summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old')
-rw-r--r--old/30751-8.txt17954
-rw-r--r--old/30751-8.zipbin0 -> 355784 bytes
2 files changed, 17954 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/30751-8.txt b/old/30751-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..ae1eed9
--- /dev/null
+++ b/old/30751-8.txt
@@ -0,0 +1,17954 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse
+(Deel 2 / 2), by Multatuli
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Geschiedenis van Woutertje Pieterse (Deel 2 / 2)
+ Uit de 'ideen' verzameld
+
+Author: Multatuli
+
+Editor: J. van den Berg van Eysinga-Elias
+
+Release Date: December 24, 2009 [EBook #30751]
+[Last updated: June 29, 2012]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Multatuli
+
+ De Geschiedenis van Woutertje Pieterse
+
+ Opnieuw verzameld uit de "Ideen"
+
+ Door
+
+ Dr. J. van den Bergh van Eysinga-Elias
+
+
+ Tweede Deel
+
+
+
+ Amsterdam--Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"--1921
+
+
+
+
+
+
+
+
+ N.V. Electr. Drukkerij "Volharding" Ceintuurbaan 250 Amsterdam
+
+
+
+
+
+
+
+ Voornaam bezoek. Koningen en oliekoeken. De gesprekken van de
+ "massa." Catapultische inspatting van de "massa." Où peut-on être
+ mieux? Zweven en vallen. Helaas! De auteur is beschaamd over z'n
+ held, en bevreesd dat dit wel 'ns meer zal gebeuren.
+
+
+Gedurende den loop der week die Wouters tweede plaatsing "in den
+handel" vooraf ging, werd-i door 'n drie- viertal ontmoetingen zoo
+vreemd heen-en-weer geslingerd, dat-i zich byna suf voelde, en veel
+moeite had om z'n hoofdje heel te houden.
+
+En z'n hart ook!
+
+'t Was donderdag. Stoffel kwam thuis met 'n belangryk bericht. De
+Koning--ik weet weer niet welke koning--was onverwachts in stad
+gekomen, en zou den volgenden avend of 'n dag later den Schouwburg
+bezoeken. Alles was in rep en roer, want in republikeinsche landen
+hecht men veel waarde aan titels, pronk en geboorte.
+
+Meer nog dan naar gewoonte was de nieuwsgierigheid des Volks
+ditmaal gespannen, omdat veel buitenlandsche vorsten--waaronder
+zelfs 'n Keizer--Z.M. waren komen bezoeken. En van uit z'n
+residentie--Utrecht? 's-Gravenhage? Haarlem?--zouden die aanzienlyke
+vreemdelingen 't Hof naar Amsterdam volgen. 't Was dus deze keer
+'n praal mit Umstände, met 'n sleep.
+
+Het republikeinsche Volk zou niet alleen 't aangezicht te zien
+krygen--of 'n slip van den rok--des tirans, maar tevens aangezichten
+en rokspanden van veel andere tirannen, om nu niet te spreken van
+tiranninnen.
+
+De vrouwtjes die gewoon waren oliekoeken te verkoopen op den dam--'n
+pleintje dat de stedelyke regeering zich veroorloofde te verhuren
+als markt--dreigden de stad met 'n proces.
+
+'t Was dan ook zeer hard, dag-in dag-uit huurgeld voor plaatsen
+open-luchtgebruik te betalen voor de kans om 'n paar oliekoeken te
+slyten aan de straatjeugd, en nu op-eens verjaagd te worden omdat
+Z. M. zich aan "het Volk" zou vertoonen op 't balkon van het gewezen
+stadhuis.
+
+Mocht hy die vrouwtjes niet zien? Moest de oliekoek-industrie 'n
+geheim blyven? Vreesde men voor namaak, voor onvorstelyke konkurrentie?
+
+Of mochten die olievrouwtjes en haar koeken den Koning niet zien? Was
+ook hy misschien bevreesd voor onedel nabaksel van z'n majesteit? Dit
+zouden noch de vrouwtjes noch de oliebollen gedaan hebben.
+
+Hoe dit zy, de kraampjes werden weggeruimd, en de verjaagde
+industrieelen behielden alleen het recht zich privatim onder de
+menigte te dringen, die straks roepen zou: "leve... dit of dat!" naar
+den eisch van 't oogenblik. Ze mochten meeschreeuwen ook.
+
+'t Is eigenlyk heel vreemd dat vorsten sterven. Al die vivat's schynen
+niets uittewerken.
+
+De drukte in de stad was ditmaal ongewoon groot, door en om al de
+vreemde Hoog- en Doorluchtigheden die den tiran by deze gelegenheid
+vergezelden.
+
+Daar was--naar men uit de couranten vernam--de prins van Caramanie,
+die aanspraak had op de byzondere sympathie des Volks, wyl men
+had uitgerekend dat een van z'n voorouders kapitein was geweest
+in Staatschen dienst, en dus... z'n bloed had vergoten voor de
+Nederlandsche vryheid.
+
+Dit bloed--en misschien ook de vryheid--was 'n krantenverzinsel. Maar
+dat onze prins 'n groenen rok droeg met dikke gouden nestels, was
+waar. En op z'n hoofd had-i 'n byzonder grooten steek. Men kon dus
+by de eerste gelegenheid zeer gevoegelyk roepen:
+
+Leve de prins van Caramanie!
+
+Onder de hooggeboren persoonlykheden bevond zich ook zekere Hertog
+die uit z'n land was gejaagd wegens z'n deugden. De man was spaarzaam
+en huishoudelyk. Nooit had-i zichzelf te-kort gedaan. Toch was-i door
+'t dom gepeupel onttroond, en met 'n schepel diamanten over de grenzen
+gezet. Van deze diamanten zoud-i nu in Amsterdam 'n paar dozyn laten
+zien, en wel in hoedanigheid van roksknoopen en rottingknoppen. De
+couranten vermaanden dus 't Volk tot den allerwelstgemeenden roep:
+
+Leve de Hertog met z'n diamanten!
+
+Prinses Erika was 'n nicht van den Koning, en bestemd voor den
+troonopvolger van 'n groot Ryk dat te Zaandam timmeren geleerd, en dus
+aan Nederland z'n carriere te danken had. Dat Ryk zou de Nederlandsche
+staatsschuld betalen--zoo verzekerden eenstemmig de kranten--als men
+nu maar braaf schreeuwde:
+
+Leve prinses Erika!
+
+De oude Paltsgravin van Aetolie stamde rechtstreeks af van zekeren
+ridder die z'n stalknechts liet bedienen door Lusignans. De couranten
+betoogden dat het den waren republikein paste, in dit byzonder geval
+bewys te geven van heraldische ontwikkeling, door met byzonderen
+nadruk aantedringen op de levensverlenging van die hoogheid. Men
+moest dus roepen:
+
+Leve de Paltsgravin van Aetolie!
+
+De Groothertog van Ysland was de welgeslaagde kleinzoon
+van 'n kroeghouder. Z'n verdiensten waren drie krantkolommen
+lang... brevier-letter, en nauw gezet. 't Volk moest dus even nauwgezet
+wezen in 't waardeeren. De man was meester op kling en bâton, en kon
+zelfs--met 'n beetje inspanning, nu ja--hy kon z'n naam zetten. Langs
+'n oceaan van afgronden--zoo zei de krant--had-i zich vervolmaakt
+tot zwager van 'n halfgod. Ook was-i gewoon zich te kleeden als 'n
+koorddanser. Wie dus 't belang des Vaderlands op 't onbesmet harte
+droeg--zoo zei de krant--kon niet laten uit zeer onbeklemde borst
+meeteschreeuwen:
+
+Leve de Groothertog van Ysland!
+
+Er waren nog meer potentaten en potentaatgenooten die Amsterdam
+vereerden met 'n bezoek. Ze hadden gehoord dat die stad eigenlyk:
+"la Venise du Nord" heette, en... interessant was, zeer interessant!
+
+En de hollandsche haring! Delicieus! Maar... de Hollanders weten er
+niet mee omtegaan: ze moet gebakken zyn.
+
+En de hollandsche schilderschool! "Rambrànn... magnifique!"
+
+Er waren nog meer dingen in Holland byzonder goed, gelyk met
+neerbuigende vriendelykheid door al die hoogheden werd erkend.
+
+--Il paraît qu'un certain Wondèle a écrit des choses, des
+choses... mais des choses... passablement bien!
+
+En de dyken! De Katwyksche sluis...
+
+Lezer, géén kronologie, wat ik u bidden mag!
+
+...die sluis: gigantesque! De hollandsche natie houdt zich in
+de snipperuren die 'r overblyven na 't haringkaken en kaasmaken,
+by-voorkeur bezig met het breidelen van elementen. Dit was met
+schaatsryden en harddraven 't meest geliefd--geliefkoosd, zeiden
+de kranten--volksvermaak.
+
+Nu reeds kan ik den lezer verzekeren dat het voorname gezelschap met
+minzame tevredenheid ons land weder verlaten heeft.
+
+De eenige persoon die 'n gansch anderen--doch daarom geenszins
+tegenovergestelden--indruk meenam... neen, zóó ver mag ik m'n Wouter
+niet vooruitspringen. Ook 'n schryver heeft z'n plichten.
+
+
+
+Den eersten avend zou er geïllumineerd worden. Tweehonderd
+vyftig duizend vetvlammen zouden de geestdrift van het Volk
+verkondigen. Geestdrift, voor wàt eigenlyk? Tweehonderd vyftig duizend
+vurige tongen zouden roepen: hosiannah! Gezegend wie komt in den
+naam... in den naam van wàt eigenlyk? Hosiannah voor wien, voor wàt?
+
+Nu, dit is 'n Volk onverschillig. Er was praal, pracht en pronk. Er
+was drukte. 't Volk heeft iets van kinderen die zich verheugen in
+'n verhuisboel, in 'n sterfgeval, in 'n brand, in alles wat hurry en
+bereddering veroorzaakt.
+
+Wouter had verlof bekomen de illuminatie te gaan zien. Hy getroostte
+zich het domme gezicht te zetten, dat by zulke gelegenheden gebruikelyk
+is, en hoorde de praatjes van de menschen die hem omstuwden, zonder
+acht te slaan op de leegte van die praatjes.
+
+--Nou, dat 's me 'n ook 'n ulleminatie! Negen pitjes voor zoo'n
+groot huis!
+
+--Twaalf! riep 'n ander.
+
+--Né, negen!
+
+--Twaalf!
+
+--Negen!
+
+--Drie... drie... drie, en... kyk dáár: drie! Dat's twaalf, of ik heb
+'t mis!
+
+--Né, die drie hooren er niet by. Dat's van de verdieping, weetje? Want
+de verdieping is verhuurd. Dat wéét ik.
+
+--O, als je zóó meent! Ik wil maar zeggen dat viermaal drie, twaalf
+is. Wat zeg jij, Hannes?
+
+Hannes vond het ook. Enz.
+
+--Tot hoe lang zouden die pitjes branden?
+
+--Wel tot... één uur.
+
+--Dat geloof ik niet.
+
+--Ik wel!
+
+--Ik niet! Enz.
+
+--Heb je-n-al gekeken op de Sukkelgracht?
+
+--Och, 't is er niet mooi.
+
+--Nou, mooier als hier!
+
+--Ja.
+
+--Neen. Enz.
+
+--Zeg, dring zoo niet!
+
+--Ik kan 't niet helpen. Ze dringen my ook.
+
+--De menschen lyken wel mal. Altyd dringen ze zoo.
+
+--Ja, niet waar? Altyd dringen ze. Weet je wat ik zeg? Ik zeg dat de
+kalverstraat eens zoo breed wezen moest.
+
+--Ja, eens zoo breed. Want... weetje, wat het is? Hy is te smal. Dat
+is het!
+
+--Ja, hy is te smal.
+
+--En daarom dringen de menschen zoo, weetje! Enz.
+
+
+
+Wouter's eigen rykdom was hem te onbewust dan dat hy zich kon ergeren
+aan de walgelyke armoed van geest, die by zulke gelegenheden zich alom
+vertoont. De tyd was nog niet aangebroken dat-i rilde by 't áánzien
+van geestelyke naaktheid. Hoogstens zoud-i bedroefd geweest zyn als
+z'n blik gerust had op slechtgevoede lichamen, op 'n bedelfamilie in
+lompen gekleed.
+
+Heel veel moralisten, romanschryvers en vooral staathuishoudkundigen,
+zyn heden-ten-dage nog niet veel verder dan onze kleine jongen in den
+tyd der vetpitjes. Zou misschien hiervan de oorzaak zyn dat stoffelyke
+armoed zich makkelyker laat schilderen? En... genezen?
+
+Zulke gesprekken zyn toch zoo diepzinnig niet. Ieder kan ze
+schryven. Ieder lezer kan ze vermeerderen tot het oneindige toe. Aan
+modellen van geestelyke nietigheid is waarlyk geen gebrek.
+
+Inderdaad, de kalverstraat was wat smal, en... "de menschen drongen
+zoo!"
+
+Wouter werd meegedrongen, en voelde iets als schaamte. Zeker! Was-i
+niet: "massa" op dit oogenblik? Dat-i stompen en stooten kreeg,
+hinderde hem minder. Kleinzeerig was-i niet.
+
+Maar: "de menschen drongen zoo!"
+
+Weldra was er voor stomp en stoot geen geschikte ruimte meer.
+
+Men werd geknepen, en wie ten-gevolge van 'n laag zwaartecyfer minder
+dan anderen aan 't aardsche gehecht was, rees van den grond. 'n
+Allergekst excelsior! Wouter werd gedragen, en zag heen over mannen
+die veel grooter waren dan hy.
+
+--Loop jy op stelten, jongeheer? vroeg 'n dikke vrouw, die met haar
+heup Wouter tegen de knie schopte. Loop jy op stelten? Nou, dat's er
+óók een!
+
+Dit "ook" heeft 'n geschiedenis en 'n pretensie. 't Beduidt,
+ziehier 'n spikspelder nieuwe bydrage tot het bundeltje ana's die
+ik verzamel. Deze kurioziteit hoort er in! Als je dit niet grappig,
+vreemd en belangryk vindt...
+
+'t Gedrang werd sterker. Weldra zou de vrouw Wouter op schouder kunnen
+nemen als 'n geweer. Ook begon-i kans te krygen daarop te-land te
+komen in hoedanigheid van ruiter. Nog 'n beetje, en hy kon "aangegeven"
+worden, zooals timmerluî elkaar 'n plank toereiken.
+
+Naar de lichtjes werd niet meer gekeken. Men hield zich bezig met
+dringen en gedrongen worden. Ook 'n uitspanning!
+
+Neen... de kalverstraat moet niet verbreed, want wel beschouwd is dat
+"dringen" 't prettigst van de zaak.
+
+Och, wat zouden die vetvlammen spoedig vervelend worden, als men
+ze alle tweehonderd veertig duizend--er waren er 'n paar uitgewaaid
+sedert zoo-even--op z'n gemak had kunnen beschouwen in z'n eentje!
+
+Onze kleine man lag op de schouders en hoofden van z'n
+medemenschen. Als zekere troonveroveraars: il s'appuyait sur la
+masse! Wie de geschiedenis van illuminatien en Volken bestudeerd heeft,
+zal erkennen dat er steviger rustpunten bestaan. Zichzelf, byv.
+
+Gut, onze Wouter was zoo verlegen met z'n drukkende pozitie! Telkens
+liep hy gevaar zich vasttehouden, aan 'n oor of wenkbrauw. En dit
+gedoogt de "massa" niet. Gedrukt wil ze wel worden--daar is ze
+voor--maar wie zich aan haar wil vasthouden...
+
+Krak!
+
+Schrik niet, lezer! Wouter brak niet, maar de geperste menigte
+had de dubbeldeur van 'n koffiehuis verkracht. De inbersting was
+vreeselyk. Als berouwhebbende lava stroomde de massa naar binnen, en
+vulde den krater waarin onze held--na 't beschryven van den bekenden
+bruinvisch-parabool--vry geleidelyk en zonder zich te bezeeren te-land
+kwam op 'n tafeltje...
+
+--Woutertje Pieterse! riep 't verschrikt gezelschap dat er omheen zat.
+
+--Heb je je zeer gedaan, Wouter?
+
+Neen! Bezeerd had-i zich niet. Maar hy was lam van verbazing. Over z'n
+verheffing eerst, daarna over z'n luchtreis, toen over 't neerkomen op
+en onder allerlei glaswerk, en eindelyk--dit was 't minst verrassende
+niet!--omdat-i zich op-eens in den kring bevond van de hem zoo goed
+bekende familie Holsma.
+
+'t Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond was.
+
+"Gods vinger" had al de glazen en glaasjes gebroken, maar Wouter was
+heel gebleven. Dit was 'n arglistigheid van dien vinger. De bedoeling
+schynt geweest te zyn den patiënt nog heel anders heen-en-weer te
+smyten. En als-i nu voortydig gebroken was op dien avend...
+
+Oom Sybrand hielp hem, zoo goed en kwaad het ging, op de been. De zaak
+had veel moeite in, want de volte was... nu ja, er kon ter-nauwernood
+iemand by. Maar Wouter was smalletjes, en 't lukte. De kastelein--op
+doordringen was geen kans--schreeuwde uit de verte, dat het gebrokene
+moest betaald worden. Maar ook van andere plaatsen vernam men dergelyk
+gerinkel. De man was wanhopig. Hy vervloekte alle Koningen... en de
+massa's er by.
+
+--Eén flesch wyn... drie limonade... zes glazen stuk! riep Holsma, als
+om zich aansprakelyk te stellen voor Wouter's onwillekeurig vergryp.
+
+En oom Sybrand hield 'n paar zeeuwen omhoog.
+
+--O God, m'nheer, ik durf niet thuis komen, riep Wouter! Wie zal dat
+betalen? Ik heb geen geld, m'nheer! En moeder...
+
+In de drukte verstond Holsma hem niet. Maar Sietske wel.
+
+--Sjt! fluisterde zy. Ik ben zeker dat papa 't betaalt, maar
+anders... ik heb wel geld. En Willem ook. En Herman ook. Wees gerust...
+
+Maar dit verstond Wouter weer niet. En toen-i eindelyk onder de hoede
+der Holsma's weder op-straat stond, en 't gezelschap door 't inslaan
+van 'n zyweg zich onttrokken had aan de "massa" verklaarde hy ronduit
+dat hem de moed ontbrak z'n moeder en broer Stoffel onder de oogen
+te zien, na zóó'n schandaal!
+
+--'t Geld is niets, zei de goede Holsma. Daarvoor zal ik wel
+zorgen. Maar je bent ontsteld, jongen. Kom even met ons mee naar de
+kolveniersburgwal, ik zal je wat hofmansdruppels geven. Dan kan je
+daar bekomen van den schrik.
+
+De afstand van de kolveniersburgwal was niet groot genoeg om Wouter
+tot bedaren te brengen voor 't gezelschap daar aankwam.
+
+--M'n moeder zal boos zyn, als ik te laat thuis kom, klaagde hy.
+
+Holsma stelde hem gerust. Er zou 'n boodschap naar z'n huis worden
+gezonden, om z'n familie te doen weten waar-i was.
+
+De dokter gaf hem iets te drinken, en bracht hem in 'n kamer naast
+die waar de familie scheen plaats te nemen. Het voorschrift was dat
+de patiënt daar wat heen-en-weer loopen zou, tot-i zich kalm voelde.
+
+Maar dit vermoeide hem. Hy deed weldra juist wat 'm verboden was,
+zette zich in den hoek van 'n sofa, en viel in slaap.
+
+Of 't in het algemeen nuttig is, na 'n schrik in beweging te blyven,
+kan ik niet beslissen. Zeker is het dat Wouter na hevige aandoeningen
+altyd groote behoefte voelde aan slaap, en dan ook werkelyk door dit
+middel--de natuur wees het hem aan--meermalen 't verbroken evenwicht
+herstelde. Misschien ook was 't geen eigenlyk slapen dat hem by zulke
+gelegenheden te-hulp kwam. Maar geheel wakend was-i niet. Hy droomde.
+
+Er was weer de oude hoogheid in z'n droom. Maar met 'n schok viel-i
+telkens neer.
+
+En weder klom hy, en weer werd-i opgeheven, hoog, hoog tot in de
+wolken, en weder maakten duizelingwekkende tuimelingen 'n eind aan
+z'n zweven.
+
+Daar namen sterke vuisten hem op, en staken hem boven de hoofden uit,
+en de massa droeg hem, tot 'n man hem in de hand beet...
+
+Hy schaafde namelyk zyn pols aan 'n ongedresseerd paardehaartje dat
+bezig-was z'n dienst optezeggen by 't vulsel van de rustbank.
+
+...tot 'n vrouw hem toesnauwde: dom? Niet dom? Wy, wy de
+massa? Ziedaar!
+
+En men smeet hem neer.
+
+Gelukkig kwam z'n hoofd te-recht in Sietske's schoot, zonder 't
+minste glaswerk.
+
+En als ziedend water opkokend, golfde op-nieuw z'n ziel omhoog. Hy
+voelde geen handen meer die hem droegen, geen tanden die hem beten,
+hy rustte op donzige wolken. En hy overzag de menigte onder hem,
+en was verheugd dat-i zoo hoog daarboven stond, maar wilde toch...
+
+--Ik wil gaarne by u zyn, riep hy, maar maakt 'n plaatsjen open,
+waar ik staan kan, staan op m'n eigen beenen! Ik zal waarlyk niemand
+hinderen... gooit me niet! In die drukte kan ik niet denken. Ieder moet
+handelen naar z'n overtuiging. De massa heeft geen overtuiging. Wie
+kan denken als er geen plaats is om te staan?
+
+Weer schuurde z'n hand langs 't weerspannig paardehaartje. Hy verzette
+zich... en scheen niet geheel-en-al te slapen...
+
+Daar klonk op-eens 'n stem...
+
+Neen! Hy droomde door. Altyd van zweven en vallen. Daar was Femke...
+
+Wel zeker, er moest in z'n droomen iets van Femke! Waar bleef ze
+zoo lang?
+
+'t Was weer iets van de bleek. Maar pater Jansen was er ditmaal by. De
+man was zonderling gekleed. Hy zweefde met Wouter omhoog, en vertoonde
+aan de sterren z'n kostuum: 'n onderbroek... die door háár versteld
+was! Orion en de groote beer vonden het ding mooi, maar Wouter niet.
+
+--Heb je 't zelf gedaan, hoorde hy Sietske vragen in de kamer naast
+hem. Jyzelf, of kon je 'r niet dóór?
+
+--Neen, ik kon niet om de drukte. Maar ik heb 't den kruier opgedragen.
+
+Wàt? In-godsnaam, wàt?
+
+Wouter richtte zich op. Pater Jansen was weg. Orion en groote beer
+ook. Ook de onderbroek, en de wolken, en de domme "massa" maar... die
+stem?
+
+Die stem klonk nog!
+
+En ze klonk weer:
+
+--Ik ken hem heel goed, o, zoo goed! 't Is 'n lief jongetje! Dàt
+hoorde hy Femke zeggen!
+
+Hy sprong op, trad haastig de kamer der Holsma's in, zag nog even
+het driehoekje van 't gewaad eener vrouwspersoon die de deur uittrad
+en sloot...
+
+Hy had den moed niet--of wat ànders was daartoe noodig?--om te vragen:
+
+--Heet dat dienstmeisje... Femke?
+
+Komaan, in Satans naam, vraag of Femke de naam is van die... meid!
+
+Op weg naar-huis had Wouter niet den minsten last van zweven. Hy
+voelde zich redelyk laag, en had ditmaal volkomen gelyk.
+
+Want... als die byna tusschen deur en post benepen jurk van zyde
+geweest was...
+
+Of... als-i dat driehoekjen elders ontdekt had, elders! Niet by de
+Holsma's! Niet in gezelschap van Sietske die zooveel geld had in haar
+spaarpot! Niet in dien allerfatsoenlyksten kring! Niet onder de oogen
+van Willem die hem zoo plaagde met z'n hoogmoedig latyn...
+
+Dan... dan... o zeker!
+
+Dàn!
+
+Maar nu! Maar hier!
+
+Hy was braaf genoeg om zich te schamen. Maar dit is ook 't eenige
+wat ik in z'n voordeel zeggen kan.
+
+Overigens...
+
+Alas, poor mankind!
+
+Wat beteekende de dolfyn-parabool op 't koffihuistafeltje, by
+zóó'n val?
+
+Hy had zich dezen keer werkelyk bezeerd!
+
+
+
+
+
+
+
+ Over de zedelyke strekking van 't kleerborstelen. Onridderlyke
+ verdichtselen des harten. Godenvingers en duivelsklauwen, tweede
+ editie. De eigenaardige kalmte van 'n kwaad geweten. Iets
+ over driehoeksmeting in 'n bedstee, en maagdeperen in den
+ Jodenhoek. Hm... zy weer!
+
+
+Juffrouw Pieterse was in de wolken. Ze hoopte dat de kruier die de
+boodschap had overgebracht, haar huis niet te spoedig mocht gevonden
+hebben, en dat de man toch vooral hier-en-daar in de buurt te-vergeefs
+gezocht had naar 't ware adres.
+
+--Zeker is-i in de kommeny geweest, zei ze, want ze weten nooit waar
+ze wezen moeten... zulke kruiers! En waarom zoud-i daar niet verteld
+hebben dat de jongeheer--want "jongeheer" zeid-i--by dokter Holsma
+leseerde, op den kolveniersburgwal? Want, zieje, zoo'n man praat
+altyd. Die soort van menschen doen niets als praten.
+
+Nu, ieder mag 't weten. 't Is maar om te zeggen dat de menschen altyd
+zoo praten, en zulke kruiers...
+
+Maar... zeg, Wouter, hoe kwam het toch dat je zoo opeens met de
+familie meeging? 't Is nogal heel erg asterant van je. Je bent toch
+'n asterante jongen... wat zeg jy er van, Stoffel?
+
+Stoffel zette het bedenkelyk gezicht dat by zulke gelegenheden
+dienst deed als: "ja nogal!" Of: "ik zal er me op beslapen." Of:
+"daar zit meer achter dan sommige menschen wel weten!" Enz.
+
+--Moeder antwoordde Wouter, ik... ontmoette de familie in de
+kalverstraat.
+
+Waar! Zeer waar! Allerwaarst! Hy had inderdaad de Holsma's in de
+kalverstraat ontmoet, wat men mag noemen: ontmoet! De lezer kan 't
+getuigen. Maar... waarom vertelde hy niets van den nogal byzonderen
+modus quo?
+
+Och!
+
+--Wat kleeft die rug, klaagde Petrò die belast was met de zorg voor
+het "lakensche goed."
+
+De familie rook, en streek, en wreef, en tastte, en verklaarde
+eenstemmig dat Wouter's rug zich had schuldig gemaakt aan 't inzuigen
+van allerlei vloeistoffen.
+
+--'t Ruikt zoowaar naar citroen ook, zei Trui.
+
+--Het riekt, verbeterde de schoolmeester, en wy ruiken, Sertrude!
+
+--Och kom... ruik, riek, weet ik het. Ik wil maar zeggen dat het
+zoo...
+
+--Dat het zoo naar lemoentjes... ruikt, zei de moeder.
+
+--En naar wyn!
+
+--En je kunt er de suiker afkrabben! Waar ben je toch geweest,
+jongen? Schaam je je niet! By zulke fatsoenlyke menschen op vizite
+te komen--ik mag wel zeggen: te leseeren, wat zeg jy, Stoffel?--en
+je dan zóó aantestellen met suiker en citroen op je rug! 't Is 'n
+ware schande!
+
+--'t Was zoo erg vol op straat, moeder!
+
+--Van de volte kryg je geen wyn op je rug! En geen citroen ook! En
+geen suiker ook! Wat zeg jy, Trui?
+
+De eenstemmigheid was kompleet. Schuw als altyd, durfde Wouter niet
+voor-den-dag komen met de ware toedracht der zaak. En dit zou hem ook
+niet gebaat hebben. Het begrip der Pietersens was als 'n verstopt
+slot waarop geen enkele sleutel paste. Wouter wist dit by treurige
+ondervinding, en liet moedeloos den storm over z'n hoofd waaien, die
+toch niet kon bezworen worden. Jammer evenwel dat er ook in hemzelf
+iets verstopt, en dus bedorven was. 't Hoog gevoel dat hem gewoonlyk
+bezielde, was geknakt.
+
+Hy had 'n laagheid begaan!
+
+Zóó gevoelde hy. Geen dominee kon 't wegpreeken! Ja, God-zelf
+niet! Noch de God van bliksem en donder uit de Schrift, noch de
+andere...
+
+Die andere!
+
+Waar was-i toen Petrus struikelde? Waarom was hy zoo gierig op 'n
+beetje staal in 't mengsel waaruit Wouter's ziel gegoten werd?
+
+--Maar... als 't Gods schuld was, dacht-i, dan behoefde ik zoo
+beschaamd niet te zyn! Dan kon ik zeggen: ja, Femke, 't is wel
+waar dat ik 'n ellendeling ben, 'n brok massa, te dom en te laf om
+verantwoordelyk te wezen voor m'n laffe domheid. Maar... zóó heeft
+God me gemaakt, zieje! Hy is aansprakelyk.
+
+Dit kan ik niet zeggen! Want... ieder moet handelen naar z'n
+overtuiging.
+
+Waartoe zou 'n overtuiging dienen, als men de schuld mocht gooien op
+God? Dàn had mevrouw Holsma wel gezegd: "ieder moet handelen naar Gods
+overtuiging!" En dit heeft ze juist niet gezegd! Waar zou dat heen!
+
+Ik ben laag geweest, afschuwelyk laag, ik! God is er heelemaal buiten.
+
+Misschien liet hy de zaak toe, om my te doen zien hoe gemeen ik was!
+
+Een hond zou Femke gekust hebben, als-i haar weerzag na langen tyd. Ik
+ben minder dan 'n hond!
+
+Want... ze wàs het! Zeker, ze wàs het! Of...
+
+O, die huichelaar... hy zocht naar ofjes!...
+
+...of zou 't misschien 'n ander geweest zyn? 't Kan heel best 'n
+ander geweest zyn! Hoe zou Femke dáár komen!
+
+Neen, neen, neen, zy wàs het! Zei ze niet dat ze my zoo goed kende? Zei
+ze dat niet met de stem die my 'n lieven jongen noemde toen ze my
+dien kus gaf by 't brugje?
+
+Ze heeft my gekust en 'n lieven jongen genoemd! Ze wist toen nog niet
+dat ik 'n ellendige bloodaard ben, zonder hart!
+
+O, zeker zou zy me niet verloochenen, miskennen, verraden! Zy zou gewis
+overal en tegen ieder zeggen: "dat is Wouter, die m'n vrindje... was,
+en dien ik eens 'n zoen gegeven heb omdat-i zich dapper toonde tegen
+de jongens die steenen wierpen op m'n bleek!"
+
+En ik... o God!
+
+Neen, God blyft er heelemaal buiten. Ik ben lafhartig. Zóó kan ik
+niet leven!
+
+Hy dacht aan zelfmoord. En in deze stemming bracht-i den nacht
+van donderdag op vrydag door. Zelfs overleefde z'n wanhoop de
+duisternis. Hy stond dien vrydag op, met het vaste voornemen 'n eind
+te maken aan z'n onwaardig bestaan.
+
+Heel gelukkig evenwel werd-i terstond na 't ontbyt aan 'n bezigheid
+gezet die allergeschiktst is om iemand met het leven te verzoenen.
+
+Men had hem met algemeene stemmen veroordeeld tot het reinigen van z'n
+jasje--een vonnis dat m'n volkomen goedkeuring wegdraagt--en hy spande
+zich zóó in, dat-i na 'n uur arbeids met betrekkelyke tevredenheid
+naar z'n moeder liep, en juichend uitriep:
+
+--Kyk, moeder, er is niets meer van te zien!
+
+'t Onnoozel triumfjen over 'n kleine moeielykheid joeg de wolken voort,
+die z'n gemoed beneveld hadden.
+
+Men zou voor z'n plezier in limonade vallen, als men wist hoe weldadig
+de inspanning werkt die noodig is tot het reinigen van 'n paletootje.
+
+De ongelukkige die nooit z'n eigen kleeren borstelde, kent het
+leven niet.
+
+
+
+--Ik zal haar vergeving vragen, dacht Wouter.
+
+En by dit... oneerlyk voornemen lei zich de storm die z'n gemoed
+beroerd had, geheel neder.
+
+"Oneerlyk" noemde ik dit omdat het ware berouw geen vergeving zoekt by
+anderen, maar by zichzelf. Wie met 'n uitgesproken klank tevreden is,
+wie z'n geweten meent te kunnen paaien met 'n kwitantie van schuld,
+geteekend door 'n ander...
+
+Ei zie, daar ben ik alweer op het terrein van schuldvergiffenis
+en genade! Pas-op, lezer, juffrouw Laps is in de buurt! Wie haar
+niet ontmoeten wil, moet dit hoofdstuk overslaan. En vooral dien
+vrydagavend niet by de Pietersens komen. Want dáár zou ze optreden,
+en wel ditmaal met haar wouterkundig: voilà Toulon!
+
+Maar eerst moet ik nog iets zeggen over 't ellendig gehalte van
+Wouter's schuldbesef. Zeker, hy zou vergiffenis vragen! En na 'n beetje
+getob zou Femke zeggen--precies als in Kotzebue's Menschenhaat--"ik
+verrrgeef het u!"
+
+En dan zou de zaak zyn als niet gebeurd.
+
+Hoe sneller hoe beter dan!
+
+Een ondragelyken last werpt men terstond neer! Terstond!
+
+Wouter's last bleek niet ondragelyk. Want hy besloot hem nog 'n tydje
+te blyven dragen.
+
+De oorzaak hiervan was deze. Om Femke te spreken moest-i naar de
+Holsma's. En dit... durfde hy niet. Wat zouden die menschen 't
+gek vinden!
+
+Gáán zoud-i, o zeker! Maar... niet op dien vrydag!
+
+'t Kon immers best wachten tot-i eerst 'n paar dagen... "in den handel"
+geweest was? Dit geeft houding, vond-i, en dàn zoud-i zeggen...
+
+Nu ja, hy zou vergeving vragen, en Femke "heusch" verzekeren...
+
+De uitvinding van dit "heusch" was zoo kwaad niet. By lamlendige
+beroerdheid... frazen vóór! Van welken letterkundige had onze
+misdadiger dit geleerd?
+
+Hy zou haar verzekeren...
+
+Wàt?
+
+Dit, byv. dat de Weledele heeren Ouwetyd & Kopperlith in wier "handel"
+hy nu was aangeland...
+
+Ja, ja, hy zou iets vertellen van de Weledele heeren Ouwetyd &
+Kopperlith en hun "handel."
+
+Dan hoefde hy niet zoo naakt voor-den-dag te komen met... dat andere.
+
+Misschien zou z'n nieuwe chef hem pryzen over... z'n krulletters! Of
+over z'n aardrykskunde! Of over z'n strabbische uitgeleerdheid! En
+dan kon-i tegenover Femke z'n schande hullen in 'n wolkje van
+allervereerendste byzaakjes. 't Meisje zou verbaasd staan over z'n
+knapheid, en ten-slotte hèm vergeving vragen voor de vrypostigheid
+dat ze zich had laten verloochenen door zóó'n handels-fenomeen!
+
+Aldus redeneerde Wouter niet. En zelfs niet op deze wys werd hem z'n
+onbewust gevoel kenbaar, doch... er was iets in hem--wat dan ook!--dat
+voorwendsel en verschooning leverde voor 't niet doen van z'n plicht.
+
+Bovendien... die plicht was zoo makkelyk niet!
+
+Naar den kolveniersburgwal gaan? Goed.
+
+Aanschellen? Goed.
+
+Maar... wat dàn?
+
+De deur zal geopend worden. Door wien? Juist immers door de dienstmaagd
+uit Joh. XVIII, vs. 17, wier aanblik meer dan iets anders den
+wankelmoedigen Petrus weerhouden zou van ridderlyke oprechtheid?
+
+De zaak is dat onze Wouter zich niet waagde aan dokters Kaatje! Wat
+zoud-i zeggen? Iets als:
+
+"Vryster, ik moet Femke spreken, 't adjunkt-kindermeisje?"
+
+Daar hoort wat toe, waarachtig!
+
+En dàn?
+
+In de gang... 'n knieval doen? Of zelfs--o gruwel!--in de keuken?
+
+Om-godswil, lezer, wat zouden al de ridders uit z'n boeken daarvan
+zeggen!
+
+Welke Turk zou zich laten doodslaan door iemand die zich schuldig
+maakte aan zoo'n dorperheid?
+
+Die engelsche lord zou hem zeker geen hand geven--en de Afrikanen
+geen kroon!--als-i...
+
+Zou Ivanhoe 't gedaan
+hebben? Neen! Ypsilanti? neen! Themistocles? Neen! De "Eduards" van
+Lafontaine? Hm... dit kon-i niet zoo stellig ontkennen. In de werken
+van dien schryver komen inderdaad huiselyke trekken van ridderlykheid
+voor. Maar... ze staan in 'n boek, en de lezer kykt er naar, en zal
+'t weten dat er, zonder harnas, pluim of veldgeschrei dan, groote
+daden geschieden in 'n hoekje. De auteur heeft gewaarschuwd: het
+boekeheldje kampt onder de oogen van 'n publiek.
+
+Zou ook dokters Kaatje gevoelig zyn voor 't grandioze van
+de vernedering, als ze daar Wouter zag geknield liggen op de
+vloermat? Zoo'n held in de boeken heeft makkelyk plichtdoen. Ieder
+slaat acht op z'n prouesses, en weet ze te schatten.
+
+--Welnu, dacht Wouter, ik zàl m'n plicht doen, o zeker, ik zàl! Maar
+eerst "in den handel" en bovendien...
+
+Een nieuw duiveltje bekroop z'n gemoed. Wie weet of Femke niet
+spoedig de Holsma's verlaten zou, en terugkeeren naar 't huisje by
+de aschpoort. Dáár... of in de buurt... of op de "paden"... of by 't
+brugje, zou alles makkelyker gaan, dacht hy. Daar was geen nood van
+Kaatje's fâcheuze tegenwoordigheid, noch van Willem's onmenschelyk
+latyn. En ook Sietske die zoo majestueus sprak over drie-guldens...
+
+De lezer gelieve optemerken dat er 'n leelyk deficit bestond in
+Wouter's gemoed en dat de aanzuivering daarvan meer moeite kostte dan
+'t reinigen van 'n bemorst jasje.
+
+Dat overigens 't verloop van z'n... liefde voor 't meisjen, 'n geheel
+andere richting insloeg dan z'n onschuld...
+
+Hier spreek ik van verloren onschuld, en ik meen te weten wat ik zeg!
+
+...nu, dit spreekt vanzelf! Om lieftehebben, moet men goed zyn,
+en Wouter was niet goed op dien vrydag!
+
+Nu komt de "vinger Gods" die hem straffen zou. Dit goddelyk
+lichaamsdeel lei 't zonderling aan.
+
+
+
+De vrydag hield zich alsof-i voorby was. Wouter maakte zich gereed z'n
+nauwe bedstee te beklimmen in opgeruimder stemming dan hem paste. Hy
+had zelfs geen lust in 't kibbelen met Laurens, die altyd--zonder
+pretentie op 't konstrueeren van 'n meetkunstig werkstuk--de diagonaal
+beschreef.
+
+Zeer eigenaardig nam ons Petrusje zich voor, z'n inslapen te doen
+voorafgaan door 't overdenken van de voorvalletjes die gedurende den
+afgeloopen dag aan de orde waren geweest.
+
+Heel natuurlyk! Hy voelde geen lust zich bezig te houden met zichzelf,
+wat anders z'n gewoonte was.
+
+Zekere prins had geld onder 't volk gestrooid...
+
+--Hé... als ik zoo'n prins was!
+
+Nu, deze indruk was de leelykste niet. De meeste jongens denken in
+zoo'n geval: hé, als ik mocht meegrabbelen!
+
+De Paltsgravin van... hoe heet het land waar ze vàn was? Ik heb
+geen lust den naam optezoeken dien ik haar gaf. 't Mensch was in
+'t Trippenhuis geweest, en daar--volgens de couranten--minzaam,
+zeer minzaam...
+
+--Dàt zou ik ook zyn, dacht Wouter, als ik... Paltsgravin was. Wat
+is dat toch voor 'n betrekking?
+
+De Koning had audiënties en 'n diner gegeven, en gezegd... och, de
+gewone praatjes. Maar voor Wouter waren ze nieuw en belangryk. Het
+welzyn van de Hoofdstad ging Z. M. byzonder ter-harte. Wouter ook. Dit
+belette niet dat hy deze byzonderheid heel lief vond in den Koning. In
+Afrika zoud-i precies hetzelfde doen! En zyn hoofdstad...
+
+Neen, weg met Afrika!
+
+Hy smeet z'n linkerkous onzacht weg, zoodat het ding zich om den
+sport van 'n stoel slingerde als 'n stervende paling.
+
+Weg met Afrika! Want...
+
+Daar rees de schim van Femke op, en dreigde, en vroeg of zy haar
+plaats verbeurd had op dien troon? En of ze...
+
+Weg met Afrika!
+
+Wat al zonderlinge vertellingen over prinses Erika! Men zei dat ze
+huwen moest met 'n grootvorst, maar... geweigerd had.
+
+Alle burgerlui vonden dit heel mooi, zonder nog te weten of 't niet
+'n malle koppigheid was van prinses Erika.
+
+Ze was zoo zonderling van gedrag en manieren, en kon zich niet schikken
+in de hoogheid van haar stand...
+
+Wouter trok z'n tweede kous uit, en keurde 't af dat prinses Erika
+geen lust had in aanzienlykhedens. Hm... zou ze misschien willen
+ruilen? Hy: prins Erik. En zy...
+
+Zou ook zy 's nachts zoo'n leelyke muts opzetten? Wel neen, dacht
+Wouter, prinsessen dragen mutsen van diamanten. 't Is waarlyk zonde
+en jammer dat zoo'n schepsel haar geluk niet waardeert!
+
+En dit scheen toch 't geval. Toen ze met de Paltsgravin uit het
+Trippenhuis kwam--waar ze minzaam geweest was--had ze geweigerd
+terstond mee terug te ryden naar 't paleis. Ze wou den "amsterdamschen
+Jodenhoek" zien, en nam flinkweg 'n kamerheer onder den arm, die
+haar den weg wyzen zou. De man kende dien zelf niet, en had alle
+moeite haar te loodsen tot op Vlooienburg... in 't hartje! En zie, hy
+droeg 'n korte broek--gelyk byna iedereen, in Wouter's tyd--en zyden
+kousen. En die kousen werden bespat. En prinses Erika had er zoo om
+gelachen. En nog meer onvorstelyke zonderlingheden van die soort...
+
+Maar dit alles stond niet in de courant. De krant sprak alleen van
+de minzaamheid.
+
+Nu, ook op Vlooienburg was de prinses allerminzaamst geweest, of
+zelfs meer dan minzaam. Ze had 'n heele kruiwagen vol maagdeperen leeg
+gekocht, en de straatjeugd gebombardeerd met handenvol sappig genot.
+
+Maar dit stond alweer niet in de krant. De redakteurs wisten niet
+hoe ze dat voorvalletje salvâ reverentiâ zouden inkleeden, en
+bepaalden zich dus maar tot de alom bekende minzaamheid. Toch had
+ieder er van gehoord, al wist men dan niet of 't waar was. Duizenden
+schiepen er stof uit tot drie vertellingen. Eerst: dat het geschiedde:
+"wezenlyk!" Daarop dat het 'n verzonnen praatjen, niet geschied was:
+"wat ik je zeg!" Eindelyk: dat het wel deze keer misschien niet
+geschied was, maar dat, wel beschouwd, zoo-iets wel 'ns op 'n anderen
+keer geschieden kon, en dat het zeer moeilyk was altyd precies te
+weten wàt geschied was, en wat niet.
+
+Dit vind ik ook.
+
+Prinses Erika...
+
+Wouter blies z'n kaarsjen uit, of wilde dit doen. Hy had peiling
+genomen op een der twee scherpe driehoeken die Laurens hem te kiezen
+had gegeven, en op-eens verneemt hy groote ontsteltenis in den huize
+Pieterse: beroering!
+
+'t Is waar, er was drie, vier malen hevig gescheld, ja
+gebengeld. Brand?
+
+Hm! Zou 't misschien prinses Erika wezen, die komt ruilen?
+
+Och neen, 't was juffrouw Laps.
+
+Ruilen kwam ze niets.
+
+Maar wat dàn, zoo laat op den avend?
+
+Wouter trok z'n ééne been terug uit den tophoek, en luisterde.
+
+Wy ook!
+
+
+
+
+
+
+
+ Zelfs juffrouw Laps zegt soms 'n waarheid die 't overdenken
+ en toepassen waard is. Dezelfde autoriteit in-zake:
+ menschenkennis. Don Quixote de la Mancha. Goden, duivels
+ en... Fancy.
+
+
+Het vertrekje waar Wouter met Laurens in één bedstee sliep, was boven
+de huiskamer. Ze deelden dat verblyf met twee van hun zusters, en
+moesten uit kiesheid altyd 'n kwartiertje vroeger slaap voelen dan
+die jonge-juffrouwen.
+
+Ik ben niet geleerd genoeg om te weten hoeveel zuurstof vier
+jonge menschen gedurende acht uren noodig hebben om net even niet
+te stikken. Maar benauwd wàs 't in dat hokje! Soldaten zouden
+"gereklameerd" hebben.
+
+In 'n ander lokaaltje had 'n soortgelyke verdeeling van engte plaats,
+en ook daar werd het oogenblik van slaperig worden geregeld en bepaald
+door gelyke wetten van kiesheid.
+
+Met 'n weinig administratief genie zal nu de lezer kunnen berekenen wat
+de oorzaak was dat 'n gedeelte van den grooten staf der Pietersens--en
+wel het deel dat tot de klasse der vrouwspersonen behoorde--nog
+altyd in de huiskamer by-een zat, op 't oogenblik toen Wouter zich
+voordroomde dat die gekke prinses Erika wel 'ns in 't hoofd kon krygen
+met hem te komen ruilen van pozitie.
+
+In-plaats dáárvan echter, hoorde hy de stem van juffrouw Laps, die
+als 'n razende de trap scheen opgevlogen, en schreeuwend, snikkend
+en huilend het huisvertrek binnenstormde.
+
+De gewone tusschenwerpsels van: "mensch, wat is er?" en: "goeie god,
+wat is er gebeurd?" waren afgeloopen. Wouter kon waarnemen dat het
+traditioneele glas water was aangeboden en leeggedronken, en tevens
+hoe men de blykbaar allerdiepst-ongelukige vriendelyk uitnoodigde om
+"te bedaren." Een zonderling voorstel altyd.
+
+Juffrouw Laps begon met de zeer verstaanbaar geartikuleerde verzekering
+dat het haar onmogelyk was 'n woord uittebrengen.
+
+De zaak scheen dus belangryk. Wouter trok z'n eene kous weer aan om
+beter te kunnen luisteren.
+
+--Ik zweer je by God allemachtig, juffrouw Pieterse, dat ik niet
+spreken kan van schrik en alteraasie.
+
+--Gut, mensch!
+
+--Waar zyn je kinderen... allemaal? Al naar bed? Toch nog niet naar
+bed, wil ik hopen! Ik kan waarachtig niet spreken! Nog 'n glas water,
+Trui! Hoor 'ns hoe ik bibber... 'n mensch klappertandt van schrik,
+niet waar? Dankje, Trui, en waar is... Stoffel?
+
+--Wel, mensch, die kleedt 'm uit. Hy gaat me vóór, my en Petró.
+Want... Mine schopt zoo, weetje, en Trui moet by de jongens wezen...
+anders vechten ze. En daarom slaap ik met Petrò, weetje. En daarom
+kleedt Stoffel 'm uit, en dan sluit-i z'n gordyntje, weetje, als-i
+ons op de trap hoort. Maar, mensch, wat scheelt er an?
+
+--Ja juist... wat me scheelt, niet waar? Ik ben geschrokken, erg,
+heel erg! En is... Laurens ook al naar bed?
+
+--Gut ja, mensch, al lang! Want-i moet vroeg op z'n drukkery
+wezen. Maar...
+
+--Allemaal al naar bed! En ik...ik loop als 'n ongeluk langs de straat,
+als 'n mal mensch--van schrik, weetje!--en weet niet waar ik belanden
+zal. Zóó? Is hier... iedereen al... naar... bed...
+
+--Maar wat is er dan toch gebeurd?
+
+--Ik zal 't je zeggen, juffrouw Pieterse... och, als je wist hoe ik
+geschrokken ben! Verbeelje...
+
+Wouter trok uit 'n akoustisch beginsel z'n tweede kous aan.
+
+--Je weet, juffrouw Pieterse, dat er tegenwoordig veel gestolen wordt?
+
+--O ja, maar...
+
+--En ingebroken? En gemoord? En dat de politie er maar niet achter
+komen kan wie dat telkens gedaan heeft? De moord van de oude Mevrouw
+en haar dienstmeid, in de Lommerstraat...
+
+--Maar mensch, daarvoor zitten er drie in de gevangenis! Wat wil
+je meer?
+
+--'t Mocht wat! De moordenaars loopen vry rond, wat ik je zeg! Dat
+gevangen-zetten van die drie kerels is maar om ons 'n doekie voor de
+oogen te binden, en dat de menschen niet vragen zullen: waarvoor dient
+de jistiessie, zieje! De luî die 't gedaan hebben, willen wel zoo, en
+hebben al den tyd om op 'r gemak hun boeltjen opteknappen. Want weetje
+wat ik altyd zeg... ik zeg dat 'n gemeene kerel die 'n moord doet,
+en veel geld steelt, z'n bebloede kleeren niet kan verdonkeremanen. En
+al dat geld ook niet!
+
+Want, zeg ik, hy is niet gewend met zooveel geld omtegaan. Al z'n
+buren kennen z'n buizen en broeken van-buiten. 'n Kast waarin-i
+wat kan wegstoppen, heeft zoo'n man niet. Verstand van effekten
+of obbeligaassies ook niet! En den weg naar 't buitenland weet-i
+ook niet! En vrinden die hem den weg wyzen om van z'n boeltjen
+aftekomen, heeft-i ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil dat... 'n
+moord of 'n diefstal, of... zoowat... als ze den moordenaar niet
+terstond pakken... nu, juffrouw Pieterse, dan zeg ik dat het door
+'n fatsoenlyk man gedaan is, die meer rokken en kasten en kemsoossies
+heeft dan alleman weet, en... ongeteld linnengoed, zieje! En vrinden
+onder bankiers, zieje, die 'm afhelpen van z'n obbeligaassies. 'n
+Gemeene vent zou honderdduizend gulden in z'n broodkast leggen,
+en daar vinden 't de kinderen als ze boter snoepen. Wat zeg jy, Trui?
+
+Trui had nooit nagedacht over dezen wel-eens uit het oog verloren
+grondregel van kriminalistiek. Althans Wouter vernam geen antwoord,
+schoon de nieuwsgierigheid hem noopte z'n broek aantetrekken.
+
+--Maar, hoorde hy op-nieuw z'n moeder vragen, wat is er dan toch met
+je gebeurd?
+
+--Wat er gebeurd is? Ik ben geschrokken... kyk, hoe ik bibber! De
+stad is vol moordenaars, juffrouw Pieterse!
+
+--Lieve-god, mensch, wat kan ik daaraan doen?
+
+--Niks, juffrouw Pieterse, heelmaal niks! Maar ik ben geschrokken,
+en kom je-n-om raad vragen. En... gaan Stoffel, en... Laurens,
+en... iedereen hier altyd zoo vroeg naar bed? Kyk, hoe ik nog
+bibber. Zou je wel gelooven dat ik niet naar m'n huis durf te gaan?
+
+--Maar waaròm dan niet? Denk je dat ze je vermoorden zullen?
+
+--Ja, juffrouw Pieterse, dàt denk ik! De moordenaars van die
+ouwe Mevrouw en haar dienstmeid loopen nog altyd rond--gister by
+de ullemenatie hebben ze god weet hoeveel horlogies gerold!--en de
+policie... weet je wat de policie doet? Ze kykt of iemand 'n vloerkleed
+uitklopt na tienen 's morgens... dàt doet de policie! Maar al die
+moordenaars laat ze loopen. Dat zeg ik!
+
+--Maar wat weet je dan van die moordenaars? Geef ze-n-aan, als je ze
+kent! Dat 's je plicht, mensch!
+
+Wouter trok z'n vest aan, en deed 'n dasjen om.
+
+--Wat ik er van weet! Ze belagen me-n-in m'n eigen huis! Is 't erg of
+niet? Ik ben van middag uit geweest, om 't hardzeilen op den Amstel
+te zien. Maar er was niets te kyk, omdat er geen wind was. En 't was
+heel vol op den weg, en by den Amstel ook, tot Ouwerkerk toe. Al die
+koningen waren er, en die vreemde prinsen en prinsessen, weetje,
+en de menschen keken naar de koetsen, en ik ook. Niet dat ik om
+'n koning geef, gut né! Want hy is 'n wurm in Gods hand, net als
+jy en ik, en als de Heer hem niet steunt... och al 't aardsche is
+maar gekheid. Stof en asch... geloof dàt maar! Maar ik keek naar de
+koetsen, weetje, en naar de paarden, en naar al 't volk... dat er naar
+keek. En ik dacht zoo by mezelf, als ik vanavend thuis kom, zal ik m'n
+aardappelen opbakken, want... die had ik over van van-middag, en als ik
+aardappelen over heb, bak ik ze 's avends altyd op, weetje. En er was
+groot gedrang by den Amstel, en 't speet ieder zoo dat er geen wind
+was, want de menschen zyn dol op plezier, en slaan geen acht op wat
+des Heeren is. Wereldsch waren die prinsen en prinsessen... kyk! Ja
+dacht ik, 't wondert me volstrekt niet dat er zoo erg gemoord wordt,
+en gestolen, want ze verzoeken God. En: de Heer zal jeluî wel krygen,
+dacht ik, maar Hy wacht z'n uur af. Want, juffrouw Pieterse, dàt
+doet-i altyd. Eén dame--'t mensch had roode puisten in 't gezicht,
+en was nog ouder dan jy, juffrouw Pieterse!--wat denk je dat ze-n-op
+'t hoofd had? 'n Tulleband, mensch! En ze zat in 'n koets met vier
+paarden. Is dat den Heer tergen of niet? Dat vraag ik maar! En ze
+speelde met 'n soesoe, en toen er 'n prins te-paard naast haar koets
+kwam, stak ze d'r hand uit het portier, en liet 'r soesoe driemaal
+op-en-neer gaan. En dat deed die prins ook. Waren ze mal of niet? En
+wat moet de Heer daarvan zeggen. Als er geen pestilentie komt...
+
+--Maar... wat is je dan toch overkomen?
+
+--Ja juist... wat me-n-overkomen is? Dàt zal ik je zeggen... maar
+ik beef nog zoo. Ik had m'n aardappelen aan schyfjes gesneden, en
+op 'n schoteltjen in de kast gezet. Want, dacht ik, als ik thuis
+kom, kan ik terstond aan 't bakken gaan, want ik hecht niet aan
+wereldsche dingen--want ik heb de genade, weetje--want ik dacht zoo
+by mezelf, dat ik niet lang onder al die menschen blyven wou... gut,
+juffrouw Pieterse, je moest... Stoffel roepen. Dan kan-i hooren wat
+me-n-overkomen is.
+
+Stoffel was reeds in aantocht, en dit deed Wouter genoegen. Hy had
+geruisch in de kamer naast zich gehoord, en grondde op Stoffel's
+opstaan de hoop dat ook hyzelf weer voor-den-dag zou mogen komen, om 't
+spannend verhaal wat meer op z'n gemak aantehooren dan door de porien
+van z'n kamervloer. Intusschen had hy zich geheel gekleed, omdat-i
+niet door juffrouw Laps wou gezien worden in z'n nachtpon. Hy nam nu
+waar dat Stoffel de, huiskamer binnentrad, en dat de bezoekster, na
+den gewonen groet en de plechtige verzekering dat ze nog altyd van 't
+bibberen niet spreken kon, de vraag deed: waar toch... Laurens bleef?
+
+Laurens? Wèl, hy sliep, en leverde door z'n neusgaten de demonstratie
+van 't pythagoreïsch vraagstuk, waarin hyzelf de hypothenuze zoo
+aanschouwelyk voorstelde.
+
+Dit zou juffrouw Laps volkomen onverschillig geweest zyn, als ze
+'t geweten had. Ze wist alleen--en 't hinderde haar erg, naar 't
+scheen--dat... Laurens zich niet bevond onder haar gehoor.
+
+Was dit misschien de reden dat ze zoo talmde met de katastroof? Moest
+juist... Laurens getuige wezen van de ontwikkeling en de
+uitbersting? Waarom toch?
+
+--Zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of de stad niet vol moordenaars en
+dieven is?
+
+Stoffel zoog z'n bovenlip naar binnen, en trachtte met de andere de
+punt van z'n neus te bereiken. De lezer wordt uitgenoodigd dezen
+mondgreep natebootsen, en hy zal, volgens de door my meegedeelde
+methode van ziel-ontdekking, nagenoeg weten hoe en wat Stoffel niet
+antwoordde op deze vraag.
+
+Juffrouw Laps hield zich of ze "ja!" verstond, omdat het zoo in haar
+kraam te-pas kwam. En dus:
+
+--Zie je wel, Stoffel zegt het ook! De stad is vol dieven en
+moordenaars, en... 'n fatsoenlyk mensch durft niet meer in z'n eentje
+naar bed gaan. Dat zeg ik!
+
+--Maar... juffrouw...
+
+--De policie? Gekheid! Wat helpt de policie, als je niet
+op God vertrouwt? Dàt 's 't ware! En wie dàt niet doet, is
+verloren. Menschelyke hulp... ik kan me niet begrypen dat... Laurens
+altyd zoo vroeg slapen gaat. Weet jelui wel, dat het niet gezond is
+zoo veel te slapen! Wat zegt de Schrift? Waak en bid! Maar... ieder
+z'n sinnigheid! Ik kan je voor God verklaren dat ik niet alleen naar
+huis durf, en...
+
+Hier vertoonde zich weer 'n "vinger!" Wouter's nieuwsgierigheid was
+ten hoogste gespannen. Om beter te kunnen verstaan stond-i in gebukte
+houding, en leunde met één hand op den rug van 'n stoel. Z'n steunpunt
+kantelde, de stoel gleed uit, knerste over den grond, bereikte 'n
+ander meubel...
+
+--Heere-jesis-kristis, wat 's dàt nu weer? kryschte de moeder. Ben jy
+'t, Laurens?
+
+Wouter piepte verlegen terug, dat het: "ik" was. Uit deze stoornis
+vloeide voort dat-i zich wist overteplaatsen in den kring waar zulke
+belangwekkende dingen werden verhandeld.
+
+Z'n entrée de salon had plaats onder de allerongunstigste
+omstandigheden. Hy werd hevig berispt omdat-i "nog" niet uitgekleed
+was, en...
+
+--Zet jy je bakker op, voor je je kleeren uittrekt?" riep de moeder.
+
+Zoo waar, de jongen had vergeten zich te ontdoen van z'n slaapmuts! Hy
+meende van schaamte te verzinken. Liever had-i àl 't andere gemist,
+dan dat eene te hebben!
+
+--En... wat heb je dáár?
+
+Helaas! Ons heldje was belachelyker nog dan men in-staat is zich te
+maken met 'n pluimmuts alleen. Er bleek dat-i zich gewapend had met
+den yzeren staaf die in voorhistorische dagen door z'n vader gebruikt
+werd tot recht-afsnyden van leêr. Gedurende 't begin van 't lapsisch
+verhaal dat zoo slecht vlotte, meende hy, dacht-i, hoopte hy...
+
+Nu ja, hy verstond iets van 't oude: "waar blyft Wouter?" Uit den mond
+der spreekster niet, o neen--'t waren immers juist de woorden die
+ze by-voorkeur niet uitsprak!--maar... hy meende ze toch te hooren,
+al kwamen ze tot hem van geheel anderen kant.
+
+Wel was-i dien vrydag laag en slecht geweest, onridderlyk en infaam,
+maar... hy bleef nog altyd Wouter!
+
+Moordenaars? Dieven? Een vrouw in nood, 'n dame--ze heette Laps,
+godbetert!--wat anders kon daarop volgen, dan:
+
+--Ce sera moi, Nassau!
+
+en..:
+
+--God laat die moordenaars maar begaan... ik niet! Ik, Wouter! Ivanhoe
+was-i gewis dien dag niet geweest... helaas! Doch er was toch nog
+altyd genoeg in hem van zichzelf, om niet lager te staan dan de
+slechtaard Brian de Bois-Guilbert, die toch ook niet wegliep voor
+gevaar, al was dan z'n gedrag jegens Rebekka hoogst-indelikaat.
+
+Slecht? Het zy zoo! Maar lafhartig ook? Dat zou te veel zyn.
+
+In zóó'n stemming had Wouter--hy scheen niet te weten dat ook z'n eigen
+felonie voortkwam uit lafheid!--tusschen z'n tweede kous en z'n broek
+in, den leder-lineaal gegrepen. En dat ding hield-i nog altyd in de
+hand, toen er door zoo'n zonderlingen samenloop van omstandigheden
+'n welgelukt beroep werd gedaan op z'n moed.
+
+O, eerbiedwaardige, korrekte, maar dikwyls laaghartige, toch
+altyd onschuldige, kansverevening, waarom moest ge dat onïngetogen
+ridderzwaard in-handen geven van iemand die vergeten had zich te
+ontdoen van z'n slaapmuts? Waarom niet die twee belachelykheden in
+billykheid over Stoffel en den held verdeeld? Waarom niet aan ieder
+wat? Den een de muts, den ander 't wapen? Of, beter nog, waarom niet
+Stoffel den hellebaard in de hand gedrukt, en den slapenden Laurens
+by uitsluiting belast met het torschen van den gepluimden diadeem? Wat
+kon het hèm schelen hoe hy er uitzag in z'n bed!
+
+Maar... 'n held, 'n ridder? En dat onder de oogen van de dame die hy
+beschermen zal!
+
+Arme Rebekka, wanneer Ivanhoe ware te-voorschyn gekomen met zóó'n helm!
+
+Wouter was woedend.
+
+En... ik ook! Op die kansverevening namelyk, en niet zoozeer om de
+boosaardige kombinatie van muts en degen. Zy is niet te vermyden,
+en de Don Ouixotten schikken zich. Weldra zien ze die pluimmuts voor
+'n stalen helm aan, en hun hemd voor 'n schubbejak.
+
+Niet dáárom alzoo ben ik boos. Ik zou waarlyk te veel te doen hebben,
+indien ik toegaf in de neiging tot zùlke verstoordheid. Maar om 'n
+andere samenvoeging die bedroevender is, en waarin 'n braaf ridder
+zich niet màg leeren schikken.
+
+Wouter was lafhartig geweest, toen-i Femke had behooren te kennen en
+te èrkennen. En... z'n gevloden ridderlykheid kwam tevoorschyn op 'n
+roep uit den mond van juffrouw Laps! Dit is erger dan belachelykheid!
+
+Tegenover reinheid had-i zich stug betoond, en arm aan ziel. De rykdom
+van z'n gemoed berstte weelderig uit, zoodra ze werd opgevorderd door
+'t gemeene. Is 't niet treurig?
+
+Dat de Don Quixotten weldra de onheraldische beteekenis van
+hun pluimmutsen over 't hoofd zien--lafaards wachten zich wel
+voor zulke gekheid!--is begrypelyk, en te vergeven. Maar wie--en
+op-den-duur--genoegen nemen zou met de verkrachting van zedelyke
+logika, met het tragisch-heterogeene...
+
+'t Huwelyk van rapier en muts was maar komisch!
+
+... wie op-den-duur zich tevreden stelt met... dat andere, hy is
+verloren! Hoogstens kan er 'n rykworder uit hem groeien, 'n schoonzoon
+van Kappelman, of zoo-iets.
+
+Goddank, Wouter zou 't leeren inzien. De zeer intelligente lezer
+begrypt immers dat-i anders geen geschiedenis hebben zou? Maar hy
+was nog in lang zoo ver niet, en meende al veel gedaan te hebben
+tot herstel van de zoo sarkastisch bedorven tooneelzetting, toen-i
+met driftig gebaar z'n wapen kletterend op den grond smeet, en z'n
+muts--flap!--op de tafel.
+
+Niemand had ooit geweten dat het manneke zoo driftig worden kon. Z'n
+moeder vroeg dan ook met de gewone belangstelling in 't welzyn van
+z'n zieltje: "of-i dan in gods-heeren-naam heelemaal bezeten was?" 't
+Had er veel van.
+
+De "vinger" van zoo-even zal wel weer de klauw van 'n duivel geweest
+zyn, of... van den Duivel, naar verkiezing van den lezer.
+
+
+
+--Ik zeg dat jelui 't kind niet zoo moet versagrineeren, zei de
+bibberende bezoekster.
+
+--Oogenblikkelyk naar je bed! riep de moeder.
+
+--Och, laat het kind zitten! Maar... wat ik je zeggen wou, juffrouw
+Pieterse, van m'n aardappelen...
+
+Wouter blééf. Dat-i dit kon, had hy te danken aan de algemeene
+nieuwsgierigheid. Heel gelukkig waarlyk, want ik heb z'n blyven
+hoognoodig voor de ekonomie van m'n vertelling.
+
+...verbeelje toen ik thuis kwam, zoo tegen half-elf... want ik kòn niet
+eer, om de drukte, weetje--anders... ik houd niet van remoerigheid,
+dat weetje wel--nu, toen ik thuis kwam--de stad is vol moordenaars
+en dieven, dit moet je wèl in 't oog houden!--toen waren m'n
+aardappelen... waar denk ie dat m'n aardappelen waren? Ze waren... weg!
+
+--Weg?
+
+--Weg!
+
+--Heelemaal weg?
+
+--Heelemaal... wèg!
+
+--Je aardappelen weg?
+
+--M'n aardappelen... heeeeelemaal... wèg!
+
+--Maar...
+
+--En ik zeg: dat hebben de dieven en moordenaars gedaan! Wie anders? Er
+zyn moordenaars op m'n zolder, en nu wou ik je vragen... want ik durf
+niet alleen thuiskomen...
+
+Wouter's oogen flikkerden.
+
+...ik wou je vragen of misschien... je zoon Stoffel...
+
+Stoffel zette 'n allerzonderlingst gezicht, dat zeker alle moordenaars
+uitmuntend zou bevallen hebben, omdat het 'n geruststelling bevatte
+voor de toekomst van 't métier.
+
+--Maar, juffrouw Laps, vroeg-i heb je dan geen kat in huis?
+
+--Een kat? Ben je mal? 'n Kat tegen moordenaars?
+
+--Né, juffrouw, niet tegen moordenaars. Maar 'n kat die misschien je
+aardappels heeft opgegeten?
+
+--Ik weet van geen kat! Ik weet dat de stad vol gemeen volk is, dat
+de menschen vermoordt zonder dat er 'n haan na kraait! Niet dat ik om
+m'n leven geef, gut neen, niet... zie zóóveel! Als de Heer me roept,
+zal ik zeggen: laat je dienstmaagd gaan in vrede. M'n oogen hebben
+je heerlykheid gezien! En dan...
+
+--Maar, mensch, waarom heb je niet op je zolder gezocht, of onder
+je bed?
+
+--Dat mòcht ik niet, juffrouw Pieterse! Wien God bewaart, is
+wèlbewaard, maar... men mag den Heer niet verzoeken! Op m'n zolder
+ga ik niet, en onder m'n bed kyk ik niet, voor alle wereldsch
+goed niet! Want dáár zit-i zeker! En juist daarom wou ik je vragen
+of... je zoon... Stoffel... of--als Stoffel geen senie heeft--byv. je
+zoon... Laurens, of...
+
+--Maar... waarom heeft uwe niet liever de buren er by geroepen,
+juffrouw?
+
+Aldus sprak Stoffel.
+
+--De buren? Nou, je moet ze kennen, die buren! De man onder me durft
+geen schoothondjen aan, laat staan, 'n moordenaar! En naast me woont
+er een die... wat zal ik je zeggen, 't is 'n jonkman, en je weet dat
+ik me niet graag in opspraak breng. Want... 'n mensch moet zorgen
+voor z'n fatsoen, en nooit ergernis geven, dat weet je-n-ook wel.
+
+Niemand kwam op de gedachte, haar te vragen wie of wat Stoffel dan
+voor 'n wezen was? Géén jonkman? Zoud-i misschien "door z'n school"
+boven wereldsche verdenking verheven zyn?
+
+--En bovendien, ging de verlokster voort, meen je dat al die mannen
+kerasie hebben? Ik zeg neen! Ze zyn zoo bang voor 'n dief, als de
+dood. Verleje week stond er 'n brittale bedelkerel in 't pertaal,
+en de vent wou niet weg. Denk je dat ze 'm aandurfden? Maar ik,
+ik pakte hem flink beet, en...
+
+Ze versprak zich, en bemerkte het:
+
+... nu ja, dat zou ik gedaan hebben als ik niet 'n vrouw was
+geweest. Want vrouwen moeten zich nooit inlaten met ruwigheid. Dat
+stáát niet... wat zeg jy, Trui? Ik liep weg, en sloot m'n kamer,
+zieje! Neen, kerasie hebben al die manlui niet!
+
+"Al die manlui!"
+
+Wouter voelde zich beleedigd, en beefde van ingehouden strydlust,
+of althans van begeerte om te toonen dat hy niet behoorde onder zùlke
+"manluî." Juffrouw Laps merkte 't wel.
+
+--Nu, als Stoffel 't niet graag doet...
+
+--Om je de waarheid te zeggen, ik...
+
+... en als Laurens al slaapt. En als... niemand er senie in heeft...
+
+Ze stond op.
+
+... nu, dan zal ik, op God vertrouwend, in m'n eentje... maar griezelig
+is 't voor 'n vrouw alleen!
+
+Ze zag allen beurtelings aan, behalve juist den eenen tot wien ze
+sprak. Wouter moest zich vergeten voelen, over 't hoofd gezien, en
+daardoor geprikkeld tot den eisch om beschreven te worden onder de
+ridderschap van den huize.
+
+... als dan hier niemand is, die durft...
+
+--Ik durf, juffrouw!
+
+Allen stonden verbaasd, behalve onze menschenkenster die niets anders
+verwacht had, maar toch geraden vond zich even verbaasd te houden
+als de rest.
+
+--Jy?
+
+--Jy, Wouter?
+
+--Jongen, ben je gek? Jy?
+
+--Ja, ik! Ik durf, al waren er tien op je zolder, juffrouw, en duizend
+onder je bed!
+
+Hm, zoo'n kleine Luther! Maar er was verschil. Luther had 'n
+God, waarop-i meende te kunnen rekenen... met behulp van 'n paar
+keurvorsten... nu ja, die behoefte hadden aan troebel water. Onze
+Wouter--zònder keurvorsten!--trok als 't ware ten-stryde tégen den
+god, die toegelaten had dat er duizend en eenige moordenaars onder
+'t dak en bed van juffrouw Laps konden zitten.
+
+--Maar, jongen!
+
+--Ik durf!
+
+--Och, laat hem begaan, juffrouw Pieterse! Je begrypt... het is
+altyd 'n gezelligheid voor me, zoo'n kind by me te hebben! Zieje,
+dan griezelt het me minder, als er misschien 'n moordenaar op zolder
+zit. 'n Mensch wil aanspraak hebben, niet waar?
+
+Ze bereikte haar doel: onze Wouter werd haar meegegeven. Met z'n
+nachtpon en bakkersmuts in 'n pakjen onder den arm, verliet hy
+'t huis. De yzeren staaf werd achtergelaten, omdat juffrouw Laps
+verzekerde dat zy 'n wel gevuld tuighuis had van gereedschappen
+waarmee men zooveel moordenaars kon doodslaan als men verkoos.
+
+De oorzaak dat de Pietersens zoo gemakkelyk toestemden in Wouter's
+benoeming tot slotvoogd, lag voornamelyk in ydelheid. Eigenlyk keurde
+het geen der leden van 't koncilie goed, dat de jongen meeging met
+juffrouw Laps, maar de familie was groots op z'n moed. De zaak zou
+bekend raken, oververteld worden, en juffrouw Pieterse zou wel zorgen
+dat er bygevoegd werd:
+
+--'t Is dezelfde jonge-heer, weetje, die laast geleseerd heeft by
+dokter Holsma op den Kolveniers-burgwal.
+
+"Ja, ja, er zit wel wat in die kinderen van diezelfde Juffrouw
+Pieterse!" zou dan deze of gene de goedheid hebben te antwoorden.
+
+En zoo-iets hoort men graag.
+
+Dáárom kreeg juffrouw Laps ditmaal haar zin.
+
+Maar... Fancy?
+
+Preutsch was ze niet!
+
+Dat verloochenen van Femke vond zy èrger!
+
+Doch ook dáártegen zou ze raad weten, zy die alles was, alles wist,
+alles kon, tot het regelen van de kans-verevening inkluis.
+
+Niet tevreden--o neen!--maar kalm toch, en geenszins wanhopend, ging
+ze met haren arbeid voort. Er was meer spot dan smart in haar gelaat,
+toen ze Wouter dien avend den weg zag inslaan naar de woning der
+oefenaarster. Ze toonde hierdoor hooger te staan dan de engel die door
+Moritz Retsch tot droefgeestige getuige wordt gemaakt van de nederlaag
+des jongelings die op 't schaakbord z'n ziel aan den duivel verspeelt.
+
+Hm... in één party?
+
+Moet dan het behoud der ziel afhangen van één veronachtzaamd: gardez
+la Reine?
+
+Waarachtig niet!
+
+Men zou wenschen geen ziel te hebben, als ze zóó snel kon verloren
+gaan!
+
+Eilieve, dan immers stond de party tusschen God en Duivel niet gelyk?
+
+Hoe! Eén misstap, ééne dwaling, één vergissing, zou naar de hel kunnen
+voeren, en na 'n lang leven vol moeite, arbeid, onthouding en stryd,
+is er nog 'n byzondere genade noodig om in den hemel te komen?
+
+Dit moet 'n dwaling zyn! Maar... 'n dwaling die 't verklaart, waarom
+de galerie zoo gaarne voor den Duivel parieert! En waarom er zooveel
+speciaal-kunsten worden uitgevonden om God 'n beetje te helpen in
+z'n ál te ongelyke kans.
+
+Dit hoeft niet!
+
+Fancy zal zich weten te redden. Zich, en... hem dien ze aanraakte
+met haar vleugel.
+
+Ze laat hem begaan, en doet--als ik!--haar werk. En:
+
+
+ ... doet, als ik, haar werk!
+ En spint den vlok tot draad, en weeft den draad
+ Tot doek, waarop zy, eindloos voortbordurend,
+ Den loop van al wat is, te aanschouwen geeft.
+ En wie 't verband ontkent, is schuldig blind,
+ Ter nauwernood onschuldig wie 't niet kent!
+
+
+Van dit alles wist Wouter niets. Z'n onkunde mag wel een der oorzaken
+geweest zyn van de rilling die hem bekroop, toen-i met juffrouw Laps
+de trap van haar woning opging.
+
+'t Eerste wat ze hem aanbood, bestond natuurlyk in de gebakken
+aardappelen die opgegeten waren door al die gulzige moordenaars.
+
+Hu! Wouter verbeeldde zich dat-i zou hebben raad geweten met
+Schinderhannes in hoogsteigen persoon. En al blyft het nu de vraag,
+of z'n--ongeoefende!--moed niet op 't beslissend oogenblik in de
+schoenen zou gezakt zyn, hy méénde toch dat-i durfde. En hy was dan
+toch begonnen met Schinderhannes inderdaad optezoeken...
+
+Maar... alleen te wezen met die gebakken aardappelen, en met die
+walgelyke vrindelykheid--wat ranser was wist-i niet!--daar hoort
+méér toe!
+
+Hy voelde berouw over z'n veronderstelden moed, en begreep niet
+hoe hy z'n heldentocht had kunnen aanvangen zonder te letten op de
+onvermydelyke byzaken.
+
+Wèl beschouwd, was-i toch maar liever in een der driehoekjes gekropen,
+die Laurens gewoon was zoo grootmoedig ter zyner beschikking te
+stellen.
+
+
+
+
+
+
+
+ De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders
+ van deze eeuw. "En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn
+ knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan
+ hem uit." Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd
+ werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van
+ beschermengelen.
+
+
+--Tast jy maar gerust toe, m'n jongen, en seneer je niet! Of wil je
+misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch van-nacht
+hier blyft, zieje, om op me te passen...
+
+Wouter hield z'n jasje voorloopig aan.
+
+En... 'n lekker likeurtje heb ik ook voor je... 't is beste! Van
+Fockink, weetje, die z'n fabriek heeft in... die nauwe straat, je
+weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar wonen gemeene
+vrouwluî, en die staan aan de deur, zieje, en dat 's niet goed voor
+'n jonkman als jy.
+
+De "jonkman" Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou jokken als ik zei
+dat-i boos was. Juffrouw Laps had met aanbiddenswaardige handigheid
+hem 'n paar tweede-luitenants epauletten op schouder gespykerd... z'n
+eersten rang! En welke jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot
+jonkman was streelender nog dan 't "in den handel" zyn.
+
+Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z'n nieuwbakken
+hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze
+verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort
+worden toegemeten.
+
+--Wel wis en zeker, Wouter, je bent 'n jonkman, wist je dat niet? 't
+Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig behandelen. Ik zeg dat
+je-n-'n jonkman bent, zoo goed als de beste! Denk je, byv. dat ik
+zooveel van... Stoffel houd als van jou? Waarachtig niet! Volstrekt
+niet! In 't geheel niet! Ik houd veel meer van jou. Wil je-n-'n pyp
+rooken? Je bent er mans genoeg toe. Wel zeker, waarom zou je niet
+'n pypie rooken, net als andere mannen?
+
+"Mannen!"
+
+Help, Fancy!
+
+Wouter antwoordde dat-i "nog niet" rooken kon. 't Kostte hem moeite
+dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel kinderachtigheid, maar
+hy moest wel oprecht zyn omdat 'n eerste poging om Stoffel natedoen
+in deze uiting van mannelykheid, zoo byzonder ziekelyk was afgeloopen
+dat het voorstel tot herhaling hem schrik aanjoeg.
+
+--Zóó? Rook je niet...
+
+Ze liet het, "nog" weg.
+
+...rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is 't 'n verkeerde gewoonte
+van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die niet
+rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel--hy is zoo oud als jy, maar
+wat kleiner, en vryt met 'n nichtje van me--die rookt ook niet.
+
+Iemand zoo oud als hy, maar kleiner, en die al aan "vryen" deed:
+help, Fancy!
+
+--Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet
+wanneer. Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat
+je-n-'n effetieve jonkman bent. 't Is heel mal dat ze je-n-altyd
+behandelen als 'n kind! Dàt heb ik wel al honderdmaal aan je
+moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om 'reis te noemen... zooeven
+op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar 'n zwakke vrouw ben,
+weetje? En 't was nacht, niet waar? Denk je dat ik nog bang was, toen
+jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? Wèl, omdat ieder zien kon
+dat ik 'n manspersoon by me had. Ik had je best 'n arm kunnen geven--je
+bent heusch grooter dan ik--maar ik deed het niet, omdat je-n-'n pakje
+droeg. En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht
+had het kunnen zien, en dan in de buurt overal rondvertellen dat ik
+'s nachts met 'n heer liep.
+
+"Met 'n heer!"
+
+Fancy!
+
+--Want 'n mensch moet altyd zorgen voor z'n fatsoen! Hier
+binnen'skamers is 't wat ànders, heel wat anders! Gut, ik weet wel
+dat jy geen kwaad van me vertellen zult. Wie 'n vrouw bekladt, is
+geen ware man, dit weet je-n-ook wel.
+
+Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z'n besef van loyauteit,
+dan helderheid in 't begrip van: "bekladden." Hy vertaalde juffrouw
+Laps' maxime in z'n boekentermen, en las voor: "vrouw" en: "man"
+de hem gemeenzamer uitdrukkingen: dame en: ridder.
+
+'t Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf verwachten
+of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware geweest
+over de likeur--par impossible, want ze was van Fockink--of dat
+de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar bejaardheid had
+gesmaakt--onmogelyk alweer, want ze bakte met boter, die niet eens veel
+slechter was dan de gewoonte der hollandsche vervalschings-industrie
+meebrengt--jazelfs al had-i grond gevonden tot het maken van
+gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder Wouter dame Laps
+zou hebben geschandvlekt? Nooit... "by m'n zwaard!"
+
+De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit intezien,
+of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. Voor
+iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was 't
+inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om
+de belegerde vesting. Had ze inderdaad menschkunde bezeten, ze zou
+geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan
+had ze tevens--door geestelyke oefening veredeld!--geen lust gevoeld in
+zulke krygstochtjes en dus 't heele vestinkje met vrede gelaten. Zooals
+nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en kwaad het gaan wilde,
+maar voort met de kleine middeltjes die leiden moesten naar 'n
+mikroskopisch doeltje.
+
+Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen
+die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet boozer
+op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de
+wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen
+dokter in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou
+geweest zyn het mensch voorby- of natestreven op 't zielkundig
+terrein dat ze hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens
+'t hare was. Want--wie zal dit begrypen?--haar scherpzinnigheid was
+minder wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou 'n man--overigens gelyk
+begaafd--uit de sobere gegevens die hààr tendienste stonden, een zóó
+praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En,
+omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd,
+wanneer niet haar kinderachtig plannetjen in-verband had gestaan met
+verwrongen geslachtsdrift.
+
+Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te
+kussen! Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van 'n paar
+gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand
+verdediging mogelyk was?
+
+En... Fancy? Wendde ze treurig 't hoofd af? Meesmuilde zy? Begon ze
+te schreien? Brak zy in jammerklacht uit?
+
+Teekent haar de artist--die m'n werken illustreeren... zou, als ik
+'t geluk had geen Hollander te zyn--wordt ze hier door den schilder
+voorgesteld in gebogen houding, handenwringend?
+
+Vlucht ze heen?
+
+Wat toch doet hier onze Fancy?
+
+Komaan, artisten--die m'n werken niet illustreert, omdat ik maar
+'n Hollander ben, in-plaats van 'n zevende-klas buitenlandsche
+beroemdheid!--komaan, ik zal u helpen. Weg met die tranen op Fancy's
+wangen...
+
+Een geest weent niet om zoo weinig...
+
+Weg met die geknakte gestalte...
+
+Geesten bukken niet onder zoo geringen last!
+
+Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van
+dit alles!
+
+Kalm en ernstig--'n glimlach misstond er niet by!--zette zy haar
+kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar op die bovenkamer
+iets te véél... welnu, er zou méér geschieden, elders of hier!
+
+Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning...
+
+Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de
+natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort
+komen omdat haar feiten òpraken.
+
+Aventuur op aventuur! Is 't u te veel? Ei, ziedaar... 'n nieuwen schok!
+
+Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dàn 'n nieuwen
+takel aan de koord geslagen... ze kan méér dragen, méér heffen,
+en knappen zal ze niet!
+
+Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst
+met 'n orkaan!
+
+En ze glimlacht!
+
+Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet
+B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet!
+
+Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze.
+
+Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al
+gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe
+vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den
+adem van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken.
+
+De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde
+voor 't gelukken der menschenkennige kunstjes van juffrouw Laps. En
+ik verzoek hem uit-bestwil, z'n deel te nemen van die kalmte.
+
+Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer daarvan!
+
+Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was
+'t slagen zéker?
+
+Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor 't goede dan de
+verleidbaarheid van 'n halfwassen jongeling, al zy het dan dat de
+zoetigheid van Fockink's likeurtjes, en de nog zoeter drang van
+gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het booze!
+
+Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden "val"--och, arm!--blyft
+het misschien de vraag, of 't Fancy de moeite waard wezen zou de
+wapens aantegorden in 'n stryd van zoo weinig belang? Dat... "booze"
+was maar ordinair.
+
+Wanneer ze 't doet, geschiedt het waarschynlyk uit luim
+alleen. Want... luimig is ze. Luimig als 't spel, als 't weder,
+als de wereldgeschiedenis, als alles wat òns luimig toeschynt omdat
+ze dom zyn, beginnertjes maar in de moeielyke studie van 't rerum
+cognoscere causas! [1]
+
+En àls nu eens onze Fancy--uit zoogenaamden luim dan!--mocht blyven
+versmaden 't belaagd jongetje by-tyds de hand te reiken, àls...
+
+Juffrouw Laps was 'n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me,
+lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan
+volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling
+ligt aan de vermeende eischen van 't boekmakers-ambacht. Sedert
+onheugelyke tyden gebruiken de heeren van 't métier, dergelyke
+zaakjes als hoofd-katastroof. 't Afgezaagd: "en ze viel!" is de
+lievelings-kataklysme tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen.
+
+Ze, ja, ze! Want in-verband met de duurte der voedingsmiddelen, en de
+daaruit voortspruitende behoefte aan 'n "fatsoenlyk huwelyk"--ik erken
+volmondig die behoefte, doch alleen: "omdat uwe harten boos zyn"--is
+'t vallend voorwerp gewoonlyk 'n stumperige "zy."
+
+Welnu, die "zy" begaat 'n fout als ze valt. Men moet niet vallen. Al
+vinden de lezers--die de zaak hardschreeuwend afkeuren!--zoo'n "val"
+allerplezierigst, en 't onmisbaar element in 'n "mooi" boek: men moet
+niet vallen!
+
+En wanneer by uitzondering de valler 'n "hy" is ...
+
+Minder pikant, omdat de maatschappelyke pozitie daardoor niet aan 't
+wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed ongeschikter
+voor den "handel" geworden zyn wanneer-i z'n jasje had uitgetrokken,
+en z'n... vestjen er by!
+
+... als er 'n "hy" valt...
+
+Wèl, dan heeft-i 'n fout begaan, 'n Mensch moet niet vallen. Hy heeft
+beter dingen te doen.
+
+Doch--"hy" of "zy" dan--leugen is 't, zulke nietigheidjes voortestellen
+als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis!
+
+Dààrtegen protesteeren Jezus en ik.
+
+Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó makkelyk komt men niet in
+de hel! Zóó ligt is de taak van den Satan niet! Dat mocht-i willen,
+de oude stumpert!
+
+Leugenachtig dus is die triumfelyke voorstelling van 't kwade. Zoo
+overdryven kwakzalvers 't gevaar van 'n lichte ongesteldheid, om hun
+poeiertjes aan-den-man te brengen.
+
+En leugen is 't ook uit 'n aesthetisch oogpunt, als men van zulke
+armzalige gegeventjes alleen, 't zedelyk schoon of de leelykheid
+eener figuur wil laten afhangen.
+
+Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps 'n handje te helpen in
+haar plannetjes--'t staat aan my!--om te doen in 't oog springen
+dat m'n heldje, zóó gevallen, nog altyd redelyk wel tot stáán kan
+worden gebracht. Maar ik heb 't recht niet, m'n Fancy vóórtegrypen,
+die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook,
+dat zy me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen
+dat zulke valgeschiedenissen...
+
+Met... dàt, kan men goed zyn, of goed worden.
+
+En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat!
+
+Vlek is vlek, bezoedeling is bezoedeling: geen genade voor de minste
+afwyking van de wetten der zedelyke logika...
+
+Zóó immers wordt "deugd" by denkers genoemd?
+
+Maar die zedelyke logika zou verkracht worden door de ongerymde
+machtsverheffing van 'n zweertje tot kanker.
+
+'t Is lasteren van de deugd, haar by-uitsluiting te zoeken in 't
+vermyden van zulke mis... greepjes.
+
+En we doen aan de ondeugd te veel eer, als we haar vervloeken pour
+si peu!
+
+Goddank, er zyn--'t geringe niet minachtend--verhevener dingen
+te bejagen!
+
+Goddank, er zyn--zonder de minste vergoelyking van
+pekelzondjes--vreeselyker zaken te vermyden!
+
+De te grypen eerekroon in 't strydperk der Mensheid, hangt hóóger. En
+wel is 't jammer dat zooveel mislukte gladiatoren krom groeiden door
+de opgedrongen hebbelykheid om steeds te bukken naar den lagen prys
+dien ze deelen met 'n eunuuk.
+
+Excelsior, heeren schryvers en lezers en deugdwetgevers en
+onthoudingpreekers, en verdere gladiatoren in miniatuur!
+
+Komaan, moralisten, al hàd nu eens onze Fancy geslapen dien nacht,
+of al wàre ze 's morgens ontmoedigd weggeklept naar 't hof van
+Wouter's moeder, om daar de treurmare te brengen dat prins Upsilon
+gestruikeld was...
+
+Zou ze niet met 'n strenge vermaning zyn teruggezonden naar 't
+zoo ontydig verlaten strydperk? Liep ze niet gevaar--zyzelf nu, de
+wachtster!--veranderd te worden in 'n zandkorrel, wegens al te grove
+miskenning van haar plicht?
+
+Er hoorde moed toe--krankzinnigheid liever!--dáár aantekomen met
+de boodschap:
+
+
+ Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der geesten:
+ 't Hemelsche Ryk heeft 'n eind ... maak voor uw meerdere plaats!
+ Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, godbetert,
+ Met 'n compositum mixtum. [2] van vleipraat en Fockink's likeur!
+
+
+Wat de geesten zouden gelachen hebben!
+
+Wanneer Fancy aldus gesproken had, zou zy inderdaad één element
+van bederf dat den vyand ten-dienste stond, hebben overgeslagen. De
+fleemery met het verrassend jonkmanschap miste niet allen grond. Wouter
+was inderdaad opweg om 'n jonkman te worden. Misschien wàs-i 't
+al. Wie hem dit kwalyk neemt, moet ook afkeuren dat z'n bovenlip
+begon te roepen om... den barbier wel niet, maar om de schaar toch.
+
+--Zoodat ik maar zeggen wil, dat je nooit die steeg moet passeeren. Als
+je-n-'n kind was, zou 't geen kwaad kunnen, want 'n kind heeft geen
+erg. Maar jy!
+
+Zeker, hy moest "erg" hebben! En z'n jeugdig kneveltje was er volstrekt
+niet tegen om "erg" te krygen. "Al wat van zelven wast, behoeft men
+niet te zaaien!" zei Kamphuizen. Onze hovenierster liet het daarop
+niet aankomen, en zaaide zoo hard ze kon. Zelfs was ze niet afkeerig
+van 't begieten.
+
+--Laat my je nu reis inschenken...
+
+Wouter dronk.
+
+En ... Fancy?
+
+Ze glimlachte!
+
+Allerlichtzinnigst voor 'n hofdame uit het gebied der geesten?
+
+Toch niet!
+
+--Hoe vind je nu dàt likeurtje?
+
+Wouter erkende...
+
+Fancy, Fancy!
+
+Wouter erkende dat-i smaak vond in de parfait-amour uit de steeg
+die-n-i niet passeeren mocht omdat-i te groot geworden was om zich
+welstaanshalve te onthouden van "erg".
+
+En 't winkelmeisje van Satan schonk hem nog eens in. De glaasjes waren
+zoo klein, zei ze, ware notendoppen! Nu ja... doppen van zeer groote
+noten dan.
+
+--En, je moest er wat by eten ook, m'n allerbeste jongen--gut, ik
+heb altyd zooveel van je gehouden--dat 's zoo gezond by 'n likeurtje!
+
+God-vergeef-'m-de-zonde, Wouter begon te eten ook! Nog 'n oogenblik,
+en hy zal zich thuis voelen, àl te thuis!
+
+Fancy, ben je blind?
+
+--En trek jy gerust je jasjen uit, m'n lieveling! Je moet denken,
+we zyn hier onder ons beidjes.
+
+Een koninkryk voor 'n nieuwen vloek, o goden: onze Wouter trok
+waarachtig z'n jasjen uit!
+
+Fancy!
+
+--Heelemaal met ons beidjes, zieje!
+
+Fancy, ben je doof?
+
+--En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je zoo'n lieve
+beste jongen bent...
+
+Fancy... deern!
+
+Wouter schikte by.
+
+Wie dáár niet wanhoopt, moet geen hoop te verliezen hebben!
+
+Och neen!
+
+Ik zeg juist andersom: wie dáár wanhoopt, had nooit behoorlyken grond
+voor z'n hoop!
+
+"Maar, eilieve... dat is de ware echte oude: zal-i,
+zal-i-niet-litteratuur!"
+
+Ja, lezer! In stipt-letterlyken zin, ja! Maar overigens?
+
+Meent ge dat ik Wouter in den hemel helpen kan, zonder hem te leiden
+langs àlle paden die men moet doorworstelen om daar aantelanden?
+
+Dacht ge dat hy ooit den rang die hem by geboorterecht toekomt, weder
+zou kunnen innemen zonder in 't leger der Menschheid als rekruut te
+hebben dienst gedaan van de patroontasch af?
+
+Mocht iemand, in-weerwil hiervan, aanmerking maken op Fancy's leiding,
+dan ligt de schuld aan hem. Het lage bestààt. Wie 't loochent,
+liegt even misdadig als de miskenner van 't hoogere, van 't goede,
+want zonder laagheid is er geen hoogte denkbaar.
+
+Niet in de schildering van dat lage ligt de fout, de fout ligt in
+'t sierlyk aankleeden van 't gemeene, en vooral in 't belangryk maken
+van onnoozele lapsische platheid.
+
+Hoort ge nog altyd niet, hoe Fancy schatert van lachen over 't
+veldtochtje van haar stumperige vyandin?
+
+De nietigheid van zulke zaakjes rechtvaardigt zoo'n wyf niet. En ook
+onze kleine man liep gevaar... schuldiger te worden dan geoorloofd was,
+zelfs aan de nuchterheid van 'n kind.
+
+Want ieder moet geoordeeld worden naar den maatstaf dien-i omdraagt
+in z'n eigen gemoed, en Wouter voelde heel goed dat-i zich bevond
+op... onfatsoenlyk terrein. Zóó ongeveer zoud-i de zaak gekwalificeerd
+hebben, als-i genoopt ware geworden z'n indruk te vertolken in
+'n woord.
+
+Maar... dit zeer betrekkelyk schuldbesef verheft de zaak, als zoodanig,
+niet tot 'n wereldberoerende kalamiteit, tot 'n casus diluvii! Och, wat
+zouden we weinig droge jaren hebben als er 'n god was die regenplassend
+toornde over zùlke ... kostschooljongensvergrypen!
+
+Nogeens, juffrouw Laps wàs 'n slecht schepsel. Om 't beoogde feit
+niet zoozeer, maar... ze veroorloofde zich zulke feitjes te beoogen
+omdàt ze nu eenmaal 'n slecht schepsel was. Godsdienst, vochtmenging,
+zittende levenswys, en 'n tal van dusdanige ziekten meer, zouden
+kunnen worden aangevoerd ter verligting van schuld. Ik kan me zelfs
+'n zéér hoog standpunt denken, vanwaar zou mogen worden gekonkludeerd
+tot finale vryspraak.
+
+Maar op dàt standpunt plaats ik me nu niet, heden niet! Ze was
+inderdaad 'n slecht schepsel, en daarmee voor 't oogenblik: uit! Of
+zou men misschien...
+
+Ik beweer vandaag alleen dat ze ... niet zeer byzonder was. Niet zeer
+buitengewoon. Niet zeer belangwekkend. Geen kunstenares van eersten,
+noch zelfs van eenigen rang. Geen exploitatrice van ryk terrein. Geen
+hóóggeplaatst ambtenaresje van den Duivel...
+
+Och, in myn oog zou 't mensch zoo weinig kontritie behoeven om recht te
+hebben op 'n goedig: "uw zonden zyn u vergeven, ga heen en... arbeid!"
+
+Want, lezer, er zit veel luiheid onder de oorzaken van zulke
+afdwalinkjes. Menigeen toont zich wat wulpscher dan noodig en behoorlyk
+is, omdat-i te weinig te doen heeft, of te ... denken.
+
+Misschien had juffrouw Laps de "deugd" van ons kereltje met rust
+gelaten, wanneer men in-plaats van met God, Israël en hysterische
+theologie, haar pover zieltje gevoed had met... gedachten. Wasschen,
+schuren, boenen, is ook goed. Jazelfs, 't verstellen der onderbroeken
+van 'n pastoor.
+
+Wat Femke rein en gezond bleef by de bezigheid die skabreus zou hebben
+toegeschenen aan besmette zieken!
+
+Ziek, ziek ... ziedaar 't woord! Juffrouw Laps was ziek!
+
+Hoe is 't mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest naar den waren naam
+van haar kinderachtig slechtheidje! Dit was dom en verschoold van
+me. De lezer bedenke dat ik veel boeken heb gelezen. Toch beloof
+ik beterschap, en als blyk van berouw verbind ik my ter-zyner-tyd
+ziekteverschynsels van erger soort te schetsen. Ik zal me die laten
+leveren door Feith, dominee Hasebroek, en meer lui van dergelyk
+allergodzaligst kaliber. Die voorbeelden zyn van 'n aard, dat men byna
+achting zou gaan voelen voor juffrouw Laps. De lezer heeft immers
+opgemerkt dat ze haar "God" wegliet by de zaak? Geschiedde dit uit
+schaamte? Uit diskretie? Uit besef van overbodigheid? Uit vermoeienis
+van 't gehuichel? Uit gebrek aan bedrevenheid in toonzetting, en vrees
+alzoo voor--vermeenden--wanklank? Hoe dit zy, in al haar geknoei had
+het schepsel de verdienste der Sancta Simplicitas. Ze theologizeerde er
+niet by, en poogde niet Wouter in den waan te brengen dat-i dezen of
+genen "Heer" 'n pleizier deed door 't uittrekken van z'n jasje. Dit,
+of zooiets, trachten die andere verlokkers wèl! Blyvende erkennen dat
+ons Lapsjen aan zeer ziekelyke aandoeningen leed, wordt het waarlyk
+tyd eens voor-goed de symptomen te leeren kennen die den geneesheer
+in-staat stellen lichte verkoudheden te onderscheiden van kwaden droes,
+huiselyke namiddagkoortsjes van... pest!
+
+Wouter, overigens... goed, of althans niet volstrekt ziek nog, zou
+'r geen grein boozer om geworden zyn, al ware... de likeur van den
+hoogstberoemden Nederlander Fockink nog 'n graad of wat sterker
+geweest.
+
+Hierom zeker veroorloofde zich de guitige Fancy te lachen. En ze wrong
+zich nog altyd de handen in 't minst niet, zy die toch blyk gaf van
+strengheid, door zich verstoord te toonen over Wouter's félonie van
+den vorigen dag!
+
+Fancy was, en is... liberaal!
+
+Te liberaal?
+
+Voyons!
+
+Beste lezer--ik bedoel: gy die onder al m'n lezers de minst onoprechte
+zyt--stel u eens op 'n plaats waar zeer veel menschen voorbygaan. En
+houd boek!
+
+Tel, weeg, meet en noteer de tranenstroomen die al dezen voorbygangers
+langs wang en kleeren gudsen. Tel de jaren gewrongen handen, de
+dozynen wanhopighedens, de duizenden gescheurde opperkleeren, de
+legioenen opengereten boezems...
+
+Verzamel eens al de asch die de voorbygaande dames en heeren zich
+op 't hoofd strooiden sedert den misstap van de bekende soort, die
+eenmaal voor elk hunner de traditioneele "eerste" was...
+
+Komponeer vertwyfelings-hymnen uit al 't geween, 'n de profundis uit
+het gekners der tanden...
+
+Bevolk 'n zoölogisch muzeum met al de wurmen die 't gezelschap
+inkommodeeren met hardnekkig knagende onsterfelykheid...
+
+En dan...
+
+Zeg eens, minst-onoprechte lezer, vertoont zich niet, by de
+statistiek van al dien berouwjammer, onze aarde als 'n vóórhel? Als
+'n pleisterplaats van verdoemden?
+
+Toch kan en moet al die zoo zorgvuldig opgezamelde ellende slechts
+gevolg zyn van nederlaagjes als die waarmee Wouter bedreigd werd,
+van krizes als waaraan hy was blootgesteld.
+
+Want... zulke krizes en zulke nederlagen bestaan! Ze liggen in den
+aard der dingen, en laten zich zoomin vernietigen--'t kinderachtig
+wègdenken helpt niet!--als 'n atoom of 'n zon. Zoomin loochenen als
+wiskunstige waarheid.
+
+Wie nu by zoodanige mensch-inspektie al de genoemde akeligheden niet
+ontwaart, wie niet stuit op de sporen die "zonde" nalaat, op zùlke
+sporen van zùlke zonden...
+
+Want er zyn anderen wier hoogtreurige beteekenis ik niet ontkennen
+mag, helaas!
+
+Wèl, hy moet erkennen dat Fancy groot gelyk had de zaak luchtigjes
+optenemen, en niet den minsten last te geven tot het ilico op-stapel
+zetten van 'n goferhouten ark, van-binnen en van-buiten bepekt met pek.
+
+Onder ons gezegd--en niet gebleven, naar ik hoop!--het komt me voor,
+dat de god van Genesis VI zich kleingeestig aanstelde, en dat het
+z'n eer niet te nà zou geweest zyn ter-school te gaan by Fancy.
+
+Maar sterk wàs de likeur, dit is waar!
+
+En dat Wouter er meer van dronk dan goed was--voor z'n maag vooral!--is
+ook waar.
+
+Hy verloor dan ook iets van z'n bedeesdheid, en antwoordde een-en-ander
+op de praatjes van juffrouw Laps, die hiermee zeer in haar schik
+was, al bleek er dan ook telkens dat zy en haar kleine gast niet uit
+denzelfden sleutel zongen.
+
+Dat zou straks wel beteren, hoopte ze.
+
+Van-tyd tot-tyd dacht Wouter aan de eigenlyke reden van z'n komst,
+of althans aan wat daarvoor was opgegeven. Z'n gastvrouw scheen
+alle dieven en moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, en
+spreidde by Wouter's herinnering daaraan, 'n dapperheid ten-toon,
+die hem alleraangenaamst was. Want... de zyne was geweken.
+
+'t Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z'n
+aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z'n slecht gezelschap.
+
+--Ik zou ze... denk je dat ik bang ben voor 'n kerel? zei juffrouw
+Laps. In 't geheel niet! Voor geen drie! Voor geen tien! Voor de
+heele wereld niet! Ik zou ze...
+
+Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefde hy niet te... zouwen.
+
+Daar ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel
+kind.
+
+--Blyf jy hier, riep 't wyf, ik ga kyken, ik! Denk je dat ik jou wil
+laten slaan of steken of vermoorden, m'n jongen ... dat nooit! Wie aan
+jou komt, komt aan my ... aan my, hoorje, dàt zullen ze ondervinden!
+
+En ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom
+ergens 'n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in 't donker
+alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. De rollen waren
+omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begon en quenouille
+te vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de jongen zou schut en
+wering zoeken onder haar voorschoot.
+
+--Maar, juffrouw ...
+
+--Zeg jy gerust Kristien... want zóó hiet ik. Jy mag gerust Kristien
+tegen me zeggen.
+
+Dit durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele vokatief.
+
+--Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan?
+
+--Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel. De-n-afspraak
+was dat je hier zou blyven... ontbyten.
+
+Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert 'n
+uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was om
+te rillen!
+
+--Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal 'n kermisbedje
+voor je maken, daar ... in dien hoek! Want, zieje, als ik alleen
+ben--ik, als vrouw, weetje--met al die dieven en moordenaars, dan
+wordt ik zoo... griezelig.
+
+Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo streelend
+gelast werd...
+
+Hy weifelde...
+
+Zy hield aan...
+
+Hy begon...
+
+Men bedenke dat het kind beneveld was!
+
+O Fancy! Liberalismus is 'n goede zaak, en na de bemoedigende
+statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan
+zou al...
+
+Maar toch... franchement, Fancy, is 't niet jammer van den jongen?
+
+
+
+
+
+
+
+ Dit hoofdstuk is gekopieerd uit 'n oud Register der handelingen
+ en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld. (De
+ lezer kan staatmaken op meer.) 't Verhaal van Klaas Verlaan,
+ den "Amstelhavenknecht." Geleerde verhandeling over
+ voetzoekers. Juffrouw Laps wikt, Fancy beschikt.
+
+
+Om van Fancy's spinsel en borduursel iets te leeren begrypen, is
+'t noodzakelyk eenige uren terug te gaan.
+
+De lezer herinnert zich dat er dien middag ter uitspanning van
+de hooge personaadjes die Amsterdam vereerden met 'n bezoek, 'n
+hardzeilery zou worden gehouden op den Amstel Juffrouw Laps had reeds
+de goedheid dit aan ons en de Pietersens meetedeelen, en tevens dat
+de zaak mislukt was door 'n onhoffelyk gebrek aan wind. Ze had de
+waarheid gezegd. Hopen wy dat deze uitspatting geen al te nadeelige
+gevolgen moge gehad hebben voor 't evenwicht van haar ziel.
+
+Het was dien dag inderdaad bladstil. De mannen van 't vak beweerden
+"dat er geen zuchtjen aan de lucht was." Wie zich anders uitdrukte,
+werd voor 'n landkrab gehouden.
+
+Het plezier-roeien was nog niet in de mode--de mode had ongelyk,
+want het is 'n flinke mannelyke oefening--doch al ware dit anders
+geweest, Amstelboeiers zyn niet op roeien ingericht, en andere
+geschikte vaartuigen waren niet by-de-hand, om nu niet te spreken van
+'t gebrek aan eelt in de handen van de liefhebbers.
+
+In dit opzicht dan toch waren onze grootouders nog lamlendiger
+fatsoenlyk dan wy. Ze dachten er zelfs niet aan, dat zoo'n matrozige
+inspanning 'n vermaak wezen kon zonder de minste schade voor
+deftigheid, en meenden al heel wat ferms uitterichten, wanneer ze
+als halfleege meelzakken met den schoot in de hand in 'n stuurstoel
+lagen te dutten. De wind moest by die gelegenheden al het werk doen,
+en had dus eigenlyk alleen aanspraak op 't plezier.
+
+Maar de wind deed nu eenmaal dien dag z'n werk niet. Hy scheen elders
+bezig, en floot misschien onzen tegenvoeters 'n spotdeuntje voor,
+op al de gefopte potentaten die tusschen Ouwerkerk en Amsterdam
+heen-en-weer pauwden in stof en hitte.
+
+Ja, 't was gloeiend heet. Koningen en prinsessen zweetten als
+menschen. De joujoux de Normandie--'t speel- en groettuig der
+beau-monde van dien tyd--klommen al trager en trager by hun koordjes
+op. Nu, dit stond zoo kwaad niet, want de goede toon schreef voor,
+dat ze zeer langzaam stegen, en zich aanstelden alsof ze moeite
+hadden de hand te bereiken die ze had laten vallen. Dat, of zoo-iets,
+heette: morbidezza. De beweging der vingers, die 't kleine rukje
+moest meedeelen waardoor 't stygen werd te-weeg gebracht, behoorde
+onmerkbaar te zyn. Dit gold voor gratie, bekwaamheid, verstand,
+en zelfs by-mangel aan beter, voor genie.
+
+Sommige kroniekschryvers beweren dat de oude puistige Paltsgravin
+'n groot gedeelte van 't prestige in hofkringen, dat haar inderdaad
+niet kon worden ontzegd, te danken had aan de handigheid waarmee
+ze wist omtegaan met den joujou de Normandie. Volgens Stuart Mill
+was zy de uitvindster van den zoo beroemden horizontaalworp, en
+'t is niet geheel-en-al onmogelyk dat zy ook in 't bezit was van
+'t geheim om 't belangwekkend speeltuig loodrecht omhoog te werpen,
+en zeer langzaam te laten dalen langs de door 'n onnaspeurlyke oorzaak
+gespannen koord. Maar deze byzonderheid vereischt bevestiging. Stuart
+Mill heeft de wreedheid gehad te sterven voor-i den Hollanders heeft
+voorgezegd wat ze hiervan te denken hebben, en alle kans op licht is
+dus afgesneden.
+
+Dat ook de zeer hooge geboorte van de Paltsgravin meewerkte aan
+den invloed dien zy uitoefende op alle Europesche hoven--op één na,
+want de edelste zaak heeft haar tegenstanders!--mag waar zyn, maar
+toch... haar virtuoziteit op den joujou was en bleef hoofdzaak.
+
+En ten-onrechte! Want men wordt geboren zonder dat men 't
+helpen kan--dit was zelfs met de Paltsgravin eenigermate het geval
+geweest--terwyl er tot het wel besturen van 'n paar palmhouten schyfjes
+aan 'n koord, natuurgaaf en oefening noodig is. Vorsten en prinsen
+weten dit wel, en maken er dikwyls gebruik van. Me dunkt ik hoor
+'n koning zeggen:
+
+Ma toute bonne, vous qui avez la main si légère, ne pourriez vous pas
+me faire l'amitié de flanquer à la porte les trente mille hommes que
+mon diable d'... allié vient de loger dans ma capitale?
+
+Of:
+
+Ach, du meine liebe Cousine, wie du göttlich chouchouirst! Auf und
+nieder ... nieder und auf! Wenn du einmal unsern sehr verehrten Vetter
+mit Usurpationsminen, Kaiserliche Majestät, so am Kördelchen hieltest
+und chouchouirtest?
+
+Nu spreekt 'n prinsje:
+
+--Auf Ehre, Durchlaucht sind zum küssen adorable! Nur der Respekt
+widerhält mich ... auf Ehre! Clotho, ich beehre mich Ihr Sclave
+zu sein. Lachesis, Ihrer geschichtlenkenden Hand empfehle ich mein
+Schicksal! Schaffe mir den Erbprinzen vom Halse, o Athropos! Schicke
+den... unbescheiden-frühergeborenen nach Italien, ins Pfefferland, in
+den Krieg, in... Cytherëischen Vergnügungen, womit eine so gescheute
+Parke wie Durchlaucht, Lebenskördelchen abschneidet... zum Entzücken,
+verehrungswürdigste Parke Durchlaucht!
+
+Zoo spraken welopgevoede prinsjes van dien tyd. Laf was het, en
+heel mythologisch, o ja! De mythologie is weg, maar de lafheid is
+hier-en-daar gebleven. Er bestaan inderdaad tegenwoordig hooggeboren
+personaadjes die niet de minste konversatie houden over schikgodinnen,
+en toch de moeite van 't aanhooren niet waard zyn. Meer nog. Zelfs
+sommige laaggeborenen veroorloven zich zoo'n leegte. Ik heb kooplieden
+gekend jazelfs werkluî, die praten konden als 'n... prins nà den bloei
+van de salon-mythologie. Maar we zyn nu met vorstjes bezig. Alzoo:
+
+Een prinsesje spreekt:
+
+--Liebe mütterliche Cousine... aber nein, so geschickt wie du... nie da
+gewesen! Mit dèm Händchen könntest du mir ganz bequem ein halbdutzend
+fette Provinzchen aus dem Deutschen Reichsmaraste zur Morgengabe
+zusammen fischen, Cousine!
+
+'n Sterveling van lager soort:
+
+--Königlich-Kaiserliche Hoheit, ich sehe, staune und... schweige! Wenn
+Königlich-Kaiserliche Hoheit nur beliebten... Gottes Erdreich wurde
+sich pflichtsschuldigst freuen wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit
+geruhten es gnädiglich balanziren zu wollen auf Königlich-Kaiserliche
+Hoheit's göttlichen Fingern! Ich schweige gehorsamst, doch... dass eine
+Ober-geheim-küchen-ceremonienmeisterstelle vazirt, ist unterthänigste
+Wahrheit.
+
+Enz. Enz.
+
+Al deze menschen logen 'n beetje. Maar hun praatjes waren minder dom
+dan 'n oppervlakkige beoordeelaar meenen zou. Want ze bereikten dikwyls
+hun doel. Die laatste aanbidder, byv. kreeg inderdaad 'n aanstelling by
+'n königlich-kaiserliche hofkeuken. Wat wil men meer?
+
+Overdreven verwondering over den invloed van de Prinses, zou 'n blyk
+van onkunde wezen. Want al reike nu de historische kennis van den
+lezer niet toe om hem te doen raden welke persoonlykheid ik bedoel--men
+weet reeds dat ze roode puistjes in 't gezicht had, en ik voeg er nu
+by dat ze gewoon was te slapen tusschen lakens van hollandsch linnen:
+dit is iets!--welnu, al kent men haar niet, toch mag ik verwachten
+dat ieder wete hoe macht, aanzien en invloed gewoonlyk gegrond zyn
+op kleinigheden. Misschien zou er eenige verwondering te-pas gekomen
+zyn wanneer ik m'n Paltsgravin had voorgesteld als verdienstelyk,
+of als bekwaam in belangryker zaken dan 't op-en-neerwippen van
+'n joujou. Haarzelf lieten zulke kwestien volkomen onverschillig.
+
+Een ruiter naderde haar koets.
+
+--Eh bieng, zjefalier, n'est-ze-pas qu'il fait affreussemang chaud
+dang ze pays?
+
+--Wie K. K. Hoheit befehlen.
+
+--Ch'étouve!
+
+--Zu dienen.
+
+--Und wo steekt denn unsere kleine wilde Katze? Ist sie hinten? Ist
+sie vor? Wo ist sie?
+
+De "chevalier" werd door 'n toedringende volksmenigte van de koets
+gescheiden. Dit beviel hem wel. Vooreerst was-i uit de oude school, en
+hy durfde zich niet wagen aan 't duitsche hoffransch van de Palatine,
+waaraan-i admirablemang wèl deed. Ten-tweede bezat-i te veel routine
+van nieuwer school, om gaarne te antwoorden op de vraag naar de "wilde
+kat." Dit katje namelyk was 'n zeer superlatief-K. K. Hoheit. De
+halfbakken hoveling mocht dus niet te snel verstaan wie er bedoeld
+werd, en durfde zich evenmin schuldig te maken aan niet-verstaan. Een
+groep welwillende zangers kwam z'n verschrikte diplomatie te-hulp:
+
+
+ "Amour à la plus belle,
+ Honneur au plus vaillant...
+
+
+Ja, ja, lezer, er is 'n tyd geweest, dat de kracht van hollandsche
+jenever--amsterdamsche proef--zich openbaarde in fransche romances. Of
+onze straatzangers dat refrein precies uitspraken en zongen naar de
+bedoeling van den auteur, van de auteur, liever...
+
+De Paltsgravin scheen dit te ontkennen. Met haar joujou riep zy 'n
+zeer elegant jongmensch van 'n jaar of achttien tot zich; dien zy
+in haar nabyheid ontdekte. De jonge ruiter groette ganz rittermässig
+met z'n karwats terug, en drong door de menigte heen.
+
+--Ecoutez, mein Prinz! Das Pöbel singt la changsong de la Reine! Oh,
+mong Dié, quelle pronongziaziong!
+
+--Vous avez l'oreille si délicate, ma Cousine!
+
+--Ang férité! Aber, Prinz, sagen Sie mir 'nmal, wo ist denn Ihre
+Prinzessin Schwester, mein Waldkätzchen?
+
+--Ma foi il y a plus d'une heure que je ne l'ai vue! Elle s'amuse
+peut-être là-bas, au village d'Awercric. Qui sait si elle n'a pas passé
+l'eau. Vous savez, Palatine, qu'elle n'a pas l'habitude de se gêner...
+
+Nu ja, dit wist de Paltsgravin. Dit wist ieder die ooit de eer had
+het prinsesje van naby gade te slaan, en de lezer zal er ook iets
+van te zien krygen, parole d'honneur!
+
+Honneur au plus vaillant! schreeuwde nu weer 'n troep al te
+opgetogen Nederlanders, en onze Paltsgravin reed op-nieuw 'n oogenblik
+onverzeld. Van-tyd tot-tyd harkte zy met haar speeltuig dezen of genen
+"kavalier" naar zich toe, en knoopte dan 'n gesprek aan, dat echter
+telkens door de volte werd afgebroken.
+
+Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van
+'t woord "kavalier" te rymen op: "duitsche manier" in welk geval 't
+niet "ruiter" beteekent, maar 'n "heer van den hove" 'n hoffähiger
+gentleman, ja misschien zelfs by-uitsluiting: 'n edelman. Niet zonder
+deernis met de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen
+dat er by de zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy 't dan dat in
+dit geval de "kavaliere" werkelyk tevens ruiters waren. Nu ik toch aan
+'t uitleggen ben... 't woord: "harken" is van my. Ik nam de vryheid
+daarmee alleraardigst te zinspelen op den befaamden horizontaalworp
+met den joujou.
+
+De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het
+kon niet anders, om de volte.
+
+Bovendien, de souvereinen verkeerden in 'n ziekelyke bui van
+"Volksthümlichkeit." De mode van den dag bracht 'n misselyke
+neerbuigings-manie mee, en de meeste rangmenschen overdreven
+de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg filantropie, gelyk wat
+vroeger de hoepelrokken, en later crinolines, vryen-arbeid of
+chignons. Rousseau--die beter wist, of althans beter weten kon--had
+de afgezaagde theorie van "ce bon peuple" op frazen gezet, en wie
+te arm was om gedachten te bezitten op z'n eigen hand, neuriede die
+frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die luidjes niet. En
+dit is nòg zoo.
+
+'t Spreekt vanzelf dat dit instemmen met den deun van den dag,
+gewoonlyk ver van oprecht was. Binnen de wanden der staatsie-koetsen
+heette dat "goede Volk" zeer dikwyls doodeenvoudig: la canaille,
+'n kwalificatie die wel niet geheel juist was, maar toch niet verder
+van de waarheid afweek dan de zoetemelks-praatjes van Rousseau. [3]
+
+Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde
+betreft, vergeten we nooit dat ook "ce bon peuple" geen grein oprechter
+is dan de meest geveinsde Machiavel. Al wat men van 't Volk zeggen
+kan, is dat het evenmin pozitief valsch is. Het schreeuwt "vivat!" en
+denkt... niet juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal.
+
+By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met
+m'n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich schuldig aan
+'n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer benadeelde. Niemand
+strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. En onze Paltsgravin
+was de laatste die op 't denkbeeld komen zou--'t was zoo warm!--dat
+deze speciaal-vorstelyke manifestatie aan de feestelykheid ontbrak.
+
+Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van
+zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door
+'n lakei op 'n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat z'n zuster--'t
+Waldkätzchen?--hem 'n boodschap had gezonden uit "Awercric." En:
+
+--Palatine, auriez-vous par hasard quelques douzaines de frédérics
+à me prêter? vroeg hy.
+
+--Che parie que z'est pour elle!
+
+--Si!
+
+--Elle fait donc angcore l'angrachée, che pangse!
+
+--C'est possible! Mais en tout cas, il ne faut pas la laisser dans
+l'embarras. Dieu sait dans quel gâchis elle vient de se faufiler. Je
+n'ai qu'une bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez!
+
+Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad
+te-boven in K. K. Hoogheid. En 't "boschkatje" was de verloofde van 'n
+Grootvorst die volgens alle menschelyke berekening keizers tot lakeien
+hebben zou. De Paltsgravin--"Oh, mong Dié! Oh, mong Dié!"--was dus wel
+genoodzaakt haar eeredame te gelasten aan Prins Erik 'n goudbeursjen
+overtereiken. Deze gaf 't den lakei, die 'r mee wegreed zoo snel de
+volte gedoogde.
+
+Prins Erik's zuster had inderdaad geld noodig. Ze speelde
+Voorzienigheidje. Wat zy eigenlyk met de geleende som uitvoerde, weet
+ik niet, maar zeker is 't dat de dankbaarheid--d. i. de betuiging
+van die aandoening--haar wat druk werd. Ook drongen er zeer veel
+menschenvrienden toe, die haar ruimer gelegenheid wilden verschaffen
+tot het voortzetten van haar liefhebbery, dan goudbeursjen en gezond
+verstand toelieten.
+
+We zullen maar aannemen dat er den vorigen dag te Ouwerkerk 'n
+zware brand was geweest--men assureerde niet in die dagen--of... 'n
+landman had al z'n koeien verloren aan de veepest--Thorbecke was nog
+niet geboren om die onaangenaamheid uitteroeien--of... 'n ongehuwde
+kraamvrouw kon geen plaatsje krygen om uitterusten van haar zondige
+verlossing--de zedekundige lezer weet misschien dat de "deugd" dit
+niet gedoogde in Wouter's tyd--of...
+
+Hoe 't zy, Prinses Erika had de een-of-andere weldadige gekheid
+uitgericht, 'n soort van débauche waaraan ze zich zeer dikwyls
+tebuiten ging. Goed was 't zeker niet, maar er zyn erger ondeugden,
+en ik ken velen die 't recht niet hebben zulke karakterfouten te
+laken. Voorloopig hebben de moralisten dringender arbeid dan 't
+waarschuwen tegen fouten als die welke den hoofdtrek uitmaakten in
+'t karakter van prinses Erika.
+
+By deze gelegenheid dan had ze haar koets verlaten, en was van haar
+gevolg afgeraakt. Om de menigte te ontwyken, die--juichend, dankend
+en... vooral lastig--op haar toedrong, was zy in 'n roeischuitje
+gesprongen, dat aan 'n steiger lag, en waarin 'n man zat te
+slapen of nagenoeg. 't Was zoo warm! Het was Klaas Verlaan, de
+"Amstelhavenknecht."
+
+De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers
+berstten in lachen uit om 't malle gezicht dat-i zette.
+
+Er was waarlyk reden toe! Prinses Erika droeg 'n vuurrood satynen kleed
+met 'n langen sleep dien zy echter--zoo-even reeds by den brand zeker,
+of by de kraamvrouw, of by de koeien--had opgeg...
+
+--Opgegeid, noemde 't Klaas Verlaan vele jaren daarna, als-i de
+historie vertelde aan z'n kleinkinderen.
+
+'t Was de pièce de résistance van z'n ondervinding. Nu, sommigen
+hebben minder beleefd!
+
+--Se sag er uit as 'n fonk, zeid-i, en ik doch werachtich dat er
+'n ster in m'n jol was gefalle, so flamde ze!
+
+Komaan, we zullen Klaas Verlaan 't woord geven, maar ik heb geen lust
+z'n spelling te volgen. De lezer zal wel ongeveer weten hoe de man
+moet gesproken hebben.
+
+--Zóó vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte leeren handschoenen
+tot den schouder toe. Eén er van ligt nog altyd in 'n doosje by de
+Staten-overzetting. 't Lykt wel 'n kinderkousje. Want haar vingers
+waren klein, maar ... kracht had ze daarin, kyk! En op 't hoofd 'n
+toren van poeier ... net 'n grooten sneeuwbal! Maar 't gezichtje was
+lief, dat moet ik zeggen!
+
+En ik was 'n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist
+waarachtig niet wat ik in m'n schuit had, en of ik moest vloeken of
+siveplé-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor ik recht wist
+hoe ik 't had, pakt ze me-n-'n-riem, en zet m' flink tegen den wal, en
+zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou by 't uithalen, want het ding zat
+wel half-blads in den modder, en 't zóóg als de bliks... lager. Maar ze
+liet 'm steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven we!
+
+Maar ik was kwaad as 'n spin, en zei--met 'n vloek, want ik vloekte
+nog in dien tyd--dat ik baas op m'n jol was. Ja, dat zei ik.
+
+--Ich rudern! riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was
+miserabel. En ze greep naar m'n anderen riem. Maar dáár was ik als
+de kippen by!
+
+--Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken?
+
+Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen nemen,
+maar weetje wat ik zei? Ik zei: m'n vader is geen breeuwer, zei ik,
+en ik hou m'n riem!
+
+Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amste! te liggen draaien
+als 'n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en
+grabbelde-n-in haar tasch--'n fluweelen ding met gouden knip, dat met
+'n haak in haar middel zat--en ze haalde-n-er 'n stuk geld uit, en
+wees het me. Toen gaf ik haar den riem... om 't geld, weetje, dat ze
+me wees, want, dacht ik, wat kan 't my schelen of de menschen lachen
+aan-wal? 't Kon m'n dag nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. 't Zag
+er uit als 'n dukaat, maar 't ding was meer waard. Dat heb ik later
+gemerkt toen ik 't wisselde op den Vygendam... met al de anderen,
+want ik kreeg er meer. Dat zal jelui hooren.
+
+Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht
+worden, en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik
+liet haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest.
