diff options
Diffstat (limited to 'old')
| -rw-r--r-- | old/30751-8.txt | 17954 | ||||
| -rw-r--r-- | old/30751-8.zip | bin | 0 -> 355784 bytes |
2 files changed, 17954 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/30751-8.txt b/old/30751-8.txt new file mode 100644 index 0000000..ae1eed9 --- /dev/null +++ b/old/30751-8.txt @@ -0,0 +1,17954 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse +(Deel 2 / 2), by Multatuli + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Geschiedenis van Woutertje Pieterse (Deel 2 / 2) + Uit de 'ideen' verzameld + +Author: Multatuli + +Editor: J. van den Berg van Eysinga-Elias + +Release Date: December 24, 2009 [EBook #30751] +[Last updated: June 29, 2012] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + + + Multatuli + + De Geschiedenis van Woutertje Pieterse + + Opnieuw verzameld uit de "Ideen" + + Door + + Dr. J. van den Bergh van Eysinga-Elias + + + Tweede Deel + + + + Amsterdam--Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"--1921 + + + + + + + + + N.V. Electr. Drukkerij "Volharding" Ceintuurbaan 250 Amsterdam + + + + + + + + Voornaam bezoek. Koningen en oliekoeken. De gesprekken van de + "massa." Catapultische inspatting van de "massa." Où peut-on être + mieux? Zweven en vallen. Helaas! De auteur is beschaamd over z'n + held, en bevreesd dat dit wel 'ns meer zal gebeuren. + + +Gedurende den loop der week die Wouters tweede plaatsing "in den +handel" vooraf ging, werd-i door 'n drie- viertal ontmoetingen zoo +vreemd heen-en-weer geslingerd, dat-i zich byna suf voelde, en veel +moeite had om z'n hoofdje heel te houden. + +En z'n hart ook! + +'t Was donderdag. Stoffel kwam thuis met 'n belangryk bericht. De +Koning--ik weet weer niet welke koning--was onverwachts in stad +gekomen, en zou den volgenden avend of 'n dag later den Schouwburg +bezoeken. Alles was in rep en roer, want in republikeinsche landen +hecht men veel waarde aan titels, pronk en geboorte. + +Meer nog dan naar gewoonte was de nieuwsgierigheid des Volks +ditmaal gespannen, omdat veel buitenlandsche vorsten--waaronder +zelfs 'n Keizer--Z.M. waren komen bezoeken. En van uit z'n +residentie--Utrecht? 's-Gravenhage? Haarlem?--zouden die aanzienlyke +vreemdelingen 't Hof naar Amsterdam volgen. 't Was dus deze keer +'n praal mit Umstände, met 'n sleep. + +Het republikeinsche Volk zou niet alleen 't aangezicht te zien +krygen--of 'n slip van den rok--des tirans, maar tevens aangezichten +en rokspanden van veel andere tirannen, om nu niet te spreken van +tiranninnen. + +De vrouwtjes die gewoon waren oliekoeken te verkoopen op den dam--'n +pleintje dat de stedelyke regeering zich veroorloofde te verhuren +als markt--dreigden de stad met 'n proces. + +'t Was dan ook zeer hard, dag-in dag-uit huurgeld voor plaatsen +open-luchtgebruik te betalen voor de kans om 'n paar oliekoeken te +slyten aan de straatjeugd, en nu op-eens verjaagd te worden omdat +Z. M. zich aan "het Volk" zou vertoonen op 't balkon van het gewezen +stadhuis. + +Mocht hy die vrouwtjes niet zien? Moest de oliekoek-industrie 'n +geheim blyven? Vreesde men voor namaak, voor onvorstelyke konkurrentie? + +Of mochten die olievrouwtjes en haar koeken den Koning niet zien? Was +ook hy misschien bevreesd voor onedel nabaksel van z'n majesteit? Dit +zouden noch de vrouwtjes noch de oliebollen gedaan hebben. + +Hoe dit zy, de kraampjes werden weggeruimd, en de verjaagde +industrieelen behielden alleen het recht zich privatim onder de +menigte te dringen, die straks roepen zou: "leve... dit of dat!" naar +den eisch van 't oogenblik. Ze mochten meeschreeuwen ook. + +'t Is eigenlyk heel vreemd dat vorsten sterven. Al die vivat's schynen +niets uittewerken. + +De drukte in de stad was ditmaal ongewoon groot, door en om al de +vreemde Hoog- en Doorluchtigheden die den tiran by deze gelegenheid +vergezelden. + +Daar was--naar men uit de couranten vernam--de prins van Caramanie, +die aanspraak had op de byzondere sympathie des Volks, wyl men +had uitgerekend dat een van z'n voorouders kapitein was geweest +in Staatschen dienst, en dus... z'n bloed had vergoten voor de +Nederlandsche vryheid. + +Dit bloed--en misschien ook de vryheid--was 'n krantenverzinsel. Maar +dat onze prins 'n groenen rok droeg met dikke gouden nestels, was +waar. En op z'n hoofd had-i 'n byzonder grooten steek. Men kon dus +by de eerste gelegenheid zeer gevoegelyk roepen: + +Leve de prins van Caramanie! + +Onder de hooggeboren persoonlykheden bevond zich ook zekere Hertog +die uit z'n land was gejaagd wegens z'n deugden. De man was spaarzaam +en huishoudelyk. Nooit had-i zichzelf te-kort gedaan. Toch was-i door +'t dom gepeupel onttroond, en met 'n schepel diamanten over de grenzen +gezet. Van deze diamanten zoud-i nu in Amsterdam 'n paar dozyn laten +zien, en wel in hoedanigheid van roksknoopen en rottingknoppen. De +couranten vermaanden dus 't Volk tot den allerwelstgemeenden roep: + +Leve de Hertog met z'n diamanten! + +Prinses Erika was 'n nicht van den Koning, en bestemd voor den +troonopvolger van 'n groot Ryk dat te Zaandam timmeren geleerd, en dus +aan Nederland z'n carriere te danken had. Dat Ryk zou de Nederlandsche +staatsschuld betalen--zoo verzekerden eenstemmig de kranten--als men +nu maar braaf schreeuwde: + +Leve prinses Erika! + +De oude Paltsgravin van Aetolie stamde rechtstreeks af van zekeren +ridder die z'n stalknechts liet bedienen door Lusignans. De couranten +betoogden dat het den waren republikein paste, in dit byzonder geval +bewys te geven van heraldische ontwikkeling, door met byzonderen +nadruk aantedringen op de levensverlenging van die hoogheid. Men +moest dus roepen: + +Leve de Paltsgravin van Aetolie! + +De Groothertog van Ysland was de welgeslaagde kleinzoon +van 'n kroeghouder. Z'n verdiensten waren drie krantkolommen +lang... brevier-letter, en nauw gezet. 't Volk moest dus even nauwgezet +wezen in 't waardeeren. De man was meester op kling en bâton, en kon +zelfs--met 'n beetje inspanning, nu ja--hy kon z'n naam zetten. Langs +'n oceaan van afgronden--zoo zei de krant--had-i zich vervolmaakt +tot zwager van 'n halfgod. Ook was-i gewoon zich te kleeden als 'n +koorddanser. Wie dus 't belang des Vaderlands op 't onbesmet harte +droeg--zoo zei de krant--kon niet laten uit zeer onbeklemde borst +meeteschreeuwen: + +Leve de Groothertog van Ysland! + +Er waren nog meer potentaten en potentaatgenooten die Amsterdam +vereerden met 'n bezoek. Ze hadden gehoord dat die stad eigenlyk: +"la Venise du Nord" heette, en... interessant was, zeer interessant! + +En de hollandsche haring! Delicieus! Maar... de Hollanders weten er +niet mee omtegaan: ze moet gebakken zyn. + +En de hollandsche schilderschool! "Rambrànn... magnifique!" + +Er waren nog meer dingen in Holland byzonder goed, gelyk met +neerbuigende vriendelykheid door al die hoogheden werd erkend. + +--Il paraît qu'un certain Wondèle a écrit des choses, des +choses... mais des choses... passablement bien! + +En de dyken! De Katwyksche sluis... + +Lezer, géén kronologie, wat ik u bidden mag! + +...die sluis: gigantesque! De hollandsche natie houdt zich in +de snipperuren die 'r overblyven na 't haringkaken en kaasmaken, +by-voorkeur bezig met het breidelen van elementen. Dit was met +schaatsryden en harddraven 't meest geliefd--geliefkoosd, zeiden +de kranten--volksvermaak. + +Nu reeds kan ik den lezer verzekeren dat het voorname gezelschap met +minzame tevredenheid ons land weder verlaten heeft. + +De eenige persoon die 'n gansch anderen--doch daarom geenszins +tegenovergestelden--indruk meenam... neen, zóó ver mag ik m'n Wouter +niet vooruitspringen. Ook 'n schryver heeft z'n plichten. + + + +Den eersten avend zou er geïllumineerd worden. Tweehonderd +vyftig duizend vetvlammen zouden de geestdrift van het Volk +verkondigen. Geestdrift, voor wàt eigenlyk? Tweehonderd vyftig duizend +vurige tongen zouden roepen: hosiannah! Gezegend wie komt in den +naam... in den naam van wàt eigenlyk? Hosiannah voor wien, voor wàt? + +Nu, dit is 'n Volk onverschillig. Er was praal, pracht en pronk. Er +was drukte. 't Volk heeft iets van kinderen die zich verheugen in +'n verhuisboel, in 'n sterfgeval, in 'n brand, in alles wat hurry en +bereddering veroorzaakt. + +Wouter had verlof bekomen de illuminatie te gaan zien. Hy getroostte +zich het domme gezicht te zetten, dat by zulke gelegenheden gebruikelyk +is, en hoorde de praatjes van de menschen die hem omstuwden, zonder +acht te slaan op de leegte van die praatjes. + +--Nou, dat 's me 'n ook 'n ulleminatie! Negen pitjes voor zoo'n +groot huis! + +--Twaalf! riep 'n ander. + +--Né, negen! + +--Twaalf! + +--Negen! + +--Drie... drie... drie, en... kyk dáár: drie! Dat's twaalf, of ik heb +'t mis! + +--Né, die drie hooren er niet by. Dat's van de verdieping, weetje? Want +de verdieping is verhuurd. Dat wéét ik. + +--O, als je zóó meent! Ik wil maar zeggen dat viermaal drie, twaalf +is. Wat zeg jij, Hannes? + +Hannes vond het ook. Enz. + +--Tot hoe lang zouden die pitjes branden? + +--Wel tot... één uur. + +--Dat geloof ik niet. + +--Ik wel! + +--Ik niet! Enz. + +--Heb je-n-al gekeken op de Sukkelgracht? + +--Och, 't is er niet mooi. + +--Nou, mooier als hier! + +--Ja. + +--Neen. Enz. + +--Zeg, dring zoo niet! + +--Ik kan 't niet helpen. Ze dringen my ook. + +--De menschen lyken wel mal. Altyd dringen ze zoo. + +--Ja, niet waar? Altyd dringen ze. Weet je wat ik zeg? Ik zeg dat de +kalverstraat eens zoo breed wezen moest. + +--Ja, eens zoo breed. Want... weetje, wat het is? Hy is te smal. Dat +is het! + +--Ja, hy is te smal. + +--En daarom dringen de menschen zoo, weetje! Enz. + + + +Wouter's eigen rykdom was hem te onbewust dan dat hy zich kon ergeren +aan de walgelyke armoed van geest, die by zulke gelegenheden zich alom +vertoont. De tyd was nog niet aangebroken dat-i rilde by 't áánzien +van geestelyke naaktheid. Hoogstens zoud-i bedroefd geweest zyn als +z'n blik gerust had op slechtgevoede lichamen, op 'n bedelfamilie in +lompen gekleed. + +Heel veel moralisten, romanschryvers en vooral staathuishoudkundigen, +zyn heden-ten-dage nog niet veel verder dan onze kleine jongen in den +tyd der vetpitjes. Zou misschien hiervan de oorzaak zyn dat stoffelyke +armoed zich makkelyker laat schilderen? En... genezen? + +Zulke gesprekken zyn toch zoo diepzinnig niet. Ieder kan ze +schryven. Ieder lezer kan ze vermeerderen tot het oneindige toe. Aan +modellen van geestelyke nietigheid is waarlyk geen gebrek. + +Inderdaad, de kalverstraat was wat smal, en... "de menschen drongen +zoo!" + +Wouter werd meegedrongen, en voelde iets als schaamte. Zeker! Was-i +niet: "massa" op dit oogenblik? Dat-i stompen en stooten kreeg, +hinderde hem minder. Kleinzeerig was-i niet. + +Maar: "de menschen drongen zoo!" + +Weldra was er voor stomp en stoot geen geschikte ruimte meer. + +Men werd geknepen, en wie ten-gevolge van 'n laag zwaartecyfer minder +dan anderen aan 't aardsche gehecht was, rees van den grond. 'n +Allergekst excelsior! Wouter werd gedragen, en zag heen over mannen +die veel grooter waren dan hy. + +--Loop jy op stelten, jongeheer? vroeg 'n dikke vrouw, die met haar +heup Wouter tegen de knie schopte. Loop jy op stelten? Nou, dat's er +óók een! + +Dit "ook" heeft 'n geschiedenis en 'n pretensie. 't Beduidt, +ziehier 'n spikspelder nieuwe bydrage tot het bundeltje ana's die +ik verzamel. Deze kurioziteit hoort er in! Als je dit niet grappig, +vreemd en belangryk vindt... + +'t Gedrang werd sterker. Weldra zou de vrouw Wouter op schouder kunnen +nemen als 'n geweer. Ook begon-i kans te krygen daarop te-land te +komen in hoedanigheid van ruiter. Nog 'n beetje, en hy kon "aangegeven" +worden, zooals timmerluî elkaar 'n plank toereiken. + +Naar de lichtjes werd niet meer gekeken. Men hield zich bezig met +dringen en gedrongen worden. Ook 'n uitspanning! + +Neen... de kalverstraat moet niet verbreed, want wel beschouwd is dat +"dringen" 't prettigst van de zaak. + +Och, wat zouden die vetvlammen spoedig vervelend worden, als men +ze alle tweehonderd veertig duizend--er waren er 'n paar uitgewaaid +sedert zoo-even--op z'n gemak had kunnen beschouwen in z'n eentje! + +Onze kleine man lag op de schouders en hoofden van z'n +medemenschen. Als zekere troonveroveraars: il s'appuyait sur la +masse! Wie de geschiedenis van illuminatien en Volken bestudeerd heeft, +zal erkennen dat er steviger rustpunten bestaan. Zichzelf, byv. + +Gut, onze Wouter was zoo verlegen met z'n drukkende pozitie! Telkens +liep hy gevaar zich vasttehouden, aan 'n oor of wenkbrauw. En dit +gedoogt de "massa" niet. Gedrukt wil ze wel worden--daar is ze +voor--maar wie zich aan haar wil vasthouden... + +Krak! + +Schrik niet, lezer! Wouter brak niet, maar de geperste menigte +had de dubbeldeur van 'n koffiehuis verkracht. De inbersting was +vreeselyk. Als berouwhebbende lava stroomde de massa naar binnen, en +vulde den krater waarin onze held--na 't beschryven van den bekenden +bruinvisch-parabool--vry geleidelyk en zonder zich te bezeeren te-land +kwam op 'n tafeltje... + +--Woutertje Pieterse! riep 't verschrikt gezelschap dat er omheen zat. + +--Heb je je zeer gedaan, Wouter? + +Neen! Bezeerd had-i zich niet. Maar hy was lam van verbazing. Over z'n +verheffing eerst, daarna over z'n luchtreis, toen over 't neerkomen op +en onder allerlei glaswerk, en eindelyk--dit was 't minst verrassende +niet!--omdat-i zich op-eens in den kring bevond van de hem zoo goed +bekende familie Holsma. + +'t Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond was. + +"Gods vinger" had al de glazen en glaasjes gebroken, maar Wouter was +heel gebleven. Dit was 'n arglistigheid van dien vinger. De bedoeling +schynt geweest te zyn den patiënt nog heel anders heen-en-weer te +smyten. En als-i nu voortydig gebroken was op dien avend... + +Oom Sybrand hielp hem, zoo goed en kwaad het ging, op de been. De zaak +had veel moeite in, want de volte was... nu ja, er kon ter-nauwernood +iemand by. Maar Wouter was smalletjes, en 't lukte. De kastelein--op +doordringen was geen kans--schreeuwde uit de verte, dat het gebrokene +moest betaald worden. Maar ook van andere plaatsen vernam men dergelyk +gerinkel. De man was wanhopig. Hy vervloekte alle Koningen... en de +massa's er by. + +--Eén flesch wyn... drie limonade... zes glazen stuk! riep Holsma, als +om zich aansprakelyk te stellen voor Wouter's onwillekeurig vergryp. + +En oom Sybrand hield 'n paar zeeuwen omhoog. + +--O God, m'nheer, ik durf niet thuis komen, riep Wouter! Wie zal dat +betalen? Ik heb geen geld, m'nheer! En moeder... + +In de drukte verstond Holsma hem niet. Maar Sietske wel. + +--Sjt! fluisterde zy. Ik ben zeker dat papa 't betaalt, maar +anders... ik heb wel geld. En Willem ook. En Herman ook. Wees gerust... + +Maar dit verstond Wouter weer niet. En toen-i eindelyk onder de hoede +der Holsma's weder op-straat stond, en 't gezelschap door 't inslaan +van 'n zyweg zich onttrokken had aan de "massa" verklaarde hy ronduit +dat hem de moed ontbrak z'n moeder en broer Stoffel onder de oogen +te zien, na zóó'n schandaal! + +--'t Geld is niets, zei de goede Holsma. Daarvoor zal ik wel +zorgen. Maar je bent ontsteld, jongen. Kom even met ons mee naar de +kolveniersburgwal, ik zal je wat hofmansdruppels geven. Dan kan je +daar bekomen van den schrik. + +De afstand van de kolveniersburgwal was niet groot genoeg om Wouter +tot bedaren te brengen voor 't gezelschap daar aankwam. + +--M'n moeder zal boos zyn, als ik te laat thuis kom, klaagde hy. + +Holsma stelde hem gerust. Er zou 'n boodschap naar z'n huis worden +gezonden, om z'n familie te doen weten waar-i was. + +De dokter gaf hem iets te drinken, en bracht hem in 'n kamer naast +die waar de familie scheen plaats te nemen. Het voorschrift was dat +de patiënt daar wat heen-en-weer loopen zou, tot-i zich kalm voelde. + +Maar dit vermoeide hem. Hy deed weldra juist wat 'm verboden was, +zette zich in den hoek van 'n sofa, en viel in slaap. + +Of 't in het algemeen nuttig is, na 'n schrik in beweging te blyven, +kan ik niet beslissen. Zeker is het dat Wouter na hevige aandoeningen +altyd groote behoefte voelde aan slaap, en dan ook werkelyk door dit +middel--de natuur wees het hem aan--meermalen 't verbroken evenwicht +herstelde. Misschien ook was 't geen eigenlyk slapen dat hem by zulke +gelegenheden te-hulp kwam. Maar geheel wakend was-i niet. Hy droomde. + +Er was weer de oude hoogheid in z'n droom. Maar met 'n schok viel-i +telkens neer. + +En weder klom hy, en weer werd-i opgeheven, hoog, hoog tot in de +wolken, en weder maakten duizelingwekkende tuimelingen 'n eind aan +z'n zweven. + +Daar namen sterke vuisten hem op, en staken hem boven de hoofden uit, +en de massa droeg hem, tot 'n man hem in de hand beet... + +Hy schaafde namelyk zyn pols aan 'n ongedresseerd paardehaartje dat +bezig-was z'n dienst optezeggen by 't vulsel van de rustbank. + +...tot 'n vrouw hem toesnauwde: dom? Niet dom? Wy, wy de +massa? Ziedaar! + +En men smeet hem neer. + +Gelukkig kwam z'n hoofd te-recht in Sietske's schoot, zonder 't +minste glaswerk. + +En als ziedend water opkokend, golfde op-nieuw z'n ziel omhoog. Hy +voelde geen handen meer die hem droegen, geen tanden die hem beten, +hy rustte op donzige wolken. En hy overzag de menigte onder hem, +en was verheugd dat-i zoo hoog daarboven stond, maar wilde toch... + +--Ik wil gaarne by u zyn, riep hy, maar maakt 'n plaatsjen open, +waar ik staan kan, staan op m'n eigen beenen! Ik zal waarlyk niemand +hinderen... gooit me niet! In die drukte kan ik niet denken. Ieder moet +handelen naar z'n overtuiging. De massa heeft geen overtuiging. Wie +kan denken als er geen plaats is om te staan? + +Weer schuurde z'n hand langs 't weerspannig paardehaartje. Hy verzette +zich... en scheen niet geheel-en-al te slapen... + +Daar klonk op-eens 'n stem... + +Neen! Hy droomde door. Altyd van zweven en vallen. Daar was Femke... + +Wel zeker, er moest in z'n droomen iets van Femke! Waar bleef ze +zoo lang? + +'t Was weer iets van de bleek. Maar pater Jansen was er ditmaal by. De +man was zonderling gekleed. Hy zweefde met Wouter omhoog, en vertoonde +aan de sterren z'n kostuum: 'n onderbroek... die door háár versteld +was! Orion en de groote beer vonden het ding mooi, maar Wouter niet. + +--Heb je 't zelf gedaan, hoorde hy Sietske vragen in de kamer naast +hem. Jyzelf, of kon je 'r niet dóór? + +--Neen, ik kon niet om de drukte. Maar ik heb 't den kruier opgedragen. + +Wàt? In-godsnaam, wàt? + +Wouter richtte zich op. Pater Jansen was weg. Orion en groote beer +ook. Ook de onderbroek, en de wolken, en de domme "massa" maar... die +stem? + +Die stem klonk nog! + +En ze klonk weer: + +--Ik ken hem heel goed, o, zoo goed! 't Is 'n lief jongetje! Dàt +hoorde hy Femke zeggen! + +Hy sprong op, trad haastig de kamer der Holsma's in, zag nog even +het driehoekje van 't gewaad eener vrouwspersoon die de deur uittrad +en sloot... + +Hy had den moed niet--of wat ànders was daartoe noodig?--om te vragen: + +--Heet dat dienstmeisje... Femke? + +Komaan, in Satans naam, vraag of Femke de naam is van die... meid! + +Op weg naar-huis had Wouter niet den minsten last van zweven. Hy +voelde zich redelyk laag, en had ditmaal volkomen gelyk. + +Want... als die byna tusschen deur en post benepen jurk van zyde +geweest was... + +Of... als-i dat driehoekjen elders ontdekt had, elders! Niet by de +Holsma's! Niet in gezelschap van Sietske die zooveel geld had in haar +spaarpot! Niet in dien allerfatsoenlyksten kring! Niet onder de oogen +van Willem die hem zoo plaagde met z'n hoogmoedig latyn... + +Dan... dan... o zeker! + +Dàn! + +Maar nu! Maar hier! + +Hy was braaf genoeg om zich te schamen. Maar dit is ook 't eenige +wat ik in z'n voordeel zeggen kan. + +Overigens... + +Alas, poor mankind! + +Wat beteekende de dolfyn-parabool op 't koffihuistafeltje, by +zóó'n val? + +Hy had zich dezen keer werkelyk bezeerd! + + + + + + + + Over de zedelyke strekking van 't kleerborstelen. Onridderlyke + verdichtselen des harten. Godenvingers en duivelsklauwen, tweede + editie. De eigenaardige kalmte van 'n kwaad geweten. Iets + over driehoeksmeting in 'n bedstee, en maagdeperen in den + Jodenhoek. Hm... zy weer! + + +Juffrouw Pieterse was in de wolken. Ze hoopte dat de kruier die de +boodschap had overgebracht, haar huis niet te spoedig mocht gevonden +hebben, en dat de man toch vooral hier-en-daar in de buurt te-vergeefs +gezocht had naar 't ware adres. + +--Zeker is-i in de kommeny geweest, zei ze, want ze weten nooit waar +ze wezen moeten... zulke kruiers! En waarom zoud-i daar niet verteld +hebben dat de jongeheer--want "jongeheer" zeid-i--by dokter Holsma +leseerde, op den kolveniersburgwal? Want, zieje, zoo'n man praat +altyd. Die soort van menschen doen niets als praten. + +Nu, ieder mag 't weten. 't Is maar om te zeggen dat de menschen altyd +zoo praten, en zulke kruiers... + +Maar... zeg, Wouter, hoe kwam het toch dat je zoo opeens met de +familie meeging? 't Is nogal heel erg asterant van je. Je bent toch +'n asterante jongen... wat zeg jy er van, Stoffel? + +Stoffel zette het bedenkelyk gezicht dat by zulke gelegenheden +dienst deed als: "ja nogal!" Of: "ik zal er me op beslapen." Of: +"daar zit meer achter dan sommige menschen wel weten!" Enz. + +--Moeder antwoordde Wouter, ik... ontmoette de familie in de +kalverstraat. + +Waar! Zeer waar! Allerwaarst! Hy had inderdaad de Holsma's in de +kalverstraat ontmoet, wat men mag noemen: ontmoet! De lezer kan 't +getuigen. Maar... waarom vertelde hy niets van den nogal byzonderen +modus quo? + +Och! + +--Wat kleeft die rug, klaagde Petrò die belast was met de zorg voor +het "lakensche goed." + +De familie rook, en streek, en wreef, en tastte, en verklaarde +eenstemmig dat Wouter's rug zich had schuldig gemaakt aan 't inzuigen +van allerlei vloeistoffen. + +--'t Ruikt zoowaar naar citroen ook, zei Trui. + +--Het riekt, verbeterde de schoolmeester, en wy ruiken, Sertrude! + +--Och kom... ruik, riek, weet ik het. Ik wil maar zeggen dat het +zoo... + +--Dat het zoo naar lemoentjes... ruikt, zei de moeder. + +--En naar wyn! + +--En je kunt er de suiker afkrabben! Waar ben je toch geweest, +jongen? Schaam je je niet! By zulke fatsoenlyke menschen op vizite +te komen--ik mag wel zeggen: te leseeren, wat zeg jy, Stoffel?--en +je dan zóó aantestellen met suiker en citroen op je rug! 't Is 'n +ware schande! + +--'t Was zoo erg vol op straat, moeder! + +--Van de volte kryg je geen wyn op je rug! En geen citroen ook! En +geen suiker ook! Wat zeg jy, Trui? + +De eenstemmigheid was kompleet. Schuw als altyd, durfde Wouter niet +voor-den-dag komen met de ware toedracht der zaak. En dit zou hem ook +niet gebaat hebben. Het begrip der Pietersens was als 'n verstopt +slot waarop geen enkele sleutel paste. Wouter wist dit by treurige +ondervinding, en liet moedeloos den storm over z'n hoofd waaien, die +toch niet kon bezworen worden. Jammer evenwel dat er ook in hemzelf +iets verstopt, en dus bedorven was. 't Hoog gevoel dat hem gewoonlyk +bezielde, was geknakt. + +Hy had 'n laagheid begaan! + +Zóó gevoelde hy. Geen dominee kon 't wegpreeken! Ja, God-zelf +niet! Noch de God van bliksem en donder uit de Schrift, noch de +andere... + +Die andere! + +Waar was-i toen Petrus struikelde? Waarom was hy zoo gierig op 'n +beetje staal in 't mengsel waaruit Wouter's ziel gegoten werd? + +--Maar... als 't Gods schuld was, dacht-i, dan behoefde ik zoo +beschaamd niet te zyn! Dan kon ik zeggen: ja, Femke, 't is wel +waar dat ik 'n ellendeling ben, 'n brok massa, te dom en te laf om +verantwoordelyk te wezen voor m'n laffe domheid. Maar... zóó heeft +God me gemaakt, zieje! Hy is aansprakelyk. + +Dit kan ik niet zeggen! Want... ieder moet handelen naar z'n +overtuiging. + +Waartoe zou 'n overtuiging dienen, als men de schuld mocht gooien op +God? Dàn had mevrouw Holsma wel gezegd: "ieder moet handelen naar Gods +overtuiging!" En dit heeft ze juist niet gezegd! Waar zou dat heen! + +Ik ben laag geweest, afschuwelyk laag, ik! God is er heelemaal buiten. + +Misschien liet hy de zaak toe, om my te doen zien hoe gemeen ik was! + +Een hond zou Femke gekust hebben, als-i haar weerzag na langen tyd. Ik +ben minder dan 'n hond! + +Want... ze wàs het! Zeker, ze wàs het! Of... + +O, die huichelaar... hy zocht naar ofjes!... + +...of zou 't misschien 'n ander geweest zyn? 't Kan heel best 'n +ander geweest zyn! Hoe zou Femke dáár komen! + +Neen, neen, neen, zy wàs het! Zei ze niet dat ze my zoo goed kende? Zei +ze dat niet met de stem die my 'n lieven jongen noemde toen ze my +dien kus gaf by 't brugje? + +Ze heeft my gekust en 'n lieven jongen genoemd! Ze wist toen nog niet +dat ik 'n ellendige bloodaard ben, zonder hart! + +O, zeker zou zy me niet verloochenen, miskennen, verraden! Zy zou gewis +overal en tegen ieder zeggen: "dat is Wouter, die m'n vrindje... was, +en dien ik eens 'n zoen gegeven heb omdat-i zich dapper toonde tegen +de jongens die steenen wierpen op m'n bleek!" + +En ik... o God! + +Neen, God blyft er heelemaal buiten. Ik ben lafhartig. Zóó kan ik +niet leven! + +Hy dacht aan zelfmoord. En in deze stemming bracht-i den nacht +van donderdag op vrydag door. Zelfs overleefde z'n wanhoop de +duisternis. Hy stond dien vrydag op, met het vaste voornemen 'n eind +te maken aan z'n onwaardig bestaan. + +Heel gelukkig evenwel werd-i terstond na 't ontbyt aan 'n bezigheid +gezet die allergeschiktst is om iemand met het leven te verzoenen. + +Men had hem met algemeene stemmen veroordeeld tot het reinigen van z'n +jasje--een vonnis dat m'n volkomen goedkeuring wegdraagt--en hy spande +zich zóó in, dat-i na 'n uur arbeids met betrekkelyke tevredenheid +naar z'n moeder liep, en juichend uitriep: + +--Kyk, moeder, er is niets meer van te zien! + +'t Onnoozel triumfjen over 'n kleine moeielykheid joeg de wolken voort, +die z'n gemoed beneveld hadden. + +Men zou voor z'n plezier in limonade vallen, als men wist hoe weldadig +de inspanning werkt die noodig is tot het reinigen van 'n paletootje. + +De ongelukkige die nooit z'n eigen kleeren borstelde, kent het +leven niet. + + + +--Ik zal haar vergeving vragen, dacht Wouter. + +En by dit... oneerlyk voornemen lei zich de storm die z'n gemoed +beroerd had, geheel neder. + +"Oneerlyk" noemde ik dit omdat het ware berouw geen vergeving zoekt by +anderen, maar by zichzelf. Wie met 'n uitgesproken klank tevreden is, +wie z'n geweten meent te kunnen paaien met 'n kwitantie van schuld, +geteekend door 'n ander... + +Ei zie, daar ben ik alweer op het terrein van schuldvergiffenis +en genade! Pas-op, lezer, juffrouw Laps is in de buurt! Wie haar +niet ontmoeten wil, moet dit hoofdstuk overslaan. En vooral dien +vrydagavend niet by de Pietersens komen. Want dáár zou ze optreden, +en wel ditmaal met haar wouterkundig: voilà Toulon! + +Maar eerst moet ik nog iets zeggen over 't ellendig gehalte van +Wouter's schuldbesef. Zeker, hy zou vergiffenis vragen! En na 'n beetje +getob zou Femke zeggen--precies als in Kotzebue's Menschenhaat--"ik +verrrgeef het u!" + +En dan zou de zaak zyn als niet gebeurd. + +Hoe sneller hoe beter dan! + +Een ondragelyken last werpt men terstond neer! Terstond! + +Wouter's last bleek niet ondragelyk. Want hy besloot hem nog 'n tydje +te blyven dragen. + +De oorzaak hiervan was deze. Om Femke te spreken moest-i naar de +Holsma's. En dit... durfde hy niet. Wat zouden die menschen 't +gek vinden! + +Gáán zoud-i, o zeker! Maar... niet op dien vrydag! + +'t Kon immers best wachten tot-i eerst 'n paar dagen... "in den handel" +geweest was? Dit geeft houding, vond-i, en dàn zoud-i zeggen... + +Nu ja, hy zou vergeving vragen, en Femke "heusch" verzekeren... + +De uitvinding van dit "heusch" was zoo kwaad niet. By lamlendige +beroerdheid... frazen vóór! Van welken letterkundige had onze +misdadiger dit geleerd? + +Hy zou haar verzekeren... + +Wàt? + +Dit, byv. dat de Weledele heeren Ouwetyd & Kopperlith in wier "handel" +hy nu was aangeland... + +Ja, ja, hy zou iets vertellen van de Weledele heeren Ouwetyd & +Kopperlith en hun "handel." + +Dan hoefde hy niet zoo naakt voor-den-dag te komen met... dat andere. + +Misschien zou z'n nieuwe chef hem pryzen over... z'n krulletters! Of +over z'n aardrykskunde! Of over z'n strabbische uitgeleerdheid! En +dan kon-i tegenover Femke z'n schande hullen in 'n wolkje van +allervereerendste byzaakjes. 't Meisje zou verbaasd staan over z'n +knapheid, en ten-slotte hèm vergeving vragen voor de vrypostigheid +dat ze zich had laten verloochenen door zóó'n handels-fenomeen! + +Aldus redeneerde Wouter niet. En zelfs niet op deze wys werd hem z'n +onbewust gevoel kenbaar, doch... er was iets in hem--wat dan ook!--dat +voorwendsel en verschooning leverde voor 't niet doen van z'n plicht. + +Bovendien... die plicht was zoo makkelyk niet! + +Naar den kolveniersburgwal gaan? Goed. + +Aanschellen? Goed. + +Maar... wat dàn? + +De deur zal geopend worden. Door wien? Juist immers door de dienstmaagd +uit Joh. XVIII, vs. 17, wier aanblik meer dan iets anders den +wankelmoedigen Petrus weerhouden zou van ridderlyke oprechtheid? + +De zaak is dat onze Wouter zich niet waagde aan dokters Kaatje! Wat +zoud-i zeggen? Iets als: + +"Vryster, ik moet Femke spreken, 't adjunkt-kindermeisje?" + +Daar hoort wat toe, waarachtig! + +En dàn? + +In de gang... 'n knieval doen? Of zelfs--o gruwel!--in de keuken? + +Om-godswil, lezer, wat zouden al de ridders uit z'n boeken daarvan +zeggen! + +Welke Turk zou zich laten doodslaan door iemand die zich schuldig +maakte aan zoo'n dorperheid? + +Die engelsche lord zou hem zeker geen hand geven--en de Afrikanen +geen kroon!--als-i... + +Zou Ivanhoe 't gedaan +hebben? Neen! Ypsilanti? neen! Themistocles? Neen! De "Eduards" van +Lafontaine? Hm... dit kon-i niet zoo stellig ontkennen. In de werken +van dien schryver komen inderdaad huiselyke trekken van ridderlykheid +voor. Maar... ze staan in 'n boek, en de lezer kykt er naar, en zal +'t weten dat er, zonder harnas, pluim of veldgeschrei dan, groote +daden geschieden in 'n hoekje. De auteur heeft gewaarschuwd: het +boekeheldje kampt onder de oogen van 'n publiek. + +Zou ook dokters Kaatje gevoelig zyn voor 't grandioze van +de vernedering, als ze daar Wouter zag geknield liggen op de +vloermat? Zoo'n held in de boeken heeft makkelyk plichtdoen. Ieder +slaat acht op z'n prouesses, en weet ze te schatten. + +--Welnu, dacht Wouter, ik zàl m'n plicht doen, o zeker, ik zàl! Maar +eerst "in den handel" en bovendien... + +Een nieuw duiveltje bekroop z'n gemoed. Wie weet of Femke niet +spoedig de Holsma's verlaten zou, en terugkeeren naar 't huisje by +de aschpoort. Dáár... of in de buurt... of op de "paden"... of by 't +brugje, zou alles makkelyker gaan, dacht hy. Daar was geen nood van +Kaatje's fâcheuze tegenwoordigheid, noch van Willem's onmenschelyk +latyn. En ook Sietske die zoo majestueus sprak over drie-guldens... + +De lezer gelieve optemerken dat er 'n leelyk deficit bestond in +Wouter's gemoed en dat de aanzuivering daarvan meer moeite kostte dan +'t reinigen van 'n bemorst jasje. + +Dat overigens 't verloop van z'n... liefde voor 't meisjen, 'n geheel +andere richting insloeg dan z'n onschuld... + +Hier spreek ik van verloren onschuld, en ik meen te weten wat ik zeg! + +...nu, dit spreekt vanzelf! Om lieftehebben, moet men goed zyn, +en Wouter was niet goed op dien vrydag! + +Nu komt de "vinger Gods" die hem straffen zou. Dit goddelyk +lichaamsdeel lei 't zonderling aan. + + + +De vrydag hield zich alsof-i voorby was. Wouter maakte zich gereed z'n +nauwe bedstee te beklimmen in opgeruimder stemming dan hem paste. Hy +had zelfs geen lust in 't kibbelen met Laurens, die altyd--zonder +pretentie op 't konstrueeren van 'n meetkunstig werkstuk--de diagonaal +beschreef. + +Zeer eigenaardig nam ons Petrusje zich voor, z'n inslapen te doen +voorafgaan door 't overdenken van de voorvalletjes die gedurende den +afgeloopen dag aan de orde waren geweest. + +Heel natuurlyk! Hy voelde geen lust zich bezig te houden met zichzelf, +wat anders z'n gewoonte was. + +Zekere prins had geld onder 't volk gestrooid... + +--Hé... als ik zoo'n prins was! + +Nu, deze indruk was de leelykste niet. De meeste jongens denken in +zoo'n geval: hé, als ik mocht meegrabbelen! + +De Paltsgravin van... hoe heet het land waar ze vàn was? Ik heb +geen lust den naam optezoeken dien ik haar gaf. 't Mensch was in +'t Trippenhuis geweest, en daar--volgens de couranten--minzaam, +zeer minzaam... + +--Dàt zou ik ook zyn, dacht Wouter, als ik... Paltsgravin was. Wat +is dat toch voor 'n betrekking? + +De Koning had audiënties en 'n diner gegeven, en gezegd... och, de +gewone praatjes. Maar voor Wouter waren ze nieuw en belangryk. Het +welzyn van de Hoofdstad ging Z. M. byzonder ter-harte. Wouter ook. Dit +belette niet dat hy deze byzonderheid heel lief vond in den Koning. In +Afrika zoud-i precies hetzelfde doen! En zyn hoofdstad... + +Neen, weg met Afrika! + +Hy smeet z'n linkerkous onzacht weg, zoodat het ding zich om den +sport van 'n stoel slingerde als 'n stervende paling. + +Weg met Afrika! Want... + +Daar rees de schim van Femke op, en dreigde, en vroeg of zy haar +plaats verbeurd had op dien troon? En of ze... + +Weg met Afrika! + +Wat al zonderlinge vertellingen over prinses Erika! Men zei dat ze +huwen moest met 'n grootvorst, maar... geweigerd had. + +Alle burgerlui vonden dit heel mooi, zonder nog te weten of 't niet +'n malle koppigheid was van prinses Erika. + +Ze was zoo zonderling van gedrag en manieren, en kon zich niet schikken +in de hoogheid van haar stand... + +Wouter trok z'n tweede kous uit, en keurde 't af dat prinses Erika +geen lust had in aanzienlykhedens. Hm... zou ze misschien willen +ruilen? Hy: prins Erik. En zy... + +Zou ook zy 's nachts zoo'n leelyke muts opzetten? Wel neen, dacht +Wouter, prinsessen dragen mutsen van diamanten. 't Is waarlyk zonde +en jammer dat zoo'n schepsel haar geluk niet waardeert! + +En dit scheen toch 't geval. Toen ze met de Paltsgravin uit het +Trippenhuis kwam--waar ze minzaam geweest was--had ze geweigerd +terstond mee terug te ryden naar 't paleis. Ze wou den "amsterdamschen +Jodenhoek" zien, en nam flinkweg 'n kamerheer onder den arm, die +haar den weg wyzen zou. De man kende dien zelf niet, en had alle +moeite haar te loodsen tot op Vlooienburg... in 't hartje! En zie, hy +droeg 'n korte broek--gelyk byna iedereen, in Wouter's tyd--en zyden +kousen. En die kousen werden bespat. En prinses Erika had er zoo om +gelachen. En nog meer onvorstelyke zonderlingheden van die soort... + +Maar dit alles stond niet in de courant. De krant sprak alleen van +de minzaamheid. + +Nu, ook op Vlooienburg was de prinses allerminzaamst geweest, of +zelfs meer dan minzaam. Ze had 'n heele kruiwagen vol maagdeperen leeg +gekocht, en de straatjeugd gebombardeerd met handenvol sappig genot. + +Maar dit stond alweer niet in de krant. De redakteurs wisten niet +hoe ze dat voorvalletje salvâ reverentiâ zouden inkleeden, en +bepaalden zich dus maar tot de alom bekende minzaamheid. Toch had +ieder er van gehoord, al wist men dan niet of 't waar was. Duizenden +schiepen er stof uit tot drie vertellingen. Eerst: dat het geschiedde: +"wezenlyk!" Daarop dat het 'n verzonnen praatjen, niet geschied was: +"wat ik je zeg!" Eindelyk: dat het wel deze keer misschien niet +geschied was, maar dat, wel beschouwd, zoo-iets wel 'ns op 'n anderen +keer geschieden kon, en dat het zeer moeilyk was altyd precies te +weten wàt geschied was, en wat niet. + +Dit vind ik ook. + +Prinses Erika... + +Wouter blies z'n kaarsjen uit, of wilde dit doen. Hy had peiling +genomen op een der twee scherpe driehoeken die Laurens hem te kiezen +had gegeven, en op-eens verneemt hy groote ontsteltenis in den huize +Pieterse: beroering! + +'t Is waar, er was drie, vier malen hevig gescheld, ja +gebengeld. Brand? + +Hm! Zou 't misschien prinses Erika wezen, die komt ruilen? + +Och neen, 't was juffrouw Laps. + +Ruilen kwam ze niets. + +Maar wat dàn, zoo laat op den avend? + +Wouter trok z'n ééne been terug uit den tophoek, en luisterde. + +Wy ook! + + + + + + + + Zelfs juffrouw Laps zegt soms 'n waarheid die 't overdenken + en toepassen waard is. Dezelfde autoriteit in-zake: + menschenkennis. Don Quixote de la Mancha. Goden, duivels + en... Fancy. + + +Het vertrekje waar Wouter met Laurens in één bedstee sliep, was boven +de huiskamer. Ze deelden dat verblyf met twee van hun zusters, en +moesten uit kiesheid altyd 'n kwartiertje vroeger slaap voelen dan +die jonge-juffrouwen. + +Ik ben niet geleerd genoeg om te weten hoeveel zuurstof vier +jonge menschen gedurende acht uren noodig hebben om net even niet +te stikken. Maar benauwd wàs 't in dat hokje! Soldaten zouden +"gereklameerd" hebben. + +In 'n ander lokaaltje had 'n soortgelyke verdeeling van engte plaats, +en ook daar werd het oogenblik van slaperig worden geregeld en bepaald +door gelyke wetten van kiesheid. + +Met 'n weinig administratief genie zal nu de lezer kunnen berekenen wat +de oorzaak was dat 'n gedeelte van den grooten staf der Pietersens--en +wel het deel dat tot de klasse der vrouwspersonen behoorde--nog +altyd in de huiskamer by-een zat, op 't oogenblik toen Wouter zich +voordroomde dat die gekke prinses Erika wel 'ns in 't hoofd kon krygen +met hem te komen ruilen van pozitie. + +In-plaats dáárvan echter, hoorde hy de stem van juffrouw Laps, die +als 'n razende de trap scheen opgevlogen, en schreeuwend, snikkend +en huilend het huisvertrek binnenstormde. + +De gewone tusschenwerpsels van: "mensch, wat is er?" en: "goeie god, +wat is er gebeurd?" waren afgeloopen. Wouter kon waarnemen dat het +traditioneele glas water was aangeboden en leeggedronken, en tevens +hoe men de blykbaar allerdiepst-ongelukige vriendelyk uitnoodigde om +"te bedaren." Een zonderling voorstel altyd. + +Juffrouw Laps begon met de zeer verstaanbaar geartikuleerde verzekering +dat het haar onmogelyk was 'n woord uittebrengen. + +De zaak scheen dus belangryk. Wouter trok z'n eene kous weer aan om +beter te kunnen luisteren. + +--Ik zweer je by God allemachtig, juffrouw Pieterse, dat ik niet +spreken kan van schrik en alteraasie. + +--Gut, mensch! + +--Waar zyn je kinderen... allemaal? Al naar bed? Toch nog niet naar +bed, wil ik hopen! Ik kan waarachtig niet spreken! Nog 'n glas water, +Trui! Hoor 'ns hoe ik bibber... 'n mensch klappertandt van schrik, +niet waar? Dankje, Trui, en waar is... Stoffel? + +--Wel, mensch, die kleedt 'm uit. Hy gaat me vóór, my en Petró. +Want... Mine schopt zoo, weetje, en Trui moet by de jongens wezen... +anders vechten ze. En daarom slaap ik met Petrò, weetje. En daarom +kleedt Stoffel 'm uit, en dan sluit-i z'n gordyntje, weetje, als-i +ons op de trap hoort. Maar, mensch, wat scheelt er an? + +--Ja juist... wat me scheelt, niet waar? Ik ben geschrokken, erg, +heel erg! En is... Laurens ook al naar bed? + +--Gut ja, mensch, al lang! Want-i moet vroeg op z'n drukkery +wezen. Maar... + +--Allemaal al naar bed! En ik...ik loop als 'n ongeluk langs de straat, +als 'n mal mensch--van schrik, weetje!--en weet niet waar ik belanden +zal. Zóó? Is hier... iedereen al... naar... bed... + +--Maar wat is er dan toch gebeurd? + +--Ik zal 't je zeggen, juffrouw Pieterse... och, als je wist hoe ik +geschrokken ben! Verbeelje... + +Wouter trok uit 'n akoustisch beginsel z'n tweede kous aan. + +--Je weet, juffrouw Pieterse, dat er tegenwoordig veel gestolen wordt? + +--O ja, maar... + +--En ingebroken? En gemoord? En dat de politie er maar niet achter +komen kan wie dat telkens gedaan heeft? De moord van de oude Mevrouw +en haar dienstmeid, in de Lommerstraat... + +--Maar mensch, daarvoor zitten er drie in de gevangenis! Wat wil +je meer? + +--'t Mocht wat! De moordenaars loopen vry rond, wat ik je zeg! Dat +gevangen-zetten van die drie kerels is maar om ons 'n doekie voor de +oogen te binden, en dat de menschen niet vragen zullen: waarvoor dient +de jistiessie, zieje! De luî die 't gedaan hebben, willen wel zoo, en +hebben al den tyd om op 'r gemak hun boeltjen opteknappen. Want weetje +wat ik altyd zeg... ik zeg dat 'n gemeene kerel die 'n moord doet, +en veel geld steelt, z'n bebloede kleeren niet kan verdonkeremanen. En +al dat geld ook niet! + +Want, zeg ik, hy is niet gewend met zooveel geld omtegaan. Al z'n +buren kennen z'n buizen en broeken van-buiten. 'n Kast waarin-i +wat kan wegstoppen, heeft zoo'n man niet. Verstand van effekten +of obbeligaassies ook niet! En den weg naar 't buitenland weet-i +ook niet! En vrinden die hem den weg wyzen om van z'n boeltjen +aftekomen, heeft-i ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil dat... 'n +moord of 'n diefstal, of... zoowat... als ze den moordenaar niet +terstond pakken... nu, juffrouw Pieterse, dan zeg ik dat het door +'n fatsoenlyk man gedaan is, die meer rokken en kasten en kemsoossies +heeft dan alleman weet, en... ongeteld linnengoed, zieje! En vrinden +onder bankiers, zieje, die 'm afhelpen van z'n obbeligaassies. 'n +Gemeene vent zou honderdduizend gulden in z'n broodkast leggen, +en daar vinden 't de kinderen als ze boter snoepen. Wat zeg jy, Trui? + +Trui had nooit nagedacht over dezen wel-eens uit het oog verloren +grondregel van kriminalistiek. Althans Wouter vernam geen antwoord, +schoon de nieuwsgierigheid hem noopte z'n broek aantetrekken. + +--Maar, hoorde hy op-nieuw z'n moeder vragen, wat is er dan toch met +je gebeurd? + +--Wat er gebeurd is? Ik ben geschrokken... kyk, hoe ik bibber! De +stad is vol moordenaars, juffrouw Pieterse! + +--Lieve-god, mensch, wat kan ik daaraan doen? + +--Niks, juffrouw Pieterse, heelmaal niks! Maar ik ben geschrokken, +en kom je-n-om raad vragen. En... gaan Stoffel, en... Laurens, +en... iedereen hier altyd zoo vroeg naar bed? Kyk, hoe ik nog +bibber. Zou je wel gelooven dat ik niet naar m'n huis durf te gaan? + +--Maar waaròm dan niet? Denk je dat ze je vermoorden zullen? + +--Ja, juffrouw Pieterse, dàt denk ik! De moordenaars van die +ouwe Mevrouw en haar dienstmeid loopen nog altyd rond--gister by +de ullemenatie hebben ze god weet hoeveel horlogies gerold!--en de +policie... weet je wat de policie doet? Ze kykt of iemand 'n vloerkleed +uitklopt na tienen 's morgens... dàt doet de policie! Maar al die +moordenaars laat ze loopen. Dat zeg ik! + +--Maar wat weet je dan van die moordenaars? Geef ze-n-aan, als je ze +kent! Dat 's je plicht, mensch! + +Wouter trok z'n vest aan, en deed 'n dasjen om. + +--Wat ik er van weet! Ze belagen me-n-in m'n eigen huis! Is 't erg of +niet? Ik ben van middag uit geweest, om 't hardzeilen op den Amstel +te zien. Maar er was niets te kyk, omdat er geen wind was. En 't was +heel vol op den weg, en by den Amstel ook, tot Ouwerkerk toe. Al die +koningen waren er, en die vreemde prinsen en prinsessen, weetje, +en de menschen keken naar de koetsen, en ik ook. Niet dat ik om +'n koning geef, gut né! Want hy is 'n wurm in Gods hand, net als +jy en ik, en als de Heer hem niet steunt... och al 't aardsche is +maar gekheid. Stof en asch... geloof dàt maar! Maar ik keek naar de +koetsen, weetje, en naar de paarden, en naar al 't volk... dat er naar +keek. En ik dacht zoo by mezelf, als ik vanavend thuis kom, zal ik m'n +aardappelen opbakken, want... die had ik over van van-middag, en als ik +aardappelen over heb, bak ik ze 's avends altyd op, weetje. En er was +groot gedrang by den Amstel, en 't speet ieder zoo dat er geen wind +was, want de menschen zyn dol op plezier, en slaan geen acht op wat +des Heeren is. Wereldsch waren die prinsen en prinsessen... kyk! Ja +dacht ik, 't wondert me volstrekt niet dat er zoo erg gemoord wordt, +en gestolen, want ze verzoeken God. En: de Heer zal jeluî wel krygen, +dacht ik, maar Hy wacht z'n uur af. Want, juffrouw Pieterse, dàt +doet-i altyd. Eén dame--'t mensch had roode puisten in 't gezicht, +en was nog ouder dan jy, juffrouw Pieterse!--wat denk je dat ze-n-op +'t hoofd had? 'n Tulleband, mensch! En ze zat in 'n koets met vier +paarden. Is dat den Heer tergen of niet? Dat vraag ik maar! En ze +speelde met 'n soesoe, en toen er 'n prins te-paard naast haar koets +kwam, stak ze d'r hand uit het portier, en liet 'r soesoe driemaal +op-en-neer gaan. En dat deed die prins ook. Waren ze mal of niet? En +wat moet de Heer daarvan zeggen. Als er geen pestilentie komt... + +--Maar... wat is je dan toch overkomen? + +--Ja juist... wat me-n-overkomen is? Dàt zal ik je zeggen... maar +ik beef nog zoo. Ik had m'n aardappelen aan schyfjes gesneden, en +op 'n schoteltjen in de kast gezet. Want, dacht ik, als ik thuis +kom, kan ik terstond aan 't bakken gaan, want ik hecht niet aan +wereldsche dingen--want ik heb de genade, weetje--want ik dacht zoo +by mezelf, dat ik niet lang onder al die menschen blyven wou... gut, +juffrouw Pieterse, je moest... Stoffel roepen. Dan kan-i hooren wat +me-n-overkomen is. + +Stoffel was reeds in aantocht, en dit deed Wouter genoegen. Hy had +geruisch in de kamer naast zich gehoord, en grondde op Stoffel's +opstaan de hoop dat ook hyzelf weer voor-den-dag zou mogen komen, om 't +spannend verhaal wat meer op z'n gemak aantehooren dan door de porien +van z'n kamervloer. Intusschen had hy zich geheel gekleed, omdat-i +niet door juffrouw Laps wou gezien worden in z'n nachtpon. Hy nam nu +waar dat Stoffel de, huiskamer binnentrad, en dat de bezoekster, na +den gewonen groet en de plechtige verzekering dat ze nog altyd van 't +bibberen niet spreken kon, de vraag deed: waar toch... Laurens bleef? + +Laurens? Wèl, hy sliep, en leverde door z'n neusgaten de demonstratie +van 't pythagoreïsch vraagstuk, waarin hyzelf de hypothenuze zoo +aanschouwelyk voorstelde. + +Dit zou juffrouw Laps volkomen onverschillig geweest zyn, als ze +'t geweten had. Ze wist alleen--en 't hinderde haar erg, naar 't +scheen--dat... Laurens zich niet bevond onder haar gehoor. + +Was dit misschien de reden dat ze zoo talmde met de katastroof? Moest +juist... Laurens getuige wezen van de ontwikkeling en de +uitbersting? Waarom toch? + +--Zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of de stad niet vol moordenaars en +dieven is? + +Stoffel zoog z'n bovenlip naar binnen, en trachtte met de andere de +punt van z'n neus te bereiken. De lezer wordt uitgenoodigd dezen +mondgreep natebootsen, en hy zal, volgens de door my meegedeelde +methode van ziel-ontdekking, nagenoeg weten hoe en wat Stoffel niet +antwoordde op deze vraag. + +Juffrouw Laps hield zich of ze "ja!" verstond, omdat het zoo in haar +kraam te-pas kwam. En dus: + +--Zie je wel, Stoffel zegt het ook! De stad is vol dieven en +moordenaars, en... 'n fatsoenlyk mensch durft niet meer in z'n eentje +naar bed gaan. Dat zeg ik! + +--Maar... juffrouw... + +--De policie? Gekheid! Wat helpt de policie, als je niet +op God vertrouwt? Dàt 's 't ware! En wie dàt niet doet, is +verloren. Menschelyke hulp... ik kan me niet begrypen dat... Laurens +altyd zoo vroeg slapen gaat. Weet jelui wel, dat het niet gezond is +zoo veel te slapen! Wat zegt de Schrift? Waak en bid! Maar... ieder +z'n sinnigheid! Ik kan je voor God verklaren dat ik niet alleen naar +huis durf, en... + +Hier vertoonde zich weer 'n "vinger!" Wouter's nieuwsgierigheid was +ten hoogste gespannen. Om beter te kunnen verstaan stond-i in gebukte +houding, en leunde met één hand op den rug van 'n stoel. Z'n steunpunt +kantelde, de stoel gleed uit, knerste over den grond, bereikte 'n +ander meubel... + +--Heere-jesis-kristis, wat 's dàt nu weer? kryschte de moeder. Ben jy +'t, Laurens? + +Wouter piepte verlegen terug, dat het: "ik" was. Uit deze stoornis +vloeide voort dat-i zich wist overteplaatsen in den kring waar zulke +belangwekkende dingen werden verhandeld. + +Z'n entrée de salon had plaats onder de allerongunstigste +omstandigheden. Hy werd hevig berispt omdat-i "nog" niet uitgekleed +was, en... + +--Zet jy je bakker op, voor je je kleeren uittrekt?" riep de moeder. + +Zoo waar, de jongen had vergeten zich te ontdoen van z'n slaapmuts! Hy +meende van schaamte te verzinken. Liever had-i àl 't andere gemist, +dan dat eene te hebben! + +--En... wat heb je dáár? + +Helaas! Ons heldje was belachelyker nog dan men in-staat is zich te +maken met 'n pluimmuts alleen. Er bleek dat-i zich gewapend had met +den yzeren staaf die in voorhistorische dagen door z'n vader gebruikt +werd tot recht-afsnyden van leêr. Gedurende 't begin van 't lapsisch +verhaal dat zoo slecht vlotte, meende hy, dacht-i, hoopte hy... + +Nu ja, hy verstond iets van 't oude: "waar blyft Wouter?" Uit den mond +der spreekster niet, o neen--'t waren immers juist de woorden die +ze by-voorkeur niet uitsprak!--maar... hy meende ze toch te hooren, +al kwamen ze tot hem van geheel anderen kant. + +Wel was-i dien vrydag laag en slecht geweest, onridderlyk en infaam, +maar... hy bleef nog altyd Wouter! + +Moordenaars? Dieven? Een vrouw in nood, 'n dame--ze heette Laps, +godbetert!--wat anders kon daarop volgen, dan: + +--Ce sera moi, Nassau! + +en..: + +--God laat die moordenaars maar begaan... ik niet! Ik, Wouter! Ivanhoe +was-i gewis dien dag niet geweest... helaas! Doch er was toch nog +altyd genoeg in hem van zichzelf, om niet lager te staan dan de +slechtaard Brian de Bois-Guilbert, die toch ook niet wegliep voor +gevaar, al was dan z'n gedrag jegens Rebekka hoogst-indelikaat. + +Slecht? Het zy zoo! Maar lafhartig ook? Dat zou te veel zyn. + +In zóó'n stemming had Wouter--hy scheen niet te weten dat ook z'n eigen +felonie voortkwam uit lafheid!--tusschen z'n tweede kous en z'n broek +in, den leder-lineaal gegrepen. En dat ding hield-i nog altyd in de +hand, toen er door zoo'n zonderlingen samenloop van omstandigheden +'n welgelukt beroep werd gedaan op z'n moed. + +O, eerbiedwaardige, korrekte, maar dikwyls laaghartige, toch +altyd onschuldige, kansverevening, waarom moest ge dat onïngetogen +ridderzwaard in-handen geven van iemand die vergeten had zich te +ontdoen van z'n slaapmuts? Waarom niet die twee belachelykheden in +billykheid over Stoffel en den held verdeeld? Waarom niet aan ieder +wat? Den een de muts, den ander 't wapen? Of, beter nog, waarom niet +Stoffel den hellebaard in de hand gedrukt, en den slapenden Laurens +by uitsluiting belast met het torschen van den gepluimden diadeem? Wat +kon het hèm schelen hoe hy er uitzag in z'n bed! + +Maar... 'n held, 'n ridder? En dat onder de oogen van de dame die hy +beschermen zal! + +Arme Rebekka, wanneer Ivanhoe ware te-voorschyn gekomen met zóó'n helm! + +Wouter was woedend. + +En... ik ook! Op die kansverevening namelyk, en niet zoozeer om de +boosaardige kombinatie van muts en degen. Zy is niet te vermyden, +en de Don Ouixotten schikken zich. Weldra zien ze die pluimmuts voor +'n stalen helm aan, en hun hemd voor 'n schubbejak. + +Niet dáárom alzoo ben ik boos. Ik zou waarlyk te veel te doen hebben, +indien ik toegaf in de neiging tot zùlke verstoordheid. Maar om 'n +andere samenvoeging die bedroevender is, en waarin 'n braaf ridder +zich niet màg leeren schikken. + +Wouter was lafhartig geweest, toen-i Femke had behooren te kennen en +te èrkennen. En... z'n gevloden ridderlykheid kwam tevoorschyn op 'n +roep uit den mond van juffrouw Laps! Dit is erger dan belachelykheid! + +Tegenover reinheid had-i zich stug betoond, en arm aan ziel. De rykdom +van z'n gemoed berstte weelderig uit, zoodra ze werd opgevorderd door +'t gemeene. Is 't niet treurig? + +Dat de Don Quixotten weldra de onheraldische beteekenis van +hun pluimmutsen over 't hoofd zien--lafaards wachten zich wel +voor zulke gekheid!--is begrypelyk, en te vergeven. Maar wie--en +op-den-duur--genoegen nemen zou met de verkrachting van zedelyke +logika, met het tragisch-heterogeene... + +'t Huwelyk van rapier en muts was maar komisch! + +... wie op-den-duur zich tevreden stelt met... dat andere, hy is +verloren! Hoogstens kan er 'n rykworder uit hem groeien, 'n schoonzoon +van Kappelman, of zoo-iets. + +Goddank, Wouter zou 't leeren inzien. De zeer intelligente lezer +begrypt immers dat-i anders geen geschiedenis hebben zou? Maar hy +was nog in lang zoo ver niet, en meende al veel gedaan te hebben +tot herstel van de zoo sarkastisch bedorven tooneelzetting, toen-i +met driftig gebaar z'n wapen kletterend op den grond smeet, en z'n +muts--flap!--op de tafel. + +Niemand had ooit geweten dat het manneke zoo driftig worden kon. Z'n +moeder vroeg dan ook met de gewone belangstelling in 't welzyn van +z'n zieltje: "of-i dan in gods-heeren-naam heelemaal bezeten was?" 't +Had er veel van. + +De "vinger" van zoo-even zal wel weer de klauw van 'n duivel geweest +zyn, of... van den Duivel, naar verkiezing van den lezer. + + + +--Ik zeg dat jelui 't kind niet zoo moet versagrineeren, zei de +bibberende bezoekster. + +--Oogenblikkelyk naar je bed! riep de moeder. + +--Och, laat het kind zitten! Maar... wat ik je zeggen wou, juffrouw +Pieterse, van m'n aardappelen... + +Wouter blééf. Dat-i dit kon, had hy te danken aan de algemeene +nieuwsgierigheid. Heel gelukkig waarlyk, want ik heb z'n blyven +hoognoodig voor de ekonomie van m'n vertelling. + +...verbeelje toen ik thuis kwam, zoo tegen half-elf... want ik kòn niet +eer, om de drukte, weetje--anders... ik houd niet van remoerigheid, +dat weetje wel--nu, toen ik thuis kwam--de stad is vol moordenaars +en dieven, dit moet je wèl in 't oog houden!--toen waren m'n +aardappelen... waar denk ie dat m'n aardappelen waren? Ze waren... weg! + +--Weg? + +--Weg! + +--Heelemaal weg? + +--Heelemaal... wèg! + +--Je aardappelen weg? + +--M'n aardappelen... heeeeelemaal... wèg! + +--Maar... + +--En ik zeg: dat hebben de dieven en moordenaars gedaan! Wie anders? Er +zyn moordenaars op m'n zolder, en nu wou ik je vragen... want ik durf +niet alleen thuiskomen... + +Wouter's oogen flikkerden. + +...ik wou je vragen of misschien... je zoon Stoffel... + +Stoffel zette 'n allerzonderlingst gezicht, dat zeker alle moordenaars +uitmuntend zou bevallen hebben, omdat het 'n geruststelling bevatte +voor de toekomst van 't métier. + +--Maar, juffrouw Laps, vroeg-i heb je dan geen kat in huis? + +--Een kat? Ben je mal? 'n Kat tegen moordenaars? + +--Né, juffrouw, niet tegen moordenaars. Maar 'n kat die misschien je +aardappels heeft opgegeten? + +--Ik weet van geen kat! Ik weet dat de stad vol gemeen volk is, dat +de menschen vermoordt zonder dat er 'n haan na kraait! Niet dat ik om +m'n leven geef, gut neen, niet... zie zóóveel! Als de Heer me roept, +zal ik zeggen: laat je dienstmaagd gaan in vrede. M'n oogen hebben +je heerlykheid gezien! En dan... + +--Maar, mensch, waarom heb je niet op je zolder gezocht, of onder +je bed? + +--Dat mòcht ik niet, juffrouw Pieterse! Wien God bewaart, is +wèlbewaard, maar... men mag den Heer niet verzoeken! Op m'n zolder +ga ik niet, en onder m'n bed kyk ik niet, voor alle wereldsch +goed niet! Want dáár zit-i zeker! En juist daarom wou ik je vragen +of... je zoon... Stoffel... of--als Stoffel geen senie heeft--byv. je +zoon... Laurens, of... + +--Maar... waarom heeft uwe niet liever de buren er by geroepen, +juffrouw? + +Aldus sprak Stoffel. + +--De buren? Nou, je moet ze kennen, die buren! De man onder me durft +geen schoothondjen aan, laat staan, 'n moordenaar! En naast me woont +er een die... wat zal ik je zeggen, 't is 'n jonkman, en je weet dat +ik me niet graag in opspraak breng. Want... 'n mensch moet zorgen +voor z'n fatsoen, en nooit ergernis geven, dat weet je-n-ook wel. + +Niemand kwam op de gedachte, haar te vragen wie of wat Stoffel dan +voor 'n wezen was? Géén jonkman? Zoud-i misschien "door z'n school" +boven wereldsche verdenking verheven zyn? + +--En bovendien, ging de verlokster voort, meen je dat al die mannen +kerasie hebben? Ik zeg neen! Ze zyn zoo bang voor 'n dief, als de +dood. Verleje week stond er 'n brittale bedelkerel in 't pertaal, +en de vent wou niet weg. Denk je dat ze 'm aandurfden? Maar ik, +ik pakte hem flink beet, en... + +Ze versprak zich, en bemerkte het: + +... nu ja, dat zou ik gedaan hebben als ik niet 'n vrouw was +geweest. Want vrouwen moeten zich nooit inlaten met ruwigheid. Dat +stáát niet... wat zeg jy, Trui? Ik liep weg, en sloot m'n kamer, +zieje! Neen, kerasie hebben al die manlui niet! + +"Al die manlui!" + +Wouter voelde zich beleedigd, en beefde van ingehouden strydlust, +of althans van begeerte om te toonen dat hy niet behoorde onder zùlke +"manluî." Juffrouw Laps merkte 't wel. + +--Nu, als Stoffel 't niet graag doet... + +--Om je de waarheid te zeggen, ik... + +... en als Laurens al slaapt. En als... niemand er senie in heeft... + +Ze stond op. + +... nu, dan zal ik, op God vertrouwend, in m'n eentje... maar griezelig +is 't voor 'n vrouw alleen! + +Ze zag allen beurtelings aan, behalve juist den eenen tot wien ze +sprak. Wouter moest zich vergeten voelen, over 't hoofd gezien, en +daardoor geprikkeld tot den eisch om beschreven te worden onder de +ridderschap van den huize. + +... als dan hier niemand is, die durft... + +--Ik durf, juffrouw! + +Allen stonden verbaasd, behalve onze menschenkenster die niets anders +verwacht had, maar toch geraden vond zich even verbaasd te houden +als de rest. + +--Jy? + +--Jy, Wouter? + +--Jongen, ben je gek? Jy? + +--Ja, ik! Ik durf, al waren er tien op je zolder, juffrouw, en duizend +onder je bed! + +Hm, zoo'n kleine Luther! Maar er was verschil. Luther had 'n +God, waarop-i meende te kunnen rekenen... met behulp van 'n paar +keurvorsten... nu ja, die behoefte hadden aan troebel water. Onze +Wouter--zònder keurvorsten!--trok als 't ware ten-stryde tégen den +god, die toegelaten had dat er duizend en eenige moordenaars onder +'t dak en bed van juffrouw Laps konden zitten. + +--Maar, jongen! + +--Ik durf! + +--Och, laat hem begaan, juffrouw Pieterse! Je begrypt... het is +altyd 'n gezelligheid voor me, zoo'n kind by me te hebben! Zieje, +dan griezelt het me minder, als er misschien 'n moordenaar op zolder +zit. 'n Mensch wil aanspraak hebben, niet waar? + +Ze bereikte haar doel: onze Wouter werd haar meegegeven. Met z'n +nachtpon en bakkersmuts in 'n pakjen onder den arm, verliet hy +'t huis. De yzeren staaf werd achtergelaten, omdat juffrouw Laps +verzekerde dat zy 'n wel gevuld tuighuis had van gereedschappen +waarmee men zooveel moordenaars kon doodslaan als men verkoos. + +De oorzaak dat de Pietersens zoo gemakkelyk toestemden in Wouter's +benoeming tot slotvoogd, lag voornamelyk in ydelheid. Eigenlyk keurde +het geen der leden van 't koncilie goed, dat de jongen meeging met +juffrouw Laps, maar de familie was groots op z'n moed. De zaak zou +bekend raken, oververteld worden, en juffrouw Pieterse zou wel zorgen +dat er bygevoegd werd: + +--'t Is dezelfde jonge-heer, weetje, die laast geleseerd heeft by +dokter Holsma op den Kolveniers-burgwal. + +"Ja, ja, er zit wel wat in die kinderen van diezelfde Juffrouw +Pieterse!" zou dan deze of gene de goedheid hebben te antwoorden. + +En zoo-iets hoort men graag. + +Dáárom kreeg juffrouw Laps ditmaal haar zin. + +Maar... Fancy? + +Preutsch was ze niet! + +Dat verloochenen van Femke vond zy èrger! + +Doch ook dáártegen zou ze raad weten, zy die alles was, alles wist, +alles kon, tot het regelen van de kans-verevening inkluis. + +Niet tevreden--o neen!--maar kalm toch, en geenszins wanhopend, ging +ze met haren arbeid voort. Er was meer spot dan smart in haar gelaat, +toen ze Wouter dien avend den weg zag inslaan naar de woning der +oefenaarster. Ze toonde hierdoor hooger te staan dan de engel die door +Moritz Retsch tot droefgeestige getuige wordt gemaakt van de nederlaag +des jongelings die op 't schaakbord z'n ziel aan den duivel verspeelt. + +Hm... in één party? + +Moet dan het behoud der ziel afhangen van één veronachtzaamd: gardez +la Reine? + +Waarachtig niet! + +Men zou wenschen geen ziel te hebben, als ze zóó snel kon verloren +gaan! + +Eilieve, dan immers stond de party tusschen God en Duivel niet gelyk? + +Hoe! Eén misstap, ééne dwaling, één vergissing, zou naar de hel kunnen +voeren, en na 'n lang leven vol moeite, arbeid, onthouding en stryd, +is er nog 'n byzondere genade noodig om in den hemel te komen? + +Dit moet 'n dwaling zyn! Maar... 'n dwaling die 't verklaart, waarom +de galerie zoo gaarne voor den Duivel parieert! En waarom er zooveel +speciaal-kunsten worden uitgevonden om God 'n beetje te helpen in +z'n ál te ongelyke kans. + +Dit hoeft niet! + +Fancy zal zich weten te redden. Zich, en... hem dien ze aanraakte +met haar vleugel. + +Ze laat hem begaan, en doet--als ik!--haar werk. En: + + + ... doet, als ik, haar werk! + En spint den vlok tot draad, en weeft den draad + Tot doek, waarop zy, eindloos voortbordurend, + Den loop van al wat is, te aanschouwen geeft. + En wie 't verband ontkent, is schuldig blind, + Ter nauwernood onschuldig wie 't niet kent! + + +Van dit alles wist Wouter niets. Z'n onkunde mag wel een der oorzaken +geweest zyn van de rilling die hem bekroop, toen-i met juffrouw Laps +de trap van haar woning opging. + +'t Eerste wat ze hem aanbood, bestond natuurlyk in de gebakken +aardappelen die opgegeten waren door al die gulzige moordenaars. + +Hu! Wouter verbeeldde zich dat-i zou hebben raad geweten met +Schinderhannes in hoogsteigen persoon. En al blyft het nu de vraag, +of z'n--ongeoefende!