zaten te bidden; op de tweede diepte zag men een jong mensch in de
+uiterste wanhoop staan weenen; ter zijde, de muren der kerk; in het
+verschiet een weelderig landschap.
+
+Gedurende twee maanden en een half arbeidde Frans zonder ophouden; hij ging
+het kerkhof van Hemixem met de bijwerken naar de natuur afschilderen; en
+deed zijne moeder en grootmoeder als modellen voor zich zitten.
+
+[Afbeelding: Arbeidde Frans zonder ophouden. (Bladz. 120.)]
+
+Nooit had een kunstenaar met meer vuur, met meer liefde of meer drift aan
+een tafereel gearbeid. Frans was vervuld met zijn onderwerp; en gedurende
+al den tijd door hem aan zijn werk besteed, had hem het hoofd gebrand als
+dat van eenen koortsige.
+
+Kon dit tafereel slecht zijn? Neen, er moest een stempel van vernuft op
+geteekend staan;--en het was ook zoo.
+
+Frans kreeg op tijd van betaling eene lijst. Ditmaal had hij eene andere
+inspraak: hij zond zijn tafereel naar de Vertoonzaal te Keulen in
+Duitschland..... Zou hij daar gelukkig zijn?--Dan, de schilderij was weg en
+bleef weg, zonder dat men er iets van vernam.
+
+De armoede, zooals zij ze nog nooit gevoeld hadden, kwam het wachtend
+huisgezin overvallen. Dan aten zij bitter brood en waren als ter neer
+geslagen door eene schrikkelijke onttoovering. Die, welke den meesten moed
+toonde, was het goede Meken; zij droeg in stilte al hare kleederen en haar
+goud naar den berg van Barmhartigheid en troostte de anderen. Maar dit kon
+niet lang duren; de kleederen van Frans en die der moeder moesten ook
+eindelijk naar den berg; ja, de medailles en eereteekens werden bij den
+bakker verpand voor eenige brooden!
+
+Men had schuld gemaakt bij den vleeschhouwer, bij den kruidenier; de bakker
+wilde niets meer uit zijnen winkel laten gaan, en niemand wilde meer iets
+borgen aan den _poveren artist_,--zoo noemde men Frans in het kwartier. De
+wekelijksche huishuur was van de geheele maand nog niet betaald geworden,
+en de huisbaas had reeds driemaal eenen _Huissier_ gezonden om hun de
+betaling af te eischen.
+
+Op eenen namiddag van de maand September was de armoede in dit huisgezin
+tot den hoogsten top gerezen. Niemand had er iets gegeten sedert den avond
+van den vorigen dag. De _Huissier_ was hen komen waarschuwen, dat hij nog
+eens te zes ure zou wederkeeren, en dat, indien zij dan de huur niet
+betaalden, zij des anderen daags 's morgens met al hun huisraad zouden
+worden op straat gezet.
+
+Meken hield de hand van Frans en poogde hem te troosten; de moeder weende
+in stilte; de vader, die zijnen arm nog droeg, zat bij den schoorsteen en
+zag de kamer in met sombere blikken. Eensklaps borst de werkman in tranen
+los.
+
+Nooit had Frans zijnen vader zien weenen,--het was de eerste maal in zijn
+leven. Ook dit gezicht schokte hem als een donderslag, er steeg een akelige
+schreeuw uit zijne keel, en hij viel knielend neer voor zijnen vader:
+
+«O vader, vader!» riep hij, «gij weent?--Gij! O, stil u, morgen word ik
+meubelschilder..... Ik zal drie franken elken dag winnen.....»
+
+De werkman hief zijnen zoon van den grond op en drukte hem tegen zijn hart.
+
+«Frans,» sprak hij, «ik leg de schuld niet op u, jongen; maar wij zijn zoo
+ongelukkig! Ik stort tranen, omdat ik bijna razend ben--dat ik niet werken
+kan. Wij hebben honger; ons ingewand scheurt van pijn. Wie zal ons eten
+geven, vóórdat de nacht kome? Waar zullen wij gaan, als men ons op de
+straat zal gezet hebben? Is het niet om zot te worden of om zijn eigen te
+verdrin.....»
+
+Frans sloot zijnen vader met kracht tegen zijne borst, en smoorde dit
+laatste en schrikkelijke woord op zijne lippen door eenen nijdigen zoen.
+
+Terwijl vader en zoon dus aan elkander vastgestrengeld waren, werd de deur
+der kamer opengestooten. Een man met eene lederen tasch op den rug, stak
+zijne hand en eenen brief vooruit.