+
+--Rücken? riep ze.
+
+--Wrikken, riep ik. Kyk... zóó!
+
+En ik wou 't haar wyzen.
+
+Maar 't ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn altyd tien
+roeiers te krygen tegen één wrikker.
+
+Ik wees haar hoe ze d'r beenen moest zetten. Ze had wit-satynen
+schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan 'n vuist, maar ze liep
+er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als 'n kievit zoo vlug.
+
+Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder
+kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik m'n
+hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. Gut,
+op vechten af!
+
+Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik 't vroeg, riep ze:
+"rücken, rücken!"
+
+Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! 'n Mensch moet toch
+weten waar-i heen wil!
+
+We sukkelden stroom-af--meest gatje-voor!--en naderden de
+Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m'n dukaat, en de grap
+is uit. Maar jawèl!
+
+Op-eens houdt ze met wrikken op--'t zweet liep haar by droppels van 't
+gezicht!--en leî den riem op den doften. Toen wou ik 't ding grypen,
+omdat ik 'n eind aan de zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook
+alweer niet. Wat ze dan eigenlyk wèl wou, kon ik eerst niet begrypen
+... ik zal 't jelui maar zeggen, ze wou te-water!
+
+Ik schrok er van! 't Mensch was dóór en dóór van zweet. Maar... ze
+wou! Er was niets aan te doen. En ze hield weer zoo'n moffendukaat in
+de hoogte. Op den Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor 't stuk,
+en de man zei, als ik er meer had, kon ik altyd by 'm te-recht. Dáárvan
+is 't zilver beslag op de Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de
+waarheid vertel. Ook 't gouden ooryzer van m'n oudje--dat nu jeluî
+Grietje-meu draagt--is van dien tyd.
+
+Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek worden wilt,
+of sterven, of rimmetiek krygen...
+
+Ze trok 'r schoentjes uit, en 'r satynen kleed, en meer nog. Maar ze
+hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. En ze gooide haar pruik
+af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze schudde-n-'t
+hoofd als 'n paard dat de wei ruikt. En ze sprong... kyk! ik had
+nog nooit zoo-iets gezien... van 'n vrouwmensch, weet jelui? Flink
+koppie-over!
+
+Eerst was ik bang voor 'n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan ik niet,
+en als 't mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? Maar 't hoefde
+niet, want zy zwom wel. Als 'n eend! Of liever als 'n paling, want
+ze kronkelde-n-onder m'n jol door, en schoot weer op aan de-n-andere
+zy... als 'n dobber hoor! 't Speet me toch evel dat ik niet ook zoo
+thuis was in 't water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo
+de gewoonte niet. Zy was zeker uit 'n land waar de menschen niet zoo
+zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan.
+
+Maar dat tot dááraan toe! De jol dreef tegen de jachthaven, en zy
+was er ook. Ik hielp haar op den steiger, en er stond veel volk te
+kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m'n pyjekker die in de jol lag,
+en sloeg zich 't ding om de schouders. Toen keek ze-n-even rond, zag
+'n open deur van een der jachthuisjes, en vloog er in. Net'n wilde kat.
+
+Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar
+ik durfde niet binnengaan, omdat het 't huisje was van m'nheer
+Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? Die zou 't heel kwalyk
+hebben genomen dat ik met zoo'n vreemd schepsel in z'n jacht-huisje
+gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my zoo familjaar omgaat,
+dat kàn--om den dukaat, weetje--maar... m'nheer Kopperlith woont op de
+Keizersgracht. Dàt scheen ze niet eens te weten. Hoor eens, kinderen,
+wat opvoeding en fatsoen aangaat ... geen land boven Holland, dat's
+maar zeker!
+
+Maar ... binnen wàs ze! En ik durfde-n-'t bruggetje niet over,
+met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, en die
+fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik.
+
+En daar stond ik!
+
+De menschen van de brug riepen: "dat is 't huisje van m'nheer
+Kopperlith, denk er om!"
+
+Ja, dacht ik, daar denk ik wèl om, maar wat zal ik doen? Juist begon
+ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m'n dochter Geert
+kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al dood is...
+
+Maar toen was ze-n-'n knappe jonge meid van zoowat achttien. En ze zei:
+
+--Vader, laat 'r in òns huuske! Daar kan ze zich klaren.
+
+Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie
+van de Jachthaven. 't Kon my m'n ontslag kosten als ik rare dingen
+deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de huisjes.
+
+Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al lang
+had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in 't oog. Ze vliegt
+'t huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt met 'r heen.
+
+Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by
+moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar?
+
+Maar... 'n rare dag wàs het! O, ik ben nog lang niet klaar! Weet
+jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z'n dag goed is,
+voor bedtyd!
+
+Zoo eindigde Solon Verlaan 't eerste hoofdstuk van z'n verhaal. Het
+tweede en laatste zal ik vertellen, of vanzelf laten spreken. We laten
+dus 't boschkatje voor 't oogenblik onder de hoede van de aanstaande
+Geertje-meu die op zich genomen had haar, of de zaak, te "klaren". Nu,
+dit deed ze. Sint Maarten was er niets by.
+
+Op den ryweg langs den Amstel joelde 't Volk maar altyd
+voort. Van-lieverlede verdwenen de koetsen van de hooge
+heerschappen. Ook de ruiters verveelden zich, en zochten vryer
+plaats dan die buurt op dat oogenblik kon aanbieden. De menigte
+drong, zong, schreeuwde en dronk. Om zich schadeloos te stellen voor
+'t mislukte hardzeilen, begon men hier-en-daar zich te vermaken met
+het afsteken van vuurpylen, die den volgenden dag in de couranten
+tot getuigen werden geroepen van de ontzaggelyke liefde des Volks
+voor alle mogelyke prinsen en prinsessen.
+
+Dit was onjuist. Het Volk houdt van vuurpylen omdat ze blazen en
+proesten en sissen en glinsteren.
+
+Ook zwermers--de Amsterdammers noemen ze "voetzoekers." Wie kan me
+zeggen: waarom?--ook zwermers werden aangevoerd als bewyzen voor de
+zeer byzondere gehechtheid des Volks aan alle Souvereinen...
+
+De Paltsgravin gelóófde het. Heusch!
+
+Maar ze had ongelyk, precies als die kranten.
+
+Want, lezer, de menigte houdt van voetzoekers, omdat ze sissen,
+en vuur spuwen, en 'n harden klap geven. Dàt is de zaak! Men kan
+er gerust alle grieksche wysgeeren op nalezen, op Solon Verlaan na,
+die z'n heele wysheid heeft opgemaakt aan 't bedenken der diepzinnige
+spreuk van zoo-even.
+
+Ook de zevenklappers... klapten. Ze spraken en getuigden van dynastieke
+opwinding, en alle Souvereinen zaten met zevenvoudige gerustheid op
+hun tronen...
+
+Maar de Souvereinen waren wat voorbarig in die gerustheid. Want 'n
+zevenklapper maakt wel veel geraas, maar bewyst niemendal. Het volk
+steekt ze niet af om trouw te zweren, maar omdat die dingen zoo grappig
+heen-en-weer springen, en by elken sprong zoo'n knetterend geluid
+geven. Al zeggen nu hierover de grieksche wysgeeren geen woord--zeker
+omdat ook zy nu uitgeput zyn na de inspanning hunner denkvermogens
+over de ware beteekenis van 'n voetzoeker--toch is het zoo!
+
+Veracht me niet te zeer, lezer, als ik u betuig dat de ware vreugd
+die er uit vuurwerk te halen is, in 't afsteken--zèlf afsteken!--van
+zevenklappers en voetzoekers bestaat. Een "groot vuurwerk" is 'n
+ellendig ding, 'n menschonteerende foppery. Eigenlyk 'n schimp,
+'n beleediging, 'n laesio dignitatis generis humani! [4]
+
+Om dit intezien, behoeft men zich maar 'n oogenblik te verbeelden
+zoo'n vertooning bytewonen...
+
+In eenzaamheid! Want als u iemand betrapt in de autopsie die ik
+voorsla, zyt ge in zyn opinie 'n reddeloos verloren mensch. Uw vrouw
+kon echtscheiding aanvragen, en zeker zou ze 't proces winnen voor
+elken rechter die verstand heeft van menschenwaarde.
+
+Verbeeld u dan dat gy, in uw binnenkamer en alleen, zoo'n vuurwerk
+aanschouwt. Roep, zeg, mompel of fluister--ingodsnaam zóó zacht dat
+gyzelf uw eenige hoorder zyt--fluister 't onvermydelyke: hè...è...è...
+
+En houd u 'n spiegeltje voor!
+
+Dan, lezer--al waart gy de verfoeielykste atheïst--ontsnapt u de
+verontwaardigd-religieuze verzuchting: God, myn God ... hebt ge my
+dáártoe geschapen?
+
+En by zoo'n gelegenheid voelt men--tenzy men onvatbaar werd voor
+èlke gewaarwording--yverzucht op de intelligentie van z'n paraplui
+of laarzentrekker!
+
+Maar ... voetzoekers, zevenklappers! Men staat er niet by met den open
+mond die by elke teekenoefening den leerling wordt aangeprezen als
+de uitsluitende vertegenwoordiger van wèl geopenbaarde bêtise! Men
+is handig by 't aansteken. Er is gevaar als ze haperen. Men werpt
+ze! En... snel, snel ... één sekonde te laat, ze bersten in de
+hand! Allergevaarlykst!
+
+Eens namelyk heeft de traditioneele "iemand" die de hoofdpersoon is
+van alle volks-akeligheden, zich door het te lang tusschen de vingers
+houden van 'n zwermer, 't even traditioneele "groot ongeluk" op den
+... hals gehaald, dat ... enz.
+
+Och, hoe prettig is die angst. Hoe allerakeligst vermakelyk!
+
+Helaas, pret en vermaak zyn afgeschaft! De stedelyke Regeeringen
+verbieden zulke ruwe vermaken ... om 't brandgevaar, sedert alle huizen
+met pannen gedekt zyn. In den tyd der stroodaken kon die vreeselyke
+losbandigheid oogluikend worden geduld. Maar nu?
+
+En de andere gevaarplezieren! Hoe menige juffer kwam thuis--byna
+zelfs kwam ze niet thuis--met 'n verbrande jurk! Gilde ze niet van de
+pret? En 'n jongen--altyd "de jongen die ook overal met z'n neus by
+moet wezen"--had-i niet eens--byna, alweer--'n volle lading in 't
+gezicht gekregen? Was er niet gevaar geweest--nogeens: byna--dat
+z'n oogen 't gelag te betalen kregen van die onbescheiden neus?
+
+En... 't mikken met zoo'n aangestoken voetzoeker! Dàt is wat ànders
+dan 'n joujou de Normandie!
+
+Ik weet--en betreur het van-harte!--dat er nog altyd hier-en-daar
+menschen worden gevonden, die meenen zich te vermaken met
+schyfschieten, 't ouwevrouwigste plezier dat men kan uitdenken, 'n
+naaischoolige parodie op ridderlyke wapenoefening. 't Is waarachtig
+niet dáármee, dat men op Scyros zou hebben uitgemaakt of Achilles
+'n jongetje was, en of-i z'n opvoeding ontving in 't pensionaat
+van Chiron!
+
+Zündnadels, Beaumonts, Chassepots zyn verachtelyke voorwerpen. Ze
+spreken niet mee. De kogel die zich zoo onnoozel laat voortdryven
+uit de buis van die dingen, is eigenlyk te dwaas om in z'n eentje de
+parabool te beschryven die de artilleristen van hem vorderen. Men
+zegt dat er projektilen geweest zyn die hun weg vergaten, en zoo
+slaafs zich hielden aan de routine die ze meenamen uit den loop ...
+
+Sakkerloot, ziedaar 't geheim opgelost van de verregaande
+ongekwetstheid en welvarendheid der geslagen legers! Die menschlievende
+kogels zyn op-reis in den... aether, en willen aërolith spelen op
+deze of gene planeet, waar men nog dom genoeg is aan "aërolithen" en
+"aether" te gelooven.
+
+De voetzoeker--hoeden af, lezer!--geeft den drommel van zoo'n bekrompen
+loops-opvatting. Hy heeft karakter, en volgt z'n eigen senie... zou
+juffrouw Pieterse zeggen. Hy leeft, en kiest z'n weg. Hy spuwt
+vuur, en deinst voor 't recul van z'n eigen strydlust. Hy kampt om
+'t verloren terrein te herwinnen, en wisselt van zwaartepunt, en
+wendt z'n grilligen loop, en kronkelt als 'n vliegende lintwurm. Hy
+schryft z'n naam in gloeiende krullen, en vecht tegen den luchtdruk, en
+sliert al duiklend voort, en braakt arebesken. En waar-i was, keert-i
+weer, als iemand die nog wat te zeggen heeft. En waar-i niet was,
+komt-i aanrollen, blazend, blakend, brandend, schroeiend, sissend,
+schetterend ... altyd verrassend door nieuw-uitgedachte huppeling,
+altyd verschrikkend door vreemdluimigen sprong, altyd boodschapper van
+'t onverwachte, maar altyd de drager ook van 'n herhaalde opwekking
+tot gillend plezier.
+
+En de zevenklappers! 't Is waar, ze vuurden niet zoo prettig, en
+gingen aanvankelyk bedaarder hun weg. Maar men was zekerder van
+z'n worp! En ... éénmaal 'n openstaand venster ingekeild, werden
+ze wakker en roerig. Dan klapten zy, en sloegen, en sprongen als
+toornige duiveltjes, voltigeerden links-rechts op-en-neer door de
+kamer, kris-kras-kruis op de tafel, tegen den spiegel, achter de
+schilderyen, tusschen de stoelen, onder bed en sofa. Ja, soms dansten
+ze--sarkastische demonen!--de kaars uit...
+
+De Archimedes die de evolutien van 'n rechtgeaarden zevenklapper
+weet te berekenen, moet nog geboren worden. Dit spyt me niet erg,
+omdat ik voor ditmaal aan 't zeer byzonder effekt van 'n eerste
+uitbersting genoeg heb. Ze had plaats naby Wouter's linkerwang, juist
+op 't oogenblik toen juffrouw Laps hem daarop een kus wilde geven:
+haar Rubicon!
+
+Heel aangenaam zou 't Wouter nog altyd niet geweest zyn wanneer 't haar
+gelukt was die omineuze rivier overtesteken, maar 't blyft de vraag
+of-i daarna kracht, besef of afkeer genoeg zou hebben overgehouden
+om zich te verzetten tegen finale verovering.
+
+De geestige zevenklapper won hem den gevaarlyken tweestryd uit. Wat
+die prinses Erika mikken kon!
+
+Juffrouw Laps had haar zondige lip gebrand, en riep:
+
+--Heere Krrristis, wat's dàt?
+
+Heel veel anders viel er dan ook by die malle gelegenheid niet
+te vragen.
+
+Wat het wàs?
+
+Wèl... 'n brokstuk uit het "Register der Handelingen en Besluiten"
+van Fancy. Ze hield zich bezig met het verevenen van kansrekening, en
+de lezer wordt uitgenoodigd, als by 'n vuurwerk, te blazen: hè...è...è!
+
+
+
+
+
+
+
+ De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door 't
+ achterste-voor zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme,
+ arme, arme, Laps! Mysterieus standbeeld in de "Gekroonde
+ Jeneverbes." Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht. Wouter
+ krygt 'n zusje.
+
+
+Fancy is groot, en wy beginnen haar eenigszins te begrypen. Dit heeft
+ze op sommige andere godheden voor, want onbegrepen grootheid baat
+niet veel, en kon eigenlyk zonder schade gemist worden.
+
+Ja, ze was groot, en ... praktisch!
+
+O, verrukkelyke teleologie van den romanschryver ... juffrouw Laps
+mocht haar "sinnigheid" niet krygen!
+
+En dáárom was 't zoo warm, dien dag! En dáárom had ze haar venster
+moeten opschuiven, wat anders 'n fatsoenlyk nederlandsch mensch--liever
+stikken!--niet doet. Dáárom bleef de hardzeilery in den steek! Dáárom
+verveelde zich Prinses Erika! Dáárom beging ze weldadighedens tot
+tydverdryf! Dáárom kreeg ze lust in baden! Dáárom joelde al dat
+volk--en zy mee!--met voetzoekers en sissers de stad in, Weesper-
+en Amstelstraten door, naar de Botermarkt...
+
+Want op dat plein woonde de Caesarine Laps die 'n zevenklapper in 't
+gezicht moest krygen juist toen ze bezig was met haar alleraardigst
+venit, tetigi, en... "heere-krrristis wat is dat?"
+
+Wat dit is, juffrouw Laps? Wèl, 't is fantastische doeleindenleer. Al
+die koningen, prinsen, prinsessen--en zelfs de Paltsgravin met haar
+puistjes, joujou en hooge geboorte--zyn op dien warmen dag door 'n
+hooger Wezen in de stad gezonden om u in de wielen te ryden. Het is
+uw plicht dit te gelooven... o, geloofster!
+
+Ze geloofde het niet! En ze kòn het niet gelooven, want ze wist er
+nog minder van, dan van al de andere dingen die ze voorgaf zonder
+bezwaar te slikken. Het onweer op Sinaï was door den "Heer" beschikt
+om de Joden aan 'n behoorlyke reglement van policie te helpen, maar
+die nydige zevenklapper...
+
+Ze vloog naar 't venster. Wouter ook. Er bleek nu dat de bedoeling
+van den haar en hem onbekenden artillerist niet boos geweest was,
+want niemand lette op de nieuwe toeschouwers. Bovendien, ook andere
+vensters raakten gaandeweg open en bezet, waardoor de aandacht van
+'t straatpubliek verdeeld werd. Er bleek uit niets dat men zich
+om juffrouw Laps of haar gast meer bekommerde dan om elk ander
+die toekeek. Zonder erg werd er rechts en links gebombardeerd,
+en onze beide heldjes konden in alle kalmte waarnemen wat er op de
+straat voorviel. Juffrouw Laps kwam de zeer gewenschte vergetenheid
+nog te-hulp, door 't licht uitteblazen--'n voorzorg die door
+den overigens zoo byzonder intelligenten zevenklapper schandelyk
+verzuimd was--en Wouter vermaakte zich kinderlyk by 't aanzien van
+de pret. Hy vergat z'n buurvrouw en haar opdringende vriendelykheid,
+om naar 't gewoel der menigte te kyken. Het meedeelen van de hieruit
+voortvloeiende opmerkingen werkte op hem ontnuchterend, en ook zy vond
+er onwillekeurig aanleiding in om zich wat eenvoudiger voortedoen dan
+ze gewoon was. Ze praatte ditmaal zonder "Heer" en liet de "genade"
+wat rusten. Zelfs scheen ze--voor 'n oogenblikje maar, denk ik--haar
+plannetjen optegeven. De nacht was nog lang, dacht ze misschien. [5]
+
+--Gut, hoe gek toch, dat al die menschen daar zoo heen-en-weer dringen,
+zonder zelf te weten waarom, zeide hy.
+
+--Och, ze hebben plezier in 't zingen en joelen, en in de voetzoekers
+... kyk, daar vliegt er weer een, paf!
+
+Klik-klik! antwoordde hierop 'n zevenklapper die z'n domicilie koos
+tusschen 'n troep meisjes. Het gezelschap vloog met vermakelyken
+schrik uit elkaar. Wel zeker, voor wat anders waren die meiskes daar?
+
+--Al dat volk is dronken, zei juffrouw Laps, en ik wou dat ze
+naar-huis gingen. Ik begin slaap te krygen... 't is twee uur in den
+nacht, weetje!
+
+--Och, nog 'n oogenblikje! verzocht Wouter. Ik heb geen
+slaap. Volstrekt niet! heusch niet!
+
+Hy begon weer angstig te worden voor haar vriendschap, en hoopte
+onwillekeurig dat uitstel hem de bondgenootschap van 't onverwachte
+brengen zou.
+
+--Ik ben maar zoo bang, m'n lieveling, dat je kou vat aan 't
+venster. Dàt is het maar! Want de nachtlucht, zieje, na zoo'n
+heeten dag...
+
+Volgt: al de bekende burgerluîs-praatjes over nachtlucht, verkoudheid,
+rhumatiek en subietelyk doodgaan. Ze hadden nu evenwel dit goede
+gevolg, dat Wouter z'n jasje weer aankreeg, 'n verbetering van pozitie
+die hem straks zou te-pas komen. O, die voorzienige Fancy!
+
+--En zet ook je petjen op, m'n beste jongen. Ik wou voor alle
+wereldsch goed niet, dat de nachtlucht je-n-in 't hoofd sloeg,
+want... dat doet-i soms. Kyk, daar vliegt er weer een!
+
+
+ "Amour à la plus belle,
+ Honneur au plus vaillant...
+
+
+--Waarom zingen ze niet liever hollandsch! Wat hebben wy aan dat
+vreemde geseur? Begryp jy er wat van?
+
+Wouter wist iets van de historie, en vertelde wat-i kon van den
+"schoonen Dunois" die zoo byzonder veel Saraceenen doodsloeg, en ter
+belooning trouwen mocht met de dochter van: "le comte son seigneur!"
+Dat was toch plezierig in ouden tyd! Maar hoe beloonde men de ridders
+die al eenmaal beloond waren? En kregen ze in die dagen nog ander
+traktement dan 'n bruid? En hoe maakten 't de seigneurs die geen
+dochter te begeven hadden? Welke seigneursdochter moest genoegen
+nemen met 'n ridder die maar 't meest Saraceenen had doodgeslagen,
+op één na?
+
+Wat al moeielyke vragen!
+
+Juist begon hy z'n gastvrouw om wat inlichting over dit alles te
+verzoeken, toen beider aandacht werd getrokken door zeker roepen,
+schreeuwen en schelden dat van andere stemming getuigde dan de
+in-eensmeltende geluiden van 't gejoel. Er was "ruzie." In een der
+groepen werd niet meer gehost, maar gevochten. Men verstond duidelyk
+de by zulke gelegenheden gebruikelyke vloeken en verwenschingen.
+
+Een verwarde kluw menschen, dichter op-elkaar gepakt dan de overigen,
+schoof en seulde heen-en-weer al naarmate een der beide partyen
+aan de winnende hand was. Vreedzame hossers golfden zingend voorby
+de plek waar gevochten werd. De deelnemers aan den stryd werden van
+liever-lede ter-zy gedrongen, en wel in de richting van een der vele
+kroegen die de buurt zoo aantrekkelyk maakten voor 'n publiek dat
+z'n verdriet over de mislukking der hardzeilery wou verzetten.
+
+De twistenden, zelf gedrongen, drongen op hun beurt anderen. Men hoorde
+hier-en-daar gillen en om hulp roepen. De nooit ontbrekende zwangere
+vrouwen, en moeders met zuigelingen lieten haar angst niet onbetuigd.
+
+Het gedrang werd nu byzonder sterk in zekeren hoek, waar drie stroomen
+dood-liepen en 'n vreeselyke botsing te-weeg brachten. Daar namelyk
+lag 'n zeer populaire herberg, die 't doelwit scheen van 'n hossende
+volksverhuizing uit de Amstelstraat. De tweede stroom vloeide uit de
+Utrechtsche straat op dezelfde kroeg toe. En de sterkste persing ging
+uit van den vechtenden troep die, op-zy geschoven door voorbytrekkende
+benden, almede in dezelfde engte gedreven werd.
+
+By ondervinding van zeer jongen datum wist Wouter wat het beteekende
+zich in zoo'n gedrang te bevinden. Wie op den grond raakte, werd
+vertreden. Wel was de kans hierop zoo byzonder gevaarlyk niet in de
+kern der samenpakking--'t vallen was onmogelyk--maar des te grooter
+aan den rand, waar kelders en holen zich gapend gereed toonden alles
+inteslikken, wat hun in de kaken werd gedrongen. Dáár kon men hals en
+beenen breken of liggend vertrapt worden, in 't midden slechts staande
+gesmoord. O zeker, die opstopping naby de herberg was gevaarlyker
+nog dan die van den vorigen avend in de Kalverstraat! Bovendien,
+daar was maar drukte, er werd niet gevochten. En hier ...
+
+--Krrristenzielen, riep juffrouw Laps, ik word er puur akelig van!
+
+Dit scheen ook met Wouter 't geval. Op-eens greep hy haar arm, en
+meende iets te zien, dat... iemand, die...
+
+--Heel goed, m'n jongen, houd jy me maar vast! 't Is daar, zoo zondig
+als ik hier sta--'t eedsformulier was zoo gek niet--'t is daar moord
+en doodslag in dien hoek!
+
+Wouter sprak niet. Ook had-i geen besef zich te verzetten tegen de
+overweldiging van z'n ... verleidster, of hoe moet het heeten? 't
+Scheen nu wel of Afrika voor 't caesarinnetjen openlag...
+
+--Is 't niet of ze dol zyn? Houd jy je maar goed aan me vast, en denk
+maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van jou!
+
+Och, hy had juist wat anders te denken gekregen dan aan z'n "eigen
+Kristien!" Juffrouw Laps was eenige graden minder gelukkig dan ze zich
+verbeeldde. Ze streelde hem, en hy liet haar begaan, o ja, maar toch...
+
+--Wees jy maar gerust ... och, lieve jesis, 't kind is er zoo ontsteld
+van! Aan jou zullen ze niet raken zoolang je hier bent ... by my,
+weetje!
+
+Hy kneep haar boven z'n kracht in den arm, en geen ander blyk van
+leven gevende, stond-i overigens als versteend. En altyd die ééne
+onverzettelyke blik, dat schynbaar wezenloos staren op één punt...
+
+--Trek 't je niet zoo aan, m'n lieveling! Maar... akelig is 't! Zie je
+daar die meid wel, met 'r noordhollandsche kap? Ik wou niet graag in
+'r plaats wezen! En jy?
+
+--Zy is het ... Femke! O God, o God, het is Femke!
+
+En, Laps van zich afslingerend, die hem weerhouden wilde, vloog hy
+de trap af, en stond weinig oogenblikken daarna in den diksten drom
+vlak voor de herberg.
+
+Hoe hy zoo spoedig dáár kwàm? Ei? En Fancy dan, zyn ... fancy?
+
+Had ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z'n jasjen aanhad? Wat 'n gekke
+historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw Laps! Hoe
+zoud-i zoo'n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by z'n moeder?
+
+De zaak is dat-i lichaamskracht borgend van z'n gemoed--en was zy
+dit niet?--zich als 'n razende door de menigte wist heenteslaan.
+
+Maar de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel
+den man met den bonten muts en 't schippersbuis, die hem vanboven
+gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. Althans hy meende
+bemerkt te hebben dat ze met dien man gearmd uit de Amstelstraat
+gekomen was. En dit was ook zoo, maar:
+
+--Is hier geen meisje met 'n noordhollandsche kap? vroeg hy zoo
+duidelyk de vreeselyke drukte toeliet.
+
+De man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen--dit deed "iedereen"
+ook, en Wouter moest wel meedoen: 't was 'n gezelschap Kaïns op
+groote schaal!--de man kon niet antwoorden. Maar Wouter bemerkte
+dat-i zich moeite gaf de herberg te bereiken, en maakte hieruit op
+dat z'n dame daarin gevlucht, of althans, met of tegen haar wil dan,
+daar binnengestuwd was.
+
+Hy raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en
+stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra
+'t jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was dan
+buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets!
+
+Ziedaar, lezer, 't waar en onvervalscht relaas van de oorzaken die
+Wouter heel in 't begin van z'n loopbaan maakten tot 'n kroeg-
+en koffihuislooper. Gister in "Polen", heden in "de gekroonde
+Jeneverbes"... daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door 't
+een-of-ander geperst... 't is te veel!
+
+Maar hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke.
+
+Hy meende haar te ontdekken heel achter in 't niet groote vertrek,
+op 'n tafeltje dat in 'n hoek stond. Zwygend, met styftoegeknepen
+lippen, de armen over elkaar geslagen, en met iets als uittarting in
+haar trekken, zag 't meisjen op de menigte neer. De kant van haar kap
+hing haar aan flarden in den nek--zy, zoo net altyd!--en, erger nog,
+Wouter meende te bespeuren dat haar gezicht bebloed was, het lieve,
+lieve, lieve gezicht van Femke!
+
+Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit behoefde
+ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar tafeltje. Hy riep,
+maar ze hoorde niet.
+
+Met onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de
+aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy in-een:
+ze wilde hem niet kennen!
+
+--O God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik verdiend voor
+m'n lafheid by de Holsma's!
+
+--Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen
+wilt, ga dan na je moeder!
+
+Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet
+verzetten. De aandrang by 't buvet waar-i stond, klemde hem tegen
+de jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in
+'t oog te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen van
+wrevel en smart vloeiden hem over de wangen.
+
+--Wat doe ie dan in de drukte, zei 't jeneverwyf, as je d'r niet
+tegen ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet getapt. Zet 'r
+'n borrel op, jongen, of ga heen!
+
+Lust of niet, hy had heel graag 'n "borrel" besteld om z'n plaats te
+betalen. Maar--"daar-i thuis altyd alles kreeg wat-i noodig had"--hy
+bezat geen duit, en liep nu gevaar de deur te worden uitgeworpen
+wegens overmaat van matigheid. Doch ook dit kon niet, want de persing
+aan de deur bleef nog altyd even groot. Bovendien werd de aandacht
+der waardin afgeleid door de drukte van 't gevecht, dat al nader en
+nader kwam, en weldra dreigde de kroeg te kiezen tot "operatie-bazis"
+zooals dit in 't jargon der krygskunde genoemd wordt. De ware reden
+was dat elk der strydenden in 't byzonder zich aan de slagen van z'n
+tegenparty wou onttrekken door in de kroeg te vluchten. De meeste
+"krygskundige evolutien" hebben van ouds-her geen anderen grond.
+
+Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog
+altyd lag er dat spottende op haar gelaat; alsof ze zeggen wilde:
+wie durft?
+
+Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets dan
+'n verwyt aan hèm. Femke wilde hem niet kennen. Meer of iets anders
+voelde hy niet!
+
+Och, hoe gaarne had hy in 't bywezen van al die menschen de zolen
+van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de vergiffenis,
+waarop-i wel geen aanspraak had--naar-i meende--maar zonder welke hy
+niet leven kon!--
+
+--Femke! riep hy, als 't roepen heeten mocht, want het geschiedde zoo
+zacht dat z'n stem onmogelyk tot het meisje kon doordringen. Immers,
+er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren ook, zy die
+zoo... wreed--nu ja, maar rechtvaardig toch--had blyk gegeven van haar
+tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet nemen, en nogeens
+riep hy, maar 't was weer fluisterend:
+
+--Femke! Femke!
+
+Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en 't schippersbuis
+aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de strydvoerende
+mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand van z'n
+kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende voorrechten der
+neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen tegelyk.
+
+Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in de kroeg,
+dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, z'n dame die vóór hem
+dat heiligdom bereikt had, niet in den steek te laten, was Wouter
+niet duidelyk. Er bestond 'n tertium dat hy niet raden kon, maar
+dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid
+verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van 't geheim.
+
+Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde
+zelfs 't verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om
+zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van z'n
+steunpunt afgerukt, want waar velen 't zelfde begeeren, is 't verkrygen
+moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van de anderen, omdat zy
+slechts betrekkelyke veiligheid zochten--en jenever misschien--terwyl
+hy werd aangespoord door... nu ja, 't nog altyd onbekende tertium.
+
+Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i,
+zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden
+troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker
+geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen,
+zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand
+durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot?
+
+Op 'n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor
+de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in 't oog te
+krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk toe,
+Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z'n pogingen om tot haar
+doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als 'n verzekering
+dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond daar als
+'n godin der kalmte, of althans als 'n standbeeld dat vastberadenheid
+kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van de meening dat er
+geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het uitdeelen van
+den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan ieder die
+haar te na mocht komen.
+
+En die glimlach! Over Wouter's hoofd heen had de wreedaard z'n weg
+genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper bereikt. Want
+de man knikte terug...
+
+--Hy heeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. 't Is
+toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft.
+
+Op dit oogenblik kreeg 't wyf dat de kroeg hield, den worstelenden
+schipper in 't oog. Er bleek dat-i 'n goede bekende was, want ze
+schreeuwde van achter de toonbank:
+
+--Zoo Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, hè?
+
+En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men
+niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich 'n paar stappen
+buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats
+voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van
+Wouter, in de nabyheid van 't buvet te staan kwam.
+
+--Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad!
+
+'t Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen
+dat niemand zeker van z'n dag is voor bedtyd! Dit had ook Wouter
+ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen
+in den hoek geblokkeerd stond.
+
+--Hebje-n-'n goeien dag gehad, vroeg 't wyf. Met de zeilery was
+'t miesserabel, hè?
+
+Klaas lei den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen
+toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer
+byzonders.
+
+--'n Glas klare?
+
+Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle
+gezonde systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der
+zeer byzondere. 't Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet
+gelukkiger toen ze 't onderzoek naar Verlaan's wenschen voortzette:
+
+--Skille?
+
+Ook niet!
+
+--Rooie dan?
+
+Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in 't bepalen van de
+soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy 't hoofd,
+en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker gesprek te komen
+dan de drukte toeliet.
+
+"Amour à la plus belle!" galmde het buiten de deur, en eenige heesche
+keelen binnen de kroeg trachtten meetezingen.
+
+--Weg met die moffeliedjes! schreeuwde een der gasten. We
+benne-n-ommers hier allemaal Hollanders onder mekaar!
+
+"Wel ja, we benne Hollanders...
+
+"En al is ons Prinssie...
+
+"Sjt!"
+
+--Ik verkies nu te zingen: al is ons Prinssie! En wie niet mee-doet...
+
+De prinsman sloeg op z'n vry ongekleede borst. Zóó, denk ik, zoud-i
+ieder slaan die niet meezong: "al is ons prinssie."
+
+Misschien volgens de theorie van 't onbewuste meegaan--Wouter
+maakte weer bespiegelingen over "massa"--de meerderheid werd op
+eenmaal hollands- en zelfs prinsgezind. Met het verschil tusschen
+patriottery en keezigheid, nam men 't nu zoo nauw niet. Hoofdzaak
+scheen dat men zich op eenmaal Hollander voelde, of goedvond zich
+zoo aantestellen. Het "Prinssie" liep behoorlyk van stapel. Een
+der gasten ging verder, en stelde 'n soort van toost in, op de zeer
+vervroegde en buitengewoon langdurige ongelukzaligheid van "al die
+fransche flikkers!" Met andere woorden, hy wenschte ze zonder uitstel
+de bekende "eeuwige verdommenis" toe.
+
+"Hoerah!"
+
+--Ja, zieje, toen we nog Hollanders waren ...
+
+"Ja, toen we nog Hollanders waren!"
+
+--En onder de Republiek ...
+
+"Leve de Republiek!"
+
+--Toen had je-n-'ns 'n hardzeilery moeten zien! Maar nou!
+
+"Al is ons Prinssie!" en: "Leve de Republiek!"
+
+--Onder de Republiek waren alle menschen gelyk!
+
+"Allemaal gelyk!"
+
+--Zoo'n koning, zoo'n prins, al die tirannen...
+
+"Weg met die tirannen!"
+
+--Ze benne geen haar beter als wy!
+
+"Dat's waar! Ze benne geen haar beter!"
+
+--En ze zuigen 't arme Volk uit!
+
+"Ja, ze zuigen 't Volk uit!"
+
+--En weetje waarom? Omdat jeluî--om nou 'reis de gulle waarheid te
+zeggen--allemaal lamme... enz. bent!
+
+"Ja, ze benne-n-allemaal lamme... enz."
+
+--Jelui buigt je nek onder 't juk...
+
+"Juist! "Ze" buigen den nek onder 't juk!"
+
+--Als 'r 'n koning komt, of 'n keizer, of 'n prins, dan slaat
+de-n-angst jelui in de buik als seneblade!"
+
+"Ja, de-n-angst slaat ze-n-in de buik as seneblade!"
+
+--En, als jelui kerels was...
+
+"Precies, as "ze" kerels wasse...
+
+--Dan zou jelui...
+
+"Ja, dan zouwen "ze"...
+
+--'n Mensch is vry gebore...
+
+"We benne vry gebore!"
+
+--En 't hollandsch hart... wàt zeg je daar, vrouw Gooremest? Wàt? 'n
+dochter van... m'nheer...
+
+Een allervreeselykst woord scheen den volksredenaar op de lippen te
+besterven. Hy werd bleek.
+
+--'n Dochter van... m'nheer...
+
+--Wel zeker! Vraag jy 't maar aan Verlaan.
+
+De ontstelde jenever-Gracchus wendde zich vragend tot den
+schipper. Deze knikte toestemmend.
+
+--Is 't waarachtig waar, Klaas? Wis en waarachtig? En waarom heeft
+ze zich dan zoo... angekleed als 'n gemeene meid?
+
+--Och, 't benne de spulle van m'n dochter Geert, zieje. 't Is 'n
+rykeluîs grap...
+
+--Ah! Jongens... er uit, er uit! Moeder Gooremest wil slapen,
+'n Mensch is niet van steen of yzer. Er uit, allemaal!
+
+"Weg met de tirannen!" "'n Mensch is vry geboren!" "Alle menschen
+zyn gelyk!" "Het hollandsch hart"... enz.
+
+--Sjt! Er uit, zeg ik je, er uit! Die... jongejuffrouw...
+
+"Wàt? Die meid? Wat zou ze?"
+
+"Sjt! Ze is de dochter van--maar mondje toe,
+hoorje!--van... m'nheer--ja, hoe donder is 't mogelyk, niet waar?--de
+dochter van m'nheer... Kopperlith!"
+
+"Op...de...kei...zers...gracht? Man, wat zeg je? Van
+m'nheer... Kop...per...lith? Op de kei... zersgracht?"
+
+--Ja, wis en bliksems! Er uit! Er uit!
+
+"Z'n... eigen dochter?"
+
+Alsof 'n behuwd-hoedanigheid de zaak minder verpletterend gemaakt had!
+
+--Z'n bloed-eigen dochter, zeg ik je! Maar... mondje toe, dit begryp
+jelui! Er uit, er uit!
+
+De hollandsche harten, onbuigzame republikeinen, onkreukbare karakters,
+vrygeboren menschen met nooit gebogen nekken ... slopen als geranselde
+honden de kroeg uit.
+
+De uitvinding om z'n beschermeling te verheffen tot 'n bewoonster
+van de Keizersgracht, bracht Klaas Verlaan meer "moffedukaten" op,
+dan-i liefst aan z'n kleinkinderen verantwoordde. En tevens komt ze
+den lezer te-hulp by 't zoeken naar zeker tertium, naar de oorzaak die
+den Amstelhavenknecht zoo koppig maakte in 't bestormen van die kroeg.
+
+Wouter begreep minder van de zaak dan ieder ander, juist omdat hy in
+den waan verkeerde zooveel meer dan anderen te weten van 't meisje
+dat daar op tafel stond. Toen-i den... gladgeschuurden duit zag,
+dien Verlaan in de hand der kroeghoudster gedrukt had, en later
+'n dergelyke manoeuvre met den Republikein...
+
+Kopperlith? Kopperlith? Op de Keizersgracht? Femke op de
+Keizersgracht? Maar juist by dien hoogen heer Kopperlith immers zou
+hy overmorgen...
+
+Z'n hoofd dreigde te bersten. Als-i op dàt oogenblik...
+
+Neen, denken kon-i niet. Misschien bleef hem nog eenig besef dat
+hyzelf Woutertje Pieterse was, maar heel zeker is 't niet. Voor-i
+hieromtrent tot 'n onherroepelyk eindbesluit was gekomen, werd hy in
+één greep met 'n paar anderen de deur uitgeworpen door Klaas Verlaan
+en den hollandschen Republikein.
+
+Wel zeker! Hy was niet beter dan andere stervelingen, en moest dus
+plaats-maken voor de "bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith op
+de Keizersgracht.
+
+De volte op straat was zeer gedund. Wouter bleef in de buurt van
+de herberg die hem tot 'n tempel was geworden, om te zien waar z'n
+godinnetje belanden zou. De braking was aan 't bedaren. Nog altyd
+evenwel werd er van-tyd tot-tyd iemand buiten de deur gezet die,
+belust op de vreemdheid van 't geval, nog zoo graag 'n beetje had
+willen blyven om 't wonder te zien. Men krygt niet elken dag 'n
+"bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith te aanschouwen.
+
+Sommigen dan wilden zich aansluiten by 't driemanschap Verlaan,
+Republikein & Gooremest, om mee-opgenomen te worden in aanspraak op
+de baten der veelbelovende ruwaardy. Maar ons trium-viraat voelde
+zich sterk genoeg, en vond geen reden om 't aantal deelhebbers in de
+vermoedelyke vruchten van den arbeid, grooter te maken dan noodig
+was. Menigeen die mee-schreeuwde: "er uit! er uit!" ontving zelf
+'n handtastelyke vermaning om 't voorbeeld by de les te voegen.
+
+Eindelyk hield het uitwerpen van overbodige getuigen geheel op. Juist
+toen Wouter zich verstouten wilde om door 'n spleet te gluren van de
+gordyn aan de glasdeur, werd deze geopend, en de Republikein trad er
+uit. Hy hoorde hoe Verlaan hem nariep:
+
+--Dáár ergens op 'n hoek in de Paardenstraat, weetje! Kyk nu maar
+eens niet op 'n daaldertje... en klop ze maar flink op, en zeg aan
+den sleeper ...
+
+Het woord: "sleeper"--een nu verouderd amsterdamismus voor
+wagenverhuurder of huurkoetsier--gaf Wouter 'n licht van betwistbare
+helderheid. Dat de Republikein 'n rytuig bestellen moest, was duidelyk,
+maar... Femke in 'n koets of brommer? Of ... al was 't maar in 'n
+sleê... zy?
+
+Hy wachtte. Op bespieden van het inwendige der kroeg, was geen kans
+meer. Vrouw Gooremest had de blinden gesloten. Zou er nu 'n bruikbaar
+licht over deze zaak opgaan uit die Paardenstraat?
+
+Na lang wachten kwam er 'n rytuig aanrollen. De Republikein sprong
+er uit. De deur van de kroeg werd geopend, en Klaas Verlaan vertoonde
+zich met z'n vermeende juffer Kopperlith op den dorpel...
+
+--Femke, ik ben hier! riep Wouter, wild toeschietend, ik ben hier! O
+God, o God, Femke, ga niet mee met die vreemde mannen!
+
+--Wat bliksem is er dàt nou weer voor een! schreeuwde Verlaan, die
+Wouter by den kraag pakte en naar binnen trok. Wat mot jy? Wat ben
+jy? Wat wil jy?
+
+--Femke, ga niet mee met die vreemde mannen. Ik zal je thuis brengen,
+ik, Wouter!
+
+--Die jongen is niet wys, zei Vrouw Gooremest, laat 'm los. Hy heeft
+hier al den heelen avend staan huilebalken als 'n kalf, en geen duit
+verteerd. Nou dáárom niet... ik wil maar zeggen dat-i niet wys is.
+
+Wouter trachtte de hand van 't meisje te vatten, en bemerkte nu dat
+ze allerzonderlingst was toegetakeld. Van gelaat, hoofd, schouders
+en gestalte, was niets te zien. Waarschynlyk had de gastvrye Vrouw
+Gooremest haar familie-mantel voor dit doel afgestaan. Men doet zoo
+veel voor 'n bloed-eigen dochter van m'nheer Kopperlith! Toch was de
+edelmoedigheid van de ekonomische jeneverprinses niet zóó ver gegaan,
+dat ze meer dan één kaarsje had aangelaten, na 't sluiten van de
+eigenlyke nering. Dat armzalige nachtpitje had juist even genoeg licht
+verspreid, om niet dezen of genen aan den misgreep bloottestellen
+'n tafel of stoel in-plaats van overtollige gasten buiten de deur te
+werpen. En nu...
+
+Nu vlamde het zoo zonderling, en zoo onwillig, en zoo fantastisch! En
+ook zyzelf stond daar zoo vreemd! En zoo spookachtig trilden de
+omtrekken van die gestalte...
+
+--Bist du es, Erich?
+
+--Femke, Femke, ik smeek je-n-om-godswil, ga niet met die vreemde
+mannen mee!
+
+En, zich losworstelend uit den greep van Verlaan, wierp hy zich voor
+haar neder, rukte den mantel open, greep hare hand, en bedekte die
+met tranen en kussen...
+
+--Wat ik je zei, riep Vrouw Gooremest, de jongen is stapelgek!
+
+--Femke, nooit zal ik je weer verloochenen! Schop me, trap me, dood
+me, maar... ga niet mee met die vreemde mannen!
+
+--Licht! riep 't meisjen op zeer gebiedenden toon, en met vreemden
+tongval.
+
+De Republikein nam 't smeerkaarsje van de toonbank, en hield het by
+de groep, zoodat de knielende gestalte van Wouter nagenoeg zichtbaar
+werd. Het meisje staarde door 'n spleet van haar mantelkap op hem neer,
+en zweeg, en verroerde zich niet, en scheen natedenken, en trok de
+hand niet terug, die Wouter aan z'n lippen geklemd hield...
+
+Verlaan maakte een beweging als om den indringer wegterukken...
+
+Maar zy, den vryen arm uitstrekkend boven Wouter's hoofd, wees den
+schipper terug, en zeide:
+
+--Mein Bruder!
+
+--Ook alweer 'n bloed-eigen zoon dus van m'nheer Kopperlith, mompelde
+de republikein. Wat die jongelui 'n rare manier hebben om hun nachten
+doortebrengen!
+
+De lezer begrypt dat-i deze oneerbiedige woorden niet luid worden
+liet. Al z'n hoorders wisten waar de "bloed-eigen" vader van die twee
+vagebondjes woonde, en dus: mondje-toe voor de Keizersgracht! Men
+had al byzonder ongemanierd moeten wezen--of geen republikeinsche
+Amsterdammer--om dit niet te begrypen.
+
+Toen Wouter weer tot bezinning kwam, stond-i op straat. De brommer was
+weggereden, met of zonder haar. Met of zonder die beide mannen. Dit
+wist-i niet. Maar 't bekommerde hem nu minder ... Zy had hem haar
+broeder genoemd, ernstig, plechtig, boekerig, kerksch... dit was
+hem genoeg!
+
+--O, myn God, ik dank u, riep hy. Gy zyt goed en genadig en
+vergevensgezind... o myn God, ik dank u!
+
+en:
+
+--Gut, ik wist niet dat Femke zóó spreken kon! Ze moet het wel heel
+innig gemeend hebben... anders zou ze "broêr" hebben gezegd, zooals
+we gewoon zyn.
+
+En hy beloofde zichzelf, overmorgen schatryk te worden "in den
+handel." Schatryk, en... Koning alweer, om meer nog, véél meer nog,
+van Femke te worden, dan haar broer...
+
+Juffrouw Laps had eer van de les! Maar dit wist Wouter zelf niet,
+al voelde hy geheel anders dan gister nog.
+
+Voor 't oogenblik was-i opgetogen met z'n nieuwen titel. Hoe toch
+kwam zy aan zoo'n schoon woord? Zoo verheven? Zoo Bybelsch? Zoo
+voornaam? Zy, zoo eenvoudig anders!
+
+--Ik ben Femke's broeder! juichte z'n hart, en--hoe vermoeid ook--hy
+liep als op stelten, en verwonderde zich dat-i 't hoofd niet stootte
+aan de wolken.
+
+
+
+
+
+
+
+ Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen
+ door elken lezer dien 't om voortzetting van de geschiedenis
+ te doen is. Alleen op 't slot wordt de eentonigheid eenigszins
+ afgebroken door 't zonderling lotgeval van 'n kruiwagen en 'n
+ onbillyken droom, 't eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal
+ leveren kan.
+
+
+Sedert eeuwen vernemen wy uit de boeken, dat we den morgenstond
+zoo byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs
+zóó ver, dat-i de opgetogenheid over 't opgaan der zon, aanbeveelt
+als graadmeter van de "deugd." Wouter kende dit axioma niet, en
+veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid van heel andere
+vingers te droomen, dan de "roosverwige" van Aurora. Hy dacht aan
+de hand die hy gekust had, en... menschelyk gesproken, z'n "deugd"
+was er niet minder om.
+
+Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z'n omgeving. De
+volheid van zyn gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der
+straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door
+'t verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken geleden,
+als omdat-i nog nooit op dat uur buitenshuis geweest was. Egoïst
+als alle gelukkigen, kwam 't hem heel natuurlyk voor, dat al wat
+het leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn
+geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in 't Heelal slechts twee
+dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als 'n
+trouwende vrouw, haar naam by 't huwelyk met die ééne gewaarwording,
+met dat ééne gevoel: ze gaat er in op.
+
+Wouter's oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de
+hoeken der straten. Z'n onverschillige blik las: "Botermarkt" en:
+"hier gaat men uit porren." Ook kon-i te weten komen waar kousen
+te-koop waren, of wagens te-huur, en wie 'n smid was, of 'n timmerman,
+of... "in" 't een-of-ander...
+
+Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke's hand
+gekust! Welk verstandig wezen kon 't in z'n hoofd krygen dat er,
+na dàt evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter
+verkocht, of schoensmeer? Of die man "uit porren" ging, of "in"
+effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden e|n duizenden op de wereld
+zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs
+de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch--wáár
+was het!--hy had Femke's vingertoppen gekust, en zy had hem "broeder"
+genoemd!
+
+'t Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien
+zomernacht. Horatius had er 'n aardige illustratie by gewonnen voor
+z'n fractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk dat Wouter by zoo'n
+kataklysme zou overeind gebleven zyn, en--voor 't byna ondenkbaar
+geval dat-i notitie van de zaak had genomen--hoogstens gevraagd hebben:
+of zy zich bezeerd had?
+
+Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z'n tyd is, bekend
+zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydag-nacht naar
+oude gewoonte 'n zaterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van
+z'n soort is gebleven.
+
+Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze
+Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman
+dat-i "in" effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo
+gelukkig voelde.
+
+Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het
+gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van
+de vyf laatste uren herhaaldelyk, voortezeggen, om verzekerd te
+zyn dat nergens 'n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in
+gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend,
+maar toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers
+had kunnen meenemen--de pink was genoeg geweest, die lieve pink!--als
+tastbaar getuigenis van 't gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i ooit
+weer haar hand aan z'n lippen voelde!
+
+Doch neen, ook zonder zoo'n verslindende zorg voor 't bewaren van
+'n tastbaar blyk... 't was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem
+"broeder" genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen,
+porders of effectenlui, kon daaraan iets veranderen.
+
+Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar
+bent voor den triumf van 't allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal
+niets veranderen aan het feit...
+
+Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk
+houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde Femke
+hèm 'n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe
+broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan
+de oude betrekking van "vrindje" waarop hy altyd zoo had aangedrongen,
+en die hem nooit geweigerd was?
+
+Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i
+redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de
+kreditposten van z'n geluk voor--men bedenke dat-i "in den handel"
+geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou--en trachtte hoog
+gewicht te hechten aan de erlangde vergiffenis voor 't verloochenen.
+
+Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert
+gister op dit punt 'n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs sedert
+z'n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol uur geleden
+dreigde z'n gemoed te bezwyken onder Femke's verachting, en nu... nu...
+
+Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig
+geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van
+zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z'n geluk, omdat hy
+'t niet begrypen kon.
+
+De oorzaak zal wel hierin gelegen hebben dat-i slechts wist wat er
+geschied was, en verzuimde zich rekenschap te geven van den samenhang,
+zoowel der gebeurtenissen, als van z'n aandoeningen. Hy was als iemand
+die den oogenblikkelyken barometerstand waarneemt, en daarby vergeet
+het voorafgaande in rekening te brengen. Een door styging bereikt
+standpunt heeft 'n andere meteorologische beteekenis, dan datzelfde
+standpunt als rezultaat van daling. Gebeurtenissen, aandoeningen,
+en zelfs zedelykheid, zyn onderworpen aan de algemeene wet der
+traagheid. Wie zich toelegt op genezing van 'n fout, en ten-halve
+geslaagd is, staat hooger dan 'n ander die in gelyksoortige fout
+verviel en daarin afdaalde tot hetzelfde peil. Wat by dezen gegronde
+reden geeft tot bezorgdheid, kan in den ander gelden als hoopvolle
+verbetering. Iets dergelyks bepaalt den graad van geluk en tegenspoed,
+of althans den indruk daarvan. En slechts met dien indruk hebben wy
+te doen. 't Was karakteristiek van Wouter, dat-i--niet tevreden met
+z'n veronderstelden rykdom--zich zooveel moeite gaf z'n kapitaal
+natetellen.
+
+En de uitslag was niet volstrekt geruststellend. Hy wist de
+by-omstandigheden niet aan elkaar te knoopen, die hem gelukkiger
+maakten dan hy-zelf verklaren kon, doch welker invloed duidelyk
+kan gemaakt worden voor ieder die niet zoo van naby in 't gebeurde
+betrokken is. Men ziet zichzelf niet, en geeft zich maar zeer gebrekkig
+rekenschap van den samenhang der gebeurtenissen en aandoeningen die
+ons buitengewoon gevoelig maken voor zekere indrukken. In elk ander
+tydsgewricht van z'n leven, na àndere voorbereiding, op 'n àndere
+plaats, en te-midden van àndere omgeving, zou 't nachttooneeltjen
+in die vuile herberg, waarby Wouter 'n hoofdrol speelde, hem veel
+minder sterk hebben aangegrepen. Tot zelfs de nawerking van Fockink's
+likeur--zoo ontzenuwend anders!--verhoogde het schynbaar of wezenlyk
+gewicht der zaak. Juist de uitputting die op zuike opwekkingen volgt,
+had hem tot buitengewone krachtsinspanning gedwongen, toen-i zyn Femke
+in gevaar meende te zien. En op-nieuw voelde hy zich vernietigd na
+'t ondergaan der blyken van haar verachting. Wie dáár niet bezweek,
+moest zéér veel veerkracht ontwikkelen, en deze ontwikkeling zelf was
+'n oefening in kracht. Na Fockink, het dringen door de menigte! Na
+die inspanning weer, haar... glimlach aan 'n ander, haar verachting
+voor hèm! Toen had-i geschreid als 'n kinderachtig jongetje. En, nà
+deze reeks van Rückschläge en défaillances--ik zoek 'n goed hollandsch
+woord voor de hier bedoelde moed-smoorende ontkrachting--na dit alles
+hield z'n gebogen ziel spankracht genoeg over, om hem wegteslingeren
+uit z'n donkeren schuilhoek en, neervallend voor Femke's voeten, haar
+te bezweren: "Femke, Femke, ik ben hier... ik Wouter! Om-godswil,
+ga met die vreemde mannen niet mee!"
+
+Dàt was het! Dáárom voelde hy zich zoo gelukkig. [6]
+
+Wouter had het recht veroverd--'n recht dat zoovelen zich aanmatigen
+zònder grond--dat hy zichzelf voor iets mocht aanzien. En zonderling,
+zelfs het... kuiperytje van de oefenaarster had hem goed-gedaan.
+
+Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed
+of... toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing 'n kind,
+meer kind zelfs dan byna ieder die even ver als hy van 't uur zyner
+geboorte verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort geleden nog ... 'n
+kind in alle beteekenissen van 't woord.
+
+Doch zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg,
+die hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan 'n "opvreter van
+Stad en Land." Tot Wouter's groote verbazing voelde hy in zichzelf de
+kracht--en den lust zelfs--die waarschuwing te trotseeren. Zeker was
+geen der omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden dikwyls
+"brutale bliksems" gezien, en konden niet weten dat Wouter ... nu ja,
+van 'n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i niet. Toch had hy zich
+by die gelegenheid voorgedaan als 'n persoonlykheid, eenigszins als
+'n persoon... jazelfs--op 'n beetje na!--als 'n wezenlyke man.
+
+Kort daarop was deze onthulling gevolgd geworden door 'n beroep op
+z'n ridderlykheid. "Dieven, moordenaars, en... 'n vrouw in nood!" De
+gekste zotternyen die uit al die boeken in z'n gemoed gezaaid waren,
+werden daar snel genoeg verwouterd, om terstond voor-den-dag te
+treden als iets schoons: hy durfde! Hy durfde, ja, maar... niet
+omdat-i moed had, o neen! Het durven-zèlf trok hem aan. God en die
+zeven planken kunnen getuigen aan hoeveel ridders hy z'n woord zou
+gebroken hebben, wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet der
+belaagde onschuld. Dat-i gedurende z'n heldentocht geleden had aan
+ontmoediging, is waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem slechts
+gebakken aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar. Zoo'n
+onthaal werkt niet bezielend. Om ons 't recht te geven, Wouter te
+verdenken van... terugtrekkende krygskunde, zou men hem moeten hebben
+waargenomen als z'n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe dit zy,
+de jongen, of 't kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd getrokken
+als n man. En... juffrouw Laps--'n volwassen persoon toch!--had hem
+als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er bleek al spoedig dat-i
+haar welkomer was in z'n hoedanigheid van ridder dan, byv. de oude
+Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had hooren beschuldigen van
+verregaande onvolwassenheid. Ook had zy verzekerd dat ze hem liever
+had dan Stoffel, 'n persoonlykheid die toch nog altyd--waarheid
+bovenal!--'n paar duim langer was dan hy.
+
+Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven
+zich in veel opzichten "groot" te voelen. Maar toch zou er 'n gaping
+bestaan hebben in z'n aanspraken op volwassenheid, indien er niet méér
+geschied was. Z'n zonderlinge gastvrouw--hoe afschuwelyk ook vroeger
+in zyn oog--had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na
+'t verlaten van haar woning bleven doortrillen in z'n gemoed. Ze had
+hem geleerd dat-i man was, en mneer, of iets anders ten-minste--'n màn!
+
+Dit werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met
+z'n gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in 't bevestigen
+van z'n mondigheid. 't Was zeker al iets heel schoons--en niet
+elk protestantsch handelsjongetje gegeven!--te kunnen dienen als
+schild tegen dieven en moordenaars, maar... dat àndere... o, lieve
+onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid
+aangetoond, dat hy--hy, Wouter!--kon bemind worden als verloofde,
+als bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de minnaar in
+'n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i Femke lief, ook zóó--ànders ook,
+God weet het!--maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de oefenaarster
+in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over z'n verregaande
+onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot verdriet over den weg
+dien z'n pas opgedane wysheid al te haastig insloeg. Had ze niet
+als 'n Virgilische by, honig vergaard voor 'n ander? Was 't niet
+'n pynigend: sic illae--Femke!--non mihi? [7]
+
+Zóó althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er dan Virgilius
+niet by te-pas. Er was geen twyfel aan, dat juffrouw Laps hem,
+met den vinger als 't ware, gewezen had op 'n vroeger onbekende
+plek in z'n gemoed, en tevens dat deze ontdekking in-verband stond
+met z'n eerzucht zoowel, als met z'n begeerte om te weten, en "het
+Lot uittedagen". En over dit alles lag de gloed--we moeten oprecht
+zyn!--niet van z'n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte
+zinnelykheid die hy natuurlyk met deze liefde verwarde ... zooals
+meer gebeurt, by dokters en patiënten beiden.
+
+Van dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy zich
+tot den hoogmoed die by z'n nieuwen rang paste, naar-i meende. Als
+'n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o allerlei! Dit,
+o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze "maagd" was, en
+ook niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld hebben met het malle
+woord wulpsch? Hy wist het nu, o goden, zoo goed als Bilderdyk zelf,
+en begreep dat zulke praatjes tegenover Femke niet passen zouden in
+den mond van 'n "man."
+
+Het dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z'n genegenheid
+voor 't meisje, 'n gevoel dat voor 't minst zeer hartelyk was...
+
+Men bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat
+de onvoedzame dorheid van z'n huiselyken kring hem voorbeschikte tot
+het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste.
+
+...dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen
+had op z'n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf 'n
+vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i eigenlyk
+tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor de
+prettige promotie. Maar zóó ver ging z'n erkentelykheid niet. Het
+was al veel dat z'n afkeer veranderde in iets als medelyden, en
+wanneer-i had kunnen toegeven in de overbruischende mildheid van
+z'n hart ... waarlyk, hy had haar met genoegen z'n heelen broer
+Stoffel afgestaan! Heel goedig nam-i zich voor, daaromtrent by
+de eerste gelegenheid te dienen van konsideratien en aanpryzend
+advies. Inderdaad, hy wou gaarne iedereen gelukkig zien, en waarom
+dan háár niet, haar die hem zoo zelfopofferend den weg had gewezen
+tot wat hy aanzag voor z'n eigen geluk?
+
+Maar al wat niet Femke-zelf was, hield hem slechts vluchtig bezig. Al
+z'n eerzuchtige plannen van ... grover aard, weken beschaamd terug
+voor z'n besluit om háár lieftehebben, háár te dwingen tot liefde. De
+werelddeelen die van hem hun geluk wachtten...
+
+Láát ze wachten! Voor zulke nietigheden had-i nu geen ruimte in z'n
+ziel. Hy dacht aan Femke, aan haar zachte mollige hand...
+
+'t Is waar ook! Nooit had hy die hand zóó gevoeld. Hy meende vroeger
+dat ze ruwer was, steviger...
+
+Maar, eilieve, dan had-i vroeger verkeerd gemeend. Nu wist hy--ja, ja,
+ja, want gedroomd had-i niet!--nu wist hy, dat de hand die zoo flink
+'n zware ben met waschgoed van den grond wipte, fluweelig was als
+'t boordsel van Hamlet's mantel, die vergulde kraag waaraan-i zooveel
+gom had besteed om 't ding behoorlyk te doen glimmen.
+
+En ook had-i zich vroeger vergist in Femke's stem. En in haar
+toon! Want zie, altyd zoud-i zich hebben voorgesteld dat zy, iets
+nauwkeurig willende zien in 't donker, zou gevraagd hebben nàar...
+licht, o ja, maar anders uitgesproken, heel anders! Of liever, ze
+zou--zoo meende Wouter in de dagen van z'n onkunde--ze zou by zoo'n
+gelegenheid gezegd hebben:
+
+"Wil jelui asjeblieft die kaars even byhouden?"
+
+En de houding? Die heele Klaas Verlaan--'n man as 'n boom toch!--en
+z'n makker, stonden verbluft! Wat ze die rechterhand uitstrekte! En
+toch alweer... 'n droom was 't niet, al geleek het dan precies
+op 'n droom! By 't openslaan van den mantel, had-i duidelyk den
+blauw-geruiten boezelaar gezien. Zoo-iets ziet men niet zoo helder
+in den slaap! Hy had de ruitjes kunnen tellen, als-i niet aan iets
+anders gedacht had ... o, aan heel wat anders, en byna zelfs aan niets!
+
+Neen, neen, gedroomd had-i niet! Maar toch... wat al raadsels!
+
+Wat beteekenden die praatjes van den schipper over 'n m'nheer
+Kopperlith? Wat bewoog hem zich met Femke te bemoeien? Haar
+te... verlagen tot 'n ander? Hoe wist-i zoo op-eenmaal dat gemeene
+wyf uit de kroeg aan z'n zy te krygen, haar en dien schreeuwer over
+menschenrecht? Waarom ging Femke, in-weerwil van z'n bede, met die
+mannen mee? Of ... zat zy alleen in dat rytuig. En waarom niet te-voet,
+gelyk kinder- en bleekmeisjes gewoon zyn? En waarheen? Kon zy op
+dat uur by de Holsma's te-recht? Of was ze naar hare moeder gereden
+... die óók vreemd zou opzien als Femke daar kwam aanrollen in 'n
+brommer! En uit welke fondsen zouden de "daaldertjes" betaald worden,
+waarover die schipper gesproken had met 'n voorname onachtzaamheid
+alsof 't maar duiten waren?
+
+Och, wat al mysterien! Maar hoofdzaak was en bleef dat hy haar vingers
+gekust, en dat zy hem ten-aanhoore van drie personen allerplechtigst
+haar broeder genoemd had.
+
+Dit stond vast als 'n rots. Al 't overige? By de eerste gelegenheid
+zoud-i haar vragen om inlichting, die ze hem niet weigeren zou ... hèm,
+haar broêr.., neen, broedèr. Zóó zei ze!
+
+Wat overigens 't gevaar aanging--of liever ... 't onbehagelyke--van
+haar weggaan met die mannen, hy telde het niet meer. Al waren er tien
+mannen met haar in dat rytuig geweest, by de minste onbehoorlykheid
+hoefde Femke slechts de rechterhand uittestrekken, en allen zouden
+gekropen hebben voor haar voet. Dit immers had hyzelf gezien, en dit
+zou hy, Wouter, ook doen--met byzonder veel genoegen, waarlyk!--als-i
+maar zeker wist dat ze hem terstond zou opheffen, of althans de hand
+reiken tot 'n kus...
+
+Zoo mymerend doolde hy met lamme schreden--want hy voelde zich zeer
+vermoeid!--door de als uitgestorven straten der stad.
+
+Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hy den Dam. Daar
+stond 'n lange reeks van rytuigen voor en naast het Paleis te
+wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor
+bewaard voor de zonde van 't verwensenen der hooge gasten, die zich
+blykbaar hadden voorgenomen 'n hollandsche zon te zien opgaan, doch wat
+laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds te vertoonen,
+en er was prins noch prinses te zien.
+
+Behalve eenige werklieden, wier dag wat vroeger dan die van de
+anderen scheen te beginnen, stonden er geen toeschouwers om de
+"kleine steentjes van 't Paleis." En gepraat werd er onder dat
+schamel publiekje niet. Op de deugdzaamheid van de omstanders wil
+ik niets afdingen, maar wel bleek er dat de verkwikkende morgenstond
+hen slaperig maakte. Misschien heeft de fransche verzenmaker zich in
+die beide menschelyke zwakheden vergist, en de eene voor de andere
+genomen. Maat of rym zullen dit zoo vereischt hebben.
+
+Ook Wouter voelde slaperigheid. Gister nog zoud-i zich veel moeite
+hebben getroost om 'n wezenlyken koning te zien te krygen--zeker om
+te weten of zoo'n wezen op Macbeth, Arthur en King Lear gelykt--maar
+nu... och, hy gaf er zoo weinig om.
+
+Juist wilde hy heengaan, toen de koetsiers zich oprichtten en in 't
+styve postuur zetten, dat hun door Heeren, Vrouwen en traditie schynt
+voorgeschreven tot verhooging van de deftigheid. Ze sloten de armen
+aan 't lyf, als iemand die zichzelf 'n stoot met den elleboog in de
+lenden geven wil, haalden de teugels op, en vertoonden zich zoo leelyk
+en voornaam als maar eenigszins mogelyk was. Een schoenmakersjongen
+die de wereld scheen te kennen, maakte hieruit op: "dat ze nou wel
+gauw komme zouwe."
+
+Die "ze" waren Keizerlyke, Koninklyke en andere Hoogheden. Zoo'n
+schoenmakersjongen steekt zonder omslag al zulke waardigheden als
+bruine boonen op den elst van z'n tong.
+
+De olykert had juist geraden. "Ze" kwamen inderdaad, en bestegen de
+meestal open wagens, die zoo snel wegreden dat Wouter 't gelaat van
+al de Majesteiten en Hoogheden niet te zien kon krygen. Slechts één
+bejaarde dame gaf op 't oogenblik van wegryden den koetsier met haar
+zonnescherm 'n tikje op den schouder, dat zooveel scheen te beduiden
+als: wacht even!
+
+--Ze het wat vergeten, diagnozeerde 't krispyntje.
+
+Drie, vier "Kavaliere" vlogen als weerlichten 't paleis in,
+en schenen 'n wedloop te houden om den achtergelaten joujou de
+Normandie te halen. Een hunner--de ongelukkige!--kon den ingang
+niet vinden. Vreemder is 't dat de anderen wèl wisten binnen te
+komen, omdat het achtste wereldwonder eigenlyk geen ingang hééft,
+'n byzonderheid die zeer gevoegelyk voor negende wonder kan doorgaan,
+en dan ook een der hoofdgronden is van den rechtmatigen trots der
+Amsterdammers. Paleizen of Stadhuizen met 'n behoorlyke deur of poort
+kan men overal te zien krygen.
+
+Twee ridders des Heiligen Roomschen Ryks betwistten elkander de eer van
+'t veroveren... nu ja, veroverd werd er niets, maar ze kwamen te-gelyk
+aanloopen met den joujou. Ze schenen 'n compromis te hebben gesloten,
+en klemden beiden juist even ver duim en wysvinger om 't gouden
+doosje waarin 't kleinood bewaard werd. Beiden lachten en bogen by 't
+aanbieden, met gelyke allerunterthänigste Pflichtschuldigkeit. Onder
+beiden verdeelde de rechtvaardige Palatine haar tevredenheidswenk van
+den zevenden rang. Beiden klopte het hart met gelyke slagen, en wie op
+'n goudschaaltje de zieleverrukking van die twee eendrachtige heeren
+gewogen had...
+
+Toch ontstond er later twist. In den jare O. H. tweeduizend zóóveel,
+procedeerden de naneven van die twee ridders, over de voorzitting in
+'n demokratisch kieskollegie. Ridder A zou volgens de traditie z'n
+wysvinger een millimeter verder onder de doos hebben uitgestrekt
+dan de helft, en dus grooter aandeel hebben gehad in... grooter
+aanspraak op...
+
+Gekheid! riepen de afstammelingen van z'n mededinger B. Onze voorvader
+heeft er ook den ringvinger aan geslagen! Ziedaar ònzen titel, ònze
+aanspraak! Welke onverlaat zou in deze demokratische eeuw, de rechten
+miskennen... enz.
+
+--Zieje wel dat ze puissies in d'r gezicht het! riep de
+schoenmakersleerling.
+
+'t Was de waarheid! Koninklyk-Keizerlyke puisten! Menschelyke
+puisten! Dit had geen der poppen op Wouter's printen. Al z'n gekleurde
+prinsen en prinsessen verheugden zich in gave gezichten, en 't viel
+hem zeer tegen, dat 'n dame die tot den stoet van koningen en keizers
+bleek te behooren, zoo bitter weinig op z'n printen geleek. Als hy
+'t mensch gekleurd had, zou ze 'r beter uitzien, meende hy.
+
+Hoe geheel anders was dit met... háár, met Femke! Zy had frisscher
+gelaat dan-i met al z'n vleeschkleur schilderen kon. En 'n houding! Nu
+kwam hem op-eens voor den geest aan welke figuur ze hem had doen
+denken, toen ze daar stond met half-opengeslagen mantel by 't
+flikkerend kaarslicht: aan konigin Elisabeth van Engeland... juist!
+
+Maar deze vrouw met haar puistjes? Gut, ze kon best 'n waschvrouw
+wezen, 'n allergewoonste waschvrouw, die nog slordig blauwde op den
+koop toe, en zoekgeraakte mansetten te vergoeden kreeg.
+
+Het onaanzienlyk voorkomen van de Paltsgravin, werkte zeer... burgerlyk
+op Wouter's verbeelding, en 't kwam hem niet heel waardig voor,
+prinses te wezen, als men daarby puistjes in 't gezicht hebben kon
+gelyk ieder ander. Hy beloofde zich vast en zeker, dat-i nooit Femke
+verlaten zou om-den-wille van welke Majesteit ook.
+
+Wel voelde hy eenige yverzucht op 'n zeer jong mensch die kort na
+'t wegryden van de Paltsgravin, 'n opening in 't Paleis scheen
+gevonden te hebben, en naar buiten trad. Gelyk 'n deel der andere
+Kavaliere--de meesten torschten 'n witte pruik, met 'n staartjen
+in den nek--droeg hy eigen haar, dat vry lang was, en hem los om
+de schouders slingerde. Z'n kleeding was 'n eenigszins fantastische
+variant op de uniform der adelborsten van die dagen. De kleur van z'n
+buis was donkerblauw, met roode opslagen aan hals en mouwen, doch
+zonder 't minste goud, wat by de schitterende uitmonstering van al
+de andere heeren, zeer in 't oog viel. Ook droeg-i geen ridderorde,
+en scheen dus 'n gedistingeerd persoon te wezen, al ware 't hierom
+alleen dat-i minder dan alle anderen op 'n begunstigde koninklyke
+kamerdienaar of 'n hansworst geleek. Op z'n hoofd had-i 'n zoogenaamd
+schotsch-mutsje, zooals ligt-matroosjes gaarne dragen. Twee jockey's
+brachten 'n schoon paard voor, dat door den een by den teugel werd
+gehouden, terwyl de ander den stygbeugel hield.
+
+--Dat 's god-straf-me-n-'n jonker! zei 'n sjouwerman. As de bliksem
+zes man 't grietje-want in, om dat vet in 't blok te klaren!
+
+--Mot hy op dat paard? vroeg 'n oud-kavallerist, die 't in zyn vak
+gebracht had tot "oppasser" van ongetrouwde ouwe-heeren. Weetje wat
+ik zeg? Ik zeg: 'n zeeman op 'n paard, is 'n gruwel in Gods oog!
+
+Wouter was te onbedreven in de vakpedanterie dezer beide
+pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap, om hun spotterny
+te begrypen. Voor-i gereed was met het ontcyferen van dat "vet in 't
+blok" en dien "gruwel" sprong prins Erik, den stygbeugel versmadend,
+op den goudvos. De toeschouwers schrikten van 't steigeren, en maakten
+zich gereed om wegtestuiven zoodra 't wilde beest blyk mocht geven
+dat de "kleine steentjes" te nauw waren voor den stryd dien 't met
+z'n ruiter aanving. Het zette den kop in de borst, steigerde, schoot
+vooruit, en stond op-eens pal, zwenkte onverwacht, brieschte, schudde
+de manen, schopte, trachtte z'n ruiter over-kop te werpen ... alles
+te-vergeefs! Of prins Erik 'n gruwel in Gods oog was, weet ik niet,
+maar hy zat vast in 't zaal, dit is zeker.
+
+--Dàt 'n zeeman? riep de oud-matroos--die in zyn tyd den welverdienden
+bynaam droeg van "lamstralige snertmalènger"--dàt 'n zeeman? 't Is
+de vraag of-i 't verschil kent tusschen'n bezaan en 'n fok! Al die
+rykeluîs-zoontjes komen de kajuitspoort in! Ik en 'n ander kruipen
+door de kluisgaten, zieje! Dat 's 't ware!
+
+En, als om op deze diepzinnige meening 't zegel te zetten, verschikte
+hy z'n tabakspruim van rechts naar links.
+
+--Hm, zei de kavalerist-kleerenklopper, hy heeft meer 'n paard tusschen
+de pooten gehad! Anders ... ik wil maar zeggen dat zoo'n pallas van
+anderhalf verrel, 'r heel mal by staat. Die vliegeprikker slingert
+het arme beest tegen de beenen. Hy moest dat ding opgespen.
+
+Prins Erik gespte niets op. Hy vermaakte zich met temmen van z'n
+paard. Toen dit gelukt was, begon hy op zyn beurt het schoone dier
+te plagen, en kittelde het met de sporen, onder 't inhouden van den
+toom. Telkens gaf het blyk van goeden wil, maar scheen wat straf
+te-goed te hebben voor z'n speelschen moedwil van zoo-even. Eindelyk
+scheen de ruiter voldaan. Hy liet den vos, die niets liever wilde
+dan de nog altyd wegrollende rytuigen narennen, z'n zin, en schoot
+vooruit. De dunne gordel omstanders brak af, en op-eenmaal bevond
+zich de ruiter voor 'n kruiwagen, die de dubbele funktie vervulde van
+voertuig en augurken-magazyn. Nog juist by-tyds hield de jonge ruiter
+z'n paard even in, maar toch... 't was te laat om te wyken. Op-eens
+liet hy den teugel schieten, en 't vlugge dier sprong welberaden over
+'t beletsel heen.
+
+De weinige toeschouwers riepen: hé! en onze prinselyke adelborst
+joeg den stoet rytuigen na, die sedert eenige oogenblikken in de
+kalverstraat verdwenen was.
+
+Het schoenmakertje, dat zooveel blyk gegeven had op de hoogte
+van hofzaken te wezen, beweerde dat "ze" den Diemermeer zouden
+doorryden, en, van daar terugkeerend, al de buitensingels om, door
+de Haarlemmerpoort weer naar 't Paleis.
+
+Wouter verheugde zich hartelyk in z'n afkeer van de puistige
+Prinses. 't Was hem als 'n geschenk van 't lot, dat hy eens eindelyk
+iets had te zien gekregen uit 'n sfeer die van de zyne zoo hemelsbreed
+verschilde, en dat toch z'n begeerigheid niet opwekte.
+
+Met dat schoone paard was 't iets anders! Wat 'n sprong! En wat
+die jonge ruiter 'n lief gezicht had! Precies Hamlet... vóór 't
+kleuren! Zoo'n paard zou hy ook wel eens bezitten, als-i maar op
+goeden voet bleef met Femke...
+
+Dit scheen hem de eenige bron van alle geluk!
+
+...als Femke hem maar lief had! En... zoo niet? Wel, dan verkoos-i
+niet eens 'n paard te hebben, geen ezel zelfs, en ... niets! 't Was
+immers juist om door háár te worden bewonderd, dat-i z'n beest zulke
+sprongen wilde laten doen over kruiwagens, of... hooger dingen!
+
+In afwachting van die gelukzaligheid te-paard, sukkelde hy voorloopig
+op z'n voeten verder, en raakte weldra in de buurt van Femke's huisje.
+
+Hier zette hy zich op haar bleekveldjen in 't gras, en peinsde, en
+voelde zich overmand van vermoeienis, en viel in 'n slaap die meer
+onrustig dan verkwikkend was.
+
+Hy droomde allerlei vreemde dingen, waarvan de hoofdzaak was dat 'n
+jong meisjen op 'n tafel stond, en zich vermaakte met het opwerpen
+en vangen van zware mannen in schippersdracht. Ze speelde er mee, of
+'t ballen waren...
+
+--Laat ik haar nu goed aanzien, vermaande zich Wouter. Straks rydt
+zy de lucht in ... ze ziet niet op 'n daalder... en daarom... al is
+'t nu maar 'n droom...
+
+En hy zàg. Hy staarde zoo scherp als men dat in 'n droom kan, en hy
+onderscheidde duidelyk de trekken van ... de kleine Sietske Holsma!
+
+Zéker was zy het! Want ze riep heel verstaanbaar: 'n "massa" is
+'n heele troep, weetje!
+
+En met zoo'n massa--die precies geleek op Klaas Verlaan en de
+zynen--kaatste zy...
+
+--Dàt zal ik nu eens goed onthouden als ik wakker word, beloofde zich
+Wouter. Men hoeft zulk volk maar tusschen duim en vinger in den nek te
+pakken, en 't gaat vanzelf. Ik zal 't opschryven, want zoo'n droom...
+
+Van Femke geen woord, helaas! Zou men niet bevreesd worden inteslapen,
+als men bedenkt dat dit ons verleiden kan tot zooveel ontrouw, tot
+zoo'n valsheid?
+
+
+
+
+
+
+
+ Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit
+ hoofdstuk weer overslaan. 't Is vol prozaïsch realismus,
+ zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van 'n
+ kastalische-fonteinnimf--tevens van beroep: waschvrouw--met
+ 'n ridder in de luur, die 'n brief ontvangt uit den hemel: mirakel!
+
+
+Toen Wouter zich in 't gras zette met z'n rug tegen 'n boom, was z'n
+voornemen daar te blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in
+Femke's huisje. Al was 't dan hoogstonzeker of ze zich dáár bevond,
+toch immers zou hy dan iets vernemen. In-allen-geval kon haar moeder
+hem zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of
+de wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was
+ze geweest, dit had-i duidelyk gezien.
+
+Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma's--'n
+nicht... hoe zàt dat in elkaar!--op de Kolveniersburgwal sliep, of
+'s avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht,
+iets zou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte...
+
+Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet
+te veel geweest, en hy had er maar één. Hy viel dan ook weldra om,
+en lag daar alleronfatsoenlykst. Z'n petje rolde in de sloot, en
+verdween langzaam maar zeker onder 't kroos.
+
+De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar 'n
+beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om bespiegelingen
+te maken over de al te vroege rypheid van zoo'n jong ventje. Een
+onderzoek naar de oorzaken van 't geval--hy toch kon ziek, gewond
+of dood wezen--lag niet in de zeden. Dat zyn politiezaken. 't Was
+volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed.
+
+Gelukkig was 't aantal voorbygangers, om 't vroege morgenuur, nog zeer
+gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door 't grasveldje
+kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te zien. Maar straks
+als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg liggen, dat was zeker.
+
+Z'n droomen blyven--als 't wakend leven-zelf--'n zonderling mengsel van
+schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog ...ziedaar
+alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen
+dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen. Even als
+dichters en lasteraars!--vinden ze niets uit, en bepalen zich tot
+eenige verandering in 't rangschikken of samenvoegen. Personen, zaken
+en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander 't
+heterogeenste. Wouter droomde precies als 'n ander in zyn geval zou
+gedaan hebben, d. i. onder den indruk van de gegevens die hem waren
+meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z'n lenden
+waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem
+pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en
+kippenhokken. Z'n moeder zag het aan, en geleek op koningin Elisabeth
+die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met háár geldje:
+honderd kromme pietjes. Klaas Verlaan droeg 'n fluweelen mantel, en
+zat schrylings op 'n gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i
+heensprong over 'n dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook:
+"massa"--persoon geworden--met 'n pruim in den mond, en verklaarde
+dat-i Gooremest heette en op de Keizersgracht woonde, waar-i "met
+God" in effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over
+menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben ... dit was weer de
+schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong: honneur au
+plus vaillant, en scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die er
+naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid 'n wolk
+van toegeworpen lauwerkransen opving op 'n yzeren leerlineaal.
+
+Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in
+werkelykheid, krygt z'n deel in 'n anderen droom.
+
+Maar, in-weerwil van 't vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven
+en bont dooreen gemengde beelden van z'n herinnering, behield één
+figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat
+aan Wouter's verbeelding voorbyschoof. 't Was die van 't meisje dat op
+'n tafel stond, en haar armen kruiste.
+
+
+
+--Lieve goeie god, jongen, hoe kom je dáár? Hoe kom jy daar?
+
+Zoo sprak 'n stem, eerst op eenigen afstand, toen naderby, en weldra
+zelfs aan z'n oor. Hy had 'n flauw besef dat iemand bezig was hem
+opterichten.
+
+--Sietske! mompelde de slapende.
+
+--Ja, zoo heet ik! Maar hoe weet jy dat?
+
+--Sietske... Holsma!
+
+--Wel zeker! Maar wie heeft je dat gezegd? En hoe kom je hier? Heel
+fatsoenlyk is 't niet! Ben je dronken? 't Is 'n groote schande voor
+zoo'n jong bloedje!
+
+Ja, zeker was-i dronken. Maar 't was nog altyd van den slaap. En
+nogeens sprak hy den naam van Sietsken uit.
+
+--'t Kan me niet schelen dat je me by m'n voornaam noemt, maar ... hoe
+kom je 'r aan? Heeft Fem je zoo wys gemaakt? 't Is 'n ware schand voor
+god, dat ie hier zoo ligt als... 'n zwyn, dat zeg ik je! En zoo-even
+nog... geen uur geleden, zat je d'r op als 'n banjer... 't Is schande,
+zeg ik!
+
+De persoon die aldus tot hem sprak, was by hem neergeknield. Ze
+richtte hem wat op, en hy viel wezenloos tegen haar aan, zoodat ze
+wel genoodzaakt was, hem weer in 't gras te leggen.
+
+--Och, och, och, 'n waar schandaal! Zoo jong nog, en dan al zoo
+gruweloos aan 't verpieteren!
+
+De vrouw die zich met Wouter bezighield, scheen te willen voortgaan
+met de niet ongewone fout, 'n beschonkene z'n schandelyken toestand
+te verwyten op 'n oogenblik dat-i onvatbaar is voor rede. Maar op-eens
+bedacht ze zich, en, van toon veranderend:
+
+--Och, lieve god, 't is waar ook, riep ze, hoe kan ik zoo praten! 't
+Kind is van 't paard gevallen, de stumpert! Jesis-Maria, wat
+ben ik 'n gemeen schepsel! Zeg, jongeheer, ben je van je paard
+gevallen? Och, och, och, wat doe je-n-ook op zoo'n beest! En... waar
+is je skos-mussie? 't Stond je zoo aardig! En je sabeltje? 't Rinkelde
+zoo! En nu al dood... Jesis-Maria! En je kleertjes? Och, lieve god,
+hy is dood, en... van z'n paard gevallen! Ben je dood?
+
+--Sietske! mompelde Wouter.
+
+--Goed, goed, noem jy me gerust by m'n naam. Ik geef er niets om, want
+groots ben ik niet, als je me maar zeggen wilt of je dood bent! Och,
+och, och, Maria-Josef, hy is dood! Als Femke maar hier was!
+
+Daar trilde iets in den zevenslaper: Femke! Was zy 't? Femke? Was
+'t niet Sietske?
+
+--Sietske ben ik, zei... Vrouw Claus.
+
+Deze vreemde mededeeling was de moeite van 't oog-opslaan waard! Maar
+ze vielen weer toe, en hy tegen haar aan.
+
+--Je mag me noemen zooals je wilt--gut, waarom niet? Ik ben
+waschvrouw--als je me maar zeggen wilt of je je bezeerd hebt, en of
+'t erg is? En waar is je geruite muts? 't Is schande van je moeder,
+dat ze je-n-op zoo'n beest zet ... 'n ware schande! Zeker heb je
+armen en beenen gebroken? En je ribben? En misschien je nek, hè? Zeg
+'t maar, jongen! Ja 't is schande van je moeder! Zoo-even zag je 'r
+nog zoo snoepig uit ... geen uur geleden! En nu ... leg maar gerust
+tegen me-n-aan. Och, wat zal Fem er van zeggen? De meid zal desperaat
+wezen, en... ik ook!
+
+Wouter richtte zich 'n weinig op, en wreef zich de oogen uit.
+
+--Zeg, wat is er aan je gebroken? Wil je dat ik pater Jansen laat
+roepen? Och, 't wurm kan niet spreken! Wat is er aan je stuk?
+
+--Stuk? Gebroken? Aan my?
+
+--Ja, stumpert, zeg 't maar!
+
+Wouter betastte zich. Toen z'n hand de plek bereikte, waar die
+boomwortel z'n plooien en knoesten had ingestempeld, nam z'n gelaat
+'n vragende uitdrukking aan. Geheel overtuigd dat men hem niet buiten
+z'n weten had geradbraakt, was-i niet!
+
+--Gebroken? Stuk? Ik?
+
+--Wie anders?
+
+--En... wie zou dat gedaan hebben?
+
+--Wie? Wèl ... jyzelf, stumpert!
+
+--Ik?
+
+--Wat doe je-n-op zoo'n beest!
+
+--Op 'n beest? Ik op 'n beest?
+
+--Weet je dan niet dat je d'r afgevallen bent?
+
+--Ik? Van 'n beest gevallen? Van welk beest?
+
+--Van 'n paard immers? Weet jyzelf dat niet? Ben je dan
+toch... misschien... 'n beetje... dronken ook?
+
+--Ik? Dronken? Van 't paard gevallen? Ik?
+
+En hy legde beide handen met wyd-uitgespreide vingers op de borst,
+als om met onomstootelyke zekerheid vasttestellen van welke ikheid
+hier de rede was:
+
+--Ik? Ben ik dronken? Ben ik van 't paard gevallen?
+
+--Wat ànders? Wie ànders?
+
+--God, god, hoe is dàt mogelyk?
+
+En nogeens betastte hy z'n rib die 't cachet droeg van den
+boomwortel. Daarop greep-i Vrouw Claus by den arm, en schreeuwde,
+op elk woord drukkende:
+
+--Je... zegt... dat... ik... van... 'n paard... ben... gevallen?
+
+--Ja, schaap, dàt zeg ik! Houd je bedaard!
+
+Nu sloeg Wouter de handen aan z'n hoofd, misschien begrypende dat
+dààr de ikheid woonde die geraadpleegd worden moest. De slotsom van
+z'n overwegingen schynt zonderling, maar is natuurlyk:
+
+--Ik wou me graag eens wasschen!
+
+--Wel, dàt 's goed! riep Vrouw Claus verheugd. Zou er dan waarlyk
+niets aan je kapot zyn? En waar is je muts?
+
+--Wasschen, ging Wouter peinzend voort, met heel koud water!
+
+--Goed, jongen! Kom maar mee naar de pomp! Ben je zeker dat je loopen
+kunt? Heb je je beenen niet gebroken?
+
+Wouter betastte ze, en zei zonder de minste overyling:
+
+--Ik... geloof... het... niet!
+
+--En je ribben?
+
+--Ook... niet!
+
+--En je nek?
+
+--N...e...e...n!
+
+Om de goede vrouw gerusttestellen, schudde hy langzaam 't hoofd,
+maar hy had wel eenigen moed noodig om die gymnastische bewysvoering
+te beproeven. 't Mocht eens niet lukken!
+
+--Kom dan mee naar de pomp! En... zeg eens, jongen, maar jok niet,
+ben je altemet niet 'n beetje... dronken ook? Zeg de waarheid!
+
+Wouter stond langzaam op, bedacht zich vry lang, en zei, blykbaar na
+konscientieuze raadpleging van z'n herinneringen:
+
+--Ik geloof het niet! Maar... ik wou me zoo graag wasschen in heel,
+heel, heel koud water... koud als ys!
+
+Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar 't erf daarachter,
+waar 'n groote pomp stond.
+
+--Kleed jy je maar gerust uit, m'n jongen! Niemand kan je hier
+zien. Maar... hoe kwam je 'r toe, my zoo op-eens by m'n voornaam te
+noemen? Niet dat ik 't kwalyk neem, gut né, maar...
+
+Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om z'n
+herinneringen te regelen, en 't werkelyk gebeurde te zuiveren van de
+laatste droomerige toevoegsels, Hy verzekerde daarom dat-i... hoofdpyn
+voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich behoorlyk gewasschen
+had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te
+ontkleeden. Met kostbare naïveteit dacht zy te-dezer-zake in 't
+minst niet aan zichzelf, en meende al heel veel gedaan te hebben om
+Wouter gerust te stellen, door 'n paar lakens over den rand van 'n
+latten-schutting te slaan, zoodat nu 't erfjen, op de zoldering na,
+vry wel naar 'n afgesloten kamer geleek.
+
+--Zie zoo, m'n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen sterveling! Wie
+dáár overheen kykt, moet knap wezen!
+
+Geen "mensch" geen "sterveling?" En zy dan? Wouter wist waarlyk niet
+hoe hy 't had. Gister nog zoud-i misschien zonder den minsten erg...
+
+Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En 'n beetje wyzer ook! En
+dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten,
+die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus?
+
+--Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je leedjes
+niet tot je wil, dàt is het! Wat doe je-n-ook op zoo'n beest!
+
+En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z'n kleeren,
+en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger geweest
+was. 't Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat in hem was,
+loste zich op in één uit afmatting berustend: in-godsnaam! De flauwe
+tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door z'n baker opgevat als
+kinderlyken gril, en dáármee wist ze raad! 't Scheelde weinig, of
+ze had er 'n "suia, suia, kindje" by gezongen. Want--honni soit qui
+mal y pense!--zoo bakerlyk was haar indruk by 't uitkleeden van den
+jongen ridder.
+
+Toen ze gereed was, zette zy hem op 'n laag bankjen onder de pomp,
+en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, en
+weldra klaterde 'n breede waterstraal hem op hoofd en schouders. Van
+teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, en Vrouw
+Claus vatte z'n "brrr!" dat misschien beteekenen moest: "genoeg,
+genoeg!" als 'n betuiging van tevredenheid op.
+
+--Ja, zieje, na zoo'n val stygt het bloed...
+
+'n Pompslag!
+
+--Brrr!
+
+...naar je hoofd! En de kou van 't water...
+
+'n Pompslag!
+
+--Brrr!
+
+...als je maar niet je nek gebroken hebt...
+
+'n Pompslag!
+
+--Brrr!
+
+...want dan helpt het niemendal! En...
+
+'n Pompslag!
+
+--Brrr!
+
+...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet...
+
+'n Pompslag!
+
+--Brrr!
+
+...denken, dat het nu genoeg is! ik heb...
+
+'n Pompslag!
+
+--Brrr!
+
+...pyn in m'n milt! Maar anders, ik...
+
+'n Pompslag!
+
+--Brrr!
+
+...ik wil wel! Zoo lang als je maar...
+
+'n Pompslag!
+
+--Brrr!
+
+... als je maar wilt!
+
+Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk
+te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de patiënt
+het verlangen mocht.
+
+--Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever hebt...
+
+--Brrr!
+
+...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd,
+weetje? 't Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... 'n
+ware spiegel, kompleet 'n spiegel!
+
+Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wàt zoud-i gezegd
+hebben? Femke's rug, een... spiegel?
+
+--Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, dat komt
+alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te wasschen
+met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren,
+flink! Maar ben jy gewoon 't zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik
+ook wel...
+
+En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger
+rees...
+
+--Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen,
+bibberde Wouter.
+
+En hy kreeg 'n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer niet
+verstaan kon.
+
+--Groene zeep is ook goed voor peesknoopen...
+
+--Brrr!
+
+...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent,
+want dan...
+
+--Brrr!
+
+...is er niks an 'n mensch te doen.
+
+Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en
+gebiologeerd, het waagde zich en z'n bankje eventjes van onder den
+straal wegteschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry welsprekend
+om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking niet
+anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. En
+bovendien... de goeie vrouw had z'n kleeren over 'n droogstok geslagen,
+die niet onder z'n bereik was, en hy, gaandeweg wakker geworden, begon
+schaamte te voelen over z'n volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef
+onbewegelyk zitten, maakte zich zoo klein mogelyk, en verschool z'n
+kin tusschen de knieën. Ik denk dat Adam in Genesis III ook zoo-iets
+gedaan heeft, en dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat
+verdrietig hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was.
+
+--Wou je nog wat? vroeg z'n goedige Najade.
+
+--Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat 'n nieuwe
+straal--de slinger rees al!--hem weer de spraak zou afsnyden. Neen,
+maar...
+
+De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als 'n
+klomp en in-een gedoken zat:
+
+--Heb je véél pyn? vroeg ze.
+
+--Neen! Pyn juist niet, maar ...
+
+--Ben je misschien moe van 't ryden?
+
+--Van 't ryden? Ja, ja, ik ben erg moe!
+
+--Dàt is het! riep Vrouw Claus. En ik heb 't wurm in z'n slaap
+gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat slapen... dat denk
+ik er van.
+
+En met 'n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den
+lezer--zouden er zyn, die hiertoe te laag staan?--droogde zy Wouter
+af. Ze trok 'n beddelaken van de schutting, wikkelde hem--zoo
+opgevouwen als-i was--daarin, en droeg 'm weg als 'n pakje waschgoed.
+
+Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte...
+
+--Strek jy je beenen gerust uit, m'n jongen, als ze maar...
+in-godsnaam niet gebroken zyn.
+
+Wouter deed wat ze gelastte, en voelde 'n onbeschryfelyke gewaarwording
+van welbehagelykheid. Z'n lichamelyke aandoening steeg tot verrukking,
+toen z'n voedster de dekens naast hem "instoppende" de heerlyke
+woorden uitte:
+
+--Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is 't bedje van
+onze Fem, weetje!
+
+Op Femke's bed! Wèl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit hem goed zou
+doen! Was 't niet jammer dat-i de kracht niet had, zich wakker te
+houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde dit... als
+kleine man en als ridder, maar hy bezweek als 'n mensch.
+
+Doch hoe plezierig 't wakkerblyven zou geweest zyn, ook de slaap--nu
+van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met wat gras er
+naast--werkte weldadig. Straks by 't ontwaken, zoud-i heel op z'n
+gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich voorgenomen toen-i Vrouw Claus
+hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. Voor ze die geheel bereikt had,
+nam hy niets meer waar, zelfs z'n droomen niet.
+
+Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy's leiding,
+al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot mensch...
+
+Want--onder ons, lezer--dáárop eigenlyk scheen de zaak aangelegd!
+
+Toen-i zoo ongeveer tegen vier uren in den namiddag wakker werd,
+hoorde hy fluisterend spreken. Hy spande zich in, eerst om te weten
+waar-i was, toen om te begrypen hoe hy daar kwam, en daarna om te
+verstaan wat er gezegd werd.
+
+Het scheen er op toegelegd, op-nieuw voedsel te geven aan de
+zonderlinge verwarring tusschen Femke en Sietske, die in z'n gemoed
+ontstaan was. Zeer duidelyk hoorde hy Vrouw Claus zeggen:
+
+--Ja, Siet, maar... wat doet-i op zoo'n paard! Als ik z'n moeder was...
+
+En hoe Sietske nogal nuffig antwoordde:
+
+--Nicht, ik denk dat z'n moeder er niets van weet. Herman heeft het
+ook eens gedaan, want, nicht, de jongens zyn zoo!
+
+Dus: Sietske was dáár! En... Vrouw Claus was haar nicht, en heette
+ook Sietske! En... 't meisje dat op de tafel stond...
+
+Och, op-eens voelde Wouter zich weer minder gelukkig! Hy kon maar
+in 't geheel niet wys-worden, noch uit het gebeurde, noch uit z'n
+aandoeningen. Lichamelyk gevoelde hy zich welvarender dan ooit...
+
+Nooit had-i zóó 'n bad ondergaan, nooit zóó geslapen, na zóóveel
+spanning en vermoeienis!
+
+...maar juist dit gaf hem volle ruimte om verdriet te voelen over de
+verwarring van z'n denkbeelden. Was... dàt, dàt en... dàt, wáár, of
+was 't niet waar? Daarop moest orde gesteld worden! Straks misschien
+zou men hem komen vertellen dat-i op 't bed lag van Klaas Verlaan,
+of van de liefelyke weduw Gooremest!
+
+Neen! Zóó ver zou de helsche spokery niet gedreven worden! Hy lag
+wel inderdaad in Femke's kamertjen, of in haar bed toch, want 'n
+byzondere kamer had ze zeker niet.
+
+--Als ik nu 'n stuk uit het laken knipte, dach hy, om morgen te kunnen
+zien en tasten, en zeker te zyn?
+
+En hy bracht er Samuel 26 by te-pas, en droomde zich voor, hoe hy Femke
+zou bezweren dat-i haar spies en waterkruik niet had meegenomen om te
+dienen als getuigen tegen háár--'n spies zag hy niet, maar 'n Rebekka
+stond er--doch alleen om zichzelf 't zwygen te kunnen opleggen, als hy
+eens later weer mocht beginnen te vragen, te twyfelen, te ontkennen...
+
+Wat overigens het beddelaken aangaat, waaruit hy naar Davids voorbeeld
+'n slip snyden wilde... 't was eigenlyk jammer dat-i niet aan zeer fyn
+linnen gewoon was. Dit belette hem, de poëzie van 't byzonder grove
+te genieten. Rein wàs dat lynwaad, als zy die daartusschen geslapen
+had! Maar Wouter stond nog in lang niet hoog genoeg, om gevoelig
+te zyn voor schoonheid in 't geringe. Was-i niet nog kinderachtig
+verslingerd op fluweel, goud, satyn, en zulke voddery? Het zeer
+grove weefsel van die lakens was wel inderdaad nog altyd te grof
+voor z'n smaak, doch hierom alleen wyl die smaak niet fyn genoeg was
+om de tegenstellend-fyne beteekenis der grofheid van dat weefsel te
+waardeeren. Gelyk zeker soort van boekenmakers, zoud-i 'n prinses laten
+slapen op geborduurde zyde... waarom niet op paarlen, tusschen lakens
+van scherpgeslepen diamant? Hy wist nog niet dat men zich--behoudens
+alle deftigheid, en eerbied voor de grondwet--Koninklyk-Keizerlyke
+Hoogheden by-nacht, ànders kan voorstellen, en dat eenmaal misschien
+'n prinses zich te gering achten zou, om Femke's bedje te schudden.
+
+Neen, neen, zóó ver was Wouter nog niet! Toch keek hy met innig
+genoegen 't kamertje rond, en ademde den geur in, die z'n verbeelding
+meedeelde aan alles wat-i zag. Al voelde hy zich dan niet in-staat,
+den hier uit alles sprekenden eenvoud boven boekerige majesteit te
+stellen, toch was-i reeds genoeg gezuiverd van 't àllergemeenste,
+om die eenvoudigheid hooger te schatten dan 't benauwd-burgerlyke
+waaraan-i gewoon was en dat hem zoo kwelde. Aan paleizen--die hy
+nog nooit gezien had--bleef-i nog altyd de voorkeur geven boven
+'n hut. Maar te kiezen hebbende tusschen hutten en huizen, tusschen
+armoede en burgerlijkheid... o, dan helde z'n smaak onvoorwaardelyk
+over naar den kant van 't geringste.
+
+En, alweer bedroog zich z'n smaak! Om nu niet te spreken van 't
+onrecht dat-i aandeed aan wat ik nu in één woord: "burgerlykheid"
+noem, door de achter- onder- boven- voor- zy- en opkamertjes waarin
+dat maatschappelyk standpunt zich tot-nog-toe aan hem had geopenbaard,
+te verheffen tot type--hy zag, door vergelyking dáármee, de Holsma's
+voor ryk en voornaam aan--in veel wyder opzicht beging-i 'n fout. Noch
+hutten, noch grove beddelakens, noch achterkamers, noch paleizen, noch
+zelfs... de puistjes van 'n Palatine, bedingen--d. i. veroorzaken of
+weren--de poëzie! Voor haar is dit alles gelyk. Zy zoekt en vindt
+haar voedsel in 't schynbaar geringe, niet meer--maar vooral niet
+minder ook!--dan in voornaamheid. Gelyk 'n godin--dit is ze, en... de
+eenige!--alles overziend, alles waardeerend op juisten prys, alles
+vervormend naar háár beeld, alles behoudend, samenvoegend en gebruikend
+voor háár doel, de ongelyksoortigste bestanddeelen overgietend met
+háár kleur, heft ze alles gelykmakend tot zich op, zonder aanzien van
+persoon, standpunt of omgeving. Dit is haar roeping, haar behoefte,
+haar Wezen.
+
+'t Was nog al wèl, dat Wouter niet naar juweelen zocht in 't kamertje
+van de prinses zyner ziel. In-plaats hiervan bemerkte hy dat er nòg een
+slaapplaats was: 'n "bedstee." Daar sliep zeker Femke's moeder. Tegen
+een der wanden van 't vertrek was 'n wyde gemetselde schoorsteen,
+alleraardigst gekleed in Delftsche ticheltjes. Ze stelde met hun allen
+de opwekking van Lazarus voor, en de man met wien ik den lezer by 'n
+vorige gelegenheid in kennis bracht [8] ontbrak niet. Wouter voelde
+zich door dit staal van al te wonderbewyzend realismus minder gestuit
+dan anders 't geval zou geweest zyn, want... op die poppen had Femke's
+oog gerust. Dit denkbeeld adelde alles wat-i zag. Het kamertje was
+overigens gemeubeld met vier matte-stoelen, waarvan een voor 't bed
+stond, met z'n kleêren, netjes gerangschikt en blykbaar gereinigd,
+er op. Zelfs z'n ryglaarsjes waren gepoetst. Die goede Vrouw Claus!
+
+In 't midden van de kamer zag hy 'n vierkante tafel, waarin 'n
+lade die openstond. Het ding kon niet anders, omdat het gaapte door
+overlading. De ons bekende wollen kousen staken boven den rand uit,
+en wachtten op herstelling of misschien op terugzending naar den
+eigenaar... naar pater Jansen? daar was meer brei- en ook naaiwerk
+in die lade... goeie hemel, geestelyke onderbroeken misschien!
+
+Wouter sloot z'n oogen, en keerde zich gemelyk om. Wollen
+kousen... va! Maar die onderbroeken... hy zag geen kans ze te
+poëtizeeren! De schuld lag aan die broeken niet, meende hy, maar aan
+den pastoor. Ik zeg dat de schuld aan hemzelf lag. Of er onderbroeken
+lagen in die uitgeschoven tafella, kan ik niet zeggen, doch zoo ja,
+dit zou voor Wouter geen reden geweest zyn, zoo vies z'n oogen te
+sluiten. We willen hopen dat-i 't maar deed om 'n voorwendsel te hebben
+tot nadutten. Dit kon wel wezen, want al voelde hy zich hersteld van
+de vermoeienis, hy was nog niet bekomen van den slaap. Toch begreep hy
+dat er 'n eind moest komen aan z'n Capua. Niet zonder inspanning sloeg
+hy de oogen weer op, en zag nu iets dat hem liefelyker voorkwam. Aan
+den wand by 't hoofdeneind van z'n kribbe--heel veel meer was Femke's
+bedje niet--hing 'n krucifix met wywaterbakje van zeer gewonen steen,
+waarop de bezitster hoogen prys scheen te stellen. Daaraan toch had
+zy de eenige versiering aangebracht, die van haar hand in 't gansche
+vertrek te vinden was. Het rustte tegen 'n vierkant schildje van
+haakwerk, dat op 'n blad karton was gespannen. Blauw glanspapier
+gluurde vriendelyk door de symmetrische gaatjes.
+
+"Daarmee zegende zy zich" dacht Wouter, en onwillekeurig stak hy de
+hand in 't bakje...
+
+Het was droog. Nu, om 't water was het ons protestantsch jongetje
+niet te doen. Hy wilde slechts z'n hand... wyden door aanraking met
+iets dat door háár voor heilig gehouden werd. Hy wist met dogmatische
+precizigheid--lieve god, op z'n katechizatie was-i de eerste in die
+zaken, en had er mooie pryzen mee behaald--dat Roomschen zeer dom zyn,
+en aan allerlei gekheid gelooven. Hierin namelyk ligt het verschil
+tusschen Katholieken en... andere menschen. Wel beschouwd, begreep hy
+dus zeer goed dat zoo'n wywaterbakje niets helpt voor de zaligheid,
+en dat de lieden die aan zulke prullen gewicht hechten...
+
+Maar Femke dan? Was ook zy zoo byzonder afschuwelyk papistisch
+dom... zy? Wel neen, ze was... Femke! Dit beteekende heel iets anders
+in Wouters oog. Aan z'n eigen afgodery met háár, dacht-i in 't geheel
+niet. Daarvan stond niets in z'n katechismus, en hy hoefde er dus
+niet tegen te waken.
+
+Heel onprotestants sloot-i z'n vingers om den rand van 't schulpjen, en
+trachtte zich voortestellen dat ze daar háár vingers ontmoetten. Dat
+steenen ding was wel Femke niet, maar 't kwam hem te-hulp in 't
+aanschouwelyk vóór zich dagen van haar beeld, en alzoo...
+
+Wat is dàt?
+
+Iets als 'n brief van zeer groot formaat, toegevouwen en dichtgegomd,
+viel van achter 't karton uit, en op z'n bed. Wouter nam het op, en
+zocht--'n oogenblik lang door naïveteit bewaard voor verbazing--naar
+'t adres... aan hèm, natuurlyk! Het steenen Jesusje had hem iets te
+zeggen, naar 't scheen. Een achtste kruiswoord misschien? Of kwam de
+boodschap van... haar? Of van beiden tegelyk?
+
+Zóó was de eerste indruk van ons protestanterig vrydenkertje. Een
+adres stond niet op den brief, doch in-plaats daarvan, 'n datum van
+'n maand of wat oud. Gelukkig dat Wouter zich 'n oogenblik bezon,
+voor hy den omslag losbrak. Reeds was z'n onbescheiden vinger daartoe
+gereed, toen-i zich nog juist by-tyds verweet dat het stuk onmogelyk
+aan hem kon gericht zyn. Immers, welke besteller had hem kunnen vinden
+in dat domicilie? Hyzelf begreep ter-nauwernood waar-i was. Dit konden
+bovendien noch Femke weten--hy vergiste zich: ze wist het--noch dat
+steenen poppetje.
+
+Maar... 'n wonder? Gekheid! De "Heere" doet geen wonderen dan... op
+zeer grooten afstand en... heel lang geleden. Dit is elk rechtschapen
+Protestant bekend.
+
+Uit al deze beschouwingen,vloeide rechtstreeks de slotsom voort dat
+de geheimzinnige dépêche onmogelyk voor hem kon bestemd zyn...
+
+Domme jongen! De brief was wel degelyk aan hem gericht! Met al z'n
+wonderhekel wàs-i wel genoodzaakt den inhoud te zien, te begrypen,
+in zich optezuigen...
+
+Bevend van aandoening en met eerbied plaatste hy 't kostbaar
+stuk--ongeopend... maar gelezen en verstaan hàd hy 't!--op de oude
+plaats, en sprong 't bed uit.
+
+Hy had den gesloten brief tegen 't licht gehouden, en... zyn gekleurde
+Ophelia herkend. Dat beeldje bewaarde Femke in haar binnenste Heilige
+der Heiligen...
+
+Nu eindelyk was-i wakker. Wie zou niet wakker worden na 't ontvangen
+van zóó'n brief uit den Hemel?
+
+
+
+
+
+
+
+ Nieuwe blyken der verdorvenheid van Vrouw Claus--en van
+ den auteur--in-zake: aesthetika. Een weerbarstige verloren
+ zoon. Verschyning van 'n muts en 'n Sybille. Geroepen, en... àls
+ geroepen! Wouter begint iets van de "vier windstreken" te zien.
+
+
+Hy kleedde zich aan, en trad in het andere kamertje, waar-i z'n
+gastvrouw en de kleine Sietske meende aantetreffen. Maar er was
+niemand. Nu eerst bedacht hy dat-i, na de weinige woorden die hy
+verstaan had, geen verder gesprek had waargenomen. Het jonge meisje
+was zeker na 'n kort bezoek by haar "nicht" reeds weder vertrokken.
+
+En Vrouw Claus zelf? Blykbaar had ook deze haar huisje verlaten, doch
+ze deed het niet zonder 'n eigenaardig kenmerk achter te laten van
+haar ruw karakter, grove levensopvatting en gebrek aan opvoeding. Dat
+heeft men van de menschen die nooit verzen of romans lezen!
+
+Verbeeld u, lezer, wat het onbeschaafde vrouwmensch zich veroorloofd
+had! Op 'n klein witwerks-tafeltje, waarby 'n stoel stond aangeschoven
+als om uittenoodigen tot plaatsnemen, lagen twee boterammen van de
+ons bekende soort op 'n ontbytbordje, en stonden mèt dat bordje op
+'n alleronhebbelykst groote kom koffi. Die koffi was nagenoeg koud,
+maar... overigens? Zouden niet sommige smakelooze realisten iets als
+gloed meenen te ontdekken in dien toestel? Hoe jammer, niet waar, dat
+zoo'n vrouw niet in haar jeugd door den bekenden: "dominee die terstond
+bemerkte dat er wat in zat" gekuischt was met latynsche verzen! Zonder
+maat, rym, spondaeen of mythologie, schreeuwden die plompe boterammen:
+
+--Tast toe, m'n jongen! Je moet honger hebben!
+
+Zóó verstond Wouter de alexandrynen van Vrouw Claus. En hy handelde
+flinkweg naar z'n overtuiging, door ze met smaak te verslinden,
+waartoe wel eenige volharding noodig was, want waarlyk ... één
+mondvol meer, en 't was te veel geweest. Hy voelde zich versterkt,
+en ook die lauwe koffi deed hem goed. O, dat heerlyke, heerlyke
+proza! Zoo'n namiddag-ontbyt...
+
+'t Is waar ook! Eigenlyk was 't plan geweest, dat-i zou ontbeten
+hebben by...
+
+Hy ontstelde, en verviel--nu door honger noch slaap gekweld--in angst
+voor den afloop van z'n zonderlinge uithuizigheid. Het huis Pieterse
+torende als 'n verzwelgende waterhoos voor z'n verbeelding op, en
+verdreef zelfs de behoefte aan opheldering van al de mysterien die
+hem omstrikten.
+
+Naar huis? Hy durfde niet!
+
+Z'n moeder, Stoffel, z'n zusters... zy allen vertoonden zich als
+Shakespearsche heksen, met kromme nagels, en ongekamde slangen op het
+hoofd. Zelfs Leentje, z'n goedig advokaatjen anders, zou hem--als
+by gelegenheid van de aardappelgeschiedenis--verraderlyk afvallen,
+en zeggen:
+
+--Ja, maar... zieje, Wouter, dat 's ook geen fatsoenlyke manier van
+doen! Déze keer moet ik heusch je moeder gelyk geven. Weetje wat je
+doen moet? Vraag excuus, en zeg dat je 't nooit weer zult doen.
+
+Och, och, Leentje, je weet niet wat je zegt, kind! Ik geef 't je-n-in
+drieën, in zessen, in tienen, om na zóó heen-en-weer te zyn gegooid...
+
+Een oogenblik dacht Wouter aan 't vierde tafereel van den Verloren
+Zoon... hm! Hy wist zeer goed dat de zaak niet op vergiffenis en
+kalfsvleesch zou uitloopen. "Vader--dit werd: "moeder" hier, maar
+'t variantje doet niet tot de zaak--moeder en Stoffel dan, ik heb
+gezondigd...
+
+Sakkerloot, ik hèb niet gezondigd! Niets ... niemendal! Heb ik wat
+verkwist? M'n erfdeel? Geen duit! Heb ik wyn gestort? Geen drup!
+
+De zuivere waarheid! Noch juffrouw Laps, noch Vrouw Gooremest,
+wat dan ook overigens de grieven van deze beide dames tegen Wouter
+wezen konden, hadden 't recht hem aanteklagen van bovenmatige
+spilzucht. En... Vrouw Claus? Deze had hem, ongevraagd-ongeweigerd
+immers, krediet gegeven voor koffi, boterammen en verblyf... dagverblyf
+slechts, nu ja, maar dit kon nu eenmaal niet anders, omdat de
+nacht onherroepelyk was voorby geweest toen ze hem opvischte van
+dien boomwortel. Kon hy dit alles helpen? Was-i nu daarom prodigue,
+of... verloren dan, als men zich koppig houden wil aan den hollandschen
+tekst, die nog altyd--volgens juffrouw Pieterse--de eenig-ware is?
+
+Wouter vloekte nogeens: sakkerloot! Verder durfde hy ditmaal niet gaan,
+hoewel-i terdeeg boos was. Hy kon niet wys-worden uit al z'n zonden,
+en begreep toch dat er iets aan hem haperde, want... naar huis durfde
+hy niet.
+
+Met wyde stappen liep hy de enge kamer op-en-neer, en sprak of dacht:
+
+--Heb ik pleizier gehad? Neen! Heb ik gastmalen aangerecht
+met vier dames? Neen! Heb ik jachthonden laten rondloopen in de
+eetzaal? Neen! Heb ik al m'n goederen op 'n kameel gepakt? Neen! Heb
+ik 'n zwarten knecht gehad, die m'n paard hield? Ben ik er op gaan
+zitten? Weggereden...
+
+Hier bleef-i steken! Van kameelen en hooggekleurde juffers voelde hy
+zich zuiver. Ook van jachthonden, wynkruiken en dien zwarten knecht,
+maar... 'n paard? En... ryden?
+
+Vrouw Claus was toch niet gek, niet beschonken! Had ze hem op z'n paard
+gezien... ja of neen? Had-i op zoo'n beest gezeten... ja of neen? Zoo
+neen, dan was ook dat meisjen in de herberg niet Femke geweest! Dan
+was zy evenmin Sietske geweest! Dan was ook die kroeg geen kroeg
+geweest, die schipper geen schipper, Laps geen Laps, likeur geen
+likeur... dan was àlles schyn, verblinding, droom, goochelspel, waan,
+bedrog, razerny, dolheid! Dan was ook het standbeeld met gekruiste
+armen en strengen blik... o God, zou ook dàt niets geweest zyn dan
+'n sarrend spook?
+
+Maar... dit was nu de vraag niet. De vraag was, hoe hy 't moest
+aanleggen om zich weer te doen inlyven by den huize Pieterse, waartoe
+hy nu eenmaal van gods- en rechtswege behoorde...
+
+Hy pluisde de kruimels van z'n bordjen, en riep, ditmaal niet zonder
+onbehoorlyk zeedyksch tusschenvoegsel:
+
+--Ik wou--...........--dat ik zoo'n kruimel was! Dan wist ik ten-minste
+waar ik heen moest!
+
+En hy stak 't ding in z'n mond.
+
+Ziedaar de eerste broodkruimel die zich beroemen kan, benyd te zyn
+geworden door 'n heertje van de Schepping.
+
+--Naar... Amerika?
+
+Dit lachte hem wel toe. Als-i maar in 't bezit was geweest van de
+fameuze honderd guldens, waarmee men--volgens z'n moeder--in dat land
+kan leven als 'n prins. Doch, nader overlegd, ook die verbazende som
+zou hem niet geholpen hebben. Hy kon immers 't huisje van Vrouw Claus
+niet ongesloten overlaten aan de hebzucht der voorbygangers? God weet
+wie daar al zoo vermoord zouden worden, als voorbygaande booswichten
+'t leeg vonden, en onbewaakt! Mocht hy z'n post verlaten, hy die
+aanvankelyk was uitgetrokken--'t is waar ook, maar 't was hem
+ontgaan--tegen roovers? En, zonder nu juist aan moord of doodslag
+te denken, was 't geen medeplichtigheid aan heiligschennis, Femke's
+wywaterbakje--en wat daar achter stak!--bloottestellen aan den
+ongewyden blik van nieuwsgierigen?
+
+--Neen, neen, riep-i, en hy nam de huisgoden tot getuigen, ik ga niet
+naar Amerika!
+
+Bovendien, wat zoud-i daar doen, zonder... háár? Dat de Weledele heer
+Motto vertrokken was in z'n eentje, was zyn zaak--ieder moet handelen
+naar z'n overtuiging!--maar hy, Wouter, 'n nieuw werelddeel betreden,
+zonder by 't aan-wal stappen, het neerteleggen voor háár voet... zonder
+tot háár te zeggen: trap er gerust op, daartoe juist heb ik 't expres
+veroverd voor jou... dat nooit!
+
+Amerika zelf zou 'r geen vrede mee hebben! Wat is 'n ridder zonder
+dame? En welk werelddeel nam ooit genoegen met 'n zoo gebrekkig
+toegerusten veroveraar?
+
+De zaak was nòg onmogelyker dan ze hem in-den-beginne toescheen. By
+nader inzien kon-i evenmin naar Amerika, als naar huis... hy had geen
+hoed, geen pet, geen muts! Verbysterd keek hy rond, en zag niets dat op
+'n hoofddeksel geleek. Toch wel! Daar hing 'n noordhollandsch-friesche
+kap op 'n mutsebol, maar...
+
+De deur werd behoedzaam geopend, en 'n onzichtbare hand die om den
+rand boog, hield Wouter 'n elegant mutsje voor... precies geschikt
+voor veroveraars, en jongeluî die 't worden willen. Wouter sperde
+mond en oogen op, en stond daar als 'n verbaasde Term...
+
+Wouter's verbazing was gegrond. Hy staarde 't geheimzinnige mutsjen
+aan, en twyfelde weer of-i wakker was. Het aardig spookje scheen
+aan den rand van de deur te kleven, maar onbewegelyk was het
+niet. Verbysterd vroeg Wouter, alsof hy te doen had met 'n levend
+voorwerp:
+
+--Waar kom jy vandaan? Wat wil je van me?
+
+'t Was al wel dat-i niet, gelyk Luther den Duivel, 't onschuldig
+voorwerp iets naar den kop keilde. Z'n boterambordje, byv. dat zeer
+geschikt was voor zoo'n worp.
+
+Er was beweging in de deur, en ook 't mutsje trilde. Nogeens vroeg
+Wouter vry onthutst--'t klonk inderdaad als 'n vade retro!--wat
+het wilde?
+
+Als 't mutsje zelf geantwoord had, zoud-i 't op dit oogenblik niet
+vreemd gevonden hebben. In-plaats daarvan echter piepte een bevend
+stemmetje van achter de deur:
+
+--Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik mag niet binnen komen. Hier
+is je mussie ... neem maar aan... als je de rechte bent, want dat
+moet ik eerst weten.
+
+Wouter bekeek zich. "Ik... naakt? Wel neen! En... de rechte? Ben ik
+de rechte?" Dit scheen-i niet te weten.
+
+Hy liep naar de deur. De muts verdween, en de deur werd toegetrokken
+tot op 'n kier.
+
+--Wie is daar? Wie ben je? snauwde hy.
+
+--Ik ben 't Stakkervrouwtje. Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik
+breng je je mussie... as jy 't bent, de rechte!
+
+Woedend rukte Wouter de deur open, en grimde de zonderlinge
+boodschapster aan ...
+
+'n Heks, 'n ware heks! De gelykenis met een der Megaeren uit den
+Macbeth op z'n printen, was treffend.
+
+Wat al overleg moet het Fancy gekost hebben om die vrouw te doen
+geboren worden op 't vereischt oogenblik, en haar tachtig jaar in
+'t leven te houden--in wèlk leven!--om dáár op haar post te zyn met
+'n muts in de hand, juist toen hy om zoo'n kleedingstuk verlegen
+was. O, domme ondankbare Wouter! Want:
+
+--Wat motje? zeid-i zoo ruw mogelyk.
+
+De arme mismaakte stumpert schrok drie waggelingen achteruit.
+
+--Is uwe niet naakt meer? Wezenlyk niet?
+
+--Heere-krrristis, wyf--de lapsische verbazings-terminologie had
+school gemaakt--wat wil je van me?
+
+Ze bekeek Wouter van 't hoofd tot de voeten.
+
+--Ze had gezegd dat je rooie lappies op je kraag had...
+
+--Wàt op m'n kraag?
+
+--Rooie làppies. En 'n sabeltje!
+
+--En dat ze je-n-onder de pomp had gezet...
+
+Dit klonk minder onzinnig. Onder de pomp was-i geweest, inderdaad
+en... terdege! Maar wat er nu volgde, maakte Wouter weer kriegel.
+
+...en heelemaal naakt had uitgekleed... as 'n wurm. En dat ik
+niet moest binnengaan, omdat ze niet wist of je-n-al je kleertjes
+áánhad. Waar is je sabeltje?
+
+Ze hield het mutsjen op haar rug, als om te betuigen dat ze 't niet
+zou afgeven voor ze dat sabeltje zag.
+
+Wouter wist niet wat-i zeggen zou, en begon weer te twyfelen aan z'n
+verstand. Na eenig zwygen:
+
+--Wie bèn je?
+
+--En wie ben jy dan, jongeheer? Ben jy 't matroossie die van 't paard
+is gevallen? Je ziet er niet uit als 'n matroos, en ik geef je de
+muts niet! Vrouw Claus zou me...
+
+De naam van z'n gastvrye bronnefee bracht Wouter tot nadenken. Hy
+meende 'n gelegenheid te bespeuren, eenig licht te doen opgaan over
+al de geheimenissen die dreigden hem krankzinnig te maken. Op-eens
+van toon veranderend, noodigde hy 't oude vrouwtjen uit, binnen te
+komen. Ze gaf hieraan aarzelend gehoor, maar bleef den muts aandrukken
+tegen den onderkant van haar bochel.
+
+--Vertel me-n-eens, zei Wouter zoo minzaam hem mogelyk was, wat je
+hier komt doen, en wie je gezonden heeft? Wil je niet zitten vrouwtje?
+
+En hy schoof haar 'n stoel toe. Maar ze kon er geen gebruik van
+maken. Ze was te verdraaid van gestalte, en bovendien te klein,
+om zich ter-ruste te zetten op zoo gewone wys.
+
+--Ja, zitten wil ik wel, maar dat doe-n-ik zoo op m'n eigen manier. Heb
+je niet 'n stoof voor me? Die geeft me Vrouw Claus ook altyd, als
+ik hier kom eten, want ik eet hier driemaal in de week. Daar staat
+er een...
+
+Wouter volgde de richting van haar vinger, en zag 'n drietal stoven
+op 'n stapeltjen in den hoek staan. Hy vloog er heen, greep er een
+in de traditioneele vyf gaatjes, en zette den troon die z'n sybille
+zou dienen voor drievoet, achter haar neer. De handbeweging die nu
+tot plaatsnemen uitnoodigde, was waardig, vroom, bevallig, galant,
+in één woord: ouwerwetsch-ridderlyk. Hoe ànders? Die vrouw spysde
+driemaal 's weeks in dat huisje. Die vrouw had Femke gezien. Die
+vrouw kende zyn Femke. Die vrouw zat daar waarlyk heel goed op haar
+stoofje. Wie er mee gespot had, was 'n gek. En ook hy ging nu zitten,
+en nam iets aan van de houding der notarissen, als ze zich 'n uitersten
+wil laten voorzeggen.
