diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 31107-0.txt | 8944 | ||||
| -rw-r--r-- | 31107-0.zip | bin | 0 -> 187398 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 31107-h.zip | bin | 0 -> 344539 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 31107-h/31107-h.htm | 9292 | ||||
| -rw-r--r-- | 31107-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 62464 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 31107-h/images/frontispiece.jpg | bin | 0 -> 66236 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 31107-h/images/ill_p013.png | bin | 0 -> 6558 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 31107-h/images/ill_p021.png | bin | 0 -> 784 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 31107-h/images/ill_p059.png | bin | 0 -> 10881 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/31107-8.txt | 8958 | ||||
| -rw-r--r-- | old/31107-8.zip | bin | 0 -> 187075 bytes |
14 files changed, 27210 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/31107-0.txt b/31107-0.txt new file mode 100644 index 0000000..6ef6e03 --- /dev/null +++ b/31107-0.txt @@ -0,0 +1,8944 @@ +The Project Gutenberg eBook of Jeugdherinneringen, by Jan Ligthart + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: Jeugdherinneringen + +Author: Jan Ligthart + +Release Date: December 21, 2020 [eBook #*****]Release Date: January 28, 2010 [eBook #31107] +[Most recently updated: November 22, 2021] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +Produced by: Branko Collin and the Online Distributed Proofreading Team + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN *** + + + + + +--------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de | + | originele, verouderde spelling. Er is geen poging | + | gedaan de tekst te moderniseren. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel | + | zijn gecorrigeerd. Variaties in spelling (o. a. met | + | of zonder afbreekstreepje/trema) zijn behouden. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden | + | aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | De in het origineel als cusief weergegeven tekst is in | + | dit e-boek weergegeven als _cursief_. Vette tekst is | + | weergegeven als =vet=. Uitgespatieerde tekst is | + | weergegeven als $uitgespatieerd$. | + | | + | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens | + | gebruikt. Deze zijn respectievelijk aangegeven als | + | »aanhalingstekens". | + | | + | Enkele plattegronden zijn in deze tekst-versie van | + | het e-boek met behulp van ASCII-art weergegeven. | + | Deze illustraties en de foto zijn beschikbaar bij de | + | html-versie van dit e-boek op http://www.gutenberg.org | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +--------------------------------------------------------+ + + + + +JEUGDHERINNERINGEN. + + +[Illustratie: foto Jan Ligthart] + + + + + JEUGDHERINNERINGEN + + VAN + + JAN LIGTHART. + + + ACHTSTE DRUK.--VOLKSUITGAVE. + + BIJ J. B. WOLTERS' U. M.--GRONINGEN, DEN HAAG, 1922. + + + BOEKDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS. + + + + +DE BEWAARSCHOOL. + + +Van mijn eerste levensjaren weet ik alleen iets door mededeelingen +mijner moeder. Zij hield er van, ons veel te vertellen van haar eigen +jeugd en ook van onze eigen lotgevallen. Daardoor weet ik, dat ik in een +koekwinkel geboren ben--'t zal wel geweest zijn in de bedstede van de +huis- en slaapkamer achter den koekwinkel--; dat ik een oude, deftige +baker heb gehad, Baker Zandbrink, die alleen voorname diensten aannam, +maar mijn moeder grootendeels uit vriendschap hielp; dat mijn tante +Hendrika zoo dol op me was, dat ze altijd met me uit wou, en ik dan op +haar arm zat te springen, en dat ze dan trotsch op me was, omdat de +menschen me zoo'n mooi kind vonden; en dat ik mijn moeder driemaal een +doodschrik op 't lijf heb gejaagd, door eenmaal van een hooge trap te +vallen, een ander maal een erwt hoog in mijn neus te werken, en een +derden keer een haaknaald in mijn keel te steken, zoodat niemand het +geweerhaakte ding er uit kon halen, dan alleen de dokter, naar wien +mijn moeder in haar angst met mij heen vluchtte. 'k Heb een flauwe +herinnering, dat ik ook nog eens uit een fleschje terpentijn heb +gedronken, maar dat weet ik niet precies meer. + +Natuurlijk vertel ik deze dingen niet, omdat ze ook maar eenigermate +belangrijk zouden zijn, maar alleen om te doen uitkomen, welke +mededeelingen in mijn geheugen zijn gebleven. Duizend andere dingen +heeft mijn moeder me zeker ook verteld, die ik nu totaal vergeten ben. +En terwijl ik de namen van allerlei dingen en menschen, die ik later +in 't geheugen prentte, met moeite vasthield en vaak weer losliet, +is de naam van Baker Zandbrink, ofschoon nooit opzettelijk geleerd +en gerepeteerd, ofschoon zeker in meer dan veertig jaren niet bewust +geworden, mij steeds in alle stilte blijven vergezellen. Jammer, dat +men in zulke namen niet geëxamineerd wordt: daar gebruikt de beschaving +andere namen voor, die niet zoo dicht bij het kind liggen. + + * * * * * + +Mijn persoonlijke herinneringen gaan terug tot mijn derde of vierde +jaar, tot mijn bewaarschool-periode. Ik ben achtereenvolgens op twee +bewaarscholen geweest, waarvan ik mij enkele hoofdzaken nog goed kan +voorstellen. + +We woonden toen te Amsterdam in een kruidenierswinkel. Het +hooge huis stond op den hoek van de Eglantiersgracht en de derde +Eglantiersdwarsstraat. Van dat huis en de omgeving, van de geheele +buurt weet ik nog bijna alles. Maar we hebben er ook zes à acht jaar +gewoond, dus kan ik niet nagaan, uit welken leeftijd die beelden +dagteekenen. De bewaarschool, althans de eerste, heb ik alleen in mijn +derde of vierde jaar gezien, later niet meer, en ik weet nog precies, +dat er binnen een, naar mijn meening, _groote_ ruimte was, waar heel +veel kinderen zaten--van de banken weet ik niets meer af--en dat aan +'t eind van die ruimte een houten trapje naar een verhooging voerde, +waarop, onder 't koffiedrinken, de juffrouw plaats nam aan een tafeltje. +Ik heb nu nog den indruk, dat die juffrouw van haar hooge zitplaats ons +heele rijk overzag en we dus niets ongerechtigs konden doen. + +Van 't leeren weet ik niets meer, noch van vertellingen, noch van +versjes. Mijn geheele leven in die school wordt vertegenwoordigd door +maar één beeld: het koffieuurtje. De kinderen zitten omlaag, de juffrouw +omhoog. Eer we beginnen te eten, roepen alle kinderen in dreuntoon: +»Smakelijk eten, juffrouw Mina!" en de juffrouw antwoordt uit haar +hoogte met vriendelijke bewaarschooljuffrouwstem, wat hoog van klank en +zeer te-gemoet-tredend van toon: »Smakelijk eten, kindertjes!" Na afloop +van het boterham-eten zeggen de kinderen: »Welvolkomen, juffrouw Mina!" +Waarschijnlijk: »Wel bekome 't u, juffrouw Mina!" Maar in mijn ooren +hoor ik nog thans het zeurend gezang van het heele kinderkoor: +»Welvolkomen, juffrouw Mina!" En daarop weer de hooge, inborend +welwillende stem van de juffrouw: »Welvolkomen, kindertjes!" + +Er is zeker wel gebeden en gedankt in de bewaarschool, ook +gezongen, maar ik weet er niets meer van. En ik vermoed, dat ik die +koffietafel-beleefdheden alleen onthouden heb, doordat mijn oudere +broers er mij thuis vaak mee plaagden. Die riepen telkens op zeurenden +kindertoon en dan weer met piepende juffrouwen-stem door 't huis +spottend na, wat daar in de bewaarschool zoo goed bedoeld en ernstig +uitgevoerd werd. En zoo zijn zeker de fatsoenlijke manieren, die +juffrouw Mina er bij ons inbracht, niet bewaard gebleven door haar +welmeenenden ernst, maar door de onbarmhartige vroolijkheid van een paar +ongevoelige spotters. Ik herinner me nog goed, dat die bespotting mij +hinderde en wat pijn deed. De zaak was voor mij iets ernstigs, misschien +alleen door den plechtigen dreun, maar toch, ze was met een ernstige +stemming door mijn kindergemoed verweven, en ik voelde het als pijn, +wanneer in dat weefsel gescheurd werd. + +Den weg naar deze bewaarschool zie ik nog voor me. Eerst uit de +huiskamer een trapje af naar den winkel. Dan den winkel door. Over de +platte blauwe stoep. Nu op straat. Aanstonds de hooge brug over, die--we +woonden immers op een hoekhuis--bijna vlak voor 't huis lag. En dan +rechtsaf, de »gracht" op, dat is eigenlijk de kade langs de gracht. Bij +'t woord gracht dachten wij nooit aan 't gegraven water, maar altijd aan +de beide wegen ter weerszijden er van. Iemand woonde in onze taal nooit +»aan", maar op de gracht. De bewaarschool lag dus aan de overzijde van +de gracht, rechts van de brug. Ik zie die »kleine steentjes" nog, het +voetpad van klinkers, waarop we altijd liepen, vlak langs de stoepen der +huizen. De »groote steenen", de keien, lagen daarnaast, op den rijweg. +Wanneer we naar school gingen, kregen we altijd de waarschuwing mee: »Op +de kleine steentjes loopen, hoor!" en dan liepen we, dikwijls hand aan +hand, op de kleine steentjes naar school, nadat mijn oudste zuster ons +eerst de brug over had gebracht. + +Om in school te komen, moesten we van de gracht af eerst een poortje +en een met klinkers bestrate gang door. Hoe we uit die gang in 't +schoollokaal kwamen, weet ik niet meer. Ik zie alleen de gang, en dan, +zonder tusschenschakels, de schoolruimte met de hooge tribune voor +Juffrouw Mina, deftiger genoemd: Mejuffrouw Gottman. Ook háár naam heeft +in mijn geheugen een onvervreemdbare plaats. + +Die weg naar school is voor mij éénmaal een kruisweg geweest. Niet door +de school, want van die school herinner ik me niets onaangenaams. +Maar.... + +Vóór mijn zesde jaar leed ik eenigen tijd aan bedwateren. Er zijn ook +thans nog kinderen, die daaraan lijden. Daarom wil ik nauwkeurig mijn +herinneringen betreffende die »ziekte" vertellen. Wellicht helpt het +hen. + +Ik geloof niet, dat mijn ouders, broers en zusters het toen voor een +ziekte of een zwakte aanzagen. Sterk heb ik nog den indruk, dat men +het mij als iets schandelijks verweet. Nog hoor ik me boos toevoegen: +»Leelijke pis-in-bed." En daarbij voelde ik mij zoo hulpeloos schuldig. + +Men scheen te denken, dat ik uit luiheid maar in bed bleef liggen. Als +ik maar niet zoo lui was, zou ik wel opstaan. Heel zeker weet ik echter, +dat het niet zoo was. En dat weet ik zoo bizonder zeker door een droom, +dien ik nooit vergeten ben. + +Op de bewaarschool bij Juffrouw Mina was er voor de kleine jongetjes +geen urinoir. Die moesten maar, op een binnenplaatsje, in een vierkant +steenen putje wateren, dat waarschijnlijk in een riool uitliep. Nu +droomde ik op een keer, dat ik bij dat steenen putje stond, maar er +lag een groen geverfd houten deksel op. Ik moest toch zoo erg, maar ik +durfde niet, om dat mooie, groene deksel. Maar ik kon het niet meer +tegenhouden, en toen het eenmaal gebeurd was, werd ik met een schrik +wakker. Een oogenblik was ik wanhopig en toen kroop ik diep weg onder +de dekens, om me te verstoppen tegen de schande die straks weer zou +losbreken. + +Uit dit tijdperk heb ik herinneringen van diepgaande smart. Het maakte +mij schuw en angstig. Er was geen vertrouwelijkheid tusschen de anderen +en mij. Ik voelde mij een eenling, maar niet een prinsje, verdwaald +onder menschen van de straat. Eer zoo iets als een ziek hondje, dat +overal wegkruipt en dan nog uit de veilige hoekjes wordt weggeschopt. +Nog zie ik dat kleine jongetje 's morgens in zijn nat hemdje rondloopen +en hoor ik den grauw van deze of gene: »Ga weg, stinkende pis-in-bed." + +Nu moet men niet denken, dat mijn gezinsleden zoo harteloos waren. Wel +het tegendeel. Ik had mijn moeder héél lief en heb haar verafgood. En +mijn vader was ook een beste man. Over de jongere gezinsleden viel ook +niet te klagen, maar een pis-in-bed was nu eenmaal een pis-in-bed, en +die was een ellende, vooreerst voor het broertje, dat met hem in één bed +moest slapen, dan voor de zuster, die elken dag de bedden moest afhalen +en opmaken, en eindelijk voor moeder, die uit een leege linnenkast maar +altijd schoone lakens moest krijgen. Hoe moest men dat kwaad bestrijden? +Door schelden en slaan. Men wist niet beter. En zoo ging ik gebukt onder +schande en angst voor klappen. + +Deze middelen hielpen echter niet. Wel hielp het, wanneer men mij elken +avond, eer de ouderen naar bed gingen, even wakker maakte en er uit +haalde. Dat gebeurde vaak weken achter elkaar. Dan kwam mijn oudste +zuster, een heel lief meisje, en nam mij op. Slaapdronken zette zij mij +neer. En dan stak ze haar vinger in de hoogte en zei: »Goed luisteren, +of we iets hooren." Hoorden we dan wat, dan waren we allebei gelukkig, +zij en ik. Dan keek ik nog eens de kamer rond, zag het nachtlichtje +flikkeren--een waspitje op patentolie in een gewoon drinkglas--en voelde +me zoo gelukkig, zoo stil gelukkig. En wanneer ze me dan weer in bed lei +en lekker toestopte, sliep ik dadelijk, rustig in volkomen veiligheid. + +Of men--'t was een druk gezin: een winkel, vijf kinderen, en nog twee +jongens in huis--of men deze doeltreffende maatregelen dan maar weer +naliet, of dat ze op den duur toch niet hielpen, ik weet het niet, maar +op zekeren dag werd er tot iets verschrikkelijks besloten. Schelden +had niet geholpen, klappen ook niet, dan moest ik maar hebben wat er +bijstond. Op een stuk papier werd met groote letters geschreven: Jan Pis +in bed. Dat papier werd op mijn rug gespeld. En zoo werd ik door mijn +oudste zuster naar de bewaarschool van Juffrouw Mina gebracht. Toen is +deze weg mij een kruisweg geworden. + +O, ik kan het niet vergeten, ik heb het nooit kunnen vergeten, die +wanhopige smart, die machtelooze wanhoop. Ik _wilde_ het papier niet +op mijn rug hebben, ik _wilde_ niet. Ik worstelde tegen, huilde, +trapte, maar 't gaf niet. Eenige volwassenen zijn met elkaar sterker +dan een bewaarschoolkind, en het moest. Schreeuwende werd ik den winkel +uitgesleept, de blauwe stoep over, de straat op. Zoodra ik op de +straat was, ging ik loopen. Ik schaamde me voor het publiek, kon geen +straatscène maken. Daarvoor was ik te trotsch. De menschen hadden er +niets mee te maken. Maar ik liep als een kleine gebrokene. Iedereen kon +zien, kon lezen, wat er op mijn rug gespeld was, en ik schoof schuin +voor mijn zuster om een bedekking te hebben. + +Die eene schoolgang is voor altijd in mijn geheugen gebeten. Van +alle gangen naar school zie ik alleen deze. De gracht was als een +eindeloosheid. En ik schreide maar, schreide hevig, maar stil. Ik was +radeloos. Gelukkig kwam eindelijk het poortje, waardoor ik met mijn +schande weg kon sluipen van de openbare straat. Doch nu kwam een nieuwe +angst. Nu zou de juffrouw het zien, en al de kinderen. En ik smeekte +mijn zuster, nu toch asjeblieft het papier van mijn rug te nemen. + +Ze was zoo barmhartig. Dat gaf lucht. Schande drukt zoo zwaar. Ook al, +ja misschien bovenal op een kind. + +Ik heb een idee, dat ik dien heelen dag stil ben geweest. Maar misschien +is het ook niet zoo. Ik weet het niet. Kinderen vergeten zoo gauw, zegt +men. Ik heb echter meermalen kinderen uren en zelfs dagen lang stil +gezien onder een veel geringere emotie. En die eene gang naar school was +voor mij, bijna letterlijk, een breken van mijn hart. + +Het bedwateren is overgegaan. Hoe, dat weet ik niet meer. Maar zeker wel +vóór mijn zesde jaar. Of het door die heftige emotie geweest is? Ik weet +het niet, ik weet het niet. Maar dit weet ik wel: er is door dit middel +meer in me vernield, dan hersteld. + + * * * * * + +Natuurlijk--dat zag ik later in--was die heele openbare vernedering +maar een komedie. Er was geen papier op mijn rug gespeld, al had ik het +papier ook gezien en het opspelden gevoeld. Men had mij maar bang willen +maken, met goede bedoelingen, zeker, maar met slechte gevolgen. Zulk een +bangmakerij is bij velen nog een opvoedingsmiddel, een middel dat, waar +'t oude kwalen genezen moet, nieuwe veroorzaakt. + +Tot mijn kindergebreken schijnt ook te hebben behoord, dat ik weleens +in den spiegel keek. Om me hiervan terug te schrikken werd me wijs +gemaakt, dat in den spiegel Haantje Pik woonde. En als ik dan in den +spiegel keek, zou Haantje Pik eensklaps te voorschijn komen en me de +oogen uitpikken. + +Ik geloofde dat niet. Maar eens op een keer zette men mij op een stoel +voor den spiegel, om te zien dat het waar was. Het was avond en ik zou +naar bed gaan. Mijn hanssopje had ik aan, en mijn slaapmutsje op. De +mannen en jongens, ook al de kleintjes, droegen in dien tijd puntige +slaapmutsjes met een kwastje aan de punt, zoogenaamde »bakkertjes"; de +vrouwen en meisjes borgen des nachts hun haar in gehaakte nachtmutsjes. +Daar stond ik dus, jongetje van zeker niet ouder dan vier of vijf jaar, +in mijn wit hanssopje en gebreid bakkertje op den stoel, en keek vol +verwachting in den spiegel. + +Plotseling zag ik daar een hand boven mijn hoofd, die de punt van mijn +slaapmutsje beet pakte en dit met een ruk van mijn hoofd trok. Dat deed +Haantje Pik. Ik bestierf het bijna van schrik, waggelde op mijn stoel, +en werd zeker doodelijk wit. Als een der ouderen me niet aanstonds +gegrepen had, zou ik stellig tegen den grond zijn geslagen. Nu werd ik +gerustgesteld, dat iemand achter me had gestaan en de muts had gegrepen, +dat het maar een aardigheidje geweest was. Maar de schrik zat er in en +langen tijd ontweek ik angstig den spiegel. + +Erger was het, als zulke schrikaanjagingen en bangmakerijen niet +geschiedden met een opvoedkundige bedoeling, maar louter tot vermaak +voor de ouderen. Men maakte me vaak bang door angstig te roepen: »Jan, +kijk eens achter je!" Dan schrok ik hevig, of er een spook achter me +was, dat me meteen aan zou grijpen, en ik vloog hard weg, naar moeder, +of naar bed. Meest was dit een pleziertje voor 's avonds, als ik in mijn +nachtkleeren goênacht had gezegd. Dan riep een der oudere jongens: »Jan, +kijk eens achter je!" en ik holde naar bed. Ik hoorde luid gelach, ook +booze woorden van moeder, omdat ze een klein kind zoo plaagden, maar was +pas rustig, als ik mij diep onder de dekens verstopt had. + +Hoe deze angsten in mijn gemoed hebben doorgewerkt, kan wel blijken uit +het feit, dat ik later, zelfs nog toen ik ongeveer 20 jaar oud was, 's +avonds op een eenzamen weg naar huis keerend, soms plotseling achter me +keek, of me iemand op de hielen zat, en ook wel eens een enkel maal niet +durfde omkijken, maar gejaagd naar huis liep, terwijl het koude zweet me +uitbrak. En toen was ik twintig. + +Dat had de onschuldige plagerij van een paar groote jongens gedaan, +die natuurlijk absoluut geen idee hadden van hetgeen hun pret in het +kindergemoed uitwerkte. + +Men zal begrijpen, dat ik, ouder geworden, nooit kleine kinderen heb +kunnen plagen of bangmaken, en deze liefhebberij van volwassenen altijd +met ernst en beslistheid bestreden heb. Hier lag een smartelijke +ervaring achter, en meer dan een. + +Een der heilzaamste gevolgen van zulke ervaringen is, dat we anderen +leeren ontzien. Zoo kunnen we nog wel eens dankbaar zijn voor het leed, +dat ons anderen leert begrijpen, sparen, helpen, ook redden. + + * * * * * + +De bewaarschool van Juffrouw Mina verliet ik, om voor mij onbekende en +ook totaal onverschillige redenen, en ik ging nu naar de school van +Juffrouw S., een huis of tien van ons af op dezelfde gracht. Er was een +oude moeder en twee dochters, Juffrouw Fietje, de oudste, en Juffrouw +Doortje, die een rond, kleurig gezicht had en wat scheel zag. Zij +was een goedaardig mensch, maar haar oudere zuster was erg bijdehand. +Sommige jongetjes spraken van »Schele Door", »Valsche Fie" en »Ouwe Na". +Maar dat vond ik te oneerbiedig. Ik zag veel te hoog tegen ze op. + +De bejaarde moeder had grijs haar, dat zij steeds, aan weerszijden der +scheiding plat weggestreken, onder een wit mutsje verborg. Juffrouw +Fietje was donker van oogen en haar, en geel van tint. Juffrouw Doortje +had bij haar ronde, blozende wangen, schele blauwe oogen. Als ze ons +aankeek, hield ze altijd het hoofd een beetje schuin. Ik dacht, omdat +ze ons anders niet zien kon, zooals een duif zijn kopje scheef draait, +om u te kunnen bekijken. Ze was lief. Misschien wat te onnoozel voor +de zaak, maar ik voelde haar simpele goedheid, en die voel ik nu nog. +Hartmemorie. + +Het is wel opmerkelijk, dat ik van Juffrouw Mina heelemaal geen +voorstelling bewaard heb en van de dames S. wel. Maar vooreerst was ik +nu iets ouder, maar dan ook is de konnektie langer aangehouden dan tot +mijn afscheid van de school, zooals later blijken zal. + +Van haar schoollokaal herinner ik mij zeer wel, dat het een rechthoekige +ruimte was. De rijen banken, lange zitbanken, enkele met schrijftafels, +stonden evenwijdig met de lange rechthoekszijden. Aan den voorwand +hingen de negen leestafels van Prinsen. Er was maar één raam, dat in een +der korte zijden, precies in den hoek, uitzicht gaf op muren en daken. +In den hoek der andere korte zijde was de deur, ongeveer aldus: + + +----------------------------------+ + | voormuur | + |deur | + | -------------- -------------- | + | -------------- -------------- | + | -------------- -------------- | + | -------------- -------------- | + | -------------- -------------- | + | -------------- -------------- | + | raam| + +----------------------------------+ + +Op deze bewaarschool heb ik lezen geleerd met de leestafels van Prinsen, +de methode van spa-aa, slee-ee, drie-ie, enz. Hoe? Dat weet ik niet +meer. Daar weet ik niets, niets meer van. Ik weet alleen, hoe prettig +ik het vond, naar een hoogere tafel te mogen overgaan, en hoe +ik--eerzuchtig of leergierig?--mijn best deed op iedere nieuwe tafel, +totdat ik ook die weer meester was. Toen ik thuis in den Bijbel kon +lezen, was ik trotsch en gelukkig. + +Volgens sommige psychologen mogen kinderen niet voor hun negende jaar +leeren lezen. Misschien hebben ze gelijk. Maar ik vond dat spelletje +zoo prettig en te gelijk die kunst zoo gewichtig dat ik vóór mijn zesde +jaar van de eene leestafel naar de andere huppelde, zonder verdriet of +bizondere inspanning. Ik merk hierbij op, dat het me uitsluitend om het +plezier van het bemeesteren dier zwarte hieroglyphen te doen was, een +zelfde soort plezier als het oplossen van raadseltjes, het wegzoeken +(padvinden) in een geteekend doolhof, in 't algemeen: het ontsluieren +van onbekenden. Het lezen zelf toch boeide mij niet en heeft mij nooit +kunnen boeien. 't Was dus niet om 't verhaaltje, maar om 't bemeesteren +der kunst. Toen ik die meester was, las ik maar weinig. Ik denk, dat ik +daartoe te aktief was. Ik dééd liever iets. + +Van de spelletjes herinner ik me alleen, dat we, als het boterham-eten +was afgeloopen--we bleven n.l. van 9-4 in dat lokaal opgehoopt--onder +de banken jagertje speelden. Ik zie me over de voetplanken kruipen +en in het woud van kinderbeentjes en bankpooten een wild dier narennen, +een tijger of een leeuw. Die dieren en die jagerij had ik stellig +opgedaan uit de platen van »De aarde en haar volken", waarop mijn vader +geabonneerd was. De jacht was heerlijk, en nu nog voel ik, dat ik er +heelemaal in leefde. Zelfs zoo zeer, dat ik nooit hoorde, hoe Juffrouw +Fietje op het rumoer binnenkwam om de jacht te stuiten, en haar pas +gewaar werd, als ze me onder de banken smerig en wel vandaan sleepte. + +Bij juffrouw Fietje heb ik ook mijn eerste liefde leeren kennen en mijn +eerste bittere ontnuchtering. + +Die liefde gold echter niet juffrouw Fietje, maar een mijner +mede-scholieren, Betje. Ik moet toen al het schrijven verstaan hebben, +ofschoon ik niet weet, hoe ik die kunst machtig ben geworden, maar ik +herinner me zeer wel een briefje, een vuil stukje papier, waarop ik met +potlood zoo iets geschreven had als: »liefe bedje mag ik je vrijjer +weese", en dat ik daarna over de banken heen met de kinderpost verzond. +Het antwoord luidde toestemmend, en dus was de zaak aanstonds in orde. +Hoe ik aan de neiging kwam, om me al zoo vroeg gelukkig te maken met +een liefde-band, weet ik evenmin, als wie me het voorbeeld van een +minnebrief had geleerd. Er zweven echter allerlei bakteriën in de lucht, +van kinkhoest evengoed als van vrijerij, en het eene kind is vatbaarder +dan het andere. Zeer wel weet ik echter, dat ik niet meer wenschte dan +een toestemmend antwoord, en van de heele geschiedenis _dit_ mijn geluk +was, dat ik nu met fierheid op straat kon loopen en tot mijn makkers +zeggen: »Betje is _mijn_ meisje." Die behoorde mij toe, en niemand kan +op haar eenig recht doen gelden. Zij was een stuk jongenseer. + +Het is niet aan gebleven, maar toch was deze scheiding mijn +ontnuchtering niet. Deze kwam nu wél van Juffrouw Fietje, en nog wel op +haar verjaardag. Op een of andere wijze moet ik bespeurd hebben, dat de +kinderen de juffrouw bij deze gelegenheid vereerden met een geschenk. +Dat was voor mij een leelijk geval, want de centen vloeiden thuis niet +overvloedig, ik had al lang ondervonden, dat ik die niet gemakkelijk los +kreeg, en toch waren ze noodig voor een cadeau. + +Nu was er in de Eglantiersdwarsstraat, vlak naast ons huis, een +galanteriewinkel. Daar woonde Juffrouw van Streelen, bij ons gevierd +wegens haar mooi voordragen van lange verzen. Ik herinner me uit +later jaren, dat ze nooit sprak over De Génestet, maar altijd over De +Genéstet, en dat zit me nu nog in den weg. Maar haar grootste bekoring +voor mij was de uitstalling van haar winkel en de buitengewone +vriendelijkheid jegens ook haar kleinste koopers. Die vriendelijkheid +was bijna lieftalligheid. Men kocht iets, en kreeg, behalve het +verlangde voorwerp, ook nog een heele massa bekoorlijkheid. + +Al dagen achtereen had ik de uitstalling van Juffrouw van Streelen +doorvorscht, en daar eindelijk een beeldig klein vaasje ontdekt, met +bloemen op het buikje en gouden bochten langs den oorrand en het +gekartelde voetje. Een bééldig vaasje. En het kostte maar drie cent, +de prijs stond er bij. Ik kende toen blijkbaar de cijfers, anders had +ik dit nooit kunnen weten. Maar al was die prijs tamelijk laag, voor +mij vertegenwoordigde hij toch een kapitaal: drie cent was inderdaad +voor mijn kinderhandje een ongekende schat. Ik wist het geld evenwel +van mijn moeder los te bedelen, en eer ik naar het groote verjaarfeest +van Juffrouw Fietje ging, waar je den heelen morgen spelen mocht en +getrakteerd werd, kocht ik het beeldige vaasje en stapte er uiterst +gelukkig mee naar school, heel voorzichtig het in de hand houdend, dat +het toch vooral niet breken mocht, en onderwijl de roode rozen en de +groene blaadjes bewonderend op het ovale buikje. + +Maar toen ik met mijn cadeau de steenen stoep was beklommen en een +portaaltje was doorgestapt tot dicht bij Juffrouw Fietje, toen schaamde +ik me plotseling. Daar stonden andere kinderen met groote pakken in de +hand, en daar blonken en schitterden mij reeds uitgepakte geschenken +tegen. Een verlakte theestoof! Een glimmende waterketel! Een kristallen +olie- en azijnstel! Wat een groote en prachtige stukken! Daarbij zonk +mijn vaasje heelemaal in 't niet. Al zijn schoone bekoorlijkheid had +het voor mij verloren. En met het schaamrood op de wangen--ik voel +het nog--overhandigde ik het schamel eerbewijs aan de jarige. Deze nam +het aan, bedankte, en zette het neer. Ik zie nog alles, álles. Maar +mijn geluk en fierheid smolten weg. En--niemand had me iets gezegd of +aangedaan, maar ik ging niet naar de feestzaal, doch liep het portaaltje +door, de trap af, en rende naar huis. Nóg drie centen, nóg zoo'n vaasje! +Mijn eer stond op het spel. Ik ging _niet_ naar het feest, als ik niet +eerst nog zoo'n vaasje kon aanbieden, om althans eenigermate in +evenwicht te komen met de theestoof en den waterketel. + +Mijn moeder kon geen weerstand bieden aan mijn dwang. Ik liet haar +niet los. Weet men wel, wat geweldige gemoedsmachten daar soms achter +zitten, als de kinderen heeten te »dwingen"? En spoedig holde ik met +mijn afgeperste drie centen naar Juffrouw van Streelen, had nu geen tijd +om van haar lieftalligheid te genieten, en holde haar winkel uit, den +hoek om, de gracht, de stoep op, naar Juffrouw Fietje. + +Die had me in de drukte van het ontvangen en uitpakken niet gemist. +Hijgend duwde ik haar het tweede kleinood in de hand en zag haar aan, of +het zoo nou niet goed was. En toen zei ze: »Had dat vod maar gehouden." +En ze zette het minachtend neer. + +Dat was bijna zoo erg als het schandpapier op mijn rug. Ik voelde +een diepe krenking en verloor alle veerkracht uit mijn heele lijfje. +Beschaamd slenterde ik naar de feestzaal. Van de pret herinner ik me +absoluut niets meer. Ik weet ook niet, of ik pret heb gehad. Bij dien +ontzettenden neerslag staan mijn herinneringen stil. + +Nu moet ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik niet weet, of ik de woorden +van Juffrouw Fietje precies heb teruggegeven. Misschien heeft ze 't niet +zoo kras gezegd. Niet die heel harde _woorden_ gebruikt. Maar voor de +zaak sta ik in. Haar geringschatting was ongeveinsd. Die heb ik te +pijnlijk gevoeld. En dat gevoel is me onuitwischbaar bijgebleven. + +Van dit oogenblik af heb ik een hekel aan gelegenheidscadeaux gehad. Ik +heb ze nooit kunnen ontvangen. En waar ik ze aanbieden moest, betaalde +ik liefst de dubbele waarde. + + + + +DE EERSTE LAGERE SCHOOL. + + +Geen flauwe notie heb ik er van, dat ik op zekeren dag niet meer naar de +bewaarschool, maar voor 't eerst naar de Groote School ben gegaan. + +Toch moet dat eenmaal gebeurd zijn. + +En in die Groote School moet ik me bekwaamd hebben in lezen en schrijven +en al de andere vakken der wet. + +Ik weet er niets van. + +En in die school moet ik vele klassen doorloopen hebben, examens en +verhoogingen meegemaakt, onderwijzers leeren kennen, zegenen of +verwenschen. + +'t Is alles weg. + +Is het er wel ooit geweest? + +Maar dat moet toch wel. Ik heb toch ruim vier, misschien zelfs vijf jaar +daar schoolgegaan, dag aan dag. Dat is toch geen kleinigheid. En ik moet +er toch al mijn eerste bekwaamheden hebben verworven. En met de meesters +hebben verkeerd. + +Wonderlijk, dat ik nu uit de bijverschijnselen en uit de gevolgen +afleiden moet, dat ik van mijn zesde tot mijn tiende of elfde jaar het +schoolleven heb meegemaakt, maar dat ik het anders niet weten zou. En +zelfs niet gelooven als anderen 't mij bezwoeren. + +Zoo is dat leven buiten mij omgegaan. De heele schoolperiode ligt als +een donker ledig achter me. Ze heeft me niets te zeggen. + +Dat bewijst voor mij twee dingen. Dat _ik_ eigenlijk leefde buiten die +leerwereld. En dat _de school_ eigenlijk leefde buiten mij. + +Mijn hart lag buiten de klas, buiten de leerboeken, buiten den +lesrooster. En het hart der school lag buiten de kinderziel. + +Die twee zochten malkaar niet op. Het waren wildvreemden voor elkaar. + +Slechts enkele dingen herinner ik me, maar die gelden niet het +onderwijs, waarvoor ik toch eigenlijk de school bezocht. En die dateeren +dan nog pas uit de hoogste klas en betreffen maar twee personen, een +meester, dien ik niet noemen wil, ofschoon ik zijn naam nog heel +goed weet, en meneer Kuyper, den bovenmeester, wiens naam ik nog +steeds zegenend gedenk, niet--men moet voorzichtig zijn--omdat hij de +bovenmeester was, maar omdat hij een mensch was, een zachtaardig mensch. + +Meneer Kuyper zie ik als een teere figuur, een man van middelbare +groote, in 't zwart gekleed, een zijden petje op. Zijn gelaat was zacht, +bleek. Zijn oogen lichtblauw. Zijn gang opmerkzaam en rustig. Ik voelde +iets teers voor hem, of ik voor hem wilde vechten. Dat gevoel ging +geheel uit van zijn verschijning, want ik herinner mij niet, dat hij mij +ooit persoonlijk goed deed. Ik had geen reden, om bepaald hem voor iets +in 't bizonder dankbaar te zijn. Maar zijn heele wezen vervulde me met +teerheid en dankbaarheid. + +Elken morgen bad hij. De school bestond uit drie groote lokalen, twee +naast elkaar, een ter zijde, aldus: + +-------+ + | |× | + | | | + +-------+ + | | + | | + +---+ +Ze waren gescheiden door glazen schotten met schuiframen. Dan gingen +de schuiframen omhoog en zaten alle kinderen eerbiedig. Hij stond, +bij een der geopende ramen, achter een orgel met geel geverfde kast, +nam de pet van 't hoofd, en bad met zachte stem voor de heele school. +Er zweefde dan iets lieflijks over al die kinderhoofdjes. Er daalde +iets verkwikkends in al die kinderhartjes, iets als een heel zachte +voorjaarsregen. Ik herinner me geen enkel woord. Maar ik herinner me +stille ontroering. En ook een enkele traan van berouw, die daarna als +een goed voornemen mijn wang bevochtigde. Te snel verdampt. + +Na het gebed zette de fijne figuur zich achter het orgel. We zagen +hem niet meer, doch hoorden hem zingen in orgeltoonen. Eerst een kort +voorspel, en dan volgde het godsdienstig lied, waarbij de heele school +meezong. + +Dat waren heerlijke oogenblikken. Doch nu volgde niet een voortzetting +van dat gebed en gezang, nu volgde niet de uitwerking er van in het +praktische schoolleven, nu volgde niet--o, het is verschrikkelijk om +het te zeggen--de doorwerking van den afgesmeekten Heiligen Geest, de +werkdadige kracht van den afgebeden zegen Gods, nu volgde een stuk +afgrijselijke kinderellende. + +Onze meester was, ik zeg niet streng of stipt of veeleischend, hij was +hard. En nog niet eens hard als staal of steen, want dan hadden er nog +vonken kunnen uitspringen, maar hard als een verdroogd stuk leer. Het is +geen toevalligheid, dat hij zijn horloge niet aan een metalen ketting of +een fijn zijden koord droeg, zooals krachtige of teere persoonlijkheden +gewoon zijn. Een man verraadt zijn ijdelheid en zijn gemoed in zijn +horlogeband, en de zijne bestond uit een dooreenvlechting van drie +smalle leeren riempjes, een kabeltje van leer, hard en droog en taai. +Vooral ook taai. Staal en steen kunnen niet alleen vonken schieten, ze +kunnen ook stukspringen. Ze wagen in den strijd hun eigen bestaan. Maar +hardheid, die tevens taai is.... het is de slavenzweep van Legree uit De +Negerhut. Alleen de liefde heeft het recht om taai te zijn. + +Meester Leer--zoo zal ik hem maar noemen--was harteloos. In onze klas +zat een jongen, wiens vader een grutterzaak dreef en C. C. C. M. heette, +gelijk ieder op het naambordje lezen kon. Wanneer de kleine M. nu iets +misdreven had en daarom voor de klasse moest komen, greep meester Leer +hem bij het aardige kuifje, dat zoo hups zijn jongensschedel aanmeldde, +en schudde den kleinen kop op en neer, een soort schedelrammeling, onder +het knerpend gekraak van: »Zeg jij, C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. +M., zal jij...." enz. Bij ieder C. werd de kleine kop gerammeld. + +Wij, anderen, zaten dat met stillen haat aan te zien. O, hoe haatten +en vervloekten wij dien kerel, dien gemeenen kinderbeul. Als we maar +gekund hadden, we hadden hem tot modder getrapt. Maar daar stond hij, +onaantastbaar, in zijn macht als meester. En wij zaten, stom, strak, de +handjes gevouwen op den tafelrand, den rug rechtop, een doodstille klas, +machteloos overgeleverd aan een slavendrijver zonder hart of geweten. + +Zoo werd het gebed verhoord. + +Zoo daalde Gods afgebeden zegen in onze ontvankelijke kinderhartjes. + +Eens op een keer vond hij zijn man. In de klasse zaten twee broertjes. +Een van de twee moest voor de klas komen, bij de landkaart, om daar wat +stippen aan te wijzen, waarover geen van ons zich een grein bekommerde. +De jongen wist ze niet, maakte althans fouten--hetgeen ik nu, uit de +verte, uit de gevolgen afleid--en kreeg daarvoor geweldige klappen om +zijn kop. Wij waren dat gewoon, zaten het wezenloos of met verbeten +woede aan te kijken, wachtten tot de hagelslag voorbij was, beefden al +tegen dat onze beurt aanbrak.... + +Maar daar plotseling hooren we een woesten schreeuw, als den kreet van +een wild dier. Een jongen vliegt achter uit de klas tusschen de banken +door, en onder het krijschen van onverstaanbare geluiden beukt hij op +den meester los. 't Is het oudere broertje van het gekastijde kind. + +Ha, hoe genoten we bij deze uitbarsting van woede. We rezen uit de +banken op, vergaten wat de gevolgen konden wezen, en juichten van +instemming. + +Razend van drift sloeg de jongen, waar hij den meester maar raken kon, +en rukte toen zijn broertje uit de klauwen van zijn kastijder. + +Een oogenblik van doodsche stilte, toen hevige, snikkende +verwijtschreeuwen van den oudste, en toen.... + +Meer weet ik niet. + +Of de jongen straf gekregen heeft, weggejaagd is, excuus heeft moeten +vragen, ik weet het niet. Al het andere is verdwenen. Maar levend is +gebleven dat eene moment van uitgebroken broederliefde, die eene +uitbarsting vóór de klasse. Mijn geest heeft het opgenomen als een +momentopname van een ontploffing. En levend is ook gebleven, het +grootsche gevoel van bewondering. Nu nog is het me, of ik toen getuige +ben geweest van iets zeldzaams in de menschenwereld: de zichzelf en +alles vergetende reddingsdrift. Een brandweerman, die in den vuurpoel +springt om een kind te redden. Die jongen was een held. Hij heeft ons +in één woeste daad.... opgevoed. Op-ge-voed. + +Waarschijnlijk dacht de meester er anders over. En als die meester en +ik samen in een paedologische vereeniging zaten, zou hij allicht een +anderen karakteristiek van dien jongen geven dan ik. + + * * * * * + +Geen wonder, dat we bij zoo'n meester dikwijls strafwerk kregen. Bij +hem heb ik geleerd, eenige honderden strafregels met drie griftjes +tegelijk te schrijven. We waren er heel handig in, die drie griftjes +onder elkaar, amphitheatersgewijze, vast te houden, en dan er mee over +de lei te vliegen. Die handigheid hadden we dan toch maar aan meester +Leer te danken, en daarom zeggen sommigen, dat je het de kinderen niet +te gemakkelijk moet maken. Verdruk ze maar, opdat ze te beter tegen de +verdrukking ingroeien. 't Is ook een opvatting, en die groei tegen de +verdrukking in, ja, dat was waarheid. We groeiden o. a. ook heel sterk +in list en bedriegerij. + +Een der straffen was schoolblijven, en daarbij dan maar doodstil zitten. +Een uur of langer stilzitten, de handen gevouwen aan den tafelrand, de +oogen strak naar boven, onbewegelijk, daar de geringste beweging +gestraft werd met een kwartier of een halfuur langer. + +Ik denk, dat ik iederen dag heb moeten schoolblijven, want ik herinner +me telkens terugkeerende standjes over te laat thuiskomen. Maar dat kon +ook door andere oorzaken gekomen zijn, want de weg van school naar huis +was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen. + +Natuurlijk wendden we allerlei pogingen aan, om van dat schoolblijven +verlost te worden, »weg te spatten" gelijk we dat noemden. Wanneer +de meester maar even in een ander lokaal was, renden wij met +bliksemsnelheid naar de deur, en vlogen, het portaal door, naar buiten. +Wee echter, als de buitendeur op slot bleek. Dan stond je daar eenige +oogenblikken in razende wanhoop. Niet omdat hij je dan weer bij je +kladden kon krijgen, want den volgenden schooltijd had hij je toch weer +in zijn macht en zou je natuurlijk dat wegspatten wel inpeperen, dat +was het minste, maar omdat je hem nu aanstonds voor je zou zien met +zijn duivelsche grijns van voldoening; omdat je zijn sarrende stem zou +hooren, dat je dat nu eens lekkertjes niet gelukt was, zijn stem vol +nijdigen kinderhaat. Wanhoop, omdat hij je met listigheid in de val +had laten loopen en daar straks demonisch van zou genieten. + +Maar eenmaal ben ik hem toch te slim af geweest. Weer zat ik lang, +heel lang na te blijven, terwijl buiten de zon zoo heerlijk scheen. +Toen verzon ik, dat ik »naar achteren" moest. Neen, het mocht niet. +Het werd echter zoo erg, dat ik den vinger aanhoudend opstak en daarbij +in de bank zat te zwaaien als een dreigende onweersbui. Mocht ik dan +niet--'t leek wel, of mijn heele houding dit wilde zeggen--dan kwam +de verantwoording voor den meester, als ik ten slotte den vloer +verontreinigde. Die verantwoording durfde hij zeker niet op zich te +laden, ik kreeg tenminste verlof. Maar de knarsstem gromde me toe: +»Geef eerst je pet hier." + +Ik bracht de pet, innerlijk genietend van zijn onnoozelheid, alsof ik me +door een pet zou laten weerhouden. Die pet kon stikken, en hij er bij. +En nu naar achteren. Doch nauwelijks was ik daar, of ik klom omhoog, +wrong mij door een raampje, liet me vallen, en stond op een terrein, +waarschijnlijk de speelplaats, waarvan ik me echter niet herinner dat er +ooit gespeeld werd. Nu aanstonds naar de houten schutting. Een sprong, +de handen om den rand, het lijf opgetrokken, rechterbeen er over, nu de +romp, het linkerbeen, hangen, loslaten, en daar was ik op een houtwerf +naast de school. Gauw naar voren, het hek door, en ik stond blootshoofds +op de Lindengracht. Zonder pet, maar vrij. Vrij! en ik holde naar +huis. Om de gevolgen bekommerde ik me voor 't oogenblik niet. Het +was met den meester toch altijd een strijd op leven en dood, en +ieder uurtje gestolen vrijheid was winst. Wat zullen mijn kameraden, +medeschoolblijvers hebben opgezien, toen ik niet terugkwam. En wat +zal de meester met lieflijkheid mijn pet hebben gekoesterd. + +Het lijkt me, nu ik dit schrijf meer dan veertig jaar later, het lijkt +me, of ik alles lieg. Is het mogelijk een fantasie? Heb ik in mijn +jongensjaren--kinderen hebben zoo'n levendige verbeelding--dat heele +verhaal misschien bedacht, en het als een heldenfeit zoo vaak aan mijn +makkers verteld, dat ik het eindelijk zelf geloofde? Maar neen, dat kan +toch niet. Mijn heele leven heb ik het als zuivere jeugdherinnering +meegedragen. Zou ik me dan zóó vergist hebben? Doch wie bewijst, dat ik +waarheid zeg. Neen, ik bedoel niet, wie bewijst het aan een rechtvaardig +oordeelende rechtbank, maar wie bewijst het aan mij persoonlijk, die het +ervaren meen te hebben en nu twijfel aan mijn eigen ervaringen. Ik wou, +dat een oud-schoolkameraad dit las en, plotseling het verleden er in +herleefd ziende, overtuigd uitriep: »Juist zoo, zoo is het gebeurd." +Dan had ik, door een vreemde, gewisheid van mijn daden. Nu moet ik maar +gelooven in mijn herinneringen. 't Is toch vreemd, dat men zijn eigen +verleden, zijn toch zelf doorleefd verleden, niet kan bezitten zonder +geloof. En dan bezit men het nog maar in het licht van zijn toenmalige +zelfverblinding. + +Maar ik denk toch wel, dat die klauterpartij zonder pet werkelijkheid +is geweest. Ik zie ze zoo levendig voor me, ik zie zoo precies den weg, +dien ik daarbij gegaan ben, en ik verbeeld me nog eenige populieren te +zien, die op de speelplaats langs den blinden gevel van het daarachter +gelegen huis stonden. + +En dan ook, de feiten passen zoo geheel in het kader van dit +schoolleven. Van Geschiedenis, Aardrijkskunde, Rekenen, Taal, Lezen en +Schrijven herinner ik me absoluut niets meer. Doch de hoofdmomenten uit +_den schoolstrijd_--een véél ernstiger en gewichtiger en langduriger +worsteling dan »de" Schoolstrijd--spreken nog luid in me, met beeld en +stemming. Ik zie alles nog voor me, en mijn hart klopt heftiger bij de +herinnering. + + * * * * * + +Het spreekt vanzelf dat we niet alleen het nablijven ontvluchtten, maar +ook aan de kwelling van de school zelf trachtten te ontkomen. Daartoe +waren maar twee middelen: ziekte voorwenden en bommelen, spijbelen, +stukjesdraaien of hoe dit genot meer heeten mocht. + +Het voorwenden van ziekte had het ontstaan gegeven aan een eigen woord. +»Je bent schoolziek," zei mijn vader, als we dreinden om thuis te +blijven vanwege die toch zoo erge hoofdpijn. En de man had gelijk, +want als hij bezweek voor ons smeeken, was binnen een halfuur de +erge hoofdpijn gezakt en zaten we, zoo ongeveer om halftien in den +voormiddag, een beetje te spelen, of drentelden door 't huis, door den +winkel, als 't kon de straat op. Het was niet in mijn nadeel, dat ik +nogal wit zag en teer was van gestel. Daardoor kon ik dikwijls hoofdpijn +hebben, die haar crisis had onder 't ontbijt. Maar nooit vond ik mijn +ouders onbarmhartiger, dan wanneer ze geen medelijden met me toonden en +zelfs aan mijn hoofdpijn geen geloof sloegen. »Ga jij maar naar school, +hoor! 't Is schoolziekte." Diep neerslachtig en met slenterende beenen +sleepte ik me naar school. Dan droop er een dreinende motregen in mijn +kindergemoed. + +Zulke beschuldigingen en mistroostigheden mogen wel veroorzaakt hebben, +dat ik mijn heil zocht in het stukjesdraaien. Als je niet naar school +_wilt_, en niet thuisblijven _moogt_, dan schiet er ten slotte niets +over, dan dat je op den weg tusschen huis en school blijft omdolen. Waar +zou je anders heen? En dan neem je dien weg wat ruim, omdat het zoo +vervelend is in dezelfde straten maar steeds heen en weer te trekken, +en je daar ook gezien en aldus verraden kon worden. Dan loop je rond, +tot de huisdeur zich weer voor je openen wil, dat is zoo ongeveer een +kwartier na het eindigen van den schooltijd. + +Ik heb mijn toevlucht ook tot dat redmiddel moeten nemen, en dank +daaraan drie der allerheerlijkste weken uit mijn schoolleven. We noemden +ze later de bommelweken, en nu nog is dat onwelluidende woord voor mij +synoniem met oase, paradijs, vrijheid, en al zulke vertegenwoordigers +van iets zonnigs en lieflijks te midden van de grijze ellende. + +Elken morgen gingen we op den gewonen tijd de deur uit, maar sloegen +bij een bepaald punt linksom in plaats van rechtsom. 't Scheelde maar +een kleinigheid, maar 't werd een reusachtig verschil. Rechtsom trokken +we naar school, naar den gehaten plicht, linksom naar buiten, naar de +begeerde zonde. Waarom had men de plichtsvervulling ons dan ook zoo +hatelijk gemaakt? In iederen arbeid steekt genot, in den schoolarbeid +zelfs een heel groot genot voor bijna alle kinderen. Maar men verbittert +er het lekkerste brood, vergalt er de zoetste melk. En zoo maakt men de +kinderen het eten en drinken onmogelijk, hoe graag ze het van nature ook +doen. + +We waren met ons vieren, mijn broer en ik, en dan nog twee klasgenooten, +Willem en nog een ander. Willem had een eigenaardige bron van inkomsten. +Zijn vader was bode en aanspreker. Iedere week moest Willem voor hem de +klanten rond, om de kontributie voor een begrafenisfonds op te halen, +kleine bedragen, maar die door verscheiden niet geregeld betaald werden +en daardoor tot vrij groote sommen opliepen. Wanneer Willem nu wat geld +wou hebben, ging hij naar de achterstalligen en maakte daar een standje. +»Kompliment van vader, en of er nu eindelijk eens betaald werd. 't Was +een schande, zooals ze hem iederen keer voor gek lieten loopen, en als +er nu niet betaald werd, zouden ze andere maatregelen moeten nemen." +Willem schreeuwde zijn boodschap op een luiden brutalen toon, zoodat +de buren het even goed konden hooren als de betrokkenen. Dit had +ten gevolge, dat de schuldige vrouwtjes hem gauw in de kamer riepen, +daar paaiden met mooie beloften, en hem persoonlijk vijf cent of een +dubbeltje toestaken, om hem tot meegaandheid te stemmen. Sommigen van +haar waren blijkbaar zoo bang voor de nieuwsgierigheid der buren, dat ze +Willem reeds te gemoet kwamen eer hij zich nog had aangemeld, en zijn +onbarmhartige jongensstem bij voorbaat met een dubbeltje omkochten. + +Er was voor mij in deze geheele ophaalderij iets geheimzinnigs. Ofschoon +ik precies wist, hoe de vork in den steel zat, en bij iederen klant met +nieuwsgierigheid vroeg, »hoeveel hij van dat wijf weer had losgekregen," +besefte ik toch heel wel, dat die vraag met die ruwe woorden maar +grootdoenerij was, en we eigenlijk bij ieder geval meespeelden in een +droevige tragedie van armoede, zorg, schaamte, afzetterij. Ik gevoelde, +dat we iets heel gemeens deden, en juichte toch bij iedere vermeerdering +van ons schandkapitaaltje. Willem ging, zonder eenig mededoogen, zijn +bedachte boodschappen doen, en wij wachtten op een afstand de gevolgen, +springend van vroolijk verlangen en tegelijk innerlijk huiverend van +schuldgevoel. Dit laatste was de stem van het geweten. Dat wist ik toen +reeds heel goed. Maar ik wist die stem ook onder schijnbare +onbezorgdheid te verzwakken. + +Van het geld kochten we eerst een grooten zak krenten, die voor +pruimtabak moesten dienen. We verdeelden ze onder elkaar en hadden +dan elk voor zich een afleiding en hartversterking. Telkens namen we +een handje krenten, wierpen die in onzen mond, verborgen ze achter de +kiezen, en hielden ze daar gezellig opgehoopt. Ik voel zeer goed, wat +zoo'n tabakspruim voor een werkman beteekent. Het is niet de lekkernij, +die hem bekoort, maar de gezelligheid. Zoo'n handjevol tabak, steeds op +dezelfde plaats bewaard en bewerkt, is voor hem een soort kameraad, een +vertrouwelijk vriend, met wien hij heel eigen is. Hij voelt zich niet +meer eenzaam en verlaten, niet meer unheimisch, als hij dezen gezel +op zijn vaste plaatsje meedraagt. Zooals meisjes een pop behoeven, om +een leegte aan te vullen, jongens een stok moeten dragen, om niet zoo +alleen te zijn, vele volwassenen een kat in de kamer of een hond op de +wandeling moeten hebben, om het gevoel van verlatenheid te breken, zoo +heeft de stugge werker op het veld of achter de heistelling in zijn +tabakspruim een stuk gezelligheid in zijn eentonig leven. Een soldaat +op post is met dezen vriend niet meer eenzaam in het nachtelijk uur. +Als wij een verre boodschap moesten doen, vooral 's avonds, namen we +een hard stukje kaaskorst in den mond, en kauwden en knauwden dat, niet +om het op te eten, maar om van zijn nabijheid te genieten. Misschien +hebben de psychologen voor deze gehechtheid aan de tabakspruim een veel +betere verklaring, zoodra ze experimenten genomen hebben met heiers mét +en zónder pruim, wellicht komt het dan alles neer op prikkeling van +bepaalde zenuwen en overheersching van bepaalde bewustzijnstoestanden, +maar ik, die alleen eigen ervaring raadplegen kan, te dom voor +experimenten en te lui voor statistieken, voel die gehechtheid alleen +als een gemoedsverschijnsel. Een afleiding, zegt het volk. Juist, een +afleiding van zijn enkelheid. Een afleiding, die Adam zelfs in het +Paradijs noodig had, toen hij, te midden der onbeperktste weelde, zich +toch eenzaam voelde, en Eva kreeg. Als een tabakspruim? Lieve menschen, +ik wou, dat men alle aesthetische gevoelens een oogenblik het zwijgen +kon opleggen. Eva was een wonderschoone verschijning--lees maar in +Vondels verzen--om wie de Engelen mensch zouden willen zijn. En een +tabakspruim--nu, ik wil de voorstelling niet verlevendigen. Maar die +tabak was ook eenmaal een frischgroene plant, en Eva zal ook eenmaal +verrotting zijn. We moeten over de grenzen van het heden heenzien, +dan ontwaren we meer gelijkheid, dan iemand ooit vermoedde. En--om te +besluiten--wellicht heeft menige Adam meer te danken aan zijn willige, +zich altijd schikkende tabak, aan dezen nooit eischenden vriend, dan aan +zijn Eva. + +Wij, dit wilde ik slechts zeggen, bootsten met onze krentenpruimerij de +groote menschen na, maar _zouden dit nooit gedaan hebben, als in ons +niet dezelfde gemoedseigenschappen aanwezig waren als in die groote +menschen_. Ook in ons was die behoefte aan dat intieme verkeer, en te +sterker, bij een niet volkomen rustig geweten. + +Voor het overige geld kochten we een reusachtigen vlieger en een heelen +hoop strengen touw. En hiermee trokken we naar het Vondelpark. In de +morgenuren was het daar nog al rustig. Je kon daar zoo lekker stil +rondscharrelen, zonder dat je ieder oogenblik gevaar liep, een kennis +tegen te komen. 't Was vrij ver uit de Jordaanbuurt en werkmenschen of +winkeliers, gelijk onze ouders waren, hadden in de week geen tijd om +overdag in het Vondelpark te wandelen, terwijl hun arbeid hen daar nooit +heen voerde. Daar kwam nog iets bij. Je had achter 't Vondelpark mooie +weilanden, om den vlieger op te laten, en in het park zelf dichte +boschjes, om er hem te verstoppen. We hadden al gauw een verstolen +hoekje gevonden, waar hij telkens met touw en al werd weggeborgen, als +wij naar huis moesten, en waar we hem ook weer trouw terugvonden, als +wij naar dit zalig oord terugkeerden. + +Het spreekt vanzelf, dat we niet dag aan dag gingen vliegeren. Waarmee +we dan de andere dagen doorbrachten, weet ik niet. Alleen herinner ik +me, dat we ook vaak naar eenige landpaden gingen, buiten de Zaagpoort, +en daar speelden op de balken en de boomstammen, die in het slootwater +bij de houtzaagmolens lagen. + +Dat was een van mijn heerlijkste genietingen. We trokken dan de schoenen +en kousen uit, stroopten de broek zoo hoog mogelijk op, en speelden +Bataviertje, waaruit ik nu alweer kan afleiden, dat ik op school van de +Batavieren geleerd had. Wij waren Batavieren, die op vlotten den Rijn +kwamen afdrijven. Daarbij liepen we op bloote voeten over de balken even +rustig, vlug en gemakkelijk als op het land. Het was verwonderlijk, +hoe vertrouwd we met onze vlotten waren. Terwijl we van balk op balk +stapten, doken deze, soms dunne stammen, vaak diep onder water, maar +daar bekommerden we ons in 't geheel niet om, integendeel, we vonden +'t heerlijk. We waren thuis op onzen balkenvloer, we waren thuis in de +slooten. Om natte pootjes gaven we absoluut niet. Hoe meer het water +golfde en klotste en spatte, hoe liever 't ons was. De eenige voor wien +we eenige vrees koesterden, dat was de molenaar. En eigenlijk waren we +ook voor hem niet bang, we konden hem gauw genoeg ontvluchten. We waren +voor niemand bang. Maar de mogelijkheid bestond, dat we bij een +overhaaste vlucht onze kousen en schoenen op 't weiland moesten +achterlaten, en dan zou natuurlijk alles uitkomen. + +Toch werd deze sloot ons onheil. Op zekeren dag ging een der jongens +gehurkt op een balk zitten. Een ander vond dat al te verleidelijk en gaf +een trap tegen den balk, waardoor nummer een achterover in het water +tuimelde. Dat was nu op zichzelf zoo erg niet, de sloot was niet zoo +diep, en met het water waren we vertrouwd. De drenkeling was dan ook +weer gauw aan land. Maar zoo kletsnat kon hij niet blijven rondloopen, +zich uitkleeden en zijn goed te drogen leggen was te veel gewaagd met +het oog op den molenaar. Die kon van onzen nood wel eens misbruik hebben +gemaakt, door den jongen spiernaakt den weg op te jagen. Daarom deden +we, wat we in zulke gevallen altijd deden, we gingen op een draf naar de +gasfabriek, den natten kameraad, die in zijn zware, plakkende, druipende +kleeren niet zoo hard loopen kon, tusschen twee flinke loopers in, hand +aan hand met hem voorthollend, de anderen er achter. + +In de gasfabriek, aan de buitenzij der stad gelegen, waren de mannen +altijd welwillend. Ze vloekten er wel bij, maar dat hinderde niet. Hoe +harder ze je uitscholden, hoe meer je van ze gedaan kreeg. »Baas, magge +we d'r in, hij hèt in 't water gelege."--»Zoo, dondersche schooiers, +het jelui weer met je mieter in 't water gelege. Wil je wel gauw +opdondere."--»Och baas, hij is zoo nat, en dan krijgt ie van zijn +vader."--De baas keek naar den klappertandenden schooier en liet ons +binnen. »Vooruit dan maar, maar heb het hart in je lichaam, dat je 't me +weer flikkert."--»Dank u wel, baas!" en we holden naar binnen. De natte +kameraad kleedde zich uit als in 't zwembad en liep een beetje naakt +rond te scharrelen en zich te warmen, terwijl wij zijn natte kleeren +te drogen hielden bij de heete retorten. De werklieden lieten ons stil +begaan, we waren jongens die zichzelf konden redden. Alleen nam deze +of gene den kans waar, om den naakten sprinkhaan een kletsenden klap te +geven, waarom de naakte sprinkhaan dan ook altijd zorgde, dat hij uit de +voeten kwam als er een man naderde. + +De kleeren waren gauw genoeg droog, maar ze hebben ons verraden. Hoe, +dat herinner ik me niet meer, maar 't was na dit voorval gauw uit met +de pret. Op een middag kwamen we thuis, met een onschuldig gezicht, of +er niets gebeurd was, toen Moeder ons ontving met de ongewone vraag, +waar we vandaan kwamen. Die vraag schokte ons hevig, maar we logen +natuurlijk: Van school. En er was een boodschap gekomen, dat we al in +geen drie weken op school waren geweest, en een jongen z'n moeder was in +den winkel geweest en had verteld, dat ze aan zijn kleeren gezien had, +dat hij in 't water had gelegen, en dat hij toen alles bekend had. Het +viel niet meer te loochenen en ook wij moesten door de mand vallen. + +Dit oogenblik herinner ik me nog heel levendig. We stonden in de +huiskamer. Daar was een kastdeur met behangselpapier beplakt. Er was +geen kruk in, wel een sleutel. Ik zie den zwartgeroesten sleutel nog uit +het sleutelgat steken, donkere figuur in een omgeving van lichtgrijs +papier. Op dit plekje, vlak bij de kast, moesten we ons kwaad openlijk +erkennen. En toen stond het plotseling als een vreeselijk misdrijf voor +me. Ineens voelde ik de zwaarte van 't vergrijp op mijn schouders +drukken. Ik voelde mijn beenen trillen, greep den sleutel vast, zonk +ineen, en begon hartstochtelijk te snikken. Wonderlijk toch, al die drie +weken had ik genoten, was wel eens onrustig geweest, maar was er toch +iederen dag op nieuw uit getrokken. Mijn geweten had zich laten sussen. +'k Had goed gegeten, goed geslapen. Maar nu het kwaad was uitgekomen, +was aanstonds al mijn kracht gebroken en zakte ik, wanhopig en +radeloos, in elkaar. Dat is de overweldigende macht der openbaarheid. + +Tot straf mocht ik dien avond niet naar het verjaarpartijtje van een +vriendje. Aanstonds uitkleeden en zonder eten naar bed. Dat was een +groote straf voor me, want van dat partijtje had ik me heel veel +voorgesteld. Niemand zal echter die straf te zwaar achten. Drie weken +spijbelen, drie weken je ouders bedriegen, dat is voorwaar geen +kleinigheid. Daarvoor is het onthouden van zoo'n genoegen eigenlijk nog +een veel te geringe straf, ook al is voor een kind een kinderpartijtje +een buitengewoon genot. + +Maar wilt ge nu mijn Moeder eens leeren kennen? Toen ik tot acht uur of +half negen of negen uur--ik weet het niet precies meer--stil in mijn bed +had gelegen, telkens schreiend van diep berouw, maar wellicht nog meer +uit medelijden met mijn arme zelf in mijn bitter treurigen toestand, +kwam mijn Moeder bij mijn bed. Ik nam haar hand en kuste die, zooals een +geslagen hond naar zijn meester kruipt en diens hand likt. Ik kon geen +scheiding tusschen haar en mij hebben. En zij liet haar hand nemen en +die kussen. Heete tranen vulden mijn oogen en vloeiden over mijn wangen. +Was ik toch maar niet zoo'n slecht kind geweest. + +Ze bukte zich over mij heen. Haar nabijheid was voor mij altijd rust en +veiligheid en vrede. Maar nu bovenal. En ik sloeg mijn armen om haar +hals. »Heb je er erge spijt van?"--O ja, en ik begon weer diep bedroefd +te schreien. »Zal je 't nooit weer doen?"--Neen, zeker nooit weer, en +mijn geschokt gemoed kwam tot kalmte. Dat stille schreien, tegen haar +aan, 't was zoo'n verkwikking, bijna een zaligheid. Wat is het toch een +wonder-gelukkig bezit voor een kind, een Moeder. Het is de oplossing van +_al_ zijn ellende. En toen zei ze: »Zou je nog graag een uurtje naar +Piet gaan?" + +Ik kon mijn ooren niet gelooven. Toch naar het partijtje? »Graag!" zei +ik. En zij: »Kom dan maar." Aanstonds was ik uit bed, wiesch me, trok +mijn Zondagsche kleeren aan, die Moeder inmiddels haalde, kreeg een +schoon boordje om, kuste haar, een, twee, drie maal, en vloog het huis +uit, de reeds donkere gracht op, naar den verbeurden en reeds gesloten +kinderhemel, die nu weer voor me geopend werd. + +Van de feestpret wil ik hier niet vertellen, die is nu niet aan de +orde, maar ik moet toch even een woord zeggen ter verdediging van--mijn +Moeder, tegenover--de officieele paedagogiek. Die paedagogiek wou me +later doen gelooven, dat een opvoeder konsekwent moet zijn. Hij mag niet +gauw straffen, zoo dekreteerde ze, maar _als_ hij eenmaal straft, dan +moet hij ook doorzetten; _als_ een kind eenmaal een uur nablijven moet, +dan _moet_ het ook een uurtje nablijven. Want anders, zoo gaf ze reden +van haar dekreet, werkt de straf als een ijdele bedreiging en stoort het +kind zich in 't vervolg er niet meer aan. Zoo heeft de Paedagogiek mij +steeds geleerd. En ook nu weer hoor en zie ik haar met ernstige stem en +verontwaardigd gebaar de handelwijze mijner Moeder afkeuren. Maar wil +ik Haar--ik bedoel de Paedagogiek, de Alwijze--nu eens iets zeggen? +Mijn eigen ervaring slaat dit voorschrift vlak in 't aangezicht. Met +haar generaliseeren bederft ze al haar wijsheid. Mijn Moeder was _niet_ +konsekwent, in een buitengewoon ernstig geval had ze een zeer lichte +straf opgelegd, en van die straf onthief ze ons voor een groot, voor het +grootste deel. En dat deed ze uit pure zwakheid, omdat ze 't niet hebben +kon, dat haar ondeugende jongen verstoken bleef van een in zijn oogen +zeer groot genot. Ze kon niet konsekwent zijn. En ze liet uit enkel +weekhartigheid, genade voor recht gelden. En wat was het gevolg? Dat +ik nog nu in gedachten de hand kus, die mij vrijwillig uit mijn banden +losmaakte. Dat ik reeds toen en mijn heele leven lang voor niets zoo +bang was, als om Moeder verdriet te doen--al deed ik het natuurlijk ook +vaak. Dat ik voor Moeder later alles over had en haar als een heilige +mee door 't leven droeg. Dat was het gevolg van haar inkonsekwenties. + +Maar de Paedagogiek vergeet ook altijd één ding. Ze vergeet de +Stille Kracht. Den wonderbaren invloed van de persoonlijkheid, de +overweldigende macht des Harten. De Paedagogiek werkt met maatregelen. +Ze geeft altijd antwoord op de vraag van wanhopige opvoeders: »Wat moet +ik _doen_?" En ze moet antwoorden op de vraag: »Hoe moet ik _zijn_?" + +Doen? Doen? Geef een ongeschikte de voortreffelijkste middelen, en hij +bereikt er averechtsche gevolgen mee. Hij maait geen graan met zijn +zeisen, hij maait er zijn bloemhof mee kaal. + +Wéés iets. En van uw Zijn gaat opvoeding uit. Dan moogt ge zieken +genezen op den Sabbath. Dan kúnt ge zieken genezen op den Sabbath. En +dan stoort ge u niet aan de Farizeesche Schriftmatigheid. + +Ik was een kleine groote zondaar. Ik was gebroken door berouw. Maar ik +werd opgericht--door Genade. + + + + +TUSSCHEN SCHOOL EN HUIS. + + +»De weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens +vol verleidingen." + +Die verleidingen waren van een gansch andere soort dan die ons bekoorden +als wij van huis naar school gingen. Op den heenweg naar het gehate +gebouw lokte ons elke boom naar buiten. 't Was of iedere vogel ons riep: +»Je gaat den verkeerden kant uit. Je moet niet naar dat muffe hok. Je +moet naar de paden, naar de slooten, naar de velden. Je moet de ruimte +in." Het was wel moeilijk, aan die roepstemmen geen gehoor te geven. +En dat bleef zelfs een strijd voor me, toen ik al lang onderwijzer +was. Naar school of daar buiten? O, dat buiten trok zoo. Het zoog je +letterlijk den verkeerden kant op. En je moest je wel erg schrap zetten, +om door die zuiging niet te worden meegevoerd. Ik kan me dan ook best +een landlooper begrijpen. Een _land_looper, niet een straatslijper. +Zoo eentje, die 't veld in trekt. En eigenlijk geloof ik, dat er een +landlooper aan me verloren is gegaan. Daarom ben ik maar ambulante +bovenmeester geworden. Dat leek er nog een beetje op. Niet waar? + +Maar 's middags op den terugweg naar huis, dan lokte ons geen boom, +of 't moest zijn om er in te klimmen, dan riep ons geen vogel, of 't +moest zijn om hem met steenen te smijten. 's Middags was er niets in +ons van de natuurzieke zwervers. Alle gevoeligheid en groenliefde was +dik geworden als stroop in den winter. Ze konden niet meer vloeien. Ze +lagen als onbewegelijke massa's in ons gemoed. 's Middags, dan was de +strijdlust in ons wakker. Dan was iedere jongen van een andere school +een brutale uittarting, alleen reeds door zijn verschijning. Dan was +iedere winkeluitstalling een booze geest, die helsche vernielplannen in +ons wakker riep. Dan daagde iedere dienstmeid ons uit met emmers water, +die zij 't hart had op haar eigen stoep te zetten, of met huistrapjes, +waarop zij de vrijpostigheid nam naar boven te klimmen voor 't +glazenlappen, of zelfs met boodschappenmandjes, die ze zoo schaamteloos +met den elleboog vasthield of aan de hand liet neerhangen. Dan was +iedere onbeheerde handwagen een voorwerp, om een eind meegesleept te +worden, ieder appelvrouwtje bestemd om te worden bestolen--niet uit +steelzucht, maar uit loutere baldadigheid--, dan was iedere belknop een +magneet voor jongenshanden, verstijfd door 't samenvouwen op den rand +der schoolbank, dan was iedere deur het opentrappen waard, vooral de +winkeldeuren met een rinkelende bel; dan was iedere gebochelde, iedere +kreupele een model voor klassikale nabootsing, dan was zelfs iedere +politieagent een mikpunt voor stukjes stopverf of voor hatelijke +schimpscheuten. 's Middags, dan was de duivel in ons wakker, dank zij +vijf uren van onderwijs overeenkomstig den geest der wet, die sprak van +»opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden". + +De heeren politici in vergaderzaal en krant hebben over die +»christelijke en maatschappelijke deugden" heel wat geredeneerd. +En de schoolmeesters in navolging van hen. Wat waren het toch, die +»christelijke en maatschappelijke deugden", waarin bestond toch het +verschil tusschen beide. Men dreef er den spot mee. Men speelde er een +dialektisch spel mee. Men maakte er politieke kaatsballen van, zooals +zelfs van nog veel heiliger dingen. En intusschen liet men de jeugd +verdrogen, verschrompelen. Intusschen werden de kinderen vernield. +Het ware te wenschen geweest, dat men van die »christelijke en +maatschappelijke deugden" ernst had gemaakt, waarachtigen ernst. +Mijnentwege hadden de onderwijzers het fijne onderscheid tusschen +beide deugdrubrieken mogen voorbijzien, als ze die deugden maar hadden +aangekweekt, door ze te beoefenen. Een beetje christelijkheid, ook in +de christelijke school, zou voor ons zoo goed zijn geweest. Al was 't +maar een klein beetje. De christelijkheid van »Laat de kinderen tot Mij +komen En verhinder ze niet". Maar wij--werden verhinderd. + + Zij hadden ons met _woorden_ wel gedreven, + Maar hebben ons verhinderd met hun _leven_. + + * * * * * + +Vechten was onze hoofddeugd, op school met den meester en op straat met +de heele geordende maatschappij. En dan in 't bizonder met de jongens +van andere scholen. De Noordermarkt was ons slagveld. + +Eerst moet ik echter iets vertellen van een onzer acrobatenkunsten daar, +een kunst, die ik maar zelden, of eigenlijk nooit meer in beoefening heb +zien brengen. Op dit marktplein stonden paaltjes en wel twee soorten: +steenen met koppen als halve bollen en houten met koppen als halve +liggende cilinders. Nu was het de kunst, op zoo'n paaltje te klimmen, +zonder door een kameraad te worden geholpen, daarna er op te staan, +eindelijk van het eene op het andere te stappen, en ten slotte de heele +rij af te loopen. Men moet daar niet min over denken. Het eischte met +elkaar uren en uren van geduldig oefenen, en dat onder de bedreiging +van altijd vijandige agenten of marktmenschen. »Wil je bliksemsgauw +opdonderen", lag in ons gehoor bestorven. Maar wij »donderden op", +net als de musschen voor een paard en rijtuig om dadelijk weer »neer +te donderen" als de bedreiging voorbij was. En onder dat »op- en neer +donderen" oefenden we ons, geduldig, taai, volhardend. Met twee handen +hield je den kop van 't paaltje vast. Dan trok je je op, legde heel +voorzichtig je rechterknie er op, dan je linker, beide knieën tusschen +je handen. Nu de handen loslaten, den romp strekken, en zoo op je +knieën liggen. Ik beloof je, dat het een toer was. Maar het ging. Zelfs +maakten we in die houding allerlei grimassen, zwaaiden met de armen +als vliegende vogels, wierpen de marktvrouwen kushandjes toe. Doch nu +verder. Weer de rechterknie opgetrokken, op de linker gebalanceerd, den +rechtervoet naast de rechterknie gezet--romp rechtop, even rusten--en +het heele rechterbeen gestrekt, daarmee vanzelf het linkerbeen +opgetrokken, en op het rechterbeen gestaan, rechtop terwijl het +linkerbeen wat bewegingen maakte, om het lichaam in evenwicht te houden. + +Honderd- en duizendmaal zijn we er zeker afgevallen, afgegleden, +afgesprongen, eer we eindelijk stonden, maar we hielden vol. Dát was +gymnastiek, ja wat beter dan om de vijf minuten een zwaaitje aan de +ringen. We zagen rood van inspanning, maar rustten niet eer het doel +bereikt was. Nog voel ik in mijn armen en beenen _den wil om te winnen_, +die toen aan 't werk was. Geen eerzucht, geen ijdelheid, al kwam er +later natuurlijk wat pralerij bij, maar _zegezucht_. Geheel in ons +eentje, ongezien, oefenden we ons op ieder paaltje, hoe lastiger hoe +liever. En dat deden we niet om een bewust doel, als een soort plicht, +maar omdat we 't niet laten konden. We verloren ons er in--zooals +een dichter in zijn verzen, een schilder in zijn verven. Wij maakten +ons jongenskunstwerk, met onvermoeibare zelfovergegevenheid. En zoo +presteerden we ten slotte het onmogelijke: we liepen over de koppen van +paaltjes, ongeveer een kleinen meter van den grond, en bijna een meter +van elkaar. En daar liepen we met een zekerheid en een gratie--want in +zulke kunsten zit een natuurlijke gratie, anders zijn ze onmogelijk--die +in ons de lenigheid en de schoonheid ontwikkelden, de zelfbesturing en +het zelfvertrouwen, _maar die door de volwassenen niet begrepen werden_. + +De houten paaltjes met rolronde koppen waren de moeilijkste. De +bolronde van de steenen hadden aan alle zijden een aanpakvlak voor den +naderenden voet, maar die andere--men stelt het zich toch, hoop ik, +wel voor?--konden maar van één zijde benaderd worden. 't Was dan ook +de hoogste triomf, als je over de houten voortstapte, en dat werd nog +mooier als er tusschen die paaltjes ijzeren stangen liepen of ijzeren +kettingen hingen, kettingen met ijzeren punten. Dan liep je ieder +oogenblik gevaar, een breuk te vallen of je op andere wijze aan dat +ijzer te kneuzen. Maar dat maakte het genot nog grooter. + +Denkt de verbiedzieke volwassene er wel eens aan, dat iedere nieuwe +belemmering nieuwe aanvalsdriften oproept? + + * * * * * + +Welken medescholier herinner ik me nog met naam en toenaam? + +Het is Hendrik Busman. + +En waarom is hij het? Omdat hij zoo goed leeren kon? + +Maar denkt iemand nu heusch, dat we ons dáárom bekommerden? + +Hendrik Busman werd vereeuwigd om dezelfde reden als De Ruyter, Tromp, +Piet Hein. Omdat hij zoo goed vechten kon. + +Ik zie hem nog staan, boven op een hooiwagen. 't Was op dezelfde +Noordermarkt. Daar leverden we onze veldslagen, gelijk de mogendheden +eertijds in de Zuidelijke Nederlanden. + +Hendrik Busman stond op een hooiwagen, boven op de lading hooi. We +bleven beneden op de straat en wierpen hem steenen toe. Dat waren de +projectielen, waarmede hij, van zijn hoog standpunt, den vijand +bestookte. Die bleef op een eerbiedigen afstand. + +We droegen houten sabels, met punten er aan. Die staken we op zij, door +een riem. Echte officieren. Soms maakten we een charge. Met getrokken +sabel renden we dan op den vijand los. Die sloeg op de vlucht, niet +bestand tegen ons élan. Enkele dapperen konden echter zoo'n schandelijke +vlucht niet verdragen. Ze bleven staan, het zwaard in hun vuist. +Blindweg sloegen ze in 't rond. Dan kwamen hun verjaagde makkers weer +terug. De moed van enkelen--niet waar?--_de moed van enkelen_ is _de +kracht van allen_. En als ze dan, in hun heldhaftigheid, van het verweer +tot den aanval durfden overgaan, dan holden wij weer weg, tenminste de +groote hoop van ons, dan keerden de kansen, totdat ook _onze_ helden hun +leven waagden. + +Twee dingen weet ik van die vechtpartijen met volkomen zekerheid. + +Vooreerst, dat het vechten heilige ernst was en te gelijk de prachtigste +komedie. + +Het was ernst. We voelden ons in oorlog. Den heelen dag spraken we er +over. We wisten van den vijand alleen kwaad. Ze waren »schooiers" of +»kalen", al naardat ze tot een armere of een rijkere school behoorden. +We bluften op onze heldendaden, we smaalden op hun lafheid. En we +dachten aan niets dan aan den krijg. Hoe de oorlog was aangekomen, +wisten de meesten niet. Er ging alleen een gerucht rond van een of +andere »gemeene streek" of verregaande aanmatiging. Dat was voor de +massa genoeg. Die vroeg niet naar een casus belli. Het feit alleen, dat +er oorlog was, joeg ze al te hoop. Ze vond het heerlijk, in groepen rond +te zwerven, stokken of riemen te zwaaien, en den vijand na te rennen. + +En toch was het komedie. We pasten wel op, dat we geen jongen gevaarlijk +raakten. Ja, met een stok of riem tegen de beenen, hoogstens tegen den +romp slaan. Maar nooit tegen zijn hoofd. En ook nooit een trap tegen +zijn buik of een stomp in zijn hartstreek. Wie zoo iets deed, stond +eigenlijk bij ons in minachting, ook al behoorde hij tot de onzen. Er +was een ongeschreven jongenswet, waarin onridderlijke daden verboden +waren. Ik denk, dat we dit niet aan de school dankten, maar aan de +grootmoedigheid van onze boekenhelden. + +Volwassenen maakten zich soms ernstig bezorgd over ons vechten. Totaal +overbodig. Want het was bijna uitsluitend parade en bluf. Grootdoenerij. +Een gelegenheid om te hollen, te schreeuwen, te zwaaien, te smijten. En +de oorlog stierf zijn eigen dood. Ik weet van geen enkelen oorlog, die +met een verklaring begon en met een vrede besloot. Hij ontstond en +verdween, als de stormen in de atmosfeer. + +Maar dan was er nog een tweede ding, dat ik nu, uit de verte, heel +duidelijk zie. Al waren er ook veertig, vijftig, en meer jongens bij +betrokken, eigenlijk draaide de heele beweging om een paar. Als zij +voorgingen, volgden de anderen. Als zij verslapten, dropen allen af. +Niet alleen onder de schapen heb je de belhamels. Die schijn je bij alle +»gezellig levende dieren" te hebben. En de mensch is zoo'n gezellig +levend dier. Let op de belhamels. In hen heb je de kudde! + + * * * * * + +Erger dan het vechten was onze baldadigheid. Eén voorval herinner ik me +nog heel levendig. + +Misschien weten de meeste volwassenen niet eens, dat je in de raamposten +gaatjes hebt--of hadt--aan elken kant een. Die dienden, geloof ik--we +kregen toen nog geen zaakonderwijs--om er pennen door te steken, die 's +nachts de buitenblinden moesten vasthouden. + +Nu was er in de Westerstraat een porcelein- en glaswinkel, waar we zulke +gaatjes ontdekt hadden. Als je door het gaatje een dun stokje stak, +kwam dit aan de binnenzij te voorschijn en dan kon je er iets in de +uitstalling mee omduwen, een glaasje, een kopje, een vaasje of een ander +niet te zwaar voorwerp. + +Dat deden we. Heel onschuldig bewonderden we de uitgestalde waar, maar +staken inmiddels de stokjes door de gaten en duwden. Tuimelde er een +ding rinkelend om, dan holden we hard weg. + +Eens stonden we weer voor het raam, werkten met stokjes, en loerden +onderdehand of de baas in de achterkamer bleef. + +Plotseling gaat de kamerdeur open, en zien we den man in zijn +overhemdsmouwen driftig den winkel in vliegen. + +Wij op den loop. Een kerel in overhemdsmouwen en blootshoofds, die +je zoo maar op straat naholt, dat is voor jongens nog erger dan een +politieagent. Zoo'n kerel ontziet niets en kan hard loopen. + +Wij vlogen dan ook over den weg. Hier was het nu bijna letterlijk waar, +dat de angst ons de voeten bevleugelde. Hij was ons natuurlijk vrij +dicht op de hielen, een winkellengte, en we konden hem alleen door een +razende vaart ontsnappen. + +Ha, dát was loopen. Als een hinde voor de honden. Zulke vergelijkingen +begrepen we best, veel beter dan de meester. Wij hadden den angst _in_ +ons gehad. + +Daar bereikten we de eerste dwarsstraat. We vlogen den hoek om, en +kwamen midden in een hoop blaffende en vechtende honden terecht. Die +vergaten natuurlijk aanstonds hun geschillen, om op de hollende +jongensbeenen af te stuiven. Maar die renden er, behalve één paar, allen +tusschen door, de honden trappende, zoodat ze jankend wegstoven. Alle, +behalve één paar. En die waren van mij. + +Ik was bang voor honden. En toen ik daar zoo plotseling door zes of +zeven blaffende honden besprongen werd, stond ik dadelijk stil. Ik +durfde niet door die woedende bekken heenbreken. + +Maar achter me kwam de kerel in zijn overhemdsmouwen en zijn bloote +hoofd. + +Toen stond ik ineens voor de uitstalkast van een koek- en banketwinkel. +Dat was tegenwoordigheid van geest. En ik bewonderde de uitstalling met +zoo ongeveinsde belangstelling, dat ik den man aan het twijfelen bracht. + +Daar was een kunststuk van suikerbakkerij. Een tandarts had een boer een +kies getrokken. Hij stond met de kies nog in de tang. Maar de boer hield +beide handen aan 't pijnlijk vertrokken gezicht. En in witte +suikerletters stond er bij te lezen: + + _Je hebt de verkeerde getrokken. + Ik trek je ze allemaal voor hetzelfde geld._ + +Het geheele kunstwerk was in een glazen kastje geborgen. + +Van dezen humor stond ik bevend te genieten, toen ik een stem achter me +hoorde: »Jij was er ook bij, bliksemsche smeerlap!" + +»Waarbij, meneer?" + +»Ja, sta me nou maar niet te bedondere. Ik heb je heel goed gezien." + +»Ik weet nergens van, meneer!" + +»Heb jij niet met je vuile poote aan dat winkelraam gezete?" + +»Nee meneer, heusch, ik weet nergens van." + +Dat woord »heusch" was een woord, dat we alleen bij zulke gelegenheden +gebruikten. + +De meneer in zijn hemdsmouwen scheen zich door mijn schijnheilig +gezicht toch te laten »bedondere". Hij was niet zeker van zijn zaak. +Grommend en scheldend trok hij af, terug naar zijn winkel. + +Toen liep ook ik verder. Neen, ik wandelde verder. Wat genoot ik van +mijn triomf! De andere waren naar huis gehold, de dwarsstraat uit, den +hoek om, en zoo verder. Ik wandelde op mijn dooie gemak, als een +rentenier, als iemand, die zijn tijd aan zich heeft en zijn omgeving +volkomen beheerscht. + +Daar kwam nog iets bij. De vent had zich nog eens kunnen bezinnen en me +toch in mijn nek willen nemen. Daarom mocht hij geen oogenblik denken, +dat ik haast had, om weg te komen. Zonder om te kijken slenterde ik de +dwarsstraat door als een volmaakt onschuldige. Ik bleef in mijn rol. + +»Wie niet sterk is, moet slim zijn." Juist. Wie niet sterk is, _dient_ +slim te zijn. Of hij gaat ten onder. + +Wie niet sterk is, _is_ slim. Dat is zijn instinkt tot zelfbehoud. + +Ik was niet beredeneerd slim. Ik had dat mooie redmiddeltje niet +uitgedacht. Ik was instinktmatig slim, zooals een drenkeling +instinktmatig de armen uitslaat. De slimheid was er, ineens, onbedacht. +Ze was mezelf een verrassing. De slimheid--ge moogt ook zeggen: de +huichelarij--was door den nood voortgebracht. Ze was een noodprodukt, +gelijk zekere vieze lucht bij den bunzing. + +Toen ik in onze straat en bij ons huis kwam, zaten de anderen reeds +rustig op de stoep, zoo maar op de koude, hardsteenen stoep. + +Een luid gejuich ging op, toen ze me zagen. Geen oogenblik hadden ze +gevreesd, dat ik »in die kerel z'n poote" was gekomen. (Jongens +gebruiken bij voorkeur ruwe woorden en sterke uitdrukkingen, evenals +het plebs, niet uit plebeïschen zin, maar, en alweer evenals het plebs, +uit onrijpheid: Kleine kinderen maken vuile luiers). Ze waren dus geen +zier ongerust omtrent mij. Ik zou me wel gered hebben op een of andere +manier. Wij waren niet kleinzeerig of gauw bekommerd ten opzichte van +elkaar. + +En toen begon het opsnijen. Ik hoor een der jongens nog vertellen, dat +hij midden in dat hondengeraas op een grooten hond was gesprongen, dien +bij zijn ooren had gepakt om hem te mennen, en zich zoo naar huis had +laten rijden. En wij schenen dat te gelooven. Ik herinner me tenminste +niet, dat het verhaal als onmogelijk verworpen werd. Het behoorde tot +de heldenfeiten, die we verrichten of verzonnen, maar in ieder geval +bewonderden. + +Mijn daad werd ook bewonderd. Ik had dien kerel mooi (tegenwoordig +zeggen de jongens: fijn) te pakken gehad. En niet een van ons dacht aan +de schade, die we den man berokkend hadden. + +Niet een begreep zijn woede over onze pure en brutale baldadigheid. We +kwámen niet in zijn geval. + +»Hè, wat bliksemde dat glas lekker naar beneje! En wat holde die kerel +met zijn bloote kop! Jammer dat die honden hem niet in zijn poote +gebeten hebbe!" + +Dat was ons medelijden. + + * * * * * + +Nog twee herinneringen zijn me bijgebleven aan de school op de +Lindengracht. Ze staan beide in verband met het huis van den +bovenmeester. + +Ik moet op een keer eens iets heel erg kwaads gedaan hebben. Wat, dat +weet ik niet meer. Maar het nablijven in de gewone school was blijkbaar +niet erg genoeg. Ik moest met meneer Kuyper mee, eenige portalen door, +naar zijn woning, naast de school en daarmee verbonden. + +Wij gingen een trap op, ik voor, hij achter. Wat was dat indrukwekkend. +'t Was er zoo stil. En dan alleen met den bovenmeester. In zijn eigen +huis! + +Wij kwamen boven in een gang met witgestukadoorde muren. Er lag een +looper. + +Toen moest ik daar in den hoek staan. Meneer Kuyper ging naar binnen, in +een kamer. + +Ik stond er, doodstil. + +Wat was het hier rustig. + +Wat was het hier vredig. + +En zoo netjes. + +Er zweefde iets lieflijks in de atmosfeer. + +Ik voelde me heerlijk. Volmaakt gelukkig. + +En dat onder die allerstrengste straf. + +Maar het zou veranderen. Meneer Kuyper had een hondje. Ik hoorde het +blaffen. Weg was mijn rust. Voor iederen hond was ik bang. Nu stond ik +doodsangsten uit, dat het dier in de gang zou komen. + +Daar had je de ellende al. Een deur ging open. Blaffend kwam het +keffertje er uit en rende natuurlijk aanstonds naar mijn beenen. + +Ik drong me, in angst, tegen den muur aan, en begon luid te schreeuwen. +Ik wrong me buiten het bereik van het gebit. Maar dat tuig is altijd +zoo, dat ze juist bange jongens het ergst aanblaffen. 't Is onedel +gedierte, bijna zoo onedel als een straatjongen. + +Gelukkig klonk daar een lieve vrouwenstem. Die riep het hondje weg. Het +was de nog jonge vrouw van den bovenmeester. Ze kwam in de gang. Ze zag +mijn beschreide oogen, en zei enkele zachte woorden. Ze vroeg, of ik zoo +erg ondeugend was geweest. Ik keek haar aan. Er was zeker iets smeekends +in mijn blik. Ze legde haar hand op mijn hoofden streelde me. Toen ging +ze even naar binnen, en bracht me een boterham. + +Lieve schoolmeesters in Nederland, die dit leest. En ook gij, +huisvaders. Luistert nu eens goed. Ik weet absoluut niets meer van het +kwaad, dat me deze buitengewone straf op den hals heeft gehaald. Ik weet +niets meer van den geduchten uitbrander, dien ik zeker gekregen moet +hebben. Van die geheele geschiedenis weet ik niets meer. + +Maar ik weet nog wel van die gang, en van dat hondje, en van die lieve +vrouwenstem, en van die zachte vrouwenhand, en van die boterham. + +Ik voel nog de verademing, de ontroering, de dankbaarheid bij _haar_ +verschijning. Die stem, die hand, die boterham, dat was nu opvoeding, +dat was christelijke opvoeding. + +Daar boven, in het hoekje tegen den muur, daar ben ik christelijk +opgevoed. Zoo maar zonder catechismus. En in enkele oogenblikken. + +Toe, geloof me nu eens. We beseften ons eigen kwaad zoo weinig, dat we +er in roemden. We gaven niets om straffen, en als ze wat bijzonder +waren, hadden we zelfs gevoel voor het aantrekkelijke er in. Maar ons +harde hart brak bij een zacht woord. En we voelden ons gezegend en +geheiligd door een teere hand. + + * * * * * + +We gaan nog eens naar het huis van den bovenmeester. Maar nu blijven we +buiten staan. + +'t Is tusschen half negen en negen uur. De schooldeur is open. De +kinderen komen de Lindegracht op. Maar allen kijken even naar de deur +van het woonhuis. Daar is een briefje op aangebracht: »De zieke heeft +een onrustigen nacht gehad. Toestand hetzelfde." Dan loopen ze zacht +door en gaan stil naar binnen. + +Meneer Kuyper is ziek. 't Is ernstig, heel ernstig. Elken morgen wordt +de toestand meegedeeld. Er mag niet gebeld worden. + +Er ligt een donkere schaduw over de school. We denken niet aan +ondeugendheid. Met den meester hebben we een wapenstilstand gesloten. +Dit briefje stemt ons tot gehoorzaamheid, hem tot redelijkheid. Hij is +een poos geen barbaar. + +De zieke daarboven beheerscht de school. Alleen door zijn ziekte. Weet +hij nog wel iets van wat er beneden gebeurt? Waarschijnlijk niet. Maar +wij weten wel, wat daarboven gebeurt. Daar ligt hij ziek. Hij, die +teere, bleeke figuur. Nu ligt hij te bed, nog bleeker dan ooit. + +We weten wel zooveel, dat zulke briefjes op de deur een veeg teeken +zijn. Dat doet men alleen bij heel, heel erge zieken. We loopen zacht +het huis voorbij. Er is geen geschreeuw op de gracht. Hij is ziek. Hij. + +De berichten op de deur worden steeds ernstiger. Eindelijk lezen we: +»Hedennacht overleden." De gordijnen zijn gezakt. Er is geen school. We +gaan naar huis. Niets, niets blij met de vakantie. + +Ik denk aan dien zachten man, biddende met zijn zachte stem. Ik hoor hem +weer aan 't orgel. + +Ik denk aan zijn lieve vrouw. Die zal nu wel erg bedroefd zijn. + +Ik denk aan 't hondje. + +En nu, veertig jaren later, denk ik: + +Ik wou, dat die lieve vrouw nog leefde. En dat ze dan dit las. Dan +zou ze hooren, wat ze zeker nooit geweten heeft, hoe dat ondeugende +jongetje, daar boven in de gang--ze herinnert zich geen jongetje?--hoe +dat jongetje haar en haar lieven man in gezegend aandenken heeft +gehouden. Zijn leven lang. + + * * * + +Toen meneer Kuyper de school aan de Lindegracht verlaten had, ging ook +ik weg. Ik heb een flauw vermoeden, dat het om achterstallig schoolgeld +was, maar zeker weet ik het niet. + +Maar ik was blij, dat ik wegging. + + + + +IN HUIS. + + +Wat weet ik nog van mijn huis? Ik ken er nog de heele geografie van, +hoewel ik die nooit heb gememoriseerd. Hier is een stukje landkaart van +den winkel. + + ______ + +-======-------======-------------------+ + | ¯¯¯¯¯¯ | + +------- -----------------------+ | + +-----| toonbank | | + | | | | + |stoep| winkel | | + | | | | + | | deur | | + | +-======-----+------+-----------+-------+ + | | |===== trap naar den| + | hardsteenen | bank |===== kelder onder| + | stoep | |===== den winkel | + +------------------+------+-------------------+ + +Je ging met een stapje de blauwe hardsteenen stoep op. Rechts stond een +groengeverfde houten bank. Die hadden toentertijd alle menschen terzij +van hun huisdeur. De Potgieterkenners onder mijn lezers herinneren zich +wel de prachtige strofe: »Oud Amsterdam was 't kijkje waard," waarin +onze dichter verklapt: »Ter sluik werd op die bank gekust." Dat nu deden +wij nog niet. + +De stoep was voor ons wat de plankjes of het plat bij een duiventil +zijn. We streken er op neer, als we van onze verre vluchten vermoeid +thuis kwamen, ze was het buitenstuk van ons heim. Eenmaal op de stoep, +waren we op ons erf. We zaten er, bij mooi weer, uren achtereen, terwijl +de volwassenen op de bank van de avondlucht genoten. Vader zijn pijp +rookend, een Goudsch krommertje. En dan bikkelden we er met de meisjes +mee of deden malkaar verhalen, als 't wat donker werd, hoe griezeliger, +hoe liever. Of we van die koude zitplaats buikpijn konden krijgen, daar +dachten we niet aan, en in ieder geval bekommerden we er ons niet om, +evenmin of de verbeelding verontrust of de slaap verstoord werd door die +geschiedenissen. + +Een van mijn vriendjes, Jan S., hoorde thuis prachtige vertellingen. +Zijn vader las Zondagsavonds voor uit een boek: »Christemeijer. Verhalen +uit de lijfstraffelijke regtspleging." Hoe is het mogelijk, dat ik dien +titel nog weet, met die onkinderlijke woorden van »lijfstraffelijke +regtspleging." Dat komt doordat ik soms bij dat voorlezen tegenwoordig +mocht wezen, dan naar dat boek zat te kijken en ook het titelblad heb +mogen zien. Wat een kind toch al leeren kan, als men hem het zien niet +verbiedt! + +Die verhalen waren echter voor ons te ingewikkeld. Wij vertelden elkaar +van »Het huis met de hoofden." Dat stond op de Keizersgracht, een groot +heerenhuis met zeven manskoppen in den voorgevel. Eens was de familie +van dat huis uit en een meid alleen thuis. Die hoorde 's avonds laat +gerucht bij een klein venstertje in de onderverdieping. Zij ging er +heen, begreep al gauw dat daar roovers waren, en kreeg geen flauwte, of +vluchtte niet in een kast, maar zette zich, gewapend met een vlijmscherp +broodmes, op post aan de binnenzij van 't kleine raampje. Daar kroop een +kerel naar binnen. Zijn ruige kop was zichtbaar, gemeene kop, met ruwen +baard. Hij werkte er zich doorheen. Maar nu helpt zij hem een handje, +snijdt hem in één haal den kop af--we hoorden dien vallen--en trekt dan +den kerel naar binnen. »Kom maar," riep ze daarna met een gedempte +mannenstem. Nummer twee kwam, doch werd net ontvangen als nummer een. En +dat welkom werd het deel van alle zeven. Toen meneer en mevrouw thuis +kwamen, kon de meid hun toonen, hoe wakker ze meneers bezittingen +verdedigd had. Te harer eere werden er nu zeven koppen in den gevel +aangebracht, en dikwijls maakten wij, jongens, een tocht naar dat huis, +om de gemeene tronies aan te kijken, maar vooral om te tellen, of er wel +echt zeven waren. + +De paedagogiek kan uit deze eigenaardige bedevaarten leeren, welke +beteekenis het _woord_ heeft voor de zaakkennis, het belangstelling en +onderzoekingslust wekkende woord. Maar dat woord moet dan interessant +zijn, inslaan in de kinderziel, als het verhaal van »Het huis met de +zeven hoofden". + +Een andere vertelling was van een kind, dat zijn beentje was afgezet, +zonder dat beentje gestorven en begraven was, en nu elken nacht +rondspookte, om zijn beentje te zoeken. Met een donkere grafstem liet +de verteller het dwalende kind roepen: »Mijn beentje, mijn beentje! +Wie heeft er mijn beentje?" Ademloos zaten we te luisteren naar den +grafgewelfgalm in de klanken van dat _beentje_, de donkere _ee_, gevolgd +door den galmend rekkenden neusklank. Beproef het eens, zeg het eens +overluid met een zoekende, donkere, dreigende stem, en ge zult de +werking van die beenderklanken hooren: »Wie h_ee_ft er mijn _beentje_?" +De _ee_ van _heeft_ werkt eerbiedig mee, stille bijtoon bij de donkere +grafgalmen. En als dan de verteller ons geheel in de stemming had +gebracht, wij het spokende kind zagen en de smartelijke stem hoorden, +dan sprong hij ineens op, greep een der toehoorders bij de schouders, +en riep met woedend uitvallende stem: »Jij hebt mijn beentje!" + +We wisten vooruit, dat dit komen moest, alleen wisten we niet wien het +treffen zou, maar telken keer als het verhaal dien plotselingen keer +nam, sprongen we verschrikt op, sidderend van ontsteltenis. Hè, dat was +heerlijk geweest, zoo griezelig heerlijk. + +Weer een ander verhaal was van den jongen edelman, die zijn vader +vermoord had, om de vrije beschikking te kunnen krijgen over diens +rijkdommen. Eenzaam zat de ontaarde zoon in zijn kasteel. Maar te midden +van al zijn schatten voelde hij zich niet rustig. 't Was herfst. Buiten +gierde de wind door 't gebladerte. En binnen was hij, luisterend naar +alle gillen en loeien van den wind om 't hooge huis. Hoor, daar treft +een vreemd geluid zijn oor. 't Is of er iemand de steenen trap oploopt. +»Slof, slof, slof, slof!" Zoo sleepte zijn oude vader zich altijd naar +boven. De zoon beeft van angst en onrust. Maar hij vermant zich, en gaat +kijken. Daar ziet hij, langzaam de trap opzuchtend, een witte gestalte, +in wijden mantel, en met langen, grijzen baard. Het is zijn vader. +Ontzet snelt de vadermoordenaar naar binnen, werpt de deur in 't slot, +en verbergt zich daarachter met zijn schuldig hart. Maar deuren en +sloten mochten niet baten. Elken avond, op een vast uur, hoort hij dat +zachte, maar doordringende: »Slof, slof, slof, slof." Hij stopt zijn +ooren toe, maar 't helpt niet. Dikke gordijnen hangt hij voor de deur, +maar ze konden het geluid niet smoren. Klokke tien kondigde het +eentonige, zuchtende gesleep op de trap het bezoek van den vermoorde +aan, avond aan avond, totdat eindelijk de zoon krankzinnig werd van +angst en niemand het groote kasteel meer durfde naderen. + +Die uurtjes van vertellen waren zalig. De volwassenen zaten op de bank +of op wat stoelen, die men er bij gezet had. Wij schoolden, terzij van +'t huis, op de stoep samen, kropen dicht bijeen, en huiverden van genot. +»Wat zijn de jongens stil," zei Moeder dan, gewoon aan ons altijddurend +hollen en schreeuwen en stoeien. Geen wonder. Wie zou een kik gegeven of +beweging gemaakt hebben, bij het somber rondgaande: »Wie heeft er mijn +beentje," of het huiveringwekkende: »Slof, slof!" Die vertellingen met +zoo'n telkens weer opdoemende vraag of herhaald geluid waren ons nog het +liefste, want dan hoorde je het spookachtige telkens dichterbij komen. +Je hart kromp er bij ineen. Dát was genieten. En dan ging je straks stil +in huis en naar bed. + + * * * * * + +Van de stoep kwam je in den winkel. Wat beteekende die winkel voor ons, +kinderen? Een last en een lust. + +De last was het boodschappen-loopen. Pas was je uit school, of je +hoorde: »Loop eens gauw naar die of die en breng daar de koffie." Die +of die woonde natuurlijk niet in de buurt, anders was de boodschap +niet noodig geweest. En dan moest je, in plaats van lekker op straat +te spelen, een half uur ver, met moede beenen slenteren door vervelende +straten of langs lange grachten. Die beenen zouden niets moe zijn +geweest, als ze hadden mogen hollen bij het krijgertje-spelen. En hier +moet de paedalogie bij haar vermoeidheidsproeven eens goed nota van +nemen. Ik bedoel, of de vermoeidheid dikwijls niet meer in de gedrukte +gemoedsstemming zit, dan in het werk; of tegenzin en teleurstelling niet +meer verlammen dan physieke en geestelijke inspanning, al hebben +deze--natuurlijk!--haar grenzen. + +Vooral de Zaterdagnamiddag was voor mijn twee jaar ouderen broer en mij +een ellende. Dan moesten we geregeld »klantenloopen". Met zware manden +sjokten we dan eerst het eene eind van de stad in, en dan het andere. + +Gelukkig hadden we onze bepaalde menschen, waar je altijd een paar +centen kreeg. Dat waren dan meestal goedige dienstboden, en dat kan ik +nu, uit de verte, best begrijpen: die wisten bij ervaring, hoe aangenaam +zoo'n kleine verrassing is. Men ijvert vaak tegen de fooien. Zeker, er +zit een kwaad aan vast. Maar toch ook, zoo'n enorme massa levensgeluk +wordt in die kleine schenkingen dagelijks onder de menschen verspreid. +Ik geef ze graag, omdat ik ze altijd zoo graag ontvangen heb. Een paar +centen, en een lange, zware terugweg werd verkort en verlicht. En dat +zou nooit bereikt zijn door een vast loon, al wil de redeneerzieke +mechanicus dit ook beweren. Een gulden meer weekloon is _niet_ +hetzelfde als een gulden fooien. Zoo iets meent en verdedigt alleen +de kortzichtige in-mekaar-zetter van 't leven. Die verhooging van +weekloon wordt al gauw een stuk gewoonte, niet meer gevoeld, niet +meer gewaardeerd; niet meer een levensvreugde. En die langzaam bijeen +gekregen fooien, opklimmend tot bij, tot aan den gulden, maken de heele +week goed, dag aan dag, geven telkens een geluksemotie. + +Nu moet men niet zeggen: O, die kapitalistische Jan Ligthart is tegen +loonsverhooging en wil den minderen man liefst met fooien afschepen, +met gunsten, in plaats van met rechten, zoo houdt hij ze meteen in +vriendelijke onderdanigheid, want dan heeft men de strekking der +opmerking niet begrepen. Ik wil alleen, bij de steeds toenemende +vermechanieking van het leven, er op wijzen, dat er ruimte moet blijven +voor spontane uitingen en er aan herinneren, dat een mensch altijd een +kind blijft, gevoeliger voor kleine verrassingen, dan voor groote +geregeldheden. Wij waren gelukkig met een paar centen, en ik zal al heel +blij zijn, als dit mijn kindergeluk dezen of genen lezer of lezeres +bewegen mocht, den jongen van den kleermaker of uit den mantelwinkel, +die een half uur ver met die zware doos aan zijn arm heeft gesjouwd, +niet te laten afdruipen zonder hem eerst vijf centen in de hand te +hebben geduwd. Ik verzeker u plechtig, dat hij geen principieele +bezwaren zal maken. En men zal eens zien, wat zoo'n stuiver een invloed +heeft, niet alleen op zijn beleefdheid, maar ook op zijn beenen. +Vermoeidheid en--gemoedsstemming. + +Een der klanten was een oude nicht. Ze woonde--wat weet ik dat nog +goed--binnenshuis (we zeggen tegenwoordig »en pension") op den +Haarlemmerdijk. Ik zie den weg nog, dien we volgden, en op dien weg +een heel gemeenen streek, dien ik uithaalde. Nicht was een oude, +vriendelijke vrouw. Als we de boodschappen brachten, mochten we altijd +boven komen, op haar keurig nette kamer. Bij de boodschappen was ook +geregeld een half pond Janhagel, dat we eerst haalden bij Hagtingius, +den koekbakker, die in een mooi hoekhuis recht tegenover ons woonde, de +brug over. Die naam Hagtingius--ik durf er op zweren--is goed gespeld, +en kwam toch in geen enkel taalboekje voor. Ik zag hem dagelijks, en, +zooals kinderen doen als 't hun niet verboden wordt, ik keek er naar +en las hem meermalen hardop. Kinderen prenten zichzelf zoo onnoemelijk +veel in--als 't hun niet verboden wordt. Een wandelend jongetje, dat +op straat bij ieder stuk »taalwerk" staan blijft, om het opmerkzaam te +lezen, wordt echter gewoonlijk door zijn moeder meegesleurd. Moeders +hebben geen aasje idee, hoe ze daarbij hun kinderen het groeien +belemmeren. Zelfs schoolmeesters weten dat menigmaal niet. + +Maar wat heeft Hagtingius met mijn oude nicht te maken? Hij deed de +lange reepen Janhagel in een witpapieren zak en die goeie nicht haalde +de heele stukken daar uit en gaf ons de brokken. Dat wisten we, het +gebeurde week aan week. En wat deden we nu? Onderweg hielden we den +zak onder den arm en drukten er telkens tegen. Als we dan iets voelden +knappen, hadden we ons stukkendeel vermeerderd. En begrijp nu wel, +hoe listig, hoe huichelachtig ik daarbij te werk ging. Rondweg, door +snoepen, ons verrijken, deden we niet. Dat was »stelen". Den zak +openmaken, om een paar reepen door te breken, deden we ook niet, want +je kon zoo'n zak nooit weer zoo netjes in de plooien toevouwen als de +winkelier. Maar, moedwillig per ongeluk, den koek onder den arm kneuzen, +dat deed ik wel. Zoo kon ik mijn deel vergrooten, en mijn geweten in +rust houden. Heeft Jeremia niet geschreven: »Arglistig is het hart, meer +dan eenig ding; doodelijk is het. Wie zal het kennen?" Ons onschuldig +kinderhartje muntte ook al uit in arglistigheid. En als we dan bij +nicht waren, en ze legde zoo netjes de reepen in haar verlakte +koektrommeltjes, en ze gaf ons met een vriendelijk gezicht en een zachte +hand al die brokken, dan stonden we daar met een schijnheilig gezicht +bij, namen als zoete jongetjes--het petje in de linkerhand--de brokken +met de rechterhand aan, want je moest altijd iets met de rechterhand +aannemen, dat was netjes, ook de door bedrog verkregen dingen, en, +kleine, gemeene huichelaars als we waren, groetten nicht heel beleefd, +want ook dat hoorde zoo, en gingen met ons listig gestolen goed de +straat op, om daar er van te genieten. Gestolen? Nicht had het ons toch +eerlijk gegeven? »Arglistig is het hart, meer dan eenig ding." + +En nu knoopt zich aan deze afzetterij nog een ervaring vast. Nicht had +een meid-huishoudster, die ons altijd met een heel zoetsappig gezicht +begroette. De vriendelijkheid kwijlde haar haast uit den mond, als ze +ons de deur opende met haar temerig: »Dag jongeheeren! Zal uwe goed uw +voetjes vegen!" Als neefjes van haar »commesales" behandelde ze ons met +voorzichtigen eerbied. Maar eens hoorden we haar, over ons sprekend, +zich gansch anders uiten. »Daar komme die jongens weer met d'r vuile +poote je trap bederve. Nou hei je ze pas schoon." Toen had ze voor goed +bij ons gedaan, dat gemeene wijf, dat zoo vriendelijk was in je gezicht +en achter je rug op zoo'n manier over je sprak. We konden haar niet meer +luchten of zien, hadden een hartgrondigen afkeer van haar gemeene +huichelarij. + +Wonderlijk toch. Háár huichelarij konden we niet vergeven, en de onze, +ofschoon er eigenlijk nog afzetterij mee gepaard ging, bezwaarde ons +niemendal. + +Zouden we, nu als volwassenen, nog net zoo zijn? Zou er ook nu nog een +hemelsbreed verschil zijn tusschen het kwaad van buurman en het onze? + +Om de waarheid te zeggen, ik geloof, dat we ook hierin kinderen blijven. +Sommigen schijnen te meenen, dat een kind in menig opzicht een gansch +ander wezen is dan de volwassenen. Ik heb altijd gedacht, dat de +volwassenen precies nog kinderen zijn, uitgegroeide kinderen. In mezelf +vind ik nog in alle opzichten het kind terug. En pas dus maar goed met +me op, want je ziet, met mijn schijnheilig gezicht ben ik een gemeene +huichelaar, terwijl ik me nog bovendien erger aan _uw_ huichelarij en +daar mijn veroordeelend vonnis over strijk. + +We zijn als de jongen, wiens duiven door de kat werden opgegeten. +Die kat is een gemeen roofdier, maar wij, die kippetjes slachten en +konijntjes braden, wij zijn brave wezens. Terwijl we de malsche boutjes +smakelijk verorberen, zitten we die kat te verwenschen en smeden +moordplannen op haar leven. Zien niet, dat, als zij zondigt, wij het +nog in veel erger mate doen. De oude geschiedenis van den splinter en +den balk. Daarom lijkt het mij zoo goed, bij ieder concreet geval, het +kind aan zichzelf te ontdekken. Niet in algemeene preekjes, maar in +persoonlijke ervaringen leeren we onszelf kennen, als wijze liefde ons +maar de oogen opent. Maar het is veel gemakkelijker--te genieten met de +oogen dicht. + + * * * * * + +De lusten van den winkel--het is droevig, dit opnieuw te moeten +belijden--bestonden in het snoepen, dus in het bestelen mijner ouders. +Achter de toonbank ging men langs een trapje van drie treden omhoog +naar de huiskamer. Op mijn »kaart" is het trapje door een paar lijnen +aangegeven. De huiskamer had geen anderen uitgang, en we konden dus +nooit naar buiten, of 't ging het trapje af, achter de toonbank om, den +winkel door. Bij dien tocht liepen we door een wereld van verleidingen: +de krenten, de rozijnen, de vijgen, de broodsuiker, de witte en de +bruine kandijklontjes, zij lagen in open bakken, lokkend de koopers van +buiten en de snoepers van binnen. Onder de toonbank stonden de vaten met +stroop en appelgelei, ook lokkend, zij het onzichtbaar, lokkend door een +geweten tegenwoordigheid. En nu ging ik maar zelden den winkel door, +zonder in de gauwigheid wat te snoepen: een greep uit den krentenbak, +een lik uit de stroopton. Alleen het oog der volwassenen, dat door de +neteldoeksche gordijnen van de glazen kamerdeur ons kon bespieden, of de +aanwezigheid van den winkelknecht weerhield er ons van. Maar anders--ik +beloof u, dat ik weet wat snoepen is. Het was voor mij niet een zonde +van nu en dan, het was een dagelijksch bedrijf. + +En nu komt weer het wonderlijke. In de Eglantiersdwarsstraat, geen +twintig huizen van ons af en schuin tegenover ons, werd een nieuwe +kruidenierswinkel geopend, een konkurrent. En hij schaamde zich zijn +doel niet: met mooie, groote letters stond er op geschilderd: =DE +CONCURRENT=. Dat vonden we allemaal gemeen. Dat die man zijn brood moest +verdienen, spreekt vanzelf, maar dat hij zoo openlijk voor zijn doel +uitkwam, om je te verdringen, en daartoe vlak in je nabijheid kwam +zitten, dat was een laagheid. En we haatten dien man. Wanneer ik in de +straat speelde, of naar school ging, was die winkel mij een voortdurende +haatprikkel, en te meer, omdat hij er zoo mooi uitzag, alles zoo nieuw +en frisch en goed in de verf, en de waren met groote cijfers alle iets +lager geprijsd dan bij ons. + +De gevolgen bleven niet uit. De eene klant na de andere verliet ons, +natuurlijk niet de »uitbrengklanten", maar de »winkelklanten", de +burger- en arbeidersvrouwtjes uit de buurt. Ze konden 't daar goedkooper +krijgen. En alleen de enkele goede vrienden en buren bleven, en dan zij, +die in 't krijt stonden en dus maar niet dadelijk weg durfden gaan. +Toch, ook die verlieten ons, en wellicht juist door hun achterstand. +Ze konden hun schuld toch niet betalen, en dropen nu langzaam af. Dan +hadden ze meteen de zachte aanmaningen tot betalen niet meer aan te +hooren. + +Mijn vader was een zachtaardig, eerlijk man, totaal ongeschikt voor +zaken. Hij geloofde iedereen en liet zich door iedereen bedriegen. Door +de reizigers en leveranciers, die hem bedorven waar aansmeerden--ik weet +nog van een heel vat gedroogde pruimen, waar de maden uitkropen--en +door de klanten, die hem niet betaalden. Geen wonder dus dat de zaak, +nu daar bovendien een bloedzuigende konkurrent haar dagelijks het +levensvocht aftapte, spoedig verzwakte en verstierf. Alle pogingen, +om met de uiterste vriendelijkheid en inschikkelijkheid de klanten te +behouden, mochten niet baten. Eerst praatten de menschen met je mee, +vonden het een schandaal dat zoo iets maar mocht, iemand zoo het brood +uit den mond stelen. Dan lieten ze zich ontvallen, dat een beetje +lager prijs in een huishouden toch maar goed te pas kwam. Eindelijk +bleven ze weg, en je zag ze je deur voorbijgaan, naar den konkurrent. +Zaterdagsavonds stond daar de winkel berstens vol. O, ik zag het, met +het hart vol nijd en wee, en de oogen vol tranen. En 's avonds, in bed, +bad ik met een heel warm hart Onzen lieven Heer, of Hij vader nu toch +niet helpen kon. + +Maar hoe hielp _ik_? Door----te blijven snoepen. + +Is dat nu niet wonderlijk? Diep voelde ik met mijn vader mee. Vurig +bad ik, dat Onze lieve Heer hem helpen mocht. En ik had zelf zoo braaf +geholpen, met hem arm te snoepen en ging daar gewoon mee voort. + +Ik haatte den konkurrent, haatte de buurtmenschen die wegbleven, haatte +al wie mijn vader benadeelden. Waarom haatte ik zijn jongsten zoon, +waarom haatte ik mijzelf niet, die hem voortdurend met kleinigheden had +bestolen? + +Praatte ik mijn misdrijf wellicht goed met een mooischijnende +redeneering? + +O neen, 't was veel erger. Ik _voelde_ mijn misdrijf niet eens. Ik wist +het, en ik zag het toch niet. + +Wanneer ik mijn broer zoo had zien snoepen, zou ik hem zeker een +harteloos kind gevonden hebben. Je vader te benadeelen, die toch al zoo +in nood zat! Neen, tot zulk een gemeenheid zou ik zeker nooit in staat +zijn geweest! + +Maar nu ik het zelf deed? Nu zag ik de gemeenheid niet, ofschoon ik ze +verstandelijk wist. Nu had ik ze niet eens te verontschuldigen, omdat ze +niet als schuld in me _werkte_. + +Schuldbesef is niet genoeg. Er moet in 't menschen- en kinderhart +schuld_onrust_ zijn, schuld_ellende_. + +Neen, de zedelijke opvoeding is zoo gemakkelijk niet. Men komt er niet +met een preekje. Afkeer van het _kwaad_ is zoo moeilijk aan te brengen. +We bepalen ons gewoonlijk tot afkeer van de nare _gevolgen_ van het +kwaad. Als _die_ ons maar niet plaagden, zouden we met het kwaad nog wel +vrede hebben. Het kwaad voldoet zoo aan al onze zinnelijke en zondige +begeerten, het vleit ons, het streelt ons. Maar de eenige begeerte die +ons verheffen kon, de begeerte naar heiligheid, die _is_ er niet. We +verbeelden 't ons wel, maar 't is zelfbedrog. Arglistig is het hart. +Daarom is de bede om een »nieuw hart" zielkundig zoo juist en zoo +dringend noodig. Maar zal die bede waarachtig zijn, dan moet er al +vernieuwing des harten werken. Het bidden zelf, dat wil zeggen: niet +het prevelen, niet het uitgalmen, maar het hartgrondig en waarachtig +begeeren is al een bewijs van het »nieuwe leven". + +Meermalen verwonderen we ons, hoe een dronkaard zijn gansche gezin +ongelukkig kan maken door toe te geven aan zijn drankzucht. Die +dronkaard zat ook in mij. Ik vertrouw, dat mijn lezers betere menschen +zijn. + + * * * * * + +Men heeft al begrepen, dat we den winkel moesten verlaten. Doch zoo ver +zijn we thans nog niet. We moeten eerst het huis nog verder doorgaan, om +er uit alle hoekjes de herinneringen op te roepen. + +De huiskamer heeft me niet veel te vertellen. Alleen dat ledikant daar. +Daar lag mijn jongste zusje in, toen ze de pokken had. Twee kinderen +van het gezin waren niet ingeënt, en juist die twee werden tijdens een +pokken-epidemie door de ziekte aangetast. Wat dat beteekende voor een +winkel--ach, wat wordt er in sommige gezinnen soms bitter geleden. Twee +kinderen ziek, de winkel leeg, dagelijksche angsten, geen inkomsten. En +dat weken achtereen. Is het wonder, dat een winkelier geneigd is, zulke +ziekten te verzwijgen? Gelukkig kunnen zij zich thans verzekeren tegen +de schadelijke gevolgen van besmettelijke ziekten. + +Het stond er met Zusje treurig voor. Wij mochten natuurlijk niet bij +haar komen. Maar op zekeren dag werden we toch bij haar gebracht. De +dokter had gezegd, dat ze 't niet meer op kon halen, de ziekte was te +hevig. En toen werden we aan Moeders hand in de kamer geleid. Ik weet +dat nog heel goed. 't Behangsel van het ledikant werd opengeslagen, en +daar lag het kind: een gelaat, geheel bedekt met zweren en korsten, één +en al rood van de zweren. Het vroeger fijne gezichtje was opgezet, de +oogjes verdwenen er in, de oorknopjes waren niet meer zichtbaar. Ik +ging naar 't bed, en gaf haar een hand. Even bleven we staan; Moeder +schreide. Toen liet Moeder het behangsel weer vallen en gingen we heen. + +Ik herinner me absoluut geen vrees voor besmetting, ook geen vrees voor +den dood. Alleen herinner ik me dat roode, vurige, opgezette hoofdje, +liggende op het kussen, den blik der weggezonken oogjes, en het +uitgestoken handje. + +Wonder boven wonder, Zusje genas. Wat moet er in het gezin toen een +blijdschap geweest zijn. Eerst die zorg, die angst, die hopelooze +smart--en nu die vreugde. Dat zijn toch dingen van beteekenis in een +huisgezin. Maar zij schijnen grootendeels buiten mij omgegaan, eerst de +angst, toen de blijdschap. Er staat me tenminste niets meer van voor. +Zoo zeer leefde ik in mijn eigen leventje. En zou dat niet met de meeste +kinderen zoo zijn? Ze voelen meer voor de droeve lotgevallen in de +verhaaltjes, dan voor de smarten in hun naasten kring. Ik herinner me +heel nauwkeurig het zieke kind in haar bedje, alles wat ik gezien heb. +Waarom ook niet de gevoelens, die toen het gezin beheerschten? Die +gevoelens lagen waarschijnlijk buiten mijn levenssfeer. En dat stemt +geheel overeen met de ervaring, die ik telkens opdoe. Kinderen van acht +en negen jaar komen mij als een interessant geval vertellen, dat hun +vader gestorven is of hun broertje. Bizonderheden daarbij deelen ze mij +mee als iets merkwaardigs. Ook met hun kameraadjes spreken ze er zoo +over. Er is geen spoor van aandoening te ontdekken. En dat is niet juist +bij »ruwe jongens", maar ook bij heel »lieve en gevoelige meisjes". +Natuurlijk zou ik wel kans zien, ze gauw aan 't schreien te maken, maar +dat is geen kunst. Een feit is echter, dat de aangrijpende, smartelijke +en voor hen zelfs zeer noodlottige gebeurtenissen, door de kinderen--de +uitzonderingen daargelaten--niet schijnen te worden gevoeld. + +Wel was ik er zeer gevoelig voor, wanneer later de jongens op straat +Zus voor »mottige" uitscholden. Ik mocht, in een bui van drift, me +dan zelf nu en dan die vrijheid veroorloven, van vreemde jongens duldde +ik het niet. Onmiddellijk vloog ik er op af en roste er op. En heel +eigenaardig, een verontwaardigde en moedige jongen is sterk, al is hij +zwak. Zulke afrosserijen liepen nooit ongunstig voor me af. Dan was er +iets in me van een leeuw, die zijn welpen verdedigt. Een drift, die geen +gevaren telt, geen gevaren ziet, die voor niets terugdeinst en daardoor +onoverwinnelijk is. Ha, ik zou ze kapot geslagen hebben. En omdat ze dat +zagen, en omdat ze dat voelden, daarom deinsden _zij_ terug. Maar zulk +een kracht ontwikkel je alleen, als je losbarst voor een edele zaak. En +is er iets edeler, dan op te komen voor een »mottig" zusje? Zij kon het +toch niet helpen, dat die ziekte haar zoo mismaakt had? + +Ik was niet de eenige jongen, die gevoeliger was voor een scheldwoord +dan voor ziekte en dood. Het was regel, dat geen enkele jongen zijn +vader of moeder liet uitschelden. Wie zich dat veroorloofde, kon op een +onmiddellijk pak slaag rekenen. Schooiers van de straat--als hoedanig +wij onszelf nooit beschouwden--scholden nog wel eens van: »Je ouwe +vaar, die gezete het", of, nog erger, »die gehange het". Maar werd die +smaad niet zonder omwegen met een afrossing betaald, dan bracht dat de +gescholdene bij ons in minachting, die zulk een smaad op zich had laten +zitten. »Van mijn mag je zeggen, wat je wilt, maar van mijn vader blijf +je af," luidde het steeds. Is dit niet iets buitengewoon liefs en +aantrekkelijks in de jongenswereld? Ik heb het altijd een heerlijk +verschijnsel gevonden. Zelfs de grootste belhamel en de ongehoorzaamste +zoon liet zijn vader niet beleedigen. Dit raakte zijn eer, zijn hoogste +eer. En dan had je toentertijd nog onderwijzers--hoe is 't mogelijk--die +zich niet ontzagen, een jongen te krenken in zijn ouders. Men heeft me +wel eens verzekerd, dat zulke er nog zijn. Maar dà t is haast niet te +gelooven. + + + + +IN HUIS. + +(VERVOLG.) + + +Op de kaart van den winkel ziet men nog een trap, ook achter de +toonbank, maar heelemaal aan 't eind. Die trap liep naar beneden, en +voerde met een tree of zeven naar de keuken, het tweede vertrek van de +woning. Meer vertrekken waren er niet. Boven, in de huiskamer, sliepen +onze ouders en de meisjes, beneden, in de keuken, onder de huiskamer, +sliepen de jongens, vijf in getal, drie eigene en twee vreemde. Van dit +vijftal was ik de jongste. Men begrijpt, dat ik daar in een goede +leerschool was. + +'s Morgens, al tamelijk vroeg, moest de bende op. De oudsten gingen naar +de Ambachtsschool, die om half acht of acht uur begon, en wel een half +uur ver was. Dat was altijd een heel tumult. We wieschen ons allen boven +den gootsteen, en daarbij moest de een op den ander wachten. 't Ontbrak +dan niet aan aansporingen, om wat spoed te maken, aansporingen in de +bekende ruwe jongenstaal, overgenomen van de volwassenen. Ik had de +minste haast, bleef het langste in bed, en lag dat heele gescharrel aan +te zien of speelde in mijn eentje scheepje. Het bed was het schip, de +stoel er naast het bootje. + +'t Ging onder de jongens ruw genoeg toe. Zelden werd er een bij zijn +gewonen naam aangesproken. Ieder had een karakteriseerenden bijnaam, +een scheldnaam, die een zijner ondeugden of gebreken signaleerde, doch +waarnaar hij niettemin gewoon luisterde. Dat hoorde je niet eens meer. +De een heette, echt, Theodorus. Dat wil zeggen: Gave Gods. Maar, gesteld +dat de anderen die beteekenis geweten hadden, wie hunner had in dezen +kameraad een Gave Gods geëerd? De jongens zagen in hem heel wat anders +en benoemden hem daarnaar. En dat vond hij tenslotte heel best. + +De naamgeving onder 't volk is zoo geheel anders dan die bij de +geboorte-inschrijving. Bij deze laatste slepen we de reeds lang vergane +eeuwen mee. Wie zou het nu in zijn hoofd halen, een kind met zoo'n ouden +Griekschen naam als Theodorus te belasten. Maar zoo wil de gewoonte, +de kultuur. De natuur doet echter anders. Reeds in de jonge moeder. +Met allerlei naampjes streelt ze en vleit ze haar kleinen lieveling. +Dag schat! Dag lieve pop! Dag hartje! Dag kleine bruinoog! Dag +diefje-van-je-vaders-nachtrust! Dag lekker diertje! Zoo gaat het +maar door, terwijl de deftige naam Theodorus weggesloten ligt op het +geboortebriefje in Vaders kassette. + +En zoo werkt het ook in de jeugd. Ze vertolkt haar indrukken en +stemmingen in de naamgeving. Ten onrechte noemt men dat schelden. Dat +hierbij steeds roode haren en andere uiterlijke kenteekenen herdacht +worden, spreekt vanzelf. Hoe zal men een rooie nu beter noemen dan +rooie. Dat is zijn beste onderscheiding. De fout is, dat volwassenen de +kinderen leeren, in roodheid of gebocheldheid of een andere afwijking +iets zedelijk minderwaardigs te zien en hen voorgaan in geringschatting. +Niet in het opmerken, benoemen en aanwenden der eigenaardigheid zit +de fout. Integendeel, dat zijn drie deugden. Het opmerken toont +onderscheidings-vermogen en belangstelling, het benoemen bewijst juist +taalgevoel, en het aanwenden geeft blijk van praktischen zin. Maar de +volwassenen gaan den kinderen voor in een valsche waardeering, in een +liefdeloos oordeelen, in een hatelijk toerekenen. En is 't wonder, dat +de kinderen dit voorbeeld volgen, en aldus een natuurlijk geestelijk +proces bederven door een onzedelijk bijmengsel? + +Wie ziet, hoe gemakkelijk de jongens en ook de ruwere arbeiders zich +wennen aan hun bijnamen, maakt daar niet veel drukte over. De wijze, +waarop zoogenoemd beschaafde volwassenen in krant en vergadering malkaar +uitmaken, is ja wat hatelijker. + + * * * * * + +Het was een aardig gezicht, tusschen al die duwende en grauwende jongens +mijn oudste zuster te zien doorscharrelen. Zij moest ook al vroeg op, +meisje van 15 à 16 jaar. Dan ging ze naar beneden, om thee te zetten. + +Wat heb ik vaak, warm onder de wol, dat vriendelijk bedrijf rustig +aangezien. Dan ging ze eerst naar den vuurhaard. Dat was een ijzeren +pot op een »stookkacheltje". Het houten tafeltje, van een bizonder +model, stond onder den schoorsteen, en droeg den vuurpot, een gewonen +ijzeren pot op drie pootjes. + +De pot lag vrij vol met asch. Daaronder waren den vorigen avond een +paar harde turven »ingerekend". Die hadden den heelen nacht zachtjes +gesmeuld, en nu was het eerste werk om dat vuurtje »op te rakelen". +Dan kwamen er een paar gloeiende kooltjes te voorschijn. Was het vuur +te ver weg, dan werden er uit den doofpot, naast den haard, een paar +»doove kolen" genomen, gedoofde doorgloeide turven, en daarmee het vuur +opgehaald. En was de doofpot leeg, dan liep je even gauw naar den bakker +aan den overkant, om een paar centen »doove kolen" te koopen, hij had +ze in voorraad, of naar de water-en-vuurvrouw, om een cent of een halve +cent vuur, in een verglaasd groen steenen testje. Honderden malen heb +ik die boodschappen gedaan, want, na al het beleden en het nog te +belijden kwaad, mag ik ook wel eens mijn deugd vertellen van heel groote +bereidwilligheid. Nu ja, ik pruttelde wel, als ik zoo ineens uit mijn +spel werd gehaald, maar nooit deed Moeder of Zuster een vergeefsch +beroep op mijn hulp. Is het niet wonderlijk? Op school stond ik zeker +bekend als een brutale schooier, en thuis--ik _kon_ mijn moeder of +zuster niets weigeren, ook al wilde ik dit natuurlijk. »Jan, ga jij +eens gauw naar...."--»Moet _ik_ nu al weer?"--»Toe, Moeder wacht er +op."--En ik ging al. Ik weet zeer positief, dat ik heel gehoorzaam +was, en het is me ook later vaak genoeg verzekerd. Ze konden alles +van me gedaan krijgen. Een vriendelijke vraag--en ik moest het doen. +Anders lag die vraag toch als een toenemende onrust, een aanzwellend +verwijt, in mijn gemoed. Ik _moest_--niet door buitenafschen dwang, +maar door innerlijken, onontkoombaren noodzaak. Mijn moeder en +mijn zuster begrepen dit best en handelden er naar. Ze konden zoo +onontvluchtbaar--vragen. Niets anders dan vragen. En die meester +op school--hij kwéékte verzet--hij máákte ongehoorzaam. + +Hier moet ik eens even iets schattigs vertellen van een jong +onderwijzeresje, die wat bij ons in de Tullinghstraat volontairde. +Ze zou in de elfde klas eenige weken achtereen lesgeven. Daarin zaten +lastige jongens van 11-13 jaar. Een der lastigste was Jan B. En toen +zei dat onderwijzeresje, ze was zelf misschien pas 18, op een keer +onder schooltijd tegen Jan: »Zeg Jan, je moet me een beetje helpen. +Je moet niet vergeten, dat ik zelf ook nog maar jong ben. Ik moet het +nog leeren." En dat zei ze zoo vertrouwelijk en vertrouwend, dat Jan +een kleur kreeg en haar hielp, door op zichzelf te passen. + +Ik weet wel, dat dit weer precies het omgekeerde is van wat de +paedagogiek noemt: »je gezag hooghouden". Maar zij _hield_ er haar gezag +mee hoog. Dat was de ware hooghouderij. En Jan zat gevangen in zijn +eigen grootmoedige bereidwilligheid. + +Anderen noemen dit slimme politiek. Maar wanneer ze het als zoodanig +willen nadoen, mislukt het. Politiek slaagt niet in de opvoeding. +Integendeel, ze wreekt zich. + +Het was zuivere harte-paedagogiek. Zichzelf gewaagd, om den jongen te +winnen. Zichzelf gewaagd, niet in zwakheid, maar in kracht. + +Doch ik zou bij dat alles haast mijn zuster en de doove kolen vergeten? +Toch niet. Ik had hier echter een kooltje onder de asch, dat ik eens +even moest oprakelen. Misschien kon iemand er zich aan warmen. + +En nu weer naar den vuurhaard. + + * * * * * + +Waren de kooltjes opgerakeld, dan werden er twee »talhouten" op gelegd, +zoo, dat ze buiten den rand van den pot uitstaken, net twee houten +breipennen, zooals meisjes die altijd, links en rechts, in de holten +tusschen duim en wijsvinger laten liggen, en met een zwavelstokje werd +er een vlam gemaakt. De zwavelstokjes kocht je in bundeltjes van een +cent of een halve cent, en bewaarde je in een ophangdoosje tegen den +muur naast den haard. + +Later leerden we, in onzen kweekelingentijd, van akkermaalshout, van het +kappen daarvan om de zeven jaar, van het afschillen, 't voeren naar den +runmolen en van de run naar de leerlooierij, en _ik heb nooit geweten, +dat ik dit gekapte akkermaalshout reeds als kind zelf menigmaal op den +aschpot had gelegd_. Dat hoefde je ook niet te weten, als je _je les +maar kon opzeggen_. Voor die kennis kreeg je niets, maar voor die +opzeggerij een 9 of een 10. + +Hoe ik dit dan later te weten ben gekomen? Door een boerenknecht. Die +vertelde 't me. Die stomme boeren zijn vaak beter onderwijzers dan de +geleerde schoolmeesters. + +Ook de zwavelstokjes hadden me iets kunnen vertellen. Zij hadden vroeger +op het veld gestaan, toen ze nog deel uitmaakten van de hennepstengels. +Wanneer van deze hoog uitgeschoten plantjes de zaadjes waren +verwijderd--hennepzaad--en de bastvezels waren los geweekt voor de +touwslagerij, gebruikte men den gedroogden houtachtigen stengel nog +om er stokjes van te snijden of te hakken, holle stokjes van een of +anderhalven decimeter lang. Die werden met beide punten in den gesmolten +zwavel gedoopt en zoo kreeg je de zwavelstokjes. Mooi woord. Zoo +eenvoudig. Zoo alleszeggend. En als je ze, zuinigheidshalve, langs de +lengte in vieren knapte, hoorde je en voelde je tusschen je vingers +zoo'n stokkerig geknap. + +»Een borreltje ineens, maar een zwavelstokje in vieren," zei de +zuinigdoende drinkverkwisting. Mijn zuster nam een zwavelstokje, stak +het aan in 't vuur, ik zag de blauwe vlammetjes, rook den zwavel. Een +poos later vlamde het in later jaren zoo geleerde eikenhakhout en na een +half uurtje kookte het water. De ketel hing aan een ijzeren ketting, die +vastgemaakt was aan een dwarsliggende ijzeren stang in den schoorsteen. + +Nu werd de thee gezet, ook al zoo'n heerlijk ding om stil te liggen +aankijken. Het kringelende water stroomde met een boog in den trekpot, +damp vulde den keuken, damp en theegeuren, en na vijf minuten liep mijn +zuster met kopjes thee rond, eerst naar boven voor vader en moeder, dan +voor de jongens, en als ik heel zoet was, kreeg ik ook wat, met veel +suiker en melk. Die lieve Christine. Zij droeg haar naam met eere. Zij +was zoo'n echt christinnetje, want ze schold haar broertjes niet uit, +maar gaf ze kopjes thee met veel suiker en melk. En nu is het wel waar, +dat daar soms een klein beetje omkooperij bij was, maar dat kwam door +den nood der omstandigheden en ons eigen booze, onwillige hartje. Bij +háár was het zuivere neiging om ons wat zaligheid te brengen. Ze vond +het zelf zoo heerlijk als ze ons goed kon doen. En zeg nu eens eerlijk, +is dat niet het wezen van het christendom? »Alzoo lief...." we kennen +toch dien wonderrijken tekst? Maar we vergeten, dat deze zelfde tekst, +als we hem later uit het vragenboekje droog moeten memoriseeren, ons +reeds lang bekend was, en net zoo dicht bij ons was geweest als de +eikenhakhoutjes in den aschpot. Die tekst was ons al genaderd in de +lieve zorg, in de koesterende liefde van dat zwoegende christinnetje. +Wee, als het christendom niet gepredikt wordt door u en mij, in daden. +Dan is het dood. En die daden behoeven niet de wereld te verbazen. Als +ze de harten maar winnen. Ons Christientje was een zendelingetje, en +haar preek was een kopje slappe thee met véél suiker en melk. + + * * * * * + +Tot de keukenherinneringen behoort ook het naar bed gaan 's avonds. +Moeder of Zus bracht ons naar bed. Bij het uitkleeden treuzelden we +altijd. Maar er gingen klontjes of andere lekkernijen mee naar beneden. +En dan was het: »Als je je nu gauw uitkleedt, krijg je een klontje." +Dat zette er gang achter. En in een wip waren we uitgekleed. + +Dan knielden we bij den stoel neer en zeiden ons gebedje op: + + 'k Leg mij om te slapen neder, + Goede God, die altijd waakt. + Wil mij door Uw gunst bewaren, + Als het kwade mij genaakt. + + . . . . . . . . . . . . . . . . . + Dan leg ik mijn hoofdje neer. + Doe mij niet angstvallig vreezen, + Want Gij zijt mij heil, o Heer! + + Neem mijn ouders en mijn vrinden + In bewaring dezen nacht, + Opdat morgen bij 't ontwaken + U de lof zij toegebracht. + Amen. + +Amen! We gaven Moeder of zus een nachtzoen, en sprongen in bed. + +De invloed van dat gebedje was heel kalmeerend. We zeiden het op met +eerbiedige stem, en langzaam. Ik weet nog heel goed, dat ik minder aan +de woorden dan aan den hoofdinhoud dacht. En dat blijkt ten overvloede +uit de misvorming van het ons onbegrijpelijke woord »angstvallig", +waarvan wij altijd maakten: als-val-ik. »Doe mij niet alsvalik vreezen." +Maar deze bede tegen het alsvalik vreezen stemde ons misschien nog meer, +en juist door dat plechtige, onverstaanbare woord. Hoofdzaak was, dat we +ons nederlegden onder Gods afgebeden bescherming, en die hoofdzaak +voelden we. + +Later kwam de kritiek. Waarom moest God mij bewaren tegen het kwade, dat +mij genaakte? Was het dan niet beter, dat God, de Almachtige, dat kwade +maar dadelijk vernietigde of het niet eens liet opkomen? En waarom +moesten juist mijn ouders en mijn vrinden bewaard worden en niet die van +een jongetje, dat niet geleerd had te bidden? En als nu mijn ouders of +vrinden eens ziek werden of stierven, moest God dan geen lof worden +toegebracht? En wat dan wel? + +Zooals ik zei, aan die kritiek dachten we niet, en het gebedje bracht +ons in een rustige, vredige stemming. Daarom zegt menigeen: zoo'n +gebedje hindert de kinderen niet, het doet hen goed, het kweekt in hen +een eerbiedige, godsdienstige gezindheid aan, het schenkt hun rustig +vertrouwen. Dit is alles waar. En toch ben ik tegen zulke gebedjes, +tenzij ze onberispelijk zijn. Want ze blijven het kind bij, de vorm +gaat met de jaren mee, en dan hinderen ze het kind wél. Dan gaat het +kind vragen, kritiseert zijn biddende woorden, en verwerpt ze. Ik weet +wel, je hebt kinderen en menschen, die nooit vragen, nooit kritiseeren, +nooit verwerpen, die jaar in jaar uit dezelfde woorden prevelen, +gedachteloos, alleen drijvend op wat klanken. Maar het is zeer de vraag, +of zij, die nooit vragen, ook wel ooit aan God hebben gevraagd; of de +nooit kritiseerenden wel ooit hun eigen zielloos formalisme gekritiseerd +hebben; en of zij, die nooit verwierpen, wel ooit hebben aangenomen. + +Men zij voorzichtig met het formuleeren der godsdienstige waarheden in +kindertaal. Iedere zielkundige onjuistheid kan zich later wreken. Veel +beter acht ik het, het kind half begrepen of onbegrepen woorden te +leeren waarvan de inhoud hem bij 't ouderworden steeds meer bewust wordt +en wier rijke beteekenis hij met toenemende instemming zal beseffen +als 't leven hem wijzer heeft gemaakt, dan hem nu met begrijpelijke +onjuistheden te voeden. Moedermelk--de mooie vergelijking is van +Paulus--moedermelk is _dezelfde_ spijs als volwassenen ontvangen, maar +in anderen vorm. Men mag de kinderen geen godsdienstige of zedelijke +waarheden inprenten, die ze later niet kunnen handhaven. + +Hoe, naar mijn meening, de groote waarheden in kindervorm tot het kind +gebracht moet worden, kan ik illustreeren met een heel simpel versje uit +»Ot en Sien". + +»Gij zult niet begeeren uws naasten huis, noch.... iets dat uws naasten +is." + +Dit ethische voorschrift kennen we. Maar ons hart zit vol ongeoorloofd +begeeren, en niet alleen naar 't geen onzes naasten is, maar ook in 't +algemeen naar 't geen ons en anderen nadeelig is. Hoe moeten we ons +wapenen tegen de telkens dreigende verzoeking? Vondel zegt het: + + Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht; + Zy loert, zy loert, om in te vaeren. + Sluit d'oogen, vensters van het licht, + Indien ghy wilt uw hart bewaeren. + +Dit gevaar geldt voor klein als groot. En daarom moet ook de vijfjarige +Ot op zijn hoede zijn, als hij met Sientje suiker gaat koopen voor +Moeder. Die suiker is zoo lekker, zoo verleidelijk lekker. Dat weten een +paar oudere vrindjes van Ot best, ze zijn ook jong geweest. En daarom +waarschuwen ze nu. Als Ot met Sien op een stoep gaat zitten, om even in +'t zakje te kijken, zeggen zij: Neen Otje, + + $Ook niet kijken.$ + + Hij wil er maar even in kijken. Maar dan? + Als Ot dan zijn vingertjes deed in den zak? + En die dan weer gauw bij zijn tongetje stak? + O Otje, o Otje, wat kwam daar dan van? + Dan had Ot gesnoept van de suiker van Moe! + Neen ventje, laat jij dus het zakje maar toe. + +Vondel zou zeggen: »Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht." Wij zeggen: +»Ook niet kijken. Laat het zakje maar dicht, mijn jongen!" + + * * * * * + +Het ging niet altijd zoo vredig toe daar beneden. Soms bleven mijn +broer en ik samen spelen. Dan waren we Indianen of Batavieren, smeten +malkaar met hoofdkussens, worstelden om malkaar uit bed te krijgen +en--in de benauwde bedstede--knauwden we malkaar en schreeuwden daarbij +zoo hard, dat ze 't boven konden hooren. Moeder of een ander trapte dan +op den vloer en we hielden ons een oogenblik koest. Maar straks begon +het spektakel weer, totdat Vader eindelijk driftig werd en naar beneden +holde. Dan schoten we gauw onder de dekens en verstopten daar ieder +lichaamsdeel, dat maar geschikt was om geslagen te worden. In den blinde +sloeg Vader er op los, met zijn hand, en ook wel met zijn pantoffel. +Maar wol was een slechte geleider. De slagen deden ons geen pijn, en +in plaats van het uit te schreeuwen van verdriet, barstten we uit in +gesmoord lachen. + +Dat maakte Vader nog woedender, en een hagelbui van klappen brak in de +nauwe bedstee los. Maar wij konden het heusch niet helpen. Ons lachen +was geen opzet, geen oneerbiedigheid, en nog veel minder plagerij, we +hadden 't graag bedwongen, deden er ook ons best toe, maar we konden +'t niet inhouden en stikten onder de dekens van telkens hernieuwde +lachvlagen. Totdat eindelijk een slag goed raak was. Dan keerde 't +spelletje plotseling. Een luid gekerm ging op, en meteen eindigde het +slaan. Vader was bevredigd. Niet omdat hij ons pijn had gedaan, dat +wisten we zelf wel beter, maar omdat hij die lacherij had bedwongen. +Zijn drift had het gewonnen op onze overspanning, nu kon hij gekalmeerd +aftrekken. + +Bij ons was de pret er af, en we gingen slapen. 't Was een harde toer, +om onder die omstandigheden te bidden: »Neem mijn ouders in bewaring +dezen nacht," waar de eene helft van die ouders je zoo had afgerost +en de andere helft je niet eens kwam troosten. Maar we durfden 't +gebed niet nalaten. Vader mócht dien nacht eens sterven. En ofschoon +we hem eigenlijk onze voorbede niet gunden, baden we toch. Maar met +afkeerigheid in 't hart. We zeiden echter onzen regel gehoorzaam op, +zoodat Onze lieve Heer ons later niet voor de voeten kon werpen: Nu is +je Vader ziek geworden, omdat jij niet gebeden hebt. We voldeden aan den +vorm. Ziedaar puur bijgeloof. De aangeleerde regels waren ons een amulet +geworden, waarmee we het kwaad konden bezweren. + +Toch flitste het al heel vroeg door mijn hoofd, dat zoo'n gebed toch +niet aangenomen werd, en ik herinner me den strijd tusschen mijn +afkeerig hart en mijn kinderplicht. Gewoonlijk won de laatste het en +waren we met Vader al weer verzoend, lang voor we insliepen. Om de +waarheid te zeggen, we rekenden hem die klappen niet zoo ernstig toe. +We wisten dat hij driftig was, vreeselijk kon opstuiven, maar waren ook +volkomen zeker van zijn goedhartigheid. En dan tel je een klap niet zoo +zwaar. Maar 't gebeurde toch ook wel eens, dat we in wrevel en boosheid +gingen slapen en 't maar eens zonder gebed waagden. Dan waren we den +volgenden morgen blij verrast, dat er niets noodlottigs was gebeurd. +Toch was er iets onrustigs in ons: we hadden met het leven van Vader +gespeeld, en zulks uit pure boosheid. O, als God Vader nu eens had +weggenomen! + +Er gaan in een kind veel meer van zulke overleggingen om, dan de ouderen +denken. Men behoeft met een kind niet te redeneeren. Het redeneert met +zichzelf, ook al formuleert het zijn meeningen niet. Een kind redeneert +in gevoelens, in neigingen--wat trouwens de volwassenen ook doen--en +onze zorg moet zijn, die redeneering niet te verstoren. Heilig hun +willen, en laat ze dan maar aan zichzelf over. Wel is het goed, ze nu en +dan te helpen met het bewustmaken der opborrelende waarheden. Maar dan +redeneert men er geen opinie _in_--dan redeneert men er juist een opinie +_uit_. Wat in de diepte sluimerde, komt naar boven en naar buiten. De +kleur van kersen en appelen komt immers, op haar tijd, ook van binnen +naar buiten? Verf geen groene appeltjes rood. Zij verven zichzelf. + +De klappen van mijn Vader hebben nooit afbreuk gedaan aan onze liefde +voor hem. Maar wel aan ons respekt. + +We begrepen, dat hij ze in drift gaf, beseften dat wij die drift hadden +opgewekt, en--let wel--vergaven hem daarom de klappen. Niet vormelijk, +maar in ons hart. + +Men beweert vaak, dat de kinderen een kastijding in dank aannemen, de +liefde er in erkennen, en straks de tuchtigende hand zegenen, de roede +kussen. + +Zoo ver heb ik het nooit gebracht. Ik betwist de mogelijkheid niet, +maar mijn ervaring ziet door zulke dankbaarheid geen enkel plaatsje +in mijn leven bezet. _Nooit_ heb ik de slaande hand gezegend. _Nooit_. +Wel--de hand Gods. Maar dat is immers héél iets anders? De slaande hand +Gods--dat is de rechtvaardige straf voor onze euveldaden, de verdiende +gevolgen van ons kwaad. + +Er heerscht gerechtigheid in ons leven. Zoek bij ieder leed uw zonde. +En ge vindt ze. Ik heb tenminste in mijn eigen leven--en alleen +daarover kan een mensch oordeelen, wat weet ik van uw innerlijk +leven?--ik zeg, dat ik in mijn eigen leven nooit te vergeefs heb +gezocht naar de zedelijke (de onzedelijke) oorzaak van mijn leed. +Maar die rechtvaardigheid heb ik in de menschelijke straffen nooit +kunnen erkennen. Daarin werkte wel mijn kwaad als oorzaak, maar +vooral niet minder de ontstemming, de drift, de gemakzucht en zelfs +het plichtsverzuim der bestraffers. Heel wat straf voor de jongeren +is eigenlijk verdiend door de ouderen, die zich aan die jongeren niet +hebben gewijd, die te kort zijn geschoten in hun opvoedingsplichten. +Dit nu heb ik al heel vroeg gevoeld--en dat zal wel bij meer kinderen 't +geval zijn--en daarom is het hoogste, waartoe ik het heb kunnen brengen, +dat ik mijn Vader zijn drift en zijn klappen vergaf. Maar er dankbaar +voor zijn? Nooit. + +Men voelt wel, waarom ik mijn vroegeren meester zijn slaan _niet_ +vergeven kon. Dat was heel iets anders. Die maakte van zijn slaan een +gewoonte, een voldoening, een nijdig genot. Vader sloeg uit drift. Je +zag, dat hij er zelf geen plezier in had. Hij sloeg, omdat die bengels +hem het bloed uit de teenen haalden. En straks was hij weer aardig tegen +je en goed en hartelijk. 't Verschil was niet, dat de een je meester en +de ander je vader was, want ik heb jongens gekend, die hun vader zoo +veroordeelden als ik mijn meester, maar 't verschil was: de een toonde +een hart voor de jongens te hebben, en de ander niet. Dat is alles. Maar +dat is dan ook allesoverheerschend. Al je daden worden door je hart +gekleurd. En zoo kunnen twee precies gelijke daden, bij twee volkomen +tegengestelde personen ook precies het tegengestelde van elkaar zijn. +Zuivere rechtvaardigheid beoordeelt daarom naar het hart. + +We vergaven Vader dus zijn klappen. En die houding van onze +vergevingsgezinde kritiek heeft mij geleerd, dat een volwassene een kind +niet slaan moet. 't Is ook niet noodig. Wie _met_ klappen kan opvoeden, +kan 't ook _zonder_. En wie 't niet _zonder_ klappen kan, kan 't ook +niet _met_. + +Maar laten we elkaar goed verstaan. Ik zeg: opvoeden. Ik zeg niet: de +baas blijven. Want ja, dan zijn er, die bij hun opvoeding dit middel +soms noodig hebben, door gebrek aan paedagogischen kultuur en--aan tijd. + + + + +NOG IN HUIS. + + +In de keuken sliepen we, speelden we, stoeiden we, hoorden we dreigende +bombardementen boven ons hoofd, kregen we op ons kop van een driftig, +vertoornd vader, en lagen we in alle stilte het vredig bedrijf van een +oudere zuster te bespieden. In diezelfde keuken oefende ik me ook in +mijn eersten handenarbeid en verdiepte ik mij in mijn eerste +bibliotheek. + +Mijn eerste handenarbeid was schoenenpoetsen. Wie onzer huidige jeugdige +slöjdbeoefenaars wordt in dat practische werk ingeleid en er mee +vertrouwd? Ik verzeker u, dat ik mij oefende in de bekende slöjddeugden +van netheid en nauwkeurigheid, zonder dat iemand die mij als +paedagogische gewichtigheden oplegde. 't Was louter liefhebberij. + +Hebt ge wel eens schoenen gepoetst? Neen, ik bedoel niet: uw schoenen +wel eens een enkel keertje glimmend gemaakt, maar den arbeid van +'t schoenenpoetsen verricht. Elken Zaterdag stond een rijtje voor +me gereed. De mannen en de groote jongens droegen toen laarzen, +schoenen met vrij hooge schachten. Bottines kende men niet. Er waren +rijgschoenen, knipschoenen, en laarzen, achtereenvolgens voor kinderen +(en meisjes), jongens en mannen. De dames droegen »stoffen laarsjes" +zonder hakken, die dus nooit gepoetst behoefden te worden. + +Zoo'n rijtje schoenen en laarzen was een mooi gezicht. + +Eerst zette ik ze netjes naast elkaar naar de grootte, de rijglaarsjes +van mijn jongste zus aan 't eene eind, de kaplaarzen van vader of mijn +oudsten broer aan 't andere eind. 'k Weet nog heel goed, dat ik genoot +van zoo'n rij. Ik zag er ons heele huisgezin in. En dan eerst alle +afborstelen, zoodat de modder verwijderd werd, daarna alle insmeren +met schoensmeer uit een cylindervormig grijssteenen potje (doosjes +schoensmeer waren er nog niet), en eindelijk stuk voor stuk +uitborstelen. Nu kwam bij 't genot der orde ook nog 't genot van +'t blinken. En als tenslotte de heele rij in dezelfde orde, maar +nu glanzend, in de keuken prijkte, stond daar vóór mij _een stuk +schoonheid_, waaraan de Vereeniging »Schoonheid en onderwijs" wellicht +nog nooit heeft gedacht. Een stuk schoonheid, waarin drie +schoonheidselementen leefden: orde, reinheid en glans. + +Wie had mij voor die elementen de oogen, het hart geopend? Ik weet het +niet. Misschien de sterrenhemel? Misschien waren ze ook in mij opgerezen +zonder eenige opvoedkundige oorzaak. Als die schoonheidselementen niet +in de menschheid waren, hoe zouden ze er dan ooit uit kunnen komen? +Onlangs zag ik op een landweggetje een vijfjarig meisje uit een +woonwagen, een kermiskar, spelen met steentjes en stukjes glas, die ze +blijkbaar van den weg bijeen gezocht had. Ze legde haar schatten in +mooie rijtjes--als ik mijn schoenen--en genoot daarvan. Wie had het haar +geleerd? Als schoonheid en onderwijs 't haar maar niet verleeren. Ik +bedoel: de _lessen_ in schoonheid en alle overige onderwijzingen. + +Wat deed ik mijn uiterste best, om het schoeisel tot in de puntjes +mooi te krijgen! Niet alleen om ieder plekje van het bovenleer te doen +glimmen, maar ook de hakken en ook de zoolranden, en ook--u gelooft het +niet?--ook den bocht tusschen zool en hak! Dus een ondergedeelte, dat +toch niet gezien werd en straks weer onmiddellijk vuil zou worden. Ik +gaf de schoenen niet uit mijn handen, eer ze onberispelijk waren. + + * * * * * + +Er was nog een handenarbeid, waarin ik mij ijverig bekwaamde. Een +groot gezin heeft dagelijks groote hoeveelheden aardappelen noodig, +en die moeten alle stuk voor stuk geschild worden. Dat was natuurlijk +meidenwerk, en, zoo er geen meid was, dan meisjeswerk. Natuurlijk? +Waarom? Mag een jongen wel het mes hanteeren, om onnoodige doosjes +te maken, en niet om noodige aardappelen te schillen? Ik voelde dat +toentertijd niet zoo en schilde menigmaal een grooten bak vol +aardappelen. + +Meen weer niet, dat mij dit altijd verdroot. Ja, als 't mooi weer was en +de andere jongens op straat speelden. Dan viel het mij wel eens hard. +Maar overigens? Er was een eigenaardig genot in, aardappel na aardappel +te schillen. Iedere aardappel was weer anders. Je had kleine en groote, +ronde en lange. Net als oliekoeken. Ze waren niet uit één vorm gekomen, +maar in vrijheid gegroeid, en ieder bracht zijn eigenaardigheden mee, +precies als de kinderen. Hoe boeiend en afwisselend was het, met die +eigenaardigheden rekening te houden. Je pakte ieder weer van een anderen +kant aan. + +En dan de kunst om _dun_ te schillen. »Zal je ze dun schillen, +Jan?"--»Ja Moe."--En dit was geen ja moe, om me er af te maken, en ook +niet om in Moeders oeconomie te komen, maar de instemming van een geest, +die een probleem erkent en daarin iets aantrekkelijks voelt naderen. Met +het kleine aardappelmesje, dat met door ervaring ontwikkelde beslistheid +ergens--neen niet ergens, maar bij het rechte beginpunt, in den +aardappel werd gezet, haalde ik de schil er zoo dun mogelijk af, terwijl +de aardappel tusschen vingers en duim verstandig ronddraaide, zich +richtend naar zijn bizonderen van de natuur meegekregen vorm. En dan +werden de »pitten" er uit gehaald, de oogen. Er zijn vrouwen, die dat +altijd slordig doen. Hoe is het mogelijk! Weet je nu iets leukers, dan +om telkens met de punt van je mesje zoo'n zwart oog er uit te wippen? Je +steekt de punt in den harden aardappel, wipt, en met een knapje vliegt +hij er uit. Geen oog werd vergeten, ook niet het kleinste. Niet alleen, +omdat het een schande was, als de aardappels 's middags van den schotel +je »aankeken", maar in de eerste plaats----omdat je ze niet kon laten +zitten. Dan ware je werk niet af geweest. + +Eén zonde bedreef ik nog wel eens onder 't aardappelschillen. Ik zette +den emmer met water een eind van me af, en gooide dan iederen blanken +knol, uit de verte, er in. Dat gaf een dubbel genot. Vooreerst moest je +goed mikken, en dan hoorde je telkens zoo'n heerlijken plomp. Maar 't +kwaad was, dat je den grond om den emmer heen aanhoudend bespatte. +Enfin, die zonde vergaf Moeder me. »Jongen, wat spat je weer!" Maar dit +klonk nooit als een verwijt of een verbod, maar steeds als een soort +instemming met je plezier. Dat hooren de kinderen gauw genoeg. + +In plaats van oefeningen in karton en klei bestond mijn handenarbeid +dus in oefeningen met leer en knollen. Het mes en de borstels leerde ik +daarbij hanteeren. Deugden van netheid en nauwkeurigheid werden in mij +ontwikkeld. Vraag het maar aan de schoenzolen en de aardappelpitten. +Maar weet je, wat nu hard is? Terwijl ik die kunsten nu nog volkomen +meester ben, ja nu nog, kan ik er geen examen in doen. Ik moet bepaald +karton kunnen snijden en geen aardappel schillen. En zoo beteeken ik +als handenarbeider niets en zijn de anderen autoriteiten. Ook krijg ik +er geen extra geld voor. Je hebt geen schoenen- en aardappeldiploma's. +De heeren op het stadhuis geven niet om glimmende laarzen en kruimige +aardappelen. Die zijn dol op kartonnen doosjes en aardappelen, +nagebootst in klei. Daar gaat hun hart en hun beurs bij open. Daarvoor +geven ze [f]50 per jaar meer. Wat zou mijn moeder er van zeggen? »Wees +jij maar tevreden, jongen. Jij hebt je Moeder geholpen." + + * * * * * + +Ik zou nog van anderen handenarbeid kunnen vertellen, maar 't is zoo +genoeg. Men heeft me wel begrepen: Ook in het schijnbaar eentonigste +werk zit genot en leering. Mijn moeder vertelde ons vaak, dat zij als +kind in de Klundertsche pastorie--Dominé van Spall had een heel groot +gezin--de meiden hielp bij 't aardappelschillen, en dan legde ze de +geschilde aardappelen netjes in rijen van zes op de rechtbank. En ze +genoot nog, als ze er ons van vertelde. + +In iederen arbeid, ook in den--schijnbaar!--eentonigsten, zit genot en +leering. De kunst is echter, die er uit te halen. Het simpel aangroeien +van het resultaat is al een vreugd. Maar de opvoeders zijn zoo dom, +zoo vreeselijk dom. De doodeenvoudige, de vlak-voor-de-hand-liggende, +de spotgoedkoope voortreffelijkheden zien ze niet. En ze halen met +opoffering van geld de modedingen in, omdat die.... in de mode zijn. +Zoo laten zelfs wijze menschen zich verblinden. En dan wordt die +verblinding bewerkt door wat wetenschappelijk geleuter. 't Is altijd +de oude geschiedenis. Hier vloeien de bronnen, maar men wendt zich +van het levende water af, om zich te richten naar de »steenen bakken" +van Jeremia, »die geen water geven". + +Een kind is toch met zoo weinig gelukkig! + +Dit ondervond ik ook met mijn bibliotheek en mijn eigen kamertje. + +Dit kamertje--doch wáár moest dit in huis te vinden zijn, daar we toch +met ons vijven in de keuken sliepen en we dus niet eens een afzonderlijk +slaapvertrek hadden? + +'t Was in diezelfde keuken en 't heette »het kokertje". Nú pas, bijna +een menschenleeftijd later, weet ik waaróm het zoo heette. 't Was een +lichtkokertje, en natuurlijk een horizontaal, anders had ik er niet in +kunnen kruipen en er een rustig plekje vinden. + +Ge weet nog van den winkel, dat er achter de toonbank een trapje van +vier treden naar de huiskamer leidde? Tusschen de treden van dit trapje +was ruimte. Als je nu, achter de toonbank, op je hurken ging zitten, kon +je tusschen die treden door kijken, en dan zag je een ruit vertikaal. +Achter deze ruit was een kokertje, een lichtkokertje voor de keuken, +en dat was mijn kamertje. Men kan begrijpen, hoe licht het er was. Het +schemerlicht achter de toonbank, moest tusschen de schaduwende treden +heen, eer het mijn kokertje bereikte. Toch viel er, een enkelen keer, +wel eens een zonnestraal in. 't Is wonderlijk, in welke verborgen +hoekjes zonnestralen al niet weten te komen. + +De toegang tot mijn heiligdommetje was in de keuken. Ik moest daar eerst +van den vloer op een kist klauteren en me in het kokertje werken. Maar +zat ik er eenmaal, dan zat ik er zoo veilig. Niemand kwam er. + +'t Leek net een klein kamertje: vloer, zolder en drie wanden, waarvan +een van glas. Ik denk, dat het ongeveer een meter breed en hoog was, +en niet veel dieper. 't Had tenminste iets van een liggenden, hollen, +vierzijdigen prisma, die den kubus naderde. Beknopter woon was +moeilijk te denken. En toch heb ik daar zalige uren en heele middagen +doorgebracht. Ja, zelfs heele dagen in de vacantie. Als Jan maar in zijn +kokertje zat, was hij zeker stil. En als je hem in huis niet wist te +vinden, had je maar, tusschen de treden van het huiskamertrapje, even +tegen de ruit te tikken. + +Het moet in mijn eigen hokje zeker vrij schemerig zijn geweest, vooral +op regenachtige namiddagen, wanneer ik er bij voorkeur mijn toevlucht +zocht. Maar daar weet ik niets meer van. 'k Weet alleen, dat ik er +mij recht behagelijk voelde. 'k Had er al mijn schatten, netjes +gerangschikt, evenals de schoenen en laarzen, en keek door de ruit naar +de afgesneden stukken van de beenen van mijn vader, als deze achter de +toonbank stond, of anders van den winkelknecht. 't Was een misfortuin +als moeder of zuster in den winkel hielpen, want die wierpen, door haar +rokken, breede wolkschaduwen in mijn toch al donker verblijf. Maar 't +was daarentegen een voordeel, als, op een zonnigen zomerdag, de winkel +lang leeg bleef. Dan reisde er, gedurende eenigen tijd, als de zon wat +hoog stond, wel eens een heele lichtbundel mijn kokertje rond, waarin de +stofjes zoo rustig vroolijk krioelden. En als er dan in de bovenkamer +gemurmureerd werd over het wegblijven der koopers, zat daar beneden +iemand, zonder zich daarvan rekenschap te geven, in stilte heel erg te +genieten door datzelfde wegblijven. Hij was gelukkig met zijn zonnegoud. + +Kinderen en volwassenen hebben zoo vaak tegenstrijdige belangen. + + * * * * * + +En welke schatten waren het nu, die me zooveel genot bezorgden? + +In de eerste plaats traktaatjes, die ik nooit las. Op de zondagsschool, +trouw bezocht, deelde men geregeld traktaatjes uit, sommige zelfs van +acht bladzijden, sommige van dof, andere van glanzend papier, sommige +met en andere zonder een prentje, kleine en groote. + +Die traktaatjes bevatten maar zelden verhaaltjes, meestal godsdienstige +beschouwingen, en ik las ze dus nooit. Niemand las ze bij ons thuis. +Maar ik sleepte ze dadelijk naar mijn kokertje en legde ze daar op een +stapeltje, waartoe ze naar grootte, dikte, papiersoort of illustratie +behoorden. Dan werden ze genummerd en ingeschreven in mijn catalogus. +Sorteeren was mijn liefhebberij, een wetenschappelijke liefhebberij, +gelijk men haar aan de hoogeschool en in het voddenpakhuis kan vinden. +Sorteeren van planten en boeken heet echter hooger te staan dan +sorteeren van vodden. + +Wanneer er een bepaald getal traktaatjes op een stapeltje lag, werd +dat met een draadje of lintje saamgebonden als dierbare brieven, die +men ook niet meer leest, en bijgezet in het mausoleum dezer soort +godsdienstigheid, dat ik mijn bibliotheek noemde. Gelijk mijn zusje +met haar poppekleeren, solde ik met mijn geschriften. Ze werden in- en +uitgepakt, opgenomen en neergelegd. Dat was het al. En zoo hebben die +traktaatjes aan mijn opvoeding meegewerkt, zij het op andere wijze dan +de vriendelijke uitdeelers bedoelden. Ze hebben me materiaal bezorgd, om +mijn ordezin te ontwikkelen. Ze hebben me bezigheid geschonken en daarin +een weldoende afleiding op donkere uren. + +Meen niet, dat ik onverschillig was omtrent die drukwerken. Dat is een +kind en een wilde immers nooit omtrent een nieuw stuk voornaamheid, dat +hem vereerd wordt. Ik voelde me er zelfs rijk mee. Maar het was een +rijkdom als van den gierigaard. 't Genot zat alleen in het hebben, niet +in 't gebruiken. + +Aan die traktaatjes is nog één herinnering verbonden. Men weet nog wel +van den avond, toen de kleine spijbelaar toch naar het verjaarsfeestje +mocht. Bij die gelegenheid moest hij een verjaarsgeschenk meebrengen, +want op een verjaarpartij gaan, zonder een cadeau aan te bieden, dat +was een onmogelijkheid. Hij had echter niets om aan te bieden. Toen, +eer hij in zondagsgewaad de gracht opvloog, kroop hij eerst naar zijn +kokertje. Kon Moeder geen geld missen om iets te koopen, dan moest hij +maar iets van zijn eigen schatten opofferen. En hij nam het dikste pak +tractaatjes uit zijn verzameling, om dat mee te nemen. Doch een snel +oprijzend voorgevoel waarschuwde hem, in een seconde, dat dát toch +eigenlijk te min was. Daarom nam hij nóg een pakje, en nóg een. +Eindelijk de heele verzameling. En hiermee vloog hij naar het feest. +'t Was voor hem een offer. Hij heeft echter nooit kunnen merken, dat +het als zoodanig door den ander gewaardeerd werd. Voor dien ander zat +ook niet het verzamelplezier er in. En zónder dat was het heele pak +eenvoudig waardeloos. + +Ik heb later wel eens in stilte gebloosd over het gekke figuur, dat +ik op dit verjaarfeest maakte met dat cadeau. Wat moet de jarige, +wat moeten zijn huisgenooten er wel van gedacht hebben. En de vraag +is meermalen in me opgerezen, of het van mijn Moeder goed was, me dus +naief er in te laten loopen. Had zij haar kind zoo aan de kritiek mogen +prijsgeven, al hoorde hij die kritiek ook niet. Mijn verontschuldiging +was--want gij weet het immers, ouders, hoe kinderen hun ouders +beschuldigen en verontschuldigen?--mijn excuus voor haar was dan, dat +ze zelf in allerlei zorg zat en op dit oogenblik zeker geen gelegenheid +wist, om gauw iets te koopen. Maar toch.... gij ouders, die niet zulke +excuses hebt, profiteert niet van de naiveteit uwer kinderen. Ze +verwijten het u later. En terecht. Behandel de dieren met zachtheid en +uw kind met ernst. + +En nu denk ik ineens aan iets anders. Wellicht heeft die jarige Piet in +zijn leven meermalen de geschiedenis verteld, hoe hij als jongen--nota +bene als jongen!--voor zijn verjaardag een pak oude traktaatjes kreeg, +en niet van een ouwen sok van een catechiseermeester, maar van een +vrindje! Wie weet hoe dikwijls hij zich ten koste van mij heeft +vermaakt! Misschien, terwijl ik dit schrijf, zit hij ergens in de +wereld, midden in zijn gezin, en haalt de historie weer eens op ten +pleziere zijner haast volwassen kinderen. En ze genieten met elkaar van +mijn onnoozelheid, gierigheid, of wat het zij. Piet heeft zijn leven +lang die zaak gezien onder _zijn_ licht. En ik onder het mijne, dat zoo +heel anders was.--Denk er aan, als gij over personen en feiten oordeelt. +Gij ziet slechts _uw_ zijde van de werkelijkheid. + + * * * * * + +Ik kan van mijn kokertje geen afscheid nemen, zonder een beminnelijke +zonde van mijn vader te gedenken. Die driftige, goeie man had het +zwak, moeilijk te kunnen weigeren. Daardoor kocht hij van gewetenlooze +commissionairs in zijn onnoozelheid bedorven waar. Daardoor leverde hij +aan gewetenlooze koopers zijn goederen tegen wanbetaling. En daardoor +teekende hij in--ons ten voordeele, maar Moeders beurs en humeur ten +nadeele--op alle boekwerken, die colporteurs hem aanpreekten. Ieder keer +als de rekening kwam, was hij weer kwaad, vanwege het geld, en ieder +keer als er een nieuw plaatwerk werd opgedrongen, bezweek hij weer: 't +was ook maar een dubbeltje in de week.--Jammer, dat die afleveringen +al spoedig rondzwierven. De eerste werden opengesneden en, zoo al niet +gelezen, dan toch bekeken. De latere dreven vaak onopengesneden door de +huiskamer, totdat eindelijk Moeders netheid ze bij een opruimwoede maar +telkens in een kast stopte. »Die ellendige boeken! Eerst koop je ze, en +dan lees je ze niet eens! En dan nog betalen!" Vader mopperde wat op die +verwijten, maar de gegrondheid viel niet te loochenen. Dat beseften wij, +kinderen, reeds. + +Jammer van die afleveringen. En toch weer niet jammer. Want toen ik +merkte, dat er in de huiskamer geen belangstelling en ook geen ruimte +voor was, sleepte ik ze naar mijn kokertje, natuurlijk met Vaders +goedvinden en tot Moeders dankbaarheid. En daar lag ik dan, vlak bij +'t lichtraam, de donkere platen te bekijken uit het »Bijbelsch Magazijn +voor alle standen" en de jachttafreelen uit »De Aarde en haar Volken". +Hoeveel stemming ik daaraan te danken heb, ik weet het niet. +Ontwikkeling waarschijnlijk niet veel, want de lektuur was er altijd +op ingericht, leesgierige menschen en kinderen af te schrikken. De +kunst om lezers te lokken, verstaan de kroegbazen in 't vak beter dan de +dominé's. Alleen de jachten in Afrika boeiden. Maar overigens niets. Ik +herinner me heel goed, dat ik het telkens probeerde, maar telkens moest +ik het weer opgeven. Toen heb ik ervaren, dat men een groot kwaad doet, +met het vrome en leerzame ongenietbaar te maken. Niet slechts--neen, dat +is nog niet het ergste--omdat men daardoor geen vat heeft met zijn brave +pogingen, maar--en dit is fataal--omdat men daarmee afkeerig maakt van +hetgeen ons juist aantrekken moest. Ga les nemen bij den duivel, als ge +uw kinderen in den hemel wilt hebben. + +Later--ik weet niet hoe--zijn al die afleveringen naar zolder verhuisd. +Ik verdenk daar mijn goeie moeder van. Moeders hebben zoo'n genadeloozen +slag, om allen onpraktischen rommel (gelijk boeken! wat héb je aan die +vodden!) naar zolder te expediëeren. De zolder is rustig en ruim. Daar +liggen ze niemand in den weg. En zoo heb ik, in later jaren, daar de +schatten mijner jeugd weer ontdekt in een paar rozijnenkisten van ruw +blank hout. Toen heb ik ze me opnieuw toegeëigend. En sedert hebben +ze me niet meer verlaten. De Bijbelsche Magazijnen liet ik gaandeweg +schieten. Die waren _te_ saai. Daarvoor behelsden ze dan ook godsdienst. +Maar de gele afleveringen van »De Aarde en hare Volken" liet ik +tot boekdeelen inbinden--ondanks de verdwenen vellen--en die zeven +boekdeelen zijn met me door 't leven gereisd. Héél vaak heb ik +er in genoten. Mijn aardrijkskunde konden, dientengevolge, mijn +latere lesoverhoorders me niet heelemaal vergallen. En toen in de +Tullinghstraat de kinderen opgroeiden, zat Moeder menig, menig uur +met ze te smullen in de plaatrijke boeken. De oude verworpelingen, +zuchtend in een rozijnenkist op een kouden, stillen zolder, werden +lievelingsprentenboeken voor Grootvaders kleinkinderen in de warme +huiskamer. + +Als Grootvader dát nu nog eens had kunnen bijwonen! Hoe zou hij +getriumpheerd hebben op zijn mopperende vrouw! »Zie je nou, vrouw, dat +ik nog zoo gek niet was?" En dan zou de vrouw, in wijsgeerige berusting +gezegd hebben: »Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!" + +Inderdaad, als we alles maar eens vooruit wisten! Op Vaders zondig zwak, +om zonder geld te koopen, heeft--voor zoover ik zien kan--nog meer zegen +gerust, dan op de toch inderdaad heel vrome traktaatjes. + +Doch laat ik nu op 't laatste oogenblik geen nieuwe onbillijkheden +begaan. »Voor-zoover-ik-zien-kan." Beseffen we wel allen de kracht van +die woorden? Wie weet, of ook zij den last hunner zending niet hebben +vervuld? Op Gods tijd. En op Gods plaats. + +»Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!" + + * * * * * + +Wellicht heeft, onder 't lezen door, menigeen medelijden gevoeld met het +arme jongetje, dat zijn ontspanning moest zoeken in een benauwd hokje, +spaarzaam verlicht, en bovendien onfrisch als verzamelhoek van allerlei +keukendampen. Het spijt me wel voor de gevoeligheid, hem gewijd, +maar--dit medelijden zou absoluut misplaatst en dus overbodig zijn. +Dat jongetje voelde zich in zijn hokje zalig. Het was voor hem een +toevluchtsoord. Wanneer het hem te druk, te roezemoezig, te onrustig +werd in de wereld der volwassenen, trok hij zich terug in zijn +eenzaam verblijf, en kon daar--ver van de menschen, vrij in zijn +alleen-zijn--zoo volkómen genieten. En dan had hij toch niets, dan wat +traktaatjes, wat afleveringen, een boek, of wat eenvoudig speelgoed. + +Wil ik u eens iets heel sterks zeggen? Wanneer hij later in den bijbel +las van »De Heer is mijn hoogvertrek", dacht hij altijd aan zijn +kokertje. Zóó veilig en vredig was het ook bij den Heer. + +Ik geloof, dat het goed is, niet slechts voor grooten, maar ook voor +kleinen, dat ze zoo'n retraite hebben, midden in hun eigen kring. En wat +is het dan heerlijk, als de _ziel_, midden in de benauwdheid des levens, +altijd zulk een toevlucht heeft. Ja, de psalmdichters wisten het wel. + +Maar nu moet ik nog iets opmerken. Over 't algemeen is het medelijden +met arme kinderen schromelijk overdreven. Natuurlijk, die kleinen moeten +gevoed, gekleed, gewarmd, gehuisvest worden. Ach, dat spreekt immers +vanzelf. Maar meen niet, dat ze zoo bar lijden onder wat kou en wat +gebrek. En dit zeg ik niet uit meedoogenlooze hardheid, maar uit +ervaring. 'k Heb zelf de armoede doorgemaakt, de fatsoenlijke armoede, +waarbij er echter ook een aanzienlijk tekort was in de eerste +levensbehoeften. Niet hier in den kruidenierswinkel, daar ging het nog +wel, maar later. 'k Heb ook in koude nachten mij onder karpetten (oude +wel te verstaan), rokken en jassen moeten warmen, omdat ik de wollen +dekens naar de bank van leening had moeten brengen. En toen was ik al +kweekeling. 'k Heb het armer gehad, dan menig kindje op mijn school, +dat thans van schoolkleeding en schoolvoeding geniet. Ontbering is mijn +jeugd niet vreemd geweest, en jaren achtereen. Maar--en hieromtrent +ben ik volmaakt zeker--nooit heeft die ontbering mij zoo schromelijk +gekweld. Daar kon ik me wonderwel in schikken. En ik herinner me zelfs +niet, dat ze me ooit diep het gemoed heeft verstoord. Neen, mijn +kinderellende kwam niet door gebrek aan eten, vuur en dekking, maar +door gebrek aan liefde. Versta mij wel: ik meen niet, dat ik daarover +te klagen had, en in huis wel het allerminst. Maar _als_ ik in mijn +kinderjaren echt leed heb gehad, was het altijd veroorzaakt door +liefdeloosheid van onderwijzers, van wantrouwende volwassenen, van +hartelooze jongens. + +Ik leg hier zoo den nadruk op, omdat ik inderdaad geloof, dat--en niet +alleen voor kinderen, ook voor volwassenen--de schrijnendste pijnen +in het gemoed, en niet in de maag worden gevoeld, en dat men vooral +kinderen veel meer verkwikken kan met _in_ hen te komen, met begrijpend +meeleven, met waarlijke welwillendheid, met mild vertrouwen, dan met de +voorziening in stoffelijke behoeften. + +Mijn kokertje. Hoe kan het getuigen van de geringe nooden der jeugd. +Armelijker kan het wel niet. Twee kinderen konden er niet in zitten. +Daarvoor was het te eng. Eén kind kon er zitten, als het zijn hoofd maar +steeds gebogen hield, en anders moest het er half liggen. De wanden van +het zeepvat en het vat met appelgelei, onder de toonbank, vormden het +uitzicht tusschen de treden der trap. Wandelende broekspijpen donkerden +het vale schemerlicht nu en dan tot halfduister. En toch, toch was ik +er gelukkig. Toch was het mijn hoogvertrek. Toch zweefde er, voor mij, +hemelvrede. Dat komt--de haat kon er niet komen, de hardheid het niet +bereiken, de nijd het niet bezoeken. De vernielzieke menschheid, tuk op +gemoedsverstoring, kon er de atmosfeer niet vergiftigen. En wat +beteekenden, daarbij vergeleken, de benauwde keukenluchtjes? + +Een kind heeft aan weinig genoeg, mits het in een zuivere gemoedssfeer +mag ademen. En zoo kan het nooddruftige kind volkomen gelukkig zijn, +ondanks een schrale voeding. En zoo kan het rijke kind, bij overdaad, +bitter misdeeld zijn. Het eerste, wat een kind noodig heeft, is een +zuivere dampkring voor zijn gemoed. Dat beetje eten komt wel. Maar hoe +velen kunnen zulk een dampkring scheppen? Zalig dan de eenzaamheid van +mijn kokertje. + + * * * * * + +Een laatste tocht naar het dak. + +Ons huis was hoog, tenminste in mijn herinnering. In de +Eglantiersdwarsstraat had het een groot stuk blinden muur, waartegen we +van een onzer balspelen konden genieten. Dikwijls raakte de bal daarbij +op het dak. Maar dan bezon ik me niet lang. Ik wist den weg naar den +zolder, klom door 't dakraam, liep door de goot en haalde den verlorene. +Dat deed ik altijd zonder vragen. Niet omdat ik niet wou vragen, maar +omdat het me dan stellig geweigerd zou worden. Vader zou me nooit +veroorloofd hebben, op het dak te klimmen. Dat was veel te gevaarlijk. +Maar jongens zijn gelukkig zoo, dat ze alle uit angstvalligheid verboden +dingen toch doen. Mijn hemel, als ze eens waarlijk gehoorzaam waren, wat +zou er, bij de bekende verbiedmanie der volwassenen, dan van hen terecht +komen. Nooit werd een jongen een man. Doch nu gehoorzamen ze hun zuiver +instinkt vaak meer dan hun opvoeders, en dat is hun behoud, begrijp dat +goed, brave, dwingende, uit bestwil handelende paedagoog. De jongen is +niet ongehoorzaam uit onwil, uit boos opzet, maar omdat een wijze natuur +hem tot taak heeft gesteld, de fouten uwer domme paedagogie te +corrigeeren. + +Mijn vader begreep dat maar zelden. 't Was heusch een allerbeste man, +maar het is ongelooflijk hoe conventioneel dom hij in de opvoeding was. +Net zoo dom, als tegenwoordig de overgroote meerderheid der vaders +nog is. Dan weet ge 't wel. Net zoo dom--als gij het nu nog zijt, +vriendelijke lezers. Dan weet ge 't wellicht beter. Al uw opvoedkundige +wijsheid is meestal domheid. En daaruit vloeien zooveel konflikten voort +met uw jongens. + +Vader was dan een dier massa-paedagogen, die alles verbieden, toch +alles laten gaan, in drift pakken slaag toedienen, en toch veel van hun +schavuiten houden. De opvoeding is hun te machtig. En zoo gebeurde het +op een Zaterdagmiddag, dat ik weer een aframmeling kreeg voor een mooie +daad van zelfopvoeding. + +Er lag voor de zooveelste maal een bal op het dak. Ik naar boven. En +gauw zat ik in de goot. Mijn makkers keken natuurlijk. Daardoor keken +ook eenige voorbijgangers, en nu hield een van hen »zijn hart daarbij +vast" en ging naar den winkel, om mijn vader te waarschuwen. Dat deed +die domoor natuurlijk weer met de allerbeste bedoelingen, maar niettemin +deed hij er gruwelijk kwaad mee. + +Vader verliet snel den winkel, en zag me. Nu is het voor een vader veel +erger zijn jongen in gevaar te zien, dan voor dien bengel zelf om in +gevaar te zijn. Maar zulke kinderen móét een vader ook niet zien. Laat +hij zijn oogen dan ook thuis houden. Mijn goeie vader stond zich op te +winden van bedwongen drift bij persenden angst. Gelukkig riep hij niet, +dat ik omlaag moest komen. Niemand riep. Ze waren veel te bang, dat ik +dan schrikken en naar beneden tuimelen zou. Met starende oogen volgden +ze allen mijn kattebewegingen, in voortdurende spanning. Ze zagen, +hoe ik langs het steile randje voortschoof, hoe ik mij bukte, weer +terugschoof en door het raam naar binnen klauterde, volkomen rustig. +Geen moment was ik me iets gevaarlijks of iets verkeerds bewust geweest. +Maar o, toen ik beneden kwam. Nog eer ik gelegenheid had, mijn vriendjes +iets te zeggen, vloog mijn vader op me af, sloeg me waar hij me maar +raken kon, greep me in mijn nek, rammelde me door mekaar, en dat alles +onder toejuiching der andere vaders, die ook een stuk voldoening +eischten voor den doorgestanen angst. »Zulke beesten van jongens! Een +mensch staat doodsangsten bij ze uit! 't Is tegenwoordig dan al meer +dan erg!" Vader besefte bij die woorden te dieper zijn paedagogenplicht +en ranselde nog wat genadeloozer, om vooral te doen blijken, dat hij een +degelijke vader was, die om den drommel er niet van hield, zijn kinderen +te verwennen. _Kinderen begrijpen, heet altijd kinderen verwennen. Dat +is nu nog zoo._ En ik werd met schelden en klappen naar huis geranseld. + +Wat was ik woedend. Wóédend! Ik had pas, zoo volkomen kalm, dat zware +stuk volbracht, een en al rustige beheersching. En daar werd ik zoo +getrakteerd. De menschen praten, van je vader in dank zoo'n kastijding +af te nemen. In dank? Mijn ziel was vol woede en verwijt. Ik besefte +tot in mijn fijnste vezelen, dat ik zoo'n behandeling niet verdiend +had. En dan zoo gruwelijk beleedigd te worden in tegenwoordigheid +van die vreemde straatmenschen, en van mijn makkers. Want het was een +beleediging, dat afranselen. En nog meer dat smadelijk naar huis jagen. +Ik voelde me diep gekrenkt en had zeker langen tijd noodig, om weer in +evenwicht te komen. + +Krenkt uw kinderen toch niet. En vooral niet in tegenwoordigheid van +anderen. Wij, schoolmeesters, hebben daar ook zoo'n handje van. Dan +zeggen we zelfs: »Toe jongens, lach die domkop eens uit, die kent nog +niet eens de tafel van zes!" En dan geven we het domme kind prijs aan de +harde bespotting zijner medescholieren. »Die domkop!" Wie is de domste +van de twee, hij, die de tafel van zes niet kent, of wij, die het +kinderhart niet kennen? + +Al mijn vergevingsgezindheid was ten slotte noodig, om mijn vader weer +in genade aan te nemen. Een vader, die zóó zijn kinderen kon offeren +aan zijn drift en zijn goeden naam bij het straatpubliek, dat was geen +vader. Maar--in zijn hart was hij toch een goeie man. Een half uur later +was hij zelf verlegen met zijn gedrag. Toen probeerde hij, tersluiks +weg, vriendelijkheden te bewijzen, de goede verhouding weer aan te +knoopen. En daartoe liet ik mij langzamerhand dan maar vinden. Ik +kon toch ook niet goed hebben, dat die groote man zich voor mij wat +vernederde. En dat deed hij toch eigenlijk met zijn er omheen gedraai. + +Dit alles kon ik toen niet zoo juist formuleeren, maar ik zag het zeer +goed in. En het heeft mij altijd bevreemd, dat Vader dan niet door een +ruiterlijke spijtbekenning, met een beroep op zijn drift en andere +verzachtende omstandigheden, de zaak geheel in orde bracht. Dat gaat +juist met een kind zoo gemakkelijk. Een kind gelooft je dan op je woord +en is grootmoedig beschaamd door je zelfbeschuldiging. Maar tot zulk een +afdoend middel kon hij nooit komen. Daarvoor was hij, paedagogisch, te +dom. Domme paedagogen zien in zulk een zuivere erkenning van de waarheid +altijd een zelfvernedering, terwijl het een reusachtige zelfverhooging +is. Niets ontwapent den tegenstander sneller dan erkenning van ongelijk. +Niets wapent ons krachtiger dan de waarheid. + +Ziedaar de eenige herinnering, die ik van het dak heb behouden. Ik wilde +er een bal halen, en kwam met een vroege paedagogische ervaring thuis. +Van al de ballen die ik te voren uit de dakgoot heb gehaald, weet ik +niets meer af. Al de geslaagde ondernemingen hebben geen herinnering +nagelaten. Maar die eene mislukte--is geworden tot een stuk, niet +opvoedkundige leer, maar opvoedkundige overtuiging, tot levenswijsheid. + +»Zie je nou jongen," zou mijn Vader zeggen, »dat dat pak slaag nog zoo +gek niet was?" + +En dan zou ik antwoorden: + +»Ja vader, als je dat alles maar vooruit wist!" + + + + +STRAATJONGEN. + + +De straat. Dat was het terrein onzer zelfopvoeding. Daar kwamen onze +krachten los, geestelijke en lichamelijke. Daar wisten we niet van +landkaarten of andere vervelendheden, daar knelde ons geen schoolbank +en kwelde ons geen schoolmeester, daar hadden Vaders paedagogische +handgrepen geen vat op ons, daar waren we vrij. + +Het is verwonderlijk, hoe een vuil stuk dwarsstraat en een brok »gracht" +naast een altijd stinkend water zooveel heerlijkheden kunnen bevatten. +Maar die heerlijkheden brachten we mee in ons eigen jongenshart. Het +vuil zagen we niet, den stank roken we niet--aan zulke nesterijen raakt +een mensch gauw gewoon--en alles lag overdekt door den glans onzer +verbeelding, de heele atmosfeer was doortrokken van gelukszon. Jeugd is +zaligheid, mits ze vrijheid hebbe. En die vrijheid hadden we, namen we, +op straat. + +Daar had je »de gouden stoep". 't Was een hardsteenen stoep, drie treden +op en dan een bordesje. Langs de treden en het bordesje stonden ijzeren +paaltjes, die ijzeren leuningen droegen. En nu spreekt het vanzelf, dat +wij voor onze spelen alle stoepen naastten, dus ook deze. De straat was +te smal, om daar genoeg aan te hebben. Dan moest je wel de huizen en de +schuiten annexeeren. Bij 't krijgertje-spelen had een kameraad je veel +te gauw te pakken, maar dan vloog je een stoep op, en als hij je daar +narende, schoof je bliksemsnel onder de leuning door, de straat weer op, +vrij. Die stoepen waren inrichtingen, die je uit de benauwdheid redden. +En het was verwonderlijk, hoe we van ieder klein voordeeltje gebruik +maakten. Nood maakt vindingrijk. + +De bewoners hadden daar natuurlijk wel een beetje last van, maar de +meesten berustten er in. Eén meneer echter was er, die dat gevlieg niet +hebben wou. Nauwelijks had hij in de gaten, dat zijn stoep in ons spel +was betrokken, of hij rukte de huisdeur open en joeg ons weg, soms met +een stok in de hand. Daarom heette zijn stoep »de gouden stoep", daar +mocht je niet aan komen. En nu was het gevolg van zijn grauwen en jagen, +dat we juist altijd naar zijn stoep toe gingen, en, ook zonder noodzaak +voor ons spel, er over holden en onder de leuning doorgleden. De gouden +stoep werd een apart spelletje. + +»Jongens, ga je mee naar de gouden stoep?" + +Aanstonds waren er een paar gereed. + +»Durf jij er op?" + +»Ik wel." + +»Pas op, daar staat die kerel." + +»Waar? Waar? Ik zie niks." + +»Ja, daar achter 't gordijn. Hij schuilt weg. Hij loert op je." + +»Laat hem stil loeren." + +En dan opeens vloog je de stoep op, greep de leuning, gleed er onder +door, en--»Hoera!" schreeuwden de jongens. Dat was de eerste zege. + +Allen stoven een eindje weg, als opgeschrikte musschen. Dan keerden ze +voorzichtiglijk terug, stapje voor stapje, totdat ze weer de stoep +omkringden. + +De tweede waaghals volgde. In een oogwenk was hij naar boven en weer +op straat. Hoera! Maar nu werd het een schande, als je achterbleef. De +andere jongens hadden 't gewaagd, jij moest het ook doen. Doch 't werd +hoe langer hoe gevaarlijker. Natuurlijk had »die kerel" ons al lang in +de gaten gehad. Hij had zich zeker al staan opwinden van drift en woede. +Mogelijk had hij zijn stok al gegrepen en was hij al naar de huisgang +geslopen. Wellicht stond hij al achter de deur. Misschien had hij de +schuif al in de hand. Onmiddellijk zou de deur openvliegen, een kerel +in zijn overhemd naar buiten springen, een stok op je lijf ranselen. Je +wist dit alles niet, en toch wist je het. Niemand had iets gezien, en +toch was ieder er zeker van. + +»Jongens, hij staat al in de gang, hoor! 'k Geloof, dat ik den smeerlap +gehoord heb." + +Maar nu werd het pas echt. Je koos, met een fijn straatjongens-instinkt +voelend, het juiste oogenblik. Je sloop naar boven, dat hij je niet +hooren kon, en dan, ineens, met een luiden triumfkreet, onder de leuning +door. Hoeraaaa! De kerel stond zich zeker te verbijten van nijd. + +De jongens die de eerste beurten gehad hadden, waren in de gunstigste +conditie geweest. Doch nu werd het gevaar hoe langer hoe grooter. De +vijand werd opgeschrikt, getergd, vol woede. De lont, door den eersten +aangestoken, naderde het kruit. Het gevaar der ontploffing was het +grootst voor de laatsten. Maar dat gevaar was toch ook weer zoo +aantrekkelijk, dat de eersten 't er nog eens op waagden. + +»Daar hei je-n-em." + +Ik was juist op de stoep. Teruggaan? Nooit. Dat zou een eeuwige schande +zijn geweest. Ik greep de leuning, wilde er onder door glijden, maar in +mijn verbouwereerdheid schoof ik niet laag genoeg weg, en kwam met mijn +gebit tegen de ijzeren leuning aan. Een geweldige schok, te krachtiger, +omdat ik juist zoo haastig weg moest schieten. + +Of de kerel me geslagen en geraakt heeft, weet ik niet. Bij de pijn in +mijn tanden viel alles weg. 't Was of ik flauw zou vallen van de pijn. +Maar een jongen valt niet flauw. Hij maakt dat hij weg komt. + +Zoo deed ook ik. Ik holde mijn makker achterna. Maar toen ik een eindje +verder stil bleef staan en tot bezinning kwam, bemerkte ik dat er van +een mijner oogtanden een stuk was afgebroken. Dat was in den strijd +gebleven. + +Met een verminkten oogtand moest ik verder het leven in. En was het daar +maar bij gebleven. Zoo'n verminking schijnt echter den heelen tand aan +te tasten. Langzamerhand brokkelde hij verder af. En op 't laatst moest +ik schoolmeesteren en zelf redenaren met een leelijk gat vóór in mijn +gebit. + +Zoo draagt de mensch de zonden zijner jeugd mee door 't leven. + + * * * * * + +»Dat heb je er nu van. Verdiende loon." + +Aldus sprak de opvoedingswijsheid van die dagen. En zoo spreekt ze nog. + +»Eigen schuld. Wat deed je dien man te tergen. Loontje komt om zijn +boontje. Nu was je zeker wel wijzer geworden." + +Wat dat »wijzer geworden" betreft, neen brave paedagogen, dat heb +jelui glad mis. We gingen voort, den man te tergen. Nu meer dan ooit. +Er viel nu een stuk tand te wreken. Daar zou hij voor bloeden. De +»gouden stoep" bleef een aantrekkingspunt. Heb jelui ooit gezien, dat +ontdekkingsreizigers zich door bevroren teenen en ijsberen van den pool +lieten terughouden? De pool trok ze, trok ze met onweerstaanbare kracht. +En als ze er eenmaal hun leven bij hadden verloren, waagden ze er een +tweede aan. Neen, met vloeken en stokken houd je nooit jongens van +gouden stoepen af. + +Hoe dan wel? + +Ik woon in een achterbuurt. Menigmaal staan er jongens en meisjes voor +ons venster. Die kijken naar binnen. En dan roepen ze tegen elkaar: +»Kijk, daar zitten ze. Ze eten. Zie je wel, sinaasappelen. Een schaal +vol. Kijk, die eene schept zijn eigen op. Zeg, wat eten ze? Kan jij het +zien?" + +Dat is wel lastig, zoo'n bekijk. Je bent niet vrij. En wat doe je dan? +Dan word je kwaad, je tikt driftig tegen de ruiten en jaagt het +straatpubliek weg, liefst met booze woorden. Niet waar? + +Neen, er is een betere manier. Ik denk aan mijn gouden stoep. + +Ik ga naar 't venster, schuif het gordijn weg, en houd den kinderen een +sinaasappel voor: »Wil je dien hebben?" + +Ze zijn op 't punt van weg te hollen. Maar ik roep ze, houd ze vast met +mijn vragende oogen, schuif het raam op, en geef ieder een sinaasappel, +ieder een heelen. + +Ze nemen hem aan, krijgen een hoogroode kleur, prevelen: dank u, en gaan +weg, zonder dat ik het vraag. Een eind verder blijven ze staan, bekijken +met blijde gezichten--héérlijke gezichten--den sinaasappel, wijzen +mekaar de heerlijkheden, en trekken dan langzaam af. + +»Een mooie manier!" zegt smalend de echte paedagoog. »Zoo stijf je die +brutale schooiers in hun kwaad. Welzeker, geef ze maar sinaasappelen. Ze +zullen morgen wel terugkomen. Zoo kun je aan 't geven blijven. Straks +brengen ze hun makkers mee. Dan krijg je een heele kolonie voor je +vensters. Daar valt wat te halen." + +Die echte paedagoog heeft evenwel in dit geval ongelijk. Hij heeft bij +zijn beschouwing alleen zijn eigen machtsmiddelen in rekening gebracht +en geen nota genomen van dat wonderlijk gevoel in menschenzielen, +dat men een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid, beschaming +kan noemen, en dat ook in schooierszielen woont, maar door de echte +paedagogiek hardnekkig wordt kapot gestraft en aan flarden gescholden. +Die kinderen komen _niet_ terug. Ik pas die methode nu al meer dan vijf +en twintig jaar toe, dus je kan bijna zeggen, dat ik een paedaloog +ben, tenminste zoo'n soort, en volhardend experimenteer op levende +straatschooiertjes. Welnu, nooit hebben die kinderen mij in mijn +vertrouwen beschaamd. Ze kwamen niet bedelen om sinaasappelen, en keken +zelfs niet meer door de vensters. + +Beredeneer dat nu maar, of--nog liever--reken het uit in een +statistiekje. Niet waar, dan alleen staat het wetenschappelijk vast. +Vóór dien tijd is het alleen maar zoo'n beetje geliefhebber. Je moet +het in cijfers voor je zien. Er moet een algemeene enquête worden +uitgeschreven over 't heele land: _a._ Hoeveel straatschooiers kijken +per jaar onbeschaamd door je vensters? _b._ Hoeveel gaan weg, als je ze +een sinaasappel geeft? _c._ Hoeveel van die komen weer terug, geenmaal, +eenmaal, tweemaal of meermalen? En als je dan bladen vol opgaven +hebt--enkel betrouwbare, o zoo betrouwbare--dan bereken je, op een +honderdste nauwkeurig, de resultaten. Dan staat de heele wereld +verslagen van je wetenschappelijkheid en word je nog dokter honoris +causa in de paedagogiek. Hoe zullen we 't in vredesnaam klaarspelen, wij +onnoozele zielen, aleer we onze wetenschappelijke zekerheid hebben. + +Er is voor ons dat heerlijke Christuswoord: »Laat de kinderen tot Mij +komen, en verhinder ze niet." Indien er iets, ook maar iets van +Christus' liefde in ons woont, kunnen we ons daardoor veilig laten +leiden. Laat dan de kinderen ook tot u komen, en verhinder ze niet. +Verhinder ze niet met uw grauwen en booze blikken, niet met uw schelden +en uitjakkeren. Het is wel droevig en schandelijk, dat op tot heden +onbezochte eilanden de vogels nieuwsgierig en vertrouwend den mensch +zien naderen, en dat te midden der beschaving de vogels verschrikt +wegvliegen: »Een mensch, een mensch!" Zooals de musschen voor ons +wegvliegen, doen 't ook de kinderen. Ze weten zich bij ons niet veilig. +Verander dit. En wanneer ge twijfelt, hoe in bepaalde gevallen te +handelen, herinner u dan uw eigen jeugd. Beter leerschool voor opvoeding +is er wel niet. Herinner u, hoe uw kinderziel gereageerd heeft op de +handelingen der volwassenen. Hoe men den engel in u opriep, en hoe +den duivel. En handel dan soms, misschien zelfs heel vaak, precies +omgekeerd. Die gouden stoep heeft mij gebracht tot een open venster. De +dreigende stok tot een sinaasappel. En daar heb ik mij wel bij bevonden. +Waarschijnlijk mijn straatpubliek ook. + + * * * * * + +Ik wil over deze sinaasappelmethode nog een paar ervaringen vertellen. + +Er zijn in de buurt van onze school natuurlijk andere scholen, ook +christelijke en katholieke. Nu hadden sommige leerlingen van die scholen +er plezier in, ons overlast aan te doen. Ze schreeuwden onder onze +schoolvensters, scholden de onderwijzers uit die poortwacht hadden, +holden door de rij kinderen die zoo ordelijk op het trottoir bleef bij +'t verlaten der school. + +Klaagden we bij hun onderwijzers, dan werden we altijd heel welwillend +ontvangen en hadden het succes, dat de bengels duchtig onder handen +werden genomen. Doch hieraan was een ander gevolg verbonden, dat die +jongens n.l. nog wat vijandiger tegenover ons kwamen te staan. Hinderden +zij ons niet meer, bang voor een pak slaag, welnu, ze hadden nog +vrindjes, die niet meer op school gingen en wel als hun wrekers wilden +optreden. + +Toen volgden we de sinaasappelmethode, die je heel goed kunt aanwenden +al heb je ook geen sinaasappelen. We lokten de jongens met vriendelijke +woorden, met een hand, zelf met een uitnoodiging om eens binnen te +komen, op de speelplaats naar de duiven en de bijen en de tuintjes te +kijken, in de school al de mooie platen te zien. Soms liepen we wel +met meer dan tien jongens, na schooltijd, de lokalen rond. En aardig, +ontroerend was het te zien, hoe die »schooiers" dan gaandeweg hun +schuwheid aflegden, belangstellend naar alles keken en vroegen: hoe het +kind zich in hen ontpopte, het vriendelijke kind. + +»Meester, die platen hebben wij ook op school." + +»Da's aardig." + +»Meester, mijn vriendje gaat hier. Kent u hem?" + +»Hoe heet hij dan?" + +»Piet." + +Daar valt een kameraad hem in de rede: »Zeg, d'r zijn zooveel Pieten in +de wereld. Je mot toch zijn achternaam noemen." + +»Net zoo," zeggen wij. »Maar je bedoelt Piet Verbrugge, niet waar?" + +»Zie je nou wel, dat de meester hem kent." + +»Nó ja, omdat de meester hem dikwijls bij jou ziet, niet waar meester?" + +»Netzoo." + +Ze babbelden vrij uit, zetten uit eigen beweging de petjes af, en +bedankten ons bij 't vertrek. »Dank u wel, meester!" En--kwamen den +volgenden dag met een paar vrindjes: »Meester, of zullie ook eens magge +kijke." + +»Welzeker, wat graag!" + +De collega's van de bizondere school zullen me nu toch niet verdenken, +dat ik hun kinderen naar de openbare school lok? Eerlijk kan ik +verzekeren, dat we er nog nooit eentje van die gasten als leerling +hebben ingehaald. We hebben alleen wat straatvrindjes gemaakt. En als we +nu poortwacht houden, komen verschillende jongens van de broederschool +ons broederlijk de hand geven. Dat is alles. + +Zullen ze niet besmet worden door zoo'n openbare-school-hand? + +Kom, kom. Openbare en bizondere school moeten elkander de hand reiken. + + * * * * * + +Als nu de Bond van Ned. Onderwijzers op zijn eerstvolgende Algem. +Vergadering geen motie tegen me aanneemt, wil ik ook wel mijn collega's +schoolhoofden aanraden--voor zoo ver noodig!