+
+Door een geweldigen sprong rukte Frans zich los van zijnen vader en greep
+naar den brief; maar de drager trok hem terug en sprak op dorren toon:
+
+«Een brief van Duitschland: twee franken!»
+
+Twee franken! in welke verborgene plaats van dit huis bevindt zich die
+schat?--Twee franken--voor menschen, die van honger vergaan?
+
+Wie kan de droefheid en de martelpijn van dit huisgezin beschrijven? De
+brief behelst wellicht het einde hunner rampen;--hij misschien moet hunne
+tranen drogen, hun eten geven en hen van de verjaging bevrijden..... En
+ziet, terwijl zij met kloppenden boezem den brief bestaren en smeeken om
+hem te mogen openen, wil de drager heengaan en al hunne hoop
+verscheuren.--De aarde brandt onder de voeten dier ongelukkigen; zij
+stampen van ongeduld; zij rukken zich de haren uit..... De arme Frans
+wringt zich ineen, dat zijne leden kraken: hij wordt als een dwalend schip
+door de baren van den rampspoed heen en weder geslingerd; hij hoopt en
+vreest ter zelfder tijd: die brief is wellicht de haven der verlossing, hij
+ziet ze ..... en zij gaat hem ontsnappen!
+
+De moeder knielt voor den brievendrager; zij heft hare smeekende handen tot
+hem.....
+
+Ha! hij weent,--hij heeft geen steenen hart. Daar! hij geeft den brief aan
+Frans met deze woorden: «Neem hem maar. Ik ben ook arm, maar ik kan het
+toch niet langer aanzien.»
+
+Frans opende den brief langzaam en met angst; elke plooi werd als met
+voorzichtigheid ontvouwen.--Maar niet zoodra had hij zijne oogen op den
+inhoud geworpen, of de spieren van zijn aangezicht begonnen stuiptrekkend
+zich te bewegen: hij werd bleek als een doode en een akelige schreeuw
+bonsde uit zijne borst door de kamer. Hij leunde op de tafel, en de brief
+viel uit zijne hand op den vloer.
+
+De kamer was vervuld met droefheidsgillen; Meken hief de armen ten hemel;
+de moeder viel achterover op haren stoel; alsof al hare spieren met lamheid
+geslagen waren.
+
+Frans deed geweld om te spreken. Het was zichtbaar, dat hij iets zeggen
+wilde, doch het kon niet over zijne bevende lippen. Eindelijk brak zijne
+spraak los; hij raapte den brief op, vloog met open armen naar zijne
+grootmoeder en riep met schrale stem:
+
+«Meken! Moeder! Vader! Ik ben schilder! Vijfhonderd franken voor mijne
+schilderij!»
+
+De vier gelukkigen lagen in elkanders armen, zich rukkende, zich zoenende,
+zich streelende,--en een verward geschal van vreugderoepen vervulde de
+kamer.
+
+Na de eerste betuiging van liefde en blijdschap betoonden de vrouwen hare
+nieuwsgierigheid om den inhoud van den brief te kennen. De jongeling, die
+het Duitsch tamelijk wel kende, vertaalde hun den brief, die luidde als
+volgt:
+
+ Keulen, den.....
+
+_Mijnheer,_
+
+Het tafereel, dat ons door u is toegestuurd geworden, onder den titel van
+_het Graf van eenen Weldoener_, is door de liefhebbers veel bezocht en
+geprezen geworden. Ik acht mij gelukkig, u te kunnen aankondigen, dat het
+door den heer E..... onzer stad is aangekocht tegen den door u opgegeven
+prijs.
+
+Gij zult, bij het vertoonen dezes, de som van 500 franken kunnen ontvangen,
+ten kantore van M. L....., bankier uwer stad.
+
+Met niet minder genoegen zult gij vernemen, ik hoop het, dat de heer E.....
+een tweede tafereel van dezelfde grootte van u verlangt. De betaling zal er
+van gedaan worden, zoodra gij het aan mij zult hebben doen geworden.
+
+ De geheimschrijver
+ van het Keulsch Kunstvereen.
+
+«Ho!» riep Frans eene tweede maal, «nu ben ik schilder! Grootmoeder, nu ben
+ik schilder!»
+
+«Ja, kind,» antwoordde Meken met eenen fieren blik, «heb ik het u niet
+gezegd? Nu zijn wij zoo rijk, dat wij geen eind aan ons geld zullen vinden!