--moed niet op 't beslissend oogenblik in de +schoenen zou gezakt zyn, hy méénde toch dat-i durfde. En hy was dan +toch begonnen met Schinderhannes inderdaad optezoeken... + +Maar... alleen te wezen met die gebakken aardappelen, en met die +walgelyke vrindelykheid--wat ranser was wist-i niet!--daar hoort +méér toe! + +Hy voelde berouw over z'n veronderstelden moed, en begreep niet +hoe hy z'n heldentocht had kunnen aanvangen zonder te letten op de +onvermydelyke byzaken. + +Wèl beschouwd, was-i toch maar liever in een der driehoekjes gekropen, +die Laurens gewoon was zoo grootmoedig ter zyner beschikking te +stellen. + + + + + + + + De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders + van deze eeuw. "En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn + knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan + hem uit." Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd + werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van + beschermengelen. + + +--Tast jy maar gerust toe, m'n jongen, en seneer je niet! Of wil je +misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch van-nacht +hier blyft, zieje, om op me te passen... + +Wouter hield z'n jasje voorloopig aan. + +En... 'n lekker likeurtje heb ik ook voor je... 't is beste! Van +Fockink, weetje, die z'n fabriek heeft in... die nauwe straat, je +weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar wonen gemeene +vrouwluî, en die staan aan de deur, zieje, en dat 's niet goed voor +'n jonkman als jy. + +De "jonkman" Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou jokken als ik zei +dat-i boos was. Juffrouw Laps had met aanbiddenswaardige handigheid +hem 'n paar tweede-luitenants epauletten op schouder gespykerd... z'n +eersten rang! En welke jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot +jonkman was streelender nog dan 't "in den handel" zyn. + +Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z'n nieuwbakken +hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze +verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort +worden toegemeten. + +--Wel wis en zeker, Wouter, je bent 'n jonkman, wist je dat niet? 't +Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig behandelen. Ik zeg dat +je-n-'n jonkman bent, zoo goed als de beste! Denk je, byv. dat ik +zooveel van... Stoffel houd als van jou? Waarachtig niet! Volstrekt +niet! In 't geheel niet! Ik houd veel meer van jou. Wil je-n-'n pyp +rooken? Je bent er mans genoeg toe. Wel zeker, waarom zou je niet +'n pypie rooken, net als andere mannen? + +"Mannen!" + +Help, Fancy! + +Wouter antwoordde dat-i "nog niet" rooken kon. 't Kostte hem moeite +dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel kinderachtigheid, maar +hy moest wel oprecht zyn omdat 'n eerste poging om Stoffel natedoen +in deze uiting van mannelykheid, zoo byzonder ziekelyk was afgeloopen +dat het voorstel tot herhaling hem schrik aanjoeg. + +--Zóó? Rook je niet... + +Ze liet het, "nog" weg. + +...rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is 't 'n verkeerde gewoonte +van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die niet +rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel--hy is zoo oud als jy, maar +wat kleiner, en vryt met 'n nichtje van me--die rookt ook niet. + +Iemand zoo oud als hy, maar kleiner, en die al aan "vryen" deed: +help, Fancy! + +--Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet +wanneer. Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat +je-n-'n effetieve jonkman bent. 't Is heel mal dat ze je-n-altyd +behandelen als 'n kind! Dàt heb ik wel al honderdmaal aan je +moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om 'reis te noemen... zooeven +op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar 'n zwakke vrouw ben, +weetje? En 't was nacht, niet waar? Denk je dat ik nog bang was, toen +jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? Wèl, omdat ieder zien kon +dat ik 'n manspersoon by me had. Ik had je best 'n arm kunnen geven--je +bent heusch grooter dan ik--maar ik deed het niet, omdat je-n-'n pakje +droeg. En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht +had het kunnen zien, en dan in de buurt overal rondvertellen dat ik +'s nachts met 'n heer liep. + +"Met 'n heer!" + +Fancy! + +--Want 'n mensch moet altyd zorgen voor z'n fatsoen! Hier +binnen'skamers is 't wat ànders, heel wat anders! Gut, ik weet wel +dat jy geen kwaad van me vertellen zult. Wie 'n vrouw bekladt, is +geen ware man, dit weet je-n-ook wel. + +Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z'n besef van loyauteit, +dan helderheid in 't begrip van: "bekladden." Hy vertaalde juffrouw +Laps' maxime in z'n boekentermen, en las voor: "vrouw" en: "man" +de hem gemeenzamer uitdrukkingen: dame en: ridder. + +'t Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf verwachten +of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware geweest +over de likeur--par impossible, want ze was van Fockink--of dat +de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar bejaardheid had +gesmaakt--onmogelyk alweer, want ze bakte met boter, die niet eens veel +slechter was dan de gewoonte der hollandsche vervalschings-industrie +meebrengt--jazelfs al had-i grond gevonden tot het maken van +gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder Wouter dame Laps +zou hebben geschandvlekt? Nooit... "by m'n zwaard!" + +De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit intezien, +of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. Voor +iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was 't +inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om +de belegerde vesting. Had ze inderdaad menschkunde bezeten, ze zou +geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan +had ze tevens--door geestelyke oefening veredeld!--geen lust gevoeld in +zulke krygstochtjes en dus 't heele vestinkje met vrede gelaten. Zooals +nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en kwaad het gaan wilde, +maar voort met de kleine middeltjes die leiden moesten naar 'n +mikroskopisch doeltje. + +Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen +die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet boozer +op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de +wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen +dokter in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou +geweest zyn het mensch voorby- of natestreven op 't zielkundig +terrein dat ze hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens +'t hare was. Want--wie zal dit begrypen?--haar scherpzinnigheid was +minder wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou 'n man--overigens gelyk +begaafd--uit de sobere gegevens die hààr tendienste stonden, een zóó +praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En, +omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd, +wanneer niet haar kinderachtig plannetjen in-verband had gestaan met +verwrongen geslachtsdrift. + +Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te +kussen! Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van 'n paar +gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand +verdediging mogelyk was? + +En... Fancy? Wendde ze treurig 't hoofd af? Meesmuilde zy? Begon ze +te schreien? Brak zy in jammerklacht uit? + +Teekent haar de artist--die m'n werken illustreeren... zou, als ik +'t geluk had geen Hollander te zyn--wordt ze hier door den schilder +voorgesteld in gebogen houding, handenwringend? + +Vlucht ze heen? + +Wat toch doet hier onze Fancy? + +Komaan, artisten--die m'n werken niet illustreert, omdat ik maar +'n Hollander ben, in-plaats van 'n zevende-klas buitenlandsche +beroemdheid!--komaan, ik zal u helpen. Weg met die tranen op Fancy's +wangen... + +Een geest weent niet om zoo weinig... + +Weg met die geknakte gestalte... + +Geesten bukken niet onder zoo geringen last! + +Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van +dit alles! + +Kalm en ernstig--'n glimlach misstond er niet by!--zette zy haar +kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar op die bovenkamer +iets te véél... welnu, er zou méér geschieden, elders of hier! + +Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning... + +Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de +natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort +komen omdat haar feiten òpraken. + +Aventuur op aventuur! Is 't u te veel? Ei, ziedaar... 'n nieuwen schok! + +Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dàn 'n nieuwen +takel aan de koord geslagen... ze kan méér dragen, méér heffen, +en knappen zal ze niet! + +Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst +met 'n orkaan! + +En ze glimlacht! + +Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet +B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet! + +Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze. + +Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al +gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe +vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den +adem van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken. + +De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde +voor 't gelukken der menschenkennige kunstjes van juffrouw Laps. En +ik verzoek hem uit-bestwil, z'n deel te nemen van die kalmte. + +Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer daarvan! + +Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was +'t slagen zéker? + +Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor 't goede dan de +verleidbaarheid van 'n halfwassen jongeling, al zy het dan dat de +zoetigheid van Fockink's likeurtjes, en de nog zoeter drang van +gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het booze! + +Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden "val"--och, arm!--blyft +het misschien de vraag, of 't Fancy de moeite waard wezen zou de +wapens aantegorden in 'n stryd van zoo weinig belang? Dat... "booze" +was maar ordinair. + +Wanneer ze 't doet, geschiedt het waarschynlyk uit luim +alleen. Want... luimig is ze. Luimig als 't spel, als 't weder, +als de wereldgeschiedenis, als alles wat òns luimig toeschynt omdat +ze dom zyn, beginnertjes maar in de moeielyke studie van 't rerum +cognoscere causas! [1] + +En àls nu eens onze Fancy--uit zoogenaamden luim dan!--mocht blyven +versmaden 't belaagd jongetje by-tyds de hand te reiken, àls... + +Juffrouw Laps was 'n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me, +lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan +volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling +ligt aan de vermeende eischen van 't boekmakers-ambacht. Sedert +onheugelyke tyden gebruiken de heeren van 't métier, dergelyke +zaakjes als hoofd-katastroof. 't Afgezaagd: "en ze viel!" is de +lievelings-kataklysme tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen. + +Ze, ja, ze! Want in-verband met de duurte der voedingsmiddelen, en de +daaruit voortspruitende behoefte aan 'n "fatsoenlyk huwelyk"--ik erken +volmondig die behoefte, doch alleen: "omdat uwe harten boos zyn"--is +'t vallend voorwerp gewoonlyk 'n stumperige "zy." + +Welnu, die "zy" begaat 'n fout als ze valt. Men moet niet vallen. Al +vinden de lezers--die de zaak hardschreeuwend afkeuren!--zoo'n "val" +allerplezierigst, en 't onmisbaar element in 'n "mooi" boek: men moet +niet vallen! + +En wanneer by uitzondering de valler 'n "hy" is ... + +Minder pikant, omdat de maatschappelyke pozitie daardoor niet aan 't +wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed ongeschikter +voor den "handel" geworden zyn wanneer-i z'n jasje had uitgetrokken, +en z'n... vestjen er by! + +... als er 'n "hy" valt... + +Wèl, dan heeft-i 'n fout begaan, 'n Mensch moet niet vallen. Hy heeft +beter dingen te doen. + +Doch--"hy" of "zy" dan--leugen is 't, zulke nietigheidjes voortestellen +als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis! + +Dààrtegen protesteeren Jezus en ik. + +Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó makkelyk komt men niet in +de hel! Zóó ligt is de taak van den Satan niet! Dat mocht-i willen, +de oude stumpert! + +Leugenachtig dus is die triumfelyke voorstelling van 't kwade. Zoo +overdryven kwakzalvers 't gevaar van 'n lichte ongesteldheid, om hun +poeiertjes aan-den-man te brengen. + +En leugen is 't ook uit 'n aesthetisch oogpunt, als men van zulke +armzalige gegeventjes alleen, 't zedelyk schoon of de leelykheid +eener figuur wil laten afhangen. + +Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps 'n handje te helpen in +haar plannetjes--'t staat aan my!--om te doen in 't oog springen +dat m'n heldje, zóó gevallen, nog altyd redelyk wel tot stáán kan +worden gebracht. Maar ik heb 't recht niet, m'n Fancy vóórtegrypen, +die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook, +dat zy me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen +dat zulke valgeschiedenissen... + +Met... dàt, kan men goed zyn, of goed worden. + +En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat! + +Vlek is vlek, bezoedeling is bezoedeling: geen genade voor de minste +afwyking van de wetten der zedelyke logika... + +Zóó immers wordt "deugd" by denkers genoemd? + +Maar die zedelyke logika zou verkracht worden door de ongerymde +machtsverheffing van 'n zweertje tot kanker. + +'t Is lasteren van de deugd, haar by-uitsluiting te zoeken in 't +vermyden van zulke mis... greepjes. + +En we doen aan de ondeugd te veel eer, als we haar vervloeken pour +si peu! + +Goddank, er zyn--'t geringe niet minachtend--verhevener dingen +te bejagen! + +Goddank, er zyn--zonder de minste vergoelyking van +pekelzondjes--vreeselyker zaken te vermyden! + +De te grypen eerekroon in 't strydperk der Mensheid, hangt hóóger. En +wel is 't jammer dat zooveel mislukte gladiatoren krom groeiden door +de opgedrongen hebbelykheid om steeds te bukken naar den lagen prys +dien ze deelen met 'n eunuuk. + +Excelsior, heeren schryvers en lezers en deugdwetgevers en +onthoudingpreekers, en verdere gladiatoren in miniatuur! + +Komaan, moralisten, al hàd nu eens onze Fancy geslapen dien nacht, +of al wàre ze 's morgens ontmoedigd weggeklept naar 't hof van +Wouter's moeder, om daar de treurmare te brengen dat prins Upsilon +gestruikeld was... + +Zou ze niet met 'n strenge vermaning zyn teruggezonden naar 't +zoo ontydig verlaten strydperk? Liep ze niet gevaar--zyzelf nu, de +wachtster!--veranderd te worden in 'n zandkorrel, wegens al te grove +miskenning van haar plicht? + +Er hoorde moed toe--krankzinnigheid liever!--dáár aantekomen met +de boodschap: + + + Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der geesten: + 't Hemelsche Ryk heeft 'n eind ... maak voor uw meerdere plaats! + Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, godbetert, + Met 'n compositum mixtum. [2] van vleipraat en Fockink's likeur! + + +Wat de geesten zouden gelachen hebben! + +Wanneer Fancy aldus gesproken had, zou zy inderdaad één element +van bederf dat den vyand ten-dienste stond, hebben overgeslagen. De +fleemery met het verrassend jonkmanschap miste niet allen grond. Wouter +was inderdaad opweg om 'n jonkman te worden. Misschien wàs-i 't +al. Wie hem dit kwalyk neemt, moet ook afkeuren dat z'n bovenlip +begon te roepen om... den barbier wel niet, maar om de schaar toch. + +--Zoodat ik maar zeggen wil, dat je nooit die steeg moet passeeren. Als +je-n-'n kind was, zou 't geen kwaad kunnen, want 'n kind heeft geen +erg. Maar jy! + +Zeker, hy moest "erg" hebben! En z'n jeugdig kneveltje was er volstrekt +niet tegen om "erg" te krygen. "Al wat van zelven wast, behoeft men +niet te zaaien!" zei Kamphuizen. Onze hovenierster liet het daarop +niet aankomen, en zaaide zoo hard ze kon. Zelfs was ze niet afkeerig +van 't begieten. + +--Laat my je nu reis inschenken... + +Wouter dronk. + +En ... Fancy? + +Ze glimlachte! + +Allerlichtzinnigst voor 'n hofdame uit het gebied der geesten? + +Toch niet! + +--Hoe vind je nu dàt likeurtje? + +Wouter erkende... + +Fancy, Fancy! + +Wouter erkende dat-i smaak vond in de parfait-amour uit de steeg +die-n-i niet passeeren mocht omdat-i te groot geworden was om zich +welstaanshalve te onthouden van "erg". + +En 't winkelmeisje van Satan schonk hem nog eens in. De glaasjes waren +zoo klein, zei ze, ware notendoppen! Nu ja... doppen van zeer groote +noten dan. + +--En, je moest er wat by eten ook, m'n allerbeste jongen--gut, ik +heb altyd zooveel van je gehouden--dat 's zoo gezond by 'n likeurtje! + +God-vergeef-'m-de-zonde, Wouter begon te eten ook! Nog 'n oogenblik, +en hy zal zich thuis voelen, àl te thuis! + +Fancy, ben je blind? + +--En trek jy gerust je jasjen uit, m'n lieveling! Je moet denken, +we zyn hier onder ons beidjes. + +Een koninkryk voor 'n nieuwen vloek, o goden: onze Wouter trok +waarachtig z'n jasjen uit! + +Fancy! + +--Heelemaal met ons beidjes, zieje! + +Fancy, ben je doof? + +--En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je zoo'n lieve +beste jongen bent... + +Fancy... deern! + +Wouter schikte by. + +Wie dáár niet wanhoopt, moet geen hoop te verliezen hebben! + +Och neen! + +Ik zeg juist andersom: wie dáár wanhoopt, had nooit behoorlyken grond +voor z'n hoop! + +"Maar, eilieve... dat is de ware echte oude: zal-i, +zal-i-niet-litteratuur!" + +Ja, lezer! In stipt-letterlyken zin, ja! Maar overigens? + +Meent ge dat ik Wouter in den hemel helpen kan, zonder hem te leiden +langs àlle paden die men moet doorworstelen om daar aantelanden? + +Dacht ge dat hy ooit den rang die hem by geboorterecht toekomt, weder +zou kunnen innemen zonder in 't leger der Menschheid als rekruut te +hebben dienst gedaan van de patroontasch af? + +Mocht iemand, in-weerwil hiervan, aanmerking maken op Fancy's leiding, +dan ligt de schuld aan hem. Het lage bestààt. Wie 't loochent, +liegt even misdadig als de miskenner van 't hoogere, van 't goede, +want zonder laagheid is er geen hoogte denkbaar. + +Niet in de schildering van dat lage ligt de fout, de fout ligt in +'t sierlyk aankleeden van 't gemeene, en vooral in 't belangryk maken +van onnoozele lapsische platheid. + +Hoort ge nog altyd niet, hoe Fancy schatert van lachen over 't +veldtochtje van haar stumperige vyandin? + +De nietigheid van zulke zaakjes rechtvaardigt zoo'n wyf niet. En ook +onze kleine man liep gevaar... schuldiger te worden dan geoorloofd was, +zelfs aan de nuchterheid van 'n kind. + +Want ieder moet geoordeeld worden naar den maatstaf dien-i omdraagt +in z'n eigen gemoed, en Wouter voelde heel goed dat-i zich bevond +op... onfatsoenlyk terrein. Zóó ongeveer zoud-i de zaak gekwalificeerd +hebben, als-i genoopt ware geworden z'n indruk te vertolken in +'n woord. + +Maar... dit zeer betrekkelyk schuldbesef verheft de zaak, als zoodanig, +niet tot 'n wereldberoerende kalamiteit, tot 'n casus diluvii! Och, wat +zouden we weinig droge jaren hebben als er 'n god was die regenplassend +toornde over zùlke ... kostschooljongensvergrypen! + +Nogeens, juffrouw Laps wàs 'n slecht schepsel. Om 't beoogde feit +niet zoozeer, maar... ze veroorloofde zich zulke feitjes te beoogen +omdàt ze nu eenmaal 'n slecht schepsel was. Godsdienst, vochtmenging, +zittende levenswys, en 'n tal van dusdanige ziekten meer, zouden +kunnen worden aangevoerd ter verligting van schuld. Ik kan me zelfs +'n zéér hoog standpunt denken, vanwaar zou mogen worden gekonkludeerd +tot finale vryspraak. + +Maar op dàt standpunt plaats ik me nu niet, heden niet! Ze was +inderdaad 'n slecht schepsel, en daarmee voor 't oogenblik: uit! Of +zou men misschien... + +Ik beweer vandaag alleen dat ze ... niet zeer byzonder was. Niet zeer +buitengewoon. Niet zeer belangwekkend. Geen kunstenares van eersten, +noch zelfs van eenigen rang. Geen exploitatrice van ryk terrein. Geen +hóóggeplaatst ambtenaresje van den Duivel... + +Och, in myn oog zou 't mensch zoo weinig kontritie behoeven om recht te +hebben op 'n goedig: "uw zonden zyn u vergeven, ga heen en... arbeid!" + +Want, lezer, er zit veel luiheid onder de oorzaken van zulke +afdwalinkjes. Menigeen toont zich wat wulpscher dan noodig en behoorlyk +is, omdat-i te weinig te doen heeft, of te ... denken. + +Misschien had juffrouw Laps de "deugd" van ons kereltje met rust +gelaten, wanneer men in-plaats van met God, Israël en hysterische +theologie, haar pover zieltje gevoed had met... gedachten. Wasschen, +schuren, boenen, is ook goed. Jazelfs, 't verstellen der onderbroeken +van 'n pastoor. + +Wat Femke rein en gezond bleef by de bezigheid die skabreus zou hebben +toegeschenen aan besmette zieken! + +Ziek, ziek ... ziedaar 't woord! Juffrouw Laps was ziek! + +Hoe is 't mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest naar den waren naam +van haar kinderachtig slechtheidje! Dit was dom en verschoold van +me. De lezer bedenke dat ik veel boeken heb gelezen. Toch beloof +ik beterschap, en als blyk van berouw verbind ik my ter-zyner-tyd +ziekteverschynsels van erger soort te schetsen. Ik zal me die laten +leveren door Feith, dominee Hasebroek, en meer lui van dergelyk +allergodzaligst kaliber. Die voorbeelden zyn van 'n aard, dat men byna +achting zou gaan voelen voor juffrouw Laps. De lezer heeft immers +opgemerkt dat ze haar "God" wegliet by de zaak? Geschiedde dit uit +schaamte? Uit diskretie? Uit besef van overbodigheid? Uit vermoeienis +van 't gehuichel? Uit gebrek aan bedrevenheid in toonzetting, en vrees +alzoo voor--vermeenden--wanklank? Hoe dit zy, in al haar geknoei had +het schepsel de verdienste der Sancta Simplicitas. Ze theologizeerde er +niet by, en poogde niet Wouter in den waan te brengen dat-i dezen of +genen "Heer" 'n pleizier deed door 't uittrekken van z'n jasje. Dit, +of zooiets, trachten die andere verlokkers wèl! Blyvende erkennen dat +ons Lapsjen aan zeer ziekelyke aandoeningen leed, wordt het waarlyk +tyd eens voor-goed de symptomen te leeren kennen die den geneesheer +in-staat stellen lichte verkoudheden te onderscheiden van kwaden droes, +huiselyke namiddagkoortsjes van... pest! + +Wouter, overigens... goed, of althans niet volstrekt ziek nog, zou +'r geen grein boozer om geworden zyn, al ware... de likeur van den +hoogstberoemden Nederlander Fockink nog 'n graad of wat sterker +geweest. + +Hierom zeker veroorloofde zich de guitige Fancy te lachen. En ze wrong +zich nog altyd de handen in 't minst niet, zy die toch blyk gaf van +strengheid, door zich verstoord te toonen over Wouter's félonie van +den vorigen dag! + +Fancy was, en is... liberaal! + +Te liberaal? + +Voyons! + +Beste lezer--ik bedoel: gy die onder al m'n lezers de minst onoprechte +zyt--stel u eens op 'n plaats waar zeer veel menschen voorbygaan. En +houd boek! + +Tel, weeg, meet en noteer de tranenstroomen die al dezen voorbygangers +langs wang en kleeren gudsen. Tel de jaren gewrongen handen, de +dozynen wanhopighedens, de duizenden gescheurde opperkleeren, de +legioenen opengereten boezems... + +Verzamel eens al de asch die de voorbygaande dames en heeren zich +op 't hoofd strooiden sedert den misstap van de bekende soort, die +eenmaal voor elk hunner de traditioneele "eerste" was... + +Komponeer vertwyfelings-hymnen uit al 't geween, 'n de profundis uit +het gekners der tanden... + +Bevolk 'n zoölogisch muzeum met al de wurmen die 't gezelschap +inkommodeeren met hardnekkig knagende onsterfelykheid... + +En dan... + +Zeg eens, minst-onoprechte lezer, vertoont zich niet, by de +statistiek van al dien berouwjammer, onze aarde als 'n vóórhel? Als +'n pleisterplaats van verdoemden? + +Toch kan en moet al die zoo zorgvuldig opgezamelde ellende slechts +gevolg zyn van nederlaagjes als die waarmee Wouter bedreigd werd, +van krizes als waaraan hy was blootgesteld. + +Want... zulke krizes en zulke nederlagen bestaan! Ze liggen in den +aard der dingen, en laten zich zoomin vernietigen--'t kinderachtig +wègdenken helpt niet!--als 'n atoom of 'n zon. Zoomin loochenen als +wiskunstige waarheid. + +Wie nu by zoodanige mensch-inspektie al de genoemde akeligheden niet +ontwaart, wie niet stuit op de sporen die "zonde" nalaat, op zùlke +sporen van zùlke zonden... + +Want er zyn anderen wier hoogtreurige beteekenis ik niet ontkennen +mag, helaas! + +Wèl, hy moet erkennen dat Fancy groot gelyk had de zaak luchtigjes +optenemen, en niet den minsten last te geven tot het ilico op-stapel +zetten van 'n goferhouten ark, van-binnen en van-buiten bepekt met pek. + +Onder ons gezegd--en niet gebleven, naar ik hoop!--het komt me voor, +dat de god van Genesis VI zich kleingeestig aanstelde, en dat het +z'n eer niet te nà zou geweest zyn ter-school te gaan by Fancy. + +Maar sterk wàs de likeur, dit is waar! + +En dat Wouter er meer van dronk dan goed was--voor z'n maag vooral!--is +ook waar. + +Hy verloor dan ook iets van z'n bedeesdheid, en antwoordde een-en-ander +op de praatjes van juffrouw Laps, die hiermee zeer in haar schik +was, al bleek er dan ook telkens dat zy en haar kleine gast niet uit +denzelfden sleutel zongen. + +Dat zou straks wel beteren, hoopte ze. + +Van-tyd tot-tyd dacht Wouter aan de eigenlyke reden van z'n komst, +of althans aan wat daarvoor was opgegeven. Z'n gastvrouw scheen +alle dieven en moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, en +spreidde by Wouter's herinnering daaraan, 'n dapperheid ten-toon, +die hem alleraangenaamst was. Want... de zyne was geweken. + +'t Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z'n +aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z'n slecht gezelschap. + +--Ik zou ze... denk je dat ik bang ben voor 'n kerel? zei juffrouw +Laps. In 't geheel niet! Voor geen drie! Voor geen tien! Voor de +heele wereld niet! Ik zou ze... + +Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefde hy niet te... zouwen. + +Daar ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel +kind. + +--Blyf jy hier, riep 't wyf, ik ga kyken, ik! Denk je dat ik jou wil +laten slaan of steken of vermoorden, m'n jongen ... dat nooit! Wie aan +jou komt, komt aan my ... aan my, hoorje, dàt zullen ze ondervinden! + +En ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom +ergens 'n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in 't donker +alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. De rollen waren +omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begon en quenouille +te vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de jongen zou schut en +wering zoeken onder haar voorschoot. + +--Maar, juffrouw ... + +--Zeg jy gerust Kristien... want zóó hiet ik. Jy mag gerust Kristien +tegen me zeggen. + +Dit durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele vokatief. + +--Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan? + +--Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel. De-n-afspraak +was dat je hier zou blyven... ontbyten. + +Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert 'n +uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was om +te rillen! + +--Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal 'n kermisbedje +voor je maken, daar ... in dien hoek! Want, zieje, als ik alleen +ben--ik, als vrouw, weetje--met al die dieven en moordenaars, dan +wordt ik zoo... griezelig. + +Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo streelend +gelast werd... + +Hy weifelde... + +Zy hield aan... + +Hy begon... + +Men bedenke dat het kind beneveld was! + +O Fancy! Liberalismus is 'n goede zaak, en na de bemoedigende +statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan +zou al... + +Maar toch... franchement, Fancy, is 't niet jammer van den jongen? + + + + + + + + Dit hoofdstuk is gekopieerd uit 'n oud Register der handelingen + en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld. (De + lezer kan staatmaken op meer.) 't Verhaal van Klaas Verlaan, + den "Amstelhavenknecht." Geleerde verhandeling over + voetzoekers. Juffrouw Laps wikt, Fancy beschikt. + + +Om van Fancy's spinsel en borduursel iets te leeren begrypen, is +'t noodzakelyk eenige uren terug te gaan. + +De lezer herinnert zich dat er dien middag ter uitspanning van +de hooge personaadjes die Amsterdam vereerden met 'n bezoek, 'n +hardzeilery zou worden gehouden op den Amstel Juffrouw Laps had reeds +de goedheid dit aan ons en de Pietersens meetedeelen, en tevens dat +de zaak mislukt was door 'n onhoffelyk gebrek aan wind. Ze had de +waarheid gezegd. Hopen wy dat deze uitspatting geen al te nadeelige +gevolgen moge gehad hebben voor 't evenwicht van haar ziel. + +Het was dien dag inderdaad bladstil. De mannen van 't vak beweerden +"dat er geen zuchtjen aan de lucht was." Wie zich anders uitdrukte, +werd voor 'n landkrab gehouden. + +Het plezier-roeien was nog niet in de mode--de mode had ongelyk, +want het is 'n flinke mannelyke oefening--doch al ware dit anders +geweest, Amstelboeiers zyn niet op roeien ingericht, en andere +geschikte vaartuigen waren niet by-de-hand, om nu niet te spreken van +'t gebrek aan eelt in de handen van de liefhebbers. + +In dit opzicht dan toch waren onze grootouders nog lamlendiger +fatsoenlyk dan wy. Ze dachten er zelfs niet aan, dat zoo'n matrozige +inspanning 'n vermaak wezen kon zonder de minste schade voor +deftigheid, en meenden al heel wat ferms uitterichten, wanneer ze +als halfleege meelzakken met den schoot in de hand in 'n stuurstoel +lagen te dutten. De wind moest by die gelegenheden al het werk doen, +en had dus eigenlyk alleen aanspraak op 't plezier. + +Maar de wind deed nu eenmaal dien dag z'n werk niet. Hy scheen elders +bezig, en floot misschien onzen tegenvoeters 'n spotdeuntje voor, +op al de gefopte potentaten die tusschen Ouwerkerk en Amsterdam +heen-en-weer pauwden in stof en hitte. + +Ja, 't was gloeiend heet. Koningen en prinsessen zweetten als +menschen. De joujoux de Normandie--'t speel- en groettuig der +beau-monde van dien tyd--klommen al trager en trager by hun koordjes +op. Nu, dit stond zoo kwaad niet, want de goede toon schreef voor, +dat ze zeer langzaam stegen, en zich aanstelden alsof ze moeite +hadden de hand te bereiken die ze had laten vallen. Dat, of zoo-iets, +heette: morbidezza. De beweging der vingers, die 't kleine rukje +moest meedeelen waardoor 't stygen werd te-weeg gebracht, behoorde +onmerkbaar te zyn. Dit gold voor gratie, bekwaamheid, verstand, +en zelfs by-mangel aan beter, voor genie. + +Sommige kroniekschryvers beweren dat de oude puistige Paltsgravin +'n groot gedeelte van 't prestige in hofkringen, dat haar inderdaad +niet kon worden ontzegd, te danken had aan de handigheid waarmee +ze wist omtegaan met den joujou de Normandie. Volgens Stuart Mill +was zy de uitvindster van den zoo beroemden horizontaalworp, en +'t is niet geheel-en-al onmogelyk dat zy ook in 't bezit was van +'t geheim om 't belangwekkend speeltuig loodrecht omhoog te werpen, +en zeer langzaam te laten dalen langs de door 'n onnaspeurlyke oorzaak +gespannen koord. Maar deze byzonderheid vereischt bevestiging. Stuart +Mill heeft de wreedheid gehad te sterven voor-i den Hollanders heeft +voorgezegd wat ze hiervan te denken hebben, en alle kans op licht is +dus afgesneden. + +Dat ook de zeer hooge geboorte van de Paltsgravin meewerkte aan +den invloed dien zy uitoefende op alle Europesche hoven--op één na, +want de edelste zaak heeft haar tegenstanders!--mag waar zyn, maar +toch... haar virtuoziteit op den joujou was en bleef hoofdzaak. + +En ten-onrechte! Want men wordt geboren zonder dat men 't +helpen kan--dit was zelfs met de Paltsgravin eenigermate het geval +geweest--terwyl er tot het wel besturen van 'n paar palmhouten schyfjes +aan 'n koord, natuurgaaf en oefening noodig is. Vorsten en prinsen +weten dit wel, en maken er dikwyls gebruik van. Me dunkt ik hoor +'n koning zeggen: + +Ma toute bonne, vous qui avez la main si légère, ne pourriez vous pas +me faire l'amitié de flanquer à la porte les trente mille hommes que +mon diable d'... allié vient de loger dans ma capitale? + +Of: + +Ach, du meine liebe Cousine, wie du göttlich chouchouirst! Auf und +nieder ... nieder und auf! Wenn du einmal unsern sehr verehrten Vetter +mit Usurpationsminen, Kaiserliche Majestät, so am Kördelchen hieltest +und chouchouirtest? + +Nu spreekt 'n prinsje: + +--Auf Ehre, Durchlaucht sind zum küssen adorable! Nur der Respekt +widerhält mich ... auf Ehre! Clotho, ich beehre mich Ihr Sclave +zu sein. Lachesis, Ihrer geschichtlenkenden Hand empfehle ich mein +Schicksal! Schaffe mir den Erbprinzen vom Halse, o Athropos! Schicke +den... unbescheiden-frühergeborenen nach Italien, ins Pfefferland, in +den Krieg, in... Cytherëischen Vergnügungen, womit eine so gescheute +Parke wie Durchlaucht, Lebenskördelchen abschneidet... zum Entzücken, +verehrungswürdigste Parke Durchlaucht! + +Zoo spraken welopgevoede prinsjes van dien tyd. Laf was het, en +heel mythologisch, o ja! De mythologie is weg, maar de lafheid is +hier-en-daar gebleven. Er bestaan inderdaad tegenwoordig hooggeboren +personaadjes die niet de minste konversatie houden over schikgodinnen, +en toch de moeite van 't aanhooren niet waard zyn. Meer nog. Zelfs +sommige laaggeborenen veroorloven zich zoo'n leegte. Ik heb kooplieden +gekend jazelfs werkluî, die praten konden als 'n... prins nà den bloei +van de salon-mythologie. Maar we zyn nu met vorstjes bezig. Alzoo: + +Een prinsesje spreekt: + +--Liebe mütterliche Cousine... aber nein, so geschickt wie du... nie da +gewesen! Mit dèm Händchen könntest du mir ganz bequem ein halbdutzend +fette Provinzchen aus dem Deutschen Reichsmaraste zur Morgengabe +zusammen fischen, Cousine! + +'n Sterveling van lager soort: + +--Königlich-Kaiserliche Hoheit, ich sehe, staune und... schweige! Wenn +Königlich-Kaiserliche Hoheit nur beliebten... Gottes Erdreich wurde +sich pflichtsschuldigst freuen wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit +geruhten es gnädiglich balanziren zu wollen auf Königlich-Kaiserliche +Hoheit's göttlichen Fingern! Ich schweige gehorsamst, doch... dass eine +Ober-geheim-küchen-ceremonienmeisterstelle vazirt, ist unterthänigste +Wahrheit. + +Enz. Enz. + +Al deze menschen logen 'n beetje. Maar hun praatjes waren minder dom +dan 'n oppervlakkige beoordeelaar meenen zou. Want ze bereikten dikwyls +hun doel. Die laatste aanbidder, byv. kreeg inderdaad 'n aanstelling by +'n königlich-kaiserliche hofkeuken. Wat wil men meer? + +Overdreven verwondering over den invloed van de Prinses, zou 'n blyk +van onkunde wezen. Want al reike nu de historische kennis van den +lezer niet toe om hem te doen raden welke persoonlykheid ik bedoel--men +weet reeds dat ze roode puistjes in 't gezicht had, en ik voeg er nu +by dat ze gewoon was te slapen tusschen lakens van hollandsch linnen: +dit is iets!--welnu, al kent men haar niet, toch mag ik verwachten +dat ieder wete hoe macht, aanzien en invloed gewoonlyk gegrond zyn +op kleinigheden. Misschien zou er eenige verwondering te-pas gekomen +zyn wanneer ik m'n Paltsgravin had voorgesteld als verdienstelyk, +of als bekwaam in belangryker zaken dan 't op-en-neerwippen van +'n joujou. Haarzelf lieten zulke kwestien volkomen onverschillig. + +Een ruiter naderde haar koets. + +--Eh bieng, zjefalier, n'est-ze-pas qu'il fait affreussemang chaud +dang ze pays? + +--Wie K. K. Hoheit befehlen. + +--Ch'étouve! + +--Zu dienen. + +--Und wo steekt denn unsere kleine wilde Katze? Ist sie hinten? Ist +sie vor? Wo ist sie? + +De "chevalier" werd door 'n toedringende volksmenigte van de koets +gescheiden. Dit beviel hem wel. Vooreerst was-i uit de oude school, en +hy durfde zich niet wagen aan 't duitsche hoffransch van de Palatine, +waaraan-i admirablemang wèl deed. Ten-tweede bezat-i te veel routine +van nieuwer school, om gaarne te antwoorden op de vraag naar de "wilde +kat." Dit katje namelyk was 'n zeer superlatief-K. K. Hoheit. De +halfbakken hoveling mocht dus niet te snel verstaan wie er bedoeld +werd, en durfde zich evenmin schuldig te maken aan niet-verstaan. Een +groep welwillende zangers kwam z'n verschrikte diplomatie te-hulp: + + + "Amour à la plus belle, + Honneur au plus vaillant... + + +Ja, ja, lezer, er is 'n tyd geweest, dat de kracht van hollandsche +jenever--amsterdamsche proef--zich openbaarde in fransche romances. Of +onze straatzangers dat refrein precies uitspraken en zongen naar de +bedoeling van den auteur, van de auteur, liever... + +De Paltsgravin scheen dit te ontkennen. Met haar joujou riep zy 'n +zeer elegant jongmensch van 'n jaar of achttien tot zich; dien zy +in haar nabyheid ontdekte. De jonge ruiter groette ganz rittermässig +met z'n karwats terug, en drong door de menigte heen. + +--Ecoutez, mein Prinz! Das Pöbel singt la changsong de la Reine! Oh, +mong Dié, quelle pronongziaziong! + +--Vous avez l'oreille si délicate, ma Cousine! + +--Ang férité! Aber, Prinz, sagen Sie mir 'nmal, wo ist denn Ihre +Prinzessin Schwester, mein Waldkätzchen? + +--Ma foi il y a plus d'une heure que je ne l'ai vue! Elle s'amuse +peut-être là-bas, au village d'Awercric. Qui sait si elle n'a pas passé +l'eau. Vous savez, Palatine, qu'elle n'a pas l'habitude de se gêner... + +Nu ja, dit wist de Paltsgravin. Dit wist ieder die ooit de eer had +het prinsesje van naby gade te slaan, en de lezer zal er ook iets +van te zien krygen, parole d'honneur! + +Honneur au plus vaillant! schreeuwde nu weer 'n troep al te +opgetogen Nederlanders, en onze Paltsgravin reed op-nieuw 'n oogenblik +onverzeld. Van-tyd tot-tyd harkte zy met haar speeltuig dezen of genen +"kavalier" naar zich toe, en knoopte dan 'n gesprek aan, dat echter +telkens door de volte werd afgebroken. + +Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van +'t woord "kavalier" te rymen op: "duitsche manier" in welk geval 't +niet "ruiter" beteekent, maar 'n "heer van den hove" 'n hoffähiger +gentleman, ja misschien zelfs by-uitsluiting: 'n edelman. Niet zonder +deernis met de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen +dat er by de zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy 't dan dat in +dit geval de "kavaliere" werkelyk tevens ruiters waren. Nu ik toch aan +'t uitleggen ben... 't woord: "harken" is van my. Ik nam de vryheid +daarmee alleraardigst te zinspelen op den befaamden horizontaalworp +met den joujou. + +De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het +kon niet anders, om de volte. + +Bovendien, de souvereinen verkeerden in 'n ziekelyke bui van +"Volksthümlichkeit." De mode van den dag bracht 'n misselyke +neerbuigings-manie mee, en de meeste rangmenschen overdreven +de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg filantropie, gelyk wat +vroeger de hoepelrokken, en later crinolines, vryen-arbeid of +chignons. Rousseau--die beter wist, of althans beter weten kon--had +de afgezaagde theorie van "ce bon peuple" op frazen gezet, en wie +te arm was om gedachten te bezitten op z'n eigen hand, neuriede die +frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die luidjes niet. En +dit is nòg zoo. + +'t Spreekt vanzelf dat dit instemmen met den deun van den dag, +gewoonlyk ver van oprecht was. Binnen de wanden der staatsie-koetsen +heette dat "goede Volk" zeer dikwyls doodeenvoudig: la canaille, +'n kwalificatie die wel niet geheel juist was, maar toch niet verder +van de waarheid afweek dan de zoetemelks-praatjes van Rousseau. [3] + +Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde +betreft, vergeten we nooit dat ook "ce bon peuple" geen grein oprechter +is dan de meest geveinsde Machiavel. Al wat men van 't Volk zeggen +kan, is dat het evenmin pozitief valsch is. Het schreeuwt "vivat!" en +denkt... niet juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal. + +By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met +m'n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich schuldig aan +'n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer benadeelde. Niemand +strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. En onze Paltsgravin +was de laatste die op 't denkbeeld komen zou--'t was zoo warm!--dat +deze speciaal-vorstelyke manifestatie aan de feestelykheid ontbrak. + +Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van +zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door +'n lakei op 'n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat z'n zuster--'t +Waldkätzchen?--hem 'n boodschap had gezonden uit "Awercric." En: + +--Palatine, auriez-vous par hasard quelques douzaines de frédérics +à me prêter? vroeg hy. + +--Che parie que z'est pour elle! + +--Si! + +--Elle fait donc angcore l'angrachée, che pangse! + +--C'est possible! Mais en tout cas, il ne faut pas la laisser dans +l'embarras. Dieu sait dans quel gâchis elle vient de se faufiler. Je +n'ai qu'une bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez! + +Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad +te-boven in K. K. Hoogheid. En 't "boschkatje" was de verloofde van 'n +Grootvorst die volgens alle menschelyke berekening keizers tot lakeien +hebben zou. De Paltsgravin--"Oh, mong Dié! Oh, mong Dié!"--was dus wel +genoodzaakt haar eeredame te gelasten aan Prins Erik 'n goudbeursjen +overtereiken. Deze gaf 't den lakei, die 'r mee wegreed zoo snel de +volte gedoogde. + +Prins Erik's zuster had inderdaad geld noodig. Ze speelde +Voorzienigheidje. Wat zy eigenlyk met de geleende som uitvoerde, weet +ik niet, maar zeker is 't dat de dankbaarheid--d. i. de betuiging +van die aandoening--haar wat druk werd. Ook drongen er zeer veel +menschenvrienden toe, die haar ruimer gelegenheid wilden verschaffen +tot het voortzetten van haar liefhebbery, dan goudbeursjen en gezond +verstand toelieten. + +We zullen maar aannemen dat er den vorigen dag te Ouwerkerk 'n +zware brand was geweest--men assureerde niet in die dagen--of... 'n +landman had al z'n koeien verloren aan de veepest--Thorbecke was nog +niet geboren om die onaangenaamheid uitteroeien--of... 'n ongehuwde +kraamvrouw kon geen plaatsje krygen om uitterusten van haar zondige +verlossing--de zedekundige lezer weet misschien dat de "deugd" dit +niet gedoogde in Wouter's tyd--of... + +Hoe 't zy, Prinses Erika had de een-of-andere weldadige gekheid +uitgericht, 'n soort van débauche waaraan ze zich zeer dikwyls +tebuiten ging. Goed was 't zeker niet, maar er zyn erger ondeugden, +en ik ken velen die 't recht niet hebben zulke karakterfouten te +laken. Voorloopig hebben de moralisten dringender arbeid dan 't +waarschuwen tegen fouten als die welke den hoofdtrek uitmaakten in +'t karakter van prinses Erika. + +By deze gelegenheid dan had ze haar koets verlaten, en was van haar +gevolg afgeraakt. Om de menigte te ontwyken, die--juichend, dankend +en... vooral lastig--op haar toedrong, was zy in 'n roeischuitje +gesprongen, dat aan 'n steiger lag, en waarin 'n man zat te +slapen of nagenoeg. 't Was zoo warm! Het was Klaas Verlaan, de +"Amstelhavenknecht." + +De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers +berstten in lachen uit om 't malle gezicht dat-i zette. + +Er was waarlyk reden toe! Prinses Erika droeg 'n vuurrood satynen kleed +met 'n langen sleep dien zy echter--zoo-even reeds by den brand zeker, +of by de kraamvrouw, of by de koeien--had opgeg... + +--Opgegeid, noemde 't Klaas Verlaan vele jaren daarna, als-i de +historie vertelde aan z'n kleinkinderen. + +'t Was de pièce de résistance van z'n ondervinding. Nu, sommigen +hebben minder beleefd! + +--Se sag er uit as 'n fonk, zeid-i, en ik doch werachtich dat er +'n ster in m'n jol was gefalle, so flamde ze! + +Komaan, we zullen Klaas Verlaan 't woord geven, maar ik heb geen lust +z'n spelling te volgen. De lezer zal wel ongeveer weten hoe de man +moet gesproken hebben. + +--Zóó vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte leeren handschoenen +tot den schouder toe. Eén er van ligt nog altyd in 'n doosje by de +Staten-overzetting. 't Lykt wel 'n kinderkousje. Want haar vingers +waren klein, maar ... kracht had ze daarin, kyk! En op 't hoofd 'n +toren van poeier ... net 'n grooten sneeuwbal! Maar 't gezichtje was +lief, dat moet ik zeggen! + +En ik was 'n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist +waarachtig niet wat ik in m'n schuit had, en of ik moest vloeken of +siveplé-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor ik recht wist +hoe ik 't had, pakt ze me-n-'n-riem, en zet m' flink tegen den wal, en +zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou by 't uithalen, want het ding zat +wel half-blads in den modder, en 't zóóg als de bliks... lager. Maar ze +liet 'm steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven we! + +Maar ik was kwaad as 'n spin, en zei--met 'n vloek, want ik vloekte +nog in dien tyd--dat ik baas op m'n jol was. Ja, dat zei ik. + +--Ich rudern! riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was +miserabel. En ze greep naar m'n anderen riem. Maar dáár was ik als +de kippen by! + +--Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken? + +Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen nemen, +maar weetje wat ik zei? Ik zei: m'n vader is geen breeuwer, zei ik, +en ik hou m'n riem! + +Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amste! te liggen draaien +als 'n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en +grabbelde-n-in haar tasch--'n fluweelen ding met gouden knip, dat met +'n haak in haar middel zat--en ze haalde-n-er 'n stuk geld uit, en +wees het me. Toen gaf ik haar den riem... om 't geld, weetje, dat ze +me wees, want, dacht ik, wat kan 't my schelen of de menschen lachen +aan-wal? 't Kon m'n dag nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. 't Zag +er uit als 'n dukaat, maar 't ding was meer waard. Dat heb ik later +gemerkt toen ik 't wisselde op den Vygendam... met al de anderen, +want ik kreeg er meer. Dat zal jelui hooren. + +Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht +worden, en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik +liet haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest. + +--Rücken? riep ze. + +--Wrikken, riep ik. Kyk... zóó! + +En ik wou 't haar wyzen. + +Maar 't ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn altyd tien +roeiers te krygen tegen één wrikker. + +Ik wees haar hoe ze d'r beenen moest zetten. Ze had wit-satynen +schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan 'n vuist, maar ze liep +er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als 'n kievit zoo vlug. + +Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder +kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik m'n +hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. Gut, +op vechten af! + +Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik 't vroeg, riep ze: +"rücken, rücken!" + +Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! 'n Mensch moet toch +weten waar-i heen wil! + +We sukkelden stroom-af--meest gatje-voor!--en naderden de +Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m'n dukaat, en de grap +is uit. Maar jawèl! + +Op-eens houdt ze met wrikken op--'t zweet liep haar by droppels van 't +gezicht!--en leî den riem op den doften. Toen wou ik 't ding grypen, +omdat ik 'n eind aan de zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook +alweer niet. Wat ze dan eigenlyk wèl wou, kon ik eerst niet begrypen +... ik zal 't jelui maar zeggen, ze wou te-water! + +Ik schrok er van! 't Mensch was dóór en dóór van zweet. Maar... ze +wou! Er was niets aan te doen. En ze hield weer zoo'n moffendukaat in +de hoogte. Op den Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor 't stuk, +en de man zei, als ik er meer had, kon ik altyd by 'm te-recht. Dáárvan +is 't zilver beslag op de Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de +waarheid vertel. Ook 't gouden ooryzer van m'n oudje--dat nu jeluî +Grietje-meu draagt--is van dien tyd. + +Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek worden wilt, +of sterven, of rimmetiek krygen... + +Ze trok 'r schoentjes uit, en 'r satynen kleed, en meer nog. Maar ze +hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. En ze gooide haar pruik +af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze schudde-n-'t +hoofd als 'n paard dat de wei ruikt. En ze sprong... kyk! ik had +nog nooit zoo-iets gezien... van 'n vrouwmensch, weet jelui? Flink +koppie-over! + +Eerst was ik bang voor 'n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan ik niet, +en als 't mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? Maar 't hoefde +niet, want zy zwom wel. Als 'n eend! Of liever als 'n paling, want +ze kronkelde-n-onder m'n jol door, en schoot weer op aan de-n-andere +zy... als 'n dobber hoor! 't Speet me toch evel dat ik niet ook zoo +thuis was in 't water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo +de gewoonte niet. Zy was zeker uit 'n land waar de menschen niet zoo +zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan. + +Maar dat tot dááraan toe! De jol dreef tegen de jachthaven, en zy +was er ook. Ik hielp haar op den steiger, en er stond veel volk te +kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m'n pyjekker die in de jol lag, +en sloeg zich 't ding om de schouders. Toen keek ze-n-even rond, zag +'n open deur van een der jachthuisjes, en vloog er in. Net'n wilde kat. + +Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar +ik durfde niet binnengaan, omdat het 't huisje was van m'nheer +Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? Die zou 't heel kwalyk +hebben genomen dat ik met zoo'n vreemd schepsel in z'n jacht-huisje +gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my zoo familjaar omgaat, +dat kàn--om den dukaat, weetje--maar... m'nheer Kopperlith woont op de +Keizersgracht. Dàt scheen ze niet eens te weten. Hoor eens, kinderen, +wat opvoeding en fatsoen aangaat ... geen land boven Holland, dat's +maar zeker! + +Maar ... binnen wàs ze! En ik durfde-n-'t bruggetje niet over, +met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, en die +fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik. + +En daar stond ik! + +De menschen van de brug riepen: "dat is 't huisje van m'nheer +Kopperlith, denk er om!" + +Ja, dacht ik, daar denk ik wèl om, maar wat zal ik doen? Juist begon +ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m'n dochter Geert +kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al dood is... + +Maar toen was ze-n-'n knappe jonge meid van zoowat achttien. En ze zei: + +--Vader, laat 'r in òns huuske! Daar kan ze zich klaren. + +Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie +van de Jachthaven. 't Kon my m'n ontslag kosten als ik rare dingen +deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de huisjes. + +Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al lang +had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in 't oog. Ze vliegt +'t huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt met 'r heen. + +Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by +moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar? + +Maar... 'n rare dag wàs het! O, ik ben nog lang niet klaar! Weet +jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z'n dag goed is, +voor bedtyd! + +Zoo eindigde Solon Verlaan 't eerste hoofdstuk van z'n verhaal. Het +tweede en laatste zal ik vertellen, of vanzelf laten spreken. We laten +dus 't boschkatje voor 't oogenblik onder de hoede van de aanstaande +Geertje-meu die op zich genomen had haar, of de zaak, te "klaren". Nu, +dit deed ze. Sint Maarten was er niets by. + +Op den ryweg langs den Amstel joelde 't Volk maar altyd +voort. Van-lieverlede verdwenen de koetsen van de hooge +heerschappen. Ook de ruiters verveelden zich, en zochten vryer +plaats dan die buurt op dat oogenblik kon aanbieden. De menigte +drong, zong, schreeuwde en dronk. Om zich schadeloos te stellen voor +'t mislukte hardzeilen, begon men hier-en-daar zich te vermaken met +het afsteken van vuurpylen, die den volgenden dag in de couranten +tot getuigen werden geroepen van de ontzaggelyke liefde des Volks +voor alle mogelyke prinsen en prinsessen. + +Dit was onjuist. Het Volk houdt van vuurpylen omdat ze blazen en +proesten en sissen en glinsteren. + +Ook zwermers--de Amsterdammers noemen ze "voetzoekers." Wie kan me +zeggen: waarom?--ook zwermers werden aangevoerd als bewyzen voor de +zeer byzondere gehechtheid des Volks aan alle Souvereinen... + +De Paltsgravin gelóófde het. Heusch! + +Maar ze had ongelyk, precies als die kranten. + +Want, lezer, de menigte houdt van voetzoekers, omdat ze sissen, +en vuur spuwen, en 'n harden klap geven. Dàt is de zaak! Men kan +er gerust alle grieksche wysgeeren op nalezen, op Solon Verlaan na, +die z'n heele wysheid heeft opgemaakt aan 't bedenken der diepzinnige +spreuk van zoo-even. + +Ook de zevenklappers... klapten. Ze spraken en getuigden van dynastieke +opwinding, en alle Souvereinen zaten met zevenvoudige gerustheid op +hun tronen... + +Maar de Souvereinen waren wat voorbarig in die gerustheid. Want 'n +zevenklapper maakt wel veel geraas, maar bewyst niemendal. Het volk +steekt ze niet af om trouw te zweren, maar omdat die dingen zoo grappig +heen-en-weer springen, en by elken sprong zoo'n knetterend geluid +geven. Al zeggen nu hierover de grieksche wysgeeren geen woord--zeker +omdat ook zy nu uitgeput zyn na de inspanning hunner denkvermogens +over de ware beteekenis van 'n voetzoeker--toch is het zoo! + +Veracht me niet te zeer, lezer, als ik u betuig dat de ware vreugd +die er uit vuurwerk te halen is, in 't afsteken--zèlf afsteken!--van +zevenklappers en voetzoekers bestaat. Een "groot vuurwerk" is 'n +ellendig ding, 'n menschonteerende foppery. Eigenlyk 'n schimp, +'n beleediging, 'n laesio dignitatis generis humani! [4] + +Om dit intezien, behoeft men zich maar 'n oogenblik te verbeelden +zoo'n vertooning bytewonen... + +In eenzaamheid! Want als u iemand betrapt in de autopsie die ik +voorsla, zyt ge in zyn opinie 'n reddeloos verloren mensch. Uw vrouw +kon echtscheiding aanvragen, en zeker zou ze 't proces winnen voor +elken rechter die verstand heeft van menschenwaarde. + +Verbeeld u dan dat gy, in uw binnenkamer en alleen, zoo'n vuurwerk +aanschouwt. Roep, zeg, mompel of fluister--ingodsnaam zóó zacht dat +gyzelf uw eenige hoorder zyt--fluister 't onvermydelyke: hè...è...è... + +En houd u 'n spiegeltje voor! + +Dan, lezer--al waart gy de verfoeielykste atheïst--ontsnapt u de +verontwaardigd-religieuze verzuchting: God, myn God ... hebt ge my +dáártoe geschapen? + +En by zoo'n gelegenheid voelt men--tenzy men onvatbaar werd voor +èlke gewaarwording--yverzucht op de intelligentie van z'n paraplui +of laarzentrekker! + +Maar ... voetzoekers, zevenklappers! Men staat er niet by met den open +mond die by elke teekenoefening den leerling wordt aangeprezen als +de uitsluitende vertegenwoordiger van wèl geopenbaarde bêtise! Men +is handig by 't aansteken. Er is gevaar als ze haperen. Men werpt +ze! En... snel, snel ... één sekonde te laat, ze bersten in de +hand! Allergevaarlykst! + +Eens namelyk heeft de traditioneele "iemand" die de hoofdpersoon is +van alle volks-akeligheden, zich door het te lang tusschen de vingers +houden van 'n zwermer, 't even traditioneele "groot ongeluk" op den +... hals gehaald, dat ... enz. + +Och, hoe prettig is die angst. Hoe allerakeligst vermakelyk! + +Helaas, pret en vermaak zyn afgeschaft! De stedelyke Regeeringen +verbieden zulke ruwe vermaken ... om 't brandgevaar, sedert alle huizen +met pannen gedekt zyn. In den tyd der stroodaken kon die vreeselyke +losbandigheid oogluikend worden geduld. Maar nu? + +En de andere gevaarplezieren! Hoe menige juffer kwam thuis--byna +zelfs kwam ze niet thuis--met 'n verbrande jurk! Gilde ze niet van de +pret? En 'n jongen--altyd "de jongen die ook overal met z'n neus by +moet wezen"--had-i niet eens--byna, alweer--'n volle lading in 't +gezicht gekregen? Was er niet gevaar geweest--nogeens: byna--dat +z'n oogen 't gelag te betalen kregen van die onbescheiden neus? + +En... 't mikken met zoo'n aangestoken voetzoeker! Dàt is wat ànders +dan 'n joujou de Normandie! + +Ik weet--en betreur het van-harte!--dat er nog altyd hier-en-daar +menschen worden gevonden, die meenen zich te vermaken met +schyfschieten, 't ouwevrouwigste plezier dat men kan uitdenken, 'n +naaischoolige parodie op ridderlyke wapenoefening. 't Is waarachtig +niet dáármee, dat men op Scyros zou hebben uitgemaakt of Achilles +'n jongetje was, en of-i z'n opvoeding ontving in 't pensionaat +van Chiron! + +Zündnadels, Beaumonts, Chassepots zyn verachtelyke voorwerpen. Ze +spreken niet mee. De kogel die zich zoo onnoozel laat voortdryven +uit de buis van die dingen, is eigenlyk te dwaas om in z'n eentje de +parabool te beschryven die de artilleristen van hem vorderen. Men +zegt dat er projektilen geweest zyn die hun weg vergaten, en zoo +slaafs zich hielden aan de routine die ze meenamen uit den loop ... + +Sakkerloot, ziedaar 't geheim opgelost van de verregaande +ongekwetstheid en welvarendheid der geslagen legers! Die menschlievende +kogels zyn op-reis in den... aether, en willen aërolith spelen op +deze of gene planeet, waar men nog dom genoeg is aan "aërolithen" en +"aether" te gelooven. + +De voetzoeker--hoeden af, lezer!--geeft den drommel van zoo'n bekrompen +loops-opvatting. Hy heeft karakter, en volgt z'n eigen senie... zou +juffrouw Pieterse zeggen. Hy leeft, en kiest z'n weg. Hy spuwt +vuur, en deinst voor 't recul van z'n eigen strydlust. Hy kampt om +'t verloren terrein te herwinnen, en wisselt van zwaartepunt, en +wendt z'n grilligen loop, en kronkelt als 'n vliegende lintwurm. Hy +schryft z'n naam in gloeiende krullen, en vecht tegen den luchtdruk, en +sliert al duiklend voort, en braakt arebesken. En waar-i was, keert-i +weer, als iemand die nog wat te zeggen heeft. En waar-i niet was, +komt-i aanrollen, blazend, blakend, brandend, schroeiend, sissend, +schetterend ... altyd verrassend door nieuw-uitgedachte huppeling, +altyd verschrikkend door vreemdluimigen sprong, altyd boodschapper van +'t onverwachte, maar altyd de drager ook van 'n herhaalde opwekking +tot gillend plezier. + +En de zevenklappers! 't Is waar, ze vuurden niet zoo prettig, en +gingen aanvankelyk bedaarder hun weg. Maar men was zekerder van +z'n worp! En ... éénmaal 'n openstaand venster ingekeild, werden +ze wakker en roerig. Dan klapten zy, en sloegen, en sprongen als +toornige duiveltjes, voltigeerden links-rechts op-en-neer door de +kamer, kris-kras-kruis op de tafel, tegen den spiegel, achter de +schilderyen, tusschen de stoelen, onder bed en sofa. Ja, soms dansten +ze--sarkastische demonen!--de kaars uit... + +De Archimedes die de evolutien van 'n rechtgeaarden zevenklapper +weet te berekenen, moet nog geboren worden. Dit spyt me niet erg, +omdat ik voor ditmaal aan 't zeer byzonder effekt van 'n eerste +uitbersting genoeg heb. Ze had plaats naby Wouter's linkerwang, juist +op 't oogenblik toen juffrouw Laps hem daarop een kus wilde geven: +haar Rubicon! + +Heel aangenaam zou 't Wouter nog altyd niet geweest zyn wanneer 't haar +gelukt was die omineuze rivier overtesteken, maar 't blyft de vraag +of-i daarna kracht, besef of afkeer genoeg zou hebben overgehouden +om zich te verzetten tegen finale verovering. + +De geestige zevenklapper won hem den gevaarlyken tweestryd uit. Wat +die prinses Erika mikken kon! + +Juffrouw Laps had haar zondige lip gebrand, en riep: + +--Heere Krrristis, wat's dàt? + +Heel veel anders viel er dan ook by die malle gelegenheid niet +te vragen. + +Wat het wàs? + +Wèl... 'n brokstuk uit het "Register der Handelingen en Besluiten" +van Fancy. Ze hield zich bezig met het verevenen van kansrekening, en +de lezer wordt uitgenoodigd, als by 'n vuurwerk, te blazen: hè...è...è! + + + + + + + + De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door 't + achterste-voor zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme, + arme, arme, Laps! Mysterieus standbeeld in de "Gekroonde + Jeneverbes." Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht. Wouter + krygt 'n zusje. + + +Fancy is groot, en wy beginnen haar eenigszins te begrypen. Dit heeft +ze op sommige andere godheden voor, want onbegrepen grootheid baat +niet veel, en kon eigenlyk zonder schade gemist worden. + +Ja, ze was groot, en ... praktisch! + +O, verrukkelyke teleologie van den romanschryver ... juffrouw Laps +mocht haar "sinnigheid" niet krygen! + +En dáárom was 't zoo warm, dien dag! En dáárom had ze haar venster +moeten opschuiven, wat anders 'n fatsoenlyk nederlandsch mensch--liever +stikken!--niet doet. Dáárom bleef de hardzeilery in den steek! Dáárom +verveelde zich Prinses Erika! Dáárom beging ze weldadighedens tot +tydverdryf! Dáárom kreeg ze lust in baden! Dáárom joelde al dat +volk--en zy mee!