+
+--Je komt dus van Vrouw Claus?
+
+--Ik mot eerst weten wie je bent, jongeheer.
+
+--Wouter Pieterse.
+
+--Dat kan me niks schelen. Ben jy de jongeheer die van 't paard
+gevallen is? Dàt mot ik weten.
+
+Wouter zag nu in, dat hy om iets van Femke te vernemen, wel
+genoodzaakt was zich de onderscheiding aantematigen van 'n nooit
+geleden ongeluk. En dus:
+
+--Ja, ja, ja... o zeker, zeker! Ik ben van 't paard gevallen,
+wel... zesmaal!
+
+--Zy wist maar van ééns! Maar... zesmaal, zeg je? Je was dus wel
+wezenlyk 'n beetje dronken?
+
+--Ja, o ja, ik was dronken... heel erg!
+
+--Zóó? vroeg de bes, nog altyd wantrouwend. Je was erg dronken, zeg
+je? En hoe komt het dan, dat je niet heelemaal naakt bent? Want ze
+zei dat ze je-n-onder de pomp...
+
+--Ik heb me weer aangekleed.
+
+Dit scheen de achterdochtige vrouw niet volstrekt onmogelyk te
+vinden. Maar op-eens:
+
+--En je rooie lappies dan? Waar heb je die gelaten, hè?
+
+Luk-raak antwoordde Wouter dat "die dingen"--hy wist waarachtig niet
+wat ze bedoelde--in de sloot gevallen waren.
+
+--Komaan, vleide hy zoo verteederend mogelyk, zeg my je boodschap
+maar! Ik ben heusch van 't paard gevallen, en erg dronken geweest! Gut,
+zoo erg! Je hebt er geen begrip van, hoe dronken ik geweest ben! Och,
+zeg me nu asjeblieft je boodschap!
+
+Ze liet zich bewegen. Heel gelukkig. Hy was waarachtig in-staat geweest
+haar te streelen, maar deze ramp werd hem uitgewonnen, want ze begon:
+
+--Ik ben 't Stakkervrouwtje, weetje, en woon achter de planken,
+by den molen, en Vrouw Claus is eigenlyk 'n nicht van me ...
+
+O goden, alweer 'n nicht! Als Wouters liefde eenmaal behoorlyk
+"bekroond" wordt, wat aan my staat...
+
+Aan my, en aan... háár: Fancy, Femke, of hoe zou ze
+heeten? Causaliteit, misschien?
+
+...nu, ik wil maar zeggen dat-i dan op-eenmaal in 'n zeer groote
+familie komen zou.
+
+--Ja, 'n nicht, of... 'n tante misschien. Neen, ik ben háár tante. Als
+ik m'n broer was, kon ik haar oudtante wezen, of... 'r grootmoeder. En
+de kleine Fem is naar me genoemd, of... naar m'n overgrootmoeder
+eigenlyk, want in onze familie heeten we allemaal Fem of Sietske. En
+de mannen heeten Sybrand of Erik. Dat wist je zeker niet, hè?
+
+--Sybrand?
+
+--Ja... of Erik! Maar ik woon achter de planken...
+
+Op-eens doorschoot Wouter de gedachte--te vroeg was 't niet!--dat die
+vrouw krankzinnig was. En er was iets van aan. Maar niet alles wat
+ze zeide, gaf daarvan blyk. Integendeel, wie vertrouwd ware geweest
+met de oorzaken die haar indrukken benevelden, zou misschien tot
+de slotsom gekomen zyn, dat haar verstand in sommige oogenblikken
+helderder was dan van menig ander. Niemand is volmaakt gek.
+
+--Achter de planken? vroeg Wouter.
+
+--Ja, achter de planken van den molen. Want dáár woon ik, omdat
+het de molen is van m'n grootvader. Vraag maar aan alle menschen,
+of-i niet gebouwd is door Erik Holsma... den Stoereman? Want zóó
+werd-i genoemd. Dàt was 'n kerel! Hy kon er wel zes aan, als jy! 't
+Is eigenlyk myn molen, maar ik geef er niet om, als ik maar slapen
+mag achter de planken...
+
+Notaris Wouter keek vragend.
+
+...ja, omdat ik daar 'n vryertje wacht. Jy bent het niet, maar je
+lykt wel wat op hem. En als je wat stoerder was... want stoer was-i!
+
+Zeker, die vrouw was krankzinnig!
+
+...'n vryertje, weetje! 'n Smuke jongen die alles neerslaat wat niet
+deugt. En hy krygt den molen van me... 't is 'n bovenkruier. Met
+paltrokken houd ik me niet op. En jy?
+
+Wouter werd verlegen. Wat had-i aan zoo'n gesprek? Te weinig ontwikkeld
+nog om belang te stellen in de ziektegeschiedenis der ziel van die
+vrouw, trachtte hy haar aandacht terug te brengen op de zaken die
+hem belang inboezemden.
+
+--Ja, ja, 'n bovenkruier, beaamde hy, zonder te weten wat dat voor
+'n ding was. En wat heeft vrouw Claus je voor my opgedragen?
+
+--Wel, ze had me geroepen, om met 'r meetegaan om in de Halsteeg
+'t mussie voor je te koopen, omdat je naakt was. 'n Mussie van fyn
+laken, en 'n rand van allerlei kleur, en 'n kwast van bonte wol. De
+Stoereman droeg nooit anders, want zie je, eigenlyk was-i 'n prins,
+en heette Erik.
+
+--En wat zei Vrouw Claus?
+
+--Dat ik je 't mussie geven zou, maar niet binnen gaan, omdat je
+heelemaal naakt was. En ze had zooveel "wasschen" thuis te brengen. En
+ik moest je zeggen... als je wakker was... want, zei ze, je sliep...
+
+De stumpert richtte zich aan de tafel op, en trachtte te zien wat
+daarop lag.
+
+...als je niet sliep, moest ik je zeggen dat er... op de tafel in
+'t voorhuis... dat is hier, weetje?
+
+--Ja, ja, dat is hier!
+
+--Daar zou 'n boteram voor je staan, en die zou je eten, zei ze,
+als je... wakker was.
+
+--Ja, zeker! Die zou ik eten...
+
+--Als je wakker was!
+
+Nog altyd trachtte zy den boteram te zien te krygen. Wouter maakte
+'n eind aan haar onderzoek, door de verzekering dat-i de bedoeling
+van Vrouw Claus volkomen begrepen, en zich reeds dien-overeenkomstig
+gedragen had. Ze hurkte weer neder.
+
+--Als je wakker was, zei ze. Maar anders moest ik niet binnengaan... om
+je naaktheid, zieje! Hy was ook naakt...
+
+--Wie toch?
+
+--Prins Erik.
+
+--Wil je die geschiedenis hooren? vroeg ze.
+
+--Neen, neen, dankje wel! En geef me 't mutsje maar, en ga nu maar
+heen.
+
+Hy strekte de hand naar de muts uit, maar ze trok die snel terug.
+
+--Ben jy 't jongetje dat van 't paard is gevallen?
+
+--Wel zeker! Geef op, de muts!
+
+--Dàt zal ik wel laten! riep ze. Niet voor ikzelf je van
+'t paard zie vallen. Ik moet het eerst met m'n eigen oogen
+zien. Denk... jy... dat... ik... mal... ben?
+
+Hy wou haar 't begeerd voorwerp ontrooven. Maar sneller dan-i
+verwachten kon, vloog ze de deur uit, en verdween.
+
+Alweder moest Wouter zich afvragen of-i te doen had gehad met
+'n verschyning?
+
+Hy werd moe van 't ongewone, en begon intezien dat ook 't
+eentonig-banale z'n aangename zyde heeft. Met iets als heimwee,
+voelde hy zeker verlangen naar de huiselyke atmosfeer van verveling
+in zich opkomen.
+
+--In-godsnaam naar huis, zuchtte hy, met of zonder muts dan! En... ik
+zal de deur zoo goed mogelyk sluiten, want hier kan ik 't niet langer
+uithouden!
+
+Juist was-i van plan dit heldenstuk uittevoeren, toen de deur opnieuw
+geopend werd. Er trad iemand binnen. 't Was dokter's Kaatje. Wouter
+herkende haar niet, en begreep er niets van, toen ze hem zeide door
+Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy zich bevond? Hy zag de
+boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan. Eindelyk:
+
+--Kom... jy... me... nu... hier... ook... voor... mal... houden?
+
+--Gut jongeheer! Ik kom van Femke...
+
+--Van... welke... Femke? Is... dat... misschien... weer...
+'n grootmoeder van je, hè?
+
+En met dreigend gebaar deed hy 'n stap vooruit.
+
+--Ben... jy... de vryster... van... Stoereman den molenaar, hè?
+
+Weer 'n stap vooruit. En Kaatje terug!
+
+--Kom... jy... ook... hier... alweer... kyken... of... ik...
+heelemaal... naakt... ben, hè?
+
+--Och, jongeheer, wat 'n praat!
+
+--Wil jy... me... ook... van 't paard zien vallen... hè?
+
+Kaatje was de deur uitgedrongen. Hy volgde haar met gebalde vuisten.
+
+--Maar... jongeheer, om-godswil, wat mankeert je?
+
+--Wat... me... mankeert? Ik wil niet langer voor gek worden gehouden,
+dàt mankeert me! Versta je dàt?
+
+Ze week jammerend terug, en noodigde hierdoor tot vervolgen uit. Z'n
+woede voedde zichzelf, en met afgemeten groote stappen--komiek om
+te zien, maar voor hèm de maatslag van z'n verwenschingen--drong
+hy voortdurend op haar toe. Ze legde rugwaarts den weg af, dien ze
+gekomen was, het padje door 't bleekveld.
+
+--Och, lieve-jesis, als dokter maar kwam!
+
+--Waar... zie... jy... me... voor... aan?
+
+--O god, o god...
+
+--Wat... denk... je... van
+me? Denk... jy... ook... dat... ik... dronken... ben?
+
+--Neen, neen, o neen... volstrekt niet!
+
+--Of... gek?
+
+--Bewaar-ons! Och, waar blyft dokter!
+
+Twee gelykluidende kreten maakten 'n eind aan den zonderlingen
+wedloop. Atalante riep:
+
+--Daar is-i, goddank!
+
+Meleager:
+
+--Daar is-i, goddank!
+
+De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam
+aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar
+kikkers vischten, z'n pet hadden opgehaald.
+
+Wouter nam zonder omslag z'n eigendom terug. Kaatje vloog Holsma
+te-gemoet, en deed 'n jammerklagend relaas van haar wedervaren.
+
+--Zou 't zóó erg wezen? zei de goede man.
+
+Hy naderde ons leerling-menschje, dat bezig was z'n petje te zuiveren
+van modder en kroos, en sprak hem aan.
+
+Wouter zag verschrikt op.
+
+--Zoo, m'n jongen, ben je daar? Wel, dat treft goed! Ik kom je
+vragen of je plezier hebt, vandaag by ons te komen eten? We wachten
+je allemaal, en van-avond gaan we misschien samen uit, als je lust
+hebt, ten-minste.
+
+Dàt was de toon die vereischt werd!
+
+Wouter berstte in tranen uit--de weerslag van z'n woede--en vloog
+den dokter om den hals.
+
+--Asjeblieft, asjeblieft, m'nheer! Dat 's met-een goed voor m'n moeder!
+
+Holsma wenkte Kaatje die--bang voor Wouter--op eerbiedigen afstand
+het tooneeltjen aanzag.
+
+--Ga aan juffrouw Pieterse zeggen dat de jongeheer by my is, en den
+heelen avend blyft.
+
+--Ja, riep Wouter haastig, en...
+
+De geneesheer zag hem onderzoekend aan. Hy vreesde iets van de hem
+aangekondigde krankzinnigheid te bespeuren. Maar Wouter's oog spelde
+niets verdachts. En z'n woorden ook niet:
+
+--M'nheer, mag ze 'r asjeblieft byzeggen...
+
+--Welnu, m'n jongen, spreek op! Wàt moet ze 'r byzeggen? Wat heb
+je-n-op je hart?
+
+--Dat ik... by u ben geweest... den heelen, heelen dag!
+
+Holsma bedacht zich even.
+
+--Wel zeker, zeid-i, den heelen dag.
+
+--Van van-morgen... zeven uur af?
+
+--Ja, van zeven uur af, herhaalde de dokter.
+
+--Ik heb... by u ontbeten?
+
+--Goed, de jongeheer heeft by ons ontbeten. Wel zeker, hy heeft by
+ons ontbeten! Je kunt wel meeryden, Kaatje.
+
+En Wouter in 't koetsje leidende, gaf-i den koetsier last optehouden
+voor 't huis Pieterse: "waar 't meisjen 'n boodschap had." Toen hy
+naast Wouter plaatsnam, greep deze z'n hand, en riep:
+
+--Och, m'nheer, wat 'n geluk dat ik u zie!
+
+--Vind je! 't Is toch... louter toeval. Vrouw Claus is...
+
+--'n Nicht? viel Wouter haastig in.
+
+--Ja, en 'n zeer brave vrouw, antwoordde Holsma met 'n eenvoudigheid,
+waartoe Wouter nog in lang niet zou in-staat geweest zyn als ze zyn
+nicht geweest was.
+
+--Ze is onze nicht, en ik kwam haar bezoeken. Dit doe ik alle
+weken... niet als dokter, maar als neef. Jy mag daar gerust komen,
+jongen! Je zult er geen kwaad leeren.
+
+--M'nheer, riep Wouter--en hy bloosde--ik houd zoo erg veel van Femke!
+
+--Zóó? antwoordde Holsma droog. Ik ook.
+
+De geneesheer, alle blyken van onderzoek zorgvuldig verbergende, sprak
+over onverschillige zaken, en bespeurde weldra dat z'n keukenmeid
+zich vergist had in de diagnose. Wel toonde zich Wouter opgewonden en
+uitgeput tegelyk, maar krankzinnig was-i niet. Integendeel. Holsma
+bemerkte dat z'n ziel aan 't groeien was. En dit moest wel. Fancy
+scheen bezig de aarde om hem wegtegraven, hem te schudden en te
+geeselen, gelyk tuinluî gewoon zyn met vruchtboomen te handelen, die
+zy byzondere zorg waard-keuren, en willen noodzaken tot dracht. Dit
+noemen zy: "de vier windstreken laten zien."
+
+
+
+
+
+
+
+ Femke, nogeens Femke, en--na 'n roerende complainte over den dood
+ van twee geniën--weer Femke! Alles opgeluisterd met teleologische
+ opmerkingen over puistjes, vaderlandsliefde, karakter, en verdere
+ menschelyke zwakheden.
+
+
+Het is my inderdaad onmogelyk, den lezer meetedeelen welken
+weg Holsma's koetsier moest inslaan, om van de Aschpoort den
+Kolveniers-burgwal te bereiken, en wel zóó dat-i de nog altyd
+verschrikte Kaatje kon afzetten by de Pietersens. Ook zonder me nu te
+beroepen op m'n volslagen gebrek aan lokaal-memorie--er is geen stad,
+vlek of dorp in de wereld, waar ik den weg weet--ga ik gebukt onder
+'n onkunde die me byna geschikt maakt voor opgehemelde buitenlandsche
+beroemdheid.
+
+Holsma's koetsier gaf blyk van 'n begaafdheid die we haast
+voor exotisch mogen houden, en dit deed zelfs z'n paard. Het
+stomme dier--even als ik toch maar in Holland geboren--bleef met
+buitenlandsche scherpzinnigheid staan op 't juiste oogenblik om de
+keukenmeid gelegenheid te geven tot uitstappen by de Pietersens. Niet
+zonder angst schoof ze Wouter's knieën voorby, en achtte zich gelukkig
+dat-i haar niet 'n beet meegaf tot afscheid.
+
+Wouter scheen te meenen dat nu 't oogenblik was aangebroken om wat
+inlichtingen te geven en te ontvangen. Maar Holsma scheepte hem
+af. Hy toonde wel vriendelykheid, maar geen lust in vertrouwelyke
+mededeeling. Toen de jongen 'n verward verhaal begon van z'n
+ontmoetingen, viel hy hem in de rede:
+
+--En... ik heb gehoord, je zult in den handel gaan?
+
+--Ja, m'nheer... overmorgen!
+
+--Nu, dat is zoo kwaad niet, als je maar in goede handen valt. Ze
+moeten je veel laten werken! Dat 's heel nuttig voor 'n jongen
+als jy...
+
+En, als bevreesd dat Wouter zich zou beginnen aantezien voor wat
+byzonders:
+
+...nuttig voor iedereen, voor àlle jongelui! Op jou jaren zyn ze allen
+hetzelfde, en hebben gelyke behoefte aan arbeid en inspanning. Alle
+jongens moeten veel werken, en meisjes ook, en... alle menschen!
+
+Wouter kende zichzelf niet, en kwam dus niet op de gedachte dat de
+dokter bezig-was hem 'n geneesmiddel integeven. Maar wel bespeurde hy,
+dat de tyd van opheldering nog niet was aangebroken. Zonder nu juist
+te meenen dat Holsma hem die geven kon, was 't hem reeds 'n ontlasting
+geweest iets te mogen verhalen van z'n wedervaren, al wist-i dan nog
+niet recht hoe hy den lapsischen aanval op z'n deugd zou overspringen,
+wat toch z'n ridderlyk plan was.
+
+Nogeens begon hy. Maar alweer brak de dokter z'n relaas af, door by
+de gebakken aardappels reeds hem toetevoegen:
+
+--Och, zulke dingetjes overkomen iedereen. Er is niets vreemds
+in. Hoofdzaak voor 'n jong mensch--en voor oude menschen ook!--is
+dat ze veel arbeiden. Het schynt nogal te waaien vandaag...
+
+Hiermee moest Wouter genoegen nemen. Dat er wind aan de lucht was, is
+de zuivere waarheid. Helaas... had het gister maar willen waaien! Dan
+immers was er behoorlyk gehardzeild op den Amstel. Dan zou niet het
+volk dat zich verveelde, uit jolige baldadigheid naar de Botermarkt
+gestroomd zyn, en daar...
+
+Toch niet! Die ééne zevenklapper van prinses Erika kon niet gemist
+worden. Lezer, bedenk eens...
+
+Neen, neen, 't was zeer wys van de Voorzienigheid, dat er gister geen
+zuchtjen aan de lucht was, Eén graad atmosfeer-drukking minder, en
+'t venster van juffrouw Laps ware gesloten geweest! De noodlottige
+gevolgen...
+
+Alweer niet waar! De heele zaak was--dùs of zóó afloopend--van weinig
+beteekenis.
+
+Maar men ziet uit dit alles, dat de dogmatiek der doeleinden, de
+beoefening van de beteekenisleer der opdatten, 'n allermoeielykst
+vak is.
+
+Wanneer de rivieren niet werden warm gehouden door 'n dekkleed van ys,
+zegt zeker "Natuurkundig Schoolboek" zouden ze... bevriezen. Ziedaar,
+voorzienigheids-preekers, in weinig woorden de karakteristiek der
+teleologie!
+
+
+
+--Houd je van schilderyen? vroeg Holsma by 't uitstappen.
+
+--O, zeker, m'nheer!
+
+--Wel, dan moet je-n-eens in de zykamer zien, wat daar aan den wand
+hangt. Bekyk maar alles op je gemak...
+
+De dokter opende de deur van die kamer, en noodigde Wouter uit,
+binnen te treden. Hyzelf echter ging haastig de gang door en de trap
+op, die naar de huiskamer leidden, waarschynlyk met de bedoeling
+z'n gezin voortebereiden op de manier waarop Wouter moest ontvangen
+worden. Dààrom die verwyzing naar de zykamer.
+
+Ons vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot het
+begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding. En zelfs
+was-i te ongeoefend om zich te ergeren aan de leegte van denkbeelden,
+die de anderen ternauwernood onderscheidt. By "één heer met één hond
+en één haas" zag-i 'n heer met 'n hond en 'n haas. Toch zou juist hy
+beter dan menig ander in-staat geweest zyn, dien onnoozelen "heer" 'n
+geschiedenis toetedichten, en 't stuk overteschilderen met de kleuren
+van z'n fantazie, als-i maar even tyd had gehad. Maar op-eens treft
+hem 'n vrouweportret... 'n koningin, of 'n fee, of 'n toovergodin,
+of 'n burgemeestersdochter, of 'n dame uit 'n boek...
+
+'t Was Femke!
+
+Maar in-plaats van den noordhollandschen kap, droeg zy 'n diadeem
+van glinsterende steenen, neen... 'n straalkrans, neen... 't was
+'n kroon van sterren, of...
+
+--Vader en moeder laten je roepen. 't Eten staat op tafel! Heb je
+geen pyn van je val?
+
+Goeie goden, daar kwam nu ook de kleine Sietske hem plagen met z'n
+fabelachtig paard! Tegen háár kon-i toch niet opvliegen, zooals hy
+tegen Kaatje gedaan had! Bovendien, z'n olympische toorn was òp! Hy
+antwoordde vry bedaard dat-i niet gereden had, en dus...
+
+--Zóó? Niet gereden? Niet op 'n paard gezeten? Wel zeker niet! Ik
+bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons tafeltjen in 't
+koffihuis! Gut, hoe grappig! En als je geen pyn hebt, en... heelemaal
+wel bent, gaan we van-avend samen uit. Vader, moeder, Willem, Herman,
+jy, ik... allemaal! Naar de komedie, weetje?
+
+Het vlugge ding gaf blyk dat zy de door haar vader voorgeschreven
+medikatie goed begrepen had. Ze verslikte het fatale paard als 'n
+hapje suiker.
+
+--Uitgaan? seurde Wouter. Heel graag, maar... m'n moeder!
+
+--Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je dáárover niet! Vader brengt
+altyd alles terecht. Kom maar mee...
+
+Nog in de gang bleef Wouter eensklaps staan. Hy wenkte Sietske,
+bracht haar terug voor 't portret in de zykamer, en vroeg:
+
+--Sietske, zeg me, wie is dat?
+
+--Wel, 'n over- over- over-grootmoeder van ons.
+
+--Maar 't lykt op...
+
+--Op Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op
+elkaar. Als Herman 'n amelander kap opzet, kan je 'm niet van Fem
+onderscheiden. Kom nu mee, we mogen vader en moeder niet laten wachten.
+
+En, hem by de hand nemende, trok ze 'm de gang door, de trap op, en de
+eetkamer in, waar Wouter verwelkomd werd met de kalme vriendelykheid
+die door den dokter was voorgeschreven. Gedurende den maaltyd richtte
+men juist even genoeg het woord tot hem, om hem op z'n gemak te
+zetten, doch niet genoeg om voedsel te geven aan 't denkbeeld dat hy
+'t onderwerp was van byzondere oplettendheid. Toen Sietske, als om
+verschooning te vragen voor haar lang toeven in de zykamer, vertelde
+dat Wouter de gelykenis van dat oude portret met Femke had opgemerkt,
+zei Holsma nuchter:
+
+--Ja, daarvan is wel iets aan, maar onze kleine Fem is zoo mooi
+niet. Dat scheelt veel!
+
+Hu, 'n droge douche!
+
+Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy
+meende alleen dat er gebrek aan... 't hoogste moest bestaan in alles
+wat niet op haar geleek. En dat "hoogste" openbaarde zich... in haar
+trekken niet, maar in de aandoeningen die hy vry eigendunkelyk aan
+die trekken vastknoopte. Toen-i op z'n laatst examen die moeielyke
+"som" zoo korrekt oploste, was 't Femke of iets van Femke, dat hem
+aanwees waar de verborgen knoop lag, en toen-i eenmaal gerekend had:
+zevenmaal negen is vier-en-vyftig, had de genade van juffrouw Laps z'n
+denkvermogen in den weg gezeten, als 'n zandkorl de radertjes van 'n
+fyn uurwerk. Z'n vermeende liefde was vereenzelvigd met den lust tot
+weten, kennen en begrypen, en dáárom stuitte het hem--hem die onder
+aanroeping van Femke's naam, de eerste was gewordem op Pennewip's
+school--iets te hooren verheffen boven háár. Als de dokter maar eens
+'n flink examen had doortestaan, meende hy, dan zoud-i wel ànders
+oordeelen over Femke's "mooiheid." Heerlyk schoon wàs 't portret,
+o zeker! Maar lag niet juist hierin 'n reden om precies op háár te
+gelyken? En de diadeem, of wat was het? Wel, zoo'n ding zoud-i immers
+ook háár opzetten, zoodra hy...
+
+Ja, wanneer?
+
+Goed! Eéns zou die tyd komen. En dan kon ze tien diademen krygen voor
+een, schoon nog altyd de vraag blyven zou of 'n heel firmament haar
+beter kleedde dan de noordhollandsche kap?
+
+Maar al deze overleggingen--nu-en-dan afgebroken door: "wil je wat
+saus, Wouter?" of: "houd je van sjalotten by je vleesch?"--betraden de
+wereld niet. Ze bleven zich als kluizenaartjes opsluiten in 't celletje
+waar ze geboren werden, en broeiden daar, en gistten, en kookten...
+
+--Veel peper is niet goed voor je, zei Holsma.
+
+Och, juist was-i bezig met 'n sterk gekruid: "ze heeft my
+broeder genoemd!" En--zonderling niet, maar toch verrassend voor
+hem!--op-eens vond-i dat het woord: "broedèr" beter paste by diademen
+en sterrenkransen, dan by 'n hoofdtooisel dat gedragen wordt door
+melkboerinnen ook. Beter by dat portret, dan by 'n... dame met eelt in
+de handen. Want dàt had Femke en dame was ze toch: de zyne! Ach, had
+ze maar liever: broer gezegd! Maar... dáárby zou weer die koninklyke
+Elisabeths-houding misstaan hebben. Zóó immers ook zou dat portret in
+de zykamer de hand uitstrekken... als 'n portret de hand uitstrekken
+kòn. Kyk, zóó:
+
+En Wouter maakte een vry linksche beweging, waarmed-i 'n schotel
+scheen aantewyzen.
+
+--Sla? vroeg Sietske.
+
+De verwarring die hieruit ontstond, werd weder goedgemaakt door 'n
+paar eenvoudige woorden van de moeder, over 't weêr, inverband met
+het voorgenomen uitgaan van dien avend.
+
+--'t Zal heel vol zyn op den weg, beste man. Ieder wil graag koningen
+en prinsen zien. 't Is waar ook, we hebben ons gastje nog niet gevraagd
+of-i lust in de zaak heeft? Ons plan is naar de komedie te gaan. Je
+wilt immers wel mee, mannetje?
+
+'t Antwoord laat zich raden. Wouter was verrukt. Hy was nooit in
+'n schouwburg geweest, en verlangde vurig naar onechte zoons. Dat
+de voorstelling zou worden opgeluisterd door de tegenwoordigheid van
+'n groep geliefde souvereinen, trof hem minder. Hy had tien koningen
+present gegeven voor één baron die volgens de regels van de kunst
+'n meisje verleidt. "Zóó noemt men zulks" had Stoffel gezegd, en
+Wouter had zich deze terminologische bedrevenheid toegeëigend, niet
+zonder toejuiching van z'n eigen deugd. Want--dáár ging hem 'n licht
+op!--hy had zich met juffrouw Laps niet gedragen als 'n slechte baron,
+volstrekt niet! Hy was gebleven op 't pad der deugd... zoo noemt men
+zulks! En zy zou hem zeer dankbaar zyn... hèm!
+
+Hem, en dien zevenklapper zeker!
+
+--We zullen de helft der souvereinen van Europa zien, zei Holsma,
+en dozynen kandidaten, die misschien nooit...
+
+Wouter kende dit woord weer niet anders dan in den zin van aanstaande
+dominees. Hy gaf halfluid z'n bevreemding te kennen, dat zulke personen
+de komedie bezochten...
+
+--Wel neen, zei Sietske, 'n kandidaat is iemand die... wat worden
+wil. Koning, by-voorbeeld.
+
+Wouter voelde zich allerkandidaatst.
+
+Hierop vertelde Willem hem iets over witte kleeren, uit z'n
+Antiquitates Romanae, dat hem niet het minste belang inboezemde
+op-zichzelf, maar alweer de oude snaar deed trillen van verdriet over
+z'n gebrek aan kennis. Dit leidde z'n gedachten op den verloopen
+schooltyd--hy had toch waarlyk z'n best gedaan!--op z'n huis, op
+z'n gewone omgeving, en met angst herinnerde hy den dokter aan de
+verstoordheid van z'n moeder over z'n lang uitblyven. Holsma beloofde
+hem de familie te gaan geruststellen, waartoe voor 't vertrek naar
+de komedie, nog ruimschoots tyd was. Op hoog bevel namelyk zou de
+voorstelling twee uur later dan naar gewoonte beginnen. De souvereinen
+hadden dit aldus bepaald om de warmte.
+
+Na Holsma's vertrek vernam Wouter een-en-ander dat hem veel belang
+inboezemde, omdat Femke's naam daarby genoemd werd. Ook zy zou den
+schouwburg bezoeken, werd er gezegd, en uit de gesprekken aan de
+theetafel bleek hem, dat de verhouding tusschen 't gezin dat hem zoo
+aanzienlyk was voorgekomen, en 't betrekkelyk arme bleekmeisje,
+allergemeenzaamst was. Mevrouw Holsma liet haar door Sietske
+uitnoodigen binnen te komen, maar zy antwoordde dat ze liever by
+den kleinen Erik wilde blyven, met wien ze juist zoo prettig aan
+'t spelen was. "Erik?" dacht Wouter.
+
+--Dat verwachtte ik wel, zei mevrouw Holsma. Daarom ook was ze
+van-middag niet aan tafel. Ze blyft liever by 't bedje van den
+kleinen jongen.
+
+--Ook houdt ze niet van ons eten, riep Sietske. Ze klaagt dat we te
+lang aan-tafel zitten.
+
+--De komedie zal haar ook niet bevallen, was de meening van Willem. Ze
+is 'n beste meid, maar staat wat styf op haar stuk, vindt u niet, mama?
+
+--Ieder moet handelen naar z'n overtuiging, en mag handelen naar z'n
+smaak, zei de moeder. Fem is te braaf en te flink om haar in iets
+te dwingen.
+
+--Dat zou ze zich ook niet laten doen! was hierop de algemeene opinie.
+
+--Zeker niet! Gelukkig dat het niet noodig is. 't Blyft nog altyd de
+vraag, of ze van-avend komen wil. Ikzelf ging ook liever niet, maar
+'t moet wel!
+
+Wouter bespeurde dat er 'n byzondere reden bestond, waarom de moeder
+"anders liever by den kleinen Erik blyvende, die de mazelen had"
+ditmaal de familie vergezellen zou naar 't Leidsche-Plein. Slechts
+'n klein uurtje zou ze blyven, werd er gezegd, en dan met Oom Sybrand
+huiswaarts keeren, om Femke aftelossen in de kinderkamer. Het meisje
+zou dan met hem terugkomen. "Als ze wil" werd er telkens by gezegd,
+alsof men dit zeer twyfelachtig bleef vinden.
+
+--Ik noem 't koppigheid! zei Willem. Ze wil ook geen behoorlyke japon
+aantrekken, en met ons op-en-neer gaan...
+
+--Ja, antwoordde de moeder, 'n dame wil ze nu eenmaal niet worden. Wat
+is er aan te doen?
+
+--Koppigheid!
+
+--Dat 's de vraag! Zy is zeer verstandig, en ziet misschien in,
+dat de verhouding met haar moeder pynlyk worden zou wanneer ze van
+stand verwisselde.
+
+--En met tante Siet! riep Herman.
+
+Dat is zeker 't Stakkervrouwtje, kommenteerde Wouter zwygend. En:
+"'n zonderlinge familie!" dacht-i er by.
+
+--Bovendien, ging de moeder voort, het veranderen van stand gaat zoo
+makkelyk niet! Hiertoe is meer noodig dan kleeren...
+
+Ach ja, dacht Wouter, men moet onder anderen ook weten wat sjalotten
+zyn, en hoe men zoo'n artisjok eet! Want over die twee voornamigheden
+was-i zoo-even gestruikeld.
+
+...als onze Fem dat gewild had--of liever, als haar moeder 't gewild
+had toen Femke nog 'n kind was--dan hadden we daarmee heel vroeg moeten
+beginnen. Maar nicht Claus zou haar zeker niet uit 'r handen hebben
+gegeven. Ze had er te veel hart toe. En nu heeft Femke te veel hart,
+om te betreuren dat ze maar 'n bleekmeisjen is.
+
+--Ze is... intens trotsch! zei Willem, niet zeer ontevreden dat-i
+dit mooie adverbium eens terdege plaatsen kon.
+
+--Ja, ze is... heel trotsch, korrigeerde de moeder. Te trotsch om
+iets anders te willen zyn dan ze-n-is. Ze zou niet willen ruilen met
+'n prinses...
+
+Ruilen? Neen! dacht Wouter. Maar ... zelf prinses wezen, koningin,
+keizerin... en dat alles door hèm? Dat zou heel iets anders zyn! Hy
+vond het onderscheid... intens! En wanneer al die zaken geheel-en-al
+geregeld waren naar z'n zin, dan ... nu ja, dàn mocht prinses Femke
+van pozitie ruilen met 'n bleekmeisje! Want... wat geeft ware liefde
+om stand?
+
+Zoo liet hy zich foppen door z'n nog altyd kinderachtigen en dus zeer
+onvolkomen hoogmoed. En daarom noemde ik z'n liefde: zoogenaamd. Hy
+moest nog veel groeien voor-i geheel-en-al de hoogte bereikte, waarop
+voorbygaande aandoeningen hem voor 'n oogenblik plaatsten.
+
+--En, vroeg Herman, we zullen in den bak zitten van-avend?
+
+--Ja de loge is... onteigend, antwoordde mevrouw Holsma lachend. Dat
+moet men over-hebben voor souvereinen. De heele Schouwburg-direktie
+zakt van-avend naar 't parterre af, en misschien zelfs de burgemeester.
+
+--Hy moet den Keizer ontvangen en binnenleiden...
+
+--Ja, en wordt dan waarschynlyk uitgenoodigd, plaats te nemen in de
+keizerlyke loge...
+
+--Dan kan-i Z. M. het stuk uitleggen... den Floris! En Z. M. kan er
+uit leeren wat de plichten zyn van Vorsten...
+
+--En van Volkeren!
+
+--En van dichters!
+
+--En dat men nooit 'n souverein vermoorden mag!
+
+--Deze maxime zal Z. M. heel aangenaam wezen! Ze is allergezondst
+voor koningen en keizers.
+
+--Als-i de zaak maar goed vat!
+
+--We willen hopen dat de dichter gezorgd heeft voor 'n duidelyke
+fransche vertaling!
+
+--Als Z. M. maar weet by welke passages hy moet bedanken met 'n knikje.
+
+--Onze burgemeester zal hem wel waarschuwen.
+
+--Zeker! "Sire, pas-op, dat gaat jou aan!" En dan moet de Keizer zich
+houden alsof hy wat van 't stuk verstaat. Wat 'n treurig métier!
+
+--Wat moet-i wel denken van onze dichters!
+
+--En van onze vaderlandsliefde!
+
+--En van ons karakter!
+
+--Och, zulke hooggeplaatste personen zyn aan laagheid gewoon. Wat
+niet kruipt, komt niet tòt hen.
+
+--'t Moet hun zeer moeielyk vallen, de mensheid te achten. Ze zien
+er altyd het leelykste van, en zyn wel genoodzaakt de rest daarnaar
+aftemeten.
+
+--Zeker heeft men den Keizer wys-gemaakt dat die Bilderdyk 'n heele
+kerel is!
+
+--Natuurlyk! De nederlandsche gewone of huis-bard, de amsterdamsche
+Ossian, de volksliereman by-uitnemendheid!
+
+En de heele familie berstte in lachen uit. Willem verhaalde nu iets van
+'n romeinschen keizer die 't menschelyk geslacht één kop toewenschte,
+om het te kunnen onthoofden met één slag...
+
+--'t Klinkt bar, zei Oom Sybrand, die binnentredende de laatste
+woorden gehoord had. Maar als boutade is zoo'n uiting begrypelyk. De
+tyd nadert dat de Volkeren 'n gelyk lot zullen toewenschen aan de
+souvereinen, en met even weinig of even veel recht. Men kent elkaar
+niet! Hovelingen en boekenmakers stoken misverstand.
+
+--Gaat de Floris door?
+
+--Neen, goddank! De souvereinen zullen onthaald worden op de Scylla
+van Rotgans, met 'n Kloris en Roosjen achterna. Men zal hun vertellen
+dat het treurspel geheel-en-al geschoeid is op de leest der fransche
+"school." Dus zal 't wel goed wezen! En... de Kloris? Wel, dat's
+'n idylle! 'n Arkadisch-laaglandsche bergerie! Virgilius in 't
+amsterdamsch vertaald! O, Meliboee, deus nobis haec... Ekloge met
+kuitgespen fecit! [9] In-plaats van den nieuwjaarswensch krygen we 'n
+harangue. De elegante Thomasvaer zal God tot getuige roepen dat het
+neerlandsch hart, vry van smart, de noodlotten tart, en op straat,
+inderdaad, vurig slaat, voor elken vreemden potentaat. Geloof me,
+jongens, die Caligula was zoo gek niet!
+
+Wouter begreep niet alles wat er gesproken werd. Maar wel, dat-i
+weer veel nieuws hoorde. En... Scylla. Zou dat 'n onechte dochter
+wezen? Of was 't misschien de naam van de oude vrouw die in den
+achter-naherfst van haar leven door de goedigheid van 'n schatryken
+baron werd teruggebracht op 't pad der deugd? Zoo noemt men zulks.
+
+Mevrouw Holsma gelastte de familie zich gereed te maken, om
+papa niet te laten wachten als-i terugkeerde van z'n bezoek by de
+Pietersens. Dit geschiedde, zoodat men ruim bytyds vertrekken kon naar
+'t gebouw waar "der kunsten god" in die dagen werd aangebeden met--zeer
+amsterdamsche--geestdrift. Het was 'n waar Apollo's-welvaren, en dit
+is nòg zoo.
+
+Holsma verzekerde Wouter, dat de zaak met z'n moeder "geheel in orde"
+was, en hy kon zich dus onbelemmerd overgeven aan 't hem wachtend
+genot. De hoogst-onechte Scylla... in de komedie zitten ... morgen
+zich te kunnen herinneren dat-i in de komedie gezeten hàd ... vreemde
+zaken bywonen--heel wat ànders nog dan artisjokken!--en ... nu ja,
+al die keizers en koningen wilde hy ook wel zien, maar de gehoopte
+onechtheid van Scylla bleef hem 't voornaamste.
+
+Vreemd, niet waar, dat-i by al de verwachte heerlykheden, zoo weinig
+dacht aan de mogelykheid over eenige uren Femke in z'n nabyheid
+te zien?
+
+Droeg Willem daarvan de schuld, dien-i by 't instygen in een der
+rytuigen had hooren mompelen:
+
+--Wat my betreft, ik mag lyen dat ze wegblyft! Ik bedank er hartelyk
+voor, door studenten te worden gezien naast 'n boeredeern. Als ik
+groen word in September, zouden zy 't me inpeperen, dat is zeker!
+
+Wouter begreep noch dat "groen-worden" noch de daarby behoorende
+"peper." Maar ... boeredeern?
+
+Hy wierp 't met z'n geweten op 'n akkoordje, door zich zoowel van
+vrees te onthouden als van hoop. En hy trachtte het vurig verlangen
+naar Scylla's onechtheid te gebruiken ter aanvulling van de leegte
+die deze bestudeerde onverschilligheid openliet in z'n gemoed.
+
+Helaas! Het was voor 't meisjen in Vrouw Gooremest's kroeg wel
+de moeite waard geweest, de hand uittestrekken als 'n koningin,
+om nu alweer verloochend te worden om-den-wille van ... van wàt
+eigenlyk? Femke's kostuum was minder bespottelyk dan de mode-plaatjes
+van den dag. Ware zy inderdaad gekleed geweest zooals boeredeerns
+gewoon zyn, die zich nog zotter opschikken dan 'n parysche modiste
+verzinnen kan... maar dit was 't geval niet. En hierin lag dan
+ook geenszins de reden van Willem's nuffigheid. Femke's schuld was
+zwaarder dan dit. Ze zag er uit als 'n meisje dat met haar handen
+den kost verdient. Ziedaar den gruwel die alle studenten ergeren zou!
+
+En--heel in 't voorbygaan, willen wy hopen--Wouter voelde
+zich aangestoken door die kinderachtigheid. 't Was jammer,
+'t was verdrietig, 't was kleingeestig en ondichterlyk, maar--o,
+Caligula!--we zyn zoo! En wie ieder 't hoofd wou afslaan, die zich
+ooit schuldig maakte aan zoo'n... menschelykheid, zou veel te doen
+hebben. By volslagen wilden, waar koningen hun eigen hout hakken,
+vindt men weer andere fouten die even onpleizierig zyn.
+
+
+
+
+
+
+
+ Tekstverklaring van Ovidius, door Willem Holsma. Idem door
+ Rotgans en den auteur. Konflikt op 't Leidsche-Plein tusschen
+ twee potentaten: Napoleon I, en Minos van Kreta.
+
+
+ Verdienste van 't succes met geestdrift aangebeên,
+ Kweekt in 't armzalig koor, laaghartigheid alleen.
+
+
+Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door
+het leveren eener toelichting van 't stuk dat men straks zou te zien
+krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: "omdat verzen zoo moeielyk
+te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter heeft
+willen zeggen." Ik ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de "taal
+der goden"--er ligt 'n Rotgans in kwarto voor me--kostbaar te noemen.
+
+Maar ook de pedante Willem kende Scylla niet anders dan uit z'n
+Ovidius--zonder onzen Vecht-zwaan zou ik 't mensch in 't geheel niet
+kennen--en dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z'n relaas
+optesieren met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden,
+omdat men door 't hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn
+sprak. Ziehier iets van z'n verhaal... vry overgezet.
+
+Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor
+medeplichtig hield aan den moord op z'n zoon Androgeos. Oorlog dus. Met
+z'n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte hy op 'n
+stad die in één richting minstens driehonderd-en-zestig aardbolgraden
+breed moet geweest zyn, want rechts en links was geen ruimte om voorby
+te trekken. Ze moest dus belegerd worden. Sommigen betwyfelen die
+uitgebreidheid, en beweren dat de krygskundige liefhebbery van die
+dagen voorschreef met pyl en boog op de muren te schieten, al kon
+men er langs. Dit verschafte veel krygsroem, en gaf tevens aan den
+vyand gelegenheid ook van zyn kant 'n vesting te belegeren, waaruit de
+heugelyke kans geboren werd, overwinningen te behalen aan twee zyden
+tegelyk. De traditie dezer wyze van oorlogvoeren, waarby krygslieden
+elkaar zoo lang mogelyk uit den weg loopen, is tot heden toe bewaard
+gebleven. Slechts enkele botterikken--Napoleon I, byv.--hielden zich
+niet met het beschieten van vestingen op, en de garnizoenen geven
+zich in zoo'n geval--behoudens krygseer natuurlyk--ongedeerd over,
+zonder andere heldendaden te hebben verricht dan 't beredeneeren der
+mogelykheid, dat ze rotten en muizen zouden gegeten hebben... àls ze
+belegerd waren geworden.
+
+De stad met welker omsingeling koning Minos zich vermaakte, was
+met-een 'n heel Ryk, heette Megara of Alkathoë, en werd geregeerd
+door zekeren Nisus, 'n allerbraafst man die aan den dood van
+Androgeos even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk zou
+Minos--vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in de
+Onderwereld--billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak wat
+grondiger te onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor
+Alkathoë. Maar men is niet volmaakt.
+
+Koning Nisus was in 't bezit van twee byzonderheden. Hy had 'n
+indelikate dochter--de Scylla van 't stuk--en 'n purperen haartjen op
+z'n hoofd, of één purperen haartje, of maar één haartjen, en dat was
+purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie mogelykheden
+die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden gelaten. Wie
+nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal was, heeft
+er vryheid toe. Ook is 't geoorloofd zich den man voortestellen als
+prykende met 'n dikken haarbos van gewone kleur--spierwit kleedt
+antieke koningen het best--mits slechts dat eene haartje ... kortom
+'t was 'n uniek en zeer kostbaar exemplaar. Dit was den onderdanen
+van koning Nisus--volgens de laatste volkstelling had hy er, hemzelf
+meegerekend, drie dozyn--zeer wel bekend. Stad en Ryk waren trotsch
+op dat haartje, meer dan trotsch: 't was 'n waarborg voor welvaart,
+'n pand van de welwillendheid der goden, 'n palladium. Iets als onze
+Kieswet alzoo.
+
+Maar ... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in
+verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te begrypen,
+laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat 'n purperen Kieswet, als
+dochters die zich lieten geboren worden op de trappen van den troon
+... maar laat ons Willem's verhaal niet vooruit loopen.
+
+Het haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd,
+en goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze
+Nisus geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een
+flinke schildwacht op de kruin van z'n hoofd, moest voldoende geweest
+zyn. Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van
+krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden
+beschermen, onwrikbaar vast, maar ... men mocht de goden te-hulp
+komen met militie, schuttery, landstorm, torpedo's, krygsliederen
+en naaldgeweren. Als ik 'n heidensche god was geweest, zou ik dit
+wantrouwen in de kracht van m'n bescherming heel kwalyk genomen hebben,
+en ik had ieder in den steek gelaten, die my 't werk uit de hand
+nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom weldadige
+vruchten gedragen. In alle landen waar men door 'n waar Geloof 't recht
+verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst finaal afgeschaft en
+de begrooting van "Oorlog" begrepen in 't budget van "Eeredienst." Dit
+is zuinig en rationeel. Maar Nisus was 'n heiden, en had dus verkeerde
+begrippen over 't gebruik van theologie in krygskunde. De onnoozele
+stumpert zette z'n heele leger achter de wallen van z'n ... Ryk, om
+zich daar te verschuilen voor de pylen van Minos en al die Kretenzers.
+
+De ondeugende Scylla nu was niet afkeerig van das Militär, en
+wandelde parmantig op den muur. Nog proëminenter vertoonde zich van
+zyn kant koning Minos, en wel zóó dat de jonge prinses smoorlyk op
+hem verliefd werd. Niets natuurlyker. Z'n eerbiedwaardige ouderdom,
+z'n gebukte houding, z'n lange gryze baard, en misschien ook z'n
+aanstaande verheffing in de onderwereld--onze Scylla kende haar
+mythologie op 'r duimpje!--dit alles was wel in-staat het hart van
+'n treurspelmaagd in gloed te zetten. Zoo waren de tooneelmeisjes in
+dien tyd. Men kon nooit te bejaard, te krom of te krygskundig wezen,
+als ze maar zeker waren dat haar liefde eenmaal zou noodig zyn tot
+het samenflansen van verzen of echt-vaderlandsche treurspelen.
+
+Zielkundig gesproken, er bestond voor Scylla nòg 'n reden om den ouden
+Minos byzonder interessant te vinden. Venus' dartel wicht heeft veel
+koorden op z'n boog. Ze had medelyden met hem. En hier was reden toe.
+
+Met 'n heelen stoet soldaten--men telde in dien tyd duizend krygslieden
+op één onderdaan: 'n byzonderheid die 't regelen van de konskriptie
+tot 'n moeilyk vak maakte!--met 'n groot leger dan, was de man van
+heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Akathoë te belegeren volgens
+alle regels van de kunst, en 't was háár bekend dat-i het strand
+ploegde... om dat purperen haartje! Arme Minos!
+
+Hy scheen alweer verzuimd te hebben, vóór z'n oorlogsverklaring
+nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te bestryden wezen. Het
+schynt dat men in oude tyden vry los over de toebereidselen tot
+'n oorlog heenliep. Volgens Ovidius was Minos-zelf zoo byzonder
+slordig niet, maar de goden hadden hem gestraft met 'n minister die
+op allerzonderlingste manier omhoog was gevallen, en den Louvois
+spelen wilde om te worden aangezien voor iets wezenlyks. Hierom dan
+ook had-i alle onderzoek naar de voorgewende medeplichtigheid van
+Nisus aan Androgeos' dood, weten te verydelen. De casus belli die
+hy zoo hoognoodig had voor de zeer partikuliere industrie van z'n
+ministerschap, mocht eens niet bestaan, wat toch jammer zou geweest
+zyn. Het zedelyk krygsbeginsel in die onbeschaafde dagen schynt
+voorgeschreven te hebben: eerst vechten, en dan vragen waarom? Zoo-iets
+zou thans niet kunnen gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap
+van oorlogsverklaringen vragen, en ook bovendien niet dulden zouden
+dat de res publica beheerd werd door zulk soort van ministers.
+
+Doch zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van regeeren,
+werkte Scylla's al te gevoelig hart ten-kwade mee. O goden, zuchtte zy,
+zou ik den man niet beminnen, die op z'n ouden dag zóó'n minister te
+torschen heeft? En zonder Parlement nogal!
+
+Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid 'n ware deugd
+was. Zoo waren de meisjes in die dagen.
+
+Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen
+over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen die
+'t gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft. Misschien
+ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen achteruitgang
+te konstateeren, òf in de beminnelykheid van ouweheeren, òf in de
+ontvlambaarheid van 't vrouwelyk geslacht. Ziehier de gronden waarop
+hy, redelyk scherpzinnig voor 'n heiden--Ovidius was Hollander noch
+Christen--z'n stellingen bouwt. Er blykt uit het feit der zaak-zelf,
+dat Minos door Scylla kon gezien worden van naby genoeg om haar
+verliefd te maken, en tevens dat ze niet gedood of gewond werd door
+'n kretenser pyl. Ook de voor Scylla zichtbare Minos werd niet
+geraakt door de scherpschutters uit de stad. Wat volgt hieruit? Dat
+in die dagen de schootvèrheid der liefde, die van 'n pyl uit den
+boog teboven ging. Welke grysaard, welke man, welke jongeling, zou
+heden-ten-dage kans zien 't hart van 'n maagd te treffen op meer
+dan chassepot-afstand?
+
+Aan 'n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts aan, en
+laat den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin gaat-i
+stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig besloot
+haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door haar
+vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel
+te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader,
+en plukt hem--heu facinus: o gruwel ... ja, 't wàs gemeen!--dat ééne
+kostbare haartjen uit, en progressa porta per medios hostes, komt ze by
+Minos aan: pervenit ad regem, juist waar ze wezen wou met dat haartje.
+
+Vorst Minos was 'n kreuzbraver Kerl die o.a. zelf kinderen
+had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z'n eigen haren, en aan 't malle
+figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar zielenrechter, wanneer-i
+nu die ondeugende dochter styfde in haar verkeerdheid. Misschien ook
+vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy, principiis obsta: hy noemde haar
+kort en goed 'n monster, en gebood...
+
+--Wy zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat 'n drukte! Ik wou dat ik al
+weer goed en wel thuis zat by m'n kleinen Erik!
+
+Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar 't uittrekken van
+dat eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het
+purper was?
+
+--'t Staat er zoo, kind! Crinis purpureus. Stap uit, en hou je jurk
+wat by-een, om 't wagensmeer... puelletje!
+
+De familie nam de plaatsen in, die dezen avend achter in 't
+parterre bestemd waren voor de leden van den stedelyken raad, en hun
+gezinnen. Ze kwam nagenoeg te zitten onder den rand der loge waarin
+ze anders gewoon was de voorstellingen bytewonen.
+
+Die loge was nog altyd leeg. De hooge, hoogere, hoogste, en
+byna-allerhoogste personen die haar dezen avend vullen zouden, waren
+nog niet verschenen, en Wouter had dus ruim tyd om te bekomen van
+den indruk dien de Schouwburgzaal op hem gemaakt had: dit was alzoo
+de Komedie, de ware!
+
+Hy verslikte z'n teleurstelling over de blykbaar echte geboorte van
+Scylla, en keek nieuwsgierig rond. Z'n gedachten wiegden zich op
+'t gesuis dat hem omgaf. De toedrang was groot. Alles praatte en
+fluisterde. Men twistte over de plaatsen. Men schoof voorby elkaar
+heen. Men verschikte z'n kleeren. Men vertelde 't nieuwste nieuws van
+'t hof. Men voorspelde wie dáár zitten zou, wie 't eerst zou komen,
+wie plaatsnemen moest achter den keizer, en wie achter den Koning. Men
+berekende waar de prinsen zouden zitten--die ééne ook, wiens vader
+herbergier was, en die zich zoo grappig kleedde--en wat de hooge
+heeren en dames zouden bestellen uit het buvet. Men psjstte om 'n
+stoof, en loofde fooien uit. Men leende elkaar het tooneelbriefjen,
+en verzekerde dat de affiches die daarboven vastgesteld lagen op den
+karmozyn-fluweelen rand van loges en balkon, gedrukt waren op satyn
+van zóóveel stuiver de el. Men beoordeelde ook het stuk, en zei dat
+het gekozen was...
+
+--Rotgans is 'n eerste dichter!
+
+--Hm! Eigenlyk 'n tweede of ... derde!
+
+Onder ons, lezer, eenmaal aangeland in 't verzenmakersgild, is dit
+alles zoowat hetzelfde.
+
+--Hy is maar 'n dichter van den zevenden rang, zei 'n ander.
+
+--Waarom dan 'n stuk van hèm? We hebben toch ànderen, mannen die
+... klinken als klokken!
+
+--Zeker, zeker! Bilderdyk, by-voorbeeld, 'n ware feniks!
+
+--Waarom dan Rotgans?
+
+--Och ... die vreemdelingen verstaan er toch niets van. We kunnen
+laten spelen wat we willen.
+
+--'t Is jammer van den Floris...
+
+--Die was er expres voor gemaakt, en zou dus wel mooi geweest zyn.
+
+--Ik hoor dat de akteurs te lui waren om hun rollen te leeren.
+
+Neen, dàt was de oorzaak niet! Er zit heel iets anders achter. Onze
+Bilderdyk is 'n vaderlander...
+
+--Van belang!
+
+--'n Hollander in z'n hart!
+
+--'n Echte!
+
+--Zeker heeft-i in z'n stuk die vreemde kerels...
+
+--Sjt!
+
+... niet genoeg gevleid. Dat doet geen ware Hollander!
+
+--Neen, dat doet geen Hollander ... nooit!
+
+--Sjt!
+
+Alles stond op. Er was reden toe. Een lakei vertoonde zich op den
+achtergrond der koningsloge, waarschynlyk om te zien of de kussens
+wel behoorlyk op de fauteuils lagen.
+
+--Ze lyken allemaal wel mal! Optestaan voor 'n lakei, voor 'n
+mostertjongen!
+
+Aldus spraken sommigen, die toch precies 'tzelfde hadden gedaan als
+de ons reeds eenigszins bekende zondebok: Ze, en Wouter werd hier
+weer levendig herinnerd aan de eigenaardigheden van de "massa". Ook
+maakte hy de opmerking dat men niet juist by de Pietersens heeft te
+komen, om zich gestuit te voelen door dat eeuwig verschil tusschen
+indruk en uiting. "Zou dit overal zoo wezen, dacht hy, en is dit nu
+de bekwaamheid die ik me moet eigen maken om iets te worden in de
+wereld?" Koningen van Afrika waren eigenlyk de heeren wier gesprekken
+hy beluisterde, niet, maar zeer aanzienlyke menschen toch. Daar waren
+dokters onder, geleerden, leden van den stadsraad, jazelfs groote
+koopluî ... misschien wel m'nheer Kopperlith in eigen persoon. Met
+eenige tusschenpoozen, veroorzaakt door 't plaats-nemen van nieuw
+aangekomenen, werden deze en dergelyke gesprekken voortgezet.
+
+--Maar waarom dan juist iets van dien Rotgans?
+
+--Z'n Boerenkermis is heel aardig.
+
+--Man, hoe kan je 't zeggen! 't Is 'n onfatsoenlyk stuk, vol gemeene
+woorden.
+
+--Nu ja, maar ... aardig toch!
+
+--Dat weet ik niet. Ik heb 't nooit gelezen, omdat het zoo gemeen
+is. In poëzie gaat by my niets boven deftigheid, en wat niet deftig
+is...
+
+--Och, wat geeft zoo'n Keizer daarom?
+
+--Ik begryp heel goed waarom ze van-avend 'n stuk van Rotgans
+spelen. Hy droeg altyd z'n stukken op aan een van de Huydekopers. Dàt
+is de zaak!
+
+--Hy was van de familie.
+
+--Juist! Misschien wil een van de schepens, als de Keizer 't stuk mooi
+vindt, hem zeggen: Sire, de dichter van die... Scylla, of hoe heet
+de man?--die Scylla is 'n bloedneef van me, om uwe Majesteit te dienen.
+
+--Gekheid! Wie zal grootsch wezen op de verwantschap met 'n man die
+komedies maakt?
+
+--Hm ... in Frankryk is dat anders, heel anders!
+
+--Bovendien, Rotgans was zoo'n minne man niet. Hy had 'n
+buitenplaats aan de Vecht.
+
+--Dat moeten ze dan den Keizer er by zeggen.
+
+--De hoofdzaak komt neer...
+
+Weer 'n lakei. Alles vloog omhoog als duveltjes uit 'n
+surprise-doosje. En alles--op de zwygende Holsma's na--schimpte weer
+op de verdoemelyke karakterloosheid van "ze".
+
+...de hoofdzaak komt neer op de toespraak van Thomasvaer. Dit zeg
+ik maar!
+
+--Daarin zal dezen keer 'n echt-vaderlandsche geest heerschen, naar
+ik hoor.
+
+--Ja... echt-vaderlandsch! 't Moet heel mooi zyn. De prefekt van
+policie heeft 't zelf gezegd. Er zyn drie gezworen translateurs by
+te-pas gekomen. Je begrypt dat men zich zooveel moeite niet geven
+zou voor 'n prul?
+
+--Zeker niet! En de vertaling is naar Parys geweest? De minister
+heeft er eigenhandig op geschreven: approuvé!
+
+--'t Is toch maar altyd 'n zékere waarheid, dat ze-n-in 't buitenland
+eerbied hebben voor onze letterkunde.
+
+--O ja, en voor ons karakter!
+
+--Er is geen beter volkskarakter dan 't hollandsche.
+
+--En geen beter letterkunde! Die is... echt-nationaal.
+
+--Dat zegt de Préfet de Police ook. Hy laat alles vertalen wat er
+uitkomt. Wat hem vooral bevalt, naar ik hoor, zyn onze alexandrynen ...
+
+--Nu ja, en 't karakter!
+
+--Zeker, 't karakter ook. Maar de alexandrynen zyn even lang als die
+van Racine, en dat 's juist het mooie. Ik ben zeer benieuwd naar de
+maat van Thomasvaer. Korte regels kan ik niet verdragen...
+
+--Hm! Bellamy's Roosje dan?
+
+--Ja, en z'n: Schoone maan, zeg, ziet gy heden...
+
+--En z'n: 't Was nacht toen u uw moeder baarde...
+
+--Mooi, hoor!
+
+--En z'n: Oproeping aan de Bataafsche jongelingen, om den
+Engelschman te bestryden. Dat's óók geen gekheid!
+
+--En z'n toespraak: Aan de vaderlandsche meisjes. Dáár zit pit in,
+hè? Weetje wat-i zegt? Hy zegt:
+
+
+ Indien ik ooit ontaarde
+ Van Vaderlandsche fierheid,
+ Dan moet gy, waardste Fillis...
+
+
+Weer kwam 'n lakei deze echt-vaderlandsche ontboezeming afbreken. De
+man inspekteerde ditmaal de kussens in de loge der Palatine die
+byzonder graag op 'r gemak zat. Als door 'n veer bewogen, stond het
+heele Publiek op. Die groene rok met gouden tressen ...
+
+--Och, 't is weer zoo'n doodeter. 'k Wou dat de vent...
+
+En teleurgesteld nam men weer plaats. De liefhebber van korte verzen
+waarin echt-vaderlandsche "pit" zat, liet zich niet van z'n stuk
+brengen:
+
+
+ Indien ik ooit ontaarde,
+ Dan moet gy my verachten,
+ Dan moet gy my vervloeken!
+
+
+--Dat's táál, hè?
+
+--Heel mooi, maar ik houd meer van alexandrynen. Ze zyn honderd
+percent deftiger, dunkt me.
+
+Het gegons werd gedurig sterker. De keeren dat het Publiek misleid
+werd door dezen of genen die de deur van een der loges opende--'n
+foppery die telkens op 'n te-loor gaande eerbiedsbetuiging te staan
+kwam--waren niet meer te tellen. Men begon te morren, maar... zacht,
+zeer zacht, zoo zacht als maar gemord worden kan.
+
+Wat onzen Wouter aangaat, hy vond alles vreemd, maar tot behoorlyke
+ontleding van z'n indrukken was-i niet in-staat. Voor den tienden
+keer reeds sedert twee dagen, verdrongen de gebeurtenissen die hem
+overstelpten, de aandoeningen van 'n oogenblik te-voren. Hy was er
+duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal, bracht het
+zyne by tot verdooving van z'n begrip. Zoo-even in 't rytuig nog,
+had-i zich ingespannen om iets te verstaan van Willem's vertellinkje,
+en ook de daarvan opgevangen indrukken waren nu reeds uitgewischt,
+of althans zeer vermengd met iets anders. Hy geleek op 't lang
+gebruikt leiblad van den schoolknaap, waarin de oude krassen 't later
+schrift onleesbaar maken zonder baat voor eigen duidelykheid. Op 'n
+palimpsest dat ingewyd werd met catullische zangen, daarna dienst
+deed als afstandwyzer van germaans-romeinsche castra, vervolgens
+'n spikspelder nieuw systeem van--nogal oude--wysbegeerte op z'n
+rug droeg, en eindelyk tot ons kwam als lofzang op de H. Maagd,
+gratiâ plena. Er behoort veel geduld toe--en scheikunde--om al dat
+overpleisterd menschenwerk uit elkaar te houden. En wanneer nu,
+gelyk hier 't behandeld palimpsest, zelf 'n mensch is... 'n codex,
+zooveel moeielyker te ontwarren dus dan elk ander geschrift...
+
+Zoo goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De graad
+van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde
+hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo erg
+was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden òf gewone dingen,
+òf erger. De Holsma's waren de eenigen die niet spraken. Eens slechts
+hoorde hy Oom Sybrand die naar 'n loge wees, iets zeggen, en 't kort
+gesprek dat daaruit voortvloeide:
+
+--Ik denk dat ze dáár zitten zal... àls ze komt!
+
+--'t Zou me leed doen, als ik m'n kleinen Erik had alleen gelaten
+voor niemendal, antwoordde mevrouw Holsma.
+
+--Nu, Femke is vertrouwd!
+
+--O ja! Maar 't drukt me dat ik hier zit, terwyl m'n kind ziek is. Lang
+wacht ik niet op haar...
+
+--'t Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik hoorde zeggen
+dat ze veel luimen heeft, en die altyd in-volgt. Aan etikette stoort
+ze zich niet. Dat schynt in 't bloed te zitten.
+
+--Als ze 'r om tien uur niet is, ga ik heen. Héél veel belang stel
+ik niet in de zaak...
+
+De beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy
+had ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de
+persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma tegen
+haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had.
+
+Een groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een
+oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal
+staan ...
+
+Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er weinig
+van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z. M. was
+haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet zonder
+'n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg stonden...
+
+Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke
+Majesteit. Vivat sequens!
+
+...hy had daarna 'n oogenblik--één oogenblik maar--in de zaal
+rondgezien, éven geknikt, als iemand die byna geen tyd heeft om
+te zeggen: "'t is wel!" en daarna z'n fauteuil met 'n ruk schuins
+naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en 't Publiek
+kon weer gaan zitten... nog niet voor goed.
+
+Ook de andere loges werden nu als door 'n tooverslag gevuld. Men
+zag zonderlinge kostumes: de "Wede. Maaskamp en Zonen!" Dames met
+lyven van drie duim, en 'n schoot van byna zooveel ellen. De boezems
+zweefden tusschen kin en ceinture. Kleine pofmouwtjes wisten zelf
+niet, of ze dienen moesten tot bedekking van den bovenarm of van den
+schouder. Maar dit te-kortschieten werd eerlyk aangevuld door witte
+kabretleeren handschoenen, die van den pink tot den oksel reikten. Op
+'t hoofd droegen de dames tulbanden, toques, bloemtuinen... dáár
+was wat te plukken gevallen voor Scylla! Maar al wat er leelyks te
+zien was, werd overtroffen door de onuitstaanbare militaire kostumes
+van dien tyd. Wie die steeken en chakots gezien had, begreep terstond
+waarom de vyand altyd zoo verschrikt op den loop ging. Die aanhoudende
+vlucht ontstond uit schoonheidsgevoel.
+
+De muziek speelde...
+
+'t Spreekt vanzelf... daar wàs ze weer, de lyzige melodie van den
+dapperen Dunois!
+
+Een vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven aan
+de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook immers
+gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu ja,
+van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen
+alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest...
+
+Debout... debout! werd er geroepen. Een der hardste schreeuwers was
+de man van de korte verzen, waarin zooveel echt-vaderlandsche "pit"
+zat. En alles schreeuwde mee: debout! Men moest opstaan voor den:
+jeune et beau Dunois!
+
+Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe: de bénir ses exploits,
+toen er met 'n bundel papier vry driftig op den rand der koningsloge
+werd getikt, juist op de plaats waar men berekenen kon dat de Keizer
+zat. De Holsma's recht naar-boven ziende, werden slechts 'n stuk van
+den zonderlingen hamer gewaar, waarmee Z. M. de maat sloeg...
+
+De maat? 't Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, in der
+haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan de
+maat! Ieder die in 't parterre zat, kon aan de angstige blikken die
+uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden geworpen,
+duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men van-beneden-af de
+oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet spoedig geraden,
+zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook de Palatine, juist
+bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair van Groenland, heel
+hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende loge, raakte in de
+war, wat anders de gewoonte van deze dame volstrekt niet was. De koord
+van haar joujou krinkelde, en 't ding bleef levenloos hangen, als 'n
+geëxekuteerde. Dit was hem in de hand der Palatine nog nooit overkomen!
+
+De Keizer stond op, en tokkelde met z'n rol papier als 'n razende.
+
+Een afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie
+'t opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met Kykduin en
+'t perfide Albion.
+
+Onze verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als 'n
+izegrim. Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen,
+maar hy luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op 't
+fluweel van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien,
+koningen, kamerheeren, maarschalken, adjudanten, aides de camp,
+schoten toe. Maar Z. M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos
+maakte. Hy verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den
+roffel 'n oogenblik aftebreken, om met z'n papieren trommelstok naar
+'t orkest te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit beteekenen
+moest. De bevolking van de voorste loges gaven den orkest-direkteur
+te kennen, dat de schuld der stoornis aan hem scheen te liggen, en
+siste hem van alle kanten toe. De man schrok, en bleef als versteend
+staan, met z'n maatstok zuid-oost half-oost in de lucht, dat hier
+zooveel beteekende als heelemaal buiten-west. 'n Plotselinge stilte
+verving nu 't geraas, en liet verraderlyk toe, dat men heel duidelyk
+'n te laat ingehouden vaderlandsch nagalmpje te hooren kreeg. In
+den engelenbak namelyk--dezen avend bezet door fatsoenlyke burgers,
+want alle standen waren 'n graad of tien in waarde gedaald, omdat de
+markt van rang overvoerd was--in den engelenbak had 'n onverlaat zich
+de magere voldoening gegund: al is ons prinssie te zingen, wèl bedekt
+natuurlyk onder de noten van koningin Hortense's prachtstuk.
+
+Was zy de dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje? Misschien
+wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me
+byzaak is, omdat ik my de verplichting opleî, juister te zyn dan de
+Historie. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten noch met
+datums te doen, en trachten slechts mogelyke indrukken te schetsen,
+en menschen te teekenen zooals de denker zich kan voorstellen dat ze
+geweest zyn.
+
+De stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als
+opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur
+kommandeerde eindelyk in den angst van z'n hart: "où peut-on être
+mieux." De vaderlander uit den engelenbak maakte zich gereed de
+muziek toetelichten met de bekende romance van 'n "sleepersknol... op
+hol" toen er bleek dat Z. M. nog altyd niet voldaan was. 't Moest:
+"veillons au salut de l'empire" wezen! Dacht hy er aan, dat het
+huiselyke: "waar kan men beter zyn" bewaard moest blyven voor de
+Beresina, by den terugtocht uit Rusland? Want by die gelegenheid is
+'t--o bloedig sarkasme!--gespeeld.
+
+"Veillons" dus! Weer het knikje: 't is wèl! en weer liet hy zich vallen
+in z'n fauteuil, waar-i voortging zich te verdiepen in de vestingwerken
+by Huisduinen. Toen 't "Veillons" behoorlyk was afgespeeld, mochten
+al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed, goddank!
+
+Het scherm ging op, en 't woord was aan Rotgans:
+
+
+ Ja, Minos, aan 't geschenk dat ik u heb gegeven,
+ En uit de kerk geschaakt...
+
+
+--Wàt? vroeg Wouter. Uit de kerk? 't Purper haartjen uit de kerk? Ik
+meende...
+
+--Sjt! zei Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit
+beteekent. Misschien 'n licentia poetica, weetje.
+
+Heel juist geraden! De treurspeldichter had den vreemsoortigen crinis
+purpureus heel handig omgesmeed in 'n schild dat door Scylla geroofd
+wordt. Zeer wel. Maar... uit de kerk?
+
+
+ ...hangt Nisus' kroon en leven!"
+
+
+--Qu'est-ze qu'elle changte? riep de Paltsgravin. Il barait que zela
+zera excèzivemang larmoyang! Za doilette est egzégraple! La bedite
+est attivée d'une magnière ... et quelle langue, mong Dié, mong Dié,
+quelle langue! Za m'égorssche les oreiglles!
+
+Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van den
+klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te Boulogne... te
+Dover... overal, behalve dáár! Behalve daar, en... op Sint Helena!
+
+Wouter luisterde als 'n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog minder
+omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem te
+vreemd om niet z'n aandacht volkomen in beslag te nemen. Z'n wangen
+rustten op beide vuisten, en z'n elbogen op de leuning der bank vóór
+hem. Wie met half geopenden mond deze houding nabootst, kan precies
+weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla's tocht in
+'t kamp van Koning Minos.
+
+Een schild in-plaats van 't haartje? Dacht hy. Wie weet of niet
+de dichter, als-i toch aan 't verzinnen gaat, ook iets zegt van
+onechte zoons, en van het terugkeeren op 't pad der deugd, dat de
+menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om
+het terugkeeren mogelyk te maken.
+
+Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter
+mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m'n handen in onschuld.
+
+
+
+
+
+
+
+ De tuchtelooze auteur--gebrek aan school!--vertelt niets van 't
+ purpren haartje, doch integendeel allerlei zaken die in 'n roman
+ niet te-pas komen. Hy geleidt den lezer langs keizerlyken weg in
+ de kommeny waar Leentje zout moet halen. Verzoeke vriendelyk dit
+ gebrek aan zout niet meer dan driemaal in-verband te brengen met
+ des auteurs schryfmanier.
+
+
+Die arme Rotgans! 't Was wèl de moeite waard 'n paarduizend verzen by
+elkaar te rymen, om zóó verwaarloosd te worden! Geen der toeschouwers
+was geroerd door de treurspellige bravigheid van Minos, die de ontaarde
+juffer zoo flink op haar plaats zette. Men luisterde niet. [10]
+
+Met naïve verbazing trachtte Wouter de tirades van 't stuk te
+volgen. Ze bevielen hem niet, en byna klom z'n ontevredenheid op
+tot den moed, zichzelf in-staat te achten tot het leveren van iets
+beters. Vooral trof hem de verregaande leegte aan denkbeelden. De
+aan Ovidius ontleende handeling van 't stuk mocht dan in zekeren
+zin hoofdzaak zyn, tot het schetsen dáárvan waren geen tweeduizend
+regels noodig. Aan "gaan en komen" waren meer verzen besteed dan aan
+menschkundige ontwikkeling, of aan opmerkingen die de moeite van 't
+onthouden waard schenen. Zoo gaat het meer. Is dàt 'n dichter? vroeg
+Wouter. [11]
+
+Wouter bemerkte dat de volwassen leden van de familie Holsma
+by-voortduring niet den minsten acht sloegen op het stuk. Ze richtten
+hun blikken naar de loges, doch blykbaar met andere bedoeling dan de
+meesten, of zelfs dan àlle anderen, die de hooge personaadjes alleen
+om de vreemdigheid aangaapten. Ook uit de afgebroken zinsneden die
+tusschen Oom Sybrand met z'n broeder en zuster gewisseld werden,
+scheen te blyken dat hun aandacht door iets zeer byzonders werd tot
+zich getrokken.
+
+--Als ze niet spoedig komt, ga ik heen, zei weder mevrouw Holsma.
+
+--Misschien zit zy in de keizersloge, en achter-af. Dan kunnen we
+haar van-hier niet zien.
+
+--Men heeft me gezegd, dat ze te Parys nooit 'n kwartier achtereen
+op dezelfde plaats blyft. Misschien komt ze straks dáár of dáár...
+
+En met 'n bescheiden beweging van den uit z'n vuist opgestoken duim,
+wees Holsma 'n paar der zyloges aan.
+
+--Ze komt soms in 't parterre ook, naar ik hoor.
+
+--Langer dan nog vyf minuten wacht ik niet, zei mevrouw Holsma. M'n
+kleine Erik is my meer waard dan duizend...
+
+Wouter meende te verstaan: "dan duizend nichten." Ja, zóó zal 't ook
+wel geweest zyn. Want:
+
+--Van den koning, voegde Holsma er by.
+
+Dit deed hem den draad weer verliezen. Hy had gemeend dat Femke
+bedoeld werd. En nu: van den koning? Waarom was juist die prinses zoo
+belangwekkend? De loges zaten vol neven en nichten, de een nog meer
+opgepronkt dan de ander. Welke byzonderheid verhief juist die eene
+afwezige, in aanspraak op belangstelling tot mededingster van den
+kleinen zieken Erik? Toen de tooneelspelers het derde bedryf hadden
+afgealexandrynd, was de zorgvuldige moeder niet langer te houden. Ze
+verliet de zaal met Oom Sybrand, die weldra zou terugkeeren met Femke:
+
+--Als ze wil! voegde hy er by, op 'n toon die twyfel te kennen
+gaf. Want, zeid-i, ze houdt niet van drukte.
+
+O he, dit meende Wouter beter te weten. Oom Sybrand had haar eens op
+de Botermarkt moeten zien, en in de gekroonde Jeneverbes! Maar zulke
+dingen verklapt geen ridder. Hy zweeg dus.
+
+
+
+De oude Minos is byzonder verliefd op Ismene die zeer schoon en
+deugdzaam is. Scylla is byzonder verliefd op Minos die zeer oud en
+eerbiedwaardig is. Ismene is byzonder verliefd op Fokus die zeer
+heldhaftig is. En Fokus is byzonder verliefd op Ismene... dat's
+mogelyk. Maar hy spreekt haar zonderling toe, en wel juist op 'n
+oogenblik dat ze het in alle treurspelen onmisbaar voorstel doet, om
+voor haar beminde te sterven. Ik geloof gaarne dat Fokus 'n held was,
+maar heel hoffelyk was de man niet:
+
+
+ "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
+
+
+Wat is dàt? Een nieuw rumoer, en ditmaal in den engelenbak. Aller
+oogen richtten zich opwaarts, maar niemand kon spoedig te weten
+komen wat er in dat hoog regioen voorviel. Eerst meende men dat er
+gevochten werd, maar dit scheen toch 't geval niet te zyn. Na eenig
+dringen en andere blyken van roering en onrust, werd de uniform van
+'n policiekommissaris zichtbaar, die blykbaat met vruchtelooze moeite
+iets wilde begrypelyk maken aan 'n paar mannen op de voorste bank. Het
+scheen dat ze van 'n ander gevoelen waren dan hy. Om z'n fransch of
+italiaansch te vertolken, greep de vertegenwoordiger van 't gezag die
+beide personen by den arm, en trachtte hun aan 't verstand te brengen
+dat ze niet zouden worden opgehangen, noch zelfs gearresteerd, maar
+dat ze hun plaatsen moesten ruimen.
+
+
+ "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
+
+
+--Qu'y a-t-il encore? vroeg de keizer weer.
+
+En toen een der kamerheeren hem op deze vraag geantwoord had, begon
+hy hartelyk te lachen. Er scheen iets nieuws geschied te zyn, dat
+byzonder in den smaak viel van de aanzienlykste bezoekers der zaal,
+want in alle loges stak men de hoofden by elkaar. Men fluisterde,
+en lachte, en giechelde, en staarde naar den engelenbak. Zelfs
+de keizer stond op, boog zich over den rand van z'n loge, en keek
+rechtuit naar boven. Maar zonder baat, want krom-zien kon hy niet,
+wat hem by deze gelegenheid wrevel, en zelfs eenige verwondering op den
+hals haalde. Ook de bewoners der lagere sfeer in 't parterre, kregen
+voorloopig niets te zien dan de gebaren en mimiek der personen die men
+verjagen wilde van hun welbetaalde plaatsen, en die zich hiertegen
+hardnekkig bleven verzetten. Onze oude kennis, de Paltsgravin, gaf
+weldra blyk meer van de zaak te begrypen, dan de onderste laag van
+'t gezelschap. Halverweeg uit haar loge buigend, telegrafeerde zy
+met iemand die in 't paradys nog altyd op den achtergrond scheen te
+blyven. Het stuk van Rotgans... och!
+
+
+ "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
+
+
+De Palatine groette met haar joujou. Wien of wie groette zy? Het
+scheen dat ze zich byzonder vermaakte. Met wyd uitgestrekten arm wees
+ze aan al haar buurtgenooten in aanzienlykheid, dat daarboven in die
+gemeene-volkskooi iets zeer byzonders te zien was. Arme Rotgans! En
+arme akteur ook. De man zag van alle gepruikte en ongepruikte
+hoofden niets dan de kruin. Blyf eens begeistert... achter zoo'n
+Publiek! Nogeens, en als sprak hy nu zeer in 't byzonder tot de
+Palatine:
+
+
+ ... Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen ...
+
+
+De Palatine gaf er niets om. Ze schaterde van lachen--ook de keizer
+had gelachen: het mocht dus!--en ze scheen maar niet tot bedaren te
+kunnen komen van plezier.
+
+Nu moest ik 'n dubbele pen hebben, om te vertellen wat Oom Sybrand
+zei, die teruggekeerd was na mevrouw Holsma te hebben thuis-gebracht,
+en te-gelyker-tyd den uitroep van Wouter behoorlyk weertegeven, die
+met open mond en verdraaiden hals zat te kyken naar het tooneel van
+den stryd.
+
+--Waar is Femke? vroeg Holsma.
+
+--Ze wil niet, zei Oom Sybrand. Ik dacht het wel.
+
+--O God, daar is ze! riep Wouter.
+
+--Wie?
+
+--Femke, m'nheer! Femke, Femke... o God, dàt is nu wel wezenlyk
+Femke! En ze... vecht! Zie, dáár, daarboven, zie!
+
+Hm... 't had er veel van! Maar vechten deed ze toch eigenlyk niet. Het
+meisjen in den engelenbak had den policiekommissaris by den kraag
+genomen, hem achteruit getrokken, was zoo goed mogelyk tusschen de
+bezitters van de nauw-bezette voorbank heengedrongen, en liet zich
+daar neervallen op de twee halve schoten van de buurtjes die ze zoo
+onbarmhartig gescheiden had.
+
+--'t Is Femke, m'nheer! O god, het is Femke! Als men haar maar geen
+kwaad doet!
+
+Weer stond de keizer op, en weer staarde hy naar boven. Hy kreeg 't
+meisje met den noordhollandschen kap in 't oog, en knikte haar toe...
+
+--Maar, m'nheer Holsma, het is Femke... onze Femke!
+
+En de Paltsgravin groette het meisje nogeens met den joujou, als om
+haar geluk te wenschen met de verovering van dat plaatsje...
+
+--Maar, m'nheer, 't is Femke! riep de verbaasde Wouter, die maar niet
+begrypen kon dat-i geen antwoord kreeg.
+
+Ook Holsma en Oom Sybrand waren verbaasd, doch niet als Wouter,
+die zich by 't hoofd greep om te voelen of-i wel terdeeg wakker was?
+
+--Nu, kinderen, zei eindelyk de dokter, je kunt straks aan moeder
+vertellen dat we haar gezien hebben.
+
+En, zich tot Wouter keerende:
+
+--Dat meisjen is 'n nicht van ons...
+
+--O ja... Femke!
+
+--Neen, ze heet anders, en...
+
+--M'nheer, 't is Femke! Zou ik Femke niet kennen!
+
+Ei, Petrusje! Dit klinkt reeds geheel anders dan: wie is die
+meid? Of... dan zelfs dàt niet!
+
+Op-eens kreeg 't vreemdsoortig meisje dat haar groote blauwe oogen
+onbeschroomd door de zaal liet dwalen, onzen kleinen jongen in het
+oog. Ze bukte voorover, staarde hem met aandacht en inspanning in
+'t gelaat, knikte vriendelyk, en wierp hem 'n kushand toe...
+
+Zoo meende hy, en zoo wàs het. Maar 't geheel parterre was ditmaal
+al te zeer van zyn gevoelen. Ieder meende dat ze hemzelf, of
+allen meenden dat zy allen gegroet had. De deftige lui ergerden
+zich aan de verregaande onbeschaamdheid van zoo'n boeredeern--in
+hoofdsteden heet elk provinciaal 'n boer--en de meer vroolyk gestemden
+beantwoordden haar groet met spottende overdryving. Weldra echter
+werd er gesist. Uit de hoogere sfeeren kwam de tyding neerdalen dat
+'s konings nicht, prinses Erika, 'n blyk willende geven van sympathie
+voor 't Nederlandsche Volk, zich kwam vertoonen in "nationaal kostuum"
+of wat by vreemdelingen daarvoor doorgaat.
+
+--O god, geloof er niets van, m'nheer Holsma! Ik zeg u dat het Femke
+is, verzekerde Wouter met tranen in de oogen.
+
+--Neen, m'n jongen, dat meisjen is Femke niet.
+
+--Maar... ze heeft my gegroet!
+
+--En de keizer háár. Je begrypt toch wel dat hy geen waschmeisje
+groeten zou?
+
+Zeker! Dit was moeilyk te veronderstellen. Maar even vreemd kwam
+het Wouter voor, dat die... prinses 'n nicht wezen zou van dokter
+Holsma. Op-nieuw meende hy te bemerken dat het meisje hem toewenkte,
+en dat ze haar lippen bewoog. Naar die beweging te oordeelen, kon ze
+best gezegd hebben: myn broeder! Wouter hield het er voor, en lispte
+die woorden na, en drukte beide handen styf tegen de borst, als om
+'n kostbaarheid te bewaren die zoo-even daarin was neergelegd.
+
+In-weerwil van z'n hoogachting voor dokter Holsma, was het hem
+onmogelyk diens verzekering te gelooven, dat het jonge meisje
+daar-boven eene andere was dan de door hem verloochende dochter
+van Vrouw Claus. Hy knoopte de voorvallen der laatste uren zoo goed
+mogelyk aan elkander, en meende te begrypen hoe hy door z'n drift
+aan die Kaatje aanleiding had gegeven tot 'n zonderling bericht
+van wedervaren. Men had hem voor krankzinnig aangezien, letterlyk:
+voor gek gehouden, en wilde nu hem afleiden van 'n idée fixe. Daarom
+ook die uitnoodiging tot het bezoeken van den Schouwburg, en Femke's
+voorgewende weigering om meetekomen met Oom Sybrand, die van zyn kant
+op deze reeds lang afgesproken weigering had voorbereid. Zeker had de
+dokter haar den wenk gegeven, wanneer ze dan toch ook iets zien wilde
+van al die pracht en vreemdigheid, ergens anders plaats te nemen dan in
+'t parterre. 't Was voor zyn ontroerd gestel beter geoordeeld, dat ze
+nu juist niet naast Wouter kwam te zitten, die haar verloochend had,
+en daaronder zoo leed! Misschien had men daar in die hoogste loge
+'n plaats voor haar opengehouden, en die kommissaris van policie ...
+
+Maar ... hoe durfde zy dien man zoo onzacht storen in de al te
+welwillende uitoefening van z'n funktie? Hem 't gezag uit de hand
+nemen? En ... die groet van den keizer? En ... vanwaar wist Holsma
+dat hy haar verloochend had, en dat haar tegenwoordigheid de kalmte
+van z'n gemoed bedreigen kon?
+
+--Och, m'nheer, laat Femke maar gerust hier zitten ... ik zal heusch
+heel bedaard wezen! Ik ben zoo bang dat men haar kwaad zal doen,
+daar-boven onder al die ruwe menschen!
+
+Holsma zag hem vorschend aan. Zou dan toch die Kaatje gelyk hebben
+gehad? Hy vond nu goed, Wouter niet langer tegentespreken in z'n
+meening omtrent de identiteit van de verschyning, en trachtte door
+eenige onverschillige opmerkingen z'n aandacht en gewaarwordingen
+afteleiden. Het toeval wilde dat hy hierby 't woord "engelenbak"
+gebruikte, dat ook den niet-amsterdamschen lezer nu zeer gewoon klinkt,
+omdat ik het reeds verscheiden malen gebruikt heb, doch den nuchteren
+Wouter geheel vreemd was.
+
+--Juist, viel hy den dokter driftig in de rede. Juist: engelenbak! U
+ziet dus wel, m'nheer, dat het Femke is!
+
+Ook deze konklusie klonk weer zonderling in Holsma's oor. Al te
+zonderling zelfs, om nu te laten bemerken dat hy er niets van
+begreep. En om Wouter te bewaren voor nòg meer opwinding, gaf hy toe.
+
+--Wel zeker, jongen, dat zeg ik ook. Ik wou je maar 'n beetje
+plagen. Femke zit dáár, omdat ze ... niet gaarne hier wil
+zitten. Ze meent dat ... het zoo raar zou staan, omdat ze maar 'n
+waschmeisjen is. En dat wy ons schamen zouden over de verwantschap
+zieje!
+
+--O, m'nheer, niemand behoeft zich te schamen naast Femke te
+zitten. Zelfs de keizer niet! En ... God niet!
+
+Ei, Petrus!
+
+--Ja, ja, suste Holsma. Precies! Zóó is het! Wie braaf en goed is,
+hoeft zich voor niemand wegtestoppen. Kyk nu maar verder naar 't stuk,
+m'n jongen.
+
+Wouter wilde gehoorzamen, doch niet voor z'n oogen afscheid hadden
+genomen van de heerlyke verschyning. Nog eenmaal zag hy op. Zy
+wenkte hem toe, nam 't takje met drie rozeknopjes van de borst,
+hield het eenige oogenblikken tusschen duim en voorvinger van de
+linkerhand, wees met de rechter op Wouter, en liet het vallen. Het
+kwam--niet te-recht, o goden, maar neer toch!--op 'n dikken heer
+in Wouter's buurt, die 't aangreep, en heel verwonderd keek. De man
+leek niet op rozeknopjes, en z'n verbaasd gezicht scheen te vragen:
+wat doe ik daarmee? Vóór-i evenwel zichzelf 'n bruikbaar antwoord op
+deze vraag geven kon, was Wouter van z'n plaats gesprongen. Hy wipte
+langs en over 'n paar buren en banken, greep 't gulden vlies dat den
+valschen Jason zoo in verlegenheid bracht, en drukte het, opziende
+naar den engelenbak, aan z'n lippen. Overal elders dan te Amsterdam,
+zou 't publiek geapplaudisseerd hebben. Hier deed het de Palatine,
+vooral toen prinses Erika knikte: "dat ze 't juist zóó gemeend had!"
+
+Dit was meer dan Wouter's geschokt gestel verdragen kon. Nooit zou
+hyzelf zich 't verloochenen van Femke vergeven, maar nu had zy, de
+edelmoedige, de groote, de majestueuze, hem vergiffenis geschonken
+ten-aanzien van 't gansche Volk! O, dààrom wilde zy bóven zitten,
+zoo hóóg ... in den engelenbak! Zy had de vlek van z'n ziel gewischt,
+z'n geschonden riddereer hersteld ...
+
+By deze gedachten die hem als bliksems door 't hoofd schoten, viel
+hy flauw. Was 't wonder?
+
+Holsma nam hem mede naar zyn huis, en liet aan juffrouw Pieterse
+berichten dat de jongeheer Wouter ...
+
+--Zieje wel, Stoffel, net wat ik gezegd heb! Ieder mag 't weten: het
+kind leseert effectief by dokter Holsma op de Kolveniersburgwal. Trui,
+denk er aan dat Leentje morgen ochtend zout haalt in de kommeny,
+want ... werachtig, 't kind leseert er!
+
+
+
+
+
+ Ariadnisme met modern-burgerlyke verwikkeling. Treurzang over
+ de hedendaagsche onbruikbaarheid van wonderen. Wouter krygt
+ les, en wordt--als de lezer--uitgenoodigd zich 'n tydje te
+ spenen van romantiek.
+
+
+Het is me zeer moeielyk, te berekenen hoeveel van m'n lezers genoeg
+menschelyk gevoel hebben uitgeschud, om niet te schreien by de
+ongelukken van juffrouw Laps. Als het medelyden dat ik voor haar
+inroep, gering is, wyt ik dit aan te groote geleerdheid. Het schynt
+wel dat de belezen mensch onzer dagen z'n gevoelighedens heeft
+opgemaakt aan mythologie, romantiek en bybelkennis. Hy heeft zich
+moê getreurd op 't legio modellen van verlatenheid, die ons sedert
+eeuwen geleverd zyn in profane en heilige Schriften. De tranen alzoo
+waarop juffrouw Laps 'n onmiskenbaar recht heeft, en die haar ook
+niet zouden geweigerd zyn door naïver toeschouwers of lezers, zyn de
+buit geworden van Medea, van Fedra, van Asnath, der vrouwe Potifars,
+van Ariadne op Naxos, en dergelyke persoonlykheden meer, waarvan
+er toch geen enkele by ons Lapsjen in welbegrepen rampspoed halen
+kon. Ze was, zy by-uitnemendheid, wat de romanschryvers gewoon zyn
+met sierlyke spraakwending: "de ongelukkigste der vrouwen" te noemen,
+en haar door Wouter zoo schichtig verlaten boven- voor- onder- achter-
+insteekkamer, 'n ware tempel van verschillende smarten.
+
+Het is geenszins m'n bedoeling, Wouter boven Jozef, Theseus, Jason
+of Hippolytus te stellen. Apollo beware my voor de by auteurs
+somwylen voorkomende apenliefde, die hen in hun helden altyd de
+"belangwekkendste der stervelingen" doet zien. De lezer zal erkennen
+dat ik genoeg moed en plichtbesef heb, om m'n jongetje nu-en-dan
+niet zeer malsch te behandelen. Neen, niet in Wouter's verdienste
+zoek ik den maatstaf voor de wanhoop der verlatene. En ook zyzelf
+voedde haar verdriet niet uitsluitend met 'n droevig staren op de
+waarde van den verloren schat. De hem kwalificeerende benamingen
+die ze 't weggeloopen heil namurmureerde, getuigden meer van vinnige
+verstoordheid dan van byzondere waardeering. Er bestond iets geheel
+anders, dat met volle recht haar verstoordheid stempelde tot wrevel,
+en zelfs tot woede. Met gepasten eerbied voor de smart van al die
+andere dames, meen ik te mogen in 't midden brengen, dat er onder die
+gansche weenende vrouwenschaar geen enkele zoo'n gek figuur maakte
+tegenover de respektieve verwanten van haar verlaters, als juffrouw
+Laps. Ze moest Wouter verantwoorden aan z'n familie. Dàt was het!
+
+De zonderlingste plannen gingen haar door 't hoofd. Hoe zou 't zyn,
+als ze vertelde dat-i was "weggenomen" van voor de oogen des Volks,
+en opgevaren in 'n gloeiende diligence? Ze verwierp dit denkbeeld,
+uit zeer gegronde vrees dat men haar niet gelooven zou. Onder alle
+wonderen zyn er maar weinig zoo ongeschikt tot dagelyksch gebruik,
+als hemelvaarten. Zelfs Politie en Justitie gelooven er niet aan, dit
+zy gezegd zonder 't minste wantrouwen op de historische grondslagen
+van de christelyke godsdienst, die zulke zaken niet missen kan zonder
+in elkaar te storten als 'n slecht gebouwd kaartenhuis. Het zal den
+godsdienstigen lezer genoegen doen, te ontwaren dat ik in dit opzicht
+geheel-en-al 't gevoelen aankleef van den zeer heiligen Paulus. (I
+Corinthen, XV, vs 14.)
+
+Dus: géén hemelvaart! dacht onze Ariadne, met bedroevend
+verstand! Maar... wat dan?
+
+Ze begon met wachten of haar Theseusje misschien zou terugkeeren? Het
+was haar niet duidelyk geweest, of hy in die kroeg geraakt, dan wel
+gebleven was onder de volksmenigte die er vóór stond. Misschien ook had
+deze of gene stroom van de joelende menigte hem meegevoerd. Hm... hoe
+vèr? 't Land uit? Naar... Amerika of 't peperland? Dit zou zoo
+kwaad niet wezen, vond ze, want eigenlyk was ze nu meer angstig
+voor z'n terugkeer by de zynen, dan begeerig naar zyn wederkomst by
+hààr. De oorzaak is ligt te vatten. Wat zou Wouter vertellen aan z'n
+verwanten? Tot haar groote teleurstelling was z'n medeplichtigheid
+niet ver genoeg gegaan, om hem bescheidenheid inteboezemen in z'n
+eigen belang, en 't schepsel stond te laag om kiesheid te verwachten
+uit oorzaken van anderen aard.
+
+Om by 't schriftuurlyke te blyven, zon ze, na 't verwerpen van de
+gedemodeerde luchtvaart, op 't aanwenden der egyptische methode
+van Asnath. Helaas, daarby is de verrukkelyke naïveteit van Potifar
+onmisbaar, en ze had menschenkennis genoeg om te berekenen dat noch
+Stoffel, noch z'n moeder, noch zelfs een van Wouter's zusters,
+onnoozel genoeg wezen zouden om zich te laten vangen in 'n strik
+van zoo verouderd maaksel. Zeker zou er blyken dat haar zeer bekend
+"Geloof" eer 'n wapen tégen haar opleverde, dan 'n schild waarachter
+ze schuilen kon. Want, lezer, de achtbaarheid van de goddienery is wat
+versleten. Ze voorzag dat men meer vertrouwen stellen zou in Wouter's
+... kinderachtigheid, dan in haar gescherm met "Schrift" of "Heer" en
+hierin had zy alweer volkomen gelyk. De tyd nadert, dat men zeggen zal:
+"ziedaar iemand die niet gelooft, en toch 'n schelm is." Dit "toch"
+zal beter op z'n plaats staan dan 't arme woordje gewoon is, daar we
+'t nu meestal zien misbruiken om betrekkelyke verdorvenheid en wèl
+gelooven--zaakjes die zeer na aan elkander verwant, en dikwyls zelfs
+identisch zyn--in tegenstellend verband te brengen.
+
+Uit spyt en woede beet onze martelares haar nagels af, en vervloekte
+al het volk dat daar onder haar vensters nog altyd nafeest vierde van
+'n feest dat er niet geweest was. Ze vleide zich eenige oogenblikken
+met de hoop haar deserteur in 't oog te krygen, en nam zich voor, als
+'t lukte, hem unguibus et rostris in haar nest te slepen, niet om 't
+genoegen van z'n gezelschap nu, maar om te voorkomen dat-i naar z'n
+eigen huis ging, en daar meer vertelde dan haar aangenaam was. Doch
+ze slaagde er niet in, Wouter te ontdekken, en vermoeid van staren
+schoof ze eindelyk haar venster toe, juist 'n oogenblik te vroeg om
+den wagen te zien wegryden, waarin prinses Erika zich liet brengen naar
+'t paleis op den Dam.
+
+Schoon de morgenstond reeds lang was aangebroken, begreep onze Laps dat
+het te vroeg was om reeds nu naar de Pietersens te gaan. En bovendien
+... wat zou ze daar zeggen? Dat haar riddertjen in 't holst van den
+nacht was weggeloopen? Waarheen? Waarom? Wie verzekerde haar, dat niet
+reeds 't heel schandaal door hemzelf was bekend gemaakt, en dat alzoo
+Vrouw Asnath ditmaal visschen zou achter Jozef's net? Och, hoe pynlyk!
+
+Ze besloot ... niet te besluiten, en de zaak nog 'n paar uurtjes
+overtelaten aan den "Heer." Met deze verzuchting besteeg ze haar
+maagdelyke koets, 't frigidum lectum waarover 'n latynsch dichter de
+eenzame Penelope laat klagen in den zevenden regel van haar brief aan
+Ulysses. Als juffrouw Laps latyn gesproken had, zou ze waarschynlyk ook
+zoo-iets gezegd hebben. De lezing van de twee regels die Ovidius laat
+voorafgaan, luidde nu in háár mond: "ik wou liever dat de kwajongen
+z'n nek had gebroken op de manier van hoogepriester Eli in 1 Samuel,
+IV. Maar de weldadige wonderen zyn de wereld uit. Die vervlll...oekte
+zevenklapper!"
+
+En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my
+in, wat daar geschiedde gedurende Wouter's romantische omzwerving,
+en zorg dat m'n taal niet al te ver sta beneden de waardigheid van
+'t onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit
+had zien uittrekken tot bescherming zyner geïmprovizeerde dame, en
+hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf,
+maar 'n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten
+hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem...
+
+Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze
+kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydagavend naar
+bed gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me
+niets gebleken. In m'n archieven vind ik geen spoor van angst over
+'t vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld,
+misschien wel omdat dit gevaar z'n verwanten ten-eenen-male onbekend
+was. Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig gehad haar opzetje zoo
+fyn intekleeden, en 't overslaan van Wouter's naam by 't oproepen
+van de ridders wier bescherming zy beweerde noodig te hebben, was 'n
+overbodige weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens,
+ze zou by veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel
+bereikt hebben. De voornaamste aandoening die haar onbegrepen
+taktiekje te-weeg bracht, sproot voort uit den afkeer dien hare
+geheele persoonlykheid inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht
+omtrent haar byzonder plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet
+gedacht. De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte,
+maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere
+lieden zouden omtrent Mensch en Wereld veel te leeren hebben, voor ze
+'t standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken.
+
+En ook van de geestige onwetendheid die we naïveteit noemen, was hier
+geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg behoefden
+te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze niet. Ze
+hadden in dit byzonder geval alleen hierom niets ergs gedacht, omdat ze
+gewoon waren in 't geheel niet te denken, en deelden dus de verdienste
+van 't vertrouwen, met Wouter's muts die er ook geen kwaad in zag,
+juffrouw Laps 'n paar uurtjes gezelschap te houden. [12]
+
+--Ik begryp om al de wereld niet, waar de jongen zoo lang blyft? zei
+de moeder.
+
+--Hy zal niet vroeg opgestaan wezen, en misschien laat ze hem by
+'t ontbyt 'n kapittel uit de Schrift lezen.
+
+Aldus Stoffel. En de familie berustte zonder veel inspanning 'n
+half-uurtjen in die bemoediging.
+
+--Wat zou je-n-'r van zeggen, als jyzelf er eens heenging? stelde
+eindelyk juffrouw Pieterse voor.
+
+--'t Zal moeielyk gaan, moeder! Want ... uwe weet, het is niet in
+den weg van m'n school.
+
+Dit argument voor non-interventie was volkomen geldig. Men moet nooit
+iets doen wat niet op z'n weg ligt. Ziehier een der liefelyke kanten
+van 'n welbegrepen konservatismus. Stoffel zelf wist niet hoe diep
+de zin was van z'n staatkundig grondbeginsel.
+
+--Maar... als we dan Leentjen eens daarheen zonden, om te vragen waar
+de jongen blyft?
+
+Dit werd goedgekeurd. Leentje ging, en kwam weldra terug met de
+boodschap dat "Wouter waarschynlyk 'n wandelingetje maakte."
+
+Zóó namelyk had juffrouw Laps in den angst van haar hart gezegd. En
+'t was niet geheel-en-al onwaar. Wouter was inderdaad na z'n vertrek
+uit haar woning, terdeeg aan 't wandelen geraakt... de lezer weet
+het. Maar juffrouw Laps verzuimde wyselyk, er by te zeggen waaròm hy
+'n wandeling deed, en op welk uur hy haar verlaten had. Leentje had
+geen erg er naar te vragen, omdat het vanzelf scheen te spreken dat-i
+niet was uitgetogen in 't holste van den nacht. En zóó ook werd de
+zaak door z'n moeder en zusters opgevat. Ze kwam dus eenvoudig neer
+op een van de zonderlinge gewoonten van Wouter, waarover men zich
+zoo dikwyls te verwonderen had.
+
+--Daar heb je 't weer! zei de moeder. De last die ik van dàt kind
+heb ... kyk! 'n Ander maakt 'n kuiertje na den eten, niet waar? En hy
+... wat doet-i? Hy loopt rond in den vroegen morgen. Ik vraag jezelf
+nu, Stoffel, of dat 'n manier van doen is?
+
+--Né, moeder!
+
+--En ons hier in angst te laten zitten!
+
+--Ja, moeder!
+
+--Zieje, 't is toch weer heel erg van hem. Hy moest begrypen dat
+we hier allemaal in doodelyke ongerustheid ... god weet waar-i nu
+weer rondloopt?
+
+--Zeker, moeder! En nu is 't tyd voor m'n school. Dag, moeder!
+
+Stoffel vertrok. Van dien angst en die ongerustheid was geen woord
+waar. Deze klacht hoorde er zoo by, meende de familie, overigens niet
+de minste blyken gevende van bekommering over Wouter's lot. Ook hier
+alweer speelden onkunde, onwetenheid en traagheid haar gewone rol. Het
+kòn immers zyn dat den knaap 'n ongeluk overkomen was? Z'n moeder
+vond het gemakkelyker hem te beschuldigen van onbehoorlyk gedrag,
+dan ernstig te onderzoeken waar-i beland was. En hierby bleef het,
+tot dokter's Kaatje kwam.
+
+De lezer weet hoe Holsma z'n koetsier gelastte 'n oogenblik optehouden
+voor Wouter's woning, ten einde dat meisje gelegenheid te geven tot
+uitstappen. Alles was haastig naar 't venster geloopen ...
+
+--Daar is-i, daar is-i! riep de heele familie om 't hardst, hy zit
+zoowaar in dokter's koets!
+
+Deze opmerking verdreef alle andere indrukken, en Kaatje's
+geruststellende taak viel byzonder ligt. Eigenlyk had ze niets hoeven
+te zeggen. 't Kwam er niet meer op aan, waar Wouter geweest was ... nu
+reed hy in 'n koetsje. In's hemelsnaam, wat wil men meer?
+
+--By dokter ontbeten? Gut, mensch, wat zeg je! En ... en ... waarom
+heeft de koetsier z'n beeremuts niet op?
+
+De verwonderde Kaatje beriep zich op 't saizoen, en vond de ontvangst
+die haar te-beurt viel, zeer zonderling. De verdenking die zy koesterde
+omtrent Wouter's geestvermogens, ontving nieuw voedsel door de vreemde
+manier waarop haar boodschap beantwoord werd. 't Scheen wel dat de
+heele familie ... 'n beetje ...
+
+--En heeft-i wezenlyk by dokter ontbeten? Begryp eens, Trui
+... ontbeten!
+
+--J...a, juffrouw, hy heeft by ons ... ontbeten! O ja, zeker, ontbeten
+... m'nheer heeft het gezegd.
+
+--By den dokter? En ... ontbeten, zeg je? Op den Kolveniersburgwal?
+
+--Wel zeker! Waar anders? Maar ... wat zou dat?
+
+--En ... is-i wel fatsoenlyk geweest?
+
+--Gut ja, juffrouw, maar ...
+
+--En nu zit hy met den dokter in de koets?
+
+--Wel zeker, juffrouw! Maar ...
+
+--Hoor 'ns hier, vryster, ik zal jou eens wat zeggen, maar je moet
+er niemand overspreken. Hy is 'n zonderling kind, weetje ...
+
+--Ja, zuchtte Kaatje, volkomen overtuigd. Dàt weet ik!
+
+--Zoo? Weetje 't? En weetje-n-ook waarom? Dàt zal ik je nu eens
+vertellen. Hy is zoo'n zonderling kind, omdat--ga jy even op-zy, Petrò,
+en jy ook Mine ... Trui kan blyven, maar kyk op je werk!--hy is zoo
+zonderling en dingsig, weetje, omdat ik, toen ik zwaar van 'm was ...
+
+--Gut, juffrouw!
+
+--Ja, vryster! Toen heb ik gedroomd van 'n kapel die 'n olifant
+voorttrok. Begryp je 't nu?
+
+--O ja, ja, ja, precies, juffrouw! Ik begryp 't nu heel best.
+
+--Zie je? En daarom ... doe de komplimenten aan den dokter, en zeg
+dat ik wel laat bedanken. 't Is nu maar te hopen dat-i fatsoenlyk
+is ... Wouter, meen ik. Gut, draagt de koetsier zoo'n muts alleen in
+den winter?
+
+Kaatje maakte dat ze wegkwam. Ze nam zich voor, nooit van kapellen
+en olifanten te droomen. Zoo'n uitspatting van den geest kwam haar
+zeer gevaarlyk voor, want ze begon nu in allen ernst te meenen dat de
+heele familie gek was, en dat zy in Wouter daarvan slechts 'n klein
+staaltje gezien had.
+
+Toen, eenige uren later, de dokter-zelf zich de moeite gaf juffrouw
+Pieterse te komen geruststellen, kende de vreugd over Wouter's
+verheffing geen grenzen. Holsma bestudeerde deze en andere zotternyen,
+en maakte van z'n opmerkingen gebruik by 't bepalen van den geestelyken
+leefregel dien hy Wouter straks zou voorschryven, een dieet dat hy
+nog meende te moeten inkrimpen na 't voorgevallene in den Schouwburg.
+
+Wat juffrouw Laps aangaat, zyzelf wist niet hoe goed alles buiten
+haar toedoen geschikt was. Ze hield zich den heelen dag bezig met
+onnoodig gepeins over de mogelykheid om 't ding te redden, dat ze--wel
+eenigszins met verkrachting van den zin--haar "eer" noemde. Daar zy
+evenwel tot geen besluit kwam, bewaarden de gunstige goden haar voor
+'t nemen van maatregelen die juist andersom zouden gewerkt hebben
+dan de eisch was. Ze deed niets, en door 'n byzondere welwillendheid
+van 't lot, was dit de beste party die ze kiezen kon. 't Spyt me
+voor sommige lezers, dat haar veroveringstocht niet tragischer
+afliep. Maar de moraliteit wint er by. Ik gis dat Fancy 't gemeene
+schepsel de belangwekkende smart niet gunde, van de kastyding die ze
+verdiend had. Een paar dagen angst was voor haar peccadille volkomen
+genoeg. 't Spreekt vanzelf dat ze nog altyd bleef vreezen dat Wouter
+haar aanklagen zou.
+
+
+
+Wouter was inderdaad dien saturdag-nacht by de Holsma's gebleven. Den
+volgenden morgen vroeg nam de dokter hem by zich op de studeerkamer, en
+sprak hem vriendelyk toe. Hy moedigde den ontluikenden jongeling aan,
+hem zoo goed mogelyk te vertellen wat er in z'n gemoed omging, doch
+onthield zich zorgvuldig van alles wat Wouter in de meening zou kunnen
+brengen dat-i byzonder was. Het spreekt overigens vanzelf, dat hy meer
+begreep dan Wouter zeggen kon. Ook de niet zeer handig overgeslagen
+geschiedenis met de onnoozele verleidster, lag hem klaar voor oogen. Hy
+luisterde naar Wouter's ontboezemingen, als naar iets zeer bekends,
+en stelde z'n onbegrensde eerzucht--of liever z'n voorbarige en
+overspannen zucht naar 't goede: z'n God-zyn--als 'n gewoon verschynsel
+voor, dat uit de levensperiode voortsproot, en... dat uit den weg moest
+worden geruimd. Ook Wouter's liefde voor Femke, behandelde hy als 'n
+zeer gewone zaak. Om aan al deze geringschatting zooveel doenlyk de
+pynlykheid te ontnemen, haalde hy gedurig z'n eigen ondervinding aan,
+en verklaarde zichzelf schuldig aan de fouten die hy in Wouter meende
+te moeten gispen, een methode die nog altyd veel ouders en opvoeders
+onbekend schynt te zyn. Ook Jezus heeft over 't hoofd gezien dat men
+zich bukken moet om te kunnen opheffen. Of werd hem die terugstootende
+heiligheid aangewreven door vervalschers? Meenden zy misschien dat
+de zondeloosachtigheid die hem zoo volstrekt onbevoegd maakte tot
+voorganger, als onmisbaar bestanddeel van z'n goddelyke natuur moest
+worden voorgesteld? Zagen ze niet in, dat de voorgewende verheffing
+tot méér dan Mensch, 'n verlaging was beneden 't peil der Mensheid,
+die juist aan den specifisch-menschelyken stryd tegen afdwaling, haar
+hoogheid te danken heeft? Dat ook hier alweer 't onbruikbaar-goddelyke
+uitloopt op ongerymdheid, spreekt vanzelf.
+
+Holsma, heel ongoddelyk, maar goedig, verstandig en waar, zette
+zich niet op 'n voetstuk. Hy begon met de betuiging dat ook hy in
+z'n jeugd alles wat Wouter hem meedeelde, ondervonden had, en tevens
+dat hy dezelfde gemoedsverschynselen in byna alle andere jongelieden
+waarnam. Ook trachtte hy de zaak terugtebrengen op burgerlyk-praktisch
+terrein, met vermyding van allen prikkel tot geestvervoering. Het
+kwam hem voor, dat z'n patiënt aan zulke behandeling behoefte had,
+en hy volgde dus in zekeren zin de koud-water-medikatie van Vrouw
+Claus. Of deze ontnuchtering ten-allen-tyde en voor ieder dienstig
+is, blyft de vraag. Ook paste de menschkundige Holsma ze slechts
+voorloopig toe, en misschien wel als proef om te weten of Wouter
+tot hooger levensopvatting in-staat was. Hy liet hem z'n gemoed
+uitstorten, en viel hem niet in de rede, waaruit voortvloeide dat
+Wouter vry slecht sprak, omdat onafgebroken verhandelingen niet
+in de natuur liggen. Juist het gehakkel der voorstelling deed den
+ongeoefenden spreker bemerken--en hierom was 't Holsma te doen--dat
+z'n aandoeningen minder belangwekkend waren dan hy gemeend had. Hy
+voelde lust zichzelf in de reden te vallen met de vraag: "is 't anders
+niet?" en begon nu te vreezen dat ook Holsma dit zeggen zou. Maar
+toen-i eindelyk scheen gereed te zyn, antwoordde deze vriendelyk:
+
+--Zeker, zeker, m'n jongen, ik ken dat! In zulke stemming zou je overal
+willen zyn, alles willen regelen, beheerschen... alles goed-maken,
+niet waar? Je hebt 'n gevoel alsof je voor alles aansprakelyk was. Het
+hindert je dat er zooveel verkeerds is in de menschen, en dat zy
+... o ja, ja, ik ken dat zeer goed!
+
+Maar, eilieve, denk eens na over de middelen die je tendienste
+staan. Hoe zou je 't aanleggen om iets te verbeteren? Wouter zweeg.
+
+--Meen je dat àlle menschen slecht zyn? Dit mag je toch niet aannemen,
+dunkt me. Onder die menschen zyn er gewis velen die 'tzelfde wenschen
+als jy. Waarom veranderen zy de wereld niet?
+
+Wouter zweeg alweer. Juist de eenvoudigheid van de vraag belemmerde
+hem. Maar Holsma drong op antwoord aan.
+
+--Welnu? Komaan, ik zal je helpen. Geloof je dat ik 'n goed mensch ben?
+
+--O ja, riep Wouter hartelyk.
+
+--Ei? Nu, ik geloof 't ook. Ik zou me schamen als ik dit niet durfde
+zeggen. Waarom dan verander ik de wereld niet? Je spreekt zoo dikwyls
+van Afrika--omdat je dat land niet kent, m'n jongen!--welnu, ik die 'n
+goed mensch ben, heb nog altyd de slavenjachten niet afgeschaft. Waarom
+niet, denkje? Antwoord eens.
+
+Wouter was volstrekt geen debater. 't Lag niet in z'n eerlyken aard,
+het geven van 'n stellig antwoord te weigeren uit vrees dat het
+straks zou kunnen gebruikt worden als stormram tegen de meening die
+hy verdedigen wou. Toch bleef hy weifelen. Men bedenke dat Holsma
+bezig was met 'n amputatie. Is 't wonder dat de patiënt het deel van
+z'n ziel, dat afgezet worden moest, angstig terugtrok?
+
+--Welnu, dan zal ik de zaak anders voorstellen. Je hoort immers wel
+dat aanhoudend geklop en gehamer... luister! Dat is van 'n smedery
+hier-naast. Je begrypt wel dat me dit soms hindert?
+
+--By ziekte?
+
+--Ja, en als ik te denken heb. Ik wenschte die smedery verplaatst
+te zien... zóó... fluks... op-eens! Zeg me nu eens, waarom doe ik
+dat niet?
+
+--Omdat ... u niet kan, m'nheer.
+
+--Juist! Dáárom ook heb ik tot heden toe niets veranderd aan al wat
+er verkeerd geschiedt in Afrika. En ook in Azië niet. En in Amerika
+niet. En in zeer veel landen niet. Maar gister-avend in de komedie,
+toen je onwel was--'t was er warm!--nam ik je mee, en ik heb je
+verzorgd en naar bed laten brengen. En ik heb je moeder laten
+geruststellen over je lang uitblyven. Dat alles was m'n plicht,
+niet waar?
+
+--O, m'nheer...
+
+--Geen dank, m'n jongen! 't Kwam me voor, dat het m'n plicht was,
+en ik deed het: omdat het kòn. Wat niet kan, is m'n plicht niet! En
+daarom ook neem ik die smedery niet tusschen duim en vinger, om haar te
+verzetten naar 'n andere buurt. Om dezelfde reden bemoei ik me niet
+met Afrika. Onmogelyke plicht is géén plicht, en het jagen daarnaar
+staat het vervullen van onze werkelyke plichten in den weg. Heb je
+weleens op-school je les niet gekend?
+
+--O, dikwyls! Maar in den laatsten tyd niet, omdat Femke...
+
+--Laat Femke nu even rusten. Misschien zeg ik straks een woordjen over
+haar. Toen je op-school je werk verzuimde, had je zeker aan wat anders
+dan je lessen gedacht, aan dingen die niet voor-de-hand lagen. Dit
+nu is de fout van veel jongeluî, en--word er niet boos om: ik was
+ook zoo!--ze komt grootendeels voort uit luiheid. Het is gemakkelyker
+zich te verbeelden dat men zweeft boven 'n berg die heel in de verte
+ligt, dan in werkelykheid z'n voet optelichten om over 'n steentje
+te stappen. Onder de millioenen zaken die je zoudt willen doen, zyn
+er slechts weinigen die je zoudt kunnen doen. Bemoei ie voorloopig
+alleen met die weinigen. Dàt is de weg om verder te komen. Vraag altyd
+jezelf af: "wat wordt er op dit oogenblik van me gevorderd?" en gebruik
+niet de ingenomenheid met het vermeend hoogere, als voorwendsel tot
+verwaarloozing van wat je lager toeschynt. Je bent ontevreden met je
+tegenwoordig standpunt? Wel, maak je 'n beter standpunt waard! Dit is
+de manier om het te bereiken, en de eenige goede manier. Vraag jezelf
+by elke gelegenheid af: wat is m'n naast-byliggende plicht? Kun je
+me dit beloven?
+
+Wouter gaf er de hand op.
+
+--En je wou zoo graag meer weten? Ik ook, m'n jongen! Laat ons zien
+wat er aan die kwaal te doen is. Wat u betreft, het ontbreekt je nu
+zeer in 't byzonder aan de schoolkennis, waarin jongelieden van uw
+leeftyd die in andere kringen werden opgevoed, je vooruit zyn. Dàt is
+ligt intehalen, en we zullen er op terugkomen, maar... 't is op dit
+oogenblik je naast-byliggende plicht niet! 't Beetje latyn dat onze
+Willem verstaat, en waar je zoo jaloers op bent, is in 'n paar maanden
+geleerd, vooral wanneer je je zult geoefend hebben in 't willen. Wat
+zou 't nu helpen, nu? Wen je eerst dat zweven af, dan komt het latyn
+vanzelf, en 't grieksch ook, en al de andere zaakjes waartegen je
+nu zoo hoog opziet. Er zyn op dit oogenblik heel andere vyanden te
+verslaan, dan de ridders uit je romans. Minacht de moeielykheden niet,
+die je te bestryden hebt. Dit zou juist oorzaak kunnen worden van
+'n treurige nederlaag. Je moet je denkvermogen leeren gebruiken naar
+je eigen wil, en de verbeelding knotten die je anders over 't hoofd
+groeien zou. Er zyn wysgeeren geweest, die beweerd hebben dat het
+leven 'n droom is. Wat ze daarmee eigenlyk bedoelden, is me niet zeer
+helder. Die uitspraak-zelf komt me droomerig voor. Misschien vergis
+ik me hierin, doch wel durf ik met zekerheid zeggen dat droomen geen
+leven is. Begryp je dit?
+
+Wouter knikte toestemmend.
+
+--De ware verhevenheid, ging Holsma voort, is dat men doet wat
+men doen moet, zelfs 't geringe. Wat zou je zeggen van ridders die
+zich op den kop lieten slaan door vagebonden, omdat hun riddereer
+niet toeliet zulk kanalje ten-onder te brengen? Zou je dit niet
+'n onbruikbare ridderschap vinden? Je gaat nu in den handel? Kom
+my over 'n maand eens vertellen of je woord gehouden, en altyd je
+naast-byliggende plicht vervuld hebt? Dan zullen we verder zien,
+maar... dàt eerst! Zal je 't doen?
+
+--O zeker, zeker! Maar... m'nheer, mag ik u nu vragen naar...
+
+--Naar Femke? Wel, dat is 'n best meisjen, 'n heel braaf kind, en
+'n nichtje van me.
+
+--Maar hoe dan te begrypen wat ze daar kwam doen? En hoe ze...
+
+--Die dame in de komedie was Femke niet. Dat was prinses Erika. We
+wilden haar zien, omdat haar voorouders aan de onzen verwant
+waren. Hierin is niets byzonders, kereltje!
+
+--Een wezenlyke prinses?
+
+--Ja, en Fem is 'n wezenlyk waschmeisje. We willen hopen dat die
+Erika even degelyk van karakter is als zy. Maar, jongen, hecht
+toch aan zulke dingen zoo'n gewicht niet. Men ziet dat afwyken
+van familievertakkingen dagelyks. Of, al ziet men 't niet, het
+is zoo. Er moet 'n tyd geweest zyn dat Erika's voorouders zich in
+beestenvellen kleedden, en de mynen ook. De vraag is, of zy 't weet
+dat ze hier te-lande stamverwanten heeft? Dat wy 't weten... nu ja, m'n
+broer Sybrand schept genoegen in 't opsporen der overeenstemming van
+schynbare tegenstellingen. Ook in taal... dit heb je by 't kippenhok
+gehoord. Wel beschouwd, is de wereld veel kleiner dan je meent: alles
+raakt elkaar! Wie weet of 't niet invloed heeft op de Geschiedenis,
+dat je morgen by die heeren... hoe heeten ze ook?
+
+--Ouwetyd en Kopperlith, m'nheer.
+
+...dat je by de heeren Ouwetyd en Kopperlith den handel gaat
+leeren. Welnu, wereldhistorisch of niet, doe daar je naast-byliggende
+plicht! Dit is nu de ridderlyke taak die ik je opdraag... als je naar
+me luisteren wilt. Zal je 't doen?
+
+--Heusch, m'nheer! Maar... Femke?
+
+--Daar heb je 't al! Ze heeft niets met je naast-byliggende plicht
+te maken. De eenige dame die je voor 't oogenblik dienen moogt,
+is... nu, wie?
+
+--De... handel?
+
+--Juist! Wil je nu volstrekt iets van Femke weten... welnu, zy zegt
+ook dat je je niet met haar bemoeien moogt, en aan niets moet denken
+dan aan je werk...
+
+--O, ik zàl, ik zàl!
+
+--Nog wel tien jaren lang.
+
+--Tien jaren? Tien?
+
+--Ja, zóó zei ze toen ik haar vertelde dat je nog zoo weinig wist,
+en zoo weinig kon.
+
+--Tien jaren?
+
+--Nu ja, zóó zei ze. Misschien acht, of... twaalf, of... twintig, want
+je begrypt wel dat men zoo-iets niet zoo héél nauwkeurig kan bepalen.
+
+--Tien jaren?
+
+--Zóó zei ze.
+
+--Ik zàl!
+
+--Heel goed, m'n jongen. 't Zal my genoegen doen, en... háár ook. Begin
+er dus spoedig mee, en dring je niet op, dat het zoo byzonder moeielyk
+is. Dat maakt zenuwachtig. Duizenden zyn voor tien jaar begonnen
+met wat u morgen te doen staat, en... ze leven nog! Je ziet dus wel
+dat het kàn. Bovendien, denk nu voorloopig maar alleen aan de eerste
+maand. Zoo breek je den tyd. Over 'n week of vyf wacht ik je hier. Dan
+zullen we verder zien.
+
+Na nog eenmaal beloofd te hebben dat-i "alle gekheid" uit z'n
+gedachten zetten wou, nam Wouter voor dien dag afscheid. Maar hy
+bewaarde z'n rozeknopjes, al was 't hem niet helder of de vereering
+van deze reliek--het eenige wat hem uit de afgeloopen driedaagsche
+stormperiode overbleef--'n prinses gold, of 'n bleekmeisjen, of beiden,
+of de kleine Sietske Holsma, of 't portret uit de zykamer, of z'n
+ideaal dat hyzelf samentooverde door 't onwillekeurig ineensmelten
+van al deze beelden tegelyk. Om zyn aan Holsma gegeven woord gestand
+te doen, verbood hy zich alle onderzoek dienaangaande, en drong met
+heldhaftigheid z'n aandoeningen terug. Het blyft de vraag, of-i
+tot helderheid en zelfkennis zou geraakt zyn, wanneer hy hierin
+niet geslaagd was? Wie zegt ons of niet misschien de indrukken die
+hy meende te hebben opgevangen van buiten-af, de afspiegeling waren
+van z'n eigen gemoed? Om dezen twyfel begrypelyk te vinden, heeft men
+zich slechts aftevragen, of z'n fantazie werkeloos zou gebleven zyn,
+indien hy al die voorwerpen niet ontmoet had? Ik acht deze opmerking
+hierom niet zonder gewicht, wyl ik aan de gewaarwording die Wouter
+beheerschte, nog altyd den naam van liefde niet geven durf. Dat een der
+meest karakteristieke kenmerken van het beminnen, de zucht om goed te
+zyn hem niet ontbrak, is waar. Doch deze neiging had zich reeds veel
+vroeger in eigenaardige overdrevenheid by hem geopenbaard, waaruit
+dan ook, lang voor hy Femken ontmoette, z'n overspannen eerzucht en
+de daarby behoorende hoogmoed waren voortgesproten.