--er wat minder gouden +stoepen op na te houden en tegenover de klasse-onderwijzers, onder hun +leiding, wat meer die sinaasappel-methode te volgen. + +»Dus," zegt de strijdgrage, doch al te vaardig concludeerende +klasse-onderwijzer, »dus, wij zijn zoo iets als straatjongens, die op de +vensters van de bovenmeesters hangen, om te kijken naar hun welvoorziene +tafels, en die dankbaar wegsluipen, als ons genadiglijk een sinaasappel +wordt toegestoken? Wij danken u feestelijk voor deze genade. Wij willen +zelf om den disch zitten, en gij moogt onze vaten wasschen." + +Goed, goed. Er is eenmaal een Meester geweest, die zich niet ontzag, +neen, die zijn grootheid openbaarde, door vrijwillig de minste te zijn +en zijn discipelen de voeten te wasschen. Nooit onteert het werk den +man. Wij worden alleen ontroerd door eigen onzedelijkheid. Geen +buitenafsche glans van rijkdom of rang kan wegschitteren de doffe +nevelen der innerlijke onreinheid. En alle nuttig werk kan geadeld +worden door den geest die het verricht. + +Goed, goed, ik wil uw vaten wasschen, als gij op die wijze mijn gaven +het best aanwendt tot heil van allen. Maar dan zal er toch wel iemand +zijn, een uit uw midden, gelijk ook ik uit uw midden ben voortgekomen, +of anders een uit voornamer levenskring, een dokter, advokaat, officier, +in ieder geval iemand, een mensch, door u gekozen of aangesteld vanwege +de door u gekozenen, een.... medemensch, d.i. een medezondaar, aan wien +wat leiding en toezicht is opgedragen. Noem hem president en laat hem +gezag voor een bepaalde periode, gelijk ook gijzelf telkens opnieuw +gekozen wilt worden, afkeerig van stabiliteit in uw positie, of noem +hem inspecteur en gun hem bij een blijvende taak ook een blijvende +bestaanszekerheid, er zal iemand zijn, die over u en mij te zeggen +heeft. En tot dezen iemand--misschien zijt gij, Bondsman, het zelf +wel: er kunnen meer Ketelaars van klasse-onderwijzer gezagsman +worden--tot hem en zijn gelijken zeg ik: geen gouden stoepen. Reik +ons hartelijk-welmeenend als 't noodig is een sinaasappel toe. Ge zult +eens zien, hoe die ons opvoedt. + +Er was eens een bovenmeester, die steeds zelf graag veel vrijheid +had genoten, en nóg genoot, en die daarom (ja daarom, en niet +desniettegenstaande) ook den onderwijzers veel vrijheid gunde en +toestond. Je kon zeggen, dat de man er voor hen heelemaal geen gouden +stoepen op nahield. Ze mochten letterlijk alles. Mits dat alles +overeenstemde met hun plicht. Ze hadden volle vrijheid om te doen, +wat hun plicht hen gebood. + +Maar nu was er onder het personeel eens een jonge, al te levenslustige +vrijbuiter, die zoo nu en dan wel eens wat geholpen moest worden in +het genieten zijner vrijheid tot plichtsvervulling. Komaan, daar was +hij jong voor. Hij sprong wel eens wat buiten den, ook door hemzelf +noodzakelijk erkenden band. En dan moest natuurlijk de bovenmeester hem +vriendschappelijk daarop attent maken. + +Eens bij zoo'n gelegenheid was onze vrijbuiter echter wat ál te +nonchalant. En toen de bovenmeester hem de onmisbare perken wees, maakte +de schavuit het nog erger. Wat denk je, dat hij antwoordde op de zeer +gegronde aanwijzing? »Och, stik!" + +Het kwam er heel joviaal en jongensachtig uit, maar men moet erkennen, +dat het, zacht uitgedrukt, toch getuigde van wat al te weinig eerbied +voor het regelmatig gezag. + +Wat deed nu de bovenmeester? Hij had dit antwoord kunnen rapporteeren, +te meer, daar het hem onder getuigen was toegevoegd. Wellicht had hij +het móéten rapporteeren, zoo niet ter wille van zijn persoon, dan toch +ter wille van zijn ambt. Hier had iemand, niet in speelsche dartelheid, +maar, althans schijnbaar, in respektlooze onbeschaamdheid, een +noodzakelijk gouden bordesje niet betreden, maar bespuwd. + +Wat dééd de bovenmeester? + +Hij noteerde niet en rapporteerde niet. Hij gaf niet eens een standje. +Hij zweeg. Ik denk, dat hij zich uit zijn jeugd ook herinnerde, hoe +grauwen en dreigingen averechtsche gevolgen hadden. Maar hij rekende op +iets. Hij rekende op dat »wonderlijke gevoel in menschenzielen, dat je +een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid en beschaming kunt +noemen". En hij rekende niet te vergeefsch. + +Den volgenden dag kwam de vrijbuiter bij zijn gezaghebber en zei, met +iets heel trouwhartigs in zijn stem, een eigenaardige tinteling in zijn +oogen, en een kleur van verlegenheid: + +»Bent u boos, om wat ik gisteren gezegd heb?" + +»Boos niet, maar...." + +»Och," kwam het er toen innig vertrouwensvol uit, »u moet maar denken, +dat u zoo'n soort oudste broer van me bent." + +Toen stak de gezaghebber zijn vrijbuiter hartelijk de hand toe, en die +twee bleven de beste vrinden, wat ze al waren, en nooit heeft in de +kranten gestaan, dat een jong onderwijzer tegenover zijn rechtmatigen +chef op een gegronde aanmerking »stik" had geantwoord. Daar is geen zaak +van gemaakt, daar is het publiek niet in gemengd, daar zijn de vakbladen +niet mee gevuld, daar zijn geen Hoofdbesturen voor opgetrommeld. En er +is geen jonge rebel gestraft. Die jonge rebel heeft sedert een mooie +carrière gemaakt. + +Dit alles was te danken aan de sinaasappel-methode, ofschoon men terecht +opmerkt, dat de bovenmeester zijn onderwijzer toch geen sinaasappels +offreerde. Maar wie nu nog niet heeft begrepen, hoe het kenmerkende +dezer methode hierin bestaat, dat zij zich richt tot de _goede +eigenschappen_ der menschelijke natuur, dat zij die wekt en te hulp +roept, om het kind, het kleine en het groote, _zichzelf_ te doen +verbeteren--die is niet waard, onderwijzer of bovenmeester te zijn. + +Ik zou het een groote onderscheiding achten, wanneer op een algemeene +vergadering van Paedagogen de motie werd voorgesteld en bij acclamatie +aangenomen: + +»De Alg. Verg. van enz..... + +gehoord enz..... + +overwegende enz..... + +verklaart, dat de sinaasappel-methode van Jan Ligthart de +voortreffelijkste is, + +en gaat over tot de orde van den dag." + + + + +NOG STRAATJONGEN. + + +Volwassenen plagen--dat was, naast ons spel, een onzer voornaamste +straatgenoegens. + +Hoe kwamen we daartoe? + +Ik denk, dat de volwassenen waren begonnen met ons te plagen, en dat wij +de kunst en den smaak hierin dus van hen hadden overgenomen. + +Men is er altijd zoo grif mee, de jeugd toe te voegen, dat ze in +allerlei narigheden, pakken slaag en dergelijke, haar verdiende loon +krijgt, maar men vergeet, of liever, men komt niet eens op de gedachte, +dat de volwassenen, in allerlei ergerlijke behandelingen van de zijde +der jonkheid, evenzeer maaien wat ze hebben gezaaid. + +Wie de kinderen weggrauwt, wordt door hen, uit de verte, nagescholden. +Wie ze wegranselt, wordt door hen nagesmeten. Wie zich ten koste van hen +vermaakt, wordt straks door hen geëxploiteerd. + +Ga eens na, hoe de kinderen van volwassenen leeren, _bij eigen ervaring_ +leeren, op welke wijze men zijn evenmensch behandelt. Hoe zullen ze dan, +in zulk een leerschool grootgebracht, het hun leermeesters verbeteren? + +Dezer dagen zag ik nog een treffend staaltje van zulk een opvoeding. +Een stuk of zes jongens zaten voor een huis op een stoepje. Ze deden +absoluut geen kwaad, koesterden zich in den zonneschijn, lachten wat +onder elkander, hadden gemoedelijke jongenspret, zooals jonge honden dat +ook zoo kunnen hebben. + +Plotseling ging achter hen een huisdeur open, een vrouw verscheen, en +trapte ze nijdig weg. De jongens, doodelijk verschrikt, vlogen de straat +op. Ze hadden geen flauw vermoeden gehad van dát gevaar achter hun rug. +Ze zaten zoo knus op dat warme stoepje in den lekkeren zonneschijn. En +nu stonden ze, met verschrikte gezichten, weggejaagd en weggegrauwd, +ineens midden op straat. + +De deur ging met een nijdigen smak dicht. Maar nauwelijks was ze toe, of +een van de zes, een goedaardige lummel van bijna dertien jaar, rende er +heen, en trapte met razende woede tegen het paneel, of de deur in elkaar +moest. + +Dat was het antwoord van den jongen op de uiting van de volwassene. + +Toen holde de »schooier" natuurlijk weg. + +Maar wie had hem op dat oogenblik tot een schooier gemaakt? + +Eén vriendelijk woord, en de jongens waren opgestaan en bereidwillig +vertrokken, als ze tenminste nog niet al te zeer bedorven en verhard +waren onder de bejegening van de ouderen. + +Eén vriendelijk woord. + +Maar de klagende volwassenen kunnen geen vriendelijk woord zeggen, +tenzij misschien tegen hun meerderen, ze achten zich gerechtigd, de +jongeren die hun in den weg staan als straatvuil weg te schoppen. Wat +wonder, dat de jongeren terugschoppen? En dat ze, niet alleen deze of +gene oudere, maar al spoedig de heele wereld der groote menschen als een +vijandelijke partij beschouwen? + +Wij plaagden de volwassenen, en niet de kinderen. Hoe kwam dat? De +kinderen begrepen ons. Met hen hadden we alleen zoo nu en dan een kort +gevecht. Maar tegenover de volwassenen leefden we voortdurend op voet +van oorlog. Aan wie de schuld? + + * * * * * + +Vóór het huis van Piet, denzelfden Piet, die op zijn verjaardag een pak +traktaatjes van me »kreeg", was een platte stoep in den vorm van een +rechthoek en daarom heen een nog al hoog houten hekje. De paaltjes waren +vrij dik, dicht bij elkaar, en donkergroen geschilderd, zoodat we binnen +dat hekje goed verborgen zaten. Bovendien stond er een oude boom voor, +welks zware kruin een donkere schaduw op den gevel en ook op de stoep +wierp. + +We konden daar zoo gezellig zitten, ongezien door de voorbijgangers. +Als het dan een beetje begon te schemeren, bonden we een zakdoek of +een gevuld papieren zakje aan een dun, zwart touw, legden het voorwerp +op de straat en leidden het touw tusschen de spijlen van het hekje +door. We vischten op hebzucht. Geen man of vrouw kwam er voorbij, die, +het verloren voorwerp ziende, niet even stil bleef staan, om het op te +rapen. Maar nauwelijks bukten ze zich, of het voorwerp begon te leven, +het bewoog, schoof over de straat, en eer het gegrepen kon worden, +sprong het met een ruk onder de oogen van den eerlijken vinder weg. Een +gejuich ging op uit het donkere hek, en de gefopte man of vrouw liep +gewoonlijk snel door, zonder om te kijken. Dan zeiden wij, natuurlijk in +van de ouderen overgenomen humor: »Hij houdt zijn smoel, maar Onze lieve +Heer hoort hem brommen." + +Deze plagerij was een van de onschuldigste. Een verbazend plezier hadden +we er in, de menschen voor niets naar den belknop te doen loopen, maar +dan niet door even aan te bellen en daarna weg te hollen, dat was te +gewoon. Als er ijs in 't water lag, bonden we een donker touw aan den +belknop, liepen dwars den weg en het ijs over naar den overkant, gingen +daar in de koude aan den walkant zitten, en trokken. Natuurlijk gebeurde +dat in donker en op een stille gracht met haast geen verkeer. Ging de +bel over, dan zagen we de deur openen, iemand rondkijken, en--'t was +koud--weer gauw de deur sluiten. Een minuut later trokken we weer, en +dat hielden we vol, totdat de bewoner het touw ontdekte. Dan ging er van +onzen kant een soort indianengehuil op. We lieten het touw voor een deel +in den steek, gingen door en door koud naar huis, maar hadden heerlijk +genoten. Bijna zooveel als de man, die in een koelen nacht op aal zit te +peuren. We hadden ook beet gehad. + +Een variatie op dit thema, maar nu al ja wat erger, vonden we, door met +een stevig touw den belknop aan den deurknop vast te binden. Dit kon +echter alleen, als beide knoppen dicht bij elkaar waren. Daarna schelden +we aan. We hoorden een der bewoners door de huisgang loopen, de deur +naderen, het slot openen, trekken. Maar de deur kon niet open. Zelfs +geen kier. Al naar zijn temperament begon nu de bewoner te vloeken of +te smeeken. In 't laatste geval sneden we nog wel eens het touw door. +Doch in 't eerste geval lieten we hem zitten, gevangen in zijn eigen +huis, totdat op zijn gebombardeer en geschreeuw een goede buur of +voorbijganger zich over hem ontfermde. Dan stond de geplaagde man te +schelden op die bliksemsche jongens. Maar die bliksemsche jongens waren +al lang verdwenen. + +Je zoudt zeggen, dat we toen al les in de methodiek hadden genoten, want +er was in onze streken een mooie »opklimming van moeilijkheden". De knop +van een gewone deur aan een belknop binden, was al gauw niet loonend +genoeg meer. We zochten een deur uit, waarin het houten bovenpaneel +vervangen was door ijzeren lofwerk. Als dan de bewoner wanhopige +pogingen deed, om zijn deur te openen, stonden wij op de stoep, op +_zijn_ stoep, hem uit te lachen of met hoonende woorden te sarren, zoo +ongeveer als Reintje de Vos het doen kon, als hij zijn aartsvijanden, +beer en wolf, in de ellende zag, waarin hij, en hun eigen ondeugd, hen +had gestort. We smaakten er een helsch genot in, de menschen in hun +machtelooze woede nog wat te tergen, dansten de dolste bokkesprongen +voor de traliën van den gekerkerde, of stonden met ijzige kalmte--als +wisten we van den prins geen kwaad--het vruchteloos rukken aan te zien. +Ja, dat was eigenlijk het gemeenste, als we ons hielden of we volkomen +onschuldig stonden te wachten op het openen eener deur, die door eenige +ons totaal onbekende oorzaak maar niet open wou. Ging eindelijk de +bewoner naar binnen, dan maakten we dat we wegkwamen, want dan begrepen +we, dat hij in zijn tuintje een buur zou roepen, misschien wel +twee--links en rechts--en konden deze, plotseling naar buiten schietend, +ons insluiten. En dan zaten _wij_ in de klem. Bij al onze ondernemingen +waren we krijgskundig genoeg, om voor een goeden aftocht te zorgen. +Wonderlijk, hoe dat geroemde genie der groote veldheeren al in het +jongensinstinkt zit. + + * * * * * + +Ik vertrouw, dat mijn eerzame lezers wel eenige voortreffelijke +kwaliteiten in onze gemeenheden hebben ontdekt en dat ze bereid zijn, +ons evenzeer een plaats in de historierollen te verzekeren als de groote +vlootvoogden en veldheeren. Ook wij wisten onze aartsvijanden, de +volwassenen, aanhoudend te bestoken en daarbij meesterlijke terugtochten +te arrangeeren. Maar zulke deugden worden in het klein nooit +gerespekteerd en allerminst door de slachtoffers. Men huldigt ze alleen, +als ze zich op veel grooter schaal vertoonen en in dezelfde mate ellende +hebben gebracht. Niet één huis, maar een heele stad moet omsingeld +worden, niet één nijdige vent, maar een heel leger ingesloten. Niet een +paar vloeken, maar duizenden dooden moeten er vallen. Het zij zoo. Ik +heb al zooveel aanspraken op roem en een standbeeld zien miskennen, ik +geef ook deze op. En pluk ik al niet mijn verdiende lauweren, in ieder +geval mijn paedagogische vruchten. Misschien zijn die nóg meer waard. +Lauweren verdorren, en vruchten hebben zaden. De eerste zijn een +afrekening met het verleden, de laatste beloften voor de toekomst. + +Een dier paedagogische vruchten is, dat ik me jegens mijn eigen +scholieren nooit braver voordoe, dan ik ben geweest, en hen geregeld +mijn jongensstreken vertel. Ze weten van mijn spijbelen, van mijn +wegspatten uit de schoolblijversklas, ze weten ook dat ik bij dat +spijbelen zoo heerlijk genoten heb, dat het mijn eenige geluk is geweest +tijdens deze schoolperiode, ze weten van mijn belknopexpedities, ze +weten haast alles, ook wat er nu nog volgt. + +En als ze die kunstjes van den meester nu nadoen? + +Met die vraag komen de bengels zelf ook altijd voor den dag. »En als wij +nu ook eens drie weken spijbelden?" + +Maar dan is mijn vast antwoord: »Dat doe jelui niet." + +»En als we het dan tóch eens deden?" + +»Jelui doet het niet." + +»Hoe weet u dat?" + +»Omdat je 't hier veel te goed hebt." + +Dan lachen de snaken, en er gaat een vriendschappelijk gejouw op: »Haha, +te goed!" + +»Ja zeker, veel te goed. Je hebt absoluut geen reden om te spijbelen. +En wil ik je nu nog wat anders zeggen? Als jullie meent, dat je hier +onbehoorlijk, hard of onrechtvaardig behandeld wordt, dan geef ik je +verlof om te spijbelen. Maar je dóét het niet. Daar ben ik wel zeker +van." + +»Jongens, ga je mee?" roept er een, en hij doet of hij vertrekken wil. +Maar halverwege keert hij lachende terug. »'k Zal maar hier blijven." + +»Dat wist ik wel." + +Wellicht vindt deze of gene onder mijn lezers die methode toch wel wat +gewaagd. Maar dan wil ik hem zeggen, dat je er wát een succes mee hebben +kunt. + +Zoo kwam er onlangs een oude man bij ons op school met zijn 12-jarigen +kleinzoon. Die jongen had het op een andere school erg verbruid, had +daar herhaaldelijk straf opgeloopen en gespijbeld, en nu--»of de meester +ook een plaatsje voor hem had." + +»Gespijbeld? Heb jij gespijbeld? Dan moet ik je net hebben. Want dat heb +ik ook in mijn jongensjaren gedaan en 't is mijn prettigste tijd +geweest." + +De jongen hief zijn zwarte oogen naar me op, zonder dat ik hem hiertoe +dwong--je hebt van die paedagogen (ook onder de agenten) die altijd de +slachtoffers _dwingen_ hen, beleefdheidshalve, aan te zien, maar door +hun gansche optreden de oogen dier misdadigers een anderen kant op +jagen--de jongen dan keek me gansch vrijwillig aan, en er was een +glinstering van vertrouwen in zijn donkere kijkers. + +»Zeker, ik heb ook gespijbeld. En daarom moet ik je juist hebben. Je mag +komen, hoor!" + +Grootvader keek verslagen. Hij dacht, dat hij met een krankzinnige te +doen had. Zoo ongewoon is zulken menschen de simpele gewoonheid. + +»Hij mag komen, Grootvader! Maar op één voorwaarde." + +Vier vragende oogen keken mij aan. + +»Dat hij dadelijk gaat spijbelen, als 't hem niet bevalt." + +Grootvader snapte het niet. Hij was al te veel verbasterd in deze wereld +van schijn, mooidoenerij, braafheidsvertoon, algemeene fatsoenhouderij. +Maar de jongen begreep me. Hij lachte. En pas had ik hem de hand ten +verbond toegestoken, of hij sloeg toe. Hij kwam op school, is een jaar +gebleven, en heeft _nooit_ aanleiding tot eenige klacht gegeven. + +Natuurlijk gun ik het succes hiervan ten volle aan zijn +klasseonderwijzer. Maar deze stoort zich ook al meer aan de paedagogiek +zijner levenservaring, dan aan de voorschriften der gezags-paedagogiek. +Hij volgt dus dezelfde methode als ik. Misschien moest ik zeggen: +Ik volg dezelfde methode als hij. Want ik geloof, dat ik in dit +opzicht heel wat van hem geleerd heb. De hoofdzaak echter is, dat +we dit succes te danken hadden aan de methode van--toe, geef eens +een mooien naam, liefst een Griekschen--de methode van.... +zondaar-met-den-zondaar-te-zijn. + + * * * * * + +Die methode komt in geen paedagogisch handboek voor, evenmin als +de sinaasappel-methode. Maar ik hoop, dat beide daar nog eens een +plaats krijgen. En daarom ga ik nu nog een van onze streken vertellen, +misschien wel een der ergste. Wie weet, of ook uit dit kwaad niet iets +goeds geboren wordt. + +Het is avond. De duisternis hangt reeds over het vunze grachtwater en +vult de nauwe ruimten tusschen de hooge huizenrijen, die men straten en +dwarsstraten noemt. Wij dwalen nog zoo'n beetje in die duisternis rond, +zoekend naar een genotsprikkel. Daar ligt ergens een keisteen los. We +halen hem uit het plaveisel. Of een paard nu misschien zijn poot in dat +kuiltje verzwikken kan, niemand denkt er aan. Met die kei kunnen wij wat +uitvoeren. + +Nu zoeken we einden touw in onze jongensschatten, opgehoopt in de +broekzakken. Die einden binden we aan elkaar. 't Wordt een touw van +behoorlijke lengte. Het eene eind wordt op stevige wijze om de kei +gebonden. + +Ginds staat de deur van een bovenwoning open. Wij er heen. Een van ons +trekt zijn schoenen uit, neemt de kei in zijn linkerarm, de schoenen +in de rechterhand, en sluipt op zijn kousen de trap op, naar 't +bovenportaal. Een ander heeft beneden het touw vastgehouden. + +De indringer staat doodsangsten uit. Want het is mogelijk, dat juist +op dit oogenblik daar boven een deur opengaat en een bewoner hem in de +gaten krijgt. Erger, het is ook mogelijk, dat nu juist een der bewoners +thuis komt, een pootige, ruwe kerel, en achter hem de trap oploopt. +Dan zit hij in de val. Want dan vraagt die kerel hem natuurlijk wat +hij daar te maken heeft, ontdekt den steen, heeft misschien de jongens +beneden al weggevloekt, en grijpt den binnensluiper in zijn nek.... + +O, die heerlijke doodsangsten! Wat heb ik er van genoten! Iedere zenuw +is in spanning! Elke seconde is een levensgevaar! + +Eenmaal hééft een kerel me zoo verrast. Maar niet gegrepen. Hij zag me +niet. Ik sloop als een schaduw de trap op, het portaal door, duwde me in +een donkeren hoek, plat tegen den muur, en de kerel liep me voorbij. Het +was om te bezwijken van heerlijkheid. Zulk een oogenblik is een hemel. +Het is bijna zoo zalig, als dat je op 't punt staat door de Indianen +gescalpeerd te worden en door de uiterste doodsverachting je leven redt. +Je bent een moment een van je meest benijde boekenhelden. + +Als de indringer zonder gevaar boven is gekomen, legt hij daar +behoedzaam den steen neer, sluipt weer naar omlaag, trekt zijn schoenen +aan, en houdt zich gereed. + +»Trek!" fluistert hij. + +De man aan het touw trekt en de steen dondert de traptreden af naar +beneden. Tegelijkertijd schreeuwt een der jongens een erbarmelijk +kindergeschrei uit. Je kunt niet anders denken, of er valt een kind van +de trap. Alle kamerdeuren vliegen open, alle vrouwen komen kijken. »Een +kind van de trap gevallen!" En ze tuimelen zelf haast de trap af, om de +eerste te zijn, die 't arme schaap opraapt. Want vrouwen van dat slag +mogen haar eigen kinderen verwaarloozen, bij een ongeluk zijn ze de +hulpvaardigheid zelf. + +Maar ze vinden niets dan malkaar en dat is reden genoeg om te blijven +staan en met nog eenige andere ook toegeschoten buurvrouwen te +overleggen, wat daar dan toch kan gebeurd zijn. Wij jongens, eerst +weggehold, met den steen, komen nu een voor een naderbij, steken ons +gezicht tusschen een paar jakken door, en informeeren belangstellend +naar het gevallen jongetje. En wij smullen daarbij van ons succes. Of +de vrouwen 't in de gaten krijgen? Een van haar roept tenminste: »za-je +opdondere, vuile flikkerkop!" En veiligheidshalve »dondere" wij op. + + * * * * * + +Ook deze jongensgrap heb ik vaak in kleuren en geuren aan mijn +leerlingen verteld. En dan zaten die te springen van plezier. De meisjes +niet. Die voelen over 't algemeen niet veel voor zulke min of meer +avontuurlijke streken. Maar de jongens. Hun oogen flikkerden. Nog meer +dan bij het overhooren der jaartallen. En niet een dacht er aan, of op +een dier bovenkamers misschien een doodziek kind, een stervende zieke +lag. En of die donderende steen wellicht een armen lijder had doen +opschrikken, die juist wat verademing beloofde te krijgen in een +rustigen slaap. Daarheen gingen hun gedachten niet, zoo min als die +van ons, jeugdige bedrijvers van die geneugten. We waren immers door +voorbeeld en lektuur ook in plagen opgevoed? + +Maar daarom, als mijn jongens volop genoten hadden van mijn vertellen, +liet ik hen critiek oefenen. Ik keerde dus het spelletje om. Niet +ik sprak afkeurend over hun ondeugendheden, maar ik liet hen al het +verkeerde aantoonen in mijn gedrag. En het was wonderlijk, hoe ze dan +gaandeweg van stemming en gezindheid veranderden. Eigenlijk was het +een gemeene streek, om die menschen zoo aan het schrikken te maken. +En ook gevaarlijk voor mogelijke zieken. Wie weet, of daar niet een +vrouw in de bitterste armoede op haar man, op haar zoon zat te wachten, +een woesten dronkaard. En hoe dan die arme vrouw, doodelijk verschrikt, +zou opspringen. Ach, er wordt in die kleine woningen zooveel ellende +geleden. Er is daar zooveel verterende smart. Dag aan dag, en nacht aan +nacht. Drank, armoede, ziekte, dood. + +Natuurlijk hielp ik mijn jonge veroordeelaars in het uitdenken van +toestanden, die onze grap tot een ernstig vergrijp maakten. En dan +bedachten we met elkaar, hoe je een beetje blijdschap kon brengen in +zulke vaak droevige gezinnen, hoe je misschien helpen kon. Ja, daar +waren wij ook wel toe bereid geweest. Maar men had het ons niet geleerd, +we waren er niet in geoefend. Bereid? 't Gebeurde nog al vaak in die +buurten, dat er een drie- of vierjarig kind zoek raakte. Die kinderen +speelden vrij op straat en dwaalden dan weg. Maar nauwelijks hoorden we +van een radelooze moeder dat ze haar kind »verloren" had, of we staakten +onmiddellijk het boeiendste spel en trokken in groepjes de straten +rond onder het eentonig-zangerig geroep van: »Wie hét er een ki----nd +gevonden, wie hét er een ki----nd gevonden," net zoo lang totdat het +verloren schaap terecht was. Hoe levendig herinner ik mij die droomerige +dwaaltochten, straat in straat uit, waarin we gehuld waren in de +atmosfeer van ons eigen weemoedig-melodisch geroep. Niemand dacht aan +opgeven. Ook wij waren verloren, verloren in dienstbetoon. Alleen nu en +dan hielden we stil, als een deelnemende vrouw vroeg: »Hoe oud is het, +jongens?"--Drie jaar.--»Nee, niet gezien, hoor!"--En dan trokken we weer +verder, aanstonds in de maat en de stemming van ons zingend vragen, dat +de open deuren en ramen ingolfde. Bereid? Ja, zeker waren we bereid. Men +verstond echter niet de kunst die bereidheid te exploiteeren. Zou dit +niet een der eerste opvoedingsplichten zijn? Leer uw kind, zichzelf te +helpen, en ook anderen. Dat leert men echter het best niet door preeken, +maar praktisch. Ga hen voor en neem ze mee. + +Mijn leerlingen waren intusschen hartelijk bereid, het vroegere gedrag +van hun meester af te keuren, en daarmee had die meester ze meteen in +zijn paedagogische val. Want je moogt van rechters, die zoo pas het +stelen veroordeeld hebben, toch niet verwachten, dat ze nu zelf op roof +uittrekken? + + * * * * * + +Ik hoop, dat mijn vreesachtige lezers, die zooveel gevaar duchten van +dat vertellen onzer kwajongensstreken, toch ook een weinig oog hebben +gekregen voor de gezegende vruchten er van. Men komt, in de eerste +plaats, daardoor zoo dicht, zoo heel dicht bij de kleine zondaars van +nu te staan. Zij voelen in u een van hun gelijken, vertrouwen u, durven +zich aan u geven--en komen dientengevolge te gemakkelijker onder uw hun +heil bedoelenden invloed. We weten het wel, Farizeesche ongereptheid is +heel mooi om aan te zien, bijna zoo mooi als een verlakte schoen, maar +de tranen van ons berouw glijden er langs af, dringen er niet in, vinden +er geen toegang. We voelen ons meer thuis bij den tollenaar, die in zijn +machtelooze veroordeeling van eigen ongerechtigheid alleen redding zocht +bij de genade der goddelijke liefde: + +»Heer, wees mij zondaar genadig." Wanneer kinderen in ons medezondaars +weten, is de afstand tusschen hen en ons wat kleiner. Ze laten zich in +ons los. + +Maar dan in de tweede plaats, kan men van eigen verleden een spiegel +maken, die niet alleen het kwade weerkaatst, maar ook de daaruit +voortvloeiende gevolgen. Men kan de kinderen oog doen krijgen voor +hetgeen het kind, en ook nog de mensch, in eigen handelingen bijna nooit +ziet: de noodlottige gevolgen, vonnissend de onschuldig schijnende +daad. Dat kan nu ook wel in een of ander verhaal, maar het verhaal +van meesters eigen leven is zooveel aangrijpender, juist omdat het +hém betreft. Alle kinderen hooren graag vader en moeder van eigen +jeugd verhalen, hoe die geëerbiedigde volwassenen zich als kinderen +vertoonden. En ik heb het bijgewoond, hoe kinderen medelijden hadden +met dat arme jongetje, dat zoo strijden moest om eigen kwaad te +overwinnen en er telkens weer in verviel, en dat nu hun vader was. + +Wie zich aan zijn kinderen durft geven, gehéél, doch met de heilige +bedoeling om dit als een offer te brengen tot hun heil, hij zal ervaren +hoe dit offer, wel verre van tot navolging der verkeerde daden te +prikkelen, een zegenende ernst in hen ontwikkelt, een vroegen strijd, +een--mogen we hopen--tijdige zege. + +Dan mag er--we zijn immers onder kinderen--wel eens een vroolijken toon +in ons verhaal klinken, dan mag er wel eens een luid gelach uitbarsten, +mits de ondertoon ernst is en het doel wordt beoogd: het geslacht van +nu, zoo mogelijk, te bewaren voor de zonden van het vroegere. + + + + +NÓG STRAATJONGEN. + + +Waarom--zoo vragen vaak ouders--waarom glijdt die jongen nu liever langs +de leuning van de trap naar beneden, in plaats dat hij, evenals wij, +netjes over de treden loopt. Dit laatste is toch zooveel veiliger. + +Ik denk, dat die jongen, behalve om het glijgenot, de leuning juist +kiest omdat zij een beetje _on_veiliger is. + +Kinderen _zoeken_ moeilijkheden. + +Langs uw trap zijn twee wegen. Den eenen volgt gij. 't Is de breede, +gemakkelijke, met loopers geplaveide weg tusschen beide leuningen. De +andere bestaat uit de kleine puntjes der treden, die nog even buiten de +leuning uitsteken. 't Is de uiterst smalle weg, die voortdurend boven +den afgrond van den hal hangt. En dien volgt hij. Daarbij zet hij zijn +voeten dwars, houdt met één hand de leuning vast, laat zich half boven +de diepte zweven, en slingert zich, boven gekomen, met vlugge beweging, +op den heirweg, door u gevolgd. + +Dat is een zeer duidelijk uitgesproken verschil van voorkeur. + +Gij vraagt, waaróm die jongen zoo dwaas is, zich moedwillig in 't gevaar +te begeven, en denkt er niet aan, hoeveel kostelijke krachtsontwikkeling +ge hem beneemt, als ge hem dezen moedwil verbiedt. Hoe zal de jongen, +te midden van zijn geriefelijke omgeving, een beetje leeren durven en +wagen, als hij er niet op eigen gelegenheid wat ongerief mag scheppen? + +Men beschuldigt in zulke gevallen de kinderen aanstonds van +onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid en ranselt er dan die twee ondeugden +uit. 't Is verkeerde paedagogiek. Men ranselt er op die manier een +natuurlijken opvoedingsfaktor uit, slaat dien tenminste voor een poosje +lam. De onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid is een ademen der zedelijke +natuur, 't is het uitslaan der vleugelen, 't is het uitgroeien der +ethische krachten van moed en zelfvertrouwen, 't is het overwinnen van +onmisbare zwarigheden, en daardoor het winnen in willen en kunnen. + +Bekijk de zaak eens van dezen kant, en gij zult begrijpen, waarom die +jongen liever op de tuinschutting zit dan op de tuinbank--ongeacht het +wel wat smalle zitvlak van die tuinschutting; waarom hij zoo graag door +het dakvenster klautert en liefst tegen de pannen op dan nog naar de +vorst van het dak; waarom hij buiten zoo onweerstaanbaar door slooten +wordt aangetrokken en als door een magnetische kracht wordt gedwongen +daarover te springen; waarom hij, met zijn kameraad op de wandeling, +zeker tienmaal, indien niet twintigmaal, vraagt: durf jij dat? en--als +er maar geen ouders bij zijn--dan bij ieder kwestieus geval net zoo lang +draalt en zich opwindt tot hij gedurfd heeft. + +Gij zegt, dat hij aan zijn kleeren moet denken en aan alle mogelijke +ongelukken. Hij denkt aan niets dan aan het lokkende gevaar en aan de +zalige zege. + +Toe, bekijk de zaak eens van dezen kant en vraag dan uzelf af, bij welke +partij de ware opvoeding werkt: bij de officiëele opvoeders of bij het +brutale, onnadenkende kind, bij de verlammende leiding of bij de +stalende zelfstandigheid. + + * * * * * + +Voor ons huis was een houten brug met een ijzeren leuning. Hoe dikwijls +liepen wij jongens, een heel rijtje achter elkaar, langs den buitenkant +der leuning. Ik voel dat ronde ijzer nog en aan het einde den +bolvormigen knop. Ik zie nog het vuile water onder ons. En ik herinner +me nog den even voorzichtigen als sierlijken zwaai, waarmee we om den +eindknop heen weer op de straat terecht kwamen. + +Zeker, als ik het nu van kinderen zag, ik zou mijn hart vasthouden, maar +nooit is er bij die kunsten een jongen te water gevallen, zelfs niet +als we, verstoken van alle gymnastiekwerktuigen, de ronde leuningen als +rekstok gebruikten om er ons borstwaarts of ruggelings over te trekken. +Er waren jongens, die, waar ergens een brugleuning van hout was met een +plat bovenvlak, daar overheen liepen. Eén zwenking naar links, en ze +tuimelden in het diepe water. Maar ze liepen met geconcentreerde + +zekerheid de heele leuning af, om dan aan het eind met een prachtigen +sprong weer op den vlakken grond te komen. Wie het niet durfde, stond +het bewonderend aan te staren. + +Eén heldendaad van dien aard herinner ik me van mezelf. Er stond eens +een vrij hooge stapel roode baksteenen opgetast aan den waterkant +dicht bij ons huis. Dat zag men toen meer: de openbare weg deed bij de +bouwerij nog al eens dienst als stapelplaats van materialen. Nu was er +tusschen dien hoogen steenstapel en den waterkant natuurlijk een reepje +weg onbedekt gebleven, een paadje dus achter den steenenmuur en vlak +langs het water, een paadje waar een paar muizen konden wandelen, +misschien ook een kat, maar stellig geen hond, en dat alzoo nu juist +niet bepaald voor jongens was opengelaten. Daar kon geen kind langs. +Reden te meer om het te willen. + +»Durf jij daar langs?" + +Nauwelijks was de vraag gedaan, of het paadje begon te trekken. Eerst +trok het je oogen en die maten met een enkelen blik de breedte--smaller +dan je voet--en de lengte--een meter of drie. Toen trok het je +linkervoet. Die moest noodzakelijk even om het hoekje heen, den neus +van je schoen rechthoekig tegen de steenen. Dat ging. Op je teenen en +de voorhelft van je voet kon je er staan. En als je je voet dwars tegen +de steenen drukte, met zijn binnenzij tegen den muur, dan kon hij er +heelemaal op. Nu trok het je linker arm. Die strekte zich uit en legde +zich, met uitgespreide vingers, vlak tegen den stapel. Je hand ging +werken als een zuignapje. Hij zoog zich als aan de steenen vast. Pas +op, het paadje trok je linkerbeen, je linkerzij, het trok je borst--je +drukte die plat tegen de steenen--je rechterbeen moest volgen, dan je +rechter arm, en je schoof, met uitgespreide armen, als een schaduw langs +den steenenmuur. Hoe kón het? Dat weet ik niet, maar het kón. + +Voetje voor voetje ging het schuivende verder. Eenmaal begonnen, was +er aan teruggaan geen denken meer. De makkers keken ademloos toe. De +menschen aan den overkant spraken er zeker schande van: »zulk tuig!" Ik +zag niets, hoorde niets, dacht aan niets, wist alleen dat ik, klevende +aan de steenen, moest voortschuiven. En ik schoof voort. Mijn leven hing +af van een oogenblik aarzeling of twijfel. Mijn leven en mijn triomf. +Ach, mijn hemel, het was alleronzinnigst. Maar waarom vertelde men +ons dan ook de geschiedenis van De Ruyter? Ik had geen toren om te +beklimmen. Moest ik dan de bevende heerlijkheid van het gevaar niet +achter die steenen zoeken? + +Ik kwam er. Even behoedzaam tastende als de tocht begonnen was, werd hij +geëindigd. Geen roekeloosheid op het laatste moment. De linkerarm boog +eerst om, de schouder volgde--maar reeds grepen de makkers dien arm beet +en ik stond weer in hun midden. Doodstil. Zij juichten. Ik zweeg. Want +als je wezenlijk verdienste hebt, met uiterste inspanning veroverd, dan +bluf je niet. Dan ben je moe en stil. + +Een tweeden keer heb ik dien tocht niet gedurfd. Toen trok ook het +smalle randje niet meer. Het had zijn bekoring verloren, gelijk de +jonkvrouw in Schillers ballade van »De handschoen". En geen der +kameraden volgde me na. Er zijn heldendaden, voor enkelen weggelegd, +en die deze ook maar éénmaal in hun leven kunnen volvoeren. + +Natuurlijk begrijpen de menschen niets van wat er omgaat in zoo'n +jongen. Ze vinden het domme waaghalzerij en koelen hun angst voor zijn +gevaar met scheldwoorden, pakken slaag, naar huis en naar bed. Daar is +de bengel dan vooreerst weer veilig en kon hij over zijn zonden +nadenken. + +Op dat nadenken moeten de opvoeders echter nooit veel rekenen. Het +bed is geen plaats voor zulke berouwvolle overpeinzingen. Daar, als +waarschijnlijk in elke andere gevangenis, lig je te fantaseeren. Je +ziet alles nog eens levendig voor je. Je geniet van nieuwe gevaren. +Je klimt en klautert langs onmogelijke wanden. Je bent er veilig, nu +ja, maar nadenken? Op grond mijner jeugdervaringen ben ik een overtuigd +tegenstander van de celstraf. Ik geloof alleen in de verbeteringskracht +van goed gezelschap en lustwekkenden arbeid. + + * * * * * + +Hoe weinig ik in zulke waaghalzerijen kwaad zag, blijkt wel uit het +volgende. + +Ik had een nieuw zondagspak gekregen. Dat was heusch een weelde, die +niet ieder jaar voorkwam. Met je moeder naar den winkel gaan, daar +verschillende pakken bekijken en passen, eindelijk dat eene mooie te +krijgen, juist dat eene waar je al je hart op gezet had, en dit dan den +eerstvolgenden zondagmorgen te mogen aantrekken en er de straat mee te +mogen opgaan, neen, dat was heusch geen kleinigheid, dat was een reeks +zeldzame genietingen, zooals in ons kinderleven wel eens één keer in de +drie jaar voorkwam; meestal werden onze kleeren gemaakt uit die der +oudere jongens. + +Het was dus een unicum, voor mijn ouders een groot geldelijk offer, en +toen ik den eersten zondagmorgen den besten in het nieuwe pak uitging, +liep Moeder mee tot aan de winkeldeur, tot op de stoep. + +»Zal je er goed op passen, Jan?" + +»Ja Moe!" + +»Zal je er erg voorzichtig mee zijn?" + +»Ja Moe!" + +Ik stapte de gracht op, ging mijn vrindjes halen, liep niet als een +gewoon kind, maar als een drager van nieuwe kleeren. Ik keek nog eens +om. Moeder stond me nog met gelukkige, streelende oogen na te kijken. +Ze moest er van genieten, hoe 't me stond als ik op straat liep, en hoe +netjes haar jongen er uitzag. Ook voor haar was 't een weelde en een +zeldzaam genot. + +Met mijn vrindjes ging ik naar buiten. In de stad wandelden we +nooit. Altijd naar buiten, naar de slooten, naar de balken bij den +houtzaagmolen, naar de tuinschuttingen, naar de wilgen. Er moest water, +groen en klimbaarheid zijn. En dat had je in de straten niet. + +Eerst bewonderden de vrindjes natuurlijk het mooie pak, maar dat was +gauw gedaan. Jongens vinden het wel een ellende met vermaakte kleeren +te worden op straat gestuurd, en ze zijn wel grootsch op een nieuw pak, +maar die ellende en die grootschheid duren beide gewoonlijk heel kort. +Zoodra de kameraden hun schimp of hun lof hebben geuit, is 't gedaan met +de macht der lichaamsbedekselen. Dan dénken de jongens eenvoudig niet +meer aan hun kleeren--zoo heel anders dan meisjes--en voelen ze als +lagen huid, die zich zoo gauw mogelijk moeten schikken naar de +bewegingen van het lichaam. + +Zoo ging het ook mij op dien Zondagmorgen. Mijn nieuw pak werkte al niet +meer, toen we nog maar even buiten de poort waren, en het sprong net zoo +gemoedelijk mee over de balken in de sloot als mijn oude plunje. Het +schikte zich wonderwel in de manieren en plezieren van zijn eigenaar. +Zelfs klom het al mee in een boom. + +Er stond ergens aan den slootkant een knotwilg, die half over het water +hing. Nu konden we reeds op drie manieren op het weiland komen: over het +hek op den dam klimmen, over de balken in 't water loopen, of ineens +over de sloot springen. Dat was voor een gewoon mensch al variatie +genoeg, zoolang er echter niet een schuine knotwilg bij kwam. Maar +nauwelijks had die al de bekoorlijkheden, waarover zijn uitgeteerde +ouderdom nog te beschikken had, voor ons uitgespreid, of wij bezweken. +We moesten in dat oud stuk stam klauteren, op den kruin staan, de takken +wegschuiven, en dan over 't water op 't weiland springen. Die weg was +veel moeilijker dan een der andere drie, en dus veel aangenamer. We +genoten er wel tienmaal van, ook al kraakte soms een halfrotte rand van +den hollen bast onder onzen voet. De zorg voor mijn nieuwe kleeren +bepaalde zich hiertoe, dat ik telkens na een sprong broek en kiel met de +hand netjes afveegde, omdat ze wat groen of vuil waren geworden van den +ouden wilg, en hun rimpels daarna mooi wegtrok, rimpels van 't klimmen. +Overigens kan ik met volle eerlijkheid verzekeren, dat ik mijn nieuwe +kleeren totaal vergat. + +Men versta dat toch goed. Ik zeg niet, dat ik ze moedwillig +verwaarloosde, dat ik ze niet achtte, maar ik vergat ze. Ze bestonden +niet meer voor me. De boom, de kruin, de takken, de sprong--die +leefden en heerschten. Al dat andere was weggezonken, zooals men dat +tegenwoordig met naïeven verklaringswaan uitdrukt: onder den »drempel +van het bewustzijn". + +Mijn vader had echter weer een anderen drempel. Hoe de man, tot mijn en +zijn eigen rampzaligheid, daar nu juist op dat buitenpad moest wandelen, +juist op dien Zondagmorgen, ik weet het niet. Maar hij liep er, en nog +eer ik hem in de gaten had, had hij mij gezien, klimmende en springende. +Zijn buitengenot en landelijke rust zonken onder zijn bewustzijnsdrempel +weg en daarboven op sprong, met tergende sprongen, zijn jongen in het +nieuwe pak. Een oogenblik nog, en hij had die jongen in zijn nek +genomen, een paar driftige kletsen om den kop gegeven, en naar huis +gejaagd. + +'t Was voor dien jongen een doodschrik en een grievende krenking. Hij +liep naar huis, op eenige meters gevolgd door zijn vader. Voor beiden +was het genoegen van dien Zondagmorgen weg. Maar in die jongensziel +ontkiemde, onzichtbaar voor hemzelf, de zekerheid, dat vaders domkoppen +zijn. En hij hield op dat oogenblik meer van dien stommen, ouden +knotwilg, dan van zijn vader. + + * * * * * + +Het is hard om te zeggen, maar vaders zijn vaak domkoppen. Ze +verstaan hun kinderen niet. Als ze zich de moeite eens wilden geven, +naar hun kinderen te zien en naar hun uitingen te luisteren, eens +heel oprecht met hen te praten, dan zou waarschijnlijk hun houding +tegenover dat jonge goed heel anders zijn. Maar neen, ze volgen +alleen hun eigen opwellingen van wrevel, ergernis, woede over allerlei +recht kinderlijke »overtredingen" en schelden of slaan er dan maar op +los. Daarmee vervreemden ze hun kinderen wel niet van ze--de band des +bloeds is taai--maar ze bederven toch zooveel jeugdgenot en zooveel +huiselijke vreugde. Wel, dat kon zoo gansch anders, en met veel meer +gehoorzaamheid dan nu morrende gehuicheld wordt. Wanneer ik hier geen +jeugdherinneringen schreef, maar degelijke paedagogiek, zou ik over de +vaderzonden een hoogst leerzaam hoofdstuk kunnen schrijven. Misschien +maak ik er nog een boek over en dat zal dan het beste paedagogische +handboek zijn van de wereld, want het begint de opvoeding bij de +opvoeders, en die hebben de verbetering het hardste noodig. Maar ik +schrijf slechts ijdele jeugdherinneringen, laat dus de domheid der +vaders onverbeterd, en ga voort met een stukje verregaand brutale +heerlijkheid. + +We lazen destijds veel indianenboeken en daarvan was het gevolg, dat +we ook speelden van »Blanken en roodhuiden". We verdeelden ons in twee +partijen. Doch nu waren we niet tevreden met een simpel spelletje in +de straat, neen, het moest echt wezen, zoo echt mogelijk, er moest een +woud bij te pas komen, een wildernis, en dan oplichting, gevangenneming, +bevrijding. Er moest eenzaamheid bij wezen, spoorzoekerij, sluipen, +geheime teekens, vogeltaal. We moesten de volle ontroering genieten van +het echte woudloopersleven, en nu zouden we geen jongens geweest zijn, +als we ons dat niet hadden weten te verschaffen, ondanks al de +tegenwerking van straatsteenen, huizen en volwassenen. + +Om te beginnen verdeelden we ons in twee partijen, maar die verdeeling +gold niet voor één avond, doch voor altijd. Wie eenmaal een roodhuid +was, bleef een roodhuid, en dat bleef hij overal, op straat, in huis, +op school, in de stad, buiten, Zondag en in de week. Zoo veranderde een +blanke ook niet van huidkleur en van vijand. En nu was de afspraak, dat +je, overal waar er slechts kans toe was, je vijand bestookte, besloop, +gevangen nam. + +Dat gaf aanleiding tot een voortdurende spanning. Nooit liep je op +straat, of waakzaam loerde je rond. Was je als blanke alleen en kwamen +er drie roodhuiden aan, dan maakte je tijdig dat je wegkwam, eer ze +je te pakken kregen. De gang van school naar huis was weken of maanden +achtereen een onafgebroken gevaar, en deed je boodschappen voor je vader +of moeder, was dan maar dubbel op je hoede, want de vijand stoorde zich +aan niets, vond je met je boodschappenmandje een te welkomer prooi en +sleepte je naar buiten, naar een plantsoentje, waar je »dicht in 't +woud" aan een boom werd vastgebonden. Vader of moeder mochten op de +boodschap wachten, angstig worden, naar je uitzien--dat alles maakte de +zaak »echter" en dus het genot grooter. 't Mocht geen komedievertooning +wezen, maar 't moest echte werkelijkheid zijn met echte ellenden. + +Nog zie ik me op een zomernamiddag in mijn eentje door de buurt dwalen, +dan naar 't plantsoentje gaan tusschen Raam- en Zaagpoort, en daar +zoo gauw mogelijk een boschje binnensluipen, op den heelen weg steeds +rondziend en zooveel mogelijk ongezien blijvend. De avond valt reeds, +'t begint althans te schemeren. Nergens bespeur ik onraad, maar ook +nergens een teeken dat er vrienden in den omtrek zijn. Nauwlettend +bekijk ik den grond, of de voetstappen iets te zeggen hebben. Luister, +klonk daar niet het geroep van den koekoek? Dat is het teeken van de +blanke jagers, waarbij ook ik behoor. Doodstil blijf ik staan en wacht. +Opnieuw klinkt het: koekoek, koekoek, koekoek, driemaal. Is het de roep, +wellicht de noodkreet van een blanke? Of de lokstem van een roodhuid, +die aldus een verdoold jager in den strik wil lokken? Nu is de uiterste +voorzichtigheid plicht. Mijn ooren richten zich naar alle zijden, vangen +ieder geluid op. Men kon mij van verre omsingelen, zonder dat ik 't +merkte. Maar geen verdacht geluid waarschuwt. Ik sluip dus verder in +de richting van de telkens herhaalde koekoeksroepen. 't Is wel wat +ongewoon, in dit plantsoentje een koekoek te hooren. Die komen anders +niet onder de rook van de hoofdstad. Maar die ongewoonheid geldt alleen +voor eerzame burgers en voor den boschwachter. Wij weten hier van geen +hoofdstad, we zwerven in de wildernis van het verre westen. En daar +klinken nog wel andere geluiden. + +Naarmate ik de roepstem nader, meen ik er de stem van een vriend in +te herkennen. Nu dient alles gewaagd. Toch laat ik me niet verleiden +tot roekeloosheid. Onder voortdurende bedekking, vaak liggende, soms +kruipende, tracht ik me tegen een overval te vrijwaren, totdat ik +eindelijk, in de eenzaamheid van het woud, een makker vind, inderdaad +vastgebonden aan een boom. Ik snel er heen, trek mijn zakmes, snijd +hem los en vlucht met den geredde zoo spoedig mogelijk weg van de +gevaarlijke plek. Eerst als we ons buiten gevaar weten, vertelt hij mij +zijn wedervaren. + +Hij moest voor zijn moeder een boodschap doen. »Gauw terugkomen," had +moeder gezegd. Toen, argeloos door de straat loopend, was hij door een +paar roodhuiden gegrepen. Die hadden hem hierheen gesleurd. Al zijn +gekerm mocht niet baten. Ze verstonden zijn woorden niet eens. In hun +ijzeren vuisten gekneld hadden ze hem geblinddoekt, langs allerlei +sluipwegen gevoerd, hem midden in 't bosch van al zijn bezittingen +beroofd, ook van het geld voor zijn boodschap, en tenslotte +vastgebonden. Stellig zouden ze hem den volgenden dag onder een woesten +krijgsdans verbrand hebben, als ik hem niet tijdig had gered. + +In de handen van welk opperhoofd hij gevallen was? Hij wist het niet, +maar hij vermoedde van De Witte Arend, want die was den laatsten tijd +erg in de weer. In zijn stam scheen een feest op til te zijn, en daartoe +had men gevangenen noodig, om met hun lichaamspijnen, doodsangsten en +gebraden spieren het feest op te luisteren. Goddank, dat de ongelukkige +nog bijtijds aan deze onderscheiding ontsnapt was. + +Samen gaan we naar huis, plannen beramend van wraak. We moeten zien, +dat we De Witte Arend zelf gevangen nemen om hem alleen tegen een +hoogen losprijs weer vrij te laten. We zullen al de blanke jagers in +een vergadering bijeenroepen, om een gezamenlijken rooftocht tegen +den ellendigen roodhuid te ondernemen. Kunnen we hem niet een zijner +geliefdste vrouwen ontrooven--de ellendeling had onschuldige zusjes, +die daarvoor in aanmerking konden komen--en hem dan noodzaken tot een +vernederende onderwerping? Of tijdens zijn afwezigheid de wigwams in +vlammen doen opgaan? + +Hoe het zij, een gevoelige wraak moest volgen. Hiervan waren we zeker. +En intusschen waren we innig gelukkig, dat we dezen avond weer zoo'n +levensgevaarlijk avontuur hadden genoten. Al was De Witte Arend +ook nog zoo'n ellendige roodhuid, voor geen goud, voor onze heele +maatschappelijke toekomst zouden we hem niet hebben willen missen. +Niet hebben kunnen missen. + +Wat was onze vale buurt, wat ons dreinig schoolleven zonder De Witte +Arend? + + * * * * * + +Maar die moeder nu, die op haar boodschap wachtte? En dat geld? + +Nu herhaal ik, wat ik reeds vroeger zei: in haar ontving de wereld der +volwassenen haar trekken thuis. Deze maaide, wat zij gezaaid had. + +Wie hadden indianen-boeken geschreven, gedrukt, verkocht? Toch immers +niet de kinderen? Wie verdienden er hun brood en misschien zelfs een +kapitaal mee? Toch immers niet de straatjongens? Wie kocht ze voor ons, +leende of schonk ze ons, wie liet ze ons lezen? Waren het de volwassenen +niet? Wat deden ze om ons andere lektuur te bezorgen, ons in andere +lektuur smaak te doen vinden, ons door betere lektuur op te voeden? Ze +lieten ons gaan, of--erger!--deelden onleesbare traktaatjes uit, hetgeen +daarom erger is, omdat het de kinderen van het daarin aangeboden goede +vervreemdt. + +De volwassenen lieten ons gaan, zooals het tegenwoordig nog bij de +meerderheid het geval is. Zij lieten ons doortrekken van indianen-zeden, +d. w. z. zeden à la Aimard of Cooper. En als die zeden nu in ons +begonnen te werken, aan wie dan de schuld? Wij konden het toch waarlijk +niet helpen, dat we bij onze verbeelding moesten leven, dat we de +romantiek tot werkelijkheid maakten. Dat lag zoo in onze kindernatuur. +Maar wie had die verbeelding eerst vergiftigd, wie die romantiek aldus +in onze fantasie gevoerd? + +Het is met die brave volwassenen zoo wonderbaar. Eerst gaan ze de +kinderen in 't vloeken voor, en als dan een kind ook verdomme zegt, +ranselen ze dat kind af. Eerst steken ze hun sigaar op, en als dan het +kind ook een sigaretje wil genieten, bestraffen ze het met strenge +woorden, doorrookt van pas geofferde tabak. Eerst omgeven ze het kind +met een wereld van drinken, rooken, vloeken, onreine scherts, en als dan +het kind de gevolgen hiervan openbaart, verbeteren die volwassenen nóg +niet zichzelf, maar gaan ze in een soort opvoedingsangst het kind te +lijf. + +Toen ik jongen was kon ik nooit de standjes en pakken slaag begrijpen, +die we met onze toch zoo natuurlijke spelletjes opdeden. En om de +waarheid te zeggen, nu ik al de vijftig voorbij ben, kan ik ze nog +niet begrijpen, in den zin van: rechtvaardigen. Natuurlijk begrijp ik +wel, hoe gemakzuchtige en genotzuchtige volwassenen liever kinderen +afranselen dan zichzelf verbeteren. Maar ik begrijp niet, hoe ze daarvan +eenig heil verwachten, ik begrijp hun domheid niet. De zaak is toch zoo +eenvoudig: »Wie wind zaait, zal storm oogsten." En wie zijn akker braak +laat liggen, moet zich niet verwonderen als daarop het onkruid tiert, +waarvan de zaden overal rondzweven en neervallen. + +Die moeder, die op haar boodschap wachtte en noch boodschap, noch geld +zag, had zeker recht om woedend te wezen. Maar op zichzelf. Ik vrees +echter, dat ze niettemin op den rug van haar jongen die woede gekoeld +heeft. Zoo zijn wij, opvoeders. Sterk--in de correctie. Waarbij dan de +slagen vallen op de slachtoffers onzer nalatigheid. + +We verwaarloozen eerst. En dan maar straffen. + + + + +KINDERKERK EN ZONDAGSSCHOOL. + + +De kleintjes zaten in de voorste rijen, en naargelang je ouder en +grooter werd, schoof je naar achteren. + +Ik heb een idee, dat ik als kleintje van zes jaar ook op de eerste bank +heb gezeten, dat ik gaandeweg in 't midden kwam, en geleidelijk de +laatste banken bereikte. + +'t Waren gewone banken zonder leuning, op drie pooten. Een heele rij +achter elkaar. En vóór dit bankenregiment stond als kommandant een +catheder, hoog boven de lage, platte banken uit, een generaal te paard +voor zijn soldaten. + +We zaten daar 's Zondagsmorgens, heel stil, het petje in de handen, dat +soms in de rondte begon te draaien, de ronde band tusschen de kleine +vingertjes door, en dan weer vermoeid tusschen die vingertjes neerhing, +of ook, plotseling, tusschen de vingertopjes uitviel op den grond. Die +vingertopjes werden dan wat suf van het aldoor vasthouden en lieten het +petje los, zonder dat ze het zelf wisten. Ze moesten onophoudelijk aan +het petje denken, en konden daardoor niet zoo goed luisteren naar den +meneer in den catheder. + +Daarbij kwam nog, dat het eene handje ook twee halfjes moest bewaren, +een voor het zakje en een voor het negertje. Het zakje ging rond en +vroeg voor de armen, het negertje stond op een tafel en vroeg voor de +heidenen. Die halfjes werden zoo heet in je kleine, vochtige handpalmen, +maar je moest ze ook goed verstoppen in de dichtgeknepen handjes. +Een halfje op straat verliezen, was een jammer van groote beteekenis. +Broekzakken hadden de kleine jongetjes nog niet. En daarom waren de +halfjes alleen maar veilig in den heeten oven van hun kleine brandende +handjes. Het was een heele verlossing, als ze daaruit weg mochten, +vochtig warm in het zwarte zakje of in het hoofd van 't metalen +negertje, dat ook voor de kleinste gave dankbaar knikte. + +Zoo hebben we daar gezeten, Zondag aan Zondag, telkens van 10 tot +12 uur, dus twee uur achtereen, in een klein, laag, benauwd +lokaal--hetzelfde, waar we in de week bewaarschool hadden bij juffrouw +Fietje. En dan gingen we er 's middags nog een uur ter Zondagsschool. +Ik denk, dat het niet gezond was. + +Nu, uit de verte gezien, vraag ik me af, wat de bekoorlijkheid van +die uren was, want bekoorlijk waren ze. En dan denk ik allereerst aan +het schoone, blauw-gestreepte katoenen kieltje, met het witte kraagje +er in geregen, en het witte linnen broekje met korte pijpjes. Moeder +had die alle gewasschen en gestreken en het was een heel genot, daar +'s Zondagsmorgens in gestoken te worden als jongetje van zes, zeven, +acht jaar, en er dan mee naar de kinderkerk te wandelen. Daar was iets +voornaams, iets deftigs in. Je liep, stijf gestreken ventje, blinkend +figuurtje, de halfjes in de linkerhand, netjes over de kleine steentjes. +In heel je kleine lichaampje werkte nog Moeders waarschuwing, om toch +vooral je goed niet vuil te maken. En de strakke voornaamheid van je +glanzende kleertjes deelde zich aan den drager mee. De weg van huis naar +de kinderkerk, nauwelijks drie minuten, was kort genoeg om ons buiten +alle verleidingen te houden. + +Maar behalve die ijdele uitwendigheden oefenden nog andere factoren hun +invloed uit. + + * * * * * + +Hebt u nooit eens gehoord van meneer Beekman en meneer Seeze? Nu, ge +ziet, ik ken hun namen nog, en ze dateeren toch uit het Germanentijdperk +van mijn levensgeschiedenis. + +De eerste was klein en vriendelijk. Zijn oogen en zijn mond glimlachten +ieder kind een onuitgesproken welkom toe. Een zachte, vriendelijke man. + +De tweede was lang en statig. Maar ook vriendelijk, schoon op een andere +manier. Hij glimlachte niet, maar groette beleefd. + +De eerste trok meer dan de tweede. Voor den eerste zou je gauwer +je zonden belijden. Heel zijn houding, heel zijn gelaat was een +uitnoodiging: Vertrouw me maar, want je ziet wel, dat ik veel van je +houd. Wanneer ik nu aan hem denk, valt mij het lied van Moody en Sanky +in: »Kom tot uw Heiland, toef langer niet." + +Een man, wiens heele persoonlijkheid een uitnoodiging is van zúlk een +kracht en van zúlk een aard, nu, dat is een geboren opvoeder, al is hij +maar een zondagsschoolmeneer en van zijn vak koekbakker. Want dat was +hij. + +Is het niet eigenaardig, dat ik zijn vak wist, en dat van zijn +medewerker niet? Dat is voor mij een bewijs, hoeveel dichter hij bij de +kinderen stond. De ander was een ernstige verschijning, maar loste zich +op in de nevelen van vormlijkheid en deftige statelijkheid. Meneer +Beekman kwam uit de nevelen zijner predikatie hoe langer hoe dichter +bij je en werd daardoor hoe langer hoe concreter. Je liep aan zijn hand +vertrouwend mee. Voor den ander zette je, op een afstand, eerbiedig je +petje af. We wisten ook precies, waar meneer Beekman woonde, en ik weet +het nog. Maar de ander woonde »ergens". Eigenlijk dacht niemand er aan, +of hij woonde. Hij verscheen en verdween. Zijn kleine, glimlachende +medewerker verscheen en bleef, bleef ook als hij weg was. + +Van meneer S. wist ik niets geen kwaad, o neen, gansch niet. Hij was +stellig een brave man, maar hij bleef buiten de kindersfeer. Dat zie ik +nu zoo duidelijk. En die vriendelijke kleine was er dadelijk in, reeds +als je hem bij 't binnenkomen een hand gaf, ja nog vroeger: als je hem +bij 't binnenkomen zag. + +Kinderen voelen je. Ze voelen je echtheid. Ze voelen je genegenheid. Ze +voelen, of je hand ze verwelkomt of dat het evengoed een handschoen had +kunnen zijn. + +Welnu, behalve mijn schoon gewasschen en stijf gestreken zondagspakje, +was ook meneer Beekman een stuk bekoorlijkheid van de kinderkerk. En +daaruit kan nu iedere onderwijzer en iedere zondagsschoolmeneer en +iedere dominé zien, hoeveel er van hem afhangt, van hem persoonlijk. Het +mooiste gebouw en de geriefelijkste lokaliteit kunnen weerzinwekkend +worden, door een mensch. En zoo'n armelijke, ouderwetsche +bewaarschoolschaapskooi kan door één man zoo aantrekkelijk worden, dat +een vrijheidlievend, speel- en zwerfgraag stuk straatjongen er week aan +week zijn kostelijken zondagmorgen wil doorbrengen, terwijl buiten alles +lokt en bloeit. + +Eén mensch. En nog wel een onbestudeerd mensch. Een koekbakker. +Maar--een kindervriend! + +Dat was het heele geheim. De man kwam daar niet, om zichzelf te hooren +preeken, maar omdat hij de kinderen zoo lief had. In die liefde zat zijn +beste preek. + + * * * * * + +En of ik nu nog iets weet van zijn eigenlijke preeken? + +Niets. + +Dus daaruit blijkt, dat hij die net zoo goed had kunnen nalaten? + +Dat durf ik nog niet zoo aanstonds te zeggen. + +Op een weiland staan millioenen grasjes en als je die stuk voor stuk +vroeg naar wat ze zich nog herinneren van alle regenbuitjes in 't vroege +voorjaar, zouden ze daarvan niets meer weten te vertellen. En toch is al +dat water niet langs hun gladde lijfjes nutteloos weggevloeid. Ze zijn +er van gegroeid. Ze herinneren zich niets meer, maar niettemin is het +vergetene in ze. 't Is een deel van hun leven geworden. Is dat niet de +beste herinnering? + +Wat weet ge, aan feiten, nog van de dagelijksche moederzorg, waaronder +ge groot zijt geworden? Wat weet ge van al de ernstige woorden, door +ouders en meesters tot u gesproken? We zeggen het zoo licht, dat al die +woorden langs ons weggedropen zijn. Maar ik heb een vermoeden, dat ze +ons toch hebben gedrenkt. + +Ga ik mijn jeugd na, dan herinner ik me alleen de bizondere voorvallen, +maar van de gewone, dagelijksche invloeden heb ik alleen een stemming +bewaard. En nu zou ik uit de stemming, die aan de kinderkerk verbonden +is gebleven, een heel stuk opvoedende kracht durven afleiden. Zooals een +kenner der oudheid uit enkele brokstukken marmer een geheelen Griekschen +tempel reconstrueert, zou ik een heelen zondagmorgen kunnen schetsen. +Daar was dan geen enkel geconstateerd feit in, en toch zou de heele +schets waarheid kunnen zijn. + +Uit het geheugen geraakte invloeden zijn daarom niet verloren. Ze zijn +omgezet in geestelijke kracht. Nog eens, is dat niet de beste +herinnering? + +Hoezeer ik reden heb, gunstig over het gepreek te denken, blijkt wel uit +het feit, dat ik thuis in allen ernst kerkje speelde. Dan zette ik twee +stoelen met de ruggen naar elkaar. Dat was de preekstoel. Op de beide +randen der rugleuningen legde ik den Bijbel. Liggende met de knieën +op den eenen stoelmat, las ik uit den Bijbel voor en liet de gemeente +opgegeven psalmen en gezangen zingen. De gemeente bestond uit Vader, +Moeder, zus Christine en wellicht nog een paar anderen. Allen hielden +zich ernstig. Dat weet ik nog heel goed, want het minste blijk, dat men +er, mij ten gerieve, een spelletje van maakte, zou me diep gekrenkt +hebben en driftig hebben doen wegloopen. De kerkgangers hielden zich +voortreffelijk. + +Maar meent ge, dat ik ooit lust had het schoolleven in de huiskamer te +halen? Dat lag onder den ban van een killen haat. Hoe minder ik er aan +dacht, hoe beter. De school bestond thuis niet voor me. Echter wel de +kinderkerk. En langen tijd heette het zelfs, dat ik maar dominé moest +worden. Nu zat er wat predikantenbloed in de familie, waar Grootvader en +twee ooms dominé waren. Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Die zat bij +den koekbakker. Deze beminnelijke christen wist zijn liefdewerk in mijn +kinderoogen zoo bekoorlijk te maken, alsof hij een tramconducteur of +koetsier was geweest. En dat wil heusch wat zeggen, want gelijk ieder +weet, wil iedere jongen graag conducteur of koetsier worden. Welnu, +meneer Beekman maakte zijn kinderkerk aantrekkelijk.... als een omnibus. + + * * * * * + +Nog een wonderbare tegenstelling met de school ligt me in 't geheugen. +Ik weet niet, dat ik ooit voor de school lessen leerde. Voor de +zondagsschool leerde ik mijn teksten en psalmversjes graag. Nog zie ik +die kleine bonnetjes, net etiketpapiertjes, waarop aan de eene zijde +een tekst en aan de andere een vers gedrukt was. We kregen er elke week +een mee en ik beijverde me steeds, die »les" goed en gauw in 't hoofd +te werken. Aan wien was dat anders te danken dan aan den koekbakker? + +In mijn tooneelstukje »Tóch Timmerhout" komt een ondeugende jongen voor. +De schoolmeester weet hem niet te pakken, wil hem zelfs van school +jagen. Maar een oude timmermansknecht grijpt den bengel in 't hart +en redt hem. Men heeft me wel eens verweten, dat ik zoo de rollen had +omgekeerd en een timmermansknecht tot paedagoog gemaakt. Maar als het +leven mij dat nu eens aan de hand had gedaan? Als in dat tooneelstukje +nu eens een stuk levenservaring stak? De maatschappelijke werkkring +klopt niet altijd met den aanleg. Daar was een koekbakker, die ons +opvoedde. En hoe menige opvoeder moest maar liever koek gaan bakken? + +Er zijn menschen geneigd te zeggen: Het was de kracht van Gods Woord, +het was de werking van Zijn Heiligen Geest, die je de teksten en +psalmverzen zoo graag en grif deed leeren. En dan knoopen ze hieraan een +heele beschouwing vast, alsof er in die Bijbelwoorden een zekere geheime +tooverkracht stak. Maar ze vernederen derwijze de zieleuitingen van een +vroom gemoed tot amuletten, maken van den Bijbel een soort magisch boek. +Neen, het was niet de mystieke kracht van die Bijbelwoorden. En het was +toch die kracht. Maar het was die kracht, levende, werkende in het +nietige persoontje van onzen christelijken christen. + +Ik weet van een schoolcatechisatie ('t was niet bij mij), waar de +kinderen ook teksten en psalmverzen moesten leeren, maar waar die +heilige woorden absoluut geen kracht hadden. De jongens bedankten hun +leermeester wel lekker, om zich wat moeite te geven en maakten van hun +papiertjes, »vrome" papiertjes, propjes, waarmee ze mekaar beschoten en +het lokaal ontsierden. Eens bij zulk een les maakten de bengels het zoo +bont, dat de arme catechiseermeester in radeloosheid uitriep: »Jelui +bent van den duivel bezeten. Die heerscht hier in het lokaal. Maar +straks zal de Heere Jezus zelf komen, om jelui af te straffen." + +De deur ging open, en binnentrad: de bovenmeester, een volslagen +atheïst, die van den heelen godsdienst niets weten wou. Aanstonds waren +de bengels op hun plaats en zaten doodstil. + +Zijn tegenwoordigheid was genoeg, om alle duivelskunsten te bezweren. + +Maar nu is de vraag: Wie was de duivel, die in het lokaal heerschte? Was +dat niet de officiëele vertegenwoordiger van den godsdienst met een heel +pak tekstpapiertjes? Al die machtvolle woorden werden satansmiddelen. En +wie wist hier, als Christus op de wateren, den storm te bezweren? Dat +was de totaal ongeloovige vertegenwoordiger van de driewerf verfoeide +openbare school. + +Wie meent dat de teksten zullen ordehouden en opvoeden, heeft het glad +mis. En toch doen die teksten het, maar niet die bloote woorden. Neen, +hun inhoud, hun geest, moet realiteit zijn geworden in hart en leven van +den opvoeder. Waar dit het geval is, daar is de ware »School met den +Bijbel". En waar dit niet zoo is, daar heb je een heidensche school, ook +al liggen de kasten vol bijbels en leeren de kinderen heel het nieuwe +Testament uit het hoofd. + + * * * * * + +Nu zal deze of gene zeggen: »Ah, daar heb je Jan Ligthart. Nu komt +de aap uit de mouw. Hij wil niet, dat de kinderen Gods heilig Woord +lezen en leeren, en om dat te bestrijden, gebruikt hij zijn +Jeugdherinneringen." Maar ge hebt het mis, lieve vrienden, hee--le--maal +mis. + +Ik ben wat blij en dankbaar, dat ik als kind zooveel teksten, psalmen +en gezangen geleerd heb en niet alleen wil ik tot mijn collega's van +de christelijke school zeggen: Ga voort op dien weg, maar zelfs zou +ik als openbaar onderwijzer graag hun voorbeeld volgen. Er zijn heel +wat woorden en liederen in Bijbel en psalmboek, die voor allen +een levenvormende kracht bezitten. En al zouden een zeker soort +Bijbelgeloovigen smalend zeggen: »Je moet den heelen Bijbel nemen, +anders is het niet het echte," ik meen te mogen aannemen, dat ook zij +uit dien heelen Bijbel een keuze doen en hun kinderen maar niet alles +doen memoriseeren. + +Blij en dankbaar. Dat ben ik inderdaad. Hoe vaak hebben mij die woorden +in uren van eenzaamheid en strijd verkwikt en gesterkt. + + Zalig hij, die in dit leven + Jacobs God ter hulpe heeft, + Hij die, door den nood gedreven, + Zich tot Hem om troost begeeft, + Die zijn hoop in 't hachlijkst lot + Vestigt op den Heer zijn God. + +Dit vers had ik maar in mijn eentje op te zeggen, regel na regel mij +bewust makende, en de nood werd zegen. Hoe goed is het, wanneer in +moeilijke tijden zulke woorden in ons gereed liggen en dan vanzelf +opborrelen als water in de bron, het dorstend gemoed lavend. Natuurlijk +konden die woorden dat nooit doen, als ze niet _levenswoorden_ waren, +dragers van zielservaringen, en als ze niet door hun innig menschelijken +toon onze eigen gemoedsbewegingen deden meetrillen. + +En dan dat andere: + + Leer mij, Vader, U verbeiden, + Volgen waar Gij ons wilt leiden, + Steunen op uw trouw en macht, + Psalmen zingen in den nacht, + Hooren wat Gij ons wilt leeren, + Uw bevel met daden eeren, + En voor de uitkomst willig blind, + Stil zijn als 't gespeende kind. + +Dat »psalmen zingen in den nacht", dat juichen in de duisternis, dat +jubelen in de ellende--het is de heerlijkste vrucht van het geloof. Een +geloovige is wel de grootste egoïst: Hij wil zelfs zalig zijn in de +rampzaligheid. Hij wil den vrede des harten, neen de blijdschap des +harten genieten, ook als alles hem ontzinkt, alles--behalve het eene +noodige: het volle vertrouwen in Gods Vaderliefde. »Met mijn God spring +ik over een muur," roept de psalmdichter uit. Zonder zijn God is hij +niets. + +Kent ge een mooier uiting van vertrouwenvolle gehoorzaamheid dan +die twee woorden »willig blind"? Onlangs sprak ik een man van veel +smartelijke levenservaring. Hij was wat de menschen een ongeloovige +noemen. En toen hij zoo een en ander uit zijn leven verhaald had, zei +hij: »Weet je, wat ik vooral geleerd heb? Dat we ons leven niet naar +onzen zin hebben te maken. Dat we hebben te vragen, wat God van ons wil. +En dan maar gehoorzaamd, willig blind voor de uitkomst." + +Ik verstond hem. Die twee woorden »willig blind" vonden weerklank in +mijn eigen ervaringen. 't Is niet de blindheid der dwaasheid, maar de +blindheid der wijsheid. Wat de uitkomst moge zijn, we vragen er niet +naar, mits we zeker zijn van onze richting. En die zekerheid verwerven +we, als we--zoo moet het--Zijn bevel met _daden_ eeren. Woordeneer wordt +er genoeg gebracht, veel te veel. Maar _hooren_, wat Hij ons wil leeren, +en dan: Zijn bevel met _daden_ eeren, alleen luisteren en doen, in +plaats van praten en stilzitten--dat is de eisch. De verzuchting van +dit waarlijk vrome lied heeft menig hart gesterkt. Zou ik niet dankbaar +zijn, dat ook ik het voor mijn zondagsschool-meneer had mogen leeren? +Voor mijn zondagsschool-meneer, maar dat was eigenlijk: voor mezelf en +niet slechts voor mijn kinderjaren, doch voor mijn gansche leven. + + * * * * * + +Hoe kwam het, dat ik op zekeren Zondag de kinderkerk verwisselde met de +groote kerk? Ik weet het niet, maar het was een proef, waarvoor ik +bezweek. + +De groote kerk was ongeveer twintig minuten van mijn huis. Die afstand +was te groot. Onderweg waren er te veel verleidingen. We verkochten onze +kerkcenten voor snoepgoed, liepen de hooge stoepen op en af en telden de +brievenbussen. Dit was een wedstrijd. Mijn broer en ik, soms een zusje +er bij, speelden, wie de meeste brievenbussen zag in de deuren der +huizen. Dan holde de een den ander voorbij, om het eerst een bus te +ontdekken. De vlugste won het natuurlijk, want die kaapte al de bussen +voor de anderen weg. + +Op die manier moesten we, steeds op een drafje loopend, wel tijdig +in de kerk zijn. Maar het tegendeel was waar. Toen we eenmaal ervaren +hadden, dat het in de kerk erg vervelend was, zorgden we altijd te laat +te komen. Dan zwierven we langs de mooie Heeren- en Keizersgrachten +en dronken daar, onbewust, de schoonheid in van de vorstelijke +koopmanshuizen, het stille water, de gewelfde steenen bruggen, de oude +iepen. Die herinner ik me nog alle. Zondagsmorgens kon het daar zoo +vredig zijn. Vooral onder kerktijd liepen er maar weinig menschen. +Gereden werd er haast niet. Een enkele platte zolderschuit lag ledig +tegen den wal. Het water weerspiegelde huizen en boomen en bruggen en +den hoogen witbewolkten hemel. Alles ademde vrede. Het was er beter dan +in de kerk. En dat dacht ik niet alleen toen, maar ik geloof het nu nog. +Kinderen behooren niet in de groote kerk, net zoo min als in de +societeit. + +De enkele malen, dat mijn vader meeging, moesten we natuurlijk wel de +heele preek bijwonen. Dan luisterden we echter niet. Ik zag den dominé +zijn gebaren af, om die thuis te kunnen navolgen, en hoorde hoe hij +de psalmverzen afkondigde: »De gemeente gelieve te zingen van.... Ik +herzeg...." Die deftige woorden en vooral de toon waarop ze werden +uitgesproken, hadden een zekere bekoring. Thuis bij mijn eigen preeken +zei ik ze plechtig na. Meer bracht ik uit de kerk niet mee. Toch zat ik +me niet geheel te vervelen. Er hingen aan lange pijpen gaskronen, en nu +klauterde ik in mijn verbeelding aanhoudend het heele gebouw rond. Ik +klom in een hoogen pilaar, greep een daar langs geleide gaspijp, kromde +er mijn vingers om, enterde langs de zoldering, liet me langs een andere +gaspijp weer zakken, bezocht den preekstoel, het orgel. Het waren +gevaarlijke reizen, maar mijn verbeelding stond voor niets. Was het +noodig, dan maakte ik een luchtsprong en kwam immer op het gewenschte +punt terecht. Geen rand zoo smal, of ik kon er langs. Soms speelde ik op +die manier krijgertje. Een makker liep en sprong en klom me na. Hij zat +me dicht op de hielen. Dat gaf een spanning. Maar ik waagde alles, om +aan zijn greep te ontkomen, gleed langs de orgelpijpen, kroop door open +vensters.. heerlijk! + +Wat moest een kind toch beginnen zonder verbeelding. Het zou zijn +godsdienstige opvoeding, »onder het geklank van Gods heilig Woord", +eenvoudig niet kunnen verdragen. Maar gelukkig heeft Onze lieve Heer +het arme schaap de toovermacht der fantasie geschonken, om zich over +de dwaasheden der volwassenen te kunnen heen leven. En zoo kan het de +ellenden doorstaan, die ouders en meesters hem tot zijn heil opleggen. +Eén ellende heeft me echter _te_ zeer gedrukt en dat kwam, omdat mijn +fantasie haar verergerde. Men moet mij verteld hebben van de hel. Maar +wie? Dat kan toch onmogelijk meneer Beekman geweest zijn. Maar wie dan? +Zijn medewerker? Of zou hij het toch geweest zijn, meenende dat een kind +niet tot God kon worden gebracht dan door het hellevuur? + +Vreeselijk heb ik daaronder geleden. Dat ik dag aan dag zondigde, +wist ik maar al te goed, en hieromtrent zal de lezer ook wel niet in 't +onzekere zijn. Ik moest dus, ik móést--neen, niet verbrand worden, maar +eeuwig branden. Eeuwig. Stel u dat eens voor. Nooit een einde aan die +folterende pijn--nooit, nooit. Die gedachte was al een hellesmart. + +O die vreeselijke gewisheid van het onontkoombare. Kon ik maar terug +naar het niet-geboren-zijn. Maar dat was onmogelijk. Ik leefde eenmaal, +dat was niet meer ongedaan te maken. En sterven baatte niet. De dood was +de overgang tot eindelooze marteling van nooit verterende vlammen. + +Ik weet zeer positief, dat ik toen de planten en de dieren benijdde, +dat ik er de boomen en de koeien jaloersch op aankeek, dat ze geen +onsterfelijke ziel hadden. Ik weet, dat soms, plotseling, midden in +mijn spel, de angst der hel me aangreep, als een vergif dat begon te +werken. Maar ik weet ook, dat die angst mij nooit van het kwade heeft +afgehouden. Ze bedierf veel, en maakte niets goed. + +Zou de godsdienstige opvoeding, of wat men zoo noemt, geen afstand +kunnen doen van dit onchristelijk kindergemartel? + +Meneer Beekman heeft ons iets beters geleerd. Hij zei--en ook dit weet +ik nog zeer positief--dat we elken avond, na ons gebedje, nog moesten +zeggen: »Heere, schenk mij Uwen heiligen Geest. Amen." Anders niet dan +die paar woorden. + +Dat heb ik trouw gedaan, jaren achtereen. Of het geholpen heeft? + +Alleen weet ik, dat vaak, wanneer de verzoekingen van buiten, maar +vooral wanneer de lage neigingen van binnen het mij, volwassene, al te +benauwd maakten, de verzuchting in mij oprees: »_Uw_ heilige Geest, o +Heer!" + +En die verzuchting--was mij een verhooring. + + + + +VERANDERING. + + +Door verlies tot winst. Hoe vaak heb ik dat in mijn leven ervaren. +En toch, telken keer als ik weer iets verlies, kijk ik zoo zeer het +verlorene na, dat ik verzuim het nieuw gewonnene op te merken. Een +mensch is toch zoo hardleersch, al heet die mensch een paedagoog. + +Het ging immer slechter met den kruidenierswinkel. Crediet was er niet +meer. Geen grossier wilde zonder contante betaling leveren. Zoo was mijn +vader genoodzaakt zijn inslagen te doen bij kleine hoeveelheden, waarmee +hij natuurlijk een winst van eenige beteekenis dierf. Het was een dag +aan dag tobben en worstelen om staande te blijven. Wij, jongens, moesten +b.v. vijf pond suiker of koffie koopen in een grooten winkel, ver uit de +buurt en liefst 's avonds opdat men 't niet zien zou, en dan werden die +weer bij onsjes en halfonsjes verkocht. De winkelklanten zakten, bij het +kariger en minder worden der waren, steeds meer in aantal en gehalte. +Alleen de ver weg wonende uitbrengklanten bleven trouw, uit onkunde. +De winkel was als een innerlijk verzwakt rijk, dat nog alleen teerde op +de inkomsten der verwijderde wingewesten. Zij, daar in de verte, zagen +niets van de toenemende verarming, leefden in ongeschokt vertrouwen op +den ouden naam bij den angstvallig bewaarden schijn. + +Een achteruitgaande zaak is als een door ziekte beslopen mensch. De +eertijds gezonde en krachtige wil 't niet weten. Hij houdt zich goed +tegenover anderen, maar meest tegenover zichzelf. Hij sluit zijn oogen +voor de waarschuwende verschijnselen. Hij forceert zijn krachten. +Vergeefs. De ziektekiemen vermenigvuldigen, verspreiden zich, en +strijdensmoede, verwonnen, moet de worstelende zich toch eindelijk +overgeven. + +Wilde men 't maar tijdig inzien en erkennen. Dan werd er niet zooveel +goed geld naar kwaad geld gesmeten, gelijk ons handelsvolk het typisch +zegt. Maar wij veinzen de ongunstige teekenen weg. Wij struisvogelen. +En eerst wanneer alle geld, alle kracht verbruikt is, dan laten we ons +op genade of ongenade los. Als we niet meer kunnen, dan pas zinken we +ineen. Dat is zoo menschelijk. En daarom is 't ook zoo kinderlijk. +En niet alleen op geldelijk en lichamelijk gebied. Evenzeer openbaart +zich die zwakheid op moreel gebied, en daar te gevaarlijker, omdat +moreele achteruitgang niet door meten en wegen wordt geconstateerd. +Minder geld in de winkellade is een feit. Wie er zijn oogen voor sluit, +voelt het toch in zijn hand. Minder lichamelijke weerstand evenzeer. +Maar zedelijke verslapping ontgaat ons zoo licht, omdat ze meestal +gepaard gaat met de bevrediging van allerlei neigingen. Al genietende +gaan we ten gronde. De geldgierige ziet met zooveel genot zijn geld +vermeerderen, dat hij de vermindering van zijn barmhartigheid niet +opmerkt. De zinnelijke zweeft van de eene bedwelming in de andere. +Eerst wanneer al onze moreele kracht verwaarloosd is, en we hiervan de +ellendige gevolgen gaan ondervinden, geven we ons zedelijk failliet, +om pas daarna aan onze rehabilisatie te werken, of--te bezwijken. + +De winkel ging over in andere handen en wij verhuisden. Doch eer +we nu voor goed afscheid nemen van deze buurt en ervaren, hoe de +verslechtering op verbetering uitliep, willen we nog een paar figuren +gedenken, die voor mij onafscheidelijk aan dit wereldje gebonden zijn. + + * * * * * + +En dan komt allereerst aan de beurt ons perehietvrouwtje. + +In 't najaar, als 't koud en mistig was bij donker weer en killen +motregen, zat 's avonds een oud vrouwtje, in een dikken doek gewikkeld, +de armen goed verstopt, achter een ijzeren pot met houten deksel, die +boven een vuurtje stond te warmen. Het vrouwtje zat op een hoogen stoel, +altijd een stoof onder de voeten. Een gebogen figuurtje, rond oud +hoofdje boven een wat gekromden rug, met bijna geen hals. En dan +riep ze nu en dan met hooge stem: »Warme, lekkere pere-hie-ie-iet!" +Dat »hie-ie-iet!" steeg hoe langer hoe meer in de hoogte en werd aan +'t eind in de scherpe _t_ plotseling afgesneden, nadat het eerst op +de _ie_ een poos zingend gezweefd had. + +Het vrouwtje zat altijd op haar vaste plaatsje, in de Eglantiersstraat, +vóór een smalle gang, waardoor ze, uit het achtergelegen woninkje, +met haar zaakje naar de straat was gesukkeld. Ze sjouwde waggelend +stooktafeltje, vuurtest, ijzeren pot, stoel, en stoof een voor een naar +voren, zette daar het zaakje in elkaar, en ten slotte als laatste stukje +meubilair zichzelf er bij. Met haar stoel en tafeltje en dampenden +ijzeren pot vormde ze, even onbewegelijk als de andere onderdeelen, +één aaneengesloten groepje. + +Nu en dan kwam er verandering in haar houding. 't Was vooreerst als +ze haar »warme, lekkere perehiet!" aanprees. Dan rees de gestalte een +weinigje omhoog, als bij een haan die begint te kraaien ging het hoofd +een ietsje naar boven, en kwamen de zingende klanken uit de oude +keel. Maar de beweging was vooral niet ruimer dan de longen voor den +zingschreeuw noodig hadden, en nauwelijks was haar perehiet de lucht in +gekraaid, of hoofd en lijfje zakten weer ineen, bang dat de kou komen +mocht in de ruimten van het even uitgeplooide figuurtje, en daar zat ze +weer, gebogen achter haar standje. + +De tweede gelegenheid dat ze zich een beetje uiteenwikkelde was de +verschijning van een kooper, steeds een man of een jongen. Ik heb nooit +een vrouwelijk wezen aan haar tafeltje gezien. De kooper legde zijn cent +neer. Dan tilde zij met den mageren rechterarm--de linker bleef onder +den doek--het houten deksel op, zette dit schuin ter zij, nam de stalen +vork, prikte in het dampende water, haalde een peer naar boven en reikte +dien den kooper toe, die een heelen toer had om te genieten van den +heeten peer zonder zich te branden. Gewoonlijk pakte hij den peer +bij den steel beet en liet hem meteen op de linkerhand liggen om te +verhoeden dat hij weer in 't water viel. Maar, al was 't mistig koud, +voor die linkerhand was de peer toch wel wat heet, en dadelijk begon de +kooper dan maar te eten. Zoo warm in den mond en in de maag, dat deed +hem goed. Nog een peertje, want je kreeg er twee voor een cent, en het +deksel ging weer op den pot, de cent in een kommetje, de rechterarm +onder den doek, en daar zat het vrouwtje weer: »Warme, lekkere +pere-hie-ie-iet!" Een mooi, zacht verlicht groepje tegen den achtergrond +van de donkere gang. + +Meermalen heb ik ook zelf een cent of een halve cent bij haar genoten, +en nog voel ik den strijd van de drieledige keus: den heeten peer in +de hand houden, in den mond, of in de maag. 't Was alles al even erg, +en--even heerlijk. Zoo'n weldadige hitte in den kilnatten avond. + +Vies? Dat armoedige vrouwtje, het troebele water, het vuile vorkje, dat +op het tafeltje lag in stof en nattigheid? Vies? Daar dachten we nooit +aan. Vieze varkens worden niet vet. En als dat zoo ongezond was, zou dat +vrouwtje toch ook niet zoo oud zijn geworden. En al die mannen dan, die +ook even in 't voorbijgaan een warme verkwikking genoten? Ze waren voor +hun cent beter af bij 't perehietvrouwtje, dan een eindje verder voor +hun vier centen bij »De Bisschop", waar ze jenever kregen uit een vaatje +met blinkend koperen banden in een kristalhelder glaasje, ook warm +in den mond en in de maag, maar een pest voor 't lichaam en voor 't +huisgezin. Het perehietvrouwtje vormde in haar sjofele verschijning een +armoedige en ook onzindelijke figuur tegenover die nette herberg. En +toch? Het was den mannen beter op de modderige straat bij haar donker +stalletje dan op den zoo keurig met wit zand bestrooiden vloer bij de +geregeld gereinigde toonbank. + +Maar wat dreef ons, jongens, nu, om dat vrouwtje na te galmen? +Nauwelijks hoorden we, dwalend door de straat, de sympathieke stem +roepen van + + Warme, lekkere perehiet-ie-iet, + +of wij rijmden en riepen in denzelfden toon: + + Ik lust ze wel, maar ik krijg ze nie-ie-iet. + +En geregeld werd haar geroep, nu uit deze dan uit gene richting, door +die echo gevolgd. Soms zelfs kwamen ze uit verschillende richtingen te +gelijk. + +Waarom deden we dat toch? + +Om 't vrouwtje te plagen? + +Absoluut niet. We voelden voor haar met zekere teerheid. Ze schold +nooit, dreigde nooit, zat als een oud muschje maar stil inééngedoken, +deed niemand kwaad. We misten haar als ze er niet was. We genoten, +onbewust, van haar aanwezigheid. Niet alleen van haar heete peertjes, +maar ook van haar verkwikkende verschijning, zooals we van een mooie +plaat of een gezellig boekenrekje in de huiskamer genieten. Ze gaf toon +en stemming, koesterend en rustgevend, aan onze straatatmosfeer. Waarom +schreeuwden wij haar dan na? + +Ja, waarom? + +Omdat we 't niet laten konden, zoo min als de ruiten 't laten konden +het vlammetje van de straatlantaarns te weerkaatsen. We bedoelden +er heelemaal geen kwaad mee, heelemà à l niet. We zouden 't vrouwtje +beschermd hebben tegenover ieder die haar overlast wilde aandoen. Maar +dat gekraai van ons hoorde er nu eenmaal bij. De hanen in de buurt gaan +immers ook alle aan 't kraaien, als er een begint? Die eene stem wekt +alle hanekelen in den omtrek; ze prikkelend met de hemel weet wat. En +zoo ging het ook hier. Droomerig, de handen in den zak, slenterden we +door de straten, en schreeuwden onze nagalmen het schemerduister in. + +De groote menschen denken daar wel eens anders over, vooral zij die +op jongensondeugendheden moeten letten, zooals politieagenten en +onderwijzers. Die zien er boos opzet in. Maar ze zien verkeerd. +Natuurlijk _kan_ zich in dat naschreeuwen moedwillige plagerij uiten, +maar die booze geest kan ieder middel, ook het onschuldigste, gebruiken +om zijn leelijken lust te bevredigen. Doch het echo-en op zichzelf +is--ik wil ook wel eens een geleerden term gebruiken--zuivere +reflexbeweging. En daar mogen we wel aan denken. Het stemt ons +vergevingsgezind ten gunste van de jongens--en ten bate van onze eigen +gemoedsrust. + + * * * * * + +Een tweede figuur was de houthakker. + +Wat was het toen toch een leuke tijd. De menschen werkten nog zoo +schilderachtig aan de straat. Mijn vader moest daar geregeld eens in +de veertien dagen koffiebranden. Men weet natuurlijk wat dat is. Hij +ontving de koffieboonen rauw, een paar zakken vol van die geelwitte +boontjes, en dan werd er op bepaalde tijden een hoeveelheid gebrand, +niet te veel te gelijk, omdat ze anders hun geur verloren, en die werden +in den winkel verkocht, al of niet gemalen. Dat malen geschiedde ook +al bij kleine portie's en liefst in tegenwoordigheid van de koopster, +zoodat het kostelijke aroma niet vervluchtigen kon in den winkel, maar +telken keer bij het zetten de kameratmosfeer der koopsters kon +vervullen. + +Koffiebranden. Op de straat, bij den waterkant, werd de vuurhaard +gelegd, daarboven de liggende, cilindervormige, zwarte, ijzeren trommel +aan het spit gehangen, de trommel gevuld met rauwe boonen, het vuur +aangemaakt, een vuur van talhouten, en dan maar draaien. De liggende +cilinder draaide om zijn as, de boontjes rolden mee, en die werden onder +de hand door de warmte geroosterd. Dat draaien was een werkje voor den +winkelknecht of voor ons. Soms werd het een oogenblik gestaakt, als +Vader onderzoeken moest, of de boonen al gaar gebrand waren. Dan schoof +hij met een ijzeren lepel een schuifje van den trommel open en schepte +wat donkerbruine boontjes naar boven. Wij stonden er met den neus bij, +genoten van den opwekkenden geur, en luisterden naar het eigenaardig +knetteren en spatten daar binnen in die donkere ruimte. Wat was dat +alles heerlijk: het vuurtje stoken, het draaien, het gewichtig onderzoek +van je Vader, het ruiken, het hooren. En dan, als 't koud was, zoo'n +paar arme jongens er bij, zich koesterend aan de vlammen, soms zelfs een +paar volwassenen. O, wat weet ik alles nog goed. Toch zonder meester +geleerd, zonder school. Het leven was de school, de ervaring de +meesteres. + +Zooals mijn vader recht had op dat plekje straat voor zijn +koffiebranderij, beschikte een eind verder de houthakker over een stukje +grond aan den waterkant voor zijn hakkerij. Hij woonde in een kelder, +sjouwde zijn hakblok naar buiten, dan zijn hout en zijn bijl, en hakte. +Maar 't was een onvriendelijke man. Dat hij klein en dik was, kon +hij niet helpen, ook niet, dat hij dientengevolge bij zijn werk erg +zuchtte en zweette, maar dat hij ons uitschold en wegjoeg, als we zoo +gemoedelijk aanzagen, hoe het scherp van zijn bijl het hout kloofde, dat +kon er niet mee door. En dat wegjagen kwam, omdat wij hem nazuchtten. + +Zie je, in dien houthakker stak geen kindervriend en geen paedagoog, +zooals in het perehiet-vrouwtje. Het sprak toch vanzelf, als wij met hem +_meeleefden_, als wij de bijl zagen rijzen, ver boven zijn hoofd, zagen +neerschieten in het hout, als wij met ons volle hart die bewegingen +meemaakten, dat wij dan ook zuchtten. Dat snapte die man niet. Zijn +wantrouwende ziel zag plagerij in wat.... sympathie was. En zoo máákte +hij ons meegevoel tot plaagzucht, want nu konden we hem niet over de +straat zien waggelen, of we haalden al de lucht tot uit onze teenen toe, +en zuchtten hem die uit de verte al tegen. + +Nu op een afstand gezien, was hij zoo'n mooie figuur in de buurt. Zonder +hem was die gracht daar zoo leeg. Zijn verschijning bracht teekening +in het brokje leven. Waarom moest nu die man zoo'n brombeer zijn. Had +hij vriendschap met ons gesloten, hij zou eens ervaren hebben, wat +jóngenshulp beteekent. We zouden stellig, uit eerbiedvol medelijden met +zijn dikte en diepe zuchten, heel wat voor hem gesjouwd hebben. Maar +nu--hij maakte vrienden tot vijanden. Hij verstond het jongenshart niet. +En zijn eenige paedagogische waarde is, dat ik nu, jaren later, zijn +waarschuwend voorbeeld aan mijzelf en anderen kan voorhouden met den +raad: Spiegelen we ons er aan! + + * * * * * + +Nu volgt onze lieve Mietje de Porster. + +Wat hebben die vrouwen toch, dat we haar zoo gauw lief vinden. + +Zij was maar porster en ze heette Mietje, twee hinderlijkheden die ze +tegen had, want wie wordt er nu graag gewekt--we slapen liever door met +al onze ongerechtigheden--en wat zit er nu voor poëtisch in den naam +Mietje. + +Stel je voor een vrouw die Mietje heet, en die 's morgens vroeg met een +dikken stok op je deur staat te bonken. Die bonkt toch al haar +bekoorlijkheid weg? + +En toch hielden we veel van haar. + +Dat zat in haar stem. + +Ze schreeuwde. Natuurlijk schreeuwde ze. Hoe kon ze anders, buiten +staande, de slapers daar binnen met haar stem bereiken. Maar in haar +schreeuw zat toch dat ik-en-weet-niet-wat, waarin je teerheid en liefde +voelt. + +De houthakker zuchtte maar alleen. En in zijn zucht zat nijd. + +Mietje schreeuwde. En in haar schreeuw zat liefde. + +'t Is niet de zucht of de schreeuw, gij beginselvaste debaters over den +invloed van dit of dat. + +'t Is de mensch, die er zich door uit. + +Mijn oudste broer heette Dorus, en hij was het, die eigenlijk ieder +morgen Mietje's aubade ontving. Hij moest, timmerman, vroeg op, om +tijdig op zijn werk te zijn, en Mietje zorgde daarvoor. + +Eerst hoorde je 's morgens om vijf, zes uur een roffel op de deur. En +dan kwam, na een heel korte pauze, de stem: »Douwerus! Ben je wakker?" + +Stilte. Mietje luisterde. + +Ik, ook gewekt, hoorde uit de overliggende bedstede een diep gegrom, als +van een leeuw, die uit zijn donkeren slaap, oprijst. Het kwam van +Douwerus. + +Maar Mietje hoorde niets. + +Daarom nog eens de roffel. Nog eens de pauze. Nog eens dat lieflijke: +»Douwerus! Ben je wakker?" Nog eens de luisterende stilte. + +»Jáááá!" ronkte Douwerus eindelijk. + +Maar dit was Mietje niet naar den zin. Op _dit_ ja--haar geoefend +porsteroor hoorde het wel--zou hij weer inslapen. En Mietje begon een +gesprek met Douwerus. + +»Ben je er al ui-ui-uit? 't Is mooi weer, hoor!" + +»Ja!" riep Douwerus, nu kort en nijdig. + +Juist, zoo moest ze 't hebben. Nu was haar porstershart gerust. Nu kon +ze veilig verder gaan. Mietje voelde haar verantwoordelijkheid. + +Is dat niet allerliefst? Voor acht centen in de week! + +Ik hield van Mietje. Ik geloof, we hielden allemaal van Mietje. En toch +zagen we haar nooit. Maar we hadden haar gehoord. + +Toch, eenmaal hebben we haar ook gezien. 't Was op een Nieuwjaarsdag. +Dan kwamen de vrinden allemaal--lantaarnopsteker, nachtwacht, +vuilnisman--al de loopende gemeente-ambtenaren nieuwjaar wenschen en +boden daarbij een mooie prent met een gedicht aan, welkome schatten voor +de kinderen, en die wel tegen een fooitje opwogen, ware 't alleen om de +rijke heilwenschen aan de eerzame burgerij. Voor mij waren 't schatten +voor mijn kokertje. Tegenwoordig zijn de prenten verdwenen en de fooien +verdubbeld. + +Op zulk een nieuwjaarsdag kwam ook Mietje feliciteeren, mét een prent +natuurlijk. + +Gewoonlijk waren we dien dag afwezig, zelf met heilwenschen voor +familieleden op chocolade en oliebollen uit, wellicht ook nog op wat +anders. Maar ditmaal waren we thuis, en zoo zagen we Mietje. Want toen +Mietje nu haar gedicht kwam aanbieden, werd ze niet aan de deur met een +geldstukje losgelaten, maar moest ze binnenkomen en een kopje chocolade +drinken. + +Ze kwam, mutsje op, omslagdoek om, den winkel door, het trapje op, de +kamer in, klein vrouwtje, wat krom. + +Nu moest ze gaan zitten en daar zag ze het heele gezin, ook Douwerus. + +Maar daar schrok ze nu toch van. Ze zag een 18 à 20 jarigen jongeman +voor zich, als heer gekleed, met boord en strik, kastanje-bruine +krullekop. + +Mietje schrok. + +»Bent ú.... _meneer_ Douwerus? Ach, dat heb ik nooit geweten." + +We hielden ineens nog meer van haar bij die gulhartige uiting. + +Maar meneer Douwerus verlangde niet, dat ze voortaan roepen zou: +»_Meneer_ Douwerus, bent u wakker." En zoo is het, ondanks de +persoonlijke kennismaking, bij de oude vertrouwelijkheid gebleven. + +Meer dan dezen eenen keer heb ik, bij mijn weten, Mietje niet gezien. +Maar hà à r »Douwerus" en het »Perehiet" van de andere, ochtendgroet en +avondroep, zijn mij bijgebleven als mooie zonsopgangen en -ondergangen +in onze buurt. + + * * * * * + +Als er toch geen vrouwen in de wereld waren! Waar moesten wij kleine en +groote jongens naar toe! + +Hebt ge wel opgemerkt, bij hoeveel lieve vrouwen ik me al gekoesterd +had? Bij juffrouw Gottman van de eerste bewaarschool en juffrouw Doortje +van de tweede. Bij juffrouw Van Streelen uit den winkel naast ons en bij +het Perehietvrouwtje. Bij Mietje de Porster en mijn zuster Christine. +En onder _alle_ omstandigheden--bij mijn Moeder! + +O, die vrouwen! Laten wij ze zegenen! En loopt er al eens een kwade +onder, ik vrees dat het een verhanselde man is. + +Toch heb je ook wel eens een goeden man. Maar ekstra goede hebben dan +iets vrouwelijks. + +Zoo Chris de Mooy. + +Hij was onze winkelknecht, een lange jongen met vaalrood haar, sproeten +in het grauwbleek gezicht, en een verkeerde uitspraak van de letter s. +Men ziet, hij was van buiten slecht uitgerust en had zeker nooit een +meisje gekregen, als de meisjes niet verstandiger en braver waren dan +de jongens. Doch 't is bij hem nooit tot een meisje gekomen, door een +andere oorzaak. + +Toen de winkel achteruit ging, moest hij weg. Vader kon hem niet meer +betalen. Maar hij wou niet, hij wou voor niets blijven. + +Ach, zúlke liefde heb je alleen bij de eenvoudigen en de armen. +De niet-eenvoudigen redeneeren te veel, en de niet-armen offeren +dan te veel op. Die kunnen niet ineens veertig graden zakken. Zoo'n +plotselinge temperatuursverlaging van hun welstand zou ze ziek maken. +Maar de armen, die merken 't zoo erg niet, als hun thermometer vier +graden daalt. Dan loopen ze maar wat harder en worden toch niet kouder +dan ze al waren. Ja, een arme gaat gemakkelijk in het koninkrijk der +hemelen. + +Rooie Chris had er wel zoo in kunnen stappen. Hij was eerlijk, trouw, +ijverig, vriendelijk, en hij hield van ons allemaal. Hij kon zoo +hartelijk lachen, en zoo aardig »Juffrouw Christientje" zeggen met +die--bij hèm--welluidend, slepende s. Hij was in alle geheimen van den +winkel ingewijd, kende alle geldelijke nooden, en vluchtte niet van het +zinkende schip. + +Ik weet alleen niet, of hij trouw naar de kerk ging. Maar Onze +lieve Heer wou hem zoo toch wel hebben, reine, liefdevolle, +zelf-verloochenende ziel. Van zulke menschen zeg je: Onze lieve Heer +heeft ze al, want zij hebben Onzen lieven Heer al, wat eigenlijk op +'t zelfde neerkomt. + +Hij wou dus niet weg. En of hij nog gegaan is, zie, dat weet ik nu niet. +Hier is een leemte in mijn herinneringen. + +Ik zie rooien Chris nog wel, maar niet in den winkel. Ik ben bij hem +thuis, in zijn kamer, bij zijn bed. Ik zie hem liggen, het vaalroode +haar op 't witte kussen, het grauwbleeke gezicht nog wat fletser, maar +dezelfde lieve, zachte, lachende oogen. Ik kom afscheid van hem nemen, +want rooie Chris is ziek en hij gaat sterven. + +Ik voelde op dat oogenblik, dat ik erg veel van hem hield, met dankbare +en vereerende liefde voor al wat hij gedaan had jegens mijn ouders. + +Hij is gestorven. Maar mijn liefde is gebleven. En die leeft nog. + +En waarom vertel ik dat u? Wat hebt gij te maken met rooien Chris, die +bovendien al meer dan veertig jaar dood is? Een arme winkelknecht van +een verloopen winkel? + +Niets, tenzij gij hem zoudt willen navolgen. + +Maar _hiermee_ hebben we allen te maken, dat mijn herinneringen bewijzen +de over dood en graf heen doorwerkende kracht van de liefde. + +En dat is paedagogiek want dat leert ons, hoe wij op te voeden hebben en +hoe de eenvoudigsten onder ons, de armsten in geleerdheid, misschien de +beste opvoeders zijn, och zonder dat ze 't zelf weten. Gelukzaligen! + + + + +DE TWEEDE LAGERE SCHOOL. + + +»En hoe heet je van je voornamen?" + +»Henri." + +»Neen, voluit." + +»Meindert Henricus." + +»En jij?" + +»Gerard Jan." + +»Mooie namen!" + +Dit zei hij. En ik gloorde. + +Letterlijk zoo is het gebeurd. + +We stonden met ons drieën voor de klas, hij en wij tweetjes. + +Hij was meester, wij de nieuwe leerlingen. + +Hij was een nog al rijzige man, een beetje dik gezond uiterlijk. Ik zie +hem nog heel duidelijk. Zijn haar krulde wat, sprong tenminste. En ik +zie het plaatsje nog waar we stonden, en de banken met de onderzoekend +kijkende kinderen, en de opschuifborden aan den muur. + +Maar bovenal hoor ik nog die twee woorden: mooie namen. + +Meester.... had mijn hart gewonnen, en voor goed. + +»Mooie namen!" Zoo had hij ons verwelkomd. Hij een gewone meester. Als +hij smalend gezegd had: »Gekke namen!"--dat had ik eer begrepen. Want +meesters waardeerden nooit, waren uit hun aard niet vriendelijk, gromden +en veroordeelden. Doch nu dit, zoo gansch onverwacht. + +Voor een kind is zijn naam maar niet een onverschillig ding. Het is een +stuk familietrots en in zijn vóórnaam voelt hij zichzelf. Hij is er zoo +graag in geëerd. En deze meester streelde ons in dit bezit, mijn twee +jaar ouder broertje en mij, jongens van ongeveer 12 en 10 jaar, dus geen +kleine kindertjes meer, jongens die al verhard waren door scheldwoorden. + +Hij zij er nog voor gezegend, met alle vriendelijke menschen die ik op +mijn weg ontmoet heb. + + * * * * * + +Het was op mijn nieuwe school, de school van de »Christelijk +Gereformeerde Gemeente" op de Bloemgracht, naast en onder het patronaat +van de Kerk dierzelfde Gemeente, beter berucht onder den naam van +»Afgescheidene". + +»Fijn genoeg!" + +Afgescheiden--dat was reeds voor onze kinderooren het summum van +»fijnheid". Géén »mooie naam". Een naam met een onbehagelijken bijklank, +waartegen je je verdedigen moest. »Ben jij"--met groote +geringschatting--ȇfgescheiden?"--»Neen hoor, ik ben Doopsgezind."--O, +dan was de zaak in orde. + +We voelden niets van het mooie moedige in dit woord. En dit bleef jaren +lang zoo, zelfs toen we warme sympathie en bewondering schonken aan de +pelgrimvaders en aan alle voor hun geloof uitgewekenen. Afgescheiden +beteekende nu eenmaal fijn, en daarbij een beetje huichelachtig. +Nota bene, zij die voor hun geloof openlijk uitkwamen en er voor +durfden breken met de landskerk, waren huichelaars. Een vreemd soort +huichelaars. Maar zoo diep gingen onze gedachten niet. Ze bleven aan +de algemeene oppervlakte, onder suggestie van het partijdig gekleurde +woord »afgescheiden". En zoo sterk was die suggestie, dat ik bij die +breed-bleeke ei-klank nooit dacht aan een frisschen zeemanskop, maar +aan een vaal, gelig-wit bakkersgezicht, met meel bestoven fletsheid. + +Toch moesten de afgescheidenen, die kerk, geld, betrekking, eer, alles +om Godswille in den steek hadden gelaten, krachtige, heldhaftige naturen +geweest zijn. + +Ik weet wel, vanwaar mijn indruk komt. Grootvader had als predikant +de afscheiding ervaren, zoo niet in zijn gemeente, dan toch in zijn +Kerk, en die als een hoofdigheid, een spelbreken, een krenking gevoeld. +Afgescheidenen waren koppige, bekrompen scheurmakers. Zoo werden ze in +zijn pastorie beschouwd, zoo bleef Moeder er over denken, zoo leerden +wij ze veroordeelen. En zoo zelfstandig is de meening van duizenden en +millioenen nu nog. Ze bewonderen de stugge geloofsopoffering, mits in +'t verleden. Zoodra die zich in 't heden vertoont, stelt men zich partij +en verguist. + +Maar zoo gaat het ook op ander gebied. Zijn afgescheidenen huichelaars, +liberalen zijn godloochenaars en sociaal-democraten duivelskinderen. +Opstandelingen van eertijds zijn nu helden des volks. Hoe zullen de +huidige omverwerpers over eenige eeuwen heeten? Oordeelen is moeilijk. + +Als kind, als leerling der afgescheiden school had ik geen enkele reden, +om in 't bizonder ongunstig over deze »fijnen" te denken, en ieder moet +erkennen, dat althans het joviaal en hartelijk welkom een veelbelovend +begin was. De opinie mijner ouders was trouwens ook zóó ongunstig +niet en in ieder geval waardeerender voor déze school, dan voor de +»stadsschool" op dezelfde Bloemgracht, maar een eind verder en aan +de overzijde. Een »stadsschool" stond bij ons in den reuk van ruwheid, +ongodsdienstigheid en vooral onfatsoenlijkheid. Daar werd niet gebeden, +niet uit den Bijbel gelezen, en vooral, daar gingen de schooiers. Je +moest al erg gezakt zijn en bijvoorbeeld klompen dragen, om naar een +»stadsschool" te gaan. Ziedaar al weer een zelfde suggestie. Zooals +het woord »afgescheidenen" tot mij gekomen was met den klank van +huichelachtig gefemel, hoorde ik in dat harde »stádsschool" geklepper +van klompen. Afgescheidenen waren tenminste netjes, misschien zelfs een +beetje _te_, maar stadsschooljongens lagen onder de vunze kleur van +straatvuil. Daar ging je niet mee om, daar had je geen enkel kontakt +mee, daar vocht je alleen zoo nu en dan tegen, gelijk de beschaafde +natiën tegen de kaffers, of eertijds de Romeinen tegen de Germanen. +Ze waren goed om uitgeroeid te worden, of met het zwaard bekeerd. + +Eigenaardig toch, dat vooroordeel, zonder kennis van personen en +toestanden, louter onder den invloed van het milieu. Men kan er zeker +van zijn, dat zoo nog duizenden met zekeren afschuw het woord »openbare +school" hooren. Het brengt hen aanstonds in een atmosfeer van +tabaksdamp, jeneverlucht, goddeloosheid. Ik kan dat best begrijpen. Maar +het is niet goed. Evenmin als dat schimpen op afgescheidenen. O, de +voorlichters van 't volk, ze hebben zwaar gezondigd en ze doen het nog. +Ze hebben zich vergrepen aan de waarheid. Ze hebben het hart van 't volk +vergiftigd met leugen. In stee dat ze zochten, volhardend en liefdevol, +het goede bij de andersdenkenden, en hierop het volle licht lieten +vallen, beijverden ze zich dit goede onzichtbaar te maken in de dikke, +donkere nevelen van hun partijdigen laster. Heel de sfeer van het +volksleven, van het leven der menschheid is verleugend. En millioenen +onwetenden, onnoozelen, dwalen met hun valsch oordeel rond als schapen +onder slechte herders. Dat is voor een groot deel de schuld van hen, +die, leiders, zich niet zelf laten leiden door »den goeden herder", ook +al beweren zij tot zijn schapen te behooren. + + * * * * * + +Op mijn afgescheiden school heb ik enkele goede jaren doorgebracht. +Natuurlijk herinner ik me ook nog wel eenige verkeerde dingen, b.v. een +nu en dan wel wat te haastig en hardhandig gebruik van »de tuchtroede", +en zoo liggen me ook nog een paar scheldwoorden in 't oor, alsof iedere +ondeugende jongen een »ongelikte beer" was en ieder lastig meisje »een +nijdige tang", maar die ruwheden in daad en taal behoorden tot dien +tijd. Men kon zich een school kwalijk anders denken, dan als een bende +meerendeels onwillige kinderen, die er met strengheid onder gebracht en +onder gehouden moesten worden. Zoo denken zelfs thans nog velen er over. +Van hartelijke, goedgezinde, vreugdevolle samenwerking tusschen meester +en leerling is ook nu nog lang niet overal sprake, en schrijver dezes +ziet zijn pleiten daarvoor zelfs van paedagogische zijde menigmaal +bestreden als zoetsappige paedagogiek. Op hun donder moeten ze hebben. +Gedwongen moeten ze worden. Tusschen meester en leerling bestaat een +»natuurlijke"--lees: onnatuurlijke--»antagonie". + +Ik denk er dus niet aan, mijn tweede lagere school ook maar eenigszins +te verwijten, wat toenmaals tot de gewone schoolpraktijk behoorde, en nu +nog door velen principieel wordt aanbevolen, maar heb de feiten alleen +gememoreerd om te doen zien, dat ze een kind zijn leven lang bijblijven. +Het scheldwoord, dat we in zijn jeugd als opvoedingsmiddel een leerling +naar 't hoofd werpen, hoort hij nog in zijn grijsheid. En dat vergeten +we wel eens. Maar ik heb mijn afgescheiden school veel te veel te +danken, dan dat ik haar deze averechtsche deugden toerekenen zou. + +Zij heeft de kunst verstaan, mij te doen _werken_, en werken _met +lust_. Ik kwam in een klas, waar de kinderen al een heel eind gevorderd +waren in 't Fransch, en ik had er nooit iets aan gedaan. Dat gaf dus +strubbeling. Ik moest bijgewerkt worden en kreeg een boekje mee naar +huis. Het was een boekje met kleine verhaaltjes, ik geloof van Engelbert +Gerrits, met de vertaling der moeilijke woorden aan den kant. + +Zaterdag nam ik het boekje mee, den ganschen Zaterdagnamiddag en avond +zat ik er uit te vertalen, ook den heelen Zondag, ook nog de vroege +morgenuren van Maandag, en toen bracht ik den meester anderhalf schrift +met vertalingen. Het boekje was uit. + +Ik weet nog, hoe hij opkeek, toen hij die massa werk onder de oogen +kreeg. Ik was een wonder van vlijt. Daar had ik echter zelf geen idee +van. Ik wist alleen, hoe heerlijk het was te werken, zoo te werken, dat +ik mijn klasgenooten inhaalde. En dat gelukte. Achtereenvolgens, maar nu +natuurlijk veel langzamer, werkte ik de les- en themaboekjes van Van der +Hoeven door en na een paar jaar zat ik volop in de onregelmatige +werkwoorden van het zooveelste stukje. + +Hoe was het mogelijk, dat de brutale spijbelaar van de Lindengracht zich +zoo ontpopte op de Bloemgracht? Dat lag misschien aan 't verschil van +één meester. + +Meesters, die dit leest, denkt er aan, als je dagtaak je soms eens zwaar +valt, als je er soms eens moedeloos bij wordt. Mogelijk zit er één +jongen in je klas, die je later voor je arbeid danken zal, zooals ik het +nu nog mijn meester doe. + + * * * * * + +Aan die buitensporige vlijtvlaag is nog een herinnering verbonden. +De kinderen konden elke maand een kaartje »voor vlijt en goed gedrag" +krijgen. Wie er zoo twaalf per jaar had ontvangen, ontving op het +jaarlijksch examen een prijs. Dat was voor mij het eerste jaar een +onmogelijkheid, want in den loop van den kursus op school gekomen, had +ik het op 't examen maar tot acht kaartjes kunnen brengen. Toch ging +ik met plezier naar 't examen en zag aan 't einde daarvan zonder eenige +jaloezie, dat mijn medeleerlingen mooie boekwerken en getuigschriften +ontvingen, terwijl ik verstoken zou blijven. Als je zoo iets maar +vooruit weet, is 't niet zoo erg. De smart zit minder in het gemis dan +wel in de teleurstelling. Daarom hebben sommigen er een handje van, je +teleurstellingen aan te doen, opdat je het toch maar goed vóélen zult. + +Toen alle prijzen waren uitgedeeld, was er een oogenblik stilte in de +school. En toen hoorde ik mijn naam noemen, langzaam, plechtig: +Gerard--Jan--Ligthart. + +Ik trilde--zag alles in een nevel--geloofde 't niet--bleef bevende +zitten. + +De meneer van 't examen zag de klasse rond, en riep toen nog eens met +deftige stem: Gerard--Jan--Ligthart. + +Alle kinderen keken naar mij. + +»Kom jongen, jij bent het," zei de meester. + +Ik stond op en liep naar voren, gauw, zenuwachtig. + +Daar stond ik tegenover den deftigen meneer. Ik klein, hij groot. Ik +ontroerd, hij rustig. + +En hij glimlachte mij kalm tegen. + +Hij had een boekje in de hand en las luid: »Loon naar werk, door E. +Gerdes." + +Ik hoor het nog. + +En toen sprak hij: »Jongen, je bent nog te kort op deze school, om reeds +het vereischte aantal kaartjes voor een prijs te bezitten. Toch wilden +je onderwijzers je een prijs geven voor je buitengewonen ijver. En die +prijs heet: Loon naar werk. Hij _is_ dan ook loon naar werk. Ziehier." + +Ik nam het boekje aan. + +Heerlijk, héérlijk oogenblik. + +En toen stil naar mijn plaats. + +Of ik onder het dankgebed geluisterd heb? + +Daarvoor trilde het daarbinnen te veel. Maar ook dat was danken. En onze +lieve Heer weet dat wel. Die heeft een fijn oor. + +Gezegende school! Zij leerde mij werken. Zij leerde mij school en +meesters liefhebben. Zij leerde mij danken in gemoedsontroering. Het +echte. + +Toch maar een »afgescheidene". + + * * * + +En nu wil ik meteen vertellen, hoe het met mijn prijs verging. + +Daar was een jongen en die heette Kees. Zijn vader was timmermansbaas, +en hij woonde daar en daar. + +Kees las zoo graag en daarom kreeg hij eens mijn prijs ter leen. + +Maar Kees gaf hem nooit terug. + +Telkens als ik vroeg, ontving ik een ontwijkend antwoord. + +Eindelijk vermande ik me en ging naar Kees zijn huis. Ik wou zijn vader +spreken. Ik moest toch mijn prijs hebben, mijn _prijs_. Een prijs is +toch niet een gewoon boek. + +Ik sprak Kees zijn vader. Hij wist er niets van. Maar wacht r's. +»Zoo'n boekje, zoo wat zoo groot?"--Ja, meneer.--»Dat zal je niet meer +terugzien. Kees bracht altijd boeken mee, en ik wou dat vervloekte +gelees niet meer hebben, en toen heb ik gezegd: als je weer een boek +meebrengt, smijt ik het in de kachel. Dat heb ik ook gedaan, en dat is +dan zeker jouw prijs geweest." + +Ik heb mijn tranen weerhouden,--o, natuurlijk, natúúrlijk--maar toen ik +weer buiten was en op straat liep, was ik gebroken. + +Mijn prijs.... + +Weg.... + +Onherroepelijk.... + +De man heeft er niet aan gedacht, welk een bitter leed hij mij had +berokkend, heeft er niet aan gedacht, mij mijn prijs terug te koopen. + +»Dan had ik hem maar niet moeten uitleenen." + +Zoo'n ellendeling! + + * * * * * + +Laat ik hem vergeten en aan lieflijker dingen denken. + +Van de vrouwen is altijd een bizondere bekoring voor mij uitgegaan. Men +weet, dat begon al op de bewaarschool, waar ik schriftelijk verzocht, of +ik van zeker vijfjarig Betje de vrijer mocht wezen. Ik was toen ook nog +geen zes. En dat hield zelfs niet op, wanneer het pere-hietvrouwtje of +Mietje de porster mij in haar toch zoo ongecultiveerde stemmen +omstrikten. + +Wat is het toch, die bekoring van »das ewig Weibliche". + +Ik weet het niet. + +Het is een der mysteries bij de talloos vele andere. Maar het bestaat +en oefent zijn invloed reeds vroeg. De aanwezigheid van meisjes in de +school verzachtte heel wat leerellende. Als je onder het doodelijk +stilzitten, een uur achtereen, steeds met je handen gevouwen aan den +rand, naar het overhooren van een droge les moest schijnen te luisteren, +was het een heerlijkheid, in alle stilte te genieten van een mooie, +blonde vlecht, of ál meer intiem te worden met een rood lintje om een +zwart kopje. De jurkjes, de schortjes, de kantjes, de beentjes der +meisjes, waarmee ze zoo aardig stappen konden, de stemmetjes en de +fraaibelijnde gestalten, ze gaven aan de dorre woestijn iets liefelijks. +En zonder meisjes had ik het in mijn eerste school zeker absoluut niet +uitgehouden. + +Wat ik voor haar voelde, was onmogelijk te zeggen. Geen enkele +onvoegzaamheid, dat weet ik echter zeker. 't Was een vage stemming +van adoratie; zij omhulden mij als in rozige morgennevels. Een zelfde +stemming kreeg je buiten, als je niets dan groen en lucht zag en een +enkele boerenwoning. Het alledaagsche ging weg en je was in een andere +sfeer. + +Geheel in strijd met deze vage stemming scheen onze liefhebberij om bij +'t uitgaan der school de meisjes na te rennen. + +Dan holden zij hard weg, zwaaiend met de schooltasschen, en wij vlogen +ze na. Hadden we ze ingehaald en gegrepen, dan deden we nog niets. +Eigenlijk waren we dan verlegen met onzen buit, schudden--schijnbaar +ruw, maar eigenlijk teer--de Sabijnsche wat door elkaar, spraken wat +vreeselijke dreigementen, en, als 't héél erg werd, gaven we ze een zoen +ergens op een vindbaar plekje van het weggestopt gezicht en anders maar +op de haren. Die zoen beteekende evenwel niets anders dan een triomf. +Daarna mochten ze gaan. + +Nog op den huidigen oogenblik weet ik niet, wie met dit spelletje +begon, de jongens of de meisjes. Of wij haar opjoegen, dan wel zij ons +oplokten. Eén ding is zeker: meisjes die niet wegliepen deden we niets. +En zoo geloof ik, dat die vluchtende hinden niet zoo onnoozel en zoo +bang waren, als ik toen wel dacht. Maar ik durf toch niet stellig +zeggen, of ook deze verzoeking eigenlijk van Eva uitging, en dus zal ik +dit vraagstuk maar laten oplossen door de eerlijke jeugdherinneringen +van een vrouw, die in haar schooljaren dupe of bewerkster van die jacht +is geweest. + +De Paedologie zal ongetwijfeld ook deze naren- en afzoenerij eens tot +onderwerp van haar wetenschappelijk onderzoek maken. Dan vernemen we, +hoe in dit kinderspel zich handhaaft een vrouwenroof uit den oertijd, +of anders hoe--spel is toch levensvoorbereiding--het jonge volk zich +bij dat onbehoorlijk gevlieg praepareert op 't geen later komen moet. +Een zij en een hij moeten elkaar vinden, daartoe moet zij lokkend +wegfladderen, hij haar volgen: »Errötend folgt er ihren Spuren", en +als hij haar gevonden, veroverd heeft, sluiten zij zich innig aaneen. +Dat moet in de schooljaren door wijze Moeder Natuur worden voorbereid. +Vandaar die, alleen door onwetenschappelijke kortzichtigheid +tegengewerkte, naren- en afzoenerij, die de opvoeders als een mooi, +redelijk, noodzakelijk en dus wenschenswaard verschijnsel moesten +begroeten, en eer behoorden aan te moedigen, dan als onfatsoenlijk te +bestrijden. + +Zien echter alle ouders en onderwijzers het onder dat licht? + + * * * * * + +Op mijn afgescheiden school waren gelukkig ook meisjes, en zoo had ik +den Hemel opnieuw te danken, die mij niet uit Roomsche ouders had doen +geboren worden en tusschen enkel donkere jongenskielen doen opgroeien. + +De meisjes zaten vooraan, in de eerste rijen, de jongens daarachter. +Ik denk, dat in deze plaatsing, die men op alle gemengde scholen en ook +in de kerken aantreft, waar de mannen de vrouwen als een heiligenkrans +omringen--geen krans van heiligen--, ik denk dat in deze rangschikking +zich hetzelfde wegloop- en narenelement openbaar. Men noemt dat met +allerlei mooie namen: hoffelijkheid, beleefdheid, eerbied voor het +zoogenoemd zwakkere geslacht, maar die namen zijn niet anders dan +kleurige sluiers, die het wezen der zaak aan ons oog onttrekken. Die +stil en devoot luisterende vrouwen--natuurlijk weten ze het niet--ze +loopen weg, en die eerbiedig doende mannen, ze rennen na. Die hele +zwijgende, stilzittende schare is in haar rangschikking een door de +eeuwen vastgelegde beweging. Het is lokken en volgen, jagen en vlieden, +maar nu vastgegroeid tot een maatschappelijk gebruik. Alleen ziet men nu +en dan, zelfs in de kerk, het oude spel herleven, als een achttienjarig +meisje minder getrokken wordt door de godsdienstoefening, omdat ze zelf +te sterk trekt iemand die daar in de verte achter haar zit. Al is die +gedachte niet aangenaam voor den preekenden voorganger, hij worde er +toch niet boos om, wetende dat het verlies van aandacht nu, hem later +rijkelijk vergoed wordt door een mooien huwelijksdienst en wie weet +hoeveel doopbeurten. Pierre de Coulevain, de auteur van Sur la branche, +heeft de verliefdheid van 't meisje terecht genoemd: moederliefde in +knop. + +Ik had het geluk, een tijdlang in de eerste jongensrij te zitten, +vlak achter de meisjes. Dit verhinderde mij niet, hard te werken. +Integendeel. Het spoorde mijn werkdrift aan. Ik deed mijn best in haar +oog een mooi figuur te maken. Een pluimpje van den meester wapperde +veel sierlijker onder het welgevallig en bewonderend oog der meisjes. +Zij behoefden mijnentwege niet goed te kunnen rekenen en ontleden. +Als ze maar haar lieftallige en gratievolle bewondering aan ónze +overwinningen konden schenken. Iedere moeilijke som, door ons als een +machtig vijand verslagen, riep haar streelenden eerbied op, en wij +sloegen er op los om dien eerbied te verwerven. »Wat kan _jij_ goed +rekenen!" of: »Hoe _kun_ je dat toch!" of: »Ik begrijp er niks van!" of: +»Toe, help je me nog even!"--het waren omwademingen van bloemgeurige +zefirs, zwanger van lenteweelde. Ha, wat voelden we ons gelukkig, als +we zulk een hulde ontvingen of zulk een hulp mochten verleenen! + +Das ewig weibliche. Wondervolle macht in een knapenziel. + +Neen, gij die meent dat onreine gedachten als zwarte wolken langs +dezen blauwen voorjaarshemel moeten drijven, gij weet het niet. Er +ging een reinigende bekoring uit van de tegenwoordigheid der meisjes. +Zij riepen ridderlijke gevoelens in ons wakker, huldigende driften, +artistieke gaven. Mijn oudste broer teekende mooi en leerde mij in de +huiskamer landschapjes teekenen en watergezichtjes. Een boerenwoning, +half verborgen onder 't loover, een hooiberg daarbij, slingerend +landweggetje, en in de lucht wat vogels--of een schip, opbruisend tegen +de watervlakte, het zeil omhoog, den wimpel wapperend, het roeischuitje +er achter--ik wierp ze met handige potloodstrepen op het papier, trok er +een strakke lijn om, zette in een benedenhoek een beetje schuin mijn +naam--ach, mijn jongens op school kunnen dat laatste ook zoo artistiek: +kinderen blijven kinderen--en bood ze de jonkvrouwen mijner vereering +aan. Hoe heerlijk, als ze het mooi vonden en zuinig bewaarden. En als +ze 't niet begrijpen konden, hoe een jongen, die al zoo goed sommen +kon maken, ook nog mooi kon teekenen. En als ze dan een eigengemaakten +boekenlegger of inktlap als tegengave schonken. Precies als de koningen +der aarde, en ook precies als de primitieve volkeren. Lezer, vriend, +zijt ge wel eens jaren achtereen gelukkig geweest met een simpel +potloodje, dat ge dag aan dag bij u droeg, nooit gebruikte uit vrees dat +het slijten zou, en telkens weer met teederheid tusschen uw vingertoppen +nam? In dat potloodje--'t heette een herinnering aan háár--bewaardet ge +al de reine teederheid van uw eigen jongensziel, gewekt door »das ewig +Weibliche". + + + + +GOEDE SCHOOL. + + +Elke schooltijd begon natuurlijk met gebed en psalmgezang. Daarna volgde +'s voormiddags een vol uur »Bijbelsche Geschiedenis". Dat was dus zes +uur in de week de historie van het oude Israël en het verhaal der +Evangeliën. + +In overeenstemming daarmee kreeg de Kaart van Palestina meer beurten dan +die van Nederland. Zoo kwam eigen land en volk wel wat in de verdrukking +door de buitengewone belangstelling aan Kanaän gewijd. Perea, het +Over-Jordaansche, lag mij nader dan Gelderland, op de Palestijnsche +bergen was ik meer thuis dan op de Limburgsche heuvelen, het meer van +Genezareth mij vertrouwder dan het Slotermeer, en langs de Jordaanoevers +wandelde ik vrediger dan langs de Rijnboorden. + +Over de keuze van dit belangstellingsgebied voor de lagere school kan +men verschil van meening hebben, maar ieder beseft, hoe dit samengaan +van geschiedenis en aardrijkskunde beide ten goede kwam. De vlakten en +de hoogten, de meren en de stroomen, de steden en de vlekken van Kanaän +kregen beteekenis, doordat ze leefden in de Joodsche geschiedenis en +literatuur. We hoorden ze uit den mond der psalmdichters en profeten, +zagen ze als terrein van arbeid en strijd, bezochten ze rondwandelend +met den leerenden Heiland. + +Dat was iets anders dan rijtjes namen, die maar rijtjes namen bleven. +Het innige verband tusschen het Joodsche land en het Joodsche volk, dat +nog thans in zoo vele Joodsche en ook Christen-harten gevoeld wordt, +maakte de aardrijkskunde van Palestina tot terreinlessen der historie. +Alles leefde daar. Men was als in de schouwburg der menschheid en zag +volksdrama's afspelen op het tooneel der velden, met begroeide bergen +tot coulissen. Nog, als ik den naam hoor van het meer van Genezareth, +zie ik visschers hun netten uitwerpen, Jezus wandelen op de wateren, +Petrus wegzinken in kleingeloof. Aan gene zijde der Jordaan staat Mozes +op den berg Nebo, ziende naar het Heilige Land, dat hij niet mag +binnentreden. Hoe lieflijk is ons dat Bethlehem met zijn overvolle +herberg en de kribbe in den beestenstal. Geen plaatsnaam, of hij roept +personen op, toestanden, gebeurtenissen. De landkaart gaf aan de +geschiedenis een gebied, gelijk deze aan de kaart leven schonk. + +Of de school dit prachtige en eigenlijk ook onmisbare samengaan met +volle bewustheid in de hand werkte, om de waarheid te zeggen, ik geloof +het niet. Het staat mij zoo voor, alsof de geschiedenisles alleen +luisterde naar de stem van den meester en nooit keek naar de kaart, +alsof de aardrijkskundeles alleen aanwees en opzei, maar nooit bevolkte, +en of het samenvloeien van feiten en terreinen aan het toeval en de +kinderlijke voorstellingsbehoefte werd overgelaten. Maar indien dit zoo +was, dan zal het nu in de christelijke scholen toch wel anders zijn. +Men zal daar nu toch die mooie kans niet ongebruikt laten. Wellicht gaat +men er nog een stapje verder en durft een les in natuurlijke historie +gebruiken, om het landschap met zijn planten en dieren uit te beelden. +»Kent gij het land?" vraagt Pfarrer Schneller op het titelblad van +zijn voortreffelijk werkje. »Wij kennen alleen stippen en strepen en +namen," zeggen de kinderen. En dit zeggen zelfs de volwassenen. Ook de +volwassenen, die op de lagere school of op de zondagsschool Bijbelsche +Geschiedenis onderwijzen? + + * * * * * + +Wanneer deze jeugdherinneringen onderwijskundige bijbedoelingen hadden, +zou ik graag van Palestina naar ons eigen land overgaan en zelfs de +vraag willen stellen en beantwoorden, of de aardrijkskunde der geheele +wereld niet een beetje intiemer kon worden met het leven der volkeren. +Maar nu moeten we verder. + +Daar zit een klasse kinderen te rekenen. 't Is de hoogste. Ook ik zit +daar zoo wat midden in de klasse, vlak achter de meisjes. Gevaarlijk +plaatsje? + +Dat denkt ge maar. + +'t Zou gevaarlijk geweest zijn wellicht als de meester onzen geest had +gekneveld in banden van verveling, als hij ons gedoemd had tot +stilzitten en kijken en handen vouwen. + +Maar op mijn bank ligt een lei, daarnaast een dik boekje in een +donkerblauw omslag, en tusschen mijn vingers leeft een griffel, +hunkerend naar 't uitvloeien en uitstroomen van cijfers. 't Is of die +arme griffel 't benauwd heeft, in barensweeën verkeert. Ze moet +schrijven, schrijven, cijfers uitgooien, een lei vol, twee kanten, vol, +nóg een lei. Eer komt ze niet tot rust. + +En al die arbeid maakt, dat ik niet eens meisjes zie. Die griffel wint +het van haar bekoorlijkheid. Het instrument, waardoor de van werkdrift +trillende geest een uitweg vindt in de grijswitte figuurtjes op de +blauwzwarte lei. + +Werken. Laat je jongens werken. De kleinen en de grooten. En ook de heel +grooten. + +Maar zorg dan, dat ze werken met lust, en daardoor met volle kracht. + +De beste rekenaars hadden ieder hun eigen rekenboek. Ik moet daar ook +onder behoord hebben. Ik herinner me den hartstocht, om een boekje _uit_ +te hebben. + +De Boesers had ik al.... opgevreten. De »eerste verzameling". De »tweede +verzameling". Toen had de meester er niet meer. Die »verzamelingen" +kwamen na en boven de gewone serie. Een soort bekroning. »Gemengde +vraagstukken". Voor de goeie rekenaars, die geen geleidelijke leiding +meer noodig hadden. Die konden aanpakken, telkens wat nieuws. + +Maar ik had ze uit. + +Toen zei de meester: »Ja, wat zal ik je _nu_ geven!" En hij snuffelde in +zijn kast. Daar had hij zoo'n stapeltje van allerlei. »Hier, probeer +dit maar eens." + +'t Was--heb ik het goed onthouden?--»Koopmansrekenen" van Adam van +Lintz, het--vierde?--stukje. 't Was dat dikke boekje in donkerblauw +omslag. En Adam van Lintz boeide mijn oogen en mijn handen en mijn +gedachten en mijn neigingen. + +Ik zag geen meisjes, ik zag sommen. + +Heerlijke werkuren. Ze deden me al vroeg ervaren, waar een stuk reine +levensvreugde te vinden is. Bijstand tegen verzoekingen. Troost in +smart. + +Nooit in mijn verder leven heb ik Adam van Lintz teruggezien, terwijl ik +toch onafgebroken tusschen de schoolboekjes heb gezeten. Waarschijnlijk +was hij dus toen al aan 't verdwijnen. Versluys en Wisselink kwamen de +Boesers verdringen. Toch onthouden, met uiterlijk en titel. Bewijst dat +niet--wat ik reeds vroeger opmerkte--dat het geheugen in 't hart zit? En +dat het werk in de school het kinder_hart_ moet weten te pakken? + + * * * * * + +Men zou uit deze rekendrift willen afleiden, dat ik later een +rekenmeester had moeten worden. Doch dan zou men verkeerd afleiden. Mijn +aanleg en mijn lust hebben nooit de cijfers gezocht. Verzen opzeggen, +lezen met een mooie stem, de muziek der taal genieten--dat was mijn +eigenlijke voorkeur. Mijn aanleg was, om het met een groot woord te +zeggen: literair. Als ik in mijn eentje liep, zei ik in mezelf verzen +op, vaak psalm- en gezangverzen. En dan had ik een gevoel, of mijn stem +de mooie klanken moest liefkoozen en de golvende regels in zangerig +rythme moest laten vloeien. Een meester, die mooi voorlas, had me gauw +te pakken, en onwillekeurig bootste ik de bekoorlijke eigenaardigheden +van zijn voordracht na. + +Toch herinner ik me van mijn leesboekjes niets meer. Welke waren het? +Ik weet het niet. Belletristische? Leerende? Verhalende? Ik weet het +niet. Verzen of proza? Ik weet het niet. Geen inhoud, geen titel, geen +uiterlijk--ik weet er niets meer van. Waren ze wellicht te droog? Ik +weet het niet. Te vroom? Te braaf? Te onkinderlijk? Ik weet het niet. +Wonderlijk toch, de rekenboeken zie ik nog, ken ik nog, hoewel ik geen +rekenman ben, en de leesboeken zijn totaal weggezonken in vergetelheid, +hoewel de toekomst bewezen heeft, dat ik voor 't leesboek toch wel +iets voelde. Vanwaar dit onderscheid? Het moet wel hieraan zijn toe +te schrijven, dat--door 't _werken_--in de rekenboeken mijn hart +is gaan zitten, en dat de leesboeken dit hart niet hebben gelokt en +vastgehouden. Dat hart wou wel. Maar 't boek wou niet. Of misschien +wou het arme ding wel, maar kon het niet. Het zal onze harten _te +opzettelijk_ hebben willen vangen. En dat is altijd mis. + +Het is toch eigenlijk sterk, dat ik niet meer weet, uit welke +schoolboeken ik als twaalf- en dertienjarige jongen gelezen heb. Maar +voor 't feit sta ik in. Wellicht wordt het een beetje nader verklaard +door mijn overgang, als kweekeling, naar de openbare school. Daar kwam +ik in zoo'n heel andere boekjeswereld. Maar dat rekenboek dan? en het +zingen? Want dát herinner ik me heel wel. Ik zie het schoolbord vol +muziek staan, driestemmige liederen in notenschrift. En ik ken nog die +liederen die we leerden. Eén lied is te kenmerkend en te vereerend voor +de school, dan dat ik het hier niet zou vermelden. De Fransch-Duitsche +oorlog was uitgebroken, 1870. Ik was elf jaar. Overal hoorde je »Die +Wacht am Rhein", tot op draaiorgels toe. Toen leerde de meester ons de +woorden en de muziek, de woorden in 't Duitsch, ofschoon we in die taal +geen les kregen. En we zongen uit volle borst meerstemmig: + + Est braust ein Ruf wie Donnerhall, + Wie Schwertgeklirr und Wogenprall: + Zum Rhein, zum Rhein, zum Deutschen Rhein! + Wer will des Stromes Hüter sein? + Lieb Vaterland magst ruhig sein: + Fest steht und treu die Wacht am Rhein. + +Ik noemde dat kenmerkend en vereerend voor de school. Immers, het was +een bewijs, dat men in de school _leefde_. Het lied van den dag, ondanks +de vreemde taal, in de zangles gebracht--dat was toch wel waarlijk: +school en leven. + +En die school was een--»afgescheidene", van veertig jaren her. + + * * * * * + +Het is wel begrijpelijk, dat deze schoolliederen me zijn bijgebleven. +Vooreerst hadden ze dezelfde veroveringsmethode als de sommen. Ze zetten +ons aan 't werk. Zingen moest je wel, of je wou of niet. Je kon er niet +bij suffen of afdwalen. Daar had je nu je zuivere zelfwerkzaamheid. Maar +dan ook, de liedjes werden thuis vrijwillig gerepeteerd. Niet, gelijk +dat in gegoeder kringen geschiedt, op bepaalde uren bij een piano, maar +op alle tijden van den dag en in alle hoekjes van het huis. Vader zong, +Moeder zong, Christien zong, de jongens zongen, ik zong, we zongen +allemaal. Zingende leerden we mekaar de liedjes, en als er een moeilijke +val was, werd die soms in de keuken onder 't werken door ingestudeerd. +Christien sneed de andijvie of de rooie kool, ik stond bij haar aan de +rechtbank, en daar had je een formeele zangles. + +Niemand was verlegen om den mond open te doen, niemand schaamde zich +zijn stem. Het huis weergalmde van lied. Je zong in de keuken bij 't +schoenenpoetsen, je zong in de gang, je zong in alle kamers, in de +huiskamer, de slaapkamer, de bestekamer. Leege oogenblikken werden +gevuld met lied. En dat was nooit een zacht geneurie, maar een luid +gejuich, vol uit de borst. Ook de bovenburen zongen en de benedenburen. +En 't waren allemaal schoolliederen van »Zie de leliën op het veld" of +»Als de zwaluw ons verlaat" of »Eere zij God". De Zangvogeltjes, die +lieve uit de boekjes van C. Regeer, fladderden door onze woning, en +jubelden hun heerlijkste liedjes. + +Dat had en heeft een burgergezin voor op de deftigheid. Er wordt +gezongen in huis. De kinderen behoeven geen zangles te krijgen. De +liederen leven er, gelijk buiten in veld en bosch, en--evenals +daar--piepen de jongen naar 't zingen der ouden. + +Wat kon Vader mooi zingen! En met welk een liefde en toewijding zong +hij! Dan kon hij zoo'n uur achter elkaar heen en weer loopen, geen jas +aan, de handen op den rug, van de huiskamer door de gang en omgekeerd, +en aldoor maar zingen. Hij haalde de liederen op uit zijn verleden, veel +Fransche. Van »La Brigantine, Qui va tourner." Wat vonden we 't mooi! En +als Vader dan met ingehouden stem bad: »O, Vierge Marie! Pour moi priez +Dieu!" dan werden onze oogen wel eens vochtig van ontroering en viel er +een traan tusschen de sommen of de Fransche thema's. Dat waren heerlijke +oogenblikken. + +En 's avonds, vooral Zondags in 't schemeruurtje, wanneer alleen een +zacht theelichtje het duister bekampte, klein, dapper, rustig vlammetje +in een donkere wereld, en wij, door de kamer verspreid, ons gelegerd +hadden als in een Zigeunerkamp, de ouderen op stoelen, ieder op een +geliefkoosd plaatsje, de jongeren op den grond, de beenen rechtuit +of de knieën opgetrokken--een »vrije orde"--dan begon er maar een te +zingen, en vanzelf vielen de anderen in. Het eene lied na het andere. +Maar nooit straatliederen. De school en de overlevering hadden ons een +heel repertoire bezorgd, altemaal liederen vol kleur en sentiment, +beschaafd van taal en van toon. En steeds ging het ten slotte naar het +godsdienstige toe. Met de Hernhutters zongen we: »Laat mij, slapend, +op U wachten, Heer, dan slaap ik zoo gerust." En eindelijk met de +Christelijke gemeente dien stemmenden avondzang: + + 'k Wil U, o God, mijn dank betalen, + U prijzen in mijn avondlied. + Het zonlicht moge nederdalen, + Maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet. + +Dan trilde Moeders stem. Zij was weer in de pastorie van haar +kinderjaren. + + * * * * * + +Liefelijke schemeruren. Hoe heerlijk toch, dat alle uren van den dag +hun eigen kleur en toon hebben. Het uur van 9-10 in den voormiddag is +een heel ander dan dat van 2-3 in den namiddag. Men kan ze onmogelijk +verwisselen, zonder het gelaat van den dag een vreemd en onbehaaglijk +uiterlijk te geven. En zoo heeft ook het schemeruur zijn karakter en +bestemming. Wie denkt er aan in den morgen zoo vertrouwelijk bijeen te +zitten en te zingen als bij het vallen van den avond tusschen licht en +donker. Het zou niet gaan. En nu heb je wel redeneermenschen die zeggen: +een uur is een uur, ze hebben allemaal precies zestig minuten, en zingen +is zingen, dus je kunt het zingen van 't eene uur net zoo overbrengen +naar een ander, maar deze verstandige lieden behooren tot die +waanzinnigen, waarvan Chesterton zegt, dat ze krankzinnig zijn, omdat +ze alles verloren hebben behalve hun verstand. Neen, een uur is niet +een uur, elk heeft zijn eigen aard, en daarom brengen en vragen de +avonduren, die van vijf tot zeven, iets anders dan hun vroegere of +latere broeders. + +Wij hadden avondschool, liefelijker gedachtenis. Ze werd in de +bovenverdieping gehouden. Daar genoten we van het warmgele licht der +gasvlammen, het stille suizen, en van meesters stem en lange pijp. 's +Avonds scheen meester een heel andere stem te hebben dan overdag. Kwam +dat door het gaslicht? Of doordat er veel minder kinderen waren? Neen, +'t was de invloed van de uren. Die veranderden niet alleen zijn stem, +maar zijn heelen persoon. Hij was veel vertrouwelijker, veel gezelliger, +veel gewoner. Zijn houding en toon naderden ons veel dichter, hij werd +een soort familielid van je. De schoolnarigheid ging er af. Zijn +handdruk was zelfs anders dan die van 's morgens vóór negenen. + +En dan was zijn lange pijp ook een van zijn aanbevelingen. In het +vensterkozijn lagen eenige opgevouwen papierstrooken--fidibussen. +Daarmede spaarde meester een zwavelstok uit. »Geef jij me eens een +fidibus." De gelukkige nam er een uit het kozijn, stak hem aan boven de +gasvlam, en hield hem bij meesters pijp. We genoten van het opkrullen +der tabak, van de blauwe rookwolken, en van de manier waarop meester +den dop op de pijp zette. Nu trok hij een poosje achter elkaar, dan +legde hij de pijp neer, nam de zijden pet van 't hoofd en zei ernstig: +»Prions!" Wij vouwden de handen, sloten de oogen, luisterden naar het +suizende gaslicht en naar de eerbiedige stem: »Notre père qui est aux +cieux! Ton nom soit sanctifié. Ton règne vienne!" Er zweefde stille +vrede in onze harten. + +Pas had het »Amèn" onze oogen en handen ontsloten, of we hoorden: +»Chantons--pseaume...." Dan sloegen we de psalmboeken open, echte +Fransche, zochten het lied op, en zongen. Terwijl ik dit schrijf, +valt me een lied in, dat ik toen geleerd heb, met dit slot: + + Amen! Amen! + Purifie, + Sanctifie, + Renouvelle + Tout en nous, Sauveur fidèle! + +en ik hoor de kinderstemmen nog, gedragen door meesters stem, en +wegstervend in de donkere einden van het groote lokaal. + +Van zoo'n avondschool ging kennis en wijding uit en 't was ons daar +beter, dan dat we ons thuis verveelden of op straat bedierven. Om +opvoedkundige redenen is de avondschool overal afgeschaft. Maar als ik +nu nog op een avondcursus de kinderen zoo stil genoegelijk zie werken, +denk ik: Wat zit jelui hier vredig! En wat heb je het toch goed! + + * * * * * + +Dat lijkt sommigen misschien wat erg bekrompen ouderwetsch en zeer +bevreemdend van iemand, die zoo hardnekkig pleit voor vrijheid en +spel en tegen leerdwang. Maar wie trouw gevolgd heeft, wat door dien +hardnekkigen pleiter verdedigd en bestreden is, die weet wel, dat +het nooit ging tegen het leeren, maar tegen de vervloekte kunst +om het leeren tot een ellende te maken, tot een hersenkwelling en +zenuwvernieling. Leeren moet een vreugde zijn, en het kan een vreugde +zijn. Maar de examens, het opdrijven boven peil, bederven het genot. +Kinderen leeren graag, naar de mate hunner capaciteit. Maar de school +houdt geen rekening met die capaciteit en maakt zoo den zin tot +tegenzin. + +Prof. Jelgersma--en hij kan het weten--heeft eens geschreven, dat nooit +het werken iemand zenuwziek maakt, maar wel de onrust, de spanning, de +zorg. Mijn eigen ervaringen bevestigen deze uitspraak. Natuurlijk heeft +onze arbeidskracht haar grens, maar de instortingen in mijn leven zie ik +heel duidelijk als gevolgen van emotievolle tijden, tijden van kommer en +angst. Het zijn de _gemoeds_kwellingen, die ons knauwen. En dit is zoo +waar, dat juist meermalen de arbeid, in stede van een ondermijner, een +hersteller onzer gezondheid is. Werk maar, werk maar trouw, volhardend, +inspannend. Echter--werk met liefde. Laat je werk een vreugde zijn. En +dan bevordert het je gezondheid. + +Mijn jeugdherinneringen prediken mij dit ook met overgroote klaarheid +en zekerheid. De arbeidsdrift en de arbeidskracht mijner schooljaren +hebben mijn gezondheid nooit geschaad, doch wel mijn lichamelijken en +zedelijken welstand gebaat. Maar als door averechtsche schooltucht het +leeren tot een straf werd, dan liep het mis. En nu zal men wellicht mijn +achterlijke ingenomenheid met de avondschool begrijpen. Wij werkten met +lust. Hoe meer de kinderen leeren en werken, des te beter. Mits lust de +drijfveer en vreugde de vrucht is. + +Van mijn afgescheiden school heb ik nog eenige herinneringen mee te +deelen. Die bewaar ik echter tot het slot. Eerst werpen we nog een blik +in het hartje van den Jordaan en dan gaan we naar de nieuwe woning in de +Nieuwe Leliestraat. + + + + +JORDAANPAEDAGOGIEK. + + +De Jordaan, de Amsterdamsche, heeft niets te maken met de gelijknamige +rivier in Kanaän. Vroeger waren er in deze volksbuurt der hoofdstad +allemaal tuinen. De Fransche vluchtelingen, de refugiés, vestigden zich +daar en zij spraken van »les Jardins". Vandaar de naam. + +Het is wel eigenaardig, dat deze naam, die geen enkel officieel cachet +heeft, in den volksmond is blijven voortleven. De stadhuisregisters +kennen hem niet, maar bij de geboren Amsterdammers zal hij niet gauw +wegsterven. + +De herinnering aan les Jardins wordt, behalve door de verbastering +Jordaan, ook bewaard in de namen der straten en grachten. Wie deze +hoort, waant zich in een lusthof verplaatst Alles spreekt van bloemen +en boomen. De Palmgracht, de Goudsbloemstraat, de Lindengracht, de +Anjelierstraat, de Tuinstraat en de Eglantiersgracht, de Leliestraat en +de Bloemgracht, de Laurier- en zelfs de Rozenstraat. Het geurt en kleurt +om u heen. Dáár zoudt ge willen wonen. Onder de palmen, tusschen de +rozen. + +Wees voorzichtig. Namen bedriegen. Op de Lindengracht was mijn eerste +school, en het stonk er. Op de Bloemgracht mijn tweede, en het stonk er +ook. Op de Eglantiersgracht woonden we, en het stonk er afgrijselijk. +Geen wonder: de gracht was zoo iets als een groep voor het menschelijk +vee, alle emmers met excrementen uit de heele buurt werden er avond aan +avond in leeggestort. Die schonken hun geuren aan les jardins. Zoo +leefden we daar tusschen rozen en anjelieren. Ik weet nog, dat er een +cholera-epidemie heerschte. Duinwater hadden we niet, elken dag voeren +er schuiten met vaten zuiver drinkwater door de gracht, en terzelfder +tijd spoelden sommige vrouwtjes hun waschgoed in die grachten uit. +'t Water zag er altijd vuilzwart: leliën en rozen. En de bakker maakte +er zijn dweil in nat, waarmee hij den oven »reinigde" voor ons brood. + +Ook de meeste straten waren vuil. Glibberige keitjes tusschen armoedige +huizenrijen. Wie laurieren en goudsbloemen verwachtte, vond gore +onderkleeren, afhangend van droogstokken. + +Het is nooit verstandig, straten en ook meisjes van die heel mooie namen +te geven. Men weet niet, of ze de belofte van hun naam vermogen te +houden en zoo loopen ze gevaar, levenslang, bij iedere kennismaking, in +zichzelf een teleurstelling aan te bieden. + +Allereerst aan het Oranjehuis is het gelukt, een inval te doen in die +rijen van bloemen en groen. Vroeger heette een der grachten, n.l. de +Goudsbloemgracht, in den volksmond _het Fransche pad_. Je had daar, ter +weerszijden van een drabbig water, smalle, slecht geplaveide wegen. +Franschen woonden er niet meer, wel dieven en ander gevaarlijk volk. +Wij, jongens, wisten elkaar te vertellen van zulk een held, die, door de +politie achtervolgd, royaal over de gracht sprong en zoo zijn vrijheid +redde. Het was »De achtkante Boer". Overigens leefde dit Fransche pad +bij ons alleen voort in een verachtelijken scheldnaam. Wie ons à l te min +was, scholden we uit voor Franschepatter. In den Haag zegt men tegen zoo +iemand: stuk vullis. + +Het Gemeentebestuur vond het verstandige opvoeding zijner burgerij, de +gracht van dit Fransche pad te dempen, waardoor het in een breede straat +veranderde, toegankelijk voor handhavers der orde. Maar het gaf daarbij +een tweede bewijs van paedagogisch inzicht. Het liet de straat naar +Koning Willem III vernoemen, door Z. M. plechtig openen, en sedert +verdwenen de namen van Goudsbloemgracht en Fransche pad voor dien van +Koning Willemstraat. De Jordaners waren altijd reeds beroemd door hun +Oranjeliefde, maar nu was Oranje hun een broeder, en meer dan dat. +Wanneer Koning Willem III zijn jaarlijksch bezoek aan de hoofdstad +bracht en dan natuurlijk ook in open rijtuig de Willemstraat bezocht, +spanden zijn trouwe Willemstraters de paarden van den wagen en trokken +dien zelf in statigen optocht langs hun heirweg. Dat was een jaarlijksch +verbond tusschen Bokkebek, den Koning van de Willemstraat, en Willem +III, Koning der Nederlanden. + +Wat is een naam? vraagt de dichter. + +Een naam is een levenslange ontgoocheling. Maar een naam is ook een eer, +een verplichting, een verantwoordelijkheid, en dan is hij een stuk +opvoeding. Maak van uw Franschepatters--Willemstraters. + + * * * * * + +Zoo ziet men, hoe er uit dien vuilen Jordaan nog paedagogiek kan +opbloeien. Met de paedagogiek is het trouwens evenals met de poëzie, ze +schuilt + + Overal, mijn vrinden. + 't Is de vraag maar, wie haar al, + Wie haar niet kan vinden. + +Dat móét immers ook? De paedagogiek is een levenskracht, die in heel +de menscheid en zelfs in de dierenwereld werkt. Sinds men echter een +paedagogische priesterschap heeft, die haar paedagogisch leerstelsel +heeft opgebouwd, is de paedagogiek schuil gegaan, en kost het vaak +moeite haar op te sporen. Het zuivere hemelwater is tot staande grachten +geworden, vol menschelijke onreinheid, stinkende van domheid en +pedanterie. Geef den menschen zoo'n leerstelsel, en zie, wat ze er +van terecht brengen. Je kunt ze er in examineeren, maar dan--in de +practijk--laten ze het in den steek, omdat het hen in den steek laat. +De priesters hebben altijd het werk der profeten bedorven. Wie iemand +paedagogisch wil sterken, brenge hem in aanraking met de paedagogische +profeten. Van hen gaat kracht uit, die onze krachten wekt en ontwikkelt. + +In ieder menschelijk wezen--en in hoeveel dieren--leeft een +paedagogisch instinkt. Vandaar dat we overal opvoeding zien, opvoeding +móéten zien. Naarmate we die opvoeding meer beperken tot een bepaalde +klasse, zal ze er te treuriger aan toe zijn. Dan verdroogt de +levenskracht tot schoolmeesterij. + +Ziedaar, zelfs Willem III was een opvoeder, toen hij zich door de +Willemstraat liet trekken. Zonder karton- of houtslöjd paste hij daar de +zelfwerkzaamheid toe. Hij stelde die mannen in de gelegenheid, iets voor +hem te _doen_. Iets dat ze graag deden. Iets dat hen een eer werd, een +levenslange trots: »_Ik_ heb den Koning nog voortgetrokken!" Daarmee +riep hij van het beste wakker, wat in die mannen leefde: huldigende +toewijding aan Majesteit. + +Vischkoopers, kroeghouders, geldschieters in zelfgewilde dienstbaarheid +zich te doen inspannen voor Majesteit, zij het aardsche, het is +een begin van zedelijke opvoeding. En het is de bittere fout onzer +hedendaagsche zoogenoemde democratie, dat ze den eerbied voor Majesteit +vernietigt. O, ik weet, dat er veel valsche majesteit is, maar daarom +kan dat eerbiedsgevoel toch echt zijn. En niet die majesteit daar +buiten, maar dat eerbiedsgevoel daar binnen is de opvoedingskracht. +Wellicht buigen wij allen voor valsche majesteit, wij blinde zoekers der +Waarheid. Doch beter is het, een Koningskar voort te trekken, dan den +zegewagen van de Zelfzucht. Als er maar een element van toewijding is! + +Jaren later heb ik in denzelfden Jordaan het zoogenaamde palingoproer +bijgewoond. Het Gemeentebestuur had een aloud volksvermaak verboden, +waarbij een paling aan een touw boven het grachtwater hing en gegrepen +moest worden door een onder het touw door varenden man. Zoo iets als het +katknuppelen, maar weer wat anders. + +Het verbod was gerechtvaardigd,--ofschoon, als men toch beschermen wou, +er in de gevangenissen en bordeelen heel wat menschen nóg dringender +behoefte aan hulp hadden dan die paling. + +'t Ging echter waarschijnlijk minder om het palingbelang dan om de +zedelijke opvoeding der Jordaners, die nu toch eindelijk eens afstand +moesten doen van zoo onmenschelijk vermaak. Afstand, nog eer ze er in +hun hart afstand van hadden gedaan. + +De Jordaners verzetten zich, en soldaten trokken den Jordaan binnen. Het +werd een formeel oproer. + +Natuurlijk wonnen de geweren het en tegenwoordig worden de palingen +alleen maar levend gevild en in stukken gesneden door de gemoedelijke +handjes der vriendelijke vischvrouwen. Meneer het Gemeenteraadslid ziet +het zonder gewetenswroeging aan, zijn kinderen kijken ook met een zeker +welgevallen. Het vischvrouwtje doet het zoo kwiek, en paling is lekker. +Maar de Jordaners mogen niet meer »palingtrekken", denken er niet eens +meer aan. Dat is voorbij. Door kogels getroffen. + +En dit was nu juist de fout, dat de kogels het geveld hebben. + +Er was een betere manier geweest. + +Men had er Willem III voor moeten spannen. Gelijk de Jordaners Zijne +Majesteit hadden voortgetrokken, had deze Majesteit--majesteitelijke +roeping en roem!--zich in dienst moeten stellen van hun zedelijk heil. + +Men had de voornaamste palingtrekkers moeten opzoeken, hen uitnoodigen +tot een vergadering ten Raadhuize, en daar had de Burgemeester, ter eere +der vergadering in ambtsgewaad, moeten zeggen, hoe graag de Koning wou, +dat dit vermaak uit »Zijn Jordaan" verdween, om dan te vragen, of de +mannen daar geen middel op wisten: »De Koning vond, dat de Jordaners +tegenwoordig te hoog stonden voor zulk een toch altijd wreed genoegen." +En dan had men het daarheen moeten sturen, dat bij het eerstvolgend +bezoek van Willem III een eere-comité van Jordaners onder leiding van +Bokkebek, den Koning, »het besluit der burgerij" meedeelde, om voortaan +ter liefde van hun vorst en de palingen, niet meer aan het palingtrekken +te doen. + +Dan had men, en waarlijk opnieuw zonder houtslöjd, de zelfwerkzaamheid +in actie gebracht ten bate van het zelfheil. + + * * * * * + +Doch wellicht vindt deze of gene, dat deze paedagogiek een politiek +bijsmaakje heeft, dat zij eigenlijk slinksche middelen gebruikte, en, +om het maar ineens te zeggen, in haar wezen onoprecht was. Koning en +Burgemeester zouden zeer goed geweten hebben, dat de Jordaners _niet_ te +hoog stonden voor dat wreed genoegen, en heel die opgezette komedie zou +niet anders geweest zijn dan een speculeeren op de menschelijke +ijdelheid, dus op een menschelijke fout. + +Laat de Jordaan mij tegen deze bedenking mogen verdedigen. + +Het is marktdag en de Noordermarkt is vol kooplui en koopers. Er liggen +allerlei nuttige en noodige dingen, die de drentelende burgervrouwtjes +vandaag voor een prijsje willen meester worden. Maar daar staat ook een +koopman, die iets totaal overbodigs aanbiedt. Niemand zal zoo gek zijn, +daarvoor zijn geld uit te geven. Zoo meent ge. En de omgeving van het +kraampje is ook dood van leegte. Maar wacht een oogenblik. De koopman +begint met rijksdaalders te werken. Hij smijt ze tegen een tafelblad, +zoodat ze terugspringen, vangt ze op, laat ze rinkelen, gooit ze omhoog, +weet ze met een sierlijken greep te vangen, en binnenkort staat hij +midden in een breeden kring van menschen. Eerst kwamen de jongens en +gaapten zijn kunsten aan, toen ook de mannen en de vrouwen. De blinkende +geldstukken, neen de wijze waarop de koopman er mee manoeuvreerde, heeft +het volk doen toestroomen. En onder de hand heeft de kunstenaar, steeds +oreerende, iets aangeduid van hetgeen hij het achtbare publiek wenscht +aan te bieden. + +Het publiek wacht en kijkt. Het is nieuwsgierig. Maar geen sterveling +is van plan iets te koopen. Ze hebben hun geld te lief en geven niets +om die prullen. Doch ze kennen den koopman niet en hun eigen rampzalige +zwakheid. Hij haalt iets onder zijn tafel vandaan. Een doos. Hij opent +ze. Het publiek rekt de halzen uit om te kunnen zien. Hij neemt iets +tusschen wijsvinger en duim, maar 't blijft nog verborgen. Nu roemt hij +de deugden van dit inderdaad buitengewone. Men zou al geld geven, om het +te mogen aanschouwen. En dan te denken, dat je zoo iets bizonders voor +luttel geld je kunt toeëigenen. Dat je 't je heele leven kunt meedragen. +Het is een zeldzaam kansje. En uit een omhulling van rose watten--zoo +waardevol bergt men geen prullen--wikkelt de koopman het wonder te +voorschijn. En dat kun je nu krijgen voor slechts vijf cent. + +De jongens hebben geen vijf cent Zij gapen het wonder maar aan. Doch die +mannen, en die vrouwen, de centen rammelen al in den zak. Komaan meneer, +is het niets voor uzelf, dan is het toch voor uw kinderen. Komaan +juffrouw, u hebt zoo iets toch immers nog nooit in huis gebracht? En +meneer laat zich verleiden: Vooruit, geef me dan maar zoo'n dingetje. De +centen telt hij al neer. En de juffrouw laat zich verleiden. En anderen +volgen. En het is den slimmen koopman gelukt, de menschen zoo ver te +brengen, dat ze het geld offerden, dat ze noodig hadden en wilden +behouden, en een prul mee naar huis namen, dat ze niet behoefden en +eigenlijk zelfs niet eens begeerden. + +Die koopman heeft maar één methode: beduvel je menschen. + +En die methode heeft succes. Alleen, hij wendt haar aan tot nadeel van +zijn volk en ten bate van zichzelf. Daardoor is hij geen paedagoog. Maar +had hij omgekeerd het heil van anderen op 't oog en wilde hij daartoe +zelf offers brengen, dan was hij met zijn methode van »beduvel ze" +een geboren opvoeder. Of is het niet onze grootste kunst, kinderen en +menschen het goede te laten doen, waar ze in hun hart afkeerig van zijn? +Hen smaak te doen krijgen in hetgeen hen noodig maar niet aantrekkelijk +is? + +»Jordaanpaedagogiek!" roept hier de echte paedagoog verachtelijk uit. +»Een paedagogiek, die haar achterbuurtsche afkomst niet verloochent. +Men kan wel zien, dat deze paedagoog een Jordaankind is, bij vunzige +grachten opgegroeid." + +Dat is hij. Maar nu blijkt meteen zonneklaar, dat hij geen paedagoog is, +hetgeen hij, ziende de echte paedagogen, wel altijd gevoeld heeft. + +Stel u voor: de methode van beduvel ze maar. En dat in naam der +pae-da-go-giek! + + * * * * * + +Er was r's een moeder, die altijd 's avonds, als het bedtijd was, tegen +haar spruit zei: »Kom, nu gaan we ons eens lekkertjes uitkleeden en dan +lekkertjes naar bed." + +Nu moet ge weten, dat die spruit het lang niet lekkertjes vond, het +uitkleeden niet en het naar bed gaan ook niet, en veel liever bleef +spelen. Maar als moeder dat zoo zei, dan was het net, of er over het +uitkleeden en naar bed gaan een zekere bekoring kwam, of het vriendelijk +licht, dat den heelen avond het spel beschenen had, wat draaide en zijn +schijnsel wierp om den stoel waar 't kind zich ontkleedde. Het +speelhoekje kwam in den schaduw. + +Een gewoon mensch, die geen verstand van paedagogiek heeft, begrijpt dit +best. Er is inderdaad zoo'n lichtje in 't moederhart, en dat straalt +zijn schijnsel in stemmende woordjes uit. Als moeders zoo iets zeggen, +verwisselen lust en onlust in 't kindergemoed. Dat is de wonderlijke +uitwerking van haar woorden. + +Maar eigenlijk volgde moeder daarbij die veroordeelde methode van +je-weet-wel. + +Toen kwam moeder eens in aanraking met een echte paedagoog, nog wel +een moeder, en die keurde de gevolgde manier beslist af. Die deed het +paedagogisch. Het kind moest op tijd eindigen met zijn spel en dan naar +bed, lekkertjes of niet. En zoo gebeurde 't ook bij haar kind. Maar 't +ging altijd met tegenzin; en als 't heel mooi was met gelaten berusting. +Nooit met een warm gevoel van vriendelijke instemming. Moeder, ik bedoel +nu de eerste, zag dat, en ze had een buitengewoon respect voor die +degelijkheid, maar ze bleef toch maar liever bij haar eigen manier: die +vond ze voor 't kind gezelliger, en eigenlijk ook voor haarzelf. + +Doch ik geloof, dat ik haar begrijp. Ze wilde zoo graag, dat het +kind lekkertjes ging slapen, ze vond het voor 't kind zoo goed als +het, zonder conflict, in die zachte stemming het spel verving door de +nachtrust. Ze wist echter wel, dat zoo'n overgang voor 't kind moeilijk +is, en om het nu daarbij te helpen, kwam ze het kind met háár stemming +te gemoet. Wat heilzaam was voor 't kind, maar door jeugdige kracht nog +niet spontaan en zonder bijstand ontwikkeld kon worden, kwam nu te +voorschijn--en toch _in_ het kind--door moeders wijze, liefdevolle, +steunende inwerking. Deze riep in het kind iets wakker. + +Neen, dat is geen bedriegen. Met leugens heeft men nooit succes. Die +mogen ons voor 't oogenblik uit den nood helpen, ze brengen ons in 't +spinrag der onwaarheid, waarin we steeds meer verward raken. + +Die methode van »beduvel ze maar" bedoelt, het goede in kind en mensch +op te roepen, dat er in aanleg aanwezig is, en daarmee te overwinnen het +kwaad dat dreigt of heerscht. + +De potentiëele deugd reëel te maken. + +Den engel aan te gorden tegenover den duivel. + +En daarom moest ze in de paedagogiek eigenlijk heeten: Verengel ze maar. + +Dat klinkt echter te mooi voor Jordaanpaedagogiek. We zeggen het daar +liever wat ruw. Maar we meenen het daarom toch goed. En wellicht dat +menig onderwijzer, die zijn kinderen dag aan dag moet inprenten, wat die +schapen absoluut onverschillig is, en die naar zijn zin de medewerking +dier kinderen bij toepassing der heerschende methoden niet in voldoende +mate kan winnen, wat meer succes heeft, als hij 't eens probeert met de +methode van.... doch nu weet hij 't al. + + + + +IN 'T NIEUWE HUIS. + + +Menige woning is als de schelp van een weekdier. Je kruipt er van voren +in en dan ontwikkelt zich een stel ruimten, met aan alle zijden wanden. +Wil je er uit, dan dien je weer terug te kruipen. Toegang en uitgang +zijn dezelfde. + +Dat geeft altijd zoo iets beklemmends. Overal stuit je tegen muren. Als +de voordeur achter je gesloten is, ben je gevangen. Je bent in een fuik +gezwommen. Aan den achterkant is geen uitbreken. + +Zoo kan je ook zoo leelijk een vereeniging, een partij binnenzwemmen. +Ben je er eenmaal in, dan kun je geen hand uitsteken, of je slaat tegen +een muur van het programma. Akelig benauwd. Je dacht je tusschen die +wanden recht behagelijk en thuis te voelen? Niets er van. 't Zijn +dwangbuizen voor je geest. Je willen en je denken, je neigingen en je +inzichten botsen voortdurend tegen de geformuleerde overtuigingen en je +dankt den hemel, als je er goed en wel uit bent, zij het ook, dat ze je +door het inkruipgat er principiëel hebben uitgesmeten. + +Dan ben je weer heerlijk in de vrijheid. + +Het nieuwe huis had gelukkig een achteruitje. + +Wanneer je had aangebeld, kwam je in de gang. Een zijdeur gaf toegang +tot de »zijkamer". Als kind heb ik bij dezen naam nooit aan de +eigenlijke beteekenis gedacht. Die zijkamer was de mooie kamer, daar +stonden de beste meubelen, daar zat je alleen zondags, daar ontving +je visite. Er was dus iets fijns aan dien naam verbonden, en dit hoorde +ik in den naam. Ik dácht er niet bij aan zijde en satijn, maar ik kwam +er bij in een stemming van die stoffen. De zijkamer behandelde je met +een zekere reverentie, gelijk een zijden japon. Dat was geen stuk +gemeenzaamheid. En als je tegen een bezoeker zei: »Ga u maar even in de +zijkamer," dan kwam er, en niet alleen door de beleefdheid, iets zijigs +in je stem. + +Ziedaar het effect der klanken. Fijne, mooie, beschaafde klanken kunnen +beschavend werken door het intoneeren van fijne stemmingen. + +Aan 't eind van de gang kwam je door een andere deur in de huiskamer. +Hier was het, dat we in schemeravond onze liederen zongen, op stoelen +en op den grond om de kachel gegroept. Vulkachels waren er toen +gelukkig nog niet. Je moest nog telkens »een schepje op de kachel" +doen, je zag den pot gloeien, je zag bij 't poken de vonken vallen, +ja zag zoo'n heerlijk warmgeel licht uit het pookgat schijnen, altemaal +genietingen, waarvan de gemakzucht, de techniek, de hygiëne en andere +ongerechtigheden ons hebben beroofd. Vader stak den pook in de kachel, +om met de punt zijn pijp aan te steken; een stukje roodvlammend leven +midden in de duisternis. Onze kinderoogen genoten van alles. Met volle +teugen dronken we de poëzie van dit huiskamerleven in. De zijkamer had +iets stijfs en kils. Maar de huiskamer--ze mocht dan laag en donker zijn +met dat eene raam op den tuin, ze mocht vol rook hangen van Vaders pijp, +ze mocht door gloeiende kachel, bedstede en nog zoo een en ander een +benauwde atmosfeer hebben, ze was toch een gezegend oord. Er zweefden +gezelligheid, vertrouwelijkheid, hartelijkheid. Je voelde je er warm en +veilig. + + * * * * * + +Ga nu eens mee voor dat eene raam zitten. Dan zie je tuintjes. Hier +vlak voor je is ons eigen tuintje. Eerst een plaatsje en daarachter een +tuintje, beide maar klein. Het plaatsje van groote vierkante tegels, het +tuintje niet anders dan een lapje zwarte grond. In drie of vier stapjes +heb je beide doorloopen. Maar toch een tuintje. Een lage, donkere +schutting scheidt het, rechts, van buurmans tuintje. Daar kun je ook in +kijken. En dan ligt er weer een, en nog een, en nog een, een heele rij. +Links staat een vrij hoog houten loodsje van twee verdiepingen, dat daar +het terrein en alle uitzicht afsluit. Maar achter ons tuintje en dat van +de buren zie je weer de tuintjes van de achterburen. Die zijn grooter +dan de onze, want daar wonen rijkere menschen. In hun tuinen staan heele +boomen, waar de musschen in sjilpen. + +Is dat niet een heerlijk bezit? Ruimte, lucht, groen, vogels. + +Toen we bij 't verhuizen onze eerste stappen in de nieuwe woning zetten +en ik door dit eene raam keek, wist ik niet wat ik zag. Echte boomen. +Aanstonds ging ik uit de huiskamer de keuken in, opende een glazen deur, +liep een trapje af, en stond buiten. Ik keek rond als Columbus. Een +nieuw werelddeel. En alles even verrukkelijk. Daar was een waterput. Als +je er op ging staan, kon je over de schuttingen kijken. Ik deed het. Wát +een ruimte! En hoor die vogels! Misschien kon je ze lokken en kwamen ze +ook hier in den tuin. Dan was je heelemaal buiten. + +Wanneer ik nú ons tuintje zag en daar mijn buitengenietingen moest +maken, zou ik me zeker erg mistroostig voelen. Ik ben nu, helaas, +zooveel beter gewoon. Maar toen? 't Was voor 't eerst van mijn leven, +dat we de weelde van zoo'n tuin hadden. En dan is ieder plekje grond +een verrukking. Vader nam natuurlijk den aanleg van 't geheel voor zijn +rekening. Die goede man genoot niet minder dan wij. Als een kind was hij +in zijn schik. De winkel met al zijn zorgen lag achter hem. Doodarm had +hij dien verlaten. Hij had een soort betrekking gekregen aan »'t Heeren +Logement", een inrichting waar allerlei inboedels verkocht werden, een +venduhuis. Hij verdiende er luttel. Maar de kwellende angsten van den +verloopenden winkel was hij kwijt, en nu genoot hij inderdaad als een +kind. + +»Tegen die schutting zullen we lathyrus zetten." Ik hoor het hem nog +zeggen. Het pijpje in den mond, het onmisbare »krommertje", scharrelde +hij nu over het plaatsje, in 't schuurtje, door den tuin. Een spa +en een hark had hij al weten machtig te worden. En daar spitte en +harkte hij al zijn zorgen mee weg, in misschien twaalf vierkanten meter +zwarten grond. Ik zie hem nog alle steenen en vuil opruimen, een perkje +aanleggen, een paadje plat trappen. En ik mag hem helpen. Ik ga met hem +mee naar de Bloemmarkt, op den Singel bij de Munt, wat planten koopen en +zaad. De namen »geranium" en »lathyrus" met de spelling er bij heb ik +toen geleerd. Vaders liefhebberijen wekten en bevredigden mijn +leergierigheid. + +Een nieuw huis, een nieuwe omgeving, een nieuw leven. Uiterst bescheiden +in zijn behoeften, was Vader gauw voldaan en gelukkig. Als die ellendige +geldzorgen maar niet drukten. Daarvoor alleen was hij bang. Hij was +absoluut geen man, om zelfstandig zaken te drijven. Hij was een model +van trouwe gehoorzaamheid, een uitstekend dienaar. En zoo was hij dan +nu, bevrijd van zijn bezit, ontheven van zijn verantwoordelijkheid, +onttroond als chef, den koning te rijk. Menigeen krijgt het beter door +een vermindering. Waarom zoeken de menschen toch zoo vaak hun ongeluk in +een levenspositie, te groot voor hun aanleg? + + * * * * * + +We woonden in de Nieuwe Leliestraat. Vader had een gering inkomen. +Waar leefden we dan van? Christine, de oudste, ging in een betrekking, +voor nacht en dag, als winkeljuffrouw. Dan had ze tenminste goede +huisvesting, goeden kost, en wat geld voor haar kleeding. Maar dat geld +ging meer naar Moeder dan naar de kleederwinkels. Het lieve meisje kon +het niet voor haarzelf besteden, als ze wist dat Moeder »zonder een cent +zat". En dan worden zulke meisjes wel eens beschimpt, omdat ze er zoo +kaal uitzien. + +Daarbij begon de oudste zoon al wat te verdienen en waren er twee +kostjongens. Op die manier scharrelden we er doorheen. + +Hoewel ik toen pas 10 jaar was, wist ik toch precies en weet ik nu nog, +hoeveel er elke week inkwam. Ik weet zelfs, hoeveel kostgeld er voor die +twee jongens werd betaald. In de armoede leven de kinderen veel meer met +het gezin en zijn nooden mee, dan in de welvaart. Hoeveel kinderen in +den gegoeden stand van 10, neen 20 jaar, hebben een flauw besef van +wat Vader verdienen moet, om het gezin te onderhouden, zijn jongens te +laten studeeren? Daar leven de kinderen zoo zeer in de onbezorgdheid, +dat het wel eens in de zorgeloosheid wordt. Zij spelen student, maken +naaistersrekeningen, zonder ooit »te rekenen". Dat geld komt er wel, +daar bekommeren ze zich niet om. Zoo leeren ze niet waardeeren de +inspanning der ouders, niet kennen de waarde van 't geld, en verstaan +niet tijdig de kunst evenwicht te bewaren tusschen inkomsten en +uitgaven. Armoede is een opvoedster voor 't leven, kan het althans zijn. + +Zullen we nu zeggen: we moeten de armoede zoeken, opdat we in haar een +goede opvoedster voor onze kinderen hebben? Dat nooit, daartoe gaat ze +met te veel bittere ellende gepaard: ziekte, angst, vernedering. Maar +wel acht ik een sobere levenswijze zeer gewenscht, en daarbij zulk een +samenleven van oud en jong, dat de jongeren geleidelijk en als vanzelf +in de levenspraktijk komen. De kinderen mogen gerust weten wat dit +en dat kost, en dat er maar zóóveel beschikbaar is, en dat we ons +deze of gene zelfs kleine weelde moeten ontzeggen. Vele ouders houden +zich echter liever groot voor hun kinderen; andere bewaren een zekere +geheimzinnigheid: »zulke dingen gaan den kinderen niet aan", nog andere +kunnen hun kinderen niet gelukkig maken zonder ze te overladen. Met +zorg? Kun je denken. Met heerlijkheden. + +Nood leert bidden _en werken_. Zorg leert zorgen. En het kan voor een +kind niet anders dan goed zijn, als het intieme gezinsleven, rekening +houdend met kinderkrachten, het kind actief betrekt in zijn +moeilijkheden. Dat is ook een »leeren door doen." + + * * * * * + +Ik zie, nu al bijna dertig jaar, hoe zeer vele ouders mijner leerlingen, +menschen die er geldelijk volstrekt niet slechter bij staan dan +ind'rtijd mijn ouders, hun jongens zoo gauw mogelijk uit geldverdienen +sturen en er niet aan denken die kinderen een vak te doen leeren. +Jongens, die goed het zesde leerjaar hebben doorloopen, worden eenvoudig +loopjongen in een winkel. Bij uitzondering gaat er een naar de +ambachtsschool, en al hun kennis van taal, rekenen, geschiedenis, +aardrijkskunde zijn ze binnen eenige maanden verloopen in hun nieuwe +wereld van belangen. Die laten ze graag slippen bij al hun gesjouw door +de stad. + +Hoe kwam het nu, dat mijn ouders, onder alles door, zoo trouw zorgden +voor goede scholen en twee hunner jongens de heele ambachtsschool lieten +doorloopen, terwijl de derde voor onderwijzer mocht leeren, d. w. z. +vóór zijn achttiende jaar bijna niets thuis bracht? + +Ik meen hier een leerzaam verschijnsel te ontdekken. Vader en Moeder +hadden het wel heel zorgvol, maar niet door eigen lakschheid, niet door +eigen geestelijk of zedelijk onvermogen. Beiden waren van goede afkomst, +beider familiën behoorden tot dat deel van den burgerstand, waaruit +dokters, notarissen, predikanten, handelaars voortkomen, beiden hadden +een ontwikkelde opvoeding genoten. Maar Vader leed aan toevallen en +al zijn bekwaamheid en braafheid konden hem niet in een betrekking +handhaven. Daar zat de hoofdoorzaak van den achteruitgang. Voor +winkeldrijven had de goede man niet de noodige talenten--men is koopman +of men is het niet--en iederen anderen werkkring bekleedde hij slechts +zoo lang, tot hij in zijn arbeid een toeval had gekregen. Daar waren de +menschen bang voor, patroons zoowel als mede-ondergeschikten, en Vader +werd ontslagen. Later hoop ik van deze bittere ellende voor die twee zoo +goed kunnende en zoo goed willende menschen iets meer te vertellen, maar +nu moest ik reeds het feit mededeelen. De _oorzaak_ der armoede is van +overgroot belang voor de opvoeding en de toekomst der kinderen. Moreele +en geestelijke verslapping laten de kinderen los, in wie vaak reeds +dezelfde lakschheid en lamlendigheid huizen. Maar mijn ouders behielden +onder allen tegenspoed hun energie, lieten zich niet wegzinken, +trachtten zich aldoor op te houden en op te werken, kampten alleen tegen +een overmachtigen vijand, doch hielden den strijd vol tot hun kinderen +volwassenen waren; ze offerden die kinderen niet op, maar zochten er van +te maken wat onder de gegeven omstandigheden maar eenigszins mogelijk +was, ja, beproefden in hun kinderen de verloren maatschappelijke positie +te herwinnen. + +En dat is hun gelukt Dat hebben ze nog mogen beleven. In hun +maatschappelijken strijd ging het eerst al maar naar beneden: er werd +kind op kind geboren, tot zeven toe, en betrekking na betrekking +verloren. Daarna bleef het jarenlang worstelen in de diepte. Maar +toen ging het geleidelijk omhoog: de kinderen werden grooter, +en--wonderbaar--de toevallen bleven na het 50ste jaar weg. Zoo hebben +Vader en Moeder het in de laatste periode van hun leven nog heel goed +gehad, beter dan ooit in hun huwlijksjaren--hoofdzakelijk ten gevolge +van de in hen wonende onuitroeibare energie, die zich zoo heel duidelijk +openbaarde in dit eene feit, dat ze hun jongens, te midden van groote +geldzorgen, niet opofferden aan het heden, maar deden opleiden voor de +toekomst. + + * * * * * + +Het verschil tusschen den wijze en den dwaas, zei iemand mij eens, +bestaat hierin, dat de eerste een betrekkelijk klein genot van het +oogenblik weet prijs te geven voor een betrekkelijk groot genot in de +toekomst. Dwaas was Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor een +schotel linzensoep. En de hoogste wijsheid sprak uit het woord, dat wie +zijn leven om Christus' wille durfde verliezen, het leven eerst recht +winnen zou. + +Ik houd niet van de woorden wijs en dwaas in dit verband. Ze zijn me te +berekenend. Jacob, rustig overleggende bij Ezau's honger, zelf in stilte +hongerend naar diens eerstgeboorterecht, en heel verstandig gebruik +makende van de gelegenheid, is mij hierin meer antipathiek dan zijn +kortzichtige broeder. Ezau zag, slaaf van het lagere, op dit oogenblik +het hoogere niet. Jacob zag dit zoo goed, dat zijn wijsheid niet +terugdeinsde voor iets eigenlijk veel lagers: het uitbuiten van de +zwakheid zijns broeders. + +En toch is het waar, dat men voor het heden de toekomst moet koopen. +Maar dat moet niet geschieden in welwijze berekening, wier egoïsme +zelfs geen oog heeft voor de belangen der naasten en deze baatzuchtig +opzuigt, maar in krachtsontplooiing, die--uitwerking van innerlijke +spanning--alle moeilijkheden van het oogenblik trotseert en zelfs +zoekt. Het mag niet heeten: dáár is mijn _doel_ en daarom _zal_ ik in +vredesnaam deze plichten maar vervullen. Doch het moet wezen: in die +_richting_ leidt mijn leven en nu _kan_ ik niet anders dan worstelend +voortgaan, zij het, dat ik worstel tot den einde toe, zij het ook, dat +ik worstelend bezwijk. + +Omdat in het leven mijner ouders waardevolle krachten werkten, +konden zij jarenlang zoo vele en schier onoverwinbare tegenspoeden +doorworstelen, gelijk de wortels van gezonde planten steenen doordringen +en ten slotte zelfs rotsen doen splijten. En omdat die krachten zoo +menigmaal ontbreken, zinken anderen in steeds dieper armoede en ellende +weg. Dat is natuurlijk voor niemand een reden tot verhoovaardiging +en al evenmin tot hulpweigering. Maar dat dringt ons bij iederen +ernstigen bijstand, die niet helpende afschuift maar helpende +aantrekt, te onderzoeken naar de oorzaken der heerschende ellende en +dienovereenkomstig middelen aan te wenden. Het voornaamste middel zal +dan wel steeds blijken: gelegenheid bieden tot krachtsontwikkeling, al +zijn de aanwezige krachten ook nog zoo miniem. + +En hieruit volgt voor onze opvoeding, dat we, in huis en in school, toch +voornamelijk moeten zorgen voor het _groeien_ der kinderen, zoodat er +krachten in hen uitwassen. Geen groei zonder arbeid, die de krachten aan +'t werk zet. En daarom: laat ze werken, werken. + +En hieruit volgt voor onze philantropie, dat we--tenzij aan afgeleefden +en zieken--nooit slechter kunnen helpen dan door te geven. + +Het vraagstuk van het pauperisme is een ontzettend moeilijk probleem. +Maar de oplossing kan nooit gevonden worden in het verstrekken van +»brood en spelen". Daarmee gaat het volk ten gronde. Er is maar één +middel om aan de aarde het brood te ontworstelen: De hand aan den ploeg. +Alleen werkende zegeviert de arme op de armoede. + + + + +VAN EEN VLOEK EEN ZEGEN. + + +Och, mijn goede vader! Van die koopziekte was hij nog niet genezen. Hij +had het in de krenten en de rozijnen nu toch zoo volmaakt afgelegd. +De onopengesneden afleveringen van »De Aarde en hare Volken" en het +»Bijbelsch Magazijn" waren als stomme aanklagers mee verhuisd. En toch +bezweek hij weer. Neen, dat kwam niet, omdat hij het zocht. De goede man +ging nooit op koopen uit. En hij had wel een portemonnaie op zak, maar +er zat nooit geld in. Van schulden maken had hij bovendien een afkeer. +Maar het zocht hem. + +Laat ieder eens eerlijk zijn eigen leven nagaan. Dan zal hij zien, +hoe hij door dat leven een of ook eenige gebreken meedraagt, inwonende +neigingen, die als erfhonden rustig in hun hok blijven liggen zoolang er +niemand vreemds op 't erf komt, maar aanstonds opschrikken en opspringen +als ze naderende voetstappen hooren. Geen goed beginsel is zoo waaksch +als deze booze begeerten. En nauwelijks zijn ze gewekt, of ze +beheerschen ons. + +We zijn niet zoo bedorven, dat we het kwaad zoeken. Maar we zijn slecht +en zwak genoeg, om ons door 't kwaad te laten vinden als 't ons zoekt. +En dat doet het. Op allerlei onverwachte oogenblikken loopt het ons erf +op. En als de lusten dan wakker worden, het is niet om als een trouwe +hond den verleider aan te vallen en te verjagen, maar om door hem te +worden gestreeld. Het is ook zoo heerlijk, zich zachtjes te laten gaan +onder de zoet-behagelijke bevrediging onzer sluimerende verlangens. +Adam en Eva gaan er niet op uit, gedreven door slechte driften. Ze zijn +volkomen gelukkig en denken niet eens aan kwaad. Argeloos dwalen ze door +den hof, rustig genietende van de balsemende atmosfeer, de harmonieuse +omgeving, en den stillen vrede des gemoeds. Maar dan komt de verleider +tot hen en hij vindt ze niet, als later Jozef, met een onwankelbaar: +»Zou ik zulk groot kwaad doen en zondigen tegen God?" Hij vindt ze niet, +als later Jezus, met een onwrikbaar: »Ga weg van mij, Satan!" Maar hij +vindt ze bereid tot redeneeren. En wie eenmaal met den verzoeker aan +'t redeneeren gaat, verliest het, onverbiddelijk. Hij is een fijn +redeneerder en ons, door lusten beneveld verstand, veel te slim af. +Luister niet naar hem. Luisteren is vallen. + + * * * + +Waarom moest mijn vader nu juist een betrekkinkje krijgen aan dat +venduhuis? Daar woonde hij dag aan dag de verkoopingen bij, en daar zag +hij, hoe waardevolle dingen voor luttele bedragen van de hand gingen. +Dat kon hij niet laten passeeren, dan waagde hij ook een bod, en dan +kreeg mijn moeder allerlei overbodige meubelen thuis. Zoo raakte de +brave man wezenlijk aan 't speculeeren, want hij kocht voorwerpen tegen +lagen prijs, met de stellige verwachting die eenige dagen later tegen +hooger prijs weer te verkoopen--'t was zonde, zulke koopjes te laten +gaan--en daarmee raakte hij in de schuld. + + * * * * * + +Men begrijpt natuurlijk dat ik dit niet vertel, om mijn braven vader +jaren na zijn dood te bekladden. Wanneer de lezers van hem een anderen +indruk krijgen dan dien van een groot, naïef kind, dan heb ik hem niet +goed geteekend. Hij was de rechtschapenheid zelf en behalve een paar +driftvlaagjes was zijn grootste fout: een beetje te veel goed vertrouwen +in zijn geslepen en hardvochtigen medemensch. Die kooplust was voor een +groot deel averechtsch handelsgenie. Hij dacht daarbij erg slim te werk +te gaan, maar werd steeds zelf het slachtoffer van berekenender naturen, +die er hun voordeel bij hadden, hem in zijn ongeluk te laten loopen, of +daarin te brengen. Hij was uiterst fijn van geweten, en werd de dupe van +gewetenlooze harteloosheid. Eerlijk tot op een spijkerkop, was hij een +gezochte buit voor dat heirleger maatschappelijke parasieten, dat ook +uit de armste organismen nog levenssappen weet weg te zuigen. Doch, wat +nu het wonderbaarlijke is, waar dit hem natuurlijk vaak in geldelijke +moeilijkheden bracht--juist hem, den fijngevoelige, den argelooze, den +ridderlijke--daar groeiden uit die moeilijkheden bijna altijd mooie +levenservaringen. Ik geloof vast, dat de kapitalen, in kroegen en +bordeelen verdiend, moreele ellende in de familiën brengen, en een +mijner schoonste jeugdherinneringen dank ik aan de verliezen dier +onpractische natuur, die zich onvoorzichtiglijk op het gladde ijs der +zakenwereld waagde, en wiens zelfoverschatting--voorzeker een fout--zoo +aandoenlijk werd goedgemaakt door de kinderlijke deugden van een +onbedorven gemoed. Eer ik echter mijzelf nog eens verkwikken wil in +die schoone heugenis, moet ik een ander deel kinderzaligheid voor u +uitspreiden op onze tuintafel. + +Zoodra er gebeld werd en een beladen handkar voor de deur stond, wist +Moeder al hoe laat het was. »Juffrouw, dit komt van de verkoopening, van +Meneer zelf," zei de bezorger, en Moeder had weer iets, vaak iets heel +onpractisch, aan te nemen en op te bergen. Zoo verscheen er op zekeren +dag een reusachtige tuintafel: een groot, groen, vierkant houten blad op +een ijzeren onderstel met cirkels en krullen en vier gekrulde pootjes. +Het ding kwam zeker uit een grooten tuin, maar Vader had het prachtig +gevonden voor ons plaatsje en het daarom gekocht en per handwagen naar +de Leliestraat gestuurd. Moeder was eigenlijk recht boos met deze +zending van de »verkoopening" en ze wou dat »Meneer zelf" maar wat +minder koopgauw was. Doch ze kon de tafel toch niet terugsturen en liet +haar dus naar het plaatsje brengen, waarvan ze een al te groot deel in +beslag nam. + +Maar wat heb ik op die tuintafel genoten! + +Het was nog in den tijd, dat de handenarbeid zich beperkte tot het +spel en nog niet de scholen was binnengedrongen om zich daar te laten +fatsoeneeren. Ze leefde nog vrij, als een heidensch natuurkind, liep, +dartelde, sprong, precies zooals ze wou. Zelfs was ze nog niet gedoopt, +en geen sterveling dacht er aan, dat ze eenmaal dien uitheemschen naam +Slöjd zou ontvangen met daarnaast den deftigen van Handenarbeid. +Ze heette.... ja, ze heette eigenlijk heelemaal niet. Ze was innig +opgenomen in allerlei hulp aan Vader en Moeder, en in allerlei spel op +straat en in de huiskamer. Uit die natuurlijke verbinding was ze nog +niet als zelfstandig element naar buiten gekomen om onder de verzorging +der deskundigen als een apart wezentje in een eigen zondagsch pakje +netjes de wereld te worden ingestuurd. Ze was nog zoo zonder pretentie, +zonder opdringerige braafheid, ze was nog zoo anspruchslos en +aantrekkelijk. + +Wanneer we voor onze zondagscent geen drop of zoethout kochten, +was het omdat de Pruisische Uhlanen ons te machtig waren. Die hingen +in heele rijen op prenten voor de winkelruiten. En daarnaast de +huzaren op dravende paarden. En ook de vliegende trein, kanonnen en +kruitwagens, door zes paarden getrokken. De geheele Duitsche armee +boeide onze oogen dermate, dat de snoepgoedwinkel het aflegde: het +lager zinnelijk begeeren werd overwonnen door hooger lust--een stuk +moreele opvoedingstheorie, dat je zoo maar zonder universiteit, +professor en lijvig boekdeel ontving, dat de simpelste ervaring aan +een eenvoudig menschenkind gratis thuis stuurde, zelfs in een +achterbuurt. Je had het als 't ware maar van de straat op te rapen. +Voor onze zondagscenten kochten we legermachten, liefst ongekleurde, +en verfden die. Een bescheiden verfdoosje--als we 't niet op onzen +verjaardag kregen--brachten we ook zelf met centen en halvecenten +bijeen. Je kon losse verfjes koopen van allen prijs en in alle kleur, +en evenzoo penseelen. Ik zie ons nog in den winkel uitzoeken: +karmijnrood, marineblauw, geliefde kleuren, waarvan de naam ons reeds +zoet in de ooren klonk. En al lieten die goedkoope penseeltjes ook vaak +een haar los, al »haarden" ze, we deden het er toch mee, we kleurden er +te voorzichtiger om. O weelde der wijsheid bij schraalheid der centen! + +Als de uniformen dan gekleurd waren, plakten we mannen en paarden en +wagens op dun bordpapier--er waren altijd wel oude doozen en Moeder +kookte graag wat stijfsel voor ons. Daarna werden ze netjes uitgeknipt: +voorzichtig, uiterst voorzichtig, met die natuurlijke voorzichtigheid, +die ieder kind aangeboren is--niet waar, lieve Sien?