summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--31107-0.txt8944
-rw-r--r--31107-0.zipbin0 -> 187398 bytes
-rw-r--r--31107-h.zipbin0 -> 344539 bytes
-rw-r--r--31107-h/31107-h.htm9292
-rw-r--r--31107-h/images/cover.jpgbin0 -> 62464 bytes
-rw-r--r--31107-h/images/frontispiece.jpgbin0 -> 66236 bytes
-rw-r--r--31107-h/images/ill_p013.pngbin0 -> 6558 bytes
-rw-r--r--31107-h/images/ill_p021.pngbin0 -> 784 bytes
-rw-r--r--31107-h/images/ill_p059.pngbin0 -> 10881 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/31107-8.txt8958
-rw-r--r--old/31107-8.zipbin0 -> 187075 bytes
14 files changed, 27210 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/31107-0.txt b/31107-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..6ef6e03
--- /dev/null
+++ b/31107-0.txt
@@ -0,0 +1,8944 @@
+The Project Gutenberg eBook of Jeugdherinneringen, by Jan Ligthart
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: Jeugdherinneringen
+
+Author: Jan Ligthart
+
+Release Date: December 21, 2020 [eBook #*****]Release Date: January 28, 2010 [eBook #31107]
+[Most recently updated: November 22, 2021]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+Produced by: Branko Collin and the Online Distributed Proofreading Team
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN ***
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de |
+ | originele, verouderde spelling. Er is geen poging |
+ | gedaan de tekst te moderniseren. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel |
+ | zijn gecorrigeerd. Variaties in spelling (o. a. met |
+ | of zonder afbreekstreepje/trema) zijn behouden. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden |
+ | aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | De in het origineel als cusief weergegeven tekst is in |
+ | dit e-boek weergegeven als _cursief_. Vette tekst is |
+ | weergegeven als =vet=. Uitgespatieerde tekst is |
+ | weergegeven als $uitgespatieerd$. |
+ | |
+ | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens |
+ | gebruikt. Deze zijn respectievelijk aangegeven als |
+ | »aanhalingstekens". |
+ | |
+ | Enkele plattegronden zijn in deze tekst-versie van |
+ | het e-boek met behulp van ASCII-art weergegeven. |
+ | Deze illustraties en de foto zijn beschikbaar bij de |
+ | html-versie van dit e-boek op http://www.gutenberg.org |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+JEUGDHERINNERINGEN.
+
+
+[Illustratie: foto Jan Ligthart]
+
+
+
+
+ JEUGDHERINNERINGEN
+
+ VAN
+
+ JAN LIGTHART.
+
+
+ ACHTSTE DRUK.--VOLKSUITGAVE.
+
+ BIJ J. B. WOLTERS' U. M.--GRONINGEN, DEN HAAG, 1922.
+
+
+ BOEKDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.
+
+
+
+
+DE BEWAARSCHOOL.
+
+
+Van mijn eerste levensjaren weet ik alleen iets door mededeelingen
+mijner moeder. Zij hield er van, ons veel te vertellen van haar eigen
+jeugd en ook van onze eigen lotgevallen. Daardoor weet ik, dat ik in een
+koekwinkel geboren ben--'t zal wel geweest zijn in de bedstede van de
+huis- en slaapkamer achter den koekwinkel--; dat ik een oude, deftige
+baker heb gehad, Baker Zandbrink, die alleen voorname diensten aannam,
+maar mijn moeder grootendeels uit vriendschap hielp; dat mijn tante
+Hendrika zoo dol op me was, dat ze altijd met me uit wou, en ik dan op
+haar arm zat te springen, en dat ze dan trotsch op me was, omdat de
+menschen me zoo'n mooi kind vonden; en dat ik mijn moeder driemaal een
+doodschrik op 't lijf heb gejaagd, door eenmaal van een hooge trap te
+vallen, een ander maal een erwt hoog in mijn neus te werken, en een
+derden keer een haaknaald in mijn keel te steken, zoodat niemand het
+geweerhaakte ding er uit kon halen, dan alleen de dokter, naar wien
+mijn moeder in haar angst met mij heen vluchtte. 'k Heb een flauwe
+herinnering, dat ik ook nog eens uit een fleschje terpentijn heb
+gedronken, maar dat weet ik niet precies meer.
+
+Natuurlijk vertel ik deze dingen niet, omdat ze ook maar eenigermate
+belangrijk zouden zijn, maar alleen om te doen uitkomen, welke
+mededeelingen in mijn geheugen zijn gebleven. Duizend andere dingen
+heeft mijn moeder me zeker ook verteld, die ik nu totaal vergeten ben.
+En terwijl ik de namen van allerlei dingen en menschen, die ik later
+in 't geheugen prentte, met moeite vasthield en vaak weer losliet,
+is de naam van Baker Zandbrink, ofschoon nooit opzettelijk geleerd
+en gerepeteerd, ofschoon zeker in meer dan veertig jaren niet bewust
+geworden, mij steeds in alle stilte blijven vergezellen. Jammer, dat
+men in zulke namen niet geëxamineerd wordt: daar gebruikt de beschaving
+andere namen voor, die niet zoo dicht bij het kind liggen.
+
+ * * * * *
+
+Mijn persoonlijke herinneringen gaan terug tot mijn derde of vierde
+jaar, tot mijn bewaarschool-periode. Ik ben achtereenvolgens op twee
+bewaarscholen geweest, waarvan ik mij enkele hoofdzaken nog goed kan
+voorstellen.
+
+We woonden toen te Amsterdam in een kruidenierswinkel. Het
+hooge huis stond op den hoek van de Eglantiersgracht en de derde
+Eglantiersdwarsstraat. Van dat huis en de omgeving, van de geheele
+buurt weet ik nog bijna alles. Maar we hebben er ook zes à acht jaar
+gewoond, dus kan ik niet nagaan, uit welken leeftijd die beelden
+dagteekenen. De bewaarschool, althans de eerste, heb ik alleen in mijn
+derde of vierde jaar gezien, later niet meer, en ik weet nog precies,
+dat er binnen een, naar mijn meening, _groote_ ruimte was, waar heel
+veel kinderen zaten--van de banken weet ik niets meer af--en dat aan
+'t eind van die ruimte een houten trapje naar een verhooging voerde,
+waarop, onder 't koffiedrinken, de juffrouw plaats nam aan een tafeltje.
+Ik heb nu nog den indruk, dat die juffrouw van haar hooge zitplaats ons
+heele rijk overzag en we dus niets ongerechtigs konden doen.
+
+Van 't leeren weet ik niets meer, noch van vertellingen, noch van
+versjes. Mijn geheele leven in die school wordt vertegenwoordigd door
+maar één beeld: het koffieuurtje. De kinderen zitten omlaag, de juffrouw
+omhoog. Eer we beginnen te eten, roepen alle kinderen in dreuntoon:
+»Smakelijk eten, juffrouw Mina!" en de juffrouw antwoordt uit haar
+hoogte met vriendelijke bewaarschooljuffrouwstem, wat hoog van klank en
+zeer te-gemoet-tredend van toon: »Smakelijk eten, kindertjes!" Na afloop
+van het boterham-eten zeggen de kinderen: »Welvolkomen, juffrouw Mina!"
+Waarschijnlijk: »Wel bekome 't u, juffrouw Mina!" Maar in mijn ooren
+hoor ik nog thans het zeurend gezang van het heele kinderkoor:
+»Welvolkomen, juffrouw Mina!" En daarop weer de hooge, inborend
+welwillende stem van de juffrouw: »Welvolkomen, kindertjes!"
+
+Er is zeker wel gebeden en gedankt in de bewaarschool, ook
+gezongen, maar ik weet er niets meer van. En ik vermoed, dat ik die
+koffietafel-beleefdheden alleen onthouden heb, doordat mijn oudere
+broers er mij thuis vaak mee plaagden. Die riepen telkens op zeurenden
+kindertoon en dan weer met piepende juffrouwen-stem door 't huis
+spottend na, wat daar in de bewaarschool zoo goed bedoeld en ernstig
+uitgevoerd werd. En zoo zijn zeker de fatsoenlijke manieren, die
+juffrouw Mina er bij ons inbracht, niet bewaard gebleven door haar
+welmeenenden ernst, maar door de onbarmhartige vroolijkheid van een paar
+ongevoelige spotters. Ik herinner me nog goed, dat die bespotting mij
+hinderde en wat pijn deed. De zaak was voor mij iets ernstigs, misschien
+alleen door den plechtigen dreun, maar toch, ze was met een ernstige
+stemming door mijn kindergemoed verweven, en ik voelde het als pijn,
+wanneer in dat weefsel gescheurd werd.
+
+Den weg naar deze bewaarschool zie ik nog voor me. Eerst uit de
+huiskamer een trapje af naar den winkel. Dan den winkel door. Over de
+platte blauwe stoep. Nu op straat. Aanstonds de hooge brug over, die--we
+woonden immers op een hoekhuis--bijna vlak voor 't huis lag. En dan
+rechtsaf, de »gracht" op, dat is eigenlijk de kade langs de gracht. Bij
+'t woord gracht dachten wij nooit aan 't gegraven water, maar altijd aan
+de beide wegen ter weerszijden er van. Iemand woonde in onze taal nooit
+»aan", maar op de gracht. De bewaarschool lag dus aan de overzijde van
+de gracht, rechts van de brug. Ik zie die »kleine steentjes" nog, het
+voetpad van klinkers, waarop we altijd liepen, vlak langs de stoepen der
+huizen. De »groote steenen", de keien, lagen daarnaast, op den rijweg.
+Wanneer we naar school gingen, kregen we altijd de waarschuwing mee: »Op
+de kleine steentjes loopen, hoor!" en dan liepen we, dikwijls hand aan
+hand, op de kleine steentjes naar school, nadat mijn oudste zuster ons
+eerst de brug over had gebracht.
+
+Om in school te komen, moesten we van de gracht af eerst een poortje
+en een met klinkers bestrate gang door. Hoe we uit die gang in 't
+schoollokaal kwamen, weet ik niet meer. Ik zie alleen de gang, en dan,
+zonder tusschenschakels, de schoolruimte met de hooge tribune voor
+Juffrouw Mina, deftiger genoemd: Mejuffrouw Gottman. Ook háár naam heeft
+in mijn geheugen een onvervreemdbare plaats.
+
+Die weg naar school is voor mij éénmaal een kruisweg geweest. Niet door
+de school, want van die school herinner ik me niets onaangenaams.
+Maar....
+
+Vóór mijn zesde jaar leed ik eenigen tijd aan bedwateren. Er zijn ook
+thans nog kinderen, die daaraan lijden. Daarom wil ik nauwkeurig mijn
+herinneringen betreffende die »ziekte" vertellen. Wellicht helpt het
+hen.
+
+Ik geloof niet, dat mijn ouders, broers en zusters het toen voor een
+ziekte of een zwakte aanzagen. Sterk heb ik nog den indruk, dat men
+het mij als iets schandelijks verweet. Nog hoor ik me boos toevoegen:
+»Leelijke pis-in-bed." En daarbij voelde ik mij zoo hulpeloos schuldig.
+
+Men scheen te denken, dat ik uit luiheid maar in bed bleef liggen. Als
+ik maar niet zoo lui was, zou ik wel opstaan. Heel zeker weet ik echter,
+dat het niet zoo was. En dat weet ik zoo bizonder zeker door een droom,
+dien ik nooit vergeten ben.
+
+Op de bewaarschool bij Juffrouw Mina was er voor de kleine jongetjes
+geen urinoir. Die moesten maar, op een binnenplaatsje, in een vierkant
+steenen putje wateren, dat waarschijnlijk in een riool uitliep. Nu
+droomde ik op een keer, dat ik bij dat steenen putje stond, maar er
+lag een groen geverfd houten deksel op. Ik moest toch zoo erg, maar ik
+durfde niet, om dat mooie, groene deksel. Maar ik kon het niet meer
+tegenhouden, en toen het eenmaal gebeurd was, werd ik met een schrik
+wakker. Een oogenblik was ik wanhopig en toen kroop ik diep weg onder
+de dekens, om me te verstoppen tegen de schande die straks weer zou
+losbreken.
+
+Uit dit tijdperk heb ik herinneringen van diepgaande smart. Het maakte
+mij schuw en angstig. Er was geen vertrouwelijkheid tusschen de anderen
+en mij. Ik voelde mij een eenling, maar niet een prinsje, verdwaald
+onder menschen van de straat. Eer zoo iets als een ziek hondje, dat
+overal wegkruipt en dan nog uit de veilige hoekjes wordt weggeschopt.
+Nog zie ik dat kleine jongetje 's morgens in zijn nat hemdje rondloopen
+en hoor ik den grauw van deze of gene: »Ga weg, stinkende pis-in-bed."
+
+Nu moet men niet denken, dat mijn gezinsleden zoo harteloos waren. Wel
+het tegendeel. Ik had mijn moeder héél lief en heb haar verafgood. En
+mijn vader was ook een beste man. Over de jongere gezinsleden viel ook
+niet te klagen, maar een pis-in-bed was nu eenmaal een pis-in-bed, en
+die was een ellende, vooreerst voor het broertje, dat met hem in één bed
+moest slapen, dan voor de zuster, die elken dag de bedden moest afhalen
+en opmaken, en eindelijk voor moeder, die uit een leege linnenkast maar
+altijd schoone lakens moest krijgen. Hoe moest men dat kwaad bestrijden?
+Door schelden en slaan. Men wist niet beter. En zoo ging ik gebukt onder
+schande en angst voor klappen.
+
+Deze middelen hielpen echter niet. Wel hielp het, wanneer men mij elken
+avond, eer de ouderen naar bed gingen, even wakker maakte en er uit
+haalde. Dat gebeurde vaak weken achter elkaar. Dan kwam mijn oudste
+zuster, een heel lief meisje, en nam mij op. Slaapdronken zette zij mij
+neer. En dan stak ze haar vinger in de hoogte en zei: »Goed luisteren,
+of we iets hooren." Hoorden we dan wat, dan waren we allebei gelukkig,
+zij en ik. Dan keek ik nog eens de kamer rond, zag het nachtlichtje
+flikkeren--een waspitje op patentolie in een gewoon drinkglas--en voelde
+me zoo gelukkig, zoo stil gelukkig. En wanneer ze me dan weer in bed lei
+en lekker toestopte, sliep ik dadelijk, rustig in volkomen veiligheid.
+
+Of men--'t was een druk gezin: een winkel, vijf kinderen, en nog twee
+jongens in huis--of men deze doeltreffende maatregelen dan maar weer
+naliet, of dat ze op den duur toch niet hielpen, ik weet het niet, maar
+op zekeren dag werd er tot iets verschrikkelijks besloten. Schelden
+had niet geholpen, klappen ook niet, dan moest ik maar hebben wat er
+bijstond. Op een stuk papier werd met groote letters geschreven: Jan Pis
+in bed. Dat papier werd op mijn rug gespeld. En zoo werd ik door mijn
+oudste zuster naar de bewaarschool van Juffrouw Mina gebracht. Toen is
+deze weg mij een kruisweg geworden.
+
+O, ik kan het niet vergeten, ik heb het nooit kunnen vergeten, die
+wanhopige smart, die machtelooze wanhoop. Ik _wilde_ het papier niet
+op mijn rug hebben, ik _wilde_ niet. Ik worstelde tegen, huilde,
+trapte, maar 't gaf niet. Eenige volwassenen zijn met elkaar sterker
+dan een bewaarschoolkind, en het moest. Schreeuwende werd ik den winkel
+uitgesleept, de blauwe stoep over, de straat op. Zoodra ik op de
+straat was, ging ik loopen. Ik schaamde me voor het publiek, kon geen
+straatscène maken. Daarvoor was ik te trotsch. De menschen hadden er
+niets mee te maken. Maar ik liep als een kleine gebrokene. Iedereen kon
+zien, kon lezen, wat er op mijn rug gespeld was, en ik schoof schuin
+voor mijn zuster om een bedekking te hebben.
+
+Die eene schoolgang is voor altijd in mijn geheugen gebeten. Van
+alle gangen naar school zie ik alleen deze. De gracht was als een
+eindeloosheid. En ik schreide maar, schreide hevig, maar stil. Ik was
+radeloos. Gelukkig kwam eindelijk het poortje, waardoor ik met mijn
+schande weg kon sluipen van de openbare straat. Doch nu kwam een nieuwe
+angst. Nu zou de juffrouw het zien, en al de kinderen. En ik smeekte
+mijn zuster, nu toch asjeblieft het papier van mijn rug te nemen.
+
+Ze was zoo barmhartig. Dat gaf lucht. Schande drukt zoo zwaar. Ook al,
+ja misschien bovenal op een kind.
+
+Ik heb een idee, dat ik dien heelen dag stil ben geweest. Maar misschien
+is het ook niet zoo. Ik weet het niet. Kinderen vergeten zoo gauw, zegt
+men. Ik heb echter meermalen kinderen uren en zelfs dagen lang stil
+gezien onder een veel geringere emotie. En die eene gang naar school was
+voor mij, bijna letterlijk, een breken van mijn hart.
+
+Het bedwateren is overgegaan. Hoe, dat weet ik niet meer. Maar zeker wel
+vóór mijn zesde jaar. Of het door die heftige emotie geweest is? Ik weet
+het niet, ik weet het niet. Maar dit weet ik wel: er is door dit middel
+meer in me vernield, dan hersteld.
+
+ * * * * *
+
+Natuurlijk--dat zag ik later in--was die heele openbare vernedering
+maar een komedie. Er was geen papier op mijn rug gespeld, al had ik het
+papier ook gezien en het opspelden gevoeld. Men had mij maar bang willen
+maken, met goede bedoelingen, zeker, maar met slechte gevolgen. Zulk een
+bangmakerij is bij velen nog een opvoedingsmiddel, een middel dat, waar
+'t oude kwalen genezen moet, nieuwe veroorzaakt.
+
+Tot mijn kindergebreken schijnt ook te hebben behoord, dat ik weleens
+in den spiegel keek. Om me hiervan terug te schrikken werd me wijs
+gemaakt, dat in den spiegel Haantje Pik woonde. En als ik dan in den
+spiegel keek, zou Haantje Pik eensklaps te voorschijn komen en me de
+oogen uitpikken.
+
+Ik geloofde dat niet. Maar eens op een keer zette men mij op een stoel
+voor den spiegel, om te zien dat het waar was. Het was avond en ik zou
+naar bed gaan. Mijn hanssopje had ik aan, en mijn slaapmutsje op. De
+mannen en jongens, ook al de kleintjes, droegen in dien tijd puntige
+slaapmutsjes met een kwastje aan de punt, zoogenaamde »bakkertjes"; de
+vrouwen en meisjes borgen des nachts hun haar in gehaakte nachtmutsjes.
+Daar stond ik dus, jongetje van zeker niet ouder dan vier of vijf jaar,
+in mijn wit hanssopje en gebreid bakkertje op den stoel, en keek vol
+verwachting in den spiegel.
+
+Plotseling zag ik daar een hand boven mijn hoofd, die de punt van mijn
+slaapmutsje beet pakte en dit met een ruk van mijn hoofd trok. Dat deed
+Haantje Pik. Ik bestierf het bijna van schrik, waggelde op mijn stoel,
+en werd zeker doodelijk wit. Als een der ouderen me niet aanstonds
+gegrepen had, zou ik stellig tegen den grond zijn geslagen. Nu werd ik
+gerustgesteld, dat iemand achter me had gestaan en de muts had gegrepen,
+dat het maar een aardigheidje geweest was. Maar de schrik zat er in en
+langen tijd ontweek ik angstig den spiegel.
+
+Erger was het, als zulke schrikaanjagingen en bangmakerijen niet
+geschiedden met een opvoedkundige bedoeling, maar louter tot vermaak
+voor de ouderen. Men maakte me vaak bang door angstig te roepen: »Jan,
+kijk eens achter je!" Dan schrok ik hevig, of er een spook achter me
+was, dat me meteen aan zou grijpen, en ik vloog hard weg, naar moeder,
+of naar bed. Meest was dit een pleziertje voor 's avonds, als ik in mijn
+nachtkleeren goênacht had gezegd. Dan riep een der oudere jongens: »Jan,
+kijk eens achter je!" en ik holde naar bed. Ik hoorde luid gelach, ook
+booze woorden van moeder, omdat ze een klein kind zoo plaagden, maar was
+pas rustig, als ik mij diep onder de dekens verstopt had.
+
+Hoe deze angsten in mijn gemoed hebben doorgewerkt, kan wel blijken uit
+het feit, dat ik later, zelfs nog toen ik ongeveer 20 jaar oud was, 's
+avonds op een eenzamen weg naar huis keerend, soms plotseling achter me
+keek, of me iemand op de hielen zat, en ook wel eens een enkel maal niet
+durfde omkijken, maar gejaagd naar huis liep, terwijl het koude zweet me
+uitbrak. En toen was ik twintig.
+
+Dat had de onschuldige plagerij van een paar groote jongens gedaan,
+die natuurlijk absoluut geen idee hadden van hetgeen hun pret in het
+kindergemoed uitwerkte.
+
+Men zal begrijpen, dat ik, ouder geworden, nooit kleine kinderen heb
+kunnen plagen of bangmaken, en deze liefhebberij van volwassenen altijd
+met ernst en beslistheid bestreden heb. Hier lag een smartelijke
+ervaring achter, en meer dan een.
+
+Een der heilzaamste gevolgen van zulke ervaringen is, dat we anderen
+leeren ontzien. Zoo kunnen we nog wel eens dankbaar zijn voor het leed,
+dat ons anderen leert begrijpen, sparen, helpen, ook redden.
+
+ * * * * *
+
+De bewaarschool van Juffrouw Mina verliet ik, om voor mij onbekende en
+ook totaal onverschillige redenen, en ik ging nu naar de school van
+Juffrouw S., een huis of tien van ons af op dezelfde gracht. Er was een
+oude moeder en twee dochters, Juffrouw Fietje, de oudste, en Juffrouw
+Doortje, die een rond, kleurig gezicht had en wat scheel zag. Zij
+was een goedaardig mensch, maar haar oudere zuster was erg bijdehand.
+Sommige jongetjes spraken van »Schele Door", »Valsche Fie" en »Ouwe Na".
+Maar dat vond ik te oneerbiedig. Ik zag veel te hoog tegen ze op.
+
+De bejaarde moeder had grijs haar, dat zij steeds, aan weerszijden der
+scheiding plat weggestreken, onder een wit mutsje verborg. Juffrouw
+Fietje was donker van oogen en haar, en geel van tint. Juffrouw Doortje
+had bij haar ronde, blozende wangen, schele blauwe oogen. Als ze ons
+aankeek, hield ze altijd het hoofd een beetje schuin. Ik dacht, omdat
+ze ons anders niet zien kon, zooals een duif zijn kopje scheef draait,
+om u te kunnen bekijken. Ze was lief. Misschien wat te onnoozel voor
+de zaak, maar ik voelde haar simpele goedheid, en die voel ik nu nog.
+Hartmemorie.
+
+Het is wel opmerkelijk, dat ik van Juffrouw Mina heelemaal geen
+voorstelling bewaard heb en van de dames S. wel. Maar vooreerst was ik
+nu iets ouder, maar dan ook is de konnektie langer aangehouden dan tot
+mijn afscheid van de school, zooals later blijken zal.
+
+Van haar schoollokaal herinner ik mij zeer wel, dat het een rechthoekige
+ruimte was. De rijen banken, lange zitbanken, enkele met schrijftafels,
+stonden evenwijdig met de lange rechthoekszijden. Aan den voorwand
+hingen de negen leestafels van Prinsen. Er was maar één raam, dat in een
+der korte zijden, precies in den hoek, uitzicht gaf op muren en daken.
+In den hoek der andere korte zijde was de deur, ongeveer aldus:
+
+ +----------------------------------+
+ | voormuur |
+ |deur |
+ | -------------- -------------- |
+ | -------------- -------------- |
+ | -------------- -------------- |
+ | -------------- -------------- |
+ | -------------- -------------- |
+ | -------------- -------------- |
+ | raam|
+ +----------------------------------+
+
+Op deze bewaarschool heb ik lezen geleerd met de leestafels van Prinsen,
+de methode van spa-aa, slee-ee, drie-ie, enz. Hoe? Dat weet ik niet
+meer. Daar weet ik niets, niets meer van. Ik weet alleen, hoe prettig
+ik het vond, naar een hoogere tafel te mogen overgaan, en hoe
+ik--eerzuchtig of leergierig?--mijn best deed op iedere nieuwe tafel,
+totdat ik ook die weer meester was. Toen ik thuis in den Bijbel kon
+lezen, was ik trotsch en gelukkig.
+
+Volgens sommige psychologen mogen kinderen niet voor hun negende jaar
+leeren lezen. Misschien hebben ze gelijk. Maar ik vond dat spelletje
+zoo prettig en te gelijk die kunst zoo gewichtig dat ik vóór mijn zesde
+jaar van de eene leestafel naar de andere huppelde, zonder verdriet of
+bizondere inspanning. Ik merk hierbij op, dat het me uitsluitend om het
+plezier van het bemeesteren dier zwarte hieroglyphen te doen was, een
+zelfde soort plezier als het oplossen van raadseltjes, het wegzoeken
+(padvinden) in een geteekend doolhof, in 't algemeen: het ontsluieren
+van onbekenden. Het lezen zelf toch boeide mij niet en heeft mij nooit
+kunnen boeien. 't Was dus niet om 't verhaaltje, maar om 't bemeesteren
+der kunst. Toen ik die meester was, las ik maar weinig. Ik denk, dat ik
+daartoe te aktief was. Ik dééd liever iets.
+
+Van de spelletjes herinner ik me alleen, dat we, als het boterham-eten
+was afgeloopen--we bleven n.l. van 9-4 in dat lokaal opgehoopt--onder
+de banken jagertje speelden. Ik zie me over de voetplanken kruipen
+en in het woud van kinderbeentjes en bankpooten een wild dier narennen,
+een tijger of een leeuw. Die dieren en die jagerij had ik stellig
+opgedaan uit de platen van »De aarde en haar volken", waarop mijn vader
+geabonneerd was. De jacht was heerlijk, en nu nog voel ik, dat ik er
+heelemaal in leefde. Zelfs zoo zeer, dat ik nooit hoorde, hoe Juffrouw
+Fietje op het rumoer binnenkwam om de jacht te stuiten, en haar pas
+gewaar werd, als ze me onder de banken smerig en wel vandaan sleepte.
+
+Bij juffrouw Fietje heb ik ook mijn eerste liefde leeren kennen en mijn
+eerste bittere ontnuchtering.
+
+Die liefde gold echter niet juffrouw Fietje, maar een mijner
+mede-scholieren, Betje. Ik moet toen al het schrijven verstaan hebben,
+ofschoon ik niet weet, hoe ik die kunst machtig ben geworden, maar ik
+herinner me zeer wel een briefje, een vuil stukje papier, waarop ik met
+potlood zoo iets geschreven had als: »liefe bedje mag ik je vrijjer
+weese", en dat ik daarna over de banken heen met de kinderpost verzond.
+Het antwoord luidde toestemmend, en dus was de zaak aanstonds in orde.
+Hoe ik aan de neiging kwam, om me al zoo vroeg gelukkig te maken met
+een liefde-band, weet ik evenmin, als wie me het voorbeeld van een
+minnebrief had geleerd. Er zweven echter allerlei bakteriën in de lucht,
+van kinkhoest evengoed als van vrijerij, en het eene kind is vatbaarder
+dan het andere. Zeer wel weet ik echter, dat ik niet meer wenschte dan
+een toestemmend antwoord, en van de heele geschiedenis _dit_ mijn geluk
+was, dat ik nu met fierheid op straat kon loopen en tot mijn makkers
+zeggen: »Betje is _mijn_ meisje." Die behoorde mij toe, en niemand kan
+op haar eenig recht doen gelden. Zij was een stuk jongenseer.
+
+Het is niet aan gebleven, maar toch was deze scheiding mijn
+ontnuchtering niet. Deze kwam nu wél van Juffrouw Fietje, en nog wel op
+haar verjaardag. Op een of andere wijze moet ik bespeurd hebben, dat de
+kinderen de juffrouw bij deze gelegenheid vereerden met een geschenk.
+Dat was voor mij een leelijk geval, want de centen vloeiden thuis niet
+overvloedig, ik had al lang ondervonden, dat ik die niet gemakkelijk los
+kreeg, en toch waren ze noodig voor een cadeau.
+
+Nu was er in de Eglantiersdwarsstraat, vlak naast ons huis, een
+galanteriewinkel. Daar woonde Juffrouw van Streelen, bij ons gevierd
+wegens haar mooi voordragen van lange verzen. Ik herinner me uit
+later jaren, dat ze nooit sprak over De Génestet, maar altijd over De
+Genéstet, en dat zit me nu nog in den weg. Maar haar grootste bekoring
+voor mij was de uitstalling van haar winkel en de buitengewone
+vriendelijkheid jegens ook haar kleinste koopers. Die vriendelijkheid
+was bijna lieftalligheid. Men kocht iets, en kreeg, behalve het
+verlangde voorwerp, ook nog een heele massa bekoorlijkheid.
+
+Al dagen achtereen had ik de uitstalling van Juffrouw van Streelen
+doorvorscht, en daar eindelijk een beeldig klein vaasje ontdekt, met
+bloemen op het buikje en gouden bochten langs den oorrand en het
+gekartelde voetje. Een bééldig vaasje. En het kostte maar drie cent,
+de prijs stond er bij. Ik kende toen blijkbaar de cijfers, anders had
+ik dit nooit kunnen weten. Maar al was die prijs tamelijk laag, voor
+mij vertegenwoordigde hij toch een kapitaal: drie cent was inderdaad
+voor mijn kinderhandje een ongekende schat. Ik wist het geld evenwel
+van mijn moeder los te bedelen, en eer ik naar het groote verjaarfeest
+van Juffrouw Fietje ging, waar je den heelen morgen spelen mocht en
+getrakteerd werd, kocht ik het beeldige vaasje en stapte er uiterst
+gelukkig mee naar school, heel voorzichtig het in de hand houdend, dat
+het toch vooral niet breken mocht, en onderwijl de roode rozen en de
+groene blaadjes bewonderend op het ovale buikje.
+
+Maar toen ik met mijn cadeau de steenen stoep was beklommen en een
+portaaltje was doorgestapt tot dicht bij Juffrouw Fietje, toen schaamde
+ik me plotseling. Daar stonden andere kinderen met groote pakken in de
+hand, en daar blonken en schitterden mij reeds uitgepakte geschenken
+tegen. Een verlakte theestoof! Een glimmende waterketel! Een kristallen
+olie- en azijnstel! Wat een groote en prachtige stukken! Daarbij zonk
+mijn vaasje heelemaal in 't niet. Al zijn schoone bekoorlijkheid had
+het voor mij verloren. En met het schaamrood op de wangen--ik voel
+het nog--overhandigde ik het schamel eerbewijs aan de jarige. Deze nam
+het aan, bedankte, en zette het neer. Ik zie nog alles, álles. Maar
+mijn geluk en fierheid smolten weg. En--niemand had me iets gezegd of
+aangedaan, maar ik ging niet naar de feestzaal, doch liep het portaaltje
+door, de trap af, en rende naar huis. Nóg drie centen, nóg zoo'n vaasje!
+Mijn eer stond op het spel. Ik ging _niet_ naar het feest, als ik niet
+eerst nog zoo'n vaasje kon aanbieden, om althans eenigermate in
+evenwicht te komen met de theestoof en den waterketel.
+
+Mijn moeder kon geen weerstand bieden aan mijn dwang. Ik liet haar
+niet los. Weet men wel, wat geweldige gemoedsmachten daar soms achter
+zitten, als de kinderen heeten te »dwingen"? En spoedig holde ik met
+mijn afgeperste drie centen naar Juffrouw van Streelen, had nu geen tijd
+om van haar lieftalligheid te genieten, en holde haar winkel uit, den
+hoek om, de gracht, de stoep op, naar Juffrouw Fietje.
+
+Die had me in de drukte van het ontvangen en uitpakken niet gemist.
+Hijgend duwde ik haar het tweede kleinood in de hand en zag haar aan, of
+het zoo nou niet goed was. En toen zei ze: »Had dat vod maar gehouden."
+En ze zette het minachtend neer.
+
+Dat was bijna zoo erg als het schandpapier op mijn rug. Ik voelde
+een diepe krenking en verloor alle veerkracht uit mijn heele lijfje.
+Beschaamd slenterde ik naar de feestzaal. Van de pret herinner ik me
+absoluut niets meer. Ik weet ook niet, of ik pret heb gehad. Bij dien
+ontzettenden neerslag staan mijn herinneringen stil.
+
+Nu moet ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik niet weet, of ik de woorden
+van Juffrouw Fietje precies heb teruggegeven. Misschien heeft ze 't niet
+zoo kras gezegd. Niet die heel harde _woorden_ gebruikt. Maar voor de
+zaak sta ik in. Haar geringschatting was ongeveinsd. Die heb ik te
+pijnlijk gevoeld. En dat gevoel is me onuitwischbaar bijgebleven.
+
+Van dit oogenblik af heb ik een hekel aan gelegenheidscadeaux gehad. Ik
+heb ze nooit kunnen ontvangen. En waar ik ze aanbieden moest, betaalde
+ik liefst de dubbele waarde.
+
+
+
+
+DE EERSTE LAGERE SCHOOL.
+
+
+Geen flauwe notie heb ik er van, dat ik op zekeren dag niet meer naar de
+bewaarschool, maar voor 't eerst naar de Groote School ben gegaan.
+
+Toch moet dat eenmaal gebeurd zijn.
+
+En in die Groote School moet ik me bekwaamd hebben in lezen en schrijven
+en al de andere vakken der wet.
+
+Ik weet er niets van.
+
+En in die school moet ik vele klassen doorloopen hebben, examens en
+verhoogingen meegemaakt, onderwijzers leeren kennen, zegenen of
+verwenschen.
+
+'t Is alles weg.
+
+Is het er wel ooit geweest?
+
+Maar dat moet toch wel. Ik heb toch ruim vier, misschien zelfs vijf jaar
+daar schoolgegaan, dag aan dag. Dat is toch geen kleinigheid. En ik moet
+er toch al mijn eerste bekwaamheden hebben verworven. En met de meesters
+hebben verkeerd.
+
+Wonderlijk, dat ik nu uit de bijverschijnselen en uit de gevolgen
+afleiden moet, dat ik van mijn zesde tot mijn tiende of elfde jaar het
+schoolleven heb meegemaakt, maar dat ik het anders niet weten zou. En
+zelfs niet gelooven als anderen 't mij bezwoeren.
+
+Zoo is dat leven buiten mij omgegaan. De heele schoolperiode ligt als
+een donker ledig achter me. Ze heeft me niets te zeggen.
+
+Dat bewijst voor mij twee dingen. Dat _ik_ eigenlijk leefde buiten die
+leerwereld. En dat _de school_ eigenlijk leefde buiten mij.
+
+Mijn hart lag buiten de klas, buiten de leerboeken, buiten den
+lesrooster. En het hart der school lag buiten de kinderziel.
+
+Die twee zochten malkaar niet op. Het waren wildvreemden voor elkaar.
+
+Slechts enkele dingen herinner ik me, maar die gelden niet het
+onderwijs, waarvoor ik toch eigenlijk de school bezocht. En die dateeren
+dan nog pas uit de hoogste klas en betreffen maar twee personen, een
+meester, dien ik niet noemen wil, ofschoon ik zijn naam nog heel
+goed weet, en meneer Kuyper, den bovenmeester, wiens naam ik nog
+steeds zegenend gedenk, niet--men moet voorzichtig zijn--omdat hij de
+bovenmeester was, maar omdat hij een mensch was, een zachtaardig mensch.
+
+Meneer Kuyper zie ik als een teere figuur, een man van middelbare
+groote, in 't zwart gekleed, een zijden petje op. Zijn gelaat was zacht,
+bleek. Zijn oogen lichtblauw. Zijn gang opmerkzaam en rustig. Ik voelde
+iets teers voor hem, of ik voor hem wilde vechten. Dat gevoel ging
+geheel uit van zijn verschijning, want ik herinner mij niet, dat hij mij
+ooit persoonlijk goed deed. Ik had geen reden, om bepaald hem voor iets
+in 't bizonder dankbaar te zijn. Maar zijn heele wezen vervulde me met
+teerheid en dankbaarheid.
+
+Elken morgen bad hij. De school bestond uit drie groote lokalen, twee
+naast elkaar, een ter zijde, aldus:
+ +-------+
+ | |× |
+ | | |
+ +-------+
+ | |
+ | |
+ +---+
+Ze waren gescheiden door glazen schotten met schuiframen. Dan gingen
+de schuiframen omhoog en zaten alle kinderen eerbiedig. Hij stond,
+bij een der geopende ramen, achter een orgel met geel geverfde kast,
+nam de pet van 't hoofd, en bad met zachte stem voor de heele school.
+Er zweefde dan iets lieflijks over al die kinderhoofdjes. Er daalde
+iets verkwikkends in al die kinderhartjes, iets als een heel zachte
+voorjaarsregen. Ik herinner me geen enkel woord. Maar ik herinner me
+stille ontroering. En ook een enkele traan van berouw, die daarna als
+een goed voornemen mijn wang bevochtigde. Te snel verdampt.
+
+Na het gebed zette de fijne figuur zich achter het orgel. We zagen
+hem niet meer, doch hoorden hem zingen in orgeltoonen. Eerst een kort
+voorspel, en dan volgde het godsdienstig lied, waarbij de heele school
+meezong.
+
+Dat waren heerlijke oogenblikken. Doch nu volgde niet een voortzetting
+van dat gebed en gezang, nu volgde niet de uitwerking er van in het
+praktische schoolleven, nu volgde niet--o, het is verschrikkelijk om
+het te zeggen--de doorwerking van den afgesmeekten Heiligen Geest, de
+werkdadige kracht van den afgebeden zegen Gods, nu volgde een stuk
+afgrijselijke kinderellende.
+
+Onze meester was, ik zeg niet streng of stipt of veeleischend, hij was
+hard. En nog niet eens hard als staal of steen, want dan hadden er nog
+vonken kunnen uitspringen, maar hard als een verdroogd stuk leer. Het is
+geen toevalligheid, dat hij zijn horloge niet aan een metalen ketting of
+een fijn zijden koord droeg, zooals krachtige of teere persoonlijkheden
+gewoon zijn. Een man verraadt zijn ijdelheid en zijn gemoed in zijn
+horlogeband, en de zijne bestond uit een dooreenvlechting van drie
+smalle leeren riempjes, een kabeltje van leer, hard en droog en taai.
+Vooral ook taai. Staal en steen kunnen niet alleen vonken schieten, ze
+kunnen ook stukspringen. Ze wagen in den strijd hun eigen bestaan. Maar
+hardheid, die tevens taai is.... het is de slavenzweep van Legree uit De
+Negerhut. Alleen de liefde heeft het recht om taai te zijn.
+
+Meester Leer--zoo zal ik hem maar noemen--was harteloos. In onze klas
+zat een jongen, wiens vader een grutterzaak dreef en C. C. C. M. heette,
+gelijk ieder op het naambordje lezen kon. Wanneer de kleine M. nu iets
+misdreven had en daarom voor de klasse moest komen, greep meester Leer
+hem bij het aardige kuifje, dat zoo hups zijn jongensschedel aanmeldde,
+en schudde den kleinen kop op en neer, een soort schedelrammeling, onder
+het knerpend gekraak van: »Zeg jij, C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C.
+M., zal jij...." enz. Bij ieder C. werd de kleine kop gerammeld.
+
+Wij, anderen, zaten dat met stillen haat aan te zien. O, hoe haatten
+en vervloekten wij dien kerel, dien gemeenen kinderbeul. Als we maar
+gekund hadden, we hadden hem tot modder getrapt. Maar daar stond hij,
+onaantastbaar, in zijn macht als meester. En wij zaten, stom, strak, de
+handjes gevouwen op den tafelrand, den rug rechtop, een doodstille klas,
+machteloos overgeleverd aan een slavendrijver zonder hart of geweten.
+
+Zoo werd het gebed verhoord.
+
+Zoo daalde Gods afgebeden zegen in onze ontvankelijke kinderhartjes.
+
+Eens op een keer vond hij zijn man. In de klasse zaten twee broertjes.
+Een van de twee moest voor de klas komen, bij de landkaart, om daar wat
+stippen aan te wijzen, waarover geen van ons zich een grein bekommerde.
+De jongen wist ze niet, maakte althans fouten--hetgeen ik nu, uit de
+verte, uit de gevolgen afleid--en kreeg daarvoor geweldige klappen om
+zijn kop. Wij waren dat gewoon, zaten het wezenloos of met verbeten
+woede aan te kijken, wachtten tot de hagelslag voorbij was, beefden al
+tegen dat onze beurt aanbrak....
+
+Maar daar plotseling hooren we een woesten schreeuw, als den kreet van
+een wild dier. Een jongen vliegt achter uit de klas tusschen de banken
+door, en onder het krijschen van onverstaanbare geluiden beukt hij op
+den meester los. 't Is het oudere broertje van het gekastijde kind.
+
+Ha, hoe genoten we bij deze uitbarsting van woede. We rezen uit de
+banken op, vergaten wat de gevolgen konden wezen, en juichten van
+instemming.
+
+Razend van drift sloeg de jongen, waar hij den meester maar raken kon,
+en rukte toen zijn broertje uit de klauwen van zijn kastijder.
+
+Een oogenblik van doodsche stilte, toen hevige, snikkende
+verwijtschreeuwen van den oudste, en toen....
+
+Meer weet ik niet.
+
+Of de jongen straf gekregen heeft, weggejaagd is, excuus heeft moeten
+vragen, ik weet het niet. Al het andere is verdwenen. Maar levend is
+gebleven dat eene moment van uitgebroken broederliefde, die eene
+uitbarsting vóór de klasse. Mijn geest heeft het opgenomen als een
+momentopname van een ontploffing. En levend is ook gebleven, het
+grootsche gevoel van bewondering. Nu nog is het me, of ik toen getuige
+ben geweest van iets zeldzaams in de menschenwereld: de zichzelf en
+alles vergetende reddingsdrift. Een brandweerman, die in den vuurpoel
+springt om een kind te redden. Die jongen was een held. Hij heeft ons
+in één woeste daad.... opgevoed. Op-ge-voed.
+
+Waarschijnlijk dacht de meester er anders over. En als die meester en
+ik samen in een paedologische vereeniging zaten, zou hij allicht een
+anderen karakteristiek van dien jongen geven dan ik.
+
+ * * * * *
+
+Geen wonder, dat we bij zoo'n meester dikwijls strafwerk kregen. Bij
+hem heb ik geleerd, eenige honderden strafregels met drie griftjes
+tegelijk te schrijven. We waren er heel handig in, die drie griftjes
+onder elkaar, amphitheatersgewijze, vast te houden, en dan er mee over
+de lei te vliegen. Die handigheid hadden we dan toch maar aan meester
+Leer te danken, en daarom zeggen sommigen, dat je het de kinderen niet
+te gemakkelijk moet maken. Verdruk ze maar, opdat ze te beter tegen de
+verdrukking ingroeien. 't Is ook een opvatting, en die groei tegen de
+verdrukking in, ja, dat was waarheid. We groeiden o. a. ook heel sterk
+in list en bedriegerij.
+
+Een der straffen was schoolblijven, en daarbij dan maar doodstil zitten.
+Een uur of langer stilzitten, de handen gevouwen aan den tafelrand, de
+oogen strak naar boven, onbewegelijk, daar de geringste beweging
+gestraft werd met een kwartier of een halfuur langer.
+
+Ik denk, dat ik iederen dag heb moeten schoolblijven, want ik herinner
+me telkens terugkeerende standjes over te laat thuiskomen. Maar dat kon
+ook door andere oorzaken gekomen zijn, want de weg van school naar huis
+was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen.
+
+Natuurlijk wendden we allerlei pogingen aan, om van dat schoolblijven
+verlost te worden, »weg te spatten" gelijk we dat noemden. Wanneer
+de meester maar even in een ander lokaal was, renden wij met
+bliksemsnelheid naar de deur, en vlogen, het portaal door, naar buiten.
+Wee echter, als de buitendeur op slot bleek. Dan stond je daar eenige
+oogenblikken in razende wanhoop. Niet omdat hij je dan weer bij je
+kladden kon krijgen, want den volgenden schooltijd had hij je toch weer
+in zijn macht en zou je natuurlijk dat wegspatten wel inpeperen, dat
+was het minste, maar omdat je hem nu aanstonds voor je zou zien met
+zijn duivelsche grijns van voldoening; omdat je zijn sarrende stem zou
+hooren, dat je dat nu eens lekkertjes niet gelukt was, zijn stem vol
+nijdigen kinderhaat. Wanhoop, omdat hij je met listigheid in de val
+had laten loopen en daar straks demonisch van zou genieten.
+
+Maar eenmaal ben ik hem toch te slim af geweest. Weer zat ik lang,
+heel lang na te blijven, terwijl buiten de zon zoo heerlijk scheen.
+Toen verzon ik, dat ik »naar achteren" moest. Neen, het mocht niet.
+Het werd echter zoo erg, dat ik den vinger aanhoudend opstak en daarbij
+in de bank zat te zwaaien als een dreigende onweersbui. Mocht ik dan
+niet--'t leek wel, of mijn heele houding dit wilde zeggen--dan kwam
+de verantwoording voor den meester, als ik ten slotte den vloer
+verontreinigde. Die verantwoording durfde hij zeker niet op zich te
+laden, ik kreeg tenminste verlof. Maar de knarsstem gromde me toe:
+»Geef eerst je pet hier."
+
+Ik bracht de pet, innerlijk genietend van zijn onnoozelheid, alsof ik me
+door een pet zou laten weerhouden. Die pet kon stikken, en hij er bij.
+En nu naar achteren. Doch nauwelijks was ik daar, of ik klom omhoog,
+wrong mij door een raampje, liet me vallen, en stond op een terrein,
+waarschijnlijk de speelplaats, waarvan ik me echter niet herinner dat er
+ooit gespeeld werd. Nu aanstonds naar de houten schutting. Een sprong,
+de handen om den rand, het lijf opgetrokken, rechterbeen er over, nu de
+romp, het linkerbeen, hangen, loslaten, en daar was ik op een houtwerf
+naast de school. Gauw naar voren, het hek door, en ik stond blootshoofds
+op de Lindengracht. Zonder pet, maar vrij. Vrij! en ik holde naar
+huis. Om de gevolgen bekommerde ik me voor 't oogenblik niet. Het
+was met den meester toch altijd een strijd op leven en dood, en
+ieder uurtje gestolen vrijheid was winst. Wat zullen mijn kameraden,
+medeschoolblijvers hebben opgezien, toen ik niet terugkwam. En wat
+zal de meester met lieflijkheid mijn pet hebben gekoesterd.
+
+Het lijkt me, nu ik dit schrijf meer dan veertig jaar later, het lijkt
+me, of ik alles lieg. Is het mogelijk een fantasie? Heb ik in mijn
+jongensjaren--kinderen hebben zoo'n levendige verbeelding--dat heele
+verhaal misschien bedacht, en het als een heldenfeit zoo vaak aan mijn
+makkers verteld, dat ik het eindelijk zelf geloofde? Maar neen, dat kan
+toch niet. Mijn heele leven heb ik het als zuivere jeugdherinnering
+meegedragen. Zou ik me dan zóó vergist hebben? Doch wie bewijst, dat ik
+waarheid zeg. Neen, ik bedoel niet, wie bewijst het aan een rechtvaardig
+oordeelende rechtbank, maar wie bewijst het aan mij persoonlijk, die het
+ervaren meen te hebben en nu twijfel aan mijn eigen ervaringen. Ik wou,
+dat een oud-schoolkameraad dit las en, plotseling het verleden er in
+herleefd ziende, overtuigd uitriep: »Juist zoo, zoo is het gebeurd."
+Dan had ik, door een vreemde, gewisheid van mijn daden. Nu moet ik maar
+gelooven in mijn herinneringen. 't Is toch vreemd, dat men zijn eigen
+verleden, zijn toch zelf doorleefd verleden, niet kan bezitten zonder
+geloof. En dan bezit men het nog maar in het licht van zijn toenmalige
+zelfverblinding.
+
+Maar ik denk toch wel, dat die klauterpartij zonder pet werkelijkheid
+is geweest. Ik zie ze zoo levendig voor me, ik zie zoo precies den weg,
+dien ik daarbij gegaan ben, en ik verbeeld me nog eenige populieren te
+zien, die op de speelplaats langs den blinden gevel van het daarachter
+gelegen huis stonden.
+
+En dan ook, de feiten passen zoo geheel in het kader van dit
+schoolleven. Van Geschiedenis, Aardrijkskunde, Rekenen, Taal, Lezen en
+Schrijven herinner ik me absoluut niets meer. Doch de hoofdmomenten uit
+_den schoolstrijd_--een véél ernstiger en gewichtiger en langduriger
+worsteling dan »de" Schoolstrijd--spreken nog luid in me, met beeld en
+stemming. Ik zie alles nog voor me, en mijn hart klopt heftiger bij de
+herinnering.
+
+ * * * * *
+
+Het spreekt vanzelf dat we niet alleen het nablijven ontvluchtten, maar
+ook aan de kwelling van de school zelf trachtten te ontkomen. Daartoe
+waren maar twee middelen: ziekte voorwenden en bommelen, spijbelen,
+stukjesdraaien of hoe dit genot meer heeten mocht.
+
+Het voorwenden van ziekte had het ontstaan gegeven aan een eigen woord.
+»Je bent schoolziek," zei mijn vader, als we dreinden om thuis te
+blijven vanwege die toch zoo erge hoofdpijn. En de man had gelijk,
+want als hij bezweek voor ons smeeken, was binnen een halfuur de
+erge hoofdpijn gezakt en zaten we, zoo ongeveer om halftien in den
+voormiddag, een beetje te spelen, of drentelden door 't huis, door den
+winkel, als 't kon de straat op. Het was niet in mijn nadeel, dat ik
+nogal wit zag en teer was van gestel. Daardoor kon ik dikwijls hoofdpijn
+hebben, die haar crisis had onder 't ontbijt. Maar nooit vond ik mijn
+ouders onbarmhartiger, dan wanneer ze geen medelijden met me toonden en
+zelfs aan mijn hoofdpijn geen geloof sloegen. »Ga jij maar naar school,
+hoor! 't Is schoolziekte." Diep neerslachtig en met slenterende beenen
+sleepte ik me naar school. Dan droop er een dreinende motregen in mijn
+kindergemoed.
+
+Zulke beschuldigingen en mistroostigheden mogen wel veroorzaakt hebben,
+dat ik mijn heil zocht in het stukjesdraaien. Als je niet naar school
+_wilt_, en niet thuisblijven _moogt_, dan schiet er ten slotte niets
+over, dan dat je op den weg tusschen huis en school blijft omdolen. Waar
+zou je anders heen? En dan neem je dien weg wat ruim, omdat het zoo
+vervelend is in dezelfde straten maar steeds heen en weer te trekken,
+en je daar ook gezien en aldus verraden kon worden. Dan loop je rond,
+tot de huisdeur zich weer voor je openen wil, dat is zoo ongeveer een
+kwartier na het eindigen van den schooltijd.
+
+Ik heb mijn toevlucht ook tot dat redmiddel moeten nemen, en dank
+daaraan drie der allerheerlijkste weken uit mijn schoolleven. We noemden
+ze later de bommelweken, en nu nog is dat onwelluidende woord voor mij
+synoniem met oase, paradijs, vrijheid, en al zulke vertegenwoordigers
+van iets zonnigs en lieflijks te midden van de grijze ellende.
+
+Elken morgen gingen we op den gewonen tijd de deur uit, maar sloegen
+bij een bepaald punt linksom in plaats van rechtsom. 't Scheelde maar
+een kleinigheid, maar 't werd een reusachtig verschil. Rechtsom trokken
+we naar school, naar den gehaten plicht, linksom naar buiten, naar de
+begeerde zonde. Waarom had men de plichtsvervulling ons dan ook zoo
+hatelijk gemaakt? In iederen arbeid steekt genot, in den schoolarbeid
+zelfs een heel groot genot voor bijna alle kinderen. Maar men verbittert
+er het lekkerste brood, vergalt er de zoetste melk. En zoo maakt men de
+kinderen het eten en drinken onmogelijk, hoe graag ze het van nature ook
+doen.
+
+We waren met ons vieren, mijn broer en ik, en dan nog twee klasgenooten,
+Willem en nog een ander. Willem had een eigenaardige bron van inkomsten.
+Zijn vader was bode en aanspreker. Iedere week moest Willem voor hem de
+klanten rond, om de kontributie voor een begrafenisfonds op te halen,
+kleine bedragen, maar die door verscheiden niet geregeld betaald werden
+en daardoor tot vrij groote sommen opliepen. Wanneer Willem nu wat geld
+wou hebben, ging hij naar de achterstalligen en maakte daar een standje.
+»Kompliment van vader, en of er nu eindelijk eens betaald werd. 't Was
+een schande, zooals ze hem iederen keer voor gek lieten loopen, en als
+er nu niet betaald werd, zouden ze andere maatregelen moeten nemen."
+Willem schreeuwde zijn boodschap op een luiden brutalen toon, zoodat
+de buren het even goed konden hooren als de betrokkenen. Dit had
+ten gevolge, dat de schuldige vrouwtjes hem gauw in de kamer riepen,
+daar paaiden met mooie beloften, en hem persoonlijk vijf cent of een
+dubbeltje toestaken, om hem tot meegaandheid te stemmen. Sommigen van
+haar waren blijkbaar zoo bang voor de nieuwsgierigheid der buren, dat ze
+Willem reeds te gemoet kwamen eer hij zich nog had aangemeld, en zijn
+onbarmhartige jongensstem bij voorbaat met een dubbeltje omkochten.
+
+Er was voor mij in deze geheele ophaalderij iets geheimzinnigs. Ofschoon
+ik precies wist, hoe de vork in den steel zat, en bij iederen klant met
+nieuwsgierigheid vroeg, »hoeveel hij van dat wijf weer had losgekregen,"
+besefte ik toch heel wel, dat die vraag met die ruwe woorden maar
+grootdoenerij was, en we eigenlijk bij ieder geval meespeelden in een
+droevige tragedie van armoede, zorg, schaamte, afzetterij. Ik gevoelde,
+dat we iets heel gemeens deden, en juichte toch bij iedere vermeerdering
+van ons schandkapitaaltje. Willem ging, zonder eenig mededoogen, zijn
+bedachte boodschappen doen, en wij wachtten op een afstand de gevolgen,
+springend van vroolijk verlangen en tegelijk innerlijk huiverend van
+schuldgevoel. Dit laatste was de stem van het geweten. Dat wist ik toen
+reeds heel goed. Maar ik wist die stem ook onder schijnbare
+onbezorgdheid te verzwakken.
+
+Van het geld kochten we eerst een grooten zak krenten, die voor
+pruimtabak moesten dienen. We verdeelden ze onder elkaar en hadden
+dan elk voor zich een afleiding en hartversterking. Telkens namen we
+een handje krenten, wierpen die in onzen mond, verborgen ze achter de
+kiezen, en hielden ze daar gezellig opgehoopt. Ik voel zeer goed, wat
+zoo'n tabakspruim voor een werkman beteekent. Het is niet de lekkernij,
+die hem bekoort, maar de gezelligheid. Zoo'n handjevol tabak, steeds op
+dezelfde plaats bewaard en bewerkt, is voor hem een soort kameraad, een
+vertrouwelijk vriend, met wien hij heel eigen is. Hij voelt zich niet
+meer eenzaam en verlaten, niet meer unheimisch, als hij dezen gezel
+op zijn vaste plaatsje meedraagt. Zooals meisjes een pop behoeven, om
+een leegte aan te vullen, jongens een stok moeten dragen, om niet zoo
+alleen te zijn, vele volwassenen een kat in de kamer of een hond op de
+wandeling moeten hebben, om het gevoel van verlatenheid te breken, zoo
+heeft de stugge werker op het veld of achter de heistelling in zijn
+tabakspruim een stuk gezelligheid in zijn eentonig leven. Een soldaat
+op post is met dezen vriend niet meer eenzaam in het nachtelijk uur.
+Als wij een verre boodschap moesten doen, vooral 's avonds, namen we
+een hard stukje kaaskorst in den mond, en kauwden en knauwden dat, niet
+om het op te eten, maar om van zijn nabijheid te genieten. Misschien
+hebben de psychologen voor deze gehechtheid aan de tabakspruim een veel
+betere verklaring, zoodra ze experimenten genomen hebben met heiers mét
+en zónder pruim, wellicht komt het dan alles neer op prikkeling van
+bepaalde zenuwen en overheersching van bepaalde bewustzijnstoestanden,
+maar ik, die alleen eigen ervaring raadplegen kan, te dom voor
+experimenten en te lui voor statistieken, voel die gehechtheid alleen
+als een gemoedsverschijnsel. Een afleiding, zegt het volk. Juist, een
+afleiding van zijn enkelheid. Een afleiding, die Adam zelfs in het
+Paradijs noodig had, toen hij, te midden der onbeperktste weelde, zich
+toch eenzaam voelde, en Eva kreeg. Als een tabakspruim? Lieve menschen,
+ik wou, dat men alle aesthetische gevoelens een oogenblik het zwijgen
+kon opleggen. Eva was een wonderschoone verschijning--lees maar in
+Vondels verzen--om wie de Engelen mensch zouden willen zijn. En een
+tabakspruim--nu, ik wil de voorstelling niet verlevendigen. Maar die
+tabak was ook eenmaal een frischgroene plant, en Eva zal ook eenmaal
+verrotting zijn. We moeten over de grenzen van het heden heenzien,
+dan ontwaren we meer gelijkheid, dan iemand ooit vermoedde. En--om te
+besluiten--wellicht heeft menige Adam meer te danken aan zijn willige,
+zich altijd schikkende tabak, aan dezen nooit eischenden vriend, dan aan
+zijn Eva.
+
+Wij, dit wilde ik slechts zeggen, bootsten met onze krentenpruimerij de
+groote menschen na, maar _zouden dit nooit gedaan hebben, als in ons
+niet dezelfde gemoedseigenschappen aanwezig waren als in die groote
+menschen_. Ook in ons was die behoefte aan dat intieme verkeer, en te
+sterker, bij een niet volkomen rustig geweten.
+
+Voor het overige geld kochten we een reusachtigen vlieger en een heelen
+hoop strengen touw. En hiermee trokken we naar het Vondelpark. In de
+morgenuren was het daar nog al rustig. Je kon daar zoo lekker stil
+rondscharrelen, zonder dat je ieder oogenblik gevaar liep, een kennis
+tegen te komen. 't Was vrij ver uit de Jordaanbuurt en werkmenschen of
+winkeliers, gelijk onze ouders waren, hadden in de week geen tijd om
+overdag in het Vondelpark te wandelen, terwijl hun arbeid hen daar nooit
+heen voerde. Daar kwam nog iets bij. Je had achter 't Vondelpark mooie
+weilanden, om den vlieger op te laten, en in het park zelf dichte
+boschjes, om er hem te verstoppen. We hadden al gauw een verstolen
+hoekje gevonden, waar hij telkens met touw en al werd weggeborgen, als
+wij naar huis moesten, en waar we hem ook weer trouw terugvonden, als
+wij naar dit zalig oord terugkeerden.
+
+Het spreekt vanzelf, dat we niet dag aan dag gingen vliegeren. Waarmee
+we dan de andere dagen doorbrachten, weet ik niet. Alleen herinner ik
+me, dat we ook vaak naar eenige landpaden gingen, buiten de Zaagpoort,
+en daar speelden op de balken en de boomstammen, die in het slootwater
+bij de houtzaagmolens lagen.
+
+Dat was een van mijn heerlijkste genietingen. We trokken dan de schoenen
+en kousen uit, stroopten de broek zoo hoog mogelijk op, en speelden
+Bataviertje, waaruit ik nu alweer kan afleiden, dat ik op school van de
+Batavieren geleerd had. Wij waren Batavieren, die op vlotten den Rijn
+kwamen afdrijven. Daarbij liepen we op bloote voeten over de balken even
+rustig, vlug en gemakkelijk als op het land. Het was verwonderlijk,
+hoe vertrouwd we met onze vlotten waren. Terwijl we van balk op balk
+stapten, doken deze, soms dunne stammen, vaak diep onder water, maar
+daar bekommerden we ons in 't geheel niet om, integendeel, we vonden
+'t heerlijk. We waren thuis op onzen balkenvloer, we waren thuis in de
+slooten. Om natte pootjes gaven we absoluut niet. Hoe meer het water
+golfde en klotste en spatte, hoe liever 't ons was. De eenige voor wien
+we eenige vrees koesterden, dat was de molenaar. En eigenlijk waren we
+ook voor hem niet bang, we konden hem gauw genoeg ontvluchten. We waren
+voor niemand bang. Maar de mogelijkheid bestond, dat we bij een
+overhaaste vlucht onze kousen en schoenen op 't weiland moesten
+achterlaten, en dan zou natuurlijk alles uitkomen.
+
+Toch werd deze sloot ons onheil. Op zekeren dag ging een der jongens
+gehurkt op een balk zitten. Een ander vond dat al te verleidelijk en gaf
+een trap tegen den balk, waardoor nummer een achterover in het water
+tuimelde. Dat was nu op zichzelf zoo erg niet, de sloot was niet zoo
+diep, en met het water waren we vertrouwd. De drenkeling was dan ook
+weer gauw aan land. Maar zoo kletsnat kon hij niet blijven rondloopen,
+zich uitkleeden en zijn goed te drogen leggen was te veel gewaagd met
+het oog op den molenaar. Die kon van onzen nood wel eens misbruik hebben
+gemaakt, door den jongen spiernaakt den weg op te jagen. Daarom deden
+we, wat we in zulke gevallen altijd deden, we gingen op een draf naar de
+gasfabriek, den natten kameraad, die in zijn zware, plakkende, druipende
+kleeren niet zoo hard loopen kon, tusschen twee flinke loopers in, hand
+aan hand met hem voorthollend, de anderen er achter.
+
+In de gasfabriek, aan de buitenzij der stad gelegen, waren de mannen
+altijd welwillend. Ze vloekten er wel bij, maar dat hinderde niet. Hoe
+harder ze je uitscholden, hoe meer je van ze gedaan kreeg. »Baas, magge
+we d'r in, hij hèt in 't water gelege."--»Zoo, dondersche schooiers,
+het jelui weer met je mieter in 't water gelege. Wil je wel gauw
+opdondere."--»Och baas, hij is zoo nat, en dan krijgt ie van zijn
+vader."--De baas keek naar den klappertandenden schooier en liet ons
+binnen. »Vooruit dan maar, maar heb het hart in je lichaam, dat je 't me
+weer flikkert."--»Dank u wel, baas!" en we holden naar binnen. De natte
+kameraad kleedde zich uit als in 't zwembad en liep een beetje naakt
+rond te scharrelen en zich te warmen, terwijl wij zijn natte kleeren
+te drogen hielden bij de heete retorten. De werklieden lieten ons stil
+begaan, we waren jongens die zichzelf konden redden. Alleen nam deze
+of gene den kans waar, om den naakten sprinkhaan een kletsenden klap te
+geven, waarom de naakte sprinkhaan dan ook altijd zorgde, dat hij uit de
+voeten kwam als er een man naderde.
+
+De kleeren waren gauw genoeg droog, maar ze hebben ons verraden. Hoe,
+dat herinner ik me niet meer, maar 't was na dit voorval gauw uit met
+de pret. Op een middag kwamen we thuis, met een onschuldig gezicht, of
+er niets gebeurd was, toen Moeder ons ontving met de ongewone vraag,
+waar we vandaan kwamen. Die vraag schokte ons hevig, maar we logen
+natuurlijk: Van school. En er was een boodschap gekomen, dat we al in
+geen drie weken op school waren geweest, en een jongen z'n moeder was in
+den winkel geweest en had verteld, dat ze aan zijn kleeren gezien had,
+dat hij in 't water had gelegen, en dat hij toen alles bekend had. Het
+viel niet meer te loochenen en ook wij moesten door de mand vallen.
+
+Dit oogenblik herinner ik me nog heel levendig. We stonden in de
+huiskamer. Daar was een kastdeur met behangselpapier beplakt. Er was
+geen kruk in, wel een sleutel. Ik zie den zwartgeroesten sleutel nog uit
+het sleutelgat steken, donkere figuur in een omgeving van lichtgrijs
+papier. Op dit plekje, vlak bij de kast, moesten we ons kwaad openlijk
+erkennen. En toen stond het plotseling als een vreeselijk misdrijf voor
+me. Ineens voelde ik de zwaarte van 't vergrijp op mijn schouders
+drukken. Ik voelde mijn beenen trillen, greep den sleutel vast, zonk
+ineen, en begon hartstochtelijk te snikken. Wonderlijk toch, al die drie
+weken had ik genoten, was wel eens onrustig geweest, maar was er toch
+iederen dag op nieuw uit getrokken. Mijn geweten had zich laten sussen.
+'k Had goed gegeten, goed geslapen. Maar nu het kwaad was uitgekomen,
+was aanstonds al mijn kracht gebroken en zakte ik, wanhopig en
+radeloos, in elkaar. Dat is de overweldigende macht der openbaarheid.
+
+Tot straf mocht ik dien avond niet naar het verjaarpartijtje van een
+vriendje. Aanstonds uitkleeden en zonder eten naar bed. Dat was een
+groote straf voor me, want van dat partijtje had ik me heel veel
+voorgesteld. Niemand zal echter die straf te zwaar achten. Drie weken
+spijbelen, drie weken je ouders bedriegen, dat is voorwaar geen
+kleinigheid. Daarvoor is het onthouden van zoo'n genoegen eigenlijk nog
+een veel te geringe straf, ook al is voor een kind een kinderpartijtje
+een buitengewoon genot.
+
+Maar wilt ge nu mijn Moeder eens leeren kennen? Toen ik tot acht uur of
+half negen of negen uur--ik weet het niet precies meer--stil in mijn bed
+had gelegen, telkens schreiend van diep berouw, maar wellicht nog meer
+uit medelijden met mijn arme zelf in mijn bitter treurigen toestand,
+kwam mijn Moeder bij mijn bed. Ik nam haar hand en kuste die, zooals een
+geslagen hond naar zijn meester kruipt en diens hand likt. Ik kon geen
+scheiding tusschen haar en mij hebben. En zij liet haar hand nemen en
+die kussen. Heete tranen vulden mijn oogen en vloeiden over mijn wangen.
+Was ik toch maar niet zoo'n slecht kind geweest.
+
+Ze bukte zich over mij heen. Haar nabijheid was voor mij altijd rust en
+veiligheid en vrede. Maar nu bovenal. En ik sloeg mijn armen om haar
+hals. »Heb je er erge spijt van?"--O ja, en ik begon weer diep bedroefd
+te schreien. »Zal je 't nooit weer doen?"--Neen, zeker nooit weer, en
+mijn geschokt gemoed kwam tot kalmte. Dat stille schreien, tegen haar
+aan, 't was zoo'n verkwikking, bijna een zaligheid. Wat is het toch een
+wonder-gelukkig bezit voor een kind, een Moeder. Het is de oplossing van
+_al_ zijn ellende. En toen zei ze: »Zou je nog graag een uurtje naar
+Piet gaan?"
+
+Ik kon mijn ooren niet gelooven. Toch naar het partijtje? »Graag!" zei
+ik. En zij: »Kom dan maar." Aanstonds was ik uit bed, wiesch me, trok
+mijn Zondagsche kleeren aan, die Moeder inmiddels haalde, kreeg een
+schoon boordje om, kuste haar, een, twee, drie maal, en vloog het huis
+uit, de reeds donkere gracht op, naar den verbeurden en reeds gesloten
+kinderhemel, die nu weer voor me geopend werd.
+
+Van de feestpret wil ik hier niet vertellen, die is nu niet aan de
+orde, maar ik moet toch even een woord zeggen ter verdediging van--mijn
+Moeder, tegenover--de officieele paedagogiek. Die paedagogiek wou me
+later doen gelooven, dat een opvoeder konsekwent moet zijn. Hij mag niet
+gauw straffen, zoo dekreteerde ze, maar _als_ hij eenmaal straft, dan
+moet hij ook doorzetten; _als_ een kind eenmaal een uur nablijven moet,
+dan _moet_ het ook een uurtje nablijven. Want anders, zoo gaf ze reden
+van haar dekreet, werkt de straf als een ijdele bedreiging en stoort het
+kind zich in 't vervolg er niet meer aan. Zoo heeft de Paedagogiek mij
+steeds geleerd. En ook nu weer hoor en zie ik haar met ernstige stem en
+verontwaardigd gebaar de handelwijze mijner Moeder afkeuren. Maar wil
+ik Haar--ik bedoel de Paedagogiek, de Alwijze--nu eens iets zeggen?
+Mijn eigen ervaring slaat dit voorschrift vlak in 't aangezicht. Met
+haar generaliseeren bederft ze al haar wijsheid. Mijn Moeder was _niet_
+konsekwent, in een buitengewoon ernstig geval had ze een zeer lichte
+straf opgelegd, en van die straf onthief ze ons voor een groot, voor het
+grootste deel. En dat deed ze uit pure zwakheid, omdat ze 't niet hebben
+kon, dat haar ondeugende jongen verstoken bleef van een in zijn oogen
+zeer groot genot. Ze kon niet konsekwent zijn. En ze liet uit enkel
+weekhartigheid, genade voor recht gelden. En wat was het gevolg? Dat
+ik nog nu in gedachten de hand kus, die mij vrijwillig uit mijn banden
+losmaakte. Dat ik reeds toen en mijn heele leven lang voor niets zoo
+bang was, als om Moeder verdriet te doen--al deed ik het natuurlijk ook
+vaak. Dat ik voor Moeder later alles over had en haar als een heilige
+mee door 't leven droeg. Dat was het gevolg van haar inkonsekwenties.
+
+Maar de Paedagogiek vergeet ook altijd één ding. Ze vergeet de
+Stille Kracht. Den wonderbaren invloed van de persoonlijkheid, de
+overweldigende macht des Harten. De Paedagogiek werkt met maatregelen.
+Ze geeft altijd antwoord op de vraag van wanhopige opvoeders: »Wat moet
+ik _doen_?" En ze moet antwoorden op de vraag: »Hoe moet ik _zijn_?"
+
+Doen? Doen? Geef een ongeschikte de voortreffelijkste middelen, en hij
+bereikt er averechtsche gevolgen mee. Hij maait geen graan met zijn
+zeisen, hij maait er zijn bloemhof mee kaal.
+
+Wéés iets. En van uw Zijn gaat opvoeding uit. Dan moogt ge zieken
+genezen op den Sabbath. Dan kúnt ge zieken genezen op den Sabbath. En
+dan stoort ge u niet aan de Farizeesche Schriftmatigheid.
+
+Ik was een kleine groote zondaar. Ik was gebroken door berouw. Maar ik
+werd opgericht--door Genade.
+
+
+
+
+TUSSCHEN SCHOOL EN HUIS.
+
+
+»De weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens
+vol verleidingen."
+
+Die verleidingen waren van een gansch andere soort dan die ons bekoorden
+als wij van huis naar school gingen. Op den heenweg naar het gehate
+gebouw lokte ons elke boom naar buiten. 't Was of iedere vogel ons riep:
+»Je gaat den verkeerden kant uit. Je moet niet naar dat muffe hok. Je
+moet naar de paden, naar de slooten, naar de velden. Je moet de ruimte
+in." Het was wel moeilijk, aan die roepstemmen geen gehoor te geven.
+En dat bleef zelfs een strijd voor me, toen ik al lang onderwijzer
+was. Naar school of daar buiten? O, dat buiten trok zoo. Het zoog je
+letterlijk den verkeerden kant op. En je moest je wel erg schrap zetten,
+om door die zuiging niet te worden meegevoerd. Ik kan me dan ook best
+een landlooper begrijpen. Een _land_looper, niet een straatslijper.
+Zoo eentje, die 't veld in trekt. En eigenlijk geloof ik, dat er een
+landlooper aan me verloren is gegaan. Daarom ben ik maar ambulante
+bovenmeester geworden. Dat leek er nog een beetje op. Niet waar?
+
+Maar 's middags op den terugweg naar huis, dan lokte ons geen boom,
+of 't moest zijn om er in te klimmen, dan riep ons geen vogel, of 't
+moest zijn om hem met steenen te smijten. 's Middags was er niets in
+ons van de natuurzieke zwervers. Alle gevoeligheid en groenliefde was
+dik geworden als stroop in den winter. Ze konden niet meer vloeien. Ze
+lagen als onbewegelijke massa's in ons gemoed. 's Middags, dan was de
+strijdlust in ons wakker. Dan was iedere jongen van een andere school
+een brutale uittarting, alleen reeds door zijn verschijning. Dan was
+iedere winkeluitstalling een booze geest, die helsche vernielplannen in
+ons wakker riep. Dan daagde iedere dienstmeid ons uit met emmers water,
+die zij 't hart had op haar eigen stoep te zetten, of met huistrapjes,
+waarop zij de vrijpostigheid nam naar boven te klimmen voor 't
+glazenlappen, of zelfs met boodschappenmandjes, die ze zoo schaamteloos
+met den elleboog vasthield of aan de hand liet neerhangen. Dan was
+iedere onbeheerde handwagen een voorwerp, om een eind meegesleept te
+worden, ieder appelvrouwtje bestemd om te worden bestolen--niet uit
+steelzucht, maar uit loutere baldadigheid--, dan was iedere belknop een
+magneet voor jongenshanden, verstijfd door 't samenvouwen op den rand
+der schoolbank, dan was iedere deur het opentrappen waard, vooral de
+winkeldeuren met een rinkelende bel; dan was iedere gebochelde, iedere
+kreupele een model voor klassikale nabootsing, dan was zelfs iedere
+politieagent een mikpunt voor stukjes stopverf of voor hatelijke
+schimpscheuten. 's Middags, dan was de duivel in ons wakker, dank zij
+vijf uren van onderwijs overeenkomstig den geest der wet, die sprak van
+»opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden".
+
+De heeren politici in vergaderzaal en krant hebben over die
+»christelijke en maatschappelijke deugden" heel wat geredeneerd.
+En de schoolmeesters in navolging van hen. Wat waren het toch, die
+»christelijke en maatschappelijke deugden", waarin bestond toch het
+verschil tusschen beide. Men dreef er den spot mee. Men speelde er een
+dialektisch spel mee. Men maakte er politieke kaatsballen van, zooals
+zelfs van nog veel heiliger dingen. En intusschen liet men de jeugd
+verdrogen, verschrompelen. Intusschen werden de kinderen vernield.
+Het ware te wenschen geweest, dat men van die »christelijke en
+maatschappelijke deugden" ernst had gemaakt, waarachtigen ernst.
+Mijnentwege hadden de onderwijzers het fijne onderscheid tusschen
+beide deugdrubrieken mogen voorbijzien, als ze die deugden maar hadden
+aangekweekt, door ze te beoefenen. Een beetje christelijkheid, ook in
+de christelijke school, zou voor ons zoo goed zijn geweest. Al was 't
+maar een klein beetje. De christelijkheid van »Laat de kinderen tot Mij
+komen En verhinder ze niet". Maar wij--werden verhinderd.
+
+ Zij hadden ons met _woorden_ wel gedreven,
+ Maar hebben ons verhinderd met hun _leven_.
+
+ * * * * *
+
+Vechten was onze hoofddeugd, op school met den meester en op straat met
+de heele geordende maatschappij. En dan in 't bizonder met de jongens
+van andere scholen. De Noordermarkt was ons slagveld.
+
+Eerst moet ik echter iets vertellen van een onzer acrobatenkunsten daar,
+een kunst, die ik maar zelden, of eigenlijk nooit meer in beoefening heb
+zien brengen. Op dit marktplein stonden paaltjes en wel twee soorten:
+steenen met koppen als halve bollen en houten met koppen als halve
+liggende cilinders. Nu was het de kunst, op zoo'n paaltje te klimmen,
+zonder door een kameraad te worden geholpen, daarna er op te staan,
+eindelijk van het eene op het andere te stappen, en ten slotte de heele
+rij af te loopen. Men moet daar niet min over denken. Het eischte met
+elkaar uren en uren van geduldig oefenen, en dat onder de bedreiging
+van altijd vijandige agenten of marktmenschen. »Wil je bliksemsgauw
+opdonderen", lag in ons gehoor bestorven. Maar wij »donderden op",
+net als de musschen voor een paard en rijtuig om dadelijk weer »neer
+te donderen" als de bedreiging voorbij was. En onder dat »op- en neer
+donderen" oefenden we ons, geduldig, taai, volhardend. Met twee handen
+hield je den kop van 't paaltje vast. Dan trok je je op, legde heel
+voorzichtig je rechterknie er op, dan je linker, beide knieën tusschen
+je handen. Nu de handen loslaten, den romp strekken, en zoo op je
+knieën liggen. Ik beloof je, dat het een toer was. Maar het ging. Zelfs
+maakten we in die houding allerlei grimassen, zwaaiden met de armen
+als vliegende vogels, wierpen de marktvrouwen kushandjes toe. Doch nu
+verder. Weer de rechterknie opgetrokken, op de linker gebalanceerd, den
+rechtervoet naast de rechterknie gezet--romp rechtop, even rusten--en
+het heele rechterbeen gestrekt, daarmee vanzelf het linkerbeen
+opgetrokken, en op het rechterbeen gestaan, rechtop terwijl het
+linkerbeen wat bewegingen maakte, om het lichaam in evenwicht te houden.
+
+Honderd- en duizendmaal zijn we er zeker afgevallen, afgegleden,
+afgesprongen, eer we eindelijk stonden, maar we hielden vol. Dát was
+gymnastiek, ja wat beter dan om de vijf minuten een zwaaitje aan de
+ringen. We zagen rood van inspanning, maar rustten niet eer het doel
+bereikt was. Nog voel ik in mijn armen en beenen _den wil om te winnen_,
+die toen aan 't werk was. Geen eerzucht, geen ijdelheid, al kwam er
+later natuurlijk wat pralerij bij, maar _zegezucht_. Geheel in ons
+eentje, ongezien, oefenden we ons op ieder paaltje, hoe lastiger hoe
+liever. En dat deden we niet om een bewust doel, als een soort plicht,
+maar omdat we 't niet laten konden. We verloren ons er in--zooals
+een dichter in zijn verzen, een schilder in zijn verven. Wij maakten
+ons jongenskunstwerk, met onvermoeibare zelfovergegevenheid. En zoo
+presteerden we ten slotte het onmogelijke: we liepen over de koppen van
+paaltjes, ongeveer een kleinen meter van den grond, en bijna een meter
+van elkaar. En daar liepen we met een zekerheid en een gratie--want in
+zulke kunsten zit een natuurlijke gratie, anders zijn ze onmogelijk--die
+in ons de lenigheid en de schoonheid ontwikkelden, de zelfbesturing en
+het zelfvertrouwen, _maar die door de volwassenen niet begrepen werden_.
+
+De houten paaltjes met rolronde koppen waren de moeilijkste. De
+bolronde van de steenen hadden aan alle zijden een aanpakvlak voor den
+naderenden voet, maar die andere--men stelt het zich toch, hoop ik,
+wel voor?--konden maar van één zijde benaderd worden. 't Was dan ook
+de hoogste triomf, als je over de houten voortstapte, en dat werd nog
+mooier als er tusschen die paaltjes ijzeren stangen liepen of ijzeren
+kettingen hingen, kettingen met ijzeren punten. Dan liep je ieder
+oogenblik gevaar, een breuk te vallen of je op andere wijze aan dat
+ijzer te kneuzen. Maar dat maakte het genot nog grooter.
+
+Denkt de verbiedzieke volwassene er wel eens aan, dat iedere nieuwe
+belemmering nieuwe aanvalsdriften oproept?
+
+ * * * * *
+
+Welken medescholier herinner ik me nog met naam en toenaam?
+
+Het is Hendrik Busman.
+
+En waarom is hij het? Omdat hij zoo goed leeren kon?
+
+Maar denkt iemand nu heusch, dat we ons dáárom bekommerden?
+
+Hendrik Busman werd vereeuwigd om dezelfde reden als De Ruyter, Tromp,
+Piet Hein. Omdat hij zoo goed vechten kon.
+
+Ik zie hem nog staan, boven op een hooiwagen. 't Was op dezelfde
+Noordermarkt. Daar leverden we onze veldslagen, gelijk de mogendheden
+eertijds in de Zuidelijke Nederlanden.
+
+Hendrik Busman stond op een hooiwagen, boven op de lading hooi. We
+bleven beneden op de straat en wierpen hem steenen toe. Dat waren de
+projectielen, waarmede hij, van zijn hoog standpunt, den vijand
+bestookte. Die bleef op een eerbiedigen afstand.
+
+We droegen houten sabels, met punten er aan. Die staken we op zij, door
+een riem. Echte officieren. Soms maakten we een charge. Met getrokken
+sabel renden we dan op den vijand los. Die sloeg op de vlucht, niet
+bestand tegen ons élan. Enkele dapperen konden echter zoo'n schandelijke
+vlucht niet verdragen. Ze bleven staan, het zwaard in hun vuist.
+Blindweg sloegen ze in 't rond. Dan kwamen hun verjaagde makkers weer
+terug. De moed van enkelen--niet waar?--_de moed van enkelen_ is _de
+kracht van allen_. En als ze dan, in hun heldhaftigheid, van het verweer
+tot den aanval durfden overgaan, dan holden wij weer weg, tenminste de
+groote hoop van ons, dan keerden de kansen, totdat ook _onze_ helden hun
+leven waagden.
+
+Twee dingen weet ik van die vechtpartijen met volkomen zekerheid.
+
+Vooreerst, dat het vechten heilige ernst was en te gelijk de prachtigste
+komedie.
+
+Het was ernst. We voelden ons in oorlog. Den heelen dag spraken we er
+over. We wisten van den vijand alleen kwaad. Ze waren »schooiers" of
+»kalen", al naardat ze tot een armere of een rijkere school behoorden.
+We bluften op onze heldendaden, we smaalden op hun lafheid. En we
+dachten aan niets dan aan den krijg. Hoe de oorlog was aangekomen,
+wisten de meesten niet. Er ging alleen een gerucht rond van een of
+andere »gemeene streek" of verregaande aanmatiging. Dat was voor de
+massa genoeg. Die vroeg niet naar een casus belli. Het feit alleen, dat
+er oorlog was, joeg ze al te hoop. Ze vond het heerlijk, in groepen rond
+te zwerven, stokken of riemen te zwaaien, en den vijand na te rennen.
+
+En toch was het komedie. We pasten wel op, dat we geen jongen gevaarlijk
+raakten. Ja, met een stok of riem tegen de beenen, hoogstens tegen den
+romp slaan. Maar nooit tegen zijn hoofd. En ook nooit een trap tegen
+zijn buik of een stomp in zijn hartstreek. Wie zoo iets deed, stond
+eigenlijk bij ons in minachting, ook al behoorde hij tot de onzen. Er
+was een ongeschreven jongenswet, waarin onridderlijke daden verboden
+waren. Ik denk, dat we dit niet aan de school dankten, maar aan de
+grootmoedigheid van onze boekenhelden.
+
+Volwassenen maakten zich soms ernstig bezorgd over ons vechten. Totaal
+overbodig. Want het was bijna uitsluitend parade en bluf. Grootdoenerij.
+Een gelegenheid om te hollen, te schreeuwen, te zwaaien, te smijten. En
+de oorlog stierf zijn eigen dood. Ik weet van geen enkelen oorlog, die
+met een verklaring begon en met een vrede besloot. Hij ontstond en
+verdween, als de stormen in de atmosfeer.
+
+Maar dan was er nog een tweede ding, dat ik nu, uit de verte, heel
+duidelijk zie. Al waren er ook veertig, vijftig, en meer jongens bij
+betrokken, eigenlijk draaide de heele beweging om een paar. Als zij
+voorgingen, volgden de anderen. Als zij verslapten, dropen allen af.
+Niet alleen onder de schapen heb je de belhamels. Die schijn je bij alle
+»gezellig levende dieren" te hebben. En de mensch is zoo'n gezellig
+levend dier. Let op de belhamels. In hen heb je de kudde!
+
+ * * * * *
+
+Erger dan het vechten was onze baldadigheid. Eén voorval herinner ik me
+nog heel levendig.
+
+Misschien weten de meeste volwassenen niet eens, dat je in de raamposten
+gaatjes hebt--of hadt--aan elken kant een. Die dienden, geloof ik--we
+kregen toen nog geen zaakonderwijs--om er pennen door te steken, die 's
+nachts de buitenblinden moesten vasthouden.
+
+Nu was er in de Westerstraat een porcelein- en glaswinkel, waar we zulke
+gaatjes ontdekt hadden. Als je door het gaatje een dun stokje stak,
+kwam dit aan de binnenzij te voorschijn en dan kon je er iets in de
+uitstalling mee omduwen, een glaasje, een kopje, een vaasje of een ander
+niet te zwaar voorwerp.
+
+Dat deden we. Heel onschuldig bewonderden we de uitgestalde waar, maar
+staken inmiddels de stokjes door de gaten en duwden. Tuimelde er een
+ding rinkelend om, dan holden we hard weg.
+
+Eens stonden we weer voor het raam, werkten met stokjes, en loerden
+onderdehand of de baas in de achterkamer bleef.
+
+Plotseling gaat de kamerdeur open, en zien we den man in zijn
+overhemdsmouwen driftig den winkel in vliegen.
+
+Wij op den loop. Een kerel in overhemdsmouwen en blootshoofds, die
+je zoo maar op straat naholt, dat is voor jongens nog erger dan een
+politieagent. Zoo'n kerel ontziet niets en kan hard loopen.
+
+Wij vlogen dan ook over den weg. Hier was het nu bijna letterlijk waar,
+dat de angst ons de voeten bevleugelde. Hij was ons natuurlijk vrij
+dicht op de hielen, een winkellengte, en we konden hem alleen door een
+razende vaart ontsnappen.
+
+Ha, dát was loopen. Als een hinde voor de honden. Zulke vergelijkingen
+begrepen we best, veel beter dan de meester. Wij hadden den angst _in_
+ons gehad.
+
+Daar bereikten we de eerste dwarsstraat. We vlogen den hoek om, en
+kwamen midden in een hoop blaffende en vechtende honden terecht. Die
+vergaten natuurlijk aanstonds hun geschillen, om op de hollende
+jongensbeenen af te stuiven. Maar die renden er, behalve één paar, allen
+tusschen door, de honden trappende, zoodat ze jankend wegstoven. Alle,
+behalve één paar. En die waren van mij.
+
+Ik was bang voor honden. En toen ik daar zoo plotseling door zes of
+zeven blaffende honden besprongen werd, stond ik dadelijk stil. Ik
+durfde niet door die woedende bekken heenbreken.
+
+Maar achter me kwam de kerel in zijn overhemdsmouwen en zijn bloote
+hoofd.
+
+Toen stond ik ineens voor de uitstalkast van een koek- en banketwinkel.
+Dat was tegenwoordigheid van geest. En ik bewonderde de uitstalling met
+zoo ongeveinsde belangstelling, dat ik den man aan het twijfelen bracht.
+
+Daar was een kunststuk van suikerbakkerij. Een tandarts had een boer een
+kies getrokken. Hij stond met de kies nog in de tang. Maar de boer hield
+beide handen aan 't pijnlijk vertrokken gezicht. En in witte
+suikerletters stond er bij te lezen:
+
+ _Je hebt de verkeerde getrokken.
+ Ik trek je ze allemaal voor hetzelfde geld._
+
+Het geheele kunstwerk was in een glazen kastje geborgen.
+
+Van dezen humor stond ik bevend te genieten, toen ik een stem achter me
+hoorde: »Jij was er ook bij, bliksemsche smeerlap!"
+
+»Waarbij, meneer?"
+
+»Ja, sta me nou maar niet te bedondere. Ik heb je heel goed gezien."
+
+»Ik weet nergens van, meneer!"
+
+»Heb jij niet met je vuile poote aan dat winkelraam gezete?"
+
+»Nee meneer, heusch, ik weet nergens van."
+
+Dat woord »heusch" was een woord, dat we alleen bij zulke gelegenheden
+gebruikten.
+
+De meneer in zijn hemdsmouwen scheen zich door mijn schijnheilig
+gezicht toch te laten »bedondere". Hij was niet zeker van zijn zaak.
+Grommend en scheldend trok hij af, terug naar zijn winkel.
+
+Toen liep ook ik verder. Neen, ik wandelde verder. Wat genoot ik van
+mijn triomf! De andere waren naar huis gehold, de dwarsstraat uit, den
+hoek om, en zoo verder. Ik wandelde op mijn dooie gemak, als een
+rentenier, als iemand, die zijn tijd aan zich heeft en zijn omgeving
+volkomen beheerscht.
+
+Daar kwam nog iets bij. De vent had zich nog eens kunnen bezinnen en me
+toch in mijn nek willen nemen. Daarom mocht hij geen oogenblik denken,
+dat ik haast had, om weg te komen. Zonder om te kijken slenterde ik de
+dwarsstraat door als een volmaakt onschuldige. Ik bleef in mijn rol.
+
+»Wie niet sterk is, moet slim zijn." Juist. Wie niet sterk is, _dient_
+slim te zijn. Of hij gaat ten onder.
+
+Wie niet sterk is, _is_ slim. Dat is zijn instinkt tot zelfbehoud.
+
+Ik was niet beredeneerd slim. Ik had dat mooie redmiddeltje niet
+uitgedacht. Ik was instinktmatig slim, zooals een drenkeling
+instinktmatig de armen uitslaat. De slimheid was er, ineens, onbedacht.
+Ze was mezelf een verrassing. De slimheid--ge moogt ook zeggen: de
+huichelarij--was door den nood voortgebracht. Ze was een noodprodukt,
+gelijk zekere vieze lucht bij den bunzing.
+
+Toen ik in onze straat en bij ons huis kwam, zaten de anderen reeds
+rustig op de stoep, zoo maar op de koude, hardsteenen stoep.
+
+Een luid gejuich ging op, toen ze me zagen. Geen oogenblik hadden ze
+gevreesd, dat ik »in die kerel z'n poote" was gekomen. (Jongens
+gebruiken bij voorkeur ruwe woorden en sterke uitdrukkingen, evenals
+het plebs, niet uit plebeïschen zin, maar, en alweer evenals het plebs,
+uit onrijpheid: Kleine kinderen maken vuile luiers). Ze waren dus geen
+zier ongerust omtrent mij. Ik zou me wel gered hebben op een of andere
+manier. Wij waren niet kleinzeerig of gauw bekommerd ten opzichte van
+elkaar.
+
+En toen begon het opsnijen. Ik hoor een der jongens nog vertellen, dat
+hij midden in dat hondengeraas op een grooten hond was gesprongen, dien
+bij zijn ooren had gepakt om hem te mennen, en zich zoo naar huis had
+laten rijden. En wij schenen dat te gelooven. Ik herinner me tenminste
+niet, dat het verhaal als onmogelijk verworpen werd. Het behoorde tot
+de heldenfeiten, die we verrichten of verzonnen, maar in ieder geval
+bewonderden.
+
+Mijn daad werd ook bewonderd. Ik had dien kerel mooi (tegenwoordig
+zeggen de jongens: fijn) te pakken gehad. En niet een van ons dacht aan
+de schade, die we den man berokkend hadden.
+
+Niet een begreep zijn woede over onze pure en brutale baldadigheid. We
+kwámen niet in zijn geval.
+
+»Hè, wat bliksemde dat glas lekker naar beneje! En wat holde die kerel
+met zijn bloote kop! Jammer dat die honden hem niet in zijn poote
+gebeten hebbe!"
+
+Dat was ons medelijden.
+
+ * * * * *
+
+Nog twee herinneringen zijn me bijgebleven aan de school op de
+Lindengracht. Ze staan beide in verband met het huis van den
+bovenmeester.
+
+Ik moet op een keer eens iets heel erg kwaads gedaan hebben. Wat, dat
+weet ik niet meer. Maar het nablijven in de gewone school was blijkbaar
+niet erg genoeg. Ik moest met meneer Kuyper mee, eenige portalen door,
+naar zijn woning, naast de school en daarmee verbonden.
+
+Wij gingen een trap op, ik voor, hij achter. Wat was dat indrukwekkend.
+'t Was er zoo stil. En dan alleen met den bovenmeester. In zijn eigen
+huis!
+
+Wij kwamen boven in een gang met witgestukadoorde muren. Er lag een
+looper.
+
+Toen moest ik daar in den hoek staan. Meneer Kuyper ging naar binnen, in
+een kamer.
+
+Ik stond er, doodstil.
+
+Wat was het hier rustig.
+
+Wat was het hier vredig.
+
+En zoo netjes.
+
+Er zweefde iets lieflijks in de atmosfeer.
+
+Ik voelde me heerlijk. Volmaakt gelukkig.
+
+En dat onder die allerstrengste straf.
+
+Maar het zou veranderen. Meneer Kuyper had een hondje. Ik hoorde het
+blaffen. Weg was mijn rust. Voor iederen hond was ik bang. Nu stond ik
+doodsangsten uit, dat het dier in de gang zou komen.
+
+Daar had je de ellende al. Een deur ging open. Blaffend kwam het
+keffertje er uit en rende natuurlijk aanstonds naar mijn beenen.
+
+Ik drong me, in angst, tegen den muur aan, en begon luid te schreeuwen.
+Ik wrong me buiten het bereik van het gebit. Maar dat tuig is altijd
+zoo, dat ze juist bange jongens het ergst aanblaffen. 't Is onedel
+gedierte, bijna zoo onedel als een straatjongen.
+
+Gelukkig klonk daar een lieve vrouwenstem. Die riep het hondje weg. Het
+was de nog jonge vrouw van den bovenmeester. Ze kwam in de gang. Ze zag
+mijn beschreide oogen, en zei enkele zachte woorden. Ze vroeg, of ik zoo
+erg ondeugend was geweest. Ik keek haar aan. Er was zeker iets smeekends
+in mijn blik. Ze legde haar hand op mijn hoofden streelde me. Toen ging
+ze even naar binnen, en bracht me een boterham.
+
+Lieve schoolmeesters in Nederland, die dit leest. En ook gij,
+huisvaders. Luistert nu eens goed. Ik weet absoluut niets meer van het
+kwaad, dat me deze buitengewone straf op den hals heeft gehaald. Ik weet
+niets meer van den geduchten uitbrander, dien ik zeker gekregen moet
+hebben. Van die geheele geschiedenis weet ik niets meer.
+
+Maar ik weet nog wel van die gang, en van dat hondje, en van die lieve
+vrouwenstem, en van die zachte vrouwenhand, en van die boterham.
+
+Ik voel nog de verademing, de ontroering, de dankbaarheid bij _haar_
+verschijning. Die stem, die hand, die boterham, dat was nu opvoeding,
+dat was christelijke opvoeding.
+
+Daar boven, in het hoekje tegen den muur, daar ben ik christelijk
+opgevoed. Zoo maar zonder catechismus. En in enkele oogenblikken.
+
+Toe, geloof me nu eens. We beseften ons eigen kwaad zoo weinig, dat we
+er in roemden. We gaven niets om straffen, en als ze wat bijzonder
+waren, hadden we zelfs gevoel voor het aantrekkelijke er in. Maar ons
+harde hart brak bij een zacht woord. En we voelden ons gezegend en
+geheiligd door een teere hand.
+
+ * * * * *
+
+We gaan nog eens naar het huis van den bovenmeester. Maar nu blijven we
+buiten staan.
+
+'t Is tusschen half negen en negen uur. De schooldeur is open. De
+kinderen komen de Lindegracht op. Maar allen kijken even naar de deur
+van het woonhuis. Daar is een briefje op aangebracht: »De zieke heeft
+een onrustigen nacht gehad. Toestand hetzelfde." Dan loopen ze zacht
+door en gaan stil naar binnen.
+
+Meneer Kuyper is ziek. 't Is ernstig, heel ernstig. Elken morgen wordt
+de toestand meegedeeld. Er mag niet gebeld worden.
+
+Er ligt een donkere schaduw over de school. We denken niet aan
+ondeugendheid. Met den meester hebben we een wapenstilstand gesloten.
+Dit briefje stemt ons tot gehoorzaamheid, hem tot redelijkheid. Hij is
+een poos geen barbaar.
+
+De zieke daarboven beheerscht de school. Alleen door zijn ziekte. Weet
+hij nog wel iets van wat er beneden gebeurt? Waarschijnlijk niet. Maar
+wij weten wel, wat daarboven gebeurt. Daar ligt hij ziek. Hij, die
+teere, bleeke figuur. Nu ligt hij te bed, nog bleeker dan ooit.
+
+We weten wel zooveel, dat zulke briefjes op de deur een veeg teeken
+zijn. Dat doet men alleen bij heel, heel erge zieken. We loopen zacht
+het huis voorbij. Er is geen geschreeuw op de gracht. Hij is ziek. Hij.
+
+De berichten op de deur worden steeds ernstiger. Eindelijk lezen we:
+»Hedennacht overleden." De gordijnen zijn gezakt. Er is geen school. We
+gaan naar huis. Niets, niets blij met de vakantie.
+
+Ik denk aan dien zachten man, biddende met zijn zachte stem. Ik hoor hem
+weer aan 't orgel.
+
+Ik denk aan zijn lieve vrouw. Die zal nu wel erg bedroefd zijn.
+
+Ik denk aan 't hondje.
+
+En nu, veertig jaren later, denk ik:
+
+Ik wou, dat die lieve vrouw nog leefde. En dat ze dan dit las. Dan
+zou ze hooren, wat ze zeker nooit geweten heeft, hoe dat ondeugende
+jongetje, daar boven in de gang--ze herinnert zich geen jongetje?--hoe
+dat jongetje haar en haar lieven man in gezegend aandenken heeft
+gehouden. Zijn leven lang.
+
+ * * *
+
+Toen meneer Kuyper de school aan de Lindegracht verlaten had, ging ook
+ik weg. Ik heb een flauw vermoeden, dat het om achterstallig schoolgeld
+was, maar zeker weet ik het niet.
+
+Maar ik was blij, dat ik wegging.
+
+
+
+
+IN HUIS.
+
+
+Wat weet ik nog van mijn huis? Ik ken er nog de heele geografie van,
+hoewel ik die nooit heb gememoriseerd. Hier is een stukje landkaart van
+den winkel.
+
+ ______
+ +-======-------======-------------------+
+ | ¯¯¯¯¯¯ |
+ +------- -----------------------+ |
+ +-----| toonbank | |
+ | | | |
+ |stoep| winkel | |
+ | | | |
+ | | deur | |
+ | +-======-----+------+-----------+-------+
+ | | |===== trap naar den|
+ | hardsteenen | bank |===== kelder onder|
+ | stoep | |===== den winkel |
+ +------------------+------+-------------------+
+
+Je ging met een stapje de blauwe hardsteenen stoep op. Rechts stond een
+groengeverfde houten bank. Die hadden toentertijd alle menschen terzij
+van hun huisdeur. De Potgieterkenners onder mijn lezers herinneren zich
+wel de prachtige strofe: »Oud Amsterdam was 't kijkje waard," waarin
+onze dichter verklapt: »Ter sluik werd op die bank gekust." Dat nu deden
+wij nog niet.
+
+De stoep was voor ons wat de plankjes of het plat bij een duiventil
+zijn. We streken er op neer, als we van onze verre vluchten vermoeid
+thuis kwamen, ze was het buitenstuk van ons heim. Eenmaal op de stoep,
+waren we op ons erf. We zaten er, bij mooi weer, uren achtereen, terwijl
+de volwassenen op de bank van de avondlucht genoten. Vader zijn pijp
+rookend, een Goudsch krommertje. En dan bikkelden we er met de meisjes
+mee of deden malkaar verhalen, als 't wat donker werd, hoe griezeliger,
+hoe liever. Of we van die koude zitplaats buikpijn konden krijgen, daar
+dachten we niet aan, en in ieder geval bekommerden we er ons niet om,
+evenmin of de verbeelding verontrust of de slaap verstoord werd door die
+geschiedenissen.
+
+Een van mijn vriendjes, Jan S., hoorde thuis prachtige vertellingen.
+Zijn vader las Zondagsavonds voor uit een boek: »Christemeijer. Verhalen
+uit de lijfstraffelijke regtspleging." Hoe is het mogelijk, dat ik dien
+titel nog weet, met die onkinderlijke woorden van »lijfstraffelijke
+regtspleging." Dat komt doordat ik soms bij dat voorlezen tegenwoordig
+mocht wezen, dan naar dat boek zat te kijken en ook het titelblad heb
+mogen zien. Wat een kind toch al leeren kan, als men hem het zien niet
+verbiedt!
+
+Die verhalen waren echter voor ons te ingewikkeld. Wij vertelden elkaar
+van »Het huis met de hoofden." Dat stond op de Keizersgracht, een groot
+heerenhuis met zeven manskoppen in den voorgevel. Eens was de familie
+van dat huis uit en een meid alleen thuis. Die hoorde 's avonds laat
+gerucht bij een klein venstertje in de onderverdieping. Zij ging er
+heen, begreep al gauw dat daar roovers waren, en kreeg geen flauwte, of
+vluchtte niet in een kast, maar zette zich, gewapend met een vlijmscherp
+broodmes, op post aan de binnenzij van 't kleine raampje. Daar kroop een
+kerel naar binnen. Zijn ruige kop was zichtbaar, gemeene kop, met ruwen
+baard. Hij werkte er zich doorheen. Maar nu helpt zij hem een handje,
+snijdt hem in één haal den kop af--we hoorden dien vallen--en trekt dan
+den kerel naar binnen. »Kom maar," riep ze daarna met een gedempte
+mannenstem. Nummer twee kwam, doch werd net ontvangen als nummer een. En
+dat welkom werd het deel van alle zeven. Toen meneer en mevrouw thuis
+kwamen, kon de meid hun toonen, hoe wakker ze meneers bezittingen
+verdedigd had. Te harer eere werden er nu zeven koppen in den gevel
+aangebracht, en dikwijls maakten wij, jongens, een tocht naar dat huis,
+om de gemeene tronies aan te kijken, maar vooral om te tellen, of er wel
+echt zeven waren.
+
+De paedagogiek kan uit deze eigenaardige bedevaarten leeren, welke
+beteekenis het _woord_ heeft voor de zaakkennis, het belangstelling en
+onderzoekingslust wekkende woord. Maar dat woord moet dan interessant
+zijn, inslaan in de kinderziel, als het verhaal van »Het huis met de
+zeven hoofden".
+
+Een andere vertelling was van een kind, dat zijn beentje was afgezet,
+zonder dat beentje gestorven en begraven was, en nu elken nacht
+rondspookte, om zijn beentje te zoeken. Met een donkere grafstem liet
+de verteller het dwalende kind roepen: »Mijn beentje, mijn beentje!
+Wie heeft er mijn beentje?" Ademloos zaten we te luisteren naar den
+grafgewelfgalm in de klanken van dat _beentje_, de donkere _ee_, gevolgd
+door den galmend rekkenden neusklank. Beproef het eens, zeg het eens
+overluid met een zoekende, donkere, dreigende stem, en ge zult de
+werking van die beenderklanken hooren: »Wie h_ee_ft er mijn _beentje_?"
+De _ee_ van _heeft_ werkt eerbiedig mee, stille bijtoon bij de donkere
+grafgalmen. En als dan de verteller ons geheel in de stemming had
+gebracht, wij het spokende kind zagen en de smartelijke stem hoorden,
+dan sprong hij ineens op, greep een der toehoorders bij de schouders,
+en riep met woedend uitvallende stem: »Jij hebt mijn beentje!"
+
+We wisten vooruit, dat dit komen moest, alleen wisten we niet wien het
+treffen zou, maar telken keer als het verhaal dien plotselingen keer
+nam, sprongen we verschrikt op, sidderend van ontsteltenis. Hè, dat was
+heerlijk geweest, zoo griezelig heerlijk.
+
+Weer een ander verhaal was van den jongen edelman, die zijn vader
+vermoord had, om de vrije beschikking te kunnen krijgen over diens
+rijkdommen. Eenzaam zat de ontaarde zoon in zijn kasteel. Maar te midden
+van al zijn schatten voelde hij zich niet rustig. 't Was herfst. Buiten
+gierde de wind door 't gebladerte. En binnen was hij, luisterend naar
+alle gillen en loeien van den wind om 't hooge huis. Hoor, daar treft
+een vreemd geluid zijn oor. 't Is of er iemand de steenen trap oploopt.
+»Slof, slof, slof, slof!" Zoo sleepte zijn oude vader zich altijd naar
+boven. De zoon beeft van angst en onrust. Maar hij vermant zich, en gaat
+kijken. Daar ziet hij, langzaam de trap opzuchtend, een witte gestalte,
+in wijden mantel, en met langen, grijzen baard. Het is zijn vader.
+Ontzet snelt de vadermoordenaar naar binnen, werpt de deur in 't slot,
+en verbergt zich daarachter met zijn schuldig hart. Maar deuren en
+sloten mochten niet baten. Elken avond, op een vast uur, hoort hij dat
+zachte, maar doordringende: »Slof, slof, slof, slof." Hij stopt zijn
+ooren toe, maar 't helpt niet. Dikke gordijnen hangt hij voor de deur,
+maar ze konden het geluid niet smoren. Klokke tien kondigde het
+eentonige, zuchtende gesleep op de trap het bezoek van den vermoorde
+aan, avond aan avond, totdat eindelijk de zoon krankzinnig werd van
+angst en niemand het groote kasteel meer durfde naderen.
+
+Die uurtjes van vertellen waren zalig. De volwassenen zaten op de bank
+of op wat stoelen, die men er bij gezet had. Wij schoolden, terzij van
+'t huis, op de stoep samen, kropen dicht bijeen, en huiverden van genot.
+»Wat zijn de jongens stil," zei Moeder dan, gewoon aan ons altijddurend
+hollen en schreeuwen en stoeien. Geen wonder. Wie zou een kik gegeven of
+beweging gemaakt hebben, bij het somber rondgaande: »Wie heeft er mijn
+beentje," of het huiveringwekkende: »Slof, slof!" Die vertellingen met
+zoo'n telkens weer opdoemende vraag of herhaald geluid waren ons nog het
+liefste, want dan hoorde je het spookachtige telkens dichterbij komen.
+Je hart kromp er bij ineen. Dát was genieten. En dan ging je straks stil
+in huis en naar bed.
+
+ * * * * *
+
+Van de stoep kwam je in den winkel. Wat beteekende die winkel voor ons,
+kinderen? Een last en een lust.
+
+De last was het boodschappen-loopen. Pas was je uit school, of je
+hoorde: »Loop eens gauw naar die of die en breng daar de koffie." Die
+of die woonde natuurlijk niet in de buurt, anders was de boodschap
+niet noodig geweest. En dan moest je, in plaats van lekker op straat
+te spelen, een half uur ver, met moede beenen slenteren door vervelende
+straten of langs lange grachten. Die beenen zouden niets moe zijn
+geweest, als ze hadden mogen hollen bij het krijgertje-spelen. En hier
+moet de paedalogie bij haar vermoeidheidsproeven eens goed nota van
+nemen. Ik bedoel, of de vermoeidheid dikwijls niet meer in de gedrukte
+gemoedsstemming zit, dan in het werk; of tegenzin en teleurstelling niet
+meer verlammen dan physieke en geestelijke inspanning, al hebben
+deze--natuurlijk!--haar grenzen.
+
+Vooral de Zaterdagnamiddag was voor mijn twee jaar ouderen broer en mij
+een ellende. Dan moesten we geregeld »klantenloopen". Met zware manden
+sjokten we dan eerst het eene eind van de stad in, en dan het andere.
+
+Gelukkig hadden we onze bepaalde menschen, waar je altijd een paar
+centen kreeg. Dat waren dan meestal goedige dienstboden, en dat kan ik
+nu, uit de verte, best begrijpen: die wisten bij ervaring, hoe aangenaam
+zoo'n kleine verrassing is. Men ijvert vaak tegen de fooien. Zeker, er
+zit een kwaad aan vast. Maar toch ook, zoo'n enorme massa levensgeluk
+wordt in die kleine schenkingen dagelijks onder de menschen verspreid.
+Ik geef ze graag, omdat ik ze altijd zoo graag ontvangen heb. Een paar
+centen, en een lange, zware terugweg werd verkort en verlicht. En dat
+zou nooit bereikt zijn door een vast loon, al wil de redeneerzieke
+mechanicus dit ook beweren. Een gulden meer weekloon is _niet_
+hetzelfde als een gulden fooien. Zoo iets meent en verdedigt alleen
+de kortzichtige in-mekaar-zetter van 't leven. Die verhooging van
+weekloon wordt al gauw een stuk gewoonte, niet meer gevoeld, niet
+meer gewaardeerd; niet meer een levensvreugde. En die langzaam bijeen
+gekregen fooien, opklimmend tot bij, tot aan den gulden, maken de heele
+week goed, dag aan dag, geven telkens een geluksemotie.
+
+Nu moet men niet zeggen: O, die kapitalistische Jan Ligthart is tegen
+loonsverhooging en wil den minderen man liefst met fooien afschepen,
+met gunsten, in plaats van met rechten, zoo houdt hij ze meteen in
+vriendelijke onderdanigheid, want dan heeft men de strekking der
+opmerking niet begrepen. Ik wil alleen, bij de steeds toenemende
+vermechanieking van het leven, er op wijzen, dat er ruimte moet blijven
+voor spontane uitingen en er aan herinneren, dat een mensch altijd een
+kind blijft, gevoeliger voor kleine verrassingen, dan voor groote
+geregeldheden. Wij waren gelukkig met een paar centen, en ik zal al heel
+blij zijn, als dit mijn kindergeluk dezen of genen lezer of lezeres
+bewegen mocht, den jongen van den kleermaker of uit den mantelwinkel,
+die een half uur ver met die zware doos aan zijn arm heeft gesjouwd,
+niet te laten afdruipen zonder hem eerst vijf centen in de hand te
+hebben geduwd. Ik verzeker u plechtig, dat hij geen principieele
+bezwaren zal maken. En men zal eens zien, wat zoo'n stuiver een invloed
+heeft, niet alleen op zijn beleefdheid, maar ook op zijn beenen.
+Vermoeidheid en--gemoedsstemming.
+
+Een der klanten was een oude nicht. Ze woonde--wat weet ik dat nog
+goed--binnenshuis (we zeggen tegenwoordig »en pension") op den
+Haarlemmerdijk. Ik zie den weg nog, dien we volgden, en op dien weg
+een heel gemeenen streek, dien ik uithaalde. Nicht was een oude,
+vriendelijke vrouw. Als we de boodschappen brachten, mochten we altijd
+boven komen, op haar keurig nette kamer. Bij de boodschappen was ook
+geregeld een half pond Janhagel, dat we eerst haalden bij Hagtingius,
+den koekbakker, die in een mooi hoekhuis recht tegenover ons woonde, de
+brug over. Die naam Hagtingius--ik durf er op zweren--is goed gespeld,
+en kwam toch in geen enkel taalboekje voor. Ik zag hem dagelijks, en,
+zooals kinderen doen als 't hun niet verboden wordt, ik keek er naar
+en las hem meermalen hardop. Kinderen prenten zichzelf zoo onnoemelijk
+veel in--als 't hun niet verboden wordt. Een wandelend jongetje, dat
+op straat bij ieder stuk »taalwerk" staan blijft, om het opmerkzaam te
+lezen, wordt echter gewoonlijk door zijn moeder meegesleurd. Moeders
+hebben geen aasje idee, hoe ze daarbij hun kinderen het groeien
+belemmeren. Zelfs schoolmeesters weten dat menigmaal niet.
+
+Maar wat heeft Hagtingius met mijn oude nicht te maken? Hij deed de
+lange reepen Janhagel in een witpapieren zak en die goeie nicht haalde
+de heele stukken daar uit en gaf ons de brokken. Dat wisten we, het
+gebeurde week aan week. En wat deden we nu? Onderweg hielden we den
+zak onder den arm en drukten er telkens tegen. Als we dan iets voelden
+knappen, hadden we ons stukkendeel vermeerderd. En begrijp nu wel,
+hoe listig, hoe huichelachtig ik daarbij te werk ging. Rondweg, door
+snoepen, ons verrijken, deden we niet. Dat was »stelen". Den zak
+openmaken, om een paar reepen door te breken, deden we ook niet, want
+je kon zoo'n zak nooit weer zoo netjes in de plooien toevouwen als de
+winkelier. Maar, moedwillig per ongeluk, den koek onder den arm kneuzen,
+dat deed ik wel. Zoo kon ik mijn deel vergrooten, en mijn geweten in
+rust houden. Heeft Jeremia niet geschreven: »Arglistig is het hart, meer
+dan eenig ding; doodelijk is het. Wie zal het kennen?" Ons onschuldig
+kinderhartje muntte ook al uit in arglistigheid. En als we dan bij
+nicht waren, en ze legde zoo netjes de reepen in haar verlakte
+koektrommeltjes, en ze gaf ons met een vriendelijk gezicht en een zachte
+hand al die brokken, dan stonden we daar met een schijnheilig gezicht
+bij, namen als zoete jongetjes--het petje in de linkerhand--de brokken
+met de rechterhand aan, want je moest altijd iets met de rechterhand
+aannemen, dat was netjes, ook de door bedrog verkregen dingen, en,
+kleine, gemeene huichelaars als we waren, groetten nicht heel beleefd,
+want ook dat hoorde zoo, en gingen met ons listig gestolen goed de
+straat op, om daar er van te genieten. Gestolen? Nicht had het ons toch
+eerlijk gegeven? »Arglistig is het hart, meer dan eenig ding."
+
+En nu knoopt zich aan deze afzetterij nog een ervaring vast. Nicht had
+een meid-huishoudster, die ons altijd met een heel zoetsappig gezicht
+begroette. De vriendelijkheid kwijlde haar haast uit den mond, als ze
+ons de deur opende met haar temerig: »Dag jongeheeren! Zal uwe goed uw
+voetjes vegen!" Als neefjes van haar »commesales" behandelde ze ons met
+voorzichtigen eerbied. Maar eens hoorden we haar, over ons sprekend,
+zich gansch anders uiten. »Daar komme die jongens weer met d'r vuile
+poote je trap bederve. Nou hei je ze pas schoon." Toen had ze voor goed
+bij ons gedaan, dat gemeene wijf, dat zoo vriendelijk was in je gezicht
+en achter je rug op zoo'n manier over je sprak. We konden haar niet meer
+luchten of zien, hadden een hartgrondigen afkeer van haar gemeene
+huichelarij.
+
+Wonderlijk toch. Háár huichelarij konden we niet vergeven, en de onze,
+ofschoon er eigenlijk nog afzetterij mee gepaard ging, bezwaarde ons
+niemendal.
+
+Zouden we, nu als volwassenen, nog net zoo zijn? Zou er ook nu nog een
+hemelsbreed verschil zijn tusschen het kwaad van buurman en het onze?
+
+Om de waarheid te zeggen, ik geloof, dat we ook hierin kinderen blijven.
+Sommigen schijnen te meenen, dat een kind in menig opzicht een gansch
+ander wezen is dan de volwassenen. Ik heb altijd gedacht, dat de
+volwassenen precies nog kinderen zijn, uitgegroeide kinderen. In mezelf
+vind ik nog in alle opzichten het kind terug. En pas dus maar goed met
+me op, want je ziet, met mijn schijnheilig gezicht ben ik een gemeene
+huichelaar, terwijl ik me nog bovendien erger aan _uw_ huichelarij en
+daar mijn veroordeelend vonnis over strijk.
+
+We zijn als de jongen, wiens duiven door de kat werden opgegeten.
+Die kat is een gemeen roofdier, maar wij, die kippetjes slachten en
+konijntjes braden, wij zijn brave wezens. Terwijl we de malsche boutjes
+smakelijk verorberen, zitten we die kat te verwenschen en smeden
+moordplannen op haar leven. Zien niet, dat, als zij zondigt, wij het
+nog in veel erger mate doen. De oude geschiedenis van den splinter en
+den balk. Daarom lijkt het mij zoo goed, bij ieder concreet geval, het
+kind aan zichzelf te ontdekken. Niet in algemeene preekjes, maar in
+persoonlijke ervaringen leeren we onszelf kennen, als wijze liefde ons
+maar de oogen opent. Maar het is veel gemakkelijker--te genieten met de
+oogen dicht.
+
+ * * * * *
+
+De lusten van den winkel--het is droevig, dit opnieuw te moeten
+belijden--bestonden in het snoepen, dus in het bestelen mijner ouders.
+Achter de toonbank ging men langs een trapje van drie treden omhoog
+naar de huiskamer. Op mijn »kaart" is het trapje door een paar lijnen
+aangegeven. De huiskamer had geen anderen uitgang, en we konden dus
+nooit naar buiten, of 't ging het trapje af, achter de toonbank om, den
+winkel door. Bij dien tocht liepen we door een wereld van verleidingen:
+de krenten, de rozijnen, de vijgen, de broodsuiker, de witte en de
+bruine kandijklontjes, zij lagen in open bakken, lokkend de koopers van
+buiten en de snoepers van binnen. Onder de toonbank stonden de vaten met
+stroop en appelgelei, ook lokkend, zij het onzichtbaar, lokkend door een
+geweten tegenwoordigheid. En nu ging ik maar zelden den winkel door,
+zonder in de gauwigheid wat te snoepen: een greep uit den krentenbak,
+een lik uit de stroopton. Alleen het oog der volwassenen, dat door de
+neteldoeksche gordijnen van de glazen kamerdeur ons kon bespieden, of de
+aanwezigheid van den winkelknecht weerhield er ons van. Maar anders--ik
+beloof u, dat ik weet wat snoepen is. Het was voor mij niet een zonde
+van nu en dan, het was een dagelijksch bedrijf.
+
+En nu komt weer het wonderlijke. In de Eglantiersdwarsstraat, geen
+twintig huizen van ons af en schuin tegenover ons, werd een nieuwe
+kruidenierswinkel geopend, een konkurrent. En hij schaamde zich zijn
+doel niet: met mooie, groote letters stond er op geschilderd: =DE
+CONCURRENT=. Dat vonden we allemaal gemeen. Dat die man zijn brood moest
+verdienen, spreekt vanzelf, maar dat hij zoo openlijk voor zijn doel
+uitkwam, om je te verdringen, en daartoe vlak in je nabijheid kwam
+zitten, dat was een laagheid. En we haatten dien man. Wanneer ik in de
+straat speelde, of naar school ging, was die winkel mij een voortdurende
+haatprikkel, en te meer, omdat hij er zoo mooi uitzag, alles zoo nieuw
+en frisch en goed in de verf, en de waren met groote cijfers alle iets
+lager geprijsd dan bij ons.
+
+De gevolgen bleven niet uit. De eene klant na de andere verliet ons,
+natuurlijk niet de »uitbrengklanten", maar de »winkelklanten", de
+burger- en arbeidersvrouwtjes uit de buurt. Ze konden 't daar goedkooper
+krijgen. En alleen de enkele goede vrienden en buren bleven, en dan zij,
+die in 't krijt stonden en dus maar niet dadelijk weg durfden gaan.
+Toch, ook die verlieten ons, en wellicht juist door hun achterstand.
+Ze konden hun schuld toch niet betalen, en dropen nu langzaam af. Dan
+hadden ze meteen de zachte aanmaningen tot betalen niet meer aan te
+hooren.
+
+Mijn vader was een zachtaardig, eerlijk man, totaal ongeschikt voor
+zaken. Hij geloofde iedereen en liet zich door iedereen bedriegen. Door
+de reizigers en leveranciers, die hem bedorven waar aansmeerden--ik weet
+nog van een heel vat gedroogde pruimen, waar de maden uitkropen--en
+door de klanten, die hem niet betaalden. Geen wonder dus dat de zaak,
+nu daar bovendien een bloedzuigende konkurrent haar dagelijks het
+levensvocht aftapte, spoedig verzwakte en verstierf. Alle pogingen,
+om met de uiterste vriendelijkheid en inschikkelijkheid de klanten te
+behouden, mochten niet baten. Eerst praatten de menschen met je mee,
+vonden het een schandaal dat zoo iets maar mocht, iemand zoo het brood
+uit den mond stelen. Dan lieten ze zich ontvallen, dat een beetje
+lager prijs in een huishouden toch maar goed te pas kwam. Eindelijk
+bleven ze weg, en je zag ze je deur voorbijgaan, naar den konkurrent.
+Zaterdagsavonds stond daar de winkel berstens vol. O, ik zag het, met
+het hart vol nijd en wee, en de oogen vol tranen. En 's avonds, in bed,
+bad ik met een heel warm hart Onzen lieven Heer, of Hij vader nu toch
+niet helpen kon.
+
+Maar hoe hielp _ik_? Door----te blijven snoepen.
+
+Is dat nu niet wonderlijk? Diep voelde ik met mijn vader mee. Vurig
+bad ik, dat Onze lieve Heer hem helpen mocht. En ik had zelf zoo braaf
+geholpen, met hem arm te snoepen en ging daar gewoon mee voort.
+
+Ik haatte den konkurrent, haatte de buurtmenschen die wegbleven, haatte
+al wie mijn vader benadeelden. Waarom haatte ik zijn jongsten zoon,
+waarom haatte ik mijzelf niet, die hem voortdurend met kleinigheden had
+bestolen?
+
+Praatte ik mijn misdrijf wellicht goed met een mooischijnende
+redeneering?
+
+O neen, 't was veel erger. Ik _voelde_ mijn misdrijf niet eens. Ik wist
+het, en ik zag het toch niet.
+
+Wanneer ik mijn broer zoo had zien snoepen, zou ik hem zeker een
+harteloos kind gevonden hebben. Je vader te benadeelen, die toch al zoo
+in nood zat! Neen, tot zulk een gemeenheid zou ik zeker nooit in staat
+zijn geweest!
+
+Maar nu ik het zelf deed? Nu zag ik de gemeenheid niet, ofschoon ik ze
+verstandelijk wist. Nu had ik ze niet eens te verontschuldigen, omdat ze
+niet als schuld in me _werkte_.
+
+Schuldbesef is niet genoeg. Er moet in 't menschen- en kinderhart
+schuld_onrust_ zijn, schuld_ellende_.
+
+Neen, de zedelijke opvoeding is zoo gemakkelijk niet. Men komt er niet
+met een preekje. Afkeer van het _kwaad_ is zoo moeilijk aan te brengen.
+We bepalen ons gewoonlijk tot afkeer van de nare _gevolgen_ van het
+kwaad. Als _die_ ons maar niet plaagden, zouden we met het kwaad nog wel
+vrede hebben. Het kwaad voldoet zoo aan al onze zinnelijke en zondige
+begeerten, het vleit ons, het streelt ons. Maar de eenige begeerte die
+ons verheffen kon, de begeerte naar heiligheid, die _is_ er niet. We
+verbeelden 't ons wel, maar 't is zelfbedrog. Arglistig is het hart.
+Daarom is de bede om een »nieuw hart" zielkundig zoo juist en zoo
+dringend noodig. Maar zal die bede waarachtig zijn, dan moet er al
+vernieuwing des harten werken. Het bidden zelf, dat wil zeggen: niet
+het prevelen, niet het uitgalmen, maar het hartgrondig en waarachtig
+begeeren is al een bewijs van het »nieuwe leven".
+
+Meermalen verwonderen we ons, hoe een dronkaard zijn gansche gezin
+ongelukkig kan maken door toe te geven aan zijn drankzucht. Die
+dronkaard zat ook in mij. Ik vertrouw, dat mijn lezers betere menschen
+zijn.
+
+ * * * * *
+
+Men heeft al begrepen, dat we den winkel moesten verlaten. Doch zoo ver
+zijn we thans nog niet. We moeten eerst het huis nog verder doorgaan, om
+er uit alle hoekjes de herinneringen op te roepen.
+
+De huiskamer heeft me niet veel te vertellen. Alleen dat ledikant daar.
+Daar lag mijn jongste zusje in, toen ze de pokken had. Twee kinderen
+van het gezin waren niet ingeënt, en juist die twee werden tijdens een
+pokken-epidemie door de ziekte aangetast. Wat dat beteekende voor een
+winkel--ach, wat wordt er in sommige gezinnen soms bitter geleden. Twee
+kinderen ziek, de winkel leeg, dagelijksche angsten, geen inkomsten. En
+dat weken achtereen. Is het wonder, dat een winkelier geneigd is, zulke
+ziekten te verzwijgen? Gelukkig kunnen zij zich thans verzekeren tegen
+de schadelijke gevolgen van besmettelijke ziekten.
+
+Het stond er met Zusje treurig voor. Wij mochten natuurlijk niet bij
+haar komen. Maar op zekeren dag werden we toch bij haar gebracht. De
+dokter had gezegd, dat ze 't niet meer op kon halen, de ziekte was te
+hevig. En toen werden we aan Moeders hand in de kamer geleid. Ik weet
+dat nog heel goed. 't Behangsel van het ledikant werd opengeslagen, en
+daar lag het kind: een gelaat, geheel bedekt met zweren en korsten, één
+en al rood van de zweren. Het vroeger fijne gezichtje was opgezet, de
+oogjes verdwenen er in, de oorknopjes waren niet meer zichtbaar. Ik
+ging naar 't bed, en gaf haar een hand. Even bleven we staan; Moeder
+schreide. Toen liet Moeder het behangsel weer vallen en gingen we heen.
+
+Ik herinner me absoluut geen vrees voor besmetting, ook geen vrees voor
+den dood. Alleen herinner ik me dat roode, vurige, opgezette hoofdje,
+liggende op het kussen, den blik der weggezonken oogjes, en het
+uitgestoken handje.
+
+Wonder boven wonder, Zusje genas. Wat moet er in het gezin toen een
+blijdschap geweest zijn. Eerst die zorg, die angst, die hopelooze
+smart--en nu die vreugde. Dat zijn toch dingen van beteekenis in een
+huisgezin. Maar zij schijnen grootendeels buiten mij omgegaan, eerst de
+angst, toen de blijdschap. Er staat me tenminste niets meer van voor.
+Zoo zeer leefde ik in mijn eigen leventje. En zou dat niet met de meeste
+kinderen zoo zijn? Ze voelen meer voor de droeve lotgevallen in de
+verhaaltjes, dan voor de smarten in hun naasten kring. Ik herinner me
+heel nauwkeurig het zieke kind in haar bedje, alles wat ik gezien heb.
+Waarom ook niet de gevoelens, die toen het gezin beheerschten? Die
+gevoelens lagen waarschijnlijk buiten mijn levenssfeer. En dat stemt
+geheel overeen met de ervaring, die ik telkens opdoe. Kinderen van acht
+en negen jaar komen mij als een interessant geval vertellen, dat hun
+vader gestorven is of hun broertje. Bizonderheden daarbij deelen ze mij
+mee als iets merkwaardigs. Ook met hun kameraadjes spreken ze er zoo
+over. Er is geen spoor van aandoening te ontdekken. En dat is niet juist
+bij »ruwe jongens", maar ook bij heel »lieve en gevoelige meisjes".
+Natuurlijk zou ik wel kans zien, ze gauw aan 't schreien te maken, maar
+dat is geen kunst. Een feit is echter, dat de aangrijpende, smartelijke
+en voor hen zelfs zeer noodlottige gebeurtenissen, door de kinderen--de
+uitzonderingen daargelaten--niet schijnen te worden gevoeld.
+
+Wel was ik er zeer gevoelig voor, wanneer later de jongens op straat
+Zus voor »mottige" uitscholden. Ik mocht, in een bui van drift, me
+dan zelf nu en dan die vrijheid veroorloven, van vreemde jongens duldde
+ik het niet. Onmiddellijk vloog ik er op af en roste er op. En heel
+eigenaardig, een verontwaardigde en moedige jongen is sterk, al is hij
+zwak. Zulke afrosserijen liepen nooit ongunstig voor me af. Dan was er
+iets in me van een leeuw, die zijn welpen verdedigt. Een drift, die geen
+gevaren telt, geen gevaren ziet, die voor niets terugdeinst en daardoor
+onoverwinnelijk is. Ha, ik zou ze kapot geslagen hebben. En omdat ze dat
+zagen, en omdat ze dat voelden, daarom deinsden _zij_ terug. Maar zulk
+een kracht ontwikkel je alleen, als je losbarst voor een edele zaak. En
+is er iets edeler, dan op te komen voor een »mottig" zusje? Zij kon het
+toch niet helpen, dat die ziekte haar zoo mismaakt had?
+
+Ik was niet de eenige jongen, die gevoeliger was voor een scheldwoord
+dan voor ziekte en dood. Het was regel, dat geen enkele jongen zijn
+vader of moeder liet uitschelden. Wie zich dat veroorloofde, kon op een
+onmiddellijk pak slaag rekenen. Schooiers van de straat--als hoedanig
+wij onszelf nooit beschouwden--scholden nog wel eens van: »Je ouwe
+vaar, die gezete het", of, nog erger, »die gehange het". Maar werd die
+smaad niet zonder omwegen met een afrossing betaald, dan bracht dat de
+gescholdene bij ons in minachting, die zulk een smaad op zich had laten
+zitten. »Van mijn mag je zeggen, wat je wilt, maar van mijn vader blijf
+je af," luidde het steeds. Is dit niet iets buitengewoon liefs en
+aantrekkelijks in de jongenswereld? Ik heb het altijd een heerlijk
+verschijnsel gevonden. Zelfs de grootste belhamel en de ongehoorzaamste
+zoon liet zijn vader niet beleedigen. Dit raakte zijn eer, zijn hoogste
+eer. En dan had je toentertijd nog onderwijzers--hoe is 't mogelijk--die
+zich niet ontzagen, een jongen te krenken in zijn ouders. Men heeft me
+wel eens verzekerd, dat zulke er nog zijn. Maar dàt is haast niet te
+gelooven.
+
+
+
+
+IN HUIS.
+
+(VERVOLG.)
+
+
+Op de kaart van den winkel ziet men nog een trap, ook achter de
+toonbank, maar heelemaal aan 't eind. Die trap liep naar beneden, en
+voerde met een tree of zeven naar de keuken, het tweede vertrek van de
+woning. Meer vertrekken waren er niet. Boven, in de huiskamer, sliepen
+onze ouders en de meisjes, beneden, in de keuken, onder de huiskamer,
+sliepen de jongens, vijf in getal, drie eigene en twee vreemde. Van dit
+vijftal was ik de jongste. Men begrijpt, dat ik daar in een goede
+leerschool was.
+
+'s Morgens, al tamelijk vroeg, moest de bende op. De oudsten gingen naar
+de Ambachtsschool, die om half acht of acht uur begon, en wel een half
+uur ver was. Dat was altijd een heel tumult. We wieschen ons allen boven
+den gootsteen, en daarbij moest de een op den ander wachten. 't Ontbrak
+dan niet aan aansporingen, om wat spoed te maken, aansporingen in de
+bekende ruwe jongenstaal, overgenomen van de volwassenen. Ik had de
+minste haast, bleef het langste in bed, en lag dat heele gescharrel aan
+te zien of speelde in mijn eentje scheepje. Het bed was het schip, de
+stoel er naast het bootje.
+
+'t Ging onder de jongens ruw genoeg toe. Zelden werd er een bij zijn
+gewonen naam aangesproken. Ieder had een karakteriseerenden bijnaam,
+een scheldnaam, die een zijner ondeugden of gebreken signaleerde, doch
+waarnaar hij niettemin gewoon luisterde. Dat hoorde je niet eens meer.
+De een heette, echt, Theodorus. Dat wil zeggen: Gave Gods. Maar, gesteld
+dat de anderen die beteekenis geweten hadden, wie hunner had in dezen
+kameraad een Gave Gods geëerd? De jongens zagen in hem heel wat anders
+en benoemden hem daarnaar. En dat vond hij tenslotte heel best.
+
+De naamgeving onder 't volk is zoo geheel anders dan die bij de
+geboorte-inschrijving. Bij deze laatste slepen we de reeds lang vergane
+eeuwen mee. Wie zou het nu in zijn hoofd halen, een kind met zoo'n ouden
+Griekschen naam als Theodorus te belasten. Maar zoo wil de gewoonte,
+de kultuur. De natuur doet echter anders. Reeds in de jonge moeder.
+Met allerlei naampjes streelt ze en vleit ze haar kleinen lieveling.
+Dag schat! Dag lieve pop! Dag hartje! Dag kleine bruinoog! Dag
+diefje-van-je-vaders-nachtrust! Dag lekker diertje! Zoo gaat het
+maar door, terwijl de deftige naam Theodorus weggesloten ligt op het
+geboortebriefje in Vaders kassette.
+
+En zoo werkt het ook in de jeugd. Ze vertolkt haar indrukken en
+stemmingen in de naamgeving. Ten onrechte noemt men dat schelden. Dat
+hierbij steeds roode haren en andere uiterlijke kenteekenen herdacht
+worden, spreekt vanzelf. Hoe zal men een rooie nu beter noemen dan
+rooie. Dat is zijn beste onderscheiding. De fout is, dat volwassenen de
+kinderen leeren, in roodheid of gebocheldheid of een andere afwijking
+iets zedelijk minderwaardigs te zien en hen voorgaan in geringschatting.
+Niet in het opmerken, benoemen en aanwenden der eigenaardigheid zit
+de fout. Integendeel, dat zijn drie deugden. Het opmerken toont
+onderscheidings-vermogen en belangstelling, het benoemen bewijst juist
+taalgevoel, en het aanwenden geeft blijk van praktischen zin. Maar de
+volwassenen gaan den kinderen voor in een valsche waardeering, in een
+liefdeloos oordeelen, in een hatelijk toerekenen. En is 't wonder, dat
+de kinderen dit voorbeeld volgen, en aldus een natuurlijk geestelijk
+proces bederven door een onzedelijk bijmengsel?
+
+Wie ziet, hoe gemakkelijk de jongens en ook de ruwere arbeiders zich
+wennen aan hun bijnamen, maakt daar niet veel drukte over. De wijze,
+waarop zoogenoemd beschaafde volwassenen in krant en vergadering malkaar
+uitmaken, is ja wat hatelijker.
+
+ * * * * *
+
+Het was een aardig gezicht, tusschen al die duwende en grauwende jongens
+mijn oudste zuster te zien doorscharrelen. Zij moest ook al vroeg op,
+meisje van 15 à 16 jaar. Dan ging ze naar beneden, om thee te zetten.
+
+Wat heb ik vaak, warm onder de wol, dat vriendelijk bedrijf rustig
+aangezien. Dan ging ze eerst naar den vuurhaard. Dat was een ijzeren
+pot op een »stookkacheltje". Het houten tafeltje, van een bizonder
+model, stond onder den schoorsteen, en droeg den vuurpot, een gewonen
+ijzeren pot op drie pootjes.
+
+De pot lag vrij vol met asch. Daaronder waren den vorigen avond een
+paar harde turven »ingerekend". Die hadden den heelen nacht zachtjes
+gesmeuld, en nu was het eerste werk om dat vuurtje »op te rakelen".
+Dan kwamen er een paar gloeiende kooltjes te voorschijn. Was het vuur
+te ver weg, dan werden er uit den doofpot, naast den haard, een paar
+»doove kolen" genomen, gedoofde doorgloeide turven, en daarmee het vuur
+opgehaald. En was de doofpot leeg, dan liep je even gauw naar den bakker
+aan den overkant, om een paar centen »doove kolen" te koopen, hij had
+ze in voorraad, of naar de water-en-vuurvrouw, om een cent of een halve
+cent vuur, in een verglaasd groen steenen testje. Honderden malen heb
+ik die boodschappen gedaan, want, na al het beleden en het nog te
+belijden kwaad, mag ik ook wel eens mijn deugd vertellen van heel groote
+bereidwilligheid. Nu ja, ik pruttelde wel, als ik zoo ineens uit mijn
+spel werd gehaald, maar nooit deed Moeder of Zuster een vergeefsch
+beroep op mijn hulp. Is het niet wonderlijk? Op school stond ik zeker
+bekend als een brutale schooier, en thuis--ik _kon_ mijn moeder of
+zuster niets weigeren, ook al wilde ik dit natuurlijk. »Jan, ga jij
+eens gauw naar...."--»Moet _ik_ nu al weer?"--»Toe, Moeder wacht er
+op."--En ik ging al. Ik weet zeer positief, dat ik heel gehoorzaam
+was, en het is me ook later vaak genoeg verzekerd. Ze konden alles
+van me gedaan krijgen. Een vriendelijke vraag--en ik moest het doen.
+Anders lag die vraag toch als een toenemende onrust, een aanzwellend
+verwijt, in mijn gemoed. Ik _moest_--niet door buitenafschen dwang,
+maar door innerlijken, onontkoombaren noodzaak. Mijn moeder en
+mijn zuster begrepen dit best en handelden er naar. Ze konden zoo
+onontvluchtbaar--vragen. Niets anders dan vragen. En die meester
+op school--hij kwéékte verzet--hij máákte ongehoorzaam.
+
+Hier moet ik eens even iets schattigs vertellen van een jong
+onderwijzeresje, die wat bij ons in de Tullinghstraat volontairde.
+Ze zou in de elfde klas eenige weken achtereen lesgeven. Daarin zaten
+lastige jongens van 11-13 jaar. Een der lastigste was Jan B. En toen
+zei dat onderwijzeresje, ze was zelf misschien pas 18, op een keer
+onder schooltijd tegen Jan: »Zeg Jan, je moet me een beetje helpen.
+Je moet niet vergeten, dat ik zelf ook nog maar jong ben. Ik moet het
+nog leeren." En dat zei ze zoo vertrouwelijk en vertrouwend, dat Jan
+een kleur kreeg en haar hielp, door op zichzelf te passen.
+
+Ik weet wel, dat dit weer precies het omgekeerde is van wat de
+paedagogiek noemt: »je gezag hooghouden". Maar zij _hield_ er haar gezag
+mee hoog. Dat was de ware hooghouderij. En Jan zat gevangen in zijn
+eigen grootmoedige bereidwilligheid.
+
+Anderen noemen dit slimme politiek. Maar wanneer ze het als zoodanig
+willen nadoen, mislukt het. Politiek slaagt niet in de opvoeding.
+Integendeel, ze wreekt zich.
+
+Het was zuivere harte-paedagogiek. Zichzelf gewaagd, om den jongen te
+winnen. Zichzelf gewaagd, niet in zwakheid, maar in kracht.
+
+Doch ik zou bij dat alles haast mijn zuster en de doove kolen vergeten?
+Toch niet. Ik had hier echter een kooltje onder de asch, dat ik eens
+even moest oprakelen. Misschien kon iemand er zich aan warmen.
+
+En nu weer naar den vuurhaard.
+
+ * * * * *
+
+Waren de kooltjes opgerakeld, dan werden er twee »talhouten" op gelegd,
+zoo, dat ze buiten den rand van den pot uitstaken, net twee houten
+breipennen, zooals meisjes die altijd, links en rechts, in de holten
+tusschen duim en wijsvinger laten liggen, en met een zwavelstokje werd
+er een vlam gemaakt. De zwavelstokjes kocht je in bundeltjes van een
+cent of een halve cent, en bewaarde je in een ophangdoosje tegen den
+muur naast den haard.
+
+Later leerden we, in onzen kweekelingentijd, van akkermaalshout, van het
+kappen daarvan om de zeven jaar, van het afschillen, 't voeren naar den
+runmolen en van de run naar de leerlooierij, en _ik heb nooit geweten,
+dat ik dit gekapte akkermaalshout reeds als kind zelf menigmaal op den
+aschpot had gelegd_. Dat hoefde je ook niet te weten, als je _je les
+maar kon opzeggen_. Voor die kennis kreeg je niets, maar voor die
+opzeggerij een 9 of een 10.
+
+Hoe ik dit dan later te weten ben gekomen? Door een boerenknecht. Die
+vertelde 't me. Die stomme boeren zijn vaak beter onderwijzers dan de
+geleerde schoolmeesters.
+
+Ook de zwavelstokjes hadden me iets kunnen vertellen. Zij hadden vroeger
+op het veld gestaan, toen ze nog deel uitmaakten van de hennepstengels.
+Wanneer van deze hoog uitgeschoten plantjes de zaadjes waren
+verwijderd--hennepzaad--en de bastvezels waren los geweekt voor de
+touwslagerij, gebruikte men den gedroogden houtachtigen stengel nog
+om er stokjes van te snijden of te hakken, holle stokjes van een of
+anderhalven decimeter lang. Die werden met beide punten in den gesmolten
+zwavel gedoopt en zoo kreeg je de zwavelstokjes. Mooi woord. Zoo
+eenvoudig. Zoo alleszeggend. En als je ze, zuinigheidshalve, langs de
+lengte in vieren knapte, hoorde je en voelde je tusschen je vingers
+zoo'n stokkerig geknap.
+
+»Een borreltje ineens, maar een zwavelstokje in vieren," zei de
+zuinigdoende drinkverkwisting. Mijn zuster nam een zwavelstokje, stak
+het aan in 't vuur, ik zag de blauwe vlammetjes, rook den zwavel. Een
+poos later vlamde het in later jaren zoo geleerde eikenhakhout en na een
+half uurtje kookte het water. De ketel hing aan een ijzeren ketting, die
+vastgemaakt was aan een dwarsliggende ijzeren stang in den schoorsteen.
+
+Nu werd de thee gezet, ook al zoo'n heerlijk ding om stil te liggen
+aankijken. Het kringelende water stroomde met een boog in den trekpot,
+damp vulde den keuken, damp en theegeuren, en na vijf minuten liep mijn
+zuster met kopjes thee rond, eerst naar boven voor vader en moeder, dan
+voor de jongens, en als ik heel zoet was, kreeg ik ook wat, met veel
+suiker en melk. Die lieve Christine. Zij droeg haar naam met eere. Zij
+was zoo'n echt christinnetje, want ze schold haar broertjes niet uit,
+maar gaf ze kopjes thee met veel suiker en melk. En nu is het wel waar,
+dat daar soms een klein beetje omkooperij bij was, maar dat kwam door
+den nood der omstandigheden en ons eigen booze, onwillige hartje. Bij
+háár was het zuivere neiging om ons wat zaligheid te brengen. Ze vond
+het zelf zoo heerlijk als ze ons goed kon doen. En zeg nu eens eerlijk,
+is dat niet het wezen van het christendom? »Alzoo lief...." we kennen
+toch dien wonderrijken tekst? Maar we vergeten, dat deze zelfde tekst,
+als we hem later uit het vragenboekje droog moeten memoriseeren, ons
+reeds lang bekend was, en net zoo dicht bij ons was geweest als de
+eikenhakhoutjes in den aschpot. Die tekst was ons al genaderd in de
+lieve zorg, in de koesterende liefde van dat zwoegende christinnetje.
+Wee, als het christendom niet gepredikt wordt door u en mij, in daden.
+Dan is het dood. En die daden behoeven niet de wereld te verbazen. Als
+ze de harten maar winnen. Ons Christientje was een zendelingetje, en
+haar preek was een kopje slappe thee met véél suiker en melk.
+
+ * * * * *
+
+Tot de keukenherinneringen behoort ook het naar bed gaan 's avonds.
+Moeder of Zus bracht ons naar bed. Bij het uitkleeden treuzelden we
+altijd. Maar er gingen klontjes of andere lekkernijen mee naar beneden.
+En dan was het: »Als je je nu gauw uitkleedt, krijg je een klontje."
+Dat zette er gang achter. En in een wip waren we uitgekleed.
+
+Dan knielden we bij den stoel neer en zeiden ons gebedje op:
+
+ 'k Leg mij om te slapen neder,
+ Goede God, die altijd waakt.
+ Wil mij door Uw gunst bewaren,
+ Als het kwade mij genaakt.
+
+ . . . . . . . . . . . . . . . . .
+ Dan leg ik mijn hoofdje neer.
+ Doe mij niet angstvallig vreezen,
+ Want Gij zijt mij heil, o Heer!
+
+ Neem mijn ouders en mijn vrinden
+ In bewaring dezen nacht,
+ Opdat morgen bij 't ontwaken
+ U de lof zij toegebracht.
+ Amen.
+
+Amen! We gaven Moeder of zus een nachtzoen, en sprongen in bed.
+
+De invloed van dat gebedje was heel kalmeerend. We zeiden het op met
+eerbiedige stem, en langzaam. Ik weet nog heel goed, dat ik minder aan
+de woorden dan aan den hoofdinhoud dacht. En dat blijkt ten overvloede
+uit de misvorming van het ons onbegrijpelijke woord »angstvallig",
+waarvan wij altijd maakten: als-val-ik. »Doe mij niet alsvalik vreezen."
+Maar deze bede tegen het alsvalik vreezen stemde ons misschien nog meer,
+en juist door dat plechtige, onverstaanbare woord. Hoofdzaak was, dat we
+ons nederlegden onder Gods afgebeden bescherming, en die hoofdzaak
+voelden we.
+
+Later kwam de kritiek. Waarom moest God mij bewaren tegen het kwade, dat
+mij genaakte? Was het dan niet beter, dat God, de Almachtige, dat kwade
+maar dadelijk vernietigde of het niet eens liet opkomen? En waarom
+moesten juist mijn ouders en mijn vrinden bewaard worden en niet die van
+een jongetje, dat niet geleerd had te bidden? En als nu mijn ouders of
+vrinden eens ziek werden of stierven, moest God dan geen lof worden
+toegebracht? En wat dan wel?
+
+Zooals ik zei, aan die kritiek dachten we niet, en het gebedje bracht
+ons in een rustige, vredige stemming. Daarom zegt menigeen: zoo'n
+gebedje hindert de kinderen niet, het doet hen goed, het kweekt in hen
+een eerbiedige, godsdienstige gezindheid aan, het schenkt hun rustig
+vertrouwen. Dit is alles waar. En toch ben ik tegen zulke gebedjes,
+tenzij ze onberispelijk zijn. Want ze blijven het kind bij, de vorm
+gaat met de jaren mee, en dan hinderen ze het kind wél. Dan gaat het
+kind vragen, kritiseert zijn biddende woorden, en verwerpt ze. Ik weet
+wel, je hebt kinderen en menschen, die nooit vragen, nooit kritiseeren,
+nooit verwerpen, die jaar in jaar uit dezelfde woorden prevelen,
+gedachteloos, alleen drijvend op wat klanken. Maar het is zeer de vraag,
+of zij, die nooit vragen, ook wel ooit aan God hebben gevraagd; of de
+nooit kritiseerenden wel ooit hun eigen zielloos formalisme gekritiseerd
+hebben; en of zij, die nooit verwierpen, wel ooit hebben aangenomen.
+
+Men zij voorzichtig met het formuleeren der godsdienstige waarheden in
+kindertaal. Iedere zielkundige onjuistheid kan zich later wreken. Veel
+beter acht ik het, het kind half begrepen of onbegrepen woorden te
+leeren waarvan de inhoud hem bij 't ouderworden steeds meer bewust wordt
+en wier rijke beteekenis hij met toenemende instemming zal beseffen
+als 't leven hem wijzer heeft gemaakt, dan hem nu met begrijpelijke
+onjuistheden te voeden. Moedermelk--de mooie vergelijking is van
+Paulus--moedermelk is _dezelfde_ spijs als volwassenen ontvangen, maar
+in anderen vorm. Men mag de kinderen geen godsdienstige of zedelijke
+waarheden inprenten, die ze later niet kunnen handhaven.
+
+Hoe, naar mijn meening, de groote waarheden in kindervorm tot het kind
+gebracht moet worden, kan ik illustreeren met een heel simpel versje uit
+»Ot en Sien".
+
+»Gij zult niet begeeren uws naasten huis, noch.... iets dat uws naasten
+is."
+
+Dit ethische voorschrift kennen we. Maar ons hart zit vol ongeoorloofd
+begeeren, en niet alleen naar 't geen onzes naasten is, maar ook in 't
+algemeen naar 't geen ons en anderen nadeelig is. Hoe moeten we ons
+wapenen tegen de telkens dreigende verzoeking? Vondel zegt het:
+
+ Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht;
+ Zy loert, zy loert, om in te vaeren.
+ Sluit d'oogen, vensters van het licht,
+ Indien ghy wilt uw hart bewaeren.
+
+Dit gevaar geldt voor klein als groot. En daarom moet ook de vijfjarige
+Ot op zijn hoede zijn, als hij met Sientje suiker gaat koopen voor
+Moeder. Die suiker is zoo lekker, zoo verleidelijk lekker. Dat weten een
+paar oudere vrindjes van Ot best, ze zijn ook jong geweest. En daarom
+waarschuwen ze nu. Als Ot met Sien op een stoep gaat zitten, om even in
+'t zakje te kijken, zeggen zij: Neen Otje,
+
+ $Ook niet kijken.$
+
+ Hij wil er maar even in kijken. Maar dan?
+ Als Ot dan zijn vingertjes deed in den zak?
+ En die dan weer gauw bij zijn tongetje stak?
+ O Otje, o Otje, wat kwam daar dan van?
+ Dan had Ot gesnoept van de suiker van Moe!
+ Neen ventje, laat jij dus het zakje maar toe.
+
+Vondel zou zeggen: »Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht." Wij zeggen:
+»Ook niet kijken. Laat het zakje maar dicht, mijn jongen!"
+
+ * * * * *
+
+Het ging niet altijd zoo vredig toe daar beneden. Soms bleven mijn
+broer en ik samen spelen. Dan waren we Indianen of Batavieren, smeten
+malkaar met hoofdkussens, worstelden om malkaar uit bed te krijgen
+en--in de benauwde bedstede--knauwden we malkaar en schreeuwden daarbij
+zoo hard, dat ze 't boven konden hooren. Moeder of een ander trapte dan
+op den vloer en we hielden ons een oogenblik koest. Maar straks begon
+het spektakel weer, totdat Vader eindelijk driftig werd en naar beneden
+holde. Dan schoten we gauw onder de dekens en verstopten daar ieder
+lichaamsdeel, dat maar geschikt was om geslagen te worden. In den blinde
+sloeg Vader er op los, met zijn hand, en ook wel met zijn pantoffel.
+Maar wol was een slechte geleider. De slagen deden ons geen pijn, en
+in plaats van het uit te schreeuwen van verdriet, barstten we uit in
+gesmoord lachen.
+
+Dat maakte Vader nog woedender, en een hagelbui van klappen brak in de
+nauwe bedstee los. Maar wij konden het heusch niet helpen. Ons lachen
+was geen opzet, geen oneerbiedigheid, en nog veel minder plagerij, we
+hadden 't graag bedwongen, deden er ook ons best toe, maar we konden
+'t niet inhouden en stikten onder de dekens van telkens hernieuwde
+lachvlagen. Totdat eindelijk een slag goed raak was. Dan keerde 't
+spelletje plotseling. Een luid gekerm ging op, en meteen eindigde het
+slaan. Vader was bevredigd. Niet omdat hij ons pijn had gedaan, dat
+wisten we zelf wel beter, maar omdat hij die lacherij had bedwongen.
+Zijn drift had het gewonnen op onze overspanning, nu kon hij gekalmeerd
+aftrekken.
+
+Bij ons was de pret er af, en we gingen slapen. 't Was een harde toer,
+om onder die omstandigheden te bidden: »Neem mijn ouders in bewaring
+dezen nacht," waar de eene helft van die ouders je zoo had afgerost
+en de andere helft je niet eens kwam troosten. Maar we durfden 't
+gebed niet nalaten. Vader mócht dien nacht eens sterven. En ofschoon
+we hem eigenlijk onze voorbede niet gunden, baden we toch. Maar met
+afkeerigheid in 't hart. We zeiden echter onzen regel gehoorzaam op,
+zoodat Onze lieve Heer ons later niet voor de voeten kon werpen: Nu is
+je Vader ziek geworden, omdat jij niet gebeden hebt. We voldeden aan den
+vorm. Ziedaar puur bijgeloof. De aangeleerde regels waren ons een amulet
+geworden, waarmee we het kwaad konden bezweren.
+
+Toch flitste het al heel vroeg door mijn hoofd, dat zoo'n gebed toch
+niet aangenomen werd, en ik herinner me den strijd tusschen mijn
+afkeerig hart en mijn kinderplicht. Gewoonlijk won de laatste het en
+waren we met Vader al weer verzoend, lang voor we insliepen. Om de
+waarheid te zeggen, we rekenden hem die klappen niet zoo ernstig toe.
+We wisten dat hij driftig was, vreeselijk kon opstuiven, maar waren ook
+volkomen zeker van zijn goedhartigheid. En dan tel je een klap niet zoo
+zwaar. Maar 't gebeurde toch ook wel eens, dat we in wrevel en boosheid
+gingen slapen en 't maar eens zonder gebed waagden. Dan waren we den
+volgenden morgen blij verrast, dat er niets noodlottigs was gebeurd.
+Toch was er iets onrustigs in ons: we hadden met het leven van Vader
+gespeeld, en zulks uit pure boosheid. O, als God Vader nu eens had
+weggenomen!
+
+Er gaan in een kind veel meer van zulke overleggingen om, dan de ouderen
+denken. Men behoeft met een kind niet te redeneeren. Het redeneert met
+zichzelf, ook al formuleert het zijn meeningen niet. Een kind redeneert
+in gevoelens, in neigingen--wat trouwens de volwassenen ook doen--en
+onze zorg moet zijn, die redeneering niet te verstoren. Heilig hun
+willen, en laat ze dan maar aan zichzelf over. Wel is het goed, ze nu en
+dan te helpen met het bewustmaken der opborrelende waarheden. Maar dan
+redeneert men er geen opinie _in_--dan redeneert men er juist een opinie
+_uit_. Wat in de diepte sluimerde, komt naar boven en naar buiten. De
+kleur van kersen en appelen komt immers, op haar tijd, ook van binnen
+naar buiten? Verf geen groene appeltjes rood. Zij verven zichzelf.
+
+De klappen van mijn Vader hebben nooit afbreuk gedaan aan onze liefde
+voor hem. Maar wel aan ons respekt.
+
+We begrepen, dat hij ze in drift gaf, beseften dat wij die drift hadden
+opgewekt, en--let wel--vergaven hem daarom de klappen. Niet vormelijk,
+maar in ons hart.
+
+Men beweert vaak, dat de kinderen een kastijding in dank aannemen, de
+liefde er in erkennen, en straks de tuchtigende hand zegenen, de roede
+kussen.
+
+Zoo ver heb ik het nooit gebracht. Ik betwist de mogelijkheid niet,
+maar mijn ervaring ziet door zulke dankbaarheid geen enkel plaatsje
+in mijn leven bezet. _Nooit_ heb ik de slaande hand gezegend. _Nooit_.
+Wel--de hand Gods. Maar dat is immers héél iets anders? De slaande hand
+Gods--dat is de rechtvaardige straf voor onze euveldaden, de verdiende
+gevolgen van ons kwaad.
+
+Er heerscht gerechtigheid in ons leven. Zoek bij ieder leed uw zonde.
+En ge vindt ze. Ik heb tenminste in mijn eigen leven--en alleen
+daarover kan een mensch oordeelen, wat weet ik van uw innerlijk
+leven?--ik zeg, dat ik in mijn eigen leven nooit te vergeefs heb
+gezocht naar de zedelijke (de onzedelijke) oorzaak van mijn leed.
+Maar die rechtvaardigheid heb ik in de menschelijke straffen nooit
+kunnen erkennen. Daarin werkte wel mijn kwaad als oorzaak, maar
+vooral niet minder de ontstemming, de drift, de gemakzucht en zelfs
+het plichtsverzuim der bestraffers. Heel wat straf voor de jongeren
+is eigenlijk verdiend door de ouderen, die zich aan die jongeren niet
+hebben gewijd, die te kort zijn geschoten in hun opvoedingsplichten.
+Dit nu heb ik al heel vroeg gevoeld--en dat zal wel bij meer kinderen 't
+geval zijn--en daarom is het hoogste, waartoe ik het heb kunnen brengen,
+dat ik mijn Vader zijn drift en zijn klappen vergaf. Maar er dankbaar
+voor zijn? Nooit.
+
+Men voelt wel, waarom ik mijn vroegeren meester zijn slaan _niet_
+vergeven kon. Dat was heel iets anders. Die maakte van zijn slaan een
+gewoonte, een voldoening, een nijdig genot. Vader sloeg uit drift. Je
+zag, dat hij er zelf geen plezier in had. Hij sloeg, omdat die bengels
+hem het bloed uit de teenen haalden. En straks was hij weer aardig tegen
+je en goed en hartelijk. 't Verschil was niet, dat de een je meester en
+de ander je vader was, want ik heb jongens gekend, die hun vader zoo
+veroordeelden als ik mijn meester, maar 't verschil was: de een toonde
+een hart voor de jongens te hebben, en de ander niet. Dat is alles. Maar
+dat is dan ook allesoverheerschend. Al je daden worden door je hart
+gekleurd. En zoo kunnen twee precies gelijke daden, bij twee volkomen
+tegengestelde personen ook precies het tegengestelde van elkaar zijn.
+Zuivere rechtvaardigheid beoordeelt daarom naar het hart.
+
+We vergaven Vader dus zijn klappen. En die houding van onze
+vergevingsgezinde kritiek heeft mij geleerd, dat een volwassene een kind
+niet slaan moet. 't Is ook niet noodig. Wie _met_ klappen kan opvoeden,
+kan 't ook _zonder_. En wie 't niet _zonder_ klappen kan, kan 't ook
+niet _met_.
+
+Maar laten we elkaar goed verstaan. Ik zeg: opvoeden. Ik zeg niet: de
+baas blijven. Want ja, dan zijn er, die bij hun opvoeding dit middel
+soms noodig hebben, door gebrek aan paedagogischen kultuur en--aan tijd.
+
+
+
+
+NOG IN HUIS.
+
+
+In de keuken sliepen we, speelden we, stoeiden we, hoorden we dreigende
+bombardementen boven ons hoofd, kregen we op ons kop van een driftig,
+vertoornd vader, en lagen we in alle stilte het vredig bedrijf van een
+oudere zuster te bespieden. In diezelfde keuken oefende ik me ook in
+mijn eersten handenarbeid en verdiepte ik mij in mijn eerste
+bibliotheek.
+
+Mijn eerste handenarbeid was schoenenpoetsen. Wie onzer huidige jeugdige
+slöjdbeoefenaars wordt in dat practische werk ingeleid en er mee
+vertrouwd? Ik verzeker u, dat ik mij oefende in de bekende slöjddeugden
+van netheid en nauwkeurigheid, zonder dat iemand die mij als
+paedagogische gewichtigheden oplegde. 't Was louter liefhebberij.
+
+Hebt ge wel eens schoenen gepoetst? Neen, ik bedoel niet: uw schoenen
+wel eens een enkel keertje glimmend gemaakt, maar den arbeid van
+'t schoenenpoetsen verricht. Elken Zaterdag stond een rijtje voor
+me gereed. De mannen en de groote jongens droegen toen laarzen,
+schoenen met vrij hooge schachten. Bottines kende men niet. Er waren
+rijgschoenen, knipschoenen, en laarzen, achtereenvolgens voor kinderen
+(en meisjes), jongens en mannen. De dames droegen »stoffen laarsjes"
+zonder hakken, die dus nooit gepoetst behoefden te worden.
+
+Zoo'n rijtje schoenen en laarzen was een mooi gezicht.
+
+Eerst zette ik ze netjes naast elkaar naar de grootte, de rijglaarsjes
+van mijn jongste zus aan 't eene eind, de kaplaarzen van vader of mijn
+oudsten broer aan 't andere eind. 'k Weet nog heel goed, dat ik genoot
+van zoo'n rij. Ik zag er ons heele huisgezin in. En dan eerst alle
+afborstelen, zoodat de modder verwijderd werd, daarna alle insmeren
+met schoensmeer uit een cylindervormig grijssteenen potje (doosjes
+schoensmeer waren er nog niet), en eindelijk stuk voor stuk
+uitborstelen. Nu kwam bij 't genot der orde ook nog 't genot van
+'t blinken. En als tenslotte de heele rij in dezelfde orde, maar
+nu glanzend, in de keuken prijkte, stond daar vóór mij _een stuk
+schoonheid_, waaraan de Vereeniging »Schoonheid en onderwijs" wellicht
+nog nooit heeft gedacht. Een stuk schoonheid, waarin drie
+schoonheidselementen leefden: orde, reinheid en glans.
+
+Wie had mij voor die elementen de oogen, het hart geopend? Ik weet het
+niet. Misschien de sterrenhemel? Misschien waren ze ook in mij opgerezen
+zonder eenige opvoedkundige oorzaak. Als die schoonheidselementen niet
+in de menschheid waren, hoe zouden ze er dan ooit uit kunnen komen?
+Onlangs zag ik op een landweggetje een vijfjarig meisje uit een
+woonwagen, een kermiskar, spelen met steentjes en stukjes glas, die ze
+blijkbaar van den weg bijeen gezocht had. Ze legde haar schatten in
+mooie rijtjes--als ik mijn schoenen--en genoot daarvan. Wie had het haar
+geleerd? Als schoonheid en onderwijs 't haar maar niet verleeren. Ik
+bedoel: de _lessen_ in schoonheid en alle overige onderwijzingen.
+
+Wat deed ik mijn uiterste best, om het schoeisel tot in de puntjes
+mooi te krijgen! Niet alleen om ieder plekje van het bovenleer te doen
+glimmen, maar ook de hakken en ook de zoolranden, en ook--u gelooft het
+niet?--ook den bocht tusschen zool en hak! Dus een ondergedeelte, dat
+toch niet gezien werd en straks weer onmiddellijk vuil zou worden. Ik
+gaf de schoenen niet uit mijn handen, eer ze onberispelijk waren.
+
+ * * * * *
+
+Er was nog een handenarbeid, waarin ik mij ijverig bekwaamde. Een
+groot gezin heeft dagelijks groote hoeveelheden aardappelen noodig,
+en die moeten alle stuk voor stuk geschild worden. Dat was natuurlijk
+meidenwerk, en, zoo er geen meid was, dan meisjeswerk. Natuurlijk?
+Waarom? Mag een jongen wel het mes hanteeren, om onnoodige doosjes
+te maken, en niet om noodige aardappelen te schillen? Ik voelde dat
+toentertijd niet zoo en schilde menigmaal een grooten bak vol
+aardappelen.
+
+Meen weer niet, dat mij dit altijd verdroot. Ja, als 't mooi weer was en
+de andere jongens op straat speelden. Dan viel het mij wel eens hard.
+Maar overigens? Er was een eigenaardig genot in, aardappel na aardappel
+te schillen. Iedere aardappel was weer anders. Je had kleine en groote,
+ronde en lange. Net als oliekoeken. Ze waren niet uit één vorm gekomen,
+maar in vrijheid gegroeid, en ieder bracht zijn eigenaardigheden mee,
+precies als de kinderen. Hoe boeiend en afwisselend was het, met die
+eigenaardigheden rekening te houden. Je pakte ieder weer van een anderen
+kant aan.
+
+En dan de kunst om _dun_ te schillen. »Zal je ze dun schillen,
+Jan?"--»Ja Moe."--En dit was geen ja moe, om me er af te maken, en ook
+niet om in Moeders oeconomie te komen, maar de instemming van een geest,
+die een probleem erkent en daarin iets aantrekkelijks voelt naderen. Met
+het kleine aardappelmesje, dat met door ervaring ontwikkelde beslistheid
+ergens--neen niet ergens, maar bij het rechte beginpunt, in den
+aardappel werd gezet, haalde ik de schil er zoo dun mogelijk af, terwijl
+de aardappel tusschen vingers en duim verstandig ronddraaide, zich
+richtend naar zijn bizonderen van de natuur meegekregen vorm. En dan
+werden de »pitten" er uit gehaald, de oogen. Er zijn vrouwen, die dat
+altijd slordig doen. Hoe is het mogelijk! Weet je nu iets leukers, dan
+om telkens met de punt van je mesje zoo'n zwart oog er uit te wippen? Je
+steekt de punt in den harden aardappel, wipt, en met een knapje vliegt
+hij er uit. Geen oog werd vergeten, ook niet het kleinste. Niet alleen,
+omdat het een schande was, als de aardappels 's middags van den schotel
+je »aankeken", maar in de eerste plaats----omdat je ze niet kon laten
+zitten. Dan ware je werk niet af geweest.
+
+Eén zonde bedreef ik nog wel eens onder 't aardappelschillen. Ik zette
+den emmer met water een eind van me af, en gooide dan iederen blanken
+knol, uit de verte, er in. Dat gaf een dubbel genot. Vooreerst moest je
+goed mikken, en dan hoorde je telkens zoo'n heerlijken plomp. Maar 't
+kwaad was, dat je den grond om den emmer heen aanhoudend bespatte.
+Enfin, die zonde vergaf Moeder me. »Jongen, wat spat je weer!" Maar dit
+klonk nooit als een verwijt of een verbod, maar steeds als een soort
+instemming met je plezier. Dat hooren de kinderen gauw genoeg.
+
+In plaats van oefeningen in karton en klei bestond mijn handenarbeid
+dus in oefeningen met leer en knollen. Het mes en de borstels leerde ik
+daarbij hanteeren. Deugden van netheid en nauwkeurigheid werden in mij
+ontwikkeld. Vraag het maar aan de schoenzolen en de aardappelpitten.
+Maar weet je, wat nu hard is? Terwijl ik die kunsten nu nog volkomen
+meester ben, ja nu nog, kan ik er geen examen in doen. Ik moet bepaald
+karton kunnen snijden en geen aardappel schillen. En zoo beteeken ik
+als handenarbeider niets en zijn de anderen autoriteiten. Ook krijg ik
+er geen extra geld voor. Je hebt geen schoenen- en aardappeldiploma's.
+De heeren op het stadhuis geven niet om glimmende laarzen en kruimige
+aardappelen. Die zijn dol op kartonnen doosjes en aardappelen,
+nagebootst in klei. Daar gaat hun hart en hun beurs bij open. Daarvoor
+geven ze [f]50 per jaar meer. Wat zou mijn moeder er van zeggen? »Wees
+jij maar tevreden, jongen. Jij hebt je Moeder geholpen."
+
+ * * * * *
+
+Ik zou nog van anderen handenarbeid kunnen vertellen, maar 't is zoo
+genoeg. Men heeft me wel begrepen: Ook in het schijnbaar eentonigste
+werk zit genot en leering. Mijn moeder vertelde ons vaak, dat zij als
+kind in de Klundertsche pastorie--Dominé van Spall had een heel groot
+gezin--de meiden hielp bij 't aardappelschillen, en dan legde ze de
+geschilde aardappelen netjes in rijen van zes op de rechtbank. En ze
+genoot nog, als ze er ons van vertelde.
+
+In iederen arbeid, ook in den--schijnbaar!--eentonigsten, zit genot en
+leering. De kunst is echter, die er uit te halen. Het simpel aangroeien
+van het resultaat is al een vreugd. Maar de opvoeders zijn zoo dom,
+zoo vreeselijk dom. De doodeenvoudige, de vlak-voor-de-hand-liggende,
+de spotgoedkoope voortreffelijkheden zien ze niet. En ze halen met
+opoffering van geld de modedingen in, omdat die.... in de mode zijn.
+Zoo laten zelfs wijze menschen zich verblinden. En dan wordt die
+verblinding bewerkt door wat wetenschappelijk geleuter. 't Is altijd
+de oude geschiedenis. Hier vloeien de bronnen, maar men wendt zich
+van het levende water af, om zich te richten naar de »steenen bakken"
+van Jeremia, »die geen water geven".
+
+Een kind is toch met zoo weinig gelukkig!
+
+Dit ondervond ik ook met mijn bibliotheek en mijn eigen kamertje.
+
+Dit kamertje--doch wáár moest dit in huis te vinden zijn, daar we toch
+met ons vijven in de keuken sliepen en we dus niet eens een afzonderlijk
+slaapvertrek hadden?
+
+'t Was in diezelfde keuken en 't heette »het kokertje". Nú pas, bijna
+een menschenleeftijd later, weet ik waaróm het zoo heette. 't Was een
+lichtkokertje, en natuurlijk een horizontaal, anders had ik er niet in
+kunnen kruipen en er een rustig plekje vinden.
+
+Ge weet nog van den winkel, dat er achter de toonbank een trapje van
+vier treden naar de huiskamer leidde? Tusschen de treden van dit trapje
+was ruimte. Als je nu, achter de toonbank, op je hurken ging zitten, kon
+je tusschen die treden door kijken, en dan zag je een ruit vertikaal.
+Achter deze ruit was een kokertje, een lichtkokertje voor de keuken,
+en dat was mijn kamertje. Men kan begrijpen, hoe licht het er was. Het
+schemerlicht achter de toonbank, moest tusschen de schaduwende treden
+heen, eer het mijn kokertje bereikte. Toch viel er, een enkelen keer,
+wel eens een zonnestraal in. 't Is wonderlijk, in welke verborgen
+hoekjes zonnestralen al niet weten te komen.
+
+De toegang tot mijn heiligdommetje was in de keuken. Ik moest daar eerst
+van den vloer op een kist klauteren en me in het kokertje werken. Maar
+zat ik er eenmaal, dan zat ik er zoo veilig. Niemand kwam er.
+
+'t Leek net een klein kamertje: vloer, zolder en drie wanden, waarvan
+een van glas. Ik denk, dat het ongeveer een meter breed en hoog was,
+en niet veel dieper. 't Had tenminste iets van een liggenden, hollen,
+vierzijdigen prisma, die den kubus naderde. Beknopter woon was
+moeilijk te denken. En toch heb ik daar zalige uren en heele middagen
+doorgebracht. Ja, zelfs heele dagen in de vacantie. Als Jan maar in zijn
+kokertje zat, was hij zeker stil. En als je hem in huis niet wist te
+vinden, had je maar, tusschen de treden van het huiskamertrapje, even
+tegen de ruit te tikken.
+
+Het moet in mijn eigen hokje zeker vrij schemerig zijn geweest, vooral
+op regenachtige namiddagen, wanneer ik er bij voorkeur mijn toevlucht
+zocht. Maar daar weet ik niets meer van. 'k Weet alleen, dat ik er
+mij recht behagelijk voelde. 'k Had er al mijn schatten, netjes
+gerangschikt, evenals de schoenen en laarzen, en keek door de ruit naar
+de afgesneden stukken van de beenen van mijn vader, als deze achter de
+toonbank stond, of anders van den winkelknecht. 't Was een misfortuin
+als moeder of zuster in den winkel hielpen, want die wierpen, door haar
+rokken, breede wolkschaduwen in mijn toch al donker verblijf. Maar 't
+was daarentegen een voordeel, als, op een zonnigen zomerdag, de winkel
+lang leeg bleef. Dan reisde er, gedurende eenigen tijd, als de zon wat
+hoog stond, wel eens een heele lichtbundel mijn kokertje rond, waarin de
+stofjes zoo rustig vroolijk krioelden. En als er dan in de bovenkamer
+gemurmureerd werd over het wegblijven der koopers, zat daar beneden
+iemand, zonder zich daarvan rekenschap te geven, in stilte heel erg te
+genieten door datzelfde wegblijven. Hij was gelukkig met zijn zonnegoud.
+
+Kinderen en volwassenen hebben zoo vaak tegenstrijdige belangen.
+
+ * * * * *
+
+En welke schatten waren het nu, die me zooveel genot bezorgden?
+
+In de eerste plaats traktaatjes, die ik nooit las. Op de zondagsschool,
+trouw bezocht, deelde men geregeld traktaatjes uit, sommige zelfs van
+acht bladzijden, sommige van dof, andere van glanzend papier, sommige
+met en andere zonder een prentje, kleine en groote.
+
+Die traktaatjes bevatten maar zelden verhaaltjes, meestal godsdienstige
+beschouwingen, en ik las ze dus nooit. Niemand las ze bij ons thuis.
+Maar ik sleepte ze dadelijk naar mijn kokertje en legde ze daar op een
+stapeltje, waartoe ze naar grootte, dikte, papiersoort of illustratie
+behoorden. Dan werden ze genummerd en ingeschreven in mijn catalogus.
+Sorteeren was mijn liefhebberij, een wetenschappelijke liefhebberij,
+gelijk men haar aan de hoogeschool en in het voddenpakhuis kan vinden.
+Sorteeren van planten en boeken heet echter hooger te staan dan
+sorteeren van vodden.
+
+Wanneer er een bepaald getal traktaatjes op een stapeltje lag, werd
+dat met een draadje of lintje saamgebonden als dierbare brieven, die
+men ook niet meer leest, en bijgezet in het mausoleum dezer soort
+godsdienstigheid, dat ik mijn bibliotheek noemde. Gelijk mijn zusje
+met haar poppekleeren, solde ik met mijn geschriften. Ze werden in- en
+uitgepakt, opgenomen en neergelegd. Dat was het al. En zoo hebben die
+traktaatjes aan mijn opvoeding meegewerkt, zij het op andere wijze dan
+de vriendelijke uitdeelers bedoelden. Ze hebben me materiaal bezorgd, om
+mijn ordezin te ontwikkelen. Ze hebben me bezigheid geschonken en daarin
+een weldoende afleiding op donkere uren.
+
+Meen niet, dat ik onverschillig was omtrent die drukwerken. Dat is een
+kind en een wilde immers nooit omtrent een nieuw stuk voornaamheid, dat
+hem vereerd wordt. Ik voelde me er zelfs rijk mee. Maar het was een
+rijkdom als van den gierigaard. 't Genot zat alleen in het hebben, niet
+in 't gebruiken.
+
+Aan die traktaatjes is nog één herinnering verbonden. Men weet nog wel
+van den avond, toen de kleine spijbelaar toch naar het verjaarsfeestje
+mocht. Bij die gelegenheid moest hij een verjaarsgeschenk meebrengen,
+want op een verjaarpartij gaan, zonder een cadeau aan te bieden, dat
+was een onmogelijkheid. Hij had echter niets om aan te bieden. Toen,
+eer hij in zondagsgewaad de gracht opvloog, kroop hij eerst naar zijn
+kokertje. Kon Moeder geen geld missen om iets te koopen, dan moest hij
+maar iets van zijn eigen schatten opofferen. En hij nam het dikste pak
+tractaatjes uit zijn verzameling, om dat mee te nemen. Doch een snel
+oprijzend voorgevoel waarschuwde hem, in een seconde, dat dát toch
+eigenlijk te min was. Daarom nam hij nóg een pakje, en nóg een.
+Eindelijk de heele verzameling. En hiermee vloog hij naar het feest.
+'t Was voor hem een offer. Hij heeft echter nooit kunnen merken, dat
+het als zoodanig door den ander gewaardeerd werd. Voor dien ander zat
+ook niet het verzamelplezier er in. En zónder dat was het heele pak
+eenvoudig waardeloos.
+
+Ik heb later wel eens in stilte gebloosd over het gekke figuur, dat
+ik op dit verjaarfeest maakte met dat cadeau. Wat moet de jarige,
+wat moeten zijn huisgenooten er wel van gedacht hebben. En de vraag
+is meermalen in me opgerezen, of het van mijn Moeder goed was, me dus
+naief er in te laten loopen. Had zij haar kind zoo aan de kritiek mogen
+prijsgeven, al hoorde hij die kritiek ook niet. Mijn verontschuldiging
+was--want gij weet het immers, ouders, hoe kinderen hun ouders
+beschuldigen en verontschuldigen?--mijn excuus voor haar was dan, dat
+ze zelf in allerlei zorg zat en op dit oogenblik zeker geen gelegenheid
+wist, om gauw iets te koopen. Maar toch.... gij ouders, die niet zulke
+excuses hebt, profiteert niet van de naiveteit uwer kinderen. Ze
+verwijten het u later. En terecht. Behandel de dieren met zachtheid en
+uw kind met ernst.
+
+En nu denk ik ineens aan iets anders. Wellicht heeft die jarige Piet in
+zijn leven meermalen de geschiedenis verteld, hoe hij als jongen--nota
+bene als jongen!--voor zijn verjaardag een pak oude traktaatjes kreeg,
+en niet van een ouwen sok van een catechiseermeester, maar van een
+vrindje! Wie weet hoe dikwijls hij zich ten koste van mij heeft
+vermaakt! Misschien, terwijl ik dit schrijf, zit hij ergens in de
+wereld, midden in zijn gezin, en haalt de historie weer eens op ten
+pleziere zijner haast volwassen kinderen. En ze genieten met elkaar van
+mijn onnoozelheid, gierigheid, of wat het zij. Piet heeft zijn leven
+lang die zaak gezien onder _zijn_ licht. En ik onder het mijne, dat zoo
+heel anders was.--Denk er aan, als gij over personen en feiten oordeelt.
+Gij ziet slechts _uw_ zijde van de werkelijkheid.
+
+ * * * * *
+
+Ik kan van mijn kokertje geen afscheid nemen, zonder een beminnelijke
+zonde van mijn vader te gedenken. Die driftige, goeie man had het
+zwak, moeilijk te kunnen weigeren. Daardoor kocht hij van gewetenlooze
+commissionairs in zijn onnoozelheid bedorven waar. Daardoor leverde hij
+aan gewetenlooze koopers zijn goederen tegen wanbetaling. En daardoor
+teekende hij in--ons ten voordeele, maar Moeders beurs en humeur ten
+nadeele--op alle boekwerken, die colporteurs hem aanpreekten. Ieder keer
+als de rekening kwam, was hij weer kwaad, vanwege het geld, en ieder
+keer als er een nieuw plaatwerk werd opgedrongen, bezweek hij weer: 't
+was ook maar een dubbeltje in de week.--Jammer, dat die afleveringen
+al spoedig rondzwierven. De eerste werden opengesneden en, zoo al niet
+gelezen, dan toch bekeken. De latere dreven vaak onopengesneden door de
+huiskamer, totdat eindelijk Moeders netheid ze bij een opruimwoede maar
+telkens in een kast stopte. »Die ellendige boeken! Eerst koop je ze, en
+dan lees je ze niet eens! En dan nog betalen!" Vader mopperde wat op die
+verwijten, maar de gegrondheid viel niet te loochenen. Dat beseften wij,
+kinderen, reeds.
+
+Jammer van die afleveringen. En toch weer niet jammer. Want toen ik
+merkte, dat er in de huiskamer geen belangstelling en ook geen ruimte
+voor was, sleepte ik ze naar mijn kokertje, natuurlijk met Vaders
+goedvinden en tot Moeders dankbaarheid. En daar lag ik dan, vlak bij
+'t lichtraam, de donkere platen te bekijken uit het »Bijbelsch Magazijn
+voor alle standen" en de jachttafreelen uit »De Aarde en haar Volken".
+Hoeveel stemming ik daaraan te danken heb, ik weet het niet.
+Ontwikkeling waarschijnlijk niet veel, want de lektuur was er altijd
+op ingericht, leesgierige menschen en kinderen af te schrikken. De
+kunst om lezers te lokken, verstaan de kroegbazen in 't vak beter dan de
+dominé's. Alleen de jachten in Afrika boeiden. Maar overigens niets. Ik
+herinner me heel goed, dat ik het telkens probeerde, maar telkens moest
+ik het weer opgeven. Toen heb ik ervaren, dat men een groot kwaad doet,
+met het vrome en leerzame ongenietbaar te maken. Niet slechts--neen, dat
+is nog niet het ergste--omdat men daardoor geen vat heeft met zijn brave
+pogingen, maar--en dit is fataal--omdat men daarmee afkeerig maakt van
+hetgeen ons juist aantrekken moest. Ga les nemen bij den duivel, als ge
+uw kinderen in den hemel wilt hebben.
+
+Later--ik weet niet hoe--zijn al die afleveringen naar zolder verhuisd.
+Ik verdenk daar mijn goeie moeder van. Moeders hebben zoo'n genadeloozen
+slag, om allen onpraktischen rommel (gelijk boeken! wat héb je aan die
+vodden!) naar zolder te expediëeren. De zolder is rustig en ruim. Daar
+liggen ze niemand in den weg. En zoo heb ik, in later jaren, daar de
+schatten mijner jeugd weer ontdekt in een paar rozijnenkisten van ruw
+blank hout. Toen heb ik ze me opnieuw toegeëigend. En sedert hebben
+ze me niet meer verlaten. De Bijbelsche Magazijnen liet ik gaandeweg
+schieten. Die waren _te_ saai. Daarvoor behelsden ze dan ook godsdienst.
+Maar de gele afleveringen van »De Aarde en hare Volken" liet ik
+tot boekdeelen inbinden--ondanks de verdwenen vellen--en die zeven
+boekdeelen zijn met me door 't leven gereisd. Héél vaak heb ik
+er in genoten. Mijn aardrijkskunde konden, dientengevolge, mijn
+latere lesoverhoorders me niet heelemaal vergallen. En toen in de
+Tullinghstraat de kinderen opgroeiden, zat Moeder menig, menig uur
+met ze te smullen in de plaatrijke boeken. De oude verworpelingen,
+zuchtend in een rozijnenkist op een kouden, stillen zolder, werden
+lievelingsprentenboeken voor Grootvaders kleinkinderen in de warme
+huiskamer.
+
+Als Grootvader dát nu nog eens had kunnen bijwonen! Hoe zou hij
+getriumpheerd hebben op zijn mopperende vrouw! »Zie je nou, vrouw, dat
+ik nog zoo gek niet was?" En dan zou de vrouw, in wijsgeerige berusting
+gezegd hebben: »Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!"
+
+Inderdaad, als we alles maar eens vooruit wisten! Op Vaders zondig zwak,
+om zonder geld te koopen, heeft--voor zoover ik zien kan--nog meer zegen
+gerust, dan op de toch inderdaad heel vrome traktaatjes.
+
+Doch laat ik nu op 't laatste oogenblik geen nieuwe onbillijkheden
+begaan. »Voor-zoover-ik-zien-kan." Beseffen we wel allen de kracht van
+die woorden? Wie weet, of ook zij den last hunner zending niet hebben
+vervuld? Op Gods tijd. En op Gods plaats.
+
+»Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!"
+
+ * * * * *
+
+Wellicht heeft, onder 't lezen door, menigeen medelijden gevoeld met het
+arme jongetje, dat zijn ontspanning moest zoeken in een benauwd hokje,
+spaarzaam verlicht, en bovendien onfrisch als verzamelhoek van allerlei
+keukendampen. Het spijt me wel voor de gevoeligheid, hem gewijd,
+maar--dit medelijden zou absoluut misplaatst en dus overbodig zijn.
+Dat jongetje voelde zich in zijn hokje zalig. Het was voor hem een
+toevluchtsoord. Wanneer het hem te druk, te roezemoezig, te onrustig
+werd in de wereld der volwassenen, trok hij zich terug in zijn
+eenzaam verblijf, en kon daar--ver van de menschen, vrij in zijn
+alleen-zijn--zoo volkómen genieten. En dan had hij toch niets, dan wat
+traktaatjes, wat afleveringen, een boek, of wat eenvoudig speelgoed.
+
+Wil ik u eens iets heel sterks zeggen? Wanneer hij later in den bijbel
+las van »De Heer is mijn hoogvertrek", dacht hij altijd aan zijn
+kokertje. Zóó veilig en vredig was het ook bij den Heer.
+
+Ik geloof, dat het goed is, niet slechts voor grooten, maar ook voor
+kleinen, dat ze zoo'n retraite hebben, midden in hun eigen kring. En wat
+is het dan heerlijk, als de _ziel_, midden in de benauwdheid des levens,
+altijd zulk een toevlucht heeft. Ja, de psalmdichters wisten het wel.
+
+Maar nu moet ik nog iets opmerken. Over 't algemeen is het medelijden
+met arme kinderen schromelijk overdreven. Natuurlijk, die kleinen moeten
+gevoed, gekleed, gewarmd, gehuisvest worden. Ach, dat spreekt immers
+vanzelf. Maar meen niet, dat ze zoo bar lijden onder wat kou en wat
+gebrek. En dit zeg ik niet uit meedoogenlooze hardheid, maar uit
+ervaring. 'k Heb zelf de armoede doorgemaakt, de fatsoenlijke armoede,
+waarbij er echter ook een aanzienlijk tekort was in de eerste
+levensbehoeften. Niet hier in den kruidenierswinkel, daar ging het nog
+wel, maar later. 'k Heb ook in koude nachten mij onder karpetten (oude
+wel te verstaan), rokken en jassen moeten warmen, omdat ik de wollen
+dekens naar de bank van leening had moeten brengen. En toen was ik al
+kweekeling. 'k Heb het armer gehad, dan menig kindje op mijn school,
+dat thans van schoolkleeding en schoolvoeding geniet. Ontbering is mijn
+jeugd niet vreemd geweest, en jaren achtereen. Maar--en hieromtrent
+ben ik volmaakt zeker--nooit heeft die ontbering mij zoo schromelijk
+gekweld. Daar kon ik me wonderwel in schikken. En ik herinner me zelfs
+niet, dat ze me ooit diep het gemoed heeft verstoord. Neen, mijn
+kinderellende kwam niet door gebrek aan eten, vuur en dekking, maar
+door gebrek aan liefde. Versta mij wel: ik meen niet, dat ik daarover
+te klagen had, en in huis wel het allerminst. Maar _als_ ik in mijn
+kinderjaren echt leed heb gehad, was het altijd veroorzaakt door
+liefdeloosheid van onderwijzers, van wantrouwende volwassenen, van
+hartelooze jongens.
+
+Ik leg hier zoo den nadruk op, omdat ik inderdaad geloof, dat--en niet
+alleen voor kinderen, ook voor volwassenen--de schrijnendste pijnen
+in het gemoed, en niet in de maag worden gevoeld, en dat men vooral
+kinderen veel meer verkwikken kan met _in_ hen te komen, met begrijpend
+meeleven, met waarlijke welwillendheid, met mild vertrouwen, dan met de
+voorziening in stoffelijke behoeften.
+
+Mijn kokertje. Hoe kan het getuigen van de geringe nooden der jeugd.
+Armelijker kan het wel niet. Twee kinderen konden er niet in zitten.
+Daarvoor was het te eng. Eén kind kon er zitten, als het zijn hoofd maar
+steeds gebogen hield, en anders moest het er half liggen. De wanden van
+het zeepvat en het vat met appelgelei, onder de toonbank, vormden het
+uitzicht tusschen de treden der trap. Wandelende broekspijpen donkerden
+het vale schemerlicht nu en dan tot halfduister. En toch, toch was ik
+er gelukkig. Toch was het mijn hoogvertrek. Toch zweefde er, voor mij,
+hemelvrede. Dat komt--de haat kon er niet komen, de hardheid het niet
+bereiken, de nijd het niet bezoeken. De vernielzieke menschheid, tuk op
+gemoedsverstoring, kon er de atmosfeer niet vergiftigen. En wat
+beteekenden, daarbij vergeleken, de benauwde keukenluchtjes?
+
+Een kind heeft aan weinig genoeg, mits het in een zuivere gemoedssfeer
+mag ademen. En zoo kan het nooddruftige kind volkomen gelukkig zijn,
+ondanks een schrale voeding. En zoo kan het rijke kind, bij overdaad,
+bitter misdeeld zijn. Het eerste, wat een kind noodig heeft, is een
+zuivere dampkring voor zijn gemoed. Dat beetje eten komt wel. Maar hoe
+velen kunnen zulk een dampkring scheppen? Zalig dan de eenzaamheid van
+mijn kokertje.
+
+ * * * * *
+
+Een laatste tocht naar het dak.
+
+Ons huis was hoog, tenminste in mijn herinnering. In de
+Eglantiersdwarsstraat had het een groot stuk blinden muur, waartegen we
+van een onzer balspelen konden genieten. Dikwijls raakte de bal daarbij
+op het dak. Maar dan bezon ik me niet lang. Ik wist den weg naar den
+zolder, klom door 't dakraam, liep door de goot en haalde den verlorene.
+Dat deed ik altijd zonder vragen. Niet omdat ik niet wou vragen, maar
+omdat het me dan stellig geweigerd zou worden. Vader zou me nooit
+veroorloofd hebben, op het dak te klimmen. Dat was veel te gevaarlijk.
+Maar jongens zijn gelukkig zoo, dat ze alle uit angstvalligheid verboden
+dingen toch doen. Mijn hemel, als ze eens waarlijk gehoorzaam waren, wat
+zou er, bij de bekende verbiedmanie der volwassenen, dan van hen terecht
+komen. Nooit werd een jongen een man. Doch nu gehoorzamen ze hun zuiver
+instinkt vaak meer dan hun opvoeders, en dat is hun behoud, begrijp dat
+goed, brave, dwingende, uit bestwil handelende paedagoog. De jongen is
+niet ongehoorzaam uit onwil, uit boos opzet, maar omdat een wijze natuur
+hem tot taak heeft gesteld, de fouten uwer domme paedagogie te
+corrigeeren.
+
+Mijn vader begreep dat maar zelden. 't Was heusch een allerbeste man,
+maar het is ongelooflijk hoe conventioneel dom hij in de opvoeding was.
+Net zoo dom, als tegenwoordig de overgroote meerderheid der vaders
+nog is. Dan weet ge 't wel. Net zoo dom--als gij het nu nog zijt,
+vriendelijke lezers. Dan weet ge 't wellicht beter. Al uw opvoedkundige
+wijsheid is meestal domheid. En daaruit vloeien zooveel konflikten voort
+met uw jongens.
+
+Vader was dan een dier massa-paedagogen, die alles verbieden, toch
+alles laten gaan, in drift pakken slaag toedienen, en toch veel van hun
+schavuiten houden. De opvoeding is hun te machtig. En zoo gebeurde het
+op een Zaterdagmiddag, dat ik weer een aframmeling kreeg voor een mooie
+daad van zelfopvoeding.
+
+Er lag voor de zooveelste maal een bal op het dak. Ik naar boven. En
+gauw zat ik in de goot. Mijn makkers keken natuurlijk. Daardoor keken
+ook eenige voorbijgangers, en nu hield een van hen »zijn hart daarbij
+vast" en ging naar den winkel, om mijn vader te waarschuwen. Dat deed
+die domoor natuurlijk weer met de allerbeste bedoelingen, maar niettemin
+deed hij er gruwelijk kwaad mee.
+
+Vader verliet snel den winkel, en zag me. Nu is het voor een vader veel
+erger zijn jongen in gevaar te zien, dan voor dien bengel zelf om in
+gevaar te zijn. Maar zulke kinderen móét een vader ook niet zien. Laat
+hij zijn oogen dan ook thuis houden. Mijn goeie vader stond zich op te
+winden van bedwongen drift bij persenden angst. Gelukkig riep hij niet,
+dat ik omlaag moest komen. Niemand riep. Ze waren veel te bang, dat ik
+dan schrikken en naar beneden tuimelen zou. Met starende oogen volgden
+ze allen mijn kattebewegingen, in voortdurende spanning. Ze zagen,
+hoe ik langs het steile randje voortschoof, hoe ik mij bukte, weer
+terugschoof en door het raam naar binnen klauterde, volkomen rustig.
+Geen moment was ik me iets gevaarlijks of iets verkeerds bewust geweest.
+Maar o, toen ik beneden kwam. Nog eer ik gelegenheid had, mijn vriendjes
+iets te zeggen, vloog mijn vader op me af, sloeg me waar hij me maar
+raken kon, greep me in mijn nek, rammelde me door mekaar, en dat alles
+onder toejuiching der andere vaders, die ook een stuk voldoening
+eischten voor den doorgestanen angst. »Zulke beesten van jongens! Een
+mensch staat doodsangsten bij ze uit! 't Is tegenwoordig dan al meer
+dan erg!" Vader besefte bij die woorden te dieper zijn paedagogenplicht
+en ranselde nog wat genadeloozer, om vooral te doen blijken, dat hij een
+degelijke vader was, die om den drommel er niet van hield, zijn kinderen
+te verwennen. _Kinderen begrijpen, heet altijd kinderen verwennen. Dat
+is nu nog zoo._ En ik werd met schelden en klappen naar huis geranseld.
+
+Wat was ik woedend. Wóédend! Ik had pas, zoo volkomen kalm, dat zware
+stuk volbracht, een en al rustige beheersching. En daar werd ik zoo
+getrakteerd. De menschen praten, van je vader in dank zoo'n kastijding
+af te nemen. In dank? Mijn ziel was vol woede en verwijt. Ik besefte
+tot in mijn fijnste vezelen, dat ik zoo'n behandeling niet verdiend
+had. En dan zoo gruwelijk beleedigd te worden in tegenwoordigheid
+van die vreemde straatmenschen, en van mijn makkers. Want het was een
+beleediging, dat afranselen. En nog meer dat smadelijk naar huis jagen.
+Ik voelde me diep gekrenkt en had zeker langen tijd noodig, om weer in
+evenwicht te komen.
+
+Krenkt uw kinderen toch niet. En vooral niet in tegenwoordigheid van
+anderen. Wij, schoolmeesters, hebben daar ook zoo'n handje van. Dan
+zeggen we zelfs: »Toe jongens, lach die domkop eens uit, die kent nog
+niet eens de tafel van zes!" En dan geven we het domme kind prijs aan de
+harde bespotting zijner medescholieren. »Die domkop!" Wie is de domste
+van de twee, hij, die de tafel van zes niet kent, of wij, die het
+kinderhart niet kennen?
+
+Al mijn vergevingsgezindheid was ten slotte noodig, om mijn vader weer
+in genade aan te nemen. Een vader, die zóó zijn kinderen kon offeren
+aan zijn drift en zijn goeden naam bij het straatpubliek, dat was geen
+vader. Maar--in zijn hart was hij toch een goeie man. Een half uur later
+was hij zelf verlegen met zijn gedrag. Toen probeerde hij, tersluiks
+weg, vriendelijkheden te bewijzen, de goede verhouding weer aan te
+knoopen. En daartoe liet ik mij langzamerhand dan maar vinden. Ik
+kon toch ook niet goed hebben, dat die groote man zich voor mij wat
+vernederde. En dat deed hij toch eigenlijk met zijn er omheen gedraai.
+
+Dit alles kon ik toen niet zoo juist formuleeren, maar ik zag het zeer
+goed in. En het heeft mij altijd bevreemd, dat Vader dan niet door een
+ruiterlijke spijtbekenning, met een beroep op zijn drift en andere
+verzachtende omstandigheden, de zaak geheel in orde bracht. Dat gaat
+juist met een kind zoo gemakkelijk. Een kind gelooft je dan op je woord
+en is grootmoedig beschaamd door je zelfbeschuldiging. Maar tot zulk een
+afdoend middel kon hij nooit komen. Daarvoor was hij, paedagogisch, te
+dom. Domme paedagogen zien in zulk een zuivere erkenning van de waarheid
+altijd een zelfvernedering, terwijl het een reusachtige zelfverhooging
+is. Niets ontwapent den tegenstander sneller dan erkenning van ongelijk.
+Niets wapent ons krachtiger dan de waarheid.
+
+Ziedaar de eenige herinnering, die ik van het dak heb behouden. Ik wilde
+er een bal halen, en kwam met een vroege paedagogische ervaring thuis.
+Van al de ballen die ik te voren uit de dakgoot heb gehaald, weet ik
+niets meer af. Al de geslaagde ondernemingen hebben geen herinnering
+nagelaten. Maar die eene mislukte--is geworden tot een stuk, niet
+opvoedkundige leer, maar opvoedkundige overtuiging, tot levenswijsheid.
+
+»Zie je nou jongen," zou mijn Vader zeggen, »dat dat pak slaag nog zoo
+gek niet was?"
+
+En dan zou ik antwoorden:
+
+»Ja vader, als je dat alles maar vooruit wist!"
+
+
+
+
+STRAATJONGEN.
+
+
+De straat. Dat was het terrein onzer zelfopvoeding. Daar kwamen onze
+krachten los, geestelijke en lichamelijke. Daar wisten we niet van
+landkaarten of andere vervelendheden, daar knelde ons geen schoolbank
+en kwelde ons geen schoolmeester, daar hadden Vaders paedagogische
+handgrepen geen vat op ons, daar waren we vrij.
+
+Het is verwonderlijk, hoe een vuil stuk dwarsstraat en een brok »gracht"
+naast een altijd stinkend water zooveel heerlijkheden kunnen bevatten.
+Maar die heerlijkheden brachten we mee in ons eigen jongenshart. Het
+vuil zagen we niet, den stank roken we niet--aan zulke nesterijen raakt
+een mensch gauw gewoon--en alles lag overdekt door den glans onzer
+verbeelding, de heele atmosfeer was doortrokken van gelukszon. Jeugd is
+zaligheid, mits ze vrijheid hebbe. En die vrijheid hadden we, namen we,
+op straat.
+
+Daar had je »de gouden stoep". 't Was een hardsteenen stoep, drie treden
+op en dan een bordesje. Langs de treden en het bordesje stonden ijzeren
+paaltjes, die ijzeren leuningen droegen. En nu spreekt het vanzelf, dat
+wij voor onze spelen alle stoepen naastten, dus ook deze. De straat was
+te smal, om daar genoeg aan te hebben. Dan moest je wel de huizen en de
+schuiten annexeeren. Bij 't krijgertje-spelen had een kameraad je veel
+te gauw te pakken, maar dan vloog je een stoep op, en als hij je daar
+narende, schoof je bliksemsnel onder de leuning door, de straat weer op,
+vrij. Die stoepen waren inrichtingen, die je uit de benauwdheid redden.
+En het was verwonderlijk, hoe we van ieder klein voordeeltje gebruik
+maakten. Nood maakt vindingrijk.
+
+De bewoners hadden daar natuurlijk wel een beetje last van, maar de
+meesten berustten er in. Eén meneer echter was er, die dat gevlieg niet
+hebben wou. Nauwelijks had hij in de gaten, dat zijn stoep in ons spel
+was betrokken, of hij rukte de huisdeur open en joeg ons weg, soms met
+een stok in de hand. Daarom heette zijn stoep »de gouden stoep", daar
+mocht je niet aan komen. En nu was het gevolg van zijn grauwen en jagen,
+dat we juist altijd naar zijn stoep toe gingen, en, ook zonder noodzaak
+voor ons spel, er over holden en onder de leuning doorgleden. De gouden
+stoep werd een apart spelletje.
+
+»Jongens, ga je mee naar de gouden stoep?"
+
+Aanstonds waren er een paar gereed.
+
+»Durf jij er op?"
+
+»Ik wel."
+
+»Pas op, daar staat die kerel."
+
+»Waar? Waar? Ik zie niks."
+
+»Ja, daar achter 't gordijn. Hij schuilt weg. Hij loert op je."
+
+»Laat hem stil loeren."
+
+En dan opeens vloog je de stoep op, greep de leuning, gleed er onder
+door, en--»Hoera!" schreeuwden de jongens. Dat was de eerste zege.
+
+Allen stoven een eindje weg, als opgeschrikte musschen. Dan keerden ze
+voorzichtiglijk terug, stapje voor stapje, totdat ze weer de stoep
+omkringden.
+
+De tweede waaghals volgde. In een oogwenk was hij naar boven en weer
+op straat. Hoera! Maar nu werd het een schande, als je achterbleef. De
+andere jongens hadden 't gewaagd, jij moest het ook doen. Doch 't werd
+hoe langer hoe gevaarlijker. Natuurlijk had »die kerel" ons al lang in
+de gaten gehad. Hij had zich zeker al staan opwinden van drift en woede.
+Mogelijk had hij zijn stok al gegrepen en was hij al naar de huisgang
+geslopen. Wellicht stond hij al achter de deur. Misschien had hij de
+schuif al in de hand. Onmiddellijk zou de deur openvliegen, een kerel
+in zijn overhemd naar buiten springen, een stok op je lijf ranselen. Je
+wist dit alles niet, en toch wist je het. Niemand had iets gezien, en
+toch was ieder er zeker van.
+
+»Jongens, hij staat al in de gang, hoor! 'k Geloof, dat ik den smeerlap
+gehoord heb."
+
+Maar nu werd het pas echt. Je koos, met een fijn straatjongens-instinkt
+voelend, het juiste oogenblik. Je sloop naar boven, dat hij je niet
+hooren kon, en dan, ineens, met een luiden triumfkreet, onder de leuning
+door. Hoeraaaa! De kerel stond zich zeker te verbijten van nijd.
+
+De jongens die de eerste beurten gehad hadden, waren in de gunstigste
+conditie geweest. Doch nu werd het gevaar hoe langer hoe grooter. De
+vijand werd opgeschrikt, getergd, vol woede. De lont, door den eersten
+aangestoken, naderde het kruit. Het gevaar der ontploffing was het
+grootst voor de laatsten. Maar dat gevaar was toch ook weer zoo
+aantrekkelijk, dat de eersten 't er nog eens op waagden.
+
+»Daar hei je-n-em."
+
+Ik was juist op de stoep. Teruggaan? Nooit. Dat zou een eeuwige schande
+zijn geweest. Ik greep de leuning, wilde er onder door glijden, maar in
+mijn verbouwereerdheid schoof ik niet laag genoeg weg, en kwam met mijn
+gebit tegen de ijzeren leuning aan. Een geweldige schok, te krachtiger,
+omdat ik juist zoo haastig weg moest schieten.
+
+Of de kerel me geslagen en geraakt heeft, weet ik niet. Bij de pijn in
+mijn tanden viel alles weg. 't Was of ik flauw zou vallen van de pijn.
+Maar een jongen valt niet flauw. Hij maakt dat hij weg komt.
+
+Zoo deed ook ik. Ik holde mijn makker achterna. Maar toen ik een eindje
+verder stil bleef staan en tot bezinning kwam, bemerkte ik dat er van
+een mijner oogtanden een stuk was afgebroken. Dat was in den strijd
+gebleven.
+
+Met een verminkten oogtand moest ik verder het leven in. En was het daar
+maar bij gebleven. Zoo'n verminking schijnt echter den heelen tand aan
+te tasten. Langzamerhand brokkelde hij verder af. En op 't laatst moest
+ik schoolmeesteren en zelf redenaren met een leelijk gat vóór in mijn
+gebit.
+
+Zoo draagt de mensch de zonden zijner jeugd mee door 't leven.
+
+ * * * * *
+
+»Dat heb je er nu van. Verdiende loon."
+
+Aldus sprak de opvoedingswijsheid van die dagen. En zoo spreekt ze nog.
+
+»Eigen schuld. Wat deed je dien man te tergen. Loontje komt om zijn
+boontje. Nu was je zeker wel wijzer geworden."
+
+Wat dat »wijzer geworden" betreft, neen brave paedagogen, dat heb
+jelui glad mis. We gingen voort, den man te tergen. Nu meer dan ooit.
+Er viel nu een stuk tand te wreken. Daar zou hij voor bloeden. De
+»gouden stoep" bleef een aantrekkingspunt. Heb jelui ooit gezien, dat
+ontdekkingsreizigers zich door bevroren teenen en ijsberen van den pool
+lieten terughouden? De pool trok ze, trok ze met onweerstaanbare kracht.
+En als ze er eenmaal hun leven bij hadden verloren, waagden ze er een
+tweede aan. Neen, met vloeken en stokken houd je nooit jongens van
+gouden stoepen af.
+
+Hoe dan wel?
+
+Ik woon in een achterbuurt. Menigmaal staan er jongens en meisjes voor
+ons venster. Die kijken naar binnen. En dan roepen ze tegen elkaar:
+»Kijk, daar zitten ze. Ze eten. Zie je wel, sinaasappelen. Een schaal
+vol. Kijk, die eene schept zijn eigen op. Zeg, wat eten ze? Kan jij het
+zien?"
+
+Dat is wel lastig, zoo'n bekijk. Je bent niet vrij. En wat doe je dan?
+Dan word je kwaad, je tikt driftig tegen de ruiten en jaagt het
+straatpubliek weg, liefst met booze woorden. Niet waar?
+
+Neen, er is een betere manier. Ik denk aan mijn gouden stoep.
+
+Ik ga naar 't venster, schuif het gordijn weg, en houd den kinderen een
+sinaasappel voor: »Wil je dien hebben?"
+
+Ze zijn op 't punt van weg te hollen. Maar ik roep ze, houd ze vast met
+mijn vragende oogen, schuif het raam op, en geef ieder een sinaasappel,
+ieder een heelen.
+
+Ze nemen hem aan, krijgen een hoogroode kleur, prevelen: dank u, en gaan
+weg, zonder dat ik het vraag. Een eind verder blijven ze staan, bekijken
+met blijde gezichten--héérlijke gezichten--den sinaasappel, wijzen
+mekaar de heerlijkheden, en trekken dan langzaam af.
+
+»Een mooie manier!" zegt smalend de echte paedagoog. »Zoo stijf je die
+brutale schooiers in hun kwaad. Welzeker, geef ze maar sinaasappelen. Ze
+zullen morgen wel terugkomen. Zoo kun je aan 't geven blijven. Straks
+brengen ze hun makkers mee. Dan krijg je een heele kolonie voor je
+vensters. Daar valt wat te halen."
+
+Die echte paedagoog heeft evenwel in dit geval ongelijk. Hij heeft bij
+zijn beschouwing alleen zijn eigen machtsmiddelen in rekening gebracht
+en geen nota genomen van dat wonderlijk gevoel in menschenzielen,
+dat men een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid, beschaming
+kan noemen, en dat ook in schooierszielen woont, maar door de echte
+paedagogiek hardnekkig wordt kapot gestraft en aan flarden gescholden.
+Die kinderen komen _niet_ terug. Ik pas die methode nu al meer dan vijf
+en twintig jaar toe, dus je kan bijna zeggen, dat ik een paedaloog
+ben, tenminste zoo'n soort, en volhardend experimenteer op levende
+straatschooiertjes. Welnu, nooit hebben die kinderen mij in mijn
+vertrouwen beschaamd. Ze kwamen niet bedelen om sinaasappelen, en keken
+zelfs niet meer door de vensters.
+
+Beredeneer dat nu maar, of--nog liever--reken het uit in een
+statistiekje. Niet waar, dan alleen staat het wetenschappelijk vast.
+Vóór dien tijd is het alleen maar zoo'n beetje geliefhebber. Je moet
+het in cijfers voor je zien. Er moet een algemeene enquête worden
+uitgeschreven over 't heele land: _a._ Hoeveel straatschooiers kijken
+per jaar onbeschaamd door je vensters? _b._ Hoeveel gaan weg, als je ze
+een sinaasappel geeft? _c._ Hoeveel van die komen weer terug, geenmaal,
+eenmaal, tweemaal of meermalen? En als je dan bladen vol opgaven
+hebt--enkel betrouwbare, o zoo betrouwbare--dan bereken je, op een
+honderdste nauwkeurig, de resultaten. Dan staat de heele wereld
+verslagen van je wetenschappelijkheid en word je nog dokter honoris
+causa in de paedagogiek. Hoe zullen we 't in vredesnaam klaarspelen, wij
+onnoozele zielen, aleer we onze wetenschappelijke zekerheid hebben.
+
+Er is voor ons dat heerlijke Christuswoord: »Laat de kinderen tot Mij
+komen, en verhinder ze niet." Indien er iets, ook maar iets van
+Christus' liefde in ons woont, kunnen we ons daardoor veilig laten
+leiden. Laat dan de kinderen ook tot u komen, en verhinder ze niet.
+Verhinder ze niet met uw grauwen en booze blikken, niet met uw schelden
+en uitjakkeren. Het is wel droevig en schandelijk, dat op tot heden
+onbezochte eilanden de vogels nieuwsgierig en vertrouwend den mensch
+zien naderen, en dat te midden der beschaving de vogels verschrikt
+wegvliegen: »Een mensch, een mensch!" Zooals de musschen voor ons
+wegvliegen, doen 't ook de kinderen. Ze weten zich bij ons niet veilig.
+Verander dit. En wanneer ge twijfelt, hoe in bepaalde gevallen te
+handelen, herinner u dan uw eigen jeugd. Beter leerschool voor opvoeding
+is er wel niet. Herinner u, hoe uw kinderziel gereageerd heeft op de
+handelingen der volwassenen. Hoe men den engel in u opriep, en hoe
+den duivel. En handel dan soms, misschien zelfs heel vaak, precies
+omgekeerd. Die gouden stoep heeft mij gebracht tot een open venster. De
+dreigende stok tot een sinaasappel. En daar heb ik mij wel bij bevonden.