+
+Onder de aandoeningen die hy na 't gesprek met Holsma moest
+terugdringen, speelde de nieuwsgierigheid naar de oplossing der
+verschillende wyzen waarop Femke zich aan hem vertoond had, maar
+'n zeer ondergeschikte rol. Dit schynt te vreemder, omdat hy aan de
+door Holsma gegeven verklaring geen geloof sloeg. Hy bleef er by,
+dat het meisje in den schouwburg wel inderdaad de persoon was geweest
+die men tot-nog-toe Femke genoemd had, en schreef Holsma's verzekering
+óf aan dwaling toe, óf aan de zucht om hem tot kalmte te brengen. Hy
+beweerde meer van dat meisje te weten dan den dokter kon bekend zyn,
+die haar niet in die herberg gezien had! Dat ze zich kon voordoen
+als prinses, kwam hem volstrekt niet vreemd voor. Het was eer te
+verwonderen, meende hy, dat ze de goedheid had, zich nu-en-dan te
+vertoonen als kindermeisjen of als dochter van 'n waschvrouw. Een
+prinses? Wel mogelyk! Waarom niet? Dat meisjen op die tafel zou niet
+Femke geweest zyn? Ook niet die verschyning in den schouwburg? Heel
+natuurlyk, en geheel in overeenstemming met de hoogte waarop hy
+altyd het voorgewende bleekmeisje geplaatst had? Als dat niet Femke
+was, dan kon zeer goed het meisje dat hy tot nog toe Femke noemde,
+eens-vooral prinses wezen. Deze verandering was zoo groot niet,
+of liever... 't was er geen. Als 'n bliksem schoot hem nu ook de
+indruk door de ziel, dien het schrikwekkend bellen van juffrouw Laps
+dien vrydagavond op hem gemaakt had. Toen immers reeds vroeg hy zich
+af, of daar misschien prinses Erika was, die kwam ruilen? Er bleek
+nu, dat ze dit reeds voorlang gedaan had! Dat er in dit alles iets
+geheimzinnigs lag, ontveinsde Wouter zich niet, maar dit geheimzinnige
+kwam zoo juist overeen met z'n droomen en luchtbeelden, dat het hem
+meer bevredigde dan ooit nuchtere waarheid zou hebben kunnen doen. Hy
+was evenmin nieuwsgierig als de velen die na de lezing van Genesis,
+nu eens-vooral meenen te weten: "waar alles vandaan gekomen is" en
+geen lust hebben in 'n onderzoek dat hun die genoegelyke zekerwetery
+zou kunnen kosten. Hierin zal dan ook wel de oorzaak liggen, dat voor
+zekere gemoederen slechts de fabel 't kenmerk van de waarheid draagt.
+
+Gelyk de Mensheid in voorhistorische tyden, was Wouter nog altyd
+ontvankelyk voor 't buitengewone, voor 't wonderbare, voor 't
+onrnogelyke. Wie hem verzekerd had dat Femke onderworpen was aan gewone
+aandoeningen, zou niet zoo zeker op geloof hebben kunnen rekenen,
+als de dichter die haar tot onderwerp had gekozen van de wildste
+fantazie. Wanneer hy haar had te spreken gekregen, zou er aan ànderen
+die 't onderhoud bywoonden, gebleken zyn dat zyzelf in dit opzicht
+hooger stond, maar of 't hèm gebleken ware, blyft de vraag. Elke
+uiting van haar eenvoudig gezond verstand zou hy hebben opgenomen
+als neerbuiging om-zynentwil, als 'n poging om 'n taal te spreken die
+verstaanbaar was voor... menschen of burgerjongetjes. "Ze houdt zich
+zoo om my niet afteschrikken" zou hy dan gedacht hebben. Inhoeverre er
+by dit alles invloed werd uitgeoefend door de byna geheel uitgewischte
+herinnering aan de Fancy-verschyning, is moeielyk te bepalen. Wel
+was de indruk daarvan niet meer te herkennen, doch misschien deden
+zich nog altyd de gevolgen van dien indruk eenigszins gelden. Z'n
+geest was eenmaal zekeren weg opgestuwd, en in deze richting ging
+hy voort, al was dan ook 't punt van uitgang sedert lang uit het
+oog verloren. Ook deze byzonderheid is op de Geschiedenis van 't
+Menschdom ten-volle van toepassing. Wy werpen de fabels weg, waarmee
+ons Geslacht in z'n kindsheid werd vermaakt, we schamen ons over
+'t geloof aan de spokery waarmee het bedrogen werd, maar... blyven
+gebukt gaan onder de gevolgen der onnoozelheid van vorige geslachten.
+
+Wouter vroeg niet meer: "zou zy 't zusje wezen, dat ik
+zoek?" maar de behoefte aan ineensmelting met 'n wezen, dat hy
+wilde toebehooren--in-verband altyd met z'n zucht naar kennis en
+stryd--bleef bestaan. En alweder werkte de onbewustheid van deze
+neiging bevredigend op z'n begeerte om de vele byzaken die hy niet
+begreep, eens eindelyk opgehelderd te zien. In al het vreemde dat
+hem de laatste dagen overkomen was, vond hy evenzeer aanleiding om
+zich aftevragen: "wat wàs er toch?" als om zich toeteroepen: "zeker,
+zeker, zóó is het! Juist wat ik altyd meende!" Dat mysterieuze-zelf
+was juist de voldoening die hy zocht, en... dus nog altyd 'n blyk
+van z'n onrypheid. Zyn aandoeningen waren hem als 'n bewogen water
+waarin de onvolwassen ziel de Nixen ziet spelen, die ze zien wil, hoe
+onbestemder van omtrek, hoe weifelender van lynen, hoe liever. Naar
+juister teekening, naar meer duidelykheid, haakt die ziel niet... er
+mocht eens blyken dat ze zich slechts gespiegeld had in de rimpeling
+van den door haarzelf in roering gebrachten vloed!
+
+Was Femke géén prinses? Was prinses Erika niet--uit weeldeliefhebbery
+dan--'n waschmeisje? Eilieve, misschien ook was dat heerlyk standbeeld
+op die tafel, noch de een noch de ander... 'n derde verschyning
+dus! Drie? 't Is te weinig! Millioenen beelden van dien aard waren
+niet te veel om, saamgevat in één totaal-gedachte, de begeerte te
+bevredigen van 'n gemoed dat, slechts ontluikend nog, niet Femke
+beminde, maar... de Liefde! Waarlyk, de knaap had nog veel te leeren,
+en waarschynlyk waren op deze behoefte, de raadgevingen van z'n
+menschkundigen vriend gegrond. Het schynt wel, dat Holsma inzag hoe
+Wouter vóór alles moest kennismaken met het àllerlaagste, om allengs
+opteklimmen tot de Poëzie der Werkelykheid die zooveel hooger staat
+dan liefelyk-bontgekleurde--maar kinderachtige, onvoedzame en dus
+verderfelyke--droomery!
+
+Hoe dit zy, even als hyzelf, dalen we voor eenigen tyd naar
+lager sferen. Het hoofdkwartier van de Mensheid is nu eenmaal
+gelykvloers. Vandaar gaan wy altyd uit, dáárheen keeren wy altyd
+terug. Het is al wel, wanneer we niet verleerd hebben van-tyd tot-tyd
+ons te vermeien in wat vlucht. Hopen wy dat de lust en de kracht ons
+niet begeven, die uitspanning te hervatten. Er bestaat dan tevens
+kans, nader kennis te maken met prinses Erika, by welke gelegenheid
+we misschien te weten komen dat aristokratie van verstand en hart niet
+uitsluitend behoeft gezocht te worden in de... lagere standen, zooals
+sommige romanschryvers--hofmakend aan 't gemeen--weleens voorgeven
+te gelooven. Reeds nu durf ik verzekeren dat ze wel degelyk "van de
+familie" was, en wel in veel hooger zin nog, dan oom Sybrand weten kon.
+
+Voor 't ons vergund is nader kennis met haar te maken, hebben
+we--precies weer als Wouter zelf--vervelender dingen te behandelen. Zóó
+immers moet m'n geschiedenisje geschreven worden, op-straffe van niet
+op 't leven te gelyken, wat 'n fout wezen zou, 'n groote fout... de
+gewone!
+
+
+
+
+
+
+
+ Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare
+ halsboorden. Non omnibus licet... zonder de minste toespeling
+ op Corinthe.
+
+
+Fancy's luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van
+byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk
+uitgenoodigd z'n verwachting op de leest van het dagelyksche te
+schoeien.
+
+De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger aan,
+dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde dan
+'t meerendeel van z'n medemenschen, maar uit onrust. Hy had weinig of
+niet geslapen, en verliet z'n bedstee zoodra 't licht werd, drie volle
+uren alzoo voor-i zich had aantemelden op 't kantoor van de heeren
+Ouwetyd & Kopperlith. Wat z'n diligentie in dit opzicht aangaat kon dus
+dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in
+de plichten die onmiddellyk vóór hem lagen, met ter-zydestelling van
+utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. Maar hyzelf
+zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook,
+en vooral, zich uitsluitend bezig-houden met het dagelyksche, maar
+juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was,
+voerde hy 'n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare neiging
+tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan de lezer,
+die na al 't vorige wel evenveel moeite hebben zal als Wouter-zelf,
+om belangtestellen in 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.
+
+--Zeker, zeker, dacht hy--nu-en-dan overluid--ik zal braaf oppassen,
+en terdeeg m'n best doen, en werken tot ik moê ben, en zorgen dat
+ieder tevreden over my is, maar... zou ik nu daarom niet eerst Femke
+eens mogen spreken? Zou dàt nu oorzaak kunnen zyn, dat ik m'n plicht
+in den handel verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet
+waar ze m'n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet
+vragen aan Vrouw Claus, wie haar in 't hoofd gezet heeft dat ik op 'n
+paard reed? En dat ik 'n sabel op-zy had... 'n kleintje, zei ze. Nu,
+klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze 'r aan?
+
+En... dat Stakkervrouwtje?
+
+En... dat portret!
+
+Ik wil en zàl denken aan m'n werk, alleen aan m'n werk, en aan
+de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun kantoor,
+en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den
+heelen "Strabbe" en moeielyker dan van Strabbe, zullen de sommen
+op zoo'n kantoor toch wel niet wezen, denk ik. En al was dit zoo,
+dan zal ik... neen, neen, moeielyker dan van Strabbe zyn de sommen
+op zoo'n kantoor zeker niet! Zouden nu zulke heeren-zelf ook den
+heelen Strabbe doorgewerkt hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord
+toen ze jong waren. Dat ik de eerste ben geworden by Pennewip, heb ik
+aan Femke te danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik
+'t knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o,
+in lang niet! Later... ja, toen ik 't geworden was om haar pleizier
+te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas
+beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of
+veel langer nog, aan niets mag denken dan aan m'n werk! Alle Grieken
+zullen vermoord zyn, voor ik 'n wezenlyke man ben. En... Femke zal
+trouwen met 'n matroos, of 'n timmerman, of... met 'n schipper die
+'n bonte muts draagt, of... met 'n prins, als ze wil!
+
+Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och,
+hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat
+ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in
+zoo'n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... zóó! En in
+de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy
+vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heele Scylla was
+niets dat uit de verte halen kon by háár. Dit zal de keizer ook wel
+begrepen hebben, en dáárom heeft hy haar gegroet.
+
+Zoodra ik heelemaal groot ben--ik meen: als ik den handel versta,
+want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat zàl
+ik!--nu, later dan, wil ik ook eens 'n treurspel maken, en zóó dat
+ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en 't Volk,
+en allemaal! Ik zal er iets inbrengen van 'n geroofd schild, en
+... Femke zal het terugbrengen ... zy, of ik, of ... wy samen. Ja,
+zóó zal 't wezen, juist andersom dan in Scylla. En ik wou m'n stuk wat
+minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek
+houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen
+dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. En telkens wist ik wat er
+volgen zou, want als de een wat zei van z'n hart, vertelde terstond
+'n ander iets over z'n smart. 'n Enkele keer hindert het niet, maar
+op-den-duur is 't heel vervelend. Dat zei dan ook die Focus: weerhou
+die redenen, prinses, die my vervelen. Ik geloof niet dat 'n grieksche
+held ooit zoo iets kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen
+mee dat z'n beminde voor hem stierf--ik zou 't ook niet toestaan--dat
+was geen reden om haar zoo onvriendelyk toetespreken. Misschien was
+'t weer om 't rym. Daarom zal ik niet rymen in m'n treurspel. Niet
+altyd, tenminste. Als ik nu maar lang genoeg leef om zoo-iets te
+mogen beproeven, en als zy maar niet vóór dien tyd ...
+
+
+ Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft,
+ My weglokt van de taak die op me rust.
+ Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel,
+ En tracht me wegtestelen van m'n plicht ...
+ Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heen
+ Omdat ik altyd nog mezelf niet ben,
+ En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet,
+ U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept.
+ En stom, als 't hart me berst van drang tot uiting.
+ Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog,
+ Die leeren moet, en leeren, altyd leeren,
+ En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ...
+
+
+--Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op?
+
+--Hm ... ja ... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy verlegen. Ik
+was opgestaan omdat het zoo warm was in 't bed, en ... en ... dáár
+sprak ik over!
+
+Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds
+gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets
+anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Zóó had de dokter gezegd!
+
+En nogeens dwaalden z'n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw
+Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte
+zich. En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner
+schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z'n Strabbe. Met dat boek
+bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van 't ontbyt.
+
+
+
+Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag,
+en was mild in 't uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop Wouter
+zich in z'n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy moest vooral
+heel fatsoenlyk wezen, en door z'n gedrag de heeren opwekken tot
+het besef der goede hoedanigheden van z'n moeder. Ook was 't niet
+kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma's op den Kolveniersburgwal
+gelogeerd had, en dat de schoenen van z'n vader ...
+
+--Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op z'n tyd op
+'t kantoor wezen. Daar houden zulke menschen van.
+
+--Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En als
+ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel
+risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je
+boordje, en dat stáát niet voor 'n jongen die al op 'n kantoor is.
+
+Dat boordje--amsterdamismus voor: halskraag--had 'n groote rol
+gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De
+belangstellende lezer herinnert zich zeker 't jukkraagje, waaronder
+Wouter gebukt ging toen we 't eerst kennis met hem maakten in de
+Hartenstraat. Door 'n verdrietige gaping in m'n archief--daarvan
+zullen zich méér sporen vertoonen, helaas!--ben ik niet in-staat
+met juistheid al de overgangen te schetsen, die in dit opzicht de
+toenmalige periode scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik
+dat de opstaande boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar
+"den handel" 'n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der fondamenten
+van juffrouw Pietersen's hoop. En ook Wouter-zelf dacht niet gering
+over deze verandering. De twee plankstyve linnen lappen die z'n wangen
+bedykten, maakten op hem 'n dubbelen indruk. Eerst en voornamelyk
+dien van 'n toga virilis. Vervolgens 'n paar roode streepen, die den
+weg wezen van z'n mondhoeken naar z'n ooren. Hy was er grootsch op,
+en reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femke ontmoet hebben. Wie
+styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand
+zou dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde,
+en dus beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen
+omtegaan. Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid 'n lastige
+keerzy hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich
+uit zien om z'n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem 'n zot
+voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar
+'t was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de
+niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst
+moest winnen van z'n nieuwe chefs. Dus:
+
+--Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en links,
+'n Mensen moet vóór zich kyken. Je kunt er vast op aan, dat zulke
+heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met je nieuwe boordjes--'t
+zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet er nu niet toe, wat zeg jy,
+Trui?--je moet je niet aanstellen als 'n wilde.
+
+Van wildheid was geen spraak, toen Wouter 'n kwartiertje na deze
+laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op
+de Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch,
+helaas, 't scheen wel of reeds z'n eerste aanraking met die firma 'n
+misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich--niet zeer oprecht
+uitlokkend, maar bruikbaar toch--den bezoeker aan. Een dubbele
+glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve beneden
+de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf 'n "opgaande stoep"
+gelegenheid om doortedringen tot 'n soort van bel-étage. Wouter,
+vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg 't geschiktste, en met niet
+zeer flink gestrekte knieën besteeg hy de acht of tien trappen. Op
+'t bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men
+mocht het eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde
+hy door 't venster van de "zykamer" het gelaat eener bejaarde
+dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z'n
+figuurtje scheen te monsteren. 't Scheen wel dat ze hem de stoep
+wou afkyken. Wouter had er 'n pynlyk gevoel van, en maakte zich zoo
+klein mogelyk. 't Is niet ieder gegeven, en vooral niet iemand die
+z'n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder angst, op de stoep
+te staan van 'n huis op de Keizersgracht! Met genoegen ware onze held
+hard weggeloopen, maar... wat dàn? Bovendien, hy had geen militairen
+rang, en moest dus stáán blyven onder bereik van 't geschut uit die
+zykamer. Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met een vinnigen blik,
+en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan
+háár paleis. De martelende inspektie duurde lang, zóó lang dat Wouter
+ernstig begon te denken, óf aan den aftocht, óf aan 't herhalen van z'n
+klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was 'n moed
+noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben zou,
+doch gewis op dit oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat baatte
+hem nu Holsma's heerlyk voorschrift om altyd flink z'n naastbyliggenden
+plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die
+stoep? In 's hemelsnaam: hy wachtte!
+
+Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannen en
+place, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, moeielyk te
+genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht respekteeren
+zich zeer, waarin ik dan ook 't heel eenig kenmerk vind, dat hen
+uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te beweren dat
+ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. Wat
+overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren
+om ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z'n hoede is,
+wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die de Natuurlyke
+Historie der Kleinstädterei tot onderwerp van hun studien kozen,
+verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden afgericht op
+'t inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de ongelukkigen die
+door 'n gram noodlot veroordeeld werden zich daaraan bloottestellen,
+zeer lang wachten op 't openen van de huisdeur. Het schynt dat de
+ad hoc dienstdoende keukenmeid, door een tot de uiterste grenzen der
+mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker in den waan moet brengen, òf
+dat het huis zoo byzonder groot is, of dat haar bezigheden onafbrekelyk
+zyn omdat ze zoo byzonder veel te koken heeft. Bedoelde auteurs
+schryven dezen diepzinnigen gedragsregel op rekening van zekere jacht
+naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik die jacht loochenen zou,
+maar de aanzienlykheid draagt in myn mond 'n heel anderen naam. Ze
+komt my--met het oog op de van dit woord in m'n vorigen bundel gegeven
+definitie--ploertig voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje
+voorloopig overgeleverd. Hy wachtte met heldhaftig geduld. Heel
+eindelyk werd de deur door 'n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend,
+doch maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om
+Wouter toetesnauwen:
+
+--Wat mòtje? Mot je by mefrôô weesse? Wa's je booschap? Je skelt
+huis, jonge! Ik ken niet f'r jou plessier den heelen dag de skel
+naloope. Waarom skel je huis?
+
+By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. Maar:
+"je skelt huis"... wat is dàt?
+
+--Of skel je keuke?
+
+Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee
+belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren
+door de benamingen "keuken" en "huis." Wie groente, vleesch,
+boter, of melk kwamen brengen, moest zich melden door middel van de
+keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op toegang
+tot het salon--'n ding dat er in zekeren zin niet was, gelyk we zien
+zullen--mochten zich aanmatigen de zeer pretentieuze huisschel in
+beweging te brengen. Wouter die noch viktualie kwam brengen, noch
+z'n opwachting maken wilde aan "mevrouw"--zou zy 't wezen, die zoo
+onlieftallig door 't venster van de zykamer gegluurd had?--Wouter
+erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet wist waar-i wezen
+moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer Pieterse was,
+toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde naar z'n
+identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet.
+
+Door m'n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken
+tot 'n overdryving die zeer te betreuren is. Herhaaldelyk sprak
+ik van 'n deur, en... die geopend. Een klein beetje maar, heel
+eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! dit nu was
+de waarheid, maar... een deur? Vervloekte hyperbolen: 't was 'n
+halve! De huisdeur waarachter 'n rechtgeaard Amsterdammer z'n vrouw,
+z'n effekten en z'n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte
+in tweeën geknipt. De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd
+zyn, voor men hem door 't openen van de onderste helft, den toegang
+vry laat. De zeer letterlyk-exklusieve strekking dezer byzonderheid
+ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer men ze
+in-verband brengt met de tallooze hekjes en afsluitingen die elken
+voorbyganger schynen toeteroepen: "myn huis, je komt er niet in!" En
+nog zyn er gevoellooze bedillers, die 't den Amsterdammer van zulk
+gehalte kwalyk nemen dat-i, by zoo'n benauwde levensopvatting in den
+regel 'n dom schepsel blyft! Die onbillykheid is niet uittestaan.
+
+En nog altyd spionneerde die leelyke dikke dame door 't venster
+van de zykamer. 't Kwam Wouter voor, dat zy iets hem betreffende
+meedeelde aan iemand die in haar gezelschap was. Een heer van minder
+dan middelbaren leeftyd, boog over haar heen naar 't venster, en wenkte
+Wouter met niet zeer vriendelyk gebaar, dat-i de stoep verlaten, en
+beneden aanschellen zou. Goddank, nu wist onze kandidaat-handelsman
+ten-minste iets. Allerbeleefdst nam-i z'n hoed af, en schoof
+blootshoofds eenigszins bukkend dat dreigende venster voorby, en de
+stoep af. Inderdaad, beneden by de dubbele glasdeur was ook 'n bel,
+en daarnaast las hy 't woord: magazyn.
+
+Hier zal ik moeten wezen, dacht hy. Kantoor en magazyn zal wel zoo
+omstreeks 'tzelfde zyn. En hy belde.
+
+De persoon die belast was met het "naloopen" van deze schel, zou alweer
+zeer gevoegelyk kunnen doorgaan voor 'n kurator of superintendent
+van 't respekt. Hy gaf Wouter veel tyd tot meditatie, vooral over
+den tekst hoe moeielyk het is integaan tot den huize Kopperlith. Of
+onze expektant-handelsridder behoorlyk gebruik maakte van de zoo
+gul aangeboden gelegenheid tot ontwikkeling van z'n denkvermogen,
+is te betwyfelen. Bovendien, hy werd gestoord. Men tikte--en op den
+klank af geoordeeld, eenigszins toornig--tegen 'n glasruit van de
+zykamer. Wouter stapte een tred achteruit, en zag naar boven. De
+m'nheer van zoo-even beduidde hem met driftige bewegingen, dat-i
+nogeens moest aanbellen, en wat harder. Wouter bedankte door
+het afnemen van z'n hoed--had niet z'n moeder hem vóór alles,
+fatsoenlykheid aangeprezen?--en hy waagde nu 'n harder trekje, dat
+nog al tyd niet terstond door 't openen van de deur gevolgd werd. Het
+scheen wel dat de Cerberus van 't "magazyn" 'n zeer hoog denkbeeld
+koesterde van 't respekt dat de heeren Ouwetyd & Kopperlith noodig
+hadden. De man overdreef z'n yver. Dit begon zelfs de heer in de
+zykamer intezien, die alweer tikte, en wenkte: "schel nògeens voor den
+drommel!" met 'n uitdrukking alsof Wouter 't helpen kon dat er niemand
+kwam. Hy voelde heel duidelyk hoe de ware fatsoenlykheid voorschreef,
+vergeving te vragen dat men hem zoolang wachten liet.
+
+Intusschen gluurde hy door de glasdeur, en wierp nieuwsgierige blikken
+in 't "magazyn." Het was een van die lokalen welker afmetingen
+men gewoon is uittedrukken door de dichterlyke vergelyking met
+'n pypelâ. Eenigszins in afwyking van de bekende omschryving in de
+meetkunst, verheugde zich de hier bedoelde ruimte in de eigenschappen
+van lengte, breedte en... laagte. De breedte was met die van 't
+huis gelyk. De lengte werd aan de voorzy begrensd door de reeds
+bekende glasdeuren, die in haar poging om wat licht doortelaten,
+werden bygestaan door 't schuins hoekje venster dat z'n hypothenuze
+gemeen had met de stoep, en bovendien door 'n ander raampje dat aan
+de vóórzy van die stoep aan de straat uitkwam. Het hokje dat door dit
+venstertje z'n licht ontving, heette "het kantoortje" in tegenstelling
+van 't "kantoor" dat we straks zullen te zien krygen. Wat overigens
+de "laagte" van 't magazyn aangaat, deze benaming is zoowel gegrond
+op de zeer geringe afmeting van den opstand, als op 't peil van den
+vloer. Een volwassen man kon met z'n opgeheven hand de zoldering
+bereiken, en de bodem lag 'n voet of drie beneden den beganen
+grond. Hy verhief zich niet verder boven de riolen die in de gracht
+uitliepen, dan juist voor de bewoners noodig was om niet te worden
+meeweggespoeld met de vuiligheid. Wat de verlichting aangaat, men
+begrypt dat het weinige glaswerk aan de voorzy, niet àl 't werk alleen
+kon doen. Ongeveer op één derde van de lengte, hield het binnenkruipend
+licht op. Wie evenwel scherp van gezicht en rechtvaardig was, moest
+erkennen dat-i, heenborende door de duisternis van 't midden, vry
+duidelyk kon bemerken dat de bouwmeester gepoogd had ook aan den
+achterkant iets te laten binnendringen dat naar vermindering van
+duisternis geleek. Daar namelyk was door vriendelyke bemiddeling
+van 'n boven de zoldering van 't magazyn gelegen binnenplaatsje,
+iets te zien dat niet volstrekt zwart kon genoemd worden. Hoe de
+venstersoort heette, die dit wonder te-weeg bracht, weet ik niet
+recht. Een lantaarn, of 'n koek-koek, of zoo-iets. Er is altyd wat
+armoedigs in zulke bouwkunstige meesterstukken. Ze geven getuigenis
+van bekrompenheid--in alle beteekenissen!
+
+Voor-zoover Wouter's blikken in 't magazyn konden doordringen, bemerkte
+hy dat de langsche, middelruimte was ingenomen door 'n breede tafel,
+waarop stapels lynwaad gerangschikt lagen. Ook rechts en links langs
+de muren waren zulke koopmanschappen opgestapeld, zoodat slechts 'n
+nauwe doorgang aan weerszyden van die lange tafel overbleef. Alleen
+aan 't vooreind, tusschen 't "kantoortjen" en de glasdeur, was eenige
+ruimte overgelaten, waar 'n meubel op schragen stond, dat hy later
+leerde kennen en waardeeren als "de paktafel."
+
+Waarlyk, er begon kans te komen, dat de deur tenlaatste zou geopend
+worden. Dat Wouter eindelyk in een der gangetjes iemand naderen
+zag, zou wat veel beweerd zyn, en alweer aan sommige kunstrechters
+die in polemiek op hun gemak gesteld zyn, gelegenheid geven tot de
+bakerlyke aanklacht van overdryving. Neen, Wouter zag niets in die
+duisternis, maar wel kwam 't hem voor, dat de duisternis zelf zich
+begon te bewegen. Er schoof iets zwarts over den zwarten grond. En
+dat zwarte werd--zonder overyling altyd--wat bruiner en gryzer
+en lichter ... waarachtig, er naderde een menschelyk wezen. Heel
+natuurlyk. Gerrit Sloos kwam de deur openen, en beslofte reeds de
+ruimte naast de paktafel. Nog één sekonde, en de slotbrug van het
+tooverkasteel zou worden opgehaald. Wat vreemds lag daarin? Voor u en
+my niets, lezer, maar Wouter was aan 't versteenen geraakt, en stond
+op het punt vasttegroeien in z'n wachtstemming. Alle verwondering over
+de moeielykheid om in dat heiligdom doortedringen, was zoo volslagen
+geweken, dat hy, nu de deur eindelyk geopend werd, zich niet kon
+onthouden van eenige verbazing over het tegendeel. 't Scheelde weinig
+of hy had aan Gerrit Sloos gevraagd, of-i zich ook vergiste? In-plaats
+daarvan echter, nam hy--voor de hoeveelste maal nu reeds!--z'n hoedjen
+af, en Gerrit keek vragend tot hem op. Wouter stotterde iets.
+
+--Ben jy Pieterse, de jongeheer die hier op 't kantoor komen zou?
+
+--J...a...a, m'nheer!
+
+--Zoo? Je hoeft geen m'nheer tegen me te zeggen. Ik hiet Gerrit
+... Gerrit Sloos, weetje. Eigenlyk is m'n naam Schlossmann, maar och
+... wat heeft 'n mensch aan die moffekuren, niet waar? Daarom zeg ik
+maar Sloos, en zoo teeken ik ook, want ... ik ben de knecht, weetje,
+de kantoorknecht. Kom maar in!
+
+Wouter daalde de drie trappen af, die toegang verleenden naar
+het hol. Z'n eerste beweging, toen-i naast de paktafel stond,
+was 'n onwillekeurige greep naar z'n neus. Want ... de stank was
+onverdragelyk.
+
+--O né, zei Gerrit, als antwoordende op dit welsprekend gebaar. Dat
+reukjen is niet van 't magazyn--ik zeg maar kelder, weetje, want zoo
+zeien we vroeger toen de ouweheer-zelf nog meedeed--die lucht is van
+den kelder niet, maar van de riolen, weetje!
+
+
+ Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in 't lyden!
+
+
+--O zoo, zei Wouter, alsof deze opmerking de pestlucht veranderde in
+'n geur. O ... zoo!
+
+--Ja, van de riolen. Daarom ook staat al dat goed daar tegen den muur
+op planken, zieje. Als 't den grond raakte, zou 't verrotten. Kom
+mee naar 't kantoor. Maar je komt veel te vroeg, want we benne-n-in
+den komkommertyd. Dan is er niet veel te doen, dat begryp je-n-ook
+wel. Maar hoor eens, je mot niet vóór schellen, aan den kelder--de
+jongeheeren zeggen tegenwoordig: magazyn... fransche wind allemaal
+... 'n engelsche notting, weetje! Nou, ze hebben 't van dien mallen
+Wullekes!--je mot het kantoor ingaan in de Vellestraat. Ik zal 't je
+wyzen. Voor vandaag komt het er nou niet op aan, omdat het de eerste
+keer is, en omdat je 't niet weet. Je ziet, ik heb je opengedaan ...
+
+Gelukkig!
+
+... maar anders, weetje, wie op 't kantoor wezen mot, komt in door
+de Vellestraat. 't Is heel makkelyk te vinden ... als je-n-'t maar
+eens weet. En daarom zal ik 't je wyzen. Kom maar mee. Maar zet
+je hoedjen op. Je hoeft tegen my zoo beleefd niet te wezen, want
+ik ben de knecht maar, weetje. De heeren komen straks, zoo tegen
+negenen. 't Is komkommertyd, moet je denken. En daarom heb je zoo
+lang gewacht voor ik je opendeed. Want ik zat in de keuken, en ik
+zei tegen de meid dat zy zou opendoen--in de bovengang, weetje--want
+dat het zeker 'n nieuwe aschkarreman was, die nog niet wist waar-i
+schellen moest. Maar ze wou niet--'n lui beest is ze!--en ik zei:
+'t gaat my niet aan, want we benne-n-in den komkommertyd, en dan
+wordt er zoo vroeg niet aan den kelder gescheld door iemand die de
+zaken kent. Dat zal jyzelf ook wel te zien krygen, als je hier 'n
+tydje geweest bent. Weetje hoe lang ik hier al dien?
+
+Wouter klaagde zich aan van verzuim. Hoe drommel kon-i zich veroorloven
+niet te weten hoe lang Gerrit Sloos reeds in dienst was van Ouwetyd &
+Kopperlith? De booswicht stamelde vol schuldbesef dat-i 't niet wist.
+
+--Nou, raad eens!
+
+Elk ander zou 'n cyfer genoemd hebben. Wouter was te stipt, te vol
+geweten, om aan zeker getal jaren de voorkeur te geven boven 'n ander
+getal. Waarom twintig? Waarom dertig? Waarom meer of minder? Hy bleef
+er by dat-i 't "heusch" niet wist, en ook geen kans zag het te raden.
+
+--Zoo? Nou, dan zal ik 't je zeggen. Verléje Pinkster was 't
+drie-en-veertig jaar. Wat zeg je dáárvan?
+
+--Hè!
+
+--Ja, 't is 'n lange tyd, niet waar? Als je 'r vóór staat, denk je dat
+het wat is. En als 't voorby is ... weet je wat het dan is? Niemendal
+... 'n engelsche notting! Dat zal je zien, als je-n-'n ouwe kerel
+wordt, want nu ben je maar 'n jong borssie. 't Zal me benieuwen of
+je-u-'t zult kunnen vinden met Wullekes, met m'nheer Wullekes. Want
+tegen hem moet je "m'nheer" zeggen, schoon ik 'm gekend heb zoo kaal
+als 'n luis. Toen had-i geen nagels om met permissie ... z'n neus
+te snuiten, en hy liep me na als 't horloge van 'n trekschipper die
+'n ouwe juffrouw ziet aankomen. Maar nou ... wind, wind, allemaal
+wind! En wat is 't? 'n engelsche notting! En z'n vrouw--ook 'n gekkin
+van de bovenste plank!--praat altyd over prinsessen die ze-n-eens
+gezien heeft. Né, die Wullekes ... wie 'm kent, koopt 'm niet! Nou,
+je zal 't zelf zien en ondervinden, als ie tyd van leven hebt. Ieder
+moet maar altyd z'n eigen weg gaan, en dat doe-n-ik dan ook. Maar
+die Wullekes ...
+
+Kyk, hier is 't. Tusschen de olievaten moet je door--'t is hier altyd
+even smerig, dat komt van 't lekken, want die vaten lekken altyd--maar
+eerst moet je door de stokvischbeukery, en als je dat doet. kom je
+vanzelf op 't kantoor.
+
+Wanneer Gerrit Sloos met dit "vanzelf" bedoelde: gemakkelyk,
+geleidelyk, zonder omslag, en wat men zou kunnen noemen: op 'n
+niet onprettige manier ... 't zy zoo! Over den smaak valt niet te
+twisten. Gerrit zal 't maar zoo by-wyze van spreken gezegd hebben.
+
+Onder 't luisteren naar al deze mededeelingen, had Wouter den
+half-onderaardschen weg afgelegd, die van de Keizersgracht naar de
+dwarsstraat leidde, waar inen den ingang tot het kantoor van de heeren
+Ouwetyd & Kopperlith te zoeken had. Hy prentte die stokvischbeukery en
+de gang naast het oliepakhuis diep in z'n geheugen, om zeker te zyn
+dat-i nooit weer zou worden overgeleverd aan de spitsroeden die hem
+zoo hadden gepynigd aan den voorkant van 't huis. Dat die verheven
+stokvisch-industrie en dat oliepakhuis, niets te maken hadden met de
+"zaak" waarin Wouter leerling werd, zal de lezer wel begrypen. Er
+lag op dat terrein 'n servituut van doorgang, en de stokvischbeuker
+moest gedoogen dat er op de deurpost van z'n lokaal 'n ovaal bordje
+pronkte met het opschrift: "Ingang naar 't kantoor van Ouwetyd &
+Kopperlith." Ook de olieman mocht den doortocht niet versperren,
+doch hy nam z'n verplichting zoo nauw op, dat men er gewoonlyk
+niet dóór kon zonder 'n paar smeervlekken meetenemen. Juffrouw
+Pieterse heeft daarover vaak gekeven, ook Wouter-zelf vond het heel
+onaangenaam. Maar... had-i zich dan voorgesteld, met de wereld in
+aanraking te kunnen komen zònder bezoedeling? Beste jongen, dat
+gaat niet!
+
+
+
+
+
+
+
+ Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor 'n
+ fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de
+ handelswereld. Multa tulit!
+
+
+By 't nalezen der laatste helft van 't vorig hoofdstuk, bemerk ik,
+'n gedeelte van den weg die van de Vellestraat naar 't "kantoor"
+leidde, te hebben overgeslagen. Na 't voorbyworstelen van de
+glimmende olievaten, moest men de gang door, langs een achterhuis
+van 'n paar verdiepingen hoog, en eindelyk de binnenplaats over,
+waarop 't kantoor "uitzag." De lezer die op nauwkeurigheid gesteld
+is--anderen zyn me onverschillig--wordt gewaarschuwd deze binnenplaats
+niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat licht
+meedeelde aan 't magazyn. Tusschen die beide "open-luchtjes" in,
+lag 'n groot gedeelte van 't huis, dat lang, smal en hoog was. Na
+de ontdekkingsreis geleidde Gerrit onzen Wouter naar 't kantoor,
+wees hem daar 'n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot
+"de heeren" zouden komen. En, zei de man:
+
+--Dat zal nog wel 'n uurtje duren, want we zyn in den komkommertyd. En
+ik ga m'n kommetje koffi drinken in de keuken. 't Ga je goed, zoolang.
+
+Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den tabouret
+opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde.
+
+De voorwerpen die z'n aandacht tot zich trokken, waren niet zeer
+geschikt om z'n stemming byzonder vroolyk te maken. Het uizicht door de
+twee verweerde vensters op de binnenplaats en 't achterhuis, was--op
+'t verschil in warmtegraad na--nova-zemblisch:
+
+
+ Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... wanden.
+ Hier houdt geen sterfling 't uit. Hier komt geen Noorman landen.
+ Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld,
+ Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt!
+
+
+Meent men dat Tollens ooit die schoone regels had kunnen schryven,
+als-i niet door z'n vader was "gedaan" op 'n kantoor in verfwaren? Waar
+anders ving z'n oog zulke tinten op van iets droevigs, van 't enge,
+benepene, barre, kille? Meent men misschien dat er in 't hooge
+Noorden-zelf iets te aanschouwen valt, dat in zielstremmenden invloed
+halen kan by zoo'n verblyf? De oude heer Tollens heeft wel geweten
+wat-i deed, en 't is waarlyk te verwonderen, dat zyn zoo wèl op z'n
+plaats gezette zoon het aanzyn heeft gegeven aan prullen ook. Misschien
+werd-i bedorven door 'n bloempotjen op z'n binnenplaats.
+
+Zoo verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel
+voorwerp trok z'n oogen tot zich, dat hem 'n voorwendsel aan de hand
+deed om iets anders te denken dan: "in den handel, in den handel,
+ik ben hier in den handel!"
+
+Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken,
+naast de onderaardsche gang die naar 't magazyn liep, eenig geruisch te
+maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van z'n krukjen, om al
+wat er zou binnentreden, met de noodige beleefdheid te groeten. Maar er
+kwam niemand, en Wouter besteeg z'n troontje weer. Toch zorgde hy z'n
+hoed in de hand te houden, om terstond gereed te zyn tot het aannemen
+van 'n groetende pozitie, àls er eens tenlaatste in die onbehagelyke
+eenzaamheid iemand te voorschyn kwam. Op den greenenhouten vloer
+bemerkte hy indrukken van voetstappen. Dáár glinsterde de gepolyste
+moet van 'n rechts-om-keert-beschryvenden hak ... hoe heette ook de
+man dien-i had hooren noemen by de Holsma's, de man op dat eiland,
+die zoo verschrikte by 't ontwaren van menschelyke voetstappen? Och,
+in deze wildernis ...
+
+Aan den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming
+van kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter
+verlegen maakten. Daar waren Cognossementen, Fakturen, Vrachtbrieven,
+en zelfs: Diverse Nota's. En die opschriften waren omgeven van 'n
+gekoperdrukten rand vol bloemen, rankwerk, hoornen van overvloed en
+allerlei krullen, welk bywerk beheerscht werd door 'n spiernaakten
+Merkurius, die op wolken zat, en heel pedant neerkeek op de epigrafen
+en de weelderige arabesken aan den rand. De wolken waren gemerkt O &
+K, No ... later in te vullen by eventueel gebruik.
+
+--Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zoo'n god ook
+begonnen zyn met leerlingetjen op 'n kantoor te worden? Hoe leî
+men het toch aan in 't oude Griekenland, om iets te worden in de
+wereld? O, ik weet wel dat die fabelleer gekheid is, maar de luî die
+zulke geschiedenissen uitdachten, moeten zich toch 'n voorstelling
+gemaakt hbben van 't begin der zaken. Van wie had die Merkurius
+rekenen geleerd? Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen
+... kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest ... dàt
+geeft dàt, wat geeft dàt? En dan vermenigvuldigen. En dan deelen met
+het voorste. En als er breuken zyn ... lastig is 't, nu ja, maar
+ik zoek den algemeenen noemer. Ja, ja, ik zal goed m'n best doen,
+zooals de dokter gezegd heeft ...
+
+Daar werd weer gestommeld in de gang. Misschien zette een der meiden
+'n "luiwagen" buiten de keuken. Of ze smeet 'n "varken" de deur uit ...
+
+Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken, en
+voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er niemand. Hy
+had nog niets "in den handel" verricht, nog geen enkele evenredigheid
+opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor 'n heel ristje breuken
+tegelyk, en toch ... hy was vermoeid! De klok sloeg al, of pas,
+negen. "Reeds" voor iemand die sedert vyf uren worstelde met z'n
+gedachten. "Pas" negen uur, voor 'n werkmannetje dat zoo graag wou
+uitmunten, èn nu al vóór 't aanvangen van den arbeid, zich geknakt
+voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den onbewusten
+indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door 't denkbeeld dat z'n
+voornaamste werk in rekenen zou bestaan, angstig dat-i niet voldoen
+zou--'t was niet te veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen
+zich zouden ophouden met makkelyke "sommen"--legde hy zichzelf 'n
+tentamen op, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk betrapte
+op: zes maal acht is ... drie en 'n kwart, of ... niemendal. "O God,
+o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met ... den handel!"
+
+Elken keer dat een der beelden die 'n rol hadden gespeeld in
+de laatstverloopen dagen van z'n leven, zich aan zyn verbeelding
+vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch Gooremest,
+noch de goede Vrouw Claus ... hy bloosde, en keek Merkurius aan,
+die ... ook geen kleeren aan 't lyf had. Wèl ... gekleed of niet,
+hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat hooge stoeltjen
+om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch aan dat bad by de
+put! Weg met dat alles: hy moest in den handel! En, wel beschouwd, hy
+wàs er al in. Bevond hy zich niet op 't kantoor van de heeren Ouwetyd
+& Kopperlith? Zoud-i niet straks, dienzelfden dag nog, en binnen 'n
+kwartier misschien, gereed moeten zyn tot antwoorden op de moeielykste
+vragen? Op vragen die den groote Strabbe-zelf in verlegenheid konden
+brengen? Och, waarom had Femke hem niet aangeraden de knapste te worden
+van de heele wereld? 't Was immers dan in één moeite doorgegaan? Dan
+zoud-i nu niet angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd ... noch
+tegenover Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith!
+
+Ja, ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar eisch was
+kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem gebaat? Hy
+was juist, of ter-nauwernood, 'n klein weinigje bekwamer maar dan
+Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet voldoende is in de
+wereld, om god des Koophandels te worden, veel minder nog om 't te
+brengen tot "patroon" van 'n amsterdamsch "huis." Dat Femke's bedoeling
+goed was geweest, wilde hy wel gelooven ... o, zeker! En boos op háár
+was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i gaarne ...
+
+Weg, weg, weg met Femke ... drie maal negen is zeven-en-dertig: o god,
+daar is 't weer! Het was om gek te worden. Juist! Zoo begint ... [13]
+
+Ja, 't was voor 'n ongedisciplineerd verstandjen om krankzinnig
+te worden. Gelukkig hoorde Wouter 'n deur toeslaan, en daarop 't
+geluid van voetstappen. Maar 't was niet in het huis. Een oud heer
+vertoonde zich in 't gangetje naast het achterhuis, en betrad het
+plaatsje. De man naderde de achtervensters, gluurde even naar binnen,
+als om te zien wie daar al zoo vroeg op 't kantoor was, verdween door
+'n glazen deur in de gang, en vertoonde zich weldra binnen de kamer.
+
+'t Spreekt vanzelf dat Wouter 'n houding had aangenomen, die om
+vergeving scheen te smeeken voor z'n existentie. Och, zoo onnoodig! Die
+oude magere heer nam 't hem volstrekt niet kwalyk dat-i bestond,
+en zelfs niet dat-i dáár was.
+
+--Houd je gemak, jongeheer. Uwe-n-is zeker de jongeheer Pieterse? Ja,
+ja, ik weet er van. Heel goed! Wel, jongeheer, zal uwe hier zoo op
+'t kantoor komen? Nu, dat is best! Houd je gemak ... houd je gemak,
+en stoor je niet aan my. Ik ben de boekhouder ...
+
+Wouter had gebukt en gebogen en geknikt, en zich voorgenomen, wanneer-i
+eens weer in den handel ging, z'n hoed op 't hoofd te houden ... om
+dien te kunnen afnemen als er iemand binnen kwam, gelyk z'n moeder
+had voorgeschreven. Want hy voelde dat dit ontbrak aan z'n begroeting
+van den heer Dieper. Die vriendelyke oudeheer moest hem wel voor zeer
+lomp aanzien. En dit was-i niet, waarlyk niet! Hy had integendeel
+'n gevoel van dankbaarheid aan den heer Dieper, die hem zoo minzaam
+kwam verlossen uit z'n drukkende eenzaamheid. Om daarvan iets te doen
+blyken, bleef hy staan, zelfs toen de gulle boekhouder hem nògeens
+had toegevoegd: "houd je gemak, jongeheer ... ik ben de boekhouder."
+
+En alweer onderzocht Wouter niet, of deze
+maatschappelyke-stand-belydenis misschien beduidde: "ga nu maar zitten,
+nu! Straks als "de heeren" komen, is 't wat anders!" Deze zin kon door
+hem onmogelyk aan Dieper's woorden gehecht worden, omdat in zyn oog,
+'n boekhouder ter-nauwernood 'n minder verheven wezen was, dan de
+"patroon" zelf. Het verschil tusschen deze beide standpunten ontsnapte
+aan z'n waarnemingsvermogen, en hy zou dus--àls-i kon geroepen zyn
+tot schatting--hierin dezelfde fout gemaakt hebben als 'n kind dat
+verwonderd vraagt, waarom de wolken nooit voorbyschuiven achter de
+maan om?
+
+De uitdrukking van Dieper's gelaat was één doorgaande
+vriendelykheid. Hy verdween 'n oogenblik in de alkoof die tegenover de
+vensters wand vormde, en kwam weldra terug in boekhouders-uniform,
+d. i. in 'n gryzen langen jas die veel beleefd had, en met 'n
+zwart kalotjen op z'n witte haren. Want: "soms was er tocht op 't
+kantoor." Zoo verzekerde hy aan Wouter, die 'n gebaar maakte alsof
+hy deze mededeeling met innige dankbaarheid aannam, en ze vergelden
+zou by de eerste gelegenheid ...
+
+Och, hy had zoo graag dien goeden ouden heer Dieper 'n dienst
+gedaan. Hy stelde hem boven Merkurius, en vond dat-i op 'n engel
+geleek.
+
+--Ja, het tocht hier soms. En er niets op de wereld, waarvoor 'n
+mensch zoo moet oppassen, als tocht.
+
+Dat Wouter niet tegensprak, zal de lezer wel gelooven. Maar dit was
+niet genoeg, meende hy. Als 'n bliksem vloog hem de gedachte door de
+ziel, alle reten van vensters, deur en vloer dicht te plakken, om dien
+vriendelyken grysaard te helpen in den stryd tegen zoo'n vreeselyken
+vyand. Hoe was 't mogelyk dat de man nog middel had weten te vinden,
+grys haar te krygen in zoo'n tochtige wereld? Moest-i niet voor zeer
+lang reeds--als zuigeling zelfs--bezweken zyn? Er zyn taaie naturen,
+dit weet ik wel, maar wie drommel zou 't den ouden Dieper hebben
+aangezien dat-i daartoe behoorde? De man had in z'n voorkomen niets
+van 'n held, en vertoonde zich eer als 'n sukkelaar die zich zou
+laten omvèr- en wegwaaien door de minste luchtbeweging, dan als de
+perpetueele triumphator over al de kamer-orkanen waaraan-i sedert
+byna zeventig jaren was blootgesteld geweest, en waarvan-i de spolia
+opima in den vorm van "zinkings" in 't hoofd droeg. Want lezer,
+daarmee beloont de afgod "Tocht" ieder die hem deemoedig vreest in
+onkunde en onnoozelheid. By gelegenheid zal ik eens uitleggen hoe
+die bespottelyke eeredienst in de wereld gekomen is.
+
+"Deemoedig." Dit woord bevalt me, en wanneer ik 't recht had,
+de helden en heldinnen van m'n vertelling andere namen te geven,
+dan zy in werkelykheid gedragen hebben, zou ik me misschien laten
+verlokken aan dezen klank de gelegenheid te ontleenen, om den goeden
+boekhouder te kenschetsen met één pennestreek. Wie weet of ik hem
+niet: m'nheer Deemoed gedoopt had. Maar ik zou dan 'n dubbele fout
+begaan hebben. Want hy heette Dieper. En dit wàs-i ook.
+
+Na de korte verpoozing die 't binnentreden van den boekhouder onzen
+Wouter bezorgd had, brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte
+verveling aan. Dieper had 'n yzeren kist geopend, waaruit hy 'n half
+dozyn kantoorboeken nam, welke hy eenigszins rangschikte op 't vlakke
+middelstuk van 'n dubbele kantoorlessenaar "voor twee personen" ook
+wel genaamd: 'n vis-à-vis. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder
+plaatsnam, stond 'n gelid enkele lessenaars. En daartegen veroorloofde
+zich Wouter even te leunen--geschied is 't!--telkens als-i 'n oogenblik
+vergat dat de boekhouder wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper
+niet. Hy debiteerde en krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht
+op de dingen dezer wereld, die al of niet leunden tegen 'n anderen
+lessenaar dan den zynen.
+
+Tusschen de alkoof en de eigenlyke kern van 't hoofdkwartier des
+handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees
+tusschen vreemde bezoekers van 't kantoor, en de gelukkigen die
+er thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep
+kon, opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en
+vervulde thans in afhangende houding de niet overbodige funktien van
+afleider van Wouter's verveling. Het ding werd in deze eervolle taak
+bygestaan door 'n ronde opening in een der hoeken, waarin 'n yzeren
+ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den rand der
+geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy kon nu op z'n
+gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de handels-bestemming van
+dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk ... goddank, er gebeurde
+iets: Dieper nam 'n snuifje, en Wouter stond als 'n paal.
+
+--De heeren komen wat laat, jongeheer.
+
+Voor Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was
+op de heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit
+de betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over
+z'n memoriaal.
+
+Wel beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan vóór Dieper's
+komst. Toen en nu verveelde hy zich, maar zoo-even deed-i niets dan
+dat. Thans had-i er nog den angst by, dat Dieper merken zou hoe hy zich
+verveelde, want--en deze opmerking geef ik wèl voor nieuw--niemand
+verveelt zich zonder schaamte. Men wordt er niet graag op betrapt,
+waaruit misschien de gevolgtrekking kan gehaald worden, dat het niet
+geoorloofd is zich te vervelen.
+
+Wouter, byv. had in dien tyd zich kunnen meester maken van wat gladheid
+in de vermenigvuldigmgs-tafel tot 20 × 20, of verder nog. Waarom
+niet? Maar aan zoo-iets dacht-i niet. Z'n eenige zorg was, geen geluid
+te maken, om vooral m'nheer Dieper niet te hinderen. Dit was nu--o
+Holsma--z'n meest-nabyliggende plicht. Uit het volle besef hiervan,
+hield hy den adem in, met het natuurlyk gevolg dat-i uitberstte in
+'n hoestbui.
+
+Geen oneerbiediger ding dan de Natuur!
+
+--'n Beetje verkouwen, jongeheer? Ja, ja, dat komt van de warmte. 'n
+Mensch moet zich wèl in-acht nemen by heet weer. Ineens kryg je
+'t beet, in-ééns!
+
+'t Was wel wat ondeugend van Fancy, dat ze de prikkeling in
+Wouter's keel deed voortduren tot en na de binnenkomst van een der
+"heeren." De arme jongen voelde zich genoodzaakt een van z'n patroons
+den rug toetekeeren, om hem niet in 't gezicht te hoesten. Dit
+bedierf de voorstelling, en bedolf Wouter in een der afgrondjes van
+oogenblikkelyke wanhoop, waaraan 't leven zoo ryk is, doch die later
+blyken niet veer meer te zyn geweest dan 'n geringe oneffenheid op
+ons pad.
+
+--Gmorge, Dieper! had de binnentredende geroepen. Is Wilkens er
+nog niet?
+
+--Dienaar, jongeheer Eugène, antwoordde de boekhouder. Neen, jongeheer
+Eugène, Wilkens is er nog niet. Misschien met stalen uit? Dit is de
+jongeheer Pieterse.
+
+--Zoo?
+
+Wouter hoestte.
+
+--Hy moet maar wachten tot Pompile komt ... of Wilkens.
+
+Wouter knikte, altyd doorhoestend, dat-i met het grootste geduld
+wachten zou op m'nheer Pompile of m'nheer Wilkens.
+
+--Neem 'n glaassie water, jongeheer, vermaande de zoetsappige Dieper.
+
+--Wel ja, laat 'm 'n glas water drinken, hervatte de jongeheer Eugène
+grootmoedig. Dáár staat water, en 'n glas ook.
+
+Inderdaad! Naast de yzeren kist waarin 's nachts de "boeken"
+werden geborgen, stond in 'n donker hoek'jn op 'n stoof, een
+verweerde waterkaraf, waarby 'n glas met groezelig oranjekleurig
+bezinksel. Wouter dronk 'n paar teugen, en behandelde de daartoe
+gebruikte gereedschappen met 'n eerbiedige teederheid, zuiver water
+en helder glaswerk waardig. Toen-i eindelyk had uitgehoest, zat de
+jongeheer Eugène met breed-uitgestrekte elbogen voor een der enkele
+lessenaars in 'n fransch romannetje te lezen. Dat Dieper al weer op
+z'n boeken lag, spreekt vanzelf.
+
+Wouter stond nu by die geldkist en dien stoof, waarop-i netjes en
+zonder geruisch de kostbare voorwerpen weer had neergezet. Zonder
+zich in 't minst te verroeren wachtte hy op m'nheer Pompile en op
+m'nheer Wilkens ...
+
+Sedert het aanbreken van den dageraad had-i niet ànders gedaan dan
+wachten, o Fancy! En gy, hardvochtige, gevoellooze, wreede, gy blaast
+hem niet in: loopt allemaal vierkant naar den weerlicht, met je handel?
+
+Neen!
+
+
+ "Er moet veel leeds geleden zyn,
+ Er moet veel stryds gestreden zyn!"
+
+
+Ik geloof juist niet dat altyd--zooals de goede Kamphuyzen, misschien
+om 't rym slechts, beweert--het eind van dat alles: "vrede" wezen
+zal. Maar ... zelfgevoel toch, en hoogmoed, en de betrekkelyke kalmte
+die de belooning is van 't:
+
+
+ Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit!
+
+
+Mochten sommigen meenen dat de beide aangehaalde teksten te deftig zyn,
+te ernstig, te klassisch voor de soort van Wouter's tegenspoedjes? Ze
+vergissen zich. De zwaarste beproevingen worden ons opgelegd door
+nietigheden. Zy overvallen ons dagelyks, telkens, aanhoudend, en
+vinden ons meestal ongewapend. Bovendien, er wordt geen eer behaald
+in zulken stryd. Mozes en de "Heer" wisten 't wel. Ze plaagden Egypte
+niet met tygers, maar met sprinkhanen.
+
+Dat Wouter leed is waar. Maar z'n stryd beduidde niet veel. We kunnen
+in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot wegloopen zou
+noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht had om te
+blyven, en de plicht te vervullen die 't naast voor de hand lag. Zóó
+had Holsma gezegd, en zóó zou 't wezen!
+
+--Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen,
+zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid
+in 't uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd
+geheven van de artikulatie.
+
+Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy liep
+zeer snel, als om blyk te geven van 'n diligentie die niet precies
+overeenstemde met de klok. De klok zal vóór geweest zyn.
+
+--Dienaar, m'nheer! Dag, Dieper!
+
+--Gmorge! Dat's de jonge Pieterse.
+
+--A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei!
+
+Wilkens was 'n oude gek. Z'n geheel leven was één veroveringstocht
+geweest naar deftigheid en gewicht. Daar-i 't op z'n ouden dag niet
+verder had gebracht dan tot kantoorbediende en handelsreiziger, kan
+de lezer narekenen hoeveel veldslagen de man moet verloren hebben. De
+voornaamste ammunitie die hem overbleef, bestond in 'n langgerekt
+ae of èèèè, of zooiets. Wie hem van naby kende, was er niet zeer
+bevreesd voor, maar nog altyd zagen sommige boeren-winkeliers hoog
+op tegen iemand die zoo oneenvoudig spreken kon. En ook Wouter voelde
+zich heel klein.
+
+--Jae, m'nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge mensch maer niet
+wachten op m'nheer Pompile?
+
+De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon beteekenen wat
+men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen z'n antwoord te worden opgenomen
+door m'nheer Wilkens, die nu op zyn beurt in de alkoof verdween,
+en weldra weder voor den dag kwam, gehuld in 'n lange kantoorjas.
+
+--Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten,
+zeide hy, als om zich by z'n jongen patroon over z'n laat-komen te
+verontschuldigen.
+
+Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat
+juist even genoeg was om te kennen te geven: "ik heb gehoord wat je
+zei." En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast Eugène,
+waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En hy deed
+inderdaad niets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met 'n deficit
+van drie stuivers in de "kleine kas" en pynigde zich met zoeken naar
+de oorzaak van die vreeselyke gaping.
+
+--Maer, m'nheer, kan er ook misschien 'n brief zyn geweest voor
+"huishouden?"
+
+--Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op 'n toon van: "wat kan 't my
+schelen!" Ook lag er iets in van: "maak toch zoo'n wind niet met je
+oogendienende stiptheid!"
+
+--Jae ... maer ...
+
+Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van 't nabootsen der
+Wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z'n
+lymerige ae's. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich 'n verwaande
+kwast uitdrukt, die meermalen in den Haag was geweest en zich de
+mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis te leggen: ik ben
+'n heer! De reden overigens dat hy, in tegenstelling van Dieper en
+den ouden Gerrit, het naast hem zittend individu niet aansprak met
+het praedikaat: "jongeheer" lag hierin, dat Eugène reeds nagenoeg
+halfwassen was, toen Wilkens hem elf jaar geleden leerde kennen,
+terwyl Dieper en de knecht dezen telg van den patroon, en zelfs den
+ouderen Pompile, als kind hadden gekend. Toch zouden ook deze twee zich
+niet veroorloofd hebben, iets aftedingen op 't volslagen heerschap
+van de beide ondergoden, indien niet de oude heer Kopperlith-zelf
+hun die vryheid had in den mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn
+op maatschappelyke onderscheidingen--altyd slechts in toepassing op
+anderen, want zichzelf schatte hy 'n graad of zooveel te hoog--en
+noemde de jongelieden: "m'nheer Pompile en m'nheer Eugène" wanneer-i
+over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in zyn mond heetten ze, als
+vroeger: "jongeheeren" wanneer hy 't woord richtte tot de oudere
+lyfstaffieren van den huize. Dat iedereen--op den knecht na--tegenover
+Wouter volop: "m'nheer" was, spreekt vanzelf. Of 't waar is dat
+men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is 't,
+dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen.
+
+Wilkens becyferde de kolommetjes van z'n "kleine-kas-"boekjen,
+en zeide:
+
+--'t Is ienderdaed verbaezend!
+
+En we nemen by dezen voor goed afscheid van zyn geblaet. [14]
+
+--Maar, m'nheer, zouden we nu 't jonge-mensch maar niet aan 't werk
+zetten? Misschien komt m'nheer Pompile eerst na de koffi.
+
+--Wel ja. Ga je gang!
+
+Wilkens wenkte Wouter tot zich, en na 'n paar gemaakte kuchjes:
+
+--Ik zou je maar raden hier maar plaats te nemen. Leg je hoed maar
+weg ...
+
+Al deze maren hadden 'n beteekenis. De meegedeelde bevelen kregen
+daardoor den rang van zware verlossingen na moeielyke dracht. Het
+wegleggen van den hoed beviel Wouter uitstekend, want het langdurig
+vastklemmen had hem kramp in de vingers bezorgd. Zeker, als 't bekende
+spreekwoord waarheid zegt, had hy meer dan iemand kans geloopen 't
+heele land doortereizen, daar hy uren lang met z'n hoofddeksel in de
+hand had gestaan. Voor 't oogenblik echter bewoog hy zich niet verder
+dan tot den lessenaar nummer drie, tusschen Wilkens en 't venster.
+
+--Ga maar zitten. En zeg me nu eens of je rekenen kunt? Wat men noemt:
+goed rekenen?
+
+--Ja, m'nheer, riep Wouter met ridderlyken moed, als 'n krygsman die
+de trom hoort. O ja, m'nheer!
+
+Wat hy zich schrap zette tegen ... Strabbe!
+
+--Wel, wel! Tel dan al die postjes eens op: guldens, stuivers en
+penningen. Zestien penningen maken 'n stuiver, zieje, en twintig
+stuivers 'n gulden. Dit weetje zeker wel?
+
+--O ja, m'nheer.
+
+--Zoo? Weetje dàt! Ei!
+
+En Wouter, de rekenheld, spande zich zóó in om z'n naastbyliggenden
+plicht te doen, en om de teleurstelling over het derogeerende van
+'n: "optellingsom" te overwinnen, dat-i glad verkeerd telde. Geen
+enkele kolom sloot met de facitten van m'nheer Wilkens. Hy werd zeer
+verdrietig, en betrapte zich op heimwee naar ... de twee gevestigde
+zaken op den Zeedyk!
+
+Een heer stapte de binnenplaats over. 't Was m'nheer Pompile, oudste
+zoon van den huize, prokuratiehouder en medechef van de firma Ouwetyd
+& Kopperlith.
+
+
+
+
+
+
+
+ De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige
+ bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z'n opleiding in
+ 't vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in
+ 'n windblaas.
+
+
+Indien de oude heer Kopperlith, die nog altyd op 'n boven-voorkamer
+bezig is met z'n ontbyt en de courant van den dag, doch dien we straks
+zullen zien verschynen ...
+
+... indien de jongeheer Pompile, die driftig, beredderend, jagend en
+als gejaagd, het kantoor binnenstuift, en 'n stuk of drie "dag'"s
+uitstoot, alsof 't beschuitkruimels waren die hem in de keel
+prikkelden ...
+
+... indien de jongeheer Eugène die daar nog altyd over z'n romannetje
+gebukt zit, en in knotwilgstyl z'n: "bsjoer Pompile!" laat glippen ...
+
+... indien àl de Kopperlith's, als daar zyn: de jongeheer Rodomont,
+en de jongeheer Flodoard, en de jongeheer Leon ...
+
+... indien al die jongeheeren ... met den ouden heer er by, en vooral
+de dikke leelyke mevrouw uit de zykamer, en de majestueuze Hersilia,
+en "de" juffrouw ...
+
+... indien ...
+
+Sakkerloot, lezer, m'n galery wordt te vol! Wat 'n arbeid, al die
+portretten afteteekenen! Toch zal ik 't beproeven. Maar eerst dit:
+indien ze myn Wouter-geschiedenis onder de oogen kregen en lazen ...
+
+Maar ze lazen geen hollandsch. Nu dan, indien men hun een fransche
+vertaling van m'n werk voorlegde ... zy allen zouden my om den hals
+vliegen uit dankbaarheid. Eigenlyk is 't me dus niet onaangenaam
+dat hun litterarische ontwikkeling by 't fransch is blyven staan,
+en dat de kans op vertaling van m'n werken in dat onwysgeerig idioom,
+allergeringst is. Bovendien, al die jonge en oude jongeheeren zyn dood.
+
+Ja, dankbaar zouden ze wezen, tot krankzinnigheid toe! De lezer is
+waarschynlyk begaafd met 'n buitengewone verbeeldingskracht, en ik
+wil hem gaarne het dubbele van de gemiddelde burgerlyke intelligentie
+toekennen, maar toch betwyfel ik of hy in-staat wezen zou, zich de
+aandoening voortestellen van 'n familie die, vele jaren na haar
+universeel overlyden, van 'n edelmoedigen schryver drie graden
+amsterdamsche hoogheid zoo maar klakkeloos prezent krygt. Want,
+al kost het m'n eigenliefde een zwaar offer, al loop ik gevaar den
+roem van stiptheid te verkleinen, waarop ik hoogen prys stel ... de
+waarheid bovenal: onze Kopperlith's woonden niet op de Keizersgracht,
+en patriciërs waren ze niet ... ziedaar!
+
+De oorzaak van m'n dwaling is niet moeielyk optegeven, maar 'n dwaling
+is het. Toen ik, 'n hoofdstuk of wat geleden, met juffrouw Laps
+langs den Amstel in de buurt van de Jachthaven pantoffelde, daagde
+de oudeheer voor m'n schryversoogen op. Nooit zag ik 'n grysaard met
+deftiger voorkomen. Op z'n eenigszins te dikken buik na, vertoonde
+hy 't model van 'n genueschen Doge ... uit 'n roman, namelyk. Van
+'n sterk geïdealizeerden Marino Falliero ... op 'n schildery. En
+ieder groette zoo deemoedig, en ieder fluisterde zoo piepend:
+"dat is m'nheer Kopperlith!" dat ik--al te oppervlakkige waarnemer
+op dat oogenblik--men bedenke dat m'n aandacht werd afgeleid door
+'t kyken naar prinses Erika, die 'r lief uitzag--in 's hemelsnaam, ik
+vergiste my, en dacht: die man woont zeker op de Keizersgracht! Waar
+ànders? Voor 'n graaf of baron vertoonde hy een te fatsoenlyk
+voorkomen. Een ridder uit de middeleeuwen was-i niet, want met zoo'n
+zwaarlyvigheid bewoont men geen burgt op 'n rotspiek. Bovendien, z'n
+harnas was van zwart laken, heel fyn en glanzig wel, maar ... laken
+toch. Een keizer, koning of prins kon hy ook niet wezen, want in-plaats
+van hem iets toeteschreeuwen, ging ieder verlegen voor hem uit den weg,
+en maakte plaats voor den buik dien-i als 'n marskraampje voor zich
+uitdroeg. Wat ànders toch kon ik uit dit alles opmaken, dan dat-i op
+de Keizersgracht woonde? Tot overmaat van verontschuldiging, beroep
+ik my op 't publiek in de kroeg van Vrouw Gooremest. De lezer was
+er zelf by, en kan dus getuigen hoe al die bevoegde personen in myn
+dwaling deelden. Klaas Verlaan en z'n kornuiten waren òf Amsterdammers
+van ouder tot ouder, òf althans Noord-hollanders, en wanneer zulke
+autoriteiten zich vergissen, mag men het den armen schryver die deze
+eer niet heeft, niet zoo heel erg ten-kwade duiden dat hy in z'n
+rangbepaling 'n paar straten of grachten uit den koers dwaalt.
+
+Hoe dit zy, 'n vergissing wàs het. En heel bedroefd ben ik er
+niet over, omdat ze my zoo-even de gelegenheid verschafte zekeren
+oudheidskenner die m'n integriteit kwam aantasten, en meende my
+omvèr te gooien met 'n adresboek van 't jaar zooveel, de verheven
+uitdrukking naar 't hoofd te werpen:
+
+"Indien de Kopperlith's niet woonden op de Keizersgracht, m'n-heer
+... dan, m'nheer, dan ... welnu, m'nheer, dan hadden ze verdiend te
+wonen op de Keizersgracht, m'nheer!"
+
+En daarby blyft het ... verhuizen laat ik ze niet! Ik heb alzoo in
+'t vervolg van m'n verhaal de ongewone verdienste, twee waarheden
+tegelyk te verkondigen. Ze woonden er, en ze woonden er niet. Het
+kantoor "ging in" in de Vellestraat, of in 'n andere straat, of ... in
+'t geheel geen straat, en dus "op" 'n gracht. En dat de heele familie
+'n pronkstuk was van opgeblazen nietigheid, is ook waar.
+
+"Dat komt er niemendal op aan, hoor ik zingen door 'n peloton
+afgestorven zielen, als je maar terdeeg volhoudt dat wy op de
+Keizersgracht woonden!"
+
+Het is deze koorzang die my den moed geeft, m'n topografische dwaling
+voltehouden tegen den letterlyken tekst van dat adresboek in. Komaan,
+jongeheer Pompile, spreek, laat je hooren en bekyken door ieder die 'n
+abonnement kan betalen aan Wouter's boekenman in de Hartenstraat! En
+jy ook, jongeheer Eugène! En Hersilia! En Leon! En Rodomont! En
+Flodoard! En de rest! Veroorloof me--of niet, naar verkiezing!--u
+'n draadjen om den poot te strikken, u te laten vliegen, huppelen
+en dood-liggen als 'n meikever. Spreek, Pompile! Ratel en snater,
+Pompile, als toen je nog leefde, en al of niet woonde op die fameuze
+Keizersgracht!
+
+--Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag Eugène! Papa nog niet beneden? Hier
+zyn de brieven ... een voor huishouden--van Leon, Eugène!--waar is
+Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? Weet-i den weg in de stad! Ik
+heb veel boodschappen, weetje! Krimp te Rotterdam vraagt twee
+wittegrondjes-driekleur--je weet wel, Wilkens, die Victoria-fancies
+van Crawfurth-Leeds--maar hy wil dat ouwe krieuweltje met 'n oogjen
+... is 't er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel boodschappen. Hoe is 't
+met mama, Eugène? Zou 't lukken vandaag ... ik meen de verhuizing? 't
+Saizoen gaat voorby, en ik wou zoo graag de Hocker's en de Pleier's
+en de Krucker'S vragen op Groenehuize. Die briefbesteller is 'n
+lap ... de vent wil altyd geld voor 'n borrel als-i de brieven
+op-straat afgeeft, want ... hy mag 't niet doen, dat weetje. Als
+'t gemerkt wordt, krygt-i z'n ontslag. Ik heb 'm dezen keer 'n
+stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar ... zet 'm op huishouden,
+want er is 'n brief van Leon ook. Dus ... 't kan wel op huishouden:
+wat zeg jy, Eugène? Zoo, ei, is dàt de jonge Pieterse? Heb jy wat
+voor Gerrit vandaag, Dieper? Ik heb veel boodschappen. Wilkens,
+je moet zoo goed wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel
+boodschappen heb, en ... en ... ziehier den brief van Krimp. Die
+menschen vragen altyd wat er niet is, want ... dat krieweltjen
+met dat oogjen is er niet meer. Weetje wat we doen zullen. Als 't
+krieuweltje 'r niet meer is--met dat oogje, weetje?--dan zenden wy
+'t moesjen, of 't slangetjen, of dat patroontje met de blokjes ... je
+weet wel, 't zyn de witte-grondjes-driekleur, Victoria-fancies van
+Crawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want
+... dat doet-i altyd. Roep Gerrit ... ik heb zooveel boodschappen,
+weetje. Zoo, mannetje ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat's goed,
+want ... ik heb altyd zooveel boodschappen. Eugène, als papa komt,
+zeg dat ik by mama ben, met den brief van Leon, weetje. Want hy is
+geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd z'n brieven aan mama ...
+
+Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op
+'t adres van een brief aan 'n gehuwde vrouw, is plaats voor twee
+weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te
+weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van m'nheer
+Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten meester te maken
+van 'n geboorte die hemelsbreed afweek van de gewone. Dat het mensch
+vóór haar huwelyk Niemendal heette, doet niet ter-zake. De postklerk te
+Tjanjor--daar werden die epistels uitgebroed--was niet zeer bedreven in
+'t hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien
+dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z'n mama
+te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer
+Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: "postklerken zyn
+praterig" hoopte de kwast juffrouw Pieterse na.
+
+Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z'n
+tegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy gedurig heen-en-weer, en
+maakte--ook in zeer letterlyken zin--zooveel wind als maar eenigszins
+mogelyk was. Een oogenblik nadat-i met Leon's brief in de hand de
+kamer verlaten had, keerde hy terug.
+
+--A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen vertrekken
+vandaag? Ik zit anders en peine, zeer, zéér en peine, weetje
+... erg en peine, met de Hocker's en de Pleier's en de Krucker's,
+die ik allemaal geinviteerd heb op Groenehuize. En ... ik heb de
+kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg--grof volk,
+zulke kruiers!--of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat
+vroeg-i! Lomp, hè? Maar ... zie je, hy meende-n-in 'n leuningstoel,
+en ... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik kompromitteer me
+zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker's en de Pleier's en de
+Krucker's. Dat is het maar, weetje!
+
+En hierop verliet hy weder 't kantoor.
+
+'t Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst had
+staan toeluisteren. Na 't vertrek van m'nheer Pompile verdiepte hy
+zich op-nieuw in z'n optellingen. Och, hy wou zoo heel graag z'n
+naast-byliggend plicht je doen. Was 't zyn schuld dat-i zich zeer
+onbekwaam voelde, en telkens rekende: drie en acht is vier-en-twintig,
+of wat anders?
+
+Wilkens ging naar 't magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of de
+moesjes of de blokjes die 't huis Kopperlith den winkelier Krimp zou
+trachten in de maag te stoppen, in plaats van 't verlangde krieuweltje
+met 'n oogje.
+
+"Twee en zes is twaalf, en tien is twintig ...
+
+'t Begon weer te waaien. Pompile stormde het kantoor in:
+
+--Hè! Beroerd! Akelig! Heel beroerd! Verbeeldje, Dieper ... zeg,
+Eugène, hoor eens, 't wordt àl te erg! Weet jelui 't al, van
+Gerrit? Hy is weer styf van de rhumatiek ... hoe vind je dàt? Hy kan
+geen boodschappen doen! En ik ... ik had juist zooveel boodschappen. Op
+m'n woord van eer, ik heb wel tien boodschappen ... ja, wel twaalf! Heb
+jy ook boodschappen, Dieper? Wisseltjes? Accepten? Hè?
+
+--Vandaag niet, jongeheer. Maar morgen ...
+
+De boekhouder sloeg 'n kleine agenda op.
+
+... morgen heb ik 'n wisseltjen in den jodenhoek, 'n smerig dingetje.
+
+--Zoo? Morgen? Nu dat's goed. Weet je wat je doet, Dieper? Zeg 't
+aan papa, dat je telkens wisseltjes hebt, en dat Gerrit altyd styf
+van rhumatiek is, en dat het zoo niet langer kàn, weetje? Zeg jy dat
+aan papa, Dieper, want ... ik heb zooveel boodschappen, ik heb erg
+veel boodschappen.
+
+--Ja, jongeheer Pompile, ik zal 't zeker aan m'nheer zeggen. En ...
+hoe vaart de jongeheer Leon?
+
+Ei, ei, de slimme Dieper! Hy durfde den ouden rhumatieken Gerrit niet
+aan. En ook de jongeheer Pompile, inweerwil van z'n vele boodschappen,
+zou liefst dat meubel uit den weg zien zetten door 'n andere hand
+dan de zyne. Gerrit namelyk had met den ouden heer relatien uit den
+vóórtyd, 'n coprolithische verwantschap die ontzien moest worden. En
+daarom sprong de omzichtige Dieper zoo handig en belangstellend over op
+'t welvaren van den jongeheer Leon.
+
+--Heel wel, dankje, antwoordde Pompile. Den heelen brief heb ik nog
+niet gelezen. Hy vertelt van tygers, en van slangen en van optochten
+met zonneschermen en gouden wapens ... o, allerlei! Mama is er dol
+bly mee, dat begryp je. Maar ... hy is nog altyd surnumerair. Hy
+klaagt dat allerlei gemeen volk hem over 't hoofd springt ...
+
+--Dat is zeer hard voor iemand van ... stand, zei Dieper, met 'n
+treurigheid in z'n stem, die wel eenige verhooging van traktement
+waard was.
+
+--Niet waar? Die vervloekte Gerrit met z'n rhumathiek! En ik heb juist
+zoo erg veel boodschappen! Zeg-eens, jy, Pieterse--je heet immers
+Pieterse?--je moet eens zoo goed wezen 'n paar boodschappen voor
+me te doen.
+
+Wouter stond marschvaardig, met z'n hoed in de hand, en 'n verheugd:
+"asjeblieft, m'nheer!" op de lippen. Verheugd? Ja, waarlyk! Want de
+opdracht die hy te-gemoet zag, was hem 'n verademing. De jongeheer
+Pompile nam plaats tegenover Dieper--daar namelyk was de lessenaar
+van den "patroon"--en hy wenkte Wouter tot zich.
+
+--Je weet dus den weg in de stad? Heel goed! Dan moet je-n-eens
+zoo goed wezen ... maar zeg, heb je-n- 'n zakboekje? Een
+portefeuille-n-of zoo-iets?
+
+--N... e... e... n, m'nheer.
+
+--Zoo? Heb je dàt niet? 'n Kantoorbediende moet 'n portefeuille
+hebben, om ... iets in opteschryven, weetje? Anders vergeet je 't. Nu,
+voor vandaag moet je dan maar de boodschappen ... onthouden, die ik
+je-n-opgeef. Je moet zoo goed wezen te gaan by m'nheer Hocker, en daar
+doe je-n-'t kompliment van my--van den jongen m'nheer Kopperlith,
+moet je zeggen, van m'nheer Pompile, weetje?--en je vraagt, of de
+juffrouwen Pleier uit Frankfort--want die logeeren by m'nheer Hocker,
+weetje?--of de juffrouwen plezier hebben, vanmiddag met my en m'n
+vrouw--zeg jy maar: met de jonge mevrouw Kopperlith-Huddewitz, dan
+weten ze-n 't wel--ja, vraag of de juffrouwen Pleier plezier hebben,
+met ons en de familie Krucker ...
+
+--Ben je mal, Pompile? bromde Eugène. De jongen weet immers niet waar
+Hocker woont.
+
+--Ah...ja! Dat's waar! M'nheer Hocker woont ...
+
+En Wouter's handelswetenschap werd verrykt met de zeer nauwkeurige
+kennis van de plek waar m'nheer Hocker woonde. Ook vernam hy wat voor
+dien middag de plannen waren met de familie van dien heer, en met de
+juffrouwen Pleier uit Frankfort, en hoe ze zich des-verkiezende zouden
+kunnen verheugen in 't gezelschap van mevrouw Kopperlith-Huddewitz,
+ook wel genaamd: de jonge mevrouw.
+
+--En dan moet je zoo goed wezen in de Kerkstraat by de
+Korte-krulledwarsstraat te gaan naar den stal van papa. Je vraagt maar
+naar den stal van m'nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weetje, want
+... papa houdt rytuig, eigen rytuig. En daar zeg je-n-aan Jakob--dat
+is de koetsier--daar zeg je ...
+
+Volgt: 'n boodschap aan Jakob, die me glad ontschoten is.
+
+--En dan moet je zoo goed wezen even naar juffrouw Lins te gaan,
+in de Katoenstraat, en je doet het kompliment van de jonge mevrouw
+Kopperlith--je moet zeggen: van mevrouw Kopperlith-Huddewitz--en je
+zegt dat de juffrouw zoo goed moet wezen om je-n-'t tapisseriepatroon
+te geven ... 't is 'n liggende jachthond, kan je dit onthouden?
+
+--J...a, m'nheer!
+
+--Goed! 'n Liggende jachthond, weetje? Nu, dat patroon moet ze je geven
+voor de jonge mevrouw Kopperlith, voor mevrouw Kopperlith-Huddewitz,
+begrypje? En je vraagt den prys ... den allernaasten prys, moet
+je zeggen. En dan ga je naar myn huis, en je schelt aan, en je zegt
+aan de meid dat je van my komt--van "m'nheer" weetje--en je doet
+het kompliment, en je zegt ...
+
+--Maar, Pompile, hoe kan hy weten waar je huis is?
+
+--Ah, ja! Ik woon op de Leliegracht ... stille zy, weetje, waar
+de deftige huizen staan. 't Is 'n huis met opgaande stoep, en
+ruiten van spiegelglas. Dáár moet je maar altyd na kyken, want ...
+m'n ruiten zyn van spiegelglas. En je zegt aan de meid, dat je by
+juffrouw Lins geweest bent, en dat je van my komt, en dat je de
+nieuwe kantoorbediende bent, en hoeveel dat patroon kost. En ... als
+dan de jonge mevrouw den prys te hoog vindt--'t is 'n jachthond op
+'n kussen, weetje?--dan breng je-n-'t weerom aan juffrouw Lins,
+en je zegt dat het te duur is. En dan moet je zoo goed wezen eens
+te gaan by m'n schoenmaker. Hy woont in de Hallestraat, en daar doe
+je-n-'t kompliment van my--van m'nheer Kopperlith van de Leliegracht,
+moet je maar zeggen--en zeggen dat-i zoo goed wezen moet, morgen
+ochtend negen uur, de maat te komen nemen van 'n paar pantoffels. En
+dan ga je by m'nheer Krucker, en je doet het kompliment van my, en
+je vraagt hoe de oude mevrouw vaart--want ze-n-is ziek, weetje, ze
+heeft het pootje ... maar dat hoef jy niet te zeggen: je vraagt maar
+hoe ze vaart?--en dan breng je daar 't antwoord van de juffrouwen
+Pleier uit Frankfort, die by de Hocker's logeeren. Maar als nu de
+juffrouwen Pleier de invitatie hebben aangenomen, dan moet je zoo
+goed wezen even aanteloopen by m'nheer Kruis op de Engelsche-kaai,
+en zeggen daar--maar je moet eerst het kompliment van my doen--dat
+ik van-middag door zware hoofdpyn verhinderd ben gebruik te maken van
+de uitnoodiging om met de familie te gaan room-eten op Lokhorst. Maar
+als nu de juffrouwen Pleier laten bedanken voor de invitatie ...
+
+--God-zegen-me, Pompile, dat alles kan de jongen nooit onthouden!
+
+--Niet waar? Juist wat ik zeg. Waarom heeft zoo'n jongmensch geen
+zakboekje? Net wat ik zeg! Je moet maken dat je-'n zakboekje krygt,
+om ... alles opteschryven, weetje? Want ... 'n kantoorbediende moet
+altyd 'n zakboekje hebben: wat zeg jy, Dieper? Maar ... zoo lang je
+nu nog geen zakboekje hebt, moet je maar ... alles onthouden wat ik
+je gezegd heb. Ga nu maar eerst die boodschappen doen. Dan kan ik je
+de anderen later zeggen. Want ... als ik je te veel tegelyk opgeef,
+zou je ze maar vergeten--wat zeg jy, Eugène?--omdat je geen zakboekje
+hebt, weetje?
+
+Oef!
+
+
+
+Wouter deed z'n boodschappen zoo goed mogelyk, en zeker
+allerbeleefdst. Al de meiden die hem de deur openden, vonden hem 'n
+fatsoenlyk jongetje. Dit was al iets. Tot m'n innigsten spyt mag ik
+niet zeggen dat-i zich zeer gedrukt voelde door de zonderlinge manier
+waarop men over z'n gaven beschikte. Hyzelf kende die gaven niet,
+en voelde zich in 't minst niet vernederd. Bovendien, hy was verheugd
+de buitenlucht inteademen, en z'n leedjes eens te kunnen uitstrekken,
+'t Kwam hem voor, dat z'n ruggegraat in slaap gevallen was, en dat
+'n beetje beweging hem goed zou doen. Nog iets: hy voelde zich in
+funktie, en zou er niet afkeerig van geweest zyn, 'n bordjen om z'n
+hals te hangen, met het opschrift: "deze jongeling wandelt langs
+'s heeren straten, in dienst van de firma Ouwetyd & Kopperlith" en
+niet zonder eenige minachting zag-i neer op de velen die geen recht
+hadden op zoo'n bordje.
+
+Toen-i, na allerlei andere bedryven, was aangeland op de
+Leliegracht--de hééle deftige zy!--en aangescheld had aan 't
+fameuze huis met spiegelglas, van veertien voet breed--het huis, meen
+ik--bespeurde hy terstond dat er door die ruiten heen gerekognosceerd
+werd, evenals 'n uur of zooveel geleden op die andere stoep. Maar
+de dame die hem begluurde, had 'n veel aangenamer uiterlyk dan de
+"oude mevrouw" van de Keizersgracht. Julie Huddewitz, slechts sedert
+eenige maanden de echtgenoot van Pompile, was 'n jong ding dat nog
+altyd niet diep genoeg was doorgedrongen in amsterdamsch fatsoen en
+in de hooge waardigheid van haar gemaal, om precies te weten wat 'n
+jongsten kantoorbediende niet toekomt. Ze liet Wouter binnenkomen,
+en vergat zich zoover in haar ongemanierdheid, dat ze niet alleen
+geheel eigenhandig den liggenden jachthond aannam, maar zelfs aan
+Wouter de vraag richtte, hoe hy 't patroon vond? Een der oorzaken van
+haar wangedrag lag hierin, dat haar vader--'n Duitscher die "mooie
+slagen in koffi" gedaan had--zelf kantoorbediende geweest, en nog
+niet lang genoeg in Holland gevestigd was, om te weten dat men zich
+met zoo'n wezen nergens anders inlaat dan op 't kantoor. In vreemde
+landen namelyk, beschouwt de "patroon" zich eerst dan van andere klei
+gekneed, wanneer de "bediende" door 'n huwelyk zich voorgoed laat
+inlyven in den niet-vleeschetenden stand. Van dat oogenblik af, heeft
+hyzelf zich z'n ontcasting te wyten. In Nederland echter neemt die
+uitsluiting lang voor 't huwelyk 'n aanvang, en eigenlyk reeds voor
+de geboorte. Voor 'n jongeling die daar de eerste levensduisterheid
+aanschouwen mocht--verzenmakers, die 't zoo nauw niet nemen met de
+waarheid, noemen 't licht!--bestaat kans om generaal te worden,
+zeeheld, planeet-ontdekker, wereldberoemd kunstenaar, vaandrager
+van den vaderlandschen roem ... byna al wat men maar wil, maar
+deelgenoot in de firma Ouwetyd & Kopperlith wordt-i niet! Men zou,
+om dat te beleven, z'n eigen kleinzoon moeten worden, want--dit
+erken ik--in 't derde geslacht gelukt het soms 'n handig aventurier,
+zich te doen vergeven dat z'n overgrootvader de vreeselyke misdaad
+begaan had, iets anders te wezen dan "patroon." Dit alles nu wist
+Julie Huddewitz wel, maar ze was er nog niet genoeg van doordrongen,
+en daarom boog zy zich op den gewichtigen maandag dien ik beschryf,
+zoo onvoorzichtig neder tot belangstelling in Wouter's opinie over
+dien jachthond. Ik weet niet of zy ooit dochters ter-wereld bracht,
+maar zoo ja ... deze zouden zich niet zoo ver vergeten hebben! Het
+verheven geslacht maakt plaats voor verhevener geslachten.
+
+Wanneer Wouter behoefte gevoeld had aan bemoediging by 't intreden van
+z'n nieuwe loopbaan, dan ware zy hem waarschynlyk geleverd door die
+verregaande neerbuigendheid van mevrouw Kopperlith-Huddewitz. Een dame
+in 'n huis met spiegelglas, op de Leliegracht--heele deftige zy--had
+hèm z'n opinie gevraagd! Dit maakte hem dan ook zoo opgetogen, dat-i
+op 't punt stond een der zotste antwoorden te geven, die er konden
+bedacht worden. Maar ze kwam hem voor:
+
+--Drie gulden, zestien? Vindje 't niet wat duur?
+
+--O, mevrouw ...
+
+En hy hakkelde. Ik geloof dat-i zeggen wou: "mag ik 'n paar dubbeltjes
+van dien vreeselyken prys voor myn rekening nemen?" Maar hy bedacht
+nog by-tyds dat-i van die paar dubbeltjes juist het allereerste
+niet bezat, en vergenoegde zich dus met de betuiging dat-i nog geen
+verstand had van borduurpatroontjes. 't Spreekt vanzelf dat-i zich
+ernstig voornam dien tak van wetenschap tot 'n onderwerp van byzondere
+studie te maken. Voorloopig bepaalde hy zich tot de vraag:
+
+--Verkiest mevrouw dat ik nog eens ga beproeven by juffrouw Lins ...
+
+--Wel zeker, ga jy nog eens vragen by juffrouw Lins of 't niet wat
+minder kan, by-voorbeeld voor ... drie gulden, twaalf? Of ... als
+'t mogelyk is, voor drie gulden, tien?
+
+En met deze zielverheffende opdracht sukkelde Wouter door den
+modder. Want het had zwaar geregend na al die hitte, en de straten
+zagen er amsterdamsch uit. Een regenscherm had-i niet, en hy versleet
+driemaal meer aan schoeisel en kleeren, dan door de vier-stuivers
+die hy inderdaad in den tapisseriewinkel wist aftedingen, kon worden
+gedekt. Zóó religieus vervulde hy dien dag z'n naast-byliggenden
+plicht, of wat de arme jongen daarvoor hield.
+
+Juffrouw Lins vroeg, na z'n vertrek, aan haar adjudantjes:
+
+--Wat scheelde dat jongetje toch? 't Leek wel of-i me kussen of
+... vermoorden wou om die paar stuivers?
+
+Toen hy, na bericht te hebben gedaan van z'n zegevierend wedervaren,
+voor den tweeden keer de stoep van 't huis met spiegelglas afstapte,
+stond er 'n rytuig voor de deur. Dit won hem den tocht naar de
+Korte-krulledwarsstraat uit, want op last van de "jonge mevrouw"
+kwam de meid hem achterna roepen dat dit de britschka van m'nheer
+Kopperlith was, en die koetsier de Jakob aan wien hy 'n boodschap
+had. Hy stelde zich met aandoenlyke bescheidenheid voor, als de
+"nieuwe jongste-bediende" van 't kantoor, en zei wat-i te zeggen
+had. Uit de britschka golfde een vleeschklomp, 'n reuzin, Hersilia
+Kopperlith, de zwaarlyvige huwelyksvreugd van den Elsasser Heinrich
+Kalbb, die te Amsterdam konsul van z'n land was, en tevens chef van
+'n handelshuis. Met andere woorden: de man "deed" in katoentjes. Maar
+heel in 't deftige, namelyk in katoentjes van Mühlhausen. Engelsche
+lappen van Manchester zyn minder aanzienlyk. En daarin toch slechts
+handelde met groote inspanning van ziel en geestkracht, de zeer
+verheven firma Ouwetyd & Kopperlith. Het is den begaafden lezer
+misschien bekend dat de grootste mannen hun zwakke zyde hebben, en
+dat niemand zoo totaal wordt ondergedompeld in den Styx van kreupele
+voornaamheid, of er blyft 'n kwetsbare hiel waarop laaghartige vyanden
+hun pylen schieten. Die vervloekte manchestersche katoentjes! Ze
+maakten vlek op 't Kopperlithsche fatsoensschild, en eigenlyk op de
+heele Keizersgracht.
+
+Het is niet volkomen zeker, of de Ouwetyd's uit de wereldgeschiedenis
+verdwynen tegelyk met een der menigvuldige vallen van Babyion, die
+telkens zoo aandoenlyk worden geprofeteerd in de Schrift, en wel met
+'n leedvermaak alsof de "Heer" 'n byzonderen hekel aan die stad had,
+en of 't koelen van z'n wrevel hem buitengewone moeite kostte. Ook
+de oorsprong van de Kopperlith's is moeielyk nategaan, en ik wraak
+elke inlichting die te dezer zake zou kunnen worden gegeven door 'n
+grieksch lexikon. Van versteende vuiligheid is hier geen spraak, want
+de overgrootvader van den ouden heer was loopjongen by 'n bloemist,
+en oefende dus een te welriekend ambacht uit, om aan etymologische
+pedanterie vat te geven tot het al te beteekenisvol vertalen van
+z'n naam. In de dagen van den tulpenhandel, was de zoon van den
+aspirant-tuinier 'n paar graden gestegen, zooal niet in geestelyk
+opzicht, dan toch in maatschappelyken rang. Eén geslacht daarna,
+wist de vertegenwoordiger van de familie zich te nestelen op de
+Keizersgracht, en wel in 'tzelfde huis waar we vandaag Wouter
+hebben ingeleid. De tegenwoordige "oude-heer" erfde van z'n vader
+'n handel in Oostindische lynwaden, en trok zich uit de "zaken"
+terug toen de amerikaansche katoen zich meester maakte van de markt,
+en engelsche wevers en drukkers van 't fabrikaat. Het naderschuiven
+van de bron bedierf 't monopolie waarvan onze groot-ouweluî byzondere
+liefhebbers waren, omdat het openstellen van konkurrentie zekere
+inspanning noodzakelyk maakt, die niet kan gevorderd worden van 'n
+"man met fortuin, zooals m'nheer Kopperlith". Zoo luidde Dieper's
+plechtig advies. Het geschiedde in die dagen, dat de jongeheer Pompile
+werd aangesteld tot procuratiehouder en chef, doch altyd slechts
+voorzoover dien lappenhandel aanging, want het eigenlyk vermogen van
+den "ouden-heer" met het daaraan verknocht diepzinnig geknutsel "in"
+effekten, bleef onder diens byzondere hoede en behandeling, waarin-i
+met verbazende zaakkennis door den ouden Dieper werd bygestaan. Deze
+had hieraan op 't kantoor zekere wichtigheid te danken, die hy
+geenszins versmaadde, en z'n aanzien stond tot dat van Wilkens
+nagenoeg in rede, als 'n vod van papier tot 'n vod van katoen. Men
+weet nu eenmaal dat in onze eeuw, papier vóórgaat.
+
+De "handel" in katoentjes--waarachtig, ze deden in diemet, shirting
+en sheeting ook!--heette te strekken tot 'n bezigheid voor de
+jongeluî, want: "om-den-broode hoefden zy 't niet te doen! Waarlyk
+niet! Volstrekt niet! Papa was zeer ryk, o zoo ryk!"
+
+Aannemende dat het gesjacher met gedrukte katoentjes--en met de
+zoo diep-wetenschappelyke diemetten, waarin Wilkens 'n specialiteit
+was--moest strekken tot voedsel voor de ziel der jongeheeren Pompile en
+Eugène, en vertrouwende dat deze beide zielen geen geeuwhonger leden,
+kan men konkludeeren dat de twee onsterfelyke deelen der ikheid van
+die jongeheeren zeer goedkoop in 't leven waren te houden. De ziel van
+'n muis zou by zoo'n dieet bezweken zyn. Er is handel en ... handel,
+dit wil ik wel gelooven. Maar de "mannen van zaken" worden beleefd
+verzocht, niet zeer boos te worden, als ik hier coram populo verklaar,
+dat hun "zaken" gewoonlyk niet boven de bevatting gaan van 'n heel
+klein jongetje. Godbewaarme dat ik Wouter's bekwaamheden overdryven
+zou, maar ik kan den lezer verzekeren dat er op 't kantoor van de
+heeren Ouwetyd & Kopperlith niets voorviel, dat niet allergevoegelykst
+had kunnen worden toevertrouwd aan zyn ontwikkeling en kennis,
+het schryven van 'n kort briefjen in gebroken engelsch, misschien
+uitgezonderd. Ook eenige routine in de boekhouding zou hem ontbroken
+hebben, maar overigens? Och, zoo'n "handel" is zoo eenvoudig. Men
+koopt iets voor ... zooveel, en verkoopt het voor 'n beetje meer,
+liefst voor den hoogsten prys die er te bedingen is, getemperd
+door de zorg om vandaag niemand afteschrikken door 'n inhaligheid,
+die hem al te duidelyk zou waarschuwen tegen 't vilproces waaraan
+men hoopt hem morgen te onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den
+ander. Diepzinniger is de zaak niet. Maar wàt moet men inslaan? Hiertoe
+wordt kennis vereischt, zal menigeen denken, en wie luisteren zou
+naar Wilkens, kon allicht op 't idee komen dat er eens 'n huis
+te-gronde was gegaan door 't bestellen van 'n "haarstreep-diemet"
+te veel, en 'n stuk of wat "dubbel-gebroken-streep" te weinig. Ook
+Pompile wist lange verhandelingen te houden over kennis van "zaken"
+naar aanleiding van 'n witte-gronds-driekleur-krieuweltje. Die
+heeren zouden ons wel willen wysmaken dat hun "vak" bovenmenschelyke
+inspanning en studie vordert, en dat de arme wiens ziel haar bezigheid
+zocht buiten hun magazyn en kantoor, 'n zeer slecht figuur maken zou
+in de "zaken." Zoodanige overschatting ontmoet men overal. Welnu,
+lezer, 't is kwakzalvery! Verstand van koffie, verstand van kurken,
+verstand van lappen en vodden ... eilieve, ga eens na, wie in 't
+laatste ressort al die verbazende verstanden keuren en vonnissen
+moet. De verbruiker immers? Al de vakwysheid van den jongeheer
+Pompile en van m'nheer Wilkens, moest tenlaatste, om beslissend te
+worden goed- of afgekeurd, te-berde komen by 'n dienstmaagd die
+'n bont jak kocht, by 'n boeremeid die haar vryer 'n gekleurden
+halsdoek wou ten-geschenke geven. Zeker soort van opgeblazenheid
+zal wèl doen, 'n beetje te slinken na deze opmerking. Nogeens:
+er is handel en handel, maar de meeste beoefenaars van dergelyke
+speciaal-vakken staan waarschynlyk byzonder laag in ontwikkeling,
+en zéker is 't dat zy tot de uitoefening van hun "vak" aan die
+ontwikkeling geen behoefte hebben. Wat is dat voor 'n levensdoel,
+zich te bekwamen in de behandeling van de vraag: of dienstmeiden
+zich dit jaar zullen opmooien met 'n ruitjen of met 'n streepje? Met
+'n witte-grond-driekleur of 'n bruin palmpje? Of men de "dames" zal
+kunnen wys-maken dat de ... echte ware onvervalschte zuivere parysche
+distinktie van 't saizoen--haute nouveauté, heusch!--zich openbaren zal
+in spinazie-groen, in rooie-koolpaars, in kaas-schimmelzilver, of in
+'n ander wankleurtje, liefst zoo onnoemelyk mogelyk? Ik blyf vragen,
+by welke wysgeerige school de studenten in zulke wetenschappen zich
+moeten aanmelden tot het erlangen van den meestergraad?
+
+Toch neem ik 't niemand kwalyk dat-i 'n onbeduidend wezen is. Ook
+dezulken moeten er zyn, om de gaping te vullen die 'r anders bestaan
+zou tusschen den Mensch en z'n pantoffel. Maar ... die pantoffel
+mag zich niet uitgeven voor 'n rylaars. Ik ken iemand die--hoed en
+hooge hakken meegerekend--maar zestig pond weegt. Ben ik daar boos
+om? Volstrekt niet. Maar zeker zou ik wrevelig z'n pretentie afwyzen,
+wanneer-i zich aan my wou opdringen als 'n reus. En wèl word ik boos by
+'t ontwaren van lieden die, niets zynde, niets kunnende, en nooit iets
+degelyks hebbende uitgericht, 'n plaats in de Maatschappy innemen,
+welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven. Afkeer van zùlk geboefte,
+gaf my aanleiding, in dit en 'n paar der volgende hoofdstukken
+het bekende draadjen om den poot der Kopperlith's te slaan. Wie nu
+niet in gedrukte katoentjes "doet" maar "in tabak is" of "in" gort,
+krenten, mixed pickle of schoensmeer--wie schoensmeer maakt staat
+hooger!--wie niet precies "in" die katoentjes rondkruipt, behoeft
+nu niet te denken dat het verboden is m'n opmerkingen toetepassen op
+zichzelf. Lieve hemel, wat zou m'n uitgever verdrietig zyn, wanneer
+m'n Wouter-epos alleen waarde had voor handelaars in manchestersche
+lynwaden: wittegrond-driekleur-victoria-fancies van Crawfurth-Leeds,
+met 'n krabbeltjen of 'n loovertjen of 'n moesjen, of met blokjes of
+'n slangetjen of 'n krieuweltje met 'n oogjen ... altyd 'n volslagen
+niemendalletje!
+
+En in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i
+overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan
+zou z'n ziel worden besteed.
+
+Is 't niet, om de dagen te betreuren van Pennewip's afsnydende
+teekens in de lucht? De dagen van den Weledelen heer Motto, met z'n
+gehuurden snuifpot, en wat er verder op dien Zeedyk 't "voornaamste"
+mag geweest zyn? Ja, ja, en zelfs--ik word daar byna onzedelyk--byna
+zou ik me vergrypen aan de verzuchting, m'n heldje terug te wenschen
+op de boven-voor-achter-beneden-insteekkamer van juffrouw Laps! De
+verontreiniging die hem dáár dreigde, zou ter-nauwernood weerstand
+hebben geboden aan de pomp van Vrouw Claus, terwyl hier ...
+
+M'n bedoeling is nagenoeg, dat 'n gezonde beenbreuk my minder gevaarlyk
+voorkomt dan 't stikken in vermuffing. Gelooft ge niet met my lezer,
+dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in 'n atmosfeer als die der
+Kopperlith's? Maak liever 'n ambachtsman van uw jongen, of 'n matroos!
+
+
+
+
+
+
+
+ Over al de rytuigen van "papa" en de hoogheid van 'n elsasser
+ konsul "die m'n zwager is." Engelsche nottings en onderscheiden
+ windsoorten, uitloopende in 'n lange verhandeling over 't
+ parelduiken.
+
+
+Toen Wouter, na 'n paar uur dravens, het kantoor weder
+betrad--Vellestaat, stokvischbeukery, olievaten, gang naast het
+achterhuis, binnenplaats en gangdeur ... hy vond in behoorlyke
+volgorde al de stadien der via dolorosa terug, die Gerrit hem dien
+ochtend gewezen had, en was er zeer grootsch op!--toen hy bezweet
+terugkwam, vond-i alleen Dieper en Wilkens op 't kantoor. De laatste
+was half weggedoken in 'n kast, die naast den ingang tot de alkoof in
+'n donkeren hoek stond en met lappen gevuld was. Waarschynlyk zocht-i
+daar naar 't staal van zeker krieuweltje. Hy had Wouter niet hooren
+binnentreden, zoodat deze vergast werd op 't onsmakelyk staartje van
+'n diskoers, of wellicht van des heeren Wilkens alleenspraak:
+
+--Je zult zien: ik zal den schoolmeester moeten spelen! Op my zal
+alles neerkomen! Ze zullen my tot plakmonarch willen maken, my! Dat's
+m'n vak niet ... dat's m'n karakter niet! In 't geheel niet!
+
+Toen de man die zoo bang was dat men 'n schoolmeester van hem maken
+wilde, Wouter ontwaarde, brak hy op-eens de roerende complainte over
+'t gevreesd verkrachten van z'n roeping af.
+
+--Daar staat 'n tas koffie voor je, zeide hy met 'n majesteit in toon
+en vingerwyzing, alsof de oude lappen waarmede hy zich bezighield,
+'n kollektie kronen en scepters geweest was. Maar hy had de zuivere
+waarheid gesproken. Inderdaad, daar ergens op 'n tafeltje was
+koffi. En de heer Wilkens had wel mogen zeggen: 'n bak. Maar "tas"
+kwam hem indrukwekkender of aanzienlyker voor, en Wouter, die weinig
+grondstof noodig had om zich te verheugen, was zeer in z'n schik met
+het nieuwe woord dat-i daar zoo onverwacht en gratis mocht leeren
+kennen. By hèm aan-huis namelyk, noemde men zoo'n ding 'n spoelkom.
+
+--E...è...è...n, ik zou je raden dat je-n-in 't vervolg 'n kadetje
+meebracht, of zoo-iets.
+
+Alweer wat nieuws voor 't jong Amsterdammertje! Hy begreep niet recht
+wat Wilkens bedoelde, en vreezend, dat men z'n onkunde zou aanzien voor
+'n begin van dienstweigering, antwoordde hy met zekere fermeteit:
+
+--O zeker, m'nheer! Dat zal ik zeker doen!
+
+Och, hy was zoo gewillig! Als-i maar geweten had, wàt er dan eigenlyk
+moest worden meegebracht in 't vervolg? Gelukkig dat-i uit het
+vreemde woord niet opmaakte dat de heer Wilkens de poorten van Gaza
+op 't kantoor wenschte te zien, of den merinossen rok van juffrouw
+Pieterse! Ja, al ware die juffrouw Pieterse-zelf 't verlangd voorwerp
+geweest ... de kleine Simson zou't geleverd hebben, waarachtig! Want
+... men moet altyd z'n naastbyliggend plichtje vervullen, en Wouter's
+plicht was nu, te doen wat 'm geboden werd door ... iedereen. Er bleek
+evenwel dat Wilkens niet aan z'n moeder gedacht had, want--wetende
+dat Wouter gespeend was--liet hy op z'n onbegrepen vermaning de
+sententieuze kommentaar volgen: dat 'n jongmensch niet zeer lang
+zonder voedsel blyven kon. Dit gaf licht. En Wouter's vermoeden
+werd tot zekerheid toen-i naast twee geledigde spoelkommen van 'n
+zeer aquatintig-bedropen voorkomen, eenige broodkruimels ontwaarde,
+in gezelschap van 'n verlept stuk krant met botervlekken. Ook Dieper
+en Wilkens alzoo, schenen zich 'n oogenblik geleden gedragen te
+hebben als jongeluî die niet lang zonder eten kunnen, en ze hadden de
+welwillende voorzorg gebruikt hun kiökkenmödding achtertelaten, om
+'n jonger kantoorgeslacht te dienen tot baak. Dat vette stuk krant,
+welsprekender dan vóór de botering, fluisterde Wouter de gissing in dat
+de benaming van 't voorwerp dat hy in 't vervolg moest meebrengen--hoe
+drommel heette het ook?--weleens de zeer aristokratische ambtstitel
+wezen kon, waarmee men "in de zaken" 'n boteram aanspreekt. In
+'n gelyksoortig vermoeden werd hy versterkt door z'n maag en door
+den geest van Strabbe. Hy begon namelyk honger te krygen, en voelde
+zich voorbeschikt om eetwaren te verstaan uit èlken klank die z'n oor
+bereikte, al ware het 'n engelenzang geweest, of 'n preek. Wat Strabbe
+aangaat ... onze handelsstudent wist nu eenmaal dat 'n spoelkom, in
+kantoorstyl "tas" heet ... het onbekende ding zal dus wel 'n boteram
+zyn! Men ziet, het was een soort van regula de tri, en juist daarin
+was-i zoo byzonder sterk geweest op de school van meester Pennewip.
+
+De jongeheeren Pompile en Eugène waren gewoon zoo tegen twaalven het
+kantoor 'n uurtje te verlaten, om te gaan "koffiedrinken en 'n broodjen
+eten by mama." Aldus luidde onveranderlyk de aankondiging van Pompile,
+waarmede hy aan de "heeren van 't kantoor" verlof scheen te geven ook
+iets te gebruiken ... als ze wat hadden. Want "kadetjes" of boterammen
+werden niet verstrekt door het huis Ouwetyd & Kopperlith, waarvan de
+"papa" zoo byzonder ryk was. De "heeren van 't kantoor" mochten,
+indien ze niet wilden flauwvallen, zulke zaken meebrengen in hun
+rokzak, en de fyngevoelige Eugène maakte altyd dat-i de kamer uit was,
+voor die in papier gekonserveerde levensmiddelen genaderd waren aan
+'t oogenblik hunner ontwikkeling. Hy vond dat ze 'r zoo heel onoogelyk
+uitzagen, en vooral 't rantsoen van Wilkens die, wys geworden door
+treurige ervaring, gewoon was z'n "kadetjes" warm te houden tusschen
+den linker voorpand van z'n vest, en z'n edel hart. Eens namelyk
+hadden 'n paar neefjes van den huize--ze wisten niet, de onzaligen,
+dat welgeboren jongelui geen gekheid maken met 'n kantoorbediende!--ze
+hadden den weg gevonden naar de donkere alkoof waar de ongelukkige z'n
+met viktualie bezwangerde straatjas bewaarde, en de kadetjes verrykt
+met 'n laag fyngeknipte witte-grondjes-driekleur. De martelaar van z'n
+"vak" verslikte zoo goed mogelyk de taaie geestigheid der "neefjes
+van m'nheer"--z'n naastbyliggend plichtje, naar-i meende--maar droeg
+voortaan de mishandelde toeverlaatjes van z'n maag by zich, tot de
+finale exekutie toe. En eenmaal is 't gebeurd dat hy ze ongegeten
+weer thuis bracht by de trouwe echtgenoot die ze met zooveel liefde
+geboterd had, en nu niet zonder moeite haar eigen werk herkende. De
+jongeheer Pompile lag dien dag overhoop met "mama" en was op 't
+kantoor gebleven. De "heeren" hadden den moed niet hun spaarkruimels
+voor den dag te halen. En ook de kommen met geile koffi bleven dien
+nefasten dag onaangeroerd staan. Met is hier de plaats, een valsheid
+van Klaas Kolyn aan 't licht te brengen, die als eerroovend voor
+'n deftig handelshuis, aan de nog levende nazaten der Kopperlith's
+menigen traan gekost heeft. Die knoeier beweert dat "de heeren van
+'t kantoor" ook hun koffie van-huis meebrachten: dwaling, valsheid,
+bedrog, laster! De koffi werd uit de keuken geleverd, en de "booien"
+zelf dronken ze niet beter. Dit is voor notaris en getuigen bevestigd
+door dezelfde autoriteit die dezen ochtend zoo kordaat geweigerd had,
+Wouter wederrechtelyk te-woord te staan by de boven-voordeur. Balthasar
+Huydecoper heeft dus volkomen gelyk, zich over dien kakolyn telkens
+zoo driftig te maken. Valsche gedenkschriften zyn zaad van den Duivel.
+
+Juist was Wouter van meening 'n aanval te wagen op den hem aangewezen
+spoelkom, toen de jongeheer Pompile met z'n gewone schichtige haast
+het kantoor binnenstoof. Vol schrik zette de jeugdige handelsman z'n
+vermeten opzet uit den zin, en den kom neer. Was 't niet opmerkelyk
+dat-i tegenwoordigheid van geest genoeg had om 't ding niet te
+laten vallen?
+
+--Ei zoo? Terug? Wèl? Hoe is 't? Wat zei de schoenmaker? En de
+juffrouwen Pleier? En heb je m'n huis gevonden? Je moet maar altyd
+kyken naar spiegelglas, want ... die glazen in m'n zykamer zyn
+van spiegelglas, weetje? En wat heeft de jonge mevrouw je laten
+zeggen? Heeft ze ie geen boodschap aan my meegegeven? En ... ben
+je-n-in den stal geweest? Heb je Jakob gezien? En wat deed-i? Aan
+'t poetsen, zeker? Zeker aan 't poetsen, hè? Want ... papa heeft
+'n britschka, en 'n landauwer, en 'n tentwagen, en 'n koets, en dat
+alles moet gepoetst worden. En zeg me nu maar eerst, wat de juffrouwen
+Pleier geantwoord hebben?
+
+De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon. Het
+scheen dat z'n eerste proefstuk niet slecht was uitgevallen, want
+de jongeheer Pompile knikte tevreden, en beloofde hem te zullen
+begunstigen met meer boodschappen. By 'n aanleg als die welke
+Wouter ten-toon spreidde, opgekweekt in den groeizamen zonneschyn
+van Pompile's tevredenheid, was het te voorzien dat deze jongste
+kantoorbediende--mits in leven blyvende--eenmaal den rang van
+alleroudsten kantoorbediende bereiken zou. Hiertoe was slechts wat
+tyd noodig.
+
+--Ei zoo? Heb je mevrouw Kalbb ook al gezien? Wèl, dat is goed! Zoo
+leer je de menschen kennen. Mevrouw Kalbb-Kopperlith, weetje? Ei zoo,
+heb je die gezien? Juist, precies, dat was de britschka van papa,
+want ... papa houdt rytuig. Had ze d'r huurpaarden voor ... och,
+dat weet je nog niet. Maar anders ... 't is maar, weetje, dat papa
+niet graag ziet dat de paarden ... nu, dit gaat jou niet aan. Je moet
+alles goed onthouden ... en 'n zakboekje koopen, 'n klein zakboekjen,
+en daarin alles opschryven wat ik je zeg, en wat m'nheer Wilkens je
+zegt, niet waar, Wilkens?
+
+--Ja, m'nheer!
+
+--Juist. Mevrouw Kalbb is m'n zuster, mevrouw Kalbb-Kopperlith--zóó
+moet je zeggen!--en denk er aan dat m'nheer Kalbb z'n naam met twee
+b's spelt. Onthoud dat, en schryf 't op als je-n-'n zakboekje hebt
+... met twee b's weetje? Want er zyn ook menschen die Kalb heeten
+met één b, geringe menschen, heel geringe menschen ... 'n leerkooper,
+geloof ik. Wat zeg jy, Dieper?
+
+Dieper legde langzaam en voorzichtig z'n pen neer, trad 'n stap
+achterwaarts--hy boekhouwerde altyd overeind--snoot z'n neus, hèmde
+z'n keel schoon, en sprak met expresselyk voor deze betuiging gereed
+gemaakte organen:
+
+--Ja, jongeheer, heel geringe menschen!
+
+--Zieje, ging Pompile voort, m'nheer Dieper zegt het ook, en ... die
+leerkooper schryft z'n naam met één b. Maar myn zwager heet Kalbb
+... met twee b's, en hy is konsul van den heelen Elsas, en als de
+Koning in de stad komt, moet-i altyd op audiëntie, en dan zegt de
+Koning: eh bien, m'sieur le consul, comment vont les affaires? En
+dan antwoordt m'nheer Kalbb ... ook in 't fransch. En dan heeft-i
+'n rok aan met 'n geborduurden kraag. En dan knikt de Koning--'t is
+eergister nog gebeurd, en alle jaren weer!--en m'nheer Kalbb ... is
+m'n zwager, de schoonzoon van papa. En ... heb jyzelf nu mevrouw
+Kalbb al gezien? Wèl, wat zei ze?
+
+--Ze zei niets, m'nheer.
+
+--Zoo, zei ze niets? Dat komt omdat ze niet wist dat je hier jongste
+bediende bent, anders zou ze je zeker wel iets ... gezegd hebben, of
+... 'n boodschap opgedragen, of zoo-iets, want ... ze is m'n zuster,
+weetje! Dat moet je goed onthouden. En hoe is 't afgeloopen met dat
+borduurpatroon?
+
+Wouter's triumf over de afgedongen vier stuivers, werd eenigszins
+gematigd door 't gefronsd voorhoofd van Pompile, toen deze de
+buitensporigheid van z'n lichtzinnige wederhelft te weten kwam:
+
+--Binnen geweest? Zelf de jonge-mevrouw gesproken! Ei
+... zoo? Binnen-geweest in de zykamer? Waarom ben je binnen geweest?
+
+--M'nheer, stamelde Wouter, die bemerkte dat-i 'n fout begaan
+had, m'nheer, de meid zei dat mevrouw me liet roepen, en dat ik
+... binnenkomen moest.
+
+--De meid, de meid! Wat geef je-n-om 'n meid? Zoo'n meid kan wel
+zeggen ... kyk, dit is nu zóó, weetje? Als ik je wat opdraag, dan
+moetje-n-altyd ...
+
+Men hoorde een sloffenden tred in de gang. 't Spyt me. Want ik
+had gaarne eens vernomen hoe Wouter zich in 't vervolg zou te
+gedragen hebben, wanneer "de jonge-mevrouw" hem door de meid liet
+binnenroepen? Pompile brak op-eens z'n onderricht af:
+
+--Daar is papa! Ik zal je voorstellen aan papa. Je moet nu zoo goed
+wezen heel beleefd te zyn tegen papa. Dag, papa!
+
+De eerwaardige gedaante van den ouden heer Kopperlith schoof 't kantoor
+in. Met 'n welbehagelyk lachje nam hy de nederige begroetingen van
+Dieper en Wilkens in ontvangst, en ook op Wouter spatte een drupjen af,
+van den genadestroom dien hy zich alleredelmoedigst ontvloeien liet.
+
+--Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar
+braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons
+gerekommandeerd door m'nheer Dieper ...
+
+De boekhouder trad 'n pas achterwaarts, en maakte een beweging alsof-i
+nogmaals verschooning vroeg voor 'n stoutheid die hy scheen begaan
+te hebben. Maar de oude heer glimlachte weder. Goddank, Dieper zou
+voorloopig niet geradbraakt worden.
+
+--Ja, door m'nheer Dieper, die myn boekhouder is. En aan mênheer Dieper
+ben je gerekommandeerd door zekeren heer ... hoe heet-i ook weer?
+
+--Och, m'nheer, antwoordde de boekhouder, als ware de naam dien-i
+zou uitspreken, eigenlyk te gering voor het oor van den heer
+Kopperlith. Och, m'nheer, 't jonge mensch is my aanbevolen door
+... zekeren Kalb, 'n leerkooper ... iemand dien ik wel eens ontmoet
+heb ... m'nheer!
+
+Kalb was z'n neef, en z'n beste vriend, voor-zoo-ver het
+kantoorbedienden en boekhouders geoorloofd is, neven en beste vrienden
+te hebben.
+
+--Juist! Zekere ... Kalb. Nu, dat's hetzelfde. Je zult hier veel
+werk vinden, jongetje! Hard werken is de boodschap. Heeft Wilkens
+hem reeds een-en-ander gewezen? Is-i al in 't magazyn geweest? Op de
+zolders? Zeker zet je 'm aan 't kopyboek, Pompile?
+
+Op al deze vragen had Pompile 'n dozyn: "O ja, papa's" ten-beste
+gegeven.
+
+--En schryft-i 'n mooie hand?
+
+--O ja, papa!
+
+Wouter begon eerbied te voelen voor Pompile's doorzicht. De vereerende
+hoedanigheid die hem werd toegekend, was zeker gebleken uit z'n
+boodschappen by de Pleiers, of de Kruckers, of de Hockers, of den
+schoenmaker. Wat die voorname lieden toch scherpzinnig zyn!
+
+--Zoo? Ei! 'n Mooie hand? Ei, ei! Wel, Pompile, wat zeg je 'r van,
+als we hem den brief van Leon 'n keer of wat lieten overschryven voor
+Flodoard, en voor neef Griekel, en voor de familie Pruikers?
+
+--O ja, papa!
+
+--Niet waar, ze inviteerden Leon altyd zoo trouw op hun
+kinderpartytjes. Ze zullen 't aardig vinden dat-i zoo'n man geworden
+is, en al zulke mooie brieven schryven kan. Maar ... op dun papier,
+op heel dun papier! 't Is om de port naar Rome, weetje ... op héél
+dun papier!
+
+--O ja, papa!
+
+--Zieje, dan kan 't mannetje zich met-een wat oefenen in briefstyl,
+vind je niet, Pompile?
+
+--O ja, papa!
+
+En zoo geschiedde het. Wouter werd belast met het verveelvuldigen der
+oostindische wysheid van den jongeheer Leon, ter opvroolyking van den
+jongeheer Flodoard die te Rome was en daar heette te schilderen. Tot
+amuzement ook van neef Griekel te Leiden. En om de vriendschap te
+cimenteeren met de familie Pruikers, óók lieden in 't best van hun
+fatsoen. Na 't eerbiedig aanhooren van veel leerstelsels over de
+ware manier om 'n brief overteschryven, ging Wouter dapper aan
+'t werk. Hy keek niet op, kopieerde letter voor letter, woord
+voor woord, zin voor zin, en ... netjes! Z'n werk leek op 'n
+gravure. Hy volbracht dus alweer zoo goed mogelyk z'n naastbyliggend
+plichtje. Maar wel verwonderde het hem dat de heer Leon Kopperlith,
+surnumerair by de Landelyke Inkomsten en Kultures in de afdeeling
+Tjanjor, residentie Preanger Regentschappen, op het eiland Java,
+in Nederlandsch lndië--aldus onderteekende die verre jongeheer 'n
+brief aan z'n moeder, die niets vreemds vond in deze zotterny--wel
+bevreemdde het hem dat die voorname persoonlykheid zooveel taal- en
+spelfouten maakte. En ... iets anders nog. Hy voelde zich eenigszins
+beleedigd--meer dan door die boodschappen!--dat men hèm al die fouten
+te kopieeren gaf ... tot oefening in briefstyl.
+
+Er bestond nòg iets dat hem zeer begon te hinderen. Maar dit kon Leon
+niet helpen. Hy had 'n vreeselyken honger.
+
+Slechts zeer zelden verwaardigde zich de oudeheer des morgens op 't
+kantoor te komen, d. i. vóór den toenmaligen beurstyd en 't daarop
+volgend middagmaal. Het scheen dat-i zich dezen keer wat vroeger dan
+gewoonlyk naar beneden had laten dryven door de verveling, een euvel
+waaraan hy zich twaalf uren in 't etmaal schuldig maakte, jaar-in,
+jaar-uit. Hoe zou 't anders kunnen? De man was leeg. Misschien
+herinnert zich de lezer 't portret van den baron Van Een-en-ander,
+dat ik tentoonstellend aan den wand hing in m'n "Specialiteiten." Ook
+daar schetste ik een nietig wezen. Welnu, zoo'n Een-en-ander-baron
+is by den hier bedoelden Kopperlith vergeleken, 'n ware Humboldt,
+'n Kroesus naar den geest. Die oude baron beteekende zeer weinig,
+omdat-i slechts ... een-en-ander was. Kopperlith senior was nòch
+'t een, nòch 't ander. Hy was niets.
+
+Z'n komst op 't kantoor werd altyd, door Pompile vooral, met weerzin
+gezien, omdat hy--voor-zoo-ver er inderdaad iets te doen viel--de
+bedienden van 't werk hield door z'n eindeloos gebabbel. Dit was,
+vooral nà den middag, zeer hinderlyk, en Wouter's menschenkennis had
+dan ook weldra gelegenheid zich uittebreiden tot het besef hoe zekere
+lieden byzonder grappig worden als ze goed gedineerd hebben. Doch ook
+in den "stillen tyd", in 't saizoen dat z'n botanischen naam aan de
+cucurbitaceën ontleent, zagen de jongeheeren den oorsprong van hun
+bestaan liever vertrekken dan komen. Door overmaat van opgeblazenheid
+namelyk, meende hy in zekere buien niet noodig te hebben den toegang
+tot z'n hoogheid zoo angstvallig te versperren als sommige anderen,
+en deze noodlottige waan verleidde hem soms--vooral nà tafel!--tot
+inbreuk op 't decorum van het kantoor. Dit beviel de jongeheeren
+niet, zy die in de bespottelyke gemeenzaamheid van "papa" een element
+van bederf meenden te ontdekken voor 't verheven standpunt dat zy
+wilden blyven innemen. Wie 'n zuiver muzikaal gehoor had, kon altyd
+in den toon dien de jongeheeren terstond na 't vertrek van "papa"
+aansloegen, duidelyk zekere scherpte waarnemen, waaruit men verstaan
+kon: "denk nu vooral niet dat je geen bediende bent omdat papa zich
+zoo met je gekompromitteerd heeft." Het: "je moet eens zoo goed wezen"
+van Pompile klonk dan waarlyk komisch, juist omdat z'n linksgedragen
+hoogheid zoo kluchtig afstak by de laagte der sfeer waarin hyzelf
+zich bewoog. Zeker bezat hy één hoedanigheid van 'n groot man. Déze,
+dat niets hem te klein was. Om nu echter wezenlyk-groote mannen niet
+te-schande te maken door dezen schyn van verwantschap, behoort men
+zich te haasten er bytevoegen dat hem alles te groot was, behalve
+het allerlaagste. We vernamen reeds hoe hy den stuiver waarmede hy
+'n briefbesteller paaide voor 't verzaken van z'n plicht, niet wilde
+doen drukken op de "zaken" waarin hy 'n vierde aandeel had, terwyl-i
+als aanstaand mede-erfgenaam ter-zyner-tyd slechts voor 'n geringer
+deel zou betrokken zyn in 't wel of wee van "huishouden." En veel
+hooger dan Pompile stonden de andere leden der familie Kopperlith niet,
+noch in kennis, noch in verstand, noch in hart.
+
+Het spreekt vanzelf dat Wouter--in 't oordeelen nog altyd
+belemmerd door naïveteit--dit alles niet dan zeer langzaam
+opmerkte. In-den-beginne nam hy zich z'n eigen verwondering kwalyk. Hoe
+trager evenwel z'n oordeel zich ontwikkelde tot overtuiging, hoe dieper
+deze overtuiging geworteld werd. Aanvankelyk voelde hy slechts z'n
+nieuwsgierigheid geprikkeld. Telkens echter werd er 'n nieuw hoekjen
+opgelicht van de gordyn die de Maatschappy--of het nietig onderdeel
+er van dat hy nu te beschouwen kreeg--tot-nog-toe voor z'n oogen
+bedekt hield. Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging
+over, weldra in minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit
+ten-slotte de hoogmoed voortkwam die 't doel van ons streven moet
+zyn. Maar zoo ver zyn we nog niet. Op dit oogenblik begint hy juist
+z'n derde afschrift van den fameuzen brief des zeer jongen heers
+Leon. Daarin kwam 'n vertelling over zeker feestmaal voor, waaraan
+de auteur beweerde te hebben deelgenomen. Daar was veel gedronken,
+gegeten en ... och, Wouter had zoo'n honger! Hy kende het dokument nu
+van buiten, en schreef werktuigelyk voort, niet zonder te luisteren
+naar alles wat er gesproken werd door de "heeren van 't kantoor." Maar
+dat de honger hem vreeselyk plaagde, is de waarheid. Als ooit "de
+handel" hem aan "brood" helpen zou, moesten de zaken zeer veranderen.