--met voetzoekers en sissers de stad in, Weesper- +en Amstelstraten door, naar de Botermarkt... + +Want op dat plein woonde de Caesarine Laps die 'n zevenklapper in 't +gezicht moest krygen juist toen ze bezig was met haar alleraardigst +venit, tetigi, en... "heere-krrristis wat is dat?" + +Wat dit is, juffrouw Laps? Wèl, 't is fantastische doeleindenleer. Al +die koningen, prinsen, prinsessen--en zelfs de Paltsgravin met haar +puistjes, joujou en hooge geboorte--zyn op dien warmen dag door 'n +hooger Wezen in de stad gezonden om u in de wielen te ryden. Het is +uw plicht dit te gelooven... o, geloofster! + +Ze geloofde het niet! En ze kòn het niet gelooven, want ze wist er +nog minder van, dan van al de andere dingen die ze voorgaf zonder +bezwaar te slikken. Het onweer op Sinaï was door den "Heer" beschikt +om de Joden aan 'n behoorlyke reglement van policie te helpen, maar +die nydige zevenklapper... + +Ze vloog naar 't venster. Wouter ook. Er bleek nu dat de bedoeling +van den haar en hem onbekenden artillerist niet boos geweest was, +want niemand lette op de nieuwe toeschouwers. Bovendien, ook andere +vensters raakten gaandeweg open en bezet, waardoor de aandacht van +'t straatpubliek verdeeld werd. Er bleek uit niets dat men zich +om juffrouw Laps of haar gast meer bekommerde dan om elk ander +die toekeek. Zonder erg werd er rechts en links gebombardeerd, +en onze beide heldjes konden in alle kalmte waarnemen wat er op de +straat voorviel. Juffrouw Laps kwam de zeer gewenschte vergetenheid +nog te-hulp, door 't licht uitteblazen--'n voorzorg die door +den overigens zoo byzonder intelligenten zevenklapper schandelyk +verzuimd was--en Wouter vermaakte zich kinderlyk by 't aanzien van +de pret. Hy vergat z'n buurvrouw en haar opdringende vriendelykheid, +om naar 't gewoel der menigte te kyken. Het meedeelen van de hieruit +voortvloeiende opmerkingen werkte op hem ontnuchterend, en ook zy vond +er onwillekeurig aanleiding in om zich wat eenvoudiger voortedoen dan +ze gewoon was. Ze praatte ditmaal zonder "Heer" en liet de "genade" +wat rusten. Zelfs scheen ze--voor 'n oogenblikje maar, denk ik--haar +plannetjen optegeven. De nacht was nog lang, dacht ze misschien. [5] + +--Gut, hoe gek toch, dat al die menschen daar zoo heen-en-weer dringen, +zonder zelf te weten waarom, zeide hy. + +--Och, ze hebben plezier in 't zingen en joelen, en in de voetzoekers +... kyk, daar vliegt er weer een, paf! + +Klik-klik! antwoordde hierop 'n zevenklapper die z'n domicilie koos +tusschen 'n troep meisjes. Het gezelschap vloog met vermakelyken +schrik uit elkaar. Wel zeker, voor wat anders waren die meiskes daar? + +--Al dat volk is dronken, zei juffrouw Laps, en ik wou dat ze +naar-huis gingen. Ik begin slaap te krygen... 't is twee uur in den +nacht, weetje! + +--Och, nog 'n oogenblikje! verzocht Wouter. Ik heb geen +slaap. Volstrekt niet! heusch niet! + +Hy begon weer angstig te worden voor haar vriendschap, en hoopte +onwillekeurig dat uitstel hem de bondgenootschap van 't onverwachte +brengen zou. + +--Ik ben maar zoo bang, m'n lieveling, dat je kou vat aan 't +venster. Dàt is het maar! Want de nachtlucht, zieje, na zoo'n +heeten dag... + +Volgt: al de bekende burgerluîs-praatjes over nachtlucht, verkoudheid, +rhumatiek en subietelyk doodgaan. Ze hadden nu evenwel dit goede +gevolg, dat Wouter z'n jasje weer aankreeg, 'n verbetering van pozitie +die hem straks zou te-pas komen. O, die voorzienige Fancy! + +--En zet ook je petjen op, m'n beste jongen. Ik wou voor alle +wereldsch goed niet, dat de nachtlucht je-n-in 't hoofd sloeg, +want... dat doet-i soms. Kyk, daar vliegt er weer een! + + + "Amour à la plus belle, + Honneur au plus vaillant... + + +--Waarom zingen ze niet liever hollandsch! Wat hebben wy aan dat +vreemde geseur? Begryp jy er wat van? + +Wouter wist iets van de historie, en vertelde wat-i kon van den +"schoonen Dunois" die zoo byzonder veel Saraceenen doodsloeg, en ter +belooning trouwen mocht met de dochter van: "le comte son seigneur!" +Dat was toch plezierig in ouden tyd! Maar hoe beloonde men de ridders +die al eenmaal beloond waren? En kregen ze in die dagen nog ander +traktement dan 'n bruid? En hoe maakten 't de seigneurs die geen +dochter te begeven hadden? Welke seigneursdochter moest genoegen +nemen met 'n ridder die maar 't meest Saraceenen had doodgeslagen, +op één na? + +Wat al moeielyke vragen! + +Juist begon hy z'n gastvrouw om wat inlichting over dit alles te +verzoeken, toen beider aandacht werd getrokken door zeker roepen, +schreeuwen en schelden dat van andere stemming getuigde dan de +in-eensmeltende geluiden van 't gejoel. Er was "ruzie." In een der +groepen werd niet meer gehost, maar gevochten. Men verstond duidelyk +de by zulke gelegenheden gebruikelyke vloeken en verwenschingen. + +Een verwarde kluw menschen, dichter op-elkaar gepakt dan de overigen, +schoof en seulde heen-en-weer al naarmate een der beide partyen +aan de winnende hand was. Vreedzame hossers golfden zingend voorby +de plek waar gevochten werd. De deelnemers aan den stryd werden van +liever-lede ter-zy gedrongen, en wel in de richting van een der vele +kroegen die de buurt zoo aantrekkelyk maakten voor 'n publiek dat +z'n verdriet over de mislukking der hardzeilery wou verzetten. + +De twistenden, zelf gedrongen, drongen op hun beurt anderen. Men hoorde +hier-en-daar gillen en om hulp roepen. De nooit ontbrekende zwangere +vrouwen, en moeders met zuigelingen lieten haar angst niet onbetuigd. + +Het gedrang werd nu byzonder sterk in zekeren hoek, waar drie stroomen +dood-liepen en 'n vreeselyke botsing te-weeg brachten. Daar namelyk +lag 'n zeer populaire herberg, die 't doelwit scheen van 'n hossende +volksverhuizing uit de Amstelstraat. De tweede stroom vloeide uit de +Utrechtsche straat op dezelfde kroeg toe. En de sterkste persing ging +uit van den vechtenden troep die, op-zy geschoven door voorbytrekkende +benden, almede in dezelfde engte gedreven werd. + +By ondervinding van zeer jongen datum wist Wouter wat het beteekende +zich in zoo'n gedrang te bevinden. Wie op den grond raakte, werd +vertreden. Wel was de kans hierop zoo byzonder gevaarlyk niet in de +kern der samenpakking--'t vallen was onmogelyk--maar des te grooter +aan den rand, waar kelders en holen zich gapend gereed toonden alles +inteslikken, wat hun in de kaken werd gedrongen. Dáár kon men hals en +beenen breken of liggend vertrapt worden, in 't midden slechts staande +gesmoord. O zeker, die opstopping naby de herberg was gevaarlyker +nog dan die van den vorigen avend in de Kalverstraat! Bovendien, +daar was maar drukte, er werd niet gevochten. En hier ... + +--Krrristenzielen, riep juffrouw Laps, ik word er puur akelig van! + +Dit scheen ook met Wouter 't geval. Op-eens greep hy haar arm, en +meende iets te zien, dat... iemand, die... + +--Heel goed, m'n jongen, houd jy me maar vast! 't Is daar, zoo zondig +als ik hier sta--'t eedsformulier was zoo gek niet--'t is daar moord +en doodslag in dien hoek! + +Wouter sprak niet. Ook had-i geen besef zich te verzetten tegen de +overweldiging van z'n ... verleidster, of hoe moet het heeten? 't +Scheen nu wel of Afrika voor 't caesarinnetjen openlag... + +--Is 't niet of ze dol zyn? Houd jy je maar goed aan me vast, en denk +maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van jou! + +Och, hy had juist wat anders te denken gekregen dan aan z'n "eigen +Kristien!" Juffrouw Laps was eenige graden minder gelukkig dan ze zich +verbeeldde. Ze streelde hem, en hy liet haar begaan, o ja, maar toch... + +--Wees jy maar gerust ... och, lieve jesis, 't kind is er zoo ontsteld +van! Aan jou zullen ze niet raken zoolang je hier bent ... by my, +weetje! + +Hy kneep haar boven z'n kracht in den arm, en geen ander blyk van +leven gevende, stond-i overigens als versteend. En altyd die ééne +onverzettelyke blik, dat schynbaar wezenloos staren op één punt... + +--Trek 't je niet zoo aan, m'n lieveling! Maar... akelig is 't! Zie je +daar die meid wel, met 'r noordhollandsche kap? Ik wou niet graag in +'r plaats wezen! En jy? + +--Zy is het ... Femke! O God, o God, het is Femke! + +En, Laps van zich afslingerend, die hem weerhouden wilde, vloog hy +de trap af, en stond weinig oogenblikken daarna in den diksten drom +vlak voor de herberg. + +Hoe hy zoo spoedig dáár kwàm? Ei? En Fancy dan, zyn ... fancy? + +Had ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z'n jasjen aanhad? Wat 'n gekke +historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw Laps! Hoe +zoud-i zoo'n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by z'n moeder? + +De zaak is dat-i lichaamskracht borgend van z'n gemoed--en was zy +dit niet?--zich als 'n razende door de menigte wist heenteslaan. + +Maar de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel +den man met den bonten muts en 't schippersbuis, die hem vanboven +gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. Althans hy meende +bemerkt te hebben dat ze met dien man gearmd uit de Amstelstraat +gekomen was. En dit was ook zoo, maar: + +--Is hier geen meisje met 'n noordhollandsche kap? vroeg hy zoo +duidelyk de vreeselyke drukte toeliet. + +De man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen--dit deed "iedereen" +ook, en Wouter moest wel meedoen: 't was 'n gezelschap Kaïns op +groote schaal!--de man kon niet antwoorden. Maar Wouter bemerkte +dat-i zich moeite gaf de herberg te bereiken, en maakte hieruit op +dat z'n dame daarin gevlucht, of althans, met of tegen haar wil dan, +daar binnengestuwd was. + +Hy raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en +stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra +'t jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was dan +buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets! + +Ziedaar, lezer, 't waar en onvervalscht relaas van de oorzaken die +Wouter heel in 't begin van z'n loopbaan maakten tot 'n kroeg- +en koffihuislooper. Gister in "Polen", heden in "de gekroonde +Jeneverbes"... daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door 't +een-of-ander geperst... 't is te veel! + +Maar hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke. + +Hy meende haar te ontdekken heel achter in 't niet groote vertrek, +op 'n tafeltje dat in 'n hoek stond. Zwygend, met styftoegeknepen +lippen, de armen over elkaar geslagen, en met iets als uittarting in +haar trekken, zag 't meisjen op de menigte neer. De kant van haar kap +hing haar aan flarden in den nek--zy, zoo net altyd!--en, erger nog, +Wouter meende te bespeuren dat haar gezicht bebloed was, het lieve, +lieve, lieve gezicht van Femke! + +Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit behoefde +ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar tafeltje. Hy riep, +maar ze hoorde niet. + +Met onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de +aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy in-een: +ze wilde hem niet kennen! + +--O God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik verdiend voor +m'n lafheid by de Holsma's! + +--Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen +wilt, ga dan na je moeder! + +Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet +verzetten. De aandrang by 't buvet waar-i stond, klemde hem tegen +de jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in +'t oog te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen van +wrevel en smart vloeiden hem over de wangen. + +--Wat doe ie dan in de drukte, zei 't jeneverwyf, as je d'r niet +tegen ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet getapt. Zet 'r +'n borrel op, jongen, of ga heen! + +Lust of niet, hy had heel graag 'n "borrel" besteld om z'n plaats te +betalen. Maar--"daar-i thuis altyd alles kreeg wat-i noodig had"--hy +bezat geen duit, en liep nu gevaar de deur te worden uitgeworpen +wegens overmaat van matigheid. Doch ook dit kon niet, want de persing +aan de deur bleef nog altyd even groot. Bovendien werd de aandacht +der waardin afgeleid door de drukte van 't gevecht, dat al nader en +nader kwam, en weldra dreigde de kroeg te kiezen tot "operatie-bazis" +zooals dit in 't jargon der krygskunde genoemd wordt. De ware reden +was dat elk der strydenden in 't byzonder zich aan de slagen van z'n +tegenparty wou onttrekken door in de kroeg te vluchten. De meeste +"krygskundige evolutien" hebben van ouds-her geen anderen grond. + +Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog +altyd lag er dat spottende op haar gelaat; alsof ze zeggen wilde: +wie durft? + +Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets dan +'n verwyt aan hèm. Femke wilde hem niet kennen. Meer of iets anders +voelde hy niet! + +Och, hoe gaarne had hy in 't bywezen van al die menschen de zolen +van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de vergiffenis, +waarop-i wel geen aanspraak had--naar-i meende--maar zonder welke hy +niet leven kon!-- + +--Femke! riep hy, als 't roepen heeten mocht, want het geschiedde zoo +zacht dat z'n stem onmogelyk tot het meisje kon doordringen. Immers, +er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren ook, zy die +zoo... wreed--nu ja, maar rechtvaardig toch--had blyk gegeven van haar +tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet nemen, en nogeens +riep hy, maar 't was weer fluisterend: + +--Femke! Femke! + +Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en 't schippersbuis +aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de strydvoerende +mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand van z'n +kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende voorrechten der +neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen tegelyk. + +Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in de kroeg, +dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, z'n dame die vóór hem +dat heiligdom bereikt had, niet in den steek te laten, was Wouter +niet duidelyk. Er bestond 'n tertium dat hy niet raden kon, maar +dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid +verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van 't geheim. + +Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde +zelfs 't verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om +zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van z'n +steunpunt afgerukt, want waar velen 't zelfde begeeren, is 't verkrygen +moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van de anderen, omdat zy +slechts betrekkelyke veiligheid zochten--en jenever misschien--terwyl +hy werd aangespoord door... nu ja, 't nog altyd onbekende tertium. + +Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i, +zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden +troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker +geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen, +zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand +durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot? + +Op 'n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor +de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in 't oog te +krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk toe, +Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z'n pogingen om tot haar +doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als 'n verzekering +dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond daar als +'n godin der kalmte, of althans als 'n standbeeld dat vastberadenheid +kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van de meening dat er +geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het uitdeelen van +den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan ieder die +haar te na mocht komen. + +En die glimlach! Over Wouter's hoofd heen had de wreedaard z'n weg +genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper bereikt. Want +de man knikte terug... + +--Hy heeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. 't Is +toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft. + +Op dit oogenblik kreeg 't wyf dat de kroeg hield, den worstelenden +schipper in 't oog. Er bleek dat-i 'n goede bekende was, want ze +schreeuwde van achter de toonbank: + +--Zoo Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, hè? + +En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men +niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich 'n paar stappen +buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats +voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van +Wouter, in de nabyheid van 't buvet te staan kwam. + +--Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad! + +'t Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen +dat niemand zeker van z'n dag is voor bedtyd! Dit had ook Wouter +ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen +in den hoek geblokkeerd stond. + +--Hebje-n-'n goeien dag gehad, vroeg 't wyf. Met de zeilery was +'t miesserabel, hè? + +Klaas lei den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen +toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer +byzonders. + +--'n Glas klare? + +Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle +gezonde systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der +zeer byzondere. 't Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet +gelukkiger toen ze 't onderzoek naar Verlaan's wenschen voortzette: + +--Skille? + +Ook niet! + +--Rooie dan? + +Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in 't bepalen van de +soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy 't hoofd, +en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker gesprek te komen +dan de drukte toeliet. + +"Amour à la plus belle!" galmde het buiten de deur, en eenige heesche +keelen binnen de kroeg trachtten meetezingen. + +--Weg met die moffeliedjes! schreeuwde een der gasten. We +benne-n-ommers hier allemaal Hollanders onder mekaar! + +"Wel ja, we benne Hollanders... + +"En al is ons Prinssie... + +"Sjt!" + +--Ik verkies nu te zingen: al is ons Prinssie! En wie niet mee-doet... + +De prinsman sloeg op z'n vry ongekleede borst. Zóó, denk ik, zoud-i +ieder slaan die niet meezong: "al is ons prinssie." + +Misschien volgens de theorie van 't onbewuste meegaan--Wouter +maakte weer bespiegelingen over "massa"--de meerderheid werd op +eenmaal hollands- en zelfs prinsgezind. Met het verschil tusschen +patriottery en keezigheid, nam men 't nu zoo nauw niet. Hoofdzaak +scheen dat men zich op eenmaal Hollander voelde, of goedvond zich +zoo aantestellen. Het "Prinssie" liep behoorlyk van stapel. Een +der gasten ging verder, en stelde 'n soort van toost in, op de zeer +vervroegde en buitengewoon langdurige ongelukzaligheid van "al die +fransche flikkers!" Met andere woorden, hy wenschte ze zonder uitstel +de bekende "eeuwige verdommenis" toe. + +"Hoerah!" + +--Ja, zieje, toen we nog Hollanders waren ... + +"Ja, toen we nog Hollanders waren!" + +--En onder de Republiek ... + +"Leve de Republiek!" + +--Toen had je-n-'ns 'n hardzeilery moeten zien! Maar nou! + +"Al is ons Prinssie!" en: "Leve de Republiek!" + +--Onder de Republiek waren alle menschen gelyk! + +"Allemaal gelyk!" + +--Zoo'n koning, zoo'n prins, al die tirannen... + +"Weg met die tirannen!" + +--Ze benne geen haar beter als wy! + +"Dat's waar! Ze benne geen haar beter!" + +--En ze zuigen 't arme Volk uit! + +"Ja, ze zuigen 't Volk uit!" + +--En weetje waarom? Omdat jeluî--om nou 'reis de gulle waarheid te +zeggen--allemaal lamme... enz. bent! + +"Ja, ze benne-n-allemaal lamme... enz." + +--Jelui buigt je nek onder 't juk... + +"Juist! "Ze" buigen den nek onder 't juk!" + +--Als 'r 'n koning komt, of 'n keizer, of 'n prins, dan slaat +de-n-angst jelui in de buik als seneblade!" + +"Ja, de-n-angst slaat ze-n-in de buik as seneblade!" + +--En, als jelui kerels was... + +"Precies, as "ze" kerels wasse... + +--Dan zou jelui... + +"Ja, dan zouwen "ze"... + +--'n Mensch is vry gebore... + +"We benne vry gebore!" + +--En 't hollandsch hart... wàt zeg je daar, vrouw Gooremest? Wàt? 'n +dochter van... m'nheer... + +Een allervreeselykst woord scheen den volksredenaar op de lippen te +besterven. Hy werd bleek. + +--'n Dochter van... m'nheer... + +--Wel zeker! Vraag jy 't maar aan Verlaan. + +De ontstelde jenever-Gracchus wendde zich vragend tot den +schipper. Deze knikte toestemmend. + +--Is 't waarachtig waar, Klaas? Wis en waarachtig? En waarom heeft +ze zich dan zoo... angekleed als 'n gemeene meid? + +--Och, 't benne de spulle van m'n dochter Geert, zieje. 't Is 'n +rykeluîs grap... + +--Ah! Jongens... er uit, er uit! Moeder Gooremest wil slapen, +'n Mensch is niet van steen of yzer. Er uit, allemaal! + +"Weg met de tirannen!" "'n Mensch is vry geboren!" "Alle menschen +zyn gelyk!" "Het hollandsch hart"... enz. + +--Sjt! Er uit, zeg ik je, er uit! Die... jongejuffrouw... + +"Wàt? Die meid? Wat zou ze?" + +"Sjt! Ze is de dochter van--maar mondje toe, +hoorje!--van... m'nheer--ja, hoe donder is 't mogelyk, niet waar?--de +dochter van m'nheer... Kopperlith!" + +"Op...de...kei...zers...gracht? Man, wat zeg je? Van +m'nheer... Kop...per...lith? Op de kei... zersgracht?" + +--Ja, wis en bliksems! Er uit! Er uit! + +"Z'n... eigen dochter?" + +Alsof 'n behuwd-hoedanigheid de zaak minder verpletterend gemaakt had! + +--Z'n bloed-eigen dochter, zeg ik je! Maar... mondje toe, dit begryp +jelui! Er uit, er uit! + +De hollandsche harten, onbuigzame republikeinen, onkreukbare karakters, +vrygeboren menschen met nooit gebogen nekken ... slopen als geranselde +honden de kroeg uit. + +De uitvinding om z'n beschermeling te verheffen tot 'n bewoonster +van de Keizersgracht, bracht Klaas Verlaan meer "moffedukaten" op, +dan-i liefst aan z'n kleinkinderen verantwoordde. En tevens komt ze +den lezer te-hulp by 't zoeken naar zeker tertium, naar de oorzaak die +den Amstelhavenknecht zoo koppig maakte in 't bestormen van die kroeg. + +Wouter begreep minder van de zaak dan ieder ander, juist omdat hy in +den waan verkeerde zooveel meer dan anderen te weten van 't meisje +dat daar op tafel stond. Toen-i den... gladgeschuurden duit zag, +dien Verlaan in de hand der kroeghoudster gedrukt had, en later +'n dergelyke manoeuvre met den Republikein... + +Kopperlith? Kopperlith? Op de Keizersgracht? Femke op de +Keizersgracht? Maar juist by dien hoogen heer Kopperlith immers zou +hy overmorgen... + +Z'n hoofd dreigde te bersten. Als-i op dàt oogenblik... + +Neen, denken kon-i niet. Misschien bleef hem nog eenig besef dat +hyzelf Woutertje Pieterse was, maar heel zeker is 't niet. Voor-i +hieromtrent tot 'n onherroepelyk eindbesluit was gekomen, werd hy in +één greep met 'n paar anderen de deur uitgeworpen door Klaas Verlaan +en den hollandschen Republikein. + +Wel zeker! Hy was niet beter dan andere stervelingen, en moest dus +plaats-maken voor de "bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith op +de Keizersgracht. + +De volte op straat was zeer gedund. Wouter bleef in de buurt van +de herberg die hem tot 'n tempel was geworden, om te zien waar z'n +godinnetje belanden zou. De braking was aan 't bedaren. Nog altyd +evenwel werd er van-tyd tot-tyd iemand buiten de deur gezet die, +belust op de vreemdheid van 't geval, nog zoo graag 'n beetje had +willen blyven om 't wonder te zien. Men krygt niet elken dag 'n +"bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith te aanschouwen. + +Sommigen dan wilden zich aansluiten by 't driemanschap Verlaan, +Republikein & Gooremest, om mee-opgenomen te worden in aanspraak op +de baten der veelbelovende ruwaardy. Maar ons trium-viraat voelde +zich sterk genoeg, en vond geen reden om 't aantal deelhebbers in de +vermoedelyke vruchten van den arbeid, grooter te maken dan noodig +was. Menigeen die mee-schreeuwde: "er uit! er uit!" ontving zelf +'n handtastelyke vermaning om 't voorbeeld by de les te voegen. + +Eindelyk hield het uitwerpen van overbodige getuigen geheel op. Juist +toen Wouter zich verstouten wilde om door 'n spleet te gluren van de +gordyn aan de glasdeur, werd deze geopend, en de Republikein trad er +uit. Hy hoorde hoe Verlaan hem nariep: + +--Dáár ergens op 'n hoek in de Paardenstraat, weetje! Kyk nu maar +eens niet op 'n daaldertje... en klop ze maar flink op, en zeg aan +den sleeper ... + +Het woord: "sleeper"--een nu verouderd amsterdamismus voor +wagenverhuurder of huurkoetsier--gaf Wouter 'n licht van betwistbare +helderheid. Dat de Republikein 'n rytuig bestellen moest, was duidelyk, +maar... Femke in 'n koets of brommer? Of ... al was 't maar in 'n +sleê... zy? + +Hy wachtte. Op bespieden van het inwendige der kroeg, was geen kans +meer. Vrouw Gooremest had de blinden gesloten. Zou er nu 'n bruikbaar +licht over deze zaak opgaan uit die Paardenstraat? + +Na lang wachten kwam er 'n rytuig aanrollen. De Republikein sprong +er uit. De deur van de kroeg werd geopend, en Klaas Verlaan vertoonde +zich met z'n vermeende juffer Kopperlith op den dorpel... + +--Femke, ik ben hier! riep Wouter, wild toeschietend, ik ben hier! O +God, o God, Femke, ga niet mee met die vreemde mannen! + +--Wat bliksem is er dàt nou weer voor een! schreeuwde Verlaan, die +Wouter by den kraag pakte en naar binnen trok. Wat mot jy? Wat ben +jy? Wat wil jy? + +--Femke, ga niet mee met die vreemde mannen. Ik zal je thuis brengen, +ik, Wouter! + +--Die jongen is niet wys, zei Vrouw Gooremest, laat 'm los. Hy heeft +hier al den heelen avend staan huilebalken als 'n kalf, en geen duit +verteerd. Nou dáárom niet... ik wil maar zeggen dat-i niet wys is. + +Wouter trachtte de hand van 't meisje te vatten, en bemerkte nu dat +ze allerzonderlingst was toegetakeld. Van gelaat, hoofd, schouders +en gestalte, was niets te zien. Waarschynlyk had de gastvrye Vrouw +Gooremest haar familie-mantel voor dit doel afgestaan. Men doet zoo +veel voor 'n bloed-eigen dochter van m'nheer Kopperlith! Toch was de +edelmoedigheid van de ekonomische jeneverprinses niet zóó ver gegaan, +dat ze meer dan één kaarsje had aangelaten, na 't sluiten van de +eigenlyke nering. Dat armzalige nachtpitje had juist even genoeg licht +verspreid, om niet dezen of genen aan den misgreep bloottestellen +'n tafel of stoel in-plaats van overtollige gasten buiten de deur te +werpen. En nu... + +Nu vlamde het zoo zonderling, en zoo onwillig, en zoo fantastisch! En +ook zyzelf stond daar zoo vreemd! En zoo spookachtig trilden de +omtrekken van die gestalte... + +--Bist du es, Erich? + +--Femke, Femke, ik smeek je-n-om-godswil, ga niet met die vreemde +mannen mee! + +En, zich losworstelend uit den greep van Verlaan, wierp hy zich voor +haar neder, rukte den mantel open, greep hare hand, en bedekte die +met tranen en kussen... + +--Wat ik je zei, riep Vrouw Gooremest, de jongen is stapelgek! + +--Femke, nooit zal ik je weer verloochenen! Schop me, trap me, dood +me, maar... ga niet mee met die vreemde mannen! + +--Licht! riep 't meisjen op zeer gebiedenden toon, en met vreemden +tongval. + +De Republikein nam 't smeerkaarsje van de toonbank, en hield het by +de groep, zoodat de knielende gestalte van Wouter nagenoeg zichtbaar +werd. Het meisje staarde door 'n spleet van haar mantelkap op hem neer, +en zweeg, en verroerde zich niet, en scheen natedenken, en trok de +hand niet terug, die Wouter aan z'n lippen geklemd hield... + +Verlaan maakte een beweging als om den indringer wegterukken... + +Maar zy, den vryen arm uitstrekkend boven Wouter's hoofd, wees den +schipper terug, en zeide: + +--Mein Bruder! + +--Ook alweer 'n bloed-eigen zoon dus van m'nheer Kopperlith, mompelde +de republikein. Wat die jongelui 'n rare manier hebben om hun nachten +doortebrengen! + +De lezer begrypt dat-i deze oneerbiedige woorden niet luid worden +liet. Al z'n hoorders wisten waar de "bloed-eigen" vader van die twee +vagebondjes woonde, en dus: mondje-toe voor de Keizersgracht! Men +had al byzonder ongemanierd moeten wezen--of geen republikeinsche +Amsterdammer--om dit niet te begrypen. + +Toen Wouter weer tot bezinning kwam, stond-i op straat. De brommer was +weggereden, met of zonder haar. Met of zonder die beide mannen. Dit +wist-i niet. Maar 't bekommerde hem nu minder ... Zy had hem haar +broeder genoemd, ernstig, plechtig, boekerig, kerksch... dit was +hem genoeg! + +--O, myn God, ik dank u, riep hy. Gy zyt goed en genadig en +vergevensgezind... o myn God, ik dank u! + +en: + +--Gut, ik wist niet dat Femke zóó spreken kon! Ze moet het wel heel +innig gemeend hebben... anders zou ze "broêr" hebben gezegd, zooals +we gewoon zyn. + +En hy beloofde zichzelf, overmorgen schatryk te worden "in den +handel." Schatryk, en... Koning alweer, om meer nog, véél meer nog, +van Femke te worden, dan haar broer... + +Juffrouw Laps had eer van de les! Maar dit wist Wouter zelf niet, +al voelde hy geheel anders dan gister nog. + +Voor 't oogenblik was-i opgetogen met z'n nieuwen titel. Hoe toch +kwam zy aan zoo'n schoon woord? Zoo verheven? Zoo Bybelsch? Zoo +voornaam? Zy, zoo eenvoudig anders! + +--Ik ben Femke's broeder! juichte z'n hart, en--hoe vermoeid ook--hy +liep als op stelten, en verwonderde zich dat-i 't hoofd niet stootte +aan de wolken. + + + + + + + + Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen + door elken lezer dien 't om voortzetting van de geschiedenis + te doen is. Alleen op 't slot wordt de eentonigheid eenigszins + afgebroken door 't zonderling lotgeval van 'n kruiwagen en 'n + onbillyken droom, 't eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal + leveren kan. + + +Sedert eeuwen vernemen wy uit de boeken, dat we den morgenstond +zoo byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs +zóó ver, dat-i de opgetogenheid over 't opgaan der zon, aanbeveelt +als graadmeter van de "deugd." Wouter kende dit axioma niet, en +veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid van heel andere +vingers te droomen, dan de "roosverwige" van Aurora. Hy dacht aan +de hand die hy gekust had, en... menschelyk gesproken, z'n "deugd" +was er niet minder om. + +Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z'n omgeving. De +volheid van zyn gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der +straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door +'t verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken geleden, +als omdat-i nog nooit op dat uur buitenshuis geweest was. Egoïst +als alle gelukkigen, kwam 't hem heel natuurlyk voor, dat al wat +het leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn +geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in 't Heelal slechts twee +dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als 'n +trouwende vrouw, haar naam by 't huwelyk met die ééne gewaarwording, +met dat ééne gevoel: ze gaat er in op. + +Wouter's oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de +hoeken der straten. Z'n onverschillige blik las: "Botermarkt" en: +"hier gaat men uit porren." Ook kon-i te weten komen waar kousen +te-koop waren, of wagens te-huur, en wie 'n smid was, of 'n timmerman, +of... "in" 't een-of-ander... + +Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke's hand +gekust! Welk verstandig wezen kon 't in z'n hoofd krygen dat er, +na dàt evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter +verkocht, of schoensmeer? Of die man "uit porren" ging, of "in" +effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden e|n duizenden op de wereld +zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs +de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch--wáár +was het!--hy had Femke's vingertoppen gekust, en zy had hem "broeder" +genoemd! + +'t Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien +zomernacht. Horatius had er 'n aardige illustratie by gewonnen voor +z'n fractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk dat Wouter by zoo'n +kataklysme zou overeind gebleven zyn, en--voor 't byna ondenkbaar +geval dat-i notitie van de zaak had genomen--hoogstens gevraagd hebben: +of zy zich bezeerd had? + +Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z'n tyd is, bekend +zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydag-nacht naar +oude gewoonte 'n zaterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van +z'n soort is gebleven. + +Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze +Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman +dat-i "in" effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo +gelukkig voelde. + +Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het +gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van +de vyf laatste uren herhaaldelyk, voortezeggen, om verzekerd te +zyn dat nergens 'n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in +gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend, +maar toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers +had kunnen meenemen--de pink was genoeg geweest, die lieve pink!--als +tastbaar getuigenis van 't gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i ooit +weer haar hand aan z'n lippen voelde! + +Doch neen, ook zonder zoo'n verslindende zorg voor 't bewaren van +'n tastbaar blyk... 't was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem +"broeder" genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen, +porders of effectenlui, kon daaraan iets veranderen. + +Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar +bent voor den triumf van 't allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal +niets veranderen aan het feit... + +Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk +houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde Femke +hèm 'n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe +broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan +de oude betrekking van "vrindje" waarop hy altyd zoo had aangedrongen, +en die hem nooit geweigerd was? + +Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i +redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de +kreditposten van z'n geluk voor--men bedenke dat-i "in den handel" +geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou--en trachtte hoog +gewicht te hechten aan de erlangde vergiffenis voor 't verloochenen. + +Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert +gister op dit punt 'n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs sedert +z'n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol uur geleden +dreigde z'n gemoed te bezwyken onder Femke's verachting, en nu... nu... + +Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig +geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van +zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z'n geluk, omdat hy +'t niet begrypen kon. + +De oorzaak zal wel hierin gelegen hebben dat-i slechts wist wat er +geschied was, en verzuimde zich rekenschap te geven van den samenhang, +zoowel der gebeurtenissen, als van z'n aandoeningen. Hy was als iemand +die den oogenblikkelyken barometerstand waarneemt, en daarby vergeet +het voorafgaande in rekening te brengen. Een door styging bereikt +standpunt heeft 'n andere meteorologische beteekenis, dan datzelfde +standpunt als rezultaat van daling. Gebeurtenissen, aandoeningen, +en zelfs zedelykheid, zyn onderworpen aan de algemeene wet der +traagheid. Wie zich toelegt op genezing van 'n fout, en ten-halve +geslaagd is, staat hooger dan 'n ander die in gelyksoortige fout +verviel en daarin afdaalde tot hetzelfde peil. Wat by dezen gegronde +reden geeft tot bezorgdheid, kan in den ander gelden als hoopvolle +verbetering. Iets dergelyks bepaalt den graad van geluk en tegenspoed, +of althans den indruk daarvan. En slechts met dien indruk hebben wy +te doen. 't Was karakteristiek van Wouter, dat-i--niet tevreden met +z'n veronderstelden rykdom--zich zooveel moeite gaf z'n kapitaal +natetellen. + +En de uitslag was niet volstrekt geruststellend. Hy wist de +by-omstandigheden niet aan elkaar te knoopen, die hem gelukkiger +maakten dan hy-zelf verklaren kon, doch welker invloed duidelyk +kan gemaakt worden voor ieder die niet zoo van naby in 't gebeurde +betrokken is. Men ziet zichzelf niet, en geeft zich maar zeer gebrekkig +rekenschap van den samenhang der gebeurtenissen en aandoeningen die +ons buitengewoon gevoelig maken voor zekere indrukken. In elk ander +tydsgewricht van z'n leven, na àndere voorbereiding, op 'n àndere +plaats, en te-midden van àndere omgeving, zou 't nachttooneeltjen +in die vuile herberg, waarby Wouter 'n hoofdrol speelde, hem veel +minder sterk hebben aangegrepen. Tot zelfs de nawerking van Fockink's +likeur--zoo ontzenuwend anders!--verhoogde het schynbaar of wezenlyk +gewicht der zaak. Juist de uitputting die op zuike opwekkingen volgt, +had hem tot buitengewone krachtsinspanning gedwongen, toen-i zyn Femke +in gevaar meende te zien. En op-nieuw voelde hy zich vernietigd na +'t ondergaan der blyken van haar verachting. Wie dáár niet bezweek, +moest zéér veel veerkracht ontwikkelen, en deze ontwikkeling zelf was +'n oefening in kracht. Na Fockink, het dringen door de menigte! Na +die inspanning weer, haar... glimlach aan 'n ander, haar verachting +voor hèm! Toen had-i geschreid als 'n kinderachtig jongetje. En, nà +deze reeks van Rückschläge en défaillances--ik zoek 'n goed hollandsch +woord voor de hier bedoelde moed-smoorende ontkrachting--na dit alles +hield z'n gebogen ziel spankracht genoeg over, om hem wegteslingeren +uit z'n donkeren schuilhoek en, neervallend voor Femke's voeten, haar +te bezweren: "Femke, Femke, ik ben hier... ik Wouter! Om-godswil, +ga met die vreemde mannen niet mee!" + +Dàt was het! Dáárom voelde hy zich zoo gelukkig. [6] + +Wouter had het recht veroverd--'n recht dat zoovelen zich aanmatigen +zònder grond--dat hy zichzelf voor iets mocht aanzien. En zonderling, +zelfs het... kuiperytje van de oefenaarster had hem goed-gedaan. + +Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed +of... toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing 'n kind, +meer kind zelfs dan byna ieder die even ver als hy van 't uur zyner +geboorte verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort geleden nog ... 'n +kind in alle beteekenissen van 't woord. + +Doch zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg, +die hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan 'n "opvreter van +Stad en Land." Tot Wouter's groote verbazing voelde hy in zichzelf de +kracht--en den lust zelfs--die waarschuwing te trotseeren. Zeker was +geen der omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden dikwyls +"brutale bliksems" gezien, en konden niet weten dat Wouter ... nu ja, +van 'n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i niet. Toch had hy zich +by die gelegenheid voorgedaan als 'n persoonlykheid, eenigszins als +'n persoon... jazelfs--op 'n beetje na!--als 'n wezenlyke man. + +Kort daarop was deze onthulling gevolgd geworden door 'n beroep op +z'n ridderlykheid. "Dieven, moordenaars, en... 'n vrouw in nood!" De +gekste zotternyen die uit al die boeken in z'n gemoed gezaaid waren, +werden daar snel genoeg verwouterd, om terstond voor-den-dag te +treden als iets schoons: hy durfde! Hy durfde, ja, maar... niet +omdat-i moed had, o neen! Het durven-zèlf trok hem aan. God en die +zeven planken kunnen getuigen aan hoeveel ridders hy z'n woord zou +gebroken hebben, wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet der +belaagde onschuld. Dat-i gedurende z'n heldentocht geleden had aan +ontmoediging, is waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem slechts +gebakken aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar. Zoo'n +onthaal werkt niet bezielend. Om ons 't recht te geven, Wouter te +verdenken van... terugtrekkende krygskunde, zou men hem moeten hebben +waargenomen als z'n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe dit zy, +de jongen, of 't kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd getrokken +als n man. En... juffrouw Laps--'n volwassen persoon toch!--had hem +als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er bleek al spoedig dat-i +haar welkomer was in z'n hoedanigheid van ridder dan, byv. de oude +Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had hooren beschuldigen van +verregaande onvolwassenheid. Ook had zy verzekerd dat ze hem liever +had dan Stoffel, 'n persoonlykheid die toch nog altyd--waarheid +bovenal!--'n paar duim langer was dan hy. + +Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven +zich in veel opzichten "groot" te voelen. Maar toch zou er 'n gaping +bestaan hebben in z'n aanspraken op volwassenheid, indien er niet méér +geschied was. Z'n zonderlinge gastvrouw--hoe afschuwelyk ook vroeger +in zyn oog--had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na +'t verlaten van haar woning bleven doortrillen in z'n gemoed. Ze had +hem geleerd dat-i man was, en mneer, of iets anders ten-minste--'n màn! + +Dit werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met +z'n gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in 't bevestigen +van z'n mondigheid. 't Was zeker al iets heel schoons--en niet +elk protestantsch handelsjongetje gegeven!--te kunnen dienen als +schild tegen dieven en moordenaars, maar... dat àndere... o, lieve +onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid +aangetoond, dat hy--hy, Wouter!--kon bemind worden als verloofde, +als bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de minnaar in +'n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i Femke lief, ook zóó--ànders ook, +God weet het!--maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de oefenaarster +in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over z'n verregaande +onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot verdriet over den weg +dien z'n pas opgedane wysheid al te haastig insloeg. Had ze niet +als 'n Virgilische by, honig vergaard voor 'n ander? Was 't niet +'n pynigend: sic illae--Femke!--non mihi? [7] + +Zóó althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er dan Virgilius +niet by te-pas. Er was geen twyfel aan, dat juffrouw Laps hem, +met den vinger als 't ware, gewezen had op 'n vroeger onbekende +plek in z'n gemoed, en tevens dat deze ontdekking in-verband stond +met z'n eerzucht zoowel, als met z'n begeerte om te weten, en "het +Lot uittedagen". En over dit alles lag de gloed--we moeten oprecht +zyn!--niet van z'n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte +zinnelykheid die hy natuurlyk met deze liefde verwarde ... zooals +meer gebeurt, by dokters en patiënten beiden. + +Van dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy zich +tot den hoogmoed die by z'n nieuwen rang paste, naar-i meende. Als +'n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o allerlei! Dit, +o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze "maagd" was, en +ook niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld hebben met het malle +woord wulpsch? Hy wist het nu, o goden, zoo goed als Bilderdyk zelf, +en begreep dat zulke praatjes tegenover Femke niet passen zouden in +den mond van 'n "man." + +Het dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z'n genegenheid +voor 't meisje, 'n gevoel dat voor 't minst zeer hartelyk was... + +Men bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat +de onvoedzame dorheid van z'n huiselyken kring hem voorbeschikte tot +het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste. + +...dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen +had op z'n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf 'n +vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i eigenlyk +tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor de +prettige promotie. Maar zóó ver ging z'n erkentelykheid niet. Het +was al veel dat z'n afkeer veranderde in iets als medelyden, en +wanneer-i had kunnen toegeven in de overbruischende mildheid van +z'n hart ... waarlyk, hy had haar met genoegen z'n heelen broer +Stoffel afgestaan! Heel goedig nam-i zich voor, daaromtrent by +de eerste gelegenheid te dienen van konsideratien en aanpryzend +advies. Inderdaad, hy wou gaarne iedereen gelukkig zien, en waarom +dan háár niet, haar die hem zoo zelfopofferend den weg had gewezen +tot wat hy aanzag voor z'n eigen geluk? + +Maar al wat niet Femke-zelf was, hield hem slechts vluchtig bezig. Al +z'n eerzuchtige plannen van ... grover aard, weken beschaamd terug +voor z'n besluit om háár lieftehebben, háár te dwingen tot liefde. De +werelddeelen die van hem hun geluk wachtten... + +Láát ze wachten! Voor zulke nietigheden had-i nu geen ruimte in z'n +ziel. Hy dacht aan Femke, aan haar zachte mollige hand... + +'t Is waar ook! Nooit had hy die hand zóó gevoeld. Hy meende vroeger +dat ze ruwer was, steviger... + +Maar, eilieve, dan had-i vroeger verkeerd gemeend. Nu wist hy--ja, ja, +ja, want gedroomd had-i niet!--nu wist hy, dat de hand die zoo flink +'n zware ben met waschgoed van den grond wipte, fluweelig was als +'t boordsel van Hamlet's mantel, die vergulde kraag waaraan-i zooveel +gom had besteed om 't ding behoorlyk te doen glimmen. + +En ook had-i zich vroeger vergist in Femke's stem. En in haar +toon! Want zie, altyd zoud-i zich hebben voorgesteld dat zy, iets +nauwkeurig willende zien in 't donker, zou gevraagd hebben nàar... +licht, o ja, maar anders uitgesproken, heel anders! Of liever, ze +zou--zoo meende Wouter in de dagen van z'n onkunde--ze zou by zoo'n +gelegenheid gezegd hebben: + +"Wil jelui asjeblieft die kaars even byhouden?" + +En de houding? Die heele Klaas Verlaan--'n man as 'n boom toch!--en +z'n makker, stonden verbluft! Wat ze die rechterhand uitstrekte! En +toch alweer... 'n droom was 't niet, al geleek het dan precies +op 'n droom! By 't openslaan van den mantel, had-i duidelyk den +blauw-geruiten boezelaar gezien. Zoo-iets ziet men niet zoo helder +in den slaap! Hy had de ruitjes kunnen tellen, als-i niet aan iets +anders gedacht had ... o, aan heel wat anders, en byna zelfs aan niets! + +Neen, neen, gedroomd had-i niet! Maar toch... wat al raadsels! + +Wat beteekenden die praatjes van den schipper over 'n m'nheer +Kopperlith? Wat bewoog hem zich met Femke te bemoeien? Haar +te... verlagen tot 'n ander? Hoe wist-i zoo op-eenmaal dat gemeene +wyf uit de kroeg aan z'n zy te krygen, haar en dien schreeuwer over +menschenrecht? Waarom ging Femke, in-weerwil van z'n bede, met die +mannen mee? Of ... zat zy alleen in dat rytuig. En waarom niet te-voet, +gelyk kinder- en bleekmeisjes gewoon zyn? En waarheen? Kon zy op +dat uur by de Holsma's te-recht? Of was ze naar hare moeder gereden +... die óók vreemd zou opzien als Femke daar kwam aanrollen in 'n +brommer! En uit welke fondsen zouden de "daaldertjes" betaald worden, +waarover die schipper gesproken had met 'n voorname onachtzaamheid +alsof 't maar duiten waren? + +Och, wat al mysterien! Maar hoofdzaak was en bleef dat hy haar vingers +gekust, en dat zy hem ten-aanhoore van drie personen allerplechtigst +haar broeder genoemd had. + +Dit stond vast als 'n rots. Al 't overige? By de eerste gelegenheid +zoud-i haar vragen om inlichting, die ze hem niet weigeren zou ... hèm, +haar broêr.., neen, broedèr. Zóó zei ze! + +Wat overigens 't gevaar aanging--of liever ... 't onbehagelyke--van +haar weggaan met die mannen, hy telde het niet meer. Al waren er tien +mannen met haar in dat rytuig geweest, by de minste onbehoorlykheid +hoefde Femke slechts de rechterhand uittestrekken, en allen zouden +gekropen hebben voor haar voet. Dit immers had hyzelf gezien, en dit +zou hy, Wouter, ook doen--met byzonder veel genoegen, waarlyk!--als-i +maar zeker wist dat ze hem terstond zou opheffen, of althans de hand +reiken tot 'n kus... + +Zoo mymerend doolde hy met lamme schreden--want hy voelde zich zeer +vermoeid!--door de als uitgestorven straten der stad. + +Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hy den Dam. Daar +stond 'n lange reeks van rytuigen voor en naast het Paleis te +wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor +bewaard voor de zonde van 't verwensenen der hooge gasten, die zich +blykbaar hadden voorgenomen 'n hollandsche zon te zien opgaan, doch wat +laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds te vertoonen, +en er was prins noch prinses te zien. + +Behalve eenige werklieden, wier dag wat vroeger dan die van de +anderen scheen te beginnen, stonden er geen toeschouwers om de +"kleine steentjes van 't Paleis." En gepraat werd er onder dat +schamel publiekje niet. Op de deugdzaamheid van de omstanders wil +ik niets afdingen, maar wel bleek er dat de verkwikkende morgenstond +hen slaperig maakte. Misschien heeft de fransche verzenmaker zich in +die beide menschelyke zwakheden vergist, en de eene voor de andere +genomen. Maat of rym zullen dit zoo vereischt hebben. + +Ook Wouter voelde slaperigheid. Gister nog zoud-i zich veel moeite +hebben getroost om 'n wezenlyken koning te zien te krygen--zeker om +te weten of zoo'n wezen op Macbeth, Arthur en King Lear gelykt--maar +nu... och, hy gaf er zoo weinig om. + +Juist wilde hy heengaan, toen de koetsiers zich oprichtten en in 't +styve postuur zetten, dat hun door Heeren, Vrouwen en traditie schynt +voorgeschreven tot verhooging van de deftigheid. Ze sloten de armen +aan 't lyf, als iemand die zichzelf 'n stoot met den elleboog in de +lenden geven wil, haalden de teugels op, en vertoonden zich zoo leelyk +en voornaam als maar eenigszins mogelyk was. Een schoenmakersjongen +die de wereld scheen te kennen, maakte hieruit op: "dat ze nou wel +gauw komme zouwe." + +Die "ze" waren Keizerlyke, Koninklyke en andere Hoogheden. Zoo'n +schoenmakersjongen steekt zonder omslag al zulke waardigheden als +bruine boonen op den elst van z'n tong. + +De olykert had juist geraden. "Ze" kwamen inderdaad, en bestegen de +meestal open wagens, die zoo snel wegreden dat Wouter 't gelaat van +al de Majesteiten en Hoogheden niet te zien kon krygen. Slechts één +bejaarde dame gaf op 't oogenblik van wegryden den koetsier met haar +zonnescherm 'n tikje op den schouder, dat zooveel scheen te beduiden +als: wacht even! + +--Ze het wat vergeten, diagnozeerde 't krispyntje. + +Drie, vier "Kavaliere" vlogen als weerlichten 't paleis in, +en schenen 'n wedloop te houden om den achtergelaten joujou de +Normandie te halen. Een hunner--de ongelukkige!--kon den ingang +niet vinden. Vreemder is 't dat de anderen wèl wisten binnen te +komen, omdat het achtste wereldwonder eigenlyk geen ingang hééft, +'n byzonderheid die zeer gevoegelyk voor negende wonder kan doorgaan, +en dan ook een der hoofdgronden is van den rechtmatigen trots der +Amsterdammers. Paleizen of Stadhuizen met 'n behoorlyke deur of poort +kan men overal te zien krygen. + +Twee ridders des Heiligen Roomschen Ryks betwistten elkander de eer van +'t veroveren... nu ja, veroverd werd er niets, maar ze kwamen te-gelyk +aanloopen met den joujou. Ze schenen 'n compromis te hebben gesloten, +en klemden beiden juist even ver duim en wysvinger om 't gouden +doosje waarin 't kleinood bewaard werd. Beiden lachten en bogen by 't +aanbieden, met gelyke allerunterthänigste Pflichtschuldigkeit. Onder +beiden verdeelde de rechtvaardige Palatine haar tevredenheidswenk van +den zevenden rang. Beiden klopte het hart met gelyke slagen, en wie op +'n goudschaaltje de zieleverrukking van die twee eendrachtige heeren +gewogen had... + +Toch ontstond er later twist. In den jare O. H. tweeduizend zóóveel, +procedeerden de naneven van die twee ridders, over de voorzitting in +'n demokratisch kieskollegie. Ridder A zou volgens de traditie z'n +wysvinger een millimeter verder onder de doos hebben uitgestrekt +dan de helft, en dus grooter aandeel hebben gehad in... grooter +aanspraak op... + +Gekheid! riepen de afstammelingen van z'n mededinger B. Onze voorvader +heeft er ook den ringvinger aan geslagen! Ziedaar ònzen titel, ònze +aanspraak! Welke onverlaat zou in deze demokratische eeuw, de rechten +miskennen... enz. + +--Zieje wel dat ze puissies in d'r gezicht het! riep de +schoenmakersleerling. + +'t Was de waarheid! Koninklyk-Keizerlyke puisten! Menschelyke +puisten! Dit had geen der poppen op Wouter's printen. Al z'n gekleurde +prinsen en prinsessen verheugden zich in gave gezichten, en 't viel +hem zeer tegen, dat 'n dame die tot den stoet van koningen en keizers +bleek te behooren, zoo bitter weinig op z'n printen geleek. Als hy +'t mensch gekleurd had, zou ze 'r beter uitzien, meende hy. + +Hoe geheel anders was dit met... háár, met Femke! Zy had frisscher +gelaat dan-i met al z'n vleeschkleur schilderen kon. En 'n houding! Nu +kwam hem op-eens voor den geest aan welke figuur ze hem had doen +denken, toen ze daar stond met half-opengeslagen mantel by 't +flikkerend kaarslicht: aan konigin Elisabeth van Engeland... juist! + +Maar deze vrouw met haar puistjes? Gut, ze kon best 'n waschvrouw +wezen, 'n allergewoonste waschvrouw, die nog slordig blauwde op den +koop toe, en zoekgeraakte mansetten te vergoeden kreeg. + +Het onaanzienlyk voorkomen van de Paltsgravin, werkte zeer... burgerlyk +op Wouter's verbeelding, en 't kwam hem niet heel waardig voor, +prinses te wezen, als men daarby puistjes in 't gezicht hebben kon +gelyk ieder ander. Hy beloofde zich vast en zeker, dat-i nooit Femke +verlaten zou om-den-wille van welke Majesteit ook. + +Wel voelde hy eenige yverzucht op 'n zeer jong mensch die kort na +'t wegryden van de Paltsgravin, 'n opening in 't Paleis scheen +gevonden te hebben, en naar buiten trad. Gelyk 'n deel der andere +Kavaliere--de meesten torschten 'n witte pruik, met 'n staartjen +in den nek--droeg hy eigen haar, dat vry lang was, en hem los om +de schouders slingerde. Z'n kleeding was 'n eenigszins fantastische +variant op de uniform der adelborsten van die dagen. De kleur van z'n +buis was donkerblauw, met roode opslagen aan hals en mouwen, doch +zonder 't minste goud, wat by de schitterende uitmonstering van al +de andere heeren, zeer in 't oog viel. Ook droeg-i geen ridderorde, +en scheen dus 'n gedistingeerd persoon te wezen, al ware 't hierom +alleen dat-i minder dan alle anderen op 'n begunstigde koninklyke +kamerdienaar of 'n hansworst geleek. Op z'n hoofd had-i 'n zoogenaamd +schotsch-mutsje, zooals ligt-matroosjes gaarne dragen. Twee jockey's +brachten 'n schoon paard voor, dat door den een by den teugel werd +gehouden, terwyl de ander den stygbeugel hield. + +--Dat 's god-straf-me-n-'n jonker! zei 'n sjouwerman. As de bliksem +zes man 't grietje-want in, om dat vet in 't blok te klaren! + +--Mot hy op dat paard? vroeg 'n oud-kavallerist, die 't in zyn vak +gebracht had tot "oppasser" van ongetrouwde ouwe-heeren. Weetje wat +ik zeg? Ik zeg: 'n zeeman op 'n paard, is 'n gruwel in Gods oog! + +Wouter was te onbedreven in de vakpedanterie dezer beide +pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap, om hun spotterny +te begrypen. Voor-i gereed was met het ontcyferen van dat "vet in 't +blok" en dien "gruwel" sprong prins Erik, den stygbeugel versmadend, +op den goudvos. De toeschouwers schrikten van 't steigeren, en maakten +zich gereed om wegtestuiven zoodra 't wilde beest blyk mocht geven +dat de "kleine steentjes" te nauw waren voor den stryd dien 't met +z'n ruiter aanving. Het zette den kop in de borst, steigerde, schoot +vooruit, en stond op-eens pal, zwenkte onverwacht, brieschte, schudde +de manen, schopte, trachtte z'n ruiter over-kop te werpen ... alles +te-vergeefs! Of prins Erik 'n gruwel in Gods oog was, weet ik niet, +maar hy zat vast in 't zaal, dit is zeker. + +--Dàt 'n zeeman? riep de oud-matroos--die in zyn tyd den welverdienden +bynaam droeg van "lamstralige snertmalènger"--dàt 'n zeeman? 't Is +de vraag of-i 't verschil kent tusschen'n bezaan en 'n fok! Al die +rykeluîs-zoontjes komen de kajuitspoort in! Ik en 'n ander kruipen +door de kluisgaten, zieje! Dat 's 't ware! + +En, als om op deze diepzinnige meening 't zegel te zetten, verschikte +hy z'n tabakspruim van rechts naar links. + +--Hm, zei de kavalerist-kleerenklopper, hy heeft meer 'n paard tusschen +de pooten gehad! Anders ... ik wil maar zeggen dat zoo'n pallas van +anderhalf verrel, 'r heel mal by staat. Die vliegeprikker slingert +het arme beest tegen de beenen. Hy moest dat ding opgespen. + +Prins Erik gespte niets op. Hy vermaakte zich met temmen van z'n +paard. Toen dit gelukt was, begon hy op zyn beurt het schoone dier +te plagen, en kittelde het met de sporen, onder 't inhouden van den +toom. Telkens gaf het blyk van goeden wil, maar scheen wat straf +te-goed te hebben voor z'n speelschen moedwil van zoo-even. Eindelyk +scheen de ruiter voldaan. Hy liet den vos, die niets liever wilde +dan de nog altyd wegrollende rytuigen narennen, z'n zin, en schoot +vooruit. De dunne gordel omstanders brak af, en op-eenmaal bevond +zich de ruiter voor 'n kruiwagen, die de dubbele funktie vervulde van +voertuig en augurken-magazyn. Nog juist by-tyds hield de jonge ruiter +z'n paard even in, maar toch... 't was te laat om te wyken. Op-eens +liet hy den teugel schieten, en 't vlugge dier sprong welberaden over +'t beletsel heen. + +De weinige toeschouwers riepen: hé! en onze prinselyke adelborst +joeg den stoet rytuigen na, die sedert eenige oogenblikken in de +kalverstraat verdwenen was. + +Het schoenmakertje, dat zooveel blyk gegeven had op de hoogte +van hofzaken te wezen, beweerde dat "ze" den Diemermeer zouden +doorryden, en, van daar terugkeerend, al de buitensingels om, door +de Haarlemmerpoort weer naar 't Paleis. + +Wouter verheugde zich hartelyk in z'n afkeer van de puistige +Prinses. 't Was hem als 'n geschenk van 't lot, dat hy eens eindelyk +iets had te zien gekregen uit 'n sfeer die van de zyne zoo hemelsbreed +verschilde, en dat toch z'n begeerigheid niet opwekte. + +Met dat schoone paard was 't iets anders! Wat 'n sprong! En wat +die jonge ruiter 'n lief gezicht had! Precies Hamlet... vóór 't +kleuren! Zoo'n paard zou hy ook wel eens bezitten, als-i maar op +goeden voet bleef met Femke... + +Dit scheen hem de eenige bron van alle geluk! + +...als Femke hem maar lief had! En... zoo niet? Wel, dan verkoos-i +niet eens 'n paard te hebben, geen ezel zelfs, en ... niets! 't Was +immers juist om door háár te worden bewonderd, dat-i z'n beest zulke +sprongen wilde laten doen over kruiwagens, of... hooger dingen! + +In afwachting van die gelukzaligheid te-paard, sukkelde hy voorloopig +op z'n voeten verder, en raakte weldra in de buurt van Femke's huisje. + +Hier zette hy zich op haar bleekveldjen in 't gras, en peinsde, en +voelde zich overmand van vermoeienis, en viel in 'n slaap die meer +onrustig dan verkwikkend was. + +Hy droomde allerlei vreemde dingen, waarvan de hoofdzaak was dat 'n +jong meisjen op 'n tafel stond, en zich vermaakte met het opwerpen +en vangen van zware mannen in schippersdracht. Ze speelde er mee, of +'t ballen waren... + +--Laat ik haar nu goed aanzien, vermaande zich Wouter. Straks rydt +zy de lucht in ... ze ziet niet op 'n daalder... en daarom... al is +'t nu maar 'n droom... + +En hy zàg. Hy staarde zoo scherp als men dat in 'n droom kan, en hy +onderscheidde duidelyk de trekken van ... de kleine Sietske Holsma! + +Zéker was zy het! Want ze riep heel verstaanbaar: 'n "massa" is +'n heele troep, weetje! + +En met zoo'n massa--die precies geleek op Klaas Verlaan en de +zynen--kaatste zy... + +--Dàt zal ik nu eens goed onthouden als ik wakker word, beloofde zich +Wouter. Men hoeft zulk volk maar tusschen duim en vinger in den nek te +pakken, en 't gaat vanzelf. Ik zal 't opschryven, want zoo'n droom... + +Van Femke geen woord, helaas! Zou men niet bevreesd worden inteslapen, +als men bedenkt dat dit ons verleiden kan tot zooveel ontrouw, tot +zoo'n valsheid? + + + + + + + + Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit + hoofdstuk weer overslaan. 't Is vol prozaïsch realismus, + zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van 'n + kastalische-fonteinnimf--tevens van beroep: waschvrouw--met + 'n ridder in de luur, die 'n brief ontvangt uit den hemel: mirakel! + + +Toen Wouter zich in 't gras zette met z'n rug tegen 'n boom, was z'n +voornemen daar te blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in +Femke's huisje. Al was 't dan hoogstonzeker of ze zich dáár bevond, +toch immers zou hy dan iets vernemen. In-allen-geval kon haar moeder +hem zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of +de wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was +ze geweest, dit had-i duidelyk gezien. + +Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma's--'n +nicht... hoe zàt dat in elkaar!--op de Kolveniersburgwal sliep, of +'s avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht, +iets zou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte... + +Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet +te veel geweest, en hy had er maar één. Hy viel dan ook weldra om, +en lag daar alleronfatsoenlykst. Z'n petje rolde in de sloot, en +verdween langzaam maar zeker onder 't kroos. + +De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar 'n +beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om bespiegelingen +te maken over de al te vroege rypheid van zoo'n jong ventje. Een +onderzoek naar de oorzaken van 't geval--hy toch kon ziek, gewond +of dood wezen--lag niet in de zeden. Dat zyn politiezaken. 