+Waarschijnlijk mijn straatpubliek ook.
+
+ * * * * *
+
+Ik wil over deze sinaasappelmethode nog een paar ervaringen vertellen.
+
+Er zijn in de buurt van onze school natuurlijk andere scholen, ook
+christelijke en katholieke. Nu hadden sommige leerlingen van die scholen
+er plezier in, ons overlast aan te doen. Ze schreeuwden onder onze
+schoolvensters, scholden de onderwijzers uit die poortwacht hadden,
+holden door de rij kinderen die zoo ordelijk op het trottoir bleef bij
+'t verlaten der school.
+
+Klaagden we bij hun onderwijzers, dan werden we altijd heel welwillend
+ontvangen en hadden het succes, dat de bengels duchtig onder handen
+werden genomen. Doch hieraan was een ander gevolg verbonden, dat die
+jongens n.l. nog wat vijandiger tegenover ons kwamen te staan. Hinderden
+zij ons niet meer, bang voor een pak slaag, welnu, ze hadden nog
+vrindjes, die niet meer op school gingen en wel als hun wrekers wilden
+optreden.
+
+Toen volgden we de sinaasappelmethode, die je heel goed kunt aanwenden
+al heb je ook geen sinaasappelen. We lokten de jongens met vriendelijke
+woorden, met een hand, zelf met een uitnoodiging om eens binnen te
+komen, op de speelplaats naar de duiven en de bijen en de tuintjes te
+kijken, in de school al de mooie platen te zien. Soms liepen we wel
+met meer dan tien jongens, na schooltijd, de lokalen rond. En aardig,
+ontroerend was het te zien, hoe die »schooiers" dan gaandeweg hun
+schuwheid aflegden, belangstellend naar alles keken en vroegen: hoe het
+kind zich in hen ontpopte, het vriendelijke kind.
+
+»Meester, die platen hebben wij ook op school."
+
+»Da's aardig."
+
+»Meester, mijn vriendje gaat hier. Kent u hem?"
+
+»Hoe heet hij dan?"
+
+»Piet."
+
+Daar valt een kameraad hem in de rede: »Zeg, d'r zijn zooveel Pieten in
+de wereld. Je mot toch zijn achternaam noemen."
+
+»Net zoo," zeggen wij. »Maar je bedoelt Piet Verbrugge, niet waar?"
+
+»Zie je nou wel, dat de meester hem kent."
+
+»Nó ja, omdat de meester hem dikwijls bij jou ziet, niet waar meester?"
+
+»Netzoo."
+
+Ze babbelden vrij uit, zetten uit eigen beweging de petjes af, en
+bedankten ons bij 't vertrek. »Dank u wel, meester!" En--kwamen den
+volgenden dag met een paar vrindjes: »Meester, of zullie ook eens magge
+kijke."
+
+»Welzeker, wat graag!"
+
+De collega's van de bizondere school zullen me nu toch niet verdenken,
+dat ik hun kinderen naar de openbare school lok? Eerlijk kan ik
+verzekeren, dat we er nog nooit eentje van die gasten als leerling
+hebben ingehaald. We hebben alleen wat straatvrindjes gemaakt. En als we
+nu poortwacht houden, komen verschillende jongens van de broederschool
+ons broederlijk de hand geven. Dat is alles.
+
+Zullen ze niet besmet worden door zoo'n openbare-school-hand?
+
+Kom, kom. Openbare en bizondere school moeten elkander de hand reiken.
+
+ * * * * *
+
+Als nu de Bond van Ned. Onderwijzers op zijn eerstvolgende Algem.
+Vergadering geen motie tegen me aanneemt, wil ik ook wel mijn collega's
+schoolhoofden aanraden--voor zoo ver noodig!--er wat minder gouden
+stoepen op na te houden en tegenover de klasse-onderwijzers, onder hun
+leiding, wat meer die sinaasappel-methode te volgen.
+
+»Dus," zegt de strijdgrage, doch al te vaardig concludeerende
+klasse-onderwijzer, »dus, wij zijn zoo iets als straatjongens, die op de
+vensters van de bovenmeesters hangen, om te kijken naar hun welvoorziene
+tafels, en die dankbaar wegsluipen, als ons genadiglijk een sinaasappel
+wordt toegestoken? Wij danken u feestelijk voor deze genade. Wij willen
+zelf om den disch zitten, en gij moogt onze vaten wasschen."
+
+Goed, goed. Er is eenmaal een Meester geweest, die zich niet ontzag,
+neen, die zijn grootheid openbaarde, door vrijwillig de minste te zijn
+en zijn discipelen de voeten te wasschen. Nooit onteert het werk den
+man. Wij worden alleen ontroerd door eigen onzedelijkheid. Geen
+buitenafsche glans van rijkdom of rang kan wegschitteren de doffe
+nevelen der innerlijke onreinheid. En alle nuttig werk kan geadeld
+worden door den geest die het verricht.
+
+Goed, goed, ik wil uw vaten wasschen, als gij op die wijze mijn gaven
+het best aanwendt tot heil van allen. Maar dan zal er toch wel iemand
+zijn, een uit uw midden, gelijk ook ik uit uw midden ben voortgekomen,
+of anders een uit voornamer levenskring, een dokter, advokaat, officier,
+in ieder geval iemand, een mensch, door u gekozen of aangesteld vanwege
+de door u gekozenen, een.... medemensch, d.i. een medezondaar, aan wien
+wat leiding en toezicht is opgedragen. Noem hem president en laat hem
+gezag voor een bepaalde periode, gelijk ook gijzelf telkens opnieuw
+gekozen wilt worden, afkeerig van stabiliteit in uw positie, of noem
+hem inspecteur en gun hem bij een blijvende taak ook een blijvende
+bestaanszekerheid, er zal iemand zijn, die over u en mij te zeggen
+heeft. En tot dezen iemand--misschien zijt gij, Bondsman, het zelf
+wel: er kunnen meer Ketelaars van klasse-onderwijzer gezagsman
+worden--tot hem en zijn gelijken zeg ik: geen gouden stoepen. Reik
+ons hartelijk-welmeenend als 't noodig is een sinaasappel toe. Ge zult
+eens zien, hoe die ons opvoedt.
+
+Er was eens een bovenmeester, die steeds zelf graag veel vrijheid
+had genoten, en nóg genoot, en die daarom (ja daarom, en niet
+desniettegenstaande) ook den onderwijzers veel vrijheid gunde en
+toestond. Je kon zeggen, dat de man er voor hen heelemaal geen gouden
+stoepen op nahield. Ze mochten letterlijk alles. Mits dat alles
+overeenstemde met hun plicht. Ze hadden volle vrijheid om te doen,
+wat hun plicht hen gebood.
+
+Maar nu was er onder het personeel eens een jonge, al te levenslustige
+vrijbuiter, die zoo nu en dan wel eens wat geholpen moest worden in
+het genieten zijner vrijheid tot plichtsvervulling. Komaan, daar was
+hij jong voor. Hij sprong wel eens wat buiten den, ook door hemzelf
+noodzakelijk erkenden band. En dan moest natuurlijk de bovenmeester hem
+vriendschappelijk daarop attent maken.
+
+Eens bij zoo'n gelegenheid was onze vrijbuiter echter wat ál te
+nonchalant. En toen de bovenmeester hem de onmisbare perken wees, maakte
+de schavuit het nog erger. Wat denk je, dat hij antwoordde op de zeer
+gegronde aanwijzing? »Och, stik!"
+
+Het kwam er heel joviaal en jongensachtig uit, maar men moet erkennen,
+dat het, zacht uitgedrukt, toch getuigde van wat al te weinig eerbied
+voor het regelmatig gezag.
+
+Wat deed nu de bovenmeester? Hij had dit antwoord kunnen rapporteeren,
+te meer, daar het hem onder getuigen was toegevoegd. Wellicht had hij
+het móéten rapporteeren, zoo niet ter wille van zijn persoon, dan toch
+ter wille van zijn ambt. Hier had iemand, niet in speelsche dartelheid,
+maar, althans schijnbaar, in respektlooze onbeschaamdheid, een
+noodzakelijk gouden bordesje niet betreden, maar bespuwd.
+
+Wat dééd de bovenmeester?
+
+Hij noteerde niet en rapporteerde niet. Hij gaf niet eens een standje.
+Hij zweeg. Ik denk, dat hij zich uit zijn jeugd ook herinnerde, hoe
+grauwen en dreigingen averechtsche gevolgen hadden. Maar hij rekende op
+iets. Hij rekende op dat »wonderlijke gevoel in menschenzielen, dat je
+een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid en beschaming kunt
+noemen". En hij rekende niet te vergeefsch.
+
+Den volgenden dag kwam de vrijbuiter bij zijn gezaghebber en zei, met
+iets heel trouwhartigs in zijn stem, een eigenaardige tinteling in zijn
+oogen, en een kleur van verlegenheid:
+
+»Bent u boos, om wat ik gisteren gezegd heb?"
+
+»Boos niet, maar...."
+
+»Och," kwam het er toen innig vertrouwensvol uit, »u moet maar denken,
+dat u zoo'n soort oudste broer van me bent."
+
+Toen stak de gezaghebber zijn vrijbuiter hartelijk de hand toe, en die
+twee bleven de beste vrinden, wat ze al waren, en nooit heeft in de
+kranten gestaan, dat een jong onderwijzer tegenover zijn rechtmatigen
+chef op een gegronde aanmerking »stik" had geantwoord. Daar is geen zaak
+van gemaakt, daar is het publiek niet in gemengd, daar zijn de vakbladen
+niet mee gevuld, daar zijn geen Hoofdbesturen voor opgetrommeld. En er
+is geen jonge rebel gestraft. Die jonge rebel heeft sedert een mooie
+carrière gemaakt.
+
+Dit alles was te danken aan de sinaasappel-methode, ofschoon men terecht
+opmerkt, dat de bovenmeester zijn onderwijzer toch geen sinaasappels
+offreerde. Maar wie nu nog niet heeft begrepen, hoe het kenmerkende
+dezer methode hierin bestaat, dat zij zich richt tot de _goede
+eigenschappen_ der menschelijke natuur, dat zij die wekt en te hulp
+roept, om het kind, het kleine en het groote, _zichzelf_ te doen
+verbeteren--die is niet waard, onderwijzer of bovenmeester te zijn.
+
+Ik zou het een groote onderscheiding achten, wanneer op een algemeene
+vergadering van Paedagogen de motie werd voorgesteld en bij acclamatie
+aangenomen:
+
+»De Alg. Verg. van enz.....
+
+gehoord enz.....
+
+overwegende enz.....
+
+verklaart, dat de sinaasappel-methode van Jan Ligthart de
+voortreffelijkste is,
+
+en gaat over tot de orde van den dag."
+
+
+
+
+NOG STRAATJONGEN.
+
+
+Volwassenen plagen--dat was, naast ons spel, een onzer voornaamste
+straatgenoegens.
+
+Hoe kwamen we daartoe?
+
+Ik denk, dat de volwassenen waren begonnen met ons te plagen, en dat wij
+de kunst en den smaak hierin dus van hen hadden overgenomen.
+
+Men is er altijd zoo grif mee, de jeugd toe te voegen, dat ze in
+allerlei narigheden, pakken slaag en dergelijke, haar verdiende loon
+krijgt, maar men vergeet, of liever, men komt niet eens op de gedachte,
+dat de volwassenen, in allerlei ergerlijke behandelingen van de zijde
+der jonkheid, evenzeer maaien wat ze hebben gezaaid.
+
+Wie de kinderen weggrauwt, wordt door hen, uit de verte, nagescholden.
+Wie ze wegranselt, wordt door hen nagesmeten. Wie zich ten koste van hen
+vermaakt, wordt straks door hen geëxploiteerd.
+
+Ga eens na, hoe de kinderen van volwassenen leeren, _bij eigen ervaring_
+leeren, op welke wijze men zijn evenmensch behandelt. Hoe zullen ze dan,
+in zulk een leerschool grootgebracht, het hun leermeesters verbeteren?
+
+Dezer dagen zag ik nog een treffend staaltje van zulk een opvoeding.
+Een stuk of zes jongens zaten voor een huis op een stoepje. Ze deden
+absoluut geen kwaad, koesterden zich in den zonneschijn, lachten wat
+onder elkander, hadden gemoedelijke jongenspret, zooals jonge honden dat
+ook zoo kunnen hebben.
+
+Plotseling ging achter hen een huisdeur open, een vrouw verscheen, en
+trapte ze nijdig weg. De jongens, doodelijk verschrikt, vlogen de straat
+op. Ze hadden geen flauw vermoeden gehad van dát gevaar achter hun rug.
+Ze zaten zoo knus op dat warme stoepje in den lekkeren zonneschijn. En
+nu stonden ze, met verschrikte gezichten, weggejaagd en weggegrauwd,
+ineens midden op straat.
+
+De deur ging met een nijdigen smak dicht. Maar nauwelijks was ze toe, of
+een van de zes, een goedaardige lummel van bijna dertien jaar, rende er
+heen, en trapte met razende woede tegen het paneel, of de deur in elkaar
+moest.
+
+Dat was het antwoord van den jongen op de uiting van de volwassene.
+
+Toen holde de »schooier" natuurlijk weg.
+
+Maar wie had hem op dat oogenblik tot een schooier gemaakt?
+
+Eén vriendelijk woord, en de jongens waren opgestaan en bereidwillig
+vertrokken, als ze tenminste nog niet al te zeer bedorven en verhard
+waren onder de bejegening van de ouderen.
+
+Eén vriendelijk woord.
+
+Maar de klagende volwassenen kunnen geen vriendelijk woord zeggen,
+tenzij misschien tegen hun meerderen, ze achten zich gerechtigd, de
+jongeren die hun in den weg staan als straatvuil weg te schoppen. Wat
+wonder, dat de jongeren terugschoppen? En dat ze, niet alleen deze of
+gene oudere, maar al spoedig de heele wereld der groote menschen als een
+vijandelijke partij beschouwen?
+
+Wij plaagden de volwassenen, en niet de kinderen. Hoe kwam dat? De
+kinderen begrepen ons. Met hen hadden we alleen zoo nu en dan een kort
+gevecht. Maar tegenover de volwassenen leefden we voortdurend op voet
+van oorlog. Aan wie de schuld?
+
+ * * * * *
+
+Vóór het huis van Piet, denzelfden Piet, die op zijn verjaardag een pak
+traktaatjes van me »kreeg", was een platte stoep in den vorm van een
+rechthoek en daarom heen een nog al hoog houten hekje. De paaltjes waren
+vrij dik, dicht bij elkaar, en donkergroen geschilderd, zoodat we binnen
+dat hekje goed verborgen zaten. Bovendien stond er een oude boom voor,
+welks zware kruin een donkere schaduw op den gevel en ook op de stoep
+wierp.
+
+We konden daar zoo gezellig zitten, ongezien door de voorbijgangers.
+Als het dan een beetje begon te schemeren, bonden we een zakdoek of
+een gevuld papieren zakje aan een dun, zwart touw, legden het voorwerp
+op de straat en leidden het touw tusschen de spijlen van het hekje
+door. We vischten op hebzucht. Geen man of vrouw kwam er voorbij, die,
+het verloren voorwerp ziende, niet even stil bleef staan, om het op te
+rapen. Maar nauwelijks bukten ze zich, of het voorwerp begon te leven,
+het bewoog, schoof over de straat, en eer het gegrepen kon worden,
+sprong het met een ruk onder de oogen van den eerlijken vinder weg. Een
+gejuich ging op uit het donkere hek, en de gefopte man of vrouw liep
+gewoonlijk snel door, zonder om te kijken. Dan zeiden wij, natuurlijk in
+van de ouderen overgenomen humor: »Hij houdt zijn smoel, maar Onze lieve
+Heer hoort hem brommen."
+
+Deze plagerij was een van de onschuldigste. Een verbazend plezier hadden
+we er in, de menschen voor niets naar den belknop te doen loopen, maar
+dan niet door even aan te bellen en daarna weg te hollen, dat was te
+gewoon. Als er ijs in 't water lag, bonden we een donker touw aan den
+belknop, liepen dwars den weg en het ijs over naar den overkant, gingen
+daar in de koude aan den walkant zitten, en trokken. Natuurlijk gebeurde
+dat in donker en op een stille gracht met haast geen verkeer. Ging de
+bel over, dan zagen we de deur openen, iemand rondkijken, en--'t was
+koud--weer gauw de deur sluiten. Een minuut later trokken we weer, en
+dat hielden we vol, totdat de bewoner het touw ontdekte. Dan ging er van
+onzen kant een soort indianengehuil op. We lieten het touw voor een deel
+in den steek, gingen door en door koud naar huis, maar hadden heerlijk
+genoten. Bijna zooveel als de man, die in een koelen nacht op aal zit te
+peuren. We hadden ook beet gehad.
+
+Een variatie op dit thema, maar nu al ja wat erger, vonden we, door met
+een stevig touw den belknop aan den deurknop vast te binden. Dit kon
+echter alleen, als beide knoppen dicht bij elkaar waren. Daarna schelden
+we aan. We hoorden een der bewoners door de huisgang loopen, de deur
+naderen, het slot openen, trekken. Maar de deur kon niet open. Zelfs
+geen kier. Al naar zijn temperament begon nu de bewoner te vloeken of
+te smeeken. In 't laatste geval sneden we nog wel eens het touw door.
+Doch in 't eerste geval lieten we hem zitten, gevangen in zijn eigen
+huis, totdat op zijn gebombardeer en geschreeuw een goede buur of
+voorbijganger zich over hem ontfermde. Dan stond de geplaagde man te
+schelden op die bliksemsche jongens. Maar die bliksemsche jongens waren
+al lang verdwenen.
+
+Je zoudt zeggen, dat we toen al les in de methodiek hadden genoten, want
+er was in onze streken een mooie »opklimming van moeilijkheden". De knop
+van een gewone deur aan een belknop binden, was al gauw niet loonend
+genoeg meer. We zochten een deur uit, waarin het houten bovenpaneel
+vervangen was door ijzeren lofwerk. Als dan de bewoner wanhopige
+pogingen deed, om zijn deur te openen, stonden wij op de stoep, op
+_zijn_ stoep, hem uit te lachen of met hoonende woorden te sarren, zoo
+ongeveer als Reintje de Vos het doen kon, als hij zijn aartsvijanden,
+beer en wolf, in de ellende zag, waarin hij, en hun eigen ondeugd, hen
+had gestort. We smaakten er een helsch genot in, de menschen in hun
+machtelooze woede nog wat te tergen, dansten de dolste bokkesprongen
+voor de traliën van den gekerkerde, of stonden met ijzige kalmte--als
+wisten we van den prins geen kwaad--het vruchteloos rukken aan te zien.
+Ja, dat was eigenlijk het gemeenste, als we ons hielden of we volkomen
+onschuldig stonden te wachten op het openen eener deur, die door eenige
+ons totaal onbekende oorzaak maar niet open wou. Ging eindelijk de
+bewoner naar binnen, dan maakten we dat we wegkwamen, want dan begrepen
+we, dat hij in zijn tuintje een buur zou roepen, misschien wel
+twee--links en rechts--en konden deze, plotseling naar buiten schietend,
+ons insluiten. En dan zaten _wij_ in de klem. Bij al onze ondernemingen
+waren we krijgskundig genoeg, om voor een goeden aftocht te zorgen.
+Wonderlijk, hoe dat geroemde genie der groote veldheeren al in het
+jongensinstinkt zit.
+
+ * * * * *
+
+Ik vertrouw, dat mijn eerzame lezers wel eenige voortreffelijke
+kwaliteiten in onze gemeenheden hebben ontdekt en dat ze bereid zijn,
+ons evenzeer een plaats in de historierollen te verzekeren als de groote
+vlootvoogden en veldheeren. Ook wij wisten onze aartsvijanden, de
+volwassenen, aanhoudend te bestoken en daarbij meesterlijke terugtochten
+te arrangeeren. Maar zulke deugden worden in het klein nooit
+gerespekteerd en allerminst door de slachtoffers. Men huldigt ze alleen,
+als ze zich op veel grooter schaal vertoonen en in dezelfde mate ellende
+hebben gebracht. Niet één huis, maar een heele stad moet omsingeld
+worden, niet één nijdige vent, maar een heel leger ingesloten. Niet een
+paar vloeken, maar duizenden dooden moeten er vallen. Het zij zoo. Ik
+heb al zooveel aanspraken op roem en een standbeeld zien miskennen, ik
+geef ook deze op. En pluk ik al niet mijn verdiende lauweren, in ieder
+geval mijn paedagogische vruchten. Misschien zijn die nóg meer waard.
+Lauweren verdorren, en vruchten hebben zaden. De eerste zijn een
+afrekening met het verleden, de laatste beloften voor de toekomst.
+
+Een dier paedagogische vruchten is, dat ik me jegens mijn eigen
+scholieren nooit braver voordoe, dan ik ben geweest, en hen geregeld
+mijn jongensstreken vertel. Ze weten van mijn spijbelen, van mijn
+wegspatten uit de schoolblijversklas, ze weten ook dat ik bij dat
+spijbelen zoo heerlijk genoten heb, dat het mijn eenige geluk is geweest
+tijdens deze schoolperiode, ze weten van mijn belknopexpedities, ze
+weten haast alles, ook wat er nu nog volgt.
+
+En als ze die kunstjes van den meester nu nadoen?
+
+Met die vraag komen de bengels zelf ook altijd voor den dag. »En als wij
+nu ook eens drie weken spijbelden?"
+
+Maar dan is mijn vast antwoord: »Dat doe jelui niet."
+
+»En als we het dan tóch eens deden?"
+
+»Jelui doet het niet."
+
+»Hoe weet u dat?"
+
+»Omdat je 't hier veel te goed hebt."
+
+Dan lachen de snaken, en er gaat een vriendschappelijk gejouw op: »Haha,
+te goed!"
+
+»Ja zeker, veel te goed. Je hebt absoluut geen reden om te spijbelen.
+En wil ik je nu nog wat anders zeggen? Als jullie meent, dat je hier
+onbehoorlijk, hard of onrechtvaardig behandeld wordt, dan geef ik je
+verlof om te spijbelen. Maar je dóét het niet. Daar ben ik wel zeker
+van."
+
+»Jongens, ga je mee?" roept er een, en hij doet of hij vertrekken wil.
+Maar halverwege keert hij lachende terug. »'k Zal maar hier blijven."
+
+»Dat wist ik wel."
+
+Wellicht vindt deze of gene onder mijn lezers die methode toch wel wat
+gewaagd. Maar dan wil ik hem zeggen, dat je er wát een succes mee hebben
+kunt.
+
+Zoo kwam er onlangs een oude man bij ons op school met zijn 12-jarigen
+kleinzoon. Die jongen had het op een andere school erg verbruid, had
+daar herhaaldelijk straf opgeloopen en gespijbeld, en nu--»of de meester
+ook een plaatsje voor hem had."
+
+»Gespijbeld? Heb jij gespijbeld? Dan moet ik je net hebben. Want dat heb
+ik ook in mijn jongensjaren gedaan en 't is mijn prettigste tijd
+geweest."
+
+De jongen hief zijn zwarte oogen naar me op, zonder dat ik hem hiertoe
+dwong--je hebt van die paedagogen (ook onder de agenten) die altijd de
+slachtoffers _dwingen_ hen, beleefdheidshalve, aan te zien, maar door
+hun gansche optreden de oogen dier misdadigers een anderen kant op
+jagen--de jongen dan keek me gansch vrijwillig aan, en er was een
+glinstering van vertrouwen in zijn donkere kijkers.
+
+»Zeker, ik heb ook gespijbeld. En daarom moet ik je juist hebben. Je mag
+komen, hoor!"
+
+Grootvader keek verslagen. Hij dacht, dat hij met een krankzinnige te
+doen had. Zoo ongewoon is zulken menschen de simpele gewoonheid.
+
+»Hij mag komen, Grootvader! Maar op één voorwaarde."
+
+Vier vragende oogen keken mij aan.
+
+»Dat hij dadelijk gaat spijbelen, als 't hem niet bevalt."
+
+Grootvader snapte het niet. Hij was al te veel verbasterd in deze wereld
+van schijn, mooidoenerij, braafheidsvertoon, algemeene fatsoenhouderij.
+Maar de jongen begreep me. Hij lachte. En pas had ik hem de hand ten
+verbond toegestoken, of hij sloeg toe. Hij kwam op school, is een jaar
+gebleven, en heeft _nooit_ aanleiding tot eenige klacht gegeven.
+
+Natuurlijk gun ik het succes hiervan ten volle aan zijn
+klasseonderwijzer. Maar deze stoort zich ook al meer aan de paedagogiek
+zijner levenservaring, dan aan de voorschriften der gezags-paedagogiek.
+Hij volgt dus dezelfde methode als ik. Misschien moest ik zeggen:
+Ik volg dezelfde methode als hij. Want ik geloof, dat ik in dit
+opzicht heel wat van hem geleerd heb. De hoofdzaak echter is, dat
+we dit succes te danken hadden aan de methode van--toe, geef eens
+een mooien naam, liefst een Griekschen--de methode van....
+zondaar-met-den-zondaar-te-zijn.
+
+ * * * * *
+
+Die methode komt in geen paedagogisch handboek voor, evenmin als
+de sinaasappel-methode. Maar ik hoop, dat beide daar nog eens een
+plaats krijgen. En daarom ga ik nu nog een van onze streken vertellen,
+misschien wel een der ergste. Wie weet, of ook uit dit kwaad niet iets
+goeds geboren wordt.
+
+Het is avond. De duisternis hangt reeds over het vunze grachtwater en
+vult de nauwe ruimten tusschen de hooge huizenrijen, die men straten en
+dwarsstraten noemt. Wij dwalen nog zoo'n beetje in die duisternis rond,
+zoekend naar een genotsprikkel. Daar ligt ergens een keisteen los. We
+halen hem uit het plaveisel. Of een paard nu misschien zijn poot in dat
+kuiltje verzwikken kan, niemand denkt er aan. Met die kei kunnen wij wat
+uitvoeren.
+
+Nu zoeken we einden touw in onze jongensschatten, opgehoopt in de
+broekzakken. Die einden binden we aan elkaar. 't Wordt een touw van
+behoorlijke lengte. Het eene eind wordt op stevige wijze om de kei
+gebonden.
+
+Ginds staat de deur van een bovenwoning open. Wij er heen. Een van ons
+trekt zijn schoenen uit, neemt de kei in zijn linkerarm, de schoenen
+in de rechterhand, en sluipt op zijn kousen de trap op, naar 't
+bovenportaal. Een ander heeft beneden het touw vastgehouden.
+
+De indringer staat doodsangsten uit. Want het is mogelijk, dat juist
+op dit oogenblik daar boven een deur opengaat en een bewoner hem in de
+gaten krijgt. Erger, het is ook mogelijk, dat nu juist een der bewoners
+thuis komt, een pootige, ruwe kerel, en achter hem de trap oploopt.
+Dan zit hij in de val. Want dan vraagt die kerel hem natuurlijk wat
+hij daar te maken heeft, ontdekt den steen, heeft misschien de jongens
+beneden al weggevloekt, en grijpt den binnensluiper in zijn nek....
+
+O, die heerlijke doodsangsten! Wat heb ik er van genoten! Iedere zenuw
+is in spanning! Elke seconde is een levensgevaar!
+
+Eenmaal hééft een kerel me zoo verrast. Maar niet gegrepen. Hij zag me
+niet. Ik sloop als een schaduw de trap op, het portaal door, duwde me in
+een donkeren hoek, plat tegen den muur, en de kerel liep me voorbij. Het
+was om te bezwijken van heerlijkheid. Zulk een oogenblik is een hemel.
+Het is bijna zoo zalig, als dat je op 't punt staat door de Indianen
+gescalpeerd te worden en door de uiterste doodsverachting je leven redt.
+Je bent een moment een van je meest benijde boekenhelden.
+
+Als de indringer zonder gevaar boven is gekomen, legt hij daar
+behoedzaam den steen neer, sluipt weer naar omlaag, trekt zijn schoenen
+aan, en houdt zich gereed.
+
+»Trek!" fluistert hij.
+
+De man aan het touw trekt en de steen dondert de traptreden af naar
+beneden. Tegelijkertijd schreeuwt een der jongens een erbarmelijk
+kindergeschrei uit. Je kunt niet anders denken, of er valt een kind van
+de trap. Alle kamerdeuren vliegen open, alle vrouwen komen kijken. »Een
+kind van de trap gevallen!" En ze tuimelen zelf haast de trap af, om de
+eerste te zijn, die 't arme schaap opraapt. Want vrouwen van dat slag
+mogen haar eigen kinderen verwaarloozen, bij een ongeluk zijn ze de
+hulpvaardigheid zelf.
+
+Maar ze vinden niets dan malkaar en dat is reden genoeg om te blijven
+staan en met nog eenige andere ook toegeschoten buurvrouwen te
+overleggen, wat daar dan toch kan gebeurd zijn. Wij jongens, eerst
+weggehold, met den steen, komen nu een voor een naderbij, steken ons
+gezicht tusschen een paar jakken door, en informeeren belangstellend
+naar het gevallen jongetje. En wij smullen daarbij van ons succes. Of
+de vrouwen 't in de gaten krijgen? Een van haar roept tenminste: »za-je
+opdondere, vuile flikkerkop!" En veiligheidshalve »dondere" wij op.
+
+ * * * * *
+
+Ook deze jongensgrap heb ik vaak in kleuren en geuren aan mijn
+leerlingen verteld. En dan zaten die te springen van plezier. De meisjes
+niet. Die voelen over 't algemeen niet veel voor zulke min of meer
+avontuurlijke streken. Maar de jongens. Hun oogen flikkerden. Nog meer
+dan bij het overhooren der jaartallen. En niet een dacht er aan, of op
+een dier bovenkamers misschien een doodziek kind, een stervende zieke
+lag. En of die donderende steen wellicht een armen lijder had doen
+opschrikken, die juist wat verademing beloofde te krijgen in een
+rustigen slaap. Daarheen gingen hun gedachten niet, zoo min als die
+van ons, jeugdige bedrijvers van die geneugten. We waren immers door
+voorbeeld en lektuur ook in plagen opgevoed?
+
+Maar daarom, als mijn jongens volop genoten hadden van mijn vertellen,
+liet ik hen critiek oefenen. Ik keerde dus het spelletje om. Niet
+ik sprak afkeurend over hun ondeugendheden, maar ik liet hen al het
+verkeerde aantoonen in mijn gedrag. En het was wonderlijk, hoe ze dan
+gaandeweg van stemming en gezindheid veranderden. Eigenlijk was het
+een gemeene streek, om die menschen zoo aan het schrikken te maken.
+En ook gevaarlijk voor mogelijke zieken. Wie weet, of daar niet een
+vrouw in de bitterste armoede op haar man, op haar zoon zat te wachten,
+een woesten dronkaard. En hoe dan die arme vrouw, doodelijk verschrikt,
+zou opspringen. Ach, er wordt in die kleine woningen zooveel ellende
+geleden. Er is daar zooveel verterende smart. Dag aan dag, en nacht aan
+nacht. Drank, armoede, ziekte, dood.
+
+Natuurlijk hielp ik mijn jonge veroordeelaars in het uitdenken van
+toestanden, die onze grap tot een ernstig vergrijp maakten. En dan
+bedachten we met elkaar, hoe je een beetje blijdschap kon brengen in
+zulke vaak droevige gezinnen, hoe je misschien helpen kon. Ja, daar
+waren wij ook wel toe bereid geweest. Maar men had het ons niet geleerd,
+we waren er niet in geoefend. Bereid? 't Gebeurde nog al vaak in die
+buurten, dat er een drie- of vierjarig kind zoek raakte. Die kinderen
+speelden vrij op straat en dwaalden dan weg. Maar nauwelijks hoorden we
+van een radelooze moeder dat ze haar kind »verloren" had, of we staakten
+onmiddellijk het boeiendste spel en trokken in groepjes de straten
+rond onder het eentonig-zangerig geroep van: »Wie hét er een ki----nd
+gevonden, wie hét er een ki----nd gevonden," net zoo lang totdat het
+verloren schaap terecht was. Hoe levendig herinner ik mij die droomerige
+dwaaltochten, straat in straat uit, waarin we gehuld waren in de
+atmosfeer van ons eigen weemoedig-melodisch geroep. Niemand dacht aan
+opgeven. Ook wij waren verloren, verloren in dienstbetoon. Alleen nu en
+dan hielden we stil, als een deelnemende vrouw vroeg: »Hoe oud is het,
+jongens?"--Drie jaar.--»Nee, niet gezien, hoor!"--En dan trokken we weer
+verder, aanstonds in de maat en de stemming van ons zingend vragen, dat
+de open deuren en ramen ingolfde. Bereid? Ja, zeker waren we bereid. Men
+verstond echter niet de kunst die bereidheid te exploiteeren. Zou dit
+niet een der eerste opvoedingsplichten zijn? Leer uw kind, zichzelf te
+helpen, en ook anderen. Dat leert men echter het best niet door preeken,
+maar praktisch. Ga hen voor en neem ze mee.
+
+Mijn leerlingen waren intusschen hartelijk bereid, het vroegere gedrag
+van hun meester af te keuren, en daarmee had die meester ze meteen in
+zijn paedagogische val. Want je moogt van rechters, die zoo pas het
+stelen veroordeeld hebben, toch niet verwachten, dat ze nu zelf op roof
+uittrekken?
+
+ * * * * *
+
+Ik hoop, dat mijn vreesachtige lezers, die zooveel gevaar duchten van
+dat vertellen onzer kwajongensstreken, toch ook een weinig oog hebben
+gekregen voor de gezegende vruchten er van. Men komt, in de eerste
+plaats, daardoor zoo dicht, zoo heel dicht bij de kleine zondaars van
+nu te staan. Zij voelen in u een van hun gelijken, vertrouwen u, durven
+zich aan u geven--en komen dientengevolge te gemakkelijker onder uw hun
+heil bedoelenden invloed. We weten het wel, Farizeesche ongereptheid is
+heel mooi om aan te zien, bijna zoo mooi als een verlakte schoen, maar
+de tranen van ons berouw glijden er langs af, dringen er niet in, vinden
+er geen toegang. We voelen ons meer thuis bij den tollenaar, die in zijn
+machtelooze veroordeeling van eigen ongerechtigheid alleen redding zocht
+bij de genade der goddelijke liefde:
+
+»Heer, wees mij zondaar genadig." Wanneer kinderen in ons medezondaars
+weten, is de afstand tusschen hen en ons wat kleiner. Ze laten zich in
+ons los.
+
+Maar dan in de tweede plaats, kan men van eigen verleden een spiegel
+maken, die niet alleen het kwade weerkaatst, maar ook de daaruit
+voortvloeiende gevolgen. Men kan de kinderen oog doen krijgen voor
+hetgeen het kind, en ook nog de mensch, in eigen handelingen bijna nooit
+ziet: de noodlottige gevolgen, vonnissend de onschuldig schijnende
+daad. Dat kan nu ook wel in een of ander verhaal, maar het verhaal
+van meesters eigen leven is zooveel aangrijpender, juist omdat het
+hém betreft. Alle kinderen hooren graag vader en moeder van eigen
+jeugd verhalen, hoe die geëerbiedigde volwassenen zich als kinderen
+vertoonden. En ik heb het bijgewoond, hoe kinderen medelijden hadden
+met dat arme jongetje, dat zoo strijden moest om eigen kwaad te
+overwinnen en er telkens weer in verviel, en dat nu hun vader was.
+
+Wie zich aan zijn kinderen durft geven, gehéél, doch met de heilige
+bedoeling om dit als een offer te brengen tot hun heil, hij zal ervaren
+hoe dit offer, wel verre van tot navolging der verkeerde daden te
+prikkelen, een zegenende ernst in hen ontwikkelt, een vroegen strijd,
+een--mogen we hopen--tijdige zege.
+
+Dan mag er--we zijn immers onder kinderen--wel eens een vroolijken toon
+in ons verhaal klinken, dan mag er wel eens een luid gelach uitbarsten,
+mits de ondertoon ernst is en het doel wordt beoogd: het geslacht van
+nu, zoo mogelijk, te bewaren voor de zonden van het vroegere.
+
+
+
+
+NÓG STRAATJONGEN.
+
+
+Waarom--zoo vragen vaak ouders--waarom glijdt die jongen nu liever langs
+de leuning van de trap naar beneden, in plaats dat hij, evenals wij,
+netjes over de treden loopt. Dit laatste is toch zooveel veiliger.
+
+Ik denk, dat die jongen, behalve om het glijgenot, de leuning juist
+kiest omdat zij een beetje _on_veiliger is.
+
+Kinderen _zoeken_ moeilijkheden.
+
+Langs uw trap zijn twee wegen. Den eenen volgt gij. 't Is de breede,
+gemakkelijke, met loopers geplaveide weg tusschen beide leuningen. De
+andere bestaat uit de kleine puntjes der treden, die nog even buiten de
+leuning uitsteken. 't Is de uiterst smalle weg, die voortdurend boven
+den afgrond van den hal hangt. En dien volgt hij. Daarbij zet hij zijn
+voeten dwars, houdt met één hand de leuning vast, laat zich half boven
+de diepte zweven, en slingert zich, boven gekomen, met vlugge beweging,
+op den heirweg, door u gevolgd.
+
+Dat is een zeer duidelijk uitgesproken verschil van voorkeur.
+
+Gij vraagt, waaróm die jongen zoo dwaas is, zich moedwillig in 't gevaar
+te begeven, en denkt er niet aan, hoeveel kostelijke krachtsontwikkeling
+ge hem beneemt, als ge hem dezen moedwil verbiedt. Hoe zal de jongen,
+te midden van zijn geriefelijke omgeving, een beetje leeren durven en
+wagen, als hij er niet op eigen gelegenheid wat ongerief mag scheppen?
+
+Men beschuldigt in zulke gevallen de kinderen aanstonds van
+onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid en ranselt er dan die twee ondeugden
+uit. 't Is verkeerde paedagogiek. Men ranselt er op die manier een
+natuurlijken opvoedingsfaktor uit, slaat dien tenminste voor een poosje
+lam. De onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid is een ademen der zedelijke
+natuur, 't is het uitslaan der vleugelen, 't is het uitgroeien der
+ethische krachten van moed en zelfvertrouwen, 't is het overwinnen van
+onmisbare zwarigheden, en daardoor het winnen in willen en kunnen.
+
+Bekijk de zaak eens van dezen kant, en gij zult begrijpen, waarom die
+jongen liever op de tuinschutting zit dan op de tuinbank--ongeacht het
+wel wat smalle zitvlak van die tuinschutting; waarom hij zoo graag door
+het dakvenster klautert en liefst tegen de pannen op dan nog naar de
+vorst van het dak; waarom hij buiten zoo onweerstaanbaar door slooten
+wordt aangetrokken en als door een magnetische kracht wordt gedwongen
+daarover te springen; waarom hij, met zijn kameraad op de wandeling,
+zeker tienmaal, indien niet twintigmaal, vraagt: durf jij dat? en--als
+er maar geen ouders bij zijn--dan bij ieder kwestieus geval net zoo lang
+draalt en zich opwindt tot hij gedurfd heeft.
+
+Gij zegt, dat hij aan zijn kleeren moet denken en aan alle mogelijke
+ongelukken. Hij denkt aan niets dan aan het lokkende gevaar en aan de
+zalige zege.
+
+Toe, bekijk de zaak eens van dezen kant en vraag dan uzelf af, bij welke
+partij de ware opvoeding werkt: bij de officiëele opvoeders of bij het
+brutale, onnadenkende kind, bij de verlammende leiding of bij de
+stalende zelfstandigheid.
+
+ * * * * *
+
+Voor ons huis was een houten brug met een ijzeren leuning. Hoe dikwijls
+liepen wij jongens, een heel rijtje achter elkaar, langs den buitenkant
+der leuning. Ik voel dat ronde ijzer nog en aan het einde den
+bolvormigen knop. Ik zie nog het vuile water onder ons. En ik herinner
+me nog den even voorzichtigen als sierlijken zwaai, waarmee we om den
+eindknop heen weer op de straat terecht kwamen.
+
+Zeker, als ik het nu van kinderen zag, ik zou mijn hart vasthouden, maar
+nooit is er bij die kunsten een jongen te water gevallen, zelfs niet
+als we, verstoken van alle gymnastiekwerktuigen, de ronde leuningen als
+rekstok gebruikten om er ons borstwaarts of ruggelings over te trekken.
+Er waren jongens, die, waar ergens een brugleuning van hout was met een
+plat bovenvlak, daar overheen liepen. Eén zwenking naar links, en ze
+tuimelden in het diepe water. Maar ze liepen met geconcentreerde
+
+zekerheid de heele leuning af, om dan aan het eind met een prachtigen
+sprong weer op den vlakken grond te komen. Wie het niet durfde, stond
+het bewonderend aan te staren.
+
+Eén heldendaad van dien aard herinner ik me van mezelf. Er stond eens
+een vrij hooge stapel roode baksteenen opgetast aan den waterkant
+dicht bij ons huis. Dat zag men toen meer: de openbare weg deed bij de
+bouwerij nog al eens dienst als stapelplaats van materialen. Nu was er
+tusschen dien hoogen steenstapel en den waterkant natuurlijk een reepje
+weg onbedekt gebleven, een paadje dus achter den steenenmuur en vlak
+langs het water, een paadje waar een paar muizen konden wandelen,
+misschien ook een kat, maar stellig geen hond, en dat alzoo nu juist
+niet bepaald voor jongens was opengelaten. Daar kon geen kind langs.
+Reden te meer om het te willen.
+
+»Durf jij daar langs?"
+
+Nauwelijks was de vraag gedaan, of het paadje begon te trekken. Eerst
+trok het je oogen en die maten met een enkelen blik de breedte--smaller
+dan je voet--en de lengte--een meter of drie. Toen trok het je
+linkervoet. Die moest noodzakelijk even om het hoekje heen, den neus
+van je schoen rechthoekig tegen de steenen. Dat ging. Op je teenen en
+de voorhelft van je voet kon je er staan. En als je je voet dwars tegen
+de steenen drukte, met zijn binnenzij tegen den muur, dan kon hij er
+heelemaal op. Nu trok het je linker arm. Die strekte zich uit en legde
+zich, met uitgespreide vingers, vlak tegen den stapel. Je hand ging
+werken als een zuignapje. Hij zoog zich als aan de steenen vast. Pas
+op, het paadje trok je linkerbeen, je linkerzij, het trok je borst--je
+drukte die plat tegen de steenen--je rechterbeen moest volgen, dan je
+rechter arm, en je schoof, met uitgespreide armen, als een schaduw langs
+den steenenmuur. Hoe kón het? Dat weet ik niet, maar het kón.
+
+Voetje voor voetje ging het schuivende verder. Eenmaal begonnen, was
+er aan teruggaan geen denken meer. De makkers keken ademloos toe. De
+menschen aan den overkant spraken er zeker schande van: »zulk tuig!" Ik
+zag niets, hoorde niets, dacht aan niets, wist alleen dat ik, klevende
+aan de steenen, moest voortschuiven. En ik schoof voort. Mijn leven hing
+af van een oogenblik aarzeling of twijfel. Mijn leven en mijn triomf.
+Ach, mijn hemel, het was alleronzinnigst. Maar waarom vertelde men
+ons dan ook de geschiedenis van De Ruyter? Ik had geen toren om te
+beklimmen. Moest ik dan de bevende heerlijkheid van het gevaar niet
+achter die steenen zoeken?
+
+Ik kwam er. Even behoedzaam tastende als de tocht begonnen was, werd hij
+geëindigd. Geen roekeloosheid op het laatste moment. De linkerarm boog
+eerst om, de schouder volgde--maar reeds grepen de makkers dien arm beet
+en ik stond weer in hun midden. Doodstil. Zij juichten. Ik zweeg. Want
+als je wezenlijk verdienste hebt, met uiterste inspanning veroverd, dan
+bluf je niet. Dan ben je moe en stil.
+
+Een tweeden keer heb ik dien tocht niet gedurfd. Toen trok ook het
+smalle randje niet meer. Het had zijn bekoring verloren, gelijk de
+jonkvrouw in Schillers ballade van »De handschoen". En geen der
+kameraden volgde me na. Er zijn heldendaden, voor enkelen weggelegd,
+en die deze ook maar éénmaal in hun leven kunnen volvoeren.
+
+Natuurlijk begrijpen de menschen niets van wat er omgaat in zoo'n
+jongen. Ze vinden het domme waaghalzerij en koelen hun angst voor zijn
+gevaar met scheldwoorden, pakken slaag, naar huis en naar bed. Daar is
+de bengel dan vooreerst weer veilig en kon hij over zijn zonden
+nadenken.
+
+Op dat nadenken moeten de opvoeders echter nooit veel rekenen. Het
+bed is geen plaats voor zulke berouwvolle overpeinzingen. Daar, als
+waarschijnlijk in elke andere gevangenis, lig je te fantaseeren. Je
+ziet alles nog eens levendig voor je. Je geniet van nieuwe gevaren.
+Je klimt en klautert langs onmogelijke wanden. Je bent er veilig, nu
+ja, maar nadenken? Op grond mijner jeugdervaringen ben ik een overtuigd
+tegenstander van de celstraf. Ik geloof alleen in de verbeteringskracht
+van goed gezelschap en lustwekkenden arbeid.
+
+ * * * * *
+
+Hoe weinig ik in zulke waaghalzerijen kwaad zag, blijkt wel uit het
+volgende.
+
+Ik had een nieuw zondagspak gekregen. Dat was heusch een weelde, die
+niet ieder jaar voorkwam. Met je moeder naar den winkel gaan, daar
+verschillende pakken bekijken en passen, eindelijk dat eene mooie te
+krijgen, juist dat eene waar je al je hart op gezet had, en dit dan den
+eerstvolgenden zondagmorgen te mogen aantrekken en er de straat mee te
+mogen opgaan, neen, dat was heusch geen kleinigheid, dat was een reeks
+zeldzame genietingen, zooals in ons kinderleven wel eens één keer in de
+drie jaar voorkwam; meestal werden onze kleeren gemaakt uit die der
+oudere jongens.
+
+Het was dus een unicum, voor mijn ouders een groot geldelijk offer, en
+toen ik den eersten zondagmorgen den besten in het nieuwe pak uitging,
+liep Moeder mee tot aan de winkeldeur, tot op de stoep.
+
+»Zal je er goed op passen, Jan?"
+
+»Ja Moe!"
+
+»Zal je er erg voorzichtig mee zijn?"
+
+»Ja Moe!"
+
+Ik stapte de gracht op, ging mijn vrindjes halen, liep niet als een
+gewoon kind, maar als een drager van nieuwe kleeren. Ik keek nog eens
+om. Moeder stond me nog met gelukkige, streelende oogen na te kijken.
+Ze moest er van genieten, hoe 't me stond als ik op straat liep, en hoe
+netjes haar jongen er uitzag. Ook voor haar was 't een weelde en een
+zeldzaam genot.
+
+Met mijn vrindjes ging ik naar buiten. In de stad wandelden we
+nooit. Altijd naar buiten, naar de slooten, naar de balken bij den
+houtzaagmolen, naar de tuinschuttingen, naar de wilgen. Er moest water,
+groen en klimbaarheid zijn. En dat had je in de straten niet.
+
+Eerst bewonderden de vrindjes natuurlijk het mooie pak, maar dat was
+gauw gedaan. Jongens vinden het wel een ellende met vermaakte kleeren
+te worden op straat gestuurd, en ze zijn wel grootsch op een nieuw pak,
+maar die ellende en die grootschheid duren beide gewoonlijk heel kort.
+Zoodra de kameraden hun schimp of hun lof hebben geuit, is 't gedaan met
+de macht der lichaamsbedekselen. Dan dénken de jongens eenvoudig niet
+meer aan hun kleeren--zoo heel anders dan meisjes--en voelen ze als
+lagen huid, die zich zoo gauw mogelijk moeten schikken naar de
+bewegingen van het lichaam.
+
+Zoo ging het ook mij op dien Zondagmorgen. Mijn nieuw pak werkte al niet
+meer, toen we nog maar even buiten de poort waren, en het sprong net zoo
+gemoedelijk mee over de balken in de sloot als mijn oude plunje. Het
+schikte zich wonderwel in de manieren en plezieren van zijn eigenaar.
+Zelfs klom het al mee in een boom.
+
+Er stond ergens aan den slootkant een knotwilg, die half over het water
+hing. Nu konden we reeds op drie manieren op het weiland komen: over het
+hek op den dam klimmen, over de balken in 't water loopen, of ineens
+over de sloot springen. Dat was voor een gewoon mensch al variatie
+genoeg, zoolang er echter niet een schuine knotwilg bij kwam. Maar
+nauwelijks had die al de bekoorlijkheden, waarover zijn uitgeteerde
+ouderdom nog te beschikken had, voor ons uitgespreid, of wij bezweken.
+We moesten in dat oud stuk stam klauteren, op den kruin staan, de takken
+wegschuiven, en dan over 't water op 't weiland springen. Die weg was
+veel moeilijker dan een der andere drie, en dus veel aangenamer. We
+genoten er wel tienmaal van, ook al kraakte soms een halfrotte rand van
+den hollen bast onder onzen voet. De zorg voor mijn nieuwe kleeren
+bepaalde zich hiertoe, dat ik telkens na een sprong broek en kiel met de
+hand netjes afveegde, omdat ze wat groen of vuil waren geworden van den
+ouden wilg, en hun rimpels daarna mooi wegtrok, rimpels van 't klimmen.
+Overigens kan ik met volle eerlijkheid verzekeren, dat ik mijn nieuwe
+kleeren totaal vergat.
+
+Men versta dat toch goed. Ik zeg niet, dat ik ze moedwillig
+verwaarloosde, dat ik ze niet achtte, maar ik vergat ze. Ze bestonden
+niet meer voor me. De boom, de kruin, de takken, de sprong--die
+leefden en heerschten. Al dat andere was weggezonken, zooals men dat
+tegenwoordig met naïeven verklaringswaan uitdrukt: onder den »drempel
+van het bewustzijn".
+
+Mijn vader had echter weer een anderen drempel. Hoe de man, tot mijn en
+zijn eigen rampzaligheid, daar nu juist op dat buitenpad moest wandelen,
+juist op dien Zondagmorgen, ik weet het niet. Maar hij liep er, en nog
+eer ik hem in de gaten had, had hij mij gezien, klimmende en springende.
+Zijn buitengenot en landelijke rust zonken onder zijn bewustzijnsdrempel
+weg en daarboven op sprong, met tergende sprongen, zijn jongen in het
+nieuwe pak. Een oogenblik nog, en hij had die jongen in zijn nek
+genomen, een paar driftige kletsen om den kop gegeven, en naar huis
+gejaagd.
+
+'t Was voor dien jongen een doodschrik en een grievende krenking. Hij
+liep naar huis, op eenige meters gevolgd door zijn vader. Voor beiden
+was het genoegen van dien Zondagmorgen weg. Maar in die jongensziel
+ontkiemde, onzichtbaar voor hemzelf, de zekerheid, dat vaders domkoppen
+zijn. En hij hield op dat oogenblik meer van dien stommen, ouden
+knotwilg, dan van zijn vader.
+
+ * * * * *
+
+Het is hard om te zeggen, maar vaders zijn vaak domkoppen. Ze
+verstaan hun kinderen niet. Als ze zich de moeite eens wilden geven,
+naar hun kinderen te zien en naar hun uitingen te luisteren, eens
+heel oprecht met hen te praten, dan zou waarschijnlijk hun houding
+tegenover dat jonge goed heel anders zijn. Maar neen, ze volgen
+alleen hun eigen opwellingen van wrevel, ergernis, woede over allerlei
+recht kinderlijke »overtredingen" en schelden of slaan er dan maar op
+los. Daarmee vervreemden ze hun kinderen wel niet van ze--de band des
+bloeds is taai--maar ze bederven toch zooveel jeugdgenot en zooveel
+huiselijke vreugde. Wel, dat kon zoo gansch anders, en met veel meer
+gehoorzaamheid dan nu morrende gehuicheld wordt. Wanneer ik hier geen
+jeugdherinneringen schreef, maar degelijke paedagogiek, zou ik over de
+vaderzonden een hoogst leerzaam hoofdstuk kunnen schrijven. Misschien
+maak ik er nog een boek over en dat zal dan het beste paedagogische
+handboek zijn van de wereld, want het begint de opvoeding bij de
+opvoeders, en die hebben de verbetering het hardste noodig. Maar ik
+schrijf slechts ijdele jeugdherinneringen, laat dus de domheid der
+vaders onverbeterd, en ga voort met een stukje verregaand brutale
+heerlijkheid.
+
+We lazen destijds veel indianenboeken en daarvan was het gevolg, dat
+we ook speelden van »Blanken en roodhuiden". We verdeelden ons in twee
+partijen. Doch nu waren we niet tevreden met een simpel spelletje in
+de straat, neen, het moest echt wezen, zoo echt mogelijk, er moest een
+woud bij te pas komen, een wildernis, en dan oplichting, gevangenneming,
+bevrijding. Er moest eenzaamheid bij wezen, spoorzoekerij, sluipen,
+geheime teekens, vogeltaal. We moesten de volle ontroering genieten van
+het echte woudloopersleven, en nu zouden we geen jongens geweest zijn,
+als we ons dat niet hadden weten te verschaffen, ondanks al de
+tegenwerking van straatsteenen, huizen en volwassenen.
+
+Om te beginnen verdeelden we ons in twee partijen, maar die verdeeling
+gold niet voor één avond, doch voor altijd. Wie eenmaal een roodhuid
+was, bleef een roodhuid, en dat bleef hij overal, op straat, in huis,
+op school, in de stad, buiten, Zondag en in de week. Zoo veranderde een
+blanke ook niet van huidkleur en van vijand. En nu was de afspraak, dat
+je, overal waar er slechts kans toe was, je vijand bestookte, besloop,
+gevangen nam.
+
+Dat gaf aanleiding tot een voortdurende spanning. Nooit liep je op
+straat, of waakzaam loerde je rond. Was je als blanke alleen en kwamen
+er drie roodhuiden aan, dan maakte je tijdig dat je wegkwam, eer ze
+je te pakken kregen. De gang van school naar huis was weken of maanden
+achtereen een onafgebroken gevaar, en deed je boodschappen voor je vader
+of moeder, was dan maar dubbel op je hoede, want de vijand stoorde zich
+aan niets, vond je met je boodschappenmandje een te welkomer prooi en
+sleepte je naar buiten, naar een plantsoentje, waar je »dicht in 't
+woud" aan een boom werd vastgebonden. Vader of moeder mochten op de
+boodschap wachten, angstig worden, naar je uitzien--dat alles maakte de
+zaak »echter" en dus het genot grooter. 't Mocht geen komedievertooning
+wezen, maar 't moest echte werkelijkheid zijn met echte ellenden.
+
+Nog zie ik me op een zomernamiddag in mijn eentje door de buurt dwalen,
+dan naar 't plantsoentje gaan tusschen Raam- en Zaagpoort, en daar
+zoo gauw mogelijk een boschje binnensluipen, op den heelen weg steeds
+rondziend en zooveel mogelijk ongezien blijvend. De avond valt reeds,
+'t begint althans te schemeren. Nergens bespeur ik onraad, maar ook
+nergens een teeken dat er vrienden in den omtrek zijn. Nauwlettend
+bekijk ik den grond, of de voetstappen iets te zeggen hebben. Luister,
+klonk daar niet het geroep van den koekoek? Dat is het teeken van de
+blanke jagers, waarbij ook ik behoor. Doodstil blijf ik staan en wacht.
+Opnieuw klinkt het: koekoek, koekoek, koekoek, driemaal. Is het de roep,
+wellicht de noodkreet van een blanke? Of de lokstem van een roodhuid,
+die aldus een verdoold jager in den strik wil lokken? Nu is de uiterste
+voorzichtigheid plicht. Mijn ooren richten zich naar alle zijden, vangen
+ieder geluid op. Men kon mij van verre omsingelen, zonder dat ik 't
+merkte. Maar geen verdacht geluid waarschuwt. Ik sluip dus verder in
+de richting van de telkens herhaalde koekoeksroepen. 't Is wel wat
+ongewoon, in dit plantsoentje een koekoek te hooren. Die komen anders
+niet onder de rook van de hoofdstad. Maar die ongewoonheid geldt alleen
+voor eerzame burgers en voor den boschwachter. Wij weten hier van geen
+hoofdstad, we zwerven in de wildernis van het verre westen. En daar
+klinken nog wel andere geluiden.
+
+Naarmate ik de roepstem nader, meen ik er de stem van een vriend in
+te herkennen. Nu dient alles gewaagd. Toch laat ik me niet verleiden
+tot roekeloosheid. Onder voortdurende bedekking, vaak liggende, soms
+kruipende, tracht ik me tegen een overval te vrijwaren, totdat ik
+eindelijk, in de eenzaamheid van het woud, een makker vind, inderdaad
+vastgebonden aan een boom. Ik snel er heen, trek mijn zakmes, snijd
+hem los en vlucht met den geredde zoo spoedig mogelijk weg van de
+gevaarlijke plek. Eerst als we ons buiten gevaar weten, vertelt hij mij
+zijn wedervaren.
+
+Hij moest voor zijn moeder een boodschap doen. »Gauw terugkomen," had
+moeder gezegd. Toen, argeloos door de straat loopend, was hij door een
+paar roodhuiden gegrepen. Die hadden hem hierheen gesleurd. Al zijn
+gekerm mocht niet baten. Ze verstonden zijn woorden niet eens. In hun
+ijzeren vuisten gekneld hadden ze hem geblinddoekt, langs allerlei
+sluipwegen gevoerd, hem midden in 't bosch van al zijn bezittingen
+beroofd, ook van het geld voor zijn boodschap, en tenslotte
+vastgebonden. Stellig zouden ze hem den volgenden dag onder een woesten
+krijgsdans verbrand hebben, als ik hem niet tijdig had gered.
+
+In de handen van welk opperhoofd hij gevallen was? Hij wist het niet,
+maar hij vermoedde van De Witte Arend, want die was den laatsten tijd
+erg in de weer. In zijn stam scheen een feest op til te zijn, en daartoe
+had men gevangenen noodig, om met hun lichaamspijnen, doodsangsten en
+gebraden spieren het feest op te luisteren. Goddank, dat de ongelukkige
+nog bijtijds aan deze onderscheiding ontsnapt was.
+
+Samen gaan we naar huis, plannen beramend van wraak. We moeten zien,
+dat we De Witte Arend zelf gevangen nemen om hem alleen tegen een
+hoogen losprijs weer vrij te laten. We zullen al de blanke jagers in
+een vergadering bijeenroepen, om een gezamenlijken rooftocht tegen
+den ellendigen roodhuid te ondernemen. Kunnen we hem niet een zijner
+geliefdste vrouwen ontrooven--de ellendeling had onschuldige zusjes,
+die daarvoor in aanmerking konden komen--en hem dan noodzaken tot een
+vernederende onderwerping? Of tijdens zijn afwezigheid de wigwams in
+vlammen doen opgaan?
+
+Hoe het zij, een gevoelige wraak moest volgen. Hiervan waren we zeker.
+En intusschen waren we innig gelukkig, dat we dezen avond weer zoo'n
+levensgevaarlijk avontuur hadden genoten. Al was De Witte Arend
+ook nog zoo'n ellendige roodhuid, voor geen goud, voor onze heele
+maatschappelijke toekomst zouden we hem niet hebben willen missen.
+Niet hebben kunnen missen.
+
+Wat was onze vale buurt, wat ons dreinig schoolleven zonder De Witte
+Arend?
+
+ * * * * *
+
+Maar die moeder nu, die op haar boodschap wachtte? En dat geld?
+
+Nu herhaal ik, wat ik reeds vroeger zei: in haar ontving de wereld der
+volwassenen haar trekken thuis. Deze maaide, wat zij gezaaid had.
+
+Wie hadden indianen-boeken geschreven, gedrukt, verkocht? Toch immers
+niet de kinderen? Wie verdienden er hun brood en misschien zelfs een
+kapitaal mee? Toch immers niet de straatjongens? Wie kocht ze voor ons,
+leende of schonk ze ons, wie liet ze ons lezen? Waren het de volwassenen
+niet? Wat deden ze om ons andere lektuur te bezorgen, ons in andere
+lektuur smaak te doen vinden, ons door betere lektuur op te voeden? Ze
+lieten ons gaan, of--erger!--deelden onleesbare traktaatjes uit, hetgeen
+daarom erger is, omdat het de kinderen van het daarin aangeboden goede
+vervreemdt.
+
+De volwassenen lieten ons gaan, zooals het tegenwoordig nog bij de
+meerderheid het geval is. Zij lieten ons doortrekken van indianen-zeden,
+d. w. z. zeden à la Aimard of Cooper. En als die zeden nu in ons
+begonnen te werken, aan wie dan de schuld? Wij konden het toch waarlijk
+niet helpen, dat we bij onze verbeelding moesten leven, dat we de
+romantiek tot werkelijkheid maakten. Dat lag zoo in onze kindernatuur.
+Maar wie had die verbeelding eerst vergiftigd, wie die romantiek aldus
+in onze fantasie gevoerd?
+
+Het is met die brave volwassenen zoo wonderbaar. Eerst gaan ze de
+kinderen in 't vloeken voor, en als dan een kind ook verdomme zegt,
+ranselen ze dat kind af. Eerst steken ze hun sigaar op, en als dan het
+kind ook een sigaretje wil genieten, bestraffen ze het met strenge
+woorden, doorrookt van pas geofferde tabak. Eerst omgeven ze het kind
+met een wereld van drinken, rooken, vloeken, onreine scherts, en als dan
+het kind de gevolgen hiervan openbaart, verbeteren die volwassenen nóg
+niet zichzelf, maar gaan ze in een soort opvoedingsangst het kind te
+lijf.
+
+Toen ik jongen was kon ik nooit de standjes en pakken slaag begrijpen,
+die we met onze toch zoo natuurlijke spelletjes opdeden. En om de
+waarheid te zeggen, nu ik al de vijftig voorbij ben, kan ik ze nog
+niet begrijpen, in den zin van: rechtvaardigen. Natuurlijk begrijp ik
+wel, hoe gemakzuchtige en genotzuchtige volwassenen liever kinderen
+afranselen dan zichzelf verbeteren. Maar ik begrijp niet, hoe ze daarvan
+eenig heil verwachten, ik begrijp hun domheid niet. De zaak is toch zoo
+eenvoudig: »Wie wind zaait, zal storm oogsten." En wie zijn akker braak
+laat liggen, moet zich niet verwonderen als daarop het onkruid tiert,
+waarvan de zaden overal rondzweven en neervallen.
+
+Die moeder, die op haar boodschap wachtte en noch boodschap, noch geld
+zag, had zeker recht om woedend te wezen. Maar op zichzelf. Ik vrees
+echter, dat ze niettemin op den rug van haar jongen die woede gekoeld
+heeft. Zoo zijn wij, opvoeders. Sterk--in de correctie. Waarbij dan de
+slagen vallen op de slachtoffers onzer nalatigheid.
+
+We verwaarloozen eerst. En dan maar straffen.
+
+
+
+
+KINDERKERK EN ZONDAGSSCHOOL.
+
+
+De kleintjes zaten in de voorste rijen, en naargelang je ouder en
+grooter werd, schoof je naar achteren.
+
+Ik heb een idee, dat ik als kleintje van zes jaar ook op de eerste bank
+heb gezeten, dat ik gaandeweg in 't midden kwam, en geleidelijk de
+laatste banken bereikte.
+
+'t Waren gewone banken zonder leuning, op drie pooten. Een heele rij
+achter elkaar. En vóór dit bankenregiment stond als kommandant een
+catheder, hoog boven de lage, platte banken uit, een generaal te paard
+voor zijn soldaten.
+
+We zaten daar 's Zondagsmorgens, heel stil, het petje in de handen, dat
+soms in de rondte begon te draaien, de ronde band tusschen de kleine
+vingertjes door, en dan weer vermoeid tusschen die vingertjes neerhing,
+of ook, plotseling, tusschen de vingertopjes uitviel op den grond. Die
+vingertopjes werden dan wat suf van het aldoor vasthouden en lieten het
+petje los, zonder dat ze het zelf wisten. Ze moesten onophoudelijk aan
+het petje denken, en konden daardoor niet zoo goed luisteren naar den
+meneer in den catheder.
+
+Daarbij kwam nog, dat het eene handje ook twee halfjes moest bewaren,
+een voor het zakje en een voor het negertje. Het zakje ging rond en
+vroeg voor de armen, het negertje stond op een tafel en vroeg voor de
+heidenen. Die halfjes werden zoo heet in je kleine, vochtige handpalmen,
+maar je moest ze ook goed verstoppen in de dichtgeknepen handjes.
+Een halfje op straat verliezen, was een jammer van groote beteekenis.
+Broekzakken hadden de kleine jongetjes nog niet. En daarom waren de
+halfjes alleen maar veilig in den heeten oven van hun kleine brandende
+handjes. Het was een heele verlossing, als ze daaruit weg mochten,
+vochtig warm in het zwarte zakje of in het hoofd van 't metalen
+negertje, dat ook voor de kleinste gave dankbaar knikte.
+
+Zoo hebben we daar gezeten, Zondag aan Zondag, telkens van 10 tot
+12 uur, dus twee uur achtereen, in een klein, laag, benauwd
+lokaal--hetzelfde, waar we in de week bewaarschool hadden bij juffrouw
+Fietje. En dan gingen we er 's middags nog een uur ter Zondagsschool.
+Ik denk, dat het niet gezond was.
+
+Nu, uit de verte gezien, vraag ik me af, wat de bekoorlijkheid van
+die uren was, want bekoorlijk waren ze. En dan denk ik allereerst aan
+het schoone, blauw-gestreepte katoenen kieltje, met het witte kraagje
+er in geregen, en het witte linnen broekje met korte pijpjes. Moeder
+had die alle gewasschen en gestreken en het was een heel genot, daar
+'s Zondagsmorgens in gestoken te worden als jongetje van zes, zeven,
+acht jaar, en er dan mee naar de kinderkerk te wandelen. Daar was iets
+voornaams, iets deftigs in. Je liep, stijf gestreken ventje, blinkend
+figuurtje, de halfjes in de linkerhand, netjes over de kleine steentjes.
+In heel je kleine lichaampje werkte nog Moeders waarschuwing, om toch
+vooral je goed niet vuil te maken. En de strakke voornaamheid van je
+glanzende kleertjes deelde zich aan den drager mee. De weg van huis naar
+de kinderkerk, nauwelijks drie minuten, was kort genoeg om ons buiten
+alle verleidingen te houden.
+
+Maar behalve die ijdele uitwendigheden oefenden nog andere factoren hun
+invloed uit.
+
+ * * * * *
+
+Hebt u nooit eens gehoord van meneer Beekman en meneer Seeze? Nu, ge
+ziet, ik ken hun namen nog, en ze dateeren toch uit het Germanentijdperk
+van mijn levensgeschiedenis.
+
+De eerste was klein en vriendelijk. Zijn oogen en zijn mond glimlachten
+ieder kind een onuitgesproken welkom toe. Een zachte, vriendelijke man.
+
+De tweede was lang en statig. Maar ook vriendelijk, schoon op een andere
+manier. Hij glimlachte niet, maar groette beleefd.
+
+De eerste trok meer dan de tweede. Voor den eerste zou je gauwer
+je zonden belijden. Heel zijn houding, heel zijn gelaat was een
+uitnoodiging: Vertrouw me maar, want je ziet wel, dat ik veel van je
+houd. Wanneer ik nu aan hem denk, valt mij het lied van Moody en Sanky
+in: »Kom tot uw Heiland, toef langer niet."
+
+Een man, wiens heele persoonlijkheid een uitnoodiging is van zúlk een
+kracht en van zúlk een aard, nu, dat is een geboren opvoeder, al is hij
+maar een zondagsschoolmeneer en van zijn vak koekbakker. Want dat was
+hij.
+
+Is het niet eigenaardig, dat ik zijn vak wist, en dat van zijn
+medewerker niet? Dat is voor mij een bewijs, hoeveel dichter hij bij de
+kinderen stond. De ander was een ernstige verschijning, maar loste zich
+op in de nevelen van vormlijkheid en deftige statelijkheid. Meneer
+Beekman kwam uit de nevelen zijner predikatie hoe langer hoe dichter
+bij je en werd daardoor hoe langer hoe concreter. Je liep aan zijn hand
+vertrouwend mee. Voor den ander zette je, op een afstand, eerbiedig je
+petje af. We wisten ook precies, waar meneer Beekman woonde, en ik weet
+het nog. Maar de ander woonde »ergens". Eigenlijk dacht niemand er aan,
+of hij woonde. Hij verscheen en verdween. Zijn kleine, glimlachende
+medewerker verscheen en bleef, bleef ook als hij weg was.
+
+Van meneer S. wist ik niets geen kwaad, o neen, gansch niet. Hij was
+stellig een brave man, maar hij bleef buiten de kindersfeer. Dat zie ik
+nu zoo duidelijk. En die vriendelijke kleine was er dadelijk in, reeds
+als je hem bij 't binnenkomen een hand gaf, ja nog vroeger: als je hem
+bij 't binnenkomen zag.
+
+Kinderen voelen je. Ze voelen je echtheid. Ze voelen je genegenheid. Ze
+voelen, of je hand ze verwelkomt of dat het evengoed een handschoen had
+kunnen zijn.
+
+Welnu, behalve mijn schoon gewasschen en stijf gestreken zondagspakje,
+was ook meneer Beekman een stuk bekoorlijkheid van de kinderkerk. En
+daaruit kan nu iedere onderwijzer en iedere zondagsschoolmeneer en
+iedere dominé zien, hoeveel er van hem afhangt, van hem persoonlijk. Het
+mooiste gebouw en de geriefelijkste lokaliteit kunnen weerzinwekkend
+worden, door een mensch. En zoo'n armelijke, ouderwetsche
+bewaarschoolschaapskooi kan door één man zoo aantrekkelijk worden, dat
+een vrijheidlievend, speel- en zwerfgraag stuk straatjongen er week aan
+week zijn kostelijken zondagmorgen wil doorbrengen, terwijl buiten alles
+lokt en bloeit.
+
+Eén mensch. En nog wel een onbestudeerd mensch. Een koekbakker.
+Maar--een kindervriend!
+
+Dat was het heele geheim. De man kwam daar niet, om zichzelf te hooren
+preeken, maar omdat hij de kinderen zoo lief had. In die liefde zat zijn
+beste preek.
+
+ * * * * *
+
+En of ik nu nog iets weet van zijn eigenlijke preeken?
+
+Niets.
+
+Dus daaruit blijkt, dat hij die net zoo goed had kunnen nalaten?
+
+Dat durf ik nog niet zoo aanstonds te zeggen.
+
+Op een weiland staan millioenen grasjes en als je die stuk voor stuk
+vroeg naar wat ze zich nog herinneren van alle regenbuitjes in 't vroege
+voorjaar, zouden ze daarvan niets meer weten te vertellen. En toch is al
+dat water niet langs hun gladde lijfjes nutteloos weggevloeid. Ze zijn
+er van gegroeid. Ze herinneren zich niets meer, maar niettemin is het
+vergetene in ze. 't Is een deel van hun leven geworden. Is dat niet de
+beste herinnering?
+
+Wat weet ge, aan feiten, nog van de dagelijksche moederzorg, waaronder
+ge groot zijt geworden? Wat weet ge van al de ernstige woorden, door
+ouders en meesters tot u gesproken? We zeggen het zoo licht, dat al die
+woorden langs ons weggedropen zijn. Maar ik heb een vermoeden, dat ze
+ons toch hebben gedrenkt.
+
+Ga ik mijn jeugd na, dan herinner ik me alleen de bizondere voorvallen,
+maar van de gewone, dagelijksche invloeden heb ik alleen een stemming
+bewaard. En nu zou ik uit de stemming, die aan de kinderkerk verbonden
+is gebleven, een heel stuk opvoedende kracht durven afleiden. Zooals een
+kenner der oudheid uit enkele brokstukken marmer een geheelen Griekschen
+tempel reconstrueert, zou ik een heelen zondagmorgen kunnen schetsen.
+Daar was dan geen enkel geconstateerd feit in, en toch zou de heele
+schets waarheid kunnen zijn.
+
+Uit het geheugen geraakte invloeden zijn daarom niet verloren. Ze zijn
+omgezet in geestelijke kracht. Nog eens, is dat niet de beste
+herinnering?
+
+Hoezeer ik reden heb, gunstig over het gepreek te denken, blijkt wel uit
+het feit, dat ik thuis in allen ernst kerkje speelde. Dan zette ik twee
+stoelen met de ruggen naar elkaar. Dat was de preekstoel. Op de beide
+randen der rugleuningen legde ik den Bijbel. Liggende met de knieën
+op den eenen stoelmat, las ik uit den Bijbel voor en liet de gemeente
+opgegeven psalmen en gezangen zingen. De gemeente bestond uit Vader,
+Moeder, zus Christine en wellicht nog een paar anderen. Allen hielden
+zich ernstig. Dat weet ik nog heel goed, want het minste blijk, dat men
+er, mij ten gerieve, een spelletje van maakte, zou me diep gekrenkt
+hebben en driftig hebben doen wegloopen. De kerkgangers hielden zich
+voortreffelijk.
+
+Maar meent ge, dat ik ooit lust had het schoolleven in de huiskamer te
+halen? Dat lag onder den ban van een killen haat. Hoe minder ik er aan
+dacht, hoe beter. De school bestond thuis niet voor me. Echter wel de
+kinderkerk. En langen tijd heette het zelfs, dat ik maar dominé moest
+worden. Nu zat er wat predikantenbloed in de familie, waar Grootvader en
+twee ooms dominé waren. Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Die zat bij
+den koekbakker. Deze beminnelijke christen wist zijn liefdewerk in mijn
+kinderoogen zoo bekoorlijk te maken, alsof hij een tramconducteur of
+koetsier was geweest. En dat wil heusch wat zeggen, want gelijk ieder
+weet, wil iedere jongen graag conducteur of koetsier worden. Welnu,
+meneer Beekman maakte zijn kinderkerk aantrekkelijk.... als een omnibus.
+
+ * * * * *
+
+Nog een wonderbare tegenstelling met de school ligt me in 't geheugen.
+Ik weet niet, dat ik ooit voor de school lessen leerde. Voor de
+zondagsschool leerde ik mijn teksten en psalmversjes graag. Nog zie ik
+die kleine bonnetjes, net etiketpapiertjes, waarop aan de eene zijde
+een tekst en aan de andere een vers gedrukt was. We kregen er elke week
+een mee en ik beijverde me steeds, die »les" goed en gauw in 't hoofd
+te werken. Aan wien was dat anders te danken dan aan den koekbakker?
+
+In mijn tooneelstukje »Tóch Timmerhout" komt een ondeugende jongen voor.
+De schoolmeester weet hem niet te pakken, wil hem zelfs van school
+jagen. Maar een oude timmermansknecht grijpt den bengel in 't hart
+en redt hem. Men heeft me wel eens verweten, dat ik zoo de rollen had
+omgekeerd en een timmermansknecht tot paedagoog gemaakt. Maar als het
+leven mij dat nu eens aan de hand had gedaan? Als in dat tooneelstukje
+nu eens een stuk levenservaring stak? De maatschappelijke werkkring
+klopt niet altijd met den aanleg. Daar was een koekbakker, die ons
+opvoedde. En hoe menige opvoeder moest maar liever koek gaan bakken?
+
+Er zijn menschen geneigd te zeggen: Het was de kracht van Gods Woord,
+het was de werking van Zijn Heiligen Geest, die je de teksten en
+psalmverzen zoo graag en grif deed leeren. En dan knoopen ze hieraan een
+heele beschouwing vast, alsof er in die Bijbelwoorden een zekere geheime
+tooverkracht stak. Maar ze vernederen derwijze de zieleuitingen van een
+vroom gemoed tot amuletten, maken van den Bijbel een soort magisch boek.
+Neen, het was niet de mystieke kracht van die Bijbelwoorden. En het was
+toch die kracht. Maar het was die kracht, levende, werkende in het
+nietige persoontje van onzen christelijken christen.
+
+Ik weet van een schoolcatechisatie ('t was niet bij mij), waar de
+kinderen ook teksten en psalmverzen moesten leeren, maar waar die
+heilige woorden absoluut geen kracht hadden. De jongens bedankten hun
+leermeester wel lekker, om zich wat moeite te geven en maakten van hun
+papiertjes, »vrome" papiertjes, propjes, waarmee ze mekaar beschoten en
+het lokaal ontsierden. Eens bij zulk een les maakten de bengels het zoo
+bont, dat de arme catechiseermeester in radeloosheid uitriep: »Jelui
+bent van den duivel bezeten. Die heerscht hier in het lokaal. Maar
+straks zal de Heere Jezus zelf komen, om jelui af te straffen."
+
+De deur ging open, en binnentrad: de bovenmeester, een volslagen
+atheïst, die van den heelen godsdienst niets weten wou. Aanstonds waren
+de bengels op hun plaats en zaten doodstil.
+
+Zijn tegenwoordigheid was genoeg, om alle duivelskunsten te bezweren.
+
+Maar nu is de vraag: Wie was de duivel, die in het lokaal heerschte? Was
+dat niet de officiëele vertegenwoordiger van den godsdienst met een heel
+pak tekstpapiertjes? Al die machtvolle woorden werden satansmiddelen. En
+wie wist hier, als Christus op de wateren, den storm te bezweren? Dat
+was de totaal ongeloovige vertegenwoordiger van de driewerf verfoeide
+openbare school.
+
+Wie meent dat de teksten zullen ordehouden en opvoeden, heeft het glad
+mis. En toch doen die teksten het, maar niet die bloote woorden. Neen,
+hun inhoud, hun geest, moet realiteit zijn geworden in hart en leven van
+den opvoeder. Waar dit het geval is, daar is de ware »School met den
+Bijbel". En waar dit niet zoo is, daar heb je een heidensche school, ook
+al liggen de kasten vol bijbels en leeren de kinderen heel het nieuwe
+Testament uit het hoofd.
+
+ * * * * *
+
+Nu zal deze of gene zeggen: »Ah, daar heb je Jan Ligthart. Nu komt
+de aap uit de mouw. Hij wil niet, dat de kinderen Gods heilig Woord
+lezen en leeren, en om dat te bestrijden, gebruikt hij zijn
+Jeugdherinneringen." Maar ge hebt het mis, lieve vrienden, hee--le--maal
+mis.
+
+Ik ben wat blij en dankbaar, dat ik als kind zooveel teksten, psalmen
+en gezangen geleerd heb en niet alleen wil ik tot mijn collega's van
+de christelijke school zeggen: Ga voort op dien weg, maar zelfs zou
+ik als openbaar onderwijzer graag hun voorbeeld volgen. Er zijn heel
+wat woorden en liederen in Bijbel en psalmboek, die voor allen
+een levenvormende kracht bezitten. En al zouden een zeker soort
+Bijbelgeloovigen smalend zeggen: »Je moet den heelen Bijbel nemen,
+anders is het niet het echte," ik meen te mogen aannemen, dat ook zij
+uit dien heelen Bijbel een keuze doen en hun kinderen maar niet alles
+doen memoriseeren.
+
+Blij en dankbaar. Dat ben ik inderdaad. Hoe vaak hebben mij die woorden
+in uren van eenzaamheid en strijd verkwikt en gesterkt.
+
+ Zalig hij, die in dit leven
+ Jacobs God ter hulpe heeft,
+ Hij die, door den nood gedreven,
+ Zich tot Hem om troost begeeft,
+ Die zijn hoop in 't hachlijkst lot
+ Vestigt op den Heer zijn God.
+
+Dit vers had ik maar in mijn eentje op te zeggen, regel na regel mij
+bewust makende, en de nood werd zegen. Hoe goed is het, wanneer in
+moeilijke tijden zulke woorden in ons gereed liggen en dan vanzelf
+opborrelen als water in de bron, het dorstend gemoed lavend. Natuurlijk
+konden die woorden dat nooit doen, als ze niet _levenswoorden_ waren,
+dragers van zielservaringen, en als ze niet door hun innig menschelijken
+toon onze eigen gemoedsbewegingen deden meetrillen.
+
+En dan dat andere:
+
+ Leer mij, Vader, U verbeiden,
+ Volgen waar Gij ons wilt leiden,
+ Steunen op uw trouw en macht,
+ Psalmen zingen in den nacht,
+ Hooren wat Gij ons wilt leeren,
+ Uw bevel met daden eeren,
+ En voor de uitkomst willig blind,
+ Stil zijn als 't gespeende kind.
+
+Dat »psalmen zingen in den nacht", dat juichen in de duisternis, dat
+jubelen in de ellende--het is de heerlijkste vrucht van het geloof. Een
+geloovige is wel de grootste egoïst: Hij wil zelfs zalig zijn in de
+rampzaligheid. Hij wil den vrede des harten, neen de blijdschap des
+harten genieten, ook als alles hem ontzinkt, alles--behalve het eene
+noodige: het volle vertrouwen in Gods Vaderliefde. »Met mijn God spring
+ik over een muur," roept de psalmdichter uit. Zonder zijn God is hij
+niets.
+
+Kent ge een mooier uiting van vertrouwenvolle gehoorzaamheid dan
+die twee woorden »willig blind"? Onlangs sprak ik een man van veel
+smartelijke levenservaring. Hij was wat de menschen een ongeloovige
+noemen. En toen hij zoo een en ander uit zijn leven verhaald had, zei
+hij: »Weet je, wat ik vooral geleerd heb? Dat we ons leven niet naar
+onzen zin hebben te maken. Dat we hebben te vragen, wat God van ons wil.
+En dan maar gehoorzaamd, willig blind voor de uitkomst."
+
+Ik verstond hem. Die twee woorden »willig blind" vonden weerklank in
+mijn eigen ervaringen. 't Is niet de blindheid der dwaasheid, maar de
+blindheid der wijsheid. Wat de uitkomst moge zijn, we vragen er niet
+naar, mits we zeker zijn van onze richting. En die zekerheid verwerven
+we, als we--zoo moet het--Zijn bevel met _daden_ eeren. Woordeneer wordt
+er genoeg gebracht, veel te veel. Maar _hooren_, wat Hij ons wil leeren,
+en dan: Zijn bevel met _daden_ eeren, alleen luisteren en doen, in
+plaats van praten en stilzitten--dat is de eisch. De verzuchting van
+dit waarlijk vrome lied heeft menig hart gesterkt. Zou ik niet dankbaar
+zijn, dat ook ik het voor mijn zondagsschool-meneer had mogen leeren?
+Voor mijn zondagsschool-meneer, maar dat was eigenlijk: voor mezelf en
+niet slechts voor mijn kinderjaren, doch voor mijn gansche leven.
+
+ * * * * *
+
+Hoe kwam het, dat ik op zekeren Zondag de kinderkerk verwisselde met de
+groote kerk? Ik weet het niet, maar het was een proef, waarvoor ik
+bezweek.
+
+De groote kerk was ongeveer twintig minuten van mijn huis. Die afstand
+was te groot. Onderweg waren er te veel verleidingen. We verkochten onze
+kerkcenten voor snoepgoed, liepen de hooge stoepen op en af en telden de
+brievenbussen. Dit was een wedstrijd. Mijn broer en ik, soms een zusje
+er bij, speelden, wie de meeste brievenbussen zag in de deuren der
+huizen. Dan holde de een den ander voorbij, om het eerst een bus te
+ontdekken. De vlugste won het natuurlijk, want die kaapte al de bussen
+voor de anderen weg.
+
+Op die manier moesten we, steeds op een drafje loopend, wel tijdig
+in de kerk zijn. Maar het tegendeel was waar. Toen we eenmaal ervaren
+hadden, dat het in de kerk erg vervelend was, zorgden we altijd te laat
+te komen. Dan zwierven we langs de mooie Heeren- en Keizersgrachten
+en dronken daar, onbewust, de schoonheid in van de vorstelijke
+koopmanshuizen, het stille water, de gewelfde steenen bruggen, de oude
+iepen. Die herinner ik me nog alle. Zondagsmorgens kon het daar zoo
+vredig zijn. Vooral onder kerktijd liepen er maar weinig menschen.
+Gereden werd er haast niet. Een enkele platte zolderschuit lag ledig
+tegen den wal. Het water weerspiegelde huizen en boomen en bruggen en
+den hoogen witbewolkten hemel. Alles ademde vrede. Het was er beter dan
+in de kerk. En dat dacht ik niet alleen toen, maar ik geloof het nu nog.
+Kinderen behooren niet in de groote kerk, net zoo min als in de
+societeit.
+
+De enkele malen, dat mijn vader meeging, moesten we natuurlijk wel de
+heele preek bijwonen. Dan luisterden we echter niet. Ik zag den dominé
+zijn gebaren af, om die thuis te kunnen navolgen, en hoorde hoe hij
+de psalmverzen afkondigde: »De gemeente gelieve te zingen van.... Ik
+herzeg...." Die deftige woorden en vooral de toon waarop ze werden
+uitgesproken, hadden een zekere bekoring. Thuis bij mijn eigen preeken
+zei ik ze plechtig na. Meer bracht ik uit de kerk niet mee. Toch zat ik
+me niet geheel te vervelen. Er hingen aan lange pijpen gaskronen, en nu
+klauterde ik in mijn verbeelding aanhoudend het heele gebouw rond. Ik
+klom in een hoogen pilaar, greep een daar langs geleide gaspijp, kromde
+er mijn vingers om, enterde langs de zoldering, liet me langs een andere
+gaspijp weer zakken, bezocht den preekstoel, het orgel. Het waren
+gevaarlijke reizen, maar mijn verbeelding stond voor niets. Was het
+noodig, dan maakte ik een luchtsprong en kwam immer op het gewenschte
+punt terecht. Geen rand zoo smal, of ik kon er langs. Soms speelde ik op
+die manier krijgertje. Een makker liep en sprong en klom me na. Hij zat
+me dicht op de hielen. Dat gaf een spanning. Maar ik waagde alles, om
+aan zijn greep te ontkomen, gleed langs de orgelpijpen, kroop door open
+vensters.. heerlijk!
+
+Wat moest een kind toch beginnen zonder verbeelding. Het zou zijn
+godsdienstige opvoeding, »onder het geklank van Gods heilig Woord",
+eenvoudig niet kunnen verdragen. Maar gelukkig heeft Onze lieve Heer
+het arme schaap de toovermacht der fantasie geschonken, om zich over
+de dwaasheden der volwassenen te kunnen heen leven. En zoo kan het de
+ellenden doorstaan, die ouders en meesters hem tot zijn heil opleggen.
+Eén ellende heeft me echter _te_ zeer gedrukt en dat kwam, omdat mijn
+fantasie haar verergerde. Men moet mij verteld hebben van de hel. Maar
+wie? Dat kan toch onmogelijk meneer Beekman geweest zijn. Maar wie dan?
+Zijn medewerker? Of zou hij het toch geweest zijn, meenende dat een kind
+niet tot God kon worden gebracht dan door het hellevuur?
+
+Vreeselijk heb ik daaronder geleden. Dat ik dag aan dag zondigde,
+wist ik maar al te goed, en hieromtrent zal de lezer ook wel niet in 't
+onzekere zijn. Ik moest dus, ik móést--neen, niet verbrand worden, maar
+eeuwig branden. Eeuwig. Stel u dat eens voor. Nooit een einde aan die
+folterende pijn--nooit, nooit. Die gedachte was al een hellesmart.
+
+O die vreeselijke gewisheid van het onontkoombare. Kon ik maar terug
+naar het niet-geboren-zijn. Maar dat was onmogelijk. Ik leefde eenmaal,
+dat was niet meer ongedaan te maken. En sterven baatte niet. De dood was
+de overgang tot eindelooze marteling van nooit verterende vlammen.
+
+Ik weet zeer positief, dat ik toen de planten en de dieren benijdde,
+dat ik er de boomen en de koeien jaloersch op aankeek, dat ze geen
+onsterfelijke ziel hadden. Ik weet, dat soms, plotseling, midden in
+mijn spel, de angst der hel me aangreep, als een vergif dat begon te
+werken. Maar ik weet ook, dat die angst mij nooit van het kwade heeft
+afgehouden. Ze bedierf veel, en maakte niets goed.
+
+Zou de godsdienstige opvoeding, of wat men zoo noemt, geen afstand
+kunnen doen van dit onchristelijk kindergemartel?
+
+Meneer Beekman heeft ons iets beters geleerd. Hij zei--en ook dit weet
+ik nog zeer positief--dat we elken avond, na ons gebedje, nog moesten
+zeggen: »Heere, schenk mij Uwen heiligen Geest. Amen." Anders niet dan
+die paar woorden.
+
+Dat heb ik trouw gedaan, jaren achtereen. Of het geholpen heeft?
+
+Alleen weet ik, dat vaak, wanneer de verzoekingen van buiten, maar
+vooral wanneer de lage neigingen van binnen het mij, volwassene, al te
+benauwd maakten, de verzuchting in mij oprees: »_Uw_ heilige Geest, o
+Heer!"
+
+En die verzuchting--was mij een verhooring.
+
+
+
+
+VERANDERING.
+
+
+Door verlies tot winst. Hoe vaak heb ik dat in mijn leven ervaren.
+En toch, telken keer als ik weer iets verlies, kijk ik zoo zeer het
+verlorene na, dat ik verzuim het nieuw gewonnene op te merken. Een
+mensch is toch zoo hardleersch, al heet die mensch een paedagoog.
+
+Het ging immer slechter met den kruidenierswinkel. Crediet was er niet
+meer. Geen grossier wilde zonder contante betaling leveren. Zoo was mijn
+vader genoodzaakt zijn inslagen te doen bij kleine hoeveelheden, waarmee
+hij natuurlijk een winst van eenige beteekenis dierf. Het was een dag
+aan dag tobben en worstelen om staande te blijven. Wij, jongens, moesten
+b.v. vijf pond suiker of koffie koopen in een grooten winkel, ver uit de
+buurt en liefst 's avonds opdat men 't niet zien zou, en dan werden die
+weer bij onsjes en halfonsjes verkocht. De winkelklanten zakten, bij het
+kariger en minder worden der waren, steeds meer in aantal en gehalte.
+Alleen de ver weg wonende uitbrengklanten bleven trouw, uit onkunde.
+De winkel was als een innerlijk verzwakt rijk, dat nog alleen teerde op
+de inkomsten der verwijderde wingewesten. Zij, daar in de verte, zagen
+niets van de toenemende verarming, leefden in ongeschokt vertrouwen op
+den ouden naam bij den angstvallig bewaarden schijn.
+
+Een achteruitgaande zaak is als een door ziekte beslopen mensch. De
+eertijds gezonde en krachtige wil 't niet weten. Hij houdt zich goed
+tegenover anderen, maar meest tegenover zichzelf. Hij sluit zijn oogen
+voor de waarschuwende verschijnselen. Hij forceert zijn krachten.
+Vergeefs. De ziektekiemen vermenigvuldigen, verspreiden zich, en
+strijdensmoede, verwonnen, moet de worstelende zich toch eindelijk
+overgeven.
+
+Wilde men 't maar tijdig inzien en erkennen. Dan werd er niet zooveel
+goed geld naar kwaad geld gesmeten, gelijk ons handelsvolk het typisch
+zegt. Maar wij veinzen de ongunstige teekenen weg. Wij struisvogelen.
+En eerst wanneer alle geld, alle kracht verbruikt is, dan laten we ons
+op genade of ongenade los. Als we niet meer kunnen, dan pas zinken we
+ineen. Dat is zoo menschelijk. En daarom is 't ook zoo kinderlijk.
+En niet alleen op geldelijk en lichamelijk gebied. Evenzeer openbaart
+zich die zwakheid op moreel gebied, en daar te gevaarlijker, omdat
+moreele achteruitgang niet door meten en wegen wordt geconstateerd.
+Minder geld in de winkellade is een feit. Wie er zijn oogen voor sluit,
+voelt het toch in zijn hand. Minder lichamelijke weerstand evenzeer.
+Maar zedelijke verslapping ontgaat ons zoo licht, omdat ze meestal
+gepaard gaat met de bevrediging van allerlei neigingen. Al genietende
+gaan we ten gronde. De geldgierige ziet met zooveel genot zijn geld
+vermeerderen, dat hij de vermindering van zijn barmhartigheid niet
+opmerkt. De zinnelijke zweeft van de eene bedwelming in de andere.
+Eerst wanneer al onze moreele kracht verwaarloosd is, en we hiervan de
+ellendige gevolgen gaan ondervinden, geven we ons zedelijk failliet,
+om pas daarna aan onze rehabilisatie te werken, of--te bezwijken.
+
+De winkel ging over in andere handen en wij verhuisden. Doch eer
+we nu voor goed afscheid nemen van deze buurt en ervaren, hoe de
+verslechtering op verbetering uitliep, willen we nog een paar figuren
+gedenken, die voor mij onafscheidelijk aan dit wereldje gebonden zijn.
+
+ * * * * *
+
+En dan komt allereerst aan de beurt ons perehietvrouwtje.
+
+In 't najaar, als 't koud en mistig was bij donker weer en killen
+motregen, zat 's avonds een oud vrouwtje, in een dikken doek gewikkeld,
+de armen goed verstopt, achter een ijzeren pot met houten deksel, die
+boven een vuurtje stond te warmen. Het vrouwtje zat op een hoogen stoel,
+altijd een stoof onder de voeten. Een gebogen figuurtje, rond oud
+hoofdje boven een wat gekromden rug, met bijna geen hals. En dan
+riep ze nu en dan met hooge stem: »Warme, lekkere pere-hie-ie-iet!"
+Dat »hie-ie-iet!" steeg hoe langer hoe meer in de hoogte en werd aan
+'t eind in de scherpe _t_ plotseling afgesneden, nadat het eerst op
+de _ie_ een poos zingend gezweefd had.
+
+Het vrouwtje zat altijd op haar vaste plaatsje, in de Eglantiersstraat,
+vóór een smalle gang, waardoor ze, uit het achtergelegen woninkje,
+met haar zaakje naar de straat was gesukkeld. Ze sjouwde waggelend
+stooktafeltje, vuurtest, ijzeren pot, stoel, en stoof een voor een naar
+voren, zette daar het zaakje in elkaar, en ten slotte als laatste stukje
+meubilair zichzelf er bij. Met haar stoel en tafeltje en dampenden
+ijzeren pot vormde ze, even onbewegelijk als de andere onderdeelen,
+één aaneengesloten groepje.
+
+Nu en dan kwam er verandering in haar houding. 't Was vooreerst als
+ze haar »warme, lekkere perehiet!" aanprees. Dan rees de gestalte een
+weinigje omhoog, als bij een haan die begint te kraaien ging het hoofd
+een ietsje naar boven, en kwamen de zingende klanken uit de oude
+keel. Maar de beweging was vooral niet ruimer dan de longen voor den
+zingschreeuw noodig hadden, en nauwelijks was haar perehiet de lucht in
+gekraaid, of hoofd en lijfje zakten weer ineen, bang dat de kou komen
+mocht in de ruimten van het even uitgeplooide figuurtje, en daar zat ze
+weer, gebogen achter haar standje.
+
+De tweede gelegenheid dat ze zich een beetje uiteenwikkelde was de
+verschijning van een kooper, steeds een man of een jongen. Ik heb nooit
+een vrouwelijk wezen aan haar tafeltje gezien. De kooper legde zijn cent
+neer. Dan tilde zij met den mageren rechterarm--de linker bleef onder
+den doek--het houten deksel op, zette dit schuin ter zij, nam de stalen
+vork, prikte in het dampende water, haalde een peer naar boven en reikte
+dien den kooper toe, die een heelen toer had om te genieten van den
+heeten peer zonder zich te branden. Gewoonlijk pakte hij den peer
+bij den steel beet en liet hem meteen op de linkerhand liggen om te
+verhoeden dat hij weer in 't water viel. Maar, al was 't mistig koud,
+voor die linkerhand was de peer toch wel wat heet, en dadelijk begon de
+kooper dan maar te eten. Zoo warm in den mond en in de maag, dat deed
+hem goed. Nog een peertje, want je kreeg er twee voor een cent, en het
+deksel ging weer op den pot, de cent in een kommetje, de rechterarm
+onder den doek, en daar zat het vrouwtje weer: »Warme, lekkere
+pere-hie-ie-iet!" Een mooi, zacht verlicht groepje tegen den achtergrond
+van de donkere gang.
+
+Meermalen heb ik ook zelf een cent of een halve cent bij haar genoten,
+en nog voel ik den strijd van de drieledige keus: den heeten peer in
+de hand houden, in den mond, of in de maag. 't Was alles al even erg,
+en--even heerlijk. Zoo'n weldadige hitte in den kilnatten avond.
+
+Vies? Dat armoedige vrouwtje, het troebele water, het vuile vorkje, dat
+op het tafeltje lag in stof en nattigheid? Vies? Daar dachten we nooit
+aan. Vieze varkens worden niet vet. En als dat zoo ongezond was, zou dat
+vrouwtje toch ook niet zoo oud zijn geworden. En al die mannen dan, die
+ook even in 't voorbijgaan een warme verkwikking genoten? Ze waren voor
+hun cent beter af bij 't perehietvrouwtje, dan een eindje verder voor
+hun vier centen bij »De Bisschop", waar ze jenever kregen uit een vaatje
+met blinkend koperen banden in een kristalhelder glaasje, ook warm
+in den mond en in de maag, maar een pest voor 't lichaam en voor 't
+huisgezin. Het perehietvrouwtje vormde in haar sjofele verschijning een
+armoedige en ook onzindelijke figuur tegenover die nette herberg. En
+toch? Het was den mannen beter op de modderige straat bij haar donker
+stalletje dan op den zoo keurig met wit zand bestrooiden vloer bij de
+geregeld gereinigde toonbank.
+
+Maar wat dreef ons, jongens, nu, om dat vrouwtje na te galmen?
+Nauwelijks hoorden we, dwalend door de straat, de sympathieke stem
+roepen van
+
+ Warme, lekkere perehiet-ie-iet,
+
+of wij rijmden en riepen in denzelfden toon:
+
+ Ik lust ze wel, maar ik krijg ze nie-ie-iet.
+
+En geregeld werd haar geroep, nu uit deze dan uit gene richting, door
+die echo gevolgd. Soms zelfs kwamen ze uit verschillende richtingen te
+gelijk.
+
+Waarom deden we dat toch?
+
+Om 't vrouwtje te plagen?
+
+Absoluut niet. We voelden voor haar met zekere teerheid. Ze schold
+nooit, dreigde nooit, zat als een oud muschje maar stil inééngedoken,
+deed niemand kwaad. We misten haar als ze er niet was. We genoten,
+onbewust, van haar aanwezigheid. Niet alleen van haar heete peertjes,
+maar ook van haar verkwikkende verschijning, zooals we van een mooie
+plaat of een gezellig boekenrekje in de huiskamer genieten. Ze gaf toon
+en stemming, koesterend en rustgevend, aan onze straatatmosfeer. Waarom
+schreeuwden wij haar dan na?
+
+Ja, waarom?
+
+Omdat we 't niet laten konden, zoo min als de ruiten 't laten konden
+het vlammetje van de straatlantaarns te weerkaatsen. We bedoelden
+er heelemaal geen kwaad mee, heelemààl niet. We zouden 't vrouwtje
+beschermd hebben tegenover ieder die haar overlast wilde aandoen. Maar
+dat gekraai van ons hoorde er nu eenmaal bij. De hanen in de buurt gaan
+immers ook alle aan 't kraaien, als er een begint? Die eene stem wekt
+alle hanekelen in den omtrek; ze prikkelend met de hemel weet wat. En
+zoo ging het ook hier. Droomerig, de handen in den zak, slenterden we
+door de straten, en schreeuwden onze nagalmen het schemerduister in.
+
+De groote menschen denken daar wel eens anders over, vooral zij die
+op jongensondeugendheden moeten letten, zooals politieagenten en
+onderwijzers. Die zien er boos opzet in. Maar ze zien verkeerd.
+Natuurlijk _kan_ zich in dat naschreeuwen moedwillige plagerij uiten,
+maar die booze geest kan ieder middel, ook het onschuldigste, gebruiken
+om zijn leelijken lust te bevredigen. Doch het echo-en op zichzelf
+is--ik wil ook wel eens een geleerden term gebruiken--zuivere
+reflexbeweging. En daar mogen we wel aan denken. Het stemt ons
+vergevingsgezind ten gunste van de jongens--en ten bate van onze eigen
+gemoedsrust.
+
+ * * * * *
+
+Een tweede figuur was de houthakker.
+
+Wat was het toen toch een leuke tijd. De menschen werkten nog zoo
+schilderachtig aan de straat. Mijn vader moest daar geregeld eens in
+de veertien dagen koffiebranden. Men weet natuurlijk wat dat is. Hij
+ontving de koffieboonen rauw, een paar zakken vol van die geelwitte
+boontjes, en dan werd er op bepaalde tijden een hoeveelheid gebrand,
+niet te veel te gelijk, omdat ze anders hun geur verloren, en die werden
+in den winkel verkocht, al of niet gemalen. Dat malen geschiedde ook
+al bij kleine portie's en liefst in tegenwoordigheid van de koopster,
+zoodat het kostelijke aroma niet vervluchtigen kon in den winkel, maar
+telken keer bij het zetten de kameratmosfeer der koopsters kon
+vervullen.
+
+Koffiebranden. Op de straat, bij den waterkant, werd de vuurhaard
+gelegd, daarboven de liggende, cilindervormige, zwarte, ijzeren trommel
+aan het spit gehangen, de trommel gevuld met rauwe boonen, het vuur
+aangemaakt, een vuur van talhouten, en dan maar draaien. De liggende
+cilinder draaide om zijn as, de boontjes rolden mee, en die werden onder
+de hand door de warmte geroosterd. Dat draaien was een werkje voor den
+winkelknecht of voor ons. Soms werd het een oogenblik gestaakt, als
+Vader onderzoeken moest, of de boonen al gaar gebrand waren. Dan schoof
+hij met een ijzeren lepel een schuifje van den trommel open en schepte
+wat donkerbruine boontjes naar boven. Wij stonden er met den neus bij,
+genoten van den opwekkenden geur, en luisterden naar het eigenaardig
+knetteren en spatten daar binnen in die donkere ruimte. Wat was dat
+alles heerlijk: het vuurtje stoken, het draaien, het gewichtig onderzoek
+van je Vader, het ruiken, het hooren. En dan, als 't koud was, zoo'n
+paar arme jongens er bij, zich koesterend aan de vlammen, soms zelfs een
+paar volwassenen. O, wat weet ik alles nog goed. Toch zonder meester
+geleerd, zonder school. Het leven was de school, de ervaring de
+meesteres.
+
+Zooals mijn vader recht had op dat plekje straat voor zijn
+koffiebranderij, beschikte een eind verder de houthakker over een stukje
+grond aan den waterkant voor zijn hakkerij. Hij woonde in een kelder,
+sjouwde zijn hakblok naar buiten, dan zijn hout en zijn bijl, en hakte.
+Maar 't was een onvriendelijke man. Dat hij klein en dik was, kon
+hij niet helpen, ook niet, dat hij dientengevolge bij zijn werk erg
+zuchtte en zweette, maar dat hij ons uitschold en wegjoeg, als we zoo
+gemoedelijk aanzagen, hoe het scherp van zijn bijl het hout kloofde, dat
+kon er niet mee door. En dat wegjagen kwam, omdat wij hem nazuchtten.
+
+Zie je, in dien houthakker stak geen kindervriend en geen paedagoog,
+zooals in het perehiet-vrouwtje. Het sprak toch vanzelf, als wij met hem
+_meeleefden_, als wij de bijl zagen rijzen, ver boven zijn hoofd, zagen
+neerschieten in het hout, als wij met ons volle hart die bewegingen
+meemaakten, dat wij dan ook zuchtten. Dat snapte die man niet. Zijn
+wantrouwende ziel zag plagerij in wat.... sympathie was. En zoo máákte
+hij ons meegevoel tot plaagzucht, want nu konden we hem niet over de
+straat zien waggelen, of we haalden al de lucht tot uit onze teenen toe,
+en zuchtten hem die uit de verte al tegen.
+
+Nu op een afstand gezien, was hij zoo'n mooie figuur in de buurt. Zonder
+hem was die gracht daar zoo leeg. Zijn verschijning bracht teekening
+in het brokje leven. Waarom moest nu die man zoo'n brombeer zijn. Had
+hij vriendschap met ons gesloten, hij zou eens ervaren hebben, wat
+jóngenshulp beteekent. We zouden stellig, uit eerbiedvol medelijden met
+zijn dikte en diepe zuchten, heel wat voor hem gesjouwd hebben. Maar
+nu--hij maakte vrienden tot vijanden. Hij verstond het jongenshart niet.
+En zijn eenige paedagogische waarde is, dat ik nu, jaren later, zijn
+waarschuwend voorbeeld aan mijzelf en anderen kan voorhouden met den
+raad: Spiegelen we ons er aan!
+
+ * * * * *
+
+Nu volgt onze lieve Mietje de Porster.
+
+Wat hebben die vrouwen toch, dat we haar zoo gauw lief vinden.
+
+Zij was maar porster en ze heette Mietje, twee hinderlijkheden die ze
+tegen had, want wie wordt er nu graag gewekt--we slapen liever door met
+al onze ongerechtigheden--en wat zit er nu voor poëtisch in den naam
+Mietje.
+
+Stel je voor een vrouw die Mietje heet, en die 's morgens vroeg met een
+dikken stok op je deur staat te bonken. Die bonkt toch al haar
+bekoorlijkheid weg?
+
+En toch hielden we veel van haar.
+
+Dat zat in haar stem.
+
+Ze schreeuwde. Natuurlijk schreeuwde ze. Hoe kon ze anders, buiten
+staande, de slapers daar binnen met haar stem bereiken. Maar in haar
+schreeuw zat toch dat ik-en-weet-niet-wat, waarin je teerheid en liefde
+voelt.
+
+De houthakker zuchtte maar alleen. En in zijn zucht zat nijd.
+
+Mietje schreeuwde. En in haar schreeuw zat liefde.
+
+'t Is niet de zucht of de schreeuw, gij beginselvaste debaters over den
+invloed van dit of dat.
+
+'t Is de mensch, die er zich door uit.
+
+Mijn oudste broer heette Dorus, en hij was het, die eigenlijk ieder
+morgen Mietje's aubade ontving. Hij moest, timmerman, vroeg op, om
+tijdig op zijn werk te zijn, en Mietje zorgde daarvoor.
+
+Eerst hoorde je 's morgens om vijf, zes uur een roffel op de deur. En
+dan kwam, na een heel korte pauze, de stem: »Douwerus! Ben je wakker?"
+
+Stilte. Mietje luisterde.
+
+Ik, ook gewekt, hoorde uit de overliggende bedstede een diep gegrom, als
+van een leeuw, die uit zijn donkeren slaap, oprijst. Het kwam van
+Douwerus.
+
+Maar Mietje hoorde niets.
+
+Daarom nog eens de roffel. Nog eens de pauze. Nog eens dat lieflijke:
+»Douwerus! Ben je wakker?" Nog eens de luisterende stilte.
+
+»Jáááá!" ronkte Douwerus eindelijk.
+
+Maar dit was Mietje niet naar den zin. Op _dit_ ja--haar geoefend
+porsteroor hoorde het wel--zou hij weer inslapen. En Mietje begon een
+gesprek met Douwerus.
+
+»Ben je er al ui-ui-uit? 't Is mooi weer, hoor!"
+
+»Ja!" riep Douwerus, nu kort en nijdig.
+
+Juist, zoo moest ze 't hebben. Nu was haar porstershart gerust. Nu kon
+ze veilig verder gaan. Mietje voelde haar verantwoordelijkheid.
+
+Is dat niet allerliefst? Voor acht centen in de week!
+
+Ik hield van Mietje. Ik geloof, we hielden allemaal van Mietje. En toch
+zagen we haar nooit. Maar we hadden haar gehoord.
+
+Toch, eenmaal hebben we haar ook gezien. 't Was op een Nieuwjaarsdag.
+Dan kwamen de vrinden allemaal--lantaarnopsteker, nachtwacht,
+vuilnisman--al de loopende gemeente-ambtenaren nieuwjaar wenschen en
+boden daarbij een mooie prent met een gedicht aan, welkome schatten voor
+de kinderen, en die wel tegen een fooitje opwogen, ware 't alleen om de
+rijke heilwenschen aan de eerzame burgerij. Voor mij waren 't schatten
+voor mijn kokertje. Tegenwoordig zijn de prenten verdwenen en de fooien
+verdubbeld.
+
+Op zulk een nieuwjaarsdag kwam ook Mietje feliciteeren, mét een prent
+natuurlijk.
+
+Gewoonlijk waren we dien dag afwezig, zelf met heilwenschen voor
+familieleden op chocolade en oliebollen uit, wellicht ook nog op wat
+anders. Maar ditmaal waren we thuis, en zoo zagen we Mietje. Want toen
+Mietje nu haar gedicht kwam aanbieden, werd ze niet aan de deur met een
+geldstukje losgelaten, maar moest ze binnenkomen en een kopje chocolade
+drinken.
+
+Ze kwam, mutsje op, omslagdoek om, den winkel door, het trapje op, de
+kamer in, klein vrouwtje, wat krom.
+
+Nu moest ze gaan zitten en daar zag ze het heele gezin, ook Douwerus.
+
+Maar daar schrok ze nu toch van. Ze zag een 18 à 20 jarigen jongeman
+voor zich, als heer gekleed, met boord en strik, kastanje-bruine
+krullekop.
+
+Mietje schrok.
+
+»Bent ú.... _meneer_ Douwerus? Ach, dat heb ik nooit geweten."
+
+We hielden ineens nog meer van haar bij die gulhartige uiting.
+
+Maar meneer Douwerus verlangde niet, dat ze voortaan roepen zou:
+»_Meneer_ Douwerus, bent u wakker." En zoo is het, ondanks de
+persoonlijke kennismaking, bij de oude vertrouwelijkheid gebleven.
+
+Meer dan dezen eenen keer heb ik, bij mijn weten, Mietje niet gezien.
+Maar hààr »Douwerus" en het »Perehiet" van de andere, ochtendgroet en
+avondroep, zijn mij bijgebleven als mooie zonsopgangen en -ondergangen
+in onze buurt.
+
+ * * * * *
+
+Als er toch geen vrouwen in de wereld waren! Waar moesten wij kleine en
+groote jongens naar toe!
+
+Hebt ge wel opgemerkt, bij hoeveel lieve vrouwen ik me al gekoesterd
+had? Bij juffrouw Gottman van de eerste bewaarschool en juffrouw Doortje
+van de tweede. Bij juffrouw Van Streelen uit den winkel naast ons en bij
+het Perehietvrouwtje. Bij Mietje de Porster en mijn zuster Christine.
+En onder _alle_ omstandigheden--bij mijn Moeder!
+
+O, die vrouwen! Laten wij ze zegenen! En loopt er al eens een kwade
+onder, ik vrees dat het een verhanselde man is.
+
+Toch heb je ook wel eens een goeden man. Maar ekstra goede hebben dan
+iets vrouwelijks.
+
+Zoo Chris de Mooy.
+
+Hij was onze winkelknecht, een lange jongen met vaalrood haar, sproeten
+in het grauwbleek gezicht, en een verkeerde uitspraak van de letter s.
+Men ziet, hij was van buiten slecht uitgerust en had zeker nooit een
+meisje gekregen, als de meisjes niet verstandiger en braver waren dan
+de jongens. Doch 't is bij hem nooit tot een meisje gekomen, door een
+andere oorzaak.
+
+Toen de winkel achteruit ging, moest hij weg. Vader kon hem niet meer
+betalen. Maar hij wou niet, hij wou voor niets blijven.
+
+Ach, zúlke liefde heb je alleen bij de eenvoudigen en de armen.
+De niet-eenvoudigen redeneeren te veel, en de niet-armen offeren
+dan te veel op. Die kunnen niet ineens veertig graden zakken. Zoo'n
+plotselinge temperatuursverlaging van hun welstand zou ze ziek maken.
+Maar de armen, die merken 't zoo erg niet, als hun thermometer vier
+graden daalt. Dan loopen ze maar wat harder en worden toch niet kouder
+dan ze al waren. Ja, een arme gaat gemakkelijk in het koninkrijk der
+hemelen.
+
+Rooie Chris had er wel zoo in kunnen stappen. Hij was eerlijk, trouw,
+ijverig, vriendelijk, en hij hield van ons allemaal. Hij kon zoo
+hartelijk lachen, en zoo aardig »Juffrouw Christientje" zeggen met
+die--bij hèm--welluidend, slepende s. Hij was in alle geheimen van den
+winkel ingewijd, kende alle geldelijke nooden, en vluchtte niet van het
+zinkende schip.
+
+Ik weet alleen niet, of hij trouw naar de kerk ging. Maar Onze
+lieve Heer wou hem zoo toch wel hebben, reine, liefdevolle,
+zelf-verloochenende ziel. Van zulke menschen zeg je: Onze lieve Heer
+heeft ze al, want zij hebben Onzen lieven Heer al, wat eigenlijk op
+'t zelfde neerkomt.
+
+Hij wou dus niet weg. En of hij nog gegaan is, zie, dat weet ik nu niet.
+Hier is een leemte in mijn herinneringen.
+
+Ik zie rooien Chris nog wel, maar niet in den winkel. Ik ben bij hem
+thuis, in zijn kamer, bij zijn bed. Ik zie hem liggen, het vaalroode
+haar op 't witte kussen, het grauwbleeke gezicht nog wat fletser, maar
+dezelfde lieve, zachte, lachende oogen. Ik kom afscheid van hem nemen,
+want rooie Chris is ziek en hij gaat sterven.
+
+Ik voelde op dat oogenblik, dat ik erg veel van hem hield, met dankbare
+en vereerende liefde voor al wat hij gedaan had jegens mijn ouders.
+
+Hij is gestorven. Maar mijn liefde is gebleven. En die leeft nog.
+
+En waarom vertel ik dat u? Wat hebt gij te maken met rooien Chris, die
+bovendien al meer dan veertig jaar dood is? Een arme winkelknecht van
+een verloopen winkel?
+
+Niets, tenzij gij hem zoudt willen navolgen.
+
+Maar _hiermee_ hebben we allen te maken, dat mijn herinneringen bewijzen
+de over dood en graf heen doorwerkende kracht van de liefde.
+
+En dat is paedagogiek want dat leert ons, hoe wij op te voeden hebben en
+hoe de eenvoudigsten onder ons, de armsten in geleerdheid, misschien de
+beste opvoeders zijn, och zonder dat ze 't zelf weten. Gelukzaligen!
+
+
+
+
+DE TWEEDE LAGERE SCHOOL.
+
+
+»En hoe heet je van je voornamen?"
+
+»Henri."
+
+»Neen, voluit."
+
+»Meindert Henricus."
+
+»En jij?"
+
+»Gerard Jan."
+
+»Mooie namen!"
+
+Dit zei hij. En ik gloorde.
+
+Letterlijk zoo is het gebeurd.
+
+We stonden met ons drieën voor de klas, hij en wij tweetjes.
+
+Hij was meester, wij de nieuwe leerlingen.
+
+Hij was een nog al rijzige man, een beetje dik gezond uiterlijk. Ik zie
+hem nog heel duidelijk. Zijn haar krulde wat, sprong tenminste. En ik
+zie het plaatsje nog waar we stonden, en de banken met de onderzoekend
+kijkende kinderen, en de opschuifborden aan den muur.
+
+Maar bovenal hoor ik nog die twee woorden: mooie namen.
+
+Meester.... had mijn hart gewonnen, en voor goed.
+
+»Mooie namen!" Zoo had hij ons verwelkomd. Hij een gewone meester. Als
+hij smalend gezegd had: »Gekke namen!"--dat had ik eer begrepen. Want
+meesters waardeerden nooit, waren uit hun aard niet vriendelijk, gromden
+en veroordeelden. Doch nu dit, zoo gansch onverwacht.
+
+Voor een kind is zijn naam maar niet een onverschillig ding. Het is een
+stuk familietrots en in zijn vóórnaam voelt hij zichzelf. Hij is er zoo
+graag in geëerd. En deze meester streelde ons in dit bezit, mijn twee
+jaar ouder broertje en mij, jongens van ongeveer 12 en 10 jaar, dus geen
+kleine kindertjes meer, jongens die al verhard waren door scheldwoorden.
+
+Hij zij er nog voor gezegend, met alle vriendelijke menschen die ik op
+mijn weg ontmoet heb.
+
+ * * * * *
+
+Het was op mijn nieuwe school, de school van de »Christelijk
+Gereformeerde Gemeente" op de Bloemgracht, naast en onder het patronaat
+van de Kerk dierzelfde Gemeente, beter berucht onder den naam van
+»Afgescheidene".
+
+»Fijn genoeg!"
+
+Afgescheiden--dat was reeds voor onze kinderooren het summum van
+»fijnheid". Géén »mooie naam". Een naam met een onbehagelijken bijklank,
+waartegen je je verdedigen moest. »Ben jij"--met groote
+geringschatting--»áfgescheiden?"--»Neen hoor, ik ben Doopsgezind."--O,
+dan was de zaak in orde.
+
+We voelden niets van het mooie moedige in dit woord. En dit bleef jaren
+lang zoo, zelfs toen we warme sympathie en bewondering schonken aan de
+pelgrimvaders en aan alle voor hun geloof uitgewekenen. Afgescheiden
+beteekende nu eenmaal fijn, en daarbij een beetje huichelachtig.
+Nota bene, zij die voor hun geloof openlijk uitkwamen en er voor
+durfden breken met de landskerk, waren huichelaars. Een vreemd soort
+huichelaars. Maar zoo diep gingen onze gedachten niet. Ze bleven aan
+de algemeene oppervlakte, onder suggestie van het partijdig gekleurde
+woord »afgescheiden". En zoo sterk was die suggestie, dat ik bij die
+breed-bleeke ei-klank nooit dacht aan een frisschen zeemanskop, maar
+aan een vaal, gelig-wit bakkersgezicht, met meel bestoven fletsheid.
+
+Toch moesten de afgescheidenen, die kerk, geld, betrekking, eer, alles
+om Godswille in den steek hadden gelaten, krachtige, heldhaftige naturen
+geweest zijn.
+
+Ik weet wel, vanwaar mijn indruk komt. Grootvader had als predikant
+de afscheiding ervaren, zoo niet in zijn gemeente, dan toch in zijn
+Kerk, en die als een hoofdigheid, een spelbreken, een krenking gevoeld.
+Afgescheidenen waren koppige, bekrompen scheurmakers. Zoo werden ze in
+zijn pastorie beschouwd, zoo bleef Moeder er over denken, zoo leerden
+wij ze veroordeelen. En zoo zelfstandig is de meening van duizenden en
+millioenen nu nog. Ze bewonderen de stugge geloofsopoffering, mits in
+'t verleden. Zoodra die zich in 't heden vertoont, stelt men zich partij
+en verguist.
+
+Maar zoo gaat het ook op ander gebied. Zijn afgescheidenen huichelaars,
+liberalen zijn godloochenaars en sociaal-democraten duivelskinderen.
+Opstandelingen van eertijds zijn nu helden des volks. Hoe zullen de
+huidige omverwerpers over eenige eeuwen heeten? Oordeelen is moeilijk.
+
+Als kind, als leerling der afgescheiden school had ik geen enkele reden,
+om in 't bizonder ongunstig over deze »fijnen" te denken, en ieder moet
+erkennen, dat althans het joviaal en hartelijk welkom een veelbelovend
+begin was. De opinie mijner ouders was trouwens ook zóó ongunstig
+niet en in ieder geval waardeerender voor déze school, dan voor de
+»stadsschool" op dezelfde Bloemgracht, maar een eind verder en aan
+de overzijde. Een »stadsschool" stond bij ons in den reuk van ruwheid,
+ongodsdienstigheid en vooral onfatsoenlijkheid. Daar werd niet gebeden,
+niet uit den Bijbel gelezen, en vooral, daar gingen de schooiers. Je
+moest al erg gezakt zijn en bijvoorbeeld klompen dragen, om naar een
+»stadsschool" te gaan. Ziedaar al weer een zelfde suggestie. Zooals
+het woord »afgescheidenen" tot mij gekomen was met den klank van
+huichelachtig gefemel, hoorde ik in dat harde »stádsschool" geklepper
+van klompen. Afgescheidenen waren tenminste netjes, misschien zelfs een
+beetje _te_, maar stadsschooljongens lagen onder de vunze kleur van
+straatvuil. Daar ging je niet mee om, daar had je geen enkel kontakt
+mee, daar vocht je alleen zoo nu en dan tegen, gelijk de beschaafde
+natiën tegen de kaffers, of eertijds de Romeinen tegen de Germanen.
+Ze waren goed om uitgeroeid te worden, of met het zwaard bekeerd.
+
+Eigenaardig toch, dat vooroordeel, zonder kennis van personen en
+toestanden, louter onder den invloed van het milieu. Men kan er zeker
+van zijn, dat zoo nog duizenden met zekeren afschuw het woord »openbare
+school" hooren. Het brengt hen aanstonds in een atmosfeer van
+tabaksdamp, jeneverlucht, goddeloosheid. Ik kan dat best begrijpen. Maar
+het is niet goed. Evenmin als dat schimpen op afgescheidenen. O, de
+voorlichters van 't volk, ze hebben zwaar gezondigd en ze doen het nog.
+Ze hebben zich vergrepen aan de waarheid. Ze hebben het hart van 't volk
+vergiftigd met leugen. In stee dat ze zochten, volhardend en liefdevol,
+het goede bij de andersdenkenden, en hierop het volle licht lieten
+vallen, beijverden ze zich dit goede onzichtbaar te maken in de dikke,
+donkere nevelen van hun partijdigen laster. Heel de sfeer van het
+volksleven, van het leven der menschheid is verleugend. En millioenen
+onwetenden, onnoozelen, dwalen met hun valsch oordeel rond als schapen
+onder slechte herders. Dat is voor een groot deel de schuld van hen,
+die, leiders, zich niet zelf laten leiden door »den goeden herder", ook
+al beweren zij tot zijn schapen te behooren.
+
+ * * * * *
+
+Op mijn afgescheiden school heb ik enkele goede jaren doorgebracht.
+Natuurlijk herinner ik me ook nog wel eenige verkeerde dingen, b.v. een
+nu en dan wel wat te haastig en hardhandig gebruik van »de tuchtroede",
+en zoo liggen me ook nog een paar scheldwoorden in 't oor, alsof iedere
+ondeugende jongen een »ongelikte beer" was en ieder lastig meisje »een
+nijdige tang", maar die ruwheden in daad en taal behoorden tot dien
+tijd. Men kon zich een school kwalijk anders denken, dan als een bende
+meerendeels onwillige kinderen, die er met strengheid onder gebracht en
+onder gehouden moesten worden. Zoo denken zelfs thans nog velen er over.
+Van hartelijke, goedgezinde, vreugdevolle samenwerking tusschen meester
+en leerling is ook nu nog lang niet overal sprake, en schrijver dezes
+ziet zijn pleiten daarvoor zelfs van paedagogische zijde menigmaal
+bestreden als zoetsappige paedagogiek. Op hun donder moeten ze hebben.
+Gedwongen moeten ze worden. Tusschen meester en leerling bestaat een
+»natuurlijke"--lees: onnatuurlijke--»antagonie".
+
+Ik denk er dus niet aan, mijn tweede lagere school ook maar eenigszins
+te verwijten, wat toenmaals tot de gewone schoolpraktijk behoorde, en nu
+nog door velen principieel wordt aanbevolen, maar heb de feiten alleen
+gememoreerd om te doen zien, dat ze een kind zijn leven lang bijblijven.
+Het scheldwoord, dat we in zijn jeugd als opvoedingsmiddel een leerling
+naar 't hoofd werpen, hoort hij nog in zijn grijsheid. En dat vergeten
+we wel eens. Maar ik heb mijn afgescheiden school veel te veel te
+danken, dan dat ik haar deze averechtsche deugden toerekenen zou.
+
+Zij heeft de kunst verstaan, mij te doen _werken_, en werken _met
+lust_. Ik kwam in een klas, waar de kinderen al een heel eind gevorderd
+waren in 't Fransch, en ik had er nooit iets aan gedaan. Dat gaf dus
+strubbeling. Ik moest bijgewerkt worden en kreeg een boekje mee naar
+huis. Het was een boekje met kleine verhaaltjes, ik geloof van Engelbert
+Gerrits, met de vertaling der moeilijke woorden aan den kant.
+
+Zaterdag nam ik het boekje mee, den ganschen Zaterdagnamiddag en avond
+zat ik er uit te vertalen, ook den heelen Zondag, ook nog de vroege
+morgenuren van Maandag, en toen bracht ik den meester anderhalf schrift
+met vertalingen. Het boekje was uit.
+
+Ik weet nog, hoe hij opkeek, toen hij die massa werk onder de oogen
+kreeg. Ik was een wonder van vlijt. Daar had ik echter zelf geen idee
+van. Ik wist alleen, hoe heerlijk het was te werken, zoo te werken, dat
+ik mijn klasgenooten inhaalde. En dat gelukte. Achtereenvolgens, maar nu
+natuurlijk veel langzamer, werkte ik de les- en themaboekjes van Van der
+Hoeven door en na een paar jaar zat ik volop in de onregelmatige
+werkwoorden van het zooveelste stukje.
+
+Hoe was het mogelijk, dat de brutale spijbelaar van de Lindengracht zich
+zoo ontpopte op de Bloemgracht? Dat lag misschien aan 't verschil van
+één meester.
+
+Meesters, die dit leest, denkt er aan, als je dagtaak je soms eens zwaar
+valt, als je er soms eens moedeloos bij wordt. Mogelijk zit er één
+jongen in je klas, die je later voor je arbeid danken zal, zooals ik het
+nu nog mijn meester doe.
+
+ * * * * *
+
+Aan die buitensporige vlijtvlaag is nog een herinnering verbonden.
+De kinderen konden elke maand een kaartje »voor vlijt en goed gedrag"
+krijgen. Wie er zoo twaalf per jaar had ontvangen, ontving op het
+jaarlijksch examen een prijs. Dat was voor mij het eerste jaar een
+onmogelijkheid, want in den loop van den kursus op school gekomen, had
+ik het op 't examen maar tot acht kaartjes kunnen brengen. Toch ging
+ik met plezier naar 't examen en zag aan 't einde daarvan zonder eenige
+jaloezie, dat mijn medeleerlingen mooie boekwerken en getuigschriften
+ontvingen, terwijl ik verstoken zou blijven. Als je zoo iets maar
+vooruit weet, is 't niet zoo erg. De smart zit minder in het gemis dan
+wel in de teleurstelling. Daarom hebben sommigen er een handje van, je
+teleurstellingen aan te doen, opdat je het toch maar goed vóélen zult.
+
+Toen alle prijzen waren uitgedeeld, was er een oogenblik stilte in de
+school. En toen hoorde ik mijn naam noemen, langzaam, plechtig:
+Gerard--Jan--Ligthart.
+
+Ik trilde--zag alles in een nevel--geloofde 't niet--bleef bevende
+zitten.
+
+De meneer van 't examen zag de klasse rond, en riep toen nog eens met
+deftige stem: Gerard--Jan--Ligthart.
+
+Alle kinderen keken naar mij.
+
+»Kom jongen, jij bent het," zei de meester.
+
+Ik stond op en liep naar voren, gauw, zenuwachtig.
+
+Daar stond ik tegenover den deftigen meneer. Ik klein, hij groot. Ik
+ontroerd, hij rustig.
+
+En hij glimlachte mij kalm tegen.
+
+Hij had een boekje in de hand en las luid: »Loon naar werk, door E.
+Gerdes."
+
+Ik hoor het nog.
+
+En toen sprak hij: »Jongen, je bent nog te kort op deze school, om reeds
+het vereischte aantal kaartjes voor een prijs te bezitten. Toch wilden
+je onderwijzers je een prijs geven voor je buitengewonen ijver. En die
+prijs heet: Loon naar werk. Hij _is_ dan ook loon naar werk. Ziehier."
+
+Ik nam het boekje aan.
+
+Heerlijk, héérlijk oogenblik.
+
+En toen stil naar mijn plaats.
+
+Of ik onder het dankgebed geluisterd heb?
+
+Daarvoor trilde het daarbinnen te veel. Maar ook dat was danken. En onze
+lieve Heer weet dat wel. Die heeft een fijn oor.
+
+Gezegende school! Zij leerde mij werken. Zij leerde mij school en
+meesters liefhebben. Zij leerde mij danken in gemoedsontroering. Het
+echte.
+
+Toch maar een »afgescheidene".
+
+ * * *
+
+En nu wil ik meteen vertellen, hoe het met mijn prijs verging.
+
+Daar was een jongen en die heette Kees. Zijn vader was timmermansbaas,
+en hij woonde daar en daar.
+
+Kees las zoo graag en daarom kreeg hij eens mijn prijs ter leen.
+
+Maar Kees gaf hem nooit terug.
+
+Telkens als ik vroeg, ontving ik een ontwijkend antwoord.
+
+Eindelijk vermande ik me en ging naar Kees zijn huis. Ik wou zijn vader
+spreken. Ik moest toch mijn prijs hebben, mijn _prijs_. Een prijs is
+toch niet een gewoon boek.
+
+Ik sprak Kees zijn vader. Hij wist er niets van. Maar wacht r's.
+»Zoo'n boekje, zoo wat zoo groot?"--Ja, meneer.--»Dat zal je niet meer
+terugzien. Kees bracht altijd boeken mee, en ik wou dat vervloekte
+gelees niet meer hebben, en toen heb ik gezegd: als je weer een boek
+meebrengt, smijt ik het in de kachel. Dat heb ik ook gedaan, en dat is
+dan zeker jouw prijs geweest."
+
+Ik heb mijn tranen weerhouden,--o, natuurlijk, natúúrlijk--maar toen ik
+weer buiten was en op straat liep, was ik gebroken.
+
+Mijn prijs....
+
+Weg....
+
+Onherroepelijk....
+
+De man heeft er niet aan gedacht, welk een bitter leed hij mij had
+berokkend, heeft er niet aan gedacht, mij mijn prijs terug te koopen.
+
+»Dan had ik hem maar niet moeten uitleenen."
+
+Zoo'n ellendeling!
+
+ * * * * *
+
+Laat ik hem vergeten en aan lieflijker dingen denken.
+
+Van de vrouwen is altijd een bizondere bekoring voor mij uitgegaan. Men
+weet, dat begon al op de bewaarschool, waar ik schriftelijk verzocht, of
+ik van zeker vijfjarig Betje de vrijer mocht wezen. Ik was toen ook nog
+geen zes. En dat hield zelfs niet op, wanneer het pere-hietvrouwtje of
+Mietje de porster mij in haar toch zoo ongecultiveerde stemmen
+omstrikten.
+
+Wat is het toch, die bekoring van »das ewig Weibliche".
+
+Ik weet het niet.
+
+Het is een der mysteries bij de talloos vele andere. Maar het bestaat
+en oefent zijn invloed reeds vroeg. De aanwezigheid van meisjes in de
+school verzachtte heel wat leerellende. Als je onder het doodelijk
+stilzitten, een uur achtereen, steeds met je handen gevouwen aan den
+rand, naar het overhooren van een droge les moest schijnen te luisteren,
+was het een heerlijkheid, in alle stilte te genieten van een mooie,
+blonde vlecht, of ál meer intiem te worden met een rood lintje om een
+zwart kopje. De jurkjes, de schortjes, de kantjes, de beentjes der
+meisjes, waarmee ze zoo aardig stappen konden, de stemmetjes en de
+fraaibelijnde gestalten, ze gaven aan de dorre woestijn iets liefelijks.
+En zonder meisjes had ik het in mijn eerste school zeker absoluut niet
+uitgehouden.
+
+Wat ik voor haar voelde, was onmogelijk te zeggen. Geen enkele
+onvoegzaamheid, dat weet ik echter zeker. 't Was een vage stemming
+van adoratie; zij omhulden mij als in rozige morgennevels. Een zelfde
+stemming kreeg je buiten, als je niets dan groen en lucht zag en een
+enkele boerenwoning. Het alledaagsche ging weg en je was in een andere
+sfeer.
+
+Geheel in strijd met deze vage stemming scheen onze liefhebberij om bij
+'t uitgaan der school de meisjes na te rennen.
+
+Dan holden zij hard weg, zwaaiend met de schooltasschen, en wij vlogen
+ze na. Hadden we ze ingehaald en gegrepen, dan deden we nog niets.
+Eigenlijk waren we dan verlegen met onzen buit, schudden--schijnbaar
+ruw, maar eigenlijk teer--de Sabijnsche wat door elkaar, spraken wat
+vreeselijke dreigementen, en, als 't héél erg werd, gaven we ze een zoen
+ergens op een vindbaar plekje van het weggestopt gezicht en anders maar
+op de haren. Die zoen beteekende evenwel niets anders dan een triomf.
+Daarna mochten ze gaan.
+
+Nog op den huidigen oogenblik weet ik niet, wie met dit spelletje
+begon, de jongens of de meisjes. Of wij haar opjoegen, dan wel zij ons
+oplokten. Eén ding is zeker: meisjes die niet wegliepen deden we niets.
+En zoo geloof ik, dat die vluchtende hinden niet zoo onnoozel en zoo
+bang waren, als ik toen wel dacht. Maar ik durf toch niet stellig
+zeggen, of ook deze verzoeking eigenlijk van Eva uitging, en dus zal ik
+dit vraagstuk maar laten oplossen door de eerlijke jeugdherinneringen
+van een vrouw, die in haar schooljaren dupe of bewerkster van die jacht
+is geweest.
+
+De Paedologie zal ongetwijfeld ook deze naren- en afzoenerij eens tot
+onderwerp van haar wetenschappelijk onderzoek maken. Dan vernemen we,
+hoe in dit kinderspel zich handhaaft een vrouwenroof uit den oertijd,
+of anders hoe--spel is toch levensvoorbereiding--het jonge volk zich
+bij dat onbehoorlijk gevlieg praepareert op 't geen later komen moet.
+Een zij en een hij moeten elkaar vinden, daartoe moet zij lokkend
+wegfladderen, hij haar volgen: »Errötend folgt er ihren Spuren", en
+als hij haar gevonden, veroverd heeft, sluiten zij zich innig aaneen.
+Dat moet in de schooljaren door wijze Moeder Natuur worden voorbereid.
+Vandaar die, alleen door onwetenschappelijke kortzichtigheid
+tegengewerkte, naren- en afzoenerij, die de opvoeders als een mooi,
+redelijk, noodzakelijk en dus wenschenswaard verschijnsel moesten
+begroeten, en eer behoorden aan te moedigen, dan als onfatsoenlijk te
+bestrijden.
+
+Zien echter alle ouders en onderwijzers het onder dat licht?
+
+ * * * * *
+
+Op mijn afgescheiden school waren gelukkig ook meisjes, en zoo had ik
+den Hemel opnieuw te danken, die mij niet uit Roomsche ouders had doen
+geboren worden en tusschen enkel donkere jongenskielen doen opgroeien.
+
+De meisjes zaten vooraan, in de eerste rijen, de jongens daarachter.
+Ik denk, dat in deze plaatsing, die men op alle gemengde scholen en ook
+in de kerken aantreft, waar de mannen de vrouwen als een heiligenkrans
+omringen--geen krans van heiligen--, ik denk dat in deze rangschikking
+zich hetzelfde wegloop- en narenelement openbaar. Men noemt dat met
+allerlei mooie namen: hoffelijkheid, beleefdheid, eerbied voor het
+zoogenoemd zwakkere geslacht, maar die namen zijn niet anders dan
+kleurige sluiers, die het wezen der zaak aan ons oog onttrekken. Die
+stil en devoot luisterende vrouwen--natuurlijk weten ze het niet--ze
+loopen weg, en die eerbiedig doende mannen, ze rennen na. Die hele
+zwijgende, stilzittende schare is in haar rangschikking een door de
+eeuwen vastgelegde beweging. Het is lokken en volgen, jagen en vlieden,
+maar nu vastgegroeid tot een maatschappelijk gebruik. Alleen ziet men nu
+en dan, zelfs in de kerk, het oude spel herleven, als een achttienjarig
+meisje minder getrokken wordt door de godsdienstoefening, omdat ze zelf
+te sterk trekt iemand die daar in de verte achter haar zit. Al is die
+gedachte niet aangenaam voor den preekenden voorganger, hij worde er
+toch niet boos om, wetende dat het verlies van aandacht nu, hem later
+rijkelijk vergoed wordt door een mooien huwelijksdienst en wie weet
+hoeveel doopbeurten. Pierre de Coulevain, de auteur van Sur la branche,
+heeft de verliefdheid van 't meisje terecht genoemd: moederliefde in
+knop.
+
+Ik had het geluk, een tijdlang in de eerste jongensrij te zitten,
+vlak achter de meisjes. Dit verhinderde mij niet, hard te werken.
+Integendeel. Het spoorde mijn werkdrift aan. Ik deed mijn best in haar
+oog een mooi figuur te maken. Een pluimpje van den meester wapperde
+veel sierlijker onder het welgevallig en bewonderend oog der meisjes.
+Zij behoefden mijnentwege niet goed te kunnen rekenen en ontleden.
+Als ze maar haar lieftallige en gratievolle bewondering aan ónze
+overwinningen konden schenken. Iedere moeilijke som, door ons als een
+machtig vijand verslagen, riep haar streelenden eerbied op, en wij
+sloegen er op los om dien eerbied te verwerven. »Wat kan _jij_ goed
+rekenen!" of: »Hoe _kun_ je dat toch!" of: »Ik begrijp er niks van!" of:
+»Toe, help je me nog even!"--het waren omwademingen van bloemgeurige
+zefirs, zwanger van lenteweelde. Ha, wat voelden we ons gelukkig, als
+we zulk een hulde ontvingen of zulk een hulp mochten verleenen!
+
+Das ewig weibliche. Wondervolle macht in een knapenziel.
+
+Neen, gij die meent dat onreine gedachten als zwarte wolken langs
+dezen blauwen voorjaarshemel moeten drijven, gij weet het niet. Er
+ging een reinigende bekoring uit van de tegenwoordigheid der meisjes.
+Zij riepen ridderlijke gevoelens in ons wakker, huldigende driften,
+artistieke gaven. Mijn oudste broer teekende mooi en leerde mij in de
+huiskamer landschapjes teekenen en watergezichtjes. Een boerenwoning,
+half verborgen onder 't loover, een hooiberg daarbij, slingerend
+landweggetje, en in de lucht wat vogels--of een schip, opbruisend tegen
+de watervlakte, het zeil omhoog, den wimpel wapperend, het roeischuitje
+er achter--ik wierp ze met handige potloodstrepen op het papier, trok er
+een strakke lijn om, zette in een benedenhoek een beetje schuin mijn
+naam--ach, mijn jongens op school kunnen dat laatste ook zoo artistiek:
+kinderen blijven kinderen--en bood ze de jonkvrouwen mijner vereering
+aan. Hoe heerlijk, als ze het mooi vonden en zuinig bewaarden. En als
+ze 't niet begrijpen konden, hoe een jongen, die al zoo goed sommen
+kon maken, ook nog mooi kon teekenen. En als ze dan een eigengemaakten
+boekenlegger of inktlap als tegengave schonken. Precies als de koningen
+der aarde, en ook precies als de primitieve volkeren. Lezer, vriend,
+zijt ge wel eens jaren achtereen gelukkig geweest met een simpel
+potloodje, dat ge dag aan dag bij u droeg, nooit gebruikte uit vrees dat
+het slijten zou, en telkens weer met teederheid tusschen uw vingertoppen
+nam? In dat potloodje--'t heette een herinnering aan háár--bewaardet ge
+al de reine teederheid van uw eigen jongensziel, gewekt door »das ewig
+Weibliche".
+
+
+
+
+GOEDE SCHOOL.
+
+
+Elke schooltijd begon natuurlijk met gebed en psalmgezang. Daarna volgde
+'s voormiddags een vol uur »Bijbelsche Geschiedenis". Dat was dus zes
+uur in de week de historie van het oude Israël en het verhaal der
+Evangeliën.
+
+In overeenstemming daarmee kreeg de Kaart van Palestina meer beurten dan
+die van Nederland. Zoo kwam eigen land en volk wel wat in de verdrukking
+door de buitengewone belangstelling aan Kanaän gewijd. Perea, het
+Over-Jordaansche, lag mij nader dan Gelderland, op de Palestijnsche
+bergen was ik meer thuis dan op de Limburgsche heuvelen, het meer van
+Genezareth mij vertrouwder dan het Slotermeer, en langs de Jordaanoevers
+wandelde ik vrediger dan langs de Rijnboorden.
+
+Over de keuze van dit belangstellingsgebied voor de lagere school kan
+men verschil van meening hebben, maar ieder beseft, hoe dit samengaan
+van geschiedenis en aardrijkskunde beide ten goede kwam. De vlakten en
+de hoogten, de meren en de stroomen, de steden en de vlekken van Kanaän
+kregen beteekenis, doordat ze leefden in de Joodsche geschiedenis en
+literatuur. We hoorden ze uit den mond der psalmdichters en profeten,
+zagen ze als terrein van arbeid en strijd, bezochten ze rondwandelend
+met den leerenden Heiland.
+
+Dat was iets anders dan rijtjes namen, die maar rijtjes namen bleven.
+Het innige verband tusschen het Joodsche land en het Joodsche volk, dat
+nog thans in zoo vele Joodsche en ook Christen-harten gevoeld wordt,
+maakte de aardrijkskunde van Palestina tot terreinlessen der historie.
+Alles leefde daar. Men was als in de schouwburg der menschheid en zag
+volksdrama's afspelen op het tooneel der velden, met begroeide bergen
+tot coulissen. Nog, als ik den naam hoor van het meer van Genezareth,
+zie ik visschers hun netten uitwerpen, Jezus wandelen op de wateren,
+Petrus wegzinken in kleingeloof. Aan gene zijde der Jordaan staat Mozes
+op den berg Nebo, ziende naar het Heilige Land, dat hij niet mag
+binnentreden. Hoe lieflijk is ons dat Bethlehem met zijn overvolle
+herberg en de kribbe in den beestenstal. Geen plaatsnaam, of hij roept
+personen op, toestanden, gebeurtenissen. De landkaart gaf aan de
+geschiedenis een gebied, gelijk deze aan de kaart leven schonk.
+
+Of de school dit prachtige en eigenlijk ook onmisbare samengaan met
+volle bewustheid in de hand werkte, om de waarheid te zeggen, ik geloof
+het niet. Het staat mij zoo voor, alsof de geschiedenisles alleen
+luisterde naar de stem van den meester en nooit keek naar de kaart,
+alsof de aardrijkskundeles alleen aanwees en opzei, maar nooit bevolkte,
+en of het samenvloeien van feiten en terreinen aan het toeval en de
+kinderlijke voorstellingsbehoefte werd overgelaten. Maar indien dit zoo
+was, dan zal het nu in de christelijke scholen toch wel anders zijn.
+Men zal daar nu toch die mooie kans niet ongebruikt laten. Wellicht gaat
+men er nog een stapje verder en durft een les in natuurlijke historie
+gebruiken, om het landschap met zijn planten en dieren uit te beelden.
+»Kent gij het land?" vraagt Pfarrer Schneller op het titelblad van
+zijn voortreffelijk werkje. »Wij kennen alleen stippen en strepen en
+namen," zeggen de kinderen. En dit zeggen zelfs de volwassenen. Ook de
+volwassenen, die op de lagere school of op de zondagsschool Bijbelsche
+Geschiedenis onderwijzen?
+
+ * * * * *
+
+Wanneer deze jeugdherinneringen onderwijskundige bijbedoelingen hadden,
+zou ik graag van Palestina naar ons eigen land overgaan en zelfs de
+vraag willen stellen en beantwoorden, of de aardrijkskunde der geheele
+wereld niet een beetje intiemer kon worden met het leven der volkeren.
+Maar nu moeten we verder.
+
+Daar zit een klasse kinderen te rekenen. 't Is de hoogste. Ook ik zit
+daar zoo wat midden in de klasse, vlak achter de meisjes. Gevaarlijk
+plaatsje?
+
+Dat denkt ge maar.
+
+'t Zou gevaarlijk geweest zijn wellicht als de meester onzen geest had
+gekneveld in banden van verveling, als hij ons gedoemd had tot
+stilzitten en kijken en handen vouwen.
+
+Maar op mijn bank ligt een lei, daarnaast een dik boekje in een
+donkerblauw omslag, en tusschen mijn vingers leeft een griffel,
+hunkerend naar 't uitvloeien en uitstroomen van cijfers. 't Is of die
+arme griffel 't benauwd heeft, in barensweeën verkeert. Ze moet
+schrijven, schrijven, cijfers uitgooien, een lei vol, twee kanten, vol,
+nóg een lei. Eer komt ze niet tot rust.
+
+En al die arbeid maakt, dat ik niet eens meisjes zie. Die griffel wint
+het van haar bekoorlijkheid. Het instrument, waardoor de van werkdrift
+trillende geest een uitweg vindt in de grijswitte figuurtjes op de
+blauwzwarte lei.
+
+Werken. Laat je jongens werken. De kleinen en de grooten. En ook de heel
+grooten.
+
+Maar zorg dan, dat ze werken met lust, en daardoor met volle kracht.
+
+De beste rekenaars hadden ieder hun eigen rekenboek. Ik moet daar ook
+onder behoord hebben. Ik herinner me den hartstocht, om een boekje _uit_
+te hebben.
+
+De Boesers had ik al.... opgevreten. De »eerste verzameling". De »tweede
+verzameling". Toen had de meester er niet meer. Die »verzamelingen"
+kwamen na en boven de gewone serie. Een soort bekroning. »Gemengde
+vraagstukken". Voor de goeie rekenaars, die geen geleidelijke leiding
+meer noodig hadden. Die konden aanpakken, telkens wat nieuws.
+
+Maar ik had ze uit.
+
+Toen zei de meester: »Ja, wat zal ik je _nu_ geven!" En hij snuffelde in
+zijn kast. Daar had hij zoo'n stapeltje van allerlei. »Hier, probeer
+dit maar eens."
+
+'t Was--heb ik het goed onthouden?--»Koopmansrekenen" van Adam van
+Lintz, het--vierde?--stukje. 't Was dat dikke boekje in donkerblauw
+omslag. En Adam van Lintz boeide mijn oogen en mijn handen en mijn
+gedachten en mijn neigingen.
+
+Ik zag geen meisjes, ik zag sommen.
+
+Heerlijke werkuren. Ze deden me al vroeg ervaren, waar een stuk reine
+levensvreugde te vinden is. Bijstand tegen verzoekingen. Troost in
+smart.
+
+Nooit in mijn verder leven heb ik Adam van Lintz teruggezien, terwijl ik
+toch onafgebroken tusschen de schoolboekjes heb gezeten. Waarschijnlijk
+was hij dus toen al aan 't verdwijnen. Versluys en Wisselink kwamen de
+Boesers verdringen. Toch onthouden, met uiterlijk en titel. Bewijst dat
+niet--wat ik reeds vroeger opmerkte--dat het geheugen in 't hart zit? En
+dat het werk in de school het kinder_hart_ moet weten te pakken?
+
+ * * * * *
+
+Men zou uit deze rekendrift willen afleiden, dat ik later een
+rekenmeester had moeten worden. Doch dan zou men verkeerd afleiden. Mijn
+aanleg en mijn lust hebben nooit de cijfers gezocht. Verzen opzeggen,
+lezen met een mooie stem, de muziek der taal genieten--dat was mijn
+eigenlijke voorkeur. Mijn aanleg was, om het met een groot woord te
+zeggen: literair. Als ik in mijn eentje liep, zei ik in mezelf verzen
+op, vaak psalm- en gezangverzen. En dan had ik een gevoel, of mijn stem
+de mooie klanken moest liefkoozen en de golvende regels in zangerig
+rythme moest laten vloeien. Een meester, die mooi voorlas, had me gauw
+te pakken, en onwillekeurig bootste ik de bekoorlijke eigenaardigheden
+van zijn voordracht na.
+
+Toch herinner ik me van mijn leesboekjes niets meer. Welke waren het?
+Ik weet het niet. Belletristische? Leerende? Verhalende? Ik weet het
+niet. Verzen of proza? Ik weet het niet. Geen inhoud, geen titel, geen
+uiterlijk--ik weet er niets meer van. Waren ze wellicht te droog? Ik
+weet het niet. Te vroom? Te braaf? Te onkinderlijk? Ik weet het niet.
+Wonderlijk toch, de rekenboeken zie ik nog, ken ik nog, hoewel ik geen
+rekenman ben, en de leesboeken zijn totaal weggezonken in vergetelheid,
+hoewel de toekomst bewezen heeft, dat ik voor 't leesboek toch wel
+iets voelde. Vanwaar dit onderscheid? Het moet wel hieraan zijn toe
+te schrijven, dat--door 't _werken_--in de rekenboeken mijn hart
+is gaan zitten, en dat de leesboeken dit hart niet hebben gelokt en
+vastgehouden. Dat hart wou wel. Maar 't boek wou niet. Of misschien
+wou het arme ding wel, maar kon het niet. Het zal onze harten _te
+opzettelijk_ hebben willen vangen. En dat is altijd mis.
+
+Het is toch eigenlijk sterk, dat ik niet meer weet, uit welke
+schoolboeken ik als twaalf- en dertienjarige jongen gelezen heb. Maar
+voor 't feit sta ik in. Wellicht wordt het een beetje nader verklaard
+door mijn overgang, als kweekeling, naar de openbare school. Daar kwam
+ik in zoo'n heel andere boekjeswereld. Maar dat rekenboek dan? en het
+zingen? Want dát herinner ik me heel wel. Ik zie het schoolbord vol
+muziek staan, driestemmige liederen in notenschrift. En ik ken nog die
+liederen die we leerden. Eén lied is te kenmerkend en te vereerend voor
+de school, dan dat ik het hier niet zou vermelden. De Fransch-Duitsche
+oorlog was uitgebroken, 1870. Ik was elf jaar. Overal hoorde je »Die
+Wacht am Rhein", tot op draaiorgels toe. Toen leerde de meester ons de
+woorden en de muziek, de woorden in 't Duitsch, ofschoon we in die taal
+geen les kregen. En we zongen uit volle borst meerstemmig:
+
+ Est braust ein Ruf wie Donnerhall,
+ Wie Schwertgeklirr und Wogenprall:
+ Zum Rhein, zum Rhein, zum Deutschen Rhein!
+ Wer will des Stromes Hüter sein?
+ Lieb Vaterland magst ruhig sein:
+ Fest steht und treu die Wacht am Rhein.
+
+Ik noemde dat kenmerkend en vereerend voor de school. Immers, het was
+een bewijs, dat men in de school _leefde_. Het lied van den dag, ondanks
+de vreemde taal, in de zangles gebracht--dat was toch wel waarlijk:
+school en leven.
+
+En die school was een--»afgescheidene", van veertig jaren her.
+
+ * * * * *
+
+Het is wel begrijpelijk, dat deze schoolliederen me zijn bijgebleven.
+Vooreerst hadden ze dezelfde veroveringsmethode als de sommen. Ze zetten
+ons aan 't werk. Zingen moest je wel, of je wou of niet. Je kon er niet
+bij suffen of afdwalen. Daar had je nu je zuivere zelfwerkzaamheid. Maar
+dan ook, de liedjes werden thuis vrijwillig gerepeteerd. Niet, gelijk
+dat in gegoeder kringen geschiedt, op bepaalde uren bij een piano, maar
+op alle tijden van den dag en in alle hoekjes van het huis. Vader zong,
+Moeder zong, Christien zong, de jongens zongen, ik zong, we zongen
+allemaal. Zingende leerden we mekaar de liedjes, en als er een moeilijke
+val was, werd die soms in de keuken onder 't werken door ingestudeerd.
+Christien sneed de andijvie of de rooie kool, ik stond bij haar aan de
+rechtbank, en daar had je een formeele zangles.
+
+Niemand was verlegen om den mond open te doen, niemand schaamde zich
+zijn stem. Het huis weergalmde van lied. Je zong in de keuken bij 't
+schoenenpoetsen, je zong in de gang, je zong in alle kamers, in de
+huiskamer, de slaapkamer, de bestekamer. Leege oogenblikken werden
+gevuld met lied. En dat was nooit een zacht geneurie, maar een luid
+gejuich, vol uit de borst. Ook de bovenburen zongen en de benedenburen.
+En 't waren allemaal schoolliederen van »Zie de leliën op het veld" of
+»Als de zwaluw ons verlaat" of »Eere zij God". De Zangvogeltjes, die
+lieve uit de boekjes van C. Regeer, fladderden door onze woning, en
+jubelden hun heerlijkste liedjes.
+
+Dat had en heeft een burgergezin voor op de deftigheid. Er wordt
+gezongen in huis. De kinderen behoeven geen zangles te krijgen. De
+liederen leven er, gelijk buiten in veld en bosch, en--evenals
+daar--piepen de jongen naar 't zingen der ouden.
+
+Wat kon Vader mooi zingen! En met welk een liefde en toewijding zong
+hij! Dan kon hij zoo'n uur achter elkaar heen en weer loopen, geen jas
+aan, de handen op den rug, van de huiskamer door de gang en omgekeerd,
+en aldoor maar zingen. Hij haalde de liederen op uit zijn verleden, veel
+Fransche. Van »La Brigantine, Qui va tourner." Wat vonden we 't mooi! En
+als Vader dan met ingehouden stem bad: »O, Vierge Marie! Pour moi priez
+Dieu!" dan werden onze oogen wel eens vochtig van ontroering en viel er
+een traan tusschen de sommen of de Fransche thema's. Dat waren heerlijke
+oogenblikken.
+
+En 's avonds, vooral Zondags in 't schemeruurtje, wanneer alleen een
+zacht theelichtje het duister bekampte, klein, dapper, rustig vlammetje
+in een donkere wereld, en wij, door de kamer verspreid, ons gelegerd
+hadden als in een Zigeunerkamp, de ouderen op stoelen, ieder op een
+geliefkoosd plaatsje, de jongeren op den grond, de beenen rechtuit
+of de knieën opgetrokken--een »vrije orde"--dan begon er maar een te
+zingen, en vanzelf vielen de anderen in. Het eene lied na het andere.
+Maar nooit straatliederen. De school en de overlevering hadden ons een
+heel repertoire bezorgd, altemaal liederen vol kleur en sentiment,
+beschaafd van taal en van toon. En steeds ging het ten slotte naar het
+godsdienstige toe. Met de Hernhutters zongen we: »Laat mij, slapend,
+op U wachten, Heer, dan slaap ik zoo gerust." En eindelijk met de
+Christelijke gemeente dien stemmenden avondzang:
+
+ 'k Wil U, o God, mijn dank betalen,
+ U prijzen in mijn avondlied.
+ Het zonlicht moge nederdalen,
+ Maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet.
+
+Dan trilde Moeders stem. Zij was weer in de pastorie van haar
+kinderjaren.
+
+ * * * * *
+
+Liefelijke schemeruren. Hoe heerlijk toch, dat alle uren van den dag
+hun eigen kleur en toon hebben. Het uur van 9-10 in den voormiddag is
+een heel ander dan dat van 2-3 in den namiddag. Men kan ze onmogelijk
+verwisselen, zonder het gelaat van den dag een vreemd en onbehaaglijk
+uiterlijk te geven. En zoo heeft ook het schemeruur zijn karakter en
+bestemming. Wie denkt er aan in den morgen zoo vertrouwelijk bijeen te
+zitten en te zingen als bij het vallen van den avond tusschen licht en
+donker. Het zou niet gaan. En nu heb je wel redeneermenschen die zeggen:
+een uur is een uur, ze hebben allemaal precies zestig minuten, en zingen
+is zingen, dus je kunt het zingen van 't eene uur net zoo overbrengen
+naar een ander, maar deze verstandige lieden behooren tot die
+waanzinnigen, waarvan Chesterton zegt, dat ze krankzinnig zijn, omdat
+ze alles verloren hebben behalve hun verstand. Neen, een uur is niet
+een uur, elk heeft zijn eigen aard, en daarom brengen en vragen de
+avonduren, die van vijf tot zeven, iets anders dan hun vroegere of
+latere broeders.
+
+Wij hadden avondschool, liefelijker gedachtenis. Ze werd in de
+bovenverdieping gehouden. Daar genoten we van het warmgele licht der
+gasvlammen, het stille suizen, en van meesters stem en lange pijp. 's
+Avonds scheen meester een heel andere stem te hebben dan overdag. Kwam
+dat door het gaslicht? Of doordat er veel minder kinderen waren? Neen,
+'t was de invloed van de uren. Die veranderden niet alleen zijn stem,
+maar zijn heelen persoon. Hij was veel vertrouwelijker, veel gezelliger,
+veel gewoner. Zijn houding en toon naderden ons veel dichter, hij werd
+een soort familielid van je. De schoolnarigheid ging er af. Zijn
+handdruk was zelfs anders dan die van 's morgens vóór negenen.
+
+En dan was zijn lange pijp ook een van zijn aanbevelingen. In het
+vensterkozijn lagen eenige opgevouwen papierstrooken--fidibussen.
+Daarmede spaarde meester een zwavelstok uit. »Geef jij me eens een
+fidibus." De gelukkige nam er een uit het kozijn, stak hem aan boven de
+gasvlam, en hield hem bij meesters pijp. We genoten van het opkrullen
+der tabak, van de blauwe rookwolken, en van de manier waarop meester
+den dop op de pijp zette. Nu trok hij een poosje achter elkaar, dan
+legde hij de pijp neer, nam de zijden pet van 't hoofd en zei ernstig:
+»Prions!" Wij vouwden de handen, sloten de oogen, luisterden naar het
+suizende gaslicht en naar de eerbiedige stem: »Notre père qui est aux
+cieux! Ton nom soit sanctifié. Ton règne vienne!" Er zweefde stille
+vrede in onze harten.
+
+Pas had het »Amèn" onze oogen en handen ontsloten, of we hoorden:
+»Chantons--pseaume...." Dan sloegen we de psalmboeken open, echte
+Fransche, zochten het lied op, en zongen. Terwijl ik dit schrijf,
+valt me een lied in, dat ik toen geleerd heb, met dit slot:
+
+ Amen! Amen!
+ Purifie,
+ Sanctifie,
+ Renouvelle
+ Tout en nous, Sauveur fidèle!
+
+en ik hoor de kinderstemmen nog, gedragen door meesters stem, en
+wegstervend in de donkere einden van het groote lokaal.
+
+Van zoo'n avondschool ging kennis en wijding uit en 't was ons daar
+beter, dan dat we ons thuis verveelden of op straat bedierven. Om
+opvoedkundige redenen is de avondschool overal afgeschaft. Maar als ik
+nu nog op een avondcursus de kinderen zoo stil genoegelijk zie werken,
+denk ik: Wat zit jelui hier vredig! En wat heb je het toch goed!
+
+ * * * * *
+
+Dat lijkt sommigen misschien wat erg bekrompen ouderwetsch en zeer
+bevreemdend van iemand, die zoo hardnekkig pleit voor vrijheid en
+spel en tegen leerdwang. Maar wie trouw gevolgd heeft, wat door dien
+hardnekkigen pleiter verdedigd en bestreden is, die weet wel, dat
+het nooit ging tegen het leeren, maar tegen de vervloekte kunst
+om het leeren tot een ellende te maken, tot een hersenkwelling en
+zenuwvernieling. Leeren moet een vreugde zijn, en het kan een vreugde
+zijn. Maar de examens, het opdrijven boven peil, bederven het genot.
+Kinderen leeren graag, naar de mate hunner capaciteit. Maar de school
+houdt geen rekening met die capaciteit en maakt zoo den zin tot
+tegenzin.
+
+Prof. Jelgersma--en hij kan het weten--heeft eens geschreven, dat nooit
+het werken iemand zenuwziek maakt, maar wel de onrust, de spanning, de
+zorg. Mijn eigen ervaringen bevestigen deze uitspraak. Natuurlijk heeft
+onze arbeidskracht haar grens, maar de instortingen in mijn leven zie ik
+heel duidelijk als gevolgen van emotievolle tijden, tijden van kommer en
+angst. Het zijn de _gemoeds_kwellingen, die ons knauwen. En dit is zoo
+waar, dat juist meermalen de arbeid, in stede van een ondermijner, een
+hersteller onzer gezondheid is. Werk maar, werk maar trouw, volhardend,
+inspannend. Echter--werk met liefde. Laat je werk een vreugde zijn. En
+dan bevordert het je gezondheid.
+
+Mijn jeugdherinneringen prediken mij dit ook met overgroote klaarheid
+en zekerheid. De arbeidsdrift en de arbeidskracht mijner schooljaren
+hebben mijn gezondheid nooit geschaad, doch wel mijn lichamelijken en
+zedelijken welstand gebaat. Maar als door averechtsche schooltucht het
+leeren tot een straf werd, dan liep het mis. En nu zal men wellicht mijn
+achterlijke ingenomenheid met de avondschool begrijpen. Wij werkten met
+lust. Hoe meer de kinderen leeren en werken, des te beter. Mits lust de
+drijfveer en vreugde de vrucht is.
+
+Van mijn afgescheiden school heb ik nog eenige herinneringen mee te
+deelen. Die bewaar ik echter tot het slot. Eerst werpen we nog een blik
+in het hartje van den Jordaan en dan gaan we naar de nieuwe woning in de
+Nieuwe Leliestraat.
+
+
+
+
+JORDAANPAEDAGOGIEK.
+
+
+De Jordaan, de Amsterdamsche, heeft niets te maken met de gelijknamige
+rivier in Kanaän. Vroeger waren er in deze volksbuurt der hoofdstad
+allemaal tuinen. De Fransche vluchtelingen, de refugiés, vestigden zich
+daar en zij spraken van »les Jardins". Vandaar de naam.
+
+Het is wel eigenaardig, dat deze naam, die geen enkel officieel cachet
+heeft, in den volksmond is blijven voortleven. De stadhuisregisters
+kennen hem niet, maar bij de geboren Amsterdammers zal hij niet gauw
+wegsterven.
+
+De herinnering aan les Jardins wordt, behalve door de verbastering
+Jordaan, ook bewaard in de namen der straten en grachten. Wie deze
+hoort, waant zich in een lusthof verplaatst Alles spreekt van bloemen
+en boomen. De Palmgracht, de Goudsbloemstraat, de Lindengracht, de
+Anjelierstraat, de Tuinstraat en de Eglantiersgracht, de Leliestraat en
+de Bloemgracht, de Laurier- en zelfs de Rozenstraat. Het geurt en kleurt
+om u heen. Dáár zoudt ge willen wonen. Onder de palmen, tusschen de
+rozen.
+
+Wees voorzichtig. Namen bedriegen. Op de Lindengracht was mijn eerste
+school, en het stonk er. Op de Bloemgracht mijn tweede, en het stonk er
+ook. Op de Eglantiersgracht woonden we, en het stonk er afgrijselijk.
+Geen wonder: de gracht was zoo iets als een groep voor het menschelijk
+vee, alle emmers met excrementen uit de heele buurt werden er avond aan
+avond in leeggestort. Die schonken hun geuren aan les jardins. Zoo
+leefden we daar tusschen rozen en anjelieren. Ik weet nog, dat er een
+cholera-epidemie heerschte. Duinwater hadden we niet, elken dag voeren
+er schuiten met vaten zuiver drinkwater door de gracht, en terzelfder
+tijd spoelden sommige vrouwtjes hun waschgoed in die grachten uit.
+'t Water zag er altijd vuilzwart: leliën en rozen. En de bakker maakte
+er zijn dweil in nat, waarmee hij den oven »reinigde" voor ons brood.
+
+Ook de meeste straten waren vuil. Glibberige keitjes tusschen armoedige
+huizenrijen. Wie laurieren en goudsbloemen verwachtte, vond gore
+onderkleeren, afhangend van droogstokken.
+
+Het is nooit verstandig, straten en ook meisjes van die heel mooie namen
+te geven. Men weet niet, of ze de belofte van hun naam vermogen te
+houden en zoo loopen ze gevaar, levenslang, bij iedere kennismaking, in
+zichzelf een teleurstelling aan te bieden.
+
+Allereerst aan het Oranjehuis is het gelukt, een inval te doen in die
+rijen van bloemen en groen. Vroeger heette een der grachten, n.l. de
+Goudsbloemgracht, in den volksmond _het Fransche pad_. Je had daar, ter
+weerszijden van een drabbig water, smalle, slecht geplaveide wegen.
+Franschen woonden er niet meer, wel dieven en ander gevaarlijk volk.
+Wij, jongens, wisten elkaar te vertellen van zulk een held, die, door de
+politie achtervolgd, royaal over de gracht sprong en zoo zijn vrijheid
+redde. Het was »De achtkante Boer". Overigens leefde dit Fransche pad
+bij ons alleen voort in een verachtelijken scheldnaam. Wie ons àl te min
+was, scholden we uit voor Franschepatter. In den Haag zegt men tegen zoo
+iemand: stuk vullis.
+
+Het Gemeentebestuur vond het verstandige opvoeding zijner burgerij, de
+gracht van dit Fransche pad te dempen, waardoor het in een breede straat
+veranderde, toegankelijk voor handhavers der orde. Maar het gaf daarbij
+een tweede bewijs van paedagogisch inzicht. Het liet de straat naar
+Koning Willem III vernoemen, door Z. M. plechtig openen, en sedert
+verdwenen de namen van Goudsbloemgracht en Fransche pad voor dien van
+Koning Willemstraat. De Jordaners waren altijd reeds beroemd door hun
+Oranjeliefde, maar nu was Oranje hun een broeder, en meer dan dat.
+Wanneer Koning Willem III zijn jaarlijksch bezoek aan de hoofdstad
+bracht en dan natuurlijk ook in open rijtuig de Willemstraat bezocht,
+spanden zijn trouwe Willemstraters de paarden van den wagen en trokken
+dien zelf in statigen optocht langs hun heirweg. Dat was een jaarlijksch
+verbond tusschen Bokkebek, den Koning van de Willemstraat, en Willem
+III, Koning der Nederlanden.
+
+Wat is een naam? vraagt de dichter.
+
+Een naam is een levenslange ontgoocheling. Maar een naam is ook een eer,
+een verplichting, een verantwoordelijkheid, en dan is hij een stuk
+opvoeding. Maak van uw Franschepatters--Willemstraters.
+
+ * * * * *
+
+Zoo ziet men, hoe er uit dien vuilen Jordaan nog paedagogiek kan
+opbloeien. Met de paedagogiek is het trouwens evenals met de poëzie, ze
+schuilt
+
+ Overal, mijn vrinden.
+ 't Is de vraag maar, wie haar al,
+ Wie haar niet kan vinden.
+
+Dat móét immers ook? De paedagogiek is een levenskracht, die in heel
+de menscheid en zelfs in de dierenwereld werkt. Sinds men echter een
+paedagogische priesterschap heeft, die haar paedagogisch leerstelsel
+heeft opgebouwd, is de paedagogiek schuil gegaan, en kost het vaak
+moeite haar op te sporen. Het zuivere hemelwater is tot staande grachten
+geworden, vol menschelijke onreinheid, stinkende van domheid en
+pedanterie. Geef den menschen zoo'n leerstelsel, en zie, wat ze er
+van terecht brengen. Je kunt ze er in examineeren, maar dan--in de
+practijk--laten ze het in den steek, omdat het hen in den steek laat.
+De priesters hebben altijd het werk der profeten bedorven. Wie iemand
+paedagogisch wil sterken, brenge hem in aanraking met de paedagogische
+profeten. Van hen gaat kracht uit, die onze krachten wekt en ontwikkelt.
+
+In ieder menschelijk wezen--en in hoeveel dieren--leeft een
+paedagogisch instinkt. Vandaar dat we overal opvoeding zien, opvoeding
+móéten zien. Naarmate we die opvoeding meer beperken tot een bepaalde
+klasse, zal ze er te treuriger aan toe zijn. Dan verdroogt de
+levenskracht tot schoolmeesterij.
+
+Ziedaar, zelfs Willem III was een opvoeder, toen hij zich door de
+Willemstraat liet trekken. Zonder karton- of houtslöjd paste hij daar de
+zelfwerkzaamheid toe. Hij stelde die mannen in de gelegenheid, iets voor
+hem te _doen_. Iets dat ze graag deden. Iets dat hen een eer werd, een
+levenslange trots: »_Ik_ heb den Koning nog voortgetrokken!" Daarmee
+riep hij van het beste wakker, wat in die mannen leefde: huldigende
+toewijding aan Majesteit.
+
+Vischkoopers, kroeghouders, geldschieters in zelfgewilde dienstbaarheid
+zich te doen inspannen voor Majesteit, zij het aardsche, het is
+een begin van zedelijke opvoeding. En het is de bittere fout onzer
+hedendaagsche zoogenoemde democratie, dat ze den eerbied voor Majesteit
+vernietigt. O, ik weet, dat er veel valsche majesteit is, maar daarom
+kan dat eerbiedsgevoel toch echt zijn. En niet die majesteit daar
+buiten, maar dat eerbiedsgevoel daar binnen is de opvoedingskracht.
+Wellicht buigen wij allen voor valsche majesteit, wij blinde zoekers der
+Waarheid. Doch beter is het, een Koningskar voort te trekken, dan den
+zegewagen van de Zelfzucht. Als er maar een element van toewijding is!
+
+Jaren later heb ik in denzelfden Jordaan het zoogenaamde palingoproer
+bijgewoond. Het Gemeentebestuur had een aloud volksvermaak verboden,
+waarbij een paling aan een touw boven het grachtwater hing en gegrepen
+moest worden door een onder het touw door varenden man. Zoo iets als het
+katknuppelen, maar weer wat anders.
+
+Het verbod was gerechtvaardigd,--ofschoon, als men toch beschermen wou,
+er in de gevangenissen en bordeelen heel wat menschen nóg dringender
+behoefte aan hulp hadden dan die paling.
+
+'t Ging echter waarschijnlijk minder om het palingbelang dan om de
+zedelijke opvoeding der Jordaners, die nu toch eindelijk eens afstand
+moesten doen van zoo onmenschelijk vermaak. Afstand, nog eer ze er in
+hun hart afstand van hadden gedaan.
+
+De Jordaners verzetten zich, en soldaten trokken den Jordaan binnen. Het
+werd een formeel oproer.
+
+Natuurlijk wonnen de geweren het en tegenwoordig worden de palingen
+alleen maar levend gevild en in stukken gesneden door de gemoedelijke
+handjes der vriendelijke vischvrouwen. Meneer het Gemeenteraadslid ziet
+het zonder gewetenswroeging aan, zijn kinderen kijken ook met een zeker
+welgevallen. Het vischvrouwtje doet het zoo kwiek, en paling is lekker.
+Maar de Jordaners mogen niet meer »palingtrekken", denken er niet eens
+meer aan. Dat is voorbij. Door kogels getroffen.
+
+En dit was nu juist de fout, dat de kogels het geveld hebben.
+
+Er was een betere manier geweest.
+
+Men had er Willem III voor moeten spannen. Gelijk de Jordaners Zijne
+Majesteit hadden voortgetrokken, had deze Majesteit--majesteitelijke
+roeping en roem!--zich in dienst moeten stellen van hun zedelijk heil.
+
+Men had de voornaamste palingtrekkers moeten opzoeken, hen uitnoodigen
+tot een vergadering ten Raadhuize, en daar had de Burgemeester, ter eere
+der vergadering in ambtsgewaad, moeten zeggen, hoe graag de Koning wou,
+dat dit vermaak uit »Zijn Jordaan" verdween, om dan te vragen, of de
+mannen daar geen middel op wisten: »De Koning vond, dat de Jordaners
+tegenwoordig te hoog stonden voor zulk een toch altijd wreed genoegen."
+En dan had men het daarheen moeten sturen, dat bij het eerstvolgend
+bezoek van Willem III een eere-comité van Jordaners onder leiding van
+Bokkebek, den Koning, »het besluit der burgerij" meedeelde, om voortaan
+ter liefde van hun vorst en de palingen, niet meer aan het palingtrekken
+te doen.
+
+Dan had men, en waarlijk opnieuw zonder houtslöjd, de zelfwerkzaamheid
+in actie gebracht ten bate van het zelfheil.
+
+ * * * * *
+
+Doch wellicht vindt deze of gene, dat deze paedagogiek een politiek
+bijsmaakje heeft, dat zij eigenlijk slinksche middelen gebruikte, en,
+om het maar ineens te zeggen, in haar wezen onoprecht was. Koning en
+Burgemeester zouden zeer goed geweten hebben, dat de Jordaners _niet_ te
+hoog stonden voor dat wreed genoegen, en heel die opgezette komedie zou
+niet anders geweest zijn dan een speculeeren op de menschelijke
+ijdelheid, dus op een menschelijke fout.
+
+Laat de Jordaan mij tegen deze bedenking mogen verdedigen.
+
+Het is marktdag en de Noordermarkt is vol kooplui en koopers. Er liggen
+allerlei nuttige en noodige dingen, die de drentelende burgervrouwtjes
+vandaag voor een prijsje willen meester worden. Maar daar staat ook een
+koopman, die iets totaal overbodigs aanbiedt. Niemand zal zoo gek zijn,
+daarvoor zijn geld uit te geven. Zoo meent ge. En de omgeving van het
+kraampje is ook dood van leegte. Maar wacht een oogenblik. De koopman
+begint met rijksdaalders te werken. Hij smijt ze tegen een tafelblad,
+zoodat ze terugspringen, vangt ze op, laat ze rinkelen, gooit ze omhoog,
+weet ze met een sierlijken greep te vangen, en binnenkort staat hij
+midden in een breeden kring van menschen. Eerst kwamen de jongens en
+gaapten zijn kunsten aan, toen ook de mannen en de vrouwen. De blinkende
+geldstukken, neen de wijze waarop de koopman er mee manoeuvreerde, heeft
+het volk doen toestroomen. En onder de hand heeft de kunstenaar, steeds
+oreerende, iets aangeduid van hetgeen hij het achtbare publiek wenscht
+aan te bieden.
+
+Het publiek wacht en kijkt. Het is nieuwsgierig. Maar geen sterveling
+is van plan iets te koopen. Ze hebben hun geld te lief en geven niets
+om die prullen. Doch ze kennen den koopman niet en hun eigen rampzalige
+zwakheid. Hij haalt iets onder zijn tafel vandaan. Een doos. Hij opent
+ze. Het publiek rekt de halzen uit om te kunnen zien. Hij neemt iets
+tusschen wijsvinger en duim, maar 't blijft nog verborgen. Nu roemt hij
+de deugden van dit inderdaad buitengewone. Men zou al geld geven, om het
+te mogen aanschouwen. En dan te denken, dat je zoo iets bizonders voor
+luttel geld je kunt toeëigenen. Dat je 't je heele leven kunt meedragen.
+Het is een zeldzaam kansje. En uit een omhulling van rose watten--zoo
+waardevol bergt men geen prullen--wikkelt de koopman het wonder te
+voorschijn. En dat kun je nu krijgen voor slechts vijf cent.
+
+De jongens hebben geen vijf cent Zij gapen het wonder maar aan. Doch die
+mannen, en die vrouwen, de centen rammelen al in den zak. Komaan meneer,
+is het niets voor uzelf, dan is het toch voor uw kinderen. Komaan
+juffrouw, u hebt zoo iets toch immers nog nooit in huis gebracht? En
+meneer laat zich verleiden: Vooruit, geef me dan maar zoo'n dingetje. De
+centen telt hij al neer. En de juffrouw laat zich verleiden. En anderen
+volgen. En het is den slimmen koopman gelukt, de menschen zoo ver te
+brengen, dat ze het geld offerden, dat ze noodig hadden en wilden
+behouden, en een prul mee naar huis namen, dat ze niet behoefden en
+eigenlijk zelfs niet eens begeerden.
+
+Die koopman heeft maar één methode: beduvel je menschen.
+
+En die methode heeft succes. Alleen, hij wendt haar aan tot nadeel van
+zijn volk en ten bate van zichzelf. Daardoor is hij geen paedagoog. Maar
+had hij omgekeerd het heil van anderen op 't oog en wilde hij daartoe
+zelf offers brengen, dan was hij met zijn methode van »beduvel ze"
+een geboren opvoeder. Of is het niet onze grootste kunst, kinderen en
+menschen het goede te laten doen, waar ze in hun hart afkeerig van zijn?
+Hen smaak te doen krijgen in hetgeen hen noodig maar niet aantrekkelijk
+is?
+
+»Jordaanpaedagogiek!" roept hier de echte paedagoog verachtelijk uit.
+»Een paedagogiek, die haar achterbuurtsche afkomst niet verloochent.
+Men kan wel zien, dat deze paedagoog een Jordaankind is, bij vunzige
+grachten opgegroeid."
+
+Dat is hij. Maar nu blijkt meteen zonneklaar, dat hij geen paedagoog is,
+hetgeen hij, ziende de echte paedagogen, wel altijd gevoeld heeft.
+
+Stel u voor: de methode van beduvel ze maar. En dat in naam der
+pae-da-go-giek!
+
+ * * * * *
+
+Er was r's een moeder, die altijd 's avonds, als het bedtijd was, tegen
+haar spruit zei: »Kom, nu gaan we ons eens lekkertjes uitkleeden en dan
+lekkertjes naar bed."
+
+Nu moet ge weten, dat die spruit het lang niet lekkertjes vond, het
+uitkleeden niet en het naar bed gaan ook niet, en veel liever bleef
+spelen. Maar als moeder dat zoo zei, dan was het net, of er over het
+uitkleeden en naar bed gaan een zekere bekoring kwam, of het vriendelijk
+licht, dat den heelen avond het spel beschenen had, wat draaide en zijn
+schijnsel wierp om den stoel waar 't kind zich ontkleedde. Het
+speelhoekje kwam in den schaduw.
+
+Een gewoon mensch, die geen verstand van paedagogiek heeft, begrijpt dit
+best. Er is inderdaad zoo'n lichtje in 't moederhart, en dat straalt
+zijn schijnsel in stemmende woordjes uit. Als moeders zoo iets zeggen,
+verwisselen lust en onlust in 't kindergemoed. Dat is de wonderlijke
+uitwerking van haar woorden.
+
+Maar eigenlijk volgde moeder daarbij die veroordeelde methode van
+je-weet-wel.
+
+Toen kwam moeder eens in aanraking met een echte paedagoog, nog wel
+een moeder, en die keurde de gevolgde manier beslist af. Die deed het
+paedagogisch. Het kind moest op tijd eindigen met zijn spel en dan naar
+bed, lekkertjes of niet. En zoo gebeurde 't ook bij haar kind. Maar 't
+ging altijd met tegenzin; en als 't heel mooi was met gelaten berusting.
+Nooit met een warm gevoel van vriendelijke instemming. Moeder, ik bedoel
+nu de eerste, zag dat, en ze had een buitengewoon respect voor die
+degelijkheid, maar ze bleef toch maar liever bij haar eigen manier: die
+vond ze voor 't kind gezelliger, en eigenlijk ook voor haarzelf.
+
+Doch ik geloof, dat ik haar begrijp. Ze wilde zoo graag, dat het
+kind lekkertjes ging slapen, ze vond het voor 't kind zoo goed als
+het, zonder conflict, in die zachte stemming het spel verving door de
+nachtrust. Ze wist echter wel, dat zoo'n overgang voor 't kind moeilijk
+is, en om het nu daarbij te helpen, kwam ze het kind met háár stemming
+te gemoet. Wat heilzaam was voor 't kind, maar door jeugdige kracht nog
+niet spontaan en zonder bijstand ontwikkeld kon worden, kwam nu te
+voorschijn--en toch _in_ het kind--door moeders wijze, liefdevolle,
+steunende inwerking. Deze riep in het kind iets wakker.
+
+Neen, dat is geen bedriegen. Met leugens heeft men nooit succes. Die
+mogen ons voor 't oogenblik uit den nood helpen, ze brengen ons in 't
+spinrag der onwaarheid, waarin we steeds meer verward raken.
+
+Die methode van »beduvel ze maar" bedoelt, het goede in kind en mensch
+op te roepen, dat er in aanleg aanwezig is, en daarmee te overwinnen het
+kwaad dat dreigt of heerscht.
+
+De potentiëele deugd reëel te maken.
+
+Den engel aan te gorden tegenover den duivel.
+
+En daarom moest ze in de paedagogiek eigenlijk heeten: Verengel ze maar.
+
+Dat klinkt echter te mooi voor Jordaanpaedagogiek. We zeggen het daar
+liever wat ruw. Maar we meenen het daarom toch goed. En wellicht dat
+menig onderwijzer, die zijn kinderen dag aan dag moet inprenten, wat die
+schapen absoluut onverschillig is, en die naar zijn zin de medewerking
+dier kinderen bij toepassing der heerschende methoden niet in voldoende
+mate kan winnen, wat meer succes heeft, als hij 't eens probeert met de
+methode van.... doch nu weet hij 't al.
+
+
+
+
+IN 'T NIEUWE HUIS.
+
+
+Menige woning is als de schelp van een weekdier. Je kruipt er van voren
+in en dan ontwikkelt zich een stel ruimten, met aan alle zijden wanden.
+Wil je er uit, dan dien je weer terug te kruipen. Toegang en uitgang
+zijn dezelfde.
+
+Dat geeft altijd zoo iets beklemmends. Overal stuit je tegen muren. Als
+de voordeur achter je gesloten is, ben je gevangen. Je bent in een fuik
+gezwommen. Aan den achterkant is geen uitbreken.
+
+Zoo kan je ook zoo leelijk een vereeniging, een partij binnenzwemmen.
+Ben je er eenmaal in, dan kun je geen hand uitsteken, of je slaat tegen
+een muur van het programma. Akelig benauwd. Je dacht je tusschen die
+wanden recht behagelijk en thuis te voelen? Niets er van. 't Zijn
+dwangbuizen voor je geest. Je willen en je denken, je neigingen en je
+inzichten botsen voortdurend tegen de geformuleerde overtuigingen en je
+dankt den hemel, als je er goed en wel uit bent, zij het ook, dat ze je
+door het inkruipgat er principiëel hebben uitgesmeten.
+
+Dan ben je weer heerlijk in de vrijheid.
+
+Het nieuwe huis had gelukkig een achteruitje.
+
+Wanneer je had aangebeld, kwam je in de gang. Een zijdeur gaf toegang
+tot de »zijkamer". Als kind heb ik bij dezen naam nooit aan de
+eigenlijke beteekenis gedacht. Die zijkamer was de mooie kamer, daar
+stonden de beste meubelen, daar zat je alleen zondags, daar ontving
+je visite. Er was dus iets fijns aan dien naam verbonden, en dit hoorde
+ik in den naam. Ik dácht er niet bij aan zijde en satijn, maar ik kwam
+er bij in een stemming van die stoffen. De zijkamer behandelde je met
+een zekere reverentie, gelijk een zijden japon. Dat was geen stuk
+gemeenzaamheid. En als je tegen een bezoeker zei: »Ga u maar even in de
+zijkamer," dan kwam er, en niet alleen door de beleefdheid, iets zijigs
+in je stem.
+
+Ziedaar het effect der klanken. Fijne, mooie, beschaafde klanken kunnen
+beschavend werken door het intoneeren van fijne stemmingen.
+
+Aan 't eind van de gang kwam je door een andere deur in de huiskamer.
+Hier was het, dat we in schemeravond onze liederen zongen, op stoelen
+en op den grond om de kachel gegroept. Vulkachels waren er toen
+gelukkig nog niet. Je moest nog telkens »een schepje op de kachel"
+doen, je zag den pot gloeien, je zag bij 't poken de vonken vallen,
+ja zag zoo'n heerlijk warmgeel licht uit het pookgat schijnen, altemaal
+genietingen, waarvan de gemakzucht, de techniek, de hygiëne en andere
+ongerechtigheden ons hebben beroofd. Vader stak den pook in de kachel,
+om met de punt zijn pijp aan te steken; een stukje roodvlammend leven
+midden in de duisternis. Onze kinderoogen genoten van alles. Met volle
+teugen dronken we de poëzie van dit huiskamerleven in. De zijkamer had
+iets stijfs en kils. Maar de huiskamer--ze mocht dan laag en donker zijn
+met dat eene raam op den tuin, ze mocht vol rook hangen van Vaders pijp,
+ze mocht door gloeiende kachel, bedstede en nog zoo een en ander een
+benauwde atmosfeer hebben, ze was toch een gezegend oord. Er zweefden
+gezelligheid, vertrouwelijkheid, hartelijkheid. Je voelde je er warm en
+veilig.
+
+ * * * * *
+
+Ga nu eens mee voor dat eene raam zitten. Dan zie je tuintjes. Hier
+vlak voor je is ons eigen tuintje. Eerst een plaatsje en daarachter een
+tuintje, beide maar klein. Het plaatsje van groote vierkante tegels, het
+tuintje niet anders dan een lapje zwarte grond. In drie of vier stapjes
+heb je beide doorloopen. Maar toch een tuintje. Een lage, donkere
+schutting scheidt het, rechts, van buurmans tuintje. Daar kun je ook in
+kijken. En dan ligt er weer een, en nog een, en nog een, een heele rij.
+Links staat een vrij hoog houten loodsje van twee verdiepingen, dat daar
+het terrein en alle uitzicht afsluit. Maar achter ons tuintje en dat van
+de buren zie je weer de tuintjes van de achterburen. Die zijn grooter
+dan de onze, want daar wonen rijkere menschen. In hun tuinen staan heele
+boomen, waar de musschen in sjilpen.
+
+Is dat niet een heerlijk bezit? Ruimte, lucht, groen, vogels.
+
+Toen we bij 't verhuizen onze eerste stappen in de nieuwe woning zetten
+en ik door dit eene raam keek, wist ik niet wat ik zag. Echte boomen.
+Aanstonds ging ik uit de huiskamer de keuken in, opende een glazen deur,
+liep een trapje af, en stond buiten. Ik keek rond als Columbus. Een
+nieuw werelddeel. En alles even verrukkelijk. Daar was een waterput. Als
+je er op ging staan, kon je over de schuttingen kijken. Ik deed het. Wát
+een ruimte! En hoor die vogels! Misschien kon je ze lokken en kwamen ze
+ook hier in den tuin. Dan was je heelemaal buiten.
+
+Wanneer ik nú ons tuintje zag en daar mijn buitengenietingen moest
+maken, zou ik me zeker erg mistroostig voelen. Ik ben nu, helaas,
+zooveel beter gewoon. Maar toen? 't Was voor 't eerst van mijn leven,
+dat we de weelde van zoo'n tuin hadden. En dan is ieder plekje grond
+een verrukking. Vader nam natuurlijk den aanleg van 't geheel voor zijn
+rekening. Die goede man genoot niet minder dan wij. Als een kind was hij
+in zijn schik. De winkel met al zijn zorgen lag achter hem. Doodarm had
+hij dien verlaten. Hij had een soort betrekking gekregen aan »'t Heeren
+Logement", een inrichting waar allerlei inboedels verkocht werden, een
+venduhuis. Hij verdiende er luttel. Maar de kwellende angsten van den
+verloopenden winkel was hij kwijt, en nu genoot hij inderdaad als een
+kind.
+
+»Tegen die schutting zullen we lathyrus zetten." Ik hoor het hem nog
+zeggen. Het pijpje in den mond, het onmisbare »krommertje", scharrelde
+hij nu over het plaatsje, in 't schuurtje, door den tuin. Een spa
+en een hark had hij al weten machtig te worden. En daar spitte en
+harkte hij al zijn zorgen mee weg, in misschien twaalf vierkanten meter
+zwarten grond. Ik zie hem nog alle steenen en vuil opruimen, een perkje
+aanleggen, een paadje plat trappen. En ik mag hem helpen. Ik ga met hem
+mee naar de Bloemmarkt, op den Singel bij de Munt, wat planten koopen en
+zaad. De namen »geranium" en »lathyrus" met de spelling er bij heb ik
+toen geleerd. Vaders liefhebberijen wekten en bevredigden mijn
+leergierigheid.
+
+Een nieuw huis, een nieuwe omgeving, een nieuw leven. Uiterst bescheiden
+in zijn behoeften, was Vader gauw voldaan en gelukkig. Als die ellendige
+geldzorgen maar niet drukten. Daarvoor alleen was hij bang. Hij was
+absoluut geen man, om zelfstandig zaken te drijven. Hij was een model
+van trouwe gehoorzaamheid, een uitstekend dienaar. En zoo was hij dan
+nu, bevrijd van zijn bezit, ontheven van zijn verantwoordelijkheid,
+onttroond als chef, den koning te rijk. Menigeen krijgt het beter door
+een vermindering. Waarom zoeken de menschen toch zoo vaak hun ongeluk in
+een levenspositie, te groot voor hun aanleg?
+
+ * * * * *
+
+We woonden in de Nieuwe Leliestraat. Vader had een gering inkomen.
+Waar leefden we dan van? Christine, de oudste, ging in een betrekking,
+voor nacht en dag, als winkeljuffrouw. Dan had ze tenminste goede
+huisvesting, goeden kost, en wat geld voor haar kleeding. Maar dat geld
+ging meer naar Moeder dan naar de kleederwinkels. Het lieve meisje kon
+het niet voor haarzelf besteden, als ze wist dat Moeder »zonder een cent
+zat". En dan worden zulke meisjes wel eens beschimpt, omdat ze er zoo
+kaal uitzien.
+
+Daarbij begon de oudste zoon al wat te verdienen en waren er twee
+kostjongens. Op die manier scharrelden we er doorheen.
+
+Hoewel ik toen pas 10 jaar was, wist ik toch precies en weet ik nu nog,
+hoeveel er elke week inkwam. Ik weet zelfs, hoeveel kostgeld er voor die
+twee jongens werd betaald. In de armoede leven de kinderen veel meer met
+het gezin en zijn nooden mee, dan in de welvaart. Hoeveel kinderen in
+den gegoeden stand van 10, neen 20 jaar, hebben een flauw besef van
+wat Vader verdienen moet, om het gezin te onderhouden, zijn jongens te
+laten studeeren? Daar leven de kinderen zoo zeer in de onbezorgdheid,
+dat het wel eens in de zorgeloosheid wordt. Zij spelen student, maken
+naaistersrekeningen, zonder ooit »te rekenen". Dat geld komt er wel,
+daar bekommeren ze zich niet om. Zoo leeren ze niet waardeeren de
+inspanning der ouders, niet kennen de waarde van 't geld, en verstaan
+niet tijdig de kunst evenwicht te bewaren tusschen inkomsten en
+uitgaven. Armoede is een opvoedster voor 't leven, kan het althans zijn.
+
+Zullen we nu zeggen: we moeten de armoede zoeken, opdat we in haar een
+goede opvoedster voor onze kinderen hebben? Dat nooit, daartoe gaat ze
+met te veel bittere ellende gepaard: ziekte, angst, vernedering. Maar
+wel acht ik een sobere levenswijze zeer gewenscht, en daarbij zulk een
+samenleven van oud en jong, dat de jongeren geleidelijk en als vanzelf
+in de levenspraktijk komen. De kinderen mogen gerust weten wat dit
+en dat kost, en dat er maar zóóveel beschikbaar is, en dat we ons
+deze of gene zelfs kleine weelde moeten ontzeggen. Vele ouders houden
+zich echter liever groot voor hun kinderen; andere bewaren een zekere
+geheimzinnigheid: »zulke dingen gaan den kinderen niet aan", nog andere
+kunnen hun kinderen niet gelukkig maken zonder ze te overladen. Met
+zorg? Kun je denken. Met heerlijkheden.
+
+Nood leert bidden _en werken_. Zorg leert zorgen. En het kan voor een
+kind niet anders dan goed zijn, als het intieme gezinsleven, rekening
+houdend met kinderkrachten, het kind actief betrekt in zijn
+moeilijkheden. Dat is ook een »leeren door doen."
+
+ * * * * *
+
+Ik zie, nu al bijna dertig jaar, hoe zeer vele ouders mijner leerlingen,
+menschen die er geldelijk volstrekt niet slechter bij staan dan
+ind'rtijd mijn ouders, hun jongens zoo gauw mogelijk uit geldverdienen
+sturen en er niet aan denken die kinderen een vak te doen leeren.
+Jongens, die goed het zesde leerjaar hebben doorloopen, worden eenvoudig
+loopjongen in een winkel. Bij uitzondering gaat er een naar de
+ambachtsschool, en al hun kennis van taal, rekenen, geschiedenis,
+aardrijkskunde zijn ze binnen eenige maanden verloopen in hun nieuwe
+wereld van belangen. Die laten ze graag slippen bij al hun gesjouw door
+de stad.
+
+Hoe kwam het nu, dat mijn ouders, onder alles door, zoo trouw zorgden
+voor goede scholen en twee hunner jongens de heele ambachtsschool lieten
+doorloopen, terwijl de derde voor onderwijzer mocht leeren, d. w. z.
+vóór zijn achttiende jaar bijna niets thuis bracht?
+
+Ik meen hier een leerzaam verschijnsel te ontdekken. Vader en Moeder
+hadden het wel heel zorgvol, maar niet door eigen lakschheid, niet door
+eigen geestelijk of zedelijk onvermogen. Beiden waren van goede afkomst,
+beider familiën behoorden tot dat deel van den burgerstand, waaruit
+dokters, notarissen, predikanten, handelaars voortkomen, beiden hadden
+een ontwikkelde opvoeding genoten. Maar Vader leed aan toevallen en
+al zijn bekwaamheid en braafheid konden hem niet in een betrekking
+handhaven. Daar zat de hoofdoorzaak van den achteruitgang. Voor
+winkeldrijven had de goede man niet de noodige talenten--men is koopman
+of men is het niet--en iederen anderen werkkring bekleedde hij slechts
+zoo lang, tot hij in zijn arbeid een toeval had gekregen. Daar waren de
+menschen bang voor, patroons zoowel als mede-ondergeschikten, en Vader
+werd ontslagen. Later hoop ik van deze bittere ellende voor die twee zoo
+goed kunnende en zoo goed willende menschen iets meer te vertellen, maar
+nu moest ik reeds het feit mededeelen. De _oorzaak_ der armoede is van
+overgroot belang voor de opvoeding en de toekomst der kinderen. Moreele
+en geestelijke verslapping laten de kinderen los, in wie vaak reeds
+dezelfde lakschheid en lamlendigheid huizen. Maar mijn ouders behielden
+onder allen tegenspoed hun energie, lieten zich niet wegzinken,
+trachtten zich aldoor op te houden en op te werken, kampten alleen tegen
+een overmachtigen vijand, doch hielden den strijd vol tot hun kinderen
+volwassenen waren; ze offerden die kinderen niet op, maar zochten er van
+te maken wat onder de gegeven omstandigheden maar eenigszins mogelijk
+was, ja, beproefden in hun kinderen de verloren maatschappelijke positie
+te herwinnen.
+
+En dat is hun gelukt Dat hebben ze nog mogen beleven. In hun
+maatschappelijken strijd ging het eerst al maar naar beneden: er werd
+kind op kind geboren, tot zeven toe, en betrekking na betrekking
+verloren. Daarna bleef het jarenlang worstelen in de diepte. Maar
+toen ging het geleidelijk omhoog: de kinderen werden grooter,
+en--wonderbaar--de toevallen bleven na het 50ste jaar weg. Zoo hebben
+Vader en Moeder het in de laatste periode van hun leven nog heel goed
+gehad, beter dan ooit in hun huwlijksjaren--hoofdzakelijk ten gevolge
+van de in hen wonende onuitroeibare energie, die zich zoo heel duidelijk
+openbaarde in dit eene feit, dat ze hun jongens, te midden van groote
+geldzorgen, niet opofferden aan het heden, maar deden opleiden voor de
+toekomst.
+
+ * * * * *
+
+Het verschil tusschen den wijze en den dwaas, zei iemand mij eens,
+bestaat hierin, dat de eerste een betrekkelijk klein genot van het
+oogenblik weet prijs te geven voor een betrekkelijk groot genot in de
+toekomst. Dwaas was Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor een
+schotel linzensoep. En de hoogste wijsheid sprak uit het woord, dat wie
+zijn leven om Christus' wille durfde verliezen, het leven eerst recht
+winnen zou.
+
+Ik houd niet van de woorden wijs en dwaas in dit verband. Ze zijn me te
+berekenend. Jacob, rustig overleggende bij Ezau's honger, zelf in stilte
+hongerend naar diens eerstgeboorterecht, en heel verstandig gebruik
+makende van de gelegenheid, is mij hierin meer antipathiek dan zijn
+kortzichtige broeder. Ezau zag, slaaf van het lagere, op dit oogenblik
+het hoogere niet. Jacob zag dit zoo goed, dat zijn wijsheid niet
+terugdeinsde voor iets eigenlijk veel lagers: het uitbuiten van de
+zwakheid zijns broeders.
+
+En toch is het waar, dat men voor het heden de toekomst moet koopen.
+Maar dat moet niet geschieden in welwijze berekening, wier egoïsme
+zelfs geen oog heeft voor de belangen der naasten en deze baatzuchtig
+opzuigt, maar in krachtsontplooiing, die--uitwerking van innerlijke
+spanning--alle moeilijkheden van het oogenblik trotseert en zelfs
+zoekt. Het mag niet heeten: dáár is mijn _doel_ en daarom _zal_ ik in
+vredesnaam deze plichten maar vervullen. Doch het moet wezen: in die
+_richting_ leidt mijn leven en nu _kan_ ik niet anders dan worstelend
+voortgaan, zij het, dat ik worstel tot den einde toe, zij het ook, dat
+ik worstelend bezwijk.
+
+Omdat in het leven mijner ouders waardevolle krachten werkten,
+konden zij jarenlang zoo vele en schier onoverwinbare tegenspoeden
+doorworstelen, gelijk de wortels van gezonde planten steenen doordringen
+en ten slotte zelfs rotsen doen splijten. En omdat die krachten zoo
+menigmaal ontbreken, zinken anderen in steeds dieper armoede en ellende
+weg. Dat is natuurlijk voor niemand een reden tot verhoovaardiging
+en al evenmin tot hulpweigering. Maar dat dringt ons bij iederen
+ernstigen bijstand, die niet helpende afschuift maar helpende
+aantrekt, te onderzoeken naar de oorzaken der heerschende ellende en
+dienovereenkomstig middelen aan te wenden. Het voornaamste middel zal
+dan wel steeds blijken: gelegenheid bieden tot krachtsontwikkeling, al
+zijn de aanwezige krachten ook nog zoo miniem.
+
+En hieruit volgt voor onze opvoeding, dat we, in huis en in school, toch
+voornamelijk moeten zorgen voor het _groeien_ der kinderen, zoodat er
+krachten in hen uitwassen. Geen groei zonder arbeid, die de krachten aan
+'t werk zet. En daarom: laat ze werken, werken.
+
+En hieruit volgt voor onze philantropie, dat we--tenzij aan afgeleefden
+en zieken--nooit slechter kunnen helpen dan door te geven.
+
+Het vraagstuk van het pauperisme is een ontzettend moeilijk probleem.
+Maar de oplossing kan nooit gevonden worden in het verstrekken van
+»brood en spelen". Daarmee gaat het volk ten gronde. Er is maar één
+middel om aan de aarde het brood te ontworstelen: De hand aan den ploeg.
+Alleen werkende zegeviert de arme op de armoede.
+
+
+
+
+VAN EEN VLOEK EEN ZEGEN.
+
+
+Och, mijn goede vader! Van die koopziekte was hij nog niet genezen. Hij
+had het in de krenten en de rozijnen nu toch zoo volmaakt afgelegd.
+De onopengesneden afleveringen van »De Aarde en hare Volken" en het
+»Bijbelsch Magazijn" waren als stomme aanklagers mee verhuisd. En toch
+bezweek hij weer. Neen, dat kwam niet, omdat hij het zocht. De goede man
+ging nooit op koopen uit. En hij had wel een portemonnaie op zak, maar
+er zat nooit geld in. Van schulden maken had hij bovendien een afkeer.
+Maar het zocht hem.
+
+Laat ieder eens eerlijk zijn eigen leven nagaan. Dan zal hij zien,
+hoe hij door dat leven een of ook eenige gebreken meedraagt, inwonende
+neigingen, die als erfhonden rustig in hun hok blijven liggen zoolang er
+niemand vreemds op 't erf komt, maar aanstonds opschrikken en opspringen
+als ze naderende voetstappen hooren. Geen goed beginsel is zoo waaksch
+als deze booze begeerten. En nauwelijks zijn ze gewekt, of ze
+beheerschen ons.
+
+We zijn niet zoo bedorven, dat we het kwaad zoeken. Maar we zijn slecht
+en zwak genoeg, om ons door 't kwaad te laten vinden als 't ons zoekt.
+En dat doet het. Op allerlei onverwachte oogenblikken loopt het ons erf
+op. En als de lusten dan wakker worden, het is niet om als een trouwe
+hond den verleider aan te vallen en te verjagen, maar om door hem te
+worden gestreeld. Het is ook zoo heerlijk, zich zachtjes te laten gaan
+onder de zoet-behagelijke bevrediging onzer sluimerende verlangens.
+Adam en Eva gaan er niet op uit, gedreven door slechte driften. Ze zijn
+volkomen gelukkig en denken niet eens aan kwaad. Argeloos dwalen ze door
+den hof, rustig genietende van de balsemende atmosfeer, de harmonieuse
+omgeving, en den stillen vrede des gemoeds. Maar dan komt de verleider
+tot hen en hij vindt ze niet, als later Jozef, met een onwankelbaar:
+»Zou ik zulk groot kwaad doen en zondigen tegen God?" Hij vindt ze niet,
+als later Jezus, met een onwrikbaar: »Ga weg van mij, Satan!" Maar hij
+vindt ze bereid tot redeneeren. En wie eenmaal met den verzoeker aan
+'t redeneeren gaat, verliest het, onverbiddelijk. Hij is een fijn
+redeneerder en ons, door lusten beneveld verstand, veel te slim af.
+Luister niet naar hem. Luisteren is vallen.
+
+ * * *
+
+Waarom moest mijn vader nu juist een betrekkinkje krijgen aan dat
+venduhuis? Daar woonde hij dag aan dag de verkoopingen bij, en daar zag
+hij, hoe waardevolle dingen voor luttele bedragen van de hand gingen.
+Dat kon hij niet laten passeeren, dan waagde hij ook een bod, en dan
+kreeg mijn moeder allerlei overbodige meubelen thuis. Zoo raakte de
+brave man wezenlijk aan 't speculeeren, want hij kocht voorwerpen tegen
+lagen prijs, met de stellige verwachting die eenige dagen later tegen
+hooger prijs weer te verkoopen--'t was zonde, zulke koopjes te laten
+gaan--en daarmee raakte hij in de schuld.
+
+ * * * * *
+
+Men begrijpt natuurlijk dat ik dit niet vertel, om mijn braven vader
+jaren na zijn dood te bekladden. Wanneer de lezers van hem een anderen
+indruk krijgen dan dien van een groot, naïef kind, dan heb ik hem niet
+goed geteekend. Hij was de rechtschapenheid zelf en behalve een paar
+driftvlaagjes was zijn grootste fout: een beetje te veel goed vertrouwen
+in zijn geslepen en hardvochtigen medemensch. Die kooplust was voor een
+groot deel averechtsch handelsgenie. Hij dacht daarbij erg slim te werk
+te gaan, maar werd steeds zelf het slachtoffer van berekenender naturen,
+die er hun voordeel bij hadden, hem in zijn ongeluk te laten loopen, of
+daarin te brengen. Hij was uiterst fijn van geweten, en werd de dupe van
+gewetenlooze harteloosheid. Eerlijk tot op een spijkerkop, was hij een
+gezochte buit voor dat heirleger maatschappelijke parasieten, dat ook
+uit de armste organismen nog levenssappen weet weg te zuigen. Doch, wat
+nu het wonderbaarlijke is, waar dit hem natuurlijk vaak in geldelijke
+moeilijkheden bracht--juist hem, den fijngevoelige, den argelooze, den
+ridderlijke--daar groeiden uit die moeilijkheden bijna altijd mooie
+levenservaringen. Ik geloof vast, dat de kapitalen, in kroegen en
+bordeelen verdiend, moreele ellende in de familiën brengen, en een
+mijner schoonste jeugdherinneringen dank ik aan de verliezen dier
+onpractische natuur, die zich onvoorzichtiglijk op het gladde ijs der
+zakenwereld waagde, en wiens zelfoverschatting--voorzeker een fout--zoo
+aandoenlijk werd goedgemaakt door de kinderlijke deugden van een
+onbedorven gemoed. Eer ik echter mijzelf nog eens verkwikken wil in
+die schoone heugenis, moet ik een ander deel kinderzaligheid voor u
+uitspreiden op onze tuintafel.
+
+Zoodra er gebeld werd en een beladen handkar voor de deur stond, wist
+Moeder al hoe laat het was. »Juffrouw, dit komt van de verkoopening, van
+Meneer zelf," zei de bezorger, en Moeder had weer iets, vaak iets heel
+onpractisch, aan te nemen en op te bergen. Zoo verscheen er op zekeren
+dag een reusachtige tuintafel: een groot, groen, vierkant houten blad op
+een ijzeren onderstel met cirkels en krullen en vier gekrulde pootjes.
+Het ding kwam zeker uit een grooten tuin, maar Vader had het prachtig
+gevonden voor ons plaatsje en het daarom gekocht en per handwagen naar
+de Leliestraat gestuurd. Moeder was eigenlijk recht boos met deze
+zending van de »verkoopening" en ze wou dat »Meneer zelf" maar wat
+minder koopgauw was. Doch ze kon de tafel toch niet terugsturen en liet
+haar dus naar het plaatsje brengen, waarvan ze een al te groot deel in
+beslag nam.
+
+Maar wat heb ik op die tuintafel genoten!
+
+Het was nog in den tijd, dat de handenarbeid zich beperkte tot het
+spel en nog niet de scholen was binnengedrongen om zich daar te laten
+fatsoeneeren. Ze leefde nog vrij, als een heidensch natuurkind, liep,
+dartelde, sprong, precies zooals ze wou. Zelfs was ze nog niet gedoopt,
+en geen sterveling dacht er aan, dat ze eenmaal dien uitheemschen naam
+Slöjd zou ontvangen met daarnaast den deftigen van Handenarbeid.
+Ze heette.... ja, ze heette eigenlijk heelemaal niet. Ze was innig
+opgenomen in allerlei hulp aan Vader en Moeder, en in allerlei spel op
+straat en in de huiskamer. Uit die natuurlijke verbinding was ze nog
+niet als zelfstandig element naar buiten gekomen om onder de verzorging
+der deskundigen als een apart wezentje in een eigen zondagsch pakje
+netjes de wereld te worden ingestuurd. Ze was nog zoo zonder pretentie,
+zonder opdringerige braafheid, ze was nog zoo anspruchslos en
+aantrekkelijk.
+
+Wanneer we voor onze zondagscent geen drop of zoethout kochten,
+was het omdat de Pruisische Uhlanen ons te machtig waren. Die hingen
+in heele rijen op prenten voor de winkelruiten. En daarnaast de
+huzaren op dravende paarden. En ook de vliegende trein, kanonnen en
+kruitwagens, door zes paarden getrokken. De geheele Duitsche armee
+boeide onze oogen dermate, dat de snoepgoedwinkel het aflegde: het
+lager zinnelijk begeeren werd overwonnen door hooger lust--een stuk
+moreele opvoedingstheorie, dat je zoo maar zonder universiteit,
+professor en lijvig boekdeel ontving, dat de simpelste ervaring aan
+een eenvoudig menschenkind gratis thuis stuurde, zelfs in een
+achterbuurt. Je had het als 't ware maar van de straat op te rapen.