+
+Wat de luistervink al zoo te weten kwam, zal ik meedeelen in 't
+volgend hoofdstuk, waarschyntyk niet zonder kommentaar.
+
+De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt--en misschien niet zonder
+eenig medelyden met den auteur--dat er onder al de personen die ik
+in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt,
+althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten. Het
+is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van welk artikel
+ook uit het Wetboek van Strafrecht, noch zelfs van policie-keur.
+
+De oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was 't een
+voorbarige spruit van z'n eigen dochter geweest. Wilkens maakte reeds
+sedert ruim 'n halve eeuw zich niet schuldig aan belletjes-trekken,
+en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie stuivers die er te-kort
+kwamen in z'n "kleine kas" niet in zyn zak waren overgegaan. Eugène
+vermaakte zich wel met de booswichten in die fransche romannetjes,
+maar verder ging z'n verkeer met zulk onfatsoenlyk gezelschap niet. In
+z'n gedrag geleek hy wel volstrekt niet op de deugdhelden in die
+boeken--wat ik verstandig vind--maar toch, hy vermoordde nooit
+iemand. Zelfs verleidde hy geen meisjes welker eer den prys van
+'n halven dukaton te-boven ging. Dit was 'n principe van hem. Hy
+was dus wat men gewoon is te noemen: van onberispelyk zedelyk
+gedrag, en zou--wat dit betreft, en nu eens geen acht-slaande op
+den gerekwireerden "lust in werken"--best geschikt zyn geweest voor
+de betrekking van winkeljongetje by m'nheer Motto. De oude Gerrit
+was 'n pruttelaar, maar overigens bestond z'n grootste fout--op de
+rhumatiek na--in 't koketteeren mèt die rhumatiek, 'n begaafdheid
+die hem alleraardigst te-pas kwam om nu-en-dan 'n boodschap voor den
+jongeheer Pompile uittewinnen. En ook deze leverde geen bruikbare
+vlek in de eentonige schildery van 't gewone. Gelukkig dus dat ik
+geen romanschryver ben! Hoe immers zou ik 't aanleggen, om straks wat
+licht te doen uitkomen by zoo weinig bruin? By zoo'n totaal gemis van
+'t krimineel-zwarte? Wie zou helder blinkende deugd kunnen schilderen
+op zoo'n vaalgryzen grond?
+
+Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege
+blyven--ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal!--dan toch
+... vanhier, vanhier, gy die meent 'n roman te halen uit den huize
+Kopperlith!
+
+Als ik 'n romanschryver was, zou m'n taak ligter zyn. Dan immers had ik
+slechts den gek Wilkens te verdoopen in 'n bandiet, hem 'n roovermantel
+van diemet en shirting om den schouder te slaan, z'n kantoortjen onder
+de stoep te veranderen in 'n spelonk vol doodsbeenderen en geronnen
+bloed, z'n kadetjes in zakpistolen, z'n pedante praatjes in moord-
+en wraakschreeuwende tooneelkrankzinnigheid. Niets gemakkelyker
+dan dat alles, maar ... 't is nu eenmaal bepaald dat m'n taak zoo
+eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want ... 'n romanschryver ben ik niet!
+
+Ware ik 'n romanschryver ... zeker, dan liet ik de draadpoppen
+myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en
+zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia
+op-weg naar Gretnagreen, met den ouden Dieper en de kas ... de
+groote. Want in die van Wilkens kwamen nog altyd de drie stuivers
+te-kort, die volstrekt noodig zyn om sous d'autres climats zalig
+te wezen met 'n verboden geliefde. Ware ik romanschryver ... dan
+boezemde ik den teederen Pompile yverzucht in tegen 't allerjongst
+kantoormannetje dat zich, één halven dag nog slechts in funktie, reeds
+verstout had integaan tot z'n vrouws zykamer! Ware ik romanschryver
+... dan liet ik den achtenswaardigen hoofddader van 't wanbedryf:
+Ouwetyd & Kopperlith, bekneld raken tusschen twee olievaten, woedend
+allebeî over de zoo sarrend te-kyk gedragen persifflage hunner smeerige
+welgedaanheid ...
+
+Maar, helaas, 'n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die menschen
+niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal! Is 't
+niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo weinig
+kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat 'n boek
+lezenswaard maakt--uitdrukking, styl, schryfmethode, en ... inhoud
+nog bovendien op den koop toe--wanneer ik me veroorloofde dat alles
+te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot 'n bondig:
+
+--Je kunt me gelooven, Pieterse, ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk
+borssie, maar ... wat ik je zeg: 't is allemaal wind en 'n engelsche
+notting!
+
+Sloos had nog 'n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te bevallen
+omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins
+tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van
+Kotzebue, en laafde gedurende al z'n vele boodschappen zyn kunstzin
+aan de tooneelbriefjes die de opvoering van Armuth und Edelsinn
+aankondigden. De hollandsche vertaler had dit laatste woord als in
+ons land minder gangbaar beschouwd, en doopte dus dat tooneelstuk met
+den meer hollands-klinkenden titel: Armoede en Grootheid. Onze Gerrit
+had wel dien naam diep in z'n geheugen geprent, doch--eenigszins
+tegen de bedoeling van den schryver en vertaler--in den zin van:
+kalen bluf. Ieder is de uitlegger van z'n eigen woorden, en indien
+de oude Sloos nog leefde ...
+
+Komaan, z'n engelsche notting is mooier. En z'n wind ook. De oudeheer
+was 'n neerbuigend-winderige notting. Eugène's notting-wind woei
+naar-binnen. Pompile was 'n notting met kinderachtigen wind. De notting
+van Wilkens suisde en blaasde ploertig-pedant. De oude Dieper ... hm,
+'n volslagen notting was deze niet, maar toch, de wind die daarby zou
+behoord hebben, was hem niet geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien
+voor huis- en buurtgebruik. Zoodra hy, van 't kantoor komende, de brug
+bereikte die den Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt,
+liet-i zyn wind los. Op die brug rekte hy hals en lenden eenige duimen
+uit. Hy richtte zich met zekere fierheid omhoog--op 't horloge-n-af,
+altyd kwart over vieren--gaf aan longen, armen en beenen, aan gezichts-
+en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid weder, en kuchte dat de
+Jordaan er van daverde. Die kuch was 'n jerichoosch trompetgeschal
+dat schetterend verkondigde: "de Kopperlith van déze buurt ben
+ik!" Jammer dat de ware bezitters van dezen roemruchtigen naam zich
+nooit verwaardigden hun voeten in die gemeene wyk te zetten. Want
+als eens onze Dieper in zoo'n huisbui van overmoedige handlichting
+den oudeheer had ontmoet, Of den jongeheer Pompile, of den jongeheer
+Eugène ... tot groot nadeel van den Jordaan, nu ja, maar ... dan had
+ik 'n natuurtooneel te beschryven gehad, en in deze hoofdstukken iets
+anders te schetsen dan één doorgaande nietigheid!
+
+Waarheid blyft echter, dat Wouter in zóó'n kring 'n paar van z'n
+"Lehrjahre" moest doorbrengen ...
+
+Fancy had gelyk!
+
+Hy moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan
+ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat schooners
+moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat grooters dan
+werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet toerusten met geheel
+àndere wapenen dan zwaard, lans en Edelsinn, om niet ondertegaan in
+den stryd tegen 't geboefte. Wouter moest zich leeren verdedigen tegen
+'t kleine.
+
+Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar
+te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in 't oog te houden
+... rein te blyven by aanraking met vuil ... buigend en bukkend niet
+te breken ... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als
+'n gebogen veêr ... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven
+... in één woord: steeds zichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen!
+
+
+
+Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele
+Wouter-geschiedenis:
+
+Een parelduiker vreest den modder niet.
+
+
+
+
+
+
+
+ Schetsen uit onwelriekende streken van zekere wereld beneden de
+ oppervlakte der zee, waarby men, o. a. "een man als U, m'nheer!" te
+ aanschouwen krygt. Ook de jongeheer Pompile blyft voortgaan zich
+ te vertoonen in al z'n geurige beminnelykheid van verstand en hart.
+
+
+De lezer herinnert zich den indruk dien pater Jansen's eenvoudige taal
+op Wouter gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk dááraan nu was z'n
+bevreemding over den aard der gesprekken op het kantoor. Doch ... er
+bestond verschil. Wel sprak ook pater Jansen geheel anders dan hy
+zich had voorgesteld, maar er blonk iets zoo liefelyk-goedaardigs
+in z'n onderhoud door, dat Wouter den moed niet had iets in hem
+aftekeuren. Al was onze leerling in menschenkennis en menschkunde
+nog niet ontwikkeld genoeg om intezien hoe hoog het waar-menschelyke
+boven het vals-goddelyke verheven is, toch zou in dit geval z'n
+smaak al zeer spoedig den weg hebben gewezen aan z'n oordeel. Om
+nu evenwel zelfs den braven Jansen niet meer te geven dan hem
+toekomt, moeten wy wel onthouden dat Wouter's kennismaking met dien
+eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van 'n boteram, terwyl het
+kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet de minste bykomende
+omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op de beoordeeling van 't
+verhandelde. Geen onzer is in-staat den oorsprong van z'n indrukken
+nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften
+dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel. De kennismaking
+met het stukje nieuwe wereld waarin Wouter aanving zich te bewegen,
+ging vergezeld van zulke onaangename byzaken, dat-i moeite zou gehad
+hebben de gesprekken die hy aanhoorde schoon of belangryk te vinden,
+al hadden de sprekers Bilderdyk's Floris gerepeteerd, of 'n preek
+opgezegd. In-plaats van de gulle ontvangst die hem was te-beurt
+gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich geplaagd door 'n onbevredigden
+eetlust die hand-over-hand toenam. Bovendien ... komaan, we zullen
+'t woord dat niet gaarne uit m'n pen vloeit, in den mond leggen van
+de sprekende personen-zelf, die niet te goed zyn voor 't platste:
+
+--Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg de
+oudeheer met roerende vertrouwelykheid.
+
+De plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging tenvolle
+waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand-
+en voetgrepen: pen in de gleuf van 't opgeslagen boek ... één stap
+achteruit ... de handen gewreven, en:
+
+--Ja, m'nheer, 't stinkt hier wel ... 'n beetje.
+
+Dat "beetje" was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om 't
+gelyk-geven aan m'nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in 'n
+vermetele aanranding der eer van m'nheer Kopperlith's kantoor. Zoo
+zeilt de wyze tusschen twee klippen door!
+
+--Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, 't stinkt hier heel erg. Dat komt
+van de grachten, niet waar, Dieper?
+
+--Zeker, jongeheer, 't komt van de grachten ...
+
+En, alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroon
+tevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze meening met de
+plechtige woorden:
+
+--Ik heb de intieme fiktie, m'nheer, dat het alleen van de grachten
+komt!
+
+--Ei? vroeg of zei m'nheer Kopperlith.
+
+--Ja, m'nheer! En ... 't is zoo'n ... modderlucht, vindt u niet?
+
+Dieper had zeer gerust de kwalifikatie 'n paar graden onfatsoenlyker
+kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de waarheid. Maar bégueule
+stiptheid in omschryving was minder z'n zaak, dan 't reinwasschen
+van m'nheer's kantoor van àl te onwelriekenden blaam. Op gelyke wys
+had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn in bescherming
+genomen door de schuld op de riolen te werpen, al geschiedde dit dan
+niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den nieuwen jongste-bediende
+een blyk van z'n scherpzinnigheid te geven. Misschien ook was 't
+Gerrit alleen om 'n praatje te doen, een bodem waarop veel onbekookte
+meeningen groeien. In-zoo-verre echter moet ik zoowel Dieper als
+den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide lokalen die thans in
+zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend zouden geworden zyn
+wanneer men ze had overgeplaatst naar 'n lusthof op den Hymettus. Maar
+in zoo'n lusthof lagen ze nu eenmaal niet.
+
+--Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer met bescheiden
+weifeling voor.
+
+--O né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! Ik zal u
+zeggen, papa ... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! Niet
+waar, Dieper?
+
+Dieper betastte z'n hoofd:
+
+--Zinkings, m'nheer! Allemaal zinkings!
+
+--En dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt er
+dadelyk zoo'n fameuze stank in van de binnenplaats, papa!
+
+Meer afdoende reden om "versche lucht" buiten te sluiten, zal wel
+nooit gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de zaak, en
+Pompile die gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken als
+bondgenoot--niets was hem ooit te gering!--en als middel om z'n doel
+te bereiken met de Pleiers en de Hockers en de Kruckers, bracht zeer
+handig het gesprek op iets anders.
+
+--De zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. Niet
+waar, Dieper?
+
+--Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m'nheer, een man als U, m'nheer,
+behoorde reeds lang buiten te wezen!
+
+Het glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet
+opgaan over de boozen en goeden van z'n kantoor was goud waard. Toch
+niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het tevoorschyn roepen
+zoo dikwyls hy verkoos met 'n allergoedkoopst: "een man als U,
+m'nheer!" Maar hy was te bekwaam in z'n specialiteit van perpetueel
+ondergeschikte, om de kitteling van z'n streelen aftestompen door
+overvoer. Meer dan tweemalen daags zeide hy 't niet. En gewis ook
+zóó veel keeren kon m'nheer Kopperlith het verdragen zonder op
+'t afgryselyk denkbeeld te komen dat z'n boekhouder hem voor den
+gek hield. Neen ... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar
+de man was 'n vriend van 't gemiddelde, een vyand van overdryving,
+matig, sober en ingetogen, tot in z'n flik-vlooiery toe. Bovendien,
+er was inderdaad geen element van bespotting in de hulde die hy vry
+periodiek neerlegde op 't altaar van de Kopperlithsche hoogheid. Z'n
+opblazen by 't betreden van de buurt die hyzelf bewoonde, had
+volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming die inderdaad de
+zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht betrad, waar
+'t zoo heel erg ... 'n beetje stonk. Hy huichelde evenmin als de
+bulhond die, wild en onhandelbaar onder z'n gelyken en by vreemden,
+zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z'n meester.
+
+Oppervlakkige ziel-ontleders denken gewoonlyk veel te spoedig aan
+huichelary, wanneer zy iemand ongelyk zien aan zichzelf. Juist deze
+ongelykheid is by zeer velen de strenge konsekwentie van allergewoonste
+karakterloosheid.
+
+Ook Dieper hield er 'n wezen op na, dat tienmaal in de week 'n
+fleemerig: "een man als U, m'nheer Dieper!" by hem plaatsen kon, en
+... op-straffe van ongenade, plaatsen moest. De majesteit waarmee de
+oude boekhouder in zyn huis om z'n sloffen riep, of 'n ketel saliemelk
+bestelde--zoo byzonder goed tegen de "zinkings"--was nauw verwant aan
+'t zelfde hondenkarakter dat hem zou hebben genoopt de pantoffels van
+"m'nheer" te kussen, wanneer dit blyk van rechtgeaarde boekhouwery
+mocht gevorderd worden.
+
+--Een man als U, m'nheer, moest al lang buiten wezen, niet waar,
+jongeheer?
+
+--Ja, papa. 't Saizoen gaat voorby, papa!
+
+--Dat is waar, Pompile. Maar ... als mama niet reizen kan ... wat
+zullen we 'r aan doen? Ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is,
+byzonder erg, Pompile!
+
+Dit had hy van "Gerrit" vernomen. De onnoozele lezer die nooit
+te logeeren werd gevraagd aan 't hof van Spanje, en dus niet
+ingewyd kan zyn in de verheven etikette van zoo'n Kopperlithsche
+huishouding, is misschien verwonderd dat 'n man bericht van den
+gezondheidstoestand zyner vrouw ontvangt door bemiddeling van den
+knecht. Men bedenke dat--op 'n kleine uitzondering na, die straks
+zal gemeld worden--slechts zeer weinige stervelingen toegang hadden
+tot de suite, waar "mevrouw" huisde, sliep, ziek was, at en dronk,
+enz. Daar was 'n "juffrouw" die haar gezelschap hield, en 'n kamenier
+voor 't aan- of uitkleeden, en 't optooien. Want ... opgetooid wèrd
+ze. Doch zie, deze beide mynslavinnen waren niet sterk genoeg om 't
+logge schepsel uit haar bed op den rolstoel te helpen, waarmee ze naar
+'t voorvenster van de "zykamer" moest gekruid worden. Jaren geleden
+reeds was er over deze zwarigheid 'n kantoor- en familieraad belegd,
+met den kanonieken uitslag dat de ook toen reeds niet jeugdige Gerrit
+zou worden beschouwd als geslachteloos, 'n vereerende onderscheiding
+die hem 't recht van toegang tot den harem verschafte. Men bedenke
+dat het er donker was, en de sultane sedert lang grootmoeder. Deze
+regeling omtrent Gerrit voldeed te-meer aan den eisch, omdat zy
+samenviel met de voortdurende noodzakelykheid om hem met boodschappen
+te belasten. Gedurende Wouter's wittebroodsweken pynigde hem telkens
+z'n wanbegrip, wanneer een der meiden of de kamenier Gerrit kwamen
+zoeken met de onheldere toelichting: "'t is, weetje, om mevrouw
+te kruien ... ze wil eruit" of: "ze wil er in." Ook begreep-i niet
+volkomen wat er bedoeld werd met den roep: "Gerrit, mevrouw's boeken
+ruilen!" Maar dit alles helderde zich weldra op. Dat eeuwige boeken
+ruilen stond in verband met haar verveling. Ze was geabonneerd in drie
+leesbibliotheken te-gelyk, en verslond al wat daarin fransch was. Dat
+er noch door haar, noch door wien ook van de andere familieleden ooit
+'n penning besteed werd om 'n boek te koopen, spreekt vanzelf. Van
+'n bibliotheek was geen spoor in den huize Kopperlith! De "heeren"
+meenden dat zoo-iets behoorde by geleerdheid, 'n eigenschap waarvoor
+zy allerfatsoenlykst den neus optrokken.
+
+Wat overigens die geheimzinnige suite-kamer aangaat, het is te
+veronderstellen dat ze weleens bezocht werd door Pompile en Eugène
+ook, wanneer deze jongeheeren hun: "broodje gingen eten by mama"
+maar overigens waagde zich daarin vóór het uur van 't middagmaal,
+geen schepsel. Dan namelyk, maar ook dan eerst, kon de oudeheer
+z'n huwelyksgeluk 'n uurtje te zien krygen. Z'n vurige drift om
+vóór dat oogenblik iets te vernemen van de wyze waarop zy den
+nacht had doorgebracht, kon alleen door Gerrit bevredigd worden,
+en deze ontleende alweer aan deze byzonderheid zeker gewicht, dat hy
+zeer handig wist op de schaal te leggen in z'n eeuwigen gezagstryd
+met: "die Wullekes!" De manier waarop hy 't aanlei om z'n welkome
+voorwendsels tot dienstweigering toetepassen, is niet moeielyk te
+raden. Zoodra de wyze kantoorheer iets gelastte dat den kantoor- en
+huislooper niet aanstond, moest deze juist "boekenruilen voor mevrouw"
+'n ultima ratio die Wilkens niet dan schoorvoetend aandurfde. En,
+als: "mevrouw straks misschien zou moeten gekrooie worden" verzonk
+de autoriteit van den gehaten onder-chef in 't peilloos Niet, juist
+waar Gerrit ze gaarne zag om ze op z'n gemak uit het oog te verliezen.
+
+--Zieje, Pompile, als mama zoo erg is, zoo heel erg.., wat zullen we
+doen? Ik kan toch niet in m'n eentje naar Groenenhuize! Wat zeg jy,
+Dieper? Ik zou me daar vervelen, denk je niet?
+
+--Zeker, m'nheer, ik ben zeker dat m'nheer zich daar vervelen
+zou. M'nheer zou daar zoo ... heelemaal alleen zyn, niet waar?
+
+--Nu ja, papa, dat's waar, maar ... 't saizoen gaat voorby. Ik kan u
+verzekeren, papa, dat er geen enkele fatsoenlyke familie meer in de
+stad is, wat je noemt: 'n fatsoenlyke familie! Wat zeg jy, Dieper?
+
+--Zeker, jongeheer, er is geen enkele fatsoenlyke familie meer in
+de stad, dàt is waar.
+
+--Ziet u, papa? En als mama niet zeer spoedig resolveert ... zal ze nog
+veel zieker worden. Dat heeft de dokter ook gezegd, niet waar, Dieper?
+
+Hm! Wat zou de boekhouder zeggen? Hy kon toch in-gemoede de
+meening niet bevestigen van 'n dokter dien-i nooit had te zien of
+te spreken gekregen? En ook de vreeselyke ziekte van mevrouw was
+aan de "heeren van 't kantoor" slechts zeer schemerachtig bekend,
+want de half-vertrouwelyke ontboezemingen van Gerrit weken weleens
+'n beetje van z'n officieele berichten af, 'n byzonderheid die
+oplettende hoorders en lezers ook nu-en-dan in andere kringen kunnen
+waarnemen. Ook de betrekkelyke duisternis der onwetendheid omtrent
+mevrouw's zeer voorname kwalen zou in diepen nacht zyn overgegaan,
+wanneer men by die heeren gevorscht had naar bekendheid met de
+mevrouw-zelf. Zy was in hun oog de zeer letterlyk-etymologische
+uitdrukking van 't solemneele: men zag haar éénmaal 's jaars, op
+den eersten Januari. Op dien dag namelyk werden Dieper, Wilkens,
+en later ook Wouter, door een der ad hoc gekommitteerde jongeheeren
+plechtstatig door de bovengang in de suite geleid, waar ze dan konden
+wachten totdat mevrouw door haar gezelschapsjuffer het sein liet geven
+dat "de heeren" mochten binnentreden in de eeuwige zykamer. Schryvers
+van middelmatige konscientie zouden allicht uitstrooien dat ze daar
+werden toegelaten tot den handkus, maar wie eerbied voor waarheid
+heeft, zal ten-allen-tyde verzekeren dat de plechtigheid niet zóó
+ver ging. Dieper wenschte by deze gelegenheid: "ook namens de andere
+heeren, aan mevrouw ... des Hemels besten zegen, en ... bestendig
+welzyn." Ze was er mee tevreden, en zei dat ze 't vandaag zoo
+byzonder erg "op" haar zenuwen had, en dat het zeker van 't weer
+kwam. Nadat dit door Dieper beaamd was--met 'n buiging, want z'n
+welsprekendheid was òp--kon men de zaak als afgeloopen beschouwen. De
+gezelschapsjuffer opende een der dubbeldeuren van de suite, en de
+"heeren" verlieten ruggelings de "zykamer van mevrouw." Dieper was
+dan gewoonlyk zeer warm, en kon niet altyd de schuld hiervan op 't
+weer schuiven, want het vroor soms. En ook lag de oorzaak van die
+hitte niet in de vermoeienis van de reis die zoo byzonder ver niet
+was, en maar weinig inspanning vorderde. De plechtige exodus nam op
+'t kantoor 'n begin ... linksom, vyf treden in de ondergang ... de
+keuken voorby, waar de meiden stonden te lachen en te ginnegappen,
+vooral om 't malle gezicht van m'nheer Wilkens, daarop volgde een
+donker slakhuisvormig trapjen, en twaalf korte schreden tot aan
+de deur van de suite ... neen, neen, uit vermoeienis van de marsch
+ontstond Dieper's verhitting niet! Doch al ware dit anders, ik vraag
+of zoo'n kennismaking voldoende is om iemand instaat te stellen tot
+beoordeeling van de vraag of "mevrouw nog zieker worden zou ais ze
+niet spoedig naar buiten ging?" En tevens: of men uit zoo'n bezoek op
+nieuwjaarsdag--en in die hitte nogal--voldoende gegevens putten kan om
+te berekenen hoe de dokter mevrouw's toestand zou beoordeelen in 't
+hartje van den komkommertyd? Maar de jongeheer Pompile had nu eenmaal
+Dieper's getuigenis ingeroepen. Des boekhouders naastbyliggende
+plicht schreef dus voor, een "intieme fiktie" by-de-hand te hebben,
+die den jongeheer kon dienen by z'n plannetjes, en dus:
+
+--Ja, ja, m'nheer, 't is zeker goed voor mevrouw, dat ze spoedig naar
+Groenenhuize vertrekt, want ziet u--o, prachtsprong over 't onbekend
+gezegde van den onbekenden dokter!--'t is zeker goed voor mevrouw,
+anders ... gaat de tyd van jonge doppertjes voorby!
+
+--Ziet u, papa? Dàt is juist wat ik altyd zeg. Mama moet absoluut
+naar buiten! 't Is voor mama niet langer in de stad uittehouden,
+niet waar, Dieper?
+
+--Juist, jongeheer! M'nheer, het is voor mevrouw in de stad niet
+langer uittehouden!
+
+--Voor niemand, papa!
+
+--Zeker, m'nheer, voor niemand!
+
+En hyzelf dan? En al z'n lotgenooten?
+
+--'t Water in de grachten ziet paars van den stank, papa! Niet Dieper?
+
+Ook dit beaamde de getuige, en ditmaal met grondige reden van
+wetenschap. Want hyzelf woonde in den Jordaan, waar de opgezamelde
+meststof zich niet onbetuigd liet in dartele kleurspeling op 't
+water. 't Was juist 'n buurt om nieuwe verfstoffen uittevinden.
+
+--Maar ... Pompile, hoe krygen wy in-godsnaam mama de stoep af? Dat
+is de vraag!
+
+--Juist, papa, dàt is het! Dàt's de zaak! Ik heb er Flip over
+gesproken, Flip den kruier, papa!
+
+--Hè?
+
+--Ja, papa, den kruier! Met hun drieën zien ze geen kans mama de
+stoep aftedragen ...
+
+--In 'n fauteuil, Pompile!
+
+--Juist, papa, in 'n fauteuil! Weet u wat ze zeggen? Ze zeggen: 't
+handt niet, omdat de trap van de stoep wat smal is, papa! En ze zouden
+mama laten vallen, papa! U moet begrypen, papa, 't is lomp volk, papa!
+
+--Maar ... hoe dan?
+
+--Flip zei: als we mevrouw in 'n flinken leuningstoel hadden--fauteuils
+kent zoo'n man niet, papa!--en dan 'n strop er om--om den fauteuil,
+papa!--en dan ... maar toen zei ik: met veel kussens, papa, weet u,
+met héél veel kussens, dan zouden we ...
+
+Eugène trad binnen. Blykbaar was hy door z'n vader op kondschap
+gezonden, of er iets met de oude koppige dame te bereiken zou zyn. Doch
+ook hy bracht geen bevredigend antwoord mee.
+
+--En jy, Pompile, wat had jy dan bedacht?
+
+--Wel, papa, 'n fauteuil ... en mama daarin, met veel kussens, en dan
+'n strop er om ... om den fauteuil, Eugène! En dan ... 't venster
+open--Flip zei, 't kon best, maar ik zeg met veel kussens, weet u,
+papa?--en dan ...
+
+--Ben je mal, Pompile, wou jyzelf nu mama 't venster uithyschen? En
+zoo-even zei je ...
+
+--O neen, Eugène, zoo meende Flip. Maar ik zeg: met veel kussens,
+weetje? Maar ... die kruiers zyn lompe menschen, en ... ze rekenen
+hoog. Al wat boven 'n dubbeltjes-boodschap gaat ... berekenen ze
+vreeselyk hoog, papa! 't Weekbriefje--vooral als Gerrit styf van
+rhumatiek is, papa!--o, dan is 't weekbriefje ... fameus, papa! En
+daarom had ik gedacht--omdat we nu 'n jongstebediende hebben,
+ook--nu dacht ik ... kyk, papa, we kunnen voor mama die kruiers best
+missen. U weet misschien dat Gerrit weer styf van rhumatiek is? Nu,
+dat's hetzelfde ... maar Dieper heeft telkens briefjes te inkasseeren
+... morgen 'n smerig papiertje, niet waar, Dieper?
+
+--Ja, jongeheer! Morgen 'n smerig papiertjen in den Jodenhoek, m'nheer,
+heel smerig!
+
+--Maar, Pompile, wat wou je dan met mama?
+
+--Met veel kussens, papa! Dan wou ik vragen of Wilkens zoo goed
+zou willen zyn--niet waar, Wilkens?--met dat jongemensch daar, aan
+'t windas te gaan. Ziet u, papa, dan konden wy die kruiers missen
+... lomp volk! Maar ... met veel kussens, dit begrypt uzelf wel,
+papa! En, ziet u, papa, Eugène en ik, wy zouden ... beneden staan,
+en ... er goed naar kyken, papa!
+
+Eugène bromde. Maar 't was karakteristiek dat niemand lachte by
+Pompile's voorstel om--niet zonder terugzicht op zuinigheid--z'n moeder
+'t venster uittehyschen aan 'n strop ... om den fauteuil.
+
+--De buren!
+
+--Juist, Eugène, de buren! Precies wat ik zeg! En daarom ... als we
+mama konden bewegen ... 's morgens vroeg ...
+
+By noorderzon alzoo! Wouter wist nog niet wat 'n windas was, en
+dacht zich suf over de rol die hy zou te spelen hebben. Hy voelde
+reeds angst by de bedenking of-i wel in-staat wezen zou by die
+gelegenheid z'n naastbyliggenden plicht te vervullen. 't Was hem 'n
+kleine verademing dat Pompile's voorstel nog altyd niet gaaf werd
+aangenomen. Men scheen te betwyfelen of "mama" genoegen nemen zou
+met de vreemde lokomotie. De oudeheer klaagde dat zy zéker weigeren
+zou als ze hèm verdacht van de uitvinding.
+
+Hy iets uitvinden!
+
+--Wel, papa ... u kan zeggen dat Flip de kruier het verzonnen
+heeft. Dat kan u best zeggen, papa!
+
+--Hm ... ja ... als nu by-voorbeeld de juffrouw dat aan mama
+verzekerde?
+
+--Dat zou zeker 't allerbeste wezen, papa. Maar ... ik geloof dat wy
+op die juffrouw niet best kunnen rekenen, papa! Weet u wat ze doet,
+papa? Ze stookt!
+
+--Zou je dat denken, Pompile?
+
+--Ja, papa! Want, ziet u, anders had ze 'r al lang op aangedrongen
+dat mama naar buiten ging, wat zeg jy, Dieper?
+
+--Zeker, jongeheer, zeker! Anders had ze 'r al lang op aangedrongen.
+
+--Die nieuwe juffrouw is 'n gekkin, bromde Eugène.
+
+--Mama is zeer met 'r tevreden, zei de oudeheer. Ze is zoo erg
+fatsoenlyk, zegt mama, zoo heel erg fatsoenlyk. En ... haar papa was
+prokureur, Eugène!
+
+--Ze heeft kale plekken op 't hoofd.
+
+--Wel, wel, Eugène!
+
+--Dat kan my nu niet schelen, zei Pompile, als ze mama maar wou
+overhalen om naar Groenenhuize te gaan, papa!
+
+--Waar is Gerrit? vroeg de oudeheer.
+
+--Styf van 't rhumatiek, papa! En morgen heeft Dieper 'n smerig
+papiertje, niet waar, Dieper?
+
+--Nu ja, maar als Gerrit nu eens--zonder dat het van ons kwam, begryp
+je?--aan de juffrouw vertelde dat de kruier gezegd had ... want zieje,
+Pompile, als ik alleen ga, dan verveel ik me zoo! En ... hoe met de
+keuken? Ik kan toch niet te Haarlem in 'n restauratie gaan eten, als
+'n kantoorbediende! Wat zeg jy, Dieper?
+
+--Zeker niet, m'nheer! Een man als U kan niet in 'n restauratie gaan
+eten. Zeker niet!
+
+Diezelfde "man als U" kon wel de hulp inroepen van den kruier,
+en van den knecht, en van de gezelschapsjuffrouw, om z'n vrouw te
+bewegen tot iets dat ze hardnekkig nalaten zou zoolang ze meende dat
+hy er op gesteld was! En al die naaktheid mocht Wouter te aanschouwen
+krygen! Geen van de sprekers kwam op het denkbeeld dat ze zich voor
+dien jongen kantoorbediende vertoonden in 'n zonderling licht. Men
+ziet het, ook 't gemeene heeft z'n naïveteit.
+
+Om overigens den belangstellenden lezer, die zich zeker al ongerust
+maakt over den gezondheidstoestand van die "mevrouw in de zykamer"
+wat moed intespreken, beroep ik me hier op zeker getuigenis van Gerrit,
+die eenmaal aan Wouter deze vertrouwelyke mededeeling deed:
+
+--Je kunt me gelooven--ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk borssie--zy
+... eet te veel, en ze-n-is koppig en sagrineus: dàt is het! Haar
+heele ziekte ... komaan, ik zal 't je maar op z'n rond-hollandsch
+zeggen, is wind en 'n engelsche notting! Maar zy ... eet te veel. Zy
+... eet den godganschelyken dag, dàt is het! Als ik haar dokter was,
+kreeg ze niets dan één roggebroodjen in de week, en verder pomp-water
+... anders niets, wat ik je zeg!
+
+
+
+
+
+
+
+ De auteur kruipt tot in de nauwste gaatjes de hoogheid na, van
+ 'n "man als u, m'nheer!"
+
+
+De oudeheer die tot-nog-toe had staan leunen tegen Dieper's lessenaar,
+begon zich te vervelen. Of liever, hy kreeg lust de verveling die
+hem kwelde en waarmee hy gewoon was ieder te plagen die met hem in
+aanraking kwam, te doen veranderen van soort. By Dieper had de man
+'n halfuurtje links geleund ... hy wou nu eens rechts leunen. Zoo
+wentelt zich de luiaard in z'n bed om, like a door on its hinges, gelyk
+Shakespeare, meen ik, ergens zegt. Maar onze emeritus-leeglooper had
+nog andere redenen dan zoo'n deur, om zich eens omtekeeren. Het nieuwe
+kantoorbediendetje, hoe jong en onbeduidend ook, moest doordrongen
+worden van 't besef der hoogheid van m'nheer Kopperlith. Hy naderde
+alzoo sloffend den hoek, waar de hongerige Wouter nog altyd bezig-was
+zich door 't overschryven van Leon's epistel, bekwaam te maken voor
+den "handel."
+
+--En, mannetje, hoe gaat het nu eigenlyk met jou? Met je werk? Schryf
+je wel netjes? Neen, neen, blyf maar zitten, blyf gerust zitten! Ik
+kom maar even kyken of je netjes schryft, weetje? En ... klein,
+heel klein, om de port. Want, mannetje ... die brief gaat naar Rome.
+
+'t Werd voor Wouter waarlyk tyd dat-i eens opkeek. Hy zou flauw-
+of in-slaap gevallen zyn. Het woord Rome maakte hem eenigszins
+wakker. Hy had iets geschreven dat heel naar Rome gaan zou, hy! God
+weet welke Paus zyn schrift onder de oogen krygen zou! En zelfs
+... welke roover! En de stad-zelf! De stad van Caesar, van Romulus
+en Remus, van Numa Pomp ... 't is waar ook, waarom heette z'n hoogste
+onderpatroon: Pompilius? [15]
+
+--Ja, mannetje, naar Rome! Dat dacht je niet, hè?
+
+--N...e...e...n, m'nheer!
+
+--Hi, hi, hi, naar Rome! Hoorje wel, Pompile, hy dacht niet dat die
+brief heel naar Rome ging! Ja, mannetje, zóó is het toch! Die brief
+gaat--daarom moet je netjes schryven--naar m'n zoon, den jongeheer
+Flodoard die te ... Rome-n-is! Wat zeg ie dáárvan?
+
+Wat zou Wouter zeggen? Ik weet het waarachtig niet. En hy-zelf wist het
+ook niet. Dit bezwaarde hem. Zou er ook misschien 'n naastbyliggende
+plicht verzuimd worden als-i zweeg? De oudeheer genoot van z'n
+hakkelen. Hy had z'n doel bereikt: het jonge-mensch was vernietigd. En
+nog zyn er onverlaten die uitstrooien dat Hollanders "van fortuin"
+zich niet weten te amuzeeren!
+
+--M'n zoon--de jongeheer Flodoard, weetje?--is daar ...
+
+Hier stuitte de kinderachtige bluffer. Het denkbeeld kwam in hem
+op, dat misschien die domme burgerjongen niet op de ware hoogte
+stond om te beseffen wat 'n schilder was. En deze vrees was niet
+ongegrond. Juffrouw Pieterse-zelf zou dit maatschappelyk standpunt
+niet byzonder hoog gevonden hebben: 'n schilder!
+
+--Hy is ... fynschilder, weetje? Zeg, Pompile, je moet hem Mozes by
+'t Doornbosch eens laten zien ...
+
+--In de hoes, papa!
+
+--Ah, ja, in de hoes! Anders, weetje, dan kan je-n-op de zaal--vlak
+boven--Mozes by 't Doornbosch zien ... als-i eens niet in de hoes
+zit. Dat heeft m'n zoon, de jongeheer Flodoard-zelf geschilderd,
+heelemaal zelf. Wat zeg je dààrvan? En nu is hy te ... Rome om zich
+te oefenen in de Kunst, in 't fyne, weetje, heel in 't fyne van de
+Kunst. Want ... dit begrypje toch ook wel, niet waar, er is schilder
+en schilder! Je moet niet denken dat de jongeheer Flodoard schilderyen
+maakt voor z'n brood. Volstrekt niet, in 't geheel niet! Je begrypt
+immers 't verschil wel, zeg?
+
+Die arme knoop! Wouter zette 'n gezicht alsof-i volkomen bereid was
+alles te begrypen wat men hem vertellen zou.
+
+--Om z'n brood ... hi, hi, hi, 't lykt er niets naar! Gut, Pompile,
+begryp eens, er zouden menschen zyn die dachten dat Flodoard schilderde
+... hi, hi, hi ... om z'n brood!
+
+--Ja, papa!
+
+--Neen, mannetje, ik zal je heel wat anders zeggen ... heel wat
+anders! De jongeheer Flodoard schildert ... voor z'n pleizier, en
+... voor de Kunst. Wat zeg je dáárvan?
+
+Wouter bleef stom van verbazing. Heel goed!
+
+--Voor de Kunst, mannetje! Denk je dat-i wat krygt voor z'n
+schilderyen? Zeg, Pompile, je moet 'm toch Mozes by 't Doornbosch
+eens laten zien ...
+
+--Ja, papa!
+
+--Zieje, mannetje, dat heeft-i zelf geschilderd, en hy krygt er niets
+voor. En 't hangt op de zaal--vlak, vlak hierboven, weetje?--en je
+mag 't zien, als de hoes er af is, want ... nu is er 'n hoes over,
+omdat mevrouw naar buiten gaat, naar myn Buiten ... Groenenhuize heet
+het. En daar mag je-n-ook wel eens komen, want ... daar hangen ook
+schilderyen van den jongeheer Flodoard ... dàt zal je zelf zien! Dacht
+jy dat-i er iets voor kreeg?
+
+--N...e...e...n, m'nheer, o neen!
+
+--Zoo? Ik dacht dat je dat dacht. Maar zieje, 't is juist andersom. De
+jongeheer Flodoard verteert veel geld te Rome, heel veel geld! Zeg
+eens, hoeveel geld denk jy wel dat de jongeheer Flodoard te Rome
+verteert? Komaan, raad eens!
+
+Och, daarvan stond weer niets in Strabbe! Onze Wouter voelde zich in
+pynlyke verlegenheid. De oude dwaas scheen op antwoord te wachten:
+
+--Ja, ja, raad eens! Je mag gerust eens raden!
+
+--Hon...derd... gulden, m'nheer?
+
+--Hi, hi, hi ... hoorje dat, Pompile? Hoor je 't Eugène? Heb je
+'t gehoord, Dieper? Honderd gulden! Help me onthouden, Eugène,
+dat ik die aan mama vertel! Honderd gulden? Honderd gulden? Wil ik
+je-n-eens wat zeggen, mannetje? Honderd gulden ... ja! In de maand,
+weetje? Honderd gulden in de maand ... wat zeg je dáárvan?
+
+--Hè, m'nheer!
+
+--In... de... maand!
+
+--Hè!
+
+--In... de... maand! Hon...dèrd... gul... den... in... de... máánd!
+
+Wouter zweette.
+
+--Ja, al dat geld verteert hy te Rome. En dat haalt-i ... zeg eens,
+by wien denk je dat-i al dat geld haalt?
+
+--By... den...
+
+--Nu, zeg maar op. Spreek gerust uit. Waar denk jy nu wel dat de
+jongeheer Flodoard al dat geld haalt?
+
+--By den ... Paus, m'nheer?
+
+Was 't niet jammer dat er niet mocht gelachen worden op 't kantoor van
+m'nheer Kopperlith? Wat Wouter aangaat, hy was ditmaal inderdaad iets
+minder onnoozel dan-i scheen. Dat wereldsche hoogheid hem altyd door 't
+hoofd speelde, was waar. En dat hy, eens zich verplaatsende naar Rome,
+aan weinig anders dan pausen en roovers dacht, is ook waar. Toch kwam
+z'n malle gissing niet hoofdzakelyk hieruit voort. Z'n onverbiddelyke
+partner eischte antwoord. Dit antwoord moest den indruk uitwisschen,
+dien z'n onfatsoenlyk-lage-taxatie van Flodoard's vertering gemaakt
+had. Om nu zeker te zyn dat-i deze keer niet zoo héél ver beneden 't
+peil zou blyven van de ontzettende hoogheid die men hem te bewonderen
+gaf, wist-i niet beter dan 't voornaamste te noemen dat hem te Rome
+bekend was. Het was hem zeer goed bewust dat-i mis-raadde. Maar om den
+oudeheer tevreden te stellen ... och, hy vervulde z'n naastbyliggend
+plichtje! En zie ... hy greep minder ver mis, dan de lezer denkt. Al
+moest dan de heer Kopperlith ootmoedig erkennen dat-i nog altyd onder
+z'n bankiers geen gekroond hoofd had, toch, toch ...
+
+--De Paus? Neen, mannetje, niet de Paus. De jongeheer Flodoard
+ontvangt alle maanden honderd gulden op 't kantoor van een ... van
+wien, denk je? Ik zal 't je maar zeggen: van 'n ... prins! Niet waar,
+Dieper! Ja, ja, mannetje, m'nheer Dieper kan je de wissels laten
+zien--want die worden op myn kantoor door m'nheer Dieper betaald,
+weetje?--de wissels van prins Torlonia! Wat zeg je daarvan! Je ziet
+dus wel dat de jongeheer Flodoard niet hoeft te schilderen voor z'n
+brood? Hy moet volstrekt Mozes in 't Doornbosch eens zien, Pompile,
+maar ... alles is nu op de zaal in de hoezen, weetje, anders bederft
+het satyn van de stoelen--want er zyn stoelen met satynen zittingen
+op de zaal--en 't verguldsel van de spiegels, weetje, omdat mevrouw
+naar-buiten gaat, naar Groenenhuize--want zoo heet eigenlyk m'n
+Buiten--en ik ook ... ik meen dat ik ook naar-buiten ga. Ben jy wel
+eens buiten geweest, mannetje, zeg?
+
+--J...a...wel, m'nheer!
+
+Dit antwoord viel den gek tegen. 't Was dan ook wel 'n beetjen
+onvoorzichtig van Wouter zoo plomp op de ydelheid te trappen van
+iemand die duidelyk te kennen gaf dat-i het buiten-zyn voor z'n
+privatief domein houden wilde.
+
+--Jy ... weleens ... buiten geweest? En wáár dan, mannetje?
+
+--Op den Singel, m'nheer, buiten de Aschpoort.
+
+Alweer zou hier 'n algemeen schaterend gelach zyn opgegaan, indien
+er door iemand anders dan den oudeheer zelf mocht gelachen worden
+op 't kantoor. Deze oefende in z'n eentje zoo goed mogelyk de
+funktien van koor uit. Dieper legde z'n pen neer. Wilkens fronsde
+'t voorhoofd. Pompile meesmuilde. En zelfs 't officieel gelaat van
+Eugène vertrok zich byna in 'n plooi.
+
+--Hi, hi, hi, buiten de Aschpoort! Maar, jongen... maar,
+kereltje... maar, ventje... dat is niet buiten, mannetje! Gut, Pompile,
+wat toch zulke burgerlyke menschen rare ideën hebben!
+
+--O ja, papa!
+
+Weer verkneuterde zich de oude dwaas van pleizier over Wouter's
+domheid, en de knoop van z'n jasje moest het ontgelden.
+
+--Buiten is... wat je noemt: buiten, heelemaal buiten, weetje?
+
+Of Wouter 't nu wist, zullen we daar-laten. Hy kromp verlegen in
+elkaer.
+
+--O ja, m'nheer! Zeker, m'nheer! Ik wist niet wat m'nheer bedoelde...
+
+--Juist! Hi, hi, hi... hy wist niet wat "buiten" was. Nu,
+nu, ik neem 't je niet kwalyk, wees maar gerust! Buiten-zyn
+is... 's-zomers buiten-zyn, weetje? Dat is... 'n Buitenplaats
+hebben, begrypje? Nu... ik heb 'n Buitenplaats... by Haarlem in
+den Hout... och, Eugène, hy weet zeker niet wat "den Hout" is. Zeg,
+weet je wel?
+
+--N...e...e...n, m'nheer!
+
+Wouter jokte. Hy wist zeer goed wat "den Hout" was. Dit stond immers
+in z'n geografieboekje? En... Laurens Coster dan, met z'n vermoeiende
+uitvinding! Welke Hollander zou "den Hout" niet kennen? Of nu onze
+kleine bediende zich zoo onnoozel hield om z'n kinderachtigen patroon
+den vollen triumf van z'n uitlegging te laten, weet ik niet. Misschien
+zeid-i maar neen, uit verlegenheid, want de graagte waarmee men
+z'n domheid van zoo-even als iets vermakelyks had aangegrepen, had
+hem zéér gedaan. Hy was beschaamd alsof men hem op diefstal betrapt
+had... neen, erger!
+
+--Ja ja, ik heb 'n Buiten in den Hout, vlak by de "Logementen"... zeg,
+Pompile, hy mag van den zomer weleens komen kyken op Groenenhuize,
+niet waar?
+
+--O ja, papa!
+
+--Zieje, dan kan-i op 'n zondagmorgen met de eerste schuit...
+
+--Vier stuivers, papa!
+
+--Ja, vier stuivers. En 's avends terug, dat 's acht,
+niet waar? En... 'n dubbeltje voor den man die hem den weg
+wyst. Anders... je hoeft maar te vragen naar 't Buiten van m'nheer
+Kopperlith, in den Hout, vlak by de "Logementen" zieje, 't is dus
+heel makkelyk te vinden. En je hoeft maar te zeggen: 't Buiten van
+m'nheer Kopperlith, want... zieje, mannetje, van den zomer mag jy
+heel goed eens buiten komen... omdat ikzelf 'n eigen Buiten heb,
+weetje, 'n wezenlyk Buiten... dàt zal je zien. 't Is vlak by de
+"Logementen"... in den Hout, weetje? In den Haarlemmer Hout! Hi, hi,
+hi, by de Aschpoort! Eugène, help me-n-onthouden dat ik die aan mama
+vertel, van middag aan tafel, weetje!
+
+Na nog eenige praatjes van gelyken aard, verloste eindelyk de oudeheer
+'t kantoor van z'n tegenwoordigheid. Wouter leed meer dan iemand gissen
+kon, en wanneer hem op dit oogenblik de keus gegeven was tusschen 't
+bestormen van 'n turksche vesting, of 't òpzien... hy had het eerste
+gekozen. Schaamte is altyd pynlyk, maar de valsche! En dan op een
+zoo onbekend terrein! Nooit, nooit, nooit had hy kunnen gissen dat de
+"handel" zoo'n moeilyke zaak was.
+
+
+
+
+
+
+
+ Vita longa, ars brevis. Plebejervreugd over "gekochte
+ kost." Dekadentie van Herkulanum en Pompeji. Wouter's verdriet
+ over z'n snel begrip. Parafraze van Gerrit op Talleyrand's "pas
+ de zèle!"
+
+
+Toen Wouter eindelyk met z'n afschriften gereed was, begon Wilkens
+hem toetespreken op 'n toon en in bewoordingen die niet volstrekt
+misplaatst zouden geweest zyn by 'n inwyding in de Eleuzinische
+geheimenissen, en den adept dan ook niet weinig angstig maakten. De
+mysterie kwam evenwel ditmaal neder op iets wat geen byzondere
+illuminatie van den geest vereischte of te-weeg bracht. Wouter
+kreeg 'n groot aantal gekleurde katoenen lappen, die hy netjes
+moest afknippen naar 'n opgegeven maat en daarna op karton plakken,
+'n bezigheid waarvan-i zich beter kweet dan m'nheer Wilkens erkennen
+wilde. De man was niet gewoon iets goedtekeuren dat niet de eer had
+uitgegaan te zyn van hemzelf.
+
+--En, Wilkens, nu moest je-n-eens zoo goed zyn hem in den kelder
+te brengen, zei Pompile, die nogeens onder vier oogen by Dieper wou
+aandringen op 't klagen over Gerrit's hardnekkig-styve rhumatiek.
+
+Wouter werd weggeleid naar de onderzeesche bewaarplaats van allerlei
+heerlyke zaken. Hier kreeg-i de stapeltjes lynwaad van-naby tezien,
+waarvan hy reeds de voorsten had waargenomen toen hy dien ochtend zoo
+geduldig stond te wachten buiten de glasdeur. Wilkens onderrichtte
+hem met 'n pedanterie die moeielyk te beschryven is, omdat gelaat,
+houding, stembuiging, jazelfs 't heen-en-weer schuiven van z'n bril,
+daarby zóó groote rol speelden dat Wouter zich alweer zeer bezwaard
+voelde onder 't gewicht van den nieuwen kursus.
+
+--Dit is... de kelder. Doch ik zou je maar raden Magazyn te
+zeggen, want 'n jong-mensch moet altyd... bescheiden zyn in z'n
+uitdrukkingen. Voor jonge-lieden is bescheidenheid 'n hoofdzaak,
+en dus... magazyn!
+
+--Magazyn, stamelde Wouter.
+
+--Juist! Ma...ga...zyn! Zóó is het! Alle deze goederen
+zyn... koopmansgoederen, en alles ligt--gelyk je ziet--op plankjes. Dit
+doe ik aldus... om de vochtigheid, want... de vloer is vochtig. Let
+daar wel op, en geef acht dat je nooit 'n stuk op den vloer
+legt... nooit ofte nimmer!
+
+--Dat zal ik nooit doen, m'nheer!
+
+--Zeer wel! Maar de goederen die op deze tafels liggen... leg ik niet
+op plankjes, gelyk je ziet. Want... ze liggen op tafels. Dit begryp
+je-n-immers wel?
+
+--O ja, m'nheer!
+
+--Juist! Al deze goederen ontvang ik uit Engeland, namelyk uit
+Manchester. Kan je dit onthouden?
+
+--Uit Manchester, in... Engeland, m'nheer!
+
+--Precies! Ze zyn els-breedte, en meten acht-en-twintig yards. Nu
+moet je weten hoe lang een yard is. Onthoud dit wel: drie yards zyn
+vier ellen. Onthoud dit goed! Indien je een behoorlyk zakboekje hadt,
+zou je 't kunnen opschryven. Een jong-mensch moet altyd trachten iets
+te leeren. Drie yards maken vier ellen, dit moet je goed onthouden.
+
+Wouter knikte zoo hard hy kon dat-i altyd z'n best zou doen alles
+goed te onthouden. Het diepzinnig onderricht werd voortgezet.
+
+--De vyf-kwarts katoenen, anders gezegd: de katoenen van vyf-kwart-el
+breed, voor-zoo-ver ik die laat komen uit Manchester, zyn slechts
+vier-en-twintig yards lang. Dit maakt dus 'n verschil. En de
+zwitsersche katoenen, die ik laat komen uit Mühlhausen in den Elsas...
+
+Hier had-i byna gezegd "een groot land, waarvan myn schoonzoon konsul
+is." Maar hy bedacht zich:
+
+...in den Elsas alzoo. Nu--let wel op!--die stukken hebben geen vaste
+maat. De maat staat er op, gelyk je ziet, niet waar? Zoo'n papiertje
+draagt de benaming van: etiket... e...ti...ket! Onthoud dit wel! En
+het cyfer dat daarop genoteerd staat, beteekent wat men noemt:
+aunes. De lengte van het stuk in... aunes. Kan je dit onthouden?
+
+--Aunes, m'nheer!
+
+--Zeer wel! Aunes of fransche ellen, want... 'n fransche el noemt
+men: aune. Elf van die aunes maken zestien ellen. Ook dit moet je
+trachten te onthouden. Wie zich bekwaam wil maken voor den handel,
+moet... alles onthouden. Je begrypt dit toch wel?
+
+--Ja, m'nheer!
+
+--Anders moet je 't opschrijven. En hier in den hoek hangen eenige
+vegers... je ziet ze wel?
+
+--Ja! m'nheer!
+
+--Daarmee... veeg je. Je veegt er de goederen mee... als er stof op
+ligt. Er is hier in den kelder--zeg jy maar altyd magazyn--altyd iets
+te doen, vooral voor 'n jong mensch die wat leeren moet. Zie... zóó
+veeg je!
+
+En de leeraar streek met 'n stoffer 'n paar maal over 'n stapeltje om
+Wouter goed te toonen hoe die bezigheid behoorde verricht te worden. Ik
+kan verzekeren dat de les terstond begrepen werd, en dat de leerling
+nu op-eens "den handel" weer wat minder moeielyk begon te vinden.
+
+--Dan moet je-n-altyd zorgen dat de stukken behoorlyk recht op elkaar
+gestapeld liggen... ziehier, de ruggen in één lyn, en ook de zyden
+aan den lichtkant gelyk, want... soms zyn ze niet precies van dezelfde
+breedte, zieje. Daarop moet je dus wel letten, want 'n jong-mensch...
+
+--Ja, m'nheer!
+
+--En nooit 'n stuk kreukelen...
+
+--Neen, m'nheer!
+
+--Of in 'n verkeerden plooi leggen...
+
+--Neen, m'nheer!
+
+--Nu zullen wy eens naar de zolders gaan. Want... ook daar is altyd
+wat te doen voor 'n jong-mensch.
+
+Wilkens geleidde nu Wouter naar de hoogere verdiepingen van 't huis
+waar-i hem met gelyksoortige lessen besproeide. De daar opgestapelde
+koopwaren bestonden gedeeltelyk in goederen die zich door de mode
+hadden laten voorbystreven, gedeeltelyk in diemet en shirting,
+waarin Wilkens "zoo byzonder knap" was. Hy weigerde evenwel iets van
+z'n uitstekende bekwaamheid in dit "vak" aan Wouter overtedoen. Dit
+kon, zeide hy, zoo niet te-hooi en te-gras geschieden in 'n paar uur
+sprekens. Dat het hem op z'n zestigste jaar nu gelukt was eenigszins
+op de ware hoogte van de zaak te komen, moest men als 'n zeer byzonder
+geval beschouwen. Hy had van der jeugd af "aanleg gehad voor witte
+goederen", maar dat gebeurt niet alle dagen. Gewone menschen brachten
+'t nooit zoo ver.
+
+Wouter hoorde deze mededeelingen met betamelyken eerbied aan, en zou
+er nog meer van genoten hebben als-i niet zoo'n honger gehad had. Toch
+maakte hy met groote belangstelling kennis met het windas. Dàt was
+alzoo de mekaniek die Flip de kruier--en de jongeheer Pompile... met
+heel veel kussens--wilde toepassen op de verhuizing van de dikke
+mevrouw uit de zykamer! Vanwaar toch dat deze eenvoudige toestel die
+door 't straalverschil van twee assen overbodige snelheid omzet in
+vereischte kracht, hem aanlokkelyker voorkwam dan al die stapeltjes
+katoen en die vegers? Hy zag terstond in, hoe sterk de hand werd die
+het touw hield waarmee men 't groote rad in beweging bracht, en dat
+de last die slechts invloed had op de dunne spil... waarachtig, men
+zou lust krygen met zoo'n ding de dikste mevrouw van de wereld het
+venster uittehyschen. Hy hoopte dat-i zoo'n exercitie beleven zou, en
+vooral dat men hem vergunnen mocht meetedoen. Wel zou zoo'n prouesse
+zonderling afsteken by de dozynen schakingen en venster-evakuaties
+waarvan hy ooit gelezen had, maar...
+
+--En met de kisten die dáár staan, hebje je niet te bemoeien, zei
+Wilkens. Dat zyn oude papieren die je niet aangaan... volstrekt
+niet! 'n Jong-mensch moet zich nooit bemoeien met iets dat hem niet
+aangaat. Leer dit van my. En nu zullen wy de zolders sluiten. Ziehier,
+op dezen sleutel... één keep. Dit beteekent: eerste zolder. Op dezen
+sleutel zyn twéé keepen, hetwelk tweede zolder beduidt. Eén keep:
+eerste zolder, twee keepen: tweede zolder... onthoud dit wel!
+
+--Ja, m'nheer!
+
+--En nu zal ik je de zaal toonen. Gedurende den winter gebruiken wy
+die zaal niet. Maar des zomers, als de familie naar-buiten is, dan
+gebruiken wy de zaal, en wel voornamelyk voor de nieuw-aangekomen
+goederen van 't voorjaar. Tracht dit te onthouden.
+
+--Ja, m'nheer!
+
+De fameuze "zaal" werd nu voor Wouter's blikken ontsloten. Het was
+een niet zeer groote kamer die er met al haar "hoezen" uitzag als
+'n blindeman of 'n hospitaalgast. Zelfs 't vloertapyt was tegen
+onbescheiden blikken en ruwe zolen beschermd door 'n grof-linnen
+kleed. En ook van Mozes by 't Doornbosch was niets te zien dan 'n bleek
+vierkant skelet. Wouter beging de vermetelheid er naar te vragen ...
+
+--Dàt zyn nu eigenlyk je zaken niet! We zyn hier niet om schilderyen
+te zien maar om te werken! 'n Jong-mensch moet zich door niets laten
+aftrekken van z'n werk! Leer dit van my.
+
+--Ja, m'nheer!
+
+--Je ziet wel dat ook hier alles op plankjes ligt? Zoodra er nu op
+'t kantoor, of in den kelder, of op de zolders niets voor je te
+doen is--want 'n jong-mensch moet nooit ledig zyn!--dan ... veeg je
+hier 't stof van de stapeltjes, en je legt alles behoorlyk te-recht
+... alles altyd op z'n eigen plaats, begrypje? En kom nu weer mee naar
+'t kantoor. Ik zal eens met m'nheer spreken over de uren van je gaan
+en komen, want ik ben zeer op orde gesteld, en jonge-menschen moeten
+zich daaraan wennen.
+
+Er werd bepaald dat de nieuwe jongste-bediende "zoo tegen drieën
+eventjes naar huis zou gaan om te eten." En zie--goddank!--'t wàs
+byna drie uur, want Dieper sloot z'n boeken, en trok z'n jas aan
+"voor de beurs."
+
+Nooit richtte Wouter met zooveel genoegen z'n schreden huiswaarts, 't
+Scheen er op toegelegd hem te doen beseffen dat er kringen bestonden
+waar even nietige denkbeelden heerschten als in den zynen. Moest-i
+genezen worden van den waan dat geen levensopvatting die van zyn
+familie kon te-boven gaan in dorheid? Met zeker genoegen zag-i
+z'n moeder en zusters weer, en vooral Leentje die hy met nog meer
+uitvoerigheid dan de anderen, deelgenoot maakte van alles wat-i
+ervaren had. Ze vond het zeer belangryk. Ook de overige leden van
+'t huisgezin namen begeerig deel aan de byzonderheden uit 'n wereld
+die hun zoo nieuw was. Niets evenwel trof juffrouw Pieterse zóó,
+als de moeielykheid van 't binnen-komen. Ze vond daarin iets plechtigs.
+
+--Zieje wel, dat's wat ànders dan by zoo'n slechten kerel op den
+Zeedyk, waar ieder maar uit- en inliep! Deze menschen zullen niet
+op-eens naar Amerika gaan met 'n andermans geld! En ... 'n zaal,
+zegje? En ... 'n Buiten? En ... eigen rytuig? Ga jy nu eens naar de
+komeny, Leentje, en zeg dat de jongeheer ... neen, praten hoeft niet,
+maar 't is toch 'n heel ding voor Wouter, nu by menschen te zyn die
+'n zaal in hun huis hebben, en 'n buitenplaats, en eigen rytuig! Als
+je nu goed oppast, Wouter ... jongen, je kost is gekocht! Wat zeg
+jy, Stoffel?
+
+--Ja, moeder.
+
+--Want ... weetje wat ik zeg? Ik zeg: 'n mensch is sterfelyk. En die
+oude heeren ... voor hoe oud zag je ze wel aan, Wouter?
+
+--Moeder, die boekhouder was wel ... zestig. En m'nheer Wilkens
+ook zoowat.
+
+--Zieje! Ik zeg dat 'n mensch sterfelyk is. En daarom ... niet dat
+ik naar iemands dood verlang, gut né, maar ... als iemand zóó oud is
+... wat zeg jy Stoffel?
+
+--Zeker, moeder.
+
+--Als zoo'n boekhouder nu eens ... sterft--want alle menschen zyn
+sterfelyk, niet waar?--dan zou Wouter best ... denk eens, Trui?
+
+--Ja, moeder, waarom niet?
+
+--En die m'nheer Willekes ook. Waarom zou Wouter geen boekhouder
+kunnen worden, of ... m'nheer Willekes?
+
+--Né, moeder. Uwe meent ...
+
+--Nu ja, wie kan altyd zoo op z'n woorden letten! Ik meen maar
+dat z'n kost gekocht is. Wat kan 'n mensch meer verlangen? En dat
+zakboekje ... gut, ik heb er graag alles voor over. Kyk jy maar eens
+onder je bedstee, Stoffel, daar staat 'n mand met ouwe prullen, en
+je zult er zeker nog wel de brieventasch vinden van je vader. 't
+Wurm kan er alles in opschryven wat-i onthouden moet, en ... z'n
+kost is gekocht ... dàt wil ik maar zeggen! Je mag nu wel 'ns gauw
+naar m'nheer Calb gaan om hem te bedanken, Wouter! Want hy is de man
+die je gerekommandeerd heeft. Hoe zou je 't vinden, als je-n-eens
+'n vers maakte op z'n verjaardag?
+
+Dit voorstel werd door Stoffel afgekeurd. Hy bracht z'n moeder onder
+'t oog dat m'nheer Calb waarschynlyk, als "man van zaken" 'n hekel
+aan verzen hebben zou, en dat 'n stoffelyk bewys van erkentelykheid
+... 'n anker wyn, of 'n vaatje boter ...
+
+--Wel zeker, juist wat ik altyd zeg. Denk er aan, Wouter, dat je
+m'nheer Calb 'n vaatje boter zendt, of 'n anker wyn ...
+
+--Gut, moeder!
+
+--Nu ja, als je ... boekhouder bent, meen ik. Want ... alle menschen
+zyn sterfelyk, en als die m'nheer Dieper zoo klaagt over zinkings
+... jongen, je kost is gekocht!
+
+Door deze en dergelyke zottepraat liet zich alweer Wouter's week gemoed
+biologeeren tot ingenomenheid met z'n nieuwen werkkring. De niet zeer
+aangename indrukken die hyzelf had opgevangen--zonder ze evenwel te
+durven verheffen tot meening--werden uitgewischt of overpleisterd door
+'t waarnemen van de belangstelling zyner verwanten. Hy voelde dat
+er iets van den eerbied dien men z'n "patronen" toedroeg afstraalde
+op hemzelf, en dit liet-i zich zonder protest aanleunen. Z'n moeder
+vroeg hem uitdrukkelyk of-i de saus naast of over z'n aardappelen
+hebben wou, want:
+
+--Denk eens, Trui, ze hebben 'n zaal in-huis! En jy, Wouter, eet nu
+wat dóór, en ga 'r gauw weer heen. Je moet nu ook van jouw kant toonen
+dat wy óók by-de-handte menschen zyn, wat zeg jy, Stoffel? Gut ... 'n
+eigen Buiten!
+
+Wouter deed wat-i kon om zich aan doorschynende aardappels en yver
+te verslikken. 't Sloeg ter-nauwer-nood halfvier, toen-i zich alweer
+'n weg baande door de stokvischbeukery en langs de olievaten, en 'n
+oogenblik daarna stond-i hygend en dienstbereid op 't kantoor. Buiten
+den ons reeds bekenden stank en de naakte Merkuriussen, vond hy
+daar niemand ... ja toch, daar hingen de zoldersleutels! Eén
+keep: éérste zolder, twee keepen: twééde zolder! Hy schreef deze
+kenmerkende byzonderheden op in de vaderlyke portefeuille die inderdaad
+onder Stoffel's bed opgedolven, en meegegeven was met de dringende
+aanbeveling tot vlytig gebruik. Ook maakte hy dat eerwaardig zakboek
+tot vertrouwde van de andere studiën waaraan hy dien dag een zoo groot
+gedeelte van z'n onsterfelyke ziel besteed had. Mochten misschien
+eenmaal de lagen stof en asch waaronder de Pietersburg begraven
+ligt, worden weggeruimd, dan zal de onderzoekende nazaat nog altyd
+kunnen te weten komen hoe lang in Wouter's eeuw 'n stuk engelsch
+katoen van acht-en-twintig yards was. En waar de Pleiers woonden,
+en de Kruckers en de Hockers, en de juffrouw die borduurpatroontjes
+verkocht. En hoe 't Buiten heette van m'nheer Kopperlith. En aan
+welk soort van vensterglas men de woning van den jongeheer Pompile
+herkennen kon. Waarlyk, men zou lust krygen z'n eigen achterkleinzoon
+te wezen, om tegenwoordig te zyn by 't opgraven van al die historische
+byzonderheden. Moet de lezer niet erkennen dat reeds hierom alleen de
+annalen van Wouter's ontwikkelingsgeschiedenis alle andere jaarboeken
+in belangrykheid te-boven gaan? Wortelen ze niet--als de magazyn-kelder
+en 't karakter van de firma Ouwetyd & Kopperlith--tot ver beneden de
+riolen? Zullen ze niet eenmaal met hun gebladert van zóóveel vellen
+druks den schedel belommeren van den laatsten sterveling die over
+'n eeuw of wat onfatsoenlyk genoeg wezen zal om nog hollandsch te
+verstaan? O, zeker, ik hoor in m'n verbeelding reeds 't verdrietig
+geroep van Pompeji en Herculanum: berg, val weer op ons, herbesluier
+onze aangezichten met schaamtedekkende lava ... we bezitten niets
+... niets ... niets dat waard is het daglicht te aanschouwen na de
+heuchelyke verryzenis van Wouter's agenda!
+
+Zóó zal 't wezen! Maar even als de romeinsche bakker wiens achtvakkige
+broodjes thans zoo'n eervolle plaats innemen in 't muzeum te Napels,
+niet weten kon dat z'n bollen een zoo schitterende karrière maken
+zouden, was ook Wouter onbewust van 't belang der byzonderheden die hy
+in z'n zakboek noteerde. Hy volbracht de hem opgedragen plicht met z'n
+gewone konscientie, maar hoe onmeetbaar groot ook het aantal was van de
+wetenswaardigheden waarmee men zoo edelmoedig z'n geest verrykt had,
+er kwam toch 'n eind aan z'n opschryven. Hy begon zich te vervelen,
+en leed onder zekere verdrietige verwondering over de leegte van z'n
+gemoed. De romantiek was--niet voor altoos, waarschynlyk--uitgeput,
+geknot, bedorven. Z'n worsteling tegen afdwalen begon vrucht te dragen,
+en de inspanning om zich met niets te bemoeien dan wat allernaast
+voor-de-hand lag, werd te pynlyker omdat hy met de hem ingegeven
+nietigheden z'n ziel niet voeden kon. Hy was als iemand dien men
+'t ongezond gebruik van snoepery verbiedt, en in-plaats daarvan op
+zaagsel en zand onthaalt, of ... op niets. Tien, twaalfmaal las-i
+de opgeschreven zaken over, en vond zich in-staat 'n prachtig examen
+afteleggen in alles wat hem dien dag geleerd was. Maar juist hierom
+vreesde hy dat hem iets mocht ontgaan zyn, want ... want ... hy voelde
+zich door den last zyner nieuwe wetenschap niet bezwaard genoeg naar
+z'n zin. Ze moest zwaarder drukken, meende hy, en daar dit toch maar
+niet het geval worden wilde, lag de schuld zeker weer aan hem! Ook z'n
+moeder zei altyd dat er nooit iets van hem komen zou ... óók! Want
+hyzelf begon weer--en voor 't eerst niet!--'n dergelyke meening te
+koesteren, als 't koesteren heeten mag, dat smartelyk wroeten in eigen
+borst! Die m'nheer Wilkens was 'n dóórkundig man met grys haar en
+'n bril en over de veertig jaren kantoordienst. Wat die man hem zoo
+majestueus verkondigde, moest wel belangryk wezen, en de moeite van
+zware inspanning waard. Maar hy, botterik, bleef maar altyd niet
+begrypen waarop-i z'n inspanning moest toepassen? De pogingen om
+de moeilykheden van z'n nieuwe pozitie te overwinnen, ketsten af
+op de onwetendheid waarin toch die moeieiykheden bestonden? Had-i
+misschien, om niet al te ver beneden z'n plicht te staan, terstond
+moeten weten hoeveel fabrieken en inwoners er waren in Manchester? Och,
+als m'nheer Wilkens hem dit maar had gelieven te vragen! Dan zoud-i
+z'n onwetendheid ... niet geloochend hebben, o neen ... maar tevens
+beloofd morgen bekwamer te zullen zyn. Dan had-i geweten wat er
+vandaag aan hem gehaperd had, en hy kon zich beteren!
+
+Men ziet dat de oorzaken van Wouter's verdriet van ongewonen aard
+waren. Misschien ook ligt de ongewoonheid slechts in myn poging
+om ze te verklaren, want omstandigheden als waarin hy verkeerde,
+moeten wel eens meer voorkomen. By elke gelegenheid namelyk, waar
+naïve hoogmoed samenvalt met even naïve nederigheid. En dit was hier
+'t geval. Wouter voelde aandrang tot het allerhoogste, en zou weldra
+geklaagd hebben dat er niet iets moeielykers te bereiken was dan
+dat. Maar tevens meende hy dat ieder boven hem stond, en dat hy 't
+nooit zoo ver zou brengen als de laagste. Op buitengewone inspanning
+was-i dus voorbereid. Al de moeite die hy zich ooit had getroost
+om meester Pennewip--en z'n dame!--te voldoen, zou kinderspel wezen
+by de taak om 'n bruikbaar jongste-bediende by de heeren Ouwetyd &
+Kopperlith te worden. Hiertoe dus had-i zich--vooral na de vermaningen
+van dien goeden dokter Holsma--met byzonderen yver aangegord. Geen
+"som" uit z'n Strabbe, meende hy, vereischte zóóveel scherpte van
+oordeel, zóóveel nauwgezetheid, zóóveel geheugen, als er zou te-pas
+komen in dien nieuwen werkkring. En zie, den eersten dag den besten
+reeds, vatte hy alles wat men hem zei met 'n gemakkelykheid die
+hem angstig maakte. Daar moest méér achter zitten! Men wordt geen
+Ouwetyd & Kopperlith of jongeheer Pompile--noch zelfs 'n behoorlyke
+m'nheer Wilkens!--zonder àndere draken verslagen te hebben dan
+men onzen kleinen St. Joris te bestryden gaf! Eén keep ... twéé
+keepen ... zeker, begrypen is genot--en dit was vooral in Wouter het
+geval--maar juist hierom wantrouwde hy 't genot dat hem ditmaal wat al
+te gemakkelyk gemaakt was. De gedachte dat z'n leermeesters met hun
+gryze haren, brillen, Buiten's en eigen rytuig, beneden hem stonden,
+kwam niet in hem op. Het was hem als iemand wien men te raden geeft:
+"wat 'n stokjen is, aan de uiteinden bestreken met zwavel" en die
+vreest 'n domheid te zeggen door zoo'n ding te verklaren voor 'n
+zwavelstokje. De hem aanbevolen plicht om zich steeds te bemoeien
+met het naastbyliggende, was hem op 't hart gedrukt met ernst, en als
+iets belangryks ... waarin--dit zeg ik er by--Holsma volkomen gelyk
+had! Deze plicht moest dus moeilyk te vervullen zyn, meende Wouter,
+doch slechts ten-deele was dit juist gezien. Moeielyk zou ze hèm
+vallen, omdat-i de neiging had wat vèr en wat hoog te staren, maar
+op-zichzelf beschouwd zou ze byna doorgaans uit 'n aaneenschakeling
+van nietigheden bestaan. En juist dit bracht hem in de war. Zonder
+de nederigheid die hem eigen was, zoud-i--na 'n oefening van zeer
+weinig weken alles geleerd hebben wat er op dat kantoor te leeren
+viel--zeer spoedig z'n hoogwyze patroon met hun lappenkraam hebben
+geminacht. En zonder z'n hoogmoed ware hy volkomen tevreden geweest
+met hun goedkeuring zyner vorderingen in 't vlytig bestudeeren van
+niemendal. Wat Oxenstiern aan z'n zoon schreef over de onbeduidendheid
+der hefboompjes waarmee de wereld geregeerd wordt, is van volle
+toepassing op 'n tal van andere zaken, en niet het minst op kringen
+als waarin thans onze Wouter was aangeland. Toch zou men verkeerd
+doen 't wanstaltig huwelyk zyner ziel met 'n omgeving van zóó laag
+standpunt, in alle opzichten te betreuren. Juist zùlke aanrakingen,
+en niet boekerige heldenfeiten, leveren de ware vuurproef. De tyd
+moest komen dat Wouter zeggen kon ... niet: "ik ben niets, want ik werd
+gesmoord in den lappenwinkel van de heeren Ouwetyd & Kopperlith!" maar:
+"zie, hoe ook bedolven onder de modder van misdadige gewoonheid ... ik
+bleef myzelf, en heb me tot iets weten te maken." Ik behoef hier
+immers niet bytevoegen dat dit de ellendelingen niet verschoont, die
+'t kind aan deze vuurproef onderwierpen? 't Was hùn doel waarachtig
+niet, onzen Wouter tot mensch te maken!
+
+
+
+Hy verveelde zich, en voelde verdrietige verwondering over de leegte
+van z'n gemoed. Naastbyliggende plicht doen? Als-i eens naar den
+zolder ging--twee keepen: den twééden!--om te vegen, en op z'n gemak
+dat belangwekkende windas te bekyken?
+
+Zóó gedacht, zoo gedaan! Hy was recht grootsch dat-i den weg
+naar-boven wist, en toen hy op de trap de meid ontmoette, die hem
+zoo onheusch-officieel had afgewezen aan de boven-voordeur, gunde
+hy zich de weelde van eenig gerammel met de sleutels, niet zonder
+'n zegevierend blikje dat zeker zeggen wilde: je ziet, ik bèn er,
+en wel in dienst!
+
+Zoo'n windas is 'n aardig ding. Er zitten gedachten in, en Wouter
+wist ze 'r uittehalen.
+
+--Die dikke mevrouw is zeker tweehonderd pond zwaar ... de fauteuil,
+twintig ... de kussens ... hm ... stellen wy voor alles en alles
+... tweehonderd-vyftig pond. Ik weeg maar tachtig, denk ik. Als dus
+die dikke mevrouw en ik tegenover elkaar hingen aan 'n gewonen takel,
+zou ze my 't zoldervenster uithyschen, in-plaats van ik háár uit die
+zykamer. Maar als ik háár gewicht oprol om die dunne spil, en ikzelf
+wentel dat groote rad ...
+
+Hy hoorde sloffen op de trap. 't Was Gerrit, die eens kyken kwam wie
+er naar den zolder gegaan was.
+
+--Ah zoo! Ben jy 't Pieterse. En wat doe je daar?
+
+--Ik ... veeg, zei Wouter.
+
+--Zoo? Nou, als je zóó yverig blyft, zal je gauw slyten, jongen!
+
+--Maar m'nheer Wilkens heeft gezegd ...
+
+--Wullekes is 'n gek. Maar ... wil je vegen, goed! Veeg maar! En wat
+veeg je-n-al zoo?
+
+--De stof van de stapeltjes ...
+
+--Daar ligt geen stof op! En al lag er stof op, wat doet dat er toe? En
+al deed het er wat toe, wat helpt het of je die van den eenen stapel
+op den anderen veegt, hè? Je doet monnikenwerk, wat ik je zeg!
+
+--Gut!
+
+--Ja, monnikenwerk! Je moet niet alles zoo letterlyk opnemen wat
+die Wullekes je zegt. Hy schiet met ... varkensvleesch, weetje?
+
+--Hè!
+
+--Dàt doet-i! Ik dacht het wel dat je zou luisteren naar dien
+windmaker, en toen ik iemand naar-boven hoorde gaan met de
+sleutels--want ik zat in de keuken, omdat ik styf van rimmetiek
+ben--toen begreep ik dat jy 't was. Want er kon niemand anders op 't
+kantoor wezen. Die Wullekes heeft je zeker niet gezegd dat we-n-in
+den komkommertyd zyn, en dat je zoo'n haast niet hoefde te maken
+met terugkomen? Hyzelf komt eerst zoo tegen zessen even kyken, en
+nu hy weet dat er iemand is om de boodschappen aantenemen, zal-i nog
+later komen, of misschien in 't geheel niet. En de jongeheeren zyn uit
+... om 't mooie weer, weetje? Je moet de zaak niet zoo zwaar opnemen,
+jongetje! Dan ga je-n-er onder door! Je neemt me-n-ommers niet kwalyk?
+
+--Gut neen! Maar ik wou zoo gaarne ... m'n plicht doen, m'n
+naastbyliggende plicht, weetje?
+
+--Dáár heb ik nu zoo, wil ik maar 'ns zeggen, geen verstand van. Ik
+zeg maar dat het schande-n-is dat ze-n-'n jong borssie als jy zoo'n
+heelen dag op dat muffe kantoor laten zitten. Ik zeg ... 't is wind en
+'n engelsche notting!
+
+--Hè, Gerrit, ik ben den halven ochtend op-straat geweest!
+
+--Ja, ik hoor dat je veel boodschappen hebt gedaan voor den jongeheer
+Pompile. Nou, dat pleizier kan je dikwyls hebben! Hebben ze je-n-al
+gezegd dat je naar de post moet, alle morgens, om den briefbesteller
+optewachten? Dat 's 'n baantje voor jou, je zult het zien! 't
+Zal je stuivers kosten voor 'n borrel! Want als je dàt niet doet,
+kryg je de brieven niet. Ze zyn te gierig om droddebot te betalen
+... vyf-en-twintig gulden in 'n heel jaar. Daarvoor kan jy dan staan
+blauwbekken in de kou ... als 't winter is, meen ik. Zeg eens, heeft
+Dieper je-n-al gesproken over inkasseeren? Want ... als ik styf van
+rimmetiek ben, komt dat voor je rekening. En ... als je niet handig
+bent met geld, kan dat baantje je veel kosten. Je begrypt wel ... wat
+er te-kort komt, leg je-n-er by. Ja, ja, je moet niet denken dat je
+hier voor je pleizier bent! Ik heb hier al prinsjesdagen beleefd in
+alle saizoenen van 't heele goddelyke jaar, en daarom ... nu ben ik
+styf van 't rimmetiek. 't Kan je-n ook gebeuren. Zoodat ik maar zeggen
+wil dat je-n-in de komkommerdagen niet zoo yverig hoeft te wezen. Je
+bent immers ook maar 'n loontrekkend dienaar, net als ik, niet waar,
+en zult dus ook niet graag meer doen dan noodig is? Geen mensen die
+er je voor dankt, jongen, en wie z'n eigen doodwerkt, wordt onder
+de galg begraven. Komaan, laat dat vegen nu maar blyven. O, als je
+alles doen zou wat die Wullekes je zegt ... nou!
+
+Als ys viel deze zonderlinge Gerritsche filosofie onzen Wouter op
+'t gemoed. Beschaamd sloot-i den zolder, en begaf zich naar beneden
+met Gerrit, die hem verzocht niet te verklappen dat-i op den bovensten
+zolder geweest was. Want, zeid-i:
+
+--Dan sturen ze m'n op boodschappen uit. En daar ik styf van rimmetiek
+ben ... kyk, m'n duim is er krom van, en dus ... loopen kan ik niet,
+dat zieje wel!
+
+Op 't kantoor gekomen, sloeg de knecht 'n klein register op, waarin
+de vervaldagen van wissels en acceptatien genoteerd stonden.
+
+--Zieje, juist wat ik dacht! Morgen is er 'n smerig papiertjen in
+den Jodenhoek. Nu, dáár zal je pleizier van hebben! Die smous zal
+wel gauw merken dat je-n-'n onnoozel bloedje bent, want ... je
+ziet er naar uit. Als je-n-er beneden den daalder afkomt, mag je
+van geluk spreken. Daar komt waarachtig Wullekes al ... zeker heeft
+z'n vrouw hem de deur uitgejaagd, maar zy is even mal als hy, met 'r
+prinsessen. Ze heeft 'reis in den Haag 'n prinses gezien, en daarvan
+praat ze-n-altyd. Allemaal wind en 'n engelsche notting. Die Wullekes
+... hoor eens, als-i naar me vraagt ... zeg maar dat je niks van me
+weet, en dat ik styf ben van rimmetiek, weetje, want ... ik ga na de
+keuken om m'n kommetje thee te drinken, 't Zal wel koud wezen, maar
+... ik moest toch 'reis even zien wie daar na 't zolder liep. Jawel,
+hy is het ... dat kan ik altyd precies hooren aan 't openhalen van
+de achterdeur. Hy heeft ruimte noodig voor 'n heel peloton ... ik
+ben serjant geweest, weetje, by de Burgerwacht in anno zooveel!
+
+En Gerrit vertrok. Z'n zonderlinge toespraken hadden dit goede,
+dat Wouter--zooals de lezer misschien--er niet veel van begreep,
+en dus iets te denken kreeg. De vreemde opvatting van plicht, die
+den ouden knecht ... iets minder van andere knechts onderscheidde dan
+wenschelyk was, verraste hem. Droddebot? Wat's dàt voor 'n ding? En:
+'n "smerig papiertje" dat hem 'n daalder zou kunnen kosten ... wat kon
+dit zyn? Vanwaar zou die daalder komen? Waren dàt de emolumenten van
+z'n nieuwe betrekking? Heel gaarne had-i m'nheer Wilkens om inlichting
+gevraagd, doch sedert z'n struikelen over Mozes by 't Doornbosch durfde
+Wouter dat grimmig orakel niet naderen. Bovendien, hy werd weer aan
+'t plakken van gekleurde lappen op karton gezet, en dezen arbeid
+legde hem Wilkens met zooveel vertoon van stichtelyken ernst op,
+dat hy 't niet waagde iets anders aanteroeren. Hy plakte z'n lappen,
+en zweeg en mymerde, en betreurde z'n boeken op den Zeedyk. Nog 'n
+beetje maar, en Motto zou hem de gedaante vertoonen van 'n beminnelyken
+beschermengel die wegzinkt in de nevelen van 't verleden, en waarnaar
+de verlatenen reikhalzend maar vruchteloos de armen uitstrekt.
+
+Armoediger kon 't met z'n zieltje niet geschapen staan, meent men?
+
+Wie weet! Lieve-god, het wordt nog erger.
+
+
+
+
+
+
+
+ Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke
+ barbier en 'n benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over
+ vergankelykheid. Champollion. Handel! Onverwachte verandering van
+ 'n geminacht briefje in wichtige dukatons.
+
+
+Of 't veroorzaakt werd door de byzondere styfte van z'n rhumatiek, zou
+ik niet durven zeggen, maar zeker is het dat Gerrit 'n eigenaardige
+manier had om uitheemsche woorden onkenbaar te maken. Droddebot,
+byv. beteekende: droit de boîte, hetgeen zooveel zeggen wilde als
+het recht om de brieven te doen afhalen van 't postkantoor. De
+briefbestellery liet in Wouter's tyd veel te wenschen over, en veel
+kooplieden kozen dit middel om zich onafhankelyk te maken van den duur
+en 't gewicht der konfidentien die de zeer ongevleugelde boden des
+handels gewoonlyk met hun straatvrinden hadden te wisselen. In dit
+alles zal nu wel verandering hebben plaats gevonden, vooral omdat de
+post meermalen daags aankomt. In Wouter's tyd, en lang daarna nog,
+werd de zoogenaamde "fransche, duitsche en engelsche post" slechts
+twee keeren 's weeks uitgereikt. Binnenlandsche brieven niet meer
+dan eenmaal daags, en wel des-morgens. Het afhalen der brieven voor
+de kantoren die droit de boîte hadden, behoorde natuurlyk tot de
+funktien van de "jongste-bedienden" 'n soort van loopjongetjes die in
+twee opzichten zeer typelyk verschilden van leerlingen op 'n ambacht:
+ze leerden niets, en waren onbezoldigd. Sommige handelshuizen wisten
+'t misbruiken van zulke knapen te verheffen tot systeem, door zóóveel
+allerjongste bedienden te houden dat ze daarmee het bezoldigen van
+'n volwassen persoon konden uitwinnen. Zoodra zulke jongeluî begonnen
+aanspraken te gronden op 't verouderen van hun doopceel, gaf men hun
+den raad die ontkiemende eerzucht te doen wortelen in anderen bodem.
+
+Wat nu overigens dat fameuze droit de boîte aangaat, er waren ook
+handelshuizen die wel gaarne hun korrespondentie iets vroeger ontvingen
+dan de slakkengang der bestellers toeliet, maar toch niet genegen waren
+de daarvoor vastgestelde belasting te betalen. Ze vonden een probaten
+maatregel uit, hoofdzakelyk gegrond op de overweging dat de tyd van
+'n onbezoldigden jongste-bediende geen geld reprezenteert. Zoo'n
+kereltje moest in de nabyheid van 't postkantoor den besteller
+afwachten, en hem overhalen om de voor "m'nheer" of "de heeren"
+aangekomen brieven op-straat aan hem aftegeven. Dewyl nu noch het uur
+van aankomst der post, noch de tot het sorteeren noodige tyd stipt
+kon bepaald worden, moest hy om zeker te zyn dat de besteller hem
+niet ontsnapte, altyd véél te vroeg daar wezen. Het natuurlyk gevolg
+hiervan was dat zich elken ochtend 'n klubjen onrype jongeheertjes naby
+'t postkantoor samenkluwde. By slecht weer was 't vereenigingspunt in
+de cour der inrichting. En hier werd veel kwaads uitgebroed, want in
+geen stadium, klasse of ontwikkelingsperiode vertoont zich de Mensch
+leelyker dan in die van halfwassen jongeling, 'n leeftyd die door de
+eene helft van ons geslacht moest kunnen overgewipt worden. Al wat
+de Maatschappy oplevert, staat in rang boven hen: kinderen, meisjes,
+vrouwen, mannen, grysaards, jonkers, prinsen, soldaten, sjouwerluî,
+ambachtslieden ... alles, tot publieke vrouwspersonen toe. Zyzelf
+zyn de eenigen die dit niet weten, en staan verbaasd als 'n wezenlyk
+mensch blyk geeft van den misselyken indruk dien ze op hem maken.
+
+Maar wèl had het moeten bekend zyn aan de heeren Kopperlith, vader en
+zoons. En misschien wisten zy 't. Maar dit belette niet dat Wouter,
+toen-i den eersten avend van den belangryken handelsdag dien ik
+trachtte te beschryven, verlof ontving om naar-huis te gaan, van
+m'nheer Wilkens het bevel meekreeg, den volgenden morgen voor-i op
+'t kantoor kwam, zich aantemelden by m'nheer Pompile "die hem zou
+onderrichten in z'n verplichtingen omtrent de post."
+
+--Zieje wel, Stoffel, riep z'n moeder, ze hebben allerlei voor
+hem te doen! Net zooals de dokter zei: 'n jong-mensch moet veel
+werken. Precies wat ik altyd zeg. Veel werken is de boodschap. Zorg
+nu vooral, Wouter, dat je-n-op je tyd daar bent, en laat vooral die
+m'nheer ... hoe heet-i ook?
+
+--M'nheer Pompile, moeder.
+
+--Nu ja, de naam doet er niet toe. Ik meen maar dat je zorgt op je
+tyd te wezen. Wat zou je-n-er van zeggen als je dat nu eens opschreef?
+
+--Ik zal 't wel onthouden, moeder.
+
+--Schryf 't liever op. Waartoe dient anders je boek? Ik heb 't je
+dáárvoor gegeven, jongen!
+
+Met of zonder opschryven dan, reeds om zeven uur schelde Wouter aan
+'t huis met spiegelglas. De meid zei dat m'nheer nog niet op was,
+en vergunde hem plaats te nemen op de vloermat ... daar stond-i! Wie
+myner lezers weet hoe lang 'n minuut is? Nu, dàt wist de friesche
+klok die daar in de gang Wouter stond gezelschap te houden met z'n
+tik ... tik, en om de zooveel tikjes 'n zwaarder tik! Dan versprong de
+groote wyzer als met 'n zenuwachtig schrikje, en met saaie volharding
+zette de sekondeslinger z'n eentonige reis voort: aktie, reaktie,
+tik, tik ... die klok verveelde zich niet! En 't ding stond op vier
+zwarthouten ballen, en hoefde niet te verwisselen van zwaartepunt of
+heup. Wouter wel. Dan rustte hy links, en dan weer rechts, dat is:
+hy rustte niet. Men begrypt dat z'n naast-byliggende plicht niet
+toeliet tegen den wand te leunen in 't huis van z'n patroon. Z'n
+enkels, knieën, heupen en ruggegraat ...
+
+Tik, tik, zei de klok. Ja juist, zoo-iets voelde hy in al z'n
+leden. Geen Demosthenes kon 't juister uitdrukken.
+
+Er werd gescheld. Met z'n gewone zucht om te helpen opende Wouter de
+deur. De meid die niet zeer spoedig en zonder haast kwam aansloffen,
+bedankte hem in 't minst niet. Wouter mocht getuige zyn van haar
+verzekering dat ze geen schuurzand noodig had--want het was 'n
+trafikant in dit handelsartikel, die zich aanmeldde--en dit verschafte
+hem wat afleiding. Hy hoopte dat men nògeens schellen zou.
+
+Waarlyk, dit geschiedde, en zelfs nog geen vol kwartier daarna. Een
+melkboer! Deze verhaalde iets aan de meid over 't weer, en Sientje was
+van zyn gevoelen, maar zei er by dat mevrouw niet tevreden was over
+z'n melk, waarop de man iets antwoordde. 't Onderhoud was ... zeer
+onderhoudend, maar voor Wouter wat kort. Tik, tik, zei de klok weer.
+
+Nog andere menschenvrienden kwamen by lange tusschenpoozen de
+welsprekendheid van die klok afbreken, en Wouter had ze wel willen
+kussen. Heel eindelyk schelde de barbier. Ook deze werd uitgenoodigd
+te wachten tot "m'nheer òp zou zyn."
+
+--Dat doe-n-ik niet, zei de man. Ik kan al m'n andere klanten niet
+laten wachten op één van 'n stooter in de week!
+
+En hy ging. Wat 'n brutale barbier! Zeker, 't was afkeurenswaardig,
+'t Was ruw, ongemanierd ... o ja! Maar toch betrapte zich Wouter op
+de verzuchting:
+
+--Och, misschien zou 't beter voor me zyn, barbier te worden dan in
+den handel te blyven.
+
+De ondankbare! Juist immers toen hy zich aan dezen wreveligen indruk
+overgaf, vernam-i schreden van iemand die in 't achtereind van de gang
+de trap scheen aftekomen. De Heer was naby, of ... de jongeheer Pompile
+toch. Hy vertoonde zich in z'n kamerjapon, en werd Wouter gewaar.
+
+--Ah ... zoo? Ja, juist! Je bent daar? Heel goed! Wilkens heeft je
+zeker gezegd ... heel goed, heel goed! Weet je wat je doet? Je moet
+zoo goed wezen ... even te wachten.
+
+M'nheer Pompile verdween in de suite, en de klok was weer aan 't woord.
+
+Had Wouter maar niet zoo'n pyn in z'n lenden gehad, hy zou wel
+in-staat geweest zyn, gedachten te borduren op 't kanevas van dat
+eentonig geluid. Maar stoffelyke aandoening belemmerde hem in 't
+aan-eenknoopen van z'n indrukken. Hy voelde zich suf en machteloos,
+'t Was om neertevallen.
+
+Na slechts drie-kwartier kwam m'nheer Pompile weer tevoorschyn uit
+de suite, waar-i ontbeten had. In 't voorbygaan droeg hy Wouter op,
+de goedheid te hebben even te wachten omdat-i zich nu ging kleeden
+... tik, tik!
+
+Alweer 'n afleiding. De meid scheen in de suite geroepen, want ze kwam
+haastig aanloopen, en opende de deur van dat vertrek. Wouter mocht
+vernemen hoe mevrouw haar meedeelde dat er vandaag 'n kanarievogeltje
+zou gebracht worden, en:
+
+--Als 't komt, Sientje, breng 't vooral terstond binnen!
+
+Dit beloofde de meid. Wat moest nu Wouter bepeinzen? De
+onafhankelijkheid van dien barbier had hem verlokt tot 'n rudiment van
+weerspannigheid. Vorderde nu de konsekwentie dat-i verviel in dolle
+yverzucht op dat bevoorrecht vogeltje? Misschien wel. Zuinigheid
+op z'n aandoeningen zou misplaatst geweest zyn, al ware het hierom
+alleen wyl ze van alles wat-i hier te zien en te aanschouwen kreeg,
+het duurzaamst blyken zouden. M'nheer Pompile is ter-zyner-tyd zoo
+goed moeten wezen te sterven. Ook zoo'n kanarievogel leeft maar kort,
+en laat geen andere leegte na dan twee duim kubiek in z'n kooitje. Het
+beestje had lang uitgetjilpt voor Wouter de lessen van onafhankelykheid
+leerde ontberen, die hy nu nog--ter-loops, maar gretig toch--opving van
+'n barbier. En ook deze chirurg is ter-ziele. Hopen wy dat de Hemel
+hem niet gesloten bleef, omdat hy oorzaak was dat m'nheer Pompile's
+baard gevaar liep 'n dag langer te zyn dan anders te verwachten is
+van zestien welgetelde duiten scheerloon in de week. Zooveel namelyk
+bedroeg de "stooter" waarvan we zoo-even iets vernamen als bydrage
+tot de Lukullische weelderigheid van den jongeheer Pompile.
+
+Al die dingen zyn dus weggewischt, uitgewreven, vergaan. En nog steeds
+leven er gedachten van Wouter ... aere perenniores! 't is mogelyk
+dat die klok nog altyd hier-of-daar z'n tikkende loopbaan voortzet,
+en dat er nog altyd 'n huis staat met vensters van spiegelglas,
+op de Leliegracht--deftige zy, héél deftige zy--maar wat beteekent
+dit in vergelyking met 'n hoofdstuk uit de zielegeschiedenis van 'n
+mensch? Huizen en klokken zullen voorbygaan, maar niet voorbygaan
+zullen de uitvloeisels der gemoedsbitterheid van iemand die daar
+de gelukzaligheid staat te benyden van 'n opgesloten vogeltje dat
+terstond mocht binnenkomen als 't zich aanmeldde. Toch gis ik dat
+Wouter niets of niemand benydde. Hy was er te moê toe, en werd te
+zeer bezig-gehouden door 't spit in den rug.
+
+Daar werd zoowaar de jongeheer Pompile weer zichtbaar, nog altyd
+ongekleed.
+
+--Zoo, sta je daar nog? Ja ... zoo ... hoor eens! Weet je wat je
+doet? Je moet eens zoo goed wezen, gauw 'n barbier voor me te halen.
+
+Die lieve goeie Pompile! Hy vergunde Wouter zich eens te bewegen. Deze
+vervulde z'n naastbyliggend plichtje met yver en dankbaarheid. Toen-i
+het verlangde gevonden en binnengeleid had, nam-i z'n vorig domicilie
+op de vloermat weer in, en verstond heel duidelyk wat de klok zei:
+
+--Zoo, ben je daar wéér? Ik ben er nòg ... tik ... tik!
+
+De installatie by 't postkantoor geschiedde wel niet met plechtigheid,
+maar toch met al de bereddering die de jongeheer Pompile gewoon was
+toetepassen op de nietigheden waarmed-i zich gewoonlyk bezighield.
+
+--Kyk, je moet nu eens zoo goed wezen hier te komen staan,
+alle morgens! En dan houd je 't postkantoor in 't oog. En als
+ze dan uitkomen--de bestellers, weetje?--dan let je goed op. En
+je loopt ze na. En je vraagt de brieven voor de heeren Ouwetyd &
+Kopperlith. Maar je moet dat niet vragen hier vlak voor 't kantoor,
+want als de direkteur het ziet, dan worden ze gestraft ... omdat
+het verboden is, weetje? Je loopt ze na, daar in die steeg, en
+als ze je-n-'n fooi vragen, of 'n borrel--want dit doen ze ...
+gemeen volk!--dan zeg je maar dat je ... neen, dan zeg je niets. Of
+je zegt maar ... dat je de brieven vraagt voor de heeren Ouwetyd &
+Kopperlith. Zóó moet je zeggen! En 'n fooi? "Met nieuwejaar" kan je
+wel zeggen, maar zeg niet dat ik 't gezegd heb, want dan verwachten
+ze te veel. Onbescheiden volk, weetje? Kyk, daar komen ze! Nu zal
+ik je wyzen wie onze buurt heeft. Daar, dáár, die magere met z'n
+dikken neus en slobkousen ... dàt is-i! Zeg hem dat-i nog pas gister
+'n stuiver van me gehad heeft, en dat-i je de brieven geeft voor de
+heeren Ouwetyd & Kopperlith, zóó moet je zeggen!
+
+Wouter liep den aangewezene na, en haalde hem weldra in. De man,
+die hem niet kende, wees hem stug af. Maar de deftige m'nheer Pompile
+stond op 'n afstand te wenken en te telegrafeeren, met dit gevolg dat
+Wouter zich kon beschouwen als formeel voorgesteld aan den mageren
+besteller met den dikken neus en de slobkousen. Er was inderdaad iets
+aangekomen voor 't huis Kopperlith. Deze of gene winkelier in een der
+provincien scheen behoefte te hebben aan 'n krieuweltje. Wouter kwam
+zegevierend met den brief aanloopen op 't kantoor waar-i 't eerwaardig
+sanhedrin van z'n patroons reeds vergaderd vond, Pompile meegerekend
+die, na 't overseinen van Wouter's geloofsbrieven, zich gehaast had
+de gemeene steeg te verlaten, welker duisterheid gewoonlyk het geknoei
+met die brieven medeplichtig beschaduwde.
+
+Onze jongste-bediende werd nu met de noodige aanbevelingen tot "net
+werken" aan 't kopieeren gezet van 'n paar brieven. De jongeheer
+Pompile Kopperlith maakte gebruik van den komkommertyd, om eenige
+debiteuren die wat achterlyk waren, aan betaling te herinneren. 't
+Een-of-ander genie uit den voortyd had deze bezigheid vereenvoudigd
+door 't vaststellen van drie formulieren die elkander opvolgden in
+graden van nadrukkelykheid. Formulier één: beleefd. De aanzuivering was
+waarschynlyk den zeer geachten handelsvriend door 't hoofd gegaan, en
+de heeren O. & K. konden niet nalaten deze gelegenheid aantegrypen om
+"uwe zoo byzonder vereerde firma" hiernevens 'n paar stalen aantebieden
+van onbegrypelyk-pryswaardige diemet. Formulier twéé: de--nog altyd
+eenigszins geachte--vriend verloor uit het oog dat de pryzen à comptant
+waren berekend, en ofschoon men zoo byzonder gaarne zaken met hem deed,
+was men wel genoodzaakt ditmaal ... enz. Géén stalen. Derde formulier:
+binnen acht dagen solide remise, of anders ... enz.
+
+Wouter bewonderde de bekwaamheid van z'n chef, die zoo precies wist
+hoe men al die menschen moest toespreken. Toch was 't kopieeren van
+die korte briefjes weldra afgeloopen, en hy werd weer aan 't plakken
+van z'n stalen gezet.
+
+--En ... zouden wy hem nu maar niet met-een de letters van 't woord
+laten leeren? vroeg Pompile aan Wilkens.
+
+Er scheen iets vreeselyks in dit voorstel te liggen, want Wilkens
+keek ontsteld op.
+
+--M'nheer!
+
+--Ja, denk je niet? Me dunkt dat ...
+
+--Maar ... m'nheer!
+
+Al had Pompile voorgesteld het jonge-mensch te villen of te skalpeeren,
+de schrik van Wilkens kon niet grooter geweest zyn.
+
+--Maar, m'nheer! Dit zou, onder uw welnemen, verbazend onvoorzichtig
+zyn!
+
+--Hé, dacht je dàt?
+
+--M'nheer, ik kan u plechtig verzekeren dat ik reeds drie jaar by
+de zaken was, voor men my de letters van 't woord wees! Men moet
+jonge-menschen niet over 't paard ligten, m'nheer! De verwaandheid
+komt er gauw genoeg in, m'nheer!
+
+--Nu, zooals je wilt, Wilkens. Ik had er zoo diep niet over nagedacht,
+weetje?
+
+Dit was de zuivere waarheid, en wel de waarheid eens-voor-al, want de
+jongeheer Pompile dacht nooit diep na. Maar in het tegenwoordig geval
+zou z'n ligtzinnigheid--als-i niet bekleed ware geweest met den rang
+van patroon--onvergeeflyk zyn voorgekomen aan m'nheer Wilkens. De lezer
+zal dit beseffen zoodra hy weet dat de zeer belangryke zaak neerkwam
+op de vraag of men Wouter reeds nu zou inwyden in de geheimzinnige
+teekens waarmee de heeren Ouwetyd & Kopperlith de inkoopspryzen hunner
+goederen op de etiketten wisten uittedrukken. Er behoorde veel toe
+om deze teekens grif te verstaan. Meer nog om 't vertrouwen waard te
+zyn, dat men dit geheim ongeschonden bewaren zou, en volgens m'nheer
+Wilkens was Wouter nog lang zoo ver niet. Glansryk was de triumf van
+den oud-gediende tegen den onvoorzichtigen jongeheer Pompile die,
+zonder zyn raad, dat jonge-mensch zoo maar op-eens 't licht zou
+vertoond hebben dat den tabernakel van 't kantoor omluisterde. Maar
+de zegepraal van den kleingeestigen grysaard was niet volkomen, voor
+Wouter-zelf 't bewustzyn van z'n voorloopige uitsluiting terdeeg
+geslikt had. Want deze begreep niet wèlk woord en wèlke letters
+te heilig werden beschouwd voor z'n nuchter verstand, onbeproefde
+eer en geringe verdienste. Wilkens merkte de door hem opgeplakte
+stalen met nummers, en zette daaronder de diepzinnige hierogliefen,
+waarover hy 'n vraag wist uittelokken om aanleiding te hebben tot
+het verpletterend antwoord:
+
+--Dàt past je nog niet! Dat past je volstrekt niet! Vraag dáár eens
+na, als je-n-'n half-dozyn jaren behoorlyk gewerkt hebt, of ... langer!
+
+Het vooruitzicht was prachtig. Het spreekt vanzelf dat Wouter
+hevige begeerte voelde naar de vrucht van een zoo aptytelyk verboden
+boom. Reeds den volgenden dag ontcyferde hy met geringe inspanning,
+door 'n beetje vergelyking, de beteekenis van die geheimzinnige
+letters. Daar hy--uit voorzichtigheid of konscientie--'t aldus weldra
+gevonden heiligwoord niet in z'n zakboek heeft opgeschreven, kan ik
+het den lezer niet meedeelen. Met Pompile's baard en vensterglas,
+met de krieuweltjes en de wittegrondjes-driekleur, is deze mysterie
+onopstandelyk ten-grave gedaald, 'n gaping in myn verhaal waarvoor
+ik verschooning vraag.
+
+By 't schetsen van al deze nietigheden, waarby ik de waarheid zoo
+trouw mogelyk tracht naby te blyven, kan ik my niet onthouden van de
+vrees dat sommigen my verdenken van overdryving. Deze beschuldiging
+tegen 'n schryver is gewoonlyk een kenmerk van oppervlakkigheid,
+en byna altyd ongegrond. Hoogstens zou men recht hebben de wyze van
+behandeling aftekeuren, de manier van voorstellen, en de door hem
+uit de feiten afgeleide gevolgtrekkingen. Overdryving in 't schetsen
+van die feiten-zelf is nagenoeg onmogelyk, want de graad waartoe
+menschelyke dwaasheid kan afdalen, is voor den boosaardigsten artist
+onbereikbaar. Waar deze dwaalt, ligt de fout aan z'n onbekwaamheid
+in 't nateekenen, in 't verkeerde van de voorstelling, niet in
+overdryving. Dat er onder 't half-dozyn personen waarmee Wouter hier
+in aanraking kwam, geen enkele was die zich verheffen kon boven 't
+àllerlaagste peil van verstand en hart, mag slechts vreemd voorkomen
+aan wie de Maatschappy niet tot 'n onderwerp van studie gemaakt
+heeft. Myn schets is wáár. En zelfs behoef ik me niet te beroepen op de
+bekende spreuk: que le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable,
+om te betoogen dat deze waarheid ditmaal geenszins in-stryd is met
+waarschynlykheid. Wie dit begrypen wil, hebbe slechts nategaan wat er
+door wezens als de hier bedoelde, levenslang is uitgericht? Wat hun
+wenschen waren, hun neigingen, bezigheden, geestelyke behoeften? Hoe
+hun opleiding geweest was ... dit doet er minder toe, maar: met welke
+opleiding zy volkomen tevreden waren? Nooit kwam het in hen op dat ze,
+wèl beschouwd, behoorden tot de laagste soort van schepsels die met
+zoölogische welwillendheid gerekend worden boven de dieren des velds
+te staan. En ... by dit alles, die koddige trots!
+
+Ik weet zeer goed dat geestelyke en zedelyke waarde niet volstrekt
+samengaat met de meer of mindere belangrykheid van het beroep,
+noch daarvan afhangt. Het is begrypelyk dat menigeen om-den-wille
+van z'n onderhoud zich moet tevreden stellen met 'n kostwinning,
+die òf geen punten van aanraking oplevert met z'n gemoed, of zelfs
+lynrecht tegen de opwellingen zyner ziel indruist. Ik laat nu daar,
+in-hoe-verre deze disparatie mogelyk en te verontschuldigen is,
+en stel dus niet de vraag of, byv. 'n gevoelig mensch 'n degelyk
+vleeschhouwer of scherprechter wezen kan--misschien wel!--doch wáár
+blyft het dat iemand die ongenoodzaakt z'n levensonderhoud zoekt in
+grove of nietige bedryven, blyk geeft van 'n laag standpunt.
+
+Wat dan te zeggen van 't ras der koprolithen, dat geheel vrywillig
+verstand, hart en karakter laat braak-liggen? Al zy het nu dat de
+jongeheer Pompile niet zeer zuiver de waarheid sprak, wanneer-i 'n
+onnoozelen "buitenman" die 'n krieuweltje kwam koopen, verzekerde:
+"dat papa zoo byzonder ryk was, en dat ze 't om den broode niet hoefden
+te doen" toch hadden de jonge-lieden 'n anderen werkkring kunnen
+kiezen. Maar ... dan hadden zy iets moeten leeren, zich inspannen,
+en dit gedoogde noch hun fatsoen, noch hun traagheid. Arbeid en
+kennis was goed voor anderen wier papa niet "zoo byzonder ryk"
+was. Die heele rykdom van den oudeheer kwam neer op eenige tonnen,
+'n som die bestemd was in zessen te worden verdeeld. Ze hadden dus
+wel degelyk behoefte aan 'n werkkring, en twee van de zoons kozen, wat
+als voorvaderlyk erfdeel voor-de-hand lag: de lappennegotie. Hiertoe
+was slechts 'n klein gedeelte noodig van 't beschikbaar kapitaal dat
+hoofdzakelyk in effekten belegd bleef. Hadden zy kunnen besluiten den
+inventaris te ontlasten van de goederen die jaar-in jaar-uit op die
+zolders lagen, dan zouden ze met nog geringer kapitaal de zaak hebben
+kunnen dryven. Tot dit "opruimen" echter--waarop Dieper soms bescheiden
+en rente-berekenend aandrong--waren ze niet te bewegen. Meenden zy
+misschien dat die oude verkleurde lappen ooit weder den prys zouden
+waard zyn, die daarvoor betaald werd vóór den bloei der Amerikaansche
+katoenmarkt en der Engelsche weveryen? Ze meenden noch dit, noch iets
+anders. Ze meenden niets.
+
+De dagelyksche handel was allereenvoudigst tot het idiote
+toe. Tweemalen 's jaars bestelde men "op staal" eenige duizende
+stukken gedrukte katoenen. De by 't kiezen te-pas gebrachte wysheid
+overstelpte onzen Wouter, die alweer angstig werd dat hy nooit, nooit,
+nooit zoo ver komen zou om te weten of de burgervrouwen die zich
+kleedden in gedrukt katoen, dit jaar de voorkeur geven zouden aan 'n
+slangetjen of aan moesjes? Wilkens zat by zulke gelegenheden als op 'n
+troon. De verhandelingen die hy hield over 't gewicht en de strekking
+van 'n klein verschil in kleur of figuur, waren verpletterend. Ik
+heb reeds gewezen op de rechters die in 't laatste ressort over de
+vonnissen van onzen lappen-wysgeer te beslissen hadden. Toch zou hy
+'t zeer vreemd hebben gevonden indien men boerinnen of dienstmeiden
+zitting en stem had verleend in 't koncilie dat hy prezideerde. En
+... de hoogheid tegen zoo'n handelsreiziger! Het is opmerkelyk dat
+de engelsche fabrikanten voor deze betrekking gewoonlyk Duitschers in
+dienst nemen. Christelyker werkkring bestaat er niet. Voor dezulken is
+'t Evangelie van den linkerwang geschreven! Zoo'n ongelukkig wezen werd
+drie, vier keeren weggezonden, voor 't m'nheer Wilkens en den jongeheer
+Pompile gelegen kwam te zien welke nieuwe figuurtjes de teekenaars der
+fabrieken hadden uitgedacht. Heel eindelyk begunstigde men hem met de
+mededeeling dat er waarschynlyk niets zou noodig zyn. Dat men reeds
+groote bestellingen gedaan had aan andere "huizen." Dat de markt
+slap was, buitengewoon slap. Enz. Ten-laatste werd hy genadiglyk
+toegelaten, en de zitting nam 'n aanvang. Eugène, wiens woorden
+duur waren, stelde zich 't minst bespottelyk aan. De beide anderen
+wedyverden in zotteklap, en de commis-voyageur beantwoordde elke op-
+of aanmerking met 'n aller-beleefdsten glimlach. Hy haalde op zyn
+beurt z'n schade aan verongelukte menschenwaarde, in diligences en
+trekschuiten of aan de table-d'hôte met woeker in. Daar publiceerde
+hy de twee dozyn anekdoten die elk handelsreiziger behoort in voorraad
+te hebben, en ging by z'n kameraden onder verband van wederkeerigheid,
+voor 'n wezenlyken heer door.
+
+By ontvangst van de bestelde goederen steeg de belangrykheid der
+werkzaamheden op 't kantoor en in het magazyn tot het verhevene. De
+bedongen prys werd verhoogd met de onkosten van pakking, transport
+en assurantie, en daarna volgens de koers van den dag herleid in
+hollandsch geld. Deze berekening was zeer in 't byzonder de taak
+van Pompile, die er zeer handig in was ... geworden, na veel jaren
+sukkelens, zei de oudheidkundige Gerrit. Goed, nu toch verstond
+Pompile die kunst! By verkoop legde men 'n procent of vyftien op den
+inkoopprys, en de cyclus van beroepswysheid was afgeloopen ... op
+'t overbluffen, liefkozen, streelen en bedriegen van de koopende
+winkeliers na. Ook in dit gedeelte van 't "vak" was Pompile een eerste
+meester. Zelfs Wilkens moest erkennen, dat ... enz.
+
+Geen van die heeren had ooit iets anders gedaan, geen hunner
+had gehaakt naar andere inspanning. Ze voelden zich volkomen
+verzadigd. Zelfs 't boekhouden van den ouden Dieper ging hun sfeer
+te-boven. Z'n memoriaal en journaal en grootboek waren gewyde arken
+waaraan nooit iemand de hand durfde slaan. Wel beschouwd overtrof
+zelfs de oude Gerrit de heeren patroons in menschenwaarde: hy kòn
+iets! Een van z'n hoofdbekwaamheden bestond in 'n byna onbedriegbare
+kennis der geldsoorten, en z'n "worpen" by het tellen waren monumenten
+van regelmatigheid. Het was jammer de zest'halven by-een te stryken,
+die door hem waren tentoongespreid in symmetrische regels ... zilveren
+verzen, waarlyk! En dan 't nog altyd respectabel overschot van z'n
+handigheid in 't pakken ... wel te verstaan, als 't hem gelegen kwam
+niet styf van rhumatiek te wezen. Toch moest ieder onbevooroordeelde
+erkennen--en er bestond reden tot vooroordeel--dat Wouter hem hierin
+met reuzenschreden voorbystapte, gelyk we ter-zyner-tyd zullen te
+zien krygen.
+
+Tweemalen 's jaars ging Wilkens op-reis, en speelde dan by winkeliers
+de rol waartoe hyzelf gewoon was buitenlandsche reizigers te
+veroordeelen, die 't ongeluk hadden van zyn welwillendheid en
+zaakkennis aftehangen. De goden zyn rechtvaardig! Dan werd-i terdege
+bestraft in z'n zondige plek, en moest soms twaalf keeren tevergeefs
+toegang vragen--de door Moore bezongen paradys-peri!--om doortedringen
+tot het achterkamertjen in 'n lappenwinkel. Een andermaal liet men
+hem schildwacht houden voor de toonbank, en afwachten wat 'n snibbig
+winkelmeisje--de "m'nheer Wilkens" loci--over hem zou gelieven
+te besluiten. Zekere overleveringen luiden dat-i zich by zulke
+gelegenheden meermalen moest laten welgevallen, met z'n wasdoeken
+staalpak onder den arm--en den voorgeschreven welwillendheids-glimlach
+op 't gelaat--uren lang op de stoep in den regen te wachten: "omdat-i
+in den winkel de klanten in den weg stond." Het spreekt vanzelf dat
+deze handels-liefkozing beantwoord werd met 'n allerbeleefdst:
+
+--Met pleizier, juffrouw!
+
+Van één hoedanigheid die den commis-voyageur kenmerkt, moet ik Wilkens
+finaal vryspreken. Nooit vertelde hy anekdoten uit 'n almanak. Het
+schynt dat z'n deftigheid zich hiertegen verzette. Waar hy meende z'n
+officieel handelsgewaad een oogenblik te mogen afleggen, bepaalde hy
+zich tot het uitpluizen van 'n zeer interessant bankroet, waaruit
+hy door een byzondere hem alleen eigene gauwigheid, z'n patroon 'n
+heel procent meer had weten te bezorgen dan de overige krediteuren
+ontvingen. Over 't verguld-koper snuifdoosje dat hem deze heldendaad
+had opgebracht, stapte hy losweg heen ... uit bescheidenheid, zeid-i,
+maar als 't noodig was zou hy 't nog altyd kunnen laten zien. En wie
+dan niet uitdrukkelyk naar deze ridderorde vroeg, vond-i onbeleefd. Z'n
+tweede strydpaard aan 't dessert, was de roerende levensgeschiedenis
+van drie stukken-bielefeldsch linnen die door 'n onkundige waren
+aangezien voor iersch fabrikaat, een vergryp waaruit ongetwyfeld 'n
+proces zou voortgesproten zyn, indien niet hy, Wilkens--"want, heeren,
+dàt is nu eigenlyk m'n vak!"--als expert of arbiter de zaak tot 'n
+vroolyk einde had weten te brengen, door de opmerking ... enz. Dat
+deze beide geschiedenissen een byzonderen geur van gezelligheid
+meedeelden aan z'n onderhoud, is niet te ontkennen. Maar hy was er
+zeer spaarzaam mede, want: "er zyn reizigers en ... reizigers, zeide
+hy, en heden-ten-dage is niet ieder op de hoogte om 'n goed diskoers
+te waardeeren."
+
+--En, jongeheer, zei Dieper, hoe moet ik nu doen met dat briefjen in
+den Jodenhoek? 't Is 'n smeerig papiertje, jongeheer!
+
+--Ja, Dieper, dàt is het! Waarom zeg je 't niet aan papa? Die
+Gerrit ...
+
+--Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover
+gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne ...
+
+--Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm!
+
+En met z'n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan.
+
+--Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen?
+
+Wouter's gelaat helderde op by de gedachte dat hy iets kunnen zou.
+
+--'t Is zeer gevaarlyk, m'nheer, zei Wilkens.
+
+--Aan den kassier durf ik 't briefje niet geven, klaagde Dieper. 't
+Is te smeerig! M'nheer heeft het me verboden, omdat-i wel-eens een der
+direkteuren van de Kas ontmoet in Doctrina. En, zegt m'nheer, het stáát
+niet ... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de waarheid, jongeheer!
+
+Nog altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante
+uitdrukking niet begrypen. Een "smeerig papiertjen" is 'n accept van
+iemand die geen naam op de beurs heeft. Zoo'n man moge solide zyn,
+eerlyk, trouw aan z'n woord, het helpt niet. De door hem geteekende
+stukken zyn "smeerige papiertjes" en dezulken waren er dikwyls onder de
+remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit byzonder geval
+echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te bestaan. De man van
+wien hier sprake was, woonde in 'n dwarsstraat van 'n dwarsgracht in
+den Jodenhoek, en Gerrit die meermalen geld by hem had ontvangen,
+klaagde dat-i "by dien kerel" al z'n muntkennis noodig had om
+niet te-kort te komen. De acceptant lokte hem steeds in 'n donkere
+achterkamer waar 'n zeer groote familie huisde, en die slecht verlicht
+was: 'n hol, zei Gerrit. En 'n behoorlyke tafel om geld te tellen,
+was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe niet dienen, want hy was
+vol reten en gaten, en wanneer men 't in-weerwil hiervan beproefde,
+liepen of rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door de worpen
+heen. Kortom, de woning van dien jood was 'n tuin der Hesperiden waar
+weinig anders te plukken viel dan wat kans om geplukt te worden. En:
+"hierop legt de kerel het toe!" zei Gerrit.
+
+Dit alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er
+op aan dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat
+"smeerige" briefje.
+
+--Zie je, Dieper, 't is nuttig voor hem dat-i alles leert.
+
+--Zeker, jongeheer, maar ...
+
+--En hoe ànders? Gerrit is styf van rhumatiek ... zeg dàt aan papa. En
+als nu Pieterse dat geld ontvangt ... hm, ik wil maar zeggen dat-i
+alles leeren moet.
+
+De ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z'n voorstel deed
+aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen
+Wouter 'n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er
+'n andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in z'n
+eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de nadeelen die
+Wouter's onbedrevenheid konden na zich slepen--en die met wat overleg
+wel op "huishouden" konden gewenteld worden--zou hy slechts deelen
+voor 'n half kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens ten-offer
+brengen om verlost te raken van 'n knecht die hem als kleinen jongen
+gekend had, en ... meer dan aangenaam, ingewyd was in de chronique
+scandaleuse van z'n jeugd. Héél skandaleus noem ik die kroniek alweer
+niet. Maar Pompile beeldde zich dit groothartiglyk in, al waren dan
+z'n afwykingen van 't pad der deugd gewoonlyk te dekken geweest met
+'n paar zest'halven. Alle waar is naar z'n geld, tot de uitspattinkjes
+van zekere lieden toe.
+
+Hy dreef dus de zaak door. Wouter ontving 't smeerige papiertje
+dat er niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg het met
+ingespannen zorg in z'n patriarchaal zakboek. De te ontvangen som
+bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem 'n geldzak mee,
+en veel vermaningen om--in zeer letterlyken zin--goed op z'n tellen
+te passen.
+
+Binnen 't uur was Wouter met het vereischt bedrag terug. Op 'n weinig
+buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in glinsterende dukatons
+met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze later als 'n byzonderheid
+door Dieper getoond werden, moest erkennen dat men ze zelden zoo
+te zien kreeg en dan ... "van zoo'n smeerigen jood!" Het ging z'n
+begrip te-boven, en daar ik ditzelfde in den lezer veronderstel,
+wil ik de oorzaken van dezen goeden afloop in 'n volgend hoofdstuk
+meedeelen. Ik moet erkennen dat ik met genoegen het kantoor van de
+heeren Ouwetyd & Kopperlith 'n oogenblikje verlaat. Zoodra mogelyk
+keeren wy 't met welgemeenden afkeer den rug toe. Maar men bedenke dat
+schryvers en leerjongetjes hun arbeid en verblyf niet voor 't kiezen
+hebben. Myn naastbyliggende plicht was nu eenmaal het beschryven van
+zeker menschenras waaraan Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken
+hebben dat ze niet de àllerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de
+Dieren verbindt.
+
+
+
+
+
+
+
+ Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel,
+ Staathuishoudkunde en Petite Voirie uit den voortyd. Nieuw blyk
+ der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van
+ de beloofde dukatons, den lezer afscheept met 'n bespiegeling
+ over gebrek aan Israëlitische kontroverse.
+
+
+De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur
+terug te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen
+naar den Jodenhoek. Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de
+specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby
+te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan
+zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte. Wy weten dat zy daarheen
+ging om zich te verfrisschen door 'n bad in 't gemeene ... of wat
+voor gemeen doorgaat. Ze wilde de walging afspoelen die haar de
+hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren
+Ouwetyd & Kopperlith, al zy 't dan dat we ons te reinigen hebben
+van heel iets ànders dan nasmaak van overdreven hoofsheid. Veel
+verder alzoo dan zekere gelyksoortigheid van indruk, gaat deze
+overeenstemming met prinses Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen
+zyden kousen aantetrekken om Wouter te begeleiden, en ook belooft de
+auteur op eerewoord, dat-i de maagdeperen met rust laten zal. Deze
+onthouding van prinselyke excentriciteit is te meer gepast, omdat
+het perensaisoen nog niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter
+te inkasseeren kreeg, verviel op den zooveelsten van Zomermaand,
+of misschien in Juli, maar zeker lang voor 't najaar. Het is den
+lezer bekend dat er nog altyd één fatsoenlyke familie in de stad
+was, en dat alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing,
+ver buiten de stad. In zekere toekomstige kritiek op m'n werk meen ik
+te lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief
+is, een opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nog-eens
+te wyzen op m'n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn,
+kan niet met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze
+algemeen bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied
+voorstelt, heeft 'n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan
+een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z'n zaak zyn, en zóó vast
+staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine
+waarschynlykheidjes missen kan. Alleen vervalschers zyn nauwkeurig
+in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan
+'t onbeschaamde grenzende slordigheid, is ... 'n evangelist. Ziedaar
+de gronden waarop de minste twyfel aan de geloofwaardigheid van myn
+boodschappen--bly zyn ze niet altyd ... nu ja, maar boodschappen zyn
+het toch!--behoort te worden verklaard voor godslastering. Waartoe
+zou het Geloof dienen, als 'n profeet, by al z'n andere plichten, zich
+nog zou moeten onthouden van de ongerymdheid ook? Om 's hemels-wil,
+lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met
+de bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd
+is met het geloovig aannemen der grofste ongerymdheid--wat ik in
+'t voorbygaan bewyzen wilde--heeft de schrandere lezer reeds lang
+kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering
+Wouter in den komkommertyd belast werd, geen saizoengenoot wezen
+kon van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van
+ooft en komkommers heeft, handelaars in witte-grondjes-driekleur,
+wysgeeren, tuinluî, e. d. De ondeugende prinses Erika had dus heel
+iets anders nog begaan dan guitenstukjes of 'n buitensporigheid,
+ze had iets onmogelyks verricht: 'n wonder! En zóóver had Wouter
+'t nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder
+'t gewone, en had al z'n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder
+z'n overspannen plichtsbesef.