--eer ouderlijke +angst en meesterlijke bemoeizucht ze heeft verlamd met waarschuwing, +bedreiging en verbod, en dan gingen er houten blokjes achter, zoodat ze +staan konden. + +Lieve Sien, neem me niet kwalijk, dat ik jou daar zoo ineens midden +tusschen mijn huzaren haal. Maar toen ik daar zoo stil aan 't uitknippen +was, en al mijn aandacht wijdde aan de teugels der paarden, zoodat die +als sierlijke lijnen mooi bij den bek neerhingen, en toen ik ál mijn +geestelijke energie in vingerbeheersching concentreerde, om, alleen uit +eigen volkomenheidszucht, geen knipje te veel te doen, toen dacht ik +plotseling aan jou. Toen was ik weer dien zondagmiddag bij je ten eten, +en toen zag ik weer je driejarig kereltje--driejarig!--de borden--de +mooie borden!--een voor een uit de kast halen, er mee door de kamer +waggelen, ze netjes op de tafel zetten. »Hij hielp zijn moeder." Wat heb +ik toen genoten. Wat een lieve, lieve spanning in dat gezichtje, in die +armpjes, in die beentjes, in die heele houding! En hoe zongen de zuchten +een jubel van kindertriomf, telkens als er een reisje van de kast naar +de tafel was volbracht. Sientjelief, dat was nu paedagogiek, waar ik de +heele wereld wel op had willen trakteeren, tot de paedagogenwereld toe. +En als je jarig bent, krijg je van mij de Paedagogische Encyclopedie van +Prof. Rein cadeau. Niet om er in te lezen--de hemel beware me!--maar om +er je lieve Henkie mee te laten sjouwen, van de kast naar de tafel, en +van de tafel naar de kast. Wat zal dat een lekker speelgoed zijn, al die +dikke deelen! En dan haalt Henkie er nog meer paedagogiek uit dan zijn +vader! + +Hoeveel moeders durven hun kinderen zoo op te voeden? Met zulk een +vertrouwen in de kinderlijke eigenschappen? Met zulk een absoluut hooger +schatten van een kind boven een bord? Wie 't probeeren wil, moet zelf +rustig, kalm, geduldig zijn, stil met zijn kind meeleven, niets aan 't +kind opdringen, vooral niet wat het kind uit eigen beweging al wil en +doet, en niet boos wezen, _als_ er door een ongelukje eens iets mocht +breken. + + * * * * * + +En nu aan 't oorlogen! + +Doch waar zou de veldslag geleverd worden? Waar was het terrein, +uitgestrekt genoeg om deze talrijke troepen in twee partijen op te +stellen en te doen strijden? De kamervloer? Maar daar liep iedereen. +De aanrechtbank in de keuken? Daar moest telkens gewerkt worden. Hebt +ge wel eens gezien, hoe zulke jongetjes met hun schatten alle ruimten +rondscharrelen, om ergens een goed speelhoekje te vinden? De volwassenen +kijken hen meestal voorbij, grauwen ze weg, zijn te vol van eigen +belangen om oog voor de kinderen te hebben. Maar Vaders kooplust had +mij mijn strijdveld bezorgd. Dat tuintafelblad was--nu in mijn +herinnering--van reusachtige afmetingen. Er kon een heel Waterloo worden +afgespeeld. + +Naast ons woonde een heel net en rustig gezin met veel meisjes en één +jongen. Die jongen keek eerst, klom toen over het lage schuttinkje, en +we waren twee veldheeren, die onze troepen tegen elkaar aanvoerden. +Er werden toen ter tijd kleine kanonnetjes verkocht, waarmee je echt +schieten kon. We bedelden en spaarden net zoo lang, totdat we er een +paar machtig waren, laadden ze met kleine groene erwten en vuurden ze +op den vijand af. Elke held, die omkantelde, was voorloopig dood. + +Maar die kanonnetjes schoten niet krachtig genoeg. + +Daarom verschaften we ons koperen en glazen buizen--erwtenblazers--en +joegen daardoor met de kracht van onzen eigen adem de groene +projectielen tegen de papieren heldhaftigheid. Nu ging het beter. We +zagen hooge ruiters wankelen, vallen en in hun val anderen meeslepen. +Dat was een heerlijk gezicht. Van het aantal gesneuvelden hing het af, +aan welke zijde tenslotte de zege verbleef. En we bliezen met een +hartstocht en een volharding, alleen geëvenaard door de toewijding en +het geduld, waarmee we eerst al die benden hadden gekleurd en geknipt. + +Doch stond ooit de vernielzucht op het oorlogsveld stil? Er was ook +bij ons climax in de wapenen. De proppenschieter kwam in 't vuur. Dat +was een geweldenaar. Die richtte heele tooneelen van verwoesting aan. +Wanneer de kurk uit het nauwkeurig gerichte kanon werd afgeschoten, deed +hij zelfs een heel vijandelijk kanon omtuimelen. En als de strijd te +lang onbeslist bleef, konden alleen de bommen der proppenschieters hem +beslechten. Die moesten dan ook aan 't werk, en de doffe tikken van kurk +tegen karton donderden onafgebroken door de vijandelijke gelederen. + +Dikwijls bracht de duisternis pas een einde aan den strijd. Dan werden +mannen en paarden en kanonnen in hun onderscheidene doozen gelegd. +Gesneuvelden en overlevenden, winners en verliezers, lagen daar plat +en vredig op elkaar, zoo, dat de blokjes der voeten netjes tegen elkaar +aansloten. En dan gingen de veldheeren naar binnen en slapen. De eene +klom over het lage schuttinkje, terug naar zijn eigen heim. De ander +sleepte de doozen mee. »Adjuus!"--»Adjuus!"--»Kom je morgen weer +vroeg?"--»Ja, als ik kan."--Twee keukendeuren klapten toe, en het groene +slagveld lag in den donkeren nacht, leeg en verlaten. + +Had die groote tuintafel ooit beter plaatsje kunnen krijgen dan hier, +waar ze veel te groot was voor de kleine ruimte? Ze bracht duizendvoude +rente op in een heirleger van gewonden en gesneuvelden. En »Meneer zelf" +mocht er voldoening van hebben, dat hij »dat bakbeest"--met welken naam +Moeder het eerst begroet had--van de »verkoopening" naar de Leliestraat +had gestuurd. Hij heeft er twee jongensharten mee verrukt. + + * * * * * + +Verrukt? + +Zeg liever bedorven. + +Jongens mogen niet soldaatje-spelen, want dan groeit de moordlust in hen +aan, raken ze vertrouwd met doodslag en bloed, en, en, en.... + +Zoo fantaseert het principe. + +Maar die eene jongen is nu al lang een braaf dokter in de hoofdstad des +rijks, die dag aan dag zich inspant om zieken te genezen, levens te +redden. En die andere heeft later, toen hij zoo wat twintig jaar was, +gedichten tegen den oorlog geschreven, waar alle kanonnen door overstemd +hadden behooren te worden, als kanonnen niet de onbescheidenste +bulderaars van de wereld waren. + +Men moet niet zoo vertrouwen op het _fantaseeren der principes_, al +noemt men dit ook, met veel aplomb, _logisch redeneeren_. Je ziet het +immers in de politiek? En in den strijd der vakvereenigingen? En in +de paedagogiek? »Logisch redeneerende", uitgaande van een »zuiver +beginsel", zet men de heele maatschappij recht, dwingt men alle +verhoudingen, voedt men de kinderen tot engelen op; doch enkele simpele +feitjes, door het verheven principe hooghartig voorbijgezien, zijn +sterker dan het geweldigst principe, en maken ten slotte het +schijn-succes tot een nederlaag. + +Zulke ervaringen deden het voorgeslacht al uitroepen: De mensch wikt, +God beschikt. + +Volgens de zuiverste logica moest die overbodige tuintafel een oorzaak +van groote narigheid zijn, en zie, ze werd ons de oplossing van het +probleem, hoe de beschikbare legers, tusschen de ongeriefelijkheden van +onze omgeving, een slagveld konden vinden. Als je eenmaal legers hebt, +dienen ze dan toch te vechten. En hoe vecht je zonder terrein? + +En volgens dezelfde logica had die kooplust mijn vader in de gevangenis +moeten brengen, en zie, ze bracht ons in aanraking met het christendom. + +Dat ging zoo. + +Bezwijkende voor de dagelijksche verzoeking, had Vader, gelijk ik reeds +vertelde, menig stuk gekocht met de bedoeling het straks bij gunstiger +markt, weer te verkoopen, en zoo was hij op zijn manier aan 't +speculeeren en natuurlijk in de schuld geraakt. Die schuld was gaandeweg +gestegen tot een bedrag van misschien een paar honderd gulden, en +vroeg, gelijk schulden dat zoo plegen te doen, op haar tijd om +aflossing. Maar de eerzame schuldenaar kon zijn schuldeischer, den +makelaar der verkooping, niet anders aanbieden dan de opgestapelde +schatten die hij zelf gekocht had en die nu vruchteloos naar een nieuwen +kooper uitzagen. Hiervan was de makelaar niet gediend: die goederen +waren eenmaal gekocht en geleverd, het geld moest er zijn, zaken zijn +zaken. En Vader zat in de ellende. O, wat was de goede man prikkelbaar +in zulke tijden. Ik weet dat nog zoo best. En hoe zenuwachtig stond +Moeders gezicht. Wij kinderen voelden mee de hopeloosheid van 't geval: +een som geld op te brengen, die eenvoudig niet te krijgen was. En dan de +dagelijks aandringende persing van een gevoelloos schuldeischer op de +leege beurs van een dood-eerlijk, pijnlijk-conscientieus, maar alleen +wat onnadenkend, eigenlijk ondóórdenkend man. + +Nu gebeurde het in dien tijd, dat zeker iemand, die ook in zijn zaken +achteruit gegaan was, ook een winkel had moeten verlaten, en verhuisd +was naar een veel bescheidener woning, een deel zijner zeer goed +onderhouden meubelen wilde verkoopen, om daarmee wat overbodige stukken +in te ruilen voor zeer noodig geld. Die zeker iemand had een vrouw en ik +meen vijf of zes nog jonge kinderen, een talrijk gezin, dat alleen van +zijn verdiensten moest leven. Wij kenden het gezin, en daarom kreeg +Vader verlof, de meubelen op eigen naam te verkoopen, opdat hij de +provisie zou hebben, die hieraan verbonden was. Zulke extraatjes van een +paar gulden waren altijd bizonder welkom. Vader, Moeder, en ook +wij--meelevende kinderen--waren dan ook erg blij met de opdracht. + +Maar hoe droevig en vernederend liep dit uit. Op zekeren dag kwam Vader +thuis, gebroken. De meubelen waren verkocht, maar de verkoopgelden waren +Vader niet uitbetaald. De makelaar had ze ingehouden ter afbetaling van +de schuld, die Vader bij hem had. Dat kon hij doen, omdat Vader de +meubelen op zijn eigen naam had doen verkoopen. + +Daar zaten we. Die meneer, die zeker iemand, had Vader alles +toevertrouwd, hij zag verlangend naar het geld uit, en zou er geen +penning van ontvangen. Zijn oude, degelijke meubelen verkocht, misschien +wel opgeofferd als geliefde familiestukken, en niets er voor terug. + +In zulke omstandigheden was Vader zoo machteloos. Hij durfde den +man niet onder de oogen komen--en die man woonde vlak tegenover ons. +Ook wij gingen gebukt onder de dreigende schande. In plaats van heel +vertrouwelijk en hartelijk te groeten, namen we wat schuw onze petjes af +en ontliepen al de leden van het gezin. Hoe verachtten we dien gemeenen +makelaar, die heel goed wist, dat de meubelen niet van Vader waren, maar +hier zijn kans schoon zag, om het hem toekomende geld te krijgen. Als +hij zijn geld maar had, kon 't hem niet schelen, of Vader daarmee een +onschuldige te kort deed, misschien beschuldigd zou worden van +oneerlijkheid, van oplichterij. + +Oplichterij. Het woord ging als een koude rilling door ons gezin, en van +dag tot dag stelden we het uit, het noodlottig bericht aan de overburen +mee te deelen. Doch eindelijk, het moest. En, gelijk steeds in zulke +gevallen, Moeder ging er op af. O, vrouwen zijn zoo vaak duizendmaal +moediger dan mannen. + +Wij wachtten thuis met angst. Hoe zou 't afloopen? Het ergste zou zijn, +dat Vader werd aangeklaagd wegens oplichterij en naar de gevangenis +ging. Het minste, dat de benadeelde familie er in berustte, maar wij +gebukt zouden gaan onder haar verachting. In ieder geval, er zou een +koele scheiding komen. We zouden de vriendschap van onze goede overburen +verliezen. Moeder kwam terug. Ademloos hoorden we haar aan. + +»Meneer--had alles begrepen, en hij had erg met Vader te doen." + +»En waren ze niet boos?" + +»Neen, ze schrokken natuurlijk wel erg, en Mevrouw werd wit. Ach, ze +konden het geld ook zoo best gebruiken. Maar Meneer zei: Uw man heeft +geen schuld. Het is zeker Gods wil geweest." + +We waren duizend pond lichter. De houding der getroffenen tegenover +ons veranderde in niets. Ze spraken nooit meer over 't geval, bleven +vriendelijk--maar die man.... ik heb hem als een heilige mee door 't +leven gedragen. Hij was zoo rustig-vroom, zoo eenvoudig-christelijk. +Zijn blik, zijn gelaat, zijn stem, zijn heele gedrag was zonder eenig +vertoon. Ik wou, dat ik zijn naam mocht noemen. Niemand kent hèm. Hij +was geen schrijver, geen schilder, geen geleerde, geen staatsman. Alleen +een kantoorheer--boekhouder op een wijnkooperskantoor--maar.... een +christen. In hem heb ik het christendom ontmoet. En dat ik het zoo +zuiver heb mogen aanschouwen, het was te danken aan Vaders argelooze +koopneiging. + + + + +IN EEN NETTE BUURT. + + +De Jordaan was net een weefsel van straten: een schering van +lengtestraten, met daardoor heen een inslag van dwarsstraten. De +Lijnbaangracht en de Prinsengracht vormden aan twee zijden den zelfkant +van het weefsel, dat in zijn geheel den indruk maakte van grof, grauw +linnen. Het was een vunze buurt. Eigenaardig was echter, dat sommige +lengtestraten en grachten als kleurige, glanzige zijden draden door +dit weefsel waren getrokken en men dus uit de onbeschaafde armoede +plotseling kon overgaan in den netten burgerstand. De Bloemgracht en de +Rozengracht bij voorbeeld waren niet te min voor handelaars en dokters; +daar zag je keurig onderhouden huizen met blinkend geverfde deuren; +heldere dienstmeisjes bespoten iederen Zaterdagmorgen de onderpui uit +een blinkend koperen glazenspuit; alles blonk er, tot de belknop en de +roode wangen der dienstmeisjes toe. En geen drie minuten verder had +je een armelijke Eglantiersstraat of Laurierstraat, met vuile houten +trappen, donkere portalen en slobberige vrouwen. Wie den Jordaan +doorkruiste, enkel maar doorsneed, kwam afwisselend in aanraking met +het proletariaat, de kleine burgerklasse, en den gegoeden burgerstand. + +De Nieuwe Leliestraat, waar wij nu huisden, was de straat van het +financieel zwakke fatsoen. Heel nette menschen met kleine traktementjes +bewoonden er een huis of een eerste of tweede bovenhuis. Er was geen +vertrouwelijkheid in de buurt. Ieder bewaakte er angstvallig zijn stand +achter lage gordijnen en gesloten deuren. Je kwam niet bij malkaar over +huis. Op straat sprak je ook niet met mekaar. Je groette de buren +beleefd met een nijging of een deftig hoedafnemen, maar verder kwam het +niet. Zoo'n beetje gezellig op den stoep zitten, een luchtje scheppen +op de groengeverfde houten bank, een buurpraatje maken over het weer, +gelijk we dat op de Eglantiersgracht gekend hadden, geen kwestie van! +Daarvoor was men hier te netjes. Ieder hield voor den ander zoo'n beetje +schrale voornaamheid op. En zelfs achter het huis, in de tuintjes, +had je dezelfde stijfheid. Nooit of uiterst zelden knoopten volwassen +buren daar een gesprek met elkaar aan. Een afgemeten groet was het +hartelijkste waartoe men komen kon. Ik had het gevoel, en herinner me +dat nog heel wel, of ieder een stukje fatsoenlijke armoede te verbergen +had en voor zijn naaste buren niet weten wou, hoeveel pijnlijke zorg en +opofferingen het kostte, dagelijks knap voor den dag te komen. Al de +meisjes uit de buurt hadden nette hoedjes en nette manteltjes, nette +jurkjes en nette pijpenbroekjes, nette kousjes en nette schoentjes. +Je had ze zoo in de uitstalkast van een poppenwinkel kunnen zetten. +Onvertogen woorden hoorde je niet, ook niet van de jongens. Zelfs de +honden waren hier fatsoenlijker dan een straat verder: ze blaften niet +zoo onbehouwen. Maar er was ook geen leven, geen frisch, natuurlijk, +spontaan leven. De heele Leliestraat was een zoet zijden draadje door +'t grove zaklinnen. En wij jongens, vrijbuiters uit de vroegere buurt, +werden er een heelen hoop braver. Dat we echter maar niet zoo +onmiddellijk verlelied waren en nog lang iets van onze oude natuur +behielden, moet ik, helaas, belijden, en zal de lezer vóór 't eind van +dit hoofdstuk vernemen. + + * * * * * + +Boven ons woonden allerliefste jonggehuwden. Hij was den heelen dag op +kantoor en haar hoorden we haast onafgebroken zingen en met het kindje +praten. Wanneer het bij ons stil was, klonk het van boven met een lieve, +heldere vrouwenstem: »Dág Pa! Dág lieve Pa!" of de jonge moeder haar nog +niet eenjarig kindje leeren wou, hoe het zijn vader begroeten moest. +»Dág Pa! Dág schattige Pa!" Het klonk als vogelmuziek, zoo frisch, zoo +zuiver, zoo natuurlijk, zoo zangerig. »Dag lieve Paatje!" En dan nam +Moeder het dingetje op, hield het in de hoogte, en we hoorden het jonge +stemmetje kraaien. Nu werd het een beurtzang van moeder en kind. »Dag +lieve schat! Dag Pa!"--»A-a-a-a!"--»Dag snoesje! Komt Paatje gauw thuis? +Zeg dan maar: Dág Pa! Dág lieve Pa!"--»A-a-a-a-a!" + +Wanneer Pa thuis kwam, hoorden we 't vroolijk gejubel van het kleine +gezinnetje. Dan mengde zich zijn sonore mannenstem in het lieve gesjilp +en gekweel van die twee anderen, en een innige geluksstemming zweefde in +dat natuurlijke klankenspel. 's Avonds, vóór 't kleintje naar bed ging, +droeg Pa het een poos rond, onder 't zingen van allerlei liederen, en +dan hoorden we Moeder in stille bedrijvigheid rondtrippelen. We maakten +aan de tafel ons huiswerk of kleurden en knipten onze legers, maar +onderdehand dronken onze ooren de symphonie van huiselijk geluk in en +genoot onze nog onontwikkelde verbeelding de idylle van het eenvoudige, +vredige, blijmoedige gezinnetje. + +We weten vaak niet, vanwaar sommige stemmingen en sympathieën in +ons zijn gekomen. Maar wanneer later De Genestet's »Jong Hollandsch +binnenhuisje" me bekoorde en ik genoot van dien jongen vader, die met +zijn twee springende gedichtjes de kamer rondreed, hij op den vloer, +zij op en over hem heen klauterend, dan dacht ik meermalen aan onze +bovenbuurtjes, hoorde ik zijn warme mannenstem, het gekraai van 't +kleintje, en haar: »Dág Pa, dág lieve Pa!" zoo helder, zoo blij, zoo +onbezorgd. + +Onlangs vernam ik, dat zij gestorven was, aan tuberculose. + +Zoo werd haar idylle vernietigd. + +Ik heb haar maar weinig gezien. Na betrekkelijk korten tijd verhuisden +we naar een woning, die heelemaal aan 't andere einde der stad lag, +een uur ver. Toen hebben we nooit meer iets van hem of haar vernomen. +Ze behoorden dus met hun kleintje tot een voor ons geheel afgesloten +verleden. Nooit hebben we met elkaar omgang gehad. En toch, toen ik +vernam, veertig jaar later, dat de bliksem was geslagen is dit lieve +nestje van huwelijksgeluk, toen ontroerde me dit smartelijk. Het was of +een zingend vogeltje opeens de gorgel was dichtgeknepen. + +Leeft _hij_ nog? Leeft het _kindje_ nog, het blijde kraaistemmetje. + +Het is voorbij, alles voorbij. + +En toch leeft het nog. Ik hoor voetgeschuifel boven mijn hoofd, ik hoor +een kamerdeur opengaan, ik hoor een hartelijken welkomstkus, en dan die +innig-blije stem: »Dág Pa! Dág lieve Pa!" + +Ik hoor kindergekraai. Ik zie een man over de wieg buigen, een kindje +kussen. Een knevel prikkelt het donzen wangetje. Een zwaar geluid trilt +in 't zachte oortje. En dan: »A-a-a-a!" + +Dat is 't kleintje. + +Ze leven nog. + +Wat zegen kan er neerdalen in kindergemoederen, als er lieve bovenburen +zijn! + + * * * * * + +Tweehoog woonde een gezin, waarvan we niets gewaar werden, dan dat er +veel meisjes waren, en allemaal keurig nette meisjes. Eenige van haar +zijn later onderwijzeres geworden. Er is dus kans, dat ze deze regels +lezen. Dan zullen ze zich het lieve gekweel herinneren van de jonge +moeder en het piepjonge kindje, dat natuurlijk even goed omhoog steeg. + +Beneden ons, in het onderhuis of den kelder, hadden we ook nog buren. +Daar zakte ik vaak naar toe. Ze waren vriendelijk en gastvrij. Ik mocht +er steeds binnenloopen. Maar omdat er geen kinderen van mijn leeftijd +waren, had ik er niet veel. Kinderen willen kinderen, al zeiden de +menschen vroeger terecht: Van malkaar meugen ze niet, en bij malkaar +deugen ze niet. + +Kinderen waren er in het huis naast ons, een schaar lieve meisjes en één +jongen. Men weet nog, dat meisjes iets bizonder bekoorlijks voor me +hadden. Nu, deze ook. Ik ken de voornamen nog, en één voornaam klonk me +als muziek in de ooren: Rena. Die _e_ werd zoo mooi ingeleid door de +_r_, en de _a_ had zoo'n zacht-voornaam klankje. Je kon dien naam zoo +mooi-deftig zeggen. Net zoo iets als »zijkamer". + +Maar de meisjes leerde ik bijna niet kennen. Ik geloof eigenlijk, dat +ons gezin, wat verarmd, en met vijf belhamels van jongens, te ruw was +voor de meeste buren. Alleen met den jongen speelde ik wel eens. Echter +niet op straat, alleen nu en dan op het plaatsje. Hij ging ook op een +nettere school dan ik. Hij is later dokter geworden, ik ternauwernood +schoolmeester. + +Dat zegt alles. + +Is het niet eigenaardig, dat ik heel goed een zekere minderwaardigheid +voelde tegenover de omgeving? En dat ik mij daarnaar gedroeg? Hunkerend +naar speelmakkertjes, was ik toch te fier om me op dringen. Dan speelde +ik maar liever in mijn eentje, bij Moeder in de kamer. Bij Moeder was +'t altijd goed. Heerlijk, dat veilige, vredige plekje bij Moeder. +Standsverschil, zelfs reeds op deze schaal, deed mij een kring trekken, +waarbinnen ik met mijn armoede rustig kon leven. Maar dat leven was toch +genieten, als Moeders oog maar, stralend zonnetje, den kring verlichtte. + +Toen Potgieter op zijn sterfbed lag, en men hem het portret liet zien, +dat de uitgave zijner werken zou verrijken, was zijn opmerking: »'t +Is toch maar een burgerman." Iets dergelijks heb ik mijn heele leven +gevoeld. Omstandigheden hebben me in menige vriendschappelijke, +vertrouwelijke, hartelijke betrekking gebracht tot menschen van stand, +rijkdom en positie. Maar immer voelde ik: »Je bent toch maar een +burgerjongen." + +Men meene niet, dat ik hier iets vernederends of iets pijnlijks in vond. +Precies het tegendeel. Nog altijd voel ik me het meest eigen onder +de eenvoudige benedenburen in den kelder. Grootheid trekt me niet en +streelt me niet. Maar ik zeg het alleen, om te doen uitkomen, hoe het +karakter der jeugd voor goed een stempel in het leven drukt. + +Eén jongen uit de buurt, ook uit eenvoudiger kring, werd mijn vriendje: +Piet v. R. Zelfs werd hij het vriendje van mijn jongere zus, gelijk +bleek uit een briefje, dat ze hem schreef (niet zond): _liefe peit hoe +gaat het met u en hoe gaat het met Naje[1] nu liefe peit het is dijt dat +ik uitseit dag peit_. + +[1] Naatje, het zusje van peit. + +De andere jongens van het gezin zagen het kind dit briefje schrijven +en hebben er haar lang mee geplaagd. En als ze, de Jeugdherinneringen +lezend, meenen mochten, dat deze nu al lang genoeg voortgezet waren, +zouden ze, citeerend het episteltje, me zeker toevoegen: _nu lieve peit +het is dijt dat je uitseid dag peit_. En dan zou ik er de pen bij +neerleggen. Zoo ontstaan uitdrukkingen in familiën en in volkeren. + + * * * * * + +We maakten het er wel naar, dat de buren met een zekere behoedzame +teruggetrokkenheid intiemeren omgang trachtten te voorkomen. Vijf +drukke jongens tusschen 10 en 18 jaar waren wel in staat kalme, +eerzame gezinnen af te schrikken. Het moet zeker druk genoeg bij ons +zijn toegegaan, en van die levendigheid, niet altijd van vreedzamen +aard, moet wel iets doorgedrongen zijn naar de stille hoven rondom. +Levendigheid--met dit woord is het zeer zacht uitgedrukt. Vijf +jongens, zoo dicht opeengepakt, stooten malkaar herhaaldelijk, en +zijn dan aanstonds klaar met ruwe woorden, luid uitgeschreeuwd, of +handtastelijkheden. Ik hoor Moeder nog roepen met ingehouden stem: +_Denk toch om de buren_, waarop die buren uit een driftigen jongensmond +konden vernemen: _De buren kunnen naar den bliksem loopen_ of een andere +hartgrondige verwensching. Dat meenden die jongens zoo erg niet, het was +maar ruwheid, doch 't was voor die buren toch niet bepaald aanmoedigend. + +Plagen was schier aan de orde van den dag. Als het jongste meisje, dat +van lieve peit, begon te schreien, kon je er zeker van wezen, dat het +heele koor een ontzettend gebulk aanhief, om die schreistem te smoren. +Dan dreunde de kamer van de erbarmelijkste kreten. Vader werd in zulke +gevallen woedend, maar kon de bende eigenlijk niet baas. Moeder drong +driftig-angstig aan: »Hou jelui dan toch je mond", wat alleen tot +gevolg had, dat men riep: »Laat die meid dan d'r smoel houden." Alleen +Christientje, de oudste van allen en de zachtste, had dan vaak den slag, +om den storm te bezweren. Als er een kleine pauze was ingetreden, +begon zij een liedje te zingen, een geliefd wijsje. Dat kalmeerde de +gemoederen. En het duurde niet lang, of de buren konden zich vergasten +aan een veelstemmig: »Plechtig zwijgen, zoete vrede ruischt er nog om +'s Heilands graf", of »Rust in vree, o gij, van ramp ontheven. Nu reeds +slapende in uw enge kluis", welk laatste lied eigenlijk »bij het graf +eens medeleerlings" gezongen moest worden, doch ook onder andere +omstandigheden niet onstichtelijk klonk. + +Uit dat voorbeeld van Christientje kan men zien, hoe je opgewonden +gemoederen niet met opgewondenheid moet willen verwinnen. Met storm +slaat men geen storm ter neer. Doe een zachte koelte aanruischen en de +opgestoken winden verspreiden zich. + +Heerlijk-helder vulden de jongensstemmen met de frissche sopraan van +Christientje er boven uit dan de huiskamer. En eenmaal aan 't zingen, +bleef de troep aan 't zingen. Vader voorop. Diens woedende drift sloeg +in een moment om. Moeders angstige trek was gauw door een glimlach +vervangen, en de buren luisterden met aandacht, ja, de bovenbuurtjes +sloten zich wel eens bij den zang aan, hetgeen hieruit blijken kon, dat +ze soms een paar maten achter, de laatste lettergrepen nog uitgalmden +als wij reeds gereed waren. Dan steeg er bij ons een luid gejuich op, +dat van boven vroolijk beantwoord werd. We zetten een nieuw lied in of +namen er eentje van boven over en ondanks de scheidende zoldering +vormden twee gezinnen een uur of langer één zangkoor. + +Het is wel aardig en leerzaam, hoe spoedig de ruwe bende door een lied +gevangen was. Wat zouden wij er van denken, als we op school, instee van +met een stok op het tafelblad stilte te ranselen, eens zachtjes begonnen +te zingen van b.v. _'t Zonnetje gaat van ons scheiden?_ Ik wed, dat de +zoete rust kwam, nog eer het klonk: _Zoete rust mogen wij beiden._ + + * * * * * + +Eén buurmeisje herinner ik me ook nog levendig, ofschoon ik haar nooit +gesproken heb. Ze woonde niet in de Leliestraat, maar op de daarop +volgende en nettere Bloemgracht. De tuinen van de Bloemgracht grensden +echter aan die van de Leliestraat en zoo lag haar tuin vlak tegen ons +tuintje. Ik zeg: haar _tuin_, want die was stellig wel acht maal zoo +groot als ons plekje. Bij ons was er geen plaats voor hooge boomen, +nauwelijks kon er een gouden regen of een sering staan. Maar in haar +tuin verrezen hooge en zware kastanjes en eschdoorns. Daardoor lag haar +huis--ze bewoonde een heel huis--in donkeren schaduw en gaf de tuin mij +een gewaarwording van iets ouds en deftigs, zoo iets als een bejaarden +kloostertuin. + +Wanneer ik bij het eene raam van onze huiskamer mijn schoolwerk zat te +maken, keek ik naar buiten en zag haar wandelen onder 't groen. Arm +meisje! Ze was ongeveer dertien jaar, lang, mager, bleek. Ze droeg een +netje over een geheel kaal hoofd. Haar schedeltje was bedekt met een +korst van »klieren". En nu stond het zoo griezelig, dat netje, strak +getrokken over het achterhoofd, en van voren, boven de oogen, een +donkere lijn teekenend over het voorhoofd. Arm meisje! + +De andere buurmeisjes, die van twee-hoog en die van naast ons, hadden +allemaal zulke mooie haren. Lange vlechten hingen op den rug, met aan +het einde een fijn rood zijden strikje, of goudblonde krullen omgolfden +het hoofd, in haar dartelheid bedwongen door een bleekblauw lint. En die +haren maakten zelfs een alledaagsch gezichtje mooi. Vraag eens, hoeveel +jongens verliefd zijn geworden op bruine of blonde haren. »Het haar," +zei mijn vader, »is het sieraad der vrouw." En als Vader dat zoo +voornaam zei, met dat deftige woord sieraad en dien deftigen genitief, +beaamde onze jongenservaring dat al van ganscher harte. + +Arm meisje! Ze speelde niet met andere kinderen. Naar school kon ze +natuurlijk niet. Alleen in den tuin had ze ontspanning. En daar liep ze +dan in haar eentje rond, maar zoo'n beetje kijkend. Angstvallig scheen +ze de lage schutting te mijden. Wellicht schaamde ze zich gezien te +worden. Als we in den tuin speelden, bleef ze weg. Alleen als ze +onderstelde, dat we haar niet zagen, verscheen ze. Maar dan zagen +we haar wel. En dan keken we naar haar, de oogen wat vochtig van +medelijden. + +Wat was ik graag naar haar toe gegaan! Wat had ik me graag aangeboden, +om wat met haar te spelen. Ik was niet afkeerig van haar. Ik zou graag +alles voor haar gedaan hebben. Maar ik durfde niet. Waarom niet? Waarom +durven de menschen soms niet lief te zijn? + +Ik liep langs de Bloemgracht, om haar huis aan te zien. Ik bleef er stil +staan. + +Ik wilde aanbellen. + +Waarom deed ik het niet? + +Men zou mij vreemd gevonden hebben. Men zou mij hebben teruggewezen. + +Ik had geen vertrouwen genoeg op de menschen. + +Maar ik weet zeker, dat ik het meisje zou hebben verkwikt, het arme +eenzame kind. + +Ze is gestorven, nog terwijl we daar woonden. + +Maar ik heb altijd berouw gehad, dat ik aan de opwelling van mededoogen +geen gevolg heb gegeven. O, het zou haar zeker goed gedaan hebben, dat +een ander kind met haar wilde spelen, nog liever met haar dan met mooie +meisjes. + +Het heeft niet zoo mogen zijn. + + * * * * * + +En nu moet ik nog vertellen van mijn straatbaldadigheid ook in deze +nette buurt. + +Doch waartoe zal ik u opnieuw de straten doorslepen? + +Ge kunt er onder mijn leiding toch niets dan kwaads leeren. Ik neem u +b.v. op Zaterdagavond mee naar de kruidenierswinkels, die dan vol +koopsters staan. De burgervrouwtjes en de dienstmeisjes, dicht +opeengedrongen, wachten met het mandje in de hand haar beurt af. Ze +praten wat onder elkaar, terwijl de winkelier en zijn knecht, stijve +figuren in brandheldere buisjes, rustig voortgaan met afwegen, inpakken, +afrekenen. Nu sluipen we gebogen naderbij. Op handen en voeten kruipen +we den winkel binnen. We strekken een arm uit, zoeken de beenen van een +geen onraad vermoedend dienstmeisje, knijpen haar plotseling in de +kuiten en stooten daarbij een woedend geblaf uit. + +De meid gilt het uit van schrik. Ze springt op en de heele klandisie +komt in tumult. Zelfs vloeken er sommigen. De stijve winkelier raakt +een oogenblik zijn kalmte kwijt. De schalen schokken in zijn hand. De +vrouwen denken niet anders, of de meid is door een dollen hond gebeten, +en ontsteld onderzoeken ze haar paarse japon. Geen scheur? De +onderrokken. Nog geen scheur? De witte kousen. Ook die heel? Maar ze +voelde het toch wel degelijk. »Och, die bliksemsche jongens zullen het +wel weer gedaan hebben." En de winkelier gaat even van achter zijn +toonbank tusschen de vrouwtjes door naar de deur en kijkt daar naar +links en rechts de halfdonkere straat in. Wij hebben uit een verborgen +hoekje alles gezien en schreeuwen hem nu een triomfgehuil toe. Dan +hollen we weg. We moesten de volwassenen niet alleen hinderen, maar +ze moesten ook _weten_, dat ze dat aan ons te danken hadden, opdat ze, +scheldende, en eeuwig wegjagende nijdigaards, goed mochten beseffen, dat +we machtig waren ons te wreken. + +Dat gehuil gaf zeker een heele geruststelling aan die arme dienstmeid, +maar ik ben er niet zeker van, of ze 's avonds, vóór 't in bed stappen, +toch nog niet eventjes haar kuit opmerkzaam heeft bekeken. Het mócht +eens een hondje zijn geweest. + +Zullen we nu nog verder rondtrekken? Kom, ge hebt al van streken genoeg +gehoord. Meer dan u lief is. Of--hoort ge ze wel graag, mits anderen +er de dupe van zijn? Dan is het inderdaad raadzaam, om te eindigen. +Er schijnt ook in u, eerzaam volwassene, iets van den wilde te zijn +overgebleven. Laten we het niet wakker roepen en voeden. Gij hebt tot +plicht eerzaam te blijven, ook in uw diepste binnenste. + +Laten we liever eens nagaan, hoe het kwam, dat onder de jongens van deze +buurt veel minder neiging tot straatschenderij en plagerij bestond, dan +onder de vroegere kornuiten, en hoe ook bij ons, die het kwaad hier +trachtten over te planten, de lust langzamerhand wegstierf. Dat is +leerzaam voor de autoriteiten, die, niet uit demokratische politiek, +maar uit oprechte belangstelling zich om 't heil der jeugd bekommeren. +Die kunnen er uit leeren, hoe men in groote steden het kwaad bestrijden +kan door groei-ruimte te geven aan het goede. + +Op de Eglantiersgracht hadden we geen plaatsje of tuintje, we móésten +dus wel de straat op. En hier in de Leliestraat konden we een deel van +ons genot vinden in de stilte en de vrijheid van ons achteruitje. Het is +waar, we konden er niet hollen, niet met de bal of den hoepel spelen, +geen vlieger oplaten en nauwelijks tollen, maar we konden er ongestoord +kleuren en plakken en knippen en oorlogen, we konden er knutselen en +planten, we konden er ons verliezen in »stil spel". Er ging van ons +rustig plekje, dat zoo heerlijk gelegenheid bood onszelf te zijn, +stemming uit. De verkeerde invloeden van ruwe makkers hadden er minder +macht. + +In 't buitenland, en helaas ook in ons land, openbaart zich een streven +om prachtige schoolgebouwen te stichten, ware schoolpaleizen. Bouwkunst, +schilderkunst, beeldhouwkunst moeten samenwerken, om de leerende jeugd +al vroegtijdig onder de opvoedende kracht der schoonheid te brengen. +Doch men kan den invloed dier schoonheid erkennen en toch meenen, dat +er een verkeerde weg gevolgd wordt. Voor mij is er een schreeuwende +disharmonie tusschen die monumentale gebouwen met hun ruime hallen, +breede trappen, lange gangen, en die simpele kinderen. Het doet mij +vreemd aan, die witte gezichtjes, schrale figuurtjes, armelijke +kleertjes te zien dwalen door zoo'n rijkdom van ruimte en materiaal. Het +is, of men een sjofel katje op de zijden kussens van een vergulden auto +door de stad reed. Het is de arme knaap op den troon van Frankrijk. + +Wel mag het schoolgebouw niet zoo'n foeileelijken fabrieksgevel hebben, +rijen eenvormige vensters boven elkaar; wel mag het van binnen, door +grauwe, donkere nauwte, niet de naargeestigheid zelve zijn; wel moet het +door schoonheid de jeugd verkwikken; maar die schoonheid moet wezen naar +kinderlijken trant en in overeenstemming met de geheele omgeving. Liever +dan schoolpaleizen te zetten in armelijke buurten, moeten de +arbeiderswoningen verbeterd worden, waarin de kinderen--én hun +ouders--hun levensgeluk moeten vinden. + +Ieder gezin in een eigen huisje met een tuintje er bij. Overal veel +ruimte, licht, lucht en groen. Ruimte voor de kinderen, opdat ze kunnen +hoepelen en vliegeren naar hartelust. Ruimte ook achter de woningen, +opdat ze daar in rustige stilte genieten. En dan hier en daar een +eenvoudige, vriendelijke school, met niet meer dan zeven lokalen en een +open speelplaats, waar de kinderen der wijk, ook buiten de schooluren, +veilig en vrij zijn--hún speelplaats. En aan de school verbonden een +paar ruime lokalen, vereenigingszalen voor de rijpere jeugd en de +volwassenen, waar deze in aanraking blijven met de beschaving, gelijk +die zich in wetenschap en kunst openbaart. + +Dat zou heerlijk zijn! En daardoor zou de baldadigheid binnen de perken +worden gehouden! + +Zullen we 't nog eens beleven? + +Ik vrees. Maar al weet ik helaas te goed, dat de zedelijkheid niet +afhangt van de omstandigheden, ik heb in mijn jeugd ervaren, dat heel +wat baldadigheid wegsterft--in een nette buurt. + + + + +MOEDER VERTELT. + + +We zouden met Vader een dag uit visschen gaan. + +'s Avonds te voren hadden we alles in gereedheid gebracht, de snoeren en +hengels, het aas, en ook de flesschen bessensap en boterhammen met +worst. + +Toen zijn we vroeg in bed gestopt, opdat we niet te veel van onze +nachtrust zouden missen. En nu, na een onrustigen slaap, scharrelen we +door de huiskamer. + +'t Is vier uur in den morgen. We voelen ons kil en huiverig. Het +daglicht is nog niet aangebroken. In de kamer is het schemerig, buiten +grauw. + +Moeder heeft het petroleumstel aangestoken en theewater opgezet. Zij was +natuurlijk het eerst op, een half uur vóór ons. Uit vrees dat we ons +mochten verslapen, heeft ze den heelen nacht als in een bommeltrein +gereisd. Telkens was ze wakker om even op het horloge te kijken bij 't +nachtlichtje. Vooral na tweeën was bijna ieder kwartier een nieuw +stationnetje, waar de trein stopte. + +Nu loopt ze op haar kousen rond, heel zachtjes, om vooral de buren +niet te wekken. Ik laat een schoen vallen. Dat klinkt hard in de +morgenstilte. Sssst, zegt Moeder. Ze spreekt niet, ze fluistert. En zoo +doen we allen. Die schoen--mijn hart stond er bij stil. We glijden als +schaduwen voorbij mekaar, spreken met schaduwstemmen. 't Lijkt wel een +schimmenspel in den valen ochtendschemer. + +Moeder giet het theewater op. Wolken waterdamp krinkelen boven den +trekpot. Alleen het gezicht reeds verwarmt je. Opwekkende theegeur vult +de kamer. Heerlijk. Nog een paar minuutjes en we krijgen een kopje thee. +Lekker warm. Met twee handen er omheen, drinken we het langzaam op. + +Het is alles zoo vriendelijk, zoo vredig, zoo geheimzinnig, zoo rustig. +Buiten sjilpen de musschen en dringt langzaam het licht door. 't Is +gelukkig goed weer. Geen regen, alleen een beetje nevel. 't Zal een +mooie dag worden. Ik kijk door 't venster. De schutting is nog nat, ook +het deksel van den put en de steenen van 't plaatsje. Maar dat is niets, +'t is maar dauw. + +Ik zet mijn pet vast op en probeer hoe ik het gemakkelijkst de +boterhammen kan dragen. De hengels leg ik schuin tegen den +rechterschouder. Nog vijf minuutjes, en we gaan. Vader drinkt staande +zijn laatste kopje thee.... + +Opeens, daar dringt een vreeselijke gil ons door merg en been. Een doffe +plof volgt. + +O God, daar is het weer. Die gil, zoo langgerekt en doodsbenauwd, we +kennen ze. + +Vader heeft een toeval gekregen. + +Ik sta, verstijfd van schrik, met de hengels in mijn hand. + +Moeder laat den trekpot haast vallen. + +»Ach God!" zegt ze. En in die twee woorden breekt al de diepte van haar +smart uit. Dan haalt ze gauw een kussen van bed en legt het den armen +man onder 't hoofd. Ze maakt zijn goed los en wascht zachtjes wat schuim +van de blauwe lippen. + +Christien komt in nachtgewaad binnen geloopen, de oogen wijd starend. Ze +was nog wat blijven liggen, eer ze om half zeven naar haar betrekking +moest. Maar de angstkreet is tot haar diepen slaap doorgedrongen. Bevend +staat ze met ons bij Vader, die bewusteloos ligt te schokken en +stuiptrekken op den grond. + +Ik zet de hengelstokken in een hoek, haal de boterhammen uit mijn kiel +en leg ze op de tafel, naast het theeblad.... + + * * * * * + +Arme, arme Vader. + +Neen, we denken geen oogenblik aan het verlies van onzen heerlijken dag +buiten. We zijn vervuld met innig medelijden. Arme Vader! + +Moeder verzamelt ons in de keuken. Ze haalt het theeblad uit de +huiskamer en zet het op de rechtbank. De een gaat op een keukenstoel +zitten, de ander op een krukje, weer een ander op den vuilnisbak of op +een treetje. + +Telkens gaat ze even naar binnen, om te zien, of Vader al bijgekomen is. +Eindelijk hooren we een diepen, kreunenden zucht. Nu is hij bij. + +Moeder en Christien tillen hem voorzichtig op, dragen hem naar de +bedstede. Met zachte hand trekt Moeder hem de overkleeren uit, legt hem +dan te bed, dekt hem toe. + +We weten, wat er nu volgen zal. Den heelen dag zal Vader daar doodstil +blijven liggen met barstende hoofdpijn. Hij zal niets eten, alleen nu en +dan een teugje drinken. Wij loopen onhoorbaar door 't huis, spreken heel +zacht, ontbijten, koffiedrinken, eten in de keuken. Wanneer Moeder naar +binnen is geweest, zullen we met smeekende verwachting in de oogen +vragen, hoe 't er mee is, telkens weer. En dan zal Moeder zeggen: »Vader +ligt doodstil. Erge hoofdpijn." + +Eerst tegen den avond zullen we even bij 't bed mogen komen, om Vader +een hand te geven. Dan zal hij ons met zijn zachte blauwe oogen +vriendelijk aanzien, alsof hij ons vergiffenis vroeg, dat hij ons zoo +had teleurgesteld. En dan zullen we onze oogen vochtig voelen worden. En +dan zal hij zeggen: »Nacht kind!" En we zijn blij, dat we zijn stem weer +hooren. Rustig gaan we naar bed, en we danken Onze lieve Heer, dat Hij +Vader toch weer beter heeft gemaakt. + +Zoo zal de dag voorbijgaan. We weten het al vooruit. Want zoo is er al +menige dag voorbijgegaan. Om de drie weken kreeg Vader een toeval. Soms +wel twee in een week. Soms duurde het ook een paar maanden. Dan hoopten +we al, dat het weg mocht blijven. Tot opeens, daar had je 't weer, die +hartdoorsnijdende gil. + +Zelf sprak Vader er nooit over. Ook niet als hij pas een toeval had +gehad. Dan was hij meestal een paar dagen moe en suf van hoofd, ging +stil zijn weg. Maar nooit roerde hij het onderwerp aan. + +Waarschuwende verschijnselen, dat er een toeval op handen was, deden +zich niet voor. Geheel onverwacht en op de meest ongelegen oogenblikken +kwamen ze. Zoo praatte Vader nog met je, en zoo plofte hij neer. +Alleen had Moeder meenen op te merken, dat er vaak dagen van groote +prikkelbaarheid aan vooraf gingen. Wanneer Vader zoo ongemotiveerd +driftig kon opstuiven--ach, aanstonds was hij weer bedaard--beefde +Moeder al inwendig. »Er zit zeker weer een toeval," zei ze met +bekommerde, verontschuldigende stem. En dan zat er ook meermalen een +toeval, als een donkere, dreigende onweersbui. Soms was het voor allen +en ook voor Vader zelf een verademing, als de bui was losgebroken. Dan +kwam er weer ontspanning. + +Zoo is er ook nu, op dezen morgen, na den eersten hevigen schrik, +ontspanning gekomen. We zitten rustig in de keuken. 't Is nog pas half +zes. Wat zullen we doen? Weer naar bed gaan? Lezen? Spelen? Dat is +onmogelijk. We scholen om Moeder heen, in het kleine keukentje. En +Moeder praat zachtjes. Ze vertelt van haar leven. + +'t Is wel een vreemd verteluurtje. De morgenzon kleurt den hemel. Door +'t keukenraam zien we boomtoppen verlicht. En 't is ook een zonderling +plekje, in de keuken tusschen de glazenkast en de aanrechtbank. Ook het +verhaal is ongewoon, een verhaal van levensleed. Zoo iets vertelt men +gewoonlijk niet aan kinderen. Kinderen moeten immers sprookjes en +grappen hooren? Maar dit alles wordt verklaard door de donkere bedstede +daar in de huiskamer, door dien lijdenden man. + + * * * * * + +»Ach," zegt Moeder, »zoo is het mijn heele leven gegaan." + +Ze zit stil, met ingekeerde oogen, alsof de oogen ver, ver in het +verleden teruggingen. Dan gaat ze voort, zachtjes vertellend van wat die +oogen daar zagen. + +»Ik was nog maar pas getrouwd, toen je Vader een toeval kreeg. Je hoeft +niet te vragen, of ik schrok, want ik had er niets van geweten. En ik +had zoo iets nooit bijgewoond. Maar toen je Vader bijkwam, had ik zoo +innig met hem te doen. Hij was zoo ellendig, en daarbij was hij zoo +verlegen voor mij. Hij had er mij niets van verteld. Vóór ons huwelijk +had hij ook al een paar maal een toeval gehad, maar zijn vrienden hadden +gezegd, dat het in zijn trouwen wel zou overgaan. Daar had hij het maar +op gewaagd. + +We woonden toen in een grooten kruidenierswinkel. Daar hadden zijn +voogden hem in gezet. Want je Vader was al vroeg een wees. Maar hij had +geen verstand van zaken. En binnen tien maanden was de zaak failliet. + +Toen moesten we verhuizen. Op een kouden avond in Januari brachten ze +mij in een toe-slee over. Dien avond zal ik niet licht vergeten. Het +vroor hard. 't Was bitter koud. Daarom hadden ze me goed toegestopt. Ik +was hoogst zwanger. Iederen dag kon Christientje geboren worden. Toen ik +aan de nieuwe woning kwam, moest ik een ongelukkige trap op, twee hoog, +en daar vond ik een paar zoo goed als leege kamers. Er stond een tafel, +een paar stoelen, maar geen kachel. Aanstonds brachten ze me naar bed. +Toen voelde ik me toch zoo bitter ellendig. Geen brand, geen voedsel, +niet eens een warm kop koffie, de kasten leeg en geen cent in huis. En +daar werd den 25sten Januari Christientje geboren. + +Zoo is mijn huwelijksleven begonnen. En nog geen jaar te voren zat ik in +die heerlijke pastorie. + +Natuurlijk kwam Grootvader gauw over. Die goeie man wist niet, wat hij +zag. Hij schreide, toen hij voor mijn bed zat. En toen de broers, jullie +ooms, het hoorden, waren ze woedend. Ze zeiden, dat je Vader me bedrogen +had en wilden, dat ik weer naar de Klundert zou komen. Maar daar was +ik niet toe te bewegen. Je Vader was zoo goed en hij leed er zelf zoo +bitter onder. Hij hád me ook niet bedrogen, daar zou hij nooit toe in +staat zijn geweest. Maar de man was veel te goed van vertrouwen. En dat +is hij zijn leven lang gebleven. Dat is hij eigenlijk nog. Daarbij was +hij niet goed opgevoed. Zijn ouders waren deftig en bemiddeld. Maar die +stierven al vroeg. Toen ging hij met zijn broertje ergens in huis. Ze +kregen goed onderwijs, je Vader is altijd knap geweest. Maar er werd +niet gezorgd voor een bepaalde opleiding, en toen je Vader mondig was, +werd er eenvoudig een zaak voor hem gekocht, of hij er geschikt voor was +of niet. Hij dacht, dat alles best zou gaan. De man had van zijn eigen +zaken nooit iets afgeweten. + +Grootvader zorgde, dat ik het noodigste kreeg. Maar hij had zelf een +groot gezin en kon er niet nog een gezin bij onderhouden. Toen hij weer +weg was, bleven we met ons drieën achter. Je Vader kreeg een +betrekkinkje en zoo konden we tenminste leven. Maar vraag niet hoe." + + * * * * * + +Moeder in die slee, Moeder in die armelijke bedstede op een leeg +bovenhuis, Grootvader, die waardige man, met beschreide oogen bij het +gebroken leven van zijn dochter--het zijn tooneeltjes die ik zou kunnen +uitschilderen. Moeder vertelde zoo, dat we alles voor ons zagen. En ik +weet nog heel goed, dat ze zonder eenige aarzeling uitdrukkingen als +»hoogst zwanger" gebruikte. Armoede en smart brengen de volwassenen zoo +dicht bij de kinderen, maken de kinderen in zeker opzicht gauw groot. +Moeder had geen tijd en geen stemming, om er een afzonderlijk taaltje +voor kinderen op na te houden. Met wie moest ze alles bepraten en +overleggen dan met haar kroost, en daarbij sprak ze de gewone taal der +volwassenen. Wij vonden zulke woorden ook heel gewoon, al begrepen we +er niet precies het rechte van. Maar zoo is het immers met haast ieder +woord? We moeten het aanvankelijk met enkele vage notities stellen. + +Zoo is het ook gegaan met het woord »verleiden", in den specialen zin, +zooals we het uit de geschiedenis van Jozef en Potifar's vrouw kennen. +Moeder was al eenige jaren getrouwd, en woonde in Emmerik. Daar had +Vader een betrekking aan het spoor gekregen. Wat, dat weet ik niet, +we waren tevreden met het woord »betrekking"--naar bizonderheden +informeerden we niet. »En toen"--vertelde Moeder--»werd ik eens op het +kantoor ontboden bij een deftigen meneer. Ik kwam in een prachtige +kamer. Die meneer was heel vriendelijk. Eerst begreep ik hem niet. Maar +toen zei hij: Een mooie jonge vrouw als u hoeft toch geen armoe te +lijden. En hij wees op een stapel geld, dat op zijn bureau stond, alsof +hij zeggen wou: Neem het maar. Toen was het, of ik een ingeving kreeg. +O God, dat nooit! En ik liep aanstonds naar den hoek van de kamer en +trok aan het schellekoord: »Meneer, ik verzoek, dat u me onmiddellijk +uitlaat." Toen de knecht kwam, zei hij: »Laat jij de juffrouw eens uit" +Hij moest wel. Maar toen ik thuis kwam, viel ik stijf van mezelve." + +Bijna woordelijk herinner ik me dit verhaal. Met dezelfde soberheid +vertelde Moeder het. Ik zag de kamer, het bureau, het geld, het +schellekoord, den knecht. En ik begreep, dat die man Moeder had willen +verleiden tot iets kwaads, al begreep ik niet wat. Ik bracht het echter +wel in verband met de geschiedenis van Jozef. + +Moeder kon in Emmerik niet blijven. Gelukkig kreeg Vader nu iets in +Amsterdam. Hij moest vooruit reizen. »Toen moest ik voor de verhuizing +zorgen, alles inpakken en verzenden. En eindelijk ging ik zelf met drie +kinderen, een spiegel en een schilderij. Dat was een heel gesjouw. Maar +ik rekende altijd op de goeie menschen. Die hielpen je wel." + +Daar zat ze in de trein, natuurlijk derde klas, met drie kinderen, +een spiegel en een schilderij, blij, dat ze Duitschland den rug kon +toekeeren. »De menschen waren er wel vriendelijk--overal heb je goeie +menschen--, maar ze begrepen me niet altijd. En in Amsterdam was ik +natuurlijk dichter bij de familie. Ofschoon een mensch het in zijn +armoede toch niet van de familie hebben moet. In 't begin is er wel veel +medelijden, maar och, aan alles raak je gewoon. De familie was wel heel +goed voor me, hoor----je oom Willem, die was student in Utrecht, en als +hij dan een dag of wat overkwam, zei hij: Nans, hier is het geld voor +het hotel, stop mij maar ergens in een hoekje. En dan ging hij niet naar +een hotel, maar sliep heel armelijk bij ons. Dát was toch zoo'n lieve +jongen. Daarom is hij zeker vroeg gestorven--nog als student--aan de +tering. Hij was een engel van een jongen. Maar anders, het meeste lief +heb ik van de buren gehad. Die zijn ook zoo iederen dag om je heen." + +En nu kwamen er verhalen van goeie buren. + + * * * * * + +»Wat ik van die menschen een hartelijkheid heb ondervonden--dat kan +ik onmogelijk allemaal vertellen. Als je arm bent, moet je onder arme +menschen gaan wonen, dan heb je het nog het beste. En het was aardig, +zooals ze me altijd met zekeren eerbied behandelden. Ze zagen natuurlijk +wel, dat wij van betere afkomst waren en betrokken ons nooit in hun +standsgewoonten. »Dat kan de juffrouw niet doen," zeiden ze dan. »Dat is +de juffrouw niet gewoon. Dat zullen wij wel even voor u doen."--En ze +wilden nooit iets aannemen. »Wel nee, lieve mensch, je kan het zelf te +best gebruiken." Van hun eigen armoede deelden ze me meermalen mee. + +Eén man zal ik altijd heel dankbaar herdenken. Dat was bakker Aalders. +We woonden toen ergens op een kamer drie-hoog, en hij had beneden in +'t huis zijn bakkerij. Iederen morgen bracht hij ons brood en in 't +begin betaalde ik dat ook geregeld. Als je Vader Zaterdags zijn weekgeld +thuis bracht, rekende ik 's Maandags altijd af met den bakker en den +groentenman en den huisbaas en den bode van het begrafenisfonds. Maar +toen je Vader weer een toeval gekregen had en hij zijn betrekking kwijt +was, hield natuurlijk dadelijk ook het geld op. Bakker Aalders zag dat +wel, zulke menschen weten direkt alles van je omstandigheden. Toch ging +hij voort, iederen morgen brood te brengen, en nu zonder ooit om geld te +vragen. Dat duurde weken en maanden achtereen. En altijd bracht de +vriendelijke man zelf het brood boven, maakte even een praatje, vroeg +niets en zinspeelde ook op niets. Eindelijk werd ik er zelf verlegen mee +en ik zei, dat ik hem onmogelijk betalen kon, dat hij maar geen brood +meer moest brengen. En wat zei de man? »Juffrouw, zoolang ik brood heb, +zal u 't ook hebben. Dat geld komt wel terecht." En toen je Vader weer +wat verdiende, wou Aalders het achterstallige geld niet hebben. En hij +heeft het nooit willen hebben. Ja, ik heb wat goeie menschen in de +wereld ontmoet! Maar Aalders was toch wel heel bizonder." + +Terwijl Moeder vertelde, zag ik Aalders, een eenvoudig man, het petje +op, met een brood in de hand de oude trap oploopen, aan de kamerdeur +kloppen, het brood op tafel leggen, even een praatje maken, en weer +verdwijnen. En als pendant daarvan dien deftigen meneer in Emmerik, +in de prachtige kamer, aan zijn bureau, met het stapeltje geld, en +Moeder staande op het dikke tapijt. En mijn gemoed wisselde als een +voorjaarshemel bij veranderlijk weer. Nu eens was het helderblauwe +lucht met zonneschijn--bakker Aalders met zijn brood in de geopende +kamerdeur--dan weer donkere bewolking met angstig-dreigend grauw: de +prachtige kamer. + +Zou men denken, dat wij, luisterende kinderen, door zulke verhalen +niet werden opgevoed? Moeder vertelde ze niet met die bedoelingen, ze +vertelde ze alleen om haar hart uit te storten in heel vertrouwelijk +samenzijn met haar kinderen. Maar ik voelde hun krachtige werking in +mijn gemoed, ik voelde bewondering en afgrijzen, liefde en weerzin, +dankbaarheid en verfoeiing. Ons hart werd tot in zijn diepste lagen +bewogen en geen weloverdachte zedelijke opvoeding kon bewerken, wat +hier, zonder opzettelijkheid en met door de paedagogiek misschien +afgekeurde middelen, werd bereikt. Moeders leven, de ervaringen van +een volwassene, de onkinderlijke verhoudingen en woorden, 't lijkt +veroordeelenswaardig opvoedingsmateriaal voor jongens van elf en twaalf +jaar. Doch niettemin--wij wérden er door opgevoed. En ik weet wel, +waardoor dat komt. Dat komt, omdat daarin het echte, waarachtige, +ons naderde, met bedoelingen van enkel liefde. Hoe geweldig werkt +de waarachtigheid der natuur, ook van het zich onbevangen gevende +Moederhart, tegenover het kunstmatige eener in elkaar gezette techniek. +Moeder _maakte_ niet wat voor ons, ze _uitte_ zich, en in die uitingen +stroomde ons het voedende leven toe. Dat is ook de kracht van den Bijbel +en van alle zuivere springbronnen van leven. + + * * * * * + +De nood rees soms wel hoog, maar toch altijd kwam de redding. Vreeselijk +was de toestand, toen één kind gestorven in zijn bedje lag, een ander +ieder oogenblik geboren kon worden, en Vader met een toeval werd thuis +gebracht. En dat midden in de armoede. Men kan zich zoo'n ellende niet +indenken. En als Moeder 't ons vertelde, zei ze ook altijd: »Hoe komt +een mensch het door!" Maar ze had een onwankelbaar vertrouwen, dat God +haar wel helpen zou. + +»Eens op een avond zat ik in mijn eentje in een arm bovenkamertje. +Ik had alles netjes opgeruimd, want in de grootste armoede had ik er +toch altijd plezier in den boel netjes te hebben. De kinderen lagen in +theekisten, want wiegjes of ledikantjes had ik niet. Maar ze waren met +heldere lakentjes toegedekt. En toen werd er geklopt en een paar dames +kwamen binnen. Ze gingen zitten en praatten wat met me. Een van haar +had een versje voor me uitgeschreven. Dat heb ik altijd bewaard. Ze las +het me voor. En ze maakte me haar compliment, dat alles zoo netjes was. +En toen ze heen waren, vond ik onder een bordje vijftig gulden, twee +briefjes van vijfentwintig. Mijn gemoed schoot vol." + +Ook onze oogen sprongen vol tranen, als Moeder dat vertelde. + +En als ze dan uit een oude doos het blaadje postpapier haalde, het +geelgeworden blaadje, en ons het vers voorlas, hoorden wij met stille +vroomheid toe. 't Was een vers van Godsvertrouwen. Waarom zou ik den +naam der beide dames niet noemen? 't Waren twee zusters Salm--nu al +lang gestorven. En nu noem ik dien naam niet als een bewijsstuk voor +de echtheid der geschiedenis of als een eeresaluut nog boven het graf, +maar alleen om mezelf het genot te gunnen, dien naam eens hardop uit te +spreken, midden in den kring van wie naar me luisteren, zooals Moeder 't +deed in het kringetje van haar kinderen. + +Daar is nog een naam van een gestorvene, die in mijn hart leven blijft. +Mijnheer Sanders was rijk en woonde in een groot huis op de Heeren- of +Keizersgracht. Wanneer Moeder radeloos was, ging ze naar hem toe en kwam +nooit ongetroost terug. Er waren bepaalde uren, dat de gang daar vol +armen stond. Die man had zulk een mededoogend hart, dat hij soms met +sterken aandrang een poos naar buiten moest worden gedreven. Hij kon +»zijn" armen niet achterlaten en leed zoo zeer onder hun kommer, dat +hij alleen gelukkig was, als hij geven en helpen mocht. Ik voelde toen +al, dat de rijkdom voor dit gevoelige hart misschien nog zorgvoller +was dan de armoede voor Moeder. De verantwoordelijkheid van zijn +rentmeesterschap drukte hem als lood. Bij zooveel ellende kon hij met +zijn geld niet gelukkig zijn. En al gaf hij al zijn geld weg, dan was +de ellende toch niet merkbaar verminderd. Wanneer Moeder ons van hem +en zijn milddadigheid vertelde, was het altijd met dankbaarheid en +medelijden. Wel eigenaardig, dat de armoede medelijden had met den +rijkdom. + +Bij deze twee namen zal ik het laten. Namen noemen van goedgeefsche +rijken--het is benden van dringende vragers op hen afsturen. Doch geen +armen zullen een bedevaart naar deze graven doen. Hoe echter het +namennoemen misbruikt kan worden, heeft Vader eens op een wonderlijke +manier ondervonden. + +Er was een man met wien hij sprak over zijn nooden en toen liet Vader +zich ontvallen, dat hij van deftige familie was. Meneer X. was een neef +van hem, Mevrouw IJ. een tante. Maar die familie wist van Vaders bestaan +niet af. Vader was niet trotsch of hooghartig, maar hij _kon_ niet +bedelen. Hij stierf liever met zijn heele gezin van honger, dan ook maar +een penning te vragen. Het was hem onmogelijk. Hierin was Moeder een +beetje gemakkelijker. Welke rechtgeaarde Moeder waagt ook niet alles +voor haar kinderen! + +Die man dan hoorde Vader aan, informeerde naar de adressen, noemde Vader +een gek, dat hij niet van dien rijkdom profiteerde, hij zou 't hem wel +anders, leveren, en zoo voort en zoo voort. Vader liet zich niet +opwinden, wilde geen misbruik maken van den naam zijner moeder, om +daardoor geld los te krijgen, berustte liever in zijn armoede. + +Twee of drie weken later kreeg Vader gansch onverwacht een brief, of +hij zich op een bepaald uur wilde vervoegen aan het kantoor van Mr. X. +Wat zou dat beteekenen? Hij, Moeder, allen waren even nieuwsgierig. +Natuurlijk ging hij, en in spanning wachtten de anderen zijn terugkomst +af. Wat was 't geval. Mr. X. vroeg aanstonds: »Bent u meneer Ligthart? +Bent u het zelf?" En toen informeerde hij naar Vaders geschiedenis en +omstandigheden. Er was een man geweest, die zich voor Ligthart had +uitgegeven en schandelijk had opgespeeld--hij wou bij hoog en laag geld +hebben, en als hij dat niet kreeg, zouden ze wel anders zien--hij +verkoos niet te verrekken van honger, als hij zulke rijke familie had, +en al zou hij er de heele wereld bij te pas brengen, hij wou geld +hebben. + +Mr. X. was zeker blij verrast, toen hij in den bescheiden en beschaafden +man, die nu voor hem stond, den echten Ligthart zag. Beiden doorzagen de +oplichterij gauw genoeg, toen Vader vertelde, hoe die man hem had +uitgehoord. Mr. X. bedankte Vader voor zijn komst en Vader zou wel iets +naders van hem hooren. + +Spoedig kwam er bericht, dat Vader een levenslange toelage kreeg van +vijf gulden in de week. Elken Maandagmorgen kon dat bedrag gehaald +worden bij Ds. v. d. Goot, onzen Doopsgezinden predikant. Niemand +hoefde er voor bedankt te worden, het was een familietoelage, op +voorstel van Mr. X. De gevers bleven onbekend. + +Meermalen heb ik zelf die vijf gulden bij Ds. v. d. G. gehaald. Die was +dan altijd heel vriendelijk en behandelde je volstrekt niet als een +bedeelde. + +Maar is dit weer niet een zonderlinge geschiedenis? Zeg geen namen van +goedgeefsche rijken, want oplichters maken er misbruik van. En zie, deze +oplichter maakte het pad effen voor levenslange hulp. + + * * * * * + +Zoo vertelde Moeder ons de eene geschiedenis na de andere, terwijl Vader +in bed lag. Slechts eenmaal was het haar _te_ benauwd geweest. Toen had +ze op het punt gestaan in 't water te springen. Maar de gedachte aan de +kinderen had haar weerhouden. Nooit hebben we Moeder hooren klagen over +haar lot. Al vertelde ze ons de droevigste ervaringen, het was nooit +in den klaagtoon. En als ze over Vader sprak, was het met liefdevolle +aanvaarding: »Ik heb altijd het gevoel gehad, dat God mij tot taak had +gegeven, dezen man door het leven te brengen." Hij was haar oudste +kind. Vriend noch vreemd--en aan pogingen heeft het zeker niet +ontbroken--heeft haar ooit kunnen bewegen, haar post ontrouw te worden. +Ze heeft haar levenstaak met algeheele zelfverloochening volbracht. + +Dikwijls als ze over goede menschen sprak, kwam het zoo uit de volheid +van haar hart: »Die hebben den hemel aan me verdiend." De uitdrukking +was wat Roomsch, Moedertje, voor een predikantsdochter--wij doen niet +aan werkheiligheid. Maar wat hebt Gij dan wel verdiend aan man en +kinderen? + +Moeder heeft een stukje van den hemel al op aarde gekregen. 't Kwam wel +laat, maar daarom mocht ze zeker wat langer blijven. Toen ze, in haar +drie-en-zeventigste, heenging, had ze al meer dan twaalf jaren een +betrekkelijk, althans geldelijk, onbekommerd leven genoten. Dat was +ongetwijfeld haar loon voor een leven van toewijding. + +»O, als ik jelui alles vertelde, dan kon je er wel een boek over +schrijven," zei Moeder vaak. + +Maar Moeder, dat moet U me nu eens niet kwalijk nemen, maar dat doen we +tegenwoordig niet. We schrijven geen boeken over helden en heldinnen, +die op 't leven zegevieren. We schrijven alleen boeken over +slappelingen, die in 't leven ondergaan. Stel je voor, dat ik eens een +boek over U schreef. Ze zouden zeggen: dat is maar een bedacht +vertelseltje. Zoo is het leven niet. + +Neen hoor, geen boek over Uw levensboek. Alleen heb ik mij in dit +hoofdstukje veroorloofd, eenige bladzijden daaruit over te drukken. En +dat heb ik gedaan met opvoedkundige bedoelingen. Want, lieve Moeder, +ik ben--dank zij U--en ondanks de paedagogiek--zoo'n soort paedagoog +geworden. + +Dank zij U. + +Uw leven doortrilt mijn leven. + +Van U heb ik geleerd, neen als levensmelk ingezogen, onder alle, alle +omstandigheden niet te versagen, trouw te volharden, te aanvaarden den +plicht die ons wordt opgelegd, niet onszelf te zoeken, maar onszelf toe +te wijden. + +Of ik dat gekund heb? + +Ik wou, dat het waar was. Maar mijn falen is niet uw schuld. Dat was +meestal 't gevolg van te veel voorspoed. Gelukkig kwam de tegenspoed me +dan eens flink door elkaar rammelen, om me tot bezinning te brengen en +terug te voeren tot trouw. + +Gij hebt, door Uw leven, de les gepredikt: We moeten geen heide +ontvluchten en parken zoeken, maar heide ontginnen en parken maken. + +Er is, heel sterk in onzen tijd, een jacht naar beter. Niet dat men +zichzelf en zijn arbeid wil verbeteren--als gevolg waarvan vanzelf +betere omstandigheden zouden ontstaan--maar een zoeken van en dingen +naar altijd hooger, voordeeliger, voornamer positie. Daartoe verlaten +honderden schoenmakers hun leest. + +Gij hebt ons geleerd: Doe wat God je als levenstaak heeft gegeven, en +doe dat met heel je hart. Blijf trouw. + +En Uw succes heeft er de belofte aan toegevoegd: En je zult slagen, +boven bidden en denken. + +Heerlijk, Moeder, dat ik deze les, Uw wijsheid, als het summum mijner +paedagogiek nu onder vele oogen mag brengen, hopen dat zij vele harten +mag binnentrekken. + +Blijf trouw! En vertrouw! En de kroon des levens is voor U weggelegd! + +Is het niet eigenlijk--christendom? + + + + +IK WORD KWEEKELING. + + +We hechten aan het werkwoord worden in sommige gevallen een heel actieve +beteekenis. Wanneer een jongen ons met een blijd voornemen in de oogen +en de stem vertelt: »Meester, ik word zeeman!"--, dan is het, of we hem +met volle zeilen op zijn doel zien afstevenen. + +Zoo ging het bij mij niet. Kweekeling-worden, ik had er nooit aan +gedacht. Naar den kansel was mijn blik en hartewensch wel eens +heengegaan, die behoorde om zoo te zeggen ook tot de familie, maar zoo +ver heugenis en overlevering reikten, had Vaders noch Moeders geslacht +ooit de wereld met een schoolmeester verrijkt. Grootvader en twee ooms +waren predikant, een derde oom studeerde er voor, geen wonder als er wat +domineesbloed door mijn aderen vloeide. + +Echter, er kon geen sprake zijn van een academische opleiding, daartoe +ontbrak het ten eenenmale aan middelen, en zoo lag het in het duister, +wat ik worden zou. Timmerman, gelijk de twee oudere broers, daar was ik +te zwak voor. Maar wat dan? Misschien was ik behanger geworden--daar +hoefde je niet zoo sterk voor te zijn--toen de armoede het vraagstuk +heel practisch oploste. + +Al weken achtereen had ik mijn schoolgeld niet betaald. Weten de +onderwijzers, die den kinderen harde standjes geven als deze hun +schoolgeld hebben »vergeten", wat dat voor een kind is? Ze kunnen er +zeker van zijn, dat er thuis al heftige tooneelen zijn afgespeeld. Het +kind wilde niet naar school zonder schoolgeld, en Moeder had het niet. +Het kind draalde, drong, schreide, werd brutaal, bleef tegen den muur +hangen, en Moeder kon het geld toch niet van haar rug snijden. Eindelijk +zei Moeder: »Zeg dan maar, dat je 't vergeten hebt," maar het kind wist +wel, dat noch meester noch de kinderen dat gelooven zouden. Ten slotte, +vijf minuten voor negenen, is het maar de deur uit geslenterd, met +roodbeschreide oogen, zeurend naar school. En als het daar kleurend van +schaamte en gekrenkte trots, de boodschap van Moeder verlegen naliegt, +terwijl de omringende leerlingen zich in de welgegoedheid hunner ouders +veilig voelen en wat vreemd en ongeloovig kijken, krijgt het van zijn +meester nog een uitbrander. Hoe is het mogelijk! + +Als een der voordeelen van een armelijke jeugd, vol vernederingen, heb +ik het altijd gevoeld, dat ik, in beter omstandigheden gekomen, zulke +arme kinderen begrijpen en wat ontzien kon. + +Nu is het heerlijk, van mijn bovenmeester te mogen getuigen, dat hij +tegenover mij teer- en fijngevoelige kieschheid betrachtte. Hij +vernederde mij niet midden in de klas, maar riep me in zijn kamertje. +Daar drukte hij me ernstig op 't hart, dat het achterstallige schoolgeld +al veel te hoog was opgeloopen, en dat het zoo niet langer ging. Ik +moest mijn ouders zeggen dat ik het schoolgeld moest meebrengen, en hij +anders verplicht was mij van de school te verwijderen. (Is het, tusschen +twee haakjes, ondanks de waarlijk goede bedoeling en den vriendelijken +toon van den hoofdonderwijzer, toch niet al te erg, dat zulke geldelijke +aangelegenheden, die toch eigenlijk alleen de volwassenen betreffen, +worden afgehandeld met een twaalfjarig kind?) Echter, behalve betalen en +verwijderen, was er nog een derde kans. En ik weet nog, hoe mijn hart +opsprong van blijde verlichting, toen de bovenmeester me dit uitzicht +opende: Ik kon kweekeling worden. Dan kostte ik niets en zou zelfs wat +verdienen: gratis opleiding en vijf gulden in de drie maanden! + + * * * * * + +Kweekeling worden. Heerlijk! Nu het me daar zoo onverwacht werd +voorgesteld, werd ik plotseling gewaar, dat er toch, volkomen onbewust, +een groote liefde voor het onderwijzerswerk in mij gegroeid was. En dat +had ik te danken aan den onderwijzer, die ons dagelijks les gaf en die, +althans in mijn oog, van zijn taak en zelfs van zijn heele verblijf in +de school, zoo iets behagelijks wist te maken. 't Was de man, die reeds +den eersten morgen van onze aankomst verrukt was over de mooie namen +en die met zulk een gezellige ingenomenheid nieuwe rekenboekjes uit de +kast opdook, wanneer we al weer een rekenboekje uit hadden. Met zoo'n +beloonende en aansporende blijdschap keek hij de twee volle kanten van +je lei na, met zoo'n leuke gratie zwierde hij G's door je sommen ten +teeken dat ze goed waren. Het leek wel voor hemzelf een feest te zijn, +als hij, de griffel sierlijk in de hand, som na som met zijn zegelmerk +voorzag, terwijl wij hem met spannende oogjes aankeken, innerlijk +juichend bij elken gracieusen trek, even inzinkend bij iedere--maar toch +mooie--streep door een foutieve oplossing. + +Wat kon hij 's winters gezellig bij de kachel staan! Dan liep hij +eerst rustig om de klas heen, wreef zich de koude handen, opende de +kacheldeur, keek naar 't vuur met dezelfde belangstelling als naar onze +sommen, greep den pook niet minder sierlijk dan de griffel, en pookte +zonder ruwe rammelende geluiden, pookte gelijk hij op 't bord schreef, +netjes en rustig, zoodat zelfs het randje van zijn hagelwitte manchet er +plezier in had en zich nieuwsgierig verbreedde. Daarna hing hij den pook +op zijn vaste plaats, draaide zich met den rug naar de kachel, sloeg de +handen in elkaar op de achterpanden van zijn jas, en koesterde ze te +gelijk met al de achterdeelen van zijn kleeding en wat daar onder zat. +Onderwijzer-zijn, je zag het den man aan, was een dagelijksch genoegen. +Maar ik denk nu, dat hij met hetzelfde genoegen winkelier was geweest. +Alleen had de natuurlijke gave om zijn heele omgeving gezellig te maken +hem dan wat meer geld opgebracht. Hij was gansch geen type van een +verdroogden schoolmeester, nog al rijzig, gezet, kleurig en met +springende haren. Zijn gezetheid bracht zeker mee, dat hij zomers nog +al dorstig was. Dan kon hij zoo smakelijk een glas water leegdrinken. +Eerst hield hij het tegen 't licht, en verkwikte zich met den aanblik +van het kristalheldere vocht. Daarna dronk hij het met langzame teugen +op, genietend van iedere aanraking. Zette hij 't glas weer netjes in de +kast, dan kon je zeker zijn, dat hij nog even, heel even, met het puntje +der tong langs de lippen streek, navoelend de zachte verkoeling. + +Was het wonder, dat het opgroeien onder den stillen invloed van zulk +een gemoedelijk-vriendelijk onderwijzersleven, bij ons onmerkbaar +liefde voor dat leven deed ontkiemen? Zóó op 't bord schrijven, zóó de +griffel hanteeren, zóó je koesteren bij de kachel, zóó een glas water +savoureeren--je vond het een benijdbaar voorrecht, en thuis deed je met +welbewuste pogingen dit aanlokkelijk voorbeeld na. Je schoof zelfs een +afgedankte manchet van je grooten broer onder de mouw van je +jongenskiel, om te kijken, hoe dat stond, en of die manchet ook zoo te +voorschijn kwam, als je mouw optrok.... + +Mijn ouders armoede en het even vriendelijke als wijze voorstel van den +bovenmeester, deden mij kweekeling worden, maar Uw onbedoeld voorbeeld, +o Meester, was oorzaak, dat deze overgang mij onmiddellijk als een +groote verrukking tegen schitterde. Het was de plotseling wakker +wordende en glorende liefde van een meisje, wanneer »hij" haar gevraagd +heeft. Zoo'n leventje te hebben! Ook zonder manchetten was het al zalig, +de griffel, de pook, de kast, de kachel, het glas water, het vredig +wandelen om de klas--het werd alles mijn deel. En innerlijk juichend +holde ik dien morgen naar huis. + + * * * * * + +Vraag niet, of mijn moeder blij was. Zij zag ineens weer een nieuw +verschiet. Staande voor een muur van geldelijke verplichting, niet +wetend waarheen, loste die muur zich als door een toovermiddel op, de +harde massieve steenmassa vervluchtigde, en daar lag, vóór haar, een +open weg, ruim, zonnig, onafzienbaar. En nu was haar eerste werk, te +zorgen, dat de nieuwe kweekeling er, overeenkomstig zijn positie, netjes +uitzag, eer hij dien weg opwandelde. + +De kweekeling was ruim twaalf jaar. Dit nam niet weg, dat hij toch +aan 't onderwijzen toog. Flauw herinner ik me, dat ik tusschen kleine +kinderen doorscharrelde en ze lezen leerde. Bizonderheden staan me niet +meer voor den geest. Alleen weet ik de _plaats_, waar ik mijn eerste +kommando's uitdeelde. 't Was in het ver-afgelegen achtergedeelte van +de groote bovenschool. Zoo zijn ook allerlei andere herinneringen uit +mijn jeugd nauw verbonden aan _terreinen_, en daaruit waag ik het af +te leiden,--stoute sprong!--dat de landkaart een veel grooter rol +moet spelen bij ons geschiedenisonderwijs. 't Is mij net, of al de +herinneringen mijner jeugd, als stofjes door elkaar zouden dansen, +wanneer ik ze niet gehecht zag aan een stukje aardbodem. + +Het kweekeling-spelen bestond hoofdzakelijk uit kommandeeren en +verbieden. Dit schijnen de eerste uitspruitsels te zijn van meerderheid. +Je kunt dat bij alle kinderen zien. Wanneer ze schooltje spelen, of +moedertje, of soldaatje, zijn ze aanstonds zich aan 't oefenen in +vrijheidsbelemmeren. En je kunt dat ook bij jonge moeders en vaders +zien. Ook bij jonge onderwijzers en bij bovenmeesters. Beheerscht door +een geheime angst, dat het gezag hun ontglipt, niet vertrouwd met het +jonge leven, en er ook niet op vertrouwend, knellen ze het zoo gauw +en zoo vast mogelijk in banden. Dan blijven ze het meester, en kunnen +er mee jongleeren als met een ingespeld bakerkind. Zelfs de politiek, +en treuriger nog, de godsdienst vatten aldus hun opvoedingstaak aan. +Ze schrijven programma's voor, leggen systemen op, dwingen binnen +organisatie's, die evenwel meer lijken op dooie vlechtwerken dan +op levensuitgroeiingen, volgen het militairisme als hun model, en +zoeken eenvormigheid als hun ideaal. Organiseeren beteekent bij hen: +recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, regimenten-, bataillons-, +legermachten vormen. En opvoeden is: den baas spelen. + +Zoo begon ik als kweekeling. Menigeen brengt het nooit verder. Die +sterft als korporaal, als is het onder den naam van legerkommandant. +Hij blijft de man van bevel en dwang. Daarvoor heeft mij bewaard en +zal mij immer beschermen--ge zoudt het nooit raden, als ik 't niet +zei--de straatjongen. Doch niet de straatjongen buiten me, maar die +_in_ me. Hij, de vrijbuitende, zwerfgrage schavuit, hij leeft nog +in me. Hij, de altijd langs en over gevaarlijke kantjes gaande, de +vrijheidminner en vrijheidgunner, hij behoedt me voor gezaggerij. +Zoodra ik, verantwoordelijk, braaf, ernstig paedagoog, dreig te +ontaarden in versteening, komt hij te voorschijn, drijft den spot +met gewichtighedens, en zegt me met de brutaalste oprechtheid, dat +al die deftigheid maar larie is, dat ik er niets van meen, en dat alle +anderen in 't diepst van hun ziel er ook niets van meenen. En zoo zorgt +hij--meester-opvoeder--dat de paedagoog niet in baasspelerij ten onder +gaat. + +Wat een kweekeling later worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit +zijn eerste keus. Blijft hij met zijn oud-kameraden stoeien en ravotten, +ondanks zijn lange broek; of sluit hij zich voor goed bij den nasleep +van de volwassenen aan. In 't laatste geval wordt hij een gezagsman, +gevoelig voor strepen op de mouw en sterretjes op den kraag. In 't +eerste geval een vriend van de kinderen. In 't laatste geval wordt hij +een officieele paedagoog--in 't eerste geval blijft hij een jongen. + + * * * * * + +De theoretische opleiding, die ik gratis ontving, was heel eenvoudig. Ik +kocht bij Ten Brink en De Vries in de Hartenstraat voor vijf cent een +»Beknopt Overzicht van de Vaderlandsche Geschiedenis door A. A. Holst", +voor tien cent een »Kort Overzicht van de Algemeene Geschiedenis" van +denzelfden schrijver, voor nog eens vijf cent de beknopte »Bijbelsche +Geschiedenis" en zoo ook een beknopte Rekenkunde, Taalkunde, +Aardrijkskunde. 't Waren dunne boekjes van 32-48 bladzijden, in een +dun geel of anders gekleurd omslag--ieder overzicht had, meen ik, +zijn vaste kleur--en bestaande uit een reeks lesjes. + +Het eerste lesje ving steeds aan met een beschrijving en indeeling van +de wetenschap, waartoe het de deur opende: »Geschiedenis of historie +is het aaneengeschakeld verhaal der lotgevallen van een volk, met +inachtneming van tijden, plaatsen en personen. Men verdeelt de +geschiedenis in Algemeene, Vaderlandsche en Bijbelsche geschiedenis." + +Ik weet niet of dit citaat woordelijk getrouw is, maar 'k geloof het +wel. Ver van de waarheid zal het in ieder geval niet zijn. + +Dan volgde de opsomming der tijdvakken met de daarbij behoorende +jaartallen. De Algemeene Geschiedenis kreeg haar Oudheid, Middeleeuwen +en Nieuwe Geschiedenis, de Vaderlandsche haar vijf tijdperken. Zoo +begon de Aardrijkskunde na de onmisbare definitie met de opnoeming +der Werelddeelen. Vervolgens kreeg ieder tijdvak, ieder land zijn +afzonderlijke behandeling overeenkomstig een vast schema. + +Er is, gelijk men ziet, wel eenig onderscheid met de tegenwoordige +opleiding aan een kweekschool. Een der voordeelen was, dat de boekjes +goedkoop waren, zoodat men voor 50 cent, zijn heele bibliotheek van +leerboeken had aangeschaft. Een tweede voordeel, dat ze dun waren, +zoodat men ze zonder al te veel moeite kon doorkomen. Een derde, dat +ze de volledige wetenschap bevatten, zoodat men ineens alles wist. + +De studiemethode bestond hierin, dat men de lesjes woordelijk uit het +hoofd leerde en ze daarna opzei voor den lesmeester. »Men kende dan al +of niet zijn les." Daarmee was 't uit. Leeren was memoriseeren. Zijn les +opzeggen: een boek oplezen, zonder het boek. + +Tegenwoordig moet dat nog hier en daar in de mode zijn, zelfs op +gymnasia en hoogere burgerscholen. 't Verschil met vroeger zou dan +wezen, dat nu de boeken talrijker en dikker zijn, en daarmee in +overeenstemming de ellende ook veel grooter. In plaats van de heele +aardrijkskunde in misschien 48 bladzijden, krijgen de leerlingen nu +afzonderlijke boeken voor Nederland, Indië, Europa, de Werelddeelen, +met een of meer atlassen. En dan maar leeren. + +Ik denk er niet aan, mijn hoofdonderwijzer, die zelf een overgroot deel +onzer opleiding voor zijn rekening nam, hard te vallen over het karakter +dier opleiding. Eer bewonder ik het, dat hij 's avonds op de avondschool +nog tijd kon vinden, om onze lessen te overhooren. Maar ik moet wel +erkennen, dat ik voor mijn geestelijke ontwikkeling, zoo goed als niets +aan dat lessengeleer te danken heb gehad. En ik acht het dringend +noodig, dat heel luid uit te spreken, omdat je tegenwoordig waarlijk nog +menschen hebt en zelfs weer krijgt, die dat memoriseeren aanbevelen, +ook op wetenschappelijke gronden. Ik heb een opleiding gehad bijna +uitsluitend van geheugenvulling en ik acht het verloren tijd en +misbruikte energie, goed voor idioten, omdat die stakkerds niet beter +kunnen. + +Wij moeten elkaar echter goed begrijpen. Ik ben er niet tegen, dat men +zijn kennis vastlegt en zorgt ze te onderhouden. We studeeren waarlijk +niet, om weer te vergeten. Er is ook geen bezwaar tegen, enkele feiten, +of rijtjes woorden of getallen, er machinaal in te stampen. Maar dit is +iets anders, dan de geheele opleiding in dien toon te zetten. Hóófdzaak +bij iedere geestelijke ontwikkeling is: _belangstelling wekken_. En met +de memoriseer-cultuur wordt de belangstelling vermoord. Bij mij althans +heeft het lang geduurd, eer--dank zij het lessenleeren--ik me voor den +_inhoud_ dier lessen ging interesseeren. En toen ik daarmee begon, zaten +me nog die lessen in den weg. + +Er zal later nog gelegenheid te over zijn, op dit onderwerp terug te +komen, wanneer ik ook over mijn jongelingsjaren zal mogen verhalen. Dan +hoop ik, mede ter leering van hen die naar het oude terug willen, het +zij al dan niet onder wetenschappelijke, of would be wetenschappelijke +vlag, eens heel precies te vertellen, wat lijdens- en verstompingskuur +men ons deed doormaken. Nu, met die boekjes-van-Holst-ontwikkeling, zijn +we nog pas aan 't begin van de ellende, en daar ik spoedig deze school +en daarmee deze opleiding verliet, is het nu niet het juiste moment, die +verderfelijke cultuur met haar heidensche woordenkramerij in al haar +onvruchtbaarheid en bedriegelijken schijn ten toon te stellen. Dat komt +later, als God mij het leven en de krachten gunt. Alleen moest ik nu, +heel even, maar heel ernstig, waarschuwen voor een neiging tot terugkeer +naar het verkeerde van vroeger. Nieuwe dwaasheden rechtvaardigen geen +oude. + +En nu ik aan die verplichting heb voldaan, volgen de laatste +herinneringen aan deze school en aan mijn kinderjaren. + + * * * * * + +Ik mag tot mijn geluk zeggen, dat ik als twaalfjarig onderwijzer een +vriendje bleef van mijn oude schoolmakkers en geen collega werd van +de heeren. Met de jongens ging ik trouwer om dan met de verschillende +overzichten van Holst, en boven het leeren koos ik het spelen. Dat +waren voor mijn toekomst geen ongunstige teekenen. Een kind van 12 +jaar, dat graag zijn lessen leert, is geen echt kind en wordt dus ook +nooit een echt man. Ik wilde wel, dat de ouders in dit opzicht wat meer +vertrouwen hadden in hun leerafkeerige kinderen. Het is toch ook een +goed verschijnsel, als de kindermond geen smaak heeft in notedoppen en +oesterschelpen en de maag die onverteerd afvoert of teruggeeft. Hoe +zuiverder een kind _kind_ is, hoe meer zijn geest zich verzetten zal +tegen een zoogenoemd geestelijk voedsel, dat niets anders is dan +geestelijke cellulose. En kinderen die zulk een krachtige kindernatuur +bezitten, dat ze, niet brutaal onwillig, maar instinctief onverwinbaar, +zich verzetten tegen de verkrachting dier natuur, beloven veel voor +de toekomst. Dat zijn de gezonden, die eenmaal, als de tijd daar is, +ook krachtige mannen en vrouwen zullen zijn. In dit opzicht heeft de +wetenschappelijke paedologie schoon gelijk, waar ze beweert dat elke +leeftijd zijn speciale belangstellingen en belangen heeft, en wordt +de wetenschappelijkheid van onze grootmoeders recht gedaan, die al +verklaarden: Mettertijd komt Harmen in 't wammes en Krelis in de broek. +Met-ter-tijd. Een speelgraag kind heeft groote kans een leer- en +werkgraag man te worden. Vroege catechismus--late vroomheid. + +Wie niet onbekend is met de boekjes van Tuttie[1], herinnert zich +wellicht, dat daarin een verhaal voorkomt: _De meter van den meester._ +Dit verhaal is in hoofdzaak waar gebeurd. Het dateert uit deze periode. + +[1] De vier deeltjes van _Blond en Bruin_, 2e serie »De Wereld in!" + +Aan de overzijde van de Bloemgracht, maar een eind verder, was een +Stadsarmenschool. Daar gingen de »schooiers", met wie we vaak oorlog +voerden. Er waren geen deftiger scholen in de buurt, die in haar +meerdere voornaamheid, een voldoende casus belli konden schenken, dus +moest de »klompenschool" ons maar het krijgsgenot bezorgen. Klompen en +een stadsschool, het waren inderdaad redenen genoeg, daar behoefde maar +een geringe aanleiding bij te komen, om het oorlogsvuur te doen +ontbranden. + +We waren weer eens aan 't vechten, en ik was al kweekeling. Inplaats +van mijn positie hoog, en mijn fatsoen òp te houden, maakte ik van de +vrijheden, mij als kweekeling toegekend, misbruik. Ik mocht vroeger in +school--of móést vroeger in school, om voor een en ander te zorgen--en +haalde de jongens naar binnen, nu wel niet in 't gebouw, maar toch in de +lange overbouwde gang, die van de Bloemgracht naar 't gebouw leidde en +die onder gewone omstandigheden was afgesloten door een zware deur. + +'t Was nog vóór schooltijd, misschien acht uur, maar overal zwierven +al troepen jongens van beide partijen. De onzen verzamelden zich om +de schoolpoort, de vijanden een eind verder op de gracht. De laatsten +hadden blijkbaar een aanval in den zin en rukten hiertoe langzaam, maar +zeker, naar onze vesting op. + +Wonderlijk. Geen van de twee partijen wou vechten, en toch wilden ze het +allebei. Niemand zocht de aanraking, en toch zochten we die wederzijds. +Ieder hoedde zich voor de verantwoordelijkheid van den eersten klap, en +toch liet hij zich prikkelen en verleiden tot die verantwoordelijkheid. +Ik weet dit heel, héél goed, en begreep daardoor later zoo gauw het +wederzijds prikkelen en beschuldigen der vlootvoogden, als ik in mijn +geschiedenisboeken las, hoe deze niet het eerste schot willen lossen, +en er toch van verlangen naar brandden. Waarlijk, er is niet zulk een +reuzenverschil tusschen de veertien- en de veertigjarige jongens. Ze +zijn van één geslacht. + +Er hoopte zich een soort van gemoedselectriciteit op, bij den +eenen hoop positieve en bij den anderen negatieve, daardoor ontstond +er een geweldige spanning en moest er een ontlading volgen. Zonder +deze waren we gebarsten. Het moest bliksemen en donderen, anders kon +er onmogelijk een neutrale atmosfeer terugkeeren. Dat vechten was een +natuurverschijnsel in de physisch-ethische wereld. Belangen waren er +niet mee gemoeid, absoluut niet. Grieven bestonden er alleen in de +verbeelding en de overlevering. 't Was om de ontlading te doen, en +nergens anders om. We werden onder onbekende invloeden electrisch en +máákten ons grieven, die voor het verstand als motieven konden gelden. + +Zou het ook mogelijk kunnen zijn, dat de oorlogen tusschen de volkeren +alleen om belangen _heeten_ te gaan, en dat de belangen slechts worden +opgeworpen, omdat er oorlogskrachten in de lucht werken? Is het een +reusachtige zelfverblinding van geheele natiën en spelen geheime, +geweldige natuurmachten hun spel met de kinderen der menschen? + +'t Is slechts een vraag. + +Hoe 't zij, wij werden gedrongen tot vechten. Daartoe naderde de vijand +meer en meer, ieder oogenblik aangroeiend met nieuwe mannen; daartoe +trokken wij, ook voortdurend versterkt, ons terug in de gang. + +Eindelijk was het zoover, dat we de dikke deur moesten sluiten en +grendelen, en daar brak onmiddellijk de opgehoopte electriciteit los +in trappen, steenworpen en schreeuwen. De vijand waagde er de hakken +van zijn schoenen en de klinkers uit de straat aan, al wist hij heel +goed, dat daarvoor de deur niet bezwijken zou. Zulk een succes zou hij +waarschijnlijk ook niet begeerd hebben, want wat zou hem de toegang +hebben gebaat tot een gang, die hij toch niet zou durven binnendringen? +Daar in die donkere engte, in dat diepe hol, zou hij zich nooit wagen, +maar niettemin moest hij de deur bombardeeren, louter om den woesten +wellust van het bombardement, de zaligheid der uitbarsting! Geen berg +kan met heeter drift zijn gloeiende steenen uitspuwen, als dit jeugdig +menschdom zijn woede! + +Wij, in de donkere gang, beefden van gekrenktheid, haat, strijdlust. +Soms stonden we doodstil, luisterend naar het tieren der wilde bende, +dan weer dwaalden we onrustig rond, zinnend op wraak. Zeker, we waren +veilig, maar veiligheid is voor een edel krijgsmanshart niet genoeg. +»Kom er uit, als je durft!" jouwden ze daar buiten. En die tergende +uitdagingen joegen ons het bloed naar de wangen. Veiligheid is mooi +voor vrouwen en kinderen maar wij dorstten naar de triomf! Triomfeeren +moesten we op dien tierenden troep! Nooit zouden we den smaad kunnen +dragen, dat we uit lafheid ons hadden schuil gehouden! Liever het leven +gewaagd, dan veilig in de vernedering! Liever met eere te sneven, dan in +schande te leven! + +We zochten een middel om de verloren positie te herwinnen, en beraamden +een uitval. Plotseling zouden we de deur openen, schreeuwend naar buiten +rennen en onvervaard op den vijand losstormen. Maar dan moesten we +een wapen hebben, een flinken stok, om er op in te houwen. Nu wist +ik raad, ik, de kweekeling. Ik ging naar binnen, haalde een meter, een +vierkanten, die bij 't onderwijs dienst moest doen, en hield dien als +een slagzwaard in de vuist. + +Nog steeds beukte de vijand op de onbeweegbare deur. Hadden ze een mast +bezeten, ongetwijfeld hadden ze de Watergeuzen nagevolgd en de poort +van Den Briel gerammeid. We stonden, saamgedrongen, vlak bij de deur. +Voorzichtig schoof ik den grendel weg, bang dat men het buiten hooren +mocht. Toen trok ik het slot terug en draaide met een ruk de deur wijd +open. + +De vijand schrok. Hij deinsde. Van dat oogenblik maakten we gebruik. +Zwaaiend met den meter rende ik er op in, aanstonds gevolgd door de +heele bezetting. Schreeuwend en gillend waagden we ons midden in de +massa: een handjevol dapperen tegen de overmacht. En we zouden ze wel +verjaagd hebben, vooral omdat daarginds bijstand voor ons opdaagde en de +vijand dan tusschen twee vuren zat, als maar niet een noodlottig ongeval +ons met één slag beroofd had van ons wapen, ons élan en onze +waardigheid. + +Ik sloeg met blinde woede in 't rond en raakte zoo niet een vijand, maar +de houten paal van een hek. Door dien slag brak de meter in tweeën, het +eene eind hield ik in de hand, en het andere vloog de lucht in. + +Een ontzettend gejouw ging onder de vijanden op, een van hen wist +spoedig het weggevlogen stuk te bemachtigen, en nu renden ze weer op ons +toe. + +Grooter ongeluk had ons niet kunnen treffen. Verlamd van schrik trokken +we ons snel terug en hadden nog juist tijd de deur te sluiten. Toen +stonden we daar, vernederd, machteloos, in de donkere gang, zonder +eenige hoop op herwinning van het terrein, en met het overblijfsel +van den meter in de hand. 't Was bitter treurig. + +Eerst toen de onderwijzers kwamen, trok de vijand langzamerhand af. + +Het stuk meter legde ik op de plaats, waar ik den heelen vandaan had +gehaald. Maar daarmee was de zaak natuurlijk niet afgeloopen. In den +loop van den morgen werd ik in 't kamertje geroepen, moest daar alles +opbiechten, en meneer de kweekeling kreeg, behalve een duchtig standje, +den last voor een nieuwen meter te zorgen, met welken last hij--waar +moest hij er anders mee heen?--zijn lieve moeder bezwaarde. + +Gelukkig verdiende ik geld. Toen ik na beëindiging van het eerste +kwartaal twee rijksdaalders kreeg--ik weet nog, dat ik ze ontving--holde +ik naar huis en was zalig, dat ik mijn lieve moeder ook met dien last +bezwaren mocht. + + * * * * * + +En nu komt er tot slot iets veel ergers dan het breken van den meter. + +Een vriend van ons huis was gymnastiek-onderwijzer aan een stadsschool. +Hij vertelde dat het »aan de stad" zooveel beter was dan op een +bizondere school en spoorde mijn ouders aan, mij op een stadsschool te +doen; dan verdiende ik meer, ontving beter opleiding, en had mooier +toekomst. + +Hij deed dat met de beste bedoelingen. Mijn ouders gaven gevolg aan zijn +raad en ik kwam op een stadsschool. Zij meenden ook er goed aan te doen. +En toch.... altijd is mij een gevoel bijgebleven, dat we ondankbaar +hebben gehandeld tegenover de school op de Bloemgracht. De meester had +ons het achterstallige schoolgeld kwijtgescholden, mij tot kweekeling +gepromoveerd voor de klas, en aan 't geldverdienen gezet, en nu werd die +vriendelijkheid aldus beantwoord. + +Mijn heele leven, telkens als ik daaraan dacht, voelde ik dit als +trouwbreuk, en ook nu nog, terwijl ik het feit vertel, schaam ik mij. +Dat had de meester niet verdiend. + +Het breken van den meter heeft me nooit gehinderd, wel het breken met de +school. En toch heette het eerste een verregaand brutale daad en was het +laatste in ieders oog niet slechts geoorloofd, maar zelfs heel +verstandig. Men mag zijn belang toch wel behartigen? + +Ik kon mijn ouders niet hard vallen over hun handelwijze. Zij worstelden +zoo om het hoofd boven water te houden, dat iedere jaarwedde-verhooging +hun reeds welkom was. En dan de toekomst van hun jongen! Maar voor +mijzelf heb ik steeds het gevoel gehad, dat ik iets tegenover die school +had goed te maken. + +Wat is dat voor een gevoel? Vanwaar komt het? En waarom hindert het een +mensch? + +Zoo is het einde mijner jeugdherinneringen een zelfverwijt.... + +Maar dit mag mijn laatste woord niet wezen, gelijk ik hoop, dat het ook +ons laatste levenswoord niet zij. + + + + +SCHOONSTE VRUCHT. + + + _Aan mijn ouders._ + + Mijn laatste woord, een woord van dankende herdenken + Voor Ouderzorg zoo teer en trouw, in leed zoo groot. + Een jeugd van armoe, ziekte en worstlen--zaalge nood!-- + Zij kon mij in Uw min slechts rijker zegen schenken. + + Ik ben niet jong meer. Langzaam nadert reeds de Dood. + Ik zie zijn vinger al van verre vriendlijk wenken. + Mijn kindren trouwen--straks speelt er aan Grootvaêrs schoot + Een kleinkind--ai, wat dát een achtbaarheid zal schenken! + + En toch, ik voel me nog Uw kind, Uw dankbaar kind, + Gezegende Ouders, eens met heel mijn hart bemind, + En trots Uw sterven immer om en met mij levend. + + Uw kind, al grijst mijn haar en trilt mijn hand. + Dat is Uw werk: Gij hebt die liefde in 't hart geplant, + Thans rijpste, schoonste vrucht in dankbre liefde gevend. + + + + +_Naar 't oud te-huis._ + + + Aan mijn broeder en zuster. + + _Ons oud te-huis, 't lag overgroeit van dicht gebladert, + Verborgen in het bosch van 't stil verleden. + Toen zijn wij samen eerbiedvol genaderd, + En zijn heel zacht zijn kamers ingetreden._ + + _'t Was alles nog als vroeger.... Maar wat deden + Die vele vreemden, daar met ons vergaderd? + Waartoe had ik hen op bezoek gebeden, + 't Intieme plekje met nieuwsgierigheid dooraderd?_ + + _»Komt allen binnen!" noodde een vriendelijke mond, + »De kinderen en ook zij die niet mijn kindren heeten." + Dat was wel Moeders toon en Moeders geest._ + + _Zij leefde nog. Eén woord--'k herkende haar terstond, + Zij die van onderscheid nooit kon of wilde weten, + Voor vreemd en eigen bei, steeds Moeder is geweest._ + + + + +NASCHRIFT BIJ DEN TWEEDEN DRUK. + + +»In mijn jeugd heb ik veel hooren spreken over Oom Kuyper, die toen +reeds overleden was, maar wiens nagedachtenis in onze familie in hoog +aanzien werd gehouden als van een oprecht christen. Hij was hoofd van +een school op de Lindegracht. Zijn weduwe, de jongste zuster van mijn +vader, overleed in 1895 te Utrecht. + +Naar alle waarschijnlijkheid zijn dat de personen over wie u schrijft +op pag. 20, 55 en 56. Zelfs het hondje komt uit. Ik herinner mij, dat +mijn moeder met afkeer sprak over »Jenny" van tante Lena, die zoo +afschuwelijk kefte. + +Ik ben in het bezit van een portret van beiden, en gerekend naar de +vriendelijke wijze waarop u over hen schrijft, vermoed ik dat u er +prijs op zult stellen die portretten eens te zien." + + * * * + +Dezen brief ontving ik 23 Januari 1914. + +De portretten waren bij den brief ingesloten en ik mocht ze een +maand lang behouden. Ze hebben die maand, dag aan dag bij me gestaan. +Herhaaldelijk heb ik ze met liefde en groote aandacht beschouwd, mij +daarbij geheel verliezend in het verleden. Maar ofschoon het portret, +met die zachte, vriendelijke oogen en gelaatstrekken, zeker sprekende +gelijkenis toonde, ik herinnerde mij geen enkele uiterlijkheid, en +herkende mijn meester niet. Wel begreep ik, dat de uitdrukking van +zijn gelaat zoo had moeten zijn, maar verder kon ik het niet brengen. + +Dit is een ervaring, waarmee de opvoeding haar voordeel kan doen. Als +kind van 7, 8, 9, 10 jaar heb ik dien meester dagelijks gezien en mijn +geest heeft geen duurzaam beeld van zijn uiterlijk opgenomen. Ik heb +echter met hem verkeerd en mijn gemoed heeft een zeer juist beeld van +zijn innerlijk gevormd en bewaard. Immers: Ik voelde in hem een waar +christen, en thans, jaren later, komt een neef mij bevestigen, dat die +indruk volkomen zuiver was. + +_Kinderen voelen ons innerlijk._ + +Ziedaar de waarheid, die uit dit feit tot ons spreekt. En daarom: +bedrieg u niet. Speel geen komedie met de jeugd, verwacht niet dat de +kinderen uw innerlijke gezindheid niet zullen opmerken, omdat ze maar +kinderen zijn. Zij photografeeren in de camera obscura van hun hart uw +gemoed veel helderder en nauwkeuriger, dan hun oog uw uiterlijk ziet, en +in dat hart bewaren ze het voornaamste deel van uw persoonlijkheid, niet +het steeds veranderend uiterlijk, maar het zichzelf gelijk blijvend +innerlijk. + + * * * + +Treffend wordt deze opmerking bevestigd door een tweeden brief, dien ik +21.2.1914 ontving: + +»Toen onze nieuwe pastorie hier werd gebouwd, moesten we 'n tijd in +pension te D. en woonden toen naast 'n emeritus-predikant Beekman. Deze +vertelde mij in dien tijd van z'n jeugd en ziedaar, nu had u van zijn +vader, den koekbakker, nog onderwijs gehad. Toen ik uw boek had gelezen, +heb ik hem dadelijk geschreven, dat hij het portret van zijn vader moest +koopen. En 'n paar weken geleden, er een bezoek makende, vertelde mij +z'n dochter, ook zich haar grootvader nog zeer goed te herinneren en +diens liefde voor kinderen." + +Die liefde voor kinderen had ik dus als kind weer zuiver gevoeld. + +Nog vele en zeer hartelijke brieven hebben mijn »Jeugdherinneringen" +me bezorgd, van oude vrienden en buurmeisjes, die alles bijna geheel +onderschreven, en van vreemden, die in mijn verleden, hun eigen verleden +herleefd zagen. Hoe velen hebben mij verteld, dat hun vader dezelfde +zwakheden en beminnelijkheden had als de mijne! + +Een der brieven maakte melding van een bizonder opmerkelijke +overeenkomst. »Zelfs", heette het, »heb ik hetzelfde kindergebedje +'s avonds opgezegd, en de regel, dien u vergeten hebt, luidde: Ach, +vergeef mij al mijn zonden!" + +Inderdaad, zoo was het, en het is schandelijk, dat juist die regel me +ontschoten was, waar ik zoo dringend noodig had, om die vergeving van +»al mijn zonden" dagelijks te bidden. + +Gelukkig, dat de verlorene me teruggebracht is, want zulke regels kan +een mensch eigenlijk nooit missen. + + Mei 1914. + + +BIJ DEN DERDEN DRUK. + +En nu ontving ik sedert weer vele vriendelijke uitingen van +belangstelling. Een dezer wil ik, en mag ik, hier opnemen. + +Mej. J. M. van Schelven schreef me 30 Augustus 1914 uit Amsterdam o. a.: +»Eén passage trof mij vooral. 't Was daar, waar U het hadt over een +zekeren Mijnheer Sanders, die op de Heeren- of Keizersgracht woonde en +die Uw Moeder enkele malen heeft mogen bijstaan. Die Mijnheer Sanders +was mijn Grootvader. Hij woonde Heerengracht 568. Moeder vertelt ons +vaak, dat Grootvader zoo bizonder milddadig was. Zoo weet Moeder zich +nog te herinneren, dat elken Maandagochtend de gang van het benedenhuis +vol menschen stond, die door hem geholpen werden. Ook was hij van een +zeer melancholieke, zwaarmoedige natuur. Dit klopt alles merkwaardig met +wat U over hem schrijft." + +Bij lezing van dit briefje, was ik dubbel blij, dat ik den naam van +den Heer S. genoemd had: niet alleen omdat mijn herinneringen nu een +nieuwe bevestiging ontvingen, maar bovenal omdat ik nu een woord van +erkentelijke liefde heb kunnen wijden aan de nagedachtenis van een braaf +man, onverplichte en daarom te meer ongeveinsde hulde. + +Mej. van Schelven merkt nog op: »Ik denk, dat Moeder het ook wel aardig +zal vinden, dat iemand zoo over haar Vader schrijft." + +Terecht. Hoe heerlijk, als onze Ouders aldus nog na hun verscheiden +gezegend worden. We zouden ons bijna inspannen.... onzen kinderen ook +dat geluk te verzekeren. + + Nov. 1914. Jan L. + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + De bewaarschool 1 + De eerste lagere school 19 + Tusschen school en huis 42 + In huis 59 + In huis (_vervolg_) 78 + Nog in huis 95 + Straatjongen 118 + Nog straatjongen 133 + Nóg straatjongen 149 + Kinderkerk en zondagsschool 166 + Verandering 182 + De tweede lagere school 198 + Goede school 214 + Jordaanpaedagogiek 228 + In 't nieuwe huis 240 + Van een vloek een zegen 251 + In een nette buurt 266 + Moeder vertelt 282 + Ik word kweekeling 301 + Schoonste vrucht 320 + Naar 't oud te-huis 321 + Naschrift bij den tweeden druk 322 + + + + + +------------------------------------------------------+ + | | + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: twee dochters Juffrouw Fietje, | + | C: twee dochters, Juffrouw Fietje, | + | B: »Geef eerst je pet hier.' ' | + | C: »Geef eerst je pet hier." | + | B: dan »de Schoolstrijd--spreken | + | C: dan »de" Schoolstrijd--spreken | + | B: »op-en neer donderen" | + | C: »op- en neer donderen" | + | B: vast uur, hoor hij dat | + | C: vast uur, hoort hij dat | + | B: Vondel zou zeggen: Sluit voor | + | C: Vondel zou zeggen: »Sluit voor | + | B: Vader sloeg uit drift Je | + | C: Vader sloeg uit drift. Je | + | B: aardappels 's middag's van den schotel | + | C: aardappels 's middags van den schotel | + | B: de echte paedegoog. »Zoo stijf | + | C: de echte paedagoog. »Zoo stijf | + | B: ons bij 't vertrek? Dank u wel, | + | C: ons bij 't vertrek. »Dank u wel, | + | B: een doodziek kind, een sterzende zieke | + | C: een doodziek kind, een stervende zieke | + | B: vaste plaatsje, in de Eglantierstraat, | + | C: vaste plaatsje, in de Eglantiersstraat, | + | B: onze nagalmen het schermerduister in. | + | C: onze nagalmen het schemerduister in. | + | B: Bij juffrouw Gotman van de eerste | + | C: Bij juffrouw Gottman van de eerste | + | B: niet meer. Die »verzamelingen» kwamen na en | + | C: niet meer. Die »verzamelingen" kwamen na en | + | B: dat--door ,t _werken_--in | + | C: dat--door 't _werken_--in | + | B: school, dan dit ik het hier | + | C: school, dan dat ik het hier | + | B: Ton nom soit sanctifiè. | + | C: Ton nom soit sanctifié. | + | B: dat deze overgang mij onmiddelijk als een | + | C: dat deze overgang mij onmiddellijk als een | + | B: recruteeren, reglementeeren disciplineeren, | + | C: recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, | + | B: worden zal, kun je onmiddelijk afleiden uit | + | C: worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit | + | B: nog die lesseen in den weg | + | C: nog die lessen in den weg | + | | + +------------------------------------------------------+ + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN *** + +***** This file should be named 31107-0.txt or 31107-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/1/1/0/31107/ + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that: + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + diff --git a/31107-0.zip b/31107-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..eb57228 --- /dev/null +++ b/31107-0.zip diff --git a/31107-h.zip b/31107-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3dde7c5 --- /dev/null +++ b/31107-h.zip diff --git a/31107-h/31107-h.htm b/31107-h/31107-h.htm new file mode 100644 index 0000000..1be81ea --- /dev/null +++ b/31107-h/31107-h.htm @@ -0,0 +1,9292 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" +"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" /> +<meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> +<title>The Project Gutenberg eBook of Jeugdherinneringen, by Jan Ligthart</title> +<link rel="coverpage" href="images/cover.jpg" /> +<style type="text/css"> + + body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;} + + h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; font-size: 225%;} + h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 4em; margin-bottom: 1em; font-size: 100%;} + h3 {text-align: center; clear: both; margin-top: 3em; font-size: 125%;} + + h2.subtitel {margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1em; font-size: 75%;} + + p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em; text-align: justify; text-indent: 1em;} + p.noi {text-indent: 0em;} + p.tp {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em; text-align: center; text-indent: 0em;} + p.tbhoog {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: 10%; margin-right: 10%; + text-align: center; vertical-align: 0.8em; text-indent: 0em;} + .tblaag {vertical-align: -0.8em;} + + div.titel {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em; text-align: center;} + div.uitgever {margin-top: 6em; margin-bottom: 3em; margin-left: auto; margin-right: auto; width: 32em; + text-align: center; font-size: 75%; padding-top: 1.5em; border-top: 1px dotted black;} + div.drukker {margin-top: 6em; margin-bottom: 6em; margin-left: auto; margin-right: auto; + text-align: center; font-size: 67%; width: 25em; padding-top: 1.5em; padding-bottom: 1.5em; + border-bottom: 1px dotted black; border-top: 1px dotted black;} + div.pillo {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em; text-align: justify; text-indent: 1em;} + div.inhoud {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;} + + hr {width: 33%; clear: both; + margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; margin-left: auto; margin-right: auto;} + hr.tb {border-style: none;} + hr.fnsep {width: 10%; text-align: left; margin-top: 0.5em; margin-left: 0; margin-right: 0;} + hr.chend {width: 15%;} + + .pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right; + font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal; + letter-spacing: normal; color: #888888;} + span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";} + + /* TABLES */ + table {margin-left: auto; margin-right: auto; + padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;} + td.tdl {text-align: left; padding-left: 0.5em; padding-right: 5em;} + td.tdr {text-align: right; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;} + + /* ALIGN */ + .right {text-align: right;} + .i1 {text-indent: 1em; text-align: left;} + .ri2 {padding-right: 2em; text-align: right;} + .floatleft {float: left;} + + .mixcap {font-variant: small-caps;} + .g {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-style: normal;} + ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} + + /* IMAGES */ + .figcenter {margin: auto; text-align: center;} + + /* FOOTNOTES */ + .footnote {margin-left: 5%; margin-right: 5%; font-size: 0.9em;} + .footnote .label {position: absolute; right: 89%; text-align: right; text-decoration: none;} + .fnanchor {vertical-align: super; font-size: 0.8em; text-decoration: none;} + + /* POETRY */ + .poem {margin-left: 10%; margin-right: 10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem .stanza2 {margin: 1em 0em 1em 0em; text-align: center;} + .poem .stanza3 {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto;} + + .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i1 {display: block; margin-left: 1em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i6 {display: block; margin-left: 6em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.ri1 {display: block; margin-right: 1em; padding-left: 3em; text-indent: -3em; text-align: right;} + + .size75 {font-size: 75%;} + .size120 {font-size: 120%;} + .size150 {font-size: 150%;} + + /* Transcriber Note */ + .TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; border: 1px solid; padding: 1em; + background-color: #dddddd; font-family: sans-serif; font-size: 90%;} + .TNbox h1 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0;} + .TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;} + .TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;} + .TNbox th {text-align: left;} + .TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;} + td.td2 {width: 20%;} + td.td4 {width: 40%;} + + </style> +</head> + +<body> + +<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold;'>The Project Gutenberg eBook of Jeugdherinneringen, by Jan Ligthart</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online +at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you +are not located in the United States, you will have to check the laws of the +country where you are located before using this eBook. +</div> +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Jeugdherinneringen</div> +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Jan Ligthart</div> +<div style='display:block;margin:1em 0'>Release Date: January 28, 2010 [eBook #31107]<br /> +[Most recently updated: November 22, 2021]</div> +<div style='display:block;margin:1em 0'>Language: Dutch</div> +<div style='display:block;margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div> +<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Branko Collin and the Online Distributed Proofreading Team</div> +<div style='margin-top:2em;margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN ***</div> + +<div class="TNbox"> + + <h3>Opmerkingen van de bewerker</h3> + + <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. + Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p> + + <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.</p> + + <p>De voetnoten zijn naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.</p> + + <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een + <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>, + waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.<br /> + Variaties in spelling (met/zonder trema, met/zonder afbreekstreepje) zijn behouden.</p> + + <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan + <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p> + + <p>Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn + dat deze links voor u niet werken.</p> +</div> + +<div class="figcenter" style="width: 535px;"> +<img src="images/cover.jpg" width="535" height="720" alt="" title="" /> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="i"></span><a id="p_i"></a></p> + +<h3>JEUGDHERINNERINGEN.</h3> + +<p><span class="pagenum" title="ii"></span><a id="p_ii"></a><br /> +<span class="pagenum" title="iii"></span><a id="p_iii"></a><br /> +<span class="pagenum" title="iv"></span><a id="p_iv"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 566px;"> +<img src="images/frontispiece.jpg" width="566" height="720" alt="foto Jan Ligthart" title="" /> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="v"></span><a id="p_v"></a></p> + +<div class="titel"> + +<h1>JEUGDHERINNERINGEN</h1> + +<p class="tp size75">VAN</p> + +<p class="tp size150">JAN LIGTHART.</p> + +<p class="tp size75">ACHTSTE DRUK.—VOLKSUITGAVE.</p> + +<div class="uitgever">BIJ J. B. WOLTERS' U. M.—GRONINGEN, DEN HAAG, 1922.</div> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="vi"></span><a id="p_vi"></a></p> + +<div class="drukker">BOEKDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.</div> + +<p><span class="pagenum" title="1"></span><a id="p_1"></a></p> + +<h2 id="DE_BEWAARSCHOOL">DE BEWAARSCHOOL.</h2> + +<p>Van mijn eerste levensjaren weet ik alleen iets door mededeelingen +mijner moeder. Zij hield er van, ons veel te vertellen van haar eigen +jeugd en ook van onze eigen lotgevallen. Daardoor weet ik, dat ik in een +koekwinkel geboren ben—'t zal wel geweest zijn in de bedstede van de +huis- en slaapkamer achter den koekwinkel—; dat ik een oude, deftige +baker heb gehad, Baker Zandbrink, die alleen voorname diensten aannam, +maar mijn moeder grootendeels uit vriendschap hielp; dat mijn tante +Hendrika zoo dol op me was, dat ze altijd met me uit wou, en ik dan op +haar arm zat te springen, en dat ze dan trotsch op me was, omdat de +menschen me zoo'n mooi kind vonden; en dat ik mijn moeder driemaal een +doodschrik op 't lijf heb gejaagd, door eenmaal van een hooge trap te +vallen, een ander maal een erwt hoog in mijn neus te werken, en een +derden keer een haaknaald in mijn keel te steken, zoodat niemand het +geweerhaakte ding er uit kon halen, dan alleen de dokter, naar wien mijn +moeder in haar angst met mij heen vluchtte. 'k Heb een flauwe +herinnering, dat ik ook nog eens uit een fleschje terpentijn heb +gedronken, maar dat weet ik niet precies meer.</p> + +<p><span class="pagenum" title="2"></span><a id="p_2"></a></p> + +<p>Natuurlijk vertel ik deze dingen niet, omdat ze ook maar eenigermate +belangrijk zouden zijn, maar alleen om te doen uitkomen, welke +mededeelingen in mijn geheugen zijn gebleven. Duizend andere dingen +heeft mijn moeder me zeker ook verteld, die ik nu totaal vergeten ben. +En terwijl ik de namen van allerlei dingen en menschen, die ik later in +'t geheugen prentte, met moeite vasthield en vaak weer losliet, is de +naam van Baker Zandbrink, ofschoon nooit opzettelijk geleerd en +gerepeteerd, ofschoon zeker in meer dan veertig jaren niet bewust +geworden, mij steeds in alle stilte blijven vergezellen. Jammer, dat men +in zulke namen niet geëxamineerd wordt: daar gebruikt de beschaving +andere namen voor, die niet zoo dicht bij het kind liggen.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Mijn persoonlijke herinneringen gaan terug tot mijn derde of vierde +jaar, tot mijn bewaarschool-periode. Ik ben achtereenvolgens op twee +bewaarscholen geweest, waarvan ik mij enkele hoofdzaken nog goed kan +voorstellen.</p> + +<p>We woonden toen te Amsterdam in een kruidenierswinkel. Het hooge huis +stond op den hoek van de Eglantiersgracht en de derde +Eglantiersdwarsstraat. Van dat huis en de omgeving, van de geheele buurt +weet ik nog bijna alles. Maar we hebben er ook zes à acht jaar gewoond, +dus kan ik niet nagaan, uit welken leeftijd die beelden dagteekenen. De +<span class="pagenum" title="3"></span><a id="p_3"></a>bewaarschool, althans de eerste, heb ik alleen in mijn derde of vierde +jaar gezien, later niet meer, en ik weet nog precies, dat er binnen een, +naar mijn meening, <i>groote</i> ruimte was, waar heel veel kinderen +zaten—van de banken weet ik niets meer af—en dat aan 't eind van die +ruimte een houten trapje naar een verhooging voerde, waarop, onder 't +koffiedrinken, de juffrouw plaats nam aan een tafeltje. Ik heb nu nog +den indruk, dat die juffrouw van haar hooge zitplaats ons heele rijk +overzag en we dus niets ongerechtigs konden doen.</p> + +<p>Van 't leeren weet ik niets meer, noch van vertellingen, noch van +versjes. Mijn geheele leven in die school wordt vertegenwoordigd door +maar één beeld: het koffieuurtje. De kinderen zitten omlaag, de juffrouw +omhoog. Eer we beginnen te eten, roepen alle kinderen in dreuntoon: +„Smakelijk eten, juffrouw Mina!” en de juffrouw antwoordt uit haar +hoogte met vriendelijke bewaarschooljuffrouwstem, wat hoog van klank en +zeer te-gemoet-tredend van toon: „Smakelijk eten, kindertjes!” Na afloop +van het boterham-eten zeggen de kinderen: „Welvolkomen, juffrouw Mina!” +Waarschijnlijk: „Wel bekome 't u, juffrouw Mina!” Maar in mijn ooren +hoor ik nog thans het zeurend gezang van het heele kinderkoor: +„Welvolkomen, juffrouw Mina!” En daarop weer de hooge, inborend +welwillende stem van de juffrouw: „Welvolkomen, kindertjes!”</p> + +<p>Er is zeker wel gebeden en gedankt in de bewaarschool, ook gezongen, +maar ik weet er niets meer van. En ik vermoed, dat ik die +koffietafel-beleefdheden <span class="pagenum" title="4"></span><a id="p_4"></a>alleen onthouden heb, doordat mijn oudere +broers er mij thuis vaak mee plaagden. Die riepen telkens op zeurenden +kindertoon en dan weer met piepende juffrouwen-stem door 't huis +spottend na, wat daar in de bewaarschool zoo goed bedoeld en ernstig +uitgevoerd werd. En zoo zijn zeker de fatsoenlijke manieren, die +juffrouw Mina er bij ons inbracht, niet bewaard gebleven door haar +welmeenenden ernst, maar door de onbarmhartige vroolijkheid van een paar +ongevoelige spotters. Ik herinner me nog goed, dat die bespotting mij +hinderde en wat pijn deed. De zaak was voor mij iets ernstigs, misschien +alleen door den plechtigen dreun, maar toch, ze was met een ernstige +stemming door mijn kindergemoed verweven, en ik voelde het als pijn, +wanneer in dat weefsel gescheurd werd.</p> + +<p>Den weg naar deze bewaarschool zie ik nog voor me. Eerst uit de +huiskamer een trapje af naar den winkel. Dan den winkel door. Over de +platte blauwe stoep. Nu op straat. Aanstonds de hooge brug over, die—we +woonden immers op een hoekhuis—bijna vlak voor 't huis lag. En dan +rechtsaf, de „gracht” op, dat is eigenlijk de kade langs de gracht. Bij +'t woord gracht dachten wij nooit aan 't gegraven water, maar altijd aan +de beide wegen ter weerszijden er van. Iemand woonde in onze taal nooit +„aan”, maar op de gracht. De bewaarschool lag dus aan de overzijde van +de gracht, rechts van de brug. Ik zie die „kleine steentjes” nog, het +voetpad van klinkers, waarop we altijd liepen, vlak langs de stoepen der +<span class="pagenum" title="5"></span><a id="p_5"></a>huizen. De „groote steenen”, de keien, lagen daarnaast, op den rijweg. +Wanneer we naar school gingen, kregen we altijd de waarschuwing mee: „Op +de kleine steentjes loopen, hoor!” en dan liepen we, dikwijls hand aan +hand, op de kleine steentjes naar school, nadat mijn oudste zuster ons +eerst de brug over had gebracht.</p> + +<p>Om in school te komen, moesten we van de gracht af eerst een poortje en +een met klinkers bestrate gang door. Hoe we uit die gang in 't +schoollokaal kwamen, weet ik niet meer. Ik zie alleen de gang, en dan, +zonder tusschenschakels, de schoolruimte met de hooge tribune voor +Juffrouw Mina, deftiger genoemd: Mejuffrouw Gottman. Ook háár naam heeft +in mijn geheugen een onvervreemdbare plaats.</p> + +<p>Die weg naar school is voor mij éénmaal een kruisweg geweest. Niet door +de school, want van die school herinner ik me niets onaangenaams. +Maar....</p> + +<p>Vóór mijn zesde jaar leed ik eenigen tijd aan bedwateren. Er zijn ook +thans nog kinderen, die daaraan lijden. Daarom wil ik nauwkeurig mijn +herinneringen betreffende die „ziekte” vertellen. Wellicht helpt het +hen.</p> + +<p>Ik geloof niet, dat mijn ouders, broers en zusters het toen voor een +ziekte of een zwakte aanzagen. Sterk heb ik nog den indruk, dat men het +mij als iets schandelijks verweet. Nog hoor ik me boos toevoegen: +„Leelijke pis-in-bed.” En daarbij voelde ik mij zoo hulpeloos schuldig.</p> + +<p>Men scheen te denken, dat ik uit luiheid maar in <span class="pagenum" title="6"></span><a id="p_6"></a>bed bleef liggen. Als +ik maar niet zoo lui was, zou ik wel opstaan. Heel zeker weet ik echter, +dat het niet zoo was. En dat weet ik zoo bizonder zeker door een droom, +dien ik nooit vergeten ben.</p> + +<p>Op de bewaarschool bij Juffrouw Mina was er voor de kleine jongetjes +geen urinoir. Die moesten maar, op een binnenplaatsje, in een vierkant +steenen putje wateren, dat waarschijnlijk in een riool uitliep. Nu +droomde ik op een keer, dat ik bij dat steenen putje stond, maar er lag +een groen geverfd houten deksel op. Ik moest toch zoo erg, maar ik +durfde niet, om dat mooie, groene deksel. Maar ik kon het niet meer +tegenhouden, en toen het eenmaal gebeurd was, werd ik met een schrik +wakker. Een oogenblik was ik wanhopig en toen kroop ik diep weg onder de +dekens, om me te verstoppen tegen de schande die straks weer zou +losbreken.</p> + +<p>Uit dit tijdperk heb ik herinneringen van diepgaande smart. Het maakte +mij schuw en angstig. Er was geen vertrouwelijkheid tusschen de anderen +en mij. Ik voelde mij een eenling, maar niet een prinsje, verdwaald +onder menschen van de straat. Eer zoo iets als een ziek hondje, dat +overal wegkruipt en dan nog uit de veilige hoekjes wordt weggeschopt. +Nog zie ik dat kleine jongetje 's morgens in zijn nat hemdje rondloopen +en hoor ik den grauw van deze of gene: „Ga weg, stinkende pis-in-bed.”</p> + +<p>Nu moet men niet denken, dat mijn gezinsleden zoo harteloos waren. Wel +het tegendeel. Ik had mijn moeder héél lief en heb haar verafgood. En +mijn vader <span class="pagenum" title="7"></span><a id="p_7"></a>was ook een beste man. Over de jongere gezinsleden viel ook +niet te klagen, maar een pis-in-bed was nu eenmaal een pis-in-bed, en +die was een ellende, vooreerst voor het broertje, dat met hem in één bed +moest slapen, dan voor de zuster, die elken dag de bedden moest afhalen +en opmaken, en eindelijk voor moeder, die uit een leege linnenkast maar +altijd schoone lakens moest krijgen. Hoe moest men dat kwaad bestrijden? +Door schelden en slaan. Men wist niet beter. En zoo ging ik gebukt onder +schande en angst voor klappen.</p> + +<p>Deze middelen hielpen echter niet. Wel hielp het, wanneer men mij elken +avond, eer de ouderen naar bed gingen, even wakker maakte en er uit +haalde. Dat gebeurde vaak weken achter elkaar. Dan kwam mijn oudste +zuster, een heel lief meisje, en nam mij op. Slaapdronken zette zij mij +neer. En dan stak ze haar vinger in de hoogte en zei: „Goed luisteren, +of we iets hooren.” Hoorden we dan wat, dan waren we allebei gelukkig, +zij en ik. Dan keek ik nog eens de kamer rond, zag het nachtlichtje +flikkeren—een waspitje op patentolie in een gewoon drinkglas—en voelde +me zoo gelukkig, zoo stil gelukkig. En wanneer ze me dan weer in bed lei +en lekker toestopte, sliep ik dadelijk, rustig in volkomen veiligheid.</p> + +<p>Of men—'t was een druk gezin: een winkel, vijf kinderen, en nog twee +jongens in huis—of men deze doeltreffende maatregelen dan maar weer +naliet, of dat ze op den duur toch niet hielpen, ik weet het niet,<span class="pagenum" title="8"></span><a id="p_8"></a> maar +op zekeren dag werd er tot iets verschrikkelijks besloten. Schelden had +niet geholpen, klappen ook niet, dan moest ik maar hebben wat er +bijstond. Op een stuk papier werd met groote letters geschreven: Jan Pis +in bed. Dat papier werd op mijn rug gespeld. En zoo werd ik door mijn +oudste zuster naar de bewaarschool van Juffrouw Mina gebracht. Toen is +deze weg mij een kruisweg geworden.</p> + +<p>O, ik kan het niet vergeten, ik heb het nooit kunnen vergeten, die +wanhopige smart, die machtelooze wanhoop. Ik <i>wilde</i> het papier niet op +mijn rug hebben, ik <i>wilde</i> niet. Ik worstelde tegen, huilde, trapte, +maar 't gaf niet. Eenige volwassenen zijn met elkaar sterker dan een +bewaarschoolkind, en het moest. Schreeuwende werd ik den winkel +uitgesleept, de blauwe stoep over, de straat op. Zoodra ik op de straat +was, ging ik loopen. Ik schaamde me voor het publiek, kon geen +straatscène maken. Daarvoor was ik te trotsch. De menschen hadden er +niets mee te maken. Maar ik liep als een kleine gebrokene. Iedereen kon +zien, kon lezen, wat er op mijn rug gespeld was, en ik schoof schuin +voor mijn zuster om een bedekking te hebben.</p> + +<p>Die eene schoolgang is voor altijd in mijn geheugen gebeten. Van alle +gangen naar school zie ik alleen deze. De gracht was als een +eindeloosheid. En ik schreide maar, schreide hevig, maar stil. Ik was +radeloos. Gelukkig kwam eindelijk het poortje, waardoor ik met mijn +schande weg kon sluipen van de openbare straat. Doch nu kwam een nieuwe +angst. Nu<span class="pagenum" title="9"></span><a id="p_9"></a> zou de juffrouw het zien, en al de kinderen. En ik smeekte +mijn zuster, nu toch asjeblieft het papier van mijn rug te nemen.</p> + +<p>Ze was zoo barmhartig. Dat gaf lucht. Schande drukt zoo zwaar. Ook al, +ja misschien bovenal op een kind.</p> + +<p>Ik heb een idee, dat ik dien heelen dag stil ben geweest. Maar misschien +is het ook niet zoo. Ik weet het niet. Kinderen vergeten zoo gauw, zegt +men. Ik heb echter meermalen kinderen uren en zelfs dagen lang stil +gezien onder een veel geringere emotie. En die eene gang naar school was +voor mij, bijna letterlijk, een breken van mijn hart.</p> + +<p>Het bedwateren is overgegaan. Hoe, dat weet ik niet meer. Maar zeker wel +vóór mijn zesde jaar. Of het door die heftige emotie geweest is? Ik weet +het niet, ik weet het niet. Maar dit weet ik wel: er is door dit middel +meer in me vernield, dan hersteld.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Natuurlijk—dat zag ik later in—was die heele openbare vernedering maar +een komedie. Er was geen papier op mijn rug gespeld, al had ik het +papier ook gezien en het opspelden gevoeld. Men had mij maar bang willen +maken, met goede bedoelingen, zeker, maar met slechte gevolgen. Zulk een +bangmakerij is bij velen nog een opvoedingsmiddel, een middel dat, waar +'t oude kwalen genezen moet, nieuwe veroorzaakt.</p> + +<p>Tot mijn kindergebreken schijnt ook te hebben<span class="pagenum" title="10"></span><a id="p_10"></a> behoord, dat ik weleens +in den spiegel keek. Om me hiervan terug te schrikken werd me wijs +gemaakt, dat in den spiegel Haantje Pik woonde. En als ik dan in den +spiegel keek, zou Haantje Pik eensklaps te voorschijn komen en me de +oogen uitpikken.</p> + +<p>Ik geloofde dat niet. Maar eens op een keer zette men mij op een stoel +voor den spiegel, om te zien dat het waar was. Het was avond en ik zou +naar bed gaan. Mijn hanssopje had ik aan, en mijn slaapmutsje op. De +mannen en jongens, ook al de kleintjes, droegen in dien tijd puntige +slaapmutsjes met een kwastje aan de punt, zoogenaamde „bakkertjes”; de +vrouwen en meisjes borgen des nachts hun haar in gehaakte nachtmutsjes. +Daar stond ik dus, jongetje van zeker niet ouder dan vier of vijf jaar, +in mijn wit hanssopje en gebreid bakkertje op den stoel, en keek vol +verwachting in den spiegel.</p> + +<p>Plotseling zag ik daar een hand boven mijn hoofd, die de punt van mijn +slaapmutsje beet pakte en dit met een ruk van mijn hoofd trok. Dat deed +Haantje Pik. Ik bestierf het bijna van schrik, waggelde op mijn stoel, +en werd zeker doodelijk wit. Als een der ouderen me niet aanstonds +gegrepen had, zou ik stellig tegen den grond zijn geslagen. Nu werd ik +gerustgesteld, dat iemand achter me had gestaan en de muts had gegrepen, +dat het maar een aardigheidje geweest was. Maar de schrik zat er in en +langen tijd ontweek ik angstig den spiegel.</p> + +<p>Erger was het, als zulke schrikaanjagingen en bangmakerijen niet +geschiedden met een opvoedkundige<span class="pagenum" title="11"></span><a id="p_11"></a> bedoeling, maar louter tot vermaak +voor de ouderen. Men maakte me vaak bang door angstig te roepen: „Jan, +kijk eens achter je!” Dan schrok ik hevig, of er een spook achter me +was, dat me meteen aan zou grijpen, en ik vloog hard weg, naar moeder, +of naar bed. Meest was dit een pleziertje voor 's avonds, als ik in mijn +nachtkleeren goênacht had gezegd. Dan riep een der oudere jongens: „Jan, +kijk eens achter je!” en ik holde naar bed. Ik hoorde luid gelach, ook +booze woorden van moeder, omdat ze een klein kind zoo plaagden, maar was +pas rustig, als ik mij diep onder de dekens verstopt had.</p> + +<p>Hoe deze angsten in mijn gemoed hebben doorgewerkt, kan wel blijken uit +het feit, dat ik later, zelfs nog toen ik ongeveer 20 jaar oud was, 's +avonds op een eenzamen weg naar huis keerend, soms plotseling achter me +keek, of me iemand op de hielen zat, en ook wel eens een enkel maal niet +durfde omkijken, maar gejaagd naar huis liep, terwijl het koude zweet me +uitbrak. En toen was ik twintig.</p> + +<p>Dat had de onschuldige plagerij van een paar groote jongens gedaan, die +natuurlijk absoluut geen idee hadden van hetgeen hun pret in het +kindergemoed uitwerkte.</p> + +<p>Men zal begrijpen, dat ik, ouder geworden, nooit kleine kinderen heb +kunnen plagen of bangmaken, en deze liefhebberij van volwassenen altijd +met ernst en beslistheid bestreden heb. Hier lag een smartelijke +ervaring achter, en meer dan een.</p> + +<p>Een der heilzaamste gevolgen van zulke ervaringen<span class="pagenum" title="12"></span><a id="p_12"></a> is, dat we anderen +leeren ontzien. Zoo kunnen we nog wel eens dankbaar zijn voor het leed, +dat ons anderen leert begrijpen, sparen, helpen, ook redden.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>De bewaarschool van Juffrouw Mina verliet ik, om voor mij onbekende en +ook totaal onverschillige redenen, en ik ging nu naar de school van +Juffrouw S., een huis of tien van ons af op dezelfde gracht. Er was een +oude moeder en twee dochters<ins class="corr" id="corr1" title="Niet in Bron.">,</ins> Juffrouw Fietje, de oudste, en +Juffrouw Doortje, die een rond, kleurig gezicht had en wat scheel zag. +Zij was een goedaardig mensch, maar haar oudere zuster was erg +bijdehand. Sommige jongetjes spraken van „Schele Door”, „Valsche Fie” en +„Ouwe Na”. Maar dat vond ik te oneerbiedig. Ik zag veel te hoog tegen ze +op.</p> + +<p>De bejaarde moeder had grijs haar, dat zij steeds, aan weerszijden der +scheiding plat weggestreken, onder een wit mutsje verborg. Juffrouw +Fietje was donker van oogen en haar, en geel van tint. Juffrouw Doortje +had bij haar ronde, blozende wangen, schele blauwe oogen. Als ze ons +aankeek, hield ze altijd het hoofd een beetje schuin. Ik dacht, omdat ze +ons anders niet zien kon, zooals een duif zijn kopje scheef draait, om u +te kunnen bekijken. Ze was lief. Misschien wat te onnoozel voor de zaak, +maar ik voelde haar simpele goedheid, en die voel ik nu nog. +Hartmemorie.</p> + +<p>Het is wel opmerkelijk, dat ik van Juffrouw Mina heelemaal geen +voorstelling bewaard heb en van de dames S. wel. Maar vooreerst was ik +nu iets ouder,<span class="pagenum" title="13"></span><a id="p_13"></a> maar dan ook is de konnektie langer aangehouden dan tot +mijn afscheid van de school, zooals later blijken zal.</p> + +<p>Van haar schoollokaal herinner ik mij zeer wel, dat het een rechthoekige +ruimte was. De rijen banken, lange zitbanken, enkele met schrijftafels, +stonden evenwijdig met de lange rechthoekszijden. Aan den voorwand +hingen de negen leestafels van Prinsen. Er was maar één raam, dat in een +der korte zijden, precies in den hoek, uitzicht gaf op muren en daken. +In den hoek der andere korte zijde was de deur, ongeveer aldus:</p> + +<div class="figcenter" style="width: 680px;"> +<img src="images/ill_p013.png" width="680" height="422" alt="voormuur deur raam" title="" /> +</div> + +<p>Op deze bewaarschool heb ik lezen geleerd met de leestafels van Prinsen, +de methode van spa-aa, slee-ee, drie-ie, enz. Hoe? Dat weet ik niet +meer. Daar weet ik niets, niets meer van. Ik weet alleen, hoe prettig ik +het vond, naar een hoogere tafel te mogen overgaan, <span class="pagenum" title="14"></span><a id="p_14"></a>en hoe +ik—eerzuchtig of leergierig?—mijn best deed op iedere nieuwe tafel, +totdat ik ook die weer meester was. Toen ik thuis in den Bijbel kon +lezen, was ik trotsch en gelukkig.</p> + +<p>Volgens sommige psychologen mogen kinderen niet voor hun negende jaar +leeren lezen. Misschien hebben ze gelijk. Maar ik vond dat spelletje zoo +prettig en te gelijk die kunst zoo gewichtig dat ik vóór mijn zesde jaar +van de eene leestafel naar de andere huppelde, zonder verdriet of +bizondere inspanning. Ik merk hierbij op, dat het me uitsluitend om het +plezier van het bemeesteren dier zwarte hieroglyphen te doen was, een +zelfde soort plezier als het oplossen van raadseltjes, het wegzoeken +(padvinden) in een geteekend doolhof, in 't algemeen: het ontsluieren +van onbekenden. Het lezen zelf toch boeide mij niet en heeft mij nooit +kunnen boeien. 't Was dus niet om 't verhaaltje, maar om 't bemeesteren +der kunst. Toen ik die meester was, las ik maar weinig. Ik denk, dat ik +daartoe te aktief was. Ik dééd liever iets.</p> + +<p>Van de spelletjes herinner ik me alleen, dat we, als het boterham-eten +was afgeloopen—we bleven n.l. van 9–4 in dat lokaal opgehoopt—onder de +banken jagertje speelden. Ik zie me over de voetplanken kruipen en in +het woud van kinderbeentjes en bankpooten een wild dier narennen, een +tijger of een leeuw. Die dieren en die jagerij had ik stellig opgedaan +uit de platen van „De aarde en haar volken”, waarop mijn vader +geabonneerd was. De jacht was heerlijk, en nu nog voel ik, dat ik er +heelemaal in<span class="pagenum" title="15"></span><a id="p_15"></a> leefde. Zelfs zoo zeer, dat ik nooit hoorde, hoe Juffrouw +Fietje op het rumoer binnenkwam om de jacht te stuiten, en haar pas +gewaar werd, als ze me onder de banken smerig en wel vandaan sleepte.</p> + +<p>Bij juffrouw Fietje heb ik ook mijn eerste liefde leeren kennen en mijn +eerste bittere ontnuchtering.</p> + +<p>Die liefde gold echter niet juffrouw Fietje, maar een mijner +mede-scholieren, Betje. Ik moet toen al het schrijven verstaan hebben, +ofschoon ik niet weet, hoe ik die kunst machtig ben geworden, maar ik +herinner me zeer wel een briefje, een vuil stukje papier, waarop ik met +potlood zoo iets geschreven had als: „liefe bedje mag ik je vrijjer +weese”, en dat ik daarna over de banken heen met de kinderpost verzond. +Het antwoord luidde toestemmend, en dus was de zaak aanstonds in orde. +Hoe ik aan de neiging kwam, om me al zoo vroeg gelukkig te maken met een +liefde-band, weet ik evenmin, als wie me het voorbeeld van een +minnebrief had geleerd. Er zweven echter allerlei bakteriën in de lucht, +van kinkhoest evengoed als van vrijerij, en het eene kind is vatbaarder +dan het andere. Zeer wel weet ik echter, dat ik niet meer wenschte dan +een toestemmend antwoord, en van de heele geschiedenis <i>dit</i> mijn geluk +was, dat ik nu met fierheid op straat kon loopen en tot mijn makkers +zeggen: „Betje is <i>mijn</i> meisje.” Die behoorde mij toe, en niemand kan +op haar eenig recht doen gelden. Zij was een stuk jongenseer.</p> + +<p>Het is niet aan gebleven, maar toch was deze scheiding mijn +ontnuchtering niet. Deze kwam nu wél<span class="pagenum" title="16"></span><a id="p_16"></a> van Juffrouw Fietje, en nog wel op +haar verjaardag. Op een of andere wijze moet ik bespeurd hebben, dat de +kinderen de juffrouw bij deze gelegenheid vereerden met een geschenk. +Dat was voor mij een leelijk geval, want de centen vloeiden thuis niet +overvloedig, ik had al lang ondervonden, dat ik die niet gemakkelijk los +kreeg, en toch waren ze noodig voor een cadeau.</p> + +<p>Nu was er in de Eglantiersdwarsstraat, vlak naast ons huis, een +galanteriewinkel. Daar woonde Juffrouw van Streelen, bij ons gevierd +wegens haar mooi voordragen van lange verzen. Ik herinner me uit later +jaren, dat ze nooit sprak over De Génestet, maar altijd over De +Genéstet, en dat zit me nu nog in den weg. Maar haar grootste bekoring +voor mij was de uitstalling van haar winkel en de buitengewone +vriendelijkheid jegens ook haar kleinste koopers. Die vriendelijkheid +was bijna lieftalligheid. Men kocht iets, en kreeg, behalve het +verlangde voorwerp, ook nog een heele massa bekoorlijkheid.</p> + +<p>Al dagen achtereen had ik de uitstalling van Juffrouw van Streelen +doorvorscht, en daar eindelijk een beeldig klein vaasje ontdekt, met +bloemen op het buikje en gouden bochten langs den oorrand en het +gekartelde voetje. Een bééldig vaasje. En het kostte maar drie cent, de +prijs stond er bij. Ik kende toen blijkbaar de cijfers, anders had ik +dit nooit kunnen weten. Maar al was die prijs tamelijk laag, voor mij +vertegenwoordigde hij toch een kapitaal: drie cent was inderdaad voor +mijn kinderhandje een ongekende schat. Ik wist het geld evenwel van mijn +moeder los te bedelen,<span class="pagenum" title="17"></span><a id="p_17"></a> en eer ik naar het groote verjaarfeest van +Juffrouw Fietje ging, waar je den heelen morgen spelen mocht en +getrakteerd werd, kocht ik het beeldige vaasje en stapte er uiterst +gelukkig mee naar school, heel voorzichtig het in de hand houdend, dat +het toch vooral niet breken mocht, en onderwijl de roode rozen en de +groene blaadjes bewonderend op het ovale buikje.</p> + +<p>Maar toen ik met mijn cadeau de steenen stoep was beklommen en een +portaaltje was doorgestapt tot dicht bij Juffrouw Fietje, toen schaamde +ik me plotseling. Daar stonden andere kinderen met groote pakken in de +hand, en daar blonken en schitterden mij reeds uitgepakte geschenken +tegen. Een verlakte theestoof! Een glimmende waterketel! Een kristallen +olie- en azijnstel! Wat een groote en prachtige stukken! Daarbij zonk +mijn vaasje heelemaal in 't niet. Al zijn schoone bekoorlijkheid had het +voor mij verloren. En met het schaamrood op de wangen—ik voel het +nog—overhandigde ik het schamel eerbewijs aan de jarige. Deze nam het +aan, bedankte, en zette het neer. Ik zie nog alles, álles. Maar mijn +geluk en fierheid smolten weg. En—niemand had me iets gezegd of +aangedaan, maar ik ging niet naar de feestzaal, doch liep het portaaltje +door, de trap af, en rende naar huis. Nóg drie centen, nóg zoo'n vaasje! +Mijn eer stond op het spel. Ik ging <i>niet</i> naar het feest, als ik niet +eerst nog zoo'n vaasje kon aanbieden, om althans eenigermate in +evenwicht te komen met de theestoof en den waterketel.</p> + +<p>Mijn moeder kon geen weerstand bieden aan mijn<span class="pagenum" title="18"></span><a id="p_18"></a> dwang. Ik liet haar niet +los. Weet men wel, wat geweldige gemoedsmachten daar soms achter zitten, +als de kinderen heeten te „dwingen”? En spoedig holde ik met mijn +afgeperste drie centen naar Juffrouw van Streelen, had nu geen tijd om +van haar lieftalligheid te genieten, en holde haar winkel uit, den hoek +om, de gracht, de stoep op, naar Juffrouw Fietje.</p> + +<p>Die had me in de drukte van het ontvangen en uitpakken niet gemist. +Hijgend duwde ik haar het tweede kleinood in de hand en zag haar aan, of +het zoo nou niet goed was. En toen zei ze: „Had dat vod maar gehouden.” +En ze zette het minachtend neer.</p> + +<p>Dat was bijna zoo erg als het schandpapier op mijn rug. Ik voelde een +diepe krenking en verloor alle veerkracht uit mijn heele lijfje. +Beschaamd slenterde ik naar de feestzaal. Van de pret herinner ik me +absoluut niets meer. Ik weet ook niet, of ik pret heb gehad. Bij dien +ontzettenden neerslag staan mijn herinneringen stil.</p> + +<p>Nu moet ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik niet weet, of ik de woorden +van Juffrouw Fietje precies heb teruggegeven. Misschien heeft ze 't niet +zoo kras gezegd. Niet die heel harde <i>woorden</i> gebruikt. Maar voor de +zaak sta ik in. Haar geringschatting was ongeveinsd. Die heb ik te +pijnlijk gevoeld. En dat gevoel is me onuitwischbaar bijgebleven.</p> + +<p>Van dit oogenblik af heb ik een hekel aan gelegenheidscadeaux gehad. Ik +heb ze nooit kunnen ontvangen. En waar ik ze aanbieden moest, betaalde +ik liefst de dubbele waarde.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="19"></span><a id="p_19"></a></p> + +<h2 id="DE_EERSTE_LAGERE_SCHOOL">DE EERSTE LAGERE SCHOOL.</h2> + +<p>Geen flauwe notie heb ik er van, dat ik op zekeren dag niet meer naar de +bewaarschool, maar voor 't eerst naar de Groote School ben gegaan.</p> + +<p>Toch moet dat eenmaal gebeurd zijn.</p> + +<p>En in die Groote School moet ik me bekwaamd hebben in lezen en schrijven +en al de andere vakken der wet.</p> + +<p>Ik weet er niets van.</p> + +<p>En in die school moet ik vele klassen doorloopen hebben, examens en +verhoogingen meegemaakt, onderwijzers leeren kennen, zegenen of +verwenschen.</p> + +<p>'t Is alles weg.</p> + +<p>Is het er wel ooit geweest?</p> + +<p>Maar dat moet toch wel. Ik heb toch ruim vier, misschien zelfs vijf jaar +daar schoolgegaan, dag aan dag. Dat is toch geen kleinigheid. En ik moet +er toch al mijn eerste bekwaamheden hebben verworven. En met de meesters +hebben verkeerd.</p> + +<p>Wonderlijk, dat ik nu uit de bijverschijnselen en uit de gevolgen +afleiden moet, dat ik van mijn zesde tot mijn tiende of elfde jaar het +schoolleven heb meegemaakt, maar dat ik het anders niet weten zou. En +zelfs niet gelooven als anderen 't mij bezwoeren.</p> + +<p><span class="pagenum" title="20"></span><a id="p_20"></a></p> + +<p>Zoo is dat leven buiten mij omgegaan. De heele schoolperiode ligt als +een donker ledig achter me. Ze heeft me niets te zeggen.</p> + +<p>Dat bewijst voor mij twee dingen. Dat <i>ik</i> eigenlijk leefde buiten die +leerwereld. En dat <i>de school</i> eigenlijk leefde buiten mij.</p> + +<p>Mijn hart lag buiten de klas, buiten de leerboeken, buiten den +lesrooster. En het hart der school lag buiten de kinderziel.</p> + +<p>Die twee zochten malkaar niet op. Het waren wildvreemden voor elkaar.</p> + +<p>Slechts enkele dingen herinner ik me, maar die gelden niet het +onderwijs, waarvoor ik toch eigenlijk de school bezocht. En die dateeren +dan nog pas uit de hoogste klas en betreffen maar twee personen, een +meester, dien ik niet noemen wil, ofschoon ik zijn naam nog heel goed +weet, en meneer Kuyper, den bovenmeester, wiens naam ik nog steeds +zegenend gedenk, niet—men moet voorzichtig zijn—omdat hij de +bovenmeester was, maar omdat hij een mensch was, een zachtaardig mensch.</p> + +<p>Meneer Kuyper zie ik als een teere figuur, een man van middelbare +groote, in 't zwart gekleed, een zijden petje op. Zijn gelaat was zacht, +bleek. Zijn oogen lichtblauw. Zijn gang opmerkzaam en rustig. Ik voelde +iets teers voor hem, of ik voor hem wilde vechten. Dat gevoel ging +geheel uit van zijn verschijning, want ik herinner mij niet, dat hij mij +ooit persoonlijk goed deed. Ik had geen reden, om bepaald hem voor iets +in 't bizonder dankbaar te zijn. Maar<span class="pagenum" title="21"></span><a id="p_21"></a> zijn heele wezen vervulde me met +teerheid en dankbaarheid.</p> + +<div class="pillo">Elken morgen bad hij. De school bestond uit drie groote lokalen, twee +naast elkaar, een ter zijde, aldus: +<div class="figcenter" style="width: 86px; display: inline; vertical-align: -43px;"> +<img src="images/ill_p021.png" width="86" height="86" alt="" title="" /> +</div> +Ze waren gescheiden door +glazen schotten met schuiframen. Dan gingen de schuiframen omhoog en +zaten alle kinderen eerbiedig. Hij stond, bij een der geopende ramen, +achter een orgel met geel geverfde kast, nam de pet van 't hoofd, en bad +met zachte stem voor de heele school. Er zweefde dan iets lieflijks over +al die kinderhoofdjes. Er daalde iets verkwikkends in al die +kinderhartjes, iets als een heel zachte voorjaarsregen. Ik herinner me +geen enkel woord. Maar ik herinner me stille ontroering. En ook een +enkele traan van berouw, die daarna als een goed voornemen mijn wang +bevochtigde. Te snel verdampt.</div> + +<p>Na het gebed zette de fijne figuur zich achter het orgel. We zagen hem +niet meer, doch hoorden hem zingen in orgeltoonen. Eerst een kort +voorspel, en dan volgde het godsdienstig lied, waarbij de heele school +meezong.</p> + +<p>Dat waren heerlijke oogenblikken. Doch nu volgde niet een voortzetting +van dat gebed en gezang, nu volgde niet de uitwerking er van in het +praktische schoolleven, nu volgde niet—o, het is verschrikkelijk om het +te zeggen—de doorwerking van den afgesmeekten Heiligen Geest, de +werkdadige kracht van<span class="pagenum" title="22"></span><a id="p_22"></a> den afgebeden zegen Gods, nu volgde een stuk +afgrijselijke kinderellende.</p> + +<p>Onze meester was, ik zeg niet streng of stipt of veeleischend, hij was +hard. En nog niet eens hard als staal of steen, want dan hadden er nog +vonken kunnen uitspringen, maar hard als een verdroogd stuk leer. Het is +geen toevalligheid, dat hij zijn horloge niet aan een metalen ketting of +een fijn zijden koord droeg, zooals krachtige of teere persoonlijkheden +gewoon zijn. Een man verraadt zijn ijdelheid en zijn gemoed in zijn +horlogeband, en de zijne bestond uit een dooreenvlechting van drie +smalle leeren riempjes, een kabeltje van leer, hard en droog en taai. +Vooral ook taai. Staal en steen kunnen niet alleen vonken schieten, ze +kunnen ook stukspringen. Ze wagen in den strijd hun eigen bestaan. Maar +hardheid, die tevens taai is.... het is de slavenzweep van Legree uit +<a href="http://www.gutenberg.org/etext/27124" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org als e-boek beschikbaar.">De Negerhut</a>. +Alleen de liefde heeft het recht om taai te zijn.</p> + +<p>Meester Leer—zoo zal ik hem maar noemen—was harteloos. In onze klas +zat een jongen, wiens vader een grutterzaak dreef en C. C. C. M. heette, +gelijk ieder op het naambordje lezen kon. Wanneer de kleine M. nu iets +misdreven had en daarom voor de klasse moest komen, greep meester Leer +hem bij het aardige kuifje, dat zoo hups zijn jongensschedel aanmeldde, +en schudde den kleinen kop op en neer, een soort schedelrammeling, onder +het knerpend gekraak van: „Zeg jij, C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. +M., zal jij....” enz. Bij ieder C. werd de kleine kop gerammeld.</p> + +<p><span class="pagenum" title="23"></span><a id="p_23"></a></p> + +<p>Wij, anderen, zaten dat met stillen haat aan te zien. O, hoe haatten en +vervloekten wij dien kerel, dien gemeenen kinderbeul. Als we maar gekund +hadden, we hadden hem tot modder getrapt. Maar daar stond hij, +onaantastbaar, in zijn macht als meester. En wij zaten, stom, strak, de +handjes gevouwen op den tafelrand, den rug rechtop, een doodstille klas, +machteloos overgeleverd aan een slavendrijver zonder hart of geweten.</p> + +<p>Zoo werd het gebed verhoord.</p> + +<p>Zoo daalde Gods afgebeden zegen in onze ontvankelijke kinderhartjes.</p> + +<p>Eens op een keer vond hij zijn man. In de klasse zaten twee broertjes. +Een van de twee moest voor de klas komen, bij de landkaart, om daar wat +stippen aan te wijzen, waarover geen van ons zich een grein bekommerde. +De jongen wist ze niet, maakte althans fouten—hetgeen ik nu, uit de +verte, uit de gevolgen afleid—en kreeg daarvoor geweldige klappen om +zijn kop. Wij waren dat gewoon, zaten het wezenloos of met verbeten +woede aan te kijken, wachtten tot de hagelslag voorbij was, beefden al +tegen dat onze beurt aanbrak....</p> + +<p>Maar daar plotseling hooren we een woesten schreeuw, als den kreet van +een wild dier. Een jongen vliegt achter uit de klas tusschen de banken +door, en onder het krijschen van onverstaanbare geluiden beukt hij op +den meester los. 't Is het oudere broertje van het gekastijde kind.</p> + +<p>Ha, hoe genoten we bij deze uitbarsting van woede.<span class="pagenum" title="24"></span><a id="p_24"></a> We rezen uit de +banken op, vergaten wat de gevolgen konden wezen, en juichten van +instemming.</p> + +<p>Razend van drift sloeg de jongen, waar hij den meester maar raken kon, +en rukte toen zijn broertje uit de klauwen van zijn kastijder.</p> + +<p>Een oogenblik van doodsche stilte, toen hevige, snikkende +verwijtschreeuwen van den oudste, en toen....</p> + +<p>Meer weet ik niet.</p> + +<p>Of de jongen straf gekregen heeft, weggejaagd is, excuus heeft moeten +vragen, ik weet het niet. Al het andere is verdwenen. Maar levend is +gebleven dat eene moment van uitgebroken broederliefde, die eene +uitbarsting vóór de klasse. Mijn geest heeft het opgenomen als een +momentopname van een ontploffing. En levend is ook gebleven, het +grootsche gevoel van bewondering. Nu nog is het me, of ik toen getuige +ben geweest van iets zeldzaams in de menschenwereld: de zichzelf en +alles vergetende reddingsdrift. Een brandweerman, die in den vuurpoel +springt om een kind te redden. Die jongen was een held. Hij heeft ons in +één woeste daad.... opgevoed. Op-ge-voed.</p> + +<p>Waarschijnlijk dacht de meester er anders over. En als die meester en ik +samen in een paedologische vereeniging zaten, zou hij allicht een +anderen karakteristiek van dien jongen geven dan ik.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Geen wonder, dat we bij zoo'n meester dikwijls strafwerk kregen. Bij hem +heb ik geleerd, eenige honderden strafregels met drie griftjes tegelijk +te<span class="pagenum" title="25"></span><a id="p_25"></a> schrijven. We waren er heel handig in, die drie griftjes onder +elkaar, amphitheatersgewijze, vast te houden, en dan er mee over de lei +te vliegen. Die handigheid hadden we dan toch maar aan meester Leer te +danken, en daarom zeggen sommigen, dat je het de kinderen niet te +gemakkelijk moet maken. Verdruk ze maar, opdat ze te beter tegen de +verdrukking ingroeien. 't Is ook een opvatting, en die groei tegen de +verdrukking in, ja, dat was waarheid. We groeiden o. a. ook heel sterk +in list en bedriegerij.</p> + +<p>Een der straffen was schoolblijven, en daarbij dan maar doodstil zitten. +Een uur of langer stilzitten, de handen gevouwen aan den tafelrand, de +oogen strak naar boven, onbewegelijk, daar de geringste beweging +gestraft werd met een kwartier of een halfuur langer.</p> + +<p>Ik denk, dat ik iederen dag heb moeten schoolblijven, want ik herinner +me telkens terugkeerende standjes over te laat thuiskomen. Maar dat kon +ook door andere oorzaken gekomen zijn, want de weg van school naar huis +was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen.</p> + +<p>Natuurlijk wendden we allerlei pogingen aan, om van dat schoolblijven +verlost te worden, „weg te spatten” gelijk we dat noemden. Wanneer de +meester maar even in een ander lokaal was, renden wij met +bliksemsnelheid naar de deur, en vlogen, het portaal door, naar buiten. +Wee echter, als de buitendeur op slot bleek. Dan stond je daar eenige +oogenblikken in razende wanhoop. Niet omdat hij je dan weer bij je +kladden kon krijgen, want den volgenden schooltijd<span class="pagenum" title="26"></span><a id="p_26"></a> had hij je toch weer +in zijn macht en zou je natuurlijk dat wegspatten wel inpeperen, dat was +het minste, maar omdat je hem nu aanstonds voor je zou zien met zijn +duivelsche grijns van voldoening; omdat je zijn sarrende stem zou +hooren, dat je dat nu eens lekkertjes niet gelukt was, zijn stem vol +nijdigen kinderhaat. Wanhoop, omdat hij je met listigheid in de val had +laten loopen en daar straks demonisch van zou genieten.</p> + +<p>Maar eenmaal ben ik hem toch te slim af geweest. Weer zat ik lang, heel +lang na te blijven, terwijl buiten de zon zoo heerlijk scheen. Toen +verzon ik, dat ik „naar achteren” moest. Neen, het mocht niet. Het werd +echter zoo erg, dat ik den vinger aanhoudend opstak en daarbij in de +bank zat te zwaaien als een dreigende onweersbui. Mocht ik dan niet—'t +leek wel, of mijn heele houding dit wilde zeggen—dan kwam de +verantwoording voor den meester, als ik ten slotte den vloer +verontreinigde. Die verantwoording durfde hij zeker niet op zich te +laden, ik kreeg tenminste verlof. Maar de knarsstem gromde me toe: „Geef +eerst je pet hier.<ins class="corr" id="corr2" title="Bron: ' '">”</ins></p> + +<p>Ik bracht de pet, innerlijk genietend van zijn onnoozelheid, alsof ik me +door een pet zou laten weerhouden. Die pet kon stikken, en hij er bij. +En nu naar achteren. Doch nauwelijks was ik daar, of ik klom omhoog, +wrong mij door een raampje, liet me vallen, en stond op een terrein, +waarschijnlijk de speelplaats, waarvan ik me echter niet herinner dat er +ooit gespeeld werd. Nu aanstonds naar de houten schutting.<span class="pagenum" title="27"></span><a id="p_27"></a> Een sprong, +de handen om den rand, het lijf opgetrokken, rechterbeen er over, nu de +romp, het linkerbeen, hangen, loslaten, en daar was ik op een houtwerf +naast de school. Gauw naar voren, het hek door, en ik stond blootshoofds +op de Lindengracht. Zonder pet, maar vrij. Vrij! en ik holde naar huis. +Om de gevolgen bekommerde ik me voor 't oogenblik niet. Het was met den +meester toch altijd een strijd op leven en dood, en ieder uurtje +gestolen vrijheid was winst. Wat zullen mijn kameraden, +medeschoolblijvers hebben opgezien, toen ik niet terugkwam. En wat zal +de meester met lieflijkheid mijn pet hebben gekoesterd.</p> + +<p>Het lijkt me, nu ik dit schrijf meer dan veertig jaar later, het lijkt +me, of ik alles lieg. Is het mogelijk een fantasie? Heb ik in mijn +jongensjaren—kinderen hebben zoo'n levendige verbeelding—dat heele +verhaal misschien bedacht, en het als een heldenfeit zoo vaak aan mijn +makkers verteld, dat ik het eindelijk zelf geloofde? Maar neen, dat kan +toch niet. Mijn heele leven heb ik het als zuivere jeugdherinnering +meegedragen. Zou ik me dan zóó vergist hebben? Doch wie bewijst, dat ik +waarheid zeg. Neen, ik bedoel niet, wie bewijst het aan een rechtvaardig +oordeelende rechtbank, maar wie bewijst het aan mij persoonlijk, die het +ervaren meen te hebben en nu twijfel aan mijn eigen ervaringen. Ik wou, +dat een oud-schoolkameraad dit las en, plotseling het verleden er in +herleefd ziende, overtuigd uitriep: „Juist zoo, zoo is het gebeurd.” Dan +had ik, door een vreemde, gewisheid van<span class="pagenum" title="28"></span><a id="p_28"></a> mijn daden. Nu moet ik maar +gelooven in mijn herinneringen. 't Is toch vreemd, dat men zijn eigen +verleden, zijn toch zelf doorleefd verleden, niet kan bezitten zonder +geloof. En dan bezit men het nog maar in het licht van zijn toenmalige +zelfverblinding.</p> + +<p>Maar ik denk toch wel, dat die klauterpartij zonder pet werkelijkheid is +geweest. Ik zie ze zoo levendig voor me, ik zie zoo precies den weg, +dien ik daarbij gegaan ben, en ik verbeeld me nog eenige populieren te +zien, die op de speelplaats langs den blinden gevel van het daarachter +gelegen huis stonden.</p> + +<p>En dan ook, de feiten passen zoo geheel in het kader van dit +schoolleven. Van Geschiedenis, Aardrijkskunde, Rekenen, Taal, Lezen en +Schrijven herinner ik me absoluut niets meer. Doch de hoofdmomenten uit +<i>den schoolstrijd</i>—een véél ernstiger en gewichtiger en langduriger +worsteling dan „de<ins class="corr" id="corr3" title="Niet in Bron.">”</ins> Schoolstrijd—spreken nog luid in me, met +beeld en stemming. Ik zie alles nog voor me, en mijn hart klopt heftiger +bij de herinnering.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Het spreekt vanzelf dat we niet alleen het nablijven ontvluchtten, maar +ook aan de kwelling van de school zelf trachtten te ontkomen. Daartoe +waren maar twee middelen: ziekte voorwenden en bommelen, spijbelen, +stukjesdraaien of hoe dit genot meer heeten mocht.</p> + +<p>Het voorwenden van ziekte had het ontstaan gegeven aan een eigen woord. +„Je bent schoolziek,” zei mijn vader, als we dreinden om thuis te +blijven<span class="pagenum" title="29"></span><a id="p_29"></a> vanwege die toch zoo erge hoofdpijn. En de man had gelijk, want +als hij bezweek voor ons smeeken, was binnen een halfuur de erge +hoofdpijn gezakt en zaten we, zoo ongeveer om halftien in den +voormiddag, een beetje te spelen, of drentelden door 't huis, door den +winkel, als 't kon de straat op. Het was niet in mijn nadeel, dat ik +nogal wit zag en teer was van gestel. Daardoor kon ik dikwijls hoofdpijn +hebben, die haar crisis had onder 't ontbijt. Maar nooit vond ik mijn +ouders onbarmhartiger, dan wanneer ze geen medelijden met me toonden en +zelfs aan mijn hoofdpijn geen geloof sloegen. „Ga jij maar naar school, +hoor! 't Is schoolziekte.” Diep neerslachtig en met slenterende beenen +sleepte ik me naar school. Dan droop er een dreinende motregen in mijn +kindergemoed.</p> + +<p>Zulke beschuldigingen en mistroostigheden mogen wel veroorzaakt hebben, +dat ik mijn heil zocht in het stukjesdraaien. Als je niet naar school +<i>wilt</i>, en niet thuisblijven <i>moogt</i>, dan schiet er ten slotte niets +over, dan dat je op den weg tusschen huis en school blijft omdolen. Waar +zou je anders heen? En dan neem je dien weg wat ruim, omdat het zoo +vervelend is in dezelfde straten maar steeds heen en weer te trekken, en +je daar ook gezien en aldus verraden kon worden. Dan loop je rond, tot +de huisdeur zich weer voor je openen wil, dat is zoo ongeveer een +kwartier na het eindigen van den schooltijd.</p> + +<p>Ik heb mijn toevlucht ook tot dat redmiddel moeten nemen, en dank +daaraan drie der allerheerlijkste weken uit mijn schoolleven. We noemden +ze later de<span class="pagenum" title="30"></span><a id="p_30"></a> bommelweken, en nu nog is dat onwelluidende woord voor mij +synoniem met oase, paradijs, vrijheid, en al zulke vertegenwoordigers +van iets zonnigs en lieflijks te midden van de grijze ellende.</p> + +<p>Elken morgen gingen we op den gewonen tijd de deur uit, maar sloegen bij +een bepaald punt linksom in plaats van rechtsom. 't Scheelde maar een +kleinigheid, maar 't werd een reusachtig verschil. Rechtsom trokken we +naar school, naar den gehaten plicht, linksom naar buiten, naar de +begeerde zonde. Waarom had men de plichtsvervulling ons dan ook zoo +hatelijk gemaakt? In iederen arbeid steekt genot, in den schoolarbeid +zelfs een heel groot genot voor bijna alle kinderen. Maar men verbittert +er het lekkerste brood, vergalt er de zoetste melk. En zoo maakt men de +kinderen het eten en drinken onmogelijk, hoe graag ze het van nature ook +doen.</p> + +<p>We waren met ons vieren, mijn broer en ik, en dan nog twee klasgenooten, +Willem en nog een ander. Willem had een eigenaardige bron van inkomsten. +Zijn vader was bode en aanspreker. Iedere week moest Willem voor hem de +klanten rond, om de kontributie voor een begrafenisfonds op te halen, +kleine bedragen, maar die door verscheiden niet geregeld betaald werden +en daardoor tot vrij groote sommen opliepen. Wanneer Willem nu wat geld +wou hebben, ging hij naar de achterstalligen en maakte daar een standje. +„Kompliment van vader, en of er nu eindelijk eens betaald werd. 't Was +een schande, zooals ze hem iederen keer voor gek lieten loopen, en als +er nu niet betaald<span class="pagenum" title="31"></span><a id="p_31"></a> werd, zouden ze andere maatregelen moeten nemen.” +Willem schreeuwde zijn boodschap op een luiden brutalen toon, zoodat de +buren het even goed konden hooren als de betrokkenen. Dit had ten +gevolge, dat de schuldige vrouwtjes hem gauw in de kamer riepen, daar +paaiden met mooie beloften, en hem persoonlijk vijf cent of een +dubbeltje toestaken, om hem tot meegaandheid te stemmen. Sommigen van +haar waren blijkbaar zoo bang voor de nieuwsgierigheid der buren, dat ze +Willem reeds te gemoet kwamen eer hij zich nog had aangemeld, en zijn +onbarmhartige jongensstem bij voorbaat met een dubbeltje omkochten.</p> + +<p>Er was voor mij in deze geheele ophaalderij iets geheimzinnigs. Ofschoon +ik precies wist, hoe de vork in den steel zat, en bij iederen klant met +nieuwsgierigheid vroeg, „hoeveel hij van dat wijf weer had losgekregen,” +besefte ik toch heel wel, dat die vraag met die ruwe woorden maar +grootdoenerij was, en we eigenlijk bij ieder geval meespeelden in een +droevige tragedie van armoede, zorg, schaamte, afzetterij. Ik gevoelde, +dat we iets heel gemeens deden, en juichte toch bij iedere vermeerdering +van ons schandkapitaaltje. Willem ging, zonder eenig mededoogen, zijn +bedachte boodschappen doen, en wij wachtten op een afstand de gevolgen, +springend van vroolijk verlangen en tegelijk innerlijk huiverend van +schuldgevoel. Dit laatste was de stem van het geweten. Dat wist ik toen +reeds heel goed. Maar ik wist die stem ook onder schijnbare +onbezorgdheid te verzwakken.</p> + +<p>Van het geld kochten we eerst een grooten zak<span class="pagenum" title="32"></span><a id="p_32"></a> krenten, die voor +pruimtabak moesten dienen. We verdeelden ze onder elkaar en hadden dan +elk voor zich een afleiding en hartversterking. Telkens namen we een +handje krenten, wierpen die in onzen mond, verborgen ze achter de +kiezen, en hielden ze daar gezellig opgehoopt. Ik voel zeer goed, wat +zoo'n tabakspruim voor een werkman beteekent. Het is niet de lekkernij, +die hem bekoort, maar de gezelligheid. Zoo'n handjevol tabak, steeds op +dezelfde plaats bewaard en bewerkt, is voor hem een soort kameraad, een +vertrouwelijk vriend, met wien hij heel eigen is. Hij voelt zich niet +meer eenzaam en verlaten, niet meer unheimisch, als hij dezen gezel op +zijn vaste plaatsje meedraagt. Zooals meisjes een pop behoeven, om een +leegte aan te vullen, jongens een stok moeten dragen, om niet zoo alleen +te zijn, vele volwassenen een kat in de kamer of een hond op de +wandeling moeten hebben, om het gevoel van verlatenheid te breken, zoo +heeft de stugge werker op het veld of achter de heistelling in zijn +tabakspruim een stuk gezelligheid in zijn eentonig leven. Een soldaat op +post is met dezen vriend niet meer eenzaam in het nachtelijk uur. Als +wij een verre boodschap moesten doen, vooral 's avonds, namen we een +hard stukje kaaskorst in den mond, en kauwden en knauwden dat, niet om +het op te eten, maar om van zijn nabijheid te genieten. Misschien hebben +de psychologen voor deze gehechtheid aan de tabakspruim een veel betere +verklaring, zoodra ze experimenten genomen hebben met heiers mét en +zónder pruim, wellicht komt het dan alles<span class="pagenum" title="33"></span><a id="p_33"></a> neer op prikkeling van +bepaalde zenuwen en overheersching van bepaalde bewustzijnstoestanden, +maar ik, die alleen eigen ervaring raadplegen kan, te dom voor +experimenten en te lui voor statistieken, voel die gehechtheid alleen +als een gemoedsverschijnsel. Een afleiding, zegt het volk. Juist, een +afleiding van zijn enkelheid. Een afleiding, die Adam zelfs in het +Paradijs noodig had, toen hij, te midden der onbeperktste weelde, zich +toch eenzaam voelde, en Eva kreeg. Als een tabakspruim? Lieve menschen, +ik wou, dat men alle aesthetische gevoelens een oogenblik het zwijgen +kon opleggen. Eva was een wonderschoone verschijning—lees maar in +Vondels verzen—om wie de Engelen mensch zouden willen zijn. En een +tabakspruim—nu, ik wil de voorstelling niet verlevendigen. Maar die +tabak was ook eenmaal een frischgroene plant, en Eva zal ook eenmaal +verrotting zijn. We moeten over de grenzen van het heden heenzien, dan +ontwaren we meer gelijkheid, dan iemand ooit vermoedde. En—om te +besluiten—wellicht heeft menige Adam meer te danken aan zijn willige, +zich altijd schikkende tabak, aan dezen nooit eischenden vriend, dan aan +zijn Eva.</p> + +<p>Wij, dit wilde ik slechts zeggen, bootsten met onze krentenpruimerij de +groote menschen na, maar <i>zouden dit nooit gedaan hebben, als in ons +niet dezelfde gemoedseigenschappen aanwezig waren als in die groote +menschen</i>. Ook in ons was die behoefte aan dat intieme verkeer, en te +sterker, bij een niet volkomen rustig geweten.</p> + +<p><span class="pagenum" title="34"></span><a id="p_34"></a></p> + +<p>Voor het overige geld kochten we een reusachtigen vlieger en een heelen +hoop strengen touw. En hiermee trokken we naar het Vondelpark. In de +morgenuren was het daar nog al rustig. Je kon daar zoo lekker stil +rondscharrelen, zonder dat je ieder oogenblik gevaar liep, een kennis +tegen te komen. 't Was vrij ver uit de Jordaanbuurt en werkmenschen of +winkeliers, gelijk onze ouders waren, hadden in de week geen tijd om +overdag in het Vondelpark te wandelen, terwijl hun arbeid hen daar nooit +heen voerde. Daar kwam nog iets bij. Je had achter 't Vondelpark mooie +weilanden, om den vlieger op te laten, en in het park zelf dichte +boschjes, om er hem te verstoppen. We hadden al gauw een verstolen +hoekje gevonden, waar hij telkens met touw en al werd weggeborgen, als +wij naar huis moesten, en waar we hem ook weer trouw terugvonden, als +wij naar dit zalig oord terugkeerden.</p> + +<p>Het spreekt vanzelf, dat we niet dag aan dag gingen vliegeren. Waarmee +we dan de andere dagen doorbrachten, weet ik niet. Alleen herinner ik +me, dat we ook vaak naar eenige landpaden gingen, buiten de Zaagpoort, +en daar speelden op de balken en de boomstammen, die in het slootwater +bij de houtzaagmolens lagen.</p> + +<p>Dat was een van mijn heerlijkste genietingen. We trokken dan de schoenen +en kousen uit, stroopten de broek zoo hoog mogelijk op, en speelden +Bataviertje, waaruit ik nu alweer kan afleiden, dat ik op school van de +Batavieren geleerd had. Wij waren Batavieren,<span class="pagenum" title="35"></span><a id="p_35"></a> die op vlotten den Rijn +kwamen afdrijven. Daarbij liepen we op bloote voeten over de balken even +rustig, vlug en gemakkelijk als op het land. Het was verwonderlijk, hoe +vertrouwd we met onze vlotten waren. Terwijl we van balk op balk +stapten, doken deze, soms dunne stammen, vaak diep onder water, maar +daar bekommerden we ons in 't geheel niet om, integendeel, we vonden 't +heerlijk. We waren thuis op onzen balkenvloer, we waren thuis in de +slooten. Om natte pootjes gaven we absoluut niet. Hoe meer het water +golfde en klotste en spatte, hoe liever 't ons was. De eenige voor wien +we eenige vrees koesterden, dat was de molenaar. En eigenlijk waren we +ook voor hem niet bang, we konden hem gauw genoeg ontvluchten. We waren +voor niemand bang. Maar de mogelijkheid bestond, dat we bij een +overhaaste vlucht onze kousen en schoenen op 't weiland moesten +achterlaten, en dan zou natuurlijk alles uitkomen.</p> + +<p>Toch werd deze sloot ons onheil. Op zekeren dag ging een der jongens +gehurkt op een balk zitten. Een ander vond dat al te verleidelijk en gaf +een trap tegen den balk, waardoor nummer een achterover in het water +tuimelde. Dat was nu op zichzelf zoo erg niet, de sloot was niet zoo +diep, en met het water waren we vertrouwd. De drenkeling was dan ook +weer gauw aan land. Maar zoo kletsnat kon hij niet blijven rondloopen, +zich uitkleeden en zijn goed te drogen leggen was te veel gewaagd met +het oog op den molenaar. Die kon van onzen nood wel eens misbruik hebben +gemaakt, door den jongen spiernaakt den<span class="pagenum" title="36"></span><a id="p_36"></a> weg op te jagen. Daarom deden +we, wat we in zulke gevallen altijd deden, we gingen op een draf naar de +gasfabriek, den natten kameraad, die in zijn zware, plakkende, druipende +kleeren niet zoo hard loopen kon, tusschen twee flinke loopers in, hand +aan hand met hem voorthollend, de anderen er achter.</p> + +<p>In de gasfabriek, aan de buitenzij der stad gelegen, waren de mannen +altijd welwillend. Ze vloekten er wel bij, maar dat hinderde niet. Hoe +harder ze je uitscholden, hoe meer je van ze gedaan kreeg. „Baas, magge +we d'r in, hij hèt in 't water gelege.”—„Zoo, dondersche schooiers, het +jelui weer met je mieter in 't water gelege. Wil je wel gauw +opdondere.”—„Och baas, hij is zoo nat, en dan krijgt ie van zijn +vader.”—De baas keek naar den klappertandenden schooier en liet ons +binnen. „Vooruit dan maar, maar heb het hart in je lichaam, dat je 't me +weer flikkert.”—„Dank u wel, baas!” en we holden naar binnen. De natte +kameraad kleedde zich uit als in 't zwembad en liep een beetje naakt +rond te scharrelen en zich te warmen, terwijl wij zijn natte kleeren te +drogen hielden bij de heete retorten. De werklieden lieten ons stil +begaan, we waren jongens die zichzelf konden redden. Alleen nam deze of +gene den kans waar, om den naakten sprinkhaan een kletsenden klap te +geven, waarom de naakte sprinkhaan dan ook altijd zorgde, dat hij uit de +voeten kwam als er een man naderde.</p> + +<p>De kleeren waren gauw genoeg droog, maar ze hebben ons verraden. Hoe, +dat herinner ik me niet<span class="pagenum" title="37"></span><a id="p_37"></a> meer, maar 't was na dit voorval gauw uit met +de pret. Op een middag kwamen we thuis, met een onschuldig gezicht, of +er niets gebeurd was, toen Moeder ons ontving met de ongewone vraag, +waar we vandaan kwamen. Die vraag schokte ons hevig, maar we logen +natuurlijk: Van school. En er was een boodschap gekomen, dat we al in +geen drie weken op school waren geweest, en een jongen z'n moeder was in +den winkel geweest en had verteld, dat ze aan zijn kleeren gezien had, +dat hij in 't water had gelegen, en dat hij toen alles bekend had. Het +viel niet meer te loochenen en ook wij moesten door de mand vallen.</p> + +<p>Dit oogenblik herinner ik me nog heel levendig. We stonden in de +huiskamer. Daar was een kastdeur met behangselpapier beplakt. Er was +geen kruk in, wel een sleutel. Ik zie den zwartgeroesten sleutel nog uit +het sleutelgat steken, donkere figuur in een omgeving van lichtgrijs +papier. Op dit plekje, vlak bij de kast, moesten we ons kwaad openlijk +erkennen. En toen stond het plotseling als een vreeselijk misdrijf voor +me. Ineens voelde ik de zwaarte van 't vergrijp op mijn schouders +drukken. Ik voelde mijn beenen trillen, greep den sleutel vast, zonk +ineen, en begon hartstochtelijk te snikken. Wonderlijk toch, al die drie +weken had ik genoten, was wel eens onrustig geweest, maar was er toch +iederen dag op nieuw uit getrokken. Mijn geweten had zich laten sussen. +'k Had goed gegeten, goed geslapen. Maar nu het kwaad was uitgekomen, +was aanstonds al mijn<span class="pagenum" title="38"></span><a id="p_38"></a> kracht gebroken en zakte ik, wanhopig en +radeloos, in elkaar. Dat is de overweldigende macht der openbaarheid.</p> + +<p>Tot straf mocht ik dien avond niet naar het verjaarpartijtje van een +vriendje. Aanstonds uitkleeden en zonder eten naar bed. Dat was een +groote straf voor me, want van dat partijtje had ik me heel veel +voorgesteld. Niemand zal echter die straf te zwaar achten. Drie weken +spijbelen, drie weken je ouders bedriegen, dat is voorwaar geen +kleinigheid. Daarvoor is het onthouden van zoo'n genoegen eigenlijk nog +een veel te geringe straf, ook al is voor een kind een kinderpartijtje +een buitengewoon genot.</p> + +<p>Maar wilt ge nu mijn Moeder eens leeren kennen? Toen ik tot acht uur of +half negen of negen uur—ik weet het niet precies meer—stil in mijn bed +had gelegen, telkens schreiend van diep berouw, maar wellicht nog meer +uit medelijden met mijn arme zelf in mijn bitter treurigen toestand, +kwam mijn Moeder bij mijn bed. Ik nam haar hand en kuste die, zooals een +geslagen hond naar zijn meester kruipt en diens hand likt. Ik kon geen +scheiding tusschen haar en mij hebben. En zij liet haar hand nemen en +die kussen. Heete tranen vulden mijn oogen en vloeiden over mijn wangen. +Was ik toch maar niet zoo'n slecht kind geweest.</p> + +<p>Ze bukte zich over mij heen. Haar nabijheid was voor mij altijd rust en +veiligheid en vrede. Maar nu bovenal. En ik sloeg mijn armen om haar +hals. „Heb je er erge spijt van?”—O ja, en ik begon weer diep<span class="pagenum" title="39"></span><a id="p_39"></a> bedroefd +te schreien. „Zal je 't nooit weer doen?”—Neen, zeker nooit weer, en +mijn geschokt gemoed kwam tot kalmte. Dat stille schreien, tegen haar +aan, 't was zoo'n verkwikking, bijna een zaligheid. Wat is het toch een +wonder-gelukkig bezit voor een kind, een Moeder. Het is de oplossing van +<i>al</i> zijn ellende. En toen zei ze: „Zou je nog graag een uurtje naar +Piet gaan?”</p> + +<p>Ik kon mijn ooren niet gelooven. Toch naar het partijtje? „Graag!” zei +ik. En zij: „Kom dan maar.” Aanstonds was ik uit bed, wiesch me, trok +mijn Zondagsche kleeren aan, die Moeder inmiddels haalde, kreeg een +schoon boordje om, kuste haar, een, twee, drie maal, en vloog het huis +uit, de reeds donkere gracht op, naar den verbeurden en reeds gesloten +kinderhemel, die nu weer voor me geopend werd.</p> + +<p>Van de feestpret wil ik hier niet vertellen, die is nu niet aan de orde, +maar ik moet toch even een woord zeggen ter verdediging van—mijn +Moeder, tegenover—de officieele paedagogiek. Die paedagogiek wou me +later doen gelooven, dat een opvoeder konsekwent moet zijn. Hij mag niet +gauw straffen, zoo dekreteerde ze, maar <i>als</i> hij eenmaal straft, dan +moet hij ook doorzetten; <i>als</i> een kind eenmaal een uur nablijven moet, +dan <i>moet</i> het ook een uurtje nablijven. Want anders, zoo gaf ze reden +van haar dekreet, werkt de straf als een ijdele bedreiging en stoort het +kind zich in 't vervolg er niet meer aan. Zoo heeft de Paedagogiek mij +steeds geleerd. En ook nu weer hoor en zie ik haar met ernstige stem en<span class="pagenum" title="40"></span><a id="p_40"></a> +verontwaardigd gebaar de handelwijze mijner Moeder afkeuren. Maar wil ik +Haar—ik bedoel de Paedagogiek, de Alwijze—nu eens iets zeggen? Mijn +eigen ervaring slaat dit voorschrift vlak in 't aangezicht. Met haar +generaliseeren bederft ze al haar wijsheid. Mijn Moeder was <i>niet</i> +konsekwent, in een buitengewoon ernstig geval had ze een zeer lichte +straf opgelegd, en van die straf onthief ze ons voor een groot, voor het +grootste deel. En dat deed ze uit pure zwakheid, omdat ze 't niet hebben +kon, dat haar ondeugende jongen verstoken bleef van een in zijn oogen +zeer groot genot. Ze kon niet konsekwent zijn. En ze liet uit enkel +weekhartigheid, genade voor recht gelden. En wat was het gevolg? Dat ik +nog nu in gedachten de hand kus, die mij vrijwillig uit mijn banden +losmaakte. Dat ik reeds toen en mijn heele leven lang voor niets zoo +bang was, als om Moeder verdriet te doen—al deed ik het natuurlijk ook +vaak. Dat ik voor Moeder later alles over had en haar als een heilige +mee door 't leven droeg. Dat was het gevolg van haar inkonsekwenties.</p> + +<p>Maar de Paedagogiek vergeet ook altijd één ding. Ze vergeet de Stille +Kracht. Den wonderbaren invloed van de persoonlijkheid, de +overweldigende macht des Harten. De Paedagogiek werkt met maatregelen. +Ze geeft altijd antwoord op de vraag van wanhopige opvoeders: „Wat moet +ik <i>doen</i>?” En ze moet antwoorden op de vraag: „Hoe moet ik <i>zijn</i>?”</p> + +<p>Doen? Doen? Geef een ongeschikte de voortreffelijkste middelen, en hij +bereikt er averechtsche gevolgen <span class="pagenum" title="41"></span><a id="p_41"></a>mee. Hij maait geen graan met zijn +zeisen, hij maait er zijn bloemhof mee kaal.</p> + +<p>Wéés iets. En van uw Zijn gaat opvoeding uit. Dan moogt ge zieken +genezen op den Sabbath. Dan kúnt ge zieken genezen op den Sabbath. En +dan stoort ge u niet aan de Farizeesche Schriftmatigheid.</p> + +<p>Ik was een kleine groote zondaar. Ik was gebroken door berouw. Maar ik +werd opgericht—door Genade.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="42"></span><a id="p_42"></a></p> + +<h2 id="TUSSCHEN_SCHOOL_EN_HUIS">TUSSCHEN SCHOOL EN HUIS.</h2> + +<p>„De weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens +vol verleidingen.”</p> + +<p>Die verleidingen waren van een gansch andere soort dan die ons bekoorden +als wij van huis naar school gingen. Op den heenweg naar het gehate +gebouw lokte ons elke boom naar buiten. 't Was of iedere vogel ons riep: +„Je gaat den verkeerden kant uit. Je moet niet naar dat muffe hok. Je +moet naar de paden, naar de slooten, naar de velden. Je moet de ruimte +in.” Het was wel moeilijk, aan die roepstemmen geen gehoor te geven. En +dat bleef zelfs een strijd voor me, toen ik al lang onderwijzer was. +Naar school of daar buiten? O, dat buiten trok zoo. Het zoog je +letterlijk den verkeerden kant op. En je moest je wel erg schrap zetten, +om door die zuiging niet te worden meegevoerd. Ik kan me dan ook best +een landlooper begrijpen. Een <i>land</i>looper, niet een straatslijper. Zoo +eentje, die 't veld in trekt. En eigenlijk geloof ik, dat er een +landlooper aan me verloren is gegaan. Daarom ben ik maar ambulante +bovenmeester geworden. Dat leek er nog een beetje op. Niet waar?</p> + +<p>Maar 's middags op den terugweg naar huis, dan lokte ons geen boom, of +'t moest zijn om er in te<span class="pagenum" title="43"></span><a id="p_43"></a> klimmen, dan riep ons geen vogel, of 't moest +zijn om hem met steenen te smijten. 's Middags was er niets in ons van +de natuurzieke zwervers. Alle gevoeligheid en groenliefde was dik +geworden als stroop in den winter. Ze konden niet meer vloeien. Ze lagen +als onbewegelijke massa's in ons gemoed. 's Middags, dan was de +strijdlust in ons wakker. Dan was iedere jongen van een andere school +een brutale uittarting, alleen reeds door zijn verschijning. Dan was +iedere winkeluitstalling een booze geest, die helsche vernielplannen in +ons wakker riep. Dan daagde iedere dienstmeid ons uit met emmers water, +die zij 't hart had op haar eigen stoep te zetten, of met huistrapjes, +waarop zij de vrijpostigheid nam naar boven te klimmen voor 't +glazenlappen, of zelfs met boodschappenmandjes, die ze zoo schaamteloos +met den elleboog vasthield of aan de hand liet neerhangen. Dan was +iedere onbeheerde handwagen een voorwerp, om een eind meegesleept te +worden, ieder appelvrouwtje bestemd om te worden bestolen—niet uit +steelzucht, maar uit loutere baldadigheid—, dan was iedere belknop een +magneet voor jongenshanden, verstijfd door 't samenvouwen op den rand +der schoolbank, dan was iedere deur het opentrappen waard, vooral de +winkeldeuren met een rinkelende bel; dan was iedere gebochelde, iedere +kreupele een model voor klassikale nabootsing, dan was zelfs iedere +politieagent een mikpunt voor stukjes stopverf of voor hatelijke +schimpscheuten. 's Middags, dan was de duivel in ons wakker, dank zij +vijf uren van onderwijs overeenkomstig <span class="pagenum" title="44"></span><a id="p_44"></a>den geest der wet, die sprak van +„opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden”.</p> + +<p>De heeren politici in vergaderzaal en krant hebben over die +„christelijke en maatschappelijke deugden” heel wat geredeneerd. En de +schoolmeesters in navolging van hen. Wat waren het toch, die +„christelijke en maatschappelijke deugden”, waarin bestond toch het +verschil tusschen beide. Men dreef er den spot mee. Men speelde er een +dialektisch spel mee. Men maakte er politieke kaatsballen van, zooals +zelfs van nog veel heiliger dingen. En intusschen liet men de jeugd +verdrogen, verschrompelen. Intusschen werden de kinderen vernield. Het +ware te wenschen geweest, dat men van die „christelijke en +maatschappelijke deugden” ernst had gemaakt, waarachtigen ernst. +Mijnentwege hadden de onderwijzers het fijne onderscheid tusschen beide +deugdrubrieken mogen voorbijzien, als ze die deugden maar hadden +aangekweekt, door ze te beoefenen. Een beetje christelijkheid, ook in de +christelijke school, zou voor ons zoo goed zijn geweest. Al was 't maar +een klein beetje. De christelijkheid van „Laat de kinderen tot Mij komen +En verhinder ze niet”. Maar wij—werden verhinderd.</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <span class="i0">Zij hadden ons met <i>woorden</i> wel gedreven,<br /></span> + <span class="i0">Maar hebben ons verhinderd met hun <i>leven</i>.<br /></span> +</div> +</div> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Vechten was onze hoofddeugd, op school met den meester en op straat met +de heele geordende maatschappij. <span class="pagenum" title="45"></span><a id="p_45"></a>En dan in 't bizonder met de jongens +van andere scholen. De Noordermarkt was ons slagveld.</p> + +<p>Eerst moet ik echter iets vertellen van een onzer acrobatenkunsten daar, +een kunst, die ik maar zelden, of eigenlijk nooit meer in beoefening heb +zien brengen. Op dit marktplein stonden paaltjes en wel twee soorten: +steenen met koppen als halve bollen en houten met koppen als halve +liggende cilinders. Nu was het de kunst, op zoo'n paaltje te klimmen, +zonder door een kameraad te worden geholpen, daarna er op te staan, +eindelijk van het eene op het andere te stappen, en ten slotte de heele +rij af te loopen. Men moet daar niet min over denken. Het eischte met +elkaar uren en uren van geduldig oefenen, en dat onder de bedreiging van +altijd vijandige agenten of marktmenschen. „Wil je bliksemsgauw +opdonderen”, lag in ons gehoor bestorven. Maar wij „donderden op”, net +als de musschen voor een paard en rijtuig om dadelijk weer „neer te +donderen” als de bedreiging voorbij was. En onder dat „<ins class="corr" id="corr4" title="Bron: op-en">op- en</ins> +neer donderen” oefenden we ons, geduldig, taai, volhardend. Met twee +handen hield je den kop van 't paaltje vast. Dan trok je je op, legde +heel voorzichtig je rechterknie er op, dan je linker, beide knieën +tusschen je handen. Nu de handen loslaten, den romp strekken, en zoo op +je knieën liggen. Ik beloof je, dat het een toer was. Maar het ging. +Zelfs maakten we in die houding allerlei grimassen, zwaaiden met de +armen als vliegende vogels, wierpen de marktvrouwen kushandjes toe. Doch +nu verder. Weer de rechterknie opgetrokken,<span class="pagenum" title="46"></span><a id="p_46"></a> op de linker gebalanceerd, +den rechtervoet naast de rechterknie gezet—romp rechtop, even +rusten—en het heele rechterbeen gestrekt, daarmee vanzelf het +linkerbeen opgetrokken, en op het rechterbeen gestaan, rechtop terwijl +het linkerbeen wat bewegingen maakte, om het lichaam in evenwicht te +houden.