+Voor onze zondagscenten kochten we legermachten, liefst ongekleurde,
+en verfden die. Een bescheiden verfdoosje--als we 't niet op onzen
+verjaardag kregen--brachten we ook zelf met centen en halvecenten
+bijeen. Je kon losse verfjes koopen van allen prijs en in alle kleur,
+en evenzoo penseelen. Ik zie ons nog in den winkel uitzoeken:
+karmijnrood, marineblauw, geliefde kleuren, waarvan de naam ons reeds
+zoet in de ooren klonk. En al lieten die goedkoope penseeltjes ook vaak
+een haar los, al »haarden" ze, we deden het er toch mee, we kleurden er
+te voorzichtiger om. O weelde der wijsheid bij schraalheid der centen!
+
+Als de uniformen dan gekleurd waren, plakten we mannen en paarden en
+wagens op dun bordpapier--er waren altijd wel oude doozen en Moeder
+kookte graag wat stijfsel voor ons. Daarna werden ze netjes uitgeknipt:
+voorzichtig, uiterst voorzichtig, met die natuurlijke voorzichtigheid,
+die ieder kind aangeboren is--niet waar, lieve Sien?--eer ouderlijke
+angst en meesterlijke bemoeizucht ze heeft verlamd met waarschuwing,
+bedreiging en verbod, en dan gingen er houten blokjes achter, zoodat ze
+staan konden.
+
+Lieve Sien, neem me niet kwalijk, dat ik jou daar zoo ineens midden
+tusschen mijn huzaren haal. Maar toen ik daar zoo stil aan 't uitknippen
+was, en al mijn aandacht wijdde aan de teugels der paarden, zoodat die
+als sierlijke lijnen mooi bij den bek neerhingen, en toen ik ál mijn
+geestelijke energie in vingerbeheersching concentreerde, om, alleen uit
+eigen volkomenheidszucht, geen knipje te veel te doen, toen dacht ik
+plotseling aan jou. Toen was ik weer dien zondagmiddag bij je ten eten,
+en toen zag ik weer je driejarig kereltje--driejarig!--de borden--de
+mooie borden!--een voor een uit de kast halen, er mee door de kamer
+waggelen, ze netjes op de tafel zetten. »Hij hielp zijn moeder." Wat heb
+ik toen genoten. Wat een lieve, lieve spanning in dat gezichtje, in die
+armpjes, in die beentjes, in die heele houding! En hoe zongen de zuchten
+een jubel van kindertriomf, telkens als er een reisje van de kast naar
+de tafel was volbracht. Sientjelief, dat was nu paedagogiek, waar ik de
+heele wereld wel op had willen trakteeren, tot de paedagogenwereld toe.
+En als je jarig bent, krijg je van mij de Paedagogische Encyclopedie van
+Prof. Rein cadeau. Niet om er in te lezen--de hemel beware me!--maar om
+er je lieve Henkie mee te laten sjouwen, van de kast naar de tafel, en
+van de tafel naar de kast. Wat zal dat een lekker speelgoed zijn, al die
+dikke deelen! En dan haalt Henkie er nog meer paedagogiek uit dan zijn
+vader!
+
+Hoeveel moeders durven hun kinderen zoo op te voeden? Met zulk een
+vertrouwen in de kinderlijke eigenschappen? Met zulk een absoluut hooger
+schatten van een kind boven een bord? Wie 't probeeren wil, moet zelf
+rustig, kalm, geduldig zijn, stil met zijn kind meeleven, niets aan 't
+kind opdringen, vooral niet wat het kind uit eigen beweging al wil en
+doet, en niet boos wezen, _als_ er door een ongelukje eens iets mocht
+breken.
+
+ * * * * *
+
+En nu aan 't oorlogen!
+
+Doch waar zou de veldslag geleverd worden? Waar was het terrein,
+uitgestrekt genoeg om deze talrijke troepen in twee partijen op te
+stellen en te doen strijden? De kamervloer? Maar daar liep iedereen.
+De aanrechtbank in de keuken? Daar moest telkens gewerkt worden. Hebt
+ge wel eens gezien, hoe zulke jongetjes met hun schatten alle ruimten
+rondscharrelen, om ergens een goed speelhoekje te vinden? De volwassenen
+kijken hen meestal voorbij, grauwen ze weg, zijn te vol van eigen
+belangen om oog voor de kinderen te hebben. Maar Vaders kooplust had
+mij mijn strijdveld bezorgd. Dat tuintafelblad was--nu in mijn
+herinnering--van reusachtige afmetingen. Er kon een heel Waterloo worden
+afgespeeld.
+
+Naast ons woonde een heel net en rustig gezin met veel meisjes en één
+jongen. Die jongen keek eerst, klom toen over het lage schuttinkje, en
+we waren twee veldheeren, die onze troepen tegen elkaar aanvoerden.
+Er werden toen ter tijd kleine kanonnetjes verkocht, waarmee je echt
+schieten kon. We bedelden en spaarden net zoo lang, totdat we er een
+paar machtig waren, laadden ze met kleine groene erwten en vuurden ze
+op den vijand af. Elke held, die omkantelde, was voorloopig dood.
+
+Maar die kanonnetjes schoten niet krachtig genoeg.
+
+Daarom verschaften we ons koperen en glazen buizen--erwtenblazers--en
+joegen daardoor met de kracht van onzen eigen adem de groene
+projectielen tegen de papieren heldhaftigheid. Nu ging het beter. We
+zagen hooge ruiters wankelen, vallen en in hun val anderen meeslepen.
+Dat was een heerlijk gezicht. Van het aantal gesneuvelden hing het af,
+aan welke zijde tenslotte de zege verbleef. En we bliezen met een
+hartstocht en een volharding, alleen geëvenaard door de toewijding en
+het geduld, waarmee we eerst al die benden hadden gekleurd en geknipt.
+
+Doch stond ooit de vernielzucht op het oorlogsveld stil? Er was ook
+bij ons climax in de wapenen. De proppenschieter kwam in 't vuur. Dat
+was een geweldenaar. Die richtte heele tooneelen van verwoesting aan.
+Wanneer de kurk uit het nauwkeurig gerichte kanon werd afgeschoten, deed
+hij zelfs een heel vijandelijk kanon omtuimelen. En als de strijd te
+lang onbeslist bleef, konden alleen de bommen der proppenschieters hem
+beslechten. Die moesten dan ook aan 't werk, en de doffe tikken van kurk
+tegen karton donderden onafgebroken door de vijandelijke gelederen.
+
+Dikwijls bracht de duisternis pas een einde aan den strijd. Dan werden
+mannen en paarden en kanonnen in hun onderscheidene doozen gelegd.
+Gesneuvelden en overlevenden, winners en verliezers, lagen daar plat
+en vredig op elkaar, zoo, dat de blokjes der voeten netjes tegen elkaar
+aansloten. En dan gingen de veldheeren naar binnen en slapen. De eene
+klom over het lage schuttinkje, terug naar zijn eigen heim. De ander
+sleepte de doozen mee. »Adjuus!"--»Adjuus!"--»Kom je morgen weer
+vroeg?"--»Ja, als ik kan."--Twee keukendeuren klapten toe, en het groene
+slagveld lag in den donkeren nacht, leeg en verlaten.
+
+Had die groote tuintafel ooit beter plaatsje kunnen krijgen dan hier,
+waar ze veel te groot was voor de kleine ruimte? Ze bracht duizendvoude
+rente op in een heirleger van gewonden en gesneuvelden. En »Meneer zelf"
+mocht er voldoening van hebben, dat hij »dat bakbeest"--met welken naam
+Moeder het eerst begroet had--van de »verkoopening" naar de Leliestraat
+had gestuurd. Hij heeft er twee jongensharten mee verrukt.
+
+ * * * * *
+
+Verrukt?
+
+Zeg liever bedorven.
+
+Jongens mogen niet soldaatje-spelen, want dan groeit de moordlust in hen
+aan, raken ze vertrouwd met doodslag en bloed, en, en, en....
+
+Zoo fantaseert het principe.
+
+Maar die eene jongen is nu al lang een braaf dokter in de hoofdstad des
+rijks, die dag aan dag zich inspant om zieken te genezen, levens te
+redden. En die andere heeft later, toen hij zoo wat twintig jaar was,
+gedichten tegen den oorlog geschreven, waar alle kanonnen door overstemd
+hadden behooren te worden, als kanonnen niet de onbescheidenste
+bulderaars van de wereld waren.
+
+Men moet niet zoo vertrouwen op het _fantaseeren der principes_, al
+noemt men dit ook, met veel aplomb, _logisch redeneeren_. Je ziet het
+immers in de politiek? En in den strijd der vakvereenigingen? En in
+de paedagogiek? »Logisch redeneerende", uitgaande van een »zuiver
+beginsel", zet men de heele maatschappij recht, dwingt men alle
+verhoudingen, voedt men de kinderen tot engelen op; doch enkele simpele
+feitjes, door het verheven principe hooghartig voorbijgezien, zijn
+sterker dan het geweldigst principe, en maken ten slotte het
+schijn-succes tot een nederlaag.
+
+Zulke ervaringen deden het voorgeslacht al uitroepen: De mensch wikt,
+God beschikt.
+
+Volgens de zuiverste logica moest die overbodige tuintafel een oorzaak
+van groote narigheid zijn, en zie, ze werd ons de oplossing van het
+probleem, hoe de beschikbare legers, tusschen de ongeriefelijkheden van
+onze omgeving, een slagveld konden vinden. Als je eenmaal legers hebt,
+dienen ze dan toch te vechten. En hoe vecht je zonder terrein?
+
+En volgens dezelfde logica had die kooplust mijn vader in de gevangenis
+moeten brengen, en zie, ze bracht ons in aanraking met het christendom.
+
+Dat ging zoo.
+
+Bezwijkende voor de dagelijksche verzoeking, had Vader, gelijk ik reeds
+vertelde, menig stuk gekocht met de bedoeling het straks bij gunstiger
+markt, weer te verkoopen, en zoo was hij op zijn manier aan 't
+speculeeren en natuurlijk in de schuld geraakt. Die schuld was gaandeweg
+gestegen tot een bedrag van misschien een paar honderd gulden, en
+vroeg, gelijk schulden dat zoo plegen te doen, op haar tijd om
+aflossing. Maar de eerzame schuldenaar kon zijn schuldeischer, den
+makelaar der verkooping, niet anders aanbieden dan de opgestapelde
+schatten die hij zelf gekocht had en die nu vruchteloos naar een nieuwen
+kooper uitzagen. Hiervan was de makelaar niet gediend: die goederen
+waren eenmaal gekocht en geleverd, het geld moest er zijn, zaken zijn
+zaken. En Vader zat in de ellende. O, wat was de goede man prikkelbaar
+in zulke tijden. Ik weet dat nog zoo best. En hoe zenuwachtig stond
+Moeders gezicht. Wij kinderen voelden mee de hopeloosheid van 't geval:
+een som geld op te brengen, die eenvoudig niet te krijgen was. En dan de
+dagelijks aandringende persing van een gevoelloos schuldeischer op de
+leege beurs van een dood-eerlijk, pijnlijk-conscientieus, maar alleen
+wat onnadenkend, eigenlijk ondóórdenkend man.
+
+Nu gebeurde het in dien tijd, dat zeker iemand, die ook in zijn zaken
+achteruit gegaan was, ook een winkel had moeten verlaten, en verhuisd
+was naar een veel bescheidener woning, een deel zijner zeer goed
+onderhouden meubelen wilde verkoopen, om daarmee wat overbodige stukken
+in te ruilen voor zeer noodig geld. Die zeker iemand had een vrouw en ik
+meen vijf of zes nog jonge kinderen, een talrijk gezin, dat alleen van
+zijn verdiensten moest leven. Wij kenden het gezin, en daarom kreeg
+Vader verlof, de meubelen op eigen naam te verkoopen, opdat hij de
+provisie zou hebben, die hieraan verbonden was. Zulke extraatjes van een
+paar gulden waren altijd bizonder welkom. Vader, Moeder, en ook
+wij--meelevende kinderen--waren dan ook erg blij met de opdracht.
+
+Maar hoe droevig en vernederend liep dit uit. Op zekeren dag kwam Vader
+thuis, gebroken. De meubelen waren verkocht, maar de verkoopgelden waren
+Vader niet uitbetaald. De makelaar had ze ingehouden ter afbetaling van
+de schuld, die Vader bij hem had. Dat kon hij doen, omdat Vader de
+meubelen op zijn eigen naam had doen verkoopen.
+
+Daar zaten we. Die meneer, die zeker iemand, had Vader alles
+toevertrouwd, hij zag verlangend naar het geld uit, en zou er geen
+penning van ontvangen. Zijn oude, degelijke meubelen verkocht, misschien
+wel opgeofferd als geliefde familiestukken, en niets er voor terug.
+
+In zulke omstandigheden was Vader zoo machteloos. Hij durfde den
+man niet onder de oogen komen--en die man woonde vlak tegenover ons.
+Ook wij gingen gebukt onder de dreigende schande. In plaats van heel
+vertrouwelijk en hartelijk te groeten, namen we wat schuw onze petjes af
+en ontliepen al de leden van het gezin. Hoe verachtten we dien gemeenen
+makelaar, die heel goed wist, dat de meubelen niet van Vader waren, maar
+hier zijn kans schoon zag, om het hem toekomende geld te krijgen. Als
+hij zijn geld maar had, kon 't hem niet schelen, of Vader daarmee een
+onschuldige te kort deed, misschien beschuldigd zou worden van
+oneerlijkheid, van oplichterij.
+
+Oplichterij. Het woord ging als een koude rilling door ons gezin, en van
+dag tot dag stelden we het uit, het noodlottig bericht aan de overburen
+mee te deelen. Doch eindelijk, het moest. En, gelijk steeds in zulke
+gevallen, Moeder ging er op af. O, vrouwen zijn zoo vaak duizendmaal
+moediger dan mannen.
+
+Wij wachtten thuis met angst. Hoe zou 't afloopen? Het ergste zou zijn,
+dat Vader werd aangeklaagd wegens oplichterij en naar de gevangenis
+ging. Het minste, dat de benadeelde familie er in berustte, maar wij
+gebukt zouden gaan onder haar verachting. In ieder geval, er zou een
+koele scheiding komen. We zouden de vriendschap van onze goede overburen
+verliezen. Moeder kwam terug. Ademloos hoorden we haar aan.
+
+»Meneer--had alles begrepen, en hij had erg met Vader te doen."
+
+»En waren ze niet boos?"
+
+»Neen, ze schrokken natuurlijk wel erg, en Mevrouw werd wit. Ach, ze
+konden het geld ook zoo best gebruiken. Maar Meneer zei: Uw man heeft
+geen schuld. Het is zeker Gods wil geweest."
+
+We waren duizend pond lichter. De houding der getroffenen tegenover
+ons veranderde in niets. Ze spraken nooit meer over 't geval, bleven
+vriendelijk--maar die man.... ik heb hem als een heilige mee door 't
+leven gedragen. Hij was zoo rustig-vroom, zoo eenvoudig-christelijk.
+Zijn blik, zijn gelaat, zijn stem, zijn heele gedrag was zonder eenig
+vertoon. Ik wou, dat ik zijn naam mocht noemen. Niemand kent hèm. Hij
+was geen schrijver, geen schilder, geen geleerde, geen staatsman. Alleen
+een kantoorheer--boekhouder op een wijnkooperskantoor--maar.... een
+christen. In hem heb ik het christendom ontmoet. En dat ik het zoo
+zuiver heb mogen aanschouwen, het was te danken aan Vaders argelooze
+koopneiging.
+
+
+
+
+IN EEN NETTE BUURT.
+
+
+De Jordaan was net een weefsel van straten: een schering van
+lengtestraten, met daardoor heen een inslag van dwarsstraten. De
+Lijnbaangracht en de Prinsengracht vormden aan twee zijden den zelfkant
+van het weefsel, dat in zijn geheel den indruk maakte van grof, grauw
+linnen. Het was een vunze buurt. Eigenaardig was echter, dat sommige
+lengtestraten en grachten als kleurige, glanzige zijden draden door
+dit weefsel waren getrokken en men dus uit de onbeschaafde armoede
+plotseling kon overgaan in den netten burgerstand. De Bloemgracht en de
+Rozengracht bij voorbeeld waren niet te min voor handelaars en dokters;
+daar zag je keurig onderhouden huizen met blinkend geverfde deuren;
+heldere dienstmeisjes bespoten iederen Zaterdagmorgen de onderpui uit
+een blinkend koperen glazenspuit; alles blonk er, tot de belknop en de
+roode wangen der dienstmeisjes toe. En geen drie minuten verder had
+je een armelijke Eglantiersstraat of Laurierstraat, met vuile houten
+trappen, donkere portalen en slobberige vrouwen. Wie den Jordaan
+doorkruiste, enkel maar doorsneed, kwam afwisselend in aanraking met
+het proletariaat, de kleine burgerklasse, en den gegoeden burgerstand.
+
+De Nieuwe Leliestraat, waar wij nu huisden, was de straat van het
+financieel zwakke fatsoen. Heel nette menschen met kleine traktementjes
+bewoonden er een huis of een eerste of tweede bovenhuis. Er was geen
+vertrouwelijkheid in de buurt. Ieder bewaakte er angstvallig zijn stand
+achter lage gordijnen en gesloten deuren. Je kwam niet bij malkaar over
+huis. Op straat sprak je ook niet met mekaar. Je groette de buren
+beleefd met een nijging of een deftig hoedafnemen, maar verder kwam het
+niet. Zoo'n beetje gezellig op den stoep zitten, een luchtje scheppen
+op de groengeverfde houten bank, een buurpraatje maken over het weer,
+gelijk we dat op de Eglantiersgracht gekend hadden, geen kwestie van!
+Daarvoor was men hier te netjes. Ieder hield voor den ander zoo'n beetje
+schrale voornaamheid op. En zelfs achter het huis, in de tuintjes,
+had je dezelfde stijfheid. Nooit of uiterst zelden knoopten volwassen
+buren daar een gesprek met elkaar aan. Een afgemeten groet was het
+hartelijkste waartoe men komen kon. Ik had het gevoel, en herinner me
+dat nog heel wel, of ieder een stukje fatsoenlijke armoede te verbergen
+had en voor zijn naaste buren niet weten wou, hoeveel pijnlijke zorg en
+opofferingen het kostte, dagelijks knap voor den dag te komen. Al de
+meisjes uit de buurt hadden nette hoedjes en nette manteltjes, nette
+jurkjes en nette pijpenbroekjes, nette kousjes en nette schoentjes.
+Je had ze zoo in de uitstalkast van een poppenwinkel kunnen zetten.
+Onvertogen woorden hoorde je niet, ook niet van de jongens. Zelfs de
+honden waren hier fatsoenlijker dan een straat verder: ze blaften niet
+zoo onbehouwen. Maar er was ook geen leven, geen frisch, natuurlijk,
+spontaan leven. De heele Leliestraat was een zoet zijden draadje door
+'t grove zaklinnen. En wij jongens, vrijbuiters uit de vroegere buurt,
+werden er een heelen hoop braver. Dat we echter maar niet zoo
+onmiddellijk verlelied waren en nog lang iets van onze oude natuur
+behielden, moet ik, helaas, belijden, en zal de lezer vóór 't eind van
+dit hoofdstuk vernemen.
+
+ * * * * *
+
+Boven ons woonden allerliefste jonggehuwden. Hij was den heelen dag op
+kantoor en haar hoorden we haast onafgebroken zingen en met het kindje
+praten. Wanneer het bij ons stil was, klonk het van boven met een lieve,
+heldere vrouwenstem: »Dág Pa! Dág lieve Pa!" of de jonge moeder haar nog
+niet eenjarig kindje leeren wou, hoe het zijn vader begroeten moest.
+»Dág Pa! Dág schattige Pa!" Het klonk als vogelmuziek, zoo frisch, zoo
+zuiver, zoo natuurlijk, zoo zangerig. »Dag lieve Paatje!" En dan nam
+Moeder het dingetje op, hield het in de hoogte, en we hoorden het jonge
+stemmetje kraaien. Nu werd het een beurtzang van moeder en kind. »Dag
+lieve schat! Dag Pa!"--»A-a-a-a!"--»Dag snoesje! Komt Paatje gauw thuis?
+Zeg dan maar: Dág Pa! Dág lieve Pa!"--»A-a-a-a-a!"
+
+Wanneer Pa thuis kwam, hoorden we 't vroolijk gejubel van het kleine
+gezinnetje. Dan mengde zich zijn sonore mannenstem in het lieve gesjilp
+en gekweel van die twee anderen, en een innige geluksstemming zweefde in
+dat natuurlijke klankenspel. 's Avonds, vóór 't kleintje naar bed ging,
+droeg Pa het een poos rond, onder 't zingen van allerlei liederen, en
+dan hoorden we Moeder in stille bedrijvigheid rondtrippelen. We maakten
+aan de tafel ons huiswerk of kleurden en knipten onze legers, maar
+onderdehand dronken onze ooren de symphonie van huiselijk geluk in en
+genoot onze nog onontwikkelde verbeelding de idylle van het eenvoudige,
+vredige, blijmoedige gezinnetje.
+
+We weten vaak niet, vanwaar sommige stemmingen en sympathieën in
+ons zijn gekomen. Maar wanneer later De Genestet's »Jong Hollandsch
+binnenhuisje" me bekoorde en ik genoot van dien jongen vader, die met
+zijn twee springende gedichtjes de kamer rondreed, hij op den vloer,
+zij op en over hem heen klauterend, dan dacht ik meermalen aan onze
+bovenbuurtjes, hoorde ik zijn warme mannenstem, het gekraai van 't
+kleintje, en haar: »Dág Pa, dág lieve Pa!" zoo helder, zoo blij, zoo
+onbezorgd.
+
+Onlangs vernam ik, dat zij gestorven was, aan tuberculose.
+
+Zoo werd haar idylle vernietigd.
+
+Ik heb haar maar weinig gezien. Na betrekkelijk korten tijd verhuisden
+we naar een woning, die heelemaal aan 't andere einde der stad lag,
+een uur ver. Toen hebben we nooit meer iets van hem of haar vernomen.
+Ze behoorden dus met hun kleintje tot een voor ons geheel afgesloten
+verleden. Nooit hebben we met elkaar omgang gehad. En toch, toen ik
+vernam, veertig jaar later, dat de bliksem was geslagen is dit lieve
+nestje van huwelijksgeluk, toen ontroerde me dit smartelijk. Het was of
+een zingend vogeltje opeens de gorgel was dichtgeknepen.
+
+Leeft _hij_ nog? Leeft het _kindje_ nog, het blijde kraaistemmetje.
+
+Het is voorbij, alles voorbij.
+
+En toch leeft het nog. Ik hoor voetgeschuifel boven mijn hoofd, ik hoor
+een kamerdeur opengaan, ik hoor een hartelijken welkomstkus, en dan die
+innig-blije stem: »Dág Pa! Dág lieve Pa!"
+
+Ik hoor kindergekraai. Ik zie een man over de wieg buigen, een kindje
+kussen. Een knevel prikkelt het donzen wangetje. Een zwaar geluid trilt
+in 't zachte oortje. En dan: »A-a-a-a!"
+
+Dat is 't kleintje.
+
+Ze leven nog.
+
+Wat zegen kan er neerdalen in kindergemoederen, als er lieve bovenburen
+zijn!
+
+ * * * * *
+
+Tweehoog woonde een gezin, waarvan we niets gewaar werden, dan dat er
+veel meisjes waren, en allemaal keurig nette meisjes. Eenige van haar
+zijn later onderwijzeres geworden. Er is dus kans, dat ze deze regels
+lezen. Dan zullen ze zich het lieve gekweel herinneren van de jonge
+moeder en het piepjonge kindje, dat natuurlijk even goed omhoog steeg.
+
+Beneden ons, in het onderhuis of den kelder, hadden we ook nog buren.
+Daar zakte ik vaak naar toe. Ze waren vriendelijk en gastvrij. Ik mocht
+er steeds binnenloopen. Maar omdat er geen kinderen van mijn leeftijd
+waren, had ik er niet veel. Kinderen willen kinderen, al zeiden de
+menschen vroeger terecht: Van malkaar meugen ze niet, en bij malkaar
+deugen ze niet.
+
+Kinderen waren er in het huis naast ons, een schaar lieve meisjes en één
+jongen. Men weet nog, dat meisjes iets bizonder bekoorlijks voor me
+hadden. Nu, deze ook. Ik ken de voornamen nog, en één voornaam klonk me
+als muziek in de ooren: Rena. Die _e_ werd zoo mooi ingeleid door de
+_r_, en de _a_ had zoo'n zacht-voornaam klankje. Je kon dien naam zoo
+mooi-deftig zeggen. Net zoo iets als »zijkamer".
+
+Maar de meisjes leerde ik bijna niet kennen. Ik geloof eigenlijk, dat
+ons gezin, wat verarmd, en met vijf belhamels van jongens, te ruw was
+voor de meeste buren. Alleen met den jongen speelde ik wel eens. Echter
+niet op straat, alleen nu en dan op het plaatsje. Hij ging ook op een
+nettere school dan ik. Hij is later dokter geworden, ik ternauwernood
+schoolmeester.
+
+Dat zegt alles.
+
+Is het niet eigenaardig, dat ik heel goed een zekere minderwaardigheid
+voelde tegenover de omgeving? En dat ik mij daarnaar gedroeg? Hunkerend
+naar speelmakkertjes, was ik toch te fier om me op dringen. Dan speelde
+ik maar liever in mijn eentje, bij Moeder in de kamer. Bij Moeder was
+'t altijd goed. Heerlijk, dat veilige, vredige plekje bij Moeder.
+Standsverschil, zelfs reeds op deze schaal, deed mij een kring trekken,
+waarbinnen ik met mijn armoede rustig kon leven. Maar dat leven was toch
+genieten, als Moeders oog maar, stralend zonnetje, den kring verlichtte.
+
+Toen Potgieter op zijn sterfbed lag, en men hem het portret liet zien,
+dat de uitgave zijner werken zou verrijken, was zijn opmerking: »'t
+Is toch maar een burgerman." Iets dergelijks heb ik mijn heele leven
+gevoeld. Omstandigheden hebben me in menige vriendschappelijke,
+vertrouwelijke, hartelijke betrekking gebracht tot menschen van stand,
+rijkdom en positie. Maar immer voelde ik: »Je bent toch maar een
+burgerjongen."
+
+Men meene niet, dat ik hier iets vernederends of iets pijnlijks in vond.
+Precies het tegendeel. Nog altijd voel ik me het meest eigen onder
+de eenvoudige benedenburen in den kelder. Grootheid trekt me niet en
+streelt me niet. Maar ik zeg het alleen, om te doen uitkomen, hoe het
+karakter der jeugd voor goed een stempel in het leven drukt.
+
+Eén jongen uit de buurt, ook uit eenvoudiger kring, werd mijn vriendje:
+Piet v. R. Zelfs werd hij het vriendje van mijn jongere zus, gelijk
+bleek uit een briefje, dat ze hem schreef (niet zond): _liefe peit hoe
+gaat het met u en hoe gaat het met Naje[1] nu liefe peit het is dijt dat
+ik uitseit dag peit_.
+
+[1] Naatje, het zusje van peit.
+
+De andere jongens van het gezin zagen het kind dit briefje schrijven
+en hebben er haar lang mee geplaagd. En als ze, de Jeugdherinneringen
+lezend, meenen mochten, dat deze nu al lang genoeg voortgezet waren,
+zouden ze, citeerend het episteltje, me zeker toevoegen: _nu lieve peit
+het is dijt dat je uitseid dag peit_. En dan zou ik er de pen bij
+neerleggen. Zoo ontstaan uitdrukkingen in familiën en in volkeren.
+
+ * * * * *
+
+We maakten het er wel naar, dat de buren met een zekere behoedzame
+teruggetrokkenheid intiemeren omgang trachtten te voorkomen. Vijf
+drukke jongens tusschen 10 en 18 jaar waren wel in staat kalme,
+eerzame gezinnen af te schrikken. Het moet zeker druk genoeg bij ons
+zijn toegegaan, en van die levendigheid, niet altijd van vreedzamen
+aard, moet wel iets doorgedrongen zijn naar de stille hoven rondom.
+Levendigheid--met dit woord is het zeer zacht uitgedrukt. Vijf
+jongens, zoo dicht opeengepakt, stooten malkaar herhaaldelijk, en
+zijn dan aanstonds klaar met ruwe woorden, luid uitgeschreeuwd, of
+handtastelijkheden. Ik hoor Moeder nog roepen met ingehouden stem:
+_Denk toch om de buren_, waarop die buren uit een driftigen jongensmond
+konden vernemen: _De buren kunnen naar den bliksem loopen_ of een andere
+hartgrondige verwensching. Dat meenden die jongens zoo erg niet, het was
+maar ruwheid, doch 't was voor die buren toch niet bepaald aanmoedigend.
+
+Plagen was schier aan de orde van den dag. Als het jongste meisje, dat
+van lieve peit, begon te schreien, kon je er zeker van wezen, dat het
+heele koor een ontzettend gebulk aanhief, om die schreistem te smoren.
+Dan dreunde de kamer van de erbarmelijkste kreten. Vader werd in zulke
+gevallen woedend, maar kon de bende eigenlijk niet baas. Moeder drong
+driftig-angstig aan: »Hou jelui dan toch je mond", wat alleen tot
+gevolg had, dat men riep: »Laat die meid dan d'r smoel houden." Alleen
+Christientje, de oudste van allen en de zachtste, had dan vaak den slag,
+om den storm te bezweren. Als er een kleine pauze was ingetreden,
+begon zij een liedje te zingen, een geliefd wijsje. Dat kalmeerde de
+gemoederen. En het duurde niet lang, of de buren konden zich vergasten
+aan een veelstemmig: »Plechtig zwijgen, zoete vrede ruischt er nog om
+'s Heilands graf", of »Rust in vree, o gij, van ramp ontheven. Nu reeds
+slapende in uw enge kluis", welk laatste lied eigenlijk »bij het graf
+eens medeleerlings" gezongen moest worden, doch ook onder andere
+omstandigheden niet onstichtelijk klonk.
+
+Uit dat voorbeeld van Christientje kan men zien, hoe je opgewonden
+gemoederen niet met opgewondenheid moet willen verwinnen. Met storm
+slaat men geen storm ter neer. Doe een zachte koelte aanruischen en de
+opgestoken winden verspreiden zich.
+
+Heerlijk-helder vulden de jongensstemmen met de frissche sopraan van
+Christientje er boven uit dan de huiskamer. En eenmaal aan 't zingen,
+bleef de troep aan 't zingen. Vader voorop. Diens woedende drift sloeg
+in een moment om. Moeders angstige trek was gauw door een glimlach
+vervangen, en de buren luisterden met aandacht, ja, de bovenbuurtjes
+sloten zich wel eens bij den zang aan, hetgeen hieruit blijken kon, dat
+ze soms een paar maten achter, de laatste lettergrepen nog uitgalmden
+als wij reeds gereed waren. Dan steeg er bij ons een luid gejuich op,
+dat van boven vroolijk beantwoord werd. We zetten een nieuw lied in of
+namen er eentje van boven over en ondanks de scheidende zoldering
+vormden twee gezinnen een uur of langer één zangkoor.
+
+Het is wel aardig en leerzaam, hoe spoedig de ruwe bende door een lied
+gevangen was. Wat zouden wij er van denken, als we op school, instee van
+met een stok op het tafelblad stilte te ranselen, eens zachtjes begonnen
+te zingen van b.v. _'t Zonnetje gaat van ons scheiden?_ Ik wed, dat de
+zoete rust kwam, nog eer het klonk: _Zoete rust mogen wij beiden._
+
+ * * * * *
+
+Eén buurmeisje herinner ik me ook nog levendig, ofschoon ik haar nooit
+gesproken heb. Ze woonde niet in de Leliestraat, maar op de daarop
+volgende en nettere Bloemgracht. De tuinen van de Bloemgracht grensden
+echter aan die van de Leliestraat en zoo lag haar tuin vlak tegen ons
+tuintje. Ik zeg: haar _tuin_, want die was stellig wel acht maal zoo
+groot als ons plekje. Bij ons was er geen plaats voor hooge boomen,
+nauwelijks kon er een gouden regen of een sering staan. Maar in haar
+tuin verrezen hooge en zware kastanjes en eschdoorns. Daardoor lag haar
+huis--ze bewoonde een heel huis--in donkeren schaduw en gaf de tuin mij
+een gewaarwording van iets ouds en deftigs, zoo iets als een bejaarden
+kloostertuin.
+
+Wanneer ik bij het eene raam van onze huiskamer mijn schoolwerk zat te
+maken, keek ik naar buiten en zag haar wandelen onder 't groen. Arm
+meisje! Ze was ongeveer dertien jaar, lang, mager, bleek. Ze droeg een
+netje over een geheel kaal hoofd. Haar schedeltje was bedekt met een
+korst van »klieren". En nu stond het zoo griezelig, dat netje, strak
+getrokken over het achterhoofd, en van voren, boven de oogen, een
+donkere lijn teekenend over het voorhoofd. Arm meisje!
+
+De andere buurmeisjes, die van twee-hoog en die van naast ons, hadden
+allemaal zulke mooie haren. Lange vlechten hingen op den rug, met aan
+het einde een fijn rood zijden strikje, of goudblonde krullen omgolfden
+het hoofd, in haar dartelheid bedwongen door een bleekblauw lint. En die
+haren maakten zelfs een alledaagsch gezichtje mooi. Vraag eens, hoeveel
+jongens verliefd zijn geworden op bruine of blonde haren. »Het haar,"
+zei mijn vader, »is het sieraad der vrouw." En als Vader dat zoo
+voornaam zei, met dat deftige woord sieraad en dien deftigen genitief,
+beaamde onze jongenservaring dat al van ganscher harte.
+
+Arm meisje! Ze speelde niet met andere kinderen. Naar school kon ze
+natuurlijk niet. Alleen in den tuin had ze ontspanning. En daar liep ze
+dan in haar eentje rond, maar zoo'n beetje kijkend. Angstvallig scheen
+ze de lage schutting te mijden. Wellicht schaamde ze zich gezien te
+worden. Als we in den tuin speelden, bleef ze weg. Alleen als ze
+onderstelde, dat we haar niet zagen, verscheen ze. Maar dan zagen
+we haar wel. En dan keken we naar haar, de oogen wat vochtig van
+medelijden.
+
+Wat was ik graag naar haar toe gegaan! Wat had ik me graag aangeboden,
+om wat met haar te spelen. Ik was niet afkeerig van haar. Ik zou graag
+alles voor haar gedaan hebben. Maar ik durfde niet. Waarom niet? Waarom
+durven de menschen soms niet lief te zijn?
+
+Ik liep langs de Bloemgracht, om haar huis aan te zien. Ik bleef er stil
+staan.
+
+Ik wilde aanbellen.
+
+Waarom deed ik het niet?
+
+Men zou mij vreemd gevonden hebben. Men zou mij hebben teruggewezen.
+
+Ik had geen vertrouwen genoeg op de menschen.
+
+Maar ik weet zeker, dat ik het meisje zou hebben verkwikt, het arme
+eenzame kind.
+
+Ze is gestorven, nog terwijl we daar woonden.
+
+Maar ik heb altijd berouw gehad, dat ik aan de opwelling van mededoogen
+geen gevolg heb gegeven. O, het zou haar zeker goed gedaan hebben, dat
+een ander kind met haar wilde spelen, nog liever met haar dan met mooie
+meisjes.
+
+Het heeft niet zoo mogen zijn.
+
+ * * * * *
+
+En nu moet ik nog vertellen van mijn straatbaldadigheid ook in deze
+nette buurt.
+
+Doch waartoe zal ik u opnieuw de straten doorslepen?
+
+Ge kunt er onder mijn leiding toch niets dan kwaads leeren. Ik neem u
+b.v. op Zaterdagavond mee naar de kruidenierswinkels, die dan vol
+koopsters staan. De burgervrouwtjes en de dienstmeisjes, dicht
+opeengedrongen, wachten met het mandje in de hand haar beurt af. Ze
+praten wat onder elkaar, terwijl de winkelier en zijn knecht, stijve
+figuren in brandheldere buisjes, rustig voortgaan met afwegen, inpakken,
+afrekenen. Nu sluipen we gebogen naderbij. Op handen en voeten kruipen
+we den winkel binnen. We strekken een arm uit, zoeken de beenen van een
+geen onraad vermoedend dienstmeisje, knijpen haar plotseling in de
+kuiten en stooten daarbij een woedend geblaf uit.
+
+De meid gilt het uit van schrik. Ze springt op en de heele klandisie
+komt in tumult. Zelfs vloeken er sommigen. De stijve winkelier raakt
+een oogenblik zijn kalmte kwijt. De schalen schokken in zijn hand. De
+vrouwen denken niet anders, of de meid is door een dollen hond gebeten,
+en ontsteld onderzoeken ze haar paarse japon. Geen scheur? De
+onderrokken. Nog geen scheur? De witte kousen. Ook die heel? Maar ze
+voelde het toch wel degelijk. »Och, die bliksemsche jongens zullen het
+wel weer gedaan hebben." En de winkelier gaat even van achter zijn
+toonbank tusschen de vrouwtjes door naar de deur en kijkt daar naar
+links en rechts de halfdonkere straat in. Wij hebben uit een verborgen
+hoekje alles gezien en schreeuwen hem nu een triomfgehuil toe. Dan
+hollen we weg. We moesten de volwassenen niet alleen hinderen, maar
+ze moesten ook _weten_, dat ze dat aan ons te danken hadden, opdat ze,
+scheldende, en eeuwig wegjagende nijdigaards, goed mochten beseffen, dat
+we machtig waren ons te wreken.
+
+Dat gehuil gaf zeker een heele geruststelling aan die arme dienstmeid,
+maar ik ben er niet zeker van, of ze 's avonds, vóór 't in bed stappen,
+toch nog niet eventjes haar kuit opmerkzaam heeft bekeken. Het mócht
+eens een hondje zijn geweest.
+
+Zullen we nu nog verder rondtrekken? Kom, ge hebt al van streken genoeg
+gehoord. Meer dan u lief is. Of--hoort ge ze wel graag, mits anderen
+er de dupe van zijn? Dan is het inderdaad raadzaam, om te eindigen.
+Er schijnt ook in u, eerzaam volwassene, iets van den wilde te zijn
+overgebleven. Laten we het niet wakker roepen en voeden. Gij hebt tot
+plicht eerzaam te blijven, ook in uw diepste binnenste.
+
+Laten we liever eens nagaan, hoe het kwam, dat onder de jongens van deze
+buurt veel minder neiging tot straatschenderij en plagerij bestond, dan
+onder de vroegere kornuiten, en hoe ook bij ons, die het kwaad hier
+trachtten over te planten, de lust langzamerhand wegstierf. Dat is
+leerzaam voor de autoriteiten, die, niet uit demokratische politiek,
+maar uit oprechte belangstelling zich om 't heil der jeugd bekommeren.
+Die kunnen er uit leeren, hoe men in groote steden het kwaad bestrijden
+kan door groei-ruimte te geven aan het goede.
+
+Op de Eglantiersgracht hadden we geen plaatsje of tuintje, we móésten
+dus wel de straat op. En hier in de Leliestraat konden we een deel van
+ons genot vinden in de stilte en de vrijheid van ons achteruitje. Het is
+waar, we konden er niet hollen, niet met de bal of den hoepel spelen,
+geen vlieger oplaten en nauwelijks tollen, maar we konden er ongestoord
+kleuren en plakken en knippen en oorlogen, we konden er knutselen en
+planten, we konden er ons verliezen in »stil spel". Er ging van ons
+rustig plekje, dat zoo heerlijk gelegenheid bood onszelf te zijn,
+stemming uit. De verkeerde invloeden van ruwe makkers hadden er minder
+macht.
+
+In 't buitenland, en helaas ook in ons land, openbaart zich een streven
+om prachtige schoolgebouwen te stichten, ware schoolpaleizen. Bouwkunst,
+schilderkunst, beeldhouwkunst moeten samenwerken, om de leerende jeugd
+al vroegtijdig onder de opvoedende kracht der schoonheid te brengen.
+Doch men kan den invloed dier schoonheid erkennen en toch meenen, dat
+er een verkeerde weg gevolgd wordt. Voor mij is er een schreeuwende
+disharmonie tusschen die monumentale gebouwen met hun ruime hallen,
+breede trappen, lange gangen, en die simpele kinderen. Het doet mij
+vreemd aan, die witte gezichtjes, schrale figuurtjes, armelijke
+kleertjes te zien dwalen door zoo'n rijkdom van ruimte en materiaal. Het
+is, of men een sjofel katje op de zijden kussens van een vergulden auto
+door de stad reed. Het is de arme knaap op den troon van Frankrijk.
+
+Wel mag het schoolgebouw niet zoo'n foeileelijken fabrieksgevel hebben,
+rijen eenvormige vensters boven elkaar; wel mag het van binnen, door
+grauwe, donkere nauwte, niet de naargeestigheid zelve zijn; wel moet het
+door schoonheid de jeugd verkwikken; maar die schoonheid moet wezen naar
+kinderlijken trant en in overeenstemming met de geheele omgeving. Liever
+dan schoolpaleizen te zetten in armelijke buurten, moeten de
+arbeiderswoningen verbeterd worden, waarin de kinderen--én hun
+ouders--hun levensgeluk moeten vinden.
+
+Ieder gezin in een eigen huisje met een tuintje er bij. Overal veel
+ruimte, licht, lucht en groen. Ruimte voor de kinderen, opdat ze kunnen
+hoepelen en vliegeren naar hartelust. Ruimte ook achter de woningen,
+opdat ze daar in rustige stilte genieten. En dan hier en daar een
+eenvoudige, vriendelijke school, met niet meer dan zeven lokalen en een
+open speelplaats, waar de kinderen der wijk, ook buiten de schooluren,
+veilig en vrij zijn--hún speelplaats. En aan de school verbonden een
+paar ruime lokalen, vereenigingszalen voor de rijpere jeugd en de
+volwassenen, waar deze in aanraking blijven met de beschaving, gelijk
+die zich in wetenschap en kunst openbaart.
+
+Dat zou heerlijk zijn! En daardoor zou de baldadigheid binnen de perken
+worden gehouden!
+
+Zullen we 't nog eens beleven?
+
+Ik vrees. Maar al weet ik helaas te goed, dat de zedelijkheid niet
+afhangt van de omstandigheden, ik heb in mijn jeugd ervaren, dat heel
+wat baldadigheid wegsterft--in een nette buurt.
+
+
+
+
+MOEDER VERTELT.
+
+
+We zouden met Vader een dag uit visschen gaan.
+
+'s Avonds te voren hadden we alles in gereedheid gebracht, de snoeren en
+hengels, het aas, en ook de flesschen bessensap en boterhammen met
+worst.
+
+Toen zijn we vroeg in bed gestopt, opdat we niet te veel van onze
+nachtrust zouden missen. En nu, na een onrustigen slaap, scharrelen we
+door de huiskamer.
+
+'t Is vier uur in den morgen. We voelen ons kil en huiverig. Het
+daglicht is nog niet aangebroken. In de kamer is het schemerig, buiten
+grauw.
+
+Moeder heeft het petroleumstel aangestoken en theewater opgezet. Zij was
+natuurlijk het eerst op, een half uur vóór ons. Uit vrees dat we ons
+mochten verslapen, heeft ze den heelen nacht als in een bommeltrein
+gereisd. Telkens was ze wakker om even op het horloge te kijken bij 't
+nachtlichtje. Vooral na tweeën was bijna ieder kwartier een nieuw
+stationnetje, waar de trein stopte.
+
+Nu loopt ze op haar kousen rond, heel zachtjes, om vooral de buren
+niet te wekken. Ik laat een schoen vallen. Dat klinkt hard in de
+morgenstilte. Sssst, zegt Moeder. Ze spreekt niet, ze fluistert. En zoo
+doen we allen. Die schoen--mijn hart stond er bij stil. We glijden als
+schaduwen voorbij mekaar, spreken met schaduwstemmen. 't Lijkt wel een
+schimmenspel in den valen ochtendschemer.
+
+Moeder giet het theewater op. Wolken waterdamp krinkelen boven den
+trekpot. Alleen het gezicht reeds verwarmt je. Opwekkende theegeur vult
+de kamer. Heerlijk. Nog een paar minuutjes en we krijgen een kopje thee.
+Lekker warm. Met twee handen er omheen, drinken we het langzaam op.
+
+Het is alles zoo vriendelijk, zoo vredig, zoo geheimzinnig, zoo rustig.
+Buiten sjilpen de musschen en dringt langzaam het licht door. 't Is
+gelukkig goed weer. Geen regen, alleen een beetje nevel. 't Zal een
+mooie dag worden. Ik kijk door 't venster. De schutting is nog nat, ook
+het deksel van den put en de steenen van 't plaatsje. Maar dat is niets,
+'t is maar dauw.
+
+Ik zet mijn pet vast op en probeer hoe ik het gemakkelijkst de
+boterhammen kan dragen. De hengels leg ik schuin tegen den
+rechterschouder. Nog vijf minuutjes, en we gaan. Vader drinkt staande
+zijn laatste kopje thee....
+
+Opeens, daar dringt een vreeselijke gil ons door merg en been. Een doffe
+plof volgt.
+
+O God, daar is het weer. Die gil, zoo langgerekt en doodsbenauwd, we
+kennen ze.
+
+Vader heeft een toeval gekregen.
+
+Ik sta, verstijfd van schrik, met de hengels in mijn hand.
+
+Moeder laat den trekpot haast vallen.
+
+»Ach God!" zegt ze. En in die twee woorden breekt al de diepte van haar
+smart uit. Dan haalt ze gauw een kussen van bed en legt het den armen
+man onder 't hoofd. Ze maakt zijn goed los en wascht zachtjes wat schuim
+van de blauwe lippen.
+
+Christien komt in nachtgewaad binnen geloopen, de oogen wijd starend. Ze
+was nog wat blijven liggen, eer ze om half zeven naar haar betrekking
+moest. Maar de angstkreet is tot haar diepen slaap doorgedrongen. Bevend
+staat ze met ons bij Vader, die bewusteloos ligt te schokken en
+stuiptrekken op den grond.
+
+Ik zet de hengelstokken in een hoek, haal de boterhammen uit mijn kiel
+en leg ze op de tafel, naast het theeblad....
+
+ * * * * *
+
+Arme, arme Vader.
+
+Neen, we denken geen oogenblik aan het verlies van onzen heerlijken dag
+buiten. We zijn vervuld met innig medelijden. Arme Vader!
+
+Moeder verzamelt ons in de keuken. Ze haalt het theeblad uit de
+huiskamer en zet het op de rechtbank. De een gaat op een keukenstoel
+zitten, de ander op een krukje, weer een ander op den vuilnisbak of op
+een treetje.
+
+Telkens gaat ze even naar binnen, om te zien, of Vader al bijgekomen is.
+Eindelijk hooren we een diepen, kreunenden zucht. Nu is hij bij.
+
+Moeder en Christien tillen hem voorzichtig op, dragen hem naar de
+bedstede. Met zachte hand trekt Moeder hem de overkleeren uit, legt hem
+dan te bed, dekt hem toe.
+
+We weten, wat er nu volgen zal. Den heelen dag zal Vader daar doodstil
+blijven liggen met barstende hoofdpijn. Hij zal niets eten, alleen nu en
+dan een teugje drinken. Wij loopen onhoorbaar door 't huis, spreken heel
+zacht, ontbijten, koffiedrinken, eten in de keuken. Wanneer Moeder naar
+binnen is geweest, zullen we met smeekende verwachting in de oogen
+vragen, hoe 't er mee is, telkens weer. En dan zal Moeder zeggen: »Vader
+ligt doodstil. Erge hoofdpijn."
+
+Eerst tegen den avond zullen we even bij 't bed mogen komen, om Vader
+een hand te geven. Dan zal hij ons met zijn zachte blauwe oogen
+vriendelijk aanzien, alsof hij ons vergiffenis vroeg, dat hij ons zoo
+had teleurgesteld. En dan zullen we onze oogen vochtig voelen worden. En
+dan zal hij zeggen: »Nacht kind!" En we zijn blij, dat we zijn stem weer
+hooren. Rustig gaan we naar bed, en we danken Onze lieve Heer, dat Hij
+Vader toch weer beter heeft gemaakt.
+
+Zoo zal de dag voorbijgaan. We weten het al vooruit. Want zoo is er al
+menige dag voorbijgegaan. Om de drie weken kreeg Vader een toeval. Soms
+wel twee in een week. Soms duurde het ook een paar maanden. Dan hoopten
+we al, dat het weg mocht blijven. Tot opeens, daar had je 't weer, die
+hartdoorsnijdende gil.
+
+Zelf sprak Vader er nooit over. Ook niet als hij pas een toeval had
+gehad. Dan was hij meestal een paar dagen moe en suf van hoofd, ging
+stil zijn weg. Maar nooit roerde hij het onderwerp aan.
+
+Waarschuwende verschijnselen, dat er een toeval op handen was, deden
+zich niet voor. Geheel onverwacht en op de meest ongelegen oogenblikken
+kwamen ze. Zoo praatte Vader nog met je, en zoo plofte hij neer.
+Alleen had Moeder meenen op te merken, dat er vaak dagen van groote
+prikkelbaarheid aan vooraf gingen. Wanneer Vader zoo ongemotiveerd
+driftig kon opstuiven--ach, aanstonds was hij weer bedaard--beefde
+Moeder al inwendig. »Er zit zeker weer een toeval," zei ze met
+bekommerde, verontschuldigende stem. En dan zat er ook meermalen een
+toeval, als een donkere, dreigende onweersbui. Soms was het voor allen
+en ook voor Vader zelf een verademing, als de bui was losgebroken. Dan
+kwam er weer ontspanning.
+
+Zoo is er ook nu, op dezen morgen, na den eersten hevigen schrik,
+ontspanning gekomen. We zitten rustig in de keuken. 't Is nog pas half
+zes. Wat zullen we doen? Weer naar bed gaan? Lezen? Spelen? Dat is
+onmogelijk. We scholen om Moeder heen, in het kleine keukentje. En
+Moeder praat zachtjes. Ze vertelt van haar leven.
+
+'t Is wel een vreemd verteluurtje. De morgenzon kleurt den hemel. Door
+'t keukenraam zien we boomtoppen verlicht. En 't is ook een zonderling
+plekje, in de keuken tusschen de glazenkast en de aanrechtbank. Ook het
+verhaal is ongewoon, een verhaal van levensleed. Zoo iets vertelt men
+gewoonlijk niet aan kinderen. Kinderen moeten immers sprookjes en
+grappen hooren? Maar dit alles wordt verklaard door de donkere bedstede
+daar in de huiskamer, door dien lijdenden man.
+
+ * * * * *
+
+»Ach," zegt Moeder, »zoo is het mijn heele leven gegaan."
+
+Ze zit stil, met ingekeerde oogen, alsof de oogen ver, ver in het
+verleden teruggingen. Dan gaat ze voort, zachtjes vertellend van wat die
+oogen daar zagen.
+
+»Ik was nog maar pas getrouwd, toen je Vader een toeval kreeg. Je hoeft
+niet te vragen, of ik schrok, want ik had er niets van geweten. En ik
+had zoo iets nooit bijgewoond. Maar toen je Vader bijkwam, had ik zoo
+innig met hem te doen. Hij was zoo ellendig, en daarbij was hij zoo
+verlegen voor mij. Hij had er mij niets van verteld. Vóór ons huwelijk
+had hij ook al een paar maal een toeval gehad, maar zijn vrienden hadden
+gezegd, dat het in zijn trouwen wel zou overgaan. Daar had hij het maar
+op gewaagd.
+
+We woonden toen in een grooten kruidenierswinkel. Daar hadden zijn
+voogden hem in gezet. Want je Vader was al vroeg een wees. Maar hij had
+geen verstand van zaken. En binnen tien maanden was de zaak failliet.
+
+Toen moesten we verhuizen. Op een kouden avond in Januari brachten ze
+mij in een toe-slee over. Dien avond zal ik niet licht vergeten. Het
+vroor hard. 't Was bitter koud. Daarom hadden ze me goed toegestopt. Ik
+was hoogst zwanger. Iederen dag kon Christientje geboren worden. Toen ik
+aan de nieuwe woning kwam, moest ik een ongelukkige trap op, twee hoog,
+en daar vond ik een paar zoo goed als leege kamers. Er stond een tafel,
+een paar stoelen, maar geen kachel. Aanstonds brachten ze me naar bed.
+Toen voelde ik me toch zoo bitter ellendig. Geen brand, geen voedsel,
+niet eens een warm kop koffie, de kasten leeg en geen cent in huis. En
+daar werd den 25sten Januari Christientje geboren.
+
+Zoo is mijn huwelijksleven begonnen. En nog geen jaar te voren zat ik in
+die heerlijke pastorie.
+
+Natuurlijk kwam Grootvader gauw over. Die goeie man wist niet, wat hij
+zag. Hij schreide, toen hij voor mijn bed zat. En toen de broers, jullie
+ooms, het hoorden, waren ze woedend. Ze zeiden, dat je Vader me bedrogen
+had en wilden, dat ik weer naar de Klundert zou komen. Maar daar was
+ik niet toe te bewegen. Je Vader was zoo goed en hij leed er zelf zoo
+bitter onder. Hij hád me ook niet bedrogen, daar zou hij nooit toe in
+staat zijn geweest. Maar de man was veel te goed van vertrouwen. En dat
+is hij zijn leven lang gebleven. Dat is hij eigenlijk nog. Daarbij was
+hij niet goed opgevoed. Zijn ouders waren deftig en bemiddeld. Maar die
+stierven al vroeg. Toen ging hij met zijn broertje ergens in huis. Ze
+kregen goed onderwijs, je Vader is altijd knap geweest. Maar er werd
+niet gezorgd voor een bepaalde opleiding, en toen je Vader mondig was,
+werd er eenvoudig een zaak voor hem gekocht, of hij er geschikt voor was
+of niet. Hij dacht, dat alles best zou gaan. De man had van zijn eigen
+zaken nooit iets afgeweten.
+
+Grootvader zorgde, dat ik het noodigste kreeg. Maar hij had zelf een
+groot gezin en kon er niet nog een gezin bij onderhouden. Toen hij weer
+weg was, bleven we met ons drieën achter. Je Vader kreeg een
+betrekkinkje en zoo konden we tenminste leven. Maar vraag niet hoe."
+
+ * * * * *
+
+Moeder in die slee, Moeder in die armelijke bedstede op een leeg
+bovenhuis, Grootvader, die waardige man, met beschreide oogen bij het
+gebroken leven van zijn dochter--het zijn tooneeltjes die ik zou kunnen
+uitschilderen. Moeder vertelde zoo, dat we alles voor ons zagen. En ik
+weet nog heel goed, dat ze zonder eenige aarzeling uitdrukkingen als
+»hoogst zwanger" gebruikte. Armoede en smart brengen de volwassenen zoo
+dicht bij de kinderen, maken de kinderen in zeker opzicht gauw groot.
+Moeder had geen tijd en geen stemming, om er een afzonderlijk taaltje
+voor kinderen op na te houden. Met wie moest ze alles bepraten en
+overleggen dan met haar kroost, en daarbij sprak ze de gewone taal der
+volwassenen. Wij vonden zulke woorden ook heel gewoon, al begrepen we
+er niet precies het rechte van. Maar zoo is het immers met haast ieder
+woord? We moeten het aanvankelijk met enkele vage notities stellen.
+
+Zoo is het ook gegaan met het woord »verleiden", in den specialen zin,
+zooals we het uit de geschiedenis van Jozef en Potifar's vrouw kennen.
+Moeder was al eenige jaren getrouwd, en woonde in Emmerik. Daar had
+Vader een betrekking aan het spoor gekregen. Wat, dat weet ik niet,
+we waren tevreden met het woord »betrekking"--naar bizonderheden
+informeerden we niet. »En toen"--vertelde Moeder--»werd ik eens op het
+kantoor ontboden bij een deftigen meneer. Ik kwam in een prachtige
+kamer. Die meneer was heel vriendelijk. Eerst begreep ik hem niet. Maar
+toen zei hij: Een mooie jonge vrouw als u hoeft toch geen armoe te
+lijden. En hij wees op een stapel geld, dat op zijn bureau stond, alsof
+hij zeggen wou: Neem het maar. Toen was het, of ik een ingeving kreeg.
+O God, dat nooit! En ik liep aanstonds naar den hoek van de kamer en
+trok aan het schellekoord: »Meneer, ik verzoek, dat u me onmiddellijk
+uitlaat." Toen de knecht kwam, zei hij: »Laat jij de juffrouw eens uit"
+Hij moest wel. Maar toen ik thuis kwam, viel ik stijf van mezelve."
+
+Bijna woordelijk herinner ik me dit verhaal. Met dezelfde soberheid
+vertelde Moeder het. Ik zag de kamer, het bureau, het geld, het
+schellekoord, den knecht. En ik begreep, dat die man Moeder had willen
+verleiden tot iets kwaads, al begreep ik niet wat. Ik bracht het echter
+wel in verband met de geschiedenis van Jozef.
+
+Moeder kon in Emmerik niet blijven. Gelukkig kreeg Vader nu iets in
+Amsterdam. Hij moest vooruit reizen. »Toen moest ik voor de verhuizing
+zorgen, alles inpakken en verzenden. En eindelijk ging ik zelf met drie
+kinderen, een spiegel en een schilderij. Dat was een heel gesjouw. Maar
+ik rekende altijd op de goeie menschen. Die hielpen je wel."
+
+Daar zat ze in de trein, natuurlijk derde klas, met drie kinderen,
+een spiegel en een schilderij, blij, dat ze Duitschland den rug kon
+toekeeren. »De menschen waren er wel vriendelijk--overal heb je goeie
+menschen--, maar ze begrepen me niet altijd. En in Amsterdam was ik
+natuurlijk dichter bij de familie. Ofschoon een mensch het in zijn
+armoede toch niet van de familie hebben moet. In 't begin is er wel veel
+medelijden, maar och, aan alles raak je gewoon. De familie was wel heel
+goed voor me, hoor----je oom Willem, die was student in Utrecht, en als
+hij dan een dag of wat overkwam, zei hij: Nans, hier is het geld voor
+het hotel, stop mij maar ergens in een hoekje. En dan ging hij niet naar
+een hotel, maar sliep heel armelijk bij ons. Dát was toch zoo'n lieve
+jongen. Daarom is hij zeker vroeg gestorven--nog als student--aan de
+tering. Hij was een engel van een jongen. Maar anders, het meeste lief
+heb ik van de buren gehad. Die zijn ook zoo iederen dag om je heen."
+
+En nu kwamen er verhalen van goeie buren.
+
+ * * * * *
+
+»Wat ik van die menschen een hartelijkheid heb ondervonden--dat kan
+ik onmogelijk allemaal vertellen. Als je arm bent, moet je onder arme
+menschen gaan wonen, dan heb je het nog het beste. En het was aardig,
+zooals ze me altijd met zekeren eerbied behandelden. Ze zagen natuurlijk
+wel, dat wij van betere afkomst waren en betrokken ons nooit in hun
+standsgewoonten. »Dat kan de juffrouw niet doen," zeiden ze dan. »Dat is
+de juffrouw niet gewoon. Dat zullen wij wel even voor u doen."--En ze
+wilden nooit iets aannemen. »Wel nee, lieve mensch, je kan het zelf te
+best gebruiken." Van hun eigen armoede deelden ze me meermalen mee.
+
+Eén man zal ik altijd heel dankbaar herdenken. Dat was bakker Aalders.
+We woonden toen ergens op een kamer drie-hoog, en hij had beneden in
+'t huis zijn bakkerij. Iederen morgen bracht hij ons brood en in 't
+begin betaalde ik dat ook geregeld. Als je Vader Zaterdags zijn weekgeld
+thuis bracht, rekende ik 's Maandags altijd af met den bakker en den
+groentenman en den huisbaas en den bode van het begrafenisfonds. Maar
+toen je Vader weer een toeval gekregen had en hij zijn betrekking kwijt
+was, hield natuurlijk dadelijk ook het geld op. Bakker Aalders zag dat
+wel, zulke menschen weten direkt alles van je omstandigheden. Toch ging
+hij voort, iederen morgen brood te brengen, en nu zonder ooit om geld te
+vragen. Dat duurde weken en maanden achtereen. En altijd bracht de
+vriendelijke man zelf het brood boven, maakte even een praatje, vroeg
+niets en zinspeelde ook op niets. Eindelijk werd ik er zelf verlegen mee
+en ik zei, dat ik hem onmogelijk betalen kon, dat hij maar geen brood
+meer moest brengen. En wat zei de man? »Juffrouw, zoolang ik brood heb,
+zal u 't ook hebben. Dat geld komt wel terecht." En toen je Vader weer
+wat verdiende, wou Aalders het achterstallige geld niet hebben. En hij
+heeft het nooit willen hebben. Ja, ik heb wat goeie menschen in de
+wereld ontmoet! Maar Aalders was toch wel heel bizonder."
+
+Terwijl Moeder vertelde, zag ik Aalders, een eenvoudig man, het petje
+op, met een brood in de hand de oude trap oploopen, aan de kamerdeur
+kloppen, het brood op tafel leggen, even een praatje maken, en weer
+verdwijnen. En als pendant daarvan dien deftigen meneer in Emmerik,
+in de prachtige kamer, aan zijn bureau, met het stapeltje geld, en
+Moeder staande op het dikke tapijt. En mijn gemoed wisselde als een
+voorjaarshemel bij veranderlijk weer. Nu eens was het helderblauwe
+lucht met zonneschijn--bakker Aalders met zijn brood in de geopende
+kamerdeur--dan weer donkere bewolking met angstig-dreigend grauw: de
+prachtige kamer.
+
+Zou men denken, dat wij, luisterende kinderen, door zulke verhalen
+niet werden opgevoed? Moeder vertelde ze niet met die bedoelingen, ze
+vertelde ze alleen om haar hart uit te storten in heel vertrouwelijk
+samenzijn met haar kinderen. Maar ik voelde hun krachtige werking in
+mijn gemoed, ik voelde bewondering en afgrijzen, liefde en weerzin,
+dankbaarheid en verfoeiing. Ons hart werd tot in zijn diepste lagen
+bewogen en geen weloverdachte zedelijke opvoeding kon bewerken, wat
+hier, zonder opzettelijkheid en met door de paedagogiek misschien
+afgekeurde middelen, werd bereikt. Moeders leven, de ervaringen van
+een volwassene, de onkinderlijke verhoudingen en woorden, 't lijkt
+veroordeelenswaardig opvoedingsmateriaal voor jongens van elf en twaalf
+jaar. Doch niettemin--wij wérden er door opgevoed. En ik weet wel,
+waardoor dat komt. Dat komt, omdat daarin het echte, waarachtige,
+ons naderde, met bedoelingen van enkel liefde. Hoe geweldig werkt
+de waarachtigheid der natuur, ook van het zich onbevangen gevende
+Moederhart, tegenover het kunstmatige eener in elkaar gezette techniek.
+Moeder _maakte_ niet wat voor ons, ze _uitte_ zich, en in die uitingen
+stroomde ons het voedende leven toe. Dat is ook de kracht van den Bijbel
+en van alle zuivere springbronnen van leven.
+
+ * * * * *
+
+De nood rees soms wel hoog, maar toch altijd kwam de redding. Vreeselijk
+was de toestand, toen één kind gestorven in zijn bedje lag, een ander
+ieder oogenblik geboren kon worden, en Vader met een toeval werd thuis
+gebracht. En dat midden in de armoede. Men kan zich zoo'n ellende niet
+indenken. En als Moeder 't ons vertelde, zei ze ook altijd: »Hoe komt
+een mensch het door!" Maar ze had een onwankelbaar vertrouwen, dat God
+haar wel helpen zou.
+
+»Eens op een avond zat ik in mijn eentje in een arm bovenkamertje.
+Ik had alles netjes opgeruimd, want in de grootste armoede had ik er
+toch altijd plezier in den boel netjes te hebben. De kinderen lagen in
+theekisten, want wiegjes of ledikantjes had ik niet. Maar ze waren met
+heldere lakentjes toegedekt. En toen werd er geklopt en een paar dames
+kwamen binnen. Ze gingen zitten en praatten wat met me. Een van haar
+had een versje voor me uitgeschreven. Dat heb ik altijd bewaard. Ze las
+het me voor. En ze maakte me haar compliment, dat alles zoo netjes was.
+En toen ze heen waren, vond ik onder een bordje vijftig gulden, twee
+briefjes van vijfentwintig. Mijn gemoed schoot vol."
+
+Ook onze oogen sprongen vol tranen, als Moeder dat vertelde.
+
+En als ze dan uit een oude doos het blaadje postpapier haalde, het
+geelgeworden blaadje, en ons het vers voorlas, hoorden wij met stille
+vroomheid toe. 't Was een vers van Godsvertrouwen. Waarom zou ik den
+naam der beide dames niet noemen? 't Waren twee zusters Salm--nu al
+lang gestorven. En nu noem ik dien naam niet als een bewijsstuk voor
+de echtheid der geschiedenis of als een eeresaluut nog boven het graf,
+maar alleen om mezelf het genot te gunnen, dien naam eens hardop uit te
+spreken, midden in den kring van wie naar me luisteren, zooals Moeder 't
+deed in het kringetje van haar kinderen.
+
+Daar is nog een naam van een gestorvene, die in mijn hart leven blijft.
+Mijnheer Sanders was rijk en woonde in een groot huis op de Heeren- of
+Keizersgracht. Wanneer Moeder radeloos was, ging ze naar hem toe en kwam
+nooit ongetroost terug. Er waren bepaalde uren, dat de gang daar vol
+armen stond. Die man had zulk een mededoogend hart, dat hij soms met
+sterken aandrang een poos naar buiten moest worden gedreven. Hij kon
+»zijn" armen niet achterlaten en leed zoo zeer onder hun kommer, dat
+hij alleen gelukkig was, als hij geven en helpen mocht. Ik voelde toen
+al, dat de rijkdom voor dit gevoelige hart misschien nog zorgvoller
+was dan de armoede voor Moeder. De verantwoordelijkheid van zijn
+rentmeesterschap drukte hem als lood. Bij zooveel ellende kon hij met
+zijn geld niet gelukkig zijn. En al gaf hij al zijn geld weg, dan was
+de ellende toch niet merkbaar verminderd. Wanneer Moeder ons van hem
+en zijn milddadigheid vertelde, was het altijd met dankbaarheid en
+medelijden. Wel eigenaardig, dat de armoede medelijden had met den
+rijkdom.
+
+Bij deze twee namen zal ik het laten. Namen noemen van goedgeefsche
+rijken--het is benden van dringende vragers op hen afsturen. Doch geen
+armen zullen een bedevaart naar deze graven doen. Hoe echter het
+namennoemen misbruikt kan worden, heeft Vader eens op een wonderlijke
+manier ondervonden.
+
+Er was een man met wien hij sprak over zijn nooden en toen liet Vader
+zich ontvallen, dat hij van deftige familie was. Meneer X. was een neef
+van hem, Mevrouw IJ. een tante. Maar die familie wist van Vaders bestaan
+niet af. Vader was niet trotsch of hooghartig, maar hij _kon_ niet
+bedelen. Hij stierf liever met zijn heele gezin van honger, dan ook maar
+een penning te vragen. Het was hem onmogelijk. Hierin was Moeder een
+beetje gemakkelijker. Welke rechtgeaarde Moeder waagt ook niet alles
+voor haar kinderen!
+
+Die man dan hoorde Vader aan, informeerde naar de adressen, noemde Vader
+een gek, dat hij niet van dien rijkdom profiteerde, hij zou 't hem wel
+anders, leveren, en zoo voort en zoo voort. Vader liet zich niet
+opwinden, wilde geen misbruik maken van den naam zijner moeder, om
+daardoor geld los te krijgen, berustte liever in zijn armoede.
+
+Twee of drie weken later kreeg Vader gansch onverwacht een brief, of
+hij zich op een bepaald uur wilde vervoegen aan het kantoor van Mr. X.
+Wat zou dat beteekenen? Hij, Moeder, allen waren even nieuwsgierig.
+Natuurlijk ging hij, en in spanning wachtten de anderen zijn terugkomst
+af. Wat was 't geval. Mr. X. vroeg aanstonds: »Bent u meneer Ligthart?
+Bent u het zelf?" En toen informeerde hij naar Vaders geschiedenis en
+omstandigheden. Er was een man geweest, die zich voor Ligthart had
+uitgegeven en schandelijk had opgespeeld--hij wou bij hoog en laag geld
+hebben, en als hij dat niet kreeg, zouden ze wel anders zien--hij
+verkoos niet te verrekken van honger, als hij zulke rijke familie had,
+en al zou hij er de heele wereld bij te pas brengen, hij wou geld
+hebben.
+
+Mr. X. was zeker blij verrast, toen hij in den bescheiden en beschaafden
+man, die nu voor hem stond, den echten Ligthart zag. Beiden doorzagen de
+oplichterij gauw genoeg, toen Vader vertelde, hoe die man hem had
+uitgehoord. Mr. X. bedankte Vader voor zijn komst en Vader zou wel iets
+naders van hem hooren.
+
+Spoedig kwam er bericht, dat Vader een levenslange toelage kreeg van
+vijf gulden in de week. Elken Maandagmorgen kon dat bedrag gehaald
+worden bij Ds. v. d. Goot, onzen Doopsgezinden predikant. Niemand
+hoefde er voor bedankt te worden, het was een familietoelage, op
+voorstel van Mr. X. De gevers bleven onbekend.
+
+Meermalen heb ik zelf die vijf gulden bij Ds. v. d. G. gehaald. Die was
+dan altijd heel vriendelijk en behandelde je volstrekt niet als een
+bedeelde.
+
+Maar is dit weer niet een zonderlinge geschiedenis? Zeg geen namen van
+goedgeefsche rijken, want oplichters maken er misbruik van. En zie, deze
+oplichter maakte het pad effen voor levenslange hulp.
+
+ * * * * *
+
+Zoo vertelde Moeder ons de eene geschiedenis na de andere, terwijl Vader
+in bed lag. Slechts eenmaal was het haar _te_ benauwd geweest. Toen had
+ze op het punt gestaan in 't water te springen. Maar de gedachte aan de
+kinderen had haar weerhouden. Nooit hebben we Moeder hooren klagen over
+haar lot. Al vertelde ze ons de droevigste ervaringen, het was nooit
+in den klaagtoon. En als ze over Vader sprak, was het met liefdevolle
+aanvaarding: »Ik heb altijd het gevoel gehad, dat God mij tot taak had
+gegeven, dezen man door het leven te brengen." Hij was haar oudste
+kind. Vriend noch vreemd--en aan pogingen heeft het zeker niet
+ontbroken--heeft haar ooit kunnen bewegen, haar post ontrouw te worden.
+Ze heeft haar levenstaak met algeheele zelfverloochening volbracht.
+
+Dikwijls als ze over goede menschen sprak, kwam het zoo uit de volheid
+van haar hart: »Die hebben den hemel aan me verdiend." De uitdrukking
+was wat Roomsch, Moedertje, voor een predikantsdochter--wij doen niet
+aan werkheiligheid. Maar wat hebt Gij dan wel verdiend aan man en
+kinderen?
+
+Moeder heeft een stukje van den hemel al op aarde gekregen. 't Kwam wel
+laat, maar daarom mocht ze zeker wat langer blijven. Toen ze, in haar
+drie-en-zeventigste, heenging, had ze al meer dan twaalf jaren een
+betrekkelijk, althans geldelijk, onbekommerd leven genoten. Dat was
+ongetwijfeld haar loon voor een leven van toewijding.
+
+»O, als ik jelui alles vertelde, dan kon je er wel een boek over
+schrijven," zei Moeder vaak.
+
+Maar Moeder, dat moet U me nu eens niet kwalijk nemen, maar dat doen we
+tegenwoordig niet. We schrijven geen boeken over helden en heldinnen,
+die op 't leven zegevieren. We schrijven alleen boeken over
+slappelingen, die in 't leven ondergaan. Stel je voor, dat ik eens een
+boek over U schreef. Ze zouden zeggen: dat is maar een bedacht
+vertelseltje. Zoo is het leven niet.
+
+Neen hoor, geen boek over Uw levensboek. Alleen heb ik mij in dit
+hoofdstukje veroorloofd, eenige bladzijden daaruit over te drukken. En
+dat heb ik gedaan met opvoedkundige bedoelingen. Want, lieve Moeder,
+ik ben--dank zij U--en ondanks de paedagogiek--zoo'n soort paedagoog
+geworden.
+
+Dank zij U.
+
+Uw leven doortrilt mijn leven.
+
+Van U heb ik geleerd, neen als levensmelk ingezogen, onder alle, alle
+omstandigheden niet te versagen, trouw te volharden, te aanvaarden den
+plicht die ons wordt opgelegd, niet onszelf te zoeken, maar onszelf toe
+te wijden.
+
+Of ik dat gekund heb?
+
+Ik wou, dat het waar was. Maar mijn falen is niet uw schuld. Dat was
+meestal 't gevolg van te veel voorspoed. Gelukkig kwam de tegenspoed me
+dan eens flink door elkaar rammelen, om me tot bezinning te brengen en
+terug te voeren tot trouw.
+
+Gij hebt, door Uw leven, de les gepredikt: We moeten geen heide
+ontvluchten en parken zoeken, maar heide ontginnen en parken maken.
+
+Er is, heel sterk in onzen tijd, een jacht naar beter. Niet dat men
+zichzelf en zijn arbeid wil verbeteren--als gevolg waarvan vanzelf
+betere omstandigheden zouden ontstaan--maar een zoeken van en dingen
+naar altijd hooger, voordeeliger, voornamer positie. Daartoe verlaten
+honderden schoenmakers hun leest.
+
+Gij hebt ons geleerd: Doe wat God je als levenstaak heeft gegeven, en
+doe dat met heel je hart. Blijf trouw.
+
+En Uw succes heeft er de belofte aan toegevoegd: En je zult slagen,
+boven bidden en denken.
+
+Heerlijk, Moeder, dat ik deze les, Uw wijsheid, als het summum mijner
+paedagogiek nu onder vele oogen mag brengen, hopen dat zij vele harten
+mag binnentrekken.
+
+Blijf trouw! En vertrouw! En de kroon des levens is voor U weggelegd!
+
+Is het niet eigenlijk--christendom?
+
+
+
+
+IK WORD KWEEKELING.
+
+
+We hechten aan het werkwoord worden in sommige gevallen een heel actieve
+beteekenis. Wanneer een jongen ons met een blijd voornemen in de oogen
+en de stem vertelt: »Meester, ik word zeeman!"--, dan is het, of we hem
+met volle zeilen op zijn doel zien afstevenen.
+
+Zoo ging het bij mij niet. Kweekeling-worden, ik had er nooit aan
+gedacht. Naar den kansel was mijn blik en hartewensch wel eens
+heengegaan, die behoorde om zoo te zeggen ook tot de familie, maar zoo
+ver heugenis en overlevering reikten, had Vaders noch Moeders geslacht
+ooit de wereld met een schoolmeester verrijkt. Grootvader en twee ooms
+waren predikant, een derde oom studeerde er voor, geen wonder als er wat
+domineesbloed door mijn aderen vloeide.
+
+Echter, er kon geen sprake zijn van een academische opleiding, daartoe
+ontbrak het ten eenenmale aan middelen, en zoo lag het in het duister,
+wat ik worden zou. Timmerman, gelijk de twee oudere broers, daar was ik
+te zwak voor. Maar wat dan? Misschien was ik behanger geworden--daar
+hoefde je niet zoo sterk voor te zijn--toen de armoede het vraagstuk
+heel practisch oploste.
+
+Al weken achtereen had ik mijn schoolgeld niet betaald. Weten de
+onderwijzers, die den kinderen harde standjes geven als deze hun
+schoolgeld hebben »vergeten", wat dat voor een kind is? Ze kunnen er
+zeker van zijn, dat er thuis al heftige tooneelen zijn afgespeeld. Het
+kind wilde niet naar school zonder schoolgeld, en Moeder had het niet.
+Het kind draalde, drong, schreide, werd brutaal, bleef tegen den muur
+hangen, en Moeder kon het geld toch niet van haar rug snijden. Eindelijk
+zei Moeder: »Zeg dan maar, dat je 't vergeten hebt," maar het kind wist
+wel, dat noch meester noch de kinderen dat gelooven zouden. Ten slotte,
+vijf minuten voor negenen, is het maar de deur uit geslenterd, met
+roodbeschreide oogen, zeurend naar school. En als het daar kleurend van
+schaamte en gekrenkte trots, de boodschap van Moeder verlegen naliegt,
+terwijl de omringende leerlingen zich in de welgegoedheid hunner ouders
+veilig voelen en wat vreemd en ongeloovig kijken, krijgt het van zijn
+meester nog een uitbrander. Hoe is het mogelijk!
+
+Als een der voordeelen van een armelijke jeugd, vol vernederingen, heb
+ik het altijd gevoeld, dat ik, in beter omstandigheden gekomen, zulke
+arme kinderen begrijpen en wat ontzien kon.
+
+Nu is het heerlijk, van mijn bovenmeester te mogen getuigen, dat hij
+tegenover mij teer- en fijngevoelige kieschheid betrachtte. Hij
+vernederde mij niet midden in de klas, maar riep me in zijn kamertje.
+Daar drukte hij me ernstig op 't hart, dat het achterstallige schoolgeld
+al veel te hoog was opgeloopen, en dat het zoo niet langer ging. Ik
+moest mijn ouders zeggen dat ik het schoolgeld moest meebrengen, en hij
+anders verplicht was mij van de school te verwijderen. (Is het, tusschen
+twee haakjes, ondanks de waarlijk goede bedoeling en den vriendelijken
+toon van den hoofdonderwijzer, toch niet al te erg, dat zulke geldelijke
+aangelegenheden, die toch eigenlijk alleen de volwassenen betreffen,
+worden afgehandeld met een twaalfjarig kind?) Echter, behalve betalen en
+verwijderen, was er nog een derde kans. En ik weet nog, hoe mijn hart
+opsprong van blijde verlichting, toen de bovenmeester me dit uitzicht
+opende: Ik kon kweekeling worden. Dan kostte ik niets en zou zelfs wat
+verdienen: gratis opleiding en vijf gulden in de drie maanden!
+
+ * * * * *
+
+Kweekeling worden. Heerlijk! Nu het me daar zoo onverwacht werd
+voorgesteld, werd ik plotseling gewaar, dat er toch, volkomen onbewust,
+een groote liefde voor het onderwijzerswerk in mij gegroeid was. En dat
+had ik te danken aan den onderwijzer, die ons dagelijks les gaf en die,
+althans in mijn oog, van zijn taak en zelfs van zijn heele verblijf in
+de school, zoo iets behagelijks wist te maken. 't Was de man, die reeds
+den eersten morgen van onze aankomst verrukt was over de mooie namen
+en die met zulk een gezellige ingenomenheid nieuwe rekenboekjes uit de
+kast opdook, wanneer we al weer een rekenboekje uit hadden. Met zoo'n
+beloonende en aansporende blijdschap keek hij de twee volle kanten van
+je lei na, met zoo'n leuke gratie zwierde hij G's door je sommen ten
+teeken dat ze goed waren. Het leek wel voor hemzelf een feest te zijn,
+als hij, de griffel sierlijk in de hand, som na som met zijn zegelmerk
+voorzag, terwijl wij hem met spannende oogjes aankeken, innerlijk
+juichend bij elken gracieusen trek, even inzinkend bij iedere--maar toch
+mooie--streep door een foutieve oplossing.
+
+Wat kon hij 's winters gezellig bij de kachel staan! Dan liep hij
+eerst rustig om de klas heen, wreef zich de koude handen, opende de
+kacheldeur, keek naar 't vuur met dezelfde belangstelling als naar onze
+sommen, greep den pook niet minder sierlijk dan de griffel, en pookte
+zonder ruwe rammelende geluiden, pookte gelijk hij op 't bord schreef,
+netjes en rustig, zoodat zelfs het randje van zijn hagelwitte manchet er
+plezier in had en zich nieuwsgierig verbreedde. Daarna hing hij den pook
+op zijn vaste plaats, draaide zich met den rug naar de kachel, sloeg de
+handen in elkaar op de achterpanden van zijn jas, en koesterde ze te
+gelijk met al de achterdeelen van zijn kleeding en wat daar onder zat.
+Onderwijzer-zijn, je zag het den man aan, was een dagelijksch genoegen.
+Maar ik denk nu, dat hij met hetzelfde genoegen winkelier was geweest.
+Alleen had de natuurlijke gave om zijn heele omgeving gezellig te maken
+hem dan wat meer geld opgebracht. Hij was gansch geen type van een
+verdroogden schoolmeester, nog al rijzig, gezet, kleurig en met
+springende haren. Zijn gezetheid bracht zeker mee, dat hij zomers nog
+al dorstig was. Dan kon hij zoo smakelijk een glas water leegdrinken.
+Eerst hield hij het tegen 't licht, en verkwikte zich met den aanblik
+van het kristalheldere vocht. Daarna dronk hij het met langzame teugen
+op, genietend van iedere aanraking. Zette hij 't glas weer netjes in de
+kast, dan kon je zeker zijn, dat hij nog even, heel even, met het puntje
+der tong langs de lippen streek, navoelend de zachte verkoeling.
+
+Was het wonder, dat het opgroeien onder den stillen invloed van zulk
+een gemoedelijk-vriendelijk onderwijzersleven, bij ons onmerkbaar
+liefde voor dat leven deed ontkiemen? Zóó op 't bord schrijven, zóó de
+griffel hanteeren, zóó je koesteren bij de kachel, zóó een glas water
+savoureeren--je vond het een benijdbaar voorrecht, en thuis deed je met
+welbewuste pogingen dit aanlokkelijk voorbeeld na. Je schoof zelfs een
+afgedankte manchet van je grooten broer onder de mouw van je
+jongenskiel, om te kijken, hoe dat stond, en of die manchet ook zoo te
+voorschijn kwam, als je mouw optrok....
+
+Mijn ouders armoede en het even vriendelijke als wijze voorstel van den
+bovenmeester, deden mij kweekeling worden, maar Uw onbedoeld voorbeeld,
+o Meester, was oorzaak, dat deze overgang mij onmiddellijk als een
+groote verrukking tegen schitterde. Het was de plotseling wakker
+wordende en glorende liefde van een meisje, wanneer »hij" haar gevraagd
+heeft. Zoo'n leventje te hebben! Ook zonder manchetten was het al zalig,
+de griffel, de pook, de kast, de kachel, het glas water, het vredig
+wandelen om de klas--het werd alles mijn deel. En innerlijk juichend
+holde ik dien morgen naar huis.
+
+ * * * * *
+
+Vraag niet, of mijn moeder blij was. Zij zag ineens weer een nieuw
+verschiet. Staande voor een muur van geldelijke verplichting, niet
+wetend waarheen, loste die muur zich als door een toovermiddel op, de
+harde massieve steenmassa vervluchtigde, en daar lag, vóór haar, een
+open weg, ruim, zonnig, onafzienbaar. En nu was haar eerste werk, te
+zorgen, dat de nieuwe kweekeling er, overeenkomstig zijn positie, netjes
+uitzag, eer hij dien weg opwandelde.
+
+De kweekeling was ruim twaalf jaar. Dit nam niet weg, dat hij toch
+aan 't onderwijzen toog. Flauw herinner ik me, dat ik tusschen kleine
+kinderen doorscharrelde en ze lezen leerde. Bizonderheden staan me niet
+meer voor den geest. Alleen weet ik de _plaats_, waar ik mijn eerste
+kommando's uitdeelde. 't Was in het ver-afgelegen achtergedeelte van
+de groote bovenschool. Zoo zijn ook allerlei andere herinneringen uit
+mijn jeugd nauw verbonden aan _terreinen_, en daaruit waag ik het af
+te leiden,--stoute sprong!--dat de landkaart een veel grooter rol
+moet spelen bij ons geschiedenisonderwijs. 't Is mij net, of al de
+herinneringen mijner jeugd, als stofjes door elkaar zouden dansen,
+wanneer ik ze niet gehecht zag aan een stukje aardbodem.
+
+Het kweekeling-spelen bestond hoofdzakelijk uit kommandeeren en
+verbieden. Dit schijnen de eerste uitspruitsels te zijn van meerderheid.
+Je kunt dat bij alle kinderen zien. Wanneer ze schooltje spelen, of
+moedertje, of soldaatje, zijn ze aanstonds zich aan 't oefenen in
+vrijheidsbelemmeren. En je kunt dat ook bij jonge moeders en vaders
+zien. Ook bij jonge onderwijzers en bij bovenmeesters. Beheerscht door
+een geheime angst, dat het gezag hun ontglipt, niet vertrouwd met het
+jonge leven, en er ook niet op vertrouwend, knellen ze het zoo gauw
+en zoo vast mogelijk in banden. Dan blijven ze het meester, en kunnen
+er mee jongleeren als met een ingespeld bakerkind. Zelfs de politiek,
+en treuriger nog, de godsdienst vatten aldus hun opvoedingstaak aan.
+Ze schrijven programma's voor, leggen systemen op, dwingen binnen
+organisatie's, die evenwel meer lijken op dooie vlechtwerken dan
+op levensuitgroeiingen, volgen het militairisme als hun model, en
+zoeken eenvormigheid als hun ideaal. Organiseeren beteekent bij hen:
+recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, regimenten-, bataillons-,
+legermachten vormen. En opvoeden is: den baas spelen.
+
+Zoo begon ik als kweekeling. Menigeen brengt het nooit verder. Die
+sterft als korporaal, als is het onder den naam van legerkommandant.
+Hij blijft de man van bevel en dwang. Daarvoor heeft mij bewaard en
+zal mij immer beschermen--ge zoudt het nooit raden, als ik 't niet
+zei--de straatjongen. Doch niet de straatjongen buiten me, maar die
+_in_ me. Hij, de vrijbuitende, zwerfgrage schavuit, hij leeft nog
+in me. Hij, de altijd langs en over gevaarlijke kantjes gaande, de
+vrijheidminner en vrijheidgunner, hij behoedt me voor gezaggerij.
+Zoodra ik, verantwoordelijk, braaf, ernstig paedagoog, dreig te
+ontaarden in versteening, komt hij te voorschijn, drijft den spot
+met gewichtighedens, en zegt me met de brutaalste oprechtheid, dat
+al die deftigheid maar larie is, dat ik er niets van meen, en dat alle
+anderen in 't diepst van hun ziel er ook niets van meenen. En zoo zorgt
+hij--meester-opvoeder--dat de paedagoog niet in baasspelerij ten onder
+gaat.
+
+Wat een kweekeling later worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit
+zijn eerste keus. Blijft hij met zijn oud-kameraden stoeien en ravotten,
+ondanks zijn lange broek; of sluit hij zich voor goed bij den nasleep
+van de volwassenen aan. In 't laatste geval wordt hij een gezagsman,
+gevoelig voor strepen op de mouw en sterretjes op den kraag. In 't
+eerste geval een vriend van de kinderen. In 't laatste geval wordt hij
+een officieele paedagoog--in 't eerste geval blijft hij een jongen.
+
+ * * * * *
+
+De theoretische opleiding, die ik gratis ontving, was heel eenvoudig. Ik
+kocht bij Ten Brink en De Vries in de Hartenstraat voor vijf cent een
+»Beknopt Overzicht van de Vaderlandsche Geschiedenis door A. A. Holst",
+voor tien cent een »Kort Overzicht van de Algemeene Geschiedenis" van
+denzelfden schrijver, voor nog eens vijf cent de beknopte »Bijbelsche
+Geschiedenis" en zoo ook een beknopte Rekenkunde, Taalkunde,
+Aardrijkskunde. 't Waren dunne boekjes van 32-48 bladzijden, in een
+dun geel of anders gekleurd omslag--ieder overzicht had, meen ik,
+zijn vaste kleur--en bestaande uit een reeks lesjes.
+
+Het eerste lesje ving steeds aan met een beschrijving en indeeling van
+de wetenschap, waartoe het de deur opende: »Geschiedenis of historie
+is het aaneengeschakeld verhaal der lotgevallen van een volk, met
+inachtneming van tijden, plaatsen en personen. Men verdeelt de
+geschiedenis in Algemeene, Vaderlandsche en Bijbelsche geschiedenis."
+
+Ik weet niet of dit citaat woordelijk getrouw is, maar 'k geloof het
+wel. Ver van de waarheid zal het in ieder geval niet zijn.
+
+Dan volgde de opsomming der tijdvakken met de daarbij behoorende
+jaartallen. De Algemeene Geschiedenis kreeg haar Oudheid, Middeleeuwen
+en Nieuwe Geschiedenis, de Vaderlandsche haar vijf tijdperken. Zoo
+begon de Aardrijkskunde na de onmisbare definitie met de opnoeming
+der Werelddeelen. Vervolgens kreeg ieder tijdvak, ieder land zijn
+afzonderlijke behandeling overeenkomstig een vast schema.
+
+Er is, gelijk men ziet, wel eenig onderscheid met de tegenwoordige
+opleiding aan een kweekschool. Een der voordeelen was, dat de boekjes
+goedkoop waren, zoodat men voor 50 cent, zijn heele bibliotheek van
+leerboeken had aangeschaft. Een tweede voordeel, dat ze dun waren,
+zoodat men ze zonder al te veel moeite kon doorkomen. Een derde, dat
+ze de volledige wetenschap bevatten, zoodat men ineens alles wist.
+
+De studiemethode bestond hierin, dat men de lesjes woordelijk uit het
+hoofd leerde en ze daarna opzei voor den lesmeester. »Men kende dan al
+of niet zijn les." Daarmee was 't uit. Leeren was memoriseeren. Zijn les
+opzeggen: een boek oplezen, zonder het boek.
+
+Tegenwoordig moet dat nog hier en daar in de mode zijn, zelfs op
+gymnasia en hoogere burgerscholen. 't Verschil met vroeger zou dan
+wezen, dat nu de boeken talrijker en dikker zijn, en daarmee in
+overeenstemming de ellende ook veel grooter. In plaats van de heele
+aardrijkskunde in misschien 48 bladzijden, krijgen de leerlingen nu
+afzonderlijke boeken voor Nederland, Indië, Europa, de Werelddeelen,
+met een of meer atlassen. En dan maar leeren.
+
+Ik denk er niet aan, mijn hoofdonderwijzer, die zelf een overgroot deel
+onzer opleiding voor zijn rekening nam, hard te vallen over het karakter
+dier opleiding. Eer bewonder ik het, dat hij 's avonds op de avondschool
+nog tijd kon vinden, om onze lessen te overhooren. Maar ik moet wel
+erkennen, dat ik voor mijn geestelijke ontwikkeling, zoo goed als niets
+aan dat lessengeleer te danken heb gehad. En ik acht het dringend
+noodig, dat heel luid uit te spreken, omdat je tegenwoordig waarlijk nog
+menschen hebt en zelfs weer krijgt, die dat memoriseeren aanbevelen,
+ook op wetenschappelijke gronden. Ik heb een opleiding gehad bijna
+uitsluitend van geheugenvulling en ik acht het verloren tijd en
+misbruikte energie, goed voor idioten, omdat die stakkerds niet beter
+kunnen.
+
+Wij moeten elkaar echter goed begrijpen. Ik ben er niet tegen, dat men
+zijn kennis vastlegt en zorgt ze te onderhouden. We studeeren waarlijk
+niet, om weer te vergeten. Er is ook geen bezwaar tegen, enkele feiten,
+of rijtjes woorden of getallen, er machinaal in te stampen. Maar dit is
+iets anders, dan de geheele opleiding in dien toon te zetten. Hóófdzaak
+bij iedere geestelijke ontwikkeling is: _belangstelling wekken_. En met
+de memoriseer-cultuur wordt de belangstelling vermoord. Bij mij althans
+heeft het lang geduurd, eer--dank zij het lessenleeren--ik me voor den
+_inhoud_ dier lessen ging interesseeren. En toen ik daarmee begon, zaten
+me nog die lessen in den weg.
+
+Er zal later nog gelegenheid te over zijn, op dit onderwerp terug te
+komen, wanneer ik ook over mijn jongelingsjaren zal mogen verhalen. Dan
+hoop ik, mede ter leering van hen die naar het oude terug willen, het
+zij al dan niet onder wetenschappelijke, of would be wetenschappelijke
+vlag, eens heel precies te vertellen, wat lijdens- en verstompingskuur
+men ons deed doormaken. Nu, met die boekjes-van-Holst-ontwikkeling, zijn
+we nog pas aan 't begin van de ellende, en daar ik spoedig deze school
+en daarmee deze opleiding verliet, is het nu niet het juiste moment, die
+verderfelijke cultuur met haar heidensche woordenkramerij in al haar
+onvruchtbaarheid en bedriegelijken schijn ten toon te stellen. Dat komt
+later, als God mij het leven en de krachten gunt. Alleen moest ik nu,
+heel even, maar heel ernstig, waarschuwen voor een neiging tot terugkeer
+naar het verkeerde van vroeger. Nieuwe dwaasheden rechtvaardigen geen
+oude.
+
+En nu ik aan die verplichting heb voldaan, volgen de laatste
+herinneringen aan deze school en aan mijn kinderjaren.
+
+ * * * * *
+
+Ik mag tot mijn geluk zeggen, dat ik als twaalfjarig onderwijzer een
+vriendje bleef van mijn oude schoolmakkers en geen collega werd van
+de heeren. Met de jongens ging ik trouwer om dan met de verschillende
+overzichten van Holst, en boven het leeren koos ik het spelen. Dat
+waren voor mijn toekomst geen ongunstige teekenen. Een kind van 12
+jaar, dat graag zijn lessen leert, is geen echt kind en wordt dus ook
+nooit een echt man. Ik wilde wel, dat de ouders in dit opzicht wat meer
+vertrouwen hadden in hun leerafkeerige kinderen. Het is toch ook een
+goed verschijnsel, als de kindermond geen smaak heeft in notedoppen en
+oesterschelpen en de maag die onverteerd afvoert of teruggeeft. Hoe
+zuiverder een kind _kind_ is, hoe meer zijn geest zich verzetten zal
+tegen een zoogenoemd geestelijk voedsel, dat niets anders is dan
+geestelijke cellulose. En kinderen die zulk een krachtige kindernatuur
+bezitten, dat ze, niet brutaal onwillig, maar instinctief onverwinbaar,
+zich verzetten tegen de verkrachting dier natuur, beloven veel voor
+de toekomst. Dat zijn de gezonden, die eenmaal, als de tijd daar is,
+ook krachtige mannen en vrouwen zullen zijn. In dit opzicht heeft de
+wetenschappelijke paedologie schoon gelijk, waar ze beweert dat elke
+leeftijd zijn speciale belangstellingen en belangen heeft, en wordt
+de wetenschappelijkheid van onze grootmoeders recht gedaan, die al
+verklaarden: Mettertijd komt Harmen in 't wammes en Krelis in de broek.
+Met-ter-tijd. Een speelgraag kind heeft groote kans een leer- en
+werkgraag man te worden. Vroege catechismus--late vroomheid.
+
+Wie niet onbekend is met de boekjes van Tuttie[1], herinnert zich
+wellicht, dat daarin een verhaal voorkomt: _De meter van den meester._
+Dit verhaal is in hoofdzaak waar gebeurd. Het dateert uit deze periode.
+
+[1] De vier deeltjes van _Blond en Bruin_, 2e serie »De Wereld in!"
+
+Aan de overzijde van de Bloemgracht, maar een eind verder, was een
+Stadsarmenschool. Daar gingen de »schooiers", met wie we vaak oorlog
+voerden. Er waren geen deftiger scholen in de buurt, die in haar
+meerdere voornaamheid, een voldoende casus belli konden schenken, dus
+moest de »klompenschool" ons maar het krijgsgenot bezorgen. Klompen en
+een stadsschool, het waren inderdaad redenen genoeg, daar behoefde maar
+een geringe aanleiding bij te komen, om het oorlogsvuur te doen
+ontbranden.
+
+We waren weer eens aan 't vechten, en ik was al kweekeling. Inplaats
+van mijn positie hoog, en mijn fatsoen òp te houden, maakte ik van de
+vrijheden, mij als kweekeling toegekend, misbruik. Ik mocht vroeger in
+school--of móést vroeger in school, om voor een en ander te zorgen--en
+haalde de jongens naar binnen, nu wel niet in 't gebouw, maar toch in de
+lange overbouwde gang, die van de Bloemgracht naar 't gebouw leidde en
+die onder gewone omstandigheden was afgesloten door een zware deur.
+
+'t Was nog vóór schooltijd, misschien acht uur, maar overal zwierven
+al troepen jongens van beide partijen. De onzen verzamelden zich om
+de schoolpoort, de vijanden een eind verder op de gracht. De laatsten
+hadden blijkbaar een aanval in den zin en rukten hiertoe langzaam, maar
+zeker, naar onze vesting op.
+
+Wonderlijk. Geen van de twee partijen wou vechten, en toch wilden ze het
+allebei. Niemand zocht de aanraking, en toch zochten we die wederzijds.
+Ieder hoedde zich voor de verantwoordelijkheid van den eersten klap, en
+toch liet hij zich prikkelen en verleiden tot die verantwoordelijkheid.
+Ik weet dit heel, héél goed, en begreep daardoor later zoo gauw het
+wederzijds prikkelen en beschuldigen der vlootvoogden, als ik in mijn
+geschiedenisboeken las, hoe deze niet het eerste schot willen lossen,
+en er toch van verlangen naar brandden. Waarlijk, er is niet zulk een
+reuzenverschil tusschen de veertien- en de veertigjarige jongens. Ze
+zijn van één geslacht.
+
+Er hoopte zich een soort van gemoedselectriciteit op, bij den
+eenen hoop positieve en bij den anderen negatieve, daardoor ontstond
+er een geweldige spanning en moest er een ontlading volgen. Zonder
+deze waren we gebarsten. Het moest bliksemen en donderen, anders kon
+er onmogelijk een neutrale atmosfeer terugkeeren. Dat vechten was een
+natuurverschijnsel in de physisch-ethische wereld. Belangen waren er
+niet mee gemoeid, absoluut niet. Grieven bestonden er alleen in de
+verbeelding en de overlevering. 't Was om de ontlading te doen, en
+nergens anders om. We werden onder onbekende invloeden electrisch en
+máákten ons grieven, die voor het verstand als motieven konden gelden.
+
+Zou het ook mogelijk kunnen zijn, dat de oorlogen tusschen de volkeren
+alleen om belangen _heeten_ te gaan, en dat de belangen slechts worden
+opgeworpen, omdat er oorlogskrachten in de lucht werken? Is het een
+reusachtige zelfverblinding van geheele natiën en spelen geheime,
+geweldige natuurmachten hun spel met de kinderen der menschen?
+
+'t Is slechts een vraag.
+
+Hoe 't zij, wij werden gedrongen tot vechten. Daartoe naderde de vijand
+meer en meer, ieder oogenblik aangroeiend met nieuwe mannen; daartoe
+trokken wij, ook voortdurend versterkt, ons terug in de gang.
+
+Eindelijk was het zoover, dat we de dikke deur moesten sluiten en
+grendelen, en daar brak onmiddellijk de opgehoopte electriciteit los
+in trappen, steenworpen en schreeuwen. De vijand waagde er de hakken
+van zijn schoenen en de klinkers uit de straat aan, al wist hij heel
+goed, dat daarvoor de deur niet bezwijken zou. Zulk een succes zou hij
+waarschijnlijk ook niet begeerd hebben, want wat zou hem de toegang
+hebben gebaat tot een gang, die hij toch niet zou durven binnendringen?
+Daar in die donkere engte, in dat diepe hol, zou hij zich nooit wagen,
+maar niettemin moest hij de deur bombardeeren, louter om den woesten
+wellust van het bombardement, de zaligheid der uitbarsting! Geen berg
+kan met heeter drift zijn gloeiende steenen uitspuwen, als dit jeugdig
+menschdom zijn woede!
+
+Wij, in de donkere gang, beefden van gekrenktheid, haat, strijdlust.
+Soms stonden we doodstil, luisterend naar het tieren der wilde bende,
+dan weer dwaalden we onrustig rond, zinnend op wraak. Zeker, we waren
+veilig, maar veiligheid is voor een edel krijgsmanshart niet genoeg.
+»Kom er uit, als je durft!" jouwden ze daar buiten. En die tergende
+uitdagingen joegen ons het bloed naar de wangen. Veiligheid is mooi
+voor vrouwen en kinderen maar wij dorstten naar de triomf! Triomfeeren
+moesten we op dien tierenden troep! Nooit zouden we den smaad kunnen
+dragen, dat we uit lafheid ons hadden schuil gehouden! Liever het leven
+gewaagd, dan veilig in de vernedering! Liever met eere te sneven, dan in
+schande te leven!
+
+We zochten een middel om de verloren positie te herwinnen, en beraamden
+een uitval. Plotseling zouden we de deur openen, schreeuwend naar buiten
+rennen en onvervaard op den vijand losstormen. Maar dan moesten we
+een wapen hebben, een flinken stok, om er op in te houwen. Nu wist
+ik raad, ik, de kweekeling. Ik ging naar binnen, haalde een meter, een
+vierkanten, die bij 't onderwijs dienst moest doen, en hield dien als
+een slagzwaard in de vuist.
+
+Nog steeds beukte de vijand op de onbeweegbare deur. Hadden ze een mast
+bezeten, ongetwijfeld hadden ze de Watergeuzen nagevolgd en de poort
+van Den Briel gerammeid. We stonden, saamgedrongen, vlak bij de deur.
+Voorzichtig schoof ik den grendel weg, bang dat men het buiten hooren
+mocht. Toen trok ik het slot terug en draaide met een ruk de deur wijd
+open.
+
+De vijand schrok. Hij deinsde. Van dat oogenblik maakten we gebruik.
+Zwaaiend met den meter rende ik er op in, aanstonds gevolgd door de
+heele bezetting. Schreeuwend en gillend waagden we ons midden in de
+massa: een handjevol dapperen tegen de overmacht. En we zouden ze wel
+verjaagd hebben, vooral omdat daarginds bijstand voor ons opdaagde en de
+vijand dan tusschen twee vuren zat, als maar niet een noodlottig ongeval
+ons met één slag beroofd had van ons wapen, ons élan en onze
+waardigheid.
+
+Ik sloeg met blinde woede in 't rond en raakte zoo niet een vijand, maar
+de houten paal van een hek. Door dien slag brak de meter in tweeën, het
+eene eind hield ik in de hand, en het andere vloog de lucht in.
+
+Een ontzettend gejouw ging onder de vijanden op, een van hen wist
+spoedig het weggevlogen stuk te bemachtigen, en nu renden ze weer op ons
+toe.
+
+Grooter ongeluk had ons niet kunnen treffen. Verlamd van schrik trokken
+we ons snel terug en hadden nog juist tijd de deur te sluiten. Toen
+stonden we daar, vernederd, machteloos, in de donkere gang, zonder
+eenige hoop op herwinning van het terrein, en met het overblijfsel
+van den meter in de hand. 't Was bitter treurig.
+
+Eerst toen de onderwijzers kwamen, trok de vijand langzamerhand af.
+
+Het stuk meter legde ik op de plaats, waar ik den heelen vandaan had
+gehaald. Maar daarmee was de zaak natuurlijk niet afgeloopen. In den
+loop van den morgen werd ik in 't kamertje geroepen, moest daar alles
+opbiechten, en meneer de kweekeling kreeg, behalve een duchtig standje,
+den last voor een nieuwen meter te zorgen, met welken last hij--waar
+moest hij er anders mee heen?--zijn lieve moeder bezwaarde.
+
+Gelukkig verdiende ik geld. Toen ik na beëindiging van het eerste
+kwartaal twee rijksdaalders kreeg--ik weet nog, dat ik ze ontving--holde
+ik naar huis en was zalig, dat ik mijn lieve moeder ook met dien last
+bezwaren mocht.
+
+ * * * * *
+
+En nu komt er tot slot iets veel ergers dan het breken van den meter.
+
+Een vriend van ons huis was gymnastiek-onderwijzer aan een stadsschool.
+Hij vertelde dat het »aan de stad" zooveel beter was dan op een
+bizondere school en spoorde mijn ouders aan, mij op een stadsschool te
+doen; dan verdiende ik meer, ontving beter opleiding, en had mooier
+toekomst.
+
+Hij deed dat met de beste bedoelingen. Mijn ouders gaven gevolg aan zijn
+raad en ik kwam op een stadsschool. Zij meenden ook er goed aan te doen.
+En toch.... altijd is mij een gevoel bijgebleven, dat we ondankbaar
+hebben gehandeld tegenover de school op de Bloemgracht. De meester had
+ons het achterstallige schoolgeld kwijtgescholden, mij tot kweekeling
+gepromoveerd voor de klas, en aan 't geldverdienen gezet, en nu werd die
+vriendelijkheid aldus beantwoord.
+
+Mijn heele leven, telkens als ik daaraan dacht, voelde ik dit als
+trouwbreuk, en ook nu nog, terwijl ik het feit vertel, schaam ik mij.
+Dat had de meester niet verdiend.
+
+Het breken van den meter heeft me nooit gehinderd, wel het breken met de
+school. En toch heette het eerste een verregaand brutale daad en was het
+laatste in ieders oog niet slechts geoorloofd, maar zelfs heel
+verstandig. Men mag zijn belang toch wel behartigen?
+
+Ik kon mijn ouders niet hard vallen over hun handelwijze. Zij worstelden
+zoo om het hoofd boven water te houden, dat iedere jaarwedde-verhooging
+hun reeds welkom was. En dan de toekomst van hun jongen! Maar voor
+mijzelf heb ik steeds het gevoel gehad, dat ik iets tegenover die school
+had goed te maken.
+
+Wat is dat voor een gevoel? Vanwaar komt het? En waarom hindert het een
+mensch?
+
+Zoo is het einde mijner jeugdherinneringen een zelfverwijt....
+
+Maar dit mag mijn laatste woord niet wezen, gelijk ik hoop, dat het ook
+ons laatste levenswoord niet zij.
+
+
+
+
+SCHOONSTE VRUCHT.
+
+
+ _Aan mijn ouders._
+
+ Mijn laatste woord, een woord van dankende herdenken
+ Voor Ouderzorg zoo teer en trouw, in leed zoo groot.
+ Een jeugd van armoe, ziekte en worstlen--zaalge nood!--
+ Zij kon mij in Uw min slechts rijker zegen schenken.
+
+ Ik ben niet jong meer. Langzaam nadert reeds de Dood.
+ Ik zie zijn vinger al van verre vriendlijk wenken.
+ Mijn kindren trouwen--straks speelt er aan Grootvaêrs schoot
+ Een kleinkind--ai, wat dát een achtbaarheid zal schenken!
+
+ En toch, ik voel me nog Uw kind, Uw dankbaar kind,
+ Gezegende Ouders, eens met heel mijn hart bemind,
+ En trots Uw sterven immer om en met mij levend.
+
+ Uw kind, al grijst mijn haar en trilt mijn hand.
+ Dat is Uw werk: Gij hebt die liefde in 't hart geplant,
+ Thans rijpste, schoonste vrucht in dankbre liefde gevend.
+
+
+
+
+_Naar 't oud te-huis._
+
+
+ Aan mijn broeder en zuster.
+
+ _Ons oud te-huis, 't lag overgroeit van dicht gebladert,
+ Verborgen in het bosch van 't stil verleden.
+ Toen zijn wij samen eerbiedvol genaderd,
+ En zijn heel zacht zijn kamers ingetreden._
+
+ _'t Was alles nog als vroeger.... Maar wat deden
+ Die vele vreemden, daar met ons vergaderd?
+ Waartoe had ik hen op bezoek gebeden,
+ 't Intieme plekje met nieuwsgierigheid dooraderd?_
+
+ _»Komt allen binnen!" noodde een vriendelijke mond,
+ »De kinderen en ook zij die niet mijn kindren heeten."
+ Dat was wel Moeders toon en Moeders geest._
+
+ _Zij leefde nog. Eén woord--'k herkende haar terstond,
+ Zij die van onderscheid nooit kon of wilde weten,
+ Voor vreemd en eigen bei, steeds Moeder is geweest._
+
+
+
+
+NASCHRIFT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
+
+
+»In mijn jeugd heb ik veel hooren spreken over Oom Kuyper, die toen
+reeds overleden was, maar wiens nagedachtenis in onze familie in hoog
+aanzien werd gehouden als van een oprecht christen. Hij was hoofd van
+een school op de Lindegracht. Zijn weduwe, de jongste zuster van mijn
+vader, overleed in 1895 te Utrecht.
+
+Naar alle waarschijnlijkheid zijn dat de personen over wie u schrijft
+op pag. 20, 55 en 56. Zelfs het hondje komt uit. Ik herinner mij, dat
+mijn moeder met afkeer sprak over »Jenny" van tante Lena, die zoo
+afschuwelijk kefte.
+
+Ik ben in het bezit van een portret van beiden, en gerekend naar de
+vriendelijke wijze waarop u over hen schrijft, vermoed ik dat u er
+prijs op zult stellen die portretten eens te zien."
+
+ * * *
+
+Dezen brief ontving ik 23 Januari 1914.
+
+De portretten waren bij den brief ingesloten en ik mocht ze een
+maand lang behouden. Ze hebben die maand, dag aan dag bij me gestaan.
+Herhaaldelijk heb ik ze met liefde en groote aandacht beschouwd, mij
+daarbij geheel verliezend in het verleden. Maar ofschoon het portret,
+met die zachte, vriendelijke oogen en gelaatstrekken, zeker sprekende
+gelijkenis toonde, ik herinnerde mij geen enkele uiterlijkheid, en
+herkende mijn meester niet. Wel begreep ik, dat de uitdrukking van
+zijn gelaat zoo had moeten zijn, maar verder kon ik het niet brengen.
+
+Dit is een ervaring, waarmee de opvoeding haar voordeel kan doen. Als
+kind van 7, 8, 9, 10 jaar heb ik dien meester dagelijks gezien en mijn
+geest heeft geen duurzaam beeld van zijn uiterlijk opgenomen. Ik heb
+echter met hem verkeerd en mijn gemoed heeft een zeer juist beeld van
+zijn innerlijk gevormd en bewaard. Immers: Ik voelde in hem een waar
+christen, en thans, jaren later, komt een neef mij bevestigen, dat die
+indruk volkomen zuiver was.
+
+_Kinderen voelen ons innerlijk._
+
+Ziedaar de waarheid, die uit dit feit tot ons spreekt. En daarom:
+bedrieg u niet. Speel geen komedie met de jeugd, verwacht niet dat de
+kinderen uw innerlijke gezindheid niet zullen opmerken, omdat ze maar
+kinderen zijn. Zij photografeeren in de camera obscura van hun hart uw
+gemoed veel helderder en nauwkeuriger, dan hun oog uw uiterlijk ziet, en
+in dat hart bewaren ze het voornaamste deel van uw persoonlijkheid, niet
+het steeds veranderend uiterlijk, maar het zichzelf gelijk blijvend
+innerlijk.
+
+ * * *
+
+Treffend wordt deze opmerking bevestigd door een tweeden brief, dien ik
+21.2.1914 ontving:
+
+»Toen onze nieuwe pastorie hier werd gebouwd, moesten we 'n tijd in
+pension te D. en woonden toen naast 'n emeritus-predikant Beekman. Deze
+vertelde mij in dien tijd van z'n jeugd en ziedaar, nu had u van zijn
+vader, den koekbakker, nog onderwijs gehad. Toen ik uw boek had gelezen,
+heb ik hem dadelijk geschreven, dat hij het portret van zijn vader moest
+koopen. En 'n paar weken geleden, er een bezoek makende, vertelde mij
+z'n dochter, ook zich haar grootvader nog zeer goed te herinneren en
+diens liefde voor kinderen."
+
+Die liefde voor kinderen had ik dus als kind weer zuiver gevoeld.
+
+Nog vele en zeer hartelijke brieven hebben mijn »Jeugdherinneringen"
+me bezorgd, van oude vrienden en buurmeisjes, die alles bijna geheel
+onderschreven, en van vreemden, die in mijn verleden, hun eigen verleden
+herleefd zagen. Hoe velen hebben mij verteld, dat hun vader dezelfde
+zwakheden en beminnelijkheden had als de mijne!
+
+Een der brieven maakte melding van een bizonder opmerkelijke
+overeenkomst. »Zelfs", heette het, »heb ik hetzelfde kindergebedje
+'s avonds opgezegd, en de regel, dien u vergeten hebt, luidde: Ach,
+vergeef mij al mijn zonden!"
+
+Inderdaad, zoo was het, en het is schandelijk, dat juist die regel me
+ontschoten was, waar ik zoo dringend noodig had, om die vergeving van
+»al mijn zonden" dagelijks te bidden.
+
+Gelukkig, dat de verlorene me teruggebracht is, want zulke regels kan
+een mensch eigenlijk nooit missen.
+
+ Mei 1914.
+
+
+BIJ DEN DERDEN DRUK.
+
+En nu ontving ik sedert weer vele vriendelijke uitingen van
+belangstelling. Een dezer wil ik, en mag ik, hier opnemen.
+
+Mej. J. M. van Schelven schreef me 30 Augustus 1914 uit Amsterdam o. a.:
+»Eén passage trof mij vooral. 't Was daar, waar U het hadt over een
+zekeren Mijnheer Sanders, die op de Heeren- of Keizersgracht woonde en
+die Uw Moeder enkele malen heeft mogen bijstaan. Die Mijnheer Sanders
+was mijn Grootvader. Hij woonde Heerengracht 568. Moeder vertelt ons
+vaak, dat Grootvader zoo bizonder milddadig was. Zoo weet Moeder zich
+nog te herinneren, dat elken Maandagochtend de gang van het benedenhuis
+vol menschen stond, die door hem geholpen werden. Ook was hij van een
+zeer melancholieke, zwaarmoedige natuur. Dit klopt alles merkwaardig met
+wat U over hem schrijft."
+
+Bij lezing van dit briefje, was ik dubbel blij, dat ik den naam van
+den Heer S. genoemd had: niet alleen omdat mijn herinneringen nu een
+nieuwe bevestiging ontvingen, maar bovenal omdat ik nu een woord van
+erkentelijke liefde heb kunnen wijden aan de nagedachtenis van een braaf
+man, onverplichte en daarom te meer ongeveinsde hulde.
+
+Mej. van Schelven merkt nog op: »Ik denk, dat Moeder het ook wel aardig
+zal vinden, dat iemand zoo over haar Vader schrijft."
+
+Terecht. Hoe heerlijk, als onze Ouders aldus nog na hun verscheiden
+gezegend worden. We zouden ons bijna inspannen.... onzen kinderen ook
+dat geluk te verzekeren.
+
+ Nov. 1914. Jan L.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ De bewaarschool 1
+ De eerste lagere school 19
+ Tusschen school en huis 42
+ In huis 59
+ In huis (_vervolg_) 78
+ Nog in huis 95
+ Straatjongen 118
+ Nog straatjongen 133
+ Nóg straatjongen 149
+ Kinderkerk en zondagsschool 166
+ Verandering 182
+ De tweede lagere school 198
+ Goede school 214
+ Jordaanpaedagogiek 228
+ In 't nieuwe huis 240
+ Van een vloek een zegen 251
+ In een nette buurt 266
+ Moeder vertelt 282
+ Ik word kweekeling 301
+ Schoonste vrucht 320
+ Naar 't oud te-huis 321
+ Naschrift bij den tweeden druk 322
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------+
+ | |
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: twee dochters Juffrouw Fietje, |
+ | C: twee dochters, Juffrouw Fietje, |
+ | B: »Geef eerst je pet hier.' ' |
+ | C: »Geef eerst je pet hier." |
+ | B: dan »de Schoolstrijd--spreken |
+ | C: dan »de" Schoolstrijd--spreken |
+ | B: »op-en neer donderen" |
+ | C: »op- en neer donderen" |
+ | B: vast uur, hoor hij dat |
+ | C: vast uur, hoort hij dat |
+ | B: Vondel zou zeggen: Sluit voor |
+ | C: Vondel zou zeggen: »Sluit voor |
+ | B: Vader sloeg uit drift Je |
+ | C: Vader sloeg uit drift. Je |
+ | B: aardappels 's middag's van den schotel |
+ | C: aardappels 's middags van den schotel |
+ | B: de echte paedegoog. »Zoo stijf |
+ | C: de echte paedagoog. »Zoo stijf |
+ | B: ons bij 't vertrek? Dank u wel, |
+ | C: ons bij 't vertrek. »Dank u wel, |
+ | B: een doodziek kind, een sterzende zieke |
+ | C: een doodziek kind, een stervende zieke |
+ | B: vaste plaatsje, in de Eglantierstraat, |
+ | C: vaste plaatsje, in de Eglantiersstraat, |
+ | B: onze nagalmen het schermerduister in. |
+ | C: onze nagalmen het schemerduister in. |
+ | B: Bij juffrouw Gotman van de eerste |
+ | C: Bij juffrouw Gottman van de eerste |
+ | B: niet meer. Die »verzamelingen» kwamen na en |
+ | C: niet meer. Die »verzamelingen" kwamen na en |
+ | B: dat--door ,t _werken_--in |
+ | C: dat--door 't _werken_--in |
+ | B: school, dan dit ik het hier |
+ | C: school, dan dat ik het hier |
+ | B: Ton nom soit sanctifiè. |
+ | C: Ton nom soit sanctifié. |
+ | B: dat deze overgang mij onmiddelijk als een |
+ | C: dat deze overgang mij onmiddellijk als een |
+ | B: recruteeren, reglementeeren disciplineeren, |
+ | C: recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, |
+ | B: worden zal, kun je onmiddelijk afleiden uit |
+ | C: worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit |
+ | B: nog die lesseen in den weg |
+ | C: nog die lessen in den weg |
+ | |
+ +------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN ***
+
+***** This file should be named 31107-0.txt or 31107-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/1/1/0/31107/
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that:
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
diff --git a/31107-0.zip b/31107-0.zip
new file mode 100644
index 0000000..eb57228
--- /dev/null
+++ b/31107-0.zip
Binary files differ
diff --git a/31107-h.zip b/31107-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..3dde7c5
--- /dev/null
+++ b/31107-h.zip
Binary files differ
diff --git a/31107-h/31107-h.htm b/31107-h/31107-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..1be81ea
--- /dev/null
+++ b/31107-h/31107-h.htm
@@ -0,0 +1,9292 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" />
+<meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+<title>The Project Gutenberg eBook of Jeugdherinneringen, by Jan Ligthart</title>
+<link rel="coverpage" href="images/cover.jpg" />
+<style type="text/css">
+
+ body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;}
+
+ h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; font-size: 225%;}
+ h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 4em; margin-bottom: 1em; font-size: 100%;}
+ h3 {text-align: center; clear: both; margin-top: 3em; font-size: 125%;}
+
+ h2.subtitel {margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1em; font-size: 75%;}
+
+ p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em; text-align: justify; text-indent: 1em;}
+ p.noi {text-indent: 0em;}
+ p.tp {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em; text-align: center; text-indent: 0em;}
+ p.tbhoog {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: 10%; margin-right: 10%;
+ text-align: center; vertical-align: 0.8em; text-indent: 0em;}
+ .tblaag {vertical-align: -0.8em;}
+
+ div.titel {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em; text-align: center;}
+ div.uitgever {margin-top: 6em; margin-bottom: 3em; margin-left: auto; margin-right: auto; width: 32em;
+ text-align: center; font-size: 75%; padding-top: 1.5em; border-top: 1px dotted black;}
+ div.drukker {margin-top: 6em; margin-bottom: 6em; margin-left: auto; margin-right: auto;
+ text-align: center; font-size: 67%; width: 25em; padding-top: 1.5em; padding-bottom: 1.5em;
+ border-bottom: 1px dotted black; border-top: 1px dotted black;}
+ div.pillo {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em; text-align: justify; text-indent: 1em;}
+ div.inhoud {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;}
+
+ hr {width: 33%; clear: both;
+ margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; margin-left: auto; margin-right: auto;}
+ hr.tb {border-style: none;}
+ hr.fnsep {width: 10%; text-align: left; margin-top: 0.5em; margin-left: 0; margin-right: 0;}
+ hr.chend {width: 15%;}
+
+ .pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */
+ /* visibility: hidden; */
+ position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right;
+ font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal;
+ letter-spacing: normal; color: #888888;}
+ span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";}
+
+ /* TABLES */
+ table {margin-left: auto; margin-right: auto;
+ padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;}
+ td.tdl {text-align: left; padding-left: 0.5em; padding-right: 5em;}
+ td.tdr {text-align: right; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;}
+
+ /* ALIGN */
+ .right {text-align: right;}
+ .i1 {text-indent: 1em; text-align: left;}
+ .ri2 {padding-right: 2em; text-align: right;}
+ .floatleft {float: left;}
+
+ .mixcap {font-variant: small-caps;}
+ .g {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-style: normal;}
+ ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;}
+
+ /* IMAGES */
+ .figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+ /* FOOTNOTES */
+ .footnote {margin-left: 5%; margin-right: 5%; font-size: 0.9em;}
+ .footnote .label {position: absolute; right: 89%; text-align: right; text-decoration: none;}
+ .fnanchor {vertical-align: super; font-size: 0.8em; text-decoration: none;}
+
+ /* POETRY */
+ .poem {margin-left: 10%; margin-right: 10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem .stanza2 {margin: 1em 0em 1em 0em; text-align: center;}
+ .poem .stanza3 {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto;}
+
+ .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i1 {display: block; margin-left: 1em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i6 {display: block; margin-left: 6em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.ri1 {display: block; margin-right: 1em; padding-left: 3em; text-indent: -3em; text-align: right;}
+
+ .size75 {font-size: 75%;}
+ .size120 {font-size: 120%;}
+ .size150 {font-size: 150%;}
+
+ /* Transcriber Note */
+ .TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; border: 1px solid; padding: 1em;
+ background-color: #dddddd; font-family: sans-serif; font-size: 90%;}
+ .TNbox h1 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0;}
+ .TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;}
+ .TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;}
+ .TNbox th {text-align: left;}
+ .TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;}
+ td.td2 {width: 20%;}
+ td.td4 {width: 40%;}
+
+ </style>
+</head>
+
+<body>
+
+<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold;'>The Project Gutenberg eBook of Jeugdherinneringen, by Jan Ligthart</div>
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
+at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
+are not located in the United States, you will have to check the laws of the
+country where you are located before using this eBook.
+</div>
+<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Jeugdherinneringen</div>
+<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Jan Ligthart</div>
+<div style='display:block;margin:1em 0'>Release Date: January 28, 2010 [eBook #31107]<br />
+[Most recently updated: November 22, 2021]</div>
+<div style='display:block;margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
+<div style='display:block;margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
+<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Branko Collin and the Online Distributed Proofreading Team</div>
+<div style='margin-top:2em;margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN ***</div>
+
+<div class="TNbox">
+
+ <h3>Opmerkingen van de bewerker</h3>
+
+ <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling.
+ Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p>
+
+ <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.</p>
+
+ <p>De voetnoten zijn naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.</p>
+
+ <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een
+ <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>,
+ waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.<br />
+ Variaties in spelling (met/zonder trema, met/zonder afbreekstreepje) zijn behouden.</p>
+
+ <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan
+ <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p>
+
+ <p>Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn
+ dat deze links voor u niet werken.</p>
+</div>
+
+<div class="figcenter" style="width: 535px;">
+<img src="images/cover.jpg" width="535" height="720" alt="" title="" />
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="i"></span><a id="p_i"></a></p>
+
+<h3>JEUGDHERINNERINGEN.</h3>
+
+<p><span class="pagenum" title="ii"></span><a id="p_ii"></a><br />
+<span class="pagenum" title="iii"></span><a id="p_iii"></a><br />
+<span class="pagenum" title="iv"></span><a id="p_iv"></a></p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 566px;">
+<img src="images/frontispiece.jpg" width="566" height="720" alt="foto Jan Ligthart" title="" />
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="v"></span><a id="p_v"></a></p>
+
+<div class="titel">
+
+<h1>JEUGDHERINNERINGEN</h1>
+
+<p class="tp size75">VAN</p>
+
+<p class="tp size150">JAN LIGTHART.</p>
+
+<p class="tp size75">ACHTSTE DRUK.&mdash;VOLKSUITGAVE.</p>
+
+<div class="uitgever">BIJ J. B. WOLTERS' U. M.&mdash;GRONINGEN, DEN HAAG, 1922.</div>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="vi"></span><a id="p_vi"></a></p>
+
+<div class="drukker">BOEKDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="1"></span><a id="p_1"></a></p>
+
+<h2 id="DE_BEWAARSCHOOL">DE BEWAARSCHOOL.</h2>
+
+<p>Van mijn eerste levensjaren weet ik alleen iets door mededeelingen
+mijner moeder. Zij hield er van, ons veel te vertellen van haar eigen
+jeugd en ook van onze eigen lotgevallen. Daardoor weet ik, dat ik in een
+koekwinkel geboren ben&mdash;'t zal wel geweest zijn in de bedstede van de
+huis- en slaapkamer achter den koekwinkel&mdash;; dat ik een oude, deftige
+baker heb gehad, Baker Zandbrink, die alleen voorname diensten aannam,
+maar mijn moeder grootendeels uit vriendschap hielp; dat mijn tante
+Hendrika zoo dol op me was, dat ze altijd met me uit wou, en ik dan op
+haar arm zat te springen, en dat ze dan trotsch op me was, omdat de
+menschen me zoo'n mooi kind vonden; en dat ik mijn moeder driemaal een
+doodschrik op 't lijf heb gejaagd, door eenmaal van een hooge trap te
+vallen, een ander maal een erwt hoog in mijn neus te werken, en een
+derden keer een haaknaald in mijn keel te steken, zoodat niemand het
+geweerhaakte ding er uit kon halen, dan alleen de dokter, naar wien mijn
+moeder in haar angst met mij heen vluchtte. 'k Heb een flauwe
+herinnering, dat ik ook nog eens uit een fleschje terpentijn heb
+gedronken, maar dat weet ik niet precies meer.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="2"></span><a id="p_2"></a></p>
+
+<p>Natuurlijk vertel ik deze dingen niet, omdat ze ook maar eenigermate
+belangrijk zouden zijn, maar alleen om te doen uitkomen, welke
+mededeelingen in mijn geheugen zijn gebleven. Duizend andere dingen
+heeft mijn moeder me zeker ook verteld, die ik nu totaal vergeten ben.
+En terwijl ik de namen van allerlei dingen en menschen, die ik later in
+'t geheugen prentte, met moeite vasthield en vaak weer losliet, is de
+naam van Baker Zandbrink, ofschoon nooit opzettelijk geleerd en
+gerepeteerd, ofschoon zeker in meer dan veertig jaren niet bewust
+geworden, mij steeds in alle stilte blijven vergezellen. Jammer, dat men
+in zulke namen niet geëxamineerd wordt: daar gebruikt de beschaving
+andere namen voor, die niet zoo dicht bij het kind liggen.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Mijn persoonlijke herinneringen gaan terug tot mijn derde of vierde
+jaar, tot mijn bewaarschool-periode. Ik ben achtereenvolgens op twee
+bewaarscholen geweest, waarvan ik mij enkele hoofdzaken nog goed kan
+voorstellen.</p>
+
+<p>We woonden toen te Amsterdam in een kruidenierswinkel. Het hooge huis
+stond op den hoek van de Eglantiersgracht en de derde
+Eglantiersdwarsstraat. Van dat huis en de omgeving, van de geheele buurt
+weet ik nog bijna alles. Maar we hebben er ook zes à acht jaar gewoond,
+dus kan ik niet nagaan, uit welken leeftijd die beelden dagteekenen. De
+<span class="pagenum" title="3"></span><a id="p_3"></a>bewaarschool, althans de eerste, heb ik alleen in mijn derde of vierde
+jaar gezien, later niet meer, en ik weet nog precies, dat er binnen een,
+naar mijn meening, <i>groote</i> ruimte was, waar heel veel kinderen
+zaten&mdash;van de banken weet ik niets meer af&mdash;en dat aan 't eind van die
+ruimte een houten trapje naar een verhooging voerde, waarop, onder 't
+koffiedrinken, de juffrouw plaats nam aan een tafeltje. Ik heb nu nog
+den indruk, dat die juffrouw van haar hooge zitplaats ons heele rijk
+overzag en we dus niets ongerechtigs konden doen.</p>
+
+<p>Van 't leeren weet ik niets meer, noch van vertellingen, noch van
+versjes. Mijn geheele leven in die school wordt vertegenwoordigd door
+maar één beeld: het koffieuurtje. De kinderen zitten omlaag, de juffrouw
+omhoog. Eer we beginnen te eten, roepen alle kinderen in dreuntoon:
+&bdquo;Smakelijk eten, juffrouw Mina!&rdquo; en de juffrouw antwoordt uit haar
+hoogte met vriendelijke bewaarschooljuffrouwstem, wat hoog van klank en
+zeer te-gemoet-tredend van toon: &bdquo;Smakelijk eten, kindertjes!&rdquo; Na afloop
+van het boterham-eten zeggen de kinderen: &bdquo;Welvolkomen, juffrouw Mina!&rdquo;
+Waarschijnlijk: &bdquo;Wel bekome 't u, juffrouw Mina!&rdquo; Maar in mijn ooren
+hoor ik nog thans het zeurend gezang van het heele kinderkoor:
+&bdquo;Welvolkomen, juffrouw Mina!&rdquo; En daarop weer de hooge, inborend
+welwillende stem van de juffrouw: &bdquo;Welvolkomen, kindertjes!&rdquo;</p>
+
+<p>Er is zeker wel gebeden en gedankt in de bewaarschool, ook gezongen,
+maar ik weet er niets meer van. En ik vermoed, dat ik die
+koffietafel-beleefdheden <span class="pagenum" title="4"></span><a id="p_4"></a>alleen onthouden heb, doordat mijn oudere
+broers er mij thuis vaak mee plaagden. Die riepen telkens op zeurenden
+kindertoon en dan weer met piepende juffrouwen-stem door 't huis
+spottend na, wat daar in de bewaarschool zoo goed bedoeld en ernstig
+uitgevoerd werd. En zoo zijn zeker de fatsoenlijke manieren, die
+juffrouw Mina er bij ons inbracht, niet bewaard gebleven door haar
+welmeenenden ernst, maar door de onbarmhartige vroolijkheid van een paar
+ongevoelige spotters. Ik herinner me nog goed, dat die bespotting mij
+hinderde en wat pijn deed. De zaak was voor mij iets ernstigs, misschien
+alleen door den plechtigen dreun, maar toch, ze was met een ernstige
+stemming door mijn kindergemoed verweven, en ik voelde het als pijn,
+wanneer in dat weefsel gescheurd werd.</p>
+
+<p>Den weg naar deze bewaarschool zie ik nog voor me. Eerst uit de
+huiskamer een trapje af naar den winkel. Dan den winkel door. Over de
+platte blauwe stoep. Nu op straat. Aanstonds de hooge brug over, die&mdash;we
+woonden immers op een hoekhuis&mdash;bijna vlak voor 't huis lag. En dan
+rechtsaf, de &bdquo;gracht&rdquo; op, dat is eigenlijk de kade langs de gracht. Bij
+'t woord gracht dachten wij nooit aan 't gegraven water, maar altijd aan
+de beide wegen ter weerszijden er van. Iemand woonde in onze taal nooit
+&bdquo;aan&rdquo;, maar op de gracht. De bewaarschool lag dus aan de overzijde van
+de gracht, rechts van de brug. Ik zie die &bdquo;kleine steentjes&rdquo; nog, het
+voetpad van klinkers, waarop we altijd liepen, vlak langs de stoepen der
+<span class="pagenum" title="5"></span><a id="p_5"></a>huizen. De &bdquo;groote steenen&rdquo;, de keien, lagen daarnaast, op den rijweg.
+Wanneer we naar school gingen, kregen we altijd de waarschuwing mee: &bdquo;Op
+de kleine steentjes loopen, hoor!&rdquo; en dan liepen we, dikwijls hand aan
+hand, op de kleine steentjes naar school, nadat mijn oudste zuster ons
+eerst de brug over had gebracht.</p>
+
+<p>Om in school te komen, moesten we van de gracht af eerst een poortje en
+een met klinkers bestrate gang door. Hoe we uit die gang in 't
+schoollokaal kwamen, weet ik niet meer. Ik zie alleen de gang, en dan,
+zonder tusschenschakels, de schoolruimte met de hooge tribune voor
+Juffrouw Mina, deftiger genoemd: Mejuffrouw Gottman. Ook háár naam heeft
+in mijn geheugen een onvervreemdbare plaats.</p>
+
+<p>Die weg naar school is voor mij éénmaal een kruisweg geweest. Niet door
+de school, want van die school herinner ik me niets onaangenaams.
+Maar....</p>
+
+<p>Vóór mijn zesde jaar leed ik eenigen tijd aan bedwateren. Er zijn ook
+thans nog kinderen, die daaraan lijden. Daarom wil ik nauwkeurig mijn
+herinneringen betreffende die &bdquo;ziekte&rdquo; vertellen. Wellicht helpt het
+hen.</p>
+
+<p>Ik geloof niet, dat mijn ouders, broers en zusters het toen voor een
+ziekte of een zwakte aanzagen. Sterk heb ik nog den indruk, dat men het
+mij als iets schandelijks verweet. Nog hoor ik me boos toevoegen:
+&bdquo;Leelijke pis-in-bed.&rdquo; En daarbij voelde ik mij zoo hulpeloos schuldig.</p>
+
+<p>Men scheen te denken, dat ik uit luiheid maar in <span class="pagenum" title="6"></span><a id="p_6"></a>bed bleef liggen. Als
+ik maar niet zoo lui was, zou ik wel opstaan. Heel zeker weet ik echter,
+dat het niet zoo was. En dat weet ik zoo bizonder zeker door een droom,
+dien ik nooit vergeten ben.</p>
+
+<p>Op de bewaarschool bij Juffrouw Mina was er voor de kleine jongetjes
+geen urinoir. Die moesten maar, op een binnenplaatsje, in een vierkant
+steenen putje wateren, dat waarschijnlijk in een riool uitliep. Nu
+droomde ik op een keer, dat ik bij dat steenen putje stond, maar er lag
+een groen geverfd houten deksel op. Ik moest toch zoo erg, maar ik
+durfde niet, om dat mooie, groene deksel. Maar ik kon het niet meer
+tegenhouden, en toen het eenmaal gebeurd was, werd ik met een schrik
+wakker. Een oogenblik was ik wanhopig en toen kroop ik diep weg onder de
+dekens, om me te verstoppen tegen de schande die straks weer zou
+losbreken.</p>
+
+<p>Uit dit tijdperk heb ik herinneringen van diepgaande smart. Het maakte
+mij schuw en angstig. Er was geen vertrouwelijkheid tusschen de anderen
+en mij. Ik voelde mij een eenling, maar niet een prinsje, verdwaald
+onder menschen van de straat. Eer zoo iets als een ziek hondje, dat
+overal wegkruipt en dan nog uit de veilige hoekjes wordt weggeschopt.
+Nog zie ik dat kleine jongetje 's morgens in zijn nat hemdje rondloopen
+en hoor ik den grauw van deze of gene: &bdquo;Ga weg, stinkende pis-in-bed.&rdquo;</p>
+
+<p>Nu moet men niet denken, dat mijn gezinsleden zoo harteloos waren. Wel
+het tegendeel. Ik had mijn moeder héél lief en heb haar verafgood. En
+mijn vader <span class="pagenum" title="7"></span><a id="p_7"></a>was ook een beste man. Over de jongere gezinsleden viel ook
+niet te klagen, maar een pis-in-bed was nu eenmaal een pis-in-bed, en
+die was een ellende, vooreerst voor het broertje, dat met hem in één bed
+moest slapen, dan voor de zuster, die elken dag de bedden moest afhalen
+en opmaken, en eindelijk voor moeder, die uit een leege linnenkast maar
+altijd schoone lakens moest krijgen. Hoe moest men dat kwaad bestrijden?
+Door schelden en slaan. Men wist niet beter. En zoo ging ik gebukt onder
+schande en angst voor klappen.</p>
+
+<p>Deze middelen hielpen echter niet. Wel hielp het, wanneer men mij elken
+avond, eer de ouderen naar bed gingen, even wakker maakte en er uit
+haalde. Dat gebeurde vaak weken achter elkaar. Dan kwam mijn oudste
+zuster, een heel lief meisje, en nam mij op. Slaapdronken zette zij mij
+neer. En dan stak ze haar vinger in de hoogte en zei: &bdquo;Goed luisteren,
+of we iets hooren.&rdquo; Hoorden we dan wat, dan waren we allebei gelukkig,
+zij en ik. Dan keek ik nog eens de kamer rond, zag het nachtlichtje
+flikkeren&mdash;een waspitje op patentolie in een gewoon drinkglas&mdash;en voelde
+me zoo gelukkig, zoo stil gelukkig. En wanneer ze me dan weer in bed lei
+en lekker toestopte, sliep ik dadelijk, rustig in volkomen veiligheid.</p>
+
+<p>Of men&mdash;'t was een druk gezin: een winkel, vijf kinderen, en nog twee
+jongens in huis&mdash;of men deze doeltreffende maatregelen dan maar weer
+naliet, of dat ze op den duur toch niet hielpen, ik weet het niet,<span class="pagenum" title="8"></span><a id="p_8"></a> maar
+op zekeren dag werd er tot iets verschrikkelijks besloten. Schelden had
+niet geholpen, klappen ook niet, dan moest ik maar hebben wat er
+bijstond. Op een stuk papier werd met groote letters geschreven: Jan Pis
+in bed. Dat papier werd op mijn rug gespeld. En zoo werd ik door mijn
+oudste zuster naar de bewaarschool van Juffrouw Mina gebracht. Toen is
+deze weg mij een kruisweg geworden.</p>
+
+<p>O, ik kan het niet vergeten, ik heb het nooit kunnen vergeten, die
+wanhopige smart, die machtelooze wanhoop. Ik <i>wilde</i> het papier niet op
+mijn rug hebben, ik <i>wilde</i> niet. Ik worstelde tegen, huilde, trapte,
+maar 't gaf niet. Eenige volwassenen zijn met elkaar sterker dan een
+bewaarschoolkind, en het moest. Schreeuwende werd ik den winkel
+uitgesleept, de blauwe stoep over, de straat op. Zoodra ik op de straat
+was, ging ik loopen. Ik schaamde me voor het publiek, kon geen
+straatscène maken. Daarvoor was ik te trotsch. De menschen hadden er
+niets mee te maken. Maar ik liep als een kleine gebrokene. Iedereen kon
+zien, kon lezen, wat er op mijn rug gespeld was, en ik schoof schuin
+voor mijn zuster om een bedekking te hebben.</p>
+
+<p>Die eene schoolgang is voor altijd in mijn geheugen gebeten. Van alle
+gangen naar school zie ik alleen deze. De gracht was als een
+eindeloosheid. En ik schreide maar, schreide hevig, maar stil. Ik was
+radeloos. Gelukkig kwam eindelijk het poortje, waardoor ik met mijn
+schande weg kon sluipen van de openbare straat. Doch nu kwam een nieuwe
+angst. Nu<span class="pagenum" title="9"></span><a id="p_9"></a> zou de juffrouw het zien, en al de kinderen. En ik smeekte
+mijn zuster, nu toch asjeblieft het papier van mijn rug te nemen.</p>
+
+<p>Ze was zoo barmhartig. Dat gaf lucht. Schande drukt zoo zwaar. Ook al,
+ja misschien bovenal op een kind.</p>
+
+<p>Ik heb een idee, dat ik dien heelen dag stil ben geweest. Maar misschien
+is het ook niet zoo. Ik weet het niet. Kinderen vergeten zoo gauw, zegt
+men. Ik heb echter meermalen kinderen uren en zelfs dagen lang stil
+gezien onder een veel geringere emotie. En die eene gang naar school was
+voor mij, bijna letterlijk, een breken van mijn hart.</p>
+
+<p>Het bedwateren is overgegaan. Hoe, dat weet ik niet meer. Maar zeker wel
+vóór mijn zesde jaar. Of het door die heftige emotie geweest is? Ik weet
+het niet, ik weet het niet. Maar dit weet ik wel: er is door dit middel
+meer in me vernield, dan hersteld.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Natuurlijk&mdash;dat zag ik later in&mdash;was die heele openbare vernedering maar
+een komedie. Er was geen papier op mijn rug gespeld, al had ik het
+papier ook gezien en het opspelden gevoeld. Men had mij maar bang willen
+maken, met goede bedoelingen, zeker, maar met slechte gevolgen. Zulk een
+bangmakerij is bij velen nog een opvoedingsmiddel, een middel dat, waar
+'t oude kwalen genezen moet, nieuwe veroorzaakt.</p>
+
+<p>Tot mijn kindergebreken schijnt ook te hebben<span class="pagenum" title="10"></span><a id="p_10"></a> behoord, dat ik weleens
+in den spiegel keek. Om me hiervan terug te schrikken werd me wijs
+gemaakt, dat in den spiegel Haantje Pik woonde. En als ik dan in den
+spiegel keek, zou Haantje Pik eensklaps te voorschijn komen en me de
+oogen uitpikken.</p>
+
+<p>Ik geloofde dat niet. Maar eens op een keer zette men mij op een stoel
+voor den spiegel, om te zien dat het waar was. Het was avond en ik zou
+naar bed gaan. Mijn hanssopje had ik aan, en mijn slaapmutsje op. De
+mannen en jongens, ook al de kleintjes, droegen in dien tijd puntige
+slaapmutsjes met een kwastje aan de punt, zoogenaamde &bdquo;bakkertjes&rdquo;; de
+vrouwen en meisjes borgen des nachts hun haar in gehaakte nachtmutsjes.
+Daar stond ik dus, jongetje van zeker niet ouder dan vier of vijf jaar,
+in mijn wit hanssopje en gebreid bakkertje op den stoel, en keek vol
+verwachting in den spiegel.</p>
+
+<p>Plotseling zag ik daar een hand boven mijn hoofd, die de punt van mijn
+slaapmutsje beet pakte en dit met een ruk van mijn hoofd trok. Dat deed
+Haantje Pik. Ik bestierf het bijna van schrik, waggelde op mijn stoel,
+en werd zeker doodelijk wit. Als een der ouderen me niet aanstonds
+gegrepen had, zou ik stellig tegen den grond zijn geslagen. Nu werd ik
+gerustgesteld, dat iemand achter me had gestaan en de muts had gegrepen,
+dat het maar een aardigheidje geweest was. Maar de schrik zat er in en
+langen tijd ontweek ik angstig den spiegel.</p>
+
+<p>Erger was het, als zulke schrikaanjagingen en bangmakerijen niet
+geschiedden met een opvoedkundige<span class="pagenum" title="11"></span><a id="p_11"></a> bedoeling, maar louter tot vermaak
+voor de ouderen. Men maakte me vaak bang door angstig te roepen: &bdquo;Jan,
+kijk eens achter je!&rdquo; Dan schrok ik hevig, of er een spook achter me
+was, dat me meteen aan zou grijpen, en ik vloog hard weg, naar moeder,
+of naar bed. Meest was dit een pleziertje voor 's avonds, als ik in mijn
+nachtkleeren goênacht had gezegd. Dan riep een der oudere jongens: &bdquo;Jan,
+kijk eens achter je!&rdquo; en ik holde naar bed. Ik hoorde luid gelach, ook
+booze woorden van moeder, omdat ze een klein kind zoo plaagden, maar was
+pas rustig, als ik mij diep onder de dekens verstopt had.</p>
+
+<p>Hoe deze angsten in mijn gemoed hebben doorgewerkt, kan wel blijken uit
+het feit, dat ik later, zelfs nog toen ik ongeveer 20 jaar oud was, 's
+avonds op een eenzamen weg naar huis keerend, soms plotseling achter me
+keek, of me iemand op de hielen zat, en ook wel eens een enkel maal niet
+durfde omkijken, maar gejaagd naar huis liep, terwijl het koude zweet me
+uitbrak. En toen was ik twintig.</p>
+
+<p>Dat had de onschuldige plagerij van een paar groote jongens gedaan, die
+natuurlijk absoluut geen idee hadden van hetgeen hun pret in het
+kindergemoed uitwerkte.</p>
+
+<p>Men zal begrijpen, dat ik, ouder geworden, nooit kleine kinderen heb
+kunnen plagen of bangmaken, en deze liefhebberij van volwassenen altijd
+met ernst en beslistheid bestreden heb. Hier lag een smartelijke
+ervaring achter, en meer dan een.</p>
+
+<p>Een der heilzaamste gevolgen van zulke ervaringen<span class="pagenum" title="12"></span><a id="p_12"></a> is, dat we anderen
+leeren ontzien. Zoo kunnen we nog wel eens dankbaar zijn voor het leed,
+dat ons anderen leert begrijpen, sparen, helpen, ook redden.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>De bewaarschool van Juffrouw Mina verliet ik, om voor mij onbekende en
+ook totaal onverschillige redenen, en ik ging nu naar de school van
+Juffrouw S., een huis of tien van ons af op dezelfde gracht. Er was een
+oude moeder en twee dochters<ins class="corr" id="corr1" title="Niet in Bron.">,</ins> Juffrouw Fietje, de oudste, en
+Juffrouw Doortje, die een rond, kleurig gezicht had en wat scheel zag.
+Zij was een goedaardig mensch, maar haar oudere zuster was erg
+bijdehand. Sommige jongetjes spraken van &bdquo;Schele Door&rdquo;, &bdquo;Valsche Fie&rdquo; en
+&bdquo;Ouwe Na&rdquo;. Maar dat vond ik te oneerbiedig. Ik zag veel te hoog tegen ze
+op.</p>
+
+<p>De bejaarde moeder had grijs haar, dat zij steeds, aan weerszijden der
+scheiding plat weggestreken, onder een wit mutsje verborg. Juffrouw
+Fietje was donker van oogen en haar, en geel van tint. Juffrouw Doortje
+had bij haar ronde, blozende wangen, schele blauwe oogen. Als ze ons
+aankeek, hield ze altijd het hoofd een beetje schuin. Ik dacht, omdat ze
+ons anders niet zien kon, zooals een duif zijn kopje scheef draait, om u
+te kunnen bekijken. Ze was lief. Misschien wat te onnoozel voor de zaak,
+maar ik voelde haar simpele goedheid, en die voel ik nu nog.
+Hartmemorie.</p>
+
+<p>Het is wel opmerkelijk, dat ik van Juffrouw Mina heelemaal geen
+voorstelling bewaard heb en van de dames S. wel. Maar vooreerst was ik
+nu iets ouder,<span class="pagenum" title="13"></span><a id="p_13"></a> maar dan ook is de konnektie langer aangehouden dan tot
+mijn afscheid van de school, zooals later blijken zal.</p>
+
+<p>Van haar schoollokaal herinner ik mij zeer wel, dat het een rechthoekige
+ruimte was. De rijen banken, lange zitbanken, enkele met schrijftafels,
+stonden evenwijdig met de lange rechthoekszijden. Aan den voorwand
+hingen de negen leestafels van Prinsen. Er was maar één raam, dat in een
+der korte zijden, precies in den hoek, uitzicht gaf op muren en daken.
+In den hoek der andere korte zijde was de deur, ongeveer aldus:</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 680px;">
+<img src="images/ill_p013.png" width="680" height="422" alt="voormuur deur raam" title="" />
+</div>
+
+<p>Op deze bewaarschool heb ik lezen geleerd met de leestafels van Prinsen,
+de methode van spa-aa, slee-ee, drie-ie, enz. Hoe? Dat weet ik niet
+meer. Daar weet ik niets, niets meer van. Ik weet alleen, hoe prettig ik
+het vond, naar een hoogere tafel te mogen overgaan, <span class="pagenum" title="14"></span><a id="p_14"></a>en hoe
+ik&mdash;eerzuchtig of leergierig?&mdash;mijn best deed op iedere nieuwe tafel,
+totdat ik ook die weer meester was. Toen ik thuis in den Bijbel kon
+lezen, was ik trotsch en gelukkig.</p>
+
+<p>Volgens sommige psychologen mogen kinderen niet voor hun negende jaar
+leeren lezen. Misschien hebben ze gelijk. Maar ik vond dat spelletje zoo
+prettig en te gelijk die kunst zoo gewichtig dat ik vóór mijn zesde jaar
+van de eene leestafel naar de andere huppelde, zonder verdriet of
+bizondere inspanning. Ik merk hierbij op, dat het me uitsluitend om het
+plezier van het bemeesteren dier zwarte hieroglyphen te doen was, een
+zelfde soort plezier als het oplossen van raadseltjes, het wegzoeken
+(padvinden) in een geteekend doolhof, in 't algemeen: het ontsluieren
+van onbekenden. Het lezen zelf toch boeide mij niet en heeft mij nooit
+kunnen boeien. 't Was dus niet om 't verhaaltje, maar om 't bemeesteren
+der kunst. Toen ik die meester was, las ik maar weinig. Ik denk, dat ik
+daartoe te aktief was. Ik dééd liever iets.</p>
+
+<p>Van de spelletjes herinner ik me alleen, dat we, als het boterham-eten
+was afgeloopen&mdash;we bleven n.l. van 9&ndash;4 in dat lokaal opgehoopt&mdash;onder de
+banken jagertje speelden. Ik zie me over de voetplanken kruipen en in
+het woud van kinderbeentjes en bankpooten een wild dier narennen, een
+tijger of een leeuw. Die dieren en die jagerij had ik stellig opgedaan
+uit de platen van &bdquo;De aarde en haar volken&rdquo;, waarop mijn vader
+geabonneerd was. De jacht was heerlijk, en nu nog voel ik, dat ik er
+heelemaal in<span class="pagenum" title="15"></span><a id="p_15"></a> leefde. Zelfs zoo zeer, dat ik nooit hoorde, hoe Juffrouw
+Fietje op het rumoer binnenkwam om de jacht te stuiten, en haar pas
+gewaar werd, als ze me onder de banken smerig en wel vandaan sleepte.</p>
+
+<p>Bij juffrouw Fietje heb ik ook mijn eerste liefde leeren kennen en mijn
+eerste bittere ontnuchtering.</p>
+
+<p>Die liefde gold echter niet juffrouw Fietje, maar een mijner
+mede-scholieren, Betje. Ik moet toen al het schrijven verstaan hebben,
+ofschoon ik niet weet, hoe ik die kunst machtig ben geworden, maar ik
+herinner me zeer wel een briefje, een vuil stukje papier, waarop ik met
+potlood zoo iets geschreven had als: &bdquo;liefe bedje mag ik je vrijjer
+weese&rdquo;, en dat ik daarna over de banken heen met de kinderpost verzond.
+Het antwoord luidde toestemmend, en dus was de zaak aanstonds in orde.
+Hoe ik aan de neiging kwam, om me al zoo vroeg gelukkig te maken met een
+liefde-band, weet ik evenmin, als wie me het voorbeeld van een
+minnebrief had geleerd. Er zweven echter allerlei bakteriën in de lucht,
+van kinkhoest evengoed als van vrijerij, en het eene kind is vatbaarder
+dan het andere. Zeer wel weet ik echter, dat ik niet meer wenschte dan
+een toestemmend antwoord, en van de heele geschiedenis <i>dit</i> mijn geluk
+was, dat ik nu met fierheid op straat kon loopen en tot mijn makkers
+zeggen: &bdquo;Betje is <i>mijn</i> meisje.&rdquo; Die behoorde mij toe, en niemand kan
+op haar eenig recht doen gelden. Zij was een stuk jongenseer.</p>
+
+<p>Het is niet aan gebleven, maar toch was deze scheiding mijn
+ontnuchtering niet. Deze kwam nu wél<span class="pagenum" title="16"></span><a id="p_16"></a> van Juffrouw Fietje, en nog wel op
+haar verjaardag. Op een of andere wijze moet ik bespeurd hebben, dat de
+kinderen de juffrouw bij deze gelegenheid vereerden met een geschenk.
+Dat was voor mij een leelijk geval, want de centen vloeiden thuis niet
+overvloedig, ik had al lang ondervonden, dat ik die niet gemakkelijk los
+kreeg, en toch waren ze noodig voor een cadeau.</p>
+
+<p>Nu was er in de Eglantiersdwarsstraat, vlak naast ons huis, een
+galanteriewinkel. Daar woonde Juffrouw van Streelen, bij ons gevierd
+wegens haar mooi voordragen van lange verzen. Ik herinner me uit later
+jaren, dat ze nooit sprak over De Génestet, maar altijd over De
+Genéstet, en dat zit me nu nog in den weg. Maar haar grootste bekoring
+voor mij was de uitstalling van haar winkel en de buitengewone
+vriendelijkheid jegens ook haar kleinste koopers. Die vriendelijkheid
+was bijna lieftalligheid. Men kocht iets, en kreeg, behalve het
+verlangde voorwerp, ook nog een heele massa bekoorlijkheid.</p>
+
+<p>Al dagen achtereen had ik de uitstalling van Juffrouw van Streelen
+doorvorscht, en daar eindelijk een beeldig klein vaasje ontdekt, met
+bloemen op het buikje en gouden bochten langs den oorrand en het
+gekartelde voetje. Een bééldig vaasje. En het kostte maar drie cent, de
+prijs stond er bij. Ik kende toen blijkbaar de cijfers, anders had ik
+dit nooit kunnen weten. Maar al was die prijs tamelijk laag, voor mij
+vertegenwoordigde hij toch een kapitaal: drie cent was inderdaad voor
+mijn kinderhandje een ongekende schat. Ik wist het geld evenwel van mijn
+moeder los te bedelen,<span class="pagenum" title="17"></span><a id="p_17"></a> en eer ik naar het groote verjaarfeest van
+Juffrouw Fietje ging, waar je den heelen morgen spelen mocht en
+getrakteerd werd, kocht ik het beeldige vaasje en stapte er uiterst
+gelukkig mee naar school, heel voorzichtig het in de hand houdend, dat
+het toch vooral niet breken mocht, en onderwijl de roode rozen en de
+groene blaadjes bewonderend op het ovale buikje.</p>
+
+<p>Maar toen ik met mijn cadeau de steenen stoep was beklommen en een
+portaaltje was doorgestapt tot dicht bij Juffrouw Fietje, toen schaamde
+ik me plotseling. Daar stonden andere kinderen met groote pakken in de
+hand, en daar blonken en schitterden mij reeds uitgepakte geschenken
+tegen. Een verlakte theestoof! Een glimmende waterketel! Een kristallen
+olie- en azijnstel! Wat een groote en prachtige stukken! Daarbij zonk
+mijn vaasje heelemaal in 't niet. Al zijn schoone bekoorlijkheid had het
+voor mij verloren. En met het schaamrood op de wangen&mdash;ik voel het
+nog&mdash;overhandigde ik het schamel eerbewijs aan de jarige. Deze nam het
+aan, bedankte, en zette het neer. Ik zie nog alles, álles. Maar mijn
+geluk en fierheid smolten weg. En&mdash;niemand had me iets gezegd of
+aangedaan, maar ik ging niet naar de feestzaal, doch liep het portaaltje
+door, de trap af, en rende naar huis. Nóg drie centen, nóg zoo'n vaasje!
+Mijn eer stond op het spel. Ik ging <i>niet</i> naar het feest, als ik niet
+eerst nog zoo'n vaasje kon aanbieden, om althans eenigermate in
+evenwicht te komen met de theestoof en den waterketel.</p>
+
+<p>Mijn moeder kon geen weerstand bieden aan mijn<span class="pagenum" title="18"></span><a id="p_18"></a> dwang. Ik liet haar niet
+los. Weet men wel, wat geweldige gemoedsmachten daar soms achter zitten,
+als de kinderen heeten te &bdquo;dwingen&rdquo;? En spoedig holde ik met mijn
+afgeperste drie centen naar Juffrouw van Streelen, had nu geen tijd om
+van haar lieftalligheid te genieten, en holde haar winkel uit, den hoek
+om, de gracht, de stoep op, naar Juffrouw Fietje.</p>
+
+<p>Die had me in de drukte van het ontvangen en uitpakken niet gemist.
+Hijgend duwde ik haar het tweede kleinood in de hand en zag haar aan, of
+het zoo nou niet goed was. En toen zei ze: &bdquo;Had dat vod maar gehouden.&rdquo;
+En ze zette het minachtend neer.</p>
+
+<p>Dat was bijna zoo erg als het schandpapier op mijn rug. Ik voelde een
+diepe krenking en verloor alle veerkracht uit mijn heele lijfje.
+Beschaamd slenterde ik naar de feestzaal. Van de pret herinner ik me
+absoluut niets meer. Ik weet ook niet, of ik pret heb gehad. Bij dien
+ontzettenden neerslag staan mijn herinneringen stil.</p>
+
+<p>Nu moet ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik niet weet, of ik de woorden
+van Juffrouw Fietje precies heb teruggegeven. Misschien heeft ze 't niet
+zoo kras gezegd. Niet die heel harde <i>woorden</i> gebruikt. Maar voor de
+zaak sta ik in. Haar geringschatting was ongeveinsd. Die heb ik te
+pijnlijk gevoeld. En dat gevoel is me onuitwischbaar bijgebleven.</p>
+
+<p>Van dit oogenblik af heb ik een hekel aan gelegenheidscadeaux gehad. Ik
+heb ze nooit kunnen ontvangen. En waar ik ze aanbieden moest, betaalde
+ik liefst de dubbele waarde.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="19"></span><a id="p_19"></a></p>
+
+<h2 id="DE_EERSTE_LAGERE_SCHOOL">DE EERSTE LAGERE SCHOOL.</h2>
+
+<p>Geen flauwe notie heb ik er van, dat ik op zekeren dag niet meer naar de
+bewaarschool, maar voor 't eerst naar de Groote School ben gegaan.</p>
+
+<p>Toch moet dat eenmaal gebeurd zijn.</p>
+
+<p>En in die Groote School moet ik me bekwaamd hebben in lezen en schrijven
+en al de andere vakken der wet.</p>
+
+<p>Ik weet er niets van.</p>
+
+<p>En in die school moet ik vele klassen doorloopen hebben, examens en
+verhoogingen meegemaakt, onderwijzers leeren kennen, zegenen of
+verwenschen.</p>
+
+<p>'t Is alles weg.</p>
+
+<p>Is het er wel ooit geweest?</p>
+
+<p>Maar dat moet toch wel. Ik heb toch ruim vier, misschien zelfs vijf jaar
+daar schoolgegaan, dag aan dag. Dat is toch geen kleinigheid. En ik moet
+er toch al mijn eerste bekwaamheden hebben verworven. En met de meesters
+hebben verkeerd.</p>
+
+<p>Wonderlijk, dat ik nu uit de bijverschijnselen en uit de gevolgen
+afleiden moet, dat ik van mijn zesde tot mijn tiende of elfde jaar het
+schoolleven heb meegemaakt, maar dat ik het anders niet weten zou. En
+zelfs niet gelooven als anderen 't mij bezwoeren.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="20"></span><a id="p_20"></a></p>
+
+<p>Zoo is dat leven buiten mij omgegaan. De heele schoolperiode ligt als
+een donker ledig achter me. Ze heeft me niets te zeggen.</p>
+
+<p>Dat bewijst voor mij twee dingen. Dat <i>ik</i> eigenlijk leefde buiten die
+leerwereld. En dat <i>de school</i> eigenlijk leefde buiten mij.</p>
+
+<p>Mijn hart lag buiten de klas, buiten de leerboeken, buiten den
+lesrooster. En het hart der school lag buiten de kinderziel.</p>
+
+<p>Die twee zochten malkaar niet op. Het waren wildvreemden voor elkaar.</p>
+
+<p>Slechts enkele dingen herinner ik me, maar die gelden niet het
+onderwijs, waarvoor ik toch eigenlijk de school bezocht. En die dateeren
+dan nog pas uit de hoogste klas en betreffen maar twee personen, een
+meester, dien ik niet noemen wil, ofschoon ik zijn naam nog heel goed
+weet, en meneer Kuyper, den bovenmeester, wiens naam ik nog steeds
+zegenend gedenk, niet&mdash;men moet voorzichtig zijn&mdash;omdat hij de
+bovenmeester was, maar omdat hij een mensch was, een zachtaardig mensch.</p>
+
+<p>Meneer Kuyper zie ik als een teere figuur, een man van middelbare
+groote, in 't zwart gekleed, een zijden petje op. Zijn gelaat was zacht,
+bleek. Zijn oogen lichtblauw. Zijn gang opmerkzaam en rustig. Ik voelde
+iets teers voor hem, of ik voor hem wilde vechten. Dat gevoel ging
+geheel uit van zijn verschijning, want ik herinner mij niet, dat hij mij
+ooit persoonlijk goed deed. Ik had geen reden, om bepaald hem voor iets
+in 't bizonder dankbaar te zijn. Maar<span class="pagenum" title="21"></span><a id="p_21"></a> zijn heele wezen vervulde me met
+teerheid en dankbaarheid.</p>
+
+<div class="pillo">Elken morgen bad hij. De school bestond uit drie groote lokalen, twee
+naast elkaar, een ter zijde, aldus:
+<div class="figcenter" style="width: 86px; display: inline; vertical-align: -43px;">
+<img src="images/ill_p021.png" width="86" height="86" alt="" title="" />
+</div>
+Ze waren gescheiden door
+glazen schotten met schuiframen. Dan gingen de schuiframen omhoog en
+zaten alle kinderen eerbiedig. Hij stond, bij een der geopende ramen,
+achter een orgel met geel geverfde kast, nam de pet van 't hoofd, en bad
+met zachte stem voor de heele school. Er zweefde dan iets lieflijks over
+al die kinderhoofdjes. Er daalde iets verkwikkends in al die
+kinderhartjes, iets als een heel zachte voorjaarsregen. Ik herinner me
+geen enkel woord. Maar ik herinner me stille ontroering. En ook een
+enkele traan van berouw, die daarna als een goed voornemen mijn wang
+bevochtigde. Te snel verdampt.</div>
+
+<p>Na het gebed zette de fijne figuur zich achter het orgel. We zagen hem
+niet meer, doch hoorden hem zingen in orgeltoonen. Eerst een kort
+voorspel, en dan volgde het godsdienstig lied, waarbij de heele school
+meezong.</p>
+
+<p>Dat waren heerlijke oogenblikken. Doch nu volgde niet een voortzetting
+van dat gebed en gezang, nu volgde niet de uitwerking er van in het
+praktische schoolleven, nu volgde niet&mdash;o, het is verschrikkelijk om het
+te zeggen&mdash;de doorwerking van den afgesmeekten Heiligen Geest, de
+werkdadige kracht van<span class="pagenum" title="22"></span><a id="p_22"></a> den afgebeden zegen Gods, nu volgde een stuk
+afgrijselijke kinderellende.</p>
+
+<p>Onze meester was, ik zeg niet streng of stipt of veeleischend, hij was
+hard. En nog niet eens hard als staal of steen, want dan hadden er nog
+vonken kunnen uitspringen, maar hard als een verdroogd stuk leer. Het is
+geen toevalligheid, dat hij zijn horloge niet aan een metalen ketting of
+een fijn zijden koord droeg, zooals krachtige of teere persoonlijkheden
+gewoon zijn. Een man verraadt zijn ijdelheid en zijn gemoed in zijn
+horlogeband, en de zijne bestond uit een dooreenvlechting van drie
+smalle leeren riempjes, een kabeltje van leer, hard en droog en taai.
+Vooral ook taai. Staal en steen kunnen niet alleen vonken schieten, ze
+kunnen ook stukspringen. Ze wagen in den strijd hun eigen bestaan. Maar
+hardheid, die tevens taai is.... het is de slavenzweep van Legree uit
+<a href="http://www.gutenberg.org/etext/27124" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org als e-boek beschikbaar.">De Negerhut</a>.
+Alleen de liefde heeft het recht om taai te zijn.</p>
+
+<p>Meester Leer&mdash;zoo zal ik hem maar noemen&mdash;was harteloos. In onze klas
+zat een jongen, wiens vader een grutterzaak dreef en C. C. C. M. heette,
+gelijk ieder op het naambordje lezen kon. Wanneer de kleine M. nu iets
+misdreven had en daarom voor de klasse moest komen, greep meester Leer
+hem bij het aardige kuifje, dat zoo hups zijn jongensschedel aanmeldde,
+en schudde den kleinen kop op en neer, een soort schedelrammeling, onder
+het knerpend gekraak van: &bdquo;Zeg jij, C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C.
+M., zal jij....&rdquo; enz. Bij ieder C. werd de kleine kop gerammeld.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="23"></span><a id="p_23"></a></p>
+
+<p>Wij, anderen, zaten dat met stillen haat aan te zien. O, hoe haatten en
+vervloekten wij dien kerel, dien gemeenen kinderbeul. Als we maar gekund
+hadden, we hadden hem tot modder getrapt. Maar daar stond hij,
+onaantastbaar, in zijn macht als meester. En wij zaten, stom, strak, de
+handjes gevouwen op den tafelrand, den rug rechtop, een doodstille klas,
+machteloos overgeleverd aan een slavendrijver zonder hart of geweten.</p>
+
+<p>Zoo werd het gebed verhoord.</p>
+
+<p>Zoo daalde Gods afgebeden zegen in onze ontvankelijke kinderhartjes.</p>
+
+<p>Eens op een keer vond hij zijn man. In de klasse zaten twee broertjes.
+Een van de twee moest voor de klas komen, bij de landkaart, om daar wat
+stippen aan te wijzen, waarover geen van ons zich een grein bekommerde.
+De jongen wist ze niet, maakte althans fouten&mdash;hetgeen ik nu, uit de
+verte, uit de gevolgen afleid&mdash;en kreeg daarvoor geweldige klappen om
+zijn kop. Wij waren dat gewoon, zaten het wezenloos of met verbeten
+woede aan te kijken, wachtten tot de hagelslag voorbij was, beefden al
+tegen dat onze beurt aanbrak....</p>
+
+<p>Maar daar plotseling hooren we een woesten schreeuw, als den kreet van
+een wild dier. Een jongen vliegt achter uit de klas tusschen de banken
+door, en onder het krijschen van onverstaanbare geluiden beukt hij op
+den meester los. 't Is het oudere broertje van het gekastijde kind.</p>
+
+<p>Ha, hoe genoten we bij deze uitbarsting van woede.<span class="pagenum" title="24"></span><a id="p_24"></a> We rezen uit de
+banken op, vergaten wat de gevolgen konden wezen, en juichten van
+instemming.</p>
+
+<p>Razend van drift sloeg de jongen, waar hij den meester maar raken kon,
+en rukte toen zijn broertje uit de klauwen van zijn kastijder.</p>
+
+<p>Een oogenblik van doodsche stilte, toen hevige, snikkende
+verwijtschreeuwen van den oudste, en toen....</p>
+
+<p>Meer weet ik niet.</p>
+
+<p>Of de jongen straf gekregen heeft, weggejaagd is, excuus heeft moeten
+vragen, ik weet het niet. Al het andere is verdwenen. Maar levend is
+gebleven dat eene moment van uitgebroken broederliefde, die eene
+uitbarsting vóór de klasse. Mijn geest heeft het opgenomen als een
+momentopname van een ontploffing. En levend is ook gebleven, het
+grootsche gevoel van bewondering. Nu nog is het me, of ik toen getuige
+ben geweest van iets zeldzaams in de menschenwereld: de zichzelf en
+alles vergetende reddingsdrift. Een brandweerman, die in den vuurpoel
+springt om een kind te redden. Die jongen was een held. Hij heeft ons in
+één woeste daad.... opgevoed. Op-ge-voed.</p>
+
+<p>Waarschijnlijk dacht de meester er anders over. En als die meester en ik
+samen in een paedologische vereeniging zaten, zou hij allicht een
+anderen karakteristiek van dien jongen geven dan ik.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Geen wonder, dat we bij zoo'n meester dikwijls strafwerk kregen. Bij hem
+heb ik geleerd, eenige honderden strafregels met drie griftjes tegelijk
+te<span class="pagenum" title="25"></span><a id="p_25"></a> schrijven. We waren er heel handig in, die drie griftjes onder
+elkaar, amphitheatersgewijze, vast te houden, en dan er mee over de lei
+te vliegen. Die handigheid hadden we dan toch maar aan meester Leer te
+danken, en daarom zeggen sommigen, dat je het de kinderen niet te
+gemakkelijk moet maken. Verdruk ze maar, opdat ze te beter tegen de
+verdrukking ingroeien. 't Is ook een opvatting, en die groei tegen de
+verdrukking in, ja, dat was waarheid. We groeiden o. a. ook heel sterk
+in list en bedriegerij.</p>
+
+<p>Een der straffen was schoolblijven, en daarbij dan maar doodstil zitten.
+Een uur of langer stilzitten, de handen gevouwen aan den tafelrand, de
+oogen strak naar boven, onbewegelijk, daar de geringste beweging
+gestraft werd met een kwartier of een halfuur langer.</p>
+
+<p>Ik denk, dat ik iederen dag heb moeten schoolblijven, want ik herinner
+me telkens terugkeerende standjes over te laat thuiskomen. Maar dat kon
+ook door andere oorzaken gekomen zijn, want de weg van school naar huis
+was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen.</p>
+
+<p>Natuurlijk wendden we allerlei pogingen aan, om van dat schoolblijven
+verlost te worden, &bdquo;weg te spatten&rdquo; gelijk we dat noemden. Wanneer de
+meester maar even in een ander lokaal was, renden wij met
+bliksemsnelheid naar de deur, en vlogen, het portaal door, naar buiten.
+Wee echter, als de buitendeur op slot bleek. Dan stond je daar eenige
+oogenblikken in razende wanhoop. Niet omdat hij je dan weer bij je
+kladden kon krijgen, want den volgenden schooltijd<span class="pagenum" title="26"></span><a id="p_26"></a> had hij je toch weer
+in zijn macht en zou je natuurlijk dat wegspatten wel inpeperen, dat was
+het minste, maar omdat je hem nu aanstonds voor je zou zien met zijn
+duivelsche grijns van voldoening; omdat je zijn sarrende stem zou
+hooren, dat je dat nu eens lekkertjes niet gelukt was, zijn stem vol
+nijdigen kinderhaat. Wanhoop, omdat hij je met listigheid in de val had
+laten loopen en daar straks demonisch van zou genieten.</p>
+
+<p>Maar eenmaal ben ik hem toch te slim af geweest. Weer zat ik lang, heel
+lang na te blijven, terwijl buiten de zon zoo heerlijk scheen. Toen
+verzon ik, dat ik &bdquo;naar achteren&rdquo; moest. Neen, het mocht niet. Het werd
+echter zoo erg, dat ik den vinger aanhoudend opstak en daarbij in de
+bank zat te zwaaien als een dreigende onweersbui. Mocht ik dan niet&mdash;'t
+leek wel, of mijn heele houding dit wilde zeggen&mdash;dan kwam de
+verantwoording voor den meester, als ik ten slotte den vloer
+verontreinigde. Die verantwoording durfde hij zeker niet op zich te
+laden, ik kreeg tenminste verlof. Maar de knarsstem gromde me toe: &bdquo;Geef
+eerst je pet hier.<ins class="corr" id="corr2" title="Bron: '&nbsp;'">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>Ik bracht de pet, innerlijk genietend van zijn onnoozelheid, alsof ik me
+door een pet zou laten weerhouden. Die pet kon stikken, en hij er bij.
+En nu naar achteren. Doch nauwelijks was ik daar, of ik klom omhoog,
+wrong mij door een raampje, liet me vallen, en stond op een terrein,
+waarschijnlijk de speelplaats, waarvan ik me echter niet herinner dat er
+ooit gespeeld werd. Nu aanstonds naar de houten schutting.<span class="pagenum" title="27"></span><a id="p_27"></a> Een sprong,
+de handen om den rand, het lijf opgetrokken, rechterbeen er over, nu de
+romp, het linkerbeen, hangen, loslaten, en daar was ik op een houtwerf
+naast de school. Gauw naar voren, het hek door, en ik stond blootshoofds
+op de Lindengracht. Zonder pet, maar vrij. Vrij! en ik holde naar huis.
+Om de gevolgen bekommerde ik me voor 't oogenblik niet. Het was met den
+meester toch altijd een strijd op leven en dood, en ieder uurtje
+gestolen vrijheid was winst. Wat zullen mijn kameraden,
+medeschoolblijvers hebben opgezien, toen ik niet terugkwam. En wat zal
+de meester met lieflijkheid mijn pet hebben gekoesterd.</p>
+
+<p>Het lijkt me, nu ik dit schrijf meer dan veertig jaar later, het lijkt
+me, of ik alles lieg. Is het mogelijk een fantasie? Heb ik in mijn
+jongensjaren&mdash;kinderen hebben zoo'n levendige verbeelding&mdash;dat heele
+verhaal misschien bedacht, en het als een heldenfeit zoo vaak aan mijn
+makkers verteld, dat ik het eindelijk zelf geloofde? Maar neen, dat kan
+toch niet. Mijn heele leven heb ik het als zuivere jeugdherinnering
+meegedragen. Zou ik me dan zóó vergist hebben? Doch wie bewijst, dat ik
+waarheid zeg. Neen, ik bedoel niet, wie bewijst het aan een rechtvaardig
+oordeelende rechtbank, maar wie bewijst het aan mij persoonlijk, die het
+ervaren meen te hebben en nu twijfel aan mijn eigen ervaringen. Ik wou,
+dat een oud-schoolkameraad dit las en, plotseling het verleden er in
+herleefd ziende, overtuigd uitriep: &bdquo;Juist zoo, zoo is het gebeurd.&rdquo; Dan
+had ik, door een vreemde, gewisheid van<span class="pagenum" title="28"></span><a id="p_28"></a> mijn daden. Nu moet ik maar
+gelooven in mijn herinneringen. 't Is toch vreemd, dat men zijn eigen
+verleden, zijn toch zelf doorleefd verleden, niet kan bezitten zonder
+geloof. En dan bezit men het nog maar in het licht van zijn toenmalige
+zelfverblinding.</p>
+
+<p>Maar ik denk toch wel, dat die klauterpartij zonder pet werkelijkheid is
+geweest. Ik zie ze zoo levendig voor me, ik zie zoo precies den weg,
+dien ik daarbij gegaan ben, en ik verbeeld me nog eenige populieren te
+zien, die op de speelplaats langs den blinden gevel van het daarachter
+gelegen huis stonden.</p>
+
+<p>En dan ook, de feiten passen zoo geheel in het kader van dit
+schoolleven. Van Geschiedenis, Aardrijkskunde, Rekenen, Taal, Lezen en
+Schrijven herinner ik me absoluut niets meer. Doch de hoofdmomenten uit
+<i>den schoolstrijd</i>&mdash;een véél ernstiger en gewichtiger en langduriger
+worsteling dan &bdquo;de<ins class="corr" id="corr3" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins> Schoolstrijd&mdash;spreken nog luid in me, met
+beeld en stemming. Ik zie alles nog voor me, en mijn hart klopt heftiger
+bij de herinnering.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Het spreekt vanzelf dat we niet alleen het nablijven ontvluchtten, maar
+ook aan de kwelling van de school zelf trachtten te ontkomen. Daartoe
+waren maar twee middelen: ziekte voorwenden en bommelen, spijbelen,
+stukjesdraaien of hoe dit genot meer heeten mocht.</p>
+
+<p>Het voorwenden van ziekte had het ontstaan gegeven aan een eigen woord.
+&bdquo;Je bent schoolziek,&rdquo; zei mijn vader, als we dreinden om thuis te
+blijven<span class="pagenum" title="29"></span><a id="p_29"></a> vanwege die toch zoo erge hoofdpijn. En de man had gelijk, want
+als hij bezweek voor ons smeeken, was binnen een halfuur de erge
+hoofdpijn gezakt en zaten we, zoo ongeveer om halftien in den
+voormiddag, een beetje te spelen, of drentelden door 't huis, door den
+winkel, als 't kon de straat op. Het was niet in mijn nadeel, dat ik
+nogal wit zag en teer was van gestel. Daardoor kon ik dikwijls hoofdpijn
+hebben, die haar crisis had onder 't ontbijt. Maar nooit vond ik mijn
+ouders onbarmhartiger, dan wanneer ze geen medelijden met me toonden en
+zelfs aan mijn hoofdpijn geen geloof sloegen. &bdquo;Ga jij maar naar school,
+hoor! 't Is schoolziekte.&rdquo; Diep neerslachtig en met slenterende beenen
+sleepte ik me naar school. Dan droop er een dreinende motregen in mijn
+kindergemoed.</p>
+
+<p>Zulke beschuldigingen en mistroostigheden mogen wel veroorzaakt hebben,
+dat ik mijn heil zocht in het stukjesdraaien. Als je niet naar school
+<i>wilt</i>, en niet thuisblijven <i>moogt</i>, dan schiet er ten slotte niets
+over, dan dat je op den weg tusschen huis en school blijft omdolen. Waar
+zou je anders heen? En dan neem je dien weg wat ruim, omdat het zoo
+vervelend is in dezelfde straten maar steeds heen en weer te trekken, en
+je daar ook gezien en aldus verraden kon worden. Dan loop je rond, tot
+de huisdeur zich weer voor je openen wil, dat is zoo ongeveer een
+kwartier na het eindigen van den schooltijd.</p>
+
+<p>Ik heb mijn toevlucht ook tot dat redmiddel moeten nemen, en dank
+daaraan drie der allerheerlijkste weken uit mijn schoolleven. We noemden
+ze later de<span class="pagenum" title="30"></span><a id="p_30"></a> bommelweken, en nu nog is dat onwelluidende woord voor mij
+synoniem met oase, paradijs, vrijheid, en al zulke vertegenwoordigers
+van iets zonnigs en lieflijks te midden van de grijze ellende.</p>
+
+<p>Elken morgen gingen we op den gewonen tijd de deur uit, maar sloegen bij
+een bepaald punt linksom in plaats van rechtsom. 't Scheelde maar een
+kleinigheid, maar 't werd een reusachtig verschil. Rechtsom trokken we
+naar school, naar den gehaten plicht, linksom naar buiten, naar de
+begeerde zonde. Waarom had men de plichtsvervulling ons dan ook zoo
+hatelijk gemaakt? In iederen arbeid steekt genot, in den schoolarbeid
+zelfs een heel groot genot voor bijna alle kinderen. Maar men verbittert
+er het lekkerste brood, vergalt er de zoetste melk. En zoo maakt men de
+kinderen het eten en drinken onmogelijk, hoe graag ze het van nature ook
+doen.</p>
+
+<p>We waren met ons vieren, mijn broer en ik, en dan nog twee klasgenooten,
+Willem en nog een ander. Willem had een eigenaardige bron van inkomsten.
+Zijn vader was bode en aanspreker. Iedere week moest Willem voor hem de
+klanten rond, om de kontributie voor een begrafenisfonds op te halen,
+kleine bedragen, maar die door verscheiden niet geregeld betaald werden
+en daardoor tot vrij groote sommen opliepen. Wanneer Willem nu wat geld
+wou hebben, ging hij naar de achterstalligen en maakte daar een standje.
+&bdquo;Kompliment van vader, en of er nu eindelijk eens betaald werd. 't Was
+een schande, zooals ze hem iederen keer voor gek lieten loopen, en als
+er nu niet betaald<span class="pagenum" title="31"></span><a id="p_31"></a> werd, zouden ze andere maatregelen moeten nemen.&rdquo;
+Willem schreeuwde zijn boodschap op een luiden brutalen toon, zoodat de
+buren het even goed konden hooren als de betrokkenen. Dit had ten
+gevolge, dat de schuldige vrouwtjes hem gauw in de kamer riepen, daar
+paaiden met mooie beloften, en hem persoonlijk vijf cent of een
+dubbeltje toestaken, om hem tot meegaandheid te stemmen. Sommigen van
+haar waren blijkbaar zoo bang voor de nieuwsgierigheid der buren, dat ze
+Willem reeds te gemoet kwamen eer hij zich nog had aangemeld, en zijn
+onbarmhartige jongensstem bij voorbaat met een dubbeltje omkochten.</p>
+
+<p>Er was voor mij in deze geheele ophaalderij iets geheimzinnigs. Ofschoon
+ik precies wist, hoe de vork in den steel zat, en bij iederen klant met
+nieuwsgierigheid vroeg, &bdquo;hoeveel hij van dat wijf weer had losgekregen,&rdquo;
+besefte ik toch heel wel, dat die vraag met die ruwe woorden maar
+grootdoenerij was, en we eigenlijk bij ieder geval meespeelden in een
+droevige tragedie van armoede, zorg, schaamte, afzetterij. Ik gevoelde,
+dat we iets heel gemeens deden, en juichte toch bij iedere vermeerdering
+van ons schandkapitaaltje. Willem ging, zonder eenig mededoogen, zijn
+bedachte boodschappen doen, en wij wachtten op een afstand de gevolgen,
+springend van vroolijk verlangen en tegelijk innerlijk huiverend van
+schuldgevoel. Dit laatste was de stem van het geweten. Dat wist ik toen
+reeds heel goed. Maar ik wist die stem ook onder schijnbare
+onbezorgdheid te verzwakken.</p>
+
+<p>Van het geld kochten we eerst een grooten zak<span class="pagenum" title="32"></span><a id="p_32"></a> krenten, die voor
+pruimtabak moesten dienen. We verdeelden ze onder elkaar en hadden dan
+elk voor zich een afleiding en hartversterking. Telkens namen we een
+handje krenten, wierpen die in onzen mond, verborgen ze achter de
+kiezen, en hielden ze daar gezellig opgehoopt. Ik voel zeer goed, wat
+zoo'n tabakspruim voor een werkman beteekent. Het is niet de lekkernij,
+die hem bekoort, maar de gezelligheid. Zoo'n handjevol tabak, steeds op
+dezelfde plaats bewaard en bewerkt, is voor hem een soort kameraad, een
+vertrouwelijk vriend, met wien hij heel eigen is. Hij voelt zich niet
+meer eenzaam en verlaten, niet meer unheimisch, als hij dezen gezel op
+zijn vaste plaatsje meedraagt. Zooals meisjes een pop behoeven, om een
+leegte aan te vullen, jongens een stok moeten dragen, om niet zoo alleen
+te zijn, vele volwassenen een kat in de kamer of een hond op de
+wandeling moeten hebben, om het gevoel van verlatenheid te breken, zoo
+heeft de stugge werker op het veld of achter de heistelling in zijn
+tabakspruim een stuk gezelligheid in zijn eentonig leven. Een soldaat op
+post is met dezen vriend niet meer eenzaam in het nachtelijk uur. Als
+wij een verre boodschap moesten doen, vooral 's avonds, namen we een
+hard stukje kaaskorst in den mond, en kauwden en knauwden dat, niet om
+het op te eten, maar om van zijn nabijheid te genieten. Misschien hebben
+de psychologen voor deze gehechtheid aan de tabakspruim een veel betere
+verklaring, zoodra ze experimenten genomen hebben met heiers mét en
+zónder pruim, wellicht komt het dan alles<span class="pagenum" title="33"></span><a id="p_33"></a> neer op prikkeling van
+bepaalde zenuwen en overheersching van bepaalde bewustzijnstoestanden,
+maar ik, die alleen eigen ervaring raadplegen kan, te dom voor
+experimenten en te lui voor statistieken, voel die gehechtheid alleen
+als een gemoedsverschijnsel. Een afleiding, zegt het volk. Juist, een
+afleiding van zijn enkelheid. Een afleiding, die Adam zelfs in het
+Paradijs noodig had, toen hij, te midden der onbeperktste weelde, zich
+toch eenzaam voelde, en Eva kreeg. Als een tabakspruim? Lieve menschen,
+ik wou, dat men alle aesthetische gevoelens een oogenblik het zwijgen
+kon opleggen. Eva was een wonderschoone verschijning&mdash;lees maar in
+Vondels verzen&mdash;om wie de Engelen mensch zouden willen zijn. En een
+tabakspruim&mdash;nu, ik wil de voorstelling niet verlevendigen. Maar die
+tabak was ook eenmaal een frischgroene plant, en Eva zal ook eenmaal
+verrotting zijn. We moeten over de grenzen van het heden heenzien, dan
+ontwaren we meer gelijkheid, dan iemand ooit vermoedde. En&mdash;om te
+besluiten&mdash;wellicht heeft menige Adam meer te danken aan zijn willige,
+zich altijd schikkende tabak, aan dezen nooit eischenden vriend, dan aan
+zijn Eva.</p>
+
+<p>Wij, dit wilde ik slechts zeggen, bootsten met onze krentenpruimerij de
+groote menschen na, maar <i>zouden dit nooit gedaan hebben, als in ons
+niet dezelfde gemoedseigenschappen aanwezig waren als in die groote
+menschen</i>. Ook in ons was die behoefte aan dat intieme verkeer, en te
+sterker, bij een niet volkomen rustig geweten.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="34"></span><a id="p_34"></a></p>
+
+<p>Voor het overige geld kochten we een reusachtigen vlieger en een heelen
+hoop strengen touw. En hiermee trokken we naar het Vondelpark. In de
+morgenuren was het daar nog al rustig. Je kon daar zoo lekker stil
+rondscharrelen, zonder dat je ieder oogenblik gevaar liep, een kennis
+tegen te komen. 't Was vrij ver uit de Jordaanbuurt en werkmenschen of
+winkeliers, gelijk onze ouders waren, hadden in de week geen tijd om
+overdag in het Vondelpark te wandelen, terwijl hun arbeid hen daar nooit
+heen voerde. Daar kwam nog iets bij. Je had achter 't Vondelpark mooie
+weilanden, om den vlieger op te laten, en in het park zelf dichte
+boschjes, om er hem te verstoppen. We hadden al gauw een verstolen
+hoekje gevonden, waar hij telkens met touw en al werd weggeborgen, als
+wij naar huis moesten, en waar we hem ook weer trouw terugvonden, als
+wij naar dit zalig oord terugkeerden.</p>
+
+<p>Het spreekt vanzelf, dat we niet dag aan dag gingen vliegeren. Waarmee
+we dan de andere dagen doorbrachten, weet ik niet. Alleen herinner ik
+me, dat we ook vaak naar eenige landpaden gingen, buiten de Zaagpoort,
+en daar speelden op de balken en de boomstammen, die in het slootwater
+bij de houtzaagmolens lagen.</p>
+
+<p>Dat was een van mijn heerlijkste genietingen. We trokken dan de schoenen
+en kousen uit, stroopten de broek zoo hoog mogelijk op, en speelden
+Bataviertje, waaruit ik nu alweer kan afleiden, dat ik op school van de
+Batavieren geleerd had. Wij waren Batavieren,<span class="pagenum" title="35"></span><a id="p_35"></a> die op vlotten den Rijn
+kwamen afdrijven. Daarbij liepen we op bloote voeten over de balken even
+rustig, vlug en gemakkelijk als op het land. Het was verwonderlijk, hoe
+vertrouwd we met onze vlotten waren. Terwijl we van balk op balk
+stapten, doken deze, soms dunne stammen, vaak diep onder water, maar
+daar bekommerden we ons in 't geheel niet om, integendeel, we vonden 't
+heerlijk. We waren thuis op onzen balkenvloer, we waren thuis in de
+slooten. Om natte pootjes gaven we absoluut niet. Hoe meer het water
+golfde en klotste en spatte, hoe liever 't ons was. De eenige voor wien
+we eenige vrees koesterden, dat was de molenaar. En eigenlijk waren we
+ook voor hem niet bang, we konden hem gauw genoeg ontvluchten. We waren
+voor niemand bang. Maar de mogelijkheid bestond, dat we bij een
+overhaaste vlucht onze kousen en schoenen op 't weiland moesten
+achterlaten, en dan zou natuurlijk alles uitkomen.</p>
+
+<p>Toch werd deze sloot ons onheil. Op zekeren dag ging een der jongens
+gehurkt op een balk zitten. Een ander vond dat al te verleidelijk en gaf
+een trap tegen den balk, waardoor nummer een achterover in het water
+tuimelde. Dat was nu op zichzelf zoo erg niet, de sloot was niet zoo
+diep, en met het water waren we vertrouwd. De drenkeling was dan ook
+weer gauw aan land. Maar zoo kletsnat kon hij niet blijven rondloopen,
+zich uitkleeden en zijn goed te drogen leggen was te veel gewaagd met
+het oog op den molenaar. Die kon van onzen nood wel eens misbruik hebben
+gemaakt, door den jongen spiernaakt den<span class="pagenum" title="36"></span><a id="p_36"></a> weg op te jagen. Daarom deden
+we, wat we in zulke gevallen altijd deden, we gingen op een draf naar de
+gasfabriek, den natten kameraad, die in zijn zware, plakkende, druipende
+kleeren niet zoo hard loopen kon, tusschen twee flinke loopers in, hand
+aan hand met hem voorthollend, de anderen er achter.</p>
+
+<p>In de gasfabriek, aan de buitenzij der stad gelegen, waren de mannen
+altijd welwillend. Ze vloekten er wel bij, maar dat hinderde niet. Hoe
+harder ze je uitscholden, hoe meer je van ze gedaan kreeg. &bdquo;Baas, magge
+we d'r in, hij hèt in 't water gelege.&rdquo;&mdash;&bdquo;Zoo, dondersche schooiers, het
+jelui weer met je mieter in 't water gelege. Wil je wel gauw
+opdondere.&rdquo;&mdash;&bdquo;Och baas, hij is zoo nat, en dan krijgt ie van zijn
+vader.&rdquo;&mdash;De baas keek naar den klappertandenden schooier en liet ons
+binnen. &bdquo;Vooruit dan maar, maar heb het hart in je lichaam, dat je 't me
+weer flikkert.&rdquo;&mdash;&bdquo;Dank u wel, baas!&rdquo; en we holden naar binnen. De natte
+kameraad kleedde zich uit als in 't zwembad en liep een beetje naakt
+rond te scharrelen en zich te warmen, terwijl wij zijn natte kleeren te
+drogen hielden bij de heete retorten. De werklieden lieten ons stil
+begaan, we waren jongens die zichzelf konden redden. Alleen nam deze of
+gene den kans waar, om den naakten sprinkhaan een kletsenden klap te
+geven, waarom de naakte sprinkhaan dan ook altijd zorgde, dat hij uit de
+voeten kwam als er een man naderde.</p>
+
+<p>De kleeren waren gauw genoeg droog, maar ze hebben ons verraden. Hoe,
+dat herinner ik me niet<span class="pagenum" title="37"></span><a id="p_37"></a> meer, maar 't was na dit voorval gauw uit met
+de pret. Op een middag kwamen we thuis, met een onschuldig gezicht, of
+er niets gebeurd was, toen Moeder ons ontving met de ongewone vraag,
+waar we vandaan kwamen. Die vraag schokte ons hevig, maar we logen
+natuurlijk: Van school. En er was een boodschap gekomen, dat we al in
+geen drie weken op school waren geweest, en een jongen z'n moeder was in
+den winkel geweest en had verteld, dat ze aan zijn kleeren gezien had,
+dat hij in 't water had gelegen, en dat hij toen alles bekend had. Het
+viel niet meer te loochenen en ook wij moesten door de mand vallen.</p>
+
+<p>Dit oogenblik herinner ik me nog heel levendig. We stonden in de
+huiskamer. Daar was een kastdeur met behangselpapier beplakt. Er was
+geen kruk in, wel een sleutel. Ik zie den zwartgeroesten sleutel nog uit
+het sleutelgat steken, donkere figuur in een omgeving van lichtgrijs
+papier. Op dit plekje, vlak bij de kast, moesten we ons kwaad openlijk
+erkennen. En toen stond het plotseling als een vreeselijk misdrijf voor
+me. Ineens voelde ik de zwaarte van 't vergrijp op mijn schouders
+drukken. Ik voelde mijn beenen trillen, greep den sleutel vast, zonk
+ineen, en begon hartstochtelijk te snikken. Wonderlijk toch, al die drie
+weken had ik genoten, was wel eens onrustig geweest, maar was er toch
+iederen dag op nieuw uit getrokken. Mijn geweten had zich laten sussen.
+'k Had goed gegeten, goed geslapen. Maar nu het kwaad was uitgekomen,
+was aanstonds al mijn<span class="pagenum" title="38"></span><a id="p_38"></a> kracht gebroken en zakte ik, wanhopig en
+radeloos, in elkaar. Dat is de overweldigende macht der openbaarheid.</p>
+
+<p>Tot straf mocht ik dien avond niet naar het verjaarpartijtje van een
+vriendje. Aanstonds uitkleeden en zonder eten naar bed. Dat was een
+groote straf voor me, want van dat partijtje had ik me heel veel
+voorgesteld. Niemand zal echter die straf te zwaar achten. Drie weken
+spijbelen, drie weken je ouders bedriegen, dat is voorwaar geen
+kleinigheid. Daarvoor is het onthouden van zoo'n genoegen eigenlijk nog
+een veel te geringe straf, ook al is voor een kind een kinderpartijtje
+een buitengewoon genot.</p>
+
+<p>Maar wilt ge nu mijn Moeder eens leeren kennen? Toen ik tot acht uur of
+half negen of negen uur&mdash;ik weet het niet precies meer&mdash;stil in mijn bed
+had gelegen, telkens schreiend van diep berouw, maar wellicht nog meer
+uit medelijden met mijn arme zelf in mijn bitter treurigen toestand,
+kwam mijn Moeder bij mijn bed. Ik nam haar hand en kuste die, zooals een
+geslagen hond naar zijn meester kruipt en diens hand likt. Ik kon geen
+scheiding tusschen haar en mij hebben. En zij liet haar hand nemen en
+die kussen. Heete tranen vulden mijn oogen en vloeiden over mijn wangen.
+Was ik toch maar niet zoo'n slecht kind geweest.</p>
+
+<p>Ze bukte zich over mij heen. Haar nabijheid was voor mij altijd rust en
+veiligheid en vrede. Maar nu bovenal. En ik sloeg mijn armen om haar
+hals. &bdquo;Heb je er erge spijt van?&rdquo;&mdash;O ja, en ik begon weer diep<span class="pagenum" title="39"></span><a id="p_39"></a> bedroefd
+te schreien. &bdquo;Zal je 't nooit weer doen?&rdquo;&mdash;Neen, zeker nooit weer, en
+mijn geschokt gemoed kwam tot kalmte. Dat stille schreien, tegen haar
+aan, 't was zoo'n verkwikking, bijna een zaligheid. Wat is het toch een
+wonder-gelukkig bezit voor een kind, een Moeder. Het is de oplossing van
+<i>al</i> zijn ellende. En toen zei ze: &bdquo;Zou je nog graag een uurtje naar
+Piet gaan?&rdquo;</p>
+
+<p>Ik kon mijn ooren niet gelooven. Toch naar het partijtje? &bdquo;Graag!&rdquo; zei
+ik. En zij: &bdquo;Kom dan maar.&rdquo; Aanstonds was ik uit bed, wiesch me, trok
+mijn Zondagsche kleeren aan, die Moeder inmiddels haalde, kreeg een
+schoon boordje om, kuste haar, een, twee, drie maal, en vloog het huis
+uit, de reeds donkere gracht op, naar den verbeurden en reeds gesloten
+kinderhemel, die nu weer voor me geopend werd.</p>
+
+<p>Van de feestpret wil ik hier niet vertellen, die is nu niet aan de orde,
+maar ik moet toch even een woord zeggen ter verdediging van&mdash;mijn
+Moeder, tegenover&mdash;de officieele paedagogiek. Die paedagogiek wou me
+later doen gelooven, dat een opvoeder konsekwent moet zijn. Hij mag niet
+gauw straffen, zoo dekreteerde ze, maar <i>als</i> hij eenmaal straft, dan
+moet hij ook doorzetten; <i>als</i> een kind eenmaal een uur nablijven moet,
+dan <i>moet</i> het ook een uurtje nablijven. Want anders, zoo gaf ze reden
+van haar dekreet, werkt de straf als een ijdele bedreiging en stoort het
+kind zich in 't vervolg er niet meer aan. Zoo heeft de Paedagogiek mij
+steeds geleerd. En ook nu weer hoor en zie ik haar met ernstige stem en<span class="pagenum" title="40"></span><a id="p_40"></a>
+verontwaardigd gebaar de handelwijze mijner Moeder afkeuren. Maar wil ik
+Haar&mdash;ik bedoel de Paedagogiek, de Alwijze&mdash;nu eens iets zeggen? Mijn
+eigen ervaring slaat dit voorschrift vlak in 't aangezicht. Met haar
+generaliseeren bederft ze al haar wijsheid. Mijn Moeder was <i>niet</i>
+konsekwent, in een buitengewoon ernstig geval had ze een zeer lichte
+straf opgelegd, en van die straf onthief ze ons voor een groot, voor het
+grootste deel. En dat deed ze uit pure zwakheid, omdat ze 't niet hebben
+kon, dat haar ondeugende jongen verstoken bleef van een in zijn oogen
+zeer groot genot. Ze kon niet konsekwent zijn. En ze liet uit enkel
+weekhartigheid, genade voor recht gelden. En wat was het gevolg? Dat ik
+nog nu in gedachten de hand kus, die mij vrijwillig uit mijn banden
+losmaakte. Dat ik reeds toen en mijn heele leven lang voor niets zoo
+bang was, als om Moeder verdriet te doen&mdash;al deed ik het natuurlijk ook
+vaak. Dat ik voor Moeder later alles over had en haar als een heilige
+mee door 't leven droeg. Dat was het gevolg van haar inkonsekwenties.</p>
+
+<p>Maar de Paedagogiek vergeet ook altijd één ding. Ze vergeet de Stille
+Kracht. Den wonderbaren invloed van de persoonlijkheid, de
+overweldigende macht des Harten. De Paedagogiek werkt met maatregelen.
+Ze geeft altijd antwoord op de vraag van wanhopige opvoeders: &bdquo;Wat moet
+ik <i>doen</i>?&rdquo; En ze moet antwoorden op de vraag: &bdquo;Hoe moet ik <i>zijn</i>?&rdquo;</p>
+
+<p>Doen? Doen? Geef een ongeschikte de voortreffelijkste middelen, en hij
+bereikt er averechtsche gevolgen <span class="pagenum" title="41"></span><a id="p_41"></a>mee. Hij maait geen graan met zijn
+zeisen, hij maait er zijn bloemhof mee kaal.</p>
+
+<p>Wéés iets. En van uw Zijn gaat opvoeding uit. Dan moogt ge zieken
+genezen op den Sabbath. Dan kúnt ge zieken genezen op den Sabbath. En
+dan stoort ge u niet aan de Farizeesche Schriftmatigheid.</p>
+
+<p>Ik was een kleine groote zondaar. Ik was gebroken door berouw. Maar ik
+werd opgericht&mdash;door Genade.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="42"></span><a id="p_42"></a></p>
+
+<h2 id="TUSSCHEN_SCHOOL_EN_HUIS">TUSSCHEN SCHOOL EN HUIS.</h2>
+
+<p>&bdquo;De weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens
+vol verleidingen.&rdquo;</p>
+
+<p>Die verleidingen waren van een gansch andere soort dan die ons bekoorden
+als wij van huis naar school gingen. Op den heenweg naar het gehate
+gebouw lokte ons elke boom naar buiten. 't Was of iedere vogel ons riep:
+&bdquo;Je gaat den verkeerden kant uit. Je moet niet naar dat muffe hok. Je
+moet naar de paden, naar de slooten, naar de velden. Je moet de ruimte
+in.&rdquo; Het was wel moeilijk, aan die roepstemmen geen gehoor te geven. En
+dat bleef zelfs een strijd voor me, toen ik al lang onderwijzer was.
+Naar school of daar buiten? O, dat buiten trok zoo. Het zoog je
+letterlijk den verkeerden kant op. En je moest je wel erg schrap zetten,
+om door die zuiging niet te worden meegevoerd. Ik kan me dan ook best
+een landlooper begrijpen. Een <i>land</i>looper, niet een straatslijper. Zoo
+eentje, die 't veld in trekt. En eigenlijk geloof ik, dat er een
+landlooper aan me verloren is gegaan. Daarom ben ik maar ambulante
+bovenmeester geworden. Dat leek er nog een beetje op. Niet waar?</p>
+
+<p>Maar 's middags op den terugweg naar huis, dan lokte ons geen boom, of
+'t moest zijn om er in te<span class="pagenum" title="43"></span><a id="p_43"></a> klimmen, dan riep ons geen vogel, of 't moest
+zijn om hem met steenen te smijten. 's Middags was er niets in ons van
+de natuurzieke zwervers. Alle gevoeligheid en groenliefde was dik
+geworden als stroop in den winter. Ze konden niet meer vloeien. Ze lagen
+als onbewegelijke massa's in ons gemoed. 's Middags, dan was de
+strijdlust in ons wakker. Dan was iedere jongen van een andere school
+een brutale uittarting, alleen reeds door zijn verschijning. Dan was
+iedere winkeluitstalling een booze geest, die helsche vernielplannen in
+ons wakker riep. Dan daagde iedere dienstmeid ons uit met emmers water,
+die zij 't hart had op haar eigen stoep te zetten, of met huistrapjes,
+waarop zij de vrijpostigheid nam naar boven te klimmen voor 't
+glazenlappen, of zelfs met boodschappenmandjes, die ze zoo schaamteloos
+met den elleboog vasthield of aan de hand liet neerhangen. Dan was
+iedere onbeheerde handwagen een voorwerp, om een eind meegesleept te
+worden, ieder appelvrouwtje bestemd om te worden bestolen&mdash;niet uit
+steelzucht, maar uit loutere baldadigheid&mdash;, dan was iedere belknop een
+magneet voor jongenshanden, verstijfd door 't samenvouwen op den rand
+der schoolbank, dan was iedere deur het opentrappen waard, vooral de
+winkeldeuren met een rinkelende bel; dan was iedere gebochelde, iedere
+kreupele een model voor klassikale nabootsing, dan was zelfs iedere
+politieagent een mikpunt voor stukjes stopverf of voor hatelijke
+schimpscheuten. 's Middags, dan was de duivel in ons wakker, dank zij
+vijf uren van onderwijs overeenkomstig <span class="pagenum" title="44"></span><a id="p_44"></a>den geest der wet, die sprak van
+&bdquo;opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden&rdquo;.</p>
+
+<p>De heeren politici in vergaderzaal en krant hebben over die
+&bdquo;christelijke en maatschappelijke deugden&rdquo; heel wat geredeneerd. En de
+schoolmeesters in navolging van hen. Wat waren het toch, die
+&bdquo;christelijke en maatschappelijke deugden&rdquo;, waarin bestond toch het
+verschil tusschen beide. Men dreef er den spot mee. Men speelde er een
+dialektisch spel mee. Men maakte er politieke kaatsballen van, zooals
+zelfs van nog veel heiliger dingen. En intusschen liet men de jeugd
+verdrogen, verschrompelen. Intusschen werden de kinderen vernield. Het
+ware te wenschen geweest, dat men van die &bdquo;christelijke en
+maatschappelijke deugden&rdquo; ernst had gemaakt, waarachtigen ernst.
+Mijnentwege hadden de onderwijzers het fijne onderscheid tusschen beide
+deugdrubrieken mogen voorbijzien, als ze die deugden maar hadden
+aangekweekt, door ze te beoefenen. Een beetje christelijkheid, ook in de
+christelijke school, zou voor ons zoo goed zijn geweest. Al was 't maar
+een klein beetje. De christelijkheid van &bdquo;Laat de kinderen tot Mij komen
+En verhinder ze niet&rdquo;. Maar wij&mdash;werden verhinderd.</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+ <span class="i0">Zij hadden ons met <i>woorden</i> wel gedreven,<br /></span>
+ <span class="i0">Maar hebben ons verhinderd met hun <i>leven</i>.<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Vechten was onze hoofddeugd, op school met den meester en op straat met
+de heele geordende maatschappij. <span class="pagenum" title="45"></span><a id="p_45"></a>En dan in 't bizonder met de jongens
+van andere scholen. De Noordermarkt was ons slagveld.</p>
+
+<p>Eerst moet ik echter iets vertellen van een onzer acrobatenkunsten daar,
+een kunst, die ik maar zelden, of eigenlijk nooit meer in beoefening heb
+zien brengen. Op dit marktplein stonden paaltjes en wel twee soorten:
+steenen met koppen als halve bollen en houten met koppen als halve
+liggende cilinders. Nu was het de kunst, op zoo'n paaltje te klimmen,
+zonder door een kameraad te worden geholpen, daarna er op te staan,
+eindelijk van het eene op het andere te stappen, en ten slotte de heele
+rij af te loopen. Men moet daar niet min over denken. Het eischte met
+elkaar uren en uren van geduldig oefenen, en dat onder de bedreiging van
+altijd vijandige agenten of marktmenschen. &bdquo;Wil je bliksemsgauw
+opdonderen&rdquo;, lag in ons gehoor bestorven. Maar wij &bdquo;donderden op&rdquo;, net
+als de musschen voor een paard en rijtuig om dadelijk weer &bdquo;neer te
+donderen&rdquo; als de bedreiging voorbij was. En onder dat &bdquo;<ins class="corr" id="corr4" title="Bron: op-en">op- en</ins>
+neer donderen&rdquo; oefenden we ons, geduldig, taai, volhardend. Met twee
+handen hield je den kop van 't paaltje vast. Dan trok je je op, legde
+heel voorzichtig je rechterknie er op, dan je linker, beide knieën
+tusschen je handen. Nu de handen loslaten, den romp strekken, en zoo op
+je knieën liggen. Ik beloof je, dat het een toer was. Maar het ging.