't Was +volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed. + +Gelukkig was 't aantal voorbygangers, om 't vroege morgenuur, nog zeer +gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door 't grasveldje +kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te zien. Maar straks +als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg liggen, dat was zeker. + +Z'n droomen blyven--als 't wakend leven-zelf--'n zonderling mengsel van +schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog ...ziedaar +alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen +dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen. Even als +dichters en lasteraars!--vinden ze niets uit, en bepalen zich tot +eenige verandering in 't rangschikken of samenvoegen. Personen, zaken +en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander 't +heterogeenste. Wouter droomde precies als 'n ander in zyn geval zou +gedaan hebben, d. i. onder den indruk van de gegevens die hem waren +meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z'n lenden +waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem +pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en +kippenhokken. Z'n moeder zag het aan, en geleek op koningin Elisabeth +die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met háár geldje: +honderd kromme pietjes. Klaas Verlaan droeg 'n fluweelen mantel, en +zat schrylings op 'n gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i +heensprong over 'n dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook: +"massa"--persoon geworden--met 'n pruim in den mond, en verklaarde +dat-i Gooremest heette en op de Keizersgracht woonde, waar-i "met +God" in effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over +menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben ... dit was weer de +schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong: honneur au +plus vaillant, en scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die er +naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid 'n wolk +van toegeworpen lauwerkransen opving op 'n yzeren leerlineaal. + +Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in +werkelykheid, krygt z'n deel in 'n anderen droom. + +Maar, in-weerwil van 't vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven +en bont dooreen gemengde beelden van z'n herinnering, behield één +figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat +aan Wouter's verbeelding voorbyschoof. 't Was die van 't meisje dat op +'n tafel stond, en haar armen kruiste. + + + +--Lieve goeie god, jongen, hoe kom je dáár? Hoe kom jy daar? + +Zoo sprak 'n stem, eerst op eenigen afstand, toen naderby, en weldra +zelfs aan z'n oor. Hy had 'n flauw besef dat iemand bezig was hem +opterichten. + +--Sietske! mompelde de slapende. + +--Ja, zoo heet ik! Maar hoe weet jy dat? + +--Sietske... Holsma! + +--Wel zeker! Maar wie heeft je dat gezegd? En hoe kom je hier? Heel +fatsoenlyk is 't niet! Ben je dronken? 't Is 'n groote schande voor +zoo'n jong bloedje! + +Ja, zeker was-i dronken. Maar 't was nog altyd van den slaap. En +nogeens sprak hy den naam van Sietsken uit. + +--'t Kan me niet schelen dat je me by m'n voornaam noemt, maar ... hoe +kom je 'r aan? Heeft Fem je zoo wys gemaakt? 't Is 'n ware schand voor +god, dat ie hier zoo ligt als... 'n zwyn, dat zeg ik je! En zoo-even +nog... geen uur geleden, zat je d'r op als 'n banjer... 't Is schande, +zeg ik! + +De persoon die aldus tot hem sprak, was by hem neergeknield. Ze +richtte hem wat op, en hy viel wezenloos tegen haar aan, zoodat ze +wel genoodzaakt was, hem weer in 't gras te leggen. + +--Och, och, och, 'n waar schandaal! Zoo jong nog, en dan al zoo +gruweloos aan 't verpieteren! + +De vrouw die zich met Wouter bezighield, scheen te willen voortgaan +met de niet ongewone fout, 'n beschonkene z'n schandelyken toestand +te verwyten op 'n oogenblik dat-i onvatbaar is voor rede. Maar op-eens +bedacht ze zich, en, van toon veranderend: + +--Och, lieve god, 't is waar ook, riep ze, hoe kan ik zoo praten! 't +Kind is van 't paard gevallen, de stumpert! Jesis-Maria, wat +ben ik 'n gemeen schepsel! Zeg, jongeheer, ben je van je paard +gevallen? Och, och, och, wat doe je-n-ook op zoo'n beest! En... waar +is je skos-mussie? 't Stond je zoo aardig! En je sabeltje? 't Rinkelde +zoo! En nu al dood... Jesis-Maria! En je kleertjes? Och, lieve god, +hy is dood, en... van z'n paard gevallen! Ben je dood? + +--Sietske! mompelde Wouter. + +--Goed, goed, noem jy me gerust by m'n naam. Ik geef er niets om, want +groots ben ik niet, als je me maar zeggen wilt of je dood bent! Och, +och, och, Maria-Josef, hy is dood! Als Femke maar hier was! + +Daar trilde iets in den zevenslaper: Femke! Was zy 't? Femke? Was +'t niet Sietske? + +--Sietske ben ik, zei... Vrouw Claus. + +Deze vreemde mededeeling was de moeite van 't oog-opslaan waard! Maar +ze vielen weer toe, en hy tegen haar aan. + +--Je mag me noemen zooals je wilt--gut, waarom niet? Ik ben +waschvrouw--als je me maar zeggen wilt of je je bezeerd hebt, en of +'t erg is? En waar is je geruite muts? 't Is schande van je moeder, +dat ze je-n-op zoo'n beest zet ... 'n ware schande! Zeker heb je +armen en beenen gebroken? En je ribben? En misschien je nek, hè? Zeg +'t maar, jongen! Ja 't is schande van je moeder! Zoo-even zag je 'r +nog zoo snoepig uit ... geen uur geleden! En nu ... leg maar gerust +tegen me-n-aan. Och, wat zal Fem er van zeggen? De meid zal desperaat +wezen, en... ik ook! + +Wouter richtte zich 'n weinig op, en wreef zich de oogen uit. + +--Zeg, wat is er aan je gebroken? Wil je dat ik pater Jansen laat +roepen? Och, 't wurm kan niet spreken! Wat is er aan je stuk? + +--Stuk? Gebroken? Aan my? + +--Ja, stumpert, zeg 't maar! + +Wouter betastte zich. Toen z'n hand de plek bereikte, waar die +boomwortel z'n plooien en knoesten had ingestempeld, nam z'n gelaat +'n vragende uitdrukking aan. Geheel overtuigd dat men hem niet buiten +z'n weten had geradbraakt, was-i niet! + +--Gebroken? Stuk? Ik? + +--Wie anders? + +--En... wie zou dat gedaan hebben? + +--Wie? Wèl ... jyzelf, stumpert! + +--Ik? + +--Wat doe je-n-op zoo'n beest! + +--Op 'n beest? Ik op 'n beest? + +--Weet je dan niet dat je d'r afgevallen bent? + +--Ik? Van 'n beest gevallen? Van welk beest? + +--Van 'n paard immers? Weet jyzelf dat niet? Ben je dan +toch... misschien... 'n beetje... dronken ook? + +--Ik? Dronken? Van 't paard gevallen? Ik? + +En hy legde beide handen met wyd-uitgespreide vingers op de borst, +als om met onomstootelyke zekerheid vasttestellen van welke ikheid +hier de rede was: + +--Ik? Ben ik dronken? Ben ik van 't paard gevallen? + +--Wat ànders? Wie ànders? + +--God, god, hoe is dàt mogelyk? + +En nogeens betastte hy z'n rib die 't cachet droeg van den +boomwortel. Daarop greep-i Vrouw Claus by den arm, en schreeuwde, +op elk woord drukkende: + +--Je... zegt... dat... ik... van... 'n paard... ben... gevallen? + +--Ja, schaap, dàt zeg ik! Houd je bedaard! + +Nu sloeg Wouter de handen aan z'n hoofd, misschien begrypende dat +dààr de ikheid woonde die geraadpleegd worden moest. De slotsom van +z'n overwegingen schynt zonderling, maar is natuurlyk: + +--Ik wou me graag eens wasschen! + +--Wel, dàt 's goed! riep Vrouw Claus verheugd. Zou er dan waarlyk +niets aan je kapot zyn? En waar is je muts? + +--Wasschen, ging Wouter peinzend voort, met heel koud water! + +--Goed, jongen! Kom maar mee naar de pomp! Ben je zeker dat je loopen +kunt? Heb je je beenen niet gebroken? + +Wouter betastte ze, en zei zonder de minste overyling: + +--Ik... geloof... het... niet! + +--En je ribben? + +--Ook... niet! + +--En je nek? + +--N...e...e...n! + +Om de goede vrouw gerusttestellen, schudde hy langzaam 't hoofd, +maar hy had wel eenigen moed noodig om die gymnastische bewysvoering +te beproeven. 't Mocht eens niet lukken! + +--Kom dan mee naar de pomp! En... zeg eens, jongen, maar jok niet, +ben je altemet niet 'n beetje... dronken ook? Zeg de waarheid! + +Wouter stond langzaam op, bedacht zich vry lang, en zei, blykbaar na +konscientieuze raadpleging van z'n herinneringen: + +--Ik geloof het niet! Maar... ik wou me zoo graag wasschen in heel, +heel, heel koud water... koud als ys! + +Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar 't erf daarachter, +waar 'n groote pomp stond. + +--Kleed jy je maar gerust uit, m'n jongen! Niemand kan je hier +zien. Maar... hoe kwam je 'r toe, my zoo op-eens by m'n voornaam te +noemen? Niet dat ik 't kwalyk neem, gut né, maar... + +Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om z'n +herinneringen te regelen, en 't werkelyk gebeurde te zuiveren van de +laatste droomerige toevoegsels, Hy verzekerde daarom dat-i... hoofdpyn +voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich behoorlyk gewasschen +had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te +ontkleeden. Met kostbare naïveteit dacht zy te-dezer-zake in 't +minst niet aan zichzelf, en meende al heel veel gedaan te hebben om +Wouter gerust te stellen, door 'n paar lakens over den rand van 'n +latten-schutting te slaan, zoodat nu 't erfjen, op de zoldering na, +vry wel naar 'n afgesloten kamer geleek. + +--Zie zoo, m'n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen sterveling! Wie +dáár overheen kykt, moet knap wezen! + +Geen "mensch" geen "sterveling?" En zy dan? Wouter wist waarlyk niet +hoe hy 't had. Gister nog zoud-i misschien zonder den minsten erg... + +Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En 'n beetje wyzer ook! En +dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten, +die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus? + +--Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je leedjes +niet tot je wil, dàt is het! Wat doe je-n-ook op zoo'n beest! + +En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z'n kleeren, +en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger geweest +was. 't Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat in hem was, +loste zich op in één uit afmatting berustend: in-godsnaam! De flauwe +tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door z'n baker opgevat als +kinderlyken gril, en dáármee wist ze raad! 't Scheelde weinig, of +ze had er 'n "suia, suia, kindje" by gezongen. Want--honni soit qui +mal y pense!--zoo bakerlyk was haar indruk by 't uitkleeden van den +jongen ridder. + +Toen ze gereed was, zette zy hem op 'n laag bankjen onder de pomp, +en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, en +weldra klaterde 'n breede waterstraal hem op hoofd en schouders. Van +teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, en Vrouw +Claus vatte z'n "brrr!" dat misschien beteekenen moest: "genoeg, +genoeg!" als 'n betuiging van tevredenheid op. + +--Ja, zieje, na zoo'n val stygt het bloed... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...naar je hoofd! En de kou van 't water... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...als je maar niet je nek gebroken hebt... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...want dan helpt het niemendal! En... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...denken, dat het nu genoeg is! ik heb... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...pyn in m'n milt! Maar anders, ik... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...ik wil wel! Zoo lang als je maar... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +... als je maar wilt! + +Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk +te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de patiënt +het verlangen mocht. + +--Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever hebt... + +--Brrr! + +...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd, +weetje? 't Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... 'n +ware spiegel, kompleet 'n spiegel! + +Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wàt zoud-i gezegd +hebben? Femke's rug, een... spiegel? + +--Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, dat komt +alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te wasschen +met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren, +flink! Maar ben jy gewoon 't zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik +ook wel... + +En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger +rees... + +--Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen, +bibberde Wouter. + +En hy kreeg 'n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer niet +verstaan kon. + +--Groene zeep is ook goed voor peesknoopen... + +--Brrr! + +...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent, +want dan... + +--Brrr! + +...is er niks an 'n mensch te doen. + +Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en +gebiologeerd, het waagde zich en z'n bankje eventjes van onder den +straal wegteschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry welsprekend +om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking niet +anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. En +bovendien... de goeie vrouw had z'n kleeren over 'n droogstok geslagen, +die niet onder z'n bereik was, en hy, gaandeweg wakker geworden, begon +schaamte te voelen over z'n volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef +onbewegelyk zitten, maakte zich zoo klein mogelyk, en verschool z'n +kin tusschen de knieën. Ik denk dat Adam in Genesis III ook zoo-iets +gedaan heeft, en dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat +verdrietig hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was. + +--Wou je nog wat? vroeg z'n goedige Najade. + +--Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat 'n nieuwe +straal--de slinger rees al!--hem weer de spraak zou afsnyden. Neen, +maar... + +De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als 'n +klomp en in-een gedoken zat: + +--Heb je véél pyn? vroeg ze. + +--Neen! Pyn juist niet, maar ... + +--Ben je misschien moe van 't ryden? + +--Van 't ryden? Ja, ja, ik ben erg moe! + +--Dàt is het! riep Vrouw Claus. En ik heb 't wurm in z'n slaap +gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat slapen... dat denk +ik er van. + +En met 'n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den +lezer--zouden er zyn, die hiertoe te laag staan?--droogde zy Wouter +af. Ze trok 'n beddelaken van de schutting, wikkelde hem--zoo +opgevouwen als-i was--daarin, en droeg 'm weg als 'n pakje waschgoed. + +Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte... + +--Strek jy je beenen gerust uit, m'n jongen, als ze maar... +in-godsnaam niet gebroken zyn. + +Wouter deed wat ze gelastte, en voelde 'n onbeschryfelyke gewaarwording +van welbehagelykheid. Z'n lichamelyke aandoening steeg tot verrukking, +toen z'n voedster de dekens naast hem "instoppende" de heerlyke +woorden uitte: + +--Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is 't bedje van +onze Fem, weetje! + +Op Femke's bed! Wèl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit hem goed zou +doen! Was 't niet jammer dat-i de kracht niet had, zich wakker te +houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde dit... als +kleine man en als ridder, maar hy bezweek als 'n mensch. + +Doch hoe plezierig 't wakkerblyven zou geweest zyn, ook de slaap--nu +van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met wat gras er +naast--werkte weldadig. Straks by 't ontwaken, zoud-i heel op z'n +gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich voorgenomen toen-i Vrouw Claus +hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. Voor ze die geheel bereikt had, +nam hy niets meer waar, zelfs z'n droomen niet. + +Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy's leiding, +al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot mensch... + +Want--onder ons, lezer--dáárop eigenlyk scheen de zaak aangelegd! + +Toen-i zoo ongeveer tegen vier uren in den namiddag wakker werd, +hoorde hy fluisterend spreken. Hy spande zich in, eerst om te weten +waar-i was, toen om te begrypen hoe hy daar kwam, en daarna om te +verstaan wat er gezegd werd. + +Het scheen er op toegelegd, op-nieuw voedsel te geven aan de +zonderlinge verwarring tusschen Femke en Sietske, die in z'n gemoed +ontstaan was. Zeer duidelyk hoorde hy Vrouw Claus zeggen: + +--Ja, Siet, maar... wat doet-i op zoo'n paard! Als ik z'n moeder was... + +En hoe Sietske nogal nuffig antwoordde: + +--Nicht, ik denk dat z'n moeder er niets van weet. Herman heeft het +ook eens gedaan, want, nicht, de jongens zyn zoo! + +Dus: Sietske was dáár! En... Vrouw Claus was haar nicht, en heette +ook Sietske! En... 't meisje dat op de tafel stond... + +Och, op-eens voelde Wouter zich weer minder gelukkig! Hy kon maar +in 't geheel niet wys-worden, noch uit het gebeurde, noch uit z'n +aandoeningen. Lichamelyk gevoelde hy zich welvarender dan ooit... + +Nooit had-i zóó 'n bad ondergaan, nooit zóó geslapen, na zóóveel +spanning en vermoeienis! + +...maar juist dit gaf hem volle ruimte om verdriet te voelen over de +verwarring van z'n denkbeelden. Was... dàt, dàt en... dàt, wáár, of +was 't niet waar? Daarop moest orde gesteld worden! Straks misschien +zou men hem komen vertellen dat-i op 't bed lag van Klaas Verlaan, +of van de liefelyke weduw Gooremest! + +Neen! Zóó ver zou de helsche spokery niet gedreven worden! Hy lag +wel inderdaad in Femke's kamertjen, of in haar bed toch, want 'n +byzondere kamer had ze zeker niet. + +--Als ik nu 'n stuk uit het laken knipte, dach hy, om morgen te kunnen +zien en tasten, en zeker te zyn? + +En hy bracht er Samuel 26 by te-pas, en droomde zich voor, hoe hy Femke +zou bezweren dat-i haar spies en waterkruik niet had meegenomen om te +dienen als getuigen tegen háár--'n spies zag hy niet, maar 'n Rebekka +stond er--doch alleen om zichzelf 't zwygen te kunnen opleggen, als hy +eens later weer mocht beginnen te vragen, te twyfelen, te ontkennen... + +Wat overigens het beddelaken aangaat, waaruit hy naar Davids voorbeeld +'n slip snyden wilde... 't was eigenlyk jammer dat-i niet aan zeer fyn +linnen gewoon was. Dit belette hem, de poëzie van 't byzonder grove +te genieten. Rein wàs dat lynwaad, als zy die daartusschen geslapen +had! Maar Wouter stond nog in lang niet hoog genoeg, om gevoelig +te zyn voor schoonheid in 't geringe. Was-i niet nog kinderachtig +verslingerd op fluweel, goud, satyn, en zulke voddery? Het zeer +grove weefsel van die lakens was wel inderdaad nog altyd te grof +voor z'n smaak, doch hierom alleen wyl die smaak niet fyn genoeg was +om de tegenstellend-fyne beteekenis der grofheid van dat weefsel te +waardeeren. Gelyk zeker soort van boekenmakers, zoud-i 'n prinses laten +slapen op geborduurde zyde... waarom niet op paarlen, tusschen lakens +van scherpgeslepen diamant? Hy wist nog niet dat men zich--behoudens +alle deftigheid, en eerbied voor de grondwet--Koninklyk-Keizerlyke +Hoogheden by-nacht, ànders kan voorstellen, en dat eenmaal misschien +'n prinses zich te gering achten zou, om Femke's bedje te schudden. + +Neen, neen, zóó ver was Wouter nog niet! Toch keek hy met innig +genoegen 't kamertje rond, en ademde den geur in, die z'n verbeelding +meedeelde aan alles wat-i zag. Al voelde hy zich dan niet in-staat, +den hier uit alles sprekenden eenvoud boven boekerige majesteit te +stellen, toch was-i reeds genoeg gezuiverd van 't àllergemeenste, +om die eenvoudigheid hooger te schatten dan 't benauwd-burgerlyke +waaraan-i gewoon was en dat hem zoo kwelde. Aan paleizen--die hy +nog nooit gezien had--bleef-i nog altyd de voorkeur geven boven +'n hut. Maar te kiezen hebbende tusschen hutten en huizen, tusschen +armoede en burgerlijkheid... o, dan helde z'n smaak onvoorwaardelyk +over naar den kant van 't geringste. + +En, alweer bedroog zich z'n smaak! Om nu niet te spreken van 't +onrecht dat-i aandeed aan wat ik nu in één woord: "burgerlykheid" +noem, door de achter- onder- boven- voor- zy- en opkamertjes waarin +dat maatschappelyk standpunt zich tot-nog-toe aan hem had geopenbaard, +te verheffen tot type--hy zag, door vergelyking dáármee, de Holsma's +voor ryk en voornaam aan--in veel wyder opzicht beging-i 'n fout. Noch +hutten, noch grove beddelakens, noch achterkamers, noch paleizen, noch +zelfs... de puistjes van 'n Palatine, bedingen--d. i. veroorzaken of +weren--de poëzie! Voor haar is dit alles gelyk. Zy zoekt en vindt +haar voedsel in 't schynbaar geringe, niet meer--maar vooral niet +minder ook!--dan in voornaamheid. Gelyk 'n godin--dit is ze, en... de +eenige!--alles overziend, alles waardeerend op juisten prys, alles +vervormend naar háár beeld, alles behoudend, samenvoegend en gebruikend +voor háár doel, de ongelyksoortigste bestanddeelen overgietend met +háár kleur, heft ze alles gelykmakend tot zich op, zonder aanzien van +persoon, standpunt of omgeving. Dit is haar roeping, haar behoefte, +haar Wezen. + +'t Was nog al wèl, dat Wouter niet naar juweelen zocht in 't kamertje +van de prinses zyner ziel. In-plaats hiervan bemerkte hy dat er nòg een +slaapplaats was: 'n "bedstee." Daar sliep zeker Femke's moeder. Tegen +een der wanden van 't vertrek was 'n wyde gemetselde schoorsteen, +alleraardigst gekleed in Delftsche ticheltjes. Ze stelde met hun allen +de opwekking van Lazarus voor, en de man met wien ik den lezer by 'n +vorige gelegenheid in kennis bracht [8] ontbrak niet. Wouter voelde +zich door dit staal van al te wonderbewyzend realismus minder gestuit +dan anders 't geval zou geweest zyn, want... op die poppen had Femke's +oog gerust. Dit denkbeeld adelde alles wat-i zag. Het kamertje was +overigens gemeubeld met vier matte-stoelen, waarvan een voor 't bed +stond, met z'n kleêren, netjes gerangschikt en blykbaar gereinigd, +er op. Zelfs z'n ryglaarsjes waren gepoetst. Die goede Vrouw Claus! + +In 't midden van de kamer zag hy 'n vierkante tafel, waarin 'n +lade die openstond. Het ding kon niet anders, omdat het gaapte door +overlading. De ons bekende wollen kousen staken boven den rand uit, +en wachtten op herstelling of misschien op terugzending naar den +eigenaar... naar pater Jansen? daar was meer brei- en ook naaiwerk +in die lade... goeie hemel, geestelyke onderbroeken misschien! + +Wouter sloot z'n oogen, en keerde zich gemelyk om. Wollen +kousen... va! Maar die onderbroeken... hy zag geen kans ze te +poëtizeeren! De schuld lag aan die broeken niet, meende hy, maar aan +den pastoor. Ik zeg dat de schuld aan hemzelf lag. Of er onderbroeken +lagen in die uitgeschoven tafella, kan ik niet zeggen, doch zoo ja, +dit zou voor Wouter geen reden geweest zyn, zoo vies z'n oogen te +sluiten. We willen hopen dat-i 't maar deed om 'n voorwendsel te hebben +tot nadutten. Dit kon wel wezen, want al voelde hy zich hersteld van +de vermoeienis, hy was nog niet bekomen van den slaap. Toch begreep hy +dat er 'n eind moest komen aan z'n Capua. Niet zonder inspanning sloeg +hy de oogen weer op, en zag nu iets dat hem liefelyker voorkwam. Aan +den wand by 't hoofdeneind van z'n kribbe--heel veel meer was Femke's +bedje niet--hing 'n krucifix met wywaterbakje van zeer gewonen steen, +waarop de bezitster hoogen prys scheen te stellen. Daaraan toch had +zy de eenige versiering aangebracht, die van haar hand in 't gansche +vertrek te vinden was. Het rustte tegen 'n vierkant schildje van +haakwerk, dat op 'n blad karton was gespannen. Blauw glanspapier +gluurde vriendelyk door de symmetrische gaatjes. + +"Daarmee zegende zy zich" dacht Wouter, en onwillekeurig stak hy de +hand in 't bakje... + +Het was droog. Nu, om 't water was het ons protestantsch jongetje +niet te doen. Hy wilde slechts z'n hand... wyden door aanraking met +iets dat door háár voor heilig gehouden werd. Hy wist met dogmatische +precizigheid--lieve god, op z'n katechizatie was-i de eerste in die +zaken, en had er mooie pryzen mee behaald--dat Roomschen zeer dom zyn, +en aan allerlei gekheid gelooven. Hierin namelyk ligt het verschil +tusschen Katholieken en... andere menschen. Wel beschouwd, begreep hy +dus zeer goed dat zoo'n wywaterbakje niets helpt voor de zaligheid, +en dat de lieden die aan zulke prullen gewicht hechten... + +Maar Femke dan? Was ook zy zoo byzonder afschuwelyk papistisch +dom... zy? Wel neen, ze was... Femke! Dit beteekende heel iets anders +in Wouters oog. Aan z'n eigen afgodery met háár, dacht-i in 't geheel +niet. Daarvan stond niets in z'n katechismus, en hy hoefde er dus +niet tegen te waken. + +Heel onprotestants sloot-i z'n vingers om den rand van 't schulpjen, en +trachtte zich voortestellen dat ze daar háár vingers ontmoetten. Dat +steenen ding was wel Femke niet, maar 't kwam hem te-hulp in 't +aanschouwelyk vóór zich dagen van haar beeld, en alzoo... + +Wat is dàt? + +Iets als 'n brief van zeer groot formaat, toegevouwen en dichtgegomd, +viel van achter 't karton uit, en op z'n bed. Wouter nam het op, en +zocht--'n oogenblik lang door naïveteit bewaard voor verbazing--naar +'t adres... aan hèm, natuurlyk! Het steenen Jesusje had hem iets te +zeggen, naar 't scheen. Een achtste kruiswoord misschien? Of kwam de +boodschap van... haar? Of van beiden tegelyk? + +Zóó was de eerste indruk van ons protestanterig vrydenkertje. Een +adres stond niet op den brief, doch in-plaats daarvan, 'n datum van +'n maand of wat oud. Gelukkig dat Wouter zich 'n oogenblik bezon, +voor hy den omslag losbrak. Reeds was z'n onbescheiden vinger daartoe +gereed, toen-i zich nog juist by-tyds verweet dat het stuk onmogelyk +aan hem kon gericht zyn. Immers, welke besteller had hem kunnen vinden +in dat domicilie? Hyzelf begreep ter-nauwernood waar-i was. Dit konden +bovendien noch Femke weten--hy vergiste zich: ze wist het--noch dat +steenen poppetje. + +Maar... 'n wonder? Gekheid! De "Heere" doet geen wonderen dan... op +zeer grooten afstand en... heel lang geleden. Dit is elk rechtschapen +Protestant bekend. + +Uit al deze beschouwingen,vloeide rechtstreeks de slotsom voort dat +de geheimzinnige dépêche onmogelyk voor hem kon bestemd zyn... + +Domme jongen! De brief was wel degelyk aan hem gericht! Met al z'n +wonderhekel wàs-i wel genoodzaakt den inhoud te zien, te begrypen, +in zich optezuigen... + +Bevend van aandoening en met eerbied plaatste hy 't kostbaar +stuk--ongeopend... maar gelezen en verstaan hàd hy 't!--op de oude +plaats, en sprong 't bed uit. + +Hy had den gesloten brief tegen 't licht gehouden, en... zyn gekleurde +Ophelia herkend. Dat beeldje bewaarde Femke in haar binnenste Heilige +der Heiligen... + +Nu eindelyk was-i wakker. Wie zou niet wakker worden na 't ontvangen +van zóó'n brief uit den Hemel? + + + + + + + + Nieuwe blyken der verdorvenheid van Vrouw Claus--en van + den auteur--in-zake: aesthetika. Een weerbarstige verloren + zoon. Verschyning van 'n muts en 'n Sybille. Geroepen, en... àls + geroepen! Wouter begint iets van de "vier windstreken" te zien. + + +Hy kleedde zich aan, en trad in het andere kamertje, waar-i z'n +gastvrouw en de kleine Sietske meende aantetreffen. Maar er was +niemand. Nu eerst bedacht hy dat-i, na de weinige woorden die hy +verstaan had, geen verder gesprek had waargenomen. Het jonge meisje +was zeker na 'n kort bezoek by haar "nicht" reeds weder vertrokken. + +En Vrouw Claus zelf? Blykbaar had ook deze haar huisje verlaten, doch +ze deed het niet zonder 'n eigenaardig kenmerk achter te laten van +haar ruw karakter, grove levensopvatting en gebrek aan opvoeding. Dat +heeft men van de menschen die nooit verzen of romans lezen! + +Verbeeld u, lezer, wat het onbeschaafde vrouwmensch zich veroorloofd +had! Op 'n klein witwerks-tafeltje, waarby 'n stoel stond aangeschoven +als om uittenoodigen tot plaatsnemen, lagen twee boterammen van de +ons bekende soort op 'n ontbytbordje, en stonden mèt dat bordje op +'n alleronhebbelykst groote kom koffi. Die koffi was nagenoeg koud, +maar... overigens? Zouden niet sommige smakelooze realisten iets als +gloed meenen te ontdekken in dien toestel? Hoe jammer, niet waar, dat +zoo'n vrouw niet in haar jeugd door den bekenden: "dominee die terstond +bemerkte dat er wat in zat" gekuischt was met latynsche verzen! Zonder +maat, rym, spondaeen of mythologie, schreeuwden die plompe boterammen: + +--Tast toe, m'n jongen! Je moet honger hebben! + +Zóó verstond Wouter de alexandrynen van Vrouw Claus. En hy handelde +flinkweg naar z'n overtuiging, door ze met smaak te verslinden, +waartoe wel eenige volharding noodig was, want waarlyk ... één +mondvol meer, en 't was te veel geweest. Hy voelde zich versterkt, +en ook die lauwe koffi deed hem goed. O, dat heerlyke, heerlyke +proza! Zoo'n namiddag-ontbyt... + +'t Is waar ook! Eigenlyk was 't plan geweest, dat-i zou ontbeten +hebben by... + +Hy ontstelde, en verviel--nu door honger noch slaap gekweld--in angst +voor den afloop van z'n zonderlinge uithuizigheid. Het huis Pieterse +torende als 'n verzwelgende waterhoos voor z'n verbeelding op, en +verdreef zelfs de behoefte aan opheldering van al de mysterien die +hem omstrikten. + +Naar huis? Hy durfde niet! + +Z'n moeder, Stoffel, z'n zusters... zy allen vertoonden zich als +Shakespearsche heksen, met kromme nagels, en ongekamde slangen op het +hoofd. Zelfs Leentje, z'n goedig advokaatjen anders, zou hem--als +by gelegenheid van de aardappelgeschiedenis--verraderlyk afvallen, +en zeggen: + +--Ja, maar... zieje, Wouter, dat 's ook geen fatsoenlyke manier van +doen! Déze keer moet ik heusch je moeder gelyk geven. Weetje wat je +doen moet? Vraag excuus, en zeg dat je 't nooit weer zult doen. + +Och, och, Leentje, je weet niet wat je zegt, kind! Ik geef 't je-n-in +drieën, in zessen, in tienen, om na zóó heen-en-weer te zyn gegooid... + +Een oogenblik dacht Wouter aan 't vierde tafereel van den Verloren +Zoon... hm! Hy wist zeer goed dat de zaak niet op vergiffenis en +kalfsvleesch zou uitloopen. "Vader--dit werd: "moeder" hier, maar +'t variantje doet niet tot de zaak--moeder en Stoffel dan, ik heb +gezondigd... + +Sakkerloot, ik hèb niet gezondigd! Niets ... niemendal! Heb ik wat +verkwist? M'n erfdeel? Geen duit! Heb ik wyn gestort? Geen drup! + +De zuivere waarheid! Noch juffrouw Laps, noch Vrouw Gooremest, +wat dan ook overigens de grieven van deze beide dames tegen Wouter +wezen konden, hadden 't recht hem aanteklagen van bovenmatige +spilzucht. En... Vrouw Claus? Deze had hem, ongevraagd-ongeweigerd +immers, krediet gegeven voor koffi, boterammen en verblyf... dagverblyf +slechts, nu ja, maar dit kon nu eenmaal niet anders, omdat de +nacht onherroepelyk was voorby geweest toen ze hem opvischte van +dien boomwortel. Kon hy dit alles helpen? Was-i nu daarom prodigue, +of... verloren dan, als men zich koppig houden wil aan den hollandschen +tekst, die nog altyd--volgens juffrouw Pieterse--de eenig-ware is? + +Wouter vloekte nogeens: sakkerloot! Verder durfde hy ditmaal niet gaan, +hoewel-i terdeeg boos was. Hy kon niet wys-worden uit al z'n zonden, +en begreep toch dat er iets aan hem haperde, want... naar huis durfde +hy niet. + +Met wyde stappen liep hy de enge kamer op-en-neer, en sprak of dacht: + +--Heb ik pleizier gehad? Neen! Heb ik gastmalen aangerecht +met vier dames? Neen! Heb ik jachthonden laten rondloopen in de +eetzaal? Neen! Heb ik al m'n goederen op 'n kameel gepakt? Neen! Heb +ik 'n zwarten knecht gehad, die m'n paard hield? Ben ik er op gaan +zitten? Weggereden... + +Hier bleef-i steken! Van kameelen en hooggekleurde juffers voelde hy +zich zuiver. Ook van jachthonden, wynkruiken en dien zwarten knecht, +maar... 'n paard? En... ryden? + +Vrouw Claus was toch niet gek, niet beschonken! Had ze hem op z'n paard +gezien... ja of neen? Had-i op zoo'n beest gezeten... ja of neen? Zoo +neen, dan was ook dat meisjen in de herberg niet Femke geweest! Dan +was zy evenmin Sietske geweest! Dan was ook die kroeg geen kroeg +geweest, die schipper geen schipper, Laps geen Laps, likeur geen +likeur... dan was àlles schyn, verblinding, droom, goochelspel, waan, +bedrog, razerny, dolheid! Dan was ook het standbeeld met gekruiste +armen en strengen blik... o God, zou ook dàt niets geweest zyn dan +'n sarrend spook? + +Maar... dit was nu de vraag niet. De vraag was, hoe hy 't moest +aanleggen om zich weer te doen inlyven by den huize Pieterse, waartoe +hy nu eenmaal van gods- en rechtswege behoorde... + +Hy pluisde de kruimels van z'n bordjen, en riep, ditmaal niet zonder +onbehoorlyk zeedyksch tusschenvoegsel: + +--Ik wou--...........--dat ik zoo'n kruimel was! Dan wist ik ten-minste +waar ik heen moest! + +En hy stak 't ding in z'n mond. + +Ziedaar de eerste broodkruimel die zich beroemen kan, benyd te zyn +geworden door 'n heertje van de Schepping. + +--Naar... Amerika? + +Dit lachte hem wel toe. Als-i maar in 't bezit was geweest van de +fameuze honderd guldens, waarmee men--volgens z'n moeder--in dat land +kan leven als 'n prins. Doch, nader overlegd, ook die verbazende som +zou hem niet geholpen hebben. Hy kon immers 't huisje van Vrouw Claus +niet ongesloten overlaten aan de hebzucht der voorbygangers? God weet +wie daar al zoo vermoord zouden worden, als voorbygaande booswichten +'t leeg vonden, en onbewaakt! Mocht hy z'n post verlaten, hy die +aanvankelyk was uitgetrokken--'t is waar ook, maar 't was hem +ontgaan--tegen roovers? En, zonder nu juist aan moord of doodslag +te denken, was 't geen medeplichtigheid aan heiligschennis, Femke's +wywaterbakje--en wat daar achter stak!--bloottestellen aan den +ongewyden blik van nieuwsgierigen? + +--Neen, neen, riep-i, en hy nam de huisgoden tot getuigen, ik ga niet +naar Amerika! + +Bovendien, wat zoud-i daar doen, zonder... háár? Dat de Weledele heer +Motto vertrokken was in z'n eentje, was zyn zaak--ieder moet handelen +naar z'n overtuiging!--maar hy, Wouter, 'n nieuw werelddeel betreden, +zonder by 't aan-wal stappen, het neerteleggen voor háár voet... zonder +tot háár te zeggen: trap er gerust op, daartoe juist heb ik 't expres +veroverd voor jou... dat nooit! + +Amerika zelf zou 'r geen vrede mee hebben! Wat is 'n ridder zonder +dame? En welk werelddeel nam ooit genoegen met 'n zoo gebrekkig +toegerusten veroveraar? + +De zaak was nòg onmogelyker dan ze hem in-den-beginne toescheen. By +nader inzien kon-i evenmin naar Amerika, als naar huis... hy had geen +hoed, geen pet, geen muts! Verbysterd keek hy rond, en zag niets dat op +'n hoofddeksel geleek. Toch wel! Daar hing 'n noordhollandsch-friesche +kap op 'n mutsebol, maar... + +De deur werd behoedzaam geopend, en 'n onzichtbare hand die om den +rand boog, hield Wouter 'n elegant mutsje voor... precies geschikt +voor veroveraars, en jongeluî die 't worden willen. Wouter sperde +mond en oogen op, en stond daar als 'n verbaasde Term... + +Wouter's verbazing was gegrond. Hy staarde 't geheimzinnige mutsjen +aan, en twyfelde weer of-i wakker was. Het aardig spookje scheen +aan den rand van de deur te kleven, maar onbewegelyk was het +niet. Verbysterd vroeg Wouter, alsof hy te doen had met 'n levend +voorwerp: + +--Waar kom jy vandaan? Wat wil je van me? + +'t Was al wel dat-i niet, gelyk Luther den Duivel, 't onschuldig +voorwerp iets naar den kop keilde. Z'n boterambordje, byv. dat zeer +geschikt was voor zoo'n worp. + +Er was beweging in de deur, en ook 't mutsje trilde. Nogeens vroeg +Wouter vry onthutst--'t klonk inderdaad als 'n vade retro!--wat +het wilde? + +Als 't mutsje zelf geantwoord had, zoud-i 't op dit oogenblik niet +vreemd gevonden hebben. In-plaats daarvan echter piepte een bevend +stemmetje van achter de deur: + +--Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik mag niet binnen komen. Hier +is je mussie ... neem maar aan... als je de rechte bent, want dat +moet ik eerst weten. + +Wouter bekeek zich. "Ik... naakt? Wel neen! En... de rechte? Ben ik +de rechte?" Dit scheen-i niet te weten. + +Hy liep naar de deur. De muts verdween, en de deur werd toegetrokken +tot op 'n kier. + +--Wie is daar? Wie ben je? snauwde hy. + +--Ik ben 't Stakkervrouwtje. Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik +breng je je mussie... as jy 't bent, de rechte! + +Woedend rukte Wouter de deur open, en grimde de zonderlinge +boodschapster aan ... + +'n Heks, 'n ware heks! De gelykenis met een der Megaeren uit den +Macbeth op z'n printen, was treffend. + +Wat al overleg moet het Fancy gekost hebben om die vrouw te doen +geboren worden op 't vereischt oogenblik, en haar tachtig jaar in +'t leven te houden--in wèlk leven!--om dáár op haar post te zyn met +'n muts in de hand, juist toen hy om zoo'n kleedingstuk verlegen +was. O, domme ondankbare Wouter! Want: + +--Wat motje? zeid-i zoo ruw mogelyk. + +De arme mismaakte stumpert schrok drie waggelingen achteruit. + +--Is uwe niet naakt meer? Wezenlyk niet? + +--Heere-krrristis, wyf--de lapsische verbazings-terminologie had +school gemaakt--wat wil je van me? + +Ze bekeek Wouter van 't hoofd tot de voeten. + +--Ze had gezegd dat je rooie lappies op je kraag had... + +--Wàt op m'n kraag? + +--Rooie làppies. En 'n sabeltje! + +--En dat ze je-n-onder de pomp had gezet... + +Dit klonk minder onzinnig. Onder de pomp was-i geweest, inderdaad +en... terdege! Maar wat er nu volgde, maakte Wouter weer kriegel. + +...en heelemaal naakt had uitgekleed... as 'n wurm. En dat ik +niet moest binnengaan, omdat ze niet wist of je-n-al je kleertjes +áánhad. Waar is je sabeltje? + +Ze hield het mutsjen op haar rug, als om te betuigen dat ze 't niet +zou afgeven voor ze dat sabeltje zag. + +Wouter wist niet wat-i zeggen zou, en begon weer te twyfelen aan z'n +verstand. Na eenig zwygen: + +--Wie bèn je? + +--En wie ben jy dan, jongeheer? Ben jy 't matroossie die van 't paard +is gevallen? Je ziet er niet uit als 'n matroos, en ik geef je de +muts niet! Vrouw Claus zou me... + +De naam van z'n gastvrye bronnefee bracht Wouter tot nadenken. Hy +meende 'n gelegenheid te bespeuren, eenig licht te doen opgaan over +al de geheimenissen die dreigden hem krankzinnig te maken. Op-eens +van toon veranderend, noodigde hy 't oude vrouwtjen uit, binnen te +komen. Ze gaf hieraan aarzelend gehoor, maar bleef den muts aandrukken +tegen den onderkant van haar bochel. + +--Vertel me-n-eens, zei Wouter zoo minzaam hem mogelyk was, wat je +hier komt doen, en wie je gezonden heeft? Wil je niet zitten vrouwtje? + +En hy schoof haar 'n stoel toe. Maar ze kon er geen gebruik van +maken. Ze was te verdraaid van gestalte, en bovendien te klein, +om zich ter-ruste te zetten op zoo gewone wys. + +--Ja, zitten wil ik wel, maar dat doe-n-ik zoo op m'n eigen manier. Heb +je niet 'n stoof voor me? Die geeft me Vrouw Claus ook altyd, als +ik hier kom eten, want ik eet hier driemaal in de week. Daar staat +er een... + +Wouter volgde de richting van haar vinger, en zag 'n drietal stoven +op 'n stapeltjen in den hoek staan. Hy vloog er heen, greep er een +in de traditioneele vyf gaatjes, en zette den troon die z'n sybille +zou dienen voor drievoet, achter haar neer. De handbeweging die nu +tot plaatsnemen uitnoodigde, was waardig, vroom, bevallig, galant, +in één woord: ouwerwetsch-ridderlyk. Hoe ànders? Die vrouw spysde +driemaal 's weeks in dat huisje. Die vrouw had Femke gezien. Die +vrouw kende zyn Femke. Die vrouw zat daar waarlyk heel goed op haar +stoofje. Wie er mee gespot had, was 'n gek. En ook hy ging nu zitten, +en nam iets aan van de houding der notarissen, als ze zich 'n uitersten +wil laten voorzeggen. + +--Je komt dus van Vrouw Claus? + +--Ik mot eerst weten wie je bent, jongeheer. + +--Wouter Pieterse. + +--Dat kan me niks schelen. Ben jy de jongeheer die van 't paard +gevallen is? Dàt mot ik weten. + +Wouter zag nu in, dat hy om iets van Femke te vernemen, wel +genoodzaakt was zich de onderscheiding aantematigen van 'n nooit +geleden ongeluk. En dus: + +--Ja, ja, ja... o zeker, zeker! Ik ben van 't paard gevallen, +wel... zesmaal! + +--Zy wist maar van ééns! Maar... zesmaal, zeg je? Je was dus wel +wezenlyk 'n beetje dronken? + +--Ja, o ja, ik was dronken... heel erg! + +--Zóó? vroeg de bes, nog altyd wantrouwend. Je was erg dronken, zeg +je? En hoe komt het dan, dat je niet heelemaal naakt bent? Want ze +zei dat ze je-n-onder de pomp... + +--Ik heb me weer aangekleed. + +Dit scheen de achterdochtige vrouw niet volstrekt onmogelyk te +vinden. Maar op-eens: + +--En je rooie lappies dan? Waar heb je die gelaten, hè? + +Luk-raak antwoordde Wouter dat "die dingen"--hy wist waarachtig niet +wat ze bedoelde--in de sloot gevallen waren. + +--Komaan, vleide hy zoo verteederend mogelyk, zeg my je boodschap +maar! Ik ben heusch van 't paard gevallen, en erg dronken geweest! Gut, +zoo erg! Je hebt er geen begrip van, hoe dronken ik geweest ben! Och, +zeg me nu asjeblieft je boodschap! + +Ze liet zich bewegen. Heel gelukkig. Hy was waarachtig in-staat geweest +haar te streelen, maar deze ramp werd hem uitgewonnen, want ze begon: + +--Ik ben 't Stakkervrouwtje, weetje, en woon achter de planken, +by den molen, en Vrouw Claus is eigenlyk 'n nicht van me ... + +O goden, alweer 'n nicht! Als Wouters liefde eenmaal behoorlyk +"bekroond" wordt, wat aan my staat... + +Aan my, en aan... háár: Fancy, Femke, of hoe zou ze +heeten? Causaliteit, misschien? + +...nu, ik wil maar zeggen dat-i dan op-eenmaal in 'n zeer groote +familie komen zou. + +--Ja, 'n nicht, of... 'n tante misschien. Neen, ik ben háár tante. Als +ik m'n broer was, kon ik haar oudtante wezen, of... 'r grootmoeder. En +de kleine Fem is naar me genoemd, of... naar m'n overgrootmoeder +eigenlyk, want in onze familie heeten we allemaal Fem of Sietske. En +de mannen heeten Sybrand of Erik. Dat wist je zeker niet, hè? + +--Sybrand? + +--Ja... of Erik! Maar ik woon achter de planken... + +Op-eens doorschoot Wouter de gedachte--te vroeg was 't niet!--dat die +vrouw krankzinnig was. En er was iets van aan. Maar niet alles wat +ze zeide, gaf daarvan blyk. Integendeel, wie vertrouwd ware geweest +met de oorzaken die haar indrukken benevelden, zou misschien tot +de slotsom gekomen zyn, dat haar verstand in sommige oogenblikken +helderder was dan van menig ander. Niemand is volmaakt gek. + +--Achter de planken? vroeg Wouter. + +--Ja, achter de planken van den molen. Want dáár woon ik, omdat +het de molen is van m'n grootvader. Vraag maar aan alle menschen, +of-i niet gebouwd is door Erik Holsma... den Stoereman? Want zóó +werd-i genoemd. Dàt was 'n kerel! Hy kon er wel zes aan, als jy! 't +Is eigenlyk myn molen, maar ik geef er niet om, als ik maar slapen +mag achter de planken... + +Notaris Wouter keek vragend. + +...ja, omdat ik daar 'n vryertje wacht. Jy bent het niet, maar je +lykt wel wat op hem. En als je wat stoerder was... want stoer was-i! + +Zeker, die vrouw was krankzinnig! + +...'n vryertje, weetje! 'n Smuke jongen die alles neerslaat wat niet +deugt. En hy krygt den molen van me... 't is 'n bovenkruier. Met +paltrokken houd ik me niet op. En jy? + +Wouter werd verlegen. Wat had-i aan zoo'n gesprek? Te weinig ontwikkeld +nog om belang te stellen in de ziektegeschiedenis der ziel van die +vrouw, trachtte hy haar aandacht terug te brengen op de zaken die +hem belang inboezemden. + +--Ja, ja, 'n bovenkruier, beaamde hy, zonder te weten wat dat voor +'n ding was. En wat heeft vrouw Claus je voor my opgedragen? + +--Wel, ze had me geroepen, om met 'r meetegaan om in de Halsteeg +'t mussie voor je te koopen, omdat je naakt was. 'n Mussie van fyn +laken, en 'n rand van allerlei kleur, en 'n kwast van bonte wol. De +Stoereman droeg nooit anders, want zie je, eigenlyk was-i 'n prins, +en heette Erik. + +--En wat zei Vrouw Claus? + +--Dat ik je 't mussie geven zou, maar niet binnen gaan, omdat je +heelemaal naakt was. En ze had zooveel "wasschen" thuis te brengen. En +ik moest je zeggen... als je wakker was... want, zei ze, je sliep... + +De stumpert richtte zich aan de tafel op, en trachtte te zien wat +daarop lag. + +...als je niet sliep, moest ik je zeggen dat er... op de tafel in +'t voorhuis... dat is hier, weetje? + +--Ja, ja, dat is hier! + +--Daar zou 'n boteram voor je staan, en die zou je eten, zei ze, +als je... wakker was. + +--Ja, zeker! Die zou ik eten... + +--Als je wakker was! + +Nog altyd trachtte zy den boteram te zien te krygen. Wouter maakte +'n eind aan haar onderzoek, door de verzekering dat-i de bedoeling +van Vrouw Claus volkomen begrepen, en zich reeds dien-overeenkomstig +gedragen had. Ze hurkte weer neder. + +--Als je wakker was, zei ze. Maar anders moest ik niet binnengaan... om +je naaktheid, zieje! Hy was ook naakt... + +--Wie toch? + +--Prins Erik. + +--Wil je die geschiedenis hooren? vroeg ze. + +--Neen, neen, dankje wel! En geef me 't mutsje maar, en ga nu maar +heen. + +Hy strekte de hand naar de muts uit, maar ze trok die snel terug. + +--Ben jy 't jongetje dat van 't paard is gevallen? + +--Wel zeker! Geef op, de muts! + +--Dàt zal ik wel laten! riep ze. Niet voor ikzelf je van +'t paard zie vallen. Ik moet het eerst met m'n eigen oogen +zien. Denk... jy... dat... ik... mal... ben? + +Hy wou haar 't begeerd voorwerp ontrooven. Maar sneller dan-i +verwachten kon, vloog ze de deur uit, en verdween. + +Alweder moest Wouter zich afvragen of-i te doen had gehad met +'n verschyning? + +Hy werd moe van 't ongewone, en begon intezien dat ook 't +eentonig-banale z'n aangename zyde heeft. Met iets als heimwee, +voelde hy zeker verlangen naar de huiselyke atmosfeer van verveling +in zich opkomen. + +--In-godsnaam naar huis, zuchtte hy, met of zonder muts dan! En... ik +zal de deur zoo goed mogelyk sluiten, want hier kan ik 't niet langer +uithouden! + +Juist was-i van plan dit heldenstuk uittevoeren, toen de deur opnieuw +geopend werd. Er trad iemand binnen. 't Was dokter's Kaatje. Wouter +herkende haar niet, en begreep er niets van, toen ze hem zeide door +Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy zich bevond? Hy zag de +boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan. Eindelyk: + +--Kom... jy... me... nu... hier... ook... voor... mal... houden? + +--Gut jongeheer! Ik kom van Femke... + +--Van... welke... Femke? Is... dat... misschien... weer... +'n grootmoeder van je, hè? + +En met dreigend gebaar deed hy 'n stap vooruit. + +--Ben... jy... de vryster... van... Stoereman den molenaar, hè? + +Weer 'n stap vooruit. En Kaatje terug! + +--Kom... jy... ook... hier... alweer... kyken... of... ik... +heelemaal... naakt... ben, hè? + +--Och, jongeheer, wat 'n praat! + +--Wil jy... me... ook... van 't paard zien vallen... hè? + +Kaatje was de deur uitgedrongen. Hy volgde haar met gebalde vuisten. + +--Maar... jongeheer, om-godswil, wat mankeert je? + +--Wat... me... mankeert? Ik wil niet langer voor gek worden gehouden, +dàt mankeert me! Versta je dàt? + +Ze week jammerend terug, en noodigde hierdoor tot vervolgen uit. Z'n +woede voedde zichzelf, en met afgemeten groote stappen--komiek om +te zien, maar voor hèm de maatslag van z'n verwenschingen--drong +hy voortdurend op haar toe. Ze legde rugwaarts den weg af, dien ze +gekomen was, het padje door 't bleekveld. + +--Och, lieve-jesis, als dokter maar kwam! + +--Waar... zie... jy... me... voor... aan? + +--O god, o god... + +--Wat... denk... je... van +me? Denk... jy... ook... dat... ik... dronken... ben? + +--Neen, neen, o neen... volstrekt niet! + +--Of... gek? + +--Bewaar-ons! Och, waar blyft dokter! + +Twee gelykluidende kreten maakten 'n eind aan den zonderlingen +wedloop. Atalante riep: + +--Daar is-i, goddank! + +Meleager: + +--Daar is-i, goddank! + +De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam +aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar +kikkers vischten, z'n pet hadden opgehaald. + +Wouter nam zonder omslag z'n eigendom terug. Kaatje vloog Holsma +te-gemoet, en deed 'n jammerklagend relaas van haar wedervaren. + +--Zou 't zóó erg wezen? zei de goede man. + +Hy naderde ons leerling-menschje, dat bezig was z'n petje te zuiveren +van modder en kroos, en sprak hem aan. + +Wouter zag verschrikt op. + +--Zoo, m'n jongen, ben je daar? Wel, dat treft goed! Ik kom je +vragen of je plezier hebt, vandaag by ons te komen eten? We wachten +je allemaal, en van-avond gaan we misschien samen uit, als je lust +hebt, ten-minste. + +Dàt was de toon die vereischt werd! + +Wouter berstte in tranen uit--de weerslag van z'n woede--en vloog +den dokter om den hals. + +--Asjeblieft, asjeblieft, m'nheer! Dat 's met-een goed voor m'n moeder! + +Holsma wenkte Kaatje die--bang voor Wouter--op eerbiedigen afstand +het tooneeltjen aanzag. + +--Ga aan juffrouw Pieterse zeggen dat de jongeheer by my is, en den +heelen avend blyft. + +--Ja, riep Wouter haastig, en... + +De geneesheer zag hem onderzoekend aan. Hy vreesde iets van de hem +aangekondigde krankzinnigheid te bespeuren. Maar Wouter's oog spelde +niets verdachts. En z'n woorden ook niet: + +--M'nheer, mag ze 'r asjeblieft byzeggen... + +--Welnu, m'n jongen, spreek op! Wàt moet ze 'r byzeggen? Wat heb +je-n-op je hart? + +--Dat ik... by u ben geweest... den heelen, heelen dag! + +Holsma bedacht zich even. + +--Wel zeker, zeid-i, den heelen dag. + +--Van van-morgen... zeven uur af? + +--Ja, van zeven uur af, herhaalde de dokter. + +--Ik heb... by u ontbeten? + +--Goed, de jongeheer heeft by ons ontbeten. Wel zeker, hy heeft by +ons ontbeten! Je kunt wel meeryden, Kaatje. + +En Wouter in 't koetsje leidende, gaf-i den koetsier last optehouden +voor 't huis Pieterse: "waar 't meisjen 'n boodschap had." Toen hy +naast Wouter plaatsnam, greep deze z'n hand, en riep: + +--Och, m'nheer, wat 'n geluk dat ik u zie! + +--Vind je! 't Is toch... louter toeval. Vrouw Claus is... + +--'n Nicht? viel Wouter haastig in. + +--Ja, en 'n zeer brave vrouw, antwoordde Holsma met 'n eenvoudigheid, +waartoe Wouter nog in lang niet zou in-staat geweest zyn als ze zyn +nicht geweest was. + +--Ze is onze nicht, en ik kwam haar bezoeken. Dit doe ik alle +weken... niet als dokter, maar als neef. Jy mag daar gerust komen, +jongen! Je zult er geen kwaad leeren. + +--M'nheer, riep Wouter--en hy bloosde--ik houd zoo erg veel van Femke! + +--Zóó? antwoordde Holsma droog. Ik ook. + +De geneesheer, alle blyken van onderzoek zorgvuldig verbergende, sprak +over onverschillige zaken, en bespeurde weldra dat z'n keukenmeid +zich vergist had in de diagnose. Wel toonde zich Wouter opgewonden en +uitgeput tegelyk, maar krankzinnig was-i niet. Integendeel. Holsma +bemerkte dat z'n ziel aan 't groeien was. En dit moest wel. Fancy +scheen bezig de aarde om hem wegtegraven, hem te schudden en te +geeselen, gelyk tuinluî gewoon zyn met vruchtboomen te handelen, die +zy byzondere zorg waard-keuren, en willen noodzaken tot dracht. Dit +noemen zy: "de vier windstreken laten zien." + + + + + + + + Femke, nogeens Femke, en--na 'n roerende complainte over den dood + van twee geniën--weer Femke! Alles opgeluisterd met teleologische + opmerkingen over puistjes, vaderlandsliefde, karakter, en verdere + menschelyke zwakheden. + + +Het is my inderdaad onmogelyk, den lezer meetedeelen welken +weg Holsma's koetsier moest inslaan, om van de Aschpoort den +Kolveniers-burgwal te bereiken, en wel zóó dat-i de nog altyd +verschrikte Kaatje kon afzetten by de Pietersens. Ook zonder me nu te +beroepen op m'n volslagen gebrek aan lokaal-memorie--er is geen stad, +vlek of dorp in de wereld, waar ik den weg weet--ga ik gebukt onder +'n onkunde die me byna geschikt maakt voor opgehemelde buitenlandsche +beroemdheid. + +Holsma's koetsier gaf blyk van 'n begaafdheid die we haast +voor exotisch mogen houden, en dit deed zelfs z'n paard. Het +stomme dier--even als ik toch maar in Holland geboren--bleef met +buitenlandsche scherpzinnigheid staan op 't juiste oogenblik om de +keukenmeid gelegenheid te geven tot uitstappen by de Pietersens. Niet +zonder angst schoof ze Wouter's knieën voorby, en achtte zich gelukkig +dat-i haar niet 'n beet meegaf tot afscheid. + +Wouter scheen te meenen dat nu 't oogenblik was aangebroken om wat +inlichtingen te geven en te ontvangen. Maar Holsma scheepte hem +af. Hy toonde wel vriendelykheid, maar geen lust in vertrouwelyke +mededeeling. Toen de jongen 'n verward verhaal begon van z'n +ontmoetingen, viel hy hem in de rede: + +--En... ik heb gehoord, je zult in den handel gaan? + +--Ja, m'nheer... overmorgen! + +--Nu, dat is zoo kwaad niet, als je maar in goede handen valt. Ze +moeten je veel laten werken! Dat 's heel nuttig voor 'n jongen +als jy... + +En, als bevreesd dat Wouter zich zou beginnen aantezien voor wat +byzonders: + +...nuttig voor iedereen, voor àlle jongelui! Op jou jaren zyn ze allen +hetzelfde, en hebben gelyke behoefte aan arbeid en inspanning. Alle +jongens moeten veel werken, en meisjes ook, en... alle menschen! + +Wouter kende zichzelf niet, en kwam dus niet op de gedachte dat de +dokter bezig-was hem 'n geneesmiddel integeven. Maar wel bespeurde hy, +dat de tyd van opheldering nog niet was aangebroken. Zonder nu juist +te meenen dat Holsma hem die geven kon, was 't hem reeds 'n ontlasting +geweest iets te mogen verhalen van z'n wedervaren, al wist-i dan nog +niet recht hoe hy den lapsischen aanval op z'n deugd zou overspringen, +wat toch z'n ridderlyk plan was. + +Nogeens begon hy. Maar alweer brak de dokter z'n relaas af, door by +de gebakken aardappels reeds hem toetevoegen: + +--Och, zulke dingetjes overkomen iedereen. Er is niets vreemds +in. Hoofdzaak voor 'n jong mensch--en voor oude menschen ook!--is +dat ze veel arbeiden. Het schynt nogal te waaien vandaag... + +Hiermee moest Wouter genoegen nemen. Dat er wind aan de lucht was, is +de zuivere waarheid. Helaas... had het gister maar willen waaien! Dan +immers was er behoorlyk gehardzeild op den Amstel. Dan zou niet het +volk dat zich verveelde, uit jolige baldadigheid naar de Botermarkt +gestroomd zyn, en daar... + +Toch niet! Die ééne zevenklapper van prinses Erika kon niet gemist +worden. Lezer, bedenk eens... + +Neen, neen, 't was zeer wys van de Voorzienigheid, dat er gister geen +zuchtjen aan de lucht was, Eén graad atmosfeer-drukking minder, en +'t venster van juffrouw Laps ware gesloten geweest! De noodlottige +gevolgen... + +Alweer niet waar! De heele zaak was--dùs of zóó afloopend--van weinig +beteekenis. + +Maar men ziet uit dit alles, dat de dogmatiek der doeleinden, de +beoefening van de beteekenisleer der opdatten, 'n allermoeielykst +vak is. + +Wanneer de rivieren niet werden warm gehouden door 'n dekkleed van ys, +zegt zeker "Natuurkundig Schoolboek" zouden ze... bevriezen. Ziedaar, +voorzienigheids-preekers, in weinig woorden de karakteristiek der +teleologie! + + + +--Houd je van schilderyen? vroeg Holsma by 't uitstappen. + +--O, zeker, m'nheer! + +--Wel, dan moet je-n-eens in de zykamer zien, wat daar aan den wand +hangt. Bekyk maar alles op je gemak... + +De dokter opende de deur van die kamer, en noodigde Wouter uit, +binnen te treden. Hyzelf echter ging haastig de gang door en de trap +op, die naar de huiskamer leidden, waarschynlyk met de bedoeling +z'n gezin voortebereiden op de manier waarop Wouter moest ontvangen +worden. Dààrom die verwyzing naar de zykamer. + +Ons vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot het +begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding. En zelfs +was-i te ongeoefend om zich te ergeren aan de leegte van denkbeelden, +die de anderen ternauwernood onderscheidt. By "één heer met één hond +en één haas" zag-i 'n heer met 'n hond en 'n haas. Toch zou juist hy +beter dan menig ander in-staat geweest zyn, dien onnoozelen "heer" 'n +geschiedenis toetedichten, en 't stuk overteschilderen met de kleuren +van z'n fantazie, als-i maar even tyd had gehad. Maar op-eens treft +hem 'n vrouweportret... 'n koningin, of 'n fee, of 'n toovergodin, +of 'n burgemeestersdochter, of 'n dame uit 'n boek... + +'t Was Femke! + +Maar in-plaats van den noordhollandschen kap, droeg zy 'n diadeem +van glinsterende steenen, neen... 'n straalkrans, neen... 't was +'n kroon van sterren, of... + +--Vader en moeder laten je roepen. 't Eten staat op tafel! Heb je +geen pyn van je val? + +Goeie goden, daar kwam nu ook de kleine Sietske hem plagen met z'n +fabelachtig paard! Tegen háár kon-i toch niet opvliegen, zooals hy +tegen Kaatje gedaan had! Bovendien, z'n olympische toorn was òp! Hy +antwoordde vry bedaard dat-i niet gereden had, en dus... + +--Zóó? Niet gereden? Niet op 'n paard gezeten? Wel zeker niet! Ik +bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons tafeltjen in 't +koffihuis! Gut, hoe grappig! En als je geen pyn hebt, en... heelemaal +wel bent, gaan we van-avend samen uit. Vader, moeder, Willem, Herman, +jy, ik... allemaal! Naar de komedie, weetje? + +Het vlugge ding gaf blyk dat zy de door haar vader voorgeschreven +medikatie goed begrepen had. Ze verslikte het fatale paard als 'n +hapje suiker. + +--Uitgaan? seurde Wouter. Heel graag, maar... m'n moeder! + +--Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je dáárover niet! Vader brengt +altyd alles terecht. Kom maar mee... + +Nog in de gang bleef Wouter eensklaps staan. Hy wenkte Sietske, +bracht haar terug voor 't portret in de zykamer, en vroeg: + +--Sietske, zeg me, wie is dat? + +--Wel, 'n over- over- over-grootmoeder van ons. + +--Maar 't lykt op... + +--Op Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op +elkaar. Als Herman 'n amelander kap opzet, kan je 'm niet van Fem +onderscheiden. Kom nu mee, we mogen vader en moeder niet laten wachten. + +En, hem by de hand nemende, trok ze 'm de gang door, de trap op, en de +eetkamer in, waar Wouter verwelkomd werd met de kalme vriendelykheid +die door den dokter was voorgeschreven. Gedurende den maaltyd richtte +men juist even genoeg het woord tot hem, om hem op z'n gemak te +zetten, doch niet genoeg om voedsel te geven aan 't denkbeeld dat hy +'t onderwerp was van byzondere oplettendheid. Toen Sietske, als om +verschooning te vragen voor haar lang toeven in de zykamer, vertelde +dat Wouter de gelykenis van dat oude portret met Femke had opgemerkt, +zei Holsma nuchter: + +--Ja, daarvan is wel iets aan, maar onze kleine Fem is zoo mooi +niet. Dat scheelt veel! + +Hu, 'n droge douche! + +Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy +meende alleen dat er gebrek aan... 't hoogste moest bestaan in alles +wat niet op haar geleek. En dat "hoogste" openbaarde zich... in haar +trekken niet, maar in de aandoeningen die hy vry eigendunkelyk aan +die trekken vastknoopte. Toen-i op z'n laatst examen die moeielyke +"som" zoo korrekt oploste, was 't Femke of iets van Femke, dat hem +aanwees waar de verborgen knoop lag, en toen-i eenmaal gerekend had: +zevenmaal negen is vier-en-vyftig, had de genade van juffrouw Laps z'n +denkvermogen in den weg gezeten, als 'n zandkorl de radertjes van 'n +fyn uurwerk. Z'n vermeende liefde was vereenzelvigd met den lust tot +weten, kennen en begrypen, en dáárom stuitte het hem--hem die onder +aanroeping van Femke's naam, de eerste was gewordem op Pennewip's +school--iets te hooren verheffen boven háár. Als de dokter maar eens +'n flink examen had doortestaan, meende hy, dan zoud-i wel ànders +oordeelen over Femke's "mooiheid." Heerlyk schoon wàs 't portret, +o zeker! Maar lag niet juist hierin 'n reden om precies op háár te +gelyken? En de diadeem, of wat was het? Wel, zoo'n ding zoud-i immers +ook háár opzetten, zoodra hy... + +Ja, wanneer? + +Goed! Eéns zou die tyd komen. En dan kon ze tien diademen krygen voor +een, schoon nog altyd de vraag blyven zou of 'n heel firmament haar +beter kleedde dan de noordhollandsche kap? + +Maar al deze overleggingen--nu-en-dan afgebroken door: "wil je wat +saus, Wouter?" of: "houd je van sjalotten by je vleesch?"--betraden de +wereld niet. Ze bleven zich als kluizenaartjes opsluiten in 't celletje +waar ze geboren werden, en broeiden daar, en gistten, en kookten... + +--Veel peper is niet goed voor je, zei Holsma. + +Och, juist was-i bezig met 'n sterk gekruid: "ze heeft my +broeder genoemd!" En--zonderling niet, maar toch verrassend voor +hem!--op-eens vond-i dat het woord: "broedèr" beter paste by diademen +en sterrenkransen, dan by 'n hoofdtooisel dat gedragen wordt door +melkboerinnen ook. Beter by dat portret, dan by 'n... dame met eelt in +de handen. Want dàt had Femke en dame was ze toch: de zyne! Ach, had +ze maar liever: broer gezegd! Maar... dáárby zou weer die koninklyke +Elisabeths-houding misstaan hebben. Zóó immers ook zou dat portret in +de zykamer de hand uitstrekken... als 'n portret de hand uitstrekken +kòn. Kyk, zóó: + +En Wouter maakte een vry linksche beweging, waarmed-i 'n schotel +scheen aantewyzen. + +--Sla? vroeg Sietske. + +De verwarring die hieruit ontstond, werd weder goedgemaakt door 'n +paar eenvoudige woorden van de moeder, over 't weêr, inverband met +het voorgenomen uitgaan van dien avend. + +--'t Zal heel vol zyn op den weg, beste man. Ieder wil graag koningen +en prinsen zien. 