</p> + +<p>Honderd- en duizendmaal zijn we er zeker afgevallen, afgegleden, +afgesprongen, eer we eindelijk stonden, maar we hielden vol. Dát was +gymnastiek, ja wat beter dan om de vijf minuten een zwaaitje aan de +ringen. We zagen rood van inspanning, maar rustten niet eer het doel +bereikt was. Nog voel ik in mijn armen en beenen <i>den wil om te winnen</i>, +die toen aan 't werk was. Geen eerzucht, geen ijdelheid, al kwam er +later natuurlijk wat pralerij bij, maar <i>zegezucht</i>. Geheel in ons +eentje, ongezien, oefenden we ons op ieder paaltje, hoe lastiger hoe +liever. En dat deden we niet om een bewust doel, als een soort plicht, +maar omdat we 't niet laten konden. We verloren ons er in—zooals een +dichter in zijn verzen, een schilder in zijn verven. Wij maakten ons +jongenskunstwerk, met onvermoeibare zelfovergegevenheid. En zoo +presteerden we ten slotte het onmogelijke: we liepen over de koppen van +paaltjes, ongeveer een kleinen meter van den grond, en bijna een meter +van elkaar. En daar liepen we met een zekerheid en een gratie—want in +zulke kunsten zit een natuurlijke gratie, anders zijn ze onmogelijk—die +in ons de lenigheid en de schoonheid ontwikkelden, de zelfbesturing en<span class="pagenum" title="47"></span><a id="p_47"></a> +het zelfvertrouwen, <i>maar die door de volwassenen niet begrepen werden</i>.</p> + +<p>De houten paaltjes met rolronde koppen waren de moeilijkste. De bolronde +van de steenen hadden aan alle zijden een aanpakvlak voor den naderenden +voet, maar die andere—men stelt het zich toch, hoop ik, wel +voor?—konden maar van één zijde benaderd worden. 't Was dan ook de +hoogste triomf, als je over de houten voortstapte, en dat werd nog +mooier als er tusschen die paaltjes ijzeren stangen liepen of ijzeren +kettingen hingen, kettingen met ijzeren punten. Dan liep je ieder +oogenblik gevaar, een breuk te vallen of je op andere wijze aan dat +ijzer te kneuzen. Maar dat maakte het genot nog grooter.</p> + +<p>Denkt de verbiedzieke volwassene er wel eens aan, dat iedere nieuwe +belemmering nieuwe aanvalsdriften oproept?</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Welken medescholier herinner ik me nog met naam en toenaam?</p> + +<p>Het is Hendrik Busman.</p> + +<p>En waarom is hij het? Omdat hij zoo goed leeren kon?</p> + +<p>Maar denkt iemand nu heusch, dat we ons dáárom bekommerden?</p> + +<p>Hendrik Busman werd vereeuwigd om dezelfde reden als De Ruyter, Tromp, +Piet Hein. Omdat hij zoo goed vechten kon.</p> + +<p>Ik zie hem nog staan, boven op een hooiwagen.<span class="pagenum" title="48"></span><a id="p_48"></a> 't Was op dezelfde +Noordermarkt. Daar leverden we onze veldslagen, gelijk de mogendheden +eertijds in de Zuidelijke Nederlanden.</p> + +<p>Hendrik Busman stond op een hooiwagen, boven op de lading hooi. We +bleven beneden op de straat en wierpen hem steenen toe. Dat waren de +projectielen, waarmede hij, van zijn hoog standpunt, den vijand +bestookte. Die bleef op een eerbiedigen afstand.</p> + +<p>We droegen houten sabels, met punten er aan. Die staken we op zij, door +een riem. Echte officieren. Soms maakten we een charge. Met getrokken +sabel renden we dan op den vijand los. Die sloeg op de vlucht, niet +bestand tegen ons élan. Enkele dapperen konden echter zoo'n schandelijke +vlucht niet verdragen. Ze bleven staan, het zwaard in hun vuist. +Blindweg sloegen ze in 't rond. Dan kwamen hun verjaagde makkers weer +terug. De moed van enkelen—niet waar?—<i>de moed van enkelen</i> is <i>de +kracht van allen</i>. En als ze dan, in hun heldhaftigheid, van het verweer +tot den aanval durfden overgaan, dan holden wij weer weg, tenminste de +groote hoop van ons, dan keerden de kansen, totdat ook <i>onze</i> helden hun +leven waagden.</p> + +<p>Twee dingen weet ik van die vechtpartijen met volkomen zekerheid.</p> + +<p>Vooreerst, dat het vechten heilige ernst was en te gelijk de prachtigste +komedie.</p> + +<p>Het was ernst. We voelden ons in oorlog. Den heelen dag spraken we er +over. We wisten van den vijand alleen kwaad. Ze waren „schooiers” of +„kalen”,<span class="pagenum" title="49"></span><a id="p_49"></a> al naardat ze tot een armere of een rijkere school behoorden. +We bluften op onze heldendaden, we smaalden op hun lafheid. En we +dachten aan niets dan aan den krijg. Hoe de oorlog was aangekomen, +wisten de meesten niet. Er ging alleen een gerucht rond van een of +andere „gemeene streek” of verregaande aanmatiging. Dat was voor de +massa genoeg. Die vroeg niet naar een <span xml:lang="la">casus belli</span>. Het feit alleen, dat +er oorlog was, joeg ze al te hoop. Ze vond het heerlijk, in groepen rond +te zwerven, stokken of riemen te zwaaien, en den vijand na te rennen.</p> + +<p>En toch was het komedie. We pasten wel op, dat we geen jongen gevaarlijk +raakten. Ja, met een stok of riem tegen de beenen, hoogstens tegen den +romp slaan. Maar nooit tegen zijn hoofd. En ook nooit een trap tegen +zijn buik of een stomp in zijn hartstreek. Wie zoo iets deed, stond +eigenlijk bij ons in minachting, ook al behoorde hij tot de onzen. Er +was een ongeschreven jongenswet, waarin onridderlijke daden verboden +waren. Ik denk, dat we dit niet aan de school dankten, maar aan de +grootmoedigheid van onze boekenhelden.</p> + +<p>Volwassenen maakten zich soms ernstig bezorgd over ons vechten. Totaal +overbodig. Want het was bijna uitsluitend parade en bluf. Grootdoenerij. +Een gelegenheid om te hollen, te schreeuwen, te zwaaien, te smijten. En +de oorlog stierf zijn eigen dood. Ik weet van geen enkelen oorlog, die +met een verklaring begon en met een vrede besloot. Hij ontstond en +verdween, als de stormen in de atmosfeer.</p> + +<p><span class="pagenum" title="50"></span><a id="p_50"></a></p> + +<p>Maar dan was er nog een tweede ding, dat ik nu, uit de verte, heel +duidelijk zie. Al waren er ook veertig, vijftig, en meer jongens bij +betrokken, eigenlijk draaide de heele beweging om een paar. Als zij +voorgingen, volgden de anderen. Als zij verslapten, dropen allen af. +Niet alleen onder de schapen heb je de belhamels. Die schijn je bij alle +„gezellig levende dieren” te hebben. En de mensch is zoo'n gezellig +levend dier. Let op de belhamels. In hen heb je de kudde!</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Erger dan het vechten was onze baldadigheid. Eén voorval herinner ik me +nog heel levendig.</p> + +<p>Misschien weten de meeste volwassenen niet eens, dat je in de raamposten +gaatjes hebt—of hadt—aan elken kant een. Die dienden, geloof ik—we +kregen toen nog geen zaakonderwijs—om er pennen door te steken, die 's +nachts de buitenblinden moesten vasthouden.</p> + +<p>Nu was er in de Westerstraat een porcelein- en glaswinkel, waar we zulke +gaatjes ontdekt hadden. Als je door het gaatje een dun stokje stak, kwam +dit aan de binnenzij te voorschijn en dan kon je er iets in de +uitstalling mee omduwen, een glaasje, een kopje, een vaasje of een ander +niet te zwaar voorwerp.</p> + +<p>Dat deden we. Heel onschuldig bewonderden we de uitgestalde waar, maar +staken inmiddels de stokjes door de gaten en duwden. Tuimelde er een +ding rinkelend om, dan holden we hard weg.</p> + +<p><span class="pagenum" title="51"></span><a id="p_51"></a></p> + +<p>Eens stonden we weer voor het raam, werkten met stokjes, en loerden +onderdehand of de baas in de achterkamer bleef.</p> + +<p>Plotseling gaat de kamerdeur open, en zien we den man in zijn +overhemdsmouwen driftig den winkel in vliegen.</p> + +<p>Wij op den loop. Een kerel in overhemdsmouwen en blootshoofds, die je +zoo maar op straat naholt, dat is voor jongens nog erger dan een +politieagent. Zoo'n kerel ontziet niets en kan hard loopen.</p> + +<p>Wij vlogen dan ook over den weg. Hier was het nu bijna letterlijk waar, +dat de angst ons de voeten bevleugelde. Hij was ons natuurlijk vrij +dicht op de hielen, een winkellengte, en we konden hem alleen door een +razende vaart ontsnappen.</p> + +<p>Ha, dát was loopen. Als een hinde voor de honden. Zulke vergelijkingen +begrepen we best, veel beter dan de meester. Wij hadden den angst <i>in</i> +ons gehad.</p> + +<p>Daar bereikten we de eerste dwarsstraat. We vlogen den hoek om, en +kwamen midden in een hoop blaffende en vechtende honden terecht. Die +vergaten natuurlijk aanstonds hun geschillen, om op de hollende +jongensbeenen af te stuiven. Maar die renden er, behalve één paar, allen +tusschen door, de honden trappende, zoodat ze jankend wegstoven. Alle, +behalve één paar. En die waren van mij.</p> + +<p>Ik was bang voor honden. En toen ik daar zoo plotseling door zes of +zeven blaffende honden besprongen werd, stond ik dadelijk stil. Ik +durfde niet door die woedende bekken heenbreken.</p> + +<p><span class="pagenum" title="52"></span><a id="p_52"></a></p> + +<p>Maar achter me kwam de kerel in zijn overhemdsmouwen en zijn bloote +hoofd.</p> + +<p>Toen stond ik ineens voor de uitstalkast van een koek- en banketwinkel. +Dat was tegenwoordigheid van geest. En ik bewonderde de uitstalling met +zoo ongeveinsde belangstelling, dat ik den man aan het twijfelen bracht.</p> + +<p>Daar was een kunststuk van suikerbakkerij. Een tandarts had een boer een +kies getrokken. Hij stond met de kies nog in de tang. Maar de boer hield +beide handen aan 't pijnlijk vertrokken gezicht. En in witte +suikerletters stond er bij te lezen:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <span class="i1"><i>Je hebt de verkeerde getrokken.</i><br /></span> + <span class="i0"><i>Ik trek je ze allemaal voor hetzelfde geld.</i><br /></span> +</div> +</div> + +<p>Het geheele kunstwerk was in een glazen kastje geborgen.</p> + +<p>Van dezen humor stond ik bevend te genieten, toen ik een stem achter me +hoorde: „Jij was er ook bij, bliksemsche smeerlap!”</p> + +<p>„Waarbij, meneer?”</p> + +<p>„Ja, sta me nou maar niet te bedondere. Ik heb je heel goed gezien.”</p> + +<p>„Ik weet nergens van, meneer!”</p> + +<p>„Heb jij niet met je vuile poote aan dat winkelraam gezete?”</p> + +<p>„Nee meneer, heusch, ik weet nergens van.”</p> + +<p>Dat woord „heusch” was een woord, dat we alleen bij zulke gelegenheden +gebruikten.</p> + +<p>De meneer in zijn hemdsmouwen scheen zich door<span class="pagenum" title="53"></span><a id="p_53"></a> mijn schijnheilig +gezicht toch te laten „bedondere”. Hij was niet zeker van zijn zaak. +Grommend en scheldend trok hij af, terug naar zijn winkel.</p> + +<p>Toen liep ook ik verder. Neen, ik wandelde verder. Wat genoot ik van +mijn triomf! De andere waren naar huis gehold, de dwarsstraat uit, den +hoek om, en zoo verder. Ik wandelde op mijn dooie gemak, als een +rentenier, als iemand, die zijn tijd aan zich heeft en zijn omgeving +volkomen beheerscht.</p> + +<p>Daar kwam nog iets bij. De vent had zich nog eens kunnen bezinnen en me +toch in mijn nek willen nemen. Daarom mocht hij geen oogenblik denken, +dat ik haast had, om weg te komen. Zonder om te kijken slenterde ik de +dwarsstraat door als een volmaakt onschuldige. Ik bleef in mijn rol.</p> + +<p>„Wie niet sterk is, moet slim zijn.” Juist. Wie niet sterk is, <i>dient</i> +slim te zijn. Of hij gaat ten onder.</p> + +<p>Wie niet sterk is, <i>is</i> slim. Dat is zijn instinkt tot zelfbehoud.</p> + +<p>Ik was niet beredeneerd slim. Ik had dat mooie redmiddeltje niet +uitgedacht. Ik was instinktmatig slim, zooals een drenkeling +instinktmatig de armen uitslaat. De slimheid was er, ineens, onbedacht. +Ze was mezelf een verrassing. De slimheid—ge moogt ook zeggen: de +huichelarij—was door den nood voortgebracht. Ze was een noodprodukt, +gelijk zekere vieze lucht bij den bunzing.</p> + +<p>Toen ik in onze straat en bij ons huis kwam, zaten de anderen reeds +rustig op de stoep, zoo maar op de koude, hardsteenen stoep.</p> + +<p><span class="pagenum" title="54"></span><a id="p_54"></a></p> + +<p>Een luid gejuich ging op, toen ze me zagen. Geen oogenblik hadden ze +gevreesd, dat ik „in die kerel z'n poote” was gekomen. (Jongens +gebruiken bij voorkeur ruwe woorden en sterke uitdrukkingen, evenals het +plebs, niet uit plebeïschen zin, maar, en alweer evenals het plebs, uit +onrijpheid: Kleine kinderen maken vuile luiers). Ze waren dus geen zier +ongerust omtrent mij. Ik zou me wel gered hebben op een of andere +manier. Wij waren niet kleinzeerig of gauw bekommerd ten opzichte van +elkaar.</p> + +<p>En toen begon het opsnijen. Ik hoor een der jongens nog vertellen, dat +hij midden in dat hondengeraas op een grooten hond was gesprongen, dien +bij zijn ooren had gepakt om hem te mennen, en zich zoo naar huis had +laten rijden. En wij schenen dat te gelooven. Ik herinner me tenminste +niet, dat het verhaal als onmogelijk verworpen werd. Het behoorde tot de +heldenfeiten, die we verrichten of verzonnen, maar in ieder geval +bewonderden.</p> + +<p>Mijn daad werd ook bewonderd. Ik had dien kerel mooi (tegenwoordig +zeggen de jongens: fijn) te pakken gehad. En niet een van ons dacht aan +de schade, die we den man berokkend hadden.</p> + +<p>Niet een begreep zijn woede over onze pure en brutale baldadigheid. We +kwámen niet in zijn geval.</p> + +<p>„Hè, wat bliksemde dat glas lekker naar beneje! En wat holde die kerel +met zijn bloote kop! Jammer dat die honden hem niet in zijn poote +gebeten hebbe!”</p> + +<p>Dat was ons medelijden.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p><span class="pagenum" title="55"></span><a id="p_55"></a></p> + +<p>Nog twee herinneringen zijn me bijgebleven aan de school op de +Lindengracht. Ze staan beide in verband met het huis van den +bovenmeester.</p> + +<p>Ik moet op een keer eens iets heel erg kwaads gedaan hebben. Wat, dat +weet ik niet meer. Maar het nablijven in de gewone school was blijkbaar +niet erg genoeg. Ik moest met meneer Kuyper mee, eenige portalen door, +naar zijn woning, naast de school en daarmee verbonden.</p> + +<p>Wij gingen een trap op, ik voor, hij achter. Wat was dat indrukwekkend. +'t Was er zoo stil. En dan alleen met den bovenmeester. In zijn eigen +huis!</p> + +<p>Wij kwamen boven in een gang met witgestukadoorde muren. Er lag een +looper.</p> + +<p>Toen moest ik daar in den hoek staan. Meneer Kuyper ging naar binnen, in +een kamer.</p> + +<p>Ik stond er, doodstil.</p> + +<p>Wat was het hier rustig.</p> + +<p>Wat was het hier vredig.</p> + +<p>En zoo netjes.</p> + +<p>Er zweefde iets lieflijks in de atmosfeer.</p> + +<p>Ik voelde me heerlijk. Volmaakt gelukkig.</p> + +<p>En dat onder die allerstrengste straf.</p> + +<p>Maar het zou veranderen. Meneer Kuyper had een hondje. Ik hoorde het +blaffen. Weg was mijn rust. Voor iederen hond was ik bang. Nu stond ik +doodsangsten uit, dat het dier in de gang zou komen.</p> + +<p>Daar had je de ellende al. Een deur ging open. Blaffend kwam het +keffertje er uit en rende natuurlijk aanstonds naar mijn beenen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="56"></span><a id="p_56"></a></p> + +<p>Ik drong me, in angst, tegen den muur aan, en begon luid te schreeuwen. +Ik wrong me buiten het bereik van het gebit. Maar dat tuig is altijd +zoo, dat ze juist bange jongens het ergst aanblaffen. 't Is onedel +gedierte, bijna zoo onedel als een straatjongen.</p> + +<p>Gelukkig klonk daar een lieve vrouwenstem. Die riep het hondje weg. Het +was de nog jonge vrouw van den bovenmeester. Ze kwam in de gang. Ze zag +mijn beschreide oogen, en zei enkele zachte woorden. Ze vroeg, of ik zoo +erg ondeugend was geweest. Ik keek haar aan. Er was zeker iets smeekends +in mijn blik. Ze legde haar hand op mijn hoofden streelde me. Toen ging +ze even naar binnen, en bracht me een boterham.</p> + +<p>Lieve schoolmeesters in Nederland, die dit leest. En ook gij, +huisvaders. Luistert nu eens goed. Ik weet absoluut niets meer van het +kwaad, dat me deze buitengewone straf op den hals heeft gehaald. Ik weet +niets meer van den geduchten uitbrander, dien ik zeker gekregen moet +hebben. Van die geheele geschiedenis weet ik niets meer.</p> + +<p>Maar ik weet nog wel van die gang, en van dat hondje, en van die lieve +vrouwenstem, en van die zachte vrouwenhand, en van die boterham.</p> + +<p>Ik voel nog de verademing, de ontroering, de dankbaarheid bij <i>haar</i> +verschijning. Die stem, die hand, die boterham, dat was nu opvoeding, +dat was christelijke opvoeding.</p> + +<p>Daar boven, in het hoekje tegen den muur, daar ben ik christelijk +opgevoed. Zoo maar zonder catechismus. En in enkele oogenblikken.</p> + +<p><span class="pagenum" title="57"></span><a id="p_57"></a></p> + +<p>Toe, geloof me nu eens. We beseften ons eigen kwaad zoo weinig, dat we +er in roemden. We gaven niets om straffen, en als ze wat bijzonder +waren, hadden we zelfs gevoel voor het aantrekkelijke er in. Maar ons +harde hart brak bij een zacht woord. En we voelden ons gezegend en +geheiligd door een teere hand.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>We gaan nog eens naar het huis van den bovenmeester. Maar nu blijven we +buiten staan.</p> + +<p>'t Is tusschen half negen en negen uur. De schooldeur is open. De +kinderen komen de Lindegracht op. Maar allen kijken even naar de deur +van het woonhuis. Daar is een briefje op aangebracht: „De zieke heeft +een onrustigen nacht gehad. Toestand hetzelfde.” Dan loopen ze zacht +door en gaan stil naar binnen.</p> + +<p>Meneer Kuyper is ziek. 't Is ernstig, heel ernstig. Elken morgen wordt +de toestand meegedeeld. Er mag niet gebeld worden.</p> + +<p>Er ligt een donkere schaduw over de school. We denken niet aan +ondeugendheid. Met den meester hebben we een wapenstilstand gesloten. +Dit briefje stemt ons tot gehoorzaamheid, hem tot redelijkheid. Hij is +een poos geen barbaar.</p> + +<p>De zieke daarboven beheerscht de school. Alleen door zijn ziekte. Weet +hij nog wel iets van wat er beneden gebeurt? Waarschijnlijk niet. Maar +wij weten wel, wat daarboven gebeurt. Daar ligt hij ziek. Hij, die +teere, bleeke figuur. Nu ligt hij te bed, nog bleeker dan ooit.</p> + +<p><span class="pagenum" title="58"></span><a id="p_58"></a></p> + +<p>We weten wel zooveel, dat zulke briefjes op de deur een veeg teeken +zijn. Dat doet men alleen bij heel, heel erge zieken. We loopen zacht +het huis voorbij. Er is geen geschreeuw op de gracht. Hij is ziek. Hij.</p> + +<p>De berichten op de deur worden steeds ernstiger. Eindelijk lezen we: +„Hedennacht overleden.” De gordijnen zijn gezakt. Er is geen school. We +gaan naar huis. Niets, niets blij met de vakantie.</p> + +<p>Ik denk aan dien zachten man, biddende met zijn zachte stem. Ik hoor hem +weer aan 't orgel.</p> + +<p>Ik denk aan zijn lieve vrouw. Die zal nu wel erg bedroefd zijn.</p> + +<p>Ik denk aan 't hondje.</p> + +<p>En nu, veertig jaren later, denk ik:</p> + +<p>Ik wou, dat die lieve vrouw nog leefde. En dat ze dan dit las. Dan zou +ze hooren, wat ze zeker nooit geweten heeft, hoe dat ondeugende +jongetje, daar boven in de gang—ze herinnert zich geen jongetje?—hoe +dat jongetje haar en haar lieven man in gezegend aandenken heeft +gehouden. Zijn leven lang.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Toen meneer Kuyper de school aan de Lindegracht verlaten had, ging ook +ik weg. Ik heb een flauw vermoeden, dat het om achterstallig schoolgeld +was, maar zeker weet ik het niet.</p> + +<p>Maar ik was blij, dat ik wegging.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="59"></span><a id="p_59"></a></p> + +<h2 id="IN_HUIS">IN HUIS.</h2> + +<p>Wat weet ik nog van mijn huis? Ik ken er nog de heele geografie van, +hoewel ik die nooit heb gememoriseerd. Hier is een stukje landkaart van +den winkel.</p> + +<div class="figcenter" style="width: 679px;"> +<img src="images/ill_p059.png" width="679" height="374" alt="" title="" /> +</div> + +<p>Je ging met een stapje de blauwe hardsteenen stoep op. Rechts stond een +groengeverfde houten bank. Die hadden toentertijd alle menschen terzij +van hun huisdeur. De Potgieterkenners onder mijn lezers herinneren zich +wel de prachtige strofe: „Oud Amsterdam was 't kijkje waard,” waarin +onze dichter verklapt: „Ter sluik werd op die bank gekust.” Dat nu deden +wij nog niet.</p> + +<p><span class="pagenum" title="60"></span><a id="p_60"></a></p> + +<p>De stoep was voor ons wat de plankjes of het plat bij een duiventil +zijn. We streken er op neer, als we van onze verre vluchten vermoeid +thuis kwamen, ze was het buitenstuk van ons heim. Eenmaal op de stoep, +waren we op ons erf. We zaten er, bij mooi weer, uren achtereen, terwijl +de volwassenen op de bank van de avondlucht genoten. Vader zijn pijp +rookend, een Goudsch krommertje. En dan bikkelden we er met de meisjes +mee of deden malkaar verhalen, als 't wat donker werd, hoe griezeliger, +hoe liever. Of we van die koude zitplaats buikpijn konden krijgen, daar +dachten we niet aan, en in ieder geval bekommerden we er ons niet om, +evenmin of de verbeelding verontrust of de slaap verstoord werd door die +geschiedenissen.</p> + +<p>Een van mijn vriendjes, Jan S., hoorde thuis prachtige vertellingen. +Zijn vader las Zondagsavonds voor uit een boek: „Christemeijer. Verhalen +uit de lijfstraffelijke regtspleging.” Hoe is het mogelijk, dat ik dien +titel nog weet, met die onkinderlijke woorden van „lijfstraffelijke +regtspleging.” Dat komt doordat ik soms bij dat voorlezen tegenwoordig +mocht wezen, dan naar dat boek zat te kijken en ook het titelblad heb +mogen zien. Wat een kind toch al leeren kan, als men hem het zien niet +verbiedt!</p> + +<p>Die verhalen waren echter voor ons te ingewikkeld. Wij vertelden elkaar +van „Het huis met de hoofden.” Dat stond op de Keizersgracht, een groot +heerenhuis met zeven manskoppen in den voorgevel. Eens was de familie +van dat huis uit en een meid alleen thuis.<span class="pagenum" title="61"></span><a id="p_61"></a> Die hoorde 's avonds laat +gerucht bij een klein venstertje in de onderverdieping. Zij ging er +heen, begreep al gauw dat daar roovers waren, en kreeg geen flauwte, of +vluchtte niet in een kast, maar zette zich, gewapend met een vlijmscherp +broodmes, op post aan de binnenzij van 't kleine raampje. Daar kroop een +kerel naar binnen. Zijn ruige kop was zichtbaar, gemeene kop, met ruwen +baard. Hij werkte er zich doorheen. Maar nu helpt zij hem een handje, +snijdt hem in één haal den kop af—we hoorden dien vallen—en trekt dan +den kerel naar binnen. „Kom maar,” riep ze daarna met een gedempte +mannenstem. Nummer twee kwam, doch werd net ontvangen als nummer een. En +dat welkom werd het deel van alle zeven. Toen meneer en mevrouw thuis +kwamen, kon de meid hun toonen, hoe wakker ze meneers bezittingen +verdedigd had. Te harer eere werden er nu zeven koppen in den gevel +aangebracht, en dikwijls maakten wij, jongens, een tocht naar dat huis, +om de gemeene tronies aan te kijken, maar vooral om te tellen, of er wel +echt zeven waren.</p> + +<p>De paedagogiek kan uit deze eigenaardige bedevaarten leeren, welke +beteekenis het <i>woord</i> heeft voor de zaakkennis, het belangstelling en +onderzoekingslust wekkende woord. Maar dat woord moet dan interessant +zijn, inslaan in de kinderziel, als het verhaal van „Het huis met de +zeven hoofden”.</p> + +<p>Een andere vertelling was van een kind, dat zijn beentje was afgezet, +zonder dat beentje gestorven en begraven was, en nu elken nacht +rondspookte, om<span class="pagenum" title="62"></span><a id="p_62"></a> zijn beentje te zoeken. Met een donkere grafstem liet +de verteller het dwalende kind roepen: „Mijn beentje, mijn beentje! Wie +heeft er mijn beentje?” Ademloos zaten we te luisteren naar den +grafgewelfgalm in de klanken van dat <i>beentje</i>, de donkere <i>ee</i>, gevolgd +door den galmend rekkenden neusklank. Beproef het eens, zeg het eens +overluid met een zoekende, donkere, dreigende stem, en ge zult de +werking van die beenderklanken hooren: „Wie h<i>ee</i>ft er mijn <i>beentje</i>?” +De <i>ee</i> van <i>heeft</i> werkt eerbiedig mee, stille bijtoon bij de donkere +grafgalmen. En als dan de verteller ons geheel in de stemming had +gebracht, wij het spokende kind zagen en de smartelijke stem hoorden, +dan sprong hij ineens op, greep een der toehoorders bij de schouders, en +riep met woedend uitvallende stem: „Jij hebt mijn beentje!”</p> + +<p>We wisten vooruit, dat dit komen moest, alleen wisten we niet wien het +treffen zou, maar telken keer als het verhaal dien plotselingen keer +nam, sprongen we verschrikt op, sidderend van ontsteltenis. Hè, dat was +heerlijk geweest, zoo griezelig heerlijk.</p> + +<p>Weer een ander verhaal was van den jongen edelman, die zijn vader +vermoord had, om de vrije beschikking te kunnen krijgen over diens +rijkdommen. Eenzaam zat de ontaarde zoon in zijn kasteel. Maar te midden +van al zijn schatten voelde hij zich niet rustig. 't Was herfst. Buiten +gierde de wind door 't gebladerte. En binnen was hij, luisterend naar +alle gillen en loeien van den wind om 't hooge huis. Hoor, daar treft +een vreemd geluid zijn oor. 't Is of<span class="pagenum" title="63"></span><a id="p_63"></a> er iemand de steenen trap oploopt. +„Slof, slof, slof, slof!” Zoo sleepte zijn oude vader zich altijd naar +boven. De zoon beeft van angst en onrust. Maar hij vermant zich, en gaat +kijken. Daar ziet hij, langzaam de trap opzuchtend, een witte gestalte, +in wijden mantel, en met langen, grijzen baard. Het is zijn vader. +Ontzet snelt de vadermoordenaar naar binnen, werpt de deur in 't slot, +en verbergt zich daarachter met zijn schuldig hart. Maar deuren en +sloten mochten niet baten. Elken avond, op een vast uur, <ins class="corr" id="corr5" title="Bron: hoor">hoort</ins> +hij dat zachte, maar doordringende: „Slof, slof, slof, slof.” Hij stopt +zijn ooren toe, maar 't helpt niet. Dikke gordijnen hangt hij voor de +deur, maar ze konden het geluid niet smoren. Klokke tien kondigde het +eentonige, zuchtende gesleep op de trap het bezoek van den vermoorde +aan, avond aan avond, totdat eindelijk de zoon krankzinnig werd van +angst en niemand het groote kasteel meer durfde naderen.</p> + +<p>Die uurtjes van vertellen waren zalig. De volwassenen zaten op de bank +of op wat stoelen, die men er bij gezet had. Wij schoolden, terzij van +'t huis, op de stoep samen, kropen dicht bijeen, en huiverden van genot. +„Wat zijn de jongens stil,” zei Moeder dan, gewoon aan ons altijddurend +hollen en schreeuwen en stoeien. Geen wonder. Wie zou een kik gegeven of +beweging gemaakt hebben, bij het somber rondgaande: „Wie heeft er mijn +beentje,” of het huiveringwekkende: „Slof, slof!” Die vertellingen met +zoo'n telkens weer opdoemende vraag of herhaald geluid waren ons nog het +liefste, want dan<span class="pagenum" title="64"></span><a id="p_64"></a> hoorde je het spookachtige telkens dichterbij komen. +Je hart kromp er bij ineen. Dát was genieten. En dan ging je straks stil +in huis en naar bed.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Van de stoep kwam je in den winkel. Wat beteekende die winkel voor ons, +kinderen? Een last en een lust.</p> + +<p>De last was het boodschappen-loopen. Pas was je uit school, of je +hoorde: „Loop eens gauw naar die of die en breng daar de koffie.” Die of +die woonde natuurlijk niet in de buurt, anders was de boodschap niet +noodig geweest. En dan moest je, in plaats van lekker op straat te +spelen, een half uur ver, met moede beenen slenteren door vervelende +straten of langs lange grachten. Die beenen zouden niets moe zijn +geweest, als ze hadden mogen hollen bij het krijgertje-spelen. En hier +moet de paedalogie bij haar vermoeidheidsproeven eens goed nota van +nemen. Ik bedoel, of de vermoeidheid dikwijls niet meer in de gedrukte +gemoedsstemming zit, dan in het werk; of tegenzin en teleurstelling niet +meer verlammen dan physieke en geestelijke inspanning, al hebben +deze—natuurlijk!—haar grenzen.</p> + +<p>Vooral de Zaterdagnamiddag was voor mijn twee jaar ouderen broer en mij +een ellende. Dan moesten we geregeld „klantenloopen”. Met zware manden +sjokten we dan eerst het eene eind van de stad in, en dan het andere.</p> + +<p>Gelukkig hadden we onze bepaalde menschen, waar<span class="pagenum" title="65"></span><a id="p_65"></a> je altijd een paar +centen kreeg. Dat waren dan meestal goedige dienstboden, en dat kan ik +nu, uit de verte, best begrijpen: die wisten bij ervaring, hoe aangenaam +zoo'n kleine verrassing is. Men ijvert vaak tegen de fooien. Zeker, er +zit een kwaad aan vast. Maar toch ook, zoo'n enorme massa levensgeluk +wordt in die kleine schenkingen dagelijks onder de menschen verspreid. +Ik geef ze graag, omdat ik ze altijd zoo graag ontvangen heb. Een paar +centen, en een lange, zware terugweg werd verkort en verlicht. En dat +zou nooit bereikt zijn door een vast loon, al wil de redeneerzieke +mechanicus dit ook beweren. Een gulden meer weekloon is <i>niet</i> hetzelfde +als een gulden fooien. Zoo iets meent en verdedigt alleen de +kortzichtige in-mekaar-zetter van 't leven. Die verhooging van weekloon +wordt al gauw een stuk gewoonte, niet meer gevoeld, niet meer +gewaardeerd; niet meer een levensvreugde. En die langzaam bijeen +gekregen fooien, opklimmend tot bij, tot aan den gulden, maken de heele +week goed, dag aan dag, geven telkens een geluksemotie.</p> + +<p>Nu moet men niet zeggen: O, die kapitalistische Jan Ligthart is tegen +loonsverhooging en wil den minderen man liefst met fooien afschepen, met +gunsten, in plaats van met rechten, zoo houdt hij ze meteen in +vriendelijke onderdanigheid, want dan heeft men de strekking der +opmerking niet begrepen. Ik wil alleen, bij de steeds toenemende +vermechanieking van het leven, er op wijzen, dat er ruimte moet blijven +voor spontane uitingen en er aan herinneren, dat een<span class="pagenum" title="66"></span><a id="p_66"></a> mensch altijd een +kind blijft, gevoeliger voor kleine verrassingen, dan voor groote +geregeldheden. Wij waren gelukkig met een paar centen, en ik zal al heel +blij zijn, als dit mijn kindergeluk dezen of genen lezer of lezeres +bewegen mocht, den jongen van den kleermaker of uit den mantelwinkel, +die een half uur ver met die zware doos aan zijn arm heeft gesjouwd, +niet te laten afdruipen zonder hem eerst vijf centen in de hand te +hebben geduwd. Ik verzeker u plechtig, dat hij geen principieele +bezwaren zal maken. En men zal eens zien, wat zoo'n stuiver een invloed +heeft, niet alleen op zijn beleefdheid, maar ook op zijn beenen. +Vermoeidheid en—gemoedsstemming.</p> + +<p>Een der klanten was een oude nicht. Ze woonde—wat weet ik dat nog +goed—binnenshuis (we zeggen tegenwoordig „en pension”) op den +Haarlemmerdijk. Ik zie den weg nog, dien we volgden, en op dien weg een +heel gemeenen streek, dien ik uithaalde. Nicht was een oude, +vriendelijke vrouw. Als we de boodschappen brachten, mochten we altijd +boven komen, op haar keurig nette kamer. Bij de boodschappen was ook +geregeld een half pond Janhagel, dat we eerst haalden bij Hagtingius, +den koekbakker, die in een mooi hoekhuis recht tegenover ons woonde, de +brug over. Die naam Hagtingius—ik durf er op zweren—is goed gespeld, +en kwam toch in geen enkel taalboekje voor. Ik zag hem dagelijks, en, +zooals kinderen doen als 't hun niet verboden wordt, ik keek er naar en +las hem meermalen hardop. Kinderen prenten zichzelf zoo onnoemelijk veel +in—als 't hun niet<span class="pagenum" title="67"></span><a id="p_67"></a> verboden wordt. Een wandelend jongetje, dat op +straat bij ieder stuk „taalwerk” staan blijft, om het opmerkzaam te +lezen, wordt echter gewoonlijk door zijn moeder meegesleurd. Moeders +hebben geen aasje idee, hoe ze daarbij hun kinderen het groeien +belemmeren. Zelfs schoolmeesters weten dat menigmaal niet.</p> + +<p>Maar wat heeft Hagtingius met mijn oude nicht te maken? Hij deed de +lange reepen Janhagel in een witpapieren zak en die goeie nicht haalde +de heele stukken daar uit en gaf ons de brokken. Dat wisten we, het +gebeurde week aan week. En wat deden we nu? Onderweg hielden we den zak +onder den arm en drukten er telkens tegen. Als we dan iets voelden +knappen, hadden we ons stukkendeel vermeerderd. En begrijp nu wel, hoe +listig, hoe huichelachtig ik daarbij te werk ging. Rondweg, door +snoepen, ons verrijken, deden we niet. Dat was „stelen”. Den zak +openmaken, om een paar reepen door te breken, deden we ook niet, want je +kon zoo'n zak nooit weer zoo netjes in de plooien toevouwen als de +winkelier. Maar, moedwillig per ongeluk, den koek onder den arm kneuzen, +dat deed ik wel. Zoo kon ik mijn deel vergrooten, en mijn geweten in +rust houden. Heeft Jeremia niet geschreven: „Arglistig is het hart, meer +dan eenig ding; doodelijk is het. Wie zal het kennen?” Ons onschuldig +kinderhartje muntte ook al uit in arglistigheid. En als we dan bij nicht +waren, en ze legde zoo netjes de reepen in haar verlakte +koektrommeltjes, en ze gaf ons met een vriendelijk gezicht en een zachte +hand al die brokken, dan stonden we<span class="pagenum" title="68"></span><a id="p_68"></a> daar met een schijnheilig gezicht +bij, namen als zoete jongetjes—het petje in de linkerhand—de brokken +met de rechterhand aan, want je moest altijd iets met de rechterhand +aannemen, dat was netjes, ook de door bedrog verkregen dingen, en, +kleine, gemeene huichelaars als we waren, groetten nicht heel beleefd, +want ook dat hoorde zoo, en gingen met ons listig gestolen goed de +straat op, om daar er van te genieten. Gestolen? Nicht had het ons toch +eerlijk gegeven? „Arglistig is het hart, meer dan eenig ding.”</p> + +<p>En nu knoopt zich aan deze afzetterij nog een ervaring vast. Nicht had +een meid-huishoudster, die ons altijd met een heel zoetsappig gezicht +begroette. De vriendelijkheid kwijlde haar haast uit den mond, als ze +ons de deur opende met haar temerig: „Dag jongeheeren! Zal uwe goed uw +voetjes vegen!” Als neefjes van haar „<span xml:lang="fr">commesales</span>” behandelde ze ons met +voorzichtigen eerbied. Maar eens hoorden we haar, over ons sprekend, +zich gansch anders uiten. „Daar komme die jongens weer met d'r vuile +poote je trap bederve. Nou hei je ze pas schoon.” Toen had ze voor goed +bij ons gedaan, dat gemeene wijf, dat zoo vriendelijk was in je gezicht +en achter je rug op zoo'n manier over je sprak. We konden haar niet meer +luchten of zien, hadden een hartgrondigen afkeer van haar gemeene +huichelarij.</p> + +<p>Wonderlijk toch. Háár huichelarij konden we niet vergeven, en de onze, +ofschoon er eigenlijk nog afzetterij mee gepaard ging, bezwaarde ons +niemendal.</p> + +<p>Zouden we, nu als volwassenen, nog net zoo zijn?<span class="pagenum" title="69"></span><a id="p_69"></a> Zou er ook nu nog een +hemelsbreed verschil zijn tusschen het kwaad van buurman en het onze?</p> + +<p>Om de waarheid te zeggen, ik geloof, dat we ook hierin kinderen blijven. +Sommigen schijnen te meenen, dat een kind in menig opzicht een gansch +ander wezen is dan de volwassenen. Ik heb altijd gedacht, dat de +volwassenen precies nog kinderen zijn, uitgegroeide kinderen. In mezelf +vind ik nog in alle opzichten het kind terug. En pas dus maar goed met +me op, want je ziet, met mijn schijnheilig gezicht ben ik een gemeene +huichelaar, terwijl ik me nog bovendien erger aan <i>uw</i> huichelarij en +daar mijn veroordeelend vonnis over strijk.</p> + +<p>We zijn als de jongen, wiens duiven door de kat werden opgegeten. Die +kat is een gemeen roofdier, maar wij, die kippetjes slachten en +konijntjes braden, wij zijn brave wezens. Terwijl we de malsche boutjes +smakelijk verorberen, zitten we die kat te verwenschen en smeden +moordplannen op haar leven. Zien niet, dat, als zij zondigt, wij het nog +in veel erger mate doen. De oude geschiedenis van den splinter en den +balk. Daarom lijkt het mij zoo goed, bij ieder concreet geval, het kind +aan zichzelf te ontdekken. Niet in algemeene preekjes, maar in +persoonlijke ervaringen leeren we onszelf kennen, als wijze liefde ons +maar de oogen opent. Maar het is veel gemakkelijker—te genieten met de +oogen dicht.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p><span class="pagenum" title="70"></span><a id="p_70"></a></p> + +<p>De lusten van den winkel—het is droevig, dit opnieuw te moeten +belijden—bestonden in het snoepen, dus in het bestelen mijner ouders. +Achter de toonbank ging men langs een trapje van drie treden omhoog naar +de huiskamer. Op mijn „kaart” is het trapje door een paar lijnen +aangegeven. De huiskamer had geen anderen uitgang, en we konden dus +nooit naar buiten, of 't ging het trapje af, achter de toonbank om, den +winkel door. Bij dien tocht liepen we door een wereld van verleidingen: +de krenten, de rozijnen, de vijgen, de broodsuiker, de witte en de +bruine kandijklontjes, zij lagen in open bakken, lokkend de koopers van +buiten en de snoepers van binnen. Onder de toonbank stonden de vaten met +stroop en appelgelei, ook lokkend, zij het onzichtbaar, lokkend door een +geweten tegenwoordigheid. En nu ging ik maar zelden den winkel door, +zonder in de gauwigheid wat te snoepen: een greep uit den krentenbak, +een lik uit de stroopton. Alleen het oog der volwassenen, dat door de +neteldoeksche gordijnen van de glazen kamerdeur ons kon bespieden, of de +aanwezigheid van den winkelknecht weerhield er ons van. Maar anders—ik +beloof u, dat ik weet wat snoepen is. Het was voor mij niet een zonde +van nu en dan, het was een dagelijksch bedrijf.</p> + +<p>En nu komt weer het wonderlijke. In de Eglantiersdwarsstraat, geen +twintig huizen van ons af en schuin tegenover ons, werd een nieuwe +kruidenierswinkel geopend, een konkurrent. En hij schaamde zich zijn +doel niet: met mooie, groote letters stond er op geschilderd: <span class="pagenum" title="71"></span><a id="p_71"></a><span class="size120"><b>DE +CONCURRENT</b></span>. Dat vonden we allemaal gemeen. Dat die man zijn brood moest +verdienen, spreekt vanzelf, maar dat hij zoo openlijk voor zijn doel +uitkwam, om je te verdringen, en daartoe vlak in je nabijheid kwam +zitten, dat was een laagheid. En we haatten dien man. Wanneer ik in de +straat speelde, of naar school ging, was die winkel mij een voortdurende +haatprikkel, en te meer, omdat hij er zoo mooi uitzag, alles zoo nieuw +en frisch en goed in de verf, en de waren met groote cijfers alle iets +lager geprijsd dan bij ons.</p> + +<p>De gevolgen bleven niet uit. De eene klant na de andere verliet ons, +natuurlijk niet de „uitbrengklanten”, maar de „winkelklanten”, de +burger- en arbeidersvrouwtjes uit de buurt. Ze konden 't daar goedkooper +krijgen. En alleen de enkele goede vrienden en buren bleven, en dan zij, +die in 't krijt stonden en dus maar niet dadelijk weg durfden gaan. +Toch, ook die verlieten ons, en wellicht juist door hun achterstand. Ze +konden hun schuld toch niet betalen, en dropen nu langzaam af. Dan +hadden ze meteen de zachte aanmaningen tot betalen niet meer aan te +hooren.</p> + +<p>Mijn vader was een zachtaardig, eerlijk man, totaal ongeschikt voor +zaken. Hij geloofde iedereen en liet zich door iedereen bedriegen. Door +de reizigers en leveranciers, die hem bedorven waar aansmeerden—ik weet +nog van een heel vat gedroogde pruimen, waar de maden uitkropen—en door +de klanten, die hem niet betaalden. Geen wonder dus dat de zaak,<span class="pagenum" title="72"></span><a id="p_72"></a> nu +daar bovendien een bloedzuigende konkurrent haar dagelijks het +levensvocht aftapte, spoedig verzwakte en verstierf. Alle pogingen, om +met de uiterste vriendelijkheid en inschikkelijkheid de klanten te +behouden, mochten niet baten. Eerst praatten de menschen met je mee, +vonden het een schandaal dat zoo iets maar mocht, iemand zoo het brood +uit den mond stelen. Dan lieten ze zich ontvallen, dat een beetje lager +prijs in een huishouden toch maar goed te pas kwam. Eindelijk bleven ze +weg, en je zag ze je deur voorbijgaan, naar den konkurrent. +Zaterdagsavonds stond daar de winkel berstens vol. O, ik zag het, met +het hart vol nijd en wee, en de oogen vol tranen. En 's avonds, in bed, +bad ik met een heel warm hart Onzen lieven Heer, of Hij vader nu toch +niet helpen kon.</p> + +<p>Maar hoe hielp <i>ik</i>? Door——te blijven snoepen.</p> + +<p>Is dat nu niet wonderlijk? Diep voelde ik met mijn vader mee. Vurig bad +ik, dat Onze lieve Heer hem helpen mocht. En ik had zelf zoo braaf +geholpen, met hem arm te snoepen en ging daar gewoon mee voort.</p> + +<p>Ik haatte den konkurrent, haatte de buurtmenschen die wegbleven, haatte +al wie mijn vader benadeelden. Waarom haatte ik zijn jongsten zoon, +waarom haatte ik mijzelf niet, die hem voortdurend met kleinigheden had +bestolen?</p> + +<p>Praatte ik mijn misdrijf wellicht goed met een mooischijnende +redeneering?</p> + +<p>O neen, 't was veel erger. Ik <i>voelde</i> mijn misdrijf niet eens. Ik wist +het, en ik zag het toch niet.</p> + +<p><span class="pagenum" title="73"></span><a id="p_73"></a></p> + +<p>Wanneer ik mijn broer zoo had zien snoepen, zou ik hem zeker een +harteloos kind gevonden hebben. Je vader te benadeelen, die toch al zoo +in nood zat! Neen, tot zulk een gemeenheid zou ik zeker nooit in staat +zijn geweest!</p> + +<p>Maar nu ik het zelf deed? Nu zag ik de gemeenheid niet, ofschoon ik ze +verstandelijk wist. Nu had ik ze niet eens te verontschuldigen, omdat ze +niet als schuld in me <i>werkte</i>.</p> + +<p>Schuldbesef is niet genoeg. Er moet in 't menschen- en kinderhart +schuld<i>onrust</i> zijn, schuld<i>ellende</i>.</p> + +<p>Neen, de zedelijke opvoeding is zoo gemakkelijk niet. Men komt er niet +met een preekje. Afkeer van het <i>kwaad</i> is zoo moeilijk aan te brengen. +We bepalen ons gewoonlijk tot afkeer van de nare <i>gevolgen</i> van het +kwaad. Als <i>die</i> ons maar niet plaagden, zouden we met het kwaad nog wel +vrede hebben. Het kwaad voldoet zoo aan al onze zinnelijke en zondige +begeerten, het vleit ons, het streelt ons. Maar de eenige begeerte die +ons verheffen kon, de begeerte naar heiligheid, die <i>is</i> er niet. We +verbeelden 't ons wel, maar 't is zelfbedrog. Arglistig is het hart. +Daarom is de bede om een „nieuw hart” zielkundig zoo juist en zoo +dringend noodig. Maar zal die bede waarachtig zijn, dan moet er al +vernieuwing des harten werken. Het bidden zelf, dat wil zeggen: niet het +prevelen, niet het uitgalmen, maar het hartgrondig en waarachtig +begeeren is al een bewijs van het „nieuwe leven”.</p> + +<p>Meermalen verwonderen we ons, hoe een dronkaard<span class="pagenum" title="74"></span><a id="p_74"></a> zijn gansche gezin +ongelukkig kan maken door toe te geven aan zijn drankzucht. Die +dronkaard zat ook in mij. Ik vertrouw, dat mijn lezers betere menschen +zijn.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Men heeft al begrepen, dat we den winkel moesten verlaten. Doch zoo ver +zijn we thans nog niet. We moeten eerst het huis nog verder doorgaan, om +er uit alle hoekjes de herinneringen op te roepen.</p> + +<p>De huiskamer heeft me niet veel te vertellen. Alleen dat ledikant daar. +Daar lag mijn jongste zusje in, toen ze de pokken had. Twee kinderen van +het gezin waren niet ingeënt, en juist die twee werden tijdens een +pokken-epidemie door de ziekte aangetast. Wat dat beteekende voor een +winkel—ach, wat wordt er in sommige gezinnen soms bitter geleden. Twee +kinderen ziek, de winkel leeg, dagelijksche angsten, geen inkomsten. En +dat weken achtereen. Is het wonder, dat een winkelier geneigd is, zulke +ziekten te verzwijgen? Gelukkig kunnen zij zich thans verzekeren tegen +de schadelijke gevolgen van besmettelijke ziekten.</p> + +<p>Het stond er met Zusje treurig voor. Wij mochten natuurlijk niet bij +haar komen. Maar op zekeren dag werden we toch bij haar gebracht. De +dokter had gezegd, dat ze 't niet meer op kon halen, de ziekte was te +hevig. En toen werden we aan Moeders hand in de kamer geleid. Ik weet +dat nog heel goed. 't Behangsel van het ledikant werd opengeslagen,<span class="pagenum" title="75"></span><a id="p_75"></a> en +daar lag het kind: een gelaat, geheel bedekt met zweren en korsten, één +en al rood van de zweren. Het vroeger fijne gezichtje was opgezet, de +oogjes verdwenen er in, de oorknopjes waren niet meer zichtbaar. Ik ging +naar 't bed, en gaf haar een hand. Even bleven we staan; Moeder +schreide. Toen liet Moeder het behangsel weer vallen en gingen we heen.</p> + +<p>Ik herinner me absoluut geen vrees voor besmetting, ook geen vrees voor +den dood. Alleen herinner ik me dat roode, vurige, opgezette hoofdje, +liggende op het kussen, den blik der weggezonken oogjes, en het +uitgestoken handje.</p> + +<p>Wonder boven wonder, Zusje genas. Wat moet er in het gezin toen een +blijdschap geweest zijn. Eerst die zorg, die angst, die hopelooze +smart—en nu die vreugde. Dat zijn toch dingen van beteekenis in een +huisgezin. Maar zij schijnen grootendeels buiten mij omgegaan, eerst de +angst, toen de blijdschap. Er staat me tenminste niets meer van voor. +Zoo zeer leefde ik in mijn eigen leventje. En zou dat niet met de meeste +kinderen zoo zijn? Ze voelen meer voor de droeve lotgevallen in de +verhaaltjes, dan voor de smarten in hun naasten kring. Ik herinner me +heel nauwkeurig het zieke kind in haar bedje, alles wat ik gezien heb. +Waarom ook niet de gevoelens, die toen het gezin beheerschten? Die +gevoelens lagen waarschijnlijk buiten mijn levenssfeer. En dat stemt +geheel overeen met de ervaring, die ik telkens opdoe. Kinderen van acht +en negen jaar komen mij als een interessant geval vertellen, dat hun +vader gestorven is of hun<span class="pagenum" title="76"></span><a id="p_76"></a> broertje. Bizonderheden daarbij deelen ze mij +mee als iets merkwaardigs. Ook met hun kameraadjes spreken ze er zoo +over. Er is geen spoor van aandoening te ontdekken. En dat is niet juist +bij „ruwe jongens”, maar ook bij heel „lieve en gevoelige meisjes”. +Natuurlijk zou ik wel kans zien, ze gauw aan 't schreien te maken, maar +dat is geen kunst. Een feit is echter, dat de aangrijpende, smartelijke +en voor hen zelfs zeer noodlottige gebeurtenissen, door de kinderen—de +uitzonderingen daargelaten—niet schijnen te worden gevoeld.</p> + +<p>Wel was ik er zeer gevoelig voor, wanneer later de jongens op straat Zus +voor „mottige” uitscholden. Ik mocht, in een bui van drift, me dan zelf +nu en dan die vrijheid veroorloven, van vreemde jongens duldde ik het +niet. Onmiddellijk vloog ik er op af en roste er op. En heel +eigenaardig, een verontwaardigde en moedige jongen is sterk, al is hij +zwak. Zulke afrosserijen liepen nooit ongunstig voor me af. Dan was er +iets in me van een leeuw, die zijn welpen verdedigt. Een drift, die geen +gevaren telt, geen gevaren ziet, die voor niets terugdeinst en daardoor +onoverwinnelijk is. Ha, ik zou ze kapot geslagen hebben. En omdat ze dat +zagen, en omdat ze dat voelden, daarom deinsden <i>zij</i> terug. Maar zulk +een kracht ontwikkel je alleen, als je losbarst voor een edele zaak. En +is er iets edeler, dan op te komen voor een „mottig” zusje? Zij kon het +toch niet helpen, dat die ziekte haar zoo mismaakt had?</p> + +<p>Ik was niet de eenige jongen, die gevoeliger was<span class="pagenum" title="77"></span><a id="p_77"></a> voor een scheldwoord +dan voor ziekte en dood. Het was regel, dat geen enkele jongen zijn +vader of moeder liet uitschelden. Wie zich dat veroorloofde, kon op een +onmiddellijk pak slaag rekenen. Schooiers van de straat—als hoedanig +wij onszelf nooit beschouwden—scholden nog wel eens van: „Je ouwe vaar, +die gezete het”, of, nog erger, „die gehange het”. Maar werd die smaad +niet zonder omwegen met een afrossing betaald, dan bracht dat de +gescholdene bij ons in minachting, die zulk een smaad op zich had laten +zitten. „Van mijn mag je zeggen, wat je wilt, maar van mijn vader blijf +je af,” luidde het steeds. Is dit niet iets buitengewoon liefs en +aantrekkelijks in de jongenswereld? Ik heb het altijd een heerlijk +verschijnsel gevonden. Zelfs de grootste belhamel en de ongehoorzaamste +zoon liet zijn vader niet beleedigen. Dit raakte zijn eer, zijn hoogste +eer. En dan had je toentertijd nog onderwijzers—hoe is 't mogelijk—die +zich niet ontzagen, een jongen te krenken in zijn ouders. Men heeft me +wel eens verzekerd, dat zulke er nog zijn. Maar dà t is haast niet te +gelooven.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="78"></span><a id="p_78"></a></p> + +<h2 id="IN_HUIS_VERVOLG">IN HUIS.</h2> + +<h2 class="subtitel">(VERVOLG.)</h2> + +<p>Op de kaart van den winkel ziet men nog een trap, ook achter de +toonbank, maar heelemaal aan 't eind. Die trap liep naar beneden, en +voerde met een tree of zeven naar de keuken, het tweede vertrek van de +woning. Meer vertrekken waren er niet. Boven, in de huiskamer, sliepen +onze ouders en de meisjes, beneden, in de keuken, onder de huiskamer, +sliepen de jongens, vijf in getal, drie eigene en twee vreemde. Van dit +vijftal was ik de jongste. Men begrijpt, dat ik daar in een goede +leerschool was.</p> + +<p>'s Morgens, al tamelijk vroeg, moest de bende op. De oudsten gingen naar +de Ambachtsschool, die om half acht of acht uur begon, en wel een half +uur ver was. Dat was altijd een heel tumult. We wieschen ons allen boven +den gootsteen, en daarbij moest de een op den ander wachten. 't Ontbrak +dan niet aan aansporingen, om wat spoed te maken, aansporingen in de +bekende ruwe jongenstaal, overgenomen van de volwassenen. Ik had de +minste haast, bleef het langste in bed, en lag dat heele gescharrel aan +te zien of speelde in mijn eentje scheepje. Het bed was het schip, de +stoel er naast het bootje.</p> + +<p><span class="pagenum" title="79"></span><a id="p_79"></a></p> + +<p>'t Ging onder de jongens ruw genoeg toe. Zelden werd er een bij zijn +gewonen naam aangesproken. Ieder had een karakteriseerenden bijnaam, een +scheldnaam, die een zijner ondeugden of gebreken signaleerde, doch +waarnaar hij niettemin gewoon luisterde. Dat hoorde je niet eens meer. +De een heette, echt, Theodorus. Dat wil zeggen: Gave Gods. Maar, gesteld +dat de anderen die beteekenis geweten hadden, wie hunner had in dezen +kameraad een Gave Gods geëerd? De jongens zagen in hem heel wat anders +en benoemden hem daarnaar. En dat vond hij tenslotte heel best.</p> + +<p>De naamgeving onder 't volk is zoo geheel anders dan die bij de +geboorte-inschrijving. Bij deze laatste slepen we de reeds lang vergane +eeuwen mee. Wie zou het nu in zijn hoofd halen, een kind met zoo'n ouden +Griekschen naam als Theodorus te belasten. Maar zoo wil de gewoonte, de +kultuur. De natuur doet echter anders. Reeds in de jonge moeder. Met +allerlei naampjes streelt ze en vleit ze haar kleinen lieveling. Dag +schat! Dag lieve pop! Dag hartje! Dag kleine bruinoog! Dag +diefje-van-je-vaders-nachtrust! Dag lekker diertje! Zoo gaat het maar +door, terwijl de deftige naam Theodorus weggesloten ligt op het +geboortebriefje in Vaders kassette.</p> + +<p>En zoo werkt het ook in de jeugd. Ze vertolkt haar indrukken en +stemmingen in de naamgeving. Ten onrechte noemt men dat schelden. Dat +hierbij steeds roode haren en andere uiterlijke kenteekenen herdacht +worden, spreekt vanzelf. Hoe zal men een rooie<span class="pagenum" title="80"></span><a id="p_80"></a> nu beter noemen dan +rooie. Dat is zijn beste onderscheiding. De fout is, dat volwassenen de +kinderen leeren, in roodheid of gebocheldheid of een andere afwijking +iets zedelijk minderwaardigs te zien en hen voorgaan in geringschatting. +Niet in het opmerken, benoemen en aanwenden der eigenaardigheid zit de +fout. Integendeel, dat zijn drie deugden. Het opmerken toont +onderscheidings-vermogen en belangstelling, het benoemen bewijst juist +taalgevoel, en het aanwenden geeft blijk van praktischen zin. Maar de +volwassenen gaan den kinderen voor in een valsche waardeering, in een +liefdeloos oordeelen, in een hatelijk toerekenen. En is 't wonder, dat +de kinderen dit voorbeeld volgen, en aldus een natuurlijk geestelijk +proces bederven door een onzedelijk bijmengsel?</p> + +<p>Wie ziet, hoe gemakkelijk de jongens en ook de ruwere arbeiders zich +wennen aan hun bijnamen, maakt daar niet veel drukte over. De wijze, +waarop zoogenoemd beschaafde volwassenen in krant en vergadering malkaar +uitmaken, is ja wat hatelijker.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Het was een aardig gezicht, tusschen al die duwende en grauwende jongens +mijn oudste zuster te zien doorscharrelen. Zij moest ook al vroeg op, +meisje van 15 à 16 jaar. Dan ging ze naar beneden, om thee te zetten.</p> + +<p>Wat heb ik vaak, warm onder de wol, dat vriendelijk bedrijf rustig +aangezien. Dan ging ze eerst<span class="pagenum" title="81"></span><a id="p_81"></a> naar den vuurhaard. Dat was een ijzeren +pot op een „stookkacheltje”. Het houten tafeltje, van een bizonder +model, stond onder den schoorsteen, en droeg den vuurpot, een gewonen +ijzeren pot op drie pootjes.</p> + +<p>De pot lag vrij vol met asch. Daaronder waren den vorigen avond een paar +harde turven „ingerekend”. Die hadden den heelen nacht zachtjes +gesmeuld, en nu was het eerste werk om dat vuurtje „op te rakelen”. Dan +kwamen er een paar gloeiende kooltjes te voorschijn. Was het vuur te ver +weg, dan werden er uit den doofpot, naast den haard, een paar „doove +kolen” genomen, gedoofde doorgloeide turven, en daarmee het vuur +opgehaald. En was de doofpot leeg, dan liep je even gauw naar den bakker +aan den overkant, om een paar centen „doove kolen” te koopen, hij had ze +in voorraad, of naar de water-en-vuurvrouw, om een cent of een halve +cent vuur, in een verglaasd groen steenen testje. Honderden malen heb ik +die boodschappen gedaan, want, na al het beleden en het nog te belijden +kwaad, mag ik ook wel eens mijn deugd vertellen van heel groote +bereidwilligheid. Nu ja, ik pruttelde wel, als ik zoo ineens uit mijn +spel werd gehaald, maar nooit deed Moeder of Zuster een vergeefsch +beroep op mijn hulp. Is het niet wonderlijk? Op school stond ik zeker +bekend als een brutale schooier, en thuis—ik <i>kon</i> mijn moeder of +zuster niets weigeren, ook al wilde ik dit natuurlijk. „Jan, ga jij eens +gauw naar....”—„Moet <i>ik</i> nu al weer?”—„Toe, Moeder wacht er op.”—En +ik ging al. Ik weet zeer positief, dat ik heel gehoorzaam was, en het<span class="pagenum" title="82"></span><a id="p_82"></a> +is me ook later vaak genoeg verzekerd. Ze konden alles van me gedaan +krijgen. Een vriendelijke vraag—en ik moest het doen. Anders lag die +vraag toch als een toenemende onrust, een aanzwellend verwijt, in mijn +gemoed. Ik <i>moest</i>—niet door buitenafschen dwang, maar door +innerlijken, onontkoombaren noodzaak. Mijn moeder en mijn zuster +begrepen dit best en handelden er naar. Ze konden zoo +onontvluchtbaar—vragen. Niets anders dan vragen. En die meester op +school—hij kwéékte verzet—hij máákte ongehoorzaam.</p> + +<p>Hier moet ik eens even iets schattigs vertellen van een jong +onderwijzeresje, die wat bij ons in de Tullinghstraat volontairde. Ze +zou in de elfde klas eenige weken achtereen lesgeven. Daarin zaten +lastige jongens van 11–13 jaar. Een der lastigste was Jan B. En toen zei +dat onderwijzeresje, ze was zelf misschien pas 18, op een keer onder +schooltijd tegen Jan: „Zeg Jan, je moet me een beetje helpen. Je moet +niet vergeten, dat ik zelf ook nog maar jong ben. Ik moet het nog +leeren.” En dat zei ze zoo vertrouwelijk en vertrouwend, dat Jan een +kleur kreeg en haar hielp, door op zichzelf te passen.</p> + +<p>Ik weet wel, dat dit weer precies het omgekeerde is van wat de +paedagogiek noemt: „je gezag hooghouden”. Maar zij <i>hield</i> er haar gezag +mee hoog. Dat was de ware hooghouderij. En Jan zat gevangen in zijn +eigen grootmoedige bereidwilligheid.</p> + +<p>Anderen noemen dit slimme politiek. Maar wanneer ze het als zoodanig +willen nadoen, mislukt het. Politiek<span class="pagenum" title="83"></span><a id="p_83"></a> slaagt niet in de opvoeding. +Integendeel, ze wreekt zich.</p> + +<p>Het was zuivere harte-paedagogiek. Zichzelf gewaagd, om den jongen te +winnen. Zichzelf gewaagd, niet in zwakheid, maar in kracht.</p> + +<p>Doch ik zou bij dat alles haast mijn zuster en de doove kolen vergeten? +Toch niet. Ik had hier echter een kooltje onder de asch, dat ik eens +even moest oprakelen. Misschien kon iemand er zich aan warmen.</p> + +<p>En nu weer naar den vuurhaard.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Waren de kooltjes opgerakeld, dan werden er twee „talhouten” op gelegd, +zoo, dat ze buiten den rand van den pot uitstaken, net twee houten +breipennen, zooals meisjes die altijd, links en rechts, in de holten +tusschen duim en wijsvinger laten liggen, en met een zwavelstokje werd +er een vlam gemaakt. De zwavelstokjes kocht je in bundeltjes van een +cent of een halve cent, en bewaarde je in een ophangdoosje tegen den +muur naast den haard.</p> + +<p>Later leerden we, in onzen kweekelingentijd, van akkermaalshout, van het +kappen daarvan om de zeven jaar, van het afschillen, 't voeren naar den +runmolen en van de run naar de leerlooierij, en <i>ik heb nooit geweten, +dat ik dit gekapte akkermaalshout reeds als kind zelf menigmaal op den +aschpot had gelegd</i>. Dat hoefde je ook niet te weten, als je <i>je les +maar kon opzeggen</i>. Voor die kennis kreeg je niets, maar voor die +opzeggerij een 9 of een 10.</p> + +<p>Hoe ik dit dan later te weten ben gekomen? Door<span class="pagenum" title="84"></span><a id="p_84"></a> een boerenknecht. Die +vertelde 't me. Die stomme boeren zijn vaak beter onderwijzers dan de +geleerde schoolmeesters.</p> + +<p>Ook de zwavelstokjes hadden me iets kunnen vertellen. Zij hadden vroeger +op het veld gestaan, toen ze nog deel uitmaakten van de hennepstengels. +Wanneer van deze hoog uitgeschoten plantjes de zaadjes waren +verwijderd—hennepzaad—en de bastvezels waren los geweekt voor de +touwslagerij, gebruikte men den gedroogden houtachtigen stengel nog om +er stokjes van te snijden of te hakken, holle stokjes van een of +anderhalven decimeter lang. Die werden met beide punten in den gesmolten +zwavel gedoopt en zoo kreeg je de zwavelstokjes. Mooi woord. Zoo +eenvoudig. Zoo alleszeggend. En als je ze, zuinigheidshalve, langs de +lengte in vieren knapte, hoorde je en voelde je tusschen je vingers +zoo'n stokkerig geknap.</p> + +<p>„Een borreltje ineens, maar een zwavelstokje in vieren,” zei de +zuinigdoende drinkverkwisting. Mijn zuster nam een zwavelstokje, stak +het aan in 't vuur, ik zag de blauwe vlammetjes, rook den zwavel. Een +poos later vlamde het in later jaren zoo geleerde eikenhakhout en na een +half uurtje kookte het water. De ketel hing aan een ijzeren ketting, die +vastgemaakt was aan een dwarsliggende ijzeren stang in den schoorsteen.</p> + +<p>Nu werd de thee gezet, ook al zoo'n heerlijk ding om stil te liggen +aankijken. Het kringelende water stroomde met een boog in den trekpot, +damp vulde den keuken, damp en theegeuren, en na vijf minuten<span class="pagenum" title="85"></span><a id="p_85"></a> liep mijn +zuster met kopjes thee rond, eerst naar boven voor vader en moeder, dan +voor de jongens, en als ik heel zoet was, kreeg ik ook wat, met veel +suiker en melk. Die lieve Christine. Zij droeg haar naam met eere. Zij +was zoo'n echt christinnetje, want ze schold haar broertjes niet uit, +maar gaf ze kopjes thee met veel suiker en melk. En nu is het wel waar, +dat daar soms een klein beetje omkooperij bij was, maar dat kwam door +den nood der omstandigheden en ons eigen booze, onwillige hartje. Bij +háár was het zuivere neiging om ons wat zaligheid te brengen. Ze vond +het zelf zoo heerlijk als ze ons goed kon doen. En zeg nu eens eerlijk, +is dat niet het wezen van het christendom? „Alzoo lief....” we kennen +toch dien wonderrijken tekst? Maar we vergeten, dat deze zelfde tekst, +als we hem later uit het vragenboekje droog moeten memoriseeren, ons +reeds lang bekend was, en net zoo dicht bij ons was geweest als de +eikenhakhoutjes in den aschpot. Die tekst was ons al genaderd in de +lieve zorg, in de koesterende liefde van dat zwoegende christinnetje. +Wee, als het christendom niet gepredikt wordt door u en mij, in daden. +Dan is het dood. En die daden behoeven niet de wereld te verbazen. Als +ze de harten maar winnen. Ons Christientje was een zendelingetje, en +haar preek was een kopje slappe thee met véél suiker en melk.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Tot de keukenherinneringen behoort ook het naar bed gaan 's avonds. +Moeder of Zus bracht ons naar<span class="pagenum" title="86"></span><a id="p_86"></a> bed. Bij het uitkleeden treuzelden we +altijd. Maar er gingen klontjes of andere lekkernijen mee naar beneden. +En dan was het: „Als je je nu gauw uitkleedt, krijg je een klontje.” Dat +zette er gang achter. En in een wip waren we uitgekleed.</p> + +<p>Dan knielden we bij den stoel neer en zeiden ons gebedje op:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <span class="i0">'k Leg mij om te slapen neder,<br /></span> + <span class="i0">Goede God, die altijd waakt.<br /></span> + <span class="i0">Wil mij door Uw gunst bewaren,<br /></span> + <span class="i0">Als het kwade mij genaakt.<br /></span> +</div> +<div class="stanza"> + <span class="i0" style="letter-spacing: 0.1em;">. . . . . . . . . . . . . . . . .<br /></span> + <span class="i0">Dan leg ik mijn hoofdje neer.<br /></span> + <span class="i0">Doe mij niet angstvallig vreezen,<br /></span> + <span class="i0">Want Gij zijt mij heil, o Heer!<br /></span> +</div> +<div class="stanza"> + <span class="i0">Neem mijn ouders en mijn vrinden<br /></span> + <span class="i0">In bewaring dezen nacht,<br /></span> + <span class="i0">Opdat morgen bij 't ontwaken<br /></span> + <span class="i0">U de lof zij toegebracht.<br /></span> + <span class="i6">Amen.<br /></span> +</div> +</div> + +<p>Amen! We gaven Moeder of zus een nachtzoen, en sprongen in bed.</p> + +<p>De invloed van dat gebedje was heel kalmeerend. We zeiden het op met +eerbiedige stem, en langzaam. Ik weet nog heel goed, dat ik minder aan +de woorden dan aan den hoofdinhoud dacht. En dat blijkt ten<span class="pagenum" title="87"></span><a id="p_87"></a> overvloede +uit de misvorming van het ons onbegrijpelijke woord „angstvallig”, +waarvan wij altijd maakten: als-val-ik. „Doe mij niet alsvalik vreezen.” +Maar deze bede tegen het alsvalik vreezen stemde ons misschien nog meer, +en juist door dat plechtige, onverstaanbare woord. Hoofdzaak was, dat we +ons nederlegden onder Gods afgebeden bescherming, en die hoofdzaak +voelden we.</p> + +<p>Later kwam de kritiek. Waarom moest God mij bewaren tegen het kwade, dat +mij genaakte? Was het dan niet beter, dat God, de Almachtige, dat kwade +maar dadelijk vernietigde of het niet eens liet opkomen? En waarom +moesten juist mijn ouders en mijn vrinden bewaard worden en niet die van +een jongetje, dat niet geleerd had te bidden? En als nu mijn ouders of +vrinden eens ziek werden of stierven, moest God dan geen lof worden +toegebracht? En wat dan wel?</p> + +<p>Zooals ik zei, aan die kritiek dachten we niet, en het gebedje bracht +ons in een rustige, vredige stemming. Daarom zegt menigeen: zoo'n +gebedje hindert de kinderen niet, het doet hen goed, het kweekt in hen +een eerbiedige, godsdienstige gezindheid aan, het schenkt hun rustig +vertrouwen. Dit is alles waar. En toch ben ik tegen zulke gebedjes, +tenzij ze onberispelijk zijn. Want ze blijven het kind bij, de vorm gaat +met de jaren mee, en dan hinderen ze het kind wél. Dan gaat het kind +vragen, kritiseert zijn biddende woorden, en verwerpt ze. Ik weet wel, +je hebt kinderen en menschen, die nooit vragen, nooit<span class="pagenum" title="88"></span><a id="p_88"></a> kritiseeren, +nooit verwerpen, die jaar in jaar uit dezelfde woorden prevelen, +gedachteloos, alleen drijvend op wat klanken. Maar het is zeer de vraag, +of zij, die nooit vragen, ook wel ooit aan God hebben gevraagd; of de +nooit kritiseerenden wel ooit hun eigen zielloos formalisme gekritiseerd +hebben; en of zij, die nooit verwierpen, wel ooit hebben aangenomen.</p> + +<p>Men zij voorzichtig met het formuleeren der godsdienstige waarheden in +kindertaal. Iedere zielkundige onjuistheid kan zich later wreken. Veel +beter acht ik het, het kind half begrepen of onbegrepen woorden te +leeren waarvan de inhoud hem bij 't ouderworden steeds meer bewust wordt +en wier rijke beteekenis hij met toenemende instemming zal beseffen als +'t leven hem wijzer heeft gemaakt, dan hem nu met begrijpelijke +onjuistheden te voeden. Moedermelk—de mooie vergelijking is van +Paulus—moedermelk is <i>dezelfde</i> spijs als volwassenen ontvangen, maar +in anderen vorm. Men mag de kinderen geen godsdienstige of zedelijke +waarheden inprenten, die ze later niet kunnen handhaven.</p> + +<p>Hoe, naar mijn meening, de groote waarheden in kindervorm tot het kind +gebracht moet worden, kan ik illustreeren met een heel simpel versje uit +„Ot en Sien”.</p> + +<p>„Gij zult niet begeeren uws naasten huis, noch.... iets dat uws naasten +is.”</p> + +<p>Dit ethische voorschrift kennen we. Maar ons hart zit vol ongeoorloofd +begeeren, en niet alleen naar 't geen onzes naasten is, maar ook in 't +algemeen<span class="pagenum" title="89"></span><a id="p_89"></a> naar 't geen ons en anderen nadeelig is. Hoe moeten we ons +wapenen tegen de telkens dreigende verzoeking? Vondel zegt het:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <span class="i0">Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht;<br /></span> + <span class="i1">Zy loert, zy loert, om in te vaeren.<br /></span> + <span class="i0">Sluit d'oogen, vensters van het licht,<br /></span> + <span class="i1">Indien ghy wilt uw hart bewaeren.<br /></span> +</div +></div> + +<p>Dit gevaar geldt voor klein als groot. En daarom moet ook de vijfjarige +Ot op zijn hoede zijn, als hij met Sientje suiker gaat koopen voor +Moeder. Die suiker is zoo lekker, zoo verleidelijk lekker. Dat weten een +paar oudere vrindjes van Ot best, ze zijn ook jong geweest. En daarom +waarschuwen ze nu. Als Ot met Sien op een stoep gaat zitten, om even in +'t zakje te kijken, zeggen zij: Neen Otje,</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <span class="i6"><em class="g">Ook niet kijken.</em><br /></span> +</div> +<div class="stanza"> + <span class="i0">Hij wil er maar even in kijken. Maar dan?<br /></span> + <span class="i0">Als Ot dan zijn vingertjes deed in den zak?<br /></span> + <span class="i0">En die dan weer gauw bij zijn tongetje stak?<br /></span> + <span class="i0">O Otje, o Otje, wat kwam daar dan van?<br /></span> + <span class="i0">Dan had Ot gesnoept van de suiker van Moe!<br /></span> + <span class="i0">Neen ventje, laat jij dus het zakje maar toe.<br /></span> +</div> +</div> + +<p>Vondel zou zeggen: <ins class="corr" id="corr6" title="Niet in Bron.">„</ins>Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht.” Wij +zeggen: „Ook niet kijken. Laat het zakje maar dicht, mijn jongen!”</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p><span class="pagenum" title="90"></span><a id="p_90"></a></p> + +<p>Het ging niet altijd zoo vredig toe daar beneden. Soms bleven mijn +broer en ik samen spelen. Dan waren we Indianen of Batavieren, smeten +malkaar met hoofdkussens, worstelden om malkaar uit bed te krijgen +en—in de benauwde bedstede—knauwden we malkaar en schreeuwden daarbij +zoo hard, dat ze 't boven konden hooren. Moeder of een ander trapte dan +op den vloer en we hielden ons een oogenblik koest. Maar straks begon +het spektakel weer, totdat Vader eindelijk driftig werd en naar beneden +holde. Dan schoten we gauw onder de dekens en verstopten daar ieder +lichaamsdeel, dat maar geschikt was om geslagen te worden. In den blinde +sloeg Vader er op los, met zijn hand, en ook wel met zijn pantoffel. +Maar wol was een slechte geleider. De slagen deden ons geen pijn, en in +plaats van het uit te schreeuwen van verdriet, barstten we uit in +gesmoord lachen.</p> + +<p>Dat maakte Vader nog woedender, en een hagelbui van klappen brak in de +nauwe bedstee los. Maar wij konden het heusch niet helpen. Ons lachen +was geen opzet, geen oneerbiedigheid, en nog veel minder plagerij, we +hadden 't graag bedwongen, deden er ook ons best toe, maar we konden 't +niet inhouden en stikten onder de dekens van telkens hernieuwde +lachvlagen. Totdat eindelijk een slag goed raak was. Dan keerde 't +spelletje plotseling. Een luid gekerm ging op, en meteen eindigde het +slaan. Vader was bevredigd. Niet omdat hij ons pijn had gedaan, dat +wisten we zelf wel beter, maar omdat hij die lacherij had bedwongen. +Zijn drift had het gewonnen op<span class="pagenum" title="91"></span><a id="p_91"></a> onze overspanning, nu kon hij gekalmeerd +aftrekken.</p> + +<p>Bij ons was de pret er af, en we gingen slapen. 't Was een harde toer, +om onder die omstandigheden te bidden: „Neem mijn ouders in bewaring +dezen nacht,” waar de eene helft van die ouders je zoo had afgerost en +de andere helft je niet eens kwam troosten. Maar we durfden 't gebed +niet nalaten. Vader mócht dien nacht eens sterven. En ofschoon we hem +eigenlijk onze voorbede niet gunden, baden we toch. Maar met +afkeerigheid in 't hart. We zeiden echter onzen regel gehoorzaam op, +zoodat Onze lieve Heer ons later niet voor de voeten kon werpen: Nu is +je Vader ziek geworden, omdat jij niet gebeden hebt. We voldeden aan den +vorm. Ziedaar puur bijgeloof. De aangeleerde regels waren ons een amulet +geworden, waarmee we het kwaad konden bezweren.</p> + +<p>Toch flitste het al heel vroeg door mijn hoofd, dat zoo'n gebed toch +niet aangenomen werd, en ik herinner me den strijd tusschen mijn +afkeerig hart en mijn kinderplicht. Gewoonlijk won de laatste het en +waren we met Vader al weer verzoend, lang voor we insliepen. Om de +waarheid te zeggen, we rekenden hem die klappen niet zoo ernstig toe. We +wisten dat hij driftig was, vreeselijk kon opstuiven, maar waren ook +volkomen zeker van zijn goedhartigheid. En dan tel je een klap niet zoo +zwaar. Maar 't gebeurde toch ook wel eens, dat we in wrevel en boosheid +gingen slapen en 't maar eens zonder gebed waagden. Dan waren we den +volgenden morgen blij verrast, dat er niets noodlottigs was gebeurd. +Toch was er iets onrustigs <span class="pagenum" title="92"></span><a id="p_92"></a>in ons: we hadden met het leven van Vader +gespeeld, en zulks uit pure boosheid. O, als God Vader nu eens had +weggenomen!</p> + +<p>Er gaan in een kind veel meer van zulke overleggingen om, dan de ouderen +denken. Men behoeft met een kind niet te redeneeren. Het redeneert met +zichzelf, ook al formuleert het zijn meeningen niet. Een kind redeneert +in gevoelens, in neigingen—wat trouwens de volwassenen ook doen—en +onze zorg moet zijn, die redeneering niet te verstoren. Heilig hun +willen, en laat ze dan maar aan zichzelf over. Wel is het goed, ze nu en +dan te helpen met het bewustmaken der opborrelende waarheden. Maar dan +redeneert men er geen opinie <i>in</i>—dan redeneert men er juist een opinie +<i>uit</i>. Wat in de diepte sluimerde, komt naar boven en naar buiten. De +kleur van kersen en appelen komt immers, op haar tijd, ook van binnen +naar buiten? Verf geen groene appeltjes rood. Zij verven zichzelf.</p> + +<p>De klappen van mijn Vader hebben nooit afbreuk gedaan aan onze liefde +voor hem. Maar wel aan ons respekt.</p> + +<p>We begrepen, dat hij ze in drift gaf, beseften dat wij die drift hadden +opgewekt, en—let wel—vergaven hem daarom de klappen. Niet vormelijk, +maar in ons hart.</p> + +<p>Men beweert vaak, dat de kinderen een kastijding in dank aannemen, de +liefde er in erkennen, en straks de tuchtigende hand zegenen, de roede +kussen.</p> + +<p>Zoo ver heb ik het nooit gebracht. Ik betwist de<span class="pagenum" title="93"></span><a id="p_93"></a> mogelijkheid niet, +maar mijn ervaring ziet door zulke dankbaarheid geen enkel plaatsje in +mijn leven bezet. <i>Nooit</i> heb ik de slaande hand gezegend. <i>Nooit</i>. +Wel—de hand Gods. Maar dat is immers héél iets anders? De slaande hand +Gods—dat is de rechtvaardige straf voor onze euveldaden, de verdiende +gevolgen van ons kwaad.</p> + +<p>Er heerscht gerechtigheid in ons leven. Zoek bij ieder leed uw zonde. En +ge vindt ze. Ik heb tenminste in mijn eigen leven—en alleen daarover +kan een mensch oordeelen, wat weet ik van uw innerlijk leven?—ik zeg, +dat ik in mijn eigen leven nooit te vergeefs heb gezocht naar de +zedelijke (de onzedelijke) oorzaak van mijn leed. Maar die +rechtvaardigheid heb ik in de menschelijke straffen nooit kunnen +erkennen. Daarin werkte wel mijn kwaad als oorzaak, maar vooral niet +minder de ontstemming, de drift, de gemakzucht en zelfs het +plichtsverzuim der bestraffers. Heel wat straf voor de jongeren is +eigenlijk verdiend door de ouderen, die zich aan die jongeren niet +hebben gewijd, die te kort zijn geschoten in hun opvoedingsplichten. Dit +nu heb ik al heel vroeg gevoeld—en dat zal wel bij meer kinderen 't +geval zijn—en daarom is het hoogste, waartoe ik het heb kunnen brengen, +dat ik mijn Vader zijn drift en zijn klappen vergaf. Maar er dankbaar +voor zijn? Nooit.</p> + +<p>Men voelt wel, waarom ik mijn vroegeren meester zijn slaan <i>niet</i> +vergeven kon. Dat was heel iets anders. Die maakte van zijn slaan een +gewoonte, een voldoening, een nijdig genot. Vader sloeg uit drift<ins class="corr" id="corr7" title="Niet in Bron.">.</ins> +Je zag,<span class="pagenum" title="94"></span><a id="p_94"></a> dat hij er zelf geen plezier in had. Hij sloeg, omdat die +bengels hem het bloed uit de teenen haalden. En straks was hij weer +aardig tegen je en goed en hartelijk. 't Verschil was niet, dat de een +je meester en de ander je vader was, want ik heb jongens gekend, die hun +vader zoo veroordeelden als ik mijn meester, maar 't verschil was: de +een toonde een hart voor de jongens te hebben, en de ander niet. Dat is +alles. Maar dat is dan ook allesoverheerschend. Al je daden worden door +je hart gekleurd. En zoo kunnen twee precies gelijke daden, bij twee +volkomen tegengestelde personen ook precies het tegengestelde van elkaar +zijn. Zuivere rechtvaardigheid beoordeelt daarom naar het hart.</p> + +<p>We vergaven Vader dus zijn klappen. En die houding van onze +vergevingsgezinde kritiek heeft mij geleerd, dat een volwassene een kind +niet slaan moet. 't Is ook niet noodig. Wie <i>met</i> klappen kan opvoeden, +kan 't ook <i>zonder</i>. En wie 't niet <i>zonder</i> klappen kan, kan 't ook +niet <i>met</i>.</p> + +<p>Maar laten we elkaar goed verstaan. Ik zeg: opvoeden. Ik zeg niet: de +baas blijven. Want ja, dan zijn er, die bij hun opvoeding dit middel +soms noodig hebben, door gebrek aan paedagogischen kultuur en—aan tijd.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="95"></span><a id="p_95"></a></p> + +<h2 id="NOG_IN_HUIS">NOG IN HUIS.</h2> + +<p>In de keuken sliepen we, speelden we, stoeiden we, hoorden we dreigende +bombardementen boven ons hoofd, kregen we op ons kop van een driftig, +vertoornd vader, en lagen we in alle stilte het vredig bedrijf van een +oudere zuster te bespieden. In diezelfde keuken oefende ik me ook in +mijn eersten handenarbeid en verdiepte ik mij in mijn eerste +bibliotheek.</p> + +<p>Mijn eerste handenarbeid was schoenenpoetsen. Wie onzer huidige jeugdige +slöjdbeoefenaars wordt in dat practische werk ingeleid en er mee +vertrouwd? Ik verzeker u, dat ik mij oefende in de bekende slöjddeugden +van netheid en nauwkeurigheid, zonder dat iemand die mij als +paedagogische gewichtigheden oplegde. 't Was louter liefhebberij.</p> + +<p>Hebt ge wel eens schoenen gepoetst? Neen, ik bedoel niet: uw schoenen +wel eens een enkel keertje glimmend gemaakt, maar den arbeid van 't +schoenenpoetsen verricht. Elken Zaterdag stond een rijtje voor me +gereed. De mannen en de groote jongens droegen toen laarzen, schoenen +met vrij hooge schachten. Bottines kende men niet. Er waren +rijgschoenen, knipschoenen, en laarzen, achtereenvolgens voor kinderen<span class="pagenum" title="96"></span><a id="p_96"></a> +(en meisjes), jongens en mannen. De dames droegen „stoffen laarsjes” +zonder hakken, die dus nooit gepoetst behoefden te worden.</p> + +<p>Zoo'n rijtje schoenen en laarzen was een mooi gezicht.</p> + +<p>Eerst zette ik ze netjes naast elkaar naar de grootte, de rijglaarsjes +van mijn jongste zus aan 't eene eind, de kaplaarzen van vader of mijn +oudsten broer aan 't andere eind. 'k Weet nog heel goed, dat ik genoot +van zoo'n rij. Ik zag er ons heele huisgezin in. En dan eerst alle +afborstelen, zoodat de modder verwijderd werd, daarna alle insmeren met +schoensmeer uit een cylindervormig grijssteenen potje (doosjes +schoensmeer waren er nog niet), en eindelijk stuk voor stuk +uitborstelen. Nu kwam bij 't genot der orde ook nog 't genot van 't +blinken. En als tenslotte de heele rij in dezelfde orde, maar nu +glanzend, in de keuken prijkte, stond daar vóór mij <i>een stuk +schoonheid</i>, waaraan de Vereeniging „Schoonheid en onderwijs” wellicht +nog nooit heeft gedacht. Een stuk schoonheid, waarin drie +schoonheidselementen leefden: orde, reinheid en glans.</p> + +<p>Wie had mij voor die elementen de oogen, het hart geopend? Ik weet het +niet. Misschien de sterrenhemel? Misschien waren ze ook in mij opgerezen +zonder eenige opvoedkundige oorzaak. Als die schoonheidselementen niet +in de menschheid waren, hoe zouden ze er dan ooit uit kunnen komen? +Onlangs zag ik op een landweggetje een vijfjarig meisje uit een +woonwagen, een kermiskar, spelen met steentjes en stukjes<span class="pagenum" title="97"></span><a id="p_97"></a> glas, die ze +blijkbaar van den weg bijeen gezocht had. Ze legde haar schatten in +mooie rijtjes—als ik mijn schoenen—en genoot daarvan. Wie had het haar +geleerd? Als schoonheid en onderwijs 't haar maar niet verleeren. Ik +bedoel: de <i>lessen</i> in schoonheid en alle overige onderwijzingen.</p> + +<p>Wat deed ik mijn uiterste best, om het schoeisel tot in de puntjes mooi +te krijgen! Niet alleen om ieder plekje van het bovenleer te doen +glimmen, maar ook de hakken en ook de zoolranden, en ook—u gelooft het +niet?—ook den bocht tusschen zool en hak! Dus een ondergedeelte, dat +toch niet gezien werd en straks weer onmiddellijk vuil zou worden. Ik +gaf de schoenen niet uit mijn handen, eer ze onberispelijk waren.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Er was nog een handenarbeid, waarin ik mij ijverig bekwaamde. Een groot +gezin heeft dagelijks groote hoeveelheden aardappelen noodig, en die +moeten alle stuk voor stuk geschild worden. Dat was natuurlijk +meidenwerk, en, zoo er geen meid was, dan meisjeswerk. Natuurlijk? +Waarom? Mag een jongen wel het mes hanteeren, om onnoodige doosjes te +maken, en niet om noodige aardappelen te schillen? Ik voelde dat +toentertijd niet zoo en schilde menigmaal een grooten bak vol +aardappelen.</p> + +<p>Meen weer niet, dat mij dit altijd verdroot. Ja, als 't mooi weer was en +de andere jongens op straat speelden. Dan viel het mij wel eens hard. +Maar overigens?<span class="pagenum" title="98"></span><a id="p_98"></a> Er was een eigenaardig genot in, aardappel na aardappel +te schillen. Iedere aardappel was weer anders. Je had kleine en groote, +ronde en lange. Net als oliekoeken. Ze waren niet uit één vorm gekomen, +maar in vrijheid gegroeid, en ieder bracht zijn eigenaardigheden mee, +precies als de kinderen. Hoe boeiend en afwisselend was het, met die +eigenaardigheden rekening te houden. Je pakte ieder weer van een anderen +kant aan.</p> + +<p>En dan de kunst om <i>dun</i> te schillen. „Zal je ze dun schillen, +Jan?”—„Ja Moe.”—En dit was geen ja moe, om me er af te maken, en ook +niet om in Moeders oeconomie te komen, maar de instemming van een geest, +die een probleem erkent en daarin iets aantrekkelijks voelt naderen. Met +het kleine aardappelmesje, dat met door ervaring ontwikkelde beslistheid +ergens—neen niet ergens, maar bij het rechte beginpunt, in den +aardappel werd gezet, haalde ik de schil er zoo dun mogelijk af, terwijl +de aardappel tusschen vingers en duim verstandig ronddraaide, zich +richtend naar zijn bizonderen van de natuur meegekregen vorm. En dan +werden de „pitten” er uit gehaald, de oogen. Er zijn vrouwen, die dat +altijd slordig doen. Hoe is het mogelijk! Weet je nu iets leukers, dan +om telkens met de punt van je mesje zoo'n zwart oog er uit te wippen? Je +steekt de punt in den harden aardappel, wipt, en met een knapje vliegt +hij er uit. Geen oog werd vergeten, ook niet het kleinste. Niet alleen, +omdat het een schande was, als de aardappels 's <ins class="corr" id="corr8" title="Bron: middag's">middags</ins> +van den schotel je „aankeken”, <span class="pagenum" title="99"></span><a id="p_99"></a>maar in de eerste plaats——omdat je ze +niet kon laten zitten. Dan ware je werk niet af geweest.</p> + +<p>Eén zonde bedreef ik nog wel eens onder 't aardappelschillen. Ik zette +den emmer met water een eind van me af, en gooide dan iederen blanken +knol, uit de verte, er in. Dat gaf een dubbel genot. Vooreerst moest je +goed mikken, en dan hoorde je telkens zoo'n heerlijken plomp. Maar 't +kwaad was, dat je den grond om den emmer heen aanhoudend bespatte. +Enfin, die zonde vergaf Moeder me. „Jongen, wat spat je weer!” Maar dit +klonk nooit als een verwijt of een verbod, maar steeds als een soort +instemming met je plezier. Dat hooren de kinderen gauw genoeg.</p> + +<p>In plaats van oefeningen in karton en klei bestond mijn handenarbeid dus +in oefeningen met leer en knollen. Het mes en de borstels leerde ik +daarbij hanteeren. Deugden van netheid en nauwkeurigheid werden in mij +ontwikkeld. Vraag het maar aan de schoenzolen en de aardappelpitten. +Maar weet je, wat nu hard is? Terwijl ik die kunsten nu nog volkomen +meester ben, ja nu nog, kan ik er geen examen in doen. Ik moet bepaald +karton kunnen snijden en geen aardappel schillen. En zoo beteeken ik als +handenarbeider niets en zijn de anderen autoriteiten. Ook krijg ik er +geen extra geld voor. Je hebt geen schoenen- en aardappeldiploma's. De +heeren op het stadhuis geven niet om glimmende laarzen en kruimige +aardappelen. Die zijn dol op kartonnen doosjes en aardappelen, +nagebootst in klei. Daar gaat hun<span class="pagenum" title="100"></span><a id="p_100"></a> hart en hun beurs bij open. Daarvoor +geven ze ƒ50 per jaar meer. Wat zou mijn moeder er van zeggen? „Wees +jij maar tevreden, jongen. Jij hebt je Moeder geholpen.”</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Ik zou nog van anderen handenarbeid kunnen vertellen, maar 't is zoo +genoeg. Men heeft me wel begrepen: Ook in het schijnbaar eentonigste +werk zit genot en leering. Mijn moeder vertelde ons vaak, dat zij als +kind in de Klundertsche pastorie—Dominé van Spall had een heel groot +gezin—de meiden hielp bij 't aardappelschillen, en dan legde ze de +geschilde aardappelen netjes in rijen van zes op de rechtbank. En ze +genoot nog, als ze er ons van vertelde.</p> + +<p>In iederen arbeid, ook in den—schijnbaar!—eentonigsten, zit genot en +leering. De kunst is echter, die er uit te halen. Het simpel aangroeien +van het resultaat is al een vreugd. Maar de opvoeders zijn zoo dom, zoo +vreeselijk dom. De doodeenvoudige, de vlak-voor-de-hand-liggende, de +spotgoedkoope voortreffelijkheden zien ze niet. En ze halen met +opoffering van geld de modedingen in, omdat die.... in de mode zijn. Zoo +laten zelfs wijze menschen zich verblinden. En dan wordt die verblinding +bewerkt door wat wetenschappelijk geleuter. 't Is altijd de oude +geschiedenis. Hier vloeien de bronnen, maar men wendt zich van het +levende water af, om zich te richten naar de „steenen bakken” van +Jeremia, „die geen water geven”.</p> + +<p><span class="pagenum" title="101"></span><a id="p_101"></a></p> + +<p>Een kind is toch met zoo weinig gelukkig!</p> + +<p>Dit ondervond ik ook met mijn bibliotheek en mijn eigen kamertje.</p> + +<p>Dit kamertje—doch wáár moest dit in huis te vinden zijn, daar we toch +met ons vijven in de keuken sliepen en we dus niet eens een afzonderlijk +slaapvertrek hadden?</p> + +<p>'t Was in diezelfde keuken en 't heette „het kokertje”. Nú pas, bijna +een menschenleeftijd later, weet ik waaróm het zoo heette. 't Was een +lichtkokertje, en natuurlijk een horizontaal, anders had ik er niet in +kunnen kruipen en er een rustig plekje vinden.</p> + +<p>Ge weet nog van den winkel, dat er achter de toonbank een trapje van +vier treden naar de huiskamer leidde? Tusschen de treden van dit trapje +was ruimte. Als je nu, achter de toonbank, op je hurken ging zitten, kon +je tusschen die treden door kijken, en dan zag je een ruit vertikaal. +Achter deze ruit was een kokertje, een lichtkokertje voor de keuken, en +dat was mijn kamertje. Men kan begrijpen, hoe licht het er was. Het +schemerlicht achter de toonbank, moest tusschen de schaduwende treden +heen, eer het mijn kokertje bereikte. Toch viel er, een enkelen keer, +wel eens een zonnestraal in. 't Is wonderlijk, in welke verborgen +hoekjes zonnestralen al niet weten te komen.</p> + +<p>De toegang tot mijn heiligdommetje was in de keuken. Ik moest daar eerst +van den vloer op een kist klauteren en me in het kokertje werken. Maar +zat ik<span class="pagenum" title="102"></span><a id="p_102"></a> er eenmaal, dan zat ik er zoo veilig. Niemand kwam er.</p> + +<p>'t Leek net een klein kamertje: vloer, zolder en drie wanden, waarvan +een van glas. Ik denk, dat het ongeveer een meter breed en hoog was, en +niet veel dieper. 't Had tenminste iets van een liggenden, hollen, +vierzijdigen prisma, die den kubus naderde. Beknopter woon was moeilijk +te denken. En toch heb ik daar zalige uren en heele middagen +doorgebracht. Ja, zelfs heele dagen in de vacantie. Als Jan maar in zijn +kokertje zat, was hij zeker stil. En als je hem in huis niet wist te +vinden, had je maar, tusschen de treden van het huiskamertrapje, even +tegen de ruit te tikken.</p> + +<p>Het moet in mijn eigen hokje zeker vrij schemerig zijn geweest, vooral +op regenachtige namiddagen, wanneer ik er bij voorkeur mijn toevlucht +zocht. Maar daar weet ik niets meer van. 'k Weet alleen, dat ik er mij +recht behagelijk voelde. 'k Had er al mijn schatten, netjes +gerangschikt, evenals de schoenen en laarzen, en keek door de ruit naar +de afgesneden stukken van de beenen van mijn vader, als deze achter de +toonbank stond, of anders van den winkelknecht. 't Was een misfortuin +als moeder of zuster in den winkel hielpen, want die wierpen, door haar +rokken, breede wolkschaduwen in mijn toch al donker verblijf. Maar 't +was daarentegen een voordeel, als, op een zonnigen zomerdag, de winkel +lang leeg bleef. Dan reisde er, gedurende eenigen tijd, als de zon wat +hoog stond, wel eens een heele lichtbundel mijn kokertje rond, waarin de +stofjes zoo rustig vroolijk<span class="pagenum" title="103"></span><a id="p_103"></a> krioelden. En als er dan in de bovenkamer +gemurmureerd werd over het wegblijven der koopers, zat daar beneden +iemand, zonder zich daarvan rekenschap te geven, in stilte heel erg te +genieten door datzelfde wegblijven. Hij was gelukkig met zijn zonnegoud.</p> + +<p>Kinderen en volwassenen hebben zoo vaak tegenstrijdige belangen.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>En welke schatten waren het nu, die me zooveel genot bezorgden?</p> + +<p>In de eerste plaats traktaatjes, die ik nooit las. Op de zondagsschool, +trouw bezocht, deelde men geregeld traktaatjes uit, sommige zelfs van +acht bladzijden, sommige van dof, andere van glanzend papier, sommige +met en andere zonder een prentje, kleine en groote.</p> + +<p>Die traktaatjes bevatten maar zelden verhaaltjes, meestal godsdienstige +beschouwingen, en ik las ze dus nooit. Niemand las ze bij ons thuis. +Maar ik sleepte ze dadelijk naar mijn kokertje en legde ze daar op een +stapeltje, waartoe ze naar grootte, dikte, papiersoort of illustratie +behoorden. Dan werden ze genummerd en ingeschreven in mijn catalogus. +Sorteeren was mijn liefhebberij, een wetenschappelijke liefhebberij, +gelijk men haar aan de hoogeschool en in het voddenpakhuis kan vinden. +Sorteeren van planten en boeken heet echter hooger te staan dan +sorteeren van vodden.</p> + +<p>Wanneer er een bepaald getal traktaatjes op een<span class="pagenum" title="104"></span><a id="p_104"></a> stapeltje lag, werd dat +met een draadje of lintje saamgebonden als dierbare brieven, die men ook +niet meer leest, en bijgezet in het mausoleum dezer soort +godsdienstigheid, dat ik mijn bibliotheek noemde. Gelijk mijn zusje met +haar poppekleeren, solde ik met mijn geschriften. Ze werden in- en +uitgepakt, opgenomen en neergelegd. Dat was het al. En zoo hebben die +traktaatjes aan mijn opvoeding meegewerkt, zij het op andere wijze dan +de vriendelijke uitdeelers bedoelden. Ze hebben me materiaal bezorgd, om +mijn ordezin te ontwikkelen. Ze hebben me bezigheid geschonken en daarin +een weldoende afleiding op donkere uren.</p> + +<p>Meen niet, dat ik onverschillig was omtrent die drukwerken. Dat is een +kind en een wilde immers nooit omtrent een nieuw stuk voornaamheid, dat +hem vereerd wordt. Ik voelde me er zelfs rijk mee. Maar het was een +rijkdom als van den gierigaard. 't Genot zat alleen in het hebben, niet +in 't gebruiken.</p> + +<p>Aan die traktaatjes is nog één herinnering verbonden. Men weet nog wel +van den avond, toen de kleine spijbelaar toch naar het verjaarsfeestje +mocht. Bij die gelegenheid moest hij een verjaarsgeschenk meebrengen, +want op een verjaarpartij gaan, zonder een cadeau aan te bieden, dat was +een onmogelijkheid. Hij had echter niets om aan te bieden. Toen, eer hij +in zondagsgewaad de gracht opvloog, kroop hij eerst naar zijn kokertje. +Kon Moeder geen geld missen om iets te koopen, dan moest hij maar iets +van zijn eigen schatten opofferen. En hij nam het dikste pak<span class="pagenum" title="105"></span><a id="p_105"></a> +tractaatjes uit zijn verzameling, om dat mee te nemen. Doch een snel +oprijzend voorgevoel waarschuwde hem, in een seconde, dat dát toch +eigenlijk te min was. Daarom nam hij nóg een pakje, en nóg een. +Eindelijk de heele verzameling. En hiermee vloog hij naar het feest. 't +Was voor hem een offer. Hij heeft echter nooit kunnen merken, dat het +als zoodanig door den ander gewaardeerd werd. Voor dien ander zat ook +niet het verzamelplezier er in. En zónder dat was het heele pak +eenvoudig waardeloos.</p> + +<p>Ik heb later wel eens in stilte gebloosd over het gekke figuur, dat ik +op dit verjaarfeest maakte met dat cadeau. Wat moet de jarige, wat +moeten zijn huisgenooten er wel van gedacht hebben. En de vraag is +meermalen in me opgerezen, of het van mijn Moeder goed was, me dus naief +er in te laten loopen. Had zij haar kind zoo aan de kritiek mogen +prijsgeven, al hoorde hij die kritiek ook niet. Mijn verontschuldiging +was—want gij weet het immers, ouders, hoe kinderen hun ouders +beschuldigen en verontschuldigen?—mijn excuus voor haar was dan, dat ze +zelf in allerlei zorg zat en op dit oogenblik zeker geen gelegenheid +wist, om gauw iets te koopen. Maar toch.... gij ouders, die niet zulke +excuses hebt, profiteert niet van de naiveteit uwer kinderen. Ze +verwijten het u later. En terecht. Behandel de dieren met zachtheid en +uw kind met ernst.</p> + +<p>En nu denk ik ineens aan iets anders. Wellicht heeft die jarige Piet in +zijn leven meermalen de geschiedenis verteld, hoe hij als jongen—nota +bene als<span class="pagenum" title="106"></span><a id="p_106"></a> jongen!—voor zijn verjaardag een pak oude traktaatjes kreeg, +en niet van een ouwen sok van een catechiseermeester, maar van een +vrindje! Wie weet hoe dikwijls hij zich ten koste van mij heeft +vermaakt! Misschien, terwijl ik dit schrijf, zit hij ergens in de +wereld, midden in zijn gezin, en haalt de historie weer eens op ten +pleziere zijner haast volwassen kinderen. En ze genieten met elkaar van +mijn onnoozelheid, gierigheid, of wat het zij. Piet heeft zijn leven +lang die zaak gezien onder <i>zijn</i> licht. En ik onder het mijne, dat zoo +heel anders was.—Denk er aan, als gij over personen en feiten oordeelt. +Gij ziet slechts <i>uw</i> zijde van de werkelijkheid.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Ik kan van mijn kokertje geen afscheid nemen, zonder een beminnelijke +zonde van mijn vader te gedenken. Die driftige, goeie man had het zwak, +moeilijk te kunnen weigeren. Daardoor kocht hij van gewetenlooze +commissionairs in zijn onnoozelheid bedorven waar. Daardoor leverde hij +aan gewetenlooze koopers zijn goederen tegen wanbetaling. En daardoor +teekende hij in—ons ten voordeele, maar Moeders beurs en humeur ten +nadeele—op alle boekwerken, die colporteurs hem aanpreekten. Ieder keer +als de rekening kwam, was hij weer kwaad, vanwege het geld, en ieder +keer als er een nieuw plaatwerk werd opgedrongen, bezweek hij weer: 't +was ook maar een dubbeltje in de week.—Jammer, dat die afleveringen al +spoedig rondzwierven. De eerste werden opengesneden <span class="pagenum" title="107"></span><a id="p_107"></a>en, zoo al niet +gelezen, dan toch bekeken. De latere dreven vaak onopengesneden door de +huiskamer, totdat eindelijk Moeders netheid ze bij een opruimwoede maar +telkens in een kast stopte. „Die ellendige boeken! Eerst koop je ze, en +dan lees je ze niet eens! En dan nog betalen!” Vader mopperde wat op die +verwijten, maar de gegrondheid viel niet te loochenen. Dat beseften wij, +kinderen, reeds.</p> + +<p>Jammer van die afleveringen. En toch weer niet jammer. Want toen ik +merkte, dat er in de huiskamer geen belangstelling en ook geen ruimte +voor was, sleepte ik ze naar mijn kokertje, natuurlijk met Vaders +goedvinden en tot Moeders dankbaarheid. En daar lag ik dan, vlak bij 't +lichtraam, de donkere platen te bekijken uit het „Bijbelsch Magazijn +voor alle standen” en de jachttafreelen uit +„<a href="http://www.gutenberg.org/wiki/De_Aarde_en_haar_Volken_(Bookshelf)" title="Diverse artikelen zijn via http://www.gutenberg.org als e-boek beschikbaar.">De +Aarde en haar Volken</a>”. Hoeveel stemming ik daaraan te danken heb, ik weet het +niet. Ontwikkeling waarschijnlijk niet veel, want de lektuur was er +altijd op ingericht, leesgierige menschen en kinderen af te schrikken. +De kunst om lezers te lokken, verstaan de kroegbazen in 't vak beter dan +de dominé's. Alleen de jachten in Afrika boeiden. Maar overigens niets. +Ik herinner me heel goed, dat ik het telkens probeerde, maar telkens +moest ik het weer opgeven. Toen heb ik ervaren, dat men een groot kwaad +doet, met het vrome en leerzame ongenietbaar te maken. Niet +slechts—neen, dat is nog niet het ergste—omdat men daardoor geen vat +heeft met zijn brave pogingen, maar—en dit is fataal—omdat men daarmee +afkeerig maakt van<span class="pagenum" title="108"></span><a id="p_108"></a> hetgeen ons juist aantrekken moest. Ga les nemen bij +den duivel, als ge uw kinderen in den hemel wilt hebben.</p> + +<p>Later—ik weet niet hoe—zijn al die afleveringen naar zolder verhuisd. +Ik verdenk daar mijn goeie moeder van. Moeders hebben zoo'n genadeloozen +slag, om allen onpraktischen rommel (gelijk boeken! wat héb je aan die +vodden!) naar zolder te expediëeren. De zolder is rustig en ruim. Daar +liggen ze niemand in den weg. En zoo heb ik, in later jaren, daar de schatten +mijner jeugd weer ontdekt in een paar rozijnenkisten van ruw blank hout. +Toen heb ik ze me opnieuw toegeëigend. En sedert hebben ze me niet meer verlaten. +De Bijbelsche Magazijnen liet ik gaandeweg schieten. Die waren <i>te</i> saai. +Daarvoor behelsden ze dan ook godsdienst. Maar de gele afleveringen van +„<a href="http://www.gutenberg.org/wiki/De_Aarde_en_haar_Volken_(Bookshelf)" title="Diverse artikelen zijn via http://www.gutenberg.org als e-boek beschikbaar.">De +Aarde en hare Volken</a>” liet ik tot boekdeelen +inbinden—ondanks de verdwenen vellen—en die zeven +boekdeelen zijn met me door 't leven gereisd. Héél vaak heb ik +er in genoten. Mijn aardrijkskunde konden, dientengevolge, mijn +latere lesoverhoorders me niet heelemaal vergallen. En toen in de +Tullinghstraat de kinderen opgroeiden, zat Moeder menig, menig uur +met ze te smullen in de plaatrijke boeken. De oude verworpelingen, +zuchtend in een rozijnenkist op een kouden, stillen zolder, werden +lievelingsprentenboeken voor Grootvaders kleinkinderen in de warme +huiskamer.</p> + +<p>Als Grootvader dát nu nog eens had kunnen bijwonen! Hoe zou hij +getriumpheerd hebben op zijn<span class="pagenum" title="109"></span><a id="p_109"></a> mopperende vrouw! „Zie je nou, vrouw, dat +ik nog zoo gek niet was?” En dan zou de vrouw, in wijsgeerige berusting +gezegd hebben: „Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!”</p> + +<p>Inderdaad, als we alles maar eens vooruit wisten! Op Vaders zondig zwak, +om zonder geld te koopen, heeft—voor zoover ik zien kan—nog meer zegen +gerust, dan op de toch inderdaad heel vrome traktaatjes.</p> + +<p>Doch laat ik nu op 't laatste oogenblik geen nieuwe onbillijkheden +begaan. „Voor-zoover-ik-zien-kan.” Beseffen we wel allen de kracht van +die woorden? Wie weet, of ook zij den last hunner zending niet hebben +vervuld? Op Gods tijd. En op Gods plaats.</p> + +<p>„Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!”</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Wellicht heeft, onder 't lezen door, menigeen medelijden gevoeld met het +arme jongetje, dat zijn ontspanning moest zoeken in een benauwd hokje, +spaarzaam verlicht, en bovendien onfrisch als verzamelhoek van allerlei +keukendampen. Het spijt me wel voor de gevoeligheid, hem gewijd, +maar—dit medelijden zou absoluut misplaatst en dus overbodig zijn. Dat +jongetje voelde zich in zijn hokje zalig. Het was voor hem een +toevluchtsoord. Wanneer het hem te druk, te roezemoezig, te onrustig +werd in de wereld der volwassenen, trok hij zich terug in zijn eenzaam +verblijf, en kon daar—ver van de menschen, vrij in zijn +alleen-zijn—zoo volkómen genieten. En dan had<span class="pagenum" title="110"></span><a id="p_110"></a> hij toch niets, dan wat +traktaatjes, wat afleveringen, een boek, of wat eenvoudig speelgoed.</p> + +<p>Wil ik u eens iets heel sterks zeggen? Wanneer hij later in den bijbel +las van „De Heer is mijn hoogvertrek”, dacht hij altijd aan zijn +kokertje. Zóó veilig en vredig was het ook bij den Heer.</p> + +<p>Ik geloof, dat het goed is, niet slechts voor grooten, maar ook voor +kleinen, dat ze zoo'n retraite hebben, midden in hun eigen kring. En wat +is het dan heerlijk, als de <i>ziel</i>, midden in de benauwdheid des levens, +altijd zulk een toevlucht heeft. Ja, de psalmdichters wisten het wel.</p> + +<p>Maar nu moet ik nog iets opmerken. Over 't algemeen is het medelijden +met arme kinderen schromelijk overdreven. Natuurlijk, die kleinen moeten +gevoed, gekleed, gewarmd, gehuisvest worden. Ach, dat spreekt immers +vanzelf. Maar meen niet, dat ze zoo bar lijden onder wat kou en wat +gebrek. En dit zeg ik niet uit meedoogenlooze hardheid, maar uit +ervaring. 'k Heb zelf de armoede doorgemaakt, de fatsoenlijke armoede, +waarbij er echter ook een aanzienlijk tekort was in de eerste +levensbehoeften. Niet hier in den kruidenierswinkel, daar ging het nog +wel, maar later. 'k Heb ook in koude nachten mij onder karpetten (oude +wel te verstaan), rokken en jassen moeten warmen, omdat ik de wollen +dekens naar de bank van leening had moeten brengen. En toen was ik al +kweekeling. 'k Heb het armer gehad, dan menig kindje op mijn school, dat +thans van schoolkleeding en schoolvoeding geniet. Ontbering is mijn +jeugd niet<span class="pagenum" title="111"></span><a id="p_111"></a> vreemd geweest, en jaren achtereen. Maar—en hieromtrent ben +ik volmaakt zeker—nooit heeft die ontbering mij zoo schromelijk +gekweld. Daar kon ik me wonderwel in schikken. En ik herinner me zelfs +niet, dat ze me ooit diep het gemoed heeft verstoord. Neen, mijn +kinderellende kwam niet door gebrek aan eten, vuur en dekking, maar door +gebrek aan liefde. Versta mij wel: ik meen niet, dat ik daarover te +klagen had, en in huis wel het allerminst. Maar <i>als</i> ik in mijn +kinderjaren echt leed heb gehad, was het altijd veroorzaakt door +liefdeloosheid van onderwijzers, van wantrouwende volwassenen, van +hartelooze jongens.</p> + +<p>Ik leg hier zoo den nadruk op, omdat ik inderdaad geloof, dat—en niet +alleen voor kinderen, ook voor volwassenen—de schrijnendste pijnen in +het gemoed, en niet in de maag worden gevoeld, en dat men vooral +kinderen veel meer verkwikken kan met <i>in</i> hen te komen, met begrijpend +meeleven, met waarlijke welwillendheid, met mild vertrouwen, dan met de +voorziening in stoffelijke behoeften.</p> + +<p>Mijn kokertje. Hoe kan het getuigen van de geringe nooden der jeugd. +Armelijker kan het wel niet. Twee kinderen konden er niet in zitten. +Daarvoor was het te eng. Eén kind kon er zitten, als het zijn hoofd maar +steeds gebogen hield, en anders moest het er half liggen. De wanden van +het zeepvat en het vat met appelgelei, onder de toonbank, vormden het +uitzicht tusschen de treden der trap. Wandelende broekspijpen donkerden +het vale schemerlicht nu en dan<span class="pagenum" title="112"></span><a id="p_112"></a> tot halfduister. En toch, toch was ik +er gelukkig. Toch was het mijn hoogvertrek. Toch zweefde er, voor mij, +hemelvrede. Dat komt—de haat kon er niet komen, de hardheid het niet +bereiken, de nijd het niet bezoeken. De vernielzieke menschheid, tuk op +gemoedsverstoring, kon er de atmosfeer niet vergiftigen. En wat +beteekenden, daarbij vergeleken, de benauwde keukenluchtjes?</p> + +<p>Een kind heeft aan weinig genoeg, mits het in een zuivere gemoedssfeer +mag ademen. En zoo kan het nooddruftige kind volkomen gelukkig zijn, +ondanks een schrale voeding. En zoo kan het rijke kind, bij overdaad, +bitter misdeeld zijn. Het eerste, wat een kind noodig heeft, is een +zuivere dampkring voor zijn gemoed. Dat beetje eten komt wel. Maar hoe +velen kunnen zulk een dampkring scheppen? Zalig dan de eenzaamheid van +mijn kokertje.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Een laatste tocht naar het dak.</p> + +<p>Ons huis was hoog, tenminste in mijn herinnering. In de +Eglantiersdwarsstraat had het een groot stuk blinden muur, waartegen we +van een onzer balspelen konden genieten. Dikwijls raakte de bal daarbij +op het dak. Maar dan bezon ik me niet lang. Ik wist den weg naar den +zolder, klom door 't dakraam, liep door de goot en haalde den verlorene. +Dat deed ik altijd zonder vragen. Niet omdat ik niet wou vragen, maar +omdat het me dan stellig geweigerd zou worden. Vader zou me nooit +veroorloofd hebben, op het dak<span class="pagenum" title="113"></span><a id="p_113"></a> te klimmen. Dat was veel te gevaarlijk. +Maar jongens zijn gelukkig zoo, dat ze alle uit angstvalligheid verboden +dingen toch doen. Mijn hemel, als ze eens waarlijk gehoorzaam waren, wat +zou er, bij de bekende verbiedmanie der volwassenen, dan van hen terecht +komen. Nooit werd een jongen een man. Doch nu gehoorzamen ze hun zuiver +instinkt vaak meer dan hun opvoeders, en dat is hun behoud, begrijp dat +goed, brave, dwingende, uit bestwil handelende paedagoog. De jongen is +niet ongehoorzaam uit onwil, uit boos opzet, maar omdat een wijze natuur +hem tot taak heeft gesteld, de fouten uwer domme paedagogie te +corrigeeren.</p> + +<p>Mijn vader begreep dat maar zelden. 't Was heusch een allerbeste man, +maar het is ongelooflijk hoe conventioneel dom hij in de opvoeding was. +Net zoo dom, als tegenwoordig de overgroote meerderheid der vaders nog +is. Dan weet ge 't wel. Net zoo dom—als gij het nu nog zijt, +vriendelijke lezers. Dan weet ge 't wellicht beter. Al uw opvoedkundige +wijsheid is meestal domheid. En daaruit vloeien zooveel konflikten voort +met uw jongens.</p> + +<p>Vader was dan een dier massa-paedagogen, die alles verbieden, toch alles +laten gaan, in drift pakken slaag toedienen, en toch veel van hun +schavuiten houden. De opvoeding is hun te machtig. En zoo gebeurde het +op een Zaterdagmiddag, dat ik weer een aframmeling kreeg voor een mooie +daad van zelfopvoeding.</p> + +<p>Er lag voor de zooveelste maal een bal op het dak.<span class="pagenum" title="114"></span><a id="p_114"></a> Ik naar boven. En +gauw zat ik in de goot. Mijn makkers keken natuurlijk. Daardoor keken +ook eenige voorbijgangers, en nu hield een van hen „zijn hart daarbij +vast” en ging naar den winkel, om mijn vader te waarschuwen. Dat deed +die domoor natuurlijk weer met de allerbeste bedoelingen, maar niettemin +deed hij er gruwelijk kwaad mee.</p> + +<p>Vader verliet snel den winkel, en zag me. Nu is het voor een vader veel +erger zijn jongen in gevaar te zien, dan voor dien bengel zelf om in +gevaar te zijn. Maar zulke kinderen móét een vader ook niet zien. Laat +hij zijn oogen dan ook thuis houden. Mijn goeie vader stond zich op te +winden van bedwongen drift bij persenden angst. Gelukkig riep hij niet, +dat ik omlaag moest komen. Niemand riep. Ze waren veel te bang, dat ik +dan schrikken en naar beneden tuimelen zou. Met starende oogen volgden +ze allen mijn kattebewegingen, in voortdurende spanning. Ze zagen, hoe +ik langs het steile randje voortschoof, hoe ik mij bukte, weer +terugschoof en door het raam naar binnen klauterde, volkomen rustig. +Geen moment was ik me iets gevaarlijks of iets verkeerds bewust geweest. +Maar o, toen ik beneden kwam. Nog eer ik gelegenheid had, mijn vriendjes +iets te zeggen, vloog mijn vader op me af, sloeg me waar hij me maar +raken kon, greep me in mijn nek, rammelde me door mekaar, en dat alles +onder toejuiching der andere vaders, die ook een stuk voldoening +eischten voor den doorgestanen angst. „Zulke beesten van jongens! Een +mensch staat doodsangsten bij ze uit! 't Is tegenwoordig <span class="pagenum" title="115"></span><a id="p_115"></a>dan al meer +dan erg!” Vader besefte bij die woorden te dieper zijn paedagogenplicht +en ranselde nog wat genadeloozer, om vooral te doen blijken, dat hij een +degelijke vader was, die om den drommel er niet van hield, zijn kinderen +te verwennen. <i>Kinderen begrijpen, heet altijd kinderen verwennen. Dat +is nu nog zoo.</i> En ik werd met schelden en klappen naar huis geranseld.</p> + +<p>Wat was ik woedend. Wóédend! Ik had pas, zoo volkomen kalm, dat zware +stuk volbracht, een en al rustige beheersching. En daar werd ik zoo +getrakteerd. De menschen praten, van je vader in dank zoo'n kastijding +af te nemen. In dank? Mijn ziel was vol woede en verwijt. Ik besefte tot +in mijn fijnste vezelen, dat ik zoo'n behandeling niet verdiend had. En +dan zoo gruwelijk beleedigd te worden in tegenwoordigheid van die +vreemde straatmenschen, en van mijn makkers. Want het was een +beleediging, dat afranselen. En nog meer dat smadelijk naar huis jagen. +Ik voelde me diep gekrenkt en had zeker langen tijd noodig, om weer in +evenwicht te komen.</p> + +<p>Krenkt uw kinderen toch niet. En vooral niet in tegenwoordigheid van +anderen. Wij, schoolmeesters, hebben daar ook zoo'n handje van. Dan +zeggen we zelfs: „Toe jongens, lach die domkop eens uit, die kent nog +niet eens de tafel van zes!” En dan geven we het domme kind prijs aan de +harde bespotting zijner medescholieren. „Die domkop!” Wie is de domste +van de twee, hij, die de tafel van zes niet kent, of wij, die het +kinderhart niet kennen?</p> + +<p><span class="pagenum" title="116"></span><a id="p_116"></a></p> + +<p>Al mijn vergevingsgezindheid was ten slotte noodig, om mijn vader weer +in genade aan te nemen. Een vader, die zóó zijn kinderen kon offeren aan +zijn drift en zijn goeden naam bij het straatpubliek, dat was geen +vader. Maar—in zijn hart was hij toch een goeie man. Een half uur later +was hij zelf verlegen met zijn gedrag. Toen probeerde hij, tersluiks +weg, vriendelijkheden te bewijzen, de goede verhouding weer aan te +knoopen. En daartoe liet ik mij langzamerhand dan maar vinden. Ik kon +toch ook niet goed hebben, dat die groote man zich voor mij wat +vernederde. En dat deed hij toch eigenlijk met zijn er omheen gedraai.</p> + +<p>Dit alles kon ik toen niet zoo juist formuleeren, maar ik zag het zeer +goed in. En het heeft mij altijd bevreemd, dat Vader dan niet door een +ruiterlijke spijtbekenning, met een beroep op zijn drift en andere +verzachtende omstandigheden, de zaak geheel in orde bracht. Dat gaat +juist met een kind zoo gemakkelijk. Een kind gelooft je dan op je woord +en is grootmoedig beschaamd door je zelfbeschuldiging. Maar tot zulk een +afdoend middel kon hij nooit komen. Daarvoor was hij, paedagogisch, te +dom. Domme paedagogen zien in zulk een zuivere erkenning van de waarheid +altijd een zelfvernedering, terwijl het een reusachtige zelfverhooging +is. Niets ontwapent den tegenstander sneller dan erkenning van ongelijk. +Niets wapent ons krachtiger dan de waarheid.</p> + +<p>Ziedaar de eenige herinnering, die ik van het dak heb behouden. Ik wilde +er een bal halen, en kwam<span class="pagenum" title="117"></span><a id="p_117"></a> met een vroege paedagogische ervaring thuis. +Van al de ballen die ik te voren uit de dakgoot heb gehaald, weet ik +niets meer af. Al de geslaagde ondernemingen hebben geen herinnering +nagelaten. Maar die eene mislukte—is geworden tot een stuk, niet +opvoedkundige leer, maar opvoedkundige overtuiging, tot levenswijsheid.</p> + +<p>„Zie je nou jongen,” zou mijn Vader zeggen, „dat dat pak slaag nog zoo +gek niet was?”</p> + +<p>En dan zou ik antwoorden:</p> + +<p>„Ja vader, als je dat alles maar vooruit wist!”</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="118"></span><a id="p_118"></a></p> + +<h2><a id="STRAATJONGEN"></a>STRAATJONGEN.</h2> + +<p>De straat. Dat was het terrein onzer zelfopvoeding. Daar kwamen onze +krachten los, geestelijke en lichamelijke. Daar wisten we niet van +landkaarten of andere vervelendheden, daar knelde ons geen schoolbank en +kwelde ons geen schoolmeester, daar hadden Vaders paedagogische +handgrepen geen vat op ons, daar waren we vrij.</p> + +<p>Het is verwonderlijk, hoe een vuil stuk dwarsstraat en een brok „gracht” +naast een altijd stinkend water zooveel heerlijkheden kunnen bevatten. +Maar die heerlijkheden brachten we mee in ons eigen jongenshart. Het +vuil zagen we niet, den stank roken we niet—aan zulke nesterijen raakt +een mensch gauw gewoon—en alles lag overdekt door den glans onzer +verbeelding, de heele atmosfeer was doortrokken van gelukszon. Jeugd is +zaligheid, mits ze vrijheid hebbe. En die vrijheid hadden we, namen we, +op straat.</p> + +<p>Daar had je „de gouden stoep”. 't Was een hardsteenen stoep, drie treden +op en dan een bordesje. Langs de treden en het bordesje stonden ijzeren +paaltjes, die ijzeren leuningen droegen. En nu spreekt het vanzelf, dat +wij voor onze spelen alle stoepen naastten, dus ook deze. De straat was +te smal, om<span class="pagenum" title="119"></span><a id="p_119"></a> daar genoeg aan te hebben. Dan moest je wel de huizen en de +schuiten annexeeren. Bij 't krijgertje-spelen had een kameraad je veel +te gauw te pakken, maar dan vloog je een stoep op, en als hij je daar +narende, schoof je bliksemsnel onder de leuning door, de straat weer op, +vrij. Die stoepen waren inrichtingen, die je uit de benauwdheid redden. +En het was verwonderlijk, hoe we van ieder klein voordeeltje gebruik +maakten. Nood maakt vindingrijk.</p> + +<p>De bewoners hadden daar natuurlijk wel een beetje last van, maar de +meesten berustten er in. Eén meneer echter was er, die dat gevlieg niet +hebben wou. Nauwelijks had hij in de gaten, dat zijn stoep in ons spel +was betrokken, of hij rukte de huisdeur open en joeg ons weg, soms met +een stok in de hand. Daarom heette zijn stoep „de gouden stoep”, daar +mocht je niet aan komen. En nu was het gevolg van zijn grauwen en jagen, +dat we juist altijd naar zijn stoep toe gingen, en, ook zonder noodzaak +voor ons spel, er over holden en onder de leuning doorgleden. De gouden +stoep werd een apart spelletje.</p> + +<p>„Jongens, ga je mee naar de gouden stoep?”</p> + +<p>Aanstonds waren er een paar gereed.</p> + +<p>„Durf jij er op?”</p> + +<p>„Ik wel.”</p> + +<p>„Pas op, daar staat die kerel.”</p> + +<p>„Waar? Waar? Ik zie niks.”</p> + +<p>„Ja, daar achter 't gordijn. Hij schuilt weg. Hij loert op je.”</p> + +<p>„Laat hem stil loeren.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="120"></span><a id="p_120"></a></p> + +<p>En dan opeens vloog je de stoep op, greep de leuning, gleed er onder +door, en—„Hoera!” schreeuwden de jongens. Dat was de eerste zege.</p> + +<p>Allen stoven een eindje weg, als opgeschrikte musschen. Dan keerden ze +voorzichtiglijk terug, stapje voor stapje, totdat ze weer de stoep +omkringden.</p> + +<p>De tweede waaghals volgde. In een oogwenk was hij naar boven en weer op +straat. Hoera! Maar nu werd het een schande, als je achterbleef. De +andere jongens hadden 't gewaagd, jij moest het ook doen. Doch 't werd +hoe langer hoe gevaarlijker. Natuurlijk had „die kerel” ons al lang in +de gaten gehad. Hij had zich zeker al staan opwinden van drift en woede. +Mogelijk had hij zijn stok al gegrepen en was hij al naar de huisgang +geslopen. Wellicht stond hij al achter de deur. Misschien had hij de +schuif al in de hand. Onmiddellijk zou de deur openvliegen, een kerel in +zijn overhemd naar buiten springen, een stok op je lijf ranselen. Je +wist dit alles niet, en toch wist je het. Niemand had iets gezien, en +toch was ieder er zeker van.</p> + +<p>„Jongens, hij staat al in de gang, hoor! 'k Geloof, dat ik den smeerlap +gehoord heb.”</p> + +<p>Maar nu werd het pas echt. Je koos, met een fijn straatjongens-instinkt +voelend, het juiste oogenblik. Je sloop naar boven, dat hij je niet +hooren kon, en dan, ineens, met een luiden triumfkreet, onder de leuning +door. Hoeraaaa! De kerel stond zich zeker te verbijten van nijd.</p> + +<p>De jongens die de eerste beurten gehad hadden,<span class="pagenum" title="121"></span><a id="p_121"></a> waren in de gunstigste +conditie geweest. Doch nu werd het gevaar hoe langer hoe grooter. De +vijand werd opgeschrikt, getergd, vol woede. De lont, door den eersten +aangestoken, naderde het kruit. Het gevaar der ontploffing was het +grootst voor de laatsten. Maar dat gevaar was toch ook weer zoo +aantrekkelijk, dat de eersten 't er nog eens op waagden.</p> + +<p>„Daar hei je-n-em.”</p> + +<p>Ik was juist op de stoep. Teruggaan? Nooit. Dat zou een eeuwige schande +zijn geweest. Ik greep de leuning, wilde er onder door glijden, maar in +mijn verbouwereerdheid schoof ik niet laag genoeg weg, en kwam met mijn +gebit tegen de ijzeren leuning aan. Een geweldige schok, te krachtiger, +omdat ik juist zoo haastig weg moest schieten.</p> + +<p>Of de kerel me geslagen en geraakt heeft, weet ik niet. Bij de pijn in +mijn tanden viel alles weg. 't Was of ik flauw zou vallen van de pijn. +Maar een jongen valt niet flauw. Hij maakt dat hij weg komt.</p> + +<p>Zoo deed ook ik. Ik holde mijn makker achterna. Maar toen ik een eindje +verder stil bleef staan en tot bezinning kwam, bemerkte ik dat er van +een mijner oogtanden een stuk was afgebroken. Dat was in den strijd +gebleven.</p> + +<p>Met een verminkten oogtand moest ik verder het leven in. En was het daar +maar bij gebleven. Zoo'n verminking schijnt echter den heelen tand aan +te tasten. Langzamerhand brokkelde hij verder af. En op 't laatst moest +ik schoolmeesteren en zelf redenaren met een leelijk gat vóór in mijn gebit.</p> + +<p><span class="pagenum" title="122"></span><a id="p_122"></a></p> + +<p>Zoo draagt de mensch de zonden zijner jeugd mee door 't leven.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>„Dat heb je er nu van. Verdiende loon.”</p> + +<p>Aldus sprak de opvoedingswijsheid van die dagen. En zoo spreekt ze nog.</p> + +<p>„Eigen schuld. Wat deed je dien man te tergen. Loontje komt om zijn +boontje. Nu was je zeker wel wijzer geworden.”</p> + +<p>Wat dat „wijzer geworden” betreft, neen brave paedagogen, dat heb jelui +glad mis. We gingen voort, den man te tergen. Nu meer dan ooit. Er viel +nu een stuk tand te wreken. Daar zou hij voor bloeden. De „gouden stoep” +bleef een aantrekkingspunt. Heb jelui ooit gezien, dat +ontdekkingsreizigers zich door bevroren teenen en ijsberen van den pool +lieten terughouden? De pool trok ze, trok ze met onweerstaanbare kracht. +En als ze er eenmaal hun leven bij hadden verloren, waagden ze er een +tweede aan. Neen, met vloeken en stokken houd je nooit jongens van +gouden stoepen af.</p> + +<p>Hoe dan wel?</p> + +<p>Ik woon in een achterbuurt. Menigmaal staan er jongens en meisjes voor +ons venster. Die kijken naar binnen. En dan roepen ze tegen elkaar: +„Kijk, daar zitten ze. Ze eten. Zie je wel, sinaasappelen. Een schaal +vol. Kijk, die eene schept zijn eigen op. Zeg, wat eten ze? Kan jij het +zien?”</p> + +<p>Dat is wel lastig, zoo'n bekijk. Je bent niet vrij.<span class="pagenum" title="123"></span><a id="p_123"></a> En wat doe je dan? +Dan word je kwaad, je tikt driftig tegen de ruiten en jaagt het +straatpubliek weg, liefst met booze woorden. Niet waar?</p> + +<p>Neen, er is een betere manier. Ik denk aan mijn gouden stoep.</p> + +<p>Ik ga naar 't venster, schuif het gordijn weg, en houd den kinderen een +sinaasappel voor: „Wil je dien hebben?”</p> + +<p>Ze zijn op 't punt van weg te hollen. Maar ik roep ze, houd ze vast met +mijn vragende oogen, schuif het raam op, en geef ieder een sinaasappel, +ieder een heelen.</p> + +<p>Ze nemen hem aan, krijgen een hoogroode kleur, prevelen: dank u, en gaan +weg, zonder dat ik het vraag. Een eind verder blijven ze staan, bekijken +met blijde gezichten—héérlijke gezichten—den sinaasappel, wijzen +mekaar de heerlijkheden, en trekken dan langzaam af.</p> + +<p>„Een mooie manier!” zegt smalend de echte <ins class="corr" id="corr9" title="Bron: paedegoog">paedagoog</ins>. „Zoo +stijf je die brutale schooiers in hun kwaad. Welzeker, geef ze maar +sinaasappelen. Ze zullen morgen wel terugkomen. Zoo kun je aan 't geven +blijven. Straks brengen ze hun makkers mee. Dan krijg je een heele +kolonie voor je vensters. Daar valt wat te halen.”</p> + +<p>Die echte paedagoog heeft evenwel in dit geval ongelijk. Hij heeft bij +zijn beschouwing alleen zijn eigen machtsmiddelen in rekening gebracht +en geen nota genomen van dat wonderlijk gevoel in menschenzielen, dat +men een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid,<span class="pagenum" title="124"></span><a id="p_124"></a> beschaming kan +noemen, en dat ook in schooierszielen woont, maar door de echte +paedagogiek hardnekkig wordt kapot gestraft en aan flarden gescholden. +Die kinderen komen <i>niet</i> terug. Ik pas die methode nu al meer dan vijf +en twintig jaar toe, dus je kan bijna zeggen, dat ik een paedaloog ben, +tenminste zoo'n soort, en volhardend experimenteer op levende +straatschooiertjes. Welnu, nooit hebben die kinderen mij in mijn +vertrouwen beschaamd. Ze kwamen niet bedelen om sinaasappelen, en keken +zelfs niet meer door de vensters.</p> + +<p>Beredeneer dat nu maar, of—nog liever—reken het uit in een +statistiekje. Niet waar, dan alleen staat het wetenschappelijk vast. +Vóór dien tijd is het alleen maar zoo'n beetje geliefhebber. Je moet het +in cijfers voor je zien. Er moet een algemeene enquête worden +uitgeschreven over 't heele land: <i>a.</i> Hoeveel straatschooiers kijken +per jaar onbeschaamd door je vensters? <i>b.</i> Hoeveel gaan weg, als je ze +een sinaasappel geeft? <i>c.</i> Hoeveel van die komen weer terug, geenmaal, +eenmaal, tweemaal of meermalen? En als je dan bladen vol opgaven +hebt—enkel betrouwbare, o zoo betrouwbare—dan bereken je, op een +honderdste nauwkeurig, de resultaten. Dan staat de heele wereld +verslagen van je wetenschappelijkheid en word je nog dokter <span xml:lang="la">honoris +causa</span> in de paedagogiek. Hoe zullen we 't in vredesnaam klaarspelen, wij +onnoozele zielen, aleer we onze wetenschappelijke zekerheid hebben.</p> + +<p>Er is voor ons dat heerlijke Christuswoord: „Laat<span class="pagenum" title="125"></span><a id="p_125"></a> de kinderen tot Mij +komen, en verhinder ze niet.” Indien er iets, ook maar iets van +Christus' liefde in ons woont, kunnen we ons daardoor veilig laten +leiden. Laat dan de kinderen ook tot u komen, en verhinder ze niet. +Verhinder ze niet met uw grauwen en booze blikken, niet met uw schelden +en uitjakkeren. Het is wel droevig en schandelijk, dat op tot heden +onbezochte eilanden de vogels nieuwsgierig en vertrouwend den mensch +zien naderen, en dat te midden der beschaving de vogels verschrikt +wegvliegen: „Een mensch, een mensch!” Zooals de musschen voor ons +wegvliegen, doen 't ook de kinderen. Ze weten zich bij ons niet veilig. +Verander dit. En wanneer ge twijfelt, hoe in bepaalde gevallen te +handelen, herinner u dan uw eigen jeugd. Beter leerschool voor opvoeding +is er wel niet. Herinner u, hoe uw kinderziel gereageerd heeft op de +handelingen der volwassenen. Hoe men den engel in u opriep, en hoe den +duivel. En handel dan soms, misschien zelfs heel vaak, precies +omgekeerd. Die gouden stoep heeft mij gebracht tot een open venster. De +dreigende stok tot een sinaasappel. En daar heb ik mij wel bij bevonden. +Waarschijnlijk mijn straatpubliek ook.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Ik wil over deze sinaasappelmethode nog een paar ervaringen vertellen.</p> + +<p>Er zijn in de buurt van onze school natuurlijk andere scholen, ook +christelijke en katholieke. Nu hadden sommige leerlingen van die scholen +er plezier<span class="pagenum" title="126"></span><a id="p_126"></a> in, ons overlast aan te doen. Ze schreeuwden onder onze +schoolvensters, scholden de onderwijzers uit die poortwacht hadden, +holden door de rij kinderen die zoo ordelijk op het trottoir bleef bij +'t verlaten der school.</p> + +<p>Klaagden we bij hun onderwijzers, dan werden we altijd heel welwillend +ontvangen en hadden het succes, dat de bengels duchtig onder handen +werden genomen. Doch hieraan was een ander gevolg verbonden, dat die +jongens n.l. nog wat vijandiger tegenover ons kwamen te staan. Hinderden +zij ons niet meer, bang voor een pak slaag, welnu, ze hadden nog +vrindjes, die niet meer op school gingen en wel als hun wrekers wilden +optreden.</p> + +<p>Toen volgden we de sinaasappelmethode, die je heel goed kunt aanwenden +al heb je ook geen sinaasappelen. We lokten de jongens met vriendelijke +woorden, met een hand, zelf met een uitnoodiging om eens binnen te +komen, op de speelplaats naar de duiven en de bijen en de tuintjes te +kijken, in de school al de mooie platen te zien. Soms liepen we wel met +meer dan tien jongens, na schooltijd, de lokalen rond. En aardig, +ontroerend was het te zien, hoe die „schooiers” dan gaandeweg hun +schuwheid aflegden, belangstellend naar alles keken en vroegen: hoe het +kind zich in hen ontpopte, het vriendelijke kind.</p> + +<p>„Meester, die platen hebben wij ook op school.”</p> + +<p>„Da's aardig.”</p> + +<p>„Meester, mijn vriendje gaat hier. Kent u hem?”</p> + +<p><span class="pagenum" title="127"></span><a id="p_127"></a></p> + +<p>„Hoe heet hij dan?”</p> + +<p>„Piet.”</p> + +<p>Daar valt een kameraad hem in de rede: „Zeg, d'r zijn zooveel Pieten in +de wereld. Je mot toch zijn achternaam noemen.”</p> + +<p>„Net zoo,” zeggen wij. „Maar je bedoelt Piet Verbrugge, niet waar?”</p> + +<p>„Zie je nou wel, dat de meester hem kent.”</p> + +<p>„Nó ja, omdat de meester hem dikwijls bij jou ziet, niet waar meester?”</p> + +<p>„Netzoo.”</p> + +<p>Ze babbelden vrij uit, zetten uit eigen beweging de petjes af, en +bedankten ons bij 't vertrek<ins class="corr" id="corr10" title="Bron: ?">. „</ins>Dank u wel, meester!” +En—kwamen den volgenden dag met een paar vrindjes: „Meester, of zullie +ook eens magge kijke.”</p> + +<p>„Welzeker, wat graag!”</p> + +<p>De collega's van de bizondere school zullen me nu toch niet verdenken, +dat ik hun kinderen naar de openbare school lok? Eerlijk kan ik +verzekeren, dat we er nog nooit eentje van die gasten als leerling +hebben ingehaald. We hebben alleen wat straatvrindjes gemaakt. En als we +nu poortwacht houden, komen verschillende jongens van de broederschool +ons broederlijk de hand geven. Dat is alles.</p> + +<p>Zullen ze niet besmet worden door zoo'n openbare-school-hand?</p> + +<p>Kom, kom. Openbare en bizondere school moeten elkander de hand reiken.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p><span class="pagenum" title="128"></span><a id="p_128"></a></p> + +<p>Als nu de Bond van Ned. Onderwijzers op zijn eerstvolgende Algem. +Vergadering geen motie tegen me aanneemt, wil ik ook wel mijn collega's +schoolhoofden aanraden—voor zoo ver noodig!—er wat minder gouden +stoepen op na te houden en tegenover de klasse-onderwijzers, onder hun +leiding, wat meer die sinaasappel-methode te volgen.</p> + +<p>„Dus,” zegt de strijdgrage, doch al te vaardig concludeerende +klasse-onderwijzer, „dus, wij zijn zoo iets als straatjongens, die op de +vensters van de bovenmeesters hangen, om te kijken naar hun welvoorziene +tafels, en die dankbaar wegsluipen, als ons genadiglijk een sinaasappel +wordt toegestoken? Wij danken u feestelijk voor deze genade. Wij willen +zelf om den disch zitten, en gij moogt onze vaten wasschen.”</p> + +<p>Goed, goed. Er is eenmaal een Meester geweest, die zich niet ontzag, +neen, die zijn grootheid openbaarde, door vrijwillig de minste te zijn +en zijn discipelen de voeten te wasschen. Nooit onteert het werk den +man. Wij worden alleen ontroerd door eigen onzedelijkheid. Geen +buitenafsche glans van rijkdom of rang kan wegschitteren de doffe +nevelen der innerlijke onreinheid. En alle nuttig werk kan geadeld +worden door den geest die het verricht.</p> + +<p>Goed, goed, ik wil uw vaten wasschen, als gij op die wijze mijn gaven +het best aanwendt tot heil van allen. Maar dan zal er toch wel iemand +zijn, een uit uw midden, gelijk ook ik uit uw midden ben voortgekomen, +of anders een uit voornamer levenskring, een dokter, advokaat, officier, +in ieder geval iemand,<span class="pagenum" title="129"></span><a id="p_129"></a> een mensch, door u gekozen of aangesteld vanwege +de door u gekozenen, een.... medemensch, d.i. een medezondaar, aan wien +wat leiding en toezicht is opgedragen. Noem hem president en laat hem +gezag voor een bepaalde periode, gelijk ook gijzelf telkens opnieuw +gekozen wilt worden, afkeerig van stabiliteit in uw positie, of noem hem +inspecteur en gun hem bij een blijvende taak ook een blijvende +bestaanszekerheid, er zal iemand zijn, die over u en mij te zeggen +heeft. En tot dezen iemand—misschien zijt gij, Bondsman, het zelf wel: +er kunnen meer Ketelaars van klasse-onderwijzer gezagsman worden—tot +hem en zijn gelijken zeg ik: geen gouden stoepen. Reik ons +hartelijk-welmeenend als 't noodig is een sinaasappel toe. Ge zult eens +zien, hoe die ons opvoedt.</p> + +<p>Er was eens een bovenmeester, die steeds zelf graag veel vrijheid had +genoten, en nóg genoot, en die daarom (ja daarom, en niet +desniettegenstaande) ook den onderwijzers veel vrijheid gunde en +toestond. Je kon zeggen, dat de man er voor hen heelemaal geen gouden +stoepen op nahield. Ze mochten letterlijk alles. Mits dat alles +overeenstemde met hun plicht. Ze hadden volle vrijheid om te doen, wat +hun plicht hen gebood.</p> + +<p>Maar nu was er onder het personeel eens een jonge, al te levenslustige +vrijbuiter, die zoo nu en dan wel eens wat geholpen moest worden in het +genieten zijner vrijheid tot plichtsvervulling. Komaan, daar was hij +jong voor. Hij sprong wel eens wat buiten den, ook door hemzelf +noodzakelijk erkenden band. En<span class="pagenum" title="130"></span><a id="p_130"></a> dan moest natuurlijk de bovenmeester hem +vriendschappelijk daarop attent maken.</p> + +<p>Eens bij zoo'n gelegenheid was onze vrijbuiter echter wat ál te +nonchalant. En toen de bovenmeester hem de onmisbare perken wees, maakte +de schavuit het nog erger. Wat denk je, dat hij antwoordde op de zeer +gegronde aanwijzing? „Och, stik!”</p> + +<p>Het kwam er heel joviaal en jongensachtig uit, maar men moet erkennen, +dat het, zacht uitgedrukt, toch getuigde van wat al te weinig eerbied +voor het regelmatig gezag.</p> + +<p>Wat deed nu de bovenmeester? Hij had dit antwoord kunnen rapporteeren, +te meer, daar het hem onder getuigen was toegevoegd. Wellicht had hij +het móéten rapporteeren, zoo niet ter wille van zijn persoon, dan toch +ter wille van zijn ambt. Hier had iemand, niet in speelsche dartelheid, +maar, althans schijnbaar, in respektlooze onbeschaamdheid, een +noodzakelijk gouden bordesje niet betreden, maar bespuwd.</p> + +<p>Wat dééd de bovenmeester?</p> + +<p>Hij noteerde niet en rapporteerde niet. Hij gaf niet eens een standje. +Hij zweeg. Ik denk, dat hij zich uit zijn jeugd ook herinnerde, hoe +grauwen en dreigingen averechtsche gevolgen hadden. Maar hij rekende op +iets. Hij rekende op dat „wonderlijke gevoel in menschenzielen, dat je +een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid en beschaming kunt +noemen”. En hij rekende niet te vergeefsch.</p> + +<p>Den volgenden dag kwam de vrijbuiter bij zijn<span class="pagenum" title="131"></span><a id="p_131"></a> gezaghebber en zei, met +iets heel trouwhartigs in zijn stem, een eigenaardige tinteling in zijn +oogen, en een kleur van verlegenheid:</p> + +<p>„Bent u boos, om wat ik gisteren gezegd heb?”</p> + +<p>„Boos niet, maar....”</p> + +<p>„Och,” kwam het er toen innig vertrouwensvol uit, „u moet maar denken, +dat u zoo'n soort oudste broer van me bent.”</p> + +<p>Toen stak de gezaghebber zijn vrijbuiter hartelijk de hand toe, en die +twee bleven de beste vrinden, wat ze al waren, en nooit heeft in de +kranten gestaan, dat een jong onderwijzer tegenover zijn rechtmatigen +chef op een gegronde aanmerking „stik” had geantwoord. Daar is geen zaak +van gemaakt, daar is het publiek niet in gemengd, daar zijn de vakbladen +niet mee gevuld, daar zijn geen Hoofdbesturen voor opgetrommeld. En er +is geen jonge rebel gestraft. Die jonge rebel heeft sedert een mooie +carrière gemaakt.</p> + +<p>Dit alles was te danken aan de sinaasappel-methode, ofschoon men terecht +opmerkt, dat de bovenmeester zijn onderwijzer toch geen sinaasappels +offreerde. Maar wie nu nog niet heeft begrepen, hoe het kenmerkende +dezer methode hierin bestaat, dat zij zich richt tot de <i>goede +eigenschappen</i> der menschelijke natuur, dat zij die wekt en te hulp +roept, om het kind, het kleine en het groote, <i>zichzelf</i> te doen +verbeteren—die is niet waard, onderwijzer of bovenmeester te zijn.</p> + +<p>Ik zou het een groote onderscheiding achten, wanneer op een algemeene +vergadering van Paedagogen<span class="pagenum" title="132"></span><a id="p_132"></a> de motie werd voorgesteld en bij acclamatie +aangenomen:</p> + +<p>„De Alg. Verg. van enz.....</p> + +<p>gehoord enz.....</p> + +<p>overwegende enz.....</p> + +<p>verklaart, dat de sinaasappel-methode van Jan Ligthart de +voortreffelijkste is,</p> + +<p>en gaat over tot de orde van den dag.”</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="133"></span><a id="p_133"></a></p> + +<h2 id="NOG_STRAATJONGEN">NOG STRAATJONGEN.</h2> + +<p>Volwassenen plagen—dat was, naast ons spel, een onzer voornaamste +straatgenoegens.</p> + +<p>Hoe kwamen we daartoe?</p> + +<p>Ik denk, dat de volwassenen waren begonnen met ons te plagen, en dat wij +de kunst en den smaak hierin dus van hen hadden overgenomen.</p> + +<p>Men is er altijd zoo grif mee, de jeugd toe te voegen, dat ze in +allerlei narigheden, pakken slaag en dergelijke, haar verdiende loon +krijgt, maar men vergeet, of liever, men komt niet eens op de gedachte, +dat de volwassenen, in allerlei ergerlijke behandelingen van de zijde +der jonkheid, evenzeer maaien wat ze hebben gezaaid.</p> + +<p>Wie de kinderen weggrauwt, wordt door hen, uit de verte, nagescholden. +Wie ze wegranselt, wordt door hen nagesmeten. Wie zich ten koste van hen +vermaakt, wordt straks door hen geëxploiteerd.</p> + +<p>Ga eens na, hoe de kinderen van volwassenen leeren, <i>bij eigen ervaring</i> +leeren, op welke wijze men zijn evenmensch behandelt. Hoe zullen ze dan, +in zulk een leerschool grootgebracht, het hun leermeesters verbeteren?</p> + +<p>Dezer dagen zag ik nog een treffend staaltje van<span class="pagenum" title="134"></span><a id="p_134"></a> zulk een opvoeding. +Een stuk of zes jongens zaten voor een huis op een stoepje. Ze deden +absoluut geen kwaad, koesterden zich in den zonneschijn, lachten wat +onder elkander, hadden gemoedelijke jongenspret, zooals jonge honden dat +ook zoo kunnen hebben.</p> + +<p>Plotseling ging achter hen een huisdeur open, een vrouw verscheen, en +trapte ze nijdig weg. De jongens, doodelijk verschrikt, vlogen de straat +op. Ze hadden geen flauw vermoeden gehad van dát gevaar achter hun rug. +Ze zaten zoo knus op dat warme stoepje in den lekkeren zonneschijn. En +nu stonden ze, met verschrikte gezichten, weggejaagd en weggegrauwd, +ineens midden op straat.</p> + +<p>De deur ging met een nijdigen smak dicht. Maar nauwelijks was ze toe, of +een van de zes, een goedaardige lummel van bijna dertien jaar, rende er +heen, en trapte met razende woede tegen het paneel, of de deur in elkaar +moest.</p> + +<p>Dat was het antwoord van den jongen op de uiting van de volwassene.</p> + +<p>Toen holde de „schooier” natuurlijk weg.</p> + +<p>Maar wie had hem op dat oogenblik tot een schooier gemaakt?</p> + +<p>Eén vriendelijk woord, en de jongens waren opgestaan en bereidwillig +vertrokken, als ze tenminste nog niet al te zeer bedorven en verhard +waren onder de bejegening van de ouderen.</p> + +<p>Eén vriendelijk woord.</p> + +<p>Maar de klagende volwassenen kunnen geen vriendelijk woord zeggen, +tenzij misschien tegen hun meerderen, <span class="pagenum" title="135"></span><a id="p_135"></a>ze achten zich gerechtigd, de +jongeren die hun in den weg staan als straatvuil weg te schoppen. Wat +wonder, dat de jongeren terugschoppen? En dat ze, niet alleen deze of +gene oudere, maar al spoedig de heele wereld der groote menschen als een +vijandelijke partij beschouwen?</p> + +<p>Wij plaagden de volwassenen, en niet de kinderen. Hoe kwam dat? De +kinderen begrepen ons. Met hen hadden we alleen zoo nu en dan een kort +gevecht. Maar tegenover de volwassenen leefden we voortdurend op voet +van oorlog. Aan wie de schuld?</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Vóór het huis van Piet, denzelfden Piet, die op zijn verjaardag een pak +traktaatjes van me „kreeg”, was een platte stoep in den vorm van een +rechthoek en daarom heen een nog al hoog houten hekje. De paaltjes waren +vrij dik, dicht bij elkaar, en donkergroen geschilderd, zoodat we binnen +dat hekje goed verborgen zaten. Bovendien stond er een oude boom voor, +welks zware kruin een donkere schaduw op den gevel en ook op de stoep +wierp.</p> + +<p>We konden daar zoo gezellig zitten, ongezien door de voorbijgangers. Als +het dan een beetje begon te schemeren, bonden we een zakdoek of een +gevuld papieren zakje aan een dun, zwart touw, legden het voorwerp op de +straat en leidden het touw tusschen de spijlen van het hekje door. We +vischten op hebzucht. Geen man of vrouw kwam er voorbij, die, het +verloren voorwerp ziende, niet even stil bleef staan,<span class="pagenum" title="136"></span><a id="p_136"></a> om het op te +rapen. Maar nauwelijks bukten ze zich, of het voorwerp begon te leven, +het bewoog, schoof over de straat, en eer het gegrepen kon worden, +sprong het met een ruk onder de oogen van den eerlijken vinder weg. Een +gejuich ging op uit het donkere hek, en de gefopte man of vrouw liep +gewoonlijk snel door, zonder om te kijken. Dan zeiden wij, natuurlijk in +van de ouderen overgenomen humor: „Hij houdt zijn smoel, maar Onze lieve +Heer hoort hem brommen.”</p> + +<p>Deze plagerij was een van de onschuldigste. Een verbazend plezier hadden +we er in, de menschen voor niets naar den belknop te doen loopen, maar +dan niet door even aan te bellen en daarna weg te hollen, dat was te +gewoon. Als er ijs in 't water lag, bonden we een donker touw aan den +belknop, liepen dwars den weg en het ijs over naar den overkant, gingen +daar in de koude aan den walkant zitten, en trokken. Natuurlijk gebeurde +dat in donker en op een stille gracht met haast geen verkeer. Ging de +bel over, dan zagen we de deur openen, iemand rondkijken, en—'t was +koud—weer gauw de deur sluiten. Een minuut later trokken we weer, en +dat hielden we vol, totdat de bewoner het touw ontdekte. Dan ging er van +onzen kant een soort indianengehuil op. We lieten het touw voor een deel +in den steek, gingen door en door koud naar huis, maar hadden heerlijk +genoten. Bijna zooveel als de man, die in een koelen nacht op aal zit te +peuren. We hadden ook beet gehad.</p> + +<p>Een variatie op dit thema, maar nu al ja wat erger, vonden we, door met +een stevig touw den belknop aan<span class="pagenum" title="137"></span><a id="p_137"></a> den deurknop vast te binden. Dit kon +echter alleen, als beide knoppen dicht bij elkaar waren. Daarna schelden +we aan. We hoorden een der bewoners door de huisgang loopen, de deur +naderen, het slot openen, trekken. Maar de deur kon niet open. Zelfs +geen kier. Al naar zijn temperament begon nu de bewoner te vloeken of te +smeeken. In 't laatste geval sneden we nog wel eens het touw door. Doch +in 't eerste geval lieten we hem zitten, gevangen in zijn eigen huis, +totdat op zijn gebombardeer en geschreeuw een goede buur of +voorbijganger zich over hem ontfermde. Dan stond de geplaagde man te +schelden op die bliksemsche jongens. Maar die bliksemsche jongens waren +al lang verdwenen.</p> + +<p>Je zoudt zeggen, dat we toen al les in de methodiek hadden genoten, want +er was in onze streken een mooie „opklimming van moeilijkheden”. De knop +van een gewone deur aan een belknop binden, was al gauw niet loonend +genoeg meer. We zochten een deur uit, waarin het houten bovenpaneel +vervangen was door ijzeren lofwerk. Als dan de bewoner wanhopige +pogingen deed, om zijn deur te openen, stonden wij op de stoep, op +<i>zijn</i> stoep, hem uit te lachen of met hoonende woorden te sarren, zoo +ongeveer als Reintje de Vos het doen kon, als hij zijn aartsvijanden, +beer en wolf, in de ellende zag, waarin hij, en hun eigen ondeugd, hen +had gestort. We smaakten er een helsch genot in, de menschen in hun +machtelooze woede nog wat te tergen, dansten de dolste bokkesprongen +voor de traliën van den gekerkerde, of stonden met<span class="pagenum" title="138"></span><a id="p_138"></a> ijzige kalmte—als +wisten we van den prins geen kwaad—het vruchteloos rukken aan te zien. +Ja, dat was eigenlijk het gemeenste, als we ons hielden of we volkomen +onschuldig stonden te wachten op het openen eener deur, die door eenige +ons totaal onbekende oorzaak maar niet open wou. Ging eindelijk de +bewoner naar binnen, dan maakten we dat we wegkwamen, want dan begrepen +we, dat hij in zijn tuintje een buur zou roepen, misschien wel +twee—links en rechts—en konden deze, plotseling naar buiten schietend, +ons insluiten. En dan zaten <i>wij</i> in de klem. Bij al onze ondernemingen +waren we krijgskundig genoeg, om voor een goeden aftocht te zorgen. +Wonderlijk, hoe dat geroemde genie der groote veldheeren al in het +jongensinstinkt zit.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Ik vertrouw, dat mijn eerzame lezers wel eenige voortreffelijke +kwaliteiten in onze gemeenheden hebben ontdekt en dat ze bereid zijn, +ons evenzeer een plaats in de historierollen te verzekeren als de groote +vlootvoogden en veldheeren. Ook wij wisten onze aartsvijanden, de +volwassenen, aanhoudend te bestoken en daarbij meesterlijke terugtochten +te arrangeeren. Maar zulke deugden worden in het klein nooit +gerespekteerd en allerminst door de slachtoffers. Men huldigt ze alleen, +als ze zich op veel grooter schaal vertoonen en in dezelfde mate ellende +hebben gebracht. Niet één huis, maar een heele stad moet omsingeld +worden, niet één nijdige vent, maar een heel leger ingesloten. <span class="pagenum" title="139"></span><a id="p_139"></a>Niet een +paar vloeken, maar duizenden dooden moeten er vallen. Het zij zoo. Ik +heb al zooveel aanspraken op roem en een standbeeld zien miskennen, ik +geef ook deze op. En pluk ik al niet mijn verdiende lauweren, in ieder +geval mijn paedagogische vruchten. Misschien zijn die nóg meer waard. +Lauweren verdorren, en vruchten hebben zaden. De eerste zijn een +afrekening met het verleden, de laatste beloften voor de toekomst.</p> + +<p>Een dier paedagogische vruchten is, dat ik me jegens mijn eigen +scholieren nooit braver voordoe, dan ik ben geweest, en hen geregeld +mijn jongensstreken vertel. Ze weten van mijn spijbelen, van mijn +wegspatten uit de schoolblijversklas, ze weten ook dat ik bij dat +spijbelen zoo heerlijk genoten heb, dat het mijn eenige geluk is geweest +tijdens deze schoolperiode, ze weten van mijn belknopexpedities, ze +weten haast alles, ook wat er nu nog volgt.</p> + +<p>En als ze die kunstjes van den meester nu nadoen?</p> + +<p>Met die vraag komen de bengels zelf ook altijd voor den dag. „En als wij +nu ook eens drie weken spijbelden?”</p> + +<p>Maar dan is mijn vast antwoord: „Dat doe jelui niet.”</p> + +<p>„En als we het dan tóch eens deden?”</p> + +<p>„Jelui doet het niet.”</p> + +<p>„Hoe weet u dat?”</p> + +<p>„Omdat je 't hier veel te goed hebt.”</p> + +<p>Dan lachen de snaken, en er gaat een vriendschappelijk gejouw op: „Haha, +te goed!”</p> + +<p>„Ja zeker, veel te goed. Je hebt absoluut geen<span class="pagenum" title="140"></span><a id="p_140"></a> reden om te spijbelen. +En wil ik je nu nog wat anders zeggen? Als jullie meent, dat je hier +onbehoorlijk, hard of onrechtvaardig behandeld wordt, dan geef ik je +verlof om te spijbelen. Maar je dóét het niet. Daar ben ik wel zeker +van.”</p> + +<p>„Jongens, ga je mee?” roept er een, en hij doet of hij vertrekken wil. +Maar halverwege keert hij lachende terug. „'k Zal maar hier blijven.”</p> + +<p>„Dat wist ik wel.”</p> + +<p>Wellicht vindt deze of gene onder mijn lezers die methode toch wel wat +gewaagd. Maar dan wil ik hem zeggen, dat je er wát een succes mee hebben +kunt.</p> + +<p>Zoo kwam er onlangs een oude man bij ons op school met zijn 12-jarigen +kleinzoon. Die jongen had het op een andere school erg verbruid, had +daar herhaaldelijk straf opgeloopen en gespijbeld, en nu—„of de meester +ook een plaatsje voor hem had.”</p> + +<p>„Gespijbeld? Heb jij gespijbeld? Dan moet ik je net hebben. Want dat heb +ik ook in mijn jongensjaren gedaan en 't is mijn prettigste tijd +geweest.”</p> + +<p>De jongen hief zijn zwarte oogen naar me op, zonder dat ik hem hiertoe +dwong—je hebt van die paedagogen (ook onder de agenten) die altijd de +slachtoffers <i>dwingen</i> hen, beleefdheidshalve, aan te zien, maar door +hun gansche optreden de oogen dier misdadigers een anderen kant op +jagen—de jongen dan keek me gansch vrijwillig aan, en er was een +glinstering van vertrouwen in zijn donkere kijkers.</p> + +<p>„Zeker, ik heb ook gespijbeld. En daarom moet ik je juist hebben. Je mag +komen, hoor!”</p> + +<p><span class="pagenum" title="141"></span><a id="p_141"></a></p> + +<p>Grootvader keek verslagen. Hij dacht, dat hij met een krankzinnige te +doen had. Zoo ongewoon is zulken menschen de simpele gewoonheid.</p> + +<p>„Hij mag komen, Grootvader! Maar op één voorwaarde.”</p> + +<p>Vier vragende oogen keken mij aan.</p> + +<p>„Dat hij dadelijk gaat spijbelen, als 't hem niet bevalt.”</p> + +<p>Grootvader snapte het niet. Hij was al te veel verbasterd in deze wereld +van schijn, mooidoenerij, braafheidsvertoon, algemeene fatsoenhouderij. +Maar de jongen begreep me. Hij lachte. En pas had ik hem de hand ten +verbond toegestoken, of hij sloeg toe. Hij kwam op school, is een jaar +gebleven, en heeft <i>nooit</i> aanleiding tot eenige klacht gegeven.</p> + +<p>Natuurlijk gun ik het succes hiervan ten volle aan zijn +klasseonderwijzer. Maar deze stoort zich ook al meer aan de paedagogiek +zijner levenservaring, dan aan de voorschriften der gezags-paedagogiek. +Hij volgt dus dezelfde methode als ik. Misschien moest ik zeggen: Ik +volg dezelfde methode als hij. Want ik geloof, dat ik in dit opzicht +heel wat van hem geleerd heb. De hoofdzaak echter is, dat we dit succes +te danken hadden aan de methode van—toe, geef eens een mooien naam, +liefst een Griekschen—de methode van.... +zondaar-met-den-zondaar-te-zijn.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Die methode komt in geen paedagogisch handboek voor, evenmin als de +sinaasappel-methode. Maar ik<span class="pagenum" title="142"></span><a id="p_142"></a> hoop, dat beide daar nog eens een plaats +krijgen. En daarom ga ik nu nog een van onze streken vertellen, +misschien wel een der ergste. Wie weet, of ook uit dit kwaad niet iets +goeds geboren wordt.</p> + +<p>Het is avond. De duisternis hangt reeds over het vunze grachtwater en +vult de nauwe ruimten tusschen de hooge huizenrijen, die men straten en +dwarsstraten noemt. Wij dwalen nog zoo'n beetje in die duisternis rond, +zoekend naar een genotsprikkel. Daar ligt ergens een keisteen los. We +halen hem uit het plaveisel. Of een paard nu misschien zijn poot in dat +kuiltje verzwikken kan, niemand denkt er aan. Met die kei kunnen wij wat +uitvoeren.</p> + +<p>Nu zoeken we einden touw in onze jongensschatten, opgehoopt in de +broekzakken. Die einden binden we aan elkaar. 't Wordt een touw van +behoorlijke lengte. Het eene eind wordt op stevige wijze om de kei +gebonden.</p> + +<p>Ginds staat de deur van een bovenwoning open. Wij er heen. Een van ons +trekt zijn schoenen uit, neemt de kei in zijn linkerarm, de schoenen in +de rechterhand, en sluipt op zijn kousen de trap op, naar 't +bovenportaal. Een ander heeft beneden het touw vastgehouden.</p> + +<p>De indringer staat doodsangsten uit. Want het is mogelijk, dat juist op +dit oogenblik daar boven een deur opengaat en een bewoner hem in de +gaten krijgt. Erger, het is ook mogelijk, dat nu juist een der bewoners +thuis komt, een pootige, ruwe kerel, en achter hem de trap oploopt. Dan +zit hij in de val. Want dan<span class="pagenum" title="143"></span><a id="p_143"></a> vraagt die kerel hem natuurlijk wat hij +daar te maken heeft, ontdekt den steen, heeft misschien de jongens +beneden al weggevloekt, en grijpt den binnensluiper in zijn nek....</p> + +<p>O, die heerlijke doodsangsten! Wat heb ik er van genoten! Iedere zenuw +is in spanning! Elke seconde is een levensgevaar!</p> + +<p>Eenmaal hééft een kerel me zoo verrast. Maar niet gegrepen. Hij zag me +niet. Ik sloop als een schaduw de trap op, het portaal door, duwde me in +een donkeren hoek, plat tegen den muur, en de kerel liep me voorbij. Het +was om te bezwijken van heerlijkheid. Zulk een oogenblik is een hemel. +Het is bijna zoo zalig, als dat je op 't punt staat door de Indianen +gescalpeerd te worden en door de uiterste doodsverachting je leven redt. +Je bent een moment een van je meest benijde boekenhelden.</p> + +<p>Als de indringer zonder gevaar boven is gekomen, legt hij daar +behoedzaam den steen neer, sluipt weer naar omlaag, trekt zijn schoenen +aan, en houdt zich gereed.</p> + +<p>„Trek!” fluistert hij.</p> + +<p>De man aan het touw trekt en de steen dondert de traptreden af naar +beneden. Tegelijkertijd schreeuwt een der jongens een erbarmelijk +kindergeschrei uit. Je kunt niet anders denken, of er valt een kind van +de trap. Alle kamerdeuren vliegen open, alle vrouwen komen kijken. „Een +kind van de trap gevallen!” En ze tuimelen zelf haast de trap af, om de +eerste te zijn, die 't arme schaap opraapt. Want vrouwen van<span class="pagenum" title="144"></span><a id="p_144"></a> dat slag +mogen haar eigen kinderen verwaarloozen, bij een ongeluk zijn ze de +hulpvaardigheid zelf.</p> + +<p>Maar ze vinden niets dan malkaar en dat is reden genoeg om te blijven +staan en met nog eenige andere ook toegeschoten buurvrouwen te +overleggen, wat daar dan toch kan gebeurd zijn. Wij jongens, eerst +weggehold, met den steen, komen nu een voor een naderbij, steken ons +gezicht tusschen een paar jakken door, en informeeren belangstellend +naar het gevallen jongetje. En wij smullen daarbij van ons succes. Of de +vrouwen 't in de gaten krijgen? Een van haar roept tenminste: „za-je +opdondere, vuile flikkerkop!” En veiligheidshalve „dondere” wij op.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Ook deze jongensgrap heb ik vaak in kleuren en geuren aan mijn +leerlingen verteld. En dan zaten die te springen van plezier. De meisjes +niet. Die voelen over 't algemeen niet veel voor zulke min of meer +avontuurlijke streken. Maar de jongens. Hun oogen flikkerden. Nog meer +dan bij het overhooren der jaartallen. En niet een dacht er aan, of op +een dier bovenkamers misschien een doodziek kind, een <ins class="corr" id="corr11" title="Bron: sterzende">stervende</ins> +zieke lag. En of die donderende steen wellicht een armen lijder had doen +opschrikken, die juist wat verademing beloofde te krijgen in een +rustigen slaap. Daarheen gingen hun gedachten niet, zoo min als die van +ons, jeugdige bedrijvers van die geneugten. We waren immers door +voorbeeld en lektuur ook in plagen opgevoed?</p> + +<p><span class="pagenum" title="145"></span><a id="p_145"></a></p> + +<p>Maar daarom, als mijn jongens volop genoten hadden van mijn vertellen, +liet ik hen critiek oefenen. Ik keerde dus het spelletje om. Niet ik +sprak afkeurend over hun ondeugendheden, maar ik liet hen al het +verkeerde aantoonen in mijn gedrag. En het was wonderlijk, hoe ze dan +gaandeweg van stemming en gezindheid veranderden. Eigenlijk was het een +gemeene streek, om die menschen zoo aan het schrikken te maken. En ook +gevaarlijk voor mogelijke zieken. Wie weet, of daar niet een vrouw in de +bitterste armoede op haar man, op haar zoon zat te wachten, een woesten +dronkaard. En hoe dan die arme vrouw, doodelijk verschrikt, zou +opspringen. Ach, er wordt in die kleine woningen zooveel ellende +geleden. Er is daar zooveel verterende smart. Dag aan dag, en nacht aan +nacht. Drank, armoede, ziekte, dood.</p> + +<p>Natuurlijk hielp ik mijn jonge veroordeelaars in het uitdenken van +toestanden, die onze grap tot een ernstig vergrijp maakten. En dan +bedachten we met elkaar, hoe je een beetje blijdschap kon brengen in +zulke vaak droevige gezinnen, hoe je misschien helpen kon. Ja, daar +waren wij ook wel toe bereid geweest. Maar men had het ons niet geleerd, +we waren er niet in geoefend. Bereid? 't Gebeurde nog al vaak in die +buurten, dat er een drie- of vierjarig kind zoek raakte. Die kinderen +speelden vrij op straat en dwaalden dan weg. Maar nauwelijks hoorden we +van een radelooze moeder dat ze haar kind „verloren” had, of we staakten +onmiddellijk het boeiendste spel en trokken in groepjes de straten rond +onder het eentonig-zangerig<span class="pagenum" title="146"></span><a id="p_146"></a> geroep van: „Wie hét er een ki——nd +gevonden, wie hét er een ki——nd gevonden,” net zoo lang totdat het +verloren schaap terecht was. Hoe levendig herinner ik mij die droomerige +dwaaltochten, straat in straat uit, waarin we gehuld waren in de +atmosfeer van ons eigen weemoedig-melodisch geroep. Niemand dacht aan +opgeven. Ook wij waren verloren, verloren in dienstbetoon. Alleen nu en +dan hielden we stil, als een deelnemende vrouw vroeg: „Hoe oud is het, +jongens?”—Drie jaar.—„Nee, niet gezien, hoor!”—En dan trokken we weer +verder, aanstonds in de maat en de stemming van ons zingend vragen, dat +de open deuren en ramen ingolfde. Bereid? Ja, zeker waren we bereid. Men +verstond echter niet de kunst die bereidheid te exploiteeren. Zou dit +niet een der eerste opvoedingsplichten zijn? Leer uw kind, zichzelf te +helpen, en ook anderen. Dat leert men echter het best niet door preeken, +maar praktisch. Ga hen voor en neem ze mee.</p> + +<p>Mijn leerlingen waren intusschen hartelijk bereid, het vroegere gedrag +van hun meester af te keuren, en daarmee had die meester ze meteen in +zijn paedagogische val. Want je moogt van rechters, die zoo pas het +stelen veroordeeld hebben, toch niet verwachten, dat ze nu zelf op roof +uittrekken?</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Ik hoop, dat mijn vreesachtige lezers, die zooveel gevaar duchten van +dat vertellen onzer kwajongensstreken, toch ook een weinig oog hebben +gekregen voor<span class="pagenum" title="147"></span><a id="p_147"></a> de gezegende vruchten er van. Men komt, in de eerste +plaats, daardoor zoo dicht, zoo heel dicht bij de kleine zondaars van nu +te staan. Zij voelen in u een van hun gelijken, vertrouwen u, durven +zich aan u geven—en komen dientengevolge te gemakkelijker onder uw hun +heil bedoelenden invloed. We weten het wel, Farizeesche ongereptheid is +heel mooi om aan te zien, bijna zoo mooi als een verlakte schoen, maar +de tranen van ons berouw glijden er langs af, dringen er niet in, vinden +er geen toegang. We voelen ons meer thuis bij den tollenaar, die in zijn +machtelooze veroordeeling van eigen ongerechtigheid alleen redding zocht +bij de genade der goddelijke liefde:</p> + +<p>„Heer, wees mij zondaar genadig.” Wanneer kinderen in ons medezondaars +weten, is de afstand tusschen hen en ons wat kleiner. Ze laten zich in +ons los.</p> + +<p>Maar dan in de tweede plaats, kan men van eigen verleden een spiegel +maken, die niet alleen het kwade weerkaatst, maar ook de daaruit +voortvloeiende gevolgen. Men kan de kinderen oog doen krijgen voor +hetgeen het kind, en ook nog de mensch, in eigen handelingen bijna nooit +ziet: de noodlottige gevolgen, vonnissend de onschuldig schijnende daad. +Dat kan nu ook wel in een of ander verhaal, maar het verhaal van +meesters eigen leven is zooveel aangrijpender, juist omdat het hém +betreft. Alle kinderen hooren graag vader en moeder van eigen jeugd +verhalen, hoe die geëerbiedigde volwassenen zich als kinderen +vertoonden. En ik heb het bijgewoond, hoe kinderen<span class="pagenum" title="148"></span><a id="p_148"></a> medelijden hadden +met dat arme jongetje, dat zoo strijden moest om eigen kwaad te +overwinnen en er telkens weer in verviel, en dat nu hun vader was.</p> + +<p>Wie zich aan zijn kinderen durft geven, gehéél, doch met de heilige +bedoeling om dit als een offer te brengen tot hun heil, hij zal ervaren +hoe dit offer, wel verre van tot navolging der verkeerde daden te +prikkelen, een zegenende ernst in hen ontwikkelt, een vroegen strijd, +een—mogen we hopen—tijdige zege.</p> + +<p>Dan mag er—we zijn immers onder kinderen—wel eens een vroolijken toon +in ons verhaal klinken, dan mag er wel eens een luid gelach uitbarsten, +mits de ondertoon ernst is en het doel wordt beoogd: het geslacht van +nu, zoo mogelijk, te bewaren voor de zonden van het vroegere.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="149"></span><a id="p_149"></a></p> + +<h2 id="NOG1_STRAATJONGEN">NÓG STRAATJONGEN.</h2> + +<p>Waarom—zoo vragen vaak ouders—waarom glijdt die jongen nu liever langs +de leuning van de trap naar beneden, in plaats dat hij, evenals wij, +netjes over de treden loopt. Dit laatste is toch zooveel veiliger.</p> + +<p>Ik denk, dat die jongen, behalve om het glijgenot, de leuning juist +kiest omdat zij een beetje <i>on</i>veiliger is.</p> + +<p>Kinderen <i>zoeken</i> moeilijkheden.</p> + +<p>Langs uw trap zijn twee wegen. Den eenen volgt gij. 't Is de breede, +gemakkelijke, met loopers geplaveide weg tusschen beide leuningen. De +andere bestaat uit de kleine puntjes der treden, die nog even buiten de +leuning uitsteken. 't Is de uiterst smalle weg, die voortdurend boven +den afgrond van den hal hangt. En dien volgt hij. Daarbij zet hij zijn +voeten dwars, houdt met één hand de leuning vast, laat zich half boven +de diepte zweven, en slingert zich, boven gekomen, met vlugge beweging, +op den heirweg, door u gevolgd.</p> + +<p>Dat is een zeer duidelijk uitgesproken verschil van voorkeur.</p> + +<p>Gij vraagt, waaróm die jongen zoo dwaas is, zich moedwillig in 't gevaar +te begeven, en denkt er niet aan, hoeveel kostelijke krachtsontwikkeling +ge hem<span class="pagenum" title="150"></span><a id="p_150"></a> beneemt, als ge hem dezen moedwil verbiedt. Hoe zal de jongen, +te midden van zijn geriefelijke omgeving, een beetje leeren durven en +wagen, als hij er niet op eigen gelegenheid wat ongerief mag scheppen?</p> + +<p>Men beschuldigt in zulke gevallen de kinderen aanstonds van +onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid en ranselt er dan die twee ondeugden +uit. 't Is verkeerde paedagogiek. Men ranselt er op die manier een +natuurlijken opvoedingsfaktor uit, slaat dien tenminste voor een poosje +lam. De onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid is een ademen der zedelijke +natuur, 't is het uitslaan der vleugelen, 't is het uitgroeien der +ethische krachten van moed en zelfvertrouwen, 't is het overwinnen van +onmisbare zwarigheden, en daardoor het winnen in willen en kunnen.</p> + +<p>Bekijk de zaak eens van dezen kant, en gij zult begrijpen, waarom die +jongen liever op de tuinschutting zit dan op de tuinbank—ongeacht het +wel wat smalle zitvlak van die tuinschutting; waarom hij zoo graag door +het dakvenster klautert en liefst tegen de pannen op dan nog naar de +vorst van het dak; waarom hij buiten zoo onweerstaanbaar door slooten +wordt aangetrokken en als door een magnetische kracht wordt gedwongen +daarover te springen; waarom hij, met zijn kameraad op de wandeling, +zeker tienmaal, indien niet twintigmaal, vraagt: durf jij dat? en—als +er maar geen ouders bij zijn—dan bij ieder kwestieus geval net zoo lang +draalt en zich opwindt tot hij gedurfd heeft.</p> + +<p>Gij zegt, dat hij aan zijn kleeren moet denken en<span class="pagenum" title="151"></span><a id="p_151"></a> aan alle mogelijke +ongelukken. Hij denkt aan niets dan aan het lokkende gevaar en aan de +zalige zege.</p> + +<p>Toe, bekijk de zaak eens van dezen kant en vraag dan uzelf af, bij welke +partij de ware opvoeding werkt: bij de officiëele opvoeders of bij het +brutale, onnadenkende kind, bij de verlammende leiding of bij de +stalende zelfstandigheid.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Voor ons huis was een houten brug met een ijzeren leuning. Hoe dikwijls +liepen wij jongens, een heel rijtje achter elkaar, langs den buitenkant +der leuning. Ik voel dat ronde ijzer nog en aan het einde den +bolvormigen knop. Ik zie nog het vuile water onder ons. En ik herinner +me nog den even voorzichtigen als sierlijken zwaai, waarmee we om den +eindknop heen weer op de straat terecht kwamen.</p> + +<p>Zeker, als ik het nu van kinderen zag, ik zou mijn hart vasthouden, maar +nooit is er bij die kunsten een jongen te water gevallen, zelfs niet als +we, verstoken van alle gymnastiekwerktuigen, de ronde leuningen als +rekstok gebruikten om er ons borstwaarts of ruggelings over te trekken. +Er waren jongens, die, waar ergens een brugleuning van hout was met een +plat bovenvlak, daar overheen liepen. Eén zwenking naar links, en ze +tuimelden in het diepe water. Maar ze liepen met geconcentreerde +zekerheid de heele leuning af, om dan aan het eind met een prachtigen +sprong weer op den vlakken grond te komen. Wie het niet durfde, stond +het bewonderend aan te staren.</p> + +<p><span class="pagenum" title="152"></span><a id="p_152"></a></p> + +<p>Eén heldendaad van dien aard herinner ik me van mezelf. Er stond eens +een vrij hooge stapel roode baksteenen opgetast aan den waterkant dicht +bij ons huis. Dat zag men toen meer: de openbare weg deed bij de +bouwerij nog al eens dienst als stapelplaats van materialen. Nu was er +tusschen dien hoogen steenstapel en den waterkant natuurlijk een reepje +weg onbedekt gebleven, een paadje dus achter den steenenmuur en vlak +langs het water, een paadje waar een paar muizen konden wandelen, +misschien ook een kat, maar stellig geen hond, en dat alzoo nu juist +niet bepaald voor jongens was opengelaten. Daar kon geen kind langs. +Reden te meer om het te willen.</p> + +<p>„Durf jij daar langs?”</p> + +<p>Nauwelijks was de vraag gedaan, of het paadje begon te trekken. Eerst +trok het je oogen en die maten met een enkelen blik de breedte—smaller +dan je voet—en de lengte—een meter of drie. Toen trok het je +linkervoet. Die moest noodzakelijk even om het hoekje heen, den neus van +je schoen rechthoekig tegen de steenen. Dat ging. Op je teenen en de +voorhelft van je voet kon je er staan. En als je je voet dwars tegen de +steenen drukte, met zijn binnenzij tegen den muur, dan kon hij er +heelemaal op. Nu trok het je linker arm. Die strekte zich uit en legde +zich, met uitgespreide vingers, vlak tegen den stapel. Je hand ging +werken als een zuignapje. Hij zoog zich als aan de steenen vast. Pas op, +het paadje trok je linkerbeen, je linkerzij, het trok je borst—je +drukte die plat tegen de steenen—je rechterbeen moest<span class="pagenum" title="153"></span><a id="p_153"></a> volgen, dan je +rechter arm, en je schoof, met uitgespreide armen, als een schaduw langs +den steenenmuur. Hoe kón het? Dat weet ik niet, maar het kón.</p> + +<p>Voetje voor voetje ging het schuivende verder. Eenmaal begonnen, was er +aan teruggaan geen denken meer. De makkers keken ademloos toe. De +menschen aan den overkant spraken er zeker schande van: „zulk tuig!” Ik +zag niets, hoorde niets, dacht aan niets, wist alleen dat ik, klevende +aan de steenen, moest voortschuiven. En ik schoof voort. Mijn leven hing +af van een oogenblik aarzeling of twijfel. Mijn leven en mijn triomf. +Ach, mijn hemel, het was alleronzinnigst. Maar waarom vertelde men ons +dan ook de geschiedenis van De Ruyter? Ik had geen toren om te +beklimmen. Moest ik dan de bevende heerlijkheid van het gevaar niet +achter die steenen zoeken?</p> + +<p>Ik kwam er. Even behoedzaam tastende als de tocht begonnen was, werd hij +geëindigd. Geen roekeloosheid op het laatste moment. De linkerarm boog +eerst om, de schouder volgde—maar reeds grepen de makkers dien arm beet +en ik stond weer in hun midden. Doodstil. Zij juichten. Ik zweeg. Want +als je wezenlijk verdienste hebt, met uiterste inspanning veroverd, dan +bluf je niet. Dan ben je moe en stil.</p> + +<p>Een tweeden keer heb ik dien tocht niet gedurfd. Toen trok ook het +smalle randje niet meer. Het had zijn bekoring verloren, gelijk de +jonkvrouw in Schillers ballade van „De handschoen”. En geen der +kameraden volgde me na. Er zijn heldendaden, voor<span class="pagenum" title="154"></span><a id="p_154"></a> enkelen weggelegd, en +die deze ook maar éénmaal in hun leven kunnen volvoeren.</p> + +<p>Natuurlijk begrijpen de menschen niets van wat er omgaat in zoo'n +jongen. Ze vinden het domme waaghalzerij en koelen hun angst voor zijn +gevaar met scheldwoorden, pakken slaag, naar huis en naar bed. Daar is +de bengel dan vooreerst weer veilig en kon hij over zijn zonden +nadenken.</p> + +<p>Op dat nadenken moeten de opvoeders echter nooit veel rekenen. Het bed +is geen plaats voor zulke berouwvolle overpeinzingen. Daar, als +waarschijnlijk in elke andere gevangenis, lig je te fantaseeren. Je ziet +alles nog eens levendig voor je. Je geniet van nieuwe gevaren. Je klimt +en klautert langs onmogelijke wanden. Je bent er veilig, nu ja, maar +nadenken? Op grond mijner jeugdervaringen ben ik een overtuigd +tegenstander van de celstraf. Ik geloof alleen in de verbeteringskracht +van goed gezelschap en lustwekkenden arbeid.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Hoe weinig ik in zulke waaghalzerijen kwaad zag, blijkt wel uit het +volgende.</p> + +<p>Ik had een nieuw zondagspak gekregen. Dat was heusch een weelde, die +niet ieder jaar voorkwam. Met je moeder naar den winkel gaan, daar +verschillende pakken bekijken en passen, eindelijk dat eene mooie te +krijgen, juist dat eene waar je al je hart op gezet had, en dit dan den +eerstvolgenden zondagmorgen te mogen aantrekken en er de straat mee te<span class="pagenum" title="155"></span><a id="p_155"></a> +mogen opgaan, neen, dat was heusch geen kleinigheid, dat was een reeks +zeldzame genietingen, zooals in ons kinderleven wel eens één keer in de +drie jaar voorkwam; meestal werden onze kleeren gemaakt uit die der +oudere jongens.</p> + +<p>Het was dus een unicum, voor mijn ouders een groot geldelijk offer, en +toen ik den eersten zondagmorgen den besten in het nieuwe pak uitging, +liep Moeder mee tot aan de winkeldeur, tot op de stoep.</p> + +<p>„Zal je er goed op passen, Jan?”</p> + +<p>„Ja Moe!”</p> + +<p>„Zal je er erg voorzichtig mee zijn?”</p> + +<p>„Ja Moe!”</p> + +<p>Ik stapte de gracht op, ging mijn vrindjes halen, liep niet als een +gewoon kind, maar als een drager van nieuwe kleeren. Ik keek nog eens +om. Moeder stond me nog met gelukkige, streelende oogen na te kijken. Ze +moest er van genieten, hoe 't me stond als ik op straat liep, en hoe +netjes haar jongen er uitzag. Ook voor haar was 't een weelde en een +zeldzaam genot.</p> + +<p>Met mijn vrindjes ging ik naar buiten. In de stad wandelden we nooit. +Altijd naar buiten, naar de slooten, naar de balken bij den +houtzaagmolen, naar de tuinschuttingen, naar de wilgen. Er moest water, +groen en klimbaarheid zijn. En dat had je in de straten niet.</p> + +<p>Eerst bewonderden de vrindjes natuurlijk het mooie pak, maar dat was +gauw gedaan. Jongens vinden het wel een ellende met vermaakte kleeren te +worden<span class="pagenum" title="156"></span><a id="p_156"></a> op straat gestuurd, en ze zijn wel grootsch op een nieuw pak, +maar die ellende en die grootschheid duren beide gewoonlijk heel kort. +Zoodra de kameraden hun schimp of hun lof hebben geuit, is 't gedaan met +de macht der lichaamsbedekselen. Dan dénken de jongens eenvoudig niet +meer aan hun kleeren—zoo heel anders dan meisjes—en voelen ze als +lagen huid, die zich zoo gauw mogelijk moeten schikken naar de +bewegingen van het lichaam.</p> + +<p>Zoo ging het ook mij op dien Zondagmorgen. Mijn nieuw pak werkte al niet +meer, toen we nog maar even buiten de poort waren, en het sprong net zoo +gemoedelijk mee over de balken in de sloot als mijn oude plunje. Het +schikte zich wonderwel in de manieren en plezieren van zijn eigenaar. +Zelfs klom het al mee in een boom.</p> + +<p>Er stond ergens aan den slootkant een knotwilg, die half over het water +hing. Nu konden we reeds op drie manieren op het weiland komen: over het +hek op den dam klimmen, over de balken in 't water loopen, of ineens +over de sloot springen. Dat was voor een gewoon mensch al variatie +genoeg, zoolang er echter niet een schuine knotwilg bij kwam. Maar +nauwelijks had die al de bekoorlijkheden, waarover zijn uitgeteerde +ouderdom nog te beschikken had, voor ons uitgespreid, of wij bezweken. +We moesten in dat oud stuk stam klauteren, op den kruin staan, de takken +wegschuiven, en dan over 't water op 't weiland springen. Die weg was +veel moeilijker dan een der andere drie, en dus veel aangenamer. We +genoten<span class="pagenum" title="157"></span><a id="p_157"></a> er wel tienmaal van, ook al kraakte soms een halfrotte rand van +den hollen bast onder onzen voet. De zorg voor mijn nieuwe kleeren +bepaalde zich hiertoe, dat ik telkens na een sprong broek en kiel met de +hand netjes afveegde, omdat ze wat groen of vuil waren geworden van den +ouden wilg, en hun rimpels daarna mooi wegtrok, rimpels van 't klimmen. +Overigens kan ik met volle eerlijkheid verzekeren, dat ik mijn nieuwe +kleeren totaal vergat.</p> + +<p>Men versta dat toch goed. Ik zeg niet, dat ik ze moedwillig +verwaarloosde, dat ik ze niet achtte, maar ik vergat ze. Ze bestonden +niet meer voor me. De boom, de kruin, de takken, de sprong—die leefden +en heerschten. Al dat andere was weggezonken, zooals men dat +tegenwoordig met naïeven verklaringswaan uitdrukt: onder den „drempel +van het bewustzijn”.</p> + +<p>Mijn vader had echter weer een anderen drempel. Hoe de man, tot mijn en +zijn eigen rampzaligheid, daar nu juist op dat buitenpad moest wandelen, +juist op dien Zondagmorgen, ik weet het niet. Maar hij liep er, en nog +eer ik hem in de gaten had, had hij mij gezien, klimmende en springende. +Zijn buitengenot en landelijke rust zonken onder zijn bewustzijnsdrempel +weg en daarboven op sprong, met tergende sprongen, zijn jongen in het +nieuwe pak. Een oogenblik nog, en hij had die jongen in zijn nek +genomen, een paar driftige kletsen om den kop gegeven, en naar huis +gejaagd.</p> + +<p>'t Was voor dien jongen een doodschrik en een grievende krenking. Hij +liep naar huis, op eenige<span class="pagenum" title="158"></span><a id="p_158"></a> meters gevolgd door zijn vader. Voor beiden +was het genoegen van dien Zondagmorgen weg. Maar in die jongensziel +ontkiemde, onzichtbaar voor hemzelf, de zekerheid, dat vaders domkoppen +zijn. En hij hield op dat oogenblik meer van dien stommen, ouden +knotwilg, dan van zijn vader.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Het is hard om te zeggen, maar vaders zijn vaak domkoppen. Ze verstaan +hun kinderen niet. Als ze zich de moeite eens wilden geven, naar hun +kinderen te zien en naar hun uitingen te luisteren, eens heel oprecht +met hen te praten, dan zou waarschijnlijk hun houding tegenover dat +jonge goed heel anders zijn. Maar neen, ze volgen alleen hun eigen +opwellingen van wrevel, ergernis, woede over allerlei recht kinderlijke +„overtredingen” en schelden of slaan er dan maar op los. Daarmee +vervreemden ze hun kinderen wel niet van ze—de band des bloeds is +taai—maar ze bederven toch zooveel jeugdgenot en zooveel huiselijke +vreugde. Wel, dat kon zoo gansch anders, en met veel meer gehoorzaamheid +dan nu morrende gehuicheld wordt. Wanneer ik hier geen +jeugdherinneringen schreef, maar degelijke paedagogiek, zou ik over de +vaderzonden een hoogst leerzaam hoofdstuk kunnen schrijven. Misschien +maak ik er nog een boek over en dat zal dan het beste paedagogische +handboek zijn van de wereld, want het begint de opvoeding bij de +opvoeders, en die hebben de verbetering het hardste noodig. Maar ik +schrijf slechts<span class="pagenum" title="159"></span><a id="p_159"></a> ijdele jeugdherinneringen, laat dus de domheid der +vaders onverbeterd, en ga voort met een stukje verregaand brutale +heerlijkheid.</p> + +<p>We lazen destijds veel indianenboeken en daarvan was het gevolg, dat we +ook speelden van „Blanken en roodhuiden”. We verdeelden ons in twee +partijen. Doch nu waren we niet tevreden met een simpel spelletje in de +straat, neen, het moest echt wezen, zoo echt mogelijk, er moest een woud +bij te pas komen, een wildernis, en dan oplichting, gevangenneming, +bevrijding. Er moest eenzaamheid bij wezen, spoorzoekerij, sluipen, +geheime teekens, vogeltaal. We moesten de volle ontroering genieten van +het echte woudloopersleven, en nu zouden we geen jongens geweest zijn, +als we ons dat niet hadden weten te verschaffen, ondanks al de +tegenwerking van straatsteenen, huizen en volwassenen.</p> + +<p>Om te beginnen verdeelden we ons in twee partijen, maar die verdeeling +gold niet voor één avond, doch voor altijd. Wie eenmaal een roodhuid +was, bleef een roodhuid, en dat bleef hij overal, op straat, in huis, op +school, in de stad, buiten, Zondag en in de week. Zoo veranderde een +blanke ook niet van huidkleur en van vijand. En nu was de afspraak, dat +je, overal waar er slechts kans toe was, je vijand bestookte, besloop, +gevangen nam.</p> + +<p>Dat gaf aanleiding tot een voortdurende spanning. Nooit liep je op +straat, of waakzaam loerde je rond. Was je als blanke alleen en kwamen +er drie roodhuiden aan, dan maakte je tijdig dat je wegkwam,<span class="pagenum" title="160"></span><a id="p_160"></a> eer ze je +te pakken kregen. De gang van school naar huis was weken of maanden +achtereen een onafgebroken gevaar, en deed je boodschappen voor je vader +of moeder, was dan maar dubbel op je hoede, want de vijand stoorde zich +aan niets, vond je met je boodschappenmandje een te welkomer prooi en +sleepte je naar buiten, naar een plantsoentje, waar je „dicht in 't +woud” aan een boom werd vastgebonden. Vader of moeder mochten op de +boodschap wachten, angstig worden, naar je uitzien—dat alles maakte de +zaak „echter” en dus het genot grooter. 't Mocht geen komedievertooning +wezen, maar 't moest echte werkelijkheid zijn met echte ellenden.</p> + +<p>Nog zie ik me op een zomernamiddag in mijn eentje door de buurt dwalen, +dan naar 't plantsoentje gaan tusschen Raam- en Zaagpoort, en daar zoo +gauw mogelijk een boschje binnensluipen, op den heelen weg steeds +rondziend en zooveel mogelijk ongezien blijvend. De avond valt reeds, 't +begint althans te schemeren. Nergens bespeur ik onraad, maar ook nergens +een teeken dat er vrienden in den omtrek zijn. Nauwlettend bekijk ik den +grond, of de voetstappen iets te zeggen hebben. Luister, klonk daar niet +het geroep van den koekoek? Dat is het teeken van de blanke jagers, +waarbij ook ik behoor. Doodstil blijf ik staan en wacht. Opnieuw klinkt +het: koekoek, koekoek, koekoek, driemaal. Is het de roep, wellicht de +noodkreet van een blanke? Of de lokstem van een roodhuid, die aldus een +verdoold jager in den strik wil lokken? Nu is de uiterste +voorzichtigheid plicht. Mijn<span class="pagenum" title="161"></span><a id="p_161"></a> ooren richten zich naar alle zijden, +vangen ieder geluid op. Men kon mij van verre omsingelen, zonder dat ik +'t merkte. Maar geen verdacht geluid waarschuwt. Ik sluip dus verder in +de richting van de telkens herhaalde koekoeksroepen. 't Is wel wat +ongewoon, in dit plantsoentje een koekoek te hooren. Die komen anders +niet onder de rook van de hoofdstad. Maar die ongewoonheid geldt alleen +voor eerzame burgers en voor den boschwachter. Wij weten hier van geen +hoofdstad, we zwerven in de wildernis van het verre westen. En daar +klinken nog wel andere geluiden.</p> + +<p>Naarmate ik de roepstem nader, meen ik er de stem van een vriend in te +herkennen. Nu dient alles gewaagd. Toch laat ik me niet verleiden tot +roekeloosheid. Onder voortdurende bedekking, vaak liggende, soms +kruipende, tracht ik me tegen een overval te vrijwaren, totdat ik +eindelijk, in de eenzaamheid van het woud, een makker vind, inderdaad +vastgebonden aan een boom. Ik snel er heen, trek mijn zakmes, snijd hem +los en vlucht met den geredde zoo spoedig mogelijk weg van de +gevaarlijke plek. Eerst als we ons buiten gevaar weten, vertelt hij mij +zijn wedervaren.</p> + +<p>Hij moest voor zijn moeder een boodschap doen. „Gauw terugkomen,” had +moeder gezegd. Toen, argeloos door de straat loopend, was hij door een +paar roodhuiden gegrepen. Die hadden hem hierheen gesleurd. Al zijn +gekerm mocht niet baten. Ze verstonden zijn woorden niet eens. In hun +ijzeren vuisten<span class="pagenum" title="162"></span><a id="p_162"></a> gekneld hadden ze hem geblinddoekt, langs allerlei +sluipwegen gevoerd, hem midden in 't bosch van al zijn bezittingen +beroofd, ook van het geld voor zijn boodschap, en tenslotte +vastgebonden. Stellig zouden ze hem den volgenden dag onder een woesten +krijgsdans verbrand hebben, als ik hem niet tijdig had gered.</p> + +<p>In de handen van welk opperhoofd hij gevallen was? Hij wist het niet, +maar hij vermoedde van De Witte Arend, want die was den laatsten tijd +erg in de weer. In zijn stam scheen een feest op til te zijn, en daartoe +had men gevangenen noodig, om met hun lichaamspijnen, doodsangsten en +gebraden spieren het feest op te luisteren. Goddank, dat de ongelukkige +nog bijtijds aan deze onderscheiding ontsnapt was.</p> + +<p>Samen gaan we naar huis, plannen beramend van wraak. We moeten zien, dat +we De Witte Arend zelf gevangen nemen om hem alleen tegen een hoogen +losprijs weer vrij te laten. We zullen al de blanke jagers in een +vergadering bijeenroepen, om een gezamenlijken rooftocht tegen den +ellendigen roodhuid te ondernemen. Kunnen we hem niet een zijner +geliefdste vrouwen ontrooven—de ellendeling had onschuldige zusjes, die +daarvoor in aanmerking konden komen—en hem dan noodzaken tot een +vernederende onderwerping? Of tijdens zijn afwezigheid de wigwams in +vlammen doen opgaan?</p> + +<p>Hoe het zij, een gevoelige wraak moest volgen. Hiervan waren we zeker. +En intusschen waren we innig gelukkig, dat we dezen avond weer zoo'n +levensgevaarlijk <span class="pagenum" title="163"></span><a id="p_163"></a>avontuur hadden genoten. Al was De Witte Arend ook nog +zoo'n ellendige roodhuid, voor geen goud, voor onze heele +maatschappelijke toekomst zouden we hem niet hebben willen missen. Niet +hebben kunnen missen.</p> + +<p>Wat was onze vale buurt, wat ons dreinig schoolleven zonder De Witte +Arend?</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Maar die moeder nu, die op haar boodschap wachtte? En dat geld?</p> + +<p>Nu herhaal ik, wat ik reeds vroeger zei: in haar ontving de wereld der +volwassenen haar trekken thuis. Deze maaide, wat zij gezaaid had.</p> + +<p>Wie hadden indianen-boeken geschreven, gedrukt, verkocht? Toch immers +niet de kinderen? Wie verdienden er hun brood en misschien zelfs een +kapitaal mee? Toch immers niet de straatjongens? Wie kocht ze voor ons, +leende of schonk ze ons, wie liet ze ons lezen? Waren het de volwassenen +niet? Wat deden ze om ons andere lektuur te bezorgen, ons in andere +lektuur smaak te doen vinden, ons door betere lektuur op te voeden? Ze +lieten ons gaan, of—erger!—deelden onleesbare traktaatjes uit, hetgeen +daarom erger is, omdat het de kinderen van het daarin aangeboden goede +vervreemdt.</p> + +<p>De volwassenen lieten ons gaan, zooals het tegenwoordig nog bij de +meerderheid het geval is. Zij lieten ons doortrekken van indianen-zeden, +d. w. z. zeden<span class="pagenum" title="164"></span><a id="p_164"></a> à la <span xml:lang="fr">Aimard</span> of <span xml:lang="en">Cooper</span>. En als die zeden nu in ons +begonnen te werken, aan wie dan de schuld? Wij konden het toch waarlijk +niet helpen, dat we bij onze verbeelding moesten leven, dat we de +romantiek tot werkelijkheid maakten. Dat lag zoo in onze kindernatuur. +Maar wie had die verbeelding eerst vergiftigd, wie die romantiek aldus +in onze fantasie gevoerd?