+Zelfs maakten we in die houding allerlei grimassen, zwaaiden met de
+armen als vliegende vogels, wierpen de marktvrouwen kushandjes toe. Doch
+nu verder. Weer de rechterknie opgetrokken,<span class="pagenum" title="46"></span><a id="p_46"></a> op de linker gebalanceerd,
+den rechtervoet naast de rechterknie gezet&mdash;romp rechtop, even
+rusten&mdash;en het heele rechterbeen gestrekt, daarmee vanzelf het
+linkerbeen opgetrokken, en op het rechterbeen gestaan, rechtop terwijl
+het linkerbeen wat bewegingen maakte, om het lichaam in evenwicht te
+houden.</p>
+
+<p>Honderd- en duizendmaal zijn we er zeker afgevallen, afgegleden,
+afgesprongen, eer we eindelijk stonden, maar we hielden vol. Dát was
+gymnastiek, ja wat beter dan om de vijf minuten een zwaaitje aan de
+ringen. We zagen rood van inspanning, maar rustten niet eer het doel
+bereikt was. Nog voel ik in mijn armen en beenen <i>den wil om te winnen</i>,
+die toen aan 't werk was. Geen eerzucht, geen ijdelheid, al kwam er
+later natuurlijk wat pralerij bij, maar <i>zegezucht</i>. Geheel in ons
+eentje, ongezien, oefenden we ons op ieder paaltje, hoe lastiger hoe
+liever. En dat deden we niet om een bewust doel, als een soort plicht,
+maar omdat we 't niet laten konden. We verloren ons er in&mdash;zooals een
+dichter in zijn verzen, een schilder in zijn verven. Wij maakten ons
+jongenskunstwerk, met onvermoeibare zelfovergegevenheid. En zoo
+presteerden we ten slotte het onmogelijke: we liepen over de koppen van
+paaltjes, ongeveer een kleinen meter van den grond, en bijna een meter
+van elkaar. En daar liepen we met een zekerheid en een gratie&mdash;want in
+zulke kunsten zit een natuurlijke gratie, anders zijn ze onmogelijk&mdash;die
+in ons de lenigheid en de schoonheid ontwikkelden, de zelfbesturing en<span class="pagenum" title="47"></span><a id="p_47"></a>
+het zelfvertrouwen, <i>maar die door de volwassenen niet begrepen werden</i>.</p>
+
+<p>De houten paaltjes met rolronde koppen waren de moeilijkste. De bolronde
+van de steenen hadden aan alle zijden een aanpakvlak voor den naderenden
+voet, maar die andere&mdash;men stelt het zich toch, hoop ik, wel
+voor?&mdash;konden maar van één zijde benaderd worden. 't Was dan ook de
+hoogste triomf, als je over de houten voortstapte, en dat werd nog
+mooier als er tusschen die paaltjes ijzeren stangen liepen of ijzeren
+kettingen hingen, kettingen met ijzeren punten. Dan liep je ieder
+oogenblik gevaar, een breuk te vallen of je op andere wijze aan dat
+ijzer te kneuzen. Maar dat maakte het genot nog grooter.</p>
+
+<p>Denkt de verbiedzieke volwassene er wel eens aan, dat iedere nieuwe
+belemmering nieuwe aanvalsdriften oproept?</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Welken medescholier herinner ik me nog met naam en toenaam?</p>
+
+<p>Het is Hendrik Busman.</p>
+
+<p>En waarom is hij het? Omdat hij zoo goed leeren kon?</p>
+
+<p>Maar denkt iemand nu heusch, dat we ons dáárom bekommerden?</p>
+
+<p>Hendrik Busman werd vereeuwigd om dezelfde reden als De Ruyter, Tromp,
+Piet Hein. Omdat hij zoo goed vechten kon.</p>
+
+<p>Ik zie hem nog staan, boven op een hooiwagen.<span class="pagenum" title="48"></span><a id="p_48"></a> 't Was op dezelfde
+Noordermarkt. Daar leverden we onze veldslagen, gelijk de mogendheden
+eertijds in de Zuidelijke Nederlanden.</p>
+
+<p>Hendrik Busman stond op een hooiwagen, boven op de lading hooi. We
+bleven beneden op de straat en wierpen hem steenen toe. Dat waren de
+projectielen, waarmede hij, van zijn hoog standpunt, den vijand
+bestookte. Die bleef op een eerbiedigen afstand.</p>
+
+<p>We droegen houten sabels, met punten er aan. Die staken we op zij, door
+een riem. Echte officieren. Soms maakten we een charge. Met getrokken
+sabel renden we dan op den vijand los. Die sloeg op de vlucht, niet
+bestand tegen ons élan. Enkele dapperen konden echter zoo'n schandelijke
+vlucht niet verdragen. Ze bleven staan, het zwaard in hun vuist.
+Blindweg sloegen ze in 't rond. Dan kwamen hun verjaagde makkers weer
+terug. De moed van enkelen&mdash;niet waar?&mdash;<i>de moed van enkelen</i> is <i>de
+kracht van allen</i>. En als ze dan, in hun heldhaftigheid, van het verweer
+tot den aanval durfden overgaan, dan holden wij weer weg, tenminste de
+groote hoop van ons, dan keerden de kansen, totdat ook <i>onze</i> helden hun
+leven waagden.</p>
+
+<p>Twee dingen weet ik van die vechtpartijen met volkomen zekerheid.</p>
+
+<p>Vooreerst, dat het vechten heilige ernst was en te gelijk de prachtigste
+komedie.</p>
+
+<p>Het was ernst. We voelden ons in oorlog. Den heelen dag spraken we er
+over. We wisten van den vijand alleen kwaad. Ze waren &bdquo;schooiers&rdquo; of
+&bdquo;kalen&rdquo;,<span class="pagenum" title="49"></span><a id="p_49"></a> al naardat ze tot een armere of een rijkere school behoorden.
+We bluften op onze heldendaden, we smaalden op hun lafheid. En we
+dachten aan niets dan aan den krijg. Hoe de oorlog was aangekomen,
+wisten de meesten niet. Er ging alleen een gerucht rond van een of
+andere &bdquo;gemeene streek&rdquo; of verregaande aanmatiging. Dat was voor de
+massa genoeg. Die vroeg niet naar een <span xml:lang="la">casus belli</span>. Het feit alleen, dat
+er oorlog was, joeg ze al te hoop. Ze vond het heerlijk, in groepen rond
+te zwerven, stokken of riemen te zwaaien, en den vijand na te rennen.</p>
+
+<p>En toch was het komedie. We pasten wel op, dat we geen jongen gevaarlijk
+raakten. Ja, met een stok of riem tegen de beenen, hoogstens tegen den
+romp slaan. Maar nooit tegen zijn hoofd. En ook nooit een trap tegen
+zijn buik of een stomp in zijn hartstreek. Wie zoo iets deed, stond
+eigenlijk bij ons in minachting, ook al behoorde hij tot de onzen. Er
+was een ongeschreven jongenswet, waarin onridderlijke daden verboden
+waren. Ik denk, dat we dit niet aan de school dankten, maar aan de
+grootmoedigheid van onze boekenhelden.</p>
+
+<p>Volwassenen maakten zich soms ernstig bezorgd over ons vechten. Totaal
+overbodig. Want het was bijna uitsluitend parade en bluf. Grootdoenerij.
+Een gelegenheid om te hollen, te schreeuwen, te zwaaien, te smijten. En
+de oorlog stierf zijn eigen dood. Ik weet van geen enkelen oorlog, die
+met een verklaring begon en met een vrede besloot. Hij ontstond en
+verdween, als de stormen in de atmosfeer.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="50"></span><a id="p_50"></a></p>
+
+<p>Maar dan was er nog een tweede ding, dat ik nu, uit de verte, heel
+duidelijk zie. Al waren er ook veertig, vijftig, en meer jongens bij
+betrokken, eigenlijk draaide de heele beweging om een paar. Als zij
+voorgingen, volgden de anderen. Als zij verslapten, dropen allen af.
+Niet alleen onder de schapen heb je de belhamels. Die schijn je bij alle
+&bdquo;gezellig levende dieren&rdquo; te hebben. En de mensch is zoo'n gezellig
+levend dier. Let op de belhamels. In hen heb je de kudde!</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Erger dan het vechten was onze baldadigheid. Eén voorval herinner ik me
+nog heel levendig.</p>
+
+<p>Misschien weten de meeste volwassenen niet eens, dat je in de raamposten
+gaatjes hebt&mdash;of hadt&mdash;aan elken kant een. Die dienden, geloof ik&mdash;we
+kregen toen nog geen zaakonderwijs&mdash;om er pennen door te steken, die 's
+nachts de buitenblinden moesten vasthouden.</p>
+
+<p>Nu was er in de Westerstraat een porcelein- en glaswinkel, waar we zulke
+gaatjes ontdekt hadden. Als je door het gaatje een dun stokje stak, kwam
+dit aan de binnenzij te voorschijn en dan kon je er iets in de
+uitstalling mee omduwen, een glaasje, een kopje, een vaasje of een ander
+niet te zwaar voorwerp.</p>
+
+<p>Dat deden we. Heel onschuldig bewonderden we de uitgestalde waar, maar
+staken inmiddels de stokjes door de gaten en duwden. Tuimelde er een
+ding rinkelend om, dan holden we hard weg.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="51"></span><a id="p_51"></a></p>
+
+<p>Eens stonden we weer voor het raam, werkten met stokjes, en loerden
+onderdehand of de baas in de achterkamer bleef.</p>
+
+<p>Plotseling gaat de kamerdeur open, en zien we den man in zijn
+overhemdsmouwen driftig den winkel in vliegen.</p>
+
+<p>Wij op den loop. Een kerel in overhemdsmouwen en blootshoofds, die je
+zoo maar op straat naholt, dat is voor jongens nog erger dan een
+politieagent. Zoo'n kerel ontziet niets en kan hard loopen.</p>
+
+<p>Wij vlogen dan ook over den weg. Hier was het nu bijna letterlijk waar,
+dat de angst ons de voeten bevleugelde. Hij was ons natuurlijk vrij
+dicht op de hielen, een winkellengte, en we konden hem alleen door een
+razende vaart ontsnappen.</p>
+
+<p>Ha, dát was loopen. Als een hinde voor de honden. Zulke vergelijkingen
+begrepen we best, veel beter dan de meester. Wij hadden den angst <i>in</i>
+ons gehad.</p>
+
+<p>Daar bereikten we de eerste dwarsstraat. We vlogen den hoek om, en
+kwamen midden in een hoop blaffende en vechtende honden terecht. Die
+vergaten natuurlijk aanstonds hun geschillen, om op de hollende
+jongensbeenen af te stuiven. Maar die renden er, behalve één paar, allen
+tusschen door, de honden trappende, zoodat ze jankend wegstoven. Alle,
+behalve één paar. En die waren van mij.</p>
+
+<p>Ik was bang voor honden. En toen ik daar zoo plotseling door zes of
+zeven blaffende honden besprongen werd, stond ik dadelijk stil. Ik
+durfde niet door die woedende bekken heenbreken.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="52"></span><a id="p_52"></a></p>
+
+<p>Maar achter me kwam de kerel in zijn overhemdsmouwen en zijn bloote
+hoofd.</p>
+
+<p>Toen stond ik ineens voor de uitstalkast van een koek- en banketwinkel.
+Dat was tegenwoordigheid van geest. En ik bewonderde de uitstalling met
+zoo ongeveinsde belangstelling, dat ik den man aan het twijfelen bracht.</p>
+
+<p>Daar was een kunststuk van suikerbakkerij. Een tandarts had een boer een
+kies getrokken. Hij stond met de kies nog in de tang. Maar de boer hield
+beide handen aan 't pijnlijk vertrokken gezicht. En in witte
+suikerletters stond er bij te lezen:</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+ <span class="i1"><i>Je hebt de verkeerde getrokken.</i><br /></span>
+ <span class="i0"><i>Ik trek je ze allemaal voor hetzelfde geld.</i><br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p>Het geheele kunstwerk was in een glazen kastje geborgen.</p>
+
+<p>Van dezen humor stond ik bevend te genieten, toen ik een stem achter me
+hoorde: &bdquo;Jij was er ook bij, bliksemsche smeerlap!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Waarbij, meneer?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, sta me nou maar niet te bedondere. Ik heb je heel goed gezien.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik weet nergens van, meneer!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Heb jij niet met je vuile poote aan dat winkelraam gezete?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee meneer, heusch, ik weet nergens van.&rdquo;</p>
+
+<p>Dat woord &bdquo;heusch&rdquo; was een woord, dat we alleen bij zulke gelegenheden
+gebruikten.</p>
+
+<p>De meneer in zijn hemdsmouwen scheen zich door<span class="pagenum" title="53"></span><a id="p_53"></a> mijn schijnheilig
+gezicht toch te laten &bdquo;bedondere&rdquo;. Hij was niet zeker van zijn zaak.
+Grommend en scheldend trok hij af, terug naar zijn winkel.</p>
+
+<p>Toen liep ook ik verder. Neen, ik wandelde verder. Wat genoot ik van
+mijn triomf! De andere waren naar huis gehold, de dwarsstraat uit, den
+hoek om, en zoo verder. Ik wandelde op mijn dooie gemak, als een
+rentenier, als iemand, die zijn tijd aan zich heeft en zijn omgeving
+volkomen beheerscht.</p>
+
+<p>Daar kwam nog iets bij. De vent had zich nog eens kunnen bezinnen en me
+toch in mijn nek willen nemen. Daarom mocht hij geen oogenblik denken,
+dat ik haast had, om weg te komen. Zonder om te kijken slenterde ik de
+dwarsstraat door als een volmaakt onschuldige. Ik bleef in mijn rol.</p>
+
+<p>&bdquo;Wie niet sterk is, moet slim zijn.&rdquo; Juist. Wie niet sterk is, <i>dient</i>
+slim te zijn. Of hij gaat ten onder.</p>
+
+<p>Wie niet sterk is, <i>is</i> slim. Dat is zijn instinkt tot zelfbehoud.</p>
+
+<p>Ik was niet beredeneerd slim. Ik had dat mooie redmiddeltje niet
+uitgedacht. Ik was instinktmatig slim, zooals een drenkeling
+instinktmatig de armen uitslaat. De slimheid was er, ineens, onbedacht.
+Ze was mezelf een verrassing. De slimheid&mdash;ge moogt ook zeggen: de
+huichelarij&mdash;was door den nood voortgebracht. Ze was een noodprodukt,
+gelijk zekere vieze lucht bij den bunzing.</p>
+
+<p>Toen ik in onze straat en bij ons huis kwam, zaten de anderen reeds
+rustig op de stoep, zoo maar op de koude, hardsteenen stoep.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="54"></span><a id="p_54"></a></p>
+
+<p>Een luid gejuich ging op, toen ze me zagen. Geen oogenblik hadden ze
+gevreesd, dat ik &bdquo;in die kerel z'n poote&rdquo; was gekomen. (Jongens
+gebruiken bij voorkeur ruwe woorden en sterke uitdrukkingen, evenals het
+plebs, niet uit plebeïschen zin, maar, en alweer evenals het plebs, uit
+onrijpheid: Kleine kinderen maken vuile luiers). Ze waren dus geen zier
+ongerust omtrent mij. Ik zou me wel gered hebben op een of andere
+manier. Wij waren niet kleinzeerig of gauw bekommerd ten opzichte van
+elkaar.</p>
+
+<p>En toen begon het opsnijen. Ik hoor een der jongens nog vertellen, dat
+hij midden in dat hondengeraas op een grooten hond was gesprongen, dien
+bij zijn ooren had gepakt om hem te mennen, en zich zoo naar huis had
+laten rijden. En wij schenen dat te gelooven. Ik herinner me tenminste
+niet, dat het verhaal als onmogelijk verworpen werd. Het behoorde tot de
+heldenfeiten, die we verrichten of verzonnen, maar in ieder geval
+bewonderden.</p>
+
+<p>Mijn daad werd ook bewonderd. Ik had dien kerel mooi (tegenwoordig
+zeggen de jongens: fijn) te pakken gehad. En niet een van ons dacht aan
+de schade, die we den man berokkend hadden.</p>
+
+<p>Niet een begreep zijn woede over onze pure en brutale baldadigheid. We
+kwámen niet in zijn geval.</p>
+
+<p>&bdquo;Hè, wat bliksemde dat glas lekker naar beneje! En wat holde die kerel
+met zijn bloote kop! Jammer dat die honden hem niet in zijn poote
+gebeten hebbe!&rdquo;</p>
+
+<p>Dat was ons medelijden.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="55"></span><a id="p_55"></a></p>
+
+<p>Nog twee herinneringen zijn me bijgebleven aan de school op de
+Lindengracht. Ze staan beide in verband met het huis van den
+bovenmeester.</p>
+
+<p>Ik moet op een keer eens iets heel erg kwaads gedaan hebben. Wat, dat
+weet ik niet meer. Maar het nablijven in de gewone school was blijkbaar
+niet erg genoeg. Ik moest met meneer Kuyper mee, eenige portalen door,
+naar zijn woning, naast de school en daarmee verbonden.</p>
+
+<p>Wij gingen een trap op, ik voor, hij achter. Wat was dat indrukwekkend.
+'t Was er zoo stil. En dan alleen met den bovenmeester. In zijn eigen
+huis!</p>
+
+<p>Wij kwamen boven in een gang met witgestukadoorde muren. Er lag een
+looper.</p>
+
+<p>Toen moest ik daar in den hoek staan. Meneer Kuyper ging naar binnen, in
+een kamer.</p>
+
+<p>Ik stond er, doodstil.</p>
+
+<p>Wat was het hier rustig.</p>
+
+<p>Wat was het hier vredig.</p>
+
+<p>En zoo netjes.</p>
+
+<p>Er zweefde iets lieflijks in de atmosfeer.</p>
+
+<p>Ik voelde me heerlijk. Volmaakt gelukkig.</p>
+
+<p>En dat onder die allerstrengste straf.</p>
+
+<p>Maar het zou veranderen. Meneer Kuyper had een hondje. Ik hoorde het
+blaffen. Weg was mijn rust. Voor iederen hond was ik bang. Nu stond ik
+doodsangsten uit, dat het dier in de gang zou komen.</p>
+
+<p>Daar had je de ellende al. Een deur ging open. Blaffend kwam het
+keffertje er uit en rende natuurlijk aanstonds naar mijn beenen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="56"></span><a id="p_56"></a></p>
+
+<p>Ik drong me, in angst, tegen den muur aan, en begon luid te schreeuwen.
+Ik wrong me buiten het bereik van het gebit. Maar dat tuig is altijd
+zoo, dat ze juist bange jongens het ergst aanblaffen. 't Is onedel
+gedierte, bijna zoo onedel als een straatjongen.</p>
+
+<p>Gelukkig klonk daar een lieve vrouwenstem. Die riep het hondje weg. Het
+was de nog jonge vrouw van den bovenmeester. Ze kwam in de gang. Ze zag
+mijn beschreide oogen, en zei enkele zachte woorden. Ze vroeg, of ik zoo
+erg ondeugend was geweest. Ik keek haar aan. Er was zeker iets smeekends
+in mijn blik. Ze legde haar hand op mijn hoofden streelde me. Toen ging
+ze even naar binnen, en bracht me een boterham.</p>
+
+<p>Lieve schoolmeesters in Nederland, die dit leest. En ook gij,
+huisvaders. Luistert nu eens goed. Ik weet absoluut niets meer van het
+kwaad, dat me deze buitengewone straf op den hals heeft gehaald. Ik weet
+niets meer van den geduchten uitbrander, dien ik zeker gekregen moet
+hebben. Van die geheele geschiedenis weet ik niets meer.</p>
+
+<p>Maar ik weet nog wel van die gang, en van dat hondje, en van die lieve
+vrouwenstem, en van die zachte vrouwenhand, en van die boterham.</p>
+
+<p>Ik voel nog de verademing, de ontroering, de dankbaarheid bij <i>haar</i>
+verschijning. Die stem, die hand, die boterham, dat was nu opvoeding,
+dat was christelijke opvoeding.</p>
+
+<p>Daar boven, in het hoekje tegen den muur, daar ben ik christelijk
+opgevoed. Zoo maar zonder catechismus. En in enkele oogenblikken.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="57"></span><a id="p_57"></a></p>
+
+<p>Toe, geloof me nu eens. We beseften ons eigen kwaad zoo weinig, dat we
+er in roemden. We gaven niets om straffen, en als ze wat bijzonder
+waren, hadden we zelfs gevoel voor het aantrekkelijke er in. Maar ons
+harde hart brak bij een zacht woord. En we voelden ons gezegend en
+geheiligd door een teere hand.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>We gaan nog eens naar het huis van den bovenmeester. Maar nu blijven we
+buiten staan.</p>
+
+<p>'t Is tusschen half negen en negen uur. De schooldeur is open. De
+kinderen komen de Lindegracht op. Maar allen kijken even naar de deur
+van het woonhuis. Daar is een briefje op aangebracht: &bdquo;De zieke heeft
+een onrustigen nacht gehad. Toestand hetzelfde.&rdquo; Dan loopen ze zacht
+door en gaan stil naar binnen.</p>
+
+<p>Meneer Kuyper is ziek. 't Is ernstig, heel ernstig. Elken morgen wordt
+de toestand meegedeeld. Er mag niet gebeld worden.</p>
+
+<p>Er ligt een donkere schaduw over de school. We denken niet aan
+ondeugendheid. Met den meester hebben we een wapenstilstand gesloten.
+Dit briefje stemt ons tot gehoorzaamheid, hem tot redelijkheid. Hij is
+een poos geen barbaar.</p>
+
+<p>De zieke daarboven beheerscht de school. Alleen door zijn ziekte. Weet
+hij nog wel iets van wat er beneden gebeurt? Waarschijnlijk niet. Maar
+wij weten wel, wat daarboven gebeurt. Daar ligt hij ziek. Hij, die
+teere, bleeke figuur. Nu ligt hij te bed, nog bleeker dan ooit.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="58"></span><a id="p_58"></a></p>
+
+<p>We weten wel zooveel, dat zulke briefjes op de deur een veeg teeken
+zijn. Dat doet men alleen bij heel, heel erge zieken. We loopen zacht
+het huis voorbij. Er is geen geschreeuw op de gracht. Hij is ziek. Hij.</p>
+
+<p>De berichten op de deur worden steeds ernstiger. Eindelijk lezen we:
+&bdquo;Hedennacht overleden.&rdquo; De gordijnen zijn gezakt. Er is geen school. We
+gaan naar huis. Niets, niets blij met de vakantie.</p>
+
+<p>Ik denk aan dien zachten man, biddende met zijn zachte stem. Ik hoor hem
+weer aan 't orgel.</p>
+
+<p>Ik denk aan zijn lieve vrouw. Die zal nu wel erg bedroefd zijn.</p>
+
+<p>Ik denk aan 't hondje.</p>
+
+<p>En nu, veertig jaren later, denk ik:</p>
+
+<p>Ik wou, dat die lieve vrouw nog leefde. En dat ze dan dit las. Dan zou
+ze hooren, wat ze zeker nooit geweten heeft, hoe dat ondeugende
+jongetje, daar boven in de gang&mdash;ze herinnert zich geen jongetje?&mdash;hoe
+dat jongetje haar en haar lieven man in gezegend aandenken heeft
+gehouden. Zijn leven lang.</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Toen meneer Kuyper de school aan de Lindegracht verlaten had, ging ook
+ik weg. Ik heb een flauw vermoeden, dat het om achterstallig schoolgeld
+was, maar zeker weet ik het niet.</p>
+
+<p>Maar ik was blij, dat ik wegging.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="59"></span><a id="p_59"></a></p>
+
+<h2 id="IN_HUIS">IN HUIS.</h2>
+
+<p>Wat weet ik nog van mijn huis? Ik ken er nog de heele geografie van,
+hoewel ik die nooit heb gememoriseerd. Hier is een stukje landkaart van
+den winkel.</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 679px;">
+<img src="images/ill_p059.png" width="679" height="374" alt="" title="" />
+</div>
+
+<p>Je ging met een stapje de blauwe hardsteenen stoep op. Rechts stond een
+groengeverfde houten bank. Die hadden toentertijd alle menschen terzij
+van hun huisdeur. De Potgieterkenners onder mijn lezers herinneren zich
+wel de prachtige strofe: &bdquo;Oud Amsterdam was 't kijkje waard,&rdquo; waarin
+onze dichter verklapt: &bdquo;Ter sluik werd op die bank gekust.&rdquo; Dat nu deden
+wij nog niet.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="60"></span><a id="p_60"></a></p>
+
+<p>De stoep was voor ons wat de plankjes of het plat bij een duiventil
+zijn. We streken er op neer, als we van onze verre vluchten vermoeid
+thuis kwamen, ze was het buitenstuk van ons heim. Eenmaal op de stoep,
+waren we op ons erf. We zaten er, bij mooi weer, uren achtereen, terwijl
+de volwassenen op de bank van de avondlucht genoten. Vader zijn pijp
+rookend, een Goudsch krommertje. En dan bikkelden we er met de meisjes
+mee of deden malkaar verhalen, als 't wat donker werd, hoe griezeliger,
+hoe liever. Of we van die koude zitplaats buikpijn konden krijgen, daar
+dachten we niet aan, en in ieder geval bekommerden we er ons niet om,
+evenmin of de verbeelding verontrust of de slaap verstoord werd door die
+geschiedenissen.</p>
+
+<p>Een van mijn vriendjes, Jan S., hoorde thuis prachtige vertellingen.
+Zijn vader las Zondagsavonds voor uit een boek: &bdquo;Christemeijer. Verhalen
+uit de lijfstraffelijke regtspleging.&rdquo; Hoe is het mogelijk, dat ik dien
+titel nog weet, met die onkinderlijke woorden van &bdquo;lijfstraffelijke
+regtspleging.&rdquo; Dat komt doordat ik soms bij dat voorlezen tegenwoordig
+mocht wezen, dan naar dat boek zat te kijken en ook het titelblad heb
+mogen zien. Wat een kind toch al leeren kan, als men hem het zien niet
+verbiedt!</p>
+
+<p>Die verhalen waren echter voor ons te ingewikkeld. Wij vertelden elkaar
+van &bdquo;Het huis met de hoofden.&rdquo; Dat stond op de Keizersgracht, een groot
+heerenhuis met zeven manskoppen in den voorgevel. Eens was de familie
+van dat huis uit en een meid alleen thuis.<span class="pagenum" title="61"></span><a id="p_61"></a> Die hoorde 's avonds laat
+gerucht bij een klein venstertje in de onderverdieping. Zij ging er
+heen, begreep al gauw dat daar roovers waren, en kreeg geen flauwte, of
+vluchtte niet in een kast, maar zette zich, gewapend met een vlijmscherp
+broodmes, op post aan de binnenzij van 't kleine raampje. Daar kroop een
+kerel naar binnen. Zijn ruige kop was zichtbaar, gemeene kop, met ruwen
+baard. Hij werkte er zich doorheen. Maar nu helpt zij hem een handje,
+snijdt hem in één haal den kop af&mdash;we hoorden dien vallen&mdash;en trekt dan
+den kerel naar binnen. &bdquo;Kom maar,&rdquo; riep ze daarna met een gedempte
+mannenstem. Nummer twee kwam, doch werd net ontvangen als nummer een. En
+dat welkom werd het deel van alle zeven. Toen meneer en mevrouw thuis
+kwamen, kon de meid hun toonen, hoe wakker ze meneers bezittingen
+verdedigd had. Te harer eere werden er nu zeven koppen in den gevel
+aangebracht, en dikwijls maakten wij, jongens, een tocht naar dat huis,
+om de gemeene tronies aan te kijken, maar vooral om te tellen, of er wel
+echt zeven waren.</p>
+
+<p>De paedagogiek kan uit deze eigenaardige bedevaarten leeren, welke
+beteekenis het <i>woord</i> heeft voor de zaakkennis, het belangstelling en
+onderzoekingslust wekkende woord. Maar dat woord moet dan interessant
+zijn, inslaan in de kinderziel, als het verhaal van &bdquo;Het huis met de
+zeven hoofden&rdquo;.</p>
+
+<p>Een andere vertelling was van een kind, dat zijn beentje was afgezet,
+zonder dat beentje gestorven en begraven was, en nu elken nacht
+rondspookte, om<span class="pagenum" title="62"></span><a id="p_62"></a> zijn beentje te zoeken. Met een donkere grafstem liet
+de verteller het dwalende kind roepen: &bdquo;Mijn beentje, mijn beentje! Wie
+heeft er mijn beentje?&rdquo; Ademloos zaten we te luisteren naar den
+grafgewelfgalm in de klanken van dat <i>beentje</i>, de donkere <i>ee</i>, gevolgd
+door den galmend rekkenden neusklank. Beproef het eens, zeg het eens
+overluid met een zoekende, donkere, dreigende stem, en ge zult de
+werking van die beenderklanken hooren: &bdquo;Wie h<i>ee</i>ft er mijn <i>beentje</i>?&rdquo;
+De <i>ee</i> van <i>heeft</i> werkt eerbiedig mee, stille bijtoon bij de donkere
+grafgalmen. En als dan de verteller ons geheel in de stemming had
+gebracht, wij het spokende kind zagen en de smartelijke stem hoorden,
+dan sprong hij ineens op, greep een der toehoorders bij de schouders, en
+riep met woedend uitvallende stem: &bdquo;Jij hebt mijn beentje!&rdquo;</p>
+
+<p>We wisten vooruit, dat dit komen moest, alleen wisten we niet wien het
+treffen zou, maar telken keer als het verhaal dien plotselingen keer
+nam, sprongen we verschrikt op, sidderend van ontsteltenis. Hè, dat was
+heerlijk geweest, zoo griezelig heerlijk.</p>
+
+<p>Weer een ander verhaal was van den jongen edelman, die zijn vader
+vermoord had, om de vrije beschikking te kunnen krijgen over diens
+rijkdommen. Eenzaam zat de ontaarde zoon in zijn kasteel. Maar te midden
+van al zijn schatten voelde hij zich niet rustig. 't Was herfst. Buiten
+gierde de wind door 't gebladerte. En binnen was hij, luisterend naar
+alle gillen en loeien van den wind om 't hooge huis. Hoor, daar treft
+een vreemd geluid zijn oor. 't Is of<span class="pagenum" title="63"></span><a id="p_63"></a> er iemand de steenen trap oploopt.
+&bdquo;Slof, slof, slof, slof!&rdquo; Zoo sleepte zijn oude vader zich altijd naar
+boven. De zoon beeft van angst en onrust. Maar hij vermant zich, en gaat
+kijken. Daar ziet hij, langzaam de trap opzuchtend, een witte gestalte,
+in wijden mantel, en met langen, grijzen baard. Het is zijn vader.
+Ontzet snelt de vadermoordenaar naar binnen, werpt de deur in 't slot,
+en verbergt zich daarachter met zijn schuldig hart. Maar deuren en
+sloten mochten niet baten. Elken avond, op een vast uur, <ins class="corr" id="corr5" title="Bron: hoor">hoort</ins>
+hij dat zachte, maar doordringende: &bdquo;Slof, slof, slof, slof.&rdquo; Hij stopt
+zijn ooren toe, maar 't helpt niet. Dikke gordijnen hangt hij voor de
+deur, maar ze konden het geluid niet smoren. Klokke tien kondigde het
+eentonige, zuchtende gesleep op de trap het bezoek van den vermoorde
+aan, avond aan avond, totdat eindelijk de zoon krankzinnig werd van
+angst en niemand het groote kasteel meer durfde naderen.</p>
+
+<p>Die uurtjes van vertellen waren zalig. De volwassenen zaten op de bank
+of op wat stoelen, die men er bij gezet had. Wij schoolden, terzij van
+'t huis, op de stoep samen, kropen dicht bijeen, en huiverden van genot.
+&bdquo;Wat zijn de jongens stil,&rdquo; zei Moeder dan, gewoon aan ons altijddurend
+hollen en schreeuwen en stoeien. Geen wonder. Wie zou een kik gegeven of
+beweging gemaakt hebben, bij het somber rondgaande: &bdquo;Wie heeft er mijn
+beentje,&rdquo; of het huiveringwekkende: &bdquo;Slof, slof!&rdquo; Die vertellingen met
+zoo'n telkens weer opdoemende vraag of herhaald geluid waren ons nog het
+liefste, want dan<span class="pagenum" title="64"></span><a id="p_64"></a> hoorde je het spookachtige telkens dichterbij komen.
+Je hart kromp er bij ineen. Dát was genieten. En dan ging je straks stil
+in huis en naar bed.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Van de stoep kwam je in den winkel. Wat beteekende die winkel voor ons,
+kinderen? Een last en een lust.</p>
+
+<p>De last was het boodschappen-loopen. Pas was je uit school, of je
+hoorde: &bdquo;Loop eens gauw naar die of die en breng daar de koffie.&rdquo; Die of
+die woonde natuurlijk niet in de buurt, anders was de boodschap niet
+noodig geweest. En dan moest je, in plaats van lekker op straat te
+spelen, een half uur ver, met moede beenen slenteren door vervelende
+straten of langs lange grachten. Die beenen zouden niets moe zijn
+geweest, als ze hadden mogen hollen bij het krijgertje-spelen. En hier
+moet de paedalogie bij haar vermoeidheidsproeven eens goed nota van
+nemen. Ik bedoel, of de vermoeidheid dikwijls niet meer in de gedrukte
+gemoedsstemming zit, dan in het werk; of tegenzin en teleurstelling niet
+meer verlammen dan physieke en geestelijke inspanning, al hebben
+deze&mdash;natuurlijk!&mdash;haar grenzen.</p>
+
+<p>Vooral de Zaterdagnamiddag was voor mijn twee jaar ouderen broer en mij
+een ellende. Dan moesten we geregeld &bdquo;klantenloopen&rdquo;. Met zware manden
+sjokten we dan eerst het eene eind van de stad in, en dan het andere.</p>
+
+<p>Gelukkig hadden we onze bepaalde menschen, waar<span class="pagenum" title="65"></span><a id="p_65"></a> je altijd een paar
+centen kreeg. Dat waren dan meestal goedige dienstboden, en dat kan ik
+nu, uit de verte, best begrijpen: die wisten bij ervaring, hoe aangenaam
+zoo'n kleine verrassing is. Men ijvert vaak tegen de fooien. Zeker, er
+zit een kwaad aan vast. Maar toch ook, zoo'n enorme massa levensgeluk
+wordt in die kleine schenkingen dagelijks onder de menschen verspreid.
+Ik geef ze graag, omdat ik ze altijd zoo graag ontvangen heb. Een paar
+centen, en een lange, zware terugweg werd verkort en verlicht. En dat
+zou nooit bereikt zijn door een vast loon, al wil de redeneerzieke
+mechanicus dit ook beweren. Een gulden meer weekloon is <i>niet</i> hetzelfde
+als een gulden fooien. Zoo iets meent en verdedigt alleen de
+kortzichtige in-mekaar-zetter van 't leven. Die verhooging van weekloon
+wordt al gauw een stuk gewoonte, niet meer gevoeld, niet meer
+gewaardeerd; niet meer een levensvreugde. En die langzaam bijeen
+gekregen fooien, opklimmend tot bij, tot aan den gulden, maken de heele
+week goed, dag aan dag, geven telkens een geluksemotie.</p>
+
+<p>Nu moet men niet zeggen: O, die kapitalistische Jan Ligthart is tegen
+loonsverhooging en wil den minderen man liefst met fooien afschepen, met
+gunsten, in plaats van met rechten, zoo houdt hij ze meteen in
+vriendelijke onderdanigheid, want dan heeft men de strekking der
+opmerking niet begrepen. Ik wil alleen, bij de steeds toenemende
+vermechanieking van het leven, er op wijzen, dat er ruimte moet blijven
+voor spontane uitingen en er aan herinneren, dat een<span class="pagenum" title="66"></span><a id="p_66"></a> mensch altijd een
+kind blijft, gevoeliger voor kleine verrassingen, dan voor groote
+geregeldheden. Wij waren gelukkig met een paar centen, en ik zal al heel
+blij zijn, als dit mijn kindergeluk dezen of genen lezer of lezeres
+bewegen mocht, den jongen van den kleermaker of uit den mantelwinkel,
+die een half uur ver met die zware doos aan zijn arm heeft gesjouwd,
+niet te laten afdruipen zonder hem eerst vijf centen in de hand te
+hebben geduwd. Ik verzeker u plechtig, dat hij geen principieele
+bezwaren zal maken. En men zal eens zien, wat zoo'n stuiver een invloed
+heeft, niet alleen op zijn beleefdheid, maar ook op zijn beenen.
+Vermoeidheid en&mdash;gemoedsstemming.</p>
+
+<p>Een der klanten was een oude nicht. Ze woonde&mdash;wat weet ik dat nog
+goed&mdash;binnenshuis (we zeggen tegenwoordig &bdquo;en pension&rdquo;) op den
+Haarlemmerdijk. Ik zie den weg nog, dien we volgden, en op dien weg een
+heel gemeenen streek, dien ik uithaalde. Nicht was een oude,
+vriendelijke vrouw. Als we de boodschappen brachten, mochten we altijd
+boven komen, op haar keurig nette kamer. Bij de boodschappen was ook
+geregeld een half pond Janhagel, dat we eerst haalden bij Hagtingius,
+den koekbakker, die in een mooi hoekhuis recht tegenover ons woonde, de
+brug over. Die naam Hagtingius&mdash;ik durf er op zweren&mdash;is goed gespeld,
+en kwam toch in geen enkel taalboekje voor. Ik zag hem dagelijks, en,
+zooals kinderen doen als 't hun niet verboden wordt, ik keek er naar en
+las hem meermalen hardop. Kinderen prenten zichzelf zoo onnoemelijk veel
+in&mdash;als 't hun niet<span class="pagenum" title="67"></span><a id="p_67"></a> verboden wordt. Een wandelend jongetje, dat op
+straat bij ieder stuk &bdquo;taalwerk&rdquo; staan blijft, om het opmerkzaam te
+lezen, wordt echter gewoonlijk door zijn moeder meegesleurd. Moeders
+hebben geen aasje idee, hoe ze daarbij hun kinderen het groeien
+belemmeren. Zelfs schoolmeesters weten dat menigmaal niet.</p>
+
+<p>Maar wat heeft Hagtingius met mijn oude nicht te maken? Hij deed de
+lange reepen Janhagel in een witpapieren zak en die goeie nicht haalde
+de heele stukken daar uit en gaf ons de brokken. Dat wisten we, het
+gebeurde week aan week. En wat deden we nu? Onderweg hielden we den zak
+onder den arm en drukten er telkens tegen. Als we dan iets voelden
+knappen, hadden we ons stukkendeel vermeerderd. En begrijp nu wel, hoe
+listig, hoe huichelachtig ik daarbij te werk ging. Rondweg, door
+snoepen, ons verrijken, deden we niet. Dat was &bdquo;stelen&rdquo;. Den zak
+openmaken, om een paar reepen door te breken, deden we ook niet, want je
+kon zoo'n zak nooit weer zoo netjes in de plooien toevouwen als de
+winkelier. Maar, moedwillig per ongeluk, den koek onder den arm kneuzen,
+dat deed ik wel. Zoo kon ik mijn deel vergrooten, en mijn geweten in
+rust houden. Heeft Jeremia niet geschreven: &bdquo;Arglistig is het hart, meer
+dan eenig ding; doodelijk is het. Wie zal het kennen?&rdquo; Ons onschuldig
+kinderhartje muntte ook al uit in arglistigheid. En als we dan bij nicht
+waren, en ze legde zoo netjes de reepen in haar verlakte
+koektrommeltjes, en ze gaf ons met een vriendelijk gezicht en een zachte
+hand al die brokken, dan stonden we<span class="pagenum" title="68"></span><a id="p_68"></a> daar met een schijnheilig gezicht
+bij, namen als zoete jongetjes&mdash;het petje in de linkerhand&mdash;de brokken
+met de rechterhand aan, want je moest altijd iets met de rechterhand
+aannemen, dat was netjes, ook de door bedrog verkregen dingen, en,
+kleine, gemeene huichelaars als we waren, groetten nicht heel beleefd,
+want ook dat hoorde zoo, en gingen met ons listig gestolen goed de
+straat op, om daar er van te genieten. Gestolen? Nicht had het ons toch
+eerlijk gegeven? &bdquo;Arglistig is het hart, meer dan eenig ding.&rdquo;</p>
+
+<p>En nu knoopt zich aan deze afzetterij nog een ervaring vast. Nicht had
+een meid-huishoudster, die ons altijd met een heel zoetsappig gezicht
+begroette. De vriendelijkheid kwijlde haar haast uit den mond, als ze
+ons de deur opende met haar temerig: &bdquo;Dag jongeheeren! Zal uwe goed uw
+voetjes vegen!&rdquo; Als neefjes van haar &bdquo;<span xml:lang="fr">commesales</span>&rdquo; behandelde ze ons met
+voorzichtigen eerbied. Maar eens hoorden we haar, over ons sprekend,
+zich gansch anders uiten. &bdquo;Daar komme die jongens weer met d'r vuile
+poote je trap bederve. Nou hei je ze pas schoon.&rdquo; Toen had ze voor goed
+bij ons gedaan, dat gemeene wijf, dat zoo vriendelijk was in je gezicht
+en achter je rug op zoo'n manier over je sprak. We konden haar niet meer
+luchten of zien, hadden een hartgrondigen afkeer van haar gemeene
+huichelarij.</p>
+
+<p>Wonderlijk toch. Háár huichelarij konden we niet vergeven, en de onze,
+ofschoon er eigenlijk nog afzetterij mee gepaard ging, bezwaarde ons
+niemendal.</p>
+
+<p>Zouden we, nu als volwassenen, nog net zoo zijn?<span class="pagenum" title="69"></span><a id="p_69"></a> Zou er ook nu nog een
+hemelsbreed verschil zijn tusschen het kwaad van buurman en het onze?</p>
+
+<p>Om de waarheid te zeggen, ik geloof, dat we ook hierin kinderen blijven.
+Sommigen schijnen te meenen, dat een kind in menig opzicht een gansch
+ander wezen is dan de volwassenen. Ik heb altijd gedacht, dat de
+volwassenen precies nog kinderen zijn, uitgegroeide kinderen. In mezelf
+vind ik nog in alle opzichten het kind terug. En pas dus maar goed met
+me op, want je ziet, met mijn schijnheilig gezicht ben ik een gemeene
+huichelaar, terwijl ik me nog bovendien erger aan <i>uw</i> huichelarij en
+daar mijn veroordeelend vonnis over strijk.</p>
+
+<p>We zijn als de jongen, wiens duiven door de kat werden opgegeten. Die
+kat is een gemeen roofdier, maar wij, die kippetjes slachten en
+konijntjes braden, wij zijn brave wezens. Terwijl we de malsche boutjes
+smakelijk verorberen, zitten we die kat te verwenschen en smeden
+moordplannen op haar leven. Zien niet, dat, als zij zondigt, wij het nog
+in veel erger mate doen. De oude geschiedenis van den splinter en den
+balk. Daarom lijkt het mij zoo goed, bij ieder concreet geval, het kind
+aan zichzelf te ontdekken. Niet in algemeene preekjes, maar in
+persoonlijke ervaringen leeren we onszelf kennen, als wijze liefde ons
+maar de oogen opent. Maar het is veel gemakkelijker&mdash;te genieten met de
+oogen dicht.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="70"></span><a id="p_70"></a></p>
+
+<p>De lusten van den winkel&mdash;het is droevig, dit opnieuw te moeten
+belijden&mdash;bestonden in het snoepen, dus in het bestelen mijner ouders.
+Achter de toonbank ging men langs een trapje van drie treden omhoog naar
+de huiskamer. Op mijn &bdquo;kaart&rdquo; is het trapje door een paar lijnen
+aangegeven. De huiskamer had geen anderen uitgang, en we konden dus
+nooit naar buiten, of 't ging het trapje af, achter de toonbank om, den
+winkel door. Bij dien tocht liepen we door een wereld van verleidingen:
+de krenten, de rozijnen, de vijgen, de broodsuiker, de witte en de
+bruine kandijklontjes, zij lagen in open bakken, lokkend de koopers van
+buiten en de snoepers van binnen. Onder de toonbank stonden de vaten met
+stroop en appelgelei, ook lokkend, zij het onzichtbaar, lokkend door een
+geweten tegenwoordigheid. En nu ging ik maar zelden den winkel door,
+zonder in de gauwigheid wat te snoepen: een greep uit den krentenbak,
+een lik uit de stroopton. Alleen het oog der volwassenen, dat door de
+neteldoeksche gordijnen van de glazen kamerdeur ons kon bespieden, of de
+aanwezigheid van den winkelknecht weerhield er ons van. Maar anders&mdash;ik
+beloof u, dat ik weet wat snoepen is. Het was voor mij niet een zonde
+van nu en dan, het was een dagelijksch bedrijf.</p>
+
+<p>En nu komt weer het wonderlijke. In de Eglantiersdwarsstraat, geen
+twintig huizen van ons af en schuin tegenover ons, werd een nieuwe
+kruidenierswinkel geopend, een konkurrent. En hij schaamde zich zijn
+doel niet: met mooie, groote letters stond er op geschilderd: <span class="pagenum" title="71"></span><a id="p_71"></a><span class="size120"><b>DE
+CONCURRENT</b></span>. Dat vonden we allemaal gemeen. Dat die man zijn brood moest
+verdienen, spreekt vanzelf, maar dat hij zoo openlijk voor zijn doel
+uitkwam, om je te verdringen, en daartoe vlak in je nabijheid kwam
+zitten, dat was een laagheid. En we haatten dien man. Wanneer ik in de
+straat speelde, of naar school ging, was die winkel mij een voortdurende
+haatprikkel, en te meer, omdat hij er zoo mooi uitzag, alles zoo nieuw
+en frisch en goed in de verf, en de waren met groote cijfers alle iets
+lager geprijsd dan bij ons.</p>
+
+<p>De gevolgen bleven niet uit. De eene klant na de andere verliet ons,
+natuurlijk niet de &bdquo;uitbrengklanten&rdquo;, maar de &bdquo;winkelklanten&rdquo;, de
+burger- en arbeidersvrouwtjes uit de buurt. Ze konden 't daar goedkooper
+krijgen. En alleen de enkele goede vrienden en buren bleven, en dan zij,
+die in 't krijt stonden en dus maar niet dadelijk weg durfden gaan.
+Toch, ook die verlieten ons, en wellicht juist door hun achterstand. Ze
+konden hun schuld toch niet betalen, en dropen nu langzaam af. Dan
+hadden ze meteen de zachte aanmaningen tot betalen niet meer aan te
+hooren.</p>
+
+<p>Mijn vader was een zachtaardig, eerlijk man, totaal ongeschikt voor
+zaken. Hij geloofde iedereen en liet zich door iedereen bedriegen. Door
+de reizigers en leveranciers, die hem bedorven waar aansmeerden&mdash;ik weet
+nog van een heel vat gedroogde pruimen, waar de maden uitkropen&mdash;en door
+de klanten, die hem niet betaalden. Geen wonder dus dat de zaak,<span class="pagenum" title="72"></span><a id="p_72"></a> nu
+daar bovendien een bloedzuigende konkurrent haar dagelijks het
+levensvocht aftapte, spoedig verzwakte en verstierf. Alle pogingen, om
+met de uiterste vriendelijkheid en inschikkelijkheid de klanten te
+behouden, mochten niet baten. Eerst praatten de menschen met je mee,
+vonden het een schandaal dat zoo iets maar mocht, iemand zoo het brood
+uit den mond stelen. Dan lieten ze zich ontvallen, dat een beetje lager
+prijs in een huishouden toch maar goed te pas kwam. Eindelijk bleven ze
+weg, en je zag ze je deur voorbijgaan, naar den konkurrent.
+Zaterdagsavonds stond daar de winkel berstens vol. O, ik zag het, met
+het hart vol nijd en wee, en de oogen vol tranen. En 's avonds, in bed,
+bad ik met een heel warm hart Onzen lieven Heer, of Hij vader nu toch
+niet helpen kon.</p>
+
+<p>Maar hoe hielp <i>ik</i>? Door&mdash;&mdash;te blijven snoepen.</p>
+
+<p>Is dat nu niet wonderlijk? Diep voelde ik met mijn vader mee. Vurig bad
+ik, dat Onze lieve Heer hem helpen mocht. En ik had zelf zoo braaf
+geholpen, met hem arm te snoepen en ging daar gewoon mee voort.</p>
+
+<p>Ik haatte den konkurrent, haatte de buurtmenschen die wegbleven, haatte
+al wie mijn vader benadeelden. Waarom haatte ik zijn jongsten zoon,
+waarom haatte ik mijzelf niet, die hem voortdurend met kleinigheden had
+bestolen?</p>
+
+<p>Praatte ik mijn misdrijf wellicht goed met een mooischijnende
+redeneering?</p>
+
+<p>O neen, 't was veel erger. Ik <i>voelde</i> mijn misdrijf niet eens. Ik wist
+het, en ik zag het toch niet.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="73"></span><a id="p_73"></a></p>
+
+<p>Wanneer ik mijn broer zoo had zien snoepen, zou ik hem zeker een
+harteloos kind gevonden hebben. Je vader te benadeelen, die toch al zoo
+in nood zat! Neen, tot zulk een gemeenheid zou ik zeker nooit in staat
+zijn geweest!</p>
+
+<p>Maar nu ik het zelf deed? Nu zag ik de gemeenheid niet, ofschoon ik ze
+verstandelijk wist. Nu had ik ze niet eens te verontschuldigen, omdat ze
+niet als schuld in me <i>werkte</i>.</p>
+
+<p>Schuldbesef is niet genoeg. Er moet in 't menschen- en kinderhart
+schuld<i>onrust</i> zijn, schuld<i>ellende</i>.</p>
+
+<p>Neen, de zedelijke opvoeding is zoo gemakkelijk niet. Men komt er niet
+met een preekje. Afkeer van het <i>kwaad</i> is zoo moeilijk aan te brengen.
+We bepalen ons gewoonlijk tot afkeer van de nare <i>gevolgen</i> van het
+kwaad. Als <i>die</i> ons maar niet plaagden, zouden we met het kwaad nog wel
+vrede hebben. Het kwaad voldoet zoo aan al onze zinnelijke en zondige
+begeerten, het vleit ons, het streelt ons. Maar de eenige begeerte die
+ons verheffen kon, de begeerte naar heiligheid, die <i>is</i> er niet. We
+verbeelden 't ons wel, maar 't is zelfbedrog. Arglistig is het hart.
+Daarom is de bede om een &bdquo;nieuw hart&rdquo; zielkundig zoo juist en zoo
+dringend noodig. Maar zal die bede waarachtig zijn, dan moet er al
+vernieuwing des harten werken. Het bidden zelf, dat wil zeggen: niet het
+prevelen, niet het uitgalmen, maar het hartgrondig en waarachtig
+begeeren is al een bewijs van het &bdquo;nieuwe leven&rdquo;.</p>
+
+<p>Meermalen verwonderen we ons, hoe een dronkaard<span class="pagenum" title="74"></span><a id="p_74"></a> zijn gansche gezin
+ongelukkig kan maken door toe te geven aan zijn drankzucht. Die
+dronkaard zat ook in mij. Ik vertrouw, dat mijn lezers betere menschen
+zijn.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Men heeft al begrepen, dat we den winkel moesten verlaten. Doch zoo ver
+zijn we thans nog niet. We moeten eerst het huis nog verder doorgaan, om
+er uit alle hoekjes de herinneringen op te roepen.</p>
+
+<p>De huiskamer heeft me niet veel te vertellen. Alleen dat ledikant daar.
+Daar lag mijn jongste zusje in, toen ze de pokken had. Twee kinderen van
+het gezin waren niet ingeënt, en juist die twee werden tijdens een
+pokken-epidemie door de ziekte aangetast. Wat dat beteekende voor een
+winkel&mdash;ach, wat wordt er in sommige gezinnen soms bitter geleden. Twee
+kinderen ziek, de winkel leeg, dagelijksche angsten, geen inkomsten. En
+dat weken achtereen. Is het wonder, dat een winkelier geneigd is, zulke
+ziekten te verzwijgen? Gelukkig kunnen zij zich thans verzekeren tegen
+de schadelijke gevolgen van besmettelijke ziekten.</p>
+
+<p>Het stond er met Zusje treurig voor. Wij mochten natuurlijk niet bij
+haar komen. Maar op zekeren dag werden we toch bij haar gebracht. De
+dokter had gezegd, dat ze 't niet meer op kon halen, de ziekte was te
+hevig. En toen werden we aan Moeders hand in de kamer geleid. Ik weet
+dat nog heel goed. 't Behangsel van het ledikant werd opengeslagen,<span class="pagenum" title="75"></span><a id="p_75"></a> en
+daar lag het kind: een gelaat, geheel bedekt met zweren en korsten, één
+en al rood van de zweren. Het vroeger fijne gezichtje was opgezet, de
+oogjes verdwenen er in, de oorknopjes waren niet meer zichtbaar. Ik ging
+naar 't bed, en gaf haar een hand. Even bleven we staan; Moeder
+schreide. Toen liet Moeder het behangsel weer vallen en gingen we heen.</p>
+
+<p>Ik herinner me absoluut geen vrees voor besmetting, ook geen vrees voor
+den dood. Alleen herinner ik me dat roode, vurige, opgezette hoofdje,
+liggende op het kussen, den blik der weggezonken oogjes, en het
+uitgestoken handje.</p>
+
+<p>Wonder boven wonder, Zusje genas. Wat moet er in het gezin toen een
+blijdschap geweest zijn. Eerst die zorg, die angst, die hopelooze
+smart&mdash;en nu die vreugde. Dat zijn toch dingen van beteekenis in een
+huisgezin. Maar zij schijnen grootendeels buiten mij omgegaan, eerst de
+angst, toen de blijdschap. Er staat me tenminste niets meer van voor.
+Zoo zeer leefde ik in mijn eigen leventje. En zou dat niet met de meeste
+kinderen zoo zijn? Ze voelen meer voor de droeve lotgevallen in de
+verhaaltjes, dan voor de smarten in hun naasten kring. Ik herinner me
+heel nauwkeurig het zieke kind in haar bedje, alles wat ik gezien heb.
+Waarom ook niet de gevoelens, die toen het gezin beheerschten? Die
+gevoelens lagen waarschijnlijk buiten mijn levenssfeer. En dat stemt
+geheel overeen met de ervaring, die ik telkens opdoe. Kinderen van acht
+en negen jaar komen mij als een interessant geval vertellen, dat hun
+vader gestorven is of hun<span class="pagenum" title="76"></span><a id="p_76"></a> broertje. Bizonderheden daarbij deelen ze mij
+mee als iets merkwaardigs. Ook met hun kameraadjes spreken ze er zoo
+over. Er is geen spoor van aandoening te ontdekken. En dat is niet juist
+bij &bdquo;ruwe jongens&rdquo;, maar ook bij heel &bdquo;lieve en gevoelige meisjes&rdquo;.
+Natuurlijk zou ik wel kans zien, ze gauw aan 't schreien te maken, maar
+dat is geen kunst. Een feit is echter, dat de aangrijpende, smartelijke
+en voor hen zelfs zeer noodlottige gebeurtenissen, door de kinderen&mdash;de
+uitzonderingen daargelaten&mdash;niet schijnen te worden gevoeld.</p>
+
+<p>Wel was ik er zeer gevoelig voor, wanneer later de jongens op straat Zus
+voor &bdquo;mottige&rdquo; uitscholden. Ik mocht, in een bui van drift, me dan zelf
+nu en dan die vrijheid veroorloven, van vreemde jongens duldde ik het
+niet. Onmiddellijk vloog ik er op af en roste er op. En heel
+eigenaardig, een verontwaardigde en moedige jongen is sterk, al is hij
+zwak. Zulke afrosserijen liepen nooit ongunstig voor me af. Dan was er
+iets in me van een leeuw, die zijn welpen verdedigt. Een drift, die geen
+gevaren telt, geen gevaren ziet, die voor niets terugdeinst en daardoor
+onoverwinnelijk is. Ha, ik zou ze kapot geslagen hebben. En omdat ze dat
+zagen, en omdat ze dat voelden, daarom deinsden <i>zij</i> terug. Maar zulk
+een kracht ontwikkel je alleen, als je losbarst voor een edele zaak. En
+is er iets edeler, dan op te komen voor een &bdquo;mottig&rdquo; zusje? Zij kon het
+toch niet helpen, dat die ziekte haar zoo mismaakt had?</p>
+
+<p>Ik was niet de eenige jongen, die gevoeliger was<span class="pagenum" title="77"></span><a id="p_77"></a> voor een scheldwoord
+dan voor ziekte en dood. Het was regel, dat geen enkele jongen zijn
+vader of moeder liet uitschelden. Wie zich dat veroorloofde, kon op een
+onmiddellijk pak slaag rekenen. Schooiers van de straat&mdash;als hoedanig
+wij onszelf nooit beschouwden&mdash;scholden nog wel eens van: &bdquo;Je ouwe vaar,
+die gezete het&rdquo;, of, nog erger, &bdquo;die gehange het&rdquo;. Maar werd die smaad
+niet zonder omwegen met een afrossing betaald, dan bracht dat de
+gescholdene bij ons in minachting, die zulk een smaad op zich had laten
+zitten. &bdquo;Van mijn mag je zeggen, wat je wilt, maar van mijn vader blijf
+je af,&rdquo; luidde het steeds. Is dit niet iets buitengewoon liefs en
+aantrekkelijks in de jongenswereld? Ik heb het altijd een heerlijk
+verschijnsel gevonden. Zelfs de grootste belhamel en de ongehoorzaamste
+zoon liet zijn vader niet beleedigen. Dit raakte zijn eer, zijn hoogste
+eer. En dan had je toentertijd nog onderwijzers&mdash;hoe is 't mogelijk&mdash;die
+zich niet ontzagen, een jongen te krenken in zijn ouders. Men heeft me
+wel eens verzekerd, dat zulke er nog zijn. Maar dàt is haast niet te
+gelooven.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="78"></span><a id="p_78"></a></p>
+
+<h2 id="IN_HUIS_VERVOLG">IN HUIS.</h2>
+
+<h2 class="subtitel">(VERVOLG.)</h2>
+
+<p>Op de kaart van den winkel ziet men nog een trap, ook achter de
+toonbank, maar heelemaal aan 't eind. Die trap liep naar beneden, en
+voerde met een tree of zeven naar de keuken, het tweede vertrek van de
+woning. Meer vertrekken waren er niet. Boven, in de huiskamer, sliepen
+onze ouders en de meisjes, beneden, in de keuken, onder de huiskamer,
+sliepen de jongens, vijf in getal, drie eigene en twee vreemde. Van dit
+vijftal was ik de jongste. Men begrijpt, dat ik daar in een goede
+leerschool was.</p>
+
+<p>'s Morgens, al tamelijk vroeg, moest de bende op. De oudsten gingen naar
+de Ambachtsschool, die om half acht of acht uur begon, en wel een half
+uur ver was. Dat was altijd een heel tumult. We wieschen ons allen boven
+den gootsteen, en daarbij moest de een op den ander wachten. 't Ontbrak
+dan niet aan aansporingen, om wat spoed te maken, aansporingen in de
+bekende ruwe jongenstaal, overgenomen van de volwassenen. Ik had de
+minste haast, bleef het langste in bed, en lag dat heele gescharrel aan
+te zien of speelde in mijn eentje scheepje. Het bed was het schip, de
+stoel er naast het bootje.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="79"></span><a id="p_79"></a></p>
+
+<p>'t Ging onder de jongens ruw genoeg toe. Zelden werd er een bij zijn
+gewonen naam aangesproken. Ieder had een karakteriseerenden bijnaam, een
+scheldnaam, die een zijner ondeugden of gebreken signaleerde, doch
+waarnaar hij niettemin gewoon luisterde. Dat hoorde je niet eens meer.
+De een heette, echt, Theodorus. Dat wil zeggen: Gave Gods. Maar, gesteld
+dat de anderen die beteekenis geweten hadden, wie hunner had in dezen
+kameraad een Gave Gods geëerd? De jongens zagen in hem heel wat anders
+en benoemden hem daarnaar. En dat vond hij tenslotte heel best.</p>
+
+<p>De naamgeving onder 't volk is zoo geheel anders dan die bij de
+geboorte-inschrijving. Bij deze laatste slepen we de reeds lang vergane
+eeuwen mee. Wie zou het nu in zijn hoofd halen, een kind met zoo'n ouden
+Griekschen naam als Theodorus te belasten. Maar zoo wil de gewoonte, de
+kultuur. De natuur doet echter anders. Reeds in de jonge moeder. Met
+allerlei naampjes streelt ze en vleit ze haar kleinen lieveling. Dag
+schat! Dag lieve pop! Dag hartje! Dag kleine bruinoog! Dag
+diefje-van-je-vaders-nachtrust! Dag lekker diertje! Zoo gaat het maar
+door, terwijl de deftige naam Theodorus weggesloten ligt op het
+geboortebriefje in Vaders kassette.</p>
+
+<p>En zoo werkt het ook in de jeugd. Ze vertolkt haar indrukken en
+stemmingen in de naamgeving. Ten onrechte noemt men dat schelden. Dat
+hierbij steeds roode haren en andere uiterlijke kenteekenen herdacht
+worden, spreekt vanzelf. Hoe zal men een rooie<span class="pagenum" title="80"></span><a id="p_80"></a> nu beter noemen dan
+rooie. Dat is zijn beste onderscheiding. De fout is, dat volwassenen de
+kinderen leeren, in roodheid of gebocheldheid of een andere afwijking
+iets zedelijk minderwaardigs te zien en hen voorgaan in geringschatting.
+Niet in het opmerken, benoemen en aanwenden der eigenaardigheid zit de
+fout. Integendeel, dat zijn drie deugden. Het opmerken toont
+onderscheidings-vermogen en belangstelling, het benoemen bewijst juist
+taalgevoel, en het aanwenden geeft blijk van praktischen zin. Maar de
+volwassenen gaan den kinderen voor in een valsche waardeering, in een
+liefdeloos oordeelen, in een hatelijk toerekenen. En is 't wonder, dat
+de kinderen dit voorbeeld volgen, en aldus een natuurlijk geestelijk
+proces bederven door een onzedelijk bijmengsel?</p>
+
+<p>Wie ziet, hoe gemakkelijk de jongens en ook de ruwere arbeiders zich
+wennen aan hun bijnamen, maakt daar niet veel drukte over. De wijze,
+waarop zoogenoemd beschaafde volwassenen in krant en vergadering malkaar
+uitmaken, is ja wat hatelijker.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Het was een aardig gezicht, tusschen al die duwende en grauwende jongens
+mijn oudste zuster te zien doorscharrelen. Zij moest ook al vroeg op,
+meisje van 15 à 16 jaar. Dan ging ze naar beneden, om thee te zetten.</p>
+
+<p>Wat heb ik vaak, warm onder de wol, dat vriendelijk bedrijf rustig
+aangezien. Dan ging ze eerst<span class="pagenum" title="81"></span><a id="p_81"></a> naar den vuurhaard. Dat was een ijzeren
+pot op een &bdquo;stookkacheltje&rdquo;. Het houten tafeltje, van een bizonder
+model, stond onder den schoorsteen, en droeg den vuurpot, een gewonen
+ijzeren pot op drie pootjes.</p>
+
+<p>De pot lag vrij vol met asch. Daaronder waren den vorigen avond een paar
+harde turven &bdquo;ingerekend&rdquo;. Die hadden den heelen nacht zachtjes
+gesmeuld, en nu was het eerste werk om dat vuurtje &bdquo;op te rakelen&rdquo;. Dan
+kwamen er een paar gloeiende kooltjes te voorschijn. Was het vuur te ver
+weg, dan werden er uit den doofpot, naast den haard, een paar &bdquo;doove
+kolen&rdquo; genomen, gedoofde doorgloeide turven, en daarmee het vuur
+opgehaald. En was de doofpot leeg, dan liep je even gauw naar den bakker
+aan den overkant, om een paar centen &bdquo;doove kolen&rdquo; te koopen, hij had ze
+in voorraad, of naar de water-en-vuurvrouw, om een cent of een halve
+cent vuur, in een verglaasd groen steenen testje. Honderden malen heb ik
+die boodschappen gedaan, want, na al het beleden en het nog te belijden
+kwaad, mag ik ook wel eens mijn deugd vertellen van heel groote
+bereidwilligheid. Nu ja, ik pruttelde wel, als ik zoo ineens uit mijn
+spel werd gehaald, maar nooit deed Moeder of Zuster een vergeefsch
+beroep op mijn hulp. Is het niet wonderlijk? Op school stond ik zeker
+bekend als een brutale schooier, en thuis&mdash;ik <i>kon</i> mijn moeder of
+zuster niets weigeren, ook al wilde ik dit natuurlijk. &bdquo;Jan, ga jij eens
+gauw naar....&rdquo;&mdash;&bdquo;Moet <i>ik</i> nu al weer?&rdquo;&mdash;&bdquo;Toe, Moeder wacht er op.&rdquo;&mdash;En
+ik ging al. Ik weet zeer positief, dat ik heel gehoorzaam was, en het<span class="pagenum" title="82"></span><a id="p_82"></a>
+is me ook later vaak genoeg verzekerd. Ze konden alles van me gedaan
+krijgen. Een vriendelijke vraag&mdash;en ik moest het doen. Anders lag die
+vraag toch als een toenemende onrust, een aanzwellend verwijt, in mijn
+gemoed. Ik <i>moest</i>&mdash;niet door buitenafschen dwang, maar door
+innerlijken, onontkoombaren noodzaak. Mijn moeder en mijn zuster
+begrepen dit best en handelden er naar. Ze konden zoo
+onontvluchtbaar&mdash;vragen. Niets anders dan vragen. En die meester op
+school&mdash;hij kwéékte verzet&mdash;hij máákte ongehoorzaam.</p>
+
+<p>Hier moet ik eens even iets schattigs vertellen van een jong
+onderwijzeresje, die wat bij ons in de Tullinghstraat volontairde. Ze
+zou in de elfde klas eenige weken achtereen lesgeven. Daarin zaten
+lastige jongens van 11&ndash;13 jaar. Een der lastigste was Jan B. En toen zei
+dat onderwijzeresje, ze was zelf misschien pas 18, op een keer onder
+schooltijd tegen Jan: &bdquo;Zeg Jan, je moet me een beetje helpen. Je moet
+niet vergeten, dat ik zelf ook nog maar jong ben. Ik moet het nog
+leeren.&rdquo; En dat zei ze zoo vertrouwelijk en vertrouwend, dat Jan een
+kleur kreeg en haar hielp, door op zichzelf te passen.</p>
+
+<p>Ik weet wel, dat dit weer precies het omgekeerde is van wat de
+paedagogiek noemt: &bdquo;je gezag hooghouden&rdquo;. Maar zij <i>hield</i> er haar gezag
+mee hoog. Dat was de ware hooghouderij. En Jan zat gevangen in zijn
+eigen grootmoedige bereidwilligheid.</p>
+
+<p>Anderen noemen dit slimme politiek. Maar wanneer ze het als zoodanig
+willen nadoen, mislukt het. Politiek<span class="pagenum" title="83"></span><a id="p_83"></a> slaagt niet in de opvoeding.
+Integendeel, ze wreekt zich.</p>
+
+<p>Het was zuivere harte-paedagogiek. Zichzelf gewaagd, om den jongen te
+winnen. Zichzelf gewaagd, niet in zwakheid, maar in kracht.</p>
+
+<p>Doch ik zou bij dat alles haast mijn zuster en de doove kolen vergeten?
+Toch niet. Ik had hier echter een kooltje onder de asch, dat ik eens
+even moest oprakelen. Misschien kon iemand er zich aan warmen.</p>
+
+<p>En nu weer naar den vuurhaard.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Waren de kooltjes opgerakeld, dan werden er twee &bdquo;talhouten&rdquo; op gelegd,
+zoo, dat ze buiten den rand van den pot uitstaken, net twee houten
+breipennen, zooals meisjes die altijd, links en rechts, in de holten
+tusschen duim en wijsvinger laten liggen, en met een zwavelstokje werd
+er een vlam gemaakt. De zwavelstokjes kocht je in bundeltjes van een
+cent of een halve cent, en bewaarde je in een ophangdoosje tegen den
+muur naast den haard.</p>
+
+<p>Later leerden we, in onzen kweekelingentijd, van akkermaalshout, van het
+kappen daarvan om de zeven jaar, van het afschillen, 't voeren naar den
+runmolen en van de run naar de leerlooierij, en <i>ik heb nooit geweten,
+dat ik dit gekapte akkermaalshout reeds als kind zelf menigmaal op den
+aschpot had gelegd</i>. Dat hoefde je ook niet te weten, als je <i>je les
+maar kon opzeggen</i>. Voor die kennis kreeg je niets, maar voor die
+opzeggerij een 9 of een 10.</p>
+
+<p>Hoe ik dit dan later te weten ben gekomen? Door<span class="pagenum" title="84"></span><a id="p_84"></a> een boerenknecht. Die
+vertelde 't me. Die stomme boeren zijn vaak beter onderwijzers dan de
+geleerde schoolmeesters.</p>
+
+<p>Ook de zwavelstokjes hadden me iets kunnen vertellen. Zij hadden vroeger
+op het veld gestaan, toen ze nog deel uitmaakten van de hennepstengels.
+Wanneer van deze hoog uitgeschoten plantjes de zaadjes waren
+verwijderd&mdash;hennepzaad&mdash;en de bastvezels waren los geweekt voor de
+touwslagerij, gebruikte men den gedroogden houtachtigen stengel nog om
+er stokjes van te snijden of te hakken, holle stokjes van een of
+anderhalven decimeter lang. Die werden met beide punten in den gesmolten
+zwavel gedoopt en zoo kreeg je de zwavelstokjes. Mooi woord. Zoo
+eenvoudig. Zoo alleszeggend. En als je ze, zuinigheidshalve, langs de
+lengte in vieren knapte, hoorde je en voelde je tusschen je vingers
+zoo'n stokkerig geknap.</p>
+
+<p>&bdquo;Een borreltje ineens, maar een zwavelstokje in vieren,&rdquo; zei de
+zuinigdoende drinkverkwisting. Mijn zuster nam een zwavelstokje, stak
+het aan in 't vuur, ik zag de blauwe vlammetjes, rook den zwavel. Een
+poos later vlamde het in later jaren zoo geleerde eikenhakhout en na een
+half uurtje kookte het water. De ketel hing aan een ijzeren ketting, die
+vastgemaakt was aan een dwarsliggende ijzeren stang in den schoorsteen.</p>
+
+<p>Nu werd de thee gezet, ook al zoo'n heerlijk ding om stil te liggen
+aankijken. Het kringelende water stroomde met een boog in den trekpot,
+damp vulde den keuken, damp en theegeuren, en na vijf minuten<span class="pagenum" title="85"></span><a id="p_85"></a> liep mijn
+zuster met kopjes thee rond, eerst naar boven voor vader en moeder, dan
+voor de jongens, en als ik heel zoet was, kreeg ik ook wat, met veel
+suiker en melk. Die lieve Christine. Zij droeg haar naam met eere. Zij
+was zoo'n echt christinnetje, want ze schold haar broertjes niet uit,
+maar gaf ze kopjes thee met veel suiker en melk. En nu is het wel waar,
+dat daar soms een klein beetje omkooperij bij was, maar dat kwam door
+den nood der omstandigheden en ons eigen booze, onwillige hartje. Bij
+háár was het zuivere neiging om ons wat zaligheid te brengen. Ze vond
+het zelf zoo heerlijk als ze ons goed kon doen. En zeg nu eens eerlijk,
+is dat niet het wezen van het christendom? &bdquo;Alzoo lief....&rdquo; we kennen
+toch dien wonderrijken tekst? Maar we vergeten, dat deze zelfde tekst,
+als we hem later uit het vragenboekje droog moeten memoriseeren, ons
+reeds lang bekend was, en net zoo dicht bij ons was geweest als de
+eikenhakhoutjes in den aschpot. Die tekst was ons al genaderd in de
+lieve zorg, in de koesterende liefde van dat zwoegende christinnetje.
+Wee, als het christendom niet gepredikt wordt door u en mij, in daden.
+Dan is het dood. En die daden behoeven niet de wereld te verbazen. Als
+ze de harten maar winnen. Ons Christientje was een zendelingetje, en
+haar preek was een kopje slappe thee met véél suiker en melk.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Tot de keukenherinneringen behoort ook het naar bed gaan 's avonds.
+Moeder of Zus bracht ons naar<span class="pagenum" title="86"></span><a id="p_86"></a> bed. Bij het uitkleeden treuzelden we
+altijd. Maar er gingen klontjes of andere lekkernijen mee naar beneden.
+En dan was het: &bdquo;Als je je nu gauw uitkleedt, krijg je een klontje.&rdquo; Dat
+zette er gang achter. En in een wip waren we uitgekleed.</p>
+
+<p>Dan knielden we bij den stoel neer en zeiden ons gebedje op:</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+ <span class="i0">'k Leg mij om te slapen neder,<br /></span>
+ <span class="i0">Goede God, die altijd waakt.<br /></span>
+ <span class="i0">Wil mij door Uw gunst bewaren,<br /></span>
+ <span class="i0">Als het kwade mij genaakt.<br /></span>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <span class="i0" style="letter-spacing: 0.1em;">. . . . . . . . . . . . . . . . .<br /></span>
+ <span class="i0">Dan leg ik mijn hoofdje neer.<br /></span>
+ <span class="i0">Doe mij niet angstvallig vreezen,<br /></span>
+ <span class="i0">Want Gij zijt mij heil, o Heer!<br /></span>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <span class="i0">Neem mijn ouders en mijn vrinden<br /></span>
+ <span class="i0">In bewaring dezen nacht,<br /></span>
+ <span class="i0">Opdat morgen bij 't ontwaken<br /></span>
+ <span class="i0">U de lof zij toegebracht.<br /></span>
+ <span class="i6">Amen.<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p>Amen! We gaven Moeder of zus een nachtzoen, en sprongen in bed.</p>
+
+<p>De invloed van dat gebedje was heel kalmeerend. We zeiden het op met
+eerbiedige stem, en langzaam. Ik weet nog heel goed, dat ik minder aan
+de woorden dan aan den hoofdinhoud dacht. En dat blijkt ten<span class="pagenum" title="87"></span><a id="p_87"></a> overvloede
+uit de misvorming van het ons onbegrijpelijke woord &bdquo;angstvallig&rdquo;,
+waarvan wij altijd maakten: als-val-ik. &bdquo;Doe mij niet alsvalik vreezen.&rdquo;
+Maar deze bede tegen het alsvalik vreezen stemde ons misschien nog meer,
+en juist door dat plechtige, onverstaanbare woord. Hoofdzaak was, dat we
+ons nederlegden onder Gods afgebeden bescherming, en die hoofdzaak
+voelden we.</p>
+
+<p>Later kwam de kritiek. Waarom moest God mij bewaren tegen het kwade, dat
+mij genaakte? Was het dan niet beter, dat God, de Almachtige, dat kwade
+maar dadelijk vernietigde of het niet eens liet opkomen? En waarom
+moesten juist mijn ouders en mijn vrinden bewaard worden en niet die van
+een jongetje, dat niet geleerd had te bidden? En als nu mijn ouders of
+vrinden eens ziek werden of stierven, moest God dan geen lof worden
+toegebracht? En wat dan wel?</p>
+
+<p>Zooals ik zei, aan die kritiek dachten we niet, en het gebedje bracht
+ons in een rustige, vredige stemming. Daarom zegt menigeen: zoo'n
+gebedje hindert de kinderen niet, het doet hen goed, het kweekt in hen
+een eerbiedige, godsdienstige gezindheid aan, het schenkt hun rustig
+vertrouwen. Dit is alles waar. En toch ben ik tegen zulke gebedjes,
+tenzij ze onberispelijk zijn. Want ze blijven het kind bij, de vorm gaat
+met de jaren mee, en dan hinderen ze het kind wél. Dan gaat het kind
+vragen, kritiseert zijn biddende woorden, en verwerpt ze. Ik weet wel,
+je hebt kinderen en menschen, die nooit vragen, nooit<span class="pagenum" title="88"></span><a id="p_88"></a> kritiseeren,
+nooit verwerpen, die jaar in jaar uit dezelfde woorden prevelen,
+gedachteloos, alleen drijvend op wat klanken. Maar het is zeer de vraag,
+of zij, die nooit vragen, ook wel ooit aan God hebben gevraagd; of de
+nooit kritiseerenden wel ooit hun eigen zielloos formalisme gekritiseerd
+hebben; en of zij, die nooit verwierpen, wel ooit hebben aangenomen.</p>
+
+<p>Men zij voorzichtig met het formuleeren der godsdienstige waarheden in
+kindertaal. Iedere zielkundige onjuistheid kan zich later wreken. Veel
+beter acht ik het, het kind half begrepen of onbegrepen woorden te
+leeren waarvan de inhoud hem bij 't ouderworden steeds meer bewust wordt
+en wier rijke beteekenis hij met toenemende instemming zal beseffen als
+'t leven hem wijzer heeft gemaakt, dan hem nu met begrijpelijke
+onjuistheden te voeden. Moedermelk&mdash;de mooie vergelijking is van
+Paulus&mdash;moedermelk is <i>dezelfde</i> spijs als volwassenen ontvangen, maar
+in anderen vorm. Men mag de kinderen geen godsdienstige of zedelijke
+waarheden inprenten, die ze later niet kunnen handhaven.</p>
+
+<p>Hoe, naar mijn meening, de groote waarheden in kindervorm tot het kind
+gebracht moet worden, kan ik illustreeren met een heel simpel versje uit
+&bdquo;Ot en Sien&rdquo;.</p>
+
+<p>&bdquo;Gij zult niet begeeren uws naasten huis, noch.... iets dat uws naasten
+is.&rdquo;</p>
+
+<p>Dit ethische voorschrift kennen we. Maar ons hart zit vol ongeoorloofd
+begeeren, en niet alleen naar 't geen onzes naasten is, maar ook in 't
+algemeen<span class="pagenum" title="89"></span><a id="p_89"></a> naar 't geen ons en anderen nadeelig is. Hoe moeten we ons
+wapenen tegen de telkens dreigende verzoeking? Vondel zegt het:</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+ <span class="i0">Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht;<br /></span>
+ <span class="i1">Zy loert, zy loert, om in te vaeren.<br /></span>
+ <span class="i0">Sluit d'oogen, vensters van het licht,<br /></span>
+ <span class="i1">Indien ghy wilt uw hart bewaeren.<br /></span>
+</div
+></div>
+
+<p>Dit gevaar geldt voor klein als groot. En daarom moet ook de vijfjarige
+Ot op zijn hoede zijn, als hij met Sientje suiker gaat koopen voor
+Moeder. Die suiker is zoo lekker, zoo verleidelijk lekker. Dat weten een
+paar oudere vrindjes van Ot best, ze zijn ook jong geweest. En daarom
+waarschuwen ze nu. Als Ot met Sien op een stoep gaat zitten, om even in
+'t zakje te kijken, zeggen zij: Neen Otje,</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+ <span class="i6"><em class="g">Ook niet kijken.</em><br /></span>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <span class="i0">Hij wil er maar even in kijken. Maar dan?<br /></span>
+ <span class="i0">Als Ot dan zijn vingertjes deed in den zak?<br /></span>
+ <span class="i0">En die dan weer gauw bij zijn tongetje stak?<br /></span>
+ <span class="i0">O Otje, o Otje, wat kwam daar dan van?<br /></span>
+ <span class="i0">Dan had Ot gesnoept van de suiker van Moe!<br /></span>
+ <span class="i0">Neen ventje, laat jij dus het zakje maar toe.<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p>Vondel zou zeggen: <ins class="corr" id="corr6" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht.&rdquo; Wij
+zeggen: &bdquo;Ook niet kijken. Laat het zakje maar dicht, mijn jongen!&rdquo;</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="90"></span><a id="p_90"></a></p>
+
+<p>Het ging niet altijd zoo vredig toe daar beneden. Soms bleven mijn
+broer en ik samen spelen. Dan waren we Indianen of Batavieren, smeten
+malkaar met hoofdkussens, worstelden om malkaar uit bed te krijgen
+en&mdash;in de benauwde bedstede&mdash;knauwden we malkaar en schreeuwden daarbij
+zoo hard, dat ze 't boven konden hooren. Moeder of een ander trapte dan
+op den vloer en we hielden ons een oogenblik koest. Maar straks begon
+het spektakel weer, totdat Vader eindelijk driftig werd en naar beneden
+holde. Dan schoten we gauw onder de dekens en verstopten daar ieder
+lichaamsdeel, dat maar geschikt was om geslagen te worden. In den blinde
+sloeg Vader er op los, met zijn hand, en ook wel met zijn pantoffel.
+Maar wol was een slechte geleider. De slagen deden ons geen pijn, en in
+plaats van het uit te schreeuwen van verdriet, barstten we uit in
+gesmoord lachen.</p>
+
+<p>Dat maakte Vader nog woedender, en een hagelbui van klappen brak in de
+nauwe bedstee los. Maar wij konden het heusch niet helpen. Ons lachen
+was geen opzet, geen oneerbiedigheid, en nog veel minder plagerij, we
+hadden 't graag bedwongen, deden er ook ons best toe, maar we konden 't
+niet inhouden en stikten onder de dekens van telkens hernieuwde
+lachvlagen. Totdat eindelijk een slag goed raak was. Dan keerde 't
+spelletje plotseling. Een luid gekerm ging op, en meteen eindigde het
+slaan. Vader was bevredigd. Niet omdat hij ons pijn had gedaan, dat
+wisten we zelf wel beter, maar omdat hij die lacherij had bedwongen.
+Zijn drift had het gewonnen op<span class="pagenum" title="91"></span><a id="p_91"></a> onze overspanning, nu kon hij gekalmeerd
+aftrekken.</p>
+
+<p>Bij ons was de pret er af, en we gingen slapen. 't Was een harde toer,
+om onder die omstandigheden te bidden: &bdquo;Neem mijn ouders in bewaring
+dezen nacht,&rdquo; waar de eene helft van die ouders je zoo had afgerost en
+de andere helft je niet eens kwam troosten. Maar we durfden 't gebed
+niet nalaten. Vader mócht dien nacht eens sterven. En ofschoon we hem
+eigenlijk onze voorbede niet gunden, baden we toch. Maar met
+afkeerigheid in 't hart. We zeiden echter onzen regel gehoorzaam op,
+zoodat Onze lieve Heer ons later niet voor de voeten kon werpen: Nu is
+je Vader ziek geworden, omdat jij niet gebeden hebt. We voldeden aan den
+vorm. Ziedaar puur bijgeloof. De aangeleerde regels waren ons een amulet
+geworden, waarmee we het kwaad konden bezweren.</p>
+
+<p>Toch flitste het al heel vroeg door mijn hoofd, dat zoo'n gebed toch
+niet aangenomen werd, en ik herinner me den strijd tusschen mijn
+afkeerig hart en mijn kinderplicht. Gewoonlijk won de laatste het en
+waren we met Vader al weer verzoend, lang voor we insliepen. Om de
+waarheid te zeggen, we rekenden hem die klappen niet zoo ernstig toe. We
+wisten dat hij driftig was, vreeselijk kon opstuiven, maar waren ook
+volkomen zeker van zijn goedhartigheid. En dan tel je een klap niet zoo
+zwaar. Maar 't gebeurde toch ook wel eens, dat we in wrevel en boosheid
+gingen slapen en 't maar eens zonder gebed waagden. Dan waren we den
+volgenden morgen blij verrast, dat er niets noodlottigs was gebeurd.
+Toch was er iets onrustigs <span class="pagenum" title="92"></span><a id="p_92"></a>in ons: we hadden met het leven van Vader
+gespeeld, en zulks uit pure boosheid. O, als God Vader nu eens had
+weggenomen!</p>
+
+<p>Er gaan in een kind veel meer van zulke overleggingen om, dan de ouderen
+denken. Men behoeft met een kind niet te redeneeren. Het redeneert met
+zichzelf, ook al formuleert het zijn meeningen niet. Een kind redeneert
+in gevoelens, in neigingen&mdash;wat trouwens de volwassenen ook doen&mdash;en
+onze zorg moet zijn, die redeneering niet te verstoren. Heilig hun
+willen, en laat ze dan maar aan zichzelf over. Wel is het goed, ze nu en
+dan te helpen met het bewustmaken der opborrelende waarheden. Maar dan
+redeneert men er geen opinie <i>in</i>&mdash;dan redeneert men er juist een opinie
+<i>uit</i>. Wat in de diepte sluimerde, komt naar boven en naar buiten. De
+kleur van kersen en appelen komt immers, op haar tijd, ook van binnen
+naar buiten? Verf geen groene appeltjes rood. Zij verven zichzelf.</p>
+
+<p>De klappen van mijn Vader hebben nooit afbreuk gedaan aan onze liefde
+voor hem. Maar wel aan ons respekt.</p>
+
+<p>We begrepen, dat hij ze in drift gaf, beseften dat wij die drift hadden
+opgewekt, en&mdash;let wel&mdash;vergaven hem daarom de klappen. Niet vormelijk,
+maar in ons hart.</p>
+
+<p>Men beweert vaak, dat de kinderen een kastijding in dank aannemen, de
+liefde er in erkennen, en straks de tuchtigende hand zegenen, de roede
+kussen.</p>
+
+<p>Zoo ver heb ik het nooit gebracht. Ik betwist de<span class="pagenum" title="93"></span><a id="p_93"></a> mogelijkheid niet,
+maar mijn ervaring ziet door zulke dankbaarheid geen enkel plaatsje in
+mijn leven bezet. <i>Nooit</i> heb ik de slaande hand gezegend. <i>Nooit</i>.
+Wel&mdash;de hand Gods. Maar dat is immers héél iets anders? De slaande hand
+Gods&mdash;dat is de rechtvaardige straf voor onze euveldaden, de verdiende
+gevolgen van ons kwaad.</p>
+
+<p>Er heerscht gerechtigheid in ons leven. Zoek bij ieder leed uw zonde. En
+ge vindt ze. Ik heb tenminste in mijn eigen leven&mdash;en alleen daarover
+kan een mensch oordeelen, wat weet ik van uw innerlijk leven?&mdash;ik zeg,
+dat ik in mijn eigen leven nooit te vergeefs heb gezocht naar de
+zedelijke (de onzedelijke) oorzaak van mijn leed. Maar die
+rechtvaardigheid heb ik in de menschelijke straffen nooit kunnen
+erkennen. Daarin werkte wel mijn kwaad als oorzaak, maar vooral niet
+minder de ontstemming, de drift, de gemakzucht en zelfs het
+plichtsverzuim der bestraffers. Heel wat straf voor de jongeren is
+eigenlijk verdiend door de ouderen, die zich aan die jongeren niet
+hebben gewijd, die te kort zijn geschoten in hun opvoedingsplichten. Dit
+nu heb ik al heel vroeg gevoeld&mdash;en dat zal wel bij meer kinderen 't
+geval zijn&mdash;en daarom is het hoogste, waartoe ik het heb kunnen brengen,
+dat ik mijn Vader zijn drift en zijn klappen vergaf. Maar er dankbaar
+voor zijn? Nooit.</p>
+
+<p>Men voelt wel, waarom ik mijn vroegeren meester zijn slaan <i>niet</i>
+vergeven kon. Dat was heel iets anders. Die maakte van zijn slaan een
+gewoonte, een voldoening, een nijdig genot. Vader sloeg uit drift<ins class="corr" id="corr7" title="Niet in Bron.">.</ins>
+Je zag,<span class="pagenum" title="94"></span><a id="p_94"></a> dat hij er zelf geen plezier in had. Hij sloeg, omdat die
+bengels hem het bloed uit de teenen haalden. En straks was hij weer
+aardig tegen je en goed en hartelijk. 't Verschil was niet, dat de een
+je meester en de ander je vader was, want ik heb jongens gekend, die hun
+vader zoo veroordeelden als ik mijn meester, maar 't verschil was: de
+een toonde een hart voor de jongens te hebben, en de ander niet. Dat is
+alles. Maar dat is dan ook allesoverheerschend. Al je daden worden door
+je hart gekleurd. En zoo kunnen twee precies gelijke daden, bij twee
+volkomen tegengestelde personen ook precies het tegengestelde van elkaar
+zijn. Zuivere rechtvaardigheid beoordeelt daarom naar het hart.</p>
+
+<p>We vergaven Vader dus zijn klappen. En die houding van onze
+vergevingsgezinde kritiek heeft mij geleerd, dat een volwassene een kind
+niet slaan moet. 't Is ook niet noodig. Wie <i>met</i> klappen kan opvoeden,
+kan 't ook <i>zonder</i>. En wie 't niet <i>zonder</i> klappen kan, kan 't ook
+niet <i>met</i>.</p>
+
+<p>Maar laten we elkaar goed verstaan. Ik zeg: opvoeden. Ik zeg niet: de
+baas blijven. Want ja, dan zijn er, die bij hun opvoeding dit middel
+soms noodig hebben, door gebrek aan paedagogischen kultuur en&mdash;aan tijd.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="95"></span><a id="p_95"></a></p>
+
+<h2 id="NOG_IN_HUIS">NOG IN HUIS.</h2>
+
+<p>In de keuken sliepen we, speelden we, stoeiden we, hoorden we dreigende
+bombardementen boven ons hoofd, kregen we op ons kop van een driftig,
+vertoornd vader, en lagen we in alle stilte het vredig bedrijf van een
+oudere zuster te bespieden. In diezelfde keuken oefende ik me ook in
+mijn eersten handenarbeid en verdiepte ik mij in mijn eerste
+bibliotheek.</p>
+
+<p>Mijn eerste handenarbeid was schoenenpoetsen. Wie onzer huidige jeugdige
+slöjdbeoefenaars wordt in dat practische werk ingeleid en er mee
+vertrouwd? Ik verzeker u, dat ik mij oefende in de bekende slöjddeugden
+van netheid en nauwkeurigheid, zonder dat iemand die mij als
+paedagogische gewichtigheden oplegde. 't Was louter liefhebberij.</p>
+
+<p>Hebt ge wel eens schoenen gepoetst? Neen, ik bedoel niet: uw schoenen
+wel eens een enkel keertje glimmend gemaakt, maar den arbeid van 't
+schoenenpoetsen verricht. Elken Zaterdag stond een rijtje voor me
+gereed. De mannen en de groote jongens droegen toen laarzen, schoenen
+met vrij hooge schachten. Bottines kende men niet. Er waren
+rijgschoenen, knipschoenen, en laarzen, achtereenvolgens voor kinderen<span class="pagenum" title="96"></span><a id="p_96"></a>
+(en meisjes), jongens en mannen. De dames droegen &bdquo;stoffen laarsjes&rdquo;
+zonder hakken, die dus nooit gepoetst behoefden te worden.</p>
+
+<p>Zoo'n rijtje schoenen en laarzen was een mooi gezicht.</p>
+
+<p>Eerst zette ik ze netjes naast elkaar naar de grootte, de rijglaarsjes
+van mijn jongste zus aan 't eene eind, de kaplaarzen van vader of mijn
+oudsten broer aan 't andere eind. 'k Weet nog heel goed, dat ik genoot
+van zoo'n rij. Ik zag er ons heele huisgezin in. En dan eerst alle
+afborstelen, zoodat de modder verwijderd werd, daarna alle insmeren met
+schoensmeer uit een cylindervormig grijssteenen potje (doosjes
+schoensmeer waren er nog niet), en eindelijk stuk voor stuk
+uitborstelen. Nu kwam bij 't genot der orde ook nog 't genot van 't
+blinken. En als tenslotte de heele rij in dezelfde orde, maar nu
+glanzend, in de keuken prijkte, stond daar vóór mij <i>een stuk
+schoonheid</i>, waaraan de Vereeniging &bdquo;Schoonheid en onderwijs&rdquo; wellicht
+nog nooit heeft gedacht. Een stuk schoonheid, waarin drie
+schoonheidselementen leefden: orde, reinheid en glans.</p>
+
+<p>Wie had mij voor die elementen de oogen, het hart geopend? Ik weet het
+niet. Misschien de sterrenhemel? Misschien waren ze ook in mij opgerezen
+zonder eenige opvoedkundige oorzaak. Als die schoonheidselementen niet
+in de menschheid waren, hoe zouden ze er dan ooit uit kunnen komen?
+Onlangs zag ik op een landweggetje een vijfjarig meisje uit een
+woonwagen, een kermiskar, spelen met steentjes en stukjes<span class="pagenum" title="97"></span><a id="p_97"></a> glas, die ze
+blijkbaar van den weg bijeen gezocht had. Ze legde haar schatten in
+mooie rijtjes&mdash;als ik mijn schoenen&mdash;en genoot daarvan. Wie had het haar
+geleerd? Als schoonheid en onderwijs 't haar maar niet verleeren. Ik
+bedoel: de <i>lessen</i> in schoonheid en alle overige onderwijzingen.</p>
+
+<p>Wat deed ik mijn uiterste best, om het schoeisel tot in de puntjes mooi
+te krijgen! Niet alleen om ieder plekje van het bovenleer te doen
+glimmen, maar ook de hakken en ook de zoolranden, en ook&mdash;u gelooft het
+niet?&mdash;ook den bocht tusschen zool en hak! Dus een ondergedeelte, dat
+toch niet gezien werd en straks weer onmiddellijk vuil zou worden. Ik
+gaf de schoenen niet uit mijn handen, eer ze onberispelijk waren.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Er was nog een handenarbeid, waarin ik mij ijverig bekwaamde. Een groot
+gezin heeft dagelijks groote hoeveelheden aardappelen noodig, en die
+moeten alle stuk voor stuk geschild worden. Dat was natuurlijk
+meidenwerk, en, zoo er geen meid was, dan meisjeswerk. Natuurlijk?
+Waarom? Mag een jongen wel het mes hanteeren, om onnoodige doosjes te
+maken, en niet om noodige aardappelen te schillen? Ik voelde dat
+toentertijd niet zoo en schilde menigmaal een grooten bak vol
+aardappelen.</p>
+
+<p>Meen weer niet, dat mij dit altijd verdroot. Ja, als 't mooi weer was en
+de andere jongens op straat speelden. Dan viel het mij wel eens hard.
+Maar overigens?<span class="pagenum" title="98"></span><a id="p_98"></a> Er was een eigenaardig genot in, aardappel na aardappel
+te schillen. Iedere aardappel was weer anders. Je had kleine en groote,
+ronde en lange. Net als oliekoeken. Ze waren niet uit één vorm gekomen,
+maar in vrijheid gegroeid, en ieder bracht zijn eigenaardigheden mee,
+precies als de kinderen. Hoe boeiend en afwisselend was het, met die
+eigenaardigheden rekening te houden. Je pakte ieder weer van een anderen
+kant aan.</p>
+
+<p>En dan de kunst om <i>dun</i> te schillen. &bdquo;Zal je ze dun schillen,
+Jan?&rdquo;&mdash;&bdquo;Ja Moe.&rdquo;&mdash;En dit was geen ja moe, om me er af te maken, en ook
+niet om in Moeders oeconomie te komen, maar de instemming van een geest,
+die een probleem erkent en daarin iets aantrekkelijks voelt naderen. Met
+het kleine aardappelmesje, dat met door ervaring ontwikkelde beslistheid
+ergens&mdash;neen niet ergens, maar bij het rechte beginpunt, in den
+aardappel werd gezet, haalde ik de schil er zoo dun mogelijk af, terwijl
+de aardappel tusschen vingers en duim verstandig ronddraaide, zich
+richtend naar zijn bizonderen van de natuur meegekregen vorm. En dan
+werden de &bdquo;pitten&rdquo; er uit gehaald, de oogen. Er zijn vrouwen, die dat
+altijd slordig doen. Hoe is het mogelijk! Weet je nu iets leukers, dan
+om telkens met de punt van je mesje zoo'n zwart oog er uit te wippen? Je
+steekt de punt in den harden aardappel, wipt, en met een knapje vliegt
+hij er uit. Geen oog werd vergeten, ook niet het kleinste. Niet alleen,
+omdat het een schande was, als de aardappels 's <ins class="corr" id="corr8" title="Bron: middag's">middags</ins>
+van den schotel je &bdquo;aankeken&rdquo;, <span class="pagenum" title="99"></span><a id="p_99"></a>maar in de eerste plaats&mdash;&mdash;omdat je ze
+niet kon laten zitten. Dan ware je werk niet af geweest.</p>
+
+<p>Eén zonde bedreef ik nog wel eens onder 't aardappelschillen. Ik zette
+den emmer met water een eind van me af, en gooide dan iederen blanken
+knol, uit de verte, er in. Dat gaf een dubbel genot. Vooreerst moest je
+goed mikken, en dan hoorde je telkens zoo'n heerlijken plomp. Maar 't
+kwaad was, dat je den grond om den emmer heen aanhoudend bespatte.
+Enfin, die zonde vergaf Moeder me. &bdquo;Jongen, wat spat je weer!&rdquo; Maar dit
+klonk nooit als een verwijt of een verbod, maar steeds als een soort
+instemming met je plezier. Dat hooren de kinderen gauw genoeg.</p>
+
+<p>In plaats van oefeningen in karton en klei bestond mijn handenarbeid dus
+in oefeningen met leer en knollen. Het mes en de borstels leerde ik
+daarbij hanteeren. Deugden van netheid en nauwkeurigheid werden in mij
+ontwikkeld. Vraag het maar aan de schoenzolen en de aardappelpitten.
+Maar weet je, wat nu hard is? Terwijl ik die kunsten nu nog volkomen
+meester ben, ja nu nog, kan ik er geen examen in doen. Ik moet bepaald
+karton kunnen snijden en geen aardappel schillen. En zoo beteeken ik als
+handenarbeider niets en zijn de anderen autoriteiten. Ook krijg ik er
+geen extra geld voor. Je hebt geen schoenen- en aardappeldiploma's. De
+heeren op het stadhuis geven niet om glimmende laarzen en kruimige
+aardappelen. Die zijn dol op kartonnen doosjes en aardappelen,
+nagebootst in klei. Daar gaat hun<span class="pagenum" title="100"></span><a id="p_100"></a> hart en hun beurs bij open. Daarvoor
+geven ze &fnof;50 per jaar meer. Wat zou mijn moeder er van zeggen? &bdquo;Wees
+jij maar tevreden, jongen. Jij hebt je Moeder geholpen.&rdquo;</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Ik zou nog van anderen handenarbeid kunnen vertellen, maar 't is zoo
+genoeg. Men heeft me wel begrepen: Ook in het schijnbaar eentonigste
+werk zit genot en leering. Mijn moeder vertelde ons vaak, dat zij als
+kind in de Klundertsche pastorie&mdash;Dominé van Spall had een heel groot
+gezin&mdash;de meiden hielp bij 't aardappelschillen, en dan legde ze de
+geschilde aardappelen netjes in rijen van zes op de rechtbank. En ze
+genoot nog, als ze er ons van vertelde.</p>
+
+<p>In iederen arbeid, ook in den&mdash;schijnbaar!&mdash;eentonigsten, zit genot en
+leering. De kunst is echter, die er uit te halen. Het simpel aangroeien
+van het resultaat is al een vreugd. Maar de opvoeders zijn zoo dom, zoo
+vreeselijk dom. De doodeenvoudige, de vlak-voor-de-hand-liggende, de
+spotgoedkoope voortreffelijkheden zien ze niet. En ze halen met
+opoffering van geld de modedingen in, omdat die.... in de mode zijn. Zoo
+laten zelfs wijze menschen zich verblinden. En dan wordt die verblinding
+bewerkt door wat wetenschappelijk geleuter. 't Is altijd de oude
+geschiedenis. Hier vloeien de bronnen, maar men wendt zich van het
+levende water af, om zich te richten naar de &bdquo;steenen bakken&rdquo; van
+Jeremia, &bdquo;die geen water geven&rdquo;.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="101"></span><a id="p_101"></a></p>
+
+<p>Een kind is toch met zoo weinig gelukkig!</p>
+
+<p>Dit ondervond ik ook met mijn bibliotheek en mijn eigen kamertje.</p>
+
+<p>Dit kamertje&mdash;doch wáár moest dit in huis te vinden zijn, daar we toch
+met ons vijven in de keuken sliepen en we dus niet eens een afzonderlijk
+slaapvertrek hadden?</p>
+
+<p>'t Was in diezelfde keuken en 't heette &bdquo;het kokertje&rdquo;. Nú pas, bijna
+een menschenleeftijd later, weet ik waaróm het zoo heette. 't Was een
+lichtkokertje, en natuurlijk een horizontaal, anders had ik er niet in
+kunnen kruipen en er een rustig plekje vinden.</p>
+
+<p>Ge weet nog van den winkel, dat er achter de toonbank een trapje van
+vier treden naar de huiskamer leidde? Tusschen de treden van dit trapje
+was ruimte. Als je nu, achter de toonbank, op je hurken ging zitten, kon
+je tusschen die treden door kijken, en dan zag je een ruit vertikaal.
+Achter deze ruit was een kokertje, een lichtkokertje voor de keuken, en
+dat was mijn kamertje. Men kan begrijpen, hoe licht het er was. Het
+schemerlicht achter de toonbank, moest tusschen de schaduwende treden
+heen, eer het mijn kokertje bereikte. Toch viel er, een enkelen keer,
+wel eens een zonnestraal in. 't Is wonderlijk, in welke verborgen
+hoekjes zonnestralen al niet weten te komen.</p>
+
+<p>De toegang tot mijn heiligdommetje was in de keuken. Ik moest daar eerst
+van den vloer op een kist klauteren en me in het kokertje werken. Maar
+zat ik<span class="pagenum" title="102"></span><a id="p_102"></a> er eenmaal, dan zat ik er zoo veilig. Niemand kwam er.</p>
+
+<p>'t Leek net een klein kamertje: vloer, zolder en drie wanden, waarvan
+een van glas. Ik denk, dat het ongeveer een meter breed en hoog was, en
+niet veel dieper. 't Had tenminste iets van een liggenden, hollen,
+vierzijdigen prisma, die den kubus naderde. Beknopter woon was moeilijk
+te denken. En toch heb ik daar zalige uren en heele middagen
+doorgebracht. Ja, zelfs heele dagen in de vacantie. Als Jan maar in zijn
+kokertje zat, was hij zeker stil. En als je hem in huis niet wist te
+vinden, had je maar, tusschen de treden van het huiskamertrapje, even
+tegen de ruit te tikken.</p>
+
+<p>Het moet in mijn eigen hokje zeker vrij schemerig zijn geweest, vooral
+op regenachtige namiddagen, wanneer ik er bij voorkeur mijn toevlucht
+zocht. Maar daar weet ik niets meer van. 'k Weet alleen, dat ik er mij
+recht behagelijk voelde. 'k Had er al mijn schatten, netjes
+gerangschikt, evenals de schoenen en laarzen, en keek door de ruit naar
+de afgesneden stukken van de beenen van mijn vader, als deze achter de
+toonbank stond, of anders van den winkelknecht. 't Was een misfortuin
+als moeder of zuster in den winkel hielpen, want die wierpen, door haar
+rokken, breede wolkschaduwen in mijn toch al donker verblijf. Maar 't
+was daarentegen een voordeel, als, op een zonnigen zomerdag, de winkel
+lang leeg bleef. Dan reisde er, gedurende eenigen tijd, als de zon wat
+hoog stond, wel eens een heele lichtbundel mijn kokertje rond, waarin de
+stofjes zoo rustig vroolijk<span class="pagenum" title="103"></span><a id="p_103"></a> krioelden. En als er dan in de bovenkamer
+gemurmureerd werd over het wegblijven der koopers, zat daar beneden
+iemand, zonder zich daarvan rekenschap te geven, in stilte heel erg te
+genieten door datzelfde wegblijven. Hij was gelukkig met zijn zonnegoud.</p>
+
+<p>Kinderen en volwassenen hebben zoo vaak tegenstrijdige belangen.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>En welke schatten waren het nu, die me zooveel genot bezorgden?</p>
+
+<p>In de eerste plaats traktaatjes, die ik nooit las. Op de zondagsschool,
+trouw bezocht, deelde men geregeld traktaatjes uit, sommige zelfs van
+acht bladzijden, sommige van dof, andere van glanzend papier, sommige
+met en andere zonder een prentje, kleine en groote.</p>
+
+<p>Die traktaatjes bevatten maar zelden verhaaltjes, meestal godsdienstige
+beschouwingen, en ik las ze dus nooit. Niemand las ze bij ons thuis.
+Maar ik sleepte ze dadelijk naar mijn kokertje en legde ze daar op een
+stapeltje, waartoe ze naar grootte, dikte, papiersoort of illustratie
+behoorden. Dan werden ze genummerd en ingeschreven in mijn catalogus.
+Sorteeren was mijn liefhebberij, een wetenschappelijke liefhebberij,
+gelijk men haar aan de hoogeschool en in het voddenpakhuis kan vinden.
+Sorteeren van planten en boeken heet echter hooger te staan dan
+sorteeren van vodden.</p>
+
+<p>Wanneer er een bepaald getal traktaatjes op een<span class="pagenum" title="104"></span><a id="p_104"></a> stapeltje lag, werd dat
+met een draadje of lintje saamgebonden als dierbare brieven, die men ook
+niet meer leest, en bijgezet in het mausoleum dezer soort
+godsdienstigheid, dat ik mijn bibliotheek noemde. Gelijk mijn zusje met
+haar poppekleeren, solde ik met mijn geschriften. Ze werden in- en
+uitgepakt, opgenomen en neergelegd. Dat was het al. En zoo hebben die
+traktaatjes aan mijn opvoeding meegewerkt, zij het op andere wijze dan
+de vriendelijke uitdeelers bedoelden. Ze hebben me materiaal bezorgd, om
+mijn ordezin te ontwikkelen. Ze hebben me bezigheid geschonken en daarin
+een weldoende afleiding op donkere uren.</p>
+
+<p>Meen niet, dat ik onverschillig was omtrent die drukwerken. Dat is een
+kind en een wilde immers nooit omtrent een nieuw stuk voornaamheid, dat
+hem vereerd wordt. Ik voelde me er zelfs rijk mee. Maar het was een
+rijkdom als van den gierigaard. 't Genot zat alleen in het hebben, niet
+in 't gebruiken.</p>
+
+<p>Aan die traktaatjes is nog één herinnering verbonden. Men weet nog wel
+van den avond, toen de kleine spijbelaar toch naar het verjaarsfeestje
+mocht. Bij die gelegenheid moest hij een verjaarsgeschenk meebrengen,
+want op een verjaarpartij gaan, zonder een cadeau aan te bieden, dat was
+een onmogelijkheid. Hij had echter niets om aan te bieden. Toen, eer hij
+in zondagsgewaad de gracht opvloog, kroop hij eerst naar zijn kokertje.
+Kon Moeder geen geld missen om iets te koopen, dan moest hij maar iets
+van zijn eigen schatten opofferen. En hij nam het dikste pak<span class="pagenum" title="105"></span><a id="p_105"></a>
+tractaatjes uit zijn verzameling, om dat mee te nemen. Doch een snel
+oprijzend voorgevoel waarschuwde hem, in een seconde, dat dát toch
+eigenlijk te min was. Daarom nam hij nóg een pakje, en nóg een.
+Eindelijk de heele verzameling. En hiermee vloog hij naar het feest. 't
+Was voor hem een offer. Hij heeft echter nooit kunnen merken, dat het
+als zoodanig door den ander gewaardeerd werd. Voor dien ander zat ook
+niet het verzamelplezier er in. En zónder dat was het heele pak
+eenvoudig waardeloos.</p>
+
+<p>Ik heb later wel eens in stilte gebloosd over het gekke figuur, dat ik
+op dit verjaarfeest maakte met dat cadeau. Wat moet de jarige, wat
+moeten zijn huisgenooten er wel van gedacht hebben. En de vraag is
+meermalen in me opgerezen, of het van mijn Moeder goed was, me dus naief
+er in te laten loopen. Had zij haar kind zoo aan de kritiek mogen
+prijsgeven, al hoorde hij die kritiek ook niet. Mijn verontschuldiging
+was&mdash;want gij weet het immers, ouders, hoe kinderen hun ouders
+beschuldigen en verontschuldigen?&mdash;mijn excuus voor haar was dan, dat ze
+zelf in allerlei zorg zat en op dit oogenblik zeker geen gelegenheid
+wist, om gauw iets te koopen. Maar toch.... gij ouders, die niet zulke
+excuses hebt, profiteert niet van de naiveteit uwer kinderen. Ze
+verwijten het u later. En terecht. Behandel de dieren met zachtheid en
+uw kind met ernst.</p>
+
+<p>En nu denk ik ineens aan iets anders. Wellicht heeft die jarige Piet in
+zijn leven meermalen de geschiedenis verteld, hoe hij als jongen&mdash;nota
+bene als<span class="pagenum" title="106"></span><a id="p_106"></a> jongen!&mdash;voor zijn verjaardag een pak oude traktaatjes kreeg,
+en niet van een ouwen sok van een catechiseermeester, maar van een
+vrindje! Wie weet hoe dikwijls hij zich ten koste van mij heeft
+vermaakt! Misschien, terwijl ik dit schrijf, zit hij ergens in de
+wereld, midden in zijn gezin, en haalt de historie weer eens op ten
+pleziere zijner haast volwassen kinderen. En ze genieten met elkaar van
+mijn onnoozelheid, gierigheid, of wat het zij. Piet heeft zijn leven
+lang die zaak gezien onder <i>zijn</i> licht. En ik onder het mijne, dat zoo
+heel anders was.&mdash;Denk er aan, als gij over personen en feiten oordeelt.
+Gij ziet slechts <i>uw</i> zijde van de werkelijkheid.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Ik kan van mijn kokertje geen afscheid nemen, zonder een beminnelijke
+zonde van mijn vader te gedenken. Die driftige, goeie man had het zwak,
+moeilijk te kunnen weigeren. Daardoor kocht hij van gewetenlooze
+commissionairs in zijn onnoozelheid bedorven waar. Daardoor leverde hij
+aan gewetenlooze koopers zijn goederen tegen wanbetaling. En daardoor
+teekende hij in&mdash;ons ten voordeele, maar Moeders beurs en humeur ten
+nadeele&mdash;op alle boekwerken, die colporteurs hem aanpreekten. Ieder keer
+als de rekening kwam, was hij weer kwaad, vanwege het geld, en ieder
+keer als er een nieuw plaatwerk werd opgedrongen, bezweek hij weer: 't
+was ook maar een dubbeltje in de week.&mdash;Jammer, dat die afleveringen al
+spoedig rondzwierven. De eerste werden opengesneden <span class="pagenum" title="107"></span><a id="p_107"></a>en, zoo al niet
+gelezen, dan toch bekeken. De latere dreven vaak onopengesneden door de
+huiskamer, totdat eindelijk Moeders netheid ze bij een opruimwoede maar
+telkens in een kast stopte. &bdquo;Die ellendige boeken! Eerst koop je ze, en
+dan lees je ze niet eens! En dan nog betalen!&rdquo; Vader mopperde wat op die
+verwijten, maar de gegrondheid viel niet te loochenen. Dat beseften wij,
+kinderen, reeds.</p>
+
+<p>Jammer van die afleveringen. En toch weer niet jammer. Want toen ik
+merkte, dat er in de huiskamer geen belangstelling en ook geen ruimte
+voor was, sleepte ik ze naar mijn kokertje, natuurlijk met Vaders
+goedvinden en tot Moeders dankbaarheid. En daar lag ik dan, vlak bij 't
+lichtraam, de donkere platen te bekijken uit het &bdquo;Bijbelsch Magazijn
+voor alle standen&rdquo; en de jachttafreelen uit
+&bdquo;<a href="http://www.gutenberg.org/wiki/De_Aarde_en_haar_Volken_(Bookshelf)" title="Diverse artikelen zijn via http://www.gutenberg.org als e-boek beschikbaar.">De
+Aarde en haar Volken</a>&rdquo;. Hoeveel stemming ik daaraan te danken heb, ik weet het
+niet. Ontwikkeling waarschijnlijk niet veel, want de lektuur was er
+altijd op ingericht, leesgierige menschen en kinderen af te schrikken.
+De kunst om lezers te lokken, verstaan de kroegbazen in 't vak beter dan
+de dominé's. Alleen de jachten in Afrika boeiden. Maar overigens niets.
+Ik herinner me heel goed, dat ik het telkens probeerde, maar telkens
+moest ik het weer opgeven. Toen heb ik ervaren, dat men een groot kwaad
+doet, met het vrome en leerzame ongenietbaar te maken. Niet
+slechts&mdash;neen, dat is nog niet het ergste&mdash;omdat men daardoor geen vat
+heeft met zijn brave pogingen, maar&mdash;en dit is fataal&mdash;omdat men daarmee
+afkeerig maakt van<span class="pagenum" title="108"></span><a id="p_108"></a> hetgeen ons juist aantrekken moest. Ga les nemen bij
+den duivel, als ge uw kinderen in den hemel wilt hebben.</p>
+
+<p>Later&mdash;ik weet niet hoe&mdash;zijn al die afleveringen naar zolder verhuisd.
+Ik verdenk daar mijn goeie moeder van. Moeders hebben zoo'n genadeloozen
+slag, om allen onpraktischen rommel (gelijk boeken! wat héb je aan die
+vodden!) naar zolder te expediëeren. De zolder is rustig en ruim. Daar
+liggen ze niemand in den weg. En zoo heb ik, in later jaren, daar de schatten
+mijner jeugd weer ontdekt in een paar rozijnenkisten van ruw blank hout.
+Toen heb ik ze me opnieuw toegeëigend. En sedert hebben ze me niet meer verlaten.
+De Bijbelsche Magazijnen liet ik gaandeweg schieten. Die waren <i>te</i> saai.
+Daarvoor behelsden ze dan ook godsdienst. Maar de gele afleveringen van
+&bdquo;<a href="http://www.gutenberg.org/wiki/De_Aarde_en_haar_Volken_(Bookshelf)" title="Diverse artikelen zijn via http://www.gutenberg.org als e-boek beschikbaar.">De
+Aarde en hare Volken</a>&rdquo; liet ik tot boekdeelen
+inbinden&mdash;ondanks de verdwenen vellen&mdash;en die zeven
+boekdeelen zijn met me door 't leven gereisd. Héél vaak heb ik
+er in genoten. Mijn aardrijkskunde konden, dientengevolge, mijn
+latere lesoverhoorders me niet heelemaal vergallen. En toen in de
+Tullinghstraat de kinderen opgroeiden, zat Moeder menig, menig uur
+met ze te smullen in de plaatrijke boeken. De oude verworpelingen,
+zuchtend in een rozijnenkist op een kouden, stillen zolder, werden
+lievelingsprentenboeken voor Grootvaders kleinkinderen in de warme
+huiskamer.</p>
+
+<p>Als Grootvader dát nu nog eens had kunnen bijwonen! Hoe zou hij
+getriumpheerd hebben op zijn<span class="pagenum" title="109"></span><a id="p_109"></a> mopperende vrouw! &bdquo;Zie je nou, vrouw, dat
+ik nog zoo gek niet was?&rdquo; En dan zou de vrouw, in wijsgeerige berusting
+gezegd hebben: &bdquo;Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!&rdquo;</p>
+
+<p>Inderdaad, als we alles maar eens vooruit wisten! Op Vaders zondig zwak,
+om zonder geld te koopen, heeft&mdash;voor zoover ik zien kan&mdash;nog meer zegen
+gerust, dan op de toch inderdaad heel vrome traktaatjes.</p>
+
+<p>Doch laat ik nu op 't laatste oogenblik geen nieuwe onbillijkheden
+begaan. &bdquo;Voor-zoover-ik-zien-kan.&rdquo; Beseffen we wel allen de kracht van
+die woorden? Wie weet, of ook zij den last hunner zending niet hebben
+vervuld? Op Gods tijd. En op Gods plaats.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!&rdquo;</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Wellicht heeft, onder 't lezen door, menigeen medelijden gevoeld met het
+arme jongetje, dat zijn ontspanning moest zoeken in een benauwd hokje,
+spaarzaam verlicht, en bovendien onfrisch als verzamelhoek van allerlei
+keukendampen. Het spijt me wel voor de gevoeligheid, hem gewijd,
+maar&mdash;dit medelijden zou absoluut misplaatst en dus overbodig zijn. Dat
+jongetje voelde zich in zijn hokje zalig. Het was voor hem een
+toevluchtsoord. Wanneer het hem te druk, te roezemoezig, te onrustig
+werd in de wereld der volwassenen, trok hij zich terug in zijn eenzaam
+verblijf, en kon daar&mdash;ver van de menschen, vrij in zijn
+alleen-zijn&mdash;zoo volkómen genieten. En dan had<span class="pagenum" title="110"></span><a id="p_110"></a> hij toch niets, dan wat
+traktaatjes, wat afleveringen, een boek, of wat eenvoudig speelgoed.</p>
+
+<p>Wil ik u eens iets heel sterks zeggen? Wanneer hij later in den bijbel
+las van &bdquo;De Heer is mijn hoogvertrek&rdquo;, dacht hij altijd aan zijn
+kokertje. Zóó veilig en vredig was het ook bij den Heer.</p>
+
+<p>Ik geloof, dat het goed is, niet slechts voor grooten, maar ook voor
+kleinen, dat ze zoo'n retraite hebben, midden in hun eigen kring. En wat
+is het dan heerlijk, als de <i>ziel</i>, midden in de benauwdheid des levens,
+altijd zulk een toevlucht heeft. Ja, de psalmdichters wisten het wel.</p>
+
+<p>Maar nu moet ik nog iets opmerken. Over 't algemeen is het medelijden
+met arme kinderen schromelijk overdreven. Natuurlijk, die kleinen moeten
+gevoed, gekleed, gewarmd, gehuisvest worden. Ach, dat spreekt immers
+vanzelf. Maar meen niet, dat ze zoo bar lijden onder wat kou en wat
+gebrek. En dit zeg ik niet uit meedoogenlooze hardheid, maar uit
+ervaring. 'k Heb zelf de armoede doorgemaakt, de fatsoenlijke armoede,
+waarbij er echter ook een aanzienlijk tekort was in de eerste
+levensbehoeften. Niet hier in den kruidenierswinkel, daar ging het nog
+wel, maar later. 'k Heb ook in koude nachten mij onder karpetten (oude
+wel te verstaan), rokken en jassen moeten warmen, omdat ik de wollen
+dekens naar de bank van leening had moeten brengen. En toen was ik al
+kweekeling. 'k Heb het armer gehad, dan menig kindje op mijn school, dat
+thans van schoolkleeding en schoolvoeding geniet. Ontbering is mijn
+jeugd niet<span class="pagenum" title="111"></span><a id="p_111"></a> vreemd geweest, en jaren achtereen. Maar&mdash;en hieromtrent ben
+ik volmaakt zeker&mdash;nooit heeft die ontbering mij zoo schromelijk
+gekweld. Daar kon ik me wonderwel in schikken. En ik herinner me zelfs
+niet, dat ze me ooit diep het gemoed heeft verstoord. Neen, mijn
+kinderellende kwam niet door gebrek aan eten, vuur en dekking, maar door
+gebrek aan liefde. Versta mij wel: ik meen niet, dat ik daarover te
+klagen had, en in huis wel het allerminst. Maar <i>als</i> ik in mijn
+kinderjaren echt leed heb gehad, was het altijd veroorzaakt door
+liefdeloosheid van onderwijzers, van wantrouwende volwassenen, van
+hartelooze jongens.</p>
+
+<p>Ik leg hier zoo den nadruk op, omdat ik inderdaad geloof, dat&mdash;en niet
+alleen voor kinderen, ook voor volwassenen&mdash;de schrijnendste pijnen in
+het gemoed, en niet in de maag worden gevoeld, en dat men vooral
+kinderen veel meer verkwikken kan met <i>in</i> hen te komen, met begrijpend
+meeleven, met waarlijke welwillendheid, met mild vertrouwen, dan met de
+voorziening in stoffelijke behoeften.</p>
+
+<p>Mijn kokertje. Hoe kan het getuigen van de geringe nooden der jeugd.
+Armelijker kan het wel niet. Twee kinderen konden er niet in zitten.
+Daarvoor was het te eng. Eén kind kon er zitten, als het zijn hoofd maar
+steeds gebogen hield, en anders moest het er half liggen. De wanden van
+het zeepvat en het vat met appelgelei, onder de toonbank, vormden het
+uitzicht tusschen de treden der trap. Wandelende broekspijpen donkerden
+het vale schemerlicht nu en dan<span class="pagenum" title="112"></span><a id="p_112"></a> tot halfduister. En toch, toch was ik
+er gelukkig. Toch was het mijn hoogvertrek. Toch zweefde er, voor mij,
+hemelvrede. Dat komt&mdash;de haat kon er niet komen, de hardheid het niet
+bereiken, de nijd het niet bezoeken. De vernielzieke menschheid, tuk op
+gemoedsverstoring, kon er de atmosfeer niet vergiftigen. En wat
+beteekenden, daarbij vergeleken, de benauwde keukenluchtjes?</p>
+
+<p>Een kind heeft aan weinig genoeg, mits het in een zuivere gemoedssfeer
+mag ademen. En zoo kan het nooddruftige kind volkomen gelukkig zijn,
+ondanks een schrale voeding. En zoo kan het rijke kind, bij overdaad,
+bitter misdeeld zijn. Het eerste, wat een kind noodig heeft, is een
+zuivere dampkring voor zijn gemoed. Dat beetje eten komt wel. Maar hoe
+velen kunnen zulk een dampkring scheppen? Zalig dan de eenzaamheid van
+mijn kokertje.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Een laatste tocht naar het dak.</p>
+
+<p>Ons huis was hoog, tenminste in mijn herinnering. In de
+Eglantiersdwarsstraat had het een groot stuk blinden muur, waartegen we
+van een onzer balspelen konden genieten. Dikwijls raakte de bal daarbij
+op het dak. Maar dan bezon ik me niet lang. Ik wist den weg naar den
+zolder, klom door 't dakraam, liep door de goot en haalde den verlorene.
+Dat deed ik altijd zonder vragen. Niet omdat ik niet wou vragen, maar
+omdat het me dan stellig geweigerd zou worden. Vader zou me nooit
+veroorloofd hebben, op het dak<span class="pagenum" title="113"></span><a id="p_113"></a> te klimmen. Dat was veel te gevaarlijk.
+Maar jongens zijn gelukkig zoo, dat ze alle uit angstvalligheid verboden
+dingen toch doen. Mijn hemel, als ze eens waarlijk gehoorzaam waren, wat
+zou er, bij de bekende verbiedmanie der volwassenen, dan van hen terecht
+komen. Nooit werd een jongen een man. Doch nu gehoorzamen ze hun zuiver
+instinkt vaak meer dan hun opvoeders, en dat is hun behoud, begrijp dat
+goed, brave, dwingende, uit bestwil handelende paedagoog. De jongen is
+niet ongehoorzaam uit onwil, uit boos opzet, maar omdat een wijze natuur
+hem tot taak heeft gesteld, de fouten uwer domme paedagogie te
+corrigeeren.</p>
+
+<p>Mijn vader begreep dat maar zelden. 't Was heusch een allerbeste man,
+maar het is ongelooflijk hoe conventioneel dom hij in de opvoeding was.
+Net zoo dom, als tegenwoordig de overgroote meerderheid der vaders nog
+is. Dan weet ge 't wel. Net zoo dom&mdash;als gij het nu nog zijt,
+vriendelijke lezers. Dan weet ge 't wellicht beter. Al uw opvoedkundige
+wijsheid is meestal domheid. En daaruit vloeien zooveel konflikten voort
+met uw jongens.</p>
+
+<p>Vader was dan een dier massa-paedagogen, die alles verbieden, toch alles
+laten gaan, in drift pakken slaag toedienen, en toch veel van hun
+schavuiten houden. De opvoeding is hun te machtig. En zoo gebeurde het
+op een Zaterdagmiddag, dat ik weer een aframmeling kreeg voor een mooie
+daad van zelfopvoeding.</p>
+
+<p>Er lag voor de zooveelste maal een bal op het dak.<span class="pagenum" title="114"></span><a id="p_114"></a> Ik naar boven. En
+gauw zat ik in de goot. Mijn makkers keken natuurlijk. Daardoor keken
+ook eenige voorbijgangers, en nu hield een van hen &bdquo;zijn hart daarbij
+vast&rdquo; en ging naar den winkel, om mijn vader te waarschuwen. Dat deed
+die domoor natuurlijk weer met de allerbeste bedoelingen, maar niettemin
+deed hij er gruwelijk kwaad mee.</p>
+
+<p>Vader verliet snel den winkel, en zag me. Nu is het voor een vader veel
+erger zijn jongen in gevaar te zien, dan voor dien bengel zelf om in
+gevaar te zijn. Maar zulke kinderen móét een vader ook niet zien. Laat
+hij zijn oogen dan ook thuis houden. Mijn goeie vader stond zich op te
+winden van bedwongen drift bij persenden angst. Gelukkig riep hij niet,
+dat ik omlaag moest komen. Niemand riep. Ze waren veel te bang, dat ik
+dan schrikken en naar beneden tuimelen zou. Met starende oogen volgden
+ze allen mijn kattebewegingen, in voortdurende spanning. Ze zagen, hoe
+ik langs het steile randje voortschoof, hoe ik mij bukte, weer
+terugschoof en door het raam naar binnen klauterde, volkomen rustig.
+Geen moment was ik me iets gevaarlijks of iets verkeerds bewust geweest.
+Maar o, toen ik beneden kwam. Nog eer ik gelegenheid had, mijn vriendjes
+iets te zeggen, vloog mijn vader op me af, sloeg me waar hij me maar
+raken kon, greep me in mijn nek, rammelde me door mekaar, en dat alles
+onder toejuiching der andere vaders, die ook een stuk voldoening
+eischten voor den doorgestanen angst. &bdquo;Zulke beesten van jongens! Een
+mensch staat doodsangsten bij ze uit! 't Is tegenwoordig <span class="pagenum" title="115"></span><a id="p_115"></a>dan al meer
+dan erg!&rdquo; Vader besefte bij die woorden te dieper zijn paedagogenplicht
+en ranselde nog wat genadeloozer, om vooral te doen blijken, dat hij een
+degelijke vader was, die om den drommel er niet van hield, zijn kinderen
+te verwennen. <i>Kinderen begrijpen, heet altijd kinderen verwennen. Dat
+is nu nog zoo.</i> En ik werd met schelden en klappen naar huis geranseld.</p>
+
+<p>Wat was ik woedend. Wóédend! Ik had pas, zoo volkomen kalm, dat zware
+stuk volbracht, een en al rustige beheersching. En daar werd ik zoo
+getrakteerd. De menschen praten, van je vader in dank zoo'n kastijding
+af te nemen. In dank? Mijn ziel was vol woede en verwijt. Ik besefte tot
+in mijn fijnste vezelen, dat ik zoo'n behandeling niet verdiend had. En
+dan zoo gruwelijk beleedigd te worden in tegenwoordigheid van die
+vreemde straatmenschen, en van mijn makkers. Want het was een
+beleediging, dat afranselen. En nog meer dat smadelijk naar huis jagen.
+Ik voelde me diep gekrenkt en had zeker langen tijd noodig, om weer in
+evenwicht te komen.</p>
+
+<p>Krenkt uw kinderen toch niet. En vooral niet in tegenwoordigheid van
+anderen. Wij, schoolmeesters, hebben daar ook zoo'n handje van. Dan
+zeggen we zelfs: &bdquo;Toe jongens, lach die domkop eens uit, die kent nog
+niet eens de tafel van zes!&rdquo; En dan geven we het domme kind prijs aan de
+harde bespotting zijner medescholieren. &bdquo;Die domkop!&rdquo; Wie is de domste
+van de twee, hij, die de tafel van zes niet kent, of wij, die het
+kinderhart niet kennen?</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="116"></span><a id="p_116"></a></p>
+
+<p>Al mijn vergevingsgezindheid was ten slotte noodig, om mijn vader weer
+in genade aan te nemen. Een vader, die zóó zijn kinderen kon offeren aan
+zijn drift en zijn goeden naam bij het straatpubliek, dat was geen
+vader. Maar&mdash;in zijn hart was hij toch een goeie man. Een half uur later
+was hij zelf verlegen met zijn gedrag. Toen probeerde hij, tersluiks
+weg, vriendelijkheden te bewijzen, de goede verhouding weer aan te
+knoopen. En daartoe liet ik mij langzamerhand dan maar vinden. Ik kon
+toch ook niet goed hebben, dat die groote man zich voor mij wat
+vernederde. En dat deed hij toch eigenlijk met zijn er omheen gedraai.</p>
+
+<p>Dit alles kon ik toen niet zoo juist formuleeren, maar ik zag het zeer
+goed in. En het heeft mij altijd bevreemd, dat Vader dan niet door een
+ruiterlijke spijtbekenning, met een beroep op zijn drift en andere
+verzachtende omstandigheden, de zaak geheel in orde bracht. Dat gaat
+juist met een kind zoo gemakkelijk. Een kind gelooft je dan op je woord
+en is grootmoedig beschaamd door je zelfbeschuldiging. Maar tot zulk een
+afdoend middel kon hij nooit komen. Daarvoor was hij, paedagogisch, te
+dom. Domme paedagogen zien in zulk een zuivere erkenning van de waarheid
+altijd een zelfvernedering, terwijl het een reusachtige zelfverhooging
+is. Niets ontwapent den tegenstander sneller dan erkenning van ongelijk.
+Niets wapent ons krachtiger dan de waarheid.</p>
+
+<p>Ziedaar de eenige herinnering, die ik van het dak heb behouden. Ik wilde
+er een bal halen, en kwam<span class="pagenum" title="117"></span><a id="p_117"></a> met een vroege paedagogische ervaring thuis.
+Van al de ballen die ik te voren uit de dakgoot heb gehaald, weet ik
+niets meer af. Al de geslaagde ondernemingen hebben geen herinnering
+nagelaten. Maar die eene mislukte&mdash;is geworden tot een stuk, niet
+opvoedkundige leer, maar opvoedkundige overtuiging, tot levenswijsheid.</p>
+
+<p>&bdquo;Zie je nou jongen,&rdquo; zou mijn Vader zeggen, &bdquo;dat dat pak slaag nog zoo
+gek niet was?&rdquo;</p>
+
+<p>En dan zou ik antwoorden:</p>
+
+<p>&bdquo;Ja vader, als je dat alles maar vooruit wist!&rdquo;</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="118"></span><a id="p_118"></a></p>
+
+<h2><a id="STRAATJONGEN"></a>STRAATJONGEN.</h2>
+
+<p>De straat. Dat was het terrein onzer zelfopvoeding. Daar kwamen onze
+krachten los, geestelijke en lichamelijke. Daar wisten we niet van
+landkaarten of andere vervelendheden, daar knelde ons geen schoolbank en
+kwelde ons geen schoolmeester, daar hadden Vaders paedagogische
+handgrepen geen vat op ons, daar waren we vrij.</p>
+
+<p>Het is verwonderlijk, hoe een vuil stuk dwarsstraat en een brok &bdquo;gracht&rdquo;
+naast een altijd stinkend water zooveel heerlijkheden kunnen bevatten.
+Maar die heerlijkheden brachten we mee in ons eigen jongenshart. Het
+vuil zagen we niet, den stank roken we niet&mdash;aan zulke nesterijen raakt
+een mensch gauw gewoon&mdash;en alles lag overdekt door den glans onzer
+verbeelding, de heele atmosfeer was doortrokken van gelukszon. Jeugd is
+zaligheid, mits ze vrijheid hebbe. En die vrijheid hadden we, namen we,
+op straat.</p>
+
+<p>Daar had je &bdquo;de gouden stoep&rdquo;. 't Was een hardsteenen stoep, drie treden
+op en dan een bordesje. Langs de treden en het bordesje stonden ijzeren
+paaltjes, die ijzeren leuningen droegen. En nu spreekt het vanzelf, dat
+wij voor onze spelen alle stoepen naastten, dus ook deze. De straat was
+te smal, om<span class="pagenum" title="119"></span><a id="p_119"></a> daar genoeg aan te hebben. Dan moest je wel de huizen en de
+schuiten annexeeren. Bij 't krijgertje-spelen had een kameraad je veel
+te gauw te pakken, maar dan vloog je een stoep op, en als hij je daar
+narende, schoof je bliksemsnel onder de leuning door, de straat weer op,
+vrij. Die stoepen waren inrichtingen, die je uit de benauwdheid redden.
+En het was verwonderlijk, hoe we van ieder klein voordeeltje gebruik
+maakten. Nood maakt vindingrijk.</p>
+
+<p>De bewoners hadden daar natuurlijk wel een beetje last van, maar de
+meesten berustten er in. Eén meneer echter was er, die dat gevlieg niet
+hebben wou. Nauwelijks had hij in de gaten, dat zijn stoep in ons spel
+was betrokken, of hij rukte de huisdeur open en joeg ons weg, soms met
+een stok in de hand. Daarom heette zijn stoep &bdquo;de gouden stoep&rdquo;, daar
+mocht je niet aan komen. En nu was het gevolg van zijn grauwen en jagen,
+dat we juist altijd naar zijn stoep toe gingen, en, ook zonder noodzaak
+voor ons spel, er over holden en onder de leuning doorgleden. De gouden
+stoep werd een apart spelletje.</p>
+
+<p>&bdquo;Jongens, ga je mee naar de gouden stoep?&rdquo;</p>
+
+<p>Aanstonds waren er een paar gereed.</p>
+
+<p>&bdquo;Durf jij er op?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik wel.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Pas op, daar staat die kerel.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Waar? Waar? Ik zie niks.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, daar achter 't gordijn. Hij schuilt weg. Hij loert op je.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Laat hem stil loeren.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="120"></span><a id="p_120"></a></p>
+
+<p>En dan opeens vloog je de stoep op, greep de leuning, gleed er onder
+door, en&mdash;&bdquo;Hoera!&rdquo; schreeuwden de jongens. Dat was de eerste zege.</p>
+
+<p>Allen stoven een eindje weg, als opgeschrikte musschen. Dan keerden ze
+voorzichtiglijk terug, stapje voor stapje, totdat ze weer de stoep
+omkringden.</p>
+
+<p>De tweede waaghals volgde. In een oogwenk was hij naar boven en weer op
+straat. Hoera! Maar nu werd het een schande, als je achterbleef. De
+andere jongens hadden 't gewaagd, jij moest het ook doen. Doch 't werd
+hoe langer hoe gevaarlijker. Natuurlijk had &bdquo;die kerel&rdquo; ons al lang in
+de gaten gehad. Hij had zich zeker al staan opwinden van drift en woede.
+Mogelijk had hij zijn stok al gegrepen en was hij al naar de huisgang
+geslopen. Wellicht stond hij al achter de deur. Misschien had hij de
+schuif al in de hand. Onmiddellijk zou de deur openvliegen, een kerel in
+zijn overhemd naar buiten springen, een stok op je lijf ranselen. Je
+wist dit alles niet, en toch wist je het. Niemand had iets gezien, en
+toch was ieder er zeker van.</p>
+
+<p>&bdquo;Jongens, hij staat al in de gang, hoor! 'k Geloof, dat ik den smeerlap
+gehoord heb.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar nu werd het pas echt. Je koos, met een fijn straatjongens-instinkt
+voelend, het juiste oogenblik. Je sloop naar boven, dat hij je niet
+hooren kon, en dan, ineens, met een luiden triumfkreet, onder de leuning
+door. Hoeraaaa! De kerel stond zich zeker te verbijten van nijd.</p>
+
+<p>De jongens die de eerste beurten gehad hadden,<span class="pagenum" title="121"></span><a id="p_121"></a> waren in de gunstigste
+conditie geweest. Doch nu werd het gevaar hoe langer hoe grooter. De
+vijand werd opgeschrikt, getergd, vol woede. De lont, door den eersten
+aangestoken, naderde het kruit. Het gevaar der ontploffing was het
+grootst voor de laatsten. Maar dat gevaar was toch ook weer zoo
+aantrekkelijk, dat de eersten 't er nog eens op waagden.</p>
+
+<p>&bdquo;Daar hei je-n-em.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik was juist op de stoep. Teruggaan? Nooit. Dat zou een eeuwige schande
+zijn geweest. Ik greep de leuning, wilde er onder door glijden, maar in
+mijn verbouwereerdheid schoof ik niet laag genoeg weg, en kwam met mijn
+gebit tegen de ijzeren leuning aan. Een geweldige schok, te krachtiger,
+omdat ik juist zoo haastig weg moest schieten.</p>
+
+<p>Of de kerel me geslagen en geraakt heeft, weet ik niet. Bij de pijn in
+mijn tanden viel alles weg. 't Was of ik flauw zou vallen van de pijn.
+Maar een jongen valt niet flauw. Hij maakt dat hij weg komt.</p>
+
+<p>Zoo deed ook ik. Ik holde mijn makker achterna. Maar toen ik een eindje
+verder stil bleef staan en tot bezinning kwam, bemerkte ik dat er van
+een mijner oogtanden een stuk was afgebroken. Dat was in den strijd
+gebleven.</p>
+
+<p>Met een verminkten oogtand moest ik verder het leven in. En was het daar
+maar bij gebleven. Zoo'n verminking schijnt echter den heelen tand aan
+te tasten. Langzamerhand brokkelde hij verder af. En op 't laatst moest
+ik schoolmeesteren en zelf redenaren met een leelijk gat vóór in mijn gebit.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="122"></span><a id="p_122"></a></p>
+
+<p>Zoo draagt de mensch de zonden zijner jeugd mee door 't leven.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>&bdquo;Dat heb je er nu van. Verdiende loon.&rdquo;</p>
+
+<p>Aldus sprak de opvoedingswijsheid van die dagen. En zoo spreekt ze nog.</p>
+
+<p>&bdquo;Eigen schuld. Wat deed je dien man te tergen. Loontje komt om zijn
+boontje. Nu was je zeker wel wijzer geworden.&rdquo;</p>
+
+<p>Wat dat &bdquo;wijzer geworden&rdquo; betreft, neen brave paedagogen, dat heb jelui
+glad mis. We gingen voort, den man te tergen. Nu meer dan ooit. Er viel
+nu een stuk tand te wreken. Daar zou hij voor bloeden. De &bdquo;gouden stoep&rdquo;
+bleef een aantrekkingspunt. Heb jelui ooit gezien, dat
+ontdekkingsreizigers zich door bevroren teenen en ijsberen van den pool
+lieten terughouden? De pool trok ze, trok ze met onweerstaanbare kracht.
+En als ze er eenmaal hun leven bij hadden verloren, waagden ze er een
+tweede aan. Neen, met vloeken en stokken houd je nooit jongens van
+gouden stoepen af.</p>
+
+<p>Hoe dan wel?</p>
+
+<p>Ik woon in een achterbuurt. Menigmaal staan er jongens en meisjes voor
+ons venster. Die kijken naar binnen. En dan roepen ze tegen elkaar:
+&bdquo;Kijk, daar zitten ze. Ze eten. Zie je wel, sinaasappelen. Een schaal
+vol. Kijk, die eene schept zijn eigen op. Zeg, wat eten ze? Kan jij het
+zien?&rdquo;</p>
+
+<p>Dat is wel lastig, zoo'n bekijk. Je bent niet vrij.<span class="pagenum" title="123"></span><a id="p_123"></a> En wat doe je dan?
+Dan word je kwaad, je tikt driftig tegen de ruiten en jaagt het
+straatpubliek weg, liefst met booze woorden. Niet waar?</p>
+
+<p>Neen, er is een betere manier. Ik denk aan mijn gouden stoep.</p>
+
+<p>Ik ga naar 't venster, schuif het gordijn weg, en houd den kinderen een
+sinaasappel voor: &bdquo;Wil je dien hebben?&rdquo;</p>
+
+<p>Ze zijn op 't punt van weg te hollen. Maar ik roep ze, houd ze vast met
+mijn vragende oogen, schuif het raam op, en geef ieder een sinaasappel,
+ieder een heelen.</p>
+
+<p>Ze nemen hem aan, krijgen een hoogroode kleur, prevelen: dank u, en gaan
+weg, zonder dat ik het vraag. Een eind verder blijven ze staan, bekijken
+met blijde gezichten&mdash;héérlijke gezichten&mdash;den sinaasappel, wijzen
+mekaar de heerlijkheden, en trekken dan langzaam af.</p>
+
+<p>&bdquo;Een mooie manier!&rdquo; zegt smalend de echte <ins class="corr" id="corr9" title="Bron: paedegoog">paedagoog</ins>. &bdquo;Zoo
+stijf je die brutale schooiers in hun kwaad. Welzeker, geef ze maar
+sinaasappelen. Ze zullen morgen wel terugkomen. Zoo kun je aan 't geven
+blijven. Straks brengen ze hun makkers mee. Dan krijg je een heele
+kolonie voor je vensters. Daar valt wat te halen.&rdquo;</p>
+
+<p>Die echte paedagoog heeft evenwel in dit geval ongelijk. Hij heeft bij
+zijn beschouwing alleen zijn eigen machtsmiddelen in rekening gebracht
+en geen nota genomen van dat wonderlijk gevoel in menschenzielen, dat
+men een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid,<span class="pagenum" title="124"></span><a id="p_124"></a> beschaming kan
+noemen, en dat ook in schooierszielen woont, maar door de echte
+paedagogiek hardnekkig wordt kapot gestraft en aan flarden gescholden.
+Die kinderen komen <i>niet</i> terug. Ik pas die methode nu al meer dan vijf
+en twintig jaar toe, dus je kan bijna zeggen, dat ik een paedaloog ben,
+tenminste zoo'n soort, en volhardend experimenteer op levende
+straatschooiertjes. Welnu, nooit hebben die kinderen mij in mijn
+vertrouwen beschaamd. Ze kwamen niet bedelen om sinaasappelen, en keken
+zelfs niet meer door de vensters.</p>
+
+<p>Beredeneer dat nu maar, of&mdash;nog liever&mdash;reken het uit in een
+statistiekje. Niet waar, dan alleen staat het wetenschappelijk vast.
+Vóór dien tijd is het alleen maar zoo'n beetje geliefhebber. Je moet het
+in cijfers voor je zien. Er moet een algemeene enquête worden
+uitgeschreven over 't heele land: <i>a.</i> Hoeveel straatschooiers kijken
+per jaar onbeschaamd door je vensters? <i>b.</i> Hoeveel gaan weg, als je ze
+een sinaasappel geeft? <i>c.</i> Hoeveel van die komen weer terug, geenmaal,
+eenmaal, tweemaal of meermalen? En als je dan bladen vol opgaven
+hebt&mdash;enkel betrouwbare, o zoo betrouwbare&mdash;dan bereken je, op een
+honderdste nauwkeurig, de resultaten. Dan staat de heele wereld
+verslagen van je wetenschappelijkheid en word je nog dokter <span xml:lang="la">honoris
+causa</span> in de paedagogiek. Hoe zullen we 't in vredesnaam klaarspelen, wij
+onnoozele zielen, aleer we onze wetenschappelijke zekerheid hebben.</p>
+
+<p>Er is voor ons dat heerlijke Christuswoord: &bdquo;Laat<span class="pagenum" title="125"></span><a id="p_125"></a> de kinderen tot Mij
+komen, en verhinder ze niet.&rdquo; Indien er iets, ook maar iets van
+Christus' liefde in ons woont, kunnen we ons daardoor veilig laten
+leiden. Laat dan de kinderen ook tot u komen, en verhinder ze niet.
+Verhinder ze niet met uw grauwen en booze blikken, niet met uw schelden
+en uitjakkeren. Het is wel droevig en schandelijk, dat op tot heden
+onbezochte eilanden de vogels nieuwsgierig en vertrouwend den mensch
+zien naderen, en dat te midden der beschaving de vogels verschrikt
+wegvliegen: &bdquo;Een mensch, een mensch!&rdquo; Zooals de musschen voor ons
+wegvliegen, doen 't ook de kinderen. Ze weten zich bij ons niet veilig.
+Verander dit. En wanneer ge twijfelt, hoe in bepaalde gevallen te
+handelen, herinner u dan uw eigen jeugd. Beter leerschool voor opvoeding
+is er wel niet. Herinner u, hoe uw kinderziel gereageerd heeft op de
+handelingen der volwassenen. Hoe men den engel in u opriep, en hoe den
+duivel. En handel dan soms, misschien zelfs heel vaak, precies
+omgekeerd. Die gouden stoep heeft mij gebracht tot een open venster. De
+dreigende stok tot een sinaasappel. En daar heb ik mij wel bij bevonden.
+Waarschijnlijk mijn straatpubliek ook.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Ik wil over deze sinaasappelmethode nog een paar ervaringen vertellen.</p>
+
+<p>Er zijn in de buurt van onze school natuurlijk andere scholen, ook
+christelijke en katholieke. Nu hadden sommige leerlingen van die scholen
+er plezier<span class="pagenum" title="126"></span><a id="p_126"></a> in, ons overlast aan te doen. Ze schreeuwden onder onze
+schoolvensters, scholden de onderwijzers uit die poortwacht hadden,
+holden door de rij kinderen die zoo ordelijk op het trottoir bleef bij
+'t verlaten der school.</p>
+
+<p>Klaagden we bij hun onderwijzers, dan werden we altijd heel welwillend
+ontvangen en hadden het succes, dat de bengels duchtig onder handen
+werden genomen. Doch hieraan was een ander gevolg verbonden, dat die
+jongens n.l. nog wat vijandiger tegenover ons kwamen te staan. Hinderden
+zij ons niet meer, bang voor een pak slaag, welnu, ze hadden nog
+vrindjes, die niet meer op school gingen en wel als hun wrekers wilden
+optreden.</p>
+
+<p>Toen volgden we de sinaasappelmethode, die je heel goed kunt aanwenden
+al heb je ook geen sinaasappelen. We lokten de jongens met vriendelijke
+woorden, met een hand, zelf met een uitnoodiging om eens binnen te
+komen, op de speelplaats naar de duiven en de bijen en de tuintjes te
+kijken, in de school al de mooie platen te zien. Soms liepen we wel met
+meer dan tien jongens, na schooltijd, de lokalen rond. En aardig,
+ontroerend was het te zien, hoe die &bdquo;schooiers&rdquo; dan gaandeweg hun
+schuwheid aflegden, belangstellend naar alles keken en vroegen: hoe het
+kind zich in hen ontpopte, het vriendelijke kind.</p>
+
+<p>&bdquo;Meester, die platen hebben wij ook op school.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Da's aardig.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Meester, mijn vriendje gaat hier. Kent u hem?&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="127"></span><a id="p_127"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Hoe heet hij dan?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Piet.&rdquo;</p>
+
+<p>Daar valt een kameraad hem in de rede: &bdquo;Zeg, d'r zijn zooveel Pieten in
+de wereld. Je mot toch zijn achternaam noemen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Net zoo,&rdquo; zeggen wij. &bdquo;Maar je bedoelt Piet Verbrugge, niet waar?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zie je nou wel, dat de meester hem kent.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nó ja, omdat de meester hem dikwijls bij jou ziet, niet waar meester?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Netzoo.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze babbelden vrij uit, zetten uit eigen beweging de petjes af, en
+bedankten ons bij 't vertrek<ins class="corr" id="corr10" title="Bron: ?">.&nbsp;&bdquo;</ins>Dank u wel, meester!&rdquo;
+En&mdash;kwamen den volgenden dag met een paar vrindjes: &bdquo;Meester, of zullie
+ook eens magge kijke.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Welzeker, wat graag!&rdquo;</p>
+
+<p>De collega's van de bizondere school zullen me nu toch niet verdenken,
+dat ik hun kinderen naar de openbare school lok? Eerlijk kan ik
+verzekeren, dat we er nog nooit eentje van die gasten als leerling
+hebben ingehaald. We hebben alleen wat straatvrindjes gemaakt. En als we
+nu poortwacht houden, komen verschillende jongens van de broederschool
+ons broederlijk de hand geven. Dat is alles.</p>
+
+<p>Zullen ze niet besmet worden door zoo'n openbare-school-hand?</p>
+
+<p>Kom, kom. Openbare en bizondere school moeten elkander de hand reiken.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="128"></span><a id="p_128"></a></p>
+
+<p>Als nu de Bond van Ned. Onderwijzers op zijn eerstvolgende Algem.
+Vergadering geen motie tegen me aanneemt, wil ik ook wel mijn collega's
+schoolhoofden aanraden&mdash;voor zoo ver noodig!&mdash;er wat minder gouden
+stoepen op na te houden en tegenover de klasse-onderwijzers, onder hun
+leiding, wat meer die sinaasappel-methode te volgen.</p>
+
+<p>&bdquo;Dus,&rdquo; zegt de strijdgrage, doch al te vaardig concludeerende
+klasse-onderwijzer, &bdquo;dus, wij zijn zoo iets als straatjongens, die op de
+vensters van de bovenmeesters hangen, om te kijken naar hun welvoorziene
+tafels, en die dankbaar wegsluipen, als ons genadiglijk een sinaasappel
+wordt toegestoken? Wij danken u feestelijk voor deze genade. Wij willen
+zelf om den disch zitten, en gij moogt onze vaten wasschen.&rdquo;</p>
+
+<p>Goed, goed. Er is eenmaal een Meester geweest, die zich niet ontzag,
+neen, die zijn grootheid openbaarde, door vrijwillig de minste te zijn
+en zijn discipelen de voeten te wasschen. Nooit onteert het werk den
+man. Wij worden alleen ontroerd door eigen onzedelijkheid. Geen
+buitenafsche glans van rijkdom of rang kan wegschitteren de doffe
+nevelen der innerlijke onreinheid. En alle nuttig werk kan geadeld
+worden door den geest die het verricht.</p>
+
+<p>Goed, goed, ik wil uw vaten wasschen, als gij op die wijze mijn gaven
+het best aanwendt tot heil van allen. Maar dan zal er toch wel iemand
+zijn, een uit uw midden, gelijk ook ik uit uw midden ben voortgekomen,
+of anders een uit voornamer levenskring, een dokter, advokaat, officier,
+in ieder geval iemand,<span class="pagenum" title="129"></span><a id="p_129"></a> een mensch, door u gekozen of aangesteld vanwege
+de door u gekozenen, een.... medemensch, d.i. een medezondaar, aan wien
+wat leiding en toezicht is opgedragen. Noem hem president en laat hem
+gezag voor een bepaalde periode, gelijk ook gijzelf telkens opnieuw
+gekozen wilt worden, afkeerig van stabiliteit in uw positie, of noem hem
+inspecteur en gun hem bij een blijvende taak ook een blijvende
+bestaanszekerheid, er zal iemand zijn, die over u en mij te zeggen
+heeft. En tot dezen iemand&mdash;misschien zijt gij, Bondsman, het zelf wel:
+er kunnen meer Ketelaars van klasse-onderwijzer gezagsman worden&mdash;tot
+hem en zijn gelijken zeg ik: geen gouden stoepen. Reik ons
+hartelijk-welmeenend als 't noodig is een sinaasappel toe. Ge zult eens
+zien, hoe die ons opvoedt.</p>
+
+<p>Er was eens een bovenmeester, die steeds zelf graag veel vrijheid had
+genoten, en nóg genoot, en die daarom (ja daarom, en niet
+desniettegenstaande) ook den onderwijzers veel vrijheid gunde en
+toestond. Je kon zeggen, dat de man er voor hen heelemaal geen gouden
+stoepen op nahield. Ze mochten letterlijk alles. Mits dat alles
+overeenstemde met hun plicht. Ze hadden volle vrijheid om te doen, wat
+hun plicht hen gebood.</p>
+
+<p>Maar nu was er onder het personeel eens een jonge, al te levenslustige
+vrijbuiter, die zoo nu en dan wel eens wat geholpen moest worden in het
+genieten zijner vrijheid tot plichtsvervulling. Komaan, daar was hij
+jong voor. Hij sprong wel eens wat buiten den, ook door hemzelf
+noodzakelijk erkenden band. En<span class="pagenum" title="130"></span><a id="p_130"></a> dan moest natuurlijk de bovenmeester hem
+vriendschappelijk daarop attent maken.</p>
+
+<p>Eens bij zoo'n gelegenheid was onze vrijbuiter echter wat ál te
+nonchalant. En toen de bovenmeester hem de onmisbare perken wees, maakte
+de schavuit het nog erger. Wat denk je, dat hij antwoordde op de zeer
+gegronde aanwijzing? &bdquo;Och, stik!&rdquo;</p>
+
+<p>Het kwam er heel joviaal en jongensachtig uit, maar men moet erkennen,
+dat het, zacht uitgedrukt, toch getuigde van wat al te weinig eerbied
+voor het regelmatig gezag.</p>
+
+<p>Wat deed nu de bovenmeester? Hij had dit antwoord kunnen rapporteeren,
+te meer, daar het hem onder getuigen was toegevoegd. Wellicht had hij
+het móéten rapporteeren, zoo niet ter wille van zijn persoon, dan toch
+ter wille van zijn ambt. Hier had iemand, niet in speelsche dartelheid,
+maar, althans schijnbaar, in respektlooze onbeschaamdheid, een
+noodzakelijk gouden bordesje niet betreden, maar bespuwd.</p>
+
+<p>Wat dééd de bovenmeester?</p>
+
+<p>Hij noteerde niet en rapporteerde niet. Hij gaf niet eens een standje.
+Hij zweeg. Ik denk, dat hij zich uit zijn jeugd ook herinnerde, hoe
+grauwen en dreigingen averechtsche gevolgen hadden. Maar hij rekende op
+iets. Hij rekende op dat &bdquo;wonderlijke gevoel in menschenzielen, dat je
+een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid en beschaming kunt
+noemen&rdquo;. En hij rekende niet te vergeefsch.</p>
+
+<p>Den volgenden dag kwam de vrijbuiter bij zijn<span class="pagenum" title="131"></span><a id="p_131"></a> gezaghebber en zei, met
+iets heel trouwhartigs in zijn stem, een eigenaardige tinteling in zijn
+oogen, en een kleur van verlegenheid:</p>
+
+<p>&bdquo;Bent u boos, om wat ik gisteren gezegd heb?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Boos niet, maar....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och,&rdquo; kwam het er toen innig vertrouwensvol uit, &bdquo;u moet maar denken,
+dat u zoo'n soort oudste broer van me bent.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen stak de gezaghebber zijn vrijbuiter hartelijk de hand toe, en die
+twee bleven de beste vrinden, wat ze al waren, en nooit heeft in de
+kranten gestaan, dat een jong onderwijzer tegenover zijn rechtmatigen
+chef op een gegronde aanmerking &bdquo;stik&rdquo; had geantwoord. Daar is geen zaak
+van gemaakt, daar is het publiek niet in gemengd, daar zijn de vakbladen
+niet mee gevuld, daar zijn geen Hoofdbesturen voor opgetrommeld. En er
+is geen jonge rebel gestraft. Die jonge rebel heeft sedert een mooie
+carrière gemaakt.</p>
+
+<p>Dit alles was te danken aan de sinaasappel-methode, ofschoon men terecht
+opmerkt, dat de bovenmeester zijn onderwijzer toch geen sinaasappels
+offreerde. Maar wie nu nog niet heeft begrepen, hoe het kenmerkende
+dezer methode hierin bestaat, dat zij zich richt tot de <i>goede
+eigenschappen</i> der menschelijke natuur, dat zij die wekt en te hulp
+roept, om het kind, het kleine en het groote, <i>zichzelf</i> te doen
+verbeteren&mdash;die is niet waard, onderwijzer of bovenmeester te zijn.</p>
+
+<p>Ik zou het een groote onderscheiding achten, wanneer op een algemeene
+vergadering van Paedagogen<span class="pagenum" title="132"></span><a id="p_132"></a> de motie werd voorgesteld en bij acclamatie
+aangenomen:</p>
+
+<p>&bdquo;De Alg. Verg. van enz.....</p>
+
+<p>gehoord enz.....</p>
+
+<p>overwegende enz.....</p>
+
+<p>verklaart, dat de sinaasappel-methode van Jan Ligthart de
+voortreffelijkste is,</p>
+
+<p>en gaat over tot de orde van den dag.&rdquo;</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="133"></span><a id="p_133"></a></p>
+
+<h2 id="NOG_STRAATJONGEN">NOG STRAATJONGEN.</h2>
+
+<p>Volwassenen plagen&mdash;dat was, naast ons spel, een onzer voornaamste
+straatgenoegens.</p>
+
+<p>Hoe kwamen we daartoe?</p>
+
+<p>Ik denk, dat de volwassenen waren begonnen met ons te plagen, en dat wij
+de kunst en den smaak hierin dus van hen hadden overgenomen.</p>
+
+<p>Men is er altijd zoo grif mee, de jeugd toe te voegen, dat ze in
+allerlei narigheden, pakken slaag en dergelijke, haar verdiende loon
+krijgt, maar men vergeet, of liever, men komt niet eens op de gedachte,
+dat de volwassenen, in allerlei ergerlijke behandelingen van de zijde
+der jonkheid, evenzeer maaien wat ze hebben gezaaid.</p>
+
+<p>Wie de kinderen weggrauwt, wordt door hen, uit de verte, nagescholden.
+Wie ze wegranselt, wordt door hen nagesmeten. Wie zich ten koste van hen
+vermaakt, wordt straks door hen geëxploiteerd.</p>
+
+<p>Ga eens na, hoe de kinderen van volwassenen leeren, <i>bij eigen ervaring</i>
+leeren, op welke wijze men zijn evenmensch behandelt. Hoe zullen ze dan,
+in zulk een leerschool grootgebracht, het hun leermeesters verbeteren?</p>
+
+<p>Dezer dagen zag ik nog een treffend staaltje van<span class="pagenum" title="134"></span><a id="p_134"></a> zulk een opvoeding.
+Een stuk of zes jongens zaten voor een huis op een stoepje. Ze deden
+absoluut geen kwaad, koesterden zich in den zonneschijn, lachten wat
+onder elkander, hadden gemoedelijke jongenspret, zooals jonge honden dat
+ook zoo kunnen hebben.</p>
+
+<p>Plotseling ging achter hen een huisdeur open, een vrouw verscheen, en
+trapte ze nijdig weg. De jongens, doodelijk verschrikt, vlogen de straat
+op. Ze hadden geen flauw vermoeden gehad van dát gevaar achter hun rug.
+Ze zaten zoo knus op dat warme stoepje in den lekkeren zonneschijn. En
+nu stonden ze, met verschrikte gezichten, weggejaagd en weggegrauwd,
+ineens midden op straat.</p>
+
+<p>De deur ging met een nijdigen smak dicht. Maar nauwelijks was ze toe, of
+een van de zes, een goedaardige lummel van bijna dertien jaar, rende er
+heen, en trapte met razende woede tegen het paneel, of de deur in elkaar
+moest.</p>
+
+<p>Dat was het antwoord van den jongen op de uiting van de volwassene.</p>
+
+<p>Toen holde de &bdquo;schooier&rdquo; natuurlijk weg.</p>
+
+<p>Maar wie had hem op dat oogenblik tot een schooier gemaakt?</p>
+
+<p>Eén vriendelijk woord, en de jongens waren opgestaan en bereidwillig
+vertrokken, als ze tenminste nog niet al te zeer bedorven en verhard
+waren onder de bejegening van de ouderen.</p>
+
+<p>Eén vriendelijk woord.</p>
+
+<p>Maar de klagende volwassenen kunnen geen vriendelijk woord zeggen,
+tenzij misschien tegen hun meerderen, <span class="pagenum" title="135"></span><a id="p_135"></a>ze achten zich gerechtigd, de
+jongeren die hun in den weg staan als straatvuil weg te schoppen. Wat
+wonder, dat de jongeren terugschoppen? En dat ze, niet alleen deze of
+gene oudere, maar al spoedig de heele wereld der groote menschen als een
+vijandelijke partij beschouwen?</p>
+
+<p>Wij plaagden de volwassenen, en niet de kinderen. Hoe kwam dat? De
+kinderen begrepen ons. Met hen hadden we alleen zoo nu en dan een kort
+gevecht. Maar tegenover de volwassenen leefden we voortdurend op voet
+van oorlog. Aan wie de schuld?</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Vóór het huis van Piet, denzelfden Piet, die op zijn verjaardag een pak
+traktaatjes van me &bdquo;kreeg&rdquo;, was een platte stoep in den vorm van een
+rechthoek en daarom heen een nog al hoog houten hekje. De paaltjes waren
+vrij dik, dicht bij elkaar, en donkergroen geschilderd, zoodat we binnen
+dat hekje goed verborgen zaten. Bovendien stond er een oude boom voor,
+welks zware kruin een donkere schaduw op den gevel en ook op de stoep
+wierp.</p>
+
+<p>We konden daar zoo gezellig zitten, ongezien door de voorbijgangers. Als
+het dan een beetje begon te schemeren, bonden we een zakdoek of een
+gevuld papieren zakje aan een dun, zwart touw, legden het voorwerp op de
+straat en leidden het touw tusschen de spijlen van het hekje door. We
+vischten op hebzucht. Geen man of vrouw kwam er voorbij, die, het
+verloren voorwerp ziende, niet even stil bleef staan,<span class="pagenum" title="136"></span><a id="p_136"></a> om het op te
+rapen. Maar nauwelijks bukten ze zich, of het voorwerp begon te leven,
+het bewoog, schoof over de straat, en eer het gegrepen kon worden,
+sprong het met een ruk onder de oogen van den eerlijken vinder weg. Een
+gejuich ging op uit het donkere hek, en de gefopte man of vrouw liep
+gewoonlijk snel door, zonder om te kijken. Dan zeiden wij, natuurlijk in
+van de ouderen overgenomen humor: &bdquo;Hij houdt zijn smoel, maar Onze lieve
+Heer hoort hem brommen.&rdquo;</p>
+
+<p>Deze plagerij was een van de onschuldigste. Een verbazend plezier hadden
+we er in, de menschen voor niets naar den belknop te doen loopen, maar
+dan niet door even aan te bellen en daarna weg te hollen, dat was te
+gewoon. Als er ijs in 't water lag, bonden we een donker touw aan den
+belknop, liepen dwars den weg en het ijs over naar den overkant, gingen
+daar in de koude aan den walkant zitten, en trokken. Natuurlijk gebeurde
+dat in donker en op een stille gracht met haast geen verkeer. Ging de
+bel over, dan zagen we de deur openen, iemand rondkijken, en&mdash;'t was
+koud&mdash;weer gauw de deur sluiten. Een minuut later trokken we weer, en
+dat hielden we vol, totdat de bewoner het touw ontdekte. Dan ging er van
+onzen kant een soort indianengehuil op. We lieten het touw voor een deel
+in den steek, gingen door en door koud naar huis, maar hadden heerlijk
+genoten. Bijna zooveel als de man, die in een koelen nacht op aal zit te
+peuren. We hadden ook beet gehad.</p>
+
+<p>Een variatie op dit thema, maar nu al ja wat erger, vonden we, door met
+een stevig touw den belknop aan<span class="pagenum" title="137"></span><a id="p_137"></a> den deurknop vast te binden. Dit kon
+echter alleen, als beide knoppen dicht bij elkaar waren. Daarna schelden
+we aan. We hoorden een der bewoners door de huisgang loopen, de deur
+naderen, het slot openen, trekken. Maar de deur kon niet open. Zelfs
+geen kier. Al naar zijn temperament begon nu de bewoner te vloeken of te
+smeeken. In 't laatste geval sneden we nog wel eens het touw door. Doch
+in 't eerste geval lieten we hem zitten, gevangen in zijn eigen huis,
+totdat op zijn gebombardeer en geschreeuw een goede buur of
+voorbijganger zich over hem ontfermde. Dan stond de geplaagde man te
+schelden op die bliksemsche jongens. Maar die bliksemsche jongens waren
+al lang verdwenen.</p>
+
+<p>Je zoudt zeggen, dat we toen al les in de methodiek hadden genoten, want
+er was in onze streken een mooie &bdquo;opklimming van moeilijkheden&rdquo;. De knop
+van een gewone deur aan een belknop binden, was al gauw niet loonend
+genoeg meer. We zochten een deur uit, waarin het houten bovenpaneel
+vervangen was door ijzeren lofwerk. Als dan de bewoner wanhopige
+pogingen deed, om zijn deur te openen, stonden wij op de stoep, op
+<i>zijn</i> stoep, hem uit te lachen of met hoonende woorden te sarren, zoo
+ongeveer als Reintje de Vos het doen kon, als hij zijn aartsvijanden,
+beer en wolf, in de ellende zag, waarin hij, en hun eigen ondeugd, hen
+had gestort. We smaakten er een helsch genot in, de menschen in hun
+machtelooze woede nog wat te tergen, dansten de dolste bokkesprongen
+voor de traliën van den gekerkerde, of stonden met<span class="pagenum" title="138"></span><a id="p_138"></a> ijzige kalmte&mdash;als
+wisten we van den prins geen kwaad&mdash;het vruchteloos rukken aan te zien.
+Ja, dat was eigenlijk het gemeenste, als we ons hielden of we volkomen
+onschuldig stonden te wachten op het openen eener deur, die door eenige
+ons totaal onbekende oorzaak maar niet open wou. Ging eindelijk de
+bewoner naar binnen, dan maakten we dat we wegkwamen, want dan begrepen
+we, dat hij in zijn tuintje een buur zou roepen, misschien wel
+twee&mdash;links en rechts&mdash;en konden deze, plotseling naar buiten schietend,
+ons insluiten. En dan zaten <i>wij</i> in de klem. Bij al onze ondernemingen
+waren we krijgskundig genoeg, om voor een goeden aftocht te zorgen.
+Wonderlijk, hoe dat geroemde genie der groote veldheeren al in het
+jongensinstinkt zit.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Ik vertrouw, dat mijn eerzame lezers wel eenige voortreffelijke
+kwaliteiten in onze gemeenheden hebben ontdekt en dat ze bereid zijn,
+ons evenzeer een plaats in de historierollen te verzekeren als de groote
+vlootvoogden en veldheeren. Ook wij wisten onze aartsvijanden, de
+volwassenen, aanhoudend te bestoken en daarbij meesterlijke terugtochten
+te arrangeeren. Maar zulke deugden worden in het klein nooit
+gerespekteerd en allerminst door de slachtoffers. Men huldigt ze alleen,
+als ze zich op veel grooter schaal vertoonen en in dezelfde mate ellende
+hebben gebracht. Niet één huis, maar een heele stad moet omsingeld
+worden, niet één nijdige vent, maar een heel leger ingesloten. <span class="pagenum" title="139"></span><a id="p_139"></a>Niet een
+paar vloeken, maar duizenden dooden moeten er vallen. Het zij zoo. Ik
+heb al zooveel aanspraken op roem en een standbeeld zien miskennen, ik
+geef ook deze op. En pluk ik al niet mijn verdiende lauweren, in ieder
+geval mijn paedagogische vruchten. Misschien zijn die nóg meer waard.
+Lauweren verdorren, en vruchten hebben zaden. De eerste zijn een
+afrekening met het verleden, de laatste beloften voor de toekomst.</p>
+
+<p>Een dier paedagogische vruchten is, dat ik me jegens mijn eigen
+scholieren nooit braver voordoe, dan ik ben geweest, en hen geregeld
+mijn jongensstreken vertel. Ze weten van mijn spijbelen, van mijn
+wegspatten uit de schoolblijversklas, ze weten ook dat ik bij dat
+spijbelen zoo heerlijk genoten heb, dat het mijn eenige geluk is geweest
+tijdens deze schoolperiode, ze weten van mijn belknopexpedities, ze
+weten haast alles, ook wat er nu nog volgt.</p>
+
+<p>En als ze die kunstjes van den meester nu nadoen?</p>
+
+<p>Met die vraag komen de bengels zelf ook altijd voor den dag. &bdquo;En als wij
+nu ook eens drie weken spijbelden?&rdquo;</p>
+
+<p>Maar dan is mijn vast antwoord: &bdquo;Dat doe jelui niet.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En als we het dan tóch eens deden?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Jelui doet het niet.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe weet u dat?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Omdat je 't hier veel te goed hebt.&rdquo;</p>
+
+<p>Dan lachen de snaken, en er gaat een vriendschappelijk gejouw op: &bdquo;Haha,
+te goed!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja zeker, veel te goed. Je hebt absoluut geen<span class="pagenum" title="140"></span><a id="p_140"></a> reden om te spijbelen.
+En wil ik je nu nog wat anders zeggen? Als jullie meent, dat je hier
+onbehoorlijk, hard of onrechtvaardig behandeld wordt, dan geef ik je
+verlof om te spijbelen. Maar je dóét het niet. Daar ben ik wel zeker
+van.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Jongens, ga je mee?&rdquo; roept er een, en hij doet of hij vertrekken wil.
+Maar halverwege keert hij lachende terug. &bdquo;'k Zal maar hier blijven.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat wist ik wel.&rdquo;</p>
+
+<p>Wellicht vindt deze of gene onder mijn lezers die methode toch wel wat
+gewaagd. Maar dan wil ik hem zeggen, dat je er wát een succes mee hebben
+kunt.</p>
+
+<p>Zoo kwam er onlangs een oude man bij ons op school met zijn 12-jarigen
+kleinzoon. Die jongen had het op een andere school erg verbruid, had
+daar herhaaldelijk straf opgeloopen en gespijbeld, en nu&mdash;&bdquo;of de meester
+ook een plaatsje voor hem had.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Gespijbeld? Heb jij gespijbeld? Dan moet ik je net hebben. Want dat heb
+ik ook in mijn jongensjaren gedaan en 't is mijn prettigste tijd
+geweest.&rdquo;</p>
+
+<p>De jongen hief zijn zwarte oogen naar me op, zonder dat ik hem hiertoe
+dwong&mdash;je hebt van die paedagogen (ook onder de agenten) die altijd de
+slachtoffers <i>dwingen</i> hen, beleefdheidshalve, aan te zien, maar door
+hun gansche optreden de oogen dier misdadigers een anderen kant op
+jagen&mdash;de jongen dan keek me gansch vrijwillig aan, en er was een
+glinstering van vertrouwen in zijn donkere kijkers.</p>
+
+<p>&bdquo;Zeker, ik heb ook gespijbeld. En daarom moet ik je juist hebben. Je mag
+komen, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="141"></span><a id="p_141"></a></p>
+
+<p>Grootvader keek verslagen. Hij dacht, dat hij met een krankzinnige te
+doen had. Zoo ongewoon is zulken menschen de simpele gewoonheid.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij mag komen, Grootvader! Maar op één voorwaarde.&rdquo;</p>
+
+<p>Vier vragende oogen keken mij aan.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat hij dadelijk gaat spijbelen, als 't hem niet bevalt.&rdquo;</p>
+
+<p>Grootvader snapte het niet. Hij was al te veel verbasterd in deze wereld
+van schijn, mooidoenerij, braafheidsvertoon, algemeene fatsoenhouderij.
+Maar de jongen begreep me. Hij lachte. En pas had ik hem de hand ten
+verbond toegestoken, of hij sloeg toe. Hij kwam op school, is een jaar
+gebleven, en heeft <i>nooit</i> aanleiding tot eenige klacht gegeven.</p>
+
+<p>Natuurlijk gun ik het succes hiervan ten volle aan zijn
+klasseonderwijzer. Maar deze stoort zich ook al meer aan de paedagogiek
+zijner levenservaring, dan aan de voorschriften der gezags-paedagogiek.
+Hij volgt dus dezelfde methode als ik. Misschien moest ik zeggen: Ik
+volg dezelfde methode als hij. Want ik geloof, dat ik in dit opzicht
+heel wat van hem geleerd heb. De hoofdzaak echter is, dat we dit succes
+te danken hadden aan de methode van&mdash;toe, geef eens een mooien naam,
+liefst een Griekschen&mdash;de methode van....
+zondaar-met-den-zondaar-te-zijn.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Die methode komt in geen paedagogisch handboek voor, evenmin als de
+sinaasappel-methode. Maar ik<span class="pagenum" title="142"></span><a id="p_142"></a> hoop, dat beide daar nog eens een plaats
+krijgen. En daarom ga ik nu nog een van onze streken vertellen,
+misschien wel een der ergste. Wie weet, of ook uit dit kwaad niet iets
+goeds geboren wordt.</p>
+
+<p>Het is avond. De duisternis hangt reeds over het vunze grachtwater en
+vult de nauwe ruimten tusschen de hooge huizenrijen, die men straten en
+dwarsstraten noemt. Wij dwalen nog zoo'n beetje in die duisternis rond,
+zoekend naar een genotsprikkel. Daar ligt ergens een keisteen los. We
+halen hem uit het plaveisel. Of een paard nu misschien zijn poot in dat
+kuiltje verzwikken kan, niemand denkt er aan. Met die kei kunnen wij wat
+uitvoeren.</p>
+
+<p>Nu zoeken we einden touw in onze jongensschatten, opgehoopt in de
+broekzakken. Die einden binden we aan elkaar. 't Wordt een touw van
+behoorlijke lengte. Het eene eind wordt op stevige wijze om de kei
+gebonden.</p>
+
+<p>Ginds staat de deur van een bovenwoning open. Wij er heen. Een van ons
+trekt zijn schoenen uit, neemt de kei in zijn linkerarm, de schoenen in
+de rechterhand, en sluipt op zijn kousen de trap op, naar 't
+bovenportaal. Een ander heeft beneden het touw vastgehouden.</p>
+
+<p>De indringer staat doodsangsten uit. Want het is mogelijk, dat juist op
+dit oogenblik daar boven een deur opengaat en een bewoner hem in de
+gaten krijgt. Erger, het is ook mogelijk, dat nu juist een der bewoners
+thuis komt, een pootige, ruwe kerel, en achter hem de trap oploopt. Dan
+zit hij in de val. Want dan<span class="pagenum" title="143"></span><a id="p_143"></a> vraagt die kerel hem natuurlijk wat hij
+daar te maken heeft, ontdekt den steen, heeft misschien de jongens
+beneden al weggevloekt, en grijpt den binnensluiper in zijn nek....</p>
+
+<p>O, die heerlijke doodsangsten! Wat heb ik er van genoten! Iedere zenuw
+is in spanning! Elke seconde is een levensgevaar!</p>
+
+<p>Eenmaal hééft een kerel me zoo verrast. Maar niet gegrepen. Hij zag me
+niet. Ik sloop als een schaduw de trap op, het portaal door, duwde me in
+een donkeren hoek, plat tegen den muur, en de kerel liep me voorbij. Het
+was om te bezwijken van heerlijkheid. Zulk een oogenblik is een hemel.
+Het is bijna zoo zalig, als dat je op 't punt staat door de Indianen
+gescalpeerd te worden en door de uiterste doodsverachting je leven redt.
+Je bent een moment een van je meest benijde boekenhelden.</p>
+
+<p>Als de indringer zonder gevaar boven is gekomen, legt hij daar
+behoedzaam den steen neer, sluipt weer naar omlaag, trekt zijn schoenen
+aan, en houdt zich gereed.</p>
+
+<p>&bdquo;Trek!&rdquo; fluistert hij.</p>
+
+<p>De man aan het touw trekt en de steen dondert de traptreden af naar
+beneden. Tegelijkertijd schreeuwt een der jongens een erbarmelijk
+kindergeschrei uit. Je kunt niet anders denken, of er valt een kind van
+de trap. Alle kamerdeuren vliegen open, alle vrouwen komen kijken. &bdquo;Een
+kind van de trap gevallen!&rdquo; En ze tuimelen zelf haast de trap af, om de
+eerste te zijn, die 't arme schaap opraapt. Want vrouwen van<span class="pagenum" title="144"></span><a id="p_144"></a> dat slag
+mogen haar eigen kinderen verwaarloozen, bij een ongeluk zijn ze de
+hulpvaardigheid zelf.</p>
+
+<p>Maar ze vinden niets dan malkaar en dat is reden genoeg om te blijven
+staan en met nog eenige andere ook toegeschoten buurvrouwen te
+overleggen, wat daar dan toch kan gebeurd zijn. Wij jongens, eerst
+weggehold, met den steen, komen nu een voor een naderbij, steken ons
+gezicht tusschen een paar jakken door, en informeeren belangstellend
+naar het gevallen jongetje. En wij smullen daarbij van ons succes. Of de
+vrouwen 't in de gaten krijgen? Een van haar roept tenminste: &bdquo;za-je
+opdondere, vuile flikkerkop!&rdquo; En veiligheidshalve &bdquo;dondere&rdquo; wij op.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Ook deze jongensgrap heb ik vaak in kleuren en geuren aan mijn
+leerlingen verteld. En dan zaten die te springen van plezier. De meisjes
+niet. Die voelen over 't algemeen niet veel voor zulke min of meer
+avontuurlijke streken. Maar de jongens. Hun oogen flikkerden. Nog meer
+dan bij het overhooren der jaartallen. En niet een dacht er aan, of op
+een dier bovenkamers misschien een doodziek kind, een <ins class="corr" id="corr11" title="Bron: sterzende">stervende</ins>
+zieke lag. En of die donderende steen wellicht een armen lijder had doen
+opschrikken, die juist wat verademing beloofde te krijgen in een
+rustigen slaap. Daarheen gingen hun gedachten niet, zoo min als die van
+ons, jeugdige bedrijvers van die geneugten. We waren immers door
+voorbeeld en lektuur ook in plagen opgevoed?</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="145"></span><a id="p_145"></a></p>
+
+<p>Maar daarom, als mijn jongens volop genoten hadden van mijn vertellen,
+liet ik hen critiek oefenen. Ik keerde dus het spelletje om. Niet ik
+sprak afkeurend over hun ondeugendheden, maar ik liet hen al het
+verkeerde aantoonen in mijn gedrag. En het was wonderlijk, hoe ze dan
+gaandeweg van stemming en gezindheid veranderden. Eigenlijk was het een
+gemeene streek, om die menschen zoo aan het schrikken te maken. En ook
+gevaarlijk voor mogelijke zieken. Wie weet, of daar niet een vrouw in de
+bitterste armoede op haar man, op haar zoon zat te wachten, een woesten
+dronkaard. En hoe dan die arme vrouw, doodelijk verschrikt, zou
+opspringen. Ach, er wordt in die kleine woningen zooveel ellende
+geleden. Er is daar zooveel verterende smart. Dag aan dag, en nacht aan
+nacht. Drank, armoede, ziekte, dood.</p>
+
+<p>Natuurlijk hielp ik mijn jonge veroordeelaars in het uitdenken van
+toestanden, die onze grap tot een ernstig vergrijp maakten. En dan
+bedachten we met elkaar, hoe je een beetje blijdschap kon brengen in
+zulke vaak droevige gezinnen, hoe je misschien helpen kon. Ja, daar
+waren wij ook wel toe bereid geweest. Maar men had het ons niet geleerd,
+we waren er niet in geoefend. Bereid? 't Gebeurde nog al vaak in die
+buurten, dat er een drie- of vierjarig kind zoek raakte. Die kinderen
+speelden vrij op straat en dwaalden dan weg. Maar nauwelijks hoorden we
+van een radelooze moeder dat ze haar kind &bdquo;verloren&rdquo; had, of we staakten
+onmiddellijk het boeiendste spel en trokken in groepjes de straten rond
+onder het eentonig-zangerig<span class="pagenum" title="146"></span><a id="p_146"></a> geroep van: &bdquo;Wie hét er een ki&mdash;&mdash;nd
+gevonden, wie hét er een ki&mdash;&mdash;nd gevonden,&rdquo; net zoo lang totdat het
+verloren schaap terecht was. Hoe levendig herinner ik mij die droomerige
+dwaaltochten, straat in straat uit, waarin we gehuld waren in de
+atmosfeer van ons eigen weemoedig-melodisch geroep. Niemand dacht aan
+opgeven. Ook wij waren verloren, verloren in dienstbetoon. Alleen nu en
+dan hielden we stil, als een deelnemende vrouw vroeg: &bdquo;Hoe oud is het,
+jongens?&rdquo;&mdash;Drie jaar.&mdash;&bdquo;Nee, niet gezien, hoor!&rdquo;&mdash;En dan trokken we weer
+verder, aanstonds in de maat en de stemming van ons zingend vragen, dat
+de open deuren en ramen ingolfde. Bereid? Ja, zeker waren we bereid. Men
+verstond echter niet de kunst die bereidheid te exploiteeren. Zou dit
+niet een der eerste opvoedingsplichten zijn? Leer uw kind, zichzelf te
+helpen, en ook anderen. Dat leert men echter het best niet door preeken,
+maar praktisch. Ga hen voor en neem ze mee.</p>
+
+<p>Mijn leerlingen waren intusschen hartelijk bereid, het vroegere gedrag
+van hun meester af te keuren, en daarmee had die meester ze meteen in
+zijn paedagogische val. Want je moogt van rechters, die zoo pas het
+stelen veroordeeld hebben, toch niet verwachten, dat ze nu zelf op roof
+uittrekken?</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Ik hoop, dat mijn vreesachtige lezers, die zooveel gevaar duchten van
+dat vertellen onzer kwajongensstreken, toch ook een weinig oog hebben
+gekregen voor<span class="pagenum" title="147"></span><a id="p_147"></a> de gezegende vruchten er van. Men komt, in de eerste
+plaats, daardoor zoo dicht, zoo heel dicht bij de kleine zondaars van nu
+te staan. Zij voelen in u een van hun gelijken, vertrouwen u, durven
+zich aan u geven&mdash;en komen dientengevolge te gemakkelijker onder uw hun
+heil bedoelenden invloed. We weten het wel, Farizeesche ongereptheid is
+heel mooi om aan te zien, bijna zoo mooi als een verlakte schoen, maar
+de tranen van ons berouw glijden er langs af, dringen er niet in, vinden
+er geen toegang. We voelen ons meer thuis bij den tollenaar, die in zijn
+machtelooze veroordeeling van eigen ongerechtigheid alleen redding zocht
+bij de genade der goddelijke liefde:</p>
+
+<p>&bdquo;Heer, wees mij zondaar genadig.&rdquo; Wanneer kinderen in ons medezondaars
+weten, is de afstand tusschen hen en ons wat kleiner. Ze laten zich in
+ons los.</p>
+
+<p>Maar dan in de tweede plaats, kan men van eigen verleden een spiegel
+maken, die niet alleen het kwade weerkaatst, maar ook de daaruit
+voortvloeiende gevolgen. Men kan de kinderen oog doen krijgen voor
+hetgeen het kind, en ook nog de mensch, in eigen handelingen bijna nooit
+ziet: de noodlottige gevolgen, vonnissend de onschuldig schijnende daad.
+Dat kan nu ook wel in een of ander verhaal, maar het verhaal van
+meesters eigen leven is zooveel aangrijpender, juist omdat het hém
+betreft. Alle kinderen hooren graag vader en moeder van eigen jeugd
+verhalen, hoe die geëerbiedigde volwassenen zich als kinderen
+vertoonden. En ik heb het bijgewoond, hoe kinderen<span class="pagenum" title="148"></span><a id="p_148"></a> medelijden hadden
+met dat arme jongetje, dat zoo strijden moest om eigen kwaad te
+overwinnen en er telkens weer in verviel, en dat nu hun vader was.</p>
+
+<p>Wie zich aan zijn kinderen durft geven, gehéél, doch met de heilige
+bedoeling om dit als een offer te brengen tot hun heil, hij zal ervaren
+hoe dit offer, wel verre van tot navolging der verkeerde daden te
+prikkelen, een zegenende ernst in hen ontwikkelt, een vroegen strijd,
+een&mdash;mogen we hopen&mdash;tijdige zege.</p>
+
+<p>Dan mag er&mdash;we zijn immers onder kinderen&mdash;wel eens een vroolijken toon
+in ons verhaal klinken, dan mag er wel eens een luid gelach uitbarsten,
+mits de ondertoon ernst is en het doel wordt beoogd: het geslacht van
+nu, zoo mogelijk, te bewaren voor de zonden van het vroegere.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="149"></span><a id="p_149"></a></p>
+
+<h2 id="NOG1_STRAATJONGEN">NÓG STRAATJONGEN.</h2>
+
+<p>Waarom&mdash;zoo vragen vaak ouders&mdash;waarom glijdt die jongen nu liever langs
+de leuning van de trap naar beneden, in plaats dat hij, evenals wij,
+netjes over de treden loopt. Dit laatste is toch zooveel veiliger.</p>
+
+<p>Ik denk, dat die jongen, behalve om het glijgenot, de leuning juist
+kiest omdat zij een beetje <i>on</i>veiliger is.</p>
+
+<p>Kinderen <i>zoeken</i> moeilijkheden.</p>
+
+<p>Langs uw trap zijn twee wegen. Den eenen volgt gij. 't Is de breede,
+gemakkelijke, met loopers geplaveide weg tusschen beide leuningen. De
+andere bestaat uit de kleine puntjes der treden, die nog even buiten de
+leuning uitsteken. 't Is de uiterst smalle weg, die voortdurend boven
+den afgrond van den hal hangt. En dien volgt hij. Daarbij zet hij zijn
+voeten dwars, houdt met één hand de leuning vast, laat zich half boven
+de diepte zweven, en slingert zich, boven gekomen, met vlugge beweging,
+op den heirweg, door u gevolgd.</p>
+
+<p>Dat is een zeer duidelijk uitgesproken verschil van voorkeur.</p>
+
+<p>Gij vraagt, waaróm die jongen zoo dwaas is, zich moedwillig in 't gevaar
+te begeven, en denkt er niet aan, hoeveel kostelijke krachtsontwikkeling
+ge hem<span class="pagenum" title="150"></span><a id="p_150"></a> beneemt, als ge hem dezen moedwil verbiedt. Hoe zal de jongen,
+te midden van zijn geriefelijke omgeving, een beetje leeren durven en
+wagen, als hij er niet op eigen gelegenheid wat ongerief mag scheppen?</p>
+
+<p>Men beschuldigt in zulke gevallen de kinderen aanstonds van
+onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid en ranselt er dan die twee ondeugden
+uit. 't Is verkeerde paedagogiek. Men ranselt er op die manier een
+natuurlijken opvoedingsfaktor uit, slaat dien tenminste voor een poosje
+lam. De onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid is een ademen der zedelijke
+natuur, 't is het uitslaan der vleugelen, 't is het uitgroeien der
+ethische krachten van moed en zelfvertrouwen, 't is het overwinnen van
+onmisbare zwarigheden, en daardoor het winnen in willen en kunnen.</p>
+
+<p>Bekijk de zaak eens van dezen kant, en gij zult begrijpen, waarom die
+jongen liever op de tuinschutting zit dan op de tuinbank&mdash;ongeacht het
+wel wat smalle zitvlak van die tuinschutting; waarom hij zoo graag door
+het dakvenster klautert en liefst tegen de pannen op dan nog naar de
+vorst van het dak; waarom hij buiten zoo onweerstaanbaar door slooten
+wordt aangetrokken en als door een magnetische kracht wordt gedwongen
+daarover te springen; waarom hij, met zijn kameraad op de wandeling,
+zeker tienmaal, indien niet twintigmaal, vraagt: durf jij dat? en&mdash;als
+er maar geen ouders bij zijn&mdash;dan bij ieder kwestieus geval net zoo lang
+draalt en zich opwindt tot hij gedurfd heeft.</p>
+
+<p>Gij zegt, dat hij aan zijn kleeren moet denken en<span class="pagenum" title="151"></span><a id="p_151"></a> aan alle mogelijke
+ongelukken. Hij denkt aan niets dan aan het lokkende gevaar en aan de
+zalige zege.</p>
+
+<p>Toe, bekijk de zaak eens van dezen kant en vraag dan uzelf af, bij welke
+partij de ware opvoeding werkt: bij de officiëele opvoeders of bij het
+brutale, onnadenkende kind, bij de verlammende leiding of bij de
+stalende zelfstandigheid.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Voor ons huis was een houten brug met een ijzeren leuning. Hoe dikwijls
+liepen wij jongens, een heel rijtje achter elkaar, langs den buitenkant
+der leuning. Ik voel dat ronde ijzer nog en aan het einde den
+bolvormigen knop. Ik zie nog het vuile water onder ons. En ik herinner
+me nog den even voorzichtigen als sierlijken zwaai, waarmee we om den
+eindknop heen weer op de straat terecht kwamen.</p>
+
+<p>Zeker, als ik het nu van kinderen zag, ik zou mijn hart vasthouden, maar
+nooit is er bij die kunsten een jongen te water gevallen, zelfs niet als
+we, verstoken van alle gymnastiekwerktuigen, de ronde leuningen als
+rekstok gebruikten om er ons borstwaarts of ruggelings over te trekken.
+Er waren jongens, die, waar ergens een brugleuning van hout was met een
+plat bovenvlak, daar overheen liepen. Eén zwenking naar links, en ze
+tuimelden in het diepe water. Maar ze liepen met geconcentreerde
+zekerheid de heele leuning af, om dan aan het eind met een prachtigen
+sprong weer op den vlakken grond te komen. Wie het niet durfde, stond
+het bewonderend aan te staren.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="152"></span><a id="p_152"></a></p>
+
+<p>Eén heldendaad van dien aard herinner ik me van mezelf. Er stond eens
+een vrij hooge stapel roode baksteenen opgetast aan den waterkant dicht
+bij ons huis. Dat zag men toen meer: de openbare weg deed bij de
+bouwerij nog al eens dienst als stapelplaats van materialen. Nu was er
+tusschen dien hoogen steenstapel en den waterkant natuurlijk een reepje
+weg onbedekt gebleven, een paadje dus achter den steenenmuur en vlak
+langs het water, een paadje waar een paar muizen konden wandelen,
+misschien ook een kat, maar stellig geen hond, en dat alzoo nu juist
+niet bepaald voor jongens was opengelaten. Daar kon geen kind langs.
+Reden te meer om het te willen.</p>
+
+<p>&bdquo;Durf jij daar langs?&rdquo;</p>
+
+<p>Nauwelijks was de vraag gedaan, of het paadje begon te trekken. Eerst
+trok het je oogen en die maten met een enkelen blik de breedte&mdash;smaller
+dan je voet&mdash;en de lengte&mdash;een meter of drie. Toen trok het je
+linkervoet. Die moest noodzakelijk even om het hoekje heen, den neus van
+je schoen rechthoekig tegen de steenen. Dat ging. Op je teenen en de
+voorhelft van je voet kon je er staan. En als je je voet dwars tegen de
+steenen drukte, met zijn binnenzij tegen den muur, dan kon hij er
+heelemaal op. Nu trok het je linker arm. Die strekte zich uit en legde
+zich, met uitgespreide vingers, vlak tegen den stapel. Je hand ging
+werken als een zuignapje. Hij zoog zich als aan de steenen vast. Pas op,
+het paadje trok je linkerbeen, je linkerzij, het trok je borst&mdash;je
+drukte die plat tegen de steenen&mdash;je rechterbeen moest<span class="pagenum" title="153"></span><a id="p_153"></a> volgen, dan je
+rechter arm, en je schoof, met uitgespreide armen, als een schaduw langs
+den steenenmuur. Hoe kón het? Dat weet ik niet, maar het kón.</p>
+
+<p>Voetje voor voetje ging het schuivende verder. Eenmaal begonnen, was er
+aan teruggaan geen denken meer. De makkers keken ademloos toe. De
+menschen aan den overkant spraken er zeker schande van: &bdquo;zulk tuig!&rdquo; Ik
+zag niets, hoorde niets, dacht aan niets, wist alleen dat ik, klevende
+aan de steenen, moest voortschuiven. En ik schoof voort. Mijn leven hing
+af van een oogenblik aarzeling of twijfel. Mijn leven en mijn triomf.
+Ach, mijn hemel, het was alleronzinnigst. Maar waarom vertelde men ons
+dan ook de geschiedenis van De Ruyter? Ik had geen toren om te
+beklimmen. Moest ik dan de bevende heerlijkheid van het gevaar niet
+achter die steenen zoeken?</p>
+
+<p>Ik kwam er. Even behoedzaam tastende als de tocht begonnen was, werd hij
+geëindigd. Geen roekeloosheid op het laatste moment. De linkerarm boog
+eerst om, de schouder volgde&mdash;maar reeds grepen de makkers dien arm beet
+en ik stond weer in hun midden. Doodstil. Zij juichten. Ik zweeg. Want
+als je wezenlijk verdienste hebt, met uiterste inspanning veroverd, dan
+bluf je niet. Dan ben je moe en stil.</p>
+
+<p>Een tweeden keer heb ik dien tocht niet gedurfd. Toen trok ook het
+smalle randje niet meer. Het had zijn bekoring verloren, gelijk de
+jonkvrouw in Schillers ballade van &bdquo;De handschoen&rdquo;. En geen der
+kameraden volgde me na. Er zijn heldendaden, voor<span class="pagenum" title="154"></span><a id="p_154"></a> enkelen weggelegd, en
+die deze ook maar éénmaal in hun leven kunnen volvoeren.</p>
+
+<p>Natuurlijk begrijpen de menschen niets van wat er omgaat in zoo'n
+jongen. Ze vinden het domme waaghalzerij en koelen hun angst voor zijn
+gevaar met scheldwoorden, pakken slaag, naar huis en naar bed. Daar is
+de bengel dan vooreerst weer veilig en kon hij over zijn zonden
+nadenken.</p>
+
+<p>Op dat nadenken moeten de opvoeders echter nooit veel rekenen. Het bed
+is geen plaats voor zulke berouwvolle overpeinzingen. Daar, als
+waarschijnlijk in elke andere gevangenis, lig je te fantaseeren. Je ziet
+alles nog eens levendig voor je. Je geniet van nieuwe gevaren. Je klimt
+en klautert langs onmogelijke wanden. Je bent er veilig, nu ja, maar
+nadenken? Op grond mijner jeugdervaringen ben ik een overtuigd
+tegenstander van de celstraf. Ik geloof alleen in de verbeteringskracht
+van goed gezelschap en lustwekkenden arbeid.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Hoe weinig ik in zulke waaghalzerijen kwaad zag, blijkt wel uit het
+volgende.</p>
+
+<p>Ik had een nieuw zondagspak gekregen. Dat was heusch een weelde, die
+niet ieder jaar voorkwam. Met je moeder naar den winkel gaan, daar
+verschillende pakken bekijken en passen, eindelijk dat eene mooie te
+krijgen, juist dat eene waar je al je hart op gezet had, en dit dan den
+eerstvolgenden zondagmorgen te mogen aantrekken en er de straat mee te<span class="pagenum" title="155"></span><a id="p_155"></a>
+mogen opgaan, neen, dat was heusch geen kleinigheid, dat was een reeks
+zeldzame genietingen, zooals in ons kinderleven wel eens één keer in de
+drie jaar voorkwam; meestal werden onze kleeren gemaakt uit die der
+oudere jongens.</p>
+
+<p>Het was dus een unicum, voor mijn ouders een groot geldelijk offer, en
+toen ik den eersten zondagmorgen den besten in het nieuwe pak uitging,
+liep Moeder mee tot aan de winkeldeur, tot op de stoep.</p>
+
+<p>&bdquo;Zal je er goed op passen, Jan?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja Moe!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zal je er erg voorzichtig mee zijn?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja Moe!&rdquo;</p>
+
+<p>Ik stapte de gracht op, ging mijn vrindjes halen, liep niet als een
+gewoon kind, maar als een drager van nieuwe kleeren. Ik keek nog eens
+om. Moeder stond me nog met gelukkige, streelende oogen na te kijken. Ze
+moest er van genieten, hoe 't me stond als ik op straat liep, en hoe
+netjes haar jongen er uitzag. Ook voor haar was 't een weelde en een
+zeldzaam genot.</p>
+
+<p>Met mijn vrindjes ging ik naar buiten. In de stad wandelden we nooit.
+Altijd naar buiten, naar de slooten, naar de balken bij den
+houtzaagmolen, naar de tuinschuttingen, naar de wilgen. Er moest water,
+groen en klimbaarheid zijn. En dat had je in de straten niet.</p>
+
+<p>Eerst bewonderden de vrindjes natuurlijk het mooie pak, maar dat was
+gauw gedaan. Jongens vinden het wel een ellende met vermaakte kleeren te
+worden<span class="pagenum" title="156"></span><a id="p_156"></a> op straat gestuurd, en ze zijn wel grootsch op een nieuw pak,
+maar die ellende en die grootschheid duren beide gewoonlijk heel kort.
+Zoodra de kameraden hun schimp of hun lof hebben geuit, is 't gedaan met
+de macht der lichaamsbedekselen. Dan dénken de jongens eenvoudig niet
+meer aan hun kleeren&mdash;zoo heel anders dan meisjes&mdash;en voelen ze als
+lagen huid, die zich zoo gauw mogelijk moeten schikken naar de
+bewegingen van het lichaam.</p>
+
+<p>Zoo ging het ook mij op dien Zondagmorgen. Mijn nieuw pak werkte al niet
+meer, toen we nog maar even buiten de poort waren, en het sprong net zoo
+gemoedelijk mee over de balken in de sloot als mijn oude plunje. Het
+schikte zich wonderwel in de manieren en plezieren van zijn eigenaar.
+Zelfs klom het al mee in een boom.</p>
+
+<p>Er stond ergens aan den slootkant een knotwilg, die half over het water
+hing. Nu konden we reeds op drie manieren op het weiland komen: over het
+hek op den dam klimmen, over de balken in 't water loopen, of ineens
+over de sloot springen. Dat was voor een gewoon mensch al variatie
+genoeg, zoolang er echter niet een schuine knotwilg bij kwam. Maar
+nauwelijks had die al de bekoorlijkheden, waarover zijn uitgeteerde
+ouderdom nog te beschikken had, voor ons uitgespreid, of wij bezweken.
+We moesten in dat oud stuk stam klauteren, op den kruin staan, de takken
+wegschuiven, en dan over 't water op 't weiland springen. Die weg was
+veel moeilijker dan een der andere drie, en dus veel aangenamer. We
+genoten<span class="pagenum" title="157"></span><a id="p_157"></a> er wel tienmaal van, ook al kraakte soms een halfrotte rand van
+den hollen bast onder onzen voet. De zorg voor mijn nieuwe kleeren
+bepaalde zich hiertoe, dat ik telkens na een sprong broek en kiel met de
+hand netjes afveegde, omdat ze wat groen of vuil waren geworden van den
+ouden wilg, en hun rimpels daarna mooi wegtrok, rimpels van 't klimmen.
+Overigens kan ik met volle eerlijkheid verzekeren, dat ik mijn nieuwe
+kleeren totaal vergat.</p>
+
+<p>Men versta dat toch goed. Ik zeg niet, dat ik ze moedwillig
+verwaarloosde, dat ik ze niet achtte, maar ik vergat ze. Ze bestonden
+niet meer voor me. De boom, de kruin, de takken, de sprong&mdash;die leefden
+en heerschten. Al dat andere was weggezonken, zooals men dat
+tegenwoordig met naïeven verklaringswaan uitdrukt: onder den &bdquo;drempel
+van het bewustzijn&rdquo;.</p>
+
+<p>Mijn vader had echter weer een anderen drempel. Hoe de man, tot mijn en
+zijn eigen rampzaligheid, daar nu juist op dat buitenpad moest wandelen,
+juist op dien Zondagmorgen, ik weet het niet. Maar hij liep er, en nog
+eer ik hem in de gaten had, had hij mij gezien, klimmende en springende.
+Zijn buitengenot en landelijke rust zonken onder zijn bewustzijnsdrempel
+weg en daarboven op sprong, met tergende sprongen, zijn jongen in het
+nieuwe pak. Een oogenblik nog, en hij had die jongen in zijn nek
+genomen, een paar driftige kletsen om den kop gegeven, en naar huis
+gejaagd.</p>
+
+<p>'t Was voor dien jongen een doodschrik en een grievende krenking. Hij
+liep naar huis, op eenige<span class="pagenum" title="158"></span><a id="p_158"></a> meters gevolgd door zijn vader. Voor beiden
+was het genoegen van dien Zondagmorgen weg. Maar in die jongensziel
+ontkiemde, onzichtbaar voor hemzelf, de zekerheid, dat vaders domkoppen
+zijn. En hij hield op dat oogenblik meer van dien stommen, ouden
+knotwilg, dan van zijn vader.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Het is hard om te zeggen, maar vaders zijn vaak domkoppen. Ze verstaan
+hun kinderen niet. Als ze zich de moeite eens wilden geven, naar hun
+kinderen te zien en naar hun uitingen te luisteren, eens heel oprecht
+met hen te praten, dan zou waarschijnlijk hun houding tegenover dat
+jonge goed heel anders zijn. Maar neen, ze volgen alleen hun eigen
+opwellingen van wrevel, ergernis, woede over allerlei recht kinderlijke
+&bdquo;overtredingen&rdquo; en schelden of slaan er dan maar op los. Daarmee
+vervreemden ze hun kinderen wel niet van ze&mdash;de band des bloeds is
+taai&mdash;maar ze bederven toch zooveel jeugdgenot en zooveel huiselijke
+vreugde. Wel, dat kon zoo gansch anders, en met veel meer gehoorzaamheid
+dan nu morrende gehuicheld wordt. Wanneer ik hier geen
+jeugdherinneringen schreef, maar degelijke paedagogiek, zou ik over de
+vaderzonden een hoogst leerzaam hoofdstuk kunnen schrijven. Misschien
+maak ik er nog een boek over en dat zal dan het beste paedagogische
+handboek zijn van de wereld, want het begint de opvoeding bij de
+opvoeders, en die hebben de verbetering het hardste noodig. Maar ik
+schrijf slechts<span class="pagenum" title="159"></span><a id="p_159"></a> ijdele jeugdherinneringen, laat dus de domheid der
+vaders onverbeterd, en ga voort met een stukje verregaand brutale
+heerlijkheid.</p>
+
+<p>We lazen destijds veel indianenboeken en daarvan was het gevolg, dat we
+ook speelden van &bdquo;Blanken en roodhuiden&rdquo;. We verdeelden ons in twee
+partijen. Doch nu waren we niet tevreden met een simpel spelletje in de
+straat, neen, het moest echt wezen, zoo echt mogelijk, er moest een woud
+bij te pas komen, een wildernis, en dan oplichting, gevangenneming,
+bevrijding. Er moest eenzaamheid bij wezen, spoorzoekerij, sluipen,
+geheime teekens, vogeltaal. We moesten de volle ontroering genieten van
+het echte woudloopersleven, en nu zouden we geen jongens geweest zijn,
+als we ons dat niet hadden weten te verschaffen, ondanks al de
+tegenwerking van straatsteenen, huizen en volwassenen.</p>
+
+<p>Om te beginnen verdeelden we ons in twee partijen, maar die verdeeling
+gold niet voor één avond, doch voor altijd. Wie eenmaal een roodhuid
+was, bleef een roodhuid, en dat bleef hij overal, op straat, in huis, op
+school, in de stad, buiten, Zondag en in de week. Zoo veranderde een
+blanke ook niet van huidkleur en van vijand. En nu was de afspraak, dat
+je, overal waar er slechts kans toe was, je vijand bestookte, besloop,
+gevangen nam.</p>
+
+<p>Dat gaf aanleiding tot een voortdurende spanning. Nooit liep je op
+straat, of waakzaam loerde je rond. Was je als blanke alleen en kwamen
+er drie roodhuiden aan, dan maakte je tijdig dat je wegkwam,<span class="pagenum" title="160"></span><a id="p_160"></a> eer ze je
+te pakken kregen. De gang van school naar huis was weken of maanden
+achtereen een onafgebroken gevaar, en deed je boodschappen voor je vader
+of moeder, was dan maar dubbel op je hoede, want de vijand stoorde zich
+aan niets, vond je met je boodschappenmandje een te welkomer prooi en
+sleepte je naar buiten, naar een plantsoentje, waar je &bdquo;dicht in 't
+woud&rdquo; aan een boom werd vastgebonden. Vader of moeder mochten op de
+boodschap wachten, angstig worden, naar je uitzien&mdash;dat alles maakte de
+zaak &bdquo;echter&rdquo; en dus het genot grooter. 't Mocht geen komedievertooning
+wezen, maar 't moest echte werkelijkheid zijn met echte ellenden.</p>
+
+<p>Nog zie ik me op een zomernamiddag in mijn eentje door de buurt dwalen,
+dan naar 't plantsoentje gaan tusschen Raam- en Zaagpoort, en daar zoo
+gauw mogelijk een boschje binnensluipen, op den heelen weg steeds
+rondziend en zooveel mogelijk ongezien blijvend. De avond valt reeds, 't
+begint althans te schemeren. Nergens bespeur ik onraad, maar ook nergens
+een teeken dat er vrienden in den omtrek zijn. Nauwlettend bekijk ik den
+grond, of de voetstappen iets te zeggen hebben. Luister, klonk daar niet
+het geroep van den koekoek? Dat is het teeken van de blanke jagers,
+waarbij ook ik behoor. Doodstil blijf ik staan en wacht. Opnieuw klinkt
+het: koekoek, koekoek, koekoek, driemaal. Is het de roep, wellicht de
+noodkreet van een blanke? Of de lokstem van een roodhuid, die aldus een
+verdoold jager in den strik wil lokken? Nu is de uiterste
+voorzichtigheid plicht. Mijn<span class="pagenum" title="161"></span><a id="p_161"></a> ooren richten zich naar alle zijden,
+vangen ieder geluid op. Men kon mij van verre omsingelen, zonder dat ik
+'t merkte. Maar geen verdacht geluid waarschuwt. Ik sluip dus verder in
+de richting van de telkens herhaalde koekoeksroepen. 't Is wel wat
+ongewoon, in dit plantsoentje een koekoek te hooren. Die komen anders
+niet onder de rook van de hoofdstad. Maar die ongewoonheid geldt alleen
+voor eerzame burgers en voor den boschwachter. Wij weten hier van geen
+hoofdstad, we zwerven in de wildernis van het verre westen. En daar
+klinken nog wel andere geluiden.</p>
+
+<p>Naarmate ik de roepstem nader, meen ik er de stem van een vriend in te
+herkennen. Nu dient alles gewaagd. Toch laat ik me niet verleiden tot
+roekeloosheid. Onder voortdurende bedekking, vaak liggende, soms
+kruipende, tracht ik me tegen een overval te vrijwaren, totdat ik
+eindelijk, in de eenzaamheid van het woud, een makker vind, inderdaad
+vastgebonden aan een boom. Ik snel er heen, trek mijn zakmes, snijd hem
+los en vlucht met den geredde zoo spoedig mogelijk weg van de
+gevaarlijke plek. Eerst als we ons buiten gevaar weten, vertelt hij mij
+zijn wedervaren.</p>
+
+<p>Hij moest voor zijn moeder een boodschap doen. &bdquo;Gauw terugkomen,&rdquo; had
+moeder gezegd. Toen, argeloos door de straat loopend, was hij door een
+paar roodhuiden gegrepen. Die hadden hem hierheen gesleurd. Al zijn
+gekerm mocht niet baten. Ze verstonden zijn woorden niet eens. In hun
+ijzeren vuisten<span class="pagenum" title="162"></span><a id="p_162"></a> gekneld hadden ze hem geblinddoekt, langs allerlei
+sluipwegen gevoerd, hem midden in 't bosch van al zijn bezittingen
+beroofd, ook van het geld voor zijn boodschap, en tenslotte
+vastgebonden. Stellig zouden ze hem den volgenden dag onder een woesten
+krijgsdans verbrand hebben, als ik hem niet tijdig had gered.</p>
+
+<p>In de handen van welk opperhoofd hij gevallen was? Hij wist het niet,
+maar hij vermoedde van De Witte Arend, want die was den laatsten tijd
+erg in de weer. In zijn stam scheen een feest op til te zijn, en daartoe
+had men gevangenen noodig, om met hun lichaamspijnen, doodsangsten en
+gebraden spieren het feest op te luisteren. Goddank, dat de ongelukkige
+nog bijtijds aan deze onderscheiding ontsnapt was.</p>
+
+<p>Samen gaan we naar huis, plannen beramend van wraak. We moeten zien, dat
+we De Witte Arend zelf gevangen nemen om hem alleen tegen een hoogen
+losprijs weer vrij te laten. We zullen al de blanke jagers in een
+vergadering bijeenroepen, om een gezamenlijken rooftocht tegen den
+ellendigen roodhuid te ondernemen. Kunnen we hem niet een zijner
+geliefdste vrouwen ontrooven&mdash;de ellendeling had onschuldige zusjes, die
+daarvoor in aanmerking konden komen&mdash;en hem dan noodzaken tot een
+vernederende onderwerping? Of tijdens zijn afwezigheid de wigwams in
+vlammen doen opgaan?</p>
+
+<p>Hoe het zij, een gevoelige wraak moest volgen. Hiervan waren we zeker.
+En intusschen waren we innig gelukkig, dat we dezen avond weer zoo'n
+levensgevaarlijk <span class="pagenum" title="163"></span><a id="p_163"></a>avontuur hadden genoten. Al was De Witte Arend ook nog
+zoo'n ellendige roodhuid, voor geen goud, voor onze heele
+maatschappelijke toekomst zouden we hem niet hebben willen missen. Niet
+hebben kunnen missen.</p>
+
+<p>Wat was onze vale buurt, wat ons dreinig schoolleven zonder De Witte
+Arend?</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Maar die moeder nu, die op haar boodschap wachtte? En dat geld?</p>
+
+<p>Nu herhaal ik, wat ik reeds vroeger zei: in haar ontving de wereld der
+volwassenen haar trekken thuis. Deze maaide, wat zij gezaaid had.</p>
+
+<p>Wie hadden indianen-boeken geschreven, gedrukt, verkocht? Toch immers
+niet de kinderen? Wie verdienden er hun brood en misschien zelfs een
+kapitaal mee? Toch immers niet de straatjongens? Wie kocht ze voor ons,
+leende of schonk ze ons, wie liet ze ons lezen? Waren het de volwassenen
+niet? Wat deden ze om ons andere lektuur te bezorgen, ons in andere
+lektuur smaak te doen vinden, ons door betere lektuur op te voeden? Ze
+lieten ons gaan, of&mdash;erger!&mdash;deelden onleesbare traktaatjes uit, hetgeen
+daarom erger is, omdat het de kinderen van het daarin aangeboden goede
+vervreemdt.</p>
+
+<p>De volwassenen lieten ons gaan, zooals het tegenwoordig nog bij de
+meerderheid het geval is. Zij lieten ons doortrekken van indianen-zeden,
+d. w. z. zeden<span class="pagenum" title="164"></span><a id="p_164"></a> à la <span xml:lang="fr">Aimard</span> of <span xml:lang="en">Cooper</span>. En als die zeden nu in ons
+begonnen te werken, aan wie dan de schuld? Wij konden het toch waarlijk
+niet helpen, dat we bij onze verbeelding moesten leven, dat we de
+romantiek tot werkelijkheid maakten. Dat lag zoo in onze kindernatuur.