't Is waar ook, we hebben ons gastje nog niet gevraagd +of-i lust in de zaak heeft? Ons plan is naar de komedie te gaan. Je +wilt immers wel mee, mannetje? + +'t Antwoord laat zich raden. Wouter was verrukt. Hy was nooit in +'n schouwburg geweest, en verlangde vurig naar onechte zoons. Dat +de voorstelling zou worden opgeluisterd door de tegenwoordigheid van +'n groep geliefde souvereinen, trof hem minder. Hy had tien koningen +present gegeven voor één baron die volgens de regels van de kunst +'n meisje verleidt. "Zóó noemt men zulks" had Stoffel gezegd, en +Wouter had zich deze terminologische bedrevenheid toegeëigend, niet +zonder toejuiching van z'n eigen deugd. Want--dáár ging hem 'n licht +op!--hy had zich met juffrouw Laps niet gedragen als 'n slechte baron, +volstrekt niet! Hy was gebleven op 't pad der deugd... zoo noemt men +zulks! En zy zou hem zeer dankbaar zyn... hèm! + +Hem, en dien zevenklapper zeker! + +--We zullen de helft der souvereinen van Europa zien, zei Holsma, +en dozynen kandidaten, die misschien nooit... + +Wouter kende dit woord weer niet anders dan in den zin van aanstaande +dominees. Hy gaf halfluid z'n bevreemding te kennen, dat zulke personen +de komedie bezochten... + +--Wel neen, zei Sietske, 'n kandidaat is iemand die... wat worden +wil. Koning, by-voorbeeld. + +Wouter voelde zich allerkandidaatst. + +Hierop vertelde Willem hem iets over witte kleeren, uit z'n +Antiquitates Romanae, dat hem niet het minste belang inboezemde +op-zichzelf, maar alweer de oude snaar deed trillen van verdriet over +z'n gebrek aan kennis. Dit leidde z'n gedachten op den verloopen +schooltyd--hy had toch waarlyk z'n best gedaan!--op z'n huis, op +z'n gewone omgeving, en met angst herinnerde hy den dokter aan de +verstoordheid van z'n moeder over z'n lang uitblyven. Holsma beloofde +hem de familie te gaan geruststellen, waartoe voor 't vertrek naar +de komedie, nog ruimschoots tyd was. Op hoog bevel namelyk zou de +voorstelling twee uur later dan naar gewoonte beginnen. De souvereinen +hadden dit aldus bepaald om de warmte. + +Na Holsma's vertrek vernam Wouter een-en-ander dat hem veel belang +inboezemde, omdat Femke's naam daarby genoemd werd. Ook zy zou den +schouwburg bezoeken, werd er gezegd, en uit de gesprekken aan de +theetafel bleek hem, dat de verhouding tusschen 't gezin dat hem zoo +aanzienlyk was voorgekomen, en 't betrekkelyk arme bleekmeisje, +allergemeenzaamst was. Mevrouw Holsma liet haar door Sietske +uitnoodigen binnen te komen, maar zy antwoordde dat ze liever by +den kleinen Erik wilde blyven, met wien ze juist zoo prettig aan +'t spelen was. "Erik?" dacht Wouter. + +--Dat verwachtte ik wel, zei mevrouw Holsma. Daarom ook was ze +van-middag niet aan tafel. Ze blyft liever by 't bedje van den +kleinen jongen. + +--Ook houdt ze niet van ons eten, riep Sietske. Ze klaagt dat we te +lang aan-tafel zitten. + +--De komedie zal haar ook niet bevallen, was de meening van Willem. Ze +is 'n beste meid, maar staat wat styf op haar stuk, vindt u niet, mama? + +--Ieder moet handelen naar z'n overtuiging, en mag handelen naar z'n +smaak, zei de moeder. Fem is te braaf en te flink om haar in iets +te dwingen. + +--Dat zou ze zich ook niet laten doen! was hierop de algemeene opinie. + +--Zeker niet! Gelukkig dat het niet noodig is. 't Blyft nog altyd de +vraag, of ze van-avend komen wil. Ikzelf ging ook liever niet, maar +'t moet wel! + +Wouter bespeurde dat er 'n byzondere reden bestond, waarom de moeder +"anders liever by den kleinen Erik blyvende, die de mazelen had" +ditmaal de familie vergezellen zou naar 't Leidsche-Plein. Slechts +'n klein uurtje zou ze blyven, werd er gezegd, en dan met Oom Sybrand +huiswaarts keeren, om Femke aftelossen in de kinderkamer. Het meisje +zou dan met hem terugkomen. "Als ze wil" werd er telkens by gezegd, +alsof men dit zeer twyfelachtig bleef vinden. + +--Ik noem 't koppigheid! zei Willem. Ze wil ook geen behoorlyke japon +aantrekken, en met ons op-en-neer gaan... + +--Ja, antwoordde de moeder, 'n dame wil ze nu eenmaal niet worden. Wat +is er aan te doen? + +--Koppigheid! + +--Dat 's de vraag! Zy is zeer verstandig, en ziet misschien in, +dat de verhouding met haar moeder pynlyk worden zou wanneer ze van +stand verwisselde. + +--En met tante Siet! riep Herman. + +Dat is zeker 't Stakkervrouwtje, kommenteerde Wouter zwygend. En: +"'n zonderlinge familie!" dacht-i er by. + +--Bovendien, ging de moeder voort, het veranderen van stand gaat zoo +makkelyk niet! Hiertoe is meer noodig dan kleeren... + +Ach ja, dacht Wouter, men moet onder anderen ook weten wat sjalotten +zyn, en hoe men zoo'n artisjok eet! Want over die twee voornamigheden +was-i zoo-even gestruikeld. + +...als onze Fem dat gewild had--of liever, als haar moeder 't gewild +had toen Femke nog 'n kind was--dan hadden we daarmee heel vroeg moeten +beginnen. Maar nicht Claus zou haar zeker niet uit 'r handen hebben +gegeven. Ze had er te veel hart toe. En nu heeft Femke te veel hart, +om te betreuren dat ze maar 'n bleekmeisjen is. + +--Ze is... intens trotsch! zei Willem, niet zeer ontevreden dat-i +dit mooie adverbium eens terdege plaatsen kon. + +--Ja, ze is... heel trotsch, korrigeerde de moeder. Te trotsch om +iets anders te willen zyn dan ze-n-is. Ze zou niet willen ruilen met +'n prinses... + +Ruilen? Neen! dacht Wouter. Maar ... zelf prinses wezen, koningin, +keizerin... en dat alles door hèm? Dat zou heel iets anders zyn! Hy +vond het onderscheid... intens! En wanneer al die zaken geheel-en-al +geregeld waren naar z'n zin, dan ... nu ja, dàn mocht prinses Femke +van pozitie ruilen met 'n bleekmeisje! Want... wat geeft ware liefde +om stand? + +Zoo liet hy zich foppen door z'n nog altyd kinderachtigen en dus zeer +onvolkomen hoogmoed. En daarom noemde ik z'n liefde: zoogenaamd. Hy +moest nog veel groeien voor-i geheel-en-al de hoogte bereikte, waarop +voorbygaande aandoeningen hem voor 'n oogenblik plaatsten. + +--En, vroeg Herman, we zullen in den bak zitten van-avend? + +--Ja de loge is... onteigend, antwoordde mevrouw Holsma lachend. Dat +moet men over-hebben voor souvereinen. De heele Schouwburg-direktie +zakt van-avend naar 't parterre af, en misschien zelfs de burgemeester. + +--Hy moet den Keizer ontvangen en binnenleiden... + +--Ja, en wordt dan waarschynlyk uitgenoodigd, plaats te nemen in de +keizerlyke loge... + +--Dan kan-i Z. M. het stuk uitleggen... den Floris! En Z. M. kan er +uit leeren wat de plichten zyn van Vorsten... + +--En van Volkeren! + +--En van dichters! + +--En dat men nooit 'n souverein vermoorden mag! + +--Deze maxime zal Z. M. heel aangenaam wezen! Ze is allergezondst +voor koningen en keizers. + +--Als-i de zaak maar goed vat! + +--We willen hopen dat de dichter gezorgd heeft voor 'n duidelyke +fransche vertaling! + +--Als Z. M. maar weet by welke passages hy moet bedanken met 'n knikje. + +--Onze burgemeester zal hem wel waarschuwen. + +--Zeker! "Sire, pas-op, dat gaat jou aan!" En dan moet de Keizer zich +houden alsof hy wat van 't stuk verstaat. Wat 'n treurig métier! + +--Wat moet-i wel denken van onze dichters! + +--En van onze vaderlandsliefde! + +--En van ons karakter! + +--Och, zulke hooggeplaatste personen zyn aan laagheid gewoon. Wat +niet kruipt, komt niet tòt hen. + +--'t Moet hun zeer moeielyk vallen, de mensheid te achten. Ze zien +er altyd het leelykste van, en zyn wel genoodzaakt de rest daarnaar +aftemeten. + +--Zeker heeft men den Keizer wys-gemaakt dat die Bilderdyk 'n heele +kerel is! + +--Natuurlyk! De nederlandsche gewone of huis-bard, de amsterdamsche +Ossian, de volksliereman by-uitnemendheid! + +En de heele familie berstte in lachen uit. Willem verhaalde nu iets van +'n romeinschen keizer die 't menschelyk geslacht één kop toewenschte, +om het te kunnen onthoofden met één slag... + +--'t Klinkt bar, zei Oom Sybrand, die binnentredende de laatste +woorden gehoord had. Maar als boutade is zoo'n uiting begrypelyk. De +tyd nadert dat de Volkeren 'n gelyk lot zullen toewenschen aan de +souvereinen, en met even weinig of even veel recht. Men kent elkaar +niet! Hovelingen en boekenmakers stoken misverstand. + +--Gaat de Floris door? + +--Neen, goddank! De souvereinen zullen onthaald worden op de Scylla +van Rotgans, met 'n Kloris en Roosjen achterna. Men zal hun vertellen +dat het treurspel geheel-en-al geschoeid is op de leest der fransche +"school." Dus zal 't wel goed wezen! En... de Kloris? Wel, dat's +'n idylle! 'n Arkadisch-laaglandsche bergerie! Virgilius in 't +amsterdamsch vertaald! O, Meliboee, deus nobis haec... Ekloge met +kuitgespen fecit! [9] In-plaats van den nieuwjaarswensch krygen we 'n +harangue. De elegante Thomasvaer zal God tot getuige roepen dat het +neerlandsch hart, vry van smart, de noodlotten tart, en op straat, +inderdaad, vurig slaat, voor elken vreemden potentaat. Geloof me, +jongens, die Caligula was zoo gek niet! + +Wouter begreep niet alles wat er gesproken werd. Maar wel, dat-i +weer veel nieuws hoorde. En... Scylla. Zou dat 'n onechte dochter +wezen? Of was 't misschien de naam van de oude vrouw die in den +achter-naherfst van haar leven door de goedigheid van 'n schatryken +baron werd teruggebracht op 't pad der deugd? Zoo noemt men zulks. + +Mevrouw Holsma gelastte de familie zich gereed te maken, om +papa niet te laten wachten als-i terugkeerde van z'n bezoek by de +Pietersens. Dit geschiedde, zoodat men ruim bytyds vertrekken kon naar +'t gebouw waar "der kunsten god" in die dagen werd aangebeden met--zeer +amsterdamsche--geestdrift. Het was 'n waar Apollo's-welvaren, en dit +is nòg zoo. + +Holsma verzekerde Wouter, dat de zaak met z'n moeder "geheel in orde" +was, en hy kon zich dus onbelemmerd overgeven aan 't hem wachtend +genot. De hoogst-onechte Scylla... in de komedie zitten ... morgen +zich te kunnen herinneren dat-i in de komedie gezeten hàd ... vreemde +zaken bywonen--heel wat ànders nog dan artisjokken!--en ... nu ja, +al die keizers en koningen wilde hy ook wel zien, maar de gehoopte +onechtheid van Scylla bleef hem 't voornaamste. + +Vreemd, niet waar, dat-i by al de verwachte heerlykheden, zoo weinig +dacht aan de mogelykheid over eenige uren Femke in z'n nabyheid +te zien? + +Droeg Willem daarvan de schuld, dien-i by 't instygen in een der +rytuigen had hooren mompelen: + +--Wat my betreft, ik mag lyen dat ze wegblyft! Ik bedank er hartelyk +voor, door studenten te worden gezien naast 'n boeredeern. Als ik +groen word in September, zouden zy 't me inpeperen, dat is zeker! + +Wouter begreep noch dat "groen-worden" noch de daarby behoorende +"peper." Maar ... boeredeern? + +Hy wierp 't met z'n geweten op 'n akkoordje, door zich zoowel van +vrees te onthouden als van hoop. En hy trachtte het vurig verlangen +naar Scylla's onechtheid te gebruiken ter aanvulling van de leegte +die deze bestudeerde onverschilligheid openliet in z'n gemoed. + +Helaas! Het was voor 't meisjen in Vrouw Gooremest's kroeg wel +de moeite waard geweest, de hand uittestrekken als 'n koningin, +om nu alweer verloochend te worden om-den-wille van ... van wàt +eigenlyk? Femke's kostuum was minder bespottelyk dan de mode-plaatjes +van den dag. Ware zy inderdaad gekleed geweest zooals boeredeerns +gewoon zyn, die zich nog zotter opschikken dan 'n parysche modiste +verzinnen kan... maar dit was 't geval niet. En hierin lag dan +ook geenszins de reden van Willem's nuffigheid. Femke's schuld was +zwaarder dan dit. Ze zag er uit als 'n meisje dat met haar handen +den kost verdient. Ziedaar den gruwel die alle studenten ergeren zou! + +En--heel in 't voorbygaan, willen wy hopen--Wouter voelde +zich aangestoken door die kinderachtigheid. 't Was jammer, +'t was verdrietig, 't was kleingeestig en ondichterlyk, maar--o, +Caligula!--we zyn zoo! En wie ieder 't hoofd wou afslaan, die zich +ooit schuldig maakte aan zoo'n... menschelykheid, zou veel te doen +hebben. By volslagen wilden, waar koningen hun eigen hout hakken, +vindt men weer andere fouten die even onpleizierig zyn. + + + + + + + + Tekstverklaring van Ovidius, door Willem Holsma. Idem door + Rotgans en den auteur. Konflikt op 't Leidsche-Plein tusschen + twee potentaten: Napoleon I, en Minos van Kreta. + + + Verdienste van 't succes met geestdrift aangebeên, + Kweekt in 't armzalig koor, laaghartigheid alleen. + + +Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door +het leveren eener toelichting van 't stuk dat men straks zou te zien +krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: "omdat verzen zoo moeielyk +te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter heeft +willen zeggen." Ik ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de "taal +der goden"--er ligt 'n Rotgans in kwarto voor me--kostbaar te noemen. + +Maar ook de pedante Willem kende Scylla niet anders dan uit z'n +Ovidius--zonder onzen Vecht-zwaan zou ik 't mensch in 't geheel niet +kennen--en dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z'n relaas +optesieren met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden, +omdat men door 't hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn +sprak. Ziehier iets van z'n verhaal... vry overgezet. + +Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor +medeplichtig hield aan den moord op z'n zoon Androgeos. Oorlog dus. Met +z'n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte hy op 'n +stad die in één richting minstens driehonderd-en-zestig aardbolgraden +breed moet geweest zyn, want rechts en links was geen ruimte om voorby +te trekken. Ze moest dus belegerd worden. Sommigen betwyfelen die +uitgebreidheid, en beweren dat de krygskundige liefhebbery van die +dagen voorschreef met pyl en boog op de muren te schieten, al kon +men er langs. Dit verschafte veel krygsroem, en gaf tevens aan den +vyand gelegenheid ook van zyn kant 'n vesting te belegeren, waaruit de +heugelyke kans geboren werd, overwinningen te behalen aan twee zyden +tegelyk. De traditie dezer wyze van oorlogvoeren, waarby krygslieden +elkaar zoo lang mogelyk uit den weg loopen, is tot heden toe bewaard +gebleven. Slechts enkele botterikken--Napoleon I, byv.--hielden zich +niet met het beschieten van vestingen op, en de garnizoenen geven +zich in zoo'n geval--behoudens krygseer natuurlyk--ongedeerd over, +zonder andere heldendaden te hebben verricht dan 't beredeneeren der +mogelykheid, dat ze rotten en muizen zouden gegeten hebben... àls ze +belegerd waren geworden. + +De stad met welker omsingeling koning Minos zich vermaakte, was +met-een 'n heel Ryk, heette Megara of Alkathoë, en werd geregeerd +door zekeren Nisus, 'n allerbraafst man die aan den dood van +Androgeos even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk zou +Minos--vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in de +Onderwereld--billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak wat +grondiger te onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor +Alkathoë. Maar men is niet volmaakt. + +Koning Nisus was in 't bezit van twee byzonderheden. Hy had 'n +indelikate dochter--de Scylla van 't stuk--en 'n purperen haartjen op +z'n hoofd, of één purperen haartje, of maar één haartjen, en dat was +purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie mogelykheden +die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden gelaten. Wie +nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal was, heeft +er vryheid toe. Ook is 't geoorloofd zich den man voortestellen als +prykende met 'n dikken haarbos van gewone kleur--spierwit kleedt +antieke koningen het best--mits slechts dat eene haartje ... kortom +'t was 'n uniek en zeer kostbaar exemplaar. Dit was den onderdanen +van koning Nisus--volgens de laatste volkstelling had hy er, hemzelf +meegerekend, drie dozyn--zeer wel bekend. Stad en Ryk waren trotsch +op dat haartje, meer dan trotsch: 't was 'n waarborg voor welvaart, +'n pand van de welwillendheid der goden, 'n palladium. Iets als onze +Kieswet alzoo. + +Maar ... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in +verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te begrypen, +laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat 'n purperen Kieswet, als +dochters die zich lieten geboren worden op de trappen van den troon +... maar laat ons Willem's verhaal niet vooruit loopen. + +Het haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd, +en goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze +Nisus geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een +flinke schildwacht op de kruin van z'n hoofd, moest voldoende geweest +zyn. Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van +krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden +beschermen, onwrikbaar vast, maar ... men mocht de goden te-hulp +komen met militie, schuttery, landstorm, torpedo's, krygsliederen +en naaldgeweren. Als ik 'n heidensche god was geweest, zou ik dit +wantrouwen in de kracht van m'n bescherming heel kwalyk genomen hebben, +en ik had ieder in den steek gelaten, die my 't werk uit de hand +nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom weldadige +vruchten gedragen. In alle landen waar men door 'n waar Geloof 't recht +verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst finaal afgeschaft en +de begrooting van "Oorlog" begrepen in 't budget van "Eeredienst." Dit +is zuinig en rationeel. Maar Nisus was 'n heiden, en had dus verkeerde +begrippen over 't gebruik van theologie in krygskunde. De onnoozele +stumpert zette z'n heele leger achter de wallen van z'n ... Ryk, om +zich daar te verschuilen voor de pylen van Minos en al die Kretenzers. + +De ondeugende Scylla nu was niet afkeerig van das Militär, en +wandelde parmantig op den muur. Nog proëminenter vertoonde zich van +zyn kant koning Minos, en wel zóó dat de jonge prinses smoorlyk op +hem verliefd werd. Niets natuurlyker. Z'n eerbiedwaardige ouderdom, +z'n gebukte houding, z'n lange gryze baard, en misschien ook z'n +aanstaande verheffing in de onderwereld--onze Scylla kende haar +mythologie op 'r duimpje!--dit alles was wel in-staat het hart van +'n treurspelmaagd in gloed te zetten. Zoo waren de tooneelmeisjes in +dien tyd. Men kon nooit te bejaard, te krom of te krygskundig wezen, +als ze maar zeker waren dat haar liefde eenmaal zou noodig zyn tot +het samenflansen van verzen of echt-vaderlandsche treurspelen. + +Zielkundig gesproken, er bestond voor Scylla nòg 'n reden om den ouden +Minos byzonder interessant te vinden. Venus' dartel wicht heeft veel +koorden op z'n boog. Ze had medelyden met hem. En hier was reden toe. + +Met 'n heelen stoet soldaten--men telde in dien tyd duizend krygslieden +op één onderdaan: 'n byzonderheid die 't regelen van de konskriptie +tot 'n moeilyk vak maakte!--met 'n groot leger dan, was de man van +heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Akathoë te belegeren volgens +alle regels van de kunst, en 't was háár bekend dat-i het strand +ploegde... om dat purperen haartje! Arme Minos! + +Hy scheen alweer verzuimd te hebben, vóór z'n oorlogsverklaring +nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te bestryden wezen. Het +schynt dat men in oude tyden vry los over de toebereidselen tot +'n oorlog heenliep. Volgens Ovidius was Minos-zelf zoo byzonder +slordig niet, maar de goden hadden hem gestraft met 'n minister die +op allerzonderlingste manier omhoog was gevallen, en den Louvois +spelen wilde om te worden aangezien voor iets wezenlyks. Hierom dan +ook had-i alle onderzoek naar de voorgewende medeplichtigheid van +Nisus aan Androgeos' dood, weten te verydelen. De casus belli die +hy zoo hoognoodig had voor de zeer partikuliere industrie van z'n +ministerschap, mocht eens niet bestaan, wat toch jammer zou geweest +zyn. Het zedelyk krygsbeginsel in die onbeschaafde dagen schynt +voorgeschreven te hebben: eerst vechten, en dan vragen waarom? Zoo-iets +zou thans niet kunnen gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap +van oorlogsverklaringen vragen, en ook bovendien niet dulden zouden +dat de res publica beheerd werd door zulk soort van ministers. + +Doch zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van regeeren, +werkte Scylla's al te gevoelig hart ten-kwade mee. O goden, zuchtte zy, +zou ik den man niet beminnen, die op z'n ouden dag zóó'n minister te +torschen heeft? En zonder Parlement nogal! + +Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid 'n ware deugd +was. Zoo waren de meisjes in die dagen. + +Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen +over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen die +'t gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft. Misschien +ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen achteruitgang +te konstateeren, òf in de beminnelykheid van ouweheeren, òf in de +ontvlambaarheid van 't vrouwelyk geslacht. Ziehier de gronden waarop +hy, redelyk scherpzinnig voor 'n heiden--Ovidius was Hollander noch +Christen--z'n stellingen bouwt. Er blykt uit het feit der zaak-zelf, +dat Minos door Scylla kon gezien worden van naby genoeg om haar +verliefd te maken, en tevens dat ze niet gedood of gewond werd door +'n kretenser pyl. Ook de voor Scylla zichtbare Minos werd niet +geraakt door de scherpschutters uit de stad. Wat volgt hieruit? Dat +in die dagen de schootvèrheid der liefde, die van 'n pyl uit den +boog teboven ging. Welke grysaard, welke man, welke jongeling, zou +heden-ten-dage kans zien 't hart van 'n maagd te treffen op meer +dan chassepot-afstand? + +Aan 'n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts aan, en +laat den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin gaat-i +stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig besloot +haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door haar +vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel +te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader, +en plukt hem--heu facinus: o gruwel ... ja, 't wàs gemeen!--dat ééne +kostbare haartjen uit, en progressa porta per medios hostes, komt ze by +Minos aan: pervenit ad regem, juist waar ze wezen wou met dat haartje. + +Vorst Minos was 'n kreuzbraver Kerl die o.a. zelf kinderen +had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z'n eigen haren, en aan 't malle +figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar zielenrechter, wanneer-i +nu die ondeugende dochter styfde in haar verkeerdheid. Misschien ook +vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy, principiis obsta: hy noemde haar +kort en goed 'n monster, en gebood... + +--Wy zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat 'n drukte! Ik wou dat ik al +weer goed en wel thuis zat by m'n kleinen Erik! + +Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar 't uittrekken van +dat eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het +purper was? + +--'t Staat er zoo, kind! Crinis purpureus. Stap uit, en hou je jurk +wat by-een, om 't wagensmeer... puelletje! + +De familie nam de plaatsen in, die dezen avend achter in 't +parterre bestemd waren voor de leden van den stedelyken raad, en hun +gezinnen. Ze kwam nagenoeg te zitten onder den rand der loge waarin +ze anders gewoon was de voorstellingen bytewonen. + +Die loge was nog altyd leeg. De hooge, hoogere, hoogste, en +byna-allerhoogste personen die haar dezen avend vullen zouden, waren +nog niet verschenen, en Wouter had dus ruim tyd om te bekomen van +den indruk dien de Schouwburgzaal op hem gemaakt had: dit was alzoo +de Komedie, de ware! + +Hy verslikte z'n teleurstelling over de blykbaar echte geboorte van +Scylla, en keek nieuwsgierig rond. Z'n gedachten wiegden zich op +'t gesuis dat hem omgaf. De toedrang was groot. Alles praatte en +fluisterde. Men twistte over de plaatsen. Men schoof voorby elkaar +heen. Men verschikte z'n kleeren. Men vertelde 't nieuwste nieuws van +'t hof. Men voorspelde wie dáár zitten zou, wie 't eerst zou komen, +wie plaatsnemen moest achter den keizer, en wie achter den Koning. Men +berekende waar de prinsen zouden zitten--die ééne ook, wiens vader +herbergier was, en die zich zoo grappig kleedde--en wat de hooge +heeren en dames zouden bestellen uit het buvet. Men psjstte om 'n +stoof, en loofde fooien uit. Men leende elkaar het tooneelbriefjen, +en verzekerde dat de affiches die daarboven vastgesteld lagen op den +karmozyn-fluweelen rand van loges en balkon, gedrukt waren op satyn +van zóóveel stuiver de el. Men beoordeelde ook het stuk, en zei dat +het gekozen was... + +--Rotgans is 'n eerste dichter! + +--Hm! Eigenlyk 'n tweede of ... derde! + +Onder ons, lezer, eenmaal aangeland in 't verzenmakersgild, is dit +alles zoowat hetzelfde. + +--Hy is maar 'n dichter van den zevenden rang, zei 'n ander. + +--Waarom dan 'n stuk van hèm? We hebben toch ànderen, mannen die +... klinken als klokken! + +--Zeker, zeker! Bilderdyk, by-voorbeeld, 'n ware feniks! + +--Waarom dan Rotgans? + +--Och ... die vreemdelingen verstaan er toch niets van. We kunnen +laten spelen wat we willen. + +--'t Is jammer van den Floris... + +--Die was er expres voor gemaakt, en zou dus wel mooi geweest zyn. + +--Ik hoor dat de akteurs te lui waren om hun rollen te leeren. + +Neen, dàt was de oorzaak niet! Er zit heel iets anders achter. Onze +Bilderdyk is 'n vaderlander... + +--Van belang! + +--'n Hollander in z'n hart! + +--'n Echte! + +--Zeker heeft-i in z'n stuk die vreemde kerels... + +--Sjt! + +... niet genoeg gevleid. Dat doet geen ware Hollander! + +--Neen, dat doet geen Hollander ... nooit! + +--Sjt! + +Alles stond op. Er was reden toe. Een lakei vertoonde zich op den +achtergrond der koningsloge, waarschynlyk om te zien of de kussens +wel behoorlyk op de fauteuils lagen. + +--Ze lyken allemaal wel mal! Optestaan voor 'n lakei, voor 'n +mostertjongen! + +Aldus spraken sommigen, die toch precies 'tzelfde hadden gedaan als +de ons reeds eenigszins bekende zondebok: Ze, en Wouter werd hier +weer levendig herinnerd aan de eigenaardigheden van de "massa". Ook +maakte hy de opmerking dat men niet juist by de Pietersens heeft te +komen, om zich gestuit te voelen door dat eeuwig verschil tusschen +indruk en uiting. "Zou dit overal zoo wezen, dacht hy, en is dit nu +de bekwaamheid die ik me moet eigen maken om iets te worden in de +wereld?" Koningen van Afrika waren eigenlyk de heeren wier gesprekken +hy beluisterde, niet, maar zeer aanzienlyke menschen toch. Daar waren +dokters onder, geleerden, leden van den stadsraad, jazelfs groote +koopluî ... misschien wel m'nheer Kopperlith in eigen persoon. Met +eenige tusschenpoozen, veroorzaakt door 't plaats-nemen van nieuw +aangekomenen, werden deze en dergelyke gesprekken voortgezet. + +--Maar waarom dan juist iets van dien Rotgans? + +--Z'n Boerenkermis is heel aardig. + +--Man, hoe kan je 't zeggen! 't Is 'n onfatsoenlyk stuk, vol gemeene +woorden. + +--Nu ja, maar ... aardig toch! + +--Dat weet ik niet. Ik heb 't nooit gelezen, omdat het zoo gemeen +is. In poëzie gaat by my niets boven deftigheid, en wat niet deftig +is... + +--Och, wat geeft zoo'n Keizer daarom? + +--Ik begryp heel goed waarom ze van-avend 'n stuk van Rotgans +spelen. Hy droeg altyd z'n stukken op aan een van de Huydekopers. Dàt +is de zaak! + +--Hy was van de familie. + +--Juist! Misschien wil een van de schepens, als de Keizer 't stuk mooi +vindt, hem zeggen: Sire, de dichter van die... Scylla, of hoe heet +de man?--die Scylla is 'n bloedneef van me, om uwe Majesteit te dienen. + +--Gekheid! Wie zal grootsch wezen op de verwantschap met 'n man die +komedies maakt? + +--Hm ... in Frankryk is dat anders, heel anders! + +--Bovendien, Rotgans was zoo'n minne man niet. Hy had 'n +buitenplaats aan de Vecht. + +--Dat moeten ze dan den Keizer er by zeggen. + +--De hoofdzaak komt neer... + +Weer 'n lakei. Alles vloog omhoog als duveltjes uit 'n +surprise-doosje. En alles--op de zwygende Holsma's na--schimpte weer +op de verdoemelyke karakterloosheid van "ze". + +...de hoofdzaak komt neer op de toespraak van Thomasvaer. Dit zeg +ik maar! + +--Daarin zal dezen keer 'n echt-vaderlandsche geest heerschen, naar +ik hoor. + +--Ja... echt-vaderlandsch! 't Moet heel mooi zyn. De prefekt van +policie heeft 't zelf gezegd. Er zyn drie gezworen translateurs by +te-pas gekomen. Je begrypt dat men zich zooveel moeite niet geven +zou voor 'n prul? + +--Zeker niet! En de vertaling is naar Parys geweest? De minister +heeft er eigenhandig op geschreven: approuvé! + +--'t Is toch maar altyd 'n zékere waarheid, dat ze-n-in 't buitenland +eerbied hebben voor onze letterkunde. + +--O ja, en voor ons karakter! + +--Er is geen beter volkskarakter dan 't hollandsche. + +--En geen beter letterkunde! Die is... echt-nationaal. + +--Dat zegt de Préfet de Police ook. Hy laat alles vertalen wat er +uitkomt. Wat hem vooral bevalt, naar ik hoor, zyn onze alexandrynen ... + +--Nu ja, en 't karakter! + +--Zeker, 't karakter ook. Maar de alexandrynen zyn even lang als die +van Racine, en dat 's juist het mooie. Ik ben zeer benieuwd naar de +maat van Thomasvaer. Korte regels kan ik niet verdragen... + +--Hm! Bellamy's Roosje dan? + +--Ja, en z'n: Schoone maan, zeg, ziet gy heden... + +--En z'n: 't Was nacht toen u uw moeder baarde... + +--Mooi, hoor! + +--En z'n: Oproeping aan de Bataafsche jongelingen, om den +Engelschman te bestryden. Dat's óók geen gekheid! + +--En z'n toespraak: Aan de vaderlandsche meisjes. Dáár zit pit in, +hè? Weetje wat-i zegt? Hy zegt: + + + Indien ik ooit ontaarde + Van Vaderlandsche fierheid, + Dan moet gy, waardste Fillis... + + +Weer kwam 'n lakei deze echt-vaderlandsche ontboezeming afbreken. De +man inspekteerde ditmaal de kussens in de loge der Palatine die +byzonder graag op 'r gemak zat. Als door 'n veer bewogen, stond het +heele Publiek op. Die groene rok met gouden tressen ... + +--Och, 't is weer zoo'n doodeter. 'k Wou dat de vent... + +En teleurgesteld nam men weer plaats. De liefhebber van korte verzen +waarin echt-vaderlandsche "pit" zat, liet zich niet van z'n stuk +brengen: + + + Indien ik ooit ontaarde, + Dan moet gy my verachten, + Dan moet gy my vervloeken! + + +--Dat's táál, hè? + +--Heel mooi, maar ik houd meer van alexandrynen. Ze zyn honderd +percent deftiger, dunkt me. + +Het gegons werd gedurig sterker. De keeren dat het Publiek misleid +werd door dezen of genen die de deur van een der loges opende--'n +foppery die telkens op 'n te-loor gaande eerbiedsbetuiging te staan +kwam--waren niet meer te tellen. Men begon te morren, maar... zacht, +zeer zacht, zoo zacht als maar gemord worden kan. + +Wat onzen Wouter aangaat, hy vond alles vreemd, maar tot behoorlyke +ontleding van z'n indrukken was-i niet in-staat. Voor den tienden +keer reeds sedert twee dagen, verdrongen de gebeurtenissen die hem +overstelpten, de aandoeningen van 'n oogenblik te-voren. Hy was er +duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal, bracht het +zyne by tot verdooving van z'n begrip. Zoo-even in 't rytuig nog, +had-i zich ingespannen om iets te verstaan van Willem's vertellinkje, +en ook de daarvan opgevangen indrukken waren nu reeds uitgewischt, +of althans zeer vermengd met iets anders. Hy geleek op 't lang +gebruikt leiblad van den schoolknaap, waarin de oude krassen 't later +schrift onleesbaar maken zonder baat voor eigen duidelykheid. Op 'n +palimpsest dat ingewyd werd met catullische zangen, daarna dienst +deed als afstandwyzer van germaans-romeinsche castra, vervolgens +'n spikspelder nieuw systeem van--nogal oude--wysbegeerte op z'n +rug droeg, en eindelyk tot ons kwam als lofzang op de H. Maagd, +gratiâ plena. Er behoort veel geduld toe--en scheikunde--om al dat +overpleisterd menschenwerk uit elkaar te houden. En wanneer nu, +gelyk hier 't behandeld palimpsest, zelf 'n mensch is... 'n codex, +zooveel moeielyker te ontwarren dus dan elk ander geschrift... + +Zoo goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De graad +van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde +hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo erg +was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden òf gewone dingen, +òf erger. De Holsma's waren de eenigen die niet spraken. Eens slechts +hoorde hy Oom Sybrand die naar 'n loge wees, iets zeggen, en 't kort +gesprek dat daaruit voortvloeide: + +--Ik denk dat ze dáár zitten zal... àls ze komt! + +--'t Zou me leed doen, als ik m'n kleinen Erik had alleen gelaten +voor niemendal, antwoordde mevrouw Holsma. + +--Nu, Femke is vertrouwd! + +--O ja! Maar 't drukt me dat ik hier zit, terwyl m'n kind ziek is. Lang +wacht ik niet op haar... + +--'t Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik hoorde zeggen +dat ze veel luimen heeft, en die altyd in-volgt. Aan etikette stoort +ze zich niet. Dat schynt in 't bloed te zitten. + +--Als ze 'r om tien uur niet is, ga ik heen. Héél veel belang stel +ik niet in de zaak... + +De beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy +had ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de +persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma tegen +haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had. + +Een groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een +oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal +staan ... + +Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er weinig +van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z. M. was +haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet zonder +'n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg stonden... + +Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke +Majesteit. Vivat sequens! + +...hy had daarna 'n oogenblik--één oogenblik maar--in de zaal +rondgezien, éven geknikt, als iemand die byna geen tyd heeft om +te zeggen: "'t is wel!" en daarna z'n fauteuil met 'n ruk schuins +naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en 't Publiek +kon weer gaan zitten... nog niet voor goed. + +Ook de andere loges werden nu als door 'n tooverslag gevuld. Men +zag zonderlinge kostumes: de "Wede. Maaskamp en Zonen!" Dames met +lyven van drie duim, en 'n schoot van byna zooveel ellen. De boezems +zweefden tusschen kin en ceinture. Kleine pofmouwtjes wisten zelf +niet, of ze dienen moesten tot bedekking van den bovenarm of van den +schouder. Maar dit te-kortschieten werd eerlyk aangevuld door witte +kabretleeren handschoenen, die van den pink tot den oksel reikten. Op +'t hoofd droegen de dames tulbanden, toques, bloemtuinen... dáár +was wat te plukken gevallen voor Scylla! Maar al wat er leelyks te +zien was, werd overtroffen door de onuitstaanbare militaire kostumes +van dien tyd. Wie die steeken en chakots gezien had, begreep terstond +waarom de vyand altyd zoo verschrikt op den loop ging. Die aanhoudende +vlucht ontstond uit schoonheidsgevoel. + +De muziek speelde... + +'t Spreekt vanzelf... daar wàs ze weer, de lyzige melodie van den +dapperen Dunois! + +Een vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven aan +de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook immers +gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu ja, +van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen +alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest... + +Debout... debout! werd er geroepen. Een der hardste schreeuwers was +de man van de korte verzen, waarin zooveel echt-vaderlandsche "pit" +zat. En alles schreeuwde mee: debout! Men moest opstaan voor den: +jeune et beau Dunois! + +Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe: de bénir ses exploits, +toen er met 'n bundel papier vry driftig op den rand der koningsloge +werd getikt, juist op de plaats waar men berekenen kon dat de Keizer +zat. De Holsma's recht naar-boven ziende, werden slechts 'n stuk van +den zonderlingen hamer gewaar, waarmee Z. M. de maat sloeg... + +De maat? 't Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, in der +haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan de +maat! Ieder die in 't parterre zat, kon aan de angstige blikken die +uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden geworpen, +duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men van-beneden-af de +oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet spoedig geraden, +zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook de Palatine, juist +bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair van Groenland, heel +hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende loge, raakte in de +war, wat anders de gewoonte van deze dame volstrekt niet was. De koord +van haar joujou krinkelde, en 't ding bleef levenloos hangen, als 'n +geëxekuteerde. Dit was hem in de hand der Palatine nog nooit overkomen! + +De Keizer stond op, en tokkelde met z'n rol papier als 'n razende. + +Een afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie +'t opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met Kykduin en +'t perfide Albion. + +Onze verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als 'n +izegrim. Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen, +maar hy luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op 't +fluweel van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien, +koningen, kamerheeren, maarschalken, adjudanten, aides de camp, +schoten toe. Maar Z. M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos +maakte. Hy verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den +roffel 'n oogenblik aftebreken, om met z'n papieren trommelstok naar +'t orkest te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit beteekenen +moest. De bevolking van de voorste loges gaven den orkest-direkteur +te kennen, dat de schuld der stoornis aan hem scheen te liggen, en +siste hem van alle kanten toe. De man schrok, en bleef als versteend +staan, met z'n maatstok zuid-oost half-oost in de lucht, dat hier +zooveel beteekende als heelemaal buiten-west. 'n Plotselinge stilte +verving nu 't geraas, en liet verraderlyk toe, dat men heel duidelyk +'n te laat ingehouden vaderlandsch nagalmpje te hooren kreeg. In +den engelenbak namelyk--dezen avend bezet door fatsoenlyke burgers, +want alle standen waren 'n graad of tien in waarde gedaald, omdat de +markt van rang overvoerd was--in den engelenbak had 'n onverlaat zich +de magere voldoening gegund: al is ons prinssie te zingen, wèl bedekt +natuurlyk onder de noten van koningin Hortense's prachtstuk. + +Was zy de dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje? Misschien +wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me +byzaak is, omdat ik my de verplichting opleî, juister te zyn dan de +Historie. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten noch met +datums te doen, en trachten slechts mogelyke indrukken te schetsen, +en menschen te teekenen zooals de denker zich kan voorstellen dat ze +geweest zyn. + +De stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als +opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur +kommandeerde eindelyk in den angst van z'n hart: "où peut-on être +mieux." De vaderlander uit den engelenbak maakte zich gereed de +muziek toetelichten met de bekende romance van 'n "sleepersknol... op +hol" toen er bleek dat Z. M. nog altyd niet voldaan was. 't Moest: +"veillons au salut de l'empire" wezen! Dacht hy er aan, dat het +huiselyke: "waar kan men beter zyn" bewaard moest blyven voor de +Beresina, by den terugtocht uit Rusland? Want by die gelegenheid is +'t--o bloedig sarkasme!--gespeeld. + +"Veillons" dus! Weer het knikje: 't is wèl! en weer liet hy zich vallen +in z'n fauteuil, waar-i voortging zich te verdiepen in de vestingwerken +by Huisduinen. Toen 't "Veillons" behoorlyk was afgespeeld, mochten +al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed, goddank! + +Het scherm ging op, en 't woord was aan Rotgans: + + + Ja, Minos, aan 't geschenk dat ik u heb gegeven, + En uit de kerk geschaakt... + + +--Wàt? vroeg Wouter. Uit de kerk? 't Purper haartjen uit de kerk? Ik +meende... + +--Sjt! zei Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit +beteekent. Misschien 'n licentia poetica, weetje. + +Heel juist geraden! De treurspeldichter had den vreemsoortigen crinis +purpureus heel handig omgesmeed in 'n schild dat door Scylla geroofd +wordt. Zeer wel. Maar... uit de kerk? + + + ...hangt Nisus' kroon en leven!" + + +--Qu'est-ze qu'elle changte? riep de Paltsgravin. Il barait que zela +zera excèzivemang larmoyang! Za doilette est egzégraple! La bedite +est attivée d'une magnière ... et quelle langue, mong Dié, mong Dié, +quelle langue! Za m'égorssche les oreiglles! + +Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van den +klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te Boulogne... te +Dover... overal, behalve dáár! Behalve daar, en... op Sint Helena! + +Wouter luisterde als 'n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog minder +omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem te +vreemd om niet z'n aandacht volkomen in beslag te nemen. Z'n wangen +rustten op beide vuisten, en z'n elbogen op de leuning der bank vóór +hem. Wie met half geopenden mond deze houding nabootst, kan precies +weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla's tocht in +'t kamp van Koning Minos. + +Een schild in-plaats van 't haartje? Dacht hy. Wie weet of niet +de dichter, als-i toch aan 't verzinnen gaat, ook iets zegt van +onechte zoons, en van het terugkeeren op 't pad der deugd, dat de +menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om +het terugkeeren mogelyk te maken. + +Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter +mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m'n handen in onschuld. + + + + + + + + De tuchtelooze auteur--gebrek aan school!--vertelt niets van 't + purpren haartje, doch integendeel allerlei zaken die in 'n roman + niet te-pas komen. Hy geleidt den lezer langs keizerlyken weg in + de kommeny waar Leentje zout moet halen. Verzoeke vriendelyk dit + gebrek aan zout niet meer dan driemaal in-verband te brengen met + des auteurs schryfmanier. + + +Die arme Rotgans! 't Was wèl de moeite waard 'n paarduizend verzen by +elkaar te rymen, om zóó verwaarloosd te worden! Geen der toeschouwers +was geroerd door de treurspellige bravigheid van Minos, die de ontaarde +juffer zoo flink op haar plaats zette. Men luisterde niet. [10] + +Met naïve verbazing trachtte Wouter de tirades van 't stuk te +volgen. Ze bevielen hem niet, en byna klom z'n ontevredenheid op +tot den moed, zichzelf in-staat te achten tot het leveren van iets +beters. Vooral trof hem de verregaande leegte aan denkbeelden. De +aan Ovidius ontleende handeling van 't stuk mocht dan in zekeren +zin hoofdzaak zyn, tot het schetsen dáárvan waren geen tweeduizend +regels noodig. Aan "gaan en komen" waren meer verzen besteed dan aan +menschkundige ontwikkeling, of aan opmerkingen die de moeite van 't +onthouden waard schenen. Zoo gaat het meer. Is dàt 'n dichter? vroeg +Wouter. [11] + +Wouter bemerkte dat de volwassen leden van de familie Holsma +by-voortduring niet den minsten acht sloegen op het stuk. Ze richtten +hun blikken naar de loges, doch blykbaar met andere bedoeling dan de +meesten, of zelfs dan àlle anderen, die de hooge personaadjes alleen +om de vreemdigheid aangaapten. Ook uit de afgebroken zinsneden die +tusschen Oom Sybrand met z'n broeder en zuster gewisseld werden, +scheen te blyken dat hun aandacht door iets zeer byzonders werd tot +zich getrokken. + +--Als ze niet spoedig komt, ga ik heen, zei weder mevrouw Holsma. + +--Misschien zit zy in de keizersloge, en achter-af. Dan kunnen we +haar van-hier niet zien. + +--Men heeft me gezegd, dat ze te Parys nooit 'n kwartier achtereen +op dezelfde plaats blyft. Misschien komt ze straks dáár of dáár... + +En met 'n bescheiden beweging van den uit z'n vuist opgestoken duim, +wees Holsma 'n paar der zyloges aan. + +--Ze komt soms in 't parterre ook, naar ik hoor. + +--Langer dan nog vyf minuten wacht ik niet, zei mevrouw Holsma. M'n +kleine Erik is my meer waard dan duizend... + +Wouter meende te verstaan: "dan duizend nichten." Ja, zóó zal 't ook +wel geweest zyn. Want: + +--Van den koning, voegde Holsma er by. + +Dit deed hem den draad weer verliezen. Hy had gemeend dat Femke +bedoeld werd. En nu: van den koning? Waarom was juist die prinses zoo +belangwekkend? De loges zaten vol neven en nichten, de een nog meer +opgepronkt dan de ander. Welke byzonderheid verhief juist die eene +afwezige, in aanspraak op belangstelling tot mededingster van den +kleinen zieken Erik? Toen de tooneelspelers het derde bedryf hadden +afgealexandrynd, was de zorgvuldige moeder niet langer te houden. Ze +verliet de zaal met Oom Sybrand, die weldra zou terugkeeren met Femke: + +--Als ze wil! voegde hy er by, op 'n toon die twyfel te kennen +gaf. Want, zeid-i, ze houdt niet van drukte. + +O he, dit meende Wouter beter te weten. Oom Sybrand had haar eens op +de Botermarkt moeten zien, en in de gekroonde Jeneverbes! Maar zulke +dingen verklapt geen ridder. Hy zweeg dus. + + + +De oude Minos is byzonder verliefd op Ismene die zeer schoon en +deugdzaam is. Scylla is byzonder verliefd op Minos die zeer oud en +eerbiedwaardig is. Ismene is byzonder verliefd op Fokus die zeer +heldhaftig is. En Fokus is byzonder verliefd op Ismene... dat's +mogelyk. Maar hy spreekt haar zonderling toe, en wel juist op 'n +oogenblik dat ze het in alle treurspelen onmisbaar voorstel doet, om +voor haar beminde te sterven. Ik geloof gaarne dat Fokus 'n held was, +maar heel hoffelyk was de man niet: + + + "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen... + + +Wat is dàt? Een nieuw rumoer, en ditmaal in den engelenbak. Aller +oogen richtten zich opwaarts, maar niemand kon spoedig te weten +komen wat er in dat hoog regioen voorviel. Eerst meende men dat er +gevochten werd, maar dit scheen toch 't geval niet te zyn. Na eenig +dringen en andere blyken van roering en onrust, werd de uniform van +'n policiekommissaris zichtbaar, die blykbaat met vruchtelooze moeite +iets wilde begrypelyk maken aan 'n paar mannen op de voorste bank. Het +scheen dat ze van 'n ander gevoelen waren dan hy. Om z'n fransch of +italiaansch te vertolken, greep de vertegenwoordiger van 't gezag die +beide personen by den arm, en trachtte hun aan 't verstand te brengen +dat ze niet zouden worden opgehangen, noch zelfs gearresteerd, maar +dat ze hun plaatsen moesten ruimen. + + + "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen... + + +--Qu'y a-t-il encore? vroeg de keizer weer. + +En toen een der kamerheeren hem op deze vraag geantwoord had, begon +hy hartelyk te lachen. Er scheen iets nieuws geschied te zyn, dat +byzonder in den smaak viel van de aanzienlykste bezoekers der zaal, +want in alle loges stak men de hoofden by elkaar. Men fluisterde, +en lachte, en giechelde, en staarde naar den engelenbak. Zelfs +de keizer stond op, boog zich over den rand van z'n loge, en keek +rechtuit naar boven. Maar zonder baat, want krom-zien kon hy niet, +wat hem by deze gelegenheid wrevel, en zelfs eenige verwondering op den +hals haalde. Ook de bewoners der lagere sfeer in 't parterre, kregen +voorloopig niets te zien dan de gebaren en mimiek der personen die men +verjagen wilde van hun welbetaalde plaatsen, en die zich hiertegen +hardnekkig bleven verzetten. Onze oude kennis, de Paltsgravin, gaf +weldra blyk meer van de zaak te begrypen, dan de onderste laag van +'t gezelschap. Halverweeg uit haar loge buigend, telegrafeerde zy +met iemand die in 't paradys nog altyd op den achtergrond scheen te +blyven. Het stuk van Rotgans... och! + + + "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen... + + +De Palatine groette met haar joujou. Wien of wie groette zy? Het +scheen dat ze zich byzonder vermaakte. Met wyd uitgestrekten arm wees +ze aan al haar buurtgenooten in aanzienlykheid, dat daarboven in die +gemeene-volkskooi iets zeer byzonders te zien was. Arme Rotgans! En +arme akteur ook. De man zag van alle gepruikte en ongepruikte +hoofden niets dan de kruin. Blyf eens begeistert... achter zoo'n +Publiek! Nogeens, en als sprak hy nu zeer in 't byzonder tot de +Palatine: + + + ... Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen ... + + +De Palatine gaf er niets om. Ze schaterde van lachen--ook de keizer +had gelachen: het mocht dus!--en ze scheen maar niet tot bedaren te +kunnen komen van plezier. + +Nu moest ik 'n dubbele pen hebben, om te vertellen wat Oom Sybrand +zei, die teruggekeerd was na mevrouw Holsma te hebben thuis-gebracht, +en te-gelyker-tyd den uitroep van Wouter behoorlyk weertegeven, die +met open mond en verdraaiden hals zat te kyken naar het tooneel van +den stryd. + +--Waar is Femke? vroeg Holsma. + +--Ze wil niet, zei Oom Sybrand. Ik dacht het wel. + +--O God, daar is ze! riep Wouter. + +--Wie? + +--Femke, m'nheer! Femke, Femke... o God, dàt is nu wel wezenlyk +Femke! En ze... vecht! Zie, dáár, daarboven, zie! + +Hm... 't had er veel van! Maar vechten deed ze toch eigenlyk niet. Het +meisjen in den engelenbak had den policiekommissaris by den kraag +genomen, hem achteruit getrokken, was zoo goed mogelyk tusschen de +bezitters van de nauw-bezette voorbank heengedrongen, en liet zich +daar neervallen op de twee halve schoten van de buurtjes die ze zoo +onbarmhartig gescheiden had. + +--'t Is Femke, m'nheer! O god, het is Femke! Als men haar maar geen +kwaad doet! + +Weer stond de keizer op, en weer staarde hy naar boven. Hy kreeg 't +meisje met den noordhollandschen kap in 't oog, en knikte haar toe... + +--Maar, m'nheer Holsma, het is Femke... onze Femke! + +En de Paltsgravin groette het meisje nogeens met den joujou, als om +haar geluk te wenschen met de verovering van dat plaatsje... + +--Maar, m'nheer, 't is Femke! riep de verbaasde Wouter, die maar niet +begrypen kon dat-i geen antwoord kreeg. + +Ook Holsma en Oom Sybrand waren verbaasd, doch niet als Wouter, +die zich by 't hoofd greep om te voelen of-i wel terdeeg wakker was? + +--Nu, kinderen, zei eindelyk de dokter, je kunt straks aan moeder +vertellen dat we haar gezien hebben. + +En, zich tot Wouter keerende: + +--Dat meisjen is 'n nicht van ons... + +--O ja... Femke! + +--Neen, ze heet anders, en... + +--M'nheer, 't is Femke! Zou ik Femke niet kennen! + +Ei, Petrusje! Dit klinkt reeds geheel anders dan: wie is die +meid? Of... dan zelfs dàt niet! + +Op-eens kreeg 't vreemdsoortig meisje dat haar groote blauwe oogen +onbeschroomd door de zaal liet dwalen, onzen kleinen jongen in het +oog. Ze bukte voorover, staarde hem met aandacht en inspanning in +'t gelaat, knikte vriendelyk, en wierp hem 'n kushand toe... + +Zoo meende hy, en zoo wàs het. Maar 't geheel parterre was ditmaal +al te zeer van zyn gevoelen. Ieder meende dat ze hemzelf, of +allen meenden dat zy allen gegroet had. De deftige lui ergerden +zich aan de verregaande onbeschaamdheid van zoo'n boeredeern--in +hoofdsteden heet elk provinciaal 'n boer--en de meer vroolyk gestemden +beantwoordden haar groet met spottende overdryving. Weldra echter +werd er gesist. Uit de hoogere sfeeren kwam de tyding neerdalen dat +'s konings nicht, prinses Erika, 'n blyk willende geven van sympathie +voor 't Nederlandsche Volk, zich kwam vertoonen in "nationaal kostuum" +of wat by vreemdelingen daarvoor doorgaat. + +--O god, geloof er niets van, m'nheer Holsma! Ik zeg u dat het Femke +is, verzekerde Wouter met tranen in de oogen. + +--Neen, m'n jongen, dat meisjen is Femke niet. + +--Maar... ze heeft my gegroet! + +--En de keizer háár. Je begrypt toch wel dat hy geen waschmeisje +groeten zou? + +Zeker! Dit was moeilyk te veronderstellen. Maar even vreemd kwam +het Wouter voor, dat die... prinses 'n nicht wezen zou van dokter +Holsma. Op-nieuw meende hy te bemerken dat het meisje hem toewenkte, +en dat ze haar lippen bewoog. Naar die beweging te oordeelen, kon ze +best gezegd hebben: myn broeder! Wouter hield het er voor, en lispte +die woorden na, en drukte beide handen styf tegen de borst, als om +'n kostbaarheid te bewaren die zoo-even daarin was neergelegd. + +In-weerwil van z'n hoogachting voor dokter Holsma, was het hem +onmogelyk diens verzekering te gelooven, dat het jonge meisje +daar-boven eene andere was dan de door hem verloochende dochter +van Vrouw Claus. Hy knoopte de voorvallen der laatste uren zoo goed +mogelyk aan elkander, en meende te begrypen hoe hy door z'n drift +aan die Kaatje aanleiding had gegeven tot 'n zonderling bericht +van wedervaren. Men had hem voor krankzinnig aangezien, letterlyk: +voor gek gehouden, en wilde nu hem afleiden van 'n idée fixe. Daarom +ook die uitnoodiging tot het bezoeken van den Schouwburg, en Femke's +voorgewende weigering om meetekomen met Oom Sybrand, die van zyn kant +op deze reeds lang afgesproken weigering had voorbereid. Zeker had de +dokter haar den wenk gegeven, wanneer ze dan toch ook iets zien wilde +van al die pracht en vreemdigheid, ergens anders plaats te nemen dan in +'t parterre. 't Was voor zyn ontroerd gestel beter geoordeeld, dat ze +nu juist niet naast Wouter kwam te zitten, die haar verloochend had, +en daaronder zoo leed! Misschien had men daar in die hoogste loge +'n plaats voor haar opengehouden, en die kommissaris van policie ... + +Maar ... hoe durfde zy dien man zoo onzacht storen in de al te +welwillende uitoefening van z'n funktie? Hem 't gezag uit de hand +nemen? En ... die groet van den keizer? En ... vanwaar wist Holsma +dat hy haar verloochend had, en dat haar tegenwoordigheid de kalmte +van z'n gemoed bedreigen kon? + +--Och, m'nheer, laat Femke maar gerust hier zitten ... ik zal heusch +heel bedaard wezen! Ik ben zoo bang dat men haar kwaad zal doen, +daar-boven onder al die ruwe menschen! + +Holsma zag hem vorschend aan. Zou dan toch die Kaatje gelyk hebben +gehad? Hy vond nu goed, Wouter niet langer tegentespreken in z'n +meening omtrent de identiteit van de verschyning, en trachtte door +eenige onverschillige opmerkingen z'n aandacht en gewaarwordingen +afteleiden. Het toeval wilde dat hy hierby 't woord "engelenbak" +gebruikte, dat ook den niet-amsterdamschen lezer nu zeer gewoon klinkt, +omdat ik het reeds verscheiden malen gebruikt heb, doch den nuchteren +Wouter geheel vreemd was. + +--Juist, viel hy den dokter driftig in de rede. Juist: engelenbak! U +ziet dus wel, m'nheer, dat het Femke is! + +Ook deze konklusie klonk weer zonderling in Holsma's oor. Al te +zonderling zelfs, om nu te laten bemerken dat hy er niets van +begreep. En om Wouter te bewaren voor nòg meer opwinding, gaf hy toe. + +--Wel zeker, jongen, dat zeg ik ook. Ik wou je maar 'n beetje +plagen. Femke zit dáár, omdat ze ... niet gaarne hier wil +zitten. Ze meent dat ... het zoo raar zou staan, omdat ze maar 'n +waschmeisjen is. En dat wy ons schamen zouden over de verwantschap +zieje! + +--O, m'nheer, niemand behoeft zich te schamen naast Femke te +zitten. Zelfs de keizer niet! En ... God niet! + +Ei, Petrus! + +--Ja, ja, suste Holsma. Precies! Zóó is het! Wie braaf en goed is, +hoeft zich voor niemand wegtestoppen. Kyk nu maar verder naar 't stuk, +m'n jongen. + +Wouter wilde gehoorzamen, doch niet voor z'n oogen afscheid hadden +genomen van de heerlyke verschyning. Nog eenmaal zag hy op. Zy +wenkte hem toe, nam 't takje met drie rozeknopjes van de borst, +hield het eenige oogenblikken tusschen duim en voorvinger van de +linkerhand, wees met de rechter op Wouter, en liet het vallen. Het +kwam--niet te-recht, o goden, maar neer toch!--op 'n dikken heer +in Wouter's buurt, die 't aangreep, en heel verwonderd keek. De man +leek niet op rozeknopjes, en z'n verbaasd gezicht scheen te vragen: +wat doe ik daarmee? Vóór-i evenwel zichzelf 'n bruikbaar antwoord op +deze vraag geven kon, was Wouter van z'n plaats gesprongen. Hy wipte +langs en over 'n paar buren en banken, greep 't gulden vlies dat den +valschen Jason zoo in verlegenheid bracht, en drukte het, opziende +naar den engelenbak, aan z'n lippen. Overal elders dan te Amsterdam, +zou 't publiek geapplaudisseerd hebben. Hier deed het de Palatine, +vooral toen prinses Erika knikte: "dat ze 't juist zóó gemeend had!" + +Dit was meer dan Wouter's geschokt gestel verdragen kon. Nooit zou +hyzelf zich 't verloochenen van Femke vergeven, maar nu had zy, de +edelmoedige, de groote, de majestueuze, hem vergiffenis geschonken +ten-aanzien van 't gansche Volk! O, dààrom wilde zy bóven zitten, +zoo hóóg ... in den engelenbak! Zy had de vlek van z'n ziel gewischt, +z'n geschonden riddereer hersteld ... + +By deze gedachten die hem als bliksems door 't hoofd schoten, viel +hy flauw. Was 't wonder? + +Holsma nam hem mede naar zyn huis, en liet aan juffrouw Pieterse +berichten dat de jongeheer Wouter ... + +--Zieje wel, Stoffel, net wat ik gezegd heb! Ieder mag 't weten: het +kind leseert effectief by dokter Holsma op de Kolveniersburgwal. Trui, +denk er aan dat Leentje morgen ochtend zout haalt in de kommeny, +want ... werachtig, 't kind leseert er! + + + + + + Ariadnisme met modern-burgerlyke verwikkeling. Treurzang over + de hedendaagsche onbruikbaarheid van wonderen. Wouter krygt + les, en wordt--als de lezer--uitgenoodigd zich 'n tydje te + spenen van romantiek. + + +Het is me zeer moeielyk, te berekenen hoeveel van m'n lezers genoeg +menschelyk gevoel hebben uitgeschud, om niet te schreien by de +ongelukken van juffrouw Laps. Als het medelyden dat ik voor haar +inroep, gering is, wyt ik dit aan te groote geleerdheid. Het schynt +wel dat de belezen mensch onzer dagen z'n gevoelighedens heeft +opgemaakt aan mythologie, romantiek en bybelkennis. Hy heeft zich +moê getreurd op 't legio modellen van verlatenheid, die ons sedert +eeuwen geleverd zyn in profane en heilige Schriften. De tranen alzoo +waarop juffrouw Laps 'n onmiskenbaar recht heeft, en die haar ook +niet zouden geweigerd zyn door naïver toeschouwers of lezers, zyn de +buit geworden van Medea, van Fedra, van Asnath, der vrouwe Potifars, +van Ariadne op Naxos, en dergelyke persoonlykheden meer, waarvan +er toch geen enkele by ons Lapsjen in welbegrepen rampspoed halen +kon. Ze was, zy by-uitnemendheid, wat de romanschryvers gewoon zyn +met sierlyke spraakwending: "de ongelukkigste der vrouwen" te noemen, +en haar door Wouter zoo schichtig verlaten boven- voor- onder- achter- +insteekkamer, 'n ware tempel van verschillende smarten. + +Het is geenszins m'n bedoeling, Wouter boven Jozef, Theseus, Jason +of Hippolytus te stellen. Apollo beware my voor de by auteurs +somwylen voorkomende apenliefde, die hen in hun helden altyd de +"belangwekkendste der stervelingen" doet zien. De lezer zal erkennen +dat ik genoeg moed en plichtbesef heb, om m'n jongetje nu-en-dan +niet zeer malsch te behandelen. Neen, niet in Wouter's verdienste +zoek ik den maatstaf voor de wanhoop der verlatene. En ook zyzelf +voedde haar verdriet niet uitsluitend met 'n droevig staren op de +waarde van den verloren schat. De hem kwalificeerende benamingen +die ze 't weggeloopen heil namurmureerde, getuigden meer van vinnige +verstoordheid dan van byzondere waardeering. Er bestond iets geheel +anders, dat met volle recht haar verstoordheid stempelde tot wrevel, +en zelfs tot woede. Met gepasten eerbied voor de smart van al die +andere dames, meen ik te mogen in 't midden brengen, dat er onder die +gansche weenende vrouwenschaar geen enkele zoo'n gek figuur maakte +tegenover de respektieve verwanten van haar verlaters, als juffrouw +Laps. Ze moest Wouter verantwoorden aan z'n familie. Dàt was het! + +De zonderlingste plannen gingen haar door 't hoofd. Hoe zou 't zyn, +als ze vertelde dat-i was "weggenomen" van voor de oogen des Volks, +en opgevaren in 'n gloeiende diligence? Ze verwierp dit denkbeeld, +uit zeer gegronde vrees dat men haar niet gelooven zou. Onder alle +wonderen zyn er maar weinig zoo ongeschikt tot dagelyksch gebruik, +als hemelvaarten. Zelfs Politie en Justitie gelooven er niet aan, dit +zy gezegd zonder 't minste wantrouwen op de historische grondslagen +van de christelyke godsdienst, die zulke zaken niet missen kan zonder +in elkaar te storten als 'n slecht gebouwd kaartenhuis. Het zal den +godsdienstigen lezer genoegen doen, te ontwaren dat ik in dit opzicht +geheel-en-al 't gevoelen aankleef van den zeer heiligen Paulus. (I +Corinthen, XV, vs 14.) + +Dus: géén hemelvaart! dacht onze Ariadne, met bedroevend +verstand! Maar... wat dan? + +Ze begon met wachten of haar Theseusje misschien zou terugkeeren? Het +was haar niet duidelyk geweest, of hy in die kroeg geraakt, dan wel +gebleven was onder de volksmenigte die er vóór stond. Misschien ook had +deze of gene stroom van de joelende menigte hem meegevoerd. Hm... hoe +vèr? 