+Laat ze nu maar zeggen: _de povere artist_! Dat ziet gij wel, God is toch
+goed; wij hadden al te veel uitgestaan. Ik zal nog negen dagen voor
+Onze-Lieve-vrouw van de Zeven Weeën gaan bidden, om haar te danken. En nu,
+Frans, jongen, nu maar vroolijk het onze genomen van hetgeen onze Heer ons
+gegund heeft.--Nu zullen wij wel eene stoop kriekbier kunnen krijgen en een
+pond of twee varkensribbekens.--Laat ons nu maar smullen!--de
+brievendrager, dat goede mensch, zal meedoen.»
+
+Een kwartier later hoorde men reeds van aan de deur de varkensribben in de
+pan kissen; de reuk van het gebraad droeg als een bode het gelukkig nieuws
+in de gebuurte; het roode kriekbier stond uitgeschonken op de tafel en de
+brievendrager was dien avond, met Frans en zijne ouders, eens recht
+vroolijk.
+
+Des anderen daags werden twee goede heelmeesters bij den vader geroepen. De
+verpande kleederen, de medailles werden gelost en al de gemaakte schuld
+betaald.
+
+Van dit oogenblik af arbeidde Frans met moed en zekerheid; zijne
+schilderijen werden verkocht, eer zij nog voltooid waren, en hij kon weldra
+aan de vragen der liefhebbers niet meer voldoen.
+
+Nu woont Frans met zijne ouders niet meer in het arm huis; zij hebben nu de
+gedroomde twee stagiën en schoone kamers, fraai behangen, versierd met
+nette meubels..... De vader werkt niet meer op de kaai; hij rookt zijne
+pijp bij eene sierlijke stoof van Marckelbach.
+
+Meken heeft eene meid om haar te dienen, en de liefde van haren Frans om
+haar op deze aarde gelukkig te maken.
+
+EINDE.
+
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+Transcriber's note:
+
+
+ - This novella was printed with another novella in a single volume. Any
+ references to the other novella, "Siska van Roosemael," have been
+ removed from this e-text. "Siska van Roosemael" can be found at
+ http://www.gutenberg.org/etext/31052.
+ - At times the ink failed to stick on the printed page. Where commas and
+ full-stops were missing as a result, these have been added without
+ comment.
+ - The HTML version of this etext contains invisible page numbers that
+ refer to the page numbers of the original print edition.
+
+
+Corrections
+
+ - Added the name of the author to the title page.
+ - Normalised to 'St.-AndriesXXX' (where XXX stands for the second part
+ of a compound word). There was 1 occurrence of 'St-AndriesXXX'
+ (without a full-stop), on page 106, and 4 of 'St.-AndriesXXX'.
+ - Page 77: the ink had not caught well at the end of the lines of the
+ following footnote text: "Dit zonderling avondgebed als ook een ander,
+ dus beginnende [unclear] Engel Sinte Michiel, ik beveel u mijn lijf en
+ ziel, worden nog dagelijks in [unclear] huisgezinnen door de kinderen
+ opgezegd. Daarbij echter wordt dan [unclear] Vader ons of een ander
+ erkend gebed gevoegd." I have added in the words that seemed most
+ logical to me, guided by the recommendations of the proofreaders.
+ - Page 89: corrected 'sfemme' to 'stemme'.
+ - Page 101: corrected 'Hi' to 'Hij' ('in omtrek. Hi').
+ - Page 104: left in 'et' in 'et het duurde', even though it strikes me
+ as incorrect Dutch. I failed to guess what the author meant.
+ - Page 108, corrected 'zijt' to 'zijn' (singular to plural, 'luister
+ omgeven zijt?').
+ - Page 117: left in 'uitsteken' in 'wat uitsteken gewrocht', even though
+ it doesn't strike me as correct Dutch.
+ - Page 120: corrected 'zprak' to 'sprak' ('dan zprak zij').
+ - Page 122: printer's error. Moved 'naar' up a line, to after 'moesten
+ ook eindelijk'.
+
+
+
+***END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HOE MEN SCHILDER WORDT***
+
+
+******* This file should be named 31120-8.txt or 31120-8.zip *******
+
+
+This and all associated files of various formats will be found in:
+http://www.gutenberg.org/dirs/3/1/1/2/31120
+
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://www.gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.gutenberg.org/fundraising/pglaf.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://www.gutenberg.org/about/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://www.gutenberg.org/fundraising/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit:
+http://www.gutenberg.org/fundraising/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+