+Maar wie had die verbeelding eerst vergiftigd, wie die romantiek aldus
+in onze fantasie gevoerd?</p>
+
+<p>Het is met die brave volwassenen zoo wonderbaar. Eerst gaan ze de
+kinderen in 't vloeken voor, en als dan een kind ook verdomme zegt,
+ranselen ze dat kind af. Eerst steken ze hun sigaar op, en als dan het
+kind ook een sigaretje wil genieten, bestraffen ze het met strenge
+woorden, doorrookt van pas geofferde tabak. Eerst omgeven ze het kind
+met een wereld van drinken, rooken, vloeken, onreine scherts, en als dan
+het kind de gevolgen hiervan openbaart, verbeteren die volwassenen nóg
+niet zichzelf, maar gaan ze in een soort opvoedingsangst het kind te
+lijf.</p>
+
+<p>Toen ik jongen was kon ik nooit de standjes en pakken slaag begrijpen,
+die we met onze toch zoo natuurlijke spelletjes opdeden. En om de
+waarheid te zeggen, nu ik al de vijftig voorbij ben, kan ik ze nog niet
+begrijpen, in den zin van: rechtvaardigen. Natuurlijk begrijp ik wel,
+hoe gemakzuchtige en genotzuchtige volwassenen liever kinderen
+afranselen dan zichzelf verbeteren. Maar ik begrijp niet, hoe ze daarvan
+eenig heil verwachten, ik begrijp hun domheid niet. De zaak is toch zoo
+eenvoudig: &bdquo;Wie wind zaait, zal storm oogsten.&rdquo; En wie zijn akker braak
+laat liggen, moet zich niet verwonderen als daarop het<span class="pagenum" title="165"></span><a id="p_165"></a> onkruid tiert,
+waarvan de zaden overal rondzweven en neervallen.</p>
+
+<p>Die moeder, die op haar boodschap wachtte en noch boodschap, noch geld
+zag, had zeker recht om woedend te wezen. Maar op zichzelf. Ik vrees
+echter, dat ze niettemin op den rug van haar jongen die woede gekoeld
+heeft. Zoo zijn wij, opvoeders. Sterk&mdash;in de correctie. Waarbij dan de
+slagen vallen op de slachtoffers onzer nalatigheid.</p>
+
+<p>We verwaarloozen eerst. En dan maar straffen.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="166"></span><a id="p_166"></a></p>
+
+<h2 id="KINDERKERK_EN_ZONDAGSSCHOOL">KINDERKERK EN ZONDAGSSCHOOL.</h2>
+
+<p>De kleintjes zaten in de voorste rijen, en naargelang je ouder en
+grooter werd, schoof je naar achteren.</p>
+
+<p>Ik heb een idee, dat ik als kleintje van zes jaar ook op de eerste bank
+heb gezeten, dat ik gaandeweg in 't midden kwam, en geleidelijk de
+laatste banken bereikte.</p>
+
+<p>'t Waren gewone banken zonder leuning, op drie pooten. Een heele rij
+achter elkaar. En vóór dit bankenregiment stond als kommandant een
+catheder, hoog boven de lage, platte banken uit, een generaal te paard
+voor zijn soldaten.</p>
+
+<p>We zaten daar 's Zondagsmorgens, heel stil, het petje in de handen, dat
+soms in de rondte begon te draaien, de ronde band tusschen de kleine
+vingertjes door, en dan weer vermoeid tusschen die vingertjes neerhing,
+of ook, plotseling, tusschen de vingertopjes uitviel op den grond. Die
+vingertopjes werden dan wat suf van het aldoor vasthouden en lieten het
+petje los, zonder dat ze het zelf wisten. Ze moesten onophoudelijk aan
+het petje denken, en konden daardoor niet zoo goed luisteren naar den
+meneer in den catheder.</p>
+
+<p>Daarbij kwam nog, dat het eene handje ook twee<span class="pagenum" title="167"></span><a id="p_167"></a> halfjes moest bewaren,
+een voor het zakje en een voor het negertje. Het zakje ging rond en
+vroeg voor de armen, het negertje stond op een tafel en vroeg voor de
+heidenen. Die halfjes werden zoo heet in je kleine, vochtige handpalmen,
+maar je moest ze ook goed verstoppen in de dichtgeknepen handjes. Een
+halfje op straat verliezen, was een jammer van groote beteekenis.
+Broekzakken hadden de kleine jongetjes nog niet. En daarom waren de
+halfjes alleen maar veilig in den heeten oven van hun kleine brandende
+handjes. Het was een heele verlossing, als ze daaruit weg mochten,
+vochtig warm in het zwarte zakje of in het hoofd van 't metalen
+negertje, dat ook voor de kleinste gave dankbaar knikte.</p>
+
+<p>Zoo hebben we daar gezeten, Zondag aan Zondag, telkens van 10 tot 12
+uur, dus twee uur achtereen, in een klein, laag, benauwd
+lokaal&mdash;hetzelfde, waar we in de week bewaarschool hadden bij juffrouw
+Fietje. En dan gingen we er 's middags nog een uur ter Zondagsschool. Ik
+denk, dat het niet gezond was.</p>
+
+<p>Nu, uit de verte gezien, vraag ik me af, wat de bekoorlijkheid van die
+uren was, want bekoorlijk waren ze. En dan denk ik allereerst aan het
+schoone, blauw-gestreepte katoenen kieltje, met het witte kraagje er in
+geregen, en het witte linnen broekje met korte pijpjes. Moeder had die
+alle gewasschen en gestreken en het was een heel genot, daar 's
+Zondagsmorgens in gestoken te worden als jongetje van zes, zeven, acht
+jaar, en er dan mee naar de kinderkerk te wandelen.<span class="pagenum" title="168"></span><a id="p_168"></a> Daar was iets
+voornaams, iets deftigs in. Je liep, stijf gestreken ventje, blinkend
+figuurtje, de halfjes in de linkerhand, netjes over de kleine steentjes.
+In heel je kleine lichaampje werkte nog Moeders waarschuwing, om toch
+vooral je goed niet vuil te maken. En de strakke voornaamheid van je
+glanzende kleertjes deelde zich aan den drager mee. De weg van huis naar
+de kinderkerk, nauwelijks drie minuten, was kort genoeg om ons buiten
+alle verleidingen te houden.</p>
+
+<p>Maar behalve die ijdele uitwendigheden oefenden nog andere factoren hun
+invloed uit.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Hebt u nooit eens gehoord van meneer Beekman en meneer Seeze? Nu, ge
+ziet, ik ken hun namen nog, en ze dateeren toch uit het Germanentijdperk
+van mijn levensgeschiedenis.</p>
+
+<p>De eerste was klein en vriendelijk. Zijn oogen en zijn mond glimlachten
+ieder kind een onuitgesproken welkom toe. Een zachte, vriendelijke man.</p>
+
+<p>De tweede was lang en statig. Maar ook vriendelijk, schoon op een andere
+manier. Hij glimlachte niet, maar groette beleefd.</p>
+
+<p>De eerste trok meer dan de tweede. Voor den eerste zou je gauwer je
+zonden belijden. Heel zijn houding, heel zijn gelaat was een
+uitnoodiging: Vertrouw me maar, want je ziet wel, dat ik veel van je
+houd. Wanneer ik nu aan hem denk, valt mij het lied van <span xml:lang="en">Moody</span> en <span xml:lang="en">Sanky</span>
+in: &bdquo;Kom tot uw Heiland, toef langer niet.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="169"></span><a id="p_169"></a></p>
+
+<p>Een man, wiens heele persoonlijkheid een uitnoodiging is van zúlk een
+kracht en van zúlk een aard, nu, dat is een geboren opvoeder, al is hij
+maar een zondagsschoolmeneer en van zijn vak koekbakker. Want dat was
+hij.</p>
+
+<p>Is het niet eigenaardig, dat ik zijn vak wist, en dat van zijn
+medewerker niet? Dat is voor mij een bewijs, hoeveel dichter hij bij de
+kinderen stond. De ander was een ernstige verschijning, maar loste zich
+op in de nevelen van vormlijkheid en deftige statelijkheid. Meneer
+Beekman kwam uit de nevelen zijner predikatie hoe langer hoe dichter bij
+je en werd daardoor hoe langer hoe concreter. Je liep aan zijn hand
+vertrouwend mee. Voor den ander zette je, op een afstand, eerbiedig je
+petje af. We wisten ook precies, waar meneer Beekman woonde, en ik weet
+het nog. Maar de ander woonde &bdquo;ergens&rdquo;. Eigenlijk dacht niemand er aan,
+of hij woonde. Hij verscheen en verdween. Zijn kleine, glimlachende
+medewerker verscheen en bleef, bleef ook als hij weg was.</p>
+
+<p>Van meneer S. wist ik niets geen kwaad, o neen, gansch niet. Hij was
+stellig een brave man, maar hij bleef buiten de kindersfeer. Dat zie ik
+nu zoo duidelijk. En die vriendelijke kleine was er dadelijk in, reeds
+als je hem bij 't binnenkomen een hand gaf, ja nog vroeger: als je hem
+bij 't binnenkomen zag.</p>
+
+<p>Kinderen voelen je. Ze voelen je echtheid. Ze voelen je genegenheid. Ze
+voelen, of je hand ze verwelkomt of dat het evengoed een handschoen had
+kunnen zijn.</p>
+
+<p>Welnu, behalve mijn schoon gewasschen en stijf<span class="pagenum" title="170"></span><a id="p_170"></a> gestreken zondagspakje,
+was ook meneer Beekman een stuk bekoorlijkheid van de kinderkerk. En
+daaruit kan nu iedere onderwijzer en iedere zondagsschoolmeneer en
+iedere dominé zien, hoeveel er van hem afhangt, van hem persoonlijk. Het
+mooiste gebouw en de geriefelijkste lokaliteit kunnen weerzinwekkend
+worden, door een mensch. En zoo'n armelijke, ouderwetsche
+bewaarschoolschaapskooi kan door één man zoo aantrekkelijk worden, dat
+een vrijheidlievend, speel- en zwerfgraag stuk straatjongen er week aan
+week zijn kostelijken zondagmorgen wil doorbrengen, terwijl buiten alles
+lokt en bloeit.</p>
+
+<p>Eén mensch. En nog wel een onbestudeerd mensch. Een koekbakker.
+Maar&mdash;een kindervriend!</p>
+
+<p>Dat was het heele geheim. De man kwam daar niet, om zichzelf te hooren
+preeken, maar omdat hij de kinderen zoo lief had. In die liefde zat zijn
+beste preek.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>En of ik nu nog iets weet van zijn eigenlijke preeken?</p>
+
+<p>Niets.</p>
+
+<p>Dus daaruit blijkt, dat hij die net zoo goed had kunnen nalaten?</p>
+
+<p>Dat durf ik nog niet zoo aanstonds te zeggen.</p>
+
+<p>Op een weiland staan millioenen grasjes en als je die stuk voor stuk
+vroeg naar wat ze zich nog herinneren van alle regenbuitjes in 't vroege
+voorjaar, zouden ze daarvan niets meer weten te vertellen. En toch is al
+dat water niet langs hun gladde lijfjes nutteloos weggevloeid. Ze zijn
+er van gegroeid. Ze herinneren<span class="pagenum" title="171"></span><a id="p_171"></a> zich niets meer, maar niettemin is het
+vergetene in ze. 't Is een deel van hun leven geworden. Is dat niet de
+beste herinnering?</p>
+
+<p>Wat weet ge, aan feiten, nog van de dagelijksche moederzorg, waaronder
+ge groot zijt geworden? Wat weet ge van al de ernstige woorden, door
+ouders en meesters tot u gesproken? We zeggen het zoo licht, dat al die
+woorden langs ons weggedropen zijn. Maar ik heb een vermoeden, dat ze
+ons toch hebben gedrenkt.</p>
+
+<p>Ga ik mijn jeugd na, dan herinner ik me alleen de bizondere voorvallen,
+maar van de gewone, dagelijksche invloeden heb ik alleen een stemming
+bewaard. En nu zou ik uit de stemming, die aan de kinderkerk verbonden
+is gebleven, een heel stuk opvoedende kracht durven afleiden. Zooals een
+kenner der oudheid uit enkele brokstukken marmer een geheelen Griekschen
+tempel reconstrueert, zou ik een heelen zondagmorgen kunnen schetsen.
+Daar was dan geen enkel geconstateerd feit in, en toch zou de heele
+schets waarheid kunnen zijn.</p>
+
+<p>Uit het geheugen geraakte invloeden zijn daarom niet verloren. Ze zijn
+omgezet in geestelijke kracht. Nog eens, is dat niet de beste
+herinnering?</p>
+
+<p>Hoezeer ik reden heb, gunstig over het gepreek te denken, blijkt wel uit
+het feit, dat ik thuis in allen ernst kerkje speelde. Dan zette ik twee
+stoelen met de ruggen naar elkaar. Dat was de preekstoel. Op de beide
+randen der rugleuningen legde ik den Bijbel. Liggende met de knieën op
+den eenen stoelmat, las ik uit den Bijbel voor en liet de gemeente
+opgegeven<span class="pagenum" title="172"></span><a id="p_172"></a> psalmen en gezangen zingen. De gemeente bestond uit Vader,
+Moeder, zus Christine en wellicht nog een paar anderen. Allen hielden
+zich ernstig. Dat weet ik nog heel goed, want het minste blijk, dat men
+er, mij ten gerieve, een spelletje van maakte, zou me diep gekrenkt
+hebben en driftig hebben doen wegloopen. De kerkgangers hielden zich
+voortreffelijk.</p>
+
+<p>Maar meent ge, dat ik ooit lust had het schoolleven in de huiskamer te
+halen? Dat lag onder den ban van een killen haat. Hoe minder ik er aan
+dacht, hoe beter. De school bestond thuis niet voor me. Echter wel de
+kinderkerk. En langen tijd heette het zelfs, dat ik maar dominé moest
+worden. Nu zat er wat predikantenbloed in de familie, waar Grootvader en
+twee ooms dominé waren. Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Die zat bij
+den koekbakker. Deze beminnelijke christen wist zijn liefdewerk in mijn
+kinderoogen zoo bekoorlijk te maken, alsof hij een tramconducteur of
+koetsier was geweest. En dat wil heusch wat zeggen, want gelijk ieder
+weet, wil iedere jongen graag conducteur of koetsier worden. Welnu,
+meneer Beekman maakte zijn kinderkerk aantrekkelijk.... als een omnibus.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Nog een wonderbare tegenstelling met de school ligt me in 't geheugen.
+Ik weet niet, dat ik ooit voor de school lessen leerde. Voor de
+zondagsschool leerde ik mijn teksten en psalmversjes graag. Nog zie ik
+die<span class="pagenum" title="173"></span><a id="p_173"></a> kleine bonnetjes, net etiketpapiertjes, waarop aan de eene zijde
+een tekst en aan de andere een vers gedrukt was. We kregen er elke week
+een mee en ik beijverde me steeds, die &bdquo;les&rdquo; goed en gauw in 't hoofd te
+werken. Aan wien was dat anders te danken dan aan den koekbakker?</p>
+
+<p>In mijn tooneelstukje &bdquo;Tóch Timmerhout&rdquo; komt een ondeugende jongen voor.
+De schoolmeester weet hem niet te pakken, wil hem zelfs van school
+jagen. Maar een oude timmermansknecht grijpt den bengel in 't hart en
+redt hem. Men heeft me wel eens verweten, dat ik zoo de rollen had
+omgekeerd en een timmermansknecht tot paedagoog gemaakt. Maar als het
+leven mij dat nu eens aan de hand had gedaan? Als in dat tooneelstukje
+nu eens een stuk levenservaring stak? De maatschappelijke werkkring
+klopt niet altijd met den aanleg. Daar was een koekbakker, die ons
+opvoedde. En hoe menige opvoeder moest maar liever koek gaan bakken?</p>
+
+<p>Er zijn menschen geneigd te zeggen: Het was de kracht van Gods Woord,
+het was de werking van Zijn Heiligen Geest, die je de teksten en
+psalmverzen zoo graag en grif deed leeren. En dan knoopen ze hieraan een
+heele beschouwing vast, alsof er in die Bijbelwoorden een zekere geheime
+tooverkracht stak. Maar ze vernederen derwijze de zieleuitingen van een
+vroom gemoed tot amuletten, maken van den Bijbel een soort magisch boek.
+Neen, het was niet de mystieke kracht van die Bijbelwoorden. En het was
+toch die kracht. Maar het was die kracht, levende,<span class="pagenum" title="174"></span><a id="p_174"></a> werkende in het
+nietige persoontje van onzen christelijken christen.</p>
+
+<p>Ik weet van een schoolcatechisatie ('t was niet bij mij), waar de
+kinderen ook teksten en psalmverzen moesten leeren, maar waar die
+heilige woorden absoluut geen kracht hadden. De jongens bedankten hun
+leermeester wel lekker, om zich wat moeite te geven en maakten van hun
+papiertjes, &bdquo;vrome&rdquo; papiertjes, propjes, waarmee ze mekaar beschoten en
+het lokaal ontsierden. Eens bij zulk een les maakten de bengels het zoo
+bont, dat de arme catechiseermeester in radeloosheid uitriep: &bdquo;Jelui
+bent van den duivel bezeten. Die heerscht hier in het lokaal. Maar
+straks zal de Heere Jezus zelf komen, om jelui af te straffen.&rdquo;</p>
+
+<p>De deur ging open, en binnentrad: de bovenmeester, een volslagen
+atheïst, die van den heelen godsdienst niets weten wou. Aanstonds waren
+de bengels op hun plaats en zaten doodstil.</p>
+
+<p>Zijn tegenwoordigheid was genoeg, om alle duivelskunsten te bezweren.</p>
+
+<p>Maar nu is de vraag: Wie was de duivel, die in het lokaal heerschte? Was
+dat niet de officiëele vertegenwoordiger van den godsdienst met een heel
+pak tekstpapiertjes? Al die machtvolle woorden werden satansmiddelen. En
+wie wist hier, als Christus op de wateren, den storm te bezweren? Dat
+was de totaal ongeloovige vertegenwoordiger van de driewerf verfoeide
+openbare school.</p>
+
+<p>Wie meent dat de teksten zullen ordehouden en <span class="pagenum" title="175"></span><a id="p_175"></a>opvoeden, heeft het glad
+mis. En toch doen die teksten het, maar niet die bloote woorden. Neen,
+hun inhoud, hun geest, moet realiteit zijn geworden in hart en leven van
+den opvoeder. Waar dit het geval is, daar is de ware &bdquo;School met den
+Bijbel&rdquo;. En waar dit niet zoo is, daar heb je een heidensche school, ook
+al liggen de kasten vol bijbels en leeren de kinderen heel het nieuwe
+Testament uit het hoofd.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Nu zal deze of gene zeggen: &bdquo;Ah, daar heb je Jan Ligthart. Nu komt de
+aap uit de mouw. Hij wil niet, dat de kinderen Gods heilig Woord lezen
+en leeren, en om dat te bestrijden, gebruikt hij zijn
+Jeugdherinneringen.&rdquo; Maar ge hebt het mis, lieve vrienden, hee&mdash;le&mdash;maal
+mis.</p>
+
+<p>Ik ben wat blij en dankbaar, dat ik als kind zooveel teksten, psalmen en
+gezangen geleerd heb en niet alleen wil ik tot mijn collega's van de
+christelijke school zeggen: Ga voort op dien weg, maar zelfs zou ik als
+openbaar onderwijzer graag hun voorbeeld volgen. Er zijn heel wat
+woorden en liederen in Bijbel en psalmboek, die voor allen een
+levenvormende kracht bezitten. En al zouden een zeker soort
+Bijbelgeloovigen smalend zeggen: &bdquo;Je moet den heelen Bijbel nemen,
+anders is het niet het echte,&rdquo; ik meen te mogen aannemen, dat ook zij
+uit dien heelen Bijbel een keuze doen en hun kinderen maar niet alles
+doen memoriseeren.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="176"></span><a id="p_176"></a></p>
+
+<p>Blij en dankbaar. Dat ben ik inderdaad. Hoe vaak hebben mij die woorden
+in uren van eenzaamheid en strijd verkwikt en gesterkt.</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+ <span class="i0">Zalig hij, die in dit leven<br /></span>
+ <span class="i0">Jacobs God ter hulpe heeft,<br /></span>
+ <span class="i0">Hij die, door den nood gedreven,<br /></span>
+ <span class="i0">Zich tot Hem om troost begeeft,<br /></span>
+ <span class="i0">Die zijn hoop in 't hachlijkst lot<br /></span>
+ <span class="i0">Vestigt op den Heer zijn God.<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p>Dit vers had ik maar in mijn eentje op te zeggen, regel na regel mij
+bewust makende, en de nood werd zegen. Hoe goed is het, wanneer in
+moeilijke tijden zulke woorden in ons gereed liggen en dan vanzelf
+opborrelen als water in de bron, het dorstend gemoed lavend. Natuurlijk
+konden die woorden dat nooit doen, als ze niet <i>levenswoorden</i> waren,
+dragers van zielservaringen, en als ze niet door hun innig menschelijken
+toon onze eigen gemoedsbewegingen deden meetrillen.</p>
+
+<p>En dan dat andere:</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+ <span class="i0">Leer mij, Vader, U verbeiden,<br /></span>
+ <span class="i0">Volgen waar Gij ons wilt leiden,<br /></span>
+ <span class="i0">Steunen op uw trouw en macht,<br /></span>
+ <span class="i0">Psalmen zingen in den nacht,<br /></span>
+ <span class="i0">Hooren wat Gij ons wilt leeren,<br /></span>
+ <span class="i0">Uw bevel met daden eeren,<br /></span>
+ <span class="i0">En voor de uitkomst willig blind,<br /></span>
+ <span class="i0">Stil zijn als 't gespeende kind.<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="177"></span><a id="p_177"></a></p>
+
+<p>Dat &bdquo;psalmen zingen in den nacht&rdquo;, dat juichen in de duisternis, dat
+jubelen in de ellende&mdash;het is de heerlijkste vrucht van het geloof. Een
+geloovige is wel de grootste egoïst: Hij wil zelfs zalig zijn in de
+rampzaligheid. Hij wil den vrede des harten, neen de blijdschap des
+harten genieten, ook als alles hem ontzinkt, alles&mdash;behalve het eene
+noodige: het volle vertrouwen in Gods Vaderliefde. &bdquo;Met mijn God spring
+ik over een muur,&rdquo; roept de psalmdichter uit. Zonder zijn God is hij
+niets.</p>
+
+<p>Kent ge een mooier uiting van vertrouwenvolle gehoorzaamheid dan die
+twee woorden &bdquo;willig blind&rdquo;? Onlangs sprak ik een man van veel
+smartelijke levenservaring. Hij was wat de menschen een ongeloovige
+noemen. En toen hij zoo een en ander uit zijn leven verhaald had, zei
+hij: &bdquo;Weet je, wat ik vooral geleerd heb? Dat we ons leven niet naar
+onzen zin hebben te maken. Dat we hebben te vragen, wat God van ons wil.
+En dan maar gehoorzaamd, willig blind voor de uitkomst.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik verstond hem. Die twee woorden &bdquo;willig blind&rdquo; vonden weerklank in
+mijn eigen ervaringen. 't Is niet de blindheid der dwaasheid, maar de
+blindheid der wijsheid. Wat de uitkomst moge zijn, we vragen er niet
+naar, mits we zeker zijn van onze richting. En die zekerheid verwerven
+we, als we&mdash;zoo moet het&mdash;Zijn bevel met <i>daden</i> eeren. Woordeneer wordt
+er genoeg gebracht, veel te veel. Maar <i>hooren</i>, wat Hij ons wil leeren,
+en dan: Zijn bevel met <i>daden</i> eeren, alleen luisteren en doen, in
+plaats van praten en stilzitten&mdash;dat <span class="pagenum" title="178"></span><a id="p_178"></a>is de eisch. De verzuchting van
+dit waarlijk vrome lied heeft menig hart gesterkt. Zou ik niet dankbaar
+zijn, dat ook ik het voor mijn zondagsschool-meneer had mogen leeren?
+Voor mijn zondagsschool-meneer, maar dat was eigenlijk: voor mezelf en
+niet slechts voor mijn kinderjaren, doch voor mijn gansche leven.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Hoe kwam het, dat ik op zekeren Zondag de kinderkerk verwisselde met de
+groote kerk? Ik weet het niet, maar het was een proef, waarvoor ik
+bezweek.</p>
+
+<p>De groote kerk was ongeveer twintig minuten van mijn huis. Die afstand
+was te groot. Onderweg waren er te veel verleidingen. We verkochten onze
+kerkcenten voor snoepgoed, liepen de hooge stoepen op en af en telden de
+brievenbussen. Dit was een wedstrijd. Mijn broer en ik, soms een zusje
+er bij, speelden, wie de meeste brievenbussen zag in de deuren der
+huizen. Dan holde de een den ander voorbij, om het eerst een bus te
+ontdekken. De vlugste won het natuurlijk, want die kaapte al de bussen
+voor de anderen weg.</p>
+
+<p>Op die manier moesten we, steeds op een drafje loopend, wel tijdig in de
+kerk zijn. Maar het tegendeel was waar. Toen we eenmaal ervaren hadden,
+dat het in de kerk erg vervelend was, zorgden we altijd te laat te
+komen. Dan zwierven we langs de mooie Heeren- en Keizersgrachten en
+dronken daar, onbewust, de schoonheid in van de vorstelijke
+koopmanshuizen, <span class="pagenum" title="179"></span><a id="p_179"></a>het stille water, de gewelfde steenen bruggen, de oude
+iepen. Die herinner ik me nog alle. Zondagsmorgens kon het daar zoo
+vredig zijn. Vooral onder kerktijd liepen er maar weinig menschen.
+Gereden werd er haast niet. Een enkele platte zolderschuit lag ledig
+tegen den wal. Het water weerspiegelde huizen en boomen en bruggen en
+den hoogen witbewolkten hemel. Alles ademde vrede. Het was er beter dan
+in de kerk. En dat dacht ik niet alleen toen, maar ik geloof het nu nog.
+Kinderen behooren niet in de groote kerk, net zoo min als in de
+societeit.</p>
+
+<p>De enkele malen, dat mijn vader meeging, moesten we natuurlijk wel de
+heele preek bijwonen. Dan luisterden we echter niet. Ik zag den dominé
+zijn gebaren af, om die thuis te kunnen navolgen, en hoorde hoe hij de
+psalmverzen afkondigde: &bdquo;De gemeente gelieve te zingen van.... Ik
+herzeg....&rdquo; Die deftige woorden en vooral de toon waarop ze werden
+uitgesproken, hadden een zekere bekoring. Thuis bij mijn eigen preeken
+zei ik ze plechtig na. Meer bracht ik uit de kerk niet mee. Toch zat ik
+me niet geheel te vervelen. Er hingen aan lange pijpen gaskronen, en nu
+klauterde ik in mijn verbeelding aanhoudend het heele gebouw rond. Ik
+klom in een hoogen pilaar, greep een daar langs geleide gaspijp, kromde
+er mijn vingers om, enterde langs de zoldering, liet me langs een andere
+gaspijp weer zakken, bezocht den preekstoel, het orgel. Het waren
+gevaarlijke reizen, maar mijn verbeelding stond voor niets. Was het
+noodig, dan maakte ik een luchtsprong en kwam immer op<span class="pagenum" title="180"></span><a id="p_180"></a> het gewenschte
+punt terecht. Geen rand zoo smal, of ik kon er langs. Soms speelde ik op
+die manier krijgertje. Een makker liep en sprong en klom me na. Hij zat
+me dicht op de hielen. Dat gaf een spanning. Maar ik waagde alles, om
+aan zijn greep te ontkomen, gleed langs de orgelpijpen, kroop door open
+vensters.. heerlijk!</p>
+
+<p>Wat moest een kind toch beginnen zonder verbeelding. Het zou zijn
+godsdienstige opvoeding, &bdquo;onder het geklank van Gods heilig Woord&rdquo;,
+eenvoudig niet kunnen verdragen. Maar gelukkig heeft Onze lieve Heer het
+arme schaap de toovermacht der fantasie geschonken, om zich over de
+dwaasheden der volwassenen te kunnen heen leven. En zoo kan het de
+ellenden doorstaan, die ouders en meesters hem tot zijn heil opleggen.
+Eén ellende heeft me echter <i>te</i> zeer gedrukt en dat kwam, omdat mijn
+fantasie haar verergerde. Men moet mij verteld hebben van de hel. Maar
+wie? Dat kan toch onmogelijk meneer Beekman geweest zijn. Maar wie dan?
+Zijn medewerker? Of zou hij het toch geweest zijn, meenende dat een kind
+niet tot God kon worden gebracht dan door het hellevuur?</p>
+
+<p>Vreeselijk heb ik daaronder geleden. Dat ik dag aan dag zondigde, wist
+ik maar al te goed, en hieromtrent zal de lezer ook wel niet in 't
+onzekere zijn. Ik moest dus, ik móést&mdash;neen, niet verbrand worden, maar
+eeuwig branden. Eeuwig. Stel u dat eens voor. Nooit een einde aan die
+folterende pijn&mdash;nooit, nooit. Die gedachte was al een hellesmart.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="181"></span><a id="p_181"></a></p>
+
+<p>O die vreeselijke gewisheid van het onontkoombare. Kon ik maar terug
+naar het niet-geboren-zijn. Maar dat was onmogelijk. Ik leefde eenmaal,
+dat was niet meer ongedaan te maken. En sterven baatte niet. De dood was
+de overgang tot eindelooze marteling van nooit verterende vlammen.</p>
+
+<p>Ik weet zeer positief, dat ik toen de planten en de dieren benijdde, dat
+ik er de boomen en de koeien jaloersch op aankeek, dat ze geen
+onsterfelijke ziel hadden. Ik weet, dat soms, plotseling, midden in mijn
+spel, de angst der hel me aangreep, als een vergif dat begon te werken.
+Maar ik weet ook, dat die angst mij nooit van het kwade heeft
+afgehouden. Ze bedierf veel, en maakte niets goed.</p>
+
+<p>Zou de godsdienstige opvoeding, of wat men zoo noemt, geen afstand
+kunnen doen van dit onchristelijk kindergemartel?</p>
+
+<p>Meneer Beekman heeft ons iets beters geleerd. Hij zei&mdash;en ook dit weet
+ik nog zeer positief&mdash;dat we elken avond, na ons gebedje, nog moesten
+zeggen: &bdquo;Heere, schenk mij Uwen heiligen Geest. Amen.&rdquo; Anders niet dan
+die paar woorden.</p>
+
+<p>Dat heb ik trouw gedaan, jaren achtereen. Of het geholpen heeft?</p>
+
+<p>Alleen weet ik, dat vaak, wanneer de verzoekingen van buiten, maar
+vooral wanneer de lage neigingen van binnen het mij, volwassene, al te
+benauwd maakten, de verzuchting in mij oprees: &bdquo;<i>Uw</i> heilige Geest, o
+Heer!&rdquo;</p>
+
+<p>En die verzuchting&mdash;was mij een verhooring.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="182"></span><a id="p_182"></a></p>
+
+<h2><a id="VERANDERING"></a>VERANDERING.</h2>
+
+<p>Door verlies tot winst. Hoe vaak heb ik dat in mijn leven ervaren. En
+toch, telken keer als ik weer iets verlies, kijk ik zoo zeer het
+verlorene na, dat ik verzuim het nieuw gewonnene op te merken. Een
+mensch is toch zoo hardleersch, al heet die mensch een paedagoog.</p>
+
+<p>Het ging immer slechter met den kruidenierswinkel. Crediet was er niet
+meer. Geen grossier wilde zonder contante betaling leveren. Zoo was mijn
+vader genoodzaakt zijn inslagen te doen bij kleine hoeveelheden, waarmee
+hij natuurlijk een winst van eenige beteekenis dierf. Het was een dag
+aan dag tobben en worstelen om staande te blijven. Wij, jongens, moesten
+b.v. vijf pond suiker of koffie koopen in een grooten winkel, ver uit de
+buurt en liefst 's avonds opdat men 't niet zien zou, en dan werden die
+weer bij onsjes en halfonsjes verkocht. De winkelklanten zakten, bij het
+kariger en minder worden der waren, steeds meer in aantal en gehalte.
+Alleen de ver weg wonende uitbrengklanten bleven trouw, uit onkunde. De
+winkel was als een innerlijk verzwakt rijk, dat nog alleen teerde op de
+inkomsten der verwijderde wingewesten. Zij, daar in de verte, zagen
+niets van de<span class="pagenum" title="183"></span><a id="p_183"></a> toenemende verarming, leefden in ongeschokt vertrouwen op
+den ouden naam bij den angstvallig bewaarden schijn.</p>
+
+<p>Een achteruitgaande zaak is als een door ziekte beslopen mensch. De
+eertijds gezonde en krachtige wil 't niet weten. Hij houdt zich goed
+tegenover anderen, maar meest tegenover zichzelf. Hij sluit zijn oogen
+voor de waarschuwende verschijnselen. Hij forceert zijn krachten.
+Vergeefs. De ziektekiemen vermenigvuldigen, verspreiden zich, en
+strijdensmoede, verwonnen, moet de worstelende zich toch eindelijk
+overgeven.</p>
+
+<p>Wilde men 't maar tijdig inzien en erkennen. Dan werd er niet zooveel
+goed geld naar kwaad geld gesmeten, gelijk ons handelsvolk het typisch
+zegt. Maar wij veinzen de ongunstige teekenen weg. Wij struisvogelen. En
+eerst wanneer alle geld, alle kracht verbruikt is, dan laten we ons op
+genade of ongenade los. Als we niet meer kunnen, dan pas zinken we
+ineen. Dat is zoo menschelijk. En daarom is 't ook zoo kinderlijk. En
+niet alleen op geldelijk en lichamelijk gebied. Evenzeer openbaart zich
+die zwakheid op moreel gebied, en daar te gevaarlijker, omdat moreele
+achteruitgang niet door meten en wegen wordt geconstateerd. Minder geld
+in de winkellade is een feit. Wie er zijn oogen voor sluit, voelt het
+toch in zijn hand. Minder lichamelijke weerstand evenzeer. Maar
+zedelijke verslapping ontgaat ons zoo licht, omdat ze meestal gepaard
+gaat met de bevrediging van allerlei neigingen. Al genietende gaan we
+ten<span class="pagenum" title="184"></span><a id="p_184"></a> gronde. De geldgierige ziet met zooveel genot zijn geld
+vermeerderen, dat hij de vermindering van zijn barmhartigheid niet
+opmerkt. De zinnelijke zweeft van de eene bedwelming in de andere. Eerst
+wanneer al onze moreele kracht verwaarloosd is, en we hiervan de
+ellendige gevolgen gaan ondervinden, geven we ons zedelijk failliet, om
+pas daarna aan onze rehabilisatie te werken, of&mdash;te bezwijken.</p>
+
+<p>De winkel ging over in andere handen en wij verhuisden. Doch eer we nu
+voor goed afscheid nemen van deze buurt en ervaren, hoe de
+verslechtering op verbetering uitliep, willen we nog een paar figuren
+gedenken, die voor mij onafscheidelijk aan dit wereldje gebonden zijn.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>En dan komt allereerst aan de beurt ons perehietvrouwtje.</p>
+
+<p>In 't najaar, als 't koud en mistig was bij donker weer en killen
+motregen, zat 's avonds een oud vrouwtje, in een dikken doek gewikkeld,
+de armen goed verstopt, achter een ijzeren pot met houten deksel, die
+boven een vuurtje stond te warmen. Het vrouwtje zat op een hoogen stoel,
+altijd een stoof onder de voeten. Een gebogen figuurtje, rond oud
+hoofdje boven een wat gekromden rug, met bijna geen hals. En dan riep ze
+nu en dan met hooge stem: &bdquo;Warme, lekkere pere-hie-ie-iet!&rdquo; Dat
+&bdquo;hie-ie-iet!&rdquo; steeg hoe langer hoe meer in de hoogte en werd aan 't eind
+in<span class="pagenum" title="185"></span><a id="p_185"></a> de scherpe <i>t</i> plotseling afgesneden, nadat het eerst op de <i>ie</i> een
+poos zingend gezweefd had.</p>
+
+<p>Het vrouwtje zat altijd op haar vaste plaatsje, in de
+<ins class="corr" id="corr12" title="Bron: Eglantierstraat">Eglantiersstraat</ins>, vóór een smalle gang, waardoor
+ze, uit het achtergelegen woninkje, met haar zaakje naar de straat was
+gesukkeld. Ze sjouwde waggelend stooktafeltje, vuurtest, ijzeren pot,
+stoel, en stoof een voor een naar voren, zette daar het zaakje in
+elkaar, en ten slotte als laatste stukje meubilair zichzelf er bij. Met
+haar stoel en tafeltje en dampenden ijzeren pot vormde ze, even
+onbewegelijk als de andere onderdeelen, één aaneengesloten groepje.</p>
+
+<p>Nu en dan kwam er verandering in haar houding. 't Was vooreerst als ze
+haar &bdquo;warme, lekkere perehiet!&rdquo; aanprees. Dan rees de gestalte een
+weinigje omhoog, als bij een haan die begint te kraaien ging het hoofd
+een ietsje naar boven, en kwamen de zingende klanken uit de oude keel.
+Maar de beweging was vooral niet ruimer dan de longen voor den
+zingschreeuw noodig hadden, en nauwelijks was haar perehiet de lucht in
+gekraaid, of hoofd en lijfje zakten weer ineen, bang dat de kou komen
+mocht in de ruimten van het even uitgeplooide figuurtje, en daar zat ze
+weer, gebogen achter haar standje.</p>
+
+<p>De tweede gelegenheid dat ze zich een beetje uiteenwikkelde was de
+verschijning van een kooper, steeds een man of een jongen. Ik heb nooit
+een vrouwelijk wezen aan haar tafeltje gezien. De kooper legde zijn cent
+neer. Dan tilde zij met den mageren rechterarm&mdash;de linker bleef onder
+den doek&mdash;het<span class="pagenum" title="186"></span><a id="p_186"></a> houten deksel op, zette dit schuin ter zij, nam de stalen
+vork, prikte in het dampende water, haalde een peer naar boven en reikte
+dien den kooper toe, die een heelen toer had om te genieten van den
+heeten peer zonder zich te branden. Gewoonlijk pakte hij den peer bij
+den steel beet en liet hem meteen op de linkerhand liggen om te
+verhoeden dat hij weer in 't water viel. Maar, al was 't mistig koud,
+voor die linkerhand was de peer toch wel wat heet, en dadelijk begon de
+kooper dan maar te eten. Zoo warm in den mond en in de maag, dat deed
+hem goed. Nog een peertje, want je kreeg er twee voor een cent, en het
+deksel ging weer op den pot, de cent in een kommetje, de rechterarm
+onder den doek, en daar zat het vrouwtje weer: &bdquo;Warme, lekkere
+pere-hie-ie-iet!&rdquo; Een mooi, zacht verlicht groepje tegen den achtergrond
+van de donkere gang.</p>
+
+<p>Meermalen heb ik ook zelf een cent of een halve cent bij haar genoten,
+en nog voel ik den strijd van de drieledige keus: den heeten peer in de
+hand houden, in den mond, of in de maag. 't Was alles al even erg,
+en&mdash;even heerlijk. Zoo'n weldadige hitte in den kilnatten avond.</p>
+
+<p>Vies? Dat armoedige vrouwtje, het troebele water, het vuile vorkje, dat
+op het tafeltje lag in stof en nattigheid? Vies? Daar dachten we nooit
+aan. Vieze varkens worden niet vet. En als dat zoo ongezond was, zou dat
+vrouwtje toch ook niet zoo oud zijn geworden. En al die mannen dan, die
+ook even in 't voorbijgaan een warme verkwikking genoten? Ze waren voor
+hun<span class="pagenum" title="187"></span><a id="p_187"></a> cent beter af bij 't perehietvrouwtje, dan een eindje verder voor
+hun vier centen bij &bdquo;De Bisschop&rdquo;, waar ze jenever kregen uit een vaatje
+met blinkend koperen banden in een kristalhelder glaasje, ook warm in
+den mond en in de maag, maar een pest voor 't lichaam en voor 't
+huisgezin. Het perehietvrouwtje vormde in haar sjofele verschijning een
+armoedige en ook onzindelijke figuur tegenover die nette herberg. En
+toch? Het was den mannen beter op de modderige straat bij haar donker
+stalletje dan op den zoo keurig met wit zand bestrooiden vloer bij de
+geregeld gereinigde toonbank.</p>
+
+<p>Maar wat dreef ons, jongens, nu, om dat vrouwtje na te galmen?
+Nauwelijks hoorden we, dwalend door de straat, de sympathieke stem
+roepen van</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza2">
+ <span class="i0">Warme, lekkere perehiet-ie-iet,<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p class="noi">of wij rijmden en riepen in denzelfden toon:</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza2">
+ <span class="i0">Ik lust ze wel, maar ik krijg ze nie-ie-iet.<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p>En geregeld werd haar geroep, nu uit deze dan uit gene richting, door
+die echo gevolgd. Soms zelfs kwamen ze uit verschillende richtingen te
+gelijk.</p>
+
+<p>Waarom deden we dat toch?</p>
+
+<p>Om 't vrouwtje te plagen?</p>
+
+<p>Absoluut niet. We voelden voor haar met zekere teerheid. Ze schold
+nooit, dreigde nooit, zat als een oud muschje maar stil inééngedoken,
+deed niemand kwaad. We misten haar als ze er niet was. We genoten,
+onbewust, van haar aanwezigheid. Niet alleen<span class="pagenum" title="188"></span><a id="p_188"></a> van haar heete peertjes,
+maar ook van haar verkwikkende verschijning, zooals we van een mooie
+plaat of een gezellig boekenrekje in de huiskamer genieten. Ze gaf toon
+en stemming, koesterend en rustgevend, aan onze straatatmosfeer. Waarom
+schreeuwden wij haar dan na?</p>
+
+<p>Ja, waarom?</p>
+
+<p>Omdat we 't niet laten konden, zoo min als de ruiten 't laten konden het
+vlammetje van de straatlantaarns te weerkaatsen. We bedoelden er
+heelemaal geen kwaad mee, heelemààl niet. We zouden 't vrouwtje
+beschermd hebben tegenover ieder die haar overlast wilde aandoen. Maar
+dat gekraai van ons hoorde er nu eenmaal bij. De hanen in de buurt gaan
+immers ook alle aan 't kraaien, als er een begint? Die eene stem wekt
+alle hanekelen in den omtrek; ze prikkelend met de hemel weet wat. En
+zoo ging het ook hier. Droomerig, de handen in den zak, slenterden we
+door de straten, en schreeuwden onze nagalmen het
+<ins class="corr" id="corr13" title="Bron: schermerduister">schemerduister</ins> in.</p>
+
+<p>De groote menschen denken daar wel eens anders over, vooral zij die op
+jongensondeugendheden moeten letten, zooals politieagenten en
+onderwijzers. Die zien er boos opzet in. Maar ze zien verkeerd.
+Natuurlijk <i>kan</i> zich in dat naschreeuwen moedwillige plagerij uiten,
+maar die booze geest kan ieder middel, ook het onschuldigste, gebruiken
+om zijn leelijken lust te bevredigen. Doch het echo-en op zichzelf
+is&mdash;ik wil ook wel eens een geleerden term gebruiken&mdash;zuivere
+reflexbeweging. En daar mogen we wel aan<span class="pagenum" title="189"></span><a id="p_189"></a> denken. Het stemt ons
+vergevingsgezind ten gunste van de jongens&mdash;en ten bate van onze eigen
+gemoedsrust.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Een tweede figuur was de houthakker.</p>
+
+<p>Wat was het toen toch een leuke tijd. De menschen werkten nog zoo
+schilderachtig aan de straat. Mijn vader moest daar geregeld eens in de
+veertien dagen koffiebranden. Men weet natuurlijk wat dat is. Hij
+ontving de koffieboonen rauw, een paar zakken vol van die geelwitte
+boontjes, en dan werd er op bepaalde tijden een hoeveelheid gebrand,
+niet te veel te gelijk, omdat ze anders hun geur verloren, en die werden
+in den winkel verkocht, al of niet gemalen. Dat malen geschiedde ook al
+bij kleine portie's en liefst in tegenwoordigheid van de koopster,
+zoodat het kostelijke aroma niet vervluchtigen kon in den winkel, maar
+telken keer bij het zetten de kameratmosfeer der koopsters kon
+vervullen.</p>
+
+<p>Koffiebranden. Op de straat, bij den waterkant, werd de vuurhaard
+gelegd, daarboven de liggende, cilindervormige, zwarte, ijzeren trommel
+aan het spit gehangen, de trommel gevuld met rauwe boonen, het vuur
+aangemaakt, een vuur van talhouten, en dan maar draaien. De liggende
+cilinder draaide om zijn as, de boontjes rolden mee, en die werden onder
+de hand door de warmte geroosterd. Dat draaien was een werkje voor den
+winkelknecht of voor ons. Soms werd het een oogenblik gestaakt, als
+Vader onderzoeken<span class="pagenum" title="190"></span><a id="p_190"></a> moest, of de boonen al gaar gebrand waren. Dan schoof
+hij met een ijzeren lepel een schuifje van den trommel open en schepte
+wat donkerbruine boontjes naar boven. Wij stonden er met den neus bij,
+genoten van den opwekkenden geur, en luisterden naar het eigenaardig
+knetteren en spatten daar binnen in die donkere ruimte. Wat was dat
+alles heerlijk: het vuurtje stoken, het draaien, het gewichtig onderzoek
+van je Vader, het ruiken, het hooren. En dan, als 't koud was, zoo'n
+paar arme jongens er bij, zich koesterend aan de vlammen, soms zelfs een
+paar volwassenen. O, wat weet ik alles nog goed. Toch zonder meester
+geleerd, zonder school. Het leven was de school, de ervaring de
+meesteres.</p>
+
+<p>Zooals mijn vader recht had op dat plekje straat voor zijn
+koffiebranderij, beschikte een eind verder de houthakker over een stukje
+grond aan den waterkant voor zijn hakkerij. Hij woonde in een kelder,
+sjouwde zijn hakblok naar buiten, dan zijn hout en zijn bijl, en hakte.
+Maar 't was een onvriendelijke man. Dat hij klein en dik was, kon hij
+niet helpen, ook niet, dat hij dientengevolge bij zijn werk erg zuchtte
+en zweette, maar dat hij ons uitschold en wegjoeg, als we zoo
+gemoedelijk aanzagen, hoe het scherp van zijn bijl het hout kloofde, dat
+kon er niet mee door. En dat wegjagen kwam, omdat wij hem nazuchtten.</p>
+
+<p>Zie je, in dien houthakker stak geen kindervriend en geen paedagoog,
+zooals in het perehiet-vrouwtje. Het sprak toch vanzelf, als wij met hem
+<i>meeleefden</i>, als wij de bijl zagen rijzen, ver boven zijn hoofd,<span class="pagenum" title="191"></span><a id="p_191"></a> zagen
+neerschieten in het hout, als wij met ons volle hart die bewegingen
+meemaakten, dat wij dan ook zuchtten. Dat snapte die man niet. Zijn
+wantrouwende ziel zag plagerij in wat.... sympathie was. En zoo máákte
+hij ons meegevoel tot plaagzucht, want nu konden we hem niet over de
+straat zien waggelen, of we haalden al de lucht tot uit onze teenen toe,
+en zuchtten hem die uit de verte al tegen.</p>
+
+<p>Nu op een afstand gezien, was hij zoo'n mooie figuur in de buurt. Zonder
+hem was die gracht daar zoo leeg. Zijn verschijning bracht teekening in
+het brokje leven. Waarom moest nu die man zoo'n brombeer zijn. Had hij
+vriendschap met ons gesloten, hij zou eens ervaren hebben, wat
+jóngenshulp beteekent. We zouden stellig, uit eerbiedvol medelijden met
+zijn dikte en diepe zuchten, heel wat voor hem gesjouwd hebben. Maar
+nu&mdash;hij maakte vrienden tot vijanden. Hij verstond het jongenshart niet.
+En zijn eenige paedagogische waarde is, dat ik nu, jaren later, zijn
+waarschuwend voorbeeld aan mijzelf en anderen kan voorhouden met den
+raad: Spiegelen we ons er aan!</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Nu volgt onze lieve Mietje de Porster.</p>
+
+<p>Wat hebben die vrouwen toch, dat we haar zoo gauw lief vinden.</p>
+
+<p>Zij was maar porster en ze heette Mietje, twee hinderlijkheden die ze
+tegen had, want wie wordt er nu graag gewekt&mdash;we slapen liever door met
+al onze<span class="pagenum" title="192"></span><a id="p_192"></a> ongerechtigheden&mdash;en wat zit er nu voor poëtisch in den naam
+Mietje.</p>
+
+<p>Stel je voor een vrouw die Mietje heet, en die 's morgens vroeg met een
+dikken stok op je deur staat te bonken. Die bonkt toch al haar
+bekoorlijkheid weg?</p>
+
+<p>En toch hielden we veel van haar.</p>
+
+<p>Dat zat in haar stem.</p>
+
+<p>Ze schreeuwde. Natuurlijk schreeuwde ze. Hoe kon ze anders, buiten
+staande, de slapers daar binnen met haar stem bereiken. Maar in haar
+schreeuw zat toch dat ik-en-weet-niet-wat, waarin je teerheid en liefde
+voelt.</p>
+
+<p>De houthakker zuchtte maar alleen. En in zijn zucht zat nijd.</p>
+
+<p>Mietje schreeuwde. En in haar schreeuw zat liefde.</p>
+
+<p>'t Is niet de zucht of de schreeuw, gij beginselvaste debaters over den
+invloed van dit of dat.</p>
+
+<p>'t Is de mensch, die er zich door uit.</p>
+
+<p>Mijn oudste broer heette Dorus, en hij was het, die eigenlijk ieder
+morgen Mietje's aubade ontving. Hij moest, timmerman, vroeg op, om
+tijdig op zijn werk te zijn, en Mietje zorgde daarvoor.</p>
+
+<p>Eerst hoorde je 's morgens om vijf, zes uur een roffel op de deur. En
+dan kwam, na een heel korte pauze, de stem: &bdquo;Douwerus! Ben je wakker?&rdquo;</p>
+
+<p>Stilte. Mietje luisterde.</p>
+
+<p>Ik, ook gewekt, hoorde uit de overliggende bedstede een diep gegrom, als
+van een leeuw, die uit zijn donkeren slaap, oprijst. Het kwam van
+Douwerus.</p>
+
+<p>Maar Mietje hoorde niets.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="193"></span><a id="p_193"></a></p>
+
+<p>Daarom nog eens de roffel. Nog eens de pauze. Nog eens dat lieflijke:
+&bdquo;Douwerus! Ben je wakker?&rdquo; Nog eens de luisterende stilte.</p>
+
+<p>&bdquo;Jáááá!&rdquo; ronkte Douwerus eindelijk.</p>
+
+<p>Maar dit was Mietje niet naar den zin. Op <i>dit</i> ja&mdash;haar geoefend
+porsteroor hoorde het wel&mdash;zou hij weer inslapen. En Mietje begon een
+gesprek met Douwerus.</p>
+
+<p>&bdquo;Ben je er al ui-ui-uit? 't Is mooi weer, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja!&rdquo; riep Douwerus, nu kort en nijdig.</p>
+
+<p>Juist, zoo moest ze 't hebben. Nu was haar porstershart gerust. Nu kon
+ze veilig verder gaan. Mietje voelde haar verantwoordelijkheid.</p>
+
+<p>Is dat niet allerliefst? Voor acht centen in de week!</p>
+
+<p>Ik hield van Mietje. Ik geloof, we hielden allemaal van Mietje. En toch
+zagen we haar nooit. Maar we hadden haar gehoord.</p>
+
+<p>Toch, eenmaal hebben we haar ook gezien. 't Was op een Nieuwjaarsdag.
+Dan kwamen de vrinden allemaal&mdash;lantaarnopsteker, nachtwacht,
+vuilnisman&mdash;al de loopende gemeente-ambtenaren nieuwjaar wenschen en
+boden daarbij een mooie prent met een gedicht aan, welkome schatten voor
+de kinderen, en die wel tegen een fooitje opwogen, ware 't alleen om de
+rijke heilwenschen aan de eerzame burgerij. Voor mij waren 't schatten
+voor mijn kokertje. Tegenwoordig zijn de prenten verdwenen en de fooien
+verdubbeld.</p>
+
+<p>Op zulk een nieuwjaarsdag kwam ook Mietje feliciteeren, mét een prent
+natuurlijk.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="194"></span><a id="p_194"></a></p>
+
+<p>Gewoonlijk waren we dien dag afwezig, zelf met heilwenschen voor
+familieleden op chocolade en oliebollen uit, wellicht ook nog op wat
+anders. Maar ditmaal waren we thuis, en zoo zagen we Mietje. Want toen
+Mietje nu haar gedicht kwam aanbieden, werd ze niet aan de deur met een
+geldstukje losgelaten, maar moest ze binnenkomen en een kopje chocolade
+drinken.</p>
+
+<p>Ze kwam, mutsje op, omslagdoek om, den winkel door, het trapje op, de
+kamer in, klein vrouwtje, wat krom.</p>
+
+<p>Nu moest ze gaan zitten en daar zag ze het heele gezin, ook Douwerus.</p>
+
+<p>Maar daar schrok ze nu toch van. Ze zag een 18 à 20 jarigen jongeman
+voor zich, als heer gekleed, met boord en strik, kastanje-bruine
+krullekop.</p>
+
+<p>Mietje schrok.</p>
+
+<p>&bdquo;Bent ú.... <i>meneer</i> Douwerus? Ach, dat heb ik nooit geweten.&rdquo;</p>
+
+<p>We hielden ineens nog meer van haar bij die gulhartige uiting.</p>
+
+<p>Maar meneer Douwerus verlangde niet, dat ze voortaan roepen zou:
+&bdquo;<i>Meneer</i> Douwerus, bent u wakker.&rdquo; En zoo is het, ondanks de
+persoonlijke kennismaking, bij de oude vertrouwelijkheid gebleven.</p>
+
+<p>Meer dan dezen eenen keer heb ik, bij mijn weten, Mietje niet gezien.
+Maar hààr &bdquo;Douwerus&rdquo; en het &bdquo;Perehiet&rdquo; van de andere, ochtendgroet en
+avondroep, zijn mij bijgebleven als mooie zonsopgangen en -ondergangen
+in onze buurt.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="195"></span><a id="p_195"></a></p>
+
+<p>Als er toch geen vrouwen in de wereld waren! Waar moesten wij kleine en
+groote jongens naar toe!</p>
+
+<p>Hebt ge wel opgemerkt, bij hoeveel lieve vrouwen ik me al gekoesterd
+had? Bij juffrouw <ins class="corr" id="corr14" title="Bron: Gotman">Gottman</ins> van de eerste bewaarschool en
+juffrouw Doortje van de tweede. Bij juffrouw Van Streelen uit den winkel
+naast ons en bij het Perehietvrouwtje. Bij Mietje de Porster en mijn
+zuster Christine. En onder <i>alle</i> omstandigheden&mdash;bij mijn Moeder!</p>
+
+<p>O, die vrouwen! Laten wij ze zegenen! En loopt er al eens een kwade
+onder, ik vrees dat het een verhanselde man is.</p>
+
+<p>Toch heb je ook wel eens een goeden man. Maar ekstra goede hebben dan
+iets vrouwelijks.</p>
+
+<p>Zoo Chris de Mooy.</p>
+
+<p>Hij was onze winkelknecht, een lange jongen met vaalrood haar, sproeten
+in het grauwbleek gezicht, en een verkeerde uitspraak van de letter s.
+Men ziet, hij was van buiten slecht uitgerust en had zeker nooit een
+meisje gekregen, als de meisjes niet verstandiger en braver waren dan de
+jongens. Doch 't is bij hem nooit tot een meisje gekomen, door een
+andere oorzaak.</p>
+
+<p>Toen de winkel achteruit ging, moest hij weg. Vader kon hem niet meer
+betalen. Maar hij wou niet, hij wou voor niets blijven.</p>
+
+<p>Ach, zúlke liefde heb je alleen bij de eenvoudigen en de armen. De
+niet-eenvoudigen redeneeren te veel, en de niet-armen offeren dan te
+veel op. Die kunnen niet ineens veertig graden zakken. Zoo'n
+plotselinge<span class="pagenum" title="196"></span><a id="p_196"></a> temperatuursverlaging van hun welstand zou ze ziek maken.
+Maar de armen, die merken 't zoo erg niet, als hun thermometer vier
+graden daalt. Dan loopen ze maar wat harder en worden toch niet kouder
+dan ze al waren. Ja, een arme gaat gemakkelijk in het koninkrijk der
+hemelen.</p>
+
+<p>Rooie Chris had er wel zoo in kunnen stappen. Hij was eerlijk, trouw,
+ijverig, vriendelijk, en hij hield van ons allemaal. Hij kon zoo
+hartelijk lachen, en zoo aardig &bdquo;Juffrouw Christientje&rdquo; zeggen met
+die&mdash;bij hèm&mdash;welluidend, slepende s. Hij was in alle geheimen van den
+winkel ingewijd, kende alle geldelijke nooden, en vluchtte niet van het
+zinkende schip.</p>
+
+<p>Ik weet alleen niet, of hij trouw naar de kerk ging. Maar Onze lieve
+Heer wou hem zoo toch wel hebben, reine, liefdevolle,
+zelf-verloochenende ziel. Van zulke menschen zeg je: Onze lieve Heer
+heeft ze al, want zij hebben Onzen lieven Heer al, wat eigenlijk op 't
+zelfde neerkomt.</p>
+
+<p>Hij wou dus niet weg. En of hij nog gegaan is, zie, dat weet ik nu niet.
+Hier is een leemte in mijn herinneringen.</p>
+
+<p>Ik zie rooien Chris nog wel, maar niet in den winkel. Ik ben bij hem
+thuis, in zijn kamer, bij zijn bed. Ik zie hem liggen, het vaalroode
+haar op 't witte kussen, het grauwbleeke gezicht nog wat fletser, maar
+dezelfde lieve, zachte, lachende oogen. Ik kom afscheid van hem nemen,
+want rooie Chris is ziek en hij gaat sterven.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="197"></span><a id="p_197"></a></p>
+
+<p>Ik voelde op dat oogenblik, dat ik erg veel van hem hield, met dankbare
+en vereerende liefde voor al wat hij gedaan had jegens mijn ouders.</p>
+
+<p>Hij is gestorven. Maar mijn liefde is gebleven. En die leeft nog.</p>
+
+<p>En waarom vertel ik dat u? Wat hebt gij te maken met rooien Chris, die
+bovendien al meer dan veertig jaar dood is? Een arme winkelknecht van
+een verloopen winkel?</p>
+
+<p>Niets, tenzij gij hem zoudt willen navolgen.</p>
+
+<p>Maar <i>hiermee</i> hebben we allen te maken, dat mijn herinneringen bewijzen
+de over dood en graf heen doorwerkende kracht van de liefde.</p>
+
+<p>En dat is paedagogiek want dat leert ons, hoe wij op te voeden hebben en
+hoe de eenvoudigsten onder ons, de armsten in geleerdheid, misschien de
+beste opvoeders zijn, och zonder dat ze 't zelf weten. Gelukzaligen!</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="198"></span><a id="p_198"></a></p>
+
+<h2 id="DE_TWEEDE_LAGERE_SCHOOL">DE TWEEDE LAGERE SCHOOL.</h2>
+
+<p>&bdquo;En hoe heet je van je voornamen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Henri.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Neen, voluit.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Meindert Henricus.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En jij?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Gerard Jan.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Mooie namen!&rdquo;</p>
+
+<p>Dit zei hij. En ik gloorde.</p>
+
+<p>Letterlijk zoo is het gebeurd.</p>
+
+<p>We stonden met ons drieën voor de klas, hij en wij tweetjes.</p>
+
+<p>Hij was meester, wij de nieuwe leerlingen.</p>
+
+<p>Hij was een nog al rijzige man, een beetje dik gezond uiterlijk. Ik zie
+hem nog heel duidelijk. Zijn haar krulde wat, sprong tenminste. En ik
+zie het plaatsje nog waar we stonden, en de banken met de onderzoekend
+kijkende kinderen, en de opschuifborden aan den muur.</p>
+
+<p>Maar bovenal hoor ik nog die twee woorden: mooie namen.</p>
+
+<p>Meester.... had mijn hart gewonnen, en voor goed.</p>
+
+<p>&bdquo;Mooie namen!&rdquo; Zoo had hij ons verwelkomd. Hij een gewone meester. Als
+hij smalend gezegd had:<span class="pagenum" title="199"></span><a id="p_199"></a> &bdquo;Gekke namen!&rdquo;&mdash;dat had ik eer begrepen. Want
+meesters waardeerden nooit, waren uit hun aard niet vriendelijk, gromden
+en veroordeelden. Doch nu dit, zoo gansch onverwacht.</p>
+
+<p>Voor een kind is zijn naam maar niet een onverschillig ding. Het is een
+stuk familietrots en in zijn vóórnaam voelt hij zichzelf. Hij is er zoo
+graag in geëerd. En deze meester streelde ons in dit bezit, mijn twee
+jaar ouder broertje en mij, jongens van ongeveer 12 en 10 jaar, dus geen
+kleine kindertjes meer, jongens die al verhard waren door scheldwoorden.</p>
+
+<p>Hij zij er nog voor gezegend, met alle vriendelijke menschen die ik op
+mijn weg ontmoet heb.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Het was op mijn nieuwe school, de school van de &bdquo;Christelijk
+Gereformeerde Gemeente&rdquo; op de Bloemgracht, naast en onder het patronaat
+van de Kerk dierzelfde Gemeente, beter berucht onder den naam van
+&bdquo;Afgescheidene&rdquo;.</p>
+
+<p>&bdquo;Fijn genoeg!&rdquo;</p>
+
+<p>Afgescheiden&mdash;dat was reeds voor onze kinderooren het summum van
+&bdquo;fijnheid&rdquo;. Géén &bdquo;mooie naam&rdquo;. Een naam met een onbehagelijken bijklank,
+waartegen je je verdedigen moest. &bdquo;Ben jij&rdquo;&mdash;met groote
+geringschatting&mdash;&bdquo;áfgescheiden?&rdquo;&mdash;&bdquo;Neen hoor, ik ben Doopsgezind.&rdquo;&mdash;O,
+dan was de zaak in orde.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="200"></span><a id="p_200"></a></p>
+
+<p>We voelden niets van het mooie moedige in dit woord. En dit bleef jaren
+lang zoo, zelfs toen we warme sympathie en bewondering schonken aan de
+pelgrimvaders en aan alle voor hun geloof uitgewekenen. Afgescheiden
+beteekende nu eenmaal fijn, en daarbij een beetje huichelachtig. Nota
+bene, zij die voor hun geloof openlijk uitkwamen en er voor durfden
+breken met de landskerk, waren huichelaars. Een vreemd soort
+huichelaars. Maar zoo diep gingen onze gedachten niet. Ze bleven aan de
+algemeene oppervlakte, onder suggestie van het partijdig gekleurde woord
+&bdquo;afgescheiden&rdquo;. En zoo sterk was die suggestie, dat ik bij die
+breed-bleeke ei-klank nooit dacht aan een frisschen zeemanskop, maar aan
+een vaal, gelig-wit bakkersgezicht, met meel bestoven fletsheid.</p>
+
+<p>Toch moesten de afgescheidenen, die kerk, geld, betrekking, eer, alles
+om Godswille in den steek hadden gelaten, krachtige, heldhaftige naturen
+geweest zijn.</p>
+
+<p>Ik weet wel, vanwaar mijn indruk komt. Grootvader had als predikant de
+afscheiding ervaren, zoo niet in zijn gemeente, dan toch in zijn Kerk,
+en die als een hoofdigheid, een spelbreken, een krenking gevoeld.
+Afgescheidenen waren koppige, bekrompen scheurmakers. Zoo werden ze in
+zijn pastorie beschouwd, zoo bleef Moeder er over denken, zoo leerden
+wij ze veroordeelen. En zoo zelfstandig is de meening van duizenden en
+millioenen nu nog. Ze bewonderen de stugge geloofsopoffering, mits in 't
+verleden. Zoodra<span class="pagenum" title="201"></span><a id="p_201"></a> die zich in 't heden vertoont, stelt men zich partij
+en verguist.</p>
+
+<p>Maar zoo gaat het ook op ander gebied. Zijn afgescheidenen huichelaars,
+liberalen zijn godloochenaars en sociaal-democraten duivelskinderen.
+Opstandelingen van eertijds zijn nu helden des volks. Hoe zullen de
+huidige omverwerpers over eenige eeuwen heeten? Oordeelen is moeilijk.</p>
+
+<p>Als kind, als leerling der afgescheiden school had ik geen enkele reden,
+om in 't bizonder ongunstig over deze &bdquo;fijnen&rdquo; te denken, en ieder moet
+erkennen, dat althans het joviaal en hartelijk welkom een veelbelovend
+begin was. De opinie mijner ouders was trouwens ook zóó ongunstig niet
+en in ieder geval waardeerender voor déze school, dan voor de
+&bdquo;stadsschool&rdquo; op dezelfde Bloemgracht, maar een eind verder en aan de
+overzijde. Een &bdquo;stadsschool&rdquo; stond bij ons in den reuk van ruwheid,
+ongodsdienstigheid en vooral onfatsoenlijkheid. Daar werd niet gebeden,
+niet uit den Bijbel gelezen, en vooral, daar gingen de schooiers. Je
+moest al erg gezakt zijn en bijvoorbeeld klompen dragen, om naar een
+&bdquo;stadsschool&rdquo; te gaan. Ziedaar al weer een zelfde suggestie. Zooals het
+woord &bdquo;afgescheidenen&rdquo; tot mij gekomen was met den klank van
+huichelachtig gefemel, hoorde ik in dat harde &bdquo;stádsschool&rdquo; geklepper
+van klompen. Afgescheidenen waren tenminste netjes, misschien zelfs een
+beetje <i>te</i>, maar stadsschooljongens lagen onder de vunze kleur van
+straatvuil. Daar ging je niet mee om, daar had je geen enkel kontakt
+mee, daar vocht je alleen<span class="pagenum" title="202"></span><a id="p_202"></a> zoo nu en dan tegen, gelijk de beschaafde
+natiën tegen de kaffers, of eertijds de Romeinen tegen de Germanen. Ze
+waren goed om uitgeroeid te worden, of met het zwaard bekeerd.</p>
+
+<p>Eigenaardig toch, dat vooroordeel, zonder kennis van personen en
+toestanden, louter onder den invloed van het milieu. Men kan er zeker
+van zijn, dat zoo nog duizenden met zekeren afschuw het woord &bdquo;openbare
+school&rdquo; hooren. Het brengt hen aanstonds in een atmosfeer van
+tabaksdamp, jeneverlucht, goddeloosheid. Ik kan dat best begrijpen. Maar
+het is niet goed. Evenmin als dat schimpen op afgescheidenen. O, de
+voorlichters van 't volk, ze hebben zwaar gezondigd en ze doen het nog.
+Ze hebben zich vergrepen aan de waarheid. Ze hebben het hart van 't volk
+vergiftigd met leugen. In stee dat ze zochten, volhardend en liefdevol,
+het goede bij de andersdenkenden, en hierop het volle licht lieten
+vallen, beijverden ze zich dit goede onzichtbaar te maken in de dikke,
+donkere nevelen van hun partijdigen laster. Heel de sfeer van het
+volksleven, van het leven der menschheid is verleugend. En millioenen
+onwetenden, onnoozelen, dwalen met hun valsch oordeel rond als schapen
+onder slechte herders. Dat is voor een groot deel de schuld van hen,
+die, leiders, zich niet zelf laten leiden door &bdquo;den goeden herder&rdquo;, ook
+al beweren zij tot zijn schapen te behooren.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="203"></span><a id="p_203"></a></p>
+
+<p>Op mijn afgescheiden school heb ik enkele goede jaren doorgebracht.
+Natuurlijk herinner ik me ook nog wel eenige verkeerde dingen, b.v. een
+nu en dan wel wat te haastig en hardhandig gebruik van &bdquo;de tuchtroede&rdquo;,
+en zoo liggen me ook nog een paar scheldwoorden in 't oor, alsof iedere
+ondeugende jongen een &bdquo;ongelikte beer&rdquo; was en ieder lastig meisje &bdquo;een
+nijdige tang&rdquo;, maar die ruwheden in daad en taal behoorden tot dien
+tijd. Men kon zich een school kwalijk anders denken, dan als een bende
+meerendeels onwillige kinderen, die er met strengheid onder gebracht en
+onder gehouden moesten worden. Zoo denken zelfs thans nog velen er over.
+Van hartelijke, goedgezinde, vreugdevolle samenwerking tusschen meester
+en leerling is ook nu nog lang niet overal sprake, en schrijver dezes
+ziet zijn pleiten daarvoor zelfs van paedagogische zijde menigmaal
+bestreden als zoetsappige paedagogiek. Op hun donder moeten ze hebben.
+Gedwongen moeten ze worden. Tusschen meester en leerling bestaat een
+&bdquo;natuurlijke&rdquo;&mdash;lees: onnatuurlijke&mdash;&bdquo;antagonie&rdquo;.</p>
+
+<p>Ik denk er dus niet aan, mijn tweede lagere school ook maar eenigszins
+te verwijten, wat toenmaals tot de gewone schoolpraktijk behoorde, en nu
+nog door velen principieel wordt aanbevolen, maar heb de feiten alleen
+gememoreerd om te doen zien, dat ze een kind zijn leven lang bijblijven.
+Het scheldwoord, dat we in zijn jeugd als opvoedingsmiddel een leerling
+naar 't hoofd werpen, hoort hij nog in zijn grijsheid. En dat vergeten
+we wel eens. Maar ik heb<span class="pagenum" title="204"></span><a id="p_204"></a> mijn afgescheiden school veel te veel te
+danken, dan dat ik haar deze averechtsche deugden toerekenen zou.</p>
+
+<p>Zij heeft de kunst verstaan, mij te doen <i>werken</i>, en werken <i>met lust</i>.
+Ik kwam in een klas, waar de kinderen al een heel eind gevorderd waren
+in 't Fransch, en ik had er nooit iets aan gedaan. Dat gaf dus
+strubbeling. Ik moest bijgewerkt worden en kreeg een boekje mee naar
+huis. Het was een boekje met kleine verhaaltjes, ik geloof van Engelbert
+Gerrits, met de vertaling der moeilijke woorden aan den kant.</p>
+
+<p>Zaterdag nam ik het boekje mee, den ganschen Zaterdagnamiddag en avond
+zat ik er uit te vertalen, ook den heelen Zondag, ook nog de vroege
+morgenuren van Maandag, en toen bracht ik den meester anderhalf schrift
+met vertalingen. Het boekje was uit.</p>
+
+<p>Ik weet nog, hoe hij opkeek, toen hij die massa werk onder de oogen
+kreeg. Ik was een wonder van vlijt. Daar had ik echter zelf geen idee
+van. Ik wist alleen, hoe heerlijk het was te werken, zoo te werken, dat
+ik mijn klasgenooten inhaalde. En dat gelukte. Achtereenvolgens, maar nu
+natuurlijk veel langzamer, werkte ik de les- en themaboekjes van Van der
+Hoeven door en na een paar jaar zat ik volop in de onregelmatige
+werkwoorden van het zooveelste stukje.</p>
+
+<p>Hoe was het mogelijk, dat de brutale spijbelaar van de Lindengracht zich
+zoo ontpopte op de Bloemgracht? Dat lag misschien aan 't verschil van
+één meester.</p>
+
+<p>Meesters, die dit leest, denkt er aan, als je dagtaak je soms eens zwaar
+valt, als je er soms eens moedeloos<span class="pagenum" title="205"></span><a id="p_205"></a> bij wordt. Mogelijk zit er één
+jongen in je klas, die je later voor je arbeid danken zal, zooals ik het
+nu nog mijn meester doe.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Aan die buitensporige vlijtvlaag is nog een herinnering verbonden. De
+kinderen konden elke maand een kaartje &bdquo;voor vlijt en goed gedrag&rdquo;
+krijgen. Wie er zoo twaalf per jaar had ontvangen, ontving op het
+jaarlijksch examen een prijs. Dat was voor mij het eerste jaar een
+onmogelijkheid, want in den loop van den kursus op school gekomen, had
+ik het op 't examen maar tot acht kaartjes kunnen brengen. Toch ging ik
+met plezier naar 't examen en zag aan 't einde daarvan zonder eenige
+jaloezie, dat mijn medeleerlingen mooie boekwerken en getuigschriften
+ontvingen, terwijl ik verstoken zou blijven. Als je zoo iets maar
+vooruit weet, is 't niet zoo erg. De smart zit minder in het gemis dan
+wel in de teleurstelling. Daarom hebben sommigen er een handje van, je
+teleurstellingen aan te doen, opdat je het toch maar goed vóélen zult.</p>
+
+<p>Toen alle prijzen waren uitgedeeld, was er een oogenblik stilte in de
+school. En toen hoorde ik mijn naam noemen, langzaam, plechtig:
+Gerard&mdash;Jan&mdash;Ligthart.</p>
+
+<p>Ik trilde&mdash;zag alles in een nevel&mdash;geloofde 't niet&mdash;bleef bevende
+zitten.</p>
+
+<p>De meneer van 't examen zag de klasse rond, en riep toen nog eens met
+deftige stem: Gerard&mdash;Jan&mdash;Ligthart.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="206"></span><a id="p_206"></a></p>
+
+<p>Alle kinderen keken naar mij.</p>
+
+<p>&bdquo;Kom jongen, jij bent het,&rdquo; zei de meester.</p>
+
+<p>Ik stond op en liep naar voren, gauw, zenuwachtig.</p>
+
+<p>Daar stond ik tegenover den deftigen meneer. Ik klein, hij groot. Ik
+ontroerd, hij rustig.</p>
+
+<p>En hij glimlachte mij kalm tegen.</p>
+
+<p>Hij had een boekje in de hand en las luid: &bdquo;Loon naar werk, door E.
+Gerdes.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik hoor het nog.</p>
+
+<p>En toen sprak hij: &bdquo;Jongen, je bent nog te kort op deze school, om reeds
+het vereischte aantal kaartjes voor een prijs te bezitten. Toch wilden
+je onderwijzers je een prijs geven voor je buitengewonen ijver. En die
+prijs heet: Loon naar werk. Hij <i>is</i> dan ook loon naar werk. Ziehier.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik nam het boekje aan.</p>
+
+<p>Heerlijk, héérlijk oogenblik.</p>
+
+<p>En toen stil naar mijn plaats.</p>
+
+<p>Of ik onder het dankgebed geluisterd heb?</p>
+
+<p>Daarvoor trilde het daarbinnen te veel. Maar ook dat was danken. En onze
+lieve Heer weet dat wel. Die heeft een fijn oor.</p>
+
+<p>Gezegende school! Zij leerde mij werken. Zij leerde mij school en
+meesters liefhebben. Zij leerde mij danken in gemoedsontroering. Het
+echte.</p>
+
+<p>Toch maar een &bdquo;afgescheidene&rdquo;.</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>En nu wil ik meteen vertellen, hoe het met mijn prijs verging.</p>
+
+<p>Daar was een jongen en die heette Kees. Zijn vader<span class="pagenum" title="207"></span><a id="p_207"></a> was timmermansbaas,
+en hij woonde daar en daar.</p>
+
+<p>Kees las zoo graag en daarom kreeg hij eens mijn prijs ter leen.</p>
+
+<p>Maar Kees gaf hem nooit terug.</p>
+
+<p>Telkens als ik vroeg, ontving ik een ontwijkend antwoord.</p>
+
+<p>Eindelijk vermande ik me en ging naar Kees zijn huis. Ik wou zijn vader
+spreken. Ik moest toch mijn prijs hebben, mijn <i>prijs</i>. Een prijs is
+toch niet een gewoon boek.</p>
+
+<p>Ik sprak Kees zijn vader. Hij wist er niets van. Maar wacht r's. &bdquo;Zoo'n
+boekje, zoo wat zoo groot?&rdquo;&mdash;Ja, meneer.&mdash;&bdquo;Dat zal je niet meer
+terugzien. Kees bracht altijd boeken mee, en ik wou dat vervloekte
+gelees niet meer hebben, en toen heb ik gezegd: als je weer een boek
+meebrengt, smijt ik het in de kachel. Dat heb ik ook gedaan, en dat is
+dan zeker jouw prijs geweest.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik heb mijn tranen weerhouden,&mdash;o, natuurlijk, natúúrlijk&mdash;maar toen ik
+weer buiten was en op straat liep, was ik gebroken.</p>
+
+<p>Mijn prijs....</p>
+
+<p>Weg....</p>
+
+<p>Onherroepelijk....</p>
+
+<p>De man heeft er niet aan gedacht, welk een bitter leed hij mij had
+berokkend, heeft er niet aan gedacht, mij mijn prijs terug te koopen.</p>
+
+<p>&bdquo;Dan had ik hem maar niet moeten uitleenen.&rdquo;</p>
+
+<p>Zoo'n ellendeling!</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="208"></span><a id="p_208"></a></p>
+
+<p>Laat ik hem vergeten en aan lieflijker dingen denken.</p>
+
+<p>Van de vrouwen is altijd een bizondere bekoring voor mij uitgegaan. Men
+weet, dat begon al op de bewaarschool, waar ik schriftelijk verzocht, of
+ik van zeker vijfjarig Betje de vrijer mocht wezen. Ik was toen ook nog
+geen zes. En dat hield zelfs niet op, wanneer het pere-hietvrouwtje of
+Mietje de porster mij in haar toch zoo ongecultiveerde stemmen
+omstrikten.</p>
+
+<p>Wat is het toch, die bekoring van &bdquo;<span xml:lang="de">das ewig Weibliche</span>&rdquo;.</p>
+
+<p>Ik weet het niet.</p>
+
+<p>Het is een der mysteries bij de talloos vele andere. Maar het bestaat en
+oefent zijn invloed reeds vroeg. De aanwezigheid van meisjes in de
+school verzachtte heel wat leerellende. Als je onder het doodelijk
+stilzitten, een uur achtereen, steeds met je handen gevouwen aan den
+rand, naar het overhooren van een droge les moest schijnen te luisteren,
+was het een heerlijkheid, in alle stilte te genieten van een mooie,
+blonde vlecht, of ál meer intiem te worden met een rood lintje om een
+zwart kopje. De jurkjes, de schortjes, de kantjes, de beentjes der
+meisjes, waarmee ze zoo aardig stappen konden, de stemmetjes en de
+fraaibelijnde gestalten, ze gaven aan de dorre woestijn iets liefelijks.
+En zonder meisjes had ik het in mijn eerste school zeker absoluut niet
+uitgehouden.</p>
+
+<p>Wat ik voor haar voelde, was onmogelijk te zeggen. Geen enkele
+onvoegzaamheid, dat weet ik echter zeker. 't Was een vage stemming van
+adoratie; zij omhulden<span class="pagenum" title="209"></span><a id="p_209"></a> mij als in rozige morgennevels. Een zelfde
+stemming kreeg je buiten, als je niets dan groen en lucht zag en een
+enkele boerenwoning. Het alledaagsche ging weg en je was in een andere
+sfeer.</p>
+
+<p>Geheel in strijd met deze vage stemming scheen onze liefhebberij om bij
+'t uitgaan der school de meisjes na te rennen.</p>
+
+<p>Dan holden zij hard weg, zwaaiend met de schooltasschen, en wij vlogen
+ze na. Hadden we ze ingehaald en gegrepen, dan deden we nog niets.
+Eigenlijk waren we dan verlegen met onzen buit, schudden&mdash;schijnbaar
+ruw, maar eigenlijk teer&mdash;de Sabijnsche wat door elkaar, spraken wat
+vreeselijke dreigementen, en, als 't héél erg werd, gaven we ze een zoen
+ergens op een vindbaar plekje van het weggestopt gezicht en anders maar
+op de haren. Die zoen beteekende evenwel niets anders dan een triomf.
+Daarna mochten ze gaan.</p>
+
+<p>Nog op den huidigen oogenblik weet ik niet, wie met dit spelletje begon,
+de jongens of de meisjes. Of wij haar opjoegen, dan wel zij ons
+oplokten. Eén ding is zeker: meisjes die niet wegliepen deden we niets.
+En zoo geloof ik, dat die vluchtende hinden niet zoo onnoozel en zoo
+bang waren, als ik toen wel dacht. Maar ik durf toch niet stellig
+zeggen, of ook deze verzoeking eigenlijk van Eva uitging, en dus zal ik
+dit vraagstuk maar laten oplossen door de eerlijke jeugdherinneringen
+van een vrouw, die in haar schooljaren dupe of bewerkster van die jacht
+is geweest.</p>
+
+<p>De Paedologie zal ongetwijfeld ook deze naren- en<span class="pagenum" title="210"></span><a id="p_210"></a> afzoenerij eens tot
+onderwerp van haar wetenschappelijk onderzoek maken. Dan vernemen we,
+hoe in dit kinderspel zich handhaaft een vrouwenroof uit den oertijd, of
+anders hoe&mdash;spel is toch levensvoorbereiding&mdash;het jonge volk zich bij
+dat onbehoorlijk gevlieg praepareert op 't geen later komen moet. Een
+zij en een hij moeten elkaar vinden, daartoe moet zij lokkend
+wegfladderen, hij haar volgen: &bdquo;<span xml:lang="de">Errötend folgt er ihren Spuren</span>&rdquo;, en als
+hij haar gevonden, veroverd heeft, sluiten zij zich innig aaneen. Dat
+moet in de schooljaren door wijze Moeder Natuur worden voorbereid.
+Vandaar die, alleen door onwetenschappelijke kortzichtigheid
+tegengewerkte, naren- en afzoenerij, die de opvoeders als een mooi,
+redelijk, noodzakelijk en dus wenschenswaard verschijnsel moesten
+begroeten, en eer behoorden aan te moedigen, dan als onfatsoenlijk te
+bestrijden.</p>
+
+<p>Zien echter alle ouders en onderwijzers het onder dat licht?</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Op mijn afgescheiden school waren gelukkig ook meisjes, en zoo had ik
+den Hemel opnieuw te danken, die mij niet uit Roomsche ouders had doen
+geboren worden en tusschen enkel donkere jongenskielen doen opgroeien.</p>
+
+<p>De meisjes zaten vooraan, in de eerste rijen, de jongens daarachter. Ik
+denk, dat in deze plaatsing, die men op alle gemengde scholen en ook in
+de kerken aantreft, waar de mannen de vrouwen als een heiligenkrans
+<span class="pagenum" title="211"></span><a id="p_211"></a>omringen&mdash;geen krans van heiligen&mdash;, ik denk dat in deze rangschikking
+zich hetzelfde wegloop- en narenelement openbaar. Men noemt dat met
+allerlei mooie namen: hoffelijkheid, beleefdheid, eerbied voor het
+zoogenoemd zwakkere geslacht, maar die namen zijn niet anders dan
+kleurige sluiers, die het wezen der zaak aan ons oog onttrekken. Die
+stil en devoot luisterende vrouwen&mdash;natuurlijk weten ze het niet&mdash;ze
+loopen weg, en die eerbiedig doende mannen, ze rennen na. Die hele
+zwijgende, stilzittende schare is in haar rangschikking een door de
+eeuwen vastgelegde beweging. Het is lokken en volgen, jagen en vlieden,
+maar nu vastgegroeid tot een maatschappelijk gebruik. Alleen ziet men nu
+en dan, zelfs in de kerk, het oude spel herleven, als een achttienjarig
+meisje minder getrokken wordt door de godsdienstoefening, omdat ze zelf
+te sterk trekt iemand die daar in de verte achter haar zit. Al is die
+gedachte niet aangenaam voor den preekenden voorganger, hij worde er
+toch niet boos om, wetende dat het verlies van aandacht nu, hem later
+rijkelijk vergoed wordt door een mooien huwelijksdienst en wie weet
+hoeveel doopbeurten. <span xml:lang="fr">Pierre de Coulevain</span>,
+de auteur van <span xml:lang="fr">Sur la branche</span>, heeft de
+verliefdheid van 't meisje terecht genoemd: moederliefde in knop.</p>
+
+<p>Ik had het geluk, een tijdlang in de eerste jongensrij te zitten, vlak
+achter de meisjes. Dit verhinderde mij niet, hard te werken.
+Integendeel. Het spoorde mijn werkdrift aan. Ik deed mijn best in haar
+oog een mooi figuur te maken. Een pluimpje van den meester<span class="pagenum" title="212"></span><a id="p_212"></a> wapperde
+veel sierlijker onder het welgevallig en bewonderend oog der meisjes.
+Zij behoefden mijnentwege niet goed te kunnen rekenen en ontleden. Als
+ze maar haar lieftallige en gratievolle bewondering aan ónze
+overwinningen konden schenken. Iedere moeilijke som, door ons als een
+machtig vijand verslagen, riep haar streelenden eerbied op, en wij
+sloegen er op los om dien eerbied te verwerven. &bdquo;Wat kan <i>jij</i> goed
+rekenen!&rdquo; of: &bdquo;Hoe <i>kun</i> je dat toch!&rdquo; of: &bdquo;Ik begrijp er niks van!&rdquo; of:
+&bdquo;Toe, help je me nog even!&rdquo;&mdash;het waren omwademingen van bloemgeurige
+zefirs, zwanger van lenteweelde. Ha, wat voelden we ons gelukkig, als we
+zulk een hulde ontvingen of zulk een hulp mochten verleenen!</p>
+
+<p><span xml:lang="de">Das ewig weibliche.</span> Wondervolle macht in een knapenziel.</p>
+
+<p>Neen, gij die meent dat onreine gedachten als zwarte wolken langs dezen
+blauwen voorjaarshemel moeten drijven, gij weet het niet. Er ging een
+reinigende bekoring uit van de tegenwoordigheid der meisjes. Zij riepen
+ridderlijke gevoelens in ons wakker, huldigende driften, artistieke
+gaven. Mijn oudste broer teekende mooi en leerde mij in de huiskamer
+landschapjes teekenen en watergezichtjes. Een boerenwoning, half
+verborgen onder 't loover, een hooiberg daarbij, slingerend
+landweggetje, en in de lucht wat vogels&mdash;of een schip, opbruisend tegen
+de watervlakte, het zeil omhoog, den wimpel wapperend, het roeischuitje
+er achter&mdash;ik wierp ze met handige potloodstrepen op het papier, trok er
+een strakke lijn om, zette in een<span class="pagenum" title="213"></span><a id="p_213"></a> benedenhoek een beetje schuin mijn
+naam&mdash;ach, mijn jongens op school kunnen dat laatste ook zoo artistiek:
+kinderen blijven kinderen&mdash;en bood ze de jonkvrouwen mijner vereering
+aan. Hoe heerlijk, als ze het mooi vonden en zuinig bewaarden. En als ze
+'t niet begrijpen konden, hoe een jongen, die al zoo goed sommen kon
+maken, ook nog mooi kon teekenen. En als ze dan een eigengemaakten
+boekenlegger of inktlap als tegengave schonken. Precies als de koningen
+der aarde, en ook precies als de primitieve volkeren. Lezer, vriend,
+zijt ge wel eens jaren achtereen gelukkig geweest met een simpel
+potloodje, dat ge dag aan dag bij u droeg, nooit gebruikte uit vrees dat
+het slijten zou, en telkens weer met teederheid tusschen uw vingertoppen
+nam? In dat potloodje&mdash;'t heette een herinnering aan háár&mdash;bewaardet ge
+al de reine teederheid van uw eigen jongensziel, gewekt door &bdquo;<span xml:lang="de">das ewig
+Weibliche</span>&rdquo;.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="214"></span><a id="p_214"></a></p>
+
+<h2 id="GOEDE_SCHOOL">GOEDE SCHOOL.</h2>
+
+<p>Elke schooltijd begon natuurlijk met gebed en psalmgezang. Daarna volgde
+'s voormiddags een vol uur &bdquo;Bijbelsche Geschiedenis&rdquo;. Dat was dus zes
+uur in de week de historie van het oude Israël en het verhaal der
+Evangeliën.</p>
+
+<p>In overeenstemming daarmee kreeg de Kaart van Palestina meer beurten dan
+die van Nederland. Zoo kwam eigen land en volk wel wat in de verdrukking
+door de buitengewone belangstelling aan Kanaän gewijd. Perea, het
+Over-Jordaansche, lag mij nader dan Gelderland, op de Palestijnsche
+bergen was ik meer thuis dan op de Limburgsche heuvelen, het meer van
+Genezareth mij vertrouwder dan het Slotermeer, en langs de Jordaanoevers
+wandelde ik vrediger dan langs de Rijnboorden.</p>
+
+<p>Over de keuze van dit belangstellingsgebied voor de lagere school kan
+men verschil van meening hebben, maar ieder beseft, hoe dit samengaan
+van geschiedenis en aardrijkskunde beide ten goede kwam. De vlakten en
+de hoogten, de meren en de stroomen, de steden en de vlekken van Kanaän
+kregen beteekenis, doordat ze leefden in de Joodsche geschiedenis en
+literatuur. We hoorden ze uit den mond der psalmdichters <span class="pagenum" title="215"></span><a id="p_215"></a>en profeten,
+zagen ze als terrein van arbeid en strijd, bezochten ze rondwandelend
+met den leerenden Heiland.</p>
+
+<p>Dat was iets anders dan rijtjes namen, die maar rijtjes namen bleven.
+Het innige verband tusschen het Joodsche land en het Joodsche volk, dat
+nog thans in zoo vele Joodsche en ook Christen-harten gevoeld wordt,
+maakte de aardrijkskunde van Palestina tot terreinlessen der historie.
+Alles leefde daar. Men was als in de schouwburg der menschheid en zag
+volksdrama's afspelen op het tooneel der velden, met begroeide bergen
+tot coulissen. Nog, als ik den naam hoor van het meer van Genezareth,
+zie ik visschers hun netten uitwerpen, Jezus wandelen op de wateren,
+Petrus wegzinken in kleingeloof. Aan gene zijde der Jordaan staat Mozes
+op den berg Nebo, ziende naar het Heilige Land, dat hij niet mag
+binnentreden. Hoe lieflijk is ons dat Bethlehem met zijn overvolle
+herberg en de kribbe in den beestenstal. Geen plaatsnaam, of hij roept
+personen op, toestanden, gebeurtenissen. De landkaart gaf aan de
+geschiedenis een gebied, gelijk deze aan de kaart leven schonk.</p>
+
+<p>Of de school dit prachtige en eigenlijk ook onmisbare samengaan met
+volle bewustheid in de hand werkte, om de waarheid te zeggen, ik geloof
+het niet. Het staat mij zoo voor, alsof de geschiedenisles alleen
+luisterde naar de stem van den meester en nooit keek naar de kaart,
+alsof de aardrijkskundeles alleen aanwees en opzei, maar nooit bevolkte,
+en of het samenvloeien van feiten en terreinen aan het toeval en de<span class="pagenum" title="216"></span><a id="p_216"></a>
+kinderlijke voorstellingsbehoefte werd overgelaten. Maar indien dit zoo
+was, dan zal het nu in de christelijke scholen toch wel anders zijn. Men
+zal daar nu toch die mooie kans niet ongebruikt laten. Wellicht gaat men
+er nog een stapje verder en durft een les in natuurlijke historie
+gebruiken, om het landschap met zijn planten en dieren uit te beelden.
+&bdquo;Kent gij het land?&rdquo; vraagt <span xml:lang="de">Pfarrer Schneller</span> op het titelblad van zijn
+voortreffelijk werkje. &bdquo;Wij kennen alleen stippen en strepen en namen,&rdquo;
+zeggen de kinderen. En dit zeggen zelfs de volwassenen. Ook de
+volwassenen, die op de lagere school of op de zondagsschool Bijbelsche
+Geschiedenis onderwijzen?</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Wanneer deze jeugdherinneringen onderwijskundige bijbedoelingen hadden,
+zou ik graag van Palestina naar ons eigen land overgaan en zelfs de
+vraag willen stellen en beantwoorden, of de aardrijkskunde der geheele
+wereld niet een beetje intiemer kon worden met het leven der volkeren.
+Maar nu moeten we verder.</p>
+
+<p>Daar zit een klasse kinderen te rekenen. 't Is de hoogste. Ook ik zit
+daar zoo wat midden in de klasse, vlak achter de meisjes. Gevaarlijk
+plaatsje?</p>
+
+<p>Dat denkt ge maar.</p>
+
+<p>'t Zou gevaarlijk geweest zijn wellicht als de meester onzen geest had
+gekneveld in banden van verveling, als hij ons gedoemd had tot
+stilzitten en kijken en handen vouwen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="217"></span><a id="p_217"></a></p>
+
+<p>Maar op mijn bank ligt een lei, daarnaast een dik boekje in een
+donkerblauw omslag, en tusschen mijn vingers leeft een griffel,
+hunkerend naar 't uitvloeien en uitstroomen van cijfers. 't Is of die
+arme griffel 't benauwd heeft, in barensweeën verkeert. Ze moet
+schrijven, schrijven, cijfers uitgooien, een lei vol, twee kanten, vol,
+nóg een lei. Eer komt ze niet tot rust.</p>
+
+<p>En al die arbeid maakt, dat ik niet eens meisjes zie. Die griffel wint
+het van haar bekoorlijkheid. Het instrument, waardoor de van werkdrift
+trillende geest een uitweg vindt in de grijswitte figuurtjes op de
+blauwzwarte lei.</p>
+
+<p>Werken. Laat je jongens werken. De kleinen en de grooten. En ook de heel
+grooten.</p>
+
+<p>Maar zorg dan, dat ze werken met lust, en daardoor met volle kracht.</p>
+
+<p>De beste rekenaars hadden ieder hun eigen rekenboek. Ik moet daar ook
+onder behoord hebben. Ik herinner me den hartstocht, om een boekje <i>uit</i>
+te hebben.</p>
+
+<p>De Boesers had ik al.... opgevreten. De &bdquo;eerste verzameling&rdquo;. De &bdquo;tweede
+verzameling&rdquo;. Toen had de meester er niet meer. Die
+&bdquo;verzamelingen<ins class="corr" id="corr15" title="Bron: &bdquo;">&rdquo;</ins> kwamen na en boven de gewone
+serie. Een soort bekroning. &bdquo;Gemengde vraagstukken&rdquo;. Voor de goeie
+rekenaars, die geen geleidelijke leiding meer noodig hadden. Die konden
+aanpakken, telkens wat nieuws.</p>
+
+<p>Maar ik had ze uit.</p>
+
+<p>Toen zei de meester: &bdquo;Ja, wat zal ik je <i>nu</i> geven!&rdquo; En hij snuffelde in
+zijn kast. Daar had hij zoo'n<span class="pagenum" title="218"></span><a id="p_218"></a> stapeltje van allerlei. &bdquo;Hier, probeer
+dit maar eens.&rdquo;</p>
+
+<p>'t Was&mdash;heb ik het goed onthouden?&mdash;&bdquo;Koopmansrekenen&rdquo; van Adam van
+Lintz, het&mdash;vierde?&mdash;stukje. 't Was dat dikke boekje in donkerblauw
+omslag. En Adam van Lintz boeide mijn oogen en mijn handen en mijn
+gedachten en mijn neigingen.</p>
+
+<p>Ik zag geen meisjes, ik zag sommen.</p>
+
+<p>Heerlijke werkuren. Ze deden me al vroeg ervaren, waar een stuk reine
+levensvreugde te vinden is. Bijstand tegen verzoekingen. Troost in
+smart.</p>
+
+<p>Nooit in mijn verder leven heb ik Adam van Lintz teruggezien, terwijl ik
+toch onafgebroken tusschen de schoolboekjes heb gezeten. Waarschijnlijk
+was hij dus toen al aan 't verdwijnen. Versluys en Wisselink kwamen de
+Boesers verdringen. Toch onthouden, met uiterlijk en titel. Bewijst dat
+niet&mdash;wat ik reeds vroeger opmerkte&mdash;dat het geheugen in 't hart zit? En
+dat het werk in de school het kinder<i>hart</i> moet weten te pakken?</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Men zou uit deze rekendrift willen afleiden, dat ik later een
+rekenmeester had moeten worden. Doch dan zou men verkeerd afleiden. Mijn
+aanleg en mijn lust hebben nooit de cijfers gezocht. Verzen opzeggen,
+lezen met een mooie stem, de muziek der taal genieten&mdash;dat was mijn
+eigenlijke voorkeur. Mijn aanleg was, om het met een groot woord te
+zeggen: literair. Als ik in mijn eentje liep, zei ik in mezelf verzen
+op, vaak psalm- en gezangverzen. En dan<span class="pagenum" title="219"></span><a id="p_219"></a> had ik een gevoel, of mijn stem
+de mooie klanken moest liefkoozen en de golvende regels in zangerig
+rythme moest laten vloeien. Een meester, die mooi voorlas, had me gauw
+te pakken, en onwillekeurig bootste ik de bekoorlijke eigenaardigheden
+van zijn voordracht na.</p>
+
+<p>Toch herinner ik me van mijn leesboekjes niets meer. Welke waren het? Ik
+weet het niet. Belletristische? Leerende? Verhalende? Ik weet het niet.
+Verzen of proza? Ik weet het niet. Geen inhoud, geen titel, geen
+uiterlijk&mdash;ik weet er niets meer van. Waren ze wellicht te droog? Ik
+weet het niet. Te vroom? Te braaf? Te onkinderlijk? Ik weet het niet.
+Wonderlijk toch, de rekenboeken zie ik nog, ken ik nog, hoewel ik geen
+rekenman ben, en de leesboeken zijn totaal weggezonken in vergetelheid,
+hoewel de toekomst bewezen heeft, dat ik voor 't leesboek toch wel iets
+voelde. Vanwaar dit onderscheid? Het moet wel hieraan zijn toe te
+schrijven, dat&mdash;door <ins class="corr" id="corr16" title="Bron: ,">'</ins>t <i>werken</i>&mdash;in de rekenboeken mijn hart is
+gaan zitten, en dat de leesboeken dit hart niet hebben gelokt en
+vastgehouden. Dat hart wou wel. Maar 't boek wou niet. Of misschien wou
+het arme ding wel, maar kon het niet. Het zal onze harten <i>te
+opzettelijk</i> hebben willen vangen. En dat is altijd mis.</p>
+
+<p>Het is toch eigenlijk sterk, dat ik niet meer weet, uit welke
+schoolboeken ik als twaalf- en dertienjarige jongen gelezen heb. Maar
+voor 't feit sta ik in. Wellicht wordt het een beetje nader verklaard
+door mijn overgang, als kweekeling, naar de openbare school. Daar<span class="pagenum" title="220"></span><a id="p_220"></a> kwam
+ik in zoo'n heel andere boekjeswereld. Maar dat rekenboek dan? en het
+zingen? Want dát herinner ik me heel wel. Ik zie het schoolbord vol
+muziek staan, driestemmige liederen in notenschrift. En ik ken nog die
+liederen die we leerden. Eén lied is te kenmerkend en te vereerend voor
+de school, dan <ins class="corr" id="corr17" title="Bron: dit">dat</ins> ik het hier niet zou vermelden. De
+Fransch-Duitsche oorlog was uitgebroken, 1870. Ik was elf jaar. Overal
+hoorde je &bdquo;<span xml:lang="de">Die Wacht am Rhein</span>&rdquo;, tot op draaiorgels toe. Toen leerde de
+meester ons de woorden en de muziek, de woorden in 't Duitsch, ofschoon
+we in die taal geen les kregen. En we zongen uit volle borst
+meerstemmig:</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza" xml:lang="de">
+ <span class="i0">Est braust ein Ruf wie Donnerhall,<br /></span>
+ <span class="i0">Wie Schwertgeklirr und Wogenprall:<br /></span>
+ <span class="i0">Zum Rhein, zum Rhein, zum Deutschen Rhein!<br /></span>
+ <span class="i0">Wer will des Stromes Hüter sein?<br /></span>
+ <span class="i0">Lieb Vaterland magst ruhig sein:<br /></span>
+ <span class="i0">Fest steht und treu die Wacht am Rhein.<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p>Ik noemde dat kenmerkend en vereerend voor de school. Immers, het was
+een bewijs, dat men in de school <i>leefde</i>. Het lied van den dag, ondanks
+de vreemde taal, in de zangles gebracht&mdash;dat was toch wel waarlijk:
+school en leven.</p>
+
+<p>En die school was een&mdash;&bdquo;afgescheidene&rdquo;, van veertig jaren her.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="221"></span><a id="p_221"></a></p>
+
+<p>Het is wel begrijpelijk, dat deze schoolliederen me zijn bijgebleven.
+Vooreerst hadden ze dezelfde veroveringsmethode als de sommen. Ze zetten
+ons aan 't werk. Zingen moest je wel, of je wou of niet. Je kon er niet
+bij suffen of afdwalen. Daar had je nu je zuivere zelfwerkzaamheid. Maar
+dan ook, de liedjes werden thuis vrijwillig gerepeteerd. Niet, gelijk
+dat in gegoeder kringen geschiedt, op bepaalde uren bij een piano, maar
+op alle tijden van den dag en in alle hoekjes van het huis. Vader zong,
+Moeder zong, Christien zong, de jongens zongen, ik zong, we zongen
+allemaal. Zingende leerden we mekaar de liedjes, en als er een moeilijke
+val was, werd die soms in de keuken onder 't werken door ingestudeerd.
+Christien sneed de andijvie of de rooie kool, ik stond bij haar aan de
+rechtbank, en daar had je een formeele zangles.</p>
+
+<p>Niemand was verlegen om den mond open te doen, niemand schaamde zich
+zijn stem. Het huis weergalmde van lied. Je zong in de keuken bij 't
+schoenenpoetsen, je zong in de gang, je zong in alle kamers, in de
+huiskamer, de slaapkamer, de bestekamer. Leege oogenblikken werden
+gevuld met lied. En dat was nooit een zacht geneurie, maar een luid
+gejuich, vol uit de borst. Ook de bovenburen zongen en de benedenburen.
+En 't waren allemaal schoolliederen van &bdquo;Zie de leliën op het veld&rdquo; of
+&bdquo;Als de zwaluw ons verlaat&rdquo; of &bdquo;Eere zij God&rdquo;. De Zangvogeltjes, die
+lieve uit de boekjes van C. Regeer, fladderden door onze woning, en
+jubelden hun heerlijkste liedjes.</p>
+
+<p>Dat had en heeft een burgergezin voor op de deftigheid. <span class="pagenum" title="222"></span><a id="p_222"></a>Er wordt
+gezongen in huis. De kinderen behoeven geen zangles te krijgen. De
+liederen leven er, gelijk buiten in veld en bosch, en&mdash;evenals
+daar&mdash;piepen de jongen naar 't zingen der ouden.</p>
+
+<p>Wat kon Vader mooi zingen! En met welk een liefde en toewijding zong
+hij! Dan kon hij zoo'n uur achter elkaar heen en weer loopen, geen jas
+aan, de handen op den rug, van de huiskamer door de gang en omgekeerd,
+en aldoor maar zingen. Hij haalde de liederen op uit zijn verleden, veel
+Fransche. Van &bdquo;<span xml:lang="fr">La Brigantine, Qui va tourner.</span>&rdquo; Wat vonden we 't mooi! En
+als Vader dan met ingehouden stem bad: &bdquo;O, Vierge Marie! Pour moi priez
+Dieu!&rdquo; dan werden onze oogen wel eens vochtig van ontroering en viel er
+een traan tusschen de sommen of de Fransche thema's. Dat waren heerlijke
+oogenblikken.</p>
+
+<p>En 's avonds, vooral Zondags in 't schemeruurtje, wanneer alleen een
+zacht theelichtje het duister bekampte, klein, dapper, rustig vlammetje
+in een donkere wereld, en wij, door de kamer verspreid, ons gelegerd
+hadden als in een Zigeunerkamp, de ouderen op stoelen, ieder op een
+geliefkoosd plaatsje, de jongeren op den grond, de beenen rechtuit of de
+knieën opgetrokken&mdash;een &bdquo;vrije orde&rdquo;&mdash;dan begon er maar een te zingen,
+en vanzelf vielen de anderen in. Het eene lied na het andere. Maar nooit
+straatliederen. De school en de overlevering hadden ons een heel
+repertoire bezorgd, altemaal liederen vol kleur en sentiment, beschaafd
+van taal en van toon. En steeds ging het ten slotte naar het
+godsdienstige toe. Met de<span class="pagenum" title="223"></span><a id="p_223"></a> Hernhutters zongen we: &bdquo;Laat mij, slapend, op
+U wachten, Heer, dan slaap ik zoo gerust.&rdquo; En eindelijk met de
+Christelijke gemeente dien stemmenden avondzang:</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+ <span class="i0">'k Wil U, o God, mijn dank betalen,<br /></span>
+ <span class="i0">U prijzen in mijn avondlied.<br /></span>
+ <span class="i0">Het zonlicht moge nederdalen,<br /></span>
+ <span class="i0">Maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet.<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p>Dan trilde Moeders stem. Zij was weer in de pastorie van haar
+kinderjaren.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Liefelijke schemeruren. Hoe heerlijk toch, dat alle uren van den dag hun
+eigen kleur en toon hebben. Het uur van 9&ndash;10 in den voormiddag is een
+heel ander dan dat van 2&ndash;3 in den namiddag. Men kan ze onmogelijk
+verwisselen, zonder het gelaat van den dag een vreemd en onbehaaglijk
+uiterlijk te geven. En zoo heeft ook het schemeruur zijn karakter en
+bestemming. Wie denkt er aan in den morgen zoo vertrouwelijk bijeen te
+zitten en te zingen als bij het vallen van den avond tusschen licht en
+donker. Het zou niet gaan. En nu heb je wel redeneermenschen die zeggen:
+een uur is een uur, ze hebben allemaal precies zestig minuten, en zingen
+is zingen, dus je kunt het zingen van 't eene uur net zoo overbrengen
+naar een ander, maar deze verstandige lieden behooren tot die
+waanzinnigen, waarvan <span xml:lang="en">Chesterton</span> zegt,<span class="pagenum" title="224"></span><a id="p_224"></a> dat ze krankzinnig zijn, omdat
+ze alles verloren hebben behalve hun verstand. Neen, een uur is niet een
+uur, elk heeft zijn eigen aard, en daarom brengen en vragen de
+avonduren, die van vijf tot zeven, iets anders dan hun vroegere of
+latere broeders.</p>
+
+<p>Wij hadden avondschool, liefelijker gedachtenis. Ze werd in de
+bovenverdieping gehouden. Daar genoten we van het warmgele licht der
+gasvlammen, het stille suizen, en van meesters stem en lange pijp. 's
+Avonds scheen meester een heel andere stem te hebben dan overdag. Kwam
+dat door het gaslicht? Of doordat er veel minder kinderen waren? Neen,
+'t was de invloed van de uren. Die veranderden niet alleen zijn stem,
+maar zijn heelen persoon. Hij was veel vertrouwelijker, veel gezelliger,
+veel gewoner. Zijn houding en toon naderden ons veel dichter, hij werd
+een soort familielid van je. De schoolnarigheid ging er af. Zijn
+handdruk was zelfs anders dan die van 's morgens vóór negenen.</p>
+
+<p>En dan was zijn lange pijp ook een van zijn aanbevelingen. In het
+vensterkozijn lagen eenige opgevouwen papierstrooken&mdash;fidibussen.
+Daarmede spaarde meester een zwavelstok uit. &bdquo;Geef jij me eens een
+fidibus.&rdquo; De gelukkige nam er een uit het kozijn, stak hem aan boven de
+gasvlam, en hield hem bij meesters pijp. We genoten van het opkrullen
+der tabak, van de blauwe rookwolken, en van de manier waarop meester den
+dop op de pijp zette. Nu trok hij een poosje achter elkaar, dan legde
+hij de pijp neer, nam de zijden pet van 't hoofd en zei ernstig:
+&bdquo;<span xml:lang="fr">Prions!</span>&rdquo;<span class="pagenum" title="225"></span><a id="p_225"></a> Wij vouwden de handen, sloten de oogen, luisterden naar het
+suizende gaslicht en naar de eerbiedige stem: &bdquo;<span xml:lang="fr">Notre père qui est aux
+cieux! Ton nom soit <ins class="corr" id="corr18" title="Bron: sanctifiè">sanctifié</ins>. Ton règne vienne!</span>&rdquo; Er
+zweefde stille vrede in onze harten.</p>
+
+<p>Pas had het &bdquo;<span xml:lang="fr">Amèn</span>&rdquo; onze oogen en handen ontsloten, of we hoorden:
+&bdquo;<span xml:lang="fr">Chantons</span>&mdash;pseaume....&rdquo; Dan sloegen we de psalmboeken open, echte
+Fransche, zochten het lied op, en zongen. Terwijl ik dit schrijf, valt
+me een lied in, dat ik toen geleerd heb, met dit slot:</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza2" xml:lang="fr">
+ <span class="i0">Amen! Amen!<br /></span>
+ <span class="i0">Purifie,<br /></span>
+ <span class="i0">Sanctifie,<br /></span>
+ <span class="i0">Renouvelle<br /></span>
+ <span class="i0">Tout en nous, Sauveur fidèle!<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p>en ik hoor de kinderstemmen nog, gedragen door meesters stem, en
+wegstervend in de donkere einden van het groote lokaal.</p>
+
+<p>Van zoo'n avondschool ging kennis en wijding uit en 't was ons daar
+beter, dan dat we ons thuis verveelden of op straat bedierven. Om
+opvoedkundige redenen is de avondschool overal afgeschaft. Maar als ik
+nu nog op een avondcursus de kinderen zoo stil genoegelijk zie werken,
+denk ik: Wat zit jelui hier vredig! En wat heb je het toch goed!</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="226"></span><a id="p_226"></a></p>
+
+<p>Dat lijkt sommigen misschien wat erg bekrompen ouderwetsch en zeer
+bevreemdend van iemand, die zoo hardnekkig pleit voor vrijheid en spel
+en tegen leerdwang. Maar wie trouw gevolgd heeft, wat door dien
+hardnekkigen pleiter verdedigd en bestreden is, die weet wel, dat het
+nooit ging tegen het leeren, maar tegen de vervloekte kunst om het
+leeren tot een ellende te maken, tot een hersenkwelling en
+zenuwvernieling. Leeren moet een vreugde zijn, en het kan een vreugde
+zijn. Maar de examens, het opdrijven boven peil, bederven het genot.
+Kinderen leeren graag, naar de mate hunner capaciteit. Maar de school
+houdt geen rekening met die capaciteit en maakt zoo den zin tot
+tegenzin.</p>
+
+<p>Prof. Jelgersma&mdash;en hij kan het weten&mdash;heeft eens geschreven, dat nooit
+het werken iemand zenuwziek maakt, maar wel de onrust, de spanning, de
+zorg. Mijn eigen ervaringen bevestigen deze uitspraak. Natuurlijk heeft
+onze arbeidskracht haar grens, maar de instortingen in mijn leven zie ik
+heel duidelijk als gevolgen van emotievolle tijden, tijden van kommer en
+angst. Het zijn de <i>gemoeds</i>kwellingen, die ons knauwen. En dit is zoo
+waar, dat juist meermalen de arbeid, in stede van een ondermijner, een
+hersteller onzer gezondheid is. Werk maar, werk maar trouw, volhardend,
+inspannend. Echter&mdash;werk met liefde. Laat je werk een vreugde zijn. En
+dan bevordert het je gezondheid.</p>
+
+<p>Mijn jeugdherinneringen prediken mij dit ook met overgroote klaarheid en
+zekerheid. De arbeidsdrift en<span class="pagenum" title="227"></span><a id="p_227"></a> de arbeidskracht mijner schooljaren
+hebben mijn gezondheid nooit geschaad, doch wel mijn lichamelijken en
+zedelijken welstand gebaat. Maar als door averechtsche schooltucht het
+leeren tot een straf werd, dan liep het mis. En nu zal men wellicht mijn
+achterlijke ingenomenheid met de avondschool begrijpen. Wij werkten met
+lust. Hoe meer de kinderen leeren en werken, des te beter. Mits lust de
+drijfveer en vreugde de vrucht is.</p>
+
+<p>Van mijn afgescheiden school heb ik nog eenige herinneringen mee te
+deelen. Die bewaar ik echter tot het slot. Eerst werpen we nog een blik
+in het hartje van den Jordaan en dan gaan we naar de nieuwe woning in de
+Nieuwe Leliestraat.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="228"></span><a id="p_228"></a></p>
+
+<h2><a id="JORDAANPAEDAGOGIEK"></a>JORDAANPAEDAGOGIEK.</h2>
+
+<p>De Jordaan, de Amsterdamsche, heeft niets te maken met de gelijknamige
+rivier in Kanaän. Vroeger waren er in deze volksbuurt der hoofdstad
+allemaal tuinen. De Fransche vluchtelingen, de refugiés, vestigden zich
+daar en zij spraken van &bdquo;<span xml:lang="fr">les Jardins</span>&rdquo;. Vandaar de naam.</p>
+
+<p>Het is wel eigenaardig, dat deze naam, die geen enkel officieel cachet
+heeft, in den volksmond is blijven voortleven. De stadhuisregisters
+kennen hem niet, maar bij de geboren Amsterdammers zal hij niet gauw
+wegsterven.</p>
+
+<p>De herinnering aan <span xml:lang="fr">les Jardins</span> wordt, behalve door de verbastering
+Jordaan, ook bewaard in de namen der straten en grachten. Wie deze
+hoort, waant zich in een lusthof verplaatst Alles spreekt van bloemen en
+boomen. De Palmgracht, de Goudsbloemstraat, de Lindengracht, de
+Anjelierstraat, de Tuinstraat en de Eglantiersgracht, de Leliestraat en
+de Bloemgracht, de Laurier- en zelfs de Rozenstraat. Het geurt en kleurt
+om u heen. Dáár zoudt ge willen wonen. Onder de palmen, tusschen de
+rozen.</p>
+
+<p>Wees voorzichtig. Namen bedriegen. Op de Lindengracht was mijn eerste
+school, en het stonk er. Op<span class="pagenum" title="229"></span><a id="p_229"></a> de Bloemgracht mijn tweede, en het stonk er
+ook. Op de Eglantiersgracht woonden we, en het stonk er afgrijselijk.
+Geen wonder: de gracht was zoo iets als een groep voor het menschelijk
+vee, alle emmers met excrementen uit de heele buurt werden er avond aan
+avond in leeggestort. Die schonken hun geuren aan <span xml:lang="fr">les jardins</span>. Zoo
+leefden we daar tusschen rozen en anjelieren. Ik weet nog, dat er een
+cholera-epidemie heerschte. Duinwater hadden we niet, elken dag voeren
+er schuiten met vaten zuiver drinkwater door de gracht, en terzelfder
+tijd spoelden sommige vrouwtjes hun waschgoed in die grachten uit. 't
+Water zag er altijd vuilzwart: leliën en rozen. En de bakker maakte er
+zijn dweil in nat, waarmee hij den oven &bdquo;reinigde&rdquo; voor ons brood.</p>
+
+<p>Ook de meeste straten waren vuil. Glibberige keitjes tusschen armoedige
+huizenrijen. Wie laurieren en goudsbloemen verwachtte, vond gore
+onderkleeren, afhangend van droogstokken.</p>
+
+<p>Het is nooit verstandig, straten en ook meisjes van die heel mooie namen
+te geven. Men weet niet, of ze de belofte van hun naam vermogen te
+houden en zoo loopen ze gevaar, levenslang, bij iedere kennismaking, in
+zichzelf een teleurstelling aan te bieden.</p>
+
+<p>Allereerst aan het Oranjehuis is het gelukt, een inval te doen in die
+rijen van bloemen en groen. Vroeger heette een der grachten, n.l. de
+Goudsbloemgracht, in den volksmond <i>het Fransche pad</i>. Je had daar, ter
+weerszijden van een drabbig water, smalle, slecht geplaveide wegen.
+Franschen woonden er niet meer,<span class="pagenum" title="230"></span><a id="p_230"></a> wel dieven en ander gevaarlijk volk.
+Wij, jongens, wisten elkaar te vertellen van zulk een held, die, door de
+politie achtervolgd, royaal over de gracht sprong en zoo zijn vrijheid
+redde. Het was &bdquo;De achtkante Boer&rdquo;. Overigens leefde dit Fransche pad
+bij ons alleen voort in een verachtelijken scheldnaam. Wie ons àl te min
+was, scholden we uit voor Franschepatter. In den Haag zegt men tegen zoo
+iemand: stuk vullis.</p>
+
+<p>Het Gemeentebestuur vond het verstandige opvoeding zijner burgerij, de
+gracht van dit Fransche pad te dempen, waardoor het in een breede straat
+veranderde, toegankelijk voor handhavers der orde. Maar het gaf daarbij
+een tweede bewijs van paedagogisch inzicht. Het liet de straat naar
+Koning Willem III vernoemen, door Z. M. plechtig openen, en sedert
+verdwenen de namen van Goudsbloemgracht en Fransche pad voor dien van
+Koning Willemstraat. De Jordaners waren altijd reeds beroemd door hun
+Oranjeliefde, maar nu was Oranje hun een broeder, en meer dan dat.
+Wanneer Koning Willem III zijn jaarlijksch bezoek aan de hoofdstad
+bracht en dan natuurlijk ook in open rijtuig de Willemstraat bezocht,
+spanden zijn trouwe Willemstraters de paarden van den wagen en trokken
+dien zelf in statigen optocht langs hun heirweg. Dat was een jaarlijksch
+verbond tusschen Bokkebek, den Koning van de Willemstraat, en Willem
+III, Koning der Nederlanden.</p>
+
+<p>Wat is een naam? vraagt de dichter.</p>
+
+<p>Een naam is een levenslange ontgoocheling. Maar een naam is ook een eer,
+een verplichting, een verantwoordelijkheid, <span class="pagenum" title="231"></span><a id="p_231"></a>en dan is hij een stuk
+opvoeding. Maak van uw Franschepatters&mdash;Willemstraters.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Zoo ziet men, hoe er uit dien vuilen Jordaan nog paedagogiek kan
+opbloeien. Met de paedagogiek is het trouwens evenals met de poëzie, ze
+schuilt</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+ <span class="i0">Overal, mijn vrinden.<br /></span>
+ <span class="i0">'t Is de vraag maar, wie haar al,<br /></span>
+ <span class="i0">Wie haar niet kan vinden.<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<p>Dat móét immers ook? De paedagogiek is een levenskracht, die in heel de
+menscheid en zelfs in de dierenwereld werkt. Sinds men echter een
+paedagogische priesterschap heeft, die haar paedagogisch leerstelsel
+heeft opgebouwd, is de paedagogiek schuil gegaan, en kost het vaak
+moeite haar op te sporen. Het zuivere hemelwater is tot staande grachten
+geworden, vol menschelijke onreinheid, stinkende van domheid en
+pedanterie. Geef den menschen zoo'n leerstelsel, en zie, wat ze er van
+terecht brengen. Je kunt ze er in examineeren, maar dan&mdash;in de
+practijk&mdash;laten ze het in den steek, omdat het hen in den steek laat. De
+priesters hebben altijd het werk der profeten bedorven. Wie iemand
+paedagogisch wil sterken, brenge hem in aanraking met de paedagogische
+profeten. Van hen gaat kracht uit, die onze krachten wekt en ontwikkelt.</p>
+
+<p>In ieder menschelijk wezen&mdash;en in hoeveel dieren&mdash;leeft <span class="pagenum" title="232"></span><a id="p_232"></a>een
+paedagogisch instinkt. Vandaar dat we overal opvoeding zien, opvoeding
+móéten zien. Naarmate we die opvoeding meer beperken tot een bepaalde
+klasse, zal ze er te treuriger aan toe zijn. Dan verdroogt de
+levenskracht tot schoolmeesterij.</p>
+
+<p>Ziedaar, zelfs Willem III was een opvoeder, toen hij zich door de
+Willemstraat liet trekken. Zonder karton- of houtslöjd paste hij daar de
+zelfwerkzaamheid toe. Hij stelde die mannen in de gelegenheid, iets voor
+hem te <i>doen</i>. Iets dat ze graag deden. Iets dat hen een eer werd, een
+levenslange trots: &bdquo;<i>Ik</i> heb den Koning nog voortgetrokken!&rdquo; Daarmee
+riep hij van het beste wakker, wat in die mannen leefde: huldigende
+toewijding aan Majesteit.</p>
+
+<p>Vischkoopers, kroeghouders, geldschieters in zelfgewilde dienstbaarheid
+zich te doen inspannen voor Majesteit, zij het aardsche, het is een
+begin van zedelijke opvoeding. En het is de bittere fout onzer
+hedendaagsche zoogenoemde democratie, dat ze den eerbied voor Majesteit
+vernietigt. O, ik weet, dat er veel valsche majesteit is, maar daarom
+kan dat eerbiedsgevoel toch echt zijn. En niet die majesteit daar
+buiten, maar dat eerbiedsgevoel daar binnen is de opvoedingskracht.
+Wellicht buigen wij allen voor valsche majesteit, wij blinde zoekers der
+Waarheid. Doch beter is het, een Koningskar voort te trekken, dan den
+zegewagen van de Zelfzucht. Als er maar een element van toewijding is!</p>
+
+<p>Jaren later heb ik in denzelfden Jordaan het zoogenaamde palingoproer
+bijgewoond. Het Gemeentebestuur <span class="pagenum" title="233"></span><a id="p_233"></a>had een aloud volksvermaak verboden,
+waarbij een paling aan een touw boven het grachtwater hing en gegrepen
+moest worden door een onder het touw door varenden man. Zoo iets als het
+katknuppelen, maar weer wat anders.</p>
+
+<p>Het verbod was gerechtvaardigd,&mdash;ofschoon, als men toch beschermen wou,
+er in de gevangenissen en bordeelen heel wat menschen nóg dringender
+behoefte aan hulp hadden dan die paling.</p>
+
+<p>'t Ging echter waarschijnlijk minder om het palingbelang dan om de
+zedelijke opvoeding der Jordaners, die nu toch eindelijk eens afstand
+moesten doen van zoo onmenschelijk vermaak. Afstand, nog eer ze er in
+hun hart afstand van hadden gedaan.</p>
+
+<p>De Jordaners verzetten zich, en soldaten trokken den Jordaan binnen. Het
+werd een formeel oproer.</p>
+
+<p>Natuurlijk wonnen de geweren het en tegenwoordig worden de palingen
+alleen maar levend gevild en in stukken gesneden door de gemoedelijke
+handjes der vriendelijke vischvrouwen. Meneer het Gemeenteraadslid ziet
+het zonder gewetenswroeging aan, zijn kinderen kijken ook met een zeker
+welgevallen. Het vischvrouwtje doet het zoo kwiek, en paling is lekker.
+Maar de Jordaners mogen niet meer &bdquo;palingtrekken&rdquo;, denken er niet eens
+meer aan. Dat is voorbij. Door kogels getroffen.</p>
+
+<p>En dit was nu juist de fout, dat de kogels het geveld hebben.</p>
+
+<p>Er was een betere manier geweest.</p>
+
+<p>Men had er Willem III voor moeten spannen. Gelijk<span class="pagenum" title="234"></span><a id="p_234"></a> de Jordaners Zijne
+Majesteit hadden voortgetrokken, had deze Majesteit&mdash;majesteitelijke
+roeping en roem!&mdash;zich in dienst moeten stellen van hun zedelijk heil.</p>
+
+<p>Men had de voornaamste palingtrekkers moeten opzoeken, hen uitnoodigen
+tot een vergadering ten Raadhuize, en daar had de Burgemeester, ter eere
+der vergadering in ambtsgewaad, moeten zeggen, hoe graag de Koning wou,
+dat dit vermaak uit &bdquo;Zijn Jordaan&rdquo; verdween, om dan te vragen, of de
+mannen daar geen middel op wisten: &bdquo;De Koning vond, dat de Jordaners
+tegenwoordig te hoog stonden voor zulk een toch altijd wreed genoegen.&rdquo;
+En dan had men het daarheen moeten sturen, dat bij het eerstvolgend
+bezoek van Willem III een eere-comité van Jordaners onder leiding van
+Bokkebek, den Koning, &bdquo;het besluit der burgerij&rdquo; meedeelde, om voortaan
+ter liefde van hun vorst en de palingen, niet meer aan het palingtrekken
+te doen.</p>
+
+<p>Dan had men, en waarlijk opnieuw zonder houtslöjd, de zelfwerkzaamheid
+in actie gebracht ten bate van het zelfheil.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Doch wellicht vindt deze of gene, dat deze paedagogiek een politiek
+bijsmaakje heeft, dat zij eigenlijk slinksche middelen gebruikte, en, om
+het maar ineens te zeggen, in haar wezen onoprecht was. Koning en
+Burgemeester zouden zeer goed geweten hebben, dat de Jordaners <i>niet</i> te
+hoog stonden voor dat wreed genoegen, en heel die opgezette komedie zou
+niet anders<span class="pagenum" title="235"></span><a id="p_235"></a> geweest zijn dan een speculeeren op de menschelijke
+ijdelheid, dus op een menschelijke fout.</p>
+
+<p>Laat de Jordaan mij tegen deze bedenking mogen verdedigen.</p>
+
+<p>Het is marktdag en de Noordermarkt is vol kooplui en koopers. Er liggen
+allerlei nuttige en noodige dingen, die de drentelende burgervrouwtjes
+vandaag voor een prijsje willen meester worden. Maar daar staat ook een
+koopman, die iets totaal overbodigs aanbiedt. Niemand zal zoo gek zijn,
+daarvoor zijn geld uit te geven. Zoo meent ge. En de omgeving van het
+kraampje is ook dood van leegte. Maar wacht een oogenblik. De koopman
+begint met rijksdaalders te werken. Hij smijt ze tegen een tafelblad,
+zoodat ze terugspringen, vangt ze op, laat ze rinkelen, gooit ze omhoog,
+weet ze met een sierlijken greep te vangen, en binnenkort staat hij
+midden in een breeden kring van menschen. Eerst kwamen de jongens en
+gaapten zijn kunsten aan, toen ook de mannen en de vrouwen. De blinkende
+geldstukken, neen de wijze waarop de koopman er mee manoeuvreerde, heeft
+het volk doen toestroomen. En onder de hand heeft de kunstenaar, steeds
+oreerende, iets aangeduid van hetgeen hij het achtbare publiek wenscht
+aan te bieden.</p>
+
+<p>Het publiek wacht en kijkt. Het is nieuwsgierig. Maar geen sterveling is
+van plan iets te koopen. Ze hebben hun geld te lief en geven niets om
+die prullen. Doch ze kennen den koopman niet en hun eigen rampzalige
+zwakheid. Hij haalt iets onder zijn tafel vandaan. Een doos. Hij opent
+ze. Het publiek rekt de<span class="pagenum" title="236"></span><a id="p_236"></a> halzen uit om te kunnen zien. Hij neemt iets
+tusschen wijsvinger en duim, maar 't blijft nog verborgen. Nu roemt hij
+de deugden van dit inderdaad buitengewone. Men zou al geld geven, om het
+te mogen aanschouwen. En dan te denken, dat je zoo iets bizonders voor
+luttel geld je kunt toeëigenen. Dat je 't je heele leven kunt meedragen.
+Het is een zeldzaam kansje. En uit een omhulling van rose watten&mdash;zoo
+waardevol bergt men geen prullen&mdash;wikkelt de koopman het wonder te
+voorschijn. En dat kun je nu krijgen voor slechts vijf cent.</p>
+
+<p>De jongens hebben geen vijf cent Zij gapen het wonder maar aan. Doch die
+mannen, en die vrouwen, de centen rammelen al in den zak. Komaan meneer,
+is het niets voor uzelf, dan is het toch voor uw kinderen. Komaan
+juffrouw, u hebt zoo iets toch immers nog nooit in huis gebracht? En
+meneer laat zich verleiden: Vooruit, geef me dan maar zoo'n dingetje. De
+centen telt hij al neer. En de juffrouw laat zich verleiden. En anderen
+volgen. En het is den slimmen koopman gelukt, de menschen zoo ver te
+brengen, dat ze het geld offerden, dat ze noodig hadden en wilden
+behouden, en een prul mee naar huis namen, dat ze niet behoefden en
+eigenlijk zelfs niet eens begeerden.</p>
+
+<p>Die koopman heeft maar één methode: beduvel je menschen.</p>
+
+<p>En die methode heeft succes. Alleen, hij wendt haar aan tot nadeel van
+zijn volk en ten bate van zichzelf. Daardoor is hij geen paedagoog. Maar
+had hij omgekeerd <span class="pagenum" title="237"></span><a id="p_237"></a>het heil van anderen op 't oog en wilde hij daartoe
+zelf offers brengen, dan was hij met zijn methode van &bdquo;beduvel ze&rdquo; een
+geboren opvoeder. Of is het niet onze grootste kunst, kinderen en
+menschen het goede te laten doen, waar ze in hun hart afkeerig van zijn?
+Hen smaak te doen krijgen in hetgeen hen noodig maar niet aantrekkelijk
+is?</p>
+
+<p>&bdquo;Jordaanpaedagogiek!&rdquo; roept hier de echte paedagoog verachtelijk uit.
+&bdquo;Een paedagogiek, die haar achterbuurtsche afkomst niet verloochent. Men
+kan wel zien, dat deze paedagoog een Jordaankind is, bij vunzige
+grachten opgegroeid.&rdquo;</p>
+
+<p>Dat is hij. Maar nu blijkt meteen zonneklaar, dat hij geen paedagoog is,
+hetgeen hij, ziende de echte paedagogen, wel altijd gevoeld heeft.</p>
+
+<p>Stel u voor: de methode van beduvel ze maar. En dat in naam der
+pae-da-go-giek!</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Er was r's een moeder, die altijd 's avonds, als het bedtijd was, tegen
+haar spruit zei: &bdquo;Kom, nu gaan we ons eens lekkertjes uitkleeden en dan
+lekkertjes naar bed.&rdquo;</p>
+
+<p>Nu moet ge weten, dat die spruit het lang niet lekkertjes vond, het
+uitkleeden niet en het naar bed gaan ook niet, en veel liever bleef
+spelen. Maar als moeder dat zoo zei, dan was het net, of er over het
+uitkleeden en naar bed gaan een zekere bekoring kwam, of het vriendelijk
+licht, dat den heelen avond het spel beschenen had, wat draaide en zijn
+schijnsel<span class="pagenum" title="238"></span><a id="p_238"></a> wierp om den stoel waar 't kind zich ontkleedde. Het
+speelhoekje kwam in den schaduw.</p>
+
+<p>Een gewoon mensch, die geen verstand van paedagogiek heeft, begrijpt dit
+best. Er is inderdaad zoo'n lichtje in 't moederhart, en dat straalt
+zijn schijnsel in stemmende woordjes uit. Als moeders zoo iets zeggen,
+verwisselen lust en onlust in 't kindergemoed. Dat is de wonderlijke
+uitwerking van haar woorden.</p>
+
+<p>Maar eigenlijk volgde moeder daarbij die veroordeelde methode van
+je-weet-wel.</p>
+
+<p>Toen kwam moeder eens in aanraking met een echte paedagoog, nog wel een
+moeder, en die keurde de gevolgde manier beslist af. Die deed het
+paedagogisch. Het kind moest op tijd eindigen met zijn spel en dan naar
+bed, lekkertjes of niet. En zoo gebeurde 't ook bij haar kind. Maar 't
+ging altijd met tegenzin; en als 't heel mooi was met gelaten berusting.
+Nooit met een warm gevoel van vriendelijke instemming. Moeder, ik bedoel
+nu de eerste, zag dat, en ze had een buitengewoon respect voor die
+degelijkheid, maar ze bleef toch maar liever bij haar eigen manier: die
+vond ze voor 't kind gezelliger, en eigenlijk ook voor haarzelf.</p>
+
+<p>Doch ik geloof, dat ik haar begrijp. Ze wilde zoo graag, dat het kind
+lekkertjes ging slapen, ze vond het voor 't kind zoo goed als het,
+zonder conflict, in die zachte stemming het spel verving door de
+nachtrust. Ze wist echter wel, dat zoo'n overgang voor 't kind moeilijk
+is, en om het nu daarbij te helpen, kwam ze het kind met háár stemming
+te gemoet. Wat heilzaam was voor 't kind, maar door jeugdige<span class="pagenum" title="239"></span><a id="p_239"></a> kracht nog
+niet spontaan en zonder bijstand ontwikkeld kon worden, kwam nu te
+voorschijn&mdash;en toch <i>in</i> het kind&mdash;door moeders wijze, liefdevolle,
+steunende inwerking. Deze riep in het kind iets wakker.</p>
+
+<p>Neen, dat is geen bedriegen. Met leugens heeft men nooit succes. Die
+mogen ons voor 't oogenblik uit den nood helpen, ze brengen ons in 't
+spinrag der onwaarheid, waarin we steeds meer verward raken.</p>
+
+<p>Die methode van &bdquo;beduvel ze maar&rdquo; bedoelt, het goede in kind en mensch
+op te roepen, dat er in aanleg aanwezig is, en daarmee te overwinnen het
+kwaad dat dreigt of heerscht.</p>
+
+<p>De potentiëele deugd reëel te maken.</p>
+
+<p>Den engel aan te gorden tegenover den duivel.</p>
+
+<p>En daarom moest ze in de paedagogiek eigenlijk heeten: Verengel ze maar.</p>
+
+<p>Dat klinkt echter te mooi voor Jordaanpaedagogiek. We zeggen het daar
+liever wat ruw. Maar we meenen het daarom toch goed. En wellicht dat
+menig onderwijzer, die zijn kinderen dag aan dag moet inprenten, wat die
+schapen absoluut onverschillig is, en die naar zijn zin de medewerking
+dier kinderen bij toepassing der heerschende methoden niet in voldoende
+mate kan winnen, wat meer succes heeft, als hij 't eens probeert met de
+methode van.... doch nu weet hij 't al.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="240"></span><a id="p_240"></a></p>
+
+<h2 id="IN_T_NIEUWE_HUIS">IN 'T NIEUWE HUIS.</h2>
+
+<p>Menige woning is als de schelp van een weekdier. Je kruipt er van voren
+in en dan ontwikkelt zich een stel ruimten, met aan alle zijden wanden.
+Wil je er uit, dan dien je weer terug te kruipen. Toegang en uitgang
+zijn dezelfde.</p>
+
+<p>Dat geeft altijd zoo iets beklemmends. Overal stuit je tegen muren. Als
+de voordeur achter je gesloten is, ben je gevangen. Je bent in een fuik
+gezwommen. Aan den achterkant is geen uitbreken.</p>
+
+<p>Zoo kan je ook zoo leelijk een vereeniging, een partij binnenzwemmen.
+Ben je er eenmaal in, dan kun je geen hand uitsteken, of je slaat tegen
+een muur van het programma. Akelig benauwd. Je dacht je tusschen die
+wanden recht behagelijk en thuis te voelen? Niets er van. 't Zijn
+dwangbuizen voor je geest. Je willen en je denken, je neigingen en je
+inzichten botsen voortdurend tegen de geformuleerde overtuigingen en je
+dankt den hemel, als je er goed en wel uit bent, zij het ook, dat ze je
+door het inkruipgat er principiëel hebben uitgesmeten.</p>
+
+<p>Dan ben je weer heerlijk in de vrijheid.</p>
+
+<p>Het nieuwe huis had gelukkig een achteruitje.</p>
+
+<p>Wanneer je had aangebeld, kwam je in de gang.<span class="pagenum" title="241"></span><a id="p_241"></a> Een zijdeur gaf toegang
+tot de &bdquo;zijkamer&rdquo;. Als kind heb ik bij dezen naam nooit aan de
+eigenlijke beteekenis gedacht. Die zijkamer was de mooie kamer, daar
+stonden de beste meubelen, daar zat je alleen zondags, daar ontving je
+visite. Er was dus iets fijns aan dien naam verbonden, en dit hoorde ik
+in den naam. Ik dácht er niet bij aan zijde en satijn, maar ik kwam er
+bij in een stemming van die stoffen. De zijkamer behandelde je met een
+zekere reverentie, gelijk een zijden japon. Dat was geen stuk
+gemeenzaamheid. En als je tegen een bezoeker zei: &bdquo;Ga u maar even in de
+zijkamer,&rdquo; dan kwam er, en niet alleen door de beleefdheid, iets zijigs
+in je stem.</p>
+
+<p>Ziedaar het effect der klanken. Fijne, mooie, beschaafde klanken kunnen
+beschavend werken door het intoneeren van fijne stemmingen.</p>
+
+<p>Aan 't eind van de gang kwam je door een andere deur in de huiskamer.
+Hier was het, dat we in schemeravond onze liederen zongen, op stoelen en
+op den grond om de kachel gegroept. Vulkachels waren er toen gelukkig
+nog niet. Je moest nog telkens &bdquo;een schepje op de kachel&rdquo; doen, je zag
+den pot gloeien, je zag bij 't poken de vonken vallen, ja zag zoo'n
+heerlijk warmgeel licht uit het pookgat schijnen, altemaal genietingen,
+waarvan de gemakzucht, de techniek, de hygiëne en andere
+ongerechtigheden ons hebben beroofd. Vader stak den pook in de kachel,
+om met de punt zijn pijp aan te steken; een stukje roodvlammend leven
+midden in de duisternis. Onze kinderoogen genoten van alles. Met volle
+teugen dronken <span class="pagenum" title="242"></span><a id="p_242"></a>we de poëzie van dit huiskamerleven in. De zijkamer had
+iets stijfs en kils. Maar de huiskamer&mdash;ze mocht dan laag en donker zijn
+met dat eene raam op den tuin, ze mocht vol rook hangen van Vaders pijp,
+ze mocht door gloeiende kachel, bedstede en nog zoo een en ander een
+benauwde atmosfeer hebben, ze was toch een gezegend oord. Er zweefden
+gezelligheid, vertrouwelijkheid, hartelijkheid. Je voelde je er warm en
+veilig.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Ga nu eens mee voor dat eene raam zitten. Dan zie je tuintjes. Hier vlak
+voor je is ons eigen tuintje. Eerst een plaatsje en daarachter een
+tuintje, beide maar klein. Het plaatsje van groote vierkante tegels, het
+tuintje niet anders dan een lapje zwarte grond. In drie of vier stapjes
+heb je beide doorloopen. Maar toch een tuintje. Een lage, donkere
+schutting scheidt het, rechts, van buurmans tuintje. Daar kun je ook in
+kijken. En dan ligt er weer een, en nog een, en nog een, een heele rij.
+Links staat een vrij hoog houten loodsje van twee verdiepingen, dat daar
+het terrein en alle uitzicht afsluit. Maar achter ons tuintje en dat van
+de buren zie je weer de tuintjes van de achterburen. Die zijn grooter
+dan de onze, want daar wonen rijkere menschen. In hun tuinen staan heele
+boomen, waar de musschen in sjilpen.</p>
+
+<p>Is dat niet een heerlijk bezit? Ruimte, lucht, groen, vogels.</p>
+
+<p>Toen we bij 't verhuizen onze eerste stappen in de<span class="pagenum" title="243"></span><a id="p_243"></a> nieuwe woning zetten
+en ik door dit eene raam keek, wist ik niet wat ik zag. Echte boomen.
+Aanstonds ging ik uit de huiskamer de keuken in, opende een glazen deur,
+liep een trapje af, en stond buiten. Ik keek rond als Columbus. Een
+nieuw werelddeel. En alles even verrukkelijk. Daar was een waterput. Als
+je er op ging staan, kon je over de schuttingen kijken. Ik deed het. Wát
+een ruimte! En hoor die vogels! Misschien kon je ze lokken en kwamen ze
+ook hier in den tuin. Dan was je heelemaal buiten.</p>
+
+<p>Wanneer ik nú ons tuintje zag en daar mijn buitengenietingen moest
+maken, zou ik me zeker erg mistroostig voelen. Ik ben nu, helaas,
+zooveel beter gewoon. Maar toen? 't Was voor 't eerst van mijn leven,
+dat we de weelde van zoo'n tuin hadden. En dan is ieder plekje grond een
+verrukking. Vader nam natuurlijk den aanleg van 't geheel voor zijn
+rekening. Die goede man genoot niet minder dan wij. Als een kind was hij
+in zijn schik. De winkel met al zijn zorgen lag achter hem. Doodarm had
+hij dien verlaten. Hij had een soort betrekking gekregen aan &bdquo;'t Heeren
+Logement&rdquo;, een inrichting waar allerlei inboedels verkocht werden, een
+venduhuis. Hij verdiende er luttel. Maar de kwellende angsten van den
+verloopenden winkel was hij kwijt, en nu genoot hij inderdaad als een
+kind.</p>
+
+<p>&bdquo;Tegen die schutting zullen we lathyrus zetten.&rdquo; Ik hoor het hem nog
+zeggen. Het pijpje in den mond, het onmisbare &bdquo;krommertje&rdquo;, scharrelde
+hij nu over het plaatsje, in 't schuurtje, door den tuin. Een spa<span class="pagenum" title="244"></span><a id="p_244"></a> en
+een hark had hij al weten machtig te worden. En daar spitte en harkte
+hij al zijn zorgen mee weg, in misschien twaalf vierkanten meter zwarten
+grond. Ik zie hem nog alle steenen en vuil opruimen, een perkje
+aanleggen, een paadje plat trappen. En ik mag hem helpen. Ik ga met hem
+mee naar de Bloemmarkt, op den Singel bij de Munt, wat planten koopen en
+zaad. De namen &bdquo;geranium&rdquo; en &bdquo;lathyrus&rdquo; met de spelling er bij heb ik
+toen geleerd. Vaders liefhebberijen wekten en bevredigden mijn
+leergierigheid.</p>
+
+<p>Een nieuw huis, een nieuwe omgeving, een nieuw leven. Uiterst bescheiden
+in zijn behoeften, was Vader gauw voldaan en gelukkig. Als die ellendige
+geldzorgen maar niet drukten. Daarvoor alleen was hij bang. Hij was
+absoluut geen man, om zelfstandig zaken te drijven. Hij was een model
+van trouwe gehoorzaamheid, een uitstekend dienaar. En zoo was hij dan
+nu, bevrijd van zijn bezit, ontheven van zijn verantwoordelijkheid,
+onttroond als chef, den koning te rijk. Menigeen krijgt het beter door
+een vermindering. Waarom zoeken de menschen toch zoo vaak hun ongeluk in
+een levenspositie, te groot voor hun aanleg?</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>We woonden in de Nieuwe Leliestraat. Vader had een gering inkomen. Waar
+leefden we dan van? Christine, de oudste, ging in een betrekking, voor
+nacht en dag, als winkeljuffrouw. Dan had ze tenminste goede
+huisvesting, goeden kost, en wat geld voor haar kleeding. Maar dat geld
+ging meer naar Moeder<span class="pagenum" title="245"></span><a id="p_245"></a> dan naar de kleederwinkels. Het lieve meisje kon
+het niet voor haarzelf besteden, als ze wist dat Moeder &bdquo;zonder een cent
+zat&rdquo;. En dan worden zulke meisjes wel eens beschimpt, omdat ze er zoo
+kaal uitzien.</p>
+
+<p>Daarbij begon de oudste zoon al wat te verdienen en waren er twee
+kostjongens. Op die manier scharrelden we er doorheen.</p>
+
+<p>Hoewel ik toen pas 10 jaar was, wist ik toch precies en weet ik nu nog,
+hoeveel er elke week inkwam. Ik weet zelfs, hoeveel kostgeld er voor die
+twee jongens werd betaald. In de armoede leven de kinderen veel meer met
+het gezin en zijn nooden mee, dan in de welvaart. Hoeveel kinderen in
+den gegoeden stand van 10, neen 20 jaar, hebben een flauw besef van wat
+Vader verdienen moet, om het gezin te onderhouden, zijn jongens te laten
+studeeren? Daar leven de kinderen zoo zeer in de onbezorgdheid, dat het
+wel eens in de zorgeloosheid wordt. Zij spelen student, maken
+naaistersrekeningen, zonder ooit &bdquo;te rekenen&rdquo;. Dat geld komt er wel,
+daar bekommeren ze zich niet om. Zoo leeren ze niet waardeeren de
+inspanning der ouders, niet kennen de waarde van 't geld, en verstaan
+niet tijdig de kunst evenwicht te bewaren tusschen inkomsten en
+uitgaven. Armoede is een opvoedster voor 't leven, kan het althans zijn.</p>
+
+<p>Zullen we nu zeggen: we moeten de armoede zoeken, opdat we in haar een
+goede opvoedster voor onze kinderen hebben? Dat nooit, daartoe gaat ze
+met te veel bittere ellende gepaard: ziekte, angst, vernedering. Maar
+wel acht ik een sobere levenswijze zeer gewenscht, <span class="pagenum" title="246"></span><a id="p_246"></a>en daarbij zulk een
+samenleven van oud en jong, dat de jongeren geleidelijk en als vanzelf
+in de levenspraktijk komen. De kinderen mogen gerust weten wat dit en
+dat kost, en dat er maar zóóveel beschikbaar is, en dat we ons deze of
+gene zelfs kleine weelde moeten ontzeggen. Vele ouders houden zich
+echter liever groot voor hun kinderen; andere bewaren een zekere
+geheimzinnigheid: &bdquo;zulke dingen gaan den kinderen niet aan&rdquo;, nog andere
+kunnen hun kinderen niet gelukkig maken zonder ze te overladen. Met
+zorg? Kun je denken. Met heerlijkheden.</p>
+
+<p>Nood leert bidden <i>en werken</i>. Zorg leert zorgen. En het kan voor een
+kind niet anders dan goed zijn, als het intieme gezinsleven, rekening
+houdend met kinderkrachten, het kind actief betrekt in zijn
+moeilijkheden. Dat is ook een &bdquo;leeren door doen.&rdquo;</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Ik zie, nu al bijna dertig jaar, hoe zeer vele ouders mijner leerlingen,
+menschen die er geldelijk volstrekt niet slechter bij staan dan
+ind'rtijd mijn ouders, hun jongens zoo gauw mogelijk uit geldverdienen
+sturen en er niet aan denken die kinderen een vak te doen leeren.
+Jongens, die goed het zesde leerjaar hebben doorloopen, worden eenvoudig
+loopjongen in een winkel. Bij uitzondering gaat er een naar de
+ambachtsschool, en al hun kennis van taal, rekenen, geschiedenis,
+aardrijkskunde zijn ze binnen eenige maanden verloopen in hun nieuwe
+wereld van belangen. Die laten ze graag slippen bij al hun gesjouw door
+de stad.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="247"></span><a id="p_247"></a></p>
+
+<p>Hoe kwam het nu, dat mijn ouders, onder alles door, zoo trouw zorgden
+voor goede scholen en twee hunner jongens de heele ambachtsschool lieten
+doorloopen, terwijl de derde voor onderwijzer mocht leeren, d. w. z.
+vóór zijn achttiende jaar bijna niets thuis bracht?</p>
+
+<p>Ik meen hier een leerzaam verschijnsel te ontdekken. Vader en Moeder
+hadden het wel heel zorgvol, maar niet door eigen lakschheid, niet door
+eigen geestelijk of zedelijk onvermogen. Beiden waren van goede afkomst,
+beider familiën behoorden tot dat deel van den burgerstand, waaruit
+dokters, notarissen, predikanten, handelaars voortkomen, beiden hadden
+een ontwikkelde opvoeding genoten. Maar Vader leed aan toevallen en al
+zijn bekwaamheid en braafheid konden hem niet in een betrekking
+handhaven. Daar zat de hoofdoorzaak van den achteruitgang. Voor
+winkeldrijven had de goede man niet de noodige talenten&mdash;men is koopman
+of men is het niet&mdash;en iederen anderen werkkring bekleedde hij slechts
+zoo lang, tot hij in zijn arbeid een toeval had gekregen. Daar waren de
+menschen bang voor, patroons zoowel als mede-ondergeschikten, en Vader
+werd ontslagen. Later hoop ik van deze bittere ellende voor die twee zoo
+goed kunnende en zoo goed willende menschen iets meer te vertellen, maar
+nu moest ik reeds het feit mededeelen. De <i>oorzaak</i> der armoede is van
+overgroot belang voor de opvoeding en de toekomst der kinderen. Moreele
+en geestelijke verslapping laten de kinderen los, in wie vaak reeds
+dezelfde lakschheid en lamlendigheid <span class="pagenum" title="248"></span><a id="p_248"></a>huizen. Maar mijn ouders behielden
+onder allen tegenspoed hun energie, lieten zich niet wegzinken,
+trachtten zich aldoor op te houden en op te werken, kampten alleen tegen
+een overmachtigen vijand, doch hielden den strijd vol tot hun kinderen
+volwassenen waren; ze offerden die kinderen niet op, maar zochten er van
+te maken wat onder de gegeven omstandigheden maar eenigszins mogelijk
+was, ja, beproefden in hun kinderen de verloren maatschappelijke positie
+te herwinnen.</p>
+
+<p>En dat is hun gelukt Dat hebben ze nog mogen beleven. In hun
+maatschappelijken strijd ging het eerst al maar naar beneden: er werd
+kind op kind geboren, tot zeven toe, en betrekking na betrekking
+verloren. Daarna bleef het jarenlang worstelen in de diepte. Maar toen
+ging het geleidelijk omhoog: de kinderen werden grooter,
+en&mdash;wonderbaar&mdash;de toevallen bleven na het 50ste jaar weg. Zoo hebben
+Vader en Moeder het in de laatste periode van hun leven nog heel goed
+gehad, beter dan ooit in hun huwlijksjaren&mdash;hoofdzakelijk ten gevolge
+van de in hen wonende onuitroeibare energie, die zich zoo heel duidelijk
+openbaarde in dit eene feit, dat ze hun jongens, te midden van groote
+geldzorgen, niet opofferden aan het heden, maar deden opleiden voor de
+toekomst.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Het verschil tusschen den wijze en den dwaas, zei iemand mij eens,
+bestaat hierin, dat de eerste een betrekkelijk klein genot van het
+oogenblik weet prijs<span class="pagenum" title="249"></span><a id="p_249"></a> te geven voor een betrekkelijk groot genot in de
+toekomst. Dwaas was Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor een
+schotel linzensoep. En de hoogste wijsheid sprak uit het woord, dat wie
+zijn leven om Christus' wille durfde verliezen, het leven eerst recht
+winnen zou.</p>
+
+<p>Ik houd niet van de woorden wijs en dwaas in dit verband. Ze zijn me te
+berekenend. Jacob, rustig overleggende bij Ezau's honger, zelf in stilte
+hongerend naar diens eerstgeboorterecht, en heel verstandig gebruik
+makende van de gelegenheid, is mij hierin meer antipathiek dan zijn
+kortzichtige broeder. Ezau zag, slaaf van het lagere, op dit oogenblik
+het hoogere niet. Jacob zag dit zoo goed, dat zijn wijsheid niet
+terugdeinsde voor iets eigenlijk veel lagers: het uitbuiten van de
+zwakheid zijns broeders.</p>
+
+<p>En toch is het waar, dat men voor het heden de toekomst moet koopen.
+Maar dat moet niet geschieden in welwijze berekening, wier egoïsme zelfs
+geen oog heeft voor de belangen der naasten en deze baatzuchtig opzuigt,
+maar in krachtsontplooiing, die&mdash;uitwerking van innerlijke
+spanning&mdash;alle moeilijkheden van het oogenblik trotseert en zelfs zoekt.
+Het mag niet heeten: dáár is mijn <i>doel</i> en daarom <i>zal</i> ik in
+vredesnaam deze plichten maar vervullen. Doch het moet wezen: in die
+<i>richting</i> leidt mijn leven en nu <i>kan</i> ik niet anders dan worstelend
+voortgaan, zij het, dat ik worstel tot den einde toe, zij het ook, dat
+ik worstelend bezwijk.</p>
+
+<p>Omdat in het leven mijner ouders waardevolle<span class="pagenum" title="250"></span><a id="p_250"></a> krachten werkten, konden
+zij jarenlang zoo vele en schier onoverwinbare tegenspoeden
+doorworstelen, gelijk de wortels van gezonde planten steenen doordringen
+en ten slotte zelfs rotsen doen splijten. En omdat die krachten zoo
+menigmaal ontbreken, zinken anderen in steeds dieper armoede en ellende
+weg. Dat is natuurlijk voor niemand een reden tot verhoovaardiging en al
+evenmin tot hulpweigering. Maar dat dringt ons bij iederen ernstigen
+bijstand, die niet helpende afschuift maar helpende aantrekt, te
+onderzoeken naar de oorzaken der heerschende ellende en
+dienovereenkomstig middelen aan te wenden. Het voornaamste middel zal
+dan wel steeds blijken: gelegenheid bieden tot krachtsontwikkeling, al
+zijn de aanwezige krachten ook nog zoo miniem.</p>
+
+<p>En hieruit volgt voor onze opvoeding, dat we, in huis en in school, toch
+voornamelijk moeten zorgen voor het <i>groeien</i> der kinderen, zoodat er
+krachten in hen uitwassen. Geen groei zonder arbeid, die de krachten aan
+'t werk zet. En daarom: laat ze werken, werken.</p>
+
+<p>En hieruit volgt voor onze philantropie, dat we&mdash;tenzij aan afgeleefden
+en zieken&mdash;nooit slechter kunnen helpen dan door te geven.</p>
+
+<p>Het vraagstuk van het pauperisme is een ontzettend moeilijk probleem.
+Maar de oplossing kan nooit gevonden worden in het verstrekken van
+&bdquo;brood en spelen&rdquo;. Daarmee gaat het volk ten gronde. Er is maar één
+middel om aan de aarde het brood te ontworstelen: De hand aan den ploeg.
+Alleen werkende zegeviert de arme op de armoede.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="251"></span><a id="p_251"></a></p>
+
+<h2 id="VAN_EEN_VLOEK_EEN_ZEGEN">VAN EEN VLOEK EEN ZEGEN.</h2>
+
+<p>Och, mijn goede vader! Van die koopziekte was hij nog niet genezen. Hij
+had het in de krenten en de rozijnen nu toch zoo volmaakt afgelegd. De
+onopengesneden afleveringen van &bdquo;De Aarde en hare Volken&rdquo; en het
+&bdquo;Bijbelsch Magazijn&rdquo; waren als stomme aanklagers mee verhuisd. En toch
+bezweek hij weer. Neen, dat kwam niet, omdat hij het zocht. De goede man
+ging nooit op koopen uit. En hij had wel een portemonnaie op zak, maar
+er zat nooit geld in. Van schulden maken had hij bovendien een afkeer.
+Maar het zocht hem.</p>
+
+<p>Laat ieder eens eerlijk zijn eigen leven nagaan. Dan zal hij zien, hoe
+hij door dat leven een of ook eenige gebreken meedraagt, inwonende
+neigingen, die als erfhonden rustig in hun hok blijven liggen zoolang er
+niemand vreemds op 't erf komt, maar aanstonds opschrikken en opspringen
+als ze naderende voetstappen hooren. Geen goed beginsel is zoo waaksch
+als deze booze begeerten. En nauwelijks zijn ze gewekt, of ze
+beheerschen ons.</p>
+
+<p>We zijn niet zoo bedorven, dat we het kwaad zoeken. Maar we zijn slecht
+en zwak genoeg, om ons door 't kwaad te laten vinden als 't ons zoekt.
+En dat<span class="pagenum" title="252"></span><a id="p_252"></a> doet het. Op allerlei onverwachte oogenblikken loopt het ons erf
+op. En als de lusten dan wakker worden, het is niet om als een trouwe
+hond den verleider aan te vallen en te verjagen, maar om door hem te
+worden gestreeld. Het is ook zoo heerlijk, zich zachtjes te laten gaan
+onder de zoet-behagelijke bevrediging onzer sluimerende verlangens. Adam
+en Eva gaan er niet op uit, gedreven door slechte driften. Ze zijn
+volkomen gelukkig en denken niet eens aan kwaad. Argeloos dwalen ze door
+den hof, rustig genietende van de balsemende atmosfeer, de harmonieuse
+omgeving, en den stillen vrede des gemoeds. Maar dan komt de verleider
+tot hen en hij vindt ze niet, als later Jozef, met een onwankelbaar:
+&bdquo;Zou ik zulk groot kwaad doen en zondigen tegen God?&rdquo; Hij vindt ze niet,
+als later Jezus, met een onwrikbaar: &bdquo;Ga weg van mij, Satan!&rdquo; Maar hij
+vindt ze bereid tot redeneeren. En wie eenmaal met den verzoeker aan 't
+redeneeren gaat, verliest het, onverbiddelijk. Hij is een fijn
+redeneerder en ons, door lusten beneveld verstand, veel te slim af.
+Luister niet naar hem. Luisteren is vallen.</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Waarom moest mijn vader nu juist een betrekkinkje krijgen aan dat
+venduhuis? Daar woonde hij dag aan dag de verkoopingen bij, en daar zag
+hij, hoe waardevolle dingen voor luttele bedragen van de hand gingen.
+Dat kon hij niet laten passeeren, dan waagde hij ook een bod, en dan
+kreeg mijn moeder allerlei overbodige meubelen thuis. Zoo raakte de<span class="pagenum" title="253"></span><a id="p_253"></a>
+brave man wezenlijk aan 't speculeeren, want hij kocht voorwerpen tegen
+lagen prijs, met de stellige verwachting die eenige dagen later tegen
+hooger prijs weer te verkoopen&mdash;'t was zonde, zulke koopjes te laten
+gaan&mdash;en daarmee raakte hij in de schuld.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Men begrijpt natuurlijk dat ik dit niet vertel, om mijn braven vader
+jaren na zijn dood te bekladden. Wanneer de lezers van hem een anderen
+indruk krijgen dan dien van een groot, naïef kind, dan heb ik hem niet
+goed geteekend. Hij was de rechtschapenheid zelf en behalve een paar
+driftvlaagjes was zijn grootste fout: een beetje te veel goed vertrouwen
+in zijn geslepen en hardvochtigen medemensch. Die kooplust was voor een
+groot deel averechtsch handelsgenie. Hij dacht daarbij erg slim te werk
+te gaan, maar werd steeds zelf het slachtoffer van berekenender naturen,
+die er hun voordeel bij hadden, hem in zijn ongeluk te laten loopen, of
+daarin te brengen. Hij was uiterst fijn van geweten, en werd de dupe van
+gewetenlooze harteloosheid. Eerlijk tot op een spijkerkop, was hij een
+gezochte buit voor dat heirleger maatschappelijke parasieten, dat ook
+uit de armste organismen nog levenssappen weet weg te zuigen. Doch, wat
+nu het wonderbaarlijke is, waar dit hem natuurlijk vaak in geldelijke
+moeilijkheden bracht&mdash;juist hem, den fijngevoelige, den argelooze, den
+ridderlijke&mdash;daar groeiden uit die moeilijkheden bijna altijd mooie
+levenservaringen. Ik geloof vast, dat de kapitalen, in<span class="pagenum" title="254"></span><a id="p_254"></a> kroegen en
+bordeelen verdiend, moreele ellende in de familiën brengen, en een
+mijner schoonste jeugdherinneringen dank ik aan de verliezen dier
+onpractische natuur, die zich onvoorzichtiglijk op het gladde ijs der
+zakenwereld waagde, en wiens zelfoverschatting&mdash;voorzeker een fout&mdash;zoo
+aandoenlijk werd goedgemaakt door de kinderlijke deugden van een
+onbedorven gemoed. Eer ik echter mijzelf nog eens verkwikken wil in die
+schoone heugenis, moet ik een ander deel kinderzaligheid voor u
+uitspreiden op onze tuintafel.</p>
+
+<p>Zoodra er gebeld werd en een beladen handkar voor de deur stond, wist
+Moeder al hoe laat het was. &bdquo;Juffrouw, dit komt van de verkoopening, van
+Meneer zelf,&rdquo; zei de bezorger, en Moeder had weer iets, vaak iets heel
+onpractisch, aan te nemen en op te bergen. Zoo verscheen er op zekeren
+dag een reusachtige tuintafel: een groot, groen, vierkant houten blad op
+een ijzeren onderstel met cirkels en krullen en vier gekrulde pootjes.
+Het ding kwam zeker uit een grooten tuin, maar Vader had het prachtig
+gevonden voor ons plaatsje en het daarom gekocht en per handwagen naar
+de Leliestraat gestuurd. Moeder was eigenlijk recht boos met deze
+zending van de &bdquo;verkoopening&rdquo; en ze wou dat &bdquo;Meneer zelf&rdquo; maar wat
+minder koopgauw was. Doch ze kon de tafel toch niet terugsturen en liet
+haar dus naar het plaatsje brengen, waarvan ze een al te groot deel in
+beslag nam.</p>
+
+<p>Maar wat heb ik op die tuintafel genoten!</p>
+
+<p>Het was nog in den tijd, dat de handenarbeid zich<span class="pagenum" title="255"></span><a id="p_255"></a> beperkte tot het spel
+en nog niet de scholen was binnengedrongen om zich daar te laten
+fatsoeneeren. Ze leefde nog vrij, als een heidensch natuurkind, liep,
+dartelde, sprong, precies zooals ze wou. Zelfs was ze nog niet gedoopt,
+en geen sterveling dacht er aan, dat ze eenmaal dien uitheemschen naam
+Slöjd zou ontvangen met daarnaast den deftigen van Handenarbeid. Ze
+heette.... ja, ze heette eigenlijk heelemaal niet. Ze was innig
+opgenomen in allerlei hulp aan Vader en Moeder, en in allerlei spel op
+straat en in de huiskamer. Uit die natuurlijke verbinding was ze nog
+niet als zelfstandig element naar buiten gekomen om onder de verzorging
+der deskundigen als een apart wezentje in een eigen zondagsch pakje
+netjes de wereld te worden ingestuurd. Ze was nog zoo zonder pretentie,
+zonder opdringerige braafheid, ze was nog zoo <span xml:lang="de">anspruchslos</span> en
+aantrekkelijk.</p>
+
+<p>Wanneer we voor onze zondagscent geen drop of zoethout kochten, was het
+omdat de Pruisische <span xml:lang="de">Uhlanen</span> ons te machtig waren. Die hingen in heele
+rijen op prenten voor de winkelruiten. En daarnaast de huzaren op
+dravende paarden. En ook de vliegende trein, kanonnen en kruitwagens,
+door zes paarden getrokken. De geheele Duitsche armee boeide onze oogen
+dermate, dat de snoepgoedwinkel het aflegde: het lager zinnelijk
+begeeren werd overwonnen door hooger lust&mdash;een stuk moreele
+opvoedingstheorie, dat je zoo maar zonder universiteit, professor en
+lijvig boekdeel ontving, dat de simpelste ervaring aan een eenvoudig
+menschenkind gratis thuis stuurde, zelfs in<span class="pagenum" title="256"></span><a id="p_256"></a> een achterbuurt. Je had het
+als 't ware maar van de straat op te rapen. Voor onze zondagscenten
+kochten we legermachten, liefst ongekleurde, en verfden die. Een
+bescheiden verfdoosje&mdash;als we 't niet op onzen verjaardag
+kregen&mdash;brachten we ook zelf met centen en halvecenten bijeen. Je kon
+losse verfjes koopen van allen prijs en in alle kleur, en evenzoo
+penseelen. Ik zie ons nog in den winkel uitzoeken: karmijnrood,
+marineblauw, geliefde kleuren, waarvan de naam ons reeds zoet in de
+ooren klonk. En al lieten die goedkoope penseeltjes ook vaak een haar
+los, al &bdquo;haarden&rdquo; ze, we deden het er toch mee, we kleurden er te
+voorzichtiger om. O weelde der wijsheid bij schraalheid der centen!</p>
+
+<p>Als de uniformen dan gekleurd waren, plakten we mannen en paarden en
+wagens op dun bordpapier&mdash;er waren altijd wel oude doozen en Moeder
+kookte graag wat stijfsel voor ons. Daarna werden ze netjes uitgeknipt:
+voorzichtig, uiterst voorzichtig, met die natuurlijke voorzichtigheid,
+die ieder kind aangeboren is&mdash;niet waar, lieve Sien?&mdash;eer ouderlijke
+angst en meesterlijke bemoeizucht ze heeft verlamd met waarschuwing,
+bedreiging en verbod, en dan gingen er houten blokjes achter, zoodat ze
+staan konden.</p>
+
+<p>Lieve Sien, neem me niet kwalijk, dat ik jou daar zoo ineens midden
+tusschen mijn huzaren haal. Maar toen ik daar zoo stil aan 't uitknippen
+was, en al mijn aandacht wijdde aan de teugels der paarden, zoodat die
+als sierlijke lijnen mooi bij den bek neerhingen, en toen ik ál mijn
+geestelijke energie in vingerbeheersching <span class="pagenum" title="257"></span><a id="p_257"></a>concentreerde, om, alleen uit
+eigen volkomenheidszucht, geen knipje te veel te doen, toen dacht ik
+plotseling aan jou. Toen was ik weer dien zondagmiddag bij je ten eten,
+en toen zag ik weer je driejarig kereltje&mdash;driejarig!&mdash;de borden&mdash;de
+mooie borden!&mdash;een voor een uit de kast halen, er mee door de kamer
+waggelen, ze netjes op de tafel zetten. &bdquo;Hij hielp zijn moeder.&rdquo; Wat heb
+ik toen genoten. Wat een lieve, lieve spanning in dat gezichtje, in die
+armpjes, in die beentjes, in die heele houding! En hoe zongen de zuchten
+een jubel van kindertriomf, telkens als er een reisje van de kast naar
+de tafel was volbracht. Sientjelief, dat was nu paedagogiek, waar ik de
+heele wereld wel op had willen trakteeren, tot de paedagogenwereld toe.
+En als je jarig bent, krijg je van mij de Paedagogische Encyclopedie van
+Prof. Rein cadeau. Niet om er in te lezen&mdash;de hemel beware me!&mdash;maar om
+er je lieve Henkie mee te laten sjouwen, van de kast naar de tafel, en
+van de tafel naar de kast. Wat zal dat een lekker speelgoed zijn, al die
+dikke deelen! En dan haalt Henkie er nog meer paedagogiek uit dan zijn
+vader!</p>
+
+<p>Hoeveel moeders durven hun kinderen zoo op te voeden? Met zulk een
+vertrouwen in de kinderlijke eigenschappen? Met zulk een absoluut hooger
+schatten van een kind boven een bord? Wie 't probeeren wil, moet zelf
+rustig, kalm, geduldig zijn, stil met zijn kind meeleven, niets aan 't
+kind opdringen, vooral niet wat het kind uit eigen beweging al wil en
+doet,<span class="pagenum" title="258"></span><a id="p_258"></a> en niet boos wezen, <i>als</i> er door een ongelukje eens iets mocht
+breken.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>En nu aan 't oorlogen!</p>
+
+<p>Doch waar zou de veldslag geleverd worden? Waar was het terrein,
+uitgestrekt genoeg om deze talrijke troepen in twee partijen op te
+stellen en te doen strijden? De kamervloer? Maar daar liep iedereen. De
+aanrechtbank in de keuken? Daar moest telkens gewerkt worden. Hebt ge
+wel eens gezien, hoe zulke jongetjes met hun schatten alle ruimten
+rondscharrelen, om ergens een goed speelhoekje te vinden? De volwassenen
+kijken hen meestal voorbij, grauwen ze weg, zijn te vol van eigen
+belangen om oog voor de kinderen te hebben. Maar Vaders kooplust had mij
+mijn strijdveld bezorgd. Dat tuintafelblad was&mdash;nu in mijn
+herinnering&mdash;van reusachtige afmetingen. Er kon een heel Waterloo worden
+afgespeeld.</p>
+
+<p>Naast ons woonde een heel net en rustig gezin met veel meisjes en één
+jongen. Die jongen keek eerst, klom toen over het lage schuttinkje, en
+we waren twee veldheeren, die onze troepen tegen elkaar aanvoerden. Er
+werden toen ter tijd kleine kanonnetjes verkocht, waarmee je echt
+schieten kon. We bedelden en spaarden net zoo lang, totdat we er een
+paar machtig waren, laadden ze met kleine groene erwten en vuurden ze op
+den vijand af. Elke held, die omkantelde, was voorloopig dood.</p>
+
+<p>Maar die kanonnetjes schoten niet krachtig genoeg.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="259"></span><a id="p_259"></a></p>
+
+<p>Daarom verschaften we ons koperen en glazen buizen&mdash;erwtenblazers&mdash;en
+joegen daardoor met de kracht van onzen eigen adem de groene
+projectielen tegen de papieren heldhaftigheid. Nu ging het beter. We
+zagen hooge ruiters wankelen, vallen en in hun val anderen meeslepen.
+Dat was een heerlijk gezicht. Van het aantal gesneuvelden hing het af,
+aan welke zijde tenslotte de zege verbleef. En we bliezen met een
+hartstocht en een volharding, alleen geëvenaard door de toewijding en
+het geduld, waarmee we eerst al die benden hadden gekleurd en geknipt.</p>
+
+<p>Doch stond ooit de vernielzucht op het oorlogsveld stil? Er was ook bij
+ons climax in de wapenen. De proppenschieter kwam in 't vuur. Dat was
+een geweldenaar. Die richtte heele tooneelen van verwoesting aan.
+Wanneer de kurk uit het nauwkeurig gerichte kanon werd afgeschoten, deed
+hij zelfs een heel vijandelijk kanon omtuimelen. En als de strijd te
+lang onbeslist bleef, konden alleen de bommen der proppenschieters hem
+beslechten. Die moesten dan ook aan 't werk, en de doffe tikken van kurk
+tegen karton donderden onafgebroken door de vijandelijke gelederen.</p>
+
+<p>Dikwijls bracht de duisternis pas een einde aan den strijd. Dan werden
+mannen en paarden en kanonnen in hun onderscheidene doozen gelegd.
+Gesneuvelden en overlevenden, winners en verliezers, lagen daar plat en
+vredig op elkaar, zoo, dat de blokjes der voeten netjes tegen elkaar
+aansloten. En dan gingen de veldheeren naar binnen en slapen. De eene
+klom over het<span class="pagenum" title="260"></span><a id="p_260"></a> lage schuttinkje, terug naar zijn eigen heim. De ander
+sleepte de doozen mee. &bdquo;Adjuus!&rdquo;&mdash;&bdquo;Adjuus!&rdquo;&mdash;&bdquo;Kom je morgen weer
+vroeg?&rdquo;&mdash;&bdquo;Ja, als ik kan.&rdquo;&mdash;Twee keukendeuren klapten toe, en het groene
+slagveld lag in den donkeren nacht, leeg en verlaten.</p>
+
+<p>Had die groote tuintafel ooit beter plaatsje kunnen krijgen dan hier,
+waar ze veel te groot was voor de kleine ruimte? Ze bracht duizendvoude
+rente op in een heirleger van gewonden en gesneuvelden. En &bdquo;Meneer zelf&rdquo;
+mocht er voldoening van hebben, dat hij &bdquo;dat bakbeest&rdquo;&mdash;met welken naam
+Moeder het eerst begroet had&mdash;van de &bdquo;verkoopening&rdquo; naar de Leliestraat
+had gestuurd. Hij heeft er twee jongensharten mee verrukt.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Verrukt?</p>
+
+<p>Zeg liever bedorven.</p>
+
+<p>Jongens mogen niet soldaatje-spelen, want dan groeit de moordlust in hen
+aan, raken ze vertrouwd met doodslag en bloed, en, en, en....</p>
+
+<p>Zoo fantaseert het principe.</p>
+
+<p>Maar die eene jongen is nu al lang een braaf dokter in de hoofdstad des
+rijks, die dag aan dag zich inspant om zieken te genezen, levens te
+redden. En die andere heeft later, toen hij zoo wat twintig jaar was,
+gedichten tegen den oorlog geschreven, waar alle kanonnen door overstemd
+hadden behooren te worden, als kanonnen niet de onbescheidenste
+bulderaars van de wereld waren.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="261"></span><a id="p_261"></a></p>
+
+<p>Men moet niet zoo vertrouwen op het <i>fantaseeren der principes</i>, al
+noemt men dit ook, met veel aplomb, <i>logisch redeneeren</i>. Je ziet het
+immers in de politiek? En in den strijd der vakvereenigingen? En in de
+paedagogiek? &bdquo;Logisch redeneerende&rdquo;, uitgaande van een &bdquo;zuiver
+beginsel&rdquo;, zet men de heele maatschappij recht, dwingt men alle
+verhoudingen, voedt men de kinderen tot engelen op; doch enkele simpele
+feitjes, door het verheven principe hooghartig voorbijgezien, zijn
+sterker dan het geweldigst principe, en maken ten slotte het
+schijn-succes tot een nederlaag.</p>
+
+<p>Zulke ervaringen deden het voorgeslacht al uitroepen: De mensch wikt,
+God beschikt.</p>
+
+<p>Volgens de zuiverste logica moest die overbodige tuintafel een oorzaak
+van groote narigheid zijn, en zie, ze werd ons de oplossing van het
+probleem, hoe de beschikbare legers, tusschen de ongeriefelijkheden van
+onze omgeving, een slagveld konden vinden. Als je eenmaal legers hebt,
+dienen ze dan toch te vechten. En hoe vecht je zonder terrein?</p>
+
+<p>En volgens dezelfde logica had die kooplust mijn vader in de gevangenis
+moeten brengen, en zie, ze bracht ons in aanraking met het christendom.</p>
+
+<p>Dat ging zoo.</p>
+
+<p>Bezwijkende voor de dagelijksche verzoeking, had Vader, gelijk ik reeds
+vertelde, menig stuk gekocht met de bedoeling het straks bij gunstiger
+markt, weer te verkoopen, en zoo was hij op zijn manier aan 't
+speculeeren en natuurlijk in de schuld geraakt. Die schuld was gaandeweg
+gestegen tot een bedrag van<span class="pagenum" title="262"></span><a id="p_262"></a> misschien een paar honderd gulden, en
+vroeg, gelijk schulden dat zoo plegen te doen, op haar tijd om
+aflossing. Maar de eerzame schuldenaar kon zijn schuldeischer, den
+makelaar der verkooping, niet anders aanbieden dan de opgestapelde
+schatten die hij zelf gekocht had en die nu vruchteloos naar een nieuwen
+kooper uitzagen. Hiervan was de makelaar niet gediend: die goederen
+waren eenmaal gekocht en geleverd, het geld moest er zijn, zaken zijn
+zaken. En Vader zat in de ellende. O, wat was de goede man prikkelbaar
+in zulke tijden. Ik weet dat nog zoo best. En hoe zenuwachtig stond
+Moeders gezicht. Wij kinderen voelden mee de hopeloosheid van 't geval:
+een som geld op te brengen, die eenvoudig niet te krijgen was. En dan de
+dagelijks aandringende persing van een gevoelloos schuldeischer op de
+leege beurs van een dood-eerlijk, pijnlijk-conscientieus, maar alleen
+wat onnadenkend, eigenlijk ondóórdenkend man.</p>
+
+<p>Nu gebeurde het in dien tijd, dat zeker iemand, die ook in zijn zaken
+achteruit gegaan was, ook een winkel had moeten verlaten, en verhuisd
+was naar een veel bescheidener woning, een deel zijner zeer goed
+onderhouden meubelen wilde verkoopen, om daarmee wat overbodige stukken
+in te ruilen voor zeer noodig geld. Die zeker iemand had een vrouw en ik
+meen vijf of zes nog jonge kinderen, een talrijk gezin, dat alleen van
+zijn verdiensten moest leven. Wij kenden het gezin, en daarom kreeg
+Vader verlof, de meubelen op eigen naam te verkoopen, opdat hij<span class="pagenum" title="263"></span><a id="p_263"></a> de
+provisie zou hebben, die hieraan verbonden was. Zulke extraatjes van een
+paar gulden waren altijd bizonder welkom. Vader, Moeder, en ook
+wij&mdash;meelevende kinderen&mdash;waren dan ook erg blij met de opdracht.</p>
+
+<p>Maar hoe droevig en vernederend liep dit uit. Op zekeren dag kwam Vader
+thuis, gebroken. De meubelen waren verkocht, maar de verkoopgelden waren
+Vader niet uitbetaald. De makelaar had ze ingehouden ter afbetaling van
+de schuld, die Vader bij hem had. Dat kon hij doen, omdat Vader de
+meubelen op zijn eigen naam had doen verkoopen.</p>
+
+<p>Daar zaten we. Die meneer, die zeker iemand, had Vader alles
+toevertrouwd, hij zag verlangend naar het geld uit, en zou er geen
+penning van ontvangen. Zijn oude, degelijke meubelen verkocht, misschien
+wel opgeofferd als geliefde familiestukken, en niets er voor terug.</p>
+
+<p>In zulke omstandigheden was Vader zoo machteloos. Hij durfde den man
+niet onder de oogen komen&mdash;en die man woonde vlak tegenover ons. Ook wij
+gingen gebukt onder de dreigende schande. In plaats van heel
+vertrouwelijk en hartelijk te groeten, namen we wat schuw onze petjes af
+en ontliepen al de leden van het gezin. Hoe verachtten we dien gemeenen
+makelaar, die heel goed wist, dat de meubelen niet van Vader waren, maar
+hier zijn kans schoon zag, om het hem toekomende geld te krijgen. Als
+hij zijn geld maar had, kon 't hem niet schelen, of Vader daarmee een
+onschuldige te kort deed, misschien beschuldigd <span class="pagenum" title="264"></span><a id="p_264"></a>zou worden van
+oneerlijkheid, van oplichterij.</p>
+
+<p>Oplichterij. Het woord ging als een koude rilling door ons gezin, en van
+dag tot dag stelden we het uit, het noodlottig bericht aan de overburen
+mee te deelen. Doch eindelijk, het moest. En, gelijk steeds in zulke
+gevallen, Moeder ging er op af. O, vrouwen zijn zoo vaak duizendmaal
+moediger dan mannen.</p>
+
+<p>Wij wachtten thuis met angst. Hoe zou 't afloopen? Het ergste zou zijn,
+dat Vader werd aangeklaagd wegens oplichterij en naar de gevangenis
+ging. Het minste, dat de benadeelde familie er in berustte, maar wij
+gebukt zouden gaan onder haar verachting. In ieder geval, er zou een
+koele scheiding komen. We zouden de vriendschap van onze goede overburen
+verliezen. Moeder kwam terug. Ademloos hoorden we haar aan.</p>
+
+<p>&bdquo;Meneer&mdash;had alles begrepen, en hij had erg met Vader te doen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En waren ze niet boos?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Neen, ze schrokken natuurlijk wel erg, en Mevrouw werd wit. Ach, ze
+konden het geld ook zoo best gebruiken. Maar Meneer zei: Uw man heeft
+geen schuld. Het is zeker Gods wil geweest.&rdquo;</p>
+
+<p>We waren duizend pond lichter. De houding der getroffenen tegenover ons
+veranderde in niets. Ze spraken nooit meer over 't geval, bleven
+vriendelijk&mdash;maar die man.... ik heb hem als een heilige mee door 't
+leven gedragen. Hij was zoo rustig-vroom, zoo eenvoudig-christelijk.
+Zijn blik, zijn gelaat, zijn stem,<span class="pagenum" title="265"></span><a id="p_265"></a> zijn heele gedrag was zonder eenig
+vertoon. Ik wou, dat ik zijn naam mocht noemen. Niemand kent hèm. Hij
+was geen schrijver, geen schilder, geen geleerde, geen staatsman. Alleen
+een kantoorheer&mdash;boekhouder op een wijnkooperskantoor&mdash;maar.... een
+christen. In hem heb ik het christendom ontmoet. En dat ik het zoo
+zuiver heb mogen aanschouwen, het was te danken aan Vaders argelooze
+koopneiging.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="266"></span><a id="p_266"></a></p>
+
+<h2 id="IN_EEN_NETTE_BUURT">IN EEN NETTE BUURT.</h2>
+
+<p>De Jordaan was net een weefsel van straten: een schering van
+lengtestraten, met daardoor heen een inslag van dwarsstraten. De
+Lijnbaangracht en de Prinsengracht vormden aan twee zijden den zelfkant
+van het weefsel, dat in zijn geheel den indruk maakte van grof, grauw
+linnen. Het was een vunze buurt. Eigenaardig was echter, dat sommige
+lengtestraten en grachten als kleurige, glanzige zijden draden door dit
+weefsel waren getrokken en men dus uit de onbeschaafde armoede
+plotseling kon overgaan in den netten burgerstand. De Bloemgracht en de
+Rozengracht bij voorbeeld waren niet te min voor handelaars en dokters;
+daar zag je keurig onderhouden huizen met blinkend geverfde deuren;
+heldere dienstmeisjes bespoten iederen Zaterdagmorgen de onderpui uit
+een blinkend koperen glazenspuit; alles blonk er, tot de belknop en de
+roode wangen der dienstmeisjes toe. En geen drie minuten verder had je
+een armelijke Eglantiersstraat of Laurierstraat, met vuile houten
+trappen, donkere portalen en slobberige vrouwen. Wie den Jordaan
+doorkruiste, enkel maar doorsneed, kwam afwisselend in aanraking met het
+proletariaat, de kleine burgerklasse, en den gegoeden burgerstand.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="267"></span><a id="p_267"></a></p>
+
+<p>De Nieuwe Leliestraat, waar wij nu huisden, was de straat van het
+financieel zwakke fatsoen. Heel nette menschen met kleine traktementjes
+bewoonden er een huis of een eerste of tweede bovenhuis. Er was geen
+vertrouwelijkheid in de buurt. Ieder bewaakte er angstvallig zijn stand
+achter lage gordijnen en gesloten deuren. Je kwam niet bij malkaar over
+huis. Op straat sprak je ook niet met mekaar. Je groette de buren
+beleefd met een nijging of een deftig hoedafnemen, maar verder kwam het
+niet. Zoo'n beetje gezellig op den stoep zitten, een luchtje scheppen op
+de groengeverfde houten bank, een buurpraatje maken over het weer,
+gelijk we dat op de Eglantiersgracht gekend hadden, geen kwestie van!
+Daarvoor was men hier te netjes. Ieder hield voor den ander zoo'n beetje
+schrale voornaamheid op. En zelfs achter het huis, in de tuintjes, had
+je dezelfde stijfheid. Nooit of uiterst zelden knoopten volwassen buren
+daar een gesprek met elkaar aan. Een afgemeten groet was het
+hartelijkste waartoe men komen kon. Ik had het gevoel, en herinner me
+dat nog heel wel, of ieder een stukje fatsoenlijke armoede te verbergen
+had en voor zijn naaste buren niet weten wou, hoeveel pijnlijke zorg en
+opofferingen het kostte, dagelijks knap voor den dag te komen. Al de
+meisjes uit de buurt hadden nette hoedjes en nette manteltjes, nette
+jurkjes en nette pijpenbroekjes, nette kousjes en nette schoentjes. Je
+had ze zoo in de uitstalkast van een poppenwinkel kunnen zetten.
+Onvertogen woorden hoorde je niet, ook niet van de jongens. Zelfs de
+honden waren hier<span class="pagenum" title="268"></span><a id="p_268"></a> fatsoenlijker dan een straat verder: ze blaften niet
+zoo onbehouwen. Maar er was ook geen leven, geen frisch, natuurlijk,
+spontaan leven. De heele Leliestraat was een zoet zijden draadje door 't
+grove zaklinnen. En wij jongens, vrijbuiters uit de vroegere buurt,
+werden er een heelen hoop braver. Dat we echter maar niet zoo
+onmiddellijk verlelied waren en nog lang iets van onze oude natuur
+behielden, moet ik, helaas, belijden, en zal de lezer vóór 't eind van
+dit hoofdstuk vernemen.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Boven ons woonden allerliefste jonggehuwden. Hij was den heelen dag op
+kantoor en haar hoorden we haast onafgebroken zingen en met het kindje
+praten. Wanneer het bij ons stil was, klonk het van boven met een lieve,
+heldere vrouwenstem: &bdquo;Dág Pa! Dág lieve Pa!&rdquo; of de jonge moeder haar nog
+niet eenjarig kindje leeren wou, hoe het zijn vader begroeten moest.
+&bdquo;Dág Pa! Dág schattige Pa!&rdquo; Het klonk als vogelmuziek, zoo frisch, zoo
+zuiver, zoo natuurlijk, zoo zangerig. &bdquo;Dag lieve Paatje!&rdquo; En dan nam
+Moeder het dingetje op, hield het in de hoogte, en we hoorden het jonge
+stemmetje kraaien. Nu werd het een beurtzang van moeder en kind. &bdquo;Dag
+lieve schat! Dag Pa!&rdquo;&mdash;&bdquo;A-a-a-a!&rdquo;&mdash;&bdquo;Dag snoesje! Komt Paatje gauw thuis?
+Zeg dan maar: Dág Pa! Dág lieve Pa!&rdquo;&mdash;&bdquo;A-a-a-a-a!&rdquo;</p>
+
+<p>Wanneer Pa thuis kwam, hoorden we 't vroolijk gejubel van het kleine
+gezinnetje. Dan mengde zich zijn<span class="pagenum" title="269"></span><a id="p_269"></a> sonore mannenstem in het lieve gesjilp
+en gekweel van die twee anderen, en een innige geluksstemming zweefde in
+dat natuurlijke klankenspel. 's Avonds, vóór 't kleintje naar bed ging,
+droeg Pa het een poos rond, onder 't zingen van allerlei liederen, en
+dan hoorden we Moeder in stille bedrijvigheid rondtrippelen. We maakten
+aan de tafel ons huiswerk of kleurden en knipten onze legers, maar
+onderdehand dronken onze ooren de symphonie van huiselijk geluk in en
+genoot onze nog onontwikkelde verbeelding de idylle van het eenvoudige,
+vredige, blijmoedige gezinnetje.</p>
+
+<p>We weten vaak niet, vanwaar sommige stemmingen en sympathieën in ons
+zijn gekomen. Maar wanneer later De Genestet's &bdquo;Jong Hollandsch
+binnenhuisje&rdquo; me bekoorde en ik genoot van dien jongen vader,
+die met zijn twee springende gedichtjes de kamer rondreed, hij op den
+vloer, zij op en over hem heen klauterend, dan dacht ik meermalen aan
+onze bovenbuurtjes, hoorde ik zijn warme mannenstem, het gekraai van 't
+kleintje, en haar: &bdquo;Dág Pa, dág lieve Pa!&rdquo; zoo helder, zoo blij, zoo
+onbezorgd.</p>
+
+<p>Onlangs vernam ik, dat zij gestorven was, aan tuberculose.</p>
+
+<p>Zoo werd haar idylle vernietigd.</p>
+
+<p>Ik heb haar maar weinig gezien. Na betrekkelijk korten tijd verhuisden
+we naar een woning, die heelemaal aan 't andere einde der stad lag, een
+uur ver. Toen hebben we nooit meer iets van hem of haar vernomen. Ze
+behoorden dus met hun kleintje tot een<span class="pagenum" title="270"></span><a id="p_270"></a> voor ons geheel afgesloten
+verleden. Nooit hebben we met elkaar omgang gehad. En toch, toen ik
+vernam, veertig jaar later, dat de bliksem was geslagen is dit lieve
+nestje van huwelijksgeluk, toen ontroerde me dit smartelijk. Het was of
+een zingend vogeltje opeens de gorgel was dichtgeknepen.</p>
+
+<p>Leeft <i>hij</i> nog? Leeft het <i>kindje</i> nog, het blijde kraaistemmetje.</p>
+
+<p>Het is voorbij, alles voorbij.</p>
+
+<p>En toch leeft het nog. Ik hoor voetgeschuifel boven mijn hoofd, ik hoor
+een kamerdeur opengaan, ik hoor een hartelijken welkomstkus, en dan die
+innig-blije stem: &bdquo;Dág Pa! Dág lieve Pa!&rdquo;</p>
+
+<p>Ik hoor kindergekraai. Ik zie een man over de wieg buigen, een kindje
+kussen. Een knevel prikkelt het donzen wangetje. Een zwaar geluid trilt
+in 't zachte oortje. En dan: &bdquo;A-a-a-a!&rdquo;</p>
+
+<p>Dat is 't kleintje.</p>
+
+<p>Ze leven nog.</p>
+
+<p>Wat zegen kan er neerdalen in kindergemoederen, als er lieve bovenburen
+zijn!</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Tweehoog woonde een gezin, waarvan we niets gewaar werden, dan dat er
+veel meisjes waren, en allemaal keurig nette meisjes. Eenige van haar
+zijn later onderwijzeres geworden. Er is dus kans, dat ze deze regels
+lezen. Dan zullen ze zich het lieve gekweel herinneren van de jonge
+moeder en het piepjonge kindje, dat natuurlijk even goed omhoog steeg.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="271"></span><a id="p_271"></a></p>
+
+<p>Beneden ons, in het onderhuis of den kelder, hadden we ook nog buren.
+Daar zakte ik vaak naar toe. Ze waren vriendelijk en gastvrij. Ik mocht
+er steeds binnenloopen. Maar omdat er geen kinderen van mijn leeftijd
+waren, had ik er niet veel. Kinderen willen kinderen, al zeiden de
+menschen vroeger terecht: Van malkaar meugen ze niet, en bij malkaar
+deugen ze niet.</p>
+
+<p>Kinderen waren er in het huis naast ons, een schaar lieve meisjes en één
+jongen. Men weet nog, dat meisjes iets bizonder bekoorlijks voor me
+hadden. Nu, deze ook. Ik ken de voornamen nog, en één voornaam klonk me
+als muziek in de ooren: Rena. Die <i>e</i> werd zoo mooi ingeleid door de
+<i>r</i>, en de <i>a</i> had zoo'n zacht-voornaam klankje. Je kon dien naam zoo
+mooi-deftig zeggen. Net zoo iets als &bdquo;zijkamer&rdquo;.</p>
+
+<p>Maar de meisjes leerde ik bijna niet kennen. Ik geloof eigenlijk, dat
+ons gezin, wat verarmd, en met vijf belhamels van jongens, te ruw was
+voor de meeste buren. Alleen met den jongen speelde ik wel eens. Echter
+niet op straat, alleen nu en dan op het plaatsje. Hij ging ook op een
+nettere school dan ik. Hij is later dokter geworden, ik ternauwernood
+schoolmeester.</p>
+
+<p>Dat zegt alles.</p>
+
+<p>Is het niet eigenaardig, dat ik heel goed een zekere minderwaardigheid
+voelde tegenover de omgeving? En dat ik mij daarnaar gedroeg? Hunkerend
+naar speelmakkertjes, was ik toch te fier om me op dringen. Dan speelde
+ik maar liever in mijn eentje, bij Moeder<span class="pagenum" title="272"></span><a id="p_272"></a> in de kamer. Bij Moeder was
+'t altijd goed. Heerlijk, dat veilige, vredige plekje bij Moeder.
+Standsverschil, zelfs reeds op deze schaal, deed mij een kring trekken,
+waarbinnen ik met mijn armoede rustig kon leven. Maar dat leven was toch
+genieten, als Moeders oog maar, stralend zonnetje, den kring verlichtte.</p>
+
+<p>Toen Potgieter op zijn sterfbed lag, en men hem het portret liet zien,
+dat de uitgave zijner werken zou verrijken, was zijn opmerking: &bdquo;'t Is
+toch maar een burgerman.&rdquo; Iets dergelijks heb ik mijn heele leven
+gevoeld. Omstandigheden hebben me in menige vriendschappelijke,
+vertrouwelijke, hartelijke betrekking gebracht tot menschen van stand,
+rijkdom en positie. Maar immer voelde ik: &bdquo;Je bent toch maar een
+burgerjongen.&rdquo;</p>
+
+<p>Men meene niet, dat ik hier iets vernederends of iets pijnlijks in vond.
+Precies het tegendeel. Nog altijd voel ik me het meest eigen onder de
+eenvoudige benedenburen in den kelder. Grootheid trekt me niet en
+streelt me niet. Maar ik zeg het alleen, om te doen uitkomen, hoe het
+karakter der jeugd voor goed een stempel in het leven drukt.</p>
+
+<p>Eén jongen uit de buurt, ook uit eenvoudiger kring, werd mijn vriendje:
+Piet v. R. Zelfs werd hij het vriendje van mijn jongere zus, gelijk
+bleek uit een briefje, dat ze hem schreef (niet zond): <i>liefe peit hoe
+gaat het met u en hoe gaat het met
+Naje<a id="FNa1_1" href="#FN1_1" class="fnanchor" title="Naatje, het zusje van peit.">1)</a> nu
+liefe peit het is dijt dat sik uitseit dag peit</i>.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="273"></span><a id="p_273"></a></p>
+
+<p>De andere jongens van het gezin zagen het kind dit briefje schrijven en
+hebben er haar lang mee geplaagd. En als ze, de Jeugdherinneringen
+lezend, meenen mochten, dat deze nu al lang genoeg voortgezet waren,
+zouden ze, citeerend het episteltje, me zeker toevoegen: <i>nu lieve peit
+het is dijt dat je uitseid dag peit</i>. En dan zou ik er de pen bij
+neerleggen. Zoo ontstaan uitdrukkingen in familiën en in volkeren.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>We maakten het er wel naar, dat de buren met een zekere behoedzame
+teruggetrokkenheid intiemeren omgang trachtten te voorkomen. Vijf drukke
+jongens tusschen 10 en 18 jaar waren wel in staat kalme, eerzame
+gezinnen af te schrikken. Het moet zeker druk genoeg bij ons zijn
+toegegaan, en van die levendigheid, niet altijd van vreedzamen aard,
+moet wel iets doorgedrongen zijn naar de stille hoven rondom.
+Levendigheid&mdash;met dit woord is het zeer zacht uitgedrukt. Vijf jongens,
+zoo dicht opeengepakt, stooten malkaar herhaaldelijk, en zijn dan
+aanstonds klaar met ruwe woorden, luid uitgeschreeuwd, of
+handtastelijkheden. Ik hoor Moeder nog roepen met ingehouden stem: <i>Denk
+toch om de buren</i>, waarop die buren uit een driftigen jongensmond konden
+vernemen: <i>De buren kunnen naar den bliksem loopen</i> of een andere
+hartgrondige verwensching. Dat meenden die jongens zoo erg niet, het was
+maar ruwheid, doch 't was voor die buren toch niet bepaald aanmoedigend.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="274"></span><a id="p_274"></a></p>
+
+<p>Plagen was schier aan de orde van den dag. Als het jongste meisje, dat
+van lieve peit, begon te schreien, kon je er zeker van wezen, dat het
+heele koor een ontzettend gebulk aanhief, om die schreistem te smoren.
+Dan dreunde de kamer van de erbarmelijkste kreten. Vader werd in zulke
+gevallen woedend, maar kon de bende eigenlijk niet baas. Moeder drong
+driftig-angstig aan: &bdquo;Hou jelui dan toch je mond&rdquo;, wat alleen tot gevolg
+had, dat men riep: &bdquo;Laat die meid dan d'r smoel houden.&rdquo; Alleen
+Christientje, de oudste van allen en de zachtste, had dan vaak den slag,
+om den storm te bezweren. Als er een kleine pauze was ingetreden, begon
+zij een liedje te zingen, een geliefd wijsje. Dat kalmeerde de
+gemoederen. En het duurde niet lang, of de buren konden zich vergasten
+aan een veelstemmig: &bdquo;Plechtig zwijgen, zoete vrede ruischt er nog om 's
+Heilands graf&rdquo;, of &bdquo;Rust in vree, o gij, van ramp ontheven. Nu reeds
+slapende in uw enge kluis&rdquo;, welk laatste lied eigenlijk &bdquo;bij het graf
+eens medeleerlings&rdquo; gezongen moest worden, doch ook onder andere
+omstandigheden niet onstichtelijk klonk.</p>
+
+<p>Uit dat voorbeeld van Christientje kan men zien, hoe je opgewonden
+gemoederen niet met opgewondenheid moet willen verwinnen. Met storm
+slaat men geen storm ter neer. Doe een zachte koelte aanruischen en de
+opgestoken winden verspreiden zich.</p>
+
+<p>Heerlijk-helder vulden de jongensstemmen met de frissche sopraan van
+Christientje er boven uit dan de huiskamer. En eenmaal aan 't zingen,
+bleef de troep aan 't zingen. Vader voorop. Diens woedende drift<span class="pagenum" title="275"></span><a id="p_275"></a> sloeg
+in een moment om. Moeders angstige trek was gauw door een glimlach
+vervangen, en de buren luisterden met aandacht, ja, de bovenbuurtjes
+sloten zich wel eens bij den zang aan, hetgeen hieruit blijken kon, dat
+ze soms een paar maten achter, de laatste lettergrepen nog uitgalmden
+als wij reeds gereed waren. Dan steeg er bij ons een luid gejuich op,
+dat van boven vroolijk beantwoord werd. We zetten een nieuw lied in of
+namen er eentje van boven over en ondanks de scheidende zoldering
+vormden twee gezinnen een uur of langer één zangkoor.</p>
+
+<p>Het is wel aardig en leerzaam, hoe spoedig de ruwe bende door een lied
+gevangen was. Wat zouden wij er van denken, als we op school, instee van
+met een stok op het tafelblad stilte te ranselen, eens zachtjes begonnen
+te zingen van b.v. <i>'t Zonnetje gaat van ons scheiden?</i> Ik wed, dat de
+zoete rust kwam, nog eer het klonk: <i>Zoete rust mogen wij beiden.</i></p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Eén buurmeisje herinner ik me ook nog levendig, ofschoon ik haar nooit
+gesproken heb. Ze woonde niet in de Leliestraat, maar op de daarop
+volgende en nettere Bloemgracht. De tuinen van de Bloemgracht grensden
+echter aan die van de Leliestraat en zoo lag haar tuin vlak tegen ons
+tuintje. Ik zeg: haar <i>tuin</i>, want die was stellig wel acht maal zoo
+groot als ons plekje. Bij ons was er geen plaats voor hooge boomen,
+nauwelijks kon er een gouden regen of een sering staan. Maar in haar
+tuin verrezen hooge<span class="pagenum" title="276"></span><a id="p_276"></a> en zware kastanjes en eschdoorns. Daardoor lag haar
+huis&mdash;ze bewoonde een heel huis&mdash;in donkeren schaduw en gaf de tuin mij
+een gewaarwording van iets ouds en deftigs, zoo iets als een bejaarden
+kloostertuin.</p>
+
+<p>Wanneer ik bij het eene raam van onze huiskamer mijn schoolwerk zat te
+maken, keek ik naar buiten en zag haar wandelen onder 't groen. Arm
+meisje! Ze was ongeveer dertien jaar, lang, mager, bleek. Ze droeg een
+netje over een geheel kaal hoofd. Haar schedeltje was bedekt met een
+korst van &bdquo;klieren&rdquo;. En nu stond het zoo griezelig, dat netje, strak
+getrokken over het achterhoofd, en van voren, boven de oogen, een
+donkere lijn teekenend over het voorhoofd. Arm meisje!</p>
+
+<p>De andere buurmeisjes, die van twee-hoog en die van naast ons, hadden
+allemaal zulke mooie haren. Lange vlechten hingen op den rug, met aan
+het einde een fijn rood zijden strikje, of goudblonde krullen omgolfden
+het hoofd, in haar dartelheid bedwongen door een bleekblauw lint. En die
+haren maakten zelfs een alledaagsch gezichtje mooi. Vraag eens, hoeveel
+jongens verliefd zijn geworden op bruine of blonde haren. &bdquo;Het haar,&rdquo;
+zei mijn vader, &bdquo;is het sieraad der vrouw.&rdquo; En als Vader dat zoo
+voornaam zei, met dat deftige woord sieraad en dien deftigen genitief,
+beaamde onze jongenservaring dat al van ganscher harte.</p>
+
+<p>Arm meisje! Ze speelde niet met andere kinderen. Naar school kon ze
+natuurlijk niet. Alleen in den tuin had ze ontspanning. En daar liep ze
+dan in haar<span class="pagenum" title="277"></span><a id="p_277"></a> eentje rond, maar zoo'n beetje kijkend. Angstvallig scheen
+ze de lage schutting te mijden. Wellicht schaamde ze zich gezien te
+worden. Als we in den tuin speelden, bleef ze weg. Alleen als ze
+onderstelde, dat we haar niet zagen, verscheen ze. Maar dan zagen we
+haar wel. En dan keken we naar haar, de oogen wat vochtig van
+medelijden.</p>
+
+<p>Wat was ik graag naar haar toe gegaan! Wat had ik me graag aangeboden,
+om wat met haar te spelen. Ik was niet afkeerig van haar. Ik zou graag
+alles voor haar gedaan hebben. Maar ik durfde niet. Waarom niet? Waarom
+durven de menschen soms niet lief te zijn?</p>
+
+<p>Ik liep langs de Bloemgracht, om haar huis aan te zien. Ik bleef er stil
+staan.</p>
+
+<p>Ik wilde aanbellen.</p>
+
+<p>Waarom deed ik het niet?</p>
+
+<p>Men zou mij vreemd gevonden hebben. Men zou mij hebben teruggewezen.</p>
+
+<p>Ik had geen vertrouwen genoeg op de menschen.</p>
+
+<p>Maar ik weet zeker, dat ik het meisje zou hebben verkwikt, het arme
+eenzame kind.</p>
+
+<p>Ze is gestorven, nog terwijl we daar woonden.</p>
+
+<p>Maar ik heb altijd berouw gehad, dat ik aan de opwelling van mededoogen
+geen gevolg heb gegeven. O, het zou haar zeker goed gedaan hebben, dat
+een ander kind met haar wilde spelen, nog liever met haar dan met mooie
+meisjes.</p>
+
+<p>Het heeft niet zoo mogen zijn.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="278"></span><a id="p_278"></a></p>
+
+<p>En nu moet ik nog vertellen van mijn straatbaldadigheid ook in deze
+nette buurt.</p>
+
+<p>Doch waartoe zal ik u opnieuw de straten doorslepen?</p>
+
+<p>Ge kunt er onder mijn leiding toch niets dan kwaads leeren. Ik neem u
+b.v. op Zaterdagavond mee naar de kruidenierswinkels, die dan vol
+koopsters staan. De burgervrouwtjes en de dienstmeisjes, dicht
+opeengedrongen, wachten met het mandje in de hand haar beurt af. Ze
+praten wat onder elkaar, terwijl de winkelier en zijn knecht, stijve
+figuren in brandheldere buisjes, rustig voortgaan met afwegen, inpakken,
+afrekenen. Nu sluipen we gebogen naderbij. Op handen en voeten kruipen
+we den winkel binnen. We strekken een arm uit, zoeken de beenen van een
+geen onraad vermoedend dienstmeisje, knijpen haar plotseling in de
+kuiten en stooten daarbij een woedend geblaf uit.</p>
+
+<p>De meid gilt het uit van schrik. Ze springt op en de heele klandisie
+komt in tumult. Zelfs vloeken er sommigen. De stijve winkelier raakt een
+oogenblik zijn kalmte kwijt. De schalen schokken in zijn hand. De
+vrouwen denken niet anders, of de meid is door een dollen hond gebeten,
+en ontsteld onderzoeken ze haar paarse japon. Geen scheur? De
+onderrokken. Nog geen scheur? De witte kousen. Ook die heel? Maar ze
+voelde het toch wel degelijk. &bdquo;Och, die bliksemsche jongens zullen het
+wel weer gedaan hebben.&rdquo; En de winkelier gaat even van achter zijn
+toonbank tusschen de vrouwtjes door naar de deur en kijkt daar naar
+links en rechts de halfdonkere straat in. Wij hebben uit een verborgen
+hoekje alles gezien en<span class="pagenum" title="279"></span><a id="p_279"></a> schreeuwen hem nu een triomfgehuil toe. Dan
+hollen we weg. We moesten de volwassenen niet alleen hinderen, maar ze
+moesten ook <i>weten</i>, dat ze dat aan ons te danken hadden, opdat ze,
+scheldende, en eeuwig wegjagende nijdigaards, goed mochten beseffen, dat
+we machtig waren ons te wreken.</p>
+
+<p>Dat gehuil gaf zeker een heele geruststelling aan die arme dienstmeid,
+maar ik ben er niet zeker van, of ze 's avonds, vóór 't in bed stappen,
+toch nog niet eventjes haar kuit opmerkzaam heeft bekeken. Het mócht
+eens een hondje zijn geweest.</p>
+
+<p>Zullen we nu nog verder rondtrekken? Kom, ge hebt al van streken genoeg
+gehoord. Meer dan u lief is. Of&mdash;hoort ge ze wel graag, mits anderen er
+de dupe van zijn? Dan is het inderdaad raadzaam, om te eindigen. Er
+schijnt ook in u, eerzaam volwassene, iets van den wilde te zijn
+overgebleven. Laten we het niet wakker roepen en voeden. Gij hebt tot
+plicht eerzaam te blijven, ook in uw diepste binnenste.</p>
+
+<p>Laten we liever eens nagaan, hoe het kwam, dat onder de jongens van deze
+buurt veel minder neiging tot straatschenderij en plagerij bestond, dan
+onder de vroegere kornuiten, en hoe ook bij ons, die het kwaad hier
+trachtten over te planten, de lust langzamerhand wegstierf. Dat is
+leerzaam voor de autoriteiten, die, niet uit demokratische politiek,
+maar uit oprechte belangstelling zich om 't heil der jeugd bekommeren.
+Die kunnen er uit leeren, hoe men in groote steden het kwaad bestrijden
+kan door groei-ruimte te geven aan het goede.</p>
+
+<p>Op de Eglantiersgracht hadden we geen plaatsje<span class="pagenum" title="280"></span><a id="p_280"></a> of tuintje, we móésten
+dus wel de straat op. En hier in de Leliestraat konden we een deel van
+ons genot vinden in de stilte en de vrijheid van ons achteruitje. Het is
+waar, we konden er niet hollen, niet met de bal of den hoepel spelen,
+geen vlieger oplaten en nauwelijks tollen, maar we konden er ongestoord
+kleuren en plakken en knippen en oorlogen, we konden er knutselen en
+planten, we konden er ons verliezen in &bdquo;stil spel&rdquo;. Er ging van ons
+rustig plekje, dat zoo heerlijk gelegenheid bood onszelf te zijn,
+stemming uit. De verkeerde invloeden van ruwe makkers hadden er minder
+macht.</p>
+
+<p>In 't buitenland, en helaas ook in ons land, openbaart zich een streven
+om prachtige schoolgebouwen te stichten, ware schoolpaleizen. Bouwkunst,
+schilderkunst, beeldhouwkunst moeten samenwerken, om de leerende jeugd
+al vroegtijdig onder de opvoedende kracht der schoonheid te brengen.