+
+Met 'n gewicht alsof 't heele bedrag van 't geaccepteerd wisseltjen
+in kopergeld aan z'n hakken gehecht was, stapte hy over den weg. Hy
+drukte de linkerhand styf tegen de borst waarop het aan z'n eer
+toevertrouwd pand rustte, en hield z'n rechtervuistje gebald om den
+eersten den besten nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet
+hem te berooven, d. i. de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, 't had
+'n zeer sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was! Glorioso,
+met al z'n makkers en in z'n besten tyd--vóór die verlammende liefde
+namelyk voor twee prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige
+landmeisjes--Glorioso zelf zou zich misrekend hebben wanneer-i,
+staatmakende op de hartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat
+... nu, Glorioso was er niet, en de marteling van 't konflikt tusschen
+zieleverwantschap en plicht bleef Wouter ditmaal gespaard. Het
+eenig gevaar dat hem bejegende, vertoonde zich in de gedaante van
+'n kindermeisje dat naar den weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk
+begin van verlokking tot plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby,
+en ... met 'n bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch
+te zyn jegens iemand die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen
+'n bende verkleede roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen
+finaal ongedekt gebleven voor de onkosten van hun vermomming. Niet
+zóó gemakkelyk ontfutselde men onzen held 'n papiertje dat hem door
+z'n lastgevers was toevertrouwd!
+
+Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben
+in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat
+door den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit
+z'n handen te geven: "voor-i geld zag." En ... niet te kwiteeren:
+"voor-i dat geld hàd!" Want ook hyzelf moest teekenen ... ik weet
+niet waarom. Het was de gewoonte, en 'n gewoonte die hem verrukkelyk
+voorkwam: "ont...van...gen ... Wou...ter ... Pie...ter...se." Zóó zou
+er staan in z'n allermooiste schrift. En dat zou bewaard blyven. En
+eenmaal zou de nazaat staren en turen op die letters, en eerbiedig
+fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols gerust! Dit heeft hy
+geschreven, hy die ... ja, wàt? Hier struikelde Wouter's verbeelding,
+gelyk telkens geschiedde wanneer-i voorschot nam op 'n toekomst die
+zoo byzonder weinig op het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy
+z'n verschrikte voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z'n
+punt van uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat--tot nader
+order!--op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag en
+hàd. Zóó had Dieper gezegd! En in z'n gedachten maakte hy kant en
+klaar de krul gereed, waar-mede-i z'n handteekening bekrachtigen en
+sieren wilde, 't Zou 'n slang wezen, zich slingerend om en door de
+spylen van 'n rooster. De staart moest zoo nydig mogelyk byten in
+drie stippen, netjes in gelid tusschen 'n paar evenwydige lyntjes,
+en de kop werd belast met het als by-toeval kronen van de P. In deze
+wending zou de fynheid liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het
+uitvaardigen van 'n manifest, waarby al de ongekroonde autografen
+die ooit van hem mochten worden in omloop gebracht, werden verklaard
+te zyn: bedriegelyk, valsch, en van niet de minste waarde noch in
+rechten noch in posthume heldenvereering.
+
+Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar ... het tellen! Eén,
+twee, drie, vier ... dit zou wel gaan. 't Bleef echter de vraag
+wàt men hem zou te tellen geven? Dubbeltjes? Stuivers? Duiten,
+misschien? Ook dit schrikte hem niet af. Maar ... de pietjes? De
+dertiend'halven? De schellingen? De zest'halven? Of--erger nog!--al die
+muntsoorten door-elkaar? Hm ... moeielyke zaken! Zoodra hy koning werd,
+zoud-i ... och, dit was alweer de vraag niet. Hy wàs geen koning. Hy
+was jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith, en op dit
+oogenblik belast met het ontvangen en behoorlyk uitleveren van 'n
+groote som gelds. Dit was z'n naastbyliggende plicht, en hieraan
+slechts had hy dus te denken.
+
+Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de
+kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo
+byzonder sterk doen gelyken op 'n verstoord mierennest. 't Verschil
+ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar kyken
+moet om wys te worden. Wouter had moeite z'n weg te vinden. Van
+bespiegelingen over 't zonderling huishouden in de open lucht, dat
+daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen spraak
+zyn. In z'n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin
+ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al 't onschoone dat hy te
+zien kreeg, als om belang te stellen in 't karakteristieke van die
+leelykheid. Z'n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem 'n plaats
+aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige
+tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht,
+voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde. Een revue
+van dertigduizend man linie--zou ze in vertrouwen gezegd hebben--met
+vierd'halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. Ook de
+opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van middeleeuwsche
+oudheden. [16]
+
+Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? Te
+oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, die--altyd toch
+met het eigenaardig voorkomen van lieden die en voisin uit zyn--zich
+verdrong op de straat, moesten al die woonhuizen leeg staan, van
+de kelders af tot de hoogste verdieping toe. Nog altyd heerschte in
+die buurt--interessant wàs het, hierin had het prinsesje gelyk!--nog
+altyd zag men daar de orde of wanorde van 'n volksstam, zwervend in de
+woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor 't
+zand der heide--want als hei vertoonen zich die zandzeeën--vergenoegden
+zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien
+en klinkers. Wat ze voor de weelderige grassoorten der bewaterde
+plekken in de plaats kregen, weet ik niet. Doch, ook zonder de
+minste vergoeding voor de hier-en-daar verspreide schoonheden in
+hun vroeger verblyf, nog altyd was die straat-zelf, en niet de tent
+van kalk en steen hun geliefd domicilie. De krotten die ze heetten
+te bewonen--vuistslagen in 't gezicht der beschaving... in Wouter's
+tyd!--waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens
+onvoorwaardelyk. Zoodra 't zomerweer de begoocheling toeliet of
+aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken
+bevond, nam het zonderling volkje dit op als 'n sein dat de tyd weer
+was aangebroken van het leven in de openlucht, en van terugkeer tot
+vóórkanaänsche zeden ... met uitsluiting evenwel van de sedert lang
+verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootst gedeelte van 't
+etmaal tusschen de reien der tenten door. Daar zaten ze, daar lagen
+ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid,
+d.i. handel gedreven. Daar leefden zy.
+
+Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z'n hoofdmomenten aan
+de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker
+geloof. Wie deze buurt betrad, en met voornaam-domme achteloosheid z'n
+oog liet heenglyden over die vreemde gestalten, zag slechts de zeer
+bekende buitenzyde. Alles was daar om handel te dryven, of liever om
+zoo mogelyk iets te verkoopen, want wie eigenlyk op die zonderlinge
+markt de koopers waren bleef 'n mysterie. Kochten die straatkramers
+van elkander? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste
+spykers? Zoo ja, wat aten ze? Of liever, welke produktie leverde het
+excedent van kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En
+de huishuur? En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest-
+en vierdag?
+
+Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze
+dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. Hieraan
+zeker is het toeteschryven dat in Wouter's tyd niemand zich de vraag
+voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in onafzienbare
+reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden "rei" en
+"kraam" zyn wel wat weidsch. Orde en regel was er niet: alles stond
+en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, de meeste kooplieden hadden
+deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun goederen op 'n oud stuk
+zeildoek uit. Anderen versmaadden ook dezen omslag, en gebruikten de
+bemodderde straatkeien tot toonbank en uitstalkast. En wat men daar al
+vond! Daar lag yzerwerk... neen, zóó hoog betitelde de oprechte koopman
+z'n goederen niet--neem er 'n voorbeeld aan, opgeblazen kropolithen
+van de Keizersgracht!--hy noemde zich: handelaar in oud roest. De
+man beweerde niet, yzer te verkoopen, hy verkocht roest van yzer. En
+zelfs geen versche roest. Hy verkocht oud-roest, of oud geroest,
+of dingen die oud en verroest waren, gewezen voorwerpen vervreten
+door roest van ouden datum. En op nòg lager sport plaatste zich onze
+koopman. Hy nam den naam aan van de waren "waarin-i deed" en vond er
+niets vreemds in, wanneer men hemzelf aansprak als de hoogbejaarde
+oxyde van 'n voormaligen spyker: hy heette Oud-roest. Kan 't nederiger?
+
+Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten
+van kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie
+protesteerend door 'n beroep op de klassieke beteekenis van hun
+naam... en ook wel 'n beetje tegen de aanspraken op taalkennis van
+de heeren D. V. & T. W. die ze vrouwelyk maken zouden, 'n jaar of
+zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder
+kroost, schroeven zonder moer... Niobees en weezen. Daar lagen eenzame
+pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun
+tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandelooze zagen, beitels
+zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder
+oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren,
+hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten,
+grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers,
+potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had
+kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten,
+gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest! Dit scheen
+de eisch te wezen van dien handel. Misschien was de koopman aan deze
+eigenaardigheid gebonden door 'n artikel in de patentwet, volgens
+'twelk hy wel voor roest maar niet voor yzer was aangeslagen. En
+nu sprak ik nog slechts van de dingen die 'n naam gehad hebben, of
+misschien eenmaal 'n naam konden gehad hebben. En we stonden nog maar
+'n oogenblik stil voor de uitstalling van den Oud-roest alleen. Het
+beschryven van 't overig deel der "markt" gaat m'n talent nog verder
+te-boven, aan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon daar
+koopen--maar wie toch kocht er iets?--daar waren te bekomen: zure
+augurken, runderlappen, nieren en long, nuchter-kalfsvleesch en andere
+spyzen, gekookt en ongekookt, met of zonder de saus. Daar werden oude
+lappen en vodden gevent, en stukjes leder, en knoken, en gepensioneerde
+hoeden, en strooken vilt, en schilderyen zonder lyst, en lysten zonder
+schildery. En prenten, en boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen
+zonder titel. En landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes
+in vieren of zessen geknipt, om en détail te worden aan-den-man
+gebracht voor 't mogelyk geval dat 'n heel land of werelddeel
+de begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten
+kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de
+ongelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen
+'n tumulus van zuurkool en 'n tropee van hoeven en horens. Ginds stond
+'n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynsche dissertatien,
+met almanakken en silhouetten van verloopen jaren en dominees. Ook
+meubels waren daar. En er was porcelein, en glaswerk, en aardewerk,
+en keukengereedschap... ja, wat was er niet! En dat alles was kreupel,
+gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig
+en voor niemand te gebruiken, wat toch 't geval niet kan zyn, want
+dat volkje leefde van den handel in die prullen, en: ab esse ad posse
+valet illatio. [17]
+
+Doch, ik zeide het reeds, dat leven was zonderling. Ook sprak ik
+van de domme voornaamheid die in dit alles geen aanleiding vindt tot
+nadenken. Reeds wat men ziet, zou hiertoe kunnen opwekken, en om dit
+te betoogen is het weinige dat ik daarvan noemde, voldoende. Maar
+hoe zou 't wezen, wanneer we met het oog van den geest iets dieper
+doordrongen? De bewoners van dat mierennest zyn... menschen. Het "nil
+humani alienum" moge dan al niet juist in wysgeerigen zin 'n artikel
+in hun dagelykschen kathechismus wezen, toch is dat woord op hen van
+volle toepassing in stoffelyke en maatschappelyke beteekenis. En,
+ook zielkundig gesproken, het zou 'n ongerymd waagstuk zyn, hun de
+aandoeningen te ontzeggen, die, de... half- en verkeerd-beschaafde
+zoo gaarne wil doen voorkomen als het uitsluitend eigendom van de
+"deftige klasse." Die straathandelaars hebben wenschen en verdriet. Ze
+kennen vreugde, hoop, teleurstelling... eerzucht misschien. Ze
+weten--zoo goed als anderen toch, en waarom niet?--wat liefde
+is. Waarlyk, er is iets menschelyks in zoo'n Oud-roest en in het
+oude grootmoedertje daarginds aan dien kruiwagen met "zuur." Vygen
+verkoopt zy ook. Zie hoe netjes half-decimaal zy ze vyf-aan-vyf heeft
+gespietst op stokjes. Zoo'n stokje koopt de jeugd voor 'n duit. De
+winst is groot, want de heele ceroen is 'n onvrywillig geschenk van
+den kruidenier die 't ding z'n winkel uitwierp, omdat de suiker na
+twintigjarigen bewaardienst zich begon omtezetten in iets als
+alcohol en sterkriekende gist. Ja, de winst is enorm:... àls de
+jeugd die speetjes koopt. Als! want--en ziehier de oorzaak van m'n
+staathuishoudkundige bekommering--vanwaar komt die duit? De vaders
+en moeders die hem verstrekken moeten, handelen vlak naast de vygen-
+en zuurvrouw in ransige kokosnoot en curaçaosche pienders. [18] Moet
+het geld dat hun kind aan die vygen besteedt, niet eerst--en wel boven
+'t strikt-noodige voor levensonderhoud--òververdiend zyn op hun eigen
+waar? En wie koopt die waar? Hoeveel brokken klapper, hoeveel van
+die westindische boontjes, moeten de kleinkinderen van de zuurvrouw
+by buurman besteed hebben, om hem in-staat te stellen zyn kroost op
+háár vygen te onthalen? Hoeveel vygen moet zy hebben gesleten aan
+zyn kinderen voor ze de duit óverheeft, waarmee háár snoepertjes den
+koopprys van zyn pienders voldoen? O diepte der verborgenheid, beide
+der kennisse en des begrips van den amsterdamschen Jodenhoek! [19]
+
+
+
+
+
+
+
+ Een allernietigst geschiedenisje. Na 't bywonen van 'n middagmaal
+ in de open lucht, wordt de lezer onthaald op 'n moeielyken tocht
+ naar de derde verdieping, waar Wouter nog altyd niet vermoord
+ wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek verzotten
+ lezer zal de auteur zich weten te troosten. Quo non ascendam?
+
+
+Het wordt tyd terug te keeren naar de zeer byzondere klasse van Joden
+die men te Amsterdam vergund heeft een stad te stichten in 'n stad,
+en wel bepaaldelyk naar 't oude vrouwtje met die vygen. Zeker neem
+ik 't háár niet kwalyk dat zy zich onthoudt van twistgeschryf tegen
+professer Oosterzee en andere steunpilaren van 't ware Geloof. Inplaats
+daarvan levert zy ons aanleiding tot opmerkingen van geheel anderen
+aard, wel beneden de aandacht van sommige lezers misschien, doch de
+myne niet onwaard. Al zy 't dan dat m'n intelligentie niet ontwikkeld
+genoeg is om doortedringen tot de achterste schuilhoeken van zekere
+mysterien--getuige die duit van zoo-even--toch overvalt me soms
+'n aanval van fierheid op m'n onwetendheid, tegenover de velen
+die zich hunner onwetendheid, niet bewust zyn. Op dit oogenblik,
+byv. zoek ik naar de zielegeschiedenis van die vrouw. Want... 'n
+ziel heeft ze. En 'n geschiedenis ook. Zy is zuigeling geweest. Zy
+is kind, jonkvrouw, bruid, echtgenoot, moeder geworden. En nu is ze
+grootmoeder. Misschien wel meer dan dat. Niemand doorloopt een zoo
+lange baan zonder ten-minste iets optevangen van de indrukken die hy
+ondergaat. Zy heeft velen gekend, sommigen gehaat, eenigen liefgehad,
+meer misschien dan eenigen of velen: één! En er waren er, die háár
+beminden. Wie, hoe, waarom? Wat gaat ons dit aan? 't Moet zoo geweest
+zyn. Zy is moeder geworden, en werd dus eenmaal uitverkoren, al was
+'t dan ook maar met de uitverkorenheid van 'n enkel oogenblik. Velen
+van hare betrekkingen heeft zy overleefd, en dus by 't doodbed gestaan
+van bekenden, vrienden, verwanten, lievelingen. Ook met Staatkunde is
+zy in aanraking gekomen voor-zoo-ver niemand geheel-en-al den invloed
+kan ontgaan, dien deze uitoefent op iedereen. Toen, toen, en toen,
+heeft ze haar kraampje moeten ter-zy halen, of wel geheel sluiten en
+wegsleepen misschien, omdat er 'n Prins zou voorbykomen, omdat er
+'n Keizer jarig was, omdat de christenen 'n Bededag wilden houden of
+'n Dankstond. Misschien ook wel eens omdat de Burgemeester uit z'n
+humeur was, want in byzonder vrye landen is niets vryer dan de luimen
+der kleine heeren. Hing niet ook zeer dikwyls haar handel af van
+'t straatrumoer der revolutien? Wy weten immers hoe de steenen die
+door de groote-mannetjes du jour worden geworpen in den oceaan der
+Wereldgeschiedenis, kringen vormen, rondom voortkabbelend tot den
+uitersten rand der Maatschappy, ook in de diepte zich uitbreidend
+tot de onderste laag, waar ze ten-laatste vygen- en zuurvrouwtjes
+bereiken? Veel is haar over 't hoofd gegaan, veel heeft haar geraakt,
+aangedaan, gewreven, geschokt. En die vrouw zou geen geschiedenis
+hebben? Gy die dit meent, erkent liever dat ge verleerd hebt zulke
+geschiedenissen te lezen, en tracht dit te herstellen, en wordt niet al
+dommer en dommer door u verheven te wanen boven 't allerkleinste. En
+vooral... zit niet zoo uilig te wachten op 't lichtstraaltjen uit de
+lantaarns van de Prescotten, en de Mac-Auleys en de Mills. De ware
+studie van den mensch is: de Mensch. Dit blyft eeuwig waar, al verkoopt
+zoo'n studie-exemplaar zure augurken en bedorven vygen aan 'n speetje.
+
+Ze had traan-oogen, dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk uit
+als haar vygen. Rimpels had haar gelaat niet--wàs 't 'n gelaat?--het
+waren voren en groeven. Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien
+over elkander heen, en de toeschouwer had moeite zich voortestellen
+hoe al die vouwen van de overvloedige huid haren weg vonden, en
+telkens weer haar eigen plaats wisten intenemen, na zoo zonderling
+te zyn heen-en-weer geworpen door de mummelende beweging van haar
+mond. Hierin zal dan ook wel eens verwarring ontstaan zyn, maar wat
+was er aan te doen? Niemand hield er boek van, en elke plooi hing
+waar ze verkoos. Is 't wonder dat die overkompleete lappen wel eens
+misbruik maakten van 't volslagen gemis aan tucht en kontrole?
+
+Het vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van
+'n jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest,
+'n papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder moeite
+en verlies naar den mond geleidde met 'n yzer drietandje, geleend
+misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten verloor ze
+geen oogenbiik haar zaak uit het oog, en monsterde met kinderkundigen
+blik 't onmondig deel van Publiek, dat haar etablissement naderde
+of... voorbyging. Want zeer veel kinderen gaven blyk van de wysbegeerte
+die ons leert dat aardsche goederen, met vygen en al, niet volstrekt
+onmisbaar zyn voor ons geluk, en dikwyls zelfs schadelyk. Misschien ook
+was de slapte van de markt het gevolg eener finantieele krisis, gelyk
+in den handel soms voorkomt. Om zich edel te wreken, misschien ook
+om den snoeplust van andere kinderen optewekken--wie toch doorgrondt
+de finesses van den handel?--neen... uit hartelyke genegenheid voor
+'t jongetje welks overgrootmoeder ze was, gaf zy 't kind 'n ristje
+van haar vygen. Ik moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de
+onereuze voorwaarde verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan
+moest uitkeeren aan z'n zusje.
+
+--En mag ik dan 't stokje houden, vroeg de knaap. Heelemaal? 't
+Heele stokje?
+
+--Ja, liewes, jy mag 't stokje houden, heelemaal!
+
+De oogen van 't kind glinsterden van geluk. Daar ging één vyg
+naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver de helft van de
+derde. Na de amputatie werd de overschietende helft weer netjes
+aangeregen, en: "ik mag 't stokje houden!" juichte de kleine. Toen
+'t oudje haar test had leeggegeten, gaf ze die aan 't kind terug, met
+liefkozingen en 'n kus. De knaap sprong heen, jubelend het geschenk
+voor kleine Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen afstand by
+'n groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de blyde mare haar
+broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en bezeerde zich... al of
+niet, maar schreide zooals vallende kinderen gewoon zyn.
+
+Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden
+namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met
+het voornemen háár te vragen naar de woning van den man die 't
+smeerige briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder weinig op
+'n struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy belast was met 'n
+gewichtige finantieele operatie zou veilig kunnen worden neergelegd
+in haar schoot. Toch weifelde hy. Ook in Glorioso kwamen zeer oude
+vrouwtjes voor, die op 't beslissend oogenblik in welgewapende mannen
+veranderden! Terechtwyzing kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy
+nu met zekerheid dat-i zich in de straat bevond waar-i "zaken" had,
+maar... in welk huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts
+nu-en-dan 'n enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol
+lappen en lompen. Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van
+de vygen- en zuurvrouw, moest naar z'n berekening de gezochte persoon
+wonen, doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat bouwvallig huis
+kon geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs zooveel duiten
+niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger 't onsmakelyk praedikaat
+van z'n briefje te begrypen. Want in de gansche straat ontwaarde hy
+geen verblyf dat er uitzag alsof daarin ooit 'n wissel kon betaald
+worden. Peinzend bleef hy staan, en liet zich 'n oogenblik afleiden
+van z'n gedachten door het kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast
+als-i was, haalde het juichen van den knaap hem Numeri XIII voor den
+geest, waar de verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels
+en... vygen. "Ook dáár wordt gesproken van 'n stok, van 'n draagstok,"
+dacht Wouter, en juist liep hy gevaar zich te verdiepen in... heel iets
+anders dan z'n naastbyliggenden plicht alweer, toen hy het tweejarig
+Racheltje struikelen en vallen zag. Fluks by-de-hand, richtte hy
+'t kind op, en wischte haar traantjes af, en droeg het naar de oude
+vrouw, die hem zeer vriendelyk bedankte.
+
+--Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze.
+
+Nu weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching
+van Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder
+gewicht te hechten aan Wouter's nietig dienstbetoon. Dat kind zou wel
+vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn. Maar
+toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto noch
+m'nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig alle
+bemoeienis met de zaken van 'n ander verafschuwden, hadden besef van
+'t genot der aandoening die de Duitschers Menschenfreundlichkeit
+noemen, en waarvoor wy, meen ik, geen woord hebben. 't Is iets als
+de vertaling in het dagelyksche, van de hoogdravende Menschenliefde
+die maar 'n deugd is voor zeldzame feestdagen, tooneelstukken,
+levensbeschryvingen en grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk,
+en nooit voelde hy zich zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die
+hem gewoonlyk drukte, dan wanneer zich 'n gelegenheid aanbood zich
+eens recht welwillend te toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine
+voorval den moed het oude vrouwtje naar de woonplaats te vragen van
+Roebens, den man dien-i zocht.
+
+--M'n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake met 'm? Chots seeche d'r
+op! Hier woont-i, vlak achter me... kyk, dáár de trap op. Cha jy gerust
+na-bove, en loop m'r deur tot 't derde pertaal, waar je die dékes ziet
+hangen, en al dat beddechoed, en z'n sjabasj engels-hemt. En je klopt
+an de deur naast de cheutsteen, en je roept: Roebe, Roebe! Want Roebe
+Roebes hiet-i. En-i is kemissjenèèr in lompe, en m'n êêche kleinsoon,
+en Racheltje's fader, werachtich as Chot!
+
+Deze plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben's
+maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder
+overbodig dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe
+iemand die dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar
+dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd
+voor dat de beschikker over 'n som die hem zoo aanzienlyk toescheen,
+de kleinzoon wezen zou van 'n arme zuurvrouw, en Racheltje's vader. Hy
+kende de eigenaardigheid niet die de Joden--zooals veel Aziaten--nog
+altyd van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls 'n
+redelyke welvarendheid achter schynbare armoed verbergen. Niet zonder
+uitzondering, maar--vooral in de lagere standen--heerscht by sommigen
+iets dat men het omgekeerde van bluf of reklame zou kunnen noemen,
+en als tegenstelling met de Kopperliths komt ons deze opmerking goed
+te-pas. Dat de kommissionair in lompen--een der schakels tusschen
+papierfabrikanten en voddenrapers--z'n grootmoeder daar op de straat
+liet zitten... lieve God, ze verkoos niet anders! Ze was opgebracht
+by den handel, by dien handel, en daarby wou ze sterven. Ook was
+"zuur" en bedorven kruienierswaar haar specialiteit. In elk ander
+"vak" zou ze met handen en hersens verkeerd hebben gestaan, en
+zelfs met haar neus. Want ze rook den graad van ontbinding waarin
+haar goederen behoorden te verkeeren om te passen in 't kader
+van haar ondernemingen. De tachtigjarige oorlog dien ze gevoerd
+had tegen flauwen kooplust, slecht weer, lastige policie--eens
+namelyk had 'n onwaardige magistraat het veilen van bedorven goedje
+verboden... 't is lang geleden!--de leerschool die ze had doorloopen
+met taai geduld... zie, dat alles kon ze niet van de meet af opnieuw
+beginnen. Haar kunst was zoo lang geweest als haar leven, en wat
+er van dat leven nog kon overschieten, zou gewis te kort zyn voor
+'t aanleeren van nieuwe kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat
+de door haar gekozen specialiteit in-allen-deele aan de illuziën
+van hare jeugd had beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting
+ontsnapt zyn--'t wordt door wel-onderrichte maar onbescheiden
+getuigen verzekerd--"als ik nògeens in de wereld kwam, ging ik in 't
+knokenvak!" Maar ze troostte zich by 't bedenken dat ook deze loopbaan
+wel haar onaangename zy hebben zou, al scheen dat anders aan wie er
+buiten stond. En in-allen-geval, er was geen spraak van dat ze haar
+leven zou òverdoen. Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe,
+en Jehovah-zelf kon 't niet ongedaan maken dat Vrouw Roebens haar
+gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen besteed had. Wat
+er in den hemel moet worden aangevangen met zulke zielen... ei,
+en de jongeheer Pompile dan, met z'n witte-gronden-driekleur,
+en z'n krieuweltjes? En m'nheer Wilkens met z'n diemetten? Welke
+ontwikeling brengen dezulken mee in den hemel? En dat zy eenmaal daar
+aanlanden, is toch zeker. Want Pompile was van de Walekerk, en Wilkens
+hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede gelooven, gelyk ieder weet.
+
+Wouter bedankte heel beleefd voor de gegeven inlichting, en klauterde
+naar-boven. Jammer dat er geen roovers waren op die uitgesleten
+trappen, want het was er zoo donker dat men lust krygen zou zichzelf
+te bestelen. Het klimmen van onzen jongste-bediende vereischte een
+zeer eigenaardige gymnastiek. Heel beneden had z'n rechterhand zich
+weten meester te maken van 'n touw. Na 't stygen van 'n paar treden,
+was-i wel genoodzaakt z'n oogen te ontslaan van alle dienst, maar
+'t gewicht der expeditie kwam des te zwaarder op z'n handen neer,
+die slechts van-tyd tot-tyd 'n oogenblik rust kregen als-i wat
+vasten grond onder de voeten meende te hebben. De tyd tusschen deze
+tempoos in, werd aangevuld door zekere slingering, 'n exercitie
+waarvan historie en industrie ons drie toelichtende voorbeelden
+aanbieden. Wouter hing daar--maar in 't donker--als de "plukkers"
+van vogelnestjes op de Javasche Zuidkust, of: als de verzamelaars van
+eiderdons in 't hooge Noorden, of: als de krygslieden van Herodes,
+die in hangende bakken de roovers in de rotsen bevechten, gelyk in
+'t XIVe boek van Josephus te lezen staat. Wouter kende de plaat die
+in de frans-hollandsche vertaling van dat werk ter opheldering daarby
+gegeven is, en niet zonder angst berekende hy wat z'n lot wezen zou als
+het touw brak. Daar-i volstrekt niet zien kon, zag hy allerduidelykst
+de rotspunten en kloven waarop en waarin hy zou neerkomen. Goddank,
+de eerste verdieping was eindelyk bereikt, en hy kon wat uitrusten. De
+toegang tot de tweede was nauwer, en het touw waaraan hy zich moest
+ophyschen, iets gladder en dunner. Met moed ving hy ook dezen tocht
+aan, en werkte zich dapper tot 'n portaal hooger op. Hier hoopte
+hy dat-i zich 'n verdieping mocht verteld hebben, maar helaas, de
+werkelykheid geeft niets toe. Wie slechts twee verdiepingen klimt,
+staat niet hooger dan twee verdiepingen. Dit is nu eenmaal zoo:
+nil sine labore!
+
+Wouter tastte rond naar den deurflankeerenden gootsteen, maar
+helaas! Hy zag in, dat nog altyd z'n naastbyliggende plicht in stygen
+bestond, en dit bleek hem te meer toen hy na eenig zoeken in 't bochtig
+portaal, 'n spleet in de voorpui bemerkte, die hem toeliet 'n oog te
+slaan op 't buitenhangend garneersel van de vensters. Daar was niets,
+niets, niets te zien van 'n "sjabbasj engels-hemt." Er hingen kousen
+en mutsen en allerlei lappen te drogen, maar nog altyd woei daar
+de vlag niet waarop hy koers zette. Hooger dus, hooger! Wat zoo'n
+jongste-bediende op 'n koopmanskantoor zonderlinge naastbyliggende
+plichten te vervullen heeft! Die soldaten van Herodes... dit is de
+vraag niet. Den derden trap op! Zeker was hy op den goeden weg, want
+de uienlucht werd sterker en sterker. Nog 'n beetje volharding, en hy
+zou te-land komen in de buurt waar de spys bereid was, die hy beneden
+in de bekende vuurterrine had te zien gekregen. Waarlyk, het touw
+was ten-eind! Voorzichtig schoof hy den voet vooruit, en bleef grond
+voelen, wel 'n halven palm in omtrek. En nòg 'n proef die goed afliep,
+en nòg een... hy had iets onder zich, dat vergelykender-wys naar vasten
+bodem geleek. Om zich heen tastend ontdekte hy den gootsteen, en al
+was er niets te zien van 't feesthemd, hier zou 't wezen! Hy klopte
+op den gis tegen den wand, en riep: m'nheer Roebens, m'nheer Roebens!
+
+--Nou, k'm m'r binne, antwoordde een vrouwestem, wat e skendaal in
+'t pertaal! Wâ mot je? Wissels? K'm in, en maak so'n lewaai niet. Me
+man is siek.
+
+Daar er 'n deur geopend werd, kon Wouter nu eindelyk zien. De vrouw
+die zich vertoonde, beantwoordde z'n vraag of daar m'nheer Roebens
+woonde, bevestigend. En hy trad binnen.
+
+--Van de heeren Ouwetyd en Kopperlith, stamelde Wouter met 'n mislukte
+poging om iets officieels te brengen in stem en houding.
+
+En hy haalde het smeerige briefje voor den dag.
+
+--Fader, zei de nog jonge vrouw, d'r binne ze-n-al met een f'n de
+wisseltjes... och Chot, de stumpert het 'r f'n nacht fan legge yle!
+
+Wouter vond het vreemd dat zy iemand scheen toetespreken, want
+buiten haar zag hy niemand in de kamer. Dit werd evenwel terstond
+opgehelderd. Er klonk antwoord achter de gordynen van 'n bedstee.
+
+--Je heb 'm wakker gemaakt! zei de vrouw op verwytenden toon.
+
+--Och, wat spyt me dat, antwoordde Wouter met meer vriendelyke
+belangstelling dan z'n funktie meebracht of toeliet.
+
+Zeker, als 't wisseltje hèm behoord had, zoud-i hebben voorgesteld
+'n andermaal eens terug te komen.
+
+--Wâ sel ik je segge, riep de zieke, ik hep de koors. En f'n wie
+komt het?
+
+--Van de heeren Ouwetyd & Kopperlith...
+
+--Dâ ken me nie skele. As ik je seg, dâ me dat nix skele ken! Ik
+fraag je wie de trekker is. Kyk jy 'ns Ribbetje, of 't briefie
+is f'n Sjomele, of 't briefie f'n Bussemakers, of 't briefie f'n
+Bebbel Roels in Keule? Want er ferfalle drie f'ndaag... een f'n
+sefen-en-dertig, sestien, acht, en een f'n driehondert-drie en een
+f'n sevehondert-dertien, ses, twaalf. En geef me nog wat asynwater,
+Ribbetje, want ik heb so'n dorst f'n de koors. Sefehondert dertien,
+ses, twaalf is f'n Sjomele, en hier is 't gelt.
+
+Rebekka gaf haren echtvriend iets te drinken. Toen ze daarop Wouter
+verzocht haar 't briefje te toonen, hield deze het haar voor, zonder 't
+lostelaten. De vrouw toonde zich door dit komiek wantrouwen volstrekt
+niet beleedigd. Ze scheen 't niet vreemd te vinden, zoo weinig zelfs
+dat ze 'r geen acht op sloeg.
+
+--'t Is f'n Sjomele, fader.
+
+--Sefehondert dertien, ses, twaalf, goet! En hier is 't gelt.
+
+De zieke scheen bezig iets optedelven onder z'n matras. Men hoorde
+hem woelen en hygen, en weldra 't geluid van gevulde geldzakken die
+tegen elkaar stootten. Rebekka wees Wouter 'n latafel aan, waarop
+ter-nauwernood 'n plekje leeg was. Daar zou wel 'n pen liggen, zei
+ze. En ook bracht ze hem na eenig zoeken 'n aptekersfleschje met
+wat inkt.
+
+--Ja ... maar ... juffrouw ...
+
+--Ribbetje, ik hep weer so'n dorst, klaagde de zieke.
+
+Dit doet me genoegen voor Wouter. Die dorst bewaarde hem voor al
+te ruwe uiting van beleedigende voorzichtigheid. Met Rebekka, die
+op-nieuw haren man te drinken reikte, trad hy op 't bed van den zieke
+toe. Ze scheen bevreesd dat kou of tocht by 't openen der gordynen ...
+
+--Ik zal je helpen, juffrouw, riep Wouter, meezorgend dat de
+opening niet grooter werd dan juist noodig was om 't verlangde
+doortelaten. Nadat Roebens gedronken had, reikte hy twee zakken
+geld aan.
+
+--Maar, zei Wouter weifelend, ze hadden me gezegd dat het geld me
+zou worden voorgeteld?
+
+--As ik je seg dâ 'k de koors hep, en siek ben as e geslage man, wâ wil
+je? As ik heb geteekent m'n hant f'r betale, na, wâ sel ik doen? Ik
+betaal. En as ik teeken m'n hant f'r telle, sel 'k telle. Help 'm,
+Ribbetje, en geef me wat drinke, ik heb so'n dorst f'n de koors. En
+tel 'm 't gelt foor ... sefehondert dertien, ses, twaalf.
+
+Het jonge vrouwtje, na haar man gelaafd te hebben, hurkte op den vloer
+neer, en Wouter knielde er by. Ze stortte het geld in haar schoot uit,
+en wilde beginnen te tellen. Maar 't ging niet. Zyzelf kon niet wys
+worden uit de tallooze geldsoorten die haar man had weten by-een te
+brengen. Men zou er 'n muzeum mee opgezet hebben. Ook was er geen
+plaats, want de vloer lag vol prullen. Ach, de oude Gerrit wist het
+wel, en als 'n donderslag klonk Wouter de vreeselyke profetie in de
+ooren, "als je 'r afkomt met 'n daalder, mag je van geluk spreken!" Hy
+werd zeer angstig.
+
+Daar stommelde iets op de trap, en 't oude vygenvrouwtje vertoonde
+zich in de geopende deur. Ze sprak bargoens, en scheen Ribbetjen iets
+te zeggen over dat geld. Het jonge vrouwtje hield op met uitzoeken
+en tellen.
+
+--Fader, d'r is grootemoe, en se seit ...
+
+Hier volgde een-en-ander dat Wouter weer niet verstond, maar wel
+onderscheidde hy eenige keeren den naam van Racheltje. Nogeens begon
+de oude vrouw haar verhaal, en ze wees op hem, en scheen zich driftig
+te maken tegen al die afgeknabbelde dertiend'halven en schellingen
+en byna onherkenbare muntstukken.
+
+--Na, zei de zieke, 'k heb wel goet gelt ook as 't weze mot. Hier,
+Ribbetje, neem an ...
+
+Hy reikte z'n vrouw 'n grooten zak over, die hy met blykbare moeite
+had opgegraven uit z'n beddegoed.
+
+--Neem an, Ribbetje, en tel er uit ... twee hondert stuks, en dan nog
+... twintich stuks, en ... ses. En ... doe 'r 'n achtetwintich by,
+die goet is, en ... ses Uiterse duiten, en laat 'm gaan met Chot! En
+geef me te drinken, Ribbetje, w'nt ik hep so'n dorst.
+
+Wouter ontving z'n geld in gerande dukatons, en bedankte zeer
+vriendelyk. De welwillendheid van die oude vrouw had hem goed gedaan,
+tot roerens toe. Wanneer-i op dat oogenblik in het toekennen van
+vereering had moeten kiezen tusschen haar en de zooveel beter geboren
+mevrouw Kopperlith ...
+
+Zonder 't minste opzet om 't rimpelig moedertje natepraten, wenschte
+hy haar by 't weggaan duizend goddelyke zegens toe. Haar, en m'nheer
+Roebens die zoo ziek was. En de jonge vrouw die zoo liefderyk haar
+man verzorgde. En kleine Racheltjen ... o, allemaal!
+
+Eerst toen hy de straat bereikte, schoot hem in den zin
+dat-i--sakkerloot, hoe jammer!--by het teekenen ... z'n krul vergeten
+had. Nu, dàt 'n andermaal! Hy was verheugd dat-i menschen ontmoet
+had die hem zoo beminnelyk voorkwamen, en dit was meer waard dan de
+mooiste krul.
+
+
+
+
+
+
+
+ Alweer over 't kleine. Wouter wordt op post gezet voor de zenuwen
+ van "mevrouw." Kent de lezer Gus Halleman nog? Verhandeling
+ over het denken. De auteur maakt tenslotte fiasco in colloquia
+ prava. [20]
+
+
+Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken
+reeds, byna zonder afwisseling rondleid op 'n tentoonstelling van
+nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak
+... op die nietigheden zeker niet, maar op m'n arbeid. Een zeer
+groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit 'n aaneenschakeling
+van 't geringe. Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik
+deze eigenaardigheid over 't hoofd zag. En aan de goede trouw,
+als ik 't deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare
+juistheid "aristokratie van den smaak" wordt genoemd. Ook 't woord:
+tentoonstellen, is my een niet ongewenschte kwalificatie van m'n
+arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken tentoon, die hy van
+de wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm ... den zynen! Om
+evenwel ook de vele graven en markiezen onder m'n lezers tot moedhouden
+optewekken--onder ons gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van zekere
+voornamigheid logeeren in stal of keuken--verbind ik my Wouter niet
+te laten sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn aan 't een of
+ander hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur 'n huis voor hem op
+de Keizersgracht. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo'n sprong
+noodig is, wacht ik 'n oogenblik van byna krankzinnige tuchteloosheid
+af. In kalme stemming zou 't niet lukken. Het is echter de vraag of
+hy--aangeland in zóó verheven sfeer--fyner dingen zal te zien krygen
+dan de aandoening die 't oude vygenvrouwtje bewoog ook op haar beurt 'n
+herodiaansche expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus
+haar "handel" over te laten aan de bescheidenheid der voorbygangers,
+alleen om Wouter te beschermen tegen al te uitgebreide muntkennis
+van haar kleinzoon.
+
+Wat overigens het aristocratische van den smaak aangaat, de myne is
+van edel bloed. Te edel, b.v. om zich aftegeven met de zeer burgerlyke
+voorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen schoonheid vatte zonder goud,
+fluweel en aanzienlykhedens, en die dus hierin--op de naïveteit na--nog
+altyd op de laagte stond van 't kind Wouter. Wat my betreft, ik blyf
+aan redelyk goed brood de voorkeur geven boven zieke truffels. Doch,
+voor den honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den
+smaak. De eenige eisch is: waarheid. Den kunstenaar die hiernaar
+streeft, zal al 't andere toegeworpen worden ... natuurlyk op de
+toejuiching der koprolithen na, die hy missen kan.
+
+Wouter oogstte by m'nheer Dieper eenigen lof in over den uitslag van
+z'n tocht, en vernam tot hartsterking: "dat-i 't by-gelegenheid eens
+weer mocht doen." Maar Gerrit verzekerde dat het niet altyd zóó zou
+afloopen, wat ieder weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal.
+
+De bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel
+overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den eersten
+dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m'nheer Pompile, het knippen en
+opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z'n werk, om nu niet
+te spreken van 't vegen op de zolders en in 't magazyn, lokalen waar,
+volgens m'nheer Wilkens, voor 'n jong-mensch altyd iets te leeren viel.
+
+Het is my een gewetensplicht hier alle aanleiding tot zeker misverstand
+uit den weg te ruimen, dat zeer veel jongelieden welkomer wezen
+zou dan behoorlyk is. Ik verklaar uitdrukkelyk, geen aanmerking te
+maken op de soort van bezigheden die men Wouter opdroeg. Niet hierin
+waarlyk ligt het zwaartepunt myner aanklacht tegen zekere klasse van
+menschbedervers. De stalen moesten nu eenmaal uitgezocht, geknipt en
+opgeplakt worden, en die brieven gekopieerd ... wie anders dan hy kon
+daarmee belast worden? En zelfs die boodschappen! Geestverheffend
+waren al deze werkzaamheden voorzeker niet, doch men neemt geen
+jongste-bediende in 'n lappenhandel, met het doel om meetewerken aan
+'t verheffen van z'n geest. Dit is evenmin de eisch zyner vorming,
+als 't in billykheid verwacht kan worden van de personen die over hem
+te beschikken hebben. De bekende spreuk: il n'y a pas de sot métier,
+il n'y a que de sottes gens acht ik hier van volkomen toepassing. Een
+geest die zich niet weet te ontwikkelen in-weerwil van 't handwerk,
+is de moeite der ontwikkeling niet waard. In-weerwil? Dit is de
+vraag. Juist zulke nietige bezigheden laten het denkvermogen vry. Ik
+meen reeds ergens gezegd te hebben dat ik jaloers was op Spinoza den
+brilleslyper ... den geluksvogel! Ook roerde ik in myn Mattheus XIX
+de hier behandelde stelling aan. "Uit de Schrift leert men strikvragen
+stellen, maar er is veel antwoords in 't denken by 't spinnewiel." [21]
+Niemand staat voor 't geringe te hoog, en zeker was dit dan ook 't
+geval niet met onzen Wouter, die aan 't breidelen van z'n begeerten zoo
+byzondere behoefte had. De kwestie was of-i netjes knipte en plakte,
+of z'n kopie korrekt was? Hierin alleen lag z'n naastbyliggende plicht,
+en niet in 't onbesuisd haken naar voornamer werkkring. Schreef niet
+ook Jezus voor, getrouw te zyn in 't kleine?
+
+Nog 'n andere bezigheid kwam--aanvankelyk nu-en-dan, later
+byna geregeld--voor Wouter's rekening. Hoe weinig er ook in de
+zomermaanden "gehandeld" werd, toch kwam het by-uitzondering voor,
+dat er verzendingen moesten geschieden "naar buiten." Het "pakken"
+van zulke goederen in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de funktien
+van Gerrit. Sedert vele jaren evenwel, had deze zich zoo geoefend in
+'t voorwenden van allerlei oorzaken tot onthouding van arbeid, dat men
+zich telkens genoodzaakt zag de hulp van Flip den kruier interoepen,
+en de posten die deze interventie op 't "weekbriefje" te-voorschyn
+bracht, bezwaarden het handelsgeweten van den jongeheer Pompile. Uit
+eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid eener byzondere styfte van
+Gerrit's rhumatiek, de paknaald ter-hand, en werd zoo geprezen over
+den uitslag van z'n eerste poging om dat werk te verrichten--men had
+het tot-nog-toe voor 'n vak gehouden dat zonder speciale opleiding
+ontoegankelyk was--dat de jongeheer Pompile al zeer spoedig hem
+gelastte de goedheid te hebben by èlke voorkomende gelegenheid als
+pakhuis-knecht optetreden. En inderdaad, de pakken die hy vervaardigde,
+waren onberispelyk! Kantig van rand, plat aan de zyden, symmetrisch
+gebouwd--gemetseld, had ik byna gezegd--netjes genaaid, wèl bestand
+tegen stuwing, wentelen en nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er
+was elegantie in de balen die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men
+kon ze "over 'n huis gooien" als 'n wel-ingepènd kraamkind uit de oude
+bakerschool. "Het is of-i 't al z'n leven gedaan heeft!" betuigde zelfs
+m'nheer Wilkens in 'n eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet
+erkennen dat ook Wouter schik had in 'n bekwaamheid die hem verraste,
+'t Was hem 'n eerezaak dat er nooit klachten werden ingebracht over
+avary, noch zelfs over kreukeling, van goederen die hy had toegerust
+om de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem schooner dan wrevel,
+en het ware te wenschen geweest dat men niet op misdadiger wys z'n
+overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd 'n bezigheid voor
+hem uitgedacht... neen, 'n bezigheid was 't eigenlyk niet. Het was
+'n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus in versuffing
+dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar terstond zeggen
+dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile zich alweer in de
+hier bedoelde zaak van 'n zeer gunstige zyde deed kennen. Op zekeren
+morgen kwam de oudeheer het kantoor binnensloffen, en onthaalde het
+personeel op de gewone inleiding tot z'n belangryke gesprekken:
+
+--Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is.
+
+--Zoo, papa?
+
+--Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen nacht
+gedroomd heeft!
+
+--Dat is zeker nogal heel akelig, papa!
+
+--Ze heeft gistr'avend kreeftensla gegeten, weetje?
+
+--Zoo, papa?
+
+--En daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit gezegd dat
+ze heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig.
+
+--Dat is wel verdrietig, papa!
+
+--Niet waar?
+
+--Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid te zeggen, de familie
+Krucker...
+
+--Ze kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren...
+
+--Hè, papa?
+
+--Ja, zóó erg is 't! Want... het ophalen van de draad maakt zoo'n
+vreeselyk leven, zegt mama.
+
+--Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen,
+papa? Ze zeggen...
+
+--Maar, Pompile, wat zullen wy 'r aan doen? Mama lust haar portwyn
+ook niet meer...
+
+--Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa!
+
+--En ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo zenuwachtig wordt
+van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen madera drinkt.
+
+--Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder zenuwachtig
+van madera?
+
+--Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel gezond
+is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is niet
+goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar 't helpt allemaal niet,
+als er zoo'n vreeselyk leven in huis is. Dat eeuwige schellen, Pompile!
+
+--Ja, papa!
+
+--De bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo van.
+
+--Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, jy moet eens
+zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als er dan
+iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan 't venster, zieje? En je
+ziet... wie 't is? En je vraagt wat ze willen, zieje? En als 't dan
+iemand voor de keuken is, dan sluit je de deur, en je gaat zeggen in
+de keuken, dat er... iemand voor de keuken is, weetje? En als 't voor
+"huis" is, dan sluit je de deur, en je komt hier zeggen aan m'nheer
+Eugène... niet waar, Eugène?
+
+--Hm!
+
+...dat er iemand voor "huis" is, zieje? En dan zeg je-n-aan m'nheer
+Eugène wie er is. En tegen de menschen zeg je dat mevrouw zoo ziek
+is, zoo byzonder erg zenuwachtig, moet je zeggen. Maar denk er aan,
+dat je-n-altyd de deur van den kelder sluit. Ziet u, papa, dan wordt
+er niet gebeld, en... als dan mama weer beter is, kan ze naar-buiten,
+papa. Want ik heb gister de Hockers gesproken, papa, en hun gezegd...
+
+Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan
+de Hockers gezegd had? Vorder 't onmogelyke niet, lezer! Zonder nu
+juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter's
+eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten 'n groote rol in m'n
+geschiedkundige navorschingen. Geen lid van de beroemde familie Hocker
+heeft zich verwaardigd my iets meetedeelen van 't gesprek waarop hier
+de jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat Wouter-zelf aangaat, hy
+stond reeds lang op-post achter de glasdeur van 't magazyn, voor die
+teedere zoon z'n papa deelgenoot maakte van de Hockersche konfidentie.
+
+Ja, daar stond-i! Met z'n gewonen dienstyver hield hy de linkerhand
+aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, voor 't geval
+dat iemand zich verstouten mocht mevrouw Kopperlith's zenuwachtigheid
+te prikkelen door onbescheiden bellen aan de bovendeur. Zóó stond-i
+daar dan uren achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht
+voor mevrouw Kopperlith's rust! Geen vlieg zou kunnen naderen
+zonder aangeroepen te worden. Nooit bracht 'n schildknaap die zich
+voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie
+mee in z'n wapen-vigilie dan Wouter aan z'n afmattende taak ten-koste
+lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! Dat
+z'n naastbyliggende plicht alweer met z'n wenschen noch met z'n
+gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet,
+en z'n wenschen telden niet mee. Het sprak vanzelf, begreep hy,
+dat men zich moeite en onaangenaamheden getroosten moet om "iets te
+worden in de wereld" en 't kwam niet in hem op dat er misbruik werd
+gemaakt van z'n goeden wil. Hy beschouwde de vreeselyke verveling
+die hy te bestryden had--en den stank!--als zoovele vyanden die
+op-straffe van lafhartigheid moesten verslagen worden, en hy week
+dus niet! In gewone gevallen zou het niets-doen-op-zichzelf hem
+geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer spoedig in de vryheid zyner
+gedachten 'n middel zou gevonden hebben tot bezigheid niet alleen,
+maar zelfs tot uitspanning. Geen gegeven was hem onbruikbaar tot
+punt van uitgang. Een luchtbelletjen in de vensterruit, de richting
+van de reien der straatsteenen, 'n voorbydryvend wolkjen... alles
+en 't minste was voldoende om hem aan 't denken te brengen en te
+houden. Maar juist dit was hem ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van
+'t besef zyner naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds
+byna gereed met z'n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat
+wezen zouden 'n examen afteleggen als hulp-onderwyzer, toen de jongen
+van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om
+de taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten
+in haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z'n nalatigheid, en
+beloofde zich plechtig z'n neiging tot denken, vorschen, uitpluizen,
+redeneeren, te offeren op 't altaar van z'n onverheven plicht. Zoo
+ver mogelyk liet hy z'n blikken rechts en links de straat beheerschen,
+om by-tyds--en liefst te vroeg--te kunnen beoordeelen welke onverlaat
+'n storing der rust van mevrouw Kopperlith in 't schild voerde. Maar
+zéér ver reikten z'n bespiedende oogen niet. Aan-weerszy werden de
+beenen van den hoek dien hy overzag, door de uitbouwsels der stoepen
+saamgedrongen tot 'n engte die voortdurende oplettendheid vorderde,
+en hem telkens plaagde met den angst dat z'n waarschuwing te laat
+komen zou. De gedachte rees in hem op: als ik maar voortdurend tikte,
+en iedereen van 't beklimmen der stoep terughield? Hm... dat zou
+gek staan! Wat zou ik zeggen? "M'nheer, ben je-n-ook misschien van
+plan hier aanteschellen aan de bovendeur?" Hy zag in, dat dit niet
+kon. En ook, dat er in den handel 'n groote mate van geduld noodig
+is. En dan... dat pynlyk slapen van z'n linkerbeen!
+
+Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van z'n
+loopbaan slechts twee keer 'n fout. Eens had 'n bedelbrief-industrieel
+z'n waakzaamheid verschalkt, door by arglistige overklimming van de
+achterleuning der stoep, de bovenbel te bereiken. De jongeheer Pompile
+was er zeer verstoord over, en ook Wouter-zelf voelde verdriet. Wat
+zou er van hem worden by zoo'n slordige plichts-vervulling?
+
+Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door den
+kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor
+den neus dicht, en ging op 't kantoor aan m'nheer Eugène zeggen: dat
+mevrouw Kalbb daar was: "voor huis" naar-i giste. Zeker, ze kwam voor
+"huis" en was zeer boos "dat die jongen 't in z'n hersens had genomen,
+háár niet doortelaten." Wouter ontving by deze gelegenheid onderricht
+in 't groote verschil tusschen: "papa's eigen dochter, mevrouw Kalbb,
+weetje, de eigen vrouw van den konsul van 't heele land Elsas, weetje,
+en... allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in 't magazyn!"
+
+Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel
+inderdaad 'n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet
+achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith's
+aangaat... wat wisten zy daarvan? Het verslonsen eener ziel is geen
+handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. In-plaats daarvan
+hielden ze treffende verhandelingen over 't bederf der kleuren
+van de stapeltjes die vooraan in 't magazyn beschenen werden door
+'n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren met
+'n stuk zaklinnen of papier, want:
+
+--Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer dàt van my!
+
+Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z'n
+oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld
+als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z'n gemoed
+aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter
+wàs niet eens 'n broeder. Geen neef zelfs. Hy was 'n burgerjongetje,
+en de heeren Kopperlith woonden op de Keizersgracht. Ze behoefden
+'t zich niet aantetrekken dat hy zich daar stond te vervelen en
+te versuffen tot krankzinnig-wordens toe! Misschien zelfs wisten
+zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar welke professor had dan
+overredingskracht genoeg bezeten om hen te doordringen van 't besef
+dat gekleurde lappen 't licht niet verdragen kunnen? Wie toch had déze
+wysheid weten intepompen aan zulke indociele gemoederen? Magnus Apollo!
+
+Doch zie, dat geestverdoovend schildwacht-staan was 't ergste niet! Aan
+veel gevaarlyker proef werd Wouter gewetenloos blootgesteld door de
+hem opgedragen taak om elken ochtend de brieven van de post te halen,
+of liever: om te vragen of er brieven waren? Want drie, vier malen
+'s weeks kwam hy met ledige handen op 't kantoor. De toon waarop
+hem dan de jongeheer vroeg: "of er alweer niets was?" maakte den
+indruk alsof hy 't helpen kon dat niemand 'n wittegrondje-driekleur
+bestelde. Toch was hem die gang naar 't postkantoor en 't wachten
+daar, een der minst onaangename plichtjes van z'n betrekking, en
+hierin lag juist het gevaarlyke.
+
+De soort van 't gezelschap waarmee hy daar kennis maakte, heb ik
+reeds met 'n enkel woord omschreven. Indien niet Wouter door byzondere
+omstandigheden in deze levensperiode was voorbeschikt tot afdwaling,
+zou hy voorzeker in dien omgang geen smaak hebben gevonden. Maar er
+bestond by hem wel degelyk aanleiding tot misgrypen, en zelfs byna
+noodzakelykheid. Sedert eenigen tyd voelde hy zich ontwassen aan
+al het kinderlyke zyner eerste ideaaltjes, en al zocht hy nu niet
+uitdrukkelyk naar aanvulling van de hierdoor teweeggebrachte leegte,
+toch onderging hy onbewust de gevolgen van die ylheid. Ware dat eerste
+hoofdstuk van z'n zieleleven opgevolgd door ingespannen arbeid--ook
+zelfs door schynbaar vernederenden arbeid, mits: vermoeiend!--dan
+had de overgang van kind tot mensch geleidelyk plaats gevonden,
+en er zou weinig of geen kracht zyn verloren gegaan, iets wat in
+psychologie, als in werktuigkunde, de eisch is. Hierop waren dan
+ook de vermaningen van Holsma voornamelyk gegrond. Wouter moest
+genezen worden van z'n voorliefde voor 't kontemplatieve, de klip
+waarop zoovelen--en de slechtsten niet!--te-gronde gaan, en die
+hen doet aanlanden in de buurt waar ze 't minst te-huis behooren:
+by de luiaards. De hier bedoelde methode laat zich, zonder de minste
+aanspraak op wetenschappelyken klank--maar de uitdrukking is er niet
+minder schilderachtig om--samenvatten in 't huisbakken voorschrift:
+"zit niet te droomen, steek je handen uit!" Denken is voorwaar
+des menschen edelste bezigheid, maar juist het wèl denken schryft
+handeling voor. De maat der splitsing tusschen 'n geoorloofd toegeven
+in bespiegeling, en dat: "handen-uitsteken" is evenwel geenszins voor
+allen gelyk. Dit laatste is niet by-uitsluiting laag by den grond. Het
+eerste niet, op en door zichzelf, verheven. De verhevenheid ligt in de
+korrekte toepassing van beiden. Een onpraktische droomer staat waarlyk
+niet hooger dan de domste "man van zaken." We kunnen evenmin in de
+wolken wonen als in den modder, en er bestaat geen enkele reden om
+aan 't vervliegen van geest de voorkeur te geven boven 't smoren van
+geest. Het maat-houden tusschen deze beide uitersten is onze taak,
+en niet alleen ontwaren wy telkens groot verschil in neiging tot
+overslaan, wanneer we onderscheiden individuen met elkander vergelyken,
+maar zelfs in den enkelen mensch bestaat groote onregelmatigheid. In
+sommige perioden van het leven hebben wy ons in acht te nemen tegen de
+gevaren van onberaden vlucht. 'n Andermaal moeten wy onszelf opwekken
+en inspannen om de mollegangen te verlaten waarin we bezig-waren ons
+te versteken. Uit de wet der traagheid alweder is het te verklaren
+dat wy, na terugkeer van den verkeerden weg, ons vergissen in de
+maat van afwyking aan de andere zyde. Dit oscilleeren is geestelyk en
+zedelyk leven. Hoe kleiner de boog, die de tong der balans beschryft,
+hoe beter, maar volslagen stilstand zou de dood zyn.
+
+Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht
+met die vreeselyke "naastbyliggende plichtjes" vorderde wel zware
+inspanning, doch wortelde niet in 'n beginsel. Hy deed dit omdat-i
+by-uitstek dociel was, en 't werd hem voorgeschreven door iemand dien
+hy achting toedroeg. Er scheelde weinig aan, of hy zou 't zichzelf
+hebben toegerekend als 'n goedige poging om dokter Holsma pleizier
+te doen. En deze beschouwde z'n voorschrift eenvoudig als 'n tydelyk
+middel om hem zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen
+van z'n leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat:
+"handen-uitsteken" behoefte had, een ziekteverschynsel waaruit zich
+myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. Indien ik over
+hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren leerjongen by
+'n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de grenzen van dit
+ambacht te bepalen--'n smid met Wouter's gaven zou zich onmisbaar
+ontwikkelen tot 'n Krupp!--maar om z'n al te eenzydige neiging
+tot het kontemplatieve te-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor
+zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan 's avonds
+neervallen op z'n stroozak, en den volgenden morgen geen herinnering
+hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na 't uittrekken
+van z'n tweede kous, ja van z'n eerste misschien. En wat het opwekken,
+aanwakkeren en voeden van z'n zucht tot bespiegeling aangaat, juist
+dáártoe is niets geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning
+van spieren vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting
+"halt!" toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat oogenblik werken de
+geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men
+zich meent bezig te houden: alleen met denken.
+
+Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den
+blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dàt, of
+zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien
+had kunnen zetten waarvan z'n ziel vervuld was, doch die hy nu niet
+verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. En,
+by-gebreke van zoo'n handleiding liep hy gevaar...
+
+Wel zeker, hy maakte kennis met die jongelui by 't postkantoor! Zy
+zouden 't hongerig zieltje vullen met hun voosrype wysheid. En Wouter's
+eetlust was groot! Niet alleen psychologisch leed hy honger. Ook
+in maatschappelyken en huiselyken zin was dit het geval. Hy voelde
+behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet
+voldaan werd. En wat de "heeren op 't kantoor" aangaat... ze deden
+er niet in.
+
+Doch in gezelligheid werd wèl "gedaan" door die jongeluî aan
+'t postkantoor. Nu ik eenmaal--met stoute miskenning der waarheid
+zoowel, als van de lokaal-kleur--de heeren Ouwetyd & Kopperlith tot
+'n "handelshuis" heb verheven, durf ik even ongepast die loopjongens
+bevorderen tot kantoorbedienden. Zoo namelyk betitelden zy zichzelf. De
+eerste aanleiding tot kennismaking werd geleverd door de ontmoeting
+met een der Hallemannen. Ook hy was: "jongste-bediende." Wouter sprak
+hem aan, en zei: "Gus!"
+
+--Ah zoo... je bent Pieterse, geloof ik.
+
+Wouter keek vreemd op by dit "geloof". Maar Pieterse wàs-i.
+
+--Ja zeker, Gus. Wèl, ken je me niet meer?
+
+--Ik ken je wel, maar ik moet je ronduit zeggen dat ik geen
+kinderachtigheid verdragen kan. 't Lykt wel of we schooljongens zyn,
+zoo praat je!
+
+Wouter begreep er niets van. De zaak was, dat-i: Halleman had moeten
+zeggen. Hy leerde dit, en weldra begon-i ook z'n eigen familienaam
+mannelyker en aanzienlyker te vinden dan: Wouter. Hy zag al zeer
+spoedig dien Gus voor 'n groot man aan, die 'n breede opvatting van
+'t leven had. De kwajongen was dan ook inderdaad 'n tweetal jaren ouder
+dan hy, en wel twintig in kennis, gelyk we zien zullen, of nagenoeg.
+
+Ach, lezer, ik heb 'n verdrietig werk te doen. Vloek over de
+ellendelingen die m'n Woutertje blootstellen aan zùlke kennismaking!
+
+--En by wie ben jy op 't kantoor?
+
+--By de heeren Ouwetyd & Kopperlith... Keizersgracht, weetje?
+
+--Hm! Dat's nu juist zoo'n heel groot huis niet! In 't geheel niet. Wy
+doen in koffi. Jelui doet, geloof ik, op Smirna, hè?
+
+--Dat weet ik nog niet, zei Wouter, ik ben er pas.
+
+--Zóó? Weet je dat niet. Nou, dat's 'n rare!
+
+Nieuw aangekomen "jongeluî" sloten zich aan, en hadden heusch als
+wezenlyke menschen gegroet met: "morge, heeren!" Misselyk en komiek,
+maar 't was zoo. En Wouter vond dien toon uitstekend. Hy had zich
+zoo'n verheffing zelfs in 'n droom niet durven voorstellen. Helaas,
+hy die zoo kort geleden nog in den omgang met zichzelf zich wys-maakte
+dat-i god wàs, en koning... worden zou, hy voelde zich gestreeld
+'n stuk heer te zyn in de oogen van kwajongens die almede voor iets
+als heeren wilden doorgaan!
+
+--Zeg, dàt's 'n rare! Hy weet niet eens waarin ze doen. Hoe vind
+jelui die?
+
+De "heeren" vonden 't byzonder gek. En Wouter, die zeer gevoelig was
+voor spot, werd verlegen.
+
+--Maar, zeid-i stamelend, je vroeg iets van Smirna, en dàt begreep
+ik zoo gauw niet. Een van onze jongeheeren is te Rome. Meen je dàt
+misschien?
+
+--Wy zyn op Portugal, zei 'n derde.
+
+--En wy op de Oostzee. Granen, weetje?
+
+--Hoe héét dan je huis? vroeg 'n vyfde.
+
+Wouter noemde de firma.
+
+--Wel, wat bliksem...
+
+'t Sprekertje vloekte alleraardigst. En dit deed het heele
+troepje. Toch ging 't de mannetjes niet glad af. Men kon duidelyk
+bespeuren dat ze nog niet recht thuis waren in de handige toepassing
+van al hun mannelykheid. Dit was er 't grappige van.
+
+--Wat bliksem, dat is in manufakturen! Weet je dàt niet? In
+manufakturen, zeg ik je.
+
+En de spreker-zelf betuigde dat-i "in" assurantie was.
+
+--Kyk maar, daar heb je polissen. Dat zyn allemaal polissen, weetje?
+
+En allen beschouwden met eerbied 'n pakje blanko-dokumenten, dat de
+loopjongen zoo-even uit den kantoorboekwinkel gehaald had.
+
+--Ja, ja, polissen! zei Gus, met 'n nadruk die zooveel beduidde als:
+"ik weet precies wat dat voor dingen zyn. Ik heb er ook in gedaan."
+
+--Kyk, wat 'n mooie meid!
+
+--Pst, pst! Hei! Kom 'reis hier!
+
+Het dienstmeisje dat zoo hoffelyk werd aangeroepen, spuwde op den
+grond, en liep door. Het beste wat ze doen kon! Ze hoefde niet de
+minste kuisheid te-hulp te roepen om zich zedig te betoonen.
+
+--'t Is Mie uit de bakkery, zei 't huis op Portugal. Nou!
+
+Welke lezer verstaat dit "nou?"
+
+--Nou! zei 'n tweede.
+
+--Nou! herhaalde 't koor.
+
+Wouter begreep er niets van. En dit was te dommer van hem, omdat hy de
+gelaatstrekken zag, die dezen uitroep vergezelden. Kon hy 't helpen
+dat-i nog altyd de hiërogliefen van gemeenheid niet grif lezen kon,
+die al dat genou illustreerden? Erg genoeg dat-i weldra die taal zou
+leeren verstaan. Vloek over de Kopperlith's!
+
+Waarschynlyk keek hy onnoozel, want een van z'n leermeesters vroeg hem:
+
+--Ben jy op 'n kantoor, jy?
+
+--Ja... in... manufakturen, heusch! antwoordde Wouter.
+
+--Weet je wat ik geloof? Ik geloof dat je nog maar 'n nuchter kalf
+bent. Dàt geloof ik er van!
+
+En deze overtuiging werd bezegeld met 'n kernachtige
+heerenuitdrukking.
+
+--Hy is zoo onnoozel als...
+
+Als 't een-of-ander maar, dat niet onnoozeler behoeft te zyn dan wat
+anders, wanneer 't slechts terdeeg gemeen klinkt. De bedoeling zal
+geweest zyn dat-i byzonder onnoozel was.
+
+--Zeg, weet jy nog niet eens waar de kindertjes vandaan
+komen? Nou... dàt mankeert er maar aan!
+
+Goddank, dit wist Wouter! En als hy 't niet geweten had, zou hy hier
+in de gelegenheid geweest zyn het te vernemen, en wel op 'n manier sui
+generis. Ook andere wysheid was hier optedoen, die wel strikt genomen
+evenmin nieuw was voor den leerling, maar welke hem dan toch werd
+meegedeeld in bewoordingen die hem onbekend waren. Uit verregaande
+mannelykheid hield hy zich als sedert lang behoorlyk ingewyd. Hy gaf
+zich moeite om zoo wys mogelyk te lachen, wat hem slecht afging en
+heel leelyk stond.
+
+'t Was 'n liederlyk troepje. Ik heb op dit oogenblik geen lust
+uitvoeriger te zyn.
+
+Wat Wouter aangaat, hy werd by dat Postkantoor bedorven voor-zoo-ver
+hy te bederven was. Dit blyft, met of zonder uitvoerige beschryving,
+treurig genoeg.
+
+
+
+
+
+ Over zekere volksverhuizing die--by groote uitzondering,
+ voorzeker!--inderdaad heeft plaats gehad. Wouter, al lager en lager
+ zakkende, komt eindelyk te-land achter de "britschka van Papa."
+
+
+Op zekeren dag was er 'n groote beweging op de Keizergracht by de
+Vellestraat. De vensters der bovenverdiepingen aan den overkant prykten
+met dienstmeisjes die dagdievend op den uitkyk stonden. Misschien
+ook gluurden enkele stervelingen die zich verbeeldden oneindig
+verhevener standpunt intenemen, door 'n kykgaatjen in de gordynen der
+beneden-voorkamers. Voorbygangers die meer tyd hadden dan bezigheden
+of voortvarendheid, bleven staan by 'n schouwspel...
+
+Hier zou nu romanshalve de beschryving van dat schouwspel moeten
+volgen. Helaas, lezer, wat zal 'n arme auteur doen? Er was, om
+de waarheid te zeggen, eigenlyk niets byzonders te zien, en de
+opmerkzaamheid van die dienstmeisjes, voorbygangers en... anderen,
+was maar 'n blyk te meer van de bekende armoed aan indrukken, die
+ik reeds in den tweeden bundel behandelde. Wilt ge die bladzyde eens
+naslaan lezer? (Verz. Werken, IV:37, I. 451.)
+
+"De Kopperlith's gaan naar buiten" verhaalden elkander de Grietjes
+en Mietjes uit de buurt. En wie zich byzonder goed onderricht wilde
+toonen, kwam 'n half-uurtje na 't ontvangen van die boodschap terug met
+de vraag: "zeg eens, weetje wel dat de Kopperlith's naar-buiten gaan?"
+
+Ik zou 'n onwaardig geschiedschryver wezen, als ik verzweeg dat zich
+hier-en-daar 'n variant voordeed. Drie mevrouwen, negen "juffrouwen",
+zeven-en-twintig kameniers--tevens linnen- en kindermeiden--verzekerden
+niets, maar namen zich voor, by de eerste gelegenheid te onderzoeken of
+'t wel wezenlyk waar was dat de Kopperlith's naar-buiten zouden gaan?
+
+Ja, zeg ik. Ja! Ja! Ja! De Kopperlith's zouden inderdaad
+naar-buiten gaan. Er lag 'n zolderschuit voor de deur. Om nu den
+niet-Amsterdamschen lezer, die evenmin weet wat 'n "zolderschuit"
+is, als wat "voor de deur liggen" beteekent, te doen verlangen naar
+'n herdruk met noten, geef ik hier de onheldere toelichting dat
+'n zolderschuit zeker brak-watervaartuig is, zonder zolder, maar
+met 'n vloer. "Voor de deur" beduidt hier zooveel als in de gracht
+"waarop" het huis staat. Wie hiervan nu niet veel begrypt, geeft blyk
+van zekere bekwaamheid, maar 'n Paryzenaar of andere buitenman moet
+zich niet verbeelden dat men zoo op-eenmaal 't ware begrip hebben
+kan van de eigenaardigheden eener stad als Amsterdam.
+
+Een zolderschuit lag alzoo voor de deur, en de gedienstige geesten
+van den huize waren druk in-den-weer met het aansleepen van den
+inboedel. Oppervlakkig kan het bourgeois voorkomen, dat de begrooting
+van de familie Kopperlith geen dubbel stel meubels dragen kon. Eilieve,
+om dat verhuizen was 't juist te doen! De buren en voorbygangers
+moesten de zolderschuit en de bereddering zien, die hier op de
+Keizersgracht denzelfden ontzag-inboezemenden dienst deden, als de
+beeremuts van Holsma's koetsier by de Pietersens. En dit moest nogeens
+geschieden in 't laatst van Oktober, by het thuiskomen. Ook dan weer
+zou de heele buurt zeggen: "weet je wel dat de Kopperlith's weer in
+de stad zyn?" Er is niets wat zoozeer op de eigenaardige zotternyen
+in zekeren stand gelykt, als de... zotternyen in 'n anderen stand. Wie
+er een kent, kent ze allen.
+
+Alle-man was te-hulp geroepen. Daar waren Flip de kruier met
+z'n kameraden. Ook de koetsier met 'n paar geïmprovizeerde
+noodhulpen. Gerrit's rhumatieke styvigheid bleek dien dag redelyk
+lenig, misschien wel omdat "die Wullekes" niet in de zaak betrokken
+was. Zelfs--o hemel!--werd er meegeholpen door de kamenier,
+en--o, honderd hemels!--door de "juffrouw." Ieder ligtte, schoof,
+reikte aan, zette te-recht, droeg, stutte, duwde, trok en riep:
+"voorzichtig!" De intelligente lezer begrypt dat de "juffrouw" die
+'n ontzettend quantum fatsoen had optehouden of... te veroveren,
+zich slechts waagde tot aan de huisdeur, en... schuchtertjes maar! De
+voorbygangers mochten eens ontdekken dat ze handen aan 't lyf had. En
+de kamenier-linnenmeid... nu ja, ook deze waardigheidsbekleedster was
+niet gehuurd op kruierswerk. Ieder moet z'n stand ontzien, en ze kwam
+dus niet verder dan de derde stoeptree, wèl geteld.
+
+Al die meubels moesten naar Groenenhuize. "Mama" zou volgen met
+byzondere gelegenheid. Hoe 't gelukt is, haar uittepellen... neen,
+deze uitdrukking deugt niet. Ik dacht aan limburger peteunekes, maar
+die behoeven niet héélgehouden te worden, en dáárop kwam 't in dit
+byzonder geval juist aan. Met 'n speld pluist men zulke alikruikjes
+by stukjes en brokjes uit hun huisjes, en de weledelgeboren Vrouwe
+Mevrouwe Kopperlith moest uit haar zy- en binnenkamer worden voor
+den dag gehaald... integraal! Dit slechts weet ik, dat zy weinige
+dagen later den bodem van Groenenhuize bezwaarde, en dat ook de
+oudeheer z'n verveling daarheen overplantte met wortel en tak. De
+jongeheeren vertrokken vrydags-avends of saterdags-ochtends uit de
+stad, en kwamen meestal 's maandags terug. Gerrit en z'n egae Jans
+werden, zooals sedert jaren de gewoonte was, tot huisbewaarders
+bevorderd. De ware, echte, fatsoenlyke zomer was alzoo aangebroken
+en de jongeheer Pompile kon z'n woord lossen aan de Pleiers en de
+Hockers en de Kruckers... goddank!
+
+Intusschen was Wouter's verveling op 't kantoor, op de zolders,
+en in 't magazyn, niet gemakkelyk naar den eisch te beschryven. Het
+pynlykste daarby was dat-i zich altyd moest aanstellen alsof hy wat
+uitvoerde. Want m'nheer Wilkens beweerde dat er voor 'n jong-mensch
+altyd iets te doen was: "leer dàt van my!"
+
+Dit is waar, o m'nheer Wilkens! En ik zou byna durven verzekeren dat
+er ook voor 'n oud mensch gewoonlyk iets te doen valt. Maar dit was
+de vraag niet. De vraag was wàt men aan Wouter te doen gaf. Of er
+voedsel voor den geest stak in dien arbeid? Heilzame vermoeienis voor
+'t lichaam? Geveegd hàd-i. Gekopieerd hàd-i. Stalen uitgezocht, geknipt
+en opgeplakt, hàd-i. Hy kende de patroontjes van al die gekleurde
+sitsen uit het hoofd, met de nummers van het stalen-kontraboek
+er by... ja heusch, en zelfs in den droom! Dat slangetje met 'n
+gebroken kruisjen en 'n wipjen of 'n brokkelig moesjen op 'n blauwig
+marmer grondje, was... zesduizend zooveel, waarlyk! En zeventien
+nummers lager stond hetzelfde patroon, maar de moesjes waren rond,
+en 't wipje wipte wat minder. En die diemetten, en die fancy-checks
+en die fancy-stripes... och, hy wist het aantal draden op elken
+inch van schering en inslag! En wat er te rekenen viel, was niet
+meer moeielyk: "zooveel pounds, shillings en pence, tegen twaalf en
+drie." En al begreep hy dan den allereersten keer niet wat er bedoeld
+werd met dit jargon van den koers, hy vatte de zaak toen men ze hem
+eenmaal had gelieven uitteleggen. In z'n Strabbe kwamen moeielyker
+"sommen" voor. Wezenlyke inspanning kon hy slechts plaatsen in z'n
+stryd tegen verveling, zeker een der onwaardigste manieren waarop
+'n jongmensch z'n ziel verkwisten kan. En 'n oud mensch ook. Voor
+Wouter was hiervan het onmiddellyk gevolg dat de "gezelligheid" by
+'t postkantoor op al te willigen bodem viel.
+
+Reeds jaren geleden [22] heb ik er op gewezen hoe het horror vacui [23]
+der oude natuurkundigen zich ook in het zedelyke alom openbaart. Men
+behoorde van deze eigenschap der dingen gebruik te maken in de
+opvoeding. De ziel heeft 'n opzuigend vermogen. Men houde haar gezond
+voedsel voor en ze zal versmaden wat vuil is omdat ze dan daarvoor
+geen ruimte heeft. [24]
+
+Men vulle het kind met kennis, men make hem gewoon aan begrypen
+en weldra zal 't hem stuiten iets aantenemen dat, met z'n weten en
+begrip in-stryd, zoowel 'n miskenning van z'n oordeel wezen zal, als
+'n beleediging van z'n smaak.
+
+Dit was by onzen Wouter ten-eenen-male verzuimd. Het weinigje kennis
+dat men hem had meegedeeld, was op-verre-na niet voldoende om z'n
+aandrift tot kennen, weten en begrypen te bevredigen. Zoolang hy kind
+was, had z'n fantazie 't noodige verricht, en meer dan dat. De tyd was
+nu gekomen dat-i zich vermoeid voelde van 't vruchteloos grypen naar 't
+onmogelyke. Z'n begeerten gingen rond als brieschende leeuwen, zoekende
+wat er te verslinden viel... och, alweer 'n beeld dat niet deugt! Er
+werd niet gebriescht en niet rondgegaan. Hy knaagde ontevreden op
+'t weinige dat hem werd toegeworpen, en voelde zich ongelukkig, 't
+Ergste was dat-i alleen zichzelf de schuld gaf van z'n toestand. Ieder
+ander, meende hy, was beter, wyzer, bekwamer, gelukkiger, dan hy,
+en in zekeren zin was dit de waarheid. We mogen vaststellen dat
+noch de jongeheer Pompile, noch de kantoor-satraap Wilkens, geleden
+hadden onder 'n wanverhouding tusschen hun gaven en de aanwezige
+middelen tot uiting, zooals die welke by-voortduring het evenwicht
+van Wouter's gemoed verstoorde. Elke afleiding werd hem welkom, en
+van keus was geen spraak meer. Hy zoog op wat zich voordeed. Ware
+hy in aanraking gekomen met drinkers... hy had gedronken. Met
+dieven... hy had gestolen. Met godzalige jongelingen... hy ware aan
+'t preeken en katechizeeren gegaan. Zelfs zóó ver daalde hy af,
+dat-i--opgeblazen nu van z'n recente postkantoorsche wysheid--berouw
+voelde over de onnoozelheid waarmed-i juffrouw Laps zoo teleurgesteld
+en geërgerd had. Berouw? Neen! Maar... schaamte toch. Hy trachtte
+zich optedringen dat-i 'n volgenden keer... hm! Zou die volgende
+keer ooit komen! 't Geval was vreemd geweest, zeer vreemd! Zoo-iets
+gebeurt maar eens in de eeuw, meende Wouter, die zich al z'n vroeger
+onbegrepen romanlektuur voor den geest bracht, en daaruit meende
+te moeten opmaken dat nietigheidjes als waarvan hy er een... byna
+ondervonden had, de spil zou zyn waarom zich 't leven draait. De lezer
+weet misschien dat zulk misgrypen in schatting van belangrykheid nog
+steeds by ouderen dan Wouter, zeer ten-nadeele der ware zedelykheid, 'n
+zotte rol speelt. Ook hier kan Larochefoucauld's ceux qui s'appliquent
+(trop?) aux petites choses, enz. van volle toepassing geacht worden.
+
+Toch was Wouter er niet beter om dat-i berouw voelde over 't gebrek
+aan ondeugd, waaraan hy meende zich te hebben schuldig gemaakt. En
+dit voelde hy zeer goed. Hy dacht niet gaarne aan wat hem vroeger
+liefelyk voorkwam, jazelfs dit durfde hy niet! Z'n herinneringen aan
+de indrukken die Femke hem meedeelde, z'n eerzucht, z'n lust om met
+'n beetje almacht het goede te bevorderen, z'n onverzadelyke begeerte
+om de oorzaken der dingen te kennen... och, dit alles hinderde
+hem. Even ontevreden als immer met z'n tegenwoordigen toestand,
+had hy zoomin lust zich bezig te houden met het verledene, als met
+'n toekomst waarover 't bestuur hem ontglipt was omdat schuldbesef
+idealen bederft. Tot krachtig hopen is reinheid noodig, en wèl is 't
+grof en dom van godenmakers, dat zy, om afdwaling te bedreigen met
+straf, meenden behoefte te hebben aan 'n àndere hel dan 't verlies
+van die reinheid meebrengt. Het ambt van paradys-uitjagende Cherub is
+'n ware sinekuur.
+
+Eens, op-straat--boodschappen doende voor den jongeheer Pompile,
+natuurlyk--bepeinsde Wouter 't nieuwste nieuwtje van ontwikkeling,
+dat dien morgen door een van z'n kameraadjes aan 't Postkantoor was
+ten-beste gegeven, en zie... daarginds zag hy Femke aankomen. Hy
+keerde zich om en sloeg 'n dwarsstraat in. Waarom toch? Tot 'n beetje
+vermindering van z'n schande moet ik hierby zeggen dat-i den avend
+van dien dag langen tyd wakker lag voor hy den slaap vatten kon,
+en dat hy lust in schreien voelde. Maar hy kon evenmin schreien als
+slapen. 't Was zeer pynlyk, en hy nam zich voor... ja, wàt?
+
+Met schrik bedacht hy dat het tydstip waarop Holsma hem had
+uitgenoodigd verslag te komen brengen van de pogingen om altyd z'n
+naastbyliggenden plicht te doen, sedert lang verstreken was. Ook dien
+goeden dokter zoud-i gemeden hebben, wanneer hy hem op de straat in
+de verte had zien aankomen. En misschien zelfs pater Jansen... 'n
+slecht teeken!
+
+--Toch zou ik wel 'ns willen weten, dacht-i, waarom die goeie pastoor
+zoo doof is aan z'n linkeroor?
+
+Hierover peinzende viel-i ten-laatste in slaap.
+
+'t Was donderdag geweest en vrydag geworden, en Wouter werd, op
+'t kantoor komende, verrast met de uitnoodiging om den volgenden
+dag zich te komen verlustigen op Groenenhuize. De jongeheer Pompile
+verwaardigde zich in hoogsteigen persoon hem deelgenoot te maken van
+deze genadige beschikking, niet zonder Wilkens 'n wenk te geven dat
+de tien stuivers welke den betrokkene voor reiskosten moesten worden
+uitbetaald, zeer gevoegelyk konden geboekt worden op: huishouden.
+
+--Niet waar, Eugène? Zeg jyzelf nu eens of zulke uitgaven de zaken
+aangaan wat je noemt de zaken?
+
+--Hm!
+
+--Juist! Niet waar? En wat zeg jy, Dieper?
+
+--Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, weet u,
+'t zyn kleinigheden, niet waar?
+
+--Precies! En daarom zeg ik altyd... maar, kyk, daar komt my iets nog
+beters in den zin. Zeg, Eugène, weet je-n-ook of Calbb en Hersilie van
+plan zyn morgen op Groenenhuize te komen? En of ze papa's britschka
+gevraagd hebben... met huurpaarden, weetje? Want zieje, dan kon
+Pieterse best meeryden. Weetje wat je doet, Pieterse? Je moet de
+goedheid hebben even by m'nheer Calbb te gaan, en doe't kompliment van
+my--van m'nheer Pompile, moet je zeggen--en vragen of m'nheer Calbb...
+
+--Calbb is niet thuis, bromde Eugène.
+
+--Zoo? Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar m'nheer
+Calbb z'n huis te gaan, en... je schelt huis, weetje? En je doet
+het kompliment van my, van m'nheer Pompile, en je zegt--aan de meid,
+weetje, die je opendoet--dat je morgen buiten mag komen--buiten, op
+Groenenhuize, moet je maar zeggen--en dat ik vragen laat of mevrouw
+Calbb en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz--want Ludwig-Bonifaz
+heet het zoontje van m'n zuster, mevrouw Calbb-Kopperlith, weetje?--nu,
+dan zeg je dat ik vragen laat of de familie van-plan is morgen met
+papa's britschka--met de britschka van m'nheer Kopperlith, moet je
+zeggen--met huurpaarden...
+
+--Hm, bromde Eugène.
+
+--Ja, juist... van huurpaarden hoef je niet te spreken. Dat weten ze
+zelf wel... wat zeg jy, Eugène? Nu dan vraag je-n-of m'nheer Calbb
+en mevrouw Calbb en de jongeheer Bonifaz naar buiten gaan? En hoe
+laat? En... of ie mee mag ryden? Maar... asjeblieft, moet je zeggen,
+niet waar, Eugène?
+
+--Hm!
+
+--Juist! Asjeblieft, zeg je, en je moet vooral het kompliment van
+my doen. Zeg, Eugène, vind jy 't niet wat indiskreet van Calbb,
+zoo altyd met de britschka van papa...
+
+Vóór Wouter Eugène's meening over dit diepzinnig vraagstuk te weten
+kwam, was-i reeds lang op weg naar den huize Calbb. Hy deed z'n
+boodschap met de voorgeschreven asjebliefts en komplimenten, en kreeg
+ten-antwoord dat mevrouw en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz
+Calbb zoo tusschen negenen en twaalven de Haarlemmer Poort passeeren
+zouden. "Als dus Pieterse mee wou, liet de edele Hersilia door de
+meid aan Wouter op de vloermat boodschappen, had-i te zorgen op z'n
+tyd dáár te zyn, en men zou hem 'n plaatsjen inruimen. Maar... lastig
+was 't wel, want de jongeheer Bonifaz was er op gesteld zich te laten
+vergezellen van z'n hobbelpaard, en dat nam veel plaats in."
+
+Wouter had den moed niet, m'nheer Pompile voortestellen den weg naar
+Haarlem te voet te maken, al zy 't dan dat de onsmakelyke wys waarop
+hem passage zou verleend worden, hem zéér deed. En toen hy, te-huis
+gekomen, bemerkte dat z'n moeder opgetogen was van de eer die in hem
+de heele familie werd aangedaan, meende hy alweer dat-i zich vergist
+had in 't beoordeelen van den indruk die mevrouw Calbb's plompheid
+by hem te-weeg bracht.
+
+--Gut, in 'n britschka! Dat 's zeker 'n koets, Trui, 'n
+staatsiekoets, denk ik! En daarin zal Wouter ryden als 'n banjerheer,
+den heelen weg over van hier af tot Haarlem toe, en dat zal de heele
+wereld te zien krygen...
+
+--Met 'n hobbelpaard, moeder!
+
+--Nu ja, met 'n hobbelpaard, maar... wat zou dat? Denk je dat iemand
+daarvan iets te weten komt? Wat zeg jy, Stoffel? En bovendien, wie
+loopt er op den Haarlemmerweg? Geen mensch! Geen levende ziel! Geen
+sterveling! Niemand zal 't merken dat je met 'n hobbelpaard in
+die... koets zit. Weetje wat ik zou doen in jou plaats? Ik nam 't
+tusschen m'n knieën...
+
+--Gut, moeder!
+
+--Wel zeker! En je legt 'n zakdoek op je schoot, dan kraait er
+geen haan na. Je bent 'n ontevreden jongen. Kyk eens naar al de
+arme kinderen die God danken zouden op hun bloote voeten... ja,
+dat zouden ze, als ze ook zoo 'reis naar-buiten mochten gaan, naar
+'n wezenlyk Buiten.
+
+--Drie uur wachten aan de Haarlemmer-Poort!
+
+--Wel, wat zou dat? Wou je dan dat zoo'n heer als m'nheer Calbb
+zich haasten zou voor jou? En de mevrouw van die m'nheer? En de
+jongeheer... hoe heet-i?
+
+--Zoo'n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te doen... weet
+je wat je bent, Wouter? Je bent 'n rechte izegrim. Als je vader
+'t beleefd had, die zoo zuur voor z'n brood...
+
+Den volgenden morgen stond Wouter op z'n post. 't Was nog niet volkomen
+middag, toen de familie Calbb zich vertoonde in de britschka van
+papa. Er was in dat tentwagentje inderdaad geen plaats over, en Wouter
+werd uitgenoodigd zich te behelpen met de ruimte die door 'n menigte
+pakken en pakjes was opengelaten in 'n achterbakje. Heel grootsch
+was-i niet toen hy bemerkte dat z'n inscheping de aandacht trok van
+den accynsman aan de poort, en van 't half dozyn straatjongetjes dat
+uit armoed aan pleizier gewoon was geraakt 'n heele gebeurtenis te
+zien in 't stilhouden van 'n rytuig. Helaas, hy had graag zichzelf
+tusschen de knieën genomen, en... 'n zakdoek er over! Hy haalde
+adem toen de Haarlemmerweg bereikt was. Zoo volstrekt verlaten van
+menschen, levende zielen en stervelingen, als juffrouw Pieterse
+beweerd had, was deze weg nu wel niet, maar toch niet zéér veel
+personen kregen gelegenheid optemerken hoe benepen onze Wouter daar
+zat tusschen al die bagage. Dat was'n àndere tocht voorwaar, dan
+de rit te-paard waarvan Vrouw Claus... gedroomd had! Hy sloot z'n
+oogen, en trachtte in 't sukkelig schokken van den wagen, de kadans te
+vinden van z'n eigen galoppeerend rooverslied: met m'n zwaard... hop,
+hop, hop... enz. Mevrouw Hersilia Calbb-Kopperlith spaarde hem 't
+voortzetten van z'n vruchtelooze pogingen, door 'n vermaning:
+
+--Zeg, Pieterse... of hoe je heet, je zit toch niet op den zak met
+soezen? En... hou toch die mand wat tegen! 't Ding schommelt zoo
+tegen m'n hoededoos.
+
+Wouter deed alweer wat hem gelast was. Mand, hoededoos en soezen
+kwamen onbeschadigd op Groenenhuize aan. [25]
+
+
+
+
+
+
+
+ Wouter wordt begunstigd met het verlof om diepzinnige gesprekken
+ aantehooren, en voor pedant meespreken bewaard door 'n vereerende
+ zending naar de mangelkamer.
+
+
+De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was... zoo
+onlandelyk mogelyk. Men ontving bezoek van ebenbürtige optrekmenschen,
+maar liever van hooger geplaatsten. Men maakte rytoeren in den
+omtrek, waarby de tentoonstelling van "eigen equipage" hoofddoel was,
+en... verveelde zich. Een der minst betwistbare genoegens die men van
+'t Buiten-zyn trok, was de voldoening der ydelheid z'n "Buiten" door
+vrienden en kennissen te laten bewonderen. Ieder hield er z'n Pleiers
+en z'n Hockers en z'n Kruckers op na, jazelfs z'n "jongste-bedienden"
+wier plicht voorschreef met open mond de heerlykheid van den gastheer
+aantestaren, en zoo mogelyk te bersten van afgunst. In dit bejag
+kwamen de optrekmenschen vry-wel met hun meerderen, de bezitters
+van eigenlyke Buitenplaatsen overeen. En hierin hadden zy inderdaad
+iets bovenmenschelyks, daar wy in de meeste katechismen--heidensche,
+grieksche en christelyke--als 'n eigenaardigheid der goden vinden
+aangeteekend dat ze zich zoo byzonder verheugen als 'n menschenkind
+zich op hun grootheid stom, blind en gek staart.
+
+Vandaag was de beurt aan onzen Wouter om op Groenenhuize de rol van
+lamgeschitterd Serafyntje te spelen.
+
+De oudeheer Kopperlith had de waarheid gezegd: z'n buiten lag vlak
+by "de Logementen." Dit was gezellig, zeide hy, want men vond er
+couranten, en menschen uit de stad. Eigenaardig is het, dat de meeste
+ontvluchters van 't stadsgewoel hun landelyke eenzaamheid slechts
+dan behoorlyk kunnen genieten, wanneer ze nogal heel erg vermengd is
+met steedsche drukte. Wouter bemerkte dan ook zeer spoedig dat het
+"buiten-zyn" geheel iets anders was dan-i zich had voorgesteld. Hoe
+krom en verdraaid ook de idylliteit zich in verzen aan hem had
+voorgedaan, hy vond geen spoor van de beelden die zy in z'n fantazie
+hadden opgewekt. By 't rondzien uit z'n achterbakjen op 't rytuig,
+bespeurde hy geen enkel plekje waar 'n verloren zoon 't kleinste
+biggetje had kunnen deelgenoot maken van z'n berouw. Herderinnen
+met bebloemde hoeden, korte rokjes en roodkleurige schoenen zag hy
+nergens. Geen Damon bespeelde de dwarsfluit. Geen jeugdige landbewoners
+dansten op den fluweeligen grasgrond. En ook die grasgrond-zelf, met of
+zonder fluweel dan, ontbrak. Overstappende op andere hoofdstukken uit
+de geschiedenis zyner verbeelding, wou ook de romantische wildernis,
+zoo aantrekkelyk door 't verondersteld gemis aan conventie, zich maar
+niet aan hem vertoonen. By 't omslaan van 'n hoek, had de fameuze
+"britschka van papa" byna 'n half-blinden vioolspeler overreden... was
+dàt de Damon dezer streken? De ryweg was van klinkers, voethoog met
+aard en stof overdekt... was dàt de fluweelen dansvloer van de
+landjeugd? Aan de boomen ontwaarde hy geen appel, geen peer, geen
+noot, ja-zelfs geen kokos of broodvrucht... was dàt de mildheid der
+gulle buitennatuur? En... en--komaan, hy moest zichzelf bekennen
+dat-i teleurgesteld was--gedurende de reis had geen enkel aventuur
+de eentonigheid van dien Haarlemmerweg opgevroolykt. Geen rad van
+den wagen had willen breken, geen roover had zich vertoond... ja
+toch, even, iets er van. Een bedelaar scheen aanslagen in den zin te
+hebben, of althans men had zich 'n oogenblik kunnen opdringen dat-i
+wat anders was dan 'n vreedzame landlooper, maar 'n nietig tikje
+met de zweep was voldoende om ook deze illuzie den bodem inteslaan,
+en Wouter zat weer alleen met z'n soezen en z'n hoededoos. Juist was
+hy aan 't bepeinzen van de vraag waarom toch iemand die 'n "Buiten"
+bezitten kon, dat niet liever in Afrika zocht, toen 't rytuig
+het hek van Groenenhuize binnenreed, en voor de open voorgalery
+stilstond. Pompile kwam met z'n gewone schichtigheid te voorschyn:
+
+--Dag, Calbb! Dag, Hersilie! Heb je soezen meegebracht? Je weet
+dat mama er niet buiten kan. Hoe laat ben je-n-afgereden? Stof op
+den weg, hè? Ja, veel stof. Die weg is heel stoffig, weetje! Dat
+komt van de droogte. Als 't regenen gaat, zal je zien dat 't minder
+stoffig wordt. Zoo, Pieterse, ben je daar? Kom er maar uit... je mag
+er uit komen... stap maar op 't wiel. Zyn dàt de soezen? Nu, houd
+ze maar vast tot de meid komt, want... straks komt de meid, niet
+waar, Hersilie? En heeft Bonifaz z'n hobbelpaard meegebracht? Zeg:
+dag, oom! 't Kan in de mangelkamer staan, of in 't tuinhuis... want
+mama heeft hoofdpyn, weetje, Hersilie, nogal-fameus-erge vreeselyke
+hoofdpyn... en zenuwen, weetje? We hebben de Kruckers hier, en
+van-middag komen de Hockers, en de juffrouwen Pleier komen morgen
+op 'n maderaatje. "Met veel pleizier!" hebben ze laten zeggen,
+want... papa heeft ze geinviteerd. En straks gaan we toeren,
+weetje, met de Kruckers, maar mama blyft thuis--vreeselyke hoofdpyn,
+weetje?--ze zal bataille spelen met de juffrouw. Ze is er mooi kwaad
+om, de juffrouw meen ik. Dàt kan my niet schelen, en Eugène zegt...
+
+Gedurende dit geratel was de wagen ontpakt, en Wouter werd van
+z'n soezen ontlast door een van de meiden die hiertoe door den
+beredderenden Pompile scheen gekommitteerd te zyn. Hy mocht nu de
+familie volgen, die 't huis was ingetreden, en weldra aanlandde in
+de achtergalery waar 't hoofdkwartier opgeslagen was. Daar vond men
+de steeds nogal fameus-erg zieke oude mevrouw met haar schoondochter
+Julie en de gezelschapsjuffrouw. Daar zaten de oudeheer Kopperlith en
+z'n spruit Eugène. Daar zat de Krucker-familie. En daar ook namen de
+nieuw-aangekomenen onder geleide van Pompile hun plaatsen in. Wouter,
+die iets later dan de anderen, en vry verlegen, binnentrad, werd aan
+de vrouw des huizes voorgesteld met 'n onachtzaamheid waarin niets
+laakbaars zou gelegen hebben, indien ze gegrond ware geweest op z'n
+onbeduidend standpunt als mensch. Doch hierin lag de verontschuldiging
+voor Pompile's lompheid niet. Hy maakte zoo byzonder weinig omslag
+omdat-i te doen had met 'n kantoorbediende, met 'n wezen van
+lagere orde. Misschien zelfs bezondigde ik my aan hoogdravendheid
+door van "voorstellen" te spreken. De waarheid is dat Wouter met
+'n vingerbeweging werd aangewezen als "de jonge Pieterse" en toen
+'n paar leden van de familie Krucker zich schenen gereed te maken tot
+iets als 'n groet, werden ze voor deze gevaarlyke misvatting bewaard
+door 'n snelle vermelding van Wouter's maatschappelyk standpuntje:
+
+--Onze jongste-bediende, zei Pompile allervoornaamst, en op 'n toon
+die zooveel zeggen wilde als: je hoeft je niet op kosten te laten
+jagen van beleefdheid.
+
+Terstond daarop mocht Wouter zitten gaan, en zelfs luisteren naar de
+verheven gesprekken die de achtergalery van Groenenhuize zoo byzonder
+weinig deden gelyken op 'n bureau d'esprit.
+
+De réunions die eenmaal in Frankryk dezen naam droegen, lieten zeker
+aan goeden smaak veel te wenschen over, en de hemel beware my dat ik de
+mode zou wenschen ingevoerd te zien elkaar te bezoeken met 'n beraamd
+plan om geestigheden uittekramen, of al ware 't zelfs geest. Misselyker
+nog komt my 't uitstallen van--nagemaakte!--geleerdheid voor, zooals
+die welke door Molière wordt gehekeld in z'n Femmes savantes en
+Précieuses ridicules. Wy weten nu eenmaal dat al dergelyke afdwalingen
+van smaak neerkomen op natuurverkrachting, en dus alleen als zoodanig
+reeds te veroordeelen zyn. Toch vonden sommigen--en de overgroote
+meerderheid!--middel om nòg lager aftedalen, en zich bezigtehouden met
+gesprekken, welker gehalte wel evenzeer doorslaand blyk gaf van gemis
+aan verstandelyken zin, doch bovendien bewees dat men zelfs den schyn
+daarvan niet op prys stelde. Voor onzen Wouter sproot hieruit alweer
+'n misrekening voort, zoo als die welke hem de ontheologische tint van
+pater Jansen's gesprekken berokkend had. Hy had zich voorgesteld nu
+eindelyk iets te vernemen uit de werkelyke wereld, en hy beloofde zich
+goed toeteluisteren om den waren toon te vatten die de aanzienlyken
+van de burgerlui onderscheidt. Helaas!
+
+Nadat de zeer byzondere beminnelykheid van Bonifaz naar behooren door
+de familie Krucker geprezen was, kwam het gesprek op 't meegebrachte
+hobbelpaard, en de moeielykheid om dat dier te stallen.
+
+--Hy wou 't absoluut mee hebben, mama, verzekerde Hersilie. En als
+'t kind z'n zin niet krygt...
+
+--Ja, dan iest-i vol oenwillen, voegde de elsasser konsul er by. 't
+Kind heeft kolossaal viel karakter.
+
+--Maar... mama heeft zoo'n fameus-erge hoofdpyn. Je kunt het vragen
+aan de juffrouw. Niet waar, juffrouw?
+
+De juffrouw getuigde naar Pompile's zin, en de nogal fameus-erg
+zieke mevrouw knikte met het hoofd. De kleine jongen werd
+weggezonden, met verzoek z'n beestje niet anders te behobbelen dan
+in de mangelkamer. Nu, dit deed hy, en 't huis dreunde er van. Het
+gezelschap stelde zich schadeloos door 'n gesprek over weer en wind,
+waaraan ook de dames konden deelnemen. Na weinig overgangen kwamen de
+"zaken" op 't tapyt, en 't vrouwelyk deel der vergadering kon zich
+als uitgesloten beschouwen. De oude, nogal heel fameus-erg zieke
+mevrouw stelde zich schadeloos door 't onophoudelyk mummelen van
+soezen... zoo byzonder dienstig tot het opwekken van eetlust, had de
+dokter gezegd. Julie "werkte" aan haar hooggekleurden jachthond, dien
+Wouter by deze gelegenheid met genoegen weerzag. De juffrouw knutselde
+aan 'n festonwerkje, en bespiedde de luimpjes van mevrouw, niet
+zonder nu-en-dan sentimenteele blikken te werpen op Eugène die de
+ongevoeligheid-zelf bleef. De heer van den huize hield zich bezig met
+voortdurende handhaving van 't glimlachje waarmede hy gewoon was z'n
+existentie toe te juichen. Pompile draaide heen-en-weer op z'n stoel
+en verkneuterde zich in de verrukking van z'n Kruckers. Elk zyner
+blikken scheen te vragen: "welnu, is 't waar of niet, dat papa 'n
+eigen Buiten heeft?" Om hem te bedanken, maakte een hunner de
+opmerking "dat lynwaden zoo'n belangryk vak was."
+
+--Een heel belangryk vak, m'nheer Kopperlith!
+
+--Zeker, zeker! Maar "kurken" zyn ook niet te versmaden, kaatste de
+oudeheer terug.
+
+De scherpzinnige lezer begrypt dat de Krucker-familie "in" kurk en
+kurken "was."
+
+--Als ik het voor 't kiezen had, was ik liever "in" lynwaden, zei
+een hunner zediglyk.
+
+--Hm, ja, zoo. In lynwaden, ziet u...
+
+--Daarin is altyd iets te doen.
+
+--Zeker, zeker, altyd iets!
+
+--En in kurken heeft men soms...
+
+--Ja, dit is waar.
+
+--Maar men kan niet zoo op-eens veranderen van vak.
+
+--Neen, dit gaat niet. Men moet verstand van 'n vak hebben...
+
+--Juist! En er by opgebracht zyn.
+
+'t Heele gezelschap zag met betamelyken eerbied al de Kruckers aan,
+die verstand van kurken hadden, en er by waren opgebracht.
+
+--Papa, vroeg op-eens de terrible Julie, is er véél verstand noodig
+voor kurken?
+
+--Julie! riep de oude mevrouw verwytend.
+
+--Zeker, zeker, kind! Voor den handel is verstand noodig, véél
+verstand!
+
+--We doen op Spanje, ziet u, riep de familie Krucker.
+
+Ah! zei Julie, alsof deze mededeeling de zaak ophelderde.
+
+--Ja, op Spanje!
+
+--U spreekt dan zeker spaansch?
+
+Deze vraag gold voor 'n beminnelyke ondeugendheid. Allen begonnen zoo
+hartelyk mogelyk te lachen, en de geëxamineerden 't minst luid niet,
+misschien wel om 't antwoorden onnoodig te maken. Pompile was grootsch
+op de verrukkelyke geestigheid van z'n vrouwtje.
+
+--Ja, ja, de kurken komen uit Spanje, verzekerde de oudeheer. Wie in
+kurk doet, heeft 'n kantoor op Spanje.
+
+--De reizigers uit Barcelona loopen 't land af, zei de familie Krucker.
+
+--Ja, papa, 't is 'n fameus vak, verzekerde Pompile, die de door hem
+aangebrachte gasten wat wilde ophemelen.
+
+--Och, er wordt zoo in geklad, jammerde een der Kruckers, vreeselyk,
+m'nheer!
+
+--De menschen kunnen 't kladden niet laten.
+
+--Ze gaan in de kleinste dorpen, en bezoeken den geringsten winkelier,
+m'nheer Kopperlith!
+
+--Een nekslag voor den handel!
+
+--Dat moesten ze niet doen. Wat zeg jy, Eugène?
+
+--Hm, zei Eugène.
+
+--Voor den groothandel blyft niets te verdienen, niets, volstrekt
+niets! Wy, grossiers, visschen achter 't net.
+
+--En hoe staat de wissel op Spanje?
+
+--Och, we remitteeren gewoonlyk op Parys. Dat's makkelyker.
+
+--Parys staat hoog, zei gister m'n boekhouder, niet waar Pompile?
+
+--Ja, papa. Dieper zei dat Parys heel hoog staat.
+
+--Papa, riep Julie, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog?
+
+Algemeen gelach om Julie's geestigheid. Pompile wreef zich de handen
+van plezier.
+
+--Wel, dit beduidt ...
+
+--Wel zeker, 't beduidt dat ...
+
+--Men bedoelt daarmee dat de wissel hoog staat.
+
+--De fransche wissel, weetje?
+
+--Ah! zei Julie, als voldaan.
+
+--Daar heb je nu, byv. Engeland, lichtte Pompile toe, Engeland staat
+twaalf en drie.
+
+--Ah, zoo!
+
+--Juist, zoo is het! Engeland staat twaalf en drie. En Frankryk ...
+
+--Frankryk staat zeker wel ...
+
+--Ja, ja, Frankryk staat heel hoog.
+
+--Papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?
+
+Deze vraag van Julie bracht het gezelschap minder in verlegenheid,
+dan welbeschouwd passend zou geweest zyn. Niemand wist 'n behoorlyk
+antwoord te geven, en toch schaamde zich geen der aanwezigen over
+z'n onkunde. Pompile die zeker niet vernuftiger was dan de rest,
+stootte een der Kruckers tegen de knie, alsof hy zeggen wilde: "wel,
+wat zeg je van m'n vrouwtje?" Julie meende uit het algemeen gegiechel
+te mogen opmaken dat ze 'n vraag had gedaan, die de moeite van 't
+herhalen waard was. Nogeens alzoo:
+
+--Ja, heusch, papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?
+
+Wouter luisterde aandachtig. Ook hy had zich meermalen by het doen van
+uitrekeningen voor 't faktuurboek, de vraag voorgelegd waaraan 't ryzen
+en dalen van den wisselkoers was toeteschryven? Op 't kantoor durfde
+hy geen inlichting vragen. Zeker zou men hem daar hebben afgewezen
+met 'n bar: "dat zyn nu eigenlyk je zaken niet!" Zeer diep had hy
+dan ook nog niet over 't vraagstuk nagedacht, maar z'n belangstelling
+werd nu opgewekt door de onverwachte manier waarop 't hier ter-tafel
+gebracht werd. Julie drong hoofdig op antwoord aan, geenszins omdat
+ze drang voelde tot weten en begrypen, maar om zoo lang mogelyk te
+genieten van het triumfje dat haar naïveteit bleek behaald te hebben.
+
+--Die Julie! had de oude mevrouw geroepen.
+
+--Ja, ja, mama, ik vraag waarom nu eigenlyk Frankryk zoo hoog staat?
+
+--Wel, kind, zei de oudeheer, begryp je dàt niet? Dat is de wissel. De
+wissel, weetje?
+
+--Juist, riepen de Kruckers, 't is de wissel!
+
+--Zieje, Julie, 't is de wissel, bevestigde Pompile. En zich tot z'n
+gasten keerende: àlles, àlles wil ze weten! Zóó is ze! Ze is niet
+tevreden voor ze alles weet!
+
+--Maar, papa, wat wil dat dan zeggen: de wissel staat hoog?
+
+--Wel, heel eenvoudig, de wissel op Frankryk.
+
+--Juist, Julie! Zieje, 't is de wissel op Frankryk.
+
+--Maar ... wat bedoelt men dan daarmee?
+
+--Wel, dat de wissel duur is.
+
+--Maar ... waarom is-i duur?
+
+--Ja, dàt zyn nu zoo van die vragen, kind, die ...
+
+--Ja, Julie, dat zyn vragen ...
+
+En ook de familie Krucker betuigde eenstemmiglyk dat dit van die
+vragen zyn ...
+
+Er spookte een duiveltjen in Wouter's gemoed. Het niet-weten der
+anderen prikkelde hem tot wat inspanning. Hy begon te meenen dat hy
+misschien 't vraagstuk zou kunnen oplossen. Hy dacht na, en peinsde,
+en wou iets zeggen, maar durfde niet. Zeker zoud-i geschrokken zyn
+van z'n eigen stem in dit voornaam gezelschap. Bovendien, de oudeheer
+nam de taak van uitlegger op zich.
+
+--De wissel is duur, Julie, als-i in de prys-courant hoog genoteerd
+staat.
+
+--Juist, zei Pompile. Dat is de ... beursnoteering, zieje! Dieper
+neemt ook altyd onze wissels op Engeland volgens de beursnoteering
+van den dag. Niet waar, papa? Niet waar, Eugène?
+
+Noch papa, noch Eugène spraken dit tegen. En al de Kruckers knikten
+toestemmend.
+
+--Ah, zoo, ja, jawel ... beursnoteering, antwoordde Julie die volkomen
+bevredigd was.
+
+--Het zyn ... zaken, moet je begrypen, gaf Pompile nog ten-beste tot
+overmaat van helderheid.
+
+--Daar heb je 't juist, riepen de Kruckers, 't ligt 'm in de zaken,
+lieve mevrouwtje!
+
+En tot verdere toelichting kwam het niet. Wouter, die al meer en meer
+begon te gelooven dat-i wat degelykers over 't onderwerp zou kunnen
+meedeelen, bleef zwygen. Behalve den schroom voor z'n eigen stem,
+begon hy te vreezen dat er iets gevaarlyks lag in 't aanroeren van
+Julie's prysvraag, iets indecents misschien als de geboorte van 'n
+kind. Onwillekeurig dacht hy aan z'n kornuiten by 't postkantoor,
+z'n vraagbaken sedert 'n maand of wat. Zy zouden 't weten, meende hy,
+waarom de wetten die den wisselkoers beheerschen, niet mogen worden
+aangeroerd in deftig gezelschap. O, prikkelend mysterie! Maar die
+wetten zelf kwamen hem zóó eenvoudig voor dat-i moeite had z'n mond
+te houden. Hy werd uit z'n spanning verlost door Pompile:
+
+--Zeg, jy, Pieterse, weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen
+naar de mangelkamer te gaan--niet waar, mama? Niet waar, Hersilie?--en
+speel wat met den jongeheer Bonifaz, want hy hobbelt zoo fameus. 't
+Is waar, zieje, Hersilie, omdat mama zoo'n fameus erge hoofdpyn heeft,
+dát is het maar!
+
+Het echtpaar Calbb keek onvergenoegd, en scheen 't beneden de
+waardigheid van hun spruit te vinden zich ergens anders te vermaken
+dan in den salon. Wouter verslikte z'n wysheid over de oorzaken van
+den wisselkoers. Hy verliet het gezelschap, en vond de mangelkamer op
+'t geluid af. Hier vervulde hy z'n naastbyliggend plichtje, door den
+jongeheer Bonifaz aftelokken van z'n hobbelpaard.
+
+
+
+
+
+
+
+ Merkwaardige genoegens van het Buitenleven. Treurig uiteinde van
+ 'n romantischen droom over wisselkoers, en van 'n parasol. Wouter
+ gaat de wereld in om zeven gulden dertien te zoeken.
+
+
+Ik moet erkennen dat onze Wouter niet zeer ingenomen was met den hem
+in die mangelkamer aangewezen werkkring. Hy voelde zich verdrietig,
+ja byna wrevelig. Hoewel dit niemand zal verwonderen, geloof ik
+toch niet dat de ware oorzaak van deze in hem ongewone stemming den
+oppervlakkigen beschouwer helder voor oogen ligt. In-verband met
+sommige opmerkingen in het vorig hoofdstuk, zou men allicht geneigd
+wezen z'n verdriet uitsluitend toeteschryven aan de teleurstelling
+die 't "Buiten-zyn" hem berokkende. Zeker, de roeping om by 'n
+ondeugend knaapje de rol van hobbelsurrogaat te vervullen, was
+noch landelyk, noch idyllisch, noch romantisch, noch ridderlyk,
+noch zielverheffend, en Wouter nam zich dan ook ernstig voor, andere
+soorten van vermaak uittedenken zoodra hyzelf eenmaal in 't bezit wezen
+zou van 'n Buitenplaats, of al was 't dan maar van 'n Optrek. Maar
+teleurstellingen van dezen aard had hy sedert eenigen tyd zoo véél
+ondervonden, dat hy daaraan reeds eenigszins was gewoon geraakt. De
+bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden. Tot-nog-toe
+leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat hy voor "de
+wereld" houden moest, zoo geheel iets anders dan hy zich daarvan had
+voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de droombeelden
+die vroeger z'n inwendig leven schoon, en daardoor 't andere dragelyk
+maakten. De oorzaak dezer ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan
+'t verschil tusschen werkelykheid en illuzie, dan aan z'n geknakte
+vatbaarheid om dat werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods
+te vervormen.
+
+Wist hy, eenige jaren geleden nog, niet kleur en leven meetedeelen
+aan 't geringste dat z'n dor leventje hem aanbood? Had hy niet op
+'n benauwd achterkamertje de kracht gehad, zich 'n ganschse wereld
+vol heerlykheid in 't aanzyn te tooveren tot eigen gebruik? Waarom
+kon hy dit nu niet meer?
+
+Z'n onzalige kennismaking met 'n dozyn kwajongens was hiervan
+de oorzaak. De reinheid zyner ziel was besmet geworden, en dit,
+benevelde z'n dichterblik. De voelhorens van z'n zedelykheid verloren
+'t vermogen om hem te waarschuwen tegen vuil, om hem den weg te wyzen
+naar 't verhevene. Z'n vleugelslag was verlamd, en zelfs meende hy van
+'t zweven àlles--tot zelfs den lust daartoe--verloren te hebben. Maar
+al had-i zich by nauwkeuriger zelfonderzoek kunnen opdringen--wat hy
+zeker beproeven zou--dat slechts aanhoudende teleurstelling de oorzaak
+was van z'n moedeloosheid, ik beweer dat hy den moed zou bewaard hebben
+indien hy zich z'n reinheid niet had laten ontrooven. Geen voorwerp
+kan helder terugkaatsen uit 'n verweerden spiegel, en 'n bedorven
+menschenziel is tot dichterlyke levensopvatting niet in-staat. Het is
+me zeer wel bekend--en dit moet wel, want dagelyks zie ik daarvan de
+bewyzen--dat deze waarheid door velen wordt geloochend, of althans
+voorbygezien. Zy is te eenvoudig, denk ik. De zoodanigen behooren,
+op-straffe van inkonsekwentie, de juistheid in twyfel te trekken van de
+zoo-even gebruikte vergelyking met 'n spiegel, en tevens de stelling
+aantekleven dat er zuiver water kan worden geschept uit bevuilde
+bron. My komen de bronnen-zelf waaruit zulke stellingen vloeien,
+niet zeer zuiver voor.
+
+Wouter dan had sedert eenigen tyd het poëtizeeren verleerd. Hy durfde
+'t niet, omdat hy reden had zich te schamen voor 't liefelyke. Wel
+hygde hy soms naar 't verlorene terug, wel betrapte hy zich telkens op
+bittere droefgeestigheid, maar er scheen 'n stoot van-buiten-af noodig
+te zyn om met de vereischte kracht z'n gewaarwordingen terugteleiden
+in 't oude spoor. Deze stoot zou dan ook gegeven worden--wie anders
+dan Femke kon het doen, of iemand die zeer op haar geleek?--maar zoo
+ver zyn we nog niet.
+
+Men zou zich vergissen indien men den nadeeligen invloed dien 't
+gezelschap van onrype deugnietjes op Wouter uitoefende, vereenzelvigde
+met het zoogenaamd wys-maken. Dit op-zichzelf houd ik niet alleen
+voor onschadelyk, maar zelfs voor gewenscht. Juist in Wouter's
+bespottelyke ònwysheid had de grond gelegen zyner voorbeschiktheid
+tot prettig-vinden van liederlyke handlichting. Ware hy opgevoed
+geweest door ontwikkelde ouders, die hem met wetenschappelyken
+ernst hadden meegedeeld wat er ten-dezen-opzichte meetedeelen valt,
+waarlyk hy zou geen smaak hebben gevonden in de geestigheden van
+àllerlaagste orde, waarmee men nu z'n zucht tot weten had geprikkeld en
+bedrogen. Niet kennis maakt onrein, maar 't aanhooren van vuile praat
+over kennis... Schande over ouders en opvoeders die hun jongeren
+overlaten aan 't gevaar de liefelykste geschenken der Natuur te
+ontvangen op 'n wys die ze tot 'n pest maakt!
+
+Doch ik zeide reeds dat Wouter's verdriet over de zonderlinge wyze
+waarop men hem liet deelnemen aan de genoegens van 't Buitenleven,
+ditmaal 'n andere oorzaak had--of 'n andere onmiddellyke aanleiding
+ten-minste--dan de reeds eenigszins versleten ergernis over z'n gewone
+teleurstellingen. Gedurende de gesprekken die hy zoo-even bywoonde,
+was voor 't eerst de gedachte in hem opgekomen dat-i was aangeland in
+'n kring van zeer onontwikkelde menschen. Nog kort geleden zoud-i by
+de lage vlucht der gewisselde denkbeelden, zichzelf de schuld gegeven
+en gemeend hebben dat-i niet op de hoogte stond om het gewicht der
+behandelde zaken te vatten. Maar dat gesprek over den wisselkoers had
+hem wakker gemaakt. Ook hy had zich tot-nog-toe geen reden gegeven
+van dien eb en vloed in den prys der remises naar 't Buitenland,
+en eerst door Julie's klakkeloos vragen werd hy zich z'n onkunde
+bewust. Onwillekeurig verweet hy zichzelf dat-i deze vraag niet
+reeds sedert lang gedaan had, en nu ze eindelyk werd geopperd door 'n
+ander, was-i nieuwsgierig naar 't antwoord. Het hakkelen en stamelen
+der voorlichters bevreemdde hem. Op-eens bracht hy hun blykbare
+onwetendheid in verband met de meer dan onachtzame wyze waarop hy in
+dien kring ontvangen was, en tevens met z'n laag standpuntjen over
+'t geheel. "Hoe, dacht hy, die volwassen menschen, die aanzienlyke
+menschen weten geen reden te geven van 'n verschynsel dat zich dagelyks
+aan hun waarneming opdringt? En juist die menschen zyn het, aan wie
+ik 'n voorbeeld nemen moet om iets te worden in de wereld? En het is
+door hèn dat ik behandeld wordt met 'n minachting die ... die ...
+
+Kortom, hy was wrevelig, en voelde aandrang tot ... wraak wel niet,
+maar tot iets toch als genoegdoening. Hy peinsde op middelen om aan
+den oudeheer, en aan m'nheer Pompile en aan al die Kruckers 'n bewys
+te leveren dat men verkeerd had gedaan hem naar de mangelkamer te
+verwyzen. Het spreekt vanzelf dat Julie's vraag reeds lang vergeten
+was in de achtergalery, waar 't onderhoud nog altyd op de bekende
+belangwekkende manier z'n gang ging, maar onze Wouter verdiepte zich,
+al spelend met den kleinen Bonifaz, in 't opgegeven raadsel. De zaak
+begon hem voortekomen als 'n uitdaging. waarop hy ridderlyk verplicht
+was in 't kryt te verschynen, teneinde aan de verheven dame die het
+tournooi had uitgeschreven ...
+
+Wel zeker, er was 'n hooggeboren dame in 't spel, en 'n tournooi
+ook! Ik deed verkeerd zoo lang te wachten met het wyzen op deze
+byzonderheid, de geringste niet onder de oorzaken die Wouter
+noopten tot opscherping van z'n denkvermogen. Ach, hy had z'n roman
+gereed voor ze nog terdeeg was opgezet! Die Julie ... o goden,
+was zy 't niet die zich eenmaal verwaardigde hem te behandelen als
+'n persoon, door hem z'n gevoelen te vragen over haar liggenden
+jachthond? Een jong ridder die zùlke onderscheiding vergeten zou
+... neen, ondankbaar was Wouter niet! Nu zoud-i haar toonen dat z'n
+gemoed in-staat was weerklank te geven op zoo'n verheven blyk van
+vertrouwen, en dat ze niet te-vergeefs haar sluier had neergeworpen
+in 't strydperk. Want ... aldus begon zich de zaak te kleuren. Met
+lans en zwaard strydt men niet meer--helaas!--maar de Dame die
+in onze dagen riddereer op de proef stellen wil, doet 'n beroep
+op de kracht van den geest. Met gemaakte achteloosheid laat zy 'n
+onopgelost vraagstuk heenglyden over den rand der tribune, en daar
+beneden wachten leeuwen en tygers... neen, deze soort van kampioenen
+behooren tot 'n vroeger tydperk, óók niet onbehagelyk voorzeker,
+maar we hebben nu zeer uitdrukkelyk met ridders te doen. Verbaasd,
+verschrikt, ontzet, verlamd, staren zy 't waagstuk aan, dat er van
+hen gevorderd wordt. "Aanstaren" is 't juiste woord niet, want ze
+wenden de oogen af, en wiegelen, en trekken zich terug, en beroepen
+zich op de onmogelykheid om 't pand ongeschonden terugtebrengen, en
+als huldeblyk neerteleggen aan de voeten der uitdaagster. Alles heeft
+z'n grenzen, wreede Dame, tot riddermoed toe! Keizers, Koningen en
+Prinsen, zoo-even nog vast in 't zaal, en tegen elkander zoo dapper
+de lans vellende... uitwegen zoeken ze nu om zich te onttrekken aan
+'t schrikbarend wapenfeit dat zoo roekeloos werd gevorderd van hun
+geest. Sire Kopperlith-zelf had er z'n glimlach by ingeschoten, en
+ridder Pompile z'n zelfgenoegzaamheid. De schrik was Don Eugène om
+'t hart geslagen, en hy stond op 't punt--akelig!--méér te zeggen
+dan z'n enkele sylbe! Was niet zelfs de krygshaftige clan der
+Kruckers--van-ouds toch zoo vermaard om z'n onvergelykelyke prouessen
+in kurk!--genoodzaakt geworden z'n veldgeschrei 'n oktaaf lager te
+stemmen, en zich te bepalen tot 'n deemoedig: "ja, ziet u, dat zyn
+zoo van die zaken... m'n lieve mevrouwtje?" En heette dit niet in
+Wouter's overzetting allerduidelykst: "Schoone dame, als je op òns
+rekent tot het terugerlangen van je pand, kan je er staat op maken
+ongesluierd naar huis te gaan!"
+
+"Dat nooit!" riep ridder Wouter. En hy gordde zich aan tot begrypen.
+
+Het vraagstuk waarmee ons heldje zich bezighield, hoe eenvoudig ook
+inderdaad--zooals de meeste vraagstukken--is werkelyk 'n struikelblok
+voor veel geldmannen en zoogenaamde ekonomisten. Wie meenen mocht
+dat ik de geestelyke gelaatstrekken der Kopperliths en Kruckers te
+afzichtelyk schilder, neme eens de proef by "mannen van 't vak." En
+men behoeft zich niet te bepalen by de vraag die de onnoozele Julie
+ter-tafel had gebracht in die achtergalery, noch ook by 't "vak"
+waartoe kwestien van dezen aard schynen te behooren. Overal zal den
+oplettenden waarnemer blyken dat het begrypen van eenvoudige waarheden
+tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet-berusten van
+sommigen, hun door vakmenschen wordt aangerekend als onpraktische
+buitensporigheid.
+
+Nu, Wouter wàs buitensporig. De hemzelf onbewuste vertaling van 't
+nogal triviale gegeven in 'n heldenfeit, wond hem op. Werktuigelyk
+spelend met den kleinen Bonifaz, trachtte hy in de kern van
+'t vraagstuk doortedringen, en de eigenaardige richting van z'n
+geest--geheel-en-al uitvloeisel van 'n karakter dat slechts vrede had
+met eenvoudige waarheid--leidde hem aldra tot de primitiviteit van
+opvatting, waaraan alle vraagstukken--ook de moralistische--behooren
+getoetst te worden. De steentjes die hy den kleinen jongen toewierp,
+en door dezen naar hem werden teruggerold, stelden in z'n verbeelding
+al zeer spoedig de koopmanschappen voor, die uit onderscheiden landen
+in de naburige streken worden ingevoerd. Behoefte aan betalingsmiddelen
+groeide aan naarmate men meer goederen ontving. Zoolang men nu hierin
+kon voorzien door het terugzenden van andere waren... zeker, zoo is
+het, meende hy. En hy redeneerde: "we zenden... kaas en boter naar
+Engeland. Dit moet betaald worden. Zoo 'n koopman ginds, moet iemand
+zoeken die van òns geld te-goed heeft voor... wittegrondjes-driekleur
+of diemet--'n moeielyk vak, zegt m'nheer Wilkens!--en dan betalen
+wy eigenlyk die diemetten met kaas. Maar als we nu te weinig kaas
+hebben gezonden om al de lynwaden die wy ontvingen, te betalen, dan
+valt het moeielyk in Holland iemand te vinden die geld te goed heeft
+van 'n Engelschman. En deze moeielykheid moet overwonnen worden door
+hooger bod op den wissel, want het spreekt vanzelf dat het recht om
+te trekken in waarde ryst, naarmate het minder voorhanden en meer
+noodig is. Wie dus 'n wissel afgeven kan, vraag er méér voor dan...