</p> + +<p>Het is met die brave volwassenen zoo wonderbaar. Eerst gaan ze de +kinderen in 't vloeken voor, en als dan een kind ook verdomme zegt, +ranselen ze dat kind af. Eerst steken ze hun sigaar op, en als dan het +kind ook een sigaretje wil genieten, bestraffen ze het met strenge +woorden, doorrookt van pas geofferde tabak. Eerst omgeven ze het kind +met een wereld van drinken, rooken, vloeken, onreine scherts, en als dan +het kind de gevolgen hiervan openbaart, verbeteren die volwassenen nóg +niet zichzelf, maar gaan ze in een soort opvoedingsangst het kind te +lijf.</p> + +<p>Toen ik jongen was kon ik nooit de standjes en pakken slaag begrijpen, +die we met onze toch zoo natuurlijke spelletjes opdeden. En om de +waarheid te zeggen, nu ik al de vijftig voorbij ben, kan ik ze nog niet +begrijpen, in den zin van: rechtvaardigen. Natuurlijk begrijp ik wel, +hoe gemakzuchtige en genotzuchtige volwassenen liever kinderen +afranselen dan zichzelf verbeteren. Maar ik begrijp niet, hoe ze daarvan +eenig heil verwachten, ik begrijp hun domheid niet. De zaak is toch zoo +eenvoudig: „Wie wind zaait, zal storm oogsten.” En wie zijn akker braak +laat liggen, moet zich niet verwonderen als daarop het<span class="pagenum" title="165"></span><a id="p_165"></a> onkruid tiert, +waarvan de zaden overal rondzweven en neervallen.</p> + +<p>Die moeder, die op haar boodschap wachtte en noch boodschap, noch geld +zag, had zeker recht om woedend te wezen. Maar op zichzelf. Ik vrees +echter, dat ze niettemin op den rug van haar jongen die woede gekoeld +heeft. Zoo zijn wij, opvoeders. Sterk—in de correctie. Waarbij dan de +slagen vallen op de slachtoffers onzer nalatigheid.</p> + +<p>We verwaarloozen eerst. En dan maar straffen.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="166"></span><a id="p_166"></a></p> + +<h2 id="KINDERKERK_EN_ZONDAGSSCHOOL">KINDERKERK EN ZONDAGSSCHOOL.</h2> + +<p>De kleintjes zaten in de voorste rijen, en naargelang je ouder en +grooter werd, schoof je naar achteren.</p> + +<p>Ik heb een idee, dat ik als kleintje van zes jaar ook op de eerste bank +heb gezeten, dat ik gaandeweg in 't midden kwam, en geleidelijk de +laatste banken bereikte.</p> + +<p>'t Waren gewone banken zonder leuning, op drie pooten. Een heele rij +achter elkaar. En vóór dit bankenregiment stond als kommandant een +catheder, hoog boven de lage, platte banken uit, een generaal te paard +voor zijn soldaten.</p> + +<p>We zaten daar 's Zondagsmorgens, heel stil, het petje in de handen, dat +soms in de rondte begon te draaien, de ronde band tusschen de kleine +vingertjes door, en dan weer vermoeid tusschen die vingertjes neerhing, +of ook, plotseling, tusschen de vingertopjes uitviel op den grond. Die +vingertopjes werden dan wat suf van het aldoor vasthouden en lieten het +petje los, zonder dat ze het zelf wisten. Ze moesten onophoudelijk aan +het petje denken, en konden daardoor niet zoo goed luisteren naar den +meneer in den catheder.</p> + +<p>Daarbij kwam nog, dat het eene handje ook twee<span class="pagenum" title="167"></span><a id="p_167"></a> halfjes moest bewaren, +een voor het zakje en een voor het negertje. Het zakje ging rond en +vroeg voor de armen, het negertje stond op een tafel en vroeg voor de +heidenen. Die halfjes werden zoo heet in je kleine, vochtige handpalmen, +maar je moest ze ook goed verstoppen in de dichtgeknepen handjes. Een +halfje op straat verliezen, was een jammer van groote beteekenis. +Broekzakken hadden de kleine jongetjes nog niet. En daarom waren de +halfjes alleen maar veilig in den heeten oven van hun kleine brandende +handjes. Het was een heele verlossing, als ze daaruit weg mochten, +vochtig warm in het zwarte zakje of in het hoofd van 't metalen +negertje, dat ook voor de kleinste gave dankbaar knikte.</p> + +<p>Zoo hebben we daar gezeten, Zondag aan Zondag, telkens van 10 tot 12 +uur, dus twee uur achtereen, in een klein, laag, benauwd +lokaal—hetzelfde, waar we in de week bewaarschool hadden bij juffrouw +Fietje. En dan gingen we er 's middags nog een uur ter Zondagsschool. Ik +denk, dat het niet gezond was.</p> + +<p>Nu, uit de verte gezien, vraag ik me af, wat de bekoorlijkheid van die +uren was, want bekoorlijk waren ze. En dan denk ik allereerst aan het +schoone, blauw-gestreepte katoenen kieltje, met het witte kraagje er in +geregen, en het witte linnen broekje met korte pijpjes. Moeder had die +alle gewasschen en gestreken en het was een heel genot, daar 's +Zondagsmorgens in gestoken te worden als jongetje van zes, zeven, acht +jaar, en er dan mee naar de kinderkerk te wandelen.<span class="pagenum" title="168"></span><a id="p_168"></a> Daar was iets +voornaams, iets deftigs in. Je liep, stijf gestreken ventje, blinkend +figuurtje, de halfjes in de linkerhand, netjes over de kleine steentjes. +In heel je kleine lichaampje werkte nog Moeders waarschuwing, om toch +vooral je goed niet vuil te maken. En de strakke voornaamheid van je +glanzende kleertjes deelde zich aan den drager mee. De weg van huis naar +de kinderkerk, nauwelijks drie minuten, was kort genoeg om ons buiten +alle verleidingen te houden.</p> + +<p>Maar behalve die ijdele uitwendigheden oefenden nog andere factoren hun +invloed uit.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Hebt u nooit eens gehoord van meneer Beekman en meneer Seeze? Nu, ge +ziet, ik ken hun namen nog, en ze dateeren toch uit het Germanentijdperk +van mijn levensgeschiedenis.</p> + +<p>De eerste was klein en vriendelijk. Zijn oogen en zijn mond glimlachten +ieder kind een onuitgesproken welkom toe. Een zachte, vriendelijke man.</p> + +<p>De tweede was lang en statig. Maar ook vriendelijk, schoon op een andere +manier. Hij glimlachte niet, maar groette beleefd.</p> + +<p>De eerste trok meer dan de tweede. Voor den eerste zou je gauwer je +zonden belijden. Heel zijn houding, heel zijn gelaat was een +uitnoodiging: Vertrouw me maar, want je ziet wel, dat ik veel van je +houd. Wanneer ik nu aan hem denk, valt mij het lied van <span xml:lang="en">Moody</span> en <span xml:lang="en">Sanky</span> +in: „Kom tot uw Heiland, toef langer niet.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="169"></span><a id="p_169"></a></p> + +<p>Een man, wiens heele persoonlijkheid een uitnoodiging is van zúlk een +kracht en van zúlk een aard, nu, dat is een geboren opvoeder, al is hij +maar een zondagsschoolmeneer en van zijn vak koekbakker. Want dat was +hij.</p> + +<p>Is het niet eigenaardig, dat ik zijn vak wist, en dat van zijn +medewerker niet? Dat is voor mij een bewijs, hoeveel dichter hij bij de +kinderen stond. De ander was een ernstige verschijning, maar loste zich +op in de nevelen van vormlijkheid en deftige statelijkheid. Meneer +Beekman kwam uit de nevelen zijner predikatie hoe langer hoe dichter bij +je en werd daardoor hoe langer hoe concreter. Je liep aan zijn hand +vertrouwend mee. Voor den ander zette je, op een afstand, eerbiedig je +petje af. We wisten ook precies, waar meneer Beekman woonde, en ik weet +het nog. Maar de ander woonde „ergens”. Eigenlijk dacht niemand er aan, +of hij woonde. Hij verscheen en verdween. Zijn kleine, glimlachende +medewerker verscheen en bleef, bleef ook als hij weg was.</p> + +<p>Van meneer S. wist ik niets geen kwaad, o neen, gansch niet. Hij was +stellig een brave man, maar hij bleef buiten de kindersfeer. Dat zie ik +nu zoo duidelijk. En die vriendelijke kleine was er dadelijk in, reeds +als je hem bij 't binnenkomen een hand gaf, ja nog vroeger: als je hem +bij 't binnenkomen zag.</p> + +<p>Kinderen voelen je. Ze voelen je echtheid. Ze voelen je genegenheid. Ze +voelen, of je hand ze verwelkomt of dat het evengoed een handschoen had +kunnen zijn.</p> + +<p>Welnu, behalve mijn schoon gewasschen en stijf<span class="pagenum" title="170"></span><a id="p_170"></a> gestreken zondagspakje, +was ook meneer Beekman een stuk bekoorlijkheid van de kinderkerk. En +daaruit kan nu iedere onderwijzer en iedere zondagsschoolmeneer en +iedere dominé zien, hoeveel er van hem afhangt, van hem persoonlijk. Het +mooiste gebouw en de geriefelijkste lokaliteit kunnen weerzinwekkend +worden, door een mensch. En zoo'n armelijke, ouderwetsche +bewaarschoolschaapskooi kan door één man zoo aantrekkelijk worden, dat +een vrijheidlievend, speel- en zwerfgraag stuk straatjongen er week aan +week zijn kostelijken zondagmorgen wil doorbrengen, terwijl buiten alles +lokt en bloeit.</p> + +<p>Eén mensch. En nog wel een onbestudeerd mensch. Een koekbakker. +Maar—een kindervriend!</p> + +<p>Dat was het heele geheim. De man kwam daar niet, om zichzelf te hooren +preeken, maar omdat hij de kinderen zoo lief had. In die liefde zat zijn +beste preek.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>En of ik nu nog iets weet van zijn eigenlijke preeken?</p> + +<p>Niets.</p> + +<p>Dus daaruit blijkt, dat hij die net zoo goed had kunnen nalaten?</p> + +<p>Dat durf ik nog niet zoo aanstonds te zeggen.</p> + +<p>Op een weiland staan millioenen grasjes en als je die stuk voor stuk +vroeg naar wat ze zich nog herinneren van alle regenbuitjes in 't vroege +voorjaar, zouden ze daarvan niets meer weten te vertellen. En toch is al +dat water niet langs hun gladde lijfjes nutteloos weggevloeid. Ze zijn +er van gegroeid. Ze herinneren<span class="pagenum" title="171"></span><a id="p_171"></a> zich niets meer, maar niettemin is het +vergetene in ze. 't Is een deel van hun leven geworden. Is dat niet de +beste herinnering?</p> + +<p>Wat weet ge, aan feiten, nog van de dagelijksche moederzorg, waaronder +ge groot zijt geworden? Wat weet ge van al de ernstige woorden, door +ouders en meesters tot u gesproken? We zeggen het zoo licht, dat al die +woorden langs ons weggedropen zijn. Maar ik heb een vermoeden, dat ze +ons toch hebben gedrenkt.</p> + +<p>Ga ik mijn jeugd na, dan herinner ik me alleen de bizondere voorvallen, +maar van de gewone, dagelijksche invloeden heb ik alleen een stemming +bewaard. En nu zou ik uit de stemming, die aan de kinderkerk verbonden +is gebleven, een heel stuk opvoedende kracht durven afleiden. Zooals een +kenner der oudheid uit enkele brokstukken marmer een geheelen Griekschen +tempel reconstrueert, zou ik een heelen zondagmorgen kunnen schetsen. +Daar was dan geen enkel geconstateerd feit in, en toch zou de heele +schets waarheid kunnen zijn.</p> + +<p>Uit het geheugen geraakte invloeden zijn daarom niet verloren. Ze zijn +omgezet in geestelijke kracht. Nog eens, is dat niet de beste +herinnering?</p> + +<p>Hoezeer ik reden heb, gunstig over het gepreek te denken, blijkt wel uit +het feit, dat ik thuis in allen ernst kerkje speelde. Dan zette ik twee +stoelen met de ruggen naar elkaar. Dat was de preekstoel. Op de beide +randen der rugleuningen legde ik den Bijbel. Liggende met de knieën op +den eenen stoelmat, las ik uit den Bijbel voor en liet de gemeente +opgegeven<span class="pagenum" title="172"></span><a id="p_172"></a> psalmen en gezangen zingen. De gemeente bestond uit Vader, +Moeder, zus Christine en wellicht nog een paar anderen. Allen hielden +zich ernstig. Dat weet ik nog heel goed, want het minste blijk, dat men +er, mij ten gerieve, een spelletje van maakte, zou me diep gekrenkt +hebben en driftig hebben doen wegloopen. De kerkgangers hielden zich +voortreffelijk.</p> + +<p>Maar meent ge, dat ik ooit lust had het schoolleven in de huiskamer te +halen? Dat lag onder den ban van een killen haat. Hoe minder ik er aan +dacht, hoe beter. De school bestond thuis niet voor me. Echter wel de +kinderkerk. En langen tijd heette het zelfs, dat ik maar dominé moest +worden. Nu zat er wat predikantenbloed in de familie, waar Grootvader en +twee ooms dominé waren. Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Die zat bij +den koekbakker. Deze beminnelijke christen wist zijn liefdewerk in mijn +kinderoogen zoo bekoorlijk te maken, alsof hij een tramconducteur of +koetsier was geweest. En dat wil heusch wat zeggen, want gelijk ieder +weet, wil iedere jongen graag conducteur of koetsier worden. Welnu, +meneer Beekman maakte zijn kinderkerk aantrekkelijk.... als een omnibus.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Nog een wonderbare tegenstelling met de school ligt me in 't geheugen. +Ik weet niet, dat ik ooit voor de school lessen leerde. Voor de +zondagsschool leerde ik mijn teksten en psalmversjes graag. Nog zie ik +die<span class="pagenum" title="173"></span><a id="p_173"></a> kleine bonnetjes, net etiketpapiertjes, waarop aan de eene zijde +een tekst en aan de andere een vers gedrukt was. We kregen er elke week +een mee en ik beijverde me steeds, die „les” goed en gauw in 't hoofd te +werken. Aan wien was dat anders te danken dan aan den koekbakker?</p> + +<p>In mijn tooneelstukje „Tóch Timmerhout” komt een ondeugende jongen voor. +De schoolmeester weet hem niet te pakken, wil hem zelfs van school +jagen. Maar een oude timmermansknecht grijpt den bengel in 't hart en +redt hem. Men heeft me wel eens verweten, dat ik zoo de rollen had +omgekeerd en een timmermansknecht tot paedagoog gemaakt. Maar als het +leven mij dat nu eens aan de hand had gedaan? Als in dat tooneelstukje +nu eens een stuk levenservaring stak? De maatschappelijke werkkring +klopt niet altijd met den aanleg. Daar was een koekbakker, die ons +opvoedde. En hoe menige opvoeder moest maar liever koek gaan bakken?</p> + +<p>Er zijn menschen geneigd te zeggen: Het was de kracht van Gods Woord, +het was de werking van Zijn Heiligen Geest, die je de teksten en +psalmverzen zoo graag en grif deed leeren. En dan knoopen ze hieraan een +heele beschouwing vast, alsof er in die Bijbelwoorden een zekere geheime +tooverkracht stak. Maar ze vernederen derwijze de zieleuitingen van een +vroom gemoed tot amuletten, maken van den Bijbel een soort magisch boek. +Neen, het was niet de mystieke kracht van die Bijbelwoorden. En het was +toch die kracht. Maar het was die kracht, levende,<span class="pagenum" title="174"></span><a id="p_174"></a> werkende in het +nietige persoontje van onzen christelijken christen.</p> + +<p>Ik weet van een schoolcatechisatie ('t was niet bij mij), waar de +kinderen ook teksten en psalmverzen moesten leeren, maar waar die +heilige woorden absoluut geen kracht hadden. De jongens bedankten hun +leermeester wel lekker, om zich wat moeite te geven en maakten van hun +papiertjes, „vrome” papiertjes, propjes, waarmee ze mekaar beschoten en +het lokaal ontsierden. Eens bij zulk een les maakten de bengels het zoo +bont, dat de arme catechiseermeester in radeloosheid uitriep: „Jelui +bent van den duivel bezeten. Die heerscht hier in het lokaal. Maar +straks zal de Heere Jezus zelf komen, om jelui af te straffen.”</p> + +<p>De deur ging open, en binnentrad: de bovenmeester, een volslagen +atheïst, die van den heelen godsdienst niets weten wou. Aanstonds waren +de bengels op hun plaats en zaten doodstil.</p> + +<p>Zijn tegenwoordigheid was genoeg, om alle duivelskunsten te bezweren.</p> + +<p>Maar nu is de vraag: Wie was de duivel, die in het lokaal heerschte? Was +dat niet de officiëele vertegenwoordiger van den godsdienst met een heel +pak tekstpapiertjes? Al die machtvolle woorden werden satansmiddelen. En +wie wist hier, als Christus op de wateren, den storm te bezweren? Dat +was de totaal ongeloovige vertegenwoordiger van de driewerf verfoeide +openbare school.</p> + +<p>Wie meent dat de teksten zullen ordehouden en <span class="pagenum" title="175"></span><a id="p_175"></a>opvoeden, heeft het glad +mis. En toch doen die teksten het, maar niet die bloote woorden. Neen, +hun inhoud, hun geest, moet realiteit zijn geworden in hart en leven van +den opvoeder. Waar dit het geval is, daar is de ware „School met den +Bijbel”. En waar dit niet zoo is, daar heb je een heidensche school, ook +al liggen de kasten vol bijbels en leeren de kinderen heel het nieuwe +Testament uit het hoofd.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Nu zal deze of gene zeggen: „Ah, daar heb je Jan Ligthart. Nu komt de +aap uit de mouw. Hij wil niet, dat de kinderen Gods heilig Woord lezen +en leeren, en om dat te bestrijden, gebruikt hij zijn +Jeugdherinneringen.” Maar ge hebt het mis, lieve vrienden, hee—le—maal +mis.</p> + +<p>Ik ben wat blij en dankbaar, dat ik als kind zooveel teksten, psalmen en +gezangen geleerd heb en niet alleen wil ik tot mijn collega's van de +christelijke school zeggen: Ga voort op dien weg, maar zelfs zou ik als +openbaar onderwijzer graag hun voorbeeld volgen. Er zijn heel wat +woorden en liederen in Bijbel en psalmboek, die voor allen een +levenvormende kracht bezitten. En al zouden een zeker soort +Bijbelgeloovigen smalend zeggen: „Je moet den heelen Bijbel nemen, +anders is het niet het echte,” ik meen te mogen aannemen, dat ook zij +uit dien heelen Bijbel een keuze doen en hun kinderen maar niet alles +doen memoriseeren.</p> + +<p><span class="pagenum" title="176"></span><a id="p_176"></a></p> + +<p>Blij en dankbaar. Dat ben ik inderdaad. Hoe vaak hebben mij die woorden +in uren van eenzaamheid en strijd verkwikt en gesterkt.</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <span class="i0">Zalig hij, die in dit leven<br /></span> + <span class="i0">Jacobs God ter hulpe heeft,<br /></span> + <span class="i0">Hij die, door den nood gedreven,<br /></span> + <span class="i0">Zich tot Hem om troost begeeft,<br /></span> + <span class="i0">Die zijn hoop in 't hachlijkst lot<br /></span> + <span class="i0">Vestigt op den Heer zijn God.<br /></span> +</div> +</div> + +<p>Dit vers had ik maar in mijn eentje op te zeggen, regel na regel mij +bewust makende, en de nood werd zegen. Hoe goed is het, wanneer in +moeilijke tijden zulke woorden in ons gereed liggen en dan vanzelf +opborrelen als water in de bron, het dorstend gemoed lavend. Natuurlijk +konden die woorden dat nooit doen, als ze niet <i>levenswoorden</i> waren, +dragers van zielservaringen, en als ze niet door hun innig menschelijken +toon onze eigen gemoedsbewegingen deden meetrillen.</p> + +<p>En dan dat andere:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <span class="i0">Leer mij, Vader, U verbeiden,<br /></span> + <span class="i0">Volgen waar Gij ons wilt leiden,<br /></span> + <span class="i0">Steunen op uw trouw en macht,<br /></span> + <span class="i0">Psalmen zingen in den nacht,<br /></span> + <span class="i0">Hooren wat Gij ons wilt leeren,<br /></span> + <span class="i0">Uw bevel met daden eeren,<br /></span> + <span class="i0">En voor de uitkomst willig blind,<br /></span> + <span class="i0">Stil zijn als 't gespeende kind.<br /></span> +</div> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="177"></span><a id="p_177"></a></p> + +<p>Dat „psalmen zingen in den nacht”, dat juichen in de duisternis, dat +jubelen in de ellende—het is de heerlijkste vrucht van het geloof. Een +geloovige is wel de grootste egoïst: Hij wil zelfs zalig zijn in de +rampzaligheid. Hij wil den vrede des harten, neen de blijdschap des +harten genieten, ook als alles hem ontzinkt, alles—behalve het eene +noodige: het volle vertrouwen in Gods Vaderliefde. „Met mijn God spring +ik over een muur,” roept de psalmdichter uit. Zonder zijn God is hij +niets.</p> + +<p>Kent ge een mooier uiting van vertrouwenvolle gehoorzaamheid dan die +twee woorden „willig blind”? Onlangs sprak ik een man van veel +smartelijke levenservaring. Hij was wat de menschen een ongeloovige +noemen. En toen hij zoo een en ander uit zijn leven verhaald had, zei +hij: „Weet je, wat ik vooral geleerd heb? Dat we ons leven niet naar +onzen zin hebben te maken. Dat we hebben te vragen, wat God van ons wil. +En dan maar gehoorzaamd, willig blind voor de uitkomst.”</p> + +<p>Ik verstond hem. Die twee woorden „willig blind” vonden weerklank in +mijn eigen ervaringen. 't Is niet de blindheid der dwaasheid, maar de +blindheid der wijsheid. Wat de uitkomst moge zijn, we vragen er niet +naar, mits we zeker zijn van onze richting. En die zekerheid verwerven +we, als we—zoo moet het—Zijn bevel met <i>daden</i> eeren. Woordeneer wordt +er genoeg gebracht, veel te veel. Maar <i>hooren</i>, wat Hij ons wil leeren, +en dan: Zijn bevel met <i>daden</i> eeren, alleen luisteren en doen, in +plaats van praten en stilzitten—dat <span class="pagenum" title="178"></span><a id="p_178"></a>is de eisch. De verzuchting van +dit waarlijk vrome lied heeft menig hart gesterkt. Zou ik niet dankbaar +zijn, dat ook ik het voor mijn zondagsschool-meneer had mogen leeren? +Voor mijn zondagsschool-meneer, maar dat was eigenlijk: voor mezelf en +niet slechts voor mijn kinderjaren, doch voor mijn gansche leven.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Hoe kwam het, dat ik op zekeren Zondag de kinderkerk verwisselde met de +groote kerk? Ik weet het niet, maar het was een proef, waarvoor ik +bezweek.</p> + +<p>De groote kerk was ongeveer twintig minuten van mijn huis. Die afstand +was te groot. Onderweg waren er te veel verleidingen. We verkochten onze +kerkcenten voor snoepgoed, liepen de hooge stoepen op en af en telden de +brievenbussen. Dit was een wedstrijd. Mijn broer en ik, soms een zusje +er bij, speelden, wie de meeste brievenbussen zag in de deuren der +huizen. Dan holde de een den ander voorbij, om het eerst een bus te +ontdekken. De vlugste won het natuurlijk, want die kaapte al de bussen +voor de anderen weg.</p> + +<p>Op die manier moesten we, steeds op een drafje loopend, wel tijdig in de +kerk zijn. Maar het tegendeel was waar. Toen we eenmaal ervaren hadden, +dat het in de kerk erg vervelend was, zorgden we altijd te laat te +komen. Dan zwierven we langs de mooie Heeren- en Keizersgrachten en +dronken daar, onbewust, de schoonheid in van de vorstelijke +koopmanshuizen, <span class="pagenum" title="179"></span><a id="p_179"></a>het stille water, de gewelfde steenen bruggen, de oude +iepen. Die herinner ik me nog alle. Zondagsmorgens kon het daar zoo +vredig zijn. Vooral onder kerktijd liepen er maar weinig menschen. +Gereden werd er haast niet. Een enkele platte zolderschuit lag ledig +tegen den wal. Het water weerspiegelde huizen en boomen en bruggen en +den hoogen witbewolkten hemel. Alles ademde vrede. Het was er beter dan +in de kerk. En dat dacht ik niet alleen toen, maar ik geloof het nu nog. +Kinderen behooren niet in de groote kerk, net zoo min als in de +societeit.</p> + +<p>De enkele malen, dat mijn vader meeging, moesten we natuurlijk wel de +heele preek bijwonen. Dan luisterden we echter niet. Ik zag den dominé +zijn gebaren af, om die thuis te kunnen navolgen, en hoorde hoe hij de +psalmverzen afkondigde: „De gemeente gelieve te zingen van.... Ik +herzeg....” Die deftige woorden en vooral de toon waarop ze werden +uitgesproken, hadden een zekere bekoring. Thuis bij mijn eigen preeken +zei ik ze plechtig na. Meer bracht ik uit de kerk niet mee. Toch zat ik +me niet geheel te vervelen. Er hingen aan lange pijpen gaskronen, en nu +klauterde ik in mijn verbeelding aanhoudend het heele gebouw rond. Ik +klom in een hoogen pilaar, greep een daar langs geleide gaspijp, kromde +er mijn vingers om, enterde langs de zoldering, liet me langs een andere +gaspijp weer zakken, bezocht den preekstoel, het orgel. Het waren +gevaarlijke reizen, maar mijn verbeelding stond voor niets. Was het +noodig, dan maakte ik een luchtsprong en kwam immer op<span class="pagenum" title="180"></span><a id="p_180"></a> het gewenschte +punt terecht. Geen rand zoo smal, of ik kon er langs. Soms speelde ik op +die manier krijgertje. Een makker liep en sprong en klom me na. Hij zat +me dicht op de hielen. Dat gaf een spanning. Maar ik waagde alles, om +aan zijn greep te ontkomen, gleed langs de orgelpijpen, kroop door open +vensters.. heerlijk!</p> + +<p>Wat moest een kind toch beginnen zonder verbeelding. Het zou zijn +godsdienstige opvoeding, „onder het geklank van Gods heilig Woord”, +eenvoudig niet kunnen verdragen. Maar gelukkig heeft Onze lieve Heer het +arme schaap de toovermacht der fantasie geschonken, om zich over de +dwaasheden der volwassenen te kunnen heen leven. En zoo kan het de +ellenden doorstaan, die ouders en meesters hem tot zijn heil opleggen. +Eén ellende heeft me echter <i>te</i> zeer gedrukt en dat kwam, omdat mijn +fantasie haar verergerde. Men moet mij verteld hebben van de hel. Maar +wie? Dat kan toch onmogelijk meneer Beekman geweest zijn. Maar wie dan? +Zijn medewerker? Of zou hij het toch geweest zijn, meenende dat een kind +niet tot God kon worden gebracht dan door het hellevuur?</p> + +<p>Vreeselijk heb ik daaronder geleden. Dat ik dag aan dag zondigde, wist +ik maar al te goed, en hieromtrent zal de lezer ook wel niet in 't +onzekere zijn. Ik moest dus, ik móést—neen, niet verbrand worden, maar +eeuwig branden. Eeuwig. Stel u dat eens voor. Nooit een einde aan die +folterende pijn—nooit, nooit. Die gedachte was al een hellesmart.</p> + +<p><span class="pagenum" title="181"></span><a id="p_181"></a></p> + +<p>O die vreeselijke gewisheid van het onontkoombare. Kon ik maar terug +naar het niet-geboren-zijn. Maar dat was onmogelijk. Ik leefde eenmaal, +dat was niet meer ongedaan te maken. En sterven baatte niet. De dood was +de overgang tot eindelooze marteling van nooit verterende vlammen.</p> + +<p>Ik weet zeer positief, dat ik toen de planten en de dieren benijdde, dat +ik er de boomen en de koeien jaloersch op aankeek, dat ze geen +onsterfelijke ziel hadden. Ik weet, dat soms, plotseling, midden in mijn +spel, de angst der hel me aangreep, als een vergif dat begon te werken. +Maar ik weet ook, dat die angst mij nooit van het kwade heeft +afgehouden. Ze bedierf veel, en maakte niets goed.</p> + +<p>Zou de godsdienstige opvoeding, of wat men zoo noemt, geen afstand +kunnen doen van dit onchristelijk kindergemartel?</p> + +<p>Meneer Beekman heeft ons iets beters geleerd. Hij zei—en ook dit weet +ik nog zeer positief—dat we elken avond, na ons gebedje, nog moesten +zeggen: „Heere, schenk mij Uwen heiligen Geest. Amen.” Anders niet dan +die paar woorden.</p> + +<p>Dat heb ik trouw gedaan, jaren achtereen. Of het geholpen heeft?</p> + +<p>Alleen weet ik, dat vaak, wanneer de verzoekingen van buiten, maar +vooral wanneer de lage neigingen van binnen het mij, volwassene, al te +benauwd maakten, de verzuchting in mij oprees: „<i>Uw</i> heilige Geest, o +Heer!”</p> + +<p>En die verzuchting—was mij een verhooring.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="182"></span><a id="p_182"></a></p> + +<h2><a id="VERANDERING"></a>VERANDERING.</h2> + +<p>Door verlies tot winst. Hoe vaak heb ik dat in mijn leven ervaren. En +toch, telken keer als ik weer iets verlies, kijk ik zoo zeer het +verlorene na, dat ik verzuim het nieuw gewonnene op te merken. Een +mensch is toch zoo hardleersch, al heet die mensch een paedagoog.</p> + +<p>Het ging immer slechter met den kruidenierswinkel. Crediet was er niet +meer. Geen grossier wilde zonder contante betaling leveren. Zoo was mijn +vader genoodzaakt zijn inslagen te doen bij kleine hoeveelheden, waarmee +hij natuurlijk een winst van eenige beteekenis dierf. Het was een dag +aan dag tobben en worstelen om staande te blijven. Wij, jongens, moesten +b.v. vijf pond suiker of koffie koopen in een grooten winkel, ver uit de +buurt en liefst 's avonds opdat men 't niet zien zou, en dan werden die +weer bij onsjes en halfonsjes verkocht. De winkelklanten zakten, bij het +kariger en minder worden der waren, steeds meer in aantal en gehalte. +Alleen de ver weg wonende uitbrengklanten bleven trouw, uit onkunde. De +winkel was als een innerlijk verzwakt rijk, dat nog alleen teerde op de +inkomsten der verwijderde wingewesten. Zij, daar in de verte, zagen +niets van de<span class="pagenum" title="183"></span><a id="p_183"></a> toenemende verarming, leefden in ongeschokt vertrouwen op +den ouden naam bij den angstvallig bewaarden schijn.</p> + +<p>Een achteruitgaande zaak is als een door ziekte beslopen mensch. De +eertijds gezonde en krachtige wil 't niet weten. Hij houdt zich goed +tegenover anderen, maar meest tegenover zichzelf. Hij sluit zijn oogen +voor de waarschuwende verschijnselen. Hij forceert zijn krachten. +Vergeefs. De ziektekiemen vermenigvuldigen, verspreiden zich, en +strijdensmoede, verwonnen, moet de worstelende zich toch eindelijk +overgeven.</p> + +<p>Wilde men 't maar tijdig inzien en erkennen. Dan werd er niet zooveel +goed geld naar kwaad geld gesmeten, gelijk ons handelsvolk het typisch +zegt. Maar wij veinzen de ongunstige teekenen weg. Wij struisvogelen. En +eerst wanneer alle geld, alle kracht verbruikt is, dan laten we ons op +genade of ongenade los. Als we niet meer kunnen, dan pas zinken we +ineen. Dat is zoo menschelijk. En daarom is 't ook zoo kinderlijk. En +niet alleen op geldelijk en lichamelijk gebied. Evenzeer openbaart zich +die zwakheid op moreel gebied, en daar te gevaarlijker, omdat moreele +achteruitgang niet door meten en wegen wordt geconstateerd. Minder geld +in de winkellade is een feit. Wie er zijn oogen voor sluit, voelt het +toch in zijn hand. Minder lichamelijke weerstand evenzeer. Maar +zedelijke verslapping ontgaat ons zoo licht, omdat ze meestal gepaard +gaat met de bevrediging van allerlei neigingen. Al genietende gaan we +ten<span class="pagenum" title="184"></span><a id="p_184"></a> gronde. De geldgierige ziet met zooveel genot zijn geld +vermeerderen, dat hij de vermindering van zijn barmhartigheid niet +opmerkt. De zinnelijke zweeft van de eene bedwelming in de andere. Eerst +wanneer al onze moreele kracht verwaarloosd is, en we hiervan de +ellendige gevolgen gaan ondervinden, geven we ons zedelijk failliet, om +pas daarna aan onze rehabilisatie te werken, of—te bezwijken.</p> + +<p>De winkel ging over in andere handen en wij verhuisden. Doch eer we nu +voor goed afscheid nemen van deze buurt en ervaren, hoe de +verslechtering op verbetering uitliep, willen we nog een paar figuren +gedenken, die voor mij onafscheidelijk aan dit wereldje gebonden zijn.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>En dan komt allereerst aan de beurt ons perehietvrouwtje.</p> + +<p>In 't najaar, als 't koud en mistig was bij donker weer en killen +motregen, zat 's avonds een oud vrouwtje, in een dikken doek gewikkeld, +de armen goed verstopt, achter een ijzeren pot met houten deksel, die +boven een vuurtje stond te warmen. Het vrouwtje zat op een hoogen stoel, +altijd een stoof onder de voeten. Een gebogen figuurtje, rond oud +hoofdje boven een wat gekromden rug, met bijna geen hals. En dan riep ze +nu en dan met hooge stem: „Warme, lekkere pere-hie-ie-iet!” Dat +„hie-ie-iet!” steeg hoe langer hoe meer in de hoogte en werd aan 't eind +in<span class="pagenum" title="185"></span><a id="p_185"></a> de scherpe <i>t</i> plotseling afgesneden, nadat het eerst op de <i>ie</i> een +poos zingend gezweefd had.</p> + +<p>Het vrouwtje zat altijd op haar vaste plaatsje, in de +<ins class="corr" id="corr12" title="Bron: Eglantierstraat">Eglantiersstraat</ins>, vóór een smalle gang, waardoor +ze, uit het achtergelegen woninkje, met haar zaakje naar de straat was +gesukkeld. Ze sjouwde waggelend stooktafeltje, vuurtest, ijzeren pot, +stoel, en stoof een voor een naar voren, zette daar het zaakje in +elkaar, en ten slotte als laatste stukje meubilair zichzelf er bij. Met +haar stoel en tafeltje en dampenden ijzeren pot vormde ze, even +onbewegelijk als de andere onderdeelen, één aaneengesloten groepje.</p> + +<p>Nu en dan kwam er verandering in haar houding. 't Was vooreerst als ze +haar „warme, lekkere perehiet!” aanprees. Dan rees de gestalte een +weinigje omhoog, als bij een haan die begint te kraaien ging het hoofd +een ietsje naar boven, en kwamen de zingende klanken uit de oude keel. +Maar de beweging was vooral niet ruimer dan de longen voor den +zingschreeuw noodig hadden, en nauwelijks was haar perehiet de lucht in +gekraaid, of hoofd en lijfje zakten weer ineen, bang dat de kou komen +mocht in de ruimten van het even uitgeplooide figuurtje, en daar zat ze +weer, gebogen achter haar standje.</p> + +<p>De tweede gelegenheid dat ze zich een beetje uiteenwikkelde was de +verschijning van een kooper, steeds een man of een jongen. Ik heb nooit +een vrouwelijk wezen aan haar tafeltje gezien. De kooper legde zijn cent +neer. Dan tilde zij met den mageren rechterarm—de linker bleef onder +den doek—het<span class="pagenum" title="186"></span><a id="p_186"></a> houten deksel op, zette dit schuin ter zij, nam de stalen +vork, prikte in het dampende water, haalde een peer naar boven en reikte +dien den kooper toe, die een heelen toer had om te genieten van den +heeten peer zonder zich te branden. Gewoonlijk pakte hij den peer bij +den steel beet en liet hem meteen op de linkerhand liggen om te +verhoeden dat hij weer in 't water viel. Maar, al was 't mistig koud, +voor die linkerhand was de peer toch wel wat heet, en dadelijk begon de +kooper dan maar te eten. Zoo warm in den mond en in de maag, dat deed +hem goed. Nog een peertje, want je kreeg er twee voor een cent, en het +deksel ging weer op den pot, de cent in een kommetje, de rechterarm +onder den doek, en daar zat het vrouwtje weer: „Warme, lekkere +pere-hie-ie-iet!” Een mooi, zacht verlicht groepje tegen den achtergrond +van de donkere gang.</p> + +<p>Meermalen heb ik ook zelf een cent of een halve cent bij haar genoten, +en nog voel ik den strijd van de drieledige keus: den heeten peer in de +hand houden, in den mond, of in de maag. 't Was alles al even erg, +en—even heerlijk. Zoo'n weldadige hitte in den kilnatten avond.</p> + +<p>Vies? Dat armoedige vrouwtje, het troebele water, het vuile vorkje, dat +op het tafeltje lag in stof en nattigheid? Vies? Daar dachten we nooit +aan. Vieze varkens worden niet vet. En als dat zoo ongezond was, zou dat +vrouwtje toch ook niet zoo oud zijn geworden. En al die mannen dan, die +ook even in 't voorbijgaan een warme verkwikking genoten? Ze waren voor +hun<span class="pagenum" title="187"></span><a id="p_187"></a> cent beter af bij 't perehietvrouwtje, dan een eindje verder voor +hun vier centen bij „De Bisschop”, waar ze jenever kregen uit een vaatje +met blinkend koperen banden in een kristalhelder glaasje, ook warm in +den mond en in de maag, maar een pest voor 't lichaam en voor 't +huisgezin. Het perehietvrouwtje vormde in haar sjofele verschijning een +armoedige en ook onzindelijke figuur tegenover die nette herberg. En +toch? Het was den mannen beter op de modderige straat bij haar donker +stalletje dan op den zoo keurig met wit zand bestrooiden vloer bij de +geregeld gereinigde toonbank.</p> + +<p>Maar wat dreef ons, jongens, nu, om dat vrouwtje na te galmen? +Nauwelijks hoorden we, dwalend door de straat, de sympathieke stem +roepen van</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza2"> + <span class="i0">Warme, lekkere perehiet-ie-iet,<br /></span> +</div> +</div> + +<p class="noi">of wij rijmden en riepen in denzelfden toon:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza2"> + <span class="i0">Ik lust ze wel, maar ik krijg ze nie-ie-iet.<br /></span> +</div> +</div> + +<p>En geregeld werd haar geroep, nu uit deze dan uit gene richting, door +die echo gevolgd. Soms zelfs kwamen ze uit verschillende richtingen te +gelijk.</p> + +<p>Waarom deden we dat toch?</p> + +<p>Om 't vrouwtje te plagen?</p> + +<p>Absoluut niet. We voelden voor haar met zekere teerheid. Ze schold +nooit, dreigde nooit, zat als een oud muschje maar stil inééngedoken, +deed niemand kwaad. We misten haar als ze er niet was. We genoten, +onbewust, van haar aanwezigheid. Niet alleen<span class="pagenum" title="188"></span><a id="p_188"></a> van haar heete peertjes, +maar ook van haar verkwikkende verschijning, zooals we van een mooie +plaat of een gezellig boekenrekje in de huiskamer genieten. Ze gaf toon +en stemming, koesterend en rustgevend, aan onze straatatmosfeer. Waarom +schreeuwden wij haar dan na?</p> + +<p>Ja, waarom?</p> + +<p>Omdat we 't niet laten konden, zoo min als de ruiten 't laten konden het +vlammetje van de straatlantaarns te weerkaatsen. We bedoelden er +heelemaal geen kwaad mee, heelemà à l niet. We zouden 't vrouwtje +beschermd hebben tegenover ieder die haar overlast wilde aandoen. Maar +dat gekraai van ons hoorde er nu eenmaal bij. De hanen in de buurt gaan +immers ook alle aan 't kraaien, als er een begint? Die eene stem wekt +alle hanekelen in den omtrek; ze prikkelend met de hemel weet wat. En +zoo ging het ook hier. Droomerig, de handen in den zak, slenterden we +door de straten, en schreeuwden onze nagalmen het +<ins class="corr" id="corr13" title="Bron: schermerduister">schemerduister</ins> in.</p> + +<p>De groote menschen denken daar wel eens anders over, vooral zij die op +jongensondeugendheden moeten letten, zooals politieagenten en +onderwijzers. Die zien er boos opzet in. Maar ze zien verkeerd. +Natuurlijk <i>kan</i> zich in dat naschreeuwen moedwillige plagerij uiten, +maar die booze geest kan ieder middel, ook het onschuldigste, gebruiken +om zijn leelijken lust te bevredigen. Doch het echo-en op zichzelf +is—ik wil ook wel eens een geleerden term gebruiken—zuivere +reflexbeweging. En daar mogen we wel aan<span class="pagenum" title="189"></span><a id="p_189"></a> denken. Het stemt ons +vergevingsgezind ten gunste van de jongens—en ten bate van onze eigen +gemoedsrust.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Een tweede figuur was de houthakker.</p> + +<p>Wat was het toen toch een leuke tijd. De menschen werkten nog zoo +schilderachtig aan de straat. Mijn vader moest daar geregeld eens in de +veertien dagen koffiebranden. Men weet natuurlijk wat dat is. Hij +ontving de koffieboonen rauw, een paar zakken vol van die geelwitte +boontjes, en dan werd er op bepaalde tijden een hoeveelheid gebrand, +niet te veel te gelijk, omdat ze anders hun geur verloren, en die werden +in den winkel verkocht, al of niet gemalen. Dat malen geschiedde ook al +bij kleine portie's en liefst in tegenwoordigheid van de koopster, +zoodat het kostelijke aroma niet vervluchtigen kon in den winkel, maar +telken keer bij het zetten de kameratmosfeer der koopsters kon +vervullen.</p> + +<p>Koffiebranden. Op de straat, bij den waterkant, werd de vuurhaard +gelegd, daarboven de liggende, cilindervormige, zwarte, ijzeren trommel +aan het spit gehangen, de trommel gevuld met rauwe boonen, het vuur +aangemaakt, een vuur van talhouten, en dan maar draaien. De liggende +cilinder draaide om zijn as, de boontjes rolden mee, en die werden onder +de hand door de warmte geroosterd. Dat draaien was een werkje voor den +winkelknecht of voor ons. Soms werd het een oogenblik gestaakt, als +Vader onderzoeken<span class="pagenum" title="190"></span><a id="p_190"></a> moest, of de boonen al gaar gebrand waren. Dan schoof +hij met een ijzeren lepel een schuifje van den trommel open en schepte +wat donkerbruine boontjes naar boven. Wij stonden er met den neus bij, +genoten van den opwekkenden geur, en luisterden naar het eigenaardig +knetteren en spatten daar binnen in die donkere ruimte. Wat was dat +alles heerlijk: het vuurtje stoken, het draaien, het gewichtig onderzoek +van je Vader, het ruiken, het hooren. En dan, als 't koud was, zoo'n +paar arme jongens er bij, zich koesterend aan de vlammen, soms zelfs een +paar volwassenen. O, wat weet ik alles nog goed. Toch zonder meester +geleerd, zonder school. Het leven was de school, de ervaring de +meesteres.</p> + +<p>Zooals mijn vader recht had op dat plekje straat voor zijn +koffiebranderij, beschikte een eind verder de houthakker over een stukje +grond aan den waterkant voor zijn hakkerij. Hij woonde in een kelder, +sjouwde zijn hakblok naar buiten, dan zijn hout en zijn bijl, en hakte. +Maar 't was een onvriendelijke man. Dat hij klein en dik was, kon hij +niet helpen, ook niet, dat hij dientengevolge bij zijn werk erg zuchtte +en zweette, maar dat hij ons uitschold en wegjoeg, als we zoo +gemoedelijk aanzagen, hoe het scherp van zijn bijl het hout kloofde, dat +kon er niet mee door. En dat wegjagen kwam, omdat wij hem nazuchtten.</p> + +<p>Zie je, in dien houthakker stak geen kindervriend en geen paedagoog, +zooals in het perehiet-vrouwtje. Het sprak toch vanzelf, als wij met hem +<i>meeleefden</i>, als wij de bijl zagen rijzen, ver boven zijn hoofd,<span class="pagenum" title="191"></span><a id="p_191"></a> zagen +neerschieten in het hout, als wij met ons volle hart die bewegingen +meemaakten, dat wij dan ook zuchtten. Dat snapte die man niet. Zijn +wantrouwende ziel zag plagerij in wat.... sympathie was. En zoo máákte +hij ons meegevoel tot plaagzucht, want nu konden we hem niet over de +straat zien waggelen, of we haalden al de lucht tot uit onze teenen toe, +en zuchtten hem die uit de verte al tegen.</p> + +<p>Nu op een afstand gezien, was hij zoo'n mooie figuur in de buurt. Zonder +hem was die gracht daar zoo leeg. Zijn verschijning bracht teekening in +het brokje leven. Waarom moest nu die man zoo'n brombeer zijn. Had hij +vriendschap met ons gesloten, hij zou eens ervaren hebben, wat +jóngenshulp beteekent. We zouden stellig, uit eerbiedvol medelijden met +zijn dikte en diepe zuchten, heel wat voor hem gesjouwd hebben. Maar +nu—hij maakte vrienden tot vijanden. Hij verstond het jongenshart niet. +En zijn eenige paedagogische waarde is, dat ik nu, jaren later, zijn +waarschuwend voorbeeld aan mijzelf en anderen kan voorhouden met den +raad: Spiegelen we ons er aan!</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Nu volgt onze lieve Mietje de Porster.</p> + +<p>Wat hebben die vrouwen toch, dat we haar zoo gauw lief vinden.</p> + +<p>Zij was maar porster en ze heette Mietje, twee hinderlijkheden die ze +tegen had, want wie wordt er nu graag gewekt—we slapen liever door met +al onze<span class="pagenum" title="192"></span><a id="p_192"></a> ongerechtigheden—en wat zit er nu voor poëtisch in den naam +Mietje.</p> + +<p>Stel je voor een vrouw die Mietje heet, en die 's morgens vroeg met een +dikken stok op je deur staat te bonken. Die bonkt toch al haar +bekoorlijkheid weg?</p> + +<p>En toch hielden we veel van haar.</p> + +<p>Dat zat in haar stem.</p> + +<p>Ze schreeuwde. Natuurlijk schreeuwde ze. Hoe kon ze anders, buiten +staande, de slapers daar binnen met haar stem bereiken. Maar in haar +schreeuw zat toch dat ik-en-weet-niet-wat, waarin je teerheid en liefde +voelt.</p> + +<p>De houthakker zuchtte maar alleen. En in zijn zucht zat nijd.</p> + +<p>Mietje schreeuwde. En in haar schreeuw zat liefde.</p> + +<p>'t Is niet de zucht of de schreeuw, gij beginselvaste debaters over den +invloed van dit of dat.</p> + +<p>'t Is de mensch, die er zich door uit.</p> + +<p>Mijn oudste broer heette Dorus, en hij was het, die eigenlijk ieder +morgen Mietje's aubade ontving. Hij moest, timmerman, vroeg op, om +tijdig op zijn werk te zijn, en Mietje zorgde daarvoor.</p> + +<p>Eerst hoorde je 's morgens om vijf, zes uur een roffel op de deur. En +dan kwam, na een heel korte pauze, de stem: „Douwerus! Ben je wakker?”</p> + +<p>Stilte. Mietje luisterde.</p> + +<p>Ik, ook gewekt, hoorde uit de overliggende bedstede een diep gegrom, als +van een leeuw, die uit zijn donkeren slaap, oprijst. Het kwam van +Douwerus.</p> + +<p>Maar Mietje hoorde niets.</p> + +<p><span class="pagenum" title="193"></span><a id="p_193"></a></p> + +<p>Daarom nog eens de roffel. Nog eens de pauze. Nog eens dat lieflijke: +„Douwerus! Ben je wakker?” Nog eens de luisterende stilte.</p> + +<p>„Jáááá!” ronkte Douwerus eindelijk.</p> + +<p>Maar dit was Mietje niet naar den zin. Op <i>dit</i> ja—haar geoefend +porsteroor hoorde het wel—zou hij weer inslapen. En Mietje begon een +gesprek met Douwerus.</p> + +<p>„Ben je er al ui-ui-uit? 't Is mooi weer, hoor!”</p> + +<p>„Ja!” riep Douwerus, nu kort en nijdig.</p> + +<p>Juist, zoo moest ze 't hebben. Nu was haar porstershart gerust. Nu kon +ze veilig verder gaan. Mietje voelde haar verantwoordelijkheid.</p> + +<p>Is dat niet allerliefst? Voor acht centen in de week!</p> + +<p>Ik hield van Mietje. Ik geloof, we hielden allemaal van Mietje. En toch +zagen we haar nooit. Maar we hadden haar gehoord.</p> + +<p>Toch, eenmaal hebben we haar ook gezien. 't Was op een Nieuwjaarsdag. +Dan kwamen de vrinden allemaal—lantaarnopsteker, nachtwacht, +vuilnisman—al de loopende gemeente-ambtenaren nieuwjaar wenschen en +boden daarbij een mooie prent met een gedicht aan, welkome schatten voor +de kinderen, en die wel tegen een fooitje opwogen, ware 't alleen om de +rijke heilwenschen aan de eerzame burgerij. Voor mij waren 't schatten +voor mijn kokertje. Tegenwoordig zijn de prenten verdwenen en de fooien +verdubbeld.</p> + +<p>Op zulk een nieuwjaarsdag kwam ook Mietje feliciteeren, mét een prent +natuurlijk.</p> + +<p><span class="pagenum" title="194"></span><a id="p_194"></a></p> + +<p>Gewoonlijk waren we dien dag afwezig, zelf met heilwenschen voor +familieleden op chocolade en oliebollen uit, wellicht ook nog op wat +anders. Maar ditmaal waren we thuis, en zoo zagen we Mietje. Want toen +Mietje nu haar gedicht kwam aanbieden, werd ze niet aan de deur met een +geldstukje losgelaten, maar moest ze binnenkomen en een kopje chocolade +drinken.</p> + +<p>Ze kwam, mutsje op, omslagdoek om, den winkel door, het trapje op, de +kamer in, klein vrouwtje, wat krom.</p> + +<p>Nu moest ze gaan zitten en daar zag ze het heele gezin, ook Douwerus.</p> + +<p>Maar daar schrok ze nu toch van. Ze zag een 18 à 20 jarigen jongeman +voor zich, als heer gekleed, met boord en strik, kastanje-bruine +krullekop.</p> + +<p>Mietje schrok.</p> + +<p>„Bent ú.... <i>meneer</i> Douwerus? Ach, dat heb ik nooit geweten.”</p> + +<p>We hielden ineens nog meer van haar bij die gulhartige uiting.</p> + +<p>Maar meneer Douwerus verlangde niet, dat ze voortaan roepen zou: +„<i>Meneer</i> Douwerus, bent u wakker.” En zoo is het, ondanks de +persoonlijke kennismaking, bij de oude vertrouwelijkheid gebleven.</p> + +<p>Meer dan dezen eenen keer heb ik, bij mijn weten, Mietje niet gezien. +Maar hà à r „Douwerus” en het „Perehiet” van de andere, ochtendgroet en +avondroep, zijn mij bijgebleven als mooie zonsopgangen en -ondergangen +in onze buurt.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p><span class="pagenum" title="195"></span><a id="p_195"></a></p> + +<p>Als er toch geen vrouwen in de wereld waren! Waar moesten wij kleine en +groote jongens naar toe!</p> + +<p>Hebt ge wel opgemerkt, bij hoeveel lieve vrouwen ik me al gekoesterd +had? Bij juffrouw <ins class="corr" id="corr14" title="Bron: Gotman">Gottman</ins> van de eerste bewaarschool en +juffrouw Doortje van de tweede. Bij juffrouw Van Streelen uit den winkel +naast ons en bij het Perehietvrouwtje. Bij Mietje de Porster en mijn +zuster Christine. En onder <i>alle</i> omstandigheden—bij mijn Moeder!</p> + +<p>O, die vrouwen! Laten wij ze zegenen! En loopt er al eens een kwade +onder, ik vrees dat het een verhanselde man is.</p> + +<p>Toch heb je ook wel eens een goeden man. Maar ekstra goede hebben dan +iets vrouwelijks.</p> + +<p>Zoo Chris de Mooy.</p> + +<p>Hij was onze winkelknecht, een lange jongen met vaalrood haar, sproeten +in het grauwbleek gezicht, en een verkeerde uitspraak van de letter s. +Men ziet, hij was van buiten slecht uitgerust en had zeker nooit een +meisje gekregen, als de meisjes niet verstandiger en braver waren dan de +jongens. Doch 't is bij hem nooit tot een meisje gekomen, door een +andere oorzaak.</p> + +<p>Toen de winkel achteruit ging, moest hij weg. Vader kon hem niet meer +betalen. Maar hij wou niet, hij wou voor niets blijven.</p> + +<p>Ach, zúlke liefde heb je alleen bij de eenvoudigen en de armen. De +niet-eenvoudigen redeneeren te veel, en de niet-armen offeren dan te +veel op. Die kunnen niet ineens veertig graden zakken. Zoo'n +plotselinge<span class="pagenum" title="196"></span><a id="p_196"></a> temperatuursverlaging van hun welstand zou ze ziek maken. +Maar de armen, die merken 't zoo erg niet, als hun thermometer vier +graden daalt. Dan loopen ze maar wat harder en worden toch niet kouder +dan ze al waren. Ja, een arme gaat gemakkelijk in het koninkrijk der +hemelen.</p> + +<p>Rooie Chris had er wel zoo in kunnen stappen. Hij was eerlijk, trouw, +ijverig, vriendelijk, en hij hield van ons allemaal. Hij kon zoo +hartelijk lachen, en zoo aardig „Juffrouw Christientje” zeggen met +die—bij hèm—welluidend, slepende s. Hij was in alle geheimen van den +winkel ingewijd, kende alle geldelijke nooden, en vluchtte niet van het +zinkende schip.</p> + +<p>Ik weet alleen niet, of hij trouw naar de kerk ging. Maar Onze lieve +Heer wou hem zoo toch wel hebben, reine, liefdevolle, +zelf-verloochenende ziel. Van zulke menschen zeg je: Onze lieve Heer +heeft ze al, want zij hebben Onzen lieven Heer al, wat eigenlijk op 't +zelfde neerkomt.</p> + +<p>Hij wou dus niet weg. En of hij nog gegaan is, zie, dat weet ik nu niet. +Hier is een leemte in mijn herinneringen.</p> + +<p>Ik zie rooien Chris nog wel, maar niet in den winkel. Ik ben bij hem +thuis, in zijn kamer, bij zijn bed. Ik zie hem liggen, het vaalroode +haar op 't witte kussen, het grauwbleeke gezicht nog wat fletser, maar +dezelfde lieve, zachte, lachende oogen. Ik kom afscheid van hem nemen, +want rooie Chris is ziek en hij gaat sterven.</p> + +<p><span class="pagenum" title="197"></span><a id="p_197"></a></p> + +<p>Ik voelde op dat oogenblik, dat ik erg veel van hem hield, met dankbare +en vereerende liefde voor al wat hij gedaan had jegens mijn ouders.</p> + +<p>Hij is gestorven. Maar mijn liefde is gebleven. En die leeft nog.</p> + +<p>En waarom vertel ik dat u? Wat hebt gij te maken met rooien Chris, die +bovendien al meer dan veertig jaar dood is? Een arme winkelknecht van +een verloopen winkel?</p> + +<p>Niets, tenzij gij hem zoudt willen navolgen.</p> + +<p>Maar <i>hiermee</i> hebben we allen te maken, dat mijn herinneringen bewijzen +de over dood en graf heen doorwerkende kracht van de liefde.</p> + +<p>En dat is paedagogiek want dat leert ons, hoe wij op te voeden hebben en +hoe de eenvoudigsten onder ons, de armsten in geleerdheid, misschien de +beste opvoeders zijn, och zonder dat ze 't zelf weten. Gelukzaligen!</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="198"></span><a id="p_198"></a></p> + +<h2 id="DE_TWEEDE_LAGERE_SCHOOL">DE TWEEDE LAGERE SCHOOL.</h2> + +<p>„En hoe heet je van je voornamen?”</p> + +<p>„Henri.”</p> + +<p>„Neen, voluit.”</p> + +<p>„Meindert Henricus.”</p> + +<p>„En jij?”</p> + +<p>„Gerard Jan.”</p> + +<p>„Mooie namen!”</p> + +<p>Dit zei hij. En ik gloorde.</p> + +<p>Letterlijk zoo is het gebeurd.</p> + +<p>We stonden met ons drieën voor de klas, hij en wij tweetjes.</p> + +<p>Hij was meester, wij de nieuwe leerlingen.</p> + +<p>Hij was een nog al rijzige man, een beetje dik gezond uiterlijk. Ik zie +hem nog heel duidelijk. Zijn haar krulde wat, sprong tenminste. En ik +zie het plaatsje nog waar we stonden, en de banken met de onderzoekend +kijkende kinderen, en de opschuifborden aan den muur.</p> + +<p>Maar bovenal hoor ik nog die twee woorden: mooie namen.</p> + +<p>Meester.... had mijn hart gewonnen, en voor goed.</p> + +<p>„Mooie namen!” Zoo had hij ons verwelkomd. Hij een gewone meester. Als +hij smalend gezegd had:<span class="pagenum" title="199"></span><a id="p_199"></a> „Gekke namen!”—dat had ik eer begrepen. Want +meesters waardeerden nooit, waren uit hun aard niet vriendelijk, gromden +en veroordeelden. Doch nu dit, zoo gansch onverwacht.</p> + +<p>Voor een kind is zijn naam maar niet een onverschillig ding. Het is een +stuk familietrots en in zijn vóórnaam voelt hij zichzelf. Hij is er zoo +graag in geëerd. En deze meester streelde ons in dit bezit, mijn twee +jaar ouder broertje en mij, jongens van ongeveer 12 en 10 jaar, dus geen +kleine kindertjes meer, jongens die al verhard waren door scheldwoorden.</p> + +<p>Hij zij er nog voor gezegend, met alle vriendelijke menschen die ik op +mijn weg ontmoet heb.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Het was op mijn nieuwe school, de school van de „Christelijk +Gereformeerde Gemeente” op de Bloemgracht, naast en onder het patronaat +van de Kerk dierzelfde Gemeente, beter berucht onder den naam van +„Afgescheidene”.</p> + +<p>„Fijn genoeg!”</p> + +<p>Afgescheiden—dat was reeds voor onze kinderooren het summum van +„fijnheid”. Géén „mooie naam”. Een naam met een onbehagelijken bijklank, +waartegen je je verdedigen moest. „Ben jij”—met groote +geringschatting—„áfgescheiden?”—„Neen hoor, ik ben Doopsgezind.”—O, +dan was de zaak in orde.</p> + +<p><span class="pagenum" title="200"></span><a id="p_200"></a></p> + +<p>We voelden niets van het mooie moedige in dit woord. En dit bleef jaren +lang zoo, zelfs toen we warme sympathie en bewondering schonken aan de +pelgrimvaders en aan alle voor hun geloof uitgewekenen. Afgescheiden +beteekende nu eenmaal fijn, en daarbij een beetje huichelachtig. Nota +bene, zij die voor hun geloof openlijk uitkwamen en er voor durfden +breken met de landskerk, waren huichelaars. Een vreemd soort +huichelaars. Maar zoo diep gingen onze gedachten niet. Ze bleven aan de +algemeene oppervlakte, onder suggestie van het partijdig gekleurde woord +„afgescheiden”. En zoo sterk was die suggestie, dat ik bij die +breed-bleeke ei-klank nooit dacht aan een frisschen zeemanskop, maar aan +een vaal, gelig-wit bakkersgezicht, met meel bestoven fletsheid.</p> + +<p>Toch moesten de afgescheidenen, die kerk, geld, betrekking, eer, alles +om Godswille in den steek hadden gelaten, krachtige, heldhaftige naturen +geweest zijn.</p> + +<p>Ik weet wel, vanwaar mijn indruk komt. Grootvader had als predikant de +afscheiding ervaren, zoo niet in zijn gemeente, dan toch in zijn Kerk, +en die als een hoofdigheid, een spelbreken, een krenking gevoeld. +Afgescheidenen waren koppige, bekrompen scheurmakers. Zoo werden ze in +zijn pastorie beschouwd, zoo bleef Moeder er over denken, zoo leerden +wij ze veroordeelen. En zoo zelfstandig is de meening van duizenden en +millioenen nu nog. Ze bewonderen de stugge geloofsopoffering, mits in 't +verleden. Zoodra<span class="pagenum" title="201"></span><a id="p_201"></a> die zich in 't heden vertoont, stelt men zich partij +en verguist.</p> + +<p>Maar zoo gaat het ook op ander gebied. Zijn afgescheidenen huichelaars, +liberalen zijn godloochenaars en sociaal-democraten duivelskinderen. +Opstandelingen van eertijds zijn nu helden des volks. Hoe zullen de +huidige omverwerpers over eenige eeuwen heeten? Oordeelen is moeilijk.</p> + +<p>Als kind, als leerling der afgescheiden school had ik geen enkele reden, +om in 't bizonder ongunstig over deze „fijnen” te denken, en ieder moet +erkennen, dat althans het joviaal en hartelijk welkom een veelbelovend +begin was. De opinie mijner ouders was trouwens ook zóó ongunstig niet +en in ieder geval waardeerender voor déze school, dan voor de +„stadsschool” op dezelfde Bloemgracht, maar een eind verder en aan de +overzijde. Een „stadsschool” stond bij ons in den reuk van ruwheid, +ongodsdienstigheid en vooral onfatsoenlijkheid. Daar werd niet gebeden, +niet uit den Bijbel gelezen, en vooral, daar gingen de schooiers. Je +moest al erg gezakt zijn en bijvoorbeeld klompen dragen, om naar een +„stadsschool” te gaan. Ziedaar al weer een zelfde suggestie. Zooals het +woord „afgescheidenen” tot mij gekomen was met den klank van +huichelachtig gefemel, hoorde ik in dat harde „stádsschool” geklepper +van klompen. Afgescheidenen waren tenminste netjes, misschien zelfs een +beetje <i>te</i>, maar stadsschooljongens lagen onder de vunze kleur van +straatvuil. Daar ging je niet mee om, daar had je geen enkel kontakt +mee, daar vocht je alleen<span class="pagenum" title="202"></span><a id="p_202"></a> zoo nu en dan tegen, gelijk de beschaafde +natiën tegen de kaffers, of eertijds de Romeinen tegen de Germanen. Ze +waren goed om uitgeroeid te worden, of met het zwaard bekeerd.</p> + +<p>Eigenaardig toch, dat vooroordeel, zonder kennis van personen en +toestanden, louter onder den invloed van het milieu. Men kan er zeker +van zijn, dat zoo nog duizenden met zekeren afschuw het woord „openbare +school” hooren. Het brengt hen aanstonds in een atmosfeer van +tabaksdamp, jeneverlucht, goddeloosheid. Ik kan dat best begrijpen. Maar +het is niet goed. Evenmin als dat schimpen op afgescheidenen. O, de +voorlichters van 't volk, ze hebben zwaar gezondigd en ze doen het nog. +Ze hebben zich vergrepen aan de waarheid. Ze hebben het hart van 't volk +vergiftigd met leugen. In stee dat ze zochten, volhardend en liefdevol, +het goede bij de andersdenkenden, en hierop het volle licht lieten +vallen, beijverden ze zich dit goede onzichtbaar te maken in de dikke, +donkere nevelen van hun partijdigen laster. Heel de sfeer van het +volksleven, van het leven der menschheid is verleugend. En millioenen +onwetenden, onnoozelen, dwalen met hun valsch oordeel rond als schapen +onder slechte herders. Dat is voor een groot deel de schuld van hen, +die, leiders, zich niet zelf laten leiden door „den goeden herder”, ook +al beweren zij tot zijn schapen te behooren.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p><span class="pagenum" title="203"></span><a id="p_203"></a></p> + +<p>Op mijn afgescheiden school heb ik enkele goede jaren doorgebracht. +Natuurlijk herinner ik me ook nog wel eenige verkeerde dingen, b.v. een +nu en dan wel wat te haastig en hardhandig gebruik van „de tuchtroede”, +en zoo liggen me ook nog een paar scheldwoorden in 't oor, alsof iedere +ondeugende jongen een „ongelikte beer” was en ieder lastig meisje „een +nijdige tang”, maar die ruwheden in daad en taal behoorden tot dien +tijd. Men kon zich een school kwalijk anders denken, dan als een bende +meerendeels onwillige kinderen, die er met strengheid onder gebracht en +onder gehouden moesten worden. Zoo denken zelfs thans nog velen er over. +Van hartelijke, goedgezinde, vreugdevolle samenwerking tusschen meester +en leerling is ook nu nog lang niet overal sprake, en schrijver dezes +ziet zijn pleiten daarvoor zelfs van paedagogische zijde menigmaal +bestreden als zoetsappige paedagogiek. Op hun donder moeten ze hebben. +Gedwongen moeten ze worden. Tusschen meester en leerling bestaat een +„natuurlijke”—lees: onnatuurlijke—„antagonie”.</p> + +<p>Ik denk er dus niet aan, mijn tweede lagere school ook maar eenigszins +te verwijten, wat toenmaals tot de gewone schoolpraktijk behoorde, en nu +nog door velen principieel wordt aanbevolen, maar heb de feiten alleen +gememoreerd om te doen zien, dat ze een kind zijn leven lang bijblijven. +Het scheldwoord, dat we in zijn jeugd als opvoedingsmiddel een leerling +naar 't hoofd werpen, hoort hij nog in zijn grijsheid. En dat vergeten +we wel eens. Maar ik heb<span class="pagenum" title="204"></span><a id="p_204"></a> mijn afgescheiden school veel te veel te +danken, dan dat ik haar deze averechtsche deugden toerekenen zou.</p> + +<p>Zij heeft de kunst verstaan, mij te doen <i>werken</i>, en werken <i>met lust</i>. +Ik kwam in een klas, waar de kinderen al een heel eind gevorderd waren +in 't Fransch, en ik had er nooit iets aan gedaan. Dat gaf dus +strubbeling. Ik moest bijgewerkt worden en kreeg een boekje mee naar +huis. Het was een boekje met kleine verhaaltjes, ik geloof van Engelbert +Gerrits, met de vertaling der moeilijke woorden aan den kant.</p> + +<p>Zaterdag nam ik het boekje mee, den ganschen Zaterdagnamiddag en avond +zat ik er uit te vertalen, ook den heelen Zondag, ook nog de vroege +morgenuren van Maandag, en toen bracht ik den meester anderhalf schrift +met vertalingen. Het boekje was uit.</p> + +<p>Ik weet nog, hoe hij opkeek, toen hij die massa werk onder de oogen +kreeg. Ik was een wonder van vlijt. Daar had ik echter zelf geen idee +van. Ik wist alleen, hoe heerlijk het was te werken, zoo te werken, dat +ik mijn klasgenooten inhaalde. En dat gelukte. Achtereenvolgens, maar nu +natuurlijk veel langzamer, werkte ik de les- en themaboekjes van Van der +Hoeven door en na een paar jaar zat ik volop in de onregelmatige +werkwoorden van het zooveelste stukje.</p> + +<p>Hoe was het mogelijk, dat de brutale spijbelaar van de Lindengracht zich +zoo ontpopte op de Bloemgracht? Dat lag misschien aan 't verschil van +één meester.</p> + +<p>Meesters, die dit leest, denkt er aan, als je dagtaak je soms eens zwaar +valt, als je er soms eens moedeloos<span class="pagenum" title="205"></span><a id="p_205"></a> bij wordt. Mogelijk zit er één +jongen in je klas, die je later voor je arbeid danken zal, zooals ik het +nu nog mijn meester doe.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Aan die buitensporige vlijtvlaag is nog een herinnering verbonden. De +kinderen konden elke maand een kaartje „voor vlijt en goed gedrag” +krijgen. Wie er zoo twaalf per jaar had ontvangen, ontving op het +jaarlijksch examen een prijs. Dat was voor mij het eerste jaar een +onmogelijkheid, want in den loop van den kursus op school gekomen, had +ik het op 't examen maar tot acht kaartjes kunnen brengen. Toch ging ik +met plezier naar 't examen en zag aan 't einde daarvan zonder eenige +jaloezie, dat mijn medeleerlingen mooie boekwerken en getuigschriften +ontvingen, terwijl ik verstoken zou blijven. Als je zoo iets maar +vooruit weet, is 't niet zoo erg. De smart zit minder in het gemis dan +wel in de teleurstelling. Daarom hebben sommigen er een handje van, je +teleurstellingen aan te doen, opdat je het toch maar goed vóélen zult.</p> + +<p>Toen alle prijzen waren uitgedeeld, was er een oogenblik stilte in de +school. En toen hoorde ik mijn naam noemen, langzaam, plechtig: +Gerard—Jan—Ligthart.</p> + +<p>Ik trilde—zag alles in een nevel—geloofde 't niet—bleef bevende +zitten.</p> + +<p>De meneer van 't examen zag de klasse rond, en riep toen nog eens met +deftige stem: Gerard—Jan—Ligthart.</p> + +<p><span class="pagenum" title="206"></span><a id="p_206"></a></p> + +<p>Alle kinderen keken naar mij.</p> + +<p>„Kom jongen, jij bent het,” zei de meester.</p> + +<p>Ik stond op en liep naar voren, gauw, zenuwachtig.</p> + +<p>Daar stond ik tegenover den deftigen meneer. Ik klein, hij groot. Ik +ontroerd, hij rustig.</p> + +<p>En hij glimlachte mij kalm tegen.</p> + +<p>Hij had een boekje in de hand en las luid: „Loon naar werk, door E. +Gerdes.”</p> + +<p>Ik hoor het nog.</p> + +<p>En toen sprak hij: „Jongen, je bent nog te kort op deze school, om reeds +het vereischte aantal kaartjes voor een prijs te bezitten. Toch wilden +je onderwijzers je een prijs geven voor je buitengewonen ijver. En die +prijs heet: Loon naar werk. Hij <i>is</i> dan ook loon naar werk. Ziehier.”</p> + +<p>Ik nam het boekje aan.</p> + +<p>Heerlijk, héérlijk oogenblik.</p> + +<p>En toen stil naar mijn plaats.</p> + +<p>Of ik onder het dankgebed geluisterd heb?</p> + +<p>Daarvoor trilde het daarbinnen te veel. Maar ook dat was danken. En onze +lieve Heer weet dat wel. Die heeft een fijn oor.</p> + +<p>Gezegende school! Zij leerde mij werken. Zij leerde mij school en +meesters liefhebben. Zij leerde mij danken in gemoedsontroering. Het +echte.</p> + +<p>Toch maar een „afgescheidene”.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>En nu wil ik meteen vertellen, hoe het met mijn prijs verging.</p> + +<p>Daar was een jongen en die heette Kees. Zijn vader<span class="pagenum" title="207"></span><a id="p_207"></a> was timmermansbaas, +en hij woonde daar en daar.</p> + +<p>Kees las zoo graag en daarom kreeg hij eens mijn prijs ter leen.</p> + +<p>Maar Kees gaf hem nooit terug.</p> + +<p>Telkens als ik vroeg, ontving ik een ontwijkend antwoord.</p> + +<p>Eindelijk vermande ik me en ging naar Kees zijn huis. Ik wou zijn vader +spreken. Ik moest toch mijn prijs hebben, mijn <i>prijs</i>. Een prijs is +toch niet een gewoon boek.</p> + +<p>Ik sprak Kees zijn vader. Hij wist er niets van. Maar wacht r's. „Zoo'n +boekje, zoo wat zoo groot?”—Ja, meneer.—„Dat zal je niet meer +terugzien. Kees bracht altijd boeken mee, en ik wou dat vervloekte +gelees niet meer hebben, en toen heb ik gezegd: als je weer een boek +meebrengt, smijt ik het in de kachel. Dat heb ik ook gedaan, en dat is +dan zeker jouw prijs geweest.”</p> + +<p>Ik heb mijn tranen weerhouden,—o, natuurlijk, natúúrlijk—maar toen ik +weer buiten was en op straat liep, was ik gebroken.</p> + +<p>Mijn prijs....</p> + +<p>Weg....</p> + +<p>Onherroepelijk....</p> + +<p>De man heeft er niet aan gedacht, welk een bitter leed hij mij had +berokkend, heeft er niet aan gedacht, mij mijn prijs terug te koopen.</p> + +<p>„Dan had ik hem maar niet moeten uitleenen.”</p> + +<p>Zoo'n ellendeling!</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p><span class="pagenum" title="208"></span><a id="p_208"></a></p> + +<p>Laat ik hem vergeten en aan lieflijker dingen denken.</p> + +<p>Van de vrouwen is altijd een bizondere bekoring voor mij uitgegaan. Men +weet, dat begon al op de bewaarschool, waar ik schriftelijk verzocht, of +ik van zeker vijfjarig Betje de vrijer mocht wezen. Ik was toen ook nog +geen zes. En dat hield zelfs niet op, wanneer het pere-hietvrouwtje of +Mietje de porster mij in haar toch zoo ongecultiveerde stemmen +omstrikten.</p> + +<p>Wat is het toch, die bekoring van „<span xml:lang="de">das ewig Weibliche</span>”.</p> + +<p>Ik weet het niet.</p> + +<p>Het is een der mysteries bij de talloos vele andere. Maar het bestaat en +oefent zijn invloed reeds vroeg. De aanwezigheid van meisjes in de +school verzachtte heel wat leerellende. Als je onder het doodelijk +stilzitten, een uur achtereen, steeds met je handen gevouwen aan den +rand, naar het overhooren van een droge les moest schijnen te luisteren, +was het een heerlijkheid, in alle stilte te genieten van een mooie, +blonde vlecht, of ál meer intiem te worden met een rood lintje om een +zwart kopje. De jurkjes, de schortjes, de kantjes, de beentjes der +meisjes, waarmee ze zoo aardig stappen konden, de stemmetjes en de +fraaibelijnde gestalten, ze gaven aan de dorre woestijn iets liefelijks. +En zonder meisjes had ik het in mijn eerste school zeker absoluut niet +uitgehouden.</p> + +<p>Wat ik voor haar voelde, was onmogelijk te zeggen. Geen enkele +onvoegzaamheid, dat weet ik echter zeker. 't Was een vage stemming van +adoratie; zij omhulden<span class="pagenum" title="209"></span><a id="p_209"></a> mij als in rozige morgennevels. Een zelfde +stemming kreeg je buiten, als je niets dan groen en lucht zag en een +enkele boerenwoning. Het alledaagsche ging weg en je was in een andere +sfeer.</p> + +<p>Geheel in strijd met deze vage stemming scheen onze liefhebberij om bij +'t uitgaan der school de meisjes na te rennen.</p> + +<p>Dan holden zij hard weg, zwaaiend met de schooltasschen, en wij vlogen +ze na. Hadden we ze ingehaald en gegrepen, dan deden we nog niets. +Eigenlijk waren we dan verlegen met onzen buit, schudden—schijnbaar +ruw, maar eigenlijk teer—de Sabijnsche wat door elkaar, spraken wat +vreeselijke dreigementen, en, als 't héél erg werd, gaven we ze een zoen +ergens op een vindbaar plekje van het weggestopt gezicht en anders maar +op de haren. Die zoen beteekende evenwel niets anders dan een triomf. +Daarna mochten ze gaan.</p> + +<p>Nog op den huidigen oogenblik weet ik niet, wie met dit spelletje begon, +de jongens of de meisjes. Of wij haar opjoegen, dan wel zij ons +oplokten. Eén ding is zeker: meisjes die niet wegliepen deden we niets. +En zoo geloof ik, dat die vluchtende hinden niet zoo onnoozel en zoo +bang waren, als ik toen wel dacht. Maar ik durf toch niet stellig +zeggen, of ook deze verzoeking eigenlijk van Eva uitging, en dus zal ik +dit vraagstuk maar laten oplossen door de eerlijke jeugdherinneringen +van een vrouw, die in haar schooljaren dupe of bewerkster van die jacht +is geweest.</p> + +<p>De Paedologie zal ongetwijfeld ook deze naren- en<span class="pagenum" title="210"></span><a id="p_210"></a> afzoenerij eens tot +onderwerp van haar wetenschappelijk onderzoek maken. Dan vernemen we, +hoe in dit kinderspel zich handhaaft een vrouwenroof uit den oertijd, of +anders hoe—spel is toch levensvoorbereiding—het jonge volk zich bij +dat onbehoorlijk gevlieg praepareert op 't geen later komen moet. Een +zij en een hij moeten elkaar vinden, daartoe moet zij lokkend +wegfladderen, hij haar volgen: „<span xml:lang="de">Errötend folgt er ihren Spuren</span>”, en als +hij haar gevonden, veroverd heeft, sluiten zij zich innig aaneen. Dat +moet in de schooljaren door wijze Moeder Natuur worden voorbereid. +Vandaar die, alleen door onwetenschappelijke kortzichtigheid +tegengewerkte, naren- en afzoenerij, die de opvoeders als een mooi, +redelijk, noodzakelijk en dus wenschenswaard verschijnsel moesten +begroeten, en eer behoorden aan te moedigen, dan als onfatsoenlijk te +bestrijden.</p> + +<p>Zien echter alle ouders en onderwijzers het onder dat licht?</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Op mijn afgescheiden school waren gelukkig ook meisjes, en zoo had ik +den Hemel opnieuw te danken, die mij niet uit Roomsche ouders had doen +geboren worden en tusschen enkel donkere jongenskielen doen opgroeien.</p> + +<p>De meisjes zaten vooraan, in de eerste rijen, de jongens daarachter. Ik +denk, dat in deze plaatsing, die men op alle gemengde scholen en ook in +de kerken aantreft, waar de mannen de vrouwen als een heiligenkrans +<span class="pagenum" title="211"></span><a id="p_211"></a>omringen—geen krans van heiligen—, ik denk dat in deze rangschikking +zich hetzelfde wegloop- en narenelement openbaar. Men noemt dat met +allerlei mooie namen: hoffelijkheid, beleefdheid, eerbied voor het +zoogenoemd zwakkere geslacht, maar die namen zijn niet anders dan +kleurige sluiers, die het wezen der zaak aan ons oog onttrekken. Die +stil en devoot luisterende vrouwen—natuurlijk weten ze het niet—ze +loopen weg, en die eerbiedig doende mannen, ze rennen na. Die hele +zwijgende, stilzittende schare is in haar rangschikking een door de +eeuwen vastgelegde beweging. Het is lokken en volgen, jagen en vlieden, +maar nu vastgegroeid tot een maatschappelijk gebruik. Alleen ziet men nu +en dan, zelfs in de kerk, het oude spel herleven, als een achttienjarig +meisje minder getrokken wordt door de godsdienstoefening, omdat ze zelf +te sterk trekt iemand die daar in de verte achter haar zit. Al is die +gedachte niet aangenaam voor den preekenden voorganger, hij worde er +toch niet boos om, wetende dat het verlies van aandacht nu, hem later +rijkelijk vergoed wordt door een mooien huwelijksdienst en wie weet +hoeveel doopbeurten. <span xml:lang="fr">Pierre de Coulevain</span>, +de auteur van <span xml:lang="fr">Sur la branche</span>, heeft de +verliefdheid van 't meisje terecht genoemd: moederliefde in knop.</p> + +<p>Ik had het geluk, een tijdlang in de eerste jongensrij te zitten, vlak +achter de meisjes. Dit verhinderde mij niet, hard te werken. +Integendeel. Het spoorde mijn werkdrift aan. Ik deed mijn best in haar +oog een mooi figuur te maken. Een pluimpje van den meester<span class="pagenum" title="212"></span><a id="p_212"></a> wapperde +veel sierlijker onder het welgevallig en bewonderend oog der meisjes. +Zij behoefden mijnentwege niet goed te kunnen rekenen en ontleden. Als +ze maar haar lieftallige en gratievolle bewondering aan ónze +overwinningen konden schenken. Iedere moeilijke som, door ons als een +machtig vijand verslagen, riep haar streelenden eerbied op, en wij +sloegen er op los om dien eerbied te verwerven. „Wat kan <i>jij</i> goed +rekenen!” of: „Hoe <i>kun</i> je dat toch!” of: „Ik begrijp er niks van!” of: +„Toe, help je me nog even!”—het waren omwademingen van bloemgeurige +zefirs, zwanger van lenteweelde. Ha, wat voelden we ons gelukkig, als we +zulk een hulde ontvingen of zulk een hulp mochten verleenen!</p> + +<p><span xml:lang="de">Das ewig weibliche.</span> Wondervolle macht in een knapenziel.</p> + +<p>Neen, gij die meent dat onreine gedachten als zwarte wolken langs dezen +blauwen voorjaarshemel moeten drijven, gij weet het niet. Er ging een +reinigende bekoring uit van de tegenwoordigheid der meisjes. Zij riepen +ridderlijke gevoelens in ons wakker, huldigende driften, artistieke +gaven. Mijn oudste broer teekende mooi en leerde mij in de huiskamer +landschapjes teekenen en watergezichtjes. Een boerenwoning, half +verborgen onder 't loover, een hooiberg daarbij, slingerend +landweggetje, en in de lucht wat vogels—of een schip, opbruisend tegen +de watervlakte, het zeil omhoog, den wimpel wapperend, het roeischuitje +er achter—ik wierp ze met handige potloodstrepen op het papier, trok er +een strakke lijn om, zette in een<span class="pagenum" title="213"></span><a id="p_213"></a> benedenhoek een beetje schuin mijn +naam—ach, mijn jongens op school kunnen dat laatste ook zoo artistiek: +kinderen blijven kinderen—en bood ze de jonkvrouwen mijner vereering +aan. Hoe heerlijk, als ze het mooi vonden en zuinig bewaarden. En als ze +'t niet begrijpen konden, hoe een jongen, die al zoo goed sommen kon +maken, ook nog mooi kon teekenen. En als ze dan een eigengemaakten +boekenlegger of inktlap als tegengave schonken. Precies als de koningen +der aarde, en ook precies als de primitieve volkeren. Lezer, vriend, +zijt ge wel eens jaren achtereen gelukkig geweest met een simpel +potloodje, dat ge dag aan dag bij u droeg, nooit gebruikte uit vrees dat +het slijten zou, en telkens weer met teederheid tusschen uw vingertoppen +nam? In dat potloodje—'t heette een herinnering aan háár—bewaardet ge +al de reine teederheid van uw eigen jongensziel, gewekt door „<span xml:lang="de">das ewig +Weibliche</span>”.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="214"></span><a id="p_214"></a></p> + +<h2 id="GOEDE_SCHOOL">GOEDE SCHOOL.</h2> + +<p>Elke schooltijd begon natuurlijk met gebed en psalmgezang. Daarna volgde +'s voormiddags een vol uur „Bijbelsche Geschiedenis”. Dat was dus zes +uur in de week de historie van het oude Israël en het verhaal der +Evangeliën.</p> + +<p>In overeenstemming daarmee kreeg de Kaart van Palestina meer beurten dan +die van Nederland. Zoo kwam eigen land en volk wel wat in de verdrukking +door de buitengewone belangstelling aan Kanaän gewijd. Perea, het +Over-Jordaansche, lag mij nader dan Gelderland, op de Palestijnsche +bergen was ik meer thuis dan op de Limburgsche heuvelen, het meer van +Genezareth mij vertrouwder dan het Slotermeer, en langs de Jordaanoevers +wandelde ik vrediger dan langs de Rijnboorden.</p> + +<p>Over de keuze van dit belangstellingsgebied voor de lagere school kan +men verschil van meening hebben, maar ieder beseft, hoe dit samengaan +van geschiedenis en aardrijkskunde beide ten goede kwam. De vlakten en +de hoogten, de meren en de stroomen, de steden en de vlekken van Kanaän +kregen beteekenis, doordat ze leefden in de Joodsche geschiedenis en +literatuur. We hoorden ze uit den mond der psalmdichters <span class="pagenum" title="215"></span><a id="p_215"></a>en profeten, +zagen ze als terrein van arbeid en strijd, bezochten ze rondwandelend +met den leerenden Heiland.</p> + +<p>Dat was iets anders dan rijtjes namen, die maar rijtjes namen bleven. +Het innige verband tusschen het Joodsche land en het Joodsche volk, dat +nog thans in zoo vele Joodsche en ook Christen-harten gevoeld wordt, +maakte de aardrijkskunde van Palestina tot terreinlessen der historie. +Alles leefde daar. Men was als in de schouwburg der menschheid en zag +volksdrama's afspelen op het tooneel der velden, met begroeide bergen +tot coulissen. Nog, als ik den naam hoor van het meer van Genezareth, +zie ik visschers hun netten uitwerpen, Jezus wandelen op de wateren, +Petrus wegzinken in kleingeloof. Aan gene zijde der Jordaan staat Mozes +op den berg Nebo, ziende naar het Heilige Land, dat hij niet mag +binnentreden. Hoe lieflijk is ons dat Bethlehem met zijn overvolle +herberg en de kribbe in den beestenstal. Geen plaatsnaam, of hij roept +personen op, toestanden, gebeurtenissen. De landkaart gaf aan de +geschiedenis een gebied, gelijk deze aan de kaart leven schonk.</p> + +<p>Of de school dit prachtige en eigenlijk ook onmisbare samengaan met +volle bewustheid in de hand werkte, om de waarheid te zeggen, ik geloof +het niet. Het staat mij zoo voor, alsof de geschiedenisles alleen +luisterde naar de stem van den meester en nooit keek naar de kaart, +alsof de aardrijkskundeles alleen aanwees en opzei, maar nooit bevolkte, +en of het samenvloeien van feiten en terreinen aan het toeval en de<span class="pagenum" title="216"></span><a id="p_216"></a> +kinderlijke voorstellingsbehoefte werd overgelaten. Maar indien dit zoo +was, dan zal het nu in de christelijke scholen toch wel anders zijn. Men +zal daar nu toch die mooie kans niet ongebruikt laten. Wellicht gaat men +er nog een stapje verder en durft een les in natuurlijke historie +gebruiken, om het landschap met zijn planten en dieren uit te beelden. +„Kent gij het land?” vraagt <span xml:lang="de">Pfarrer Schneller</span> op het titelblad van zijn +voortreffelijk werkje. „Wij kennen alleen stippen en strepen en namen,” +zeggen de kinderen. En dit zeggen zelfs de volwassenen. Ook de +volwassenen, die op de lagere school of op de zondagsschool Bijbelsche +Geschiedenis onderwijzen?</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Wanneer deze jeugdherinneringen onderwijskundige bijbedoelingen hadden, +zou ik graag van Palestina naar ons eigen land overgaan en zelfs de +vraag willen stellen en beantwoorden, of de aardrijkskunde der geheele +wereld niet een beetje intiemer kon worden met het leven der volkeren. +Maar nu moeten we verder.</p> + +<p>Daar zit een klasse kinderen te rekenen. 't Is de hoogste. Ook ik zit +daar zoo wat midden in de klasse, vlak achter de meisjes. Gevaarlijk +plaatsje?</p> + +<p>Dat denkt ge maar.</p> + +<p>'t Zou gevaarlijk geweest zijn wellicht als de meester onzen geest had +gekneveld in banden van verveling, als hij ons gedoemd had tot +stilzitten en kijken en handen vouwen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="217"></span><a id="p_217"></a></p> + +<p>Maar op mijn bank ligt een lei, daarnaast een dik boekje in een +donkerblauw omslag, en tusschen mijn vingers leeft een griffel, +hunkerend naar 't uitvloeien en uitstroomen van cijfers. 't Is of die +arme griffel 't benauwd heeft, in barensweeën verkeert. Ze moet +schrijven, schrijven, cijfers uitgooien, een lei vol, twee kanten, vol, +nóg een lei. Eer komt ze niet tot rust.</p> + +<p>En al die arbeid maakt, dat ik niet eens meisjes zie. Die griffel wint +het van haar bekoorlijkheid. Het instrument, waardoor de van werkdrift +trillende geest een uitweg vindt in de grijswitte figuurtjes op de +blauwzwarte lei.</p> + +<p>Werken. Laat je jongens werken. De kleinen en de grooten. En ook de heel +grooten.</p> + +<p>Maar zorg dan, dat ze werken met lust, en daardoor met volle kracht.</p> + +<p>De beste rekenaars hadden ieder hun eigen rekenboek. Ik moet daar ook +onder behoord hebben. Ik herinner me den hartstocht, om een boekje <i>uit</i> +te hebben.</p> + +<p>De Boesers had ik al.... opgevreten. De „eerste verzameling”. De „tweede +verzameling”. Toen had de meester er niet meer. Die +„verzamelingen<ins class="corr" id="corr15" title="Bron: „">”</ins> kwamen na en boven de gewone +serie. Een soort bekroning. „Gemengde vraagstukken”. Voor de goeie +rekenaars, die geen geleidelijke leiding meer noodig hadden. Die konden +aanpakken, telkens wat nieuws.</p> + +<p>Maar ik had ze uit.</p> + +<p>Toen zei de meester: „Ja, wat zal ik je <i>nu</i> geven!” En hij snuffelde in +zijn kast. Daar had hij zoo'n<span class="pagenum" title="218"></span><a id="p_218"></a> stapeltje van allerlei. „Hier, probeer +dit maar eens.”</p> + +<p>'t Was—heb ik het goed onthouden?—„Koopmansrekenen” van Adam van +Lintz, het—vierde?—stukje. 't Was dat dikke boekje in donkerblauw +omslag. En Adam van Lintz boeide mijn oogen en mijn handen en mijn +gedachten en mijn neigingen.</p> + +<p>Ik zag geen meisjes, ik zag sommen.</p> + +<p>Heerlijke werkuren. Ze deden me al vroeg ervaren, waar een stuk reine +levensvreugde te vinden is. Bijstand tegen verzoekingen. Troost in +smart.</p> + +<p>Nooit in mijn verder leven heb ik Adam van Lintz teruggezien, terwijl ik +toch onafgebroken tusschen de schoolboekjes heb gezeten. Waarschijnlijk +was hij dus toen al aan 't verdwijnen. Versluys en Wisselink kwamen de +Boesers verdringen. Toch onthouden, met uiterlijk en titel. Bewijst dat +niet—wat ik reeds vroeger opmerkte—dat het geheugen in 't hart zit? En +dat het werk in de school het kinder<i>hart</i> moet weten te pakken?</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Men zou uit deze rekendrift willen afleiden, dat ik later een +rekenmeester had moeten worden. Doch dan zou men verkeerd afleiden. Mijn +aanleg en mijn lust hebben nooit de cijfers gezocht. Verzen opzeggen, +lezen met een mooie stem, de muziek der taal genieten—dat was mijn +eigenlijke voorkeur. Mijn aanleg was, om het met een groot woord te +zeggen: literair. Als ik in mijn eentje liep, zei ik in mezelf verzen +op, vaak psalm- en gezangverzen. En dan<span class="pagenum" title="219"></span><a id="p_219"></a> had ik een gevoel, of mijn stem +de mooie klanken moest liefkoozen en de golvende regels in zangerig +rythme moest laten vloeien. Een meester, die mooi voorlas, had me gauw +te pakken, en onwillekeurig bootste ik de bekoorlijke eigenaardigheden +van zijn voordracht na.</p> + +<p>Toch herinner ik me van mijn leesboekjes niets meer. Welke waren het? Ik +weet het niet. Belletristische? Leerende? Verhalende? Ik weet het niet. +Verzen of proza? Ik weet het niet. Geen inhoud, geen titel, geen +uiterlijk—ik weet er niets meer van. Waren ze wellicht te droog? Ik +weet het niet. Te vroom? Te braaf? Te onkinderlijk? Ik weet het niet. +Wonderlijk toch, de rekenboeken zie ik nog, ken ik nog, hoewel ik geen +rekenman ben, en de leesboeken zijn totaal weggezonken in vergetelheid, +hoewel de toekomst bewezen heeft, dat ik voor 't leesboek toch wel iets +voelde. Vanwaar dit onderscheid? Het moet wel hieraan zijn toe te +schrijven, dat—door <ins class="corr" id="corr16" title="Bron: ,">'</ins>t <i>werken</i>—in de rekenboeken mijn hart is +gaan zitten, en dat de leesboeken dit hart niet hebben gelokt en +vastgehouden. Dat hart wou wel. Maar 't boek wou niet. Of misschien wou +het arme ding wel, maar kon het niet. Het zal onze harten <i>te +opzettelijk</i> hebben willen vangen. En dat is altijd mis.</p> + +<p>Het is toch eigenlijk sterk, dat ik niet meer weet, uit welke +schoolboeken ik als twaalf- en dertienjarige jongen gelezen heb. Maar +voor 't feit sta ik in. Wellicht wordt het een beetje nader verklaard +door mijn overgang, als kweekeling, naar de openbare school. Daar<span class="pagenum" title="220"></span><a id="p_220"></a> kwam +ik in zoo'n heel andere boekjeswereld. Maar dat rekenboek dan? en het +zingen? Want dát herinner ik me heel wel. Ik zie het schoolbord vol +muziek staan, driestemmige liederen in notenschrift. En ik ken nog die +liederen die we leerden. Eén lied is te kenmerkend en te vereerend voor +de school, dan <ins class="corr" id="corr17" title="Bron: dit">dat</ins> ik het hier niet zou vermelden. De +Fransch-Duitsche oorlog was uitgebroken, 1870. Ik was elf jaar. Overal +hoorde je „<span xml:lang="de">Die Wacht am Rhein</span>”, tot op draaiorgels toe. Toen leerde de +meester ons de woorden en de muziek, de woorden in 't Duitsch, ofschoon +we in die taal geen les kregen. En we zongen uit volle borst +meerstemmig:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza" xml:lang="de"> + <span class="i0">Est braust ein Ruf wie Donnerhall,<br /></span> + <span class="i0">Wie Schwertgeklirr und Wogenprall:<br /></span> + <span class="i0">Zum Rhein, zum Rhein, zum Deutschen Rhein!<br /></span> + <span class="i0">Wer will des Stromes Hüter sein?<br /></span> + <span class="i0">Lieb Vaterland magst ruhig sein:<br /></span> + <span class="i0">Fest steht und treu die Wacht am Rhein.<br /></span> +</div> +</div> + +<p>Ik noemde dat kenmerkend en vereerend voor de school. Immers, het was +een bewijs, dat men in de school <i>leefde</i>. Het lied van den dag, ondanks +de vreemde taal, in de zangles gebracht—dat was toch wel waarlijk: +school en leven.</p> + +<p>En die school was een—„afgescheidene”, van veertig jaren her.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p><span class="pagenum" title="221"></span><a id="p_221"></a></p> + +<p>Het is wel begrijpelijk, dat deze schoolliederen me zijn bijgebleven. +Vooreerst hadden ze dezelfde veroveringsmethode als de sommen. Ze zetten +ons aan 't werk. Zingen moest je wel, of je wou of niet. Je kon er niet +bij suffen of afdwalen. Daar had je nu je zuivere zelfwerkzaamheid. Maar +dan ook, de liedjes werden thuis vrijwillig gerepeteerd. Niet, gelijk +dat in gegoeder kringen geschiedt, op bepaalde uren bij een piano, maar +op alle tijden van den dag en in alle hoekjes van het huis. Vader zong, +Moeder zong, Christien zong, de jongens zongen, ik zong, we zongen +allemaal. Zingende leerden we mekaar de liedjes, en als er een moeilijke +val was, werd die soms in de keuken onder 't werken door ingestudeerd. +Christien sneed de andijvie of de rooie kool, ik stond bij haar aan de +rechtbank, en daar had je een formeele zangles.</p> + +<p>Niemand was verlegen om den mond open te doen, niemand schaamde zich +zijn stem. Het huis weergalmde van lied. Je zong in de keuken bij 't +schoenenpoetsen, je zong in de gang, je zong in alle kamers, in de +huiskamer, de slaapkamer, de bestekamer. Leege oogenblikken werden +gevuld met lied. En dat was nooit een zacht geneurie, maar een luid +gejuich, vol uit de borst. Ook de bovenburen zongen en de benedenburen. +En 't waren allemaal schoolliederen van „Zie de leliën op het veld” of +„Als de zwaluw ons verlaat” of „Eere zij God”. De Zangvogeltjes, die +lieve uit de boekjes van C. Regeer, fladderden door onze woning, en +jubelden hun heerlijkste liedjes.</p> + +<p>Dat had en heeft een burgergezin voor op de deftigheid. <span class="pagenum" title="222"></span><a id="p_222"></a>Er wordt +gezongen in huis. De kinderen behoeven geen zangles te krijgen. De +liederen leven er, gelijk buiten in veld en bosch, en—evenals +daar—piepen de jongen naar 't zingen der ouden.</p> + +<p>Wat kon Vader mooi zingen! En met welk een liefde en toewijding zong +hij! Dan kon hij zoo'n uur achter elkaar heen en weer loopen, geen jas +aan, de handen op den rug, van de huiskamer door de gang en omgekeerd, +en aldoor maar zingen. Hij haalde de liederen op uit zijn verleden, veel +Fransche. Van „<span xml:lang="fr">La Brigantine, Qui va tourner.</span>” Wat vonden we 't mooi! En +als Vader dan met ingehouden stem bad: „O, Vierge Marie! Pour moi priez +Dieu!” dan werden onze oogen wel eens vochtig van ontroering en viel er +een traan tusschen de sommen of de Fransche thema's. Dat waren heerlijke +oogenblikken.</p> + +<p>En 's avonds, vooral Zondags in 't schemeruurtje, wanneer alleen een +zacht theelichtje het duister bekampte, klein, dapper, rustig vlammetje +in een donkere wereld, en wij, door de kamer verspreid, ons gelegerd +hadden als in een Zigeunerkamp, de ouderen op stoelen, ieder op een +geliefkoosd plaatsje, de jongeren op den grond, de beenen rechtuit of de +knieën opgetrokken—een „vrije orde”—dan begon er maar een te zingen, +en vanzelf vielen de anderen in. Het eene lied na het andere. Maar nooit +straatliederen. De school en de overlevering hadden ons een heel +repertoire bezorgd, altemaal liederen vol kleur en sentiment, beschaafd +van taal en van toon. En steeds ging het ten slotte naar het +godsdienstige toe. Met de<span class="pagenum" title="223"></span><a id="p_223"></a> Hernhutters zongen we: „Laat mij, slapend, op +U wachten, Heer, dan slaap ik zoo gerust.” En eindelijk met de +Christelijke gemeente dien stemmenden avondzang:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <span class="i0">'k Wil U, o God, mijn dank betalen,<br /></span> + <span class="i0">U prijzen in mijn avondlied.<br /></span> + <span class="i0">Het zonlicht moge nederdalen,<br /></span> + <span class="i0">Maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet.<br /></span> +</div> +</div> + +<p>Dan trilde Moeders stem. Zij was weer in de pastorie van haar +kinderjaren.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Liefelijke schemeruren. Hoe heerlijk toch, dat alle uren van den dag hun +eigen kleur en toon hebben. Het uur van 9–10 in den voormiddag is een +heel ander dan dat van 2–3 in den namiddag. Men kan ze onmogelijk +verwisselen, zonder het gelaat van den dag een vreemd en onbehaaglijk +uiterlijk te geven. En zoo heeft ook het schemeruur zijn karakter en +bestemming. Wie denkt er aan in den morgen zoo vertrouwelijk bijeen te +zitten en te zingen als bij het vallen van den avond tusschen licht en +donker. Het zou niet gaan. En nu heb je wel redeneermenschen die zeggen: +een uur is een uur, ze hebben allemaal precies zestig minuten, en zingen +is zingen, dus je kunt het zingen van 't eene uur net zoo overbrengen +naar een ander, maar deze verstandige lieden behooren tot die +waanzinnigen, waarvan <span xml:lang="en">Chesterton</span> zegt,<span class="pagenum" title="224"></span><a id="p_224"></a> dat ze krankzinnig zijn, omdat +ze alles verloren hebben behalve hun verstand. Neen, een uur is niet een +uur, elk heeft zijn eigen aard, en daarom brengen en vragen de +avonduren, die van vijf tot zeven, iets anders dan hun vroegere of +latere broeders.</p> + +<p>Wij hadden avondschool, liefelijker gedachtenis. Ze werd in de +bovenverdieping gehouden. Daar genoten we van het warmgele licht der +gasvlammen, het stille suizen, en van meesters stem en lange pijp. 's +Avonds scheen meester een heel andere stem te hebben dan overdag. Kwam +dat door het gaslicht? Of doordat er veel minder kinderen waren? Neen, +'t was de invloed van de uren. Die veranderden niet alleen zijn stem, +maar zijn heelen persoon. Hij was veel vertrouwelijker, veel gezelliger, +veel gewoner. Zijn houding en toon naderden ons veel dichter, hij werd +een soort familielid van je. De schoolnarigheid ging er af. Zijn +handdruk was zelfs anders dan die van 's morgens vóór negenen.</p> + +<p>En dan was zijn lange pijp ook een van zijn aanbevelingen. In het +vensterkozijn lagen eenige opgevouwen papierstrooken—fidibussen. +Daarmede spaarde meester een zwavelstok uit. „Geef jij me eens een +fidibus.” De gelukkige nam er een uit het kozijn, stak hem aan boven de +gasvlam, en hield hem bij meesters pijp. We genoten van het opkrullen +der tabak, van de blauwe rookwolken, en van de manier waarop meester den +dop op de pijp zette. Nu trok hij een poosje achter elkaar, dan legde +hij de pijp neer, nam de zijden pet van 't hoofd en zei ernstig: +„<span xml:lang="fr">Prions!</span>”<span class="pagenum" title="225"></span><a id="p_225"></a> Wij vouwden de handen, sloten de oogen, luisterden naar het +suizende gaslicht en naar de eerbiedige stem: „<span xml:lang="fr">Notre père qui est aux +cieux! Ton nom soit <ins class="corr" id="corr18" title="Bron: sanctifiè">sanctifié</ins>. Ton règne vienne!</span>” Er +zweefde stille vrede in onze harten.</p> + +<p>Pas had het „<span xml:lang="fr">Amèn</span>” onze oogen en handen ontsloten, of we hoorden: +„<span xml:lang="fr">Chantons</span>—pseaume....” Dan sloegen we de psalmboeken open, echte +Fransche, zochten het lied op, en zongen. Terwijl ik dit schrijf, valt +me een lied in, dat ik toen geleerd heb, met dit slot:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza2" xml:lang="fr"> + <span class="i0">Amen! Amen!<br /></span> + <span class="i0">Purifie,<br /></span> + <span class="i0">Sanctifie,<br /></span> + <span class="i0">Renouvelle<br /></span> + <span class="i0">Tout en nous, Sauveur fidèle!<br /></span> +</div> +</div> + +<p>en ik hoor de kinderstemmen nog, gedragen door meesters stem, en +wegstervend in de donkere einden van het groote lokaal.</p> + +<p>Van zoo'n avondschool ging kennis en wijding uit en 't was ons daar +beter, dan dat we ons thuis verveelden of op straat bedierven. Om +opvoedkundige redenen is de avondschool overal afgeschaft. Maar als ik +nu nog op een avondcursus de kinderen zoo stil genoegelijk zie werken, +denk ik: Wat zit jelui hier vredig! En wat heb je het toch goed!</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p><span class="pagenum" title="226"></span><a id="p_226"></a></p> + +<p>Dat lijkt sommigen misschien wat erg bekrompen ouderwetsch en zeer +bevreemdend van iemand, die zoo hardnekkig pleit voor vrijheid en spel +en tegen leerdwang. Maar wie trouw gevolgd heeft, wat door dien +hardnekkigen pleiter verdedigd en bestreden is, die weet wel, dat het +nooit ging tegen het leeren, maar tegen de vervloekte kunst om het +leeren tot een ellende te maken, tot een hersenkwelling en +zenuwvernieling. Leeren moet een vreugde zijn, en het kan een vreugde +zijn. Maar de examens, het opdrijven boven peil, bederven het genot. +Kinderen leeren graag, naar de mate hunner capaciteit. Maar de school +houdt geen rekening met die capaciteit en maakt zoo den zin tot +tegenzin.</p> + +<p>Prof. Jelgersma—en hij kan het weten—heeft eens geschreven, dat nooit +het werken iemand zenuwziek maakt, maar wel de onrust, de spanning, de +zorg. Mijn eigen ervaringen bevestigen deze uitspraak. Natuurlijk heeft +onze arbeidskracht haar grens, maar de instortingen in mijn leven zie ik +heel duidelijk als gevolgen van emotievolle tijden, tijden van kommer en +angst. Het zijn de <i>gemoeds</i>kwellingen, die ons knauwen. En dit is zoo +waar, dat juist meermalen de arbeid, in stede van een ondermijner, een +hersteller onzer gezondheid is. Werk maar, werk maar trouw, volhardend, +inspannend. Echter—werk met liefde. Laat je werk een vreugde zijn. En +dan bevordert het je gezondheid.</p> + +<p>Mijn jeugdherinneringen prediken mij dit ook met overgroote klaarheid en +zekerheid. De arbeidsdrift en<span class="pagenum" title="227"></span><a id="p_227"></a> de arbeidskracht mijner schooljaren +hebben mijn gezondheid nooit geschaad, doch wel mijn lichamelijken en +zedelijken welstand gebaat. Maar als door averechtsche schooltucht het +leeren tot een straf werd, dan liep het mis. En nu zal men wellicht mijn +achterlijke ingenomenheid met de avondschool begrijpen. Wij werkten met +lust. Hoe meer de kinderen leeren en werken, des te beter. Mits lust de +drijfveer en vreugde de vrucht is.</p> + +<p>Van mijn afgescheiden school heb ik nog eenige herinneringen mee te +deelen. Die bewaar ik echter tot het slot. Eerst werpen we nog een blik +in het hartje van den Jordaan en dan gaan we naar de nieuwe woning in de +Nieuwe Leliestraat.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="228"></span><a id="p_228"></a></p> + +<h2><a id="JORDAANPAEDAGOGIEK"></a>JORDAANPAEDAGOGIEK.</h2> + +<p>De Jordaan, de Amsterdamsche, heeft niets te maken met de gelijknamige +rivier in Kanaän. Vroeger waren er in deze volksbuurt der hoofdstad +allemaal tuinen. De Fransche vluchtelingen, de refugiés, vestigden zich +daar en zij spraken van „<span xml:lang="fr">les Jardins</span>”. Vandaar de naam.</p> + +<p>Het is wel eigenaardig, dat deze naam, die geen enkel officieel cachet +heeft, in den volksmond is blijven voortleven. De stadhuisregisters +kennen hem niet, maar bij de geboren Amsterdammers zal hij niet gauw +wegsterven.</p> + +<p>De herinnering aan <span xml:lang="fr">les Jardins</span> wordt, behalve door de verbastering +Jordaan, ook bewaard in de namen der straten en grachten. Wie deze +hoort, waant zich in een lusthof verplaatst Alles spreekt van bloemen en +boomen. De Palmgracht, de Goudsbloemstraat, de Lindengracht, de +Anjelierstraat, de Tuinstraat en de Eglantiersgracht, de Leliestraat en +de Bloemgracht, de Laurier- en zelfs de Rozenstraat. Het geurt en kleurt +om u heen. Dáár zoudt ge willen wonen. Onder de palmen, tusschen de +rozen.</p> + +<p>Wees voorzichtig. Namen bedriegen. Op de Lindengracht was mijn eerste +school, en het stonk er. Op<span class="pagenum" title="229"></span><a id="p_229"></a> de Bloemgracht mijn tweede, en het stonk er +ook. Op de Eglantiersgracht woonden we, en het stonk er afgrijselijk. +Geen wonder: de gracht was zoo iets als een groep voor het menschelijk +vee, alle emmers met excrementen uit de heele buurt werden er avond aan +avond in leeggestort. Die schonken hun geuren aan <span xml:lang="fr">les jardins</span>. Zoo +leefden we daar tusschen rozen en anjelieren. Ik weet nog, dat er een +cholera-epidemie heerschte. Duinwater hadden we niet, elken dag voeren +er schuiten met vaten zuiver drinkwater door de gracht, en terzelfder +tijd spoelden sommige vrouwtjes hun waschgoed in die grachten uit. 't +Water zag er altijd vuilzwart: leliën en rozen. En de bakker maakte er +zijn dweil in nat, waarmee hij den oven „reinigde” voor ons brood.</p> + +<p>Ook de meeste straten waren vuil. Glibberige keitjes tusschen armoedige +huizenrijen. Wie laurieren en goudsbloemen verwachtte, vond gore +onderkleeren, afhangend van droogstokken.</p> + +<p>Het is nooit verstandig, straten en ook meisjes van die heel mooie namen +te geven. Men weet niet, of ze de belofte van hun naam vermogen te +houden en zoo loopen ze gevaar, levenslang, bij iedere kennismaking, in +zichzelf een teleurstelling aan te bieden.</p> + +<p>Allereerst aan het Oranjehuis is het gelukt, een inval te doen in die +rijen van bloemen en groen. Vroeger heette een der grachten, n.l. de +Goudsbloemgracht, in den volksmond <i>het Fransche pad</i>. Je had daar, ter +weerszijden van een drabbig water, smalle, slecht geplaveide wegen. +Franschen woonden er niet meer,<span class="pagenum" title="230"></span><a id="p_230"></a> wel dieven en ander gevaarlijk volk. +Wij, jongens, wisten elkaar te vertellen van zulk een held, die, door de +politie achtervolgd, royaal over de gracht sprong en zoo zijn vrijheid +redde. Het was „De achtkante Boer”. Overigens leefde dit Fransche pad +bij ons alleen voort in een verachtelijken scheldnaam. Wie ons à l te min +was, scholden we uit voor Franschepatter. In den Haag zegt men tegen zoo +iemand: stuk vullis.</p> + +<p>Het Gemeentebestuur vond het verstandige opvoeding zijner burgerij, de +gracht van dit Fransche pad te dempen, waardoor het in een breede straat +veranderde, toegankelijk voor handhavers der orde. Maar het gaf daarbij +een tweede bewijs van paedagogisch inzicht. Het liet de straat naar +Koning Willem III vernoemen, door Z. M. plechtig openen, en sedert +verdwenen de namen van Goudsbloemgracht en Fransche pad voor dien van +Koning Willemstraat. De Jordaners waren altijd reeds beroemd door hun +Oranjeliefde, maar nu was Oranje hun een broeder, en meer dan dat. +Wanneer Koning Willem III zijn jaarlijksch bezoek aan de hoofdstad +bracht en dan natuurlijk ook in open rijtuig de Willemstraat bezocht, +spanden zijn trouwe Willemstraters de paarden van den wagen en trokken +dien zelf in statigen optocht langs hun heirweg. Dat was een jaarlijksch +verbond tusschen Bokkebek, den Koning van de Willemstraat, en Willem +III, Koning der Nederlanden.</p> + +<p>Wat is een naam? vraagt de dichter.</p> + +<p>Een naam is een levenslange ontgoocheling. Maar een naam is ook een eer, +een verplichting, een verantwoordelijkheid, <span class="pagenum" title="231"></span><a id="p_231"></a>en dan is hij een stuk +opvoeding. Maak van uw Franschepatters—Willemstraters.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Zoo ziet men, hoe er uit dien vuilen Jordaan nog paedagogiek kan +opbloeien. Met de paedagogiek is het trouwens evenals met de poëzie, ze +schuilt</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <span class="i0">Overal, mijn vrinden.<br /></span> + <span class="i0">'t Is de vraag maar, wie haar al,<br /></span> + <span class="i0">Wie haar niet kan vinden.<br /></span> +</div> +</div> + +<p>Dat móét immers ook? De paedagogiek is een levenskracht, die in heel de +menscheid en zelfs in de dierenwereld werkt. Sinds men echter een +paedagogische priesterschap heeft, die haar paedagogisch leerstelsel +heeft opgebouwd, is de paedagogiek schuil gegaan, en kost het vaak +moeite haar op te sporen. Het zuivere hemelwater is tot staande grachten +geworden, vol menschelijke onreinheid, stinkende van domheid en +pedanterie. Geef den menschen zoo'n leerstelsel, en zie, wat ze er van +terecht brengen. Je kunt ze er in examineeren, maar dan—in de +practijk—laten ze het in den steek, omdat het hen in den steek laat. De +priesters hebben altijd het werk der profeten bedorven. Wie iemand +paedagogisch wil sterken, brenge hem in aanraking met de paedagogische +profeten. Van hen gaat kracht uit, die onze krachten wekt en ontwikkelt.</p> + +<p>In ieder menschelijk wezen—en in hoeveel dieren—leeft <span class="pagenum" title="232"></span><a id="p_232"></a>een +paedagogisch instinkt. Vandaar dat we overal opvoeding zien, opvoeding +móéten zien. Naarmate we die opvoeding meer beperken tot een bepaalde +klasse, zal ze er te treuriger aan toe zijn. Dan verdroogt de +levenskracht tot schoolmeesterij.</p> + +<p>Ziedaar, zelfs Willem III was een opvoeder, toen hij zich door de +Willemstraat liet trekken. Zonder karton- of houtslöjd paste hij daar de +zelfwerkzaamheid toe. Hij stelde die mannen in de gelegenheid, iets voor +hem te <i>doen</i>. Iets dat ze graag deden. Iets dat hen een eer werd, een +levenslange trots: „<i>Ik</i> heb den Koning nog voortgetrokken!” Daarmee +riep hij van het beste wakker, wat in die mannen leefde: huldigende +toewijding aan Majesteit.</p> + +<p>Vischkoopers, kroeghouders, geldschieters in zelfgewilde dienstbaarheid +zich te doen inspannen voor Majesteit, zij het aardsche, het is een +begin van zedelijke opvoeding. En het is de bittere fout onzer +hedendaagsche zoogenoemde democratie, dat ze den eerbied voor Majesteit +vernietigt. O, ik weet, dat er veel valsche majesteit is, maar daarom +kan dat eerbiedsgevoel toch echt zijn. En niet die majesteit daar +buiten, maar dat eerbiedsgevoel daar binnen is de opvoedingskracht. +Wellicht buigen wij allen voor valsche majesteit, wij blinde zoekers der +Waarheid. Doch beter is het, een Koningskar voort te trekken, dan den +zegewagen van de Zelfzucht. Als er maar een element van toewijding is!</p> + +<p>Jaren later heb ik in denzelfden Jordaan het zoogenaamde palingoproer +bijgewoond. Het Gemeentebestuur <span class="pagenum" title="233"></span><a id="p_233"></a>had een aloud volksvermaak verboden, +waarbij een paling aan een touw boven het grachtwater hing en gegrepen +moest worden door een onder het touw door varenden man. Zoo iets als het +katknuppelen, maar weer wat anders.</p> + +<p>Het verbod was gerechtvaardigd,—ofschoon, als men toch beschermen wou, +er in de gevangenissen en bordeelen heel wat menschen nóg dringender +behoefte aan hulp hadden dan die paling.</p> + +<p>'t Ging echter waarschijnlijk minder om het palingbelang dan om de +zedelijke opvoeding der Jordaners, die nu toch eindelijk eens afstand +moesten doen van zoo onmenschelijk vermaak. Afstand, nog eer ze er in +hun hart afstand van hadden gedaan.</p> + +<p>De Jordaners verzetten zich, en soldaten trokken den Jordaan binnen. Het +werd een formeel oproer.</p> + +<p>Natuurlijk wonnen de geweren het en tegenwoordig worden de palingen +alleen maar levend gevild en in stukken gesneden door de gemoedelijke +handjes der vriendelijke vischvrouwen. Meneer het Gemeenteraadslid ziet +het zonder gewetenswroeging aan, zijn kinderen kijken ook met een zeker +welgevallen. Het vischvrouwtje doet het zoo kwiek, en paling is lekker. +Maar de Jordaners mogen niet meer „palingtrekken”, denken er niet eens +meer aan. Dat is voorbij. Door kogels getroffen.</p> + +<p>En dit was nu juist de fout, dat de kogels het geveld hebben.</p> + +<p>Er was een betere manier geweest.</p> + +<p>Men had er Willem III voor moeten spannen. Gelijk<span class="pagenum" title="234"></span><a id="p_234"></a> de Jordaners Zijne +Majesteit hadden voortgetrokken, had deze Majesteit—majesteitelijke +roeping en roem!—zich in dienst moeten stellen van hun zedelijk heil.</p> + +<p>Men had de voornaamste palingtrekkers moeten opzoeken, hen uitnoodigen +tot een vergadering ten Raadhuize, en daar had de Burgemeester, ter eere +der vergadering in ambtsgewaad, moeten zeggen, hoe graag de Koning wou, +dat dit vermaak uit „Zijn Jordaan” verdween, om dan te vragen, of de +mannen daar geen middel op wisten: „De Koning vond, dat de Jordaners +tegenwoordig te hoog stonden voor zulk een toch altijd wreed genoegen.” +En dan had men het daarheen moeten sturen, dat bij het eerstvolgend +bezoek van Willem III een eere-comité van Jordaners onder leiding van +Bokkebek, den Koning, „het besluit der burgerij” meedeelde, om voortaan +ter liefde van hun vorst en de palingen, niet meer aan het palingtrekken +te doen.</p> + +<p>Dan had men, en waarlijk opnieuw zonder houtslöjd, de zelfwerkzaamheid +in actie gebracht ten bate van het zelfheil.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Doch wellicht vindt deze of gene, dat deze paedagogiek een politiek +bijsmaakje heeft, dat zij eigenlijk slinksche middelen gebruikte, en, om +het maar ineens te zeggen, in haar wezen onoprecht was. Koning en +Burgemeester zouden zeer goed geweten hebben, dat de Jordaners <i>niet</i> te +hoog stonden voor dat wreed genoegen, en heel die opgezette komedie zou +niet anders<span class="pagenum" title="235"></span><a id="p_235"></a> geweest zijn dan een speculeeren op de menschelijke +ijdelheid, dus op een menschelijke fout.</p> + +<p>Laat de Jordaan mij tegen deze bedenking mogen verdedigen.</p> + +<p>Het is marktdag en de Noordermarkt is vol kooplui en koopers. Er liggen +allerlei nuttige en noodige dingen, die de drentelende burgervrouwtjes +vandaag voor een prijsje willen meester worden. Maar daar staat ook een +koopman, die iets totaal overbodigs aanbiedt. Niemand zal zoo gek zijn, +daarvoor zijn geld uit te geven. Zoo meent ge. En de omgeving van het +kraampje is ook dood van leegte. Maar wacht een oogenblik. De koopman +begint met rijksdaalders te werken. Hij smijt ze tegen een tafelblad, +zoodat ze terugspringen, vangt ze op, laat ze rinkelen, gooit ze omhoog, +weet ze met een sierlijken greep te vangen, en binnenkort staat hij +midden in een breeden kring van menschen. Eerst kwamen de jongens en +gaapten zijn kunsten aan, toen ook de mannen en de vrouwen. De blinkende +geldstukken, neen de wijze waarop de koopman er mee manoeuvreerde, heeft +het volk doen toestroomen. En onder de hand heeft de kunstenaar, steeds +oreerende, iets aangeduid van hetgeen hij het achtbare publiek wenscht +aan te bieden.</p> + +<p>Het publiek wacht en kijkt. Het is nieuwsgierig. Maar geen sterveling is +van plan iets te koopen. Ze hebben hun geld te lief en geven niets om +die prullen. Doch ze kennen den koopman niet en hun eigen rampzalige +zwakheid. Hij haalt iets onder zijn tafel vandaan. Een doos. Hij opent +ze. Het publiek rekt de<span class="pagenum" title="236"></span><a id="p_236"></a> halzen uit om te kunnen zien. Hij neemt iets +tusschen wijsvinger en duim, maar 't blijft nog verborgen. Nu roemt hij +de deugden van dit inderdaad buitengewone. Men zou al geld geven, om het +te mogen aanschouwen. En dan te denken, dat je zoo iets bizonders voor +luttel geld je kunt toeëigenen. Dat je 't je heele leven kunt meedragen. +Het is een zeldzaam kansje. En uit een omhulling van rose watten—zoo +waardevol bergt men geen prullen—wikkelt de koopman het wonder te +voorschijn. En dat kun je nu krijgen voor slechts vijf cent.</p> + +<p>De jongens hebben geen vijf cent Zij gapen het wonder maar aan. Doch die +mannen, en die vrouwen, de centen rammelen al in den zak. Komaan meneer, +is het niets voor uzelf, dan is het toch voor uw kinderen. Komaan +juffrouw, u hebt zoo iets toch immers nog nooit in huis gebracht? En +meneer laat zich verleiden: Vooruit, geef me dan maar zoo'n dingetje. De +centen telt hij al neer. En de juffrouw laat zich verleiden. En anderen +volgen. En het is den slimmen koopman gelukt, de menschen zoo ver te +brengen, dat ze het geld offerden, dat ze noodig hadden en wilden +behouden, en een prul mee naar huis namen, dat ze niet behoefden en +eigenlijk zelfs niet eens begeerden.</p> + +<p>Die koopman heeft maar één methode: beduvel je menschen.</p> + +<p>En die methode heeft succes. Alleen, hij wendt haar aan tot nadeel van +zijn volk en ten bate van zichzelf. Daardoor is hij geen paedagoog. Maar +had hij omgekeerd <span class="pagenum" title="237"></span><a id="p_237"></a>het heil van anderen op 't oog en wilde hij daartoe +zelf offers brengen, dan was hij met zijn methode van „beduvel ze” een +geboren opvoeder. Of is het niet onze grootste kunst, kinderen en +menschen het goede te laten doen, waar ze in hun hart afkeerig van zijn? +Hen smaak te doen krijgen in hetgeen hen noodig maar niet aantrekkelijk +is?</p> + +<p>„Jordaanpaedagogiek!” roept hier de echte paedagoog verachtelijk uit. +„Een paedagogiek, die haar achterbuurtsche afkomst niet verloochent. Men +kan wel zien, dat deze paedagoog een Jordaankind is, bij vunzige +grachten opgegroeid.”</p> + +<p>Dat is hij. Maar nu blijkt meteen zonneklaar, dat hij geen paedagoog is, +hetgeen hij, ziende de echte paedagogen, wel altijd gevoeld heeft.</p> + +<p>Stel u voor: de methode van beduvel ze maar. En dat in naam der +pae-da-go-giek!</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Er was r's een moeder, die altijd 's avonds, als het bedtijd was, tegen +haar spruit zei: „Kom, nu gaan we ons eens lekkertjes uitkleeden en dan +lekkertjes naar bed.”</p> + +<p>Nu moet ge weten, dat die spruit het lang niet lekkertjes vond, het +uitkleeden niet en het naar bed gaan ook niet, en veel liever bleef +spelen. Maar als moeder dat zoo zei, dan was het net, of er over het +uitkleeden en naar bed gaan een zekere bekoring kwam, of het vriendelijk +licht, dat den heelen avond het spel beschenen had, wat draaide en zijn +schijnsel<span class="pagenum" title="238"></span><a id="p_238"></a> wierp om den stoel waar 't kind zich ontkleedde. Het +speelhoekje kwam in den schaduw.</p> + +<p>Een gewoon mensch, die geen verstand van paedagogiek heeft, begrijpt dit +best. Er is inderdaad zoo'n lichtje in 't moederhart, en dat straalt +zijn schijnsel in stemmende woordjes uit. Als moeders zoo iets zeggen, +verwisselen lust en onlust in 't kindergemoed. Dat is de wonderlijke +uitwerking van haar woorden.</p> + +<p>Maar eigenlijk volgde moeder daarbij die veroordeelde methode van +je-weet-wel.</p> + +<p>Toen kwam moeder eens in aanraking met een echte paedagoog, nog wel een +moeder, en die keurde de gevolgde manier beslist af. Die deed het +paedagogisch. Het kind moest op tijd eindigen met zijn spel en dan naar +bed, lekkertjes of niet. En zoo gebeurde 't ook bij haar kind. Maar 't +ging altijd met tegenzin; en als 't heel mooi was met gelaten berusting. +Nooit met een warm gevoel van vriendelijke instemming. Moeder, ik bedoel +nu de eerste, zag dat, en ze had een buitengewoon respect voor die +degelijkheid, maar ze bleef toch maar liever bij haar eigen manier: die +vond ze voor 't kind gezelliger, en eigenlijk ook voor haarzelf.</p> + +<p>Doch ik geloof, dat ik haar begrijp. Ze wilde zoo graag, dat het kind +lekkertjes ging slapen, ze vond het voor 't kind zoo goed als het, +zonder conflict, in die zachte stemming het spel verving door de +nachtrust. Ze wist echter wel, dat zoo'n overgang voor 't kind moeilijk +is, en om het nu daarbij te helpen, kwam ze het kind met háár stemming +te gemoet. Wat heilzaam was voor 't kind, maar door jeugdige<span class="pagenum" title="239"></span><a id="p_239"></a> kracht nog +niet spontaan en zonder bijstand ontwikkeld kon worden, kwam nu te +voorschijn—en toch <i>in</i> het kind—door moeders wijze, liefdevolle, +steunende inwerking. Deze riep in het kind iets wakker.</p> + +<p>Neen, dat is geen bedriegen. Met leugens heeft men nooit succes. Die +mogen ons voor 't oogenblik uit den nood helpen, ze brengen ons in 't +spinrag der onwaarheid, waarin we steeds meer verward raken.</p> + +<p>Die methode van „beduvel ze maar” bedoelt, het goede in kind en mensch +op te roepen, dat er in aanleg aanwezig is, en daarmee te overwinnen het +kwaad dat dreigt of heerscht.</p> + +<p>De potentiëele deugd reëel te maken.</p> + +<p>Den engel aan te gorden tegenover den duivel.</p> + +<p>En daarom moest ze in de paedagogiek eigenlijk heeten: Verengel ze maar.</p> + +<p>Dat klinkt echter te mooi voor Jordaanpaedagogiek. We zeggen het daar +liever wat ruw. Maar we meenen het daarom toch goed. En wellicht dat +menig onderwijzer, die zijn kinderen dag aan dag moet inprenten, wat die +schapen absoluut onverschillig is, en die naar zijn zin de medewerking +dier kinderen bij toepassing der heerschende methoden niet in voldoende +mate kan winnen, wat meer succes heeft, als hij 't eens probeert met de +methode van.... doch nu weet hij 't al.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="240"></span><a id="p_240"></a></p> + +<h2 id="IN_T_NIEUWE_HUIS">IN 'T NIEUWE HUIS.</h2> + +<p>Menige woning is als de schelp van een weekdier. Je kruipt er van voren +in en dan ontwikkelt zich een stel ruimten, met aan alle zijden wanden. +Wil je er uit, dan dien je weer terug te kruipen. Toegang en uitgang +zijn dezelfde.</p> + +<p>Dat geeft altijd zoo iets beklemmends. Overal stuit je tegen muren. Als +de voordeur achter je gesloten is, ben je gevangen. Je bent in een fuik +gezwommen. Aan den achterkant is geen uitbreken.</p> + +<p>Zoo kan je ook zoo leelijk een vereeniging, een partij binnenzwemmen. +Ben je er eenmaal in, dan kun je geen hand uitsteken, of je slaat tegen +een muur van het programma. Akelig benauwd. Je dacht je tusschen die +wanden recht behagelijk en thuis te voelen? Niets er van. 't Zijn +dwangbuizen voor je geest. Je willen en je denken, je neigingen en je +inzichten botsen voortdurend tegen de geformuleerde overtuigingen en je +dankt den hemel, als je er goed en wel uit bent, zij het ook, dat ze je +door het inkruipgat er principiëel hebben uitgesmeten.</p> + +<p>Dan ben je weer heerlijk in de vrijheid.</p> + +<p>Het nieuwe huis had gelukkig een achteruitje.</p> + +<p>Wanneer je had aangebeld, kwam je in de gang.<span class="pagenum" title="241"></span><a id="p_241"></a> Een zijdeur gaf toegang +tot de „zijkamer”. Als kind heb ik bij dezen naam nooit aan de +eigenlijke beteekenis gedacht. Die zijkamer was de mooie kamer, daar +stonden de beste meubelen, daar zat je alleen zondags, daar ontving je +visite. Er was dus iets fijns aan dien naam verbonden, en dit hoorde ik +in den naam. Ik dácht er niet bij aan zijde en satijn, maar ik kwam er +bij in een stemming van die stoffen. De zijkamer behandelde je met een +zekere reverentie, gelijk een zijden japon. Dat was geen stuk +gemeenzaamheid. En als je tegen een bezoeker zei: „Ga u maar even in de +zijkamer,” dan kwam er, en niet alleen door de beleefdheid, iets zijigs +in je stem.</p> + +<p>Ziedaar het effect der klanken. Fijne, mooie, beschaafde klanken kunnen +beschavend werken door het intoneeren van fijne stemmingen.</p> + +<p>Aan 't eind van de gang kwam je door een andere deur in de huiskamer. +Hier was het, dat we in schemeravond onze liederen zongen, op stoelen en +op den grond om de kachel gegroept. Vulkachels waren er toen gelukkig +nog niet. Je moest nog telkens „een schepje op de kachel” doen, je zag +den pot gloeien, je zag bij 't poken de vonken vallen, ja zag zoo'n +heerlijk warmgeel licht uit het pookgat schijnen, altemaal genietingen, +waarvan de gemakzucht, de techniek, de hygiëne en andere +ongerechtigheden ons hebben beroofd. Vader stak den pook in de kachel, +om met de punt zijn pijp aan te steken; een stukje roodvlammend leven +midden in de duisternis. Onze kinderoogen genoten van alles. Met volle +teugen dronken <span class="pagenum" title="242"></span><a id="p_242"></a>we de poëzie van dit huiskamerleven in. De zijkamer had +iets stijfs en kils. Maar de huiskamer—ze mocht dan laag en donker zijn +met dat eene raam op den tuin, ze mocht vol rook hangen van Vaders pijp, +ze mocht door gloeiende kachel, bedstede en nog zoo een en ander een +benauwde atmosfeer hebben, ze was toch een gezegend oord. Er zweefden +gezelligheid, vertrouwelijkheid, hartelijkheid. Je voelde je er warm en +veilig.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Ga nu eens mee voor dat eene raam zitten. Dan zie je tuintjes. Hier vlak +voor je is ons eigen tuintje. Eerst een plaatsje en daarachter een +tuintje, beide maar klein. Het plaatsje van groote vierkante tegels, het +tuintje niet anders dan een lapje zwarte grond. In drie of vier stapjes +heb je beide doorloopen. Maar toch een tuintje. Een lage, donkere +schutting scheidt het, rechts, van buurmans tuintje. Daar kun je ook in +kijken. En dan ligt er weer een, en nog een, en nog een, een heele rij. +Links staat een vrij hoog houten loodsje van twee verdiepingen, dat daar +het terrein en alle uitzicht afsluit. Maar achter ons tuintje en dat van +de buren zie je weer de tuintjes van de achterburen. Die zijn grooter +dan de onze, want daar wonen rijkere menschen. In hun tuinen staan heele +boomen, waar de musschen in sjilpen.</p> + +<p>Is dat niet een heerlijk bezit? Ruimte, lucht, groen, vogels.</p> + +<p>Toen we bij 't verhuizen onze eerste stappen in de<span class="pagenum" title="243"></span><a id="p_243"></a> nieuwe woning zetten +en ik door dit eene raam keek, wist ik niet wat ik zag. Echte boomen. +Aanstonds ging ik uit de huiskamer de keuken in, opende een glazen deur, +liep een trapje af, en stond buiten. Ik keek rond als Columbus. Een +nieuw werelddeel. En alles even verrukkelijk. Daar was een waterput. Als +je er op ging staan, kon je over de schuttingen kijken. Ik deed het. Wát +een ruimte! En hoor die vogels! Misschien kon je ze lokken en kwamen ze +ook hier in den tuin. Dan was je heelemaal buiten.</p> + +<p>Wanneer ik nú ons tuintje zag en daar mijn buitengenietingen moest +maken, zou ik me zeker erg mistroostig voelen. Ik ben nu, helaas, +zooveel beter gewoon. Maar toen? 't Was voor 't eerst van mijn leven, +dat we de weelde van zoo'n tuin hadden. En dan is ieder plekje grond een +verrukking. Vader nam natuurlijk den aanleg van 't geheel voor zijn +rekening. Die goede man genoot niet minder dan wij. Als een kind was hij +in zijn schik. De winkel met al zijn zorgen lag achter hem. Doodarm had +hij dien verlaten. Hij had een soort betrekking gekregen aan „'t Heeren +Logement”, een inrichting waar allerlei inboedels verkocht werden, een +venduhuis. Hij verdiende er luttel. Maar de kwellende angsten van den +verloopenden winkel was hij kwijt, en nu genoot hij inderdaad als een +kind.</p> + +<p>„Tegen die schutting zullen we lathyrus zetten.” Ik hoor het hem nog +zeggen. Het pijpje in den mond, het onmisbare „krommertje”, scharrelde +hij nu over het plaatsje, in 't schuurtje, door den tuin. Een spa<span class="pagenum" title="244"></span><a id="p_244"></a> en +een hark had hij al weten machtig te worden. En daar spitte en harkte +hij al zijn zorgen mee weg, in misschien twaalf vierkanten meter zwarten +grond. Ik zie hem nog alle steenen en vuil opruimen, een perkje +aanleggen, een paadje plat trappen. En ik mag hem helpen. Ik ga met hem +mee naar de Bloemmarkt, op den Singel bij de Munt, wat planten koopen en +zaad. De namen „geranium” en „lathyrus” met de spelling er bij heb ik +toen geleerd. Vaders liefhebberijen wekten en bevredigden mijn +leergierigheid.</p> + +<p>Een nieuw huis, een nieuwe omgeving, een nieuw leven. Uiterst bescheiden +in zijn behoeften, was Vader gauw voldaan en gelukkig. Als die ellendige +geldzorgen maar niet drukten. Daarvoor alleen was hij bang. Hij was +absoluut geen man, om zelfstandig zaken te drijven. Hij was een model +van trouwe gehoorzaamheid, een uitstekend dienaar. En zoo was hij dan +nu, bevrijd van zijn bezit, ontheven van zijn verantwoordelijkheid, +onttroond als chef, den koning te rijk. Menigeen krijgt het beter door +een vermindering. Waarom zoeken de menschen toch zoo vaak hun ongeluk in +een levenspositie, te groot voor hun aanleg?</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>We woonden in de Nieuwe Leliestraat. Vader had een gering inkomen. Waar +leefden we dan van? Christine, de oudste, ging in een betrekking, voor +nacht en dag, als winkeljuffrouw. Dan had ze tenminste goede +huisvesting, goeden kost, en wat geld voor haar kleeding. Maar dat geld +ging meer naar Moeder<span class="pagenum" title="245"></span><a id="p_245"></a> dan naar de kleederwinkels. Het lieve meisje kon +het niet voor haarzelf besteden, als ze wist dat Moeder „zonder een cent +zat”. En dan worden zulke meisjes wel eens beschimpt, omdat ze er zoo +kaal uitzien.</p> + +<p>Daarbij begon de oudste zoon al wat te verdienen en waren er twee +kostjongens. Op die manier scharrelden we er doorheen.</p> + +<p>Hoewel ik toen pas 10 jaar was, wist ik toch precies en weet ik nu nog, +hoeveel er elke week inkwam. Ik weet zelfs, hoeveel kostgeld er voor die +twee jongens werd betaald. In de armoede leven de kinderen veel meer met +het gezin en zijn nooden mee, dan in de welvaart. Hoeveel kinderen in +den gegoeden stand van 10, neen 20 jaar, hebben een flauw besef van wat +Vader verdienen moet, om het gezin te onderhouden, zijn jongens te laten +studeeren? Daar leven de kinderen zoo zeer in de onbezorgdheid, dat het +wel eens in de zorgeloosheid wordt. Zij spelen student, maken +naaistersrekeningen, zonder ooit „te rekenen”. Dat geld komt er wel, +daar bekommeren ze zich niet om. Zoo leeren ze niet waardeeren de +inspanning der ouders, niet kennen de waarde van 't geld, en verstaan +niet tijdig de kunst evenwicht te bewaren tusschen inkomsten en +uitgaven. Armoede is een opvoedster voor 't leven, kan het althans zijn.</p> + +<p>Zullen we nu zeggen: we moeten de armoede zoeken, opdat we in haar een +goede opvoedster voor onze kinderen hebben? Dat nooit, daartoe gaat ze +met te veel bittere ellende gepaard: ziekte, angst, vernedering. Maar +wel acht ik een sobere levenswijze zeer gewenscht, <span class="pagenum" title="246"></span><a id="p_246"></a>en daarbij zulk een +samenleven van oud en jong, dat de jongeren geleidelijk en als vanzelf +in de levenspraktijk komen. De kinderen mogen gerust weten wat dit en +dat kost, en dat er maar zóóveel beschikbaar is, en dat we ons deze of +gene zelfs kleine weelde moeten ontzeggen. Vele ouders houden zich +echter liever groot voor hun kinderen; andere bewaren een zekere +geheimzinnigheid: „zulke dingen gaan den kinderen niet aan”, nog andere +kunnen hun kinderen niet gelukkig maken zonder ze te overladen. Met +zorg? Kun je denken. Met heerlijkheden.</p> + +<p>Nood leert bidden <i>en werken</i>. Zorg leert zorgen. En het kan voor een +kind niet anders dan goed zijn, als het intieme gezinsleven, rekening +houdend met kinderkrachten, het kind actief betrekt in zijn +moeilijkheden. Dat is ook een „leeren door doen.”</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Ik zie, nu al bijna dertig jaar, hoe zeer vele ouders mijner leerlingen, +menschen die er geldelijk volstrekt niet slechter bij staan dan +ind'rtijd mijn ouders, hun jongens zoo gauw mogelijk uit geldverdienen +sturen en er niet aan denken die kinderen een vak te doen leeren. +Jongens, die goed het zesde leerjaar hebben doorloopen, worden eenvoudig +loopjongen in een winkel. Bij uitzondering gaat er een naar de +ambachtsschool, en al hun kennis van taal, rekenen, geschiedenis, +aardrijkskunde zijn ze binnen eenige maanden verloopen in hun nieuwe +wereld van belangen. Die laten ze graag slippen bij al hun gesjouw door +de stad.</p> + +<p><span class="pagenum" title="247"></span><a id="p_247"></a></p> + +<p>Hoe kwam het nu, dat mijn ouders, onder alles door, zoo trouw zorgden +voor goede scholen en twee hunner jongens de heele ambachtsschool lieten +doorloopen, terwijl de derde voor onderwijzer mocht leeren, d. w. z. +vóór zijn achttiende jaar bijna niets thuis bracht?</p> + +<p>Ik meen hier een leerzaam verschijnsel te ontdekken. Vader en Moeder +hadden het wel heel zorgvol, maar niet door eigen lakschheid, niet door +eigen geestelijk of zedelijk onvermogen. Beiden waren van goede afkomst, +beider familiën behoorden tot dat deel van den burgerstand, waaruit +dokters, notarissen, predikanten, handelaars voortkomen, beiden hadden +een ontwikkelde opvoeding genoten. Maar Vader leed aan toevallen en al +zijn bekwaamheid en braafheid konden hem niet in een betrekking +handhaven. Daar zat de hoofdoorzaak van den achteruitgang. Voor +winkeldrijven had de goede man niet de noodige talenten—men is koopman +of men is het niet—en iederen anderen werkkring bekleedde hij slechts +zoo lang, tot hij in zijn arbeid een toeval had gekregen. Daar waren de +menschen bang voor, patroons zoowel als mede-ondergeschikten, en Vader +werd ontslagen. Later hoop ik van deze bittere ellende voor die twee zoo +goed kunnende en zoo goed willende menschen iets meer te vertellen, maar +nu moest ik reeds het feit mededeelen. De <i>oorzaak</i> der armoede is van +overgroot belang voor de opvoeding en de toekomst der kinderen. Moreele +en geestelijke verslapping laten de kinderen los, in wie vaak reeds +dezelfde lakschheid en lamlendigheid <span class="pagenum" title="248"></span><a id="p_248"></a>huizen. Maar mijn ouders behielden +onder allen tegenspoed hun energie, lieten zich niet wegzinken, +trachtten zich aldoor op te houden en op te werken, kampten alleen tegen +een overmachtigen vijand, doch hielden den strijd vol tot hun kinderen +volwassenen waren; ze offerden die kinderen niet op, maar zochten er van +te maken wat onder de gegeven omstandigheden maar eenigszins mogelijk +was, ja, beproefden in hun kinderen de verloren maatschappelijke positie +te herwinnen.</p> + +<p>En dat is hun gelukt Dat hebben ze nog mogen beleven. In hun +maatschappelijken strijd ging het eerst al maar naar beneden: er werd +kind op kind geboren, tot zeven toe, en betrekking na betrekking +verloren. Daarna bleef het jarenlang worstelen in de diepte. Maar toen +ging het geleidelijk omhoog: de kinderen werden grooter, +en—wonderbaar—de toevallen bleven na het 50ste jaar weg. Zoo hebben +Vader en Moeder het in de laatste periode van hun leven nog heel goed +gehad, beter dan ooit in hun huwlijksjaren—hoofdzakelijk ten gevolge +van de in hen wonende onuitroeibare energie, die zich zoo heel duidelijk +openbaarde in dit eene feit, dat ze hun jongens, te midden van groote +geldzorgen, niet opofferden aan het heden, maar deden opleiden voor de +toekomst.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Het verschil tusschen den wijze en den dwaas, zei iemand mij eens, +bestaat hierin, dat de eerste een betrekkelijk klein genot van het +oogenblik weet prijs<span class="pagenum" title="249"></span><a id="p_249"></a> te geven voor een betrekkelijk groot genot in de +toekomst. Dwaas was Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor een +schotel linzensoep. En de hoogste wijsheid sprak uit het woord, dat wie +zijn leven om Christus' wille durfde verliezen, het leven eerst recht +winnen zou.</p> + +<p>Ik houd niet van de woorden wijs en dwaas in dit verband. Ze zijn me te +berekenend. Jacob, rustig overleggende bij Ezau's honger, zelf in stilte +hongerend naar diens eerstgeboorterecht, en heel verstandig gebruik +makende van de gelegenheid, is mij hierin meer antipathiek dan zijn +kortzichtige broeder. Ezau zag, slaaf van het lagere, op dit oogenblik +het hoogere niet. Jacob zag dit zoo goed, dat zijn wijsheid niet +terugdeinsde voor iets eigenlijk veel lagers: het uitbuiten van de +zwakheid zijns broeders.</p> + +<p>En toch is het waar, dat men voor het heden de toekomst moet koopen. +Maar dat moet niet geschieden in welwijze berekening, wier egoïsme zelfs +geen oog heeft voor de belangen der naasten en deze baatzuchtig opzuigt, +maar in krachtsontplooiing, die—uitwerking van innerlijke +spanning—alle moeilijkheden van het oogenblik trotseert en zelfs zoekt. +Het mag niet heeten: dáár is mijn <i>doel</i> en daarom <i>zal</i> ik in +vredesnaam deze plichten maar vervullen. Doch het moet wezen: in die +<i>richting</i> leidt mijn leven en nu <i>kan</i> ik niet anders dan worstelend +voortgaan, zij het, dat ik worstel tot den einde toe, zij het ook, dat +ik worstelend bezwijk.</p> + +<p>Omdat in het leven mijner ouders waardevolle<span class="pagenum" title="250"></span><a id="p_250"></a> krachten werkten, konden +zij jarenlang zoo vele en schier onoverwinbare tegenspoeden +doorworstelen, gelijk de wortels van gezonde planten steenen doordringen +en ten slotte zelfs rotsen doen splijten. En omdat die krachten zoo +menigmaal ontbreken, zinken anderen in steeds dieper armoede en ellende +weg. Dat is natuurlijk voor niemand een reden tot verhoovaardiging en al +evenmin tot hulpweigering. Maar dat dringt ons bij iederen ernstigen +bijstand, die niet helpende afschuift maar helpende aantrekt, te +onderzoeken naar de oorzaken der heerschende ellende en +dienovereenkomstig middelen aan te wenden. Het voornaamste middel zal +dan wel steeds blijken: gelegenheid bieden tot krachtsontwikkeling, al +zijn de aanwezige krachten ook nog zoo miniem.</p> + +<p>En hieruit volgt voor onze opvoeding, dat we, in huis en in school, toch +voornamelijk moeten zorgen voor het <i>groeien</i> der kinderen, zoodat er +krachten in hen uitwassen. Geen groei zonder arbeid, die de krachten aan +'t werk zet. En daarom: laat ze werken, werken.</p> + +<p>En hieruit volgt voor onze philantropie, dat we—tenzij aan afgeleefden +en zieken—nooit slechter kunnen helpen dan door te geven.</p> + +<p>Het vraagstuk van het pauperisme is een ontzettend moeilijk probleem. +Maar de oplossing kan nooit gevonden worden in het verstrekken van +„brood en spelen”. Daarmee gaat het volk ten gronde. Er is maar één +middel om aan de aarde het brood te ontworstelen: De hand aan den ploeg. +Alleen werkende zegeviert de arme op de armoede.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="251"></span><a id="p_251"></a></p> + +<h2 id="VAN_EEN_VLOEK_EEN_ZEGEN">VAN EEN VLOEK EEN ZEGEN.</h2> + +<p>Och, mijn goede vader! Van die koopziekte was hij nog niet genezen. Hij +had het in de krenten en de rozijnen nu toch zoo volmaakt afgelegd. De +onopengesneden afleveringen van „De Aarde en hare Volken” en het +„Bijbelsch Magazijn” waren als stomme aanklagers mee verhuisd. En toch +bezweek hij weer. Neen, dat kwam niet, omdat hij het zocht. De goede man +ging nooit op koopen uit. En hij had wel een portemonnaie op zak, maar +er zat nooit geld in. Van schulden maken had hij bovendien een afkeer. +Maar het zocht hem.</p> + +<p>Laat ieder eens eerlijk zijn eigen leven nagaan. Dan zal hij zien, hoe +hij door dat leven een of ook eenige gebreken meedraagt, inwonende +neigingen, die als erfhonden rustig in hun hok blijven liggen zoolang er +niemand vreemds op 't erf komt, maar aanstonds opschrikken en opspringen +als ze naderende voetstappen hooren. Geen goed beginsel is zoo waaksch +als deze booze begeerten. En nauwelijks zijn ze gewekt, of ze +beheerschen ons.</p> + +<p>We zijn niet zoo bedorven, dat we het kwaad zoeken. Maar we zijn slecht +en zwak genoeg, om ons door 't kwaad te laten vinden als 't ons zoekt. +En dat<span class="pagenum" title="252"></span><a id="p_252"></a> doet het. Op allerlei onverwachte oogenblikken loopt het ons erf +op. En als de lusten dan wakker worden, het is niet om als een trouwe +hond den verleider aan te vallen en te verjagen, maar om door hem te +worden gestreeld. Het is ook zoo heerlijk, zich zachtjes te laten gaan +onder de zoet-behagelijke bevrediging onzer sluimerende verlangens. Adam +en Eva gaan er niet op uit, gedreven door slechte driften. Ze zijn +volkomen gelukkig en denken niet eens aan kwaad. Argeloos dwalen ze door +den hof, rustig genietende van de balsemende atmosfeer, de harmonieuse +omgeving, en den stillen vrede des gemoeds. Maar dan komt de verleider +tot hen en hij vindt ze niet, als later Jozef, met een onwankelbaar: +„Zou ik zulk groot kwaad doen en zondigen tegen God?” Hij vindt ze niet, +als later Jezus, met een onwrikbaar: „Ga weg van mij, Satan!” Maar hij +vindt ze bereid tot redeneeren. En wie eenmaal met den verzoeker aan 't +redeneeren gaat, verliest het, onverbiddelijk. Hij is een fijn +redeneerder en ons, door lusten beneveld verstand, veel te slim af. +Luister niet naar hem. Luisteren is vallen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Waarom moest mijn vader nu juist een betrekkinkje krijgen aan dat +venduhuis? Daar woonde hij dag aan dag de verkoopingen bij, en daar zag +hij, hoe waardevolle dingen voor luttele bedragen van de hand gingen. +Dat kon hij niet laten passeeren, dan waagde hij ook een bod, en dan +kreeg mijn moeder allerlei overbodige meubelen thuis. Zoo raakte de<span class="pagenum" title="253"></span><a id="p_253"></a> +brave man wezenlijk aan 't speculeeren, want hij kocht voorwerpen tegen +lagen prijs, met de stellige verwachting die eenige dagen later tegen +hooger prijs weer te verkoopen—'t was zonde, zulke koopjes te laten +gaan—en daarmee raakte hij in de schuld.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Men begrijpt natuurlijk dat ik dit niet vertel, om mijn braven vader +jaren na zijn dood te bekladden. Wanneer de lezers van hem een anderen +indruk krijgen dan dien van een groot, naïef kind, dan heb ik hem niet +goed geteekend. Hij was de rechtschapenheid zelf en behalve een paar +driftvlaagjes was zijn grootste fout: een beetje te veel goed vertrouwen +in zijn geslepen en hardvochtigen medemensch. Die kooplust was voor een +groot deel averechtsch handelsgenie. Hij dacht daarbij erg slim te werk +te gaan, maar werd steeds zelf het slachtoffer van berekenender naturen, +die er hun voordeel bij hadden, hem in zijn ongeluk te laten loopen, of +daarin te brengen. Hij was uiterst fijn van geweten, en werd de dupe van +gewetenlooze harteloosheid. Eerlijk tot op een spijkerkop, was hij een +gezochte buit voor dat heirleger maatschappelijke parasieten, dat ook +uit de armste organismen nog levenssappen weet weg te zuigen. Doch, wat +nu het wonderbaarlijke is, waar dit hem natuurlijk vaak in geldelijke +moeilijkheden bracht—juist hem, den fijngevoelige, den argelooze, den +ridderlijke—daar groeiden uit die moeilijkheden bijna altijd mooie +levenservaringen. Ik geloof vast, dat de kapitalen, in<span class="pagenum" title="254"></span><a id="p_254"></a> kroegen en +bordeelen verdiend, moreele ellende in de familiën brengen, en een +mijner schoonste jeugdherinneringen dank ik aan de verliezen dier +onpractische natuur, die zich onvoorzichtiglijk op het gladde ijs der +zakenwereld waagde, en wiens zelfoverschatting—voorzeker een fout—zoo +aandoenlijk werd goedgemaakt door de kinderlijke deugden van een +onbedorven gemoed. Eer ik echter mijzelf nog eens verkwikken wil in die +schoone heugenis, moet ik een ander deel kinderzaligheid voor u +uitspreiden op onze tuintafel.</p> + +<p>Zoodra er gebeld werd en een beladen handkar voor de deur stond, wist +Moeder al hoe laat het was. „Juffrouw, dit komt van de verkoopening, van +Meneer zelf,” zei de bezorger, en Moeder had weer iets, vaak iets heel +onpractisch, aan te nemen en op te bergen. Zoo verscheen er op zekeren +dag een reusachtige tuintafel: een groot, groen, vierkant houten blad op +een ijzeren onderstel met cirkels en krullen en vier gekrulde pootjes. +Het ding kwam zeker uit een grooten tuin, maar Vader had het prachtig +gevonden voor ons plaatsje en het daarom gekocht en per handwagen naar +de Leliestraat gestuurd. Moeder was eigenlijk recht boos met deze +zending van de „verkoopening” en ze wou dat „Meneer zelf” maar wat +minder koopgauw was. Doch ze kon de tafel toch niet terugsturen en liet +haar dus naar het plaatsje brengen, waarvan ze een al te groot deel in +beslag nam.</p> + +<p>Maar wat heb ik op die tuintafel genoten!</p> + +<p>Het was nog in den tijd, dat de handenarbeid zich<span class="pagenum" title="255"></span><a id="p_255"></a> beperkte tot het spel +en nog niet de scholen was binnengedrongen om zich daar te laten +fatsoeneeren. Ze leefde nog vrij, als een heidensch natuurkind, liep, +dartelde, sprong, precies zooals ze wou. Zelfs was ze nog niet gedoopt, +en geen sterveling dacht er aan, dat ze eenmaal dien uitheemschen naam +Slöjd zou ontvangen met daarnaast den deftigen van Handenarbeid. Ze +heette.... ja, ze heette eigenlijk heelemaal niet. Ze was innig +opgenomen in allerlei hulp aan Vader en Moeder, en in allerlei spel op +straat en in de huiskamer. Uit die natuurlijke verbinding was ze nog +niet als zelfstandig element naar buiten gekomen om onder de verzorging +der deskundigen als een apart wezentje in een eigen zondagsch pakje +netjes de wereld te worden ingestuurd. Ze was nog zoo zonder pretentie, +zonder opdringerige braafheid, ze was nog zoo <span xml:lang="de">anspruchslos</span> en +aantrekkelijk.</p> + +<p>Wanneer we voor onze zondagscent geen drop of zoethout kochten, was het +omdat de Pruisische <span xml:lang="de">Uhlanen</span> ons te machtig waren. Die hingen in heele +rijen op prenten voor de winkelruiten. En daarnaast de huzaren op +dravende paarden. En ook de vliegende trein, kanonnen en kruitwagens, +door zes paarden getrokken. De geheele Duitsche armee boeide onze oogen +dermate, dat de snoepgoedwinkel het aflegde: het lager zinnelijk +begeeren werd overwonnen door hooger lust—een stuk moreele +opvoedingstheorie, dat je zoo maar zonder universiteit, professor en +lijvig boekdeel ontving, dat de simpelste ervaring aan een eenvoudig +menschenkind gratis thuis stuurde, zelfs in<span class="pagenum" title="256"></span><a id="p_256"></a> een achterbuurt. Je had het +als 't ware maar van de straat op te rapen. Voor onze zondagscenten +kochten we legermachten, liefst ongekleurde, en verfden die. Een +bescheiden verfdoosje—als we 't niet op onzen verjaardag +kregen—brachten we ook zelf met centen en halvecenten bijeen. Je kon +losse verfjes koopen van allen prijs en in alle kleur, en evenzoo +penseelen. Ik zie ons nog in den winkel uitzoeken: karmijnrood, +marineblauw, geliefde kleuren, waarvan de naam ons reeds zoet in de +ooren klonk. En al lieten die goedkoope penseeltjes ook vaak een haar +los, al „haarden” ze, we deden het er toch mee, we kleurden er te +voorzichtiger om. O weelde der wijsheid bij schraalheid der centen!</p> + +<p>Als de uniformen dan gekleurd waren, plakten we mannen en paarden en +wagens op dun bordpapier—er waren altijd wel oude doozen en Moeder +kookte graag wat stijfsel voor ons. Daarna werden ze netjes uitgeknipt: +voorzichtig, uiterst voorzichtig, met die natuurlijke voorzichtigheid, +die ieder kind aangeboren is—niet waar, lieve Sien?—eer ouderlijke +angst en meesterlijke bemoeizucht ze heeft verlamd met waarschuwing, +bedreiging en verbod, en dan gingen er houten blokjes achter, zoodat ze +staan konden.</p> + +<p>Lieve Sien, neem me niet kwalijk, dat ik jou daar zoo ineens midden +tusschen mijn huzaren haal. Maar toen ik daar zoo stil aan 't uitknippen +was, en al mijn aandacht wijdde aan de teugels der paarden, zoodat die +als sierlijke lijnen mooi bij den bek neerhingen, en toen ik ál mijn +geestelijke energie in vingerbeheersching <span class="pagenum" title="257"></span><a id="p_257"></a>concentreerde, om, alleen uit +eigen volkomenheidszucht, geen knipje te veel te doen, toen dacht ik +plotseling aan jou. Toen was ik weer dien zondagmiddag bij je ten eten, +en toen zag ik weer je driejarig kereltje—driejarig!—de borden—de +mooie borden!—een voor een uit de kast halen, er mee door de kamer +waggelen, ze netjes op de tafel zetten. „Hij hielp zijn moeder.” Wat heb +ik toen genoten. Wat een lieve, lieve spanning in dat gezichtje, in die +armpjes, in die beentjes, in die heele houding! En hoe zongen de zuchten +een jubel van kindertriomf, telkens als er een reisje van de kast naar +de tafel was volbracht. Sientjelief, dat was nu paedagogiek, waar ik de +heele wereld wel op had willen trakteeren, tot de paedagogenwereld toe. +En als je jarig bent, krijg je van mij de Paedagogische Encyclopedie van +Prof. Rein cadeau. Niet om er in te lezen—de hemel beware me!—maar om +er je lieve Henkie mee te laten sjouwen, van de kast naar de tafel, en +van de tafel naar de kast. Wat zal dat een lekker speelgoed zijn, al die +dikke deelen! En dan haalt Henkie er nog meer paedagogiek uit dan zijn +vader!</p> + +<p>Hoeveel moeders durven hun kinderen zoo op te voeden? Met zulk een +vertrouwen in de kinderlijke eigenschappen? Met zulk een absoluut hooger +schatten van een kind boven een bord? Wie 't probeeren wil, moet zelf +rustig, kalm, geduldig zijn, stil met zijn kind meeleven, niets aan 't +kind opdringen, vooral niet wat het kind uit eigen beweging al wil en +doet,<span class="pagenum" title="258"></span><a id="p_258"></a> en niet boos wezen, <i>als</i> er door een ongelukje eens iets mocht +breken.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>En nu aan 't oorlogen!</p> + +<p>Doch waar zou de veldslag geleverd worden? Waar was het terrein, +uitgestrekt genoeg om deze talrijke troepen in twee partijen op te +stellen en te doen strijden? De kamervloer? Maar daar liep iedereen. De +aanrechtbank in de keuken? Daar moest telkens gewerkt worden. Hebt ge +wel eens gezien, hoe zulke jongetjes met hun schatten alle ruimten +rondscharrelen, om ergens een goed speelhoekje te vinden? De volwassenen +kijken hen meestal voorbij, grauwen ze weg, zijn te vol van eigen +belangen om oog voor de kinderen te hebben. Maar Vaders kooplust had mij +mijn strijdveld bezorgd. Dat tuintafelblad was—nu in mijn +herinnering—van reusachtige afmetingen. Er kon een heel Waterloo worden +afgespeeld.</p> + +<p>Naast ons woonde een heel net en rustig gezin met veel meisjes en één +jongen. Die jongen keek eerst, klom toen over het lage schuttinkje, en +we waren twee veldheeren, die onze troepen tegen elkaar aanvoerden. Er +werden toen ter tijd kleine kanonnetjes verkocht, waarmee je echt +schieten kon. We bedelden en spaarden net zoo lang, totdat we er een +paar machtig waren, laadden ze met kleine groene erwten en vuurden ze op +den vijand af. Elke held, die omkantelde, was voorloopig dood.</p> + +<p>Maar die kanonnetjes schoten niet krachtig genoeg.</p> + +<p><span class="pagenum" title="259"></span><a id="p_259"></a></p> + +<p>Daarom verschaften we ons koperen en glazen buizen—erwtenblazers—en +joegen daardoor met de kracht van onzen eigen adem de groene +projectielen tegen de papieren heldhaftigheid. Nu ging het beter. We +zagen hooge ruiters wankelen, vallen en in hun val anderen meeslepen. +Dat was een heerlijk gezicht. Van het aantal gesneuvelden hing het af, +aan welke zijde tenslotte de zege verbleef. En we bliezen met een +hartstocht en een volharding, alleen geëvenaard door de toewijding en +het geduld, waarmee we eerst al die benden hadden gekleurd en geknipt.</p> + +<p>Doch stond ooit de vernielzucht op het oorlogsveld stil? Er was ook bij +ons climax in de wapenen. De proppenschieter kwam in 't vuur. Dat was +een geweldenaar. Die richtte heele tooneelen van verwoesting aan. +Wanneer de kurk uit het nauwkeurig gerichte kanon werd afgeschoten, deed +hij zelfs een heel vijandelijk kanon omtuimelen. En als de strijd te +lang onbeslist bleef, konden alleen de bommen der proppenschieters hem +beslechten. Die moesten dan ook aan 't werk, en de doffe tikken van kurk +tegen karton donderden onafgebroken door de vijandelijke gelederen.</p> + +<p>Dikwijls bracht de duisternis pas een einde aan den strijd. Dan werden +mannen en paarden en kanonnen in hun onderscheidene doozen gelegd. +Gesneuvelden en overlevenden, winners en verliezers, lagen daar plat en +vredig op elkaar, zoo, dat de blokjes der voeten netjes tegen elkaar +aansloten. En dan gingen de veldheeren naar binnen en slapen. De eene +klom over het<span class="pagenum" title="260"></span><a id="p_260"></a> lage schuttinkje, terug naar zijn eigen heim. De ander +sleepte de doozen mee. „Adjuus!”—„Adjuus!”—„Kom je morgen weer +vroeg?”—„Ja, als ik kan.”—Twee keukendeuren klapten toe, en het groene +slagveld lag in den donkeren nacht, leeg en verlaten.</p> + +<p>Had die groote tuintafel ooit beter plaatsje kunnen krijgen dan hier, +waar ze veel te groot was voor de kleine ruimte? Ze bracht duizendvoude +rente op in een heirleger van gewonden en gesneuvelden. En „Meneer zelf” +mocht er voldoening van hebben, dat hij „dat bakbeest”—met welken naam +Moeder het eerst begroet had—van de „verkoopening” naar de Leliestraat +had gestuurd. Hij heeft er twee jongensharten mee verrukt.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Verrukt?</p> + +<p>Zeg liever bedorven.</p> + +<p>Jongens mogen niet soldaatje-spelen, want dan groeit de moordlust in hen +aan, raken ze vertrouwd met doodslag en bloed, en, en, en....</p> + +<p>Zoo fantaseert het principe.</p> + +<p>Maar die eene jongen is nu al lang een braaf dokter in de hoofdstad des +rijks, die dag aan dag zich inspant om zieken te genezen, levens te +redden. En die andere heeft later, toen hij zoo wat twintig jaar was, +gedichten tegen den oorlog geschreven, waar alle kanonnen door overstemd +hadden behooren te worden, als kanonnen niet de onbescheidenste +bulderaars van de wereld waren.</p> + +<p><span class="pagenum" title="261"></span><a id="p_261"></a></p> + +<p>Men moet niet zoo vertrouwen op het <i>fantaseeren der principes</i>, al +noemt men dit ook, met veel aplomb, <i>logisch redeneeren</i>. Je ziet het +immers in de politiek? En in den strijd der vakvereenigingen? En in de +paedagogiek? „Logisch redeneerende”, uitgaande van een „zuiver +beginsel”, zet men de heele maatschappij recht, dwingt men alle +verhoudingen, voedt men de kinderen tot engelen op; doch enkele simpele +feitjes, door het verheven principe hooghartig voorbijgezien, zijn +sterker dan het geweldigst principe, en maken ten slotte het +schijn-succes tot een nederlaag.</p> + +<p>Zulke ervaringen deden het voorgeslacht al uitroepen: De mensch wikt, +God beschikt.</p> + +<p>Volgens de zuiverste logica moest die overbodige tuintafel een oorzaak +van groote narigheid zijn, en zie, ze werd ons de oplossing van het +probleem, hoe de beschikbare legers, tusschen de ongeriefelijkheden van +onze omgeving, een slagveld konden vinden. Als je eenmaal legers hebt, +dienen ze dan toch te vechten. En hoe vecht je zonder terrein?</p> + +<p>En volgens dezelfde logica had die kooplust mijn vader in de gevangenis +moeten brengen, en zie, ze bracht ons in aanraking met het christendom.</p> + +<p>Dat ging zoo.</p> + +<p>Bezwijkende voor de dagelijksche verzoeking, had Vader, gelijk ik reeds +vertelde, menig stuk gekocht met de bedoeling het straks bij gunstiger +markt, weer te verkoopen, en zoo was hij op zijn manier aan 't +speculeeren en natuurlijk in de schuld geraakt. Die schuld was gaandeweg +gestegen tot een bedrag van<span class="pagenum" title="262"></span><a id="p_262"></a> misschien een paar honderd gulden, en +vroeg, gelijk schulden dat zoo plegen te doen, op haar tijd om +aflossing. Maar de eerzame schuldenaar kon zijn schuldeischer, den +makelaar der verkooping, niet anders aanbieden dan de opgestapelde +schatten die hij zelf gekocht had en die nu vruchteloos naar een nieuwen +kooper uitzagen. Hiervan was de makelaar niet gediend: die goederen +waren eenmaal gekocht en geleverd, het geld moest er zijn, zaken zijn +zaken. En Vader zat in de ellende. O, wat was de goede man prikkelbaar +in zulke tijden. Ik weet dat nog zoo best. En hoe zenuwachtig stond +Moeders gezicht. Wij kinderen voelden mee de hopeloosheid van 't geval: +een som geld op te brengen, die eenvoudig niet te krijgen was. En dan de +dagelijks aandringende persing van een gevoelloos schuldeischer op de +leege beurs van een dood-eerlijk, pijnlijk-conscientieus, maar alleen +wat onnadenkend, eigenlijk ondóórdenkend man.</p> + +<p>Nu gebeurde het in dien tijd, dat zeker iemand, die ook in zijn zaken +achteruit gegaan was, ook een winkel had moeten verlaten, en verhuisd +was naar een veel bescheidener woning, een deel zijner zeer goed +onderhouden meubelen wilde verkoopen, om daarmee wat overbodige stukken +in te ruilen voor zeer noodig geld. Die zeker iemand had een vrouw en ik +meen vijf of zes nog jonge kinderen, een talrijk gezin, dat alleen van +zijn verdiensten moest leven. Wij kenden het gezin, en daarom kreeg +Vader verlof, de meubelen op eigen naam te verkoopen, opdat hij<span class="pagenum" title="263"></span><a id="p_263"></a> de +provisie zou hebben, die hieraan verbonden was. Zulke extraatjes van een +paar gulden waren altijd bizonder welkom. Vader, Moeder, en ook +wij—meelevende kinderen—waren dan ook erg blij met de opdracht.</p> + +<p>Maar hoe droevig en vernederend liep dit uit. Op zekeren dag kwam Vader +thuis, gebroken. De meubelen waren verkocht, maar de verkoopgelden waren +Vader niet uitbetaald. De makelaar had ze ingehouden ter afbetaling van +de schuld, die Vader bij hem had. Dat kon hij doen, omdat Vader de +meubelen op zijn eigen naam had doen verkoopen.</p> + +<p>Daar zaten we. Die meneer, die zeker iemand, had Vader alles +toevertrouwd, hij zag verlangend naar het geld uit, en zou er geen +penning van ontvangen. Zijn oude, degelijke meubelen verkocht, misschien +wel opgeofferd als geliefde familiestukken, en niets er voor terug.</p> + +<p>In zulke omstandigheden was Vader zoo machteloos. Hij durfde den man +niet onder de oogen komen—en die man woonde vlak tegenover ons. Ook wij +gingen gebukt onder de dreigende schande. In plaats van heel +vertrouwelijk en hartelijk te groeten, namen we wat schuw onze petjes af +en ontliepen al de leden van het gezin. Hoe verachtten we dien gemeenen +makelaar, die heel goed wist, dat de meubelen niet van Vader waren, maar +hier zijn kans schoon zag, om het hem toekomende geld te krijgen. Als +hij zijn geld maar had, kon 't hem niet schelen, of Vader daarmee een +onschuldige te kort deed, misschien beschuldigd <span class="pagenum" title="264"></span><a id="p_264"></a>zou worden van +oneerlijkheid, van oplichterij.</p> + +<p>Oplichterij. Het woord ging als een koude rilling door ons gezin, en van +dag tot dag stelden we het uit, het noodlottig bericht aan de overburen +mee te deelen. Doch eindelijk, het moest. En, gelijk steeds in zulke +gevallen, Moeder ging er op af. O, vrouwen zijn zoo vaak duizendmaal +moediger dan mannen.</p> + +<p>Wij wachtten thuis met angst. Hoe zou 't afloopen? Het ergste zou zijn, +dat Vader werd aangeklaagd wegens oplichterij en naar de gevangenis +ging. Het minste, dat de benadeelde familie er in berustte, maar wij +gebukt zouden gaan onder haar verachting. In ieder geval, er zou een +koele scheiding komen. We zouden de vriendschap van onze goede overburen +verliezen. Moeder kwam terug. Ademloos hoorden we haar aan.</p> + +<p>„Meneer—had alles begrepen, en hij had erg met Vader te doen.”</p> + +<p>„En waren ze niet boos?”</p> + +<p>„Neen, ze schrokken natuurlijk wel erg, en Mevrouw werd wit. Ach, ze +konden het geld ook zoo best gebruiken. Maar Meneer zei: Uw man heeft +geen schuld. Het is zeker Gods wil geweest.”</p> + +<p>We waren duizend pond lichter. De houding der getroffenen tegenover ons +veranderde in niets. Ze spraken nooit meer over 't geval, bleven +vriendelijk—maar die man.... ik heb hem als een heilige mee door 't +leven gedragen. Hij was zoo rustig-vroom, zoo eenvoudig-christelijk. +Zijn blik, zijn gelaat, zijn stem,<span class="pagenum" title="265"></span><a id="p_265"></a> zijn heele gedrag was zonder eenig +vertoon. Ik wou, dat ik zijn naam mocht noemen. Niemand kent hèm. Hij +was geen schrijver, geen schilder, geen geleerde, geen staatsman. Alleen +een kantoorheer—boekhouder op een wijnkooperskantoor—maar.... een +christen. In hem heb ik het christendom ontmoet. En dat ik het zoo +zuiver heb mogen aanschouwen, het was te danken aan Vaders argelooze +koopneiging.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="266"></span><a id="p_266"></a></p> + +<h2 id="IN_EEN_NETTE_BUURT">IN EEN NETTE BUURT.</h2> + +<p>De Jordaan was net een weefsel van straten: een schering van +lengtestraten, met daardoor heen een inslag van dwarsstraten. De +Lijnbaangracht en de Prinsengracht vormden aan twee zijden den zelfkant +van het weefsel, dat in zijn geheel den indruk maakte van grof, grauw +linnen. Het was een vunze buurt. Eigenaardig was echter, dat sommige +lengtestraten en grachten als kleurige, glanzige zijden draden door dit +weefsel waren getrokken en men dus uit de onbeschaafde armoede +plotseling kon overgaan in den netten burgerstand. De Bloemgracht en de +Rozengracht bij voorbeeld waren niet te min voor handelaars en dokters; +daar zag je keurig onderhouden huizen met blinkend geverfde deuren; +heldere dienstmeisjes bespoten iederen Zaterdagmorgen de onderpui uit +een blinkend koperen glazenspuit; alles blonk er, tot de belknop en de +roode wangen der dienstmeisjes toe. En geen drie minuten verder had je +een armelijke Eglantiersstraat of Laurierstraat, met vuile houten +trappen, donkere portalen en slobberige vrouwen. Wie den Jordaan +doorkruiste, enkel maar doorsneed, kwam afwisselend in aanraking met het +proletariaat, de kleine burgerklasse, en den gegoeden burgerstand.</p> + +<p><span class="pagenum" title="267"></span><a id="p_267"></a></p> + +<p>De Nieuwe Leliestraat, waar wij nu huisden, was de straat van het +financieel zwakke fatsoen. Heel nette menschen met kleine traktementjes +bewoonden er een huis of een eerste of tweede bovenhuis. Er was geen +vertrouwelijkheid in de buurt. Ieder bewaakte er angstvallig zijn stand +achter lage gordijnen en gesloten deuren. Je kwam niet bij malkaar over +huis. Op straat sprak je ook niet met mekaar. Je groette de buren +beleefd met een nijging of een deftig hoedafnemen, maar verder kwam het +niet. Zoo'n beetje gezellig op den stoep zitten, een luchtje scheppen op +de groengeverfde houten bank, een buurpraatje maken over het weer, +gelijk we dat op de Eglantiersgracht gekend hadden, geen kwestie van! +Daarvoor was men hier te netjes. Ieder hield voor den ander zoo'n beetje +schrale voornaamheid op. En zelfs achter het huis, in de tuintjes, had +je dezelfde stijfheid. Nooit of uiterst zelden knoopten volwassen buren +daar een gesprek met elkaar aan. Een afgemeten groet was het +hartelijkste waartoe men komen kon. Ik had het gevoel, en herinner me +dat nog heel wel, of ieder een stukje fatsoenlijke armoede te verbergen +had en voor zijn naaste buren niet weten wou, hoeveel pijnlijke zorg en +opofferingen het kostte, dagelijks knap voor den dag te komen. Al de +meisjes uit de buurt hadden nette hoedjes en nette manteltjes, nette +jurkjes en nette pijpenbroekjes, nette kousjes en nette schoentjes. Je +had ze zoo in de uitstalkast van een poppenwinkel kunnen zetten. +Onvertogen woorden hoorde je niet, ook niet van de jongens. Zelfs de +honden waren hier<span class="pagenum" title="268"></span><a id="p_268"></a> fatsoenlijker dan een straat verder: ze blaften niet +zoo onbehouwen. Maar er was ook geen leven, geen frisch, natuurlijk, +spontaan leven. De heele Leliestraat was een zoet zijden draadje door 't +grove zaklinnen. En wij jongens, vrijbuiters uit de vroegere buurt, +werden er een heelen hoop braver. Dat we echter maar niet zoo +onmiddellijk verlelied waren en nog lang iets van onze oude natuur +behielden, moet ik, helaas, belijden, en zal de lezer vóór 't eind van +dit hoofdstuk vernemen.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Boven ons woonden allerliefste jonggehuwden. Hij was den heelen dag op +kantoor en haar hoorden we haast onafgebroken zingen en met het kindje +praten. Wanneer het bij ons stil was, klonk het van boven met een lieve, +heldere vrouwenstem: „Dág Pa! Dág lieve Pa!” of de jonge moeder haar nog +niet eenjarig kindje leeren wou, hoe het zijn vader begroeten moest. +„Dág Pa! Dág schattige Pa!” Het klonk als vogelmuziek, zoo frisch, zoo +zuiver, zoo natuurlijk, zoo zangerig. „Dag lieve Paatje!” En dan nam +Moeder het dingetje op, hield het in de hoogte, en we hoorden het jonge +stemmetje kraaien. Nu werd het een beurtzang van moeder en kind. „Dag +lieve schat! Dag Pa!”—„A-a-a-a!”—„Dag snoesje! Komt Paatje gauw thuis? +Zeg dan maar: Dág Pa! Dág lieve Pa!”—„A-a-a-a-a!”</p> + +<p>Wanneer Pa thuis kwam, hoorden we 't vroolijk gejubel van het kleine +gezinnetje. Dan mengde zich zijn<span class="pagenum" title="269"></span><a id="p_269"></a> sonore mannenstem in het lieve gesjilp +en gekweel van die twee anderen, en een innige geluksstemming zweefde in +dat natuurlijke klankenspel. 's Avonds, vóór 't kleintje naar bed ging, +droeg Pa het een poos rond, onder 't zingen van allerlei liederen, en +dan hoorden we Moeder in stille bedrijvigheid rondtrippelen. We maakten +aan de tafel ons huiswerk of kleurden en knipten onze legers, maar +onderdehand dronken onze ooren de symphonie van huiselijk geluk in en +genoot onze nog onontwikkelde verbeelding de idylle van het eenvoudige, +vredige, blijmoedige gezinnetje.</p> + +<p>We weten vaak niet, vanwaar sommige stemmingen en sympathieën in ons +zijn gekomen. Maar wanneer later De Genestet's „Jong Hollandsch +binnenhuisje” me bekoorde en ik genoot van dien jongen vader, +die met zijn twee springende gedichtjes de kamer rondreed, hij op den +vloer, zij op en over hem heen klauterend, dan dacht ik meermalen aan +onze bovenbuurtjes, hoorde ik zijn warme mannenstem, het gekraai van 't +kleintje, en haar: „Dág Pa, dág lieve Pa!” zoo helder, zoo blij, zoo +onbezorgd.</p> + +<p>Onlangs vernam ik, dat zij gestorven was, aan tuberculose.</p> + +<p>Zoo werd haar idylle vernietigd.</p> + +<p>Ik heb haar maar weinig gezien. Na betrekkelijk korten tijd verhuisden +we naar een woning, die heelemaal aan 't andere einde der stad lag, een +uur ver. Toen hebben we nooit meer iets van hem of haar vernomen. Ze +behoorden dus met hun kleintje tot een<span class="pagenum" title="270"></span><a id="p_270"></a> voor ons geheel afgesloten +verleden. Nooit hebben we met elkaar omgang gehad. En toch, toen ik +vernam, veertig jaar later, dat de bliksem was geslagen is dit lieve +nestje van huwelijksgeluk, toen ontroerde me dit smartelijk. Het was of +een zingend vogeltje opeens de gorgel was dichtgeknepen.</p> + +<p>Leeft <i>hij</i> nog? Leeft het <i>kindje</i> nog, het blijde kraaistemmetje.</p> + +<p>Het is voorbij, alles voorbij.</p> + +<p>En toch leeft het nog. Ik hoor voetgeschuifel boven mijn hoofd, ik hoor +een kamerdeur opengaan, ik hoor een hartelijken welkomstkus, en dan die +innig-blije stem: „Dág Pa! Dág lieve Pa!”</p> + +<p>Ik hoor kindergekraai. Ik zie een man over de wieg buigen, een kindje +kussen. Een knevel prikkelt het donzen wangetje. Een zwaar geluid trilt +in 't zachte oortje. En dan: „A-a-a-a!”</p> + +<p>Dat is 't kleintje.</p> + +<p>Ze leven nog.</p> + +<p>Wat zegen kan er neerdalen in kindergemoederen, als er lieve bovenburen +zijn!</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Tweehoog woonde een gezin, waarvan we niets gewaar werden, dan dat er +veel meisjes waren, en allemaal keurig nette meisjes. Eenige van haar +zijn later onderwijzeres geworden. Er is dus kans, dat ze deze regels +lezen. Dan zullen ze zich het lieve gekweel herinneren van de jonge +moeder en het piepjonge kindje, dat natuurlijk even goed omhoog steeg.</p> + +<p><span class="pagenum" title="271"></span><a id="p_271"></a></p> + +<p>Beneden ons, in het onderhuis of den kelder, hadden we ook nog buren. +Daar zakte ik vaak naar toe. Ze waren vriendelijk en gastvrij. Ik mocht +er steeds binnenloopen. Maar omdat er geen kinderen van mijn leeftijd +waren, had ik er niet veel. Kinderen willen kinderen, al zeiden de +menschen vroeger terecht: Van malkaar meugen ze niet, en bij malkaar +deugen ze niet.</p> + +<p>Kinderen waren er in het huis naast ons, een schaar lieve meisjes en één +jongen. Men weet nog, dat meisjes iets bizonder bekoorlijks voor me +hadden. Nu, deze ook. Ik ken de voornamen nog, en één voornaam klonk me +als muziek in de ooren: Rena. Die <i>e</i> werd zoo mooi ingeleid door de +<i>r</i>, en de <i>a</i> had zoo'n zacht-voornaam klankje. Je kon dien naam zoo +mooi-deftig zeggen. Net zoo iets als „zijkamer”.</p> + +<p>Maar de meisjes leerde ik bijna niet kennen. Ik geloof eigenlijk, dat +ons gezin, wat verarmd, en met vijf belhamels van jongens, te ruw was +voor de meeste buren. Alleen met den jongen speelde ik wel eens. Echter +niet op straat, alleen nu en dan op het plaatsje. Hij ging ook op een +nettere school dan ik. Hij is later dokter geworden, ik ternauwernood +schoolmeester.</p> + +<p>Dat zegt alles.</p> + +<p>Is het niet eigenaardig, dat ik heel goed een zekere minderwaardigheid +voelde tegenover de omgeving? En dat ik mij daarnaar gedroeg? Hunkerend +naar speelmakkertjes, was ik toch te fier om me op dringen. Dan speelde +ik maar liever in mijn eentje, bij Moeder<span class="pagenum" title="272"></span><a id="p_272"></a> in de kamer. Bij Moeder was +'t altijd goed. Heerlijk, dat veilige, vredige plekje bij Moeder. +Standsverschil, zelfs reeds op deze schaal, deed mij een kring trekken, +waarbinnen ik met mijn armoede rustig kon leven. Maar dat leven was toch +genieten, als Moeders oog maar, stralend zonnetje, den kring verlichtte.</p> + +<p>Toen Potgieter op zijn sterfbed lag, en men hem het portret liet zien, +dat de uitgave zijner werken zou verrijken, was zijn opmerking: „'t Is +toch maar een burgerman.” Iets dergelijks heb ik mijn heele leven +gevoeld. Omstandigheden hebben me in menige vriendschappelijke, +vertrouwelijke, hartelijke betrekking gebracht tot menschen van stand, +rijkdom en positie. Maar immer voelde ik: „Je bent toch maar een +burgerjongen.”</p> + +<p>Men meene niet, dat ik hier iets vernederends of iets pijnlijks in vond. +Precies het tegendeel. Nog altijd voel ik me het meest eigen onder de +eenvoudige benedenburen in den kelder. Grootheid trekt me niet en +streelt me niet. Maar ik zeg het alleen, om te doen uitkomen, hoe het +karakter der jeugd voor goed een stempel in het leven drukt.</p> + +<p>Eén jongen uit de buurt, ook uit eenvoudiger kring, werd mijn vriendje: +Piet v. R. Zelfs werd hij het vriendje van mijn jongere zus, gelijk +bleek uit een briefje, dat ze hem schreef (niet zond): <i>liefe peit hoe +gaat het met u en hoe gaat het met +Naje<a id="FNa1_1" href="#FN1_1" class="fnanchor" title="Naatje, het zusje van peit.">1)</a> nu +liefe peit het is dijt dat sik uitseit dag peit</i>.</p> + +<p><span class="pagenum" title="273"></span><a id="p_273"></a></p> + +<p>De andere jongens van het gezin zagen het kind dit briefje schrijven en +hebben er haar lang mee geplaagd. En als ze, de Jeugdherinneringen +lezend, meenen mochten, dat deze nu al lang genoeg voortgezet waren, +zouden ze, citeerend het episteltje, me zeker toevoegen: <i>nu lieve peit +het is dijt dat je uitseid dag peit</i>. En dan zou ik er de pen bij +neerleggen. Zoo ontstaan uitdrukkingen in familiën en in volkeren.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>We maakten het er wel naar, dat de buren met een zekere behoedzame +teruggetrokkenheid intiemeren omgang trachtten te voorkomen. Vijf drukke +jongens tusschen 10 en 18 jaar waren wel in staat kalme, eerzame +gezinnen af te schrikken. Het moet zeker druk genoeg bij ons zijn +toegegaan, en van die levendigheid, niet altijd van vreedzamen aard, +moet wel iets doorgedrongen zijn naar de stille hoven rondom. +Levendigheid—met dit woord is het zeer zacht uitgedrukt. Vijf jongens, +zoo dicht opeengepakt, stooten malkaar herhaaldelijk, en zijn dan +aanstonds klaar met ruwe woorden, luid uitgeschreeuwd, of +handtastelijkheden. Ik hoor Moeder nog roepen met ingehouden stem: <i>Denk +toch om de buren</i>, waarop die buren uit een driftigen jongensmond konden +vernemen: <i>De buren kunnen naar den bliksem loopen</i> of een andere +hartgrondige verwensching. Dat meenden die jongens zoo erg niet, het was +maar ruwheid, doch 't was voor die buren toch niet bepaald aanmoedigend.</p> + +<p><span class="pagenum" title="274"></span><a id="p_274"></a></p> + +<p>Plagen was schier aan de orde van den dag. Als het jongste meisje, dat +van lieve peit, begon te schreien, kon je er zeker van wezen, dat het +heele koor een ontzettend gebulk aanhief, om die schreistem te smoren. +Dan dreunde de kamer van de erbarmelijkste kreten. Vader werd in zulke +gevallen woedend, maar kon de bende eigenlijk niet baas. Moeder drong +driftig-angstig aan: „Hou jelui dan toch je mond”, wat alleen tot gevolg +had, dat men riep: „Laat die meid dan d'r smoel houden.” Alleen +Christientje, de oudste van allen en de zachtste, had dan vaak den slag, +om den storm te bezweren. Als er een kleine pauze was ingetreden, begon +zij een liedje te zingen, een geliefd wijsje. Dat kalmeerde de +gemoederen. En het duurde niet lang, of de buren konden zich vergasten +aan een veelstemmig: „Plechtig zwijgen, zoete vrede ruischt er nog om 's +Heilands graf”, of „Rust in vree, o gij, van ramp ontheven. Nu reeds +slapende in uw enge kluis”, welk laatste lied eigenlijk „bij het graf +eens medeleerlings” gezongen moest worden, doch ook onder andere +omstandigheden niet onstichtelijk klonk.</p> + +<p>Uit dat voorbeeld van Christientje kan men zien, hoe je opgewonden +gemoederen niet met opgewondenheid moet willen verwinnen. Met storm +slaat men geen storm ter neer. Doe een zachte koelte aanruischen en de +opgestoken winden verspreiden zich.</p> + +<p>Heerlijk-helder vulden de jongensstemmen met de frissche sopraan van +Christientje er boven uit dan de huiskamer. En eenmaal aan 't zingen, +bleef de troep aan 't zingen. Vader voorop. Diens woedende drift<span class="pagenum" title="275"></span><a id="p_275"></a> sloeg +in een moment om. Moeders angstige trek was gauw door een glimlach +vervangen, en de buren luisterden met aandacht, ja, de bovenbuurtjes +sloten zich wel eens bij den zang aan, hetgeen hieruit blijken kon, dat +ze soms een paar maten achter, de laatste lettergrepen nog uitgalmden +als wij reeds gereed waren. Dan steeg er bij ons een luid gejuich op, +dat van boven vroolijk beantwoord werd. We zetten een nieuw lied in of +namen er eentje van boven over en ondanks de scheidende zoldering +vormden twee gezinnen een uur of langer één zangkoor.</p> + +<p>Het is wel aardig en leerzaam, hoe spoedig de ruwe bende door een lied +gevangen was. Wat zouden wij er van denken, als we op school, instee van +met een stok op het tafelblad stilte te ranselen, eens zachtjes begonnen +te zingen van b.v. <i>'t Zonnetje gaat van ons scheiden?</i> Ik wed, dat de +zoete rust kwam, nog eer het klonk: <i>Zoete rust mogen wij beiden.</i></p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Eén buurmeisje herinner ik me ook nog levendig, ofschoon ik haar nooit +gesproken heb. Ze woonde niet in de Leliestraat, maar op de daarop +volgende en nettere Bloemgracht. De tuinen van de Bloemgracht grensden +echter aan die van de Leliestraat en zoo lag haar tuin vlak tegen ons +tuintje. Ik zeg: haar <i>tuin</i>, want die was stellig wel acht maal zoo +groot als ons plekje. Bij ons was er geen plaats voor hooge boomen, +nauwelijks kon er een gouden regen of een sering staan. Maar in haar +tuin verrezen hooge<span class="pagenum" title="276"></span><a id="p_276"></a> en zware kastanjes en eschdoorns. Daardoor lag haar +huis—ze bewoonde een heel huis—in donkeren schaduw en gaf de tuin mij +een gewaarwording van iets ouds en deftigs, zoo iets als een bejaarden +kloostertuin.</p> + +<p>Wanneer ik bij het eene raam van onze huiskamer mijn schoolwerk zat te +maken, keek ik naar buiten en zag haar wandelen onder 't groen. Arm +meisje! Ze was ongeveer dertien jaar, lang, mager, bleek. Ze droeg een +netje over een geheel kaal hoofd. Haar schedeltje was bedekt met een +korst van „klieren”. En nu stond het zoo griezelig, dat netje, strak +getrokken over het achterhoofd, en van voren, boven de oogen, een +donkere lijn teekenend over het voorhoofd. Arm meisje!</p> + +<p>De andere buurmeisjes, die van twee-hoog en die van naast ons, hadden +allemaal zulke mooie haren. Lange vlechten hingen op den rug, met aan +het einde een fijn rood zijden strikje, of goudblonde krullen omgolfden +het hoofd, in haar dartelheid bedwongen door een bleekblauw lint. En die +haren maakten zelfs een alledaagsch gezichtje mooi. Vraag eens, hoeveel +jongens verliefd zijn geworden op bruine of blonde haren. „Het haar,” +zei mijn vader, „is het sieraad der vrouw.” En als Vader dat zoo +voornaam zei, met dat deftige woord sieraad en dien deftigen genitief, +beaamde onze jongenservaring dat al van ganscher harte.</p> + +<p>Arm meisje! Ze speelde niet met andere kinderen. Naar school kon ze +natuurlijk niet. Alleen in den tuin had ze ontspanning. En daar liep ze +dan in haar<span class="pagenum" title="277"></span><a id="p_277"></a> eentje rond, maar zoo'n beetje kijkend. Angstvallig scheen +ze de lage schutting te mijden. Wellicht schaamde ze zich gezien te +worden. Als we in den tuin speelden, bleef ze weg. Alleen als ze +onderstelde, dat we haar niet zagen, verscheen ze. Maar dan zagen we +haar wel. En dan keken we naar haar, de oogen wat vochtig van +medelijden.</p> + +<p>Wat was ik graag naar haar toe gegaan! Wat had ik me graag aangeboden, +om wat met haar te spelen. Ik was niet afkeerig van haar. Ik zou graag +alles voor haar gedaan hebben. Maar ik durfde niet. Waarom niet? Waarom +durven de menschen soms niet lief te zijn?</p> + +<p>Ik liep langs de Bloemgracht, om haar huis aan te zien. Ik bleef er stil +staan.</p> + +<p>Ik wilde aanbellen.</p> + +<p>Waarom deed ik het niet?</p> + +<p>Men zou mij vreemd gevonden hebben. Men zou mij hebben teruggewezen.</p> + +<p>Ik had geen vertrouwen genoeg op de menschen.</p> + +<p>Maar ik weet zeker, dat ik het meisje zou hebben verkwikt, het arme +eenzame kind.</p> + +<p>Ze is gestorven, nog terwijl we daar woonden.</p> + +<p>Maar ik heb altijd berouw gehad, dat ik aan de opwelling van mededoogen +geen gevolg heb gegeven. O, het zou haar zeker goed gedaan hebben, dat +een ander kind met haar wilde spelen, nog liever met haar dan met mooie +meisjes.</p> + +<p>Het heeft niet zoo mogen zijn.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p><span class="pagenum" title="278"></span><a id="p_278"></a></p> + +<p>En nu moet ik nog vertellen van mijn straatbaldadigheid ook in deze +nette buurt.</p> + +<p>Doch waartoe zal ik u opnieuw de straten doorslepen?</p> + +<p>Ge kunt er onder mijn leiding toch niets dan kwaads leeren. Ik neem u +b.v. op Zaterdagavond mee naar de kruidenierswinkels, die dan vol +koopsters staan. De burgervrouwtjes en de dienstmeisjes, dicht +opeengedrongen, wachten met het mandje in de hand haar beurt af. Ze +praten wat onder elkaar, terwijl de winkelier en zijn knecht, stijve +figuren in brandheldere buisjes, rustig voortgaan met afwegen, inpakken, +afrekenen. Nu sluipen we gebogen naderbij. Op handen en voeten kruipen +we den winkel binnen. We strekken een arm uit, zoeken de beenen van een +geen onraad vermoedend dienstmeisje, knijpen haar plotseling in de +kuiten en stooten daarbij een woedend geblaf uit.</p> + +<p>De meid gilt het uit van schrik. Ze springt op en de heele klandisie +komt in tumult. Zelfs vloeken er sommigen. De stijve winkelier raakt een +oogenblik zijn kalmte kwijt. De schalen schokken in zijn hand. De +vrouwen denken niet anders, of de meid is door een dollen hond gebeten, +en ontsteld onderzoeken ze haar paarse japon. Geen scheur? De +onderrokken. Nog geen scheur? De witte kousen. Ook die heel? Maar ze +voelde het toch wel degelijk. „Och, die bliksemsche jongens zullen het +wel weer gedaan hebben.” En de winkelier gaat even van achter zijn +toonbank tusschen de vrouwtjes door naar de deur en kijkt daar naar +links en rechts de halfdonkere straat in. Wij hebben uit een verborgen +hoekje alles gezien en<span class="pagenum" title="279"></span><a id="p_279"></a> schreeuwen hem nu een triomfgehuil toe. Dan +hollen we weg. We moesten de volwassenen niet alleen hinderen, maar ze +moesten ook <i>weten</i>, dat ze dat aan ons te danken hadden, opdat ze, +scheldende, en eeuwig wegjagende nijdigaards, goed mochten beseffen, dat +we machtig waren ons te wreken.</p> + +<p>Dat gehuil gaf zeker een heele geruststelling aan die arme dienstmeid, +maar ik ben er niet zeker van, of ze 's avonds, vóór 't in bed stappen, +toch nog niet eventjes haar kuit opmerkzaam heeft bekeken. Het mócht +eens een hondje zijn geweest.</p> + +<p>Zullen we nu nog verder rondtrekken? Kom, ge hebt al van streken genoeg +gehoord. Meer dan u lief is. Of—hoort ge ze wel graag, mits anderen er +de dupe van zijn? Dan is het inderdaad raadzaam, om te eindigen. Er +schijnt ook in u, eerzaam volwassene, iets van den wilde te zijn +overgebleven. Laten we het niet wakker roepen en voeden. Gij hebt tot +plicht eerzaam te blijven, ook in uw diepste binnenste.</p> + +<p>Laten we liever eens nagaan, hoe het kwam, dat onder de jongens van deze +buurt veel minder neiging tot straatschenderij en plagerij bestond, dan +onder de vroegere kornuiten, en hoe ook bij ons, die het kwaad hier +trachtten over te planten, de lust langzamerhand wegstierf. Dat is +leerzaam voor de autoriteiten, die, niet uit demokratische politiek, +maar uit oprechte belangstelling zich om 't heil der jeugd bekommeren. +Die kunnen er uit leeren, hoe men in groote steden het kwaad bestrijden +kan door groei-ruimte te geven aan het goede.</p> + +<p>Op de Eglantiersgracht hadden we geen plaatsje<span class="pagenum" title="280"></span><a id="p_280"></a> of tuintje, we móésten +dus wel de straat op. En hier in de Leliestraat konden we een deel van +ons genot vinden in de stilte en de vrijheid van ons achteruitje. Het is +waar, we konden er niet hollen, niet met de bal of den hoepel spelen, +geen vlieger oplaten en nauwelijks tollen, maar we konden er ongestoord +kleuren en plakken en knippen en oorlogen, we konden er knutselen en +planten, we konden er ons verliezen in „stil spel”. Er ging van ons +rustig plekje, dat zoo heerlijk gelegenheid bood onszelf te zijn, +stemming uit. De verkeerde invloeden van ruwe makkers hadden er minder +macht.</p> + +<p>In 't buitenland, en helaas ook in ons land, openbaart zich een streven +om prachtige schoolgebouwen te stichten, ware schoolpaleizen. Bouwkunst, +schilderkunst, beeldhouwkunst moeten samenwerken, om de leerende jeugd +al vroegtijdig onder de opvoedende kracht der schoonheid te brengen. +Doch men kan den invloed dier schoonheid erkennen en toch meenen, dat er +een verkeerde weg gevolgd wordt. Voor mij is er een schreeuwende +disharmonie tusschen die monumentale gebouwen met hun ruime hallen, +breede trappen, lange gangen, en die simpele kinderen. Het doet mij +vreemd aan, die witte gezichtjes, schrale figuurtjes, armelijke +kleertjes te zien dwalen door zoo'n rijkdom van ruimte en materiaal. Het +is, of men een sjofel katje op de zijden kussens van een vergulden auto +door de stad reed. Het is de arme knaap op den troon van Frankrijk.</p> + +<p>Wel mag het schoolgebouw niet zoo'n foeileelijken<span class="pagenum" title="281"></span><a id="p_281"></a> fabrieksgevel hebben, +rijen eenvormige vensters boven elkaar; wel mag het van binnen, door +grauwe, donkere nauwte, niet de naargeestigheid zelve zijn; wel moet het +door schoonheid de jeugd verkwikken; maar die schoonheid moet wezen naar +kinderlijken trant en in overeenstemming met de geheele omgeving. Liever +dan schoolpaleizen te zetten in armelijke buurten, moeten de +arbeiderswoningen verbeterd worden, waarin de kinderen—én hun +ouders—hun levensgeluk moeten vinden.</p> + +<p>Ieder gezin in een eigen huisje met een tuintje er bij. Overal veel +ruimte, licht, lucht en groen. Ruimte voor de kinderen, opdat ze kunnen +hoepelen en vliegeren naar hartelust. Ruimte ook achter de woningen, +opdat ze daar in rustige stilte genieten. En dan hier en daar een +eenvoudige, vriendelijke school, met niet meer dan zeven lokalen en een +open speelplaats, waar de kinderen der wijk, ook buiten de schooluren, +veilig en vrij zijn—hún speelplaats. En aan de school verbonden een +paar ruime lokalen, vereenigingszalen voor de rijpere jeugd en de +volwassenen, waar deze in aanraking blijven met de beschaving, gelijk +die zich in wetenschap en kunst openbaart.</p> + +<p>Dat zou heerlijk zijn! En daardoor zou de baldadigheid binnen de perken +worden gehouden!</p> + +<p>Zullen we 't nog eens beleven?</p> + +<p>Ik vrees. Maar al weet ik helaas te goed, dat de zedelijkheid niet +afhangt van de omstandigheden, ik heb in mijn jeugd ervaren, dat heel +wat baldadigheid wegsterft—in een nette buurt.</p> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"> + <p><a id="FN1_1" href="#FNa1_1" class="label">1)</a> Naatje, het zusje van peit.</p> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="282"></span><a id="p_282"></a></p> + +<h2 id="MOEDER_VERTELT">MOEDER VERTELT.</h2> + +<p>We zouden met Vader een dag uit visschen gaan.</p> + +<p>'s Avonds te voren hadden we alles in gereedheid gebracht, de snoeren en +hengels, het aas, en ook de flesschen bessensap en boterhammen met +worst.</p> + +<p>Toen zijn we vroeg in bed gestopt, opdat we niet te veel van onze +nachtrust zouden missen. En nu, na een onrustigen slaap, scharrelen we +door de huiskamer.</p> + +<p>'t Is vier uur in den morgen. We voelen ons kil en huiverig. Het +daglicht is nog niet aangebroken. In de kamer is het schemerig, buiten +grauw.</p> + +<p>Moeder heeft het petroleumstel aangestoken en theewater opgezet. Zij was +natuurlijk het eerst op, een half uur vóór ons. Uit vrees dat we ons +mochten verslapen, heeft ze den heelen nacht als in een bommeltrein +gereisd. Telkens was ze wakker om even op het horloge te kijken bij 't +nachtlichtje. Vooral na tweeën was bijna ieder kwartier een nieuw +stationnetje, waar de trein stopte.</p> + +<p>Nu loopt ze op haar kousen rond, heel zachtjes, om vooral de buren niet +te wekken. Ik laat een schoen vallen. Dat klinkt hard in de +morgenstilte. Sssst, zegt Moeder. Ze spreekt niet, ze fluistert. En zoo +doen we<span class="pagenum" title="283"></span><a id="p_283"></a> allen. Die schoen—mijn hart stond er bij stil. We glijden als +schaduwen voorbij mekaar, spreken met schaduwstemmen. 't Lijkt wel een +schimmenspel in den valen ochtendschemer.</p> + +<p>Moeder giet het theewater op. Wolken waterdamp krinkelen boven den +trekpot. Alleen het gezicht reeds verwarmt je. Opwekkende theegeur vult +de kamer. Heerlijk. Nog een paar minuutjes en we krijgen een kopje thee. +Lekker warm. Met twee handen er omheen, drinken we het langzaam op.</p> + +<p>Het is alles zoo vriendelijk, zoo vredig, zoo geheimzinnig, zoo rustig. +Buiten sjilpen de musschen en dringt langzaam het licht door. 't Is +gelukkig goed weer. Geen regen, alleen een beetje nevel. 