+Doch men kan den invloed dier schoonheid erkennen en toch meenen, dat er
+een verkeerde weg gevolgd wordt. Voor mij is er een schreeuwende
+disharmonie tusschen die monumentale gebouwen met hun ruime hallen,
+breede trappen, lange gangen, en die simpele kinderen. Het doet mij
+vreemd aan, die witte gezichtjes, schrale figuurtjes, armelijke
+kleertjes te zien dwalen door zoo'n rijkdom van ruimte en materiaal. Het
+is, of men een sjofel katje op de zijden kussens van een vergulden auto
+door de stad reed. Het is de arme knaap op den troon van Frankrijk.</p>
+
+<p>Wel mag het schoolgebouw niet zoo'n foeileelijken<span class="pagenum" title="281"></span><a id="p_281"></a> fabrieksgevel hebben,
+rijen eenvormige vensters boven elkaar; wel mag het van binnen, door
+grauwe, donkere nauwte, niet de naargeestigheid zelve zijn; wel moet het
+door schoonheid de jeugd verkwikken; maar die schoonheid moet wezen naar
+kinderlijken trant en in overeenstemming met de geheele omgeving. Liever
+dan schoolpaleizen te zetten in armelijke buurten, moeten de
+arbeiderswoningen verbeterd worden, waarin de kinderen&mdash;én hun
+ouders&mdash;hun levensgeluk moeten vinden.</p>
+
+<p>Ieder gezin in een eigen huisje met een tuintje er bij. Overal veel
+ruimte, licht, lucht en groen. Ruimte voor de kinderen, opdat ze kunnen
+hoepelen en vliegeren naar hartelust. Ruimte ook achter de woningen,
+opdat ze daar in rustige stilte genieten. En dan hier en daar een
+eenvoudige, vriendelijke school, met niet meer dan zeven lokalen en een
+open speelplaats, waar de kinderen der wijk, ook buiten de schooluren,
+veilig en vrij zijn&mdash;hún speelplaats. En aan de school verbonden een
+paar ruime lokalen, vereenigingszalen voor de rijpere jeugd en de
+volwassenen, waar deze in aanraking blijven met de beschaving, gelijk
+die zich in wetenschap en kunst openbaart.</p>
+
+<p>Dat zou heerlijk zijn! En daardoor zou de baldadigheid binnen de perken
+worden gehouden!</p>
+
+<p>Zullen we 't nog eens beleven?</p>
+
+<p>Ik vrees. Maar al weet ik helaas te goed, dat de zedelijkheid niet
+afhangt van de omstandigheden, ik heb in mijn jeugd ervaren, dat heel
+wat baldadigheid wegsterft&mdash;in een nette buurt.</p>
+
+<hr class="fnsep" />
+
+<div class="footnote">
+ <p><a id="FN1_1" href="#FNa1_1" class="label">1)</a> Naatje, het zusje van peit.</p>
+</div>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="282"></span><a id="p_282"></a></p>
+
+<h2 id="MOEDER_VERTELT">MOEDER VERTELT.</h2>
+
+<p>We zouden met Vader een dag uit visschen gaan.</p>
+
+<p>'s Avonds te voren hadden we alles in gereedheid gebracht, de snoeren en
+hengels, het aas, en ook de flesschen bessensap en boterhammen met
+worst.</p>
+
+<p>Toen zijn we vroeg in bed gestopt, opdat we niet te veel van onze
+nachtrust zouden missen. En nu, na een onrustigen slaap, scharrelen we
+door de huiskamer.</p>
+
+<p>'t Is vier uur in den morgen. We voelen ons kil en huiverig. Het
+daglicht is nog niet aangebroken. In de kamer is het schemerig, buiten
+grauw.</p>
+
+<p>Moeder heeft het petroleumstel aangestoken en theewater opgezet. Zij was
+natuurlijk het eerst op, een half uur vóór ons. Uit vrees dat we ons
+mochten verslapen, heeft ze den heelen nacht als in een bommeltrein
+gereisd. Telkens was ze wakker om even op het horloge te kijken bij 't
+nachtlichtje. Vooral na tweeën was bijna ieder kwartier een nieuw
+stationnetje, waar de trein stopte.</p>
+
+<p>Nu loopt ze op haar kousen rond, heel zachtjes, om vooral de buren niet
+te wekken. Ik laat een schoen vallen. Dat klinkt hard in de
+morgenstilte. Sssst, zegt Moeder. Ze spreekt niet, ze fluistert. En zoo
+doen we<span class="pagenum" title="283"></span><a id="p_283"></a> allen. Die schoen&mdash;mijn hart stond er bij stil. We glijden als
+schaduwen voorbij mekaar, spreken met schaduwstemmen. 't Lijkt wel een
+schimmenspel in den valen ochtendschemer.</p>
+
+<p>Moeder giet het theewater op. Wolken waterdamp krinkelen boven den
+trekpot. Alleen het gezicht reeds verwarmt je. Opwekkende theegeur vult
+de kamer. Heerlijk. Nog een paar minuutjes en we krijgen een kopje thee.
+Lekker warm. Met twee handen er omheen, drinken we het langzaam op.</p>
+
+<p>Het is alles zoo vriendelijk, zoo vredig, zoo geheimzinnig, zoo rustig.
+Buiten sjilpen de musschen en dringt langzaam het licht door. 't Is
+gelukkig goed weer. Geen regen, alleen een beetje nevel. 't Zal een
+mooie dag worden. Ik kijk door 't venster. De schutting is nog nat, ook
+het deksel van den put en de steenen van 't plaatsje. Maar dat is niets,
+'t is maar dauw.</p>
+
+<p>Ik zet mijn pet vast op en probeer hoe ik het gemakkelijkst de
+boterhammen kan dragen. De hengels leg ik schuin tegen den
+rechterschouder. Nog vijf minuutjes, en we gaan. Vader drinkt staande
+zijn laatste kopje thee....</p>
+
+<p>Opeens, daar dringt een vreeselijke gil ons door merg en been. Een doffe
+plof volgt.</p>
+
+<p>O God, daar is het weer. Die gil, zoo langgerekt en doodsbenauwd, we
+kennen ze.</p>
+
+<p>Vader heeft een toeval gekregen.</p>
+
+<p>Ik sta, verstijfd van schrik, met de hengels in mijn hand.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="284"></span><a id="p_284"></a></p>
+
+<p>Moeder laat den trekpot haast vallen.</p>
+
+<p>&bdquo;Ach God!&rdquo; zegt ze. En in die twee woorden breekt al de diepte van haar
+smart uit. Dan haalt ze gauw een kussen van bed en legt het den armen
+man onder 't hoofd. Ze maakt zijn goed los en wascht zachtjes wat schuim
+van de blauwe lippen.</p>
+
+<p>Christien komt in nachtgewaad binnen geloopen, de oogen wijd starend. Ze
+was nog wat blijven liggen, eer ze om half zeven naar haar betrekking
+moest. Maar de angstkreet is tot haar diepen slaap doorgedrongen. Bevend
+staat ze met ons bij Vader, die bewusteloos ligt te schokken en
+stuiptrekken op den grond.</p>
+
+<p>Ik zet de hengelstokken in een hoek, haal de boterhammen uit mijn kiel
+en leg ze op de tafel, naast het theeblad....</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Arme, arme Vader.</p>
+
+<p>Neen, we denken geen oogenblik aan het verlies van onzen heerlijken dag
+buiten. We zijn vervuld met innig medelijden. Arme Vader!</p>
+
+<p>Moeder verzamelt ons in de keuken. Ze haalt het theeblad uit de
+huiskamer en zet het op de rechtbank. De een gaat op een keukenstoel
+zitten, de ander op een krukje, weer een ander op den vuilnisbak of op
+een treetje.</p>
+
+<p>Telkens gaat ze even naar binnen, om te zien, of Vader al bijgekomen is.
+Eindelijk hooren we een diepen, kreunenden zucht. Nu is hij bij.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="285"></span><a id="p_285"></a></p>
+
+<p>Moeder en Christien tillen hem voorzichtig op, dragen hem naar de
+bedstede. Met zachte hand trekt Moeder hem de overkleeren uit, legt hem
+dan te bed, dekt hem toe.</p>
+
+<p>We weten, wat er nu volgen zal. Den heelen dag zal Vader daar doodstil
+blijven liggen met barstende hoofdpijn. Hij zal niets eten, alleen nu en
+dan een teugje drinken. Wij loopen onhoorbaar door 't huis, spreken heel
+zacht, ontbijten, koffiedrinken, eten in de keuken. Wanneer Moeder naar
+binnen is geweest, zullen we met smeekende verwachting in de oogen
+vragen, hoe 't er mee is, telkens weer. En dan zal Moeder zeggen: &bdquo;Vader
+ligt doodstil. Erge hoofdpijn.&rdquo;</p>
+
+<p>Eerst tegen den avond zullen we even bij 't bed mogen komen, om Vader
+een hand te geven. Dan zal hij ons met zijn zachte blauwe oogen
+vriendelijk aanzien, alsof hij ons vergiffenis vroeg, dat hij ons zoo
+had teleurgesteld. En dan zullen we onze oogen vochtig voelen worden. En
+dan zal hij zeggen: &bdquo;Nacht kind!&rdquo; En we zijn blij, dat we zijn stem weer
+hooren. Rustig gaan we naar bed, en we danken Onze lieve Heer, dat Hij
+Vader toch weer beter heeft gemaakt.</p>
+
+<p>Zoo zal de dag voorbijgaan. We weten het al vooruit. Want zoo is er al
+menige dag voorbijgegaan. Om de drie weken kreeg Vader een toeval. Soms
+wel twee in een week. Soms duurde het ook een paar maanden. Dan hoopten
+we al, dat het weg mocht blijven. Tot opeens, daar had je 't weer, die
+hartdoorsnijdende gil.</p>
+
+<p>Zelf sprak Vader er nooit over. Ook niet als hij pas een toeval had
+gehad. Dan was hij meestal een<span class="pagenum" title="286"></span><a id="p_286"></a> paar dagen moe en suf van hoofd, ging
+stil zijn weg. Maar nooit roerde hij het onderwerp aan.</p>
+
+<p>Waarschuwende verschijnselen, dat er een toeval op handen was, deden
+zich niet voor. Geheel onverwacht en op de meest ongelegen oogenblikken
+kwamen ze. Zoo praatte Vader nog met je, en zoo plofte hij neer. Alleen
+had Moeder meenen op te merken, dat er vaak dagen van groote
+prikkelbaarheid aan vooraf gingen. Wanneer Vader zoo ongemotiveerd
+driftig kon opstuiven&mdash;ach, aanstonds was hij weer bedaard&mdash;beefde
+Moeder al inwendig. &bdquo;Er zit zeker weer een toeval,&rdquo; zei ze met
+bekommerde, verontschuldigende stem. En dan zat er ook meermalen een
+toeval, als een donkere, dreigende onweersbui. Soms was het voor allen
+en ook voor Vader zelf een verademing, als de bui was losgebroken. Dan
+kwam er weer ontspanning.</p>
+
+<p>Zoo is er ook nu, op dezen morgen, na den eersten hevigen schrik,
+ontspanning gekomen. We zitten rustig in de keuken. 't Is nog pas half
+zes. Wat zullen we doen? Weer naar bed gaan? Lezen? Spelen? Dat is
+onmogelijk. We scholen om Moeder heen, in het kleine keukentje. En
+Moeder praat zachtjes. Ze vertelt van haar leven.</p>
+
+<p>'t Is wel een vreemd verteluurtje. De morgenzon kleurt den hemel. Door
+'t keukenraam zien we boomtoppen verlicht. En 't is ook een zonderling
+plekje, in de keuken tusschen de glazenkast en de aanrechtbank. Ook het
+verhaal is ongewoon, een verhaal van levensleed. Zoo iets vertelt men
+gewoonlijk niet aan kinderen. Kinderen moeten immers sprookjes en
+grappen <span class="pagenum" title="287"></span><a id="p_287"></a>hooren? Maar dit alles wordt verklaard door de donkere bedstede
+daar in de huiskamer, door dien lijdenden man.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>&bdquo;Ach,&rdquo; zegt Moeder, &bdquo;zoo is het mijn heele leven gegaan.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze zit stil, met ingekeerde oogen, alsof de oogen ver, ver in het
+verleden teruggingen. Dan gaat ze voort, zachtjes vertellend van wat die
+oogen daar zagen.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik was nog maar pas getrouwd, toen je Vader een toeval kreeg. Je hoeft
+niet te vragen, of ik schrok, want ik had er niets van geweten. En ik
+had zoo iets nooit bijgewoond. Maar toen je Vader bijkwam, had ik zoo
+innig met hem te doen. Hij was zoo ellendig, en daarbij was hij zoo
+verlegen voor mij. Hij had er mij niets van verteld. Vóór ons huwelijk
+had hij ook al een paar maal een toeval gehad, maar zijn vrienden hadden
+gezegd, dat het in zijn trouwen wel zou overgaan. Daar had hij het maar
+op gewaagd.</p>
+
+<p>We woonden toen in een grooten kruidenierswinkel. Daar hadden zijn
+voogden hem in gezet. Want je Vader was al vroeg een wees. Maar hij had
+geen verstand van zaken. En binnen tien maanden was de zaak failliet.</p>
+
+<p>Toen moesten we verhuizen. Op een kouden avond in Januari brachten ze
+mij in een toe-slee over. Dien avond zal ik niet licht vergeten. Het
+vroor hard. 't Was bitter koud. Daarom hadden ze me goed toegestopt. Ik
+was hoogst zwanger. Iederen dag kon Christientje geboren worden. Toen ik
+aan de nieuwe woning<span class="pagenum" title="288"></span><a id="p_288"></a> kwam, moest ik een ongelukkige trap op, twee hoog,
+en daar vond ik een paar zoo goed als leege kamers. Er stond een tafel,
+een paar stoelen, maar geen kachel. Aanstonds brachten ze me naar bed.
+Toen voelde ik me toch zoo bitter ellendig. Geen brand, geen voedsel,
+niet eens een warm kop koffie, de kasten leeg en geen cent in huis. En
+daar werd den 25sten Januari Christientje geboren.</p>
+
+<p>Zoo is mijn huwelijksleven begonnen. En nog geen jaar te voren zat ik in
+die heerlijke pastorie.</p>
+
+<p>Natuurlijk kwam Grootvader gauw over. Die goeie man wist niet, wat hij
+zag. Hij schreide, toen hij voor mijn bed zat. En toen de broers, jullie
+ooms, het hoorden, waren ze woedend. Ze zeiden, dat je Vader me bedrogen
+had en wilden, dat ik weer naar de Klundert zou komen. Maar daar was ik
+niet toe te bewegen. Je Vader was zoo goed en hij leed er zelf zoo
+bitter onder. Hij hád me ook niet bedrogen, daar zou hij nooit toe in
+staat zijn geweest. Maar de man was veel te goed van vertrouwen. En dat
+is hij zijn leven lang gebleven. Dat is hij eigenlijk nog. Daarbij was
+hij niet goed opgevoed. Zijn ouders waren deftig en bemiddeld. Maar die
+stierven al vroeg. Toen ging hij met zijn broertje ergens in huis. Ze
+kregen goed onderwijs, je Vader is altijd knap geweest. Maar er werd
+niet gezorgd voor een bepaalde opleiding, en toen je Vader mondig was,
+werd er eenvoudig een zaak voor hem gekocht, of hij er geschikt voor was
+of niet. Hij dacht, dat alles best zou gaan. De man had van zijn eigen
+zaken nooit iets afgeweten.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="289"></span><a id="p_289"></a></p>
+
+<p>Grootvader zorgde, dat ik het noodigste kreeg. Maar hij had zelf een
+groot gezin en kon er niet nog een gezin bij onderhouden. Toen hij weer
+weg was, bleven we met ons drieën achter. Je Vader kreeg een
+betrekkinkje en zoo konden we tenminste leven. Maar vraag niet hoe.&rdquo;</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Moeder in die slee, Moeder in die armelijke bedstede op een leeg
+bovenhuis, Grootvader, die waardige man, met beschreide oogen bij het
+gebroken leven van zijn dochter&mdash;het zijn tooneeltjes die ik zou kunnen
+uitschilderen. Moeder vertelde zoo, dat we alles voor ons zagen. En ik
+weet nog heel goed, dat ze zonder eenige aarzeling uitdrukkingen als
+&bdquo;hoogst zwanger&rdquo; gebruikte. Armoede en smart brengen de volwassenen zoo
+dicht bij de kinderen, maken de kinderen in zeker opzicht gauw groot.
+Moeder had geen tijd en geen stemming, om er een afzonderlijk taaltje
+voor kinderen op na te houden. Met wie moest ze alles bepraten en
+overleggen dan met haar kroost, en daarbij sprak ze de gewone taal der
+volwassenen. Wij vonden zulke woorden ook heel gewoon, al begrepen we er
+niet precies het rechte van. Maar zoo is het immers met haast ieder
+woord? We moeten het aanvankelijk met enkele vage notities stellen.</p>
+
+<p>Zoo is het ook gegaan met het woord &bdquo;verleiden&rdquo;, in den specialen zin,
+zooals we het uit de geschiedenis van Jozef en Potifar's vrouw kennen.
+Moeder was al eenige jaren getrouwd, en woonde in Emmerik. Daar had
+Vader een betrekking aan het spoor gekregen.<span class="pagenum" title="290"></span><a id="p_290"></a> Wat, dat weet ik niet, we
+waren tevreden met het woord &bdquo;betrekking&rdquo;&mdash;naar bizonderheden
+informeerden we niet. &bdquo;En toen&rdquo;&mdash;vertelde Moeder&mdash;&bdquo;werd ik eens op het
+kantoor ontboden bij een deftigen meneer. Ik kwam in een prachtige
+kamer. Die meneer was heel vriendelijk. Eerst begreep ik hem niet. Maar
+toen zei hij: Een mooie jonge vrouw als u hoeft toch geen armoe te
+lijden. En hij wees op een stapel geld, dat op zijn bureau stond, alsof
+hij zeggen wou: Neem het maar. Toen was het, of ik een ingeving kreeg. O
+God, dat nooit! En ik liep aanstonds naar den hoek van de kamer en trok
+aan het schellekoord: &bdquo;Meneer, ik verzoek, dat u me onmiddellijk
+uitlaat.&rdquo; Toen de knecht kwam, zei hij: &bdquo;Laat jij de juffrouw eens uit&rdquo;
+Hij moest wel. Maar toen ik thuis kwam, viel ik stijf van mezelve.&rdquo;</p>
+
+<p>Bijna woordelijk herinner ik me dit verhaal. Met dezelfde soberheid
+vertelde Moeder het. Ik zag de kamer, het bureau, het geld, het
+schellekoord, den knecht. En ik begreep, dat die man Moeder had willen
+verleiden tot iets kwaads, al begreep ik niet wat. Ik bracht het echter
+wel in verband met de geschiedenis van Jozef.</p>
+
+<p>Moeder kon in Emmerik niet blijven. Gelukkig kreeg Vader nu iets in
+Amsterdam. Hij moest vooruit reizen. &bdquo;Toen moest ik voor de verhuizing
+zorgen, alles inpakken en verzenden. En eindelijk ging ik zelf met drie
+kinderen, een spiegel en een schilderij. Dat was een heel gesjouw. Maar
+ik rekende altijd op de goeie menschen. Die hielpen je wel.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="291"></span><a id="p_291"></a></p>
+
+<p>Daar zat ze in de trein, natuurlijk derde klas, met drie kinderen, een
+spiegel en een schilderij, blij, dat ze Duitschland den rug kon
+toekeeren. &bdquo;De menschen waren er wel vriendelijk&mdash;overal heb je goeie
+menschen&mdash;, maar ze begrepen me niet altijd. En in Amsterdam was ik
+natuurlijk dichter bij de familie. Ofschoon een mensch het in zijn
+armoede toch niet van de familie hebben moet. In 't begin is er wel veel
+medelijden, maar och, aan alles raak je gewoon. De familie was wel heel
+goed voor me, hoor&mdash;&mdash;je oom Willem, die was student in Utrecht, en als
+hij dan een dag of wat overkwam, zei hij: Nans, hier is het geld voor
+het hotel, stop mij maar ergens in een hoekje. En dan ging hij niet naar
+een hotel, maar sliep heel armelijk bij ons. Dát was toch zoo'n lieve
+jongen. Daarom is hij zeker vroeg gestorven&mdash;nog als student&mdash;aan de
+tering. Hij was een engel van een jongen. Maar anders, het meeste lief
+heb ik van de buren gehad. Die zijn ook zoo iederen dag om je heen.&rdquo;</p>
+
+<p>En nu kwamen er verhalen van goeie buren.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>&bdquo;Wat ik van die menschen een hartelijkheid heb ondervonden&mdash;dat kan ik
+onmogelijk allemaal vertellen. Als je arm bent, moet je onder arme
+menschen gaan wonen, dan heb je het nog het beste. En het was aardig,
+zooals ze me altijd met zekeren eerbied behandelden. Ze zagen natuurlijk
+wel, dat wij van betere afkomst waren en betrokken ons nooit in hun<span class="pagenum" title="292"></span><a id="p_292"></a>
+standsgewoonten. &bdquo;Dat kan de juffrouw niet doen,&rdquo; zeiden ze dan. &bdquo;Dat is
+de juffrouw niet gewoon. Dat zullen wij wel even voor u doen.&rdquo;&mdash;En ze
+wilden nooit iets aannemen. &bdquo;Wel nee, lieve mensch, je kan het zelf te
+best gebruiken.&rdquo; Van hun eigen armoede deelden ze me meermalen mee.</p>
+
+<p>Eén man zal ik altijd heel dankbaar herdenken. Dat was bakker Aalders.
+We woonden toen ergens op een kamer drie-hoog, en hij had beneden in 't
+huis zijn bakkerij. Iederen morgen bracht hij ons brood en in 't begin
+betaalde ik dat ook geregeld. Als je Vader Zaterdags zijn weekgeld thuis
+bracht, rekende ik 's Maandags altijd af met den bakker en den
+groentenman en den huisbaas en den bode van het begrafenisfonds. Maar
+toen je Vader weer een toeval gekregen had en hij zijn betrekking kwijt
+was, hield natuurlijk dadelijk ook het geld op. Bakker Aalders zag dat
+wel, zulke menschen weten direkt alles van je omstandigheden. Toch ging
+hij voort, iederen morgen brood te brengen, en nu zonder ooit om geld te
+vragen. Dat duurde weken en maanden achtereen. En altijd bracht de
+vriendelijke man zelf het brood boven, maakte even een praatje, vroeg
+niets en zinspeelde ook op niets. Eindelijk werd ik er zelf verlegen mee
+en ik zei, dat ik hem onmogelijk betalen kon, dat hij maar geen brood
+meer moest brengen. En wat zei de man? &bdquo;Juffrouw, zoolang ik brood heb,
+zal u 't ook hebben. Dat geld komt wel terecht.&rdquo; En toen je Vader weer
+wat verdiende, wou Aalders het achterstallige geld niet hebben. En hij
+heeft het<span class="pagenum" title="293"></span><a id="p_293"></a> nooit willen hebben. Ja, ik heb wat goeie menschen in de
+wereld ontmoet! Maar Aalders was toch wel heel bizonder.&rdquo;</p>
+
+<p>Terwijl Moeder vertelde, zag ik Aalders, een eenvoudig man, het petje
+op, met een brood in de hand de oude trap oploopen, aan de kamerdeur
+kloppen, het brood op tafel leggen, even een praatje maken, en weer
+verdwijnen. En als pendant daarvan dien deftigen meneer in Emmerik, in
+de prachtige kamer, aan zijn bureau, met het stapeltje geld, en Moeder
+staande op het dikke tapijt. En mijn gemoed wisselde als een
+voorjaarshemel bij veranderlijk weer. Nu eens was het helderblauwe lucht
+met zonneschijn&mdash;bakker Aalders met zijn brood in de geopende
+kamerdeur&mdash;dan weer donkere bewolking met angstig-dreigend grauw: de
+prachtige kamer.</p>
+
+<p>Zou men denken, dat wij, luisterende kinderen, door zulke verhalen niet
+werden opgevoed? Moeder vertelde ze niet met die bedoelingen, ze
+vertelde ze alleen om haar hart uit te storten in heel vertrouwelijk
+samenzijn met haar kinderen. Maar ik voelde hun krachtige werking in
+mijn gemoed, ik voelde bewondering en afgrijzen, liefde en weerzin,
+dankbaarheid en verfoeiing. Ons hart werd tot in zijn diepste lagen
+bewogen en geen weloverdachte zedelijke opvoeding kon bewerken, wat
+hier, zonder opzettelijkheid en met door de paedagogiek misschien
+afgekeurde middelen, werd bereikt. Moeders leven, de ervaringen van een
+volwassene, de onkinderlijke verhoudingen en woorden, 't lijkt
+veroordeelenswaardig opvoedingsmateriaal<span class="pagenum" title="294"></span><a id="p_294"></a> voor jongens van elf en twaalf
+jaar. Doch niettemin&mdash;wij wérden er door opgevoed. En ik weet wel,
+waardoor dat komt. Dat komt, omdat daarin het echte, waarachtige, ons
+naderde, met bedoelingen van enkel liefde. Hoe geweldig werkt de
+waarachtigheid der natuur, ook van het zich onbevangen gevende
+Moederhart, tegenover het kunstmatige eener in elkaar gezette techniek.
+Moeder <i>maakte</i> niet wat voor ons, ze <i>uitte</i> zich, en in die uitingen
+stroomde ons het voedende leven toe. Dat is ook de kracht van den Bijbel
+en van alle zuivere springbronnen van leven.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>De nood rees soms wel hoog, maar toch altijd kwam de redding. Vreeselijk
+was de toestand, toen één kind gestorven in zijn bedje lag, een ander
+ieder oogenblik geboren kon worden, en Vader met een toeval werd thuis
+gebracht. En dat midden in de armoede. Men kan zich zoo'n ellende niet
+indenken. En als Moeder 't ons vertelde, zei ze ook altijd: &bdquo;Hoe komt
+een mensch het door!&rdquo; Maar ze had een onwankelbaar vertrouwen, dat God
+haar wel helpen zou.</p>
+
+<p>&bdquo;Eens op een avond zat ik in mijn eentje in een arm bovenkamertje. Ik
+had alles netjes opgeruimd, want in de grootste armoede had ik er toch
+altijd plezier in den boel netjes te hebben. De kinderen lagen in
+theekisten, want wiegjes of ledikantjes had ik niet. Maar ze waren met
+heldere lakentjes toegedekt. En toen werd er geklopt en een paar dames
+kwamen binnen. Ze gingen zitten en praatten wat<span class="pagenum" title="295"></span><a id="p_295"></a> met me. Een van haar
+had een versje voor me uitgeschreven. Dat heb ik altijd bewaard. Ze las
+het me voor. En ze maakte me haar compliment, dat alles zoo netjes was.
+En toen ze heen waren, vond ik onder een bordje vijftig gulden, twee
+briefjes van vijfentwintig. Mijn gemoed schoot vol.&rdquo;</p>
+
+<p>Ook onze oogen sprongen vol tranen, als Moeder dat vertelde.</p>
+
+<p>En als ze dan uit een oude doos het blaadje postpapier haalde, het
+geelgeworden blaadje, en ons het vers voorlas, hoorden wij met stille
+vroomheid toe. 't Was een vers van Godsvertrouwen. Waarom zou ik den
+naam der beide dames niet noemen? 't Waren twee zusters Salm&mdash;nu al lang
+gestorven. En nu noem ik dien naam niet als een bewijsstuk voor de
+echtheid der geschiedenis of als een eeresaluut nog boven het graf, maar
+alleen om mezelf het genot te gunnen, dien naam eens hardop uit te
+spreken, midden in den kring van wie naar me luisteren, zooals Moeder 't
+deed in het kringetje van haar kinderen.</p>
+
+<p>Daar is nog een naam van een gestorvene, die in mijn hart leven blijft.
+Mijnheer Sanders was rijk en woonde in een groot huis op de Heeren- of
+Keizersgracht. Wanneer Moeder radeloos was, ging ze naar hem toe en kwam
+nooit ongetroost terug. Er waren bepaalde uren, dat de gang daar vol
+armen stond. Die man had zulk een mededoogend hart, dat hij soms met
+sterken aandrang een poos naar buiten moest worden gedreven. Hij kon
+&bdquo;zijn&rdquo; armen niet achterlaten en leed zoo zeer onder hun kommer, dat<span class="pagenum" title="296"></span><a id="p_296"></a>
+hij alleen gelukkig was, als hij geven en helpen mocht. Ik voelde toen
+al, dat de rijkdom voor dit gevoelige hart misschien nog zorgvoller was
+dan de armoede voor Moeder. De verantwoordelijkheid van zijn
+rentmeesterschap drukte hem als lood. Bij zooveel ellende kon hij met
+zijn geld niet gelukkig zijn. En al gaf hij al zijn geld weg, dan was de
+ellende toch niet merkbaar verminderd. Wanneer Moeder ons van hem en
+zijn milddadigheid vertelde, was het altijd met dankbaarheid en
+medelijden. Wel eigenaardig, dat de armoede medelijden had met den
+rijkdom.</p>
+
+<p>Bij deze twee namen zal ik het laten. Namen noemen van goedgeefsche
+rijken&mdash;het is benden van dringende vragers op hen afsturen. Doch geen
+armen zullen een bedevaart naar deze graven doen. Hoe echter het
+namennoemen misbruikt kan worden, heeft Vader eens op een wonderlijke
+manier ondervonden.</p>
+
+<p>Er was een man met wien hij sprak over zijn nooden en toen liet Vader
+zich ontvallen, dat hij van deftige familie was. Meneer X. was een neef
+van hem, Mevrouw IJ. een tante. Maar die familie wist van Vaders bestaan
+niet af. Vader was niet trotsch of hooghartig, maar hij <i>kon</i> niet
+bedelen. Hij stierf liever met zijn heele gezin van honger, dan ook maar
+een penning te vragen. Het was hem onmogelijk. Hierin was Moeder een
+beetje gemakkelijker. Welke rechtgeaarde Moeder waagt ook niet alles
+voor haar kinderen!</p>
+
+<p>Die man dan hoorde Vader aan, informeerde naar de adressen, noemde Vader
+een gek, dat hij niet van<span class="pagenum" title="297"></span><a id="p_297"></a> dien rijkdom profiteerde, hij zou 't hem wel
+anders, leveren, en zoo voort en zoo voort. Vader liet zich niet
+opwinden, wilde geen misbruik maken van den naam zijner moeder, om
+daardoor geld los te krijgen, berustte liever in zijn armoede.</p>
+
+<p>Twee of drie weken later kreeg Vader gansch onverwacht een brief, of hij
+zich op een bepaald uur wilde vervoegen aan het kantoor van Mr. X. Wat
+zou dat beteekenen? Hij, Moeder, allen waren even nieuwsgierig.
+Natuurlijk ging hij, en in spanning wachtten de anderen zijn terugkomst
+af. Wat was 't geval. Mr. X. vroeg aanstonds: &bdquo;Bent u meneer Ligthart?
+Bent u het zelf?&rdquo; En toen informeerde hij naar Vaders geschiedenis en
+omstandigheden. Er was een man geweest, die zich voor Ligthart had
+uitgegeven en schandelijk had opgespeeld&mdash;hij wou bij hoog en laag geld
+hebben, en als hij dat niet kreeg, zouden ze wel anders zien&mdash;hij
+verkoos niet te verrekken van honger, als hij zulke rijke familie had,
+en al zou hij er de heele wereld bij te pas brengen, hij wou geld
+hebben.</p>
+
+<p>Mr. X. was zeker blij verrast, toen hij in den bescheiden en beschaafden
+man, die nu voor hem stond, den echten Ligthart zag. Beiden doorzagen de
+oplichterij gauw genoeg, toen Vader vertelde, hoe die man hem had
+uitgehoord. Mr. X. bedankte Vader voor zijn komst en Vader zou wel iets
+naders van hem hooren.</p>
+
+<p>Spoedig kwam er bericht, dat Vader een levenslange toelage kreeg van
+vijf gulden in de week. Elken Maandagmorgen kon dat bedrag gehaald
+worden bij Ds. v.<span class="pagenum" title="298"></span><a id="p_298"></a> d. Goot, onzen Doopsgezinden predikant. Niemand
+hoefde er voor bedankt te worden, het was een familietoelage, op
+voorstel van Mr. X. De gevers bleven onbekend.</p>
+
+<p>Meermalen heb ik zelf die vijf gulden bij Ds. v. d. G. gehaald. Die was
+dan altijd heel vriendelijk en behandelde je volstrekt niet als een
+bedeelde.</p>
+
+<p>Maar is dit weer niet een zonderlinge geschiedenis? Zeg geen namen van
+goedgeefsche rijken, want oplichters maken er misbruik van. En zie, deze
+oplichter maakte het pad effen voor levenslange hulp.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Zoo vertelde Moeder ons de eene geschiedenis na de andere, terwijl Vader
+in bed lag. Slechts eenmaal was het haar <i>te</i> benauwd geweest. Toen had
+ze op het punt gestaan in 't water te springen. Maar de gedachte aan de
+kinderen had haar weerhouden. Nooit hebben we Moeder hooren klagen over
+haar lot. Al vertelde ze ons de droevigste ervaringen, het was nooit in
+den klaagtoon. En als ze over Vader sprak, was het met liefdevolle
+aanvaarding: &bdquo;Ik heb altijd het gevoel gehad, dat God mij tot taak had
+gegeven, dezen man door het leven te brengen.&rdquo; Hij was haar oudste kind.
+Vriend noch vreemd&mdash;en aan pogingen heeft het zeker niet
+ontbroken&mdash;heeft haar ooit kunnen bewegen, haar post ontrouw te worden.
+Ze heeft haar levenstaak met algeheele zelfverloochening volbracht.</p>
+
+<p>Dikwijls als ze over goede menschen sprak, kwam<span class="pagenum" title="299"></span><a id="p_299"></a> het zoo uit de volheid
+van haar hart: &bdquo;Die hebben den hemel aan me verdiend.&rdquo; De uitdrukking
+was wat Roomsch, Moedertje, voor een predikantsdochter&mdash;wij doen niet
+aan werkheiligheid. Maar wat hebt Gij dan wel verdiend aan man en
+kinderen?</p>
+
+<p>Moeder heeft een stukje van den hemel al op aarde gekregen. 't Kwam wel
+laat, maar daarom mocht ze zeker wat langer blijven. Toen ze, in haar
+drie-en-zeventigste, heenging, had ze al meer dan twaalf jaren een
+betrekkelijk, althans geldelijk, onbekommerd leven genoten. Dat was
+ongetwijfeld haar loon voor een leven van toewijding.</p>
+
+<p>&bdquo;O, als ik jelui alles vertelde, dan kon je er wel een boek over
+schrijven,&rdquo; zei Moeder vaak.</p>
+
+<p>Maar Moeder, dat moet U me nu eens niet kwalijk nemen, maar dat doen we
+tegenwoordig niet. We schrijven geen boeken over helden en heldinnen,
+die op 't leven zegevieren. We schrijven alleen boeken over
+slappelingen, die in 't leven ondergaan. Stel je voor, dat ik eens een
+boek over U schreef. Ze zouden zeggen: dat is maar een bedacht
+vertelseltje. Zoo is het leven niet.</p>
+
+<p>Neen hoor, geen boek over Uw levensboek. Alleen heb ik mij in dit
+hoofdstukje veroorloofd, eenige bladzijden daaruit over te drukken. En
+dat heb ik gedaan met opvoedkundige bedoelingen. Want, lieve Moeder, ik
+ben&mdash;dank zij U&mdash;en ondanks de paedagogiek&mdash;zoo'n soort paedagoog
+geworden.</p>
+
+<p>Dank zij U.</p>
+
+<p>Uw leven doortrilt mijn leven.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="300"></span><a id="p_300"></a></p>
+
+<p>Van U heb ik geleerd, neen als levensmelk ingezogen, onder alle, alle
+omstandigheden niet te versagen, trouw te volharden, te aanvaarden den
+plicht die ons wordt opgelegd, niet onszelf te zoeken, maar onszelf toe
+te wijden.</p>
+
+<p>Of ik dat gekund heb?</p>
+
+<p>Ik wou, dat het waar was. Maar mijn falen is niet uw schuld. Dat was
+meestal 't gevolg van te veel voorspoed. Gelukkig kwam de tegenspoed me
+dan eens flink door elkaar rammelen, om me tot bezinning te brengen en
+terug te voeren tot trouw.</p>
+
+<p>Gij hebt, door Uw leven, de les gepredikt: We moeten geen heide
+ontvluchten en parken zoeken, maar heide ontginnen en parken maken.</p>
+
+<p>Er is, heel sterk in onzen tijd, een jacht naar beter. Niet dat men
+zichzelf en zijn arbeid wil verbeteren&mdash;als gevolg waarvan vanzelf
+betere omstandigheden zouden ontstaan&mdash;maar een zoeken van en dingen
+naar altijd hooger, voordeeliger, voornamer positie. Daartoe verlaten
+honderden schoenmakers hun leest.</p>
+
+<p>Gij hebt ons geleerd: Doe wat God je als levenstaak heeft gegeven, en
+doe dat met heel je hart. Blijf trouw.</p>
+
+<p>En Uw succes heeft er de belofte aan toegevoegd: En je zult slagen,
+boven bidden en denken.</p>
+
+<p>Heerlijk, Moeder, dat ik deze les, Uw wijsheid, als het summum mijner
+paedagogiek nu onder vele oogen mag brengen, hopen dat zij vele harten
+mag binnentrekken.</p>
+
+<p>Blijf trouw! En vertrouw! En de kroon des levens is voor U weggelegd!</p>
+
+<p>Is het niet eigenlijk&mdash;christendom?</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="301"></span><a id="p_301"></a></p>
+
+<h2 id="IK_WORD_KWEEKELING">IK WORD KWEEKELING.</h2>
+
+<p>We hechten aan het werkwoord worden in sommige gevallen een heel actieve
+beteekenis. Wanneer een jongen ons met een blijd voornemen in de oogen
+en de stem vertelt: &bdquo;Meester, ik word zeeman!&rdquo;&mdash;, dan is het, of we hem
+met volle zeilen op zijn doel zien afstevenen.</p>
+
+<p>Zoo ging het bij mij niet. Kweekeling-worden, ik had er nooit aan
+gedacht. Naar den kansel was mijn blik en hartewensch wel eens
+heengegaan, die behoorde om zoo te zeggen ook tot de familie, maar zoo
+ver heugenis en overlevering reikten, had Vaders noch Moeders geslacht
+ooit de wereld met een schoolmeester verrijkt. Grootvader en twee ooms
+waren predikant, een derde oom studeerde er voor, geen wonder als er wat
+domineesbloed door mijn aderen vloeide.</p>
+
+<p>Echter, er kon geen sprake zijn van een academische opleiding, daartoe
+ontbrak het ten eenenmale aan middelen, en zoo lag het in het duister,
+wat ik worden zou. Timmerman, gelijk de twee oudere broers, daar was ik
+te zwak voor. Maar wat dan? Misschien was ik behanger geworden&mdash;daar
+hoefde je niet zoo sterk voor te zijn&mdash;toen de armoede het vraagstuk
+heel practisch oploste.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="302"></span><a id="p_302"></a></p>
+
+<p>Al weken achtereen had ik mijn schoolgeld niet betaald. Weten de
+onderwijzers, die den kinderen harde standjes geven als deze hun
+schoolgeld hebben &bdquo;vergeten&rdquo;, wat dat voor een kind is? Ze kunnen er
+zeker van zijn, dat er thuis al heftige tooneelen zijn afgespeeld. Het
+kind wilde niet naar school zonder schoolgeld, en Moeder had het niet.
+Het kind draalde, drong, schreide, werd brutaal, bleef tegen den muur
+hangen, en Moeder kon het geld toch niet van haar rug snijden. Eindelijk
+zei Moeder: &bdquo;Zeg dan maar, dat je 't vergeten hebt,&rdquo; maar het kind wist
+wel, dat noch meester noch de kinderen dat gelooven zouden. Ten slotte,
+vijf minuten voor negenen, is het maar de deur uit geslenterd, met
+roodbeschreide oogen, zeurend naar school. En als het daar kleurend van
+schaamte en gekrenkte trots, de boodschap van Moeder verlegen naliegt,
+terwijl de omringende leerlingen zich in de welgegoedheid hunner ouders
+veilig voelen en wat vreemd en ongeloovig kijken, krijgt het van zijn
+meester nog een uitbrander. Hoe is het mogelijk!</p>
+
+<p>Als een der voordeelen van een armelijke jeugd, vol vernederingen, heb
+ik het altijd gevoeld, dat ik, in beter omstandigheden gekomen, zulke
+arme kinderen begrijpen en wat ontzien kon.</p>
+
+<p>Nu is het heerlijk, van mijn bovenmeester te mogen getuigen, dat hij
+tegenover mij teer- en fijngevoelige kieschheid betrachtte. Hij
+vernederde mij niet midden in de klas, maar riep me in zijn kamertje.
+Daar drukte hij me ernstig op 't hart, dat het achterstallige schoolgeld
+al veel te hoog was opgeloopen, en dat het zoo<span class="pagenum" title="303"></span><a id="p_303"></a> niet langer ging. Ik
+moest mijn ouders zeggen dat ik het schoolgeld moest meebrengen, en hij
+anders verplicht was mij van de school te verwijderen. (Is het, tusschen
+twee haakjes, ondanks de waarlijk goede bedoeling en den vriendelijken
+toon van den hoofdonderwijzer, toch niet al te erg, dat zulke geldelijke
+aangelegenheden, die toch eigenlijk alleen de volwassenen betreffen,
+worden afgehandeld met een twaalfjarig kind?) Echter, behalve betalen en
+verwijderen, was er nog een derde kans. En ik weet nog, hoe mijn hart
+opsprong van blijde verlichting, toen de bovenmeester me dit uitzicht
+opende: Ik kon kweekeling worden. Dan kostte ik niets en zou zelfs wat
+verdienen: gratis opleiding en vijf gulden in de drie maanden!</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Kweekeling worden. Heerlijk! Nu het me daar zoo onverwacht werd
+voorgesteld, werd ik plotseling gewaar, dat er toch, volkomen onbewust,
+een groote liefde voor het onderwijzerswerk in mij gegroeid was. En dat
+had ik te danken aan den onderwijzer, die ons dagelijks les gaf en die,
+althans in mijn oog, van zijn taak en zelfs van zijn heele verblijf in
+de school, zoo iets behagelijks wist te maken. 't Was de man, die reeds
+den eersten morgen van onze aankomst verrukt was over de mooie namen en
+die met zulk een gezellige ingenomenheid nieuwe rekenboekjes uit de kast
+opdook, wanneer we al weer een rekenboekje uit hadden. Met zoo'n
+beloonende en aansporende<span class="pagenum" title="304"></span><a id="p_304"></a> blijdschap keek hij de twee volle kanten van
+je lei na, met zoo'n leuke gratie zwierde hij G's door je sommen ten
+teeken dat ze goed waren. Het leek wel voor hemzelf een feest te zijn,
+als hij, de griffel sierlijk in de hand, som na som met zijn zegelmerk
+voorzag, terwijl wij hem met spannende oogjes aankeken, innerlijk
+juichend bij elken gracieusen trek, even inzinkend bij iedere&mdash;maar toch
+mooie&mdash;streep door een foutieve oplossing.</p>
+
+<p>Wat kon hij 's winters gezellig bij de kachel staan! Dan liep hij eerst
+rustig om de klas heen, wreef zich de koude handen, opende de
+kacheldeur, keek naar 't vuur met dezelfde belangstelling als naar onze
+sommen, greep den pook niet minder sierlijk dan de griffel, en pookte
+zonder ruwe rammelende geluiden, pookte gelijk hij op 't bord schreef,
+netjes en rustig, zoodat zelfs het randje van zijn hagelwitte manchet er
+plezier in had en zich nieuwsgierig verbreedde. Daarna hing hij den pook
+op zijn vaste plaats, draaide zich met den rug naar de kachel, sloeg de
+handen in elkaar op de achterpanden van zijn jas, en koesterde ze te
+gelijk met al de achterdeelen van zijn kleeding en wat daar onder zat.
+Onderwijzer-zijn, je zag het den man aan, was een dagelijksch genoegen.
+Maar ik denk nu, dat hij met hetzelfde genoegen winkelier was geweest.
+Alleen had de natuurlijke gave om zijn heele omgeving gezellig te maken
+hem dan wat meer geld opgebracht. Hij was gansch geen type van een
+verdroogden schoolmeester, nog al rijzig, gezet, kleurig en met
+springende haren. Zijn gezetheid bracht<span class="pagenum" title="305"></span><a id="p_305"></a> zeker mee, dat hij zomers nog
+al dorstig was. Dan kon hij zoo smakelijk een glas water leegdrinken.
+Eerst hield hij het tegen 't licht, en verkwikte zich met den aanblik
+van het kristalheldere vocht. Daarna dronk hij het met langzame teugen
+op, genietend van iedere aanraking. Zette hij 't glas weer netjes in de
+kast, dan kon je zeker zijn, dat hij nog even, heel even, met het puntje
+der tong langs de lippen streek, navoelend de zachte verkoeling.</p>
+
+<p>Was het wonder, dat het opgroeien onder den stillen invloed van zulk een
+gemoedelijk-vriendelijk onderwijzersleven, bij ons onmerkbaar liefde
+voor dat leven deed ontkiemen? Zóó op 't bord schrijven, zóó de griffel
+hanteeren, zóó je koesteren bij de kachel, zóó een glas water
+savoureeren&mdash;je vond het een benijdbaar voorrecht, en thuis deed je met
+welbewuste pogingen dit aanlokkelijk voorbeeld na. Je schoof zelfs een
+afgedankte manchet van je grooten broer onder de mouw van je
+jongenskiel, om te kijken, hoe dat stond, en of die manchet ook zoo te
+voorschijn kwam, als je mouw optrok....</p>
+
+<p>Mijn ouders armoede en het even vriendelijke als wijze voorstel van den
+bovenmeester, deden mij kweekeling worden, maar Uw onbedoeld voorbeeld,
+o Meester, was oorzaak, dat deze overgang mij <ins class="corr" id="corr19" title="Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</ins>
+als een groote verrukking tegen schitterde. Het was de plotseling wakker
+wordende en glorende liefde van een meisje, wanneer &bdquo;hij&rdquo;
+haar gevraagd heeft. Zoo'n leventje te hebben! Ook zonder manchetten was
+het al zalig, de griffel, de pook, de kast, de kachel,<span class="pagenum" title="306"></span><a id="p_306"></a>
+het glas water, het vredig wandelen om de klas&mdash;het werd alles
+mijn deel. En innerlijk juichend holde ik dien morgen naar huis.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Vraag niet, of mijn moeder blij was. Zij zag ineens weer een nieuw
+verschiet. Staande voor een muur van geldelijke verplichting, niet
+wetend waarheen, loste die muur zich als door een toovermiddel op, de
+harde massieve steenmassa vervluchtigde, en daar lag, vóór haar, een
+open weg, ruim, zonnig, onafzienbaar. En nu was haar eerste werk, te
+zorgen, dat de nieuwe kweekeling er, overeenkomstig zijn positie, netjes
+uitzag, eer hij dien weg opwandelde.</p>
+
+<p>De kweekeling was ruim twaalf jaar. Dit nam niet weg, dat hij toch aan
+'t onderwijzen toog. Flauw herinner ik me, dat ik tusschen kleine
+kinderen doorscharrelde en ze lezen leerde. Bizonderheden staan me niet
+meer voor den geest. Alleen weet ik de <i>plaats</i>, waar ik mijn eerste
+kommando's uitdeelde. 't Was in het ver-afgelegen achtergedeelte van de
+groote bovenschool. Zoo zijn ook allerlei andere herinneringen uit mijn
+jeugd nauw verbonden aan <i>terreinen</i>, en daaruit waag ik het af te
+leiden,&mdash;stoute sprong!&mdash;dat de landkaart een veel grooter rol moet
+spelen bij ons geschiedenisonderwijs. 't Is mij net, of al de
+herinneringen mijner jeugd, als stofjes door elkaar zouden dansen,
+wanneer ik ze niet gehecht zag aan een stukje aardbodem.</p>
+
+<p>Het kweekeling-spelen bestond hoofdzakelijk uit<span class="pagenum" title="307"></span><a id="p_307"></a> kommandeeren en
+verbieden. Dit schijnen de eerste uitspruitsels te zijn van meerderheid.
+Je kunt dat bij alle kinderen zien. Wanneer ze schooltje spelen, of
+moedertje, of soldaatje, zijn ze aanstonds zich aan 't oefenen in
+vrijheidsbelemmeren. En je kunt dat ook bij jonge moeders en vaders
+zien. Ook bij jonge onderwijzers en bij bovenmeesters. Beheerscht door
+een geheime angst, dat het gezag hun ontglipt, niet vertrouwd met het
+jonge leven, en er ook niet op vertrouwend, knellen ze het zoo gauw en
+zoo vast mogelijk in banden. Dan blijven ze het meester, en kunnen er
+mee jongleeren als met een ingespeld bakerkind. Zelfs de politiek, en
+treuriger nog, de godsdienst vatten aldus hun opvoedingstaak aan. Ze
+schrijven programma's voor, leggen systemen op, dwingen binnen
+organisatie's, die evenwel meer lijken op dooie vlechtwerken dan op
+levensuitgroeiingen, volgen het militairisme als hun model, en zoeken
+eenvormigheid als hun ideaal. Organiseeren beteekent bij hen:
+recruteeren, reglementeeren<ins class="corr" id="corr20" title="Niet in Bron.">,</ins> disciplineeren, regimenten-,
+bataillons-, legermachten vormen. En opvoeden is: den baas spelen.</p>
+
+<p>Zoo begon ik als kweekeling. Menigeen brengt het nooit verder. Die
+sterft als korporaal, als is het onder den naam van legerkommandant. Hij
+blijft de man van bevel en dwang. Daarvoor heeft mij bewaard en zal mij
+immer beschermen&mdash;ge zoudt het nooit raden, als ik 't niet zei&mdash;de
+straatjongen. Doch niet de straatjongen buiten me, maar die <i>in</i> me.
+Hij, de vrijbuitende, zwerfgrage schavuit, hij leeft nog in me.<span class="pagenum" title="308"></span><a id="p_308"></a> Hij, de
+altijd langs en over gevaarlijke kantjes gaande, de vrijheidminner en
+vrijheidgunner, hij behoedt me voor gezaggerij. Zoodra ik,
+verantwoordelijk, braaf, ernstig paedagoog, dreig te ontaarden in
+versteening, komt hij te voorschijn, drijft den spot met
+gewichtighedens, en zegt me met de brutaalste oprechtheid, dat al die
+deftigheid maar larie is, dat ik er niets van meen, en dat alle anderen
+in 't diepst van hun ziel er ook niets van meenen. En zoo zorgt
+hij&mdash;meester-opvoeder&mdash;dat de paedagoog niet in baasspelerij ten onder
+gaat.</p>
+
+<p>Wat een kweekeling later worden zal, kun je <ins class="corr" id="corr21" title="Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</ins> afleiden uit zijn eerste keus. Blijft hij
+met zijn oud-kameraden stoeien en ravotten, ondanks zijn lange broek; of
+sluit hij zich voor goed bij den nasleep van de volwassenen aan. In 't
+laatste geval wordt hij een gezagsman, gevoelig voor strepen op de mouw
+en sterretjes op den kraag. In 't eerste geval een vriend van de
+kinderen. In 't laatste geval wordt hij een officieele paedagoog&mdash;in 't
+eerste geval blijft hij een jongen.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>De theoretische opleiding, die ik gratis ontving, was heel eenvoudig. Ik
+kocht bij Ten Brink en De Vries in de Hartenstraat voor vijf cent een
+&bdquo;Beknopt Overzicht van de Vaderlandsche Geschiedenis door A. A. Holst&rdquo;,
+voor tien cent een &bdquo;Kort Overzicht van de Algemeene Geschiedenis&rdquo; van
+denzelfden schrijver, voor nog eens vijf cent de beknopte &bdquo;Bijbelsche
+Geschiedenis&rdquo; en zoo ook een beknopte Rekenkunde,<span class="pagenum" title="309"></span><a id="p_309"></a> Taalkunde,
+Aardrijkskunde. 't Waren dunne boekjes van 32&ndash;48 bladzijden, in een dun
+geel of anders gekleurd omslag&mdash;ieder overzicht had, meen ik, zijn vaste
+kleur&mdash;en bestaande uit een reeks lesjes.</p>
+
+<p>Het eerste lesje ving steeds aan met een beschrijving en indeeling van
+de wetenschap, waartoe het de deur opende: &bdquo;Geschiedenis of historie is
+het aaneengeschakeld verhaal der lotgevallen van een volk, met
+inachtneming van tijden, plaatsen en personen. Men verdeelt de
+geschiedenis in Algemeene, Vaderlandsche en Bijbelsche geschiedenis.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik weet niet of dit citaat woordelijk getrouw is, maar 'k geloof het
+wel. Ver van de waarheid zal het in ieder geval niet zijn.</p>
+
+<p>Dan volgde de opsomming der tijdvakken met de daarbij behoorende
+jaartallen. De Algemeene Geschiedenis kreeg haar Oudheid, Middeleeuwen
+en Nieuwe Geschiedenis, de Vaderlandsche haar vijf tijdperken. Zoo begon
+de Aardrijkskunde na de onmisbare definitie met de opnoeming der
+Werelddeelen. Vervolgens kreeg ieder tijdvak, ieder land zijn
+afzonderlijke behandeling overeenkomstig een vast schema.</p>
+
+<p>Er is, gelijk men ziet, wel eenig onderscheid met de tegenwoordige
+opleiding aan een kweekschool. Een der voordeelen was, dat de boekjes
+goedkoop waren, zoodat men voor 50 cent, zijn heele bibliotheek van
+leerboeken had aangeschaft. Een tweede voordeel, dat ze dun waren,
+zoodat men ze zonder al te veel moeite kon doorkomen. Een derde, dat ze
+de volledige wetenschap bevatten, zoodat men ineens alles wist.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="310"></span><a id="p_310"></a></p>
+
+<p>De studiemethode bestond hierin, dat men de lesjes woordelijk uit het
+hoofd leerde en ze daarna opzei voor den lesmeester. &bdquo;Men kende dan al
+of niet zijn les.&rdquo; Daarmee was 't uit. Leeren was memoriseeren. Zijn les
+opzeggen: een boek oplezen, zonder het boek.</p>
+
+<p>Tegenwoordig moet dat nog hier en daar in de mode zijn, zelfs op
+gymnasia en hoogere burgerscholen. 't Verschil met vroeger zou dan
+wezen, dat nu de boeken talrijker en dikker zijn, en daarmee in
+overeenstemming de ellende ook veel grooter. In plaats van de heele
+aardrijkskunde in misschien 48 bladzijden, krijgen de leerlingen nu
+afzonderlijke boeken voor Nederland, Indië, Europa, de Werelddeelen, met
+een of meer atlassen. En dan maar leeren.</p>
+
+<p>Ik denk er niet aan, mijn hoofdonderwijzer, die zelf een overgroot deel
+onzer opleiding voor zijn rekening nam, hard te vallen over het karakter
+dier opleiding. Eer bewonder ik het, dat hij 's avonds op de avondschool
+nog tijd kon vinden, om onze lessen te overhooren. Maar ik moet wel
+erkennen, dat ik voor mijn geestelijke ontwikkeling, zoo goed als niets
+aan dat lessengeleer te danken heb gehad. En ik acht het dringend
+noodig, dat heel luid uit te spreken, omdat je tegenwoordig waarlijk nog
+menschen hebt en zelfs weer krijgt, die dat memoriseeren aanbevelen, ook
+op wetenschappelijke gronden. Ik heb een opleiding gehad bijna
+uitsluitend van geheugenvulling en ik acht het verloren tijd en
+misbruikte energie, goed voor idioten, omdat die stakkerds niet beter
+kunnen.</p>
+
+<p>Wij moeten elkaar echter goed begrijpen. Ik ben<span class="pagenum" title="311"></span><a id="p_311"></a> er niet tegen, dat men
+zijn kennis vastlegt en zorgt ze te onderhouden. We studeeren waarlijk
+niet, om weer te vergeten. Er is ook geen bezwaar tegen, enkele feiten,
+of rijtjes woorden of getallen, er machinaal in te stampen. Maar dit is
+iets anders, dan de geheele opleiding in dien toon te zetten. Hóófdzaak
+bij iedere geestelijke ontwikkeling is: <i>belangstelling wekken</i>. En met
+de memoriseer-cultuur wordt de belangstelling vermoord. Bij mij althans
+heeft het lang geduurd, eer&mdash;dank zij het lessenleeren&mdash;ik me voor den
+<i>inhoud</i> dier lessen ging interesseeren. En toen ik daarmee begon, zaten
+me nog die <ins class="corr" id="corr22" title="Bron: lesseen">lessen</ins> in den weg.</p>
+
+<p>Er zal later nog gelegenheid te over zijn, op dit onderwerp terug te
+komen, wanneer ik ook over mijn jongelingsjaren zal mogen verhalen. Dan
+hoop ik, mede ter leering van hen die naar het oude terug willen, het
+zij al dan niet onder wetenschappelijke, of <span xml:lang="en">would be</span> wetenschappelijke
+vlag, eens heel precies te vertellen, wat lijdens- en verstompingskuur
+men ons deed doormaken. Nu, met die boekjes-van-Holst-ontwikkeling, zijn
+we nog pas aan 't begin van de ellende, en daar ik spoedig deze school
+en daarmee deze opleiding verliet, is het nu niet het juiste moment, die
+verderfelijke cultuur met haar heidensche woordenkramerij in al haar
+onvruchtbaarheid en bedriegelijken schijn ten toon te stellen. Dat komt
+later, als God mij het leven en de krachten gunt. Alleen moest ik nu,
+heel even, maar heel ernstig, waarschuwen voor een neiging tot terugkeer
+naar het verkeerde van vroeger. Nieuwe dwaasheden rechtvaardigen geen
+oude.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="312"></span><a id="p_312"></a></p>
+
+<p>En nu ik aan die verplichting heb voldaan, volgen de laatste
+herinneringen aan deze school en aan mijn kinderjaren.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>Ik mag tot mijn geluk zeggen, dat ik als twaalfjarig onderwijzer een
+vriendje bleef van mijn oude schoolmakkers en geen collega werd van de
+heeren. Met de jongens ging ik trouwer om dan met de verschillende
+overzichten van Holst, en boven het leeren koos ik het spelen. Dat waren
+voor mijn toekomst geen ongunstige teekenen. Een kind van 12 jaar, dat
+graag zijn lessen leert, is geen echt kind en wordt dus ook nooit een
+echt man. Ik wilde wel, dat de ouders in dit opzicht wat meer vertrouwen
+hadden in hun leerafkeerige kinderen. Het is toch ook een goed
+verschijnsel, als de kindermond geen smaak heeft in notedoppen en
+oesterschelpen en de maag die onverteerd afvoert of teruggeeft. Hoe
+zuiverder een kind <i>kind</i> is, hoe meer zijn geest zich verzetten zal
+tegen een zoogenoemd geestelijk voedsel, dat niets anders is dan
+geestelijke cellulose. En kinderen die zulk een krachtige kindernatuur
+bezitten, dat ze, niet brutaal onwillig, maar instinctief onverwinbaar,
+zich verzetten tegen de verkrachting dier natuur, beloven veel voor de
+toekomst. Dat zijn de gezonden, die eenmaal, als de tijd daar is, ook
+krachtige mannen en vrouwen zullen zijn. In dit opzicht heeft de
+wetenschappelijke paedologie schoon gelijk, waar ze beweert dat elke
+leeftijd zijn speciale belangstellingen en belangen heeft,<span class="pagenum" title="313"></span><a id="p_313"></a> en wordt de
+wetenschappelijkheid van onze grootmoeders recht gedaan, die al
+verklaarden: Mettertijd komt Harmen in 't wammes en Krelis in de broek.
+Met-ter-tijd. Een speelgraag kind heeft groote kans een leer- en
+werkgraag man te worden. Vroege catechismus&mdash;late vroomheid.</p>
+
+<p>Wie niet onbekend is met de boekjes van
+Tuttie<a id="FNa1_2" href="#FN1_2" class="fnanchor" title="De vier deeltjes van Blond en Bruin, 2e serie &bdquo;De Wereld in!&rdquo;">1)</a>, herinnert zich
+wellicht, dat daarin een verhaal voorkomt: <i>De meter van den meester.</i>
+Dit verhaal is in hoofdzaak waar gebeurd. Het dateert uit deze periode.</p>
+
+<p>Aan de overzijde van de Bloemgracht, maar een eind verder, was een
+Stadsarmenschool. Daar gingen de &bdquo;schooiers&rdquo;, met wie we vaak oorlog
+voerden. Er waren geen deftiger scholen in de buurt, die in haar
+meerdere voornaamheid, een voldoende <span xml:lang="la">casus belli</span> konden schenken, dus
+moest de &bdquo;klompenschool&rdquo; ons maar het krijgsgenot bezorgen. Klompen en
+een stadsschool, het waren inderdaad redenen genoeg, daar behoefde maar
+een geringe aanleiding bij te komen, om het oorlogsvuur te doen
+ontbranden.</p>
+
+<p>We waren weer eens aan 't vechten, en ik was al kweekeling. Inplaats van
+mijn positie hoog, en mijn fatsoen òp te houden, maakte ik van de
+vrijheden, mij als kweekeling toegekend, misbruik. Ik mocht vroeger in
+school&mdash;of móést vroeger in school, om voor een en ander te zorgen&mdash;en
+haalde de jongens naar binnen, nu wel niet in 't gebouw, maar toch in de
+lange overbouwde gang, die van de Bloemgracht <span class="pagenum" title="314"></span><a id="p_314"></a>naar 't gebouw leidde en
+die onder gewone omstandigheden was afgesloten door een zware deur.</p>
+
+<p>'t Was nog vóór schooltijd, misschien acht uur, maar overal zwierven al
+troepen jongens van beide partijen. De onzen verzamelden zich om de
+schoolpoort, de vijanden een eind verder op de gracht. De laatsten
+hadden blijkbaar een aanval in den zin en rukten hiertoe langzaam, maar
+zeker, naar onze vesting op.</p>
+
+<p>Wonderlijk. Geen van de twee partijen wou vechten, en toch wilden ze het
+allebei. Niemand zocht de aanraking, en toch zochten we die wederzijds.
+Ieder hoedde zich voor de verantwoordelijkheid van den eersten klap, en
+toch liet hij zich prikkelen en verleiden tot die verantwoordelijkheid.
+Ik weet dit heel, héél goed, en begreep daardoor later zoo gauw het
+wederzijds prikkelen en beschuldigen der vlootvoogden, als ik in mijn
+geschiedenisboeken las, hoe deze niet het eerste schot willen lossen, en
+er toch van verlangen naar brandden. Waarlijk, er is niet zulk een
+reuzenverschil tusschen de veertien- en de veertigjarige jongens. Ze
+zijn van één geslacht.</p>
+
+<p>Er hoopte zich een soort van gemoedselectriciteit op, bij den eenen hoop
+positieve en bij den anderen negatieve, daardoor ontstond er een
+geweldige spanning en moest er een ontlading volgen. Zonder deze waren
+we gebarsten. Het moest bliksemen en donderen, anders kon er onmogelijk
+een neutrale atmosfeer terugkeeren. Dat vechten was een
+natuurverschijnsel in de physisch-ethische wereld. Belangen<span class="pagenum" title="315"></span><a id="p_315"></a> waren er
+niet mee gemoeid, absoluut niet. Grieven bestonden er alleen in de
+verbeelding en de overlevering. 't Was om de ontlading te doen, en
+nergens anders om. We werden onder onbekende invloeden electrisch en
+máákten ons grieven, die voor het verstand als motieven konden gelden.</p>
+
+<p>Zou het ook mogelijk kunnen zijn, dat de oorlogen tusschen de volkeren
+alleen om belangen <i>heeten</i> te gaan, en dat de belangen slechts worden
+opgeworpen, omdat er oorlogskrachten in de lucht werken? Is het een
+reusachtige zelfverblinding van geheele natiën en spelen geheime,
+geweldige natuurmachten hun spel met de kinderen der menschen?</p>
+
+<p>'t Is slechts een vraag.</p>
+
+<p>Hoe 't zij, wij werden gedrongen tot vechten. Daartoe naderde de vijand
+meer en meer, ieder oogenblik aangroeiend met nieuwe mannen; daartoe
+trokken wij, ook voortdurend versterkt, ons terug in de gang.</p>
+
+<p>Eindelijk was het zoover, dat we de dikke deur moesten sluiten en
+grendelen, en daar brak onmiddellijk de opgehoopte electriciteit los in
+trappen, steenworpen en schreeuwen. De vijand waagde er de hakken van
+zijn schoenen en de klinkers uit de straat aan, al wist hij heel goed,
+dat daarvoor de deur niet bezwijken zou. Zulk een succes zou hij
+waarschijnlijk ook niet begeerd hebben, want wat zou hem de toegang
+hebben gebaat tot een gang, die hij toch niet zou durven binnendringen?
+Daar in die donkere engte, in dat diepe hol, zou hij zich nooit wagen,
+maar niettemin moest hij de deur bombardeeren, louter om<span class="pagenum" title="316"></span><a id="p_316"></a> den woesten
+wellust van het bombardement, de zaligheid der uitbarsting! Geen berg
+kan met heeter drift zijn gloeiende steenen uitspuwen, als dit jeugdig
+menschdom zijn woede!</p>
+
+<p>Wij, in de donkere gang, beefden van gekrenktheid, haat, strijdlust.
+Soms stonden we doodstil, luisterend naar het tieren der wilde bende,
+dan weer dwaalden we onrustig rond, zinnend op wraak. Zeker, we waren
+veilig, maar veiligheid is voor een edel krijgsmanshart niet genoeg.
+&bdquo;Kom er uit, als je durft!&rdquo; jouwden ze daar buiten. En die tergende
+uitdagingen joegen ons het bloed naar de wangen. Veiligheid is mooi voor
+vrouwen en kinderen maar wij dorstten naar de triomf! Triomfeeren
+moesten we op dien tierenden troep! Nooit zouden we den smaad kunnen
+dragen, dat we uit lafheid ons hadden schuil gehouden! Liever het leven
+gewaagd, dan veilig in de vernedering! Liever met eere te sneven, dan in
+schande te leven!</p>
+
+<p>We zochten een middel om de verloren positie te herwinnen, en beraamden
+een uitval. Plotseling zouden we de deur openen, schreeuwend naar buiten
+rennen en onvervaard op den vijand losstormen. Maar dan moesten we een
+wapen hebben, een flinken stok, om er op in te houwen. Nu wist ik raad,
+ik, de kweekeling. Ik ging naar binnen, haalde een meter, een
+vierkanten, die bij 't onderwijs dienst moest doen, en hield dien als
+een slagzwaard in de vuist.</p>
+
+<p>Nog steeds beukte de vijand op de onbeweegbare deur. Hadden ze een mast
+bezeten, ongetwijfeld hadden ze de Watergeuzen nagevolgd en de poort
+van<span class="pagenum" title="317"></span><a id="p_317"></a> Den Briel gerammeid. We stonden, saamgedrongen, vlak bij de deur.
+Voorzichtig schoof ik den grendel weg, bang dat men het buiten hooren
+mocht. Toen trok ik het slot terug en draaide met een ruk de deur wijd
+open.</p>
+
+<p>De vijand schrok. Hij deinsde. Van dat oogenblik maakten we gebruik.
+Zwaaiend met den meter rende ik er op in, aanstonds gevolgd door de
+heele bezetting. Schreeuwend en gillend waagden we ons midden in de
+massa: een handjevol dapperen tegen de overmacht. En we zouden ze wel
+verjaagd hebben, vooral omdat daarginds bijstand voor ons opdaagde en de
+vijand dan tusschen twee vuren zat, als maar niet een noodlottig ongeval
+ons met één slag beroofd had van ons wapen, ons élan en onze
+waardigheid.</p>
+
+<p>Ik sloeg met blinde woede in 't rond en raakte zoo niet een vijand, maar
+de houten paal van een hek. Door dien slag brak de meter in tweeën, het
+eene eind hield ik in de hand, en het andere vloog de lucht in.</p>
+
+<p>Een ontzettend gejouw ging onder de vijanden op, een van hen wist
+spoedig het weggevlogen stuk te bemachtigen, en nu renden ze weer op ons
+toe.</p>
+
+<p>Grooter ongeluk had ons niet kunnen treffen. Verlamd van schrik trokken
+we ons snel terug en hadden nog juist tijd de deur te sluiten. Toen
+stonden we daar, vernederd, machteloos, in de donkere gang, zonder
+eenige hoop op herwinning van het terrein, en met het overblijfsel van
+den meter in de hand. 't Was bitter treurig.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="318"></span><a id="p_318"></a></p>
+
+<p>Eerst toen de onderwijzers kwamen, trok de vijand langzamerhand af.</p>
+
+<p>Het stuk meter legde ik op de plaats, waar ik den heelen vandaan had
+gehaald. Maar daarmee was de zaak natuurlijk niet afgeloopen. In den
+loop van den morgen werd ik in 't kamertje geroepen, moest daar alles
+opbiechten, en meneer de kweekeling kreeg, behalve een duchtig standje,
+den last voor een nieuwen meter te zorgen, met welken last hij&mdash;waar
+moest hij er anders mee heen?&mdash;zijn lieve moeder bezwaarde.</p>
+
+<p>Gelukkig verdiende ik geld. Toen ik na beëindiging van het eerste
+kwartaal twee rijksdaalders kreeg&mdash;ik weet nog, dat ik ze ontving&mdash;holde
+ik naar huis en was zalig, dat ik mijn lieve moeder ook met dien last
+bezwaren mocht.</p>
+
+<p class="tbhoog">*&nbsp;<span class="tblaag">*</span>&nbsp;*</p>
+
+<p>En nu komt er tot slot iets veel ergers dan het breken van den meter.</p>
+
+<p>Een vriend van ons huis was gymnastiek-onderwijzer aan een stadsschool.
+Hij vertelde dat het &bdquo;aan de stad&rdquo; zooveel beter was dan op een
+bizondere school en spoorde mijn ouders aan, mij op een stadsschool te
+doen; dan verdiende ik meer, ontving beter opleiding, en had mooier
+toekomst.</p>
+
+<p>Hij deed dat met de beste bedoelingen. Mijn ouders gaven gevolg aan zijn
+raad en ik kwam op een stadsschool. Zij meenden ook er goed aan te doen.
+En toch.... altijd is mij een gevoel bijgebleven, dat we ondankbaar
+hebben gehandeld tegenover de school<span class="pagenum" title="319"></span><a id="p_319"></a> op de Bloemgracht. De meester had
+ons het achterstallige schoolgeld kwijtgescholden, mij tot kweekeling
+gepromoveerd voor de klas, en aan 't geldverdienen gezet, en nu werd die
+vriendelijkheid aldus beantwoord.</p>
+
+<p>Mijn heele leven, telkens als ik daaraan dacht, voelde ik dit als
+trouwbreuk, en ook nu nog, terwijl ik het feit vertel, schaam ik mij.
+Dat had de meester niet verdiend.</p>
+
+<p>Het breken van den meter heeft me nooit gehinderd, wel het breken met de
+school. En toch heette het eerste een verregaand brutale daad en was het
+laatste in ieders oog niet slechts geoorloofd, maar zelfs heel
+verstandig. Men mag zijn belang toch wel behartigen?</p>
+
+<p>Ik kon mijn ouders niet hard vallen over hun handelwijze. Zij worstelden
+zoo om het hoofd boven water te houden, dat iedere jaarwedde-verhooging
+hun reeds welkom was. En dan de toekomst van hun jongen! Maar voor
+mijzelf heb ik steeds het gevoel gehad, dat ik iets tegenover die school
+had goed te maken.</p>
+
+<p>Wat is dat voor een gevoel? Vanwaar komt het? En waarom hindert het een
+mensch?</p>
+
+<p>Zoo is het einde mijner jeugdherinneringen een zelfverwijt....</p>
+
+<p>Maar dit mag mijn laatste woord niet wezen, gelijk ik hoop, dat het ook
+ons laatste levenswoord niet zij.</p>
+
+<hr class="fnsep" />
+
+<div class="footnote">
+ <p><a id="FN1_2" href="#FNa1_2" class="label">1)</a> De vier
+ deeltjes van <i>Blond en Bruin</i>, 2e serie &bdquo;De Wereld in!&rdquo;</p>
+</div>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="320"></span><a id="p_320"></a></p>
+
+<h2 id="SCHOONSTE_VRUCHT">SCHOONSTE VRUCHT.</h2>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza3" style="width: 31em;">
+ <span class="ri1"><i>Aan mijn ouders.</i><br /></span>
+</div>
+<div class="stanza3" style="width: 31em;">
+ <span class="i0">Mijn laatste woord, een woord van dankende herdenken<br /></span>
+ <span class="i0">Voor Ouderzorg zoo teer en trouw, in leed zoo groot.<br /></span>
+ <span class="i0">Een jeugd van armoe, ziekte en worstlen&mdash;zaalge nood!&mdash;<br /></span>
+ <span class="i0">Zij kon mij in Uw min slechts rijker zegen schenken.<br /></span>
+</div>
+<div class="stanza3" style="width: 31em;">
+ <span class="i0">Ik ben niet jong meer. Langzaam nadert reeds de Dood.<br /></span>
+ <span class="i0">Ik zie zijn vinger al van verre vriendlijk wenken.<br /></span>
+ <span class="i0">Mijn kindren trouwen&mdash;straks speelt er aan Grootvaêrs schoot<br /></span>
+ <span class="i0">Een kleinkind&mdash;ai, wat dát een achtbaarheid zal schenken!<br /></span>
+</div>
+<div class="stanza3" style="width: 31em;">
+ <span class="i0">En toch, ik voel me nog Uw kind, Uw dankbaar kind,<br /></span>
+ <span class="i0">Gezegende Ouders, eens met heel mijn hart bemind,<br /></span>
+ <span class="i0">En trots Uw sterven immer om en met mij levend.<br /></span>
+</div>
+<div class="stanza3" style="width: 31em;">
+ <span class="i0">Uw kind, al grijst mijn haar en trilt mijn hand.<br /></span>
+ <span class="i0">Dat is Uw werk: Gij hebt die liefde in 't hart geplant,<br /></span>
+ <span class="i0">Thans rijpste, schoonste vrucht in dankbre liefde gevend.<br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="321"></span><a id="p_321"></a></p>
+
+<h2><a id="Naar_t_oud_te-huis"></a><i>Naar 't oud te-huis.</i></h2>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza3" style="width: 29em;">
+ <span class="ri1">Aan mijn broeder en zuster.<br /></span>
+</div>
+<div class="stanza3" style="width: 29em;">
+ <span class="i0"><i>Ons oud te-huis, 't lag overgroeit van dicht gebladert,</i><br /></span>
+ <span class="i0"><i>Verborgen in het bosch van 't stil verleden.</i><br /></span>
+ <span class="i0"><i>Toen zijn wij samen eerbiedvol genaderd,</i><br /></span>
+ <span class="i0"><i>En zijn heel zacht zijn kamers ingetreden.</i><br /></span>
+</div>
+<div class="stanza3" style="width: 29em;">
+ <span class="i0"><i>'t Was alles nog als vroeger.... Maar wat deden</i><br /></span>
+ <span class="i0"><i>Die vele vreemden, daar met ons vergaderd?</i><br /></span>
+ <span class="i0"><i>Waartoe had ik hen op bezoek gebeden,</i><br /></span>
+ <span class="i0"><i>'t Intieme plekje met nieuwsgierigheid dooraderd?</i><br /></span>
+</div>
+<div class="stanza3" style="width: 29em;">
+ <span class="i0"><i>&bdquo;Komt allen binnen!&rdquo; noodde een vriendelijke mond,</i><br /></span>
+ <span class="i0"><i>&bdquo;De kinderen en ook zij die niet mijn kindren heeten.&rdquo;</i><br /></span>
+ <span class="i0"><i>Dat was wel Moeders toon en Moeders geest.</i><br /></span>
+</div>
+<div class="stanza3" style="width: 29em;">
+ <span class="i0"><i>Zij leefde nog. Eén woord&mdash;'k herkende haar terstond,</i><br /></span>
+ <span class="i0"><i>Zij die van onderscheid nooit kon of wilde weten,</i><br /></span>
+ <span class="i0"><i>Voor vreemd en eigen bei, steeds Moeder is geweest.</i><br /></span>
+</div>
+</div>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="322"></span><a id="p_322"></a></p>
+
+<h2><a id="NASCHRIFT"></a>NASCHRIFT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.</h2>
+
+<p>&bdquo;In mijn jeugd heb ik veel hooren spreken over Oom Kuyper, die toen
+reeds overleden was, maar wiens nagedachtenis in onze familie in hoog
+aanzien werd gehouden als van een oprecht christen. Hij was hoofd van
+een school op de Lindegracht. Zijn weduwe, de jongste zuster van mijn
+vader, overleed in 1895 te Utrecht.</p>
+
+<p>Naar alle waarschijnlijkheid zijn dat de personen over wie u schrijft op
+pag. <a href="#p_20">20</a>, <a href="#p_55">55</a> en <a href="#p_56">56</a>. Zelfs het hondje komt uit. Ik herinner mij,
+dat mijn moeder met afkeer sprak over &bdquo;Jenny&rdquo; van tante Lena, die zoo
+afschuwelijk kefte.</p>
+
+<p>Ik ben in het bezit van een portret van beiden, en gerekend naar de
+vriendelijke wijze waarop u over hen schrijft, vermoed ik dat u er prijs
+op zult stellen die portretten eens te zien.&rdquo;</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Dezen brief ontving ik 23 Januari 1914.</p>
+
+<p>De portretten waren bij den brief ingesloten en ik mocht ze een maand
+lang behouden. Ze hebben die maand, dag aan dag bij me gestaan.
+Herhaaldelijk heb ik ze met liefde en groote aandacht beschouwd,<span class="pagenum" title="323"></span><a id="p_323"></a> mij
+daarbij geheel verliezend in het verleden. Maar ofschoon het portret,
+met die zachte, vriendelijke oogen en gelaatstrekken, zeker sprekende
+gelijkenis toonde, ik herinnerde mij geen enkele uiterlijkheid, en
+herkende mijn meester niet. Wel begreep ik, dat de uitdrukking van zijn
+gelaat zoo had moeten zijn, maar verder kon ik het niet brengen.</p>
+
+<p>Dit is een ervaring, waarmee de opvoeding haar voordeel kan doen. Als
+kind van 7, 8, 9, 10 jaar heb ik dien meester dagelijks gezien en mijn
+geest heeft geen duurzaam beeld van zijn uiterlijk opgenomen. Ik heb
+echter met hem verkeerd en mijn gemoed heeft een zeer juist beeld van
+zijn innerlijk gevormd en bewaard. Immers: Ik voelde in hem een waar
+christen, en thans, jaren later, komt een neef mij bevestigen, dat die
+indruk volkomen zuiver was.</p>
+
+<p><i>Kinderen voelen ons innerlijk.</i></p>
+
+<p>Ziedaar de waarheid, die uit dit feit tot ons spreekt. En daarom:
+bedrieg u niet. Speel geen komedie met de jeugd, verwacht niet dat de
+kinderen uw innerlijke gezindheid niet zullen opmerken, omdat ze maar
+kinderen zijn. Zij photografeeren in de camera obscura van hun hart uw
+gemoed veel helderder en nauwkeuriger, dan hun oog uw uiterlijk ziet, en
+in dat hart bewaren ze het voornaamste deel van uw persoonlijkheid, niet
+het steeds veranderend uiterlijk, maar het zichzelf gelijk blijvend
+innerlijk.</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Treffend wordt deze opmerking bevestigd door een tweeden brief, dien ik
+21.2.1914 ontving:</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="324"></span><a id="p_324"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Toen onze nieuwe pastorie hier werd gebouwd, moesten we 'n tijd in
+pension te D. en woonden toen naast 'n emeritus-predikant Beekman. Deze
+vertelde mij in dien tijd van z'n jeugd en ziedaar, nu had u van zijn
+vader, den koekbakker, nog onderwijs gehad. Toen ik uw boek had gelezen,
+heb ik hem dadelijk geschreven, dat hij het portret van zijn vader moest
+koopen. En 'n paar weken geleden, er een bezoek makende, vertelde mij
+z'n dochter, ook zich haar grootvader nog zeer goed te herinneren en
+diens liefde voor kinderen.&rdquo;</p>
+
+<p>Die liefde voor kinderen had ik dus als kind weer zuiver gevoeld.</p>
+
+<p>Nog vele en zeer hartelijke brieven hebben mijn &bdquo;Jeugdherinneringen&rdquo; me
+bezorgd, van oude vrienden en buurmeisjes, die alles bijna geheel
+onderschreven, en van vreemden, die in mijn verleden, hun eigen verleden
+herleefd zagen. Hoe velen hebben mij verteld, dat hun vader dezelfde
+zwakheden en beminnelijkheden had als de mijne!</p>
+
+<p>Een der brieven maakte melding van een bizonder opmerkelijke
+overeenkomst. &bdquo;Zelfs&rdquo;, heette het, &bdquo;heb ik hetzelfde kindergebedje 's
+avonds opgezegd, en de regel, dien u vergeten hebt, luidde: Ach, vergeef
+mij al mijn zonden!&rdquo;</p>
+
+<p>Inderdaad, zoo was het, en het is schandelijk, dat juist die regel me
+ontschoten was, waar ik zoo dringend noodig had, om die vergeving van
+&bdquo;al mijn zonden&rdquo; dagelijks te bidden.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="325"></span><a id="p_325"></a></p>
+
+<p>Gelukkig, dat de verlorene me teruggebracht is, want zulke regels kan
+een mensch eigenlijk nooit missen.</p>
+
+<div class="i1"><span class="size75">Mei 1914.</span></div>
+
+<h2>BIJ DEN DERDEN DRUK.</h2>
+
+<p>En nu ontving ik sedert weer vele vriendelijke uitingen van
+belangstelling. Een dezer wil ik, en mag ik, hier opnemen.</p>
+
+<p>Mej. J. M. <span class="mixcap">van Schelven</span> schreef me 30 Augustus 1914 uit Amsterdam o. a.:
+&bdquo;Eén passage trof mij vooral. 't Was daar, waar U het hadt over een
+zekeren Mijnheer <span class="mixcap">Sanders</span>, die op de Heeren- of Keizersgracht woonde en
+die Uw Moeder enkele malen heeft mogen bijstaan. Die Mijnheer <span class="mixcap">Sanders</span>
+was mijn Grootvader. Hij woonde Heerengracht 568. Moeder vertelt ons
+vaak, dat Grootvader zoo bizonder milddadig was. Zoo weet Moeder zich
+nog te herinneren, dat elken Maandagochtend de gang van het benedenhuis
+vol menschen stond, die door hem geholpen werden. Ook was hij van een
+zeer melancholieke, zwaarmoedige natuur. Dit klopt alles merkwaardig met
+wat U over hem schrijft.&rdquo;</p>
+
+<p>Bij lezing van dit briefje, was ik dubbel blij, dat ik den naam van den
+Heer S. genoemd had: niet alleen omdat mijn herinneringen nu een nieuwe
+bevestiging ontvingen, maar bovenal omdat ik nu een woord van<span class="pagenum" title="326"></span><a id="p_326"></a>
+erkentelijke liefde heb kunnen wijden aan de nagedachtenis van een braaf
+man, onverplichte en daarom te meer ongeveinsde hulde.</p>
+
+<p>Mej. <span class="mixcap">van Schelven</span> merkt nog op: &bdquo;Ik denk, dat Moeder het ook wel aardig
+zal vinden, dat iemand zoo over haar Vader schrijft.&rdquo;</p>
+
+<p>Terecht. Hoe heerlijk, als onze Ouders aldus nog na hun verscheiden
+gezegend worden. We zouden ons bijna inspannen.... onzen kinderen ook
+dat geluk te verzekeren.</p>
+
+<p class="right"><span class="floatleft size75">Nov. 1914.</span> <span class="ri2 mixcap size75">Jan L.</span></p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="327"></span><a id="p_327"></a></p>
+
+<div class="inhoud">
+
+<h2 id="INHOUD"><span class="g">INHOUD</span>.</h2>
+
+<table summary="">
+<tbody>
+ <tr><td></td><td class="tdr size75">Bladz.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#DE_BEWAARSCHOOL">De bewaarschool</a></td><td class="tdr"><a href="#p_1">1</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#DE_EERSTE_LAGERE_SCHOOL">De eerste lagere school</a></td><td class="tdr"><a href="#p_19">19</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#TUSSCHEN_SCHOOL_EN_HUIS">Tusschen school en huis</a></td><td class="tdr"><a href="#p_42">42</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#IN_HUIS">In huis</a></td><td class="tdr"><a href="#p_59">59</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#IN_HUIS_VERVOLG">In huis (<i>vervolg</i>)</a></td><td class="tdr"><a href="#p_78">78</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#NOG_IN_HUIS">Nog in huis</a></td><td class="tdr"><a href="#p_95">95</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#STRAATJONGEN">Straatjongen</a></td><td class="tdr"><a href="#p_118">118</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#NOG_STRAATJONGEN">Nog straatjongen</a></td><td class="tdr"><a href="#p_133">133</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#NOG1_STRAATJONGEN">Nóg straatjongen</a></td><td class="tdr"><a href="#p_149">149</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#KINDERKERK_EN_ZONDAGSSCHOOL">Kinderkerk en zondagsschool</a></td><td class="tdr"><a href="#p_166">166</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#VERANDERING">Verandering</a></td><td class="tdr"><a href="#p_182">182</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#DE_TWEEDE_LAGERE_SCHOOL">De tweede lagere school</a></td><td class="tdr"><a href="#p_198">198</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#GOEDE_SCHOOL">Goede school</a></td><td class="tdr"><a href="#p_214">214</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#JORDAANPAEDAGOGIEK">Jordaanpaedagogiek</a></td><td class="tdr"><a href="#p_228">228</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#IN_T_NIEUWE_HUIS">In 't nieuwe huis</a></td><td class="tdr"><a href="#p_240">240</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#VAN_EEN_VLOEK_EEN_ZEGEN">Van een vloek een zegen</a></td><td class="tdr"><a href="#p_251">251</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#IN_EEN_NETTE_BUURT">In een nette buurt</a></td><td class="tdr"><a href="#p_266">266</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#MOEDER_VERTELT">Moeder vertelt</a></td><td class="tdr"><a href="#p_282">282</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#IK_WORD_KWEEKELING">Ik word kweekeling</a></td><td class="tdr"><a href="#p_301">301</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#SCHOONSTE_VRUCHT">Schoonste vrucht</a></td><td class="tdr"><a href="#p_320">320</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#Naar_t_oud_te-huis">Naar 't oud te-huis</a></td><td class="tdr"><a href="#p_321">321</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#NASCHRIFT">Naschrift bij den tweeden druk</a></td><td class="tdr"><a href="#p_322">322</a></td></tr>
+</tbody>
+</table>
+</div>
+
+<div class="TNbox">
+<a id="correctie"></a>
+
+<h3>Overzicht aangebrachte correcties</h3>
+<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table summary="correcties in tekst">
+ <thead>
+ <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr>
+ </thead>
+ <tbody>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. 12</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 26</a></td><td class="td4">'&nbsp;'</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 28</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 45</a></td><td class="td4">op-en</td><td class="td4">op- en</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 63</a></td><td class="td4">hoor</td><td class="td4">hoort</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 89</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 93</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 98</a></td><td class="td4">middag's</td><td class="td4">middags</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 123</a></td><td class="td4">paedegoog</td><td class="td4">paedagoog</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 127</a></td><td class="td4">?</td><td class="td4">.&nbsp;&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 143</a></td><td class="td4">sterzende</td><td class="td4">stervende</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 185</a></td><td class="td4">Eglantierstraat</td><td class="td4">Eglantiersstraat</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 188</a></td><td class="td4">schermerduister</td><td class="td4">schemerduister</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 195</a></td><td class="td4">Gotman</td><td class="td4">Gottman</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 217</a></td><td class="td4">&bdquo;</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 219</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">'</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 220</a></td><td class="td4">dit</td><td class="td4">dat</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 225</a></td><td class="td4" xml:lang="fr">sanctifiè</td><td class="td4" xml:lang="fr">sanctifié</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 305</a></td><td class="td4">onmiddelijk</td><td class="td4">onmiddellijk</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr20">Blz. 307</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr21">Blz. 308</a></td><td class="td4">onmiddelijk</td><td class="td4">onmiddellijk</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr22">Blz. 311</a></td><td class="td4">lesseen</td><td class="td4">lessen</td></tr>
+ </tbody>
+</table>
+</div>
+
+<div style='display:block;margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN ***</div>
+<div style='display:block;margin:1em 0;'>This file should be named 31107-h.htm or 31107-h.zip</div>
+<div style='display:block;margin:1em 0;'>This and all associated files of various formats will be found in https://www.gutenberg.org/3/1/1/0/31107/</div>
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
+be renamed.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
+States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+</div>
+
+<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br />
+<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br />
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
+Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
+or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
+Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
+you share it without charge with others.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
+on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
+phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+</div>
+
+<blockquote>
+ <div style='display:block; margin:1em 0'>
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
+ other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+ whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+ of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
+ at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
+ are not located in the United States, you will have to check the laws
+ of the country where you are located before using this eBook.
+ </div>
+</blockquote>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
+Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg&#8482; License.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
+other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
+Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
+provided that:
+</div>
+
+<div style='margin-left:0.7em;'>
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &bull; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation.&#8221;
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &bull; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
+ works.
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &bull; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &bull; You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
+ </div>
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
+of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
+Defect you cause.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
+goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
+public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
+visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+</div>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/31107-h/images/cover.jpg b/31107-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ccd9f3d
--- /dev/null
+++ b/31107-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/31107-h/images/frontispiece.jpg b/31107-h/images/frontispiece.jpg
new file mode 100644
index 0000000..5e005b1
--- /dev/null
+++ b/31107-h/images/frontispiece.jpg
Binary files differ
diff --git a/31107-h/images/ill_p013.png b/31107-h/images/ill_p013.png
new file mode 100644
index 0000000..3d0669e
--- /dev/null
+++ b/31107-h/images/ill_p013.png
Binary files differ
diff --git a/31107-h/images/ill_p021.png b/31107-h/images/ill_p021.png
new file mode 100644
index 0000000..5813bc7
--- /dev/null
+++ b/31107-h/images/ill_p021.png
Binary files differ
diff --git a/31107-h/images/ill_p059.png b/31107-h/images/ill_p059.png
new file mode 100644
index 0000000..130891f
--- /dev/null
+++ b/31107-h/images/ill_p059.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..f326a11
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #31107 (https://www.gutenberg.org/ebooks/31107)
diff --git a/old/31107-8.txt b/old/31107-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..489beea
--- /dev/null
+++ b/old/31107-8.txt
@@ -0,0 +1,8958 @@
+The Project Gutenberg EBook of Jeugdherinneringen, by Jan Ligthart
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Jeugdherinneringen
+
+Author: Jan Ligthart
+
+Release Date: January 28, 2010 [EBook #31107]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN ***
+
+
+
+
+Produced by Branko Collin and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de |
+ | originele, verouderde spelling. Er is geen poging |
+ | gedaan de tekst te moderniseren. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel |
+ | zijn gecorrigeerd. Variaties in spelling (o. a. met |
+ | of zonder afbreekstreepje/trema) zijn behouden. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden |
+ | aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | De in het origineel als cusief weergegeven tekst is in |
+ | dit e-boek weergegeven als _cursief_. Vette tekst is |
+ | weergegeven als =vet=. Uitgespatieerde tekst is |
+ | weergegeven als $uitgespatieerd$. |
+ | |
+ | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens |
+ | gebruikt. Deze zijn respectievelijk aangegeven als |
+ | »aanhalingstekens". |
+ | |
+ | Enkele plattegronden zijn in deze tekst-versie van |
+ | het e-boek met behulp van ASCII-art weergegeven. |
+ | Deze illustraties en de foto zijn beschikbaar bij de |
+ | html-versie van dit e-boek op http://www.gutenberg.org |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+JEUGDHERINNERINGEN.
+
+
+[Illustratie: foto Jan Ligthart]
+
+
+
+
+ JEUGDHERINNERINGEN
+
+ VAN
+
+ JAN LIGTHART.
+
+
+ ACHTSTE DRUK.--VOLKSUITGAVE.
+
+ BIJ J. B. WOLTERS' U. M.--GRONINGEN, DEN HAAG, 1922.
+
+
+ BOEKDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.
+
+
+
+
+DE BEWAARSCHOOL.
+
+
+Van mijn eerste levensjaren weet ik alleen iets door mededeelingen
+mijner moeder. Zij hield er van, ons veel te vertellen van haar eigen
+jeugd en ook van onze eigen lotgevallen. Daardoor weet ik, dat ik in een
+koekwinkel geboren ben--'t zal wel geweest zijn in de bedstede van de
+huis- en slaapkamer achter den koekwinkel--; dat ik een oude, deftige
+baker heb gehad, Baker Zandbrink, die alleen voorname diensten aannam,
+maar mijn moeder grootendeels uit vriendschap hielp; dat mijn tante
+Hendrika zoo dol op me was, dat ze altijd met me uit wou, en ik dan op
+haar arm zat te springen, en dat ze dan trotsch op me was, omdat de
+menschen me zoo'n mooi kind vonden; en dat ik mijn moeder driemaal een
+doodschrik op 't lijf heb gejaagd, door eenmaal van een hooge trap te
+vallen, een ander maal een erwt hoog in mijn neus te werken, en een
+derden keer een haaknaald in mijn keel te steken, zoodat niemand het
+geweerhaakte ding er uit kon halen, dan alleen de dokter, naar wien
+mijn moeder in haar angst met mij heen vluchtte. 'k Heb een flauwe
+herinnering, dat ik ook nog eens uit een fleschje terpentijn heb
+gedronken, maar dat weet ik niet precies meer.
+
+Natuurlijk vertel ik deze dingen niet, omdat ze ook maar eenigermate
+belangrijk zouden zijn, maar alleen om te doen uitkomen, welke
+mededeelingen in mijn geheugen zijn gebleven. Duizend andere dingen
+heeft mijn moeder me zeker ook verteld, die ik nu totaal vergeten ben.
+En terwijl ik de namen van allerlei dingen en menschen, die ik later
+in 't geheugen prentte, met moeite vasthield en vaak weer losliet,
+is de naam van Baker Zandbrink, ofschoon nooit opzettelijk geleerd
+en gerepeteerd, ofschoon zeker in meer dan veertig jaren niet bewust
+geworden, mij steeds in alle stilte blijven vergezellen. Jammer, dat
+men in zulke namen niet geëxamineerd wordt: daar gebruikt de beschaving
+andere namen voor, die niet zoo dicht bij het kind liggen.
+
+ * * * * *
+
+Mijn persoonlijke herinneringen gaan terug tot mijn derde of vierde
+jaar, tot mijn bewaarschool-periode. Ik ben achtereenvolgens op twee
+bewaarscholen geweest, waarvan ik mij enkele hoofdzaken nog goed kan
+voorstellen.
+
+We woonden toen te Amsterdam in een kruidenierswinkel. Het
+hooge huis stond op den hoek van de Eglantiersgracht en de derde
+Eglantiersdwarsstraat. Van dat huis en de omgeving, van de geheele
+buurt weet ik nog bijna alles. Maar we hebben er ook zes à acht jaar
+gewoond, dus kan ik niet nagaan, uit welken leeftijd die beelden
+dagteekenen. De bewaarschool, althans de eerste, heb ik alleen in mijn
+derde of vierde jaar gezien, later niet meer, en ik weet nog precies,
+dat er binnen een, naar mijn meening, _groote_ ruimte was, waar heel
+veel kinderen zaten--van de banken weet ik niets meer af--en dat aan
+'t eind van die ruimte een houten trapje naar een verhooging voerde,
+waarop, onder 't koffiedrinken, de juffrouw plaats nam aan een tafeltje.
+Ik heb nu nog den indruk, dat die juffrouw van haar hooge zitplaats ons
+heele rijk overzag en we dus niets ongerechtigs konden doen.
+
+Van 't leeren weet ik niets meer, noch van vertellingen, noch van
+versjes. Mijn geheele leven in die school wordt vertegenwoordigd door
+maar één beeld: het koffieuurtje. De kinderen zitten omlaag, de juffrouw
+omhoog. Eer we beginnen te eten, roepen alle kinderen in dreuntoon:
+»Smakelijk eten, juffrouw Mina!" en de juffrouw antwoordt uit haar
+hoogte met vriendelijke bewaarschooljuffrouwstem, wat hoog van klank en
+zeer te-gemoet-tredend van toon: »Smakelijk eten, kindertjes!" Na afloop
+van het boterham-eten zeggen de kinderen: »Welvolkomen, juffrouw Mina!"
+Waarschijnlijk: »Wel bekome 't u, juffrouw Mina!" Maar in mijn ooren
+hoor ik nog thans het zeurend gezang van het heele kinderkoor:
+»Welvolkomen, juffrouw Mina!" En daarop weer de hooge, inborend
+welwillende stem van de juffrouw: »Welvolkomen, kindertjes!"
+
+Er is zeker wel gebeden en gedankt in de bewaarschool, ook
+gezongen, maar ik weet er niets meer van. En ik vermoed, dat ik die
+koffietafel-beleefdheden alleen onthouden heb, doordat mijn oudere
+broers er mij thuis vaak mee plaagden. Die riepen telkens op zeurenden
+kindertoon en dan weer met piepende juffrouwen-stem door 't huis
+spottend na, wat daar in de bewaarschool zoo goed bedoeld en ernstig
+uitgevoerd werd. En zoo zijn zeker de fatsoenlijke manieren, die
+juffrouw Mina er bij ons inbracht, niet bewaard gebleven door haar
+welmeenenden ernst, maar door de onbarmhartige vroolijkheid van een paar
+ongevoelige spotters. Ik herinner me nog goed, dat die bespotting mij
+hinderde en wat pijn deed. De zaak was voor mij iets ernstigs, misschien
+alleen door den plechtigen dreun, maar toch, ze was met een ernstige
+stemming door mijn kindergemoed verweven, en ik voelde het als pijn,
+wanneer in dat weefsel gescheurd werd.
+
+Den weg naar deze bewaarschool zie ik nog voor me. Eerst uit de
+huiskamer een trapje af naar den winkel. Dan den winkel door. Over de
+platte blauwe stoep. Nu op straat. Aanstonds de hooge brug over, die--we
+woonden immers op een hoekhuis--bijna vlak voor 't huis lag. En dan
+rechtsaf, de »gracht" op, dat is eigenlijk de kade langs de gracht. Bij
+'t woord gracht dachten wij nooit aan 't gegraven water, maar altijd aan
+de beide wegen ter weerszijden er van. Iemand woonde in onze taal nooit
+»aan", maar op de gracht. De bewaarschool lag dus aan de overzijde van
+de gracht, rechts van de brug. Ik zie die »kleine steentjes" nog, het
+voetpad van klinkers, waarop we altijd liepen, vlak langs de stoepen der
+huizen. De »groote steenen", de keien, lagen daarnaast, op den rijweg.
+Wanneer we naar school gingen, kregen we altijd de waarschuwing mee: »Op
+de kleine steentjes loopen, hoor!" en dan liepen we, dikwijls hand aan
+hand, op de kleine steentjes naar school, nadat mijn oudste zuster ons
+eerst de brug over had gebracht.
+
+Om in school te komen, moesten we van de gracht af eerst een poortje
+en een met klinkers bestrate gang door. Hoe we uit die gang in 't
+schoollokaal kwamen, weet ik niet meer. Ik zie alleen de gang, en dan,
+zonder tusschenschakels, de schoolruimte met de hooge tribune voor
+Juffrouw Mina, deftiger genoemd: Mejuffrouw Gottman. Ook háár naam heeft
+in mijn geheugen een onvervreemdbare plaats.
+
+Die weg naar school is voor mij éénmaal een kruisweg geweest. Niet door
+de school, want van die school herinner ik me niets onaangenaams.
+Maar....
+
+Vóór mijn zesde jaar leed ik eenigen tijd aan bedwateren. Er zijn ook
+thans nog kinderen, die daaraan lijden. Daarom wil ik nauwkeurig mijn
+herinneringen betreffende die »ziekte" vertellen. Wellicht helpt het
+hen.
+
+Ik geloof niet, dat mijn ouders, broers en zusters het toen voor een
+ziekte of een zwakte aanzagen. Sterk heb ik nog den indruk, dat men
+het mij als iets schandelijks verweet. Nog hoor ik me boos toevoegen:
+»Leelijke pis-in-bed." En daarbij voelde ik mij zoo hulpeloos schuldig.
+
+Men scheen te denken, dat ik uit luiheid maar in bed bleef liggen. Als
+ik maar niet zoo lui was, zou ik wel opstaan. Heel zeker weet ik echter,
+dat het niet zoo was. En dat weet ik zoo bizonder zeker door een droom,
+dien ik nooit vergeten ben.
+
+Op de bewaarschool bij Juffrouw Mina was er voor de kleine jongetjes
+geen urinoir. Die moesten maar, op een binnenplaatsje, in een vierkant
+steenen putje wateren, dat waarschijnlijk in een riool uitliep. Nu
+droomde ik op een keer, dat ik bij dat steenen putje stond, maar er
+lag een groen geverfd houten deksel op. Ik moest toch zoo erg, maar ik
+durfde niet, om dat mooie, groene deksel. Maar ik kon het niet meer
+tegenhouden, en toen het eenmaal gebeurd was, werd ik met een schrik
+wakker. Een oogenblik was ik wanhopig en toen kroop ik diep weg onder
+de dekens, om me te verstoppen tegen de schande die straks weer zou
+losbreken.
+
+Uit dit tijdperk heb ik herinneringen van diepgaande smart. Het maakte
+mij schuw en angstig. Er was geen vertrouwelijkheid tusschen de anderen
+en mij. Ik voelde mij een eenling, maar niet een prinsje, verdwaald
+onder menschen van de straat. Eer zoo iets als een ziek hondje, dat
+overal wegkruipt en dan nog uit de veilige hoekjes wordt weggeschopt.
+Nog zie ik dat kleine jongetje 's morgens in zijn nat hemdje rondloopen
+en hoor ik den grauw van deze of gene: »Ga weg, stinkende pis-in-bed."
+
+Nu moet men niet denken, dat mijn gezinsleden zoo harteloos waren. Wel
+het tegendeel. Ik had mijn moeder héél lief en heb haar verafgood. En
+mijn vader was ook een beste man. Over de jongere gezinsleden viel ook
+niet te klagen, maar een pis-in-bed was nu eenmaal een pis-in-bed, en
+die was een ellende, vooreerst voor het broertje, dat met hem in één bed
+moest slapen, dan voor de zuster, die elken dag de bedden moest afhalen
+en opmaken, en eindelijk voor moeder, die uit een leege linnenkast maar
+altijd schoone lakens moest krijgen. Hoe moest men dat kwaad bestrijden?
+Door schelden en slaan. Men wist niet beter. En zoo ging ik gebukt onder
+schande en angst voor klappen.
+
+Deze middelen hielpen echter niet. Wel hielp het, wanneer men mij elken
+avond, eer de ouderen naar bed gingen, even wakker maakte en er uit
+haalde. Dat gebeurde vaak weken achter elkaar. Dan kwam mijn oudste
+zuster, een heel lief meisje, en nam mij op. Slaapdronken zette zij mij
+neer. En dan stak ze haar vinger in de hoogte en zei: »Goed luisteren,
+of we iets hooren." Hoorden we dan wat, dan waren we allebei gelukkig,
+zij en ik. Dan keek ik nog eens de kamer rond, zag het nachtlichtje
+flikkeren--een waspitje op patentolie in een gewoon drinkglas--en voelde
+me zoo gelukkig, zoo stil gelukkig. En wanneer ze me dan weer in bed lei
+en lekker toestopte, sliep ik dadelijk, rustig in volkomen veiligheid.
+
+Of men--'t was een druk gezin: een winkel, vijf kinderen, en nog twee
+jongens in huis--of men deze doeltreffende maatregelen dan maar weer
+naliet, of dat ze op den duur toch niet hielpen, ik weet het niet, maar
+op zekeren dag werd er tot iets verschrikkelijks besloten. Schelden
+had niet geholpen, klappen ook niet, dan moest ik maar hebben wat er
+bijstond. Op een stuk papier werd met groote letters geschreven: Jan Pis
+in bed. Dat papier werd op mijn rug gespeld. En zoo werd ik door mijn
+oudste zuster naar de bewaarschool van Juffrouw Mina gebracht. Toen is
+deze weg mij een kruisweg geworden.
+
+O, ik kan het niet vergeten, ik heb het nooit kunnen vergeten, die
+wanhopige smart, die machtelooze wanhoop. Ik _wilde_ het papier niet
+op mijn rug hebben, ik _wilde_ niet. Ik worstelde tegen, huilde,
+trapte, maar 't gaf niet. Eenige volwassenen zijn met elkaar sterker
+dan een bewaarschoolkind, en het moest. Schreeuwende werd ik den winkel
+uitgesleept, de blauwe stoep over, de straat op. Zoodra ik op de
+straat was, ging ik loopen. Ik schaamde me voor het publiek, kon geen
+straatscène maken. Daarvoor was ik te trotsch. De menschen hadden er
+niets mee te maken. Maar ik liep als een kleine gebrokene. Iedereen kon
+zien, kon lezen, wat er op mijn rug gespeld was, en ik schoof schuin
+voor mijn zuster om een bedekking te hebben.
+
+Die eene schoolgang is voor altijd in mijn geheugen gebeten. Van
+alle gangen naar school zie ik alleen deze. De gracht was als een
+eindeloosheid. En ik schreide maar, schreide hevig, maar stil. Ik was
+radeloos. Gelukkig kwam eindelijk het poortje, waardoor ik met mijn
+schande weg kon sluipen van de openbare straat. Doch nu kwam een nieuwe
+angst. Nu zou de juffrouw het zien, en al de kinderen. En ik smeekte
+mijn zuster, nu toch asjeblieft het papier van mijn rug te nemen.
+
+Ze was zoo barmhartig. Dat gaf lucht. Schande drukt zoo zwaar. Ook al,
+ja misschien bovenal op een kind.
+
+Ik heb een idee, dat ik dien heelen dag stil ben geweest. Maar misschien
+is het ook niet zoo. Ik weet het niet. Kinderen vergeten zoo gauw, zegt
+men. Ik heb echter meermalen kinderen uren en zelfs dagen lang stil
+gezien onder een veel geringere emotie. En die eene gang naar school was
+voor mij, bijna letterlijk, een breken van mijn hart.
+
+Het bedwateren is overgegaan. Hoe, dat weet ik niet meer. Maar zeker wel
+vóór mijn zesde jaar. Of het door die heftige emotie geweest is? Ik weet
+het niet, ik weet het niet. Maar dit weet ik wel: er is door dit middel
+meer in me vernield, dan hersteld.
+
+ * * * * *
+
+Natuurlijk--dat zag ik later in--was die heele openbare vernedering
+maar een komedie. Er was geen papier op mijn rug gespeld, al had ik het
+papier ook gezien en het opspelden gevoeld. Men had mij maar bang willen
+maken, met goede bedoelingen, zeker, maar met slechte gevolgen. Zulk een
+bangmakerij is bij velen nog een opvoedingsmiddel, een middel dat, waar
+'t oude kwalen genezen moet, nieuwe veroorzaakt.
+
+Tot mijn kindergebreken schijnt ook te hebben behoord, dat ik weleens
+in den spiegel keek. Om me hiervan terug te schrikken werd me wijs
+gemaakt, dat in den spiegel Haantje Pik woonde. En als ik dan in den
+spiegel keek, zou Haantje Pik eensklaps te voorschijn komen en me de
+oogen uitpikken.
+
+Ik geloofde dat niet. Maar eens op een keer zette men mij op een stoel
+voor den spiegel, om te zien dat het waar was. Het was avond en ik zou
+naar bed gaan. Mijn hanssopje had ik aan, en mijn slaapmutsje op. De
+mannen en jongens, ook al de kleintjes, droegen in dien tijd puntige
+slaapmutsjes met een kwastje aan de punt, zoogenaamde »bakkertjes"; de
+vrouwen en meisjes borgen des nachts hun haar in gehaakte nachtmutsjes.
+Daar stond ik dus, jongetje van zeker niet ouder dan vier of vijf jaar,
+in mijn wit hanssopje en gebreid bakkertje op den stoel, en keek vol
+verwachting in den spiegel.
+
+Plotseling zag ik daar een hand boven mijn hoofd, die de punt van mijn
+slaapmutsje beet pakte en dit met een ruk van mijn hoofd trok. Dat deed
+Haantje Pik. Ik bestierf het bijna van schrik, waggelde op mijn stoel,
+en werd zeker doodelijk wit. Als een der ouderen me niet aanstonds
+gegrepen had, zou ik stellig tegen den grond zijn geslagen. Nu werd ik
+gerustgesteld, dat iemand achter me had gestaan en de muts had gegrepen,
+dat het maar een aardigheidje geweest was. Maar de schrik zat er in en
+langen tijd ontweek ik angstig den spiegel.
+
+Erger was het, als zulke schrikaanjagingen en bangmakerijen niet
+geschiedden met een opvoedkundige bedoeling, maar louter tot vermaak
+voor de ouderen. Men maakte me vaak bang door angstig te roepen: »Jan,
+kijk eens achter je!" Dan schrok ik hevig, of er een spook achter me
+was, dat me meteen aan zou grijpen, en ik vloog hard weg, naar moeder,
+of naar bed. Meest was dit een pleziertje voor 's avonds, als ik in mijn
+nachtkleeren goênacht had gezegd. Dan riep een der oudere jongens: »Jan,
+kijk eens achter je!" en ik holde naar bed. Ik hoorde luid gelach, ook
+booze woorden van moeder, omdat ze een klein kind zoo plaagden, maar was
+pas rustig, als ik mij diep onder de dekens verstopt had.
+
+Hoe deze angsten in mijn gemoed hebben doorgewerkt, kan wel blijken uit
+het feit, dat ik later, zelfs nog toen ik ongeveer 20 jaar oud was, 's
+avonds op een eenzamen weg naar huis keerend, soms plotseling achter me
+keek, of me iemand op de hielen zat, en ook wel eens een enkel maal niet
+durfde omkijken, maar gejaagd naar huis liep, terwijl het koude zweet me
+uitbrak. En toen was ik twintig.
+
+Dat had de onschuldige plagerij van een paar groote jongens gedaan,
+die natuurlijk absoluut geen idee hadden van hetgeen hun pret in het
+kindergemoed uitwerkte.
+
+Men zal begrijpen, dat ik, ouder geworden, nooit kleine kinderen heb
+kunnen plagen of bangmaken, en deze liefhebberij van volwassenen altijd
+met ernst en beslistheid bestreden heb. Hier lag een smartelijke
+ervaring achter, en meer dan een.
+
+Een der heilzaamste gevolgen van zulke ervaringen is, dat we anderen
+leeren ontzien. Zoo kunnen we nog wel eens dankbaar zijn voor het leed,
+dat ons anderen leert begrijpen, sparen, helpen, ook redden.
+
+ * * * * *
+
+De bewaarschool van Juffrouw Mina verliet ik, om voor mij onbekende en
+ook totaal onverschillige redenen, en ik ging nu naar de school van
+Juffrouw S., een huis of tien van ons af op dezelfde gracht. Er was een
+oude moeder en twee dochters, Juffrouw Fietje, de oudste, en Juffrouw
+Doortje, die een rond, kleurig gezicht had en wat scheel zag. Zij
+was een goedaardig mensch, maar haar oudere zuster was erg bijdehand.
+Sommige jongetjes spraken van »Schele Door", »Valsche Fie" en »Ouwe Na".
+Maar dat vond ik te oneerbiedig. Ik zag veel te hoog tegen ze op.
+
+De bejaarde moeder had grijs haar, dat zij steeds, aan weerszijden der
+scheiding plat weggestreken, onder een wit mutsje verborg. Juffrouw
+Fietje was donker van oogen en haar, en geel van tint. Juffrouw Doortje
+had bij haar ronde, blozende wangen, schele blauwe oogen. Als ze ons
+aankeek, hield ze altijd het hoofd een beetje schuin. Ik dacht, omdat
+ze ons anders niet zien kon, zooals een duif zijn kopje scheef draait,
+om u te kunnen bekijken. Ze was lief. Misschien wat te onnoozel voor
+de zaak, maar ik voelde haar simpele goedheid, en die voel ik nu nog.
+Hartmemorie.
+
+Het is wel opmerkelijk, dat ik van Juffrouw Mina heelemaal geen
+voorstelling bewaard heb en van de dames S. wel. Maar vooreerst was ik
+nu iets ouder, maar dan ook is de konnektie langer aangehouden dan tot
+mijn afscheid van de school, zooals later blijken zal.
+
+Van haar schoollokaal herinner ik mij zeer wel, dat het een rechthoekige
+ruimte was. De rijen banken, lange zitbanken, enkele met schrijftafels,
+stonden evenwijdig met de lange rechthoekszijden. Aan den voorwand
+hingen de negen leestafels van Prinsen. Er was maar één raam, dat in een
+der korte zijden, precies in den hoek, uitzicht gaf op muren en daken.
+In den hoek der andere korte zijde was de deur, ongeveer aldus:
+
+ +----------------------------------+
+ | voormuur |
+ |deur |
+ | -------------- -------------- |
+ | -------------- -------------- |
+ | -------------- -------------- |
+ | -------------- -------------- |
+ | -------------- -------------- |
+ | -------------- -------------- |
+ | raam|
+ +----------------------------------+
+
+Op deze bewaarschool heb ik lezen geleerd met de leestafels van Prinsen,
+de methode van spa-aa, slee-ee, drie-ie, enz. Hoe? Dat weet ik niet
+meer. Daar weet ik niets, niets meer van. Ik weet alleen, hoe prettig
+ik het vond, naar een hoogere tafel te mogen overgaan, en hoe
+ik--eerzuchtig of leergierig?--mijn best deed op iedere nieuwe tafel,
+totdat ik ook die weer meester was. Toen ik thuis in den Bijbel kon
+lezen, was ik trotsch en gelukkig.
+
+Volgens sommige psychologen mogen kinderen niet voor hun negende jaar
+leeren lezen. Misschien hebben ze gelijk. Maar ik vond dat spelletje
+zoo prettig en te gelijk die kunst zoo gewichtig dat ik vóór mijn zesde
+jaar van de eene leestafel naar de andere huppelde, zonder verdriet of
+bizondere inspanning. Ik merk hierbij op, dat het me uitsluitend om het
+plezier van het bemeesteren dier zwarte hieroglyphen te doen was, een
+zelfde soort plezier als het oplossen van raadseltjes, het wegzoeken
+(padvinden) in een geteekend doolhof, in 't algemeen: het ontsluieren
+van onbekenden. Het lezen zelf toch boeide mij niet en heeft mij nooit
+kunnen boeien. 't Was dus niet om 't verhaaltje, maar om 't bemeesteren
+der kunst. Toen ik die meester was, las ik maar weinig. Ik denk, dat ik
+daartoe te aktief was. Ik dééd liever iets.
+
+Van de spelletjes herinner ik me alleen, dat we, als het boterham-eten
+was afgeloopen--we bleven n.l. van 9-4 in dat lokaal opgehoopt--onder
+de banken jagertje speelden. Ik zie me over de voetplanken kruipen
+en in het woud van kinderbeentjes en bankpooten een wild dier narennen,
+een tijger of een leeuw. Die dieren en die jagerij had ik stellig
+opgedaan uit de platen van »De aarde en haar volken", waarop mijn vader
+geabonneerd was. De jacht was heerlijk, en nu nog voel ik, dat ik er
+heelemaal in leefde. Zelfs zoo zeer, dat ik nooit hoorde, hoe Juffrouw
+Fietje op het rumoer binnenkwam om de jacht te stuiten, en haar pas
+gewaar werd, als ze me onder de banken smerig en wel vandaan sleepte.
+
+Bij juffrouw Fietje heb ik ook mijn eerste liefde leeren kennen en mijn
+eerste bittere ontnuchtering.
+
+Die liefde gold echter niet juffrouw Fietje, maar een mijner
+mede-scholieren, Betje. Ik moet toen al het schrijven verstaan hebben,
+ofschoon ik niet weet, hoe ik die kunst machtig ben geworden, maar ik
+herinner me zeer wel een briefje, een vuil stukje papier, waarop ik met
+potlood zoo iets geschreven had als: »liefe bedje mag ik je vrijjer
+weese", en dat ik daarna over de banken heen met de kinderpost verzond.
+Het antwoord luidde toestemmend, en dus was de zaak aanstonds in orde.
+Hoe ik aan de neiging kwam, om me al zoo vroeg gelukkig te maken met
+een liefde-band, weet ik evenmin, als wie me het voorbeeld van een
+minnebrief had geleerd. Er zweven echter allerlei bakteriën in de lucht,
+van kinkhoest evengoed als van vrijerij, en het eene kind is vatbaarder
+dan het andere. Zeer wel weet ik echter, dat ik niet meer wenschte dan
+een toestemmend antwoord, en van de heele geschiedenis _dit_ mijn geluk
+was, dat ik nu met fierheid op straat kon loopen en tot mijn makkers
+zeggen: »Betje is _mijn_ meisje." Die behoorde mij toe, en niemand kan
+op haar eenig recht doen gelden. Zij was een stuk jongenseer.
+
+Het is niet aan gebleven, maar toch was deze scheiding mijn
+ontnuchtering niet. Deze kwam nu wél van Juffrouw Fietje, en nog wel op
+haar verjaardag. Op een of andere wijze moet ik bespeurd hebben, dat de
+kinderen de juffrouw bij deze gelegenheid vereerden met een geschenk.
+Dat was voor mij een leelijk geval, want de centen vloeiden thuis niet
+overvloedig, ik had al lang ondervonden, dat ik die niet gemakkelijk los
+kreeg, en toch waren ze noodig voor een cadeau.
+
+Nu was er in de Eglantiersdwarsstraat, vlak naast ons huis, een
+galanteriewinkel. Daar woonde Juffrouw van Streelen, bij ons gevierd
+wegens haar mooi voordragen van lange verzen. Ik herinner me uit
+later jaren, dat ze nooit sprak over De Génestet, maar altijd over De
+Genéstet, en dat zit me nu nog in den weg. Maar haar grootste bekoring
+voor mij was de uitstalling van haar winkel en de buitengewone
+vriendelijkheid jegens ook haar kleinste koopers. Die vriendelijkheid
+was bijna lieftalligheid. Men kocht iets, en kreeg, behalve het
+verlangde voorwerp, ook nog een heele massa bekoorlijkheid.
+
+Al dagen achtereen had ik de uitstalling van Juffrouw van Streelen
+doorvorscht, en daar eindelijk een beeldig klein vaasje ontdekt, met
+bloemen op het buikje en gouden bochten langs den oorrand en het
+gekartelde voetje. Een bééldig vaasje. En het kostte maar drie cent,
+de prijs stond er bij. Ik kende toen blijkbaar de cijfers, anders had
+ik dit nooit kunnen weten. Maar al was die prijs tamelijk laag, voor
+mij vertegenwoordigde hij toch een kapitaal: drie cent was inderdaad
+voor mijn kinderhandje een ongekende schat. Ik wist het geld evenwel
+van mijn moeder los te bedelen, en eer ik naar het groote verjaarfeest
+van Juffrouw Fietje ging, waar je den heelen morgen spelen mocht en
+getrakteerd werd, kocht ik het beeldige vaasje en stapte er uiterst
+gelukkig mee naar school, heel voorzichtig het in de hand houdend, dat
+het toch vooral niet breken mocht, en onderwijl de roode rozen en de
+groene blaadjes bewonderend op het ovale buikje.
+
+Maar toen ik met mijn cadeau de steenen stoep was beklommen en een
+portaaltje was doorgestapt tot dicht bij Juffrouw Fietje, toen schaamde
+ik me plotseling. Daar stonden andere kinderen met groote pakken in de
+hand, en daar blonken en schitterden mij reeds uitgepakte geschenken
+tegen. Een verlakte theestoof! Een glimmende waterketel! Een kristallen
+olie- en azijnstel! Wat een groote en prachtige stukken! Daarbij zonk
+mijn vaasje heelemaal in 't niet. Al zijn schoone bekoorlijkheid had
+het voor mij verloren. En met het schaamrood op de wangen--ik voel
+het nog--overhandigde ik het schamel eerbewijs aan de jarige. Deze nam
+het aan, bedankte, en zette het neer. Ik zie nog alles, álles. Maar
+mijn geluk en fierheid smolten weg. En--niemand had me iets gezegd of
+aangedaan, maar ik ging niet naar de feestzaal, doch liep het portaaltje
+door, de trap af, en rende naar huis. Nóg drie centen, nóg zoo'n vaasje!
+Mijn eer stond op het spel. Ik ging _niet_ naar het feest, als ik niet
+eerst nog zoo'n vaasje kon aanbieden, om althans eenigermate in
+evenwicht te komen met de theestoof en den waterketel.
+
+Mijn moeder kon geen weerstand bieden aan mijn dwang. Ik liet haar
+niet los. Weet men wel, wat geweldige gemoedsmachten daar soms achter
+zitten, als de kinderen heeten te »dwingen"? En spoedig holde ik met
+mijn afgeperste drie centen naar Juffrouw van Streelen, had nu geen tijd
+om van haar lieftalligheid te genieten, en holde haar winkel uit, den
+hoek om, de gracht, de stoep op, naar Juffrouw Fietje.
+
+Die had me in de drukte van het ontvangen en uitpakken niet gemist.
+Hijgend duwde ik haar het tweede kleinood in de hand en zag haar aan, of
+het zoo nou niet goed was. En toen zei ze: »Had dat vod maar gehouden."
+En ze zette het minachtend neer.
+
+Dat was bijna zoo erg als het schandpapier op mijn rug. Ik voelde
+een diepe krenking en verloor alle veerkracht uit mijn heele lijfje.
+Beschaamd slenterde ik naar de feestzaal. Van de pret herinner ik me
+absoluut niets meer. Ik weet ook niet, of ik pret heb gehad. Bij dien
+ontzettenden neerslag staan mijn herinneringen stil.
+
+Nu moet ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik niet weet, of ik de woorden
+van Juffrouw Fietje precies heb teruggegeven. Misschien heeft ze 't niet
+zoo kras gezegd. Niet die heel harde _woorden_ gebruikt. Maar voor de
+zaak sta ik in. Haar geringschatting was ongeveinsd. Die heb ik te
+pijnlijk gevoeld. En dat gevoel is me onuitwischbaar bijgebleven.
+
+Van dit oogenblik af heb ik een hekel aan gelegenheidscadeaux gehad. Ik
+heb ze nooit kunnen ontvangen. En waar ik ze aanbieden moest, betaalde
+ik liefst de dubbele waarde.
+
+
+
+
+DE EERSTE LAGERE SCHOOL.
+
+
+Geen flauwe notie heb ik er van, dat ik op zekeren dag niet meer naar de
+bewaarschool, maar voor 't eerst naar de Groote School ben gegaan.
+
+Toch moet dat eenmaal gebeurd zijn.
+
+En in die Groote School moet ik me bekwaamd hebben in lezen en schrijven
+en al de andere vakken der wet.
+
+Ik weet er niets van.
+
+En in die school moet ik vele klassen doorloopen hebben, examens en
+verhoogingen meegemaakt, onderwijzers leeren kennen, zegenen of
+verwenschen.
+
+'t Is alles weg.
+
+Is het er wel ooit geweest?
+
+Maar dat moet toch wel. Ik heb toch ruim vier, misschien zelfs vijf jaar
+daar schoolgegaan, dag aan dag. Dat is toch geen kleinigheid. En ik moet
+er toch al mijn eerste bekwaamheden hebben verworven. En met de meesters
+hebben verkeerd.
+
+Wonderlijk, dat ik nu uit de bijverschijnselen en uit de gevolgen
+afleiden moet, dat ik van mijn zesde tot mijn tiende of elfde jaar het
+schoolleven heb meegemaakt, maar dat ik het anders niet weten zou. En
+zelfs niet gelooven als anderen 't mij bezwoeren.
+
+Zoo is dat leven buiten mij omgegaan. De heele schoolperiode ligt als
+een donker ledig achter me. Ze heeft me niets te zeggen.
+
+Dat bewijst voor mij twee dingen. Dat _ik_ eigenlijk leefde buiten die
+leerwereld. En dat _de school_ eigenlijk leefde buiten mij.
+
+Mijn hart lag buiten de klas, buiten de leerboeken, buiten den
+lesrooster. En het hart der school lag buiten de kinderziel.
+
+Die twee zochten malkaar niet op. Het waren wildvreemden voor elkaar.
+
+Slechts enkele dingen herinner ik me, maar die gelden niet het
+onderwijs, waarvoor ik toch eigenlijk de school bezocht. En die dateeren
+dan nog pas uit de hoogste klas en betreffen maar twee personen, een
+meester, dien ik niet noemen wil, ofschoon ik zijn naam nog heel
+goed weet, en meneer Kuyper, den bovenmeester, wiens naam ik nog
+steeds zegenend gedenk, niet--men moet voorzichtig zijn--omdat hij de
+bovenmeester was, maar omdat hij een mensch was, een zachtaardig mensch.
+
+Meneer Kuyper zie ik als een teere figuur, een man van middelbare
+groote, in 't zwart gekleed, een zijden petje op. Zijn gelaat was zacht,
+bleek. Zijn oogen lichtblauw. Zijn gang opmerkzaam en rustig. Ik voelde
+iets teers voor hem, of ik voor hem wilde vechten. Dat gevoel ging
+geheel uit van zijn verschijning, want ik herinner mij niet, dat hij mij
+ooit persoonlijk goed deed. Ik had geen reden, om bepaald hem voor iets
+in 't bizonder dankbaar te zijn. Maar zijn heele wezen vervulde me met
+teerheid en dankbaarheid.
+
+Elken morgen bad hij. De school bestond uit drie groote lokalen, twee
+naast elkaar, een ter zijde, aldus:
+ +-------+
+ | |× |
+ | | |
+ +-------+
+ | |
+ | |
+ +---+
+Ze waren gescheiden door glazen schotten met schuiframen. Dan gingen
+de schuiframen omhoog en zaten alle kinderen eerbiedig. Hij stond,
+bij een der geopende ramen, achter een orgel met geel geverfde kast,
+nam de pet van 't hoofd, en bad met zachte stem voor de heele school.
+Er zweefde dan iets lieflijks over al die kinderhoofdjes. Er daalde
+iets verkwikkends in al die kinderhartjes, iets als een heel zachte
+voorjaarsregen. Ik herinner me geen enkel woord. Maar ik herinner me
+stille ontroering. En ook een enkele traan van berouw, die daarna als
+een goed voornemen mijn wang bevochtigde. Te snel verdampt.
+
+Na het gebed zette de fijne figuur zich achter het orgel. We zagen
+hem niet meer, doch hoorden hem zingen in orgeltoonen. Eerst een kort
+voorspel, en dan volgde het godsdienstig lied, waarbij de heele school
+meezong.
+
+Dat waren heerlijke oogenblikken. Doch nu volgde niet een voortzetting
+van dat gebed en gezang, nu volgde niet de uitwerking er van in het
+praktische schoolleven, nu volgde niet--o, het is verschrikkelijk om
+het te zeggen--de doorwerking van den afgesmeekten Heiligen Geest, de
+werkdadige kracht van den afgebeden zegen Gods, nu volgde een stuk
+afgrijselijke kinderellende.
+
+Onze meester was, ik zeg niet streng of stipt of veeleischend, hij was
+hard. En nog niet eens hard als staal of steen, want dan hadden er nog
+vonken kunnen uitspringen, maar hard als een verdroogd stuk leer. Het is
+geen toevalligheid, dat hij zijn horloge niet aan een metalen ketting of
+een fijn zijden koord droeg, zooals krachtige of teere persoonlijkheden
+gewoon zijn. Een man verraadt zijn ijdelheid en zijn gemoed in zijn
+horlogeband, en de zijne bestond uit een dooreenvlechting van drie
+smalle leeren riempjes, een kabeltje van leer, hard en droog en taai.
+Vooral ook taai. Staal en steen kunnen niet alleen vonken schieten, ze
+kunnen ook stukspringen. Ze wagen in den strijd hun eigen bestaan. Maar
+hardheid, die tevens taai is.... het is de slavenzweep van Legree uit De
+Negerhut. Alleen de liefde heeft het recht om taai te zijn.
+
+Meester Leer--zoo zal ik hem maar noemen--was harteloos. In onze klas
+zat een jongen, wiens vader een grutterzaak dreef en C. C. C. M. heette,
+gelijk ieder op het naambordje lezen kon. Wanneer de kleine M. nu iets
+misdreven had en daarom voor de klasse moest komen, greep meester Leer
+hem bij het aardige kuifje, dat zoo hups zijn jongensschedel aanmeldde,
+en schudde den kleinen kop op en neer, een soort schedelrammeling, onder
+het knerpend gekraak van: »Zeg jij, C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C.
+M., zal jij...." enz. Bij ieder C. werd de kleine kop gerammeld.
+
+Wij, anderen, zaten dat met stillen haat aan te zien. O, hoe haatten
+en vervloekten wij dien kerel, dien gemeenen kinderbeul. Als we maar
+gekund hadden, we hadden hem tot modder getrapt. Maar daar stond hij,
+onaantastbaar, in zijn macht als meester. En wij zaten, stom, strak, de
+handjes gevouwen op den tafelrand, den rug rechtop, een doodstille klas,
+machteloos overgeleverd aan een slavendrijver zonder hart of geweten.
+
+Zoo werd het gebed verhoord.
+
+Zoo daalde Gods afgebeden zegen in onze ontvankelijke kinderhartjes.
+
+Eens op een keer vond hij zijn man. In de klasse zaten twee broertjes.
+Een van de twee moest voor de klas komen, bij de landkaart, om daar wat
+stippen aan te wijzen, waarover geen van ons zich een grein bekommerde.
+De jongen wist ze niet, maakte althans fouten--hetgeen ik nu, uit de
+verte, uit de gevolgen afleid--en kreeg daarvoor geweldige klappen om
+zijn kop. Wij waren dat gewoon, zaten het wezenloos of met verbeten
+woede aan te kijken, wachtten tot de hagelslag voorbij was, beefden al
+tegen dat onze beurt aanbrak....
+
+Maar daar plotseling hooren we een woesten schreeuw, als den kreet van
+een wild dier. Een jongen vliegt achter uit de klas tusschen de banken
+door, en onder het krijschen van onverstaanbare geluiden beukt hij op
+den meester los. 't Is het oudere broertje van het gekastijde kind.
+
+Ha, hoe genoten we bij deze uitbarsting van woede. We rezen uit de
+banken op, vergaten wat de gevolgen konden wezen, en juichten van
+instemming.
+
+Razend van drift sloeg de jongen, waar hij den meester maar raken kon,
+en rukte toen zijn broertje uit de klauwen van zijn kastijder.
+
+Een oogenblik van doodsche stilte, toen hevige, snikkende
+verwijtschreeuwen van den oudste, en toen....
+
+Meer weet ik niet.
+
+Of de jongen straf gekregen heeft, weggejaagd is, excuus heeft moeten
+vragen, ik weet het niet. Al het andere is verdwenen. Maar levend is
+gebleven dat eene moment van uitgebroken broederliefde, die eene
+uitbarsting vóór de klasse. Mijn geest heeft het opgenomen als een
+momentopname van een ontploffing. En levend is ook gebleven, het
+grootsche gevoel van bewondering. Nu nog is het me, of ik toen getuige
+ben geweest van iets zeldzaams in de menschenwereld: de zichzelf en
+alles vergetende reddingsdrift. Een brandweerman, die in den vuurpoel
+springt om een kind te redden. Die jongen was een held. Hij heeft ons
+in één woeste daad.... opgevoed. Op-ge-voed.
+
+Waarschijnlijk dacht de meester er anders over. En als die meester en
+ik samen in een paedologische vereeniging zaten, zou hij allicht een
+anderen karakteristiek van dien jongen geven dan ik.
+
+ * * * * *
+
+Geen wonder, dat we bij zoo'n meester dikwijls strafwerk kregen. Bij
+hem heb ik geleerd, eenige honderden strafregels met drie griftjes
+tegelijk te schrijven. We waren er heel handig in, die drie griftjes
+onder elkaar, amphitheatersgewijze, vast te houden, en dan er mee over
+de lei te vliegen. Die handigheid hadden we dan toch maar aan meester
+Leer te danken, en daarom zeggen sommigen, dat je het de kinderen niet
+te gemakkelijk moet maken. Verdruk ze maar, opdat ze te beter tegen de
+verdrukking ingroeien. 't Is ook een opvatting, en die groei tegen de
+verdrukking in, ja, dat was waarheid. We groeiden o. a. ook heel sterk
+in list en bedriegerij.
+
+Een der straffen was schoolblijven, en daarbij dan maar doodstil zitten.
+Een uur of langer stilzitten, de handen gevouwen aan den tafelrand, de
+oogen strak naar boven, onbewegelijk, daar de geringste beweging
+gestraft werd met een kwartier of een halfuur langer.
+
+Ik denk, dat ik iederen dag heb moeten schoolblijven, want ik herinner
+me telkens terugkeerende standjes over te laat thuiskomen. Maar dat kon
+ook door andere oorzaken gekomen zijn, want de weg van school naar huis
+was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen.
+
+Natuurlijk wendden we allerlei pogingen aan, om van dat schoolblijven
+verlost te worden, »weg te spatten" gelijk we dat noemden. Wanneer
+de meester maar even in een ander lokaal was, renden wij met
+bliksemsnelheid naar de deur, en vlogen, het portaal door, naar buiten.
+Wee echter, als de buitendeur op slot bleek. Dan stond je daar eenige
+oogenblikken in razende wanhoop. Niet omdat hij je dan weer bij je
+kladden kon krijgen, want den volgenden schooltijd had hij je toch weer
+in zijn macht en zou je natuurlijk dat wegspatten wel inpeperen, dat
+was het minste, maar omdat je hem nu aanstonds voor je zou zien met
+zijn duivelsche grijns van voldoening; omdat je zijn sarrende stem zou
+hooren, dat je dat nu eens lekkertjes niet gelukt was, zijn stem vol
+nijdigen kinderhaat. Wanhoop, omdat hij je met listigheid in de val
+had laten loopen en daar straks demonisch van zou genieten.
+
+Maar eenmaal ben ik hem toch te slim af geweest. Weer zat ik lang,
+heel lang na te blijven, terwijl buiten de zon zoo heerlijk scheen.
+Toen verzon ik, dat ik »naar achteren" moest. Neen, het mocht niet.
+Het werd echter zoo erg, dat ik den vinger aanhoudend opstak en daarbij
+in de bank zat te zwaaien als een dreigende onweersbui. Mocht ik dan
+niet--'t leek wel, of mijn heele houding dit wilde zeggen--dan kwam
+de verantwoording voor den meester, als ik ten slotte den vloer
+verontreinigde. Die verantwoording durfde hij zeker niet op zich te
+laden, ik kreeg tenminste verlof. Maar de knarsstem gromde me toe:
+»Geef eerst je pet hier."
+
+Ik bracht de pet, innerlijk genietend van zijn onnoozelheid, alsof ik me
+door een pet zou laten weerhouden. Die pet kon stikken, en hij er bij.
+En nu naar achteren. Doch nauwelijks was ik daar, of ik klom omhoog,
+wrong mij door een raampje, liet me vallen, en stond op een terrein,
+waarschijnlijk de speelplaats, waarvan ik me echter niet herinner dat er
+ooit gespeeld werd. Nu aanstonds naar de houten schutting. Een sprong,
+de handen om den rand, het lijf opgetrokken, rechterbeen er over, nu de
+romp, het linkerbeen, hangen, loslaten, en daar was ik op een houtwerf
+naast de school. Gauw naar voren, het hek door, en ik stond blootshoofds
+op de Lindengracht. Zonder pet, maar vrij. Vrij! en ik holde naar
+huis. Om de gevolgen bekommerde ik me voor 't oogenblik niet. Het
+was met den meester toch altijd een strijd op leven en dood, en
+ieder uurtje gestolen vrijheid was winst. Wat zullen mijn kameraden,
+medeschoolblijvers hebben opgezien, toen ik niet terugkwam. En wat
+zal de meester met lieflijkheid mijn pet hebben gekoesterd.
+
+Het lijkt me, nu ik dit schrijf meer dan veertig jaar later, het lijkt
+me, of ik alles lieg. Is het mogelijk een fantasie? Heb ik in mijn
+jongensjaren--kinderen hebben zoo'n levendige verbeelding--dat heele
+verhaal misschien bedacht, en het als een heldenfeit zoo vaak aan mijn
+makkers verteld, dat ik het eindelijk zelf geloofde? Maar neen, dat kan
+toch niet. Mijn heele leven heb ik het als zuivere jeugdherinnering
+meegedragen. Zou ik me dan zóó vergist hebben? Doch wie bewijst, dat ik
+waarheid zeg. Neen, ik bedoel niet, wie bewijst het aan een rechtvaardig
+oordeelende rechtbank, maar wie bewijst het aan mij persoonlijk, die het
+ervaren meen te hebben en nu twijfel aan mijn eigen ervaringen. Ik wou,
+dat een oud-schoolkameraad dit las en, plotseling het verleden er in
+herleefd ziende, overtuigd uitriep: »Juist zoo, zoo is het gebeurd."
+Dan had ik, door een vreemde, gewisheid van mijn daden. Nu moet ik maar
+gelooven in mijn herinneringen. 't Is toch vreemd, dat men zijn eigen
+verleden, zijn toch zelf doorleefd verleden, niet kan bezitten zonder
+geloof. En dan bezit men het nog maar in het licht van zijn toenmalige
+zelfverblinding.
+
+Maar ik denk toch wel, dat die klauterpartij zonder pet werkelijkheid
+is geweest. Ik zie ze zoo levendig voor me, ik zie zoo precies den weg,
+dien ik daarbij gegaan ben, en ik verbeeld me nog eenige populieren te
+zien, die op de speelplaats langs den blinden gevel van het daarachter
+gelegen huis stonden.
+
+En dan ook, de feiten passen zoo geheel in het kader van dit
+schoolleven. Van Geschiedenis, Aardrijkskunde, Rekenen, Taal, Lezen en
+Schrijven herinner ik me absoluut niets meer. Doch de hoofdmomenten uit
+_den schoolstrijd_--een véél ernstiger en gewichtiger en langduriger
+worsteling dan »de" Schoolstrijd--spreken nog luid in me, met beeld en
+stemming. Ik zie alles nog voor me, en mijn hart klopt heftiger bij de
+herinnering.
+
+ * * * * *
+
+Het spreekt vanzelf dat we niet alleen het nablijven ontvluchtten, maar
+ook aan de kwelling van de school zelf trachtten te ontkomen. Daartoe
+waren maar twee middelen: ziekte voorwenden en bommelen, spijbelen,
+stukjesdraaien of hoe dit genot meer heeten mocht.
+
+Het voorwenden van ziekte had het ontstaan gegeven aan een eigen woord.
+»Je bent schoolziek," zei mijn vader, als we dreinden om thuis te
+blijven vanwege die toch zoo erge hoofdpijn. En de man had gelijk,
+want als hij bezweek voor ons smeeken, was binnen een halfuur de
+erge hoofdpijn gezakt en zaten we, zoo ongeveer om halftien in den
+voormiddag, een beetje te spelen, of drentelden door 't huis, door den
+winkel, als 't kon de straat op. Het was niet in mijn nadeel, dat ik
+nogal wit zag en teer was van gestel. Daardoor kon ik dikwijls hoofdpijn
+hebben, die haar crisis had onder 't ontbijt. Maar nooit vond ik mijn
+ouders onbarmhartiger, dan wanneer ze geen medelijden met me toonden en
+zelfs aan mijn hoofdpijn geen geloof sloegen. »Ga jij maar naar school,
+hoor! 't Is schoolziekte." Diep neerslachtig en met slenterende beenen
+sleepte ik me naar school. Dan droop er een dreinende motregen in mijn
+kindergemoed.
+
+Zulke beschuldigingen en mistroostigheden mogen wel veroorzaakt hebben,
+dat ik mijn heil zocht in het stukjesdraaien. Als je niet naar school
+_wilt_, en niet thuisblijven _moogt_, dan schiet er ten slotte niets
+over, dan dat je op den weg tusschen huis en school blijft omdolen. Waar
+zou je anders heen? En dan neem je dien weg wat ruim, omdat het zoo
+vervelend is in dezelfde straten maar steeds heen en weer te trekken,
+en je daar ook gezien en aldus verraden kon worden. Dan loop je rond,
+tot de huisdeur zich weer voor je openen wil, dat is zoo ongeveer een
+kwartier na het eindigen van den schooltijd.
+
+Ik heb mijn toevlucht ook tot dat redmiddel moeten nemen, en dank
+daaraan drie der allerheerlijkste weken uit mijn schoolleven. We noemden
+ze later de bommelweken, en nu nog is dat onwelluidende woord voor mij
+synoniem met oase, paradijs, vrijheid, en al zulke vertegenwoordigers
+van iets zonnigs en lieflijks te midden van de grijze ellende.
+
+Elken morgen gingen we op den gewonen tijd de deur uit, maar sloegen
+bij een bepaald punt linksom in plaats van rechtsom. 't Scheelde maar
+een kleinigheid, maar 't werd een reusachtig verschil. Rechtsom trokken
+we naar school, naar den gehaten plicht, linksom naar buiten, naar de
+begeerde zonde. Waarom had men de plichtsvervulling ons dan ook zoo
+hatelijk gemaakt? In iederen arbeid steekt genot, in den schoolarbeid
+zelfs een heel groot genot voor bijna alle kinderen. Maar men verbittert
+er het lekkerste brood, vergalt er de zoetste melk. En zoo maakt men de
+kinderen het eten en drinken onmogelijk, hoe graag ze het van nature ook
+doen.
+
+We waren met ons vieren, mijn broer en ik, en dan nog twee klasgenooten,
+Willem en nog een ander. Willem had een eigenaardige bron van inkomsten.
+Zijn vader was bode en aanspreker. Iedere week moest Willem voor hem de
+klanten rond, om de kontributie voor een begrafenisfonds op te halen,
+kleine bedragen, maar die door verscheiden niet geregeld betaald werden
+en daardoor tot vrij groote sommen opliepen. Wanneer Willem nu wat geld
+wou hebben, ging hij naar de achterstalligen en maakte daar een standje.
+»Kompliment van vader, en of er nu eindelijk eens betaald werd. 't Was
+een schande, zooals ze hem iederen keer voor gek lieten loopen, en als
+er nu niet betaald werd, zouden ze andere maatregelen moeten nemen."
+Willem schreeuwde zijn boodschap op een luiden brutalen toon, zoodat
+de buren het even goed konden hooren als de betrokkenen. Dit had
+ten gevolge, dat de schuldige vrouwtjes hem gauw in de kamer riepen,
+daar paaiden met mooie beloften, en hem persoonlijk vijf cent of een
+dubbeltje toestaken, om hem tot meegaandheid te stemmen. Sommigen van
+haar waren blijkbaar zoo bang voor de nieuwsgierigheid der buren, dat ze
+Willem reeds te gemoet kwamen eer hij zich nog had aangemeld, en zijn
+onbarmhartige jongensstem bij voorbaat met een dubbeltje omkochten.
+
+Er was voor mij in deze geheele ophaalderij iets geheimzinnigs. Ofschoon
+ik precies wist, hoe de vork in den steel zat, en bij iederen klant met
+nieuwsgierigheid vroeg, »hoeveel hij van dat wijf weer had losgekregen,"
+besefte ik toch heel wel, dat die vraag met die ruwe woorden maar
+grootdoenerij was, en we eigenlijk bij ieder geval meespeelden in een
+droevige tragedie van armoede, zorg, schaamte, afzetterij. Ik gevoelde,
+dat we iets heel gemeens deden, en juichte toch bij iedere vermeerdering
+van ons schandkapitaaltje. Willem ging, zonder eenig mededoogen, zijn
+bedachte boodschappen doen, en wij wachtten op een afstand de gevolgen,
+springend van vroolijk verlangen en tegelijk innerlijk huiverend van
+schuldgevoel. Dit laatste was de stem van het geweten. Dat wist ik toen
+reeds heel goed. Maar ik wist die stem ook onder schijnbare
+onbezorgdheid te verzwakken.
+
+Van het geld kochten we eerst een grooten zak krenten, die voor
+pruimtabak moesten dienen. We verdeelden ze onder elkaar en hadden
+dan elk voor zich een afleiding en hartversterking. Telkens namen we
+een handje krenten, wierpen die in onzen mond, verborgen ze achter de
+kiezen, en hielden ze daar gezellig opgehoopt. Ik voel zeer goed, wat
+zoo'n tabakspruim voor een werkman beteekent. Het is niet de lekkernij,
+die hem bekoort, maar de gezelligheid. Zoo'n handjevol tabak, steeds op
+dezelfde plaats bewaard en bewerkt, is voor hem een soort kameraad, een
+vertrouwelijk vriend, met wien hij heel eigen is. Hij voelt zich niet
+meer eenzaam en verlaten, niet meer unheimisch, als hij dezen gezel
+op zijn vaste plaatsje meedraagt. Zooals meisjes een pop behoeven, om
+een leegte aan te vullen, jongens een stok moeten dragen, om niet zoo
+alleen te zijn, vele volwassenen een kat in de kamer of een hond op de
+wandeling moeten hebben, om het gevoel van verlatenheid te breken, zoo
+heeft de stugge werker op het veld of achter de heistelling in zijn
+tabakspruim een stuk gezelligheid in zijn eentonig leven. Een soldaat
+op post is met dezen vriend niet meer eenzaam in het nachtelijk uur.
+Als wij een verre boodschap moesten doen, vooral 's avonds, namen we
+een hard stukje kaaskorst in den mond, en kauwden en knauwden dat, niet
+om het op te eten, maar om van zijn nabijheid te genieten. Misschien
+hebben de psychologen voor deze gehechtheid aan de tabakspruim een veel
+betere verklaring, zoodra ze experimenten genomen hebben met heiers mét
+en zónder pruim, wellicht komt het dan alles neer op prikkeling van
+bepaalde zenuwen en overheersching van bepaalde bewustzijnstoestanden,
+maar ik, die alleen eigen ervaring raadplegen kan, te dom voor
+experimenten en te lui voor statistieken, voel die gehechtheid alleen
+als een gemoedsverschijnsel. Een afleiding, zegt het volk. Juist, een
+afleiding van zijn enkelheid. Een afleiding, die Adam zelfs in het
+Paradijs noodig had, toen hij, te midden der onbeperktste weelde, zich
+toch eenzaam voelde, en Eva kreeg. Als een tabakspruim? Lieve menschen,
+ik wou, dat men alle aesthetische gevoelens een oogenblik het zwijgen
+kon opleggen. Eva was een wonderschoone verschijning--lees maar in
+Vondels verzen--om wie de Engelen mensch zouden willen zijn. En een
+tabakspruim--nu, ik wil de voorstelling niet verlevendigen. Maar die
+tabak was ook eenmaal een frischgroene plant, en Eva zal ook eenmaal
+verrotting zijn. We moeten over de grenzen van het heden heenzien,
+dan ontwaren we meer gelijkheid, dan iemand ooit vermoedde. En--om te
+besluiten--wellicht heeft menige Adam meer te danken aan zijn willige,
+zich altijd schikkende tabak, aan dezen nooit eischenden vriend, dan aan
+zijn Eva.
+
+Wij, dit wilde ik slechts zeggen, bootsten met onze krentenpruimerij de
+groote menschen na, maar _zouden dit nooit gedaan hebben, als in ons
+niet dezelfde gemoedseigenschappen aanwezig waren als in die groote
+menschen_. Ook in ons was die behoefte aan dat intieme verkeer, en te
+sterker, bij een niet volkomen rustig geweten.
+
+Voor het overige geld kochten we een reusachtigen vlieger en een heelen
+hoop strengen touw. En hiermee trokken we naar het Vondelpark. In de
+morgenuren was het daar nog al rustig. Je kon daar zoo lekker stil
+rondscharrelen, zonder dat je ieder oogenblik gevaar liep, een kennis
+tegen te komen. 't Was vrij ver uit de Jordaanbuurt en werkmenschen of
+winkeliers, gelijk onze ouders waren, hadden in de week geen tijd om
+overdag in het Vondelpark te wandelen, terwijl hun arbeid hen daar nooit
+heen voerde. Daar kwam nog iets bij. Je had achter 't Vondelpark mooie
+weilanden, om den vlieger op te laten, en in het park zelf dichte
+boschjes, om er hem te verstoppen. We hadden al gauw een verstolen
+hoekje gevonden, waar hij telkens met touw en al werd weggeborgen, als
+wij naar huis moesten, en waar we hem ook weer trouw terugvonden, als
+wij naar dit zalig oord terugkeerden.
+
+Het spreekt vanzelf, dat we niet dag aan dag gingen vliegeren. Waarmee
+we dan de andere dagen doorbrachten, weet ik niet. Alleen herinner ik
+me, dat we ook vaak naar eenige landpaden gingen, buiten de Zaagpoort,
+en daar speelden op de balken en de boomstammen, die in het slootwater
+bij de houtzaagmolens lagen.
+
+Dat was een van mijn heerlijkste genietingen. We trokken dan de schoenen
+en kousen uit, stroopten de broek zoo hoog mogelijk op, en speelden
+Bataviertje, waaruit ik nu alweer kan afleiden, dat ik op school van de
+Batavieren geleerd had. Wij waren Batavieren, die op vlotten den Rijn
+kwamen afdrijven. Daarbij liepen we op bloote voeten over de balken even
+rustig, vlug en gemakkelijk als op het land. Het was verwonderlijk,
+hoe vertrouwd we met onze vlotten waren. Terwijl we van balk op balk
+stapten, doken deze, soms dunne stammen, vaak diep onder water, maar
+daar bekommerden we ons in 't geheel niet om, integendeel, we vonden
+'t heerlijk. We waren thuis op onzen balkenvloer, we waren thuis in de
+slooten. Om natte pootjes gaven we absoluut niet. Hoe meer het water
+golfde en klotste en spatte, hoe liever 't ons was. De eenige voor wien
+we eenige vrees koesterden, dat was de molenaar. En eigenlijk waren we
+ook voor hem niet bang, we konden hem gauw genoeg ontvluchten. We waren
+voor niemand bang. Maar de mogelijkheid bestond, dat we bij een
+overhaaste vlucht onze kousen en schoenen op 't weiland moesten
+achterlaten, en dan zou natuurlijk alles uitkomen.
+
+Toch werd deze sloot ons onheil. Op zekeren dag ging een der jongens
+gehurkt op een balk zitten. Een ander vond dat al te verleidelijk en gaf
+een trap tegen den balk, waardoor nummer een achterover in het water
+tuimelde. Dat was nu op zichzelf zoo erg niet, de sloot was niet zoo
+diep, en met het water waren we vertrouwd. De drenkeling was dan ook
+weer gauw aan land. Maar zoo kletsnat kon hij niet blijven rondloopen,
+zich uitkleeden en zijn goed te drogen leggen was te veel gewaagd met
+het oog op den molenaar. Die kon van onzen nood wel eens misbruik hebben
+gemaakt, door den jongen spiernaakt den weg op te jagen. Daarom deden
+we, wat we in zulke gevallen altijd deden, we gingen op een draf naar de
+gasfabriek, den natten kameraad, die in zijn zware, plakkende, druipende
+kleeren niet zoo hard loopen kon, tusschen twee flinke loopers in, hand
+aan hand met hem voorthollend, de anderen er achter.
+
+In de gasfabriek, aan de buitenzij der stad gelegen, waren de mannen
+altijd welwillend. Ze vloekten er wel bij, maar dat hinderde niet. Hoe
+harder ze je uitscholden, hoe meer je van ze gedaan kreeg. »Baas, magge
+we d'r in, hij hèt in 't water gelege."--»Zoo, dondersche schooiers,
+het jelui weer met je mieter in 't water gelege. Wil je wel gauw
+opdondere."--»Och baas, hij is zoo nat, en dan krijgt ie van zijn
+vader."--De baas keek naar den klappertandenden schooier en liet ons
+binnen. »Vooruit dan maar, maar heb het hart in je lichaam, dat je 't me
+weer flikkert."--»Dank u wel, baas!" en we holden naar binnen. De natte
+kameraad kleedde zich uit als in 't zwembad en liep een beetje naakt
+rond te scharrelen en zich te warmen, terwijl wij zijn natte kleeren
+te drogen hielden bij de heete retorten. De werklieden lieten ons stil
+begaan, we waren jongens die zichzelf konden redden. Alleen nam deze
+of gene den kans waar, om den naakten sprinkhaan een kletsenden klap te
+geven, waarom de naakte sprinkhaan dan ook altijd zorgde, dat hij uit de
+voeten kwam als er een man naderde.
+
+De kleeren waren gauw genoeg droog, maar ze hebben ons verraden. Hoe,
+dat herinner ik me niet meer, maar 't was na dit voorval gauw uit met
+de pret. Op een middag kwamen we thuis, met een onschuldig gezicht, of
+er niets gebeurd was, toen Moeder ons ontving met de ongewone vraag,
+waar we vandaan kwamen. Die vraag schokte ons hevig, maar we logen
+natuurlijk: Van school. En er was een boodschap gekomen, dat we al in
+geen drie weken op school waren geweest, en een jongen z'n moeder was in
+den winkel geweest en had verteld, dat ze aan zijn kleeren gezien had,
+dat hij in 't water had gelegen, en dat hij toen alles bekend had. Het
+viel niet meer te loochenen en ook wij moesten door de mand vallen.
+
+Dit oogenblik herinner ik me nog heel levendig. We stonden in de
+huiskamer. Daar was een kastdeur met behangselpapier beplakt. Er was
+geen kruk in, wel een sleutel. Ik zie den zwartgeroesten sleutel nog uit
+het sleutelgat steken, donkere figuur in een omgeving van lichtgrijs
+papier. Op dit plekje, vlak bij de kast, moesten we ons kwaad openlijk
+erkennen. En toen stond het plotseling als een vreeselijk misdrijf voor
+me. Ineens voelde ik de zwaarte van 't vergrijp op mijn schouders
+drukken. Ik voelde mijn beenen trillen, greep den sleutel vast, zonk
+ineen, en begon hartstochtelijk te snikken. Wonderlijk toch, al die drie
+weken had ik genoten, was wel eens onrustig geweest, maar was er toch
+iederen dag op nieuw uit getrokken. Mijn geweten had zich laten sussen.
+'k Had goed gegeten, goed geslapen. Maar nu het kwaad was uitgekomen,
+was aanstonds al mijn kracht gebroken en zakte ik, wanhopig en
+radeloos, in elkaar. Dat is de overweldigende macht der openbaarheid.
+
+Tot straf mocht ik dien avond niet naar het verjaarpartijtje van een
+vriendje. Aanstonds uitkleeden en zonder eten naar bed. Dat was een
+groote straf voor me, want van dat partijtje had ik me heel veel
+voorgesteld. Niemand zal echter die straf te zwaar achten. Drie weken
+spijbelen, drie weken je ouders bedriegen, dat is voorwaar geen
+kleinigheid. Daarvoor is het onthouden van zoo'n genoegen eigenlijk nog
+een veel te geringe straf, ook al is voor een kind een kinderpartijtje
+een buitengewoon genot.
+
+Maar wilt ge nu mijn Moeder eens leeren kennen? Toen ik tot acht uur of
+half negen of negen uur--ik weet het niet precies meer--stil in mijn bed
+had gelegen, telkens schreiend van diep berouw, maar wellicht nog meer
+uit medelijden met mijn arme zelf in mijn bitter treurigen toestand,
+kwam mijn Moeder bij mijn bed. Ik nam haar hand en kuste die, zooals een
+geslagen hond naar zijn meester kruipt en diens hand likt. Ik kon geen
+scheiding tusschen haar en mij hebben. En zij liet haar hand nemen en
+die kussen. Heete tranen vulden mijn oogen en vloeiden over mijn wangen.
+Was ik toch maar niet zoo'n slecht kind geweest.
+
+Ze bukte zich over mij heen. Haar nabijheid was voor mij altijd rust en
+veiligheid en vrede. Maar nu bovenal. En ik sloeg mijn armen om haar
+hals. »Heb je er erge spijt van?"--O ja, en ik begon weer diep bedroefd
+te schreien. »Zal je 't nooit weer doen?"--Neen, zeker nooit weer, en
+mijn geschokt gemoed kwam tot kalmte. Dat stille schreien, tegen haar
+aan, 't was zoo'n verkwikking, bijna een zaligheid. Wat is het toch een
+wonder-gelukkig bezit voor een kind, een Moeder. Het is de oplossing van
+_al_ zijn ellende. En toen zei ze: »Zou je nog graag een uurtje naar
+Piet gaan?"
+
+Ik kon mijn ooren niet gelooven. Toch naar het partijtje? »Graag!" zei
+ik. En zij: »Kom dan maar." Aanstonds was ik uit bed, wiesch me, trok
+mijn Zondagsche kleeren aan, die Moeder inmiddels haalde, kreeg een
+schoon boordje om, kuste haar, een, twee, drie maal, en vloog het huis
+uit, de reeds donkere gracht op, naar den verbeurden en reeds gesloten
+kinderhemel, die nu weer voor me geopend werd.
+
+Van de feestpret wil ik hier niet vertellen, die is nu niet aan de
+orde, maar ik moet toch even een woord zeggen ter verdediging van--mijn
+Moeder, tegenover--de officieele paedagogiek. Die paedagogiek wou me
+later doen gelooven, dat een opvoeder konsekwent moet zijn. Hij mag niet
+gauw straffen, zoo dekreteerde ze, maar _als_ hij eenmaal straft, dan
+moet hij ook doorzetten; _als_ een kind eenmaal een uur nablijven moet,
+dan _moet_ het ook een uurtje nablijven. Want anders, zoo gaf ze reden
+van haar dekreet, werkt de straf als een ijdele bedreiging en stoort het
+kind zich in 't vervolg er niet meer aan. Zoo heeft de Paedagogiek mij
+steeds geleerd. En ook nu weer hoor en zie ik haar met ernstige stem en
+verontwaardigd gebaar de handelwijze mijner Moeder afkeuren. Maar wil
+ik Haar--ik bedoel de Paedagogiek, de Alwijze--nu eens iets zeggen?
+Mijn eigen ervaring slaat dit voorschrift vlak in 't aangezicht. Met
+haar generaliseeren bederft ze al haar wijsheid. Mijn Moeder was _niet_
+konsekwent, in een buitengewoon ernstig geval had ze een zeer lichte
+straf opgelegd, en van die straf onthief ze ons voor een groot, voor het
+grootste deel. En dat deed ze uit pure zwakheid, omdat ze 't niet hebben
+kon, dat haar ondeugende jongen verstoken bleef van een in zijn oogen
+zeer groot genot. Ze kon niet konsekwent zijn. En ze liet uit enkel
+weekhartigheid, genade voor recht gelden. En wat was het gevolg? Dat
+ik nog nu in gedachten de hand kus, die mij vrijwillig uit mijn banden
+losmaakte. Dat ik reeds toen en mijn heele leven lang voor niets zoo
+bang was, als om Moeder verdriet te doen--al deed ik het natuurlijk ook
+vaak. Dat ik voor Moeder later alles over had en haar als een heilige
+mee door 't leven droeg. Dat was het gevolg van haar inkonsekwenties.
+
+Maar de Paedagogiek vergeet ook altijd één ding. Ze vergeet de
+Stille Kracht. Den wonderbaren invloed van de persoonlijkheid, de
+overweldigende macht des Harten. De Paedagogiek werkt met maatregelen.
+Ze geeft altijd antwoord op de vraag van wanhopige opvoeders: »Wat moet
+ik _doen_?" En ze moet antwoorden op de vraag: »Hoe moet ik _zijn_?"
+
+Doen? Doen? Geef een ongeschikte de voortreffelijkste middelen, en hij
+bereikt er averechtsche gevolgen mee. Hij maait geen graan met zijn
+zeisen, hij maait er zijn bloemhof mee kaal.
+
+Wéés iets. En van uw Zijn gaat opvoeding uit. Dan moogt ge zieken
+genezen op den Sabbath. Dan kúnt ge zieken genezen op den Sabbath. En
+dan stoort ge u niet aan de Farizeesche Schriftmatigheid.
+
+Ik was een kleine groote zondaar. Ik was gebroken door berouw. Maar ik
+werd opgericht--door Genade.
+
+
+
+
+TUSSCHEN SCHOOL EN HUIS.
+
+
+»De weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens
+vol verleidingen."
+
+Die verleidingen waren van een gansch andere soort dan die ons bekoorden
+als wij van huis naar school gingen. Op den heenweg naar het gehate
+gebouw lokte ons elke boom naar buiten. 't Was of iedere vogel ons riep:
+»Je gaat den verkeerden kant uit. Je moet niet naar dat muffe hok. Je
+moet naar de paden, naar de slooten, naar de velden. Je moet de ruimte
+in." Het was wel moeilijk, aan die roepstemmen geen gehoor te geven.
+En dat bleef zelfs een strijd voor me, toen ik al lang onderwijzer
+was. Naar school of daar buiten? O, dat buiten trok zoo. Het zoog je
+letterlijk den verkeerden kant op. En je moest je wel erg schrap zetten,
+om door die zuiging niet te worden meegevoerd. Ik kan me dan ook best
+een landlooper begrijpen. Een _land_looper, niet een straatslijper.
+Zoo eentje, die 't veld in trekt. En eigenlijk geloof ik, dat er een
+landlooper aan me verloren is gegaan. Daarom ben ik maar ambulante
+bovenmeester geworden. Dat leek er nog een beetje op. Niet waar?
+
+Maar 's middags op den terugweg naar huis, dan lokte ons geen boom,
+of 't moest zijn om er in te klimmen, dan riep ons geen vogel, of 't
+moest zijn om hem met steenen te smijten. 's Middags was er niets in
+ons van de natuurzieke zwervers. Alle gevoeligheid en groenliefde was
+dik geworden als stroop in den winter. Ze konden niet meer vloeien. Ze
+lagen als onbewegelijke massa's in ons gemoed. 's Middags, dan was de
+strijdlust in ons wakker. Dan was iedere jongen van een andere school
+een brutale uittarting, alleen reeds door zijn verschijning. Dan was
+iedere winkeluitstalling een booze geest, die helsche vernielplannen in
+ons wakker riep. Dan daagde iedere dienstmeid ons uit met emmers water,
+die zij 't hart had op haar eigen stoep te zetten, of met huistrapjes,
+waarop zij de vrijpostigheid nam naar boven te klimmen voor 't
+glazenlappen, of zelfs met boodschappenmandjes, die ze zoo schaamteloos
+met den elleboog vasthield of aan de hand liet neerhangen. Dan was
+iedere onbeheerde handwagen een voorwerp, om een eind meegesleept te
+worden, ieder appelvrouwtje bestemd om te worden bestolen--niet uit
+steelzucht, maar uit loutere baldadigheid--, dan was iedere belknop een
+magneet voor jongenshanden, verstijfd door 't samenvouwen op den rand
+der schoolbank, dan was iedere deur het opentrappen waard, vooral de
+winkeldeuren met een rinkelende bel; dan was iedere gebochelde, iedere
+kreupele een model voor klassikale nabootsing, dan was zelfs iedere
+politieagent een mikpunt voor stukjes stopverf of voor hatelijke
+schimpscheuten. 's Middags, dan was de duivel in ons wakker, dank zij
+vijf uren van onderwijs overeenkomstig den geest der wet, die sprak van
+»opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden".
+
+De heeren politici in vergaderzaal en krant hebben over die
+»christelijke en maatschappelijke deugden" heel wat geredeneerd.
+En de schoolmeesters in navolging van hen. Wat waren het toch, die
+»christelijke en maatschappelijke deugden", waarin bestond toch het
+verschil tusschen beide. Men dreef er den spot mee. Men speelde er een
+dialektisch spel mee. Men maakte er politieke kaatsballen van, zooals
+zelfs van nog veel heiliger dingen. En intusschen liet men de jeugd
+verdrogen, verschrompelen. Intusschen werden de kinderen vernield.
+Het ware te wenschen geweest, dat men van die »christelijke en
+maatschappelijke deugden" ernst had gemaakt, waarachtigen ernst.
+Mijnentwege hadden de onderwijzers het fijne onderscheid tusschen
+beide deugdrubrieken mogen voorbijzien, als ze die deugden maar hadden
+aangekweekt, door ze te beoefenen. Een beetje christelijkheid, ook in
+de christelijke school, zou voor ons zoo goed zijn geweest. Al was 't
+maar een klein beetje. De christelijkheid van »Laat de kinderen tot Mij
+komen En verhinder ze niet". Maar wij--werden verhinderd.
+
+ Zij hadden ons met _woorden_ wel gedreven,
+ Maar hebben ons verhinderd met hun _leven_.
+
+ * * * * *
+
+Vechten was onze hoofddeugd, op school met den meester en op straat met
+de heele geordende maatschappij. En dan in 't bizonder met de jongens
+van andere scholen. De Noordermarkt was ons slagveld.
+
+Eerst moet ik echter iets vertellen van een onzer acrobatenkunsten daar,
+een kunst, die ik maar zelden, of eigenlijk nooit meer in beoefening heb
+zien brengen. Op dit marktplein stonden paaltjes en wel twee soorten:
+steenen met koppen als halve bollen en houten met koppen als halve
+liggende cilinders. Nu was het de kunst, op zoo'n paaltje te klimmen,
+zonder door een kameraad te worden geholpen, daarna er op te staan,
+eindelijk van het eene op het andere te stappen, en ten slotte de heele
+rij af te loopen. Men moet daar niet min over denken. Het eischte met
+elkaar uren en uren van geduldig oefenen, en dat onder de bedreiging
+van altijd vijandige agenten of marktmenschen. »Wil je bliksemsgauw
+opdonderen", lag in ons gehoor bestorven. Maar wij »donderden op",
+net als de musschen voor een paard en rijtuig om dadelijk weer »neer
+te donderen" als de bedreiging voorbij was. En onder dat »op- en neer
+donderen" oefenden we ons, geduldig, taai, volhardend. Met twee handen
+hield je den kop van 't paaltje vast. Dan trok je je op, legde heel
+voorzichtig je rechterknie er op, dan je linker, beide knieën tusschen
+je handen. Nu de handen loslaten, den romp strekken, en zoo op je
+knieën liggen. Ik beloof je, dat het een toer was. Maar het ging. Zelfs
+maakten we in die houding allerlei grimassen, zwaaiden met de armen
+als vliegende vogels, wierpen de marktvrouwen kushandjes toe. Doch nu
+verder. Weer de rechterknie opgetrokken, op de linker gebalanceerd, den
+rechtervoet naast de rechterknie gezet--romp rechtop, even rusten--en
+het heele rechterbeen gestrekt, daarmee vanzelf het linkerbeen
+opgetrokken, en op het rechterbeen gestaan, rechtop terwijl het
+linkerbeen wat bewegingen maakte, om het lichaam in evenwicht te houden.
+
+Honderd- en duizendmaal zijn we er zeker afgevallen, afgegleden,
+afgesprongen, eer we eindelijk stonden, maar we hielden vol. Dát was
+gymnastiek, ja wat beter dan om de vijf minuten een zwaaitje aan de
+ringen. We zagen rood van inspanning, maar rustten niet eer het doel
+bereikt was. Nog voel ik in mijn armen en beenen _den wil om te winnen_,
+die toen aan 't werk was. Geen eerzucht, geen ijdelheid, al kwam er
+later natuurlijk wat pralerij bij, maar _zegezucht_. Geheel in ons
+eentje, ongezien, oefenden we ons op ieder paaltje, hoe lastiger hoe
+liever. En dat deden we niet om een bewust doel, als een soort plicht,
+maar omdat we 't niet laten konden. We verloren ons er in--zooals
+een dichter in zijn verzen, een schilder in zijn verven. Wij maakten
+ons jongenskunstwerk, met onvermoeibare zelfovergegevenheid. En zoo
+presteerden we ten slotte het onmogelijke: we liepen over de koppen van
+paaltjes, ongeveer een kleinen meter van den grond, en bijna een meter
+van elkaar. En daar liepen we met een zekerheid en een gratie--want in
+zulke kunsten zit een natuurlijke gratie, anders zijn ze onmogelijk--die
+in ons de lenigheid en de schoonheid ontwikkelden, de zelfbesturing en
+het zelfvertrouwen, _maar die door de volwassenen niet begrepen werden_.
+
+De houten paaltjes met rolronde koppen waren de moeilijkste. De
+bolronde van de steenen hadden aan alle zijden een aanpakvlak voor den
+naderenden voet, maar die andere--men stelt het zich toch, hoop ik,
+wel voor?--konden maar van één zijde benaderd worden. 't Was dan ook
+de hoogste triomf, als je over de houten voortstapte, en dat werd nog
+mooier als er tusschen die paaltjes ijzeren stangen liepen of ijzeren
+kettingen hingen, kettingen met ijzeren punten. Dan liep je ieder
+oogenblik gevaar, een breuk te vallen of je op andere wijze aan dat
+ijzer te kneuzen. Maar dat maakte het genot nog grooter.
+
+Denkt de verbiedzieke volwassene er wel eens aan, dat iedere nieuwe
+belemmering nieuwe aanvalsdriften oproept?
+
+ * * * * *
+
+Welken medescholier herinner ik me nog met naam en toenaam?
+
+Het is Hendrik Busman.
+
+En waarom is hij het? Omdat hij zoo goed leeren kon?
+
+Maar denkt iemand nu heusch, dat we ons dáárom bekommerden?
+
+Hendrik Busman werd vereeuwigd om dezelfde reden als De Ruyter, Tromp,
+Piet Hein. Omdat hij zoo goed vechten kon.
+
+Ik zie hem nog staan, boven op een hooiwagen. 't Was op dezelfde
+Noordermarkt. Daar leverden we onze veldslagen, gelijk de mogendheden
+eertijds in de Zuidelijke Nederlanden.
+
+Hendrik Busman stond op een hooiwagen, boven op de lading hooi. We
+bleven beneden op de straat en wierpen hem steenen toe. Dat waren de
+projectielen, waarmede hij, van zijn hoog standpunt, den vijand
+bestookte. Die bleef op een eerbiedigen afstand.
+
+We droegen houten sabels, met punten er aan. Die staken we op zij, door
+een riem. Echte officieren. Soms maakten we een charge. Met getrokken
+sabel renden we dan op den vijand los. Die sloeg op de vlucht, niet
+bestand tegen ons élan. Enkele dapperen konden echter zoo'n schandelijke
+vlucht niet verdragen. Ze bleven staan, het zwaard in hun vuist.
+Blindweg sloegen ze in 't rond. Dan kwamen hun verjaagde makkers weer
+terug. De moed van enkelen--niet waar?--_de moed van enkelen_ is _de
+kracht van allen_. En als ze dan, in hun heldhaftigheid, van het verweer
+tot den aanval durfden overgaan, dan holden wij weer weg, tenminste de
+groote hoop van ons, dan keerden de kansen, totdat ook _onze_ helden hun
+leven waagden.
+
+Twee dingen weet ik van die vechtpartijen met volkomen zekerheid.
+
+Vooreerst, dat het vechten heilige ernst was en te gelijk de prachtigste
+komedie.
+
+Het was ernst. We voelden ons in oorlog. Den heelen dag spraken we er
+over. We wisten van den vijand alleen kwaad. Ze waren »schooiers" of
+»kalen", al naardat ze tot een armere of een rijkere school behoorden.
+We bluften op onze heldendaden, we smaalden op hun lafheid. En we
+dachten aan niets dan aan den krijg. Hoe de oorlog was aangekomen,
+wisten de meesten niet. Er ging alleen een gerucht rond van een of
+andere »gemeene streek" of verregaande aanmatiging. Dat was voor de
+massa genoeg. Die vroeg niet naar een casus belli. Het feit alleen, dat
+er oorlog was, joeg ze al te hoop. Ze vond het heerlijk, in groepen rond
+te zwerven, stokken of riemen te zwaaien, en den vijand na te rennen.
+
+En toch was het komedie. We pasten wel op, dat we geen jongen gevaarlijk
+raakten. Ja, met een stok of riem tegen de beenen, hoogstens tegen den
+romp slaan. Maar nooit tegen zijn hoofd. En ook nooit een trap tegen
+zijn buik of een stomp in zijn hartstreek. Wie zoo iets deed, stond
+eigenlijk bij ons in minachting, ook al behoorde hij tot de onzen. Er
+was een ongeschreven jongenswet, waarin onridderlijke daden verboden
+waren. Ik denk, dat we dit niet aan de school dankten, maar aan de
+grootmoedigheid van onze boekenhelden.
+
+Volwassenen maakten zich soms ernstig bezorgd over ons vechten. Totaal
+overbodig. Want het was bijna uitsluitend parade en bluf. Grootdoenerij.
+Een gelegenheid om te hollen, te schreeuwen, te zwaaien, te smijten. En
+de oorlog stierf zijn eigen dood. Ik weet van geen enkelen oorlog, die
+met een verklaring begon en met een vrede besloot. Hij ontstond en
+verdween, als de stormen in de atmosfeer.
+
+Maar dan was er nog een tweede ding, dat ik nu, uit de verte, heel
+duidelijk zie. Al waren er ook veertig, vijftig, en meer jongens bij
+betrokken, eigenlijk draaide de heele beweging om een paar. Als zij
+voorgingen, volgden de anderen. Als zij verslapten, dropen allen af.
+Niet alleen onder de schapen heb je de belhamels. Die schijn je bij alle
+»gezellig levende dieren" te hebben. En de mensch is zoo'n gezellig
+levend dier. Let op de belhamels. In hen heb je de kudde!
+
+ * * * * *
+
+Erger dan het vechten was onze baldadigheid. Eén voorval herinner ik me
+nog heel levendig.
+
+Misschien weten de meeste volwassenen niet eens, dat je in de raamposten
+gaatjes hebt--of hadt--aan elken kant een. Die dienden, geloof ik--we
+kregen toen nog geen zaakonderwijs--om er pennen door te steken, die 's
+nachts de buitenblinden moesten vasthouden.
+
+Nu was er in de Westerstraat een porcelein- en glaswinkel, waar we zulke
+gaatjes ontdekt hadden. Als je door het gaatje een dun stokje stak,
+kwam dit aan de binnenzij te voorschijn en dan kon je er iets in de
+uitstalling mee omduwen, een glaasje, een kopje, een vaasje of een ander
+niet te zwaar voorwerp.
+
+Dat deden we. Heel onschuldig bewonderden we de uitgestalde waar, maar
+staken inmiddels de stokjes door de gaten en duwden. Tuimelde er een
+ding rinkelend om, dan holden we hard weg.
+
+Eens stonden we weer voor het raam, werkten met stokjes, en loerden
+onderdehand of de baas in de achterkamer bleef.
+
+Plotseling gaat de kamerdeur open, en zien we den man in zijn
+overhemdsmouwen driftig den winkel in vliegen.
+
+Wij op den loop. Een kerel in overhemdsmouwen en blootshoofds, die
+je zoo maar op straat naholt, dat is voor jongens nog erger dan een
+politieagent. Zoo'n kerel ontziet niets en kan hard loopen.
+
+Wij vlogen dan ook over den weg. Hier was het nu bijna letterlijk waar,
+dat de angst ons de voeten bevleugelde. Hij was ons natuurlijk vrij
+dicht op de hielen, een winkellengte, en we konden hem alleen door een
+razende vaart ontsnappen.
+
+Ha, dát was loopen. Als een hinde voor de honden. Zulke vergelijkingen
+begrepen we best, veel beter dan de meester. Wij hadden den angst _in_
+ons gehad.
+
+Daar bereikten we de eerste dwarsstraat. We vlogen den hoek om, en
+kwamen midden in een hoop blaffende en vechtende honden terecht. Die
+vergaten natuurlijk aanstonds hun geschillen, om op de hollende
+jongensbeenen af te stuiven. Maar die renden er, behalve één paar, allen
+tusschen door, de honden trappende, zoodat ze jankend wegstoven. Alle,
+behalve één paar. En die waren van mij.
+
+Ik was bang voor honden. En toen ik daar zoo plotseling door zes of
+zeven blaffende honden besprongen werd, stond ik dadelijk stil. Ik
+durfde niet door die woedende bekken heenbreken.
+
+Maar achter me kwam de kerel in zijn overhemdsmouwen en zijn bloote
+hoofd.
+
+Toen stond ik ineens voor de uitstalkast van een koek- en banketwinkel.
+Dat was tegenwoordigheid van geest. En ik bewonderde de uitstalling met
+zoo ongeveinsde belangstelling, dat ik den man aan het twijfelen bracht.
+
+Daar was een kunststuk van suikerbakkerij. Een tandarts had een boer een
+kies getrokken. Hij stond met de kies nog in de tang. Maar de boer hield
+beide handen aan 't pijnlijk vertrokken gezicht. En in witte
+suikerletters stond er bij te lezen:
+
+ _Je hebt de verkeerde getrokken.
+ Ik trek je ze allemaal voor hetzelfde geld._
+
+Het geheele kunstwerk was in een glazen kastje geborgen.
+
+Van dezen humor stond ik bevend te genieten, toen ik een stem achter me
+hoorde: »Jij was er ook bij, bliksemsche smeerlap!"
+
+»Waarbij, meneer?"
+
+»Ja, sta me nou maar niet te bedondere. Ik heb je heel goed gezien."
+
+»Ik weet nergens van, meneer!"
+
+»Heb jij niet met je vuile poote aan dat winkelraam gezete?"
+
+»Nee meneer, heusch, ik weet nergens van."
+
+Dat woord »heusch" was een woord, dat we alleen bij zulke gelegenheden
+gebruikten.
+
+De meneer in zijn hemdsmouwen scheen zich door mijn schijnheilig
+gezicht toch te laten »bedondere". Hij was niet zeker van zijn zaak.
+Grommend en scheldend trok hij af, terug naar zijn winkel.
+
+Toen liep ook ik verder. Neen, ik wandelde verder. Wat genoot ik van
+mijn triomf! De andere waren naar huis gehold, de dwarsstraat uit, den
+hoek om, en zoo verder. Ik wandelde op mijn dooie gemak, als een
+rentenier, als iemand, die zijn tijd aan zich heeft en zijn omgeving
+volkomen beheerscht.
+
+Daar kwam nog iets bij. De vent had zich nog eens kunnen bezinnen en me
+toch in mijn nek willen nemen. Daarom mocht hij geen oogenblik denken,
+dat ik haast had, om weg te komen. Zonder om te kijken slenterde ik de
+dwarsstraat door als een volmaakt onschuldige. Ik bleef in mijn rol.
+
+»Wie niet sterk is, moet slim zijn." Juist. Wie niet sterk is, _dient_
+slim te zijn. Of hij gaat ten onder.
+
+Wie niet sterk is, _is_ slim. Dat is zijn instinkt tot zelfbehoud.
+
+Ik was niet beredeneerd slim. Ik had dat mooie redmiddeltje niet
+uitgedacht. Ik was instinktmatig slim, zooals een drenkeling
+instinktmatig de armen uitslaat. De slimheid was er, ineens, onbedacht.
+Ze was mezelf een verrassing. De slimheid--ge moogt ook zeggen: de
+huichelarij--was door den nood voortgebracht. Ze was een noodprodukt,
+gelijk zekere vieze lucht bij den bunzing.
+
+Toen ik in onze straat en bij ons huis kwam, zaten de anderen reeds
+rustig op de stoep, zoo maar op de koude, hardsteenen stoep.
+
+Een luid gejuich ging op, toen ze me zagen. Geen oogenblik hadden ze
+gevreesd, dat ik »in die kerel z'n poote" was gekomen. (Jongens
+gebruiken bij voorkeur ruwe woorden en sterke uitdrukkingen, evenals
+het plebs, niet uit plebeïschen zin, maar, en alweer evenals het plebs,
+uit onrijpheid: Kleine kinderen maken vuile luiers). Ze waren dus geen
+zier ongerust omtrent mij. Ik zou me wel gered hebben op een of andere
+manier. Wij waren niet kleinzeerig of gauw bekommerd ten opzichte van
+elkaar.
+
+En toen begon het opsnijen. Ik hoor een der jongens nog vertellen, dat
+hij midden in dat hondengeraas op een grooten hond was gesprongen, dien
+bij zijn ooren had gepakt om hem te mennen, en zich zoo naar huis had
+laten rijden. En wij schenen dat te gelooven. Ik herinner me tenminste
+niet, dat het verhaal als onmogelijk verworpen werd. Het behoorde tot
+de heldenfeiten, die we verrichten of verzonnen, maar in ieder geval
+bewonderden.
+
+Mijn daad werd ook bewonderd. Ik had dien kerel mooi (tegenwoordig
+zeggen de jongens: fijn) te pakken gehad. En niet een van ons dacht aan
+de schade, die we den man berokkend hadden.
+
+Niet een begreep zijn woede over onze pure en brutale baldadigheid. We
+kwámen niet in zijn geval.
+
+»Hè, wat bliksemde dat glas lekker naar beneje! En wat holde die kerel
+met zijn bloote kop! Jammer dat die honden hem niet in zijn poote
+gebeten hebbe!"
+
+Dat was ons medelijden.
+
+ * * * * *
+
+Nog twee herinneringen zijn me bijgebleven aan de school op de
+Lindengracht. Ze staan beide in verband met het huis van den
+bovenmeester.
+
+Ik moet op een keer eens iets heel erg kwaads gedaan hebben. Wat, dat
+weet ik niet meer. Maar het nablijven in de gewone school was blijkbaar
+niet erg genoeg. Ik moest met meneer Kuyper mee, eenige portalen door,
+naar zijn woning, naast de school en daarmee verbonden.
+
+Wij gingen een trap op, ik voor, hij achter. Wat was dat indrukwekkend.
+'t Was er zoo stil. En dan alleen met den bovenmeester. In zijn eigen
+huis!
+
+Wij kwamen boven in een gang met witgestukadoorde muren. Er lag een
+looper.
+
+Toen moest ik daar in den hoek staan. Meneer Kuyper ging naar binnen, in
+een kamer.
+
+Ik stond er, doodstil.
+
+Wat was het hier rustig.
+
+Wat was het hier vredig.
+
+En zoo netjes.
+
+Er zweefde iets lieflijks in de atmosfeer.
+
+Ik voelde me heerlijk. Volmaakt gelukkig.
+
+En dat onder die allerstrengste straf.
+
+Maar het zou veranderen. Meneer Kuyper had een hondje. Ik hoorde het
+blaffen. Weg was mijn rust. Voor iederen hond was ik bang. Nu stond ik
+doodsangsten uit, dat het dier in de gang zou komen.
+
+Daar had je de ellende al. Een deur ging open. Blaffend kwam het
+keffertje er uit en rende natuurlijk aanstonds naar mijn beenen.
+
+Ik drong me, in angst, tegen den muur aan, en begon luid te schreeuwen.
+Ik wrong me buiten het bereik van het gebit. Maar dat tuig is altijd
+zoo, dat ze juist bange jongens het ergst aanblaffen. 't Is onedel
+gedierte, bijna zoo onedel als een straatjongen.
+
+Gelukkig klonk daar een lieve vrouwenstem. Die riep het hondje weg. Het
+was de nog jonge vrouw van den bovenmeester. Ze kwam in de gang. Ze zag
+mijn beschreide oogen, en zei enkele zachte woorden. Ze vroeg, of ik zoo
+erg ondeugend was geweest. Ik keek haar aan. Er was zeker iets smeekends
+in mijn blik. Ze legde haar hand op mijn hoofden streelde me. Toen ging
+ze even naar binnen, en bracht me een boterham.
+
+Lieve schoolmeesters in Nederland, die dit leest. En ook gij,
+huisvaders. Luistert nu eens goed. Ik weet absoluut niets meer van het
+kwaad, dat me deze buitengewone straf op den hals heeft gehaald. Ik weet
+niets meer van den geduchten uitbrander, dien ik zeker gekregen moet
+hebben. Van die geheele geschiedenis weet ik niets meer.
+
+Maar ik weet nog wel van die gang, en van dat hondje, en van die lieve
+vrouwenstem, en van die zachte vrouwenhand, en van die boterham.
+
+Ik voel nog de verademing, de ontroering, de dankbaarheid bij _haar_
+verschijning. Die stem, die hand, die boterham, dat was nu opvoeding,
+dat was christelijke opvoeding.
+
+Daar boven, in het hoekje tegen den muur, daar ben ik christelijk
+opgevoed. Zoo maar zonder catechismus. En in enkele oogenblikken.
+
+Toe, geloof me nu eens. We beseften ons eigen kwaad zoo weinig, dat we
+er in roemden. We gaven niets om straffen, en als ze wat bijzonder
+waren, hadden we zelfs gevoel voor het aantrekkelijke er in. Maar ons
+harde hart brak bij een zacht woord. En we voelden ons gezegend en
+geheiligd door een teere hand.
+
+ * * * * *
+
+We gaan nog eens naar het huis van den bovenmeester. Maar nu blijven we
+buiten staan.
+
+'t Is tusschen half negen en negen uur. De schooldeur is open. De
+kinderen komen de Lindegracht op. Maar allen kijken even naar de deur
+van het woonhuis. Daar is een briefje op aangebracht: »De zieke heeft
+een onrustigen nacht gehad. Toestand hetzelfde." Dan loopen ze zacht
+door en gaan stil naar binnen.
+
+Meneer Kuyper is ziek. 't Is ernstig, heel ernstig. Elken morgen wordt
+de toestand meegedeeld. Er mag niet gebeld worden.
+
+Er ligt een donkere schaduw over de school. We denken niet aan
+ondeugendheid. Met den meester hebben we een wapenstilstand gesloten.
+Dit briefje stemt ons tot gehoorzaamheid, hem tot redelijkheid. Hij is
+een poos geen barbaar.
+
+De zieke daarboven beheerscht de school. Alleen door zijn ziekte. Weet
+hij nog wel iets van wat er beneden gebeurt? Waarschijnlijk niet. Maar
+wij weten wel, wat daarboven gebeurt. Daar ligt hij ziek. Hij, die
+teere, bleeke figuur. Nu ligt hij te bed, nog bleeker dan ooit.
+
+We weten wel zooveel, dat zulke briefjes op de deur een veeg teeken
+zijn. Dat doet men alleen bij heel, heel erge zieken. We loopen zacht
+het huis voorbij. Er is geen geschreeuw op de gracht. Hij is ziek. Hij.
+
+De berichten op de deur worden steeds ernstiger. Eindelijk lezen we:
+»Hedennacht overleden." De gordijnen zijn gezakt. Er is geen school. We
+gaan naar huis. Niets, niets blij met de vakantie.
+
+Ik denk aan dien zachten man, biddende met zijn zachte stem. Ik hoor hem
+weer aan 't orgel.
+
+Ik denk aan zijn lieve vrouw. Die zal nu wel erg bedroefd zijn.
+
+Ik denk aan 't hondje.
+
+En nu, veertig jaren later, denk ik:
+
+Ik wou, dat die lieve vrouw nog leefde. En dat ze dan dit las. Dan
+zou ze hooren, wat ze zeker nooit geweten heeft, hoe dat ondeugende
+jongetje, daar boven in de gang--ze herinnert zich geen jongetje?--hoe
+dat jongetje haar en haar lieven man in gezegend aandenken heeft
+gehouden. Zijn leven lang.
+
+ * * *
+
+Toen meneer Kuyper de school aan de Lindegracht verlaten had, ging ook
+ik weg. Ik heb een flauw vermoeden, dat het om achterstallig schoolgeld
+was, maar zeker weet ik het niet.
+
+Maar ik was blij, dat ik wegging.
+
+
+
+
+IN HUIS.
+
+
+Wat weet ik nog van mijn huis? Ik ken er nog de heele geografie van,
+hoewel ik die nooit heb gememoriseerd. Hier is een stukje landkaart van
+den winkel.
+
+ ______
+ +-======-------======-------------------+
+ | ¯¯¯¯¯¯ |
+ +------- -----------------------+ |
+ +-----| toonbank | |
+ | | | |
+ |stoep| winkel | |
+ | | | |
+ | | deur | |
+ | +-======-----+------+-----------+-------+
+ | | |===== trap naar den|
+ | hardsteenen | bank |===== kelder onder|
+ | stoep | |===== den winkel |
+ +------------------+------+-------------------+
+
+Je ging met een stapje de blauwe hardsteenen stoep op. Rechts stond een
+groengeverfde houten bank. Die hadden toentertijd alle menschen terzij
+van hun huisdeur. De Potgieterkenners onder mijn lezers herinneren zich
+wel de prachtige strofe: »Oud Amsterdam was 't kijkje waard," waarin
+onze dichter verklapt: »Ter sluik werd op die bank gekust." Dat nu deden
+wij nog niet.
+
+De stoep was voor ons wat de plankjes of het plat bij een duiventil
+zijn. We streken er op neer, als we van onze verre vluchten vermoeid
+thuis kwamen, ze was het buitenstuk van ons heim. Eenmaal op de stoep,
+waren we op ons erf. We zaten er, bij mooi weer, uren achtereen, terwijl
+de volwassenen op de bank van de avondlucht genoten. Vader zijn pijp
+rookend, een Goudsch krommertje. En dan bikkelden we er met de meisjes
+mee of deden malkaar verhalen, als 't wat donker werd, hoe griezeliger,
+hoe liever. Of we van die koude zitplaats buikpijn konden krijgen, daar
+dachten we niet aan, en in ieder geval bekommerden we er ons niet om,
+evenmin of de verbeelding verontrust of de slaap verstoord werd door die
+geschiedenissen.
+
+Een van mijn vriendjes, Jan S., hoorde thuis prachtige vertellingen.
+Zijn vader las Zondagsavonds voor uit een boek: »Christemeijer. Verhalen
+uit de lijfstraffelijke regtspleging." Hoe is het mogelijk, dat ik dien
+titel nog weet, met die onkinderlijke woorden van »lijfstraffelijke
+regtspleging." Dat komt doordat ik soms bij dat voorlezen tegenwoordig
+mocht wezen, dan naar dat boek zat te kijken en ook het titelblad heb
+mogen zien. Wat een kind toch al leeren kan, als men hem het zien niet
+verbiedt!
+
+Die verhalen waren echter voor ons te ingewikkeld. Wij vertelden elkaar
+van »Het huis met de hoofden." Dat stond op de Keizersgracht, een groot
+heerenhuis met zeven manskoppen in den voorgevel. Eens was de familie
+van dat huis uit en een meid alleen thuis. Die hoorde 's avonds laat
+gerucht bij een klein venstertje in de onderverdieping. Zij ging er
+heen, begreep al gauw dat daar roovers waren, en kreeg geen flauwte, of
+vluchtte niet in een kast, maar zette zich, gewapend met een vlijmscherp
+broodmes, op post aan de binnenzij van 't kleine raampje. Daar kroop een
+kerel naar binnen. Zijn ruige kop was zichtbaar, gemeene kop, met ruwen
+baard. Hij werkte er zich doorheen. Maar nu helpt zij hem een handje,
+snijdt hem in één haal den kop af--we hoorden dien vallen--en trekt dan
+den kerel naar binnen. »Kom maar," riep ze daarna met een gedempte
+mannenstem. Nummer twee kwam, doch werd net ontvangen als nummer een. En
+dat welkom werd het deel van alle zeven. Toen meneer en mevrouw thuis
+kwamen, kon de meid hun toonen, hoe wakker ze meneers bezittingen
+verdedigd had. Te harer eere werden er nu zeven koppen in den gevel
+aangebracht, en dikwijls maakten wij, jongens, een tocht naar dat huis,
+om de gemeene tronies aan te kijken, maar vooral om te tellen, of er wel
+echt zeven waren.
+
+De paedagogiek kan uit deze eigenaardige bedevaarten leeren, welke
+beteekenis het _woord_ heeft voor de zaakkennis, het belangstelling en
+onderzoekingslust wekkende woord. Maar dat woord moet dan interessant
+zijn, inslaan in de kinderziel, als het verhaal van »Het huis met de
+zeven hoofden".
+
+Een andere vertelling was van een kind, dat zijn beentje was afgezet,
+zonder dat beentje gestorven en begraven was, en nu elken nacht
+rondspookte, om zijn beentje te zoeken. Met een donkere grafstem liet
+de verteller het dwalende kind roepen: »Mijn beentje, mijn beentje!
+Wie heeft er mijn beentje?" Ademloos zaten we te luisteren naar den
+grafgewelfgalm in de klanken van dat _beentje_, de donkere _ee_, gevolgd
+door den galmend rekkenden neusklank. Beproef het eens, zeg het eens
+overluid met een zoekende, donkere, dreigende stem, en ge zult de
+werking van die beenderklanken hooren: »Wie h_ee_ft er mijn _beentje_?"
+De _ee_ van _heeft_ werkt eerbiedig mee, stille bijtoon bij de donkere
+grafgalmen. En als dan de verteller ons geheel in de stemming had
+gebracht, wij het spokende kind zagen en de smartelijke stem hoorden,
+dan sprong hij ineens op, greep een der toehoorders bij de schouders,
+en riep met woedend uitvallende stem: »Jij hebt mijn beentje!"
+
+We wisten vooruit, dat dit komen moest, alleen wisten we niet wien het
+treffen zou, maar telken keer als het verhaal dien plotselingen keer
+nam, sprongen we verschrikt op, sidderend van ontsteltenis. Hè, dat was
+heerlijk geweest, zoo griezelig heerlijk.
+
+Weer een ander verhaal was van den jongen edelman, die zijn vader
+vermoord had, om de vrije beschikking te kunnen krijgen over diens
+rijkdommen. Eenzaam zat de ontaarde zoon in zijn kasteel. Maar te midden
+van al zijn schatten voelde hij zich niet rustig. 't Was herfst. Buiten
+gierde de wind door 't gebladerte. En binnen was hij, luisterend naar
+alle gillen en loeien van den wind om 't hooge huis. Hoor, daar treft
+een vreemd geluid zijn oor. 't Is of er iemand de steenen trap oploopt.
+»Slof, slof, slof, slof!" Zoo sleepte zijn oude vader zich altijd naar
+boven. De zoon beeft van angst en onrust. Maar hij vermant zich, en gaat
+kijken. Daar ziet hij, langzaam de trap opzuchtend, een witte gestalte,
+in wijden mantel, en met langen, grijzen baard. Het is zijn vader.
+Ontzet snelt de vadermoordenaar naar binnen, werpt de deur in 't slot,
+en verbergt zich daarachter met zijn schuldig hart. Maar deuren en
+sloten mochten niet baten. Elken avond, op een vast uur, hoort hij dat
+zachte, maar doordringende: »Slof, slof, slof, slof." Hij stopt zijn
+ooren toe, maar 't helpt niet. Dikke gordijnen hangt hij voor de deur,
+maar ze konden het geluid niet smoren. Klokke tien kondigde het
+eentonige, zuchtende gesleep op de trap het bezoek van den vermoorde
+aan, avond aan avond, totdat eindelijk de zoon krankzinnig werd van
+angst en niemand het groote kasteel meer durfde naderen.
+
+Die uurtjes van vertellen waren zalig. De volwassenen zaten op de bank
+of op wat stoelen, die men er bij gezet had. Wij schoolden, terzij van
+'t huis, op de stoep samen, kropen dicht bijeen, en huiverden van genot.
+»Wat zijn de jongens stil," zei Moeder dan, gewoon aan ons altijddurend
+hollen en schreeuwen en stoeien. Geen wonder. Wie zou een kik gegeven of
+beweging gemaakt hebben, bij het somber rondgaande: »Wie heeft er mijn
+beentje," of het huiveringwekkende: »Slof, slof!" Die vertellingen met
+zoo'n telkens weer opdoemende vraag of herhaald geluid waren ons nog het
+liefste, want dan hoorde je het spookachtige telkens dichterbij komen.
+Je hart kromp er bij ineen. Dát was genieten. En dan ging je straks stil
+in huis en naar bed.
+
+ * * * * *
+
+Van de stoep kwam je in den winkel. Wat beteekende die winkel voor ons,
+kinderen? Een last en een lust.
+
+De last was het boodschappen-loopen. Pas was je uit school, of je
+hoorde: »Loop eens gauw naar die of die en breng daar de koffie." Die
+of die woonde natuurlijk niet in de buurt, anders was de boodschap
+niet noodig geweest. En dan moest je, in plaats van lekker op straat
+te spelen, een half uur ver, met moede beenen slenteren door vervelende
+straten of langs lange grachten. Die beenen zouden niets moe zijn
+geweest, als ze hadden mogen hollen bij het krijgertje-spelen. En hier
+moet de paedalogie bij haar vermoeidheidsproeven eens goed nota van
+nemen. Ik bedoel, of de vermoeidheid dikwijls niet meer in de gedrukte
+gemoedsstemming zit, dan in het werk; of tegenzin en teleurstelling niet
+meer verlammen dan physieke en geestelijke inspanning, al hebben
+deze--natuurlijk!--haar grenzen.
+
+Vooral de Zaterdagnamiddag was voor mijn twee jaar ouderen broer en mij
+een ellende. Dan moesten we geregeld »klantenloopen". Met zware manden
+sjokten we dan eerst het eene eind van de stad in, en dan het andere.
+
+Gelukkig hadden we onze bepaalde menschen, waar je altijd een paar
+centen kreeg. Dat waren dan meestal goedige dienstboden, en dat kan ik
+nu, uit de verte, best begrijpen: die wisten bij ervaring, hoe aangenaam
+zoo'n kleine verrassing is. Men ijvert vaak tegen de fooien. Zeker, er
+zit een kwaad aan vast. Maar toch ook, zoo'n enorme massa levensgeluk
+wordt in die kleine schenkingen dagelijks onder de menschen verspreid.
+Ik geef ze graag, omdat ik ze altijd zoo graag ontvangen heb. Een paar
+centen, en een lange, zware terugweg werd verkort en verlicht. En dat
+zou nooit bereikt zijn door een vast loon, al wil de redeneerzieke
+mechanicus dit ook beweren. Een gulden meer weekloon is _niet_
+hetzelfde als een gulden fooien. Zoo iets meent en verdedigt alleen
+de kortzichtige in-mekaar-zetter van 't leven. Die verhooging van
+weekloon wordt al gauw een stuk gewoonte, niet meer gevoeld, niet
+meer gewaardeerd; niet meer een levensvreugde. En die langzaam bijeen
+gekregen fooien, opklimmend tot bij, tot aan den gulden, maken de heele
+week goed, dag aan dag, geven telkens een geluksemotie.
+
+Nu moet men niet zeggen: O, die kapitalistische Jan Ligthart is tegen
+loonsverhooging en wil den minderen man liefst met fooien afschepen,
+met gunsten, in plaats van met rechten, zoo houdt hij ze meteen in
+vriendelijke onderdanigheid, want dan heeft men de strekking der
+opmerking niet begrepen. Ik wil alleen, bij de steeds toenemende
+vermechanieking van het leven, er op wijzen, dat er ruimte moet blijven
+voor spontane uitingen en er aan herinneren, dat een mensch altijd een
+kind blijft, gevoeliger voor kleine verrassingen, dan voor groote
+geregeldheden. Wij waren gelukkig met een paar centen, en ik zal al heel
+blij zijn, als dit mijn kindergeluk dezen of genen lezer of lezeres
+bewegen mocht, den jongen van den kleermaker of uit den mantelwinkel,
+die een half uur ver met die zware doos aan zijn arm heeft gesjouwd,
+niet te laten afdruipen zonder hem eerst vijf centen in de hand te
+hebben geduwd. Ik verzeker u plechtig, dat hij geen principieele
+bezwaren zal maken. En men zal eens zien, wat zoo'n stuiver een invloed
+heeft, niet alleen op zijn beleefdheid, maar ook op zijn beenen.
+Vermoeidheid en--gemoedsstemming.
+
+Een der klanten was een oude nicht. Ze woonde--wat weet ik dat nog
+goed--binnenshuis (we zeggen tegenwoordig »en pension") op den
+Haarlemmerdijk. Ik zie den weg nog, dien we volgden, en op dien weg
+een heel gemeenen streek, dien ik uithaalde. Nicht was een oude,
+vriendelijke vrouw. Als we de boodschappen brachten, mochten we altijd
+boven komen, op haar keurig nette kamer. Bij de boodschappen was ook
+geregeld een half pond Janhagel, dat we eerst haalden bij Hagtingius,
+den koekbakker, die in een mooi hoekhuis recht tegenover ons woonde, de
+brug over. Die naam Hagtingius--ik durf er op zweren--is goed gespeld,
+en kwam toch in geen enkel taalboekje voor. Ik zag hem dagelijks, en,
+zooals kinderen doen als 't hun niet verboden wordt, ik keek er naar
+en las hem meermalen hardop. Kinderen prenten zichzelf zoo onnoemelijk
+veel in--als 't hun niet verboden wordt. Een wandelend jongetje, dat
+op straat bij ieder stuk »taalwerk" staan blijft, om het opmerkzaam te
+lezen, wordt echter gewoonlijk door zijn moeder meegesleurd. Moeders
+hebben geen aasje idee, hoe ze daarbij hun kinderen het groeien
+belemmeren. Zelfs schoolmeesters weten dat menigmaal niet.
+
+Maar wat heeft Hagtingius met mijn oude nicht te maken? Hij deed de
+lange reepen Janhagel in een witpapieren zak en die goeie nicht haalde
+de heele stukken daar uit en gaf ons de brokken. Dat wisten we, het
+gebeurde week aan week. En wat deden we nu? Onderweg hielden we den
+zak onder den arm en drukten er telkens tegen. Als we dan iets voelden
+knappen, hadden we ons stukkendeel vermeerderd. En begrijp nu wel,
+hoe listig, hoe huichelachtig ik daarbij te werk ging. Rondweg, door
+snoepen, ons verrijken, deden we niet. Dat was »stelen". Den zak
+openmaken, om een paar reepen door te breken, deden we ook niet, want
+je kon zoo'n zak nooit weer zoo netjes in de plooien toevouwen als de
+winkelier. Maar, moedwillig per ongeluk, den koek onder den arm kneuzen,
+dat deed ik wel. Zoo kon ik mijn deel vergrooten, en mijn geweten in
+rust houden. Heeft Jeremia niet geschreven: »Arglistig is het hart, meer
+dan eenig ding; doodelijk is het. Wie zal het kennen?" Ons onschuldig
+kinderhartje muntte ook al uit in arglistigheid. En als we dan bij
+nicht waren, en ze legde zoo netjes de reepen in haar verlakte
+koektrommeltjes, en ze gaf ons met een vriendelijk gezicht en een zachte
+hand al die brokken, dan stonden we daar met een schijnheilig gezicht
+bij, namen als zoete jongetjes--het petje in de linkerhand--de brokken
+met de rechterhand aan, want je moest altijd iets met de rechterhand
+aannemen, dat was netjes, ook de door bedrog verkregen dingen, en,
+kleine, gemeene huichelaars als we waren, groetten nicht heel beleefd,
+want ook dat hoorde zoo, en gingen met ons listig gestolen goed de
+straat op, om daar er van te genieten. Gestolen? Nicht had het ons toch
+eerlijk gegeven? »Arglistig is het hart, meer dan eenig ding."
+
+En nu knoopt zich aan deze afzetterij nog een ervaring vast. Nicht had
+een meid-huishoudster, die ons altijd met een heel zoetsappig gezicht
+begroette. De vriendelijkheid kwijlde haar haast uit den mond, als ze
+ons de deur opende met haar temerig: »Dag jongeheeren! Zal uwe goed uw
+voetjes vegen!" Als neefjes van haar »commesales" behandelde ze ons met
+voorzichtigen eerbied. Maar eens hoorden we haar, over ons sprekend,
+zich gansch anders uiten. »Daar komme die jongens weer met d'r vuile
+poote je trap bederve. Nou hei je ze pas schoon." Toen had ze voor goed
+bij ons gedaan, dat gemeene wijf, dat zoo vriendelijk was in je gezicht
+en achter je rug op zoo'n manier over je sprak. We konden haar niet meer
+luchten of zien, hadden een hartgrondigen afkeer van haar gemeene
+huichelarij.
+
+Wonderlijk toch. Háár huichelarij konden we niet vergeven, en de onze,
+ofschoon er eigenlijk nog afzetterij mee gepaard ging, bezwaarde ons
+niemendal.
+
+Zouden we, nu als volwassenen, nog net zoo zijn? Zou er ook nu nog een
+hemelsbreed verschil zijn tusschen het kwaad van buurman en het onze?
+
+Om de waarheid te zeggen, ik geloof, dat we ook hierin kinderen blijven.
+Sommigen schijnen te meenen, dat een kind in menig opzicht een gansch
+ander wezen is dan de volwassenen. Ik heb altijd gedacht, dat de
+volwassenen precies nog kinderen zijn, uitgegroeide kinderen. In mezelf
+vind ik nog in alle opzichten het kind terug. En pas dus maar goed met
+me op, want je ziet, met mijn schijnheilig gezicht ben ik een gemeene
+huichelaar, terwijl ik me nog bovendien erger aan _uw_ huichelarij en
+daar mijn veroordeelend vonnis over strijk.
+
+We zijn als de jongen, wiens duiven door de kat werden opgegeten.
+Die kat is een gemeen roofdier, maar wij, die kippetjes slachten en
+konijntjes braden, wij zijn brave wezens. Terwijl we de malsche boutjes
+smakelijk verorberen, zitten we die kat te verwenschen en smeden
+moordplannen op haar leven. Zien niet, dat, als zij zondigt, wij het
+nog in veel erger mate doen. De oude geschiedenis van den splinter en
+den balk. Daarom lijkt het mij zoo goed, bij ieder concreet geval, het
+kind aan zichzelf te ontdekken. Niet in algemeene preekjes, maar in
+persoonlijke ervaringen leeren we onszelf kennen, als wijze liefde ons
+maar de oogen opent. Maar het is veel gemakkelijker--te genieten met de
+oogen dicht.
+
+ * * * * *
+
+De lusten van den winkel--het is droevig, dit opnieuw te moeten
+belijden--bestonden in het snoepen, dus in het bestelen mijner ouders.
+Achter de toonbank ging men langs een trapje van drie treden omhoog
+naar de huiskamer. Op mijn »kaart" is het trapje door een paar lijnen
+aangegeven. De huiskamer had geen anderen uitgang, en we konden dus
+nooit naar buiten, of 't ging het trapje af, achter de toonbank om, den
+winkel door. Bij dien tocht liepen we door een wereld van verleidingen:
+de krenten, de rozijnen, de vijgen, de broodsuiker, de witte en de
+bruine kandijklontjes, zij lagen in open bakken, lokkend de koopers van
+buiten en de snoepers van binnen. Onder de toonbank stonden de vaten met
+stroop en appelgelei, ook lokkend, zij het onzichtbaar, lokkend door een
+geweten tegenwoordigheid. En nu ging ik maar zelden den winkel door,
+zonder in de gauwigheid wat te snoepen: een greep uit den krentenbak,
+een lik uit de stroopton. Alleen het oog der volwassenen, dat door de
+neteldoeksche gordijnen van de glazen kamerdeur ons kon bespieden, of de
+aanwezigheid van den winkelknecht weerhield er ons van. Maar anders--ik
+beloof u, dat ik weet wat snoepen is. Het was voor mij niet een zonde
+van nu en dan, het was een dagelijksch bedrijf.
+
+En nu komt weer het wonderlijke. In de Eglantiersdwarsstraat, geen
+twintig huizen van ons af en schuin tegenover ons, werd een nieuwe
+kruidenierswinkel geopend, een konkurrent. En hij schaamde zich zijn
+doel niet: met mooie, groote letters stond er op geschilderd: =DE
+CONCURRENT=. Dat vonden we allemaal gemeen. Dat die man zijn brood moest
+verdienen, spreekt vanzelf, maar dat hij zoo openlijk voor zijn doel
+uitkwam, om je te verdringen, en daartoe vlak in je nabijheid kwam
+zitten, dat was een laagheid. En we haatten dien man. Wanneer ik in de
+straat speelde, of naar school ging, was die winkel mij een voortdurende
+haatprikkel, en te meer, omdat hij er zoo mooi uitzag, alles zoo nieuw
+en frisch en goed in de verf, en de waren met groote cijfers alle iets
+lager geprijsd dan bij ons.