't Land uit? Naar... Amerika of 't peperland? Dit zou zoo +kwaad niet wezen, vond ze, want eigenlyk was ze nu meer angstig +voor z'n terugkeer by de zynen, dan begeerig naar zyn wederkomst by +hààr. De oorzaak is ligt te vatten. Wat zou Wouter vertellen aan z'n +verwanten? Tot haar groote teleurstelling was z'n medeplichtigheid +niet ver genoeg gegaan, om hem bescheidenheid inteboezemen in z'n +eigen belang, en 't schepsel stond te laag om kiesheid te verwachten +uit oorzaken van anderen aard. + +Om by 't schriftuurlyke te blyven, zon ze, na 't verwerpen van de +gedemodeerde luchtvaart, op 't aanwenden der egyptische methode +van Asnath. Helaas, daarby is de verrukkelyke naïveteit van Potifar +onmisbaar, en ze had menschenkennis genoeg om te berekenen dat noch +Stoffel, noch z'n moeder, noch zelfs een van Wouter's zusters, +onnoozel genoeg wezen zouden om zich te laten vangen in 'n strik +van zoo verouderd maaksel. Zeker zou er blyken dat haar zeer bekend +"Geloof" eer 'n wapen tégen haar opleverde, dan 'n schild waarachter +ze schuilen kon. Want, lezer, de achtbaarheid van de goddienery is wat +versleten. Ze voorzag dat men meer vertrouwen stellen zou in Wouter's +... kinderachtigheid, dan in haar gescherm met "Schrift" of "Heer" en +hierin had zy alweer volkomen gelyk. De tyd nadert, dat men zeggen zal: +"ziedaar iemand die niet gelooft, en toch 'n schelm is." Dit "toch" +zal beter op z'n plaats staan dan 't arme woordje gewoon is, daar we +'t nu meestal zien misbruiken om betrekkelyke verdorvenheid en wèl +gelooven--zaakjes die zeer na aan elkander verwant, en dikwyls zelfs +identisch zyn--in tegenstellend verband te brengen. + +Uit spyt en woede beet onze martelares haar nagels af, en vervloekte +al het volk dat daar onder haar vensters nog altyd nafeest vierde van +'n feest dat er niet geweest was. Ze vleide zich eenige oogenblikken +met de hoop haar deserteur in 't oog te krygen, en nam zich voor, als +'t lukte, hem unguibus et rostris in haar nest te slepen, niet om 't +genoegen van z'n gezelschap nu, maar om te voorkomen dat-i naar z'n +eigen huis ging, en daar meer vertelde dan haar aangenaam was. Doch +ze slaagde er niet in, Wouter te ontdekken, en vermoeid van staren +schoof ze eindelyk haar venster toe, juist 'n oogenblik te vroeg om +den wagen te zien wegryden, waarin prinses Erika zich liet brengen naar +'t paleis op den Dam. + +Schoon de morgenstond reeds lang was aangebroken, begreep onze Laps dat +het te vroeg was om reeds nu naar de Pietersens te gaan. En bovendien +... wat zou ze daar zeggen? Dat haar riddertjen in 't holst van den +nacht was weggeloopen? Waarheen? Waarom? Wie verzekerde haar, dat niet +reeds 't heel schandaal door hemzelf was bekend gemaakt, en dat alzoo +Vrouw Asnath ditmaal visschen zou achter Jozef's net? Och, hoe pynlyk! + +Ze besloot ... niet te besluiten, en de zaak nog 'n paar uurtjes +overtelaten aan den "Heer." Met deze verzuchting besteeg ze haar +maagdelyke koets, 't frigidum lectum waarover 'n latynsch dichter de +eenzame Penelope laat klagen in den zevenden regel van haar brief aan +Ulysses. Als juffrouw Laps latyn gesproken had, zou ze waarschynlyk ook +zoo-iets gezegd hebben. De lezing van de twee regels die Ovidius laat +voorafgaan, luidde nu in háár mond: "ik wou liever dat de kwajongen +z'n nek had gebroken op de manier van hoogepriester Eli in 1 Samuel, +IV. Maar de weldadige wonderen zyn de wereld uit. Die vervlll...oekte +zevenklapper!" + +En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my +in, wat daar geschiedde gedurende Wouter's romantische omzwerving, +en zorg dat m'n taal niet al te ver sta beneden de waardigheid van +'t onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit +had zien uittrekken tot bescherming zyner geïmprovizeerde dame, en +hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf, +maar 'n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten +hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem... + +Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze +kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydagavend naar +bed gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me +niets gebleken. In m'n archieven vind ik geen spoor van angst over +'t vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld, +misschien wel omdat dit gevaar z'n verwanten ten-eenen-male onbekend +was. Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig gehad haar opzetje zoo +fyn intekleeden, en 't overslaan van Wouter's naam by 't oproepen +van de ridders wier bescherming zy beweerde noodig te hebben, was 'n +overbodige weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens, +ze zou by veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel +bereikt hebben. De voornaamste aandoening die haar onbegrepen +taktiekje te-weeg bracht, sproot voort uit den afkeer dien hare +geheele persoonlykheid inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht +omtrent haar byzonder plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet +gedacht. De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte, +maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere +lieden zouden omtrent Mensch en Wereld veel te leeren hebben, voor ze +'t standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken. + +En ook van de geestige onwetendheid die we naïveteit noemen, was hier +geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg behoefden +te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze niet. Ze +hadden in dit byzonder geval alleen hierom niets ergs gedacht, omdat ze +gewoon waren in 't geheel niet te denken, en deelden dus de verdienste +van 't vertrouwen, met Wouter's muts die er ook geen kwaad in zag, +juffrouw Laps 'n paar uurtjes gezelschap te houden. [12] + +--Ik begryp om al de wereld niet, waar de jongen zoo lang blyft? zei +de moeder. + +--Hy zal niet vroeg opgestaan wezen, en misschien laat ze hem by +'t ontbyt 'n kapittel uit de Schrift lezen. + +Aldus Stoffel. En de familie berustte zonder veel inspanning 'n +half-uurtjen in die bemoediging. + +--Wat zou je-n-'r van zeggen, als jyzelf er eens heenging? stelde +eindelyk juffrouw Pieterse voor. + +--'t Zal moeielyk gaan, moeder! Want ... uwe weet, het is niet in +den weg van m'n school. + +Dit argument voor non-interventie was volkomen geldig. Men moet nooit +iets doen wat niet op z'n weg ligt. Ziehier een der liefelyke kanten +van 'n welbegrepen konservatismus. Stoffel zelf wist niet hoe diep +de zin was van z'n staatkundig grondbeginsel. + +--Maar... als we dan Leentjen eens daarheen zonden, om te vragen waar +de jongen blyft? + +Dit werd goedgekeurd. Leentje ging, en kwam weldra terug met de +boodschap dat "Wouter waarschynlyk 'n wandelingetje maakte." + +Zóó namelyk had juffrouw Laps in den angst van haar hart gezegd. En +'t was niet geheel-en-al onwaar. Wouter was inderdaad na z'n vertrek +uit haar woning, terdeeg aan 't wandelen geraakt... de lezer weet +het. Maar juffrouw Laps verzuimde wyselyk, er by te zeggen waaròm hy +'n wandeling deed, en op welk uur hy haar verlaten had. Leentje had +geen erg er naar te vragen, omdat het vanzelf scheen te spreken dat-i +niet was uitgetogen in 't holste van den nacht. En zóó ook werd de +zaak door z'n moeder en zusters opgevat. Ze kwam dus eenvoudig neer +op een van de zonderlinge gewoonten van Wouter, waarover men zich +zoo dikwyls te verwonderen had. + +--Daar heb je 't weer! zei de moeder. De last die ik van dàt kind +heb ... kyk! 'n Ander maakt 'n kuiertje na den eten, niet waar? En hy +... wat doet-i? Hy loopt rond in den vroegen morgen. Ik vraag jezelf +nu, Stoffel, of dat 'n manier van doen is? + +--Né, moeder! + +--En ons hier in angst te laten zitten! + +--Ja, moeder! + +--Zieje, 't is toch weer heel erg van hem. Hy moest begrypen dat +we hier allemaal in doodelyke ongerustheid ... god weet waar-i nu +weer rondloopt? + +--Zeker, moeder! En nu is 't tyd voor m'n school. Dag, moeder! + +Stoffel vertrok. Van dien angst en die ongerustheid was geen woord +waar. Deze klacht hoorde er zoo by, meende de familie, overigens niet +de minste blyken gevende van bekommering over Wouter's lot. Ook hier +alweer speelden onkunde, onwetenheid en traagheid haar gewone rol. Het +kòn immers zyn dat den knaap 'n ongeluk overkomen was? Z'n moeder +vond het gemakkelyker hem te beschuldigen van onbehoorlyk gedrag, +dan ernstig te onderzoeken waar-i beland was. En hierby bleef het, +tot dokter's Kaatje kwam. + +De lezer weet hoe Holsma z'n koetsier gelastte 'n oogenblik optehouden +voor Wouter's woning, ten einde dat meisje gelegenheid te geven tot +uitstappen. Alles was haastig naar 't venster geloopen ... + +--Daar is-i, daar is-i! riep de heele familie om 't hardst, hy zit +zoowaar in dokter's koets! + +Deze opmerking verdreef alle andere indrukken, en Kaatje's +geruststellende taak viel byzonder ligt. Eigenlyk had ze niets hoeven +te zeggen. 't Kwam er niet meer op aan, waar Wouter geweest was ... nu +reed hy in 'n koetsje. In's hemelsnaam, wat wil men meer? + +--By dokter ontbeten? Gut, mensch, wat zeg je! En ... en ... waarom +heeft de koetsier z'n beeremuts niet op? + +De verwonderde Kaatje beriep zich op 't saizoen, en vond de ontvangst +die haar te-beurt viel, zeer zonderling. De verdenking die zy koesterde +omtrent Wouter's geestvermogens, ontving nieuw voedsel door de vreemde +manier waarop haar boodschap beantwoord werd. 't Scheen wel dat de +heele familie ... 'n beetje ... + +--En heeft-i wezenlyk by dokter ontbeten? Begryp eens, Trui +... ontbeten! + +--J...a, juffrouw, hy heeft by ons ... ontbeten! O ja, zeker, ontbeten +... m'nheer heeft het gezegd. + +--By den dokter? En ... ontbeten, zeg je? Op den Kolveniersburgwal? + +--Wel zeker! Waar anders? Maar ... wat zou dat? + +--En ... is-i wel fatsoenlyk geweest? + +--Gut ja, juffrouw, maar ... + +--En nu zit hy met den dokter in de koets? + +--Wel zeker, juffrouw! Maar ... + +--Hoor 'ns hier, vryster, ik zal jou eens wat zeggen, maar je moet +er niemand overspreken. Hy is 'n zonderling kind, weetje ... + +--Ja, zuchtte Kaatje, volkomen overtuigd. Dàt weet ik! + +--Zoo? Weetje 't? En weetje-n-ook waarom? Dàt zal ik je nu eens +vertellen. Hy is zoo'n zonderling kind, omdat--ga jy even op-zy, Petrò, +en jy ook Mine ... Trui kan blyven, maar kyk op je werk!--hy is zoo +zonderling en dingsig, weetje, omdat ik, toen ik zwaar van 'm was ... + +--Gut, juffrouw! + +--Ja, vryster! Toen heb ik gedroomd van 'n kapel die 'n olifant +voorttrok. Begryp je 't nu? + +--O ja, ja, ja, precies, juffrouw! Ik begryp 't nu heel best. + +--Zie je? En daarom ... doe de komplimenten aan den dokter, en zeg +dat ik wel laat bedanken. 't Is nu maar te hopen dat-i fatsoenlyk +is ... Wouter, meen ik. Gut, draagt de koetsier zoo'n muts alleen in +den winter? + +Kaatje maakte dat ze wegkwam. Ze nam zich voor, nooit van kapellen +en olifanten te droomen. Zoo'n uitspatting van den geest kwam haar +zeer gevaarlyk voor, want ze begon nu in allen ernst te meenen dat de +heele familie gek was, en dat zy in Wouter daarvan slechts 'n klein +staaltje gezien had. + +Toen, eenige uren later, de dokter-zelf zich de moeite gaf juffrouw +Pieterse te komen geruststellen, kende de vreugd over Wouter's +verheffing geen grenzen. Holsma bestudeerde deze en andere zotternyen, +en maakte van z'n opmerkingen gebruik by 't bepalen van den geestelyken +leefregel dien hy Wouter straks zou voorschryven, een dieet dat hy +nog meende te moeten inkrimpen na 't voorgevallene in den Schouwburg. + +Wat juffrouw Laps aangaat, zyzelf wist niet hoe goed alles buiten +haar toedoen geschikt was. Ze hield zich den heelen dag bezig met +onnoodig gepeins over de mogelykheid om 't ding te redden, dat ze--wel +eenigszins met verkrachting van den zin--haar "eer" noemde. Daar zy +evenwel tot geen besluit kwam, bewaarden de gunstige goden haar voor +'t nemen van maatregelen die juist andersom zouden gewerkt hebben +dan de eisch was. Ze deed niets, en door 'n byzondere welwillendheid +van 't lot, was dit de beste party die ze kiezen kon. 't Spyt me +voor sommige lezers, dat haar veroveringstocht niet tragischer +afliep. Maar de moraliteit wint er by. Ik gis dat Fancy 't gemeene +schepsel de belangwekkende smart niet gunde, van de kastyding die ze +verdiend had. Een paar dagen angst was voor haar peccadille volkomen +genoeg. 't Spreekt vanzelf dat ze nog altyd bleef vreezen dat Wouter +haar aanklagen zou. + + + +Wouter was inderdaad dien saturdag-nacht by de Holsma's gebleven. Den +volgenden morgen vroeg nam de dokter hem by zich op de studeerkamer, en +sprak hem vriendelyk toe. Hy moedigde den ontluikenden jongeling aan, +hem zoo goed mogelyk te vertellen wat er in z'n gemoed omging, doch +onthield zich zorgvuldig van alles wat Wouter in de meening zou kunnen +brengen dat-i byzonder was. Het spreekt overigens vanzelf, dat hy meer +begreep dan Wouter zeggen kon. Ook de niet zeer handig overgeslagen +geschiedenis met de onnoozele verleidster, lag hem klaar voor oogen. Hy +luisterde naar Wouter's ontboezemingen, als naar iets zeer bekends, +en stelde z'n onbegrensde eerzucht--of liever z'n voorbarige en +overspannen zucht naar 't goede: z'n God-zyn--als 'n gewoon verschynsel +voor, dat uit de levensperiode voortsproot, en... dat uit den weg moest +worden geruimd. Ook Wouter's liefde voor Femke, behandelde hy als 'n +zeer gewone zaak. Om aan al deze geringschatting zooveel doenlyk de +pynlykheid te ontnemen, haalde hy gedurig z'n eigen ondervinding aan, +en verklaarde zichzelf schuldig aan de fouten die hy in Wouter meende +te moeten gispen, een methode die nog altyd veel ouders en opvoeders +onbekend schynt te zyn. Ook Jezus heeft over 't hoofd gezien dat men +zich bukken moet om te kunnen opheffen. Of werd hem die terugstootende +heiligheid aangewreven door vervalschers? Meenden zy misschien dat +de zondeloosachtigheid die hem zoo volstrekt onbevoegd maakte tot +voorganger, als onmisbaar bestanddeel van z'n goddelyke natuur moest +worden voorgesteld? Zagen ze niet in, dat de voorgewende verheffing +tot méér dan Mensch, 'n verlaging was beneden 't peil der Mensheid, +die juist aan den specifisch-menschelyken stryd tegen afdwaling, haar +hoogheid te danken heeft? Dat ook hier alweer 't onbruikbaar-goddelyke +uitloopt op ongerymdheid, spreekt vanzelf. + +Holsma, heel ongoddelyk, maar goedig, verstandig en waar, zette +zich niet op 'n voetstuk. Hy begon met de betuiging dat ook hy in +z'n jeugd alles wat Wouter hem meedeelde, ondervonden had, en tevens +dat hy dezelfde gemoedsverschynselen in byna alle andere jongelieden +waarnam. Ook trachtte hy de zaak terugtebrengen op burgerlyk-praktisch +terrein, met vermyding van allen prikkel tot geestvervoering. Het +kwam hem voor, dat z'n patiënt aan zulke behandeling behoefte had, +en hy volgde dus in zekeren zin de koud-water-medikatie van Vrouw +Claus. Of deze ontnuchtering ten-allen-tyde en voor ieder dienstig +is, blyft de vraag. Ook paste de menschkundige Holsma ze slechts +voorloopig toe, en misschien wel als proef om te weten of Wouter +tot hooger levensopvatting in-staat was. Hy liet hem z'n gemoed +uitstorten, en viel hem niet in de rede, waaruit voortvloeide dat +Wouter vry slecht sprak, omdat onafgebroken verhandelingen niet +in de natuur liggen. Juist het gehakkel der voorstelling deed den +ongeoefenden spreker bemerken--en hierom was 't Holsma te doen--dat +z'n aandoeningen minder belangwekkend waren dan hy gemeend had. Hy +voelde lust zichzelf in de reden te vallen met de vraag: "is 't anders +niet?" en begon nu te vreezen dat ook Holsma dit zeggen zou. Maar +toen-i eindelyk scheen gereed te zyn, antwoordde deze vriendelyk: + +--Zeker, zeker, m'n jongen, ik ken dat! In zulke stemming zou je overal +willen zyn, alles willen regelen, beheerschen... alles goed-maken, +niet waar? Je hebt 'n gevoel alsof je voor alles aansprakelyk was. Het +hindert je dat er zooveel verkeerds is in de menschen, en dat zy +... o ja, ja, ik ken dat zeer goed! + +Maar, eilieve, denk eens na over de middelen die je tendienste +staan. Hoe zou je 't aanleggen om iets te verbeteren? Wouter zweeg. + +--Meen je dat àlle menschen slecht zyn? Dit mag je toch niet aannemen, +dunkt me. Onder die menschen zyn er gewis velen die 'tzelfde wenschen +als jy. Waarom veranderen zy de wereld niet? + +Wouter zweeg alweer. Juist de eenvoudigheid van de vraag belemmerde +hem. Maar Holsma drong op antwoord aan. + +--Welnu? Komaan, ik zal je helpen. Geloof je dat ik 'n goed mensch ben? + +--O ja, riep Wouter hartelyk. + +--Ei? Nu, ik geloof 't ook. Ik zou me schamen als ik dit niet durfde +zeggen. Waarom dan verander ik de wereld niet? Je spreekt zoo dikwyls +van Afrika--omdat je dat land niet kent, m'n jongen!--welnu, ik die 'n +goed mensch ben, heb nog altyd de slavenjachten niet afgeschaft. Waarom +niet, denkje? Antwoord eens. + +Wouter was volstrekt geen debater. 't Lag niet in z'n eerlyken aard, +het geven van 'n stellig antwoord te weigeren uit vrees dat het +straks zou kunnen gebruikt worden als stormram tegen de meening die +hy verdedigen wou. Toch bleef hy weifelen. Men bedenke dat Holsma +bezig was met 'n amputatie. Is 't wonder dat de patiënt het deel van +z'n ziel, dat afgezet worden moest, angstig terugtrok? + +--Welnu, dan zal ik de zaak anders voorstellen. Je hoort immers wel +dat aanhoudend geklop en gehamer... luister! Dat is van 'n smedery +hier-naast. Je begrypt wel dat me dit soms hindert? + +--By ziekte? + +--Ja, en als ik te denken heb. Ik wenschte die smedery verplaatst +te zien... zóó... fluks... op-eens! Zeg me nu eens, waarom doe ik +dat niet? + +--Omdat ... u niet kan, m'nheer. + +--Juist! Dáárom ook heb ik tot heden toe niets veranderd aan al wat +er verkeerd geschiedt in Afrika. En ook in Azië niet. En in Amerika +niet. En in zeer veel landen niet. Maar gister-avend in de komedie, +toen je onwel was--'t was er warm!--nam ik je mee, en ik heb je +verzorgd en naar bed laten brengen. En ik heb je moeder laten +geruststellen over je lang uitblyven. Dat alles was m'n plicht, +niet waar? + +--O, m'nheer... + +--Geen dank, m'n jongen! 't Kwam me voor, dat het m'n plicht was, +en ik deed het: omdat het kòn. Wat niet kan, is m'n plicht niet! En +daarom ook neem ik die smedery niet tusschen duim en vinger, om haar te +verzetten naar 'n andere buurt. Om dezelfde reden bemoei ik me niet +met Afrika. Onmogelyke plicht is géén plicht, en het jagen daarnaar +staat het vervullen van onze werkelyke plichten in den weg. Heb je +weleens op-school je les niet gekend? + +--O, dikwyls! Maar in den laatsten tyd niet, omdat Femke... + +--Laat Femke nu even rusten. Misschien zeg ik straks een woordjen over +haar. Toen je op-school je werk verzuimde, had je zeker aan wat anders +dan je lessen gedacht, aan dingen die niet voor-de-hand lagen. Dit +nu is de fout van veel jongeluî, en--word er niet boos om: ik was +ook zoo!--ze komt grootendeels voort uit luiheid. Het is gemakkelyker +zich te verbeelden dat men zweeft boven 'n berg die heel in de verte +ligt, dan in werkelykheid z'n voet optelichten om over 'n steentje +te stappen. Onder de millioenen zaken die je zoudt willen doen, zyn +er slechts weinigen die je zoudt kunnen doen. Bemoei ie voorloopig +alleen met die weinigen. Dàt is de weg om verder te komen. Vraag altyd +jezelf af: "wat wordt er op dit oogenblik van me gevorderd?" en gebruik +niet de ingenomenheid met het vermeend hoogere, als voorwendsel tot +verwaarloozing van wat je lager toeschynt. Je bent ontevreden met je +tegenwoordig standpunt? Wel, maak je 'n beter standpunt waard! Dit is +de manier om het te bereiken, en de eenige goede manier. Vraag jezelf +by elke gelegenheid af: wat is m'n naast-byliggende plicht? Kun je +me dit beloven? + +Wouter gaf er de hand op. + +--En je wou zoo graag meer weten? Ik ook, m'n jongen! Laat ons zien +wat er aan die kwaal te doen is. Wat u betreft, het ontbreekt je nu +zeer in 't byzonder aan de schoolkennis, waarin jongelieden van uw +leeftyd die in andere kringen werden opgevoed, je vooruit zyn. Dàt is +ligt intehalen, en we zullen er op terugkomen, maar... 't is op dit +oogenblik je naast-byliggende plicht niet! 't Beetje latyn dat onze +Willem verstaat, en waar je zoo jaloers op bent, is in 'n paar maanden +geleerd, vooral wanneer je je zult geoefend hebben in 't willen. Wat +zou 't nu helpen, nu? Wen je eerst dat zweven af, dan komt het latyn +vanzelf, en 't grieksch ook, en al de andere zaakjes waartegen je +nu zoo hoog opziet. Er zyn op dit oogenblik heel andere vyanden te +verslaan, dan de ridders uit je romans. Minacht de moeielykheden niet, +die je te bestryden hebt. Dit zou juist oorzaak kunnen worden van +'n treurige nederlaag. Je moet je denkvermogen leeren gebruiken naar +je eigen wil, en de verbeelding knotten die je anders over 't hoofd +groeien zou. Er zyn wysgeeren geweest, die beweerd hebben dat het +leven 'n droom is. Wat ze daarmee eigenlyk bedoelden, is me niet zeer +helder. Die uitspraak-zelf komt me droomerig voor. Misschien vergis +ik me hierin, doch wel durf ik met zekerheid zeggen dat droomen geen +leven is. Begryp je dit? + +Wouter knikte toestemmend. + +--De ware verhevenheid, ging Holsma voort, is dat men doet wat +men doen moet, zelfs 't geringe. Wat zou je zeggen van ridders die +zich op den kop lieten slaan door vagebonden, omdat hun riddereer +niet toeliet zulk kanalje ten-onder te brengen? Zou je dit niet +'n onbruikbare ridderschap vinden? Je gaat nu in den handel? Kom +my over 'n maand eens vertellen of je woord gehouden, en altyd je +naast-byliggende plicht vervuld hebt? Dan zullen we verder zien, +maar... dàt eerst! Zal je 't doen? + +--O zeker, zeker! Maar... m'nheer, mag ik u nu vragen naar... + +--Naar Femke? Wel, dat is 'n best meisjen, 'n heel braaf kind, en +'n nichtje van me. + +--Maar hoe dan te begrypen wat ze daar kwam doen? En hoe ze... + +--Die dame in de komedie was Femke niet. Dat was prinses Erika. We +wilden haar zien, omdat haar voorouders aan de onzen verwant +waren. Hierin is niets byzonders, kereltje! + +--Een wezenlyke prinses? + +--Ja, en Fem is 'n wezenlyk waschmeisje. We willen hopen dat die +Erika even degelyk van karakter is als zy. Maar, jongen, hecht +toch aan zulke dingen zoo'n gewicht niet. Men ziet dat afwyken +van familievertakkingen dagelyks. Of, al ziet men 't niet, het +is zoo. Er moet 'n tyd geweest zyn dat Erika's voorouders zich in +beestenvellen kleedden, en de mynen ook. De vraag is, of zy 't weet +dat ze hier te-lande stamverwanten heeft? Dat wy 't weten... nu ja, m'n +broer Sybrand schept genoegen in 't opsporen der overeenstemming van +schynbare tegenstellingen. Ook in taal... dit heb je by 't kippenhok +gehoord. Wel beschouwd, is de wereld veel kleiner dan je meent: alles +raakt elkaar! Wie weet of 't niet invloed heeft op de Geschiedenis, +dat je morgen by die heeren... hoe heeten ze ook? + +--Ouwetyd en Kopperlith, m'nheer. + +...dat je by de heeren Ouwetyd en Kopperlith den handel gaat +leeren. Welnu, wereldhistorisch of niet, doe daar je naast-byliggende +plicht! Dit is nu de ridderlyke taak die ik je opdraag... als je naar +me luisteren wilt. Zal je 't doen? + +--Heusch, m'nheer! Maar... Femke? + +--Daar heb je 't al! Ze heeft niets met je naast-byliggende plicht +te maken. De eenige dame die je voor 't oogenblik dienen moogt, +is... nu, wie? + +--De... handel? + +--Juist! Wil je nu volstrekt iets van Femke weten... welnu, zy zegt +ook dat je je niet met haar bemoeien moogt, en aan niets moet denken +dan aan je werk... + +--O, ik zàl, ik zàl! + +--Nog wel tien jaren lang. + +--Tien jaren? Tien? + +--Ja, zóó zei ze toen ik haar vertelde dat je nog zoo weinig wist, +en zoo weinig kon. + +--Tien jaren? + +--Nu ja, zóó zei ze. Misschien acht, of... twaalf, of... twintig, want +je begrypt wel dat men zoo-iets niet zoo héél nauwkeurig kan bepalen. + +--Tien jaren? + +--Zóó zei ze. + +--Ik zàl! + +--Heel goed, m'n jongen. 't Zal my genoegen doen, en... háár ook. Begin +er dus spoedig mee, en dring je niet op, dat het zoo byzonder moeielyk +is. Dat maakt zenuwachtig. Duizenden zyn voor tien jaar begonnen +met wat u morgen te doen staat, en... ze leven nog! Je ziet dus wel +dat het kàn. Bovendien, denk nu voorloopig maar alleen aan de eerste +maand. Zoo breek je den tyd. Over 'n week of vyf wacht ik je hier. Dan +zullen we verder zien. + +Na nog eenmaal beloofd te hebben dat-i "alle gekheid" uit z'n +gedachten zetten wou, nam Wouter voor dien dag afscheid. Maar hy +bewaarde z'n rozeknopjes, al was 't hem niet helder of de vereering +van deze reliek--het eenige wat hem uit de afgeloopen driedaagsche +stormperiode overbleef--'n prinses gold, of 'n bleekmeisjen, of beiden, +of de kleine Sietske Holsma, of 't portret uit de zykamer, of z'n +ideaal dat hyzelf samentooverde door 't onwillekeurig ineensmelten +van al deze beelden tegelyk. Om zyn aan Holsma gegeven woord gestand +te doen, verbood hy zich alle onderzoek dienaangaande, en drong met +heldhaftigheid z'n aandoeningen terug. Het blyft de vraag, of-i +tot helderheid en zelfkennis zou geraakt zyn, wanneer hy hierin +niet geslaagd was? Wie zegt ons of niet misschien de indrukken die +hy meende te hebben opgevangen van buiten-af, de afspiegeling waren +van z'n eigen gemoed? Om dezen twyfel begrypelyk te vinden, heeft men +zich slechts aftevragen, of z'n fantazie werkeloos zou gebleven zyn, +indien hy al die voorwerpen niet ontmoet had? Ik acht deze opmerking +hierom niet zonder gewicht, wyl ik aan de gewaarwording die Wouter +beheerschte, nog altyd den naam van liefde niet geven durf. Dat een der +meest karakteristieke kenmerken van het beminnen, de zucht om goed te +zyn hem niet ontbrak, is waar. Doch deze neiging had zich reeds veel +vroeger in eigenaardige overdrevenheid by hem geopenbaard, waaruit +dan ook, lang voor hy Femken ontmoette, z'n overspannen eerzucht en +de daarby behoorende hoogmoed waren voortgesproten. + +Onder de aandoeningen die hy na 't gesprek met Holsma moest +terugdringen, speelde de nieuwsgierigheid naar de oplossing der +verschillende wyzen waarop Femke zich aan hem vertoond had, maar +'n zeer ondergeschikte rol. Dit schynt te vreemder, omdat hy aan de +door Holsma gegeven verklaring geen geloof sloeg. Hy bleef er by, +dat het meisje in den schouwburg wel inderdaad de persoon was geweest +die men tot-nog-toe Femke genoemd had, en schreef Holsma's verzekering +óf aan dwaling toe, óf aan de zucht om hem tot kalmte te brengen. Hy +beweerde meer van dat meisje te weten dan den dokter kon bekend zyn, +die haar niet in die herberg gezien had! Dat ze zich kon voordoen +als prinses, kwam hem volstrekt niet vreemd voor. Het was eer te +verwonderen, meende hy, dat ze de goedheid had, zich nu-en-dan te +vertoonen als kindermeisjen of als dochter van 'n waschvrouw. Een +prinses? Wel mogelyk! Waarom niet? Dat meisjen op die tafel zou niet +Femke geweest zyn? Ook niet die verschyning in den schouwburg? Heel +natuurlyk, en geheel in overeenstemming met de hoogte waarop hy +altyd het voorgewende bleekmeisje geplaatst had? Als dat niet Femke +was, dan kon zeer goed het meisje dat hy tot nog toe Femke noemde, +eens-vooral prinses wezen. Deze verandering was zoo groot niet, +of liever... 't was er geen. Als 'n bliksem schoot hem nu ook de +indruk door de ziel, dien het schrikwekkend bellen van juffrouw Laps +dien vrydagavond op hem gemaakt had. Toen immers reeds vroeg hy zich +af, of daar misschien prinses Erika was, die kwam ruilen? Er bleek +nu, dat ze dit reeds voorlang gedaan had! Dat er in dit alles iets +geheimzinnigs lag, ontveinsde Wouter zich niet, maar dit geheimzinnige +kwam zoo juist overeen met z'n droomen en luchtbeelden, dat het hem +meer bevredigde dan ooit nuchtere waarheid zou hebben kunnen doen. Hy +was evenmin nieuwsgierig als de velen die na de lezing van Genesis, +nu eens-vooral meenen te weten: "waar alles vandaan gekomen is" en +geen lust hebben in 'n onderzoek dat hun die genoegelyke zekerwetery +zou kunnen kosten. Hierin zal dan ook wel de oorzaak liggen, dat voor +zekere gemoederen slechts de fabel 't kenmerk van de waarheid draagt. + +Gelyk de Mensheid in voorhistorische tyden, was Wouter nog altyd +ontvankelyk voor 't buitengewone, voor 't wonderbare, voor 't +onrnogelyke. Wie hem verzekerd had dat Femke onderworpen was aan gewone +aandoeningen, zou niet zoo zeker op geloof hebben kunnen rekenen, +als de dichter die haar tot onderwerp had gekozen van de wildste +fantazie. Wanneer hy haar had te spreken gekregen, zou er aan ànderen +die 't onderhoud bywoonden, gebleken zyn dat zyzelf in dit opzicht +hooger stond, maar of 't hèm gebleken ware, blyft de vraag. Elke +uiting van haar eenvoudig gezond verstand zou hy hebben opgenomen +als neerbuiging om-zynentwil, als 'n poging om 'n taal te spreken die +verstaanbaar was voor... menschen of burgerjongetjes. "Ze houdt zich +zoo om my niet afteschrikken" zou hy dan gedacht hebben. Inhoeverre er +by dit alles invloed werd uitgeoefend door de byna geheel uitgewischte +herinnering aan de Fancy-verschyning, is moeielyk te bepalen. Wel +was de indruk daarvan niet meer te herkennen, doch misschien deden +zich nog altyd de gevolgen van dien indruk eenigszins gelden. Z'n +geest was eenmaal zekeren weg opgestuwd, en in deze richting ging +hy voort, al was dan ook 't punt van uitgang sedert lang uit het +oog verloren. Ook deze byzonderheid is op de Geschiedenis van 't +Menschdom ten-volle van toepassing. Wy werpen de fabels weg, waarmee +ons Geslacht in z'n kindsheid werd vermaakt, we schamen ons over +'t geloof aan de spokery waarmee het bedrogen werd, maar... blyven +gebukt gaan onder de gevolgen der onnoozelheid van vorige geslachten. + +Wouter vroeg niet meer: "zou zy 't zusje wezen, dat ik +zoek?" maar de behoefte aan ineensmelting met 'n wezen, dat hy +wilde toebehooren--in-verband altyd met z'n zucht naar kennis en +stryd--bleef bestaan. En alweder werkte de onbewustheid van deze +neiging bevredigend op z'n begeerte om de vele byzaken die hy niet +begreep, eens eindelyk opgehelderd te zien. In al het vreemde dat +hem de laatste dagen overkomen was, vond hy evenzeer aanleiding om +zich aftevragen: "wat wàs er toch?" als om zich toeteroepen: "zeker, +zeker, zóó is het! Juist wat ik altyd meende!" Dat mysterieuze-zelf +was juist de voldoening die hy zocht, en... dus nog altyd 'n blyk +van z'n onrypheid. Zyn aandoeningen waren hem als 'n bewogen water +waarin de onvolwassen ziel de Nixen ziet spelen, die ze zien wil, hoe +onbestemder van omtrek, hoe weifelender van lynen, hoe liever. Naar +juister teekening, naar meer duidelykheid, haakt die ziel niet... er +mocht eens blyken dat ze zich slechts gespiegeld had in de rimpeling +van den door haarzelf in roering gebrachten vloed! + +Was Femke géén prinses? Was prinses Erika niet--uit weeldeliefhebbery +dan--'n waschmeisje? Eilieve, misschien ook was dat heerlyk standbeeld +op die tafel, noch de een noch de ander... 'n derde verschyning +dus! Drie? 't Is te weinig! Millioenen beelden van dien aard waren +niet te veel om, saamgevat in één totaal-gedachte, de begeerte te +bevredigen van 'n gemoed dat, slechts ontluikend nog, niet Femke +beminde, maar... de Liefde! Waarlyk, de knaap had nog veel te leeren, +en waarschynlyk waren op deze behoefte, de raadgevingen van z'n +menschkundigen vriend gegrond. Het schynt wel, dat Holsma inzag hoe +Wouter vóór alles moest kennismaken met het àllerlaagste, om allengs +opteklimmen tot de Poëzie der Werkelykheid die zooveel hooger staat +dan liefelyk-bontgekleurde--maar kinderachtige, onvoedzame en dus +verderfelyke--droomery! + +Hoe dit zy, even als hyzelf, dalen we voor eenigen tyd naar +lager sferen. Het hoofdkwartier van de Mensheid is nu eenmaal +gelykvloers. Vandaar gaan wy altyd uit, dáárheen keeren wy altyd +terug. Het is al wel, wanneer we niet verleerd hebben van-tyd tot-tyd +ons te vermeien in wat vlucht. Hopen wy dat de lust en de kracht ons +niet begeven, die uitspanning te hervatten. Er bestaat dan tevens +kans, nader kennis te maken met prinses Erika, by welke gelegenheid +we misschien te weten komen dat aristokratie van verstand en hart niet +uitsluitend behoeft gezocht te worden in de... lagere standen, zooals +sommige romanschryvers--hofmakend aan 't gemeen--weleens voorgeven +te gelooven. Reeds nu durf ik verzekeren dat ze wel degelyk "van de +familie" was, en wel in veel hooger zin nog, dan oom Sybrand weten kon. + +Voor 't ons vergund is nader kennis met haar te maken, hebben +we--precies weer als Wouter zelf--vervelender dingen te behandelen. Zóó +immers moet m'n geschiedenisje geschreven worden, op-straffe van niet +op 't leven te gelyken, wat 'n fout wezen zou, 'n groote fout... de +gewone! + + + + + + + + Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare + halsboorden. Non omnibus licet... zonder de minste toespeling + op Corinthe. + + +Fancy's luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van +byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk +uitgenoodigd z'n verwachting op de leest van het dagelyksche te +schoeien. + +De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger aan, +dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde dan +'t meerendeel van z'n medemenschen, maar uit onrust. Hy had weinig of +niet geslapen, en verliet z'n bedstee zoodra 't licht werd, drie volle +uren alzoo voor-i zich had aantemelden op 't kantoor van de heeren +Ouwetyd & Kopperlith. Wat z'n diligentie in dit opzicht aangaat kon dus +dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in +de plichten die onmiddellyk vóór hem lagen, met ter-zydestelling van +utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. Maar hyzelf +zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook, +en vooral, zich uitsluitend bezig-houden met het dagelyksche, maar +juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was, +voerde hy 'n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare neiging +tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan de lezer, +die na al 't vorige wel evenveel moeite hebben zal als Wouter-zelf, +om belangtestellen in 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. + +--Zeker, zeker, dacht hy--nu-en-dan overluid--ik zal braaf oppassen, +en terdeeg m'n best doen, en werken tot ik moê ben, en zorgen dat +ieder tevreden over my is, maar... zou ik nu daarom niet eerst Femke +eens mogen spreken? Zou dàt nu oorzaak kunnen zyn, dat ik m'n plicht +in den handel verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet +waar ze m'n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet +vragen aan Vrouw Claus, wie haar in 't hoofd gezet heeft dat ik op 'n +paard reed? En dat ik 'n sabel op-zy had... 'n kleintje, zei ze. Nu, +klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze 'r aan? + +En... dat Stakkervrouwtje? + +En... dat portret! + +Ik wil en zàl denken aan m'n werk, alleen aan m'n werk, en aan +de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun kantoor, +en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den +heelen "Strabbe" en moeielyker dan van Strabbe, zullen de sommen +op zoo'n kantoor toch wel niet wezen, denk ik. En al was dit zoo, +dan zal ik... neen, neen, moeielyker dan van Strabbe zyn de sommen +op zoo'n kantoor zeker niet! Zouden nu zulke heeren-zelf ook den +heelen Strabbe doorgewerkt hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord +toen ze jong waren. Dat ik de eerste ben geworden by Pennewip, heb ik +aan Femke te danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik +'t knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o, +in lang niet! Later... ja, toen ik 't geworden was om haar pleizier +te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas +beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of +veel langer nog, aan niets mag denken dan aan m'n werk! Alle Grieken +zullen vermoord zyn, voor ik 'n wezenlyke man ben. En... Femke zal +trouwen met 'n matroos, of 'n timmerman, of... met 'n schipper die +'n bonte muts draagt, of... met 'n prins, als ze wil! + +Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och, +hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat +ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in +zoo'n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... zóó! En in +de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy +vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heele Scylla was +niets dat uit de verte halen kon by háár. Dit zal de keizer ook wel +begrepen hebben, en dáárom heeft hy haar gegroet. + +Zoodra ik heelemaal groot ben--ik meen: als ik den handel versta, +want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat zàl +ik!--nu, later dan, wil ik ook eens 'n treurspel maken, en zóó dat +ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en 't Volk, +en allemaal! Ik zal er iets inbrengen van 'n geroofd schild, en +... Femke zal het terugbrengen ... zy, of ik, of ... wy samen. Ja, +zóó zal 't wezen, juist andersom dan in Scylla. En ik wou m'n stuk wat +minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek +houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen +dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. En telkens wist ik wat er +volgen zou, want als de een wat zei van z'n hart, vertelde terstond +'n ander iets over z'n smart. 'n Enkele keer hindert het niet, maar +op-den-duur is 't heel vervelend. Dat zei dan ook die Focus: weerhou +die redenen, prinses, die my vervelen. Ik geloof niet dat 'n grieksche +held ooit zoo iets kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen +mee dat z'n beminde voor hem stierf--ik zou 't ook niet toestaan--dat +was geen reden om haar zoo onvriendelyk toetespreken. Misschien was +'t weer om 't rym. Daarom zal ik niet rymen in m'n treurspel. Niet +altyd, tenminste. Als ik nu maar lang genoeg leef om zoo-iets te +mogen beproeven, en als zy maar niet vóór dien tyd ... + + + Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft, + My weglokt van de taak die op me rust. + Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel, + En tracht me wegtestelen van m'n plicht ... + Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heen + Omdat ik altyd nog mezelf niet ben, + En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet, + U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept. + En stom, als 't hart me berst van drang tot uiting. + Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog, + Die leeren moet, en leeren, altyd leeren, + En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ... + + +--Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op? + +--Hm ... ja ... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy verlegen. Ik +was opgestaan omdat het zoo warm was in 't bed, en ... en ... dáár +sprak ik over! + +Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds +gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets +anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Zóó had de dokter gezegd! + +En nogeens dwaalden z'n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw +Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte +zich. En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner +schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z'n Strabbe. Met dat boek +bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van 't ontbyt. + + + +Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag, +en was mild in 't uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop Wouter +zich in z'n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy moest vooral +heel fatsoenlyk wezen, en door z'n gedrag de heeren opwekken tot +het besef der goede hoedanigheden van z'n moeder. Ook was 't niet +kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma's op den Kolveniersburgwal +gelogeerd had, en dat de schoenen van z'n vader ... + +--Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op z'n tyd op +'t kantoor wezen. Daar houden zulke menschen van. + +--Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En als +ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel +risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je +boordje, en dat stáát niet voor 'n jongen die al op 'n kantoor is. + +Dat boordje--amsterdamismus voor: halskraag--had 'n groote rol +gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De +belangstellende lezer herinnert zich zeker 't jukkraagje, waaronder +Wouter gebukt ging toen we 't eerst kennis met hem maakten in de +Hartenstraat. Door 'n verdrietige gaping in m'n archief--daarvan +zullen zich méér sporen vertoonen, helaas!--ben ik niet in-staat +met juistheid al de overgangen te schetsen, die in dit opzicht de +toenmalige periode scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik +dat de opstaande boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar +"den handel" 'n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der fondamenten +van juffrouw Pietersen's hoop. En ook Wouter-zelf dacht niet gering +over deze verandering. De twee plankstyve linnen lappen die z'n wangen +bedykten, maakten op hem 'n dubbelen indruk. Eerst en voornamelyk +dien van 'n toga virilis. Vervolgens 'n paar roode streepen, die den +weg wezen van z'n mondhoeken naar z'n ooren. Hy was er grootsch op, +en reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femke ontmoet hebben. Wie +styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand +zou dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde, +en dus beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen +omtegaan. Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid 'n lastige +keerzy hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich +uit zien om z'n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem 'n zot +voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar +'t was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de +niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst +moest winnen van z'n nieuwe chefs. Dus: + +--Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en links, +'n Mensen moet vóór zich kyken. Je kunt er vast op aan, dat zulke +heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met je nieuwe boordjes--'t +zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet er nu niet toe, wat zeg jy, +Trui?--je moet je niet aanstellen als 'n wilde. + +Van wildheid was geen spraak, toen Wouter 'n kwartiertje na deze +laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op +de Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch, +helaas, 't scheen wel of reeds z'n eerste aanraking met die firma 'n +misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich--niet zeer oprecht +uitlokkend, maar bruikbaar toch--den bezoeker aan. Een dubbele +glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve beneden +de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf 'n "opgaande stoep" +gelegenheid om doortedringen tot 'n soort van bel-étage. Wouter, +vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg 't geschiktste, en met niet +zeer flink gestrekte knieën besteeg hy de acht of tien trappen. Op +'t bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men +mocht het eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde +hy door 't venster van de "zykamer" het gelaat eener bejaarde +dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z'n +figuurtje scheen te monsteren. 't Scheen wel dat ze hem de stoep +wou afkyken. Wouter had er 'n pynlyk gevoel van, en maakte zich zoo +klein mogelyk. 't Is niet ieder gegeven, en vooral niet iemand die +z'n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder angst, op de stoep +te staan van 'n huis op de Keizersgracht! Met genoegen ware onze held +hard weggeloopen, maar... wat dàn? Bovendien, hy had geen militairen +rang, en moest dus stáán blyven onder bereik van 't geschut uit die +zykamer. Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met een vinnigen blik, +en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan +háár paleis. De martelende inspektie duurde lang, zóó lang dat Wouter +ernstig begon te denken, óf aan den aftocht, óf aan 't herhalen van z'n +klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was 'n moed +noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben zou, +doch gewis op dit oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat baatte +hem nu Holsma's heerlyk voorschrift om altyd flink z'n naastbyliggenden +plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die +stoep? In 's hemelsnaam: hy wachtte! + +Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannen en +place, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, moeielyk te +genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht respekteeren +zich zeer, waarin ik dan ook 't heel eenig kenmerk vind, dat hen +uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te beweren dat +ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. Wat +overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren +om ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z'n hoede is, +wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die de Natuurlyke +Historie der Kleinstädterei tot onderwerp van hun studien kozen, +verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden afgericht op +'t inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de ongelukkigen die +door 'n gram noodlot veroordeeld werden zich daaraan bloottestellen, +zeer lang wachten op 't openen van de huisdeur. Het schynt dat de +ad hoc dienstdoende keukenmeid, door een tot de uiterste grenzen der +mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker in den waan moet brengen, òf +dat het huis zoo byzonder groot is, of dat haar bezigheden onafbrekelyk +zyn omdat ze zoo byzonder veel te koken heeft. Bedoelde auteurs +schryven dezen diepzinnigen gedragsregel op rekening van zekere jacht +naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik die jacht loochenen zou, +maar de aanzienlykheid draagt in myn mond 'n heel anderen naam. Ze +komt my--met het oog op de van dit woord in m'n vorigen bundel gegeven +definitie--ploertig voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje +voorloopig overgeleverd. Hy wachtte met heldhaftig geduld. Heel +eindelyk werd de deur door 'n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend, +doch maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om +Wouter toetesnauwen: + +--Wat mòtje? Mot je by mefrôô weesse? Wa's je booschap? Je skelt +huis, jonge! Ik ken niet f'r jou plessier den heelen dag de skel +naloope. Waarom skel je huis? + +By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. Maar: +"je skelt huis"... wat is dàt? + +--Of skel je keuke? + +Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee +belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren +door de benamingen "keuken" en "huis." Wie groente, vleesch, +boter, of melk kwamen brengen, moest zich melden door middel van de +keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op toegang +tot het salon--'n ding dat er in zekeren zin niet was, gelyk we zien +zullen--mochten zich aanmatigen de zeer pretentieuze huisschel in +beweging te brengen. Wouter die noch viktualie kwam brengen, noch +z'n opwachting maken wilde aan "mevrouw"--zou zy 't wezen, die zoo +onlieftallig door 't venster van de zykamer gegluurd had?--Wouter +erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet wist waar-i wezen +moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer Pieterse was, +toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde naar z'n +identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet. + +Door m'n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken +tot 'n overdryving die zeer te betreuren is. Herhaaldelyk sprak +ik van 'n deur, en... die geopend. Een klein beetje maar, heel +eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! dit nu was +de waarheid, maar... een deur? Vervloekte hyperbolen: 't was 'n +halve! De huisdeur waarachter 'n rechtgeaard Amsterdammer z'n vrouw, +z'n effekten en z'n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte +in tweeën geknipt. De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd +zyn, voor men hem door 't openen van de onderste helft, den toegang +vry laat. De zeer letterlyk-exklusieve strekking dezer byzonderheid +ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer men ze +in-verband brengt met de tallooze hekjes en afsluitingen die elken +voorbyganger schynen toeteroepen: "myn huis, je komt er niet in!" En +nog zyn er gevoellooze bedillers, die 't den Amsterdammer van zulk +gehalte kwalyk nemen dat-i, by zoo'n benauwde levensopvatting in den +regel 'n dom schepsel blyft! Die onbillykheid is niet uittestaan. + +En nog altyd spionneerde die leelyke dikke dame door 't venster +van de zykamer. 't Kwam Wouter voor, dat zy iets hem betreffende +meedeelde aan iemand die in haar gezelschap was. Een heer van minder +dan middelbaren leeftyd, boog over haar heen naar 't venster, en wenkte +Wouter met niet zeer vriendelyk gebaar, dat-i de stoep verlaten, en +beneden aanschellen zou. Goddank, nu wist onze kandidaat-handelsman +ten-minste iets. Allerbeleefdst nam-i z'n hoed af, en schoof +blootshoofds eenigszins bukkend dat dreigende venster voorby, en de +stoep af. Inderdaad, beneden by de dubbele glasdeur was ook 'n bel, +en daarnaast las hy 't woord: magazyn. + +Hier zal ik moeten wezen, dacht hy. Kantoor en magazyn zal wel zoo +omstreeks 'tzelfde zyn. En hy belde. + +De persoon die belast was met het "naloopen" van deze schel, zou alweer +zeer gevoegelyk kunnen doorgaan voor 'n kurator of superintendent +van 't respekt. Hy gaf Wouter veel tyd tot meditatie, vooral over +den tekst hoe moeielyk het is integaan tot den huize Kopperlith. Of +onze expektant-handelsridder behoorlyk gebruik maakte van de zoo +gul aangeboden gelegenheid tot ontwikkeling van z'n denkvermogen, +is te betwyfelen. Bovendien, hy werd gestoord. Men tikte--en op den +klank af geoordeeld, eenigszins toornig--tegen 'n glasruit van de +zykamer. Wouter stapte een tred achteruit, en zag naar boven. De +m'nheer van zoo-even beduidde hem met driftige bewegingen, dat-i +nogeens moest aanbellen, en wat harder. Wouter bedankte door +het afnemen van z'n hoed--had niet z'n moeder hem vóór alles, +fatsoenlykheid aangeprezen?--en hy waagde nu 'n harder trekje, dat +nog al tyd niet terstond door 't openen van de deur gevolgd werd. Het +scheen wel dat de Cerberus van 't "magazyn" 'n zeer hoog denkbeeld +koesterde van 't respekt dat de heeren Ouwetyd & Kopperlith noodig +hadden. De man overdreef z'n yver. Dit begon zelfs de heer in de +zykamer intezien, die alweer tikte, en wenkte: "schel nògeens voor den +drommel!" met 'n uitdrukking alsof Wouter 't helpen kon dat er niemand +kwam. Hy voelde heel duidelyk hoe de ware fatsoenlykheid voorschreef, +vergeving te vragen dat men hem zoolang wachten liet. + +Intusschen gluurde hy door de glasdeur, en wierp nieuwsgierige blikken +in 't "magazyn." Het was een van die lokalen welker afmetingen +men gewoon is uittedrukken door de dichterlyke vergelyking met +'n pypelâ. Eenigszins in afwyking van de bekende omschryving in de +meetkunst, verheugde zich de hier bedoelde ruimte in de eigenschappen +van lengte, breedte en... laagte. De breedte was met die van 't +huis gelyk. De lengte werd aan de voorzy begrensd door de reeds +bekende glasdeuren, die in haar poging om wat licht doortelaten, +werden bygestaan door 't schuins hoekje venster dat z'n hypothenuze +gemeen had met de stoep, en bovendien door 'n ander raampje dat aan +de vóórzy van die stoep aan de straat uitkwam. Het hokje dat door dit +venstertje z'n licht ontving, heette "het kantoortje" in tegenstelling +van 't "kantoor" dat we straks zullen te zien krygen. Wat overigens +de "laagte" van 't magazyn aangaat, deze benaming is zoowel gegrond +op de zeer geringe afmeting van den opstand, als op 't peil van den +vloer. Een volwassen man kon met z'n opgeheven hand de zoldering +bereiken, en de bodem lag 'n voet of drie beneden den beganen +grond. Hy verhief zich niet verder boven de riolen die in de gracht +uitliepen, dan juist voor de bewoners noodig was om niet te worden +meeweggespoeld met de vuiligheid. Wat de verlichting aangaat, men +begrypt dat het weinige glaswerk aan de voorzy, niet àl 't werk alleen +kon doen. Ongeveer op één derde van de lengte, hield het binnenkruipend +licht op. Wie evenwel scherp van gezicht en rechtvaardig was, moest +erkennen dat-i, heenborende door de duisternis van 't midden, vry +duidelyk kon bemerken dat de bouwmeester gepoogd had ook aan den +achterkant iets te laten binnendringen dat naar vermindering van +duisternis geleek. Daar namelyk was door vriendelyke bemiddeling +van 'n boven de zoldering van 't magazyn gelegen binnenplaatsje, +iets te zien dat niet volstrekt zwart kon genoemd worden. Hoe de +venstersoort heette, die dit wonder te-weeg bracht, weet ik niet +recht. Een lantaarn, of 'n koek-koek, of zoo-iets. Er is altyd wat +armoedigs in zulke bouwkunstige meesterstukken. Ze geven getuigenis +van bekrompenheid--in alle beteekenissen! + +Voor-zoover Wouter's blikken in 't magazyn konden doordringen, bemerkte +hy dat de langsche, middelruimte was ingenomen door 'n breede tafel, +waarop stapels lynwaad gerangschikt lagen. Ook rechts en links langs +de muren waren zulke koopmanschappen opgestapeld, zoodat slechts 'n +nauwe doorgang aan weerszyden van die lange tafel overbleef. Alleen +aan 't vooreind, tusschen 't "kantoortjen" en de glasdeur, was eenige +ruimte overgelaten, waar 'n meubel op schragen stond, dat hy later +leerde kennen en waardeeren als "de paktafel." + +Waarlyk, er begon kans te komen, dat de deur tenlaatste zou geopend +worden. Dat Wouter eindelyk in een der gangetjes iemand naderen +zag, zou wat veel beweerd zyn, en alweer aan sommige kunstrechters +die in polemiek op hun gemak gesteld zyn, gelegenheid geven tot de +bakerlyke aanklacht van overdryving. Neen, Wouter zag niets in die +duisternis, maar wel kwam 't hem voor, dat de duisternis zelf zich +begon te bewegen. Er schoof iets zwarts over den zwarten grond. En +dat zwarte werd--zonder overyling altyd--wat bruiner en gryzer +en lichter ... waarachtig, er naderde een menschelyk wezen. Heel +natuurlyk. Gerrit Sloos kwam de deur openen, en beslofte reeds de +ruimte naast de paktafel. Nog één sekonde, en de slotbrug van het +tooverkasteel zou worden opgehaald. Wat vreemds lag daarin? Voor u en +my niets, lezer, maar Wouter was aan 't versteenen geraakt, en stond +op het punt vasttegroeien in z'n wachtstemming. Alle verwondering over +de moeielykheid om in dat heiligdom doortedringen, was zoo volslagen +geweken, dat hy, nu de deur eindelyk geopend werd, zich niet kon +onthouden van eenige verbazing over het tegendeel. 't Scheelde weinig +of hy had aan Gerrit Sloos gevraagd, of-i zich ook vergiste? In-plaats +daarvan echter, nam hy--voor de hoeveelste maal nu reeds!--z'n hoedjen +af, en Gerrit keek vragend tot hem op. Wouter stotterde iets. + +--Ben jy Pieterse, de jongeheer die hier op 't kantoor komen zou? + +--J...a...a, m'nheer! + +--Zoo? Je hoeft geen m'nheer tegen me te zeggen. Ik hiet Gerrit +... Gerrit Sloos, weetje. Eigenlyk is m'n naam Schlossmann, maar och +... wat heeft 'n mensch aan die moffekuren, niet waar? Daarom zeg ik +maar Sloos, en zoo teeken ik ook, want ... ik ben de knecht, weetje, +de kantoorknecht. Kom maar in! + +Wouter daalde de drie trappen af, die toegang verleenden naar +het hol. Z'n eerste beweging, toen-i naast de paktafel stond, +was 'n onwillekeurige greep naar z'n neus. Want ... de stank was +onverdragelyk. + +--O né, zei Gerrit, als antwoordende op dit welsprekend gebaar. Dat +reukjen is niet van 't magazyn--ik zeg maar kelder, weetje, want zoo +zeien we vroeger toen de ouweheer-zelf nog meedeed--die lucht is van +den kelder niet, maar van de riolen, weetje! + + + Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in 't lyden! + + +--O zoo, zei Wouter, alsof deze opmerking de pestlucht veranderde in +'n geur. O ... zoo! + +--Ja, van de riolen. Daarom ook staat al dat goed daar tegen den muur +op planken, zieje. Als 't den grond raakte, zou 't verrotten. Kom +mee naar 't kantoor. Maar je komt veel te vroeg, want we benne-n-in +den komkommertyd. Dan is er niet veel te doen, dat begryp je-n-ook +wel. Maar hoor eens, je mot niet vóór schellen, aan den kelder--de +jongeheeren zeggen tegenwoordig: magazyn... fransche wind allemaal +... 'n engelsche notting, weetje! Nou, ze hebben 't van dien mallen +Wullekes!--je mot het kantoor ingaan in de Vellestraat. Ik zal 't je +wyzen. Voor vandaag komt het er nou niet op aan, omdat het de eerste +keer is, en omdat je 't niet weet. Je ziet, ik heb je opengedaan ... + +Gelukkig! + +... maar anders, weetje, wie op 't kantoor wezen mot, komt in door +de Vellestraat. 't Is heel makkelyk te vinden ... als je-n-'t maar +eens weet. En daarom zal ik 't je wyzen. Kom maar mee. Maar zet +je hoedjen op. Je hoeft tegen my zoo beleefd niet te wezen, want +ik ben de knecht maar, weetje. De heeren komen straks, zoo tegen +negenen. 't Is komkommertyd, moet je denken. En daarom heb je zoo +lang gewacht voor ik je opendeed. Want ik zat in de keuken, en ik +zei tegen de meid dat zy zou opendoen--in de bovengang, weetje--want +dat het zeker 'n nieuwe aschkarreman was, die nog niet wist waar-i +schellen moest. Maar ze wou niet--'n lui beest is ze!--en ik zei: +'t gaat my niet aan, want we benne-n-in den komkommertyd, en dan +wordt er zoo vroeg niet aan den kelder gescheld door iemand die de +zaken kent. Dat zal jyzelf ook wel te zien krygen, als je hier 'n +tydje geweest bent. Weetje hoe lang ik hier al dien? + +Wouter klaagde zich aan van verzuim. Hoe drommel kon-i zich veroorloven +niet te weten hoe lang Gerrit Sloos reeds in dienst was van Ouwetyd & +Kopperlith? De booswicht stamelde vol schuldbesef dat-i 't niet wist. + +--Nou, raad eens! + +Elk ander zou 'n cyfer genoemd hebben. Wouter was te stipt, te vol +geweten, om aan zeker getal jaren de voorkeur te geven boven 'n ander +getal. Waarom twintig? Waarom dertig? Waarom meer of minder? Hy bleef +er by dat-i 't "heusch" niet wist, en ook geen kans zag het te raden. + +--Zoo? Nou, dan zal ik 't je zeggen. Verléje Pinkster was 't +drie-en-veertig jaar. Wat zeg je dáárvan? + +--Hè! + +--Ja, 't is 'n lange tyd, niet waar? Als je 'r vóór staat, denk je dat +het wat is. En als 't voorby is ... weet je wat het dan is? Niemendal +... 'n engelsche notting! Dat zal je zien, als je-n-'n ouwe kerel +wordt, want nu ben je maar 'n jong borssie. 't Zal me benieuwen of +je-u-'t zult kunnen vinden met Wullekes, met m'nheer Wullekes. Want +tegen hem moet je "m'nheer" zeggen, schoon ik 'm gekend heb zoo kaal +als 'n luis. Toen had-i geen nagels om met permissie ... z'n neus +te snuiten, en hy liep me na als 't horloge van 'n trekschipper die +'n ouwe juffrouw ziet aankomen. Maar nou ... wind, wind, allemaal +wind! En wat is 't? 'n engelsche notting! En z'n vrouw--ook 'n gekkin +van de bovenste plank!--praat altyd over prinsessen die ze-n-eens +gezien heeft. Né, die Wullekes ... wie 'm kent, koopt 'm niet! Nou, +je zal 't zelf zien en ondervinden, als ie tyd van leven hebt. Ieder +moet maar altyd z'n eigen weg gaan, en dat doe-n-ik dan ook. Maar +die Wullekes ... + +Kyk, hier is 't. Tusschen de olievaten moet je door--'t is hier altyd +even smerig, dat komt van 't lekken, want die vaten lekken altyd--maar +eerst moet je door de stokvischbeukery, en als je dat doet. kom je +vanzelf op 't kantoor. + +Wanneer Gerrit Sloos met dit "vanzelf" bedoelde: gemakkelyk, +geleidelyk, zonder omslag, en wat men zou kunnen noemen: op 'n +niet onprettige manier ... 't zy zoo! Over den smaak valt niet te +twisten. Gerrit zal 't maar zoo by-wyze van spreken gezegd hebben. + +Onder 't luisteren naar al deze mededeelingen, had Wouter den +half-onderaardschen weg afgelegd, die van de Keizersgracht naar de +dwarsstraat leidde, waar inen den ingang tot het kantoor van de heeren +Ouwetyd & Kopperlith te zoeken had. Hy prentte die stokvischbeukery en +de gang naast het oliepakhuis diep in z'n geheugen, om zeker te zyn +dat-i nooit weer zou worden overgeleverd aan de spitsroeden die hem +zoo hadden gepynigd aan den voorkant van 't huis. Dat die verheven +stokvisch-industrie en dat oliepakhuis, niets te maken hadden met de +"zaak" waarin Wouter leerling werd, zal de lezer wel begrypen. Er +lag op dat terrein 'n servituut van doorgang, en de stokvischbeuker +moest gedoogen dat er op de deurpost van z'n lokaal 'n ovaal bordje +pronkte met het opschrift: "Ingang naar 't kantoor van Ouwetyd & +Kopperlith." Ook de olieman mocht den doortocht niet versperren, +doch hy nam z'n verplichting zoo nauw op, dat men er gewoonlyk +niet dóór kon zonder 'n paar smeervlekken meetenemen. Juffrouw +Pieterse heeft daarover vaak gekeven, ook Wouter-zelf vond het heel +onaangenaam. Maar... had-i zich dan voorgesteld, met de wereld in +aanraking te kunnen komen zònder bezoedeling? Beste jongen, dat +gaat niet! + + + + + + + + Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor 'n + fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de + handelswereld. Multa tulit! + + +By 't nalezen der laatste helft van 't vorig hoofdstuk, bemerk ik, +'n gedeelte van den weg die van de Vellestraat naar 't "kantoor" +leidde, te hebben overgeslagen. Na 't voorbyworstelen van de +glimmende olievaten, moest men de gang door, langs een achterhuis +van 'n paar verdiepingen hoog, en eindelyk de binnenplaats over, +waarop 't kantoor "uitzag." De lezer die op nauwkeurigheid gesteld +is--anderen zyn me onverschillig--wordt gewaarschuwd deze binnenplaats +niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat licht +meedeelde aan 't magazyn. Tusschen die beide "open-luchtjes" in, +lag 'n groot gedeelte van 't huis, dat lang, smal en hoog was. Na +de ontdekkingsreis geleidde Gerrit onzen Wouter naar 't kantoor, +wees hem daar 'n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot +"de heeren" zouden komen. En, zei de man: + +--Dat zal nog wel 'n uurtje duren, want we zyn in den komkommertyd. En +ik ga m'n kommetje koffi drinken in de keuken. 