+
+Aldus peinzend had-i allengs de steentjes die dienen moesten
+tot vermaak van den kleinen jongen, verdeeld in soorten die
+allerlei koopwaar voorstelden. De vloer van de mangelkamer werd
+in landen en provincien afgedeeld. Dáár lag Engeland met z'n
+wittegrondjes-driekleur, dáár Frankryk dat wyn leverde, dáár Nederland
+met z'n stereotiepe kaas en boter... jazelfs Spanje kreeg 'n plaatsje
+met z'n kurk. En hy schoof de produkten heen-en-weer, en schiep
+'n handelsbeweging, en vergat daarby zelfs de crisis niet. Bonifaz
+had er 't recht begrip niet van, en schopte wel-eens 'n stock of
+entrepôt uit elkaar op 'n manier die gevoegelyk kon doorgaan voor 'n
+revolutie, die dan door Wouter zoo goed mogelyk by z'n overleggingen
+werd in rekening gebracht. Weldra was-i dan ook met de oplossing van 't
+fameuze probleem gereed, en hy verlangde naar 't oogenblik dat-i onder
+de oogen zyner dame... du jour, z'n tegenstanders uit het zadel ligten
+zou. Laat zien wat er verder gebeuren moest. Keizer Kopperlith stond
+hem de helft van z'n ryk af, met de hand zyner schoondochter Julie,
+die den hemel danken zou dat ze verlost was uit de onwaardige ketenen
+van den pseudo-ridder Pompile. Zeer wel, maar hoe triumfeerend ook,
+Wouter schonk hem 't leven. Ook Eugène mocht blyven bestaan, en al de
+Kruckers, mits ze driemaal 't schoeisel kusten van Wouter's dame. Eén
+onzekerheid nog slechts hield den ridder die straks al z'n vyanden
+uit het veld zou slaan, in eenige spanning. Zoud-i z'n wapenfeit
+uitvoeren in eenvoudig proza of... nu ja, in verzen kwam hem de
+nederlaag des vyands verpletterender voor. En verplettering hadden
+ze verdiend! Was 't onheusch of niet van al die verwaten ridders,
+zoo prat op hun lynwaden en kurken, de romantische mogelykheid
+voorby te zien dat de jonge schildknaap zonder geslachtswapen of
+uithangbord, misschien de inkognite spruit wezen kon van edelen
+stam? Had men niet wat eerbied moeten voelen voor z'n prikkelende
+onbekendheid? "Onze jongste bediende, onze jongste bediende!" had
+wapenkoning Pompile geroepen... welnu, waarom bezat alleen de edele
+Julia--god zegene haar!--roman-takt genoeg, en lektuur-bedrevenheid
+en tournooi-instinkt, om onder 't palletootje van den kantoorklerk
+'n kampvechter te vermoeden van den eersten rang? Waren ze dan doof
+en blind en idioot, al die anderen? Te-wapen, te-wapen! riep alles
+Wouter toe. "Jongste-bediende... hm! Ik zàl ze bedienen, jong of oud
+dan, maar bedienen zàl ik ze! En aan de wereld en m'n Dame wil ik
+toonen... sakkerloot!"
+
+Hier kwam een der meiden berichten dat de jongeheer Bonifaz aan-tafel
+werd geroepen, en "Pieterse mocht zoo goed zyn, meetekomen." Wouter
+stapte met opgeheven hoofd en saamgeknepen vuisten de kamer in,
+waar 't gezelschap dineeren zou. By 't binnentreden kon-i zich niet
+weerhouden, Julie een blik toetewerpen die zooveel zeggen wilde als:
+"wees gerust, dame van m'n hart, ik heb uw noodkreet verstaan en zal
+den goeden stryd stryden. De hoofdzaak ligt in de verhouding tusschen
+wittegrondjes-driekleur en hollandsche kaas... wees gerust: uw ridder
+is hier!"
+
+Dat Julie hiervan niets begreep, zou te veel beweerd zyn. Ze zag
+den heelen Wouter niet, en kon zich dus onmogelyk schuldig maken
+aan wanbegrip omtrent z'n bedoelingen. Hy gloeide als 'n kool
+en brandde van strydlust, maar... hoe z'n wysheid aan-den-man te
+brengen? Eigenlyk was 't Julie's plicht geweest hem op den weg te
+helpen. Maar ze hield zich of de heele zaak haar glad ontgaan was! Zoo
+zyn die edelvrouwen! Eerst lokken zy 'n ridder op allergevaarlykst
+terrein... ze winden hem op tot ylhoofdigen lust om tegronde te gaan
+in haar dienst, en dan... wel, ze laten hem over aan zichzelf! Lieve
+hemel, domme Julie, begryp je dan niet dat Wouter daar zit te wachten
+op 'n blik? Och, och, och... als-i maar door 't eerste woord heen was!
+
+Dat eerste woord liet zich niet gemakkelyk aanhechten. Wouter bespiedde
+elke uiting, elken klank, maar... helaas! Wel begon-i 'n paar keer:
+"de wisselkoers, m'nheer... maar de woorden stikten hem in de
+keel. Het spreekt vanzelf dat de spyzen uitstekend waren, maar wat
+baatte dit hèm? De ligtzinnige Julie stelde zich aan alsof ze nooit
+'n ridder op post had gezet. Ze lachte, ze keuvelde, ze ginnegapte, ze
+vermaakte het gezelschap met haar naïveteit--of met de onnoozelheid die
+daarvoor doorging--en sloeg geen acht op haar aanstaanden bevryder uit
+de klauwen van 'n al te laag geboren echtgenoot. Wouter preekte zich
+voor, dat ze zyn standvastigheid op de proef wilde stellen. Zoo-iets
+was meer geschied, meende hy.
+
+De tafelgesprekken waren van de bekende gewichtige soort. De oudeheer
+begon weldra luidruchtig te worden en den toon aanteslaan, dien Wouter
+had leeren kennen by z'n namiddagbezoeken op 't kantoor. Zelfs tot
+hèm richtte de oude babbelaar 't woord, natuurlyk tot groote ergernis
+van Pompile, die telkens beproefde den vloed van papa's spraakzaamheid
+te doen afloopen in voornamer bedding.
+
+--En jy, mannetje, zeg jy nu eens hoe 't je buiten bevalt? Want,
+jongen, je bent nu... buiten! Verbeeld je, mynheer Krucker, hy
+meende dat-i buiten was op den singel by de Aschpoort! Hi, hi, hi,
+dàt meende-n-i!
+
+De Kruckers vonden dit byzonder dwaas.
+
+--En zeg nu nogeens hoeveel je wel dacht dat de jongeheer Flodoard
+te Rome verteerde in 'n heel jaar! Neen, stil, Pompile, laat 'm
+begaan! Luister, m'nheer Krucker! In 'n heel jaar, weetje! M'n zoon
+Flodoard te Rome!
+
+--Maar, papa...
+
+--Stil, Pompile! Wel, mannetje, spreek op! Laat m'nheer Krucker dàt
+eens hooren.
+
+Wouter zweette. Hy zocht Julie's oogen te ontmoeten, maar 't lukte
+niet. In-godsnaam! Mèt of zonder aanmoediging zyner dame dan, vóór
+z'n dame:
+
+--De wisselkoers, m'nheer...
+
+--Néééééén, dàt is nu de vraag niet! M'nheer Krucker wou zoo graag
+weten hoeveel je dacht dat m'n zoon Flodoard... te Rome...
+
+Pompile viel z'n vader in de rede, en had het geluk hem ditmaal van z'n
+belangryken topic aftebrengen. Ook een der Kruckers hielp 'n handje,
+door met roerende belangstelling naar tyding van Leon te vragen.
+
+--Hy maakt het uitstekend, zei de oudeheer, uitstekend! Zou je
+wel gelooven, m'nheer Krucker, dat-i al 'n titel heeft van... o,
+zoo'n langen titel! En... hy is weledelgestreng, wat zeg je
+daarvan? Wel...e...del...ge...streng, m'nheer Krucker! Is 't niet
+waar, Pompile?
+
+--O ja, papa!
+
+--En hy schryft fameus-mooie brieven! Pompile, je moet m'nheer Krucker
+eens zoo'n brief van Leon laten zien.
+
+--Zeker, papa!
+
+--En, uw zoon de zeeofficier, m'nheer Kopperlith?
+
+--Die was volgens de laatste berichten te... te... hoe heet het ook
+weer, Pompile?
+
+--Te Amboina, papa.
+
+--Juist! En, m'nheer Krucker, weetje wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft
+er gedanst met de dochter van den Gouverneur. Van... den... gouverneur!
+
+De arme Kruckers kwamen verbazing te-kort. Wouter voelde dat ze hier
+'n bewerking ondergingen, van de soort die men op hèm had toegepast,
+toen-i flauw moest vallen van bewondering over de vorstelyke uitgaven
+van Signore Flodoardo. En deze opmerking bracht hem 'n stapje verder
+in menschkunde, of liever ze deelde hem den moed mee om te erkennen
+wat-i begreep. Zoolang hyzelf maar patient was, belette hem z'n
+verlegenheid om 't kinderachtige van die hoogheidsjacht behoorlyk te
+vatten. Maar nu hy op 't gelaat der gasten iets meende te ontdekken
+dat naar spot geleek, viel hem 't doordenken iets gemakkelyker. Ook
+zonder terugzicht op de schipbreuk die 't geheele gezelschap geleden
+had in de opheldering van de koerskwestie, begon hy de mogelykheid
+intezien, dat die heele familie Kopperlith met haar buiten en eigen
+rytuig en verdere voornaamhedens, wel eens veel lager konden staan
+dan ze voorgaven en dan door anderen scheen geloofd te worden. Hy
+kon de vergelyking met den onderhoudenden, gezonden toon die er by de
+Holsma's heerschte, niet terugdringen, en ze viel zeer tennadeele van
+z'n "heeren patroons" uit. Ook maatschappelyk bleken zy eigenlyk geen
+recht te hebben op de vergoding die hun door nòg lager geplaatsten
+werd toegebracht, want al ware het dat rykdom grond gaf tot zoo groote
+vereering, eilieve hoe plat burgerlyk was de inrichting van het huis,
+hoe prozaïsch die mangelkamer, hoe bekrompen dat achterbakje van de
+britschka, hoe kleingeestig die bekommering over 'n hoedendoos en
+'n mand met soezen, hoe kinderachtig dat onophoudelyk streven naar
+verheffing op... niemendal! De jongeheer Rodomont had gedanst met
+de dochter van 'n gouverneur... gouverneur van wàt, eigenlyk? Lieve
+hemel, de Holsma's hadden prinsessen in hun familie, en waren er niet
+grootsch op. Hengelden zy naar bewondering van hun hoogheid? Erkenden
+ze niet zelfs, zonder noodzaak en zonder schaamte, dat de eenvoudige
+Femke na aan hen verwant was... zy, 'n waschmeisje!
+
+Maar hier brak Wouter z'n gedachtenloop af. Dit geschiedde telkens
+zoodra haar beeld zich aan hem vertoonde. Elke herinnering uit den
+heldentyd van z'n ziel maakte hem den indruk van snerpend verwyt. Het
+liefelyke deed hem zéér, en hy voelde slechts kracht tot eigenaardige
+zwakheid die den naam draagt van wrevel: die Kopperlith's! Het duurde
+dan ook niet lang voor zich deze stemming duidelyker op z'n gelaat
+vertoonde dan in deftig gezelschap geoorloofd is. Hy kneep de lippen op
+elkander, en zag een der Kruckers--die 't niet helpen kon!--uitdagend
+aan. Maar men gunde hem de eer niet, naar de reden van z'n zuurkyken
+te vragen. Waarschynlyk zelfs had niemand daarop acht geslagen,
+en juist deze verwaarloozing stemde hem bitterder dan ooit. Hy was
+woedend en had lust in... vechten. Met wien? Met allen tegelyk, als
+'t wezen kon. Met Bonifaz en den oudeheer, met Pompile, de Kruckers,
+Eugène, de "juffrouw" en Hersilie. Met al wat 'n eigen Buiten had,
+en wat er geen had. Met de heele wereld, ziedaar!
+
+Hoe onrechtvaardig ook deze stemming was, het zal den weldenkenden
+beschouwer van z'n zielegeschiedenis aangenaam wezen te ontwaren
+dat-i nog iets anders was dan kinderlyk en goedig alleen. Het werd
+waarlyk tyd.
+
+Na 't eten werden de Kruckers onthaald op den traditioneelen toer. En
+ook Wouter mocht meeryden... in 't achterbakjen alweer, waar men hem
+'t aanminnig Bonifaasje te bewaren gaf. 't Kind mocht er durchaus niet
+uitvallen, zei de elsasser konsul. Julie snapte in één adem door,
+en Wouter begon te vinden dat ze de proef wat ver dreef. Wel bleef
+het 'n zekerheid dat zy de eenige van 't gezelschap was, die blyk
+had gegeven van den lust iets te willen doorgronden, maar toch... 'n
+beetje droefenis voor den misselyken toestand waarin ze haar ridder
+gebracht had, zou niet kwaad hebben gestaan by haar verheven zucht
+tot ontwikkeling. Ze babbelde zoo ongedwongen met al die Kruckers,
+ze toonde zich zoo geheel-en-al op de laagte van de rest, ze scheen
+zoo volkomen tevreden met de toejuiching waarmee de plompe Pompile
+haar domste uitvallen vereerde... kortom, Wouter wist niet hoe hy
+'t had met z'n Dame. Hy zou er veel voor gegeven hebben, haar 'n
+oogenblik alleen te spreken... hm, 'n voetval zou er niet kwaad by
+staan! Maar... hoe daartoe de gelegenheid te vinden? Als-i 't huis in
+brand stak? Dit plan was zoo heel verwerpelyk niet. Al de Kopperliths
+en Kruckers geschroeid, verbrand, verkoold, verteerd, vernietigd,
+en hy de redder van de weetgierige Julie! Hy zag zich in gedachte,
+háár door rook en vlam de trap afdragend! Haar hield hy in de armen,
+háár fluisterde hy toe: "wees gerust, edele dame van m'n hart, al die
+stommelingen zyn dood en byna begraven! Ik ben hier, ik, Wouter, die
+uw dorst naar kennis lesschen wil met m'n laatsten druppel bloed en
+'n verhandeling over den wisselkoers...
+
+--Zeg, Pieterse, of hoe heet je, houd m'n parasol wat over 't kind. De
+zon steekt zoo!
+
+Deze ontboezeming vloeide over de lippen der schoone Hersilia, die met
+haar zonnescherm onzen ridder aantikte, en hem vry gevoelig terugriep
+in de werkelykheid. Hy schrikte, en nam 't ding werktuigelyk aan...
+
+--Schuif 't op, jongen! Druk op de veer... daar, daar, de veer in
+'t stokje! Versta je me niet? Wat 'n onhandig jongetje, Pompile!
+
+Wouter kneep het ding, en voelde neiging de schoone Hersilia daarmee
+den kop te kloven. Hy staarde haar zonderling aan.
+
+--Op de veer drukken, weetje? Druk op dat veertjen in 't stokje,
+schreeuwde Pompile, die evenmin als de anderen aan iets anders dacht
+dan aan onhandigheid, of hoogstens meende dat "de jonge Pieterse"
+z'n zuster niet verstaan had.
+
+--Doe 't 'm eens voor, Pompile, zei de oudeheer.
+
+Pompile die op de voorbank gezeten was, stond op en boog zich over 't
+gezelschap heen, om den "jongen Pieterse" les te geven in 't openen
+van 'n parasol. Maar hy kwam te laat. Wouter kneep, trok, drukte,
+schoof, en schoof wat krachtig...
+
+--Ik kàn wel, m'nheer, zeid-i.
+
+... en 't ding was aan flarden! Hy hield den stok in de eene
+hand, en de fladderende zy met de andere omhoog als 'n vlag! Het
+heele gezelschap was "ontdaan." Men keek elkander verbaasd aan,
+als om te vragen wat dit beteekenen moest? Welnu, niemand begreep
+het. Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met 'n
+gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven
+aan onlydelyke pyn.
+
+--'t Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde Hersilia. Niet
+waar, Calbb?
+
+--Je moet altyd begrypen Hersilie, 't is 'n burgerjongetje, riep
+Pompile. Hy wist niet wat je bedoelde, zie je? Je moet altyd denken,
+'t is 'n burgerjongetje, en... nooit in gezelschap geweest. Dáár komt
+het van!
+
+--Zeven gulden, dertien!
+
+Het stokjen en de lappen werden, zoo goed het hossen van 't rytuig
+toeliet, aan elkaar gepast om nogeens voor 't laatst te bewonderen hoe
+het ding er had uitgezien voor de vreeselyke katastroof, Nog 'n paar
+maal mompelde de majestueuze Hersilia haar tragisch: "zeven gulden,
+dertien" en vry ontstemd liet het gezelschap zich voortkruien door den
+zandweg. Toen men thuis kwam, nam Pompile de rol van verslaggever aan
+mama op zich. Niemand was meer verontwaardigd dan "de juffrouw." Ze
+had wel drie fransche woorden om te betuigen dat de zaak...
+
+--Ja, ja, zeker! zei Pompile. Maar u moet begrypen, mama...
+
+--Hy stond mevrouw zoo délicieus by die gele bergère, maseurde de
+juffrouw.
+
+--Goed, juffrouw. Maar ziet u, mama...
+
+--'t Is 'n ware balourdise. m'nheer!
+
+--Zeker, juffrouw! Maar, mama, Hersilie had het niet moeten,
+doen, mama. Want zoo'n jongen...
+
+--Fi donc, zoo lomp te zyn!
+
+--Volkomen juist, juffrouw! Maar ik wou aan mama zeggen dat mevrouw
+Calbb had moeten begrypen dat zoo'n jongetje...
+
+--'t Is infaam!
+
+...dat zoo'n jongetje maar... 'n burgerjongetjen is! Dàt wou ik maar
+zeggen aan mama.
+
+En dit alles moest Wouter aanhooren! Z'n woede was gebroken. Hy voelde
+zich verlamd, onmachtig, wezenloos, en alweer overmeesterde hem zeker
+heimwee naar de vroeger zoo geminachte levensopvatting ten-zynent.
+
+Was dàt nu de wereld die hy zou leeren kennen als-i "groot"
+was? Wanneer hy op dit oogenblik z'n ouden vyand Slachterskeesjen
+ontmoet had, hy zou hem aan 't hart hebben gesloten als 'n bode uit
+hooger sfeer. Men ziet het, te laag gezonken om behagen te scheppen
+in de voorstellingen uit den mythentyd zyner jeugd, begon hy reeds
+te verlangen naar 't weerzien van de grove gestalten die hem in die
+dagen omgaven. Zoo ook verwarren onnadenkende geschiedschryvers den
+onbehagelyken toestand van den wilde met de gouden eeuw van Saturnus.
+
+Wouter was wanhopig. En z'n stemming werd er niet beter op, toen-i
+bemerkte dat ook Julie tot z'n vyanden behoorde, want "vyandschap"
+meende hy te moeten veronderstellen in al de menschen die, na hem zóó
+te hebben gegriefd en vernederd, niet eens schenen te begrypen dat-i
+voor grief en vernedering vatbaar was. Pompile gaf zich de moeite
+hem op 'n parapluie te wyzen hoe men 'n parasol opent, en ten-laatste
+was Wouter na veel vruchtelooze pogingen om de ware oorzaak van z'n
+zonderlingen handgreep onder woorden te brengen, wel genoodzaakt
+zich aantestellen alsof hy werkelyk voor 't eerst te weten kwam dat
+men by zoo'n gelegenheid op 'n veertje moet drukken. Pompile scheen
+zeer voldaan over de les die hy gegeven had, en roemde er op dat
+"de jonge Pieterse" de zaak nu volkomen verstond, en zeker by 'n
+volgende gelegenheid...
+
+--Zeven gulden, dertien, jammerde Hersilia.
+
+De maat liep over. Wouter stond haastig op, vloog de deur uit,
+het erf af en den weg op, om zich te verdrinken of... zeven gulden
+dertien te zoeken.
+
+A la bonne heure!
+
+
+
+
+
+
+
+ Wouter spekuleert allervoordeeligst in ouwe-kleeren. Snelle
+ wisseling in amerikaansche handelsbeweging, waarschynlyk niet
+ zonder invloed op wisselkoers. Nachtgedachten. De terugkomst van
+ den verloren broeder.
+
+
+Weldra had hy na eenig dwalen en vragen een der poorten van
+Haarlem bereikt. Wat hy daar eigenlyk doen wilde, was hemzelf niet
+duidelyk. By 't verlaten van Groenenhuize blies de wanhoop hem in,
+met den meesten spoed 'n eind aan z'n leven te maken, en nog altyd kwam
+hem dit voornemen als 'n wenschelyke uitweg voor. Doch eerst wilde hy
+beproeven zich op andere wys te ontdoen van den ondragelyken last die
+hem drukte. 't Was zondag-avend, en er vertoonden zich weinig menschen
+op de straten. Ook waren de meeste winkels gesloten. Hier-en-daar
+slechts durfde men den dag des Heeren ontheiligen door 't uitstallen
+van halletjes en rooletters, of tabak en snuif. De verkoopers van deze
+artikelen verheugen zich voornamelyk in zondags-debiet, en de Heer moet
+zich hierin schikken. Wouter vermande zich, liep 'n koekbakkerswinkel
+in, en vroeg of men hem den weg naar den Jodenhoek wilde wyzen.
+
+--Jodenhoek, jongeheer? Dat hebben we hier, om zoo te zeggen
+niet. Uwe-n-is zeker van Amsterdam?
+
+--Geen Jodenhoek? Maar... by wien verkoopt men dan hier z'n ouwe
+kleeren? Dàt wil ik weten!
+
+De vrouw uit den winkel keek hem vreemd aan. Eenmaal z'n aangeboren
+beschroomdheid overwonnen hebbende, was Wouter's toon zoo kortaf en
+gebiedend dat het mensch er van ontstelde. Angstig riep zy als 't
+ware om hulp, en er verscheen dan ook 'n manspersoon, die haar vroeg
+wat er gaande was, en vry onvriendelyk aan Wouter wat-i "hebbe" wou?
+
+--Hebben? Niets m'nheer! Ik wou maar weten waar men hier ouwe kleeren
+koopt?
+
+De koekbakkers-familie joeg hem den winkel uit. Tandenknersend stond
+hy weer op de straat, en wist niet wat hy doen zou. Na lang zoeken
+en veel mislukte pogingen trof hy eindelyk 'n klein meisje dat hem
+bracht waar-i wezen wilde. Een oude jood antwoorde toestemmend op
+de vraag of hy koopman in kleeren was? Wouter trok z'n jasjen uit,
+wierp het op de tafel, en vroeg wat de man daarvoor geven wilde. Het
+kleedingstuk werd bevoeld, gewreven, gerekt, tegen 't licht gehouden,
+en 't eerste bod luidde: vier gulden!
+
+--Zeven gulden, dertien! riep Wouter.
+
+--Nah, w'rom nie liefer dertien gilde sefe, as je 't m'r foor 't
+seche heb? Fyf gilde, en cheen dyt meer! Ghedrache kleeren binne
+niks waart, want se worre teugeswoordig techeef inchefoert fan
+Emerika... te-cheef! Dat sel je-n-ook wel wete. Fyf gilde tien, dan!
+
+--Ik moet zeven gulden dertien hebben!
+
+--Wat je hebbe mot, sel je wel 'reis kryche, as je m'r iemant fint die
+'t je chefe mot. M'r ik mot je niks chefe, en ik cheef je niks. Nou,
+ses gilde! Trek jespille m'r weer an, anders, en cha mê chot!
+
+Toen Wouter hierop inderdaad vertrekken wilde, steeg het bod tot
+zeven gulden. Helaas, die vreeselyke dertien stuivers! Er was niet
+aan te doen: de koopman bleef onverbiddelyk. Mocht men 't hem kwalyk
+nemen, by zoo'n overvoer van ouwe-kleeren uit Amerika? 't Was al zeer
+edelmoedig dat-i by zoo'n stand van zaken zeven gulden geven wilde voor
+Wouter's jasje dat--dit is waar!--zonder die ongelukkige mededinging
+der Vereenigde Staten, zeker wel twintig gulden zou waard geweest
+zyn. Het was 't eerste kleedingstuk dat voor hem gemaakt was, en dat
+tot hem kwam zonder eerst, als ter oefening, 'n glansryke loopbaan
+om de lenden van broêr Stoffel te hebben afgelegd. Het was de toga
+virilis die--en wel zondags alleen--hem plechtig om de schouders
+werd geworpen ter viering van z'n promotie tot jongste-bediende by
+de heeren Ouwetyd & Kopperlith.
+
+Maar aan dit alles dacht hy niet. De verfoeielyke Hersilia, en die
+sarrende Pompile, en ook Julie, de ontrouwe Dame... hy zou hun toonen
+dat-i... dat-i...
+
+Hy smeet nu ook z'n hoed op de tafel, en bood die te-koop aan. Na
+eenig dingen en bieden was 't kapitaal kompleet, waarmee hy de edele
+vrouwe mevrouwe Calbb-Kopperlith en haar aanhangers 'n kool vuurs
+wilde te slikken geven. Ja-zelfs, er was geld over, want voor den hoed
+had-i drie schellingen bedongen. De jood vroeg hem of-i ook van z'n
+schoenen wou ontlast worden, maar Wouter liep zonder te antwoorden,
+in hemdsmouwen en blootshoofds de straat op.
+
+Hoe nu? Zèlf naar Groenenhuize terugkeeren? Dat nooit! Het
+schoonste blad van den lauwerkrans dien hy door z'n kordaatheid
+meende verdiend te hebben, zou verdorren wanneer men daar te weten
+kwam door welke middelen hy geslaagd was in 't afbetalen van z'n
+drukkende schuld. Langen tyd liep hy peinzend op-en-neder, de minst
+bezochte straten kiezend omdat hy zich begon te schamen over z'n
+ongekleedheid. Hy wilde de schadeloosstelling waarmee z'n vyandin
+moest verpletterd worden, doen vergezeld gaan van 'n brief die op
+pooten staan zou! Niets beter dan dit, maar... waar dat stuk te
+schryven? Als-i eens in zoo'n halletjeswinkel naar pen, papier en
+inkt vroeg? Hm, gemakkelyk ging dit niet. Hoe zou men hem te-woord
+staan, hem die zich nu zoo afgetakeld voordeed? Van de humaniteit der
+haarlemmer burgerlui had-i reeds proef gehad, toen hy er nog uitzag
+als 'n ander. Zoud-i op vriendelyker bejegening kunnen rekenen, nu
+hy zich vertoonde in 'n kostuum, dat... sakkerloot, de zaak begon
+hem moeielyk voortekomen.
+
+Z'n opwinding was afgeloopen, en indrukken van meer gewonen aard namen
+daarvan allengs de plaats in. Z'n wrok over de ondergane miskenning,
+jazelfs het verdriet over Julie's trouweloosheid, moest telkens wyken
+voor de ergernis dat-i geen jas aan had. Waar-i by 't schemerlicht
+van den zomeravend 'n voorbyganger zag naderen dien hy niet ontwyken
+kon, trachtte hy den eigenaardigen tred aantenemen van iemand die
+even overwipt om 'n buurman goeden-avend te zeggen. Maar 't baatte
+niet. Daar kwamen 'n paar straatjongens hem sarren met den roep:
+"heb je 't zoo warm, jongeheer?" 't Was om razend te worden!
+
+Toch drong hy zich op dat-i nog altyd naar 'n gelegenheid zocht om
+'t staatsstuk te schryven dat het geld vergezellen zou, maar 't was
+uit geestelyke traagheid alleen, en uit onwil om te erkennen dat
+z'n verdriet veranderd was van richting. Ieder manspersoon dien hy
+ontmoette en die gewoon gekleed was, vervulde hem met afgunst.
+
+Ziehier hoe hy schryven wilde... àls hy tot schryven kwam:
+
+
+ Weledelgeboren Mevrouw ...
+
+
+Zeker! Zoo adresseerde de jongeheer Leon de brieven aan z'n mama. Dit
+zou dus ook wel zoo ongeveer de rechte betiteling wezen voor
+mevrouw Calbb-Kopperlith. Hy wilde haar en de heele familie toonen
+dat-i wist hoe 't behoort, en dat de manieren der "groote wereld"
+niet onbereikbaar waren voor 'n burgerjongetje. "Weledelgeboren
+Mevrouw!" alzoo, en verder:
+
+"Ik heb de eer Uweledelgeboren hiernevens aantebieden de som van
+zeven guldens en achttien stuivers voor 'n nieuwen parasol. Myn eer,
+Weledelgeboren Mevrouw, gedoogt niet Uweledelgeboren ongelukkig te
+maken, en daarom...
+
+"Heb jy je jas in den lommert gebracht?" vroegen hier op de welbekende
+zangwys van 't vroolyke patertje 'n paar belangstellende dienstmeiden,
+die van haar zondagmiddags-uitgang zooveel pleizier wilden trekken
+als er maar eenigszins van te trekken was.
+
+Wouter week schichtig uit, en vermeed zooveel mogelyk de minst donkere
+plekken. Z'n gedachten keerden terug naar 't punt van uitgang: dien
+fameuzen brief!
+
+"Uweledelgeboren zal ontwaren dat er vyf stuivers over zyn. Die schenk
+ik Uweledelgeboren als 'n blyk van... van...
+
+Hy weifelde tusschen "goedertierenheid" en "genade." Een troepje
+Amsterdammers die Kraantje-Lek bezocht hadden, en in de stemming
+verkeerden welke van-oudsher by dezen uitgang past, kreeg onzen tobber
+in 't oog en nam hem in 't ootje. Wouter sloeg zich dapper genoeg
+door den kring heen, maar hy voelde zich zeer verdrietig. Men zal
+erkennen dat de voorgenomen heldendaad met die zeven gulden zóóveel,
+hem byzonder moeielyk werd gemaakt. Gedurig mompelde hy zich voor:
+ik wil 'n brief schryven, ik wil! Als ik maar wist, wáár? En hy
+monsterde huis voor huis, of daaronder misschien een mocht zyn dat
+hem genoegelyk zou kunnen dienen tot kantoor? Zelfs liep hy nu-en-dan
+'n winkel in, maar hy bereikte z'n doel niet. Z'n vreemd voorkomen
+en de schichtigheid waarmed-i z'n ongewoon verzoek uitte, schrikten
+de menschen af. "Als ik in-godsnaam maar 'n jas aan had!" zuchtte hy.
+
+Eindelyk--welke booze geest speelde hem dezen trek?--eindelyk stond hy
+op-eenmaal weer voor 't huis waar de jood woonde, die zoo goedig hem
+van jas en hoed verlost had. Wouter trad instinctmatig binnen. "In 's
+hemelsnaam, dacht hy, als ik maar eerst weer behoorlyk gekleed ben, dat
+ik me vertoonen kan! O God, wat is 'n mensch die geen jas aan heeft!"
+
+De jood zag vreemd op toen z'n klantje van zoo-even hem de verkwanselde
+kleedingstukken kwam terugvragen. Hy had ze juist naar New-York
+verzonden, zeid-i, waar ouwe-kleeren tegen goud werden opgewogen.
+
+--Maar zoo-even zei je...
+
+--So-efe-n-is f'rby, en wat cheweest is, is niet. Ik sech je
+dat ouwe-kleeren d'r gelt waart binne! Feel uitfoer na Emerika
+teugeswoordig! Daar sit 't 'm! Maar ik wil je wel 'n jas ferkoope-n-en
+'n hoet ook. Mooie waar, kyk hier!
+
+Na eenig verdrietig gesukkel verliet Wouter den winkel van
+den schacheraar, met 'n jas aan, en 'n hoed op... modellen! De
+kleedingstukken die hy 'n uur te-voren in z'n opgewondenheid had
+afgestaan waren er vorstelyk by. Toch moest hy voor de nieuwe plunjen
+al 't geld neerleggen dat-i bezat, de vier stuivers inkluis die
+m'nheer Wilkens hem den vorigen dag op last van den grootmoedigen
+Pompile had uitbetaald voor z'n terugreis naar Amsterdam, en die
+geaffekteerd zouden worden op "huishouding." De huishoudelykheid nu
+van Wouter's transaktie...
+
+--As je wéér wat te handele heb, zei de edelmoedige jood, kom cherust
+by me.
+
+En hy gaf Wouter 'n adreskaartje dat deze werktuigelyk
+in den zak stak. Op-straat gekomen--nu was-i gekleed, o
+goden!--betrapte hy zich op 'n volkomen overbodige repetitie van z'n
+redaktie-plannen. "Weledelgeboren Mevrouw! Hiernevens heb ik de eer
+Uweledelgeboren aantebieden...
+
+Aantebieden! Wàt?
+
+Hy sloeg zich voor 't hoofd, en erkende voor de honderdste maal... hoe
+zei ook altyd z'n moeder? "Heere jesis-kristis, die jongen! Van hèm
+komt nooit wat te-recht?"
+
+Waar zou-i heen! Al peinzend over den zonderlingen toestand waarin hy
+gebracht was door... eilieve, lezer, door wàt eigenlyk? Hyzelf kon er
+zich geen reden van geven, maar aan U vraag ik, wat toch de oorzaak
+was van de onaangename verwikkelingen waarin hy telkens verstrikt
+raakte? En ditmaal nogal erg. De geringschatting van de menschen aan
+wie hy verantwoording schuldig was, had reden van bestaan in ieder
+ander, maar niet in hèm. Z'n moeder was z'n moeder, de heeren Ouwetyd &
+Kopperlith waren zyn patroons. Hy was niet grof genoeg van inborst om
+de draden waarmed-i zich aan de maatschappy verbonden voelde, eenvoudig
+te verbreken en zich vry te maken: om "de wereld integaan" zooals dit
+heet. Hieraan dacht hy wel, doch maar 'n oogenblik want hy was te week
+om het besef te verdragen van de smart zyner betrekkingen... die wel
+luidruchtig, maar niet zoo byzonder diep zou geweest zyn. Doch dit wist
+hy niet. Op-eenmaal kwam hem nu in den zin dat-i in z'n lessenaar op
+'t kantoor allerlei rympjes had verborgen, waarin veel schoons werd
+gezegd... van háár. Wie deze "haar" was, doet er niet toe. Het is te
+betwyfelen, of hyzelf hiervan een heldere voorstelling had. Want al
+droegen z'n ontboezemingen gewoonlyk de kleur der indrukken die Femke
+hem had meegedeeld, toch dwaalde hy telkens te veel af van dat ééne
+model, om te kunnen beweren dat hy in die rympjes z'n liefde voor
+háár schetste. Niemand zou 'n waschmeisje zoeken in 't origineel van
+de wolkerige portretten die hy leverde. 't Wemelde in z'n poëzie van
+prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van wereld-overzien,
+en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God was niet vergeten,
+dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker bekend, hoe makkelyk dit
+eensylbig woordje zich schikt in elke maat. Kompromitteerend in gewonen
+zin waren alzoo Wouter's dichtproeven niet. Noch Pompile, noch Wilkens
+zouden by 't vinden der achtergelaten rymelary, op 't denkbeeld gekomen
+zyn dat hun weggeloopen jongste bediende in betrekking stond tot
+'n dame die men noemen kon. Hoogstens zou 'n beetje scherpzinnigheid
+hun de middelen aan-de-hand doen om van Wouter's ongedisciplineerde
+hartstochtelykheid geen jota te begrypen. Hyzelf echter meende dat-i
+maar al te duidelyk had lucht gegeven aan z'n gevoel, en in verbeelding
+zag hy reeds z'n onbescheiden talent misbruikt om al de jonkvrouwen
+van zyn hart tentoontestellen in de courant. Prinsessen zouden er 't
+meest onder lyden, want aan hoven is de eer 'n teedere zaak. En ook
+Julie liep gevaar. In dat ééne gedicht namelyk--koupletten van acht
+regels met slechts twee rymklanken, denk eens!--had-i zich niet kunnen
+onthouden, 'n zwevenden engel uittedosschen in 'n zwierig rykleed van
+bruine taf, en van zoo'n stof was juist het japonnetje dat zy aanhad
+op den dag toen hy zoo ridderlyk vier stuivers had afgedongen op haar
+liggenden jachthond! Duidelyker zinspeling op z'n verrukking over haar
+neerbuigen tot hem, kon wel niet gevat worden in koupletten van acht
+regels met slechts twee rymen! Ja toch, hy had melding kunnen maken van
+'t wollen fichuutje dat ze by die gelegenheid om den hals droeg--want
+ze was op dien merkwaardigen stond 'n beetje verkouden--maar de eischen
+van rym en maat bewaarden hem genadiglyk voor indiskrete vereeuwiging
+van deze byzonderheid. Die zwabberende bruin-zyden amazone was
+waarlyk al verraderlyk genoeg! Zou de oude Dieper by 't ontdekken en
+beoordeelen zyner rymschatten, de goedheid hebben Pompile aftebrengen
+van de gevaarlyke gissing dat er verwantschap bestond tusschen die
+zwevende engel en z'n wederhelft? Och, op zoo'n boekhouder valt niet
+te rekenen. Gaf-i niet altyd iedereen gelyk? Wouter zag hem z'n pen
+neerleggen, z'n snuifdoos opnemen, den bekenden stap achterwaarts doen,
+en dit alles om met vereischten nadruk te verzekeren:
+
+--Juist, jongeheer! Ik heb de intieme fictie dat de jongen met dat
+schimpdicht bedoeld heeft...
+
+--Schimpdicht, Dieper? 't Is geen schimpdicht? Wàs 't dat maar! De
+kwajongen is verliefd, en wel op...
+
+--Precies, jongeheer! Ik wil maar zeggen, net als u, dat-i zeker
+met dien golvenden luchtgeest mevrouw Kopperlith-Huddewitz bedoeld
+heeft. 'n Mensch moet toch iets bedoelen, niet waar? Zeker, zeker, die
+engel in 't bruin is de jonge mevrouw! Vindt u 't niet erg... brutaal,
+jongeheer?
+
+Wouter's verbeelding tooverde hem 't kantoor voor, en dwalend
+door den Hout was-i getuige van de woede, van de minachting, van de
+vernederingen die 't burgerzielig konklave over hem uitstortte. Wilkens
+blaette afkeuring, Eugène bromde z'n: hm! Daar kwam ook de oudeheer
+aansloffen:
+
+--Zieje, Pompile, 't is de schuld van Dieper. Waarom zoo'n deugniet
+te rekommandeeren?
+
+En Dieper beloofde deemoedig dat-i 't nooit weer zou doen.
+
+De oude Gerrit? Nu, zyn tusschenspraak schikte nogal. Gelukkig voor
+Wouter, dat-i eindelyk 'n figuur ontdekte van iets minder afschuwelyken
+aard, iemand waarmed-i het tooneel dat z'n angst hem voormaalde,
+wat minder krimineel stoffeeren kon. Gerrit mompelde: "wat 'n geseur
+over die liedjes! Allemaal wind en 'n engelsche notting!" Lieve Gerrit!
+
+Opmerkelyk, niet waar, dat Wouter wel de gaaf had zich zoo nauwkeurig
+voortespiegelen wat er gebeuren zou, wanneer men na z'n wegblyven z'n
+archief doorsnuffelde, hy die zich niet in-tyds rekenschap had weten te
+geven van den zotten toestand waarin iemand geraken moet, die z'n zeer
+behoorlyk jasje verruilt voor 'n schanslooper van de vreemdste soort,
+en z'n fonkelnieuw hoedje voor 'n rooden kalen gedeukten tromblon die
+hem bovendien eenige nummers te groot was? Weinig jongelieden zouden
+zich in Wouter's geval hebben schuldig gemaakt aan de zotterny die hy
+begaan had, en toch zou 't onrecht wezen hen daarom voor verstandiger
+te houden. Voor 't meerendeel hadden ze slechts door onthouding van
+'t excentrieke, blyk gegeven beneden Wouter's fouten te staan. Kon
+hy 't helpen dat-i z'n ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er
+'n aanhoudende stryd was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg
+en de wereld waarin hy leefde?
+
+De manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had,
+kon zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt
+worden onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas
+die in den waan verkeert dat z'n beenen van glas zyn, is niet verder
+van de waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te kennen zooals
+zy inderdaad is, z'n aanraking met haar meent te kunnen regelen naar
+'t schema dat hy in omgang met zichzelf alleen, samenknutselde. Wouter
+droomde van engelen... die er niet zyn, en van zielenadel... die
+niet bestaat. Hy onderging allerlei aandoeningen die aan anderen
+niet bekend zyn. Het is er ver af dat deze aandoeningen onverdeeld
+schoon waren, en dat alzoo in alle opzichten de werkelykheid beneden
+z'n droomeryen zou staan. Integendeel. Onder alle personen, zonder
+onderscheid, die hy tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die
+niet in 't een-of-ander opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging,
+'t geen reeds hieruit blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet
+tot dwaasheden als die welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in
+den Haarlemmer-Hout. Inderdaad, lezer, 't is onzedelyk 'n nieuwe jas
+te verruilen voor 'n oude! Ik laat nu de kazuistische finesse waarmee
+sommigen zotterny willen onderscheiden van slechtheid, stilzwygend
+in haar onwaarde, zéker is 't dat onze held even beschaamd was over
+'t verkwanselen van z'n kleeren, als-i over diefstal zou geweest
+zyn. En, wanneer hy de wereld goed gekend had, zoud-i gróóter
+schaamte nog gevoeld hebben over z'n dwaasheid dan over eigenlyke
+misdaad. Deze immers wordt begrepen, omdat ieder deelt in de aandrift
+die daartoe leiden kan. Met 'n vroom: "God zy by ons... wie staat, zie
+toe!" bekruist men zich--en hangt den dief op, nu ja--maar men deelt
+volkomen in de gevoeligheid voor verlokking die den zondaar máákte tot
+'n zondaar. Vraag eens aan juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal
+verwanten in geestesarmoed, of ze 't voor mogelyk houden dat zy een
+der tien geboden zullen overtreden, of zelfs maar 'n artikel uit het
+Wetboek van Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: "de mensch is
+zwak! Heer, wees my armen zondaar genadig!" Heel goed, ik mag lyden
+dat de Heer het doet. Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor
+oogen dat zy 'n splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in
+'n onderrokje ronddolen op den publieken weg... zonder de minste
+aanroeping van den Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En dit
+is de waarheid. Zóó ver kan de slimste Duivel 't mensch niet brengen,
+al liet God haar in den steek. Wel schynt alzoo zyn hulp onontbeerlyk
+om bewaard te blyven voor galg en rad, maar domheden als die van
+onzen Wouter weet men te vermyden zonder de minste tusschenkomst van
+den Hemel.
+
+En nog 'n opmerking, ditmaal van eenigszins aangenamer aard. Dat
+Wouter's manier van spekuleeren niet tot welvaart leidt, zal ieder
+erkennen en goedkeuren. Maar men is te zeer gewoon zich goede
+uitkomsten voortestellen van het tegendeel. Dit is onjuist. Ik kan
+den lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig toonde in
+zaken, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is 't geval met
+velen die zich vermeten minachtend neertezien op 't eigenaardig gebrek
+aan praktyk, dat 'n uitvloeisel is van nog onvolkomen dichterlykheid.
+
+Wouter verweet zich dat niemand in gelyke maat als hy, de begaafdheid
+had zich vasttewarren in 'n net van verdrietelykheden. Gelyk de
+meeste jongelieden die in nood zitten, dacht-i aan zelfmoord. De
+lezer herinnert zich dat dit meer geschied was. Het leven kwam hem
+ondragelyk voor, en hy drong zich op, dat-i ditmaal wel degelyk van
+plan... wezen zou daaraan 'n kordaat einde te maken, als-i maar niet
+zoo terugschrikte voor 't denkbeeld dat die vervloekte Kopperliths
+in z'n minneklachten zouden snuffelen. Eerst die verzen vernietigd,
+dacht hy, en dan sterven! God zou wel begrypen dat-i 't niet kon
+uithouden in zóó'n wereld! In den hemel was zeker wel deze of
+gene werkkring die hem paste. Daar zoud-i zich stipt toeleggen op
+z'n... naastbyliggenden plicht! O, waarom had-i dien goeden dokter
+Holsma veronachtzaamd? En... hoe zou 't zyn als-i zich in z'n
+tegenwoordigen nood--ei, zonder sterven, alzoo?--tot hèm wendde?
+
+Al wat hy zich van die familie herinnerde, kwam hem nu liefelyker voor
+dan ooit. Die vlugge Sietske! Die waardige moeder! Die ernstige oom
+Sybrand! En Willem... nu ja, z'n wyzigheid was drukkend, maar kon hy
+'t helpen dat Wouter geen latyn verstond? Had z'n moeder hem dàt
+maar laten leeren, meende hy, dan zou alles anders wezen! Hy zou
+dan nu op weg zyn om dominee te worden, of advokaat, of rechter,
+of minister... allemaal menschen die 'n behoorlyke jas aanhebben,
+en precies weten waar ze belanden moeten als 't nacht wordt! Dit
+namelyk wist Wouter nog altyd niet, en 't bezwaarde hem zeer. Maar
+al was 't dag geweest, waarheen, waarheen? Op die gansche aarde geen
+plek waar-i zich vertoonen kon! Zeker, zeker, God zou er genoegen
+mee nemen, als-i onaangediend en ongeroepen in den hemel kwam.
+
+Sterven dus! Heel goed, als-i maar geweten had, hoe? Inweerwil
+van deze onzekerheid stond z'n voornemen byna vast. Byna! Want het
+afscheidnemen van z'n plannen, van z'n droombeelden, van z'n toekomst,
+viel hem zeer moeielyk. En zelfs het verledene, hoe dor en schraal ook,
+bood hem gezichtspunten aan waarvan hy de oogen niet kon afwenden. Die
+verschyning in den Schouwburg... die dubbelgangster van Femke... hemel,
+de rozeknopjes! Ook die immers lagen in z'n lessenaar op 't kantoor,
+geborgen in z'n zakboek, in 't zakboek dat-i anders altyd op 't hart
+droeg--schoon 't hem zéér deed, als-i vuile praatjes aanhoorde by 't
+postkantoor!--maar dat-i nu voor 't eerst had weggesloten om er niet
+mee bezwaard te zyn op z'n voorgenomen tocht naar "buiten." Mocht-i
+aan sterven denken zoolang hy dat pand niet had teruggehaald om het
+te vrywaren tegen hoon? En nog iets! Was 't niet al te jammer, van
+deze wereld te scheiden voor-i zeker wist hoeveel prinselyks er stak
+in Femke, hoeveel van 'n bleekmeisjen in die prinses? Hy begreep niet
+hoe hy zoolang zich had kunnen bezighouden met allerlei onderwerpen,
+en vond het onverantwoordelyk zoo'n raadsel onopgelost achtertelaten.
+
+Leven dus, leven! Makkelyk gezegd, als-i maar geweten had waar-i slapen
+zou? En... eten! Z'n sarrende fantazie hield hem 'n monster-boterham
+van Vrouw Claus voor, en hy begon nu werkelyk zich te verbeelden
+dat z'n honger onuitstaanbaar was. Stoffelyke behoefte nam de
+overhand op smart van anderen aard--daar is ze voor!--en hy begon
+afgunstig te worden op 't lot van Jakob Claesz. Want, meende hy,
+in zoo'n onbeschaafd Vuurland waren zeker allerlei vruchtboomen,
+en er groeide niets eetbaars in den Haarlemmer-Hout. Die Laurens
+Coster had ook beter gedaan, vygen en ananassen te planten--of al
+waren 't dan maar burgerlyke appels en peren geweest!--dan zich
+bezigtehouden met de uitvinding van die vervelende drukkunst! Wat
+heeft 'n dolend wildemannetje daaraan? En wat baatte hem nu z'n braaf
+oppassen by Pennewip? O, die vervloekte beschaving! Hy verlangde
+naar 'n voorwerp waarop-i z'n woede kon koelen, al ware het, byv. 'n
+bende Vuurlanders geweest. Dan had-i geweten wat het Noodlot van hem
+verlangde: stryden en... overwonnen worden, nu ja, en men zou hem
+opeten, ook. In-godsnaam! Daartegenover immers stond altyd de kans dat
+hy--onder aanroeping van deze of gene dame: 't was meer gebeurd!--de
+overwinning behaalde, z'n vyanden tot Christenen maakte, en zichzelf
+tot koning, juist wat-i wezen wilde. Wie weet of niet Jakob Claesz
+ook zoo-iets gedaan had, en Wouter besloot dat Vuurland eens. te
+bezoeken zoodra hy te beschikken had over 'n vlootje. Dan zoud-i...
+
+Helaas, heiaas, wat gekke overleggingen in zyn toestand! Beurtelings
+woedend en verdrietig, slenterde hy laan-in laan-uit, en wist geen
+raad. Eindelyk zette hy zich moedeloos onder 'n boom, en viel in
+slaap. Hy droomde dat-i in nood was en dat Femke hem redde. Toen-i
+wakker werd, was 't volkomen nacht. Het kostte hem veel moeite zich
+te bezinnen wat er gebeurd en hoe hy daar gekomen was. Maar helaas,
+hy voelde zich wel genoodzaakt het gebeurde voor inderdaad geschied te
+houden, en z'n verdriet weer aanteknoopen waar 't eenige uren geleden
+was afgebroken door den slaap. Toch was de daartusschen liggende droom
+te levendig geweest om daarop geen acht te slaan, en by gebrek aan
+beter dwong hy zich dien optevatten als 'n wenk. Hy besloot dus naar
+Amsterdam te gaan en zich onder Femke's hoede te stellen. Al zag hy
+niet in hoe zy hem van dienst wezen kon, 't zou hem reeds verluchten
+indien hy iemand kon deelgenoot maken van z'n verdriet. En de schaamte
+die hem pynigde omdat-i haar zoo lang had verwaarloosd... zeker,
+dit maakte den stap niet gemakkelyk. Want hy voelde zeer goed dat-i
+zich haar onwaardig had gemaakt, en kon het denkbeeld niet van zich
+stooten dat zy dit wist. Ach, mocht hy den dag van vandaag, en dien van
+gisteren... neen, de vier, vyf laatste maanden kunnen overleven! Zyn
+nu verwaarloosd gemoed zou daarby wèlvaren, en Hersilia's parasol ook.
+
+Na lang zoeken en dwalen bevond hy zich op den weg dien hy den
+namiddag van den vorigen dag was langsgekomen in 't achterbakje van
+de britschka. Reeds toen was-i niet tevreden. En nu! Naar Femke,
+naar Femke! riep hy, alsof 't meisjen 'n toovergodin was die maar te
+bevelen had om verandering te brengen in z'n verdrietigen toestand. En
+ongegrond was Wouter's vertrouwen eigenlyk niet, schoon hyzelf daarvan
+zeker geen reden geven kon. Femke's eenvoudige kalmte--uitvloeisel der
+harmonie van haar gaven, inborst, ontwikkeling en begeerten--maakten
+haar inderdaad tot 'n goede raadsvrouw. Zeer vermoeid kwam Wouter tegen
+den morgenstond by haar huisjen aan. Hier wachtte hem 'n zonderlinge
+verrassing... o, die ondeugende Fancy!
+
+
+
+De buitenblinden waren gesloten, wat Wouter niet verwonderde daar het
+nog zeer vroeg was. Maar wel was z'n verbazing groot, toen hy bemerkte
+dat de deur áánstond. Zou die den geheelen nacht open geweest zyn? Was
+Vrouw Claus zoo vroeg reeds uitgegaan? Of misschien Femke-zelf? Helaas,
+zou ze dáár wezen? Moed om 't meisjen optezoeken by de Holsma's,
+had-i niet. Hy was beschaamd voor die familie, en bovendien,
+hy durfde de stad niet in, om die gekke jas! Zeer waarschynlyk
+had juist de afkeer om zich in de straten te vertoonen, hem 't
+denkbeeld ingegeven hulp of raad by Femke te zoeken, of wel--indien
+ze hem noch het een noch het ander verschaffen kon, gelyk immers
+te voorzien was--haar tot vertrouwelinge van z'n kommer te maken,
+om wat troost. Zeker zoud-i niet tot dit besluit gekomen zyn als 't
+meisjen in de stad gewoond had, en niet op 'n buitensingel waar ze
+bereikt worden kon zonder 'n spitsroedengang tusschen de reien van
+'t straatpubliek. By 't opsporen van de oorzaken onzer handelingen,
+moeten we niet zelden afdalen tot het nietigste. Wouter wist niet dat
+er verband was tusschen liefde en stryd, en al ware hy in dit opzicht
+minder onkundig geweest, dan nog blyft het de vraag of-i lust zou
+gevoeld hebben zich in z'n allerzonderlingst kostuum te vertoonen
+aan de uitverkorene van z'n hart. Bovendien, nooit had hyzelf zich
+rekenschap van z'n verhouding tot Femke gegeven. Nog altyd dobberden
+z'n aandoeningen op die grens die 't kind overschryden moet om mensch
+te worden, en 't was meer de ontwakende behoefte aan liefde die hem
+vervulde, dan de liefde-zelf. Wouter was niet veel meer dan 'n jongen,
+en wanneer-i met wat meer juistheid z'n standpuntje begrepen had,
+zoud-i ontheven zyn geweest van 'n groot deel der schaamte over z'n
+bespottelyke uitrusting. Wel beschouwd kwam 't er nog drommels weinig
+op aan, hoe hy er uitzag. Maar hy was alweer niet jong genoeg ook, om
+onbewust de voordeelen van z'n onbeduidendheid te genieten. Hoe dit zy,
+de nood perste, en hy voelde instinktmatig behoefte aan 't ontmoeten
+van iets liefs, iets vriendelyks, na al 't leelyke waarmee men hem
+sedert zoo langen tyd oververzadigd had. Toch wist-i zeer goed dat
+Femke niet bymachte wezen zou hem zyn kleeren terug te bezorgen,
+noch de verhouding tot die gevreesde patroons in orde te brengen,
+noch hem te verzoenen met z'n moeder die woedend wezen zou als ze
+te weten kwam dat-i onfatsoenlyk was geweest, parasols gebroken,
+en fortuinen met voeten geschopt had. Neen, neen, Femke zou hem niet
+kunnen helpen! Byna begon hy te wenschen dat-i niet dáár was.
+
+Maar Vrouw Claus dan? Evenmin! In-godsnaam, als-i zich dan maar
+'n oogenblik in haar huisje mocht neerzetten, haar z'n nood klagen,
+en... 'n dikken boteram eten. Dàt zou hem de kracht geven om afscheid
+van 't leven te nemen. Hy wou wel sterven, heel graag zelfs, als-i maar
+niet zoo'n honger gehad had! Dááraan eerst 'n eind gemaakt, en dan...
+
+Juist wilde hy de deur openstooten en binnengaan, toen z'n aandacht
+werd getrokken door 'n luid gelach. Het kwam van verre. Over 't
+bleekveld heen, den weg op, zag Wouter twee gestalten die hem schenen
+te naderen. Met begeerigheid elk voorwendsel aangrypend om 't gevreesd
+binnentreden uittestellen, staarde hy zoo scherp mogelyk op de beide
+personen die in luidruchtig gesprek schenen. Van-lieverlede werden de
+omtrekken duidelyker. De een scheen 'n jong zeeman en de ander... myn
+God, was dat Femke niet? Wouter keek zich blind, en moest telkens
+de oogen uitwisschen om opnieuw... ze wàs het! En de ander? 't
+Was wel waarlyk 'n matroos: wie anders draagt zoo'n gelakt-leeren
+hoed? Van-tyd tot-tyd kaatsten daarop de nog horizontale zonnestralen
+in schitterend goud af, zoodat Wouter de oogen sluiten moest als ze
+door dien glans getroffen werden. Maar, ze weer opslaande, kon hy zich
+niet troosten met onzekerheid. Femke liep daar in den zeer vroegen
+morgen--byna was 't nacht nog--met 'n matroos! Ach, Wouter zou minder
+tydmeterig-fatsoenlyk met z'n aandoeningen hebben omgegaan, wanneer
+de begrooting van de heeren Ouwetyd & Kopperlith vyf-en-twintig gulden
+'s jaars had kunnen dragen aan busrecht!
+
+Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouter's meening,
+met 'n matroos! Een oogenblik lang vlood alle herinnering aan 't
+gebeurde en aan de oorzaken die hem daar brachten, op den achtergrond,
+om slechts plaats te maken voor yverzucht, vreeselyke yverzucht. De
+arme jongen had 'n gevoel alsof hem 'n gloeiende dolk in 't hart
+werd gestoken. Z'n knieën knikten, en als wezenloos viel hy tegen
+den post van de deur aan. Maar jalouzie is de minst kleinzeerige
+van alle kwalen: ze houdt van pyn. Wouter sloeg geen oog af van 't
+schouwspel dat hem zoo wondde en hoe langer hoe smartelyker aandeed,
+want de blykbare vertrouwelykheid tusschen de beide jongelieden
+was groot. Gedurende hun wandeling gaven ze elkander de hand, of
+liever 't scheen dat ze hun pinken ineenhaakten. Dit kon worden
+opgemaakt uit 'n eigenaardig gelykmatig slingeren van den linkerarm
+der persoon die rechts liep, en van den rechterarm der andere. Het
+gesprek was luidruchtig en zelfs van sarrende vroolykheid. Vooral
+het meisje joelde en schaterde, en hierdoor voelde Wouter zich als
+vernietigd. Het baatte niet of-i zich al vóórzei dat ze hem niets
+schuldig was, dat hy geen recht op haar had, en dat ze... god in
+den hemel, moest het nog erger worden? Daar liet zy de hand van den
+jongeling los, en viel hem om den hals, en 't duurde wel 'n eeuw,
+vond Wouter, of 'n uur, of zooiets, maar 'n zéér langen tyd in allen
+geval. In al de romans die hy gelezen had, werd de aandoening die hy
+onderging omschreven met de woorden: "onze held stierf duizend dooden"
+maar hy had waarlyk geen afgezaagde boekenfraze noodig om te voelen
+wat-i leed. Na de omhelzing hervatte het dartele paar de wandeling
+op den weg, en naderde, telkens omkeerend, nu en dan het huisje,
+waarop dan ook eenige malen door 't meisje gewezen werd alsof ze
+daarover iets aan haar vrindje te vertellen had. Wouter spande zich
+in om iets van hun gesprek te verstaan, maar 't lukte niet. Als
+om hem 't begrypen onmogelyk te maken, keerden zy zich telkens
+om als-i juist op 't punt meende te zyn eenig gevolg verzekerd te
+zien aan z'n onbescheidenheid, en dan slenterden ze weer den weg
+naar de Aschpoort op. De arme jongen meende te droomen, want zelfs
+'t niet verstaan van wat er gezegd werd, bracht het zyne tot z'n
+verbazing by. Telkens meende hy eenige klanken duidelyk genoeg
+te hebben opgevangen om te begrypen wat-i hoorde, en toch wou dit
+maar niet het geval worden. Hy wreef zich de ooren alsof daarover
+'n vlies gespannen was, doch zonder baat. En, wanneer 't paartje
+weer wat verder-af was, hoorde hy slechts 't geschater. Er ontbrak
+maar aan dat ze daar gingen dansen op den publieken weg. Waarachtig,
+'t scheelde niet veel! Het uitgelaten meisje pakte 'n paar malen den
+jonkman, die iets bedaarder bleek dan zy, by den arm, en zwaaide hem
+om zich heen. Daarop volgde dan weer luid gejuich en gesnap... er was
+geen eind aan! Ja toch, eindelyk bleven ze staan en schenen afscheid
+te nemen. Er werd hartelyk gekust, de jongeling verwyderde zich, en 't
+meisje sloeg met bedaarder tred, den weg naar 't huisjen in. Eens nog
+stond ze stil, wuifde met 'n doek, en ontving haar groet behoorlyk van
+'t zeemannetje terug, die driemaal met z'n hoed zwaaide. Voor evenwel
+'t meisje genoeg genaderd was om Wouter met kennis te zien, liep deze
+woedend heen, en wou... en zou... ja, wat? Na eenig heen-en-weer
+zwerven, waarby hem z'n onbehagelyke kleeding zeer ergerde, vooral
+omdat het getal der voorbygangers aangroeide, niet zonder verdriet
+ook over den honger dien-i zich toedichtte om 'n afleider te hebben
+van z'n velerlei wanhopen... kortom, 'n half uur daarna stond-i
+weer voor 't huisje van Vrouw Claus, en ditmaal trad hy binnen. De
+tafel droeg toebereidselen tot 'n flink ontbyt--goddank!--maar hy
+zag niemand. Uit het kamertje waar-i eens zoo heerlyk geslapen had,
+klonk 'n stem--'n lieve heldere jonkvrouwelyke stem toch!--die hem
+begroette met 'n soldatesk: werda! Wouter antwoordde niet, of byna
+niet, want het onnoozele "ik" dat-i zeer verwonderd uit-piepte,
+mag geen naam hebben. Hoe drommel kon-i voorbereid wezen op zoo'n
+militaire ontvangst? Gelukkig dat zich hierop Vrouw Claus vertoonde,
+die hem wat burgerlyker toesprak.
+
+--Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo lang
+weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... ik
+kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je.
+
+Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: "dat is nou
+'t jongetje van 't paard, weetje?" Hierop volgde iets als teruggehouden
+lachen en daarop 'n doodelyke stilte. Wouter wist alweer niet hoe hy
+'t had. Na eenig wachten waagde hy 't even in de kamer te gluren,
+waaruit men hem zoo geheimzinnig had toegeroepen. Vrouw Claus,
+dacht-i, zou nu toch wel met haar toilet gereed zyn. Nu, dit was zoo,
+maar in de kamer was niemand. Moeder en dochter waren zeker op 't erf
+by de bekende pomp. Een oogenblik daarna keerde Vrouw Claus terug,
+en noodigde op haar gewone vriendelyke manier Wouter op 't ontbyt.
+
+--Asjeblieft, juffrouw. Maar wil u me asjeblieft zeggen waarom Femke
+niet komt?
+
+--Fem? Jawel, o jawel, die zal wel komen. Of misschien komt ze niet,
+want ze staat te wasschen. Zoo zal ik nu maar zeggen, weetje? Weetje
+wat jy doet? Eet 'n boteram, jongen, en hier is koffi. En zeg me nu
+eens gauw hoe 't met je moeder gaat? Die is immers ziek geweest? Ja,
+'n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas op.
+
+--M'n moeder is heel wel, maar...
+
+--En jy? Heb je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... neen, neen,
+neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op 'n paard gezeten. Hoe kan
+ik zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, 'n mensch z'n hoofd
+loopt wel 'reis om. En is moeder weer heelemaal in orde. Wel, dat's
+best. Als ze nu maar oppast niet weer ziek te worden. Was 't koorts,
+of wat was het?
+
+--M'n moeder is heel wel, juffrouw, maar ikzelf ben 'n beetje...
+
+--Ben jy ziek? Wat mankeert je? Maar... gut, jongen, wat heb je daar
+'n gekke jas aan je lyf. Hoe kom je daaraan?
+
+--Ja, dat komt... dat is... ik moet... ik wilde...
+
+Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van z'n
+stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van alle
+kanten te bekyken.
+
+--Ajakkes, jongen, wat schikt jou moeder je raar op! Je lykt wel 'n
+sjouwerman, neen... ik weet niet wat je wel lykt! Je broekie is netjes,
+dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, maar die jas! En
+wat zit je vol stof. Waar heb je gezeten, jongen? Waar ben je geweest?
+
+Toen de goede vrouw zich bukte om 't stof van z'n schoenen te slaan,
+kreeg ze tot overmaat van ergernis, Wouter's hoed in 't oog, dien-i by
+'t plaatsnemen had verstopt onder z'n stoel.
+
+--Heeremensch, wat 'n hoed! Ik geloof dat je mal bent, jongen! En,
+nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best! Och, och, vroeger
+was je zoo'n lief jongetje, en op dat paard... o neen, op 'n paard
+heb je nooit gezeten, maar toch, je zag 'r vroeger aardig uit. En
+nu? 't Is 'n ware schand zooals je moeder je toetakelt!
+
+--Moeder kan 't waarlyk niet helpen! Ik zal u alles vertellen,
+juffrouw.
+
+--Wàt? Kan je moeder niet helpen dat jy voor spot loopt? Ik zeg je dat
+het schande-n-is, 'n ware schande, ja... 'n schandaal! Hoor eens, ik
+ben maar 'n waschvrouw, en dat wil ik blyyen ook, al zouden ze... nu,
+dit gaat jou niet aan, maar ik verzeker je dat ik me schamen zou,
+schamen, ja schamen, hoorje!
+
+--M'n moeder weet het niet...
+
+--Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar is ze
+dan moeder voor?
+
+--Neen, juffrouw, maar...
+
+--Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil 't niet wezen.
+
+--Och, Vrouw Claus, m'n moeder weet er niets van. Ik kom van Haarlem,
+en...
+
+--Van Haarlem? Wat deed je dáár? En moet je 'r daarom zoo verpieterd
+uitzien? Als Fem hier was, zou ze...
+
+--Is ze dan niet hier, vroeg Wouter haastig, is Femke niet hier? En
+ik heb 'r gezien!
+
+De beurt om verlegen te worden, was aan Vrouw Claus. Ze antwoordde met
+'n zonderling gerekt "ja" dat heel best kon gelden voor 'n ontkenning.
+
+--Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier eigenlyk
+niet. Je moet denken, ze is dikwyls uit, en by m'n nicht op den
+Kolveniersburgwal ook, en ze brengt waschgoed weg... och, ze heeft
+allerlei te doen, en weetje wat jy doet, jongen? Eet jy nog 'n boteram
+of twee, want als je heel van Haarlem komt... onze Fem is aan de
+wasch, weetje, en als ze gehinderd wordt in haar werk... jeesis-maria,
+wat lieg ik!
+
+Met dezen kreet op de lippen stoof Vrouw Claus de kamer uit, en 't
+achtervertrekjen in. Het scheen wel dat ook zy wat te verbergen had,
+want Wouter bemerkte tot z'n verbazing dat zy de deur achter zich
+sloot, alsof ze bevreesd was dat-i haar volgen zou. Een oogenblik
+lang meende hy 'n onderdrukt lachen te hooren, maar weldra werd
+het in de kamer naast hem volkomen stil. Zeker was Vrouw Claus op
+haar erfje by de pomp gegaan, om daar aan Femke te vertellen hoe
+bespottelyk hy was opgetooid. Hy begon zich optedringen dat de in 't
+oog vallend zonderlinge houding der moeder, inverband stond met dat
+al te vroegtydig bezoek van den matroos. Zeker giste Vrouw Claus dat
+hy daarvan iets bemerkt had, en ze wist niet hoe ze dat voor de eer
+van haar huisje zou goedpraten. Zoo wàs het! Weinige maanden geleden
+nog, zou Wouter zeker niet op zulke gedachten gekomen zyn. Maar
+z'n wereldwysheid was aan 't groeien, en wel als naar gewoonte den
+verkeerden kant uit. Wat de kans op juist-raden aangaat, had-i beter
+gedaan zich te houden aan z'n kinderlykheid, want de wysheid van deze
+wereld is dwaasheid by Fancy.
+
+Wouter bleef niet zeer lang met z'n boterammen alleen. De buitendeur
+werd opengesloten, en een man die blykbaar zoo-even was komen aanryden
+met 'n handkar waarop 'n koffer geplaatst was, vroeg of-i te-recht
+was by Vrouw Claus? Er bleek dat deze 't voertuig had zien aankomen,
+en tevens dat zy de bestemming daarvan kende, want voor nog Wouter
+tyd had gehad iets te vernemen van de herkomst--sommigen beweren
+dat-i grooten lust had er naar te vragen--kwam de goede oude vrouw
+haastig aanloopen. Ze stuwde Wouter op-zy, toen-i met z'n gewone
+dienstvaardigheid behulpzaam wezen wou in 't afladen, en droeg met den
+kruier 't vry zware voorwerp dat haar gebracht werd, het huisjen in,
+en met één vaart naar de achterkamer door. Indien 't haar plan was,
+den naam des afzenders voor Wouter geheim te houden--en zoo scheen
+'t wel--liep ze gevaar hierin te worden teleurgesteld door den kruier
+die op haar vraag naar 't bedrag van 't veerloon, ten antwoord gaf dat
+de vracht voldaan was door de heeren... sakkerloot, Wouter verstond
+den naam niet! Na 't vertrek van den man met de handkar voelde hy zich
+verlegen omdat hem maar al te duidelyk gebleken was dat er iets voor
+hem verborgen werd. Hy wilde dus niets liever dan vertrekken, maar
+werd weerhouden door Vrouw Claus die hem op-nieuw 'n stoel aanwees.
+
+--Ze zegt... ik wil maar zeggen dat ik nu graag eens precies weten wou
+waarom je 'r zoo mal uitziet, en wat je toch in 's heere-menschen-naam
+te Haarlem hebt uitgevoerd? Zeg, jongen, wat deed je te Haarlem, en
+waarom heb je zoo'n schandaligen hoed op? En die jas? Vertel me nu eens
+alles precies, net of ik je moeder was. Want ze wil alles weten ...
+
+--Femke? vroeg Wouter.
+
+--Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. Heeremensch,
+wat verveelt me dat liegen...ah!
+
+Deze uitroep gold pater Jansen, die z'n goedig gezicht aan de deur
+vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat bejaard
+kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest op
+'n ontstemd gemoed.
+
+--Wel, dat 's goed, pater! Ga zitten, en eet 'n stuk. Heb je-n-'n
+zieke-n-in de buurt.
+
+--Dat ook. Maar ik kom 'ns hooren of ze 't gedaan heeft?
+
+--Ja zeker! Maar... dat jongetje weet er niets van. We praten er dus
+maar niet over voor-i weg is.
+
+Natuurlyk alweer wilde Wouter, zich hoorende uitmaken voor zoo storend,
+z'n bezoek afbreken. Maar Vrouw Claus liet het niet toe.
+
+--Neen, mannetje, jy blyft nog wat. Net goed dat pater 't hoort wat
+je hebt uitgevoerd. Kyk 't kind er 'ns disselaat uitzien, pater!
+
+De goede pastoor bekeek Wouter van onder tot boven, maar hy was nu
+juist de rechte man niet om den snit van 'n jas te-beoordeelen, en
+toonde dus minder verontwaardiging dan volgens Vrouw Claus behoorlyk
+zou geweest zyn.
+
+--Nu, pater, jy weet dat zoo niet, maar hy is 'n fatsoenlyk mans kind,
+en ziet er uit als 'n schooier uit de polders. En hy is te Haarlem
+geweest zonder dat z'n moeder er van weet. Maar vertel dan toch,
+jongen, wat je gedaan hebt! Wel ja, niet waar, dan weet pater 't ook!
+
+Wouter begon z'n relaas hakkelend en verward, en sprak nog veel
+slechter dan over 't algemeen de hollandsche gewoonte is, 'n fout
+die vergeeflyk voorkomt omdat ze in zekeren zin 't gevolg is van den
+rykdom der taal. Och, niet dáárop kon zich de jongen ter verschooning
+van z'n gebrabbel beroepen. Behalve de schaamte die hem beheerschte,
+hinderde hem zekere onzekerheid omtrent het bevattingsvermogen
+van z'n hoorders, 'n twyfel die Demosthenessen en Ciceroos zou
+stom gemaakt hebben. Hierdoor werd hy vooral belemmerd wanneer-i
+ter verklaring van z'n vreemd gedrag, oorzaken wou uitleggen die
+hemzelf niet zeer duidelyk waren. 't Is waar ook, waaròm toch voelde
+hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig "thuis" in 't wereldje
+dat hem omgaf? De wrevel in byzondere gevallen--over de minachting,
+byv. waarmee de opgeblazen Hersilia hem behandeld had--was gemakkelyker
+te verklaren, en dit deed-i dan ook zoo goed hy kon.
+
+--Als 't kind van de kerk was, zou ik zeggen dat je hem eens
+onderhanden moest nemen, zei Vrouw Claus tot den pater. En, zieje,
+'t is niet om 't verkwanselen van z'n kleeren alleen, en ook niet om
+dien perresol, maar z'n gezicht bevalt me-n-ook niet. Zeg jyzelf nu
+eens, pater, of-i er niet verpieterd uitziet? Nu, we zullen zien wat
+er aan te doen is.
+
+Dit gezegd hebbende, stond zy op en begaf zich naar 't achterkamertje,
+alsof daar de geneesmiddelen voor Wouter's kwalen moesten gezocht
+worden. En dit bleek eenige minuten later werkelyk 't geval te zyn.
+
+--Hoor eens, jongeheer, zei pater Jansen, wil je weten hoe ik over de
+zaak denk? Ik vind dat je je kleeren moest zien weerom te krygen. Zie
+je kans, 't huis van dien man terugtevinden?
+
+Wouter vertoonde het adreskaartje van den menschenvriend die hem
+zoo edelmoedig behulpzaam geweest was in 't uit- en aankleeden. Hy
+maakte de opmerking dat er tot het lossen van de verkochte stukken
+geld noodig wezen zou, véél geld, en dat juist dit bezwaar...
+
+--Geld heb ik ook niet veel, zei de goede man, maar als je wat wachten
+kan, zal ik er om schryven naar Vucht, aan m'n broer die daar smid is,
+en 't gaat 'm goed. En 'n herberg houdt-i ook, en zondags wordt er by
+hem gedanst... nou! Na kerktyd, weetje? Dàt moet je zien, vooral als
+'t kermis is. Een pret... je leven zoo niet!
+
+De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteren, gelyk men
+ziet. Of liever, 't waren geen preeken, en misschien zelfs was z'n
+taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en kermishouden
+zonder afschuw, 'n byzonderheid waarin de scherpzinnige lezers een
+der oorzaken zullen ontdekken, waarom de goede pater nooit lid van
+'n gemeenteraad geworden is. In zulke kollegien heeft men leden van
+eigenaardige bravigheid noodig. Och, Jansen was zoo braaf niet! Hy
+preekte niet, en sprak niet over zedelykhedens. Ternauwernood roerde
+hy zulke dingen aan, als 't zyn beurt was alleen te praten in de kerk,
+wat hem moeielyk genoeg viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had
+zich aantestellen alsof-i beter was en meer wist dan 'n ander. Voor
+schryver zou hy in 't geheel niet gedeugd hebben. Hy was goed in den
+uitgestrektsten zin van 't woord, tenzy men het toekennen van deze
+hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads
+te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon
+nu eenmaal met pater Jansen 't geval niet wezen omdat hy niet wist
+wat kwaad was. Toch, of juist daarom misschien, wekte z'n voorkomen,
+z'n manier van spreken en vooral, waar 't noodig was, z'n handelwys,
+in zeer hooge maat tot deugd op. Maar ook dit was hemzelf geheel
+onbewust, 'n onkunde die hem bewaarde voor de nederigheid waarop hy
+in dat geval zich misschien zou hebben toegelegd, en die z'n overigens
+zoo volkomen ongekunsteld karakter zou ontsierd hebben.
+
+Hy verhaalde nog een-en-ander van z'n dorp, en Wouter die behoefte
+voelde aan afleiding, luisterde met meer belangstelling dan de zaakjes
+die pater Jansen meedeelde, waard waren. Het was de gemoedelyke,
+zachte, onhartstochtelyke toon die hem goeddeed, en telkens betrapte hy
+zich op de verzuchting: "och, was ik maar te Vucht by dien smid!" De
+herberg en 't dansen hoefde er niet eens by om naar zoo'n heerlyk
+land te verlangen.
+
+--Je moet 'm zien staan in z'n travalje, zei de pastoor. Klik,
+klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En z'n mouwen
+opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, zoo'n smid werkt
+in z'n hemdsmouwen.
+
+Wouter voelde neiging z'n pronkjas uittetrekken, en aan 't smeden te
+gaan. Wat zoo'n smid toch 'n gelukkig mensch is, en hy...
+
+--Och, m'nheer, ik zit zoo verlegen! Ik durf waarlyk niet thuis komen
+met dit vervloekte ding aan m'n lyf.
+
+--O, we moeten niet vloeken. Zoo'n jas heeft er geen weet van of-i
+mooi of leelyk is, moet je denken. Ja, de man zal zeker veel geld
+willen hebben, want van z'n winst moet-i leven, zieje, en zulke
+menschen hebben altyd groote huishoudens. Heb je misschien kennis aan
+'n horlogemaker?
+
+--Neen, stamelde Wouter.
+
+--Misschien weet Vrouw Claus wel waar we wezen moeten, zei de pater,
+terwyl-i 'n ouwerwetsch zilveren horloge uithaalde. Maar 't is niet
+best van loop... als we maar wisten wie 't koopen wou! Waarom huilje?
+
+Inderdaad, de tranen liepen Wouter over de wangen.
+
+--O neen, neen, dàt niet, m'nheer, dat kan niet!
+
+--Ik zal er weinig weet van hebben, want dikwyls staat-i stil. 't
+Is heel lastig, 'n horloge dat niet goed gaat, maar 't is van m'n
+vader, en daarom... och, ik hecht er niemendal aan, want ik heb genoeg
+andere dingen van hem, die ik bewaar als goud, dat begryp je wel! Als
+je-n-'ns by me komt, zal je 't zien. 't Briefje van z'n eerste kommunie
+hangt boven den schoorsteen. Hy was ook 'n smid, en nog veel sterker
+dan m'n broer... zooals ze zeggen, want gekend heb ik den man niet,
+omdat ik pas 'n jaar oud was toen-i stierf. Als we nu maar wisten wie
+'t koopen wou!
+
+De goede man woog 't horloge op de hand.
+
+--Dat zal niet gebeuren, pater, riep Vrouw Claus, die weer
+binnentredend, de laatste woorden verstaan, en terstond begrepen
+had wat er mee bedoeld werd. Dàt zal niet gebeuren, en 't is niet
+noodig ook, ging ze voort, 'n papiertje waarin geld gewikkeld scheen,
+omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was dat zoo niet,
+dan zou ikzelf nog wel raad weten voor 'n dukaton of tien. Hoor eens,
+jongeheer, kyk me-n-eens goed aan... ja, pater, 't moet er nu maar
+uit, ze zegt het zelf, en dat gedraai en gemaal verveelt me danig.
+Zeg, jongen, kan je zwygen?
+
+--Ja, zei Wouter, en hy sprak de waarheid.
+
+--Nu dan, Fem is niet hier, en 't meiske dat je zeker gezien hebt op
+den weg... ja, aan je oogen zie ik dat je 'r gezien hebt...
+
+'t Is waar dat Wouter 'n eigenaardig gezicht zette by 't ontwaren van
+wat kans op opheldering over de vreemde vertooning van dien ochtend.
+
+... ja, ja, ik begryp heel goed dat je 'r naar gekeken hebt! Nu, dat
+was onze Fem niet, jongen! Dat is, om 't nu maar zoo eens uittedrukken,
+'n juffer die--hoe zal ik zeggen, pater? Want de pater weet er van,
+dat begryp je wel, anders deed ik 't niet!--dat is 'n juffer die van
+staat veranderen wil.
+
+--Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O God,
+o God, ik wist het wel!
+
+--Hè? Hoe kon jy dat weten, jongen? Wat weet je? Niks!
+
+--Prinses Erika! Heeft ze niet naar me gevraagd! O, zeg, of ze niet
+naar me gevraagd heeft?
+
+--'t Is 'n juffer die van staat verandert, zeg ik je, en die by my
+'t wasschen leeren wil. Maar ze wil 't niet weten voor de menschen
+en voor 'r familie, en daarom laat ze je verzoeken, nooit 'n woord
+over haar te spreken. Ze zei me dat je woord houden zou als je 't
+beloofde. Je schynt iets met 'r gehad te hebben...
+
+--Ja, o ja, riep Wouter.
+
+--Men moet altyd z'n woord houden, zei pater Jansen.
+
+--Dus je belooft het? vroeg Vrouw Claus.
+
+--Ja, by God! riep Wouter.
+
+--Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, die
+als 'n eed opnam wat in Wouter's mond slechts 'n romanfraze was,
+al meende hy 't dan even goed alsof-i eenvoudig "ja" gezegd had. Hy
+'n dame verraden, en háár nogal!
+
+--Nu, goed dan, vervolgde Vrouw Claus, ik heb haar verteld wat je
+op die buitenplaats en te Haarlem hebt uitgevoerd, en ze zegt dat er
+geen kwaad by is, als je nu maar precies doet wat ik je zeggen zal.
+
+--O, alles, alles!
+
+--Kyk, hier is geld voor je kleertjes--steek je horloge gerust weer in
+je zak, pater--maar ze zegt dat het eerst gewisseld moet worden. Gut,
+pater, als de jongen 't nu maar niet weer verdoet!
+
+--Je moet het vooral niet verdoen, jongeheer. Ik ken die munt wel. We
+hebben er eens precies zoo een in 't zakje gehad... verleden, weetje,
+toen er zooveel vreemde heeren in de stad waren.
+
+'t Waren gouden friedrichs, en wel vyf in getal. Vrouw Claus zei
+dat het meisje meer had willen geven, maar dat ze haar hiervan had
+teruggehouden uit vrees voor 't "verdoen." Die glinsterende stukken
+herinnerden Wouter aan de gemakkelykheid waarmee de schipper met
+den bonten muts zich gezag had weten te verschaffen in die kroeg
+op de Botermarkt. Er ging hem 'n lichtjen op, waarvan-i gebruik
+maakte om 'n schrede voorwaarts te doen op 't gebied van munt- en
+menschenkennis. Maar tyd om zich te verdiepen in de aandoeningen van
+dien vreeselyken en toch zoo heerlyken nacht, had-i niet. "Ze noemde
+my broeder..." begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z'n gedachten
+afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze voortzette, want
+ook zy sprak van 'n broeder, schoon men erkennen moest dat het woord
+in haar mond wat minder voornaam en boekerig klonk.
+
+Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z'n trekken haar byzonder
+belang inboezemden.
+
+--Ja, gut, jy zag er vroeger ook lief uit, maar nu niet meer, als
+ik je nu eens de gulle waarheid zeggen zal. 't Was misschien voor
+jou ook wel 'reis goed als ie 't zeegat uitging--want, pater, hy wil
+naar zee... haar broer, meen ik--je ziet erg bleek, jongen, wat zeg
+jy, pater? Zoo'n kind versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef
+Holsma zei 't ook. Maar nu dat geld, weetje waar 't gewisseld worden
+kan? En zal je 't niet verdoen?
+
+--Neen, juffrouw, zeker niet! Maar...
+
+--'t Is waar ook, je durft met die malle plunje de stad niet in. Dat
+zal toch moeten! En heel naar Haarlem dan, hoe zou je dàt maken?
+
+--Als ik van dienst wezen kan, zei pater Jansen.
+
+--Wel, pater, als je met den jongen meeging?
+
+--Dat wil ik wel doen, antwoordde de goede man, als we maar weten
+waar we wezen moeten.
+
+Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in één ding zich diligent
+toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer 't adreskaartje voor
+den dag. Pater Jansen verzekerde dat de zaak nu heel makkelyk kon
+geschikt worden, en er werd afgesproken dat Wouter hem naar z'n woning
+vergezellen zou om daar te wachten tot het geld gewisseld was. Dan
+zouden ze tezamen naar Haarlem gaan.
+
+--Ja, maar dan je moeder nog, en die heeren van de buitenplaats? Ze
+heeft gezegd... wacht even, pater. Ik denk dat ze nu wel klaar wezen
+zal, want ze wou 'n brief schryven.
+
+Inderdaad, de juffer die van staat veranderen wou, was aan 't
+schryven geweest. Althans Vrouw Claus die zich 'n oogenblik naar
+'t achterkamertje verwyderd had, kwam met 'n briefjen in de hand terug.
+
+--Ze zegt dat je dit bezorgen moet als je van Haarlem terugkomt, maar
+eerst moet je by Neef Holsma gaan, en hem alles precies vertellen. En
+nu, gaat heen, allebei. Ik heb 'n drukte, je leven zoo niet! En dat
+vreemde kind... lief en goed is ze, dat moet ik zeggen Maar, zieje,
+ze heeft nooit 'n hand uitgestoken. 't Is onze Fem niet, moet je
+denken. Dus, mannetje, je gaat met pater naar Haarlem, en dàn dat
+briefje... neen, eerst by Neef Holsma, en daar vertel je alles,
+en nu, goeien dag! Pater, pas op 't verdoen, want de jongen steekt
+vol rarigheid.
+
+De beide bezoekers verlieten 't huisje. Wouter bezag met
+begrypelyke nieuwsgierigheid het adres. Het was de naam van 'n
+zeer bekende koopmansfirma, van "'n huis op Archangel" zouden z'n
+postkantoorvrindjes gezegd hebben, en de pater scheen dit best te
+begrypen: "want, zeid-i, voor ze van staat veranderde, is ze veel in
+Rusland geweest." Hy noodigde Wouter vriendelyk uit, aan z'n rechterzy
+te gaan, en begon ter opheldering van dit verzoek zeker voorval uit z'n
+jeugd meetedeelen, waarmee hy evenwel op verre na niet gereed was toen
+ze zyn woning bereikt hadden. Hier nam 't gesprek 'n andere wending,
+zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen weten
+waarom pater Jansen zoo doof was aan z'n linkeroor.
+
+
+
+
+
+
+
+ 't Ware, echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol
+ rammelend gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een
+ stuk nederlandschen volksroem uit de 17e eeuw, afhankelyk gemaakt
+ van de vraag of pater Jansen en Wouter in dit hoofdstuk Haarlem
+ bereiken? Ik geloof het niet, maar de zaak kan meevallen.
+
+
+Het spyt me, lezer, dat ik niet weet of ge ooit 'n protestantsch
+jongetje geweest zyt, en in die verheven hoedanigheid bezoeken hebt
+afgelegd by 'n katholiek priester? Zoo neen, dan zal 't me moeielyk
+vallen, u duidelyk te maken wat er in Wouter omging toen hy met den
+pater by de kerk was aangekomen, waarnaast of waarachter de goede man
+z'n verblyf hield. 't Was in 'n achterbuurt, en wie niet wist dat daar
+'n kerk was, zou 't waarlyk niet geraden hebben. [26]
+
+In den kring der Pietersens rilt men by de gedachte aan zoo'n
+buitensporigheid, maar er zal 'n tyd komen dat 'n schryver
+moeite hebben zal z'n lezers duidelyk te maken waaruit die afkeer
+voortvloeit. Ook Wouter begreep niet recht wàt hem beheerschte, maar
+zeker is 't dat hy iets als beklemdheid voelde toen pater Jansen voor
+'t onaanzienlyk huis stilhield "waar z'n kerk was" naar-i zeide.
+
+--En hier is de ingang naar myn woning, vervolgde hy, 'n deur
+openende die den toegang afsloot naar 'n lange smalle gang naast het
+hoofdgebouw. Ik woon best, jongeheer, dat zal je zien. Maar zou je
+nu niet eerst naar de Kolveniersburgwal gaan?
+
+Met 'n blik op z'n kleeding smeekte Wouter om genade.
+
+--Liever als we van Haarlem zyn teruggekomen, m'nheer! Heusch, dan
+zal ik terstond gaan, maar nu...
+
+--Zou je denken dat 'n jas van my...
+
+--Neen, neen, o neen, riep Wouter haastig, dat zal niet gaan, m'nheer!
+
+Zeker 't mankeerde nog maar aan de zonderlinge toestanden waarin hy
+zich telkens geplaatst zag, dat-i de Holsma's ging bezoeken in de
+jurk van 'n pastoor!
+
+--Nu, wacht dan maar by my tot ik geld gewisseld heb, en dan samen
+op reis! Ik doe 't met pleizier, want ik ben lang niet te Haarlem
+geweest. Houd je van halletjes?
+
+De goede man geleidde Wouter in z'n woning die uit 'n paar kamertjes
+bestond, welke door 'n somber binnenplaatsje van den achterkant dier
+kerk gescheiden waren.
+
+--Kyk, zeide hy, wat ik hier best woon! Zou je wel gelooven dat ik niet
+ruilen wil met 'n bisschop? En gemakkelyk... nergens zoo! Soms ontvang
+ik hier aanzienlyke menschen--verleden week nog 'n advokaat--en ze
+zyn allemaal jaloersch op m'n woning, en... op 't gemak, zieje. Want
+als ik 's morgens opsta voor de vroegdienst--ja, ja, soms is 't nacht
+nog!--kyk, zóó ben ik wakker en... wip, in de kerk! Verleden--maar
+spreek er niet over--vond onze Styn... daar is ze juist, Wel, Styn,
+ik ga naar Haarlem met dezen jongeheer. Wat zeg je daarvan?
+
+Styn zei er niets van dan: "gut, pater!" en 't was genoeg. Althans
+hy drong niet op verder antwoord aan, en ging, tot Wouter sprekende,
+voort:
+
+--Ze bedient me-n-al over de dertig jaar, my en pastoor Koens die
+z'n kamers hiernaast heeft... 'n man van belang! Dien moet je leeren
+kennen! Hy verstaat grieksch alsof 't niets was. Jy zeker niet,
+hè? Nu, dat doet er niet toe. Maar verleden... wat wou ik je vertellen?
+
+--'t Was iets van Styntje, m'nheer, en dat de kerk zoo naby was.
+
+--'t Is gek in 'n mensen dat-i soms niet weet wat-i vertellen wou. Ja,
+de kerk is vlak by, en als ik 's morgens opsta... kyk, nu weet ik
+wat het was. Ik had gedroomd van Vucht en van de kermis, en werd wat
+laat wakker, en sprong 't bed uit, en haastte me met kleeden, en wat
+doe ik--maar ik wist 't niet, dat begryp je wel--ik vergeet een van
+m'n kousen aantetrekken, een van m'n zwarte overkousen. Maar Styn
+zag 't, want ze vond hem, en ze liep er me mee achterna, en ze riep:
+"pater, pater!" en ik wist niet wat ze wou, maar toen hield ze de kous
+omhoog, en toen wist ik het! Maar ik heb niet gelachen--omdat ik al
+in de kerk was, en je begrypt... dat is 'n huis Gods--en ik ben hard
+teruggeloopen, en toen schater-de-n-ik 't uit, en Styn ook. Maar in
+de kerk heeft niemand het gezien, want het was donker, en... er was
+nog geen mensch.
+
+Deze onnoozele vertelling stak alweer zeer vreemd af by Wouter's
+hoogdravende begrippen over goddelyke zaken, en niet minder by de
+indrukken die de klooster- en monniken-romantiek op z'n verbeelding
+had nagelaten. Hy vertrouwde z'n ooren niet. Maar de goede pastoor
+bemerkte niets van z'n verwondering, en verliet hem nadat-i hem den
+raad had gegeven zich den tyd te korten met 'n paar boeken die hy
+uit 'n wandkastje nam en op tafel legde. Maar aan tydkorting had
+Wouter geen behoefte. Hy zag 't kamertje rond, en verbaasde zich
+over de verregaande eenvoudigheid waarmee 't gemeubeld was. Een
+metalen Christusbeeldje en 'n paar Heiligen-printjes maakten met
+het eerste-kommuniebriefje van Jansen's vader, daarvan de eenige
+versiering uit. Dit laatste hing achter glas in 'n lystje boven den
+schoorsteenmantel. De tafel was van geverfd hout, en 'n viertal stoelen
+met matten zittingen voltooiden de stoffeering, tenzy men de hortensia
+en 'n paar maandrozen meerekene, die buiten 't opgeschoven raam in de
+vensterbank stonden. Zelfs Wouter, die waarlyk niet aan weelde gewoon
+was, stond verbaasd over de spaarzaamheid van zoo'n inrichting. Kort
+voor de onverwachte expatriatie van den Weledelen Heer Motto had-i aan
+de hand van Anna Radcliffe en konsorten 'n lange galery van roomsche
+akeligheid doorloopen, waarin 't wemelde van overdaad op allerlei
+gebied. De armste monnik had kasteelen te zyner beschikking--gewoonlyk
+waren ze ontoegankelyk, en men moest al zeer goed den weg in
+'t gebergte weten om ze te zien te krygen--kasteelen waarin
+weerspannelingen levenslang begraven werden. Elk roomsch geestelyke
+bezat zakken vol goud waarmee hy den geloovigen bandiet betaalde, die
+de Kerk behulpzaam was in 't uit den weg ruimen van lastige personen,
+van iemand, byv. die bybels en traktaatjes verspreidde, of geweigerd
+had z'n bruid aftestaan aan 'n bisschop. Wat ter-wereld kon zoo'n
+pater Jansen bewogen hebben zich R. C. priester te laten maken,
+nu de emolumenten van 't beroep zoo armoedigjes bleken verschraald
+te zyn? Of zou er misschien ergens... Wouter betastte den wand om
+'n geheime deur te ontdekken, en verheugde zich over 't aanvankelyk
+mislukken van z'n poging, omdat de ware geheimheid van zoo'n deur toch
+eigenlyk hierin bestaat dat ze zich niet gemakkelyk vinden laat. Nu,
+aan deze voorwaarde van geheimzinnigheid voldeden de toegangen tot
+pater Jansen's verborgen schatten en martelkamers opperbest. Wel liep
+er hier-en-daar 'n scheur door 't gebloemd papier waarmee de wand
+bedekt was, maar de richting daarvan gaf te duidelyk getuigenis van
+'n onwillekeurige breuk in 't metselwerk, dan dat daarby zou kunnen
+gedacht worden aan de kunst waarmee romanschryvers van de bekende
+soort groote lokalen weten te verbergen in 'n kleine ruimte. Bovendien:
+
+--Dáár zyn de kamers van den pastoor die zoo sterk is in 't grieksch,
+redeneerde Wouter, en aan die andere zy hoor ik Styntje rammelen met
+'r keukengereedschap. Aan den voorkant zyn de vensters, de hortensia,
+de binnenplaats en de kerk, en hier... daar zou 't moeten wezen,
+àls er iets was. Maar...
+
+Ik kan niet juist zeggen door welken gedachtenloop Wouter tot het
+besluit kwam dat die vierde wand van de kamer niets geheimzinnigs
+bedekken kon. Misschien bedacht hy dat er zeker aan die zyde wel buren
+zouden wonen die niet betrokken konden zyn in romantiek. Maar op-eens
+sloeg hy de oogen op den grond. Onder dien vloer was zeker plaats
+genoeg voor prikkelende akeligheid. O ja, tot de tegenvoeters toe. God
+weet hoeveel rammelend gebeente zich daar in zwygende eenzaamheid lag
+aantekyken! Misschien ook dwaalden er nog levende slachtoffers van
+inkwizitie en verliefde bisschoppen in die gewelven rond. Wie weet
+of niet juist op dit oogenblik de schoone Isabella haren voorlaatsten
+adem uitblaast. Daar knerste iets...
+
+Wouter hield den adem in. Ik weet waarachtig niet wat er knerste,
+en geef den lezer in overweging te gelooven dat het geluid 'n
+alleronschuldigste oorzaak had.
+
+...daar knerste iets. Zou er dan toch inderdaad onder die mat...
+
+In geen van de romans die Wouter gelezen had, waren die valluiken
+met matten bedekt geweest. Dit kon de nieuwste manier wezen, en in
+romantiek moet men op alles verdacht zyn. Wouter was volstrekt niet
+van plan den goeden pater Jansen te verraden, als-i z'n geheimen zou
+ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou niets liever dan deelnemen
+aan al de schatten en kasteelen die er aan 't licht komen zouden,
+zoodra hy zou afgedaald zyn in 't hol waar hem de schoone Isabella
+zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel bevryd, en dan
+met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend! Isabella-zelf
+zou er schik in hebben, als ze maar eerst behoorlyk verlost was uit
+dat gewelf. Maar... wàs er 'n gewelf? Wàs er 'n hol? Om zekerheid te
+hebben, stampte Wouter met den voet...
+
+--Wou ie wat, jongeheer? vroeg Styntje die juist de kamer binnentrad,
+en Wouter's grondig onderzoek niet best begreep.
+
+--Neen, o neen, juffrouw, volstrekt niet! antwoordde hy bedremmeld. 't
+Is maar dat... dat ik...
+
+--Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis.
+
+--Dank u, dank u. 't Was maar dat ik... dat m'n voet slaapt. Dàt
+was het!
+
+--Ja, niet waar, en dat prikkelt zoo. Ik heb 't ook wel eens
+gehad. Maar 't gaat altyd weer over. Ik moet hier wezen, ziet u,
+om paters Jézekie te schuren.
+
+En de goeie Styn nam 't Christusbeeldje van den wand, en poetste het en
+wreef het dat het glom. De krucifix had waarlyk geen reden tot klagen
+over verwaarloozing, al zou dan de oppervlakkige beoordeelaar meenen
+dat Styntje wel wat ruw omging met het symbool van haar geloof. De
+oorzaak van deze schynbare onverschilligheid lag in gewoonte, en in
+afwezigheid van tegenstand. Wie kwaad van 't afgodsbeeldje gesproken
+had, zou 't zeker by Styntje moeielyk te verantwoorden gekregen hebben,
+maar nu hieraan niet gedacht werd, behandelde ze haar Jézekie met
+niet meer omslag dan elk ander voorwerp van metaal dat ze reinigde,
+schuurde, wreef en oppoetste.
+
+--Kyk, wat-i glimt! zei ze. Net 'n kaarsenmakers kat in den maneschyn,
+vindje niet?
+
+Wouter had nooit 'n kat van de omschreven soort en in dat byzonder
+licht gezien, maar toch erkende hy onvoorwaardelyk dat het beeldjen
+er goed uitzag.
+
+--Ja, 'n mensch moet zindelyk op z'n goedje wezen! Ik heb wat te
+stellen met pater... daar heb je geen begrip van! Want hy... denkje
+dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En weetje waarom? Wel,
+omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is 'n engel van God, en
+zou vergeten z'n neus te snuiten, als ik 'm niet zei: pater, je bent
+yerkouwen. En je gaat zoo naar Haarlem? En pater ook? Wat ga jelui
+daar doen? 't Is 'n heele reis.
+
+Wouter verhaalde een-en-ander van 't voorgevallene, maar slaagde
+er niet in, Styntje begrypelyk te maken wat er eigenlyk geschied
+was. Hoofdzaak voor haar was en bleef paters reis naar Haarlem.
+
+--Als-i maar geen kou vat, mymerde zy halfluid, of...
+
+--'t Is mooi weer, juffrouw, zei Wouter.
+
+--O ja, dàt is 't! Maar... och, kou vatten is ook 't ergste niet. Ik
+voel me-n-altyd als 'n mal mensch als-i uitgaat, en dan zoo ver! Kan
+je me zeggen waar-i nu heen is?
+
+--Geld wisselen, zei Wouter.
+
+--Geld? Daar heb je-n-'t al! Nu zit ik in doodelyken angst. Ik wou
+dat-i al goed en wel weerom was.
+
+Ze pakte het gereedschap waarmee ze 't Christusbeeldje zoo verkwikt
+had, by elkander, en verliet morrend het vertrek. Wouter wist alweer
+niet wat-i van Styntje te denken had. Haar kleeding en voorkomen
+was als van 'n zeer bejaarde dienstmaagd, maar de gemeenzaamheid
+waarmee ze sprak over haar meester--de man bleek tot het "goedje" te
+behooren dat ze zindelyk te houden had--bracht hem in de war. Styntje
+maakte met pater niet meer omslag dan met haar krucifix, al kan ik
+verzekeren dat ze voor beiden met vreugd den dood getrotseerd had. Er
+zou in dit byzonder geval weldra blyken wat de oorzaken waren van
+haar bekommering over paters reis en 't geldwisselen. Er vertoonde
+zich 'n bedelaar voor 't raam waar de hortensia prykte. De man keek
+even naar-binnen, niet zoozeer als iemand die vraagt, maar als 'n
+verwachte persoon die te kennen geeft dat-i er is. Weldra werd hy door
+'n tweeden en derden gevolgd, die almede blyk gaven zich volkomen
+thuis te voelen op 't binnenplaatsje dat den pater voor antichambre
+scheen te dienen. Velen maakten 't zich gemakkelyk, en gingen op
+'t een of ander uitstek zitten dat aan huis of kerk te vinden was,
+als wilden zy door 'n charade en action de waarheid uitdrukken:
+het pauperismus is 'n pestbuil van 't geloof.
+
+Ja, ja, ze waren geestig, die agenten in hemelassurantie!
+
+Wouter hoorde dat men zich onder dat zoodjen onderhield over
+de afwezigheid van den huisheer, en wel op 'n toon die zekere
+ontevredenheid liet doorschemeren. Wel zeker, de man had op z'n post
+moeten zyn!
+
+--Maar de meid is er toch, riep 'n jongen die den kost won met lam-zyn,
+maar nu toch 't kozyn van een der lagere kerkvensters had weten te
+bereiken, waar-i gargouille speelde.
+
+--Ik wacht liever op den ouwe, zei 'n blinde.
+
+--Houd jy je mond, je mag er niet eens wezen, je bent 'n dinsdagger.
+
+--Wat gaat dat jou aan? Jyzelf mag je mond wel houden, je hebt verleden
+by 't uitgaan van de Jakobskerk drie gestaan, en je bent maar zeven.
+
+--Né, zes nou, want de ouwe Jonas is dood. Maar jy bent 'n
+dinsdagger. Ga heen, zeg ik je!
+
+--Je hebt op drie gestaan.
+
+--Jy bent 'n dinsdagger, ga heen! Toe, allo, jongens, dringt 'm de
+gang uit. Hy steelt ons 't brood uit den mond.
+
+--Wàt? 'n Dinsdagger? riep nu 't uitwas van de kerk. Dat mag niet. Er
+uit met hem!
+
+En de lamme wist vry vlug op den grond te komen om 't geschonden
+bedelaarsrecht te handhaven. De man namelyk die tot de bedeelden van
+dinsdag behoorde, mocht zich niet vertoonen onder 't gezelschap dat
+zich 's maandags om ondersteuning by pater Jansen aanmeldde. En wat die
+andere beschuldiging aangaat--"drie staan als zeven je plaats is"--ze
+doelde op 't overweldigen van 'n rangnummer. Te na by 't uitgaan van
+de kerk wordt voor onvoordeelig gehouden, daar de drukte het uithalen
+van beurs of porte-monnaie belet. Ook schynt ieder haast te hebben in
+de eerste oogenblikken na 'n kerkdienst. Maar 'n standplaats te ver van
+de deur is ook niet goed, want de meeste loopen, na twee of drie keeren
+iets aan 'n bedelaar gegeven te hebben, onverschillig door. Zonder 't
+minste besef dat ze te veel deden--namelyk iets verkeerds--meenen ze
+toch genoeg verricht te hebben. Hoe dit zy, volgens alle oordeelkundige
+schryvers die kanker en koudvuur tot 'n byzonder onderwerp van studie
+maakten, is er geen voordeeliger standplaats dan nummer drie. Indien
+dus de man die den ander zoo liefdeloos beschuldigde van inbreuk op
+pater Jansen's dagorde, zich inderdaad schuldig maakte aan diefstal
+van dat nummer, was de ander volkomen in z'n recht hem 't zwygen
+opteleggen. Maar ook de dinsdagger zelf had zich te verantwoorden,
+en wel by Styntje die op 't rumoer naar buiten kwam. De man die zich
+'n dag te vroeg aanmeldde, verontschuldigde zich door de opmerking
+dat-i op dinsdag "zoovéél huizen had" en dat-i "z'n beenen uit het
+lyf moest loopen" om al z'n klanten behoorlyk te bedienen, denk ik.
+
+Styntje gaf ieder wat, maar niemand scheen tevreden. Er bleek dat
+de heeren aan drie duiten de persoon gewoon waren, en nu met twee
+werden afgescheept. Maar de oude meid hield zich flink. "Wie nog
+'n woord spreekt, wordt van de lyst gestreken, zei ze. Ik heb nog
+zes heele dagen van Gods lieve week voor me, en 'n mensch moet toch
+zorgen dat-i toekomt, niet waar? Voort, allemaal, de plaats af en de
+gang uit, voort! 't Is, dunkt me, wèl zoo!
+
+Het gemeene troepje liet zich niet zonder moeite bewegen heentegaan,
+en Wouter hoorde met verontwaardiging hoe er door sommigen gemord en
+gescholden werd. Als 't weer gebeurde dat de-n-ouwe niet thuis was,
+heette het, zouden ze liever wachten tot-i weerkwam, want zoo'n
+meid was toch ook maar 'n "loontrekkende dienaar, die niet weet wat
+'n mensch toekomt." 't Schynt vreemd, maar waar is het, dat in den
+mond van den arme, gebrek aan rykdom of laagte van stand 'n misdaad
+is. Volgens heeren bedelaars had Styntje ryk moeten zyn, of hertogin,
+of burgermeestersnicht, voor ze zich 't recht mocht aanmatigen
+'n woordje meetespreken en 'n hand uittesteken--want dit dééd ze,
+en Wouter had dapper geholpen--ter verdediging van paters erf: niets
+is aristokratischer dan 't gemeen.
+
+Nadat ze met hun beidjes het terrein hadden schoongeveegd,
+volgde Wouter de amazone weder in de kamer. Ze jammerde over haar
+voedsterkind.
+
+--Och, jongeheer, ik wou dat pater kwam! Ik heb rust noch duur als
+de man de stad in is. En dan met geld, zeg je? Is 't veel?
+
+Wouter kon de som niet bepalen, maar sprak van kostbare muntstukken
+die gewisseld moesten worden.
+
+--Goud? Och, lieve Jeessis, dat's voor hem krek 't zelfde. Och, waarom
+den man de stad intesturen met geld? Heb jy dat baantje voor hem
+uitgedacht, jongeheer? Slim is 't niet van je! Waarom deed je 't niet
+liever zelf? Met geld kan men niet te voorzichtig wezen... ieder kan
+'t gebruiken, zieje? Als-i nu in Jeessis naam maar niemand tegenkomt
+die wat noodig heeft! Goud? 't Kan hèm wat schelen! De gespen van
+z'n vaders broek waren van zilver, en toch zyn ze weg! En om koper
+geeft-i ook niet. Raad eens hoeveel bedeelden we hebben? Wel tachtig
+alle weken! Ik heb er 'n heele lyst van. En ze zouden ieder hun eigen
+dag houden, maar denkje dat ze 't doen? Neen! Want er zyn rakkers
+onder--dat ik zoo'n zondig woord zeg--ja, rakkers, die tweemaal
+komen, maar pater wil 't niet gelooven. En of ik al zeg: "pater,
+'t is slecht volk!" hy wil er niet van weten.
+
+--M'nheer Jansen is te goedig, zei Wouter.
+
+--Een zoete-n-engel van God is-i! Maar ik moet op 'm passen. Drie
+duiten de man, gaat niet, zesmaal in de week... reken maar na! Daar
+waren er vyftien vandaag, en de man heeft zelf geen boter op z'n
+brood. Nou, ik ook niet, maar dat's tot dááraan toe. Maar dan
+alles wegtegeven aan slecht volk! Ik heb ze nu maar twee duiten
+gegeven, en daarom bromden ze zoo. Ze willen klagen by pater. 't Is
+'n zoodje! Hoe meer je geeft, hoe luier ze worden. En hoe brutaler
+ook. Dat heb ik altyd opgemerkt. Maar pater begrypt het niet, of hy wil
+'t niet weten. En als ik zeg: "'t Zyn rakkers, pater!" dan zegt-i dat
+we-n-allemaal zondaren voor God zyn, en dat hy ook z'n fouten heeft,
+en bly toe wezen mag dat God hem kleeren en eten geeft, en 'n mooie
+woning. Zondaars voor God? Nou ja, 't heele menschdom, maar hy? Ik
+weet sekuur dat God niks van den man te goed heeft, niet zie zóóveel!
+
+Styntje streek met 'n bevalligen zwaai over de hand. Mocht God 'n
+oogenblik te-voren nog in den waan verkeerd hebben dat pater Jansen by
+hem in 't kryt stond voor erfzonden en eigen fouten, dan waren Styntjes
+gelaatstrekken en haar barbiersgebaar wel geschikt hem den moed te
+benemen om op de likwidatie van die onbillyke vordering aantedringen.
+
+--Niks, niemendal, ging ze voort. Hy is proper en schoon als 'n
+brand. Maar dat bedelvolk, kyk! En "al die armen zyn z'n broeders"
+zegt-i.
+
+--Dat heeft Jezus gezegd, kathechizeerde Wouter.
+
+--Jezus? Zoo! Heeft de Heere Jezus dat gezegd? Nou, dan heb ik er
+vrede mee dat-i 't ook zegt. Maar toch... wàt broêr? Ik vind dat 'n
+mensch z'n eigen broêr moet wezen ook. En hy? Hy is, om zoo te zeggen
+z'n eigen neef niet, z'n zwager niet, z'n eigen stiefkind niet, neen,
+dat is-i niet! Hy loopt weer op z'n tandvleesch. Heb je 't niet gezien?
+
+'t Scheen wel dat Wouter blyk gaf deze schilderachtige uitdrukking
+niet te verstaan. Althans de oude Styntje kommenteerde:
+
+--Nou ja, op 't overleer, z'n schoenen zyn doorgesleten. 't Is m-e-'n
+kruis! En z'n jas is ook niet van de nieuwsten.
+
+Wouter voelde schaamte over 't gewicht dat-i aan zyn kleeding hechtte.
+
+--Al vier jaar lang spaar ik voor 'n nieuwen, of... ik wou sparen,
+maar 't gaat niet! Die bedelaars kosten ons zeker twee gulden in de
+week... spaar dan eens voor nieuwe jassen! Zeg, jongeheer, kan je
+niet eens aan pater zeggen dat-i wat zuiniger wezen moet, en niet
+zoo altyd alles weggeven?
+
+Wouter groeide. Hy werd aangesteld tot Mentor over 'n bejaard
+man, en wel door 'n vrouwspersoon die nog volwassener was dan z'n
+pupil. Met veel genoegen had-i Styntjen omarmd, maar hy speende zich
+van deze uitspanning, en stelde zich schadeloos door de zelf-genoegzame
+pedanterie van z'n antwoord. Styntje's verzoek werd genadig opgenomen
+en geflatteerd:
+
+--Hoor eens, juffrouw, u kan verzekerd wezen dat ik van myn kant al
+'t mogelyke zal aanwenden om...
+
+--Wel zeker! Want my gelooft-i niet, omdat ik niet geleerd ben. Je
+moet hem zeggen dat de jongen die daar zooeven met z'n derriére...
+
+Zoo vertel ik, maar Styntje sprak hollandscher, bondiger, korter
+en beter.
+
+...de jongen die zoo-even met z'n... zitwerktuigen dan, in 't venster
+van de kerk zat... 'n luiwammes is-i, 'n doeniet, 'n rekel! Zeg
+dat aan pater. Eerst was-i 'n blinde... jawel, zoolang-i 'n zusje
+had, dat hem leien kon. Maar nou ze van 'm weggeloopen is--god weet
+waarom? Misschien bedelt ze liever op 'r eigen houtje--nou is-i op-eens
+'n lamme geworden. Hoe vindje dat? Zeg 't aan pater.
+
+--Ja, ja, juffrouw, ik zal 't hem zeker zeggen!
+
+--En dan van dat vuile schepsel ook, dat daar in den hoek zat. Heb
+je 'r gezien? Eens toen er sneeuw lag, zei ik: "veeg de sneeuw van
+de plaats, dan kryg je zes duiten." Was 't goed geprezenteerd, of
+niet? Maar ze deed het niet, en zei dat ze te veel huizen verzuimde.
+
+--Huizen, juffrouw?
+
+--Ja, bedelhuizen. Ze had er zeventien alle-dag, zei ze, en toen
+schold ze me-n-uit over m'n zes duiten. Dat zei ik aan pater. En wat
+zeid-i? "Och, zeid-i, ze is te oud, 't mensch kan niet vegen." Heb
+je van z'n leven! Ik zei: "pater ze is jonger dan ik!" Nou, 't is de
+waarheid, want ik ben acht-en-zestig, Da's oud, hè?
+
+Gewis vond Wouter dit oud! Hy begon de vrouw belangwekkend te vinden,
+die zooveel moest beleefd hebben naar-i meende. Dat de kring waarin
+ze zich bewogen had, wat klein was, kwam niet in hem op. Hy voelde
+verlegenheid over z'n jeugd, en om haar te doen voelen dat-i door
+studie had aangevuld wat hem aan jaren ontbrak, zocht-i in z'n
+herinnering iets op, dat getuigenis geven mocht van voorhistorische
+kennis. Styntje moest toch weten dat-i de funktie van zieleherder die
+ze hem zoo gul opdroeg, niet geheel onwaard was, en ook dat-i meer
+wist dan hy in z'n kort leventje met eigen oogen kon gezien hebben.
+
+--Zéér oud, betuigde hy. Dan heeft u zeker de uitlegging van de
+stad bygewoond?
+
+--Dáár weet ik niet van, jongeheer. Maar... die oude nukkige Griet! Wat
+denk je dat pater deed! Hy zei: "och, Styn, je moet denken ze-n-is
+'n arm mensch!" "Dat 's waar, zei ik, en dat denk ik. Maar jy bent ook
+arm, pater, en ik ook." Nou, dàt zei ik er maar zoo by, want ik heb 't
+wèl, en klaag niet, godbewaarme! Maar dat pater soms droog brood eet,
+is 'n ware zonde voor god en menschen. Soms is er geen duit in huis,
+en dan moeten we leenen van pastoor hiernaast, die ook niet te veel
+heeft. Ook 'n goed mensch anders, dat moet ik zeggen, maar hy spreekt
+niet veel. Pater zegt dat-i de geleerdste man van de wereld is, en lang
+professer of bisschop had moeten wezen, als-i maar niet zoo... nou,
+dat gaat my niet aan, en jou ook niet. Maar die luie Griet! Ze dééj
+'t niet, en ze deej 't niet, en de sneeuw bleef liggen dien dag, en
+ik zei: "goed, pater, dan zal ik 't doen." En den volgenden morgen
+zou ik vroeg opstaan, en dat deed ik ook, want de sneeuw loopt zoo in,
+weetje, en dan heeft de man natte voeten, en dat kan ik voor God niet
+verantwoorden. En toen ik op de plaats kwam... weg was de sneeuw! Wat
+denk je dat er gebeurd was?
+
+--Dooi? vroeg Wouter.
+
+--Gut né, 't vroor twee zeeuwen dik. Ik keek beduust op de blanke
+steenen, en zocht de sneeuw... geen krummel te zien, hoor! Toen
+hoorde ik pater lachen in z'n kamer, want hy zag me daar staan als
+'n gek mensch naar de sneeuw te zoeken, die weg was. Hy was vroeger
+opgestaan dan ik, en had alles weggeruimd. Hoe vind je dat, jongeheer?
+
+--Hoor eens, juffrouw, als 't weer gebeurt... roep my, dan zal ik
+'t doen.
+
+--Was 't geen schande? En dat voor zoo'n lui dier als die Griet! Nou,
+ik was kwaad als 'n spin, want ik heb den man zielslief, dat begryp
+je wel, maar hy lachte me-n-uit. En ik blééf kwaad, en toen sprak hy
+weer van arme broeders, maar ik zei dat die luie Griet m'n broêr niet
+was, en zyn broer ook niet! Wel neen, wat zeg jy? Zoo'n lui beest!
+
+Wouter zei ditmaal eens niets, maar aan indrukken ontbrak 't hem
+niet. Hy voelde wel dat er iets liefelyks te lezen stond op de bladzy
+van 't groote levensboek, dat hier voor hem werd opgeslagen, maar kon
+z'n ingenomenheid niet rymen met den weinig romantischen vorm waarin
+hem 't schoone werd voorgesteld. Zeker, er moest nogal veel aan Styntje
+veranderd worden voor ze, al was 't dan maar heel uit de verte, gelyken
+kon op de schoone Isabella die hier in 'n diep gewelf op verlossing
+had behooren te liggen wachten. De goede oude vrouw zelf scheen
+geen verlossing noodig te hebben, en in-plaats van slachtofferige
+dames te bevryden van yzeren ketens, schraal dieet en priesterdwang,
+kreeg Wouter zoo'n priester-zelf te redden uit de klauwen van z'n
+eigen goedigheid. De ruil kon wreed genoemd worden door ieder die
+niet inzag hoe onaangenaam Styntje's vertrouwelykheid prikkelde, en
+vooral haar vertrouwen. Bovendien, dat uitdryven van den bedeltroep
+had iets van 'n gevecht gehad, en by-gebrek aan beter moet men zich
+met het mindere tevreden stellen. De romantiek is veerkrachtig,
+en wat er in afmeting en gehalte aan de omstandigheden ontbreekt,
+wordt aangevuld en opgesierd door den onbewusten goeden wil van de
+Don Quichotten. Wouter was zoo tevreden dat-i z'n eigen jas niet meer
+zag. Grootmoedig vergaf-i den pater dat er geen enkele gekluisterde
+jonkvrouw in z'n woning was, en ook daaronder niet. Maar toch:
+
+--Wel, juffrouw, de woning is eigenlyk niet heel groot, vind ik. Heeft
+u hier ruimte genoeg?
+
+--Wel wis en zeker! Als-i grooter was, kon ik den boel niet knap houden
+in m'n eentje. Je moet denken dat ik de kamers van pastoor hiernaast
+ook voor m'n rekening heb. 't Is 'n heel gedoe voor 'n mensen alleen.
+
+--En... kelders?
+
+--Ja, 'n beetje nat, maar anders best. We hebben er 's winters
+aardappelen in, en turf ook. Die nattigheid is goed voor de turf... 't
+stookt zuinig. Droge turf is geen aanhalen. Dan zou de man nog kou
+lyden ook!
+
+De poging om zich te vermeien in krypt-romantiek brak alzoo weer
+als glas af. Ketens en knokenpyramiden pasten niet by die huiselyke
+nattigheid. Een "hol" mag vochtig wezen, o ja, en zelfs is dit een der
+vereischten van de zaak, maar... aardappelen en turven? O, Lafontaine!
+O, Radcliffe!
+
+--En... zyn er gewelven onder de kerk, juffrouw?
+
+--Dat weet ik niet. Maar ik verpraat m'n tyd. Beloof je me vast en
+zeker dat je 'n oogje houden zult op pater met al dat geld?
+
+--Wees gerust, juffrouw! Ik zal...
+
+--En dat je hem eens terdeeg vermaant om wat meer voor zichzelf
+te zorgen...
+
+--Zeker, juffrouw.
+
+... want, zieje, de man is zoo arm als Job, en dat gáát zoo niet! Ik
+hoor nu dat er 'n dame in de stad gekomen is, heel uit Denemarken of
+Hamburg of zoo wat, en die zou hem bystaan...
+
+--Ah!
+
+... zoo, weet je 'r van? Nou, des-te-beter! Ik hoorde 't van Femke
+Claus...
+
+--Ah!
+
+... ken je die ook al? Nou, die biecht by pater, vroeger by pastoor
+hiernaast, nu altyd by pater. En meestal gaat ze hier over de plaats
+de kerk in, want ze brengt paters waschgoed, en zy heeft het me
+verteld... van die dame-n-uit Hamburg, meen ik.
+
+--Ah!
+
+--Wat mankeert je toch, jongeheer? En ik... als ik die ryke dame
+kan te spreken krygen, zal ik haar zeggen dat ze heel voorzichtig
+wezen moet, en pater niet te veel geven. Want al had het mensch
+'n inkomen van honderden in de week, 't zou niet genoeg wezen voor
+al die bedelaars. Hoe meer je geeft, hoe meer er komen. 't Is maar
+begieten van onkruid, zeg ik! Wel ja, moet 'n mensch niet werken voor
+de kost? Dat heb ik ook gedaan, van zóó klein af. Ik ben 'n vondeling,
+weetje, en heb mezelf door de wereld moeten slaan. Kan die luie Griet
+dat ook niet doen?
+
+'t Vondelingschap beviel Wouter byzonder. De lust om daarvan iets
+meer te vernemen, verdreef zelfs den indruk dien 't noemen van
+Femke's naam--in-verband nogal met prinses Erika--op hem maken
+moest. Zou Styntje's vader 'n ryke baron wezen? En teruggekeerd op
+'t pad der deugd? Hy wilde meer van de zaak weten, en Styntje zei er
+dan ook nog wel iets van, maar alweer 't rechte niet, naar Wouter's
+meening. Ook hier wou 't alweer met de romantiek niet best vlotten. Wat
+die Leentje toch gelukkig geweest was, zy die by haar eersten en
+misschien eenigen uitgang zoo terstond op de smakelyke kern van de
+vrucht onthaald werd! Wouter kreeg alweer niets dan leege doppen en
+schillen, of althans dit verbeeldde hy zich omdat-i nog niet geleerd
+had--er zyn er meer zoo!--z'n ontmoetingen op 'n afstand te zien. Wat
+ons in oudheid belangryk, of in middeleeuwen romantisch voorkomt,
+is eenmaal gewoon geweest.
+
+--Ja, jongeheer, 'n vondeling, ging Styntje voort, en ieder mag 't
+weten. Wel ja, ik heb immers mezelf niet op de hei gelegd, heb ik
+wel? Nou voor m'n moeder is ook gezorgd, en best, hoor! Want... op de
+hei ben ik gevonden, piernaakt, om zoo te zeggen, ik had maar 'n oud
+stuk mat om 't lyfje. Maar je begrypt dat ik 't maar van hooren-zeggen
+heb. Ja, ik was in 'n lap mat gerold, anders niet! En nu? God heeft
+me gezegend, dat zieje. Ik ben groot en sterk geworden... neen, sterk
+ben ik geweest. Dat's tot daaraan toe. Maar ik heb wel elf hemden...
+
+--Hè, zei Wouter.
+
+--Ja, elf. Maar ze zyn wat oud. En telkens als ik er 'n twaalfde
+by doe, moet ik een van de anderen weggooien. Daarom heb ik er maar
+elf. Maar je moet denken, ik ben begonnen in 'n mat, en op de hei. En
+nu woon ik by pater, al vyf-en-dertig jaar... 't is waarachtig geen
+kleinigheid! Maar ik heb er voor moeten werken, dat spreekt. Zoolang
+ik hier woon, houd ik twee heeren heel, en soms wel drie, want als de
+dienst wat druk is, hebben we hier 'n kapelaan ook. Ja, ja, er moet
+gewerkt worden in de wereld! Maar als je dàt doet, ben je klaar. Ik
+ken menigeen die in 'n huis geboren is, en God op z'n bloote knieën
+danken zou als-i by pater mocht wonen.
+
+--En... u ziet soms Femke hier? vroeg Wouter, niet zonder de strekking
+dat deze byzonderheid Styntje's genot nog aanmerkelyk verhoogen moest.
+
+--Wel zeker! En ik moet zeggen dat ze my trouw helpt aan paters
+goed... nu, anders kwam ik er niet. Want 'n mensch alleen... dat begryp
+jezelf wel. Ook worden m'n oogen slecht. Maar van pastoor hiernaast
+wil ze geen stuk meenemen. Ik geloof dat ze niet van hem houdt.
+
+--Zou hy haar iets misdaan hebben? vroeg 't riddertje.
+
+--Wel neen! Waarom? 'n Mensch houdt van den een, en niet van den
+ander. Van pater houdt ze, dat weet ik. En hy van haar. Vroeger
+biechtte ze by pastoor hiernaast, maar nu al sedert 'n jaar of wat niet
+meer. Altyd by pater! Zoo zyn er veel, en de man kan 't niet af. Ik
+heb al aan de menschen gezegd "ga toch liever by pastoor hiernaast,
+die man is ook goed" zei ik, maar 't helpt niet, alleman wil altyd
+by pater wezen. Nou, ikzelf ook, en ik bevind er me goed by, dat
+moet ik zeggen. Hy is 'n beste! En zoo zal dat meisjen er ook over
+denken. Maar jou heb ik nog nooit in de kerk gezien. Zeker woon je
+ver. Waar is je parochie? By wien biecht je? Is je pastoor lastig?