+
+De gevolgen bleven niet uit. De eene klant na de andere verliet ons,
+natuurlijk niet de »uitbrengklanten", maar de »winkelklanten", de
+burger- en arbeidersvrouwtjes uit de buurt. Ze konden 't daar goedkooper
+krijgen. En alleen de enkele goede vrienden en buren bleven, en dan zij,
+die in 't krijt stonden en dus maar niet dadelijk weg durfden gaan.
+Toch, ook die verlieten ons, en wellicht juist door hun achterstand.
+Ze konden hun schuld toch niet betalen, en dropen nu langzaam af. Dan
+hadden ze meteen de zachte aanmaningen tot betalen niet meer aan te
+hooren.
+
+Mijn vader was een zachtaardig, eerlijk man, totaal ongeschikt voor
+zaken. Hij geloofde iedereen en liet zich door iedereen bedriegen. Door
+de reizigers en leveranciers, die hem bedorven waar aansmeerden--ik weet
+nog van een heel vat gedroogde pruimen, waar de maden uitkropen--en
+door de klanten, die hem niet betaalden. Geen wonder dus dat de zaak,
+nu daar bovendien een bloedzuigende konkurrent haar dagelijks het
+levensvocht aftapte, spoedig verzwakte en verstierf. Alle pogingen,
+om met de uiterste vriendelijkheid en inschikkelijkheid de klanten te
+behouden, mochten niet baten. Eerst praatten de menschen met je mee,
+vonden het een schandaal dat zoo iets maar mocht, iemand zoo het brood
+uit den mond stelen. Dan lieten ze zich ontvallen, dat een beetje
+lager prijs in een huishouden toch maar goed te pas kwam. Eindelijk
+bleven ze weg, en je zag ze je deur voorbijgaan, naar den konkurrent.
+Zaterdagsavonds stond daar de winkel berstens vol. O, ik zag het, met
+het hart vol nijd en wee, en de oogen vol tranen. En 's avonds, in bed,
+bad ik met een heel warm hart Onzen lieven Heer, of Hij vader nu toch
+niet helpen kon.
+
+Maar hoe hielp _ik_? Door----te blijven snoepen.
+
+Is dat nu niet wonderlijk? Diep voelde ik met mijn vader mee. Vurig
+bad ik, dat Onze lieve Heer hem helpen mocht. En ik had zelf zoo braaf
+geholpen, met hem arm te snoepen en ging daar gewoon mee voort.
+
+Ik haatte den konkurrent, haatte de buurtmenschen die wegbleven, haatte
+al wie mijn vader benadeelden. Waarom haatte ik zijn jongsten zoon,
+waarom haatte ik mijzelf niet, die hem voortdurend met kleinigheden had
+bestolen?
+
+Praatte ik mijn misdrijf wellicht goed met een mooischijnende
+redeneering?
+
+O neen, 't was veel erger. Ik _voelde_ mijn misdrijf niet eens. Ik wist
+het, en ik zag het toch niet.
+
+Wanneer ik mijn broer zoo had zien snoepen, zou ik hem zeker een
+harteloos kind gevonden hebben. Je vader te benadeelen, die toch al zoo
+in nood zat! Neen, tot zulk een gemeenheid zou ik zeker nooit in staat
+zijn geweest!
+
+Maar nu ik het zelf deed? Nu zag ik de gemeenheid niet, ofschoon ik ze
+verstandelijk wist. Nu had ik ze niet eens te verontschuldigen, omdat ze
+niet als schuld in me _werkte_.
+
+Schuldbesef is niet genoeg. Er moet in 't menschen- en kinderhart
+schuld_onrust_ zijn, schuld_ellende_.
+
+Neen, de zedelijke opvoeding is zoo gemakkelijk niet. Men komt er niet
+met een preekje. Afkeer van het _kwaad_ is zoo moeilijk aan te brengen.
+We bepalen ons gewoonlijk tot afkeer van de nare _gevolgen_ van het
+kwaad. Als _die_ ons maar niet plaagden, zouden we met het kwaad nog wel
+vrede hebben. Het kwaad voldoet zoo aan al onze zinnelijke en zondige
+begeerten, het vleit ons, het streelt ons. Maar de eenige begeerte die
+ons verheffen kon, de begeerte naar heiligheid, die _is_ er niet. We
+verbeelden 't ons wel, maar 't is zelfbedrog. Arglistig is het hart.
+Daarom is de bede om een »nieuw hart" zielkundig zoo juist en zoo
+dringend noodig. Maar zal die bede waarachtig zijn, dan moet er al
+vernieuwing des harten werken. Het bidden zelf, dat wil zeggen: niet
+het prevelen, niet het uitgalmen, maar het hartgrondig en waarachtig
+begeeren is al een bewijs van het »nieuwe leven".
+
+Meermalen verwonderen we ons, hoe een dronkaard zijn gansche gezin
+ongelukkig kan maken door toe te geven aan zijn drankzucht. Die
+dronkaard zat ook in mij. Ik vertrouw, dat mijn lezers betere menschen
+zijn.
+
+ * * * * *
+
+Men heeft al begrepen, dat we den winkel moesten verlaten. Doch zoo ver
+zijn we thans nog niet. We moeten eerst het huis nog verder doorgaan, om
+er uit alle hoekjes de herinneringen op te roepen.
+
+De huiskamer heeft me niet veel te vertellen. Alleen dat ledikant daar.
+Daar lag mijn jongste zusje in, toen ze de pokken had. Twee kinderen
+van het gezin waren niet ingeënt, en juist die twee werden tijdens een
+pokken-epidemie door de ziekte aangetast. Wat dat beteekende voor een
+winkel--ach, wat wordt er in sommige gezinnen soms bitter geleden. Twee
+kinderen ziek, de winkel leeg, dagelijksche angsten, geen inkomsten. En
+dat weken achtereen. Is het wonder, dat een winkelier geneigd is, zulke
+ziekten te verzwijgen? Gelukkig kunnen zij zich thans verzekeren tegen
+de schadelijke gevolgen van besmettelijke ziekten.
+
+Het stond er met Zusje treurig voor. Wij mochten natuurlijk niet bij
+haar komen. Maar op zekeren dag werden we toch bij haar gebracht. De
+dokter had gezegd, dat ze 't niet meer op kon halen, de ziekte was te
+hevig. En toen werden we aan Moeders hand in de kamer geleid. Ik weet
+dat nog heel goed. 't Behangsel van het ledikant werd opengeslagen, en
+daar lag het kind: een gelaat, geheel bedekt met zweren en korsten, één
+en al rood van de zweren. Het vroeger fijne gezichtje was opgezet, de
+oogjes verdwenen er in, de oorknopjes waren niet meer zichtbaar. Ik
+ging naar 't bed, en gaf haar een hand. Even bleven we staan; Moeder
+schreide. Toen liet Moeder het behangsel weer vallen en gingen we heen.
+
+Ik herinner me absoluut geen vrees voor besmetting, ook geen vrees voor
+den dood. Alleen herinner ik me dat roode, vurige, opgezette hoofdje,
+liggende op het kussen, den blik der weggezonken oogjes, en het
+uitgestoken handje.
+
+Wonder boven wonder, Zusje genas. Wat moet er in het gezin toen een
+blijdschap geweest zijn. Eerst die zorg, die angst, die hopelooze
+smart--en nu die vreugde. Dat zijn toch dingen van beteekenis in een
+huisgezin. Maar zij schijnen grootendeels buiten mij omgegaan, eerst de
+angst, toen de blijdschap. Er staat me tenminste niets meer van voor.
+Zoo zeer leefde ik in mijn eigen leventje. En zou dat niet met de meeste
+kinderen zoo zijn? Ze voelen meer voor de droeve lotgevallen in de
+verhaaltjes, dan voor de smarten in hun naasten kring. Ik herinner me
+heel nauwkeurig het zieke kind in haar bedje, alles wat ik gezien heb.
+Waarom ook niet de gevoelens, die toen het gezin beheerschten? Die
+gevoelens lagen waarschijnlijk buiten mijn levenssfeer. En dat stemt
+geheel overeen met de ervaring, die ik telkens opdoe. Kinderen van acht
+en negen jaar komen mij als een interessant geval vertellen, dat hun
+vader gestorven is of hun broertje. Bizonderheden daarbij deelen ze mij
+mee als iets merkwaardigs. Ook met hun kameraadjes spreken ze er zoo
+over. Er is geen spoor van aandoening te ontdekken. En dat is niet juist
+bij »ruwe jongens", maar ook bij heel »lieve en gevoelige meisjes".
+Natuurlijk zou ik wel kans zien, ze gauw aan 't schreien te maken, maar
+dat is geen kunst. Een feit is echter, dat de aangrijpende, smartelijke
+en voor hen zelfs zeer noodlottige gebeurtenissen, door de kinderen--de
+uitzonderingen daargelaten--niet schijnen te worden gevoeld.
+
+Wel was ik er zeer gevoelig voor, wanneer later de jongens op straat
+Zus voor »mottige" uitscholden. Ik mocht, in een bui van drift, me
+dan zelf nu en dan die vrijheid veroorloven, van vreemde jongens duldde
+ik het niet. Onmiddellijk vloog ik er op af en roste er op. En heel
+eigenaardig, een verontwaardigde en moedige jongen is sterk, al is hij
+zwak. Zulke afrosserijen liepen nooit ongunstig voor me af. Dan was er
+iets in me van een leeuw, die zijn welpen verdedigt. Een drift, die geen
+gevaren telt, geen gevaren ziet, die voor niets terugdeinst en daardoor
+onoverwinnelijk is. Ha, ik zou ze kapot geslagen hebben. En omdat ze dat
+zagen, en omdat ze dat voelden, daarom deinsden _zij_ terug. Maar zulk
+een kracht ontwikkel je alleen, als je losbarst voor een edele zaak. En
+is er iets edeler, dan op te komen voor een »mottig" zusje? Zij kon het
+toch niet helpen, dat die ziekte haar zoo mismaakt had?
+
+Ik was niet de eenige jongen, die gevoeliger was voor een scheldwoord
+dan voor ziekte en dood. Het was regel, dat geen enkele jongen zijn
+vader of moeder liet uitschelden. Wie zich dat veroorloofde, kon op een
+onmiddellijk pak slaag rekenen. Schooiers van de straat--als hoedanig
+wij onszelf nooit beschouwden--scholden nog wel eens van: »Je ouwe
+vaar, die gezete het", of, nog erger, »die gehange het". Maar werd die
+smaad niet zonder omwegen met een afrossing betaald, dan bracht dat de
+gescholdene bij ons in minachting, die zulk een smaad op zich had laten
+zitten. »Van mijn mag je zeggen, wat je wilt, maar van mijn vader blijf
+je af," luidde het steeds. Is dit niet iets buitengewoon liefs en
+aantrekkelijks in de jongenswereld? Ik heb het altijd een heerlijk
+verschijnsel gevonden. Zelfs de grootste belhamel en de ongehoorzaamste
+zoon liet zijn vader niet beleedigen. Dit raakte zijn eer, zijn hoogste
+eer. En dan had je toentertijd nog onderwijzers--hoe is 't mogelijk--die
+zich niet ontzagen, een jongen te krenken in zijn ouders. Men heeft me
+wel eens verzekerd, dat zulke er nog zijn. Maar dàt is haast niet te
+gelooven.
+
+
+
+
+IN HUIS.
+
+(VERVOLG.)
+
+
+Op de kaart van den winkel ziet men nog een trap, ook achter de
+toonbank, maar heelemaal aan 't eind. Die trap liep naar beneden, en
+voerde met een tree of zeven naar de keuken, het tweede vertrek van de
+woning. Meer vertrekken waren er niet. Boven, in de huiskamer, sliepen
+onze ouders en de meisjes, beneden, in de keuken, onder de huiskamer,
+sliepen de jongens, vijf in getal, drie eigene en twee vreemde. Van dit
+vijftal was ik de jongste. Men begrijpt, dat ik daar in een goede
+leerschool was.
+
+'s Morgens, al tamelijk vroeg, moest de bende op. De oudsten gingen naar
+de Ambachtsschool, die om half acht of acht uur begon, en wel een half
+uur ver was. Dat was altijd een heel tumult. We wieschen ons allen boven
+den gootsteen, en daarbij moest de een op den ander wachten. 't Ontbrak
+dan niet aan aansporingen, om wat spoed te maken, aansporingen in de
+bekende ruwe jongenstaal, overgenomen van de volwassenen. Ik had de
+minste haast, bleef het langste in bed, en lag dat heele gescharrel aan
+te zien of speelde in mijn eentje scheepje. Het bed was het schip, de
+stoel er naast het bootje.
+
+'t Ging onder de jongens ruw genoeg toe. Zelden werd er een bij zijn
+gewonen naam aangesproken. Ieder had een karakteriseerenden bijnaam,
+een scheldnaam, die een zijner ondeugden of gebreken signaleerde, doch
+waarnaar hij niettemin gewoon luisterde. Dat hoorde je niet eens meer.
+De een heette, echt, Theodorus. Dat wil zeggen: Gave Gods. Maar, gesteld
+dat de anderen die beteekenis geweten hadden, wie hunner had in dezen
+kameraad een Gave Gods geëerd? De jongens zagen in hem heel wat anders
+en benoemden hem daarnaar. En dat vond hij tenslotte heel best.
+
+De naamgeving onder 't volk is zoo geheel anders dan die bij de
+geboorte-inschrijving. Bij deze laatste slepen we de reeds lang vergane
+eeuwen mee. Wie zou het nu in zijn hoofd halen, een kind met zoo'n ouden
+Griekschen naam als Theodorus te belasten. Maar zoo wil de gewoonte,
+de kultuur. De natuur doet echter anders. Reeds in de jonge moeder.
+Met allerlei naampjes streelt ze en vleit ze haar kleinen lieveling.
+Dag schat! Dag lieve pop! Dag hartje! Dag kleine bruinoog! Dag
+diefje-van-je-vaders-nachtrust! Dag lekker diertje! Zoo gaat het
+maar door, terwijl de deftige naam Theodorus weggesloten ligt op het
+geboortebriefje in Vaders kassette.
+
+En zoo werkt het ook in de jeugd. Ze vertolkt haar indrukken en
+stemmingen in de naamgeving. Ten onrechte noemt men dat schelden. Dat
+hierbij steeds roode haren en andere uiterlijke kenteekenen herdacht
+worden, spreekt vanzelf. Hoe zal men een rooie nu beter noemen dan
+rooie. Dat is zijn beste onderscheiding. De fout is, dat volwassenen de
+kinderen leeren, in roodheid of gebocheldheid of een andere afwijking
+iets zedelijk minderwaardigs te zien en hen voorgaan in geringschatting.
+Niet in het opmerken, benoemen en aanwenden der eigenaardigheid zit
+de fout. Integendeel, dat zijn drie deugden. Het opmerken toont
+onderscheidings-vermogen en belangstelling, het benoemen bewijst juist
+taalgevoel, en het aanwenden geeft blijk van praktischen zin. Maar de
+volwassenen gaan den kinderen voor in een valsche waardeering, in een
+liefdeloos oordeelen, in een hatelijk toerekenen. En is 't wonder, dat
+de kinderen dit voorbeeld volgen, en aldus een natuurlijk geestelijk
+proces bederven door een onzedelijk bijmengsel?
+
+Wie ziet, hoe gemakkelijk de jongens en ook de ruwere arbeiders zich
+wennen aan hun bijnamen, maakt daar niet veel drukte over. De wijze,
+waarop zoogenoemd beschaafde volwassenen in krant en vergadering malkaar
+uitmaken, is ja wat hatelijker.
+
+ * * * * *
+
+Het was een aardig gezicht, tusschen al die duwende en grauwende jongens
+mijn oudste zuster te zien doorscharrelen. Zij moest ook al vroeg op,
+meisje van 15 à 16 jaar. Dan ging ze naar beneden, om thee te zetten.
+
+Wat heb ik vaak, warm onder de wol, dat vriendelijk bedrijf rustig
+aangezien. Dan ging ze eerst naar den vuurhaard. Dat was een ijzeren
+pot op een »stookkacheltje". Het houten tafeltje, van een bizonder
+model, stond onder den schoorsteen, en droeg den vuurpot, een gewonen
+ijzeren pot op drie pootjes.
+
+De pot lag vrij vol met asch. Daaronder waren den vorigen avond een
+paar harde turven »ingerekend". Die hadden den heelen nacht zachtjes
+gesmeuld, en nu was het eerste werk om dat vuurtje »op te rakelen".
+Dan kwamen er een paar gloeiende kooltjes te voorschijn. Was het vuur
+te ver weg, dan werden er uit den doofpot, naast den haard, een paar
+»doove kolen" genomen, gedoofde doorgloeide turven, en daarmee het vuur
+opgehaald. En was de doofpot leeg, dan liep je even gauw naar den bakker
+aan den overkant, om een paar centen »doove kolen" te koopen, hij had
+ze in voorraad, of naar de water-en-vuurvrouw, om een cent of een halve
+cent vuur, in een verglaasd groen steenen testje. Honderden malen heb
+ik die boodschappen gedaan, want, na al het beleden en het nog te
+belijden kwaad, mag ik ook wel eens mijn deugd vertellen van heel groote
+bereidwilligheid. Nu ja, ik pruttelde wel, als ik zoo ineens uit mijn
+spel werd gehaald, maar nooit deed Moeder of Zuster een vergeefsch
+beroep op mijn hulp. Is het niet wonderlijk? Op school stond ik zeker
+bekend als een brutale schooier, en thuis--ik _kon_ mijn moeder of
+zuster niets weigeren, ook al wilde ik dit natuurlijk. »Jan, ga jij
+eens gauw naar...."--»Moet _ik_ nu al weer?"--»Toe, Moeder wacht er
+op."--En ik ging al. Ik weet zeer positief, dat ik heel gehoorzaam
+was, en het is me ook later vaak genoeg verzekerd. Ze konden alles
+van me gedaan krijgen. Een vriendelijke vraag--en ik moest het doen.
+Anders lag die vraag toch als een toenemende onrust, een aanzwellend
+verwijt, in mijn gemoed. Ik _moest_--niet door buitenafschen dwang,
+maar door innerlijken, onontkoombaren noodzaak. Mijn moeder en
+mijn zuster begrepen dit best en handelden er naar. Ze konden zoo
+onontvluchtbaar--vragen. Niets anders dan vragen. En die meester
+op school--hij kwéékte verzet--hij máákte ongehoorzaam.
+
+Hier moet ik eens even iets schattigs vertellen van een jong
+onderwijzeresje, die wat bij ons in de Tullinghstraat volontairde.
+Ze zou in de elfde klas eenige weken achtereen lesgeven. Daarin zaten
+lastige jongens van 11-13 jaar. Een der lastigste was Jan B. En toen
+zei dat onderwijzeresje, ze was zelf misschien pas 18, op een keer
+onder schooltijd tegen Jan: »Zeg Jan, je moet me een beetje helpen.
+Je moet niet vergeten, dat ik zelf ook nog maar jong ben. Ik moet het
+nog leeren." En dat zei ze zoo vertrouwelijk en vertrouwend, dat Jan
+een kleur kreeg en haar hielp, door op zichzelf te passen.
+
+Ik weet wel, dat dit weer precies het omgekeerde is van wat de
+paedagogiek noemt: »je gezag hooghouden". Maar zij _hield_ er haar gezag
+mee hoog. Dat was de ware hooghouderij. En Jan zat gevangen in zijn
+eigen grootmoedige bereidwilligheid.
+
+Anderen noemen dit slimme politiek. Maar wanneer ze het als zoodanig
+willen nadoen, mislukt het. Politiek slaagt niet in de opvoeding.
+Integendeel, ze wreekt zich.
+
+Het was zuivere harte-paedagogiek. Zichzelf gewaagd, om den jongen te
+winnen. Zichzelf gewaagd, niet in zwakheid, maar in kracht.
+
+Doch ik zou bij dat alles haast mijn zuster en de doove kolen vergeten?
+Toch niet. Ik had hier echter een kooltje onder de asch, dat ik eens
+even moest oprakelen. Misschien kon iemand er zich aan warmen.
+
+En nu weer naar den vuurhaard.
+
+ * * * * *
+
+Waren de kooltjes opgerakeld, dan werden er twee »talhouten" op gelegd,
+zoo, dat ze buiten den rand van den pot uitstaken, net twee houten
+breipennen, zooals meisjes die altijd, links en rechts, in de holten
+tusschen duim en wijsvinger laten liggen, en met een zwavelstokje werd
+er een vlam gemaakt. De zwavelstokjes kocht je in bundeltjes van een
+cent of een halve cent, en bewaarde je in een ophangdoosje tegen den
+muur naast den haard.
+
+Later leerden we, in onzen kweekelingentijd, van akkermaalshout, van het
+kappen daarvan om de zeven jaar, van het afschillen, 't voeren naar den
+runmolen en van de run naar de leerlooierij, en _ik heb nooit geweten,
+dat ik dit gekapte akkermaalshout reeds als kind zelf menigmaal op den
+aschpot had gelegd_. Dat hoefde je ook niet te weten, als je _je les
+maar kon opzeggen_. Voor die kennis kreeg je niets, maar voor die
+opzeggerij een 9 of een 10.
+
+Hoe ik dit dan later te weten ben gekomen? Door een boerenknecht. Die
+vertelde 't me. Die stomme boeren zijn vaak beter onderwijzers dan de
+geleerde schoolmeesters.
+
+Ook de zwavelstokjes hadden me iets kunnen vertellen. Zij hadden vroeger
+op het veld gestaan, toen ze nog deel uitmaakten van de hennepstengels.
+Wanneer van deze hoog uitgeschoten plantjes de zaadjes waren
+verwijderd--hennepzaad--en de bastvezels waren los geweekt voor de
+touwslagerij, gebruikte men den gedroogden houtachtigen stengel nog
+om er stokjes van te snijden of te hakken, holle stokjes van een of
+anderhalven decimeter lang. Die werden met beide punten in den gesmolten
+zwavel gedoopt en zoo kreeg je de zwavelstokjes. Mooi woord. Zoo
+eenvoudig. Zoo alleszeggend. En als je ze, zuinigheidshalve, langs de
+lengte in vieren knapte, hoorde je en voelde je tusschen je vingers
+zoo'n stokkerig geknap.
+
+»Een borreltje ineens, maar een zwavelstokje in vieren," zei de
+zuinigdoende drinkverkwisting. Mijn zuster nam een zwavelstokje, stak
+het aan in 't vuur, ik zag de blauwe vlammetjes, rook den zwavel. Een
+poos later vlamde het in later jaren zoo geleerde eikenhakhout en na een
+half uurtje kookte het water. De ketel hing aan een ijzeren ketting, die
+vastgemaakt was aan een dwarsliggende ijzeren stang in den schoorsteen.
+
+Nu werd de thee gezet, ook al zoo'n heerlijk ding om stil te liggen
+aankijken. Het kringelende water stroomde met een boog in den trekpot,
+damp vulde den keuken, damp en theegeuren, en na vijf minuten liep mijn
+zuster met kopjes thee rond, eerst naar boven voor vader en moeder, dan
+voor de jongens, en als ik heel zoet was, kreeg ik ook wat, met veel
+suiker en melk. Die lieve Christine. Zij droeg haar naam met eere. Zij
+was zoo'n echt christinnetje, want ze schold haar broertjes niet uit,
+maar gaf ze kopjes thee met veel suiker en melk. En nu is het wel waar,
+dat daar soms een klein beetje omkooperij bij was, maar dat kwam door
+den nood der omstandigheden en ons eigen booze, onwillige hartje. Bij
+háár was het zuivere neiging om ons wat zaligheid te brengen. Ze vond
+het zelf zoo heerlijk als ze ons goed kon doen. En zeg nu eens eerlijk,
+is dat niet het wezen van het christendom? »Alzoo lief...." we kennen
+toch dien wonderrijken tekst? Maar we vergeten, dat deze zelfde tekst,
+als we hem later uit het vragenboekje droog moeten memoriseeren, ons
+reeds lang bekend was, en net zoo dicht bij ons was geweest als de
+eikenhakhoutjes in den aschpot. Die tekst was ons al genaderd in de
+lieve zorg, in de koesterende liefde van dat zwoegende christinnetje.
+Wee, als het christendom niet gepredikt wordt door u en mij, in daden.
+Dan is het dood. En die daden behoeven niet de wereld te verbazen. Als
+ze de harten maar winnen. Ons Christientje was een zendelingetje, en
+haar preek was een kopje slappe thee met véél suiker en melk.
+
+ * * * * *
+
+Tot de keukenherinneringen behoort ook het naar bed gaan 's avonds.
+Moeder of Zus bracht ons naar bed. Bij het uitkleeden treuzelden we
+altijd. Maar er gingen klontjes of andere lekkernijen mee naar beneden.
+En dan was het: »Als je je nu gauw uitkleedt, krijg je een klontje."
+Dat zette er gang achter. En in een wip waren we uitgekleed.
+
+Dan knielden we bij den stoel neer en zeiden ons gebedje op:
+
+ 'k Leg mij om te slapen neder,
+ Goede God, die altijd waakt.
+ Wil mij door Uw gunst bewaren,
+ Als het kwade mij genaakt.
+
+ . . . . . . . . . . . . . . . . .
+ Dan leg ik mijn hoofdje neer.
+ Doe mij niet angstvallig vreezen,
+ Want Gij zijt mij heil, o Heer!
+
+ Neem mijn ouders en mijn vrinden
+ In bewaring dezen nacht,
+ Opdat morgen bij 't ontwaken
+ U de lof zij toegebracht.
+ Amen.
+
+Amen! We gaven Moeder of zus een nachtzoen, en sprongen in bed.
+
+De invloed van dat gebedje was heel kalmeerend. We zeiden het op met
+eerbiedige stem, en langzaam. Ik weet nog heel goed, dat ik minder aan
+de woorden dan aan den hoofdinhoud dacht. En dat blijkt ten overvloede
+uit de misvorming van het ons onbegrijpelijke woord »angstvallig",
+waarvan wij altijd maakten: als-val-ik. »Doe mij niet alsvalik vreezen."
+Maar deze bede tegen het alsvalik vreezen stemde ons misschien nog meer,
+en juist door dat plechtige, onverstaanbare woord. Hoofdzaak was, dat we
+ons nederlegden onder Gods afgebeden bescherming, en die hoofdzaak
+voelden we.
+
+Later kwam de kritiek. Waarom moest God mij bewaren tegen het kwade, dat
+mij genaakte? Was het dan niet beter, dat God, de Almachtige, dat kwade
+maar dadelijk vernietigde of het niet eens liet opkomen? En waarom
+moesten juist mijn ouders en mijn vrinden bewaard worden en niet die van
+een jongetje, dat niet geleerd had te bidden? En als nu mijn ouders of
+vrinden eens ziek werden of stierven, moest God dan geen lof worden
+toegebracht? En wat dan wel?
+
+Zooals ik zei, aan die kritiek dachten we niet, en het gebedje bracht
+ons in een rustige, vredige stemming. Daarom zegt menigeen: zoo'n
+gebedje hindert de kinderen niet, het doet hen goed, het kweekt in hen
+een eerbiedige, godsdienstige gezindheid aan, het schenkt hun rustig
+vertrouwen. Dit is alles waar. En toch ben ik tegen zulke gebedjes,
+tenzij ze onberispelijk zijn. Want ze blijven het kind bij, de vorm
+gaat met de jaren mee, en dan hinderen ze het kind wél. Dan gaat het
+kind vragen, kritiseert zijn biddende woorden, en verwerpt ze. Ik weet
+wel, je hebt kinderen en menschen, die nooit vragen, nooit kritiseeren,
+nooit verwerpen, die jaar in jaar uit dezelfde woorden prevelen,
+gedachteloos, alleen drijvend op wat klanken. Maar het is zeer de vraag,
+of zij, die nooit vragen, ook wel ooit aan God hebben gevraagd; of de
+nooit kritiseerenden wel ooit hun eigen zielloos formalisme gekritiseerd
+hebben; en of zij, die nooit verwierpen, wel ooit hebben aangenomen.
+
+Men zij voorzichtig met het formuleeren der godsdienstige waarheden in
+kindertaal. Iedere zielkundige onjuistheid kan zich later wreken. Veel
+beter acht ik het, het kind half begrepen of onbegrepen woorden te
+leeren waarvan de inhoud hem bij 't ouderworden steeds meer bewust wordt
+en wier rijke beteekenis hij met toenemende instemming zal beseffen
+als 't leven hem wijzer heeft gemaakt, dan hem nu met begrijpelijke
+onjuistheden te voeden. Moedermelk--de mooie vergelijking is van
+Paulus--moedermelk is _dezelfde_ spijs als volwassenen ontvangen, maar
+in anderen vorm. Men mag de kinderen geen godsdienstige of zedelijke
+waarheden inprenten, die ze later niet kunnen handhaven.
+
+Hoe, naar mijn meening, de groote waarheden in kindervorm tot het kind
+gebracht moet worden, kan ik illustreeren met een heel simpel versje uit
+»Ot en Sien".
+
+»Gij zult niet begeeren uws naasten huis, noch.... iets dat uws naasten
+is."
+
+Dit ethische voorschrift kennen we. Maar ons hart zit vol ongeoorloofd
+begeeren, en niet alleen naar 't geen onzes naasten is, maar ook in 't
+algemeen naar 't geen ons en anderen nadeelig is. Hoe moeten we ons
+wapenen tegen de telkens dreigende verzoeking? Vondel zegt het:
+
+ Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht;
+ Zy loert, zy loert, om in te vaeren.
+ Sluit d'oogen, vensters van het licht,
+ Indien ghy wilt uw hart bewaeren.
+
+Dit gevaar geldt voor klein als groot. En daarom moet ook de vijfjarige
+Ot op zijn hoede zijn, als hij met Sientje suiker gaat koopen voor
+Moeder. Die suiker is zoo lekker, zoo verleidelijk lekker. Dat weten een
+paar oudere vrindjes van Ot best, ze zijn ook jong geweest. En daarom
+waarschuwen ze nu. Als Ot met Sien op een stoep gaat zitten, om even in
+'t zakje te kijken, zeggen zij: Neen Otje,
+
+ $Ook niet kijken.$
+
+ Hij wil er maar even in kijken. Maar dan?
+ Als Ot dan zijn vingertjes deed in den zak?
+ En die dan weer gauw bij zijn tongetje stak?
+ O Otje, o Otje, wat kwam daar dan van?
+ Dan had Ot gesnoept van de suiker van Moe!
+ Neen ventje, laat jij dus het zakje maar toe.
+
+Vondel zou zeggen: »Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht." Wij zeggen:
+»Ook niet kijken. Laat het zakje maar dicht, mijn jongen!"
+
+ * * * * *
+
+Het ging niet altijd zoo vredig toe daar beneden. Soms bleven mijn
+broer en ik samen spelen. Dan waren we Indianen of Batavieren, smeten
+malkaar met hoofdkussens, worstelden om malkaar uit bed te krijgen
+en--in de benauwde bedstede--knauwden we malkaar en schreeuwden daarbij
+zoo hard, dat ze 't boven konden hooren. Moeder of een ander trapte dan
+op den vloer en we hielden ons een oogenblik koest. Maar straks begon
+het spektakel weer, totdat Vader eindelijk driftig werd en naar beneden
+holde. Dan schoten we gauw onder de dekens en verstopten daar ieder
+lichaamsdeel, dat maar geschikt was om geslagen te worden. In den blinde
+sloeg Vader er op los, met zijn hand, en ook wel met zijn pantoffel.
+Maar wol was een slechte geleider. De slagen deden ons geen pijn, en
+in plaats van het uit te schreeuwen van verdriet, barstten we uit in
+gesmoord lachen.
+
+Dat maakte Vader nog woedender, en een hagelbui van klappen brak in de
+nauwe bedstee los. Maar wij konden het heusch niet helpen. Ons lachen
+was geen opzet, geen oneerbiedigheid, en nog veel minder plagerij, we
+hadden 't graag bedwongen, deden er ook ons best toe, maar we konden
+'t niet inhouden en stikten onder de dekens van telkens hernieuwde
+lachvlagen. Totdat eindelijk een slag goed raak was. Dan keerde 't
+spelletje plotseling. Een luid gekerm ging op, en meteen eindigde het
+slaan. Vader was bevredigd. Niet omdat hij ons pijn had gedaan, dat
+wisten we zelf wel beter, maar omdat hij die lacherij had bedwongen.
+Zijn drift had het gewonnen op onze overspanning, nu kon hij gekalmeerd
+aftrekken.
+
+Bij ons was de pret er af, en we gingen slapen. 't Was een harde toer,
+om onder die omstandigheden te bidden: »Neem mijn ouders in bewaring
+dezen nacht," waar de eene helft van die ouders je zoo had afgerost
+en de andere helft je niet eens kwam troosten. Maar we durfden 't
+gebed niet nalaten. Vader mócht dien nacht eens sterven. En ofschoon
+we hem eigenlijk onze voorbede niet gunden, baden we toch. Maar met
+afkeerigheid in 't hart. We zeiden echter onzen regel gehoorzaam op,
+zoodat Onze lieve Heer ons later niet voor de voeten kon werpen: Nu is
+je Vader ziek geworden, omdat jij niet gebeden hebt. We voldeden aan den
+vorm. Ziedaar puur bijgeloof. De aangeleerde regels waren ons een amulet
+geworden, waarmee we het kwaad konden bezweren.
+
+Toch flitste het al heel vroeg door mijn hoofd, dat zoo'n gebed toch
+niet aangenomen werd, en ik herinner me den strijd tusschen mijn
+afkeerig hart en mijn kinderplicht. Gewoonlijk won de laatste het en
+waren we met Vader al weer verzoend, lang voor we insliepen. Om de
+waarheid te zeggen, we rekenden hem die klappen niet zoo ernstig toe.
+We wisten dat hij driftig was, vreeselijk kon opstuiven, maar waren ook
+volkomen zeker van zijn goedhartigheid. En dan tel je een klap niet zoo
+zwaar. Maar 't gebeurde toch ook wel eens, dat we in wrevel en boosheid
+gingen slapen en 't maar eens zonder gebed waagden. Dan waren we den
+volgenden morgen blij verrast, dat er niets noodlottigs was gebeurd.
+Toch was er iets onrustigs in ons: we hadden met het leven van Vader
+gespeeld, en zulks uit pure boosheid. O, als God Vader nu eens had
+weggenomen!
+
+Er gaan in een kind veel meer van zulke overleggingen om, dan de ouderen
+denken. Men behoeft met een kind niet te redeneeren. Het redeneert met
+zichzelf, ook al formuleert het zijn meeningen niet. Een kind redeneert
+in gevoelens, in neigingen--wat trouwens de volwassenen ook doen--en
+onze zorg moet zijn, die redeneering niet te verstoren. Heilig hun
+willen, en laat ze dan maar aan zichzelf over. Wel is het goed, ze nu en
+dan te helpen met het bewustmaken der opborrelende waarheden. Maar dan
+redeneert men er geen opinie _in_--dan redeneert men er juist een opinie
+_uit_. Wat in de diepte sluimerde, komt naar boven en naar buiten. De
+kleur van kersen en appelen komt immers, op haar tijd, ook van binnen
+naar buiten? Verf geen groene appeltjes rood. Zij verven zichzelf.
+
+De klappen van mijn Vader hebben nooit afbreuk gedaan aan onze liefde
+voor hem. Maar wel aan ons respekt.
+
+We begrepen, dat hij ze in drift gaf, beseften dat wij die drift hadden
+opgewekt, en--let wel--vergaven hem daarom de klappen. Niet vormelijk,
+maar in ons hart.
+
+Men beweert vaak, dat de kinderen een kastijding in dank aannemen, de
+liefde er in erkennen, en straks de tuchtigende hand zegenen, de roede
+kussen.
+
+Zoo ver heb ik het nooit gebracht. Ik betwist de mogelijkheid niet,
+maar mijn ervaring ziet door zulke dankbaarheid geen enkel plaatsje
+in mijn leven bezet. _Nooit_ heb ik de slaande hand gezegend. _Nooit_.
+Wel--de hand Gods. Maar dat is immers héél iets anders? De slaande hand
+Gods--dat is de rechtvaardige straf voor onze euveldaden, de verdiende
+gevolgen van ons kwaad.
+
+Er heerscht gerechtigheid in ons leven. Zoek bij ieder leed uw zonde.
+En ge vindt ze. Ik heb tenminste in mijn eigen leven--en alleen
+daarover kan een mensch oordeelen, wat weet ik van uw innerlijk
+leven?--ik zeg, dat ik in mijn eigen leven nooit te vergeefs heb
+gezocht naar de zedelijke (de onzedelijke) oorzaak van mijn leed.
+Maar die rechtvaardigheid heb ik in de menschelijke straffen nooit
+kunnen erkennen. Daarin werkte wel mijn kwaad als oorzaak, maar
+vooral niet minder de ontstemming, de drift, de gemakzucht en zelfs
+het plichtsverzuim der bestraffers. Heel wat straf voor de jongeren
+is eigenlijk verdiend door de ouderen, die zich aan die jongeren niet
+hebben gewijd, die te kort zijn geschoten in hun opvoedingsplichten.
+Dit nu heb ik al heel vroeg gevoeld--en dat zal wel bij meer kinderen 't
+geval zijn--en daarom is het hoogste, waartoe ik het heb kunnen brengen,
+dat ik mijn Vader zijn drift en zijn klappen vergaf. Maar er dankbaar
+voor zijn? Nooit.
+
+Men voelt wel, waarom ik mijn vroegeren meester zijn slaan _niet_
+vergeven kon. Dat was heel iets anders. Die maakte van zijn slaan een
+gewoonte, een voldoening, een nijdig genot. Vader sloeg uit drift. Je
+zag, dat hij er zelf geen plezier in had. Hij sloeg, omdat die bengels
+hem het bloed uit de teenen haalden. En straks was hij weer aardig tegen
+je en goed en hartelijk. 't Verschil was niet, dat de een je meester en
+de ander je vader was, want ik heb jongens gekend, die hun vader zoo
+veroordeelden als ik mijn meester, maar 't verschil was: de een toonde
+een hart voor de jongens te hebben, en de ander niet. Dat is alles. Maar
+dat is dan ook allesoverheerschend. Al je daden worden door je hart
+gekleurd. En zoo kunnen twee precies gelijke daden, bij twee volkomen
+tegengestelde personen ook precies het tegengestelde van elkaar zijn.
+Zuivere rechtvaardigheid beoordeelt daarom naar het hart.
+
+We vergaven Vader dus zijn klappen. En die houding van onze
+vergevingsgezinde kritiek heeft mij geleerd, dat een volwassene een kind
+niet slaan moet. 't Is ook niet noodig. Wie _met_ klappen kan opvoeden,
+kan 't ook _zonder_. En wie 't niet _zonder_ klappen kan, kan 't ook
+niet _met_.
+
+Maar laten we elkaar goed verstaan. Ik zeg: opvoeden. Ik zeg niet: de
+baas blijven. Want ja, dan zijn er, die bij hun opvoeding dit middel
+soms noodig hebben, door gebrek aan paedagogischen kultuur en--aan tijd.
+
+
+
+
+NOG IN HUIS.
+
+
+In de keuken sliepen we, speelden we, stoeiden we, hoorden we dreigende
+bombardementen boven ons hoofd, kregen we op ons kop van een driftig,
+vertoornd vader, en lagen we in alle stilte het vredig bedrijf van een
+oudere zuster te bespieden. In diezelfde keuken oefende ik me ook in
+mijn eersten handenarbeid en verdiepte ik mij in mijn eerste
+bibliotheek.
+
+Mijn eerste handenarbeid was schoenenpoetsen. Wie onzer huidige jeugdige
+slöjdbeoefenaars wordt in dat practische werk ingeleid en er mee
+vertrouwd? Ik verzeker u, dat ik mij oefende in de bekende slöjddeugden
+van netheid en nauwkeurigheid, zonder dat iemand die mij als
+paedagogische gewichtigheden oplegde. 't Was louter liefhebberij.
+
+Hebt ge wel eens schoenen gepoetst? Neen, ik bedoel niet: uw schoenen
+wel eens een enkel keertje glimmend gemaakt, maar den arbeid van
+'t schoenenpoetsen verricht. Elken Zaterdag stond een rijtje voor
+me gereed. De mannen en de groote jongens droegen toen laarzen,
+schoenen met vrij hooge schachten. Bottines kende men niet. Er waren
+rijgschoenen, knipschoenen, en laarzen, achtereenvolgens voor kinderen
+(en meisjes), jongens en mannen. De dames droegen »stoffen laarsjes"
+zonder hakken, die dus nooit gepoetst behoefden te worden.
+
+Zoo'n rijtje schoenen en laarzen was een mooi gezicht.
+
+Eerst zette ik ze netjes naast elkaar naar de grootte, de rijglaarsjes
+van mijn jongste zus aan 't eene eind, de kaplaarzen van vader of mijn
+oudsten broer aan 't andere eind. 'k Weet nog heel goed, dat ik genoot
+van zoo'n rij. Ik zag er ons heele huisgezin in. En dan eerst alle
+afborstelen, zoodat de modder verwijderd werd, daarna alle insmeren
+met schoensmeer uit een cylindervormig grijssteenen potje (doosjes
+schoensmeer waren er nog niet), en eindelijk stuk voor stuk
+uitborstelen. Nu kwam bij 't genot der orde ook nog 't genot van
+'t blinken. En als tenslotte de heele rij in dezelfde orde, maar
+nu glanzend, in de keuken prijkte, stond daar vóór mij _een stuk
+schoonheid_, waaraan de Vereeniging »Schoonheid en onderwijs" wellicht
+nog nooit heeft gedacht. Een stuk schoonheid, waarin drie
+schoonheidselementen leefden: orde, reinheid en glans.
+
+Wie had mij voor die elementen de oogen, het hart geopend? Ik weet het
+niet. Misschien de sterrenhemel? Misschien waren ze ook in mij opgerezen
+zonder eenige opvoedkundige oorzaak. Als die schoonheidselementen niet
+in de menschheid waren, hoe zouden ze er dan ooit uit kunnen komen?
+Onlangs zag ik op een landweggetje een vijfjarig meisje uit een
+woonwagen, een kermiskar, spelen met steentjes en stukjes glas, die ze
+blijkbaar van den weg bijeen gezocht had. Ze legde haar schatten in
+mooie rijtjes--als ik mijn schoenen--en genoot daarvan. Wie had het haar
+geleerd? Als schoonheid en onderwijs 't haar maar niet verleeren. Ik
+bedoel: de _lessen_ in schoonheid en alle overige onderwijzingen.
+
+Wat deed ik mijn uiterste best, om het schoeisel tot in de puntjes
+mooi te krijgen! Niet alleen om ieder plekje van het bovenleer te doen
+glimmen, maar ook de hakken en ook de zoolranden, en ook--u gelooft het
+niet?--ook den bocht tusschen zool en hak! Dus een ondergedeelte, dat
+toch niet gezien werd en straks weer onmiddellijk vuil zou worden. Ik
+gaf de schoenen niet uit mijn handen, eer ze onberispelijk waren.
+
+ * * * * *
+
+Er was nog een handenarbeid, waarin ik mij ijverig bekwaamde. Een
+groot gezin heeft dagelijks groote hoeveelheden aardappelen noodig,
+en die moeten alle stuk voor stuk geschild worden. Dat was natuurlijk
+meidenwerk, en, zoo er geen meid was, dan meisjeswerk. Natuurlijk?
+Waarom? Mag een jongen wel het mes hanteeren, om onnoodige doosjes
+te maken, en niet om noodige aardappelen te schillen? Ik voelde dat
+toentertijd niet zoo en schilde menigmaal een grooten bak vol
+aardappelen.
+
+Meen weer niet, dat mij dit altijd verdroot. Ja, als 't mooi weer was en
+de andere jongens op straat speelden. Dan viel het mij wel eens hard.
+Maar overigens? Er was een eigenaardig genot in, aardappel na aardappel
+te schillen. Iedere aardappel was weer anders. Je had kleine en groote,
+ronde en lange. Net als oliekoeken. Ze waren niet uit één vorm gekomen,
+maar in vrijheid gegroeid, en ieder bracht zijn eigenaardigheden mee,
+precies als de kinderen. Hoe boeiend en afwisselend was het, met die
+eigenaardigheden rekening te houden. Je pakte ieder weer van een anderen
+kant aan.
+
+En dan de kunst om _dun_ te schillen. »Zal je ze dun schillen,
+Jan?"--»Ja Moe."--En dit was geen ja moe, om me er af te maken, en ook
+niet om in Moeders oeconomie te komen, maar de instemming van een geest,
+die een probleem erkent en daarin iets aantrekkelijks voelt naderen. Met
+het kleine aardappelmesje, dat met door ervaring ontwikkelde beslistheid
+ergens--neen niet ergens, maar bij het rechte beginpunt, in den
+aardappel werd gezet, haalde ik de schil er zoo dun mogelijk af, terwijl
+de aardappel tusschen vingers en duim verstandig ronddraaide, zich
+richtend naar zijn bizonderen van de natuur meegekregen vorm. En dan
+werden de »pitten" er uit gehaald, de oogen. Er zijn vrouwen, die dat
+altijd slordig doen. Hoe is het mogelijk! Weet je nu iets leukers, dan
+om telkens met de punt van je mesje zoo'n zwart oog er uit te wippen? Je
+steekt de punt in den harden aardappel, wipt, en met een knapje vliegt
+hij er uit. Geen oog werd vergeten, ook niet het kleinste. Niet alleen,
+omdat het een schande was, als de aardappels 's middags van den schotel
+je »aankeken", maar in de eerste plaats----omdat je ze niet kon laten
+zitten. Dan ware je werk niet af geweest.
+
+Eén zonde bedreef ik nog wel eens onder 't aardappelschillen. Ik zette
+den emmer met water een eind van me af, en gooide dan iederen blanken
+knol, uit de verte, er in. Dat gaf een dubbel genot. Vooreerst moest je
+goed mikken, en dan hoorde je telkens zoo'n heerlijken plomp. Maar 't
+kwaad was, dat je den grond om den emmer heen aanhoudend bespatte.
+Enfin, die zonde vergaf Moeder me. »Jongen, wat spat je weer!" Maar dit
+klonk nooit als een verwijt of een verbod, maar steeds als een soort
+instemming met je plezier. Dat hooren de kinderen gauw genoeg.
+
+In plaats van oefeningen in karton en klei bestond mijn handenarbeid
+dus in oefeningen met leer en knollen. Het mes en de borstels leerde ik
+daarbij hanteeren. Deugden van netheid en nauwkeurigheid werden in mij
+ontwikkeld. Vraag het maar aan de schoenzolen en de aardappelpitten.
+Maar weet je, wat nu hard is? Terwijl ik die kunsten nu nog volkomen
+meester ben, ja nu nog, kan ik er geen examen in doen. Ik moet bepaald
+karton kunnen snijden en geen aardappel schillen. En zoo beteeken ik
+als handenarbeider niets en zijn de anderen autoriteiten. Ook krijg ik
+er geen extra geld voor. Je hebt geen schoenen- en aardappeldiploma's.
+De heeren op het stadhuis geven niet om glimmende laarzen en kruimige
+aardappelen. Die zijn dol op kartonnen doosjes en aardappelen,
+nagebootst in klei. Daar gaat hun hart en hun beurs bij open. Daarvoor
+geven ze [f]50 per jaar meer. Wat zou mijn moeder er van zeggen? »Wees
+jij maar tevreden, jongen. Jij hebt je Moeder geholpen."
+
+ * * * * *
+
+Ik zou nog van anderen handenarbeid kunnen vertellen, maar 't is zoo
+genoeg. Men heeft me wel begrepen: Ook in het schijnbaar eentonigste
+werk zit genot en leering. Mijn moeder vertelde ons vaak, dat zij als
+kind in de Klundertsche pastorie--Dominé van Spall had een heel groot
+gezin--de meiden hielp bij 't aardappelschillen, en dan legde ze de
+geschilde aardappelen netjes in rijen van zes op de rechtbank. En ze
+genoot nog, als ze er ons van vertelde.
+
+In iederen arbeid, ook in den--schijnbaar!--eentonigsten, zit genot en
+leering. De kunst is echter, die er uit te halen. Het simpel aangroeien
+van het resultaat is al een vreugd. Maar de opvoeders zijn zoo dom,
+zoo vreeselijk dom. De doodeenvoudige, de vlak-voor-de-hand-liggende,
+de spotgoedkoope voortreffelijkheden zien ze niet. En ze halen met
+opoffering van geld de modedingen in, omdat die.... in de mode zijn.
+Zoo laten zelfs wijze menschen zich verblinden. En dan wordt die
+verblinding bewerkt door wat wetenschappelijk geleuter. 't Is altijd
+de oude geschiedenis. Hier vloeien de bronnen, maar men wendt zich
+van het levende water af, om zich te richten naar de »steenen bakken"
+van Jeremia, »die geen water geven".
+
+Een kind is toch met zoo weinig gelukkig!
+
+Dit ondervond ik ook met mijn bibliotheek en mijn eigen kamertje.
+
+Dit kamertje--doch wáár moest dit in huis te vinden zijn, daar we toch
+met ons vijven in de keuken sliepen en we dus niet eens een afzonderlijk
+slaapvertrek hadden?
+
+'t Was in diezelfde keuken en 't heette »het kokertje". Nú pas, bijna
+een menschenleeftijd later, weet ik waaróm het zoo heette. 't Was een
+lichtkokertje, en natuurlijk een horizontaal, anders had ik er niet in
+kunnen kruipen en er een rustig plekje vinden.
+
+Ge weet nog van den winkel, dat er achter de toonbank een trapje van
+vier treden naar de huiskamer leidde? Tusschen de treden van dit trapje
+was ruimte. Als je nu, achter de toonbank, op je hurken ging zitten, kon
+je tusschen die treden door kijken, en dan zag je een ruit vertikaal.
+Achter deze ruit was een kokertje, een lichtkokertje voor de keuken,
+en dat was mijn kamertje. Men kan begrijpen, hoe licht het er was. Het
+schemerlicht achter de toonbank, moest tusschen de schaduwende treden
+heen, eer het mijn kokertje bereikte. Toch viel er, een enkelen keer,
+wel eens een zonnestraal in. 't Is wonderlijk, in welke verborgen
+hoekjes zonnestralen al niet weten te komen.
+
+De toegang tot mijn heiligdommetje was in de keuken. Ik moest daar eerst
+van den vloer op een kist klauteren en me in het kokertje werken. Maar
+zat ik er eenmaal, dan zat ik er zoo veilig. Niemand kwam er.
+
+'t Leek net een klein kamertje: vloer, zolder en drie wanden, waarvan
+een van glas. Ik denk, dat het ongeveer een meter breed en hoog was,
+en niet veel dieper. 't Had tenminste iets van een liggenden, hollen,
+vierzijdigen prisma, die den kubus naderde. Beknopter woon was
+moeilijk te denken. En toch heb ik daar zalige uren en heele middagen
+doorgebracht. Ja, zelfs heele dagen in de vacantie. Als Jan maar in zijn
+kokertje zat, was hij zeker stil. En als je hem in huis niet wist te
+vinden, had je maar, tusschen de treden van het huiskamertrapje, even
+tegen de ruit te tikken.
+
+Het moet in mijn eigen hokje zeker vrij schemerig zijn geweest, vooral
+op regenachtige namiddagen, wanneer ik er bij voorkeur mijn toevlucht
+zocht. Maar daar weet ik niets meer van. 'k Weet alleen, dat ik er
+mij recht behagelijk voelde. 'k Had er al mijn schatten, netjes
+gerangschikt, evenals de schoenen en laarzen, en keek door de ruit naar
+de afgesneden stukken van de beenen van mijn vader, als deze achter de
+toonbank stond, of anders van den winkelknecht. 't Was een misfortuin
+als moeder of zuster in den winkel hielpen, want die wierpen, door haar
+rokken, breede wolkschaduwen in mijn toch al donker verblijf. Maar 't
+was daarentegen een voordeel, als, op een zonnigen zomerdag, de winkel
+lang leeg bleef. Dan reisde er, gedurende eenigen tijd, als de zon wat
+hoog stond, wel eens een heele lichtbundel mijn kokertje rond, waarin de
+stofjes zoo rustig vroolijk krioelden. En als er dan in de bovenkamer
+gemurmureerd werd over het wegblijven der koopers, zat daar beneden
+iemand, zonder zich daarvan rekenschap te geven, in stilte heel erg te
+genieten door datzelfde wegblijven. Hij was gelukkig met zijn zonnegoud.
+
+Kinderen en volwassenen hebben zoo vaak tegenstrijdige belangen.
+
+ * * * * *
+
+En welke schatten waren het nu, die me zooveel genot bezorgden?
+
+In de eerste plaats traktaatjes, die ik nooit las. Op de zondagsschool,
+trouw bezocht, deelde men geregeld traktaatjes uit, sommige zelfs van
+acht bladzijden, sommige van dof, andere van glanzend papier, sommige
+met en andere zonder een prentje, kleine en groote.
+
+Die traktaatjes bevatten maar zelden verhaaltjes, meestal godsdienstige
+beschouwingen, en ik las ze dus nooit. Niemand las ze bij ons thuis.
+Maar ik sleepte ze dadelijk naar mijn kokertje en legde ze daar op een
+stapeltje, waartoe ze naar grootte, dikte, papiersoort of illustratie
+behoorden. Dan werden ze genummerd en ingeschreven in mijn catalogus.
+Sorteeren was mijn liefhebberij, een wetenschappelijke liefhebberij,
+gelijk men haar aan de hoogeschool en in het voddenpakhuis kan vinden.
+Sorteeren van planten en boeken heet echter hooger te staan dan
+sorteeren van vodden.
+
+Wanneer er een bepaald getal traktaatjes op een stapeltje lag, werd
+dat met een draadje of lintje saamgebonden als dierbare brieven, die
+men ook niet meer leest, en bijgezet in het mausoleum dezer soort
+godsdienstigheid, dat ik mijn bibliotheek noemde. Gelijk mijn zusje
+met haar poppekleeren, solde ik met mijn geschriften. Ze werden in- en
+uitgepakt, opgenomen en neergelegd. Dat was het al. En zoo hebben die
+traktaatjes aan mijn opvoeding meegewerkt, zij het op andere wijze dan
+de vriendelijke uitdeelers bedoelden. Ze hebben me materiaal bezorgd, om
+mijn ordezin te ontwikkelen. Ze hebben me bezigheid geschonken en daarin
+een weldoende afleiding op donkere uren.
+
+Meen niet, dat ik onverschillig was omtrent die drukwerken. Dat is een
+kind en een wilde immers nooit omtrent een nieuw stuk voornaamheid, dat
+hem vereerd wordt. Ik voelde me er zelfs rijk mee. Maar het was een
+rijkdom als van den gierigaard. 't Genot zat alleen in het hebben, niet
+in 't gebruiken.
+
+Aan die traktaatjes is nog één herinnering verbonden. Men weet nog wel
+van den avond, toen de kleine spijbelaar toch naar het verjaarsfeestje
+mocht. Bij die gelegenheid moest hij een verjaarsgeschenk meebrengen,
+want op een verjaarpartij gaan, zonder een cadeau aan te bieden, dat
+was een onmogelijkheid. Hij had echter niets om aan te bieden. Toen,
+eer hij in zondagsgewaad de gracht opvloog, kroop hij eerst naar zijn
+kokertje. Kon Moeder geen geld missen om iets te koopen, dan moest hij
+maar iets van zijn eigen schatten opofferen. En hij nam het dikste pak
+tractaatjes uit zijn verzameling, om dat mee te nemen. Doch een snel
+oprijzend voorgevoel waarschuwde hem, in een seconde, dat dát toch
+eigenlijk te min was. Daarom nam hij nóg een pakje, en nóg een.
+Eindelijk de heele verzameling. En hiermee vloog hij naar het feest.
+'t Was voor hem een offer. Hij heeft echter nooit kunnen merken, dat
+het als zoodanig door den ander gewaardeerd werd. Voor dien ander zat
+ook niet het verzamelplezier er in. En zónder dat was het heele pak
+eenvoudig waardeloos.
+
+Ik heb later wel eens in stilte gebloosd over het gekke figuur, dat
+ik op dit verjaarfeest maakte met dat cadeau. Wat moet de jarige,
+wat moeten zijn huisgenooten er wel van gedacht hebben. En de vraag
+is meermalen in me opgerezen, of het van mijn Moeder goed was, me dus
+naief er in te laten loopen. Had zij haar kind zoo aan de kritiek mogen
+prijsgeven, al hoorde hij die kritiek ook niet. Mijn verontschuldiging
+was--want gij weet het immers, ouders, hoe kinderen hun ouders
+beschuldigen en verontschuldigen?--mijn excuus voor haar was dan, dat
+ze zelf in allerlei zorg zat en op dit oogenblik zeker geen gelegenheid
+wist, om gauw iets te koopen. Maar toch.... gij ouders, die niet zulke
+excuses hebt, profiteert niet van de naiveteit uwer kinderen. Ze
+verwijten het u later. En terecht. Behandel de dieren met zachtheid en
+uw kind met ernst.
+
+En nu denk ik ineens aan iets anders. Wellicht heeft die jarige Piet in
+zijn leven meermalen de geschiedenis verteld, hoe hij als jongen--nota
+bene als jongen!--voor zijn verjaardag een pak oude traktaatjes kreeg,
+en niet van een ouwen sok van een catechiseermeester, maar van een
+vrindje! Wie weet hoe dikwijls hij zich ten koste van mij heeft
+vermaakt! Misschien, terwijl ik dit schrijf, zit hij ergens in de
+wereld, midden in zijn gezin, en haalt de historie weer eens op ten
+pleziere zijner haast volwassen kinderen. En ze genieten met elkaar van
+mijn onnoozelheid, gierigheid, of wat het zij. Piet heeft zijn leven
+lang die zaak gezien onder _zijn_ licht. En ik onder het mijne, dat zoo
+heel anders was.--Denk er aan, als gij over personen en feiten oordeelt.
+Gij ziet slechts _uw_ zijde van de werkelijkheid.
+
+ * * * * *
+
+Ik kan van mijn kokertje geen afscheid nemen, zonder een beminnelijke
+zonde van mijn vader te gedenken. Die driftige, goeie man had het
+zwak, moeilijk te kunnen weigeren. Daardoor kocht hij van gewetenlooze
+commissionairs in zijn onnoozelheid bedorven waar. Daardoor leverde hij
+aan gewetenlooze koopers zijn goederen tegen wanbetaling. En daardoor
+teekende hij in--ons ten voordeele, maar Moeders beurs en humeur ten
+nadeele--op alle boekwerken, die colporteurs hem aanpreekten. Ieder keer
+als de rekening kwam, was hij weer kwaad, vanwege het geld, en ieder
+keer als er een nieuw plaatwerk werd opgedrongen, bezweek hij weer: 't
+was ook maar een dubbeltje in de week.--Jammer, dat die afleveringen
+al spoedig rondzwierven. De eerste werden opengesneden en, zoo al niet
+gelezen, dan toch bekeken. De latere dreven vaak onopengesneden door de
+huiskamer, totdat eindelijk Moeders netheid ze bij een opruimwoede maar
+telkens in een kast stopte. »Die ellendige boeken! Eerst koop je ze, en
+dan lees je ze niet eens! En dan nog betalen!" Vader mopperde wat op die
+verwijten, maar de gegrondheid viel niet te loochenen. Dat beseften wij,
+kinderen, reeds.
+
+Jammer van die afleveringen. En toch weer niet jammer. Want toen ik
+merkte, dat er in de huiskamer geen belangstelling en ook geen ruimte
+voor was, sleepte ik ze naar mijn kokertje, natuurlijk met Vaders
+goedvinden en tot Moeders dankbaarheid. En daar lag ik dan, vlak bij
+'t lichtraam, de donkere platen te bekijken uit het »Bijbelsch Magazijn
+voor alle standen" en de jachttafreelen uit »De Aarde en haar Volken".
+Hoeveel stemming ik daaraan te danken heb, ik weet het niet.
+Ontwikkeling waarschijnlijk niet veel, want de lektuur was er altijd
+op ingericht, leesgierige menschen en kinderen af te schrikken. De
+kunst om lezers te lokken, verstaan de kroegbazen in 't vak beter dan de
+dominé's. Alleen de jachten in Afrika boeiden. Maar overigens niets. Ik
+herinner me heel goed, dat ik het telkens probeerde, maar telkens moest
+ik het weer opgeven. Toen heb ik ervaren, dat men een groot kwaad doet,
+met het vrome en leerzame ongenietbaar te maken. Niet slechts--neen, dat
+is nog niet het ergste--omdat men daardoor geen vat heeft met zijn brave
+pogingen, maar--en dit is fataal--omdat men daarmee afkeerig maakt van
+hetgeen ons juist aantrekken moest. Ga les nemen bij den duivel, als ge
+uw kinderen in den hemel wilt hebben.
+
+Later--ik weet niet hoe--zijn al die afleveringen naar zolder verhuisd.
+Ik verdenk daar mijn goeie moeder van. Moeders hebben zoo'n genadeloozen
+slag, om allen onpraktischen rommel (gelijk boeken! wat héb je aan die
+vodden!) naar zolder te expediëeren. De zolder is rustig en ruim. Daar
+liggen ze niemand in den weg. En zoo heb ik, in later jaren, daar de
+schatten mijner jeugd weer ontdekt in een paar rozijnenkisten van ruw
+blank hout. Toen heb ik ze me opnieuw toegeëigend. En sedert hebben
+ze me niet meer verlaten. De Bijbelsche Magazijnen liet ik gaandeweg
+schieten. Die waren _te_ saai. Daarvoor behelsden ze dan ook godsdienst.
+Maar de gele afleveringen van »De Aarde en hare Volken" liet ik
+tot boekdeelen inbinden--ondanks de verdwenen vellen--en die zeven
+boekdeelen zijn met me door 't leven gereisd. Héél vaak heb ik
+er in genoten. Mijn aardrijkskunde konden, dientengevolge, mijn
+latere lesoverhoorders me niet heelemaal vergallen. En toen in de
+Tullinghstraat de kinderen opgroeiden, zat Moeder menig, menig uur
+met ze te smullen in de plaatrijke boeken. De oude verworpelingen,
+zuchtend in een rozijnenkist op een kouden, stillen zolder, werden
+lievelingsprentenboeken voor Grootvaders kleinkinderen in de warme
+huiskamer.
+
+Als Grootvader dát nu nog eens had kunnen bijwonen! Hoe zou hij
+getriumpheerd hebben op zijn mopperende vrouw! »Zie je nou, vrouw, dat
+ik nog zoo gek niet was?" En dan zou de vrouw, in wijsgeerige berusting
+gezegd hebben: »Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!"
+
+Inderdaad, als we alles maar eens vooruit wisten! Op Vaders zondig zwak,
+om zonder geld te koopen, heeft--voor zoover ik zien kan--nog meer zegen
+gerust, dan op de toch inderdaad heel vrome traktaatjes.
+
+Doch laat ik nu op 't laatste oogenblik geen nieuwe onbillijkheden
+begaan. »Voor-zoover-ik-zien-kan." Beseffen we wel allen de kracht van
+die woorden? Wie weet, of ook zij den last hunner zending niet hebben
+vervuld? Op Gods tijd. En op Gods plaats.
+
+»Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!"
+
+ * * * * *
+
+Wellicht heeft, onder 't lezen door, menigeen medelijden gevoeld met het
+arme jongetje, dat zijn ontspanning moest zoeken in een benauwd hokje,
+spaarzaam verlicht, en bovendien onfrisch als verzamelhoek van allerlei
+keukendampen. Het spijt me wel voor de gevoeligheid, hem gewijd,
+maar--dit medelijden zou absoluut misplaatst en dus overbodig zijn.
+Dat jongetje voelde zich in zijn hokje zalig. Het was voor hem een
+toevluchtsoord. Wanneer het hem te druk, te roezemoezig, te onrustig
+werd in de wereld der volwassenen, trok hij zich terug in zijn
+eenzaam verblijf, en kon daar--ver van de menschen, vrij in zijn
+alleen-zijn--zoo volkómen genieten. En dan had hij toch niets, dan wat
+traktaatjes, wat afleveringen, een boek, of wat eenvoudig speelgoed.
+
+Wil ik u eens iets heel sterks zeggen? Wanneer hij later in den bijbel
+las van »De Heer is mijn hoogvertrek", dacht hij altijd aan zijn
+kokertje. Zóó veilig en vredig was het ook bij den Heer.
+
+Ik geloof, dat het goed is, niet slechts voor grooten, maar ook voor
+kleinen, dat ze zoo'n retraite hebben, midden in hun eigen kring. En wat
+is het dan heerlijk, als de _ziel_, midden in de benauwdheid des levens,
+altijd zulk een toevlucht heeft. Ja, de psalmdichters wisten het wel.
+
+Maar nu moet ik nog iets opmerken. Over 't algemeen is het medelijden
+met arme kinderen schromelijk overdreven. Natuurlijk, die kleinen moeten
+gevoed, gekleed, gewarmd, gehuisvest worden. Ach, dat spreekt immers
+vanzelf. Maar meen niet, dat ze zoo bar lijden onder wat kou en wat
+gebrek. En dit zeg ik niet uit meedoogenlooze hardheid, maar uit
+ervaring. 'k Heb zelf de armoede doorgemaakt, de fatsoenlijke armoede,
+waarbij er echter ook een aanzienlijk tekort was in de eerste
+levensbehoeften. Niet hier in den kruidenierswinkel, daar ging het nog
+wel, maar later. 'k Heb ook in koude nachten mij onder karpetten (oude
+wel te verstaan), rokken en jassen moeten warmen, omdat ik de wollen
+dekens naar de bank van leening had moeten brengen. En toen was ik al
+kweekeling. 'k Heb het armer gehad, dan menig kindje op mijn school,
+dat thans van schoolkleeding en schoolvoeding geniet. Ontbering is mijn
+jeugd niet vreemd geweest, en jaren achtereen. Maar--en hieromtrent
+ben ik volmaakt zeker--nooit heeft die ontbering mij zoo schromelijk
+gekweld. Daar kon ik me wonderwel in schikken. En ik herinner me zelfs
+niet, dat ze me ooit diep het gemoed heeft verstoord. Neen, mijn
+kinderellende kwam niet door gebrek aan eten, vuur en dekking, maar
+door gebrek aan liefde. Versta mij wel: ik meen niet, dat ik daarover
+te klagen had, en in huis wel het allerminst. Maar _als_ ik in mijn
+kinderjaren echt leed heb gehad, was het altijd veroorzaakt door
+liefdeloosheid van onderwijzers, van wantrouwende volwassenen, van
+hartelooze jongens.
+
+Ik leg hier zoo den nadruk op, omdat ik inderdaad geloof, dat--en niet
+alleen voor kinderen, ook voor volwassenen--de schrijnendste pijnen
+in het gemoed, en niet in de maag worden gevoeld, en dat men vooral
+kinderen veel meer verkwikken kan met _in_ hen te komen, met begrijpend
+meeleven, met waarlijke welwillendheid, met mild vertrouwen, dan met de
+voorziening in stoffelijke behoeften.
+
+Mijn kokertje. Hoe kan het getuigen van de geringe nooden der jeugd.
+Armelijker kan het wel niet. Twee kinderen konden er niet in zitten.
+Daarvoor was het te eng. Eén kind kon er zitten, als het zijn hoofd maar
+steeds gebogen hield, en anders moest het er half liggen. De wanden van
+het zeepvat en het vat met appelgelei, onder de toonbank, vormden het
+uitzicht tusschen de treden der trap. Wandelende broekspijpen donkerden
+het vale schemerlicht nu en dan tot halfduister. En toch, toch was ik
+er gelukkig. Toch was het mijn hoogvertrek. Toch zweefde er, voor mij,
+hemelvrede. Dat komt--de haat kon er niet komen, de hardheid het niet
+bereiken, de nijd het niet bezoeken. De vernielzieke menschheid, tuk op
+gemoedsverstoring, kon er de atmosfeer niet vergiftigen. En wat
+beteekenden, daarbij vergeleken, de benauwde keukenluchtjes?
+
+Een kind heeft aan weinig genoeg, mits het in een zuivere gemoedssfeer
+mag ademen. En zoo kan het nooddruftige kind volkomen gelukkig zijn,
+ondanks een schrale voeding. En zoo kan het rijke kind, bij overdaad,
+bitter misdeeld zijn. Het eerste, wat een kind noodig heeft, is een
+zuivere dampkring voor zijn gemoed. Dat beetje eten komt wel. Maar hoe
+velen kunnen zulk een dampkring scheppen? Zalig dan de eenzaamheid van
+mijn kokertje.
+
+ * * * * *
+
+Een laatste tocht naar het dak.
+
+Ons huis was hoog, tenminste in mijn herinnering. In de
+Eglantiersdwarsstraat had het een groot stuk blinden muur, waartegen we
+van een onzer balspelen konden genieten. Dikwijls raakte de bal daarbij
+op het dak. Maar dan bezon ik me niet lang. Ik wist den weg naar den
+zolder, klom door 't dakraam, liep door de goot en haalde den verlorene.
+Dat deed ik altijd zonder vragen. Niet omdat ik niet wou vragen, maar
+omdat het me dan stellig geweigerd zou worden. Vader zou me nooit
+veroorloofd hebben, op het dak te klimmen. Dat was veel te gevaarlijk.
+Maar jongens zijn gelukkig zoo, dat ze alle uit angstvalligheid verboden
+dingen toch doen. Mijn hemel, als ze eens waarlijk gehoorzaam waren, wat
+zou er, bij de bekende verbiedmanie der volwassenen, dan van hen terecht
+komen. Nooit werd een jongen een man. Doch nu gehoorzamen ze hun zuiver
+instinkt vaak meer dan hun opvoeders, en dat is hun behoud, begrijp dat
+goed, brave, dwingende, uit bestwil handelende paedagoog. De jongen is
+niet ongehoorzaam uit onwil, uit boos opzet, maar omdat een wijze natuur
+hem tot taak heeft gesteld, de fouten uwer domme paedagogie te
+corrigeeren.
+
+Mijn vader begreep dat maar zelden. 't Was heusch een allerbeste man,
+maar het is ongelooflijk hoe conventioneel dom hij in de opvoeding was.
+Net zoo dom, als tegenwoordig de overgroote meerderheid der vaders
+nog is. Dan weet ge 't wel. Net zoo dom--als gij het nu nog zijt,
+vriendelijke lezers. Dan weet ge 't wellicht beter. Al uw opvoedkundige
+wijsheid is meestal domheid. En daaruit vloeien zooveel konflikten voort
+met uw jongens.
+
+Vader was dan een dier massa-paedagogen, die alles verbieden, toch
+alles laten gaan, in drift pakken slaag toedienen, en toch veel van hun
+schavuiten houden. De opvoeding is hun te machtig. En zoo gebeurde het
+op een Zaterdagmiddag, dat ik weer een aframmeling kreeg voor een mooie
+daad van zelfopvoeding.
+
+Er lag voor de zooveelste maal een bal op het dak. Ik naar boven. En
+gauw zat ik in de goot. Mijn makkers keken natuurlijk. Daardoor keken
+ook eenige voorbijgangers, en nu hield een van hen »zijn hart daarbij
+vast" en ging naar den winkel, om mijn vader te waarschuwen. Dat deed
+die domoor natuurlijk weer met de allerbeste bedoelingen, maar niettemin
+deed hij er gruwelijk kwaad mee.
+
+Vader verliet snel den winkel, en zag me. Nu is het voor een vader veel
+erger zijn jongen in gevaar te zien, dan voor dien bengel zelf om in
+gevaar te zijn. Maar zulke kinderen móét een vader ook niet zien. Laat
+hij zijn oogen dan ook thuis houden. Mijn goeie vader stond zich op te
+winden van bedwongen drift bij persenden angst. Gelukkig riep hij niet,
+dat ik omlaag moest komen. Niemand riep. Ze waren veel te bang, dat ik
+dan schrikken en naar beneden tuimelen zou. Met starende oogen volgden
+ze allen mijn kattebewegingen, in voortdurende spanning. Ze zagen,
+hoe ik langs het steile randje voortschoof, hoe ik mij bukte, weer
+terugschoof en door het raam naar binnen klauterde, volkomen rustig.
+Geen moment was ik me iets gevaarlijks of iets verkeerds bewust geweest.
+Maar o, toen ik beneden kwam. Nog eer ik gelegenheid had, mijn vriendjes
+iets te zeggen, vloog mijn vader op me af, sloeg me waar hij me maar
+raken kon, greep me in mijn nek, rammelde me door mekaar, en dat alles
+onder toejuiching der andere vaders, die ook een stuk voldoening
+eischten voor den doorgestanen angst. »Zulke beesten van jongens! Een
+mensch staat doodsangsten bij ze uit! 't Is tegenwoordig dan al meer
+dan erg!" Vader besefte bij die woorden te dieper zijn paedagogenplicht
+en ranselde nog wat genadeloozer, om vooral te doen blijken, dat hij een
+degelijke vader was, die om den drommel er niet van hield, zijn kinderen
+te verwennen. _Kinderen begrijpen, heet altijd kinderen verwennen. Dat
+is nu nog zoo._ En ik werd met schelden en klappen naar huis geranseld.
+
+Wat was ik woedend. Wóédend! Ik had pas, zoo volkomen kalm, dat zware
+stuk volbracht, een en al rustige beheersching. En daar werd ik zoo
+getrakteerd. De menschen praten, van je vader in dank zoo'n kastijding
+af te nemen. In dank? Mijn ziel was vol woede en verwijt. Ik besefte
+tot in mijn fijnste vezelen, dat ik zoo'n behandeling niet verdiend
+had. En dan zoo gruwelijk beleedigd te worden in tegenwoordigheid
+van die vreemde straatmenschen, en van mijn makkers. Want het was een
+beleediging, dat afranselen. En nog meer dat smadelijk naar huis jagen.
+Ik voelde me diep gekrenkt en had zeker langen tijd noodig, om weer in
+evenwicht te komen.
+
+Krenkt uw kinderen toch niet. En vooral niet in tegenwoordigheid van
+anderen. Wij, schoolmeesters, hebben daar ook zoo'n handje van. Dan
+zeggen we zelfs: »Toe jongens, lach die domkop eens uit, die kent nog
+niet eens de tafel van zes!" En dan geven we het domme kind prijs aan de
+harde bespotting zijner medescholieren. »Die domkop!" Wie is de domste
+van de twee, hij, die de tafel van zes niet kent, of wij, die het
+kinderhart niet kennen?
+
+Al mijn vergevingsgezindheid was ten slotte noodig, om mijn vader weer
+in genade aan te nemen. Een vader, die zóó zijn kinderen kon offeren
+aan zijn drift en zijn goeden naam bij het straatpubliek, dat was geen
+vader. Maar--in zijn hart was hij toch een goeie man. Een half uur later
+was hij zelf verlegen met zijn gedrag. Toen probeerde hij, tersluiks
+weg, vriendelijkheden te bewijzen, de goede verhouding weer aan te
+knoopen. En daartoe liet ik mij langzamerhand dan maar vinden. Ik
+kon toch ook niet goed hebben, dat die groote man zich voor mij wat
+vernederde. En dat deed hij toch eigenlijk met zijn er omheen gedraai.
+
+Dit alles kon ik toen niet zoo juist formuleeren, maar ik zag het zeer
+goed in. En het heeft mij altijd bevreemd, dat Vader dan niet door een
+ruiterlijke spijtbekenning, met een beroep op zijn drift en andere
+verzachtende omstandigheden, de zaak geheel in orde bracht. Dat gaat
+juist met een kind zoo gemakkelijk. Een kind gelooft je dan op je woord
+en is grootmoedig beschaamd door je zelfbeschuldiging. Maar tot zulk een
+afdoend middel kon hij nooit komen. Daarvoor was hij, paedagogisch, te
+dom. Domme paedagogen zien in zulk een zuivere erkenning van de waarheid
+altijd een zelfvernedering, terwijl het een reusachtige zelfverhooging
+is. Niets ontwapent den tegenstander sneller dan erkenning van ongelijk.
+Niets wapent ons krachtiger dan de waarheid.
+
+Ziedaar de eenige herinnering, die ik van het dak heb behouden. Ik wilde
+er een bal halen, en kwam met een vroege paedagogische ervaring thuis.
+Van al de ballen die ik te voren uit de dakgoot heb gehaald, weet ik
+niets meer af. Al de geslaagde ondernemingen hebben geen herinnering
+nagelaten. Maar die eene mislukte--is geworden tot een stuk, niet
+opvoedkundige leer, maar opvoedkundige overtuiging, tot levenswijsheid.
+
+»Zie je nou jongen," zou mijn Vader zeggen, »dat dat pak slaag nog zoo
+gek niet was?"
+
+En dan zou ik antwoorden:
+
+»Ja vader, als je dat alles maar vooruit wist!"
+
+
+
+
+STRAATJONGEN.
+
+
+De straat. Dat was het terrein onzer zelfopvoeding. Daar kwamen onze
+krachten los, geestelijke en lichamelijke. Daar wisten we niet van
+landkaarten of andere vervelendheden, daar knelde ons geen schoolbank
+en kwelde ons geen schoolmeester, daar hadden Vaders paedagogische
+handgrepen geen vat op ons, daar waren we vrij.
+
+Het is verwonderlijk, hoe een vuil stuk dwarsstraat en een brok »gracht"
+naast een altijd stinkend water zooveel heerlijkheden kunnen bevatten.
+Maar die heerlijkheden brachten we mee in ons eigen jongenshart. Het
+vuil zagen we niet, den stank roken we niet--aan zulke nesterijen raakt
+een mensch gauw gewoon--en alles lag overdekt door den glans onzer
+verbeelding, de heele atmosfeer was doortrokken van gelukszon. Jeugd is
+zaligheid, mits ze vrijheid hebbe. En die vrijheid hadden we, namen we,
+op straat.
+
+Daar had je »de gouden stoep". 't Was een hardsteenen stoep, drie treden
+op en dan een bordesje. Langs de treden en het bordesje stonden ijzeren
+paaltjes, die ijzeren leuningen droegen. En nu spreekt het vanzelf, dat
+wij voor onze spelen alle stoepen naastten, dus ook deze. De straat was
+te smal, om daar genoeg aan te hebben. Dan moest je wel de huizen en de
+schuiten annexeeren. Bij 't krijgertje-spelen had een kameraad je veel
+te gauw te pakken, maar dan vloog je een stoep op, en als hij je daar
+narende, schoof je bliksemsnel onder de leuning door, de straat weer op,
+vrij. Die stoepen waren inrichtingen, die je uit de benauwdheid redden.
+En het was verwonderlijk, hoe we van ieder klein voordeeltje gebruik
+maakten. Nood maakt vindingrijk.
+
+De bewoners hadden daar natuurlijk wel een beetje last van, maar de
+meesten berustten er in. Eén meneer echter was er, die dat gevlieg niet
+hebben wou. Nauwelijks had hij in de gaten, dat zijn stoep in ons spel
+was betrokken, of hij rukte de huisdeur open en joeg ons weg, soms met
+een stok in de hand. Daarom heette zijn stoep »de gouden stoep", daar
+mocht je niet aan komen. En nu was het gevolg van zijn grauwen en jagen,
+dat we juist altijd naar zijn stoep toe gingen, en, ook zonder noodzaak
+voor ons spel, er over holden en onder de leuning doorgleden. De gouden
+stoep werd een apart spelletje.
+
+»Jongens, ga je mee naar de gouden stoep?"
+
+Aanstonds waren er een paar gereed.
+
+»Durf jij er op?"
+
+»Ik wel."
+
+»Pas op, daar staat die kerel."
+
+»Waar? Waar? Ik zie niks."
+
+»Ja, daar achter 't gordijn. Hij schuilt weg. Hij loert op je."
+
+»Laat hem stil loeren."
+
+En dan opeens vloog je de stoep op, greep de leuning, gleed er onder
+door, en--»Hoera!" schreeuwden de jongens. Dat was de eerste zege.
+
+Allen stoven een eindje weg, als opgeschrikte musschen. Dan keerden ze
+voorzichtiglijk terug, stapje voor stapje, totdat ze weer de stoep
+omkringden.
+
+De tweede waaghals volgde. In een oogwenk was hij naar boven en weer
+op straat. Hoera! Maar nu werd het een schande, als je achterbleef. De
+andere jongens hadden 't gewaagd, jij moest het ook doen. Doch 't werd
+hoe langer hoe gevaarlijker. Natuurlijk had »die kerel" ons al lang in
+de gaten gehad. Hij had zich zeker al staan opwinden van drift en woede.
+Mogelijk had hij zijn stok al gegrepen en was hij al naar de huisgang
+geslopen. Wellicht stond hij al achter de deur. Misschien had hij de
+schuif al in de hand. Onmiddellijk zou de deur openvliegen, een kerel
+in zijn overhemd naar buiten springen, een stok op je lijf ranselen. Je
+wist dit alles niet, en toch wist je het. Niemand had iets gezien, en
+toch was ieder er zeker van.
+
+»Jongens, hij staat al in de gang, hoor! 'k Geloof, dat ik den smeerlap
+gehoord heb."
+
+Maar nu werd het pas echt. Je koos, met een fijn straatjongens-instinkt
+voelend, het juiste oogenblik. Je sloop naar boven, dat hij je niet
+hooren kon, en dan, ineens, met een luiden triumfkreet, onder de leuning
+door. Hoeraaaa! De kerel stond zich zeker te verbijten van nijd.
+
+De jongens die de eerste beurten gehad hadden, waren in de gunstigste
+conditie geweest. Doch nu werd het gevaar hoe langer hoe grooter. De
+vijand werd opgeschrikt, getergd, vol woede. De lont, door den eersten
+aangestoken, naderde het kruit. Het gevaar der ontploffing was het
+grootst voor de laatsten. Maar dat gevaar was toch ook weer zoo
+aantrekkelijk, dat de eersten 't er nog eens op waagden.
+
+»Daar hei je-n-em."
+
+Ik was juist op de stoep. Teruggaan? Nooit. Dat zou een eeuwige schande
+zijn geweest. Ik greep de leuning, wilde er onder door glijden, maar in
+mijn verbouwereerdheid schoof ik niet laag genoeg weg, en kwam met mijn
+gebit tegen de ijzeren leuning aan. Een geweldige schok, te krachtiger,
+omdat ik juist zoo haastig weg moest schieten.
+
+Of de kerel me geslagen en geraakt heeft, weet ik niet. Bij de pijn in
+mijn tanden viel alles weg. 't Was of ik flauw zou vallen van de pijn.
+Maar een jongen valt niet flauw. Hij maakt dat hij weg komt.
+
+Zoo deed ook ik. Ik holde mijn makker achterna. Maar toen ik een eindje
+verder stil bleef staan en tot bezinning kwam, bemerkte ik dat er van
+een mijner oogtanden een stuk was afgebroken. Dat was in den strijd
+gebleven.
+
+Met een verminkten oogtand moest ik verder het leven in. En was het daar
+maar bij gebleven. Zoo'n verminking schijnt echter den heelen tand aan
+te tasten. Langzamerhand brokkelde hij verder af. En op 't laatst moest
+ik schoolmeesteren en zelf redenaren met een leelijk gat vóór in mijn
+gebit.
+
+Zoo draagt de mensch de zonden zijner jeugd mee door 't leven.
+
+ * * * * *
+
+»Dat heb je er nu van. Verdiende loon."
+
+Aldus sprak de opvoedingswijsheid van die dagen. En zoo spreekt ze nog.
+
+»Eigen schuld. Wat deed je dien man te tergen. Loontje komt om zijn
+boontje. Nu was je zeker wel wijzer geworden."
+
+Wat dat »wijzer geworden" betreft, neen brave paedagogen, dat heb
+jelui glad mis. We gingen voort, den man te tergen. Nu meer dan ooit.
+Er viel nu een stuk tand te wreken. Daar zou hij voor bloeden. De
+»gouden stoep" bleef een aantrekkingspunt. Heb jelui ooit gezien, dat
+ontdekkingsreizigers zich door bevroren teenen en ijsberen van den pool
+lieten terughouden? De pool trok ze, trok ze met onweerstaanbare kracht.
+En als ze er eenmaal hun leven bij hadden verloren, waagden ze er een
+tweede aan. Neen, met vloeken en stokken houd je nooit jongens van
+gouden stoepen af.
+
+Hoe dan wel?
+
+Ik woon in een achterbuurt. Menigmaal staan er jongens en meisjes voor
+ons venster. Die kijken naar binnen. En dan roepen ze tegen elkaar:
+»Kijk, daar zitten ze. Ze eten. Zie je wel, sinaasappelen. Een schaal
+vol. Kijk, die eene schept zijn eigen op. Zeg, wat eten ze? Kan jij het
+zien?"
+
+Dat is wel lastig, zoo'n bekijk. Je bent niet vrij. En wat doe je dan?
+Dan word je kwaad, je tikt driftig tegen de ruiten en jaagt het
+straatpubliek weg, liefst met booze woorden. Niet waar?
+
+Neen, er is een betere manier. Ik denk aan mijn gouden stoep.
+
+Ik ga naar 't venster, schuif het gordijn weg, en houd den kinderen een
+sinaasappel voor: »Wil je dien hebben?"
+
+Ze zijn op 't punt van weg te hollen. Maar ik roep ze, houd ze vast met
+mijn vragende oogen, schuif het raam op, en geef ieder een sinaasappel,
+ieder een heelen.
+
+Ze nemen hem aan, krijgen een hoogroode kleur, prevelen: dank u, en gaan
+weg, zonder dat ik het vraag. Een eind verder blijven ze staan, bekijken
+met blijde gezichten--héérlijke gezichten--den sinaasappel, wijzen
+mekaar de heerlijkheden, en trekken dan langzaam af.
+
+»Een mooie manier!" zegt smalend de echte paedagoog. »Zoo stijf je die
+brutale schooiers in hun kwaad. Welzeker, geef ze maar sinaasappelen. Ze
+zullen morgen wel terugkomen. Zoo kun je aan 't geven blijven. Straks
+brengen ze hun makkers mee. Dan krijg je een heele kolonie voor je
+vensters. Daar valt wat te halen."
+
+Die echte paedagoog heeft evenwel in dit geval ongelijk. Hij heeft bij
+zijn beschouwing alleen zijn eigen machtsmiddelen in rekening gebracht
+en geen nota genomen van dat wonderlijk gevoel in menschenzielen,
+dat men een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid, beschaming
+kan noemen, en dat ook in schooierszielen woont, maar door de echte
+paedagogiek hardnekkig wordt kapot gestraft en aan flarden gescholden.
+Die kinderen komen _niet_ terug. Ik pas die methode nu al meer dan vijf
+en twintig jaar toe, dus je kan bijna zeggen, dat ik een paedaloog
+ben, tenminste zoo'n soort, en volhardend experimenteer op levende
+straatschooiertjes. Welnu, nooit hebben die kinderen mij in mijn
+vertrouwen beschaamd. Ze kwamen niet bedelen om sinaasappelen, en keken
+zelfs niet meer door de vensters.
+
+Beredeneer dat nu maar, of--nog liever--reken het uit in een
+statistiekje. Niet waar, dan alleen staat het wetenschappelijk vast.
+Vóór dien tijd is het alleen maar zoo'n beetje geliefhebber. Je moet
+het in cijfers voor je zien. Er moet een algemeene enquête worden
+uitgeschreven over 't heele land: _a._ Hoeveel straatschooiers kijken
+per jaar onbeschaamd door je vensters? _b._ Hoeveel gaan weg, als je ze
+een sinaasappel geeft? _c._ Hoeveel van die komen weer terug, geenmaal,
+eenmaal, tweemaal of meermalen? En als je dan bladen vol opgaven
+hebt--enkel betrouwbare, o zoo betrouwbare--dan bereken je, op een
+honderdste nauwkeurig, de resultaten. Dan staat de heele wereld
+verslagen van je wetenschappelijkheid en word je nog dokter honoris
+causa in de paedagogiek. Hoe zullen we 't in vredesnaam klaarspelen, wij
+onnoozele zielen, aleer we onze wetenschappelijke zekerheid hebben.
+
+Er is voor ons dat heerlijke Christuswoord: »Laat de kinderen tot Mij
+komen, en verhinder ze niet." Indien er iets, ook maar iets van
+Christus' liefde in ons woont, kunnen we ons daardoor veilig laten
+leiden. Laat dan de kinderen ook tot u komen, en verhinder ze niet.
+Verhinder ze niet met uw grauwen en booze blikken, niet met uw schelden
+en uitjakkeren. Het is wel droevig en schandelijk, dat op tot heden
+onbezochte eilanden de vogels nieuwsgierig en vertrouwend den mensch
+zien naderen, en dat te midden der beschaving de vogels verschrikt
+wegvliegen: »Een mensch, een mensch!" Zooals de musschen voor ons
+wegvliegen, doen 't ook de kinderen. Ze weten zich bij ons niet veilig.
+Verander dit. En wanneer ge twijfelt, hoe in bepaalde gevallen te
+handelen, herinner u dan uw eigen jeugd. Beter leerschool voor opvoeding
+is er wel niet. Herinner u, hoe uw kinderziel gereageerd heeft op de
+handelingen der volwassenen. Hoe men den engel in u opriep, en hoe
+den duivel. En handel dan soms, misschien zelfs heel vaak, precies
+omgekeerd. Die gouden stoep heeft mij gebracht tot een open venster. De
+dreigende stok tot een sinaasappel. En daar heb ik mij wel bij bevonden.
+Waarschijnlijk mijn straatpubliek ook.
+
+ * * * * *
+
+Ik wil over deze sinaasappelmethode nog een paar ervaringen vertellen.
+
+Er zijn in de buurt van onze school natuurlijk andere scholen, ook
+christelijke en katholieke. Nu hadden sommige leerlingen van die scholen
+er plezier in, ons overlast aan te doen. Ze schreeuwden onder onze
+schoolvensters, scholden de onderwijzers uit die poortwacht hadden,
+holden door de rij kinderen die zoo ordelijk op het trottoir bleef bij
+'t verlaten der school.
+
+Klaagden we bij hun onderwijzers, dan werden we altijd heel welwillend
+ontvangen en hadden het succes, dat de bengels duchtig onder handen
+werden genomen. Doch hieraan was een ander gevolg verbonden, dat die
+jongens n.l. nog wat vijandiger tegenover ons kwamen te staan. Hinderden
+zij ons niet meer, bang voor een pak slaag, welnu, ze hadden nog
+vrindjes, die niet meer op school gingen en wel als hun wrekers wilden
+optreden.
+
+Toen volgden we de sinaasappelmethode, die je heel goed kunt aanwenden
+al heb je ook geen sinaasappelen. We lokten de jongens met vriendelijke
+woorden, met een hand, zelf met een uitnoodiging om eens binnen te
+komen, op de speelplaats naar de duiven en de bijen en de tuintjes te
+kijken, in de school al de mooie platen te zien. Soms liepen we wel
+met meer dan tien jongens, na schooltijd, de lokalen rond. En aardig,
+ontroerend was het te zien, hoe die »schooiers" dan gaandeweg hun
+schuwheid aflegden, belangstellend naar alles keken en vroegen: hoe het
+kind zich in hen ontpopte, het vriendelijke kind.
+
+»Meester, die platen hebben wij ook op school."
+
+»Da's aardig."
+
+»Meester, mijn vriendje gaat hier. Kent u hem?"
+
+»Hoe heet hij dan?"
+
+»Piet."
+
+Daar valt een kameraad hem in de rede: »Zeg, d'r zijn zooveel Pieten in
+de wereld. Je mot toch zijn achternaam noemen."
+
+»Net zoo," zeggen wij. »Maar je bedoelt Piet Verbrugge, niet waar?"
+
+»Zie je nou wel, dat de meester hem kent."
+
+»Nó ja, omdat de meester hem dikwijls bij jou ziet, niet waar meester?"
+
+»Netzoo."
+
+Ze babbelden vrij uit, zetten uit eigen beweging de petjes af, en
+bedankten ons bij 't vertrek. »Dank u wel, meester!" En--kwamen den
+volgenden dag met een paar vrindjes: »Meester, of zullie ook eens magge
+kijke."
+
+»Welzeker, wat graag!"
+
+De collega's van de bizondere school zullen me nu toch niet verdenken,
+dat ik hun kinderen naar de openbare school lok? Eerlijk kan ik
+verzekeren, dat we er nog nooit eentje van die gasten als leerling
+hebben ingehaald. We hebben alleen wat straatvrindjes gemaakt. En als we
+nu poortwacht houden, komen verschillende jongens van de broederschool
+ons broederlijk de hand geven. Dat is alles.
+
+Zullen ze niet besmet worden door zoo'n openbare-school-hand?
+
+Kom, kom. Openbare en bizondere school moeten elkander de hand reiken.
+
+ * * * * *
+
+Als nu de Bond van Ned. Onderwijzers op zijn eerstvolgende Algem.
+Vergadering geen motie tegen me aanneemt, wil ik ook wel mijn collega's
+schoolhoofden aanraden--voor zoo ver noodig!--er wat minder gouden
+stoepen op na te houden en tegenover de klasse-onderwijzers, onder hun
+leiding, wat meer die sinaasappel-methode te volgen.
+
+»Dus," zegt de strijdgrage, doch al te vaardig concludeerende
+klasse-onderwijzer, »dus, wij zijn zoo iets als straatjongens, die op de
+vensters van de bovenmeesters hangen, om te kijken naar hun welvoorziene
+tafels, en die dankbaar wegsluipen, als ons genadiglijk een sinaasappel
+wordt toegestoken? Wij danken u feestelijk voor deze genade. Wij willen
+zelf om den disch zitten, en gij moogt onze vaten wasschen."
+
+Goed, goed. Er is eenmaal een Meester geweest, die zich niet ontzag,
+neen, die zijn grootheid openbaarde, door vrijwillig de minste te zijn
+en zijn discipelen de voeten te wasschen. Nooit onteert het werk den
+man. Wij worden alleen ontroerd door eigen onzedelijkheid. Geen
+buitenafsche glans van rijkdom of rang kan wegschitteren de doffe
+nevelen der innerlijke onreinheid. En alle nuttig werk kan geadeld
+worden door den geest die het verricht.
+
+Goed, goed, ik wil uw vaten wasschen, als gij op die wijze mijn gaven
+het best aanwendt tot heil van allen. Maar dan zal er toch wel iemand
+zijn, een uit uw midden, gelijk ook ik uit uw midden ben voortgekomen,
+of anders een uit voornamer levenskring, een dokter, advokaat, officier,
+in ieder geval iemand, een mensch, door u gekozen of aangesteld vanwege
+de door u gekozenen, een.... medemensch, d.i. een medezondaar, aan wien
+wat leiding en toezicht is opgedragen. Noem hem president en laat hem
+gezag voor een bepaalde periode, gelijk ook gijzelf telkens opnieuw
+gekozen wilt worden, afkeerig van stabiliteit in uw positie, of noem
+hem inspecteur en gun hem bij een blijvende taak ook een blijvende
+bestaanszekerheid, er zal iemand zijn, die over u en mij te zeggen
+heeft. En tot dezen iemand--misschien zijt gij, Bondsman, het zelf
+wel: er kunnen meer Ketelaars van klasse-onderwijzer gezagsman
+worden--tot hem en zijn gelijken zeg ik: geen gouden stoepen. Reik
+ons hartelijk-welmeenend als 't noodig is een sinaasappel toe. Ge zult
+eens zien, hoe die ons opvoedt.
+
+Er was eens een bovenmeester, die steeds zelf graag veel vrijheid
+had genoten, en nóg genoot, en die daarom (ja daarom, en niet
+desniettegenstaande) ook den onderwijzers veel vrijheid gunde en
+toestond. Je kon zeggen, dat de man er voor hen heelemaal geen gouden
+stoepen op nahield. Ze mochten letterlijk alles. Mits dat alles
+overeenstemde met hun plicht. Ze hadden volle vrijheid om te doen,
+wat hun plicht hen gebood.
+
+Maar nu was er onder het personeel eens een jonge, al te levenslustige
+vrijbuiter, die zoo nu en dan wel eens wat geholpen moest worden in
+het genieten zijner vrijheid tot plichtsvervulling. Komaan, daar was
+hij jong voor. Hij sprong wel eens wat buiten den, ook door hemzelf
+noodzakelijk erkenden band. En dan moest natuurlijk de bovenmeester hem
+vriendschappelijk daarop attent maken.
+
+Eens bij zoo'n gelegenheid was onze vrijbuiter echter wat ál te
+nonchalant. En toen de bovenmeester hem de onmisbare perken wees, maakte
+de schavuit het nog erger. Wat denk je, dat hij antwoordde op de zeer
+gegronde aanwijzing? »Och, stik!"
+
+Het kwam er heel joviaal en jongensachtig uit, maar men moet erkennen,
+dat het, zacht uitgedrukt, toch getuigde van wat al te weinig eerbied
+voor het regelmatig gezag.
+
+Wat deed nu de bovenmeester? Hij had dit antwoord kunnen rapporteeren,
+te meer, daar het hem onder getuigen was toegevoegd. Wellicht had hij
+het móéten rapporteeren, zoo niet ter wille van zijn persoon, dan toch
+ter wille van zijn ambt. Hier had iemand, niet in speelsche dartelheid,
+maar, althans schijnbaar, in respektlooze onbeschaamdheid, een
+noodzakelijk gouden bordesje niet betreden, maar bespuwd.
+
+Wat dééd de bovenmeester?
+
+Hij noteerde niet en rapporteerde niet. Hij gaf niet eens een standje.
+Hij zweeg. Ik denk, dat hij zich uit zijn jeugd ook herinnerde, hoe
+grauwen en dreigingen averechtsche gevolgen hadden. Maar hij rekende op
+iets. Hij rekende op dat »wonderlijke gevoel in menschenzielen, dat je
+een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid en beschaming kunt
+noemen". En hij rekende niet te vergeefsch.
+
+Den volgenden dag kwam de vrijbuiter bij zijn gezaghebber en zei, met
+iets heel trouwhartigs in zijn stem, een eigenaardige tinteling in zijn
+oogen, en een kleur van verlegenheid:
+
+»Bent u boos, om wat ik gisteren gezegd heb?"
+
+»Boos niet, maar...."
+
+»Och," kwam het er toen innig vertrouwensvol uit, »u moet maar denken,
+dat u zoo'n soort oudste broer van me bent."
+
+Toen stak de gezaghebber zijn vrijbuiter hartelijk de hand toe, en die
+twee bleven de beste vrinden, wat ze al waren, en nooit heeft in de
+kranten gestaan, dat een jong onderwijzer tegenover zijn rechtmatigen
+chef op een gegronde aanmerking »stik" had geantwoord. Daar is geen zaak
+van gemaakt, daar is het publiek niet in gemengd, daar zijn de vakbladen
+niet mee gevuld, daar zijn geen Hoofdbesturen voor opgetrommeld. En er
+is geen jonge rebel gestraft. Die jonge rebel heeft sedert een mooie
+carrière gemaakt.
+
+Dit alles was te danken aan de sinaasappel-methode, ofschoon men terecht
+opmerkt, dat de bovenmeester zijn onderwijzer toch geen sinaasappels
+offreerde. Maar wie nu nog niet heeft begrepen, hoe het kenmerkende
+dezer methode hierin bestaat, dat zij zich richt tot de _goede
+eigenschappen_ der menschelijke natuur, dat zij die wekt en te hulp
+roept, om het kind, het kleine en het groote, _zichzelf_ te doen
+verbeteren--die is niet waard, onderwijzer of bovenmeester te zijn.
+
+Ik zou het een groote onderscheiding achten, wanneer op een algemeene
+vergadering van Paedagogen de motie werd voorgesteld en bij acclamatie
+aangenomen:
+
+»De Alg. Verg. van enz.....
+
+gehoord enz.....
+
+overwegende enz.....
+
+verklaart, dat de sinaasappel-methode van Jan Ligthart de
+voortreffelijkste is,
+
+en gaat over tot de orde van den dag."
+
+
+
+
+NOG STRAATJONGEN.
+
+
+Volwassenen plagen--dat was, naast ons spel, een onzer voornaamste
+straatgenoegens.
+
+Hoe kwamen we daartoe?
+
+Ik denk, dat de volwassenen waren begonnen met ons te plagen, en dat wij
+de kunst en den smaak hierin dus van hen hadden overgenomen.
+
+Men is er altijd zoo grif mee, de jeugd toe te voegen, dat ze in
+allerlei narigheden, pakken slaag en dergelijke, haar verdiende loon
+krijgt, maar men vergeet, of liever, men komt niet eens op de gedachte,
+dat de volwassenen, in allerlei ergerlijke behandelingen van de zijde
+der jonkheid, evenzeer maaien wat ze hebben gezaaid.
+
+Wie de kinderen weggrauwt, wordt door hen, uit de verte, nagescholden.
+Wie ze wegranselt, wordt door hen nagesmeten. Wie zich ten koste van hen
+vermaakt, wordt straks door hen geëxploiteerd.
+
+Ga eens na, hoe de kinderen van volwassenen leeren, _bij eigen ervaring_
+leeren, op welke wijze men zijn evenmensch behandelt. Hoe zullen ze dan,
+in zulk een leerschool grootgebracht, het hun leermeesters verbeteren?
+
+Dezer dagen zag ik nog een treffend staaltje van zulk een opvoeding.
+Een stuk of zes jongens zaten voor een huis op een stoepje. Ze deden
+absoluut geen kwaad, koesterden zich in den zonneschijn, lachten wat
+onder elkander, hadden gemoedelijke jongenspret, zooals jonge honden dat
+ook zoo kunnen hebben.
+
+Plotseling ging achter hen een huisdeur open, een vrouw verscheen, en
+trapte ze nijdig weg. De jongens, doodelijk verschrikt, vlogen de straat
+op. Ze hadden geen flauw vermoeden gehad van dát gevaar achter hun rug.
+Ze zaten zoo knus op dat warme stoepje in den lekkeren zonneschijn. En
+nu stonden ze, met verschrikte gezichten, weggejaagd en weggegrauwd,
+ineens midden op straat.
+
+De deur ging met een nijdigen smak dicht. Maar nauwelijks was ze toe, of
+een van de zes, een goedaardige lummel van bijna dertien jaar, rende er
+heen, en trapte met razende woede tegen het paneel, of de deur in elkaar
+moest.
+
+Dat was het antwoord van den jongen op de uiting van de volwassene.
+
+Toen holde de »schooier" natuurlijk weg.
+
+Maar wie had hem op dat oogenblik tot een schooier gemaakt?
+
+Eén vriendelijk woord, en de jongens waren opgestaan en bereidwillig
+vertrokken, als ze tenminste nog niet al te zeer bedorven en verhard
+waren onder de bejegening van de ouderen.
+
+Eén vriendelijk woord.
+
+Maar de klagende volwassenen kunnen geen vriendelijk woord zeggen,
+tenzij misschien tegen hun meerderen, ze achten zich gerechtigd, de
+jongeren die hun in den weg staan als straatvuil weg te schoppen. Wat
+wonder, dat de jongeren terugschoppen? En dat ze, niet alleen deze of
+gene oudere, maar al spoedig de heele wereld der groote menschen als een
+vijandelijke partij beschouwen?
+
+Wij plaagden de volwassenen, en niet de kinderen. Hoe kwam dat? De
+kinderen begrepen ons. Met hen hadden we alleen zoo nu en dan een kort
+gevecht. Maar tegenover de volwassenen leefden we voortdurend op voet
+van oorlog. Aan wie de schuld?
+
+ * * * * *
+
+Vóór het huis van Piet, denzelfden Piet, die op zijn verjaardag een pak
+traktaatjes van me »kreeg", was een platte stoep in den vorm van een
+rechthoek en daarom heen een nog al hoog houten hekje. De paaltjes waren
+vrij dik, dicht bij elkaar, en donkergroen geschilderd, zoodat we binnen
+dat hekje goed verborgen zaten. Bovendien stond er een oude boom voor,
+welks zware kruin een donkere schaduw op den gevel en ook op de stoep
+wierp.
+
+We konden daar zoo gezellig zitten, ongezien door de voorbijgangers.
+Als het dan een beetje begon te schemeren, bonden we een zakdoek of
+een gevuld papieren zakje aan een dun, zwart touw, legden het voorwerp
+op de straat en leidden het touw tusschen de spijlen van het hekje
+door. We vischten op hebzucht. Geen man of vrouw kwam er voorbij, die,
+het verloren voorwerp ziende, niet even stil bleef staan, om het op te
+rapen. Maar nauwelijks bukten ze zich, of het voorwerp begon te leven,
+het bewoog, schoof over de straat, en eer het gegrepen kon worden,
+sprong het met een ruk onder de oogen van den eerlijken vinder weg. Een
+gejuich ging op uit het donkere hek, en de gefopte man of vrouw liep
+gewoonlijk snel door, zonder om te kijken. Dan zeiden wij, natuurlijk in
+van de ouderen overgenomen humor: »Hij houdt zijn smoel, maar Onze lieve
+Heer hoort hem brommen."
+
+Deze plagerij was een van de onschuldigste. Een verbazend plezier hadden
+we er in, de menschen voor niets naar den belknop te doen loopen, maar
+dan niet door even aan te bellen en daarna weg te hollen, dat was te
+gewoon. Als er ijs in 't water lag, bonden we een donker touw aan den
+belknop, liepen dwars den weg en het ijs over naar den overkant, gingen
+daar in de koude aan den walkant zitten, en trokken. Natuurlijk gebeurde
+dat in donker en op een stille gracht met haast geen verkeer. Ging de
+bel over, dan zagen we de deur openen, iemand rondkijken, en--'t was
+koud--weer gauw de deur sluiten. Een minuut later trokken we weer, en
+dat hielden we vol, totdat de bewoner het touw ontdekte. Dan ging er van
+onzen kant een soort indianengehuil op. We lieten het touw voor een deel
+in den steek, gingen door en door koud naar huis, maar hadden heerlijk
+genoten. Bijna zooveel als de man, die in een koelen nacht op aal zit te
+peuren. We hadden ook beet gehad.
+
+Een variatie op dit thema, maar nu al ja wat erger, vonden we, door met
+een stevig touw den belknop aan den deurknop vast te binden. Dit kon
+echter alleen, als beide knoppen dicht bij elkaar waren. Daarna schelden
+we aan. We hoorden een der bewoners door de huisgang loopen, de deur
+naderen, het slot openen, trekken. Maar de deur kon niet open. Zelfs
+geen kier. Al naar zijn temperament begon nu de bewoner te vloeken of
+te smeeken. In 't laatste geval sneden we nog wel eens het touw door.
+Doch in 't eerste geval lieten we hem zitten, gevangen in zijn eigen
+huis, totdat op zijn gebombardeer en geschreeuw een goede buur of
+voorbijganger zich over hem ontfermde. Dan stond de geplaagde man te
+schelden op die bliksemsche jongens. Maar die bliksemsche jongens waren
+al lang verdwenen.
+
+Je zoudt zeggen, dat we toen al les in de methodiek hadden genoten, want
+er was in onze streken een mooie »opklimming van moeilijkheden". De knop
+van een gewone deur aan een belknop binden, was al gauw niet loonend
+genoeg meer. We zochten een deur uit, waarin het houten bovenpaneel
+vervangen was door ijzeren lofwerk. Als dan de bewoner wanhopige
+pogingen deed, om zijn deur te openen, stonden wij op de stoep, op
+_zijn_ stoep, hem uit te lachen of met hoonende woorden te sarren, zoo
+ongeveer als Reintje de Vos het doen kon, als hij zijn aartsvijanden,
+beer en wolf, in de ellende zag, waarin hij, en hun eigen ondeugd, hen
+had gestort. We smaakten er een helsch genot in, de menschen in hun
+machtelooze woede nog wat te tergen, dansten de dolste bokkesprongen
+voor de traliën van den gekerkerde, of stonden met ijzige kalmte--als
+wisten we van den prins geen kwaad--het vruchteloos rukken aan te zien.
+Ja, dat was eigenlijk het gemeenste, als we ons hielden of we volkomen
+onschuldig stonden te wachten op het openen eener deur, die door eenige
+ons totaal onbekende oorzaak maar niet open wou. Ging eindelijk de
+bewoner naar binnen, dan maakten we dat we wegkwamen, want dan begrepen
+we, dat hij in zijn tuintje een buur zou roepen, misschien wel
+twee--links en rechts--en konden deze, plotseling naar buiten schietend,
+ons insluiten. En dan zaten _wij_ in de klem. Bij al onze ondernemingen
+waren we krijgskundig genoeg, om voor een goeden aftocht te zorgen.
+Wonderlijk, hoe dat geroemde genie der groote veldheeren al in het
+jongensinstinkt zit.
+
+ * * * * *
+
+Ik vertrouw, dat mijn eerzame lezers wel eenige voortreffelijke
+kwaliteiten in onze gemeenheden hebben ontdekt en dat ze bereid zijn,
+ons evenzeer een plaats in de historierollen te verzekeren als de groote
+vlootvoogden en veldheeren. Ook wij wisten onze aartsvijanden, de
+volwassenen, aanhoudend te bestoken en daarbij meesterlijke terugtochten
+te arrangeeren. Maar zulke deugden worden in het klein nooit
+gerespekteerd en allerminst door de slachtoffers. Men huldigt ze alleen,
+als ze zich op veel grooter schaal vertoonen en in dezelfde mate ellende
+hebben gebracht. Niet één huis, maar een heele stad moet omsingeld
+worden, niet één nijdige vent, maar een heel leger ingesloten. Niet een
+paar vloeken, maar duizenden dooden moeten er vallen. Het zij zoo. Ik
+heb al zooveel aanspraken op roem en een standbeeld zien miskennen, ik
+geef ook deze op. En pluk ik al niet mijn verdiende lauweren, in ieder
+geval mijn paedagogische vruchten. Misschien zijn die nóg meer waard.
+Lauweren verdorren, en vruchten hebben zaden. De eerste zijn een
+afrekening met het verleden, de laatste beloften voor de toekomst.
+
+Een dier paedagogische vruchten is, dat ik me jegens mijn eigen
+scholieren nooit braver voordoe, dan ik ben geweest, en hen geregeld
+mijn jongensstreken vertel. Ze weten van mijn spijbelen, van mijn
+wegspatten uit de schoolblijversklas, ze weten ook dat ik bij dat
+spijbelen zoo heerlijk genoten heb, dat het mijn eenige geluk is geweest
+tijdens deze schoolperiode, ze weten van mijn belknopexpedities, ze
+weten haast alles, ook wat er nu nog volgt.
+
+En als ze die kunstjes van den meester nu nadoen?
+
+Met die vraag komen de bengels zelf ook altijd voor den dag. »En als wij
+nu ook eens drie weken spijbelden?"
+
+Maar dan is mijn vast antwoord: »Dat doe jelui niet."
+
+»En als we het dan tóch eens deden?"
+
+»Jelui doet het niet."
+
+»Hoe weet u dat?"
+
+»Omdat je 't hier veel te goed hebt."
+
+Dan lachen de snaken, en er gaat een vriendschappelijk gejouw op: »Haha,
+te goed!"
+
+»Ja zeker, veel te goed. Je hebt absoluut geen reden om te spijbelen.
+En wil ik je nu nog wat anders zeggen? Als jullie meent, dat je hier
+onbehoorlijk, hard of onrechtvaardig behandeld wordt, dan geef ik je
+verlof om te spijbelen. Maar je dóét het niet. Daar ben ik wel zeker
+van."
+
+»Jongens, ga je mee?" roept er een, en hij doet of hij vertrekken wil.
+Maar halverwege keert hij lachende terug. »'k Zal maar hier blijven."
+
+»Dat wist ik wel."
+
+Wellicht vindt deze of gene onder mijn lezers die methode toch wel wat
+gewaagd. Maar dan wil ik hem zeggen, dat je er wát een succes mee hebben
+kunt.
+
+Zoo kwam er onlangs een oude man bij ons op school met zijn 12-jarigen
+kleinzoon. Die jongen had het op een andere school erg verbruid, had
+daar herhaaldelijk straf opgeloopen en gespijbeld, en nu--»of de meester
+ook een plaatsje voor hem had."
+
+»Gespijbeld? Heb jij gespijbeld? Dan moet ik je net hebben. Want dat heb
+ik ook in mijn jongensjaren gedaan en 't is mijn prettigste tijd
+geweest."
+
+De jongen hief zijn zwarte oogen naar me op, zonder dat ik hem hiertoe
+dwong--je hebt van die paedagogen (ook onder de agenten) die altijd de
+slachtoffers _dwingen_ hen, beleefdheidshalve, aan te zien, maar door
+hun gansche optreden de oogen dier misdadigers een anderen kant op
+jagen--de jongen dan keek me gansch vrijwillig aan, en er was een
+glinstering van vertrouwen in zijn donkere kijkers.
+
+»Zeker, ik heb ook gespijbeld. En daarom moet ik je juist hebben. Je mag
+komen, hoor!"
+
+Grootvader keek verslagen. Hij dacht, dat hij met een krankzinnige te
+doen had. Zoo ongewoon is zulken menschen de simpele gewoonheid.
+
+»Hij mag komen, Grootvader! Maar op één voorwaarde."
+
+Vier vragende oogen keken mij aan.
+
+»Dat hij dadelijk gaat spijbelen, als 't hem niet bevalt."
+
+Grootvader snapte het niet. Hij was al te veel verbasterd in deze wereld
+van schijn, mooidoenerij, braafheidsvertoon, algemeene fatsoenhouderij.
+Maar de jongen begreep me. Hij lachte. En pas had ik hem de hand ten
+verbond toegestoken, of hij sloeg toe. Hij kwam op school, is een jaar
+gebleven, en heeft _nooit_ aanleiding tot eenige klacht gegeven.
+
+Natuurlijk gun ik het succes hiervan ten volle aan zijn
+klasseonderwijzer. Maar deze stoort zich ook al meer aan de paedagogiek
+zijner levenservaring, dan aan de voorschriften der gezags-paedagogiek.
+Hij volgt dus dezelfde methode als ik. Misschien moest ik zeggen:
+Ik volg dezelfde methode als hij. Want ik geloof, dat ik in dit
+opzicht heel wat van hem geleerd heb. De hoofdzaak echter is, dat
+we dit succes te danken hadden aan de methode van--toe, geef eens
+een mooien naam, liefst een Griekschen--de methode van....
+zondaar-met-den-zondaar-te-zijn.
+
+ * * * * *
+
+Die methode komt in geen paedagogisch handboek voor, evenmin als
+de sinaasappel-methode. Maar ik hoop, dat beide daar nog eens een
+plaats krijgen. En daarom ga ik nu nog een van onze streken vertellen,
+misschien wel een der ergste. Wie weet, of ook uit dit kwaad niet iets
+goeds geboren wordt.
+
+Het is avond. De duisternis hangt reeds over het vunze grachtwater en
+vult de nauwe ruimten tusschen de hooge huizenrijen, die men straten en
+dwarsstraten noemt. Wij dwalen nog zoo'n beetje in die duisternis rond,
+zoekend naar een genotsprikkel. Daar ligt ergens een keisteen los. We
+halen hem uit het plaveisel. Of een paard nu misschien zijn poot in dat
+kuiltje verzwikken kan, niemand denkt er aan. Met die kei kunnen wij wat
+uitvoeren.
+
+Nu zoeken we einden touw in onze jongensschatten, opgehoopt in de
+broekzakken. Die einden binden we aan elkaar. 't Wordt een touw van
+behoorlijke lengte. Het eene eind wordt op stevige wijze om de kei
+gebonden.
+
+Ginds staat de deur van een bovenwoning open. Wij er heen. Een van ons
+trekt zijn schoenen uit, neemt de kei in zijn linkerarm, de schoenen
+in de rechterhand, en sluipt op zijn kousen de trap op, naar 't
+bovenportaal. Een ander heeft beneden het touw vastgehouden.
+
+De indringer staat doodsangsten uit. Want het is mogelijk, dat juist
+op dit oogenblik daar boven een deur opengaat en een bewoner hem in de
+gaten krijgt. Erger, het is ook mogelijk, dat nu juist een der bewoners
+thuis komt, een pootige, ruwe kerel, en achter hem de trap oploopt.
+Dan zit hij in de val. Want dan vraagt die kerel hem natuurlijk wat
+hij daar te maken heeft, ontdekt den steen, heeft misschien de jongens
+beneden al weggevloekt, en grijpt den binnensluiper in zijn nek....
+
+O, die heerlijke doodsangsten! Wat heb ik er van genoten! Iedere zenuw
+is in spanning! Elke seconde is een levensgevaar!
+
+Eenmaal hééft een kerel me zoo verrast. Maar niet gegrepen. Hij zag me
+niet. Ik sloop als een schaduw de trap op, het portaal door, duwde me in
+een donkeren hoek, plat tegen den muur, en de kerel liep me voorbij. Het
+was om te bezwijken van heerlijkheid. Zulk een oogenblik is een hemel.
+Het is bijna zoo zalig, als dat je op 't punt staat door de Indianen
+gescalpeerd te worden en door de uiterste doodsverachting je leven redt.
+Je bent een moment een van je meest benijde boekenhelden.
+
+Als de indringer zonder gevaar boven is gekomen, legt hij daar
+behoedzaam den steen neer, sluipt weer naar omlaag, trekt zijn schoenen
+aan, en houdt zich gereed.
+
+»Trek!" fluistert hij.
+
+De man aan het touw trekt en de steen dondert de traptreden af naar
+beneden. Tegelijkertijd schreeuwt een der jongens een erbarmelijk
+kindergeschrei uit. Je kunt niet anders denken, of er valt een kind van
+de trap. Alle kamerdeuren vliegen open, alle vrouwen komen kijken. »Een
+kind van de trap gevallen!" En ze tuimelen zelf haast de trap af, om de
+eerste te zijn, die 't arme schaap opraapt. Want vrouwen van dat slag
+mogen haar eigen kinderen verwaarloozen, bij een ongeluk zijn ze de
+hulpvaardigheid zelf.
+
+Maar ze vinden niets dan malkaar en dat is reden genoeg om te blijven
+staan en met nog eenige andere ook toegeschoten buurvrouwen te
+overleggen, wat daar dan toch kan gebeurd zijn. Wij jongens, eerst
+weggehold, met den steen, komen nu een voor een naderbij, steken ons
+gezicht tusschen een paar jakken door, en informeeren belangstellend
+naar het gevallen jongetje. En wij smullen daarbij van ons succes. Of
+de vrouwen 't in de gaten krijgen? Een van haar roept tenminste: »za-je
+opdondere, vuile flikkerkop!" En veiligheidshalve »dondere" wij op.
+
+ * * * * *
+
+Ook deze jongensgrap heb ik vaak in kleuren en geuren aan mijn
+leerlingen verteld. En dan zaten die te springen van plezier. De meisjes
+niet. Die voelen over 't algemeen niet veel voor zulke min of meer
+avontuurlijke streken. Maar de jongens. Hun oogen flikkerden. Nog meer
+dan bij het overhooren der jaartallen. En niet een dacht er aan, of op
+een dier bovenkamers misschien een doodziek kind, een stervende zieke
+lag. En of die donderende steen wellicht een armen lijder had doen
+opschrikken, die juist wat verademing beloofde te krijgen in een
+rustigen slaap. Daarheen gingen hun gedachten niet, zoo min als die
+van ons, jeugdige bedrijvers van die geneugten. We waren immers door
+voorbeeld en lektuur ook in plagen opgevoed?
+
+Maar daarom, als mijn jongens volop genoten hadden van mijn vertellen,
+liet ik hen critiek oefenen. Ik keerde dus het spelletje om. Niet
+ik sprak afkeurend over hun ondeugendheden, maar ik liet hen al het
+verkeerde aantoonen in mijn gedrag. En het was wonderlijk, hoe ze dan
+gaandeweg van stemming en gezindheid veranderden. Eigenlijk was het
+een gemeene streek, om die menschen zoo aan het schrikken te maken.
+En ook gevaarlijk voor mogelijke zieken. Wie weet, of daar niet een
+vrouw in de bitterste armoede op haar man, op haar zoon zat te wachten,
+een woesten dronkaard. En hoe dan die arme vrouw, doodelijk verschrikt,
+zou opspringen. Ach, er wordt in die kleine woningen zooveel ellende
+geleden. Er is daar zooveel verterende smart. Dag aan dag, en nacht aan
+nacht. Drank, armoede, ziekte, dood.
+
+Natuurlijk hielp ik mijn jonge veroordeelaars in het uitdenken van
+toestanden, die onze grap tot een ernstig vergrijp maakten. En dan
+bedachten we met elkaar, hoe je een beetje blijdschap kon brengen in
+zulke vaak droevige gezinnen, hoe je misschien helpen kon. Ja, daar
+waren wij ook wel toe bereid geweest. Maar men had het ons niet geleerd,
+we waren er niet in geoefend. Bereid? 't Gebeurde nog al vaak in die
+buurten, dat er een drie- of vierjarig kind zoek raakte. Die kinderen
+speelden vrij op straat en dwaalden dan weg. Maar nauwelijks hoorden we
+van een radelooze moeder dat ze haar kind »verloren" had, of we staakten
+onmiddellijk het boeiendste spel en trokken in groepjes de straten
+rond onder het eentonig-zangerig geroep van: »Wie hét er een ki----nd
+gevonden, wie hét er een ki----nd gevonden," net zoo lang totdat het
+verloren schaap terecht was. Hoe levendig herinner ik mij die droomerige
+dwaaltochten, straat in straat uit, waarin we gehuld waren in de
+atmosfeer van ons eigen weemoedig-melodisch geroep. Niemand dacht aan
+opgeven. Ook wij waren verloren, verloren in dienstbetoon. Alleen nu en
+dan hielden we stil, als een deelnemende vrouw vroeg: »Hoe oud is het,
+jongens?"--Drie jaar.--»Nee, niet gezien, hoor!"--En dan trokken we weer
+verder, aanstonds in de maat en de stemming van ons zingend vragen, dat
+de open deuren en ramen ingolfde. Bereid? Ja, zeker waren we bereid. Men
+verstond echter niet de kunst die bereidheid te exploiteeren. Zou dit
+niet een der eerste opvoedingsplichten zijn? Leer uw kind, zichzelf te
+helpen, en ook anderen. Dat leert men echter het best niet door preeken,
+maar praktisch. Ga hen voor en neem ze mee.
+
+Mijn leerlingen waren intusschen hartelijk bereid, het vroegere gedrag
+van hun meester af te keuren, en daarmee had die meester ze meteen in
+zijn paedagogische val. Want je moogt van rechters, die zoo pas het
+stelen veroordeeld hebben, toch niet verwachten, dat ze nu zelf op roof
+uittrekken?
+
+ * * * * *
+
+Ik hoop, dat mijn vreesachtige lezers, die zooveel gevaar duchten van
+dat vertellen onzer kwajongensstreken, toch ook een weinig oog hebben
+gekregen voor de gezegende vruchten er van. Men komt, in de eerste
+plaats, daardoor zoo dicht, zoo heel dicht bij de kleine zondaars van
+nu te staan. Zij voelen in u een van hun gelijken, vertrouwen u, durven
+zich aan u geven--en komen dientengevolge te gemakkelijker onder uw hun
+heil bedoelenden invloed. We weten het wel, Farizeesche ongereptheid is
+heel mooi om aan te zien, bijna zoo mooi als een verlakte schoen, maar
+de tranen van ons berouw glijden er langs af, dringen er niet in, vinden
+er geen toegang. We voelen ons meer thuis bij den tollenaar, die in zijn
+machtelooze veroordeeling van eigen ongerechtigheid alleen redding zocht
+bij de genade der goddelijke liefde:
+
+»Heer, wees mij zondaar genadig." Wanneer kinderen in ons medezondaars
+weten, is de afstand tusschen hen en ons wat kleiner. Ze laten zich in
+ons los.
+
+Maar dan in de tweede plaats, kan men van eigen verleden een spiegel
+maken, die niet alleen het kwade weerkaatst, maar ook de daaruit
+voortvloeiende gevolgen. Men kan de kinderen oog doen krijgen voor
+hetgeen het kind, en ook nog de mensch, in eigen handelingen bijna nooit
+ziet: de noodlottige gevolgen, vonnissend de onschuldig schijnende
+daad. Dat kan nu ook wel in een of ander verhaal, maar het verhaal
+van meesters eigen leven is zooveel aangrijpender, juist omdat het
+hém betreft. Alle kinderen hooren graag vader en moeder van eigen
+jeugd verhalen, hoe die geëerbiedigde volwassenen zich als kinderen
+vertoonden. En ik heb het bijgewoond, hoe kinderen medelijden hadden
+met dat arme jongetje, dat zoo strijden moest om eigen kwaad te
+overwinnen en er telkens weer in verviel, en dat nu hun vader was.
+
+Wie zich aan zijn kinderen durft geven, gehéél, doch met de heilige
+bedoeling om dit als een offer te brengen tot hun heil, hij zal ervaren
+hoe dit offer, wel verre van tot navolging der verkeerde daden te
+prikkelen, een zegenende ernst in hen ontwikkelt, een vroegen strijd,
+een--mogen we hopen--tijdige zege.
+
+Dan mag er--we zijn immers onder kinderen--wel eens een vroolijken toon
+in ons verhaal klinken, dan mag er wel eens een luid gelach uitbarsten,
+mits de ondertoon ernst is en het doel wordt beoogd: het geslacht van
+nu, zoo mogelijk, te bewaren voor de zonden van het vroegere.
+
+
+
+
+NÓG STRAATJONGEN.
+
+
+Waarom--zoo vragen vaak ouders--waarom glijdt die jongen nu liever langs
+de leuning van de trap naar beneden, in plaats dat hij, evenals wij,
+netjes over de treden loopt. Dit laatste is toch zooveel veiliger.
+
+Ik denk, dat die jongen, behalve om het glijgenot, de leuning juist
+kiest omdat zij een beetje _on_veiliger is.
+
+Kinderen _zoeken_ moeilijkheden.
+
+Langs uw trap zijn twee wegen. Den eenen volgt gij. 't Is de breede,
+gemakkelijke, met loopers geplaveide weg tusschen beide leuningen. De
+andere bestaat uit de kleine puntjes der treden, die nog even buiten de
+leuning uitsteken. 't Is de uiterst smalle weg, die voortdurend boven
+den afgrond van den hal hangt. En dien volgt hij. Daarbij zet hij zijn
+voeten dwars, houdt met één hand de leuning vast, laat zich half boven
+de diepte zweven, en slingert zich, boven gekomen, met vlugge beweging,
+op den heirweg, door u gevolgd.
+
+Dat is een zeer duidelijk uitgesproken verschil van voorkeur.
+
+Gij vraagt, waaróm die jongen zoo dwaas is, zich moedwillig in 't gevaar
+te begeven, en denkt er niet aan, hoeveel kostelijke krachtsontwikkeling
+ge hem beneemt, als ge hem dezen moedwil verbiedt. Hoe zal de jongen,
+te midden van zijn geriefelijke omgeving, een beetje leeren durven en
+wagen, als hij er niet op eigen gelegenheid wat ongerief mag scheppen?
+
+Men beschuldigt in zulke gevallen de kinderen aanstonds van
+onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid en ranselt er dan die twee ondeugden
+uit. 't Is verkeerde paedagogiek. Men ranselt er op die manier een
+natuurlijken opvoedingsfaktor uit, slaat dien tenminste voor een poosje
+lam. De onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid is een ademen der zedelijke
+natuur, 't is het uitslaan der vleugelen, 't is het uitgroeien der
+ethische krachten van moed en zelfvertrouwen, 't is het overwinnen van
+onmisbare zwarigheden, en daardoor het winnen in willen en kunnen.
+
+Bekijk de zaak eens van dezen kant, en gij zult begrijpen, waarom die
+jongen liever op de tuinschutting zit dan op de tuinbank--ongeacht het
+wel wat smalle zitvlak van die tuinschutting; waarom hij zoo graag door
+het dakvenster klautert en liefst tegen de pannen op dan nog naar de
+vorst van het dak; waarom hij buiten zoo onweerstaanbaar door slooten
+wordt aangetrokken en als door een magnetische kracht wordt gedwongen
+daarover te springen; waarom hij, met zijn kameraad op de wandeling,
+zeker tienmaal, indien niet twintigmaal, vraagt: durf jij dat? en--als
+er maar geen ouders bij zijn--dan bij ieder kwestieus geval net zoo lang
+draalt en zich opwindt tot hij gedurfd heeft.
+
+Gij zegt, dat hij aan zijn kleeren moet denken en aan alle mogelijke
+ongelukken. Hij denkt aan niets dan aan het lokkende gevaar en aan de
+zalige zege.
+
+Toe, bekijk de zaak eens van dezen kant en vraag dan uzelf af, bij welke
+partij de ware opvoeding werkt: bij de officiëele opvoeders of bij het
+brutale, onnadenkende kind, bij de verlammende leiding of bij de
+stalende zelfstandigheid.
+
+ * * * * *
+
+Voor ons huis was een houten brug met een ijzeren leuning. Hoe dikwijls
+liepen wij jongens, een heel rijtje achter elkaar, langs den buitenkant
+der leuning. Ik voel dat ronde ijzer nog en aan het einde den
+bolvormigen knop. Ik zie nog het vuile water onder ons. En ik herinner
+me nog den even voorzichtigen als sierlijken zwaai, waarmee we om den
+eindknop heen weer op de straat terecht kwamen.
+
+Zeker, als ik het nu van kinderen zag, ik zou mijn hart vasthouden, maar
+nooit is er bij die kunsten een jongen te water gevallen, zelfs niet
+als we, verstoken van alle gymnastiekwerktuigen, de ronde leuningen als
+rekstok gebruikten om er ons borstwaarts of ruggelings over te trekken.
+Er waren jongens, die, waar ergens een brugleuning van hout was met een
+plat bovenvlak, daar overheen liepen. Eén zwenking naar links, en ze
+tuimelden in het diepe water. Maar ze liepen met geconcentreerde
+
+zekerheid de heele leuning af, om dan aan het eind met een prachtigen
+sprong weer op den vlakken grond te komen. Wie het niet durfde, stond
+het bewonderend aan te staren.
+
+Eén heldendaad van dien aard herinner ik me van mezelf. Er stond eens
+een vrij hooge stapel roode baksteenen opgetast aan den waterkant
+dicht bij ons huis. Dat zag men toen meer: de openbare weg deed bij de
+bouwerij nog al eens dienst als stapelplaats van materialen. Nu was er
+tusschen dien hoogen steenstapel en den waterkant natuurlijk een reepje
+weg onbedekt gebleven, een paadje dus achter den steenenmuur en vlak
+langs het water, een paadje waar een paar muizen konden wandelen,
+misschien ook een kat, maar stellig geen hond, en dat alzoo nu juist
+niet bepaald voor jongens was opengelaten. Daar kon geen kind langs.
+Reden te meer om het te willen.
+
+»Durf jij daar langs?"
+
+Nauwelijks was de vraag gedaan, of het paadje begon te trekken. Eerst
+trok het je oogen en die maten met een enkelen blik de breedte--smaller
+dan je voet--en de lengte--een meter of drie. Toen trok het je
+linkervoet. Die moest noodzakelijk even om het hoekje heen, den neus
+van je schoen rechthoekig tegen de steenen. Dat ging. Op je teenen en
+de voorhelft van je voet kon je er staan. En als je je voet dwars tegen
+de steenen drukte, met zijn binnenzij tegen den muur, dan kon hij er
+heelemaal op. Nu trok het je linker arm. Die strekte zich uit en legde
+zich, met uitgespreide vingers, vlak tegen den stapel. Je hand ging
+werken als een zuignapje. Hij zoog zich als aan de steenen vast. Pas
+op, het paadje trok je linkerbeen, je linkerzij, het trok je borst--je
+drukte die plat tegen de steenen--je rechterbeen moest volgen, dan je
+rechter arm, en je schoof, met uitgespreide armen, als een schaduw langs
+den steenenmuur. Hoe kón het? Dat weet ik niet, maar het kón.
+
+Voetje voor voetje ging het schuivende verder. Eenmaal begonnen, was
+er aan teruggaan geen denken meer. De makkers keken ademloos toe. De
+menschen aan den overkant spraken er zeker schande van: »zulk tuig!" Ik
+zag niets, hoorde niets, dacht aan niets, wist alleen dat ik, klevende
+aan de steenen, moest voortschuiven. En ik schoof voort. Mijn leven hing
+af van een oogenblik aarzeling of twijfel. Mijn leven en mijn triomf.
+Ach, mijn hemel, het was alleronzinnigst. Maar waarom vertelde men
+ons dan ook de geschiedenis van De Ruyter? Ik had geen toren om te
+beklimmen. Moest ik dan de bevende heerlijkheid van het gevaar niet
+achter die steenen zoeken?
+
+Ik kwam er. Even behoedzaam tastende als de tocht begonnen was, werd hij
+geëindigd. Geen roekeloosheid op het laatste moment. De linkerarm boog
+eerst om, de schouder volgde--maar reeds grepen de makkers dien arm beet
+en ik stond weer in hun midden. Doodstil. Zij juichten. Ik zweeg. Want
+als je wezenlijk verdienste hebt, met uiterste inspanning veroverd, dan
+bluf je niet. Dan ben je moe en stil.
+
+Een tweeden keer heb ik dien tocht niet gedurfd. Toen trok ook het
+smalle randje niet meer. Het had zijn bekoring verloren, gelijk de
+jonkvrouw in Schillers ballade van »De handschoen". En geen der
+kameraden volgde me na. Er zijn heldendaden, voor enkelen weggelegd,
+en die deze ook maar éénmaal in hun leven kunnen volvoeren.
+
+Natuurlijk begrijpen de menschen niets van wat er omgaat in zoo'n
+jongen. Ze vinden het domme waaghalzerij en koelen hun angst voor zijn
+gevaar met scheldwoorden, pakken slaag, naar huis en naar bed. Daar is
+de bengel dan vooreerst weer veilig en kon hij over zijn zonden
+nadenken.
+
+Op dat nadenken moeten de opvoeders echter nooit veel rekenen. Het
+bed is geen plaats voor zulke berouwvolle overpeinzingen. Daar, als
+waarschijnlijk in elke andere gevangenis, lig je te fantaseeren. Je
+ziet alles nog eens levendig voor je. Je geniet van nieuwe gevaren.
+Je klimt en klautert langs onmogelijke wanden. Je bent er veilig, nu
+ja, maar nadenken? Op grond mijner jeugdervaringen ben ik een overtuigd
+tegenstander van de celstraf. Ik geloof alleen in de verbeteringskracht
+van goed gezelschap en lustwekkenden arbeid.
+
+ * * * * *
+
+Hoe weinig ik in zulke waaghalzerijen kwaad zag, blijkt wel uit het
+volgende.
+
+Ik had een nieuw zondagspak gekregen. Dat was heusch een weelde, die
+niet ieder jaar voorkwam. Met je moeder naar den winkel gaan, daar
+verschillende pakken bekijken en passen, eindelijk dat eene mooie te
+krijgen, juist dat eene waar je al je hart op gezet had, en dit dan den
+eerstvolgenden zondagmorgen te mogen aantrekken en er de straat mee te
+mogen opgaan, neen, dat was heusch geen kleinigheid, dat was een reeks
+zeldzame genietingen, zooals in ons kinderleven wel eens één keer in de
+drie jaar voorkwam; meestal werden onze kleeren gemaakt uit die der
+oudere jongens.
+
+Het was dus een unicum, voor mijn ouders een groot geldelijk offer, en
+toen ik den eersten zondagmorgen den besten in het nieuwe pak uitging,
+liep Moeder mee tot aan de winkeldeur, tot op de stoep.
+
+»Zal je er goed op passen, Jan?"
+
+»Ja Moe!"
+
+»Zal je er erg voorzichtig mee zijn?"
+
+»Ja Moe!"
+
+Ik stapte de gracht op, ging mijn vrindjes halen, liep niet als een
+gewoon kind, maar als een drager van nieuwe kleeren. Ik keek nog eens
+om. Moeder stond me nog met gelukkige, streelende oogen na te kijken.
+Ze moest er van genieten, hoe 't me stond als ik op straat liep, en hoe
+netjes haar jongen er uitzag. Ook voor haar was 't een weelde en een
+zeldzaam genot.
+
+Met mijn vrindjes ging ik naar buiten. In de stad wandelden we
+nooit. Altijd naar buiten, naar de slooten, naar de balken bij den
+houtzaagmolen, naar de tuinschuttingen, naar de wilgen. Er moest water,
+groen en klimbaarheid zijn. En dat had je in de straten niet.
+
+Eerst bewonderden de vrindjes natuurlijk het mooie pak, maar dat was
+gauw gedaan. Jongens vinden het wel een ellende met vermaakte kleeren
+te worden op straat gestuurd, en ze zijn wel grootsch op een nieuw pak,
+maar die ellende en die grootschheid duren beide gewoonlijk heel kort.
+Zoodra de kameraden hun schimp of hun lof hebben geuit, is 't gedaan met
+de macht der lichaamsbedekselen. Dan dénken de jongens eenvoudig niet
+meer aan hun kleeren--zoo heel anders dan meisjes--en voelen ze als
+lagen huid, die zich zoo gauw mogelijk moeten schikken naar de
+bewegingen van het lichaam.
+
+Zoo ging het ook mij op dien Zondagmorgen. Mijn nieuw pak werkte al niet
+meer, toen we nog maar even buiten de poort waren, en het sprong net zoo
+gemoedelijk mee over de balken in de sloot als mijn oude plunje. Het
+schikte zich wonderwel in de manieren en plezieren van zijn eigenaar.
+Zelfs klom het al mee in een boom.
+
+Er stond ergens aan den slootkant een knotwilg, die half over het water
+hing. Nu konden we reeds op drie manieren op het weiland komen: over het
+hek op den dam klimmen, over de balken in 't water loopen, of ineens
+over de sloot springen. Dat was voor een gewoon mensch al variatie
+genoeg, zoolang er echter niet een schuine knotwilg bij kwam. Maar
+nauwelijks had die al de bekoorlijkheden, waarover zijn uitgeteerde
+ouderdom nog te beschikken had, voor ons uitgespreid, of wij bezweken.
+We moesten in dat oud stuk stam klauteren, op den kruin staan, de takken
+wegschuiven, en dan over 't water op 't weiland springen. Die weg was
+veel moeilijker dan een der andere drie, en dus veel aangenamer. We
+genoten er wel tienmaal van, ook al kraakte soms een halfrotte rand van
+den hollen bast onder onzen voet. De zorg voor mijn nieuwe kleeren
+bepaalde zich hiertoe, dat ik telkens na een sprong broek en kiel met de
+hand netjes afveegde, omdat ze wat groen of vuil waren geworden van den
+ouden wilg, en hun rimpels daarna mooi wegtrok, rimpels van 't klimmen.
+Overigens kan ik met volle eerlijkheid verzekeren, dat ik mijn nieuwe
+kleeren totaal vergat.
+
+Men versta dat toch goed. Ik zeg niet, dat ik ze moedwillig
+verwaarloosde, dat ik ze niet achtte, maar ik vergat ze. Ze bestonden
+niet meer voor me. De boom, de kruin, de takken, de sprong--die
+leefden en heerschten. Al dat andere was weggezonken, zooals men dat
+tegenwoordig met naïeven verklaringswaan uitdrukt: onder den »drempel
+van het bewustzijn".
+
+Mijn vader had echter weer een anderen drempel. Hoe de man, tot mijn en
+zijn eigen rampzaligheid, daar nu juist op dat buitenpad moest wandelen,
+juist op dien Zondagmorgen, ik weet het niet. Maar hij liep er, en nog
+eer ik hem in de gaten had, had hij mij gezien, klimmende en springende.
+Zijn buitengenot en landelijke rust zonken onder zijn bewustzijnsdrempel
+weg en daarboven op sprong, met tergende sprongen, zijn jongen in het
+nieuwe pak. Een oogenblik nog, en hij had die jongen in zijn nek
+genomen, een paar driftige kletsen om den kop gegeven, en naar huis
+gejaagd.
+
+'t Was voor dien jongen een doodschrik en een grievende krenking. Hij
+liep naar huis, op eenige meters gevolgd door zijn vader. Voor beiden
+was het genoegen van dien Zondagmorgen weg. Maar in die jongensziel
+ontkiemde, onzichtbaar voor hemzelf, de zekerheid, dat vaders domkoppen
+zijn. En hij hield op dat oogenblik meer van dien stommen, ouden
+knotwilg, dan van zijn vader.
+
+ * * * * *
+
+Het is hard om te zeggen, maar vaders zijn vaak domkoppen. Ze
+verstaan hun kinderen niet. Als ze zich de moeite eens wilden geven,
+naar hun kinderen te zien en naar hun uitingen te luisteren, eens
+heel oprecht met hen te praten, dan zou waarschijnlijk hun houding
+tegenover dat jonge goed heel anders zijn. Maar neen, ze volgen
+alleen hun eigen opwellingen van wrevel, ergernis, woede over allerlei
+recht kinderlijke »overtredingen" en schelden of slaan er dan maar op
+los. Daarmee vervreemden ze hun kinderen wel niet van ze--de band des
+bloeds is taai--maar ze bederven toch zooveel jeugdgenot en zooveel
+huiselijke vreugde. Wel, dat kon zoo gansch anders, en met veel meer
+gehoorzaamheid dan nu morrende gehuicheld wordt. Wanneer ik hier geen
+jeugdherinneringen schreef, maar degelijke paedagogiek, zou ik over de
+vaderzonden een hoogst leerzaam hoofdstuk kunnen schrijven. Misschien
+maak ik er nog een boek over en dat zal dan het beste paedagogische
+handboek zijn van de wereld, want het begint de opvoeding bij de
+opvoeders, en die hebben de verbetering het hardste noodig. Maar ik
+schrijf slechts ijdele jeugdherinneringen, laat dus de domheid der
+vaders onverbeterd, en ga voort met een stukje verregaand brutale
+heerlijkheid.
+
+We lazen destijds veel indianenboeken en daarvan was het gevolg, dat
+we ook speelden van »Blanken en roodhuiden". We verdeelden ons in twee
+partijen. Doch nu waren we niet tevreden met een simpel spelletje in
+de straat, neen, het moest echt wezen, zoo echt mogelijk, er moest een
+woud bij te pas komen, een wildernis, en dan oplichting, gevangenneming,
+bevrijding. Er moest eenzaamheid bij wezen, spoorzoekerij, sluipen,
+geheime teekens, vogeltaal. We moesten de volle ontroering genieten van
+het echte woudloopersleven, en nu zouden we geen jongens geweest zijn,
+als we ons dat niet hadden weten te verschaffen, ondanks al de
+tegenwerking van straatsteenen, huizen en volwassenen.
+
+Om te beginnen verdeelden we ons in twee partijen, maar die verdeeling
+gold niet voor één avond, doch voor altijd. Wie eenmaal een roodhuid
+was, bleef een roodhuid, en dat bleef hij overal, op straat, in huis,
+op school, in de stad, buiten, Zondag en in de week. Zoo veranderde een
+blanke ook niet van huidkleur en van vijand. En nu was de afspraak, dat
+je, overal waar er slechts kans toe was, je vijand bestookte, besloop,
+gevangen nam.
+
+Dat gaf aanleiding tot een voortdurende spanning. Nooit liep je op
+straat, of waakzaam loerde je rond. Was je als blanke alleen en kwamen
+er drie roodhuiden aan, dan maakte je tijdig dat je wegkwam, eer ze
+je te pakken kregen. De gang van school naar huis was weken of maanden
+achtereen een onafgebroken gevaar, en deed je boodschappen voor je vader
+of moeder, was dan maar dubbel op je hoede, want de vijand stoorde zich
+aan niets, vond je met je boodschappenmandje een te welkomer prooi en
+sleepte je naar buiten, naar een plantsoentje, waar je »dicht in 't
+woud" aan een boom werd vastgebonden. Vader of moeder mochten op de
+boodschap wachten, angstig worden, naar je uitzien--dat alles maakte de
+zaak »echter" en dus het genot grooter. 't Mocht geen komedievertooning
+wezen, maar 't moest echte werkelijkheid zijn met echte ellenden.
+
+Nog zie ik me op een zomernamiddag in mijn eentje door de buurt dwalen,
+dan naar 't plantsoentje gaan tusschen Raam- en Zaagpoort, en daar
+zoo gauw mogelijk een boschje binnensluipen, op den heelen weg steeds
+rondziend en zooveel mogelijk ongezien blijvend. De avond valt reeds,
+'t begint althans te schemeren. Nergens bespeur ik onraad, maar ook
+nergens een teeken dat er vrienden in den omtrek zijn. Nauwlettend
+bekijk ik den grond, of de voetstappen iets te zeggen hebben. Luister,
+klonk daar niet het geroep van den koekoek? Dat is het teeken van de
+blanke jagers, waarbij ook ik behoor. Doodstil blijf ik staan en wacht.
+Opnieuw klinkt het: koekoek, koekoek, koekoek, driemaal. Is het de roep,
+wellicht de noodkreet van een blanke? Of de lokstem van een roodhuid,
+die aldus een verdoold jager in den strik wil lokken? Nu is de uiterste
+voorzichtigheid plicht. Mijn ooren richten zich naar alle zijden, vangen
+ieder geluid op. Men kon mij van verre omsingelen, zonder dat ik 't
+merkte. Maar geen verdacht geluid waarschuwt. Ik sluip dus verder in
+de richting van de telkens herhaalde koekoeksroepen. 't Is wel wat
+ongewoon, in dit plantsoentje een koekoek te hooren. Die komen anders
+niet onder de rook van de hoofdstad. Maar die ongewoonheid geldt alleen
+voor eerzame burgers en voor den boschwachter. Wij weten hier van geen
+hoofdstad, we zwerven in de wildernis van het verre westen. En daar
+klinken nog wel andere geluiden.
+
+Naarmate ik de roepstem nader, meen ik er de stem van een vriend in
+te herkennen. Nu dient alles gewaagd. Toch laat ik me niet verleiden
+tot roekeloosheid. Onder voortdurende bedekking, vaak liggende, soms
+kruipende, tracht ik me tegen een overval te vrijwaren, totdat ik
+eindelijk, in de eenzaamheid van het woud, een makker vind, inderdaad
+vastgebonden aan een boom. Ik snel er heen, trek mijn zakmes, snijd
+hem los en vlucht met den geredde zoo spoedig mogelijk weg van de
+gevaarlijke plek. Eerst als we ons buiten gevaar weten, vertelt hij mij
+zijn wedervaren.
+
+Hij moest voor zijn moeder een boodschap doen. »Gauw terugkomen," had
+moeder gezegd. Toen, argeloos door de straat loopend, was hij door een
+paar roodhuiden gegrepen. Die hadden hem hierheen gesleurd. Al zijn
+gekerm mocht niet baten. Ze verstonden zijn woorden niet eens. In hun
+ijzeren vuisten gekneld hadden ze hem geblinddoekt, langs allerlei
+sluipwegen gevoerd, hem midden in 't bosch van al zijn bezittingen
+beroofd, ook van het geld voor zijn boodschap, en tenslotte
+vastgebonden. Stellig zouden ze hem den volgenden dag onder een woesten
+krijgsdans verbrand hebben, als ik hem niet tijdig had gered.
+
+In de handen van welk opperhoofd hij gevallen was? Hij wist het niet,
+maar hij vermoedde van De Witte Arend, want die was den laatsten tijd
+erg in de weer. In zijn stam scheen een feest op til te zijn, en daartoe
+had men gevangenen noodig, om met hun lichaamspijnen, doodsangsten en
+gebraden spieren het feest op te luisteren. Goddank, dat de ongelukkige
+nog bijtijds aan deze onderscheiding ontsnapt was.
+
+Samen gaan we naar huis, plannen beramend van wraak. We moeten zien,
+dat we De Witte Arend zelf gevangen nemen om hem alleen tegen een
+hoogen losprijs weer vrij te laten. We zullen al de blanke jagers in
+een vergadering bijeenroepen, om een gezamenlijken rooftocht tegen
+den ellendigen roodhuid te ondernemen. Kunnen we hem niet een zijner
+geliefdste vrouwen ontrooven--de ellendeling had onschuldige zusjes,
+die daarvoor in aanmerking konden komen--en hem dan noodzaken tot een
+vernederende onderwerping? Of tijdens zijn afwezigheid de wigwams in
+vlammen doen opgaan?
+
+Hoe het zij, een gevoelige wraak moest volgen. Hiervan waren we zeker.
+En intusschen waren we innig gelukkig, dat we dezen avond weer zoo'n
+levensgevaarlijk avontuur hadden genoten. Al was De Witte Arend
+ook nog zoo'n ellendige roodhuid, voor geen goud, voor onze heele
+maatschappelijke toekomst zouden we hem niet hebben willen missen.
+Niet hebben kunnen missen.
+
+Wat was onze vale buurt, wat ons dreinig schoolleven zonder De Witte
+Arend?
+
+ * * * * *
+
+Maar die moeder nu, die op haar boodschap wachtte? En dat geld?
+
+Nu herhaal ik, wat ik reeds vroeger zei: in haar ontving de wereld der
+volwassenen haar trekken thuis. Deze maaide, wat zij gezaaid had.
+
+Wie hadden indianen-boeken geschreven, gedrukt, verkocht? Toch immers
+niet de kinderen? Wie verdienden er hun brood en misschien zelfs een
+kapitaal mee? Toch immers niet de straatjongens? Wie kocht ze voor ons,
+leende of schonk ze ons, wie liet ze ons lezen? Waren het de volwassenen
+niet? Wat deden ze om ons andere lektuur te bezorgen, ons in andere
+lektuur smaak te doen vinden, ons door betere lektuur op te voeden? Ze
+lieten ons gaan, of--erger!--deelden onleesbare traktaatjes uit, hetgeen
+daarom erger is, omdat het de kinderen van het daarin aangeboden goede
+vervreemdt.
+
+De volwassenen lieten ons gaan, zooals het tegenwoordig nog bij de
+meerderheid het geval is. Zij lieten ons doortrekken van indianen-zeden,
+d. w. z. zeden à la Aimard of Cooper. En als die zeden nu in ons
+begonnen te werken, aan wie dan de schuld? Wij konden het toch waarlijk
+niet helpen, dat we bij onze verbeelding moesten leven, dat we de
+romantiek tot werkelijkheid maakten. Dat lag zoo in onze kindernatuur.
+Maar wie had die verbeelding eerst vergiftigd, wie die romantiek aldus
+in onze fantasie gevoerd?
+
+Het is met die brave volwassenen zoo wonderbaar. Eerst gaan ze de
+kinderen in 't vloeken voor, en als dan een kind ook verdomme zegt,
+ranselen ze dat kind af. Eerst steken ze hun sigaar op, en als dan het
+kind ook een sigaretje wil genieten, bestraffen ze het met strenge
+woorden, doorrookt van pas geofferde tabak. Eerst omgeven ze het kind
+met een wereld van drinken, rooken, vloeken, onreine scherts, en als dan
+het kind de gevolgen hiervan openbaart, verbeteren die volwassenen nóg
+niet zichzelf, maar gaan ze in een soort opvoedingsangst het kind te
+lijf.
+
+Toen ik jongen was kon ik nooit de standjes en pakken slaag begrijpen,
+die we met onze toch zoo natuurlijke spelletjes opdeden. En om de
+waarheid te zeggen, nu ik al de vijftig voorbij ben, kan ik ze nog
+niet begrijpen, in den zin van: rechtvaardigen. Natuurlijk begrijp ik
+wel, hoe gemakzuchtige en genotzuchtige volwassenen liever kinderen
+afranselen dan zichzelf verbeteren. Maar ik begrijp niet, hoe ze daarvan
+eenig heil verwachten, ik begrijp hun domheid niet. De zaak is toch zoo
+eenvoudig: »Wie wind zaait, zal storm oogsten." En wie zijn akker braak
+laat liggen, moet zich niet verwonderen als daarop het onkruid tiert,
+waarvan de zaden overal rondzweven en neervallen.
+
+Die moeder, die op haar boodschap wachtte en noch boodschap, noch geld
+zag, had zeker recht om woedend te wezen. Maar op zichzelf. Ik vrees
+echter, dat ze niettemin op den rug van haar jongen die woede gekoeld
+heeft. Zoo zijn wij, opvoeders. Sterk--in de correctie. Waarbij dan de
+slagen vallen op de slachtoffers onzer nalatigheid.
+
+We verwaarloozen eerst. En dan maar straffen.
+
+
+
+
+KINDERKERK EN ZONDAGSSCHOOL.
+
+
+De kleintjes zaten in de voorste rijen, en naargelang je ouder en
+grooter werd, schoof je naar achteren.
+
+Ik heb een idee, dat ik als kleintje van zes jaar ook op de eerste bank
+heb gezeten, dat ik gaandeweg in 't midden kwam, en geleidelijk de
+laatste banken bereikte.
+
+'t Waren gewone banken zonder leuning, op drie pooten. Een heele rij
+achter elkaar. En vóór dit bankenregiment stond als kommandant een
+catheder, hoog boven de lage, platte banken uit, een generaal te paard
+voor zijn soldaten.
+
+We zaten daar 's Zondagsmorgens, heel stil, het petje in de handen, dat
+soms in de rondte begon te draaien, de ronde band tusschen de kleine
+vingertjes door, en dan weer vermoeid tusschen die vingertjes neerhing,
+of ook, plotseling, tusschen de vingertopjes uitviel op den grond. Die
+vingertopjes werden dan wat suf van het aldoor vasthouden en lieten het
+petje los, zonder dat ze het zelf wisten. Ze moesten onophoudelijk aan
+het petje denken, en konden daardoor niet zoo goed luisteren naar den
+meneer in den catheder.
+
+Daarbij kwam nog, dat het eene handje ook twee halfjes moest bewaren,
+een voor het zakje en een voor het negertje. Het zakje ging rond en
+vroeg voor de armen, het negertje stond op een tafel en vroeg voor de
+heidenen. Die halfjes werden zoo heet in je kleine, vochtige handpalmen,
+maar je moest ze ook goed verstoppen in de dichtgeknepen handjes.
+Een halfje op straat verliezen, was een jammer van groote beteekenis.
+Broekzakken hadden de kleine jongetjes nog niet. En daarom waren de
+halfjes alleen maar veilig in den heeten oven van hun kleine brandende
+handjes. Het was een heele verlossing, als ze daaruit weg mochten,
+vochtig warm in het zwarte zakje of in het hoofd van 't metalen
+negertje, dat ook voor de kleinste gave dankbaar knikte.
+
+Zoo hebben we daar gezeten, Zondag aan Zondag, telkens van 10 tot
+12 uur, dus twee uur achtereen, in een klein, laag, benauwd
+lokaal--hetzelfde, waar we in de week bewaarschool hadden bij juffrouw
+Fietje. En dan gingen we er 's middags nog een uur ter Zondagsschool.
+Ik denk, dat het niet gezond was.
+
+Nu, uit de verte gezien, vraag ik me af, wat de bekoorlijkheid van
+die uren was, want bekoorlijk waren ze. En dan denk ik allereerst aan
+het schoone, blauw-gestreepte katoenen kieltje, met het witte kraagje
+er in geregen, en het witte linnen broekje met korte pijpjes. Moeder
+had die alle gewasschen en gestreken en het was een heel genot, daar
+'s Zondagsmorgens in gestoken te worden als jongetje van zes, zeven,
+acht jaar, en er dan mee naar de kinderkerk te wandelen. Daar was iets
+voornaams, iets deftigs in. Je liep, stijf gestreken ventje, blinkend
+figuurtje, de halfjes in de linkerhand, netjes over de kleine steentjes.
+In heel je kleine lichaampje werkte nog Moeders waarschuwing, om toch
+vooral je goed niet vuil te maken. En de strakke voornaamheid van je
+glanzende kleertjes deelde zich aan den drager mee. De weg van huis naar
+de kinderkerk, nauwelijks drie minuten, was kort genoeg om ons buiten
+alle verleidingen te houden.
+
+Maar behalve die ijdele uitwendigheden oefenden nog andere factoren hun
+invloed uit.
+
+ * * * * *
+
+Hebt u nooit eens gehoord van meneer Beekman en meneer Seeze? Nu, ge
+ziet, ik ken hun namen nog, en ze dateeren toch uit het Germanentijdperk
+van mijn levensgeschiedenis.
+
+De eerste was klein en vriendelijk. Zijn oogen en zijn mond glimlachten
+ieder kind een onuitgesproken welkom toe. Een zachte, vriendelijke man.
+
+De tweede was lang en statig. Maar ook vriendelijk, schoon op een andere
+manier. Hij glimlachte niet, maar groette beleefd.
+
+De eerste trok meer dan de tweede. Voor den eerste zou je gauwer
+je zonden belijden. Heel zijn houding, heel zijn gelaat was een
+uitnoodiging: Vertrouw me maar, want je ziet wel, dat ik veel van je
+houd. Wanneer ik nu aan hem denk, valt mij het lied van Moody en Sanky
+in: »Kom tot uw Heiland, toef langer niet."
+
+Een man, wiens heele persoonlijkheid een uitnoodiging is van zúlk een
+kracht en van zúlk een aard, nu, dat is een geboren opvoeder, al is hij
+maar een zondagsschoolmeneer en van zijn vak koekbakker. Want dat was
+hij.
+
+Is het niet eigenaardig, dat ik zijn vak wist, en dat van zijn
+medewerker niet? Dat is voor mij een bewijs, hoeveel dichter hij bij de
+kinderen stond. De ander was een ernstige verschijning, maar loste zich
+op in de nevelen van vormlijkheid en deftige statelijkheid. Meneer
+Beekman kwam uit de nevelen zijner predikatie hoe langer hoe dichter
+bij je en werd daardoor hoe langer hoe concreter. Je liep aan zijn hand
+vertrouwend mee. Voor den ander zette je, op een afstand, eerbiedig je
+petje af. We wisten ook precies, waar meneer Beekman woonde, en ik weet
+het nog. Maar de ander woonde »ergens". Eigenlijk dacht niemand er aan,
+of hij woonde. Hij verscheen en verdween. Zijn kleine, glimlachende
+medewerker verscheen en bleef, bleef ook als hij weg was.
+
+Van meneer S. wist ik niets geen kwaad, o neen, gansch niet. Hij was
+stellig een brave man, maar hij bleef buiten de kindersfeer. Dat zie ik
+nu zoo duidelijk. En die vriendelijke kleine was er dadelijk in, reeds
+als je hem bij 't binnenkomen een hand gaf, ja nog vroeger: als je hem
+bij 't binnenkomen zag.
+
+Kinderen voelen je. Ze voelen je echtheid. Ze voelen je genegenheid. Ze
+voelen, of je hand ze verwelkomt of dat het evengoed een handschoen had
+kunnen zijn.
+
+Welnu, behalve mijn schoon gewasschen en stijf gestreken zondagspakje,
+was ook meneer Beekman een stuk bekoorlijkheid van de kinderkerk. En
+daaruit kan nu iedere onderwijzer en iedere zondagsschoolmeneer en
+iedere dominé zien, hoeveel er van hem afhangt, van hem persoonlijk. Het
+mooiste gebouw en de geriefelijkste lokaliteit kunnen weerzinwekkend
+worden, door een mensch. En zoo'n armelijke, ouderwetsche
+bewaarschoolschaapskooi kan door één man zoo aantrekkelijk worden, dat
+een vrijheidlievend, speel- en zwerfgraag stuk straatjongen er week aan
+week zijn kostelijken zondagmorgen wil doorbrengen, terwijl buiten alles
+lokt en bloeit.
+
+Eén mensch. En nog wel een onbestudeerd mensch. Een koekbakker.
+Maar--een kindervriend!
+
+Dat was het heele geheim. De man kwam daar niet, om zichzelf te hooren
+preeken, maar omdat hij de kinderen zoo lief had. In die liefde zat zijn
+beste preek.
+
+ * * * * *
+
+En of ik nu nog iets weet van zijn eigenlijke preeken?
+
+Niets.
+
+Dus daaruit blijkt, dat hij die net zoo goed had kunnen nalaten?
+
+Dat durf ik nog niet zoo aanstonds te zeggen.
+
+Op een weiland staan millioenen grasjes en als je die stuk voor stuk
+vroeg naar wat ze zich nog herinneren van alle regenbuitjes in 't vroege
+voorjaar, zouden ze daarvan niets meer weten te vertellen. En toch is al
+dat water niet langs hun gladde lijfjes nutteloos weggevloeid. Ze zijn
+er van gegroeid. Ze herinneren zich niets meer, maar niettemin is het
+vergetene in ze. 't Is een deel van hun leven geworden. Is dat niet de
+beste herinnering?
+
+Wat weet ge, aan feiten, nog van de dagelijksche moederzorg, waaronder
+ge groot zijt geworden? Wat weet ge van al de ernstige woorden, door
+ouders en meesters tot u gesproken? We zeggen het zoo licht, dat al die
+woorden langs ons weggedropen zijn. Maar ik heb een vermoeden, dat ze
+ons toch hebben gedrenkt.
+
+Ga ik mijn jeugd na, dan herinner ik me alleen de bizondere voorvallen,
+maar van de gewone, dagelijksche invloeden heb ik alleen een stemming
+bewaard. En nu zou ik uit de stemming, die aan de kinderkerk verbonden
+is gebleven, een heel stuk opvoedende kracht durven afleiden. Zooals een
+kenner der oudheid uit enkele brokstukken marmer een geheelen Griekschen
+tempel reconstrueert, zou ik een heelen zondagmorgen kunnen schetsen.
+Daar was dan geen enkel geconstateerd feit in, en toch zou de heele
+schets waarheid kunnen zijn.
+
+Uit het geheugen geraakte invloeden zijn daarom niet verloren. Ze zijn
+omgezet in geestelijke kracht. Nog eens, is dat niet de beste
+herinnering?
+
+Hoezeer ik reden heb, gunstig over het gepreek te denken, blijkt wel uit
+het feit, dat ik thuis in allen ernst kerkje speelde. Dan zette ik twee
+stoelen met de ruggen naar elkaar. Dat was de preekstoel. Op de beide
+randen der rugleuningen legde ik den Bijbel. Liggende met de knieën
+op den eenen stoelmat, las ik uit den Bijbel voor en liet de gemeente
+opgegeven psalmen en gezangen zingen. De gemeente bestond uit Vader,
+Moeder, zus Christine en wellicht nog een paar anderen. Allen hielden
+zich ernstig. Dat weet ik nog heel goed, want het minste blijk, dat men
+er, mij ten gerieve, een spelletje van maakte, zou me diep gekrenkt
+hebben en driftig hebben doen wegloopen. De kerkgangers hielden zich
+voortreffelijk.
+
+Maar meent ge, dat ik ooit lust had het schoolleven in de huiskamer te
+halen? Dat lag onder den ban van een killen haat. Hoe minder ik er aan
+dacht, hoe beter. De school bestond thuis niet voor me. Echter wel de
+kinderkerk. En langen tijd heette het zelfs, dat ik maar dominé moest
+worden. Nu zat er wat predikantenbloed in de familie, waar Grootvader en
+twee ooms dominé waren. Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Die zat bij
+den koekbakker. Deze beminnelijke christen wist zijn liefdewerk in mijn
+kinderoogen zoo bekoorlijk te maken, alsof hij een tramconducteur of
+koetsier was geweest. En dat wil heusch wat zeggen, want gelijk ieder
+weet, wil iedere jongen graag conducteur of koetsier worden. Welnu,
+meneer Beekman maakte zijn kinderkerk aantrekkelijk.... als een omnibus.
+
+ * * * * *
+
+Nog een wonderbare tegenstelling met de school ligt me in 't geheugen.
+Ik weet niet, dat ik ooit voor de school lessen leerde. Voor de
+zondagsschool leerde ik mijn teksten en psalmversjes graag. Nog zie ik
+die kleine bonnetjes, net etiketpapiertjes, waarop aan de eene zijde
+een tekst en aan de andere een vers gedrukt was. We kregen er elke week
+een mee en ik beijverde me steeds, die »les" goed en gauw in 't hoofd
+te werken. Aan wien was dat anders te danken dan aan den koekbakker?
+
+In mijn tooneelstukje »Tóch Timmerhout" komt een ondeugende jongen voor.
+De schoolmeester weet hem niet te pakken, wil hem zelfs van school
+jagen. Maar een oude timmermansknecht grijpt den bengel in 't hart
+en redt hem. Men heeft me wel eens verweten, dat ik zoo de rollen had
+omgekeerd en een timmermansknecht tot paedagoog gemaakt. Maar als het
+leven mij dat nu eens aan de hand had gedaan? Als in dat tooneelstukje
+nu eens een stuk levenservaring stak? De maatschappelijke werkkring
+klopt niet altijd met den aanleg. Daar was een koekbakker, die ons
+opvoedde. En hoe menige opvoeder moest maar liever koek gaan bakken?
+
+Er zijn menschen geneigd te zeggen: Het was de kracht van Gods Woord,
+het was de werking van Zijn Heiligen Geest, die je de teksten en
+psalmverzen zoo graag en grif deed leeren. En dan knoopen ze hieraan een
+heele beschouwing vast, alsof er in die Bijbelwoorden een zekere geheime
+tooverkracht stak. Maar ze vernederen derwijze de zieleuitingen van een
+vroom gemoed tot amuletten, maken van den Bijbel een soort magisch boek.
+Neen, het was niet de mystieke kracht van die Bijbelwoorden. En het was
+toch die kracht. Maar het was die kracht, levende, werkende in het
+nietige persoontje van onzen christelijken christen.
+
+Ik weet van een schoolcatechisatie ('t was niet bij mij), waar de
+kinderen ook teksten en psalmverzen moesten leeren, maar waar die
+heilige woorden absoluut geen kracht hadden. De jongens bedankten hun
+leermeester wel lekker, om zich wat moeite te geven en maakten van hun
+papiertjes, »vrome" papiertjes, propjes, waarmee ze mekaar beschoten en
+het lokaal ontsierden. Eens bij zulk een les maakten de bengels het zoo
+bont, dat de arme catechiseermeester in radeloosheid uitriep: »Jelui
+bent van den duivel bezeten. Die heerscht hier in het lokaal. Maar
+straks zal de Heere Jezus zelf komen, om jelui af te straffen."
+
+De deur ging open, en binnentrad: de bovenmeester, een volslagen
+atheïst, die van den heelen godsdienst niets weten wou. Aanstonds waren
+de bengels op hun plaats en zaten doodstil.
+
+Zijn tegenwoordigheid was genoeg, om alle duivelskunsten te bezweren.
+
+Maar nu is de vraag: Wie was de duivel, die in het lokaal heerschte? Was
+dat niet de officiëele vertegenwoordiger van den godsdienst met een heel
+pak tekstpapiertjes? Al die machtvolle woorden werden satansmiddelen. En
+wie wist hier, als Christus op de wateren, den storm te bezweren? Dat
+was de totaal ongeloovige vertegenwoordiger van de driewerf verfoeide
+openbare school.
+
+Wie meent dat de teksten zullen ordehouden en opvoeden, heeft het glad
+mis. En toch doen die teksten het, maar niet die bloote woorden. Neen,
+hun inhoud, hun geest, moet realiteit zijn geworden in hart en leven van
+den opvoeder. Waar dit het geval is, daar is de ware »School met den
+Bijbel". En waar dit niet zoo is, daar heb je een heidensche school, ook
+al liggen de kasten vol bijbels en leeren de kinderen heel het nieuwe
+Testament uit het hoofd.
+
+ * * * * *
+
+Nu zal deze of gene zeggen: »Ah, daar heb je Jan Ligthart. Nu komt
+de aap uit de mouw. Hij wil niet, dat de kinderen Gods heilig Woord
+lezen en leeren, en om dat te bestrijden, gebruikt hij zijn
+Jeugdherinneringen." Maar ge hebt het mis, lieve vrienden, hee--le--maal
+mis.
+
+Ik ben wat blij en dankbaar, dat ik als kind zooveel teksten, psalmen
+en gezangen geleerd heb en niet alleen wil ik tot mijn collega's van
+de christelijke school zeggen: Ga voort op dien weg, maar zelfs zou
+ik als openbaar onderwijzer graag hun voorbeeld volgen. Er zijn heel
+wat woorden en liederen in Bijbel en psalmboek, die voor allen
+een levenvormende kracht bezitten. En al zouden een zeker soort
+Bijbelgeloovigen smalend zeggen: »Je moet den heelen Bijbel nemen,
+anders is het niet het echte," ik meen te mogen aannemen, dat ook zij
+uit dien heelen Bijbel een keuze doen en hun kinderen maar niet alles
+doen memoriseeren.
+
+Blij en dankbaar. Dat ben ik inderdaad. Hoe vaak hebben mij die woorden
+in uren van eenzaamheid en strijd verkwikt en gesterkt.
+
+ Zalig hij, die in dit leven
+ Jacobs God ter hulpe heeft,
+ Hij die, door den nood gedreven,
+ Zich tot Hem om troost begeeft,
+ Die zijn hoop in 't hachlijkst lot
+ Vestigt op den Heer zijn God.
+
+Dit vers had ik maar in mijn eentje op te zeggen, regel na regel mij
+bewust makende, en de nood werd zegen. Hoe goed is het, wanneer in
+moeilijke tijden zulke woorden in ons gereed liggen en dan vanzelf
+opborrelen als water in de bron, het dorstend gemoed lavend. Natuurlijk
+konden die woorden dat nooit doen, als ze niet _levenswoorden_ waren,
+dragers van zielservaringen, en als ze niet door hun innig menschelijken
+toon onze eigen gemoedsbewegingen deden meetrillen.
+
+En dan dat andere:
+
+ Leer mij, Vader, U verbeiden,
+ Volgen waar Gij ons wilt leiden,
+ Steunen op uw trouw en macht,
+ Psalmen zingen in den nacht,
+ Hooren wat Gij ons wilt leeren,
+ Uw bevel met daden eeren,
+ En voor de uitkomst willig blind,
+ Stil zijn als 't gespeende kind.
+
+Dat »psalmen zingen in den nacht", dat juichen in de duisternis, dat
+jubelen in de ellende--het is de heerlijkste vrucht van het geloof. Een
+geloovige is wel de grootste egoïst: Hij wil zelfs zalig zijn in de
+rampzaligheid. Hij wil den vrede des harten, neen de blijdschap des
+harten genieten, ook als alles hem ontzinkt, alles--behalve het eene
+noodige: het volle vertrouwen in Gods Vaderliefde. »Met mijn God spring
+ik over een muur," roept de psalmdichter uit. Zonder zijn God is hij
+niets.
+
+Kent ge een mooier uiting van vertrouwenvolle gehoorzaamheid dan
+die twee woorden »willig blind"? Onlangs sprak ik een man van veel
+smartelijke levenservaring. Hij was wat de menschen een ongeloovige
+noemen. En toen hij zoo een en ander uit zijn leven verhaald had, zei
+hij: »Weet je, wat ik vooral geleerd heb? Dat we ons leven niet naar
+onzen zin hebben te maken. Dat we hebben te vragen, wat God van ons wil.
+En dan maar gehoorzaamd, willig blind voor de uitkomst."
+
+Ik verstond hem. Die twee woorden »willig blind" vonden weerklank in
+mijn eigen ervaringen. 't Is niet de blindheid der dwaasheid, maar de
+blindheid der wijsheid. Wat de uitkomst moge zijn, we vragen er niet
+naar, mits we zeker zijn van onze richting. En die zekerheid verwerven
+we, als we--zoo moet het--Zijn bevel met _daden_ eeren. Woordeneer wordt
+er genoeg gebracht, veel te veel. Maar _hooren_, wat Hij ons wil leeren,
+en dan: Zijn bevel met _daden_ eeren, alleen luisteren en doen, in
+plaats van praten en stilzitten--dat is de eisch. De verzuchting van
+dit waarlijk vrome lied heeft menig hart gesterkt. Zou ik niet dankbaar
+zijn, dat ook ik het voor mijn zondagsschool-meneer had mogen leeren?
+Voor mijn zondagsschool-meneer, maar dat was eigenlijk: voor mezelf en
+niet slechts voor mijn kinderjaren, doch voor mijn gansche leven.
+
+ * * * * *
+
+Hoe kwam het, dat ik op zekeren Zondag de kinderkerk verwisselde met de
+groote kerk? Ik weet het niet, maar het was een proef, waarvoor ik
+bezweek.
+
+De groote kerk was ongeveer twintig minuten van mijn huis. Die afstand
+was te groot. Onderweg waren er te veel verleidingen. We verkochten onze
+kerkcenten voor snoepgoed, liepen de hooge stoepen op en af en telden de
+brievenbussen. Dit was een wedstrijd. Mijn broer en ik, soms een zusje
+er bij, speelden, wie de meeste brievenbussen zag in de deuren der
+huizen. Dan holde de een den ander voorbij, om het eerst een bus te
+ontdekken. De vlugste won het natuurlijk, want die kaapte al de bussen
+voor de anderen weg.
+
+Op die manier moesten we, steeds op een drafje loopend, wel tijdig
+in de kerk zijn. Maar het tegendeel was waar. Toen we eenmaal ervaren
+hadden, dat het in de kerk erg vervelend was, zorgden we altijd te laat
+te komen. Dan zwierven we langs de mooie Heeren- en Keizersgrachten
+en dronken daar, onbewust, de schoonheid in van de vorstelijke
+koopmanshuizen, het stille water, de gewelfde steenen bruggen, de oude
+iepen. Die herinner ik me nog alle. Zondagsmorgens kon het daar zoo
+vredig zijn. Vooral onder kerktijd liepen er maar weinig menschen.
+Gereden werd er haast niet. Een enkele platte zolderschuit lag ledig
+tegen den wal. Het water weerspiegelde huizen en boomen en bruggen en
+den hoogen witbewolkten hemel. Alles ademde vrede. Het was er beter dan
+in de kerk. En dat dacht ik niet alleen toen, maar ik geloof het nu nog.
+Kinderen behooren niet in de groote kerk, net zoo min als in de
+societeit.
+
+De enkele malen, dat mijn vader meeging, moesten we natuurlijk wel de
+heele preek bijwonen. Dan luisterden we echter niet. Ik zag den dominé
+zijn gebaren af, om die thuis te kunnen navolgen, en hoorde hoe hij
+de psalmverzen afkondigde: »De gemeente gelieve te zingen van.... Ik
+herzeg...." Die deftige woorden en vooral de toon waarop ze werden
+uitgesproken, hadden een zekere bekoring. Thuis bij mijn eigen preeken
+zei ik ze plechtig na. Meer bracht ik uit de kerk niet mee. Toch zat ik
+me niet geheel te vervelen. Er hingen aan lange pijpen gaskronen, en nu
+klauterde ik in mijn verbeelding aanhoudend het heele gebouw rond. Ik
+klom in een hoogen pilaar, greep een daar langs geleide gaspijp, kromde
+er mijn vingers om, enterde langs de zoldering, liet me langs een andere
+gaspijp weer zakken, bezocht den preekstoel, het orgel. Het waren
+gevaarlijke reizen, maar mijn verbeelding stond voor niets. Was het
+noodig, dan maakte ik een luchtsprong en kwam immer op het gewenschte
+punt terecht. Geen rand zoo smal, of ik kon er langs. Soms speelde ik op
+die manier krijgertje. Een makker liep en sprong en klom me na. Hij zat
+me dicht op de hielen. Dat gaf een spanning. Maar ik waagde alles, om
+aan zijn greep te ontkomen, gleed langs de orgelpijpen, kroop door open
+vensters.. heerlijk!
+
+Wat moest een kind toch beginnen zonder verbeelding. Het zou zijn
+godsdienstige opvoeding, »onder het geklank van Gods heilig Woord",
+eenvoudig niet kunnen verdragen. Maar gelukkig heeft Onze lieve Heer
+het arme schaap de toovermacht der fantasie geschonken, om zich over
+de dwaasheden der volwassenen te kunnen heen leven. En zoo kan het de
+ellenden doorstaan, die ouders en meesters hem tot zijn heil opleggen.
+Eén ellende heeft me echter _te_ zeer gedrukt en dat kwam, omdat mijn
+fantasie haar verergerde. Men moet mij verteld hebben van de hel. Maar
+wie? Dat kan toch onmogelijk meneer Beekman geweest zijn. Maar wie dan?
+Zijn medewerker? Of zou hij het toch geweest zijn, meenende dat een kind
+niet tot God kon worden gebracht dan door het hellevuur?
+
+Vreeselijk heb ik daaronder geleden. Dat ik dag aan dag zondigde,
+wist ik maar al te goed, en hieromtrent zal de lezer ook wel niet in 't
+onzekere zijn. Ik moest dus, ik móést--neen, niet verbrand worden, maar
+eeuwig branden. Eeuwig. Stel u dat eens voor. Nooit een einde aan die
+folterende pijn--nooit, nooit. Die gedachte was al een hellesmart.
+
+O die vreeselijke gewisheid van het onontkoombare. Kon ik maar terug
+naar het niet-geboren-zijn. Maar dat was onmogelijk. Ik leefde eenmaal,
+dat was niet meer ongedaan te maken. En sterven baatte niet. De dood was
+de overgang tot eindelooze marteling van nooit verterende vlammen.
+
+Ik weet zeer positief, dat ik toen de planten en de dieren benijdde,
+dat ik er de boomen en de koeien jaloersch op aankeek, dat ze geen
+onsterfelijke ziel hadden. Ik weet, dat soms, plotseling, midden in
+mijn spel, de angst der hel me aangreep, als een vergif dat begon te
+werken. Maar ik weet ook, dat die angst mij nooit van het kwade heeft
+afgehouden. Ze bedierf veel, en maakte niets goed.
+
+Zou de godsdienstige opvoeding, of wat men zoo noemt, geen afstand
+kunnen doen van dit onchristelijk kindergemartel?
+
+Meneer Beekman heeft ons iets beters geleerd. Hij zei--en ook dit weet
+ik nog zeer positief--dat we elken avond, na ons gebedje, nog moesten
+zeggen: »Heere, schenk mij Uwen heiligen Geest. Amen." Anders niet dan
+die paar woorden.
+
+Dat heb ik trouw gedaan, jaren achtereen. Of het geholpen heeft?
+
+Alleen weet ik, dat vaak, wanneer de verzoekingen van buiten, maar
+vooral wanneer de lage neigingen van binnen het mij, volwassene, al te
+benauwd maakten, de verzuchting in mij oprees: »_Uw_ heilige Geest, o
+Heer!"
+
+En die verzuchting--was mij een verhooring.
+
+
+
+
+VERANDERING.
+
+
+Door verlies tot winst. Hoe vaak heb ik dat in mijn leven ervaren.
+En toch, telken keer als ik weer iets verlies, kijk ik zoo zeer het
+verlorene na, dat ik verzuim het nieuw gewonnene op te merken. Een
+mensch is toch zoo hardleersch, al heet die mensch een paedagoog.
+
+Het ging immer slechter met den kruidenierswinkel. Crediet was er niet
+meer. Geen grossier wilde zonder contante betaling leveren. Zoo was mijn
+vader genoodzaakt zijn inslagen te doen bij kleine hoeveelheden, waarmee
+hij natuurlijk een winst van eenige beteekenis dierf. Het was een dag
+aan dag tobben en worstelen om staande te blijven. Wij, jongens, moesten
+b.v. vijf pond suiker of koffie koopen in een grooten winkel, ver uit de
+buurt en liefst 's avonds opdat men 't niet zien zou, en dan werden die
+weer bij onsjes en halfonsjes verkocht. De winkelklanten zakten, bij het
+kariger en minder worden der waren, steeds meer in aantal en gehalte.
+Alleen de ver weg wonende uitbrengklanten bleven trouw, uit onkunde.
+De winkel was als een innerlijk verzwakt rijk, dat nog alleen teerde op
+de inkomsten der verwijderde wingewesten. Zij, daar in de verte, zagen
+niets van de toenemende verarming, leefden in ongeschokt vertrouwen op
+den ouden naam bij den angstvallig bewaarden schijn.
+
+Een achteruitgaande zaak is als een door ziekte beslopen mensch. De
+eertijds gezonde en krachtige wil 't niet weten. Hij houdt zich goed
+tegenover anderen, maar meest tegenover zichzelf. Hij sluit zijn oogen
+voor de waarschuwende verschijnselen. Hij forceert zijn krachten.
+Vergeefs. De ziektekiemen vermenigvuldigen, verspreiden zich, en
+strijdensmoede, verwonnen, moet de worstelende zich toch eindelijk
+overgeven.
+
+Wilde men 't maar tijdig inzien en erkennen. Dan werd er niet zooveel
+goed geld naar kwaad geld gesmeten, gelijk ons handelsvolk het typisch
+zegt. Maar wij veinzen de ongunstige teekenen weg. Wij struisvogelen.
+En eerst wanneer alle geld, alle kracht verbruikt is, dan laten we ons
+op genade of ongenade los. Als we niet meer kunnen, dan pas zinken we
+ineen. Dat is zoo menschelijk. En daarom is 't ook zoo kinderlijk.
+En niet alleen op geldelijk en lichamelijk gebied. Evenzeer openbaart
+zich die zwakheid op moreel gebied, en daar te gevaarlijker, omdat
+moreele achteruitgang niet door meten en wegen wordt geconstateerd.
+Minder geld in de winkellade is een feit. Wie er zijn oogen voor sluit,
+voelt het toch in zijn hand. Minder lichamelijke weerstand evenzeer.
+Maar zedelijke verslapping ontgaat ons zoo licht, omdat ze meestal
+gepaard gaat met de bevrediging van allerlei neigingen. Al genietende
+gaan we ten gronde. De geldgierige ziet met zooveel genot zijn geld
+vermeerderen, dat hij de vermindering van zijn barmhartigheid niet
+opmerkt. De zinnelijke zweeft van de eene bedwelming in de andere.
+Eerst wanneer al onze moreele kracht verwaarloosd is, en we hiervan de
+ellendige gevolgen gaan ondervinden, geven we ons zedelijk failliet,
+om pas daarna aan onze rehabilisatie te werken, of--te bezwijken.
+
+De winkel ging over in andere handen en wij verhuisden. Doch eer
+we nu voor goed afscheid nemen van deze buurt en ervaren, hoe de
+verslechtering op verbetering uitliep, willen we nog een paar figuren
+gedenken, die voor mij onafscheidelijk aan dit wereldje gebonden zijn.
+
+ * * * * *
+
+En dan komt allereerst aan de beurt ons perehietvrouwtje.
+
+In 't najaar, als 't koud en mistig was bij donker weer en killen
+motregen, zat 's avonds een oud vrouwtje, in een dikken doek gewikkeld,
+de armen goed verstopt, achter een ijzeren pot met houten deksel, die
+boven een vuurtje stond te warmen. Het vrouwtje zat op een hoogen stoel,
+altijd een stoof onder de voeten. Een gebogen figuurtje, rond oud
+hoofdje boven een wat gekromden rug, met bijna geen hals. En dan
+riep ze nu en dan met hooge stem: »Warme, lekkere pere-hie-ie-iet!"
+Dat »hie-ie-iet!" steeg hoe langer hoe meer in de hoogte en werd aan
+'t eind in de scherpe _t_ plotseling afgesneden, nadat het eerst op
+de _ie_ een poos zingend gezweefd had.
+
+Het vrouwtje zat altijd op haar vaste plaatsje, in de Eglantiersstraat,
+vóór een smalle gang, waardoor ze, uit het achtergelegen woninkje,
+met haar zaakje naar de straat was gesukkeld. Ze sjouwde waggelend
+stooktafeltje, vuurtest, ijzeren pot, stoel, en stoof een voor een naar
+voren, zette daar het zaakje in elkaar, en ten slotte als laatste stukje
+meubilair zichzelf er bij. Met haar stoel en tafeltje en dampenden
+ijzeren pot vormde ze, even onbewegelijk als de andere onderdeelen,
+één aaneengesloten groepje.
+
+Nu en dan kwam er verandering in haar houding. 't Was vooreerst als
+ze haar »warme, lekkere perehiet!" aanprees. Dan rees de gestalte een
+weinigje omhoog, als bij een haan die begint te kraaien ging het hoofd
+een ietsje naar boven, en kwamen de zingende klanken uit de oude
+keel. Maar de beweging was vooral niet ruimer dan de longen voor den
+zingschreeuw noodig hadden, en nauwelijks was haar perehiet de lucht in
+gekraaid, of hoofd en lijfje zakten weer ineen, bang dat de kou komen
+mocht in de ruimten van het even uitgeplooide figuurtje, en daar zat ze
+weer, gebogen achter haar standje.
+
+De tweede gelegenheid dat ze zich een beetje uiteenwikkelde was de
+verschijning van een kooper, steeds een man of een jongen. Ik heb nooit
+een vrouwelijk wezen aan haar tafeltje gezien. De kooper legde zijn cent
+neer. Dan tilde zij met den mageren rechterarm--de linker bleef onder
+den doek--het houten deksel op, zette dit schuin ter zij, nam de stalen
+vork, prikte in het dampende water, haalde een peer naar boven en reikte
+dien den kooper toe, die een heelen toer had om te genieten van den
+heeten peer zonder zich te branden. Gewoonlijk pakte hij den peer
+bij den steel beet en liet hem meteen op de linkerhand liggen om te
+verhoeden dat hij weer in 't water viel. Maar, al was 't mistig koud,
+voor die linkerhand was de peer toch wel wat heet, en dadelijk begon de
+kooper dan maar te eten. Zoo warm in den mond en in de maag, dat deed
+hem goed. Nog een peertje, want je kreeg er twee voor een cent, en het
+deksel ging weer op den pot, de cent in een kommetje, de rechterarm
+onder den doek, en daar zat het vrouwtje weer: »Warme, lekkere
+pere-hie-ie-iet!" Een mooi, zacht verlicht groepje tegen den achtergrond
+van de donkere gang.
+
+Meermalen heb ik ook zelf een cent of een halve cent bij haar genoten,
+en nog voel ik den strijd van de drieledige keus: den heeten peer in
+de hand houden, in den mond, of in de maag. 't Was alles al even erg,
+en--even heerlijk. Zoo'n weldadige hitte in den kilnatten avond.
+
+Vies? Dat armoedige vrouwtje, het troebele water, het vuile vorkje, dat
+op het tafeltje lag in stof en nattigheid? Vies? Daar dachten we nooit
+aan. Vieze varkens worden niet vet. En als dat zoo ongezond was, zou dat
+vrouwtje toch ook niet zoo oud zijn geworden. En al die mannen dan, die
+ook even in 't voorbijgaan een warme verkwikking genoten? Ze waren voor
+hun cent beter af bij 't perehietvrouwtje, dan een eindje verder voor
+hun vier centen bij »De Bisschop", waar ze jenever kregen uit een vaatje
+met blinkend koperen banden in een kristalhelder glaasje, ook warm
+in den mond en in de maag, maar een pest voor 't lichaam en voor 't
+huisgezin. Het perehietvrouwtje vormde in haar sjofele verschijning een
+armoedige en ook onzindelijke figuur tegenover die nette herberg. En
+toch? Het was den mannen beter op de modderige straat bij haar donker
+stalletje dan op den zoo keurig met wit zand bestrooiden vloer bij de
+geregeld gereinigde toonbank.
+
+Maar wat dreef ons, jongens, nu, om dat vrouwtje na te galmen?
+Nauwelijks hoorden we, dwalend door de straat, de sympathieke stem
+roepen van
+
+ Warme, lekkere perehiet-ie-iet,
+
+of wij rijmden en riepen in denzelfden toon:
+
+ Ik lust ze wel, maar ik krijg ze nie-ie-iet.
+
+En geregeld werd haar geroep, nu uit deze dan uit gene richting, door
+die echo gevolgd. Soms zelfs kwamen ze uit verschillende richtingen te
+gelijk.
+
+Waarom deden we dat toch?
+
+Om 't vrouwtje te plagen?
+
+Absoluut niet. We voelden voor haar met zekere teerheid. Ze schold
+nooit, dreigde nooit, zat als een oud muschje maar stil inééngedoken,
+deed niemand kwaad. We misten haar als ze er niet was. We genoten,
+onbewust, van haar aanwezigheid. Niet alleen van haar heete peertjes,
+maar ook van haar verkwikkende verschijning, zooals we van een mooie
+plaat of een gezellig boekenrekje in de huiskamer genieten. Ze gaf toon
+en stemming, koesterend en rustgevend, aan onze straatatmosfeer. Waarom
+schreeuwden wij haar dan na?
+
+Ja, waarom?
+
+Omdat we 't niet laten konden, zoo min als de ruiten 't laten konden
+het vlammetje van de straatlantaarns te weerkaatsen. We bedoelden
+er heelemaal geen kwaad mee, heelemààl niet. We zouden 't vrouwtje
+beschermd hebben tegenover ieder die haar overlast wilde aandoen. Maar
+dat gekraai van ons hoorde er nu eenmaal bij. De hanen in de buurt gaan
+immers ook alle aan 't kraaien, als er een begint? Die eene stem wekt
+alle hanekelen in den omtrek; ze prikkelend met de hemel weet wat. En
+zoo ging het ook hier. Droomerig, de handen in den zak, slenterden we
+door de straten, en schreeuwden onze nagalmen het schemerduister in.
+
+De groote menschen denken daar wel eens anders over, vooral zij die
+op jongensondeugendheden moeten letten, zooals politieagenten en
+onderwijzers. Die zien er boos opzet in. Maar ze zien verkeerd.
+Natuurlijk _kan_ zich in dat naschreeuwen moedwillige plagerij uiten,
+maar die booze geest kan ieder middel, ook het onschuldigste, gebruiken
+om zijn leelijken lust te bevredigen. Doch het echo-en op zichzelf
+is--ik wil ook wel eens een geleerden term gebruiken--zuivere
+reflexbeweging. En daar mogen we wel aan denken. Het stemt ons
+vergevingsgezind ten gunste van de jongens--en ten bate van onze eigen
+gemoedsrust.
+
+ * * * * *
+
+Een tweede figuur was de houthakker.
+
+Wat was het toen toch een leuke tijd. De menschen werkten nog zoo
+schilderachtig aan de straat. Mijn vader moest daar geregeld eens in
+de veertien dagen koffiebranden. Men weet natuurlijk wat dat is. Hij
+ontving de koffieboonen rauw, een paar zakken vol van die geelwitte
+boontjes, en dan werd er op bepaalde tijden een hoeveelheid gebrand,
+niet te veel te gelijk, omdat ze anders hun geur verloren, en die werden
+in den winkel verkocht, al of niet gemalen. Dat malen geschiedde ook
+al bij kleine portie's en liefst in tegenwoordigheid van de koopster,
+zoodat het kostelijke aroma niet vervluchtigen kon in den winkel, maar
+telken keer bij het zetten de kameratmosfeer der koopsters kon
+vervullen.
+
+Koffiebranden. Op de straat, bij den waterkant, werd de vuurhaard
+gelegd, daarboven de liggende, cilindervormige, zwarte, ijzeren trommel
+aan het spit gehangen, de trommel gevuld met rauwe boonen, het vuur
+aangemaakt, een vuur van talhouten, en dan maar draaien. De liggende
+cilinder draaide om zijn as, de boontjes rolden mee, en die werden onder
+de hand door de warmte geroosterd. Dat draaien was een werkje voor den
+winkelknecht of voor ons. Soms werd het een oogenblik gestaakt, als
+Vader onderzoeken moest, of de boonen al gaar gebrand waren. Dan schoof
+hij met een ijzeren lepel een schuifje van den trommel open en schepte
+wat donkerbruine boontjes naar boven. Wij stonden er met den neus bij,
+genoten van den opwekkenden geur, en luisterden naar het eigenaardig
+knetteren en spatten daar binnen in die donkere ruimte. Wat was dat
+alles heerlijk: het vuurtje stoken, het draaien, het gewichtig onderzoek
+van je Vader, het ruiken, het hooren. En dan, als 't koud was, zoo'n
+paar arme jongens er bij, zich koesterend aan de vlammen, soms zelfs een
+paar volwassenen. O, wat weet ik alles nog goed. Toch zonder meester
+geleerd, zonder school. Het leven was de school, de ervaring de
+meesteres.
+
+Zooals mijn vader recht had op dat plekje straat voor zijn
+koffiebranderij, beschikte een eind verder de houthakker over een stukje
+grond aan den waterkant voor zijn hakkerij. Hij woonde in een kelder,
+sjouwde zijn hakblok naar buiten, dan zijn hout en zijn bijl, en hakte.
+Maar 't was een onvriendelijke man. Dat hij klein en dik was, kon
+hij niet helpen, ook niet, dat hij dientengevolge bij zijn werk erg
+zuchtte en zweette, maar dat hij ons uitschold en wegjoeg, als we zoo
+gemoedelijk aanzagen, hoe het scherp van zijn bijl het hout kloofde, dat
+kon er niet mee door. En dat wegjagen kwam, omdat wij hem nazuchtten.
+
+Zie je, in dien houthakker stak geen kindervriend en geen paedagoog,
+zooals in het perehiet-vrouwtje. Het sprak toch vanzelf, als wij met hem
+_meeleefden_, als wij de bijl zagen rijzen, ver boven zijn hoofd, zagen
+neerschieten in het hout, als wij met ons volle hart die bewegingen
+meemaakten, dat wij dan ook zuchtten. Dat snapte die man niet. Zijn
+wantrouwende ziel zag plagerij in wat.... sympathie was. En zoo máákte
+hij ons meegevoel tot plaagzucht, want nu konden we hem niet over de
+straat zien waggelen, of we haalden al de lucht tot uit onze teenen toe,
+en zuchtten hem die uit de verte al tegen.
+
+Nu op een afstand gezien, was hij zoo'n mooie figuur in de buurt. Zonder
+hem was die gracht daar zoo leeg. Zijn verschijning bracht teekening
+in het brokje leven. Waarom moest nu die man zoo'n brombeer zijn. Had
+hij vriendschap met ons gesloten, hij zou eens ervaren hebben, wat
+jóngenshulp beteekent. We zouden stellig, uit eerbiedvol medelijden met
+zijn dikte en diepe zuchten, heel wat voor hem gesjouwd hebben. Maar
+nu--hij maakte vrienden tot vijanden. Hij verstond het jongenshart niet.
+En zijn eenige paedagogische waarde is, dat ik nu, jaren later, zijn
+waarschuwend voorbeeld aan mijzelf en anderen kan voorhouden met den
+raad: Spiegelen we ons er aan!
+
+ * * * * *
+
+Nu volgt onze lieve Mietje de Porster.
+
+Wat hebben die vrouwen toch, dat we haar zoo gauw lief vinden.
+
+Zij was maar porster en ze heette Mietje, twee hinderlijkheden die ze
+tegen had, want wie wordt er nu graag gewekt--we slapen liever door met
+al onze ongerechtigheden--en wat zit er nu voor poëtisch in den naam
+Mietje.
+
+Stel je voor een vrouw die Mietje heet, en die 's morgens vroeg met een
+dikken stok op je deur staat te bonken. Die bonkt toch al haar
+bekoorlijkheid weg?
+
+En toch hielden we veel van haar.
+
+Dat zat in haar stem.
+
+Ze schreeuwde. Natuurlijk schreeuwde ze. Hoe kon ze anders, buiten
+staande, de slapers daar binnen met haar stem bereiken. Maar in haar
+schreeuw zat toch dat ik-en-weet-niet-wat, waarin je teerheid en liefde
+voelt.
+
+De houthakker zuchtte maar alleen. En in zijn zucht zat nijd.
+
+Mietje schreeuwde. En in haar schreeuw zat liefde.
+
+'t Is niet de zucht of de schreeuw, gij beginselvaste debaters over den
+invloed van dit of dat.
+
+'t Is de mensch, die er zich door uit.
+
+Mijn oudste broer heette Dorus, en hij was het, die eigenlijk ieder
+morgen Mietje's aubade ontving. Hij moest, timmerman, vroeg op, om
+tijdig op zijn werk te zijn, en Mietje zorgde daarvoor.
+
+Eerst hoorde je 's morgens om vijf, zes uur een roffel op de deur. En
+dan kwam, na een heel korte pauze, de stem: »Douwerus! Ben je wakker?"
+
+Stilte. Mietje luisterde.
+
+Ik, ook gewekt, hoorde uit de overliggende bedstede een diep gegrom, als
+van een leeuw, die uit zijn donkeren slaap, oprijst. Het kwam van
+Douwerus.
+
+Maar Mietje hoorde niets.
+
+Daarom nog eens de roffel. Nog eens de pauze. Nog eens dat lieflijke:
+»Douwerus! Ben je wakker?" Nog eens de luisterende stilte.
+
+»Jáááá!" ronkte Douwerus eindelijk.
+
+Maar dit was Mietje niet naar den zin. Op _dit_ ja--haar geoefend
+porsteroor hoorde het wel--zou hij weer inslapen. En Mietje begon een
+gesprek met Douwerus.
+
+»Ben je er al ui-ui-uit? 't Is mooi weer, hoor!"
+
+»Ja!" riep Douwerus, nu kort en nijdig.
+
+Juist, zoo moest ze 't hebben. Nu was haar porstershart gerust. Nu kon
+ze veilig verder gaan. Mietje voelde haar verantwoordelijkheid.
+
+Is dat niet allerliefst? Voor acht centen in de week!
+
+Ik hield van Mietje. Ik geloof, we hielden allemaal van Mietje. En toch
+zagen we haar nooit. Maar we hadden haar gehoord.
+
+Toch, eenmaal hebben we haar ook gezien. 't Was op een Nieuwjaarsdag.
+Dan kwamen de vrinden allemaal--lantaarnopsteker, nachtwacht,
+vuilnisman--al de loopende gemeente-ambtenaren nieuwjaar wenschen en
+boden daarbij een mooie prent met een gedicht aan, welkome schatten voor
+de kinderen, en die wel tegen een fooitje opwogen, ware 't alleen om de
+rijke heilwenschen aan de eerzame burgerij. Voor mij waren 't schatten
+voor mijn kokertje. Tegenwoordig zijn de prenten verdwenen en de fooien
+verdubbeld.
+
+Op zulk een nieuwjaarsdag kwam ook Mietje feliciteeren, mét een prent
+natuurlijk.
+
+Gewoonlijk waren we dien dag afwezig, zelf met heilwenschen voor
+familieleden op chocolade en oliebollen uit, wellicht ook nog op wat
+anders. Maar ditmaal waren we thuis, en zoo zagen we Mietje. Want toen
+Mietje nu haar gedicht kwam aanbieden, werd ze niet aan de deur met een
+geldstukje losgelaten, maar moest ze binnenkomen en een kopje chocolade
+drinken.
+
+Ze kwam, mutsje op, omslagdoek om, den winkel door, het trapje op, de
+kamer in, klein vrouwtje, wat krom.
+
+Nu moest ze gaan zitten en daar zag ze het heele gezin, ook Douwerus.
+
+Maar daar schrok ze nu toch van. Ze zag een 18 à 20 jarigen jongeman
+voor zich, als heer gekleed, met boord en strik, kastanje-bruine
+krullekop.
+
+Mietje schrok.
+
+»Bent ú.... _meneer_ Douwerus? Ach, dat heb ik nooit geweten."
+
+We hielden ineens nog meer van haar bij die gulhartige uiting.
+
+Maar meneer Douwerus verlangde niet, dat ze voortaan roepen zou:
+»_Meneer_ Douwerus, bent u wakker." En zoo is het, ondanks de
+persoonlijke kennismaking, bij de oude vertrouwelijkheid gebleven.
+
+Meer dan dezen eenen keer heb ik, bij mijn weten, Mietje niet gezien.
+Maar hààr »Douwerus" en het »Perehiet" van de andere, ochtendgroet en
+avondroep, zijn mij bijgebleven als mooie zonsopgangen en -ondergangen
+in onze buurt.
+
+ * * * * *
+
+Als er toch geen vrouwen in de wereld waren! Waar moesten wij kleine en
+groote jongens naar toe!
+
+Hebt ge wel opgemerkt, bij hoeveel lieve vrouwen ik me al gekoesterd
+had? Bij juffrouw Gottman van de eerste bewaarschool en juffrouw Doortje
+van de tweede. Bij juffrouw Van Streelen uit den winkel naast ons en bij
+het Perehietvrouwtje. Bij Mietje de Porster en mijn zuster Christine.
+En onder _alle_ omstandigheden--bij mijn Moeder!
+
+O, die vrouwen! Laten wij ze zegenen! En loopt er al eens een kwade
+onder, ik vrees dat het een verhanselde man is.
+
+Toch heb je ook wel eens een goeden man. Maar ekstra goede hebben dan
+iets vrouwelijks.
+
+Zoo Chris de Mooy.
+
+Hij was onze winkelknecht, een lange jongen met vaalrood haar, sproeten
+in het grauwbleek gezicht, en een verkeerde uitspraak van de letter s.
+Men ziet, hij was van buiten slecht uitgerust en had zeker nooit een
+meisje gekregen, als de meisjes niet verstandiger en braver waren dan
+de jongens. Doch 't is bij hem nooit tot een meisje gekomen, door een
+andere oorzaak.
+
+Toen de winkel achteruit ging, moest hij weg. Vader kon hem niet meer
+betalen. Maar hij wou niet, hij wou voor niets blijven.
+
+Ach, zúlke liefde heb je alleen bij de eenvoudigen en de armen.
+De niet-eenvoudigen redeneeren te veel, en de niet-armen offeren
+dan te veel op. Die kunnen niet ineens veertig graden zakken. Zoo'n
+plotselinge temperatuursverlaging van hun welstand zou ze ziek maken.
+Maar de armen, die merken 't zoo erg niet, als hun thermometer vier
+graden daalt. Dan loopen ze maar wat harder en worden toch niet kouder
+dan ze al waren. Ja, een arme gaat gemakkelijk in het koninkrijk der
+hemelen.
+
+Rooie Chris had er wel zoo in kunnen stappen. Hij was eerlijk, trouw,
+ijverig, vriendelijk, en hij hield van ons allemaal. Hij kon zoo
+hartelijk lachen, en zoo aardig »Juffrouw Christientje" zeggen met
+die--bij hèm--welluidend, slepende s. Hij was in alle geheimen van den
+winkel ingewijd, kende alle geldelijke nooden, en vluchtte niet van het
+zinkende schip.
+
+Ik weet alleen niet, of hij trouw naar de kerk ging. Maar Onze
+lieve Heer wou hem zoo toch wel hebben, reine, liefdevolle,
+zelf-verloochenende ziel. Van zulke menschen zeg je: Onze lieve Heer
+heeft ze al, want zij hebben Onzen lieven Heer al, wat eigenlijk op
+'t zelfde neerkomt.
+
+Hij wou dus niet weg. En of hij nog gegaan is, zie, dat weet ik nu niet.
+Hier is een leemte in mijn herinneringen.
+
+Ik zie rooien Chris nog wel, maar niet in den winkel. Ik ben bij hem
+thuis, in zijn kamer, bij zijn bed. Ik zie hem liggen, het vaalroode
+haar op 't witte kussen, het grauwbleeke gezicht nog wat fletser, maar
+dezelfde lieve, zachte, lachende oogen. Ik kom afscheid van hem nemen,
+want rooie Chris is ziek en hij gaat sterven.
+
+Ik voelde op dat oogenblik, dat ik erg veel van hem hield, met dankbare
+en vereerende liefde voor al wat hij gedaan had jegens mijn ouders.
+
+Hij is gestorven. Maar mijn liefde is gebleven. En die leeft nog.
+
+En waarom vertel ik dat u? Wat hebt gij te maken met rooien Chris, die
+bovendien al meer dan veertig jaar dood is? Een arme winkelknecht van
+een verloopen winkel?
+
+Niets, tenzij gij hem zoudt willen navolgen.
+
+Maar _hiermee_ hebben we allen te maken, dat mijn herinneringen bewijzen
+de over dood en graf heen doorwerkende kracht van de liefde.
+
+En dat is paedagogiek want dat leert ons, hoe wij op te voeden hebben en
+hoe de eenvoudigsten onder ons, de armsten in geleerdheid, misschien de
+beste opvoeders zijn, och zonder dat ze 't zelf weten. Gelukzaligen!
+
+
+
+
+DE TWEEDE LAGERE SCHOOL.
+
+
+»En hoe heet je van je voornamen?"
+
+»Henri."
+
+»Neen, voluit."
+
+»Meindert Henricus."
+
+»En jij?"
+
+»Gerard Jan."
+
+»Mooie namen!"
+
+Dit zei hij. En ik gloorde.
+
+Letterlijk zoo is het gebeurd.
+
+We stonden met ons drieën voor de klas, hij en wij tweetjes.
+
+Hij was meester, wij de nieuwe leerlingen.
+
+Hij was een nog al rijzige man, een beetje dik gezond uiterlijk. Ik zie
+hem nog heel duidelijk. Zijn haar krulde wat, sprong tenminste. En ik
+zie het plaatsje nog waar we stonden, en de banken met de onderzoekend
+kijkende kinderen, en de opschuifborden aan den muur.
+
+Maar bovenal hoor ik nog die twee woorden: mooie namen.
+
+Meester.... had mijn hart gewonnen, en voor goed.
+
+»Mooie namen!" Zoo had hij ons verwelkomd. Hij een gewone meester. Als
+hij smalend gezegd had: »Gekke namen!"--dat had ik eer begrepen. Want
+meesters waardeerden nooit, waren uit hun aard niet vriendelijk, gromden
+en veroordeelden. Doch nu dit, zoo gansch onverwacht.
+
+Voor een kind is zijn naam maar niet een onverschillig ding. Het is een
+stuk familietrots en in zijn vóórnaam voelt hij zichzelf. Hij is er zoo
+graag in geëerd. En deze meester streelde ons in dit bezit, mijn twee
+jaar ouder broertje en mij, jongens van ongeveer 12 en 10 jaar, dus geen
+kleine kindertjes meer, jongens die al verhard waren door scheldwoorden.
+
+Hij zij er nog voor gezegend, met alle vriendelijke menschen die ik op
+mijn weg ontmoet heb.
+
+ * * * * *
+
+Het was op mijn nieuwe school, de school van de »Christelijk
+Gereformeerde Gemeente" op de Bloemgracht, naast en onder het patronaat
+van de Kerk dierzelfde Gemeente, beter berucht onder den naam van
+»Afgescheidene".
+
+»Fijn genoeg!"
+
+Afgescheiden--dat was reeds voor onze kinderooren het summum van
+»fijnheid". Géén »mooie naam". Een naam met een onbehagelijken bijklank,
+waartegen je je verdedigen moest. »Ben jij"--met groote
+geringschatting--»áfgescheiden?"--»Neen hoor, ik ben Doopsgezind."--O,
+dan was de zaak in orde.
+
+We voelden niets van het mooie moedige in dit woord. En dit bleef jaren
+lang zoo, zelfs toen we warme sympathie en bewondering schonken aan de
+pelgrimvaders en aan alle voor hun geloof uitgewekenen. Afgescheiden
+beteekende nu eenmaal fijn, en daarbij een beetje huichelachtig.
+Nota bene, zij die voor hun geloof openlijk uitkwamen en er voor
+durfden breken met de landskerk, waren huichelaars. Een vreemd soort
+huichelaars. Maar zoo diep gingen onze gedachten niet. Ze bleven aan
+de algemeene oppervlakte, onder suggestie van het partijdig gekleurde
+woord »afgescheiden". En zoo sterk was die suggestie, dat ik bij die
+breed-bleeke ei-klank nooit dacht aan een frisschen zeemanskop, maar
+aan een vaal, gelig-wit bakkersgezicht, met meel bestoven fletsheid.