't Zal een +mooie dag worden. Ik kijk door 't venster. De schutting is nog nat, ook +het deksel van den put en de steenen van 't plaatsje. Maar dat is niets, +'t is maar dauw.</p> + +<p>Ik zet mijn pet vast op en probeer hoe ik het gemakkelijkst de +boterhammen kan dragen. De hengels leg ik schuin tegen den +rechterschouder. Nog vijf minuutjes, en we gaan. Vader drinkt staande +zijn laatste kopje thee....</p> + +<p>Opeens, daar dringt een vreeselijke gil ons door merg en been. Een doffe +plof volgt.</p> + +<p>O God, daar is het weer. Die gil, zoo langgerekt en doodsbenauwd, we +kennen ze.</p> + +<p>Vader heeft een toeval gekregen.</p> + +<p>Ik sta, verstijfd van schrik, met de hengels in mijn hand.</p> + +<p><span class="pagenum" title="284"></span><a id="p_284"></a></p> + +<p>Moeder laat den trekpot haast vallen.</p> + +<p>„Ach God!” zegt ze. En in die twee woorden breekt al de diepte van haar +smart uit. Dan haalt ze gauw een kussen van bed en legt het den armen +man onder 't hoofd. Ze maakt zijn goed los en wascht zachtjes wat schuim +van de blauwe lippen.</p> + +<p>Christien komt in nachtgewaad binnen geloopen, de oogen wijd starend. Ze +was nog wat blijven liggen, eer ze om half zeven naar haar betrekking +moest. Maar de angstkreet is tot haar diepen slaap doorgedrongen. Bevend +staat ze met ons bij Vader, die bewusteloos ligt te schokken en +stuiptrekken op den grond.</p> + +<p>Ik zet de hengelstokken in een hoek, haal de boterhammen uit mijn kiel +en leg ze op de tafel, naast het theeblad....</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Arme, arme Vader.</p> + +<p>Neen, we denken geen oogenblik aan het verlies van onzen heerlijken dag +buiten. We zijn vervuld met innig medelijden. Arme Vader!</p> + +<p>Moeder verzamelt ons in de keuken. Ze haalt het theeblad uit de +huiskamer en zet het op de rechtbank. De een gaat op een keukenstoel +zitten, de ander op een krukje, weer een ander op den vuilnisbak of op +een treetje.</p> + +<p>Telkens gaat ze even naar binnen, om te zien, of Vader al bijgekomen is. +Eindelijk hooren we een diepen, kreunenden zucht. Nu is hij bij.</p> + +<p><span class="pagenum" title="285"></span><a id="p_285"></a></p> + +<p>Moeder en Christien tillen hem voorzichtig op, dragen hem naar de +bedstede. Met zachte hand trekt Moeder hem de overkleeren uit, legt hem +dan te bed, dekt hem toe.</p> + +<p>We weten, wat er nu volgen zal. Den heelen dag zal Vader daar doodstil +blijven liggen met barstende hoofdpijn. Hij zal niets eten, alleen nu en +dan een teugje drinken. Wij loopen onhoorbaar door 't huis, spreken heel +zacht, ontbijten, koffiedrinken, eten in de keuken. Wanneer Moeder naar +binnen is geweest, zullen we met smeekende verwachting in de oogen +vragen, hoe 't er mee is, telkens weer. En dan zal Moeder zeggen: „Vader +ligt doodstil. Erge hoofdpijn.”</p> + +<p>Eerst tegen den avond zullen we even bij 't bed mogen komen, om Vader +een hand te geven. Dan zal hij ons met zijn zachte blauwe oogen +vriendelijk aanzien, alsof hij ons vergiffenis vroeg, dat hij ons zoo +had teleurgesteld. En dan zullen we onze oogen vochtig voelen worden. En +dan zal hij zeggen: „Nacht kind!” En we zijn blij, dat we zijn stem weer +hooren. Rustig gaan we naar bed, en we danken Onze lieve Heer, dat Hij +Vader toch weer beter heeft gemaakt.</p> + +<p>Zoo zal de dag voorbijgaan. We weten het al vooruit. Want zoo is er al +menige dag voorbijgegaan. Om de drie weken kreeg Vader een toeval. Soms +wel twee in een week. Soms duurde het ook een paar maanden. Dan hoopten +we al, dat het weg mocht blijven. Tot opeens, daar had je 't weer, die +hartdoorsnijdende gil.</p> + +<p>Zelf sprak Vader er nooit over. Ook niet als hij pas een toeval had +gehad. Dan was hij meestal een<span class="pagenum" title="286"></span><a id="p_286"></a> paar dagen moe en suf van hoofd, ging +stil zijn weg. Maar nooit roerde hij het onderwerp aan.</p> + +<p>Waarschuwende verschijnselen, dat er een toeval op handen was, deden +zich niet voor. Geheel onverwacht en op de meest ongelegen oogenblikken +kwamen ze. Zoo praatte Vader nog met je, en zoo plofte hij neer. Alleen +had Moeder meenen op te merken, dat er vaak dagen van groote +prikkelbaarheid aan vooraf gingen. Wanneer Vader zoo ongemotiveerd +driftig kon opstuiven—ach, aanstonds was hij weer bedaard—beefde +Moeder al inwendig. „Er zit zeker weer een toeval,” zei ze met +bekommerde, verontschuldigende stem. En dan zat er ook meermalen een +toeval, als een donkere, dreigende onweersbui. Soms was het voor allen +en ook voor Vader zelf een verademing, als de bui was losgebroken. Dan +kwam er weer ontspanning.</p> + +<p>Zoo is er ook nu, op dezen morgen, na den eersten hevigen schrik, +ontspanning gekomen. We zitten rustig in de keuken. 't Is nog pas half +zes. Wat zullen we doen? Weer naar bed gaan? Lezen? Spelen? Dat is +onmogelijk. We scholen om Moeder heen, in het kleine keukentje. En +Moeder praat zachtjes. Ze vertelt van haar leven.</p> + +<p>'t Is wel een vreemd verteluurtje. De morgenzon kleurt den hemel. Door +'t keukenraam zien we boomtoppen verlicht. En 't is ook een zonderling +plekje, in de keuken tusschen de glazenkast en de aanrechtbank. Ook het +verhaal is ongewoon, een verhaal van levensleed. Zoo iets vertelt men +gewoonlijk niet aan kinderen. Kinderen moeten immers sprookjes en +grappen <span class="pagenum" title="287"></span><a id="p_287"></a>hooren? Maar dit alles wordt verklaard door de donkere bedstede +daar in de huiskamer, door dien lijdenden man.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>„Ach,” zegt Moeder, „zoo is het mijn heele leven gegaan.”</p> + +<p>Ze zit stil, met ingekeerde oogen, alsof de oogen ver, ver in het +verleden teruggingen. Dan gaat ze voort, zachtjes vertellend van wat die +oogen daar zagen.</p> + +<p>„Ik was nog maar pas getrouwd, toen je Vader een toeval kreeg. Je hoeft +niet te vragen, of ik schrok, want ik had er niets van geweten. En ik +had zoo iets nooit bijgewoond. Maar toen je Vader bijkwam, had ik zoo +innig met hem te doen. Hij was zoo ellendig, en daarbij was hij zoo +verlegen voor mij. Hij had er mij niets van verteld. Vóór ons huwelijk +had hij ook al een paar maal een toeval gehad, maar zijn vrienden hadden +gezegd, dat het in zijn trouwen wel zou overgaan. Daar had hij het maar +op gewaagd.</p> + +<p>We woonden toen in een grooten kruidenierswinkel. Daar hadden zijn +voogden hem in gezet. Want je Vader was al vroeg een wees. Maar hij had +geen verstand van zaken. En binnen tien maanden was de zaak failliet.</p> + +<p>Toen moesten we verhuizen. Op een kouden avond in Januari brachten ze +mij in een toe-slee over. Dien avond zal ik niet licht vergeten. Het +vroor hard. 't Was bitter koud. Daarom hadden ze me goed toegestopt. Ik +was hoogst zwanger. Iederen dag kon Christientje geboren worden. Toen ik +aan de nieuwe woning<span class="pagenum" title="288"></span><a id="p_288"></a> kwam, moest ik een ongelukkige trap op, twee hoog, +en daar vond ik een paar zoo goed als leege kamers. Er stond een tafel, +een paar stoelen, maar geen kachel. Aanstonds brachten ze me naar bed. +Toen voelde ik me toch zoo bitter ellendig. Geen brand, geen voedsel, +niet eens een warm kop koffie, de kasten leeg en geen cent in huis. En +daar werd den 25sten Januari Christientje geboren.</p> + +<p>Zoo is mijn huwelijksleven begonnen. En nog geen jaar te voren zat ik in +die heerlijke pastorie.</p> + +<p>Natuurlijk kwam Grootvader gauw over. Die goeie man wist niet, wat hij +zag. Hij schreide, toen hij voor mijn bed zat. En toen de broers, jullie +ooms, het hoorden, waren ze woedend. Ze zeiden, dat je Vader me bedrogen +had en wilden, dat ik weer naar de Klundert zou komen. Maar daar was ik +niet toe te bewegen. Je Vader was zoo goed en hij leed er zelf zoo +bitter onder. Hij hád me ook niet bedrogen, daar zou hij nooit toe in +staat zijn geweest. Maar de man was veel te goed van vertrouwen. En dat +is hij zijn leven lang gebleven. Dat is hij eigenlijk nog. Daarbij was +hij niet goed opgevoed. Zijn ouders waren deftig en bemiddeld. Maar die +stierven al vroeg. Toen ging hij met zijn broertje ergens in huis. Ze +kregen goed onderwijs, je Vader is altijd knap geweest. Maar er werd +niet gezorgd voor een bepaalde opleiding, en toen je Vader mondig was, +werd er eenvoudig een zaak voor hem gekocht, of hij er geschikt voor was +of niet. Hij dacht, dat alles best zou gaan. De man had van zijn eigen +zaken nooit iets afgeweten.</p> + +<p><span class="pagenum" title="289"></span><a id="p_289"></a></p> + +<p>Grootvader zorgde, dat ik het noodigste kreeg. Maar hij had zelf een +groot gezin en kon er niet nog een gezin bij onderhouden. Toen hij weer +weg was, bleven we met ons drieën achter. Je Vader kreeg een +betrekkinkje en zoo konden we tenminste leven. Maar vraag niet hoe.”</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Moeder in die slee, Moeder in die armelijke bedstede op een leeg +bovenhuis, Grootvader, die waardige man, met beschreide oogen bij het +gebroken leven van zijn dochter—het zijn tooneeltjes die ik zou kunnen +uitschilderen. Moeder vertelde zoo, dat we alles voor ons zagen. En ik +weet nog heel goed, dat ze zonder eenige aarzeling uitdrukkingen als +„hoogst zwanger” gebruikte. Armoede en smart brengen de volwassenen zoo +dicht bij de kinderen, maken de kinderen in zeker opzicht gauw groot. +Moeder had geen tijd en geen stemming, om er een afzonderlijk taaltje +voor kinderen op na te houden. Met wie moest ze alles bepraten en +overleggen dan met haar kroost, en daarbij sprak ze de gewone taal der +volwassenen. Wij vonden zulke woorden ook heel gewoon, al begrepen we er +niet precies het rechte van. Maar zoo is het immers met haast ieder +woord? We moeten het aanvankelijk met enkele vage notities stellen.</p> + +<p>Zoo is het ook gegaan met het woord „verleiden”, in den specialen zin, +zooals we het uit de geschiedenis van Jozef en Potifar's vrouw kennen. +Moeder was al eenige jaren getrouwd, en woonde in Emmerik. Daar had +Vader een betrekking aan het spoor gekregen.<span class="pagenum" title="290"></span><a id="p_290"></a> Wat, dat weet ik niet, we +waren tevreden met het woord „betrekking”—naar bizonderheden +informeerden we niet. „En toen”—vertelde Moeder—„werd ik eens op het +kantoor ontboden bij een deftigen meneer. Ik kwam in een prachtige +kamer. Die meneer was heel vriendelijk. Eerst begreep ik hem niet. Maar +toen zei hij: Een mooie jonge vrouw als u hoeft toch geen armoe te +lijden. En hij wees op een stapel geld, dat op zijn bureau stond, alsof +hij zeggen wou: Neem het maar. Toen was het, of ik een ingeving kreeg. O +God, dat nooit! En ik liep aanstonds naar den hoek van de kamer en trok +aan het schellekoord: „Meneer, ik verzoek, dat u me onmiddellijk +uitlaat.” Toen de knecht kwam, zei hij: „Laat jij de juffrouw eens uit” +Hij moest wel. Maar toen ik thuis kwam, viel ik stijf van mezelve.”</p> + +<p>Bijna woordelijk herinner ik me dit verhaal. Met dezelfde soberheid +vertelde Moeder het. Ik zag de kamer, het bureau, het geld, het +schellekoord, den knecht. En ik begreep, dat die man Moeder had willen +verleiden tot iets kwaads, al begreep ik niet wat. Ik bracht het echter +wel in verband met de geschiedenis van Jozef.</p> + +<p>Moeder kon in Emmerik niet blijven. Gelukkig kreeg Vader nu iets in +Amsterdam. Hij moest vooruit reizen. „Toen moest ik voor de verhuizing +zorgen, alles inpakken en verzenden. En eindelijk ging ik zelf met drie +kinderen, een spiegel en een schilderij. Dat was een heel gesjouw. Maar +ik rekende altijd op de goeie menschen. Die hielpen je wel.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="291"></span><a id="p_291"></a></p> + +<p>Daar zat ze in de trein, natuurlijk derde klas, met drie kinderen, een +spiegel en een schilderij, blij, dat ze Duitschland den rug kon +toekeeren. „De menschen waren er wel vriendelijk—overal heb je goeie +menschen—, maar ze begrepen me niet altijd. En in Amsterdam was ik +natuurlijk dichter bij de familie. Ofschoon een mensch het in zijn +armoede toch niet van de familie hebben moet. In 't begin is er wel veel +medelijden, maar och, aan alles raak je gewoon. De familie was wel heel +goed voor me, hoor——je oom Willem, die was student in Utrecht, en als +hij dan een dag of wat overkwam, zei hij: Nans, hier is het geld voor +het hotel, stop mij maar ergens in een hoekje. En dan ging hij niet naar +een hotel, maar sliep heel armelijk bij ons. Dát was toch zoo'n lieve +jongen. Daarom is hij zeker vroeg gestorven—nog als student—aan de +tering. Hij was een engel van een jongen. Maar anders, het meeste lief +heb ik van de buren gehad. Die zijn ook zoo iederen dag om je heen.”</p> + +<p>En nu kwamen er verhalen van goeie buren.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>„Wat ik van die menschen een hartelijkheid heb ondervonden—dat kan ik +onmogelijk allemaal vertellen. Als je arm bent, moet je onder arme +menschen gaan wonen, dan heb je het nog het beste. En het was aardig, +zooals ze me altijd met zekeren eerbied behandelden. Ze zagen natuurlijk +wel, dat wij van betere afkomst waren en betrokken ons nooit in hun<span class="pagenum" title="292"></span><a id="p_292"></a> +standsgewoonten. „Dat kan de juffrouw niet doen,” zeiden ze dan. „Dat is +de juffrouw niet gewoon. Dat zullen wij wel even voor u doen.”—En ze +wilden nooit iets aannemen. „Wel nee, lieve mensch, je kan het zelf te +best gebruiken.” Van hun eigen armoede deelden ze me meermalen mee.</p> + +<p>Eén man zal ik altijd heel dankbaar herdenken. Dat was bakker Aalders. +We woonden toen ergens op een kamer drie-hoog, en hij had beneden in 't +huis zijn bakkerij. Iederen morgen bracht hij ons brood en in 't begin +betaalde ik dat ook geregeld. Als je Vader Zaterdags zijn weekgeld thuis +bracht, rekende ik 's Maandags altijd af met den bakker en den +groentenman en den huisbaas en den bode van het begrafenisfonds. Maar +toen je Vader weer een toeval gekregen had en hij zijn betrekking kwijt +was, hield natuurlijk dadelijk ook het geld op. Bakker Aalders zag dat +wel, zulke menschen weten direkt alles van je omstandigheden. Toch ging +hij voort, iederen morgen brood te brengen, en nu zonder ooit om geld te +vragen. Dat duurde weken en maanden achtereen. En altijd bracht de +vriendelijke man zelf het brood boven, maakte even een praatje, vroeg +niets en zinspeelde ook op niets. Eindelijk werd ik er zelf verlegen mee +en ik zei, dat ik hem onmogelijk betalen kon, dat hij maar geen brood +meer moest brengen. En wat zei de man? „Juffrouw, zoolang ik brood heb, +zal u 't ook hebben. Dat geld komt wel terecht.” En toen je Vader weer +wat verdiende, wou Aalders het achterstallige geld niet hebben. En hij +heeft het<span class="pagenum" title="293"></span><a id="p_293"></a> nooit willen hebben. Ja, ik heb wat goeie menschen in de +wereld ontmoet! Maar Aalders was toch wel heel bizonder.”</p> + +<p>Terwijl Moeder vertelde, zag ik Aalders, een eenvoudig man, het petje +op, met een brood in de hand de oude trap oploopen, aan de kamerdeur +kloppen, het brood op tafel leggen, even een praatje maken, en weer +verdwijnen. En als pendant daarvan dien deftigen meneer in Emmerik, in +de prachtige kamer, aan zijn bureau, met het stapeltje geld, en Moeder +staande op het dikke tapijt. En mijn gemoed wisselde als een +voorjaarshemel bij veranderlijk weer. Nu eens was het helderblauwe lucht +met zonneschijn—bakker Aalders met zijn brood in de geopende +kamerdeur—dan weer donkere bewolking met angstig-dreigend grauw: de +prachtige kamer.</p> + +<p>Zou men denken, dat wij, luisterende kinderen, door zulke verhalen niet +werden opgevoed? Moeder vertelde ze niet met die bedoelingen, ze +vertelde ze alleen om haar hart uit te storten in heel vertrouwelijk +samenzijn met haar kinderen. Maar ik voelde hun krachtige werking in +mijn gemoed, ik voelde bewondering en afgrijzen, liefde en weerzin, +dankbaarheid en verfoeiing. Ons hart werd tot in zijn diepste lagen +bewogen en geen weloverdachte zedelijke opvoeding kon bewerken, wat +hier, zonder opzettelijkheid en met door de paedagogiek misschien +afgekeurde middelen, werd bereikt. Moeders leven, de ervaringen van een +volwassene, de onkinderlijke verhoudingen en woorden, 't lijkt +veroordeelenswaardig opvoedingsmateriaal<span class="pagenum" title="294"></span><a id="p_294"></a> voor jongens van elf en twaalf +jaar. Doch niettemin—wij wérden er door opgevoed. En ik weet wel, +waardoor dat komt. Dat komt, omdat daarin het echte, waarachtige, ons +naderde, met bedoelingen van enkel liefde. Hoe geweldig werkt de +waarachtigheid der natuur, ook van het zich onbevangen gevende +Moederhart, tegenover het kunstmatige eener in elkaar gezette techniek. +Moeder <i>maakte</i> niet wat voor ons, ze <i>uitte</i> zich, en in die uitingen +stroomde ons het voedende leven toe. Dat is ook de kracht van den Bijbel +en van alle zuivere springbronnen van leven.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>De nood rees soms wel hoog, maar toch altijd kwam de redding. Vreeselijk +was de toestand, toen één kind gestorven in zijn bedje lag, een ander +ieder oogenblik geboren kon worden, en Vader met een toeval werd thuis +gebracht. En dat midden in de armoede. Men kan zich zoo'n ellende niet +indenken. En als Moeder 't ons vertelde, zei ze ook altijd: „Hoe komt +een mensch het door!” Maar ze had een onwankelbaar vertrouwen, dat God +haar wel helpen zou.</p> + +<p>„Eens op een avond zat ik in mijn eentje in een arm bovenkamertje. Ik +had alles netjes opgeruimd, want in de grootste armoede had ik er toch +altijd plezier in den boel netjes te hebben. De kinderen lagen in +theekisten, want wiegjes of ledikantjes had ik niet. Maar ze waren met +heldere lakentjes toegedekt. En toen werd er geklopt en een paar dames +kwamen binnen. Ze gingen zitten en praatten wat<span class="pagenum" title="295"></span><a id="p_295"></a> met me. Een van haar +had een versje voor me uitgeschreven. Dat heb ik altijd bewaard. Ze las +het me voor. En ze maakte me haar compliment, dat alles zoo netjes was. +En toen ze heen waren, vond ik onder een bordje vijftig gulden, twee +briefjes van vijfentwintig. Mijn gemoed schoot vol.”</p> + +<p>Ook onze oogen sprongen vol tranen, als Moeder dat vertelde.</p> + +<p>En als ze dan uit een oude doos het blaadje postpapier haalde, het +geelgeworden blaadje, en ons het vers voorlas, hoorden wij met stille +vroomheid toe. 't Was een vers van Godsvertrouwen. Waarom zou ik den +naam der beide dames niet noemen? 't Waren twee zusters Salm—nu al lang +gestorven. En nu noem ik dien naam niet als een bewijsstuk voor de +echtheid der geschiedenis of als een eeresaluut nog boven het graf, maar +alleen om mezelf het genot te gunnen, dien naam eens hardop uit te +spreken, midden in den kring van wie naar me luisteren, zooals Moeder 't +deed in het kringetje van haar kinderen.</p> + +<p>Daar is nog een naam van een gestorvene, die in mijn hart leven blijft. +Mijnheer Sanders was rijk en woonde in een groot huis op de Heeren- of +Keizersgracht. Wanneer Moeder radeloos was, ging ze naar hem toe en kwam +nooit ongetroost terug. Er waren bepaalde uren, dat de gang daar vol +armen stond. Die man had zulk een mededoogend hart, dat hij soms met +sterken aandrang een poos naar buiten moest worden gedreven. Hij kon +„zijn” armen niet achterlaten en leed zoo zeer onder hun kommer, dat<span class="pagenum" title="296"></span><a id="p_296"></a> +hij alleen gelukkig was, als hij geven en helpen mocht. Ik voelde toen +al, dat de rijkdom voor dit gevoelige hart misschien nog zorgvoller was +dan de armoede voor Moeder. De verantwoordelijkheid van zijn +rentmeesterschap drukte hem als lood. Bij zooveel ellende kon hij met +zijn geld niet gelukkig zijn. En al gaf hij al zijn geld weg, dan was de +ellende toch niet merkbaar verminderd. Wanneer Moeder ons van hem en +zijn milddadigheid vertelde, was het altijd met dankbaarheid en +medelijden. Wel eigenaardig, dat de armoede medelijden had met den +rijkdom.</p> + +<p>Bij deze twee namen zal ik het laten. Namen noemen van goedgeefsche +rijken—het is benden van dringende vragers op hen afsturen. Doch geen +armen zullen een bedevaart naar deze graven doen. Hoe echter het +namennoemen misbruikt kan worden, heeft Vader eens op een wonderlijke +manier ondervonden.</p> + +<p>Er was een man met wien hij sprak over zijn nooden en toen liet Vader +zich ontvallen, dat hij van deftige familie was. Meneer X. was een neef +van hem, Mevrouw IJ. een tante. Maar die familie wist van Vaders bestaan +niet af. Vader was niet trotsch of hooghartig, maar hij <i>kon</i> niet +bedelen. Hij stierf liever met zijn heele gezin van honger, dan ook maar +een penning te vragen. Het was hem onmogelijk. Hierin was Moeder een +beetje gemakkelijker. Welke rechtgeaarde Moeder waagt ook niet alles +voor haar kinderen!</p> + +<p>Die man dan hoorde Vader aan, informeerde naar de adressen, noemde Vader +een gek, dat hij niet van<span class="pagenum" title="297"></span><a id="p_297"></a> dien rijkdom profiteerde, hij zou 't hem wel +anders, leveren, en zoo voort en zoo voort. Vader liet zich niet +opwinden, wilde geen misbruik maken van den naam zijner moeder, om +daardoor geld los te krijgen, berustte liever in zijn armoede.</p> + +<p>Twee of drie weken later kreeg Vader gansch onverwacht een brief, of hij +zich op een bepaald uur wilde vervoegen aan het kantoor van Mr. X. Wat +zou dat beteekenen? Hij, Moeder, allen waren even nieuwsgierig. +Natuurlijk ging hij, en in spanning wachtten de anderen zijn terugkomst +af. Wat was 't geval. Mr. X. vroeg aanstonds: „Bent u meneer Ligthart? +Bent u het zelf?” En toen informeerde hij naar Vaders geschiedenis en +omstandigheden. Er was een man geweest, die zich voor Ligthart had +uitgegeven en schandelijk had opgespeeld—hij wou bij hoog en laag geld +hebben, en als hij dat niet kreeg, zouden ze wel anders zien—hij +verkoos niet te verrekken van honger, als hij zulke rijke familie had, +en al zou hij er de heele wereld bij te pas brengen, hij wou geld +hebben.</p> + +<p>Mr. X. was zeker blij verrast, toen hij in den bescheiden en beschaafden +man, die nu voor hem stond, den echten Ligthart zag. Beiden doorzagen de +oplichterij gauw genoeg, toen Vader vertelde, hoe die man hem had +uitgehoord. Mr. X. bedankte Vader voor zijn komst en Vader zou wel iets +naders van hem hooren.</p> + +<p>Spoedig kwam er bericht, dat Vader een levenslange toelage kreeg van +vijf gulden in de week. Elken Maandagmorgen kon dat bedrag gehaald +worden bij Ds. v.<span class="pagenum" title="298"></span><a id="p_298"></a> d. Goot, onzen Doopsgezinden predikant. Niemand +hoefde er voor bedankt te worden, het was een familietoelage, op +voorstel van Mr. X. De gevers bleven onbekend.</p> + +<p>Meermalen heb ik zelf die vijf gulden bij Ds. v. d. G. gehaald. Die was +dan altijd heel vriendelijk en behandelde je volstrekt niet als een +bedeelde.</p> + +<p>Maar is dit weer niet een zonderlinge geschiedenis? Zeg geen namen van +goedgeefsche rijken, want oplichters maken er misbruik van. En zie, deze +oplichter maakte het pad effen voor levenslange hulp.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Zoo vertelde Moeder ons de eene geschiedenis na de andere, terwijl Vader +in bed lag. Slechts eenmaal was het haar <i>te</i> benauwd geweest. Toen had +ze op het punt gestaan in 't water te springen. Maar de gedachte aan de +kinderen had haar weerhouden. Nooit hebben we Moeder hooren klagen over +haar lot. Al vertelde ze ons de droevigste ervaringen, het was nooit in +den klaagtoon. En als ze over Vader sprak, was het met liefdevolle +aanvaarding: „Ik heb altijd het gevoel gehad, dat God mij tot taak had +gegeven, dezen man door het leven te brengen.” Hij was haar oudste kind. +Vriend noch vreemd—en aan pogingen heeft het zeker niet +ontbroken—heeft haar ooit kunnen bewegen, haar post ontrouw te worden. +Ze heeft haar levenstaak met algeheele zelfverloochening volbracht.</p> + +<p>Dikwijls als ze over goede menschen sprak, kwam<span class="pagenum" title="299"></span><a id="p_299"></a> het zoo uit de volheid +van haar hart: „Die hebben den hemel aan me verdiend.” De uitdrukking +was wat Roomsch, Moedertje, voor een predikantsdochter—wij doen niet +aan werkheiligheid. Maar wat hebt Gij dan wel verdiend aan man en +kinderen?</p> + +<p>Moeder heeft een stukje van den hemel al op aarde gekregen. 't Kwam wel +laat, maar daarom mocht ze zeker wat langer blijven. Toen ze, in haar +drie-en-zeventigste, heenging, had ze al meer dan twaalf jaren een +betrekkelijk, althans geldelijk, onbekommerd leven genoten. Dat was +ongetwijfeld haar loon voor een leven van toewijding.</p> + +<p>„O, als ik jelui alles vertelde, dan kon je er wel een boek over +schrijven,” zei Moeder vaak.</p> + +<p>Maar Moeder, dat moet U me nu eens niet kwalijk nemen, maar dat doen we +tegenwoordig niet. We schrijven geen boeken over helden en heldinnen, +die op 't leven zegevieren. We schrijven alleen boeken over +slappelingen, die in 't leven ondergaan. Stel je voor, dat ik eens een +boek over U schreef. Ze zouden zeggen: dat is maar een bedacht +vertelseltje. Zoo is het leven niet.</p> + +<p>Neen hoor, geen boek over Uw levensboek. Alleen heb ik mij in dit +hoofdstukje veroorloofd, eenige bladzijden daaruit over te drukken. En +dat heb ik gedaan met opvoedkundige bedoelingen. Want, lieve Moeder, ik +ben—dank zij U—en ondanks de paedagogiek—zoo'n soort paedagoog +geworden.</p> + +<p>Dank zij U.</p> + +<p>Uw leven doortrilt mijn leven.</p> + +<p><span class="pagenum" title="300"></span><a id="p_300"></a></p> + +<p>Van U heb ik geleerd, neen als levensmelk ingezogen, onder alle, alle +omstandigheden niet te versagen, trouw te volharden, te aanvaarden den +plicht die ons wordt opgelegd, niet onszelf te zoeken, maar onszelf toe +te wijden.</p> + +<p>Of ik dat gekund heb?</p> + +<p>Ik wou, dat het waar was. Maar mijn falen is niet uw schuld. Dat was +meestal 't gevolg van te veel voorspoed. Gelukkig kwam de tegenspoed me +dan eens flink door elkaar rammelen, om me tot bezinning te brengen en +terug te voeren tot trouw.</p> + +<p>Gij hebt, door Uw leven, de les gepredikt: We moeten geen heide +ontvluchten en parken zoeken, maar heide ontginnen en parken maken.</p> + +<p>Er is, heel sterk in onzen tijd, een jacht naar beter. Niet dat men +zichzelf en zijn arbeid wil verbeteren—als gevolg waarvan vanzelf +betere omstandigheden zouden ontstaan—maar een zoeken van en dingen +naar altijd hooger, voordeeliger, voornamer positie. Daartoe verlaten +honderden schoenmakers hun leest.</p> + +<p>Gij hebt ons geleerd: Doe wat God je als levenstaak heeft gegeven, en +doe dat met heel je hart. Blijf trouw.</p> + +<p>En Uw succes heeft er de belofte aan toegevoegd: En je zult slagen, +boven bidden en denken.</p> + +<p>Heerlijk, Moeder, dat ik deze les, Uw wijsheid, als het summum mijner +paedagogiek nu onder vele oogen mag brengen, hopen dat zij vele harten +mag binnentrekken.</p> + +<p>Blijf trouw! En vertrouw! En de kroon des levens is voor U weggelegd!</p> + +<p>Is het niet eigenlijk—christendom?</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="301"></span><a id="p_301"></a></p> + +<h2 id="IK_WORD_KWEEKELING">IK WORD KWEEKELING.</h2> + +<p>We hechten aan het werkwoord worden in sommige gevallen een heel actieve +beteekenis. Wanneer een jongen ons met een blijd voornemen in de oogen +en de stem vertelt: „Meester, ik word zeeman!”—, dan is het, of we hem +met volle zeilen op zijn doel zien afstevenen.</p> + +<p>Zoo ging het bij mij niet. Kweekeling-worden, ik had er nooit aan +gedacht. Naar den kansel was mijn blik en hartewensch wel eens +heengegaan, die behoorde om zoo te zeggen ook tot de familie, maar zoo +ver heugenis en overlevering reikten, had Vaders noch Moeders geslacht +ooit de wereld met een schoolmeester verrijkt. Grootvader en twee ooms +waren predikant, een derde oom studeerde er voor, geen wonder als er wat +domineesbloed door mijn aderen vloeide.</p> + +<p>Echter, er kon geen sprake zijn van een academische opleiding, daartoe +ontbrak het ten eenenmale aan middelen, en zoo lag het in het duister, +wat ik worden zou. Timmerman, gelijk de twee oudere broers, daar was ik +te zwak voor. Maar wat dan? Misschien was ik behanger geworden—daar +hoefde je niet zoo sterk voor te zijn—toen de armoede het vraagstuk +heel practisch oploste.</p> + +<p><span class="pagenum" title="302"></span><a id="p_302"></a></p> + +<p>Al weken achtereen had ik mijn schoolgeld niet betaald. Weten de +onderwijzers, die den kinderen harde standjes geven als deze hun +schoolgeld hebben „vergeten”, wat dat voor een kind is? Ze kunnen er +zeker van zijn, dat er thuis al heftige tooneelen zijn afgespeeld. Het +kind wilde niet naar school zonder schoolgeld, en Moeder had het niet. +Het kind draalde, drong, schreide, werd brutaal, bleef tegen den muur +hangen, en Moeder kon het geld toch niet van haar rug snijden. Eindelijk +zei Moeder: „Zeg dan maar, dat je 't vergeten hebt,” maar het kind wist +wel, dat noch meester noch de kinderen dat gelooven zouden. Ten slotte, +vijf minuten voor negenen, is het maar de deur uit geslenterd, met +roodbeschreide oogen, zeurend naar school. En als het daar kleurend van +schaamte en gekrenkte trots, de boodschap van Moeder verlegen naliegt, +terwijl de omringende leerlingen zich in de welgegoedheid hunner ouders +veilig voelen en wat vreemd en ongeloovig kijken, krijgt het van zijn +meester nog een uitbrander. Hoe is het mogelijk!</p> + +<p>Als een der voordeelen van een armelijke jeugd, vol vernederingen, heb +ik het altijd gevoeld, dat ik, in beter omstandigheden gekomen, zulke +arme kinderen begrijpen en wat ontzien kon.</p> + +<p>Nu is het heerlijk, van mijn bovenmeester te mogen getuigen, dat hij +tegenover mij teer- en fijngevoelige kieschheid betrachtte. Hij +vernederde mij niet midden in de klas, maar riep me in zijn kamertje. +Daar drukte hij me ernstig op 't hart, dat het achterstallige schoolgeld +al veel te hoog was opgeloopen, en dat het zoo<span class="pagenum" title="303"></span><a id="p_303"></a> niet langer ging. Ik +moest mijn ouders zeggen dat ik het schoolgeld moest meebrengen, en hij +anders verplicht was mij van de school te verwijderen. (Is het, tusschen +twee haakjes, ondanks de waarlijk goede bedoeling en den vriendelijken +toon van den hoofdonderwijzer, toch niet al te erg, dat zulke geldelijke +aangelegenheden, die toch eigenlijk alleen de volwassenen betreffen, +worden afgehandeld met een twaalfjarig kind?) Echter, behalve betalen en +verwijderen, was er nog een derde kans. En ik weet nog, hoe mijn hart +opsprong van blijde verlichting, toen de bovenmeester me dit uitzicht +opende: Ik kon kweekeling worden. Dan kostte ik niets en zou zelfs wat +verdienen: gratis opleiding en vijf gulden in de drie maanden!</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Kweekeling worden. Heerlijk! Nu het me daar zoo onverwacht werd +voorgesteld, werd ik plotseling gewaar, dat er toch, volkomen onbewust, +een groote liefde voor het onderwijzerswerk in mij gegroeid was. En dat +had ik te danken aan den onderwijzer, die ons dagelijks les gaf en die, +althans in mijn oog, van zijn taak en zelfs van zijn heele verblijf in +de school, zoo iets behagelijks wist te maken. 't Was de man, die reeds +den eersten morgen van onze aankomst verrukt was over de mooie namen en +die met zulk een gezellige ingenomenheid nieuwe rekenboekjes uit de kast +opdook, wanneer we al weer een rekenboekje uit hadden. Met zoo'n +beloonende en aansporende<span class="pagenum" title="304"></span><a id="p_304"></a> blijdschap keek hij de twee volle kanten van +je lei na, met zoo'n leuke gratie zwierde hij G's door je sommen ten +teeken dat ze goed waren. Het leek wel voor hemzelf een feest te zijn, +als hij, de griffel sierlijk in de hand, som na som met zijn zegelmerk +voorzag, terwijl wij hem met spannende oogjes aankeken, innerlijk +juichend bij elken gracieusen trek, even inzinkend bij iedere—maar toch +mooie—streep door een foutieve oplossing.</p> + +<p>Wat kon hij 's winters gezellig bij de kachel staan! Dan liep hij eerst +rustig om de klas heen, wreef zich de koude handen, opende de +kacheldeur, keek naar 't vuur met dezelfde belangstelling als naar onze +sommen, greep den pook niet minder sierlijk dan de griffel, en pookte +zonder ruwe rammelende geluiden, pookte gelijk hij op 't bord schreef, +netjes en rustig, zoodat zelfs het randje van zijn hagelwitte manchet er +plezier in had en zich nieuwsgierig verbreedde. Daarna hing hij den pook +op zijn vaste plaats, draaide zich met den rug naar de kachel, sloeg de +handen in elkaar op de achterpanden van zijn jas, en koesterde ze te +gelijk met al de achterdeelen van zijn kleeding en wat daar onder zat. +Onderwijzer-zijn, je zag het den man aan, was een dagelijksch genoegen. +Maar ik denk nu, dat hij met hetzelfde genoegen winkelier was geweest. +Alleen had de natuurlijke gave om zijn heele omgeving gezellig te maken +hem dan wat meer geld opgebracht. Hij was gansch geen type van een +verdroogden schoolmeester, nog al rijzig, gezet, kleurig en met +springende haren. Zijn gezetheid bracht<span class="pagenum" title="305"></span><a id="p_305"></a> zeker mee, dat hij zomers nog +al dorstig was. Dan kon hij zoo smakelijk een glas water leegdrinken. +Eerst hield hij het tegen 't licht, en verkwikte zich met den aanblik +van het kristalheldere vocht. Daarna dronk hij het met langzame teugen +op, genietend van iedere aanraking. Zette hij 't glas weer netjes in de +kast, dan kon je zeker zijn, dat hij nog even, heel even, met het puntje +der tong langs de lippen streek, navoelend de zachte verkoeling.</p> + +<p>Was het wonder, dat het opgroeien onder den stillen invloed van zulk een +gemoedelijk-vriendelijk onderwijzersleven, bij ons onmerkbaar liefde +voor dat leven deed ontkiemen? Zóó op 't bord schrijven, zóó de griffel +hanteeren, zóó je koesteren bij de kachel, zóó een glas water +savoureeren—je vond het een benijdbaar voorrecht, en thuis deed je met +welbewuste pogingen dit aanlokkelijk voorbeeld na. Je schoof zelfs een +afgedankte manchet van je grooten broer onder de mouw van je +jongenskiel, om te kijken, hoe dat stond, en of die manchet ook zoo te +voorschijn kwam, als je mouw optrok....</p> + +<p>Mijn ouders armoede en het even vriendelijke als wijze voorstel van den +bovenmeester, deden mij kweekeling worden, maar Uw onbedoeld voorbeeld, +o Meester, was oorzaak, dat deze overgang mij <ins class="corr" id="corr19" title="Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</ins> +als een groote verrukking tegen schitterde. Het was de plotseling wakker +wordende en glorende liefde van een meisje, wanneer „hij” +haar gevraagd heeft. Zoo'n leventje te hebben! Ook zonder manchetten was +het al zalig, de griffel, de pook, de kast, de kachel,<span class="pagenum" title="306"></span><a id="p_306"></a> +het glas water, het vredig wandelen om de klas—het werd alles +mijn deel. En innerlijk juichend holde ik dien morgen naar huis.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Vraag niet, of mijn moeder blij was. Zij zag ineens weer een nieuw +verschiet. Staande voor een muur van geldelijke verplichting, niet +wetend waarheen, loste die muur zich als door een toovermiddel op, de +harde massieve steenmassa vervluchtigde, en daar lag, vóór haar, een +open weg, ruim, zonnig, onafzienbaar. En nu was haar eerste werk, te +zorgen, dat de nieuwe kweekeling er, overeenkomstig zijn positie, netjes +uitzag, eer hij dien weg opwandelde.</p> + +<p>De kweekeling was ruim twaalf jaar. Dit nam niet weg, dat hij toch aan +'t onderwijzen toog. Flauw herinner ik me, dat ik tusschen kleine +kinderen doorscharrelde en ze lezen leerde. Bizonderheden staan me niet +meer voor den geest. Alleen weet ik de <i>plaats</i>, waar ik mijn eerste +kommando's uitdeelde. 't Was in het ver-afgelegen achtergedeelte van de +groote bovenschool. Zoo zijn ook allerlei andere herinneringen uit mijn +jeugd nauw verbonden aan <i>terreinen</i>, en daaruit waag ik het af te +leiden,—stoute sprong!—dat de landkaart een veel grooter rol moet +spelen bij ons geschiedenisonderwijs. 't Is mij net, of al de +herinneringen mijner jeugd, als stofjes door elkaar zouden dansen, +wanneer ik ze niet gehecht zag aan een stukje aardbodem.</p> + +<p>Het kweekeling-spelen bestond hoofdzakelijk uit<span class="pagenum" title="307"></span><a id="p_307"></a> kommandeeren en +verbieden. Dit schijnen de eerste uitspruitsels te zijn van meerderheid. +Je kunt dat bij alle kinderen zien. Wanneer ze schooltje spelen, of +moedertje, of soldaatje, zijn ze aanstonds zich aan 't oefenen in +vrijheidsbelemmeren. En je kunt dat ook bij jonge moeders en vaders +zien. Ook bij jonge onderwijzers en bij bovenmeesters. Beheerscht door +een geheime angst, dat het gezag hun ontglipt, niet vertrouwd met het +jonge leven, en er ook niet op vertrouwend, knellen ze het zoo gauw en +zoo vast mogelijk in banden. Dan blijven ze het meester, en kunnen er +mee jongleeren als met een ingespeld bakerkind. Zelfs de politiek, en +treuriger nog, de godsdienst vatten aldus hun opvoedingstaak aan. Ze +schrijven programma's voor, leggen systemen op, dwingen binnen +organisatie's, die evenwel meer lijken op dooie vlechtwerken dan op +levensuitgroeiingen, volgen het militairisme als hun model, en zoeken +eenvormigheid als hun ideaal. Organiseeren beteekent bij hen: +recruteeren, reglementeeren<ins class="corr" id="corr20" title="Niet in Bron.">,</ins> disciplineeren, regimenten-, +bataillons-, legermachten vormen. En opvoeden is: den baas spelen.</p> + +<p>Zoo begon ik als kweekeling. Menigeen brengt het nooit verder. Die +sterft als korporaal, als is het onder den naam van legerkommandant. Hij +blijft de man van bevel en dwang. Daarvoor heeft mij bewaard en zal mij +immer beschermen—ge zoudt het nooit raden, als ik 't niet zei—de +straatjongen. Doch niet de straatjongen buiten me, maar die <i>in</i> me. +Hij, de vrijbuitende, zwerfgrage schavuit, hij leeft nog in me.<span class="pagenum" title="308"></span><a id="p_308"></a> Hij, de +altijd langs en over gevaarlijke kantjes gaande, de vrijheidminner en +vrijheidgunner, hij behoedt me voor gezaggerij. Zoodra ik, +verantwoordelijk, braaf, ernstig paedagoog, dreig te ontaarden in +versteening, komt hij te voorschijn, drijft den spot met +gewichtighedens, en zegt me met de brutaalste oprechtheid, dat al die +deftigheid maar larie is, dat ik er niets van meen, en dat alle anderen +in 't diepst van hun ziel er ook niets van meenen. En zoo zorgt +hij—meester-opvoeder—dat de paedagoog niet in baasspelerij ten onder +gaat.</p> + +<p>Wat een kweekeling later worden zal, kun je <ins class="corr" id="corr21" title="Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</ins> afleiden uit zijn eerste keus. Blijft hij +met zijn oud-kameraden stoeien en ravotten, ondanks zijn lange broek; of +sluit hij zich voor goed bij den nasleep van de volwassenen aan. In 't +laatste geval wordt hij een gezagsman, gevoelig voor strepen op de mouw +en sterretjes op den kraag. In 't eerste geval een vriend van de +kinderen. In 't laatste geval wordt hij een officieele paedagoog—in 't +eerste geval blijft hij een jongen.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>De theoretische opleiding, die ik gratis ontving, was heel eenvoudig. Ik +kocht bij Ten Brink en De Vries in de Hartenstraat voor vijf cent een +„Beknopt Overzicht van de Vaderlandsche Geschiedenis door A. A. Holst”, +voor tien cent een „Kort Overzicht van de Algemeene Geschiedenis” van +denzelfden schrijver, voor nog eens vijf cent de beknopte „Bijbelsche +Geschiedenis” en zoo ook een beknopte Rekenkunde,<span class="pagenum" title="309"></span><a id="p_309"></a> Taalkunde, +Aardrijkskunde. 't Waren dunne boekjes van 32–48 bladzijden, in een dun +geel of anders gekleurd omslag—ieder overzicht had, meen ik, zijn vaste +kleur—en bestaande uit een reeks lesjes.</p> + +<p>Het eerste lesje ving steeds aan met een beschrijving en indeeling van +de wetenschap, waartoe het de deur opende: „Geschiedenis of historie is +het aaneengeschakeld verhaal der lotgevallen van een volk, met +inachtneming van tijden, plaatsen en personen. Men verdeelt de +geschiedenis in Algemeene, Vaderlandsche en Bijbelsche geschiedenis.”</p> + +<p>Ik weet niet of dit citaat woordelijk getrouw is, maar 'k geloof het +wel. Ver van de waarheid zal het in ieder geval niet zijn.</p> + +<p>Dan volgde de opsomming der tijdvakken met de daarbij behoorende +jaartallen. De Algemeene Geschiedenis kreeg haar Oudheid, Middeleeuwen +en Nieuwe Geschiedenis, de Vaderlandsche haar vijf tijdperken. Zoo begon +de Aardrijkskunde na de onmisbare definitie met de opnoeming der +Werelddeelen. Vervolgens kreeg ieder tijdvak, ieder land zijn +afzonderlijke behandeling overeenkomstig een vast schema.</p> + +<p>Er is, gelijk men ziet, wel eenig onderscheid met de tegenwoordige +opleiding aan een kweekschool. Een der voordeelen was, dat de boekjes +goedkoop waren, zoodat men voor 50 cent, zijn heele bibliotheek van +leerboeken had aangeschaft. Een tweede voordeel, dat ze dun waren, +zoodat men ze zonder al te veel moeite kon doorkomen. Een derde, dat ze +de volledige wetenschap bevatten, zoodat men ineens alles wist.</p> + +<p><span class="pagenum" title="310"></span><a id="p_310"></a></p> + +<p>De studiemethode bestond hierin, dat men de lesjes woordelijk uit het +hoofd leerde en ze daarna opzei voor den lesmeester. „Men kende dan al +of niet zijn les.” Daarmee was 't uit. Leeren was memoriseeren. Zijn les +opzeggen: een boek oplezen, zonder het boek.</p> + +<p>Tegenwoordig moet dat nog hier en daar in de mode zijn, zelfs op +gymnasia en hoogere burgerscholen. 't Verschil met vroeger zou dan +wezen, dat nu de boeken talrijker en dikker zijn, en daarmee in +overeenstemming de ellende ook veel grooter. In plaats van de heele +aardrijkskunde in misschien 48 bladzijden, krijgen de leerlingen nu +afzonderlijke boeken voor Nederland, Indië, Europa, de Werelddeelen, met +een of meer atlassen. En dan maar leeren.</p> + +<p>Ik denk er niet aan, mijn hoofdonderwijzer, die zelf een overgroot deel +onzer opleiding voor zijn rekening nam, hard te vallen over het karakter +dier opleiding. Eer bewonder ik het, dat hij 's avonds op de avondschool +nog tijd kon vinden, om onze lessen te overhooren. Maar ik moet wel +erkennen, dat ik voor mijn geestelijke ontwikkeling, zoo goed als niets +aan dat lessengeleer te danken heb gehad. En ik acht het dringend +noodig, dat heel luid uit te spreken, omdat je tegenwoordig waarlijk nog +menschen hebt en zelfs weer krijgt, die dat memoriseeren aanbevelen, ook +op wetenschappelijke gronden. Ik heb een opleiding gehad bijna +uitsluitend van geheugenvulling en ik acht het verloren tijd en +misbruikte energie, goed voor idioten, omdat die stakkerds niet beter +kunnen.</p> + +<p>Wij moeten elkaar echter goed begrijpen. Ik ben<span class="pagenum" title="311"></span><a id="p_311"></a> er niet tegen, dat men +zijn kennis vastlegt en zorgt ze te onderhouden. We studeeren waarlijk +niet, om weer te vergeten. Er is ook geen bezwaar tegen, enkele feiten, +of rijtjes woorden of getallen, er machinaal in te stampen. Maar dit is +iets anders, dan de geheele opleiding in dien toon te zetten. Hóófdzaak +bij iedere geestelijke ontwikkeling is: <i>belangstelling wekken</i>. En met +de memoriseer-cultuur wordt de belangstelling vermoord. Bij mij althans +heeft het lang geduurd, eer—dank zij het lessenleeren—ik me voor den +<i>inhoud</i> dier lessen ging interesseeren. En toen ik daarmee begon, zaten +me nog die <ins class="corr" id="corr22" title="Bron: lesseen">lessen</ins> in den weg.</p> + +<p>Er zal later nog gelegenheid te over zijn, op dit onderwerp terug te +komen, wanneer ik ook over mijn jongelingsjaren zal mogen verhalen. Dan +hoop ik, mede ter leering van hen die naar het oude terug willen, het +zij al dan niet onder wetenschappelijke, of <span xml:lang="en">would be</span> wetenschappelijke +vlag, eens heel precies te vertellen, wat lijdens- en verstompingskuur +men ons deed doormaken. Nu, met die boekjes-van-Holst-ontwikkeling, zijn +we nog pas aan 't begin van de ellende, en daar ik spoedig deze school +en daarmee deze opleiding verliet, is het nu niet het juiste moment, die +verderfelijke cultuur met haar heidensche woordenkramerij in al haar +onvruchtbaarheid en bedriegelijken schijn ten toon te stellen. Dat komt +later, als God mij het leven en de krachten gunt. Alleen moest ik nu, +heel even, maar heel ernstig, waarschuwen voor een neiging tot terugkeer +naar het verkeerde van vroeger. Nieuwe dwaasheden rechtvaardigen geen +oude.</p> + +<p><span class="pagenum" title="312"></span><a id="p_312"></a></p> + +<p>En nu ik aan die verplichting heb voldaan, volgen de laatste +herinneringen aan deze school en aan mijn kinderjaren.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>Ik mag tot mijn geluk zeggen, dat ik als twaalfjarig onderwijzer een +vriendje bleef van mijn oude schoolmakkers en geen collega werd van de +heeren. Met de jongens ging ik trouwer om dan met de verschillende +overzichten van Holst, en boven het leeren koos ik het spelen. Dat waren +voor mijn toekomst geen ongunstige teekenen. Een kind van 12 jaar, dat +graag zijn lessen leert, is geen echt kind en wordt dus ook nooit een +echt man. Ik wilde wel, dat de ouders in dit opzicht wat meer vertrouwen +hadden in hun leerafkeerige kinderen. Het is toch ook een goed +verschijnsel, als de kindermond geen smaak heeft in notedoppen en +oesterschelpen en de maag die onverteerd afvoert of teruggeeft. Hoe +zuiverder een kind <i>kind</i> is, hoe meer zijn geest zich verzetten zal +tegen een zoogenoemd geestelijk voedsel, dat niets anders is dan +geestelijke cellulose. En kinderen die zulk een krachtige kindernatuur +bezitten, dat ze, niet brutaal onwillig, maar instinctief onverwinbaar, +zich verzetten tegen de verkrachting dier natuur, beloven veel voor de +toekomst. Dat zijn de gezonden, die eenmaal, als de tijd daar is, ook +krachtige mannen en vrouwen zullen zijn. In dit opzicht heeft de +wetenschappelijke paedologie schoon gelijk, waar ze beweert dat elke +leeftijd zijn speciale belangstellingen en belangen heeft,<span class="pagenum" title="313"></span><a id="p_313"></a> en wordt de +wetenschappelijkheid van onze grootmoeders recht gedaan, die al +verklaarden: Mettertijd komt Harmen in 't wammes en Krelis in de broek. +Met-ter-tijd. Een speelgraag kind heeft groote kans een leer- en +werkgraag man te worden. Vroege catechismus—late vroomheid.</p> + +<p>Wie niet onbekend is met de boekjes van +Tuttie<a id="FNa1_2" href="#FN1_2" class="fnanchor" title="De vier deeltjes van Blond en Bruin, 2e serie „De Wereld in!”">1)</a>, herinnert zich +wellicht, dat daarin een verhaal voorkomt: <i>De meter van den meester.</i> +Dit verhaal is in hoofdzaak waar gebeurd. Het dateert uit deze periode.</p> + +<p>Aan de overzijde van de Bloemgracht, maar een eind verder, was een +Stadsarmenschool. Daar gingen de „schooiers”, met wie we vaak oorlog +voerden. Er waren geen deftiger scholen in de buurt, die in haar +meerdere voornaamheid, een voldoende <span xml:lang="la">casus belli</span> konden schenken, dus +moest de „klompenschool” ons maar het krijgsgenot bezorgen. Klompen en +een stadsschool, het waren inderdaad redenen genoeg, daar behoefde maar +een geringe aanleiding bij te komen, om het oorlogsvuur te doen +ontbranden.</p> + +<p>We waren weer eens aan 't vechten, en ik was al kweekeling. Inplaats van +mijn positie hoog, en mijn fatsoen òp te houden, maakte ik van de +vrijheden, mij als kweekeling toegekend, misbruik. Ik mocht vroeger in +school—of móést vroeger in school, om voor een en ander te zorgen—en +haalde de jongens naar binnen, nu wel niet in 't gebouw, maar toch in de +lange overbouwde gang, die van de Bloemgracht <span class="pagenum" title="314"></span><a id="p_314"></a>naar 't gebouw leidde en +die onder gewone omstandigheden was afgesloten door een zware deur.</p> + +<p>'t Was nog vóór schooltijd, misschien acht uur, maar overal zwierven al +troepen jongens van beide partijen. De onzen verzamelden zich om de +schoolpoort, de vijanden een eind verder op de gracht. De laatsten +hadden blijkbaar een aanval in den zin en rukten hiertoe langzaam, maar +zeker, naar onze vesting op.</p> + +<p>Wonderlijk. Geen van de twee partijen wou vechten, en toch wilden ze het +allebei. Niemand zocht de aanraking, en toch zochten we die wederzijds. +Ieder hoedde zich voor de verantwoordelijkheid van den eersten klap, en +toch liet hij zich prikkelen en verleiden tot die verantwoordelijkheid. +Ik weet dit heel, héél goed, en begreep daardoor later zoo gauw het +wederzijds prikkelen en beschuldigen der vlootvoogden, als ik in mijn +geschiedenisboeken las, hoe deze niet het eerste schot willen lossen, en +er toch van verlangen naar brandden. Waarlijk, er is niet zulk een +reuzenverschil tusschen de veertien- en de veertigjarige jongens. Ze +zijn van één geslacht.</p> + +<p>Er hoopte zich een soort van gemoedselectriciteit op, bij den eenen hoop +positieve en bij den anderen negatieve, daardoor ontstond er een +geweldige spanning en moest er een ontlading volgen. Zonder deze waren +we gebarsten. Het moest bliksemen en donderen, anders kon er onmogelijk +een neutrale atmosfeer terugkeeren. Dat vechten was een +natuurverschijnsel in de physisch-ethische wereld. Belangen<span class="pagenum" title="315"></span><a id="p_315"></a> waren er +niet mee gemoeid, absoluut niet. Grieven bestonden er alleen in de +verbeelding en de overlevering. 't Was om de ontlading te doen, en +nergens anders om. We werden onder onbekende invloeden electrisch en +máákten ons grieven, die voor het verstand als motieven konden gelden.</p> + +<p>Zou het ook mogelijk kunnen zijn, dat de oorlogen tusschen de volkeren +alleen om belangen <i>heeten</i> te gaan, en dat de belangen slechts worden +opgeworpen, omdat er oorlogskrachten in de lucht werken? Is het een +reusachtige zelfverblinding van geheele natiën en spelen geheime, +geweldige natuurmachten hun spel met de kinderen der menschen?</p> + +<p>'t Is slechts een vraag.</p> + +<p>Hoe 't zij, wij werden gedrongen tot vechten. Daartoe naderde de vijand +meer en meer, ieder oogenblik aangroeiend met nieuwe mannen; daartoe +trokken wij, ook voortdurend versterkt, ons terug in de gang.</p> + +<p>Eindelijk was het zoover, dat we de dikke deur moesten sluiten en +grendelen, en daar brak onmiddellijk de opgehoopte electriciteit los in +trappen, steenworpen en schreeuwen. De vijand waagde er de hakken van +zijn schoenen en de klinkers uit de straat aan, al wist hij heel goed, +dat daarvoor de deur niet bezwijken zou. Zulk een succes zou hij +waarschijnlijk ook niet begeerd hebben, want wat zou hem de toegang +hebben gebaat tot een gang, die hij toch niet zou durven binnendringen? +Daar in die donkere engte, in dat diepe hol, zou hij zich nooit wagen, +maar niettemin moest hij de deur bombardeeren, louter om<span class="pagenum" title="316"></span><a id="p_316"></a> den woesten +wellust van het bombardement, de zaligheid der uitbarsting! Geen berg +kan met heeter drift zijn gloeiende steenen uitspuwen, als dit jeugdig +menschdom zijn woede!</p> + +<p>Wij, in de donkere gang, beefden van gekrenktheid, haat, strijdlust. +Soms stonden we doodstil, luisterend naar het tieren der wilde bende, +dan weer dwaalden we onrustig rond, zinnend op wraak. Zeker, we waren +veilig, maar veiligheid is voor een edel krijgsmanshart niet genoeg. +„Kom er uit, als je durft!” jouwden ze daar buiten. En die tergende +uitdagingen joegen ons het bloed naar de wangen. Veiligheid is mooi voor +vrouwen en kinderen maar wij dorstten naar de triomf! Triomfeeren +moesten we op dien tierenden troep! Nooit zouden we den smaad kunnen +dragen, dat we uit lafheid ons hadden schuil gehouden! Liever het leven +gewaagd, dan veilig in de vernedering! Liever met eere te sneven, dan in +schande te leven!</p> + +<p>We zochten een middel om de verloren positie te herwinnen, en beraamden +een uitval. Plotseling zouden we de deur openen, schreeuwend naar buiten +rennen en onvervaard op den vijand losstormen. Maar dan moesten we een +wapen hebben, een flinken stok, om er op in te houwen. Nu wist ik raad, +ik, de kweekeling. Ik ging naar binnen, haalde een meter, een +vierkanten, die bij 't onderwijs dienst moest doen, en hield dien als +een slagzwaard in de vuist.</p> + +<p>Nog steeds beukte de vijand op de onbeweegbare deur. Hadden ze een mast +bezeten, ongetwijfeld hadden ze de Watergeuzen nagevolgd en de poort +van<span class="pagenum" title="317"></span><a id="p_317"></a> Den Briel gerammeid. We stonden, saamgedrongen, vlak bij de deur. +Voorzichtig schoof ik den grendel weg, bang dat men het buiten hooren +mocht. Toen trok ik het slot terug en draaide met een ruk de deur wijd +open.</p> + +<p>De vijand schrok. Hij deinsde. Van dat oogenblik maakten we gebruik. +Zwaaiend met den meter rende ik er op in, aanstonds gevolgd door de +heele bezetting. Schreeuwend en gillend waagden we ons midden in de +massa: een handjevol dapperen tegen de overmacht. En we zouden ze wel +verjaagd hebben, vooral omdat daarginds bijstand voor ons opdaagde en de +vijand dan tusschen twee vuren zat, als maar niet een noodlottig ongeval +ons met één slag beroofd had van ons wapen, ons élan en onze +waardigheid.</p> + +<p>Ik sloeg met blinde woede in 't rond en raakte zoo niet een vijand, maar +de houten paal van een hek. Door dien slag brak de meter in tweeën, het +eene eind hield ik in de hand, en het andere vloog de lucht in.</p> + +<p>Een ontzettend gejouw ging onder de vijanden op, een van hen wist +spoedig het weggevlogen stuk te bemachtigen, en nu renden ze weer op ons +toe.</p> + +<p>Grooter ongeluk had ons niet kunnen treffen. Verlamd van schrik trokken +we ons snel terug en hadden nog juist tijd de deur te sluiten. Toen +stonden we daar, vernederd, machteloos, in de donkere gang, zonder +eenige hoop op herwinning van het terrein, en met het overblijfsel van +den meter in de hand. 't Was bitter treurig.</p> + +<p><span class="pagenum" title="318"></span><a id="p_318"></a></p> + +<p>Eerst toen de onderwijzers kwamen, trok de vijand langzamerhand af.</p> + +<p>Het stuk meter legde ik op de plaats, waar ik den heelen vandaan had +gehaald. Maar daarmee was de zaak natuurlijk niet afgeloopen. In den +loop van den morgen werd ik in 't kamertje geroepen, moest daar alles +opbiechten, en meneer de kweekeling kreeg, behalve een duchtig standje, +den last voor een nieuwen meter te zorgen, met welken last hij—waar +moest hij er anders mee heen?—zijn lieve moeder bezwaarde.</p> + +<p>Gelukkig verdiende ik geld. Toen ik na beëindiging van het eerste +kwartaal twee rijksdaalders kreeg—ik weet nog, dat ik ze ontving—holde +ik naar huis en was zalig, dat ik mijn lieve moeder ook met dien last +bezwaren mocht.</p> + +<p class="tbhoog">* <span class="tblaag">*</span> *</p> + +<p>En nu komt er tot slot iets veel ergers dan het breken van den meter.</p> + +<p>Een vriend van ons huis was gymnastiek-onderwijzer aan een stadsschool. +Hij vertelde dat het „aan de stad” zooveel beter was dan op een +bizondere school en spoorde mijn ouders aan, mij op een stadsschool te +doen; dan verdiende ik meer, ontving beter opleiding, en had mooier +toekomst.</p> + +<p>Hij deed dat met de beste bedoelingen. Mijn ouders gaven gevolg aan zijn +raad en ik kwam op een stadsschool. Zij meenden ook er goed aan te doen. +En toch.... altijd is mij een gevoel bijgebleven, dat we ondankbaar +hebben gehandeld tegenover de school<span class="pagenum" title="319"></span><a id="p_319"></a> op de Bloemgracht. De meester had +ons het achterstallige schoolgeld kwijtgescholden, mij tot kweekeling +gepromoveerd voor de klas, en aan 't geldverdienen gezet, en nu werd die +vriendelijkheid aldus beantwoord.</p> + +<p>Mijn heele leven, telkens als ik daaraan dacht, voelde ik dit als +trouwbreuk, en ook nu nog, terwijl ik het feit vertel, schaam ik mij. +Dat had de meester niet verdiend.</p> + +<p>Het breken van den meter heeft me nooit gehinderd, wel het breken met de +school. En toch heette het eerste een verregaand brutale daad en was het +laatste in ieders oog niet slechts geoorloofd, maar zelfs heel +verstandig. Men mag zijn belang toch wel behartigen?</p> + +<p>Ik kon mijn ouders niet hard vallen over hun handelwijze. Zij worstelden +zoo om het hoofd boven water te houden, dat iedere jaarwedde-verhooging +hun reeds welkom was. En dan de toekomst van hun jongen! Maar voor +mijzelf heb ik steeds het gevoel gehad, dat ik iets tegenover die school +had goed te maken.</p> + +<p>Wat is dat voor een gevoel? Vanwaar komt het? En waarom hindert het een +mensch?</p> + +<p>Zoo is het einde mijner jeugdherinneringen een zelfverwijt....</p> + +<p>Maar dit mag mijn laatste woord niet wezen, gelijk ik hoop, dat het ook +ons laatste levenswoord niet zij.</p> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"> + <p><a id="FN1_2" href="#FNa1_2" class="label">1)</a> De vier + deeltjes van <i>Blond en Bruin</i>, 2e serie „De Wereld in!”</p> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="320"></span><a id="p_320"></a></p> + +<h2 id="SCHOONSTE_VRUCHT">SCHOONSTE VRUCHT.</h2> + +<div class="poem"> +<div class="stanza3" style="width: 31em;"> + <span class="ri1"><i>Aan mijn ouders.</i><br /></span> +</div> +<div class="stanza3" style="width: 31em;"> + <span class="i0">Mijn laatste woord, een woord van dankende herdenken<br /></span> + <span class="i0">Voor Ouderzorg zoo teer en trouw, in leed zoo groot.<br /></span> + <span class="i0">Een jeugd van armoe, ziekte en worstlen—zaalge nood!—<br /></span> + <span class="i0">Zij kon mij in Uw min slechts rijker zegen schenken.<br /></span> +</div> +<div class="stanza3" style="width: 31em;"> + <span class="i0">Ik ben niet jong meer. Langzaam nadert reeds de Dood.<br /></span> + <span class="i0">Ik zie zijn vinger al van verre vriendlijk wenken.<br /></span> + <span class="i0">Mijn kindren trouwen—straks speelt er aan Grootvaêrs schoot<br /></span> + <span class="i0">Een kleinkind—ai, wat dát een achtbaarheid zal schenken!<br /></span> +</div> +<div class="stanza3" style="width: 31em;"> + <span class="i0">En toch, ik voel me nog Uw kind, Uw dankbaar kind,<br /></span> + <span class="i0">Gezegende Ouders, eens met heel mijn hart bemind,<br /></span> + <span class="i0">En trots Uw sterven immer om en met mij levend.<br /></span> +</div> +<div class="stanza3" style="width: 31em;"> + <span class="i0">Uw kind, al grijst mijn haar en trilt mijn hand.<br /></span> + <span class="i0">Dat is Uw werk: Gij hebt die liefde in 't hart geplant,<br /></span> + <span class="i0">Thans rijpste, schoonste vrucht in dankbre liefde gevend.<br /></span> +</div> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="321"></span><a id="p_321"></a></p> + +<h2><a id="Naar_t_oud_te-huis"></a><i>Naar 't oud te-huis.</i></h2> + +<div class="poem"> +<div class="stanza3" style="width: 29em;"> + <span class="ri1">Aan mijn broeder en zuster.<br /></span> +</div> +<div class="stanza3" style="width: 29em;"> + <span class="i0"><i>Ons oud te-huis, 't lag overgroeit van dicht gebladert,</i><br /></span> + <span class="i0"><i>Verborgen in het bosch van 't stil verleden.</i><br /></span> + <span class="i0"><i>Toen zijn wij samen eerbiedvol genaderd,</i><br /></span> + <span class="i0"><i>En zijn heel zacht zijn kamers ingetreden.</i><br /></span> +</div> +<div class="stanza3" style="width: 29em;"> + <span class="i0"><i>'t Was alles nog als vroeger.... Maar wat deden</i><br /></span> + <span class="i0"><i>Die vele vreemden, daar met ons vergaderd?</i><br /></span> + <span class="i0"><i>Waartoe had ik hen op bezoek gebeden,</i><br /></span> + <span class="i0"><i>'t Intieme plekje met nieuwsgierigheid dooraderd?</i><br /></span> +</div> +<div class="stanza3" style="width: 29em;"> + <span class="i0"><i>„Komt allen binnen!” noodde een vriendelijke mond,</i><br /></span> + <span class="i0"><i>„De kinderen en ook zij die niet mijn kindren heeten.”</i><br /></span> + <span class="i0"><i>Dat was wel Moeders toon en Moeders geest.</i><br /></span> +</div> +<div class="stanza3" style="width: 29em;"> + <span class="i0"><i>Zij leefde nog. Eén woord—'k herkende haar terstond,</i><br /></span> + <span class="i0"><i>Zij die van onderscheid nooit kon of wilde weten,</i><br /></span> + <span class="i0"><i>Voor vreemd en eigen bei, steeds Moeder is geweest.</i><br /></span> +</div> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="322"></span><a id="p_322"></a></p> + +<h2><a id="NASCHRIFT"></a>NASCHRIFT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.</h2> + +<p>„In mijn jeugd heb ik veel hooren spreken over Oom Kuyper, die toen +reeds overleden was, maar wiens nagedachtenis in onze familie in hoog +aanzien werd gehouden als van een oprecht christen. Hij was hoofd van +een school op de Lindegracht. Zijn weduwe, de jongste zuster van mijn +vader, overleed in 1895 te Utrecht.</p> + +<p>Naar alle waarschijnlijkheid zijn dat de personen over wie u schrijft op +pag. <a href="#p_20">20</a>, <a href="#p_55">55</a> en <a href="#p_56">56</a>. Zelfs het hondje komt uit. Ik herinner mij, +dat mijn moeder met afkeer sprak over „Jenny” van tante Lena, die zoo +afschuwelijk kefte.</p> + +<p>Ik ben in het bezit van een portret van beiden, en gerekend naar de +vriendelijke wijze waarop u over hen schrijft, vermoed ik dat u er prijs +op zult stellen die portretten eens te zien.”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Dezen brief ontving ik 23 Januari 1914.</p> + +<p>De portretten waren bij den brief ingesloten en ik mocht ze een maand +lang behouden. Ze hebben die maand, dag aan dag bij me gestaan. +Herhaaldelijk heb ik ze met liefde en groote aandacht beschouwd,<span class="pagenum" title="323"></span><a id="p_323"></a> mij +daarbij geheel verliezend in het verleden. Maar ofschoon het portret, +met die zachte, vriendelijke oogen en gelaatstrekken, zeker sprekende +gelijkenis toonde, ik herinnerde mij geen enkele uiterlijkheid, en +herkende mijn meester niet. Wel begreep ik, dat de uitdrukking van zijn +gelaat zoo had moeten zijn, maar verder kon ik het niet brengen.</p> + +<p>Dit is een ervaring, waarmee de opvoeding haar voordeel kan doen. Als +kind van 7, 8, 9, 10 jaar heb ik dien meester dagelijks gezien en mijn +geest heeft geen duurzaam beeld van zijn uiterlijk opgenomen. Ik heb +echter met hem verkeerd en mijn gemoed heeft een zeer juist beeld van +zijn innerlijk gevormd en bewaard. Immers: Ik voelde in hem een waar +christen, en thans, jaren later, komt een neef mij bevestigen, dat die +indruk volkomen zuiver was.</p> + +<p><i>Kinderen voelen ons innerlijk.</i></p> + +<p>Ziedaar de waarheid, die uit dit feit tot ons spreekt. En daarom: +bedrieg u niet. Speel geen komedie met de jeugd, verwacht niet dat de +kinderen uw innerlijke gezindheid niet zullen opmerken, omdat ze maar +kinderen zijn. Zij photografeeren in de camera obscura van hun hart uw +gemoed veel helderder en nauwkeuriger, dan hun oog uw uiterlijk ziet, en +in dat hart bewaren ze het voornaamste deel van uw persoonlijkheid, niet +het steeds veranderend uiterlijk, maar het zichzelf gelijk blijvend +innerlijk.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Treffend wordt deze opmerking bevestigd door een tweeden brief, dien ik +21.2.1914 ontving:</p> + +<p><span class="pagenum" title="324"></span><a id="p_324"></a></p> + +<p>„Toen onze nieuwe pastorie hier werd gebouwd, moesten we 'n tijd in +pension te D. en woonden toen naast 'n emeritus-predikant Beekman. Deze +vertelde mij in dien tijd van z'n jeugd en ziedaar, nu had u van zijn +vader, den koekbakker, nog onderwijs gehad. Toen ik uw boek had gelezen, +heb ik hem dadelijk geschreven, dat hij het portret van zijn vader moest +koopen. En 'n paar weken geleden, er een bezoek makende, vertelde mij +z'n dochter, ook zich haar grootvader nog zeer goed te herinneren en +diens liefde voor kinderen.”</p> + +<p>Die liefde voor kinderen had ik dus als kind weer zuiver gevoeld.</p> + +<p>Nog vele en zeer hartelijke brieven hebben mijn „Jeugdherinneringen” me +bezorgd, van oude vrienden en buurmeisjes, die alles bijna geheel +onderschreven, en van vreemden, die in mijn verleden, hun eigen verleden +herleefd zagen. Hoe velen hebben mij verteld, dat hun vader dezelfde +zwakheden en beminnelijkheden had als de mijne!</p> + +<p>Een der brieven maakte melding van een bizonder opmerkelijke +overeenkomst. „Zelfs”, heette het, „heb ik hetzelfde kindergebedje 's +avonds opgezegd, en de regel, dien u vergeten hebt, luidde: Ach, vergeef +mij al mijn zonden!”</p> + +<p>Inderdaad, zoo was het, en het is schandelijk, dat juist die regel me +ontschoten was, waar ik zoo dringend noodig had, om die vergeving van +„al mijn zonden” dagelijks te bidden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="325"></span><a id="p_325"></a></p> + +<p>Gelukkig, dat de verlorene me teruggebracht is, want zulke regels kan +een mensch eigenlijk nooit missen.</p> + +<div class="i1"><span class="size75">Mei 1914.</span></div> + +<h2>BIJ DEN DERDEN DRUK.</h2> + +<p>En nu ontving ik sedert weer vele vriendelijke uitingen van +belangstelling. Een dezer wil ik, en mag ik, hier opnemen.</p> + +<p>Mej. J. M. <span class="mixcap">van Schelven</span> schreef me 30 Augustus 1914 uit Amsterdam o. a.: +„Eén passage trof mij vooral. 't Was daar, waar U het hadt over een +zekeren Mijnheer <span class="mixcap">Sanders</span>, die op de Heeren- of Keizersgracht woonde en +die Uw Moeder enkele malen heeft mogen bijstaan. Die Mijnheer <span class="mixcap">Sanders</span> +was mijn Grootvader. Hij woonde Heerengracht 568. Moeder vertelt ons +vaak, dat Grootvader zoo bizonder milddadig was. Zoo weet Moeder zich +nog te herinneren, dat elken Maandagochtend de gang van het benedenhuis +vol menschen stond, die door hem geholpen werden. Ook was hij van een +zeer melancholieke, zwaarmoedige natuur. Dit klopt alles merkwaardig met +wat U over hem schrijft.”</p> + +<p>Bij lezing van dit briefje, was ik dubbel blij, dat ik den naam van den +Heer S. genoemd had: niet alleen omdat mijn herinneringen nu een nieuwe +bevestiging ontvingen, maar bovenal omdat ik nu een woord van<span class="pagenum" title="326"></span><a id="p_326"></a> +erkentelijke liefde heb kunnen wijden aan de nagedachtenis van een braaf +man, onverplichte en daarom te meer ongeveinsde hulde.</p> + +<p>Mej. <span class="mixcap">van Schelven</span> merkt nog op: „Ik denk, dat Moeder het ook wel aardig +zal vinden, dat iemand zoo over haar Vader schrijft.”</p> + +<p>Terecht. Hoe heerlijk, als onze Ouders aldus nog na hun verscheiden +gezegend worden. We zouden ons bijna inspannen.... onzen kinderen ook +dat geluk te verzekeren.</p> + +<p class="right"><span class="floatleft size75">Nov. 1914.</span> <span class="ri2 mixcap size75">Jan L.</span></p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="327"></span><a id="p_327"></a></p> + +<div class="inhoud"> + +<h2 id="INHOUD"><span class="g">INHOUD</span>.</h2> + +<table summary=""> +<tbody> + <tr><td></td><td class="tdr size75">Bladz.</td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#DE_BEWAARSCHOOL">De bewaarschool</a></td><td class="tdr"><a href="#p_1">1</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#DE_EERSTE_LAGERE_SCHOOL">De eerste lagere school</a></td><td class="tdr"><a href="#p_19">19</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#TUSSCHEN_SCHOOL_EN_HUIS">Tusschen school en huis</a></td><td class="tdr"><a href="#p_42">42</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#IN_HUIS">In huis</a></td><td class="tdr"><a href="#p_59">59</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#IN_HUIS_VERVOLG">In huis (<i>vervolg</i>)</a></td><td class="tdr"><a href="#p_78">78</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#NOG_IN_HUIS">Nog in huis</a></td><td class="tdr"><a href="#p_95">95</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#STRAATJONGEN">Straatjongen</a></td><td class="tdr"><a href="#p_118">118</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#NOG_STRAATJONGEN">Nog straatjongen</a></td><td class="tdr"><a href="#p_133">133</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#NOG1_STRAATJONGEN">Nóg straatjongen</a></td><td class="tdr"><a href="#p_149">149</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#KINDERKERK_EN_ZONDAGSSCHOOL">Kinderkerk en zondagsschool</a></td><td class="tdr"><a href="#p_166">166</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#VERANDERING">Verandering</a></td><td class="tdr"><a href="#p_182">182</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#DE_TWEEDE_LAGERE_SCHOOL">De tweede lagere school</a></td><td class="tdr"><a href="#p_198">198</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#GOEDE_SCHOOL">Goede school</a></td><td class="tdr"><a href="#p_214">214</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#JORDAANPAEDAGOGIEK">Jordaanpaedagogiek</a></td><td class="tdr"><a href="#p_228">228</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#IN_T_NIEUWE_HUIS">In 't nieuwe huis</a></td><td class="tdr"><a href="#p_240">240</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#VAN_EEN_VLOEK_EEN_ZEGEN">Van een vloek een zegen</a></td><td class="tdr"><a href="#p_251">251</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#IN_EEN_NETTE_BUURT">In een nette buurt</a></td><td class="tdr"><a href="#p_266">266</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#MOEDER_VERTELT">Moeder vertelt</a></td><td class="tdr"><a href="#p_282">282</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#IK_WORD_KWEEKELING">Ik word kweekeling</a></td><td class="tdr"><a href="#p_301">301</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#SCHOONSTE_VRUCHT">Schoonste vrucht</a></td><td class="tdr"><a href="#p_320">320</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#Naar_t_oud_te-huis">Naar 't oud te-huis</a></td><td class="tdr"><a href="#p_321">321</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#NASCHRIFT">Naschrift bij den tweeden druk</a></td><td class="tdr"><a href="#p_322">322</a></td></tr> +</tbody> +</table> +</div> + +<div class="TNbox"> +<a id="correctie"></a> + +<h3>Overzicht aangebrachte correcties</h3> +<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table summary="correcties in tekst"> + <thead> + <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr> + </thead> + <tbody> + <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. 12</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 26</a></td><td class="td4">' '</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 28</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 45</a></td><td class="td4">op-en</td><td class="td4">op- en</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 63</a></td><td class="td4">hoor</td><td class="td4">hoort</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 89</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 93</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 98</a></td><td class="td4">middag's</td><td class="td4">middags</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 123</a></td><td class="td4">paedegoog</td><td class="td4">paedagoog</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 127</a></td><td class="td4">?</td><td class="td4">. „</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 143</a></td><td class="td4">sterzende</td><td class="td4">stervende</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 185</a></td><td class="td4">Eglantierstraat</td><td class="td4">Eglantiersstraat</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 188</a></td><td class="td4">schermerduister</td><td class="td4">schemerduister</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 195</a></td><td class="td4">Gotman</td><td class="td4">Gottman</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 217</a></td><td class="td4">„</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 219</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">'</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 220</a></td><td class="td4">dit</td><td class="td4">dat</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 225</a></td><td class="td4" xml:lang="fr">sanctifiè</td><td class="td4" xml:lang="fr">sanctifié</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 305</a></td><td class="td4">onmiddelijk</td><td class="td4">onmiddellijk</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr20">Blz. 307</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr21">Blz. 308</a></td><td class="td4">onmiddelijk</td><td class="td4">onmiddellijk</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr22">Blz. 311</a></td><td class="td4">lesseen</td><td class="td4">lessen</td></tr> + </tbody> +</table> +</div> + +<div style='display:block;margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN ***</div> +<div style='display:block;margin:1em 0;'>This file should be named 31107-h.htm or 31107-h.zip</div> +<div style='display:block;margin:1em 0;'>This and all associated files of various formats will be found in https://www.gutenberg.org/3/1/1/0/31107/</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Updated editions will replace the previous one—the old editions will +be renamed. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United +States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. +</div> + +<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br /> +<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br /> +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase “Project +Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg™ License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person +or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ +electronic works. See paragraph 1.E below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the +Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg™ License when +you share it without charge with others. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work +on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the +phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: +</div> + +<blockquote> + <div style='display:block; margin:1em 0'> + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most + other parts of the world at no cost and with almost no restrictions + whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms + of the Project Gutenberg License included with this eBook or online + at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you + are not located in the United States, you will have to check the laws + of the country where you are located before using this eBook. + </div> +</blockquote> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase “Project +Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg™. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg™ License. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format +other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg™ website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain +Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works +provided that: +</div> + +<div style='margin-left:0.7em;'> + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation.” + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ + works. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg™ works. + </div> +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right +of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any +Defect you cause. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s +goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg™ and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state’s laws. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation’s website +and official page at www.gutenberg.org/contact +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread +public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state +visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of +volunteer support. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Most people start at our website which has the main PG search +facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This website includes information about Project Gutenberg™, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. +</div> + +</body> +</html> diff --git a/31107-h/images/cover.jpg b/31107-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ccd9f3d --- /dev/null +++ b/31107-h/images/cover.jpg diff --git a/31107-h/images/frontispiece.jpg b/31107-h/images/frontispiece.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5e005b1 --- /dev/null +++ b/31107-h/images/frontispiece.jpg diff --git a/31107-h/images/ill_p013.png b/31107-h/images/ill_p013.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3d0669e --- /dev/null +++ b/31107-h/images/ill_p013.png diff --git a/31107-h/images/ill_p021.png b/31107-h/images/ill_p021.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5813bc7 --- /dev/null +++ b/31107-h/images/ill_p021.png diff --git a/31107-h/images/ill_p059.png b/31107-h/images/ill_p059.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..130891f --- /dev/null +++ b/31107-h/images/ill_p059.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..f326a11 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #31107 (https://www.gutenberg.org/ebooks/31107) diff --git a/old/31107-8.txt b/old/31107-8.txt new file mode 100644 index 0000000..489beea --- /dev/null +++ b/old/31107-8.txt @@ -0,0 +1,8958 @@ +The Project Gutenberg EBook of Jeugdherinneringen, by Jan Ligthart + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Jeugdherinneringen + +Author: Jan Ligthart + +Release Date: January 28, 2010 [EBook #31107] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN *** + + + + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + +--------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de | + | originele, verouderde spelling. Er is geen poging | + | gedaan de tekst te moderniseren. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel | + | zijn gecorrigeerd. Variaties in spelling (o. a. met | + | of zonder afbreekstreepje/trema) zijn behouden. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden | + | aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | De in het origineel als cusief weergegeven tekst is in | + | dit e-boek weergegeven als _cursief_. Vette tekst is | + | weergegeven als =vet=. Uitgespatieerde tekst is | + | weergegeven als $uitgespatieerd$. | + | | + | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens | + | gebruikt. Deze zijn respectievelijk aangegeven als | + | »aanhalingstekens". | + | | + | Enkele plattegronden zijn in deze tekst-versie van | + | het e-boek met behulp van ASCII-art weergegeven. | + | Deze illustraties en de foto zijn beschikbaar bij de | + | html-versie van dit e-boek op http://www.gutenberg.org | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +--------------------------------------------------------+ + + + + +JEUGDHERINNERINGEN. + + +[Illustratie: foto Jan Ligthart] + + + + + JEUGDHERINNERINGEN + + VAN + + JAN LIGTHART. + + + ACHTSTE DRUK.--VOLKSUITGAVE. + + BIJ J. B. WOLTERS' U. M.--GRONINGEN, DEN HAAG, 1922. + + + BOEKDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS. + + + + +DE BEWAARSCHOOL. + + +Van mijn eerste levensjaren weet ik alleen iets door mededeelingen +mijner moeder. Zij hield er van, ons veel te vertellen van haar eigen +jeugd en ook van onze eigen lotgevallen. Daardoor weet ik, dat ik in een +koekwinkel geboren ben--'t zal wel geweest zijn in de bedstede van de +huis- en slaapkamer achter den koekwinkel--; dat ik een oude, deftige +baker heb gehad, Baker Zandbrink, die alleen voorname diensten aannam, +maar mijn moeder grootendeels uit vriendschap hielp; dat mijn tante +Hendrika zoo dol op me was, dat ze altijd met me uit wou, en ik dan op +haar arm zat te springen, en dat ze dan trotsch op me was, omdat de +menschen me zoo'n mooi kind vonden; en dat ik mijn moeder driemaal een +doodschrik op 't lijf heb gejaagd, door eenmaal van een hooge trap te +vallen, een ander maal een erwt hoog in mijn neus te werken, en een +derden keer een haaknaald in mijn keel te steken, zoodat niemand het +geweerhaakte ding er uit kon halen, dan alleen de dokter, naar wien +mijn moeder in haar angst met mij heen vluchtte. 'k Heb een flauwe +herinnering, dat ik ook nog eens uit een fleschje terpentijn heb +gedronken, maar dat weet ik niet precies meer. + +Natuurlijk vertel ik deze dingen niet, omdat ze ook maar eenigermate +belangrijk zouden zijn, maar alleen om te doen uitkomen, welke +mededeelingen in mijn geheugen zijn gebleven. Duizend andere dingen +heeft mijn moeder me zeker ook verteld, die ik nu totaal vergeten ben. +En terwijl ik de namen van allerlei dingen en menschen, die ik later +in 't geheugen prentte, met moeite vasthield en vaak weer losliet, +is de naam van Baker Zandbrink, ofschoon nooit opzettelijk geleerd +en gerepeteerd, ofschoon zeker in meer dan veertig jaren niet bewust +geworden, mij steeds in alle stilte blijven vergezellen. Jammer, dat +men in zulke namen niet geëxamineerd wordt: daar gebruikt de beschaving +andere namen voor, die niet zoo dicht bij het kind liggen. + + * * * * * + +Mijn persoonlijke herinneringen gaan terug tot mijn derde of vierde +jaar, tot mijn bewaarschool-periode. Ik ben achtereenvolgens op twee +bewaarscholen geweest, waarvan ik mij enkele hoofdzaken nog goed kan +voorstellen. + +We woonden toen te Amsterdam in een kruidenierswinkel. Het +hooge huis stond op den hoek van de Eglantiersgracht en de derde +Eglantiersdwarsstraat. Van dat huis en de omgeving, van de geheele +buurt weet ik nog bijna alles. Maar we hebben er ook zes à acht jaar +gewoond, dus kan ik niet nagaan, uit welken leeftijd die beelden +dagteekenen. De bewaarschool, althans de eerste, heb ik alleen in mijn +derde of vierde jaar gezien, later niet meer, en ik weet nog precies, +dat er binnen een, naar mijn meening, _groote_ ruimte was, waar heel +veel kinderen zaten--van de banken weet ik niets meer af--en dat aan +'t eind van die ruimte een houten trapje naar een verhooging voerde, +waarop, onder 't koffiedrinken, de juffrouw plaats nam aan een tafeltje. +Ik heb nu nog den indruk, dat die juffrouw van haar hooge zitplaats ons +heele rijk overzag en we dus niets ongerechtigs konden doen. + +Van 't leeren weet ik niets meer, noch van vertellingen, noch van +versjes. Mijn geheele leven in die school wordt vertegenwoordigd door +maar één beeld: het koffieuurtje. De kinderen zitten omlaag, de juffrouw +omhoog. Eer we beginnen te eten, roepen alle kinderen in dreuntoon: +»Smakelijk eten, juffrouw Mina!" en de juffrouw antwoordt uit haar +hoogte met vriendelijke bewaarschooljuffrouwstem, wat hoog van klank en +zeer te-gemoet-tredend van toon: »Smakelijk eten, kindertjes!" Na afloop +van het boterham-eten zeggen de kinderen: »Welvolkomen, juffrouw Mina!" +Waarschijnlijk: »Wel bekome 't u, juffrouw Mina!" Maar in mijn ooren +hoor ik nog thans het zeurend gezang van het heele kinderkoor: +»Welvolkomen, juffrouw Mina!" En daarop weer de hooge, inborend +welwillende stem van de juffrouw: »Welvolkomen, kindertjes!" + +Er is zeker wel gebeden en gedankt in de bewaarschool, ook +gezongen, maar ik weet er niets meer van. En ik vermoed, dat ik die +koffietafel-beleefdheden alleen onthouden heb, doordat mijn oudere +broers er mij thuis vaak mee plaagden. Die riepen telkens op zeurenden +kindertoon en dan weer met piepende juffrouwen-stem door 't huis +spottend na, wat daar in de bewaarschool zoo goed bedoeld en ernstig +uitgevoerd werd. En zoo zijn zeker de fatsoenlijke manieren, die +juffrouw Mina er bij ons inbracht, niet bewaard gebleven door haar +welmeenenden ernst, maar door de onbarmhartige vroolijkheid van een paar +ongevoelige spotters. Ik herinner me nog goed, dat die bespotting mij +hinderde en wat pijn deed. De zaak was voor mij iets ernstigs, misschien +alleen door den plechtigen dreun, maar toch, ze was met een ernstige +stemming door mijn kindergemoed verweven, en ik voelde het als pijn, +wanneer in dat weefsel gescheurd werd. + +Den weg naar deze bewaarschool zie ik nog voor me. Eerst uit de +huiskamer een trapje af naar den winkel. Dan den winkel door. Over de +platte blauwe stoep. Nu op straat. Aanstonds de hooge brug over, die--we +woonden immers op een hoekhuis--bijna vlak voor 't huis lag. En dan +rechtsaf, de »gracht" op, dat is eigenlijk de kade langs de gracht. Bij +'t woord gracht dachten wij nooit aan 't gegraven water, maar altijd aan +de beide wegen ter weerszijden er van. Iemand woonde in onze taal nooit +»aan", maar op de gracht. De bewaarschool lag dus aan de overzijde van +de gracht, rechts van de brug. Ik zie die »kleine steentjes" nog, het +voetpad van klinkers, waarop we altijd liepen, vlak langs de stoepen der +huizen. De »groote steenen", de keien, lagen daarnaast, op den rijweg. +Wanneer we naar school gingen, kregen we altijd de waarschuwing mee: »Op +de kleine steentjes loopen, hoor!" en dan liepen we, dikwijls hand aan +hand, op de kleine steentjes naar school, nadat mijn oudste zuster ons +eerst de brug over had gebracht. + +Om in school te komen, moesten we van de gracht af eerst een poortje +en een met klinkers bestrate gang door. Hoe we uit die gang in 't +schoollokaal kwamen, weet ik niet meer. Ik zie alleen de gang, en dan, +zonder tusschenschakels, de schoolruimte met de hooge tribune voor +Juffrouw Mina, deftiger genoemd: Mejuffrouw Gottman. Ook háár naam heeft +in mijn geheugen een onvervreemdbare plaats. + +Die weg naar school is voor mij éénmaal een kruisweg geweest. Niet door +de school, want van die school herinner ik me niets onaangenaams. +Maar.... + +Vóór mijn zesde jaar leed ik eenigen tijd aan bedwateren. Er zijn ook +thans nog kinderen, die daaraan lijden. Daarom wil ik nauwkeurig mijn +herinneringen betreffende die »ziekte" vertellen. Wellicht helpt het +hen. + +Ik geloof niet, dat mijn ouders, broers en zusters het toen voor een +ziekte of een zwakte aanzagen. Sterk heb ik nog den indruk, dat men +het mij als iets schandelijks verweet. Nog hoor ik me boos toevoegen: +»Leelijke pis-in-bed." En daarbij voelde ik mij zoo hulpeloos schuldig. + +Men scheen te denken, dat ik uit luiheid maar in bed bleef liggen. Als +ik maar niet zoo lui was, zou ik wel opstaan. Heel zeker weet ik echter, +dat het niet zoo was. En dat weet ik zoo bizonder zeker door een droom, +dien ik nooit vergeten ben. + +Op de bewaarschool bij Juffrouw Mina was er voor de kleine jongetjes +geen urinoir. Die moesten maar, op een binnenplaatsje, in een vierkant +steenen putje wateren, dat waarschijnlijk in een riool uitliep. Nu +droomde ik op een keer, dat ik bij dat steenen putje stond, maar er +lag een groen geverfd houten deksel op. Ik moest toch zoo erg, maar ik +durfde niet, om dat mooie, groene deksel. Maar ik kon het niet meer +tegenhouden, en toen het eenmaal gebeurd was, werd ik met een schrik +wakker. Een oogenblik was ik wanhopig en toen kroop ik diep weg onder +de dekens, om me te verstoppen tegen de schande die straks weer zou +losbreken. + +Uit dit tijdperk heb ik herinneringen van diepgaande smart. Het maakte +mij schuw en angstig. Er was geen vertrouwelijkheid tusschen de anderen +en mij. Ik voelde mij een eenling, maar niet een prinsje, verdwaald +onder menschen van de straat. Eer zoo iets als een ziek hondje, dat +overal wegkruipt en dan nog uit de veilige hoekjes wordt weggeschopt. +Nog zie ik dat kleine jongetje 's morgens in zijn nat hemdje rondloopen +en hoor ik den grauw van deze of gene: »Ga weg, stinkende pis-in-bed." + +Nu moet men niet denken, dat mijn gezinsleden zoo harteloos waren. Wel +het tegendeel. Ik had mijn moeder héél lief en heb haar verafgood. En +mijn vader was ook een beste man. Over de jongere gezinsleden viel ook +niet te klagen, maar een pis-in-bed was nu eenmaal een pis-in-bed, en +die was een ellende, vooreerst voor het broertje, dat met hem in één bed +moest slapen, dan voor de zuster, die elken dag de bedden moest afhalen +en opmaken, en eindelijk voor moeder, die uit een leege linnenkast maar +altijd schoone lakens moest krijgen. Hoe moest men dat kwaad bestrijden? +Door schelden en slaan. Men wist niet beter. En zoo ging ik gebukt onder +schande en angst voor klappen. + +Deze middelen hielpen echter niet. Wel hielp het, wanneer men mij elken +avond, eer de ouderen naar bed gingen, even wakker maakte en er uit +haalde. Dat gebeurde vaak weken achter elkaar. Dan kwam mijn oudste +zuster, een heel lief meisje, en nam mij op. Slaapdronken zette zij mij +neer. En dan stak ze haar vinger in de hoogte en zei: »Goed luisteren, +of we iets hooren." Hoorden we dan wat, dan waren we allebei gelukkig, +zij en ik. Dan keek ik nog eens de kamer rond, zag het nachtlichtje +flikkeren--een waspitje op patentolie in een gewoon drinkglas--en voelde +me zoo gelukkig, zoo stil gelukkig. En wanneer ze me dan weer in bed lei +en lekker toestopte, sliep ik dadelijk, rustig in volkomen veiligheid. + +Of men--'t was een druk gezin: een winkel, vijf kinderen, en nog twee +jongens in huis--of men deze doeltreffende maatregelen dan maar weer +naliet, of dat ze op den duur toch niet hielpen, ik weet het niet, maar +op zekeren dag werd er tot iets verschrikkelijks besloten. Schelden +had niet geholpen, klappen ook niet, dan moest ik maar hebben wat er +bijstond. Op een stuk papier werd met groote letters geschreven: Jan Pis +in bed. Dat papier werd op mijn rug gespeld. En zoo werd ik door mijn +oudste zuster naar de bewaarschool van Juffrouw Mina gebracht. Toen is +deze weg mij een kruisweg geworden. + +O, ik kan het niet vergeten, ik heb het nooit kunnen vergeten, die +wanhopige smart, die machtelooze wanhoop. Ik _wilde_ het papier niet +op mijn rug hebben, ik _wilde_ niet. Ik worstelde tegen, huilde, +trapte, maar 't gaf niet. Eenige volwassenen zijn met elkaar sterker +dan een bewaarschoolkind, en het moest. Schreeuwende werd ik den winkel +uitgesleept, de blauwe stoep over, de straat op. Zoodra ik op de +straat was, ging ik loopen. Ik schaamde me voor het publiek, kon geen +straatscène maken. Daarvoor was ik te trotsch. De menschen hadden er +niets mee te maken. Maar ik liep als een kleine gebrokene. Iedereen kon +zien, kon lezen, wat er op mijn rug gespeld was, en ik schoof schuin +voor mijn zuster om een bedekking te hebben. + +Die eene schoolgang is voor altijd in mijn geheugen gebeten. Van +alle gangen naar school zie ik alleen deze. De gracht was als een +eindeloosheid. En ik schreide maar, schreide hevig, maar stil. Ik was +radeloos. Gelukkig kwam eindelijk het poortje, waardoor ik met mijn +schande weg kon sluipen van de openbare straat. Doch nu kwam een nieuwe +angst. Nu zou de juffrouw het zien, en al de kinderen. En ik smeekte +mijn zuster, nu toch asjeblieft het papier van mijn rug te nemen. + +Ze was zoo barmhartig. Dat gaf lucht. Schande drukt zoo zwaar. Ook al, +ja misschien bovenal op een kind. + +Ik heb een idee, dat ik dien heelen dag stil ben geweest. Maar misschien +is het ook niet zoo. Ik weet het niet. Kinderen vergeten zoo gauw, zegt +men. Ik heb echter meermalen kinderen uren en zelfs dagen lang stil +gezien onder een veel geringere emotie. En die eene gang naar school was +voor mij, bijna letterlijk, een breken van mijn hart. + +Het bedwateren is overgegaan. Hoe, dat weet ik niet meer. Maar zeker wel +vóór mijn zesde jaar. Of het door die heftige emotie geweest is? Ik weet +het niet, ik weet het niet. Maar dit weet ik wel: er is door dit middel +meer in me vernield, dan hersteld. + + * * * * * + +Natuurlijk--dat zag ik later in--was die heele openbare vernedering +maar een komedie. Er was geen papier op mijn rug gespeld, al had ik het +papier ook gezien en het opspelden gevoeld. Men had mij maar bang willen +maken, met goede bedoelingen, zeker, maar met slechte gevolgen. Zulk een +bangmakerij is bij velen nog een opvoedingsmiddel, een middel dat, waar +'t oude kwalen genezen moet, nieuwe veroorzaakt. + +Tot mijn kindergebreken schijnt ook te hebben behoord, dat ik weleens +in den spiegel keek. Om me hiervan terug te schrikken werd me wijs +gemaakt, dat in den spiegel Haantje Pik woonde. En als ik dan in den +spiegel keek, zou Haantje Pik eensklaps te voorschijn komen en me de +oogen uitpikken. + +Ik geloofde dat niet. Maar eens op een keer zette men mij op een stoel +voor den spiegel, om te zien dat het waar was. Het was avond en ik zou +naar bed gaan. Mijn hanssopje had ik aan, en mijn slaapmutsje op. De +mannen en jongens, ook al de kleintjes, droegen in dien tijd puntige +slaapmutsjes met een kwastje aan de punt, zoogenaamde »bakkertjes"; de +vrouwen en meisjes borgen des nachts hun haar in gehaakte nachtmutsjes. +Daar stond ik dus, jongetje van zeker niet ouder dan vier of vijf jaar, +in mijn wit hanssopje en gebreid bakkertje op den stoel, en keek vol +verwachting in den spiegel. + +Plotseling zag ik daar een hand boven mijn hoofd, die de punt van mijn +slaapmutsje beet pakte en dit met een ruk van mijn hoofd trok. Dat deed +Haantje Pik. Ik bestierf het bijna van schrik, waggelde op mijn stoel, +en werd zeker doodelijk wit. Als een der ouderen me niet aanstonds +gegrepen had, zou ik stellig tegen den grond zijn geslagen. Nu werd ik +gerustgesteld, dat iemand achter me had gestaan en de muts had gegrepen, +dat het maar een aardigheidje geweest was. Maar de schrik zat er in en +langen tijd ontweek ik angstig den spiegel. + +Erger was het, als zulke schrikaanjagingen en bangmakerijen niet +geschiedden met een opvoedkundige bedoeling, maar louter tot vermaak +voor de ouderen. Men maakte me vaak bang door angstig te roepen: »Jan, +kijk eens achter je!" Dan schrok ik hevig, of er een spook achter me +was, dat me meteen aan zou grijpen, en ik vloog hard weg, naar moeder, +of naar bed. Meest was dit een pleziertje voor 's avonds, als ik in mijn +nachtkleeren goênacht had gezegd. Dan riep een der oudere jongens: »Jan, +kijk eens achter je!" en ik holde naar bed. Ik hoorde luid gelach, ook +booze woorden van moeder, omdat ze een klein kind zoo plaagden, maar was +pas rustig, als ik mij diep onder de dekens verstopt had. + +Hoe deze angsten in mijn gemoed hebben doorgewerkt, kan wel blijken uit +het feit, dat ik later, zelfs nog toen ik ongeveer 20 jaar oud was, 's +avonds op een eenzamen weg naar huis keerend, soms plotseling achter me +keek, of me iemand op de hielen zat, en ook wel eens een enkel maal niet +durfde omkijken, maar gejaagd naar huis liep, terwijl het koude zweet me +uitbrak. En toen was ik twintig. + +Dat had de onschuldige plagerij van een paar groote jongens gedaan, +die natuurlijk absoluut geen idee hadden van hetgeen hun pret in het +kindergemoed uitwerkte. + +Men zal begrijpen, dat ik, ouder geworden, nooit kleine kinderen heb +kunnen plagen of bangmaken, en deze liefhebberij van volwassenen altijd +met ernst en beslistheid bestreden heb. Hier lag een smartelijke +ervaring achter, en meer dan een. + +Een der heilzaamste gevolgen van zulke ervaringen is, dat we anderen +leeren ontzien. Zoo kunnen we nog wel eens dankbaar zijn voor het leed, +dat ons anderen leert begrijpen, sparen, helpen, ook redden. + + * * * * * + +De bewaarschool van Juffrouw Mina verliet ik, om voor mij onbekende en +ook totaal onverschillige redenen, en ik ging nu naar de school van +Juffrouw S., een huis of tien van ons af op dezelfde gracht. Er was een +oude moeder en twee dochters, Juffrouw Fietje, de oudste, en Juffrouw +Doortje, die een rond, kleurig gezicht had en wat scheel zag. Zij +was een goedaardig mensch, maar haar oudere zuster was erg bijdehand. +Sommige jongetjes spraken van »Schele Door", »Valsche Fie" en »Ouwe Na". +Maar dat vond ik te oneerbiedig. Ik zag veel te hoog tegen ze op. + +De bejaarde moeder had grijs haar, dat zij steeds, aan weerszijden der +scheiding plat weggestreken, onder een wit mutsje verborg. Juffrouw +Fietje was donker van oogen en haar, en geel van tint. Juffrouw Doortje +had bij haar ronde, blozende wangen, schele blauwe oogen. Als ze ons +aankeek, hield ze altijd het hoofd een beetje schuin. Ik dacht, omdat +ze ons anders niet zien kon, zooals een duif zijn kopje scheef draait, +om u te kunnen bekijken. Ze was lief. Misschien wat te onnoozel voor +de zaak, maar ik voelde haar simpele goedheid, en die voel ik nu nog. +Hartmemorie. + +Het is wel opmerkelijk, dat ik van Juffrouw Mina heelemaal geen +voorstelling bewaard heb en van de dames S. wel. Maar vooreerst was ik +nu iets ouder, maar dan ook is de konnektie langer aangehouden dan tot +mijn afscheid van de school, zooals later blijken zal. + +Van haar schoollokaal herinner ik mij zeer wel, dat het een rechthoekige +ruimte was. De rijen banken, lange zitbanken, enkele met schrijftafels, +stonden evenwijdig met de lange rechthoekszijden. Aan den voorwand +hingen de negen leestafels van Prinsen. Er was maar één raam, dat in een +der korte zijden, precies in den hoek, uitzicht gaf op muren en daken. +In den hoek der andere korte zijde was de deur, ongeveer aldus: + + +----------------------------------+ + | voormuur | + |deur | + | -------------- -------------- | + | -------------- -------------- | + | -------------- -------------- | + | -------------- -------------- | + | -------------- -------------- | + | -------------- -------------- | + | raam| + +----------------------------------+ + +Op deze bewaarschool heb ik lezen geleerd met de leestafels van Prinsen, +de methode van spa-aa, slee-ee, drie-ie, enz. Hoe? Dat weet ik niet +meer. Daar weet ik niets, niets meer van. Ik weet alleen, hoe prettig +ik het vond, naar een hoogere tafel te mogen overgaan, en hoe +ik--eerzuchtig of leergierig?--mijn best deed op iedere nieuwe tafel, +totdat ik ook die weer meester was. Toen ik thuis in den Bijbel kon +lezen, was ik trotsch en gelukkig. + +Volgens sommige psychologen mogen kinderen niet voor hun negende jaar +leeren lezen. Misschien hebben ze gelijk. Maar ik vond dat spelletje +zoo prettig en te gelijk die kunst zoo gewichtig dat ik vóór mijn zesde +jaar van de eene leestafel naar de andere huppelde, zonder verdriet of +bizondere inspanning. Ik merk hierbij op, dat het me uitsluitend om het +plezier van het bemeesteren dier zwarte hieroglyphen te doen was, een +zelfde soort plezier als het oplossen van raadseltjes, het wegzoeken +(padvinden) in een geteekend doolhof, in 't algemeen: het ontsluieren +van onbekenden. Het lezen zelf toch boeide mij niet en heeft mij nooit +kunnen boeien. 't Was dus niet om 't verhaaltje, maar om 't bemeesteren +der kunst. Toen ik die meester was, las ik maar weinig. Ik denk, dat ik +daartoe te aktief was. Ik dééd liever iets. + +Van de spelletjes herinner ik me alleen, dat we, als het boterham-eten +was afgeloopen--we bleven n.l. van 9-4 in dat lokaal opgehoopt--onder +de banken jagertje speelden. Ik zie me over de voetplanken kruipen +en in het woud van kinderbeentjes en bankpooten een wild dier narennen, +een tijger of een leeuw. Die dieren en die jagerij had ik stellig +opgedaan uit de platen van »De aarde en haar volken", waarop mijn vader +geabonneerd was. De jacht was heerlijk, en nu nog voel ik, dat ik er +heelemaal in leefde. Zelfs zoo zeer, dat ik nooit hoorde, hoe Juffrouw +Fietje op het rumoer binnenkwam om de jacht te stuiten, en haar pas +gewaar werd, als ze me onder de banken smerig en wel vandaan sleepte. + +Bij juffrouw Fietje heb ik ook mijn eerste liefde leeren kennen en mijn +eerste bittere ontnuchtering. + +Die liefde gold echter niet juffrouw Fietje, maar een mijner +mede-scholieren, Betje. Ik moet toen al het schrijven verstaan hebben, +ofschoon ik niet weet, hoe ik die kunst machtig ben geworden, maar ik +herinner me zeer wel een briefje, een vuil stukje papier, waarop ik met +potlood zoo iets geschreven had als: »liefe bedje mag ik je vrijjer +weese", en dat ik daarna over de banken heen met de kinderpost verzond. +Het antwoord luidde toestemmend, en dus was de zaak aanstonds in orde. +Hoe ik aan de neiging kwam, om me al zoo vroeg gelukkig te maken met +een liefde-band, weet ik evenmin, als wie me het voorbeeld van een +minnebrief had geleerd. Er zweven echter allerlei bakteriën in de lucht, +van kinkhoest evengoed als van vrijerij, en het eene kind is vatbaarder +dan het andere. Zeer wel weet ik echter, dat ik niet meer wenschte dan +een toestemmend antwoord, en van de heele geschiedenis _dit_ mijn geluk +was, dat ik nu met fierheid op straat kon loopen en tot mijn makkers +zeggen: »Betje is _mijn_ meisje." Die behoorde mij toe, en niemand kan +op haar eenig recht doen gelden. Zij was een stuk jongenseer. + +Het is niet aan gebleven, maar toch was deze scheiding mijn +ontnuchtering niet. Deze kwam nu wél van Juffrouw Fietje, en nog wel op +haar verjaardag. Op een of andere wijze moet ik bespeurd hebben, dat de +kinderen de juffrouw bij deze gelegenheid vereerden met een geschenk. +Dat was voor mij een leelijk geval, want de centen vloeiden thuis niet +overvloedig, ik had al lang ondervonden, dat ik die niet gemakkelijk los +kreeg, en toch waren ze noodig voor een cadeau. + +Nu was er in de Eglantiersdwarsstraat, vlak naast ons huis, een +galanteriewinkel. Daar woonde Juffrouw van Streelen, bij ons gevierd +wegens haar mooi voordragen van lange verzen. Ik herinner me uit +later jaren, dat ze nooit sprak over De Génestet, maar altijd over De +Genéstet, en dat zit me nu nog in den weg. Maar haar grootste bekoring +voor mij was de uitstalling van haar winkel en de buitengewone +vriendelijkheid jegens ook haar kleinste koopers. Die vriendelijkheid +was bijna lieftalligheid. Men kocht iets, en kreeg, behalve het +verlangde voorwerp, ook nog een heele massa bekoorlijkheid. + +Al dagen achtereen had ik de uitstalling van Juffrouw van Streelen +doorvorscht, en daar eindelijk een beeldig klein vaasje ontdekt, met +bloemen op het buikje en gouden bochten langs den oorrand en het +gekartelde voetje. Een bééldig vaasje. En het kostte maar drie cent, +de prijs stond er bij. Ik kende toen blijkbaar de cijfers, anders had +ik dit nooit kunnen weten. Maar al was die prijs tamelijk laag, voor +mij vertegenwoordigde hij toch een kapitaal: drie cent was inderdaad +voor mijn kinderhandje een ongekende schat. Ik wist het geld evenwel +van mijn moeder los te bedelen, en eer ik naar het groote verjaarfeest +van Juffrouw Fietje ging, waar je den heelen morgen spelen mocht en +getrakteerd werd, kocht ik het beeldige vaasje en stapte er uiterst +gelukkig mee naar school, heel voorzichtig het in de hand houdend, dat +het toch vooral niet breken mocht, en onderwijl de roode rozen en de +groene blaadjes bewonderend op het ovale buikje. + +Maar toen ik met mijn cadeau de steenen stoep was beklommen en een +portaaltje was doorgestapt tot dicht bij Juffrouw Fietje, toen schaamde +ik me plotseling. Daar stonden andere kinderen met groote pakken in de +hand, en daar blonken en schitterden mij reeds uitgepakte geschenken +tegen. Een verlakte theestoof! Een glimmende waterketel! Een kristallen +olie- en azijnstel! Wat een groote en prachtige stukken! Daarbij zonk +mijn vaasje heelemaal in 't niet. Al zijn schoone bekoorlijkheid had +het voor mij verloren. En met het schaamrood op de wangen--ik voel +het nog--overhandigde ik het schamel eerbewijs aan de jarige. Deze nam +het aan, bedankte, en zette het neer. Ik zie nog alles, álles. Maar +mijn geluk en fierheid smolten weg. En--niemand had me iets gezegd of +aangedaan, maar ik ging niet naar de feestzaal, doch liep het portaaltje +door, de trap af, en rende naar huis. Nóg drie centen, nóg zoo'n vaasje! +Mijn eer stond op het spel. Ik ging _niet_ naar het feest, als ik niet +eerst nog zoo'n vaasje kon aanbieden, om althans eenigermate in +evenwicht te komen met de theestoof en den waterketel. + +Mijn moeder kon geen weerstand bieden aan mijn dwang. Ik liet haar +niet los. Weet men wel, wat geweldige gemoedsmachten daar soms achter +zitten, als de kinderen heeten te »dwingen"? En spoedig holde ik met +mijn afgeperste drie centen naar Juffrouw van Streelen, had nu geen tijd +om van haar lieftalligheid te genieten, en holde haar winkel uit, den +hoek om, de gracht, de stoep op, naar Juffrouw Fietje. + +Die had me in de drukte van het ontvangen en uitpakken niet gemist. +Hijgend duwde ik haar het tweede kleinood in de hand en zag haar aan, of +het zoo nou niet goed was. En toen zei ze: »Had dat vod maar gehouden." +En ze zette het minachtend neer. + +Dat was bijna zoo erg als het schandpapier op mijn rug. Ik voelde +een diepe krenking en verloor alle veerkracht uit mijn heele lijfje. +Beschaamd slenterde ik naar de feestzaal. Van de pret herinner ik me +absoluut niets meer. Ik weet ook niet, of ik pret heb gehad. Bij dien +ontzettenden neerslag staan mijn herinneringen stil. + +Nu moet ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik niet weet, of ik de woorden +van Juffrouw Fietje precies heb teruggegeven. Misschien heeft ze 't niet +zoo kras gezegd. Niet die heel harde _woorden_ gebruikt. Maar voor de +zaak sta ik in. Haar geringschatting was ongeveinsd. Die heb ik te +pijnlijk gevoeld. En dat gevoel is me onuitwischbaar bijgebleven. + +Van dit oogenblik af heb ik een hekel aan gelegenheidscadeaux gehad. Ik +heb ze nooit kunnen ontvangen. En waar ik ze aanbieden moest, betaalde +ik liefst de dubbele waarde. + + + + +DE EERSTE LAGERE SCHOOL. + + +Geen flauwe notie heb ik er van, dat ik op zekeren dag niet meer naar de +bewaarschool, maar voor 't eerst naar de Groote School ben gegaan. + +Toch moet dat eenmaal gebeurd zijn. + +En in die Groote School moet ik me bekwaamd hebben in lezen en schrijven +en al de andere vakken der wet. + +Ik weet er niets van. + +En in die school moet ik vele klassen doorloopen hebben, examens en +verhoogingen meegemaakt, onderwijzers leeren kennen, zegenen of +verwenschen. + +'t Is alles weg. + +Is het er wel ooit geweest? + +Maar dat moet toch wel. Ik heb toch ruim vier, misschien zelfs vijf jaar +daar schoolgegaan, dag aan dag. Dat is toch geen kleinigheid. En ik moet +er toch al mijn eerste bekwaamheden hebben verworven. En met de meesters +hebben verkeerd. + +Wonderlijk, dat ik nu uit de bijverschijnselen en uit de gevolgen +afleiden moet, dat ik van mijn zesde tot mijn tiende of elfde jaar het +schoolleven heb meegemaakt, maar dat ik het anders niet weten zou. En +zelfs niet gelooven als anderen 't mij bezwoeren. + +Zoo is dat leven buiten mij omgegaan. De heele schoolperiode ligt als +een donker ledig achter me. Ze heeft me niets te zeggen. + +Dat bewijst voor mij twee dingen. Dat _ik_ eigenlijk leefde buiten die +leerwereld. En dat _de school_ eigenlijk leefde buiten mij. + +Mijn hart lag buiten de klas, buiten de leerboeken, buiten den +lesrooster. En het hart der school lag buiten de kinderziel. + +Die twee zochten malkaar niet op. Het waren wildvreemden voor elkaar. + +Slechts enkele dingen herinner ik me, maar die gelden niet het +onderwijs, waarvoor ik toch eigenlijk de school bezocht. En die dateeren +dan nog pas uit de hoogste klas en betreffen maar twee personen, een +meester, dien ik niet noemen wil, ofschoon ik zijn naam nog heel +goed weet, en meneer Kuyper, den bovenmeester, wiens naam ik nog +steeds zegenend gedenk, niet--men moet voorzichtig zijn--omdat hij de +bovenmeester was, maar omdat hij een mensch was, een zachtaardig mensch. + +Meneer Kuyper zie ik als een teere figuur, een man van middelbare +groote, in 't zwart gekleed, een zijden petje op. Zijn gelaat was zacht, +bleek. Zijn oogen lichtblauw. Zijn gang opmerkzaam en rustig. Ik voelde +iets teers voor hem, of ik voor hem wilde vechten. Dat gevoel ging +geheel uit van zijn verschijning, want ik herinner mij niet, dat hij mij +ooit persoonlijk goed deed. Ik had geen reden, om bepaald hem voor iets +in 't bizonder dankbaar te zijn. Maar zijn heele wezen vervulde me met +teerheid en dankbaarheid. + +Elken morgen bad hij. De school bestond uit drie groote lokalen, twee +naast elkaar, een ter zijde, aldus: + +-------+ + | |× | + | | | + +-------+ + | | + | | + +---+ +Ze waren gescheiden door glazen schotten met schuiframen. Dan gingen +de schuiframen omhoog en zaten alle kinderen eerbiedig. Hij stond, +bij een der geopende ramen, achter een orgel met geel geverfde kast, +nam de pet van 't hoofd, en bad met zachte stem voor de heele school. +Er zweefde dan iets lieflijks over al die kinderhoofdjes. Er daalde +iets verkwikkends in al die kinderhartjes, iets als een heel zachte +voorjaarsregen. Ik herinner me geen enkel woord. Maar ik herinner me +stille ontroering. En ook een enkele traan van berouw, die daarna als +een goed voornemen mijn wang bevochtigde. Te snel verdampt. + +Na het gebed zette de fijne figuur zich achter het orgel. We zagen +hem niet meer, doch hoorden hem zingen in orgeltoonen. Eerst een kort +voorspel, en dan volgde het godsdienstig lied, waarbij de heele school +meezong. + +Dat waren heerlijke oogenblikken. Doch nu volgde niet een voortzetting +van dat gebed en gezang, nu volgde niet de uitwerking er van in het +praktische schoolleven, nu volgde niet--o, het is verschrikkelijk om +het te zeggen--de doorwerking van den afgesmeekten Heiligen Geest, de +werkdadige kracht van den afgebeden zegen Gods, nu volgde een stuk +afgrijselijke kinderellende. + +Onze meester was, ik zeg niet streng of stipt of veeleischend, hij was +hard. En nog niet eens hard als staal of steen, want dan hadden er nog +vonken kunnen uitspringen, maar hard als een verdroogd stuk leer. Het is +geen toevalligheid, dat hij zijn horloge niet aan een metalen ketting of +een fijn zijden koord droeg, zooals krachtige of teere persoonlijkheden +gewoon zijn. Een man verraadt zijn ijdelheid en zijn gemoed in zijn +horlogeband, en de zijne bestond uit een dooreenvlechting van drie +smalle leeren riempjes, een kabeltje van leer, hard en droog en taai. +Vooral ook taai. Staal en steen kunnen niet alleen vonken schieten, ze +kunnen ook stukspringen. Ze wagen in den strijd hun eigen bestaan. Maar +hardheid, die tevens taai is.... het is de slavenzweep van Legree uit De +Negerhut. Alleen de liefde heeft het recht om taai te zijn. + +Meester Leer--zoo zal ik hem maar noemen--was harteloos. In onze klas +zat een jongen, wiens vader een grutterzaak dreef en C. C. C. M. heette, +gelijk ieder op het naambordje lezen kon. Wanneer de kleine M. nu iets +misdreven had en daarom voor de klasse moest komen, greep meester Leer +hem bij het aardige kuifje, dat zoo hups zijn jongensschedel aanmeldde, +en schudde den kleinen kop op en neer, een soort schedelrammeling, onder +het knerpend gekraak van: »Zeg jij, C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. +M., zal jij...." enz. Bij ieder C. werd de kleine kop gerammeld. + +Wij, anderen, zaten dat met stillen haat aan te zien. O, hoe haatten +en vervloekten wij dien kerel, dien gemeenen kinderbeul. Als we maar +gekund hadden, we hadden hem tot modder getrapt. Maar daar stond hij, +onaantastbaar, in zijn macht als meester. En wij zaten, stom, strak, de +handjes gevouwen op den tafelrand, den rug rechtop, een doodstille klas, +machteloos overgeleverd aan een slavendrijver zonder hart of geweten. + +Zoo werd het gebed verhoord. + +Zoo daalde Gods afgebeden zegen in onze ontvankelijke kinderhartjes. + +Eens op een keer vond hij zijn man. In de klasse zaten twee broertjes. +Een van de twee moest voor de klas komen, bij de landkaart, om daar wat +stippen aan te wijzen, waarover geen van ons zich een grein bekommerde. +De jongen wist ze niet, maakte althans fouten--hetgeen ik nu, uit de +verte, uit de gevolgen afleid--en kreeg daarvoor geweldige klappen om +zijn kop. Wij waren dat gewoon, zaten het wezenloos of met verbeten +woede aan te kijken, wachtten tot de hagelslag voorbij was, beefden al +tegen dat onze beurt aanbrak.... + +Maar daar plotseling hooren we een woesten schreeuw, als den kreet van +een wild dier. Een jongen vliegt achter uit de klas tusschen de banken +door, en onder het krijschen van onverstaanbare geluiden beukt hij op +den meester los. 't Is het oudere broertje van het gekastijde kind. + +Ha, hoe genoten we bij deze uitbarsting van woede. We rezen uit de +banken op, vergaten wat de gevolgen konden wezen, en juichten van +instemming. + +Razend van drift sloeg de jongen, waar hij den meester maar raken kon, +en rukte toen zijn broertje uit de klauwen van zijn kastijder. + +Een oogenblik van doodsche stilte, toen hevige, snikkende +verwijtschreeuwen van den oudste, en toen.... + +Meer weet ik niet. + +Of de jongen straf gekregen heeft, weggejaagd is, excuus heeft moeten +vragen, ik weet het niet. Al het andere is verdwenen. Maar levend is +gebleven dat eene moment van uitgebroken broederliefde, die eene +uitbarsting vóór de klasse. Mijn geest heeft het opgenomen als een +momentopname van een ontploffing. En levend is ook gebleven, het +grootsche gevoel van bewondering. Nu nog is het me, of ik toen getuige +ben geweest van iets zeldzaams in de menschenwereld: de zichzelf en +alles vergetende reddingsdrift. Een brandweerman, die in den vuurpoel +springt om een kind te redden. Die jongen was een held. Hij heeft ons +in één woeste daad.... opgevoed. Op-ge-voed. + +Waarschijnlijk dacht de meester er anders over. En als die meester en +ik samen in een paedologische vereeniging zaten, zou hij allicht een +anderen karakteristiek van dien jongen geven dan ik. + + * * * * * + +Geen wonder, dat we bij zoo'n meester dikwijls strafwerk kregen. Bij +hem heb ik geleerd, eenige honderden strafregels met drie griftjes +tegelijk te schrijven. We waren er heel handig in, die drie griftjes +onder elkaar, amphitheatersgewijze, vast te houden, en dan er mee over +de lei te vliegen. Die handigheid hadden we dan toch maar aan meester +Leer te danken, en daarom zeggen sommigen, dat je het de kinderen niet +te gemakkelijk moet maken. Verdruk ze maar, opdat ze te beter tegen de +verdrukking ingroeien. 't Is ook een opvatting, en die groei tegen de +verdrukking in, ja, dat was waarheid. We groeiden o. a. ook heel sterk +in list en bedriegerij. + +Een der straffen was schoolblijven, en daarbij dan maar doodstil zitten. +Een uur of langer stilzitten, de handen gevouwen aan den tafelrand, de +oogen strak naar boven, onbewegelijk, daar de geringste beweging +gestraft werd met een kwartier of een halfuur langer. + +Ik denk, dat ik iederen dag heb moeten schoolblijven, want ik herinner +me telkens terugkeerende standjes over te laat thuiskomen. Maar dat kon +ook door andere oorzaken gekomen zijn, want de weg van school naar huis +was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen. + +Natuurlijk wendden we allerlei pogingen aan, om van dat schoolblijven +verlost te worden, »weg te spatten" gelijk we dat noemden. Wanneer +de meester maar even in een ander lokaal was, renden wij met +bliksemsnelheid naar de deur, en vlogen, het portaal door, naar buiten. +Wee echter, als de buitendeur op slot bleek. Dan stond je daar eenige +oogenblikken in razende wanhoop. Niet omdat hij je dan weer bij je +kladden kon krijgen, want den volgenden schooltijd had hij je toch weer +in zijn macht en zou je natuurlijk dat wegspatten wel inpeperen, dat +was het minste, maar omdat je hem nu aanstonds voor je zou zien met +zijn duivelsche grijns van voldoening; omdat je zijn sarrende stem zou +hooren, dat je dat nu eens lekkertjes niet gelukt was, zijn stem vol +nijdigen kinderhaat. Wanhoop, omdat hij je met listigheid in de val +had laten loopen en daar straks demonisch van zou genieten. + +Maar eenmaal ben ik hem toch te slim af geweest. Weer zat ik lang, +heel lang na te blijven, terwijl buiten de zon zoo heerlijk scheen. +Toen verzon ik, dat ik »naar achteren" moest. Neen, het mocht niet. +Het werd echter zoo erg, dat ik den vinger aanhoudend opstak en daarbij +in de bank zat te zwaaien als een dreigende onweersbui. Mocht ik dan +niet--'t leek wel, of mijn heele houding dit wilde zeggen--dan kwam +de verantwoording voor den meester, als ik ten slotte den vloer +verontreinigde. Die verantwoording durfde hij zeker niet op zich te +laden, ik kreeg tenminste verlof. Maar de knarsstem gromde me toe: +»Geef eerst je pet hier." + +Ik bracht de pet, innerlijk genietend van zijn onnoozelheid, alsof ik me +door een pet zou laten weerhouden. Die pet kon stikken, en hij er bij. +En nu naar achteren. Doch nauwelijks was ik daar, of ik klom omhoog, +wrong mij door een raampje, liet me vallen, en stond op een terrein, +waarschijnlijk de speelplaats, waarvan ik me echter niet herinner dat er +ooit gespeeld werd. Nu aanstonds naar de houten schutting. Een sprong, +de handen om den rand, het lijf opgetrokken, rechterbeen er over, nu de +romp, het linkerbeen, hangen, loslaten, en daar was ik op een houtwerf +naast de school. Gauw naar voren, het hek door, en ik stond blootshoofds +op de Lindengracht. Zonder pet, maar vrij. Vrij! en ik holde naar +huis. Om de gevolgen bekommerde ik me voor 't oogenblik niet. Het +was met den meester toch altijd een strijd op leven en dood, en +ieder uurtje gestolen vrijheid was winst. Wat zullen mijn kameraden, +medeschoolblijvers hebben opgezien, toen ik niet terugkwam. En wat +zal de meester met lieflijkheid mijn pet hebben gekoesterd. + +Het lijkt me, nu ik dit schrijf meer dan veertig jaar later, het lijkt +me, of ik alles lieg. Is het mogelijk een fantasie? Heb ik in mijn +jongensjaren--kinderen hebben zoo'n levendige verbeelding--dat heele +verhaal misschien bedacht, en het als een heldenfeit zoo vaak aan mijn +makkers verteld, dat ik het eindelijk zelf geloofde? Maar neen, dat kan +toch niet. Mijn heele leven heb ik het als zuivere jeugdherinnering +meegedragen. Zou ik me dan zóó vergist hebben? Doch wie bewijst, dat ik +waarheid zeg. Neen, ik bedoel niet, wie bewijst het aan een rechtvaardig +oordeelende rechtbank, maar wie bewijst het aan mij persoonlijk, die het +ervaren meen te hebben en nu twijfel aan mijn eigen ervaringen. Ik wou, +dat een oud-schoolkameraad dit las en, plotseling het verleden er in +herleefd ziende, overtuigd uitriep: »Juist zoo, zoo is het gebeurd." +Dan had ik, door een vreemde, gewisheid van mijn daden. Nu moet ik maar +gelooven in mijn herinneringen. 't Is toch vreemd, dat men zijn eigen +verleden, zijn toch zelf doorleefd verleden, niet kan bezitten zonder +geloof. En dan bezit men het nog maar in het licht van zijn toenmalige +zelfverblinding. + +Maar ik denk toch wel, dat die klauterpartij zonder pet werkelijkheid +is geweest. Ik zie ze zoo levendig voor me, ik zie zoo precies den weg, +dien ik daarbij gegaan ben, en ik verbeeld me nog eenige populieren te +zien, die op de speelplaats langs den blinden gevel van het daarachter +gelegen huis stonden. + +En dan ook, de feiten passen zoo geheel in het kader van dit +schoolleven. Van Geschiedenis, Aardrijkskunde, Rekenen, Taal, Lezen en +Schrijven herinner ik me absoluut niets meer. Doch de hoofdmomenten uit +_den schoolstrijd_--een véél ernstiger en gewichtiger en langduriger +worsteling dan »de" Schoolstrijd--spreken nog luid in me, met beeld en +stemming. Ik zie alles nog voor me, en mijn hart klopt heftiger bij de +herinnering. + + * * * * * + +Het spreekt vanzelf dat we niet alleen het nablijven ontvluchtten, maar +ook aan de kwelling van de school zelf trachtten te ontkomen. Daartoe +waren maar twee middelen: ziekte voorwenden en bommelen, spijbelen, +stukjesdraaien of hoe dit genot meer heeten mocht. + +Het voorwenden van ziekte had het ontstaan gegeven aan een eigen woord. +»Je bent schoolziek," zei mijn vader, als we dreinden om thuis te +blijven vanwege die toch zoo erge hoofdpijn. En de man had gelijk, +want als hij bezweek voor ons smeeken, was binnen een halfuur de +erge hoofdpijn gezakt en zaten we, zoo ongeveer om halftien in den +voormiddag, een beetje te spelen, of drentelden door 't huis, door den +winkel, als 't kon de straat op. Het was niet in mijn nadeel, dat ik +nogal wit zag en teer was van gestel. Daardoor kon ik dikwijls hoofdpijn +hebben, die haar crisis had onder 't ontbijt. Maar nooit vond ik mijn +ouders onbarmhartiger, dan wanneer ze geen medelijden met me toonden en +zelfs aan mijn hoofdpijn geen geloof sloegen. »Ga jij maar naar school, +hoor! 't Is schoolziekte." Diep neerslachtig en met slenterende beenen +sleepte ik me naar school. Dan droop er een dreinende motregen in mijn +kindergemoed. + +Zulke beschuldigingen en mistroostigheden mogen wel veroorzaakt hebben, +dat ik mijn heil zocht in het stukjesdraaien. Als je niet naar school +_wilt_, en niet thuisblijven _moogt_, dan schiet er ten slotte niets +over, dan dat je op den weg tusschen huis en school blijft omdolen. Waar +zou je anders heen? En dan neem je dien weg wat ruim, omdat het zoo +vervelend is in dezelfde straten maar steeds heen en weer te trekken, +en je daar ook gezien en aldus verraden kon worden. Dan loop je rond, +tot de huisdeur zich weer voor je openen wil, dat is zoo ongeveer een +kwartier na het eindigen van den schooltijd. + +Ik heb mijn toevlucht ook tot dat redmiddel moeten nemen, en dank +daaraan drie der allerheerlijkste weken uit mijn schoolleven. We noemden +ze later de bommelweken, en nu nog is dat onwelluidende woord voor mij +synoniem met oase, paradijs, vrijheid, en al zulke vertegenwoordigers +van iets zonnigs en lieflijks te midden van de grijze ellende. + +Elken morgen gingen we op den gewonen tijd de deur uit, maar sloegen +bij een bepaald punt linksom in plaats van rechtsom. 't Scheelde maar +een kleinigheid, maar 't werd een reusachtig verschil. Rechtsom trokken +we naar school, naar den gehaten plicht, linksom naar buiten, naar de +begeerde zonde. Waarom had men de plichtsvervulling ons dan ook zoo +hatelijk gemaakt? In iederen arbeid steekt genot, in den schoolarbeid +zelfs een heel groot genot voor bijna alle kinderen. Maar men verbittert +er het lekkerste brood, vergalt er de zoetste melk. En zoo maakt men de +kinderen het eten en drinken onmogelijk, hoe graag ze het van nature ook +doen. + +We waren met ons vieren, mijn broer en ik, en dan nog twee klasgenooten, +Willem en nog een ander. Willem had een eigenaardige bron van inkomsten. +Zijn vader was bode en aanspreker. Iedere week moest Willem voor hem de +klanten rond, om de kontributie voor een begrafenisfonds op te halen, +kleine bedragen, maar die door verscheiden niet geregeld betaald werden +en daardoor tot vrij groote sommen opliepen. Wanneer Willem nu wat geld +wou hebben, ging hij naar de achterstalligen en maakte daar een standje. +»Kompliment van vader, en of er nu eindelijk eens betaald werd. 't Was +een schande, zooals ze hem iederen keer voor gek lieten loopen, en als +er nu niet betaald werd, zouden ze andere maatregelen moeten nemen." +Willem schreeuwde zijn boodschap op een luiden brutalen toon, zoodat +de buren het even goed konden hooren als de betrokkenen. Dit had +ten gevolge, dat de schuldige vrouwtjes hem gauw in de kamer riepen, +daar paaiden met mooie beloften, en hem persoonlijk vijf cent of een +dubbeltje toestaken, om hem tot meegaandheid te stemmen. Sommigen van +haar waren blijkbaar zoo bang voor de nieuwsgierigheid der buren, dat ze +Willem reeds te gemoet kwamen eer hij zich nog had aangemeld, en zijn +onbarmhartige jongensstem bij voorbaat met een dubbeltje omkochten. + +Er was voor mij in deze geheele ophaalderij iets geheimzinnigs. Ofschoon +ik precies wist, hoe de vork in den steel zat, en bij iederen klant met +nieuwsgierigheid vroeg, »hoeveel hij van dat wijf weer had losgekregen," +besefte ik toch heel wel, dat die vraag met die ruwe woorden maar +grootdoenerij was, en we eigenlijk bij ieder geval meespeelden in een +droevige tragedie van armoede, zorg, schaamte, afzetterij. Ik gevoelde, +dat we iets heel gemeens deden, en juichte toch bij iedere vermeerdering +van ons schandkapitaaltje. Willem ging, zonder eenig mededoogen, zijn +bedachte boodschappen doen, en wij wachtten op een afstand de gevolgen, +springend van vroolijk verlangen en tegelijk innerlijk huiverend van +schuldgevoel. Dit laatste was de stem van het geweten. Dat wist ik toen +reeds heel goed. Maar ik wist die stem ook onder schijnbare +onbezorgdheid te verzwakken. + +Van het geld kochten we eerst een grooten zak krenten, die voor +pruimtabak moesten dienen. We verdeelden ze onder elkaar en hadden +dan elk voor zich een afleiding en hartversterking. Telkens namen we +een handje krenten, wierpen die in onzen mond, verborgen ze achter de +kiezen, en hielden ze daar gezellig opgehoopt. Ik voel zeer goed, wat +zoo'n tabakspruim voor een werkman beteekent. Het is niet de lekkernij, +die hem bekoort, maar de gezelligheid. Zoo'n handjevol tabak, steeds op +dezelfde plaats bewaard en bewerkt, is voor hem een soort kameraad, een +vertrouwelijk vriend, met wien hij heel eigen is. Hij voelt zich niet +meer eenzaam en verlaten, niet meer unheimisch, als hij dezen gezel +op zijn vaste plaatsje meedraagt. Zooals meisjes een pop behoeven, om +een leegte aan te vullen, jongens een stok moeten dragen, om niet zoo +alleen te zijn, vele volwassenen een kat in de kamer of een hond op de +wandeling moeten hebben, om het gevoel van verlatenheid te breken, zoo +heeft de stugge werker op het veld of achter de heistelling in zijn +tabakspruim een stuk gezelligheid in zijn eentonig leven. Een soldaat +op post is met dezen vriend niet meer eenzaam in het nachtelijk uur. +Als wij een verre boodschap moesten doen, vooral 's avonds, namen we +een hard stukje kaaskorst in den mond, en kauwden en knauwden dat, niet +om het op te eten, maar om van zijn nabijheid te genieten. Misschien +hebben de psychologen voor deze gehechtheid aan de tabakspruim een veel +betere verklaring, zoodra ze experimenten genomen hebben met heiers mét +en zónder pruim, wellicht komt het dan alles neer op prikkeling van +bepaalde zenuwen en overheersching van bepaalde bewustzijnstoestanden, +maar ik, die alleen eigen ervaring raadplegen kan, te dom voor +experimenten en te lui voor statistieken, voel die gehechtheid alleen +als een gemoedsverschijnsel. Een afleiding, zegt het volk. Juist, een +afleiding van zijn enkelheid. Een afleiding, die Adam zelfs in het +Paradijs noodig had, toen hij, te midden der onbeperktste weelde, zich +toch eenzaam voelde, en Eva kreeg. Als een tabakspruim? Lieve menschen, +ik wou, dat men alle aesthetische gevoelens een oogenblik het zwijgen +kon opleggen. Eva was een wonderschoone verschijning--lees maar in +Vondels verzen--om wie de Engelen mensch zouden willen zijn. En een +tabakspruim--nu, ik wil de voorstelling niet verlevendigen. Maar die +tabak was ook eenmaal een frischgroene plant, en Eva zal ook eenmaal +verrotting zijn. We moeten over de grenzen van het heden heenzien, +dan ontwaren we meer gelijkheid, dan iemand ooit vermoedde. En--om te +besluiten--wellicht heeft menige Adam meer te danken aan zijn willige, +zich altijd schikkende tabak, aan dezen nooit eischenden vriend, dan aan +zijn Eva. + +Wij, dit wilde ik slechts zeggen, bootsten met onze krentenpruimerij de +groote menschen na, maar _zouden dit nooit gedaan hebben, als in ons +niet dezelfde gemoedseigenschappen aanwezig waren als in die groote +menschen_. Ook in ons was die behoefte aan dat intieme verkeer, en te +sterker, bij een niet volkomen rustig geweten. + +Voor het overige geld kochten we een reusachtigen vlieger en een heelen +hoop strengen touw. En hiermee trokken we naar het Vondelpark. In de +morgenuren was het daar nog al rustig. Je kon daar zoo lekker stil +rondscharrelen, zonder dat je ieder oogenblik gevaar liep, een kennis +tegen te komen. 't Was vrij ver uit de Jordaanbuurt en werkmenschen of +winkeliers, gelijk onze ouders waren, hadden in de week geen tijd om +overdag in het Vondelpark te wandelen, terwijl hun arbeid hen daar nooit +heen voerde. Daar kwam nog iets bij. Je had achter 't Vondelpark mooie +weilanden, om den vlieger op te laten, en in het park zelf dichte +boschjes, om er hem te verstoppen. We hadden al gauw een verstolen +hoekje gevonden, waar hij telkens met touw en al werd weggeborgen, als +wij naar huis moesten, en waar we hem ook weer trouw terugvonden, als +wij naar dit zalig oord terugkeerden. + +Het spreekt vanzelf, dat we niet dag aan dag gingen vliegeren. Waarmee +we dan de andere dagen doorbrachten, weet ik niet. Alleen herinner ik +me, dat we ook vaak naar eenige landpaden gingen, buiten de Zaagpoort, +en daar speelden op de balken en de boomstammen, die in het slootwater +bij de houtzaagmolens lagen. + +Dat was een van mijn heerlijkste genietingen. We trokken dan de schoenen +en kousen uit, stroopten de broek zoo hoog mogelijk op, en speelden +Bataviertje, waaruit ik nu alweer kan afleiden, dat ik op school van de +Batavieren geleerd had. Wij waren Batavieren, die op vlotten den Rijn +kwamen afdrijven. Daarbij liepen we op bloote voeten over de balken even +rustig, vlug en gemakkelijk als op het land. Het was verwonderlijk, +hoe vertrouwd we met onze vlotten waren. Terwijl we van balk op balk +stapten, doken deze, soms dunne stammen, vaak diep onder water, maar +daar bekommerden we ons in 't geheel niet om, integendeel, we vonden +'t heerlijk. We waren thuis op onzen balkenvloer, we waren thuis in de +slooten. Om natte pootjes gaven we absoluut niet. Hoe meer het water +golfde en klotste en spatte, hoe liever 't ons was. De eenige voor wien +we eenige vrees koesterden, dat was de molenaar. En eigenlijk waren we +ook voor hem niet bang, we konden hem gauw genoeg ontvluchten. We waren +voor niemand bang. Maar de mogelijkheid bestond, dat we bij een +overhaaste vlucht onze kousen en schoenen op 't weiland moesten +achterlaten, en dan zou natuurlijk alles uitkomen. + +Toch werd deze sloot ons onheil. Op zekeren dag ging een der jongens +gehurkt op een balk zitten. Een ander vond dat al te verleidelijk en gaf +een trap tegen den balk, waardoor nummer een achterover in het water +tuimelde. Dat was nu op zichzelf zoo erg niet, de sloot was niet zoo +diep, en met het water waren we vertrouwd. De drenkeling was dan ook +weer gauw aan land. Maar zoo kletsnat kon hij niet blijven rondloopen, +zich uitkleeden en zijn goed te drogen leggen was te veel gewaagd met +het oog op den molenaar. Die kon van onzen nood wel eens misbruik hebben +gemaakt, door den jongen spiernaakt den weg op te jagen. Daarom deden +we, wat we in zulke gevallen altijd deden, we gingen op een draf naar de +gasfabriek, den natten kameraad, die in zijn zware, plakkende, druipende +kleeren niet zoo hard loopen kon, tusschen twee flinke loopers in, hand +aan hand met hem voorthollend, de anderen er achter. + +In de gasfabriek, aan de buitenzij der stad gelegen, waren de mannen +altijd welwillend. Ze vloekten er wel bij, maar dat hinderde niet. Hoe +harder ze je uitscholden, hoe meer je van ze gedaan kreeg. »Baas, magge +we d'r in, hij hèt in 't water gelege."--»Zoo, dondersche schooiers, +het jelui weer met je mieter in 't water gelege. Wil je wel gauw +opdondere."--»Och baas, hij is zoo nat, en dan krijgt ie van zijn +vader."--De baas keek naar den klappertandenden schooier en liet ons +binnen. »Vooruit dan maar, maar heb het hart in je lichaam, dat je 't me +weer flikkert."--»Dank u wel, baas!" en we holden naar binnen. De natte +kameraad kleedde zich uit als in 't zwembad en liep een beetje naakt +rond te scharrelen en zich te warmen, terwijl wij zijn natte kleeren +te drogen hielden bij de heete retorten. De werklieden lieten ons stil +begaan, we waren jongens die zichzelf konden redden. Alleen nam deze +of gene den kans waar, om den naakten sprinkhaan een kletsenden klap te +geven, waarom de naakte sprinkhaan dan ook altijd zorgde, dat hij uit de +voeten kwam als er een man naderde. + +De kleeren waren gauw genoeg droog, maar ze hebben ons verraden. Hoe, +dat herinner ik me niet meer, maar 't was na dit voorval gauw uit met +de pret. Op een middag kwamen we thuis, met een onschuldig gezicht, of +er niets gebeurd was, toen Moeder ons ontving met de ongewone vraag, +waar we vandaan kwamen. Die vraag schokte ons hevig, maar we logen +natuurlijk: Van school. En er was een boodschap gekomen, dat we al in +geen drie weken op school waren geweest, en een jongen z'n moeder was in +den winkel geweest en had verteld, dat ze aan zijn kleeren gezien had, +dat hij in 't water had gelegen, en dat hij toen alles bekend had. Het +viel niet meer te loochenen en ook wij moesten door de mand vallen. + +Dit oogenblik herinner ik me nog heel levendig. We stonden in de +huiskamer. Daar was een kastdeur met behangselpapier beplakt. Er was +geen kruk in, wel een sleutel. Ik zie den zwartgeroesten sleutel nog uit +het sleutelgat steken, donkere figuur in een omgeving van lichtgrijs +papier. Op dit plekje, vlak bij de kast, moesten we ons kwaad openlijk +erkennen. En toen stond het plotseling als een vreeselijk misdrijf voor +me. Ineens voelde ik de zwaarte van 't vergrijp op mijn schouders +drukken. Ik voelde mijn beenen trillen, greep den sleutel vast, zonk +ineen, en begon hartstochtelijk te snikken. Wonderlijk toch, al die drie +weken had ik genoten, was wel eens onrustig geweest, maar was er toch +iederen dag op nieuw uit getrokken. Mijn geweten had zich laten sussen. +'k Had goed gegeten, goed geslapen. Maar nu het kwaad was uitgekomen, +was aanstonds al mijn kracht gebroken en zakte ik, wanhopig en +radeloos, in elkaar. Dat is de overweldigende macht der openbaarheid. + +Tot straf mocht ik dien avond niet naar het verjaarpartijtje van een +vriendje. Aanstonds uitkleeden en zonder eten naar bed. Dat was een +groote straf voor me, want van dat partijtje had ik me heel veel +voorgesteld. Niemand zal echter die straf te zwaar achten. Drie weken +spijbelen, drie weken je ouders bedriegen, dat is voorwaar geen +kleinigheid. Daarvoor is het onthouden van zoo'n genoegen eigenlijk nog +een veel te geringe straf, ook al is voor een kind een kinderpartijtje +een buitengewoon genot. + +Maar wilt ge nu mijn Moeder eens leeren kennen? Toen ik tot acht uur of +half negen of negen uur--ik weet het niet precies meer--stil in mijn bed +had gelegen, telkens schreiend van diep berouw, maar wellicht nog meer +uit medelijden met mijn arme zelf in mijn bitter treurigen toestand, +kwam mijn Moeder bij mijn bed. Ik nam haar hand en kuste die, zooals een +geslagen hond naar zijn meester kruipt en diens hand likt. Ik kon geen +scheiding tusschen haar en mij hebben. En zij liet haar hand nemen en +die kussen. Heete tranen vulden mijn oogen en vloeiden over mijn wangen. +Was ik toch maar niet zoo'n slecht kind geweest. + +Ze bukte zich over mij heen. Haar nabijheid was voor mij altijd rust en +veiligheid en vrede. Maar nu bovenal. En ik sloeg mijn armen om haar +hals. »Heb je er erge spijt van?"--O ja, en ik begon weer diep bedroefd +te schreien. »Zal je 't nooit weer doen?"--Neen, zeker nooit weer, en +mijn geschokt gemoed kwam tot kalmte. Dat stille schreien, tegen haar +aan, 't was zoo'n verkwikking, bijna een zaligheid. Wat is het toch een +wonder-gelukkig bezit voor een kind, een Moeder. Het is de oplossing van +_al_ zijn ellende. En toen zei ze: »Zou je nog graag een uurtje naar +Piet gaan?" + +Ik kon mijn ooren niet gelooven. Toch naar het partijtje? »Graag!" zei +ik. En zij: »Kom dan maar." Aanstonds was ik uit bed, wiesch me, trok +mijn Zondagsche kleeren aan, die Moeder inmiddels haalde, kreeg een +schoon boordje om, kuste haar, een, twee, drie maal, en vloog het huis +uit, de reeds donkere gracht op, naar den verbeurden en reeds gesloten +kinderhemel, die nu weer voor me geopend werd. + +Van de feestpret wil ik hier niet vertellen, die is nu niet aan de +orde, maar ik moet toch even een woord zeggen ter verdediging van--mijn +Moeder, tegenover--de officieele paedagogiek. Die paedagogiek wou me +later doen gelooven, dat een opvoeder konsekwent moet zijn. Hij mag niet +gauw straffen, zoo dekreteerde ze, maar _als_ hij eenmaal straft, dan +moet hij ook doorzetten; _als_ een kind eenmaal een uur nablijven moet, +dan _moet_ het ook een uurtje nablijven. Want anders, zoo gaf ze reden +van haar dekreet, werkt de straf als een ijdele bedreiging en stoort het +kind zich in 't vervolg er niet meer aan. Zoo heeft de Paedagogiek mij +steeds geleerd. En ook nu weer hoor en zie ik haar met ernstige stem en +verontwaardigd gebaar de handelwijze mijner Moeder afkeuren. Maar wil +ik Haar--ik bedoel de Paedagogiek, de Alwijze--nu eens iets zeggen? +Mijn eigen ervaring slaat dit voorschrift vlak in 't aangezicht. Met +haar generaliseeren bederft ze al haar wijsheid. Mijn Moeder was _niet_ +konsekwent, in een buitengewoon ernstig geval had ze een zeer lichte +straf opgelegd, en van die straf onthief ze ons voor een groot, voor het +grootste deel. En dat deed ze uit pure zwakheid, omdat ze 't niet hebben +kon, dat haar ondeugende jongen verstoken bleef van een in zijn oogen +zeer groot genot. Ze kon niet konsekwent zijn. En ze liet uit enkel +weekhartigheid, genade voor recht gelden. En wat was het gevolg? Dat +ik nog nu in gedachten de hand kus, die mij vrijwillig uit mijn banden +losmaakte. Dat ik reeds toen en mijn heele leven lang voor niets zoo +bang was, als om Moeder verdriet te doen--al deed ik het natuurlijk ook +vaak. Dat ik voor Moeder later alles over had en haar als een heilige +mee door 't leven droeg. Dat was het gevolg van haar inkonsekwenties. + +Maar de Paedagogiek vergeet ook altijd één ding. Ze vergeet de +Stille Kracht. Den wonderbaren invloed van de persoonlijkheid, de +overweldigende macht des Harten. De Paedagogiek werkt met maatregelen. +Ze geeft altijd antwoord op de vraag van wanhopige opvoeders: »Wat moet +ik _doen_?" En ze moet antwoorden op de vraag: »Hoe moet ik _zijn_?" + +Doen? Doen? Geef een ongeschikte de voortreffelijkste middelen, en hij +bereikt er averechtsche gevolgen mee. Hij maait geen graan met zijn +zeisen, hij maait er zijn bloemhof mee kaal. + +Wéés iets. En van uw Zijn gaat opvoeding uit. Dan moogt ge zieken +genezen op den Sabbath. Dan kúnt ge zieken genezen op den Sabbath. En +dan stoort ge u niet aan de Farizeesche Schriftmatigheid. + +Ik was een kleine groote zondaar. Ik was gebroken door berouw. Maar ik +werd opgericht--door Genade. + + + + +TUSSCHEN SCHOOL EN HUIS. + + +»De weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens +vol verleidingen." + +Die verleidingen waren van een gansch andere soort dan die ons bekoorden +als wij van huis naar school gingen. Op den heenweg naar het gehate +gebouw lokte ons elke boom naar buiten. 't Was of iedere vogel ons riep: +»Je gaat den verkeerden kant uit. Je moet niet naar dat muffe hok. Je +moet naar de paden, naar de slooten, naar de velden. Je moet de ruimte +in." Het was wel moeilijk, aan die roepstemmen geen gehoor te geven. +En dat bleef zelfs een strijd voor me, toen ik al lang onderwijzer +was. Naar school of daar buiten? O, dat buiten trok zoo. Het zoog je +letterlijk den verkeerden kant op. En je moest je wel erg schrap zetten, +om door die zuiging niet te worden meegevoerd. Ik kan me dan ook best +een landlooper begrijpen. Een _land_looper, niet een straatslijper. +Zoo eentje, die 't veld in trekt. En eigenlijk geloof ik, dat er een +landlooper aan me verloren is gegaan. Daarom ben ik maar ambulante +bovenmeester geworden. Dat leek er nog een beetje op. Niet waar? + +Maar 's middags op den terugweg naar huis, dan lokte ons geen boom, +of 't moest zijn om er in te klimmen, dan riep ons geen vogel, of 't +moest zijn om hem met steenen te smijten. 's Middags was er niets in +ons van de natuurzieke zwervers. Alle gevoeligheid en groenliefde was +dik geworden als stroop in den winter. Ze konden niet meer vloeien. Ze +lagen als onbewegelijke massa's in ons gemoed. 's Middags, dan was de +strijdlust in ons wakker. Dan was iedere jongen van een andere school +een brutale uittarting, alleen reeds door zijn verschijning. Dan was +iedere winkeluitstalling een booze geest, die helsche vernielplannen in +ons wakker riep. Dan daagde iedere dienstmeid ons uit met emmers water, +die zij 't hart had op haar eigen stoep te zetten, of met huistrapjes, +waarop zij de vrijpostigheid nam naar boven te klimmen voor 't +glazenlappen, of zelfs met boodschappenmandjes, die ze zoo schaamteloos +met den elleboog vasthield of aan de hand liet neerhangen. Dan was +iedere onbeheerde handwagen een voorwerp, om een eind meegesleept te +worden, ieder appelvrouwtje bestemd om te worden bestolen--niet uit +steelzucht, maar uit loutere baldadigheid--, dan was iedere belknop een +magneet voor jongenshanden, verstijfd door 't samenvouwen op den rand +der schoolbank, dan was iedere deur het opentrappen waard, vooral de +winkeldeuren met een rinkelende bel; dan was iedere gebochelde, iedere +kreupele een model voor klassikale nabootsing, dan was zelfs iedere +politieagent een mikpunt voor stukjes stopverf of voor hatelijke +schimpscheuten. 's Middags, dan was de duivel in ons wakker, dank zij +vijf uren van onderwijs overeenkomstig den geest der wet, die sprak van +»opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden". + +De heeren politici in vergaderzaal en krant hebben over die +»christelijke en maatschappelijke deugden" heel wat geredeneerd. +En de schoolmeesters in navolging van hen. Wat waren het toch, die +»christelijke en maatschappelijke deugden", waarin bestond toch het +verschil tusschen beide. Men dreef er den spot mee. Men speelde er een +dialektisch spel mee. Men maakte er politieke kaatsballen van, zooals +zelfs van nog veel heiliger dingen. En intusschen liet men de jeugd +verdrogen, verschrompelen. Intusschen werden de kinderen vernield. +Het ware te wenschen geweest, dat men van die »christelijke en +maatschappelijke deugden" ernst had gemaakt, waarachtigen ernst. +Mijnentwege hadden de onderwijzers het fijne onderscheid tusschen +beide deugdrubrieken mogen voorbijzien, als ze die deugden maar hadden +aangekweekt, door ze te beoefenen. Een beetje christelijkheid, ook in +de christelijke school, zou voor ons zoo goed zijn geweest. Al was 't +maar een klein beetje. De christelijkheid van »Laat de kinderen tot Mij +komen En verhinder ze niet". Maar wij--werden verhinderd. + + Zij hadden ons met _woorden_ wel gedreven, + Maar hebben ons verhinderd met hun _leven_. + + * * * * * + +Vechten was onze hoofddeugd, op school met den meester en op straat met +de heele geordende maatschappij. En dan in 't bizonder met de jongens +van andere scholen. De Noordermarkt was ons slagveld. + +Eerst moet ik echter iets vertellen van een onzer acrobatenkunsten daar, +een kunst, die ik maar zelden, of eigenlijk nooit meer in beoefening heb +zien brengen. Op dit marktplein stonden paaltjes en wel twee soorten: +steenen met koppen als halve bollen en houten met koppen als halve +liggende cilinders. Nu was het de kunst, op zoo'n paaltje te klimmen, +zonder door een kameraad te worden geholpen, daarna er op te staan, +eindelijk van het eene op het andere te stappen, en ten slotte de heele +rij af te loopen. Men moet daar niet min over denken. Het eischte met +elkaar uren en uren van geduldig oefenen, en dat onder de bedreiging +van altijd vijandige agenten of marktmenschen. »Wil je bliksemsgauw +opdonderen", lag in ons gehoor bestorven. Maar wij »donderden op", +net als de musschen voor een paard en rijtuig om dadelijk weer »neer +te donderen" als de bedreiging voorbij was. En onder dat »op- en neer +donderen" oefenden we ons, geduldig, taai, volhardend. Met twee handen +hield je den kop van 't paaltje vast. Dan trok je je op, legde heel +voorzichtig je rechterknie er op, dan je linker, beide knieën tusschen +je handen. Nu de handen loslaten, den romp strekken, en zoo op je +knieën liggen. Ik beloof je, dat het een toer was. Maar het ging. Zelfs +maakten we in die houding allerlei grimassen, zwaaiden met de armen +als vliegende vogels, wierpen de marktvrouwen kushandjes toe. Doch nu +verder. Weer de rechterknie opgetrokken, op de linker gebalanceerd, den +rechtervoet naast de rechterknie gezet--romp rechtop, even rusten--en +het heele rechterbeen gestrekt, daarmee vanzelf het linkerbeen +opgetrokken, en op het rechterbeen gestaan, rechtop terwijl het +linkerbeen wat bewegingen maakte, om het lichaam in evenwicht te houden. + +Honderd- en duizendmaal zijn we er zeker afgevallen, afgegleden, +afgesprongen, eer we eindelijk stonden, maar we hielden vol. Dát was +gymnastiek, ja wat beter dan om de vijf minuten een zwaaitje aan de +ringen. We zagen rood van inspanning, maar rustten niet eer het doel +bereikt was. Nog voel ik in mijn armen en beenen _den wil om te winnen_, +die toen aan 't werk was. Geen eerzucht, geen ijdelheid, al kwam er +later natuurlijk wat pralerij bij, maar _zegezucht_. Geheel in ons +eentje, ongezien, oefenden we ons op ieder paaltje, hoe lastiger hoe +liever. En dat deden we niet om een bewust doel, als een soort plicht, +maar omdat we 't niet laten konden. We verloren ons er in--zooals +een dichter in zijn verzen, een schilder in zijn verven. Wij maakten +ons jongenskunstwerk, met onvermoeibare zelfovergegevenheid. En zoo +presteerden we ten slotte het onmogelijke: we liepen over de koppen van +paaltjes, ongeveer een kleinen meter van den grond, en bijna een meter +van elkaar. En daar liepen we met een zekerheid en een gratie--want in +zulke kunsten zit een natuurlijke gratie, anders zijn ze onmogelijk--die +in ons de lenigheid en de schoonheid ontwikkelden, de zelfbesturing en +het zelfvertrouwen, _maar die door de volwassenen niet begrepen werden_. + +De houten paaltjes met rolronde koppen waren de moeilijkste. De +bolronde van de steenen hadden aan alle zijden een aanpakvlak voor den +naderenden voet, maar die andere--men stelt het zich toch, hoop ik, +wel voor?--konden maar van één zijde benaderd worden. 't Was dan ook +de hoogste triomf, als je over de houten voortstapte, en dat werd nog +mooier als er tusschen die paaltjes ijzeren stangen liepen of ijzeren +kettingen hingen, kettingen met ijzeren punten. Dan liep je ieder +oogenblik gevaar, een breuk te vallen of je op andere wijze aan dat +ijzer te kneuzen. Maar dat maakte het genot nog grooter. + +Denkt de verbiedzieke volwassene er wel eens aan, dat iedere nieuwe +belemmering nieuwe aanvalsdriften oproept? + + * * * * * + +Welken medescholier herinner ik me nog met naam en toenaam? + +Het is Hendrik Busman. + +En waarom is hij het? Omdat hij zoo goed leeren kon? + +Maar denkt iemand nu heusch, dat we ons dáárom bekommerden? + +Hendrik Busman werd vereeuwigd om dezelfde reden als De Ruyter, Tromp, +Piet Hein. Omdat hij zoo goed vechten kon. + +Ik zie hem nog staan, boven op een hooiwagen. 't Was op dezelfde +Noordermarkt. Daar leverden we onze veldslagen, gelijk de mogendheden +eertijds in de Zuidelijke Nederlanden. + +Hendrik Busman stond op een hooiwagen, boven op de lading hooi. We +bleven beneden op de straat en wierpen hem steenen toe. Dat waren de +projectielen, waarmede hij, van zijn hoog standpunt, den vijand +bestookte. Die bleef op een eerbiedigen afstand. + +We droegen houten sabels, met punten er aan. Die staken we op zij, door +een riem. Echte officieren. Soms maakten we een charge. Met getrokken +sabel renden we dan op den vijand los. Die sloeg op de vlucht, niet +bestand tegen ons élan. Enkele dapperen konden echter zoo'n schandelijke +vlucht niet verdragen. Ze bleven staan, het zwaard in hun vuist. +Blindweg sloegen ze in 't rond. Dan kwamen hun verjaagde makkers weer +terug. De moed van enkelen--niet waar?--_de moed van enkelen_ is _de +kracht van allen_. En als ze dan, in hun heldhaftigheid, van het verweer +tot den aanval durfden overgaan, dan holden wij weer weg, tenminste de +groote hoop van ons, dan keerden de kansen, totdat ook _onze_ helden hun +leven waagden. + +Twee dingen weet ik van die vechtpartijen met volkomen zekerheid. + +Vooreerst, dat het vechten heilige ernst was en te gelijk de prachtigste +komedie. + +Het was ernst. We voelden ons in oorlog. Den heelen dag spraken we er +over. We wisten van den vijand alleen kwaad. Ze waren »schooiers" of +»kalen", al naardat ze tot een armere of een rijkere school behoorden. +We bluften op onze heldendaden, we smaalden op hun lafheid. En we +dachten aan niets dan aan den krijg. Hoe de oorlog was aangekomen, +wisten de meesten niet. Er ging alleen een gerucht rond van een of +andere »gemeene streek" of verregaande aanmatiging. Dat was voor de +massa genoeg. Die vroeg niet naar een casus belli. Het feit alleen, dat +er oorlog was, joeg ze al te hoop. Ze vond het heerlijk, in groepen rond +te zwerven, stokken of riemen te zwaaien, en den vijand na te rennen. + +En toch was het komedie. We pasten wel op, dat we geen jongen gevaarlijk +raakten. Ja, met een stok of riem tegen de beenen, hoogstens tegen den +romp slaan. Maar nooit tegen zijn hoofd. En ook nooit een trap tegen +zijn buik of een stomp in zijn hartstreek. Wie zoo iets deed, stond +eigenlijk bij ons in minachting, ook al behoorde hij tot de onzen. Er +was een ongeschreven jongenswet, waarin onridderlijke daden verboden +waren. Ik denk, dat we dit niet aan de school dankten, maar aan de +grootmoedigheid van onze boekenhelden. + +Volwassenen maakten zich soms ernstig bezorgd over ons vechten. Totaal +overbodig. Want het was bijna uitsluitend parade en bluf. Grootdoenerij. +Een gelegenheid om te hollen, te schreeuwen, te zwaaien, te smijten. En +de oorlog stierf zijn eigen dood. Ik weet van geen enkelen oorlog, die +met een verklaring begon en met een vrede besloot. Hij ontstond en +verdween, als de stormen in de atmosfeer. + +Maar dan was er nog een tweede ding, dat ik nu, uit de verte, heel +duidelijk zie. Al waren er ook veertig, vijftig, en meer jongens bij +betrokken, eigenlijk draaide de heele beweging om een paar. Als zij +voorgingen, volgden de anderen. Als zij verslapten, dropen allen af. +Niet alleen onder de schapen heb je de belhamels. Die schijn je bij alle +»gezellig levende dieren" te hebben. En de mensch is zoo'n gezellig +levend dier. Let op de belhamels. In hen heb je de kudde! + + * * * * * + +Erger dan het vechten was onze baldadigheid. Eén voorval herinner ik me +nog heel levendig. + +Misschien weten de meeste volwassenen niet eens, dat je in de raamposten +gaatjes hebt--of hadt--aan elken kant een. Die dienden, geloof ik--we +kregen toen nog geen zaakonderwijs--om er pennen door te steken, die 's +nachts de buitenblinden moesten vasthouden. + +Nu was er in de Westerstraat een porcelein- en glaswinkel, waar we zulke +gaatjes ontdekt hadden. Als je door het gaatje een dun stokje stak, +kwam dit aan de binnenzij te voorschijn en dan kon je er iets in de +uitstalling mee omduwen, een glaasje, een kopje, een vaasje of een ander +niet te zwaar voorwerp. + +Dat deden we. Heel onschuldig bewonderden we de uitgestalde waar, maar +staken inmiddels de stokjes door de gaten en duwden. Tuimelde er een +ding rinkelend om, dan holden we hard weg. + +Eens stonden we weer voor het raam, werkten met stokjes, en loerden +onderdehand of de baas in de achterkamer bleef. + +Plotseling gaat de kamerdeur open, en zien we den man in zijn +overhemdsmouwen driftig den winkel in vliegen. + +Wij op den loop. Een kerel in overhemdsmouwen en blootshoofds, die +je zoo maar op straat naholt, dat is voor jongens nog erger dan een +politieagent. Zoo'n kerel ontziet niets en kan hard loopen. + +Wij vlogen dan ook over den weg. Hier was het nu bijna letterlijk waar, +dat de angst ons de voeten bevleugelde. Hij was ons natuurlijk vrij +dicht op de hielen, een winkellengte, en we konden hem alleen door een +razende vaart ontsnappen. + +Ha, dát was loopen. Als een hinde voor de honden. Zulke vergelijkingen +begrepen we best, veel beter dan de meester. Wij hadden den angst _in_ +ons gehad. + +Daar bereikten we de eerste dwarsstraat. We vlogen den hoek om, en +kwamen midden in een hoop blaffende en vechtende honden terecht. Die +vergaten natuurlijk aanstonds hun geschillen, om op de hollende +jongensbeenen af te stuiven. Maar die renden er, behalve één paar, allen +tusschen door, de honden trappende, zoodat ze jankend wegstoven. Alle, +behalve één paar. En die waren van mij. + +Ik was bang voor honden. En toen ik daar zoo plotseling door zes of +zeven blaffende honden besprongen werd, stond ik dadelijk stil. Ik +durfde niet door die woedende bekken heenbreken. + +Maar achter me kwam de kerel in zijn overhemdsmouwen en zijn bloote +hoofd. + +Toen stond ik ineens voor de uitstalkast van een koek- en banketwinkel. +Dat was tegenwoordigheid van geest. En ik bewonderde de uitstalling met +zoo ongeveinsde belangstelling, dat ik den man aan het twijfelen bracht. + +Daar was een kunststuk van suikerbakkerij. Een tandarts had een boer een +kies getrokken. Hij stond met de kies nog in de tang. Maar de boer hield +beide handen aan 't pijnlijk vertrokken gezicht. En in witte +suikerletters stond er bij te lezen: + + _Je hebt de verkeerde getrokken. + Ik trek je ze allemaal voor hetzelfde geld._ + +Het geheele kunstwerk was in een glazen kastje geborgen. + +Van dezen humor stond ik bevend te genieten, toen ik een stem achter me +hoorde: »Jij was er ook bij, bliksemsche smeerlap!" + +»Waarbij, meneer?" + +»Ja, sta me nou maar niet te bedondere. Ik heb je heel goed gezien." + +»Ik weet nergens van, meneer!" + +»Heb jij niet met je vuile poote aan dat winkelraam gezete?" + +»Nee meneer, heusch, ik weet nergens van." + +Dat woord »heusch" was een woord, dat we alleen bij zulke gelegenheden +gebruikten. + +De meneer in zijn hemdsmouwen scheen zich door mijn schijnheilig +gezicht toch te laten »bedondere". Hij was niet zeker van zijn zaak. +Grommend en scheldend trok hij af, terug naar zijn winkel. + +Toen liep ook ik verder. Neen, ik wandelde verder. Wat genoot ik van +mijn triomf! De andere waren naar huis gehold, de dwarsstraat uit, den +hoek om, en zoo verder. Ik wandelde op mijn dooie gemak, als een +rentenier, als iemand, die zijn tijd aan zich heeft en zijn omgeving +volkomen beheerscht. + +Daar kwam nog iets bij. De vent had zich nog eens kunnen bezinnen en me +toch in mijn nek willen nemen. Daarom mocht hij geen oogenblik denken, +dat ik haast had, om weg te komen. Zonder om te kijken slenterde ik de +dwarsstraat door als een volmaakt onschuldige. Ik bleef in mijn rol. + +»Wie niet sterk is, moet slim zijn." Juist. Wie niet sterk is, _dient_ +slim te zijn. Of hij gaat ten onder. + +Wie niet sterk is, _is_ slim. Dat is zijn instinkt tot zelfbehoud. + +Ik was niet beredeneerd slim. Ik had dat mooie redmiddeltje niet +uitgedacht. Ik was instinktmatig slim, zooals een drenkeling +instinktmatig de armen uitslaat. De slimheid was er, ineens, onbedacht. +Ze was mezelf een verrassing. De slimheid--ge moogt ook zeggen: de +huichelarij--was door den nood voortgebracht. Ze was een noodprodukt, +gelijk zekere vieze lucht bij den bunzing. + +Toen ik in onze straat en bij ons huis kwam, zaten de anderen reeds +rustig op de stoep, zoo maar op de koude, hardsteenen stoep. + +Een luid gejuich ging op, toen ze me zagen. Geen oogenblik hadden ze +gevreesd, dat ik »in die kerel z'n poote" was gekomen. (Jongens +gebruiken bij voorkeur ruwe woorden en sterke uitdrukkingen, evenals +het plebs, niet uit plebeïschen zin, maar, en alweer evenals het plebs, +uit onrijpheid: Kleine kinderen maken vuile luiers). Ze waren dus geen +zier ongerust omtrent mij. Ik zou me wel gered hebben op een of andere +manier. Wij waren niet kleinzeerig of gauw bekommerd ten opzichte van +elkaar. + +En toen begon het opsnijen. Ik hoor een der jongens nog vertellen, dat +hij midden in dat hondengeraas op een grooten hond was gesprongen, dien +bij zijn ooren had gepakt om hem te mennen, en zich zoo naar huis had +laten rijden. En wij schenen dat te gelooven. Ik herinner me tenminste +niet, dat het verhaal als onmogelijk verworpen werd. Het behoorde tot +de heldenfeiten, die we verrichten of verzonnen, maar in ieder geval +bewonderden. + +Mijn daad werd ook bewonderd. Ik had dien kerel mooi (tegenwoordig +zeggen de jongens: fijn) te pakken gehad. En niet een van ons dacht aan +de schade, die we den man berokkend hadden. + +Niet een begreep zijn woede over onze pure en brutale baldadigheid. We +kwámen niet in zijn geval. + +»Hè, wat bliksemde dat glas lekker naar beneje! En wat holde die kerel +met zijn bloote kop! Jammer dat die honden hem niet in zijn poote +gebeten hebbe!" + +Dat was ons medelijden. + + * * * * * + +Nog twee herinneringen zijn me bijgebleven aan de school op de +Lindengracht. Ze staan beide in verband met het huis van den +bovenmeester. + +Ik moet op een keer eens iets heel erg kwaads gedaan hebben. Wat, dat +weet ik niet meer. Maar het nablijven in de gewone school was blijkbaar +niet erg genoeg. Ik moest met meneer Kuyper mee, eenige portalen door, +naar zijn woning, naast de school en daarmee verbonden. + +Wij gingen een trap op, ik voor, hij achter. Wat was dat indrukwekkend. +'t Was er zoo stil. En dan alleen met den bovenmeester. In zijn eigen +huis! + +Wij kwamen boven in een gang met witgestukadoorde muren. Er lag een +looper. + +Toen moest ik daar in den hoek staan. Meneer Kuyper ging naar binnen, in +een kamer. + +Ik stond er, doodstil. + +Wat was het hier rustig. + +Wat was het hier vredig. + +En zoo netjes. + +Er zweefde iets lieflijks in de atmosfeer. + +Ik voelde me heerlijk. Volmaakt gelukkig. + +En dat onder die allerstrengste straf. + +Maar het zou veranderen. Meneer Kuyper had een hondje. Ik hoorde het +blaffen. Weg was mijn rust. Voor iederen hond was ik bang. Nu stond ik +doodsangsten uit, dat het dier in de gang zou komen. + +Daar had je de ellende al. Een deur ging open. Blaffend kwam het +keffertje er uit en rende natuurlijk aanstonds naar mijn beenen. + +Ik drong me, in angst, tegen den muur aan, en begon luid te schreeuwen. +Ik wrong me buiten het bereik van het gebit. Maar dat tuig is altijd +zoo, dat ze juist bange jongens het ergst aanblaffen. 't Is onedel +gedierte, bijna zoo onedel als een straatjongen. + +Gelukkig klonk daar een lieve vrouwenstem. Die riep het hondje weg. Het +was de nog jonge vrouw van den bovenmeester. Ze kwam in de gang. Ze zag +mijn beschreide oogen, en zei enkele zachte woorden. Ze vroeg, of ik zoo +erg ondeugend was geweest. Ik keek haar aan. Er was zeker iets smeekends +in mijn blik. Ze legde haar hand op mijn hoofden streelde me. Toen ging +ze even naar binnen, en bracht me een boterham. + +Lieve schoolmeesters in Nederland, die dit leest. En ook gij, +huisvaders. Luistert nu eens goed. Ik weet absoluut niets meer van het +kwaad, dat me deze buitengewone straf op den hals heeft gehaald. Ik weet +niets meer van den geduchten uitbrander, dien ik zeker gekregen moet +hebben. Van die geheele geschiedenis weet ik niets meer. + +Maar ik weet nog wel van die gang, en van dat hondje, en van die lieve +vrouwenstem, en van die zachte vrouwenhand, en van die boterham. + +Ik voel nog de verademing, de ontroering, de dankbaarheid bij _haar_ +verschijning. Die stem, die hand, die boterham, dat was nu opvoeding, +dat was christelijke opvoeding. + +Daar boven, in het hoekje tegen den muur, daar ben ik christelijk +opgevoed. Zoo maar zonder catechismus. En in enkele oogenblikken. + +Toe, geloof me nu eens. We beseften ons eigen kwaad zoo weinig, dat we +er in roemden. We gaven niets om straffen, en als ze wat bijzonder +waren, hadden we zelfs gevoel voor het aantrekkelijke er in. Maar ons +harde hart brak bij een zacht woord. En we voelden ons gezegend en +geheiligd door een teere hand. + + * * * * * + +We gaan nog eens naar het huis van den bovenmeester. Maar nu blijven we +buiten staan. + +'t Is tusschen half negen en negen uur. De schooldeur is open. De +kinderen komen de Lindegracht op. Maar allen kijken even naar de deur +van het woonhuis. Daar is een briefje op aangebracht: »De zieke heeft +een onrustigen nacht gehad. Toestand hetzelfde." Dan loopen ze zacht +door en gaan stil naar binnen. + +Meneer Kuyper is ziek. 't Is ernstig, heel ernstig. Elken morgen wordt +de toestand meegedeeld. Er mag niet gebeld worden. + +Er ligt een donkere schaduw over de school. We denken niet aan +ondeugendheid. Met den meester hebben we een wapenstilstand gesloten. +Dit briefje stemt ons tot gehoorzaamheid, hem tot redelijkheid. Hij is +een poos geen barbaar. + +De zieke daarboven beheerscht de school. Alleen door zijn ziekte. Weet +hij nog wel iets van wat er beneden gebeurt? Waarschijnlijk niet. Maar +wij weten wel, wat daarboven gebeurt. Daar ligt hij ziek. Hij, die +teere, bleeke figuur. Nu ligt hij te bed, nog bleeker dan ooit. + +We weten wel zooveel, dat zulke briefjes op de deur een veeg teeken +zijn. Dat doet men alleen bij heel, heel erge zieken. We loopen zacht +het huis voorbij. Er is geen geschreeuw op de gracht. Hij is ziek. Hij. + +De berichten op de deur worden steeds ernstiger. Eindelijk lezen we: +»Hedennacht overleden." De gordijnen zijn gezakt. Er is geen school. We +gaan naar huis. Niets, niets blij met de vakantie. + +Ik denk aan dien zachten man, biddende met zijn zachte stem. Ik hoor hem +weer aan 't orgel. + +Ik denk aan zijn lieve vrouw. Die zal nu wel erg bedroefd zijn. + +Ik denk aan 't hondje. + +En nu, veertig jaren later, denk ik: + +Ik wou, dat die lieve vrouw nog leefde. En dat ze dan dit las. Dan +zou ze hooren, wat ze zeker nooit geweten heeft, hoe dat ondeugende +jongetje, daar boven in de gang--ze herinnert zich geen jongetje?--hoe +dat jongetje haar en haar lieven man in gezegend aandenken heeft +gehouden. Zijn leven lang. + + * * * + +Toen meneer Kuyper de school aan de Lindegracht verlaten had, ging ook +ik weg. Ik heb een flauw vermoeden, dat het om achterstallig schoolgeld +was, maar zeker weet ik het niet. + +Maar ik was blij, dat ik wegging. + + + + +IN HUIS. + + +Wat weet ik nog van mijn huis? Ik ken er nog de heele geografie van, +hoewel ik die nooit heb gememoriseerd. Hier is een stukje landkaart van +den winkel. + + ______ + +-======-------======-------------------+ + | ¯¯¯¯¯¯ | + +------- -----------------------+ | + +-----| toonbank | | + | | | | + |stoep| winkel | | + | | | | + | | deur | | + | +-======-----+------+-----------+-------+ + | | |===== trap naar den| + | hardsteenen | bank |===== kelder onder| + | stoep | |===== den winkel | + +------------------+------+-------------------+ + +Je ging met een stapje de blauwe hardsteenen stoep op. Rechts stond een +groengeverfde houten bank. Die hadden toentertijd alle menschen terzij +van hun huisdeur. De Potgieterkenners onder mijn lezers herinneren zich +wel de prachtige strofe: »Oud Amsterdam was 't kijkje waard," waarin +onze dichter verklapt: »Ter sluik werd op die bank gekust." Dat nu deden +wij nog niet. + +De stoep was voor ons wat de plankjes of het plat bij een duiventil +zijn. We streken er op neer, als we van onze verre vluchten vermoeid +thuis kwamen, ze was het buitenstuk van ons heim. Eenmaal op de stoep, +waren we op ons erf. We zaten er, bij mooi weer, uren achtereen, terwijl +de volwassenen op de bank van de avondlucht genoten. Vader zijn pijp +rookend, een Goudsch krommertje. En dan bikkelden we er met de meisjes +mee of deden malkaar verhalen, als 't wat donker werd, hoe griezeliger, +hoe liever. Of we van die koude zitplaats buikpijn konden krijgen, daar +dachten we niet aan, en in ieder geval bekommerden we er ons niet om, +evenmin of de verbeelding verontrust of de slaap verstoord werd door die +geschiedenissen. + +Een van mijn vriendjes, Jan S., hoorde thuis prachtige vertellingen. +Zijn vader las Zondagsavonds voor uit een boek: »Christemeijer. Verhalen +uit de lijfstraffelijke regtspleging." Hoe is het mogelijk, dat ik dien +titel nog weet, met die onkinderlijke woorden van »lijfstraffelijke +regtspleging." Dat komt doordat ik soms bij dat voorlezen tegenwoordig +mocht wezen, dan naar dat boek zat te kijken en ook het titelblad heb +mogen zien. Wat een kind toch al leeren kan, als men hem het zien niet +verbiedt! + +Die verhalen waren echter voor ons te ingewikkeld. Wij vertelden elkaar +van »Het huis met de hoofden." Dat stond op de Keizersgracht, een groot +heerenhuis met zeven manskoppen in den voorgevel. Eens was de familie +van dat huis uit en een meid alleen thuis. Die hoorde 's avonds laat +gerucht bij een klein venstertje in de onderverdieping. Zij ging er +heen, begreep al gauw dat daar roovers waren, en kreeg geen flauwte, of +vluchtte niet in een kast, maar zette zich, gewapend met een vlijmscherp +broodmes, op post aan de binnenzij van 't kleine raampje. Daar kroop een +kerel naar binnen. Zijn ruige kop was zichtbaar, gemeene kop, met ruwen +baard. Hij werkte er zich doorheen. Maar nu helpt zij hem een handje, +snijdt hem in één haal den kop af--we hoorden dien vallen--en trekt dan +den kerel naar binnen. »Kom maar," riep ze daarna met een gedempte +mannenstem. Nummer twee kwam, doch werd net ontvangen als nummer een. En +dat welkom werd het deel van alle zeven. Toen meneer en mevrouw thuis +kwamen, kon de meid hun toonen, hoe wakker ze meneers bezittingen +verdedigd had. Te harer eere werden er nu zeven koppen in den gevel +aangebracht, en dikwijls maakten wij, jongens, een tocht naar dat huis, +om de gemeene tronies aan te kijken, maar vooral om te tellen, of er wel +echt zeven waren. + +De paedagogiek kan uit deze eigenaardige bedevaarten leeren, welke +beteekenis het _woord_ heeft voor de zaakkennis, het belangstelling en +onderzoekingslust wekkende woord. Maar dat woord moet dan interessant +zijn, inslaan in de kinderziel, als het verhaal van »Het huis met de +zeven hoofden". + +Een andere vertelling was van een kind, dat zijn beentje was afgezet, +zonder dat beentje gestorven en begraven was, en nu elken nacht +rondspookte, om zijn beentje te zoeken. Met een donkere grafstem liet +de verteller het dwalende kind roepen: »Mijn beentje, mijn beentje! +Wie heeft er mijn beentje?" Ademloos zaten we te luisteren naar den +grafgewelfgalm in de klanken van dat _beentje_, de donkere _ee_, gevolgd +door den galmend rekkenden neusklank. Beproef het eens, zeg het eens +overluid met een zoekende, donkere, dreigende stem, en ge zult de +werking van die beenderklanken hooren: »Wie h_ee_ft er mijn _beentje_?" +De _ee_ van _heeft_ werkt eerbiedig mee, stille bijtoon bij de donkere +grafgalmen. En als dan de verteller ons geheel in de stemming had +gebracht, wij het spokende kind zagen en de smartelijke stem hoorden, +dan sprong hij ineens op, greep een der toehoorders bij de schouders, +en riep met woedend uitvallende stem: »Jij hebt mijn beentje!" + +We wisten vooruit, dat dit komen moest, alleen wisten we niet wien het +treffen zou, maar telken keer als het verhaal dien plotselingen keer +nam, sprongen we verschrikt op, sidderend van ontsteltenis. Hè, dat was +heerlijk geweest, zoo griezelig heerlijk. + +Weer een ander verhaal was van den jongen edelman, die zijn vader +vermoord had, om de vrije beschikking te kunnen krijgen over diens +rijkdommen. Eenzaam zat de ontaarde zoon in zijn kasteel. Maar te midden +van al zijn schatten voelde hij zich niet rustig. 't Was herfst. Buiten +gierde de wind door 't gebladerte. En binnen was hij, luisterend naar +alle gillen en loeien van den wind om 't hooge huis. Hoor, daar treft +een vreemd geluid zijn oor. 't Is of er iemand de steenen trap oploopt. +»Slof, slof, slof, slof!" Zoo sleepte zijn oude vader zich altijd naar +boven. De zoon beeft van angst en onrust. Maar hij vermant zich, en gaat +kijken. Daar ziet hij, langzaam de trap opzuchtend, een witte gestalte, +in wijden mantel, en met langen, grijzen baard. Het is zijn vader. +Ontzet snelt de vadermoordenaar naar binnen, werpt de deur in 't slot, +en verbergt zich daarachter met zijn schuldig hart. Maar deuren en +sloten mochten niet baten. Elken avond, op een vast uur, hoort hij dat +zachte, maar doordringende: »Slof, slof, slof, slof." Hij stopt zijn +ooren toe, maar 't helpt niet. Dikke gordijnen hangt hij voor de deur, +maar ze konden het geluid niet smoren. Klokke tien kondigde het +eentonige, zuchtende gesleep op de trap het bezoek van den vermoorde +aan, avond aan avond, totdat eindelijk de zoon krankzinnig werd van +angst en niemand het groote kasteel meer durfde naderen. + +Die uurtjes van vertellen waren zalig. De volwassenen zaten op de bank +of op wat stoelen, die men er bij gezet had. Wij schoolden, terzij van +'t huis, op de stoep samen, kropen dicht bijeen, en huiverden van genot. +»Wat zijn de jongens stil," zei Moeder dan, gewoon aan ons altijddurend +hollen en schreeuwen en stoeien. Geen wonder. Wie zou een kik gegeven of +beweging gemaakt hebben, bij het somber rondgaande: »Wie heeft er mijn +beentje," of het huiveringwekkende: »Slof, slof!" Die vertellingen met +zoo'n telkens weer opdoemende vraag of herhaald geluid waren ons nog het +liefste, want dan hoorde je het spookachtige telkens dichterbij komen. +Je hart kromp er bij ineen. Dát was genieten. En dan ging je straks stil +in huis en naar bed. + + * * * * * + +Van de stoep kwam je in den winkel. Wat beteekende die winkel voor ons, +kinderen? Een last en een lust. + +De last was het boodschappen-loopen. Pas was je uit school, of je +hoorde: »Loop eens gauw naar die of die en breng daar de koffie." Die +of die woonde natuurlijk niet in de buurt, anders was de boodschap +niet noodig geweest. En dan moest je, in plaats van lekker op straat +te spelen, een half uur ver, met moede beenen slenteren door vervelende +straten of langs lange grachten. Die beenen zouden niets moe zijn +geweest, als ze hadden mogen hollen bij het krijgertje-spelen. En hier +moet de paedalogie bij haar vermoeidheidsproeven eens goed nota van +nemen. Ik bedoel, of de vermoeidheid dikwijls niet meer in de gedrukte +gemoedsstemming zit, dan in het werk; of tegenzin en teleurstelling niet +meer verlammen dan physieke en geestelijke inspanning, al hebben +deze--natuurlijk!--haar grenzen. + +Vooral de Zaterdagnamiddag was voor mijn twee jaar ouderen broer en mij +een ellende. Dan moesten we geregeld »klantenloopen". Met zware manden +sjokten we dan eerst het eene eind van de stad in, en dan het andere. + +Gelukkig hadden we onze bepaalde menschen, waar je altijd een paar +centen kreeg. Dat waren dan meestal goedige dienstboden, en dat kan ik +nu, uit de verte, best begrijpen: die wisten bij ervaring, hoe aangenaam +zoo'n kleine verrassing is. Men ijvert vaak tegen de fooien. Zeker, er +zit een kwaad aan vast. Maar toch ook, zoo'n enorme massa levensgeluk +wordt in die kleine schenkingen dagelijks onder de menschen verspreid. +Ik geef ze graag, omdat ik ze altijd zoo graag ontvangen heb. Een paar +centen, en een lange, zware terugweg werd verkort en verlicht. En dat +zou nooit bereikt zijn door een vast loon, al wil de redeneerzieke +mechanicus dit ook beweren. Een gulden meer weekloon is _niet_ +hetzelfde als een gulden fooien. Zoo iets meent en verdedigt alleen +de kortzichtige in-mekaar-zetter van 't leven. Die verhooging van +weekloon wordt al gauw een stuk gewoonte, niet meer gevoeld, niet +meer gewaardeerd; niet meer een levensvreugde. En die langzaam bijeen +gekregen fooien, opklimmend tot bij, tot aan den gulden, maken de heele +week goed, dag aan dag, geven telkens een geluksemotie. + +Nu moet men niet zeggen: O, die kapitalistische Jan Ligthart is tegen +loonsverhooging en wil den minderen man liefst met fooien afschepen, +met gunsten, in plaats van met rechten, zoo houdt hij ze meteen in +vriendelijke onderdanigheid, want dan heeft men de strekking der +opmerking niet begrepen. Ik wil alleen, bij de steeds toenemende +vermechanieking van het leven, er op wijzen, dat er ruimte moet blijven +voor spontane uitingen en er aan herinneren, dat een mensch altijd een +kind blijft, gevoeliger voor kleine verrassingen, dan voor groote +geregeldheden. Wij waren gelukkig met een paar centen, en ik zal al heel +blij zijn, als dit mijn kindergeluk dezen of genen lezer of lezeres +bewegen mocht, den jongen van den kleermaker of uit den mantelwinkel, +die een half uur ver met die zware doos aan zijn arm heeft gesjouwd, +niet te laten afdruipen zonder hem eerst vijf centen in de hand te +hebben geduwd. Ik verzeker u plechtig, dat hij geen principieele +bezwaren zal maken. En men zal eens zien, wat zoo'n stuiver een invloed +heeft, niet alleen op zijn beleefdheid, maar ook op zijn beenen. +Vermoeidheid en--gemoedsstemming. + +Een der klanten was een oude nicht. Ze woonde--wat weet ik dat nog +goed--binnenshuis (we zeggen tegenwoordig »en pension") op den +Haarlemmerdijk. Ik zie den weg nog, dien we volgden, en op dien weg +een heel gemeenen streek, dien ik uithaalde. Nicht was een oude, +vriendelijke vrouw. Als we de boodschappen brachten, mochten we altijd +boven komen, op haar keurig nette kamer. Bij de boodschappen was ook +geregeld een half pond Janhagel, dat we eerst haalden bij Hagtingius, +den koekbakker, die in een mooi hoekhuis recht tegenover ons woonde, de +brug over. Die naam Hagtingius--ik durf er op zweren--is goed gespeld, +en kwam toch in geen enkel taalboekje voor. Ik zag hem dagelijks, en, +zooals kinderen doen als 't hun niet verboden wordt, ik keek er naar +en las hem meermalen hardop. Kinderen prenten zichzelf zoo onnoemelijk +veel in--als 't hun niet verboden wordt. Een wandelend jongetje, dat +op straat bij ieder stuk »taalwerk" staan blijft, om het opmerkzaam te +lezen, wordt echter gewoonlijk door zijn moeder meegesleurd. Moeders +hebben geen aasje idee, hoe ze daarbij hun kinderen het groeien +belemmeren. Zelfs schoolmeesters weten dat menigmaal niet. + +Maar wat heeft Hagtingius met mijn oude nicht te maken? Hij deed de +lange reepen Janhagel in een witpapieren zak en die goeie nicht haalde +de heele stukken daar uit en gaf ons de brokken. Dat wisten we, het +gebeurde week aan week. En wat deden we nu? Onderweg hielden we den +zak onder den arm en drukten er telkens tegen. Als we dan iets voelden +knappen, hadden we ons stukkendeel vermeerderd. En begrijp nu wel, +hoe listig, hoe huichelachtig ik daarbij te werk ging. Rondweg, door +snoepen, ons verrijken, deden we niet. Dat was »stelen". Den zak +openmaken, om een paar reepen door te breken, deden we ook niet, want +je kon zoo'n zak nooit weer zoo netjes in de plooien toevouwen als de +winkelier. Maar, moedwillig per ongeluk, den koek onder den arm kneuzen, +dat deed ik wel. Zoo kon ik mijn deel vergrooten, en mijn geweten in +rust houden. Heeft Jeremia niet geschreven: »Arglistig is het hart, meer +dan eenig ding; doodelijk is het. Wie zal het kennen?" Ons onschuldig +kinderhartje muntte ook al uit in arglistigheid. En als we dan bij +nicht waren, en ze legde zoo netjes de reepen in haar verlakte +koektrommeltjes, en ze gaf ons met een vriendelijk gezicht en een zachte +hand al die brokken, dan stonden we daar met een schijnheilig gezicht +bij, namen als zoete jongetjes--het petje in de linkerhand--de brokken +met de rechterhand aan, want je moest altijd iets met de rechterhand +aannemen, dat was netjes, ook de door bedrog verkregen dingen, en, +kleine, gemeene huichelaars als we waren, groetten nicht heel beleefd, +want ook dat hoorde zoo, en gingen met ons listig gestolen goed de +straat op, om daar er van te genieten. Gestolen? Nicht had het ons toch +eerlijk gegeven? »Arglistig is het hart, meer dan eenig ding." + +En nu knoopt zich aan deze afzetterij nog een ervaring vast. Nicht had +een meid-huishoudster, die ons altijd met een heel zoetsappig gezicht +begroette. De vriendelijkheid kwijlde haar haast uit den mond, als ze +ons de deur opende met haar temerig: »Dag jongeheeren! Zal uwe goed uw +voetjes vegen!" Als neefjes van haar »commesales" behandelde ze ons met +voorzichtigen eerbied. Maar eens hoorden we haar, over ons sprekend, +zich gansch anders uiten. »Daar komme die jongens weer met d'r vuile +poote je trap bederve. Nou hei je ze pas schoon." Toen had ze voor goed +bij ons gedaan, dat gemeene wijf, dat zoo vriendelijk was in je gezicht +en achter je rug op zoo'n manier over je sprak. We konden haar niet meer +luchten of zien, hadden een hartgrondigen afkeer van haar gemeene +huichelarij. + +Wonderlijk toch. Háár huichelarij konden we niet vergeven, en de onze, +ofschoon er eigenlijk nog afzetterij mee gepaard ging, bezwaarde ons +niemendal. + +Zouden we, nu als volwassenen, nog net zoo zijn? Zou er ook nu nog een +hemelsbreed verschil zijn tusschen het kwaad van buurman en het onze? + +Om de waarheid te zeggen, ik geloof, dat we ook hierin kinderen blijven. +Sommigen schijnen te meenen, dat een kind in menig opzicht een gansch +ander wezen is dan de volwassenen. Ik heb altijd gedacht, dat de +volwassenen precies nog kinderen zijn, uitgegroeide kinderen. In mezelf +vind ik nog in alle opzichten het kind terug. En pas dus maar goed met +me op, want je ziet, met mijn schijnheilig gezicht ben ik een gemeene +huichelaar, terwijl ik me nog bovendien erger aan _uw_ huichelarij en +daar mijn veroordeelend vonnis over strijk. + +We zijn als de jongen, wiens duiven door de kat werden opgegeten. +Die kat is een gemeen roofdier, maar wij, die kippetjes slachten en +konijntjes braden, wij zijn brave wezens. Terwijl we de malsche boutjes +smakelijk verorberen, zitten we die kat te verwenschen en smeden +moordplannen op haar leven. Zien niet, dat, als zij zondigt, wij het +nog in veel erger mate doen. De oude geschiedenis van den splinter en +den balk. Daarom lijkt het mij zoo goed, bij ieder concreet geval, het +kind aan zichzelf te ontdekken. Niet in algemeene preekjes, maar in +persoonlijke ervaringen leeren we onszelf kennen, als wijze liefde ons +maar de oogen opent. Maar het is veel gemakkelijker--te genieten met de +oogen dicht. + + * * * * * + +De lusten van den winkel--het is droevig, dit opnieuw te moeten +belijden--bestonden in het snoepen, dus in het bestelen mijner ouders. +Achter de toonbank ging men langs een trapje van drie treden omhoog +naar de huiskamer. Op mijn »kaart" is het trapje door een paar lijnen +aangegeven. De huiskamer had geen anderen uitgang, en we konden dus +nooit naar buiten, of 't ging het trapje af, achter de toonbank om, den +winkel door. Bij dien tocht liepen we door een wereld van verleidingen: +de krenten, de rozijnen, de vijgen, de broodsuiker, de witte en de +bruine kandijklontjes, zij lagen in open bakken, lokkend de koopers van +buiten en de snoepers van binnen. Onder de toonbank stonden de vaten met +stroop en appelgelei, ook lokkend, zij het onzichtbaar, lokkend door een +geweten tegenwoordigheid. En nu ging ik maar zelden den winkel door, +zonder in de gauwigheid wat te snoepen: een greep uit den krentenbak, +een lik uit de stroopton. Alleen het oog der volwassenen, dat door de +neteldoeksche gordijnen van de glazen kamerdeur ons kon bespieden, of de +aanwezigheid van den winkelknecht weerhield er ons van. Maar anders--ik +beloof u, dat ik weet wat snoepen is. Het was voor mij niet een zonde +van nu en dan, het was een dagelijksch bedrijf. + +En nu komt weer het wonderlijke. In de Eglantiersdwarsstraat, geen +twintig huizen van ons af en schuin tegenover ons, werd een nieuwe +kruidenierswinkel geopend, een konkurrent. En hij schaamde zich zijn +doel niet: met mooie, groote letters stond er op geschilderd: =DE +CONCURRENT=. Dat vonden we allemaal gemeen. Dat die man zijn brood moest +verdienen, spreekt vanzelf, maar dat hij zoo openlijk voor zijn doel +uitkwam, om je te verdringen, en daartoe vlak in je nabijheid kwam +zitten, dat was een laagheid. En we haatten dien man. Wanneer ik in de +straat speelde, of naar school ging, was die winkel mij een voortdurende +haatprikkel, en te meer, omdat hij er zoo mooi uitzag, alles zoo nieuw +en frisch en goed in de verf, en de waren met groote cijfers alle iets +lager geprijsd dan bij ons. + +De gevolgen bleven niet uit. De eene klant na de andere verliet ons, +natuurlijk niet de »uitbrengklanten", maar de »winkelklanten", de +burger- en arbeidersvrouwtjes uit de buurt. Ze konden 't daar goedkooper +krijgen. En alleen de enkele goede vrienden en buren bleven, en dan zij, +die in 't krijt stonden en dus maar niet dadelijk weg durfden gaan. +Toch, ook die verlieten ons, en wellicht juist door hun achterstand. +Ze konden hun schuld toch niet betalen, en dropen nu langzaam af. Dan +hadden ze meteen de zachte aanmaningen tot betalen niet meer aan te +hooren. + +Mijn vader was een zachtaardig, eerlijk man, totaal ongeschikt voor +zaken. Hij geloofde iedereen en liet zich door iedereen bedriegen. Door +de reizigers en leveranciers, die hem bedorven waar aansmeerden--ik weet +nog van een heel vat gedroogde pruimen, waar de maden uitkropen--en +door de klanten, die hem niet betaalden. Geen wonder dus dat de zaak, +nu daar bovendien een bloedzuigende konkurrent haar dagelijks het +levensvocht aftapte, spoedig verzwakte en verstierf. Alle pogingen, +om met de uiterste vriendelijkheid en inschikkelijkheid de klanten te +behouden, mochten niet baten. Eerst praatten de menschen met je mee, +vonden het een schandaal dat zoo iets maar mocht, iemand zoo het brood +uit den mond stelen. Dan lieten ze zich ontvallen, dat een beetje +lager prijs in een huishouden toch maar goed te pas kwam. Eindelijk +bleven ze weg, en je zag ze je deur voorbijgaan, naar den konkurrent. +Zaterdagsavonds stond daar de winkel berstens vol. O, ik zag het, met +het hart vol nijd en wee, en de oogen vol tranen. En 's avonds, in bed, +bad ik met een heel warm hart Onzen lieven Heer, of Hij vader nu toch +niet helpen kon. + +Maar hoe hielp _ik_? Door----te blijven snoepen. + +Is dat nu niet wonderlijk? Diep voelde ik met mijn vader mee. Vurig +bad ik, dat Onze lieve Heer hem helpen mocht. En ik had zelf zoo braaf +geholpen, met hem arm te snoepen en ging daar gewoon mee voort. + +Ik haatte den konkurrent, haatte de buurtmenschen die wegbleven, haatte +al wie mijn vader benadeelden. Waarom haatte ik zijn jongsten zoon, +waarom haatte ik mijzelf niet, die hem voortdurend met kleinigheden had +bestolen? + +Praatte ik mijn misdrijf wellicht goed met een mooischijnende +redeneering? + +O neen, 't was veel erger. Ik _voelde_ mijn misdrijf niet eens. Ik wist +het, en ik zag het toch niet. + +Wanneer ik mijn broer zoo had zien snoepen, zou ik hem zeker een +harteloos kind gevonden hebben. Je vader te benadeelen, die toch al zoo +in nood zat! Neen, tot zulk een gemeenheid zou ik zeker nooit in staat +zijn geweest! + +Maar nu ik het zelf deed? Nu zag ik de gemeenheid niet, ofschoon ik ze +verstandelijk wist. Nu had ik ze niet eens te verontschuldigen, omdat ze +niet als schuld in me _werkte_. + +Schuldbesef is niet genoeg. Er moet in 't menschen- en kinderhart +schuld_onrust_ zijn, schuld_ellende_. + +Neen, de zedelijke opvoeding is zoo gemakkelijk niet. Men komt er niet +met een preekje. Afkeer van het _kwaad_ is zoo moeilijk aan te brengen. +We bepalen ons gewoonlijk tot afkeer van de nare _gevolgen_ van het +kwaad. Als _die_ ons maar niet plaagden, zouden we met het kwaad nog wel +vrede hebben. Het kwaad voldoet zoo aan al onze zinnelijke en zondige +begeerten, het vleit ons, het streelt ons. Maar de eenige begeerte die +ons verheffen kon, de begeerte naar heiligheid, die _is_ er niet. We +verbeelden 't ons wel, maar 't is zelfbedrog. Arglistig is het hart. +Daarom is de bede om een »nieuw hart" zielkundig zoo juist en zoo +dringend noodig. Maar zal die bede waarachtig zijn, dan moet er al +vernieuwing des harten werken. Het bidden zelf, dat wil zeggen: niet +het prevelen, niet het uitgalmen, maar het hartgrondig en waarachtig +begeeren is al een bewijs van het »nieuwe leven". + +Meermalen verwonderen we ons, hoe een dronkaard zijn gansche gezin +ongelukkig kan maken door toe te geven aan zijn drankzucht. Die +dronkaard zat ook in mij. Ik vertrouw, dat mijn lezers betere menschen +zijn. + + * * * * * + +Men heeft al begrepen, dat we den winkel moesten verlaten. Doch zoo ver +zijn we thans nog niet. We moeten eerst het huis nog verder doorgaan, om +er uit alle hoekjes de herinneringen op te roepen. + +De huiskamer heeft me niet veel te vertellen. Alleen dat ledikant daar. +Daar lag mijn jongste zusje in, toen ze de pokken had. Twee kinderen +van het gezin waren niet ingeënt, en juist die twee werden tijdens een +pokken-epidemie door de ziekte aangetast. Wat dat beteekende voor een +winkel--ach, wat wordt er in sommige gezinnen soms bitter geleden. Twee +kinderen ziek, de winkel leeg, dagelijksche angsten, geen inkomsten. En +dat weken achtereen. Is het wonder, dat een winkelier geneigd is, zulke +ziekten te verzwijgen? Gelukkig kunnen zij zich thans verzekeren tegen +de schadelijke gevolgen van besmettelijke ziekten. + +Het stond er met Zusje treurig voor. Wij mochten natuurlijk niet bij +haar komen. Maar op zekeren dag werden we toch bij haar gebracht. De +dokter had gezegd, dat ze 't niet meer op kon halen, de ziekte was te +hevig. En toen werden we aan Moeders hand in de kamer geleid. Ik weet +dat nog heel goed. 