+
+--Neen, o neen, stamelde Wouter die den moed niet had op dit oogenblik
+te openbaren dat-i niet "van 't geloof" was.
+
+--Anders, ik kan je pater gerust rekommandeeren... hy is erg
+gemakkelyk. Wat die man al zielen tot Onslieveheer geholpen
+heeft... kyk! Als ik niet by hèm geweest was, zou 't er met m'n
+moeder nog slecht uitzien, maar nu is ze wèl. Ga by pater, wat ik je
+zeg! Of... neen, toch niet, de man heeft het te druk. Veel drukker dan
+pastoor hiernaast. Die is 'n beetje... hoe zal ik zeggen? Isegrimmig,
+ziedaar! Hy ziet niks door de vingers niks, niemendal! Nou,
+alle menschen zyn niet eender, en sommigen moeten hard aangepakt
+worden. Verleden heb ik gehoord dat er eens 'n man geweest is, die
+niet bang was voor de hel. Hoe vindje dat?
+
+--Heel erg, juffrouw.
+
+--Zoo, vind je dat erg? Ja, 't is erg! Maar ik ben er ook niet
+bang voor, want ik doe m'n werk, en ik zorg voor pater. Och, och,
+waar blyft-i?
+
+--Is u niet bang voor de hel, juffrouw?
+
+--Gut né, volstrekt niet, want ik doe m'n werk. Maar die man deed z'n
+werk niet. Hy vloekte en dronk, en ging om met slechte vrouwluî, en
+toch was-i niet bang voor de hel. Zie je, hy had er bang voor moeten
+wezen. Dat zei pater ook, maar toch zou God 't hem wel vergeven,
+zeid-i, omdat de man niet beter wist, want... hy geloofde niet aan de
+hel, en dat kan 'n mensch niet helpen, zei pater. Nou, ik had zoo'n
+man wel eens op z'n sterfbed willen zien! Maar hy zal wel dood wezen,
+want het is zeker lang geleden. Als ik sterf, zal ik heel tevreden
+zyn, want pater zal voor m'n bed zitten, en my de hand drukken. Dat
+heeft hy me vast beloofd. Dan zal ik God danken voor 't leven dat-i
+my geschonken heeft, en omdat ik by pater gewoond heb.
+
+De goede vrouw bekruiste zich, en Wouter had het hart niet, te veel
+hart liever, om hierin ditmaal iets bespottelyks te vinden.
+
+--Je weet niet hoeveel goeds ik genoten heb, jongeheer. Je moet altyd
+denken, ik ben begonnen van niets, van niemendal, denk eens! Ik was
+al tien jaar oud toen ik nog achter de koeien in 't veld liep, en als
+ik in 't dorp kwam--want ik ben maar van 't boerenland--dan riepen de
+jongens: "vondeling, vondeling!" En nu, kyk, al vyf-en-dertig jaar
+by pater! Wat wil 'n mensch meer? En ik heb òververdiend voor m'n
+moeder ook, dat begryp je.
+
+Wouter zette een vragend gezicht.
+
+--Ja, 't moest wel. Want zeker had ze niet goed met me gehandeld, maar
+pater zei: "denk je dat 'n mensch voor z'n plezier z'n kind op de hei
+legt? Dat zyn treurige zaken, men moet er meely mee hebben!" En ik
+heb kousen voor hem gebreid, en voor elke kous gaf-i 'n mis aan m'n
+moeder. Dat was heel in den beginne, toen ik pas by hem kwam. En toen
+werd het koud, en ik had winterhanden en kon niet breien. En dat speet
+me erg voor m'n moeder, en ook voor pater, want de man had z'n kousen
+broodnoodig. Maar de ziel van m'n moeder was 't ergste, dat begryp
+je. Denk je nu dat pater er na keek of ik breien kon of niet? Gut
+né, hy gaf de mis, alle dagen krek! Dat doet-i nu al vyf-en-dertig
+jaar... reken dàt eens uit, jongeheer! De man zegt zelf dat er 'n
+heele boel òver is.
+
+--En... de ziel van... uw vader? vroeg Wouter die naar bericht
+hunkerde omtrent zekeren schatryken baron, na--of liever nog: 'n beetje
+vóór--z'n terugkeer op 't pad der deugd. Gaarne had-i z'n vraag wat
+deftiger ingekleed, en zich geïnformeerd naar 't welvaren van wylen
+Styntje's "papa" maar deze malle uitheemsheid die in Wouter's tyd
+nog voor iets voornaams doorging, wou er niet uit. 't Bleef dus by:
+"de ziel van uw vader, juffrouw?" schoon dit woord inderdaad wel wat àl
+te burgerlyk klonk voor iemand die de aanzienlyke romanbetrekking van
+meisjesverleider bekleed had, 'n funktie waartegen onrype jongetjes,
+eunuken en zeker soort van beunhazen in moralistery, ten-allen-tyde zoo
+byster hoog--maar vooral begeerig, en met afgunst!--hebben opgezien.
+
+--Dáár weet ik niet van, antwoordde Styntjen, en 't scheen wel dat
+zy over Wouter's vraag 'n beetje verstoord was. Een mensch kan niet
+alles tegelyk doen! Wou je dat ik pater nu nog dáármee lastig was
+gevallen ook? De man heeft 't werachtig druk genoeg. Voor m'n moeder
+is er òver, en daarmee kan God doen wat-i wil. Maar voor m'n vader
+sprak ik geen stom woord. God zou wel eens kunnen zeggen: "als je
+zoo begeerig bent, kryg je niemendal!" Nou, dit is maar by manier van
+spreken, want wat ik verdiend heb, moet ik hebben: eens gezegd blyft
+gezegd! Daar is de heilige Jozef voor, die is er werachtig de man
+niet na om z'n zoons woord te-schande te laten maken. Heere Jeessis,
+waar blyft pater met al dat geld?
+
+--Daar is-i, riep Wouter die Jansen's vriendelyk gezicht langs de
+hortensia zag voorbygaan.
+
+Als om de gegrondheid van Styntje's angst ditmaal eens te
+logenstraffen, telde de goede man 'n twintigtal ryksdaalders op de
+tafel. Ter verontschuldiging over z'n uitblyven, deelde hy mee dat
+men hem onder-weg by 'n zieke had geroepen, die volstrekt iets naders
+van den hemel wilde weten voor-i er heen ging.
+
+--Ik heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die
+geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb
+'n briefje gevraagd, waar 't op staat. Nu kan jyzelf alles precies
+uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de wereld,
+en geld is... geld, wat zeg jy, Styn?
+
+Styn zei ja, en 'n kwartier daarna was Wouter met pater Jansen op-weg
+naar de haarlemmer-schuit. De oude vrouw had haar afgod terdeeg
+afgestoft en geschuierd, en ook Wouter kreeg 'n streek of wat met den
+borstel, doch 't was blykbaar slechts 'n voorwendsel om hem nogeens
+nadrukkelyk in 't oor te fluisteren:
+
+--Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet verdoet,
+jongeheer?
+
+--Juffrouw, ik belóóf het u! had Wouter geantwoord, en aan den stap
+waarmee hy de wandeling aanving, was te bemerken dat-i 't meende.
+
+Helaas!
+
+De weg naar... 't verkeerde is geplaveid met goede voornemens en
+welgemeende beloften.
+
+
+
+
+
+
+
+ Preekjen over preeken, en hoe Wouter niet aan 't preeken raken
+ kon. Preek van pater Jansen over 'n preek van pastoor Koens,
+ opgeluisterd door 'n preek van hemzelf. Hoe de auteur woord houdt.
+
+
+Zeker kanselredenaar moet eens gezegd hebben dat niets gemakkelyker is
+dan preeken, doch niets moeielyker dan goed preeken. Ik heb er geen
+verstand van, maar als men op den bewusten dag aan Wouter gevraagd
+had of niet ook 'n middelmatige preek iemand terdeeg bezwaren kan,
+zoud-i 't zeker volmondig hebben toegestemd. Den vorigen dag was-i
+redelyk tevreden geweest met het halfgeboren koncept van den brief
+aan de opgeblazen Hersilia--jammer dat het niet gediend had--maar 'n
+preek... dat was wat anders! Hy wilde 'n paar keer beginnen, maar 't
+vlotte niet. Telkens als-i op z'n: "m'nheer, hoor eens!" zoo goedmoedig
+ten antwoord kreeg: "wat blief je, jongeheer?" zonk hem 't hart in
+de schoenen, en hy maakte de een of andere onnoozele opmerking over
+iets dat op hun weg te zien was. Pater mocht alzoo van hem vernemen
+dat de haarlemmerdyk 'n lange straat was, en dat ieder die 's avends
+laat buiten de stad bleef, 'n stuiver moest betalen, jazelfs als
+'t héél laat was, 'n dubbeltje. Jansen stemde dit alles volmondig toe.
+
+Hoe te beginnen? Wel beschouwd, hebben dominees 't makkelyk. Ze nemen
+'n tekst uit de Schrift, en verdeelen hem in drieën, dan volgt de rest
+vanzelf. Ook worden zy op den weg geholpen door 't voorgebed. Wel
+zeker: "steun, o Heer, den spreker die in ons midden is opgetreden
+om uw woord te verkondigen!" Zoo komt 'n mensch op z'n dreef. En 'n
+dominee is anders gekleed dan andere menschen. Dat alles geeft zekeren
+toon aan, en brengt 'n stemming te-weeg die stamelaars en stommen aan
+'t preeken helpen zou. Wouter voelde wel dat het niet te-pas kwam 'n
+gebed te doen: "steun, o Heer, den voorganger die naast pater Jansen
+is opgetreden om 't woord van Styntje te spreken!" maar hy wou doen
+wat-i beloofd had. Dat hy maar 'n domme jongen was, en die m'n-heer
+Jansen 'n eerwaardig man, kwam--juist omdat-i 'n domme jongen was--niet
+in hem op. En al ware dit anders geweest, het zou hem niet zoo heel
+erg gehinderd hebben, want Stoffel had eens verzekerd dat jongelui,
+zoo van de schoolbank, volkomen 't recht hadden oude menschen te
+kapittelen, als ze maar--door Styntje?--"bevestigd" waren, en de
+voorzorg gebruikten hun vermaningen heel theologisch intedeelen in
+drieën. Nu, dàt wilde Wouter doen. Ten-eerste: de spaarzaamheid is
+Gods wil. Dit zou hy o.a. bewyzen uit eierschalen, appelschillen en
+notendoppen die nooit grooter zyn dan precies noodig is om te bedekken
+wat er in zit. Ten-tweede: de spaarzaamheid is de wil van God... och,
+'t lukte niet! Na veel vergeefsche pogingen om op-streek te raken,
+leidde z'n gedachtengang hem eindelyk op de vreemdklinkende vraag:
+
+--Kan u zingen, m'nheer?
+
+Voor zoover 't me vergund is, borg te staan voor Wouter's bedoelingen,
+kan ik verzekeren dat-i niet juist van plan was den goeden oudeheer
+daar op de publieke straat 'n psalm of gezang optegeven, met het
+verraderlyk oogmerk zich daardoor te doen stemmen op preekhoogte. Neen,
+maar hy had weer: "m'nheer, hoor eens!" geroepen, en moest toch iets
+antwoorden, toen Jansen hem vroeg wat-i te zeggen had?
+
+--Zingen, jongeheer? Jawel. Het hoort om zoo te zeggen by m'n vak. Maar
+heel mooi zing ik niet. Je moet pastoor Koens eens hooren, vooral
+in den Kerstnacht... prachtig! Verleden was er 'n heer uit Parys
+in de kerk, die bood hem... ik weet niet hoeveel geld, als-i zich
+wou laten aannemen by 'n zingkomedie die ze daar hebben. Maar hy wou
+niet, want hy wil by de kerk blyven, dat begryp ie. Maar anders... hy
+zingt iemand het hart uit 't lyf. En preeken! Dat heb je nooit zoo
+gehoord! Ik weet niet wat mooier is, z'n zingen of z'n preeken. Hy is
+'n heilig man, dat kan ik je verzekeren, maar... meisjes zyn zwakke
+vaten, en daarom zyn er vaders die liever hebben dat hun dochters by
+my gaan. Kan pastoor Koens dat helpen? In 't geheel niet!
+
+Als 'n bliksem vloog hier Styntjes mededeeling dat Femke niet van
+"pastoor hiernaast" hield, door Wouter's gemoed. Lieve, beste, brave
+Femke! Of prinses Erika van pastoor Koens houden zou, als ze hem kende!
+
+--Hy zingt 'n kyrie... weet je wat 'n kyrie is? Want je bent niet van
+de Kerk, niet waar? Gut, ik ben er niet boos om, want de een is zóó,
+en de ander is zóó. Er zyn Turken ook. Maar weet je wat 'n kyrie is?
+
+--Neen, m'nheer!
+
+--Kyrie beteekent: "Heer" en eleison is zooveel als: "verlos ons!" Nu,
+dat zingen wy in onze kerk, en Koens heeft 'n kyrie die expres voor
+hem gemaakt is door 'n Duitscher, 'n eerste man in z'n vak. Hy is
+orgelist te Weenen, geloof ik. En ze zeggen--nu, dàt zal je vreemd
+vinden!--ze zeggen dat-i eens voor 't heele hof...
+
+Jansen hield even op om Wouter's aandacht te spannen. Maar hiertoe
+was meer noodig, want de gedachten van den jongen waren by de preek
+over spaarzaamheid.
+
+...voor 't heele hof, denk eens!
+
+--Ja, m'nheer, zei Wouter, zonder nog te weten wat er te denken viel..
+
+--Hy heeft voor 't heele hof gezeten op... wel, waarop denk je dat-i
+gezeten heeft? Dàt moet je nu eens raden, jongeheer.
+
+--Op 'n stoel, m'nheer.
+
+--Ook, ook! En op 'n draaikruk ook... want hy had klavecimbel
+gespeeld. Maar dat wou ik je nu eigenlyk niet zeggen, want het
+gebeurt meer, niet waar? Neen, hy is zoo ver in de muziek, dat 'n
+aartshertogin hem op haar schoot heeft genomen, en dáárop heeft-i
+gezeten. Hoe vindje dàt?
+
+Wouter vond het heerlyk, en nam zich voor, de eerste de beste
+gelegenheid aantegrypen om zich te oefenen in muziek. De fondsen van
+z'n belofte aan Styntje daalden vreeselyk. Wie toch kan aan preeken en
+spaarzaamheid denken, als er zóóveel te verdienen valt met ut, re, mi,
+fa, sol? Toch vond-i de zaak niet heel helder, en gaf te kennen dat
+'n beetje nadere toelichting niet overbodig wezen zou.
+
+--Op haar schoot, m'nheer?
+
+--Ja.
+
+--'n Aartshertogin?
+
+--Ja, van Oostenryk.
+
+--Maar, m'nheer, hoe is dat mogelyk?
+
+--Kyk, ik dacht wel dat je 't vreemd vinden zou, want zoo'n
+aartshertogin is 'n heele dame, en daarom vertel ik 't je. Ik heb er
+wel al honderd menschen mee vermaakt, en niemand kon 't raden voor
+ik 't zei. Maar gebeurd is het, vraag 't maar aan pastoor Koens,
+en Styn weet het ook, want ze was er by...
+
+--Aan 't hof, m'nheer?
+
+--Neen, toen pastoor Koens 't vertelde.
+
+De goede Jansen genoot naar hartelust van Wouter's verbazing, die
+dan ook inderdaad groot was. Hy hield zich innig overtuigd dat noch
+z'n moeder noch een van z'n zusters, noch zelfs Leentje, die toch
+anders volstrekt niet hoovaardig was, zich zóó ver vergeten zou met
+'n klavierspeler. Neen, nooit, nooit... al was er geen hof by dat er
+kwaad van denken kon. In 'n achterkamer niet!
+
+--Op haar schoot, vervolgde Jansen. En ik zal je nog meer zeggen...
+
+Nòg meer, o hemel?
+
+... hy heeft ook op den schoot van de Keizerin gezeten! Zou je dàt
+geraden hebben?
+
+--Neen, m'nheer!
+
+--Dat dacht ik wel! En ik ben er nog niet! De Keizerin heeft hem
+gezoend...
+
+--Maar, m'nheer!
+
+... gezoend op allebei z'n wangen.
+
+"Naar Weenen, naar Weenen!" riep alles wat stem had in Wouter's
+gemoed. Met geografische inspanning legde hy zich de vraag voor, of
+Haarlem in den weg lag naar dat verrukkelyk oord. Jansen vermaakte
+zich kinderlyk met z'n verbazing. Ze werd ten-top gevoerd--ach,
+vernietigd te-gelykertyd--door 't vervolg en slot van de historie.
+
+--De keizerin stopte z'n zakken vol...
+
+--Hè?
+
+... vol suikerdemangelen.
+
+Hier berstte Jansen in lachen uit, zoodat de voorbygangers er schik
+in kregen. Maar 't was moeielyk niet te lachen by 't gekke gezicht
+dat Wouter zette, en hierom was 't dan ook den goeden pater te doen
+geweest, want hy hield van vroolykheid. Na zich eenige oogenblikken
+te hebben laten bidden om opheldering, lichtte hy de zaak toe:
+
+--Ik zal 't je dan maar zeggen. Die klavierspeler was pas zes
+jaren oud, en 'n heel lief jongetje. Pastoor Koens heeft met hem
+gestudeerd--later, weetje--en ze zyn groote vrienden gebleven. Ik
+zei je-n-immers al dat-i 'n kyrie voor hem gemaakt heeft? Ze hebben
+samen gestudeerd op 't Jezuiten-kollegie...
+
+Wouter rilde protestantelyk.
+
+...daar krygen wy onze knapste menschen vandaan. Maar 't gaat niet
+altyd door, want... ik ben er ook geweest. Gut, wat keek je gek,
+toen ik je vertelde van die suikerdemangelen! Maar ik zou je wat van
+die kyrie zeggen. Als Koens hem zingt... o! In z'n kamer, meen ik,
+want in de kerk doet-i 't niet graag. Styn heeft er van gehuild,
+want het is heel gehoorig by ons, we kunnen elkander best hooren
+zuchten... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten? Nu, Styn huilde,
+en ik kreeg kippevel. En weetje wat ik er by dacht? Ik dacht: God,
+God, wat ben ik 'n prul by pastoor Koens!
+
+--Hè, m'nheer!
+
+--'t Is de waarheid! Maar ik van myn kant ben weer veel sterker
+van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor
+ondankbaarheid! Als m'n vader me op z'n smedery gedaan had, zou ik net
+zoo sterk geworden zyn als m'n broer, maar de theologie maakt 'n mensen
+'n beetje lebberig, vindje niet? En toch... verbeelje, ik heb thuis
+'n Vulgata. Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in
+'t vierkant, en in leer gebonden... 'n heele vracht! En er zyn sloten
+aan, ook, Styn schuurt ze alle weken blank. Welnu, ik pak een van die
+koperen lippen met m'n pink, en Styn zegt paters op, en ik houd m'n
+Vulgata--altyd met die ééne pink, moet je denken--tot quotidianum van
+de derde. En Styn is niet eens heel vlug met 'r paters. Als ik ze zelf
+zei, bracht ik 't zeker tot remitte van de vierde, of misschien wel
+tot amen. Maar ik moet je 'r byzeggen dat wy katholieken geen kracht,
+macht en heerlykheid hebben. Dat scheelt altyd 'n beetje. En... er
+is niets apokriefs in de Vulgata. Met 'n protestantschen bybel zou ik
+'t wel laten, dat vat je wel!
+
+Neen, Wouter vatte het niet! Of althans hy begreep niet alles. Maar de
+konkluzie nam-i goedig aan. Hy hield zich overtuigd dat pater Jansen
+byzonder sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den
+dood gegaan zyn.
+
+--Ja, 't is 'n heel ding, niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer
+niet. Zoo zieje dat God altyd ieder 't zyne geeft. Maar ik heb Styn
+verboden 't hem te zeggen. Hy mocht eens verdrietig worden omdat-i
+'t me niet na kan doen, en dit hoeft niet, want zulke dingen komen
+toch in ons vak maar zelden te-pas. Maar eens toch heb ik er recht
+schik van gehad... niet van die Vulgata, meen ik, maar dat God me zoo
+sterk gemaakt heeft. Hy doet niets voor niemendal, houd je dáár maar
+aan vast! Verbeelje, ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n-'n boer
+in de buurt, 'n ryke boer. Hy heette Koremans, maar hy was heel ryk,
+en hy had veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal
+boeremenschen, dat begryp je wel. Een van de meiden heette Trineken,
+en ik dacht dat Koremans goed en gul was... maar och, ik heb er geen
+pleizier in, je dat te vertellen. Waartoe dient het? Liever vertel
+ik je-n-'n ander stukjen, iets van hèm, van pastoor Koens. Dat moet
+je hooren!
+
+'t Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen
+eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n
+boeremeisje. Hy was in de jaren que tout ce qui porte jupon intéresse,
+en in z'n verbeelding vertaalde hy elk onbekend vrouwspersoon in
+"Femken" of... iets als Femke. Maar hy begreep toch dat-i den goeden
+Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hy
+luisterde zoo aandachtig mogelyk, weldra zéér aandachtig zelfs,
+en zonder dat dit hem moeite kostte.
+
+--'t Was eens zyn beurt van preeken, ging de pater voort, en
+hy preekte. Den tekst weet ik niet meer, maar 't was over goede
+behandeling. Van den eenen mensch jegens den ander, weetje, want dat is
+eigenlyk de hoofdzaak van ons geloof. Ik preek er ook wel eens over,
+maar... zóó niet, daar scheelt veel aan! Want, wat gebeurt er? Er zat
+'n man in de kerk--'t was 'n slachter, moet je begrypen--die kreeg
+'n toeval, en hy moest er uit gedragen worden, en ieder dacht dat
+het van de warmte was. Maar 't was niet van de warmte. Die man had
+stiefkinderen, en hy behandelde ze niet goed, en hy voelde zich zoo
+zondig door de preek van pastoor Koens, dat-i van zichzelf viel. Vind
+je dat niet sterk voor 'n slachter? Toen-i weer wèl werd, heeft-i z'n
+stiefkinderen voor z'n bed geroepen, en hun om vergiffenis gevraagd,
+en beloofd dat-i ze nooit weer mishandelen zou, want... dat deed-i
+vroeger. En, omdat-i slachter was, zond-i 'n mand met worst aan pater
+Koens, met 'n brief er by. Je kunt denken hoe bly we waren... om
+die kinderen.
+
+--En, m'nheer, heeft die slachter woord gehouden?
+
+--Ik denk 't wel, want hy zal 't zeker prettig gevonden hebben, goed
+voor z'n stiefkinderen te wezen, en 'n mensch houdt van pret. Maar
+Koens wou de worst niet hebben, want hy eet geen vleesch, Styn moest
+ze terugbrengen, zeid-i.
+
+--Hè, riep Wouter die 't jammer vond zoo'n geschenk aftewyzen.
+
+--Ja, niet waar, 't zou den man bedroefd hebben. Dit vond Styn ook,
+en ik ook, en daarom hebben wy die worst opgegeten, zy en ik, want
+ik mag wel worst.
+
+--Maar, m'nheer, wat was er dan met die Trineke?
+
+--Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten noemen,
+want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood.
+
+--Wat had-i gedaan met die Trineke?
+
+--Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit
+over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jy 't
+vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist
+niet erger dan andere boeren, en daarom zou 't me leelyk staan
+z'n naam te bekladden, maar wáár is wáár! Hy was heel ryk, en goed
+voor de kerk, o best! In onze kapel--want we hadden 'n kapel in 't
+Simmenarie--hing 'n geelkoperen Sebastiaan met z'n lyf vol pylen,
+wel duizend pond zwaar... nu, die was van hèm. En opschepperig was-i
+als we hem bezochten, goedgeefs... je hebt er geen begrip van! Aan
+brood en kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n
+twintigen... net 'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozynen
+op brandewyn, en daar dronken wy simmenaristen van dat het 'n aard
+had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen
+of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen--'t
+was al z'n derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze
+hebben--en wy kwamen gelukwenschen, en werden best onthaald, maar de
+bruid keek sip, en we dronken brandewyn op rozynen, en er was 'n pret
+van belang... op de bruid na! Maar op-eens... och, jongeheer, ik had
+het je eigenlyk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je
+'r nooit over spreken zult?
+
+--Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!
+
+--Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg. Dat ik schik van de zaak
+gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest
+ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrypt,
+'n jongen in theologie-tweede is anders nog niet veel mans. Nu, we
+aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlyk
+niet, en als 't in 'n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf
+gekregen hebben, maar Rector zag wat door de vingers als 't by Koremans
+gebeurde, om dien Sebastiaan, weetje, en ook omdat-i wel-eens in z'n
+wagen naar stad reed, en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen... in
+dien tyd. Nu zou 't niet staan! En ik zou dansen met de bruid die ik
+graag lyden mocht... vroeger. En ze hield van my ook wel, dat weet ik
+zeker. Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik dat Trineken er niet
+was, en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altyd by,
+net als de andere knechts en meiden, maar nu was zy er niet. En dat
+zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans-zelf. Lies
+was de bruid, weetje, die met me dansen zou, en wel 't allereerst,
+omdat ik 'n weddingschap van haar vryer had gewonnen... ook al over
+sterkte. "Trien is ziek, zei Koremans, en ga nu je gang maar met
+Lies." "Is Trineke ziek, vroeg ik, en waar is ze dan?" Want dàt wou
+ik weten. "En, zei ik, ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet
+waar Trineken is."
+
+Wouter verwachtte nu 'n landelyk drama met... iets als liefde er
+in. Heel véél kon 't niet wezen, dit begreep hy wel, om den aanstaanden
+werkkring van den held. Maar juist deze bedenking prikkelde z'n
+nieuwsgierigheid te meer. Hy tooverde zich den jeugdigen nog niet
+geheel tot geestelyke verwrongen jongeling voor oogen, staande tusschen
+twee-, drieërlei plicht, misschien wel tusschen formeele trouwbeloften
+en gemoedelyke beloftentrouw, tusschen Trineke, Lies en theologie. En
+op den achtergrond vertoonde zich de sombere gestalte van den bruigom,
+die gereed stond by de minste overhelling naar Liesje's kant, den al te
+gelukkigen Seminarist met één slag doodongelukkig en liefst heelemaal
+dood te maken. In byna alle Dorfgeschichten die Wouter gelezen had,
+droeg zich de zaak op die wys toe. Of zou pater Jansen den bruigom
+hebben neergeveld? Een mensch doet rare dingen als-i verliefd is,
+en daarby zoo byzonder sterk.
+
+--Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet...
+
+--Ik zal er heusch nooit over spreken, beloofde Wouter, die meende
+dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg, en bang was dat Jansen
+'t verhaal afbreken zou.
+
+--O, dit mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't
+weet. Ik wou je dan zeggen--maar 't spyt me wel--dat de boeren... soms
+niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...
+
+--Hè?
+
+... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer
+gemerkt dat men haar achteraf zette, en wegdeed als er wat vroolyks
+voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat
+ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den
+vorigen keer by Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en
+nog kaduker was, dan gewoonlyk. Ze was 'n beetje mank ook, maar ze had
+altyd braaf gewerkt... o, by Koremans z'n ouders al! En daarom vroeg
+ik waar ze was? "Ze is op 'r bed, zei Lies, en ik begryp niet wat je
+hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom, dans maar!" En ze wenkte den
+speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken,
+want het was me alsof God me ingaf--dit gebeurt soms--dat ze slecht
+behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad
+van dat meisje denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou
+dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want... ze lag in den
+stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet--dat begryp
+je wel--maar 't was of God het me ingaf. En ik stond voor den stal,
+en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies
+riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe mensch?" Maar ik zei: "met
+jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen vroeg ik aan Koremans, of-i de
+deuren van den stal wou openen? "Neen, zeid-i, en ze is er niet!" En
+ik zei dat ze 'r wèl was, en vroeg 't hem nògeens, want men moet
+'n mensch altyd tyd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar
+hy zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg,
+en zette m'n schouder tegen de staldeur dat-i kraakte, en... ik was
+er in, hoor! Vind je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.
+
+--En Trineke, m'nheer?
+
+--Wel zeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't
+Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd,
+maar... ze is toch behoorlyk gestorven op 'n kristelyk bed. Want ik heb
+Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je! Ik zei dat God hem
+verbryzelen zou, precies zoo als ik de staldeur gedaan had... neen,
+veel erger nog! En ik zei--met 'n zwaren vloek er op--dat ik bord
+noch beker in z'n huis zou aanroeren voor Trineke op 'n bed lag,
+met 'n dokter er voor, en medicyn op de plank. 't Gebeurde, hoor!
+O, ik heb veel gezegd! Ook over dien Sebastiaan... want daar was-i
+erg groots op, en ieder die in de buurt van ons dorp kwam, moest
+het weten dat de Sebastiaan in onze kapel van Koremans was. Ik zei:
+"denk jy dat God met koperen koppen gediend is? Die oude Trine draagt
+meer pylen in haar lyf dan Sebastiaan ooit gehad heeft, want ze is
+er heelemaal kaduuk van, en mag je dan zoo'n mensch op stroo leggen
+in je stal? Zet jy daar jou Sebastiaan in, die zal er geen weet van
+hebben, want hy is maar van koper, en de levendige Trineken is je
+nader. Ze heeft je-n-uit de sloot gehaald toen je-n-'n dreumis was,
+en wat heeft ooit Sebastiaan voor je gedaan? 't Was 'n heilig man, ja,
+maar jy moet ook 'n beetje heilig wezen, en niet je volk in de mest
+leggen. Wie denk je wel dat je bent, omdat je geld hebt, en koeien en
+land? God heeft veel meer dan jy, en als-i verkiest, kan-i Trineke wel
+honderd boerderyen geven waar de jouwe-n-in verdrinken zou. 't Is nu
+Gods wil dat zy niks heeft, en jy veel, maar als 't hem in z'n hoofd
+komt, keert-i 't om, en geeft je hoest en jicht en allerlei krupsies
+meer. Wil jy dan op stroo liggen als 'n varken?" Zoo heb ik gesproken,
+en ik zei nog veel meer, en ik gaf er latynsche teksten by, want daar
+kan 'n boer niet tegen. Ook zei ik dat-i in de hel komen zou, maar ik
+weet niet zeker of dat wel waar was. Je moet denken, ik was nog maar
+in theologie-tweede. Gut, er hoort zooveel toe om alles precies te
+weten van God en goddelyke zaken! 't Is 't zwaarste vak van de heele
+wereld, en ik was nooit erg voorlyk. Die Koremans had eens pastoor
+Koens vóór zich moeten hebben, die had 't hem ànders ingepeperd! Maar
+Koens had nu weer die staldeur niet zoo gauw opengekregen... krak,
+daar lag-i! De hengsels waren verdraaid.
+
+--En Liesje, m'nheer?
+
+--Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen
+Trineken op 'n bed lag, vroeg ze-n-of ik nu met haar dansen wou? Maar
+ik wou niet. En toen bracht ze Trineken 'n glas brandewyn met rozynen
+en krentenkoek, dat heel versterkend is by de boeren, en toen vroeg
+ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel
+plezier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook
+anders. En ze wou haar huwelyk uitstellen, maar Koremans was er kwaad
+om, en haar vryer ook. Ik geloof dat-i me niet lyden mocht... zeker
+om die weddingschap.
+
+Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten
+minder vroolyk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze
+maar zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier." Wouter was
+wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot
+wat gehuppel. Jazelfs hy verwachtte een flinken sprong, 'n saut
+périlleux. De onkunde der jeugd is wreed--cet âge est sans pitié ,
+zei de fabeldichter--en Wouter wist niet wat-i deed, toen hy vroeg:
+
+--En is Liesje met haar vryer getrouwd, m'nheer?
+
+--O ja, zeker, zeker! Waarom zou ze niet met hem getrouwd zyn? Alles
+was immers afgesproken en klaar. Maar ze beloofde my vooraf dat
+ze-n-altyd goed voor haar volk wezen zou, want dàt had ik haar
+verzocht, maar ik zei er by dat ik niet heelemaal zeker was van de
+hel, omdat ik nog maar theologie-tweede was. Ja, niet waar, ik mocht
+me niet voor hooger uitgeven dan me toekwam, en waarom dan zoo'n
+meisje voor niemendal schrik aantejagen, als ik 't soms mocht mis
+hebben? Maar ze zei dat ze geen hel noodig had, en dat ze-n-altyd
+heel goed wezen zou als ze 't my maar beloofd had. Nu, ze méénde
+'t wel, want ze gaf er my 'n hartelyken zoen op... och, ze huilde zoo!
+
+--Waarom huilde ze zoo, m'nheer?
+
+--Je moet begrypen, de eene mensch is niet als de ander, en soms
+heeft men verdrietige buien. Misschien huilde ze-n-omdat ik zoo
+driftig tegen haar vader geweest was, en dat was goed van haar, want
+'n kind moet altyd partytrekken voor z'n ouders. 't Begon al toen ik
+Trineken opnam...
+
+--Had U dat gedaan, m'nheer?
+
+--Ja zeker, ik was de sterkste van allemaal, en 't bed was boven in
+huis. Wie zou haar den trap opgedragen hebben zonder 't mensch zeer
+te doen? Ze was maar vel en been, en alles deed haar pyn. 't Was
+Koremans z'n eigen bed...
+
+--Och!
+
+--Daar stònd ik op! Ik hield me koppig, en zei dat het zoo wezen moest,
+of ik zou 'n omgekeerd Jeruzalem van z'n huis maken. En Lies wou
+háár bed afstaan, maar ik zei: "né, in 't zyne, of ik kom hier nooit
+weer!" En ik zei er 'n heel ruw woord by, tegen haar vader--je bent
+maar 'n ruige Ezau! zei ik--en daarom zal ze misschien gehuild hebben.
+
+--Was ze-n-'n... lief meisje, m'nheer?
+
+Deze vraag zweefde Wouter reeds lang op de lippen, maar de weifeling
+tusschen de varianten "mooi" en "schoon" deed hem telkens aarzelen. 't
+Een kwam hem tegenover 'n geestelyke wat gemeenzaam voor--te gemeen ook
+misschien--'t andere klonk te boekerig by Jansens gemeenzaamheid. Toch
+moest ons roman-lezertjen iets van Liesjens uiterlyk weten, en
+hy kleedde z'n nieuwsgierigheid naar dat hoofdmoment van de zaak,
+zoo deftig in als de omstandigheden toelieten. Maar ook Jansen had
+zeker dekorum in-acht te nemen. Niet met bewustheid tegenover Wouter,
+of wien ook, maar zonder zelf hiervan iets te weten, jegens z'n eigen
+vlekkelooze reinheid. Van mooi of niet mooi was dus ook by hem geen
+spraak. En meer nog: hy dacht er niet aan, hy wist het niet!
+
+--O ja, heel lief. En vroom ook, op zondag en hoogty, dàt moet
+ik zeggen! Maar de heiligheid van den huwelyken staat wou ze niet
+vatten. 't Is by ons 'n Sakrement, weetje, en dat zei ik haar. Maar ze
+was er niet mee tevreden, en wou haar trouwen uitstellen tot zy al haar
+kristenplichten beter kennen zou, zei ze. En ze vroeg of ik 'r daarin
+helpen wou? Maar haar vryer had er geen zin in en zei dat hy dat wel
+zou doen, en toen gaf ik hem 'n boek waar alles in stond. Maar, och,
+zy is na haar trouwen bleek en verdrietig en ziek geworden, en heeft
+niet lang geleefd. Kort voor haar dood liet ze nog vragen hoe Trineken
+'t maakte, en of ik de stumpert wel trouw bezocht? Nu, dit deed ik,
+en 't zal Liesje zeker plezier gedaan hebben.
+
+--En, m'nheer, bezocht u Liesje niet?
+
+--Neen, want haar man was niet heel vrindelyk als ik naar haar
+vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen, dien-i
+misschien liever niet zag. Want Liesje... kyk, de zaak was zóó. In
+'t dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander gehad had, als ze 't maar
+had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander
+van de kerk was. Ja ja, ik weet wel wie 't was, ook!
+
+--Hè? vroeg Wouter die 't ook meende te weten.
+
+--Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op
+de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen,
+stond zy aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra we naderby
+kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand die niet weten wil dat-i
+uitgekeken heeft. Zoo zyn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want
+nergens doet men zooveel menschenkennis op als op 'n simmenarie. Nu,
+dat ze-n-altyd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten, besten
+jongen! En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om
+Kruger geweest zyn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat
+zou ik ook misschien weleens gedaan hebben, want Kruger was m'n beste
+vrind, en hy hield byna net zooveel van Liesjen als ik. O, heel veel!
+
+Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelykheden, toen 't
+paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van
+de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een
+der hoofdpersonen zelf. Hy voelde wel dat Jansen eigenlyk meer verteld
+had dan-i zich veroorloofde te weten. Of wist hy meer? Gedurende
+het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De
+eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en 't spreken
+moeielyk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in
+de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselyken tocht die
+hem de oogen vol zand gewaaid had.
+
+--Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben
+moè ook. Ja, ja, ik heb vandaag al wat af gedraafd, en verlang naar
+'n zitje. Maar... wat is dáár te doen?
+
+Inderdaad, er was 'n "standje" by de aanlegplaats van de schuit Onze
+wandelaars versnelden hun stap, om er zoo spoedig mogelyk 't rechte
+van te weten.
+
+Wat my betreft, ik meen in dit hoofdstuk voldaan te hebben aan de
+belofte dat ik eens 'n staaltje van pater Jansen's preekmanier geven
+zou, en ik zeg er dit uitdrukkelyk by, om niet dezen of genen onkundige
+in den waan te laten dat-i 'n idylle gelezen heeft.
+
+
+
+
+
+
+
+ Wouter en deugdzame lezers worden teleurgesteld door Fancy, die
+ 'n lynch-vonnis kasseert. Ter vergoeding levert ze bydragen tot
+ de physiologie van zekere nyverheid, en benoemt ze Wouter tot
+ trooster van 'n diep bedroefde moeder. De lezer wordt gepaaid
+ met het stuk volksroem, waarop hy al zoo lang gewacht heeft. Of
+ Wouter Haarlem bereikt?
+
+
+--Wel, jongeheer, daar schynt wat vreemds voortevallen. Hoor me die
+vrouwspersoon eens schreeuwen!
+
+--Ja, m'nheer, ze schelden. Ik geloof zeker dat er ruzie is.
+
+De opmerking van pater Jansen was gegrond, en Wouter's geloof ditmaal
+eens byzonder goed. Er was inderdaad iets byzonders aan de hand en
+er werd gescholden.
+
+En alweer vroeg Wouter waarom die vrouw zoo schold, en "tegen wien
+ze 't had?" Hy kon aanvankelyk niet uit de zaak wys worden, en deed
+hiermee tot m'n groot genoegen z'n leermeesters by het postkantoor
+weinig eer aan. Uit de onnoozele vragen die hy tot z'n bejaarden vriend
+richtte, bleek duidelyk dat hun onderwys niet best aan hem besteed
+was geweest. En pater Jansen was nu juist de rechte man niet om hem
+behoorlyk intelichten, want er was by die schuit iets zeer gemeens te
+doen, en daarvan had-i geen verstand. Wel kende hy in z'n hoedanigheid
+van zielengeneesheer de gewone verschynselen van de ziekten die men
+hem in theologie-derde als "zonde" had leeren kennen en behandelen--de
+kursus liep, excusez du peu, in theologie-eerste tot en met genezen
+toe!--maar juist omdat-i ze slechts als zoodanig bestudeerd had,
+stond-i met de handen verkeerd, zoodra de vyand tot wiens verdelging
+hy ambtshalve geroepen was, zich in levenden lyve aan hem vertoonde,
+wat hier werkelyk 't geval bleek. De goede pater mocht van geluk
+spreken dat-i, eenigszins verlegen door de verrassing, en misschien
+ook weerhouden door de stoffeering van het tooneel dat byzonder weinig
+op 'n biechtstoel geleek, niet terstond aan 't bedokteren ging van
+de zieken die hier overvloedige blyken gaven van behoefte aan wat
+beterschap. De goede man zou zeker 'n gek figuur hebben gemaakt, en
+dit ware jammer geweest. Hy vernam by deze gelegenheid byna evenveel
+nieuws als Wouter, en ook zonder deze overeenstemming was 't opmerkelyk
+in hoevéél opzichten de indrukken die zy hier opvingen, elkander
+geleken. Jansen was in wereld- en menschenkennis ongeveer blyven
+staan op 't standpunt dat Wouter onlangs bereikt had, en alzoo steeds
+minderjarig in de boosheid gebleven. Het verschil tusschen deze beide
+kinderen bestond hoofdzakelyk hierin, dat de ontwikkelende knaap méér
+weten wilde en zichzelf beschuldigde van domheid, terwyl de volwassen
+man heel tevreden was met z'n verstandelyke toerusting. En waarom
+zoud-i niet? Hy had immers alle voorgeschreven examens achter den
+rug, en wist dus precies wat er in zake zielenherderschap kon geweten
+worden. Z'n tevredenheid sproot volstrekt niet uit eigenwaan voort,
+maar uit plichtmatig vertrouwen op de knappe luî die verklaard hadden
+dat-i behoorlyk volleerd was en raad wist met alle zonden. Hy had er
+latynsche getuigschriften van, met zegels er op. Wat wil men meer?
+
+Ik kan de meening niet deelen van sommigen die beweren dat 'n
+katholiek geestelyke zoo byzonder veel menschkunde zou opdoen in den
+biechtstoel. Het komt me voor, dat men daarby over 't hoofd ziet hoe
+moeielyk het is zichzelf te schetsen, en dat de biechteling, ook by de
+hoogstdenkbare oprechtheid--volkomen oprechtheid is onmogelyk!--slechts
+daden en feiten kan openbaren. Vanwaar immers zou hy de psychologische
+ontwikkeling halen, die niet ontbeerd worden kan door iemand die al
+de schakeeringen van de roersels zyner handelingen uit elkaar wil
+houden? En vanwaar de welbespraaktheid om die duidelyk blootteleggen
+voor 'n ander? Waarlyk, wie dit kan, knielt niet naast 'n biechtstoel
+om de geheimen van z'n ziel toetefluisteren aan 'n priester! Niet
+voor dezulken is de oorbiecht uitgevonden, en niet voor hèn wordt ze
+in-stand gehouden. Wie dit betwyfelt, lette eens op den graad van
+verstandelyke ontwikkeling waarmee 't meerendeel der geestelyken
+blykt te kunnen volstaan. Er hing me hier 'n beeld in de pen,
+waarmee ik 't verschil in soort van hun werkzaamheid wilde schetsen,
+doch ik houd het terug. 't Was iets als 'n vergelyking tusschen den
+Schwartzwalder boer die houten klokjes snitselt, en den fabrikant van
+fyne zakuurwerken te Genève. Deugt niet, deugt niet! Er is hier geen
+spraak van 't onderscheid tusschen grof en fyn, niet eens zelfs altyd
+van meer of minder ingewikkeldheid der organismen. Op 't oneindig
+wyd gebied van menschkunde heerschen àndere verschillen! Reeds
+zeer lang geleden zagen we hoe tevreden pater Jansen was over
+Femke's ziel--geen Schwartzwalder snitselwerk, op m'n woord!--en
+onlangs stelde ik den lezer in de gelegenheid 'n brok theologischen
+kursus bytewonen, door hem in kennis te brengen met Styntje. Hoe
+gelieft men nu den toon te noemen, waarop die beidie personen zich
+uitlieten over zaken die door anderen slechts werden behandeld met
+konynenmondjes en in pontifikaal! Ondeftig was die toon, o zeker! Maar
+toch--en ik bedoel dit in zéér hoogen zin--onaesthetisch, grof,
+onzedelyk dus, was die toon niet! Er was hart in, en kinderlykheid,
+en overtuiging. De uitdrukkingen die pater Jansen en z'n dienstbode
+zich veroorloofden... och, ze wisten niet dat er iets te veroorlooven
+viel! Van kinds-af vereenzelvigd met hun naïf geloof, bespraken zy
+de dingen die daarmee in verband stonden, met dezelfde gemakkelykheid
+als andere belangen van hun huishoudentje, en Styntje's tevredenheid
+over 't vereffenen der schuld van haar moeder was van gelyke soort
+als haar voldoening zou geweest zyn over 't wèlslagen van ingemaakte
+zuurkool. 't Spyt me dat ik op 't oogenblik niemand tot getuige roepen
+kan die haar aankomst in den hemel heeft bygewoond, maar we mogen ons
+verzekerd houden dat ze by die gelegenheid even onbevangen gevraagd
+heeft: "wel, waar is ze nu... m'n moeder? Ze weet immers dat ik alles
+krek in-orde heb gebracht?" als ze Wouter opdroeg haar teerbeminden
+pater te beschermen tegen z'n goedgeefsheid. En ook hyzelf was er
+de man niet naar, om z'n God en goddelyke dingen terugstootend te
+maken door deftigheid. Z'n geloof en al wat daaruit voortvloeide,
+was hem de meest dagelyksche zaak van die wereld.
+
+Maar... die wereld-zelf kende hy nu eenmaal niet! Hy wist er niet
+veel meer van dan z'n biechtelingen hem konden of wilden meedeelen,
+en deze zeer gebrekkige inlichtingen namen nog bovendien steeds
+de kleur aan van z'n eigen schuldeloos gemoed. Elk bedreven kwaad
+scheen hem 'n ongeluk toe, en de vermaningen die hy uitsprak of de
+boetedoening die hy soms meende te moeten voorschryven, geleken meer
+op 'n vriendschappelyk toegediende hartsterking dan op berisping
+en straf. 't Was waarlyk geen wonder dat-i niet recht vatte wat er
+by die haarlemmer-schuit verhandeld werd! Een der hoofdpersonen in
+het drama-bedryf dat hier werd afgespeeld, de vrouw die door haar
+luidruchtigheid en gemeenen opschik de aandacht van 't publiek tot
+zich trok, was te Amsterdam geweest om wat koopwaar optedoen voor haar
+winkel te Haarlem. Die koopwaar bestond in 'n tweetal... meisjes,
+neen--twee "meiden" zeg ik ook niet graag--uit twee jeugdige
+vrouwspersonen dan, die ze door geschenken en de voorspiegeling van
+'n lui leven tot zich had weten te lokken. Wat ik hier "geschenken"
+noem, was in werkelykheid 'n driedubbel geboekt woekervoorschot. En
+"ze had het zwart op wit" zei ze, op haar dy slaande, waar de kostbare
+dokumenten geborgen schenen die haar woorden konden bevestigen. Deze
+bewysvoering was tegen de moeder van een der beide schepseltjes
+gericht, die lucht van de zaak gekregen, en gezorgd had vóór 't afvaren
+van de schuit daar te zyn. 't Woord "moeder" klinkt liefelyk, en de
+goedige lezer verwacht dat de vrouw zich daar bevond om haar kind te
+ontrukken--"zoo noemt men zulks" zou Stoffel zeggen--aan de klauwen
+des verderfs... och, ik ben daar jammerlyk op 'n boekenfraze verzeild
+geraakt. Dat komt er van, als men z'n schryftafel zoo vol modellen
+heeft liggen! [27] Die "moeder" was doodeenvoudig daargekomen om 'n
+aandeel te vorderen in 't reeds genotene, en vooral om 'n aandeel
+te bedingen in de toekomstige winst. Het toegeschoten publiek was
+verontwaardigd, of toonde zich zoo, en verdeelde de uiting van z'n
+misnoegen vry gelyk tusschen de moeder en de waardin. Deze beiden
+aan 't kyven! De twee rekruten zwegen, maar toch kon 'n opmerkzaam
+toeschouwer te weten komen wie van de strydvoerende partyen met
+haar sympathie vereerd werd, en wel door de plaats die zy innamen,
+of die ze trachtten te hernemen als ze voor 'n oogenblik vandaar waren
+weggedrongen. Blykbaar schaarden ze zich, zoowel in overdrachtelyke als
+in letterlyke beteekenis van 't woord, aan den kant der waardin. En er
+was reden toe! Deze had "so werachtich as Chot" niets minder verzekerd
+dan dat haar kontubernaaltjes 's morgens zoo lang konden slapen als ze
+maar verkozen, en 's avends zouden ze onthaald worden op jenever met
+suiker... als ze maar 'n "heer" wisten te bewegen die versnaperingen
+voor zyn rekening aan 't buvet te bestellen. Nu, hiertoe meenden de
+meisjes kans te zien. Maar 't zou haar tegenvallen. Ze overschatten den
+invloed en den markt-prys van haar bekoorlykheden--de goedkoopste zaak
+ter-wereld!--en ook wel 'n beetje de mildheid van de "heeren." Maar
+de beminnelyke waardin liet haar aanstaande voedsterlingetjes in
+den waan dat er met nagebootste huurliefde terdeeg wat 'te verdienen
+viel. En er werd nog meer beloofd. Ze zouden Krelien en Sefie heeten,
+en door de meid "juffrouw" genoemd worden. Om 'n voorsmaak van die
+heerlykheid te geven, en tevens van den toon die in haar etablissement
+heerschte, sprak 't wyf gedurig van haar "dames." Wat kon, tegenover
+zulke schitterende aanloksels, de moeder bieden, zy die maar 'n arme
+werkster was? Ik weet wel dat sommige boekenluî 'n antwoord op deze
+vraag gereed hebben. Ze spreken by zulke gelegenheden van tucht,
+reinheid van ziel, eer, gemoedsrust, moederlyke teederheid... och,
+onze beide Kaatjes hadden liever jenever met suiker! Maar ik moet
+er by zeggen dat de keus haar niet zóó moeielyk gemaakt werd, als
+de papiermoralisten van zoo-even wel denken zouden, want de moeder
+hield zich met al die roerende dingen niet op. Ze reklameerde haar
+deel van de zaak, en eischte vóór alles 'n bonten voorschoot terug,
+dat ze volgens haar beweren aan haar dochter geleend had.
+
+--En zal ik er nou dàt niet eens van hebben, riep ze, dat ik m'n
+eigen goed weerom kryg? Hy heeft me drie skelling en 'n oortje gekost?
+
+Er van? Wáárvan, o vrouw? Wáárvan? Ik vraag u, wáárvan? Nu, dit kon
+háár niet schelen, en:
+
+--Dat kan my niet schelen, schreeuwde ook de waardin. Mensch,
+je moest je schamen, dat moest je! Wel ja, wat zeg jylui--dit was
+'n beroep op de kiesheid van de omstanders, die deze onderscheiding
+ten-volle verdienden--wat zeg jylui? Is 't geen schande dat 'n moeder
+haar eigen kind 'n standje komt maken om 'n boezelaar?
+
+--Ik wou maar dat we-n-afvoeren, zuchtte een van de Kaatjes. Wat
+treuzelt die schipper!
+
+--Drie skelling en 'n oortje, zoo waar as er 'n God in den hemel is,
+op de Numàrt in den bontjeswinkel! Geef hier, m'n goed! 't Is myn goed,
+zeg ik je! Geef hier!
+
+Een poging om 't betwist voorwerp met geweld machtig te worden,
+mislukte. Op-eens wendde de teedere moeder de zaak over 'n anderen
+boeg. Ze trachtte haar stem aandoenlyk te maken, en huilde:
+
+--Heb ik je dáártoe opgebracht?
+
+Wel zeker! Waartoe ànders, o teedere moeder?
+
+--'t Is om te besterven, menschen, dat is het! En zeg, wat zal je
+vader daarvan zeggen?
+
+--Nou, laat er je man maar buiten, zou ik je raden! Die zit hoog en
+droog in de rooie zaagsel. [28] Wat zeg jy, Ka?
+
+Kaatje bevestigde de zaak wel niet uitdrukkelyk, maar gaf toch
+'n antwoord dat heel weinig op verontwaardigde ontkenning geleek,
+door op-nieuw moeite te doen om zich van haar moeder te verwyderen,
+en 'n veilig plaatsje te krygen achter de waardin. Deze haastte zich
+'n zegel op de beteekenis van Kaatje's manoeuvre te zetten:
+
+--Wel ja, meid, 'n woord 'n woord, 'n man 'n man, niet waar? En... ik
+heb ommers al de papieren in m'n zak. Wat zeg jyluî? Een mensch kan
+toch niet meer verlangen als zwart op wit!
+
+De vrouw had weer op haar dy geslagen, en scheen antwoord te
+wachten. Er gingen dan ook uit het publiek eenige stemmen op, maar ze
+getuigden van verdeeldheid der meeningen. Wel hoorde men hier-en-daar:
+"zieje, 't is toch altyd haar moeder!" maar ook toonden sommigen
+zich verontwaardigd over de vreemde soort van 't moederschap dat hier
+vertoond werd. Een stemming by zittenblyven en opstaan kon moeielyk
+verordend worden, omdat de heele zaak in de letterlyke termen van 'n
+"standje" viel. Bovendien, de strydvoerende partyen wachtten zich wel
+'n beroep op de meerderheid te doen, voor ze met eenige zekerheid
+berekenen konden die meerderheid op haar hand te hebben. En hiertoe
+bestonden aan geen van beide zyden voldoende gegevens. Velerlei
+scheldwoorden rezen uit de vergaderde menigte op, maar 't viel
+moeielyk te beslissen tot wie ze gericht waren, omdat ze meestal nogal
+toepasselyk konden geacht worden op ieder van de vier vrouwspersonen in
+'t byzonder. De hieruit voortspruitende verwarring bewees hoe groot
+de behoefte was--ook zelfs in de laagste standen der Maatschappy--aan
+eenig besef van onderscheid tusschen schelden en beschuldigen.
+
+--M'n drie skellinge wil ik hebben, kryschte de vrouw, terwyl ze
+trachtte haar dochter by den voorschoot te grypen. Ik wil m'n geld,
+m'n drie skellingen, of anders...
+
+Haar schreeuwen herinnerde Wouter aan de wanhoop der edele Hersilia
+over die verloren zeven gulden dertien, en langs de rails van al wat er
+sedert 'n etmaal weer met hem was voorgevallen, liep z'n herinnering
+uit op de vyftig guldens die hy in z'n zak had. "Als hy eens die arme
+vrouw aan 'n nieuw voorschoot hielp? God zou 't zeker weer niet doen,
+en daar er nu toch eenmaal in 't helpen iets goddelyks ligt:
+
+--Wat dunkt u, m'nheer? vroeg-i aan pater Jansen?
+
+--Ik ben erg bedroefd over die menschen, zei de goede man.
+
+--O zeker, m'nheer! Maar... die boezelaar? Drie schellingen is nog
+geen volle gulden, en als wy nu eens...
+
+--Dat mag volstrekt niet, jongeheer! Het doet my in de ziel leed dat
+die menschen op zoo'n verkeerden weg zyn--want dit moet ik er haast wel
+van gelooven--maar 't geld dat je by je hebt, is je niet gegeven om...
+
+--M'n drie skellinge, huilde het wyf, of anders ten-minste m'n
+kind weerom!
+
+Dit "ten-minste" was verrukkelyk! Zal er misschien straks blyken dat
+prinses Erika onzen Wouter die vyftig guldens geschonken heeft om
+'n radelooze moeder weer in 't bezit van haar verloren kind te stellen?
+
+--Ze is heel ongelukkig, m'nheer... hoor maar! Och, wat komt er nu voor
+òns die ééne gulden op aan? En... 't is nog niet eens 'n volle gulden!
+
+--We mogen 't heusch niet doen, jongeheer! Kom, kom mee in de
+schuit! Ik word er koud van, en kan 't heusch niet langer aanzien.
+
+'t Scheen wel dat pater Jansen z'n eigen standvastigheid wantrouwde
+en de verlokking ontvlieden wou. Maar hy aarzelde. Ook Wouter volgde
+slechts heel langzaam, en niet zonder telkens opnieuw, by z'n geleider
+aantedringen op interventie.
+
+--Wat is voor òns 'n enkele gulden, m'nheer!
+
+Kyk me-n-eens zoo'n kleine rykaard! Jansen antwoordde niet, bleef
+weer staan, en scheen te weifelen. De vrouw die met 'n eigenaardig
+armeluî's-instinkt iets bemerkt had van wat er tusschen die twee gaande
+was, vond het raadzaam van tekst en toon te veranderen, en begon te
+jammeren over de drie "wurmen die ze thuis had, en die nu zouden moeten
+vergaan van ongemak en kou." Inhoever deze verdrietige omstandigheden
+'t gevolg konden wezen van Kaatje's wangedrag, of van 't bankroet dat
+ze aan haar boezelaar leed, liet zy onopgehelderd. Toch had vooral de
+beweerde plotselinge temperatuurverlaging van die "wurmen" zoo in 't
+hartje van den zomer, best eenige meteorologische toelichting kunnen
+gebruiken. Maar hiernaar werd door de tegenparty niet gevraagd. Zoowel
+de waardin als anderen uit den hoop beantwoordden haar klachten slechts
+met onwetenschappelyke scheldwoorden, doch tereere van 't stukje
+publiek dat hier vergaderd was, moet ik erkennen dat ook de koopvrouw
+uit Haarlem niet verschoond werd. Haar beroep leverde overvloedige
+stof tot schimp en smaad. Maar 't scheen dat ze de uitdrukkingen
+waarmee men haar zedelyk en maatschappelyk standpunt kwalificeerde,
+wel eens meer gehoord had, en niet gewoon was flauw te vallen om 'n
+beetje schande. Tartend, en als om te pronken met haar ongedeerdheid,
+bauwde zy de scheldwoorden na die men haar naar 't hoofd wierp,
+en wanneer daarin zekere eentonigheid begon te heerschen, omdat de
+voorraad wat klein bleek in verhouding tot den duur van de scène,
+hielp zy de schreeuwers op den weg door 'n sarrend: "nou mot jelui dàt
+weer 'ns zeggen!" of: "ik heb in lang niet dàt of dàt gehoord, koman,
+bedenk jelui je nou 'reis goed of je niet ereis wat nieuws weet!" Deze
+betrekkelyke kalmte prikkelde tot opwinding, en op zeker oogenblik
+nam de afkeer van haar ellendig bedryf zoo de overhand... neen, dit
+is onjuist, men werd zóó boos over de onverschilligheid waarmee ze
+'t schelden opnam, dat de moeder hoop begon te scheppen. Het blyft 'n
+raadsel wat die vrouw eigenlyk van plan was met haar "kind" aantevangen
+als 't bevryd wezen zou uit de handen van de waardin, doch zonder
+zich hierover te bekommeren begon de meerderheid haar bytevallen.
+
+Wouter zou weer ruimschoots in de gelegenheid geweest zyn de
+psychologie van de massa te bestudeeren, als-i niet te zeer vervuld
+ware geweest van z'n zucht om... ja wat? Hy wou helpen, redden,
+te-rechtbrengen, hy wou iets doen. Wel ja, 'n mensch heeft niet alle
+dagen twintig ryksdaalders in z'n zak! En niet dikwyls valt zoo'n
+schitterend standpunt samen met 'n drama als hier vertoond werd, noch
+met de akeligheid waarmee 't--niet gansch onverhoopt, om de waarheid
+te zeggen--straks dreigde of beloofde te sluiten. Er werd namelyk
+geroepen: "te-water!" en dit woord klinkt vreeselyk in de ooren van
+'n hollandsch jongetje, opgebracht in de vreeze voor kou-vatten en
+den wallekant!
+
+--Te-water, allo, dat wyf de vaart in, sebit! En die meiden na huis!
+
+Naar huis, o onbesuisde menigte? Naar wèlk huis? Naar de krotten waar
+ze onder opzicht komen zouden van zulke moeders? Ik ben overtuigd dat
+geen myner lezers, indien hy 't hier beschreven voorval had bygewoond,
+zich met die hoogst onfatsoenlyke zaak zou bemoeid hebben. Maar,
+lezer, gesteld eens dat ge hadt moeten stemmen? Zoudt ge in-gemoede
+hebben durven roepen: die meisjes naar huis? Men behoeft waarlyk
+niet zoo onnoozel als pater Jansen te wezen, om verlegen te zitten
+met de keus tusschen twee hellen. En wat het lynch-vonnis tegen die
+waardin aangaat... onze Maatschappy--hier niet byzonder oneigenaardig
+vertegenwoordigd door 'n troep gemeen--is wel zonderling! Het schepsel
+dat men hier te-water wilde dringen, was een van háár leden, en 'n
+lid ook van 't gild dat diezelfde Maatschappy blykens eeuwenlange
+ervaring nooit heeft kunnen ontberen. Waarom nu, als zoo'n onmisbaar
+meubelstuk onzer beschaving zich in 't openbaar vertoont, op-eens
+zooveel verontwaardiging voorgewend? Verbiedt niet de wysheid der
+volkeren 't schenden van z'n aangezicht? Bedenk toch, o preutsche
+Maatschappy, dat zoo'n winkelierster in ontucht een uwer meest
+vooruitstekende neuzen is!
+
+--Te-water met dat wyf, werd er weer geroepen, de vaart in!
+
+Er viel optemerken dat de hevigheid van dit geschreeuw in omgekeerde
+rede stond tot de nabyheid van de plek waar de bedoelde exekutie
+zou plaats hebben, en hieruit bleek dat de verst-afstaanden 't meest
+verontwaardigd, d. i. de deugdzaamsten waren. We mogen aannemen dat ze
+zich in hun braafheid wel 'n beetje gesterkt voelden door de betere
+kans zich snel uit de voeten te maken, zoodra het deugd-zoenoffer
+zou liggen te spartelen in de Haarlemmer-vaart Ieder weet immers dat
+niets op aarde onvermengd is, tot en met de courage van de braven
+toe? Hierop scheen de waardin dan ook te rekenen, want ze gaf weinig
+blyk van angst, en de uitkomst bewees dat ze gelyk had. Het doet
+me leed dat ik den lezer, die waarschynlyk braaf is, en--als die
+verst-afstaanden!--met fatsoenlyk verlangen uitziet naar de zegepraal
+der deugd, eenigszins moet teleurstellen. Het wyf werd beschimpt
+en gehoond, maar... ze bleef droog. Wie er spyt van heeft, trooste
+zich met de kameraadschap van Wouter, die by mangel aan ander emplooi
+van moed, gulheid en goeden wil, zoo byzonder graag eens iemand uit
+het water gehaald had. "'t Komt zoo zelden voor!" mymerde hy, en dit
+vind ik ook. Het redden van drenkelingen moet 'n vervelend vak wezen,
+tenzy men er compérage by te-pas brengt, en hieraan werd noch door
+Wouter noch door 't kandidaat-offerlam gedacht.
+
+Wel ver van zich op 't altaar der zedelykheid te laten zoen-offeren,
+noch zelfs blyk te geven dat ze zich rechtens als de zwakste
+beschouwde, dreigde de waardin met de policie.
+
+--Wel nou nog mooier! Jy, schandvlek, wou jy de policie roepen jy? Je
+mag God danken dat er geen diender in de buurt is, jy, die hier de
+meissies komt verdibbeseeren!
+
+--Ik heb 't zwart op wit, schreeuwde zy weer. En, als er policie was,
+zou ik 't jelui laten zien!
+
+Wàt? Haar dy? Neen, denk ik. Dat ze in haar recht was? Dit ook wel
+niet, maar toch was de kans dat de vertegenwoordigers der autoriteit
+haar niet geheel-en-al in 't ongelyk zouden gesteld hebben, grooter
+dan sommigen wel meenen. [29]
+
+De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad
+uit de dagen waarin m'n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich
+redde door den kreet: "als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik
+m'n kerel stemmen voor X!" Dit was gelogen, anakronistisch gelogen,
+gelyk dan ook slechts van 'n blad dat tot... die andere party
+behoorde, te verwachten was. Nooit zou men zoo'n afschuwelyk laag
+verzinsel vinden in 'n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy,
+'n leugen wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het
+kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis
+is geworden na 't uitsluiten van de arme drommels die zich moeten
+tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. Onze Maddam dééd
+niet aan staatkunde, en dit is 't slechtste niet wat ik van haar zou
+kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes by den arm,
+en duwde haar naar 't gapend luikje van de schuit. "Allo, d'r in,
+as 'n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo,
+d'r in, en jy ook!" Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje
+ingescheept. De schuit wiegelde by 't opstappen en dreunde by 't
+neerkomen op den vloer van 't ruim. Van onwil bleek er niets. De
+bedroefde "moeder" die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog
+verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog
+iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas 'n
+krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren
+natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers
+te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? Wou ze
+'t slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och,
+neen, op eer en roem was ze in 't minst niet gesteld, maar er viel voor
+haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of er van
+dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter's aandringen by
+Pater Jansen om voorzichtigheidje te spelen had haar aandacht gewekt,
+en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die beide personen uit het
+oog verloor, 'n oplettendheid die rechtstreeks tot de eischen van haar
+"vak" behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts 't uitvloeisel
+van gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de "radelooze moeder" nogeens
+ter-markt te komen met haar radeloosheid:
+
+--Hi, hi, hi, m'n arm kind!
+
+Wouter vroeg weer aan z'n begeleider, of er dan van hunnentwege
+volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen?
+
+--M'n arm kind! En... m'n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m'n
+boezelaar weerom had!
+
+Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter's gedachten.
+
+--Drie skelling en 'n oortje!
+
+Weer rekende Wouter z'n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden
+bedroeg.
+
+--Och, m'nheer, nog niet eens 'n volle heele gulden! Wat scheelt òns
+die eene gulden?
+
+De waardin en de moeder bespiedden om 't zeerst wat er tusschen die
+twee broeide.
+
+--Hoor eens, jongeheer, 't mag niet, zei Jansen, 't mag waarlyk
+niet! Maar...
+
+--Toe, asjeblieft, m'nheer!
+
+...dan zal ik 't er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld schryven aan
+m'n broer te Vucht. Maar gauw dan, 't is geen pleizierig staan hier.
+
+Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde
+'t grauwlinnen zakje waarin z'n geld geborgen was voor den dag, had
+'n beetje tyd noodig om den styf in-een-gedraaiden hals te laten
+ontkrinkelen...
+
+De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid
+van de wenteling. Maar... 't kon kopergeld wezen? Neen, Wouter haalde
+een ryksdaalder voor den dag.
+
+--Hi, hi, hi, m'n arm kind!
+
+De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om de
+oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de "drie
+skelling" sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen
+jongeheer op de gedachte te brengen dat 'n ryksdaalder méér bedroeg
+dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste
+regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde
+dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar "verloren kind"
+'n onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met
+'n schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met
+open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i
+wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te
+hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten
+verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf 'n verrassing
+toen hy op-eens--in-godsnaam, 't moest wel!--zich aanstelde alsof
+'t wel werkelyk z'n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder
+te offeren op 't altaar van... van... ja, van wat eigenlyk?
+
+--God zal 't je duizendmaal loonen, jongeheer!
+
+--Dat 's vier zak guldens, en nog 'n beetje toe! riep 'n rekenaar
+uit den hoop.
+
+--Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m'n arm kind
+worden?
+
+Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de
+zedelyke toekomst van dat "arme kind" eenigszins te verbeteren,
+door de jammerende moeder 'n tweeden ryksdaalder aantebieden.
+
+'t Was waarlyk Wouter's verdienste niet dat-i ditmaal bewaard bleef
+voor 't verergeren van de reeds begane fout. Hy hoorde mompelen:
+"nou, voor twee-gulden-tien levert ze-n-'t heele nest dat ze thuis
+heeft" waarmee waarschynlyk de ons reeds eenigszins bekende "wurmen"
+bedoeld werden. Deze taxatie kwam ons weldoenertje liefdeloos en
+onhoffelyk voor. Opgewekt tot verzet tegen de "massa" die natuurlyk
+met luid gelach den uitval toejuichte, wilde hy... zou hy... och,
+'t kwam er niet toe. Pater Jansen stond in den stuurstoel te wenken,
+de schipper nam zyn plaats by 't roer in, de knecht maakte het touw
+los waaraan de schuit had vastgelegen, en z'n "aan-boord, wie mee
+mot!" maakte aan de vertooning 'n eind. Onder luid spotgejuich van de
+menigte op den wallekant, gleed de schuit heen. De waardin had heel
+fatsoenlyk plaats genomen in de roef, misschien wel om den edelmoedigen
+jongeheer in 't oog te houden, schoon men ook zonder deze strategische
+byzonderheid erkennen moet dat haar middelen zoo'n gedistingeerdheid
+wel veroorloofden. 't Scheen haar alweer niet erg te hinderen dat de
+personen die ze in dat hokje vond, ruimer plaats voor haar maakten dan
+stipt gezegd noodig was. Elk ander zou zich beleedigd getoond hebben
+over de verregaande inschikkelykheid waarmee ze ontvangen werd. Maar
+zy? Onze twee helden hoorden haar by 't binnentreden zeggen: "ook
+goed! Beter zóó, dan allemaal op 'n hoop, lieve menschen! Wie zweeten
+wil, kan z'n gang gaan, maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?"
+
+Dit vraagje werd gericht tot den état major die in den stuurstoel
+zat, en ik zou 't overgeslagen hebben als 't me niet te-pas kwam om
+'n opmerking te maken over den oorsprong van de Vrymetselary. Van:
+vrymetselary liever, zonder lidwoord. Ik vind het wel zonderling dat
+men nog altyd daarnaar zoekt, alsof 'n aanleiding die zich dagelyks
+aan onze oogen vertoont, en die zoolang bestaan heeft als er menschen
+op de aarde wonen, eenmaal in nauwkeurig bepaalbare omtrekken 'n
+historische gebeurtenis zou geweest zyn. Elke Nyl moet, volgens
+zeker soort van volksvoorgangers, z'n byzondere bronnen hebben die
+men met den vinger op de kaart kan aanwyzen, en uit valsche schaamte
+voor den leerling die er naar vraagt, wil men maar niet erkennen
+dat die bronnen heel eenvoudig in de wolken liggen. Waarom zou een
+der tallooze waarneembare spruitjes die 't hunne bydragen om zoo'n
+rivier te maken tot wat zy is, meer dan elk ander beekje, meer dan elke
+àndere vereeniging van doorgesypelde druppels, den naam van eigenlyke
+bron verdienen? Zoo bestaan er veel vraagstukken welker oorzaak van
+bestaan... 'n vraagstuk behoorde te zyn, of niet eens 'n vraagstuk. We
+kunnen de oogen niet opslaan zonder Wording waartenemen, en toch blyft
+men nog overal droomen van 'n Schepping. 't Lykt wel of zekere natuur-
+en geschiedfilozofen hun beroep leerden op 'n registratiekantoor,
+en vandaar de meening meebrachten vóór alles geroepen te zyn de
+wereld-akten van 'n vasten datum te voorzien. Het boekdrukken, 'n
+hoogstbelangryk vak zeker, maar slechts in zeer letterlyken zin van
+'t woord: 'n Kunst, het "stichten" van steden, de volksverhuizingen...
+
+Hola, we zyn er! En 'n behoorlyke date certaine hebben wy ook. Wel
+zeker, de lieftallige herderin was aan 't volksverhuizen met haar
+twee veroverde schapen, en men schreef: haarlemmer kermis, den
+zooveelsten dag. Ziedaar registratie! Och, ik moet wel korrekt tewerk
+gaan. Vanwaar anders dan uit 'n deugdelyk vastgestelden kermistyd zou
+ik den orgelman bekomen, die straks langs de vaart over den weg moet
+sukkelen om op 't juiste oogenblik onze Maddam te-hulp te komen in
+haar natuurvrymetselary? Er is veel talent noodig om dit uitteleggen
+aan lezers die 't niet zonder uitlegging verstaan. Vooreerst gelieve
+men te begrypen dat er op den ganschen weg, althans zoover 't oog van
+onze reizigers reikte, geen orgelman te zien was. Niets natuurlyker. De
+man was met de zynen--waaronder z'n gewichtig instrument--'n vol uur
+voor 't afvaren der schuit van Amsterdam vertrokken, en 't spreekt
+dus vanzelf dat men hem nog niet had ingehaald. Zonder loggen of
+zonschieten kan nu de lezer vry precies berekenen hoeveel geografische
+zoetwater-ellen door ons vaartuig waren afgelegd, toen de edele vrouw
+die betuigd had van ruimte te houden, aan 't stuurstoelpersoneel
+vroeg: of 't niet waar was? Strikt genomen hadden Jansen, Wouter
+en de schipper 't recht gehad, hierop te antwoorden dat ze 't wel
+gelooven wilden maar niet met zekerheid wisten. Inderdaad, men moet
+niet alles voor waar aannemen wat er door den eersten den besten
+gezegd wordt. Die vrouw kon booze redenen gehad hebben om 't publiek
+in 'n verkeerden waan te brengen omtrent haar opinie over zweeten en
+benauwdheid. Maar, och, ons drietal dacht zoo diep niet na. Jansen was
+te bedroefd om te spreken, en Wouter te zeer vervuld van... iets dat op
+'n aventuur geleek, om zoo terstond te kiezen tusschen twyfel, geloof
+en ontkenning. Wat den schipper aangaat, hy hééft geantwoord. Maar,
+lezer, zoolang ik u niet meedeel wàt de man zei, is 't voor u alsof-i
+niet geantwoord had, en ge hebt dus 't recht, u voortestellen dat de
+schuit 'n haarbreed verder was dan op 't oogenblik toen de belangryke
+vraag gedaan werd. Hoe kan 't na deze opmerkingen iemand in 't hoofd
+komen, te meenen dat men dien orgelman reeds had ingehaald? Haasten
+laat ik me zoomin als 'n haarlemmer-trekschuit zelf. De schipper
+heeft geantwoord, o ja, maar ik ben aan 't woord over de vrymetselary,
+en dat gaat vóór. Hoe kan 't anders, daar juist de vraag "of 't niet
+waar was, dat ze van ruimte hield?" my de opmerkingen in de pen gaf,
+die nu--misschien niet eens terstond--zullen volgen! Zou ik tuchteloos
+genoeg wezen my met het antwoord te bemoeien voor ik de vraag heb
+afgehandeld? Zulke kapriolen...
+
+Die orgelman dan was door Fancy besteld om zich niet voor 't juiste
+oogenblik te laten zien, en we zouden verkeerd doen haar beschikkingen
+vooruit te loopen, vooral wanneer we door geduldig wachten gelegenheid
+vinden iets zeer wetenswaardigs te vernemen over den oorsprong van
+vrymetselary. Waar de bronnen van den Nyl zyn, heb ik reeds gezegd,
+en als ik nu ook dat andere ophelder zal de billyke lezer erkennen
+dat ik niet gierig met nieuws ben, schoon 't wel wat veel is voor
+één hoofdstuk.
+
+Eilieve, wat ter-wereld bewoog die waardin tot de vraag: "of 't
+niet waar was?" Weetgierigheid? Om-godswil, hoe konden Wouter en
+de schipper, of zelfs Jansen die 'n "gestudeerd" persoon was, meer
+van de zaak weten dan zyzelf? 't Mensch was wel zoo oud als ik, dat
+heel erg is, schoon ik tot eer van haar Publiek erkennen moet dat ze
+'t veel verder dan ik in de wereld gebracht had. Maar, gewaardeerd
+of niet, men wordt geen zeven-en-vyftig jaar zonder ruimschoots
+tyd te hebben tot beoordeeling van de vraag of men aan ruim- of
+nauw-zitten de voorkeur geeft. Waarom in deze zaak de meening van
+anderen ingeroepen? Hoe zou ze 't opgenomen hebben, als een van
+de drie haar geantwoord had: "ik ben 't volstrekt niet met u eens,
+juffrouw. U houdt meer van benauwdheid, want de groote die of die
+heeft gezegd... enz?" Ik doe de werkelykheid geen geweld aan, door te
+veronderstellen dat zoo'n tegenspraak niet zou gewaagd zyn zonder
+beroep op den bekenden grooten dichter die frazen geleverd heeft voor
+alle gelegenheden. Ik vraag my af wat ikzelf op haar nederig verzoek
+om inlichting zou geantwoord hebben indien ik in dien stuurstoel had
+gezeten? Maar ik kan me de mogelykheid daarvan niet voorstellen omdat
+ik op dat tydstip niet geboren, en alzoo nòg onbekwamer was dan nu in
+'t oplossen der vraagstukken van zoo aetherischen aard als waartoe
+afkeer van benauwdheid schynt te behooren. Er is geen woord van waar,
+van deze klassifikatie, bedoel ik, want op m'n volstrekte onbekwaamheid
+om vóór m'n geboorte meetepraten, valt niets aftedingen. En ongeboren
+wàs ik. Er liggen honderd twee en zeventig genien tusschen myn
+eersten kreet en 't laatste woord van die waardin. De lezer weet
+dat er in Nederland dertien genien op 'n maaneklips gaan, en kan
+dus nu precies uitrekenen wanneer ik jarig ben. Men wordt verzocht
+de miskende meetetellen, anders zou men tot de slotsom komen dat ik
+nog in de wieg lig.
+
+--Maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?
+
+Mensch, waarom vraag je dat? Is 't uit wysbegeerte? Heb je aan
+duitsche filozofie gedaan, en wil je misschien de eigenschappen van 't
+leelyke ding an und für sich dat je--met permissie--je ikheid noemt,
+objektievelyk onderwerpen aan de subjektieve reinen-vernunftskritiek
+van den haarlemmer-schipper die z'n pyp stopt?
+
+--Asjeblieft, schippertje!
+
+Zoowaar, ze wil hem den koperen vuurbak aanreiken, waarin 'n turfkool
+ligt te glimmen, voor verstuiving bewaard door 'n deksel van messing,
+voor uitdooving ook door vyf ronde gaten, juist groot genoeg om
+aan pypekoppen den toegang open te laten naar 't vuur. Toegang? 't
+Mocht wat! De schipper, deugdzaam, griffermeerd en verontwaardigd,
+vader van zes gehuwde kinderen, antwoordde ditmaal niet. Hy haalde
+'n tondeldoos uit z'n zak, nam de roerpen onder den oksel, en bikte
+z'n eigen vuur. Was er geen konsekwentie in dat waardig gedrag van den
+haarlemmer-schipper? En is 't billyk, my te verwyten dat ik by-voorkeur
+beelden teeken die thuis hooren op laag terrein? Kan men zich iets
+verheveners voorstellen dan die tondeldoos en dat vuurslaan voor eigen
+rekening--als schryver zou de man 'n gek figuur gemaakt hebben!--terwyl
+hy de hand maar hoefde uittesteken om met z'n pyp den koperen cylinder
+te bereiken die hem zoo gul... neen, zoo verleidelyk werd aangeboden
+door de ondeugd? Of, al ware het dat-i met z'n grootkop zou te-kort
+geschoten hebben om 't altaar te bereiken dat de valsche Vestale hem
+aanlangde, zou niet Wouter, de hulpvaardige by-uitnemendheid, het
+vaasje met de meest mogelyke toewyding hebben vastgehouden? Meent ge,
+lezer--gy die 'n man van ondervinding en oordeel zyt, en bovendien
+als Christen bedreven in de geheimenissen der demonologie--meent ge
+dat ooit aan 'n haarlemmer-schipper die op 't punt staat z'n eerste
+pyp aantesteken...
+
+Ze waren alzoo pas by de Eén honderd Roe, of ter-nauwernood zoo
+ver. Alweer 'n bewys dat die orgelman nog niet "in-zicht" kon
+wezen. Finaal onmogelyk!
+
+... meent ge dat ooit de Satan zich aan zoo'n schipper aanlokkender
+kan vertoond hebben dan in de warme gedaante van 'n gloeiende kool? En
+tòch deugdzaam! Tòch konsekwent!
+
+Deugdzaam? Ja. Maar wie van konsekwentie spreekt, heeft alweer slordig
+gelezen. Hoe kan men weten of 's mans pyp-opsteken voor eigen rekening
+en risiko, in overeenstemming kan gebracht worden met het antwoord
+dat de vrouw zoo-even van hem moet gekregen hebben, zoolang men van
+dat antwoord geen kennis draagt? Overyling... uw naam is lezer! Stel
+dat-i gezegd had: "Eulalia, ik bemin u meer dan m'n schuit!--en nog
+altyd weet geen sterveling of-i wat anders zei--zou 't dan niet van
+onvergeeflyke harteloosheid getuigd hebben, als-i zoo kort daarop
+Eulalia's vuur had afgewezen? Dat mannen veranderlyk zyn weet ik,
+en niemand betreurt deze karakterfout meer dan ik, doch juist daarom
+noem ik 't voorbarig dien schipper te stempelen tot uitzondering,
+voor wy 'n beetje meer van hem weten. In de eerste plaats alzoo...
+
+Lieve God, wat moet ik nu 't eerst vertellen? De natuurmetselary
+wacht op verklaring. De schipper zuigt en blaast, de tondel tintelt,
+en klaagt over m'n spelling, nu ja, maar kan ik 't helpen dat onze
+taalwetgevers hun eigen wetten niet volgen? De waardin schuift met
+mismoedig gebaar den versmaden vuurbak zoo ver ze maar eenigszins
+reiken kan over 't roertafeltje binnenwaarts, en verbergt haar smart
+onder den uitroep:
+
+--Wel man, als 't je niet lykt mot je 't maar zevend'half voet van
+je zetten. Graag of niet! 'n Mensch z'n lust' is 'n mensch z'n leven...
+
+En, 't hoofd buiten de deur-opening stekende, herhaalde zy de
+gewichtige vraag:
+
+... wel ja, niet waar?
+
+Jansen en Wouter hadden nu twee zaken voor één optelossen.
+
+De vrouw wilde weten of 't waar is dat 't leven van den mensch in z'n
+lust bestaat, 'n onderwerp dat weleens tot de konkluzie zou kunnen
+leiden dat men niet juist alle dooden op 't kerkhof behoeft te zoeken,
+schoon ik niet verzekeren kan dat de weetgierige vraagster van deze
+vroolyke slotsom 't ware besef had. Er bleek dat het zoo duidelyk
+uitgezwegen non tali auxilio van den schipper 't mensch gewond had,
+en ik verkies nu in haar herhaalde poging om eigen indruk aan 't
+oordeel van anderen te toetsen, 'n bydrage te vinden tot den oorsprong
+der maçonnerie.
+
+Ten-allen-tyde bestonden er menschen die meer te zeggen hadden dan
+'n ander, en zy die--zooals op 't oogenblik onze schipper--aan 't roer
+zitten, maakten wel eens misbruik van hun voordeeliger standpunt. Laat
+ons onderzoeken wie de vrouw was die daar in de roef zat, en telkens
+haar hoofd buiten 't deurtje stak alsof ze kennis maken wou. Wie ze
+was? Wel hoe kan ik dit weten, ik ken 't mensch niet. De vraag is
+zonderling. Ik weet alleen dat ze zoo-even terdeeg was uitgescholden,
+en daar ze nog geen gelegenheid had gehad het gepeupel dat haar met
+zooveel verachting behandelde, te doen verzwelgen door dezen of genen
+afgrond, bevond ze zich in 'n staat van vernedering die 't midden
+hield tusschen wrevel en kontritie, wel eenigszins gematigd of tot
+nader order teruggedrongen door den wensch om Wouter te ontlasten
+van z'n ryksdaalders. Wat haar boosheid aangaat, spot er niet mee,
+verwaten lezer. Ik had U wel eens willen zien, tien minuten na
+'t afgryselyk oogenblik dat 'n brokje Publiek u gebruikt had als
+voorwerp van deugdmanifestatie!
+
+Tien minuten, zeg ik? Misschien was 't nog wat minder, schoon
+ik erkennen moet dat de schipper z'n tonteldoos... goddank, met
+'n tintelende t dezen keer, 't staat er! Ja, de schipper had z'n
+vuurtuig geborgen waar zulks te doen gebruikelyk is. Hy dampte deftig
+en dapper, en reeds had-i aan Jansen verzekerd dat het vandaag
+mooi weer was. Toch blyf ik beweren dat de schuit nog geen volle
+tien minuten gevaren had. Zóólang nog maar was de waardin woedend
+geweest. Dit komt iemand die 't nooit ondervond zoo heel erg niet
+voor, maar men moet bedenken dat de deugdzame gemaaktheid waarmee
+'t roefpubliek zich by haar binnentreden tegen 't voorbeschot had
+gedrongen, geen goed aan de zaak deed. Men kan gerust aannemen dat haar
+minuten dubbel telden, en waarschynlyk is 't aan deze byzonderheid te
+wyten dat sommige historieschryvers, haar zielewenteling verwarrende
+met de kopernikaansche gegevens van 't andere zonnestelsel, in de
+dwaling vervielen dat onze schepelingen den orgelman reeds in 't
+oog konden hebben. Niets is minder waar. De man was de Driehonderd
+Roe al lang voorby, toen de vrouw de eerste keer vroeg "of 't niet
+waar was?" En nu? Nu, na alles wat er sedert dat gewichtig oogenblik
+plaats vond? Dat ik instaat ben op 't kleinste wereldkaartje de
+plek aantewyzen waar hy zich bevond, mag beschouwd worden als 'n
+billyk schryvers-prerogatief. Maar zoolang ik m'n meerdere kennis
+voor mezelf houd, baat die alziendheid weinig aan 'n ander. Om
+nu evenwel bewys te geven dat ik op dat geestelyk overwicht niet
+groots ben, deel ik gulweg wat van m'n overvloed mee, door alles
+te vertellen wat ik van de zaak weet. Het zal velen interesseeren,
+vooral omdat er iets onmogelyks in voorkomt. De orgeldraaier dien
+ik den lezer vóór den tyd laat zien, was 'n Franschman. Dit is niet
+volstrekt onmogelyk. Om geloofszaken had-i z'n land verlaten. Ook dit
+gaat de perken van 't denkbare niet te buiten. Wie verlaat niet soms
+z'n vaderland wegens verschil van opinie met z'n medeburgers? Hierin
+lag alzoo de mogelykheid van z'n aanwezen niet, maar hy torschte een
+straatorgel, en dit vind ik ongeoorloofd-byzonder, omdat zoo'n ding
+in Wouter's tyd nog niet bestond. Zoo ziet men dat alle verbeteringen
+in armwezen, politiek en industrie worden aangekondigd door 'n soort
+van voorloopers. 't Voorgeslacht heeft er geen weet van--omdat het
+overleden is--de tydgenoot miskent en steenigt ze uit broodnyd,
+en de naneef... nu, dit ben ik in dit geval, en ik zal m'n émigré
+geven wat hem toekomt. Vooreerst dan kan ik u na 't raadplegen met al
+de oude schryvers die de zaak behandeld hebben, verzekeren dat-i op
+'t oogenblik toen de waardin bezig was met de vruchtelooze poging om
+'t hart van den schipper te doen smelten, in z'n koeterwaalsch stond
+te kibbelen aan 't Sloterdyker tolhek. Hy trachtte vrye passage te
+bedingen, maar 't lukte niet. Z'n vrouw--zaagt ge ooit 'n orgelman
+zonder vrouw?--en haar kinderen--wie zag ooit 'n orgelvrouw zonder
+kinderen?--nu, 't heele gezin stond om hem heen, en wachtte met angst
+de beslissing af. Maar de tolgaarder was onvermurwbaar, en betoogde op
+staathuishoudkundige gronden dat ouwerwetsche kwalen als die waarin
+hy een zoo nuttig bestaan vond, met de meeste stiptheid moesten
+gehandhaafd worden, omdat alleen hieruit te-eeniger-tyd de algemeene
+afkeer kan voortvloeien die de afschaffing zal mogelyk maken. "Maar
+ik zal 't niet beleven, zeid-i, en m'n kinderen ook niet!" Dit
+was wèl gezegd, voorwaar, en hy had gerust nog 'n paar geslachten
+verder kunnen gaan, wat-i zeker naliet uit de bescheiden vrees zich
+gezegender stamvaderschap aantematigen dan de Heer hem toedacht. Vol
+karakter, en met 'n aandoenlyk vertrouwen op de taaiheid van misbruik,
+bleef-i z'n recht tot plicht verheffen, en eischte twee duiten de
+persoon. Had de man geen gelyk? By de minste weifeling liep de Staat
+gevaar dat de Regeering in den Haag zyn toegevendheid tot precedent
+stempelen, en zich daarop beroepen zou om eens 'n enkelen keer met
+den tyd meetegaan. Wie huivert niet? En wie huivert niet nogeens by
+de bedenking dat misschien alle Haarlemmers en Amsterdammers op-eens
+vice-versa aan 't verhuizen zouden gaan, als zoo'n tweeduits-slagboom
+werd overgebracht naar 'n muzeum? Wie 't wèl meent met z'n dierbaar
+vaderland en ouwerwetsche zotternyen, huivere ten derden maal. Maar
+dan is 't ook genoeg.
+
+De vrouw van den orgelman was 'n Duinkerksche, en kon zich redelyk
+verstaanbaar maken, maar haar aanhouden had even weinig gevolg als de
+niet verstane hoewel best begrepen vertoogen van haar echtgenoot. Wat
+te doen? De stumperts waren nu eenmaal de tien, twaalf duiten niet ryk,
+die er noodig waren om Haarlem te bereiken, waar ze zeker opgang en
+goede zaken zouden maken met hun zeil. Want ze hadden 'n zeil, waarop
+'n fraaie geschiedenis stond afgebeeld. Het was, om 'n paar staken
+gerold, gedragen door de twee oudste kinderen, die nu echter by dien
+slagboom hun vrachtje moedeloos hadden neergelegd. Ook 't orgel was
+op den grond gezet, en de vermoeide man ging er op zitten, niet zonder
+vrees dat men tol zou komen vorderen voor 't beetje rust dat-i waarlyk
+wel noodig had. De vrouw was uitgepraat, en de tolgaarder had alle
+verzoeking tot het schenden van z'n plicht afgesneden door zich in z'n
+huisje terugtetrekken, waar-i z'n werkzaam leven voortzette. De nood
+was hoog, en alzoo de redding naby. Nu denkt de lezer dat Wouter aan
+de beurt komt. Welzeker, wat beteekenden voor hem tien duiten, of al
+waren 't er twaalf! Ik heb de kinderen niet geteld, en weet bovendien
+niet of de vele zuigelingen die daarby waren, moesten meedragen in
+'t onderhoud van den straatweg? Maar al had ik ze geteld, en al wist
+ik dat, om godswil, lezer, hoe kon Wouter hier helpen, hy die nog ver
+af was, en van de heele zaak geen kennis droeg? Geloof me, als Wouter
+in dit byzonder geval God met anderhalven stuiver was te-hulp gekomen
+in 't redden van vyf, zes ongelukkigen, ik zou 't zeggen! Reeds voor
+mezelf houd ik niet van nederigheid, waarom zou ik--ten-koste nogal
+van m'n roem als nauwkeurig geschiedschryver--preutsch omgaan met
+de verdiensten van 'n ander? Wouter zat nog altyd lang en breed te
+peinzen over... die twee meisjes, en wie z'n indrukken gekend had, zou
+gevonden hebben dat-i ditmaal byzonder weinig op 'n plaatsvervangende
+Voorzienigheid geleek. Er was toch iets aardigs in, dacht hy, zoo
+op-eenmaal door 'n vrouw uit Haarlem uit z'n gewonen kring gehaald
+te worden. Hy wou graag gelooven dat ze de wereld niet van den
+allerfraaisten kant intraden, maar 't was die Wereld toch, 't was
+'n uitvlucht, iets ongewoons. Zoo'n meisje had toch veel voor. Wie
+zou ooit hèm komen halen, wie hèm verlossen van Stoffel, Kopperlith's
+en gewoonheid? Die meisjes waren "gevallen" o zeker, en dit is heel
+verkeerd, maar hadden ze niet byzonder prettige genoegens te wachten
+van 't opstaan? Ieder weet dat God graag vergeeft--men moet bedenken
+dat het z'n eenige uitspanning is--en ook de Maatschappy strekt tot
+verrekkens toe haar armen uit om berouwhebbenden aan haar vriendelyke
+borst te sluiten. Onder al die omhelzers bevindt zich alligt 'n prins
+die zich zoo verheugt over 't weervinden van 'n verloren schaap,
+dat-i al z'n koningryken wat weinig acht om op 't laatste blaadje
+van den roman te worden neergelegd aan de voeten... och, hoe jammer
+dat Jansen plaats had, genomen in de roef!
+
+Maar met al die overleggingen hebben we niet te maken, omdat, we nu
+te Sloterdyk zyn. Daar Wouter er nog niet was, zag God-zelf zich wel
+genoodzaakt 'n hand uittesteken. Hy verwekte een verlosser in Israël,
+in de gedaante van 'n kleinen boerenjongen, die uit het dorp over
+de vaart heen bemerkte dat er by het tolhek iets byzonders aan de
+hand was, en z'n ontdekking aan twee, drie anderen meedeelde. Dezen,
+gedreven door den geest, maakten er ook geen geheim van, en alles
+liep uit, de brug over, naar den slagboom: er was Publiek! Wat kan
+'n artist meer verlangen? "A la bonne heure!" zei de man, en hy
+gaf bevel de paaltjes in den grond te slaan, waaraan 't zeil werd
+opgeheschen, ontrold, vastgehecht... och, zoo kleurig! Heel Sloterdyk
+stond verbaasd, en er was reden toe. Want, al z'n leven, men kreeg
+de geschiedenis der schoone Genoveva van Brabant te aanschouwen! Wie
+'t zag, zou moeten erkennen dat Wouter groot gelyk had, toen-i in z'n
+print-kleurperiode zoo jaloersch was op dat leven in 'n woesteny. Geen
+kind in heel Sloterdyk dat er niet precies zóó over dacht. Het zeil was
+verdeeld in vier kolommen, en overdwars in zeven ryen, 'n verdeeling
+die me straks kan komen te staan op 't vertrouwen van den lezer. Want
+zie, de man zong welgeteld negen-en-twintig koepletten, en 't zal dus
+schynen dat ik òf 'n koeplet van eigen vinding valschelyk onderschuif,
+òf dat ik--erger nog--te-kort doe aan 't zeil. 't Een is zoo onmogelyk
+als 't ander. Men schudt geen poëzie als de hier bedoelde uit den mouw,
+en wat het zeil aangaat, wie zag er ooit een met negen-en-twintig
+vakken? Blyft men in-weerwil hiervan m'n nauwkeurigheid wantrouwen,
+'t spyt me wel, maar ik zal trachten my in 't verdriet daarover
+weer te schikken. Men is nu eenmaal niet voor z'n pleizier op de
+wereld. Misschien ook voelt de ergdenkende lezer berouw, als-i den
+tekst van de Complainte gelezen heeft. Hy zal inzien dat men zoo-iets
+niet machtig wordt zonder nauwkeurige bronnen geraadpleegd te hebben.
+
+Men moet daartoe beneden de twaalf jaar zyn, of... véél ouder. Dat de
+Sloterdykers er niet veel van verstonden, deed weinig schade aan 't
+effect. De acht-en-twintig kleurige tooneeltjes op 't zeil schreeuwden
+wèl zoo hard en spraken duidelyker dan de beide zwervers. En wat
+men op printjes niet begreep, werd opgehelderd door 't larmoyeerend
+orgel. [30]
+
+Niemand van de toeschouwers had achtgeslagen op 't naderen van de
+schuit. Wonder was 't niet, want toen ze begon in-zicht te komen,
+had men zich even te-voren vermaakt met de exekutie van Golo,
+die zoo duidelyk op het drie-en-twintigste vakje was voorgesteld
+dat slechts weinigen er geen kippevel van kregen, en wie in dit
+ongevoelig geval verkeerde, wachtte zich wel het te zeggen. Niemand
+beklaagde den booswicht, en als de Sloterdykers zitting hadden gehad
+in die rechtbank, zouden de stukjes waarin hy gesneden werd, nog
+veel kleiner uitgevallen zyn. De chères en de grandes tendresses
+waarop Genoveva vervolgens onthaald werd, waren op 't zeil heel
+aanlokkelyk voorgesteld. 't Doet me genoegen dat Wouter er niets van
+gezien heeft. Ook had de schilder middel gevonden, den toeschouwer
+te doordringen van haar aanhoudend omgaan met "J. C." [31] slechts
+afgewisseld door 't biddend en dankend gebruiken van ongekookte
+boomwortelen. Och, men hoeft zoo weinig fransch te verstaan om zulke
+dingen innig te begrypen! Nog één koeplet, en heel Sloterdyk was aan
+'t bidden en uitgraven van boomwortels gegaan. Ieder ziet in dat het
+publiekje van den troubadour, in zoo'n gewyde stemming wel wat anders
+te doen had dan op de schuit te letten, die daar zoo onverschillig kwam
+aanschuiven alsof er nooit 'n Genoveva in de wereld geweest was. En die
+hinde! Juist toen 't arme dier bezig was met z'n miracle nouveau, door
+quoiqu'on lui porte van honger te sterven op dat graf, hoste de jager
+voorby. De lyn van zoo'n haarlemmer-schuit is tachtig vaam lang... [32]
+
+
+
+
+
+
+
+ Oorsprong der vrymetselary. Hoe men 't moet aanleggen om met
+ sommige menschen kennis te maken. Wouter komt niet te Haarlem. [33]
+
+
+Ze was terdege boos. De lezer zal wel weten dat invloed, macht,
+gezag, heerschappy, overwicht en de van al deze factoren grootendeels
+afhangende tevredenheid met zichzelf voortdurend in stygende of
+dalende beweging zyn. Wie aan de verliezende hand is, voelt zich
+genoopt naar bondgenooten omtezien, en opent met 'n klein toespraakje
+de preliminaire onderhandelingen. Hy tracht te weten te kernon of
+er kans bestaat dat anderen in z'n verdriet deelen--of al was 't
+maar in z'n afkeuring--en hy staat gereed het minste blyk daarvan
+aantegrypen tot herstel van de ondergane krenking. Het spreekt vanzelf
+dat de onderliggende party gewoonlyk meer scherpzinnigheid aan deze
+taktiek ten-koste legt dan de zegepralende tegenstander die weleens
+op z'n behaalde lauweren in den dut valt, en niet aan versterking van
+standpunt begint te denken voor de stygende invloed van den vyand
+hem daartoe aanspoort. In oogenblikken van betrekkelyke gelykheid
+openbaart zich de wryving in morren, twist, krakeel, vechtpartyen
+of oorlog, al naarmate de stryd zich tot individueele belangen
+bepaalde, of wyder gebied innam. Daar evenwel zoodanige gelykheid
+nooit lang aanhoudt, en er alzoo telkens op-nieuw 'n onderliggende
+party gevormd wordt die aan herstel van standpunt behoefte voelt, is
+dat zoeken naar geestverwantschap 't perpetuum mobile geworden dat
+de gansche maatschappy in beweging houdt. De machtigste korporatie
+die ooit bestond, moet begonnen zyn met de vraag: of 't niet waar
+was? Maar de Geschiedenis zwygt over de tallooze malen dat er op die
+vraag geen weerklank werd gegeven, of wel 'n antwoord dat verdere
+onderhandelingen afsneed en alle toenadering onmogelyk maakte. Het
+is aan 'n zeer byzonder toeval te danken, dat ik kan meedeelen hoe
+de eerste poging van de waardin was beantwoord geworden. Zie hier wat
+de schipper had gezegd, toen ze terstond na 't instappen van de roef
+'n gesprek trachtte aanteknoopen:
+
+--Zeg 'ns, mensch, als ik jou was, zou ik me nou ereissies heel
+bedaard houwen. Ik ben hier baas aan-boord, versta je dat?
+
+Zeker verstond ze 't wel, maar ze zal evenmin als ik begrepen hebben
+hoe dat baasschap hier te-pas kwam? En wat de bedaardheid aangaat,
+waaraan de schipper betuigde zich te willen overgeven zoodra hy háár
+was... och, ik zeg dat die schipper onmogelyk weten kon wat-i in dat
+vreemd geval doen zou.
+
+--Wel nou keman, nog bedaard ook, en dat na zoo 'n veraffrentasie!
+
+Meer had ze niet gezegd, en daarmee was 't voor datmaal uit
+geweest. Laat ons de geestkracht en de gevatheid bewonderen, waarmee
+ze dat komfoor te-baat nam om den aanval te hervatten. Doch we weten
+reeds dat ook die poging schipbreuk had geleden op de onafhankelykheid
+van karakter die de deugdzame schipper wist te putten uit z'n
+tonteldoos. Het speet ons voor de waardin, maar we zyn niet ondankbaar
+voor de leering hoe goed het is, by zekere gelegenheden eigen vuur
+by de hand te hebben. Het wyf zat nu heel menschenkennig te loeren
+op 'n derde gelegenheid. Dat er in elk kuras gapingen zyn, wist ze
+wel... lieve god, pater Jansen en Wouter waren in 't geheel niet
+geharnast! Ja, had ze maar met die twee alleen te doen gehad. Maar
+de schipper was drukkend pedant en groots. Hy blufte op z'n gezag
+aan boord, op z'n deugd, op z'n zes gehuwde kinderen:
+
+--Allemaal best af, m'nheer pastoor, best! Twee by 't waagdragen...
+'n mooi vak, m'nheer pastoor!
+
+Jansen liet z'n kin op de gevouwen handen, en deze op den knop van z'n
+rotting rusten, maar antwoordde niet. Z'n gelaat teekende droefheid,
+en de waardin bespiedde z'n stemming. 't Was, meende zy, al iets dat-i
+door z'n zwygen weinig blyk gaf van den lust om in vriendschappelyke
+verstandhouding tot den schipper te komen.
+
+--En de derde is op 'n armenschool... als onderwyzer, weet u. Dàt
+is er een! Als-i 'n woord ziet, vraagt-i dadelyk waarvan ontleent
+zich dat? En hy wéét 't! Nou, ik heb ze best opgebracht, dat moet ik
+zeggen. 't Oog op God, zoo zei ik maar altyd, en dan...
+
+Een blik op de roef.
+
+...eerlyk door de wereld! Wat zegt U, m'nheer pastoor?
+
+Helaas, Jansen zei weer niets, en de fondsen van de waardin rezen
+'n beetje. 't Leek wel of nu de beurt aan den schipper was gekomen
+om behoefte te voelen aan wat weerklank. De man verwonderde zich
+dat-i met z'n "God voor oogen!" niet beter slaagde vooral omdat-i
+met 'n geestelyke te doen had, die beroepshalve wel verplicht was
+zulke praatjes heel mooi te vinden. Maar hierin vergiste zich onze
+schipper. Over 't algemeen vinden die heeren 't niet aangenaam dat
+de terminologie van 't vak door leeken ontwyd wordt. Ze houden meer
+van zondaren dan van dilettanten in zaligmakery, omdat 'n klant boven
+'n konkurrent gaat. Deze algemeene waarheid was nu wel niet op den
+goeden Jansen toepasselyk, maar de teleurstelling van den schipper
+werd er niet geringer om. Sedert dertig jaren verkondigde hy z'n
+fameuze hoofdgrondstelling tweemaal daags--op den zeldzamen keer na,
+dat-i geen enkelen passagier in de roef had--en nog nooit was z'n
+hoogstmerkwaardig maxime aangehoord zonder hem 'n zalvend: "ja, ja,
+schipper, daar heb je wel gelyk in!" optebrengen. Dit behoorde tot de
+emolumenten van z'n verheven beroep, en die pastoor zat maar zwygend op
+z'n neus te staren! Zelfs voor het ditmaal zoo byzonder toepasselyke:
+"eerlyk door de wereld!" had die vervelende passagier geen goedkeurend
+woordjen over, geen knikje! Er moesten andere loopgraven geopend
+worden:
+
+--Ja, God voor oogen, zeg ik maar. Nou, onze Chris--want Chris heet-i
+naar z'n grootmoeder, omdat die ook Chris heette--'t is 'n eerst
+platje. 't Was eigenlyk m'n vrouws moeder... ook 'n brave vrouw,
+dat kan ik je gerust zeggen, m'nheer pastoor! 't Mensch is dood,
+maar anders... Jan, vier 'n scheutje tot die modderpraam voorby is.
+
+Jan de knecht vierde drie vaam van de jaaglyn. Heel noodig was 't
+juist niet, maar de schipper vond de gelegenheid gunstig iets van
+z'n zeemanschap te laten zien.
+
+--Ja, m'nheer pastoor, zoo ben ik! Ik heb graag wat speling in de
+lyn als er drukte-n-in de vaart is. Een mensch moet op z'n zaken
+passen, en... God voor oogen! Dan kom je 'r wel. Haal nu maar weer in,
+Jan. Zóó heb ik ze opgebracht, alle zes, m'nheer pastoor. En onze Chris
+zei--want hy is 'n platje--"wel, vader, waarom noemen je de menschen
+haarlemmer-schipper? Nou, ik begreep terstond dat er wat achter stak,
+maar waar 't 'm zat kon ik niet raden, want geleerd ben ik, om 't zoo
+'reis ronduit te zeggen, niet. Maar ik versta m'n werk als de beste...
+
+Waarschynlyk om Jansen hiervan te overtuigen, gelastte hy nu z'n knecht
+het dek van de schuit dat met teer en gestampte schulpen besmeerd was,
+met water te bevochtigen.
+
+--'n Paar pussies maar, want ziet u, m'nheer pastoor, anders kleeft
+het zoo, als er den heelen dag de zon op staat. Nou, en m'n.. eene
+dochter--Jansje heet ze, omdat ze eigenlyk naar my genoemd is,
+want... myn naam is Jan--nu die is getrouwd met 'n boekbinder. Die
+heeft ook al haar vierde... allemaal meisjes. En de tweede is in de
+blye verwachting, want haar man is op 'n kantoor in de accynsen. Daar
+worden alle varkens gewogen... van de stad, weet u?
+
+--Maar, m'nheer, waagde Wouter te vragen, waarom mag men u geen
+haarlemmer-schipper noemen?
+
+--Ja, niet waar, dàt is 'n vraag! Nou, hy is 'n guit, dat zal je
+hooren. En alles maar zoo droog-weg. Hy zei... maar zeg eens, ben je
+meer te Haarlem geweest?
+
+Of Wouter er geweest was!
+
+--Want anders kan je 't niet zoo dadelyk begrypen. Maar ik wou m'nheer
+pastoor vertellen van m'n derde dochter. Die woont in de Langstraat, en
+haar man heeft 'n winkel, en daarin verkoopen ze zoowat van alles. 't
+Is om 't nu zoo eens uittedrukken: 'n komeny, maar aanspreker is-i
+ook, en hy bedient 'n begrafenisfonds, en dat geeft nogal. Toen
+verleden haar jongste gestorven is, hebben ze-n-uit hun eigen bus
+twintig gulden gehad. Bn nu is de middelste ook ziek, 'n meisje,
+m'nheer pastoor, met kromme beentjes en nogal pieperig. Ja, 't gaat
+'rlui best. Ze wil altyd dat ik m'n rust zal nemen omdat ik op jaren
+kom, want Pietje heet ze, omdat ze genoemd is naar m'n vader, en die
+heette Piet. En ze wil dat ik zal uitscheien met werken omdat ik zoo
+erg op jaren kom, m'nheer pastoor, en al zooveel beleefd heb. Maar
+ik zeg maar altyd: né, zoolang God me kracht geeft...
+
+Zóólang zoud-i zeven uren daags in dien stuurstoel zitten, en nog
+meer beleven, en haarlemmer-schipper blyven, of wat-i dan volgens
+z'n guitige zoon wezen mocht.
+
+--Een mensch moet op z'n post blyven naar Gods bestel, m'n-heer
+pastoor. Dàt heb ik altyd m'n kinderen voorgehouden, en daarom gaat
+het hun best.
+
+--Maar, m'nheer, waarom mag men u geen haarlemmer-schipper noemen?
+
+--Precies, zoo kom je-n-op 't ware punt van de zaak. Wel, jongeheer,
+hy zei--maar 't is 'n guit, dat zal je zien--"vader, zeid-i, zoodra
+je Halfweg gepasseerd bent, word je Amsterdammer-schipper." 't Is
+waar ook, zei ik, en ik had er nooit aan gedacht. Zoo zieje wel dat
+zoo'n jongen me de baas is. Maar... God voor oogen, dat 's best van
+allemaal. Wel ja, straks voorby Halfweg--als je-n-in die streken
+bekend bent, zal je 't zelf zien--dan kom ik, om zoo te zeggen, van
+Amsterdam, en hier gaan we nog altyd maar naar Haarlem. Hoe vind je
+die? En hy is pas zeventien!
+
+Wouter glimlachte even uit goedhartigheid, maar verder kon-i 't
+niet brengen. Dat de maçonnieke poging van den schipper om met pater
+Jansen in gesprek te komen niet gelukken kon, spreekt vanzelf. Dit zou
+'t geval gebleven zyn al ware de meegedeelde geestigheid eenigszins
+geestiger geweest, want de goede man repeteerde z'n theologischen
+kursus. Hy overpeinsde of er iets goeds kon gedaan worden, en
+wat? Geestelyke hovaardy was hem vreemd, maar toch voelde hy als
+fatsoenlyk man 'n instinkmatigen afkeer van 't wyf dat hy wel zou
+moeten aanspreken als-i besloot zich het lot van die twee meisjes
+aantetrekken. Dit nu hield hy in z'n onnoozelheid voor plicht, en... zy
+wist het! Ze wist dat er slechts 'n gepaste aanleiding noodig was om
+hem aan 't spreken te krygen. Zonder uitbundige instemming hebben we
+hem hooren beweren dat er op 'n Simmenarie zooveel menschenkennis
+viel optedoen, maar wel durven we deze eigenschap toekennen aan
+de vele simmenarien die onze waardin in haar jeugd bezocht, en na
+voleindigde studien op ryper leeftyd bestuurd had. Met grapjes of
+'n geestigheid was die ernstige pastoor niet te genaken, dit voelde
+ze wel. Met opgedrongen vriendelykheid evenmin. De weg naar z'n
+gemoed... ze wàs er!
+
+--Dàt kan ik niet aanzien, riep ze, 't schreit werachtich tot
+God! Schipper, leg 'ereis an, en neem die stumperts in je schuit. Ik
+ben goed voor de vracht.
+
+--Ik mag 't niet afslaan, zei de schipper, die Jansen aankeek alsof-i
+zich verontschuldigde. Zaken zyn zaken, dat zal m'nheer pastoor ook
+wel weten.
+
+Hy riep den jager toe, halt te houden. De lyn plaste in 't water,
+en de schuit werd naar wal gestuurd. De waardin die uit de roef in
+den stuurstoel gestapt was, riep en wenkte de tobbende orgelfamilie
+die na eenige opheldering over de onverwachte vriendelykheid in de
+schuit werd opgenomen.
+
+--Zit jelui daar nou maar ereis heel op je gemak, lieve menschen,
+en rust wat uit. Ik ben goed voor de vracht...
+
+En Jansen aanziende:
+
+... wel ja, niet waar, men moet z'n evenmensch 'n beetje helpen in
+de wereld?
+
+Ziedaar nu haar derde: "niet waar?" en 't beste! Jansen antwoordde wel
+niet terstond, maar zag haar vriendelyk aan, en toen ze daarop blyk gaf
+naast hem te willen plaatsnemen, overschreed de ruimte die hy maakte,
+de grens niet die de welwillendheid in zulke gevallen aanwyst. De
+waardin gunde zich de genoegdoening, den schipper 'n zegepralenden blik
+toetewerpen. Maar we mogen aannemen dat-i met het oog op God dien slag
+overleefd heeft, daar we van-goeder-hand weten dat-i eerst jaren daarna
+overleden is, waarschynlyk in 'n oogenblik dat-i 'n verkeerden kant
+uitzag. Wie dit vermoeden te liefdeloos vindt, mag veronderstellen
+dat de man, ook zonder de minste fout in de richting van z'n oogen,
+ten-laatste bezweken is aan deze of gene ziekte die Gods macht te-boven
+ging. Aan ouderdom, by-voorbeeld. Want dat gebeurt soms.
+
+Hoe dit zy, by de gelegenheid die we hier behandelen, hield de man zich
+kras. Hy verdampte zoo goed mogelyk z'n ergernis over den triumf van de
+waardin. Deze was er werkelyk in geslaagd met den geestelyke in gesprek
+te komen, en Wouter luisterde aandachtig toe. Nu 't ys eenmaal gebroken
+was, bleek het wyf raad te weten voor 't wegruimen van de schotsen.
+
+--Best, wees jelui maar vroolyk in de schuit! riep ze toen de tonen
+van het draaiorgel zich deden hooren. Ja, m'nheer pastoor, ik hou
+van vroolykheid, en de man kan nu zitten by z'n werk! 't Was niet
+aantezien, niet waar?
+
+--Ja, juffrouw, zoo'n orgel is 'n heele vracht.
+
+--En die arme vrouw met al haar wurmen van kinderen! [34]
+
+--Ja, zeker, juffrouw, 't is wel om meely mee te hebben. Maar...
+
+Wat-i "maren" wou, wist hyzelf niet recht. Geheel onwillekeurig
+voelde hy aandrang tot iets als protest tegen háár bevoegdheid om 'n
+aandoening te openbaren die goed was, of by hem voor goed doorging. De
+slimme feeks, op den weg gebracht misschien door 'n eigenaardige
+uitdrukking op z'n gelaat, begreep iets van de vyandige strekking
+die zich zoo schroomvallig openbaarde, en nam haar maatregelen:
+
+--Och, m'nheer pastoor, ik kan m'n evenmensch niet zien lyen. Als
+ik niet zoo vol behuisd was... kyk, ik nam zoowaar graag een van die
+stumperts by me, al was 't de kleine jongen die op 't orgel zat.
+
+--Hé, riepen Jansen en Wouter tegelyk.
+
+--Ja, m'nheer, ja, jongeheer, zoo ben ik, werachtich as Chot!
+
+--Maar, juffrouw...
+
+--Och, m'nheer pastoor, menig mensch is niet zooals-i 'r uitziet. Ik
+heb altyd m'n evenmensch geholpen, dat heb ik. Daar heb je nu die
+twee meissies daar vóór in 't ruim! Wat is 't geval? De een heeft
+geen moeder, geen vader, geen levendige ziel... nooit gehad, m'nheer
+pastoor! Wat doet ze? Ze loopt voor oud vuil op de straat rond. Ze
+had om zoo te zeggen, geen hemd aan 't lyf. Wat heb ik gedaan? Ik heb
+'r kleeren gekocht, voor dertig gulden kleeren, m'nheer pastoor! En
+die andere? Nou, die heeft 'n moeder... godbetert! Liever géén, zeg
+ik. Ze stuurt 'r kind de straat op om jongens nateloopen, jongens en
+heeren! Nou, 't zyn er heeren na! En van dat schandloon wil de moeder
+'t hare hebben! Ik vraag u, m'nheer pastoor, wat komt er te-recht van
+'n meid die op straat loopt?
+
+De arme Jansen was verbluft, en niet genoeg ingewyd in de geheimen van
+'t vak, om zoo terstond te weten wat er te antwoorden viel. De vrouw
+ging voort:
+
+--Toen heeft ze my 'n brief geschreven... of ze 'm zelf geschreven
+heeft, laat ik daar, maar ze vraagt of ik niet in Haarlem 'n
+nette fatsoenlyke dienst voor haar weet by stille menschen,
+en... en... en... om 'n beetje voorschot, zooals 't by zulke
+gelegenheden gaat. En wat doe-n-ik? Ik zend haar tien dukatons. Tien
+dukatons, m'nheer pastoor! En nu ik kom om haar aftehalen--wel ja,
+van m'n verlies kan ik niet leven!--wat gebeurt er? De menschen
+schelden me-n-uit!
+
+Hier begon de edele vrouw zeer toepasselyk te schreien. Wouter bleef
+haar bewegingloos en met open mond aanstaren. Jansen was geheel in de
+war. Uit het ruim der schuit klonken 'n paar wegstervende maten van
+de fransche complainte. De schipper richtte z'n oog... altyd op God,
+natuurlyk, maar nu ook zeer in 't byzonder dan eens op de wolken,
+dan weer op den nagel van z'n linkerduim, 'tgeen scheen te moeten
+beteekenen dat het verhandelde hem niet aanging.
+
+Met allerlei praatjes bracht de waardin 't zoover dat Jansen
+haar uitnoodigde de reis naar Haarlem niet met de beide meisjes
+voorttezetten. "Hy zou haar wel eens willen spreken" zeide hy, en
+ze had er niets tegen. Hieruit vloeide voort dat Jansen, Wouter,
+de waardin en haar beide beschermelingen zich by 't "overloopen"
+te Halfweg 't genoegen ontzegden den haarlemmer-schipper te zien
+overgaan in 'n amsterdammer. Zy wenschten hem goede reis, en namen
+gezamenlyk plaats aan 'n herbergtafeltje voor 't gastvrye Huis
+Ter-Hart, waar Wouter alweer niet van z'n preek over zuinigheid
+verloste. Arme Styntje!
+
+De waardin kwam 'n volle schuitbeurt later thuis dan ze gedacht
+had. Voor haar vertrek van 't Huis Ter-Hart had ze Jansen, Wouter en de
+beide berouwhebbende Kaatjes te-voet het pad der deugd zien inslaan,
+dat was--in dit byzonder geval, en zonder de minste konsekwentie voor
+den vervolge--den vervelenden straatweg naar Amsterdam...
+
+Om-'s hemelswil, we willen toch hopen dat Jansen niet van plan is
+die twee schepsels by Styntje te introduceeren?
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] = het kennen van de oorzaken der dingen.
+
+[2] = mengsel.
+
+[3] Idee 1149 besluit M. met de overweging, dat de massa noch goed
+noch slecht is.
+
+[4] = schennis van de menschelyke waardigheid.
+
+[5] I. 1156 behelst een archaeologische beschouwing over het hossen.
+
+[6] In I. 1163 weidt M. uit over de bron van smart en geluk.
+
+[7] = zoo voor haar, niet voor my.
+
+[8] In een noot by Idee 140 stelt M. het realisme, dat op
+middeleeuwsche schilderyen een der omstanders afbeeldt met afgewend
+gelaat, de neus tusschen duim en wysvinger, hooger, dan de verklaring
+van den modernen schipperenden Renan, die Lazarus schyndood verklaart!
+
+[9] = O, Meliboeus, een god heeft deze... idylle voor ons gemaakt.
+
+[10] In I. 1180 weidt M. uit over Hollandsche tooneelkunstenaars en
+Napoleon's tooneelbegaafdheid.
+
+[11] In I. 1181 geeft M. een beschouwing over Rotgans' stuk als
+navolging van navolging.
+
+[12] Naar aanleiding eener uitweiding over de z.gen. onschuld der
+meisjes Pieterse betoogt M. aan 't slot van I. 1184, dat alle studie
+ascetisme vordert: een oratio pro domo!
+
+[13] In 1191a betoogt M. dat orde en arbeid geneesmiddelen zyn voor
+krankzinnigheid.
+
+[14] Dit hoofdstuk wordt onderbroken door een beschouwing over de
+"diepzinnige kwestie, of 'n auteur uitspraak en dialekt" zyner personen
+moet weergeven, naar aanleiding van 't op een congres te Antwerpen
+verhandelde, eindigend in een lofrede op Busken Huet. (I. 1194-1199.)
+
+[15] In I. 1213 volgt hier een komische uitweiding over de
+aristocratische voornamen der jonge Kopperliths.
+
+[16] De verrukking van Prinses Erika ontlokt aan M. een uitweiding over
+"echt-vaderlandsche" krantenschryvers en de burgervadery in Wouter's
+tyd. (In I. 1223.)
+
+[17] = de gevolgtrekking geldt: van zyn tot kunnen, d. w. z. omdat
+het zoo is, moet het ook kunnen.
+
+[18] Pienders = pinda's of apenootjes.
+
+[19] M. besluit 't hoofdstuk met "'n bespiegeling over gebrek aan
+israëlitische kontroverse"; hy constateert, dat de Joden niet meer
+van Jehovah afvallen tot vreemde eerediensten, maar hy verwondert
+er zich over, dat hun rabbi's en geleerden evenmin het Christendom
+bestryden. Hy wyst op allerlei wetsovertredingen die de Joden geregeld
+begaan, door 't erkennen van niet-Joodsche vorsten, 't omgaan met
+onbesnedenen, het niet kwytschelden van alle schuld om de zeven jaar
+enz. M. komt tot de conclusie, dat de Joden "even uitmuntend als de
+Christenen 't kunstje van akkommodeeren verstaan." (I. 1224.)
+
+[20] = kwade samensprekingen.
+
+[21] I. 183.
+
+[22] In I. 144 en 464.
+
+[23] = afkeer van leegte.
+
+[24] Nader licht M. dit toe met een beschouwing over de bestryding
+van het geloof aan spoken en wonderen: "daar het kind geen stap in
+de maatschappy doet zonder iets van dien god te vernemen," is het
+"ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door
+onthouding." (I. 1233.)
+
+[25] Wouters tocht naar het "buiten" der Kopperliths leidt M. in met
+een schoone verhandeling over buitenplaatsen; opmerkingen over hun
+ontstaan, de geestelyke ontwikkeling hunner bewoners in de 17de en
+18de eeuw, het verschil tusschen een werkelyke buitenplaats en een
+optrek worden afgewisseld met de geestige anecdote van pastoor Alonzo
+Ramirez. (I. 1236-1242.)
+
+[26] De onaanzienlykheid van de Roomsche kerk in die achterbuurt
+ontlokt M. een lange uitweiding over den toestand der katholieken
+in ons land, over de halfheid van Thorbecke en de liberalen, die het
+beginsel, dat godsdienst geen voorwerp van staatszorg mag zyn, niet
+doorvoeren; over zedelyken schoonheidszin, verderfelyke goddienery
+en natuurstudie met eenige Engelsche en Duitsche voorbeelden van
+minderwaardig zielevoedsel voor kinderen. (I. 1254-1259.)
+
+[27] Zie noot blz. 305.
+
+[28] Dat wil zeggen: in het tuchthuis waar de veroordeelden Campêche-
+of Fernambakhout raspten. (M.)
+
+[29] In I. 1272 geeft M. een verhandeling over de machteloosheid van
+wet, regeering en philantropie in den stryd tegen de onzedelykheid:
+de theorie vermag hier niets tegen de praktyk. Het eenige middel
+om den handel in ontucht te gronde te richten is ware beschaving,
+d. i. "zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, om
+genot te vinden in arbeid."
+
+[30] In het troubadourslied wordt verhaald van de edele Genoveva, die
+door den verrader Golo van overspel beschuldigd, aan den dood ontkomt,
+doordat twee dienaars haar met haar kind laten ontkomen. In het woud
+leeft ze van wortels, haar kind wordt door een hinde gezoogd. Op de
+iacht vindt haar gemaal haar: Golo's verraad komt uit en Genoveva
+wordt in eere hersteld: maar ze blyft een ascetisch, vroom leven
+leiden, ze voedt zich enkel met boomwortels, en denkt slechts aan
+Jezus Christus. Als ze sterft treuren allen,--de hinde weigert op
+haar graf alle voedsel en sterft er.
+
+[31] = Jezus Christus.
+
+[32] Om zyn naam als letterkundige eer aan te doen verklaart M. dit
+te weten, niet door het meten van het touw, maar door het raadplegen
+van andere bronnen: als Plinius en Plutarchus! Vervolgens geeft hy in
+I. 1278 het in de opschriften van vorige hoofdstukken (zie blz. 265
+en 288)aangekondigde "stuk 17de eeuwsche volksroem," voorafgegaan
+door een afbrekende kritiek van Engelsche letterkundigen op Vondel
+en Cats, n.l. een citaat vol buitenlandsche lof over de geregeld
+varende Treck-schuyten, "dat bestemd was 'n helder licht te werpen
+op den vermoedelyken afloop van Wouter's reis naar Haarlem."
+
+[33] Dit laatste zinnetje voegde Mevr. de Wede. Hamminck-Schepel
+aan dit opschrift toe naar aanleiding van uitlatingen van M. over
+Wouters reis.
+
+[34] Hier volgt een opmerking over de oud-testamentische dwaling,
+die de goddelyke zegen afmeet naar 't kindertal.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse
+(Deel 2 / 2), by Multatuli
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE ***
+
+***** This file should be named 30751-8.txt or 30751-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/0/7/5/30751/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/30751-8.zip b/old/30751-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..71b7ab3
--- /dev/null
+++ b/old/30751-8.zip
Binary files differ