't Ga je goed, zoolang. + +Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den tabouret +opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde. + +De voorwerpen die z'n aandacht tot zich trokken, waren niet zeer +geschikt om z'n stemming byzonder vroolyk te maken. Het uizicht door de +twee verweerde vensters op de binnenplaats en 't achterhuis, was--op +'t verschil in warmtegraad na--nova-zemblisch: + + + Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... wanden. + Hier houdt geen sterfling 't uit. Hier komt geen Noorman landen. + Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld, + Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt! + + +Meent men dat Tollens ooit die schoone regels had kunnen schryven, +als-i niet door z'n vader was "gedaan" op 'n kantoor in verfwaren? Waar +anders ving z'n oog zulke tinten op van iets droevigs, van 't enge, +benepene, barre, kille? Meent men misschien dat er in 't hooge +Noorden-zelf iets te aanschouwen valt, dat in zielstremmenden invloed +halen kan by zoo'n verblyf? De oude heer Tollens heeft wel geweten +wat-i deed, en 't is waarlyk te verwonderen, dat zyn zoo wèl op z'n +plaats gezette zoon het aanzyn heeft gegeven aan prullen ook. Misschien +werd-i bedorven door 'n bloempotjen op z'n binnenplaats. + +Zoo verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel +voorwerp trok z'n oogen tot zich, dat hem 'n voorwendsel aan de hand +deed om iets anders te denken dan: "in den handel, in den handel, +ik ben hier in den handel!" + +Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken, +naast de onderaardsche gang die naar 't magazyn liep, eenig geruisch te +maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van z'n krukjen, om al +wat er zou binnentreden, met de noodige beleefdheid te groeten. Maar er +kwam niemand, en Wouter besteeg z'n troontje weer. Toch zorgde hy z'n +hoed in de hand te houden, om terstond gereed te zyn tot het aannemen +van 'n groetende pozitie, àls er eens tenlaatste in die onbehagelyke +eenzaamheid iemand te voorschyn kwam. Op den greenenhouten vloer +bemerkte hy indrukken van voetstappen. Dáár glinsterde de gepolyste +moet van 'n rechts-om-keert-beschryvenden hak ... hoe heette ook de +man dien-i had hooren noemen by de Holsma's, de man op dat eiland, +die zoo verschrikte by 't ontwaren van menschelyke voetstappen? Och, +in deze wildernis ... + +Aan den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming +van kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter +verlegen maakten. Daar waren Cognossementen, Fakturen, Vrachtbrieven, +en zelfs: Diverse Nota's. En die opschriften waren omgeven van 'n +gekoperdrukten rand vol bloemen, rankwerk, hoornen van overvloed en +allerlei krullen, welk bywerk beheerscht werd door 'n spiernaakten +Merkurius, die op wolken zat, en heel pedant neerkeek op de epigrafen +en de weelderige arabesken aan den rand. De wolken waren gemerkt O & +K, No ... later in te vullen by eventueel gebruik. + +--Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zoo'n god ook +begonnen zyn met leerlingetjen op 'n kantoor te worden? Hoe leî +men het toch aan in 't oude Griekenland, om iets te worden in de +wereld? O, ik weet wel dat die fabelleer gekheid is, maar de luî die +zulke geschiedenissen uitdachten, moeten zich toch 'n voorstelling +gemaakt hbben van 't begin der zaken. Van wie had die Merkurius +rekenen geleerd? Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen +... kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest ... dàt +geeft dàt, wat geeft dàt? En dan vermenigvuldigen. En dan deelen met +het voorste. En als er breuken zyn ... lastig is 't, nu ja, maar +ik zoek den algemeenen noemer. Ja, ja, ik zal goed m'n best doen, +zooals de dokter gezegd heeft ... + +Daar werd weer gestommeld in de gang. Misschien zette een der meiden +'n "luiwagen" buiten de keuken. Of ze smeet 'n "varken" de deur uit ... + +Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken, en +voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er niemand. Hy +had nog niets "in den handel" verricht, nog geen enkele evenredigheid +opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor 'n heel ristje breuken +tegelyk, en toch ... hy was vermoeid! De klok sloeg al, of pas, +negen. "Reeds" voor iemand die sedert vyf uren worstelde met z'n +gedachten. "Pas" negen uur, voor 'n werkmannetje dat zoo graag wou +uitmunten, èn nu al vóór 't aanvangen van den arbeid, zich geknakt +voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den onbewusten +indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door 't denkbeeld dat z'n +voornaamste werk in rekenen zou bestaan, angstig dat-i niet voldoen +zou--'t was niet te veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen +zich zouden ophouden met makkelyke "sommen"--legde hy zichzelf 'n +tentamen op, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk betrapte +op: zes maal acht is ... drie en 'n kwart, of ... niemendal. "O God, +o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met ... den handel!" + +Elken keer dat een der beelden die 'n rol hadden gespeeld in +de laatstverloopen dagen van z'n leven, zich aan zyn verbeelding +vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch Gooremest, +noch de goede Vrouw Claus ... hy bloosde, en keek Merkurius aan, +die ... ook geen kleeren aan 't lyf had. Wèl ... gekleed of niet, +hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat hooge stoeltjen +om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch aan dat bad by de +put! Weg met dat alles: hy moest in den handel! En, wel beschouwd, hy +wàs er al in. Bevond hy zich niet op 't kantoor van de heeren Ouwetyd +& Kopperlith? Zoud-i niet straks, dienzelfden dag nog, en binnen 'n +kwartier misschien, gereed moeten zyn tot antwoorden op de moeielykste +vragen? Op vragen die den groote Strabbe-zelf in verlegenheid konden +brengen? Och, waarom had Femke hem niet aangeraden de knapste te worden +van de heele wereld? 't Was immers dan in één moeite doorgegaan? Dan +zoud-i nu niet angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd ... noch +tegenover Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith! + +Ja, ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar eisch was +kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem gebaat? Hy +was juist, of ter-nauwernood, 'n klein weinigje bekwamer maar dan +Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet voldoende is in de +wereld, om god des Koophandels te worden, veel minder nog om 't te +brengen tot "patroon" van 'n amsterdamsch "huis." Dat Femke's bedoeling +goed was geweest, wilde hy wel gelooven ... o, zeker! En boos op háár +was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i gaarne ... + +Weg, weg, weg met Femke ... drie maal negen is zeven-en-dertig: o god, +daar is 't weer! Het was om gek te worden. Juist! Zoo begint ... [13] + +Ja, 't was voor 'n ongedisciplineerd verstandjen om krankzinnig +te worden. Gelukkig hoorde Wouter 'n deur toeslaan, en daarop 't +geluid van voetstappen. Maar 't was niet in het huis. Een oud heer +vertoonde zich in 't gangetje naast het achterhuis, en betrad het +plaatsje. De man naderde de achtervensters, gluurde even naar binnen, +als om te zien wie daar al zoo vroeg op 't kantoor was, verdween door +'n glazen deur in de gang, en vertoonde zich weldra binnen de kamer. + +'t Spreekt vanzelf dat Wouter 'n houding had aangenomen, die om +vergeving scheen te smeeken voor z'n existentie. Och, zoo onnoodig! Die +oude magere heer nam 't hem volstrekt niet kwalyk dat-i bestond, +en zelfs niet dat-i dáár was. + +--Houd je gemak, jongeheer. Uwe-n-is zeker de jongeheer Pieterse? Ja, +ja, ik weet er van. Heel goed! Wel, jongeheer, zal uwe hier zoo op +'t kantoor komen? Nu, dat is best! Houd je gemak ... houd je gemak, +en stoor je niet aan my. Ik ben de boekhouder ... + +Wouter had gebukt en gebogen en geknikt, en zich voorgenomen, wanneer-i +eens weer in den handel ging, z'n hoed op 't hoofd te houden ... om +dien te kunnen afnemen als er iemand binnen kwam, gelyk z'n moeder +had voorgeschreven. Want hy voelde dat dit ontbrak aan z'n begroeting +van den heer Dieper. Die vriendelyke oudeheer moest hem wel voor zeer +lomp aanzien. En dit was-i niet, waarlyk niet! Hy had integendeel +'n gevoel van dankbaarheid aan den heer Dieper, die hem zoo minzaam +kwam verlossen uit z'n drukkende eenzaamheid. Om daarvan iets te doen +blyken, bleef hy staan, zelfs toen de gulle boekhouder hem nògeens +had toegevoegd: "houd je gemak, jongeheer ... ik ben de boekhouder." + +En alweer onderzocht Wouter niet, of deze +maatschappelyke-stand-belydenis misschien beduidde: "ga nu maar zitten, +nu! Straks als "de heeren" komen, is 't wat anders!" Deze zin kon door +hem onmogelyk aan Dieper's woorden gehecht worden, omdat in zyn oog, +'n boekhouder ter-nauwernood 'n minder verheven wezen was, dan de +"patroon" zelf. Het verschil tusschen deze beide standpunten ontsnapte +aan z'n waarnemingsvermogen, en hy zou dus--àls-i kon geroepen zyn +tot schatting--hierin dezelfde fout gemaakt hebben als 'n kind dat +verwonderd vraagt, waarom de wolken nooit voorbyschuiven achter de +maan om? + +De uitdrukking van Dieper's gelaat was één doorgaande +vriendelykheid. Hy verdween 'n oogenblik in de alkoof die tegenover de +vensters wand vormde, en kwam weldra terug in boekhouders-uniform, +d. i. in 'n gryzen langen jas die veel beleefd had, en met 'n +zwart kalotjen op z'n witte haren. Want: "soms was er tocht op 't +kantoor." Zoo verzekerde hy aan Wouter, die 'n gebaar maakte alsof +hy deze mededeeling met innige dankbaarheid aannam, en ze vergelden +zou by de eerste gelegenheid ... + +Och, hy had zoo graag dien goeden ouden heer Dieper 'n dienst +gedaan. Hy stelde hem boven Merkurius, en vond dat-i op 'n engel +geleek. + +--Ja, het tocht hier soms. En er niets op de wereld, waarvoor 'n +mensch zoo moet oppassen, als tocht. + +Dat Wouter niet tegensprak, zal de lezer wel gelooven. Maar dit was +niet genoeg, meende hy. Als 'n bliksem vloog hem de gedachte door de +ziel, alle reten van vensters, deur en vloer dicht te plakken, om dien +vriendelyken grysaard te helpen in den stryd tegen zoo'n vreeselyken +vyand. Hoe was 't mogelyk dat de man nog middel had weten te vinden, +grys haar te krygen in zoo'n tochtige wereld? Moest-i niet voor zeer +lang reeds--als zuigeling zelfs--bezweken zyn? Er zyn taaie naturen, +dit weet ik wel, maar wie drommel zou 't den ouden Dieper hebben +aangezien dat-i daartoe behoorde? De man had in z'n voorkomen niets +van 'n held, en vertoonde zich eer als 'n sukkelaar die zich zou +laten omvèr- en wegwaaien door de minste luchtbeweging, dan als de +perpetueele triumphator over al de kamer-orkanen waaraan-i sedert +byna zeventig jaren was blootgesteld geweest, en waarvan-i de spolia +opima in den vorm van "zinkings" in 't hoofd droeg. Want lezer, +daarmee beloont de afgod "Tocht" ieder die hem deemoedig vreest in +onkunde en onnoozelheid. By gelegenheid zal ik eens uitleggen hoe +die bespottelyke eeredienst in de wereld gekomen is. + +"Deemoedig." Dit woord bevalt me, en wanneer ik 't recht had, +de helden en heldinnen van m'n vertelling andere namen te geven, +dan zy in werkelykheid gedragen hebben, zou ik me misschien laten +verlokken aan dezen klank de gelegenheid te ontleenen, om den goeden +boekhouder te kenschetsen met één pennestreek. Wie weet of ik hem +niet: m'nheer Deemoed gedoopt had. Maar ik zou dan 'n dubbele fout +begaan hebben. Want hy heette Dieper. En dit wàs-i ook. + +Na de korte verpoozing die 't binnentreden van den boekhouder onzen +Wouter bezorgd had, brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte +verveling aan. Dieper had 'n yzeren kist geopend, waaruit hy 'n half +dozyn kantoorboeken nam, welke hy eenigszins rangschikte op 't vlakke +middelstuk van 'n dubbele kantoorlessenaar "voor twee personen" ook +wel genaamd: 'n vis-à-vis. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder +plaatsnam, stond 'n gelid enkele lessenaars. En daartegen veroorloofde +zich Wouter even te leunen--geschied is 't!--telkens als-i 'n oogenblik +vergat dat de boekhouder wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper +niet. Hy debiteerde en krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht +op de dingen dezer wereld, die al of niet leunden tegen 'n anderen +lessenaar dan den zynen. + +Tusschen de alkoof en de eigenlyke kern van 't hoofdkwartier des +handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees +tusschen vreemde bezoekers van 't kantoor, en de gelukkigen die +er thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep +kon, opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en +vervulde thans in afhangende houding de niet overbodige funktien van +afleider van Wouter's verveling. Het ding werd in deze eervolle taak +bygestaan door 'n ronde opening in een der hoeken, waarin 'n yzeren +ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den rand der +geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy kon nu op z'n +gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de handels-bestemming van +dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk ... goddank, er gebeurde +iets: Dieper nam 'n snuifje, en Wouter stond als 'n paal. + +--De heeren komen wat laat, jongeheer. + +Voor Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was +op de heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit +de betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over +z'n memoriaal. + +Wel beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan vóór Dieper's +komst. Toen en nu verveelde hy zich, maar zoo-even deed-i niets dan +dat. Thans had-i er nog den angst by, dat Dieper merken zou hoe hy zich +verveelde, want--en deze opmerking geef ik wèl voor nieuw--niemand +verveelt zich zonder schaamte. Men wordt er niet graag op betrapt, +waaruit misschien de gevolgtrekking kan gehaald worden, dat het niet +geoorloofd is zich te vervelen. + +Wouter, byv. had in dien tyd zich kunnen meester maken van wat gladheid +in de vermenigvuldigmgs-tafel tot 20 × 20, of verder nog. Waarom +niet? Maar aan zoo-iets dacht-i niet. Z'n eenige zorg was, geen geluid +te maken, om vooral m'nheer Dieper niet te hinderen. Dit was nu--o +Holsma--z'n meest-nabyliggende plicht. Uit het volle besef hiervan, +hield hy den adem in, met het natuurlyk gevolg dat-i uitberstte in +'n hoestbui. + +Geen oneerbiediger ding dan de Natuur! + +--'n Beetje verkouwen, jongeheer? Ja, ja, dat komt van de warmte. 'n +Mensch moet zich wèl in-acht nemen by heet weer. Ineens kryg je +'t beet, in-ééns! + +'t Was wel wat ondeugend van Fancy, dat ze de prikkeling in +Wouter's keel deed voortduren tot en na de binnenkomst van een der +"heeren." De arme jongen voelde zich genoodzaakt een van z'n patroons +den rug toetekeeren, om hem niet in 't gezicht te hoesten. Dit +bedierf de voorstelling, en bedolf Wouter in een der afgrondjes van +oogenblikkelyke wanhoop, waaraan 't leven zoo ryk is, doch die later +blyken niet veer meer te zyn geweest dan 'n geringe oneffenheid op +ons pad. + +--Gmorge, Dieper! had de binnentredende geroepen. Is Wilkens er +nog niet? + +--Dienaar, jongeheer Eugène, antwoordde de boekhouder. Neen, jongeheer +Eugène, Wilkens is er nog niet. Misschien met stalen uit? Dit is de +jongeheer Pieterse. + +--Zoo? + +Wouter hoestte. + +--Hy moet maar wachten tot Pompile komt ... of Wilkens. + +Wouter knikte, altyd doorhoestend, dat-i met het grootste geduld +wachten zou op m'nheer Pompile of m'nheer Wilkens. + +--Neem 'n glaassie water, jongeheer, vermaande de zoetsappige Dieper. + +--Wel ja, laat 'm 'n glas water drinken, hervatte de jongeheer Eugène +grootmoedig. Dáár staat water, en 'n glas ook. + +Inderdaad! Naast de yzeren kist waarin 's nachts de "boeken" +werden geborgen, stond in 'n donker hoek'jn op 'n stoof, een +verweerde waterkaraf, waarby 'n glas met groezelig oranjekleurig +bezinksel. Wouter dronk 'n paar teugen, en behandelde de daartoe +gebruikte gereedschappen met 'n eerbiedige teederheid, zuiver water +en helder glaswerk waardig. Toen-i eindelyk had uitgehoest, zat de +jongeheer Eugène met breed-uitgestrekte elbogen voor een der enkele +lessenaars in 'n fransch romannetje te lezen. Dat Dieper al weer op +z'n boeken lag, spreekt vanzelf. + +Wouter stond nu by die geldkist en dien stoof, waarop-i netjes en +zonder geruisch de kostbare voorwerpen weer had neergezet. Zonder +zich in 't minst te verroeren wachtte hy op m'nheer Pompile en op +m'nheer Wilkens ... + +Sedert het aanbreken van den dageraad had-i niet ànders gedaan dan +wachten, o Fancy! En gy, hardvochtige, gevoellooze, wreede, gy blaast +hem niet in: loopt allemaal vierkant naar den weerlicht, met je handel? + +Neen! + + + "Er moet veel leeds geleden zyn, + Er moet veel stryds gestreden zyn!" + + +Ik geloof juist niet dat altyd--zooals de goede Kamphuyzen, misschien +om 't rym slechts, beweert--het eind van dat alles: "vrede" wezen +zal. Maar ... zelfgevoel toch, en hoogmoed, en de betrekkelyke kalmte +die de belooning is van 't: + + + Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit! + + +Mochten sommigen meenen dat de beide aangehaalde teksten te deftig zyn, +te ernstig, te klassisch voor de soort van Wouter's tegenspoedjes? Ze +vergissen zich. De zwaarste beproevingen worden ons opgelegd door +nietigheden. Zy overvallen ons dagelyks, telkens, aanhoudend, en +vinden ons meestal ongewapend. Bovendien, er wordt geen eer behaald +in zulken stryd. Mozes en de "Heer" wisten 't wel. Ze plaagden Egypte +niet met tygers, maar met sprinkhanen. + +Dat Wouter leed is waar. Maar z'n stryd beduidde niet veel. We kunnen +in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot wegloopen zou +noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht had om te +blyven, en de plicht te vervullen die 't naast voor de hand lag. Zóó +had Holsma gezegd, en zóó zou 't wezen! + +--Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen, +zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid +in 't uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd +geheven van de artikulatie. + +Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy liep +zeer snel, als om blyk te geven van 'n diligentie die niet precies +overeenstemde met de klok. De klok zal vóór geweest zyn. + +--Dienaar, m'nheer! Dag, Dieper! + +--Gmorge! Dat's de jonge Pieterse. + +--A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei! + +Wilkens was 'n oude gek. Z'n geheel leven was één veroveringstocht +geweest naar deftigheid en gewicht. Daar-i 't op z'n ouden dag niet +verder had gebracht dan tot kantoorbediende en handelsreiziger, kan +de lezer narekenen hoeveel veldslagen de man moet verloren hebben. De +voornaamste ammunitie die hem overbleef, bestond in 'n langgerekt +ae of èèèè, of zooiets. Wie hem van naby kende, was er niet zeer +bevreesd voor, maar nog altyd zagen sommige boeren-winkeliers hoog +op tegen iemand die zoo oneenvoudig spreken kon. En ook Wouter voelde +zich heel klein. + +--Jae, m'nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge mensch maer niet +wachten op m'nheer Pompile? + +De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon beteekenen wat +men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen z'n antwoord te worden opgenomen +door m'nheer Wilkens, die nu op zyn beurt in de alkoof verdween, +en weldra weder voor den dag kwam, gehuld in 'n lange kantoorjas. + +--Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten, +zeide hy, als om zich by z'n jongen patroon over z'n laat-komen te +verontschuldigen. + +Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat +juist even genoeg was om te kennen te geven: "ik heb gehoord wat je +zei." En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast Eugène, +waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En hy deed +inderdaad niets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met 'n deficit +van drie stuivers in de "kleine kas" en pynigde zich met zoeken naar +de oorzaak van die vreeselyke gaping. + +--Maer, m'nheer, kan er ook misschien 'n brief zyn geweest voor +"huishouden?" + +--Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op 'n toon van: "wat kan 't my +schelen!" Ook lag er iets in van: "maak toch zoo'n wind niet met je +oogendienende stiptheid!" + +--Jae ... maer ... + +Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van 't nabootsen der +Wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z'n +lymerige ae's. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich 'n verwaande +kwast uitdrukt, die meermalen in den Haag was geweest en zich de +mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis te leggen: ik ben +'n heer! De reden overigens dat hy, in tegenstelling van Dieper en +den ouden Gerrit, het naast hem zittend individu niet aansprak met +het praedikaat: "jongeheer" lag hierin, dat Eugène reeds nagenoeg +halfwassen was, toen Wilkens hem elf jaar geleden leerde kennen, +terwyl Dieper en de knecht dezen telg van den patroon, en zelfs den +ouderen Pompile, als kind hadden gekend. Toch zouden ook deze twee zich +niet veroorloofd hebben, iets aftedingen op 't volslagen heerschap +van de beide ondergoden, indien niet de oude heer Kopperlith-zelf +hun die vryheid had in den mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn +op maatschappelyke onderscheidingen--altyd slechts in toepassing op +anderen, want zichzelf schatte hy 'n graad of zooveel te hoog--en +noemde de jongelieden: "m'nheer Pompile en m'nheer Eugène" wanneer-i +over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in zyn mond heetten ze, als +vroeger: "jongeheeren" wanneer hy 't woord richtte tot de oudere +lyfstaffieren van den huize. Dat iedereen--op den knecht na--tegenover +Wouter volop: "m'nheer" was, spreekt vanzelf. Of 't waar is dat +men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is 't, +dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen. + +Wilkens becyferde de kolommetjes van z'n "kleine-kas-"boekjen, +en zeide: + +--'t Is ienderdaed verbaezend! + +En we nemen by dezen voor goed afscheid van zyn geblaet. [14] + +--Maar, m'nheer, zouden we nu 't jonge-mensch maar niet aan 't werk +zetten? Misschien komt m'nheer Pompile eerst na de koffi. + +--Wel ja. Ga je gang! + +Wilkens wenkte Wouter tot zich, en na 'n paar gemaakte kuchjes: + +--Ik zou je maar raden hier maar plaats te nemen. Leg je hoed maar +weg ... + +Al deze maren hadden 'n beteekenis. De meegedeelde bevelen kregen +daardoor den rang van zware verlossingen na moeielyke dracht. Het +wegleggen van den hoed beviel Wouter uitstekend, want het langdurig +vastklemmen had hem kramp in de vingers bezorgd. Zeker, als 't bekende +spreekwoord waarheid zegt, had hy meer dan iemand kans geloopen 't +heele land doortereizen, daar hy uren lang met z'n hoofddeksel in de +hand had gestaan. Voor 't oogenblik echter bewoog hy zich niet verder +dan tot den lessenaar nummer drie, tusschen Wilkens en 't venster. + +--Ga maar zitten. En zeg me nu eens of je rekenen kunt? Wat men noemt: +goed rekenen? + +--Ja, m'nheer, riep Wouter met ridderlyken moed, als 'n krygsman die +de trom hoort. O ja, m'nheer! + +Wat hy zich schrap zette tegen ... Strabbe! + +--Wel, wel! Tel dan al die postjes eens op: guldens, stuivers en +penningen. Zestien penningen maken 'n stuiver, zieje, en twintig +stuivers 'n gulden. Dit weetje zeker wel? + +--O ja, m'nheer. + +--Zoo? Weetje dàt! Ei! + +En Wouter, de rekenheld, spande zich zóó in om z'n naastbyliggenden +plicht te doen, en om de teleurstelling over het derogeerende van +'n: "optellingsom" te overwinnen, dat-i glad verkeerd telde. Geen +enkele kolom sloot met de facitten van m'nheer Wilkens. Hy werd zeer +verdrietig, en betrapte zich op heimwee naar ... de twee gevestigde +zaken op den Zeedyk! + +Een heer stapte de binnenplaats over. 't Was m'nheer Pompile, oudste +zoon van den huize, prokuratiehouder en medechef van de firma Ouwetyd +& Kopperlith. + + + + + + + + De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige + bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z'n opleiding in + 't vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in + 'n windblaas. + + +Indien de oude heer Kopperlith, die nog altyd op 'n boven-voorkamer +bezig is met z'n ontbyt en de courant van den dag, doch dien we straks +zullen zien verschynen ... + +... indien de jongeheer Pompile, die driftig, beredderend, jagend en +als gejaagd, het kantoor binnenstuift, en 'n stuk of drie "dag'"s +uitstoot, alsof 't beschuitkruimels waren die hem in de keel +prikkelden ... + +... indien de jongeheer Eugène die daar nog altyd over z'n romannetje +gebukt zit, en in knotwilgstyl z'n: "bsjoer Pompile!" laat glippen ... + +... indien àl de Kopperlith's, als daar zyn: de jongeheer Rodomont, +en de jongeheer Flodoard, en de jongeheer Leon ... + +... indien al die jongeheeren ... met den ouden heer er by, en vooral +de dikke leelyke mevrouw uit de zykamer, en de majestueuze Hersilia, +en "de" juffrouw ... + +... indien ... + +Sakkerloot, lezer, m'n galery wordt te vol! Wat 'n arbeid, al die +portretten afteteekenen! Toch zal ik 't beproeven. Maar eerst dit: +indien ze myn Wouter-geschiedenis onder de oogen kregen en lazen ... + +Maar ze lazen geen hollandsch. Nu dan, indien men hun een fransche +vertaling van m'n werk voorlegde ... zy allen zouden my om den hals +vliegen uit dankbaarheid. Eigenlyk is 't me dus niet onaangenaam +dat hun litterarische ontwikkeling by 't fransch is blyven staan, +en dat de kans op vertaling van m'n werken in dat onwysgeerig idioom, +allergeringst is. Bovendien, al die jonge en oude jongeheeren zyn dood. + +Ja, dankbaar zouden ze wezen, tot krankzinnigheid toe! De lezer is +waarschynlyk begaafd met 'n buitengewone verbeeldingskracht, en ik +wil hem gaarne het dubbele van de gemiddelde burgerlyke intelligentie +toekennen, maar toch betwyfel ik of hy in-staat wezen zou, zich de +aandoening voortestellen van 'n familie die, vele jaren na haar +universeel overlyden, van 'n edelmoedigen schryver drie graden +amsterdamsche hoogheid zoo maar klakkeloos prezent krygt. Want, +al kost het m'n eigenliefde een zwaar offer, al loop ik gevaar den +roem van stiptheid te verkleinen, waarop ik hoogen prys stel ... de +waarheid bovenal: onze Kopperlith's woonden niet op de Keizersgracht, +en patriciërs waren ze niet ... ziedaar! + +De oorzaak van m'n dwaling is niet moeielyk optegeven, maar 'n dwaling +is het. Toen ik, 'n hoofdstuk of wat geleden, met juffrouw Laps +langs den Amstel in de buurt van de Jachthaven pantoffelde, daagde +de oudeheer voor m'n schryversoogen op. Nooit zag ik 'n grysaard met +deftiger voorkomen. Op z'n eenigszins te dikken buik na, vertoonde +hy 't model van 'n genueschen Doge ... uit 'n roman, namelyk. Van +'n sterk geïdealizeerden Marino Falliero ... op 'n schildery. En +ieder groette zoo deemoedig, en ieder fluisterde zoo piepend: +"dat is m'nheer Kopperlith!" dat ik--al te oppervlakkige waarnemer +op dat oogenblik--men bedenke dat m'n aandacht werd afgeleid door +'t kyken naar prinses Erika, die 'r lief uitzag--in 's hemelsnaam, ik +vergiste my, en dacht: die man woont zeker op de Keizersgracht! Waar +ànders? Voor 'n graaf of baron vertoonde hy een te fatsoenlyk +voorkomen. Een ridder uit de middeleeuwen was-i niet, want met zoo'n +zwaarlyvigheid bewoont men geen burgt op 'n rotspiek. Bovendien, z'n +harnas was van zwart laken, heel fyn en glanzig wel, maar ... laken +toch. Een keizer, koning of prins kon hy ook niet wezen, want in-plaats +van hem iets toeteschreeuwen, ging ieder verlegen voor hem uit den weg, +en maakte plaats voor den buik dien-i als 'n marskraampje voor zich +uitdroeg. Wat ànders toch kon ik uit dit alles opmaken, dan dat-i op +de Keizersgracht woonde? Tot overmaat van verontschuldiging, beroep +ik my op 't publiek in de kroeg van Vrouw Gooremest. De lezer was +er zelf by, en kan dus getuigen hoe al die bevoegde personen in myn +dwaling deelden. Klaas Verlaan en z'n kornuiten waren òf Amsterdammers +van ouder tot ouder, òf althans Noord-hollanders, en wanneer zulke +autoriteiten zich vergissen, mag men het den armen schryver die deze +eer niet heeft, niet zoo heel erg ten-kwade duiden dat hy in z'n +rangbepaling 'n paar straten of grachten uit den koers dwaalt. + +Hoe dit zy, 'n vergissing wàs het. En heel bedroefd ben ik er +niet over, omdat ze my zoo-even de gelegenheid verschafte zekeren +oudheidskenner die m'n integriteit kwam aantasten, en meende my +omvèr te gooien met 'n adresboek van 't jaar zooveel, de verheven +uitdrukking naar 't hoofd te werpen: + +"Indien de Kopperlith's niet woonden op de Keizersgracht, m'n-heer +... dan, m'nheer, dan ... welnu, m'nheer, dan hadden ze verdiend te +wonen op de Keizersgracht, m'nheer!" + +En daarby blyft het ... verhuizen laat ik ze niet! Ik heb alzoo in +'t vervolg van m'n verhaal de ongewone verdienste, twee waarheden +tegelyk te verkondigen. Ze woonden er, en ze woonden er niet. Het +kantoor "ging in" in de Vellestraat, of in 'n andere straat, of ... in +'t geheel geen straat, en dus "op" 'n gracht. En dat de heele familie +'n pronkstuk was van opgeblazen nietigheid, is ook waar. + +"Dat komt er niemendal op aan, hoor ik zingen door 'n peloton +afgestorven zielen, als je maar terdeeg volhoudt dat wy op de +Keizersgracht woonden!" + +Het is deze koorzang die my den moed geeft, m'n topografische dwaling +voltehouden tegen den letterlyken tekst van dat adresboek in. Komaan, +jongeheer Pompile, spreek, laat je hooren en bekyken door ieder die 'n +abonnement kan betalen aan Wouter's boekenman in de Hartenstraat! En +jy ook, jongeheer Eugène! En Hersilia! En Leon! En Rodomont! En +Flodoard! En de rest! Veroorloof me--of niet, naar verkiezing!--u +'n draadjen om den poot te strikken, u te laten vliegen, huppelen +en dood-liggen als 'n meikever. Spreek, Pompile! Ratel en snater, +Pompile, als toen je nog leefde, en al of niet woonde op die fameuze +Keizersgracht! + +--Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag Eugène! Papa nog niet beneden? Hier +zyn de brieven ... een voor huishouden--van Leon, Eugène!--waar is +Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? Weet-i den weg in de stad! Ik +heb veel boodschappen, weetje! Krimp te Rotterdam vraagt twee +wittegrondjes-driekleur--je weet wel, Wilkens, die Victoria-fancies +van Crawfurth-Leeds--maar hy wil dat ouwe krieuweltje met 'n oogjen +... is 't er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel boodschappen. Hoe is 't +met mama, Eugène? Zou 't lukken vandaag ... ik meen de verhuizing? 't +Saizoen gaat voorby, en ik wou zoo graag de Hocker's en de Pleier's +en de Krucker'S vragen op Groenehuize. Die briefbesteller is 'n +lap ... de vent wil altyd geld voor 'n borrel als-i de brieven +op-straat afgeeft, want ... hy mag 't niet doen, dat weetje. Als +'t gemerkt wordt, krygt-i z'n ontslag. Ik heb 'm dezen keer 'n +stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar ... zet 'm op huishouden, +want er is 'n brief van Leon ook. Dus ... 't kan wel op huishouden: +wat zeg jy, Eugène? Zoo, ei, is dàt de jonge Pieterse? Heb jy wat +voor Gerrit vandaag, Dieper? Ik heb veel boodschappen. Wilkens, +je moet zoo goed wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel +boodschappen heb, en ... en ... ziehier den brief van Krimp. Die +menschen vragen altyd wat er niet is, want ... dat krieweltjen +met dat oogjen is er niet meer. Weetje wat we doen zullen. Als 't +krieuweltje 'r niet meer is--met dat oogje, weetje?--dan zenden wy +'t moesjen, of 't slangetjen, of dat patroontje met de blokjes ... je +weet wel, 't zyn de witte-grondjes-driekleur, Victoria-fancies van +Crawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want +... dat doet-i altyd. Roep Gerrit ... ik heb zooveel boodschappen, +weetje. Zoo, mannetje ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat's goed, +want ... ik heb altyd zooveel boodschappen. Eugène, als papa komt, +zeg dat ik by mama ben, met den brief van Leon, weetje. Want hy is +geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd z'n brieven aan mama ... + +Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op +'t adres van een brief aan 'n gehuwde vrouw, is plaats voor twee +weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te +weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van m'nheer +Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten meester te maken +van 'n geboorte die hemelsbreed afweek van de gewone. Dat het mensch +vóór haar huwelyk Niemendal heette, doet niet ter-zake. De postklerk te +Tjanjor--daar werden die epistels uitgebroed--was niet zeer bedreven in +'t hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien +dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z'n mama +te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer +Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: "postklerken zyn +praterig" hoopte de kwast juffrouw Pieterse na. + +Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z'n +tegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy gedurig heen-en-weer, en +maakte--ook in zeer letterlyken zin--zooveel wind als maar eenigszins +mogelyk was. Een oogenblik nadat-i met Leon's brief in de hand de +kamer verlaten had, keerde hy terug. + +--A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen vertrekken +vandaag? Ik zit anders en peine, zeer, zéér en peine, weetje +... erg en peine, met de Hocker's en de Pleier's en de Krucker's, +die ik allemaal geinviteerd heb op Groenehuize. En ... ik heb de +kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg--grof volk, +zulke kruiers!--of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat +vroeg-i! Lomp, hè? Maar ... zie je, hy meende-n-in 'n leuningstoel, +en ... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik kompromitteer me +zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker's en de Pleier's en de +Krucker's. Dat is het maar, weetje! + +En hierop verliet hy weder 't kantoor. + +'t Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst had +staan toeluisteren. Na 't vertrek van m'nheer Pompile verdiepte hy +zich op-nieuw in z'n optellingen. Och, hy wou zoo heel graag z'n +naast-byliggend plicht je doen. Was 't zyn schuld dat-i zich zeer +onbekwaam voelde, en telkens rekende: drie en acht is vier-en-twintig, +of wat anders? + +Wilkens ging naar 't magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of de +moesjes of de blokjes die 't huis Kopperlith den winkelier Krimp zou +trachten in de maag te stoppen, in plaats van 't verlangde krieuweltje +met 'n oogje. + +"Twee en zes is twaalf, en tien is twintig ... + +'t Begon weer te waaien. Pompile stormde het kantoor in: + +--Hè! Beroerd! Akelig! Heel beroerd! Verbeeldje, Dieper ... zeg, +Eugène, hoor eens, 't wordt àl te erg! Weet jelui 't al, van +Gerrit? Hy is weer styf van de rhumatiek ... hoe vind je dàt? Hy kan +geen boodschappen doen! En ik ... ik had juist zooveel boodschappen. Op +m'n woord van eer, ik heb wel tien boodschappen ... ja, wel twaalf! Heb +jy ook boodschappen, Dieper? Wisseltjes? Accepten? Hè? + +--Vandaag niet, jongeheer. Maar morgen ... + +De boekhouder sloeg 'n kleine agenda op. + +... morgen heb ik 'n wisseltjen in den jodenhoek, 'n smerig dingetje. + +--Zoo? Morgen? Nu dat's goed. Weet je wat je doet, Dieper? Zeg 't +aan papa, dat je telkens wisseltjes hebt, en dat Gerrit altyd styf +van rhumatiek is, en dat het zoo niet langer kàn, weetje? Zeg jy dat +aan papa, Dieper, want ... ik heb zooveel boodschappen, ik heb erg +veel boodschappen. + +--Ja, jongeheer Pompile, ik zal 't zeker aan m'nheer zeggen. En ... +hoe vaart de jongeheer Leon? + +Ei, ei, de slimme Dieper! Hy durfde den ouden rhumatieken Gerrit niet +aan. En ook de jongeheer Pompile, inweerwil van z'n vele boodschappen, +zou liefst dat meubel uit den weg zien zetten door 'n andere hand +dan de zyne. Gerrit namelyk had met den ouden heer relatien uit den +vóórtyd, 'n coprolithische verwantschap die ontzien moest worden. En +daarom sprong de omzichtige Dieper zoo handig en belangstellend over op +'t welvaren van den jongeheer Leon. + +--Heel wel, dankje, antwoordde Pompile. Den heelen brief heb ik nog +niet gelezen. Hy vertelt van tygers, en van slangen en van optochten +met zonneschermen en gouden wapens ... o, allerlei! Mama is er dol +bly mee, dat begryp je. Maar ... hy is nog altyd surnumerair. Hy +klaagt dat allerlei gemeen volk hem over 't hoofd springt ... + +--Dat is zeer hard voor iemand van ... stand, zei Dieper, met 'n +treurigheid in z'n stem, die wel eenige verhooging van traktement +waard was. + +--Niet waar? Die vervloekte Gerrit met z'n rhumathiek! En ik heb juist +zoo erg veel boodschappen! Zeg-eens, jy, Pieterse--je heet immers +Pieterse?--je moet eens zoo goed wezen 'n paar boodschappen voor +me te doen. + +Wouter stond marschvaardig, met z'n hoed in de hand, en 'n verheugd: +"asjeblieft, m'nheer!" op de lippen. Verheugd? Ja, waarlyk! Want de +opdracht die hy te-gemoet zag, was hem 'n verademing. De jongeheer +Pompile nam plaats tegenover Dieper--daar namelyk was de lessenaar +van den "patroon"--en hy wenkte Wouter tot zich. + +--Je weet dus den weg in de stad? Heel goed! Dan moet je-n-eens +zoo goed wezen ... maar zeg, heb je-n- 'n zakboekje? Een +portefeuille-n-of zoo-iets? + +--N... e... e... n, m'nheer. + +--Zoo? Heb je dàt niet? 'n Kantoorbediende moet 'n portefeuille +hebben, om ... iets in opteschryven, weetje? Anders vergeet je 't. Nu, +voor vandaag moet je dan maar de boodschappen ... onthouden, die ik +je-n-opgeef. Je moet zoo goed wezen te gaan by m'nheer Hocker, en daar +doe je-n-'t kompliment van my--van den jongen m'nheer Kopperlith, +moet je zeggen, van m'nheer Pompile, weetje?--en je vraagt, of de +juffrouwen Pleier uit Frankfort--want die logeeren by m'nheer Hocker, +weetje?--of de juffrouwen plezier hebben, vanmiddag met my en m'n +vrouw--zeg jy maar: met de jonge mevrouw Kopperlith-Huddewitz, dan +weten ze-n 't wel--ja, vraag of de juffrouwen Pleier plezier hebben, +met ons en de familie Krucker ... + +--Ben je mal, Pompile? bromde Eugène. De jongen weet immers niet waar +Hocker woont. + +--Ah...ja! Dat's waar! M'nheer Hocker woont ... + +En Wouter's handelswetenschap werd verrykt met de zeer nauwkeurige +kennis van de plek waar m'nheer Hocker woonde. Ook vernam hy wat voor +dien middag de plannen waren met de familie van dien heer, en met de +juffrouwen Pleier uit Frankfort, en hoe ze zich des-verkiezende zouden +kunnen verheugen in 't gezelschap van mevrouw Kopperlith-Huddewitz, +ook wel genaamd: de jonge mevrouw. + +--En dan moet je zoo goed wezen in de Kerkstraat by de +Korte-krulledwarsstraat te gaan naar den stal van papa. Je vraagt maar +naar den stal van m'nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weetje, want +... papa houdt rytuig, eigen rytuig. En daar zeg je-n-aan Jakob--dat +is de koetsier--daar zeg je ... + +Volgt: 'n boodschap aan Jakob, die me glad ontschoten is. + +--En dan moet je zoo goed wezen even naar juffrouw Lins te gaan, +in de Katoenstraat, en je doet het kompliment van de jonge mevrouw +Kopperlith--je moet zeggen: van mevrouw Kopperlith-Huddewitz--en je +zegt dat de juffrouw zoo goed moet wezen om je-n-'t tapisseriepatroon +te geven ... 't is 'n liggende jachthond, kan je dit onthouden? + +--J...a, m'nheer! + +--Goed! 'n Liggende jachthond, weetje? Nu, dat patroon moet ze je geven +voor de jonge mevrouw Kopperlith, voor mevrouw Kopperlith-Huddewitz, +begrypje? En je vraagt den prys ... den allernaasten prys, moet +je zeggen. En dan ga je naar myn huis, en je schelt aan, en je zegt +aan de meid dat je van my komt--van "m'nheer" weetje--en je doet +het kompliment, en je zegt ... + +--Maar, Pompile, hoe kan hy weten waar je huis is? + +--Ah, ja! Ik woon op de Leliegracht ... stille zy, weetje, waar +de deftige huizen staan. 't Is 'n huis met opgaande stoep, en +ruiten van spiegelglas. Dáár moet je maar altyd na kyken, want ... +m'n ruiten zyn van spiegelglas. En je zegt aan de meid, dat je by +juffrouw Lins geweest bent, en dat je van my komt, en dat je de +nieuwe kantoorbediende bent, en hoeveel dat patroon kost. En ... als +dan de jonge mevrouw den prys te hoog vindt--'t is 'n jachthond op +'n kussen, weetje?--dan breng je-n-'t weerom aan juffrouw Lins, +en je zegt dat het te duur is. En dan moet je zoo goed wezen eens +te gaan by m'n schoenmaker. Hy woont in de Hallestraat, en daar doe +je-n-'t kompliment van my--van m'nheer Kopperlith van de Leliegracht, +moet je maar zeggen--en zeggen dat-i zoo goed wezen moet, morgen +ochtend negen uur, de maat te komen nemen van 'n paar pantoffels. En +dan ga je by m'nheer Krucker, en je doet het kompliment van my, en +je vraagt hoe de oude mevrouw vaart--want ze-n-is ziek, weetje, ze +heeft het pootje ... maar dat hoef jy niet te zeggen: je vraagt maar +hoe ze vaart?--en dan breng je daar 't antwoord van de juffrouwen +Pleier uit Frankfort, die by de Hocker's logeeren. Maar als nu de +juffrouwen Pleier de invitatie hebben aangenomen, dan moet je zoo +goed wezen even aanteloopen by m'nheer Kruis op de Engelsche-kaai, +en zeggen daar--maar je moet eerst het kompliment van my doen--dat +ik van-middag door zware hoofdpyn verhinderd ben gebruik te maken van +de uitnoodiging om met de familie te gaan room-eten op Lokhorst. Maar +als nu de juffrouwen Pleier laten bedanken voor de invitatie ... + +--God-zegen-me, Pompile, dat alles kan de jongen nooit onthouden! + +--Niet waar? Juist wat ik zeg. Waarom heeft zoo'n jongmensch geen +zakboekje? Net wat ik zeg! Je moet maken dat je-'n zakboekje krygt, +om ... alles opteschryven, weetje? Want ... 'n kantoorbediende moet +altyd 'n zakboekje hebben: wat zeg jy, Dieper? Maar ... zoo lang je +nu nog geen zakboekje hebt, moet je maar ... alles onthouden wat ik +je gezegd heb. Ga nu maar eerst die boodschappen doen. Dan kan ik je +de anderen later zeggen. Want ... als ik je te veel tegelyk opgeef, +zou je ze maar vergeten--wat zeg jy, Eugène?--omdat je geen zakboekje +hebt, weetje? + +Oef! + + + +Wouter deed z'n boodschappen zoo goed mogelyk, en zeker +allerbeleefdst. Al de meiden die hem de deur openden, vonden hem 'n +fatsoenlyk jongetje. Dit was al iets. Tot m'n innigsten spyt mag ik +niet zeggen dat-i zich zeer gedrukt voelde door de zonderlinge manier +waarop men over z'n gaven beschikte. Hyzelf kende die gaven niet, +en voelde zich in 't minst niet vernederd. Bovendien, hy was verheugd +de buitenlucht inteademen, en z'n leedjes eens te kunnen uitstrekken, +'t Kwam hem voor, dat z'n ruggegraat in slaap gevallen was, en dat +'n beetje beweging hem goed zou doen. Nog iets: hy voelde zich in +funktie, en zou er niet afkeerig van geweest zyn, 'n bordjen om z'n +hals te hangen, met het opschrift: "deze jongeling wandelt langs +'s heeren straten, in dienst van de firma Ouwetyd & Kopperlith" en +niet zonder eenige minachting zag-i neer op de velen die geen recht +hadden op zoo'n bordje. + +Toen-i, na allerlei andere bedryven, was aangeland op de +Leliegracht--de hééle deftige zy!--en aangescheld had aan 't +fameuze huis met spiegelglas, van veertien voet breed--het huis, meen +ik--bespeurde hy terstond dat er door die ruiten heen gerekognosceerd +werd, evenals 'n uur of zooveel geleden op die andere stoep. Maar +de dame die hem begluurde, had 'n veel aangenamer uiterlyk dan de +"oude mevrouw" van de Keizersgracht. Julie Huddewitz, slechts sedert +eenige maanden de echtgenoot van Pompile, was 'n jong ding dat nog +altyd niet diep genoeg was doorgedrongen in amsterdamsch fatsoen en +in de hooge waardigheid van haar gemaal, om precies te weten wat 'n +jongsten kantoorbediende niet toekomt. Ze liet Wouter binnenkomen, +en vergat zich zoover in haar ongemanierdheid, dat ze niet alleen +geheel eigenhandig den liggenden jachthond aannam, maar zelfs aan +Wouter de vraag richtte, hoe hy 't patroon vond? Een der oorzaken van +haar wangedrag lag hierin, dat haar vader--'n Duitscher die "mooie +slagen in koffi" gedaan had--zelf kantoorbediende geweest, en nog +niet lang genoeg in Holland gevestigd was, om te weten dat men zich +met zoo'n wezen nergens anders inlaat dan op 't kantoor. In vreemde +landen namelyk, beschouwt de "patroon" zich eerst dan van andere klei +gekneed, wanneer de "bediende" door 'n huwelyk zich voorgoed laat +inlyven in den niet-vleeschetenden stand. Van dat oogenblik af, heeft +hyzelf zich z'n ontcasting te wyten. In Nederland echter neemt die +uitsluiting lang voor 't huwelyk 'n aanvang, en eigenlyk reeds voor +de geboorte. Voor 'n jongeling die daar de eerste levensduisterheid +aanschouwen mocht--verzenmakers, die 't zoo nauw niet nemen met de +waarheid, noemen 't licht!--bestaat kans om generaal te worden, +zeeheld, planeet-ontdekker, wereldberoemd kunstenaar, vaandrager +van den vaderlandschen roem ... byna al wat men maar wil, maar +deelgenoot in de firma Ouwetyd & Kopperlith wordt-i niet! Men zou, +om dat te beleven, z'n eigen kleinzoon moeten worden, want--dit +erken ik--in 't derde geslacht gelukt het soms 'n handig aventurier, +zich te doen vergeven dat z'n overgrootvader de vreeselyke misdaad +begaan had, iets anders te wezen dan "patroon." Dit alles nu wist +Julie Huddewitz wel, maar ze was er nog niet genoeg van doordrongen, +en daarom boog zy zich op den gewichtigen maandag dien ik beschryf, +zoo onvoorzichtig neder tot belangstelling in Wouter's opinie over +dien jachthond. Ik weet niet of zy ooit dochters ter-wereld bracht, +maar zoo ja ... deze zouden zich niet zoo ver vergeten hebben! Het +verheven geslacht maakt plaats voor verhevener geslachten. + +Wanneer Wouter behoefte gevoeld had aan bemoediging by 't intreden van +z'n nieuwe loopbaan, dan ware zy hem waarschynlyk geleverd door die +verregaande neerbuigendheid van mevrouw Kopperlith-Huddewitz. Een dame +in 'n huis met spiegelglas, op de Leliegracht--heele deftige zy--had +hèm z'n opinie gevraagd! Dit maakte hem dan ook zoo opgetogen, dat-i +op 't punt stond een der zotste antwoorden te geven, die er konden +bedacht worden. Maar ze kwam hem voor: + +--Drie gulden, zestien? Vindje 't niet wat duur? + +--O, mevrouw ... + +En hy hakkelde. Ik geloof dat-i zeggen wou: "mag ik 'n paar dubbeltjes +van dien vreeselyken prys voor myn rekening nemen?" Maar hy bedacht +nog by-tyds dat-i van die paar dubbeltjes juist het allereerste +niet bezat, en vergenoegde zich dus met de betuiging dat-i nog geen +verstand had van borduurpatroontjes. 't Spreekt vanzelf dat-i zich +ernstig voornam dien tak van wetenschap tot 'n onderwerp van byzondere +studie te maken. Voorloopig bepaalde hy zich tot de vraag: + +--Verkiest mevrouw dat ik nog eens ga beproeven by juffrouw Lins ... + +--Wel zeker, ga jy nog eens vragen by juffrouw Lins of 't niet wat +minder kan, by-voorbeeld voor ... drie gulden, twaalf? Of ... als +'t mogelyk is, voor drie gulden, tien? + +En met deze zielverheffende opdracht sukkelde Wouter door den +modder. Want het had zwaar geregend na al die hitte, en de straten +zagen er amsterdamsch uit. Een regenscherm had-i niet, en hy versleet +driemaal meer aan schoeisel en kleeren, dan door de vier-stuivers +die hy inderdaad in den tapisseriewinkel wist aftedingen, kon worden +gedekt. Zóó religieus vervulde hy dien dag z'n naast-byliggenden +plicht, of wat de arme jongen daarvoor hield. + +Juffrouw Lins vroeg, na z'n vertrek, aan haar adjudantjes: + +--Wat scheelde dat jongetje toch? 't Leek wel of-i me kussen of +... vermoorden wou om die paar stuivers? + +Toen hy, na bericht te hebben gedaan van z'n zegevierend wedervaren, +voor den tweeden keer de stoep van 't huis met spiegelglas afstapte, +stond er 'n rytuig voor de deur. Dit won hem den tocht naar de +Korte-krulledwarsstraat uit, want op last van de "jonge mevrouw" +kwam de meid hem achterna roepen dat dit de britschka van m'nheer +Kopperlith was, en die koetsier de Jakob aan wien hy 'n boodschap +had. Hy stelde zich met aandoenlyke bescheidenheid voor, als de +"nieuwe jongste-bediende" van 't kantoor, en zei wat-i te zeggen +had. Uit de britschka golfde een vleeschklomp, 'n reuzin, Hersilia +Kopperlith, de zwaarlyvige huwelyksvreugd van den Elsasser Heinrich +Kalbb, die te Amsterdam konsul van z'n land was, en tevens chef van +'n handelshuis. Met andere woorden: de man "deed" in katoentjes. Maar +heel in 't deftige, namelyk in katoentjes van Mühlhausen. Engelsche +lappen van Manchester zyn minder aanzienlyk. En daarin toch slechts +handelde met groote inspanning van ziel en geestkracht, de zeer +verheven firma Ouwetyd & Kopperlith. Het is den begaafden lezer +misschien bekend dat de grootste mannen hun zwakke zyde hebben, en +dat niemand zoo totaal wordt ondergedompeld in den Styx van kreupele +voornaamheid, of er blyft 'n kwetsbare hiel waarop laaghartige vyanden +hun pylen schieten. Die vervloekte manchestersche katoentjes! Ze +maakten vlek op 't Kopperlithsche fatsoensschild, en eigenlyk op de +heele Keizersgracht. + +Het is niet volkomen zeker, of de Ouwetyd's uit de wereldgeschiedenis +verdwynen tegelyk met een der menigvuldige vallen van Babyion, die +telkens zoo aandoenlyk worden geprofeteerd in de Schrift, en wel met +'n leedvermaak alsof de "Heer" 'n byzonderen hekel aan die stad had, +en of 't koelen van z'n wrevel hem buitengewone moeite kostte. Ook +de oorsprong van de Kopperlith's is moeielyk nategaan, en ik wraak +elke inlichting die te dezer zake zou kunnen worden gegeven door 'n +grieksch lexikon. Van versteende vuiligheid is hier geen spraak, want +de overgrootvader van den ouden heer was loopjongen by 'n bloemist, +en oefende dus een te welriekend ambacht uit, om aan etymologische +pedanterie vat te geven tot het al te beteekenisvol vertalen van +z'n naam. In de dagen van den tulpenhandel, was de zoon van den +aspirant-tuinier 'n paar graden gestegen, zooal niet in geestelyk +opzicht, dan toch in maatschappelyken rang. Eén geslacht daarna, +wist de vertegenwoordiger van de familie zich te nestelen op de +Keizersgracht, en wel in 'tzelfde huis waar we vandaag Wouter +hebben ingeleid. De tegenwoordige "oude-heer" erfde van z'n vader +'n handel in Oostindische lynwaden, en trok zich uit de "zaken" +terug toen de amerikaansche katoen zich meester maakte van de markt, +en engelsche wevers en drukkers van 't fabrikaat. Het naderschuiven +van de bron bedierf 't monopolie waarvan onze groot-ouweluî byzondere +liefhebbers waren, omdat het openstellen van konkurrentie zekere +inspanning noodzakelyk maakt, die niet kan gevorderd worden van 'n +"man met fortuin, zooals m'nheer Kopperlith". Zoo luidde Dieper's +plechtig advies. Het geschiedde in die dagen, dat de jongeheer Pompile +werd aangesteld tot procuratiehouder en chef, doch altyd slechts +voorzoover dien lappenhandel aanging, want het eigenlyk vermogen van +den "ouden-heer" met het daaraan verknocht diepzinnig geknutsel "in" +effekten, bleef onder diens byzondere hoede en behandeling, waarin-i +met verbazende zaakkennis door den ouden Dieper werd bygestaan. Deze +had hieraan op 't kantoor zekere wichtigheid te danken, die hy +geenszins versmaadde, en z'n aanzien stond tot dat van Wilkens +nagenoeg in rede, als 'n vod van papier tot 'n vod van katoen. Men +weet nu eenmaal dat in onze eeuw, papier vóórgaat. + +De "handel" in katoentjes--waarachtig, ze deden in diemet, shirting +en sheeting ook!--heette te strekken tot 'n bezigheid voor de +jongeluî, want: "om-den-broode hoefden zy 't niet te doen! Waarlyk +niet! Volstrekt niet! Papa was zeer ryk, o zoo ryk!" + +Aannemende dat het gesjacher met gedrukte katoentjes--en met de +zoo diep-wetenschappelyke diemetten, waarin Wilkens 'n specialiteit +was--moest strekken tot voedsel voor de ziel der jongeheeren Pompile en +Eugène, en vertrouwende dat deze beide zielen geen geeuwhonger leden, +kan men konkludeeren dat de twee onsterfelyke deelen der ikheid van +die jongeheeren zeer goedkoop in 't leven waren te houden. De ziel van +'n muis zou by zoo'n dieet bezweken zyn. Er is handel en ... handel, +dit wil ik wel gelooven. Maar de "mannen van zaken" worden beleefd +verzocht, niet zeer boos te worden, als ik hier coram populo verklaar, +dat hun "zaken" gewoonlyk niet boven de bevatting gaan van 'n heel +klein jongetje. Godbewaarme dat ik Wouter's bekwaamheden overdryven +zou, maar ik kan den lezer verzekeren dat er op 't kantoor van de +heeren Ouwetyd & Kopperlith niets voorviel, dat niet allergevoegelykst +had kunnen worden toevertrouwd aan zyn ontwikkeling en kennis, +het schryven van 'n kort briefjen in gebroken engelsch, misschien +uitgezonderd. Ook eenige routine in de boekhouding zou hem ontbroken +hebben, maar overigens? Och, zoo'n "handel" is zoo eenvoudig. Men +koopt iets voor ... zooveel, en verkoopt het voor 'n beetje meer, +liefst voor den hoogsten prys die er te bedingen is, getemperd +door de zorg om vandaag niemand afteschrikken door 'n inhaligheid, +die hem al te duidelyk zou waarschuwen tegen 't vilproces waaraan +men hoopt hem morgen te onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den +ander. Diepzinniger is de zaak niet. Maar wàt moet men inslaan? Hiertoe +wordt kennis vereischt, zal menigeen denken, en wie luisteren zou +naar Wilkens, kon allicht op 't idee komen dat er eens 'n huis +te-gronde was gegaan door 't bestellen van 'n "haarstreep-diemet" +te veel, en 'n stuk of wat "dubbel-gebroken-streep" te weinig. Ook +Pompile wist lange verhandelingen te houden over kennis van "zaken" +naar aanleiding van 'n witte-gronds-driekleur-krieuweltje. Die +heeren zouden ons wel willen wysmaken dat hun "vak" bovenmenschelyke +inspanning en studie vordert, en dat de arme wiens ziel haar bezigheid +zocht buiten hun magazyn en kantoor, 'n zeer slecht figuur maken zou +in de "zaken." Zoodanige overschatting ontmoet men overal. Welnu, +lezer, 't is kwakzalvery! Verstand van koffie, verstand van kurken, +verstand van lappen en vodden ... eilieve, ga eens na, wie in 't +laatste ressort al die verbazende verstanden keuren en vonnissen +moet. De verbruiker immers? Al de vakwysheid van den jongeheer +Pompile en van m'nheer Wilkens, moest tenlaatste, om beslissend te +worden goed- of afgekeurd, te-berde komen by 'n dienstmaagd die +'n bont jak kocht, by 'n boeremeid die haar vryer 'n gekleurden +halsdoek wou ten-geschenke geven. Zeker soort van opgeblazenheid +zal wèl doen, 'n beetje te slinken na deze opmerking. Nogeens: +er is handel en handel, maar de meeste beoefenaars van dergelyke +speciaal-vakken staan waarschynlyk byzonder laag in ontwikkeling, +en zéker is 't dat zy tot de uitoefening van hun "vak" aan die +ontwikkeling geen behoefte hebben. Wat is dat voor 'n levensdoel, +zich te bekwamen in de behandeling van de vraag: of dienstmeiden +zich dit jaar zullen opmooien met 'n ruitjen of met 'n streepje? Met +'n witte-grond-driekleur of 'n bruin palmpje? Of men de "dames" zal +kunnen wys-maken dat de ... echte ware onvervalschte zuivere parysche +distinktie van 't saizoen--haute nouveauté, heusch!--zich openbaren zal +in spinazie-groen, in rooie-koolpaars, in kaas-schimmelzilver, of in +'n ander wankleurtje, liefst zoo onnoemelyk mogelyk? Ik blyf vragen, +by welke wysgeerige school de studenten in zulke wetenschappen zich +moeten aanmelden tot het erlangen van den meestergraad? + +Toch neem ik 't niemand kwalyk dat-i 'n onbeduidend wezen is. Ook +dezulken moeten er zyn, om de gaping te vullen die 'r anders bestaan +zou tusschen den Mensch en z'n pantoffel. Maar ... die pantoffel +mag zich niet uitgeven voor 'n rylaars. Ik ken iemand die--hoed en +hooge hakken meegerekend--maar zestig pond weegt. Ben ik daar boos +om? Volstrekt niet. Maar zeker zou ik wrevelig z'n pretentie afwyzen, +wanneer-i zich aan my wou opdringen als 'n reus. En wèl word ik boos by +'t ontwaren van lieden die, niets zynde, niets kunnende, en nooit iets +degelyks hebbende uitgericht, 'n plaats in de Maatschappy innemen, +welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven. Afkeer van zùlk geboefte, +gaf my aanleiding, in dit en 'n paar der volgende hoofdstukken +het bekende draadjen om den poot der Kopperlith's te slaan. Wie nu +niet in gedrukte katoentjes "doet" maar "in tabak is" of "in" gort, +krenten, mixed pickle of schoensmeer--wie schoensmeer maakt staat +hooger!--wie niet precies "in" die katoentjes rondkruipt, behoeft +nu niet te denken dat het verboden is m'n opmerkingen toetepassen op +zichzelf. Lieve hemel, wat zou m'n uitgever verdrietig zyn, wanneer +m'n Wouter-epos alleen waarde had voor handelaars in manchestersche +lynwaden: wittegrond-driekleur-victoria-fancies van Crawfurth-Leeds, +met 'n krabbeltjen of 'n loovertjen of 'n moesjen, of met blokjes of +'n slangetjen of 'n krieuweltje met 'n oogjen ... altyd 'n volslagen +niemendalletje! + +En in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i +overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan +zou z'n ziel worden besteed. + +Is 't niet, om de dagen te betreuren van Pennewip's afsnydende +teekens in de lucht? De dagen van den Weledelen heer Motto, met z'n +gehuurden snuifpot, en wat er verder op dien Zeedyk 't "voornaamste" +mag geweest zyn? Ja, ja, en zelfs--ik word daar byna onzedelyk--byna +zou ik me vergrypen aan de verzuchting, m'n heldje terug te wenschen +op de boven-voor-achter-beneden-insteekkamer van juffrouw Laps! De +verontreiniging die hem dáár dreigde, zou ter-nauwernood weerstand +hebben geboden aan de pomp van Vrouw Claus, terwyl hier ... + +M'n bedoeling is nagenoeg, dat 'n gezonde beenbreuk my minder gevaarlyk +voorkomt dan 't stikken in vermuffing. Gelooft ge niet met my lezer, +dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in 'n atmosfeer als die der +Kopperlith's? Maak liever 'n ambachtsman van uw jongen, of 'n matroos! + + + + + + + + Over al de rytuigen van "papa" en de hoogheid van 'n elsasser + konsul "die m'n zwager is." Engelsche nottings en onderscheiden + windsoorten, uitloopende in 'n lange verhandeling over 't + parelduiken. + + +Toen Wouter, na 'n paar uur dravens, het kantoor weder +betrad--Vellestaat, stokvischbeukery, olievaten, gang naast het +achterhuis, binnenplaats en gangdeur ... hy vond in behoorlyke +volgorde al de stadien der via dolorosa terug, die Gerrit hem dien +ochtend gewezen had, en was er zeer grootsch op!--toen hy bezweet +terugkwam, vond-i alleen Dieper en Wilkens op 't kantoor. De laatste +was half weggedoken in 'n kast, die naast den ingang tot de alkoof in +'n donkeren hoek stond en met lappen gevuld was. Waarschynlyk zocht-i +daar naar 't staal van zeker krieuweltje. Hy had Wouter niet hooren +binnentreden, zoodat deze vergast werd op 't onsmakelyk staartje van +'n diskoers, of wellicht van des heeren Wilkens alleenspraak: + +--Je zult zien: ik zal den schoolmeester moeten spelen! Op my zal +alles neerkomen! Ze zullen my tot plakmonarch willen maken, my! Dat's +m'n vak niet ... dat's m'n karakter niet! In 't geheel niet! + +Toen de man die zoo bang was dat men 'n schoolmeester van hem maken +wilde, Wouter ontwaarde, brak hy op-eens de roerende complainte over +'t gevreesd verkrachten van z'n roeping af. + +--Daar staat 'n tas koffie voor je, zeide hy met 'n majesteit in toon +en vingerwyzing, alsof de oude lappen waarmede hy zich bezighield, +'n kollektie kronen en scepters geweest was. Maar hy had de zuivere +waarheid gesproken. Inderdaad, daar ergens op 'n tafeltje was +koffi. En de heer Wilkens had wel mogen zeggen: 'n bak. Maar "tas" +kwam hem indrukwekkender of aanzienlyker voor, en Wouter, die weinig +grondstof noodig had om zich te verheugen, was zeer in z'n schik met +het nieuwe woord dat-i daar zoo onverwacht en gratis mocht leeren +kennen. By hèm aan-huis namelyk, noemde men zoo'n ding 'n spoelkom. + +--E...è...