+
+Toch moesten de afgescheidenen, die kerk, geld, betrekking, eer, alles
+om Godswille in den steek hadden gelaten, krachtige, heldhaftige naturen
+geweest zijn.
+
+Ik weet wel, vanwaar mijn indruk komt. Grootvader had als predikant
+de afscheiding ervaren, zoo niet in zijn gemeente, dan toch in zijn
+Kerk, en die als een hoofdigheid, een spelbreken, een krenking gevoeld.
+Afgescheidenen waren koppige, bekrompen scheurmakers. Zoo werden ze in
+zijn pastorie beschouwd, zoo bleef Moeder er over denken, zoo leerden
+wij ze veroordeelen. En zoo zelfstandig is de meening van duizenden en
+millioenen nu nog. Ze bewonderen de stugge geloofsopoffering, mits in
+'t verleden. Zoodra die zich in 't heden vertoont, stelt men zich partij
+en verguist.
+
+Maar zoo gaat het ook op ander gebied. Zijn afgescheidenen huichelaars,
+liberalen zijn godloochenaars en sociaal-democraten duivelskinderen.
+Opstandelingen van eertijds zijn nu helden des volks. Hoe zullen de
+huidige omverwerpers over eenige eeuwen heeten? Oordeelen is moeilijk.
+
+Als kind, als leerling der afgescheiden school had ik geen enkele reden,
+om in 't bizonder ongunstig over deze »fijnen" te denken, en ieder moet
+erkennen, dat althans het joviaal en hartelijk welkom een veelbelovend
+begin was. De opinie mijner ouders was trouwens ook zóó ongunstig
+niet en in ieder geval waardeerender voor déze school, dan voor de
+»stadsschool" op dezelfde Bloemgracht, maar een eind verder en aan
+de overzijde. Een »stadsschool" stond bij ons in den reuk van ruwheid,
+ongodsdienstigheid en vooral onfatsoenlijkheid. Daar werd niet gebeden,
+niet uit den Bijbel gelezen, en vooral, daar gingen de schooiers. Je
+moest al erg gezakt zijn en bijvoorbeeld klompen dragen, om naar een
+»stadsschool" te gaan. Ziedaar al weer een zelfde suggestie. Zooals
+het woord »afgescheidenen" tot mij gekomen was met den klank van
+huichelachtig gefemel, hoorde ik in dat harde »stádsschool" geklepper
+van klompen. Afgescheidenen waren tenminste netjes, misschien zelfs een
+beetje _te_, maar stadsschooljongens lagen onder de vunze kleur van
+straatvuil. Daar ging je niet mee om, daar had je geen enkel kontakt
+mee, daar vocht je alleen zoo nu en dan tegen, gelijk de beschaafde
+natiën tegen de kaffers, of eertijds de Romeinen tegen de Germanen.
+Ze waren goed om uitgeroeid te worden, of met het zwaard bekeerd.
+
+Eigenaardig toch, dat vooroordeel, zonder kennis van personen en
+toestanden, louter onder den invloed van het milieu. Men kan er zeker
+van zijn, dat zoo nog duizenden met zekeren afschuw het woord »openbare
+school" hooren. Het brengt hen aanstonds in een atmosfeer van
+tabaksdamp, jeneverlucht, goddeloosheid. Ik kan dat best begrijpen. Maar
+het is niet goed. Evenmin als dat schimpen op afgescheidenen. O, de
+voorlichters van 't volk, ze hebben zwaar gezondigd en ze doen het nog.
+Ze hebben zich vergrepen aan de waarheid. Ze hebben het hart van 't volk
+vergiftigd met leugen. In stee dat ze zochten, volhardend en liefdevol,
+het goede bij de andersdenkenden, en hierop het volle licht lieten
+vallen, beijverden ze zich dit goede onzichtbaar te maken in de dikke,
+donkere nevelen van hun partijdigen laster. Heel de sfeer van het
+volksleven, van het leven der menschheid is verleugend. En millioenen
+onwetenden, onnoozelen, dwalen met hun valsch oordeel rond als schapen
+onder slechte herders. Dat is voor een groot deel de schuld van hen,
+die, leiders, zich niet zelf laten leiden door »den goeden herder", ook
+al beweren zij tot zijn schapen te behooren.
+
+ * * * * *
+
+Op mijn afgescheiden school heb ik enkele goede jaren doorgebracht.
+Natuurlijk herinner ik me ook nog wel eenige verkeerde dingen, b.v. een
+nu en dan wel wat te haastig en hardhandig gebruik van »de tuchtroede",
+en zoo liggen me ook nog een paar scheldwoorden in 't oor, alsof iedere
+ondeugende jongen een »ongelikte beer" was en ieder lastig meisje »een
+nijdige tang", maar die ruwheden in daad en taal behoorden tot dien
+tijd. Men kon zich een school kwalijk anders denken, dan als een bende
+meerendeels onwillige kinderen, die er met strengheid onder gebracht en
+onder gehouden moesten worden. Zoo denken zelfs thans nog velen er over.
+Van hartelijke, goedgezinde, vreugdevolle samenwerking tusschen meester
+en leerling is ook nu nog lang niet overal sprake, en schrijver dezes
+ziet zijn pleiten daarvoor zelfs van paedagogische zijde menigmaal
+bestreden als zoetsappige paedagogiek. Op hun donder moeten ze hebben.
+Gedwongen moeten ze worden. Tusschen meester en leerling bestaat een
+»natuurlijke"--lees: onnatuurlijke--»antagonie".
+
+Ik denk er dus niet aan, mijn tweede lagere school ook maar eenigszins
+te verwijten, wat toenmaals tot de gewone schoolpraktijk behoorde, en nu
+nog door velen principieel wordt aanbevolen, maar heb de feiten alleen
+gememoreerd om te doen zien, dat ze een kind zijn leven lang bijblijven.
+Het scheldwoord, dat we in zijn jeugd als opvoedingsmiddel een leerling
+naar 't hoofd werpen, hoort hij nog in zijn grijsheid. En dat vergeten
+we wel eens. Maar ik heb mijn afgescheiden school veel te veel te
+danken, dan dat ik haar deze averechtsche deugden toerekenen zou.
+
+Zij heeft de kunst verstaan, mij te doen _werken_, en werken _met
+lust_. Ik kwam in een klas, waar de kinderen al een heel eind gevorderd
+waren in 't Fransch, en ik had er nooit iets aan gedaan. Dat gaf dus
+strubbeling. Ik moest bijgewerkt worden en kreeg een boekje mee naar
+huis. Het was een boekje met kleine verhaaltjes, ik geloof van Engelbert
+Gerrits, met de vertaling der moeilijke woorden aan den kant.
+
+Zaterdag nam ik het boekje mee, den ganschen Zaterdagnamiddag en avond
+zat ik er uit te vertalen, ook den heelen Zondag, ook nog de vroege
+morgenuren van Maandag, en toen bracht ik den meester anderhalf schrift
+met vertalingen. Het boekje was uit.
+
+Ik weet nog, hoe hij opkeek, toen hij die massa werk onder de oogen
+kreeg. Ik was een wonder van vlijt. Daar had ik echter zelf geen idee
+van. Ik wist alleen, hoe heerlijk het was te werken, zoo te werken, dat
+ik mijn klasgenooten inhaalde. En dat gelukte. Achtereenvolgens, maar nu
+natuurlijk veel langzamer, werkte ik de les- en themaboekjes van Van der
+Hoeven door en na een paar jaar zat ik volop in de onregelmatige
+werkwoorden van het zooveelste stukje.
+
+Hoe was het mogelijk, dat de brutale spijbelaar van de Lindengracht zich
+zoo ontpopte op de Bloemgracht? Dat lag misschien aan 't verschil van
+één meester.
+
+Meesters, die dit leest, denkt er aan, als je dagtaak je soms eens zwaar
+valt, als je er soms eens moedeloos bij wordt. Mogelijk zit er één
+jongen in je klas, die je later voor je arbeid danken zal, zooals ik het
+nu nog mijn meester doe.
+
+ * * * * *
+
+Aan die buitensporige vlijtvlaag is nog een herinnering verbonden.
+De kinderen konden elke maand een kaartje »voor vlijt en goed gedrag"
+krijgen. Wie er zoo twaalf per jaar had ontvangen, ontving op het
+jaarlijksch examen een prijs. Dat was voor mij het eerste jaar een
+onmogelijkheid, want in den loop van den kursus op school gekomen, had
+ik het op 't examen maar tot acht kaartjes kunnen brengen. Toch ging
+ik met plezier naar 't examen en zag aan 't einde daarvan zonder eenige
+jaloezie, dat mijn medeleerlingen mooie boekwerken en getuigschriften
+ontvingen, terwijl ik verstoken zou blijven. Als je zoo iets maar
+vooruit weet, is 't niet zoo erg. De smart zit minder in het gemis dan
+wel in de teleurstelling. Daarom hebben sommigen er een handje van, je
+teleurstellingen aan te doen, opdat je het toch maar goed vóélen zult.
+
+Toen alle prijzen waren uitgedeeld, was er een oogenblik stilte in de
+school. En toen hoorde ik mijn naam noemen, langzaam, plechtig:
+Gerard--Jan--Ligthart.
+
+Ik trilde--zag alles in een nevel--geloofde 't niet--bleef bevende
+zitten.
+
+De meneer van 't examen zag de klasse rond, en riep toen nog eens met
+deftige stem: Gerard--Jan--Ligthart.
+
+Alle kinderen keken naar mij.
+
+»Kom jongen, jij bent het," zei de meester.
+
+Ik stond op en liep naar voren, gauw, zenuwachtig.
+
+Daar stond ik tegenover den deftigen meneer. Ik klein, hij groot. Ik
+ontroerd, hij rustig.
+
+En hij glimlachte mij kalm tegen.
+
+Hij had een boekje in de hand en las luid: »Loon naar werk, door E.
+Gerdes."
+
+Ik hoor het nog.
+
+En toen sprak hij: »Jongen, je bent nog te kort op deze school, om reeds
+het vereischte aantal kaartjes voor een prijs te bezitten. Toch wilden
+je onderwijzers je een prijs geven voor je buitengewonen ijver. En die
+prijs heet: Loon naar werk. Hij _is_ dan ook loon naar werk. Ziehier."
+
+Ik nam het boekje aan.
+
+Heerlijk, héérlijk oogenblik.
+
+En toen stil naar mijn plaats.
+
+Of ik onder het dankgebed geluisterd heb?
+
+Daarvoor trilde het daarbinnen te veel. Maar ook dat was danken. En onze
+lieve Heer weet dat wel. Die heeft een fijn oor.
+
+Gezegende school! Zij leerde mij werken. Zij leerde mij school en
+meesters liefhebben. Zij leerde mij danken in gemoedsontroering. Het
+echte.
+
+Toch maar een »afgescheidene".
+
+ * * *
+
+En nu wil ik meteen vertellen, hoe het met mijn prijs verging.
+
+Daar was een jongen en die heette Kees. Zijn vader was timmermansbaas,
+en hij woonde daar en daar.
+
+Kees las zoo graag en daarom kreeg hij eens mijn prijs ter leen.
+
+Maar Kees gaf hem nooit terug.
+
+Telkens als ik vroeg, ontving ik een ontwijkend antwoord.
+
+Eindelijk vermande ik me en ging naar Kees zijn huis. Ik wou zijn vader
+spreken. Ik moest toch mijn prijs hebben, mijn _prijs_. Een prijs is
+toch niet een gewoon boek.
+
+Ik sprak Kees zijn vader. Hij wist er niets van. Maar wacht r's.
+»Zoo'n boekje, zoo wat zoo groot?"--Ja, meneer.--»Dat zal je niet meer
+terugzien. Kees bracht altijd boeken mee, en ik wou dat vervloekte
+gelees niet meer hebben, en toen heb ik gezegd: als je weer een boek
+meebrengt, smijt ik het in de kachel. Dat heb ik ook gedaan, en dat is
+dan zeker jouw prijs geweest."
+
+Ik heb mijn tranen weerhouden,--o, natuurlijk, natúúrlijk--maar toen ik
+weer buiten was en op straat liep, was ik gebroken.
+
+Mijn prijs....
+
+Weg....
+
+Onherroepelijk....
+
+De man heeft er niet aan gedacht, welk een bitter leed hij mij had
+berokkend, heeft er niet aan gedacht, mij mijn prijs terug te koopen.
+
+»Dan had ik hem maar niet moeten uitleenen."
+
+Zoo'n ellendeling!
+
+ * * * * *
+
+Laat ik hem vergeten en aan lieflijker dingen denken.
+
+Van de vrouwen is altijd een bizondere bekoring voor mij uitgegaan. Men
+weet, dat begon al op de bewaarschool, waar ik schriftelijk verzocht, of
+ik van zeker vijfjarig Betje de vrijer mocht wezen. Ik was toen ook nog
+geen zes. En dat hield zelfs niet op, wanneer het pere-hietvrouwtje of
+Mietje de porster mij in haar toch zoo ongecultiveerde stemmen
+omstrikten.
+
+Wat is het toch, die bekoring van »das ewig Weibliche".
+
+Ik weet het niet.
+
+Het is een der mysteries bij de talloos vele andere. Maar het bestaat
+en oefent zijn invloed reeds vroeg. De aanwezigheid van meisjes in de
+school verzachtte heel wat leerellende. Als je onder het doodelijk
+stilzitten, een uur achtereen, steeds met je handen gevouwen aan den
+rand, naar het overhooren van een droge les moest schijnen te luisteren,
+was het een heerlijkheid, in alle stilte te genieten van een mooie,
+blonde vlecht, of ál meer intiem te worden met een rood lintje om een
+zwart kopje. De jurkjes, de schortjes, de kantjes, de beentjes der
+meisjes, waarmee ze zoo aardig stappen konden, de stemmetjes en de
+fraaibelijnde gestalten, ze gaven aan de dorre woestijn iets liefelijks.
+En zonder meisjes had ik het in mijn eerste school zeker absoluut niet
+uitgehouden.
+
+Wat ik voor haar voelde, was onmogelijk te zeggen. Geen enkele
+onvoegzaamheid, dat weet ik echter zeker. 't Was een vage stemming
+van adoratie; zij omhulden mij als in rozige morgennevels. Een zelfde
+stemming kreeg je buiten, als je niets dan groen en lucht zag en een
+enkele boerenwoning. Het alledaagsche ging weg en je was in een andere
+sfeer.
+
+Geheel in strijd met deze vage stemming scheen onze liefhebberij om bij
+'t uitgaan der school de meisjes na te rennen.
+
+Dan holden zij hard weg, zwaaiend met de schooltasschen, en wij vlogen
+ze na. Hadden we ze ingehaald en gegrepen, dan deden we nog niets.
+Eigenlijk waren we dan verlegen met onzen buit, schudden--schijnbaar
+ruw, maar eigenlijk teer--de Sabijnsche wat door elkaar, spraken wat
+vreeselijke dreigementen, en, als 't héél erg werd, gaven we ze een zoen
+ergens op een vindbaar plekje van het weggestopt gezicht en anders maar
+op de haren. Die zoen beteekende evenwel niets anders dan een triomf.
+Daarna mochten ze gaan.
+
+Nog op den huidigen oogenblik weet ik niet, wie met dit spelletje
+begon, de jongens of de meisjes. Of wij haar opjoegen, dan wel zij ons
+oplokten. Eén ding is zeker: meisjes die niet wegliepen deden we niets.
+En zoo geloof ik, dat die vluchtende hinden niet zoo onnoozel en zoo
+bang waren, als ik toen wel dacht. Maar ik durf toch niet stellig
+zeggen, of ook deze verzoeking eigenlijk van Eva uitging, en dus zal ik
+dit vraagstuk maar laten oplossen door de eerlijke jeugdherinneringen
+van een vrouw, die in haar schooljaren dupe of bewerkster van die jacht
+is geweest.
+
+De Paedologie zal ongetwijfeld ook deze naren- en afzoenerij eens tot
+onderwerp van haar wetenschappelijk onderzoek maken. Dan vernemen we,
+hoe in dit kinderspel zich handhaaft een vrouwenroof uit den oertijd,
+of anders hoe--spel is toch levensvoorbereiding--het jonge volk zich
+bij dat onbehoorlijk gevlieg praepareert op 't geen later komen moet.
+Een zij en een hij moeten elkaar vinden, daartoe moet zij lokkend
+wegfladderen, hij haar volgen: »Errötend folgt er ihren Spuren", en
+als hij haar gevonden, veroverd heeft, sluiten zij zich innig aaneen.
+Dat moet in de schooljaren door wijze Moeder Natuur worden voorbereid.
+Vandaar die, alleen door onwetenschappelijke kortzichtigheid
+tegengewerkte, naren- en afzoenerij, die de opvoeders als een mooi,
+redelijk, noodzakelijk en dus wenschenswaard verschijnsel moesten
+begroeten, en eer behoorden aan te moedigen, dan als onfatsoenlijk te
+bestrijden.
+
+Zien echter alle ouders en onderwijzers het onder dat licht?
+
+ * * * * *
+
+Op mijn afgescheiden school waren gelukkig ook meisjes, en zoo had ik
+den Hemel opnieuw te danken, die mij niet uit Roomsche ouders had doen
+geboren worden en tusschen enkel donkere jongenskielen doen opgroeien.
+
+De meisjes zaten vooraan, in de eerste rijen, de jongens daarachter.
+Ik denk, dat in deze plaatsing, die men op alle gemengde scholen en ook
+in de kerken aantreft, waar de mannen de vrouwen als een heiligenkrans
+omringen--geen krans van heiligen--, ik denk dat in deze rangschikking
+zich hetzelfde wegloop- en narenelement openbaar. Men noemt dat met
+allerlei mooie namen: hoffelijkheid, beleefdheid, eerbied voor het
+zoogenoemd zwakkere geslacht, maar die namen zijn niet anders dan
+kleurige sluiers, die het wezen der zaak aan ons oog onttrekken. Die
+stil en devoot luisterende vrouwen--natuurlijk weten ze het niet--ze
+loopen weg, en die eerbiedig doende mannen, ze rennen na. Die hele
+zwijgende, stilzittende schare is in haar rangschikking een door de
+eeuwen vastgelegde beweging. Het is lokken en volgen, jagen en vlieden,
+maar nu vastgegroeid tot een maatschappelijk gebruik. Alleen ziet men nu
+en dan, zelfs in de kerk, het oude spel herleven, als een achttienjarig
+meisje minder getrokken wordt door de godsdienstoefening, omdat ze zelf
+te sterk trekt iemand die daar in de verte achter haar zit. Al is die
+gedachte niet aangenaam voor den preekenden voorganger, hij worde er
+toch niet boos om, wetende dat het verlies van aandacht nu, hem later
+rijkelijk vergoed wordt door een mooien huwelijksdienst en wie weet
+hoeveel doopbeurten. Pierre de Coulevain, de auteur van Sur la branche,
+heeft de verliefdheid van 't meisje terecht genoemd: moederliefde in
+knop.
+
+Ik had het geluk, een tijdlang in de eerste jongensrij te zitten,
+vlak achter de meisjes. Dit verhinderde mij niet, hard te werken.
+Integendeel. Het spoorde mijn werkdrift aan. Ik deed mijn best in haar
+oog een mooi figuur te maken. Een pluimpje van den meester wapperde
+veel sierlijker onder het welgevallig en bewonderend oog der meisjes.
+Zij behoefden mijnentwege niet goed te kunnen rekenen en ontleden.
+Als ze maar haar lieftallige en gratievolle bewondering aan ónze
+overwinningen konden schenken. Iedere moeilijke som, door ons als een
+machtig vijand verslagen, riep haar streelenden eerbied op, en wij
+sloegen er op los om dien eerbied te verwerven. »Wat kan _jij_ goed
+rekenen!" of: »Hoe _kun_ je dat toch!" of: »Ik begrijp er niks van!" of:
+»Toe, help je me nog even!"--het waren omwademingen van bloemgeurige
+zefirs, zwanger van lenteweelde. Ha, wat voelden we ons gelukkig, als
+we zulk een hulde ontvingen of zulk een hulp mochten verleenen!
+
+Das ewig weibliche. Wondervolle macht in een knapenziel.
+
+Neen, gij die meent dat onreine gedachten als zwarte wolken langs
+dezen blauwen voorjaarshemel moeten drijven, gij weet het niet. Er
+ging een reinigende bekoring uit van de tegenwoordigheid der meisjes.
+Zij riepen ridderlijke gevoelens in ons wakker, huldigende driften,
+artistieke gaven. Mijn oudste broer teekende mooi en leerde mij in de
+huiskamer landschapjes teekenen en watergezichtjes. Een boerenwoning,
+half verborgen onder 't loover, een hooiberg daarbij, slingerend
+landweggetje, en in de lucht wat vogels--of een schip, opbruisend tegen
+de watervlakte, het zeil omhoog, den wimpel wapperend, het roeischuitje
+er achter--ik wierp ze met handige potloodstrepen op het papier, trok er
+een strakke lijn om, zette in een benedenhoek een beetje schuin mijn
+naam--ach, mijn jongens op school kunnen dat laatste ook zoo artistiek:
+kinderen blijven kinderen--en bood ze de jonkvrouwen mijner vereering
+aan. Hoe heerlijk, als ze het mooi vonden en zuinig bewaarden. En als
+ze 't niet begrijpen konden, hoe een jongen, die al zoo goed sommen
+kon maken, ook nog mooi kon teekenen. En als ze dan een eigengemaakten
+boekenlegger of inktlap als tegengave schonken. Precies als de koningen
+der aarde, en ook precies als de primitieve volkeren. Lezer, vriend,
+zijt ge wel eens jaren achtereen gelukkig geweest met een simpel
+potloodje, dat ge dag aan dag bij u droeg, nooit gebruikte uit vrees dat
+het slijten zou, en telkens weer met teederheid tusschen uw vingertoppen
+nam? In dat potloodje--'t heette een herinnering aan háár--bewaardet ge
+al de reine teederheid van uw eigen jongensziel, gewekt door »das ewig
+Weibliche".
+
+
+
+
+GOEDE SCHOOL.
+
+
+Elke schooltijd begon natuurlijk met gebed en psalmgezang. Daarna volgde
+'s voormiddags een vol uur »Bijbelsche Geschiedenis". Dat was dus zes
+uur in de week de historie van het oude Israël en het verhaal der
+Evangeliën.
+
+In overeenstemming daarmee kreeg de Kaart van Palestina meer beurten dan
+die van Nederland. Zoo kwam eigen land en volk wel wat in de verdrukking
+door de buitengewone belangstelling aan Kanaän gewijd. Perea, het
+Over-Jordaansche, lag mij nader dan Gelderland, op de Palestijnsche
+bergen was ik meer thuis dan op de Limburgsche heuvelen, het meer van
+Genezareth mij vertrouwder dan het Slotermeer, en langs de Jordaanoevers
+wandelde ik vrediger dan langs de Rijnboorden.
+
+Over de keuze van dit belangstellingsgebied voor de lagere school kan
+men verschil van meening hebben, maar ieder beseft, hoe dit samengaan
+van geschiedenis en aardrijkskunde beide ten goede kwam. De vlakten en
+de hoogten, de meren en de stroomen, de steden en de vlekken van Kanaän
+kregen beteekenis, doordat ze leefden in de Joodsche geschiedenis en
+literatuur. We hoorden ze uit den mond der psalmdichters en profeten,
+zagen ze als terrein van arbeid en strijd, bezochten ze rondwandelend
+met den leerenden Heiland.
+
+Dat was iets anders dan rijtjes namen, die maar rijtjes namen bleven.
+Het innige verband tusschen het Joodsche land en het Joodsche volk, dat
+nog thans in zoo vele Joodsche en ook Christen-harten gevoeld wordt,
+maakte de aardrijkskunde van Palestina tot terreinlessen der historie.
+Alles leefde daar. Men was als in de schouwburg der menschheid en zag
+volksdrama's afspelen op het tooneel der velden, met begroeide bergen
+tot coulissen. Nog, als ik den naam hoor van het meer van Genezareth,
+zie ik visschers hun netten uitwerpen, Jezus wandelen op de wateren,
+Petrus wegzinken in kleingeloof. Aan gene zijde der Jordaan staat Mozes
+op den berg Nebo, ziende naar het Heilige Land, dat hij niet mag
+binnentreden. Hoe lieflijk is ons dat Bethlehem met zijn overvolle
+herberg en de kribbe in den beestenstal. Geen plaatsnaam, of hij roept
+personen op, toestanden, gebeurtenissen. De landkaart gaf aan de
+geschiedenis een gebied, gelijk deze aan de kaart leven schonk.
+
+Of de school dit prachtige en eigenlijk ook onmisbare samengaan met
+volle bewustheid in de hand werkte, om de waarheid te zeggen, ik geloof
+het niet. Het staat mij zoo voor, alsof de geschiedenisles alleen
+luisterde naar de stem van den meester en nooit keek naar de kaart,
+alsof de aardrijkskundeles alleen aanwees en opzei, maar nooit bevolkte,
+en of het samenvloeien van feiten en terreinen aan het toeval en de
+kinderlijke voorstellingsbehoefte werd overgelaten. Maar indien dit zoo
+was, dan zal het nu in de christelijke scholen toch wel anders zijn.
+Men zal daar nu toch die mooie kans niet ongebruikt laten. Wellicht gaat
+men er nog een stapje verder en durft een les in natuurlijke historie
+gebruiken, om het landschap met zijn planten en dieren uit te beelden.
+»Kent gij het land?" vraagt Pfarrer Schneller op het titelblad van
+zijn voortreffelijk werkje. »Wij kennen alleen stippen en strepen en
+namen," zeggen de kinderen. En dit zeggen zelfs de volwassenen. Ook de
+volwassenen, die op de lagere school of op de zondagsschool Bijbelsche
+Geschiedenis onderwijzen?
+
+ * * * * *
+
+Wanneer deze jeugdherinneringen onderwijskundige bijbedoelingen hadden,
+zou ik graag van Palestina naar ons eigen land overgaan en zelfs de
+vraag willen stellen en beantwoorden, of de aardrijkskunde der geheele
+wereld niet een beetje intiemer kon worden met het leven der volkeren.
+Maar nu moeten we verder.
+
+Daar zit een klasse kinderen te rekenen. 't Is de hoogste. Ook ik zit
+daar zoo wat midden in de klasse, vlak achter de meisjes. Gevaarlijk
+plaatsje?
+
+Dat denkt ge maar.
+
+'t Zou gevaarlijk geweest zijn wellicht als de meester onzen geest had
+gekneveld in banden van verveling, als hij ons gedoemd had tot
+stilzitten en kijken en handen vouwen.
+
+Maar op mijn bank ligt een lei, daarnaast een dik boekje in een
+donkerblauw omslag, en tusschen mijn vingers leeft een griffel,
+hunkerend naar 't uitvloeien en uitstroomen van cijfers. 't Is of die
+arme griffel 't benauwd heeft, in barensweeën verkeert. Ze moet
+schrijven, schrijven, cijfers uitgooien, een lei vol, twee kanten, vol,
+nóg een lei. Eer komt ze niet tot rust.
+
+En al die arbeid maakt, dat ik niet eens meisjes zie. Die griffel wint
+het van haar bekoorlijkheid. Het instrument, waardoor de van werkdrift
+trillende geest een uitweg vindt in de grijswitte figuurtjes op de
+blauwzwarte lei.
+
+Werken. Laat je jongens werken. De kleinen en de grooten. En ook de heel
+grooten.
+
+Maar zorg dan, dat ze werken met lust, en daardoor met volle kracht.
+
+De beste rekenaars hadden ieder hun eigen rekenboek. Ik moet daar ook
+onder behoord hebben. Ik herinner me den hartstocht, om een boekje _uit_
+te hebben.
+
+De Boesers had ik al.... opgevreten. De »eerste verzameling". De »tweede
+verzameling". Toen had de meester er niet meer. Die »verzamelingen"
+kwamen na en boven de gewone serie. Een soort bekroning. »Gemengde
+vraagstukken". Voor de goeie rekenaars, die geen geleidelijke leiding
+meer noodig hadden. Die konden aanpakken, telkens wat nieuws.
+
+Maar ik had ze uit.
+
+Toen zei de meester: »Ja, wat zal ik je _nu_ geven!" En hij snuffelde in
+zijn kast. Daar had hij zoo'n stapeltje van allerlei. »Hier, probeer
+dit maar eens."
+
+'t Was--heb ik het goed onthouden?--»Koopmansrekenen" van Adam van
+Lintz, het--vierde?--stukje. 't Was dat dikke boekje in donkerblauw
+omslag. En Adam van Lintz boeide mijn oogen en mijn handen en mijn
+gedachten en mijn neigingen.
+
+Ik zag geen meisjes, ik zag sommen.
+
+Heerlijke werkuren. Ze deden me al vroeg ervaren, waar een stuk reine
+levensvreugde te vinden is. Bijstand tegen verzoekingen. Troost in
+smart.
+
+Nooit in mijn verder leven heb ik Adam van Lintz teruggezien, terwijl ik
+toch onafgebroken tusschen de schoolboekjes heb gezeten. Waarschijnlijk
+was hij dus toen al aan 't verdwijnen. Versluys en Wisselink kwamen de
+Boesers verdringen. Toch onthouden, met uiterlijk en titel. Bewijst dat
+niet--wat ik reeds vroeger opmerkte--dat het geheugen in 't hart zit? En
+dat het werk in de school het kinder_hart_ moet weten te pakken?
+
+ * * * * *
+
+Men zou uit deze rekendrift willen afleiden, dat ik later een
+rekenmeester had moeten worden. Doch dan zou men verkeerd afleiden. Mijn
+aanleg en mijn lust hebben nooit de cijfers gezocht. Verzen opzeggen,
+lezen met een mooie stem, de muziek der taal genieten--dat was mijn
+eigenlijke voorkeur. Mijn aanleg was, om het met een groot woord te
+zeggen: literair. Als ik in mijn eentje liep, zei ik in mezelf verzen
+op, vaak psalm- en gezangverzen. En dan had ik een gevoel, of mijn stem
+de mooie klanken moest liefkoozen en de golvende regels in zangerig
+rythme moest laten vloeien. Een meester, die mooi voorlas, had me gauw
+te pakken, en onwillekeurig bootste ik de bekoorlijke eigenaardigheden
+van zijn voordracht na.
+
+Toch herinner ik me van mijn leesboekjes niets meer. Welke waren het?
+Ik weet het niet. Belletristische? Leerende? Verhalende? Ik weet het
+niet. Verzen of proza? Ik weet het niet. Geen inhoud, geen titel, geen
+uiterlijk--ik weet er niets meer van. Waren ze wellicht te droog? Ik
+weet het niet. Te vroom? Te braaf? Te onkinderlijk? Ik weet het niet.
+Wonderlijk toch, de rekenboeken zie ik nog, ken ik nog, hoewel ik geen
+rekenman ben, en de leesboeken zijn totaal weggezonken in vergetelheid,
+hoewel de toekomst bewezen heeft, dat ik voor 't leesboek toch wel
+iets voelde. Vanwaar dit onderscheid? Het moet wel hieraan zijn toe
+te schrijven, dat--door 't _werken_--in de rekenboeken mijn hart
+is gaan zitten, en dat de leesboeken dit hart niet hebben gelokt en
+vastgehouden. Dat hart wou wel. Maar 't boek wou niet. Of misschien
+wou het arme ding wel, maar kon het niet. Het zal onze harten _te
+opzettelijk_ hebben willen vangen. En dat is altijd mis.
+
+Het is toch eigenlijk sterk, dat ik niet meer weet, uit welke
+schoolboeken ik als twaalf- en dertienjarige jongen gelezen heb. Maar
+voor 't feit sta ik in. Wellicht wordt het een beetje nader verklaard
+door mijn overgang, als kweekeling, naar de openbare school. Daar kwam
+ik in zoo'n heel andere boekjeswereld. Maar dat rekenboek dan? en het
+zingen? Want dát herinner ik me heel wel. Ik zie het schoolbord vol
+muziek staan, driestemmige liederen in notenschrift. En ik ken nog die
+liederen die we leerden. Eén lied is te kenmerkend en te vereerend voor
+de school, dan dat ik het hier niet zou vermelden. De Fransch-Duitsche
+oorlog was uitgebroken, 1870. Ik was elf jaar. Overal hoorde je »Die
+Wacht am Rhein", tot op draaiorgels toe. Toen leerde de meester ons de
+woorden en de muziek, de woorden in 't Duitsch, ofschoon we in die taal
+geen les kregen. En we zongen uit volle borst meerstemmig:
+
+ Est braust ein Ruf wie Donnerhall,
+ Wie Schwertgeklirr und Wogenprall:
+ Zum Rhein, zum Rhein, zum Deutschen Rhein!
+ Wer will des Stromes Hüter sein?
+ Lieb Vaterland magst ruhig sein:
+ Fest steht und treu die Wacht am Rhein.
+
+Ik noemde dat kenmerkend en vereerend voor de school. Immers, het was
+een bewijs, dat men in de school _leefde_. Het lied van den dag, ondanks
+de vreemde taal, in de zangles gebracht--dat was toch wel waarlijk:
+school en leven.
+
+En die school was een--»afgescheidene", van veertig jaren her.
+
+ * * * * *
+
+Het is wel begrijpelijk, dat deze schoolliederen me zijn bijgebleven.
+Vooreerst hadden ze dezelfde veroveringsmethode als de sommen. Ze zetten
+ons aan 't werk. Zingen moest je wel, of je wou of niet. Je kon er niet
+bij suffen of afdwalen. Daar had je nu je zuivere zelfwerkzaamheid. Maar
+dan ook, de liedjes werden thuis vrijwillig gerepeteerd. Niet, gelijk
+dat in gegoeder kringen geschiedt, op bepaalde uren bij een piano, maar
+op alle tijden van den dag en in alle hoekjes van het huis. Vader zong,
+Moeder zong, Christien zong, de jongens zongen, ik zong, we zongen
+allemaal. Zingende leerden we mekaar de liedjes, en als er een moeilijke
+val was, werd die soms in de keuken onder 't werken door ingestudeerd.
+Christien sneed de andijvie of de rooie kool, ik stond bij haar aan de
+rechtbank, en daar had je een formeele zangles.
+
+Niemand was verlegen om den mond open te doen, niemand schaamde zich
+zijn stem. Het huis weergalmde van lied. Je zong in de keuken bij 't
+schoenenpoetsen, je zong in de gang, je zong in alle kamers, in de
+huiskamer, de slaapkamer, de bestekamer. Leege oogenblikken werden
+gevuld met lied. En dat was nooit een zacht geneurie, maar een luid
+gejuich, vol uit de borst. Ook de bovenburen zongen en de benedenburen.
+En 't waren allemaal schoolliederen van »Zie de leliën op het veld" of
+»Als de zwaluw ons verlaat" of »Eere zij God". De Zangvogeltjes, die
+lieve uit de boekjes van C. Regeer, fladderden door onze woning, en
+jubelden hun heerlijkste liedjes.
+
+Dat had en heeft een burgergezin voor op de deftigheid. Er wordt
+gezongen in huis. De kinderen behoeven geen zangles te krijgen. De
+liederen leven er, gelijk buiten in veld en bosch, en--evenals
+daar--piepen de jongen naar 't zingen der ouden.
+
+Wat kon Vader mooi zingen! En met welk een liefde en toewijding zong
+hij! Dan kon hij zoo'n uur achter elkaar heen en weer loopen, geen jas
+aan, de handen op den rug, van de huiskamer door de gang en omgekeerd,
+en aldoor maar zingen. Hij haalde de liederen op uit zijn verleden, veel
+Fransche. Van »La Brigantine, Qui va tourner." Wat vonden we 't mooi! En
+als Vader dan met ingehouden stem bad: »O, Vierge Marie! Pour moi priez
+Dieu!" dan werden onze oogen wel eens vochtig van ontroering en viel er
+een traan tusschen de sommen of de Fransche thema's. Dat waren heerlijke
+oogenblikken.
+
+En 's avonds, vooral Zondags in 't schemeruurtje, wanneer alleen een
+zacht theelichtje het duister bekampte, klein, dapper, rustig vlammetje
+in een donkere wereld, en wij, door de kamer verspreid, ons gelegerd
+hadden als in een Zigeunerkamp, de ouderen op stoelen, ieder op een
+geliefkoosd plaatsje, de jongeren op den grond, de beenen rechtuit
+of de knieën opgetrokken--een »vrije orde"--dan begon er maar een te
+zingen, en vanzelf vielen de anderen in. Het eene lied na het andere.
+Maar nooit straatliederen. De school en de overlevering hadden ons een
+heel repertoire bezorgd, altemaal liederen vol kleur en sentiment,
+beschaafd van taal en van toon. En steeds ging het ten slotte naar het
+godsdienstige toe. Met de Hernhutters zongen we: »Laat mij, slapend,
+op U wachten, Heer, dan slaap ik zoo gerust." En eindelijk met de
+Christelijke gemeente dien stemmenden avondzang:
+
+ 'k Wil U, o God, mijn dank betalen,
+ U prijzen in mijn avondlied.
+ Het zonlicht moge nederdalen,
+ Maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet.
+
+Dan trilde Moeders stem. Zij was weer in de pastorie van haar
+kinderjaren.
+
+ * * * * *
+
+Liefelijke schemeruren. Hoe heerlijk toch, dat alle uren van den dag
+hun eigen kleur en toon hebben. Het uur van 9-10 in den voormiddag is
+een heel ander dan dat van 2-3 in den namiddag. Men kan ze onmogelijk
+verwisselen, zonder het gelaat van den dag een vreemd en onbehaaglijk
+uiterlijk te geven. En zoo heeft ook het schemeruur zijn karakter en
+bestemming. Wie denkt er aan in den morgen zoo vertrouwelijk bijeen te
+zitten en te zingen als bij het vallen van den avond tusschen licht en
+donker. Het zou niet gaan. En nu heb je wel redeneermenschen die zeggen:
+een uur is een uur, ze hebben allemaal precies zestig minuten, en zingen
+is zingen, dus je kunt het zingen van 't eene uur net zoo overbrengen
+naar een ander, maar deze verstandige lieden behooren tot die
+waanzinnigen, waarvan Chesterton zegt, dat ze krankzinnig zijn, omdat
+ze alles verloren hebben behalve hun verstand. Neen, een uur is niet
+een uur, elk heeft zijn eigen aard, en daarom brengen en vragen de
+avonduren, die van vijf tot zeven, iets anders dan hun vroegere of
+latere broeders.
+
+Wij hadden avondschool, liefelijker gedachtenis. Ze werd in de
+bovenverdieping gehouden. Daar genoten we van het warmgele licht der
+gasvlammen, het stille suizen, en van meesters stem en lange pijp. 's
+Avonds scheen meester een heel andere stem te hebben dan overdag. Kwam
+dat door het gaslicht? Of doordat er veel minder kinderen waren? Neen,
+'t was de invloed van de uren. Die veranderden niet alleen zijn stem,
+maar zijn heelen persoon. Hij was veel vertrouwelijker, veel gezelliger,
+veel gewoner. Zijn houding en toon naderden ons veel dichter, hij werd
+een soort familielid van je. De schoolnarigheid ging er af. Zijn
+handdruk was zelfs anders dan die van 's morgens vóór negenen.
+
+En dan was zijn lange pijp ook een van zijn aanbevelingen. In het
+vensterkozijn lagen eenige opgevouwen papierstrooken--fidibussen.
+Daarmede spaarde meester een zwavelstok uit. »Geef jij me eens een
+fidibus." De gelukkige nam er een uit het kozijn, stak hem aan boven de
+gasvlam, en hield hem bij meesters pijp. We genoten van het opkrullen
+der tabak, van de blauwe rookwolken, en van de manier waarop meester
+den dop op de pijp zette. Nu trok hij een poosje achter elkaar, dan
+legde hij de pijp neer, nam de zijden pet van 't hoofd en zei ernstig:
+»Prions!" Wij vouwden de handen, sloten de oogen, luisterden naar het
+suizende gaslicht en naar de eerbiedige stem: »Notre père qui est aux
+cieux! Ton nom soit sanctifié. Ton règne vienne!" Er zweefde stille
+vrede in onze harten.
+
+Pas had het »Amèn" onze oogen en handen ontsloten, of we hoorden:
+»Chantons--pseaume...." Dan sloegen we de psalmboeken open, echte
+Fransche, zochten het lied op, en zongen. Terwijl ik dit schrijf,
+valt me een lied in, dat ik toen geleerd heb, met dit slot:
+
+ Amen! Amen!
+ Purifie,
+ Sanctifie,
+ Renouvelle
+ Tout en nous, Sauveur fidèle!
+
+en ik hoor de kinderstemmen nog, gedragen door meesters stem, en
+wegstervend in de donkere einden van het groote lokaal.
+
+Van zoo'n avondschool ging kennis en wijding uit en 't was ons daar
+beter, dan dat we ons thuis verveelden of op straat bedierven. Om
+opvoedkundige redenen is de avondschool overal afgeschaft. Maar als ik
+nu nog op een avondcursus de kinderen zoo stil genoegelijk zie werken,
+denk ik: Wat zit jelui hier vredig! En wat heb je het toch goed!
+
+ * * * * *
+
+Dat lijkt sommigen misschien wat erg bekrompen ouderwetsch en zeer
+bevreemdend van iemand, die zoo hardnekkig pleit voor vrijheid en
+spel en tegen leerdwang. Maar wie trouw gevolgd heeft, wat door dien
+hardnekkigen pleiter verdedigd en bestreden is, die weet wel, dat
+het nooit ging tegen het leeren, maar tegen de vervloekte kunst
+om het leeren tot een ellende te maken, tot een hersenkwelling en
+zenuwvernieling. Leeren moet een vreugde zijn, en het kan een vreugde
+zijn. Maar de examens, het opdrijven boven peil, bederven het genot.
+Kinderen leeren graag, naar de mate hunner capaciteit. Maar de school
+houdt geen rekening met die capaciteit en maakt zoo den zin tot
+tegenzin.
+
+Prof. Jelgersma--en hij kan het weten--heeft eens geschreven, dat nooit
+het werken iemand zenuwziek maakt, maar wel de onrust, de spanning, de
+zorg. Mijn eigen ervaringen bevestigen deze uitspraak. Natuurlijk heeft
+onze arbeidskracht haar grens, maar de instortingen in mijn leven zie ik
+heel duidelijk als gevolgen van emotievolle tijden, tijden van kommer en
+angst. Het zijn de _gemoeds_kwellingen, die ons knauwen. En dit is zoo
+waar, dat juist meermalen de arbeid, in stede van een ondermijner, een
+hersteller onzer gezondheid is. Werk maar, werk maar trouw, volhardend,
+inspannend. Echter--werk met liefde. Laat je werk een vreugde zijn. En
+dan bevordert het je gezondheid.
+
+Mijn jeugdherinneringen prediken mij dit ook met overgroote klaarheid
+en zekerheid. De arbeidsdrift en de arbeidskracht mijner schooljaren
+hebben mijn gezondheid nooit geschaad, doch wel mijn lichamelijken en
+zedelijken welstand gebaat. Maar als door averechtsche schooltucht het
+leeren tot een straf werd, dan liep het mis. En nu zal men wellicht mijn
+achterlijke ingenomenheid met de avondschool begrijpen. Wij werkten met
+lust. Hoe meer de kinderen leeren en werken, des te beter. Mits lust de
+drijfveer en vreugde de vrucht is.
+
+Van mijn afgescheiden school heb ik nog eenige herinneringen mee te
+deelen. Die bewaar ik echter tot het slot. Eerst werpen we nog een blik
+in het hartje van den Jordaan en dan gaan we naar de nieuwe woning in de
+Nieuwe Leliestraat.
+
+
+
+
+JORDAANPAEDAGOGIEK.
+
+
+De Jordaan, de Amsterdamsche, heeft niets te maken met de gelijknamige
+rivier in Kanaän. Vroeger waren er in deze volksbuurt der hoofdstad
+allemaal tuinen. De Fransche vluchtelingen, de refugiés, vestigden zich
+daar en zij spraken van »les Jardins". Vandaar de naam.
+
+Het is wel eigenaardig, dat deze naam, die geen enkel officieel cachet
+heeft, in den volksmond is blijven voortleven. De stadhuisregisters
+kennen hem niet, maar bij de geboren Amsterdammers zal hij niet gauw
+wegsterven.
+
+De herinnering aan les Jardins wordt, behalve door de verbastering
+Jordaan, ook bewaard in de namen der straten en grachten. Wie deze
+hoort, waant zich in een lusthof verplaatst Alles spreekt van bloemen
+en boomen. De Palmgracht, de Goudsbloemstraat, de Lindengracht, de
+Anjelierstraat, de Tuinstraat en de Eglantiersgracht, de Leliestraat en
+de Bloemgracht, de Laurier- en zelfs de Rozenstraat. Het geurt en kleurt
+om u heen. Dáár zoudt ge willen wonen. Onder de palmen, tusschen de
+rozen.
+
+Wees voorzichtig. Namen bedriegen. Op de Lindengracht was mijn eerste
+school, en het stonk er. Op de Bloemgracht mijn tweede, en het stonk er
+ook. Op de Eglantiersgracht woonden we, en het stonk er afgrijselijk.
+Geen wonder: de gracht was zoo iets als een groep voor het menschelijk
+vee, alle emmers met excrementen uit de heele buurt werden er avond aan
+avond in leeggestort. Die schonken hun geuren aan les jardins. Zoo
+leefden we daar tusschen rozen en anjelieren. Ik weet nog, dat er een
+cholera-epidemie heerschte. Duinwater hadden we niet, elken dag voeren
+er schuiten met vaten zuiver drinkwater door de gracht, en terzelfder
+tijd spoelden sommige vrouwtjes hun waschgoed in die grachten uit.
+'t Water zag er altijd vuilzwart: leliën en rozen. En de bakker maakte
+er zijn dweil in nat, waarmee hij den oven »reinigde" voor ons brood.
+
+Ook de meeste straten waren vuil. Glibberige keitjes tusschen armoedige
+huizenrijen. Wie laurieren en goudsbloemen verwachtte, vond gore
+onderkleeren, afhangend van droogstokken.
+
+Het is nooit verstandig, straten en ook meisjes van die heel mooie namen
+te geven. Men weet niet, of ze de belofte van hun naam vermogen te
+houden en zoo loopen ze gevaar, levenslang, bij iedere kennismaking, in
+zichzelf een teleurstelling aan te bieden.
+
+Allereerst aan het Oranjehuis is het gelukt, een inval te doen in die
+rijen van bloemen en groen. Vroeger heette een der grachten, n.l. de
+Goudsbloemgracht, in den volksmond _het Fransche pad_. Je had daar, ter
+weerszijden van een drabbig water, smalle, slecht geplaveide wegen.
+Franschen woonden er niet meer, wel dieven en ander gevaarlijk volk.
+Wij, jongens, wisten elkaar te vertellen van zulk een held, die, door de
+politie achtervolgd, royaal over de gracht sprong en zoo zijn vrijheid
+redde. Het was »De achtkante Boer". Overigens leefde dit Fransche pad
+bij ons alleen voort in een verachtelijken scheldnaam. Wie ons àl te min
+was, scholden we uit voor Franschepatter. In den Haag zegt men tegen zoo
+iemand: stuk vullis.
+
+Het Gemeentebestuur vond het verstandige opvoeding zijner burgerij, de
+gracht van dit Fransche pad te dempen, waardoor het in een breede straat
+veranderde, toegankelijk voor handhavers der orde. Maar het gaf daarbij
+een tweede bewijs van paedagogisch inzicht. Het liet de straat naar
+Koning Willem III vernoemen, door Z. M. plechtig openen, en sedert
+verdwenen de namen van Goudsbloemgracht en Fransche pad voor dien van
+Koning Willemstraat. De Jordaners waren altijd reeds beroemd door hun
+Oranjeliefde, maar nu was Oranje hun een broeder, en meer dan dat.
+Wanneer Koning Willem III zijn jaarlijksch bezoek aan de hoofdstad
+bracht en dan natuurlijk ook in open rijtuig de Willemstraat bezocht,
+spanden zijn trouwe Willemstraters de paarden van den wagen en trokken
+dien zelf in statigen optocht langs hun heirweg. Dat was een jaarlijksch
+verbond tusschen Bokkebek, den Koning van de Willemstraat, en Willem
+III, Koning der Nederlanden.
+
+Wat is een naam? vraagt de dichter.
+
+Een naam is een levenslange ontgoocheling. Maar een naam is ook een eer,
+een verplichting, een verantwoordelijkheid, en dan is hij een stuk
+opvoeding. Maak van uw Franschepatters--Willemstraters.
+
+ * * * * *
+
+Zoo ziet men, hoe er uit dien vuilen Jordaan nog paedagogiek kan
+opbloeien. Met de paedagogiek is het trouwens evenals met de poëzie, ze
+schuilt
+
+ Overal, mijn vrinden.
+ 't Is de vraag maar, wie haar al,
+ Wie haar niet kan vinden.
+
+Dat móét immers ook? De paedagogiek is een levenskracht, die in heel
+de menscheid en zelfs in de dierenwereld werkt. Sinds men echter een
+paedagogische priesterschap heeft, die haar paedagogisch leerstelsel
+heeft opgebouwd, is de paedagogiek schuil gegaan, en kost het vaak
+moeite haar op te sporen. Het zuivere hemelwater is tot staande grachten
+geworden, vol menschelijke onreinheid, stinkende van domheid en
+pedanterie. Geef den menschen zoo'n leerstelsel, en zie, wat ze er
+van terecht brengen. Je kunt ze er in examineeren, maar dan--in de
+practijk--laten ze het in den steek, omdat het hen in den steek laat.
+De priesters hebben altijd het werk der profeten bedorven. Wie iemand
+paedagogisch wil sterken, brenge hem in aanraking met de paedagogische
+profeten. Van hen gaat kracht uit, die onze krachten wekt en ontwikkelt.
+
+In ieder menschelijk wezen--en in hoeveel dieren--leeft een
+paedagogisch instinkt. Vandaar dat we overal opvoeding zien, opvoeding
+móéten zien. Naarmate we die opvoeding meer beperken tot een bepaalde
+klasse, zal ze er te treuriger aan toe zijn. Dan verdroogt de
+levenskracht tot schoolmeesterij.
+
+Ziedaar, zelfs Willem III was een opvoeder, toen hij zich door de
+Willemstraat liet trekken. Zonder karton- of houtslöjd paste hij daar de
+zelfwerkzaamheid toe. Hij stelde die mannen in de gelegenheid, iets voor
+hem te _doen_. Iets dat ze graag deden. Iets dat hen een eer werd, een
+levenslange trots: »_Ik_ heb den Koning nog voortgetrokken!" Daarmee
+riep hij van het beste wakker, wat in die mannen leefde: huldigende
+toewijding aan Majesteit.
+
+Vischkoopers, kroeghouders, geldschieters in zelfgewilde dienstbaarheid
+zich te doen inspannen voor Majesteit, zij het aardsche, het is
+een begin van zedelijke opvoeding. En het is de bittere fout onzer
+hedendaagsche zoogenoemde democratie, dat ze den eerbied voor Majesteit
+vernietigt. O, ik weet, dat er veel valsche majesteit is, maar daarom
+kan dat eerbiedsgevoel toch echt zijn. En niet die majesteit daar
+buiten, maar dat eerbiedsgevoel daar binnen is de opvoedingskracht.
+Wellicht buigen wij allen voor valsche majesteit, wij blinde zoekers der
+Waarheid. Doch beter is het, een Koningskar voort te trekken, dan den
+zegewagen van de Zelfzucht. Als er maar een element van toewijding is!
+
+Jaren later heb ik in denzelfden Jordaan het zoogenaamde palingoproer
+bijgewoond. Het Gemeentebestuur had een aloud volksvermaak verboden,
+waarbij een paling aan een touw boven het grachtwater hing en gegrepen
+moest worden door een onder het touw door varenden man. Zoo iets als het
+katknuppelen, maar weer wat anders.
+
+Het verbod was gerechtvaardigd,--ofschoon, als men toch beschermen wou,
+er in de gevangenissen en bordeelen heel wat menschen nóg dringender
+behoefte aan hulp hadden dan die paling.
+
+'t Ging echter waarschijnlijk minder om het palingbelang dan om de
+zedelijke opvoeding der Jordaners, die nu toch eindelijk eens afstand
+moesten doen van zoo onmenschelijk vermaak. Afstand, nog eer ze er in
+hun hart afstand van hadden gedaan.
+
+De Jordaners verzetten zich, en soldaten trokken den Jordaan binnen. Het
+werd een formeel oproer.
+
+Natuurlijk wonnen de geweren het en tegenwoordig worden de palingen
+alleen maar levend gevild en in stukken gesneden door de gemoedelijke
+handjes der vriendelijke vischvrouwen. Meneer het Gemeenteraadslid ziet
+het zonder gewetenswroeging aan, zijn kinderen kijken ook met een zeker
+welgevallen. Het vischvrouwtje doet het zoo kwiek, en paling is lekker.
+Maar de Jordaners mogen niet meer »palingtrekken", denken er niet eens
+meer aan. Dat is voorbij. Door kogels getroffen.
+
+En dit was nu juist de fout, dat de kogels het geveld hebben.
+
+Er was een betere manier geweest.
+
+Men had er Willem III voor moeten spannen. Gelijk de Jordaners Zijne
+Majesteit hadden voortgetrokken, had deze Majesteit--majesteitelijke
+roeping en roem!--zich in dienst moeten stellen van hun zedelijk heil.
+
+Men had de voornaamste palingtrekkers moeten opzoeken, hen uitnoodigen
+tot een vergadering ten Raadhuize, en daar had de Burgemeester, ter eere
+der vergadering in ambtsgewaad, moeten zeggen, hoe graag de Koning wou,
+dat dit vermaak uit »Zijn Jordaan" verdween, om dan te vragen, of de
+mannen daar geen middel op wisten: »De Koning vond, dat de Jordaners
+tegenwoordig te hoog stonden voor zulk een toch altijd wreed genoegen."
+En dan had men het daarheen moeten sturen, dat bij het eerstvolgend
+bezoek van Willem III een eere-comité van Jordaners onder leiding van
+Bokkebek, den Koning, »het besluit der burgerij" meedeelde, om voortaan
+ter liefde van hun vorst en de palingen, niet meer aan het palingtrekken
+te doen.
+
+Dan had men, en waarlijk opnieuw zonder houtslöjd, de zelfwerkzaamheid
+in actie gebracht ten bate van het zelfheil.
+
+ * * * * *
+
+Doch wellicht vindt deze of gene, dat deze paedagogiek een politiek
+bijsmaakje heeft, dat zij eigenlijk slinksche middelen gebruikte, en,
+om het maar ineens te zeggen, in haar wezen onoprecht was. Koning en
+Burgemeester zouden zeer goed geweten hebben, dat de Jordaners _niet_ te
+hoog stonden voor dat wreed genoegen, en heel die opgezette komedie zou
+niet anders geweest zijn dan een speculeeren op de menschelijke
+ijdelheid, dus op een menschelijke fout.
+
+Laat de Jordaan mij tegen deze bedenking mogen verdedigen.
+
+Het is marktdag en de Noordermarkt is vol kooplui en koopers. Er liggen
+allerlei nuttige en noodige dingen, die de drentelende burgervrouwtjes
+vandaag voor een prijsje willen meester worden. Maar daar staat ook een
+koopman, die iets totaal overbodigs aanbiedt. Niemand zal zoo gek zijn,
+daarvoor zijn geld uit te geven. Zoo meent ge. En de omgeving van het
+kraampje is ook dood van leegte. Maar wacht een oogenblik. De koopman
+begint met rijksdaalders te werken. Hij smijt ze tegen een tafelblad,
+zoodat ze terugspringen, vangt ze op, laat ze rinkelen, gooit ze omhoog,
+weet ze met een sierlijken greep te vangen, en binnenkort staat hij
+midden in een breeden kring van menschen. Eerst kwamen de jongens en
+gaapten zijn kunsten aan, toen ook de mannen en de vrouwen. De blinkende
+geldstukken, neen de wijze waarop de koopman er mee manoeuvreerde, heeft
+het volk doen toestroomen. En onder de hand heeft de kunstenaar, steeds
+oreerende, iets aangeduid van hetgeen hij het achtbare publiek wenscht
+aan te bieden.
+
+Het publiek wacht en kijkt. Het is nieuwsgierig. Maar geen sterveling
+is van plan iets te koopen. Ze hebben hun geld te lief en geven niets
+om die prullen. Doch ze kennen den koopman niet en hun eigen rampzalige
+zwakheid. Hij haalt iets onder zijn tafel vandaan. Een doos. Hij opent
+ze. Het publiek rekt de halzen uit om te kunnen zien. Hij neemt iets
+tusschen wijsvinger en duim, maar 't blijft nog verborgen. Nu roemt hij
+de deugden van dit inderdaad buitengewone. Men zou al geld geven, om het
+te mogen aanschouwen. En dan te denken, dat je zoo iets bizonders voor
+luttel geld je kunt toeëigenen. Dat je 't je heele leven kunt meedragen.
+Het is een zeldzaam kansje. En uit een omhulling van rose watten--zoo
+waardevol bergt men geen prullen--wikkelt de koopman het wonder te
+voorschijn. En dat kun je nu krijgen voor slechts vijf cent.
+
+De jongens hebben geen vijf cent Zij gapen het wonder maar aan. Doch die
+mannen, en die vrouwen, de centen rammelen al in den zak. Komaan meneer,
+is het niets voor uzelf, dan is het toch voor uw kinderen. Komaan
+juffrouw, u hebt zoo iets toch immers nog nooit in huis gebracht? En
+meneer laat zich verleiden: Vooruit, geef me dan maar zoo'n dingetje. De
+centen telt hij al neer. En de juffrouw laat zich verleiden. En anderen
+volgen. En het is den slimmen koopman gelukt, de menschen zoo ver te
+brengen, dat ze het geld offerden, dat ze noodig hadden en wilden
+behouden, en een prul mee naar huis namen, dat ze niet behoefden en
+eigenlijk zelfs niet eens begeerden.
+
+Die koopman heeft maar één methode: beduvel je menschen.
+
+En die methode heeft succes. Alleen, hij wendt haar aan tot nadeel van
+zijn volk en ten bate van zichzelf. Daardoor is hij geen paedagoog. Maar
+had hij omgekeerd het heil van anderen op 't oog en wilde hij daartoe
+zelf offers brengen, dan was hij met zijn methode van »beduvel ze"
+een geboren opvoeder. Of is het niet onze grootste kunst, kinderen en
+menschen het goede te laten doen, waar ze in hun hart afkeerig van zijn?
+Hen smaak te doen krijgen in hetgeen hen noodig maar niet aantrekkelijk
+is?
+
+»Jordaanpaedagogiek!" roept hier de echte paedagoog verachtelijk uit.
+»Een paedagogiek, die haar achterbuurtsche afkomst niet verloochent.
+Men kan wel zien, dat deze paedagoog een Jordaankind is, bij vunzige
+grachten opgegroeid."
+
+Dat is hij. Maar nu blijkt meteen zonneklaar, dat hij geen paedagoog is,
+hetgeen hij, ziende de echte paedagogen, wel altijd gevoeld heeft.
+
+Stel u voor: de methode van beduvel ze maar. En dat in naam der
+pae-da-go-giek!
+
+ * * * * *
+
+Er was r's een moeder, die altijd 's avonds, als het bedtijd was, tegen
+haar spruit zei: »Kom, nu gaan we ons eens lekkertjes uitkleeden en dan
+lekkertjes naar bed."
+
+Nu moet ge weten, dat die spruit het lang niet lekkertjes vond, het
+uitkleeden niet en het naar bed gaan ook niet, en veel liever bleef
+spelen. Maar als moeder dat zoo zei, dan was het net, of er over het
+uitkleeden en naar bed gaan een zekere bekoring kwam, of het vriendelijk
+licht, dat den heelen avond het spel beschenen had, wat draaide en zijn
+schijnsel wierp om den stoel waar 't kind zich ontkleedde. Het
+speelhoekje kwam in den schaduw.
+
+Een gewoon mensch, die geen verstand van paedagogiek heeft, begrijpt dit
+best. Er is inderdaad zoo'n lichtje in 't moederhart, en dat straalt
+zijn schijnsel in stemmende woordjes uit. Als moeders zoo iets zeggen,
+verwisselen lust en onlust in 't kindergemoed. Dat is de wonderlijke
+uitwerking van haar woorden.
+
+Maar eigenlijk volgde moeder daarbij die veroordeelde methode van
+je-weet-wel.
+
+Toen kwam moeder eens in aanraking met een echte paedagoog, nog wel
+een moeder, en die keurde de gevolgde manier beslist af. Die deed het
+paedagogisch. Het kind moest op tijd eindigen met zijn spel en dan naar
+bed, lekkertjes of niet. En zoo gebeurde 't ook bij haar kind. Maar 't
+ging altijd met tegenzin; en als 't heel mooi was met gelaten berusting.
+Nooit met een warm gevoel van vriendelijke instemming. Moeder, ik bedoel
+nu de eerste, zag dat, en ze had een buitengewoon respect voor die
+degelijkheid, maar ze bleef toch maar liever bij haar eigen manier: die
+vond ze voor 't kind gezelliger, en eigenlijk ook voor haarzelf.
+
+Doch ik geloof, dat ik haar begrijp. Ze wilde zoo graag, dat het
+kind lekkertjes ging slapen, ze vond het voor 't kind zoo goed als
+het, zonder conflict, in die zachte stemming het spel verving door de
+nachtrust. Ze wist echter wel, dat zoo'n overgang voor 't kind moeilijk
+is, en om het nu daarbij te helpen, kwam ze het kind met háár stemming
+te gemoet. Wat heilzaam was voor 't kind, maar door jeugdige kracht nog
+niet spontaan en zonder bijstand ontwikkeld kon worden, kwam nu te
+voorschijn--en toch _in_ het kind--door moeders wijze, liefdevolle,
+steunende inwerking. Deze riep in het kind iets wakker.
+
+Neen, dat is geen bedriegen. Met leugens heeft men nooit succes. Die
+mogen ons voor 't oogenblik uit den nood helpen, ze brengen ons in 't
+spinrag der onwaarheid, waarin we steeds meer verward raken.
+
+Die methode van »beduvel ze maar" bedoelt, het goede in kind en mensch
+op te roepen, dat er in aanleg aanwezig is, en daarmee te overwinnen het
+kwaad dat dreigt of heerscht.
+
+De potentiëele deugd reëel te maken.
+
+Den engel aan te gorden tegenover den duivel.
+
+En daarom moest ze in de paedagogiek eigenlijk heeten: Verengel ze maar.
+
+Dat klinkt echter te mooi voor Jordaanpaedagogiek. We zeggen het daar
+liever wat ruw. Maar we meenen het daarom toch goed. En wellicht dat
+menig onderwijzer, die zijn kinderen dag aan dag moet inprenten, wat die
+schapen absoluut onverschillig is, en die naar zijn zin de medewerking
+dier kinderen bij toepassing der heerschende methoden niet in voldoende
+mate kan winnen, wat meer succes heeft, als hij 't eens probeert met de
+methode van.... doch nu weet hij 't al.
+
+
+
+
+IN 'T NIEUWE HUIS.
+
+
+Menige woning is als de schelp van een weekdier. Je kruipt er van voren
+in en dan ontwikkelt zich een stel ruimten, met aan alle zijden wanden.
+Wil je er uit, dan dien je weer terug te kruipen. Toegang en uitgang
+zijn dezelfde.
+
+Dat geeft altijd zoo iets beklemmends. Overal stuit je tegen muren. Als
+de voordeur achter je gesloten is, ben je gevangen. Je bent in een fuik
+gezwommen. Aan den achterkant is geen uitbreken.
+
+Zoo kan je ook zoo leelijk een vereeniging, een partij binnenzwemmen.
+Ben je er eenmaal in, dan kun je geen hand uitsteken, of je slaat tegen
+een muur van het programma. Akelig benauwd. Je dacht je tusschen die
+wanden recht behagelijk en thuis te voelen? Niets er van. 't Zijn
+dwangbuizen voor je geest. Je willen en je denken, je neigingen en je
+inzichten botsen voortdurend tegen de geformuleerde overtuigingen en je
+dankt den hemel, als je er goed en wel uit bent, zij het ook, dat ze je
+door het inkruipgat er principiëel hebben uitgesmeten.
+
+Dan ben je weer heerlijk in de vrijheid.
+
+Het nieuwe huis had gelukkig een achteruitje.
+
+Wanneer je had aangebeld, kwam je in de gang. Een zijdeur gaf toegang
+tot de »zijkamer". Als kind heb ik bij dezen naam nooit aan de
+eigenlijke beteekenis gedacht. Die zijkamer was de mooie kamer, daar
+stonden de beste meubelen, daar zat je alleen zondags, daar ontving
+je visite. Er was dus iets fijns aan dien naam verbonden, en dit hoorde
+ik in den naam. Ik dácht er niet bij aan zijde en satijn, maar ik kwam
+er bij in een stemming van die stoffen. De zijkamer behandelde je met
+een zekere reverentie, gelijk een zijden japon. Dat was geen stuk
+gemeenzaamheid. En als je tegen een bezoeker zei: »Ga u maar even in de
+zijkamer," dan kwam er, en niet alleen door de beleefdheid, iets zijigs
+in je stem.
+
+Ziedaar het effect der klanken. Fijne, mooie, beschaafde klanken kunnen
+beschavend werken door het intoneeren van fijne stemmingen.
+
+Aan 't eind van de gang kwam je door een andere deur in de huiskamer.
+Hier was het, dat we in schemeravond onze liederen zongen, op stoelen
+en op den grond om de kachel gegroept. Vulkachels waren er toen
+gelukkig nog niet. Je moest nog telkens »een schepje op de kachel"
+doen, je zag den pot gloeien, je zag bij 't poken de vonken vallen,
+ja zag zoo'n heerlijk warmgeel licht uit het pookgat schijnen, altemaal
+genietingen, waarvan de gemakzucht, de techniek, de hygiëne en andere
+ongerechtigheden ons hebben beroofd. Vader stak den pook in de kachel,
+om met de punt zijn pijp aan te steken; een stukje roodvlammend leven
+midden in de duisternis. Onze kinderoogen genoten van alles. Met volle
+teugen dronken we de poëzie van dit huiskamerleven in. De zijkamer had
+iets stijfs en kils. Maar de huiskamer--ze mocht dan laag en donker zijn
+met dat eene raam op den tuin, ze mocht vol rook hangen van Vaders pijp,
+ze mocht door gloeiende kachel, bedstede en nog zoo een en ander een
+benauwde atmosfeer hebben, ze was toch een gezegend oord. Er zweefden
+gezelligheid, vertrouwelijkheid, hartelijkheid. Je voelde je er warm en
+veilig.
+
+ * * * * *
+
+Ga nu eens mee voor dat eene raam zitten. Dan zie je tuintjes. Hier
+vlak voor je is ons eigen tuintje. Eerst een plaatsje en daarachter een
+tuintje, beide maar klein. Het plaatsje van groote vierkante tegels, het
+tuintje niet anders dan een lapje zwarte grond. In drie of vier stapjes
+heb je beide doorloopen. Maar toch een tuintje. Een lage, donkere
+schutting scheidt het, rechts, van buurmans tuintje. Daar kun je ook in
+kijken. En dan ligt er weer een, en nog een, en nog een, een heele rij.
+Links staat een vrij hoog houten loodsje van twee verdiepingen, dat daar
+het terrein en alle uitzicht afsluit. Maar achter ons tuintje en dat van
+de buren zie je weer de tuintjes van de achterburen. Die zijn grooter
+dan de onze, want daar wonen rijkere menschen. In hun tuinen staan heele
+boomen, waar de musschen in sjilpen.
+
+Is dat niet een heerlijk bezit? Ruimte, lucht, groen, vogels.
+
+Toen we bij 't verhuizen onze eerste stappen in de nieuwe woning zetten
+en ik door dit eene raam keek, wist ik niet wat ik zag. Echte boomen.
+Aanstonds ging ik uit de huiskamer de keuken in, opende een glazen deur,
+liep een trapje af, en stond buiten. Ik keek rond als Columbus. Een
+nieuw werelddeel. En alles even verrukkelijk. Daar was een waterput. Als
+je er op ging staan, kon je over de schuttingen kijken. Ik deed het. Wát
+een ruimte! En hoor die vogels! Misschien kon je ze lokken en kwamen ze
+ook hier in den tuin. Dan was je heelemaal buiten.
+
+Wanneer ik nú ons tuintje zag en daar mijn buitengenietingen moest
+maken, zou ik me zeker erg mistroostig voelen. Ik ben nu, helaas,
+zooveel beter gewoon. Maar toen? 't Was voor 't eerst van mijn leven,
+dat we de weelde van zoo'n tuin hadden. En dan is ieder plekje grond
+een verrukking. Vader nam natuurlijk den aanleg van 't geheel voor zijn
+rekening. Die goede man genoot niet minder dan wij. Als een kind was hij
+in zijn schik. De winkel met al zijn zorgen lag achter hem. Doodarm had
+hij dien verlaten. Hij had een soort betrekking gekregen aan »'t Heeren
+Logement", een inrichting waar allerlei inboedels verkocht werden, een
+venduhuis. Hij verdiende er luttel. Maar de kwellende angsten van den
+verloopenden winkel was hij kwijt, en nu genoot hij inderdaad als een
+kind.
+
+»Tegen die schutting zullen we lathyrus zetten." Ik hoor het hem nog
+zeggen. Het pijpje in den mond, het onmisbare »krommertje", scharrelde
+hij nu over het plaatsje, in 't schuurtje, door den tuin. Een spa
+en een hark had hij al weten machtig te worden. En daar spitte en
+harkte hij al zijn zorgen mee weg, in misschien twaalf vierkanten meter
+zwarten grond. Ik zie hem nog alle steenen en vuil opruimen, een perkje
+aanleggen, een paadje plat trappen. En ik mag hem helpen. Ik ga met hem
+mee naar de Bloemmarkt, op den Singel bij de Munt, wat planten koopen en
+zaad. De namen »geranium" en »lathyrus" met de spelling er bij heb ik
+toen geleerd. Vaders liefhebberijen wekten en bevredigden mijn
+leergierigheid.
+
+Een nieuw huis, een nieuwe omgeving, een nieuw leven. Uiterst bescheiden
+in zijn behoeften, was Vader gauw voldaan en gelukkig. Als die ellendige
+geldzorgen maar niet drukten. Daarvoor alleen was hij bang. Hij was
+absoluut geen man, om zelfstandig zaken te drijven. Hij was een model
+van trouwe gehoorzaamheid, een uitstekend dienaar. En zoo was hij dan
+nu, bevrijd van zijn bezit, ontheven van zijn verantwoordelijkheid,
+onttroond als chef, den koning te rijk. Menigeen krijgt het beter door
+een vermindering. Waarom zoeken de menschen toch zoo vaak hun ongeluk in
+een levenspositie, te groot voor hun aanleg?
+
+ * * * * *
+
+We woonden in de Nieuwe Leliestraat. Vader had een gering inkomen.
+Waar leefden we dan van? Christine, de oudste, ging in een betrekking,
+voor nacht en dag, als winkeljuffrouw. Dan had ze tenminste goede
+huisvesting, goeden kost, en wat geld voor haar kleeding. Maar dat geld
+ging meer naar Moeder dan naar de kleederwinkels. Het lieve meisje kon
+het niet voor haarzelf besteden, als ze wist dat Moeder »zonder een cent
+zat". En dan worden zulke meisjes wel eens beschimpt, omdat ze er zoo
+kaal uitzien.
+
+Daarbij begon de oudste zoon al wat te verdienen en waren er twee
+kostjongens. Op die manier scharrelden we er doorheen.
+
+Hoewel ik toen pas 10 jaar was, wist ik toch precies en weet ik nu nog,
+hoeveel er elke week inkwam. Ik weet zelfs, hoeveel kostgeld er voor die
+twee jongens werd betaald. In de armoede leven de kinderen veel meer met
+het gezin en zijn nooden mee, dan in de welvaart. Hoeveel kinderen in
+den gegoeden stand van 10, neen 20 jaar, hebben een flauw besef van
+wat Vader verdienen moet, om het gezin te onderhouden, zijn jongens te
+laten studeeren? Daar leven de kinderen zoo zeer in de onbezorgdheid,
+dat het wel eens in de zorgeloosheid wordt. Zij spelen student, maken
+naaistersrekeningen, zonder ooit »te rekenen". Dat geld komt er wel,
+daar bekommeren ze zich niet om. Zoo leeren ze niet waardeeren de
+inspanning der ouders, niet kennen de waarde van 't geld, en verstaan
+niet tijdig de kunst evenwicht te bewaren tusschen inkomsten en
+uitgaven. Armoede is een opvoedster voor 't leven, kan het althans zijn.
+
+Zullen we nu zeggen: we moeten de armoede zoeken, opdat we in haar een
+goede opvoedster voor onze kinderen hebben? Dat nooit, daartoe gaat ze
+met te veel bittere ellende gepaard: ziekte, angst, vernedering. Maar
+wel acht ik een sobere levenswijze zeer gewenscht, en daarbij zulk een
+samenleven van oud en jong, dat de jongeren geleidelijk en als vanzelf
+in de levenspraktijk komen. De kinderen mogen gerust weten wat dit
+en dat kost, en dat er maar zóóveel beschikbaar is, en dat we ons
+deze of gene zelfs kleine weelde moeten ontzeggen. Vele ouders houden
+zich echter liever groot voor hun kinderen; andere bewaren een zekere
+geheimzinnigheid: »zulke dingen gaan den kinderen niet aan", nog andere
+kunnen hun kinderen niet gelukkig maken zonder ze te overladen. Met
+zorg? Kun je denken. Met heerlijkheden.
+
+Nood leert bidden _en werken_. Zorg leert zorgen. En het kan voor een
+kind niet anders dan goed zijn, als het intieme gezinsleven, rekening
+houdend met kinderkrachten, het kind actief betrekt in zijn
+moeilijkheden. Dat is ook een »leeren door doen."
+
+ * * * * *
+
+Ik zie, nu al bijna dertig jaar, hoe zeer vele ouders mijner leerlingen,
+menschen die er geldelijk volstrekt niet slechter bij staan dan
+ind'rtijd mijn ouders, hun jongens zoo gauw mogelijk uit geldverdienen
+sturen en er niet aan denken die kinderen een vak te doen leeren.
+Jongens, die goed het zesde leerjaar hebben doorloopen, worden eenvoudig
+loopjongen in een winkel. Bij uitzondering gaat er een naar de
+ambachtsschool, en al hun kennis van taal, rekenen, geschiedenis,
+aardrijkskunde zijn ze binnen eenige maanden verloopen in hun nieuwe
+wereld van belangen. Die laten ze graag slippen bij al hun gesjouw door
+de stad.
+
+Hoe kwam het nu, dat mijn ouders, onder alles door, zoo trouw zorgden
+voor goede scholen en twee hunner jongens de heele ambachtsschool lieten
+doorloopen, terwijl de derde voor onderwijzer mocht leeren, d. w. z.
+vóór zijn achttiende jaar bijna niets thuis bracht?
+
+Ik meen hier een leerzaam verschijnsel te ontdekken. Vader en Moeder
+hadden het wel heel zorgvol, maar niet door eigen lakschheid, niet door
+eigen geestelijk of zedelijk onvermogen. Beiden waren van goede afkomst,
+beider familiën behoorden tot dat deel van den burgerstand, waaruit
+dokters, notarissen, predikanten, handelaars voortkomen, beiden hadden
+een ontwikkelde opvoeding genoten. Maar Vader leed aan toevallen en
+al zijn bekwaamheid en braafheid konden hem niet in een betrekking
+handhaven. Daar zat de hoofdoorzaak van den achteruitgang. Voor
+winkeldrijven had de goede man niet de noodige talenten--men is koopman
+of men is het niet--en iederen anderen werkkring bekleedde hij slechts
+zoo lang, tot hij in zijn arbeid een toeval had gekregen. Daar waren de
+menschen bang voor, patroons zoowel als mede-ondergeschikten, en Vader
+werd ontslagen. Later hoop ik van deze bittere ellende voor die twee zoo
+goed kunnende en zoo goed willende menschen iets meer te vertellen, maar
+nu moest ik reeds het feit mededeelen. De _oorzaak_ der armoede is van
+overgroot belang voor de opvoeding en de toekomst der kinderen. Moreele
+en geestelijke verslapping laten de kinderen los, in wie vaak reeds
+dezelfde lakschheid en lamlendigheid huizen. Maar mijn ouders behielden
+onder allen tegenspoed hun energie, lieten zich niet wegzinken,
+trachtten zich aldoor op te houden en op te werken, kampten alleen tegen
+een overmachtigen vijand, doch hielden den strijd vol tot hun kinderen
+volwassenen waren; ze offerden die kinderen niet op, maar zochten er van
+te maken wat onder de gegeven omstandigheden maar eenigszins mogelijk
+was, ja, beproefden in hun kinderen de verloren maatschappelijke positie
+te herwinnen.
+
+En dat is hun gelukt Dat hebben ze nog mogen beleven. In hun
+maatschappelijken strijd ging het eerst al maar naar beneden: er werd
+kind op kind geboren, tot zeven toe, en betrekking na betrekking
+verloren. Daarna bleef het jarenlang worstelen in de diepte. Maar
+toen ging het geleidelijk omhoog: de kinderen werden grooter,
+en--wonderbaar--de toevallen bleven na het 50ste jaar weg. Zoo hebben
+Vader en Moeder het in de laatste periode van hun leven nog heel goed
+gehad, beter dan ooit in hun huwlijksjaren--hoofdzakelijk ten gevolge
+van de in hen wonende onuitroeibare energie, die zich zoo heel duidelijk
+openbaarde in dit eene feit, dat ze hun jongens, te midden van groote
+geldzorgen, niet opofferden aan het heden, maar deden opleiden voor de
+toekomst.
+
+ * * * * *
+
+Het verschil tusschen den wijze en den dwaas, zei iemand mij eens,
+bestaat hierin, dat de eerste een betrekkelijk klein genot van het
+oogenblik weet prijs te geven voor een betrekkelijk groot genot in de
+toekomst. Dwaas was Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor een
+schotel linzensoep. En de hoogste wijsheid sprak uit het woord, dat wie
+zijn leven om Christus' wille durfde verliezen, het leven eerst recht
+winnen zou.
+
+Ik houd niet van de woorden wijs en dwaas in dit verband. Ze zijn me te
+berekenend. Jacob, rustig overleggende bij Ezau's honger, zelf in stilte
+hongerend naar diens eerstgeboorterecht, en heel verstandig gebruik
+makende van de gelegenheid, is mij hierin meer antipathiek dan zijn
+kortzichtige broeder. Ezau zag, slaaf van het lagere, op dit oogenblik
+het hoogere niet. Jacob zag dit zoo goed, dat zijn wijsheid niet
+terugdeinsde voor iets eigenlijk veel lagers: het uitbuiten van de
+zwakheid zijns broeders.
+
+En toch is het waar, dat men voor het heden de toekomst moet koopen.
+Maar dat moet niet geschieden in welwijze berekening, wier egoïsme
+zelfs geen oog heeft voor de belangen der naasten en deze baatzuchtig
+opzuigt, maar in krachtsontplooiing, die--uitwerking van innerlijke
+spanning--alle moeilijkheden van het oogenblik trotseert en zelfs
+zoekt. Het mag niet heeten: dáár is mijn _doel_ en daarom _zal_ ik in
+vredesnaam deze plichten maar vervullen. Doch het moet wezen: in die
+_richting_ leidt mijn leven en nu _kan_ ik niet anders dan worstelend
+voortgaan, zij het, dat ik worstel tot den einde toe, zij het ook, dat
+ik worstelend bezwijk.
+
+Omdat in het leven mijner ouders waardevolle krachten werkten,
+konden zij jarenlang zoo vele en schier onoverwinbare tegenspoeden
+doorworstelen, gelijk de wortels van gezonde planten steenen doordringen
+en ten slotte zelfs rotsen doen splijten. En omdat die krachten zoo
+menigmaal ontbreken, zinken anderen in steeds dieper armoede en ellende
+weg. Dat is natuurlijk voor niemand een reden tot verhoovaardiging
+en al evenmin tot hulpweigering. Maar dat dringt ons bij iederen
+ernstigen bijstand, die niet helpende afschuift maar helpende
+aantrekt, te onderzoeken naar de oorzaken der heerschende ellende en
+dienovereenkomstig middelen aan te wenden. Het voornaamste middel zal
+dan wel steeds blijken: gelegenheid bieden tot krachtsontwikkeling, al
+zijn de aanwezige krachten ook nog zoo miniem.
+
+En hieruit volgt voor onze opvoeding, dat we, in huis en in school, toch
+voornamelijk moeten zorgen voor het _groeien_ der kinderen, zoodat er
+krachten in hen uitwassen. Geen groei zonder arbeid, die de krachten aan
+'t werk zet. En daarom: laat ze werken, werken.
+
+En hieruit volgt voor onze philantropie, dat we--tenzij aan afgeleefden
+en zieken--nooit slechter kunnen helpen dan door te geven.
+
+Het vraagstuk van het pauperisme is een ontzettend moeilijk probleem.
+Maar de oplossing kan nooit gevonden worden in het verstrekken van
+»brood en spelen". Daarmee gaat het volk ten gronde. Er is maar één
+middel om aan de aarde het brood te ontworstelen: De hand aan den ploeg.
+Alleen werkende zegeviert de arme op de armoede.
+
+
+
+
+VAN EEN VLOEK EEN ZEGEN.
+
+
+Och, mijn goede vader! Van die koopziekte was hij nog niet genezen. Hij
+had het in de krenten en de rozijnen nu toch zoo volmaakt afgelegd.
+De onopengesneden afleveringen van »De Aarde en hare Volken" en het
+»Bijbelsch Magazijn" waren als stomme aanklagers mee verhuisd. En toch
+bezweek hij weer. Neen, dat kwam niet, omdat hij het zocht. De goede man
+ging nooit op koopen uit. En hij had wel een portemonnaie op zak, maar
+er zat nooit geld in. Van schulden maken had hij bovendien een afkeer.
+Maar het zocht hem.
+
+Laat ieder eens eerlijk zijn eigen leven nagaan. Dan zal hij zien,
+hoe hij door dat leven een of ook eenige gebreken meedraagt, inwonende
+neigingen, die als erfhonden rustig in hun hok blijven liggen zoolang er
+niemand vreemds op 't erf komt, maar aanstonds opschrikken en opspringen
+als ze naderende voetstappen hooren. Geen goed beginsel is zoo waaksch
+als deze booze begeerten. En nauwelijks zijn ze gewekt, of ze
+beheerschen ons.
+
+We zijn niet zoo bedorven, dat we het kwaad zoeken. Maar we zijn slecht
+en zwak genoeg, om ons door 't kwaad te laten vinden als 't ons zoekt.
+En dat doet het. Op allerlei onverwachte oogenblikken loopt het ons erf
+op. En als de lusten dan wakker worden, het is niet om als een trouwe
+hond den verleider aan te vallen en te verjagen, maar om door hem te
+worden gestreeld. Het is ook zoo heerlijk, zich zachtjes te laten gaan
+onder de zoet-behagelijke bevrediging onzer sluimerende verlangens.
+Adam en Eva gaan er niet op uit, gedreven door slechte driften. Ze zijn
+volkomen gelukkig en denken niet eens aan kwaad. Argeloos dwalen ze door
+den hof, rustig genietende van de balsemende atmosfeer, de harmonieuse
+omgeving, en den stillen vrede des gemoeds. Maar dan komt de verleider
+tot hen en hij vindt ze niet, als later Jozef, met een onwankelbaar:
+»Zou ik zulk groot kwaad doen en zondigen tegen God?" Hij vindt ze niet,
+als later Jezus, met een onwrikbaar: »Ga weg van mij, Satan!" Maar hij
+vindt ze bereid tot redeneeren. En wie eenmaal met den verzoeker aan
+'t redeneeren gaat, verliest het, onverbiddelijk. Hij is een fijn
+redeneerder en ons, door lusten beneveld verstand, veel te slim af.
+Luister niet naar hem. Luisteren is vallen.
+
+ * * *
+
+Waarom moest mijn vader nu juist een betrekkinkje krijgen aan dat
+venduhuis? Daar woonde hij dag aan dag de verkoopingen bij, en daar zag
+hij, hoe waardevolle dingen voor luttele bedragen van de hand gingen.
+Dat kon hij niet laten passeeren, dan waagde hij ook een bod, en dan
+kreeg mijn moeder allerlei overbodige meubelen thuis. Zoo raakte de
+brave man wezenlijk aan 't speculeeren, want hij kocht voorwerpen tegen
+lagen prijs, met de stellige verwachting die eenige dagen later tegen
+hooger prijs weer te verkoopen--'t was zonde, zulke koopjes te laten
+gaan--en daarmee raakte hij in de schuld.
+
+ * * * * *
+
+Men begrijpt natuurlijk dat ik dit niet vertel, om mijn braven vader
+jaren na zijn dood te bekladden. Wanneer de lezers van hem een anderen
+indruk krijgen dan dien van een groot, naïef kind, dan heb ik hem niet
+goed geteekend. Hij was de rechtschapenheid zelf en behalve een paar
+driftvlaagjes was zijn grootste fout: een beetje te veel goed vertrouwen
+in zijn geslepen en hardvochtigen medemensch. Die kooplust was voor een
+groot deel averechtsch handelsgenie. Hij dacht daarbij erg slim te werk
+te gaan, maar werd steeds zelf het slachtoffer van berekenender naturen,
+die er hun voordeel bij hadden, hem in zijn ongeluk te laten loopen, of
+daarin te brengen. Hij was uiterst fijn van geweten, en werd de dupe van
+gewetenlooze harteloosheid. Eerlijk tot op een spijkerkop, was hij een
+gezochte buit voor dat heirleger maatschappelijke parasieten, dat ook
+uit de armste organismen nog levenssappen weet weg te zuigen. Doch, wat
+nu het wonderbaarlijke is, waar dit hem natuurlijk vaak in geldelijke
+moeilijkheden bracht--juist hem, den fijngevoelige, den argelooze, den
+ridderlijke--daar groeiden uit die moeilijkheden bijna altijd mooie
+levenservaringen. Ik geloof vast, dat de kapitalen, in kroegen en
+bordeelen verdiend, moreele ellende in de familiën brengen, en een
+mijner schoonste jeugdherinneringen dank ik aan de verliezen dier
+onpractische natuur, die zich onvoorzichtiglijk op het gladde ijs der
+zakenwereld waagde, en wiens zelfoverschatting--voorzeker een fout--zoo
+aandoenlijk werd goedgemaakt door de kinderlijke deugden van een
+onbedorven gemoed. Eer ik echter mijzelf nog eens verkwikken wil in
+die schoone heugenis, moet ik een ander deel kinderzaligheid voor u
+uitspreiden op onze tuintafel.
+
+Zoodra er gebeld werd en een beladen handkar voor de deur stond, wist
+Moeder al hoe laat het was. »Juffrouw, dit komt van de verkoopening, van
+Meneer zelf," zei de bezorger, en Moeder had weer iets, vaak iets heel
+onpractisch, aan te nemen en op te bergen. Zoo verscheen er op zekeren
+dag een reusachtige tuintafel: een groot, groen, vierkant houten blad op
+een ijzeren onderstel met cirkels en krullen en vier gekrulde pootjes.
+Het ding kwam zeker uit een grooten tuin, maar Vader had het prachtig
+gevonden voor ons plaatsje en het daarom gekocht en per handwagen naar
+de Leliestraat gestuurd. Moeder was eigenlijk recht boos met deze
+zending van de »verkoopening" en ze wou dat »Meneer zelf" maar wat
+minder koopgauw was. Doch ze kon de tafel toch niet terugsturen en liet
+haar dus naar het plaatsje brengen, waarvan ze een al te groot deel in
+beslag nam.
+
+Maar wat heb ik op die tuintafel genoten!
+
+Het was nog in den tijd, dat de handenarbeid zich beperkte tot het
+spel en nog niet de scholen was binnengedrongen om zich daar te laten
+fatsoeneeren. Ze leefde nog vrij, als een heidensch natuurkind, liep,
+dartelde, sprong, precies zooals ze wou. Zelfs was ze nog niet gedoopt,
+en geen sterveling dacht er aan, dat ze eenmaal dien uitheemschen naam
+Slöjd zou ontvangen met daarnaast den deftigen van Handenarbeid.
+Ze heette.... ja, ze heette eigenlijk heelemaal niet. Ze was innig
+opgenomen in allerlei hulp aan Vader en Moeder, en in allerlei spel op
+straat en in de huiskamer. Uit die natuurlijke verbinding was ze nog
+niet als zelfstandig element naar buiten gekomen om onder de verzorging
+der deskundigen als een apart wezentje in een eigen zondagsch pakje
+netjes de wereld te worden ingestuurd. Ze was nog zoo zonder pretentie,
+zonder opdringerige braafheid, ze was nog zoo anspruchslos en
+aantrekkelijk.
+
+Wanneer we voor onze zondagscent geen drop of zoethout kochten,
+was het omdat de Pruisische Uhlanen ons te machtig waren. Die hingen
+in heele rijen op prenten voor de winkelruiten. En daarnaast de
+huzaren op dravende paarden. En ook de vliegende trein, kanonnen en
+kruitwagens, door zes paarden getrokken. De geheele Duitsche armee
+boeide onze oogen dermate, dat de snoepgoedwinkel het aflegde: het
+lager zinnelijk begeeren werd overwonnen door hooger lust--een stuk
+moreele opvoedingstheorie, dat je zoo maar zonder universiteit,
+professor en lijvig boekdeel ontving, dat de simpelste ervaring aan
+een eenvoudig menschenkind gratis thuis stuurde, zelfs in een
+achterbuurt. Je had het als 't ware maar van de straat op te rapen.
+Voor onze zondagscenten kochten we legermachten, liefst ongekleurde,
+en verfden die. Een bescheiden verfdoosje--als we 't niet op onzen
+verjaardag kregen--brachten we ook zelf met centen en halvecenten
+bijeen. Je kon losse verfjes koopen van allen prijs en in alle kleur,
+en evenzoo penseelen. Ik zie ons nog in den winkel uitzoeken:
+karmijnrood, marineblauw, geliefde kleuren, waarvan de naam ons reeds
+zoet in de ooren klonk. En al lieten die goedkoope penseeltjes ook vaak
+een haar los, al »haarden" ze, we deden het er toch mee, we kleurden er
+te voorzichtiger om. O weelde der wijsheid bij schraalheid der centen!
+
+Als de uniformen dan gekleurd waren, plakten we mannen en paarden en
+wagens op dun bordpapier--er waren altijd wel oude doozen en Moeder
+kookte graag wat stijfsel voor ons. Daarna werden ze netjes uitgeknipt:
+voorzichtig, uiterst voorzichtig, met die natuurlijke voorzichtigheid,
+die ieder kind aangeboren is--niet waar, lieve Sien?--eer ouderlijke
+angst en meesterlijke bemoeizucht ze heeft verlamd met waarschuwing,
+bedreiging en verbod, en dan gingen er houten blokjes achter, zoodat ze
+staan konden.
+
+Lieve Sien, neem me niet kwalijk, dat ik jou daar zoo ineens midden
+tusschen mijn huzaren haal. Maar toen ik daar zoo stil aan 't uitknippen
+was, en al mijn aandacht wijdde aan de teugels der paarden, zoodat die
+als sierlijke lijnen mooi bij den bek neerhingen, en toen ik ál mijn
+geestelijke energie in vingerbeheersching concentreerde, om, alleen uit
+eigen volkomenheidszucht, geen knipje te veel te doen, toen dacht ik
+plotseling aan jou. Toen was ik weer dien zondagmiddag bij je ten eten,
+en toen zag ik weer je driejarig kereltje--driejarig!--de borden--de
+mooie borden!--een voor een uit de kast halen, er mee door de kamer
+waggelen, ze netjes op de tafel zetten. »Hij hielp zijn moeder." Wat heb
+ik toen genoten. Wat een lieve, lieve spanning in dat gezichtje, in die
+armpjes, in die beentjes, in die heele houding! En hoe zongen de zuchten
+een jubel van kindertriomf, telkens als er een reisje van de kast naar
+de tafel was volbracht. Sientjelief, dat was nu paedagogiek, waar ik de
+heele wereld wel op had willen trakteeren, tot de paedagogenwereld toe.
+En als je jarig bent, krijg je van mij de Paedagogische Encyclopedie van
+Prof. Rein cadeau. Niet om er in te lezen--de hemel beware me!--maar om
+er je lieve Henkie mee te laten sjouwen, van de kast naar de tafel, en
+van de tafel naar de kast. Wat zal dat een lekker speelgoed zijn, al die
+dikke deelen! En dan haalt Henkie er nog meer paedagogiek uit dan zijn
+vader!
+
+Hoeveel moeders durven hun kinderen zoo op te voeden? Met zulk een
+vertrouwen in de kinderlijke eigenschappen? Met zulk een absoluut hooger
+schatten van een kind boven een bord? Wie 't probeeren wil, moet zelf
+rustig, kalm, geduldig zijn, stil met zijn kind meeleven, niets aan 't
+kind opdringen, vooral niet wat het kind uit eigen beweging al wil en
+doet, en niet boos wezen, _als_ er door een ongelukje eens iets mocht
+breken.
+
+ * * * * *
+
+En nu aan 't oorlogen!
+
+Doch waar zou de veldslag geleverd worden? Waar was het terrein,
+uitgestrekt genoeg om deze talrijke troepen in twee partijen op te
+stellen en te doen strijden? De kamervloer? Maar daar liep iedereen.
+De aanrechtbank in de keuken? Daar moest telkens gewerkt worden. Hebt
+ge wel eens gezien, hoe zulke jongetjes met hun schatten alle ruimten
+rondscharrelen, om ergens een goed speelhoekje te vinden? De volwassenen
+kijken hen meestal voorbij, grauwen ze weg, zijn te vol van eigen
+belangen om oog voor de kinderen te hebben. Maar Vaders kooplust had
+mij mijn strijdveld bezorgd. Dat tuintafelblad was--nu in mijn
+herinnering--van reusachtige afmetingen. Er kon een heel Waterloo worden
+afgespeeld.
+
+Naast ons woonde een heel net en rustig gezin met veel meisjes en één
+jongen. Die jongen keek eerst, klom toen over het lage schuttinkje, en
+we waren twee veldheeren, die onze troepen tegen elkaar aanvoerden.
+Er werden toen ter tijd kleine kanonnetjes verkocht, waarmee je echt
+schieten kon. We bedelden en spaarden net zoo lang, totdat we er een
+paar machtig waren, laadden ze met kleine groene erwten en vuurden ze
+op den vijand af. Elke held, die omkantelde, was voorloopig dood.
+
+Maar die kanonnetjes schoten niet krachtig genoeg.
+
+Daarom verschaften we ons koperen en glazen buizen--erwtenblazers--en
+joegen daardoor met de kracht van onzen eigen adem de groene
+projectielen tegen de papieren heldhaftigheid. Nu ging het beter. We
+zagen hooge ruiters wankelen, vallen en in hun val anderen meeslepen.
+Dat was een heerlijk gezicht. Van het aantal gesneuvelden hing het af,
+aan welke zijde tenslotte de zege verbleef. En we bliezen met een
+hartstocht en een volharding, alleen geëvenaard door de toewijding en
+het geduld, waarmee we eerst al die benden hadden gekleurd en geknipt.
+
+Doch stond ooit de vernielzucht op het oorlogsveld stil? Er was ook
+bij ons climax in de wapenen. De proppenschieter kwam in 't vuur. Dat
+was een geweldenaar. Die richtte heele tooneelen van verwoesting aan.
+Wanneer de kurk uit het nauwkeurig gerichte kanon werd afgeschoten, deed
+hij zelfs een heel vijandelijk kanon omtuimelen. En als de strijd te
+lang onbeslist bleef, konden alleen de bommen der proppenschieters hem
+beslechten. Die moesten dan ook aan 't werk, en de doffe tikken van kurk
+tegen karton donderden onafgebroken door de vijandelijke gelederen.
+
+Dikwijls bracht de duisternis pas een einde aan den strijd. Dan werden
+mannen en paarden en kanonnen in hun onderscheidene doozen gelegd.
+Gesneuvelden en overlevenden, winners en verliezers, lagen daar plat
+en vredig op elkaar, zoo, dat de blokjes der voeten netjes tegen elkaar
+aansloten. En dan gingen de veldheeren naar binnen en slapen. De eene
+klom over het lage schuttinkje, terug naar zijn eigen heim. De ander
+sleepte de doozen mee. »Adjuus!"--»Adjuus!"--»Kom je morgen weer
+vroeg?"--»Ja, als ik kan."--Twee keukendeuren klapten toe, en het groene
+slagveld lag in den donkeren nacht, leeg en verlaten.
+
+Had die groote tuintafel ooit beter plaatsje kunnen krijgen dan hier,
+waar ze veel te groot was voor de kleine ruimte? Ze bracht duizendvoude
+rente op in een heirleger van gewonden en gesneuvelden. En »Meneer zelf"
+mocht er voldoening van hebben, dat hij »dat bakbeest"--met welken naam
+Moeder het eerst begroet had--van de »verkoopening" naar de Leliestraat
+had gestuurd. Hij heeft er twee jongensharten mee verrukt.
+
+ * * * * *
+
+Verrukt?
+
+Zeg liever bedorven.
+
+Jongens mogen niet soldaatje-spelen, want dan groeit de moordlust in hen
+aan, raken ze vertrouwd met doodslag en bloed, en, en, en....
+
+Zoo fantaseert het principe.
+
+Maar die eene jongen is nu al lang een braaf dokter in de hoofdstad des
+rijks, die dag aan dag zich inspant om zieken te genezen, levens te
+redden. En die andere heeft later, toen hij zoo wat twintig jaar was,
+gedichten tegen den oorlog geschreven, waar alle kanonnen door overstemd
+hadden behooren te worden, als kanonnen niet de onbescheidenste
+bulderaars van de wereld waren.
+
+Men moet niet zoo vertrouwen op het _fantaseeren der principes_, al
+noemt men dit ook, met veel aplomb, _logisch redeneeren_. Je ziet het
+immers in de politiek? En in den strijd der vakvereenigingen? En in
+de paedagogiek? »Logisch redeneerende", uitgaande van een »zuiver
+beginsel", zet men de heele maatschappij recht, dwingt men alle
+verhoudingen, voedt men de kinderen tot engelen op; doch enkele simpele
+feitjes, door het verheven principe hooghartig voorbijgezien, zijn
+sterker dan het geweldigst principe, en maken ten slotte het
+schijn-succes tot een nederlaag.
+
+Zulke ervaringen deden het voorgeslacht al uitroepen: De mensch wikt,
+God beschikt.
+
+Volgens de zuiverste logica moest die overbodige tuintafel een oorzaak
+van groote narigheid zijn, en zie, ze werd ons de oplossing van het
+probleem, hoe de beschikbare legers, tusschen de ongeriefelijkheden van
+onze omgeving, een slagveld konden vinden. Als je eenmaal legers hebt,
+dienen ze dan toch te vechten. En hoe vecht je zonder terrein?
+
+En volgens dezelfde logica had die kooplust mijn vader in de gevangenis
+moeten brengen, en zie, ze bracht ons in aanraking met het christendom.
+
+Dat ging zoo.
+
+Bezwijkende voor de dagelijksche verzoeking, had Vader, gelijk ik reeds
+vertelde, menig stuk gekocht met de bedoeling het straks bij gunstiger
+markt, weer te verkoopen, en zoo was hij op zijn manier aan 't
+speculeeren en natuurlijk in de schuld geraakt. Die schuld was gaandeweg
+gestegen tot een bedrag van misschien een paar honderd gulden, en
+vroeg, gelijk schulden dat zoo plegen te doen, op haar tijd om
+aflossing. Maar de eerzame schuldenaar kon zijn schuldeischer, den
+makelaar der verkooping, niet anders aanbieden dan de opgestapelde
+schatten die hij zelf gekocht had en die nu vruchteloos naar een nieuwen
+kooper uitzagen. Hiervan was de makelaar niet gediend: die goederen
+waren eenmaal gekocht en geleverd, het geld moest er zijn, zaken zijn
+zaken. En Vader zat in de ellende. O, wat was de goede man prikkelbaar
+in zulke tijden. Ik weet dat nog zoo best. En hoe zenuwachtig stond
+Moeders gezicht. Wij kinderen voelden mee de hopeloosheid van 't geval:
+een som geld op te brengen, die eenvoudig niet te krijgen was. En dan de
+dagelijks aandringende persing van een gevoelloos schuldeischer op de
+leege beurs van een dood-eerlijk, pijnlijk-conscientieus, maar alleen
+wat onnadenkend, eigenlijk ondóórdenkend man.
+
+Nu gebeurde het in dien tijd, dat zeker iemand, die ook in zijn zaken
+achteruit gegaan was, ook een winkel had moeten verlaten, en verhuisd
+was naar een veel bescheidener woning, een deel zijner zeer goed
+onderhouden meubelen wilde verkoopen, om daarmee wat overbodige stukken
+in te ruilen voor zeer noodig geld. Die zeker iemand had een vrouw en ik
+meen vijf of zes nog jonge kinderen, een talrijk gezin, dat alleen van
+zijn verdiensten moest leven. Wij kenden het gezin, en daarom kreeg
+Vader verlof, de meubelen op eigen naam te verkoopen, opdat hij de
+provisie zou hebben, die hieraan verbonden was. Zulke extraatjes van een
+paar gulden waren altijd bizonder welkom. Vader, Moeder, en ook
+wij--meelevende kinderen--waren dan ook erg blij met de opdracht.
+
+Maar hoe droevig en vernederend liep dit uit. Op zekeren dag kwam Vader
+thuis, gebroken. De meubelen waren verkocht, maar de verkoopgelden waren
+Vader niet uitbetaald. De makelaar had ze ingehouden ter afbetaling van
+de schuld, die Vader bij hem had. Dat kon hij doen, omdat Vader de
+meubelen op zijn eigen naam had doen verkoopen.
+
+Daar zaten we. Die meneer, die zeker iemand, had Vader alles
+toevertrouwd, hij zag verlangend naar het geld uit, en zou er geen
+penning van ontvangen. Zijn oude, degelijke meubelen verkocht, misschien
+wel opgeofferd als geliefde familiestukken, en niets er voor terug.
+
+In zulke omstandigheden was Vader zoo machteloos. Hij durfde den
+man niet onder de oogen komen--en die man woonde vlak tegenover ons.
+Ook wij gingen gebukt onder de dreigende schande. In plaats van heel
+vertrouwelijk en hartelijk te groeten, namen we wat schuw onze petjes af
+en ontliepen al de leden van het gezin. Hoe verachtten we dien gemeenen
+makelaar, die heel goed wist, dat de meubelen niet van Vader waren, maar
+hier zijn kans schoon zag, om het hem toekomende geld te krijgen. Als
+hij zijn geld maar had, kon 't hem niet schelen, of Vader daarmee een
+onschuldige te kort deed, misschien beschuldigd zou worden van
+oneerlijkheid, van oplichterij.
+
+Oplichterij. Het woord ging als een koude rilling door ons gezin, en van
+dag tot dag stelden we het uit, het noodlottig bericht aan de overburen
+mee te deelen. Doch eindelijk, het moest. En, gelijk steeds in zulke
+gevallen, Moeder ging er op af. O, vrouwen zijn zoo vaak duizendmaal
+moediger dan mannen.
+
+Wij wachtten thuis met angst. Hoe zou 't afloopen? Het ergste zou zijn,
+dat Vader werd aangeklaagd wegens oplichterij en naar de gevangenis
+ging. Het minste, dat de benadeelde familie er in berustte, maar wij
+gebukt zouden gaan onder haar verachting. In ieder geval, er zou een
+koele scheiding komen. We zouden de vriendschap van onze goede overburen
+verliezen. Moeder kwam terug. Ademloos hoorden we haar aan.
+
+»Meneer--had alles begrepen, en hij had erg met Vader te doen."
+
+»En waren ze niet boos?"
+
+»Neen, ze schrokken natuurlijk wel erg, en Mevrouw werd wit. Ach, ze
+konden het geld ook zoo best gebruiken. Maar Meneer zei: Uw man heeft
+geen schuld. Het is zeker Gods wil geweest."
+
+We waren duizend pond lichter. De houding der getroffenen tegenover
+ons veranderde in niets. Ze spraken nooit meer over 't geval, bleven
+vriendelijk--maar die man.... ik heb hem als een heilige mee door 't
+leven gedragen. Hij was zoo rustig-vroom, zoo eenvoudig-christelijk.
+Zijn blik, zijn gelaat, zijn stem, zijn heele gedrag was zonder eenig
+vertoon. Ik wou, dat ik zijn naam mocht noemen. Niemand kent hèm. Hij
+was geen schrijver, geen schilder, geen geleerde, geen staatsman. Alleen
+een kantoorheer--boekhouder op een wijnkooperskantoor--maar.... een
+christen. In hem heb ik het christendom ontmoet. En dat ik het zoo
+zuiver heb mogen aanschouwen, het was te danken aan Vaders argelooze
+koopneiging.
+
+
+
+
+IN EEN NETTE BUURT.
+
+
+De Jordaan was net een weefsel van straten: een schering van
+lengtestraten, met daardoor heen een inslag van dwarsstraten. De
+Lijnbaangracht en de Prinsengracht vormden aan twee zijden den zelfkant
+van het weefsel, dat in zijn geheel den indruk maakte van grof, grauw
+linnen. Het was een vunze buurt. Eigenaardig was echter, dat sommige
+lengtestraten en grachten als kleurige, glanzige zijden draden door
+dit weefsel waren getrokken en men dus uit de onbeschaafde armoede
+plotseling kon overgaan in den netten burgerstand. De Bloemgracht en de
+Rozengracht bij voorbeeld waren niet te min voor handelaars en dokters;
+daar zag je keurig onderhouden huizen met blinkend geverfde deuren;
+heldere dienstmeisjes bespoten iederen Zaterdagmorgen de onderpui uit
+een blinkend koperen glazenspuit; alles blonk er, tot de belknop en de
+roode wangen der dienstmeisjes toe. En geen drie minuten verder had
+je een armelijke Eglantiersstraat of Laurierstraat, met vuile houten
+trappen, donkere portalen en slobberige vrouwen. Wie den Jordaan
+doorkruiste, enkel maar doorsneed, kwam afwisselend in aanraking met
+het proletariaat, de kleine burgerklasse, en den gegoeden burgerstand.
+
+De Nieuwe Leliestraat, waar wij nu huisden, was de straat van het
+financieel zwakke fatsoen. Heel nette menschen met kleine traktementjes
+bewoonden er een huis of een eerste of tweede bovenhuis. Er was geen
+vertrouwelijkheid in de buurt. Ieder bewaakte er angstvallig zijn stand
+achter lage gordijnen en gesloten deuren. Je kwam niet bij malkaar over
+huis. Op straat sprak je ook niet met mekaar. Je groette de buren
+beleefd met een nijging of een deftig hoedafnemen, maar verder kwam het
+niet. Zoo'n beetje gezellig op den stoep zitten, een luchtje scheppen
+op de groengeverfde houten bank, een buurpraatje maken over het weer,
+gelijk we dat op de Eglantiersgracht gekend hadden, geen kwestie van!
+Daarvoor was men hier te netjes. Ieder hield voor den ander zoo'n beetje
+schrale voornaamheid op. En zelfs achter het huis, in de tuintjes,
+had je dezelfde stijfheid. Nooit of uiterst zelden knoopten volwassen
+buren daar een gesprek met elkaar aan. Een afgemeten groet was het
+hartelijkste waartoe men komen kon. Ik had het gevoel, en herinner me
+dat nog heel wel, of ieder een stukje fatsoenlijke armoede te verbergen
+had en voor zijn naaste buren niet weten wou, hoeveel pijnlijke zorg en
+opofferingen het kostte, dagelijks knap voor den dag te komen. Al de
+meisjes uit de buurt hadden nette hoedjes en nette manteltjes, nette
+jurkjes en nette pijpenbroekjes, nette kousjes en nette schoentjes.
+Je had ze zoo in de uitstalkast van een poppenwinkel kunnen zetten.
+Onvertogen woorden hoorde je niet, ook niet van de jongens. Zelfs de
+honden waren hier fatsoenlijker dan een straat verder: ze blaften niet
+zoo onbehouwen. Maar er was ook geen leven, geen frisch, natuurlijk,
+spontaan leven. De heele Leliestraat was een zoet zijden draadje door
+'t grove zaklinnen. En wij jongens, vrijbuiters uit de vroegere buurt,
+werden er een heelen hoop braver. Dat we echter maar niet zoo
+onmiddellijk verlelied waren en nog lang iets van onze oude natuur
+behielden, moet ik, helaas, belijden, en zal de lezer vóór 't eind van
+dit hoofdstuk vernemen.
+
+ * * * * *
+
+Boven ons woonden allerliefste jonggehuwden. Hij was den heelen dag op
+kantoor en haar hoorden we haast onafgebroken zingen en met het kindje
+praten. Wanneer het bij ons stil was, klonk het van boven met een lieve,
+heldere vrouwenstem: »Dág Pa! Dág lieve Pa!" of de jonge moeder haar nog
+niet eenjarig kindje leeren wou, hoe het zijn vader begroeten moest.
+»Dág Pa! Dág schattige Pa!" Het klonk als vogelmuziek, zoo frisch, zoo
+zuiver, zoo natuurlijk, zoo zangerig. »Dag lieve Paatje!" En dan nam
+Moeder het dingetje op, hield het in de hoogte, en we hoorden het jonge
+stemmetje kraaien. Nu werd het een beurtzang van moeder en kind. »Dag
+lieve schat! Dag Pa!"--»A-a-a-a!"--»Dag snoesje! Komt Paatje gauw thuis?
+Zeg dan maar: Dág Pa! Dág lieve Pa!"--»A-a-a-a-a!"
+
+Wanneer Pa thuis kwam, hoorden we 't vroolijk gejubel van het kleine
+gezinnetje. Dan mengde zich zijn sonore mannenstem in het lieve gesjilp
+en gekweel van die twee anderen, en een innige geluksstemming zweefde in
+dat natuurlijke klankenspel. 's Avonds, vóór 't kleintje naar bed ging,
+droeg Pa het een poos rond, onder 't zingen van allerlei liederen, en
+dan hoorden we Moeder in stille bedrijvigheid rondtrippelen. We maakten
+aan de tafel ons huiswerk of kleurden en knipten onze legers, maar
+onderdehand dronken onze ooren de symphonie van huiselijk geluk in en
+genoot onze nog onontwikkelde verbeelding de idylle van het eenvoudige,
+vredige, blijmoedige gezinnetje.
+
+We weten vaak niet, vanwaar sommige stemmingen en sympathieën in
+ons zijn gekomen. Maar wanneer later De Genestet's »Jong Hollandsch
+binnenhuisje" me bekoorde en ik genoot van dien jongen vader, die met
+zijn twee springende gedichtjes de kamer rondreed, hij op den vloer,
+zij op en over hem heen klauterend, dan dacht ik meermalen aan onze
+bovenbuurtjes, hoorde ik zijn warme mannenstem, het gekraai van 't
+kleintje, en haar: »Dág Pa, dág lieve Pa!" zoo helder, zoo blij, zoo
+onbezorgd.
+
+Onlangs vernam ik, dat zij gestorven was, aan tuberculose.
+
+Zoo werd haar idylle vernietigd.
+
+Ik heb haar maar weinig gezien. Na betrekkelijk korten tijd verhuisden
+we naar een woning, die heelemaal aan 't andere einde der stad lag,
+een uur ver. Toen hebben we nooit meer iets van hem of haar vernomen.
+Ze behoorden dus met hun kleintje tot een voor ons geheel afgesloten
+verleden. Nooit hebben we met elkaar omgang gehad. En toch, toen ik
+vernam, veertig jaar later, dat de bliksem was geslagen is dit lieve
+nestje van huwelijksgeluk, toen ontroerde me dit smartelijk. Het was of
+een zingend vogeltje opeens de gorgel was dichtgeknepen.
+
+Leeft _hij_ nog? Leeft het _kindje_ nog, het blijde kraaistemmetje.
+
+Het is voorbij, alles voorbij.
+
+En toch leeft het nog. Ik hoor voetgeschuifel boven mijn hoofd, ik hoor
+een kamerdeur opengaan, ik hoor een hartelijken welkomstkus, en dan die
+innig-blije stem: »Dág Pa! Dág lieve Pa!"
+
+Ik hoor kindergekraai. Ik zie een man over de wieg buigen, een kindje
+kussen. Een knevel prikkelt het donzen wangetje. Een zwaar geluid trilt
+in 't zachte oortje. En dan: »A-a-a-a!"
+
+Dat is 't kleintje.
+
+Ze leven nog.
+
+Wat zegen kan er neerdalen in kindergemoederen, als er lieve bovenburen
+zijn!
+
+ * * * * *
+
+Tweehoog woonde een gezin, waarvan we niets gewaar werden, dan dat er
+veel meisjes waren, en allemaal keurig nette meisjes. Eenige van haar
+zijn later onderwijzeres geworden. Er is dus kans, dat ze deze regels
+lezen. Dan zullen ze zich het lieve gekweel herinneren van de jonge
+moeder en het piepjonge kindje, dat natuurlijk even goed omhoog steeg.
+
+Beneden ons, in het onderhuis of den kelder, hadden we ook nog buren.
+Daar zakte ik vaak naar toe. Ze waren vriendelijk en gastvrij. Ik mocht
+er steeds binnenloopen. Maar omdat er geen kinderen van mijn leeftijd
+waren, had ik er niet veel. Kinderen willen kinderen, al zeiden de
+menschen vroeger terecht: Van malkaar meugen ze niet, en bij malkaar
+deugen ze niet.
+
+Kinderen waren er in het huis naast ons, een schaar lieve meisjes en één
+jongen. Men weet nog, dat meisjes iets bizonder bekoorlijks voor me
+hadden. Nu, deze ook. Ik ken de voornamen nog, en één voornaam klonk me
+als muziek in de ooren: Rena. Die _e_ werd zoo mooi ingeleid door de
+_r_, en de _a_ had zoo'n zacht-voornaam klankje. Je kon dien naam zoo
+mooi-deftig zeggen. Net zoo iets als »zijkamer".
+
+Maar de meisjes leerde ik bijna niet kennen. Ik geloof eigenlijk, dat
+ons gezin, wat verarmd, en met vijf belhamels van jongens, te ruw was
+voor de meeste buren. Alleen met den jongen speelde ik wel eens. Echter
+niet op straat, alleen nu en dan op het plaatsje. Hij ging ook op een
+nettere school dan ik. Hij is later dokter geworden, ik ternauwernood
+schoolmeester.
+
+Dat zegt alles.
+
+Is het niet eigenaardig, dat ik heel goed een zekere minderwaardigheid
+voelde tegenover de omgeving? En dat ik mij daarnaar gedroeg? Hunkerend
+naar speelmakkertjes, was ik toch te fier om me op dringen. Dan speelde
+ik maar liever in mijn eentje, bij Moeder in de kamer. Bij Moeder was
+'t altijd goed. Heerlijk, dat veilige, vredige plekje bij Moeder.
+Standsverschil, zelfs reeds op deze schaal, deed mij een kring trekken,
+waarbinnen ik met mijn armoede rustig kon leven. Maar dat leven was toch
+genieten, als Moeders oog maar, stralend zonnetje, den kring verlichtte.
+
+Toen Potgieter op zijn sterfbed lag, en men hem het portret liet zien,
+dat de uitgave zijner werken zou verrijken, was zijn opmerking: »'t
+Is toch maar een burgerman." Iets dergelijks heb ik mijn heele leven
+gevoeld. Omstandigheden hebben me in menige vriendschappelijke,
+vertrouwelijke, hartelijke betrekking gebracht tot menschen van stand,
+rijkdom en positie. Maar immer voelde ik: »Je bent toch maar een
+burgerjongen."
+
+Men meene niet, dat ik hier iets vernederends of iets pijnlijks in vond.
+Precies het tegendeel. Nog altijd voel ik me het meest eigen onder
+de eenvoudige benedenburen in den kelder. Grootheid trekt me niet en
+streelt me niet. Maar ik zeg het alleen, om te doen uitkomen, hoe het
+karakter der jeugd voor goed een stempel in het leven drukt.
+
+Eén jongen uit de buurt, ook uit eenvoudiger kring, werd mijn vriendje:
+Piet v. R. Zelfs werd hij het vriendje van mijn jongere zus, gelijk
+bleek uit een briefje, dat ze hem schreef (niet zond): _liefe peit hoe
+gaat het met u en hoe gaat het met Naje[1] nu liefe peit het is dijt dat
+ik uitseit dag peit_.
+
+[1] Naatje, het zusje van peit.
+
+De andere jongens van het gezin zagen het kind dit briefje schrijven
+en hebben er haar lang mee geplaagd. En als ze, de Jeugdherinneringen
+lezend, meenen mochten, dat deze nu al lang genoeg voortgezet waren,
+zouden ze, citeerend het episteltje, me zeker toevoegen: _nu lieve peit
+het is dijt dat je uitseid dag peit_. En dan zou ik er de pen bij
+neerleggen. Zoo ontstaan uitdrukkingen in familiën en in volkeren.
+
+ * * * * *
+
+We maakten het er wel naar, dat de buren met een zekere behoedzame
+teruggetrokkenheid intiemeren omgang trachtten te voorkomen. Vijf
+drukke jongens tusschen 10 en 18 jaar waren wel in staat kalme,
+eerzame gezinnen af te schrikken. Het moet zeker druk genoeg bij ons
+zijn toegegaan, en van die levendigheid, niet altijd van vreedzamen
+aard, moet wel iets doorgedrongen zijn naar de stille hoven rondom.
+Levendigheid--met dit woord is het zeer zacht uitgedrukt. Vijf
+jongens, zoo dicht opeengepakt, stooten malkaar herhaaldelijk, en
+zijn dan aanstonds klaar met ruwe woorden, luid uitgeschreeuwd, of
+handtastelijkheden. Ik hoor Moeder nog roepen met ingehouden stem:
+_Denk toch om de buren_, waarop die buren uit een driftigen jongensmond
+konden vernemen: _De buren kunnen naar den bliksem loopen_ of een andere
+hartgrondige verwensching. Dat meenden die jongens zoo erg niet, het was
+maar ruwheid, doch 't was voor die buren toch niet bepaald aanmoedigend.
+
+Plagen was schier aan de orde van den dag. Als het jongste meisje, dat
+van lieve peit, begon te schreien, kon je er zeker van wezen, dat het
+heele koor een ontzettend gebulk aanhief, om die schreistem te smoren.
+Dan dreunde de kamer van de erbarmelijkste kreten. Vader werd in zulke
+gevallen woedend, maar kon de bende eigenlijk niet baas. Moeder drong
+driftig-angstig aan: »Hou jelui dan toch je mond", wat alleen tot
+gevolg had, dat men riep: »Laat die meid dan d'r smoel houden." Alleen
+Christientje, de oudste van allen en de zachtste, had dan vaak den slag,
+om den storm te bezweren. Als er een kleine pauze was ingetreden,
+begon zij een liedje te zingen, een geliefd wijsje. Dat kalmeerde de
+gemoederen. En het duurde niet lang, of de buren konden zich vergasten
+aan een veelstemmig: »Plechtig zwijgen, zoete vrede ruischt er nog om
+'s Heilands graf", of »Rust in vree, o gij, van ramp ontheven. Nu reeds
+slapende in uw enge kluis", welk laatste lied eigenlijk »bij het graf
+eens medeleerlings" gezongen moest worden, doch ook onder andere
+omstandigheden niet onstichtelijk klonk.
+
+Uit dat voorbeeld van Christientje kan men zien, hoe je opgewonden
+gemoederen niet met opgewondenheid moet willen verwinnen. Met storm
+slaat men geen storm ter neer. Doe een zachte koelte aanruischen en de
+opgestoken winden verspreiden zich.
+
+Heerlijk-helder vulden de jongensstemmen met de frissche sopraan van
+Christientje er boven uit dan de huiskamer. En eenmaal aan 't zingen,
+bleef de troep aan 't zingen. Vader voorop. Diens woedende drift sloeg
+in een moment om. Moeders angstige trek was gauw door een glimlach
+vervangen, en de buren luisterden met aandacht, ja, de bovenbuurtjes
+sloten zich wel eens bij den zang aan, hetgeen hieruit blijken kon, dat
+ze soms een paar maten achter, de laatste lettergrepen nog uitgalmden
+als wij reeds gereed waren. Dan steeg er bij ons een luid gejuich op,
+dat van boven vroolijk beantwoord werd. We zetten een nieuw lied in of
+namen er eentje van boven over en ondanks de scheidende zoldering
+vormden twee gezinnen een uur of langer één zangkoor.
+
+Het is wel aardig en leerzaam, hoe spoedig de ruwe bende door een lied
+gevangen was. Wat zouden wij er van denken, als we op school, instee van
+met een stok op het tafelblad stilte te ranselen, eens zachtjes begonnen
+te zingen van b.v. _'t Zonnetje gaat van ons scheiden?_ Ik wed, dat de
+zoete rust kwam, nog eer het klonk: _Zoete rust mogen wij beiden._
+
+ * * * * *
+
+Eén buurmeisje herinner ik me ook nog levendig, ofschoon ik haar nooit
+gesproken heb. Ze woonde niet in de Leliestraat, maar op de daarop
+volgende en nettere Bloemgracht. De tuinen van de Bloemgracht grensden
+echter aan die van de Leliestraat en zoo lag haar tuin vlak tegen ons
+tuintje. Ik zeg: haar _tuin_, want die was stellig wel acht maal zoo
+groot als ons plekje. Bij ons was er geen plaats voor hooge boomen,
+nauwelijks kon er een gouden regen of een sering staan. Maar in haar
+tuin verrezen hooge en zware kastanjes en eschdoorns. Daardoor lag haar
+huis--ze bewoonde een heel huis--in donkeren schaduw en gaf de tuin mij
+een gewaarwording van iets ouds en deftigs, zoo iets als een bejaarden
+kloostertuin.
+
+Wanneer ik bij het eene raam van onze huiskamer mijn schoolwerk zat te
+maken, keek ik naar buiten en zag haar wandelen onder 't groen. Arm
+meisje! Ze was ongeveer dertien jaar, lang, mager, bleek. Ze droeg een
+netje over een geheel kaal hoofd. Haar schedeltje was bedekt met een
+korst van »klieren". En nu stond het zoo griezelig, dat netje, strak
+getrokken over het achterhoofd, en van voren, boven de oogen, een
+donkere lijn teekenend over het voorhoofd. Arm meisje!
+
+De andere buurmeisjes, die van twee-hoog en die van naast ons, hadden
+allemaal zulke mooie haren. Lange vlechten hingen op den rug, met aan
+het einde een fijn rood zijden strikje, of goudblonde krullen omgolfden
+het hoofd, in haar dartelheid bedwongen door een bleekblauw lint. En die
+haren maakten zelfs een alledaagsch gezichtje mooi. Vraag eens, hoeveel
+jongens verliefd zijn geworden op bruine of blonde haren. »Het haar,"
+zei mijn vader, »is het sieraad der vrouw." En als Vader dat zoo
+voornaam zei, met dat deftige woord sieraad en dien deftigen genitief,
+beaamde onze jongenservaring dat al van ganscher harte.
+
+Arm meisje! Ze speelde niet met andere kinderen. Naar school kon ze
+natuurlijk niet. Alleen in den tuin had ze ontspanning. En daar liep ze
+dan in haar eentje rond, maar zoo'n beetje kijkend. Angstvallig scheen
+ze de lage schutting te mijden. Wellicht schaamde ze zich gezien te
+worden. Als we in den tuin speelden, bleef ze weg. Alleen als ze
+onderstelde, dat we haar niet zagen, verscheen ze. Maar dan zagen
+we haar wel. En dan keken we naar haar, de oogen wat vochtig van
+medelijden.
+
+Wat was ik graag naar haar toe gegaan! Wat had ik me graag aangeboden,
+om wat met haar te spelen. Ik was niet afkeerig van haar. Ik zou graag
+alles voor haar gedaan hebben. Maar ik durfde niet. Waarom niet? Waarom
+durven de menschen soms niet lief te zijn?
+
+Ik liep langs de Bloemgracht, om haar huis aan te zien. Ik bleef er stil
+staan.
+
+Ik wilde aanbellen.
+
+Waarom deed ik het niet?
+
+Men zou mij vreemd gevonden hebben. Men zou mij hebben teruggewezen.
+
+Ik had geen vertrouwen genoeg op de menschen.
+
+Maar ik weet zeker, dat ik het meisje zou hebben verkwikt, het arme
+eenzame kind.
+
+Ze is gestorven, nog terwijl we daar woonden.
+
+Maar ik heb altijd berouw gehad, dat ik aan de opwelling van mededoogen
+geen gevolg heb gegeven. O, het zou haar zeker goed gedaan hebben, dat
+een ander kind met haar wilde spelen, nog liever met haar dan met mooie
+meisjes.
+
+Het heeft niet zoo mogen zijn.
+
+ * * * * *
+
+En nu moet ik nog vertellen van mijn straatbaldadigheid ook in deze
+nette buurt.
+
+Doch waartoe zal ik u opnieuw de straten doorslepen?
+
+Ge kunt er onder mijn leiding toch niets dan kwaads leeren. Ik neem u
+b.v. op Zaterdagavond mee naar de kruidenierswinkels, die dan vol
+koopsters staan. De burgervrouwtjes en de dienstmeisjes, dicht
+opeengedrongen, wachten met het mandje in de hand haar beurt af. Ze
+praten wat onder elkaar, terwijl de winkelier en zijn knecht, stijve
+figuren in brandheldere buisjes, rustig voortgaan met afwegen, inpakken,
+afrekenen. Nu sluipen we gebogen naderbij. Op handen en voeten kruipen
+we den winkel binnen. We strekken een arm uit, zoeken de beenen van een
+geen onraad vermoedend dienstmeisje, knijpen haar plotseling in de
+kuiten en stooten daarbij een woedend geblaf uit.
+
+De meid gilt het uit van schrik. Ze springt op en de heele klandisie
+komt in tumult. Zelfs vloeken er sommigen. De stijve winkelier raakt
+een oogenblik zijn kalmte kwijt. De schalen schokken in zijn hand. De
+vrouwen denken niet anders, of de meid is door een dollen hond gebeten,
+en ontsteld onderzoeken ze haar paarse japon. Geen scheur? De
+onderrokken. Nog geen scheur? De witte kousen. Ook die heel? Maar ze
+voelde het toch wel degelijk. »Och, die bliksemsche jongens zullen het
+wel weer gedaan hebben." En de winkelier gaat even van achter zijn
+toonbank tusschen de vrouwtjes door naar de deur en kijkt daar naar
+links en rechts de halfdonkere straat in. Wij hebben uit een verborgen
+hoekje alles gezien en schreeuwen hem nu een triomfgehuil toe. Dan
+hollen we weg. We moesten de volwassenen niet alleen hinderen, maar
+ze moesten ook _weten_, dat ze dat aan ons te danken hadden, opdat ze,
+scheldende, en eeuwig wegjagende nijdigaards, goed mochten beseffen, dat
+we machtig waren ons te wreken.
+
+Dat gehuil gaf zeker een heele geruststelling aan die arme dienstmeid,
+maar ik ben er niet zeker van, of ze 's avonds, vóór 't in bed stappen,
+toch nog niet eventjes haar kuit opmerkzaam heeft bekeken. Het mócht
+eens een hondje zijn geweest.
+
+Zullen we nu nog verder rondtrekken? Kom, ge hebt al van streken genoeg
+gehoord. Meer dan u lief is. Of--hoort ge ze wel graag, mits anderen
+er de dupe van zijn? Dan is het inderdaad raadzaam, om te eindigen.
+Er schijnt ook in u, eerzaam volwassene, iets van den wilde te zijn
+overgebleven. Laten we het niet wakker roepen en voeden. Gij hebt tot
+plicht eerzaam te blijven, ook in uw diepste binnenste.
+
+Laten we liever eens nagaan, hoe het kwam, dat onder de jongens van deze
+buurt veel minder neiging tot straatschenderij en plagerij bestond, dan
+onder de vroegere kornuiten, en hoe ook bij ons, die het kwaad hier
+trachtten over te planten, de lust langzamerhand wegstierf. Dat is
+leerzaam voor de autoriteiten, die, niet uit demokratische politiek,
+maar uit oprechte belangstelling zich om 't heil der jeugd bekommeren.
+Die kunnen er uit leeren, hoe men in groote steden het kwaad bestrijden
+kan door groei-ruimte te geven aan het goede.
+
+Op de Eglantiersgracht hadden we geen plaatsje of tuintje, we móésten
+dus wel de straat op. En hier in de Leliestraat konden we een deel van
+ons genot vinden in de stilte en de vrijheid van ons achteruitje. Het is
+waar, we konden er niet hollen, niet met de bal of den hoepel spelen,
+geen vlieger oplaten en nauwelijks tollen, maar we konden er ongestoord
+kleuren en plakken en knippen en oorlogen, we konden er knutselen en
+planten, we konden er ons verliezen in »stil spel". Er ging van ons
+rustig plekje, dat zoo heerlijk gelegenheid bood onszelf te zijn,
+stemming uit. De verkeerde invloeden van ruwe makkers hadden er minder
+macht.
+
+In 't buitenland, en helaas ook in ons land, openbaart zich een streven
+om prachtige schoolgebouwen te stichten, ware schoolpaleizen. Bouwkunst,
+schilderkunst, beeldhouwkunst moeten samenwerken, om de leerende jeugd
+al vroegtijdig onder de opvoedende kracht der schoonheid te brengen.
+Doch men kan den invloed dier schoonheid erkennen en toch meenen, dat
+er een verkeerde weg gevolgd wordt. Voor mij is er een schreeuwende
+disharmonie tusschen die monumentale gebouwen met hun ruime hallen,
+breede trappen, lange gangen, en die simpele kinderen. Het doet mij
+vreemd aan, die witte gezichtjes, schrale figuurtjes, armelijke
+kleertjes te zien dwalen door zoo'n rijkdom van ruimte en materiaal. Het
+is, of men een sjofel katje op de zijden kussens van een vergulden auto
+door de stad reed. Het is de arme knaap op den troon van Frankrijk.
+
+Wel mag het schoolgebouw niet zoo'n foeileelijken fabrieksgevel hebben,
+rijen eenvormige vensters boven elkaar; wel mag het van binnen, door
+grauwe, donkere nauwte, niet de naargeestigheid zelve zijn; wel moet het
+door schoonheid de jeugd verkwikken; maar die schoonheid moet wezen naar
+kinderlijken trant en in overeenstemming met de geheele omgeving. Liever
+dan schoolpaleizen te zetten in armelijke buurten, moeten de
+arbeiderswoningen verbeterd worden, waarin de kinderen--én hun
+ouders--hun levensgeluk moeten vinden.
+
+Ieder gezin in een eigen huisje met een tuintje er bij. Overal veel
+ruimte, licht, lucht en groen. Ruimte voor de kinderen, opdat ze kunnen
+hoepelen en vliegeren naar hartelust. Ruimte ook achter de woningen,
+opdat ze daar in rustige stilte genieten. En dan hier en daar een
+eenvoudige, vriendelijke school, met niet meer dan zeven lokalen en een
+open speelplaats, waar de kinderen der wijk, ook buiten de schooluren,
+veilig en vrij zijn--hún speelplaats. En aan de school verbonden een
+paar ruime lokalen, vereenigingszalen voor de rijpere jeugd en de
+volwassenen, waar deze in aanraking blijven met de beschaving, gelijk
+die zich in wetenschap en kunst openbaart.
+
+Dat zou heerlijk zijn! En daardoor zou de baldadigheid binnen de perken
+worden gehouden!
+
+Zullen we 't nog eens beleven?
+
+Ik vrees. Maar al weet ik helaas te goed, dat de zedelijkheid niet
+afhangt van de omstandigheden, ik heb in mijn jeugd ervaren, dat heel
+wat baldadigheid wegsterft--in een nette buurt.
+
+
+
+
+MOEDER VERTELT.
+
+
+We zouden met Vader een dag uit visschen gaan.
+
+'s Avonds te voren hadden we alles in gereedheid gebracht, de snoeren en
+hengels, het aas, en ook de flesschen bessensap en boterhammen met
+worst.
+
+Toen zijn we vroeg in bed gestopt, opdat we niet te veel van onze
+nachtrust zouden missen. En nu, na een onrustigen slaap, scharrelen we
+door de huiskamer.
+
+'t Is vier uur in den morgen. We voelen ons kil en huiverig. Het
+daglicht is nog niet aangebroken. In de kamer is het schemerig, buiten
+grauw.
+
+Moeder heeft het petroleumstel aangestoken en theewater opgezet. Zij was
+natuurlijk het eerst op, een half uur vóór ons. Uit vrees dat we ons
+mochten verslapen, heeft ze den heelen nacht als in een bommeltrein
+gereisd. Telkens was ze wakker om even op het horloge te kijken bij 't
+nachtlichtje. Vooral na tweeën was bijna ieder kwartier een nieuw
+stationnetje, waar de trein stopte.
+
+Nu loopt ze op haar kousen rond, heel zachtjes, om vooral de buren
+niet te wekken. Ik laat een schoen vallen. Dat klinkt hard in de
+morgenstilte. Sssst, zegt Moeder. Ze spreekt niet, ze fluistert. En zoo
+doen we allen. Die schoen--mijn hart stond er bij stil. We glijden als
+schaduwen voorbij mekaar, spreken met schaduwstemmen. 't Lijkt wel een
+schimmenspel in den valen ochtendschemer.
+
+Moeder giet het theewater op. Wolken waterdamp krinkelen boven den
+trekpot. Alleen het gezicht reeds verwarmt je. Opwekkende theegeur vult
+de kamer. Heerlijk. Nog een paar minuutjes en we krijgen een kopje thee.
+Lekker warm. Met twee handen er omheen, drinken we het langzaam op.
+
+Het is alles zoo vriendelijk, zoo vredig, zoo geheimzinnig, zoo rustig.
+Buiten sjilpen de musschen en dringt langzaam het licht door. 't Is
+gelukkig goed weer. Geen regen, alleen een beetje nevel. 't Zal een
+mooie dag worden. Ik kijk door 't venster. De schutting is nog nat, ook
+het deksel van den put en de steenen van 't plaatsje. Maar dat is niets,
+'t is maar dauw.
+
+Ik zet mijn pet vast op en probeer hoe ik het gemakkelijkst de
+boterhammen kan dragen. De hengels leg ik schuin tegen den
+rechterschouder. Nog vijf minuutjes, en we gaan. Vader drinkt staande
+zijn laatste kopje thee....
+
+Opeens, daar dringt een vreeselijke gil ons door merg en been. Een doffe
+plof volgt.
+
+O God, daar is het weer. Die gil, zoo langgerekt en doodsbenauwd, we
+kennen ze.
+
+Vader heeft een toeval gekregen.
+
+Ik sta, verstijfd van schrik, met de hengels in mijn hand.
+
+Moeder laat den trekpot haast vallen.
+
+»Ach God!" zegt ze. En in die twee woorden breekt al de diepte van haar
+smart uit. Dan haalt ze gauw een kussen van bed en legt het den armen
+man onder 't hoofd. Ze maakt zijn goed los en wascht zachtjes wat schuim
+van de blauwe lippen.
+
+Christien komt in nachtgewaad binnen geloopen, de oogen wijd starend. Ze
+was nog wat blijven liggen, eer ze om half zeven naar haar betrekking
+moest. Maar de angstkreet is tot haar diepen slaap doorgedrongen. Bevend
+staat ze met ons bij Vader, die bewusteloos ligt te schokken en
+stuiptrekken op den grond.
+
+Ik zet de hengelstokken in een hoek, haal de boterhammen uit mijn kiel
+en leg ze op de tafel, naast het theeblad....
+
+ * * * * *
+
+Arme, arme Vader.
+
+Neen, we denken geen oogenblik aan het verlies van onzen heerlijken dag
+buiten. We zijn vervuld met innig medelijden. Arme Vader!
+
+Moeder verzamelt ons in de keuken. Ze haalt het theeblad uit de
+huiskamer en zet het op de rechtbank. De een gaat op een keukenstoel
+zitten, de ander op een krukje, weer een ander op den vuilnisbak of op
+een treetje.
+
+Telkens gaat ze even naar binnen, om te zien, of Vader al bijgekomen is.
+Eindelijk hooren we een diepen, kreunenden zucht. Nu is hij bij.
+
+Moeder en Christien tillen hem voorzichtig op, dragen hem naar de
+bedstede. Met zachte hand trekt Moeder hem de overkleeren uit, legt hem
+dan te bed, dekt hem toe.
+
+We weten, wat er nu volgen zal. Den heelen dag zal Vader daar doodstil
+blijven liggen met barstende hoofdpijn. Hij zal niets eten, alleen nu en
+dan een teugje drinken. Wij loopen onhoorbaar door 't huis, spreken heel
+zacht, ontbijten, koffiedrinken, eten in de keuken. Wanneer Moeder naar
+binnen is geweest, zullen we met smeekende verwachting in de oogen
+vragen, hoe 't er mee is, telkens weer. En dan zal Moeder zeggen: »Vader
+ligt doodstil. Erge hoofdpijn."
+
+Eerst tegen den avond zullen we even bij 't bed mogen komen, om Vader
+een hand te geven. Dan zal hij ons met zijn zachte blauwe oogen
+vriendelijk aanzien, alsof hij ons vergiffenis vroeg, dat hij ons zoo
+had teleurgesteld. En dan zullen we onze oogen vochtig voelen worden. En
+dan zal hij zeggen: »Nacht kind!" En we zijn blij, dat we zijn stem weer
+hooren. Rustig gaan we naar bed, en we danken Onze lieve Heer, dat Hij
+Vader toch weer beter heeft gemaakt.
+
+Zoo zal de dag voorbijgaan. We weten het al vooruit. Want zoo is er al
+menige dag voorbijgegaan. Om de drie weken kreeg Vader een toeval. Soms
+wel twee in een week. Soms duurde het ook een paar maanden. Dan hoopten
+we al, dat het weg mocht blijven. Tot opeens, daar had je 't weer, die
+hartdoorsnijdende gil.
+
+Zelf sprak Vader er nooit over. Ook niet als hij pas een toeval had
+gehad. Dan was hij meestal een paar dagen moe en suf van hoofd, ging
+stil zijn weg. Maar nooit roerde hij het onderwerp aan.
+
+Waarschuwende verschijnselen, dat er een toeval op handen was, deden
+zich niet voor. Geheel onverwacht en op de meest ongelegen oogenblikken
+kwamen ze. Zoo praatte Vader nog met je, en zoo plofte hij neer.
+Alleen had Moeder meenen op te merken, dat er vaak dagen van groote
+prikkelbaarheid aan vooraf gingen. Wanneer Vader zoo ongemotiveerd
+driftig kon opstuiven--ach, aanstonds was hij weer bedaard--beefde
+Moeder al inwendig. »Er zit zeker weer een toeval," zei ze met
+bekommerde, verontschuldigende stem. En dan zat er ook meermalen een
+toeval, als een donkere, dreigende onweersbui. Soms was het voor allen
+en ook voor Vader zelf een verademing, als de bui was losgebroken. Dan
+kwam er weer ontspanning.
+
+Zoo is er ook nu, op dezen morgen, na den eersten hevigen schrik,
+ontspanning gekomen. We zitten rustig in de keuken. 't Is nog pas half
+zes. Wat zullen we doen? Weer naar bed gaan? Lezen? Spelen? Dat is
+onmogelijk. We scholen om Moeder heen, in het kleine keukentje. En
+Moeder praat zachtjes. Ze vertelt van haar leven.
+
+'t Is wel een vreemd verteluurtje. De morgenzon kleurt den hemel. Door
+'t keukenraam zien we boomtoppen verlicht. En 't is ook een zonderling
+plekje, in de keuken tusschen de glazenkast en de aanrechtbank. Ook het
+verhaal is ongewoon, een verhaal van levensleed. Zoo iets vertelt men
+gewoonlijk niet aan kinderen. Kinderen moeten immers sprookjes en
+grappen hooren? Maar dit alles wordt verklaard door de donkere bedstede
+daar in de huiskamer, door dien lijdenden man.
+
+ * * * * *
+
+»Ach," zegt Moeder, »zoo is het mijn heele leven gegaan."
+
+Ze zit stil, met ingekeerde oogen, alsof de oogen ver, ver in het
+verleden teruggingen. Dan gaat ze voort, zachtjes vertellend van wat die
+oogen daar zagen.
+
+»Ik was nog maar pas getrouwd, toen je Vader een toeval kreeg. Je hoeft
+niet te vragen, of ik schrok, want ik had er niets van geweten. En ik
+had zoo iets nooit bijgewoond. Maar toen je Vader bijkwam, had ik zoo
+innig met hem te doen. Hij was zoo ellendig, en daarbij was hij zoo
+verlegen voor mij. Hij had er mij niets van verteld. Vóór ons huwelijk
+had hij ook al een paar maal een toeval gehad, maar zijn vrienden hadden
+gezegd, dat het in zijn trouwen wel zou overgaan. Daar had hij het maar
+op gewaagd.
+
+We woonden toen in een grooten kruidenierswinkel. Daar hadden zijn
+voogden hem in gezet. Want je Vader was al vroeg een wees. Maar hij had
+geen verstand van zaken. En binnen tien maanden was de zaak failliet.
+
+Toen moesten we verhuizen. Op een kouden avond in Januari brachten ze
+mij in een toe-slee over. Dien avond zal ik niet licht vergeten. Het
+vroor hard. 't Was bitter koud. Daarom hadden ze me goed toegestopt. Ik
+was hoogst zwanger. Iederen dag kon Christientje geboren worden. Toen ik
+aan de nieuwe woning kwam, moest ik een ongelukkige trap op, twee hoog,
+en daar vond ik een paar zoo goed als leege kamers. Er stond een tafel,
+een paar stoelen, maar geen kachel. Aanstonds brachten ze me naar bed.
+Toen voelde ik me toch zoo bitter ellendig. Geen brand, geen voedsel,
+niet eens een warm kop koffie, de kasten leeg en geen cent in huis. En
+daar werd den 25sten Januari Christientje geboren.
+
+Zoo is mijn huwelijksleven begonnen. En nog geen jaar te voren zat ik in
+die heerlijke pastorie.
+
+Natuurlijk kwam Grootvader gauw over. Die goeie man wist niet, wat hij
+zag. Hij schreide, toen hij voor mijn bed zat. En toen de broers, jullie
+ooms, het hoorden, waren ze woedend. Ze zeiden, dat je Vader me bedrogen
+had en wilden, dat ik weer naar de Klundert zou komen. Maar daar was
+ik niet toe te bewegen. Je Vader was zoo goed en hij leed er zelf zoo
+bitter onder. Hij hád me ook niet bedrogen, daar zou hij nooit toe in
+staat zijn geweest. Maar de man was veel te goed van vertrouwen. En dat
+is hij zijn leven lang gebleven. Dat is hij eigenlijk nog. Daarbij was
+hij niet goed opgevoed. Zijn ouders waren deftig en bemiddeld. Maar die
+stierven al vroeg. Toen ging hij met zijn broertje ergens in huis. Ze
+kregen goed onderwijs, je Vader is altijd knap geweest. Maar er werd
+niet gezorgd voor een bepaalde opleiding, en toen je Vader mondig was,
+werd er eenvoudig een zaak voor hem gekocht, of hij er geschikt voor was
+of niet. Hij dacht, dat alles best zou gaan. De man had van zijn eigen
+zaken nooit iets afgeweten.
+
+Grootvader zorgde, dat ik het noodigste kreeg. Maar hij had zelf een
+groot gezin en kon er niet nog een gezin bij onderhouden. Toen hij weer
+weg was, bleven we met ons drieën achter. Je Vader kreeg een
+betrekkinkje en zoo konden we tenminste leven. Maar vraag niet hoe."
+
+ * * * * *
+
+Moeder in die slee, Moeder in die armelijke bedstede op een leeg
+bovenhuis, Grootvader, die waardige man, met beschreide oogen bij het
+gebroken leven van zijn dochter--het zijn tooneeltjes die ik zou kunnen
+uitschilderen. Moeder vertelde zoo, dat we alles voor ons zagen. En ik
+weet nog heel goed, dat ze zonder eenige aarzeling uitdrukkingen als
+»hoogst zwanger" gebruikte. Armoede en smart brengen de volwassenen zoo
+dicht bij de kinderen, maken de kinderen in zeker opzicht gauw groot.
+Moeder had geen tijd en geen stemming, om er een afzonderlijk taaltje
+voor kinderen op na te houden. Met wie moest ze alles bepraten en
+overleggen dan met haar kroost, en daarbij sprak ze de gewone taal der
+volwassenen. Wij vonden zulke woorden ook heel gewoon, al begrepen we
+er niet precies het rechte van. Maar zoo is het immers met haast ieder
+woord? We moeten het aanvankelijk met enkele vage notities stellen.
+
+Zoo is het ook gegaan met het woord »verleiden", in den specialen zin,
+zooals we het uit de geschiedenis van Jozef en Potifar's vrouw kennen.
+Moeder was al eenige jaren getrouwd, en woonde in Emmerik. Daar had
+Vader een betrekking aan het spoor gekregen. Wat, dat weet ik niet,
+we waren tevreden met het woord »betrekking"--naar bizonderheden
+informeerden we niet. »En toen"--vertelde Moeder--»werd ik eens op het
+kantoor ontboden bij een deftigen meneer. Ik kwam in een prachtige
+kamer. Die meneer was heel vriendelijk. Eerst begreep ik hem niet. Maar
+toen zei hij: Een mooie jonge vrouw als u hoeft toch geen armoe te
+lijden. En hij wees op een stapel geld, dat op zijn bureau stond, alsof
+hij zeggen wou: Neem het maar. Toen was het, of ik een ingeving kreeg.
+O God, dat nooit! En ik liep aanstonds naar den hoek van de kamer en
+trok aan het schellekoord: »Meneer, ik verzoek, dat u me onmiddellijk
+uitlaat." Toen de knecht kwam, zei hij: »Laat jij de juffrouw eens uit"
+Hij moest wel. Maar toen ik thuis kwam, viel ik stijf van mezelve."
+
+Bijna woordelijk herinner ik me dit verhaal. Met dezelfde soberheid
+vertelde Moeder het. Ik zag de kamer, het bureau, het geld, het
+schellekoord, den knecht. En ik begreep, dat die man Moeder had willen
+verleiden tot iets kwaads, al begreep ik niet wat. Ik bracht het echter
+wel in verband met de geschiedenis van Jozef.
+
+Moeder kon in Emmerik niet blijven. Gelukkig kreeg Vader nu iets in
+Amsterdam. Hij moest vooruit reizen. »Toen moest ik voor de verhuizing
+zorgen, alles inpakken en verzenden. En eindelijk ging ik zelf met drie
+kinderen, een spiegel en een schilderij. Dat was een heel gesjouw. Maar
+ik rekende altijd op de goeie menschen. Die hielpen je wel."
+
+Daar zat ze in de trein, natuurlijk derde klas, met drie kinderen,
+een spiegel en een schilderij, blij, dat ze Duitschland den rug kon
+toekeeren. »De menschen waren er wel vriendelijk--overal heb je goeie
+menschen--, maar ze begrepen me niet altijd. En in Amsterdam was ik
+natuurlijk dichter bij de familie. Ofschoon een mensch het in zijn
+armoede toch niet van de familie hebben moet. In 't begin is er wel veel
+medelijden, maar och, aan alles raak je gewoon. De familie was wel heel
+goed voor me, hoor----je oom Willem, die was student in Utrecht, en als
+hij dan een dag of wat overkwam, zei hij: Nans, hier is het geld voor
+het hotel, stop mij maar ergens in een hoekje. En dan ging hij niet naar
+een hotel, maar sliep heel armelijk bij ons. Dát was toch zoo'n lieve
+jongen. Daarom is hij zeker vroeg gestorven--nog als student--aan de
+tering. Hij was een engel van een jongen. Maar anders, het meeste lief
+heb ik van de buren gehad. Die zijn ook zoo iederen dag om je heen."
+
+En nu kwamen er verhalen van goeie buren.
+
+ * * * * *
+
+»Wat ik van die menschen een hartelijkheid heb ondervonden--dat kan
+ik onmogelijk allemaal vertellen. Als je arm bent, moet je onder arme
+menschen gaan wonen, dan heb je het nog het beste. En het was aardig,
+zooals ze me altijd met zekeren eerbied behandelden. Ze zagen natuurlijk
+wel, dat wij van betere afkomst waren en betrokken ons nooit in hun
+standsgewoonten. »Dat kan de juffrouw niet doen," zeiden ze dan. »Dat is
+de juffrouw niet gewoon. Dat zullen wij wel even voor u doen."--En ze
+wilden nooit iets aannemen. »Wel nee, lieve mensch, je kan het zelf te
+best gebruiken." Van hun eigen armoede deelden ze me meermalen mee.
+
+Eén man zal ik altijd heel dankbaar herdenken. Dat was bakker Aalders.
+We woonden toen ergens op een kamer drie-hoog, en hij had beneden in
+'t huis zijn bakkerij. Iederen morgen bracht hij ons brood en in 't
+begin betaalde ik dat ook geregeld. Als je Vader Zaterdags zijn weekgeld
+thuis bracht, rekende ik 's Maandags altijd af met den bakker en den
+groentenman en den huisbaas en den bode van het begrafenisfonds. Maar
+toen je Vader weer een toeval gekregen had en hij zijn betrekking kwijt
+was, hield natuurlijk dadelijk ook het geld op. Bakker Aalders zag dat
+wel, zulke menschen weten direkt alles van je omstandigheden. Toch ging
+hij voort, iederen morgen brood te brengen, en nu zonder ooit om geld te
+vragen. Dat duurde weken en maanden achtereen. En altijd bracht de
+vriendelijke man zelf het brood boven, maakte even een praatje, vroeg
+niets en zinspeelde ook op niets. Eindelijk werd ik er zelf verlegen mee
+en ik zei, dat ik hem onmogelijk betalen kon, dat hij maar geen brood
+meer moest brengen. En wat zei de man? »Juffrouw, zoolang ik brood heb,
+zal u 't ook hebben. Dat geld komt wel terecht." En toen je Vader weer
+wat verdiende, wou Aalders het achterstallige geld niet hebben. En hij
+heeft het nooit willen hebben. Ja, ik heb wat goeie menschen in de
+wereld ontmoet! Maar Aalders was toch wel heel bizonder."
+
+Terwijl Moeder vertelde, zag ik Aalders, een eenvoudig man, het petje
+op, met een brood in de hand de oude trap oploopen, aan de kamerdeur
+kloppen, het brood op tafel leggen, even een praatje maken, en weer
+verdwijnen. En als pendant daarvan dien deftigen meneer in Emmerik,
+in de prachtige kamer, aan zijn bureau, met het stapeltje geld, en
+Moeder staande op het dikke tapijt. En mijn gemoed wisselde als een
+voorjaarshemel bij veranderlijk weer. Nu eens was het helderblauwe
+lucht met zonneschijn--bakker Aalders met zijn brood in de geopende
+kamerdeur--dan weer donkere bewolking met angstig-dreigend grauw: de
+prachtige kamer.
+
+Zou men denken, dat wij, luisterende kinderen, door zulke verhalen
+niet werden opgevoed? Moeder vertelde ze niet met die bedoelingen, ze
+vertelde ze alleen om haar hart uit te storten in heel vertrouwelijk
+samenzijn met haar kinderen. Maar ik voelde hun krachtige werking in
+mijn gemoed, ik voelde bewondering en afgrijzen, liefde en weerzin,
+dankbaarheid en verfoeiing. Ons hart werd tot in zijn diepste lagen
+bewogen en geen weloverdachte zedelijke opvoeding kon bewerken, wat
+hier, zonder opzettelijkheid en met door de paedagogiek misschien
+afgekeurde middelen, werd bereikt. Moeders leven, de ervaringen van
+een volwassene, de onkinderlijke verhoudingen en woorden, 't lijkt
+veroordeelenswaardig opvoedingsmateriaal voor jongens van elf en twaalf
+jaar. Doch niettemin--wij wérden er door opgevoed. En ik weet wel,
+waardoor dat komt. Dat komt, omdat daarin het echte, waarachtige,
+ons naderde, met bedoelingen van enkel liefde. Hoe geweldig werkt
+de waarachtigheid der natuur, ook van het zich onbevangen gevende
+Moederhart, tegenover het kunstmatige eener in elkaar gezette techniek.
+Moeder _maakte_ niet wat voor ons, ze _uitte_ zich, en in die uitingen
+stroomde ons het voedende leven toe. Dat is ook de kracht van den Bijbel
+en van alle zuivere springbronnen van leven.
+
+ * * * * *
+
+De nood rees soms wel hoog, maar toch altijd kwam de redding. Vreeselijk
+was de toestand, toen één kind gestorven in zijn bedje lag, een ander
+ieder oogenblik geboren kon worden, en Vader met een toeval werd thuis
+gebracht. En dat midden in de armoede. Men kan zich zoo'n ellende niet
+indenken. En als Moeder 't ons vertelde, zei ze ook altijd: »Hoe komt
+een mensch het door!" Maar ze had een onwankelbaar vertrouwen, dat God
+haar wel helpen zou.
+
+»Eens op een avond zat ik in mijn eentje in een arm bovenkamertje.
+Ik had alles netjes opgeruimd, want in de grootste armoede had ik er
+toch altijd plezier in den boel netjes te hebben. De kinderen lagen in
+theekisten, want wiegjes of ledikantjes had ik niet. Maar ze waren met
+heldere lakentjes toegedekt. En toen werd er geklopt en een paar dames
+kwamen binnen. Ze gingen zitten en praatten wat met me. Een van haar
+had een versje voor me uitgeschreven. Dat heb ik altijd bewaard. Ze las
+het me voor. En ze maakte me haar compliment, dat alles zoo netjes was.
+En toen ze heen waren, vond ik onder een bordje vijftig gulden, twee
+briefjes van vijfentwintig. Mijn gemoed schoot vol."
+
+Ook onze oogen sprongen vol tranen, als Moeder dat vertelde.
+
+En als ze dan uit een oude doos het blaadje postpapier haalde, het
+geelgeworden blaadje, en ons het vers voorlas, hoorden wij met stille
+vroomheid toe. 't Was een vers van Godsvertrouwen. Waarom zou ik den
+naam der beide dames niet noemen? 't Waren twee zusters Salm--nu al
+lang gestorven. En nu noem ik dien naam niet als een bewijsstuk voor
+de echtheid der geschiedenis of als een eeresaluut nog boven het graf,
+maar alleen om mezelf het genot te gunnen, dien naam eens hardop uit te
+spreken, midden in den kring van wie naar me luisteren, zooals Moeder 't
+deed in het kringetje van haar kinderen.
+
+Daar is nog een naam van een gestorvene, die in mijn hart leven blijft.
+Mijnheer Sanders was rijk en woonde in een groot huis op de Heeren- of
+Keizersgracht. Wanneer Moeder radeloos was, ging ze naar hem toe en kwam
+nooit ongetroost terug. Er waren bepaalde uren, dat de gang daar vol
+armen stond. Die man had zulk een mededoogend hart, dat hij soms met
+sterken aandrang een poos naar buiten moest worden gedreven. Hij kon
+»zijn" armen niet achterlaten en leed zoo zeer onder hun kommer, dat
+hij alleen gelukkig was, als hij geven en helpen mocht. Ik voelde toen
+al, dat de rijkdom voor dit gevoelige hart misschien nog zorgvoller
+was dan de armoede voor Moeder. De verantwoordelijkheid van zijn
+rentmeesterschap drukte hem als lood. Bij zooveel ellende kon hij met
+zijn geld niet gelukkig zijn. En al gaf hij al zijn geld weg, dan was
+de ellende toch niet merkbaar verminderd. Wanneer Moeder ons van hem
+en zijn milddadigheid vertelde, was het altijd met dankbaarheid en
+medelijden. Wel eigenaardig, dat de armoede medelijden had met den
+rijkdom.
+
+Bij deze twee namen zal ik het laten. Namen noemen van goedgeefsche
+rijken--het is benden van dringende vragers op hen afsturen. Doch geen
+armen zullen een bedevaart naar deze graven doen. Hoe echter het
+namennoemen misbruikt kan worden, heeft Vader eens op een wonderlijke
+manier ondervonden.
+
+Er was een man met wien hij sprak over zijn nooden en toen liet Vader
+zich ontvallen, dat hij van deftige familie was. Meneer X. was een neef
+van hem, Mevrouw IJ. een tante. Maar die familie wist van Vaders bestaan
+niet af. Vader was niet trotsch of hooghartig, maar hij _kon_ niet
+bedelen. Hij stierf liever met zijn heele gezin van honger, dan ook maar
+een penning te vragen. Het was hem onmogelijk. Hierin was Moeder een
+beetje gemakkelijker. Welke rechtgeaarde Moeder waagt ook niet alles
+voor haar kinderen!
+
+Die man dan hoorde Vader aan, informeerde naar de adressen, noemde Vader
+een gek, dat hij niet van dien rijkdom profiteerde, hij zou 't hem wel
+anders, leveren, en zoo voort en zoo voort. Vader liet zich niet
+opwinden, wilde geen misbruik maken van den naam zijner moeder, om
+daardoor geld los te krijgen, berustte liever in zijn armoede.
+
+Twee of drie weken later kreeg Vader gansch onverwacht een brief, of
+hij zich op een bepaald uur wilde vervoegen aan het kantoor van Mr. X.
+Wat zou dat beteekenen? Hij, Moeder, allen waren even nieuwsgierig.
+Natuurlijk ging hij, en in spanning wachtten de anderen zijn terugkomst
+af. Wat was 't geval. Mr. X. vroeg aanstonds: »Bent u meneer Ligthart?
+Bent u het zelf?" En toen informeerde hij naar Vaders geschiedenis en
+omstandigheden. Er was een man geweest, die zich voor Ligthart had
+uitgegeven en schandelijk had opgespeeld--hij wou bij hoog en laag geld
+hebben, en als hij dat niet kreeg, zouden ze wel anders zien--hij
+verkoos niet te verrekken van honger, als hij zulke rijke familie had,
+en al zou hij er de heele wereld bij te pas brengen, hij wou geld
+hebben.
+
+Mr. X. was zeker blij verrast, toen hij in den bescheiden en beschaafden
+man, die nu voor hem stond, den echten Ligthart zag. Beiden doorzagen de
+oplichterij gauw genoeg, toen Vader vertelde, hoe die man hem had
+uitgehoord. Mr. X. bedankte Vader voor zijn komst en Vader zou wel iets
+naders van hem hooren.
+
+Spoedig kwam er bericht, dat Vader een levenslange toelage kreeg van
+vijf gulden in de week. Elken Maandagmorgen kon dat bedrag gehaald
+worden bij Ds. v. d. Goot, onzen Doopsgezinden predikant. Niemand
+hoefde er voor bedankt te worden, het was een familietoelage, op
+voorstel van Mr. X. De gevers bleven onbekend.
+
+Meermalen heb ik zelf die vijf gulden bij Ds. v. d. G. gehaald. Die was
+dan altijd heel vriendelijk en behandelde je volstrekt niet als een
+bedeelde.
+
+Maar is dit weer niet een zonderlinge geschiedenis? Zeg geen namen van
+goedgeefsche rijken, want oplichters maken er misbruik van. En zie, deze
+oplichter maakte het pad effen voor levenslange hulp.
+
+ * * * * *
+
+Zoo vertelde Moeder ons de eene geschiedenis na de andere, terwijl Vader
+in bed lag. Slechts eenmaal was het haar _te_ benauwd geweest. Toen had
+ze op het punt gestaan in 't water te springen. Maar de gedachte aan de
+kinderen had haar weerhouden. Nooit hebben we Moeder hooren klagen over
+haar lot. Al vertelde ze ons de droevigste ervaringen, het was nooit
+in den klaagtoon. En als ze over Vader sprak, was het met liefdevolle
+aanvaarding: »Ik heb altijd het gevoel gehad, dat God mij tot taak had
+gegeven, dezen man door het leven te brengen." Hij was haar oudste
+kind. Vriend noch vreemd--en aan pogingen heeft het zeker niet
+ontbroken--heeft haar ooit kunnen bewegen, haar post ontrouw te worden.
+Ze heeft haar levenstaak met algeheele zelfverloochening volbracht.
+
+Dikwijls als ze over goede menschen sprak, kwam het zoo uit de volheid
+van haar hart: »Die hebben den hemel aan me verdiend." De uitdrukking
+was wat Roomsch, Moedertje, voor een predikantsdochter--wij doen niet
+aan werkheiligheid. Maar wat hebt Gij dan wel verdiend aan man en
+kinderen?
+
+Moeder heeft een stukje van den hemel al op aarde gekregen. 't Kwam wel
+laat, maar daarom mocht ze zeker wat langer blijven. Toen ze, in haar
+drie-en-zeventigste, heenging, had ze al meer dan twaalf jaren een
+betrekkelijk, althans geldelijk, onbekommerd leven genoten. Dat was
+ongetwijfeld haar loon voor een leven van toewijding.
+
+»O, als ik jelui alles vertelde, dan kon je er wel een boek over
+schrijven," zei Moeder vaak.
+
+Maar Moeder, dat moet U me nu eens niet kwalijk nemen, maar dat doen we
+tegenwoordig niet. We schrijven geen boeken over helden en heldinnen,
+die op 't leven zegevieren. We schrijven alleen boeken over
+slappelingen, die in 't leven ondergaan. Stel je voor, dat ik eens een
+boek over U schreef. Ze zouden zeggen: dat is maar een bedacht
+vertelseltje. Zoo is het leven niet.
+
+Neen hoor, geen boek over Uw levensboek. Alleen heb ik mij in dit
+hoofdstukje veroorloofd, eenige bladzijden daaruit over te drukken. En
+dat heb ik gedaan met opvoedkundige bedoelingen. Want, lieve Moeder,
+ik ben--dank zij U--en ondanks de paedagogiek--zoo'n soort paedagoog
+geworden.
+
+Dank zij U.
+
+Uw leven doortrilt mijn leven.
+
+Van U heb ik geleerd, neen als levensmelk ingezogen, onder alle, alle
+omstandigheden niet te versagen, trouw te volharden, te aanvaarden den
+plicht die ons wordt opgelegd, niet onszelf te zoeken, maar onszelf toe
+te wijden.
+
+Of ik dat gekund heb?
+
+Ik wou, dat het waar was. Maar mijn falen is niet uw schuld. Dat was
+meestal 't gevolg van te veel voorspoed. Gelukkig kwam de tegenspoed me
+dan eens flink door elkaar rammelen, om me tot bezinning te brengen en
+terug te voeren tot trouw.
+
+Gij hebt, door Uw leven, de les gepredikt: We moeten geen heide
+ontvluchten en parken zoeken, maar heide ontginnen en parken maken.
+
+Er is, heel sterk in onzen tijd, een jacht naar beter. Niet dat men
+zichzelf en zijn arbeid wil verbeteren--als gevolg waarvan vanzelf
+betere omstandigheden zouden ontstaan--maar een zoeken van en dingen
+naar altijd hooger, voordeeliger, voornamer positie. Daartoe verlaten
+honderden schoenmakers hun leest.
+
+Gij hebt ons geleerd: Doe wat God je als levenstaak heeft gegeven, en
+doe dat met heel je hart. Blijf trouw.
+
+En Uw succes heeft er de belofte aan toegevoegd: En je zult slagen,
+boven bidden en denken.
+
+Heerlijk, Moeder, dat ik deze les, Uw wijsheid, als het summum mijner
+paedagogiek nu onder vele oogen mag brengen, hopen dat zij vele harten
+mag binnentrekken.
+
+Blijf trouw! En vertrouw! En de kroon des levens is voor U weggelegd!
+
+Is het niet eigenlijk--christendom?
+
+
+
+
+IK WORD KWEEKELING.
+
+
+We hechten aan het werkwoord worden in sommige gevallen een heel actieve
+beteekenis. Wanneer een jongen ons met een blijd voornemen in de oogen
+en de stem vertelt: »Meester, ik word zeeman!"--, dan is het, of we hem
+met volle zeilen op zijn doel zien afstevenen.
+
+Zoo ging het bij mij niet. Kweekeling-worden, ik had er nooit aan
+gedacht. Naar den kansel was mijn blik en hartewensch wel eens
+heengegaan, die behoorde om zoo te zeggen ook tot de familie, maar zoo
+ver heugenis en overlevering reikten, had Vaders noch Moeders geslacht
+ooit de wereld met een schoolmeester verrijkt. Grootvader en twee ooms
+waren predikant, een derde oom studeerde er voor, geen wonder als er wat
+domineesbloed door mijn aderen vloeide.
+
+Echter, er kon geen sprake zijn van een academische opleiding, daartoe
+ontbrak het ten eenenmale aan middelen, en zoo lag het in het duister,
+wat ik worden zou. Timmerman, gelijk de twee oudere broers, daar was ik
+te zwak voor. Maar wat dan? Misschien was ik behanger geworden--daar
+hoefde je niet zoo sterk voor te zijn--toen de armoede het vraagstuk
+heel practisch oploste.
+
+Al weken achtereen had ik mijn schoolgeld niet betaald. Weten de
+onderwijzers, die den kinderen harde standjes geven als deze hun
+schoolgeld hebben »vergeten", wat dat voor een kind is? Ze kunnen er
+zeker van zijn, dat er thuis al heftige tooneelen zijn afgespeeld. Het
+kind wilde niet naar school zonder schoolgeld, en Moeder had het niet.
+Het kind draalde, drong, schreide, werd brutaal, bleef tegen den muur
+hangen, en Moeder kon het geld toch niet van haar rug snijden. Eindelijk
+zei Moeder: »Zeg dan maar, dat je 't vergeten hebt," maar het kind wist
+wel, dat noch meester noch de kinderen dat gelooven zouden. Ten slotte,
+vijf minuten voor negenen, is het maar de deur uit geslenterd, met
+roodbeschreide oogen, zeurend naar school. En als het daar kleurend van
+schaamte en gekrenkte trots, de boodschap van Moeder verlegen naliegt,
+terwijl de omringende leerlingen zich in de welgegoedheid hunner ouders
+veilig voelen en wat vreemd en ongeloovig kijken, krijgt het van zijn
+meester nog een uitbrander. Hoe is het mogelijk!
+
+Als een der voordeelen van een armelijke jeugd, vol vernederingen, heb
+ik het altijd gevoeld, dat ik, in beter omstandigheden gekomen, zulke
+arme kinderen begrijpen en wat ontzien kon.
+
+Nu is het heerlijk, van mijn bovenmeester te mogen getuigen, dat hij
+tegenover mij teer- en fijngevoelige kieschheid betrachtte. Hij
+vernederde mij niet midden in de klas, maar riep me in zijn kamertje.
+Daar drukte hij me ernstig op 't hart, dat het achterstallige schoolgeld
+al veel te hoog was opgeloopen, en dat het zoo niet langer ging. Ik
+moest mijn ouders zeggen dat ik het schoolgeld moest meebrengen, en hij
+anders verplicht was mij van de school te verwijderen. (Is het, tusschen
+twee haakjes, ondanks de waarlijk goede bedoeling en den vriendelijken
+toon van den hoofdonderwijzer, toch niet al te erg, dat zulke geldelijke
+aangelegenheden, die toch eigenlijk alleen de volwassenen betreffen,
+worden afgehandeld met een twaalfjarig kind?) Echter, behalve betalen en
+verwijderen, was er nog een derde kans. En ik weet nog, hoe mijn hart
+opsprong van blijde verlichting, toen de bovenmeester me dit uitzicht
+opende: Ik kon kweekeling worden. Dan kostte ik niets en zou zelfs wat
+verdienen: gratis opleiding en vijf gulden in de drie maanden!
+
+ * * * * *
+
+Kweekeling worden. Heerlijk! Nu het me daar zoo onverwacht werd
+voorgesteld, werd ik plotseling gewaar, dat er toch, volkomen onbewust,
+een groote liefde voor het onderwijzerswerk in mij gegroeid was. En dat
+had ik te danken aan den onderwijzer, die ons dagelijks les gaf en die,
+althans in mijn oog, van zijn taak en zelfs van zijn heele verblijf in
+de school, zoo iets behagelijks wist te maken. 't Was de man, die reeds
+den eersten morgen van onze aankomst verrukt was over de mooie namen
+en die met zulk een gezellige ingenomenheid nieuwe rekenboekjes uit de
+kast opdook, wanneer we al weer een rekenboekje uit hadden. Met zoo'n
+beloonende en aansporende blijdschap keek hij de twee volle kanten van
+je lei na, met zoo'n leuke gratie zwierde hij G's door je sommen ten
+teeken dat ze goed waren. Het leek wel voor hemzelf een feest te zijn,
+als hij, de griffel sierlijk in de hand, som na som met zijn zegelmerk
+voorzag, terwijl wij hem met spannende oogjes aankeken, innerlijk
+juichend bij elken gracieusen trek, even inzinkend bij iedere--maar toch
+mooie--streep door een foutieve oplossing.
+
+Wat kon hij 's winters gezellig bij de kachel staan! Dan liep hij
+eerst rustig om de klas heen, wreef zich de koude handen, opende de
+kacheldeur, keek naar 't vuur met dezelfde belangstelling als naar onze
+sommen, greep den pook niet minder sierlijk dan de griffel, en pookte
+zonder ruwe rammelende geluiden, pookte gelijk hij op 't bord schreef,
+netjes en rustig, zoodat zelfs het randje van zijn hagelwitte manchet er
+plezier in had en zich nieuwsgierig verbreedde. Daarna hing hij den pook
+op zijn vaste plaats, draaide zich met den rug naar de kachel, sloeg de
+handen in elkaar op de achterpanden van zijn jas, en koesterde ze te
+gelijk met al de achterdeelen van zijn kleeding en wat daar onder zat.
+Onderwijzer-zijn, je zag het den man aan, was een dagelijksch genoegen.
+Maar ik denk nu, dat hij met hetzelfde genoegen winkelier was geweest.
+Alleen had de natuurlijke gave om zijn heele omgeving gezellig te maken
+hem dan wat meer geld opgebracht. Hij was gansch geen type van een
+verdroogden schoolmeester, nog al rijzig, gezet, kleurig en met
+springende haren. Zijn gezetheid bracht zeker mee, dat hij zomers nog
+al dorstig was. Dan kon hij zoo smakelijk een glas water leegdrinken.
+Eerst hield hij het tegen 't licht, en verkwikte zich met den aanblik
+van het kristalheldere vocht. Daarna dronk hij het met langzame teugen
+op, genietend van iedere aanraking. Zette hij 't glas weer netjes in de
+kast, dan kon je zeker zijn, dat hij nog even, heel even, met het puntje
+der tong langs de lippen streek, navoelend de zachte verkoeling.
+
+Was het wonder, dat het opgroeien onder den stillen invloed van zulk
+een gemoedelijk-vriendelijk onderwijzersleven, bij ons onmerkbaar
+liefde voor dat leven deed ontkiemen? Zóó op 't bord schrijven, zóó de
+griffel hanteeren, zóó je koesteren bij de kachel, zóó een glas water
+savoureeren--je vond het een benijdbaar voorrecht, en thuis deed je met
+welbewuste pogingen dit aanlokkelijk voorbeeld na. Je schoof zelfs een
+afgedankte manchet van je grooten broer onder de mouw van je
+jongenskiel, om te kijken, hoe dat stond, en of die manchet ook zoo te
+voorschijn kwam, als je mouw optrok....
+
+Mijn ouders armoede en het even vriendelijke als wijze voorstel van den
+bovenmeester, deden mij kweekeling worden, maar Uw onbedoeld voorbeeld,
+o Meester, was oorzaak, dat deze overgang mij onmiddellijk als een
+groote verrukking tegen schitterde. Het was de plotseling wakker
+wordende en glorende liefde van een meisje, wanneer »hij" haar gevraagd
+heeft. Zoo'n leventje te hebben! Ook zonder manchetten was het al zalig,
+de griffel, de pook, de kast, de kachel, het glas water, het vredig
+wandelen om de klas--het werd alles mijn deel. En innerlijk juichend
+holde ik dien morgen naar huis.
+
+ * * * * *
+
+Vraag niet, of mijn moeder blij was. Zij zag ineens weer een nieuw
+verschiet. Staande voor een muur van geldelijke verplichting, niet
+wetend waarheen, loste die muur zich als door een toovermiddel op, de
+harde massieve steenmassa vervluchtigde, en daar lag, vóór haar, een
+open weg, ruim, zonnig, onafzienbaar. En nu was haar eerste werk, te
+zorgen, dat de nieuwe kweekeling er, overeenkomstig zijn positie, netjes
+uitzag, eer hij dien weg opwandelde.
+
+De kweekeling was ruim twaalf jaar. Dit nam niet weg, dat hij toch
+aan 't onderwijzen toog. Flauw herinner ik me, dat ik tusschen kleine
+kinderen doorscharrelde en ze lezen leerde. Bizonderheden staan me niet
+meer voor den geest. Alleen weet ik de _plaats_, waar ik mijn eerste
+kommando's uitdeelde. 't Was in het ver-afgelegen achtergedeelte van
+de groote bovenschool. Zoo zijn ook allerlei andere herinneringen uit
+mijn jeugd nauw verbonden aan _terreinen_, en daaruit waag ik het af
+te leiden,--stoute sprong!--dat de landkaart een veel grooter rol
+moet spelen bij ons geschiedenisonderwijs. 't Is mij net, of al de
+herinneringen mijner jeugd, als stofjes door elkaar zouden dansen,
+wanneer ik ze niet gehecht zag aan een stukje aardbodem.
+
+Het kweekeling-spelen bestond hoofdzakelijk uit kommandeeren en
+verbieden. Dit schijnen de eerste uitspruitsels te zijn van meerderheid.
+Je kunt dat bij alle kinderen zien. Wanneer ze schooltje spelen, of
+moedertje, of soldaatje, zijn ze aanstonds zich aan 't oefenen in
+vrijheidsbelemmeren. En je kunt dat ook bij jonge moeders en vaders
+zien. Ook bij jonge onderwijzers en bij bovenmeesters. Beheerscht door
+een geheime angst, dat het gezag hun ontglipt, niet vertrouwd met het
+jonge leven, en er ook niet op vertrouwend, knellen ze het zoo gauw
+en zoo vast mogelijk in banden. Dan blijven ze het meester, en kunnen
+er mee jongleeren als met een ingespeld bakerkind. Zelfs de politiek,
+en treuriger nog, de godsdienst vatten aldus hun opvoedingstaak aan.
+Ze schrijven programma's voor, leggen systemen op, dwingen binnen
+organisatie's, die evenwel meer lijken op dooie vlechtwerken dan
+op levensuitgroeiingen, volgen het militairisme als hun model, en
+zoeken eenvormigheid als hun ideaal. Organiseeren beteekent bij hen:
+recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, regimenten-, bataillons-,
+legermachten vormen. En opvoeden is: den baas spelen.
+
+Zoo begon ik als kweekeling. Menigeen brengt het nooit verder. Die
+sterft als korporaal, als is het onder den naam van legerkommandant.
+Hij blijft de man van bevel en dwang. Daarvoor heeft mij bewaard en
+zal mij immer beschermen--ge zoudt het nooit raden, als ik 't niet
+zei--de straatjongen. Doch niet de straatjongen buiten me, maar die
+_in_ me. Hij, de vrijbuitende, zwerfgrage schavuit, hij leeft nog
+in me. Hij, de altijd langs en over gevaarlijke kantjes gaande, de
+vrijheidminner en vrijheidgunner, hij behoedt me voor gezaggerij.
+Zoodra ik, verantwoordelijk, braaf, ernstig paedagoog, dreig te
+ontaarden in versteening, komt hij te voorschijn, drijft den spot
+met gewichtighedens, en zegt me met de brutaalste oprechtheid, dat
+al die deftigheid maar larie is, dat ik er niets van meen, en dat alle
+anderen in 't diepst van hun ziel er ook niets van meenen. En zoo zorgt
+hij--meester-opvoeder--dat de paedagoog niet in baasspelerij ten onder
+gaat.
+
+Wat een kweekeling later worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit
+zijn eerste keus. Blijft hij met zijn oud-kameraden stoeien en ravotten,
+ondanks zijn lange broek; of sluit hij zich voor goed bij den nasleep
+van de volwassenen aan. In 't laatste geval wordt hij een gezagsman,
+gevoelig voor strepen op de mouw en sterretjes op den kraag. In 't
+eerste geval een vriend van de kinderen. In 't laatste geval wordt hij
+een officieele paedagoog--in 't eerste geval blijft hij een jongen.
+
+ * * * * *
+
+De theoretische opleiding, die ik gratis ontving, was heel eenvoudig. Ik
+kocht bij Ten Brink en De Vries in de Hartenstraat voor vijf cent een
+»Beknopt Overzicht van de Vaderlandsche Geschiedenis door A. A. Holst",
+voor tien cent een »Kort Overzicht van de Algemeene Geschiedenis" van
+denzelfden schrijver, voor nog eens vijf cent de beknopte »Bijbelsche
+Geschiedenis" en zoo ook een beknopte Rekenkunde, Taalkunde,
+Aardrijkskunde. 't Waren dunne boekjes van 32-48 bladzijden, in een
+dun geel of anders gekleurd omslag--ieder overzicht had, meen ik,
+zijn vaste kleur--en bestaande uit een reeks lesjes.
+
+Het eerste lesje ving steeds aan met een beschrijving en indeeling van
+de wetenschap, waartoe het de deur opende: »Geschiedenis of historie
+is het aaneengeschakeld verhaal der lotgevallen van een volk, met
+inachtneming van tijden, plaatsen en personen. Men verdeelt de
+geschiedenis in Algemeene, Vaderlandsche en Bijbelsche geschiedenis."
+
+Ik weet niet of dit citaat woordelijk getrouw is, maar 'k geloof het
+wel. Ver van de waarheid zal het in ieder geval niet zijn.
+
+Dan volgde de opsomming der tijdvakken met de daarbij behoorende
+jaartallen. De Algemeene Geschiedenis kreeg haar Oudheid, Middeleeuwen
+en Nieuwe Geschiedenis, de Vaderlandsche haar vijf tijdperken. Zoo
+begon de Aardrijkskunde na de onmisbare definitie met de opnoeming
+der Werelddeelen. Vervolgens kreeg ieder tijdvak, ieder land zijn
+afzonderlijke behandeling overeenkomstig een vast schema.
+
+Er is, gelijk men ziet, wel eenig onderscheid met de tegenwoordige
+opleiding aan een kweekschool. Een der voordeelen was, dat de boekjes
+goedkoop waren, zoodat men voor 50 cent, zijn heele bibliotheek van
+leerboeken had aangeschaft. Een tweede voordeel, dat ze dun waren,
+zoodat men ze zonder al te veel moeite kon doorkomen. Een derde, dat
+ze de volledige wetenschap bevatten, zoodat men ineens alles wist.
+
+De studiemethode bestond hierin, dat men de lesjes woordelijk uit het
+hoofd leerde en ze daarna opzei voor den lesmeester. »Men kende dan al
+of niet zijn les." Daarmee was 't uit. Leeren was memoriseeren. Zijn les
+opzeggen: een boek oplezen, zonder het boek.
+
+Tegenwoordig moet dat nog hier en daar in de mode zijn, zelfs op
+gymnasia en hoogere burgerscholen. 't Verschil met vroeger zou dan
+wezen, dat nu de boeken talrijker en dikker zijn, en daarmee in
+overeenstemming de ellende ook veel grooter. In plaats van de heele
+aardrijkskunde in misschien 48 bladzijden, krijgen de leerlingen nu
+afzonderlijke boeken voor Nederland, Indië, Europa, de Werelddeelen,
+met een of meer atlassen. En dan maar leeren.
+
+Ik denk er niet aan, mijn hoofdonderwijzer, die zelf een overgroot deel
+onzer opleiding voor zijn rekening nam, hard te vallen over het karakter
+dier opleiding. Eer bewonder ik het, dat hij 's avonds op de avondschool
+nog tijd kon vinden, om onze lessen te overhooren. Maar ik moet wel
+erkennen, dat ik voor mijn geestelijke ontwikkeling, zoo goed als niets
+aan dat lessengeleer te danken heb gehad. En ik acht het dringend
+noodig, dat heel luid uit te spreken, omdat je tegenwoordig waarlijk nog
+menschen hebt en zelfs weer krijgt, die dat memoriseeren aanbevelen,
+ook op wetenschappelijke gronden. Ik heb een opleiding gehad bijna
+uitsluitend van geheugenvulling en ik acht het verloren tijd en
+misbruikte energie, goed voor idioten, omdat die stakkerds niet beter
+kunnen.
+
+Wij moeten elkaar echter goed begrijpen. Ik ben er niet tegen, dat men
+zijn kennis vastlegt en zorgt ze te onderhouden. We studeeren waarlijk
+niet, om weer te vergeten. Er is ook geen bezwaar tegen, enkele feiten,
+of rijtjes woorden of getallen, er machinaal in te stampen. Maar dit is
+iets anders, dan de geheele opleiding in dien toon te zetten. Hóófdzaak
+bij iedere geestelijke ontwikkeling is: _belangstelling wekken_. En met
+de memoriseer-cultuur wordt de belangstelling vermoord. Bij mij althans
+heeft het lang geduurd, eer--dank zij het lessenleeren--ik me voor den
+_inhoud_ dier lessen ging interesseeren. En toen ik daarmee begon, zaten
+me nog die lessen in den weg.
+
+Er zal later nog gelegenheid te over zijn, op dit onderwerp terug te
+komen, wanneer ik ook over mijn jongelingsjaren zal mogen verhalen. Dan
+hoop ik, mede ter leering van hen die naar het oude terug willen, het
+zij al dan niet onder wetenschappelijke, of would be wetenschappelijke
+vlag, eens heel precies te vertellen, wat lijdens- en verstompingskuur
+men ons deed doormaken. Nu, met die boekjes-van-Holst-ontwikkeling, zijn
+we nog pas aan 't begin van de ellende, en daar ik spoedig deze school
+en daarmee deze opleiding verliet, is het nu niet het juiste moment, die
+verderfelijke cultuur met haar heidensche woordenkramerij in al haar
+onvruchtbaarheid en bedriegelijken schijn ten toon te stellen. Dat komt
+later, als God mij het leven en de krachten gunt. Alleen moest ik nu,
+heel even, maar heel ernstig, waarschuwen voor een neiging tot terugkeer
+naar het verkeerde van vroeger. Nieuwe dwaasheden rechtvaardigen geen
+oude.
+
+En nu ik aan die verplichting heb voldaan, volgen de laatste
+herinneringen aan deze school en aan mijn kinderjaren.
+
+ * * * * *
+
+Ik mag tot mijn geluk zeggen, dat ik als twaalfjarig onderwijzer een
+vriendje bleef van mijn oude schoolmakkers en geen collega werd van
+de heeren. Met de jongens ging ik trouwer om dan met de verschillende
+overzichten van Holst, en boven het leeren koos ik het spelen. Dat
+waren voor mijn toekomst geen ongunstige teekenen. Een kind van 12
+jaar, dat graag zijn lessen leert, is geen echt kind en wordt dus ook
+nooit een echt man. Ik wilde wel, dat de ouders in dit opzicht wat meer
+vertrouwen hadden in hun leerafkeerige kinderen. Het is toch ook een
+goed verschijnsel, als de kindermond geen smaak heeft in notedoppen en
+oesterschelpen en de maag die onverteerd afvoert of teruggeeft. Hoe
+zuiverder een kind _kind_ is, hoe meer zijn geest zich verzetten zal
+tegen een zoogenoemd geestelijk voedsel, dat niets anders is dan
+geestelijke cellulose. En kinderen die zulk een krachtige kindernatuur
+bezitten, dat ze, niet brutaal onwillig, maar instinctief onverwinbaar,
+zich verzetten tegen de verkrachting dier natuur, beloven veel voor
+de toekomst. Dat zijn de gezonden, die eenmaal, als de tijd daar is,
+ook krachtige mannen en vrouwen zullen zijn. In dit opzicht heeft de
+wetenschappelijke paedologie schoon gelijk, waar ze beweert dat elke
+leeftijd zijn speciale belangstellingen en belangen heeft, en wordt
+de wetenschappelijkheid van onze grootmoeders recht gedaan, die al
+verklaarden: Mettertijd komt Harmen in 't wammes en Krelis in de broek.
+Met-ter-tijd. Een speelgraag kind heeft groote kans een leer- en
+werkgraag man te worden. Vroege catechismus--late vroomheid.
+
+Wie niet onbekend is met de boekjes van Tuttie[1], herinnert zich
+wellicht, dat daarin een verhaal voorkomt: _De meter van den meester._
+Dit verhaal is in hoofdzaak waar gebeurd. Het dateert uit deze periode.
+
+[1] De vier deeltjes van _Blond en Bruin_, 2e serie »De Wereld in!"
+
+Aan de overzijde van de Bloemgracht, maar een eind verder, was een
+Stadsarmenschool. Daar gingen de »schooiers", met wie we vaak oorlog
+voerden. Er waren geen deftiger scholen in de buurt, die in haar
+meerdere voornaamheid, een voldoende casus belli konden schenken, dus
+moest de »klompenschool" ons maar het krijgsgenot bezorgen. Klompen en
+een stadsschool, het waren inderdaad redenen genoeg, daar behoefde maar
+een geringe aanleiding bij te komen, om het oorlogsvuur te doen
+ontbranden.
+
+We waren weer eens aan 't vechten, en ik was al kweekeling. Inplaats
+van mijn positie hoog, en mijn fatsoen òp te houden, maakte ik van de
+vrijheden, mij als kweekeling toegekend, misbruik. Ik mocht vroeger in
+school--of móést vroeger in school, om voor een en ander te zorgen--en
+haalde de jongens naar binnen, nu wel niet in 't gebouw, maar toch in de
+lange overbouwde gang, die van de Bloemgracht naar 't gebouw leidde en
+die onder gewone omstandigheden was afgesloten door een zware deur.
+
+'t Was nog vóór schooltijd, misschien acht uur, maar overal zwierven
+al troepen jongens van beide partijen. De onzen verzamelden zich om
+de schoolpoort, de vijanden een eind verder op de gracht. De laatsten
+hadden blijkbaar een aanval in den zin en rukten hiertoe langzaam, maar
+zeker, naar onze vesting op.
+
+Wonderlijk. Geen van de twee partijen wou vechten, en toch wilden ze het
+allebei. Niemand zocht de aanraking, en toch zochten we die wederzijds.
+Ieder hoedde zich voor de verantwoordelijkheid van den eersten klap, en
+toch liet hij zich prikkelen en verleiden tot die verantwoordelijkheid.
+Ik weet dit heel, héél goed, en begreep daardoor later zoo gauw het
+wederzijds prikkelen en beschuldigen der vlootvoogden, als ik in mijn
+geschiedenisboeken las, hoe deze niet het eerste schot willen lossen,
+en er toch van verlangen naar brandden. Waarlijk, er is niet zulk een
+reuzenverschil tusschen de veertien- en de veertigjarige jongens. Ze
+zijn van één geslacht.
+
+Er hoopte zich een soort van gemoedselectriciteit op, bij den
+eenen hoop positieve en bij den anderen negatieve, daardoor ontstond
+er een geweldige spanning en moest er een ontlading volgen. Zonder
+deze waren we gebarsten. Het moest bliksemen en donderen, anders kon
+er onmogelijk een neutrale atmosfeer terugkeeren. Dat vechten was een
+natuurverschijnsel in de physisch-ethische wereld. Belangen waren er
+niet mee gemoeid, absoluut niet. Grieven bestonden er alleen in de
+verbeelding en de overlevering. 't Was om de ontlading te doen, en
+nergens anders om. We werden onder onbekende invloeden electrisch en
+máákten ons grieven, die voor het verstand als motieven konden gelden.
+
+Zou het ook mogelijk kunnen zijn, dat de oorlogen tusschen de volkeren
+alleen om belangen _heeten_ te gaan, en dat de belangen slechts worden
+opgeworpen, omdat er oorlogskrachten in de lucht werken? Is het een
+reusachtige zelfverblinding van geheele natiën en spelen geheime,
+geweldige natuurmachten hun spel met de kinderen der menschen?
+
+'t Is slechts een vraag.
+
+Hoe 't zij, wij werden gedrongen tot vechten. Daartoe naderde de vijand
+meer en meer, ieder oogenblik aangroeiend met nieuwe mannen; daartoe
+trokken wij, ook voortdurend versterkt, ons terug in de gang.
+
+Eindelijk was het zoover, dat we de dikke deur moesten sluiten en
+grendelen, en daar brak onmiddellijk de opgehoopte electriciteit los
+in trappen, steenworpen en schreeuwen. De vijand waagde er de hakken
+van zijn schoenen en de klinkers uit de straat aan, al wist hij heel
+goed, dat daarvoor de deur niet bezwijken zou. Zulk een succes zou hij
+waarschijnlijk ook niet begeerd hebben, want wat zou hem de toegang
+hebben gebaat tot een gang, die hij toch niet zou durven binnendringen?
+Daar in die donkere engte, in dat diepe hol, zou hij zich nooit wagen,
+maar niettemin moest hij de deur bombardeeren, louter om den woesten
+wellust van het bombardement, de zaligheid der uitbarsting! Geen berg
+kan met heeter drift zijn gloeiende steenen uitspuwen, als dit jeugdig
+menschdom zijn woede!
+
+Wij, in de donkere gang, beefden van gekrenktheid, haat, strijdlust.
+Soms stonden we doodstil, luisterend naar het tieren der wilde bende,
+dan weer dwaalden we onrustig rond, zinnend op wraak. Zeker, we waren
+veilig, maar veiligheid is voor een edel krijgsmanshart niet genoeg.
+»Kom er uit, als je durft!" jouwden ze daar buiten. En die tergende
+uitdagingen joegen ons het bloed naar de wangen. Veiligheid is mooi
+voor vrouwen en kinderen maar wij dorstten naar de triomf! Triomfeeren
+moesten we op dien tierenden troep! Nooit zouden we den smaad kunnen
+dragen, dat we uit lafheid ons hadden schuil gehouden! Liever het leven
+gewaagd, dan veilig in de vernedering! Liever met eere te sneven, dan in
+schande te leven!
+
+We zochten een middel om de verloren positie te herwinnen, en beraamden
+een uitval. Plotseling zouden we de deur openen, schreeuwend naar buiten
+rennen en onvervaard op den vijand losstormen. Maar dan moesten we
+een wapen hebben, een flinken stok, om er op in te houwen. Nu wist
+ik raad, ik, de kweekeling. Ik ging naar binnen, haalde een meter, een
+vierkanten, die bij 't onderwijs dienst moest doen, en hield dien als
+een slagzwaard in de vuist.
+
+Nog steeds beukte de vijand op de onbeweegbare deur. Hadden ze een mast
+bezeten, ongetwijfeld hadden ze de Watergeuzen nagevolgd en de poort
+van Den Briel gerammeid. We stonden, saamgedrongen, vlak bij de deur.
+Voorzichtig schoof ik den grendel weg, bang dat men het buiten hooren
+mocht. Toen trok ik het slot terug en draaide met een ruk de deur wijd
+open.
+
+De vijand schrok. Hij deinsde. Van dat oogenblik maakten we gebruik.
+Zwaaiend met den meter rende ik er op in, aanstonds gevolgd door de
+heele bezetting. Schreeuwend en gillend waagden we ons midden in de
+massa: een handjevol dapperen tegen de overmacht. En we zouden ze wel
+verjaagd hebben, vooral omdat daarginds bijstand voor ons opdaagde en de
+vijand dan tusschen twee vuren zat, als maar niet een noodlottig ongeval
+ons met één slag beroofd had van ons wapen, ons élan en onze
+waardigheid.
+
+Ik sloeg met blinde woede in 't rond en raakte zoo niet een vijand, maar
+de houten paal van een hek. Door dien slag brak de meter in tweeën, het
+eene eind hield ik in de hand, en het andere vloog de lucht in.
+
+Een ontzettend gejouw ging onder de vijanden op, een van hen wist
+spoedig het weggevlogen stuk te bemachtigen, en nu renden ze weer op ons
+toe.
+
+Grooter ongeluk had ons niet kunnen treffen. Verlamd van schrik trokken
+we ons snel terug en hadden nog juist tijd de deur te sluiten. Toen
+stonden we daar, vernederd, machteloos, in de donkere gang, zonder
+eenige hoop op herwinning van het terrein, en met het overblijfsel
+van den meter in de hand. 't Was bitter treurig.
+
+Eerst toen de onderwijzers kwamen, trok de vijand langzamerhand af.
+
+Het stuk meter legde ik op de plaats, waar ik den heelen vandaan had
+gehaald. Maar daarmee was de zaak natuurlijk niet afgeloopen. In den
+loop van den morgen werd ik in 't kamertje geroepen, moest daar alles
+opbiechten, en meneer de kweekeling kreeg, behalve een duchtig standje,
+den last voor een nieuwen meter te zorgen, met welken last hij--waar
+moest hij er anders mee heen?--zijn lieve moeder bezwaarde.
+
+Gelukkig verdiende ik geld. Toen ik na beëindiging van het eerste
+kwartaal twee rijksdaalders kreeg--ik weet nog, dat ik ze ontving--holde
+ik naar huis en was zalig, dat ik mijn lieve moeder ook met dien last
+bezwaren mocht.
+
+ * * * * *
+
+En nu komt er tot slot iets veel ergers dan het breken van den meter.
+
+Een vriend van ons huis was gymnastiek-onderwijzer aan een stadsschool.
+Hij vertelde dat het »aan de stad" zooveel beter was dan op een
+bizondere school en spoorde mijn ouders aan, mij op een stadsschool te
+doen; dan verdiende ik meer, ontving beter opleiding, en had mooier
+toekomst.
+
+Hij deed dat met de beste bedoelingen. Mijn ouders gaven gevolg aan zijn
+raad en ik kwam op een stadsschool. Zij meenden ook er goed aan te doen.
+En toch.... altijd is mij een gevoel bijgebleven, dat we ondankbaar
+hebben gehandeld tegenover de school op de Bloemgracht. De meester had
+ons het achterstallige schoolgeld kwijtgescholden, mij tot kweekeling
+gepromoveerd voor de klas, en aan 't geldverdienen gezet, en nu werd die
+vriendelijkheid aldus beantwoord.
+
+Mijn heele leven, telkens als ik daaraan dacht, voelde ik dit als
+trouwbreuk, en ook nu nog, terwijl ik het feit vertel, schaam ik mij.
+Dat had de meester niet verdiend.
+
+Het breken van den meter heeft me nooit gehinderd, wel het breken met de
+school. En toch heette het eerste een verregaand brutale daad en was het
+laatste in ieders oog niet slechts geoorloofd, maar zelfs heel
+verstandig. Men mag zijn belang toch wel behartigen?
+
+Ik kon mijn ouders niet hard vallen over hun handelwijze. Zij worstelden
+zoo om het hoofd boven water te houden, dat iedere jaarwedde-verhooging
+hun reeds welkom was. En dan de toekomst van hun jongen! Maar voor
+mijzelf heb ik steeds het gevoel gehad, dat ik iets tegenover die school
+had goed te maken.
+
+Wat is dat voor een gevoel? Vanwaar komt het? En waarom hindert het een
+mensch?
+
+Zoo is het einde mijner jeugdherinneringen een zelfverwijt....
+
+Maar dit mag mijn laatste woord niet wezen, gelijk ik hoop, dat het ook
+ons laatste levenswoord niet zij.
+
+
+
+
+SCHOONSTE VRUCHT.
+
+
+ _Aan mijn ouders._
+
+ Mijn laatste woord, een woord van dankende herdenken
+ Voor Ouderzorg zoo teer en trouw, in leed zoo groot.
+ Een jeugd van armoe, ziekte en worstlen--zaalge nood!--
+ Zij kon mij in Uw min slechts rijker zegen schenken.
+
+ Ik ben niet jong meer. Langzaam nadert reeds de Dood.
+ Ik zie zijn vinger al van verre vriendlijk wenken.
+ Mijn kindren trouwen--straks speelt er aan Grootvaêrs schoot
+ Een kleinkind--ai, wat dát een achtbaarheid zal schenken!
+
+ En toch, ik voel me nog Uw kind, Uw dankbaar kind,
+ Gezegende Ouders, eens met heel mijn hart bemind,
+ En trots Uw sterven immer om en met mij levend.
+
+ Uw kind, al grijst mijn haar en trilt mijn hand.
+ Dat is Uw werk: Gij hebt die liefde in 't hart geplant,
+ Thans rijpste, schoonste vrucht in dankbre liefde gevend.
+
+
+
+
+_Naar 't oud te-huis._
+
+
+ Aan mijn broeder en zuster.
+
+ _Ons oud te-huis, 't lag overgroeit van dicht gebladert,
+ Verborgen in het bosch van 't stil verleden.
+ Toen zijn wij samen eerbiedvol genaderd,
+ En zijn heel zacht zijn kamers ingetreden._
+
+ _'t Was alles nog als vroeger.... Maar wat deden
+ Die vele vreemden, daar met ons vergaderd?
+ Waartoe had ik hen op bezoek gebeden,
+ 't Intieme plekje met nieuwsgierigheid dooraderd?_
+
+ _»Komt allen binnen!" noodde een vriendelijke mond,
+ »De kinderen en ook zij die niet mijn kindren heeten."
+ Dat was wel Moeders toon en Moeders geest._
+
+ _Zij leefde nog. Eén woord--'k herkende haar terstond,
+ Zij die van onderscheid nooit kon of wilde weten,
+ Voor vreemd en eigen bei, steeds Moeder is geweest._
+
+
+
+
+NASCHRIFT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
+
+
+»In mijn jeugd heb ik veel hooren spreken over Oom Kuyper, die toen
+reeds overleden was, maar wiens nagedachtenis in onze familie in hoog
+aanzien werd gehouden als van een oprecht christen. Hij was hoofd van
+een school op de Lindegracht. Zijn weduwe, de jongste zuster van mijn
+vader, overleed in 1895 te Utrecht.
+
+Naar alle waarschijnlijkheid zijn dat de personen over wie u schrijft
+op pag. 20, 55 en 56. Zelfs het hondje komt uit. Ik herinner mij, dat
+mijn moeder met afkeer sprak over »Jenny" van tante Lena, die zoo
+afschuwelijk kefte.
+
+Ik ben in het bezit van een portret van beiden, en gerekend naar de
+vriendelijke wijze waarop u over hen schrijft, vermoed ik dat u er
+prijs op zult stellen die portretten eens te zien."
+
+ * * *
+
+Dezen brief ontving ik 23 Januari 1914.
+
+De portretten waren bij den brief ingesloten en ik mocht ze een
+maand lang behouden. Ze hebben die maand, dag aan dag bij me gestaan.
+Herhaaldelijk heb ik ze met liefde en groote aandacht beschouwd, mij
+daarbij geheel verliezend in het verleden. Maar ofschoon het portret,
+met die zachte, vriendelijke oogen en gelaatstrekken, zeker sprekende
+gelijkenis toonde, ik herinnerde mij geen enkele uiterlijkheid, en
+herkende mijn meester niet. Wel begreep ik, dat de uitdrukking van
+zijn gelaat zoo had moeten zijn, maar verder kon ik het niet brengen.
+
+Dit is een ervaring, waarmee de opvoeding haar voordeel kan doen. Als
+kind van 7, 8, 9, 10 jaar heb ik dien meester dagelijks gezien en mijn
+geest heeft geen duurzaam beeld van zijn uiterlijk opgenomen. Ik heb
+echter met hem verkeerd en mijn gemoed heeft een zeer juist beeld van
+zijn innerlijk gevormd en bewaard. Immers: Ik voelde in hem een waar
+christen, en thans, jaren later, komt een neef mij bevestigen, dat die
+indruk volkomen zuiver was.
+
+_Kinderen voelen ons innerlijk._
+
+Ziedaar de waarheid, die uit dit feit tot ons spreekt. En daarom:
+bedrieg u niet. Speel geen komedie met de jeugd, verwacht niet dat de
+kinderen uw innerlijke gezindheid niet zullen opmerken, omdat ze maar
+kinderen zijn. Zij photografeeren in de camera obscura van hun hart uw
+gemoed veel helderder en nauwkeuriger, dan hun oog uw uiterlijk ziet, en
+in dat hart bewaren ze het voornaamste deel van uw persoonlijkheid, niet
+het steeds veranderend uiterlijk, maar het zichzelf gelijk blijvend
+innerlijk.
+
+ * * *
+
+Treffend wordt deze opmerking bevestigd door een tweeden brief, dien ik
+21.2.1914 ontving:
+
+»Toen onze nieuwe pastorie hier werd gebouwd, moesten we 'n tijd in
+pension te D. en woonden toen naast 'n emeritus-predikant Beekman. Deze
+vertelde mij in dien tijd van z'n jeugd en ziedaar, nu had u van zijn
+vader, den koekbakker, nog onderwijs gehad. Toen ik uw boek had gelezen,
+heb ik hem dadelijk geschreven, dat hij het portret van zijn vader moest
+koopen. En 'n paar weken geleden, er een bezoek makende, vertelde mij
+z'n dochter, ook zich haar grootvader nog zeer goed te herinneren en
+diens liefde voor kinderen."
+
+Die liefde voor kinderen had ik dus als kind weer zuiver gevoeld.
+
+Nog vele en zeer hartelijke brieven hebben mijn »Jeugdherinneringen"
+me bezorgd, van oude vrienden en buurmeisjes, die alles bijna geheel
+onderschreven, en van vreemden, die in mijn verleden, hun eigen verleden
+herleefd zagen. Hoe velen hebben mij verteld, dat hun vader dezelfde
+zwakheden en beminnelijkheden had als de mijne!
+
+Een der brieven maakte melding van een bizonder opmerkelijke
+overeenkomst. »Zelfs", heette het, »heb ik hetzelfde kindergebedje
+'s avonds opgezegd, en de regel, dien u vergeten hebt, luidde: Ach,
+vergeef mij al mijn zonden!"
+
+Inderdaad, zoo was het, en het is schandelijk, dat juist die regel me
+ontschoten was, waar ik zoo dringend noodig had, om die vergeving van
+»al mijn zonden" dagelijks te bidden.
+
+Gelukkig, dat de verlorene me teruggebracht is, want zulke regels kan
+een mensch eigenlijk nooit missen.
+
+ Mei 1914.
+
+
+BIJ DEN DERDEN DRUK.
+
+En nu ontving ik sedert weer vele vriendelijke uitingen van
+belangstelling. Een dezer wil ik, en mag ik, hier opnemen.
+
+Mej. J. M. van Schelven schreef me 30 Augustus 1914 uit Amsterdam o. a.:
+»Eén passage trof mij vooral. 't Was daar, waar U het hadt over een
+zekeren Mijnheer Sanders, die op de Heeren- of Keizersgracht woonde en
+die Uw Moeder enkele malen heeft mogen bijstaan. Die Mijnheer Sanders
+was mijn Grootvader. Hij woonde Heerengracht 568. Moeder vertelt ons
+vaak, dat Grootvader zoo bizonder milddadig was. Zoo weet Moeder zich
+nog te herinneren, dat elken Maandagochtend de gang van het benedenhuis
+vol menschen stond, die door hem geholpen werden. Ook was hij van een
+zeer melancholieke, zwaarmoedige natuur. Dit klopt alles merkwaardig met
+wat U over hem schrijft."
+
+Bij lezing van dit briefje, was ik dubbel blij, dat ik den naam van
+den Heer S. genoemd had: niet alleen omdat mijn herinneringen nu een
+nieuwe bevestiging ontvingen, maar bovenal omdat ik nu een woord van
+erkentelijke liefde heb kunnen wijden aan de nagedachtenis van een braaf
+man, onverplichte en daarom te meer ongeveinsde hulde.
+
+Mej. van Schelven merkt nog op: »Ik denk, dat Moeder het ook wel aardig
+zal vinden, dat iemand zoo over haar Vader schrijft."
+
+Terecht. Hoe heerlijk, als onze Ouders aldus nog na hun verscheiden
+gezegend worden. We zouden ons bijna inspannen.... onzen kinderen ook
+dat geluk te verzekeren.
+
+ Nov. 1914. Jan L.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ De bewaarschool 1
+ De eerste lagere school 19
+ Tusschen school en huis 42
+ In huis 59
+ In huis (_vervolg_) 78
+ Nog in huis 95
+ Straatjongen 118
+ Nog straatjongen 133
+ Nóg straatjongen 149
+ Kinderkerk en zondagsschool 166
+ Verandering 182
+ De tweede lagere school 198
+ Goede school 214
+ Jordaanpaedagogiek 228
+ In 't nieuwe huis 240
+ Van een vloek een zegen 251
+ In een nette buurt 266
+ Moeder vertelt 282
+ Ik word kweekeling 301
+ Schoonste vrucht 320
+ Naar 't oud te-huis 321
+ Naschrift bij den tweeden druk 322
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------+
+ | |
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: twee dochters Juffrouw Fietje, |
+ | C: twee dochters, Juffrouw Fietje, |
+ | B: »Geef eerst je pet hier.' ' |
+ | C: »Geef eerst je pet hier." |
+ | B: dan »de Schoolstrijd--spreken |
+ | C: dan »de" Schoolstrijd--spreken |
+ | B: »op-en neer donderen" |
+ | C: »op- en neer donderen" |
+ | B: vast uur, hoor hij dat |
+ | C: vast uur, hoort hij dat |
+ | B: Vondel zou zeggen: Sluit voor |
+ | C: Vondel zou zeggen: »Sluit voor |
+ | B: Vader sloeg uit drift Je |
+ | C: Vader sloeg uit drift. Je |
+ | B: aardappels 's middag's van den schotel |
+ | C: aardappels 's middags van den schotel |
+ | B: de echte paedegoog. »Zoo stijf |
+ | C: de echte paedagoog. »Zoo stijf |
+ | B: ons bij 't vertrek? Dank u wel, |
+ | C: ons bij 't vertrek. »Dank u wel, |
+ | B: een doodziek kind, een sterzende zieke |
+ | C: een doodziek kind, een stervende zieke |
+ | B: vaste plaatsje, in de Eglantierstraat, |
+ | C: vaste plaatsje, in de Eglantiersstraat, |
+ | B: onze nagalmen het schermerduister in. |
+ | C: onze nagalmen het schemerduister in. |
+ | B: Bij juffrouw Gotman van de eerste |
+ | C: Bij juffrouw Gottman van de eerste |
+ | B: niet meer. Die »verzamelingen» kwamen na en |
+ | C: niet meer. Die »verzamelingen" kwamen na en |
+ | B: dat--door ,t _werken_--in |
+ | C: dat--door 't _werken_--in |
+ | B: school, dan dit ik het hier |
+ | C: school, dan dat ik het hier |
+ | B: Ton nom soit sanctifiè. |
+ | C: Ton nom soit sanctifié. |
+ | B: dat deze overgang mij onmiddelijk als een |
+ | C: dat deze overgang mij onmiddellijk als een |
+ | B: recruteeren, reglementeeren disciplineeren, |
+ | C: recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, |
+ | B: worden zal, kun je onmiddelijk afleiden uit |
+ | C: worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit |
+ | B: nog die lesseen in den weg |
+ | C: nog die lessen in den weg |
+ | |
+ +------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Jeugdherinneringen, by Jan Ligthart
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN ***
+
+***** This file should be named 31107-8.txt or 31107-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/1/1/0/31107/
+
+Produced by Branko Collin and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/31107-8.zip b/old/31107-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..5b761e0
--- /dev/null
+++ b/old/31107-8.zip
Binary files differ