't Behangsel van het ledikant werd opengeslagen, en +daar lag het kind: een gelaat, geheel bedekt met zweren en korsten, één +en al rood van de zweren. Het vroeger fijne gezichtje was opgezet, de +oogjes verdwenen er in, de oorknopjes waren niet meer zichtbaar. Ik +ging naar 't bed, en gaf haar een hand. Even bleven we staan; Moeder +schreide. Toen liet Moeder het behangsel weer vallen en gingen we heen. + +Ik herinner me absoluut geen vrees voor besmetting, ook geen vrees voor +den dood. Alleen herinner ik me dat roode, vurige, opgezette hoofdje, +liggende op het kussen, den blik der weggezonken oogjes, en het +uitgestoken handje. + +Wonder boven wonder, Zusje genas. Wat moet er in het gezin toen een +blijdschap geweest zijn. Eerst die zorg, die angst, die hopelooze +smart--en nu die vreugde. Dat zijn toch dingen van beteekenis in een +huisgezin. Maar zij schijnen grootendeels buiten mij omgegaan, eerst de +angst, toen de blijdschap. Er staat me tenminste niets meer van voor. +Zoo zeer leefde ik in mijn eigen leventje. En zou dat niet met de meeste +kinderen zoo zijn? Ze voelen meer voor de droeve lotgevallen in de +verhaaltjes, dan voor de smarten in hun naasten kring. Ik herinner me +heel nauwkeurig het zieke kind in haar bedje, alles wat ik gezien heb. +Waarom ook niet de gevoelens, die toen het gezin beheerschten? Die +gevoelens lagen waarschijnlijk buiten mijn levenssfeer. En dat stemt +geheel overeen met de ervaring, die ik telkens opdoe. Kinderen van acht +en negen jaar komen mij als een interessant geval vertellen, dat hun +vader gestorven is of hun broertje. Bizonderheden daarbij deelen ze mij +mee als iets merkwaardigs. Ook met hun kameraadjes spreken ze er zoo +over. Er is geen spoor van aandoening te ontdekken. En dat is niet juist +bij »ruwe jongens", maar ook bij heel »lieve en gevoelige meisjes". +Natuurlijk zou ik wel kans zien, ze gauw aan 't schreien te maken, maar +dat is geen kunst. Een feit is echter, dat de aangrijpende, smartelijke +en voor hen zelfs zeer noodlottige gebeurtenissen, door de kinderen--de +uitzonderingen daargelaten--niet schijnen te worden gevoeld. + +Wel was ik er zeer gevoelig voor, wanneer later de jongens op straat +Zus voor »mottige" uitscholden. Ik mocht, in een bui van drift, me +dan zelf nu en dan die vrijheid veroorloven, van vreemde jongens duldde +ik het niet. Onmiddellijk vloog ik er op af en roste er op. En heel +eigenaardig, een verontwaardigde en moedige jongen is sterk, al is hij +zwak. Zulke afrosserijen liepen nooit ongunstig voor me af. Dan was er +iets in me van een leeuw, die zijn welpen verdedigt. Een drift, die geen +gevaren telt, geen gevaren ziet, die voor niets terugdeinst en daardoor +onoverwinnelijk is. Ha, ik zou ze kapot geslagen hebben. En omdat ze dat +zagen, en omdat ze dat voelden, daarom deinsden _zij_ terug. Maar zulk +een kracht ontwikkel je alleen, als je losbarst voor een edele zaak. En +is er iets edeler, dan op te komen voor een »mottig" zusje? Zij kon het +toch niet helpen, dat die ziekte haar zoo mismaakt had? + +Ik was niet de eenige jongen, die gevoeliger was voor een scheldwoord +dan voor ziekte en dood. Het was regel, dat geen enkele jongen zijn +vader of moeder liet uitschelden. Wie zich dat veroorloofde, kon op een +onmiddellijk pak slaag rekenen. Schooiers van de straat--als hoedanig +wij onszelf nooit beschouwden--scholden nog wel eens van: »Je ouwe +vaar, die gezete het", of, nog erger, »die gehange het". Maar werd die +smaad niet zonder omwegen met een afrossing betaald, dan bracht dat de +gescholdene bij ons in minachting, die zulk een smaad op zich had laten +zitten. »Van mijn mag je zeggen, wat je wilt, maar van mijn vader blijf +je af," luidde het steeds. Is dit niet iets buitengewoon liefs en +aantrekkelijks in de jongenswereld? Ik heb het altijd een heerlijk +verschijnsel gevonden. Zelfs de grootste belhamel en de ongehoorzaamste +zoon liet zijn vader niet beleedigen. Dit raakte zijn eer, zijn hoogste +eer. En dan had je toentertijd nog onderwijzers--hoe is 't mogelijk--die +zich niet ontzagen, een jongen te krenken in zijn ouders. Men heeft me +wel eens verzekerd, dat zulke er nog zijn. Maar dàt is haast niet te +gelooven. + + + + +IN HUIS. + +(VERVOLG.) + + +Op de kaart van den winkel ziet men nog een trap, ook achter de +toonbank, maar heelemaal aan 't eind. Die trap liep naar beneden, en +voerde met een tree of zeven naar de keuken, het tweede vertrek van de +woning. Meer vertrekken waren er niet. Boven, in de huiskamer, sliepen +onze ouders en de meisjes, beneden, in de keuken, onder de huiskamer, +sliepen de jongens, vijf in getal, drie eigene en twee vreemde. Van dit +vijftal was ik de jongste. Men begrijpt, dat ik daar in een goede +leerschool was. + +'s Morgens, al tamelijk vroeg, moest de bende op. De oudsten gingen naar +de Ambachtsschool, die om half acht of acht uur begon, en wel een half +uur ver was. Dat was altijd een heel tumult. We wieschen ons allen boven +den gootsteen, en daarbij moest de een op den ander wachten. 't Ontbrak +dan niet aan aansporingen, om wat spoed te maken, aansporingen in de +bekende ruwe jongenstaal, overgenomen van de volwassenen. Ik had de +minste haast, bleef het langste in bed, en lag dat heele gescharrel aan +te zien of speelde in mijn eentje scheepje. Het bed was het schip, de +stoel er naast het bootje. + +'t Ging onder de jongens ruw genoeg toe. Zelden werd er een bij zijn +gewonen naam aangesproken. Ieder had een karakteriseerenden bijnaam, +een scheldnaam, die een zijner ondeugden of gebreken signaleerde, doch +waarnaar hij niettemin gewoon luisterde. Dat hoorde je niet eens meer. +De een heette, echt, Theodorus. Dat wil zeggen: Gave Gods. Maar, gesteld +dat de anderen die beteekenis geweten hadden, wie hunner had in dezen +kameraad een Gave Gods geëerd? De jongens zagen in hem heel wat anders +en benoemden hem daarnaar. En dat vond hij tenslotte heel best. + +De naamgeving onder 't volk is zoo geheel anders dan die bij de +geboorte-inschrijving. Bij deze laatste slepen we de reeds lang vergane +eeuwen mee. Wie zou het nu in zijn hoofd halen, een kind met zoo'n ouden +Griekschen naam als Theodorus te belasten. Maar zoo wil de gewoonte, +de kultuur. De natuur doet echter anders. Reeds in de jonge moeder. +Met allerlei naampjes streelt ze en vleit ze haar kleinen lieveling. +Dag schat! Dag lieve pop! Dag hartje! Dag kleine bruinoog! Dag +diefje-van-je-vaders-nachtrust! Dag lekker diertje! Zoo gaat het +maar door, terwijl de deftige naam Theodorus weggesloten ligt op het +geboortebriefje in Vaders kassette. + +En zoo werkt het ook in de jeugd. Ze vertolkt haar indrukken en +stemmingen in de naamgeving. Ten onrechte noemt men dat schelden. Dat +hierbij steeds roode haren en andere uiterlijke kenteekenen herdacht +worden, spreekt vanzelf. Hoe zal men een rooie nu beter noemen dan +rooie. Dat is zijn beste onderscheiding. De fout is, dat volwassenen de +kinderen leeren, in roodheid of gebocheldheid of een andere afwijking +iets zedelijk minderwaardigs te zien en hen voorgaan in geringschatting. +Niet in het opmerken, benoemen en aanwenden der eigenaardigheid zit +de fout. Integendeel, dat zijn drie deugden. Het opmerken toont +onderscheidings-vermogen en belangstelling, het benoemen bewijst juist +taalgevoel, en het aanwenden geeft blijk van praktischen zin. Maar de +volwassenen gaan den kinderen voor in een valsche waardeering, in een +liefdeloos oordeelen, in een hatelijk toerekenen. En is 't wonder, dat +de kinderen dit voorbeeld volgen, en aldus een natuurlijk geestelijk +proces bederven door een onzedelijk bijmengsel? + +Wie ziet, hoe gemakkelijk de jongens en ook de ruwere arbeiders zich +wennen aan hun bijnamen, maakt daar niet veel drukte over. De wijze, +waarop zoogenoemd beschaafde volwassenen in krant en vergadering malkaar +uitmaken, is ja wat hatelijker. + + * * * * * + +Het was een aardig gezicht, tusschen al die duwende en grauwende jongens +mijn oudste zuster te zien doorscharrelen. Zij moest ook al vroeg op, +meisje van 15 à 16 jaar. Dan ging ze naar beneden, om thee te zetten. + +Wat heb ik vaak, warm onder de wol, dat vriendelijk bedrijf rustig +aangezien. Dan ging ze eerst naar den vuurhaard. Dat was een ijzeren +pot op een »stookkacheltje". Het houten tafeltje, van een bizonder +model, stond onder den schoorsteen, en droeg den vuurpot, een gewonen +ijzeren pot op drie pootjes. + +De pot lag vrij vol met asch. Daaronder waren den vorigen avond een +paar harde turven »ingerekend". Die hadden den heelen nacht zachtjes +gesmeuld, en nu was het eerste werk om dat vuurtje »op te rakelen". +Dan kwamen er een paar gloeiende kooltjes te voorschijn. Was het vuur +te ver weg, dan werden er uit den doofpot, naast den haard, een paar +»doove kolen" genomen, gedoofde doorgloeide turven, en daarmee het vuur +opgehaald. En was de doofpot leeg, dan liep je even gauw naar den bakker +aan den overkant, om een paar centen »doove kolen" te koopen, hij had +ze in voorraad, of naar de water-en-vuurvrouw, om een cent of een halve +cent vuur, in een verglaasd groen steenen testje. Honderden malen heb +ik die boodschappen gedaan, want, na al het beleden en het nog te +belijden kwaad, mag ik ook wel eens mijn deugd vertellen van heel groote +bereidwilligheid. Nu ja, ik pruttelde wel, als ik zoo ineens uit mijn +spel werd gehaald, maar nooit deed Moeder of Zuster een vergeefsch +beroep op mijn hulp. Is het niet wonderlijk? Op school stond ik zeker +bekend als een brutale schooier, en thuis--ik _kon_ mijn moeder of +zuster niets weigeren, ook al wilde ik dit natuurlijk. »Jan, ga jij +eens gauw naar...."--»Moet _ik_ nu al weer?"--»Toe, Moeder wacht er +op."--En ik ging al. Ik weet zeer positief, dat ik heel gehoorzaam +was, en het is me ook later vaak genoeg verzekerd. Ze konden alles +van me gedaan krijgen. Een vriendelijke vraag--en ik moest het doen. +Anders lag die vraag toch als een toenemende onrust, een aanzwellend +verwijt, in mijn gemoed. Ik _moest_--niet door buitenafschen dwang, +maar door innerlijken, onontkoombaren noodzaak. Mijn moeder en +mijn zuster begrepen dit best en handelden er naar. Ze konden zoo +onontvluchtbaar--vragen. Niets anders dan vragen. En die meester +op school--hij kwéékte verzet--hij máákte ongehoorzaam. + +Hier moet ik eens even iets schattigs vertellen van een jong +onderwijzeresje, die wat bij ons in de Tullinghstraat volontairde. +Ze zou in de elfde klas eenige weken achtereen lesgeven. Daarin zaten +lastige jongens van 11-13 jaar. Een der lastigste was Jan B. En toen +zei dat onderwijzeresje, ze was zelf misschien pas 18, op een keer +onder schooltijd tegen Jan: »Zeg Jan, je moet me een beetje helpen. +Je moet niet vergeten, dat ik zelf ook nog maar jong ben. Ik moet het +nog leeren." En dat zei ze zoo vertrouwelijk en vertrouwend, dat Jan +een kleur kreeg en haar hielp, door op zichzelf te passen. + +Ik weet wel, dat dit weer precies het omgekeerde is van wat de +paedagogiek noemt: »je gezag hooghouden". Maar zij _hield_ er haar gezag +mee hoog. Dat was de ware hooghouderij. En Jan zat gevangen in zijn +eigen grootmoedige bereidwilligheid. + +Anderen noemen dit slimme politiek. Maar wanneer ze het als zoodanig +willen nadoen, mislukt het. Politiek slaagt niet in de opvoeding. +Integendeel, ze wreekt zich. + +Het was zuivere harte-paedagogiek. Zichzelf gewaagd, om den jongen te +winnen. Zichzelf gewaagd, niet in zwakheid, maar in kracht. + +Doch ik zou bij dat alles haast mijn zuster en de doove kolen vergeten? +Toch niet. Ik had hier echter een kooltje onder de asch, dat ik eens +even moest oprakelen. Misschien kon iemand er zich aan warmen. + +En nu weer naar den vuurhaard. + + * * * * * + +Waren de kooltjes opgerakeld, dan werden er twee »talhouten" op gelegd, +zoo, dat ze buiten den rand van den pot uitstaken, net twee houten +breipennen, zooals meisjes die altijd, links en rechts, in de holten +tusschen duim en wijsvinger laten liggen, en met een zwavelstokje werd +er een vlam gemaakt. De zwavelstokjes kocht je in bundeltjes van een +cent of een halve cent, en bewaarde je in een ophangdoosje tegen den +muur naast den haard. + +Later leerden we, in onzen kweekelingentijd, van akkermaalshout, van het +kappen daarvan om de zeven jaar, van het afschillen, 't voeren naar den +runmolen en van de run naar de leerlooierij, en _ik heb nooit geweten, +dat ik dit gekapte akkermaalshout reeds als kind zelf menigmaal op den +aschpot had gelegd_. Dat hoefde je ook niet te weten, als je _je les +maar kon opzeggen_. Voor die kennis kreeg je niets, maar voor die +opzeggerij een 9 of een 10. + +Hoe ik dit dan later te weten ben gekomen? Door een boerenknecht. Die +vertelde 't me. Die stomme boeren zijn vaak beter onderwijzers dan de +geleerde schoolmeesters. + +Ook de zwavelstokjes hadden me iets kunnen vertellen. Zij hadden vroeger +op het veld gestaan, toen ze nog deel uitmaakten van de hennepstengels. +Wanneer van deze hoog uitgeschoten plantjes de zaadjes waren +verwijderd--hennepzaad--en de bastvezels waren los geweekt voor de +touwslagerij, gebruikte men den gedroogden houtachtigen stengel nog +om er stokjes van te snijden of te hakken, holle stokjes van een of +anderhalven decimeter lang. Die werden met beide punten in den gesmolten +zwavel gedoopt en zoo kreeg je de zwavelstokjes. Mooi woord. Zoo +eenvoudig. Zoo alleszeggend. En als je ze, zuinigheidshalve, langs de +lengte in vieren knapte, hoorde je en voelde je tusschen je vingers +zoo'n stokkerig geknap. + +»Een borreltje ineens, maar een zwavelstokje in vieren," zei de +zuinigdoende drinkverkwisting. Mijn zuster nam een zwavelstokje, stak +het aan in 't vuur, ik zag de blauwe vlammetjes, rook den zwavel. Een +poos later vlamde het in later jaren zoo geleerde eikenhakhout en na een +half uurtje kookte het water. De ketel hing aan een ijzeren ketting, die +vastgemaakt was aan een dwarsliggende ijzeren stang in den schoorsteen. + +Nu werd de thee gezet, ook al zoo'n heerlijk ding om stil te liggen +aankijken. Het kringelende water stroomde met een boog in den trekpot, +damp vulde den keuken, damp en theegeuren, en na vijf minuten liep mijn +zuster met kopjes thee rond, eerst naar boven voor vader en moeder, dan +voor de jongens, en als ik heel zoet was, kreeg ik ook wat, met veel +suiker en melk. Die lieve Christine. Zij droeg haar naam met eere. Zij +was zoo'n echt christinnetje, want ze schold haar broertjes niet uit, +maar gaf ze kopjes thee met veel suiker en melk. En nu is het wel waar, +dat daar soms een klein beetje omkooperij bij was, maar dat kwam door +den nood der omstandigheden en ons eigen booze, onwillige hartje. Bij +háár was het zuivere neiging om ons wat zaligheid te brengen. Ze vond +het zelf zoo heerlijk als ze ons goed kon doen. En zeg nu eens eerlijk, +is dat niet het wezen van het christendom? »Alzoo lief...." we kennen +toch dien wonderrijken tekst? Maar we vergeten, dat deze zelfde tekst, +als we hem later uit het vragenboekje droog moeten memoriseeren, ons +reeds lang bekend was, en net zoo dicht bij ons was geweest als de +eikenhakhoutjes in den aschpot. Die tekst was ons al genaderd in de +lieve zorg, in de koesterende liefde van dat zwoegende christinnetje. +Wee, als het christendom niet gepredikt wordt door u en mij, in daden. +Dan is het dood. En die daden behoeven niet de wereld te verbazen. Als +ze de harten maar winnen. Ons Christientje was een zendelingetje, en +haar preek was een kopje slappe thee met véél suiker en melk. + + * * * * * + +Tot de keukenherinneringen behoort ook het naar bed gaan 's avonds. +Moeder of Zus bracht ons naar bed. Bij het uitkleeden treuzelden we +altijd. Maar er gingen klontjes of andere lekkernijen mee naar beneden. +En dan was het: »Als je je nu gauw uitkleedt, krijg je een klontje." +Dat zette er gang achter. En in een wip waren we uitgekleed. + +Dan knielden we bij den stoel neer en zeiden ons gebedje op: + + 'k Leg mij om te slapen neder, + Goede God, die altijd waakt. + Wil mij door Uw gunst bewaren, + Als het kwade mij genaakt. + + . . . . . . . . . . . . . . . . . + Dan leg ik mijn hoofdje neer. + Doe mij niet angstvallig vreezen, + Want Gij zijt mij heil, o Heer! + + Neem mijn ouders en mijn vrinden + In bewaring dezen nacht, + Opdat morgen bij 't ontwaken + U de lof zij toegebracht. + Amen. + +Amen! We gaven Moeder of zus een nachtzoen, en sprongen in bed. + +De invloed van dat gebedje was heel kalmeerend. We zeiden het op met +eerbiedige stem, en langzaam. Ik weet nog heel goed, dat ik minder aan +de woorden dan aan den hoofdinhoud dacht. En dat blijkt ten overvloede +uit de misvorming van het ons onbegrijpelijke woord »angstvallig", +waarvan wij altijd maakten: als-val-ik. »Doe mij niet alsvalik vreezen." +Maar deze bede tegen het alsvalik vreezen stemde ons misschien nog meer, +en juist door dat plechtige, onverstaanbare woord. Hoofdzaak was, dat we +ons nederlegden onder Gods afgebeden bescherming, en die hoofdzaak +voelden we. + +Later kwam de kritiek. Waarom moest God mij bewaren tegen het kwade, dat +mij genaakte? Was het dan niet beter, dat God, de Almachtige, dat kwade +maar dadelijk vernietigde of het niet eens liet opkomen? En waarom +moesten juist mijn ouders en mijn vrinden bewaard worden en niet die van +een jongetje, dat niet geleerd had te bidden? En als nu mijn ouders of +vrinden eens ziek werden of stierven, moest God dan geen lof worden +toegebracht? En wat dan wel? + +Zooals ik zei, aan die kritiek dachten we niet, en het gebedje bracht +ons in een rustige, vredige stemming. Daarom zegt menigeen: zoo'n +gebedje hindert de kinderen niet, het doet hen goed, het kweekt in hen +een eerbiedige, godsdienstige gezindheid aan, het schenkt hun rustig +vertrouwen. Dit is alles waar. En toch ben ik tegen zulke gebedjes, +tenzij ze onberispelijk zijn. Want ze blijven het kind bij, de vorm +gaat met de jaren mee, en dan hinderen ze het kind wél. Dan gaat het +kind vragen, kritiseert zijn biddende woorden, en verwerpt ze. Ik weet +wel, je hebt kinderen en menschen, die nooit vragen, nooit kritiseeren, +nooit verwerpen, die jaar in jaar uit dezelfde woorden prevelen, +gedachteloos, alleen drijvend op wat klanken. Maar het is zeer de vraag, +of zij, die nooit vragen, ook wel ooit aan God hebben gevraagd; of de +nooit kritiseerenden wel ooit hun eigen zielloos formalisme gekritiseerd +hebben; en of zij, die nooit verwierpen, wel ooit hebben aangenomen. + +Men zij voorzichtig met het formuleeren der godsdienstige waarheden in +kindertaal. Iedere zielkundige onjuistheid kan zich later wreken. Veel +beter acht ik het, het kind half begrepen of onbegrepen woorden te +leeren waarvan de inhoud hem bij 't ouderworden steeds meer bewust wordt +en wier rijke beteekenis hij met toenemende instemming zal beseffen +als 't leven hem wijzer heeft gemaakt, dan hem nu met begrijpelijke +onjuistheden te voeden. Moedermelk--de mooie vergelijking is van +Paulus--moedermelk is _dezelfde_ spijs als volwassenen ontvangen, maar +in anderen vorm. Men mag de kinderen geen godsdienstige of zedelijke +waarheden inprenten, die ze later niet kunnen handhaven. + +Hoe, naar mijn meening, de groote waarheden in kindervorm tot het kind +gebracht moet worden, kan ik illustreeren met een heel simpel versje uit +»Ot en Sien". + +»Gij zult niet begeeren uws naasten huis, noch.... iets dat uws naasten +is." + +Dit ethische voorschrift kennen we. Maar ons hart zit vol ongeoorloofd +begeeren, en niet alleen naar 't geen onzes naasten is, maar ook in 't +algemeen naar 't geen ons en anderen nadeelig is. Hoe moeten we ons +wapenen tegen de telkens dreigende verzoeking? Vondel zegt het: + + Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht; + Zy loert, zy loert, om in te vaeren. + Sluit d'oogen, vensters van het licht, + Indien ghy wilt uw hart bewaeren. + +Dit gevaar geldt voor klein als groot. En daarom moet ook de vijfjarige +Ot op zijn hoede zijn, als hij met Sientje suiker gaat koopen voor +Moeder. Die suiker is zoo lekker, zoo verleidelijk lekker. Dat weten een +paar oudere vrindjes van Ot best, ze zijn ook jong geweest. En daarom +waarschuwen ze nu. Als Ot met Sien op een stoep gaat zitten, om even in +'t zakje te kijken, zeggen zij: Neen Otje, + + $Ook niet kijken.$ + + Hij wil er maar even in kijken. Maar dan? + Als Ot dan zijn vingertjes deed in den zak? + En die dan weer gauw bij zijn tongetje stak? + O Otje, o Otje, wat kwam daar dan van? + Dan had Ot gesnoept van de suiker van Moe! + Neen ventje, laat jij dus het zakje maar toe. + +Vondel zou zeggen: »Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht." Wij zeggen: +»Ook niet kijken. Laat het zakje maar dicht, mijn jongen!" + + * * * * * + +Het ging niet altijd zoo vredig toe daar beneden. Soms bleven mijn +broer en ik samen spelen. Dan waren we Indianen of Batavieren, smeten +malkaar met hoofdkussens, worstelden om malkaar uit bed te krijgen +en--in de benauwde bedstede--knauwden we malkaar en schreeuwden daarbij +zoo hard, dat ze 't boven konden hooren. Moeder of een ander trapte dan +op den vloer en we hielden ons een oogenblik koest. Maar straks begon +het spektakel weer, totdat Vader eindelijk driftig werd en naar beneden +holde. Dan schoten we gauw onder de dekens en verstopten daar ieder +lichaamsdeel, dat maar geschikt was om geslagen te worden. In den blinde +sloeg Vader er op los, met zijn hand, en ook wel met zijn pantoffel. +Maar wol was een slechte geleider. De slagen deden ons geen pijn, en +in plaats van het uit te schreeuwen van verdriet, barstten we uit in +gesmoord lachen. + +Dat maakte Vader nog woedender, en een hagelbui van klappen brak in de +nauwe bedstee los. Maar wij konden het heusch niet helpen. Ons lachen +was geen opzet, geen oneerbiedigheid, en nog veel minder plagerij, we +hadden 't graag bedwongen, deden er ook ons best toe, maar we konden +'t niet inhouden en stikten onder de dekens van telkens hernieuwde +lachvlagen. Totdat eindelijk een slag goed raak was. Dan keerde 't +spelletje plotseling. Een luid gekerm ging op, en meteen eindigde het +slaan. Vader was bevredigd. Niet omdat hij ons pijn had gedaan, dat +wisten we zelf wel beter, maar omdat hij die lacherij had bedwongen. +Zijn drift had het gewonnen op onze overspanning, nu kon hij gekalmeerd +aftrekken. + +Bij ons was de pret er af, en we gingen slapen. 't Was een harde toer, +om onder die omstandigheden te bidden: »Neem mijn ouders in bewaring +dezen nacht," waar de eene helft van die ouders je zoo had afgerost +en de andere helft je niet eens kwam troosten. Maar we durfden 't +gebed niet nalaten. Vader mócht dien nacht eens sterven. En ofschoon +we hem eigenlijk onze voorbede niet gunden, baden we toch. Maar met +afkeerigheid in 't hart. We zeiden echter onzen regel gehoorzaam op, +zoodat Onze lieve Heer ons later niet voor de voeten kon werpen: Nu is +je Vader ziek geworden, omdat jij niet gebeden hebt. We voldeden aan den +vorm. Ziedaar puur bijgeloof. De aangeleerde regels waren ons een amulet +geworden, waarmee we het kwaad konden bezweren. + +Toch flitste het al heel vroeg door mijn hoofd, dat zoo'n gebed toch +niet aangenomen werd, en ik herinner me den strijd tusschen mijn +afkeerig hart en mijn kinderplicht. Gewoonlijk won de laatste het en +waren we met Vader al weer verzoend, lang voor we insliepen. Om de +waarheid te zeggen, we rekenden hem die klappen niet zoo ernstig toe. +We wisten dat hij driftig was, vreeselijk kon opstuiven, maar waren ook +volkomen zeker van zijn goedhartigheid. En dan tel je een klap niet zoo +zwaar. Maar 't gebeurde toch ook wel eens, dat we in wrevel en boosheid +gingen slapen en 't maar eens zonder gebed waagden. Dan waren we den +volgenden morgen blij verrast, dat er niets noodlottigs was gebeurd. +Toch was er iets onrustigs in ons: we hadden met het leven van Vader +gespeeld, en zulks uit pure boosheid. O, als God Vader nu eens had +weggenomen! + +Er gaan in een kind veel meer van zulke overleggingen om, dan de ouderen +denken. Men behoeft met een kind niet te redeneeren. Het redeneert met +zichzelf, ook al formuleert het zijn meeningen niet. Een kind redeneert +in gevoelens, in neigingen--wat trouwens de volwassenen ook doen--en +onze zorg moet zijn, die redeneering niet te verstoren. Heilig hun +willen, en laat ze dan maar aan zichzelf over. Wel is het goed, ze nu en +dan te helpen met het bewustmaken der opborrelende waarheden. Maar dan +redeneert men er geen opinie _in_--dan redeneert men er juist een opinie +_uit_. Wat in de diepte sluimerde, komt naar boven en naar buiten. De +kleur van kersen en appelen komt immers, op haar tijd, ook van binnen +naar buiten? Verf geen groene appeltjes rood. Zij verven zichzelf. + +De klappen van mijn Vader hebben nooit afbreuk gedaan aan onze liefde +voor hem. Maar wel aan ons respekt. + +We begrepen, dat hij ze in drift gaf, beseften dat wij die drift hadden +opgewekt, en--let wel--vergaven hem daarom de klappen. Niet vormelijk, +maar in ons hart. + +Men beweert vaak, dat de kinderen een kastijding in dank aannemen, de +liefde er in erkennen, en straks de tuchtigende hand zegenen, de roede +kussen. + +Zoo ver heb ik het nooit gebracht. Ik betwist de mogelijkheid niet, +maar mijn ervaring ziet door zulke dankbaarheid geen enkel plaatsje +in mijn leven bezet. _Nooit_ heb ik de slaande hand gezegend. _Nooit_. +Wel--de hand Gods. Maar dat is immers héél iets anders? De slaande hand +Gods--dat is de rechtvaardige straf voor onze euveldaden, de verdiende +gevolgen van ons kwaad. + +Er heerscht gerechtigheid in ons leven. Zoek bij ieder leed uw zonde. +En ge vindt ze. Ik heb tenminste in mijn eigen leven--en alleen +daarover kan een mensch oordeelen, wat weet ik van uw innerlijk +leven?--ik zeg, dat ik in mijn eigen leven nooit te vergeefs heb +gezocht naar de zedelijke (de onzedelijke) oorzaak van mijn leed. +Maar die rechtvaardigheid heb ik in de menschelijke straffen nooit +kunnen erkennen. Daarin werkte wel mijn kwaad als oorzaak, maar +vooral niet minder de ontstemming, de drift, de gemakzucht en zelfs +het plichtsverzuim der bestraffers. Heel wat straf voor de jongeren +is eigenlijk verdiend door de ouderen, die zich aan die jongeren niet +hebben gewijd, die te kort zijn geschoten in hun opvoedingsplichten. +Dit nu heb ik al heel vroeg gevoeld--en dat zal wel bij meer kinderen 't +geval zijn--en daarom is het hoogste, waartoe ik het heb kunnen brengen, +dat ik mijn Vader zijn drift en zijn klappen vergaf. Maar er dankbaar +voor zijn? Nooit. + +Men voelt wel, waarom ik mijn vroegeren meester zijn slaan _niet_ +vergeven kon. Dat was heel iets anders. Die maakte van zijn slaan een +gewoonte, een voldoening, een nijdig genot. Vader sloeg uit drift. Je +zag, dat hij er zelf geen plezier in had. Hij sloeg, omdat die bengels +hem het bloed uit de teenen haalden. En straks was hij weer aardig tegen +je en goed en hartelijk. 't Verschil was niet, dat de een je meester en +de ander je vader was, want ik heb jongens gekend, die hun vader zoo +veroordeelden als ik mijn meester, maar 't verschil was: de een toonde +een hart voor de jongens te hebben, en de ander niet. Dat is alles. Maar +dat is dan ook allesoverheerschend. Al je daden worden door je hart +gekleurd. En zoo kunnen twee precies gelijke daden, bij twee volkomen +tegengestelde personen ook precies het tegengestelde van elkaar zijn. +Zuivere rechtvaardigheid beoordeelt daarom naar het hart. + +We vergaven Vader dus zijn klappen. En die houding van onze +vergevingsgezinde kritiek heeft mij geleerd, dat een volwassene een kind +niet slaan moet. 't Is ook niet noodig. Wie _met_ klappen kan opvoeden, +kan 't ook _zonder_. En wie 't niet _zonder_ klappen kan, kan 't ook +niet _met_. + +Maar laten we elkaar goed verstaan. Ik zeg: opvoeden. Ik zeg niet: de +baas blijven. Want ja, dan zijn er, die bij hun opvoeding dit middel +soms noodig hebben, door gebrek aan paedagogischen kultuur en--aan tijd. + + + + +NOG IN HUIS. + + +In de keuken sliepen we, speelden we, stoeiden we, hoorden we dreigende +bombardementen boven ons hoofd, kregen we op ons kop van een driftig, +vertoornd vader, en lagen we in alle stilte het vredig bedrijf van een +oudere zuster te bespieden. In diezelfde keuken oefende ik me ook in +mijn eersten handenarbeid en verdiepte ik mij in mijn eerste +bibliotheek. + +Mijn eerste handenarbeid was schoenenpoetsen. Wie onzer huidige jeugdige +slöjdbeoefenaars wordt in dat practische werk ingeleid en er mee +vertrouwd? Ik verzeker u, dat ik mij oefende in de bekende slöjddeugden +van netheid en nauwkeurigheid, zonder dat iemand die mij als +paedagogische gewichtigheden oplegde. 't Was louter liefhebberij. + +Hebt ge wel eens schoenen gepoetst? Neen, ik bedoel niet: uw schoenen +wel eens een enkel keertje glimmend gemaakt, maar den arbeid van +'t schoenenpoetsen verricht. Elken Zaterdag stond een rijtje voor +me gereed. De mannen en de groote jongens droegen toen laarzen, +schoenen met vrij hooge schachten. Bottines kende men niet. Er waren +rijgschoenen, knipschoenen, en laarzen, achtereenvolgens voor kinderen +(en meisjes), jongens en mannen. De dames droegen »stoffen laarsjes" +zonder hakken, die dus nooit gepoetst behoefden te worden. + +Zoo'n rijtje schoenen en laarzen was een mooi gezicht. + +Eerst zette ik ze netjes naast elkaar naar de grootte, de rijglaarsjes +van mijn jongste zus aan 't eene eind, de kaplaarzen van vader of mijn +oudsten broer aan 't andere eind. 'k Weet nog heel goed, dat ik genoot +van zoo'n rij. Ik zag er ons heele huisgezin in. En dan eerst alle +afborstelen, zoodat de modder verwijderd werd, daarna alle insmeren +met schoensmeer uit een cylindervormig grijssteenen potje (doosjes +schoensmeer waren er nog niet), en eindelijk stuk voor stuk +uitborstelen. Nu kwam bij 't genot der orde ook nog 't genot van +'t blinken. En als tenslotte de heele rij in dezelfde orde, maar +nu glanzend, in de keuken prijkte, stond daar vóór mij _een stuk +schoonheid_, waaraan de Vereeniging »Schoonheid en onderwijs" wellicht +nog nooit heeft gedacht. Een stuk schoonheid, waarin drie +schoonheidselementen leefden: orde, reinheid en glans. + +Wie had mij voor die elementen de oogen, het hart geopend? Ik weet het +niet. Misschien de sterrenhemel? Misschien waren ze ook in mij opgerezen +zonder eenige opvoedkundige oorzaak. Als die schoonheidselementen niet +in de menschheid waren, hoe zouden ze er dan ooit uit kunnen komen? +Onlangs zag ik op een landweggetje een vijfjarig meisje uit een +woonwagen, een kermiskar, spelen met steentjes en stukjes glas, die ze +blijkbaar van den weg bijeen gezocht had. Ze legde haar schatten in +mooie rijtjes--als ik mijn schoenen--en genoot daarvan. Wie had het haar +geleerd? Als schoonheid en onderwijs 't haar maar niet verleeren. Ik +bedoel: de _lessen_ in schoonheid en alle overige onderwijzingen. + +Wat deed ik mijn uiterste best, om het schoeisel tot in de puntjes +mooi te krijgen! Niet alleen om ieder plekje van het bovenleer te doen +glimmen, maar ook de hakken en ook de zoolranden, en ook--u gelooft het +niet?--ook den bocht tusschen zool en hak! Dus een ondergedeelte, dat +toch niet gezien werd en straks weer onmiddellijk vuil zou worden. Ik +gaf de schoenen niet uit mijn handen, eer ze onberispelijk waren. + + * * * * * + +Er was nog een handenarbeid, waarin ik mij ijverig bekwaamde. Een +groot gezin heeft dagelijks groote hoeveelheden aardappelen noodig, +en die moeten alle stuk voor stuk geschild worden. Dat was natuurlijk +meidenwerk, en, zoo er geen meid was, dan meisjeswerk. Natuurlijk? +Waarom? Mag een jongen wel het mes hanteeren, om onnoodige doosjes +te maken, en niet om noodige aardappelen te schillen? Ik voelde dat +toentertijd niet zoo en schilde menigmaal een grooten bak vol +aardappelen. + +Meen weer niet, dat mij dit altijd verdroot. Ja, als 't mooi weer was en +de andere jongens op straat speelden. Dan viel het mij wel eens hard. +Maar overigens? Er was een eigenaardig genot in, aardappel na aardappel +te schillen. Iedere aardappel was weer anders. Je had kleine en groote, +ronde en lange. Net als oliekoeken. Ze waren niet uit één vorm gekomen, +maar in vrijheid gegroeid, en ieder bracht zijn eigenaardigheden mee, +precies als de kinderen. Hoe boeiend en afwisselend was het, met die +eigenaardigheden rekening te houden. Je pakte ieder weer van een anderen +kant aan. + +En dan de kunst om _dun_ te schillen. »Zal je ze dun schillen, +Jan?"--»Ja Moe."--En dit was geen ja moe, om me er af te maken, en ook +niet om in Moeders oeconomie te komen, maar de instemming van een geest, +die een probleem erkent en daarin iets aantrekkelijks voelt naderen. Met +het kleine aardappelmesje, dat met door ervaring ontwikkelde beslistheid +ergens--neen niet ergens, maar bij het rechte beginpunt, in den +aardappel werd gezet, haalde ik de schil er zoo dun mogelijk af, terwijl +de aardappel tusschen vingers en duim verstandig ronddraaide, zich +richtend naar zijn bizonderen van de natuur meegekregen vorm. En dan +werden de »pitten" er uit gehaald, de oogen. Er zijn vrouwen, die dat +altijd slordig doen. Hoe is het mogelijk! Weet je nu iets leukers, dan +om telkens met de punt van je mesje zoo'n zwart oog er uit te wippen? Je +steekt de punt in den harden aardappel, wipt, en met een knapje vliegt +hij er uit. Geen oog werd vergeten, ook niet het kleinste. Niet alleen, +omdat het een schande was, als de aardappels 's middags van den schotel +je »aankeken", maar in de eerste plaats----omdat je ze niet kon laten +zitten. Dan ware je werk niet af geweest. + +Eén zonde bedreef ik nog wel eens onder 't aardappelschillen. Ik zette +den emmer met water een eind van me af, en gooide dan iederen blanken +knol, uit de verte, er in. Dat gaf een dubbel genot. Vooreerst moest je +goed mikken, en dan hoorde je telkens zoo'n heerlijken plomp. Maar 't +kwaad was, dat je den grond om den emmer heen aanhoudend bespatte. +Enfin, die zonde vergaf Moeder me. »Jongen, wat spat je weer!" Maar dit +klonk nooit als een verwijt of een verbod, maar steeds als een soort +instemming met je plezier. Dat hooren de kinderen gauw genoeg. + +In plaats van oefeningen in karton en klei bestond mijn handenarbeid +dus in oefeningen met leer en knollen. Het mes en de borstels leerde ik +daarbij hanteeren. Deugden van netheid en nauwkeurigheid werden in mij +ontwikkeld. Vraag het maar aan de schoenzolen en de aardappelpitten. +Maar weet je, wat nu hard is? Terwijl ik die kunsten nu nog volkomen +meester ben, ja nu nog, kan ik er geen examen in doen. Ik moet bepaald +karton kunnen snijden en geen aardappel schillen. En zoo beteeken ik +als handenarbeider niets en zijn de anderen autoriteiten. Ook krijg ik +er geen extra geld voor. Je hebt geen schoenen- en aardappeldiploma's. +De heeren op het stadhuis geven niet om glimmende laarzen en kruimige +aardappelen. Die zijn dol op kartonnen doosjes en aardappelen, +nagebootst in klei. Daar gaat hun hart en hun beurs bij open. Daarvoor +geven ze [f]50 per jaar meer. Wat zou mijn moeder er van zeggen? »Wees +jij maar tevreden, jongen. Jij hebt je Moeder geholpen." + + * * * * * + +Ik zou nog van anderen handenarbeid kunnen vertellen, maar 't is zoo +genoeg. Men heeft me wel begrepen: Ook in het schijnbaar eentonigste +werk zit genot en leering. Mijn moeder vertelde ons vaak, dat zij als +kind in de Klundertsche pastorie--Dominé van Spall had een heel groot +gezin--de meiden hielp bij 't aardappelschillen, en dan legde ze de +geschilde aardappelen netjes in rijen van zes op de rechtbank. En ze +genoot nog, als ze er ons van vertelde. + +In iederen arbeid, ook in den--schijnbaar!--eentonigsten, zit genot en +leering. De kunst is echter, die er uit te halen. Het simpel aangroeien +van het resultaat is al een vreugd. Maar de opvoeders zijn zoo dom, +zoo vreeselijk dom. De doodeenvoudige, de vlak-voor-de-hand-liggende, +de spotgoedkoope voortreffelijkheden zien ze niet. En ze halen met +opoffering van geld de modedingen in, omdat die.... in de mode zijn. +Zoo laten zelfs wijze menschen zich verblinden. En dan wordt die +verblinding bewerkt door wat wetenschappelijk geleuter. 't Is altijd +de oude geschiedenis. Hier vloeien de bronnen, maar men wendt zich +van het levende water af, om zich te richten naar de »steenen bakken" +van Jeremia, »die geen water geven". + +Een kind is toch met zoo weinig gelukkig! + +Dit ondervond ik ook met mijn bibliotheek en mijn eigen kamertje. + +Dit kamertje--doch wáár moest dit in huis te vinden zijn, daar we toch +met ons vijven in de keuken sliepen en we dus niet eens een afzonderlijk +slaapvertrek hadden? + +'t Was in diezelfde keuken en 't heette »het kokertje". Nú pas, bijna +een menschenleeftijd later, weet ik waaróm het zoo heette. 't Was een +lichtkokertje, en natuurlijk een horizontaal, anders had ik er niet in +kunnen kruipen en er een rustig plekje vinden. + +Ge weet nog van den winkel, dat er achter de toonbank een trapje van +vier treden naar de huiskamer leidde? Tusschen de treden van dit trapje +was ruimte. Als je nu, achter de toonbank, op je hurken ging zitten, kon +je tusschen die treden door kijken, en dan zag je een ruit vertikaal. +Achter deze ruit was een kokertje, een lichtkokertje voor de keuken, +en dat was mijn kamertje. Men kan begrijpen, hoe licht het er was. Het +schemerlicht achter de toonbank, moest tusschen de schaduwende treden +heen, eer het mijn kokertje bereikte. Toch viel er, een enkelen keer, +wel eens een zonnestraal in. 't Is wonderlijk, in welke verborgen +hoekjes zonnestralen al niet weten te komen. + +De toegang tot mijn heiligdommetje was in de keuken. Ik moest daar eerst +van den vloer op een kist klauteren en me in het kokertje werken. Maar +zat ik er eenmaal, dan zat ik er zoo veilig. Niemand kwam er. + +'t Leek net een klein kamertje: vloer, zolder en drie wanden, waarvan +een van glas. Ik denk, dat het ongeveer een meter breed en hoog was, +en niet veel dieper. 't Had tenminste iets van een liggenden, hollen, +vierzijdigen prisma, die den kubus naderde. Beknopter woon was +moeilijk te denken. En toch heb ik daar zalige uren en heele middagen +doorgebracht. Ja, zelfs heele dagen in de vacantie. Als Jan maar in zijn +kokertje zat, was hij zeker stil. En als je hem in huis niet wist te +vinden, had je maar, tusschen de treden van het huiskamertrapje, even +tegen de ruit te tikken. + +Het moet in mijn eigen hokje zeker vrij schemerig zijn geweest, vooral +op regenachtige namiddagen, wanneer ik er bij voorkeur mijn toevlucht +zocht. Maar daar weet ik niets meer van. 'k Weet alleen, dat ik er +mij recht behagelijk voelde. 'k Had er al mijn schatten, netjes +gerangschikt, evenals de schoenen en laarzen, en keek door de ruit naar +de afgesneden stukken van de beenen van mijn vader, als deze achter de +toonbank stond, of anders van den winkelknecht. 't Was een misfortuin +als moeder of zuster in den winkel hielpen, want die wierpen, door haar +rokken, breede wolkschaduwen in mijn toch al donker verblijf. Maar 't +was daarentegen een voordeel, als, op een zonnigen zomerdag, de winkel +lang leeg bleef. Dan reisde er, gedurende eenigen tijd, als de zon wat +hoog stond, wel eens een heele lichtbundel mijn kokertje rond, waarin de +stofjes zoo rustig vroolijk krioelden. En als er dan in de bovenkamer +gemurmureerd werd over het wegblijven der koopers, zat daar beneden +iemand, zonder zich daarvan rekenschap te geven, in stilte heel erg te +genieten door datzelfde wegblijven. Hij was gelukkig met zijn zonnegoud. + +Kinderen en volwassenen hebben zoo vaak tegenstrijdige belangen. + + * * * * * + +En welke schatten waren het nu, die me zooveel genot bezorgden? + +In de eerste plaats traktaatjes, die ik nooit las. Op de zondagsschool, +trouw bezocht, deelde men geregeld traktaatjes uit, sommige zelfs van +acht bladzijden, sommige van dof, andere van glanzend papier, sommige +met en andere zonder een prentje, kleine en groote. + +Die traktaatjes bevatten maar zelden verhaaltjes, meestal godsdienstige +beschouwingen, en ik las ze dus nooit. Niemand las ze bij ons thuis. +Maar ik sleepte ze dadelijk naar mijn kokertje en legde ze daar op een +stapeltje, waartoe ze naar grootte, dikte, papiersoort of illustratie +behoorden. Dan werden ze genummerd en ingeschreven in mijn catalogus. +Sorteeren was mijn liefhebberij, een wetenschappelijke liefhebberij, +gelijk men haar aan de hoogeschool en in het voddenpakhuis kan vinden. +Sorteeren van planten en boeken heet echter hooger te staan dan +sorteeren van vodden. + +Wanneer er een bepaald getal traktaatjes op een stapeltje lag, werd +dat met een draadje of lintje saamgebonden als dierbare brieven, die +men ook niet meer leest, en bijgezet in het mausoleum dezer soort +godsdienstigheid, dat ik mijn bibliotheek noemde. Gelijk mijn zusje +met haar poppekleeren, solde ik met mijn geschriften. Ze werden in- en +uitgepakt, opgenomen en neergelegd. Dat was het al. En zoo hebben die +traktaatjes aan mijn opvoeding meegewerkt, zij het op andere wijze dan +de vriendelijke uitdeelers bedoelden. Ze hebben me materiaal bezorgd, om +mijn ordezin te ontwikkelen. Ze hebben me bezigheid geschonken en daarin +een weldoende afleiding op donkere uren. + +Meen niet, dat ik onverschillig was omtrent die drukwerken. Dat is een +kind en een wilde immers nooit omtrent een nieuw stuk voornaamheid, dat +hem vereerd wordt. Ik voelde me er zelfs rijk mee. Maar het was een +rijkdom als van den gierigaard. 't Genot zat alleen in het hebben, niet +in 't gebruiken. + +Aan die traktaatjes is nog één herinnering verbonden. Men weet nog wel +van den avond, toen de kleine spijbelaar toch naar het verjaarsfeestje +mocht. Bij die gelegenheid moest hij een verjaarsgeschenk meebrengen, +want op een verjaarpartij gaan, zonder een cadeau aan te bieden, dat +was een onmogelijkheid. Hij had echter niets om aan te bieden. Toen, +eer hij in zondagsgewaad de gracht opvloog, kroop hij eerst naar zijn +kokertje. Kon Moeder geen geld missen om iets te koopen, dan moest hij +maar iets van zijn eigen schatten opofferen. En hij nam het dikste pak +tractaatjes uit zijn verzameling, om dat mee te nemen. Doch een snel +oprijzend voorgevoel waarschuwde hem, in een seconde, dat dát toch +eigenlijk te min was. Daarom nam hij nóg een pakje, en nóg een. +Eindelijk de heele verzameling. En hiermee vloog hij naar het feest. +'t Was voor hem een offer. Hij heeft echter nooit kunnen merken, dat +het als zoodanig door den ander gewaardeerd werd. Voor dien ander zat +ook niet het verzamelplezier er in. En zónder dat was het heele pak +eenvoudig waardeloos. + +Ik heb later wel eens in stilte gebloosd over het gekke figuur, dat +ik op dit verjaarfeest maakte met dat cadeau. Wat moet de jarige, +wat moeten zijn huisgenooten er wel van gedacht hebben. En de vraag +is meermalen in me opgerezen, of het van mijn Moeder goed was, me dus +naief er in te laten loopen. Had zij haar kind zoo aan de kritiek mogen +prijsgeven, al hoorde hij die kritiek ook niet. Mijn verontschuldiging +was--want gij weet het immers, ouders, hoe kinderen hun ouders +beschuldigen en verontschuldigen?--mijn excuus voor haar was dan, dat +ze zelf in allerlei zorg zat en op dit oogenblik zeker geen gelegenheid +wist, om gauw iets te koopen. Maar toch.... gij ouders, die niet zulke +excuses hebt, profiteert niet van de naiveteit uwer kinderen. Ze +verwijten het u later. En terecht. Behandel de dieren met zachtheid en +uw kind met ernst. + +En nu denk ik ineens aan iets anders. Wellicht heeft die jarige Piet in +zijn leven meermalen de geschiedenis verteld, hoe hij als jongen--nota +bene als jongen!--voor zijn verjaardag een pak oude traktaatjes kreeg, +en niet van een ouwen sok van een catechiseermeester, maar van een +vrindje! Wie weet hoe dikwijls hij zich ten koste van mij heeft +vermaakt! Misschien, terwijl ik dit schrijf, zit hij ergens in de +wereld, midden in zijn gezin, en haalt de historie weer eens op ten +pleziere zijner haast volwassen kinderen. En ze genieten met elkaar van +mijn onnoozelheid, gierigheid, of wat het zij. Piet heeft zijn leven +lang die zaak gezien onder _zijn_ licht. En ik onder het mijne, dat zoo +heel anders was.--Denk er aan, als gij over personen en feiten oordeelt. +Gij ziet slechts _uw_ zijde van de werkelijkheid. + + * * * * * + +Ik kan van mijn kokertje geen afscheid nemen, zonder een beminnelijke +zonde van mijn vader te gedenken. Die driftige, goeie man had het +zwak, moeilijk te kunnen weigeren. Daardoor kocht hij van gewetenlooze +commissionairs in zijn onnoozelheid bedorven waar. Daardoor leverde hij +aan gewetenlooze koopers zijn goederen tegen wanbetaling. En daardoor +teekende hij in--ons ten voordeele, maar Moeders beurs en humeur ten +nadeele--op alle boekwerken, die colporteurs hem aanpreekten. Ieder keer +als de rekening kwam, was hij weer kwaad, vanwege het geld, en ieder +keer als er een nieuw plaatwerk werd opgedrongen, bezweek hij weer: 't +was ook maar een dubbeltje in de week.--Jammer, dat die afleveringen +al spoedig rondzwierven. De eerste werden opengesneden en, zoo al niet +gelezen, dan toch bekeken. De latere dreven vaak onopengesneden door de +huiskamer, totdat eindelijk Moeders netheid ze bij een opruimwoede maar +telkens in een kast stopte. »Die ellendige boeken! Eerst koop je ze, en +dan lees je ze niet eens! En dan nog betalen!" Vader mopperde wat op die +verwijten, maar de gegrondheid viel niet te loochenen. Dat beseften wij, +kinderen, reeds. + +Jammer van die afleveringen. En toch weer niet jammer. Want toen ik +merkte, dat er in de huiskamer geen belangstelling en ook geen ruimte +voor was, sleepte ik ze naar mijn kokertje, natuurlijk met Vaders +goedvinden en tot Moeders dankbaarheid. En daar lag ik dan, vlak bij +'t lichtraam, de donkere platen te bekijken uit het »Bijbelsch Magazijn +voor alle standen" en de jachttafreelen uit »De Aarde en haar Volken". +Hoeveel stemming ik daaraan te danken heb, ik weet het niet. +Ontwikkeling waarschijnlijk niet veel, want de lektuur was er altijd +op ingericht, leesgierige menschen en kinderen af te schrikken. De +kunst om lezers te lokken, verstaan de kroegbazen in 't vak beter dan de +dominé's. Alleen de jachten in Afrika boeiden. Maar overigens niets. Ik +herinner me heel goed, dat ik het telkens probeerde, maar telkens moest +ik het weer opgeven. Toen heb ik ervaren, dat men een groot kwaad doet, +met het vrome en leerzame ongenietbaar te maken. Niet slechts--neen, dat +is nog niet het ergste--omdat men daardoor geen vat heeft met zijn brave +pogingen, maar--en dit is fataal--omdat men daarmee afkeerig maakt van +hetgeen ons juist aantrekken moest. Ga les nemen bij den duivel, als ge +uw kinderen in den hemel wilt hebben. + +Later--ik weet niet hoe--zijn al die afleveringen naar zolder verhuisd. +Ik verdenk daar mijn goeie moeder van. Moeders hebben zoo'n genadeloozen +slag, om allen onpraktischen rommel (gelijk boeken! wat héb je aan die +vodden!) naar zolder te expediëeren. De zolder is rustig en ruim. Daar +liggen ze niemand in den weg. En zoo heb ik, in later jaren, daar de +schatten mijner jeugd weer ontdekt in een paar rozijnenkisten van ruw +blank hout. Toen heb ik ze me opnieuw toegeëigend. En sedert hebben +ze me niet meer verlaten. De Bijbelsche Magazijnen liet ik gaandeweg +schieten. Die waren _te_ saai. Daarvoor behelsden ze dan ook godsdienst. +Maar de gele afleveringen van »De Aarde en hare Volken" liet ik +tot boekdeelen inbinden--ondanks de verdwenen vellen--en die zeven +boekdeelen zijn met me door 't leven gereisd. Héél vaak heb ik +er in genoten. Mijn aardrijkskunde konden, dientengevolge, mijn +latere lesoverhoorders me niet heelemaal vergallen. En toen in de +Tullinghstraat de kinderen opgroeiden, zat Moeder menig, menig uur +met ze te smullen in de plaatrijke boeken. De oude verworpelingen, +zuchtend in een rozijnenkist op een kouden, stillen zolder, werden +lievelingsprentenboeken voor Grootvaders kleinkinderen in de warme +huiskamer. + +Als Grootvader dát nu nog eens had kunnen bijwonen! Hoe zou hij +getriumpheerd hebben op zijn mopperende vrouw! »Zie je nou, vrouw, dat +ik nog zoo gek niet was?" En dan zou de vrouw, in wijsgeerige berusting +gezegd hebben: »Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!" + +Inderdaad, als we alles maar eens vooruit wisten! Op Vaders zondig zwak, +om zonder geld te koopen, heeft--voor zoover ik zien kan--nog meer zegen +gerust, dan op de toch inderdaad heel vrome traktaatjes. + +Doch laat ik nu op 't laatste oogenblik geen nieuwe onbillijkheden +begaan. »Voor-zoover-ik-zien-kan." Beseffen we wel allen de kracht van +die woorden? Wie weet, of ook zij den last hunner zending niet hebben +vervuld? Op Gods tijd. En op Gods plaats. + +»Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!" + + * * * * * + +Wellicht heeft, onder 't lezen door, menigeen medelijden gevoeld met het +arme jongetje, dat zijn ontspanning moest zoeken in een benauwd hokje, +spaarzaam verlicht, en bovendien onfrisch als verzamelhoek van allerlei +keukendampen. Het spijt me wel voor de gevoeligheid, hem gewijd, +maar--dit medelijden zou absoluut misplaatst en dus overbodig zijn. +Dat jongetje voelde zich in zijn hokje zalig. Het was voor hem een +toevluchtsoord. Wanneer het hem te druk, te roezemoezig, te onrustig +werd in de wereld der volwassenen, trok hij zich terug in zijn +eenzaam verblijf, en kon daar--ver van de menschen, vrij in zijn +alleen-zijn--zoo volkómen genieten. En dan had hij toch niets, dan wat +traktaatjes, wat afleveringen, een boek, of wat eenvoudig speelgoed. + +Wil ik u eens iets heel sterks zeggen? Wanneer hij later in den bijbel +las van »De Heer is mijn hoogvertrek", dacht hij altijd aan zijn +kokertje. Zóó veilig en vredig was het ook bij den Heer. + +Ik geloof, dat het goed is, niet slechts voor grooten, maar ook voor +kleinen, dat ze zoo'n retraite hebben, midden in hun eigen kring. En wat +is het dan heerlijk, als de _ziel_, midden in de benauwdheid des levens, +altijd zulk een toevlucht heeft. Ja, de psalmdichters wisten het wel. + +Maar nu moet ik nog iets opmerken. Over 't algemeen is het medelijden +met arme kinderen schromelijk overdreven. Natuurlijk, die kleinen moeten +gevoed, gekleed, gewarmd, gehuisvest worden. Ach, dat spreekt immers +vanzelf. Maar meen niet, dat ze zoo bar lijden onder wat kou en wat +gebrek. En dit zeg ik niet uit meedoogenlooze hardheid, maar uit +ervaring. 'k Heb zelf de armoede doorgemaakt, de fatsoenlijke armoede, +waarbij er echter ook een aanzienlijk tekort was in de eerste +levensbehoeften. Niet hier in den kruidenierswinkel, daar ging het nog +wel, maar later. 'k Heb ook in koude nachten mij onder karpetten (oude +wel te verstaan), rokken en jassen moeten warmen, omdat ik de wollen +dekens naar de bank van leening had moeten brengen. En toen was ik al +kweekeling. 'k Heb het armer gehad, dan menig kindje op mijn school, +dat thans van schoolkleeding en schoolvoeding geniet. Ontbering is mijn +jeugd niet vreemd geweest, en jaren achtereen. Maar--en hieromtrent +ben ik volmaakt zeker--nooit heeft die ontbering mij zoo schromelijk +gekweld. Daar kon ik me wonderwel in schikken. En ik herinner me zelfs +niet, dat ze me ooit diep het gemoed heeft verstoord. Neen, mijn +kinderellende kwam niet door gebrek aan eten, vuur en dekking, maar +door gebrek aan liefde. Versta mij wel: ik meen niet, dat ik daarover +te klagen had, en in huis wel het allerminst. Maar _als_ ik in mijn +kinderjaren echt leed heb gehad, was het altijd veroorzaakt door +liefdeloosheid van onderwijzers, van wantrouwende volwassenen, van +hartelooze jongens. + +Ik leg hier zoo den nadruk op, omdat ik inderdaad geloof, dat--en niet +alleen voor kinderen, ook voor volwassenen--de schrijnendste pijnen +in het gemoed, en niet in de maag worden gevoeld, en dat men vooral +kinderen veel meer verkwikken kan met _in_ hen te komen, met begrijpend +meeleven, met waarlijke welwillendheid, met mild vertrouwen, dan met de +voorziening in stoffelijke behoeften. + +Mijn kokertje. Hoe kan het getuigen van de geringe nooden der jeugd. +Armelijker kan het wel niet. Twee kinderen konden er niet in zitten. +Daarvoor was het te eng. Eén kind kon er zitten, als het zijn hoofd maar +steeds gebogen hield, en anders moest het er half liggen. De wanden van +het zeepvat en het vat met appelgelei, onder de toonbank, vormden het +uitzicht tusschen de treden der trap. Wandelende broekspijpen donkerden +het vale schemerlicht nu en dan tot halfduister. En toch, toch was ik +er gelukkig. Toch was het mijn hoogvertrek. Toch zweefde er, voor mij, +hemelvrede. Dat komt--de haat kon er niet komen, de hardheid het niet +bereiken, de nijd het niet bezoeken. De vernielzieke menschheid, tuk op +gemoedsverstoring, kon er de atmosfeer niet vergiftigen. En wat +beteekenden, daarbij vergeleken, de benauwde keukenluchtjes? + +Een kind heeft aan weinig genoeg, mits het in een zuivere gemoedssfeer +mag ademen. En zoo kan het nooddruftige kind volkomen gelukkig zijn, +ondanks een schrale voeding. En zoo kan het rijke kind, bij overdaad, +bitter misdeeld zijn. Het eerste, wat een kind noodig heeft, is een +zuivere dampkring voor zijn gemoed. Dat beetje eten komt wel. Maar hoe +velen kunnen zulk een dampkring scheppen? Zalig dan de eenzaamheid van +mijn kokertje. + + * * * * * + +Een laatste tocht naar het dak. + +Ons huis was hoog, tenminste in mijn herinnering. In de +Eglantiersdwarsstraat had het een groot stuk blinden muur, waartegen we +van een onzer balspelen konden genieten. Dikwijls raakte de bal daarbij +op het dak. Maar dan bezon ik me niet lang. Ik wist den weg naar den +zolder, klom door 't dakraam, liep door de goot en haalde den verlorene. +Dat deed ik altijd zonder vragen. Niet omdat ik niet wou vragen, maar +omdat het me dan stellig geweigerd zou worden. Vader zou me nooit +veroorloofd hebben, op het dak te klimmen. Dat was veel te gevaarlijk. +Maar jongens zijn gelukkig zoo, dat ze alle uit angstvalligheid verboden +dingen toch doen. Mijn hemel, als ze eens waarlijk gehoorzaam waren, wat +zou er, bij de bekende verbiedmanie der volwassenen, dan van hen terecht +komen. Nooit werd een jongen een man. Doch nu gehoorzamen ze hun zuiver +instinkt vaak meer dan hun opvoeders, en dat is hun behoud, begrijp dat +goed, brave, dwingende, uit bestwil handelende paedagoog. De jongen is +niet ongehoorzaam uit onwil, uit boos opzet, maar omdat een wijze natuur +hem tot taak heeft gesteld, de fouten uwer domme paedagogie te +corrigeeren. + +Mijn vader begreep dat maar zelden. 't Was heusch een allerbeste man, +maar het is ongelooflijk hoe conventioneel dom hij in de opvoeding was. +Net zoo dom, als tegenwoordig de overgroote meerderheid der vaders +nog is. Dan weet ge 't wel. Net zoo dom--als gij het nu nog zijt, +vriendelijke lezers. Dan weet ge 't wellicht beter. Al uw opvoedkundige +wijsheid is meestal domheid. En daaruit vloeien zooveel konflikten voort +met uw jongens. + +Vader was dan een dier massa-paedagogen, die alles verbieden, toch +alles laten gaan, in drift pakken slaag toedienen, en toch veel van hun +schavuiten houden. De opvoeding is hun te machtig. En zoo gebeurde het +op een Zaterdagmiddag, dat ik weer een aframmeling kreeg voor een mooie +daad van zelfopvoeding. + +Er lag voor de zooveelste maal een bal op het dak. Ik naar boven. En +gauw zat ik in de goot. Mijn makkers keken natuurlijk. Daardoor keken +ook eenige voorbijgangers, en nu hield een van hen »zijn hart daarbij +vast" en ging naar den winkel, om mijn vader te waarschuwen. Dat deed +die domoor natuurlijk weer met de allerbeste bedoelingen, maar niettemin +deed hij er gruwelijk kwaad mee. + +Vader verliet snel den winkel, en zag me. Nu is het voor een vader veel +erger zijn jongen in gevaar te zien, dan voor dien bengel zelf om in +gevaar te zijn. Maar zulke kinderen móét een vader ook niet zien. Laat +hij zijn oogen dan ook thuis houden. Mijn goeie vader stond zich op te +winden van bedwongen drift bij persenden angst. Gelukkig riep hij niet, +dat ik omlaag moest komen. Niemand riep. Ze waren veel te bang, dat ik +dan schrikken en naar beneden tuimelen zou. Met starende oogen volgden +ze allen mijn kattebewegingen, in voortdurende spanning. Ze zagen, +hoe ik langs het steile randje voortschoof, hoe ik mij bukte, weer +terugschoof en door het raam naar binnen klauterde, volkomen rustig. +Geen moment was ik me iets gevaarlijks of iets verkeerds bewust geweest. +Maar o, toen ik beneden kwam. Nog eer ik gelegenheid had, mijn vriendjes +iets te zeggen, vloog mijn vader op me af, sloeg me waar hij me maar +raken kon, greep me in mijn nek, rammelde me door mekaar, en dat alles +onder toejuiching der andere vaders, die ook een stuk voldoening +eischten voor den doorgestanen angst. »Zulke beesten van jongens! Een +mensch staat doodsangsten bij ze uit! 't Is tegenwoordig dan al meer +dan erg!" Vader besefte bij die woorden te dieper zijn paedagogenplicht +en ranselde nog wat genadeloozer, om vooral te doen blijken, dat hij een +degelijke vader was, die om den drommel er niet van hield, zijn kinderen +te verwennen. _Kinderen begrijpen, heet altijd kinderen verwennen. Dat +is nu nog zoo._ En ik werd met schelden en klappen naar huis geranseld. + +Wat was ik woedend. Wóédend! Ik had pas, zoo volkomen kalm, dat zware +stuk volbracht, een en al rustige beheersching. En daar werd ik zoo +getrakteerd. De menschen praten, van je vader in dank zoo'n kastijding +af te nemen. In dank? Mijn ziel was vol woede en verwijt. Ik besefte +tot in mijn fijnste vezelen, dat ik zoo'n behandeling niet verdiend +had. En dan zoo gruwelijk beleedigd te worden in tegenwoordigheid +van die vreemde straatmenschen, en van mijn makkers. Want het was een +beleediging, dat afranselen. En nog meer dat smadelijk naar huis jagen. +Ik voelde me diep gekrenkt en had zeker langen tijd noodig, om weer in +evenwicht te komen. + +Krenkt uw kinderen toch niet. En vooral niet in tegenwoordigheid van +anderen. Wij, schoolmeesters, hebben daar ook zoo'n handje van. Dan +zeggen we zelfs: »Toe jongens, lach die domkop eens uit, die kent nog +niet eens de tafel van zes!" En dan geven we het domme kind prijs aan de +harde bespotting zijner medescholieren. »Die domkop!" Wie is de domste +van de twee, hij, die de tafel van zes niet kent, of wij, die het +kinderhart niet kennen? + +Al mijn vergevingsgezindheid was ten slotte noodig, om mijn vader weer +in genade aan te nemen. Een vader, die zóó zijn kinderen kon offeren +aan zijn drift en zijn goeden naam bij het straatpubliek, dat was geen +vader. Maar--in zijn hart was hij toch een goeie man. Een half uur later +was hij zelf verlegen met zijn gedrag. Toen probeerde hij, tersluiks +weg, vriendelijkheden te bewijzen, de goede verhouding weer aan te +knoopen. En daartoe liet ik mij langzamerhand dan maar vinden. Ik +kon toch ook niet goed hebben, dat die groote man zich voor mij wat +vernederde. En dat deed hij toch eigenlijk met zijn er omheen gedraai. + +Dit alles kon ik toen niet zoo juist formuleeren, maar ik zag het zeer +goed in. En het heeft mij altijd bevreemd, dat Vader dan niet door een +ruiterlijke spijtbekenning, met een beroep op zijn drift en andere +verzachtende omstandigheden, de zaak geheel in orde bracht. Dat gaat +juist met een kind zoo gemakkelijk. Een kind gelooft je dan op je woord +en is grootmoedig beschaamd door je zelfbeschuldiging. Maar tot zulk een +afdoend middel kon hij nooit komen. Daarvoor was hij, paedagogisch, te +dom. Domme paedagogen zien in zulk een zuivere erkenning van de waarheid +altijd een zelfvernedering, terwijl het een reusachtige zelfverhooging +is. Niets ontwapent den tegenstander sneller dan erkenning van ongelijk. +Niets wapent ons krachtiger dan de waarheid. + +Ziedaar de eenige herinnering, die ik van het dak heb behouden. Ik wilde +er een bal halen, en kwam met een vroege paedagogische ervaring thuis. +Van al de ballen die ik te voren uit de dakgoot heb gehaald, weet ik +niets meer af. Al de geslaagde ondernemingen hebben geen herinnering +nagelaten. Maar die eene mislukte--is geworden tot een stuk, niet +opvoedkundige leer, maar opvoedkundige overtuiging, tot levenswijsheid. + +»Zie je nou jongen," zou mijn Vader zeggen, »dat dat pak slaag nog zoo +gek niet was?" + +En dan zou ik antwoorden: + +»Ja vader, als je dat alles maar vooruit wist!" + + + + +STRAATJONGEN. + + +De straat. Dat was het terrein onzer zelfopvoeding. Daar kwamen onze +krachten los, geestelijke en lichamelijke. Daar wisten we niet van +landkaarten of andere vervelendheden, daar knelde ons geen schoolbank +en kwelde ons geen schoolmeester, daar hadden Vaders paedagogische +handgrepen geen vat op ons, daar waren we vrij. + +Het is verwonderlijk, hoe een vuil stuk dwarsstraat en een brok »gracht" +naast een altijd stinkend water zooveel heerlijkheden kunnen bevatten. +Maar die heerlijkheden brachten we mee in ons eigen jongenshart. Het +vuil zagen we niet, den stank roken we niet--aan zulke nesterijen raakt +een mensch gauw gewoon--en alles lag overdekt door den glans onzer +verbeelding, de heele atmosfeer was doortrokken van gelukszon. Jeugd is +zaligheid, mits ze vrijheid hebbe. En die vrijheid hadden we, namen we, +op straat. + +Daar had je »de gouden stoep". 't Was een hardsteenen stoep, drie treden +op en dan een bordesje. Langs de treden en het bordesje stonden ijzeren +paaltjes, die ijzeren leuningen droegen. En nu spreekt het vanzelf, dat +wij voor onze spelen alle stoepen naastten, dus ook deze. De straat was +te smal, om daar genoeg aan te hebben. Dan moest je wel de huizen en de +schuiten annexeeren. Bij 't krijgertje-spelen had een kameraad je veel +te gauw te pakken, maar dan vloog je een stoep op, en als hij je daar +narende, schoof je bliksemsnel onder de leuning door, de straat weer op, +vrij. Die stoepen waren inrichtingen, die je uit de benauwdheid redden. +En het was verwonderlijk, hoe we van ieder klein voordeeltje gebruik +maakten. Nood maakt vindingrijk. + +De bewoners hadden daar natuurlijk wel een beetje last van, maar de +meesten berustten er in. Eén meneer echter was er, die dat gevlieg niet +hebben wou. Nauwelijks had hij in de gaten, dat zijn stoep in ons spel +was betrokken, of hij rukte de huisdeur open en joeg ons weg, soms met +een stok in de hand. Daarom heette zijn stoep »de gouden stoep", daar +mocht je niet aan komen. En nu was het gevolg van zijn grauwen en jagen, +dat we juist altijd naar zijn stoep toe gingen, en, ook zonder noodzaak +voor ons spel, er over holden en onder de leuning doorgleden. De gouden +stoep werd een apart spelletje. + +»Jongens, ga je mee naar de gouden stoep?" + +Aanstonds waren er een paar gereed. + +»Durf jij er op?" + +»Ik wel." + +»Pas op, daar staat die kerel." + +»Waar? Waar? Ik zie niks." + +»Ja, daar achter 't gordijn. Hij schuilt weg. Hij loert op je." + +»Laat hem stil loeren." + +En dan opeens vloog je de stoep op, greep de leuning, gleed er onder +door, en--»Hoera!" schreeuwden de jongens. Dat was de eerste zege. + +Allen stoven een eindje weg, als opgeschrikte musschen. Dan keerden ze +voorzichtiglijk terug, stapje voor stapje, totdat ze weer de stoep +omkringden. + +De tweede waaghals volgde. In een oogwenk was hij naar boven en weer +op straat. Hoera! Maar nu werd het een schande, als je achterbleef. De +andere jongens hadden 't gewaagd, jij moest het ook doen. Doch 't werd +hoe langer hoe gevaarlijker. Natuurlijk had »die kerel" ons al lang in +de gaten gehad. Hij had zich zeker al staan opwinden van drift en woede. +Mogelijk had hij zijn stok al gegrepen en was hij al naar de huisgang +geslopen. Wellicht stond hij al achter de deur. Misschien had hij de +schuif al in de hand. Onmiddellijk zou de deur openvliegen, een kerel +in zijn overhemd naar buiten springen, een stok op je lijf ranselen. Je +wist dit alles niet, en toch wist je het. Niemand had iets gezien, en +toch was ieder er zeker van. + +»Jongens, hij staat al in de gang, hoor! 'k Geloof, dat ik den smeerlap +gehoord heb." + +Maar nu werd het pas echt. Je koos, met een fijn straatjongens-instinkt +voelend, het juiste oogenblik. Je sloop naar boven, dat hij je niet +hooren kon, en dan, ineens, met een luiden triumfkreet, onder de leuning +door. Hoeraaaa! De kerel stond zich zeker te verbijten van nijd. + +De jongens die de eerste beurten gehad hadden, waren in de gunstigste +conditie geweest. Doch nu werd het gevaar hoe langer hoe grooter. De +vijand werd opgeschrikt, getergd, vol woede. De lont, door den eersten +aangestoken, naderde het kruit. Het gevaar der ontploffing was het +grootst voor de laatsten. Maar dat gevaar was toch ook weer zoo +aantrekkelijk, dat de eersten 't er nog eens op waagden. + +»Daar hei je-n-em." + +Ik was juist op de stoep. Teruggaan? Nooit. Dat zou een eeuwige schande +zijn geweest. Ik greep de leuning, wilde er onder door glijden, maar in +mijn verbouwereerdheid schoof ik niet laag genoeg weg, en kwam met mijn +gebit tegen de ijzeren leuning aan. Een geweldige schok, te krachtiger, +omdat ik juist zoo haastig weg moest schieten. + +Of de kerel me geslagen en geraakt heeft, weet ik niet. Bij de pijn in +mijn tanden viel alles weg. 't Was of ik flauw zou vallen van de pijn. +Maar een jongen valt niet flauw. Hij maakt dat hij weg komt. + +Zoo deed ook ik. Ik holde mijn makker achterna. Maar toen ik een eindje +verder stil bleef staan en tot bezinning kwam, bemerkte ik dat er van +een mijner oogtanden een stuk was afgebroken. Dat was in den strijd +gebleven. + +Met een verminkten oogtand moest ik verder het leven in. En was het daar +maar bij gebleven. Zoo'n verminking schijnt echter den heelen tand aan +te tasten. Langzamerhand brokkelde hij verder af. En op 't laatst moest +ik schoolmeesteren en zelf redenaren met een leelijk gat vóór in mijn +gebit. + +Zoo draagt de mensch de zonden zijner jeugd mee door 't leven. + + * * * * * + +»Dat heb je er nu van. Verdiende loon." + +Aldus sprak de opvoedingswijsheid van die dagen. En zoo spreekt ze nog. + +»Eigen schuld. Wat deed je dien man te tergen. Loontje komt om zijn +boontje. Nu was je zeker wel wijzer geworden." + +Wat dat »wijzer geworden" betreft, neen brave paedagogen, dat heb +jelui glad mis. We gingen voort, den man te tergen. Nu meer dan ooit. +Er viel nu een stuk tand te wreken. Daar zou hij voor bloeden. De +»gouden stoep" bleef een aantrekkingspunt. Heb jelui ooit gezien, dat +ontdekkingsreizigers zich door bevroren teenen en ijsberen van den pool +lieten terughouden? De pool trok ze, trok ze met onweerstaanbare kracht. +En als ze er eenmaal hun leven bij hadden verloren, waagden ze er een +tweede aan. Neen, met vloeken en stokken houd je nooit jongens van +gouden stoepen af. + +Hoe dan wel? + +Ik woon in een achterbuurt. Menigmaal staan er jongens en meisjes voor +ons venster. Die kijken naar binnen. En dan roepen ze tegen elkaar: +»Kijk, daar zitten ze. Ze eten. Zie je wel, sinaasappelen. Een schaal +vol. Kijk, die eene schept zijn eigen op. Zeg, wat eten ze? Kan jij het +zien?" + +Dat is wel lastig, zoo'n bekijk. Je bent niet vrij. En wat doe je dan? +Dan word je kwaad, je tikt driftig tegen de ruiten en jaagt het +straatpubliek weg, liefst met booze woorden. Niet waar? + +Neen, er is een betere manier. Ik denk aan mijn gouden stoep. + +Ik ga naar 't venster, schuif het gordijn weg, en houd den kinderen een +sinaasappel voor: »Wil je dien hebben?" + +Ze zijn op 't punt van weg te hollen. Maar ik roep ze, houd ze vast met +mijn vragende oogen, schuif het raam op, en geef ieder een sinaasappel, +ieder een heelen. + +Ze nemen hem aan, krijgen een hoogroode kleur, prevelen: dank u, en gaan +weg, zonder dat ik het vraag. Een eind verder blijven ze staan, bekijken +met blijde gezichten--héérlijke gezichten--den sinaasappel, wijzen +mekaar de heerlijkheden, en trekken dan langzaam af. + +»Een mooie manier!" zegt smalend de echte paedagoog. »Zoo stijf je die +brutale schooiers in hun kwaad. Welzeker, geef ze maar sinaasappelen. Ze +zullen morgen wel terugkomen. Zoo kun je aan 't geven blijven. Straks +brengen ze hun makkers mee. Dan krijg je een heele kolonie voor je +vensters. Daar valt wat te halen." + +Die echte paedagoog heeft evenwel in dit geval ongelijk. Hij heeft bij +zijn beschouwing alleen zijn eigen machtsmiddelen in rekening gebracht +en geen nota genomen van dat wonderlijk gevoel in menschenzielen, +dat men een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid, beschaming +kan noemen, en dat ook in schooierszielen woont, maar door de echte +paedagogiek hardnekkig wordt kapot gestraft en aan flarden gescholden. +Die kinderen komen _niet_ terug. Ik pas die methode nu al meer dan vijf +en twintig jaar toe, dus je kan bijna zeggen, dat ik een paedaloog +ben, tenminste zoo'n soort, en volhardend experimenteer op levende +straatschooiertjes. Welnu, nooit hebben die kinderen mij in mijn +vertrouwen beschaamd. Ze kwamen niet bedelen om sinaasappelen, en keken +zelfs niet meer door de vensters. + +Beredeneer dat nu maar, of--nog liever--reken het uit in een +statistiekje. Niet waar, dan alleen staat het wetenschappelijk vast. +Vóór dien tijd is het alleen maar zoo'n beetje geliefhebber. Je moet +het in cijfers voor je zien. Er moet een algemeene enquête worden +uitgeschreven over 't heele land: _a._ Hoeveel straatschooiers kijken +per jaar onbeschaamd door je vensters? _b._ Hoeveel gaan weg, als je ze +een sinaasappel geeft? _c._ Hoeveel van die komen weer terug, geenmaal, +eenmaal, tweemaal of meermalen? En als je dan bladen vol opgaven +hebt--enkel betrouwbare, o zoo betrouwbare--dan bereken je, op een +honderdste nauwkeurig, de resultaten. Dan staat de heele wereld +verslagen van je wetenschappelijkheid en word je nog dokter honoris +causa in de paedagogiek. Hoe zullen we 't in vredesnaam klaarspelen, wij +onnoozele zielen, aleer we onze wetenschappelijke zekerheid hebben. + +Er is voor ons dat heerlijke Christuswoord: »Laat de kinderen tot Mij +komen, en verhinder ze niet." Indien er iets, ook maar iets van +Christus' liefde in ons woont, kunnen we ons daardoor veilig laten +leiden. Laat dan de kinderen ook tot u komen, en verhinder ze niet. +Verhinder ze niet met uw grauwen en booze blikken, niet met uw schelden +en uitjakkeren. Het is wel droevig en schandelijk, dat op tot heden +onbezochte eilanden de vogels nieuwsgierig en vertrouwend den mensch +zien naderen, en dat te midden der beschaving de vogels verschrikt +wegvliegen: »Een mensch, een mensch!" Zooals de musschen voor ons +wegvliegen, doen 't ook de kinderen. Ze weten zich bij ons niet veilig. +Verander dit. En wanneer ge twijfelt, hoe in bepaalde gevallen te +handelen, herinner u dan uw eigen jeugd. Beter leerschool voor opvoeding +is er wel niet. Herinner u, hoe uw kinderziel gereageerd heeft op de +handelingen der volwassenen. Hoe men den engel in u opriep, en hoe +den duivel. En handel dan soms, misschien zelfs heel vaak, precies +omgekeerd. Die gouden stoep heeft mij gebracht tot een open venster. De +dreigende stok tot een sinaasappel. En daar heb ik mij wel bij bevonden. +Waarschijnlijk mijn straatpubliek ook. + + * * * * * + +Ik wil over deze sinaasappelmethode nog een paar ervaringen vertellen. + +Er zijn in de buurt van onze school natuurlijk andere scholen, ook +christelijke en katholieke. Nu hadden sommige leerlingen van die scholen +er plezier in, ons overlast aan te doen. Ze schreeuwden onder onze +schoolvensters, scholden de onderwijzers uit die poortwacht hadden, +holden door de rij kinderen die zoo ordelijk op het trottoir bleef bij +'t verlaten der school. + +Klaagden we bij hun onderwijzers, dan werden we altijd heel welwillend +ontvangen en hadden het succes, dat de bengels duchtig onder handen +werden genomen. Doch hieraan was een ander gevolg verbonden, dat die +jongens n.l. nog wat vijandiger tegenover ons kwamen te staan. Hinderden +zij ons niet meer, bang voor een pak slaag, welnu, ze hadden nog +vrindjes, die niet meer op school gingen en wel als hun wrekers wilden +optreden. + +Toen volgden we de sinaasappelmethode, die je heel goed kunt aanwenden +al heb je ook geen sinaasappelen. We lokten de jongens met vriendelijke +woorden, met een hand, zelf met een uitnoodiging om eens binnen te +komen, op de speelplaats naar de duiven en de bijen en de tuintjes te +kijken, in de school al de mooie platen te zien. Soms liepen we wel +met meer dan tien jongens, na schooltijd, de lokalen rond. En aardig, +ontroerend was het te zien, hoe die »schooiers" dan gaandeweg hun +schuwheid aflegden, belangstellend naar alles keken en vroegen: hoe het +kind zich in hen ontpopte, het vriendelijke kind. + +»Meester, die platen hebben wij ook op school." + +»Da's aardig." + +»Meester, mijn vriendje gaat hier. Kent u hem?" + +»Hoe heet hij dan?" + +»Piet." + +Daar valt een kameraad hem in de rede: »Zeg, d'r zijn zooveel Pieten in +de wereld. Je mot toch zijn achternaam noemen." + +»Net zoo," zeggen wij. »Maar je bedoelt Piet Verbrugge, niet waar?" + +»Zie je nou wel, dat de meester hem kent." + +»Nó ja, omdat de meester hem dikwijls bij jou ziet, niet waar meester?" + +»Netzoo." + +Ze babbelden vrij uit, zetten uit eigen beweging de petjes af, en +bedankten ons bij 't vertrek. »Dank u wel, meester!" En--kwamen den +volgenden dag met een paar vrindjes: »Meester, of zullie ook eens magge +kijke." + +»Welzeker, wat graag!" + +De collega's van de bizondere school zullen me nu toch niet verdenken, +dat ik hun kinderen naar de openbare school lok? Eerlijk kan ik +verzekeren, dat we er nog nooit eentje van die gasten als leerling +hebben ingehaald. We hebben alleen wat straatvrindjes gemaakt. En als we +nu poortwacht houden, komen verschillende jongens van de broederschool +ons broederlijk de hand geven. Dat is alles. + +Zullen ze niet besmet worden door zoo'n openbare-school-hand? + +Kom, kom. Openbare en bizondere school moeten elkander de hand reiken. + + * * * * * + +Als nu de Bond van Ned. Onderwijzers op zijn eerstvolgende Algem. +Vergadering geen motie tegen me aanneemt, wil ik ook wel mijn collega's +schoolhoofden aanraden--voor zoo ver noodig!--er wat minder gouden +stoepen op na te houden en tegenover de klasse-onderwijzers, onder hun +leiding, wat meer die sinaasappel-methode te volgen. + +»Dus," zegt de strijdgrage, doch al te vaardig concludeerende +klasse-onderwijzer, »dus, wij zijn zoo iets als straatjongens, die op de +vensters van de bovenmeesters hangen, om te kijken naar hun welvoorziene +tafels, en die dankbaar wegsluipen, als ons genadiglijk een sinaasappel +wordt toegestoken? Wij danken u feestelijk voor deze genade. Wij willen +zelf om den disch zitten, en gij moogt onze vaten wasschen." + +Goed, goed. Er is eenmaal een Meester geweest, die zich niet ontzag, +neen, die zijn grootheid openbaarde, door vrijwillig de minste te zijn +en zijn discipelen de voeten te wasschen. Nooit onteert het werk den +man. Wij worden alleen ontroerd door eigen onzedelijkheid. Geen +buitenafsche glans van rijkdom of rang kan wegschitteren de doffe +nevelen der innerlijke onreinheid. En alle nuttig werk kan geadeld +worden door den geest die het verricht. + +Goed, goed, ik wil uw vaten wasschen, als gij op die wijze mijn gaven +het best aanwendt tot heil van allen. Maar dan zal er toch wel iemand +zijn, een uit uw midden, gelijk ook ik uit uw midden ben voortgekomen, +of anders een uit voornamer levenskring, een dokter, advokaat, officier, +in ieder geval iemand, een mensch, door u gekozen of aangesteld vanwege +de door u gekozenen, een.... medemensch, d.i. een medezondaar, aan wien +wat leiding en toezicht is opgedragen. Noem hem president en laat hem +gezag voor een bepaalde periode, gelijk ook gijzelf telkens opnieuw +gekozen wilt worden, afkeerig van stabiliteit in uw positie, of noem +hem inspecteur en gun hem bij een blijvende taak ook een blijvende +bestaanszekerheid, er zal iemand zijn, die over u en mij te zeggen +heeft. En tot dezen iemand--misschien zijt gij, Bondsman, het zelf +wel: er kunnen meer Ketelaars van klasse-onderwijzer gezagsman +worden--tot hem en zijn gelijken zeg ik: geen gouden stoepen. Reik +ons hartelijk-welmeenend als 't noodig is een sinaasappel toe. Ge zult +eens zien, hoe die ons opvoedt. + +Er was eens een bovenmeester, die steeds zelf graag veel vrijheid +had genoten, en nóg genoot, en die daarom (ja daarom, en niet +desniettegenstaande) ook den onderwijzers veel vrijheid gunde en +toestond. Je kon zeggen, dat de man er voor hen heelemaal geen gouden +stoepen op nahield. Ze mochten letterlijk alles. Mits dat alles +overeenstemde met hun plicht. Ze hadden volle vrijheid om te doen, +wat hun plicht hen gebood. + +Maar nu was er onder het personeel eens een jonge, al te levenslustige +vrijbuiter, die zoo nu en dan wel eens wat geholpen moest worden in +het genieten zijner vrijheid tot plichtsvervulling. Komaan, daar was +hij jong voor. Hij sprong wel eens wat buiten den, ook door hemzelf +noodzakelijk erkenden band. En dan moest natuurlijk de bovenmeester hem +vriendschappelijk daarop attent maken. + +Eens bij zoo'n gelegenheid was onze vrijbuiter echter wat ál te +nonchalant. En toen de bovenmeester hem de onmisbare perken wees, maakte +de schavuit het nog erger. Wat denk je, dat hij antwoordde op de zeer +gegronde aanwijzing? »Och, stik!" + +Het kwam er heel joviaal en jongensachtig uit, maar men moet erkennen, +dat het, zacht uitgedrukt, toch getuigde van wat al te weinig eerbied +voor het regelmatig gezag. + +Wat deed nu de bovenmeester? Hij had dit antwoord kunnen rapporteeren, +te meer, daar het hem onder getuigen was toegevoegd. Wellicht had hij +het móéten rapporteeren, zoo niet ter wille van zijn persoon, dan toch +ter wille van zijn ambt. Hier had iemand, niet in speelsche dartelheid, +maar, althans schijnbaar, in respektlooze onbeschaamdheid, een +noodzakelijk gouden bordesje niet betreden, maar bespuwd. + +Wat dééd de bovenmeester? + +Hij noteerde niet en rapporteerde niet. Hij gaf niet eens een standje. +Hij zweeg. Ik denk, dat hij zich uit zijn jeugd ook herinnerde, hoe +grauwen en dreigingen averechtsche gevolgen hadden. Maar hij rekende op +iets. Hij rekende op dat »wonderlijke gevoel in menschenzielen, dat je +een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid en beschaming kunt +noemen". En hij rekende niet te vergeefsch. + +Den volgenden dag kwam de vrijbuiter bij zijn gezaghebber en zei, met +iets heel trouwhartigs in zijn stem, een eigenaardige tinteling in zijn +oogen, en een kleur van verlegenheid: + +»Bent u boos, om wat ik gisteren gezegd heb?" + +»Boos niet, maar...." + +»Och," kwam het er toen innig vertrouwensvol uit, »u moet maar denken, +dat u zoo'n soort oudste broer van me bent." + +Toen stak de gezaghebber zijn vrijbuiter hartelijk de hand toe, en die +twee bleven de beste vrinden, wat ze al waren, en nooit heeft in de +kranten gestaan, dat een jong onderwijzer tegenover zijn rechtmatigen +chef op een gegronde aanmerking »stik" had geantwoord. Daar is geen zaak +van gemaakt, daar is het publiek niet in gemengd, daar zijn de vakbladen +niet mee gevuld, daar zijn geen Hoofdbesturen voor opgetrommeld. En er +is geen jonge rebel gestraft. Die jonge rebel heeft sedert een mooie +carrière gemaakt. + +Dit alles was te danken aan de sinaasappel-methode, ofschoon men terecht +opmerkt, dat de bovenmeester zijn onderwijzer toch geen sinaasappels +offreerde. Maar wie nu nog niet heeft begrepen, hoe het kenmerkende +dezer methode hierin bestaat, dat zij zich richt tot de _goede +eigenschappen_ der menschelijke natuur, dat zij die wekt en te hulp +roept, om het kind, het kleine en het groote, _zichzelf_ te doen +verbeteren--die is niet waard, onderwijzer of bovenmeester te zijn. + +Ik zou het een groote onderscheiding achten, wanneer op een algemeene +vergadering van Paedagogen de motie werd voorgesteld en bij acclamatie +aangenomen: + +»De Alg. Verg. van enz..... + +gehoord enz..... + +overwegende enz..... + +verklaart, dat de sinaasappel-methode van Jan Ligthart de +voortreffelijkste is, + +en gaat over tot de orde van den dag." + + + + +NOG STRAATJONGEN. + + +Volwassenen plagen--dat was, naast ons spel, een onzer voornaamste +straatgenoegens. + +Hoe kwamen we daartoe? + +Ik denk, dat de volwassenen waren begonnen met ons te plagen, en dat wij +de kunst en den smaak hierin dus van hen hadden overgenomen. + +Men is er altijd zoo grif mee, de jeugd toe te voegen, dat ze in +allerlei narigheden, pakken slaag en dergelijke, haar verdiende loon +krijgt, maar men vergeet, of liever, men komt niet eens op de gedachte, +dat de volwassenen, in allerlei ergerlijke behandelingen van de zijde +der jonkheid, evenzeer maaien wat ze hebben gezaaid. + +Wie de kinderen weggrauwt, wordt door hen, uit de verte, nagescholden. +Wie ze wegranselt, wordt door hen nagesmeten. Wie zich ten koste van hen +vermaakt, wordt straks door hen geëxploiteerd. + +Ga eens na, hoe de kinderen van volwassenen leeren, _bij eigen ervaring_ +leeren, op welke wijze men zijn evenmensch behandelt. Hoe zullen ze dan, +in zulk een leerschool grootgebracht, het hun leermeesters verbeteren? + +Dezer dagen zag ik nog een treffend staaltje van zulk een opvoeding. +Een stuk of zes jongens zaten voor een huis op een stoepje. Ze deden +absoluut geen kwaad, koesterden zich in den zonneschijn, lachten wat +onder elkander, hadden gemoedelijke jongenspret, zooals jonge honden dat +ook zoo kunnen hebben. + +Plotseling ging achter hen een huisdeur open, een vrouw verscheen, en +trapte ze nijdig weg. De jongens, doodelijk verschrikt, vlogen de straat +op. Ze hadden geen flauw vermoeden gehad van dát gevaar achter hun rug. +Ze zaten zoo knus op dat warme stoepje in den lekkeren zonneschijn. En +nu stonden ze, met verschrikte gezichten, weggejaagd en weggegrauwd, +ineens midden op straat. + +De deur ging met een nijdigen smak dicht. Maar nauwelijks was ze toe, of +een van de zes, een goedaardige lummel van bijna dertien jaar, rende er +heen, en trapte met razende woede tegen het paneel, of de deur in elkaar +moest. + +Dat was het antwoord van den jongen op de uiting van de volwassene. + +Toen holde de »schooier" natuurlijk weg. + +Maar wie had hem op dat oogenblik tot een schooier gemaakt? + +Eén vriendelijk woord, en de jongens waren opgestaan en bereidwillig +vertrokken, als ze tenminste nog niet al te zeer bedorven en verhard +waren onder de bejegening van de ouderen. + +Eén vriendelijk woord. + +Maar de klagende volwassenen kunnen geen vriendelijk woord zeggen, +tenzij misschien tegen hun meerderen, ze achten zich gerechtigd, de +jongeren die hun in den weg staan als straatvuil weg te schoppen. Wat +wonder, dat de jongeren terugschoppen? En dat ze, niet alleen deze of +gene oudere, maar al spoedig de heele wereld der groote menschen als een +vijandelijke partij beschouwen? + +Wij plaagden de volwassenen, en niet de kinderen. Hoe kwam dat? De +kinderen begrepen ons. Met hen hadden we alleen zoo nu en dan een kort +gevecht. Maar tegenover de volwassenen leefden we voortdurend op voet +van oorlog. Aan wie de schuld? + + * * * * * + +Vóór het huis van Piet, denzelfden Piet, die op zijn verjaardag een pak +traktaatjes van me »kreeg", was een platte stoep in den vorm van een +rechthoek en daarom heen een nog al hoog houten hekje. De paaltjes waren +vrij dik, dicht bij elkaar, en donkergroen geschilderd, zoodat we binnen +dat hekje goed verborgen zaten. Bovendien stond er een oude boom voor, +welks zware kruin een donkere schaduw op den gevel en ook op de stoep +wierp. + +We konden daar zoo gezellig zitten, ongezien door de voorbijgangers. +Als het dan een beetje begon te schemeren, bonden we een zakdoek of +een gevuld papieren zakje aan een dun, zwart touw, legden het voorwerp +op de straat en leidden het touw tusschen de spijlen van het hekje +door. We vischten op hebzucht. Geen man of vrouw kwam er voorbij, die, +het verloren voorwerp ziende, niet even stil bleef staan, om het op te +rapen. Maar nauwelijks bukten ze zich, of het voorwerp begon te leven, +het bewoog, schoof over de straat, en eer het gegrepen kon worden, +sprong het met een ruk onder de oogen van den eerlijken vinder weg. Een +gejuich ging op uit het donkere hek, en de gefopte man of vrouw liep +gewoonlijk snel door, zonder om te kijken. Dan zeiden wij, natuurlijk in +van de ouderen overgenomen humor: »Hij houdt zijn smoel, maar Onze lieve +Heer hoort hem brommen." + +Deze plagerij was een van de onschuldigste. Een verbazend plezier hadden +we er in, de menschen voor niets naar den belknop te doen loopen, maar +dan niet door even aan te bellen en daarna weg te hollen, dat was te +gewoon. Als er ijs in 't water lag, bonden we een donker touw aan den +belknop, liepen dwars den weg en het ijs over naar den overkant, gingen +daar in de koude aan den walkant zitten, en trokken. Natuurlijk gebeurde +dat in donker en op een stille gracht met haast geen verkeer. Ging de +bel over, dan zagen we de deur openen, iemand rondkijken, en--'t was +koud--weer gauw de deur sluiten. Een minuut later trokken we weer, en +dat hielden we vol, totdat de bewoner het touw ontdekte. Dan ging er van +onzen kant een soort indianengehuil op. We lieten het touw voor een deel +in den steek, gingen door en door koud naar huis, maar hadden heerlijk +genoten. Bijna zooveel als de man, die in een koelen nacht op aal zit te +peuren. We hadden ook beet gehad. + +Een variatie op dit thema, maar nu al ja wat erger, vonden we, door met +een stevig touw den belknop aan den deurknop vast te binden. Dit kon +echter alleen, als beide knoppen dicht bij elkaar waren. Daarna schelden +we aan. We hoorden een der bewoners door de huisgang loopen, de deur +naderen, het slot openen, trekken. Maar de deur kon niet open. Zelfs +geen kier. Al naar zijn temperament begon nu de bewoner te vloeken of +te smeeken. In 't laatste geval sneden we nog wel eens het touw door. +Doch in 't eerste geval lieten we hem zitten, gevangen in zijn eigen +huis, totdat op zijn gebombardeer en geschreeuw een goede buur of +voorbijganger zich over hem ontfermde. Dan stond de geplaagde man te +schelden op die bliksemsche jongens. Maar die bliksemsche jongens waren +al lang verdwenen. + +Je zoudt zeggen, dat we toen al les in de methodiek hadden genoten, want +er was in onze streken een mooie »opklimming van moeilijkheden". De knop +van een gewone deur aan een belknop binden, was al gauw niet loonend +genoeg meer. We zochten een deur uit, waarin het houten bovenpaneel +vervangen was door ijzeren lofwerk. Als dan de bewoner wanhopige +pogingen deed, om zijn deur te openen, stonden wij op de stoep, op +_zijn_ stoep, hem uit te lachen of met hoonende woorden te sarren, zoo +ongeveer als Reintje de Vos het doen kon, als hij zijn aartsvijanden, +beer en wolf, in de ellende zag, waarin hij, en hun eigen ondeugd, hen +had gestort. We smaakten er een helsch genot in, de menschen in hun +machtelooze woede nog wat te tergen, dansten de dolste bokkesprongen +voor de traliën van den gekerkerde, of stonden met ijzige kalmte--als +wisten we van den prins geen kwaad--het vruchteloos rukken aan te zien. +Ja, dat was eigenlijk het gemeenste, als we ons hielden of we volkomen +onschuldig stonden te wachten op het openen eener deur, die door eenige +ons totaal onbekende oorzaak maar niet open wou. Ging eindelijk de +bewoner naar binnen, dan maakten we dat we wegkwamen, want dan begrepen +we, dat hij in zijn tuintje een buur zou roepen, misschien wel +twee--links en rechts--en konden deze, plotseling naar buiten schietend, +ons insluiten. En dan zaten _wij_ in de klem. Bij al onze ondernemingen +waren we krijgskundig genoeg, om voor een goeden aftocht te zorgen. +Wonderlijk, hoe dat geroemde genie der groote veldheeren al in het +jongensinstinkt zit. + + * * * * * + +Ik vertrouw, dat mijn eerzame lezers wel eenige voortreffelijke +kwaliteiten in onze gemeenheden hebben ontdekt en dat ze bereid zijn, +ons evenzeer een plaats in de historierollen te verzekeren als de groote +vlootvoogden en veldheeren. Ook wij wisten onze aartsvijanden, de +volwassenen, aanhoudend te bestoken en daarbij meesterlijke terugtochten +te arrangeeren. Maar zulke deugden worden in het klein nooit +gerespekteerd en allerminst door de slachtoffers. Men huldigt ze alleen, +als ze zich op veel grooter schaal vertoonen en in dezelfde mate ellende +hebben gebracht. Niet één huis, maar een heele stad moet omsingeld +worden, niet één nijdige vent, maar een heel leger ingesloten. Niet een +paar vloeken, maar duizenden dooden moeten er vallen. Het zij zoo. Ik +heb al zooveel aanspraken op roem en een standbeeld zien miskennen, ik +geef ook deze op. En pluk ik al niet mijn verdiende lauweren, in ieder +geval mijn paedagogische vruchten. Misschien zijn die nóg meer waard. +Lauweren verdorren, en vruchten hebben zaden. De eerste zijn een +afrekening met het verleden, de laatste beloften voor de toekomst. + +Een dier paedagogische vruchten is, dat ik me jegens mijn eigen +scholieren nooit braver voordoe, dan ik ben geweest, en hen geregeld +mijn jongensstreken vertel. Ze weten van mijn spijbelen, van mijn +wegspatten uit de schoolblijversklas, ze weten ook dat ik bij dat +spijbelen zoo heerlijk genoten heb, dat het mijn eenige geluk is geweest +tijdens deze schoolperiode, ze weten van mijn belknopexpedities, ze +weten haast alles, ook wat er nu nog volgt. + +En als ze die kunstjes van den meester nu nadoen? + +Met die vraag komen de bengels zelf ook altijd voor den dag. »En als wij +nu ook eens drie weken spijbelden?" + +Maar dan is mijn vast antwoord: »Dat doe jelui niet." + +»En als we het dan tóch eens deden?" + +»Jelui doet het niet." + +»Hoe weet u dat?" + +»Omdat je 't hier veel te goed hebt." + +Dan lachen de snaken, en er gaat een vriendschappelijk gejouw op: »Haha, +te goed!" + +»Ja zeker, veel te goed. Je hebt absoluut geen reden om te spijbelen. +En wil ik je nu nog wat anders zeggen? Als jullie meent, dat je hier +onbehoorlijk, hard of onrechtvaardig behandeld wordt, dan geef ik je +verlof om te spijbelen. Maar je dóét het niet. Daar ben ik wel zeker +van." + +»Jongens, ga je mee?" roept er een, en hij doet of hij vertrekken wil. +Maar halverwege keert hij lachende terug. »'k Zal maar hier blijven." + +»Dat wist ik wel." + +Wellicht vindt deze of gene onder mijn lezers die methode toch wel wat +gewaagd. Maar dan wil ik hem zeggen, dat je er wát een succes mee hebben +kunt. + +Zoo kwam er onlangs een oude man bij ons op school met zijn 12-jarigen +kleinzoon. Die jongen had het op een andere school erg verbruid, had +daar herhaaldelijk straf opgeloopen en gespijbeld, en nu--»of de meester +ook een plaatsje voor hem had." + +»Gespijbeld? Heb jij gespijbeld? Dan moet ik je net hebben. Want dat heb +ik ook in mijn jongensjaren gedaan en 't is mijn prettigste tijd +geweest." + +De jongen hief zijn zwarte oogen naar me op, zonder dat ik hem hiertoe +dwong--je hebt van die paedagogen (ook onder de agenten) die altijd de +slachtoffers _dwingen_ hen, beleefdheidshalve, aan te zien, maar door +hun gansche optreden de oogen dier misdadigers een anderen kant op +jagen--de jongen dan keek me gansch vrijwillig aan, en er was een +glinstering van vertrouwen in zijn donkere kijkers. + +»Zeker, ik heb ook gespijbeld. En daarom moet ik je juist hebben. Je mag +komen, hoor!" + +Grootvader keek verslagen. Hij dacht, dat hij met een krankzinnige te +doen had. Zoo ongewoon is zulken menschen de simpele gewoonheid. + +»Hij mag komen, Grootvader! Maar op één voorwaarde." + +Vier vragende oogen keken mij aan. + +»Dat hij dadelijk gaat spijbelen, als 't hem niet bevalt." + +Grootvader snapte het niet. Hij was al te veel verbasterd in deze wereld +van schijn, mooidoenerij, braafheidsvertoon, algemeene fatsoenhouderij. +Maar de jongen begreep me. Hij lachte. En pas had ik hem de hand ten +verbond toegestoken, of hij sloeg toe. Hij kwam op school, is een jaar +gebleven, en heeft _nooit_ aanleiding tot eenige klacht gegeven. + +Natuurlijk gun ik het succes hiervan ten volle aan zijn +klasseonderwijzer. Maar deze stoort zich ook al meer aan de paedagogiek +zijner levenservaring, dan aan de voorschriften der gezags-paedagogiek. +Hij volgt dus dezelfde methode als ik. Misschien moest ik zeggen: +Ik volg dezelfde methode als hij. Want ik geloof, dat ik in dit +opzicht heel wat van hem geleerd heb. De hoofdzaak echter is, dat +we dit succes te danken hadden aan de methode van--toe, geef eens +een mooien naam, liefst een Griekschen--de methode van.... +zondaar-met-den-zondaar-te-zijn. + + * * * * * + +Die methode komt in geen paedagogisch handboek voor, evenmin als +de sinaasappel-methode. Maar ik hoop, dat beide daar nog eens een +plaats krijgen. En daarom ga ik nu nog een van onze streken vertellen, +misschien wel een der ergste. Wie weet, of ook uit dit kwaad niet iets +goeds geboren wordt. + +Het is avond. De duisternis hangt reeds over het vunze grachtwater en +vult de nauwe ruimten tusschen de hooge huizenrijen, die men straten en +dwarsstraten noemt. Wij dwalen nog zoo'n beetje in die duisternis rond, +zoekend naar een genotsprikkel. Daar ligt ergens een keisteen los. We +halen hem uit het plaveisel. Of een paard nu misschien zijn poot in dat +kuiltje verzwikken kan, niemand denkt er aan. Met die kei kunnen wij wat +uitvoeren. + +Nu zoeken we einden touw in onze jongensschatten, opgehoopt in de +broekzakken. Die einden binden we aan elkaar. 't Wordt een touw van +behoorlijke lengte. Het eene eind wordt op stevige wijze om de kei +gebonden. + +Ginds staat de deur van een bovenwoning open. Wij er heen. Een van ons +trekt zijn schoenen uit, neemt de kei in zijn linkerarm, de schoenen +in de rechterhand, en sluipt op zijn kousen de trap op, naar 't +bovenportaal. Een ander heeft beneden het touw vastgehouden. + +De indringer staat doodsangsten uit. Want het is mogelijk, dat juist +op dit oogenblik daar boven een deur opengaat en een bewoner hem in de +gaten krijgt. Erger, het is ook mogelijk, dat nu juist een der bewoners +thuis komt, een pootige, ruwe kerel, en achter hem de trap oploopt. +Dan zit hij in de val. Want dan vraagt die kerel hem natuurlijk wat +hij daar te maken heeft, ontdekt den steen, heeft misschien de jongens +beneden al weggevloekt, en grijpt den binnensluiper in zijn nek.... + +O, die heerlijke doodsangsten! Wat heb ik er van genoten! Iedere zenuw +is in spanning! Elke seconde is een levensgevaar! + +Eenmaal hééft een kerel me zoo verrast. Maar niet gegrepen. Hij zag me +niet. Ik sloop als een schaduw de trap op, het portaal door, duwde me in +een donkeren hoek, plat tegen den muur, en de kerel liep me voorbij. Het +was om te bezwijken van heerlijkheid. Zulk een oogenblik is een hemel. +Het is bijna zoo zalig, als dat je op 't punt staat door de Indianen +gescalpeerd te worden en door de uiterste doodsverachting je leven redt. +Je bent een moment een van je meest benijde boekenhelden. + +Als de indringer zonder gevaar boven is gekomen, legt hij daar +behoedzaam den steen neer, sluipt weer naar omlaag, trekt zijn schoenen +aan, en houdt zich gereed. + +»Trek!" fluistert hij. + +De man aan het touw trekt en de steen dondert de traptreden af naar +beneden. Tegelijkertijd schreeuwt een der jongens een erbarmelijk +kindergeschrei uit. Je kunt niet anders denken, of er valt een kind van +de trap. Alle kamerdeuren vliegen open, alle vrouwen komen kijken. »Een +kind van de trap gevallen!" En ze tuimelen zelf haast de trap af, om de +eerste te zijn, die 't arme schaap opraapt. Want vrouwen van dat slag +mogen haar eigen kinderen verwaarloozen, bij een ongeluk zijn ze de +hulpvaardigheid zelf. + +Maar ze vinden niets dan malkaar en dat is reden genoeg om te blijven +staan en met nog eenige andere ook toegeschoten buurvrouwen te +overleggen, wat daar dan toch kan gebeurd zijn. Wij jongens, eerst +weggehold, met den steen, komen nu een voor een naderbij, steken ons +gezicht tusschen een paar jakken door, en informeeren belangstellend +naar het gevallen jongetje. En wij smullen daarbij van ons succes. Of +de vrouwen 't in de gaten krijgen? Een van haar roept tenminste: »za-je +opdondere, vuile flikkerkop!" En veiligheidshalve »dondere" wij op. + + * * * * * + +Ook deze jongensgrap heb ik vaak in kleuren en geuren aan mijn +leerlingen verteld. En dan zaten die te springen van plezier. De meisjes +niet. Die voelen over 't algemeen niet veel voor zulke min of meer +avontuurlijke streken. Maar de jongens. Hun oogen flikkerden. Nog meer +dan bij het overhooren der jaartallen. En niet een dacht er aan, of op +een dier bovenkamers misschien een doodziek kind, een stervende zieke +lag. En of die donderende steen wellicht een armen lijder had doen +opschrikken, die juist wat verademing beloofde te krijgen in een +rustigen slaap. Daarheen gingen hun gedachten niet, zoo min als die +van ons, jeugdige bedrijvers van die geneugten. We waren immers door +voorbeeld en lektuur ook in plagen opgevoed? + +Maar daarom, als mijn jongens volop genoten hadden van mijn vertellen, +liet ik hen critiek oefenen. Ik keerde dus het spelletje om. Niet +ik sprak afkeurend over hun ondeugendheden, maar ik liet hen al het +verkeerde aantoonen in mijn gedrag. En het was wonderlijk, hoe ze dan +gaandeweg van stemming en gezindheid veranderden. Eigenlijk was het +een gemeene streek, om die menschen zoo aan het schrikken te maken. +En ook gevaarlijk voor mogelijke zieken. Wie weet, of daar niet een +vrouw in de bitterste armoede op haar man, op haar zoon zat te wachten, +een woesten dronkaard. En hoe dan die arme vrouw, doodelijk verschrikt, +zou opspringen. Ach, er wordt in die kleine woningen zooveel ellende +geleden. Er is daar zooveel verterende smart. Dag aan dag, en nacht aan +nacht. Drank, armoede, ziekte, dood. + +Natuurlijk hielp ik mijn jonge veroordeelaars in het uitdenken van +toestanden, die onze grap tot een ernstig vergrijp maakten. En dan +bedachten we met elkaar, hoe je een beetje blijdschap kon brengen in +zulke vaak droevige gezinnen, hoe je misschien helpen kon. Ja, daar +waren wij ook wel toe bereid geweest. Maar men had het ons niet geleerd, +we waren er niet in geoefend. Bereid? 't Gebeurde nog al vaak in die +buurten, dat er een drie- of vierjarig kind zoek raakte. Die kinderen +speelden vrij op straat en dwaalden dan weg. Maar nauwelijks hoorden we +van een radelooze moeder dat ze haar kind »verloren" had, of we staakten +onmiddellijk het boeiendste spel en trokken in groepjes de straten +rond onder het eentonig-zangerig geroep van: »Wie hét er een ki----nd +gevonden, wie hét er een ki----nd gevonden," net zoo lang totdat het +verloren schaap terecht was. Hoe levendig herinner ik mij die droomerige +dwaaltochten, straat in straat uit, waarin we gehuld waren in de +atmosfeer van ons eigen weemoedig-melodisch geroep. Niemand dacht aan +opgeven. Ook wij waren verloren, verloren in dienstbetoon. Alleen nu en +dan hielden we stil, als een deelnemende vrouw vroeg: »Hoe oud is het, +jongens?"--Drie jaar.--»Nee, niet gezien, hoor!"--En dan trokken we weer +verder, aanstonds in de maat en de stemming van ons zingend vragen, dat +de open deuren en ramen ingolfde. Bereid? Ja, zeker waren we bereid. Men +verstond echter niet de kunst die bereidheid te exploiteeren. Zou dit +niet een der eerste opvoedingsplichten zijn? Leer uw kind, zichzelf te +helpen, en ook anderen. Dat leert men echter het best niet door preeken, +maar praktisch. Ga hen voor en neem ze mee. + +Mijn leerlingen waren intusschen hartelijk bereid, het vroegere gedrag +van hun meester af te keuren, en daarmee had die meester ze meteen in +zijn paedagogische val. Want je moogt van rechters, die zoo pas het +stelen veroordeeld hebben, toch niet verwachten, dat ze nu zelf op roof +uittrekken? + + * * * * * + +Ik hoop, dat mijn vreesachtige lezers, die zooveel gevaar duchten van +dat vertellen onzer kwajongensstreken, toch ook een weinig oog hebben +gekregen voor de gezegende vruchten er van. Men komt, in de eerste +plaats, daardoor zoo dicht, zoo heel dicht bij de kleine zondaars van +nu te staan. Zij voelen in u een van hun gelijken, vertrouwen u, durven +zich aan u geven--en komen dientengevolge te gemakkelijker onder uw hun +heil bedoelenden invloed. We weten het wel, Farizeesche ongereptheid is +heel mooi om aan te zien, bijna zoo mooi als een verlakte schoen, maar +de tranen van ons berouw glijden er langs af, dringen er niet in, vinden +er geen toegang. We voelen ons meer thuis bij den tollenaar, die in zijn +machtelooze veroordeeling van eigen ongerechtigheid alleen redding zocht +bij de genade der goddelijke liefde: + +»Heer, wees mij zondaar genadig." Wanneer kinderen in ons medezondaars +weten, is de afstand tusschen hen en ons wat kleiner. Ze laten zich in +ons los. + +Maar dan in de tweede plaats, kan men van eigen verleden een spiegel +maken, die niet alleen het kwade weerkaatst, maar ook de daaruit +voortvloeiende gevolgen. Men kan de kinderen oog doen krijgen voor +hetgeen het kind, en ook nog de mensch, in eigen handelingen bijna nooit +ziet: de noodlottige gevolgen, vonnissend de onschuldig schijnende +daad. Dat kan nu ook wel in een of ander verhaal, maar het verhaal +van meesters eigen leven is zooveel aangrijpender, juist omdat het +hém betreft. Alle kinderen hooren graag vader en moeder van eigen +jeugd verhalen, hoe die geëerbiedigde volwassenen zich als kinderen +vertoonden. En ik heb het bijgewoond, hoe kinderen medelijden hadden +met dat arme jongetje, dat zoo strijden moest om eigen kwaad te +overwinnen en er telkens weer in verviel, en dat nu hun vader was. + +Wie zich aan zijn kinderen durft geven, gehéél, doch met de heilige +bedoeling om dit als een offer te brengen tot hun heil, hij zal ervaren +hoe dit offer, wel verre van tot navolging der verkeerde daden te +prikkelen, een zegenende ernst in hen ontwikkelt, een vroegen strijd, +een--mogen we hopen--tijdige zege. + +Dan mag er--we zijn immers onder kinderen--wel eens een vroolijken toon +in ons verhaal klinken, dan mag er wel eens een luid gelach uitbarsten, +mits de ondertoon ernst is en het doel wordt beoogd: het geslacht van +nu, zoo mogelijk, te bewaren voor de zonden van het vroegere. + + + + +NÓG STRAATJONGEN. + + +Waarom--zoo vragen vaak ouders--waarom glijdt die jongen nu liever langs +de leuning van de trap naar beneden, in plaats dat hij, evenals wij, +netjes over de treden loopt. Dit laatste is toch zooveel veiliger. + +Ik denk, dat die jongen, behalve om het glijgenot, de leuning juist +kiest omdat zij een beetje _on_veiliger is. + +Kinderen _zoeken_ moeilijkheden. + +Langs uw trap zijn twee wegen. Den eenen volgt gij. 't Is de breede, +gemakkelijke, met loopers geplaveide weg tusschen beide leuningen. De +andere bestaat uit de kleine puntjes der treden, die nog even buiten de +leuning uitsteken. 't Is de uiterst smalle weg, die voortdurend boven +den afgrond van den hal hangt. En dien volgt hij. Daarbij zet hij zijn +voeten dwars, houdt met één hand de leuning vast, laat zich half boven +de diepte zweven, en slingert zich, boven gekomen, met vlugge beweging, +op den heirweg, door u gevolgd. + +Dat is een zeer duidelijk uitgesproken verschil van voorkeur. + +Gij vraagt, waaróm die jongen zoo dwaas is, zich moedwillig in 't gevaar +te begeven, en denkt er niet aan, hoeveel kostelijke krachtsontwikkeling +ge hem beneemt, als ge hem dezen moedwil verbiedt. Hoe zal de jongen, +te midden van zijn geriefelijke omgeving, een beetje leeren durven en +wagen, als hij er niet op eigen gelegenheid wat ongerief mag scheppen? + +Men beschuldigt in zulke gevallen de kinderen aanstonds van +onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid en ranselt er dan die twee ondeugden +uit. 't Is verkeerde paedagogiek. Men ranselt er op die manier een +natuurlijken opvoedingsfaktor uit, slaat dien tenminste voor een poosje +lam. De onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid is een ademen der zedelijke +natuur, 't is het uitslaan der vleugelen, 't is het uitgroeien der +ethische krachten van moed en zelfvertrouwen, 't is het overwinnen van +onmisbare zwarigheden, en daardoor het winnen in willen en kunnen. + +Bekijk de zaak eens van dezen kant, en gij zult begrijpen, waarom die +jongen liever op de tuinschutting zit dan op de tuinbank--ongeacht het +wel wat smalle zitvlak van die tuinschutting; waarom hij zoo graag door +het dakvenster klautert en liefst tegen de pannen op dan nog naar de +vorst van het dak; waarom hij buiten zoo onweerstaanbaar door slooten +wordt aangetrokken en als door een magnetische kracht wordt gedwongen +daarover te springen; waarom hij, met zijn kameraad op de wandeling, +zeker tienmaal, indien niet twintigmaal, vraagt: durf jij dat? en--als +er maar geen ouders bij zijn--dan bij ieder kwestieus geval net zoo lang +draalt en zich opwindt tot hij gedurfd heeft. + +Gij zegt, dat hij aan zijn kleeren moet denken en aan alle mogelijke +ongelukken. Hij denkt aan niets dan aan het lokkende gevaar en aan de +zalige zege. + +Toe, bekijk de zaak eens van dezen kant en vraag dan uzelf af, bij welke +partij de ware opvoeding werkt: bij de officiëele opvoeders of bij het +brutale, onnadenkende kind, bij de verlammende leiding of bij de +stalende zelfstandigheid. + + * * * * * + +Voor ons huis was een houten brug met een ijzeren leuning. Hoe dikwijls +liepen wij jongens, een heel rijtje achter elkaar, langs den buitenkant +der leuning. Ik voel dat ronde ijzer nog en aan het einde den +bolvormigen knop. Ik zie nog het vuile water onder ons. En ik herinner +me nog den even voorzichtigen als sierlijken zwaai, waarmee we om den +eindknop heen weer op de straat terecht kwamen. + +Zeker, als ik het nu van kinderen zag, ik zou mijn hart vasthouden, maar +nooit is er bij die kunsten een jongen te water gevallen, zelfs niet +als we, verstoken van alle gymnastiekwerktuigen, de ronde leuningen als +rekstok gebruikten om er ons borstwaarts of ruggelings over te trekken. +Er waren jongens, die, waar ergens een brugleuning van hout was met een +plat bovenvlak, daar overheen liepen. Eén zwenking naar links, en ze +tuimelden in het diepe water. Maar ze liepen met geconcentreerde + +zekerheid de heele leuning af, om dan aan het eind met een prachtigen +sprong weer op den vlakken grond te komen. Wie het niet durfde, stond +het bewonderend aan te staren. + +Eén heldendaad van dien aard herinner ik me van mezelf. Er stond eens +een vrij hooge stapel roode baksteenen opgetast aan den waterkant +dicht bij ons huis. Dat zag men toen meer: de openbare weg deed bij de +bouwerij nog al eens dienst als stapelplaats van materialen. Nu was er +tusschen dien hoogen steenstapel en den waterkant natuurlijk een reepje +weg onbedekt gebleven, een paadje dus achter den steenenmuur en vlak +langs het water, een paadje waar een paar muizen konden wandelen, +misschien ook een kat, maar stellig geen hond, en dat alzoo nu juist +niet bepaald voor jongens was opengelaten. Daar kon geen kind langs. +Reden te meer om het te willen. + +»Durf jij daar langs?" + +Nauwelijks was de vraag gedaan, of het paadje begon te trekken. Eerst +trok het je oogen en die maten met een enkelen blik de breedte--smaller +dan je voet--en de lengte--een meter of drie. Toen trok het je +linkervoet. Die moest noodzakelijk even om het hoekje heen, den neus +van je schoen rechthoekig tegen de steenen. Dat ging. Op je teenen en +de voorhelft van je voet kon je er staan. En als je je voet dwars tegen +de steenen drukte, met zijn binnenzij tegen den muur, dan kon hij er +heelemaal op. Nu trok het je linker arm. Die strekte zich uit en legde +zich, met uitgespreide vingers, vlak tegen den stapel. Je hand ging +werken als een zuignapje. Hij zoog zich als aan de steenen vast. Pas +op, het paadje trok je linkerbeen, je linkerzij, het trok je borst--je +drukte die plat tegen de steenen--je rechterbeen moest volgen, dan je +rechter arm, en je schoof, met uitgespreide armen, als een schaduw langs +den steenenmuur. Hoe kón het? Dat weet ik niet, maar het kón. + +Voetje voor voetje ging het schuivende verder. Eenmaal begonnen, was +er aan teruggaan geen denken meer. De makkers keken ademloos toe. De +menschen aan den overkant spraken er zeker schande van: »zulk tuig!" Ik +zag niets, hoorde niets, dacht aan niets, wist alleen dat ik, klevende +aan de steenen, moest voortschuiven. En ik schoof voort. Mijn leven hing +af van een oogenblik aarzeling of twijfel. Mijn leven en mijn triomf. +Ach, mijn hemel, het was alleronzinnigst. Maar waarom vertelde men +ons dan ook de geschiedenis van De Ruyter? Ik had geen toren om te +beklimmen. Moest ik dan de bevende heerlijkheid van het gevaar niet +achter die steenen zoeken? + +Ik kwam er. Even behoedzaam tastende als de tocht begonnen was, werd hij +geëindigd. Geen roekeloosheid op het laatste moment. De linkerarm boog +eerst om, de schouder volgde--maar reeds grepen de makkers dien arm beet +en ik stond weer in hun midden. Doodstil. Zij juichten. Ik zweeg. Want +als je wezenlijk verdienste hebt, met uiterste inspanning veroverd, dan +bluf je niet. Dan ben je moe en stil. + +Een tweeden keer heb ik dien tocht niet gedurfd. Toen trok ook het +smalle randje niet meer. Het had zijn bekoring verloren, gelijk de +jonkvrouw in Schillers ballade van »De handschoen". En geen der +kameraden volgde me na. Er zijn heldendaden, voor enkelen weggelegd, +en die deze ook maar éénmaal in hun leven kunnen volvoeren. + +Natuurlijk begrijpen de menschen niets van wat er omgaat in zoo'n +jongen. Ze vinden het domme waaghalzerij en koelen hun angst voor zijn +gevaar met scheldwoorden, pakken slaag, naar huis en naar bed. Daar is +de bengel dan vooreerst weer veilig en kon hij over zijn zonden +nadenken. + +Op dat nadenken moeten de opvoeders echter nooit veel rekenen. Het +bed is geen plaats voor zulke berouwvolle overpeinzingen. Daar, als +waarschijnlijk in elke andere gevangenis, lig je te fantaseeren. Je +ziet alles nog eens levendig voor je. Je geniet van nieuwe gevaren. +Je klimt en klautert langs onmogelijke wanden. Je bent er veilig, nu +ja, maar nadenken? Op grond mijner jeugdervaringen ben ik een overtuigd +tegenstander van de celstraf. Ik geloof alleen in de verbeteringskracht +van goed gezelschap en lustwekkenden arbeid. + + * * * * * + +Hoe weinig ik in zulke waaghalzerijen kwaad zag, blijkt wel uit het +volgende. + +Ik had een nieuw zondagspak gekregen. Dat was heusch een weelde, die +niet ieder jaar voorkwam. Met je moeder naar den winkel gaan, daar +verschillende pakken bekijken en passen, eindelijk dat eene mooie te +krijgen, juist dat eene waar je al je hart op gezet had, en dit dan den +eerstvolgenden zondagmorgen te mogen aantrekken en er de straat mee te +mogen opgaan, neen, dat was heusch geen kleinigheid, dat was een reeks +zeldzame genietingen, zooals in ons kinderleven wel eens één keer in de +drie jaar voorkwam; meestal werden onze kleeren gemaakt uit die der +oudere jongens. + +Het was dus een unicum, voor mijn ouders een groot geldelijk offer, en +toen ik den eersten zondagmorgen den besten in het nieuwe pak uitging, +liep Moeder mee tot aan de winkeldeur, tot op de stoep. + +»Zal je er goed op passen, Jan?" + +»Ja Moe!" + +»Zal je er erg voorzichtig mee zijn?" + +»Ja Moe!" + +Ik stapte de gracht op, ging mijn vrindjes halen, liep niet als een +gewoon kind, maar als een drager van nieuwe kleeren. Ik keek nog eens +om. Moeder stond me nog met gelukkige, streelende oogen na te kijken. +Ze moest er van genieten, hoe 't me stond als ik op straat liep, en hoe +netjes haar jongen er uitzag. Ook voor haar was 't een weelde en een +zeldzaam genot. + +Met mijn vrindjes ging ik naar buiten. In de stad wandelden we +nooit. Altijd naar buiten, naar de slooten, naar de balken bij den +houtzaagmolen, naar de tuinschuttingen, naar de wilgen. Er moest water, +groen en klimbaarheid zijn. En dat had je in de straten niet. + +Eerst bewonderden de vrindjes natuurlijk het mooie pak, maar dat was +gauw gedaan. Jongens vinden het wel een ellende met vermaakte kleeren +te worden op straat gestuurd, en ze zijn wel grootsch op een nieuw pak, +maar die ellende en die grootschheid duren beide gewoonlijk heel kort. +Zoodra de kameraden hun schimp of hun lof hebben geuit, is 't gedaan met +de macht der lichaamsbedekselen. Dan dénken de jongens eenvoudig niet +meer aan hun kleeren--zoo heel anders dan meisjes--en voelen ze als +lagen huid, die zich zoo gauw mogelijk moeten schikken naar de +bewegingen van het lichaam. + +Zoo ging het ook mij op dien Zondagmorgen. Mijn nieuw pak werkte al niet +meer, toen we nog maar even buiten de poort waren, en het sprong net zoo +gemoedelijk mee over de balken in de sloot als mijn oude plunje. Het +schikte zich wonderwel in de manieren en plezieren van zijn eigenaar. +Zelfs klom het al mee in een boom. + +Er stond ergens aan den slootkant een knotwilg, die half over het water +hing. Nu konden we reeds op drie manieren op het weiland komen: over het +hek op den dam klimmen, over de balken in 't water loopen, of ineens +over de sloot springen. Dat was voor een gewoon mensch al variatie +genoeg, zoolang er echter niet een schuine knotwilg bij kwam. Maar +nauwelijks had die al de bekoorlijkheden, waarover zijn uitgeteerde +ouderdom nog te beschikken had, voor ons uitgespreid, of wij bezweken. +We moesten in dat oud stuk stam klauteren, op den kruin staan, de takken +wegschuiven, en dan over 't water op 't weiland springen. Die weg was +veel moeilijker dan een der andere drie, en dus veel aangenamer. We +genoten er wel tienmaal van, ook al kraakte soms een halfrotte rand van +den hollen bast onder onzen voet. De zorg voor mijn nieuwe kleeren +bepaalde zich hiertoe, dat ik telkens na een sprong broek en kiel met de +hand netjes afveegde, omdat ze wat groen of vuil waren geworden van den +ouden wilg, en hun rimpels daarna mooi wegtrok, rimpels van 't klimmen. +Overigens kan ik met volle eerlijkheid verzekeren, dat ik mijn nieuwe +kleeren totaal vergat. + +Men versta dat toch goed. Ik zeg niet, dat ik ze moedwillig +verwaarloosde, dat ik ze niet achtte, maar ik vergat ze. Ze bestonden +niet meer voor me. De boom, de kruin, de takken, de sprong--die +leefden en heerschten. Al dat andere was weggezonken, zooals men dat +tegenwoordig met naïeven verklaringswaan uitdrukt: onder den »drempel +van het bewustzijn". + +Mijn vader had echter weer een anderen drempel. Hoe de man, tot mijn en +zijn eigen rampzaligheid, daar nu juist op dat buitenpad moest wandelen, +juist op dien Zondagmorgen, ik weet het niet. Maar hij liep er, en nog +eer ik hem in de gaten had, had hij mij gezien, klimmende en springende. +Zijn buitengenot en landelijke rust zonken onder zijn bewustzijnsdrempel +weg en daarboven op sprong, met tergende sprongen, zijn jongen in het +nieuwe pak. Een oogenblik nog, en hij had die jongen in zijn nek +genomen, een paar driftige kletsen om den kop gegeven, en naar huis +gejaagd. + +'t Was voor dien jongen een doodschrik en een grievende krenking. Hij +liep naar huis, op eenige meters gevolgd door zijn vader. Voor beiden +was het genoegen van dien Zondagmorgen weg. Maar in die jongensziel +ontkiemde, onzichtbaar voor hemzelf, de zekerheid, dat vaders domkoppen +zijn. En hij hield op dat oogenblik meer van dien stommen, ouden +knotwilg, dan van zijn vader. + + * * * * * + +Het is hard om te zeggen, maar vaders zijn vaak domkoppen. Ze +verstaan hun kinderen niet. Als ze zich de moeite eens wilden geven, +naar hun kinderen te zien en naar hun uitingen te luisteren, eens +heel oprecht met hen te praten, dan zou waarschijnlijk hun houding +tegenover dat jonge goed heel anders zijn. Maar neen, ze volgen +alleen hun eigen opwellingen van wrevel, ergernis, woede over allerlei +recht kinderlijke »overtredingen" en schelden of slaan er dan maar op +los. Daarmee vervreemden ze hun kinderen wel niet van ze--de band des +bloeds is taai--maar ze bederven toch zooveel jeugdgenot en zooveel +huiselijke vreugde. Wel, dat kon zoo gansch anders, en met veel meer +gehoorzaamheid dan nu morrende gehuicheld wordt. Wanneer ik hier geen +jeugdherinneringen schreef, maar degelijke paedagogiek, zou ik over de +vaderzonden een hoogst leerzaam hoofdstuk kunnen schrijven. Misschien +maak ik er nog een boek over en dat zal dan het beste paedagogische +handboek zijn van de wereld, want het begint de opvoeding bij de +opvoeders, en die hebben de verbetering het hardste noodig. Maar ik +schrijf slechts ijdele jeugdherinneringen, laat dus de domheid der +vaders onverbeterd, en ga voort met een stukje verregaand brutale +heerlijkheid. + +We lazen destijds veel indianenboeken en daarvan was het gevolg, dat +we ook speelden van »Blanken en roodhuiden". We verdeelden ons in twee +partijen. Doch nu waren we niet tevreden met een simpel spelletje in +de straat, neen, het moest echt wezen, zoo echt mogelijk, er moest een +woud bij te pas komen, een wildernis, en dan oplichting, gevangenneming, +bevrijding. Er moest eenzaamheid bij wezen, spoorzoekerij, sluipen, +geheime teekens, vogeltaal. We moesten de volle ontroering genieten van +het echte woudloopersleven, en nu zouden we geen jongens geweest zijn, +als we ons dat niet hadden weten te verschaffen, ondanks al de +tegenwerking van straatsteenen, huizen en volwassenen. + +Om te beginnen verdeelden we ons in twee partijen, maar die verdeeling +gold niet voor één avond, doch voor altijd. Wie eenmaal een roodhuid +was, bleef een roodhuid, en dat bleef hij overal, op straat, in huis, +op school, in de stad, buiten, Zondag en in de week. Zoo veranderde een +blanke ook niet van huidkleur en van vijand. En nu was de afspraak, dat +je, overal waar er slechts kans toe was, je vijand bestookte, besloop, +gevangen nam. + +Dat gaf aanleiding tot een voortdurende spanning. Nooit liep je op +straat, of waakzaam loerde je rond. Was je als blanke alleen en kwamen +er drie roodhuiden aan, dan maakte je tijdig dat je wegkwam, eer ze +je te pakken kregen. De gang van school naar huis was weken of maanden +achtereen een onafgebroken gevaar, en deed je boodschappen voor je vader +of moeder, was dan maar dubbel op je hoede, want de vijand stoorde zich +aan niets, vond je met je boodschappenmandje een te welkomer prooi en +sleepte je naar buiten, naar een plantsoentje, waar je »dicht in 't +woud" aan een boom werd vastgebonden. Vader of moeder mochten op de +boodschap wachten, angstig worden, naar je uitzien--dat alles maakte de +zaak »echter" en dus het genot grooter. 't Mocht geen komedievertooning +wezen, maar 't moest echte werkelijkheid zijn met echte ellenden. + +Nog zie ik me op een zomernamiddag in mijn eentje door de buurt dwalen, +dan naar 't plantsoentje gaan tusschen Raam- en Zaagpoort, en daar +zoo gauw mogelijk een boschje binnensluipen, op den heelen weg steeds +rondziend en zooveel mogelijk ongezien blijvend. De avond valt reeds, +'t begint althans te schemeren. Nergens bespeur ik onraad, maar ook +nergens een teeken dat er vrienden in den omtrek zijn. Nauwlettend +bekijk ik den grond, of de voetstappen iets te zeggen hebben. Luister, +klonk daar niet het geroep van den koekoek? Dat is het teeken van de +blanke jagers, waarbij ook ik behoor. Doodstil blijf ik staan en wacht. +Opnieuw klinkt het: koekoek, koekoek, koekoek, driemaal. Is het de roep, +wellicht de noodkreet van een blanke? Of de lokstem van een roodhuid, +die aldus een verdoold jager in den strik wil lokken? Nu is de uiterste +voorzichtigheid plicht. Mijn ooren richten zich naar alle zijden, vangen +ieder geluid op. Men kon mij van verre omsingelen, zonder dat ik 't +merkte. Maar geen verdacht geluid waarschuwt. Ik sluip dus verder in +de richting van de telkens herhaalde koekoeksroepen. 't Is wel wat +ongewoon, in dit plantsoentje een koekoek te hooren. Die komen anders +niet onder de rook van de hoofdstad. Maar die ongewoonheid geldt alleen +voor eerzame burgers en voor den boschwachter. Wij weten hier van geen +hoofdstad, we zwerven in de wildernis van het verre westen. En daar +klinken nog wel andere geluiden. + +Naarmate ik de roepstem nader, meen ik er de stem van een vriend in +te herkennen. Nu dient alles gewaagd. Toch laat ik me niet verleiden +tot roekeloosheid. Onder voortdurende bedekking, vaak liggende, soms +kruipende, tracht ik me tegen een overval te vrijwaren, totdat ik +eindelijk, in de eenzaamheid van het woud, een makker vind, inderdaad +vastgebonden aan een boom. Ik snel er heen, trek mijn zakmes, snijd +hem los en vlucht met den geredde zoo spoedig mogelijk weg van de +gevaarlijke plek. Eerst als we ons buiten gevaar weten, vertelt hij mij +zijn wedervaren. + +Hij moest voor zijn moeder een boodschap doen. »Gauw terugkomen," had +moeder gezegd. Toen, argeloos door de straat loopend, was hij door een +paar roodhuiden gegrepen. Die hadden hem hierheen gesleurd. Al zijn +gekerm mocht niet baten. Ze verstonden zijn woorden niet eens. In hun +ijzeren vuisten gekneld hadden ze hem geblinddoekt, langs allerlei +sluipwegen gevoerd, hem midden in 't bosch van al zijn bezittingen +beroofd, ook van het geld voor zijn boodschap, en tenslotte +vastgebonden. Stellig zouden ze hem den volgenden dag onder een woesten +krijgsdans verbrand hebben, als ik hem niet tijdig had gered. + +In de handen van welk opperhoofd hij gevallen was? Hij wist het niet, +maar hij vermoedde van De Witte Arend, want die was den laatsten tijd +erg in de weer. In zijn stam scheen een feest op til te zijn, en daartoe +had men gevangenen noodig, om met hun lichaamspijnen, doodsangsten en +gebraden spieren het feest op te luisteren. Goddank, dat de ongelukkige +nog bijtijds aan deze onderscheiding ontsnapt was. + +Samen gaan we naar huis, plannen beramend van wraak. We moeten zien, +dat we De Witte Arend zelf gevangen nemen om hem alleen tegen een +hoogen losprijs weer vrij te laten. We zullen al de blanke jagers in +een vergadering bijeenroepen, om een gezamenlijken rooftocht tegen +den ellendigen roodhuid te ondernemen. Kunnen we hem niet een zijner +geliefdste vrouwen ontrooven--de ellendeling had onschuldige zusjes, +die daarvoor in aanmerking konden komen--en hem dan noodzaken tot een +vernederende onderwerping? Of tijdens zijn afwezigheid de wigwams in +vlammen doen opgaan? + +Hoe het zij, een gevoelige wraak moest volgen. Hiervan waren we zeker. +En intusschen waren we innig gelukkig, dat we dezen avond weer zoo'n +levensgevaarlijk avontuur hadden genoten. Al was De Witte Arend +ook nog zoo'n ellendige roodhuid, voor geen goud, voor onze heele +maatschappelijke toekomst zouden we hem niet hebben willen missen. +Niet hebben kunnen missen. + +Wat was onze vale buurt, wat ons dreinig schoolleven zonder De Witte +Arend? + + * * * * * + +Maar die moeder nu, die op haar boodschap wachtte? En dat geld? + +Nu herhaal ik, wat ik reeds vroeger zei: in haar ontving de wereld der +volwassenen haar trekken thuis. Deze maaide, wat zij gezaaid had. + +Wie hadden indianen-boeken geschreven, gedrukt, verkocht? Toch immers +niet de kinderen? Wie verdienden er hun brood en misschien zelfs een +kapitaal mee? Toch immers niet de straatjongens? Wie kocht ze voor ons, +leende of schonk ze ons, wie liet ze ons lezen? Waren het de volwassenen +niet? Wat deden ze om ons andere lektuur te bezorgen, ons in andere +lektuur smaak te doen vinden, ons door betere lektuur op te voeden? Ze +lieten ons gaan, of--erger!--deelden onleesbare traktaatjes uit, hetgeen +daarom erger is, omdat het de kinderen van het daarin aangeboden goede +vervreemdt. + +De volwassenen lieten ons gaan, zooals het tegenwoordig nog bij de +meerderheid het geval is. Zij lieten ons doortrekken van indianen-zeden, +d. w. z. zeden à la Aimard of Cooper. En als die zeden nu in ons +begonnen te werken, aan wie dan de schuld? Wij konden het toch waarlijk +niet helpen, dat we bij onze verbeelding moesten leven, dat we de +romantiek tot werkelijkheid maakten. Dat lag zoo in onze kindernatuur. +Maar wie had die verbeelding eerst vergiftigd, wie die romantiek aldus +in onze fantasie gevoerd? + +Het is met die brave volwassenen zoo wonderbaar. Eerst gaan ze de +kinderen in 't vloeken voor, en als dan een kind ook verdomme zegt, +ranselen ze dat kind af. Eerst steken ze hun sigaar op, en als dan het +kind ook een sigaretje wil genieten, bestraffen ze het met strenge +woorden, doorrookt van pas geofferde tabak. Eerst omgeven ze het kind +met een wereld van drinken, rooken, vloeken, onreine scherts, en als dan +het kind de gevolgen hiervan openbaart, verbeteren die volwassenen nóg +niet zichzelf, maar gaan ze in een soort opvoedingsangst het kind te +lijf. + +Toen ik jongen was kon ik nooit de standjes en pakken slaag begrijpen, +die we met onze toch zoo natuurlijke spelletjes opdeden. En om de +waarheid te zeggen, nu ik al de vijftig voorbij ben, kan ik ze nog +niet begrijpen, in den zin van: rechtvaardigen. Natuurlijk begrijp ik +wel, hoe gemakzuchtige en genotzuchtige volwassenen liever kinderen +afranselen dan zichzelf verbeteren. Maar ik begrijp niet, hoe ze daarvan +eenig heil verwachten, ik begrijp hun domheid niet. De zaak is toch zoo +eenvoudig: »Wie wind zaait, zal storm oogsten." En wie zijn akker braak +laat liggen, moet zich niet verwonderen als daarop het onkruid tiert, +waarvan de zaden overal rondzweven en neervallen. + +Die moeder, die op haar boodschap wachtte en noch boodschap, noch geld +zag, had zeker recht om woedend te wezen. Maar op zichzelf. Ik vrees +echter, dat ze niettemin op den rug van haar jongen die woede gekoeld +heeft. Zoo zijn wij, opvoeders. Sterk--in de correctie. Waarbij dan de +slagen vallen op de slachtoffers onzer nalatigheid. + +We verwaarloozen eerst. En dan maar straffen. + + + + +KINDERKERK EN ZONDAGSSCHOOL. + + +De kleintjes zaten in de voorste rijen, en naargelang je ouder en +grooter werd, schoof je naar achteren. + +Ik heb een idee, dat ik als kleintje van zes jaar ook op de eerste bank +heb gezeten, dat ik gaandeweg in 't midden kwam, en geleidelijk de +laatste banken bereikte. + +'t Waren gewone banken zonder leuning, op drie pooten. Een heele rij +achter elkaar. En vóór dit bankenregiment stond als kommandant een +catheder, hoog boven de lage, platte banken uit, een generaal te paard +voor zijn soldaten. + +We zaten daar 's Zondagsmorgens, heel stil, het petje in de handen, dat +soms in de rondte begon te draaien, de ronde band tusschen de kleine +vingertjes door, en dan weer vermoeid tusschen die vingertjes neerhing, +of ook, plotseling, tusschen de vingertopjes uitviel op den grond. Die +vingertopjes werden dan wat suf van het aldoor vasthouden en lieten het +petje los, zonder dat ze het zelf wisten. Ze moesten onophoudelijk aan +het petje denken, en konden daardoor niet zoo goed luisteren naar den +meneer in den catheder. + +Daarbij kwam nog, dat het eene handje ook twee halfjes moest bewaren, +een voor het zakje en een voor het negertje. Het zakje ging rond en +vroeg voor de armen, het negertje stond op een tafel en vroeg voor de +heidenen. Die halfjes werden zoo heet in je kleine, vochtige handpalmen, +maar je moest ze ook goed verstoppen in de dichtgeknepen handjes. +Een halfje op straat verliezen, was een jammer van groote beteekenis. +Broekzakken hadden de kleine jongetjes nog niet. En daarom waren de +halfjes alleen maar veilig in den heeten oven van hun kleine brandende +handjes. Het was een heele verlossing, als ze daaruit weg mochten, +vochtig warm in het zwarte zakje of in het hoofd van 't metalen +negertje, dat ook voor de kleinste gave dankbaar knikte. + +Zoo hebben we daar gezeten, Zondag aan Zondag, telkens van 10 tot +12 uur, dus twee uur achtereen, in een klein, laag, benauwd +lokaal--hetzelfde, waar we in de week bewaarschool hadden bij juffrouw +Fietje. En dan gingen we er 's middags nog een uur ter Zondagsschool. +Ik denk, dat het niet gezond was. + +Nu, uit de verte gezien, vraag ik me af, wat de bekoorlijkheid van +die uren was, want bekoorlijk waren ze. En dan denk ik allereerst aan +het schoone, blauw-gestreepte katoenen kieltje, met het witte kraagje +er in geregen, en het witte linnen broekje met korte pijpjes. Moeder +had die alle gewasschen en gestreken en het was een heel genot, daar +'s Zondagsmorgens in gestoken te worden als jongetje van zes, zeven, +acht jaar, en er dan mee naar de kinderkerk te wandelen. Daar was iets +voornaams, iets deftigs in. Je liep, stijf gestreken ventje, blinkend +figuurtje, de halfjes in de linkerhand, netjes over de kleine steentjes. +In heel je kleine lichaampje werkte nog Moeders waarschuwing, om toch +vooral je goed niet vuil te maken. En de strakke voornaamheid van je +glanzende kleertjes deelde zich aan den drager mee. De weg van huis naar +de kinderkerk, nauwelijks drie minuten, was kort genoeg om ons buiten +alle verleidingen te houden. + +Maar behalve die ijdele uitwendigheden oefenden nog andere factoren hun +invloed uit. + + * * * * * + +Hebt u nooit eens gehoord van meneer Beekman en meneer Seeze? Nu, ge +ziet, ik ken hun namen nog, en ze dateeren toch uit het Germanentijdperk +van mijn levensgeschiedenis. + +De eerste was klein en vriendelijk. Zijn oogen en zijn mond glimlachten +ieder kind een onuitgesproken welkom toe. Een zachte, vriendelijke man. + +De tweede was lang en statig. Maar ook vriendelijk, schoon op een andere +manier. Hij glimlachte niet, maar groette beleefd. + +De eerste trok meer dan de tweede. Voor den eerste zou je gauwer +je zonden belijden. Heel zijn houding, heel zijn gelaat was een +uitnoodiging: Vertrouw me maar, want je ziet wel, dat ik veel van je +houd. Wanneer ik nu aan hem denk, valt mij het lied van Moody en Sanky +in: »Kom tot uw Heiland, toef langer niet." + +Een man, wiens heele persoonlijkheid een uitnoodiging is van zúlk een +kracht en van zúlk een aard, nu, dat is een geboren opvoeder, al is hij +maar een zondagsschoolmeneer en van zijn vak koekbakker. Want dat was +hij. + +Is het niet eigenaardig, dat ik zijn vak wist, en dat van zijn +medewerker niet? Dat is voor mij een bewijs, hoeveel dichter hij bij de +kinderen stond. De ander was een ernstige verschijning, maar loste zich +op in de nevelen van vormlijkheid en deftige statelijkheid. Meneer +Beekman kwam uit de nevelen zijner predikatie hoe langer hoe dichter +bij je en werd daardoor hoe langer hoe concreter. Je liep aan zijn hand +vertrouwend mee. Voor den ander zette je, op een afstand, eerbiedig je +petje af. We wisten ook precies, waar meneer Beekman woonde, en ik weet +het nog. Maar de ander woonde »ergens". Eigenlijk dacht niemand er aan, +of hij woonde. Hij verscheen en verdween. Zijn kleine, glimlachende +medewerker verscheen en bleef, bleef ook als hij weg was. + +Van meneer S. wist ik niets geen kwaad, o neen, gansch niet. Hij was +stellig een brave man, maar hij bleef buiten de kindersfeer. Dat zie ik +nu zoo duidelijk. En die vriendelijke kleine was er dadelijk in, reeds +als je hem bij 't binnenkomen een hand gaf, ja nog vroeger: als je hem +bij 't binnenkomen zag. + +Kinderen voelen je. Ze voelen je echtheid. Ze voelen je genegenheid. Ze +voelen, of je hand ze verwelkomt of dat het evengoed een handschoen had +kunnen zijn. + +Welnu, behalve mijn schoon gewasschen en stijf gestreken zondagspakje, +was ook meneer Beekman een stuk bekoorlijkheid van de kinderkerk. En +daaruit kan nu iedere onderwijzer en iedere zondagsschoolmeneer en +iedere dominé zien, hoeveel er van hem afhangt, van hem persoonlijk. Het +mooiste gebouw en de geriefelijkste lokaliteit kunnen weerzinwekkend +worden, door een mensch. En zoo'n armelijke, ouderwetsche +bewaarschoolschaapskooi kan door één man zoo aantrekkelijk worden, dat +een vrijheidlievend, speel- en zwerfgraag stuk straatjongen er week aan +week zijn kostelijken zondagmorgen wil doorbrengen, terwijl buiten alles +lokt en bloeit. + +Eén mensch. En nog wel een onbestudeerd mensch. Een koekbakker. +Maar--een kindervriend! + +Dat was het heele geheim. De man kwam daar niet, om zichzelf te hooren +preeken, maar omdat hij de kinderen zoo lief had. In die liefde zat zijn +beste preek. + + * * * * * + +En of ik nu nog iets weet van zijn eigenlijke preeken? + +Niets. + +Dus daaruit blijkt, dat hij die net zoo goed had kunnen nalaten? + +Dat durf ik nog niet zoo aanstonds te zeggen. + +Op een weiland staan millioenen grasjes en als je die stuk voor stuk +vroeg naar wat ze zich nog herinneren van alle regenbuitjes in 't vroege +voorjaar, zouden ze daarvan niets meer weten te vertellen. En toch is al +dat water niet langs hun gladde lijfjes nutteloos weggevloeid. Ze zijn +er van gegroeid. Ze herinneren zich niets meer, maar niettemin is het +vergetene in ze. 't Is een deel van hun leven geworden. Is dat niet de +beste herinnering? + +Wat weet ge, aan feiten, nog van de dagelijksche moederzorg, waaronder +ge groot zijt geworden? Wat weet ge van al de ernstige woorden, door +ouders en meesters tot u gesproken? We zeggen het zoo licht, dat al die +woorden langs ons weggedropen zijn. Maar ik heb een vermoeden, dat ze +ons toch hebben gedrenkt. + +Ga ik mijn jeugd na, dan herinner ik me alleen de bizondere voorvallen, +maar van de gewone, dagelijksche invloeden heb ik alleen een stemming +bewaard. En nu zou ik uit de stemming, die aan de kinderkerk verbonden +is gebleven, een heel stuk opvoedende kracht durven afleiden. Zooals een +kenner der oudheid uit enkele brokstukken marmer een geheelen Griekschen +tempel reconstrueert, zou ik een heelen zondagmorgen kunnen schetsen. +Daar was dan geen enkel geconstateerd feit in, en toch zou de heele +schets waarheid kunnen zijn. + +Uit het geheugen geraakte invloeden zijn daarom niet verloren. Ze zijn +omgezet in geestelijke kracht. Nog eens, is dat niet de beste +herinnering? + +Hoezeer ik reden heb, gunstig over het gepreek te denken, blijkt wel uit +het feit, dat ik thuis in allen ernst kerkje speelde. Dan zette ik twee +stoelen met de ruggen naar elkaar. Dat was de preekstoel. Op de beide +randen der rugleuningen legde ik den Bijbel. Liggende met de knieën +op den eenen stoelmat, las ik uit den Bijbel voor en liet de gemeente +opgegeven psalmen en gezangen zingen. De gemeente bestond uit Vader, +Moeder, zus Christine en wellicht nog een paar anderen. Allen hielden +zich ernstig. Dat weet ik nog heel goed, want het minste blijk, dat men +er, mij ten gerieve, een spelletje van maakte, zou me diep gekrenkt +hebben en driftig hebben doen wegloopen. De kerkgangers hielden zich +voortreffelijk. + +Maar meent ge, dat ik ooit lust had het schoolleven in de huiskamer te +halen? Dat lag onder den ban van een killen haat. Hoe minder ik er aan +dacht, hoe beter. De school bestond thuis niet voor me. Echter wel de +kinderkerk. En langen tijd heette het zelfs, dat ik maar dominé moest +worden. Nu zat er wat predikantenbloed in de familie, waar Grootvader en +twee ooms dominé waren. Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Die zat bij +den koekbakker. Deze beminnelijke christen wist zijn liefdewerk in mijn +kinderoogen zoo bekoorlijk te maken, alsof hij een tramconducteur of +koetsier was geweest. En dat wil heusch wat zeggen, want gelijk ieder +weet, wil iedere jongen graag conducteur of koetsier worden. Welnu, +meneer Beekman maakte zijn kinderkerk aantrekkelijk.... als een omnibus. + + * * * * * + +Nog een wonderbare tegenstelling met de school ligt me in 't geheugen. +Ik weet niet, dat ik ooit voor de school lessen leerde. Voor de +zondagsschool leerde ik mijn teksten en psalmversjes graag. Nog zie ik +die kleine bonnetjes, net etiketpapiertjes, waarop aan de eene zijde +een tekst en aan de andere een vers gedrukt was. We kregen er elke week +een mee en ik beijverde me steeds, die »les" goed en gauw in 't hoofd +te werken. Aan wien was dat anders te danken dan aan den koekbakker? + +In mijn tooneelstukje »Tóch Timmerhout" komt een ondeugende jongen voor. +De schoolmeester weet hem niet te pakken, wil hem zelfs van school +jagen. Maar een oude timmermansknecht grijpt den bengel in 't hart +en redt hem. Men heeft me wel eens verweten, dat ik zoo de rollen had +omgekeerd en een timmermansknecht tot paedagoog gemaakt. Maar als het +leven mij dat nu eens aan de hand had gedaan? Als in dat tooneelstukje +nu eens een stuk levenservaring stak? De maatschappelijke werkkring +klopt niet altijd met den aanleg. Daar was een koekbakker, die ons +opvoedde. En hoe menige opvoeder moest maar liever koek gaan bakken? + +Er zijn menschen geneigd te zeggen: Het was de kracht van Gods Woord, +het was de werking van Zijn Heiligen Geest, die je de teksten en +psalmverzen zoo graag en grif deed leeren. En dan knoopen ze hieraan een +heele beschouwing vast, alsof er in die Bijbelwoorden een zekere geheime +tooverkracht stak. Maar ze vernederen derwijze de zieleuitingen van een +vroom gemoed tot amuletten, maken van den Bijbel een soort magisch boek. +Neen, het was niet de mystieke kracht van die Bijbelwoorden. En het was +toch die kracht. Maar het was die kracht, levende, werkende in het +nietige persoontje van onzen christelijken christen. + +Ik weet van een schoolcatechisatie ('t was niet bij mij), waar de +kinderen ook teksten en psalmverzen moesten leeren, maar waar die +heilige woorden absoluut geen kracht hadden. De jongens bedankten hun +leermeester wel lekker, om zich wat moeite te geven en maakten van hun +papiertjes, »vrome" papiertjes, propjes, waarmee ze mekaar beschoten en +het lokaal ontsierden. Eens bij zulk een les maakten de bengels het zoo +bont, dat de arme catechiseermeester in radeloosheid uitriep: »Jelui +bent van den duivel bezeten. Die heerscht hier in het lokaal. Maar +straks zal de Heere Jezus zelf komen, om jelui af te straffen." + +De deur ging open, en binnentrad: de bovenmeester, een volslagen +atheïst, die van den heelen godsdienst niets weten wou. Aanstonds waren +de bengels op hun plaats en zaten doodstil. + +Zijn tegenwoordigheid was genoeg, om alle duivelskunsten te bezweren. + +Maar nu is de vraag: Wie was de duivel, die in het lokaal heerschte? Was +dat niet de officiëele vertegenwoordiger van den godsdienst met een heel +pak tekstpapiertjes? Al die machtvolle woorden werden satansmiddelen. En +wie wist hier, als Christus op de wateren, den storm te bezweren? Dat +was de totaal ongeloovige vertegenwoordiger van de driewerf verfoeide +openbare school. + +Wie meent dat de teksten zullen ordehouden en opvoeden, heeft het glad +mis. En toch doen die teksten het, maar niet die bloote woorden. Neen, +hun inhoud, hun geest, moet realiteit zijn geworden in hart en leven van +den opvoeder. Waar dit het geval is, daar is de ware »School met den +Bijbel". En waar dit niet zoo is, daar heb je een heidensche school, ook +al liggen de kasten vol bijbels en leeren de kinderen heel het nieuwe +Testament uit het hoofd. + + * * * * * + +Nu zal deze of gene zeggen: »Ah, daar heb je Jan Ligthart. Nu komt +de aap uit de mouw. Hij wil niet, dat de kinderen Gods heilig Woord +lezen en leeren, en om dat te bestrijden, gebruikt hij zijn +Jeugdherinneringen." Maar ge hebt het mis, lieve vrienden, hee--le--maal +mis. + +Ik ben wat blij en dankbaar, dat ik als kind zooveel teksten, psalmen +en gezangen geleerd heb en niet alleen wil ik tot mijn collega's van +de christelijke school zeggen: Ga voort op dien weg, maar zelfs zou +ik als openbaar onderwijzer graag hun voorbeeld volgen. Er zijn heel +wat woorden en liederen in Bijbel en psalmboek, die voor allen +een levenvormende kracht bezitten. En al zouden een zeker soort +Bijbelgeloovigen smalend zeggen: »Je moet den heelen Bijbel nemen, +anders is het niet het echte," ik meen te mogen aannemen, dat ook zij +uit dien heelen Bijbel een keuze doen en hun kinderen maar niet alles +doen memoriseeren. + +Blij en dankbaar. Dat ben ik inderdaad. Hoe vaak hebben mij die woorden +in uren van eenzaamheid en strijd verkwikt en gesterkt. + + Zalig hij, die in dit leven + Jacobs God ter hulpe heeft, + Hij die, door den nood gedreven, + Zich tot Hem om troost begeeft, + Die zijn hoop in 't hachlijkst lot + Vestigt op den Heer zijn God. + +Dit vers had ik maar in mijn eentje op te zeggen, regel na regel mij +bewust makende, en de nood werd zegen. Hoe goed is het, wanneer in +moeilijke tijden zulke woorden in ons gereed liggen en dan vanzelf +opborrelen als water in de bron, het dorstend gemoed lavend. Natuurlijk +konden die woorden dat nooit doen, als ze niet _levenswoorden_ waren, +dragers van zielservaringen, en als ze niet door hun innig menschelijken +toon onze eigen gemoedsbewegingen deden meetrillen. + +En dan dat andere: + + Leer mij, Vader, U verbeiden, + Volgen waar Gij ons wilt leiden, + Steunen op uw trouw en macht, + Psalmen zingen in den nacht, + Hooren wat Gij ons wilt leeren, + Uw bevel met daden eeren, + En voor de uitkomst willig blind, + Stil zijn als 't gespeende kind. + +Dat »psalmen zingen in den nacht", dat juichen in de duisternis, dat +jubelen in de ellende--het is de heerlijkste vrucht van het geloof. Een +geloovige is wel de grootste egoïst: Hij wil zelfs zalig zijn in de +rampzaligheid. Hij wil den vrede des harten, neen de blijdschap des +harten genieten, ook als alles hem ontzinkt, alles--behalve het eene +noodige: het volle vertrouwen in Gods Vaderliefde. »Met mijn God spring +ik over een muur," roept de psalmdichter uit. Zonder zijn God is hij +niets. + +Kent ge een mooier uiting van vertrouwenvolle gehoorzaamheid dan +die twee woorden »willig blind"? Onlangs sprak ik een man van veel +smartelijke levenservaring. Hij was wat de menschen een ongeloovige +noemen. En toen hij zoo een en ander uit zijn leven verhaald had, zei +hij: »Weet je, wat ik vooral geleerd heb? Dat we ons leven niet naar +onzen zin hebben te maken. Dat we hebben te vragen, wat God van ons wil. +En dan maar gehoorzaamd, willig blind voor de uitkomst." + +Ik verstond hem. Die twee woorden »willig blind" vonden weerklank in +mijn eigen ervaringen. 't Is niet de blindheid der dwaasheid, maar de +blindheid der wijsheid. Wat de uitkomst moge zijn, we vragen er niet +naar, mits we zeker zijn van onze richting. En die zekerheid verwerven +we, als we--zoo moet het--Zijn bevel met _daden_ eeren. Woordeneer wordt +er genoeg gebracht, veel te veel. Maar _hooren_, wat Hij ons wil leeren, +en dan: Zijn bevel met _daden_ eeren, alleen luisteren en doen, in +plaats van praten en stilzitten--dat is de eisch. De verzuchting van +dit waarlijk vrome lied heeft menig hart gesterkt. Zou ik niet dankbaar +zijn, dat ook ik het voor mijn zondagsschool-meneer had mogen leeren? +Voor mijn zondagsschool-meneer, maar dat was eigenlijk: voor mezelf en +niet slechts voor mijn kinderjaren, doch voor mijn gansche leven. + + * * * * * + +Hoe kwam het, dat ik op zekeren Zondag de kinderkerk verwisselde met de +groote kerk? Ik weet het niet, maar het was een proef, waarvoor ik +bezweek. + +De groote kerk was ongeveer twintig minuten van mijn huis. Die afstand +was te groot. Onderweg waren er te veel verleidingen. We verkochten onze +kerkcenten voor snoepgoed, liepen de hooge stoepen op en af en telden de +brievenbussen. Dit was een wedstrijd. Mijn broer en ik, soms een zusje +er bij, speelden, wie de meeste brievenbussen zag in de deuren der +huizen. Dan holde de een den ander voorbij, om het eerst een bus te +ontdekken. De vlugste won het natuurlijk, want die kaapte al de bussen +voor de anderen weg. + +Op die manier moesten we, steeds op een drafje loopend, wel tijdig +in de kerk zijn. Maar het tegendeel was waar. Toen we eenmaal ervaren +hadden, dat het in de kerk erg vervelend was, zorgden we altijd te laat +te komen. Dan zwierven we langs de mooie Heeren- en Keizersgrachten +en dronken daar, onbewust, de schoonheid in van de vorstelijke +koopmanshuizen, het stille water, de gewelfde steenen bruggen, de oude +iepen. Die herinner ik me nog alle. Zondagsmorgens kon het daar zoo +vredig zijn. Vooral onder kerktijd liepen er maar weinig menschen. +Gereden werd er haast niet. Een enkele platte zolderschuit lag ledig +tegen den wal. Het water weerspiegelde huizen en boomen en bruggen en +den hoogen witbewolkten hemel. Alles ademde vrede. Het was er beter dan +in de kerk. En dat dacht ik niet alleen toen, maar ik geloof het nu nog. +Kinderen behooren niet in de groote kerk, net zoo min als in de +societeit. + +De enkele malen, dat mijn vader meeging, moesten we natuurlijk wel de +heele preek bijwonen. Dan luisterden we echter niet. Ik zag den dominé +zijn gebaren af, om die thuis te kunnen navolgen, en hoorde hoe hij +de psalmverzen afkondigde: »De gemeente gelieve te zingen van.... Ik +herzeg...." Die deftige woorden en vooral de toon waarop ze werden +uitgesproken, hadden een zekere bekoring. Thuis bij mijn eigen preeken +zei ik ze plechtig na. Meer bracht ik uit de kerk niet mee. Toch zat ik +me niet geheel te vervelen. Er hingen aan lange pijpen gaskronen, en nu +klauterde ik in mijn verbeelding aanhoudend het heele gebouw rond. Ik +klom in een hoogen pilaar, greep een daar langs geleide gaspijp, kromde +er mijn vingers om, enterde langs de zoldering, liet me langs een andere +gaspijp weer zakken, bezocht den preekstoel, het orgel. Het waren +gevaarlijke reizen, maar mijn verbeelding stond voor niets. Was het +noodig, dan maakte ik een luchtsprong en kwam immer op het gewenschte +punt terecht. Geen rand zoo smal, of ik kon er langs. Soms speelde ik op +die manier krijgertje. Een makker liep en sprong en klom me na. Hij zat +me dicht op de hielen. Dat gaf een spanning. Maar ik waagde alles, om +aan zijn greep te ontkomen, gleed langs de orgelpijpen, kroop door open +vensters.. heerlijk! + +Wat moest een kind toch beginnen zonder verbeelding. Het zou zijn +godsdienstige opvoeding, »onder het geklank van Gods heilig Woord", +eenvoudig niet kunnen verdragen. Maar gelukkig heeft Onze lieve Heer +het arme schaap de toovermacht der fantasie geschonken, om zich over +de dwaasheden der volwassenen te kunnen heen leven. En zoo kan het de +ellenden doorstaan, die ouders en meesters hem tot zijn heil opleggen. +Eén ellende heeft me echter _te_ zeer gedrukt en dat kwam, omdat mijn +fantasie haar verergerde. Men moet mij verteld hebben van de hel. Maar +wie? Dat kan toch onmogelijk meneer Beekman geweest zijn. Maar wie dan? +Zijn medewerker? Of zou hij het toch geweest zijn, meenende dat een kind +niet tot God kon worden gebracht dan door het hellevuur? + +Vreeselijk heb ik daaronder geleden. Dat ik dag aan dag zondigde, +wist ik maar al te goed, en hieromtrent zal de lezer ook wel niet in 't +onzekere zijn. Ik moest dus, ik móést--neen, niet verbrand worden, maar +eeuwig branden. Eeuwig. Stel u dat eens voor. Nooit een einde aan die +folterende pijn--nooit, nooit. Die gedachte was al een hellesmart. + +O die vreeselijke gewisheid van het onontkoombare. Kon ik maar terug +naar het niet-geboren-zijn. Maar dat was onmogelijk. Ik leefde eenmaal, +dat was niet meer ongedaan te maken. En sterven baatte niet. De dood was +de overgang tot eindelooze marteling van nooit verterende vlammen. + +Ik weet zeer positief, dat ik toen de planten en de dieren benijdde, +dat ik er de boomen en de koeien jaloersch op aankeek, dat ze geen +onsterfelijke ziel hadden. Ik weet, dat soms, plotseling, midden in +mijn spel, de angst der hel me aangreep, als een vergif dat begon te +werken. Maar ik weet ook, dat die angst mij nooit van het kwade heeft +afgehouden. Ze bedierf veel, en maakte niets goed. + +Zou de godsdienstige opvoeding, of wat men zoo noemt, geen afstand +kunnen doen van dit onchristelijk kindergemartel? + +Meneer Beekman heeft ons iets beters geleerd. Hij zei--en ook dit weet +ik nog zeer positief--dat we elken avond, na ons gebedje, nog moesten +zeggen: »Heere, schenk mij Uwen heiligen Geest. Amen." Anders niet dan +die paar woorden. + +Dat heb ik trouw gedaan, jaren achtereen. Of het geholpen heeft? + +Alleen weet ik, dat vaak, wanneer de verzoekingen van buiten, maar +vooral wanneer de lage neigingen van binnen het mij, volwassene, al te +benauwd maakten, de verzuchting in mij oprees: »_Uw_ heilige Geest, o +Heer!" + +En die verzuchting--was mij een verhooring. + + + + +VERANDERING. + + +Door verlies tot winst. Hoe vaak heb ik dat in mijn leven ervaren. +En toch, telken keer als ik weer iets verlies, kijk ik zoo zeer het +verlorene na, dat ik verzuim het nieuw gewonnene op te merken. Een +mensch is toch zoo hardleersch, al heet die mensch een paedagoog. + +Het ging immer slechter met den kruidenierswinkel. Crediet was er niet +meer. Geen grossier wilde zonder contante betaling leveren. Zoo was mijn +vader genoodzaakt zijn inslagen te doen bij kleine hoeveelheden, waarmee +hij natuurlijk een winst van eenige beteekenis dierf. Het was een dag +aan dag tobben en worstelen om staande te blijven. Wij, jongens, moesten +b.v. vijf pond suiker of koffie koopen in een grooten winkel, ver uit de +buurt en liefst 's avonds opdat men 't niet zien zou, en dan werden die +weer bij onsjes en halfonsjes verkocht. De winkelklanten zakten, bij het +kariger en minder worden der waren, steeds meer in aantal en gehalte. +Alleen de ver weg wonende uitbrengklanten bleven trouw, uit onkunde. +De winkel was als een innerlijk verzwakt rijk, dat nog alleen teerde op +de inkomsten der verwijderde wingewesten. Zij, daar in de verte, zagen +niets van de toenemende verarming, leefden in ongeschokt vertrouwen op +den ouden naam bij den angstvallig bewaarden schijn. + +Een achteruitgaande zaak is als een door ziekte beslopen mensch. De +eertijds gezonde en krachtige wil 't niet weten. Hij houdt zich goed +tegenover anderen, maar meest tegenover zichzelf. Hij sluit zijn oogen +voor de waarschuwende verschijnselen. Hij forceert zijn krachten. +Vergeefs. De ziektekiemen vermenigvuldigen, verspreiden zich, en +strijdensmoede, verwonnen, moet de worstelende zich toch eindelijk +overgeven. + +Wilde men 't maar tijdig inzien en erkennen. Dan werd er niet zooveel +goed geld naar kwaad geld gesmeten, gelijk ons handelsvolk het typisch +zegt. Maar wij veinzen de ongunstige teekenen weg. Wij struisvogelen. +En eerst wanneer alle geld, alle kracht verbruikt is, dan laten we ons +op genade of ongenade los. Als we niet meer kunnen, dan pas zinken we +ineen. Dat is zoo menschelijk. En daarom is 't ook zoo kinderlijk. +En niet alleen op geldelijk en lichamelijk gebied. Evenzeer openbaart +zich die zwakheid op moreel gebied, en daar te gevaarlijker, omdat +moreele achteruitgang niet door meten en wegen wordt geconstateerd. +Minder geld in de winkellade is een feit. Wie er zijn oogen voor sluit, +voelt het toch in zijn hand. Minder lichamelijke weerstand evenzeer. +Maar zedelijke verslapping ontgaat ons zoo licht, omdat ze meestal +gepaard gaat met de bevrediging van allerlei neigingen. Al genietende +gaan we ten gronde. De geldgierige ziet met zooveel genot zijn geld +vermeerderen, dat hij de vermindering van zijn barmhartigheid niet +opmerkt. De zinnelijke zweeft van de eene bedwelming in de andere. +Eerst wanneer al onze moreele kracht verwaarloosd is, en we hiervan de +ellendige gevolgen gaan ondervinden, geven we ons zedelijk failliet, +om pas daarna aan onze rehabilisatie te werken, of--te bezwijken. + +De winkel ging over in andere handen en wij verhuisden. Doch eer +we nu voor goed afscheid nemen van deze buurt en ervaren, hoe de +verslechtering op verbetering uitliep, willen we nog een paar figuren +gedenken, die voor mij onafscheidelijk aan dit wereldje gebonden zijn. + + * * * * * + +En dan komt allereerst aan de beurt ons perehietvrouwtje. + +In 't najaar, als 't koud en mistig was bij donker weer en killen +motregen, zat 's avonds een oud vrouwtje, in een dikken doek gewikkeld, +de armen goed verstopt, achter een ijzeren pot met houten deksel, die +boven een vuurtje stond te warmen. Het vrouwtje zat op een hoogen stoel, +altijd een stoof onder de voeten. Een gebogen figuurtje, rond oud +hoofdje boven een wat gekromden rug, met bijna geen hals. En dan +riep ze nu en dan met hooge stem: »Warme, lekkere pere-hie-ie-iet!" +Dat »hie-ie-iet!" steeg hoe langer hoe meer in de hoogte en werd aan +'t eind in de scherpe _t_ plotseling afgesneden, nadat het eerst op +de _ie_ een poos zingend gezweefd had. + +Het vrouwtje zat altijd op haar vaste plaatsje, in de Eglantiersstraat, +vóór een smalle gang, waardoor ze, uit het achtergelegen woninkje, +met haar zaakje naar de straat was gesukkeld. Ze sjouwde waggelend +stooktafeltje, vuurtest, ijzeren pot, stoel, en stoof een voor een naar +voren, zette daar het zaakje in elkaar, en ten slotte als laatste stukje +meubilair zichzelf er bij. Met haar stoel en tafeltje en dampenden +ijzeren pot vormde ze, even onbewegelijk als de andere onderdeelen, +één aaneengesloten groepje. + +Nu en dan kwam er verandering in haar houding. 't Was vooreerst als +ze haar »warme, lekkere perehiet!" aanprees. Dan rees de gestalte een +weinigje omhoog, als bij een haan die begint te kraaien ging het hoofd +een ietsje naar boven, en kwamen de zingende klanken uit de oude +keel. Maar de beweging was vooral niet ruimer dan de longen voor den +zingschreeuw noodig hadden, en nauwelijks was haar perehiet de lucht in +gekraaid, of hoofd en lijfje zakten weer ineen, bang dat de kou komen +mocht in de ruimten van het even uitgeplooide figuurtje, en daar zat ze +weer, gebogen achter haar standje. + +De tweede gelegenheid dat ze zich een beetje uiteenwikkelde was de +verschijning van een kooper, steeds een man of een jongen. Ik heb nooit +een vrouwelijk wezen aan haar tafeltje gezien. De kooper legde zijn cent +neer. Dan tilde zij met den mageren rechterarm--de linker bleef onder +den doek--het houten deksel op, zette dit schuin ter zij, nam de stalen +vork, prikte in het dampende water, haalde een peer naar boven en reikte +dien den kooper toe, die een heelen toer had om te genieten van den +heeten peer zonder zich te branden. Gewoonlijk pakte hij den peer +bij den steel beet en liet hem meteen op de linkerhand liggen om te +verhoeden dat hij weer in 't water viel. Maar, al was 't mistig koud, +voor die linkerhand was de peer toch wel wat heet, en dadelijk begon de +kooper dan maar te eten. Zoo warm in den mond en in de maag, dat deed +hem goed. Nog een peertje, want je kreeg er twee voor een cent, en het +deksel ging weer op den pot, de cent in een kommetje, de rechterarm +onder den doek, en daar zat het vrouwtje weer: »Warme, lekkere +pere-hie-ie-iet!" Een mooi, zacht verlicht groepje tegen den achtergrond +van de donkere gang. + +Meermalen heb ik ook zelf een cent of een halve cent bij haar genoten, +en nog voel ik den strijd van de drieledige keus: den heeten peer in +de hand houden, in den mond, of in de maag. 't Was alles al even erg, +en--even heerlijk. Zoo'n weldadige hitte in den kilnatten avond. + +Vies? Dat armoedige vrouwtje, het troebele water, het vuile vorkje, dat +op het tafeltje lag in stof en nattigheid? Vies? Daar dachten we nooit +aan. Vieze varkens worden niet vet. En als dat zoo ongezond was, zou dat +vrouwtje toch ook niet zoo oud zijn geworden. En al die mannen dan, die +ook even in 't voorbijgaan een warme verkwikking genoten? Ze waren voor +hun cent beter af bij 't perehietvrouwtje, dan een eindje verder voor +hun vier centen bij »De Bisschop", waar ze jenever kregen uit een vaatje +met blinkend koperen banden in een kristalhelder glaasje, ook warm +in den mond en in de maag, maar een pest voor 't lichaam en voor 't +huisgezin. Het perehietvrouwtje vormde in haar sjofele verschijning een +armoedige en ook onzindelijke figuur tegenover die nette herberg. En +toch? Het was den mannen beter op de modderige straat bij haar donker +stalletje dan op den zoo keurig met wit zand bestrooiden vloer bij de +geregeld gereinigde toonbank. + +Maar wat dreef ons, jongens, nu, om dat vrouwtje na te galmen? +Nauwelijks hoorden we, dwalend door de straat, de sympathieke stem +roepen van + + Warme, lekkere perehiet-ie-iet, + +of wij rijmden en riepen in denzelfden toon: + + Ik lust ze wel, maar ik krijg ze nie-ie-iet. + +En geregeld werd haar geroep, nu uit deze dan uit gene richting, door +die echo gevolgd. Soms zelfs kwamen ze uit verschillende richtingen te +gelijk. + +Waarom deden we dat toch? + +Om 't vrouwtje te plagen? + +Absoluut niet. We voelden voor haar met zekere teerheid. Ze schold +nooit, dreigde nooit, zat als een oud muschje maar stil inééngedoken, +deed niemand kwaad. We misten haar als ze er niet was. We genoten, +onbewust, van haar aanwezigheid. Niet alleen van haar heete peertjes, +maar ook van haar verkwikkende verschijning, zooals we van een mooie +plaat of een gezellig boekenrekje in de huiskamer genieten. Ze gaf toon +en stemming, koesterend en rustgevend, aan onze straatatmosfeer. Waarom +schreeuwden wij haar dan na? + +Ja, waarom? + +Omdat we 't niet laten konden, zoo min als de ruiten 't laten konden +het vlammetje van de straatlantaarns te weerkaatsen. We bedoelden +er heelemaal geen kwaad mee, heelemààl niet. We zouden 't vrouwtje +beschermd hebben tegenover ieder die haar overlast wilde aandoen. Maar +dat gekraai van ons hoorde er nu eenmaal bij. De hanen in de buurt gaan +immers ook alle aan 't kraaien, als er een begint? Die eene stem wekt +alle hanekelen in den omtrek; ze prikkelend met de hemel weet wat. En +zoo ging het ook hier. Droomerig, de handen in den zak, slenterden we +door de straten, en schreeuwden onze nagalmen het schemerduister in. + +De groote menschen denken daar wel eens anders over, vooral zij die +op jongensondeugendheden moeten letten, zooals politieagenten en +onderwijzers. Die zien er boos opzet in. Maar ze zien verkeerd. +Natuurlijk _kan_ zich in dat naschreeuwen moedwillige plagerij uiten, +maar die booze geest kan ieder middel, ook het onschuldigste, gebruiken +om zijn leelijken lust te bevredigen. Doch het echo-en op zichzelf +is--ik wil ook wel eens een geleerden term gebruiken--zuivere +reflexbeweging. En daar mogen we wel aan denken. Het stemt ons +vergevingsgezind ten gunste van de jongens--en ten bate van onze eigen +gemoedsrust. + + * * * * * + +Een tweede figuur was de houthakker. + +Wat was het toen toch een leuke tijd. De menschen werkten nog zoo +schilderachtig aan de straat. Mijn vader moest daar geregeld eens in +de veertien dagen koffiebranden. Men weet natuurlijk wat dat is. Hij +ontving de koffieboonen rauw, een paar zakken vol van die geelwitte +boontjes, en dan werd er op bepaalde tijden een hoeveelheid gebrand, +niet te veel te gelijk, omdat ze anders hun geur verloren, en die werden +in den winkel verkocht, al of niet gemalen. Dat malen geschiedde ook +al bij kleine portie's en liefst in tegenwoordigheid van de koopster, +zoodat het kostelijke aroma niet vervluchtigen kon in den winkel, maar +telken keer bij het zetten de kameratmosfeer der koopsters kon +vervullen. + +Koffiebranden. Op de straat, bij den waterkant, werd de vuurhaard +gelegd, daarboven de liggende, cilindervormige, zwarte, ijzeren trommel +aan het spit gehangen, de trommel gevuld met rauwe boonen, het vuur +aangemaakt, een vuur van talhouten, en dan maar draaien. De liggende +cilinder draaide om zijn as, de boontjes rolden mee, en die werden onder +de hand door de warmte geroosterd. Dat draaien was een werkje voor den +winkelknecht of voor ons. Soms werd het een oogenblik gestaakt, als +Vader onderzoeken moest, of de boonen al gaar gebrand waren. Dan schoof +hij met een ijzeren lepel een schuifje van den trommel open en schepte +wat donkerbruine boontjes naar boven. Wij stonden er met den neus bij, +genoten van den opwekkenden geur, en luisterden naar het eigenaardig +knetteren en spatten daar binnen in die donkere ruimte. Wat was dat +alles heerlijk: het vuurtje stoken, het draaien, het gewichtig onderzoek +van je Vader, het ruiken, het hooren. En dan, als 't koud was, zoo'n +paar arme jongens er bij, zich koesterend aan de vlammen, soms zelfs een +paar volwassenen. O, wat weet ik alles nog goed. Toch zonder meester +geleerd, zonder school. Het leven was de school, de ervaring de +meesteres. + +Zooals mijn vader recht had op dat plekje straat voor zijn +koffiebranderij, beschikte een eind verder de houthakker over een stukje +grond aan den waterkant voor zijn hakkerij. Hij woonde in een kelder, +sjouwde zijn hakblok naar buiten, dan zijn hout en zijn bijl, en hakte. +Maar 't was een onvriendelijke man. Dat hij klein en dik was, kon +hij niet helpen, ook niet, dat hij dientengevolge bij zijn werk erg +zuchtte en zweette, maar dat hij ons uitschold en wegjoeg, als we zoo +gemoedelijk aanzagen, hoe het scherp van zijn bijl het hout kloofde, dat +kon er niet mee door. En dat wegjagen kwam, omdat wij hem nazuchtten. + +Zie je, in dien houthakker stak geen kindervriend en geen paedagoog, +zooals in het perehiet-vrouwtje. Het sprak toch vanzelf, als wij met hem +_meeleefden_, als wij de bijl zagen rijzen, ver boven zijn hoofd, zagen +neerschieten in het hout, als wij met ons volle hart die bewegingen +meemaakten, dat wij dan ook zuchtten. Dat snapte die man niet. Zijn +wantrouwende ziel zag plagerij in wat.... sympathie was. En zoo máákte +hij ons meegevoel tot plaagzucht, want nu konden we hem niet over de +straat zien waggelen, of we haalden al de lucht tot uit onze teenen toe, +en zuchtten hem die uit de verte al tegen. + +Nu op een afstand gezien, was hij zoo'n mooie figuur in de buurt. Zonder +hem was die gracht daar zoo leeg. Zijn verschijning bracht teekening +in het brokje leven. Waarom moest nu die man zoo'n brombeer zijn. Had +hij vriendschap met ons gesloten, hij zou eens ervaren hebben, wat +jóngenshulp beteekent. We zouden stellig, uit eerbiedvol medelijden met +zijn dikte en diepe zuchten, heel wat voor hem gesjouwd hebben. Maar +nu--hij maakte vrienden tot vijanden. Hij verstond het jongenshart niet. +En zijn eenige paedagogische waarde is, dat ik nu, jaren later, zijn +waarschuwend voorbeeld aan mijzelf en anderen kan voorhouden met den +raad: Spiegelen we ons er aan! + + * * * * * + +Nu volgt onze lieve Mietje de Porster. + +Wat hebben die vrouwen toch, dat we haar zoo gauw lief vinden. + +Zij was maar porster en ze heette Mietje, twee hinderlijkheden die ze +tegen had, want wie wordt er nu graag gewekt--we slapen liever door met +al onze ongerechtigheden--en wat zit er nu voor poëtisch in den naam +Mietje. + +Stel je voor een vrouw die Mietje heet, en die 's morgens vroeg met een +dikken stok op je deur staat te bonken. Die bonkt toch al haar +bekoorlijkheid weg? + +En toch hielden we veel van haar. + +Dat zat in haar stem. + +Ze schreeuwde. Natuurlijk schreeuwde ze. Hoe kon ze anders, buiten +staande, de slapers daar binnen met haar stem bereiken. Maar in haar +schreeuw zat toch dat ik-en-weet-niet-wat, waarin je teerheid en liefde +voelt. + +De houthakker zuchtte maar alleen. En in zijn zucht zat nijd. + +Mietje schreeuwde. En in haar schreeuw zat liefde. + +'t Is niet de zucht of de schreeuw, gij beginselvaste debaters over den +invloed van dit of dat. + +'t Is de mensch, die er zich door uit. + +Mijn oudste broer heette Dorus, en hij was het, die eigenlijk ieder +morgen Mietje's aubade ontving. Hij moest, timmerman, vroeg op, om +tijdig op zijn werk te zijn, en Mietje zorgde daarvoor. + +Eerst hoorde je 's morgens om vijf, zes uur een roffel op de deur. En +dan kwam, na een heel korte pauze, de stem: »Douwerus! Ben je wakker?" + +Stilte. Mietje luisterde. + +Ik, ook gewekt, hoorde uit de overliggende bedstede een diep gegrom, als +van een leeuw, die uit zijn donkeren slaap, oprijst. Het kwam van +Douwerus. + +Maar Mietje hoorde niets. + +Daarom nog eens de roffel. Nog eens de pauze. Nog eens dat lieflijke: +»Douwerus! Ben je wakker?" Nog eens de luisterende stilte. + +»Jáááá!" ronkte Douwerus eindelijk. + +Maar dit was Mietje niet naar den zin. Op _dit_ ja--haar geoefend +porsteroor hoorde het wel--zou hij weer inslapen. En Mietje begon een +gesprek met Douwerus. + +»Ben je er al ui-ui-uit? 't Is mooi weer, hoor!" + +»Ja!" riep Douwerus, nu kort en nijdig. + +Juist, zoo moest ze 't hebben. Nu was haar porstershart gerust. Nu kon +ze veilig verder gaan. Mietje voelde haar verantwoordelijkheid. + +Is dat niet allerliefst? Voor acht centen in de week! + +Ik hield van Mietje. Ik geloof, we hielden allemaal van Mietje. En toch +zagen we haar nooit. Maar we hadden haar gehoord. + +Toch, eenmaal hebben we haar ook gezien. 't Was op een Nieuwjaarsdag. +Dan kwamen de vrinden allemaal--lantaarnopsteker, nachtwacht, +vuilnisman--al de loopende gemeente-ambtenaren nieuwjaar wenschen en +boden daarbij een mooie prent met een gedicht aan, welkome schatten voor +de kinderen, en die wel tegen een fooitje opwogen, ware 't alleen om de +rijke heilwenschen aan de eerzame burgerij. Voor mij waren 't schatten +voor mijn kokertje. Tegenwoordig zijn de prenten verdwenen en de fooien +verdubbeld. + +Op zulk een nieuwjaarsdag kwam ook Mietje feliciteeren, mét een prent +natuurlijk. + +Gewoonlijk waren we dien dag afwezig, zelf met heilwenschen voor +familieleden op chocolade en oliebollen uit, wellicht ook nog op wat +anders. Maar ditmaal waren we thuis, en zoo zagen we Mietje. Want toen +Mietje nu haar gedicht kwam aanbieden, werd ze niet aan de deur met een +geldstukje losgelaten, maar moest ze binnenkomen en een kopje chocolade +drinken. + +Ze kwam, mutsje op, omslagdoek om, den winkel door, het trapje op, de +kamer in, klein vrouwtje, wat krom. + +Nu moest ze gaan zitten en daar zag ze het heele gezin, ook Douwerus. + +Maar daar schrok ze nu toch van. Ze zag een 18 à 20 jarigen jongeman +voor zich, als heer gekleed, met boord en strik, kastanje-bruine +krullekop. + +Mietje schrok. + +»Bent ú.... _meneer_ Douwerus? Ach, dat heb ik nooit geweten." + +We hielden ineens nog meer van haar bij die gulhartige uiting. + +Maar meneer Douwerus verlangde niet, dat ze voortaan roepen zou: +»_Meneer_ Douwerus, bent u wakker." En zoo is het, ondanks de +persoonlijke kennismaking, bij de oude vertrouwelijkheid gebleven. + +Meer dan dezen eenen keer heb ik, bij mijn weten, Mietje niet gezien. +Maar hààr »Douwerus" en het »Perehiet" van de andere, ochtendgroet en +avondroep, zijn mij bijgebleven als mooie zonsopgangen en -ondergangen +in onze buurt. + + * * * * * + +Als er toch geen vrouwen in de wereld waren! Waar moesten wij kleine en +groote jongens naar toe! + +Hebt ge wel opgemerkt, bij hoeveel lieve vrouwen ik me al gekoesterd +had? Bij juffrouw Gottman van de eerste bewaarschool en juffrouw Doortje +van de tweede. Bij juffrouw Van Streelen uit den winkel naast ons en bij +het Perehietvrouwtje. Bij Mietje de Porster en mijn zuster Christine. +En onder _alle_ omstandigheden--bij mijn Moeder! + +O, die vrouwen! Laten wij ze zegenen! En loopt er al eens een kwade +onder, ik vrees dat het een verhanselde man is. + +Toch heb je ook wel eens een goeden man. Maar ekstra goede hebben dan +iets vrouwelijks. + +Zoo Chris de Mooy. + +Hij was onze winkelknecht, een lange jongen met vaalrood haar, sproeten +in het grauwbleek gezicht, en een verkeerde uitspraak van de letter s. +Men ziet, hij was van buiten slecht uitgerust en had zeker nooit een +meisje gekregen, als de meisjes niet verstandiger en braver waren dan +de jongens. Doch 't is bij hem nooit tot een meisje gekomen, door een +andere oorzaak. + +Toen de winkel achteruit ging, moest hij weg. Vader kon hem niet meer +betalen. Maar hij wou niet, hij wou voor niets blijven. + +Ach, zúlke liefde heb je alleen bij de eenvoudigen en de armen. +De niet-eenvoudigen redeneeren te veel, en de niet-armen offeren +dan te veel op. Die kunnen niet ineens veertig graden zakken. Zoo'n +plotselinge temperatuursverlaging van hun welstand zou ze ziek maken. +Maar de armen, die merken 't zoo erg niet, als hun thermometer vier +graden daalt. Dan loopen ze maar wat harder en worden toch niet kouder +dan ze al waren. Ja, een arme gaat gemakkelijk in het koninkrijk der +hemelen. + +Rooie Chris had er wel zoo in kunnen stappen. Hij was eerlijk, trouw, +ijverig, vriendelijk, en hij hield van ons allemaal. Hij kon zoo +hartelijk lachen, en zoo aardig »Juffrouw Christientje" zeggen met +die--bij hèm--welluidend, slepende s. Hij was in alle geheimen van den +winkel ingewijd, kende alle geldelijke nooden, en vluchtte niet van het +zinkende schip. + +Ik weet alleen niet, of hij trouw naar de kerk ging. Maar Onze +lieve Heer wou hem zoo toch wel hebben, reine, liefdevolle, +zelf-verloochenende ziel. Van zulke menschen zeg je: Onze lieve Heer +heeft ze al, want zij hebben Onzen lieven Heer al, wat eigenlijk op +'t zelfde neerkomt. + +Hij wou dus niet weg. En of hij nog gegaan is, zie, dat weet ik nu niet. +Hier is een leemte in mijn herinneringen. + +Ik zie rooien Chris nog wel, maar niet in den winkel. Ik ben bij hem +thuis, in zijn kamer, bij zijn bed. Ik zie hem liggen, het vaalroode +haar op 't witte kussen, het grauwbleeke gezicht nog wat fletser, maar +dezelfde lieve, zachte, lachende oogen. Ik kom afscheid van hem nemen, +want rooie Chris is ziek en hij gaat sterven. + +Ik voelde op dat oogenblik, dat ik erg veel van hem hield, met dankbare +en vereerende liefde voor al wat hij gedaan had jegens mijn ouders. + +Hij is gestorven. Maar mijn liefde is gebleven. En die leeft nog. + +En waarom vertel ik dat u? Wat hebt gij te maken met rooien Chris, die +bovendien al meer dan veertig jaar dood is? Een arme winkelknecht van +een verloopen winkel? + +Niets, tenzij gij hem zoudt willen navolgen. + +Maar _hiermee_ hebben we allen te maken, dat mijn herinneringen bewijzen +de over dood en graf heen doorwerkende kracht van de liefde. + +En dat is paedagogiek want dat leert ons, hoe wij op te voeden hebben en +hoe de eenvoudigsten onder ons, de armsten in geleerdheid, misschien de +beste opvoeders zijn, och zonder dat ze 't zelf weten. Gelukzaligen! + + + + +DE TWEEDE LAGERE SCHOOL. + + +»En hoe heet je van je voornamen?" + +»Henri." + +»Neen, voluit." + +»Meindert Henricus." + +»En jij?" + +»Gerard Jan." + +»Mooie namen!" + +Dit zei hij. En ik gloorde. + +Letterlijk zoo is het gebeurd. + +We stonden met ons drieën voor de klas, hij en wij tweetjes. + +Hij was meester, wij de nieuwe leerlingen. + +Hij was een nog al rijzige man, een beetje dik gezond uiterlijk. Ik zie +hem nog heel duidelijk. Zijn haar krulde wat, sprong tenminste. En ik +zie het plaatsje nog waar we stonden, en de banken met de onderzoekend +kijkende kinderen, en de opschuifborden aan den muur. + +Maar bovenal hoor ik nog die twee woorden: mooie namen. + +Meester.... had mijn hart gewonnen, en voor goed. + +»Mooie namen!" Zoo had hij ons verwelkomd. Hij een gewone meester. Als +hij smalend gezegd had: »Gekke namen!"--dat had ik eer begrepen. Want +meesters waardeerden nooit, waren uit hun aard niet vriendelijk, gromden +en veroordeelden. Doch nu dit, zoo gansch onverwacht. + +Voor een kind is zijn naam maar niet een onverschillig ding. Het is een +stuk familietrots en in zijn vóórnaam voelt hij zichzelf. Hij is er zoo +graag in geëerd. En deze meester streelde ons in dit bezit, mijn twee +jaar ouder broertje en mij, jongens van ongeveer 12 en 10 jaar, dus geen +kleine kindertjes meer, jongens die al verhard waren door scheldwoorden. + +Hij zij er nog voor gezegend, met alle vriendelijke menschen die ik op +mijn weg ontmoet heb. + + * * * * * + +Het was op mijn nieuwe school, de school van de »Christelijk +Gereformeerde Gemeente" op de Bloemgracht, naast en onder het patronaat +van de Kerk dierzelfde Gemeente, beter berucht onder den naam van +»Afgescheidene". + +»Fijn genoeg!" + +Afgescheiden--dat was reeds voor onze kinderooren het summum van +»fijnheid". Géén »mooie naam". Een naam met een onbehagelijken bijklank, +waartegen je je verdedigen moest. »Ben jij"--met groote +geringschatting--»áfgescheiden?"--»Neen hoor, ik ben Doopsgezind."--O, +dan was de zaak in orde. + +We voelden niets van het mooie moedige in dit woord. En dit bleef jaren +lang zoo, zelfs toen we warme sympathie en bewondering schonken aan de +pelgrimvaders en aan alle voor hun geloof uitgewekenen. Afgescheiden +beteekende nu eenmaal fijn, en daarbij een beetje huichelachtig. +Nota bene, zij die voor hun geloof openlijk uitkwamen en er voor +durfden breken met de landskerk, waren huichelaars. Een vreemd soort +huichelaars. Maar zoo diep gingen onze gedachten niet. Ze bleven aan +de algemeene oppervlakte, onder suggestie van het partijdig gekleurde +woord »afgescheiden". En zoo sterk was die suggestie, dat ik bij die +breed-bleeke ei-klank nooit dacht aan een frisschen zeemanskop, maar +aan een vaal, gelig-wit bakkersgezicht, met meel bestoven fletsheid. + +Toch moesten de afgescheidenen, die kerk, geld, betrekking, eer, alles +om Godswille in den steek hadden gelaten, krachtige, heldhaftige naturen +geweest zijn. + +Ik weet wel, vanwaar mijn indruk komt. Grootvader had als predikant +de afscheiding ervaren, zoo niet in zijn gemeente, dan toch in zijn +Kerk, en die als een hoofdigheid, een spelbreken, een krenking gevoeld. +Afgescheidenen waren koppige, bekrompen scheurmakers. Zoo werden ze in +zijn pastorie beschouwd, zoo bleef Moeder er over denken, zoo leerden +wij ze veroordeelen. En zoo zelfstandig is de meening van duizenden en +millioenen nu nog. Ze bewonderen de stugge geloofsopoffering, mits in +'t verleden. Zoodra die zich in 't heden vertoont, stelt men zich partij +en verguist. + +Maar zoo gaat het ook op ander gebied. Zijn afgescheidenen huichelaars, +liberalen zijn godloochenaars en sociaal-democraten duivelskinderen. +Opstandelingen van eertijds zijn nu helden des volks. Hoe zullen de +huidige omverwerpers over eenige eeuwen heeten? Oordeelen is moeilijk. + +Als kind, als leerling der afgescheiden school had ik geen enkele reden, +om in 't bizonder ongunstig over deze »fijnen" te denken, en ieder moet +erkennen, dat althans het joviaal en hartelijk welkom een veelbelovend +begin was. De opinie mijner ouders was trouwens ook zóó ongunstig +niet en in ieder geval waardeerender voor déze school, dan voor de +»stadsschool" op dezelfde Bloemgracht, maar een eind verder en aan +de overzijde. Een »stadsschool" stond bij ons in den reuk van ruwheid, +ongodsdienstigheid en vooral onfatsoenlijkheid. Daar werd niet gebeden, +niet uit den Bijbel gelezen, en vooral, daar gingen de schooiers. Je +moest al erg gezakt zijn en bijvoorbeeld klompen dragen, om naar een +»stadsschool" te gaan. Ziedaar al weer een zelfde suggestie. Zooals +het woord »afgescheidenen" tot mij gekomen was met den klank van +huichelachtig gefemel, hoorde ik in dat harde »stádsschool" geklepper +van klompen. Afgescheidenen waren tenminste netjes, misschien zelfs een +beetje _te_, maar stadsschooljongens lagen onder de vunze kleur van +straatvuil. Daar ging je niet mee om, daar had je geen enkel kontakt +mee, daar vocht je alleen zoo nu en dan tegen, gelijk de beschaafde +natiën tegen de kaffers, of eertijds de Romeinen tegen de Germanen. +Ze waren goed om uitgeroeid te worden, of met het zwaard bekeerd. + +Eigenaardig toch, dat vooroordeel, zonder kennis van personen en +toestanden, louter onder den invloed van het milieu. Men kan er zeker +van zijn, dat zoo nog duizenden met zekeren afschuw het woord »openbare +school" hooren. Het brengt hen aanstonds in een atmosfeer van +tabaksdamp, jeneverlucht, goddeloosheid. Ik kan dat best begrijpen. Maar +het is niet goed. Evenmin als dat schimpen op afgescheidenen. O, de +voorlichters van 't volk, ze hebben zwaar gezondigd en ze doen het nog. +Ze hebben zich vergrepen aan de waarheid. Ze hebben het hart van 't volk +vergiftigd met leugen. In stee dat ze zochten, volhardend en liefdevol, +het goede bij de andersdenkenden, en hierop het volle licht lieten +vallen, beijverden ze zich dit goede onzichtbaar te maken in de dikke, +donkere nevelen van hun partijdigen laster. Heel de sfeer van het +volksleven, van het leven der menschheid is verleugend. En millioenen +onwetenden, onnoozelen, dwalen met hun valsch oordeel rond als schapen +onder slechte herders. Dat is voor een groot deel de schuld van hen, +die, leiders, zich niet zelf laten leiden door »den goeden herder", ook +al beweren zij tot zijn schapen te behooren. + + * * * * * + +Op mijn afgescheiden school heb ik enkele goede jaren doorgebracht. +Natuurlijk herinner ik me ook nog wel eenige verkeerde dingen, b.v. een +nu en dan wel wat te haastig en hardhandig gebruik van »de tuchtroede", +en zoo liggen me ook nog een paar scheldwoorden in 't oor, alsof iedere +ondeugende jongen een »ongelikte beer" was en ieder lastig meisje »een +nijdige tang", maar die ruwheden in daad en taal behoorden tot dien +tijd. Men kon zich een school kwalijk anders denken, dan als een bende +meerendeels onwillige kinderen, die er met strengheid onder gebracht en +onder gehouden moesten worden. Zoo denken zelfs thans nog velen er over. +Van hartelijke, goedgezinde, vreugdevolle samenwerking tusschen meester +en leerling is ook nu nog lang niet overal sprake, en schrijver dezes +ziet zijn pleiten daarvoor zelfs van paedagogische zijde menigmaal +bestreden als zoetsappige paedagogiek. Op hun donder moeten ze hebben. +Gedwongen moeten ze worden. Tusschen meester en leerling bestaat een +»natuurlijke"--lees: onnatuurlijke--»antagonie". + +Ik denk er dus niet aan, mijn tweede lagere school ook maar eenigszins +te verwijten, wat toenmaals tot de gewone schoolpraktijk behoorde, en nu +nog door velen principieel wordt aanbevolen, maar heb de feiten alleen +gememoreerd om te doen zien, dat ze een kind zijn leven lang bijblijven. +Het scheldwoord, dat we in zijn jeugd als opvoedingsmiddel een leerling +naar 't hoofd werpen, hoort hij nog in zijn grijsheid. En dat vergeten +we wel eens. Maar ik heb mijn afgescheiden school veel te veel te +danken, dan dat ik haar deze averechtsche deugden toerekenen zou. + +Zij heeft de kunst verstaan, mij te doen _werken_, en werken _met +lust_. Ik kwam in een klas, waar de kinderen al een heel eind gevorderd +waren in 't Fransch, en ik had er nooit iets aan gedaan. Dat gaf dus +strubbeling. Ik moest bijgewerkt worden en kreeg een boekje mee naar +huis. Het was een boekje met kleine verhaaltjes, ik geloof van Engelbert +Gerrits, met de vertaling der moeilijke woorden aan den kant. + +Zaterdag nam ik het boekje mee, den ganschen Zaterdagnamiddag en avond +zat ik er uit te vertalen, ook den heelen Zondag, ook nog de vroege +morgenuren van Maandag, en toen bracht ik den meester anderhalf schrift +met vertalingen. Het boekje was uit. + +Ik weet nog, hoe hij opkeek, toen hij die massa werk onder de oogen +kreeg. Ik was een wonder van vlijt. Daar had ik echter zelf geen idee +van. Ik wist alleen, hoe heerlijk het was te werken, zoo te werken, dat +ik mijn klasgenooten inhaalde. En dat gelukte. Achtereenvolgens, maar nu +natuurlijk veel langzamer, werkte ik de les- en themaboekjes van Van der +Hoeven door en na een paar jaar zat ik volop in de onregelmatige +werkwoorden van het zooveelste stukje. + +Hoe was het mogelijk, dat de brutale spijbelaar van de Lindengracht zich +zoo ontpopte op de Bloemgracht? Dat lag misschien aan 't verschil van +één meester. + +Meesters, die dit leest, denkt er aan, als je dagtaak je soms eens zwaar +valt, als je er soms eens moedeloos bij wordt. Mogelijk zit er één +jongen in je klas, die je later voor je arbeid danken zal, zooals ik het +nu nog mijn meester doe. + + * * * * * + +Aan die buitensporige vlijtvlaag is nog een herinnering verbonden. +De kinderen konden elke maand een kaartje »voor vlijt en goed gedrag" +krijgen. Wie er zoo twaalf per jaar had ontvangen, ontving op het +jaarlijksch examen een prijs. Dat was voor mij het eerste jaar een +onmogelijkheid, want in den loop van den kursus op school gekomen, had +ik het op 't examen maar tot acht kaartjes kunnen brengen. Toch ging +ik met plezier naar 't examen en zag aan 't einde daarvan zonder eenige +jaloezie, dat mijn medeleerlingen mooie boekwerken en getuigschriften +ontvingen, terwijl ik verstoken zou blijven. Als je zoo iets maar +vooruit weet, is 't niet zoo erg. De smart zit minder in het gemis dan +wel in de teleurstelling. Daarom hebben sommigen er een handje van, je +teleurstellingen aan te doen, opdat je het toch maar goed vóélen zult. + +Toen alle prijzen waren uitgedeeld, was er een oogenblik stilte in de +school. En toen hoorde ik mijn naam noemen, langzaam, plechtig: +Gerard--Jan--Ligthart. + +Ik trilde--zag alles in een nevel--geloofde 't niet--bleef bevende +zitten. + +De meneer van 't examen zag de klasse rond, en riep toen nog eens met +deftige stem: Gerard--Jan--Ligthart. + +Alle kinderen keken naar mij. + +»Kom jongen, jij bent het," zei de meester. + +Ik stond op en liep naar voren, gauw, zenuwachtig. + +Daar stond ik tegenover den deftigen meneer. Ik klein, hij groot. Ik +ontroerd, hij rustig. + +En hij glimlachte mij kalm tegen. + +Hij had een boekje in de hand en las luid: »Loon naar werk, door E. +Gerdes." + +Ik hoor het nog. + +En toen sprak hij: »Jongen, je bent nog te kort op deze school, om reeds +het vereischte aantal kaartjes voor een prijs te bezitten. Toch wilden +je onderwijzers je een prijs geven voor je buitengewonen ijver. En die +prijs heet: Loon naar werk. Hij _is_ dan ook loon naar werk. Ziehier." + +Ik nam het boekje aan. + +Heerlijk, héérlijk oogenblik. + +En toen stil naar mijn plaats. + +Of ik onder het dankgebed geluisterd heb? + +Daarvoor trilde het daarbinnen te veel. Maar ook dat was danken. En onze +lieve Heer weet dat wel. Die heeft een fijn oor. + +Gezegende school! Zij leerde mij werken. Zij leerde mij school en +meesters liefhebben. Zij leerde mij danken in gemoedsontroering. Het +echte. + +Toch maar een »afgescheidene". + + * * * + +En nu wil ik meteen vertellen, hoe het met mijn prijs verging. + +Daar was een jongen en die heette Kees. Zijn vader was timmermansbaas, +en hij woonde daar en daar. + +Kees las zoo graag en daarom kreeg hij eens mijn prijs ter leen. + +Maar Kees gaf hem nooit terug. + +Telkens als ik vroeg, ontving ik een ontwijkend antwoord. + +Eindelijk vermande ik me en ging naar Kees zijn huis. Ik wou zijn vader +spreken. Ik moest toch mijn prijs hebben, mijn _prijs_. Een prijs is +toch niet een gewoon boek. + +Ik sprak Kees zijn vader. Hij wist er niets van. Maar wacht r's. +»Zoo'n boekje, zoo wat zoo groot?"--Ja, meneer.--»Dat zal je niet meer +terugzien. Kees bracht altijd boeken mee, en ik wou dat vervloekte +gelees niet meer hebben, en toen heb ik gezegd: als je weer een boek +meebrengt, smijt ik het in de kachel. Dat heb ik ook gedaan, en dat is +dan zeker jouw prijs geweest." + +Ik heb mijn tranen weerhouden,--o, natuurlijk, natúúrlijk--maar toen ik +weer buiten was en op straat liep, was ik gebroken. + +Mijn prijs.... + +Weg.... + +Onherroepelijk.... + +De man heeft er niet aan gedacht, welk een bitter leed hij mij had +berokkend, heeft er niet aan gedacht, mij mijn prijs terug te koopen. + +»Dan had ik hem maar niet moeten uitleenen." + +Zoo'n ellendeling! + + * * * * * + +Laat ik hem vergeten en aan lieflijker dingen denken. + +Van de vrouwen is altijd een bizondere bekoring voor mij uitgegaan. Men +weet, dat begon al op de bewaarschool, waar ik schriftelijk verzocht, of +ik van zeker vijfjarig Betje de vrijer mocht wezen. Ik was toen ook nog +geen zes. En dat hield zelfs niet op, wanneer het pere-hietvrouwtje of +Mietje de porster mij in haar toch zoo ongecultiveerde stemmen +omstrikten. + +Wat is het toch, die bekoring van »das ewig Weibliche". + +Ik weet het niet. + +Het is een der mysteries bij de talloos vele andere. Maar het bestaat +en oefent zijn invloed reeds vroeg. De aanwezigheid van meisjes in de +school verzachtte heel wat leerellende. Als je onder het doodelijk +stilzitten, een uur achtereen, steeds met je handen gevouwen aan den +rand, naar het overhooren van een droge les moest schijnen te luisteren, +was het een heerlijkheid, in alle stilte te genieten van een mooie, +blonde vlecht, of ál meer intiem te worden met een rood lintje om een +zwart kopje. De jurkjes, de schortjes, de kantjes, de beentjes der +meisjes, waarmee ze zoo aardig stappen konden, de stemmetjes en de +fraaibelijnde gestalten, ze gaven aan de dorre woestijn iets liefelijks. +En zonder meisjes had ik het in mijn eerste school zeker absoluut niet +uitgehouden. + +Wat ik voor haar voelde, was onmogelijk te zeggen. Geen enkele +onvoegzaamheid, dat weet ik echter zeker. 't Was een vage stemming +van adoratie; zij omhulden mij als in rozige morgennevels. Een zelfde +stemming kreeg je buiten, als je niets dan groen en lucht zag en een +enkele boerenwoning. Het alledaagsche ging weg en je was in een andere +sfeer. + +Geheel in strijd met deze vage stemming scheen onze liefhebberij om bij +'t uitgaan der school de meisjes na te rennen. + +Dan holden zij hard weg, zwaaiend met de schooltasschen, en wij vlogen +ze na. Hadden we ze ingehaald en gegrepen, dan deden we nog niets. +Eigenlijk waren we dan verlegen met onzen buit, schudden--schijnbaar +ruw, maar eigenlijk teer--de Sabijnsche wat door elkaar, spraken wat +vreeselijke dreigementen, en, als 't héél erg werd, gaven we ze een zoen +ergens op een vindbaar plekje van het weggestopt gezicht en anders maar +op de haren. Die zoen beteekende evenwel niets anders dan een triomf. +Daarna mochten ze gaan. + +Nog op den huidigen oogenblik weet ik niet, wie met dit spelletje +begon, de jongens of de meisjes. Of wij haar opjoegen, dan wel zij ons +oplokten. Eén ding is zeker: meisjes die niet wegliepen deden we niets. +En zoo geloof ik, dat die vluchtende hinden niet zoo onnoozel en zoo +bang waren, als ik toen wel dacht. Maar ik durf toch niet stellig +zeggen, of ook deze verzoeking eigenlijk van Eva uitging, en dus zal ik +dit vraagstuk maar laten oplossen door de eerlijke jeugdherinneringen +van een vrouw, die in haar schooljaren dupe of bewerkster van die jacht +is geweest. + +De Paedologie zal ongetwijfeld ook deze naren- en afzoenerij eens tot +onderwerp van haar wetenschappelijk onderzoek maken. Dan vernemen we, +hoe in dit kinderspel zich handhaaft een vrouwenroof uit den oertijd, +of anders hoe--spel is toch levensvoorbereiding--het jonge volk zich +bij dat onbehoorlijk gevlieg praepareert op 't geen later komen moet. +Een zij en een hij moeten elkaar vinden, daartoe moet zij lokkend +wegfladderen, hij haar volgen: »Errötend folgt er ihren Spuren", en +als hij haar gevonden, veroverd heeft, sluiten zij zich innig aaneen. +Dat moet in de schooljaren door wijze Moeder Natuur worden voorbereid. +Vandaar die, alleen door onwetenschappelijke kortzichtigheid +tegengewerkte, naren- en afzoenerij, die de opvoeders als een mooi, +redelijk, noodzakelijk en dus wenschenswaard verschijnsel moesten +begroeten, en eer behoorden aan te moedigen, dan als onfatsoenlijk te +bestrijden. + +Zien echter alle ouders en onderwijzers het onder dat licht? + + * * * * * + +Op mijn afgescheiden school waren gelukkig ook meisjes, en zoo had ik +den Hemel opnieuw te danken, die mij niet uit Roomsche ouders had doen +geboren worden en tusschen enkel donkere jongenskielen doen opgroeien. + +De meisjes zaten vooraan, in de eerste rijen, de jongens daarachter. +Ik denk, dat in deze plaatsing, die men op alle gemengde scholen en ook +in de kerken aantreft, waar de mannen de vrouwen als een heiligenkrans +omringen--geen krans van heiligen--, ik denk dat in deze rangschikking +zich hetzelfde wegloop- en narenelement openbaar. Men noemt dat met +allerlei mooie namen: hoffelijkheid, beleefdheid, eerbied voor het +zoogenoemd zwakkere geslacht, maar die namen zijn niet anders dan +kleurige sluiers, die het wezen der zaak aan ons oog onttrekken. Die +stil en devoot luisterende vrouwen--natuurlijk weten ze het niet--ze +loopen weg, en die eerbiedig doende mannen, ze rennen na. Die hele +zwijgende, stilzittende schare is in haar rangschikking een door de +eeuwen vastgelegde beweging. Het is lokken en volgen, jagen en vlieden, +maar nu vastgegroeid tot een maatschappelijk gebruik. Alleen ziet men nu +en dan, zelfs in de kerk, het oude spel herleven, als een achttienjarig +meisje minder getrokken wordt door de godsdienstoefening, omdat ze zelf +te sterk trekt iemand die daar in de verte achter haar zit. Al is die +gedachte niet aangenaam voor den preekenden voorganger, hij worde er +toch niet boos om, wetende dat het verlies van aandacht nu, hem later +rijkelijk vergoed wordt door een mooien huwelijksdienst en wie weet +hoeveel doopbeurten. Pierre de Coulevain, de auteur van Sur la branche, +heeft de verliefdheid van 't meisje terecht genoemd: moederliefde in +knop. + +Ik had het geluk, een tijdlang in de eerste jongensrij te zitten, +vlak achter de meisjes. Dit verhinderde mij niet, hard te werken. +Integendeel. Het spoorde mijn werkdrift aan. Ik deed mijn best in haar +oog een mooi figuur te maken. Een pluimpje van den meester wapperde +veel sierlijker onder het welgevallig en bewonderend oog der meisjes. +Zij behoefden mijnentwege niet goed te kunnen rekenen en ontleden. +Als ze maar haar lieftallige en gratievolle bewondering aan ónze +overwinningen konden schenken. Iedere moeilijke som, door ons als een +machtig vijand verslagen, riep haar streelenden eerbied op, en wij +sloegen er op los om dien eerbied te verwerven. »Wat kan _jij_ goed +rekenen!" of: »Hoe _kun_ je dat toch!" of: »Ik begrijp er niks van!" of: +»Toe, help je me nog even!"--het waren omwademingen van bloemgeurige +zefirs, zwanger van lenteweelde. Ha, wat voelden we ons gelukkig, als +we zulk een hulde ontvingen of zulk een hulp mochten verleenen! + +Das ewig weibliche. Wondervolle macht in een knapenziel. + +Neen, gij die meent dat onreine gedachten als zwarte wolken langs +dezen blauwen voorjaarshemel moeten drijven, gij weet het niet. Er +ging een reinigende bekoring uit van de tegenwoordigheid der meisjes. +Zij riepen ridderlijke gevoelens in ons wakker, huldigende driften, +artistieke gaven. Mijn oudste broer teekende mooi en leerde mij in de +huiskamer landschapjes teekenen en watergezichtjes. Een boerenwoning, +half verborgen onder 't loover, een hooiberg daarbij, slingerend +landweggetje, en in de lucht wat vogels--of een schip, opbruisend tegen +de watervlakte, het zeil omhoog, den wimpel wapperend, het roeischuitje +er achter--ik wierp ze met handige potloodstrepen op het papier, trok er +een strakke lijn om, zette in een benedenhoek een beetje schuin mijn +naam--ach, mijn jongens op school kunnen dat laatste ook zoo artistiek: +kinderen blijven kinderen--en bood ze de jonkvrouwen mijner vereering +aan. Hoe heerlijk, als ze het mooi vonden en zuinig bewaarden. En als +ze 't niet begrijpen konden, hoe een jongen, die al zoo goed sommen +kon maken, ook nog mooi kon teekenen. En als ze dan een eigengemaakten +boekenlegger of inktlap als tegengave schonken. Precies als de koningen +der aarde, en ook precies als de primitieve volkeren. Lezer, vriend, +zijt ge wel eens jaren achtereen gelukkig geweest met een simpel +potloodje, dat ge dag aan dag bij u droeg, nooit gebruikte uit vrees dat +het slijten zou, en telkens weer met teederheid tusschen uw vingertoppen +nam? In dat potloodje--'t heette een herinnering aan háár--bewaardet ge +al de reine teederheid van uw eigen jongensziel, gewekt door »das ewig +Weibliche". + + + + +GOEDE SCHOOL. + + +Elke schooltijd begon natuurlijk met gebed en psalmgezang. Daarna volgde +'s voormiddags een vol uur »Bijbelsche Geschiedenis". Dat was dus zes +uur in de week de historie van het oude Israël en het verhaal der +Evangeliën. + +In overeenstemming daarmee kreeg de Kaart van Palestina meer beurten dan +die van Nederland. Zoo kwam eigen land en volk wel wat in de verdrukking +door de buitengewone belangstelling aan Kanaän gewijd. Perea, het +Over-Jordaansche, lag mij nader dan Gelderland, op de Palestijnsche +bergen was ik meer thuis dan op de Limburgsche heuvelen, het meer van +Genezareth mij vertrouwder dan het Slotermeer, en langs de Jordaanoevers +wandelde ik vrediger dan langs de Rijnboorden. + +Over de keuze van dit belangstellingsgebied voor de lagere school kan +men verschil van meening hebben, maar ieder beseft, hoe dit samengaan +van geschiedenis en aardrijkskunde beide ten goede kwam. De vlakten en +de hoogten, de meren en de stroomen, de steden en de vlekken van Kanaän +kregen beteekenis, doordat ze leefden in de Joodsche geschiedenis en +literatuur. We hoorden ze uit den mond der psalmdichters en profeten, +zagen ze als terrein van arbeid en strijd, bezochten ze rondwandelend +met den leerenden Heiland. + +Dat was iets anders dan rijtjes namen, die maar rijtjes namen bleven. +Het innige verband tusschen het Joodsche land en het Joodsche volk, dat +nog thans in zoo vele Joodsche en ook Christen-harten gevoeld wordt, +maakte de aardrijkskunde van Palestina tot terreinlessen der historie. +Alles leefde daar. Men was als in de schouwburg der menschheid en zag +volksdrama's afspelen op het tooneel der velden, met begroeide bergen +tot coulissen. Nog, als ik den naam hoor van het meer van Genezareth, +zie ik visschers hun netten uitwerpen, Jezus wandelen op de wateren, +Petrus wegzinken in kleingeloof. Aan gene zijde der Jordaan staat Mozes +op den berg Nebo, ziende naar het Heilige Land, dat hij niet mag +binnentreden. Hoe lieflijk is ons dat Bethlehem met zijn overvolle +herberg en de kribbe in den beestenstal. Geen plaatsnaam, of hij roept +personen op, toestanden, gebeurtenissen. De landkaart gaf aan de +geschiedenis een gebied, gelijk deze aan de kaart leven schonk. + +Of de school dit prachtige en eigenlijk ook onmisbare samengaan met +volle bewustheid in de hand werkte, om de waarheid te zeggen, ik geloof +het niet. Het staat mij zoo voor, alsof de geschiedenisles alleen +luisterde naar de stem van den meester en nooit keek naar de kaart, +alsof de aardrijkskundeles alleen aanwees en opzei, maar nooit bevolkte, +en of het samenvloeien van feiten en terreinen aan het toeval en de +kinderlijke voorstellingsbehoefte werd overgelaten. Maar indien dit zoo +was, dan zal het nu in de christelijke scholen toch wel anders zijn. +Men zal daar nu toch die mooie kans niet ongebruikt laten. Wellicht gaat +men er nog een stapje verder en durft een les in natuurlijke historie +gebruiken, om het landschap met zijn planten en dieren uit te beelden. +»Kent gij het land?" vraagt Pfarrer Schneller op het titelblad van +zijn voortreffelijk werkje. »Wij kennen alleen stippen en strepen en +namen," zeggen de kinderen. En dit zeggen zelfs de volwassenen. Ook de +volwassenen, die op de lagere school of op de zondagsschool Bijbelsche +Geschiedenis onderwijzen? + + * * * * * + +Wanneer deze jeugdherinneringen onderwijskundige bijbedoelingen hadden, +zou ik graag van Palestina naar ons eigen land overgaan en zelfs de +vraag willen stellen en beantwoorden, of de aardrijkskunde der geheele +wereld niet een beetje intiemer kon worden met het leven der volkeren. +Maar nu moeten we verder. + +Daar zit een klasse kinderen te rekenen. 't Is de hoogste. Ook ik zit +daar zoo wat midden in de klasse, vlak achter de meisjes. Gevaarlijk +plaatsje? + +Dat denkt ge maar. + +'t Zou gevaarlijk geweest zijn wellicht als de meester onzen geest had +gekneveld in banden van verveling, als hij ons gedoemd had tot +stilzitten en kijken en handen vouwen. + +Maar op mijn bank ligt een lei, daarnaast een dik boekje in een +donkerblauw omslag, en tusschen mijn vingers leeft een griffel, +hunkerend naar 't uitvloeien en uitstroomen van cijfers. 't Is of die +arme griffel 't benauwd heeft, in barensweeën verkeert. Ze moet +schrijven, schrijven, cijfers uitgooien, een lei vol, twee kanten, vol, +nóg een lei. Eer komt ze niet tot rust. + +En al die arbeid maakt, dat ik niet eens meisjes zie. Die griffel wint +het van haar bekoorlijkheid. Het instrument, waardoor de van werkdrift +trillende geest een uitweg vindt in de grijswitte figuurtjes op de +blauwzwarte lei. + +Werken. Laat je jongens werken. De kleinen en de grooten. En ook de heel +grooten. + +Maar zorg dan, dat ze werken met lust, en daardoor met volle kracht. + +De beste rekenaars hadden ieder hun eigen rekenboek. Ik moet daar ook +onder behoord hebben. Ik herinner me den hartstocht, om een boekje _uit_ +te hebben. + +De Boesers had ik al.... opgevreten. De »eerste verzameling". De »tweede +verzameling". Toen had de meester er niet meer. Die »verzamelingen" +kwamen na en boven de gewone serie. Een soort bekroning. »Gemengde +vraagstukken". Voor de goeie rekenaars, die geen geleidelijke leiding +meer noodig hadden. Die konden aanpakken, telkens wat nieuws. + +Maar ik had ze uit. + +Toen zei de meester: »Ja, wat zal ik je _nu_ geven!" En hij snuffelde in +zijn kast. Daar had hij zoo'n stapeltje van allerlei. »Hier, probeer +dit maar eens." + +'t Was--heb ik het goed onthouden?--»Koopmansrekenen" van Adam van +Lintz, het--vierde?--stukje. 't Was dat dikke boekje in donkerblauw +omslag. En Adam van Lintz boeide mijn oogen en mijn handen en mijn +gedachten en mijn neigingen. + +Ik zag geen meisjes, ik zag sommen. + +Heerlijke werkuren. Ze deden me al vroeg ervaren, waar een stuk reine +levensvreugde te vinden is. Bijstand tegen verzoekingen. Troost in +smart. + +Nooit in mijn verder leven heb ik Adam van Lintz teruggezien, terwijl ik +toch onafgebroken tusschen de schoolboekjes heb gezeten. Waarschijnlijk +was hij dus toen al aan 't verdwijnen. Versluys en Wisselink kwamen de +Boesers verdringen. Toch onthouden, met uiterlijk en titel. Bewijst dat +niet--wat ik reeds vroeger opmerkte--dat het geheugen in 't hart zit? En +dat het werk in de school het kinder_hart_ moet weten te pakken? + + * * * * * + +Men zou uit deze rekendrift willen afleiden, dat ik later een +rekenmeester had moeten worden. Doch dan zou men verkeerd afleiden. Mijn +aanleg en mijn lust hebben nooit de cijfers gezocht. Verzen opzeggen, +lezen met een mooie stem, de muziek der taal genieten--dat was mijn +eigenlijke voorkeur. Mijn aanleg was, om het met een groot woord te +zeggen: literair. Als ik in mijn eentje liep, zei ik in mezelf verzen +op, vaak psalm- en gezangverzen. En dan had ik een gevoel, of mijn stem +de mooie klanken moest liefkoozen en de golvende regels in zangerig +rythme moest laten vloeien. Een meester, die mooi voorlas, had me gauw +te pakken, en onwillekeurig bootste ik de bekoorlijke eigenaardigheden +van zijn voordracht na. + +Toch herinner ik me van mijn leesboekjes niets meer. Welke waren het? +Ik weet het niet. Belletristische? Leerende? Verhalende? Ik weet het +niet. Verzen of proza? Ik weet het niet. Geen inhoud, geen titel, geen +uiterlijk--ik weet er niets meer van. Waren ze wellicht te droog? Ik +weet het niet. Te vroom? Te braaf? Te onkinderlijk? Ik weet het niet. +Wonderlijk toch, de rekenboeken zie ik nog, ken ik nog, hoewel ik geen +rekenman ben, en de leesboeken zijn totaal weggezonken in vergetelheid, +hoewel de toekomst bewezen heeft, dat ik voor 't leesboek toch wel +iets voelde. Vanwaar dit onderscheid? Het moet wel hieraan zijn toe +te schrijven, dat--door 't _werken_--in de rekenboeken mijn hart +is gaan zitten, en dat de leesboeken dit hart niet hebben gelokt en +vastgehouden. Dat hart wou wel. Maar 't boek wou niet. Of misschien +wou het arme ding wel, maar kon het niet. Het zal onze harten _te +opzettelijk_ hebben willen vangen. En dat is altijd mis. + +Het is toch eigenlijk sterk, dat ik niet meer weet, uit welke +schoolboeken ik als twaalf- en dertienjarige jongen gelezen heb. Maar +voor 't feit sta ik in. Wellicht wordt het een beetje nader verklaard +door mijn overgang, als kweekeling, naar de openbare school. Daar kwam +ik in zoo'n heel andere boekjeswereld. Maar dat rekenboek dan? en het +zingen? Want dát herinner ik me heel wel. Ik zie het schoolbord vol +muziek staan, driestemmige liederen in notenschrift. En ik ken nog die +liederen die we leerden. Eén lied is te kenmerkend en te vereerend voor +de school, dan dat ik het hier niet zou vermelden. De Fransch-Duitsche +oorlog was uitgebroken, 1870. Ik was elf jaar. Overal hoorde je »Die +Wacht am Rhein", tot op draaiorgels toe. Toen leerde de meester ons de +woorden en de muziek, de woorden in 't Duitsch, ofschoon we in die taal +geen les kregen. En we zongen uit volle borst meerstemmig: + + Est braust ein Ruf wie Donnerhall, + Wie Schwertgeklirr und Wogenprall: + Zum Rhein, zum Rhein, zum Deutschen Rhein! + Wer will des Stromes Hüter sein? + Lieb Vaterland magst ruhig sein: + Fest steht und treu die Wacht am Rhein. + +Ik noemde dat kenmerkend en vereerend voor de school. Immers, het was +een bewijs, dat men in de school _leefde_. Het lied van den dag, ondanks +de vreemde taal, in de zangles gebracht--dat was toch wel waarlijk: +school en leven. + +En die school was een--»afgescheidene", van veertig jaren her. + + * * * * * + +Het is wel begrijpelijk, dat deze schoolliederen me zijn bijgebleven. +Vooreerst hadden ze dezelfde veroveringsmethode als de sommen. Ze zetten +ons aan 't werk. Zingen moest je wel, of je wou of niet. Je kon er niet +bij suffen of afdwalen. Daar had je nu je zuivere zelfwerkzaamheid. Maar +dan ook, de liedjes werden thuis vrijwillig gerepeteerd. Niet, gelijk +dat in gegoeder kringen geschiedt, op bepaalde uren bij een piano, maar +op alle tijden van den dag en in alle hoekjes van het huis. Vader zong, +Moeder zong, Christien zong, de jongens zongen, ik zong, we zongen +allemaal. Zingende leerden we mekaar de liedjes, en als er een moeilijke +val was, werd die soms in de keuken onder 't werken door ingestudeerd. +Christien sneed de andijvie of de rooie kool, ik stond bij haar aan de +rechtbank, en daar had je een formeele zangles. + +Niemand was verlegen om den mond open te doen, niemand schaamde zich +zijn stem. Het huis weergalmde van lied. Je zong in de keuken bij 't +schoenenpoetsen, je zong in de gang, je zong in alle kamers, in de +huiskamer, de slaapkamer, de bestekamer. Leege oogenblikken werden +gevuld met lied. En dat was nooit een zacht geneurie, maar een luid +gejuich, vol uit de borst. Ook de bovenburen zongen en de benedenburen. +En 't waren allemaal schoolliederen van »Zie de leliën op het veld" of +»Als de zwaluw ons verlaat" of »Eere zij God". De Zangvogeltjes, die +lieve uit de boekjes van C. Regeer, fladderden door onze woning, en +jubelden hun heerlijkste liedjes. + +Dat had en heeft een burgergezin voor op de deftigheid. Er wordt +gezongen in huis. De kinderen behoeven geen zangles te krijgen. De +liederen leven er, gelijk buiten in veld en bosch, en--evenals +daar--piepen de jongen naar 't zingen der ouden. + +Wat kon Vader mooi zingen! En met welk een liefde en toewijding zong +hij! Dan kon hij zoo'n uur achter elkaar heen en weer loopen, geen jas +aan, de handen op den rug, van de huiskamer door de gang en omgekeerd, +en aldoor maar zingen. Hij haalde de liederen op uit zijn verleden, veel +Fransche. Van »La Brigantine, Qui va tourner." Wat vonden we 't mooi! En +als Vader dan met ingehouden stem bad: »O, Vierge Marie! Pour moi priez +Dieu!" dan werden onze oogen wel eens vochtig van ontroering en viel er +een traan tusschen de sommen of de Fransche thema's. Dat waren heerlijke +oogenblikken. + +En 's avonds, vooral Zondags in 't schemeruurtje, wanneer alleen een +zacht theelichtje het duister bekampte, klein, dapper, rustig vlammetje +in een donkere wereld, en wij, door de kamer verspreid, ons gelegerd +hadden als in een Zigeunerkamp, de ouderen op stoelen, ieder op een +geliefkoosd plaatsje, de jongeren op den grond, de beenen rechtuit +of de knieën opgetrokken--een »vrije orde"--dan begon er maar een te +zingen, en vanzelf vielen de anderen in. Het eene lied na het andere. +Maar nooit straatliederen. De school en de overlevering hadden ons een +heel repertoire bezorgd, altemaal liederen vol kleur en sentiment, +beschaafd van taal en van toon. En steeds ging het ten slotte naar het +godsdienstige toe. Met de Hernhutters zongen we: »Laat mij, slapend, +op U wachten, Heer, dan slaap ik zoo gerust." En eindelijk met de +Christelijke gemeente dien stemmenden avondzang: + + 'k Wil U, o God, mijn dank betalen, + U prijzen in mijn avondlied. + Het zonlicht moge nederdalen, + Maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet. + +Dan trilde Moeders stem. Zij was weer in de pastorie van haar +kinderjaren. + + * * * * * + +Liefelijke schemeruren. Hoe heerlijk toch, dat alle uren van den dag +hun eigen kleur en toon hebben. Het uur van 9-10 in den voormiddag is +een heel ander dan dat van 2-3 in den namiddag. Men kan ze onmogelijk +verwisselen, zonder het gelaat van den dag een vreemd en onbehaaglijk +uiterlijk te geven. En zoo heeft ook het schemeruur zijn karakter en +bestemming. Wie denkt er aan in den morgen zoo vertrouwelijk bijeen te +zitten en te zingen als bij het vallen van den avond tusschen licht en +donker. Het zou niet gaan. En nu heb je wel redeneermenschen die zeggen: +een uur is een uur, ze hebben allemaal precies zestig minuten, en zingen +is zingen, dus je kunt het zingen van 't eene uur net zoo overbrengen +naar een ander, maar deze verstandige lieden behooren tot die +waanzinnigen, waarvan Chesterton zegt, dat ze krankzinnig zijn, omdat +ze alles verloren hebben behalve hun verstand. Neen, een uur is niet +een uur, elk heeft zijn eigen aard, en daarom brengen en vragen de +avonduren, die van vijf tot zeven, iets anders dan hun vroegere of +latere broeders. + +Wij hadden avondschool, liefelijker gedachtenis. Ze werd in de +bovenverdieping gehouden. Daar genoten we van het warmgele licht der +gasvlammen, het stille suizen, en van meesters stem en lange pijp. 's +Avonds scheen meester een heel andere stem te hebben dan overdag. Kwam +dat door het gaslicht? Of doordat er veel minder kinderen waren? Neen, +'t was de invloed van de uren. Die veranderden niet alleen zijn stem, +maar zijn heelen persoon. Hij was veel vertrouwelijker, veel gezelliger, +veel gewoner. Zijn houding en toon naderden ons veel dichter, hij werd +een soort familielid van je. De schoolnarigheid ging er af. Zijn +handdruk was zelfs anders dan die van 's morgens vóór negenen. + +En dan was zijn lange pijp ook een van zijn aanbevelingen. In het +vensterkozijn lagen eenige opgevouwen papierstrooken--fidibussen. +Daarmede spaarde meester een zwavelstok uit. »Geef jij me eens een +fidibus." De gelukkige nam er een uit het kozijn, stak hem aan boven de +gasvlam, en hield hem bij meesters pijp. We genoten van het opkrullen +der tabak, van de blauwe rookwolken, en van de manier waarop meester +den dop op de pijp zette. Nu trok hij een poosje achter elkaar, dan +legde hij de pijp neer, nam de zijden pet van 't hoofd en zei ernstig: +»Prions!" Wij vouwden de handen, sloten de oogen, luisterden naar het +suizende gaslicht en naar de eerbiedige stem: »Notre père qui est aux +cieux! Ton nom soit sanctifié. Ton règne vienne!" Er zweefde stille +vrede in onze harten. + +Pas had het »Amèn" onze oogen en handen ontsloten, of we hoorden: +»Chantons--pseaume...." Dan sloegen we de psalmboeken open, echte +Fransche, zochten het lied op, en zongen. Terwijl ik dit schrijf, +valt me een lied in, dat ik toen geleerd heb, met dit slot: + + Amen! Amen! + Purifie, + Sanctifie, + Renouvelle + Tout en nous, Sauveur fidèle! + +en ik hoor de kinderstemmen nog, gedragen door meesters stem, en +wegstervend in de donkere einden van het groote lokaal. + +Van zoo'n avondschool ging kennis en wijding uit en 't was ons daar +beter, dan dat we ons thuis verveelden of op straat bedierven. Om +opvoedkundige redenen is de avondschool overal afgeschaft. Maar als ik +nu nog op een avondcursus de kinderen zoo stil genoegelijk zie werken, +denk ik: Wat zit jelui hier vredig! En wat heb je het toch goed! + + * * * * * + +Dat lijkt sommigen misschien wat erg bekrompen ouderwetsch en zeer +bevreemdend van iemand, die zoo hardnekkig pleit voor vrijheid en +spel en tegen leerdwang. Maar wie trouw gevolgd heeft, wat door dien +hardnekkigen pleiter verdedigd en bestreden is, die weet wel, dat +het nooit ging tegen het leeren, maar tegen de vervloekte kunst +om het leeren tot een ellende te maken, tot een hersenkwelling en +zenuwvernieling. Leeren moet een vreugde zijn, en het kan een vreugde +zijn. Maar de examens, het opdrijven boven peil, bederven het genot. +Kinderen leeren graag, naar de mate hunner capaciteit. Maar de school +houdt geen rekening met die capaciteit en maakt zoo den zin tot +tegenzin. + +Prof. Jelgersma--en hij kan het weten--heeft eens geschreven, dat nooit +het werken iemand zenuwziek maakt, maar wel de onrust, de spanning, de +zorg. Mijn eigen ervaringen bevestigen deze uitspraak. Natuurlijk heeft +onze arbeidskracht haar grens, maar de instortingen in mijn leven zie ik +heel duidelijk als gevolgen van emotievolle tijden, tijden van kommer en +angst. Het zijn de _gemoeds_kwellingen, die ons knauwen. En dit is zoo +waar, dat juist meermalen de arbeid, in stede van een ondermijner, een +hersteller onzer gezondheid is. Werk maar, werk maar trouw, volhardend, +inspannend. Echter--werk met liefde. Laat je werk een vreugde zijn. En +dan bevordert het je gezondheid. + +Mijn jeugdherinneringen prediken mij dit ook met overgroote klaarheid +en zekerheid. De arbeidsdrift en de arbeidskracht mijner schooljaren +hebben mijn gezondheid nooit geschaad, doch wel mijn lichamelijken en +zedelijken welstand gebaat. Maar als door averechtsche schooltucht het +leeren tot een straf werd, dan liep het mis. En nu zal men wellicht mijn +achterlijke ingenomenheid met de avondschool begrijpen. Wij werkten met +lust. Hoe meer de kinderen leeren en werken, des te beter. Mits lust de +drijfveer en vreugde de vrucht is. + +Van mijn afgescheiden school heb ik nog eenige herinneringen mee te +deelen. Die bewaar ik echter tot het slot. Eerst werpen we nog een blik +in het hartje van den Jordaan en dan gaan we naar de nieuwe woning in de +Nieuwe Leliestraat. + + + + +JORDAANPAEDAGOGIEK. + + +De Jordaan, de Amsterdamsche, heeft niets te maken met de gelijknamige +rivier in Kanaän. Vroeger waren er in deze volksbuurt der hoofdstad +allemaal tuinen. De Fransche vluchtelingen, de refugiés, vestigden zich +daar en zij spraken van »les Jardins". Vandaar de naam. + +Het is wel eigenaardig, dat deze naam, die geen enkel officieel cachet +heeft, in den volksmond is blijven voortleven. De stadhuisregisters +kennen hem niet, maar bij de geboren Amsterdammers zal hij niet gauw +wegsterven. + +De herinnering aan les Jardins wordt, behalve door de verbastering +Jordaan, ook bewaard in de namen der straten en grachten. Wie deze +hoort, waant zich in een lusthof verplaatst Alles spreekt van bloemen +en boomen. De Palmgracht, de Goudsbloemstraat, de Lindengracht, de +Anjelierstraat, de Tuinstraat en de Eglantiersgracht, de Leliestraat en +de Bloemgracht, de Laurier- en zelfs de Rozenstraat. Het geurt en kleurt +om u heen. Dáár zoudt ge willen wonen. Onder de palmen, tusschen de +rozen. + +Wees voorzichtig. Namen bedriegen. Op de Lindengracht was mijn eerste +school, en het stonk er. Op de Bloemgracht mijn tweede, en het stonk er +ook. Op de Eglantiersgracht woonden we, en het stonk er afgrijselijk. +Geen wonder: de gracht was zoo iets als een groep voor het menschelijk +vee, alle emmers met excrementen uit de heele buurt werden er avond aan +avond in leeggestort. Die schonken hun geuren aan les jardins. Zoo +leefden we daar tusschen rozen en anjelieren. Ik weet nog, dat er een +cholera-epidemie heerschte. Duinwater hadden we niet, elken dag voeren +er schuiten met vaten zuiver drinkwater door de gracht, en terzelfder +tijd spoelden sommige vrouwtjes hun waschgoed in die grachten uit. +'t Water zag er altijd vuilzwart: leliën en rozen. En de bakker maakte +er zijn dweil in nat, waarmee hij den oven »reinigde" voor ons brood. + +Ook de meeste straten waren vuil. Glibberige keitjes tusschen armoedige +huizenrijen. Wie laurieren en goudsbloemen verwachtte, vond gore +onderkleeren, afhangend van droogstokken. + +Het is nooit verstandig, straten en ook meisjes van die heel mooie namen +te geven. Men weet niet, of ze de belofte van hun naam vermogen te +houden en zoo loopen ze gevaar, levenslang, bij iedere kennismaking, in +zichzelf een teleurstelling aan te bieden. + +Allereerst aan het Oranjehuis is het gelukt, een inval te doen in die +rijen van bloemen en groen. Vroeger heette een der grachten, n.l. de +Goudsbloemgracht, in den volksmond _het Fransche pad_. Je had daar, ter +weerszijden van een drabbig water, smalle, slecht geplaveide wegen. +Franschen woonden er niet meer, wel dieven en ander gevaarlijk volk. +Wij, jongens, wisten elkaar te vertellen van zulk een held, die, door de +politie achtervolgd, royaal over de gracht sprong en zoo zijn vrijheid +redde. Het was »De achtkante Boer". Overigens leefde dit Fransche pad +bij ons alleen voort in een verachtelijken scheldnaam. Wie ons àl te min +was, scholden we uit voor Franschepatter. In den Haag zegt men tegen zoo +iemand: stuk vullis. + +Het Gemeentebestuur vond het verstandige opvoeding zijner burgerij, de +gracht van dit Fransche pad te dempen, waardoor het in een breede straat +veranderde, toegankelijk voor handhavers der orde. Maar het gaf daarbij +een tweede bewijs van paedagogisch inzicht. Het liet de straat naar +Koning Willem III vernoemen, door Z. M. plechtig openen, en sedert +verdwenen de namen van Goudsbloemgracht en Fransche pad voor dien van +Koning Willemstraat. De Jordaners waren altijd reeds beroemd door hun +Oranjeliefde, maar nu was Oranje hun een broeder, en meer dan dat. +Wanneer Koning Willem III zijn jaarlijksch bezoek aan de hoofdstad +bracht en dan natuurlijk ook in open rijtuig de Willemstraat bezocht, +spanden zijn trouwe Willemstraters de paarden van den wagen en trokken +dien zelf in statigen optocht langs hun heirweg. Dat was een jaarlijksch +verbond tusschen Bokkebek, den Koning van de Willemstraat, en Willem +III, Koning der Nederlanden. + +Wat is een naam? vraagt de dichter. + +Een naam is een levenslange ontgoocheling. Maar een naam is ook een eer, +een verplichting, een verantwoordelijkheid, en dan is hij een stuk +opvoeding. Maak van uw Franschepatters--Willemstraters. + + * * * * * + +Zoo ziet men, hoe er uit dien vuilen Jordaan nog paedagogiek kan +opbloeien. Met de paedagogiek is het trouwens evenals met de poëzie, ze +schuilt + + Overal, mijn vrinden. + 't Is de vraag maar, wie haar al, + Wie haar niet kan vinden. + +Dat móét immers ook? De paedagogiek is een levenskracht, die in heel +de menscheid en zelfs in de dierenwereld werkt. Sinds men echter een +paedagogische priesterschap heeft, die haar paedagogisch leerstelsel +heeft opgebouwd, is de paedagogiek schuil gegaan, en kost het vaak +moeite haar op te sporen. Het zuivere hemelwater is tot staande grachten +geworden, vol menschelijke onreinheid, stinkende van domheid en +pedanterie. Geef den menschen zoo'n leerstelsel, en zie, wat ze er +van terecht brengen. Je kunt ze er in examineeren, maar dan--in de +practijk--laten ze het in den steek, omdat het hen in den steek laat. +De priesters hebben altijd het werk der profeten bedorven. Wie iemand +paedagogisch wil sterken, brenge hem in aanraking met de paedagogische +profeten. Van hen gaat kracht uit, die onze krachten wekt en ontwikkelt. + +In ieder menschelijk wezen--en in hoeveel dieren--leeft een +paedagogisch instinkt. Vandaar dat we overal opvoeding zien, opvoeding +móéten zien. Naarmate we die opvoeding meer beperken tot een bepaalde +klasse, zal ze er te treuriger aan toe zijn. Dan verdroogt de +levenskracht tot schoolmeesterij. + +Ziedaar, zelfs Willem III was een opvoeder, toen hij zich door de +Willemstraat liet trekken. Zonder karton- of houtslöjd paste hij daar de +zelfwerkzaamheid toe. Hij stelde die mannen in de gelegenheid, iets voor +hem te _doen_. Iets dat ze graag deden. Iets dat hen een eer werd, een +levenslange trots: »_Ik_ heb den Koning nog voortgetrokken!" Daarmee +riep hij van het beste wakker, wat in die mannen leefde: huldigende +toewijding aan Majesteit. + +Vischkoopers, kroeghouders, geldschieters in zelfgewilde dienstbaarheid +zich te doen inspannen voor Majesteit, zij het aardsche, het is +een begin van zedelijke opvoeding. En het is de bittere fout onzer +hedendaagsche zoogenoemde democratie, dat ze den eerbied voor Majesteit +vernietigt. O, ik weet, dat er veel valsche majesteit is, maar daarom +kan dat eerbiedsgevoel toch echt zijn. En niet die majesteit daar +buiten, maar dat eerbiedsgevoel daar binnen is de opvoedingskracht. +Wellicht buigen wij allen voor valsche majesteit, wij blinde zoekers der +Waarheid. Doch beter is het, een Koningskar voort te trekken, dan den +zegewagen van de Zelfzucht. Als er maar een element van toewijding is! + +Jaren later heb ik in denzelfden Jordaan het zoogenaamde palingoproer +bijgewoond. Het Gemeentebestuur had een aloud volksvermaak verboden, +waarbij een paling aan een touw boven het grachtwater hing en gegrepen +moest worden door een onder het touw door varenden man. Zoo iets als het +katknuppelen, maar weer wat anders. + +Het verbod was gerechtvaardigd,--ofschoon, als men toch beschermen wou, +er in de gevangenissen en bordeelen heel wat menschen nóg dringender +behoefte aan hulp hadden dan die paling. + +'t Ging echter waarschijnlijk minder om het palingbelang dan om de +zedelijke opvoeding der Jordaners, die nu toch eindelijk eens afstand +moesten doen van zoo onmenschelijk vermaak. Afstand, nog eer ze er in +hun hart afstand van hadden gedaan. + +De Jordaners verzetten zich, en soldaten trokken den Jordaan binnen. Het +werd een formeel oproer. + +Natuurlijk wonnen de geweren het en tegenwoordig worden de palingen +alleen maar levend gevild en in stukken gesneden door de gemoedelijke +handjes der vriendelijke vischvrouwen. Meneer het Gemeenteraadslid ziet +het zonder gewetenswroeging aan, zijn kinderen kijken ook met een zeker +welgevallen. Het vischvrouwtje doet het zoo kwiek, en paling is lekker. +Maar de Jordaners mogen niet meer »palingtrekken", denken er niet eens +meer aan. Dat is voorbij. Door kogels getroffen. + +En dit was nu juist de fout, dat de kogels het geveld hebben. + +Er was een betere manier geweest. + +Men had er Willem III voor moeten spannen. Gelijk de Jordaners Zijne +Majesteit hadden voortgetrokken, had deze Majesteit--majesteitelijke +roeping en roem!--zich in dienst moeten stellen van hun zedelijk heil. + +Men had de voornaamste palingtrekkers moeten opzoeken, hen uitnoodigen +tot een vergadering ten Raadhuize, en daar had de Burgemeester, ter eere +der vergadering in ambtsgewaad, moeten zeggen, hoe graag de Koning wou, +dat dit vermaak uit »Zijn Jordaan" verdween, om dan te vragen, of de +mannen daar geen middel op wisten: »De Koning vond, dat de Jordaners +tegenwoordig te hoog stonden voor zulk een toch altijd wreed genoegen." +En dan had men het daarheen moeten sturen, dat bij het eerstvolgend +bezoek van Willem III een eere-comité van Jordaners onder leiding van +Bokkebek, den Koning, »het besluit der burgerij" meedeelde, om voortaan +ter liefde van hun vorst en de palingen, niet meer aan het palingtrekken +te doen. + +Dan had men, en waarlijk opnieuw zonder houtslöjd, de zelfwerkzaamheid +in actie gebracht ten bate van het zelfheil. + + * * * * * + +Doch wellicht vindt deze of gene, dat deze paedagogiek een politiek +bijsmaakje heeft, dat zij eigenlijk slinksche middelen gebruikte, en, +om het maar ineens te zeggen, in haar wezen onoprecht was. Koning en +Burgemeester zouden zeer goed geweten hebben, dat de Jordaners _niet_ te +hoog stonden voor dat wreed genoegen, en heel die opgezette komedie zou +niet anders geweest zijn dan een speculeeren op de menschelijke +ijdelheid, dus op een menschelijke fout. + +Laat de Jordaan mij tegen deze bedenking mogen verdedigen. + +Het is marktdag en de Noordermarkt is vol kooplui en koopers. Er liggen +allerlei nuttige en noodige dingen, die de drentelende burgervrouwtjes +vandaag voor een prijsje willen meester worden. Maar daar staat ook een +koopman, die iets totaal overbodigs aanbiedt. Niemand zal zoo gek zijn, +daarvoor zijn geld uit te geven. Zoo meent ge. En de omgeving van het +kraampje is ook dood van leegte. Maar wacht een oogenblik. De koopman +begint met rijksdaalders te werken. Hij smijt ze tegen een tafelblad, +zoodat ze terugspringen, vangt ze op, laat ze rinkelen, gooit ze omhoog, +weet ze met een sierlijken greep te vangen, en binnenkort staat hij +midden in een breeden kring van menschen. Eerst kwamen de jongens en +gaapten zijn kunsten aan, toen ook de mannen en de vrouwen. De blinkende +geldstukken, neen de wijze waarop de koopman er mee manoeuvreerde, heeft +het volk doen toestroomen. En onder de hand heeft de kunstenaar, steeds +oreerende, iets aangeduid van hetgeen hij het achtbare publiek wenscht +aan te bieden. + +Het publiek wacht en kijkt. Het is nieuwsgierig. Maar geen sterveling +is van plan iets te koopen. Ze hebben hun geld te lief en geven niets +om die prullen. Doch ze kennen den koopman niet en hun eigen rampzalige +zwakheid. Hij haalt iets onder zijn tafel vandaan. Een doos. Hij opent +ze. Het publiek rekt de halzen uit om te kunnen zien. Hij neemt iets +tusschen wijsvinger en duim, maar 't blijft nog verborgen. Nu roemt hij +de deugden van dit inderdaad buitengewone. Men zou al geld geven, om het +te mogen aanschouwen. En dan te denken, dat je zoo iets bizonders voor +luttel geld je kunt toeëigenen. Dat je 't je heele leven kunt meedragen. +Het is een zeldzaam kansje. En uit een omhulling van rose watten--zoo +waardevol bergt men geen prullen--wikkelt de koopman het wonder te +voorschijn. En dat kun je nu krijgen voor slechts vijf cent. + +De jongens hebben geen vijf cent Zij gapen het wonder maar aan. Doch die +mannen, en die vrouwen, de centen rammelen al in den zak. Komaan meneer, +is het niets voor uzelf, dan is het toch voor uw kinderen. Komaan +juffrouw, u hebt zoo iets toch immers nog nooit in huis gebracht? En +meneer laat zich verleiden: Vooruit, geef me dan maar zoo'n dingetje. De +centen telt hij al neer. En de juffrouw laat zich verleiden. En anderen +volgen. En het is den slimmen koopman gelukt, de menschen zoo ver te +brengen, dat ze het geld offerden, dat ze noodig hadden en wilden +behouden, en een prul mee naar huis namen, dat ze niet behoefden en +eigenlijk zelfs niet eens begeerden. + +Die koopman heeft maar één methode: beduvel je menschen. + +En die methode heeft succes. Alleen, hij wendt haar aan tot nadeel van +zijn volk en ten bate van zichzelf. Daardoor is hij geen paedagoog. Maar +had hij omgekeerd het heil van anderen op 't oog en wilde hij daartoe +zelf offers brengen, dan was hij met zijn methode van »beduvel ze" +een geboren opvoeder. Of is het niet onze grootste kunst, kinderen en +menschen het goede te laten doen, waar ze in hun hart afkeerig van zijn? +Hen smaak te doen krijgen in hetgeen hen noodig maar niet aantrekkelijk +is? + +»Jordaanpaedagogiek!" roept hier de echte paedagoog verachtelijk uit. +»Een paedagogiek, die haar achterbuurtsche afkomst niet verloochent. +Men kan wel zien, dat deze paedagoog een Jordaankind is, bij vunzige +grachten opgegroeid." + +Dat is hij. Maar nu blijkt meteen zonneklaar, dat hij geen paedagoog is, +hetgeen hij, ziende de echte paedagogen, wel altijd gevoeld heeft. + +Stel u voor: de methode van beduvel ze maar. En dat in naam der +pae-da-go-giek! + + * * * * * + +Er was r's een moeder, die altijd 's avonds, als het bedtijd was, tegen +haar spruit zei: »Kom, nu gaan we ons eens lekkertjes uitkleeden en dan +lekkertjes naar bed." + +Nu moet ge weten, dat die spruit het lang niet lekkertjes vond, het +uitkleeden niet en het naar bed gaan ook niet, en veel liever bleef +spelen. Maar als moeder dat zoo zei, dan was het net, of er over het +uitkleeden en naar bed gaan een zekere bekoring kwam, of het vriendelijk +licht, dat den heelen avond het spel beschenen had, wat draaide en zijn +schijnsel wierp om den stoel waar 't kind zich ontkleedde. Het +speelhoekje kwam in den schaduw. + +Een gewoon mensch, die geen verstand van paedagogiek heeft, begrijpt dit +best. Er is inderdaad zoo'n lichtje in 't moederhart, en dat straalt +zijn schijnsel in stemmende woordjes uit. Als moeders zoo iets zeggen, +verwisselen lust en onlust in 't kindergemoed. Dat is de wonderlijke +uitwerking van haar woorden. + +Maar eigenlijk volgde moeder daarbij die veroordeelde methode van +je-weet-wel. + +Toen kwam moeder eens in aanraking met een echte paedagoog, nog wel +een moeder, en die keurde de gevolgde manier beslist af. Die deed het +paedagogisch. Het kind moest op tijd eindigen met zijn spel en dan naar +bed, lekkertjes of niet. En zoo gebeurde 't ook bij haar kind. Maar 't +ging altijd met tegenzin; en als 't heel mooi was met gelaten berusting. +Nooit met een warm gevoel van vriendelijke instemming. Moeder, ik bedoel +nu de eerste, zag dat, en ze had een buitengewoon respect voor die +degelijkheid, maar ze bleef toch maar liever bij haar eigen manier: die +vond ze voor 't kind gezelliger, en eigenlijk ook voor haarzelf. + +Doch ik geloof, dat ik haar begrijp. Ze wilde zoo graag, dat het +kind lekkertjes ging slapen, ze vond het voor 't kind zoo goed als +het, zonder conflict, in die zachte stemming het spel verving door de +nachtrust. Ze wist echter wel, dat zoo'n overgang voor 't kind moeilijk +is, en om het nu daarbij te helpen, kwam ze het kind met háár stemming +te gemoet. Wat heilzaam was voor 't kind, maar door jeugdige kracht nog +niet spontaan en zonder bijstand ontwikkeld kon worden, kwam nu te +voorschijn--en toch _in_ het kind--door moeders wijze, liefdevolle, +steunende inwerking. Deze riep in het kind iets wakker. + +Neen, dat is geen bedriegen. Met leugens heeft men nooit succes. Die +mogen ons voor 't oogenblik uit den nood helpen, ze brengen ons in 't +spinrag der onwaarheid, waarin we steeds meer verward raken. + +Die methode van »beduvel ze maar" bedoelt, het goede in kind en mensch +op te roepen, dat er in aanleg aanwezig is, en daarmee te overwinnen het +kwaad dat dreigt of heerscht. + +De potentiëele deugd reëel te maken. + +Den engel aan te gorden tegenover den duivel. + +En daarom moest ze in de paedagogiek eigenlijk heeten: Verengel ze maar. + +Dat klinkt echter te mooi voor Jordaanpaedagogiek. We zeggen het daar +liever wat ruw. Maar we meenen het daarom toch goed. En wellicht dat +menig onderwijzer, die zijn kinderen dag aan dag moet inprenten, wat die +schapen absoluut onverschillig is, en die naar zijn zin de medewerking +dier kinderen bij toepassing der heerschende methoden niet in voldoende +mate kan winnen, wat meer succes heeft, als hij 't eens probeert met de +methode van.... doch nu weet hij 't al. + + + + +IN 'T NIEUWE HUIS. + + +Menige woning is als de schelp van een weekdier. Je kruipt er van voren +in en dan ontwikkelt zich een stel ruimten, met aan alle zijden wanden. +Wil je er uit, dan dien je weer terug te kruipen. Toegang en uitgang +zijn dezelfde. + +Dat geeft altijd zoo iets beklemmends. Overal stuit je tegen muren. Als +de voordeur achter je gesloten is, ben je gevangen. Je bent in een fuik +gezwommen. Aan den achterkant is geen uitbreken. + +Zoo kan je ook zoo leelijk een vereeniging, een partij binnenzwemmen. +Ben je er eenmaal in, dan kun je geen hand uitsteken, of je slaat tegen +een muur van het programma. Akelig benauwd. Je dacht je tusschen die +wanden recht behagelijk en thuis te voelen? Niets er van. 't Zijn +dwangbuizen voor je geest. Je willen en je denken, je neigingen en je +inzichten botsen voortdurend tegen de geformuleerde overtuigingen en je +dankt den hemel, als je er goed en wel uit bent, zij het ook, dat ze je +door het inkruipgat er principiëel hebben uitgesmeten. + +Dan ben je weer heerlijk in de vrijheid. + +Het nieuwe huis had gelukkig een achteruitje. + +Wanneer je had aangebeld, kwam je in de gang. Een zijdeur gaf toegang +tot de »zijkamer". Als kind heb ik bij dezen naam nooit aan de +eigenlijke beteekenis gedacht. Die zijkamer was de mooie kamer, daar +stonden de beste meubelen, daar zat je alleen zondags, daar ontving +je visite. Er was dus iets fijns aan dien naam verbonden, en dit hoorde +ik in den naam. Ik dácht er niet bij aan zijde en satijn, maar ik kwam +er bij in een stemming van die stoffen. De zijkamer behandelde je met +een zekere reverentie, gelijk een zijden japon. Dat was geen stuk +gemeenzaamheid. En als je tegen een bezoeker zei: »Ga u maar even in de +zijkamer," dan kwam er, en niet alleen door de beleefdheid, iets zijigs +in je stem. + +Ziedaar het effect der klanken. Fijne, mooie, beschaafde klanken kunnen +beschavend werken door het intoneeren van fijne stemmingen. + +Aan 't eind van de gang kwam je door een andere deur in de huiskamer. +Hier was het, dat we in schemeravond onze liederen zongen, op stoelen +en op den grond om de kachel gegroept. Vulkachels waren er toen +gelukkig nog niet. Je moest nog telkens »een schepje op de kachel" +doen, je zag den pot gloeien, je zag bij 't poken de vonken vallen, +ja zag zoo'n heerlijk warmgeel licht uit het pookgat schijnen, altemaal +genietingen, waarvan de gemakzucht, de techniek, de hygiëne en andere +ongerechtigheden ons hebben beroofd. Vader stak den pook in de kachel, +om met de punt zijn pijp aan te steken; een stukje roodvlammend leven +midden in de duisternis. Onze kinderoogen genoten van alles. Met volle +teugen dronken we de poëzie van dit huiskamerleven in. De zijkamer had +iets stijfs en kils. Maar de huiskamer--ze mocht dan laag en donker zijn +met dat eene raam op den tuin, ze mocht vol rook hangen van Vaders pijp, +ze mocht door gloeiende kachel, bedstede en nog zoo een en ander een +benauwde atmosfeer hebben, ze was toch een gezegend oord. Er zweefden +gezelligheid, vertrouwelijkheid, hartelijkheid. Je voelde je er warm en +veilig. + + * * * * * + +Ga nu eens mee voor dat eene raam zitten. Dan zie je tuintjes. Hier +vlak voor je is ons eigen tuintje. Eerst een plaatsje en daarachter een +tuintje, beide maar klein. Het plaatsje van groote vierkante tegels, het +tuintje niet anders dan een lapje zwarte grond. In drie of vier stapjes +heb je beide doorloopen. Maar toch een tuintje. Een lage, donkere +schutting scheidt het, rechts, van buurmans tuintje. Daar kun je ook in +kijken. En dan ligt er weer een, en nog een, en nog een, een heele rij. +Links staat een vrij hoog houten loodsje van twee verdiepingen, dat daar +het terrein en alle uitzicht afsluit. Maar achter ons tuintje en dat van +de buren zie je weer de tuintjes van de achterburen. Die zijn grooter +dan de onze, want daar wonen rijkere menschen. In hun tuinen staan heele +boomen, waar de musschen in sjilpen. + +Is dat niet een heerlijk bezit? Ruimte, lucht, groen, vogels. + +Toen we bij 't verhuizen onze eerste stappen in de nieuwe woning zetten +en ik door dit eene raam keek, wist ik niet wat ik zag. Echte boomen. +Aanstonds ging ik uit de huiskamer de keuken in, opende een glazen deur, +liep een trapje af, en stond buiten. Ik keek rond als Columbus. Een +nieuw werelddeel. En alles even verrukkelijk. Daar was een waterput. Als +je er op ging staan, kon je over de schuttingen kijken. Ik deed het. Wát +een ruimte! En hoor die vogels! Misschien kon je ze lokken en kwamen ze +ook hier in den tuin. Dan was je heelemaal buiten. + +Wanneer ik nú ons tuintje zag en daar mijn buitengenietingen moest +maken, zou ik me zeker erg mistroostig voelen. Ik ben nu, helaas, +zooveel beter gewoon. Maar toen? 't Was voor 't eerst van mijn leven, +dat we de weelde van zoo'n tuin hadden. En dan is ieder plekje grond +een verrukking. Vader nam natuurlijk den aanleg van 't geheel voor zijn +rekening. Die goede man genoot niet minder dan wij. Als een kind was hij +in zijn schik. De winkel met al zijn zorgen lag achter hem. Doodarm had +hij dien verlaten. Hij had een soort betrekking gekregen aan »'t Heeren +Logement", een inrichting waar allerlei inboedels verkocht werden, een +venduhuis. Hij verdiende er luttel. Maar de kwellende angsten van den +verloopenden winkel was hij kwijt, en nu genoot hij inderdaad als een +kind. + +»Tegen die schutting zullen we lathyrus zetten." Ik hoor het hem nog +zeggen. Het pijpje in den mond, het onmisbare »krommertje", scharrelde +hij nu over het plaatsje, in 't schuurtje, door den tuin. Een spa +en een hark had hij al weten machtig te worden. En daar spitte en +harkte hij al zijn zorgen mee weg, in misschien twaalf vierkanten meter +zwarten grond. Ik zie hem nog alle steenen en vuil opruimen, een perkje +aanleggen, een paadje plat trappen. En ik mag hem helpen. Ik ga met hem +mee naar de Bloemmarkt, op den Singel bij de Munt, wat planten koopen en +zaad. De namen »geranium" en »lathyrus" met de spelling er bij heb ik +toen geleerd. Vaders liefhebberijen wekten en bevredigden mijn +leergierigheid. + +Een nieuw huis, een nieuwe omgeving, een nieuw leven. Uiterst bescheiden +in zijn behoeften, was Vader gauw voldaan en gelukkig. Als die ellendige +geldzorgen maar niet drukten. Daarvoor alleen was hij bang. Hij was +absoluut geen man, om zelfstandig zaken te drijven. Hij was een model +van trouwe gehoorzaamheid, een uitstekend dienaar. En zoo was hij dan +nu, bevrijd van zijn bezit, ontheven van zijn verantwoordelijkheid, +onttroond als chef, den koning te rijk. Menigeen krijgt het beter door +een vermindering. Waarom zoeken de menschen toch zoo vaak hun ongeluk in +een levenspositie, te groot voor hun aanleg? + + * * * * * + +We woonden in de Nieuwe Leliestraat. Vader had een gering inkomen. +Waar leefden we dan van? Christine, de oudste, ging in een betrekking, +voor nacht en dag, als winkeljuffrouw. Dan had ze tenminste goede +huisvesting, goeden kost, en wat geld voor haar kleeding. Maar dat geld +ging meer naar Moeder dan naar de kleederwinkels. Het lieve meisje kon +het niet voor haarzelf besteden, als ze wist dat Moeder »zonder een cent +zat". En dan worden zulke meisjes wel eens beschimpt, omdat ze er zoo +kaal uitzien. + +Daarbij begon de oudste zoon al wat te verdienen en waren er twee +kostjongens. Op die manier scharrelden we er doorheen. + +Hoewel ik toen pas 10 jaar was, wist ik toch precies en weet ik nu nog, +hoeveel er elke week inkwam. Ik weet zelfs, hoeveel kostgeld er voor die +twee jongens werd betaald. In de armoede leven de kinderen veel meer met +het gezin en zijn nooden mee, dan in de welvaart. Hoeveel kinderen in +den gegoeden stand van 10, neen 20 jaar, hebben een flauw besef van +wat Vader verdienen moet, om het gezin te onderhouden, zijn jongens te +laten studeeren? Daar leven de kinderen zoo zeer in de onbezorgdheid, +dat het wel eens in de zorgeloosheid wordt. Zij spelen student, maken +naaistersrekeningen, zonder ooit »te rekenen". Dat geld komt er wel, +daar bekommeren ze zich niet om. Zoo leeren ze niet waardeeren de +inspanning der ouders, niet kennen de waarde van 't geld, en verstaan +niet tijdig de kunst evenwicht te bewaren tusschen inkomsten en +uitgaven. Armoede is een opvoedster voor 't leven, kan het althans zijn. + +Zullen we nu zeggen: we moeten de armoede zoeken, opdat we in haar een +goede opvoedster voor onze kinderen hebben? Dat nooit, daartoe gaat ze +met te veel bittere ellende gepaard: ziekte, angst, vernedering. Maar +wel acht ik een sobere levenswijze zeer gewenscht, en daarbij zulk een +samenleven van oud en jong, dat de jongeren geleidelijk en als vanzelf +in de levenspraktijk komen. De kinderen mogen gerust weten wat dit +en dat kost, en dat er maar zóóveel beschikbaar is, en dat we ons +deze of gene zelfs kleine weelde moeten ontzeggen. Vele ouders houden +zich echter liever groot voor hun kinderen; andere bewaren een zekere +geheimzinnigheid: »zulke dingen gaan den kinderen niet aan", nog andere +kunnen hun kinderen niet gelukkig maken zonder ze te overladen. Met +zorg? Kun je denken. Met heerlijkheden. + +Nood leert bidden _en werken_. Zorg leert zorgen. En het kan voor een +kind niet anders dan goed zijn, als het intieme gezinsleven, rekening +houdend met kinderkrachten, het kind actief betrekt in zijn +moeilijkheden. Dat is ook een »leeren door doen." + + * * * * * + +Ik zie, nu al bijna dertig jaar, hoe zeer vele ouders mijner leerlingen, +menschen die er geldelijk volstrekt niet slechter bij staan dan +ind'rtijd mijn ouders, hun jongens zoo gauw mogelijk uit geldverdienen +sturen en er niet aan denken die kinderen een vak te doen leeren. +Jongens, die goed het zesde leerjaar hebben doorloopen, worden eenvoudig +loopjongen in een winkel. Bij uitzondering gaat er een naar de +ambachtsschool, en al hun kennis van taal, rekenen, geschiedenis, +aardrijkskunde zijn ze binnen eenige maanden verloopen in hun nieuwe +wereld van belangen. Die laten ze graag slippen bij al hun gesjouw door +de stad. + +Hoe kwam het nu, dat mijn ouders, onder alles door, zoo trouw zorgden +voor goede scholen en twee hunner jongens de heele ambachtsschool lieten +doorloopen, terwijl de derde voor onderwijzer mocht leeren, d. w. z. +vóór zijn achttiende jaar bijna niets thuis bracht? + +Ik meen hier een leerzaam verschijnsel te ontdekken. Vader en Moeder +hadden het wel heel zorgvol, maar niet door eigen lakschheid, niet door +eigen geestelijk of zedelijk onvermogen. Beiden waren van goede afkomst, +beider familiën behoorden tot dat deel van den burgerstand, waaruit +dokters, notarissen, predikanten, handelaars voortkomen, beiden hadden +een ontwikkelde opvoeding genoten. Maar Vader leed aan toevallen en +al zijn bekwaamheid en braafheid konden hem niet in een betrekking +handhaven. Daar zat de hoofdoorzaak van den achteruitgang. Voor +winkeldrijven had de goede man niet de noodige talenten--men is koopman +of men is het niet--en iederen anderen werkkring bekleedde hij slechts +zoo lang, tot hij in zijn arbeid een toeval had gekregen. Daar waren de +menschen bang voor, patroons zoowel als mede-ondergeschikten, en Vader +werd ontslagen. Later hoop ik van deze bittere ellende voor die twee zoo +goed kunnende en zoo goed willende menschen iets meer te vertellen, maar +nu moest ik reeds het feit mededeelen. De _oorzaak_ der armoede is van +overgroot belang voor de opvoeding en de toekomst der kinderen. Moreele +en geestelijke verslapping laten de kinderen los, in wie vaak reeds +dezelfde lakschheid en lamlendigheid huizen. Maar mijn ouders behielden +onder allen tegenspoed hun energie, lieten zich niet wegzinken, +trachtten zich aldoor op te houden en op te werken, kampten alleen tegen +een overmachtigen vijand, doch hielden den strijd vol tot hun kinderen +volwassenen waren; ze offerden die kinderen niet op, maar zochten er van +te maken wat onder de gegeven omstandigheden maar eenigszins mogelijk +was, ja, beproefden in hun kinderen de verloren maatschappelijke positie +te herwinnen. + +En dat is hun gelukt Dat hebben ze nog mogen beleven. In hun +maatschappelijken strijd ging het eerst al maar naar beneden: er werd +kind op kind geboren, tot zeven toe, en betrekking na betrekking +verloren. Daarna bleef het jarenlang worstelen in de diepte. Maar +toen ging het geleidelijk omhoog: de kinderen werden grooter, +en--wonderbaar--de toevallen bleven na het 50ste jaar weg. Zoo hebben +Vader en Moeder het in de laatste periode van hun leven nog heel goed +gehad, beter dan ooit in hun huwlijksjaren--hoofdzakelijk ten gevolge +van de in hen wonende onuitroeibare energie, die zich zoo heel duidelijk +openbaarde in dit eene feit, dat ze hun jongens, te midden van groote +geldzorgen, niet opofferden aan het heden, maar deden opleiden voor de +toekomst. + + * * * * * + +Het verschil tusschen den wijze en den dwaas, zei iemand mij eens, +bestaat hierin, dat de eerste een betrekkelijk klein genot van het +oogenblik weet prijs te geven voor een betrekkelijk groot genot in de +toekomst. Dwaas was Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor een +schotel linzensoep. En de hoogste wijsheid sprak uit het woord, dat wie +zijn leven om Christus' wille durfde verliezen, het leven eerst recht +winnen zou. + +Ik houd niet van de woorden wijs en dwaas in dit verband. Ze zijn me te +berekenend. Jacob, rustig overleggende bij Ezau's honger, zelf in stilte +hongerend naar diens eerstgeboorterecht, en heel verstandig gebruik +makende van de gelegenheid, is mij hierin meer antipathiek dan zijn +kortzichtige broeder. Ezau zag, slaaf van het lagere, op dit oogenblik +het hoogere niet. Jacob zag dit zoo goed, dat zijn wijsheid niet +terugdeinsde voor iets eigenlijk veel lagers: het uitbuiten van de +zwakheid zijns broeders. + +En toch is het waar, dat men voor het heden de toekomst moet koopen. +Maar dat moet niet geschieden in welwijze berekening, wier egoïsme +zelfs geen oog heeft voor de belangen der naasten en deze baatzuchtig +opzuigt, maar in krachtsontplooiing, die--uitwerking van innerlijke +spanning--alle moeilijkheden van het oogenblik trotseert en zelfs +zoekt. Het mag niet heeten: dáár is mijn _doel_ en daarom _zal_ ik in +vredesnaam deze plichten maar vervullen. Doch het moet wezen: in die +_richting_ leidt mijn leven en nu _kan_ ik niet anders dan worstelend +voortgaan, zij het, dat ik worstel tot den einde toe, zij het ook, dat +ik worstelend bezwijk. + +Omdat in het leven mijner ouders waardevolle krachten werkten, +konden zij jarenlang zoo vele en schier onoverwinbare tegenspoeden +doorworstelen, gelijk de wortels van gezonde planten steenen doordringen +en ten slotte zelfs rotsen doen splijten. En omdat die krachten zoo +menigmaal ontbreken, zinken anderen in steeds dieper armoede en ellende +weg. Dat is natuurlijk voor niemand een reden tot verhoovaardiging +en al evenmin tot hulpweigering. Maar dat dringt ons bij iederen +ernstigen bijstand, die niet helpende afschuift maar helpende +aantrekt, te onderzoeken naar de oorzaken der heerschende ellende en +dienovereenkomstig middelen aan te wenden. Het voornaamste middel zal +dan wel steeds blijken: gelegenheid bieden tot krachtsontwikkeling, al +zijn de aanwezige krachten ook nog zoo miniem. + +En hieruit volgt voor onze opvoeding, dat we, in huis en in school, toch +voornamelijk moeten zorgen voor het _groeien_ der kinderen, zoodat er +krachten in hen uitwassen. Geen groei zonder arbeid, die de krachten aan +'t werk zet. En daarom: laat ze werken, werken. + +En hieruit volgt voor onze philantropie, dat we--tenzij aan afgeleefden +en zieken--nooit slechter kunnen helpen dan door te geven. + +Het vraagstuk van het pauperisme is een ontzettend moeilijk probleem. +Maar de oplossing kan nooit gevonden worden in het verstrekken van +»brood en spelen". Daarmee gaat het volk ten gronde. Er is maar één +middel om aan de aarde het brood te ontworstelen: De hand aan den ploeg. +Alleen werkende zegeviert de arme op de armoede. + + + + +VAN EEN VLOEK EEN ZEGEN. + + +Och, mijn goede vader! Van die koopziekte was hij nog niet genezen. Hij +had het in de krenten en de rozijnen nu toch zoo volmaakt afgelegd. +De onopengesneden afleveringen van »De Aarde en hare Volken" en het +»Bijbelsch Magazijn" waren als stomme aanklagers mee verhuisd. En toch +bezweek hij weer. Neen, dat kwam niet, omdat hij het zocht. De goede man +ging nooit op koopen uit. En hij had wel een portemonnaie op zak, maar +er zat nooit geld in. Van schulden maken had hij bovendien een afkeer. +Maar het zocht hem. + +Laat ieder eens eerlijk zijn eigen leven nagaan. Dan zal hij zien, +hoe hij door dat leven een of ook eenige gebreken meedraagt, inwonende +neigingen, die als erfhonden rustig in hun hok blijven liggen zoolang er +niemand vreemds op 't erf komt, maar aanstonds opschrikken en opspringen +als ze naderende voetstappen hooren. Geen goed beginsel is zoo waaksch +als deze booze begeerten. En nauwelijks zijn ze gewekt, of ze +beheerschen ons. + +We zijn niet zoo bedorven, dat we het kwaad zoeken. Maar we zijn slecht +en zwak genoeg, om ons door 't kwaad te laten vinden als 't ons zoekt. +En dat doet het. Op allerlei onverwachte oogenblikken loopt het ons erf +op. En als de lusten dan wakker worden, het is niet om als een trouwe +hond den verleider aan te vallen en te verjagen, maar om door hem te +worden gestreeld. Het is ook zoo heerlijk, zich zachtjes te laten gaan +onder de zoet-behagelijke bevrediging onzer sluimerende verlangens. +Adam en Eva gaan er niet op uit, gedreven door slechte driften. Ze zijn +volkomen gelukkig en denken niet eens aan kwaad. Argeloos dwalen ze door +den hof, rustig genietende van de balsemende atmosfeer, de harmonieuse +omgeving, en den stillen vrede des gemoeds. Maar dan komt de verleider +tot hen en hij vindt ze niet, als later Jozef, met een onwankelbaar: +»Zou ik zulk groot kwaad doen en zondigen tegen God?" Hij vindt ze niet, +als later Jezus, met een onwrikbaar: »Ga weg van mij, Satan!" Maar hij +vindt ze bereid tot redeneeren. En wie eenmaal met den verzoeker aan +'t redeneeren gaat, verliest het, onverbiddelijk. Hij is een fijn +redeneerder en ons, door lusten beneveld verstand, veel te slim af. +Luister niet naar hem. Luisteren is vallen. + + * * * + +Waarom moest mijn vader nu juist een betrekkinkje krijgen aan dat +venduhuis? Daar woonde hij dag aan dag de verkoopingen bij, en daar zag +hij, hoe waardevolle dingen voor luttele bedragen van de hand gingen. +Dat kon hij niet laten passeeren, dan waagde hij ook een bod, en dan +kreeg mijn moeder allerlei overbodige meubelen thuis. Zoo raakte de +brave man wezenlijk aan 't speculeeren, want hij kocht voorwerpen tegen +lagen prijs, met de stellige verwachting die eenige dagen later tegen +hooger prijs weer te verkoopen--'t was zonde, zulke koopjes te laten +gaan--en daarmee raakte hij in de schuld. + + * * * * * + +Men begrijpt natuurlijk dat ik dit niet vertel, om mijn braven vader +jaren na zijn dood te bekladden. Wanneer de lezers van hem een anderen +indruk krijgen dan dien van een groot, naïef kind, dan heb ik hem niet +goed geteekend. Hij was de rechtschapenheid zelf en behalve een paar +driftvlaagjes was zijn grootste fout: een beetje te veel goed vertrouwen +in zijn geslepen en hardvochtigen medemensch. Die kooplust was voor een +groot deel averechtsch handelsgenie. Hij dacht daarbij erg slim te werk +te gaan, maar werd steeds zelf het slachtoffer van berekenender naturen, +die er hun voordeel bij hadden, hem in zijn ongeluk te laten loopen, of +daarin te brengen. Hij was uiterst fijn van geweten, en werd de dupe van +gewetenlooze harteloosheid. Eerlijk tot op een spijkerkop, was hij een +gezochte buit voor dat heirleger maatschappelijke parasieten, dat ook +uit de armste organismen nog levenssappen weet weg te zuigen. Doch, wat +nu het wonderbaarlijke is, waar dit hem natuurlijk vaak in geldelijke +moeilijkheden bracht--juist hem, den fijngevoelige, den argelooze, den +ridderlijke--daar groeiden uit die moeilijkheden bijna altijd mooie +levenservaringen. Ik geloof vast, dat de kapitalen, in kroegen en +bordeelen verdiend, moreele ellende in de familiën brengen, en een +mijner schoonste jeugdherinneringen dank ik aan de verliezen dier +onpractische natuur, die zich onvoorzichtiglijk op het gladde ijs der +zakenwereld waagde, en wiens zelfoverschatting--voorzeker een fout--zoo +aandoenlijk werd goedgemaakt door de kinderlijke deugden van een +onbedorven gemoed. Eer ik echter mijzelf nog eens verkwikken wil in +die schoone heugenis, moet ik een ander deel kinderzaligheid voor u +uitspreiden op onze tuintafel. + +Zoodra er gebeld werd en een beladen handkar voor de deur stond, wist +Moeder al hoe laat het was. »Juffrouw, dit komt van de verkoopening, van +Meneer zelf," zei de bezorger, en Moeder had weer iets, vaak iets heel +onpractisch, aan te nemen en op te bergen. Zoo verscheen er op zekeren +dag een reusachtige tuintafel: een groot, groen, vierkant houten blad op +een ijzeren onderstel met cirkels en krullen en vier gekrulde pootjes. +Het ding kwam zeker uit een grooten tuin, maar Vader had het prachtig +gevonden voor ons plaatsje en het daarom gekocht en per handwagen naar +de Leliestraat gestuurd. Moeder was eigenlijk recht boos met deze +zending van de »verkoopening" en ze wou dat »Meneer zelf" maar wat +minder koopgauw was. Doch ze kon de tafel toch niet terugsturen en liet +haar dus naar het plaatsje brengen, waarvan ze een al te groot deel in +beslag nam. + +Maar wat heb ik op die tuintafel genoten! + +Het was nog in den tijd, dat de handenarbeid zich beperkte tot het +spel en nog niet de scholen was binnengedrongen om zich daar te laten +fatsoeneeren. Ze leefde nog vrij, als een heidensch natuurkind, liep, +dartelde, sprong, precies zooals ze wou. Zelfs was ze nog niet gedoopt, +en geen sterveling dacht er aan, dat ze eenmaal dien uitheemschen naam +Slöjd zou ontvangen met daarnaast den deftigen van Handenarbeid. +Ze heette.... ja, ze heette eigenlijk heelemaal niet. Ze was innig +opgenomen in allerlei hulp aan Vader en Moeder, en in allerlei spel op +straat en in de huiskamer. Uit die natuurlijke verbinding was ze nog +niet als zelfstandig element naar buiten gekomen om onder de verzorging +der deskundigen als een apart wezentje in een eigen zondagsch pakje +netjes de wereld te worden ingestuurd. Ze was nog zoo zonder pretentie, +zonder opdringerige braafheid, ze was nog zoo anspruchslos en +aantrekkelijk. + +Wanneer we voor onze zondagscent geen drop of zoethout kochten, +was het omdat de Pruisische Uhlanen ons te machtig waren. Die hingen +in heele rijen op prenten voor de winkelruiten. En daarnaast de +huzaren op dravende paarden. En ook de vliegende trein, kanonnen en +kruitwagens, door zes paarden getrokken. De geheele Duitsche armee +boeide onze oogen dermate, dat de snoepgoedwinkel het aflegde: het +lager zinnelijk begeeren werd overwonnen door hooger lust--een stuk +moreele opvoedingstheorie, dat je zoo maar zonder universiteit, +professor en lijvig boekdeel ontving, dat de simpelste ervaring aan +een eenvoudig menschenkind gratis thuis stuurde, zelfs in een +achterbuurt. Je had het als 't ware maar van de straat op te rapen. +Voor onze zondagscenten kochten we legermachten, liefst ongekleurde, +en verfden die. Een bescheiden verfdoosje--als we 't niet op onzen +verjaardag kregen--brachten we ook zelf met centen en halvecenten +bijeen. Je kon losse verfjes koopen van allen prijs en in alle kleur, +en evenzoo penseelen. Ik zie ons nog in den winkel uitzoeken: +karmijnrood, marineblauw, geliefde kleuren, waarvan de naam ons reeds +zoet in de ooren klonk. En al lieten die goedkoope penseeltjes ook vaak +een haar los, al »haarden" ze, we deden het er toch mee, we kleurden er +te voorzichtiger om. O weelde der wijsheid bij schraalheid der centen! + +Als de uniformen dan gekleurd waren, plakten we mannen en paarden en +wagens op dun bordpapier--er waren altijd wel oude doozen en Moeder +kookte graag wat stijfsel voor ons. Daarna werden ze netjes uitgeknipt: +voorzichtig, uiterst voorzichtig, met die natuurlijke voorzichtigheid, +die ieder kind aangeboren is--niet waar, lieve Sien?--eer ouderlijke +angst en meesterlijke bemoeizucht ze heeft verlamd met waarschuwing, +bedreiging en verbod, en dan gingen er houten blokjes achter, zoodat ze +staan konden. + +Lieve Sien, neem me niet kwalijk, dat ik jou daar zoo ineens midden +tusschen mijn huzaren haal. Maar toen ik daar zoo stil aan 't uitknippen +was, en al mijn aandacht wijdde aan de teugels der paarden, zoodat die +als sierlijke lijnen mooi bij den bek neerhingen, en toen ik ál mijn +geestelijke energie in vingerbeheersching concentreerde, om, alleen uit +eigen volkomenheidszucht, geen knipje te veel te doen, toen dacht ik +plotseling aan jou. Toen was ik weer dien zondagmiddag bij je ten eten, +en toen zag ik weer je driejarig kereltje--driejarig!--de borden--de +mooie borden!--een voor een uit de kast halen, er mee door de kamer +waggelen, ze netjes op de tafel zetten. »Hij hielp zijn moeder." Wat heb +ik toen genoten. Wat een lieve, lieve spanning in dat gezichtje, in die +armpjes, in die beentjes, in die heele houding! En hoe zongen de zuchten +een jubel van kindertriomf, telkens als er een reisje van de kast naar +de tafel was volbracht. Sientjelief, dat was nu paedagogiek, waar ik de +heele wereld wel op had willen trakteeren, tot de paedagogenwereld toe. +En als je jarig bent, krijg je van mij de Paedagogische Encyclopedie van +Prof. Rein cadeau. Niet om er in te lezen--de hemel beware me!--maar om +er je lieve Henkie mee te laten sjouwen, van de kast naar de tafel, en +van de tafel naar de kast. Wat zal dat een lekker speelgoed zijn, al die +dikke deelen! En dan haalt Henkie er nog meer paedagogiek uit dan zijn +vader! + +Hoeveel moeders durven hun kinderen zoo op te voeden? Met zulk een +vertrouwen in de kinderlijke eigenschappen? Met zulk een absoluut hooger +schatten van een kind boven een bord? Wie 't probeeren wil, moet zelf +rustig, kalm, geduldig zijn, stil met zijn kind meeleven, niets aan 't +kind opdringen, vooral niet wat het kind uit eigen beweging al wil en +doet, en niet boos wezen, _als_ er door een ongelukje eens iets mocht +breken. + + * * * * * + +En nu aan 't oorlogen! + +Doch waar zou de veldslag geleverd worden? Waar was het terrein, +uitgestrekt genoeg om deze talrijke troepen in twee partijen op te +stellen en te doen strijden? De kamervloer? Maar daar liep iedereen. +De aanrechtbank in de keuken? Daar moest telkens gewerkt worden. Hebt +ge wel eens gezien, hoe zulke jongetjes met hun schatten alle ruimten +rondscharrelen, om ergens een goed speelhoekje te vinden? De volwassenen +kijken hen meestal voorbij, grauwen ze weg, zijn te vol van eigen +belangen om oog voor de kinderen te hebben. Maar Vaders kooplust had +mij mijn strijdveld bezorgd. Dat tuintafelblad was--nu in mijn +herinnering--van reusachtige afmetingen. Er kon een heel Waterloo worden +afgespeeld. + +Naast ons woonde een heel net en rustig gezin met veel meisjes en één +jongen. Die jongen keek eerst, klom toen over het lage schuttinkje, en +we waren twee veldheeren, die onze troepen tegen elkaar aanvoerden. +Er werden toen ter tijd kleine kanonnetjes verkocht, waarmee je echt +schieten kon. We bedelden en spaarden net zoo lang, totdat we er een +paar machtig waren, laadden ze met kleine groene erwten en vuurden ze +op den vijand af. Elke held, die omkantelde, was voorloopig dood. + +Maar die kanonnetjes schoten niet krachtig genoeg. + +Daarom verschaften we ons koperen en glazen buizen--erwtenblazers--en +joegen daardoor met de kracht van onzen eigen adem de groene +projectielen tegen de papieren heldhaftigheid. Nu ging het beter. We +zagen hooge ruiters wankelen, vallen en in hun val anderen meeslepen. +Dat was een heerlijk gezicht. Van het aantal gesneuvelden hing het af, +aan welke zijde tenslotte de zege verbleef. En we bliezen met een +hartstocht en een volharding, alleen geëvenaard door de toewijding en +het geduld, waarmee we eerst al die benden hadden gekleurd en geknipt. + +Doch stond ooit de vernielzucht op het oorlogsveld stil? Er was ook +bij ons climax in de wapenen. De proppenschieter kwam in 't vuur. Dat +was een geweldenaar. Die richtte heele tooneelen van verwoesting aan. +Wanneer de kurk uit het nauwkeurig gerichte kanon werd afgeschoten, deed +hij zelfs een heel vijandelijk kanon omtuimelen. En als de strijd te +lang onbeslist bleef, konden alleen de bommen der proppenschieters hem +beslechten. Die moesten dan ook aan 't werk, en de doffe tikken van kurk +tegen karton donderden onafgebroken door de vijandelijke gelederen. + +Dikwijls bracht de duisternis pas een einde aan den strijd. Dan werden +mannen en paarden en kanonnen in hun onderscheidene doozen gelegd. +Gesneuvelden en overlevenden, winners en verliezers, lagen daar plat +en vredig op elkaar, zoo, dat de blokjes der voeten netjes tegen elkaar +aansloten. En dan gingen de veldheeren naar binnen en slapen. De eene +klom over het lage schuttinkje, terug naar zijn eigen heim. De ander +sleepte de doozen mee. »Adjuus!"--»Adjuus!"--»Kom je morgen weer +vroeg?"--»Ja, als ik kan."--Twee keukendeuren klapten toe, en het groene +slagveld lag in den donkeren nacht, leeg en verlaten. + +Had die groote tuintafel ooit beter plaatsje kunnen krijgen dan hier, +waar ze veel te groot was voor de kleine ruimte? Ze bracht duizendvoude +rente op in een heirleger van gewonden en gesneuvelden. En »Meneer zelf" +mocht er voldoening van hebben, dat hij »dat bakbeest"--met welken naam +Moeder het eerst begroet had--van de »verkoopening" naar de Leliestraat +had gestuurd. Hij heeft er twee jongensharten mee verrukt. + + * * * * * + +Verrukt? + +Zeg liever bedorven. + +Jongens mogen niet soldaatje-spelen, want dan groeit de moordlust in hen +aan, raken ze vertrouwd met doodslag en bloed, en, en, en.... + +Zoo fantaseert het principe. + +Maar die eene jongen is nu al lang een braaf dokter in de hoofdstad des +rijks, die dag aan dag zich inspant om zieken te genezen, levens te +redden. En die andere heeft later, toen hij zoo wat twintig jaar was, +gedichten tegen den oorlog geschreven, waar alle kanonnen door overstemd +hadden behooren te worden, als kanonnen niet de onbescheidenste +bulderaars van de wereld waren. + +Men moet niet zoo vertrouwen op het _fantaseeren der principes_, al +noemt men dit ook, met veel aplomb, _logisch redeneeren_. Je ziet het +immers in de politiek? En in den strijd der vakvereenigingen? En in +de paedagogiek? »Logisch redeneerende", uitgaande van een »zuiver +beginsel", zet men de heele maatschappij recht, dwingt men alle +verhoudingen, voedt men de kinderen tot engelen op; doch enkele simpele +feitjes, door het verheven principe hooghartig voorbijgezien, zijn +sterker dan het geweldigst principe, en maken ten slotte het +schijn-succes tot een nederlaag. + +Zulke ervaringen deden het voorgeslacht al uitroepen: De mensch wikt, +God beschikt. + +Volgens de zuiverste logica moest die overbodige tuintafel een oorzaak +van groote narigheid zijn, en zie, ze werd ons de oplossing van het +probleem, hoe de beschikbare legers, tusschen de ongeriefelijkheden van +onze omgeving, een slagveld konden vinden. Als je eenmaal legers hebt, +dienen ze dan toch te vechten. En hoe vecht je zonder terrein? + +En volgens dezelfde logica had die kooplust mijn vader in de gevangenis +moeten brengen, en zie, ze bracht ons in aanraking met het christendom. + +Dat ging zoo. + +Bezwijkende voor de dagelijksche verzoeking, had Vader, gelijk ik reeds +vertelde, menig stuk gekocht met de bedoeling het straks bij gunstiger +markt, weer te verkoopen, en zoo was hij op zijn manier aan 't +speculeeren en natuurlijk in de schuld geraakt. Die schuld was gaandeweg +gestegen tot een bedrag van misschien een paar honderd gulden, en +vroeg, gelijk schulden dat zoo plegen te doen, op haar tijd om +aflossing. Maar de eerzame schuldenaar kon zijn schuldeischer, den +makelaar der verkooping, niet anders aanbieden dan de opgestapelde +schatten die hij zelf gekocht had en die nu vruchteloos naar een nieuwen +kooper uitzagen. Hiervan was de makelaar niet gediend: die goederen +waren eenmaal gekocht en geleverd, het geld moest er zijn, zaken zijn +zaken. En Vader zat in de ellende. O, wat was de goede man prikkelbaar +in zulke tijden. Ik weet dat nog zoo best. En hoe zenuwachtig stond +Moeders gezicht. Wij kinderen voelden mee de hopeloosheid van 't geval: +een som geld op te brengen, die eenvoudig niet te krijgen was. En dan de +dagelijks aandringende persing van een gevoelloos schuldeischer op de +leege beurs van een dood-eerlijk, pijnlijk-conscientieus, maar alleen +wat onnadenkend, eigenlijk ondóórdenkend man. + +Nu gebeurde het in dien tijd, dat zeker iemand, die ook in zijn zaken +achteruit gegaan was, ook een winkel had moeten verlaten, en verhuisd +was naar een veel bescheidener woning, een deel zijner zeer goed +onderhouden meubelen wilde verkoopen, om daarmee wat overbodige stukken +in te ruilen voor zeer noodig geld. Die zeker iemand had een vrouw en ik +meen vijf of zes nog jonge kinderen, een talrijk gezin, dat alleen van +zijn verdiensten moest leven. Wij kenden het gezin, en daarom kreeg +Vader verlof, de meubelen op eigen naam te verkoopen, opdat hij de +provisie zou hebben, die hieraan verbonden was. Zulke extraatjes van een +paar gulden waren altijd bizonder welkom. Vader, Moeder, en ook +wij--meelevende kinderen--waren dan ook erg blij met de opdracht. + +Maar hoe droevig en vernederend liep dit uit. Op zekeren dag kwam Vader +thuis, gebroken. De meubelen waren verkocht, maar de verkoopgelden waren +Vader niet uitbetaald. De makelaar had ze ingehouden ter afbetaling van +de schuld, die Vader bij hem had. Dat kon hij doen, omdat Vader de +meubelen op zijn eigen naam had doen verkoopen. + +Daar zaten we. Die meneer, die zeker iemand, had Vader alles +toevertrouwd, hij zag verlangend naar het geld uit, en zou er geen +penning van ontvangen. Zijn oude, degelijke meubelen verkocht, misschien +wel opgeofferd als geliefde familiestukken, en niets er voor terug. + +In zulke omstandigheden was Vader zoo machteloos. Hij durfde den +man niet onder de oogen komen--en die man woonde vlak tegenover ons. +Ook wij gingen gebukt onder de dreigende schande. In plaats van heel +vertrouwelijk en hartelijk te groeten, namen we wat schuw onze petjes af +en ontliepen al de leden van het gezin. Hoe verachtten we dien gemeenen +makelaar, die heel goed wist, dat de meubelen niet van Vader waren, maar +hier zijn kans schoon zag, om het hem toekomende geld te krijgen. Als +hij zijn geld maar had, kon 't hem niet schelen, of Vader daarmee een +onschuldige te kort deed, misschien beschuldigd zou worden van +oneerlijkheid, van oplichterij. + +Oplichterij. Het woord ging als een koude rilling door ons gezin, en van +dag tot dag stelden we het uit, het noodlottig bericht aan de overburen +mee te deelen. Doch eindelijk, het moest. En, gelijk steeds in zulke +gevallen, Moeder ging er op af. O, vrouwen zijn zoo vaak duizendmaal +moediger dan mannen. + +Wij wachtten thuis met angst. Hoe zou 't afloopen? Het ergste zou zijn, +dat Vader werd aangeklaagd wegens oplichterij en naar de gevangenis +ging. Het minste, dat de benadeelde familie er in berustte, maar wij +gebukt zouden gaan onder haar verachting. In ieder geval, er zou een +koele scheiding komen. We zouden de vriendschap van onze goede overburen +verliezen. Moeder kwam terug. Ademloos hoorden we haar aan. + +»Meneer--had alles begrepen, en hij had erg met Vader te doen." + +»En waren ze niet boos?" + +»Neen, ze schrokken natuurlijk wel erg, en Mevrouw werd wit. Ach, ze +konden het geld ook zoo best gebruiken. Maar Meneer zei: Uw man heeft +geen schuld. Het is zeker Gods wil geweest." + +We waren duizend pond lichter. De houding der getroffenen tegenover +ons veranderde in niets. Ze spraken nooit meer over 't geval, bleven +vriendelijk--maar die man.... ik heb hem als een heilige mee door 't +leven gedragen. Hij was zoo rustig-vroom, zoo eenvoudig-christelijk. +Zijn blik, zijn gelaat, zijn stem, zijn heele gedrag was zonder eenig +vertoon. Ik wou, dat ik zijn naam mocht noemen. Niemand kent hèm. Hij +was geen schrijver, geen schilder, geen geleerde, geen staatsman. Alleen +een kantoorheer--boekhouder op een wijnkooperskantoor--maar.... een +christen. In hem heb ik het christendom ontmoet. En dat ik het zoo +zuiver heb mogen aanschouwen, het was te danken aan Vaders argelooze +koopneiging. + + + + +IN EEN NETTE BUURT. + + +De Jordaan was net een weefsel van straten: een schering van +lengtestraten, met daardoor heen een inslag van dwarsstraten. De +Lijnbaangracht en de Prinsengracht vormden aan twee zijden den zelfkant +van het weefsel, dat in zijn geheel den indruk maakte van grof, grauw +linnen. Het was een vunze buurt. Eigenaardig was echter, dat sommige +lengtestraten en grachten als kleurige, glanzige zijden draden door +dit weefsel waren getrokken en men dus uit de onbeschaafde armoede +plotseling kon overgaan in den netten burgerstand. De Bloemgracht en de +Rozengracht bij voorbeeld waren niet te min voor handelaars en dokters; +daar zag je keurig onderhouden huizen met blinkend geverfde deuren; +heldere dienstmeisjes bespoten iederen Zaterdagmorgen de onderpui uit +een blinkend koperen glazenspuit; alles blonk er, tot de belknop en de +roode wangen der dienstmeisjes toe. En geen drie minuten verder had +je een armelijke Eglantiersstraat of Laurierstraat, met vuile houten +trappen, donkere portalen en slobberige vrouwen. Wie den Jordaan +doorkruiste, enkel maar doorsneed, kwam afwisselend in aanraking met +het proletariaat, de kleine burgerklasse, en den gegoeden burgerstand. + +De Nieuwe Leliestraat, waar wij nu huisden, was de straat van het +financieel zwakke fatsoen. Heel nette menschen met kleine traktementjes +bewoonden er een huis of een eerste of tweede bovenhuis. Er was geen +vertrouwelijkheid in de buurt. Ieder bewaakte er angstvallig zijn stand +achter lage gordijnen en gesloten deuren. Je kwam niet bij malkaar over +huis. Op straat sprak je ook niet met mekaar. Je groette de buren +beleefd met een nijging of een deftig hoedafnemen, maar verder kwam het +niet. Zoo'n beetje gezellig op den stoep zitten, een luchtje scheppen +op de groengeverfde houten bank, een buurpraatje maken over het weer, +gelijk we dat op de Eglantiersgracht gekend hadden, geen kwestie van! +Daarvoor was men hier te netjes. Ieder hield voor den ander zoo'n beetje +schrale voornaamheid op. En zelfs achter het huis, in de tuintjes, +had je dezelfde stijfheid. Nooit of uiterst zelden knoopten volwassen +buren daar een gesprek met elkaar aan. Een afgemeten groet was het +hartelijkste waartoe men komen kon. Ik had het gevoel, en herinner me +dat nog heel wel, of ieder een stukje fatsoenlijke armoede te verbergen +had en voor zijn naaste buren niet weten wou, hoeveel pijnlijke zorg en +opofferingen het kostte, dagelijks knap voor den dag te komen. Al de +meisjes uit de buurt hadden nette hoedjes en nette manteltjes, nette +jurkjes en nette pijpenbroekjes, nette kousjes en nette schoentjes. +Je had ze zoo in de uitstalkast van een poppenwinkel kunnen zetten. +Onvertogen woorden hoorde je niet, ook niet van de jongens. Zelfs de +honden waren hier fatsoenlijker dan een straat verder: ze blaften niet +zoo onbehouwen. Maar er was ook geen leven, geen frisch, natuurlijk, +spontaan leven. De heele Leliestraat was een zoet zijden draadje door +'t grove zaklinnen. En wij jongens, vrijbuiters uit de vroegere buurt, +werden er een heelen hoop braver. Dat we echter maar niet zoo +onmiddellijk verlelied waren en nog lang iets van onze oude natuur +behielden, moet ik, helaas, belijden, en zal de lezer vóór 't eind van +dit hoofdstuk vernemen. + + * * * * * + +Boven ons woonden allerliefste jonggehuwden. Hij was den heelen dag op +kantoor en haar hoorden we haast onafgebroken zingen en met het kindje +praten. Wanneer het bij ons stil was, klonk het van boven met een lieve, +heldere vrouwenstem: »Dág Pa! Dág lieve Pa!" of de jonge moeder haar nog +niet eenjarig kindje leeren wou, hoe het zijn vader begroeten moest. +»Dág Pa! Dág schattige Pa!" Het klonk als vogelmuziek, zoo frisch, zoo +zuiver, zoo natuurlijk, zoo zangerig. »Dag lieve Paatje!" En dan nam +Moeder het dingetje op, hield het in de hoogte, en we hoorden het jonge +stemmetje kraaien. Nu werd het een beurtzang van moeder en kind. »Dag +lieve schat! Dag Pa!"--»A-a-a-a!"--»Dag snoesje! Komt Paatje gauw thuis? +Zeg dan maar: Dág Pa! Dág lieve Pa!"--»A-a-a-a-a!" + +Wanneer Pa thuis kwam, hoorden we 't vroolijk gejubel van het kleine +gezinnetje. Dan mengde zich zijn sonore mannenstem in het lieve gesjilp +en gekweel van die twee anderen, en een innige geluksstemming zweefde in +dat natuurlijke klankenspel. 's Avonds, vóór 't kleintje naar bed ging, +droeg Pa het een poos rond, onder 't zingen van allerlei liederen, en +dan hoorden we Moeder in stille bedrijvigheid rondtrippelen. We maakten +aan de tafel ons huiswerk of kleurden en knipten onze legers, maar +onderdehand dronken onze ooren de symphonie van huiselijk geluk in en +genoot onze nog onontwikkelde verbeelding de idylle van het eenvoudige, +vredige, blijmoedige gezinnetje. + +We weten vaak niet, vanwaar sommige stemmingen en sympathieën in +ons zijn gekomen. Maar wanneer later De Genestet's »Jong Hollandsch +binnenhuisje" me bekoorde en ik genoot van dien jongen vader, die met +zijn twee springende gedichtjes de kamer rondreed, hij op den vloer, +zij op en over hem heen klauterend, dan dacht ik meermalen aan onze +bovenbuurtjes, hoorde ik zijn warme mannenstem, het gekraai van 't +kleintje, en haar: »Dág Pa, dág lieve Pa!" zoo helder, zoo blij, zoo +onbezorgd. + +Onlangs vernam ik, dat zij gestorven was, aan tuberculose. + +Zoo werd haar idylle vernietigd. + +Ik heb haar maar weinig gezien. Na betrekkelijk korten tijd verhuisden +we naar een woning, die heelemaal aan 't andere einde der stad lag, +een uur ver. Toen hebben we nooit meer iets van hem of haar vernomen. +Ze behoorden dus met hun kleintje tot een voor ons geheel afgesloten +verleden. Nooit hebben we met elkaar omgang gehad. En toch, toen ik +vernam, veertig jaar later, dat de bliksem was geslagen is dit lieve +nestje van huwelijksgeluk, toen ontroerde me dit smartelijk. Het was of +een zingend vogeltje opeens de gorgel was dichtgeknepen. + +Leeft _hij_ nog? Leeft het _kindje_ nog, het blijde kraaistemmetje. + +Het is voorbij, alles voorbij. + +En toch leeft het nog. Ik hoor voetgeschuifel boven mijn hoofd, ik hoor +een kamerdeur opengaan, ik hoor een hartelijken welkomstkus, en dan die +innig-blije stem: »Dág Pa! Dág lieve Pa!" + +Ik hoor kindergekraai. Ik zie een man over de wieg buigen, een kindje +kussen. Een knevel prikkelt het donzen wangetje. Een zwaar geluid trilt +in 't zachte oortje. En dan: »A-a-a-a!" + +Dat is 't kleintje. + +Ze leven nog. + +Wat zegen kan er neerdalen in kindergemoederen, als er lieve bovenburen +zijn! + + * * * * * + +Tweehoog woonde een gezin, waarvan we niets gewaar werden, dan dat er +veel meisjes waren, en allemaal keurig nette meisjes. Eenige van haar +zijn later onderwijzeres geworden. Er is dus kans, dat ze deze regels +lezen. Dan zullen ze zich het lieve gekweel herinneren van de jonge +moeder en het piepjonge kindje, dat natuurlijk even goed omhoog steeg. + +Beneden ons, in het onderhuis of den kelder, hadden we ook nog buren. +Daar zakte ik vaak naar toe. Ze waren vriendelijk en gastvrij. Ik mocht +er steeds binnenloopen. Maar omdat er geen kinderen van mijn leeftijd +waren, had ik er niet veel. Kinderen willen kinderen, al zeiden de +menschen vroeger terecht: Van malkaar meugen ze niet, en bij malkaar +deugen ze niet. + +Kinderen waren er in het huis naast ons, een schaar lieve meisjes en één +jongen. Men weet nog, dat meisjes iets bizonder bekoorlijks voor me +hadden. Nu, deze ook. Ik ken de voornamen nog, en één voornaam klonk me +als muziek in de ooren: Rena. Die _e_ werd zoo mooi ingeleid door de +_r_, en de _a_ had zoo'n zacht-voornaam klankje. Je kon dien naam zoo +mooi-deftig zeggen. Net zoo iets als »zijkamer". + +Maar de meisjes leerde ik bijna niet kennen. Ik geloof eigenlijk, dat +ons gezin, wat verarmd, en met vijf belhamels van jongens, te ruw was +voor de meeste buren. Alleen met den jongen speelde ik wel eens. Echter +niet op straat, alleen nu en dan op het plaatsje. Hij ging ook op een +nettere school dan ik. Hij is later dokter geworden, ik ternauwernood +schoolmeester. + +Dat zegt alles. + +Is het niet eigenaardig, dat ik heel goed een zekere minderwaardigheid +voelde tegenover de omgeving? En dat ik mij daarnaar gedroeg? Hunkerend +naar speelmakkertjes, was ik toch te fier om me op dringen. Dan speelde +ik maar liever in mijn eentje, bij Moeder in de kamer. Bij Moeder was +'t altijd goed. Heerlijk, dat veilige, vredige plekje bij Moeder. +Standsverschil, zelfs reeds op deze schaal, deed mij een kring trekken, +waarbinnen ik met mijn armoede rustig kon leven. Maar dat leven was toch +genieten, als Moeders oog maar, stralend zonnetje, den kring verlichtte. + +Toen Potgieter op zijn sterfbed lag, en men hem het portret liet zien, +dat de uitgave zijner werken zou verrijken, was zijn opmerking: »'t +Is toch maar een burgerman." Iets dergelijks heb ik mijn heele leven +gevoeld. Omstandigheden hebben me in menige vriendschappelijke, +vertrouwelijke, hartelijke betrekking gebracht tot menschen van stand, +rijkdom en positie. Maar immer voelde ik: »Je bent toch maar een +burgerjongen." + +Men meene niet, dat ik hier iets vernederends of iets pijnlijks in vond. +Precies het tegendeel. Nog altijd voel ik me het meest eigen onder +de eenvoudige benedenburen in den kelder. Grootheid trekt me niet en +streelt me niet. Maar ik zeg het alleen, om te doen uitkomen, hoe het +karakter der jeugd voor goed een stempel in het leven drukt. + +Eén jongen uit de buurt, ook uit eenvoudiger kring, werd mijn vriendje: +Piet v. R. Zelfs werd hij het vriendje van mijn jongere zus, gelijk +bleek uit een briefje, dat ze hem schreef (niet zond): _liefe peit hoe +gaat het met u en hoe gaat het met Naje[1] nu liefe peit het is dijt dat +ik uitseit dag peit_. + +[1] Naatje, het zusje van peit. + +De andere jongens van het gezin zagen het kind dit briefje schrijven +en hebben er haar lang mee geplaagd. En als ze, de Jeugdherinneringen +lezend, meenen mochten, dat deze nu al lang genoeg voortgezet waren, +zouden ze, citeerend het episteltje, me zeker toevoegen: _nu lieve peit +het is dijt dat je uitseid dag peit_. En dan zou ik er de pen bij +neerleggen. Zoo ontstaan uitdrukkingen in familiën en in volkeren. + + * * * * * + +We maakten het er wel naar, dat de buren met een zekere behoedzame +teruggetrokkenheid intiemeren omgang trachtten te voorkomen. Vijf +drukke jongens tusschen 10 en 18 jaar waren wel in staat kalme, +eerzame gezinnen af te schrikken. Het moet zeker druk genoeg bij ons +zijn toegegaan, en van die levendigheid, niet altijd van vreedzamen +aard, moet wel iets doorgedrongen zijn naar de stille hoven rondom. +Levendigheid--met dit woord is het zeer zacht uitgedrukt. Vijf +jongens, zoo dicht opeengepakt, stooten malkaar herhaaldelijk, en +zijn dan aanstonds klaar met ruwe woorden, luid uitgeschreeuwd, of +handtastelijkheden. Ik hoor Moeder nog roepen met ingehouden stem: +_Denk toch om de buren_, waarop die buren uit een driftigen jongensmond +konden vernemen: _De buren kunnen naar den bliksem loopen_ of een andere +hartgrondige verwensching. Dat meenden die jongens zoo erg niet, het was +maar ruwheid, doch 't was voor die buren toch niet bepaald aanmoedigend. + +Plagen was schier aan de orde van den dag. Als het jongste meisje, dat +van lieve peit, begon te schreien, kon je er zeker van wezen, dat het +heele koor een ontzettend gebulk aanhief, om die schreistem te smoren. +Dan dreunde de kamer van de erbarmelijkste kreten. Vader werd in zulke +gevallen woedend, maar kon de bende eigenlijk niet baas. Moeder drong +driftig-angstig aan: »Hou jelui dan toch je mond", wat alleen tot +gevolg had, dat men riep: »Laat die meid dan d'r smoel houden." Alleen +Christientje, de oudste van allen en de zachtste, had dan vaak den slag, +om den storm te bezweren. Als er een kleine pauze was ingetreden, +begon zij een liedje te zingen, een geliefd wijsje. Dat kalmeerde de +gemoederen. En het duurde niet lang, of de buren konden zich vergasten +aan een veelstemmig: »Plechtig zwijgen, zoete vrede ruischt er nog om +'s Heilands graf", of »Rust in vree, o gij, van ramp ontheven. Nu reeds +slapende in uw enge kluis", welk laatste lied eigenlijk »bij het graf +eens medeleerlings" gezongen moest worden, doch ook onder andere +omstandigheden niet onstichtelijk klonk. + +Uit dat voorbeeld van Christientje kan men zien, hoe je opgewonden +gemoederen niet met opgewondenheid moet willen verwinnen. Met storm +slaat men geen storm ter neer. Doe een zachte koelte aanruischen en de +opgestoken winden verspreiden zich. + +Heerlijk-helder vulden de jongensstemmen met de frissche sopraan van +Christientje er boven uit dan de huiskamer. En eenmaal aan 't zingen, +bleef de troep aan 't zingen. Vader voorop. Diens woedende drift sloeg +in een moment om. Moeders angstige trek was gauw door een glimlach +vervangen, en de buren luisterden met aandacht, ja, de bovenbuurtjes +sloten zich wel eens bij den zang aan, hetgeen hieruit blijken kon, dat +ze soms een paar maten achter, de laatste lettergrepen nog uitgalmden +als wij reeds gereed waren. Dan steeg er bij ons een luid gejuich op, +dat van boven vroolijk beantwoord werd. We zetten een nieuw lied in of +namen er eentje van boven over en ondanks de scheidende zoldering +vormden twee gezinnen een uur of langer één zangkoor. + +Het is wel aardig en leerzaam, hoe spoedig de ruwe bende door een lied +gevangen was. Wat zouden wij er van denken, als we op school, instee van +met een stok op het tafelblad stilte te ranselen, eens zachtjes begonnen +te zingen van b.v. _'t Zonnetje gaat van ons scheiden?_ Ik wed, dat de +zoete rust kwam, nog eer het klonk: _Zoete rust mogen wij beiden._ + + * * * * * + +Eén buurmeisje herinner ik me ook nog levendig, ofschoon ik haar nooit +gesproken heb. Ze woonde niet in de Leliestraat, maar op de daarop +volgende en nettere Bloemgracht. De tuinen van de Bloemgracht grensden +echter aan die van de Leliestraat en zoo lag haar tuin vlak tegen ons +tuintje. Ik zeg: haar _tuin_, want die was stellig wel acht maal zoo +groot als ons plekje. Bij ons was er geen plaats voor hooge boomen, +nauwelijks kon er een gouden regen of een sering staan. Maar in haar +tuin verrezen hooge en zware kastanjes en eschdoorns. Daardoor lag haar +huis--ze bewoonde een heel huis--in donkeren schaduw en gaf de tuin mij +een gewaarwording van iets ouds en deftigs, zoo iets als een bejaarden +kloostertuin. + +Wanneer ik bij het eene raam van onze huiskamer mijn schoolwerk zat te +maken, keek ik naar buiten en zag haar wandelen onder 't groen. Arm +meisje! Ze was ongeveer dertien jaar, lang, mager, bleek. Ze droeg een +netje over een geheel kaal hoofd. Haar schedeltje was bedekt met een +korst van »klieren". En nu stond het zoo griezelig, dat netje, strak +getrokken over het achterhoofd, en van voren, boven de oogen, een +donkere lijn teekenend over het voorhoofd. Arm meisje! + +De andere buurmeisjes, die van twee-hoog en die van naast ons, hadden +allemaal zulke mooie haren. Lange vlechten hingen op den rug, met aan +het einde een fijn rood zijden strikje, of goudblonde krullen omgolfden +het hoofd, in haar dartelheid bedwongen door een bleekblauw lint. En die +haren maakten zelfs een alledaagsch gezichtje mooi. Vraag eens, hoeveel +jongens verliefd zijn geworden op bruine of blonde haren. »Het haar," +zei mijn vader, »is het sieraad der vrouw." En als Vader dat zoo +voornaam zei, met dat deftige woord sieraad en dien deftigen genitief, +beaamde onze jongenservaring dat al van ganscher harte. + +Arm meisje! Ze speelde niet met andere kinderen. Naar school kon ze +natuurlijk niet. Alleen in den tuin had ze ontspanning. En daar liep ze +dan in haar eentje rond, maar zoo'n beetje kijkend. Angstvallig scheen +ze de lage schutting te mijden. Wellicht schaamde ze zich gezien te +worden. Als we in den tuin speelden, bleef ze weg. Alleen als ze +onderstelde, dat we haar niet zagen, verscheen ze. Maar dan zagen +we haar wel. En dan keken we naar haar, de oogen wat vochtig van +medelijden. + +Wat was ik graag naar haar toe gegaan! Wat had ik me graag aangeboden, +om wat met haar te spelen. Ik was niet afkeerig van haar. Ik zou graag +alles voor haar gedaan hebben. Maar ik durfde niet. Waarom niet? Waarom +durven de menschen soms niet lief te zijn? + +Ik liep langs de Bloemgracht, om haar huis aan te zien. Ik bleef er stil +staan. + +Ik wilde aanbellen. + +Waarom deed ik het niet? + +Men zou mij vreemd gevonden hebben. Men zou mij hebben teruggewezen. + +Ik had geen vertrouwen genoeg op de menschen. + +Maar ik weet zeker, dat ik het meisje zou hebben verkwikt, het arme +eenzame kind. + +Ze is gestorven, nog terwijl we daar woonden. + +Maar ik heb altijd berouw gehad, dat ik aan de opwelling van mededoogen +geen gevolg heb gegeven. O, het zou haar zeker goed gedaan hebben, dat +een ander kind met haar wilde spelen, nog liever met haar dan met mooie +meisjes. + +Het heeft niet zoo mogen zijn. + + * * * * * + +En nu moet ik nog vertellen van mijn straatbaldadigheid ook in deze +nette buurt. + +Doch waartoe zal ik u opnieuw de straten doorslepen? + +Ge kunt er onder mijn leiding toch niets dan kwaads leeren. Ik neem u +b.v. op Zaterdagavond mee naar de kruidenierswinkels, die dan vol +koopsters staan. De burgervrouwtjes en de dienstmeisjes, dicht +opeengedrongen, wachten met het mandje in de hand haar beurt af. Ze +praten wat onder elkaar, terwijl de winkelier en zijn knecht, stijve +figuren in brandheldere buisjes, rustig voortgaan met afwegen, inpakken, +afrekenen. Nu sluipen we gebogen naderbij. Op handen en voeten kruipen +we den winkel binnen. We strekken een arm uit, zoeken de beenen van een +geen onraad vermoedend dienstmeisje, knijpen haar plotseling in de +kuiten en stooten daarbij een woedend geblaf uit. + +De meid gilt het uit van schrik. Ze springt op en de heele klandisie +komt in tumult. Zelfs vloeken er sommigen. De stijve winkelier raakt +een oogenblik zijn kalmte kwijt. De schalen schokken in zijn hand. De +vrouwen denken niet anders, of de meid is door een dollen hond gebeten, +en ontsteld onderzoeken ze haar paarse japon. Geen scheur? De +onderrokken. Nog geen scheur? De witte kousen. Ook die heel? Maar ze +voelde het toch wel degelijk. »Och, die bliksemsche jongens zullen het +wel weer gedaan hebben." En de winkelier gaat even van achter zijn +toonbank tusschen de vrouwtjes door naar de deur en kijkt daar naar +links en rechts de halfdonkere straat in. Wij hebben uit een verborgen +hoekje alles gezien en schreeuwen hem nu een triomfgehuil toe. Dan +hollen we weg. We moesten de volwassenen niet alleen hinderen, maar +ze moesten ook _weten_, dat ze dat aan ons te danken hadden, opdat ze, +scheldende, en eeuwig wegjagende nijdigaards, goed mochten beseffen, dat +we machtig waren ons te wreken. + +Dat gehuil gaf zeker een heele geruststelling aan die arme dienstmeid, +maar ik ben er niet zeker van, of ze 's avonds, vóór 't in bed stappen, +toch nog niet eventjes haar kuit opmerkzaam heeft bekeken. Het mócht +eens een hondje zijn geweest. + +Zullen we nu nog verder rondtrekken? Kom, ge hebt al van streken genoeg +gehoord. Meer dan u lief is. Of--hoort ge ze wel graag, mits anderen +er de dupe van zijn? Dan is het inderdaad raadzaam, om te eindigen. +Er schijnt ook in u, eerzaam volwassene, iets van den wilde te zijn +overgebleven. Laten we het niet wakker roepen en voeden. Gij hebt tot +plicht eerzaam te blijven, ook in uw diepste binnenste. + +Laten we liever eens nagaan, hoe het kwam, dat onder de jongens van deze +buurt veel minder neiging tot straatschenderij en plagerij bestond, dan +onder de vroegere kornuiten, en hoe ook bij ons, die het kwaad hier +trachtten over te planten, de lust langzamerhand wegstierf. Dat is +leerzaam voor de autoriteiten, die, niet uit demokratische politiek, +maar uit oprechte belangstelling zich om 't heil der jeugd bekommeren. +Die kunnen er uit leeren, hoe men in groote steden het kwaad bestrijden +kan door groei-ruimte te geven aan het goede. + +Op de Eglantiersgracht hadden we geen plaatsje of tuintje, we móésten +dus wel de straat op. En hier in de Leliestraat konden we een deel van +ons genot vinden in de stilte en de vrijheid van ons achteruitje. Het is +waar, we konden er niet hollen, niet met de bal of den hoepel spelen, +geen vlieger oplaten en nauwelijks tollen, maar we konden er ongestoord +kleuren en plakken en knippen en oorlogen, we konden er knutselen en +planten, we konden er ons verliezen in »stil spel". Er ging van ons +rustig plekje, dat zoo heerlijk gelegenheid bood onszelf te zijn, +stemming uit. De verkeerde invloeden van ruwe makkers hadden er minder +macht. + +In 't buitenland, en helaas ook in ons land, openbaart zich een streven +om prachtige schoolgebouwen te stichten, ware schoolpaleizen. Bouwkunst, +schilderkunst, beeldhouwkunst moeten samenwerken, om de leerende jeugd +al vroegtijdig onder de opvoedende kracht der schoonheid te brengen. +Doch men kan den invloed dier schoonheid erkennen en toch meenen, dat +er een verkeerde weg gevolgd wordt. Voor mij is er een schreeuwende +disharmonie tusschen die monumentale gebouwen met hun ruime hallen, +breede trappen, lange gangen, en die simpele kinderen. Het doet mij +vreemd aan, die witte gezichtjes, schrale figuurtjes, armelijke +kleertjes te zien dwalen door zoo'n rijkdom van ruimte en materiaal. Het +is, of men een sjofel katje op de zijden kussens van een vergulden auto +door de stad reed. Het is de arme knaap op den troon van Frankrijk. + +Wel mag het schoolgebouw niet zoo'n foeileelijken fabrieksgevel hebben, +rijen eenvormige vensters boven elkaar; wel mag het van binnen, door +grauwe, donkere nauwte, niet de naargeestigheid zelve zijn; wel moet het +door schoonheid de jeugd verkwikken; maar die schoonheid moet wezen naar +kinderlijken trant en in overeenstemming met de geheele omgeving. Liever +dan schoolpaleizen te zetten in armelijke buurten, moeten de +arbeiderswoningen verbeterd worden, waarin de kinderen--én hun +ouders--hun levensgeluk moeten vinden. + +Ieder gezin in een eigen huisje met een tuintje er bij. Overal veel +ruimte, licht, lucht en groen. Ruimte voor de kinderen, opdat ze kunnen +hoepelen en vliegeren naar hartelust. Ruimte ook achter de woningen, +opdat ze daar in rustige stilte genieten. En dan hier en daar een +eenvoudige, vriendelijke school, met niet meer dan zeven lokalen en een +open speelplaats, waar de kinderen der wijk, ook buiten de schooluren, +veilig en vrij zijn--hún speelplaats. En aan de school verbonden een +paar ruime lokalen, vereenigingszalen voor de rijpere jeugd en de +volwassenen, waar deze in aanraking blijven met de beschaving, gelijk +die zich in wetenschap en kunst openbaart. + +Dat zou heerlijk zijn! En daardoor zou de baldadigheid binnen de perken +worden gehouden! + +Zullen we 't nog eens beleven? + +Ik vrees. Maar al weet ik helaas te goed, dat de zedelijkheid niet +afhangt van de omstandigheden, ik heb in mijn jeugd ervaren, dat heel +wat baldadigheid wegsterft--in een nette buurt. + + + + +MOEDER VERTELT. + + +We zouden met Vader een dag uit visschen gaan. + +'s Avonds te voren hadden we alles in gereedheid gebracht, de snoeren en +hengels, het aas, en ook de flesschen bessensap en boterhammen met +worst. + +Toen zijn we vroeg in bed gestopt, opdat we niet te veel van onze +nachtrust zouden missen. En nu, na een onrustigen slaap, scharrelen we +door de huiskamer. + +'t Is vier uur in den morgen. We voelen ons kil en huiverig. Het +daglicht is nog niet aangebroken. In de kamer is het schemerig, buiten +grauw. + +Moeder heeft het petroleumstel aangestoken en theewater opgezet. Zij was +natuurlijk het eerst op, een half uur vóór ons. Uit vrees dat we ons +mochten verslapen, heeft ze den heelen nacht als in een bommeltrein +gereisd. Telkens was ze wakker om even op het horloge te kijken bij 't +nachtlichtje. Vooral na tweeën was bijna ieder kwartier een nieuw +stationnetje, waar de trein stopte. + +Nu loopt ze op haar kousen rond, heel zachtjes, om vooral de buren +niet te wekken. Ik laat een schoen vallen. Dat klinkt hard in de +morgenstilte. Sssst, zegt Moeder. Ze spreekt niet, ze fluistert. En zoo +doen we allen. Die schoen--mijn hart stond er bij stil. We glijden als +schaduwen voorbij mekaar, spreken met schaduwstemmen. 't Lijkt wel een +schimmenspel in den valen ochtendschemer. + +Moeder giet het theewater op. Wolken waterdamp krinkelen boven den +trekpot. Alleen het gezicht reeds verwarmt je. Opwekkende theegeur vult +de kamer. Heerlijk. Nog een paar minuutjes en we krijgen een kopje thee. +Lekker warm. Met twee handen er omheen, drinken we het langzaam op. + +Het is alles zoo vriendelijk, zoo vredig, zoo geheimzinnig, zoo rustig. +Buiten sjilpen de musschen en dringt langzaam het licht door. 't Is +gelukkig goed weer. Geen regen, alleen een beetje nevel. 't Zal een +mooie dag worden. Ik kijk door 't venster. De schutting is nog nat, ook +het deksel van den put en de steenen van 't plaatsje. Maar dat is niets, +'t is maar dauw. + +Ik zet mijn pet vast op en probeer hoe ik het gemakkelijkst de +boterhammen kan dragen. De hengels leg ik schuin tegen den +rechterschouder. Nog vijf minuutjes, en we gaan. Vader drinkt staande +zijn laatste kopje thee.... + +Opeens, daar dringt een vreeselijke gil ons door merg en been. Een doffe +plof volgt. + +O God, daar is het weer. Die gil, zoo langgerekt en doodsbenauwd, we +kennen ze. + +Vader heeft een toeval gekregen. + +Ik sta, verstijfd van schrik, met de hengels in mijn hand. + +Moeder laat den trekpot haast vallen. + +»Ach God!" zegt ze. En in die twee woorden breekt al de diepte van haar +smart uit. Dan haalt ze gauw een kussen van bed en legt het den armen +man onder 't hoofd. Ze maakt zijn goed los en wascht zachtjes wat schuim +van de blauwe lippen. + +Christien komt in nachtgewaad binnen geloopen, de oogen wijd starend. Ze +was nog wat blijven liggen, eer ze om half zeven naar haar betrekking +moest. Maar de angstkreet is tot haar diepen slaap doorgedrongen. Bevend +staat ze met ons bij Vader, die bewusteloos ligt te schokken en +stuiptrekken op den grond. + +Ik zet de hengelstokken in een hoek, haal de boterhammen uit mijn kiel +en leg ze op de tafel, naast het theeblad.... + + * * * * * + +Arme, arme Vader. + +Neen, we denken geen oogenblik aan het verlies van onzen heerlijken dag +buiten. We zijn vervuld met innig medelijden. Arme Vader! + +Moeder verzamelt ons in de keuken. Ze haalt het theeblad uit de +huiskamer en zet het op de rechtbank. De een gaat op een keukenstoel +zitten, de ander op een krukje, weer een ander op den vuilnisbak of op +een treetje. + +Telkens gaat ze even naar binnen, om te zien, of Vader al bijgekomen is. +Eindelijk hooren we een diepen, kreunenden zucht. Nu is hij bij. + +Moeder en Christien tillen hem voorzichtig op, dragen hem naar de +bedstede. Met zachte hand trekt Moeder hem de overkleeren uit, legt hem +dan te bed, dekt hem toe. + +We weten, wat er nu volgen zal. Den heelen dag zal Vader daar doodstil +blijven liggen met barstende hoofdpijn. Hij zal niets eten, alleen nu en +dan een teugje drinken. Wij loopen onhoorbaar door 't huis, spreken heel +zacht, ontbijten, koffiedrinken, eten in de keuken. Wanneer Moeder naar +binnen is geweest, zullen we met smeekende verwachting in de oogen +vragen, hoe 't er mee is, telkens weer. En dan zal Moeder zeggen: »Vader +ligt doodstil. Erge hoofdpijn." + +Eerst tegen den avond zullen we even bij 't bed mogen komen, om Vader +een hand te geven. Dan zal hij ons met zijn zachte blauwe oogen +vriendelijk aanzien, alsof hij ons vergiffenis vroeg, dat hij ons zoo +had teleurgesteld. En dan zullen we onze oogen vochtig voelen worden. En +dan zal hij zeggen: »Nacht kind!" En we zijn blij, dat we zijn stem weer +hooren. Rustig gaan we naar bed, en we danken Onze lieve Heer, dat Hij +Vader toch weer beter heeft gemaakt. + +Zoo zal de dag voorbijgaan. We weten het al vooruit. Want zoo is er al +menige dag voorbijgegaan. Om de drie weken kreeg Vader een toeval. Soms +wel twee in een week. Soms duurde het ook een paar maanden. Dan hoopten +we al, dat het weg mocht blijven. Tot opeens, daar had je 't weer, die +hartdoorsnijdende gil. + +Zelf sprak Vader er nooit over. Ook niet als hij pas een toeval had +gehad. Dan was hij meestal een paar dagen moe en suf van hoofd, ging +stil zijn weg. Maar nooit roerde hij het onderwerp aan. + +Waarschuwende verschijnselen, dat er een toeval op handen was, deden +zich niet voor. Geheel onverwacht en op de meest ongelegen oogenblikken +kwamen ze. Zoo praatte Vader nog met je, en zoo plofte hij neer. +Alleen had Moeder meenen op te merken, dat er vaak dagen van groote +prikkelbaarheid aan vooraf gingen. Wanneer Vader zoo ongemotiveerd +driftig kon opstuiven--ach, aanstonds was hij weer bedaard--beefde +Moeder al inwendig. »Er zit zeker weer een toeval," zei ze met +bekommerde, verontschuldigende stem. En dan zat er ook meermalen een +toeval, als een donkere, dreigende onweersbui. Soms was het voor allen +en ook voor Vader zelf een verademing, als de bui was losgebroken. Dan +kwam er weer ontspanning. + +Zoo is er ook nu, op dezen morgen, na den eersten hevigen schrik, +ontspanning gekomen. We zitten rustig in de keuken. 't Is nog pas half +zes. Wat zullen we doen? Weer naar bed gaan? Lezen? Spelen? Dat is +onmogelijk. We scholen om Moeder heen, in het kleine keukentje. En +Moeder praat zachtjes. Ze vertelt van haar leven. + +'t Is wel een vreemd verteluurtje. De morgenzon kleurt den hemel. Door +'t keukenraam zien we boomtoppen verlicht. En 't is ook een zonderling +plekje, in de keuken tusschen de glazenkast en de aanrechtbank. Ook het +verhaal is ongewoon, een verhaal van levensleed. Zoo iets vertelt men +gewoonlijk niet aan kinderen. Kinderen moeten immers sprookjes en +grappen hooren? Maar dit alles wordt verklaard door de donkere bedstede +daar in de huiskamer, door dien lijdenden man. + + * * * * * + +»Ach," zegt Moeder, »zoo is het mijn heele leven gegaan." + +Ze zit stil, met ingekeerde oogen, alsof de oogen ver, ver in het +verleden teruggingen. Dan gaat ze voort, zachtjes vertellend van wat die +oogen daar zagen. + +»Ik was nog maar pas getrouwd, toen je Vader een toeval kreeg. Je hoeft +niet te vragen, of ik schrok, want ik had er niets van geweten. En ik +had zoo iets nooit bijgewoond. Maar toen je Vader bijkwam, had ik zoo +innig met hem te doen. Hij was zoo ellendig, en daarbij was hij zoo +verlegen voor mij. Hij had er mij niets van verteld. Vóór ons huwelijk +had hij ook al een paar maal een toeval gehad, maar zijn vrienden hadden +gezegd, dat het in zijn trouwen wel zou overgaan. Daar had hij het maar +op gewaagd. + +We woonden toen in een grooten kruidenierswinkel. Daar hadden zijn +voogden hem in gezet. Want je Vader was al vroeg een wees. Maar hij had +geen verstand van zaken. En binnen tien maanden was de zaak failliet. + +Toen moesten we verhuizen. Op een kouden avond in Januari brachten ze +mij in een toe-slee over. Dien avond zal ik niet licht vergeten. Het +vroor hard. 't Was bitter koud. Daarom hadden ze me goed toegestopt. Ik +was hoogst zwanger. Iederen dag kon Christientje geboren worden. Toen ik +aan de nieuwe woning kwam, moest ik een ongelukkige trap op, twee hoog, +en daar vond ik een paar zoo goed als leege kamers. Er stond een tafel, +een paar stoelen, maar geen kachel. Aanstonds brachten ze me naar bed. +Toen voelde ik me toch zoo bitter ellendig. Geen brand, geen voedsel, +niet eens een warm kop koffie, de kasten leeg en geen cent in huis. En +daar werd den 25sten Januari Christientje geboren. + +Zoo is mijn huwelijksleven begonnen. En nog geen jaar te voren zat ik in +die heerlijke pastorie. + +Natuurlijk kwam Grootvader gauw over. Die goeie man wist niet, wat hij +zag. Hij schreide, toen hij voor mijn bed zat. En toen de broers, jullie +ooms, het hoorden, waren ze woedend. Ze zeiden, dat je Vader me bedrogen +had en wilden, dat ik weer naar de Klundert zou komen. Maar daar was +ik niet toe te bewegen. Je Vader was zoo goed en hij leed er zelf zoo +bitter onder. Hij hád me ook niet bedrogen, daar zou hij nooit toe in +staat zijn geweest. Maar de man was veel te goed van vertrouwen. En dat +is hij zijn leven lang gebleven. Dat is hij eigenlijk nog. Daarbij was +hij niet goed opgevoed. Zijn ouders waren deftig en bemiddeld. Maar die +stierven al vroeg. Toen ging hij met zijn broertje ergens in huis. Ze +kregen goed onderwijs, je Vader is altijd knap geweest. Maar er werd +niet gezorgd voor een bepaalde opleiding, en toen je Vader mondig was, +werd er eenvoudig een zaak voor hem gekocht, of hij er geschikt voor was +of niet. Hij dacht, dat alles best zou gaan. De man had van zijn eigen +zaken nooit iets afgeweten. + +Grootvader zorgde, dat ik het noodigste kreeg. Maar hij had zelf een +groot gezin en kon er niet nog een gezin bij onderhouden. Toen hij weer +weg was, bleven we met ons drieën achter. Je Vader kreeg een +betrekkinkje en zoo konden we tenminste leven. Maar vraag niet hoe." + + * * * * * + +Moeder in die slee, Moeder in die armelijke bedstede op een leeg +bovenhuis, Grootvader, die waardige man, met beschreide oogen bij het +gebroken leven van zijn dochter--het zijn tooneeltjes die ik zou kunnen +uitschilderen. Moeder vertelde zoo, dat we alles voor ons zagen. En ik +weet nog heel goed, dat ze zonder eenige aarzeling uitdrukkingen als +»hoogst zwanger" gebruikte. Armoede en smart brengen de volwassenen zoo +dicht bij de kinderen, maken de kinderen in zeker opzicht gauw groot. +Moeder had geen tijd en geen stemming, om er een afzonderlijk taaltje +voor kinderen op na te houden. Met wie moest ze alles bepraten en +overleggen dan met haar kroost, en daarbij sprak ze de gewone taal der +volwassenen. Wij vonden zulke woorden ook heel gewoon, al begrepen we +er niet precies het rechte van. Maar zoo is het immers met haast ieder +woord? We moeten het aanvankelijk met enkele vage notities stellen. + +Zoo is het ook gegaan met het woord »verleiden", in den specialen zin, +zooals we het uit de geschiedenis van Jozef en Potifar's vrouw kennen. +Moeder was al eenige jaren getrouwd, en woonde in Emmerik. Daar had +Vader een betrekking aan het spoor gekregen. Wat, dat weet ik niet, +we waren tevreden met het woord »betrekking"--naar bizonderheden +informeerden we niet. »En toen"--vertelde Moeder--»werd ik eens op het +kantoor ontboden bij een deftigen meneer. Ik kwam in een prachtige +kamer. Die meneer was heel vriendelijk. Eerst begreep ik hem niet. Maar +toen zei hij: Een mooie jonge vrouw als u hoeft toch geen armoe te +lijden. En hij wees op een stapel geld, dat op zijn bureau stond, alsof +hij zeggen wou: Neem het maar. Toen was het, of ik een ingeving kreeg. +O God, dat nooit! En ik liep aanstonds naar den hoek van de kamer en +trok aan het schellekoord: »Meneer, ik verzoek, dat u me onmiddellijk +uitlaat." Toen de knecht kwam, zei hij: »Laat jij de juffrouw eens uit" +Hij moest wel. Maar toen ik thuis kwam, viel ik stijf van mezelve." + +Bijna woordelijk herinner ik me dit verhaal. Met dezelfde soberheid +vertelde Moeder het. Ik zag de kamer, het bureau, het geld, het +schellekoord, den knecht. En ik begreep, dat die man Moeder had willen +verleiden tot iets kwaads, al begreep ik niet wat. Ik bracht het echter +wel in verband met de geschiedenis van Jozef. + +Moeder kon in Emmerik niet blijven. Gelukkig kreeg Vader nu iets in +Amsterdam. Hij moest vooruit reizen. »Toen moest ik voor de verhuizing +zorgen, alles inpakken en verzenden. En eindelijk ging ik zelf met drie +kinderen, een spiegel en een schilderij. Dat was een heel gesjouw. Maar +ik rekende altijd op de goeie menschen. Die hielpen je wel." + +Daar zat ze in de trein, natuurlijk derde klas, met drie kinderen, +een spiegel en een schilderij, blij, dat ze Duitschland den rug kon +toekeeren. »De menschen waren er wel vriendelijk--overal heb je goeie +menschen--, maar ze begrepen me niet altijd. En in Amsterdam was ik +natuurlijk dichter bij de familie. Ofschoon een mensch het in zijn +armoede toch niet van de familie hebben moet. In 't begin is er wel veel +medelijden, maar och, aan alles raak je gewoon. De familie was wel heel +goed voor me, hoor----je oom Willem, die was student in Utrecht, en als +hij dan een dag of wat overkwam, zei hij: Nans, hier is het geld voor +het hotel, stop mij maar ergens in een hoekje. En dan ging hij niet naar +een hotel, maar sliep heel armelijk bij ons. Dát was toch zoo'n lieve +jongen. Daarom is hij zeker vroeg gestorven--nog als student--aan de +tering. Hij was een engel van een jongen. Maar anders, het meeste lief +heb ik van de buren gehad. Die zijn ook zoo iederen dag om je heen." + +En nu kwamen er verhalen van goeie buren. + + * * * * * + +»Wat ik van die menschen een hartelijkheid heb ondervonden--dat kan +ik onmogelijk allemaal vertellen. Als je arm bent, moet je onder arme +menschen gaan wonen, dan heb je het nog het beste. En het was aardig, +zooals ze me altijd met zekeren eerbied behandelden. Ze zagen natuurlijk +wel, dat wij van betere afkomst waren en betrokken ons nooit in hun +standsgewoonten. »Dat kan de juffrouw niet doen," zeiden ze dan. »Dat is +de juffrouw niet gewoon. Dat zullen wij wel even voor u doen."--En ze +wilden nooit iets aannemen. »Wel nee, lieve mensch, je kan het zelf te +best gebruiken." Van hun eigen armoede deelden ze me meermalen mee. + +Eén man zal ik altijd heel dankbaar herdenken. Dat was bakker Aalders. +We woonden toen ergens op een kamer drie-hoog, en hij had beneden in +'t huis zijn bakkerij. Iederen morgen bracht hij ons brood en in 't +begin betaalde ik dat ook geregeld. Als je Vader Zaterdags zijn weekgeld +thuis bracht, rekende ik 's Maandags altijd af met den bakker en den +groentenman en den huisbaas en den bode van het begrafenisfonds. Maar +toen je Vader weer een toeval gekregen had en hij zijn betrekking kwijt +was, hield natuurlijk dadelijk ook het geld op. Bakker Aalders zag dat +wel, zulke menschen weten direkt alles van je omstandigheden. Toch ging +hij voort, iederen morgen brood te brengen, en nu zonder ooit om geld te +vragen. Dat duurde weken en maanden achtereen. En altijd bracht de +vriendelijke man zelf het brood boven, maakte even een praatje, vroeg +niets en zinspeelde ook op niets. Eindelijk werd ik er zelf verlegen mee +en ik zei, dat ik hem onmogelijk betalen kon, dat hij maar geen brood +meer moest brengen. En wat zei de man? »Juffrouw, zoolang ik brood heb, +zal u 't ook hebben. Dat geld komt wel terecht." En toen je Vader weer +wat verdiende, wou Aalders het achterstallige geld niet hebben. En hij +heeft het nooit willen hebben. Ja, ik heb wat goeie menschen in de +wereld ontmoet! Maar Aalders was toch wel heel bizonder." + +Terwijl Moeder vertelde, zag ik Aalders, een eenvoudig man, het petje +op, met een brood in de hand de oude trap oploopen, aan de kamerdeur +kloppen, het brood op tafel leggen, even een praatje maken, en weer +verdwijnen. En als pendant daarvan dien deftigen meneer in Emmerik, +in de prachtige kamer, aan zijn bureau, met het stapeltje geld, en +Moeder staande op het dikke tapijt. En mijn gemoed wisselde als een +voorjaarshemel bij veranderlijk weer. Nu eens was het helderblauwe +lucht met zonneschijn--bakker Aalders met zijn brood in de geopende +kamerdeur--dan weer donkere bewolking met angstig-dreigend grauw: de +prachtige kamer. + +Zou men denken, dat wij, luisterende kinderen, door zulke verhalen +niet werden opgevoed? Moeder vertelde ze niet met die bedoelingen, ze +vertelde ze alleen om haar hart uit te storten in heel vertrouwelijk +samenzijn met haar kinderen. Maar ik voelde hun krachtige werking in +mijn gemoed, ik voelde bewondering en afgrijzen, liefde en weerzin, +dankbaarheid en verfoeiing. Ons hart werd tot in zijn diepste lagen +bewogen en geen weloverdachte zedelijke opvoeding kon bewerken, wat +hier, zonder opzettelijkheid en met door de paedagogiek misschien +afgekeurde middelen, werd bereikt. Moeders leven, de ervaringen van +een volwassene, de onkinderlijke verhoudingen en woorden, 't lijkt +veroordeelenswaardig opvoedingsmateriaal voor jongens van elf en twaalf +jaar. Doch niettemin--wij wérden er door opgevoed. En ik weet wel, +waardoor dat komt. Dat komt, omdat daarin het echte, waarachtige, +ons naderde, met bedoelingen van enkel liefde. Hoe geweldig werkt +de waarachtigheid der natuur, ook van het zich onbevangen gevende +Moederhart, tegenover het kunstmatige eener in elkaar gezette techniek. +Moeder _maakte_ niet wat voor ons, ze _uitte_ zich, en in die uitingen +stroomde ons het voedende leven toe. Dat is ook de kracht van den Bijbel +en van alle zuivere springbronnen van leven. + + * * * * * + +De nood rees soms wel hoog, maar toch altijd kwam de redding. Vreeselijk +was de toestand, toen één kind gestorven in zijn bedje lag, een ander +ieder oogenblik geboren kon worden, en Vader met een toeval werd thuis +gebracht. En dat midden in de armoede. Men kan zich zoo'n ellende niet +indenken. En als Moeder 't ons vertelde, zei ze ook altijd: »Hoe komt +een mensch het door!" Maar ze had een onwankelbaar vertrouwen, dat God +haar wel helpen zou. + +»Eens op een avond zat ik in mijn eentje in een arm bovenkamertje. +Ik had alles netjes opgeruimd, want in de grootste armoede had ik er +toch altijd plezier in den boel netjes te hebben. De kinderen lagen in +theekisten, want wiegjes of ledikantjes had ik niet. Maar ze waren met +heldere lakentjes toegedekt. En toen werd er geklopt en een paar dames +kwamen binnen. Ze gingen zitten en praatten wat met me. Een van haar +had een versje voor me uitgeschreven. Dat heb ik altijd bewaard. Ze las +het me voor. En ze maakte me haar compliment, dat alles zoo netjes was. +En toen ze heen waren, vond ik onder een bordje vijftig gulden, twee +briefjes van vijfentwintig. Mijn gemoed schoot vol." + +Ook onze oogen sprongen vol tranen, als Moeder dat vertelde. + +En als ze dan uit een oude doos het blaadje postpapier haalde, het +geelgeworden blaadje, en ons het vers voorlas, hoorden wij met stille +vroomheid toe. 't Was een vers van Godsvertrouwen. Waarom zou ik den +naam der beide dames niet noemen? 't Waren twee zusters Salm--nu al +lang gestorven. En nu noem ik dien naam niet als een bewijsstuk voor +de echtheid der geschiedenis of als een eeresaluut nog boven het graf, +maar alleen om mezelf het genot te gunnen, dien naam eens hardop uit te +spreken, midden in den kring van wie naar me luisteren, zooals Moeder 't +deed in het kringetje van haar kinderen. + +Daar is nog een naam van een gestorvene, die in mijn hart leven blijft. +Mijnheer Sanders was rijk en woonde in een groot huis op de Heeren- of +Keizersgracht. Wanneer Moeder radeloos was, ging ze naar hem toe en kwam +nooit ongetroost terug. Er waren bepaalde uren, dat de gang daar vol +armen stond. Die man had zulk een mededoogend hart, dat hij soms met +sterken aandrang een poos naar buiten moest worden gedreven. Hij kon +»zijn" armen niet achterlaten en leed zoo zeer onder hun kommer, dat +hij alleen gelukkig was, als hij geven en helpen mocht. Ik voelde toen +al, dat de rijkdom voor dit gevoelige hart misschien nog zorgvoller +was dan de armoede voor Moeder. De verantwoordelijkheid van zijn +rentmeesterschap drukte hem als lood. Bij zooveel ellende kon hij met +zijn geld niet gelukkig zijn. En al gaf hij al zijn geld weg, dan was +de ellende toch niet merkbaar verminderd. Wanneer Moeder ons van hem +en zijn milddadigheid vertelde, was het altijd met dankbaarheid en +medelijden. Wel eigenaardig, dat de armoede medelijden had met den +rijkdom. + +Bij deze twee namen zal ik het laten. Namen noemen van goedgeefsche +rijken--het is benden van dringende vragers op hen afsturen. Doch geen +armen zullen een bedevaart naar deze graven doen. Hoe echter het +namennoemen misbruikt kan worden, heeft Vader eens op een wonderlijke +manier ondervonden. + +Er was een man met wien hij sprak over zijn nooden en toen liet Vader +zich ontvallen, dat hij van deftige familie was. Meneer X. was een neef +van hem, Mevrouw IJ. een tante. Maar die familie wist van Vaders bestaan +niet af. Vader was niet trotsch of hooghartig, maar hij _kon_ niet +bedelen. Hij stierf liever met zijn heele gezin van honger, dan ook maar +een penning te vragen. Het was hem onmogelijk. Hierin was Moeder een +beetje gemakkelijker. Welke rechtgeaarde Moeder waagt ook niet alles +voor haar kinderen! + +Die man dan hoorde Vader aan, informeerde naar de adressen, noemde Vader +een gek, dat hij niet van dien rijkdom profiteerde, hij zou 't hem wel +anders, leveren, en zoo voort en zoo voort. Vader liet zich niet +opwinden, wilde geen misbruik maken van den naam zijner moeder, om +daardoor geld los te krijgen, berustte liever in zijn armoede. + +Twee of drie weken later kreeg Vader gansch onverwacht een brief, of +hij zich op een bepaald uur wilde vervoegen aan het kantoor van Mr. X. +Wat zou dat beteekenen? Hij, Moeder, allen waren even nieuwsgierig. +Natuurlijk ging hij, en in spanning wachtten de anderen zijn terugkomst +af. Wat was 't geval. Mr. X. vroeg aanstonds: »Bent u meneer Ligthart? +Bent u het zelf?" En toen informeerde hij naar Vaders geschiedenis en +omstandigheden. Er was een man geweest, die zich voor Ligthart had +uitgegeven en schandelijk had opgespeeld--hij wou bij hoog en laag geld +hebben, en als hij dat niet kreeg, zouden ze wel anders zien--hij +verkoos niet te verrekken van honger, als hij zulke rijke familie had, +en al zou hij er de heele wereld bij te pas brengen, hij wou geld +hebben. + +Mr. X. was zeker blij verrast, toen hij in den bescheiden en beschaafden +man, die nu voor hem stond, den echten Ligthart zag. Beiden doorzagen de +oplichterij gauw genoeg, toen Vader vertelde, hoe die man hem had +uitgehoord. Mr. X. bedankte Vader voor zijn komst en Vader zou wel iets +naders van hem hooren. + +Spoedig kwam er bericht, dat Vader een levenslange toelage kreeg van +vijf gulden in de week. Elken Maandagmorgen kon dat bedrag gehaald +worden bij Ds. v. d. Goot, onzen Doopsgezinden predikant. Niemand +hoefde er voor bedankt te worden, het was een familietoelage, op +voorstel van Mr. X. De gevers bleven onbekend. + +Meermalen heb ik zelf die vijf gulden bij Ds. v. d. G. gehaald. Die was +dan altijd heel vriendelijk en behandelde je volstrekt niet als een +bedeelde. + +Maar is dit weer niet een zonderlinge geschiedenis? Zeg geen namen van +goedgeefsche rijken, want oplichters maken er misbruik van. En zie, deze +oplichter maakte het pad effen voor levenslange hulp. + + * * * * * + +Zoo vertelde Moeder ons de eene geschiedenis na de andere, terwijl Vader +in bed lag. Slechts eenmaal was het haar _te_ benauwd geweest. Toen had +ze op het punt gestaan in 't water te springen. Maar de gedachte aan de +kinderen had haar weerhouden. Nooit hebben we Moeder hooren klagen over +haar lot. Al vertelde ze ons de droevigste ervaringen, het was nooit +in den klaagtoon. En als ze over Vader sprak, was het met liefdevolle +aanvaarding: »Ik heb altijd het gevoel gehad, dat God mij tot taak had +gegeven, dezen man door het leven te brengen." Hij was haar oudste +kind. Vriend noch vreemd--en aan pogingen heeft het zeker niet +ontbroken--heeft haar ooit kunnen bewegen, haar post ontrouw te worden. +Ze heeft haar levenstaak met algeheele zelfverloochening volbracht. + +Dikwijls als ze over goede menschen sprak, kwam het zoo uit de volheid +van haar hart: »Die hebben den hemel aan me verdiend." De uitdrukking +was wat Roomsch, Moedertje, voor een predikantsdochter--wij doen niet +aan werkheiligheid. Maar wat hebt Gij dan wel verdiend aan man en +kinderen? + +Moeder heeft een stukje van den hemel al op aarde gekregen. 't Kwam wel +laat, maar daarom mocht ze zeker wat langer blijven. Toen ze, in haar +drie-en-zeventigste, heenging, had ze al meer dan twaalf jaren een +betrekkelijk, althans geldelijk, onbekommerd leven genoten. Dat was +ongetwijfeld haar loon voor een leven van toewijding. + +»O, als ik jelui alles vertelde, dan kon je er wel een boek over +schrijven," zei Moeder vaak. + +Maar Moeder, dat moet U me nu eens niet kwalijk nemen, maar dat doen we +tegenwoordig niet. We schrijven geen boeken over helden en heldinnen, +die op 't leven zegevieren. We schrijven alleen boeken over +slappelingen, die in 't leven ondergaan. Stel je voor, dat ik eens een +boek over U schreef. Ze zouden zeggen: dat is maar een bedacht +vertelseltje. Zoo is het leven niet. + +Neen hoor, geen boek over Uw levensboek. Alleen heb ik mij in dit +hoofdstukje veroorloofd, eenige bladzijden daaruit over te drukken. En +dat heb ik gedaan met opvoedkundige bedoelingen. Want, lieve Moeder, +ik ben--dank zij U--en ondanks de paedagogiek--zoo'n soort paedagoog +geworden. + +Dank zij U. + +Uw leven doortrilt mijn leven. + +Van U heb ik geleerd, neen als levensmelk ingezogen, onder alle, alle +omstandigheden niet te versagen, trouw te volharden, te aanvaarden den +plicht die ons wordt opgelegd, niet onszelf te zoeken, maar onszelf toe +te wijden. + +Of ik dat gekund heb? + +Ik wou, dat het waar was. Maar mijn falen is niet uw schuld. Dat was +meestal 't gevolg van te veel voorspoed. Gelukkig kwam de tegenspoed me +dan eens flink door elkaar rammelen, om me tot bezinning te brengen en +terug te voeren tot trouw. + +Gij hebt, door Uw leven, de les gepredikt: We moeten geen heide +ontvluchten en parken zoeken, maar heide ontginnen en parken maken. + +Er is, heel sterk in onzen tijd, een jacht naar beter. Niet dat men +zichzelf en zijn arbeid wil verbeteren--als gevolg waarvan vanzelf +betere omstandigheden zouden ontstaan--maar een zoeken van en dingen +naar altijd hooger, voordeeliger, voornamer positie. Daartoe verlaten +honderden schoenmakers hun leest. + +Gij hebt ons geleerd: Doe wat God je als levenstaak heeft gegeven, en +doe dat met heel je hart. Blijf trouw. + +En Uw succes heeft er de belofte aan toegevoegd: En je zult slagen, +boven bidden en denken. + +Heerlijk, Moeder, dat ik deze les, Uw wijsheid, als het summum mijner +paedagogiek nu onder vele oogen mag brengen, hopen dat zij vele harten +mag binnentrekken. + +Blijf trouw! En vertrouw! En de kroon des levens is voor U weggelegd! + +Is het niet eigenlijk--christendom? + + + + +IK WORD KWEEKELING. + + +We hechten aan het werkwoord worden in sommige gevallen een heel actieve +beteekenis. Wanneer een jongen ons met een blijd voornemen in de oogen +en de stem vertelt: »Meester, ik word zeeman!"--, dan is het, of we hem +met volle zeilen op zijn doel zien afstevenen. + +Zoo ging het bij mij niet. Kweekeling-worden, ik had er nooit aan +gedacht. Naar den kansel was mijn blik en hartewensch wel eens +heengegaan, die behoorde om zoo te zeggen ook tot de familie, maar zoo +ver heugenis en overlevering reikten, had Vaders noch Moeders geslacht +ooit de wereld met een schoolmeester verrijkt. Grootvader en twee ooms +waren predikant, een derde oom studeerde er voor, geen wonder als er wat +domineesbloed door mijn aderen vloeide. + +Echter, er kon geen sprake zijn van een academische opleiding, daartoe +ontbrak het ten eenenmale aan middelen, en zoo lag het in het duister, +wat ik worden zou. Timmerman, gelijk de twee oudere broers, daar was ik +te zwak voor. Maar wat dan? Misschien was ik behanger geworden--daar +hoefde je niet zoo sterk voor te zijn--toen de armoede het vraagstuk +heel practisch oploste. + +Al weken achtereen had ik mijn schoolgeld niet betaald. Weten de +onderwijzers, die den kinderen harde standjes geven als deze hun +schoolgeld hebben »vergeten", wat dat voor een kind is? Ze kunnen er +zeker van zijn, dat er thuis al heftige tooneelen zijn afgespeeld. Het +kind wilde niet naar school zonder schoolgeld, en Moeder had het niet. +Het kind draalde, drong, schreide, werd brutaal, bleef tegen den muur +hangen, en Moeder kon het geld toch niet van haar rug snijden. Eindelijk +zei Moeder: »Zeg dan maar, dat je 't vergeten hebt," maar het kind wist +wel, dat noch meester noch de kinderen dat gelooven zouden. Ten slotte, +vijf minuten voor negenen, is het maar de deur uit geslenterd, met +roodbeschreide oogen, zeurend naar school. En als het daar kleurend van +schaamte en gekrenkte trots, de boodschap van Moeder verlegen naliegt, +terwijl de omringende leerlingen zich in de welgegoedheid hunner ouders +veilig voelen en wat vreemd en ongeloovig kijken, krijgt het van zijn +meester nog een uitbrander. Hoe is het mogelijk! + +Als een der voordeelen van een armelijke jeugd, vol vernederingen, heb +ik het altijd gevoeld, dat ik, in beter omstandigheden gekomen, zulke +arme kinderen begrijpen en wat ontzien kon. + +Nu is het heerlijk, van mijn bovenmeester te mogen getuigen, dat hij +tegenover mij teer- en fijngevoelige kieschheid betrachtte. Hij +vernederde mij niet midden in de klas, maar riep me in zijn kamertje. +Daar drukte hij me ernstig op 't hart, dat het achterstallige schoolgeld +al veel te hoog was opgeloopen, en dat het zoo niet langer ging. Ik +moest mijn ouders zeggen dat ik het schoolgeld moest meebrengen, en hij +anders verplicht was mij van de school te verwijderen. (Is het, tusschen +twee haakjes, ondanks de waarlijk goede bedoeling en den vriendelijken +toon van den hoofdonderwijzer, toch niet al te erg, dat zulke geldelijke +aangelegenheden, die toch eigenlijk alleen de volwassenen betreffen, +worden afgehandeld met een twaalfjarig kind?) Echter, behalve betalen en +verwijderen, was er nog een derde kans. En ik weet nog, hoe mijn hart +opsprong van blijde verlichting, toen de bovenmeester me dit uitzicht +opende: Ik kon kweekeling worden. Dan kostte ik niets en zou zelfs wat +verdienen: gratis opleiding en vijf gulden in de drie maanden! + + * * * * * + +Kweekeling worden. Heerlijk! Nu het me daar zoo onverwacht werd +voorgesteld, werd ik plotseling gewaar, dat er toch, volkomen onbewust, +een groote liefde voor het onderwijzerswerk in mij gegroeid was. En dat +had ik te danken aan den onderwijzer, die ons dagelijks les gaf en die, +althans in mijn oog, van zijn taak en zelfs van zijn heele verblijf in +de school, zoo iets behagelijks wist te maken. 't Was de man, die reeds +den eersten morgen van onze aankomst verrukt was over de mooie namen +en die met zulk een gezellige ingenomenheid nieuwe rekenboekjes uit de +kast opdook, wanneer we al weer een rekenboekje uit hadden. Met zoo'n +beloonende en aansporende blijdschap keek hij de twee volle kanten van +je lei na, met zoo'n leuke gratie zwierde hij G's door je sommen ten +teeken dat ze goed waren. Het leek wel voor hemzelf een feest te zijn, +als hij, de griffel sierlijk in de hand, som na som met zijn zegelmerk +voorzag, terwijl wij hem met spannende oogjes aankeken, innerlijk +juichend bij elken gracieusen trek, even inzinkend bij iedere--maar toch +mooie--streep door een foutieve oplossing. + +Wat kon hij 's winters gezellig bij de kachel staan! Dan liep hij +eerst rustig om de klas heen, wreef zich de koude handen, opende de +kacheldeur, keek naar 't vuur met dezelfde belangstelling als naar onze +sommen, greep den pook niet minder sierlijk dan de griffel, en pookte +zonder ruwe rammelende geluiden, pookte gelijk hij op 't bord schreef, +netjes en rustig, zoodat zelfs het randje van zijn hagelwitte manchet er +plezier in had en zich nieuwsgierig verbreedde. Daarna hing hij den pook +op zijn vaste plaats, draaide zich met den rug naar de kachel, sloeg de +handen in elkaar op de achterpanden van zijn jas, en koesterde ze te +gelijk met al de achterdeelen van zijn kleeding en wat daar onder zat. +Onderwijzer-zijn, je zag het den man aan, was een dagelijksch genoegen. +Maar ik denk nu, dat hij met hetzelfde genoegen winkelier was geweest. +Alleen had de natuurlijke gave om zijn heele omgeving gezellig te maken +hem dan wat meer geld opgebracht. Hij was gansch geen type van een +verdroogden schoolmeester, nog al rijzig, gezet, kleurig en met +springende haren. Zijn gezetheid bracht zeker mee, dat hij zomers nog +al dorstig was. Dan kon hij zoo smakelijk een glas water leegdrinken. +Eerst hield hij het tegen 't licht, en verkwikte zich met den aanblik +van het kristalheldere vocht. Daarna dronk hij het met langzame teugen +op, genietend van iedere aanraking. Zette hij 't glas weer netjes in de +kast, dan kon je zeker zijn, dat hij nog even, heel even, met het puntje +der tong langs de lippen streek, navoelend de zachte verkoeling. + +Was het wonder, dat het opgroeien onder den stillen invloed van zulk +een gemoedelijk-vriendelijk onderwijzersleven, bij ons onmerkbaar +liefde voor dat leven deed ontkiemen? Zóó op 't bord schrijven, zóó de +griffel hanteeren, zóó je koesteren bij de kachel, zóó een glas water +savoureeren--je vond het een benijdbaar voorrecht, en thuis deed je met +welbewuste pogingen dit aanlokkelijk voorbeeld na. Je schoof zelfs een +afgedankte manchet van je grooten broer onder de mouw van je +jongenskiel, om te kijken, hoe dat stond, en of die manchet ook zoo te +voorschijn kwam, als je mouw optrok.... + +Mijn ouders armoede en het even vriendelijke als wijze voorstel van den +bovenmeester, deden mij kweekeling worden, maar Uw onbedoeld voorbeeld, +o Meester, was oorzaak, dat deze overgang mij onmiddellijk als een +groote verrukking tegen schitterde. Het was de plotseling wakker +wordende en glorende liefde van een meisje, wanneer »hij" haar gevraagd +heeft. Zoo'n leventje te hebben! Ook zonder manchetten was het al zalig, +de griffel, de pook, de kast, de kachel, het glas water, het vredig +wandelen om de klas--het werd alles mijn deel. En innerlijk juichend +holde ik dien morgen naar huis. + + * * * * * + +Vraag niet, of mijn moeder blij was. Zij zag ineens weer een nieuw +verschiet. Staande voor een muur van geldelijke verplichting, niet +wetend waarheen, loste die muur zich als door een toovermiddel op, de +harde massieve steenmassa vervluchtigde, en daar lag, vóór haar, een +open weg, ruim, zonnig, onafzienbaar. En nu was haar eerste werk, te +zorgen, dat de nieuwe kweekeling er, overeenkomstig zijn positie, netjes +uitzag, eer hij dien weg opwandelde. + +De kweekeling was ruim twaalf jaar. Dit nam niet weg, dat hij toch +aan 't onderwijzen toog. Flauw herinner ik me, dat ik tusschen kleine +kinderen doorscharrelde en ze lezen leerde. Bizonderheden staan me niet +meer voor den geest. Alleen weet ik de _plaats_, waar ik mijn eerste +kommando's uitdeelde. 't Was in het ver-afgelegen achtergedeelte van +de groote bovenschool. Zoo zijn ook allerlei andere herinneringen uit +mijn jeugd nauw verbonden aan _terreinen_, en daaruit waag ik het af +te leiden,--stoute sprong!--dat de landkaart een veel grooter rol +moet spelen bij ons geschiedenisonderwijs. 't Is mij net, of al de +herinneringen mijner jeugd, als stofjes door elkaar zouden dansen, +wanneer ik ze niet gehecht zag aan een stukje aardbodem. + +Het kweekeling-spelen bestond hoofdzakelijk uit kommandeeren en +verbieden. Dit schijnen de eerste uitspruitsels te zijn van meerderheid. +Je kunt dat bij alle kinderen zien. Wanneer ze schooltje spelen, of +moedertje, of soldaatje, zijn ze aanstonds zich aan 't oefenen in +vrijheidsbelemmeren. En je kunt dat ook bij jonge moeders en vaders +zien. Ook bij jonge onderwijzers en bij bovenmeesters. Beheerscht door +een geheime angst, dat het gezag hun ontglipt, niet vertrouwd met het +jonge leven, en er ook niet op vertrouwend, knellen ze het zoo gauw +en zoo vast mogelijk in banden. Dan blijven ze het meester, en kunnen +er mee jongleeren als met een ingespeld bakerkind. Zelfs de politiek, +en treuriger nog, de godsdienst vatten aldus hun opvoedingstaak aan. +Ze schrijven programma's voor, leggen systemen op, dwingen binnen +organisatie's, die evenwel meer lijken op dooie vlechtwerken dan +op levensuitgroeiingen, volgen het militairisme als hun model, en +zoeken eenvormigheid als hun ideaal. Organiseeren beteekent bij hen: +recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, regimenten-, bataillons-, +legermachten vormen. En opvoeden is: den baas spelen. + +Zoo begon ik als kweekeling. Menigeen brengt het nooit verder. Die +sterft als korporaal, als is het onder den naam van legerkommandant. +Hij blijft de man van bevel en dwang. Daarvoor heeft mij bewaard en +zal mij immer beschermen--ge zoudt het nooit raden, als ik 't niet +zei--de straatjongen. Doch niet de straatjongen buiten me, maar die +_in_ me. Hij, de vrijbuitende, zwerfgrage schavuit, hij leeft nog +in me. Hij, de altijd langs en over gevaarlijke kantjes gaande, de +vrijheidminner en vrijheidgunner, hij behoedt me voor gezaggerij. +Zoodra ik, verantwoordelijk, braaf, ernstig paedagoog, dreig te +ontaarden in versteening, komt hij te voorschijn, drijft den spot +met gewichtighedens, en zegt me met de brutaalste oprechtheid, dat +al die deftigheid maar larie is, dat ik er niets van meen, en dat alle +anderen in 't diepst van hun ziel er ook niets van meenen. En zoo zorgt +hij--meester-opvoeder--dat de paedagoog niet in baasspelerij ten onder +gaat. + +Wat een kweekeling later worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit +zijn eerste keus. Blijft hij met zijn oud-kameraden stoeien en ravotten, +ondanks zijn lange broek; of sluit hij zich voor goed bij den nasleep +van de volwassenen aan. In 't laatste geval wordt hij een gezagsman, +gevoelig voor strepen op de mouw en sterretjes op den kraag. In 't +eerste geval een vriend van de kinderen. In 't laatste geval wordt hij +een officieele paedagoog--in 't eerste geval blijft hij een jongen. + + * * * * * + +De theoretische opleiding, die ik gratis ontving, was heel eenvoudig. Ik +kocht bij Ten Brink en De Vries in de Hartenstraat voor vijf cent een +»Beknopt Overzicht van de Vaderlandsche Geschiedenis door A. A. Holst", +voor tien cent een »Kort Overzicht van de Algemeene Geschiedenis" van +denzelfden schrijver, voor nog eens vijf cent de beknopte »Bijbelsche +Geschiedenis" en zoo ook een beknopte Rekenkunde, Taalkunde, +Aardrijkskunde. 't Waren dunne boekjes van 32-48 bladzijden, in een +dun geel of anders gekleurd omslag--ieder overzicht had, meen ik, +zijn vaste kleur--en bestaande uit een reeks lesjes. + +Het eerste lesje ving steeds aan met een beschrijving en indeeling van +de wetenschap, waartoe het de deur opende: »Geschiedenis of historie +is het aaneengeschakeld verhaal der lotgevallen van een volk, met +inachtneming van tijden, plaatsen en personen. Men verdeelt de +geschiedenis in Algemeene, Vaderlandsche en Bijbelsche geschiedenis." + +Ik weet niet of dit citaat woordelijk getrouw is, maar 'k geloof het +wel. Ver van de waarheid zal het in ieder geval niet zijn. + +Dan volgde de opsomming der tijdvakken met de daarbij behoorende +jaartallen. De Algemeene Geschiedenis kreeg haar Oudheid, Middeleeuwen +en Nieuwe Geschiedenis, de Vaderlandsche haar vijf tijdperken. Zoo +begon de Aardrijkskunde na de onmisbare definitie met de opnoeming +der Werelddeelen. Vervolgens kreeg ieder tijdvak, ieder land zijn +afzonderlijke behandeling overeenkomstig een vast schema. + +Er is, gelijk men ziet, wel eenig onderscheid met de tegenwoordige +opleiding aan een kweekschool. Een der voordeelen was, dat de boekjes +goedkoop waren, zoodat men voor 50 cent, zijn heele bibliotheek van +leerboeken had aangeschaft. Een tweede voordeel, dat ze dun waren, +zoodat men ze zonder al te veel moeite kon doorkomen. Een derde, dat +ze de volledige wetenschap bevatten, zoodat men ineens alles wist. + +De studiemethode bestond hierin, dat men de lesjes woordelijk uit het +hoofd leerde en ze daarna opzei voor den lesmeester. »Men kende dan al +of niet zijn les." Daarmee was 't uit. Leeren was memoriseeren. Zijn les +opzeggen: een boek oplezen, zonder het boek. + +Tegenwoordig moet dat nog hier en daar in de mode zijn, zelfs op +gymnasia en hoogere burgerscholen. 't Verschil met vroeger zou dan +wezen, dat nu de boeken talrijker en dikker zijn, en daarmee in +overeenstemming de ellende ook veel grooter. In plaats van de heele +aardrijkskunde in misschien 48 bladzijden, krijgen de leerlingen nu +afzonderlijke boeken voor Nederland, Indië, Europa, de Werelddeelen, +met een of meer atlassen. En dan maar leeren. + +Ik denk er niet aan, mijn hoofdonderwijzer, die zelf een overgroot deel +onzer opleiding voor zijn rekening nam, hard te vallen over het karakter +dier opleiding. Eer bewonder ik het, dat hij 's avonds op de avondschool +nog tijd kon vinden, om onze lessen te overhooren. Maar ik moet wel +erkennen, dat ik voor mijn geestelijke ontwikkeling, zoo goed als niets +aan dat lessengeleer te danken heb gehad. En ik acht het dringend +noodig, dat heel luid uit te spreken, omdat je tegenwoordig waarlijk nog +menschen hebt en zelfs weer krijgt, die dat memoriseeren aanbevelen, +ook op wetenschappelijke gronden. Ik heb een opleiding gehad bijna +uitsluitend van geheugenvulling en ik acht het verloren tijd en +misbruikte energie, goed voor idioten, omdat die stakkerds niet beter +kunnen. + +Wij moeten elkaar echter goed begrijpen. Ik ben er niet tegen, dat men +zijn kennis vastlegt en zorgt ze te onderhouden. We studeeren waarlijk +niet, om weer te vergeten. Er is ook geen bezwaar tegen, enkele feiten, +of rijtjes woorden of getallen, er machinaal in te stampen. Maar dit is +iets anders, dan de geheele opleiding in dien toon te zetten. Hóófdzaak +bij iedere geestelijke ontwikkeling is: _belangstelling wekken_. En met +de memoriseer-cultuur wordt de belangstelling vermoord. Bij mij althans +heeft het lang geduurd, eer--dank zij het lessenleeren--ik me voor den +_inhoud_ dier lessen ging interesseeren. En toen ik daarmee begon, zaten +me nog die lessen in den weg. + +Er zal later nog gelegenheid te over zijn, op dit onderwerp terug te +komen, wanneer ik ook over mijn jongelingsjaren zal mogen verhalen. Dan +hoop ik, mede ter leering van hen die naar het oude terug willen, het +zij al dan niet onder wetenschappelijke, of would be wetenschappelijke +vlag, eens heel precies te vertellen, wat lijdens- en verstompingskuur +men ons deed doormaken. Nu, met die boekjes-van-Holst-ontwikkeling, zijn +we nog pas aan 't begin van de ellende, en daar ik spoedig deze school +en daarmee deze opleiding verliet, is het nu niet het juiste moment, die +verderfelijke cultuur met haar heidensche woordenkramerij in al haar +onvruchtbaarheid en bedriegelijken schijn ten toon te stellen. Dat komt +later, als God mij het leven en de krachten gunt. Alleen moest ik nu, +heel even, maar heel ernstig, waarschuwen voor een neiging tot terugkeer +naar het verkeerde van vroeger. Nieuwe dwaasheden rechtvaardigen geen +oude. + +En nu ik aan die verplichting heb voldaan, volgen de laatste +herinneringen aan deze school en aan mijn kinderjaren. + + * * * * * + +Ik mag tot mijn geluk zeggen, dat ik als twaalfjarig onderwijzer een +vriendje bleef van mijn oude schoolmakkers en geen collega werd van +de heeren. Met de jongens ging ik trouwer om dan met de verschillende +overzichten van Holst, en boven het leeren koos ik het spelen. Dat +waren voor mijn toekomst geen ongunstige teekenen. Een kind van 12 +jaar, dat graag zijn lessen leert, is geen echt kind en wordt dus ook +nooit een echt man. Ik wilde wel, dat de ouders in dit opzicht wat meer +vertrouwen hadden in hun leerafkeerige kinderen. Het is toch ook een +goed verschijnsel, als de kindermond geen smaak heeft in notedoppen en +oesterschelpen en de maag die onverteerd afvoert of teruggeeft. Hoe +zuiverder een kind _kind_ is, hoe meer zijn geest zich verzetten zal +tegen een zoogenoemd geestelijk voedsel, dat niets anders is dan +geestelijke cellulose. En kinderen die zulk een krachtige kindernatuur +bezitten, dat ze, niet brutaal onwillig, maar instinctief onverwinbaar, +zich verzetten tegen de verkrachting dier natuur, beloven veel voor +de toekomst. Dat zijn de gezonden, die eenmaal, als de tijd daar is, +ook krachtige mannen en vrouwen zullen zijn. In dit opzicht heeft de +wetenschappelijke paedologie schoon gelijk, waar ze beweert dat elke +leeftijd zijn speciale belangstellingen en belangen heeft, en wordt +de wetenschappelijkheid van onze grootmoeders recht gedaan, die al +verklaarden: Mettertijd komt Harmen in 't wammes en Krelis in de broek. +Met-ter-tijd. Een speelgraag kind heeft groote kans een leer- en +werkgraag man te worden. Vroege catechismus--late vroomheid. + +Wie niet onbekend is met de boekjes van Tuttie[1], herinnert zich +wellicht, dat daarin een verhaal voorkomt: _De meter van den meester._ +Dit verhaal is in hoofdzaak waar gebeurd. Het dateert uit deze periode. + +[1] De vier deeltjes van _Blond en Bruin_, 2e serie »De Wereld in!" + +Aan de overzijde van de Bloemgracht, maar een eind verder, was een +Stadsarmenschool. Daar gingen de »schooiers", met wie we vaak oorlog +voerden. Er waren geen deftiger scholen in de buurt, die in haar +meerdere voornaamheid, een voldoende casus belli konden schenken, dus +moest de »klompenschool" ons maar het krijgsgenot bezorgen. Klompen en +een stadsschool, het waren inderdaad redenen genoeg, daar behoefde maar +een geringe aanleiding bij te komen, om het oorlogsvuur te doen +ontbranden. + +We waren weer eens aan 't vechten, en ik was al kweekeling. Inplaats +van mijn positie hoog, en mijn fatsoen òp te houden, maakte ik van de +vrijheden, mij als kweekeling toegekend, misbruik. Ik mocht vroeger in +school--of móést vroeger in school, om voor een en ander te zorgen--en +haalde de jongens naar binnen, nu wel niet in 't gebouw, maar toch in de +lange overbouwde gang, die van de Bloemgracht naar 't gebouw leidde en +die onder gewone omstandigheden was afgesloten door een zware deur. + +'t Was nog vóór schooltijd, misschien acht uur, maar overal zwierven +al troepen jongens van beide partijen. De onzen verzamelden zich om +de schoolpoort, de vijanden een eind verder op de gracht. De laatsten +hadden blijkbaar een aanval in den zin en rukten hiertoe langzaam, maar +zeker, naar onze vesting op. + +Wonderlijk. Geen van de twee partijen wou vechten, en toch wilden ze het +allebei. Niemand zocht de aanraking, en toch zochten we die wederzijds. +Ieder hoedde zich voor de verantwoordelijkheid van den eersten klap, en +toch liet hij zich prikkelen en verleiden tot die verantwoordelijkheid. +Ik weet dit heel, héél goed, en begreep daardoor later zoo gauw het +wederzijds prikkelen en beschuldigen der vlootvoogden, als ik in mijn +geschiedenisboeken las, hoe deze niet het eerste schot willen lossen, +en er toch van verlangen naar brandden. Waarlijk, er is niet zulk een +reuzenverschil tusschen de veertien- en de veertigjarige jongens. Ze +zijn van één geslacht. + +Er hoopte zich een soort van gemoedselectriciteit op, bij den +eenen hoop positieve en bij den anderen negatieve, daardoor ontstond +er een geweldige spanning en moest er een ontlading volgen. Zonder +deze waren we gebarsten. Het moest bliksemen en donderen, anders kon +er onmogelijk een neutrale atmosfeer terugkeeren. Dat vechten was een +natuurverschijnsel in de physisch-ethische wereld. Belangen waren er +niet mee gemoeid, absoluut niet. Grieven bestonden er alleen in de +verbeelding en de overlevering. 't Was om de ontlading te doen, en +nergens anders om. We werden onder onbekende invloeden electrisch en +máákten ons grieven, die voor het verstand als motieven konden gelden. + +Zou het ook mogelijk kunnen zijn, dat de oorlogen tusschen de volkeren +alleen om belangen _heeten_ te gaan, en dat de belangen slechts worden +opgeworpen, omdat er oorlogskrachten in de lucht werken? Is het een +reusachtige zelfverblinding van geheele natiën en spelen geheime, +geweldige natuurmachten hun spel met de kinderen der menschen? + +'t Is slechts een vraag. + +Hoe 't zij, wij werden gedrongen tot vechten. Daartoe naderde de vijand +meer en meer, ieder oogenblik aangroeiend met nieuwe mannen; daartoe +trokken wij, ook voortdurend versterkt, ons terug in de gang. + +Eindelijk was het zoover, dat we de dikke deur moesten sluiten en +grendelen, en daar brak onmiddellijk de opgehoopte electriciteit los +in trappen, steenworpen en schreeuwen. De vijand waagde er de hakken +van zijn schoenen en de klinkers uit de straat aan, al wist hij heel +goed, dat daarvoor de deur niet bezwijken zou. Zulk een succes zou hij +waarschijnlijk ook niet begeerd hebben, want wat zou hem de toegang +hebben gebaat tot een gang, die hij toch niet zou durven binnendringen? +Daar in die donkere engte, in dat diepe hol, zou hij zich nooit wagen, +maar niettemin moest hij de deur bombardeeren, louter om den woesten +wellust van het bombardement, de zaligheid der uitbarsting! Geen berg +kan met heeter drift zijn gloeiende steenen uitspuwen, als dit jeugdig +menschdom zijn woede! + +Wij, in de donkere gang, beefden van gekrenktheid, haat, strijdlust. +Soms stonden we doodstil, luisterend naar het tieren der wilde bende, +dan weer dwaalden we onrustig rond, zinnend op wraak. Zeker, we waren +veilig, maar veiligheid is voor een edel krijgsmanshart niet genoeg. +»Kom er uit, als je durft!" jouwden ze daar buiten. En die tergende +uitdagingen joegen ons het bloed naar de wangen. Veiligheid is mooi +voor vrouwen en kinderen maar wij dorstten naar de triomf! Triomfeeren +moesten we op dien tierenden troep! Nooit zouden we den smaad kunnen +dragen, dat we uit lafheid ons hadden schuil gehouden! Liever het leven +gewaagd, dan veilig in de vernedering! Liever met eere te sneven, dan in +schande te leven! + +We zochten een middel om de verloren positie te herwinnen, en beraamden +een uitval. Plotseling zouden we de deur openen, schreeuwend naar buiten +rennen en onvervaard op den vijand losstormen. Maar dan moesten we +een wapen hebben, een flinken stok, om er op in te houwen. Nu wist +ik raad, ik, de kweekeling. Ik ging naar binnen, haalde een meter, een +vierkanten, die bij 't onderwijs dienst moest doen, en hield dien als +een slagzwaard in de vuist. + +Nog steeds beukte de vijand op de onbeweegbare deur. Hadden ze een mast +bezeten, ongetwijfeld hadden ze de Watergeuzen nagevolgd en de poort +van Den Briel gerammeid. We stonden, saamgedrongen, vlak bij de deur. +Voorzichtig schoof ik den grendel weg, bang dat men het buiten hooren +mocht. Toen trok ik het slot terug en draaide met een ruk de deur wijd +open. + +De vijand schrok. Hij deinsde. Van dat oogenblik maakten we gebruik. +Zwaaiend met den meter rende ik er op in, aanstonds gevolgd door de +heele bezetting. Schreeuwend en gillend waagden we ons midden in de +massa: een handjevol dapperen tegen de overmacht. En we zouden ze wel +verjaagd hebben, vooral omdat daarginds bijstand voor ons opdaagde en de +vijand dan tusschen twee vuren zat, als maar niet een noodlottig ongeval +ons met één slag beroofd had van ons wapen, ons élan en onze +waardigheid. + +Ik sloeg met blinde woede in 't rond en raakte zoo niet een vijand, maar +de houten paal van een hek. Door dien slag brak de meter in tweeën, het +eene eind hield ik in de hand, en het andere vloog de lucht in. + +Een ontzettend gejouw ging onder de vijanden op, een van hen wist +spoedig het weggevlogen stuk te bemachtigen, en nu renden ze weer op ons +toe. + +Grooter ongeluk had ons niet kunnen treffen. Verlamd van schrik trokken +we ons snel terug en hadden nog juist tijd de deur te sluiten. Toen +stonden we daar, vernederd, machteloos, in de donkere gang, zonder +eenige hoop op herwinning van het terrein, en met het overblijfsel +van den meter in de hand. 't Was bitter treurig. + +Eerst toen de onderwijzers kwamen, trok de vijand langzamerhand af. + +Het stuk meter legde ik op de plaats, waar ik den heelen vandaan had +gehaald. Maar daarmee was de zaak natuurlijk niet afgeloopen. In den +loop van den morgen werd ik in 't kamertje geroepen, moest daar alles +opbiechten, en meneer de kweekeling kreeg, behalve een duchtig standje, +den last voor een nieuwen meter te zorgen, met welken last hij--waar +moest hij er anders mee heen?--zijn lieve moeder bezwaarde. + +Gelukkig verdiende ik geld. Toen ik na beëindiging van het eerste +kwartaal twee rijksdaalders kreeg--ik weet nog, dat ik ze ontving--holde +ik naar huis en was zalig, dat ik mijn lieve moeder ook met dien last +bezwaren mocht. + + * * * * * + +En nu komt er tot slot iets veel ergers dan het breken van den meter. + +Een vriend van ons huis was gymnastiek-onderwijzer aan een stadsschool. +Hij vertelde dat het »aan de stad" zooveel beter was dan op een +bizondere school en spoorde mijn ouders aan, mij op een stadsschool te +doen; dan verdiende ik meer, ontving beter opleiding, en had mooier +toekomst. + +Hij deed dat met de beste bedoelingen. Mijn ouders gaven gevolg aan zijn +raad en ik kwam op een stadsschool. Zij meenden ook er goed aan te doen. +En toch.... altijd is mij een gevoel bijgebleven, dat we ondankbaar +hebben gehandeld tegenover de school op de Bloemgracht. De meester had +ons het achterstallige schoolgeld kwijtgescholden, mij tot kweekeling +gepromoveerd voor de klas, en aan 't geldverdienen gezet, en nu werd die +vriendelijkheid aldus beantwoord. + +Mijn heele leven, telkens als ik daaraan dacht, voelde ik dit als +trouwbreuk, en ook nu nog, terwijl ik het feit vertel, schaam ik mij. +Dat had de meester niet verdiend. + +Het breken van den meter heeft me nooit gehinderd, wel het breken met de +school. En toch heette het eerste een verregaand brutale daad en was het +laatste in ieders oog niet slechts geoorloofd, maar zelfs heel +verstandig. Men mag zijn belang toch wel behartigen? + +Ik kon mijn ouders niet hard vallen over hun handelwijze. Zij worstelden +zoo om het hoofd boven water te houden, dat iedere jaarwedde-verhooging +hun reeds welkom was. En dan de toekomst van hun jongen! Maar voor +mijzelf heb ik steeds het gevoel gehad, dat ik iets tegenover die school +had goed te maken. + +Wat is dat voor een gevoel? Vanwaar komt het? En waarom hindert het een +mensch? + +Zoo is het einde mijner jeugdherinneringen een zelfverwijt.... + +Maar dit mag mijn laatste woord niet wezen, gelijk ik hoop, dat het ook +ons laatste levenswoord niet zij. + + + + +SCHOONSTE VRUCHT. + + + _Aan mijn ouders._ + + Mijn laatste woord, een woord van dankende herdenken + Voor Ouderzorg zoo teer en trouw, in leed zoo groot. + Een jeugd van armoe, ziekte en worstlen--zaalge nood!-- + Zij kon mij in Uw min slechts rijker zegen schenken. + + Ik ben niet jong meer. Langzaam nadert reeds de Dood. + Ik zie zijn vinger al van verre vriendlijk wenken. + Mijn kindren trouwen--straks speelt er aan Grootvaêrs schoot + Een kleinkind--ai, wat dát een achtbaarheid zal schenken! + + En toch, ik voel me nog Uw kind, Uw dankbaar kind, + Gezegende Ouders, eens met heel mijn hart bemind, + En trots Uw sterven immer om en met mij levend. + + Uw kind, al grijst mijn haar en trilt mijn hand. + Dat is Uw werk: Gij hebt die liefde in 't hart geplant, + Thans rijpste, schoonste vrucht in dankbre liefde gevend. + + + + +_Naar 't oud te-huis._ + + + Aan mijn broeder en zuster. + + _Ons oud te-huis, 't lag overgroeit van dicht gebladert, + Verborgen in het bosch van 't stil verleden. + Toen zijn wij samen eerbiedvol genaderd, + En zijn heel zacht zijn kamers ingetreden._ + + _'t Was alles nog als vroeger.... Maar wat deden + Die vele vreemden, daar met ons vergaderd? + Waartoe had ik hen op bezoek gebeden, + 't Intieme plekje met nieuwsgierigheid dooraderd?_ + + _»Komt allen binnen!" noodde een vriendelijke mond, + »De kinderen en ook zij die niet mijn kindren heeten." + Dat was wel Moeders toon en Moeders geest._ + + _Zij leefde nog. Eén woord--'k herkende haar terstond, + Zij die van onderscheid nooit kon of wilde weten, + Voor vreemd en eigen bei, steeds Moeder is geweest._ + + + + +NASCHRIFT BIJ DEN TWEEDEN DRUK. + + +»In mijn jeugd heb ik veel hooren spreken over Oom Kuyper, die toen +reeds overleden was, maar wiens nagedachtenis in onze familie in hoog +aanzien werd gehouden als van een oprecht christen. Hij was hoofd van +een school op de Lindegracht. Zijn weduwe, de jongste zuster van mijn +vader, overleed in 1895 te Utrecht. + +Naar alle waarschijnlijkheid zijn dat de personen over wie u schrijft +op pag. 20, 55 en 56. Zelfs het hondje komt uit. Ik herinner mij, dat +mijn moeder met afkeer sprak over »Jenny" van tante Lena, die zoo +afschuwelijk kefte. + +Ik ben in het bezit van een portret van beiden, en gerekend naar de +vriendelijke wijze waarop u over hen schrijft, vermoed ik dat u er +prijs op zult stellen die portretten eens te zien." + + * * * + +Dezen brief ontving ik 23 Januari 1914. + +De portretten waren bij den brief ingesloten en ik mocht ze een +maand lang behouden. Ze hebben die maand, dag aan dag bij me gestaan. +Herhaaldelijk heb ik ze met liefde en groote aandacht beschouwd, mij +daarbij geheel verliezend in het verleden. Maar ofschoon het portret, +met die zachte, vriendelijke oogen en gelaatstrekken, zeker sprekende +gelijkenis toonde, ik herinnerde mij geen enkele uiterlijkheid, en +herkende mijn meester niet. Wel begreep ik, dat de uitdrukking van +zijn gelaat zoo had moeten zijn, maar verder kon ik het niet brengen. + +Dit is een ervaring, waarmee de opvoeding haar voordeel kan doen. Als +kind van 7, 8, 9, 10 jaar heb ik dien meester dagelijks gezien en mijn +geest heeft geen duurzaam beeld van zijn uiterlijk opgenomen. Ik heb +echter met hem verkeerd en mijn gemoed heeft een zeer juist beeld van +zijn innerlijk gevormd en bewaard. Immers: Ik voelde in hem een waar +christen, en thans, jaren later, komt een neef mij bevestigen, dat die +indruk volkomen zuiver was. + +_Kinderen voelen ons innerlijk._ + +Ziedaar de waarheid, die uit dit feit tot ons spreekt. En daarom: +bedrieg u niet. Speel geen komedie met de jeugd, verwacht niet dat de +kinderen uw innerlijke gezindheid niet zullen opmerken, omdat ze maar +kinderen zijn. Zij photografeeren in de camera obscura van hun hart uw +gemoed veel helderder en nauwkeuriger, dan hun oog uw uiterlijk ziet, en +in dat hart bewaren ze het voornaamste deel van uw persoonlijkheid, niet +het steeds veranderend uiterlijk, maar het zichzelf gelijk blijvend +innerlijk. + + * * * + +Treffend wordt deze opmerking bevestigd door een tweeden brief, dien ik +21.2.1914 ontving: + +»Toen onze nieuwe pastorie hier werd gebouwd, moesten we 'n tijd in +pension te D. en woonden toen naast 'n emeritus-predikant Beekman. Deze +vertelde mij in dien tijd van z'n jeugd en ziedaar, nu had u van zijn +vader, den koekbakker, nog onderwijs gehad. Toen ik uw boek had gelezen, +heb ik hem dadelijk geschreven, dat hij het portret van zijn vader moest +koopen. En 'n paar weken geleden, er een bezoek makende, vertelde mij +z'n dochter, ook zich haar grootvader nog zeer goed te herinneren en +diens liefde voor kinderen." + +Die liefde voor kinderen had ik dus als kind weer zuiver gevoeld. + +Nog vele en zeer hartelijke brieven hebben mijn »Jeugdherinneringen" +me bezorgd, van oude vrienden en buurmeisjes, die alles bijna geheel +onderschreven, en van vreemden, die in mijn verleden, hun eigen verleden +herleefd zagen. Hoe velen hebben mij verteld, dat hun vader dezelfde +zwakheden en beminnelijkheden had als de mijne! + +Een der brieven maakte melding van een bizonder opmerkelijke +overeenkomst. »Zelfs", heette het, »heb ik hetzelfde kindergebedje +'s avonds opgezegd, en de regel, dien u vergeten hebt, luidde: Ach, +vergeef mij al mijn zonden!" + +Inderdaad, zoo was het, en het is schandelijk, dat juist die regel me +ontschoten was, waar ik zoo dringend noodig had, om die vergeving van +»al mijn zonden" dagelijks te bidden. + +Gelukkig, dat de verlorene me teruggebracht is, want zulke regels kan +een mensch eigenlijk nooit missen. + + Mei 1914. + + +BIJ DEN DERDEN DRUK. + +En nu ontving ik sedert weer vele vriendelijke uitingen van +belangstelling. Een dezer wil ik, en mag ik, hier opnemen. + +Mej. J. M. van Schelven schreef me 30 Augustus 1914 uit Amsterdam o. a.: +»Eén passage trof mij vooral. 't Was daar, waar U het hadt over een +zekeren Mijnheer Sanders, die op de Heeren- of Keizersgracht woonde en +die Uw Moeder enkele malen heeft mogen bijstaan. Die Mijnheer Sanders +was mijn Grootvader. Hij woonde Heerengracht 568. Moeder vertelt ons +vaak, dat Grootvader zoo bizonder milddadig was. Zoo weet Moeder zich +nog te herinneren, dat elken Maandagochtend de gang van het benedenhuis +vol menschen stond, die door hem geholpen werden. Ook was hij van een +zeer melancholieke, zwaarmoedige natuur. Dit klopt alles merkwaardig met +wat U over hem schrijft." + +Bij lezing van dit briefje, was ik dubbel blij, dat ik den naam van +den Heer S. genoemd had: niet alleen omdat mijn herinneringen nu een +nieuwe bevestiging ontvingen, maar bovenal omdat ik nu een woord van +erkentelijke liefde heb kunnen wijden aan de nagedachtenis van een braaf +man, onverplichte en daarom te meer ongeveinsde hulde. + +Mej. van Schelven merkt nog op: »Ik denk, dat Moeder het ook wel aardig +zal vinden, dat iemand zoo over haar Vader schrijft." + +Terecht. Hoe heerlijk, als onze Ouders aldus nog na hun verscheiden +gezegend worden. We zouden ons bijna inspannen.... onzen kinderen ook +dat geluk te verzekeren. + + Nov. 1914. Jan L. + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + De bewaarschool 1 + De eerste lagere school 19 + Tusschen school en huis 42 + In huis 59 + In huis (_vervolg_) 78 + Nog in huis 95 + Straatjongen 118 + Nog straatjongen 133 + Nóg straatjongen 149 + Kinderkerk en zondagsschool 166 + Verandering 182 + De tweede lagere school 198 + Goede school 214 + Jordaanpaedagogiek 228 + In 't nieuwe huis 240 + Van een vloek een zegen 251 + In een nette buurt 266 + Moeder vertelt 282 + Ik word kweekeling 301 + Schoonste vrucht 320 + Naar 't oud te-huis 321 + Naschrift bij den tweeden druk 322 + + + + + +------------------------------------------------------+ + | | + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: twee dochters Juffrouw Fietje, | + | C: twee dochters, Juffrouw Fietje, | + | B: »Geef eerst je pet hier.' ' | + | C: »Geef eerst je pet hier." | + | B: dan »de Schoolstrijd--spreken | + | C: dan »de" Schoolstrijd--spreken | + | B: »op-en neer donderen" | + | C: »op- en neer donderen" | + | B: vast uur, hoor hij dat | + | C: vast uur, hoort hij dat | + | B: Vondel zou zeggen: Sluit voor | + | C: Vondel zou zeggen: »Sluit voor | + | B: Vader sloeg uit drift Je | + | C: Vader sloeg uit drift. Je | + | B: aardappels 's middag's van den schotel | + | C: aardappels 's middags van den schotel | + | B: de echte paedegoog. »Zoo stijf | + | C: de echte paedagoog. »Zoo stijf | + | B: ons bij 't vertrek? Dank u wel, | + | C: ons bij 't vertrek. »Dank u wel, | + | B: een doodziek kind, een sterzende zieke | + | C: een doodziek kind, een stervende zieke | + | B: vaste plaatsje, in de Eglantierstraat, | + | C: vaste plaatsje, in de Eglantiersstraat, | + | B: onze nagalmen het schermerduister in. | + | C: onze nagalmen het schemerduister in. | + | B: Bij juffrouw Gotman van de eerste | + | C: Bij juffrouw Gottman van de eerste | + | B: niet meer. Die »verzamelingen» kwamen na en | + | C: niet meer. Die »verzamelingen" kwamen na en | + | B: dat--door ,t _werken_--in | + | C: dat--door 't _werken_--in | + | B: school, dan dit ik het hier | + | C: school, dan dat ik het hier | + | B: Ton nom soit sanctifiè. | + | C: Ton nom soit sanctifié. | + | B: dat deze overgang mij onmiddelijk als een | + | C: dat deze overgang mij onmiddellijk als een | + | B: recruteeren, reglementeeren disciplineeren, | + | C: recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, | + | B: worden zal, kun je onmiddelijk afleiden uit | + | C: worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit | + | B: nog die lesseen in den weg | + | C: nog die lessen in den weg | + | | + +------------------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Jeugdherinneringen, by Jan Ligthart + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN *** + +***** This file should be named 31107-8.txt or 31107-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/1/1/0/31107/ + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/31107-8.zip b/old/31107-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5b761e0 --- /dev/null +++ b/old/31107-8.zip |