è...n, ik zou je raden dat je-n-in 't vervolg 'n kadetje +meebracht, of zoo-iets. + +Alweer wat nieuws voor 't jong Amsterdammertje! Hy begreep niet recht +wat Wilkens bedoelde, en vreezend, dat men z'n onkunde zou aanzien voor +'n begin van dienstweigering, antwoordde hy met zekere fermeteit: + +--O zeker, m'nheer! Dat zal ik zeker doen! + +Och, hy was zoo gewillig! Als-i maar geweten had, wàt er dan eigenlyk +moest worden meegebracht in 't vervolg? Gelukkig dat-i uit het +vreemde woord niet opmaakte dat de heer Wilkens de poorten van Gaza +op 't kantoor wenschte te zien, of den merinossen rok van juffrouw +Pieterse! Ja, al ware die juffrouw Pieterse-zelf 't verlangd voorwerp +geweest ... de kleine Simson zou't geleverd hebben, waarachtig! Want +... men moet altyd z'n naastbyliggend plichtje vervullen, en Wouter's +plicht was nu, te doen wat 'm geboden werd door ... iedereen. Er bleek +evenwel dat Wilkens niet aan z'n moeder gedacht had, want--wetende +dat Wouter gespeend was--liet hy op z'n onbegrepen vermaning de +sententieuze kommentaar volgen: dat 'n jongmensch niet zeer lang +zonder voedsel blyven kon. Dit gaf licht. En Wouter's vermoeden +werd tot zekerheid toen-i naast twee geledigde spoelkommen van 'n +zeer aquatintig-bedropen voorkomen, eenige broodkruimels ontwaarde, +in gezelschap van 'n verlept stuk krant met botervlekken. Ook Dieper +en Wilkens alzoo, schenen zich 'n oogenblik geleden gedragen te +hebben als jongeluî die niet lang zonder eten kunnen, en ze hadden de +welwillende voorzorg gebruikt hun kiökkenmödding achtertelaten, om +'n jonger kantoorgeslacht te dienen tot baak. Dat vette stuk krant, +welsprekender dan vóór de botering, fluisterde Wouter de gissing in dat +de benaming van 't voorwerp dat hy in 't vervolg moest meebrengen--hoe +drommel heette het ook?--weleens de zeer aristokratische ambtstitel +wezen kon, waarmee men "in de zaken" 'n boteram aanspreekt. In +'n gelyksoortig vermoeden werd hy versterkt door z'n maag en door +den geest van Strabbe. Hy begon namelyk honger te krygen, en voelde +zich voorbeschikt om eetwaren te verstaan uit èlken klank die z'n oor +bereikte, al ware het 'n engelenzang geweest, of 'n preek. Wat Strabbe +aangaat ... onze handelsstudent wist nu eenmaal dat 'n spoelkom, in +kantoorstyl "tas" heet ... het onbekende ding zal dus wel 'n boteram +zyn! Men ziet, het was een soort van regula de tri, en juist daarin +was-i zoo byzonder sterk geweest op de school van meester Pennewip. + +De jongeheeren Pompile en Eugène waren gewoon zoo tegen twaalven het +kantoor 'n uurtje te verlaten, om te gaan "koffiedrinken en 'n broodjen +eten by mama." Aldus luidde onveranderlyk de aankondiging van Pompile, +waarmede hy aan de "heeren van 't kantoor" verlof scheen te geven ook +iets te gebruiken ... als ze wat hadden. Want "kadetjes" of boterammen +werden niet verstrekt door het huis Ouwetyd & Kopperlith, waarvan de +"papa" zoo byzonder ryk was. De "heeren van 't kantoor" mochten, +indien ze niet wilden flauwvallen, zulke zaken meebrengen in hun +rokzak, en de fyngevoelige Eugène maakte altyd dat-i de kamer uit was, +voor die in papier gekonserveerde levensmiddelen genaderd waren aan +'t oogenblik hunner ontwikkeling. Hy vond dat ze 'r zoo heel onoogelyk +uitzagen, en vooral 't rantsoen van Wilkens die, wys geworden door +treurige ervaring, gewoon was z'n "kadetjes" warm te houden tusschen +den linker voorpand van z'n vest, en z'n edel hart. Eens namelyk +hadden 'n paar neefjes van den huize--ze wisten niet, de onzaligen, +dat welgeboren jongelui geen gekheid maken met 'n kantoorbediende!--ze +hadden den weg gevonden naar de donkere alkoof waar de ongelukkige z'n +met viktualie bezwangerde straatjas bewaarde, en de kadetjes verrykt +met 'n laag fyngeknipte witte-grondjes-driekleur. De martelaar van z'n +"vak" verslikte zoo goed mogelyk de taaie geestigheid der "neefjes +van m'nheer"--z'n naastbyliggend plichtje, naar-i meende--maar droeg +voortaan de mishandelde toeverlaatjes van z'n maag by zich, tot de +finale exekutie toe. En eenmaal is 't gebeurd dat hy ze ongegeten +weer thuis bracht by de trouwe echtgenoot die ze met zooveel liefde +geboterd had, en nu niet zonder moeite haar eigen werk herkende. De +jongeheer Pompile lag dien dag overhoop met "mama" en was op 't +kantoor gebleven. De "heeren" hadden den moed niet hun spaarkruimels +voor den dag te halen. En ook de kommen met geile koffi bleven dien +nefasten dag onaangeroerd staan. Met is hier de plaats, een valsheid +van Klaas Kolyn aan 't licht te brengen, die als eerroovend voor +'n deftig handelshuis, aan de nog levende nazaten der Kopperlith's +menigen traan gekost heeft. Die knoeier beweert dat "de heeren van +'t kantoor" ook hun koffie van-huis meebrachten: dwaling, valsheid, +bedrog, laster! De koffi werd uit de keuken geleverd, en de "booien" +zelf dronken ze niet beter. Dit is voor notaris en getuigen bevestigd +door dezelfde autoriteit die dezen ochtend zoo kordaat geweigerd had, +Wouter wederrechtelyk te-woord te staan by de boven-voordeur. Balthasar +Huydecoper heeft dus volkomen gelyk, zich over dien kakolyn telkens +zoo driftig te maken. Valsche gedenkschriften zyn zaad van den Duivel. + +Juist was Wouter van meening 'n aanval te wagen op den hem aangewezen +spoelkom, toen de jongeheer Pompile met z'n gewone schichtige haast +het kantoor binnenstoof. Vol schrik zette de jeugdige handelsman z'n +vermeten opzet uit den zin, en den kom neer. Was 't niet opmerkelyk +dat-i tegenwoordigheid van geest genoeg had om 't ding niet te +laten vallen? + +--Ei zoo? Terug? Wèl? Hoe is 't? Wat zei de schoenmaker? En de +juffrouwen Pleier? En heb je m'n huis gevonden? Je moet maar altyd +kyken naar spiegelglas, want ... die glazen in m'n zykamer zyn +van spiegelglas, weetje? En wat heeft de jonge mevrouw je laten +zeggen? Heeft ze ie geen boodschap aan my meegegeven? En ... ben +je-n-in den stal geweest? Heb je Jakob gezien? En wat deed-i? Aan +'t poetsen, zeker? Zeker aan 't poetsen, hè? Want ... papa heeft +'n britschka, en 'n landauwer, en 'n tentwagen, en 'n koets, en dat +alles moet gepoetst worden. En zeg me nu maar eerst, wat de juffrouwen +Pleier geantwoord hebben? + +De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon. Het +scheen dat z'n eerste proefstuk niet slecht was uitgevallen, want +de jongeheer Pompile knikte tevreden, en beloofde hem te zullen +begunstigen met meer boodschappen. By 'n aanleg als die welke +Wouter ten-toon spreidde, opgekweekt in den groeizamen zonneschyn +van Pompile's tevredenheid, was het te voorzien dat deze jongste +kantoorbediende--mits in leven blyvende--eenmaal den rang van +alleroudsten kantoorbediende bereiken zou. Hiertoe was slechts wat +tyd noodig. + +--Ei zoo? Heb je mevrouw Kalbb ook al gezien? Wèl, dat is goed! Zoo +leer je de menschen kennen. Mevrouw Kalbb-Kopperlith, weetje? Ei zoo, +heb je die gezien? Juist, precies, dat was de britschka van papa, +want ... papa houdt rytuig. Had ze d'r huurpaarden voor ... och, +dat weet je nog niet. Maar anders ... 't is maar, weetje, dat papa +niet graag ziet dat de paarden ... nu, dit gaat jou niet aan. Je moet +alles goed onthouden ... en 'n zakboekje koopen, 'n klein zakboekjen, +en daarin alles opschryven wat ik je zeg, en wat m'nheer Wilkens je +zegt, niet waar, Wilkens? + +--Ja, m'nheer! + +--Juist. Mevrouw Kalbb is m'n zuster, mevrouw Kalbb-Kopperlith--zóó +moet je zeggen!--en denk er aan dat m'nheer Kalbb z'n naam met twee +b's spelt. Onthoud dat, en schryf 't op als je-n-'n zakboekje hebt +... met twee b's weetje? Want er zyn ook menschen die Kalb heeten +met één b, geringe menschen, heel geringe menschen ... 'n leerkooper, +geloof ik. Wat zeg jy, Dieper? + +Dieper legde langzaam en voorzichtig z'n pen neer, trad 'n stap +achterwaarts--hy boekhouwerde altyd overeind--snoot z'n neus, hèmde +z'n keel schoon, en sprak met expresselyk voor deze betuiging gereed +gemaakte organen: + +--Ja, jongeheer, heel geringe menschen! + +--Zieje, ging Pompile voort, m'nheer Dieper zegt het ook, en ... die +leerkooper schryft z'n naam met één b. Maar myn zwager heet Kalbb +... met twee b's, en hy is konsul van den heelen Elsas, en als de +Koning in de stad komt, moet-i altyd op audiëntie, en dan zegt de +Koning: eh bien, m'sieur le consul, comment vont les affaires? En +dan antwoordt m'nheer Kalbb ... ook in 't fransch. En dan heeft-i +'n rok aan met 'n geborduurden kraag. En dan knikt de Koning--'t is +eergister nog gebeurd, en alle jaren weer!--en m'nheer Kalbb ... is +m'n zwager, de schoonzoon van papa. En ... heb jyzelf nu mevrouw +Kalbb al gezien? Wèl, wat zei ze? + +--Ze zei niets, m'nheer. + +--Zoo, zei ze niets? Dat komt omdat ze niet wist dat je hier jongste +bediende bent, anders zou ze je zeker wel iets ... gezegd hebben, of +... 'n boodschap opgedragen, of zoo-iets, want ... ze is m'n zuster, +weetje! Dat moet je goed onthouden. En hoe is 't afgeloopen met dat +borduurpatroon? + +Wouter's triumf over de afgedongen vier stuivers, werd eenigszins +gematigd door 't gefronsd voorhoofd van Pompile, toen deze de +buitensporigheid van z'n lichtzinnige wederhelft te weten kwam: + +--Binnen geweest? Zelf de jonge-mevrouw gesproken! Ei +... zoo? Binnen-geweest in de zykamer? Waarom ben je binnen geweest? + +--M'nheer, stamelde Wouter, die bemerkte dat-i 'n fout begaan +had, m'nheer, de meid zei dat mevrouw me liet roepen, en dat ik +... binnenkomen moest. + +--De meid, de meid! Wat geef je-n-om 'n meid? Zoo'n meid kan wel +zeggen ... kyk, dit is nu zóó, weetje? Als ik je wat opdraag, dan +moetje-n-altyd ... + +Men hoorde een sloffenden tred in de gang. 't Spyt me. Want ik +had gaarne eens vernomen hoe Wouter zich in 't vervolg zou te +gedragen hebben, wanneer "de jonge-mevrouw" hem door de meid liet +binnenroepen? Pompile brak op-eens z'n onderricht af: + +--Daar is papa! Ik zal je voorstellen aan papa. Je moet nu zoo goed +wezen heel beleefd te zyn tegen papa. Dag, papa! + +De eerwaardige gedaante van den ouden heer Kopperlith schoof 't kantoor +in. Met 'n welbehagelyk lachje nam hy de nederige begroetingen van +Dieper en Wilkens in ontvangst, en ook op Wouter spatte een drupjen af, +van den genadestroom dien hy zich alleredelmoedigst ontvloeien liet. + +--Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar +braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons +gerekommandeerd door m'nheer Dieper ... + +De boekhouder trad 'n pas achterwaarts, en maakte een beweging alsof-i +nogmaals verschooning vroeg voor 'n stoutheid die hy scheen begaan +te hebben. Maar de oude heer glimlachte weder. Goddank, Dieper zou +voorloopig niet geradbraakt worden. + +--Ja, door m'nheer Dieper, die myn boekhouder is. En aan mênheer Dieper +ben je gerekommandeerd door zekeren heer ... hoe heet-i ook weer? + +--Och, m'nheer, antwoordde de boekhouder, als ware de naam dien-i +zou uitspreken, eigenlyk te gering voor het oor van den heer +Kopperlith. Och, m'nheer, 't jonge mensch is my aanbevolen door +... zekeren Kalb, 'n leerkooper ... iemand dien ik wel eens ontmoet +heb ... m'nheer! + +Kalb was z'n neef, en z'n beste vriend, voor-zoo-ver het +kantoorbedienden en boekhouders geoorloofd is, neven en beste vrienden +te hebben. + +--Juist! Zekere ... Kalb. Nu, dat's hetzelfde. Je zult hier veel +werk vinden, jongetje! Hard werken is de boodschap. Heeft Wilkens +hem reeds een-en-ander gewezen? Is-i al in 't magazyn geweest? Op de +zolders? Zeker zet je 'm aan 't kopyboek, Pompile? + +Op al deze vragen had Pompile 'n dozyn: "O ja, papa's" ten-beste +gegeven. + +--En schryft-i 'n mooie hand? + +--O ja, papa! + +Wouter begon eerbied te voelen voor Pompile's doorzicht. De vereerende +hoedanigheid die hem werd toegekend, was zeker gebleken uit z'n +boodschappen by de Pleiers, of de Kruckers, of de Hockers, of den +schoenmaker. Wat die voorname lieden toch scherpzinnig zyn! + +--Zoo? Ei! 'n Mooie hand? Ei, ei! Wel, Pompile, wat zeg je 'r van, +als we hem den brief van Leon 'n keer of wat lieten overschryven voor +Flodoard, en voor neef Griekel, en voor de familie Pruikers? + +--O ja, papa! + +--Niet waar, ze inviteerden Leon altyd zoo trouw op hun +kinderpartytjes. Ze zullen 't aardig vinden dat-i zoo'n man geworden +is, en al zulke mooie brieven schryven kan. Maar ... op dun papier, +op heel dun papier! 't Is om de port naar Rome, weetje ... op héél +dun papier! + +--O ja, papa! + +--Zieje, dan kan 't mannetje zich met-een wat oefenen in briefstyl, +vind je niet, Pompile? + +--O ja, papa! + +En zoo geschiedde het. Wouter werd belast met het verveelvuldigen der +oostindische wysheid van den jongeheer Leon, ter opvroolyking van den +jongeheer Flodoard die te Rome was en daar heette te schilderen. Tot +amuzement ook van neef Griekel te Leiden. En om de vriendschap te +cimenteeren met de familie Pruikers, óók lieden in 't best van hun +fatsoen. Na 't eerbiedig aanhooren van veel leerstelsels over de +ware manier om 'n brief overteschryven, ging Wouter dapper aan +'t werk. Hy keek niet op, kopieerde letter voor letter, woord +voor woord, zin voor zin, en ... netjes! Z'n werk leek op 'n +gravure. Hy volbracht dus alweer zoo goed mogelyk z'n naastbyliggend +plichtje. Maar wel verwonderde het hem dat de heer Leon Kopperlith, +surnumerair by de Landelyke Inkomsten en Kultures in de afdeeling +Tjanjor, residentie Preanger Regentschappen, op het eiland Java, +in Nederlandsch lndië--aldus onderteekende die verre jongeheer 'n +brief aan z'n moeder, die niets vreemds vond in deze zotterny--wel +bevreemdde het hem dat die voorname persoonlykheid zooveel taal- en +spelfouten maakte. En ... iets anders nog. Hy voelde zich eenigszins +beleedigd--meer dan door die boodschappen!--dat men hèm al die fouten +te kopieeren gaf ... tot oefening in briefstyl. + +Er bestond nòg iets dat hem zeer begon te hinderen. Maar dit kon Leon +niet helpen. Hy had 'n vreeselyken honger. + +Slechts zeer zelden verwaardigde zich de oudeheer des morgens op 't +kantoor te komen, d. i. vóór den toenmaligen beurstyd en 't daarop +volgend middagmaal. Het scheen dat-i zich dezen keer wat vroeger dan +gewoonlyk naar beneden had laten dryven door de verveling, een euvel +waaraan hy zich twaalf uren in 't etmaal schuldig maakte, jaar-in, +jaar-uit. Hoe zou 't anders kunnen? De man was leeg. Misschien +herinnert zich de lezer 't portret van den baron Van Een-en-ander, +dat ik tentoonstellend aan den wand hing in m'n "Specialiteiten." Ook +daar schetste ik een nietig wezen. Welnu, zoo'n Een-en-ander-baron +is by den hier bedoelden Kopperlith vergeleken, 'n ware Humboldt, +'n Kroesus naar den geest. Die oude baron beteekende zeer weinig, +omdat-i slechts ... een-en-ander was. Kopperlith senior was nòch +'t een, nòch 't ander. Hy was niets. + +Z'n komst op 't kantoor werd altyd, door Pompile vooral, met weerzin +gezien, omdat hy--voor-zoo-ver er inderdaad iets te doen viel--de +bedienden van 't werk hield door z'n eindeloos gebabbel. Dit was, +vooral nà den middag, zeer hinderlyk, en Wouter's menschenkennis had +dan ook weldra gelegenheid zich uittebreiden tot het besef hoe zekere +lieden byzonder grappig worden als ze goed gedineerd hebben. Doch ook +in den "stillen tyd", in 't saizoen dat z'n botanischen naam aan de +cucurbitaceën ontleent, zagen de jongeheeren den oorsprong van hun +bestaan liever vertrekken dan komen. Door overmaat van opgeblazenheid +namelyk, meende hy in zekere buien niet noodig te hebben den toegang +tot z'n hoogheid zoo angstvallig te versperren als sommige anderen, +en deze noodlottige waan verleidde hem soms--vooral nà tafel!--tot +inbreuk op 't decorum van het kantoor. Dit beviel de jongeheeren +niet, zy die in de bespottelyke gemeenzaamheid van "papa" een element +van bederf meenden te ontdekken voor 't verheven standpunt dat zy +wilden blyven innemen. Wie 'n zuiver muzikaal gehoor had, kon altyd +in den toon dien de jongeheeren terstond na 't vertrek van "papa" +aansloegen, duidelyk zekere scherpte waarnemen, waaruit men verstaan +kon: "denk nu vooral niet dat je geen bediende bent omdat papa zich +zoo met je gekompromitteerd heeft." Het: "je moet eens zoo goed wezen" +van Pompile klonk dan waarlyk komisch, juist omdat z'n linksgedragen +hoogheid zoo kluchtig afstak by de laagte der sfeer waarin hyzelf +zich bewoog. Zeker bezat hy één hoedanigheid van 'n groot man. Déze, +dat niets hem te klein was. Om nu echter wezenlyk-groote mannen niet +te-schande te maken door dezen schyn van verwantschap, behoort men +zich te haasten er bytevoegen dat hem alles te groot was, behalve +het allerlaagste. We vernamen reeds hoe hy den stuiver waarmede hy +'n briefbesteller paaide voor 't verzaken van z'n plicht, niet wilde +doen drukken op de "zaken" waarin hy 'n vierde aandeel had, terwyl-i +als aanstaand mede-erfgenaam ter-zyner-tyd slechts voor 'n geringer +deel zou betrokken zyn in 't wel of wee van "huishouden." En veel +hooger dan Pompile stonden de andere leden der familie Kopperlith niet, +noch in kennis, noch in verstand, noch in hart. + +Het spreekt vanzelf dat Wouter--in 't oordeelen nog altyd +belemmerd door naïveteit--dit alles niet dan zeer langzaam +opmerkte. In-den-beginne nam hy zich z'n eigen verwondering kwalyk. Hoe +trager evenwel z'n oordeel zich ontwikkelde tot overtuiging, hoe dieper +deze overtuiging geworteld werd. Aanvankelyk voelde hy slechts z'n +nieuwsgierigheid geprikkeld. Telkens echter werd er 'n nieuw hoekjen +opgelicht van de gordyn die de Maatschappy--of het nietig onderdeel +er van dat hy nu te beschouwen kreeg--tot-nog-toe voor z'n oogen +bedekt hield. Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging +over, weldra in minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit +ten-slotte de hoogmoed voortkwam die 't doel van ons streven moet +zyn. Maar zoo ver zyn we nog niet. Op dit oogenblik begint hy juist +z'n derde afschrift van den fameuzen brief des zeer jongen heers +Leon. Daarin kwam 'n vertelling over zeker feestmaal voor, waaraan +de auteur beweerde te hebben deelgenomen. Daar was veel gedronken, +gegeten en ... och, Wouter had zoo'n honger! Hy kende het dokument nu +van buiten, en schreef werktuigelyk voort, niet zonder te luisteren +naar alles wat er gesproken werd door de "heeren van 't kantoor." Maar +dat de honger hem vreeselyk plaagde, is de waarheid. Als ooit "de +handel" hem aan "brood" helpen zou, moesten de zaken zeer veranderen. + +Wat de luistervink al zoo te weten kwam, zal ik meedeelen in 't +volgend hoofdstuk, waarschyntyk niet zonder kommentaar. + +De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt--en misschien niet zonder +eenig medelyden met den auteur--dat er onder al de personen die ik +in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt, +althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten. Het +is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van welk artikel +ook uit het Wetboek van Strafrecht, noch zelfs van policie-keur. + +De oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was 't een +voorbarige spruit van z'n eigen dochter geweest. Wilkens maakte reeds +sedert ruim 'n halve eeuw zich niet schuldig aan belletjes-trekken, +en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie stuivers die er te-kort +kwamen in z'n "kleine kas" niet in zyn zak waren overgegaan. Eugène +vermaakte zich wel met de booswichten in die fransche romannetjes, +maar verder ging z'n verkeer met zulk onfatsoenlyk gezelschap niet. In +z'n gedrag geleek hy wel volstrekt niet op de deugdhelden in die +boeken--wat ik verstandig vind--maar toch, hy vermoordde nooit +iemand. Zelfs verleidde hy geen meisjes welker eer den prys van +'n halven dukaton te-boven ging. Dit was 'n principe van hem. Hy +was dus wat men gewoon is te noemen: van onberispelyk zedelyk +gedrag, en zou--wat dit betreft, en nu eens geen acht-slaande op +den gerekwireerden "lust in werken"--best geschikt zyn geweest voor +de betrekking van winkeljongetje by m'nheer Motto. De oude Gerrit +was 'n pruttelaar, maar overigens bestond z'n grootste fout--op de +rhumatiek na--in 't koketteeren mèt die rhumatiek, 'n begaafdheid +die hem alleraardigst te-pas kwam om nu-en-dan 'n boodschap voor den +jongeheer Pompile uittewinnen. En ook deze leverde geen bruikbare +vlek in de eentonige schildery van 't gewone. Gelukkig dus dat ik +geen romanschryver ben! Hoe immers zou ik 't aanleggen, om straks wat +licht te doen uitkomen by zoo weinig bruin? By zoo'n totaal gemis van +'t krimineel-zwarte? Wie zou helder blinkende deugd kunnen schilderen +op zoo'n vaalgryzen grond? + +Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege +blyven--ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal!--dan toch +... vanhier, vanhier, gy die meent 'n roman te halen uit den huize +Kopperlith! + +Als ik 'n romanschryver was, zou m'n taak ligter zyn. Dan immers had ik +slechts den gek Wilkens te verdoopen in 'n bandiet, hem 'n roovermantel +van diemet en shirting om den schouder te slaan, z'n kantoortjen onder +de stoep te veranderen in 'n spelonk vol doodsbeenderen en geronnen +bloed, z'n kadetjes in zakpistolen, z'n pedante praatjes in moord- +en wraakschreeuwende tooneelkrankzinnigheid. Niets gemakkelyker +dan dat alles, maar ... 't is nu eenmaal bepaald dat m'n taak zoo +eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want ... 'n romanschryver ben ik niet! + +Ware ik 'n romanschryver ... zeker, dan liet ik de draadpoppen +myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en +zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia +op-weg naar Gretnagreen, met den ouden Dieper en de kas ... de +groote. Want in die van Wilkens kwamen nog altyd de drie stuivers +te-kort, die volstrekt noodig zyn om sous d'autres climats zalig +te wezen met 'n verboden geliefde. Ware ik romanschryver ... dan +boezemde ik den teederen Pompile yverzucht in tegen 't allerjongst +kantoormannetje dat zich, één halven dag nog slechts in funktie, reeds +verstout had integaan tot z'n vrouws zykamer! Ware ik romanschryver +... dan liet ik den achtenswaardigen hoofddader van 't wanbedryf: +Ouwetyd & Kopperlith, bekneld raken tusschen twee olievaten, woedend +allebeî over de zoo sarrend te-kyk gedragen persifflage hunner smeerige +welgedaanheid ... + +Maar, helaas, 'n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die menschen +niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal! Is 't +niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo weinig +kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat 'n boek +lezenswaard maakt--uitdrukking, styl, schryfmethode, en ... inhoud +nog bovendien op den koop toe--wanneer ik me veroorloofde dat alles +te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot 'n bondig: + +--Je kunt me gelooven, Pieterse, ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk +borssie, maar ... wat ik je zeg: 't is allemaal wind en 'n engelsche +notting! + +Sloos had nog 'n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te bevallen +omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins +tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van +Kotzebue, en laafde gedurende al z'n vele boodschappen zyn kunstzin +aan de tooneelbriefjes die de opvoering van Armuth und Edelsinn +aankondigden. De hollandsche vertaler had dit laatste woord als in +ons land minder gangbaar beschouwd, en doopte dus dat tooneelstuk met +den meer hollands-klinkenden titel: Armoede en Grootheid. Onze Gerrit +had wel dien naam diep in z'n geheugen geprent, doch--eenigszins +tegen de bedoeling van den schryver en vertaler--in den zin van: +kalen bluf. Ieder is de uitlegger van z'n eigen woorden, en indien +de oude Sloos nog leefde ... + +Komaan, z'n engelsche notting is mooier. En z'n wind ook. De oudeheer +was 'n neerbuigend-winderige notting. Eugène's notting-wind woei +naar-binnen. Pompile was 'n notting met kinderachtigen wind. De notting +van Wilkens suisde en blaasde ploertig-pedant. De oude Dieper ... hm, +'n volslagen notting was deze niet, maar toch, de wind die daarby zou +behoord hebben, was hem niet geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien +voor huis- en buurtgebruik. Zoodra hy, van 't kantoor komende, de brug +bereikte die den Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt, +liet-i zyn wind los. Op die brug rekte hy hals en lenden eenige duimen +uit. Hy richtte zich met zekere fierheid omhoog--op 't horloge-n-af, +altyd kwart over vieren--gaf aan longen, armen en beenen, aan gezichts- +en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid weder, en kuchte dat de +Jordaan er van daverde. Die kuch was 'n jerichoosch trompetgeschal +dat schetterend verkondigde: "de Kopperlith van déze buurt ben +ik!" Jammer dat de ware bezitters van dezen roemruchtigen naam zich +nooit verwaardigden hun voeten in die gemeene wyk te zetten. Want +als eens onze Dieper in zoo'n huisbui van overmoedige handlichting +den oudeheer had ontmoet, Of den jongeheer Pompile, of den jongeheer +Eugène ... tot groot nadeel van den Jordaan, nu ja, maar ... dan had +ik 'n natuurtooneel te beschryven gehad, en in deze hoofdstukken iets +anders te schetsen dan één doorgaande nietigheid! + +Waarheid blyft echter, dat Wouter in zóó'n kring 'n paar van z'n +"Lehrjahre" moest doorbrengen ... + +Fancy had gelyk! + +Hy moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan +ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat schooners +moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat grooters dan +werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet toerusten met geheel +àndere wapenen dan zwaard, lans en Edelsinn, om niet ondertegaan in +den stryd tegen 't geboefte. Wouter moest zich leeren verdedigen tegen +'t kleine. + +Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar +te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in 't oog te houden +... rein te blyven by aanraking met vuil ... buigend en bukkend niet +te breken ... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als +'n gebogen veêr ... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven +... in één woord: steeds zichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen! + + + +Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele +Wouter-geschiedenis: + +Een parelduiker vreest den modder niet. + + + + + + + + Schetsen uit onwelriekende streken van zekere wereld beneden de + oppervlakte der zee, waarby men, o. a. "een man als U, m'nheer!" te + aanschouwen krygt. Ook de jongeheer Pompile blyft voortgaan zich + te vertoonen in al z'n geurige beminnelykheid van verstand en hart. + + +De lezer herinnert zich den indruk dien pater Jansen's eenvoudige taal +op Wouter gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk dááraan nu was z'n +bevreemding over den aard der gesprekken op het kantoor. Doch ... er +bestond verschil. Wel sprak ook pater Jansen geheel anders dan hy +zich had voorgesteld, maar er blonk iets zoo liefelyk-goedaardigs +in z'n onderhoud door, dat Wouter den moed niet had iets in hem +aftekeuren. Al was onze leerling in menschenkennis en menschkunde +nog niet ontwikkeld genoeg om intezien hoe hoog het waar-menschelyke +boven het vals-goddelyke verheven is, toch zou in dit geval z'n +smaak al zeer spoedig den weg hebben gewezen aan z'n oordeel. Om +nu evenwel zelfs den braven Jansen niet meer te geven dan hem +toekomt, moeten wy wel onthouden dat Wouter's kennismaking met dien +eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van 'n boteram, terwyl het +kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet de minste bykomende +omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op de beoordeeling van 't +verhandelde. Geen onzer is in-staat den oorsprong van z'n indrukken +nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften +dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel. De kennismaking +met het stukje nieuwe wereld waarin Wouter aanving zich te bewegen, +ging vergezeld van zulke onaangename byzaken, dat-i moeite zou gehad +hebben de gesprekken die hy aanhoorde schoon of belangryk te vinden, +al hadden de sprekers Bilderdyk's Floris gerepeteerd, of 'n preek +opgezegd. In-plaats van de gulle ontvangst die hem was te-beurt +gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich geplaagd door 'n onbevredigden +eetlust die hand-over-hand toenam. Bovendien ... komaan, we zullen +'t woord dat niet gaarne uit m'n pen vloeit, in den mond leggen van +de sprekende personen-zelf, die niet te goed zyn voor 't platste: + +--Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg de +oudeheer met roerende vertrouwelykheid. + +De plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging tenvolle +waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand- +en voetgrepen: pen in de gleuf van 't opgeslagen boek ... één stap +achteruit ... de handen gewreven, en: + +--Ja, m'nheer, 't stinkt hier wel ... 'n beetje. + +Dat "beetje" was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om 't +gelyk-geven aan m'nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in 'n +vermetele aanranding der eer van m'nheer Kopperlith's kantoor. Zoo +zeilt de wyze tusschen twee klippen door! + +--Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, 't stinkt hier heel erg. Dat komt +van de grachten, niet waar, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, 't komt van de grachten ... + +En, alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroon +tevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze meening met de +plechtige woorden: + +--Ik heb de intieme fiktie, m'nheer, dat het alleen van de grachten +komt! + +--Ei? vroeg of zei m'nheer Kopperlith. + +--Ja, m'nheer! En ... 't is zoo'n ... modderlucht, vindt u niet? + +Dieper had zeer gerust de kwalifikatie 'n paar graden onfatsoenlyker +kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de waarheid. Maar bégueule +stiptheid in omschryving was minder z'n zaak, dan 't reinwasschen +van m'nheer's kantoor van àl te onwelriekenden blaam. Op gelyke wys +had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn in bescherming +genomen door de schuld op de riolen te werpen, al geschiedde dit dan +niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den nieuwen jongste-bediende +een blyk van z'n scherpzinnigheid te geven. Misschien ook was 't +Gerrit alleen om 'n praatje te doen, een bodem waarop veel onbekookte +meeningen groeien. In-zoo-verre echter moet ik zoowel Dieper als +den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide lokalen die thans in +zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend zouden geworden zyn +wanneer men ze had overgeplaatst naar 'n lusthof op den Hymettus. Maar +in zoo'n lusthof lagen ze nu eenmaal niet. + +--Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer met bescheiden +weifeling voor. + +--O né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! Ik zal u +zeggen, papa ... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! Niet +waar, Dieper? + +Dieper betastte z'n hoofd: + +--Zinkings, m'nheer! Allemaal zinkings! + +--En dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt er +dadelyk zoo'n fameuze stank in van de binnenplaats, papa! + +Meer afdoende reden om "versche lucht" buiten te sluiten, zal wel +nooit gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de zaak, en +Pompile die gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken als +bondgenoot--niets was hem ooit te gering!--en als middel om z'n doel +te bereiken met de Pleiers en de Hockers en de Kruckers, bracht zeer +handig het gesprek op iets anders. + +--De zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. Niet +waar, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m'nheer, een man als U, m'nheer, +behoorde reeds lang buiten te wezen! + +Het glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet +opgaan over de boozen en goeden van z'n kantoor was goud waard. Toch +niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het tevoorschyn roepen +zoo dikwyls hy verkoos met 'n allergoedkoopst: "een man als U, +m'nheer!" Maar hy was te bekwaam in z'n specialiteit van perpetueel +ondergeschikte, om de kitteling van z'n streelen aftestompen door +overvoer. Meer dan tweemalen daags zeide hy 't niet. En gewis ook +zóó veel keeren kon m'nheer Kopperlith het verdragen zonder op +'t afgryselyk denkbeeld te komen dat z'n boekhouder hem voor den +gek hield. Neen ... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar +de man was 'n vriend van 't gemiddelde, een vyand van overdryving, +matig, sober en ingetogen, tot in z'n flik-vlooiery toe. Bovendien, +er was inderdaad geen element van bespotting in de hulde die hy vry +periodiek neerlegde op 't altaar van de Kopperlithsche hoogheid. Z'n +opblazen by 't betreden van de buurt die hyzelf bewoonde, had +volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming die inderdaad de +zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht betrad, waar +'t zoo heel erg ... 'n beetje stonk. Hy huichelde evenmin als de +bulhond die, wild en onhandelbaar onder z'n gelyken en by vreemden, +zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z'n meester. + +Oppervlakkige ziel-ontleders denken gewoonlyk veel te spoedig aan +huichelary, wanneer zy iemand ongelyk zien aan zichzelf. Juist deze +ongelykheid is by zeer velen de strenge konsekwentie van allergewoonste +karakterloosheid. + +Ook Dieper hield er 'n wezen op na, dat tienmaal in de week 'n +fleemerig: "een man als U, m'nheer Dieper!" by hem plaatsen kon, en +... op-straffe van ongenade, plaatsen moest. De majesteit waarmee de +oude boekhouder in zyn huis om z'n sloffen riep, of 'n ketel saliemelk +bestelde--zoo byzonder goed tegen de "zinkings"--was nauw verwant aan +'t zelfde hondenkarakter dat hem zou hebben genoopt de pantoffels van +"m'nheer" te kussen, wanneer dit blyk van rechtgeaarde boekhouwery +mocht gevorderd worden. + +--Een man als U, m'nheer, moest al lang buiten wezen, niet waar, +jongeheer? + +--Ja, papa. 't Saizoen gaat voorby, papa! + +--Dat is waar, Pompile. Maar ... als mama niet reizen kan ... wat +zullen we 'r aan doen? Ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is, +byzonder erg, Pompile! + +Dit had hy van "Gerrit" vernomen. De onnoozele lezer die nooit +te logeeren werd gevraagd aan 't hof van Spanje, en dus niet +ingewyd kan zyn in de verheven etikette van zoo'n Kopperlithsche +huishouding, is misschien verwonderd dat 'n man bericht van den +gezondheidstoestand zyner vrouw ontvangt door bemiddeling van den +knecht. Men bedenke dat--op 'n kleine uitzondering na, die straks +zal gemeld worden--slechts zeer weinige stervelingen toegang hadden +tot de suite, waar "mevrouw" huisde, sliep, ziek was, at en dronk, +enz. Daar was 'n "juffrouw" die haar gezelschap hield, en 'n kamenier +voor 't aan- of uitkleeden, en 't optooien. Want ... opgetooid wèrd +ze. Doch zie, deze beide mynslavinnen waren niet sterk genoeg om 't +logge schepsel uit haar bed op den rolstoel te helpen, waarmee ze naar +'t voorvenster van de "zykamer" moest gekruid worden. Jaren geleden +reeds was er over deze zwarigheid 'n kantoor- en familieraad belegd, +met den kanonieken uitslag dat de ook toen reeds niet jeugdige Gerrit +zou worden beschouwd als geslachteloos, 'n vereerende onderscheiding +die hem 't recht van toegang tot den harem verschafte. Men bedenke +dat het er donker was, en de sultane sedert lang grootmoeder. Deze +regeling omtrent Gerrit voldeed te-meer aan den eisch, omdat zy +samenviel met de voortdurende noodzakelykheid om hem met boodschappen +te belasten. Gedurende Wouter's wittebroodsweken pynigde hem telkens +z'n wanbegrip, wanneer een der meiden of de kamenier Gerrit kwamen +zoeken met de onheldere toelichting: "'t is, weetje, om mevrouw +te kruien ... ze wil eruit" of: "ze wil er in." Ook begreep-i niet +volkomen wat er bedoeld werd met den roep: "Gerrit, mevrouw's boeken +ruilen!" Maar dit alles helderde zich weldra op. Dat eeuwige boeken +ruilen stond in verband met haar verveling. Ze was geabonneerd in drie +leesbibliotheken te-gelyk, en verslond al wat daarin fransch was. Dat +er noch door haar, noch door wien ook van de andere familieleden ooit +'n penning besteed werd om 'n boek te koopen, spreekt vanzelf. Van +'n bibliotheek was geen spoor in den huize Kopperlith! De "heeren" +meenden dat zoo-iets behoorde by geleerdheid, 'n eigenschap waarvoor +zy allerfatsoenlykst den neus optrokken. + +Wat overigens die geheimzinnige suite-kamer aangaat, het is te +veronderstellen dat ze weleens bezocht werd door Pompile en Eugène +ook, wanneer deze jongeheeren hun: "broodje gingen eten by mama" +maar overigens waagde zich daarin vóór het uur van 't middagmaal, +geen schepsel. Dan namelyk, maar ook dan eerst, kon de oudeheer +z'n huwelyksgeluk 'n uurtje te zien krygen. Z'n vurige drift om +vóór dat oogenblik iets te vernemen van de wyze waarop zy den +nacht had doorgebracht, kon alleen door Gerrit bevredigd worden, +en deze ontleende alweer aan deze byzonderheid zeker gewicht, dat hy +zeer handig wist op de schaal te leggen in z'n eeuwigen gezagstryd +met: "die Wullekes!" De manier waarop hy 't aanlei om z'n welkome +voorwendsels tot dienstweigering toetepassen, is niet moeielyk te +raden. Zoodra de wyze kantoorheer iets gelastte dat den kantoor- en +huislooper niet aanstond, moest deze juist "boekenruilen voor mevrouw" +'n ultima ratio die Wilkens niet dan schoorvoetend aandurfde. En, +als: "mevrouw straks misschien zou moeten gekrooie worden" verzonk +de autoriteit van den gehaten onder-chef in 't peilloos Niet, juist +waar Gerrit ze gaarne zag om ze op z'n gemak uit het oog te verliezen. + +--Zieje, Pompile, als mama zoo erg is, zoo heel erg.., wat zullen we +doen? Ik kan toch niet in m'n eentje naar Groenenhuize! Wat zeg jy, +Dieper? Ik zou me daar vervelen, denk je niet? + +--Zeker, m'nheer, ik ben zeker dat m'nheer zich daar vervelen +zou. M'nheer zou daar zoo ... heelemaal alleen zyn, niet waar? + +--Nu ja, papa, dat's waar, maar ... 't saizoen gaat voorby. Ik kan u +verzekeren, papa, dat er geen enkele fatsoenlyke familie meer in de +stad is, wat je noemt: 'n fatsoenlyke familie! Wat zeg jy, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, er is geen enkele fatsoenlyke familie meer in +de stad, dàt is waar. + +--Ziet u, papa? En als mama niet zeer spoedig resolveert ... zal ze nog +veel zieker worden. Dat heeft de dokter ook gezegd, niet waar, Dieper? + +Hm! Wat zou de boekhouder zeggen? Hy kon toch in-gemoede de +meening niet bevestigen van 'n dokter dien-i nooit had te zien of +te spreken gekregen? En ook de vreeselyke ziekte van mevrouw was +aan de "heeren van 't kantoor" slechts zeer schemerachtig bekend, +want de half-vertrouwelyke ontboezemingen van Gerrit weken weleens +'n beetje van z'n officieele berichten af, 'n byzonderheid die +oplettende hoorders en lezers ook nu-en-dan in andere kringen kunnen +waarnemen. Ook de betrekkelyke duisternis der onwetendheid omtrent +mevrouw's zeer voorname kwalen zou in diepen nacht zyn overgegaan, +wanneer men by die heeren gevorscht had naar bekendheid met de +mevrouw-zelf. Zy was in hun oog de zeer letterlyk-etymologische +uitdrukking van 't solemneele: men zag haar éénmaal 's jaars, op +den eersten Januari. Op dien dag namelyk werden Dieper, Wilkens, +en later ook Wouter, door een der ad hoc gekommitteerde jongeheeren +plechtstatig door de bovengang in de suite geleid, waar ze dan konden +wachten totdat mevrouw door haar gezelschapsjuffer het sein liet geven +dat "de heeren" mochten binnentreden in de eeuwige zykamer. Schryvers +van middelmatige konscientie zouden allicht uitstrooien dat ze daar +werden toegelaten tot den handkus, maar wie eerbied voor waarheid +heeft, zal ten-allen-tyde verzekeren dat de plechtigheid niet zóó +ver ging. Dieper wenschte by deze gelegenheid: "ook namens de andere +heeren, aan mevrouw ... des Hemels besten zegen, en ... bestendig +welzyn." Ze was er mee tevreden, en zei dat ze 't vandaag zoo +byzonder erg "op" haar zenuwen had, en dat het zeker van 't weer +kwam. Nadat dit door Dieper beaamd was--met 'n buiging, want z'n +welsprekendheid was òp--kon men de zaak als afgeloopen beschouwen. De +gezelschapsjuffer opende een der dubbeldeuren van de suite, en de +"heeren" verlieten ruggelings de "zykamer van mevrouw." Dieper was +dan gewoonlyk zeer warm, en kon niet altyd de schuld hiervan op 't +weer schuiven, want het vroor soms. En ook lag de oorzaak van die +hitte niet in de vermoeienis van de reis die zoo byzonder ver niet +was, en maar weinig inspanning vorderde. De plechtige exodus nam op +'t kantoor 'n begin ... linksom, vyf treden in de ondergang ... de +keuken voorby, waar de meiden stonden te lachen en te ginnegappen, +vooral om 't malle gezicht van m'nheer Wilkens, daarop volgde een +donker slakhuisvormig trapjen, en twaalf korte schreden tot aan +de deur van de suite ... neen, neen, uit vermoeienis van de marsch +ontstond Dieper's verhitting niet! Doch al ware dit anders, ik vraag +of zoo'n kennismaking voldoende is om iemand instaat te stellen tot +beoordeeling van de vraag of "mevrouw nog zieker worden zou ais ze +niet spoedig naar buiten ging?" En tevens: of men uit zoo'n bezoek op +nieuwjaarsdag--en in die hitte nogal--voldoende gegevens putten kan om +te berekenen hoe de dokter mevrouw's toestand zou beoordeelen in 't +hartje van den komkommertyd? Maar de jongeheer Pompile had nu eenmaal +Dieper's getuigenis ingeroepen. Des boekhouders naastbyliggende +plicht schreef dus voor, een "intieme fiktie" by-de-hand te hebben, +die den jongeheer kon dienen by z'n plannetjes, en dus: + +--Ja, ja, m'nheer, 't is zeker goed voor mevrouw, dat ze spoedig naar +Groenenhuize vertrekt, want ziet u--o, prachtsprong over 't onbekend +gezegde van den onbekenden dokter!--'t is zeker goed voor mevrouw, +anders ... gaat de tyd van jonge doppertjes voorby! + +--Ziet u, papa? Dàt is juist wat ik altyd zeg. Mama moet absoluut +naar buiten! 't Is voor mama niet langer in de stad uittehouden, +niet waar, Dieper? + +--Juist, jongeheer! M'nheer, het is voor mevrouw in de stad niet +langer uittehouden! + +--Voor niemand, papa! + +--Zeker, m'nheer, voor niemand! + +En hyzelf dan? En al z'n lotgenooten? + +--'t Water in de grachten ziet paars van den stank, papa! Niet Dieper? + +Ook dit beaamde de getuige, en ditmaal met grondige reden van +wetenschap. Want hyzelf woonde in den Jordaan, waar de opgezamelde +meststof zich niet onbetuigd liet in dartele kleurspeling op 't +water. 't Was juist 'n buurt om nieuwe verfstoffen uittevinden. + +--Maar ... Pompile, hoe krygen wy in-godsnaam mama de stoep af? Dat +is de vraag! + +--Juist, papa, dàt is het! Dàt's de zaak! Ik heb er Flip over +gesproken, Flip den kruier, papa! + +--Hè? + +--Ja, papa, den kruier! Met hun drieën zien ze geen kans mama de +stoep aftedragen ... + +--In 'n fauteuil, Pompile! + +--Juist, papa, in 'n fauteuil! Weet u wat ze zeggen? Ze zeggen: 't +handt niet, omdat de trap van de stoep wat smal is, papa! En ze zouden +mama laten vallen, papa! U moet begrypen, papa, 't is lomp volk, papa! + +--Maar ... hoe dan? + +--Flip zei: als we mevrouw in 'n flinken leuningstoel hadden--fauteuils +kent zoo'n man niet, papa!--en dan 'n strop er om--om den fauteuil, +papa!--en dan ... maar toen zei ik: met veel kussens, papa, weet u, +met héél veel kussens, dan zouden we ... + +Eugène trad binnen. Blykbaar was hy door z'n vader op kondschap +gezonden, of er iets met de oude koppige dame te bereiken zou zyn. Doch +ook hy bracht geen bevredigend antwoord mee. + +--En jy, Pompile, wat had jy dan bedacht? + +--Wel, papa, 'n fauteuil ... en mama daarin, met veel kussens, en dan +'n strop er om ... om den fauteuil, Eugène! En dan ... 't venster +open--Flip zei, 't kon best, maar ik zeg met veel kussens, weet u, +papa?--en dan ... + +--Ben je mal, Pompile, wou jyzelf nu mama 't venster uithyschen? En +zoo-even zei je ... + +--O neen, Eugène, zoo meende Flip. Maar ik zeg: met veel kussens, +weetje? Maar ... die kruiers zyn lompe menschen, en ... ze rekenen +hoog. Al wat boven 'n dubbeltjes-boodschap gaat ... berekenen ze +vreeselyk hoog, papa! 't Weekbriefje--vooral als Gerrit styf van +rhumatiek is, papa!--o, dan is 't weekbriefje ... fameus, papa! En +daarom had ik gedacht--omdat we nu 'n jongstebediende hebben, +ook--nu dacht ik ... kyk, papa, we kunnen voor mama die kruiers best +missen. U weet misschien dat Gerrit weer styf van rhumatiek is? Nu, +dat's hetzelfde ... maar Dieper heeft telkens briefjes te inkasseeren +... morgen 'n smerig papiertje, niet waar, Dieper? + +--Ja, jongeheer! Morgen 'n smerig papiertjen in den Jodenhoek, m'nheer, +heel smerig! + +--Maar, Pompile, wat wou je dan met mama? + +--Met veel kussens, papa! Dan wou ik vragen of Wilkens zoo goed +zou willen zyn--niet waar, Wilkens?--met dat jongemensch daar, aan +'t windas te gaan. Ziet u, papa, dan konden wy die kruiers missen +... lomp volk! Maar ... met veel kussens, dit begrypt uzelf wel, +papa! En, ziet u, papa, Eugène en ik, wy zouden ... beneden staan, +en ... er goed naar kyken, papa! + +Eugène bromde. Maar 't was karakteristiek dat niemand lachte by +Pompile's voorstel om--niet zonder terugzicht op zuinigheid--z'n moeder +'t venster uittehyschen aan 'n strop ... om den fauteuil. + +--De buren! + +--Juist, Eugène, de buren! Precies wat ik zeg! En daarom ... als we +mama konden bewegen ... 's morgens vroeg ... + +By noorderzon alzoo! Wouter wist nog niet wat 'n windas was, en +dacht zich suf over de rol die hy zou te spelen hebben. Hy voelde +reeds angst by de bedenking of-i wel in-staat wezen zou by die +gelegenheid z'n naastbyliggenden plicht te vervullen. 't Was hem 'n +kleine verademing dat Pompile's voorstel nog altyd niet gaaf werd +aangenomen. Men scheen te betwyfelen of "mama" genoegen nemen zou +met de vreemde lokomotie. De oudeheer klaagde dat zy zéker weigeren +zou als ze hèm verdacht van de uitvinding. + +Hy iets uitvinden! + +--Wel, papa ... u kan zeggen dat Flip de kruier het verzonnen +heeft. Dat kan u best zeggen, papa! + +--Hm ... ja ... als nu by-voorbeeld de juffrouw dat aan mama +verzekerde? + +--Dat zou zeker 't allerbeste wezen, papa. Maar ... ik geloof dat wy +op die juffrouw niet best kunnen rekenen, papa! Weet u wat ze doet, +papa? Ze stookt! + +--Zou je dat denken, Pompile? + +--Ja, papa! Want, ziet u, anders had ze 'r al lang op aangedrongen +dat mama naar buiten ging, wat zeg jy, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, zeker! Anders had ze 'r al lang op aangedrongen. + +--Die nieuwe juffrouw is 'n gekkin, bromde Eugène. + +--Mama is zeer met 'r tevreden, zei de oudeheer. Ze is zoo erg +fatsoenlyk, zegt mama, zoo heel erg fatsoenlyk. En ... haar papa was +prokureur, Eugène! + +--Ze heeft kale plekken op 't hoofd. + +--Wel, wel, Eugène! + +--Dat kan my nu niet schelen, zei Pompile, als ze mama maar wou +overhalen om naar Groenenhuize te gaan, papa! + +--Waar is Gerrit? vroeg de oudeheer. + +--Styf van 't rhumatiek, papa! En morgen heeft Dieper 'n smerig +papiertje, niet waar, Dieper? + +--Nu ja, maar als Gerrit nu eens--zonder dat het van ons kwam, begryp +je?--aan de juffrouw vertelde dat de kruier gezegd had ... want zieje, +Pompile, als ik alleen ga, dan verveel ik me zoo! En ... hoe met de +keuken? Ik kan toch niet te Haarlem in 'n restauratie gaan eten, als +'n kantoorbediende! Wat zeg jy, Dieper? + +--Zeker niet, m'nheer! Een man als U kan niet in 'n restauratie gaan +eten. Zeker niet! + +Diezelfde "man als U" kon wel de hulp inroepen van den kruier, +en van den knecht, en van de gezelschapsjuffrouw, om z'n vrouw te +bewegen tot iets dat ze hardnekkig nalaten zou zoolang ze meende dat +hy er op gesteld was! En al die naaktheid mocht Wouter te aanschouwen +krygen! Geen van de sprekers kwam op het denkbeeld dat ze zich voor +dien jongen kantoorbediende vertoonden in 'n zonderling licht. Men +ziet het, ook 't gemeene heeft z'n naïveteit. + +Om overigens den belangstellenden lezer, die zich zeker al ongerust +maakt over den gezondheidstoestand van die "mevrouw in de zykamer" +wat moed intespreken, beroep ik me hier op zeker getuigenis van Gerrit, +die eenmaal aan Wouter deze vertrouwelyke mededeeling deed: + +--Je kunt me gelooven--ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk borssie--zy +... eet te veel, en ze-n-is koppig en sagrineus: dàt is het! Haar +heele ziekte ... komaan, ik zal 't je maar op z'n rond-hollandsch +zeggen, is wind en 'n engelsche notting! Maar zy ... eet te veel. Zy +... eet den godganschelyken dag, dàt is het! Als ik haar dokter was, +kreeg ze niets dan één roggebroodjen in de week, en verder pomp-water +... anders niets, wat ik je zeg! + + + + + + + + De auteur kruipt tot in de nauwste gaatjes de hoogheid na, van + 'n "man als u, m'nheer!" + + +De oudeheer die tot-nog-toe had staan leunen tegen Dieper's lessenaar, +begon zich te vervelen. Of liever, hy kreeg lust de verveling die +hem kwelde en waarmee hy gewoon was ieder te plagen die met hem in +aanraking kwam, te doen veranderen van soort. By Dieper had de man +'n halfuurtje links geleund ... hy wou nu eens rechts leunen. Zoo +wentelt zich de luiaard in z'n bed om, like a door on its hinges, gelyk +Shakespeare, meen ik, ergens zegt. Maar onze emeritus-leeglooper had +nog andere redenen dan zoo'n deur, om zich eens omtekeeren. Het nieuwe +kantoorbediendetje, hoe jong en onbeduidend ook, moest doordrongen +worden van 't besef der hoogheid van m'nheer Kopperlith. Hy naderde +alzoo sloffend den hoek, waar de hongerige Wouter nog altyd bezig-was +zich door 't overschryven van Leon's epistel, bekwaam te maken voor +den "handel." + +--En, mannetje, hoe gaat het nu eigenlyk met jou? Met je werk? Schryf +je wel netjes? Neen, neen, blyf maar zitten, blyf gerust zitten! Ik +kom maar even kyken of je netjes schryft, weetje? En ... klein, +heel klein, om de port. Want, mannetje ... die brief gaat naar Rome. + +'t Werd voor Wouter waarlyk tyd dat-i eens opkeek. Hy zou flauw- +of in-slaap gevallen zyn. Het woord Rome maakte hem eenigszins +wakker. Hy had iets geschreven dat heel naar Rome gaan zou, hy! God +weet welke Paus zyn schrift onder de oogen krygen zou! En zelfs +... welke roover! En de stad-zelf! De stad van Caesar, van Romulus +en Remus, van Numa Pomp ... 't is waar ook, waarom heette z'n hoogste +onderpatroon: Pompilius? [15] + +--Ja, mannetje, naar Rome! Dat dacht je niet, hè? + +--N...e...e...n, m'nheer! + +--Hi, hi, hi, naar Rome! Hoorje wel, Pompile, hy dacht niet dat die +brief heel naar Rome ging! Ja, mannetje, zóó is het toch! Die brief +gaat--daarom moet je netjes schryven--naar m'n zoon, den jongeheer +Flodoard die te ... Rome-n-is! Wat zeg ie dáárvan? + +Wat zou Wouter zeggen? Ik weet het waarachtig niet. En hy-zelf wist het +ook niet. Dit bezwaarde hem. Zou er ook misschien 'n naastbyliggende +plicht verzuimd worden als-i zweeg? De oudeheer genoot van z'n +hakkelen. Hy had z'n doel bereikt: het jonge-mensch was vernietigd. En +nog zyn er onverlaten die uitstrooien dat Hollanders "van fortuin" +zich niet weten te amuzeeren! + +--M'n zoon--de jongeheer Flodoard, weetje?--is daar ... + +Hier stuitte de kinderachtige bluffer. Het denkbeeld kwam in hem +op, dat misschien die domme burgerjongen niet op de ware hoogte +stond om te beseffen wat 'n schilder was. En deze vrees was niet +ongegrond. Juffrouw Pieterse-zelf zou dit maatschappelyk standpunt +niet byzonder hoog gevonden hebben: 'n schilder! + +--Hy is ... fynschilder, weetje? Zeg, Pompile, je moet hem Mozes by +'t Doornbosch eens laten zien ... + +--In de hoes, papa! + +--Ah, ja, in de hoes! Anders, weetje, dan kan je-n-op de zaal--vlak +boven--Mozes by 't Doornbosch zien ... als-i eens niet in de hoes +zit. Dat heeft m'n zoon, de jongeheer Flodoard-zelf geschilderd, +heelemaal zelf. Wat zeg je dààrvan? En nu is hy te ... Rome om zich +te oefenen in de Kunst, in 't fyne, weetje, heel in 't fyne van de +Kunst. Want ... dit begrypje toch ook wel, niet waar, er is schilder +en schilder! Je moet niet denken dat de jongeheer Flodoard schilderyen +maakt voor z'n brood. Volstrekt niet, in 't geheel niet! Je begrypt +immers 't verschil wel, zeg? + +Die arme knoop! Wouter zette 'n gezicht alsof-i volkomen bereid was +alles te begrypen wat men hem vertellen zou. + +--Om z'n brood ... hi, hi, hi, 't lykt er niets naar! Gut, Pompile, +begryp eens, er zouden menschen zyn die dachten dat Flodoard schilderde +... hi, hi, hi ... om z'n brood! + +--Ja, papa! + +--Neen, mannetje, ik zal je heel wat anders zeggen ... heel wat +anders! De jongeheer Flodoard schildert ... voor z'n pleizier, en +... voor de Kunst. Wat zeg je dáárvan? + +Wouter bleef stom van verbazing. Heel goed! + +--Voor de Kunst, mannetje! Denk je dat-i wat krygt voor z'n +schilderyen? Zeg, Pompile, je moet 'm toch Mozes by 't Doornbosch +eens laten zien ... + +--Ja, papa! + +--Zieje, mannetje, dat heeft-i zelf geschilderd, en hy krygt er niets +voor. En 't hangt op de zaal--vlak, vlak hierboven, weetje?--en je +mag 't zien, als de hoes er af is, want ... nu is er 'n hoes over, +omdat mevrouw naar buiten gaat, naar myn Buiten ... Groenenhuize heet +het. En daar mag je-n-ook wel eens komen, want ... daar hangen ook +schilderyen van den jongeheer Flodoard ... dàt zal je zelf zien! Dacht +jy dat-i er iets voor kreeg? + +--N...e...e...n, m'nheer, o neen! + +--Zoo? Ik dacht dat je dat dacht. Maar zieje, 't is juist andersom. De +jongeheer Flodoard verteert veel geld te Rome, heel veel geld! Zeg +eens, hoeveel geld denk jy wel dat de jongeheer Flodoard te Rome +verteert? Komaan, raad eens! + +Och, daarvan stond weer niets in Strabbe! Onze Wouter voelde zich in +pynlyke verlegenheid. De oude dwaas scheen op antwoord te wachten: + +--Ja, ja, raad eens! Je mag gerust eens raden! + +--Hon...derd... gulden, m'nheer? + +--Hi, hi, hi ... hoorje dat, Pompile? Hoor je 't Eugène? Heb je +'t gehoord, Dieper? Honderd gulden! Help me onthouden, Eugène, +dat ik die aan mama vertel! Honderd gulden? Honderd gulden? Wil ik +je-n-eens wat zeggen, mannetje? Honderd gulden ... ja! In de maand, +weetje? Honderd gulden in de maand ... wat zeg je dáárvan? + +--Hè, m'nheer! + +--In... de... maand! + +--Hè! + +--In... de... maand! Hon...dèrd... gul... den... in... de... máánd! + +Wouter zweette. + +--Ja, al dat geld verteert hy te Rome. En dat haalt-i ... zeg eens, +by wien denk je dat-i al dat geld haalt? + +--By... den... + +--Nu, zeg maar op. Spreek gerust uit. Waar denk jy nu wel dat de +jongeheer Flodoard al dat geld haalt? + +--By den ... Paus, m'nheer? + +Was 't niet jammer dat er niet mocht gelachen worden op 't kantoor van +m'nheer Kopperlith? Wat Wouter aangaat, hy was ditmaal inderdaad iets +minder onnoozel dan-i scheen. Dat wereldsche hoogheid hem altyd door 't +hoofd speelde, was waar. En dat hy, eens zich verplaatsende naar Rome, +aan weinig anders dan pausen en roovers dacht, is ook waar. Toch kwam +z'n malle gissing niet hoofdzakelyk hieruit voort. Z'n onverbiddelyke +partner eischte antwoord. Dit antwoord moest den indruk uitwisschen, +dien z'n onfatsoenlyk-lage-taxatie van Flodoard's vertering gemaakt +had. Om nu zeker te zyn dat-i deze keer niet zoo héél ver beneden 't +peil zou blyven van de ontzettende hoogheid die men hem te bewonderen +gaf, wist-i niet beter dan 't voornaamste te noemen dat hem te Rome +bekend was. Het was hem zeer goed bewust dat-i mis-raadde. Maar om den +oudeheer tevreden te stellen ... och, hy vervulde z'n naastbyliggend +plichtje! En zie ... hy greep minder ver mis, dan de lezer denkt. Al +moest dan de heer Kopperlith ootmoedig erkennen dat-i nog altyd onder +z'n bankiers geen gekroond hoofd had, toch, toch ... + +--De Paus? Neen, mannetje, niet de Paus. De jongeheer Flodoard +ontvangt alle maanden honderd gulden op 't kantoor van een ... van +wien, denk je? Ik zal 't je maar zeggen: van 'n ... prins! Niet waar, +Dieper! Ja, ja, mannetje, m'nheer Dieper kan je de wissels laten +zien--want die worden op myn kantoor door m'nheer Dieper betaald, +weetje?--de wissels van prins Torlonia! Wat zeg je daarvan! Je ziet +dus wel dat de jongeheer Flodoard niet hoeft te schilderen voor z'n +brood? Hy moet volstrekt Mozes in 't Doornbosch eens zien, Pompile, +maar ... alles is nu op de zaal in de hoezen, weetje, anders bederft +het satyn van de stoelen--want er zyn stoelen met satynen zittingen +op de zaal--en 't verguldsel van de spiegels, weetje, omdat mevrouw +naar-buiten gaat, naar Groenenhuize--want zoo heet eigenlyk m'n +Buiten--en ik ook ... ik meen dat ik ook naar-buiten ga. Ben jy wel +eens buiten geweest, mannetje, zeg? + +--J...a...wel, m'nheer! + +Dit antwoord viel den gek tegen. 't Was dan ook wel 'n beetjen +onvoorzichtig van Wouter zoo plomp op de ydelheid te trappen van +iemand die duidelyk te kennen gaf dat-i het buiten-zyn voor z'n +privatief domein houden wilde. + +--Jy ... weleens ... buiten geweest? En wáár dan, mannetje? + +--Op den Singel, m'nheer, buiten de Aschpoort. + +Alweer zou hier 'n algemeen schaterend gelach zyn opgegaan, indien +er door iemand anders dan den oudeheer zelf mocht gelachen worden +op 't kantoor. Deze oefende in z'n eentje zoo goed mogelyk de +funktien van koor uit. Dieper legde z'n pen neer. Wilkens fronsde +'t voorhoofd. Pompile meesmuilde. En zelfs 't officieel gelaat van +Eugène vertrok zich byna in 'n plooi. + +--Hi, hi, hi, buiten de Aschpoort! Maar, jongen... maar, +kereltje... maar, ventje... dat is niet buiten, mannetje! Gut, Pompile, +wat toch zulke burgerlyke menschen rare ideën hebben! + +--O ja, papa! + +Weer verkneuterde zich de oude dwaas van pleizier over Wouter's +domheid, en de knoop van z'n jasje moest het ontgelden. + +--Buiten is... wat je noemt: buiten, heelemaal buiten, weetje? + +Of Wouter 't nu wist, zullen we daar-laten. Hy kromp verlegen in +elkaer. + +--O ja, m'nheer! Zeker, m'nheer! Ik wist niet wat m'nheer bedoelde... + +--Juist! Hi, hi, hi... hy wist niet wat "buiten" was. Nu, +nu, ik neem 't je niet kwalyk, wees maar gerust! Buiten-zyn +is... 's-zomers buiten-zyn, weetje? Dat is... 'n Buitenplaats +hebben, begrypje? Nu... ik heb 'n Buitenplaats... by Haarlem in +den Hout... och, Eugène, hy weet zeker niet wat "den Hout" is. Zeg, +weet je wel? + +--N...e...e...n, m'nheer! + +Wouter jokte. Hy wist zeer goed wat "den Hout" was. Dit stond immers +in z'n geografieboekje? En... Laurens Coster dan, met z'n vermoeiende +uitvinding! Welke Hollander zou "den Hout" niet kennen? Of nu onze +kleine bediende zich zoo onnoozel hield om z'n kinderachtigen patroon +den vollen triumf van z'n uitlegging te laten, weet ik niet. Misschien +zeid-i maar neen, uit verlegenheid, want de graagte waarmee men +z'n domheid van zoo-even als iets vermakelyks had aangegrepen, had +hem zéér gedaan. Hy was beschaamd alsof men hem op diefstal betrapt +had... neen, erger! + +--Ja ja, ik heb 'n Buiten in den Hout, vlak by de "Logementen"... zeg, +Pompile, hy mag van den zomer weleens komen kyken op Groenenhuize, +niet waar? + +--O ja, papa! + +--Zieje, dan kan-i op 'n zondagmorgen met de eerste schuit... + +--Vier stuivers, papa! + +--Ja, vier stuivers. En 's avends terug, dat 's acht, +niet waar? En... 'n dubbeltje voor den man die hem den weg +wyst. Anders... je hoeft maar te vragen naar 't Buiten van m'nheer +Kopperlith, in den Hout, vlak by de "Logementen" zieje, 't is dus +heel makkelyk te vinden. En je hoeft maar te zeggen: 't Buiten van +m'nheer Kopperlith, want... zieje, mannetje, van den zomer mag jy +heel goed eens buiten komen... omdat ikzelf 'n eigen Buiten heb, +weetje, 'n wezenlyk Buiten... dàt zal je zien. 't Is vlak by de +"Logementen"... in den Hout, weetje? In den Haarlemmer Hout! Hi, hi, +hi, by de Aschpoort! Eugène, help me-n-onthouden dat ik die aan mama +vertel, van middag aan tafel, weetje! + +Na nog eenige praatjes van gelyken aard, verloste eindelyk de oudeheer +'t kantoor van z'n tegenwoordigheid. Wouter leed meer dan iemand gissen +kon, en wanneer hem op dit oogenblik de keus gegeven was tusschen 't +bestormen van 'n turksche vesting, of 't òpzien... hy had het eerste +gekozen. Schaamte is altyd pynlyk, maar de valsche! En dan op een +zoo onbekend terrein! Nooit, nooit, nooit had hy kunnen gissen dat de +"handel" zoo'n moeilyke zaak was. + + + + + + + + Vita longa, ars brevis. Plebejervreugd over "gekochte + kost." Dekadentie van Herkulanum en Pompeji. Wouter's verdriet + over z'n snel begrip. Parafraze van Gerrit op Talleyrand's "pas + de zèle!" + + +Toen Wouter eindelyk met z'n afschriften gereed was, begon Wilkens +hem toetespreken op 'n toon en in bewoordingen die niet volstrekt +misplaatst zouden geweest zyn by 'n inwyding in de Eleuzinische +geheimenissen, en den adept dan ook niet weinig angstig maakten. De +mysterie kwam evenwel ditmaal neder op iets wat geen byzondere +illuminatie van den geest vereischte of te-weeg bracht. Wouter +kreeg 'n groot aantal gekleurde katoenen lappen, die hy netjes +moest afknippen naar 'n opgegeven maat en daarna op karton plakken, +'n bezigheid waarvan-i zich beter kweet dan m'nheer Wilkens erkennen +wilde. De man was niet gewoon iets goedtekeuren dat niet de eer had +uitgegaan te zyn van hemzelf. + +--En, Wilkens, nu moest je-n-eens zoo goed zyn hem in den kelder +te brengen, zei Pompile, die nogeens onder vier oogen by Dieper wou +aandringen op 't klagen over Gerrit's hardnekkig-styve rhumatiek. + +Wouter werd weggeleid naar de onderzeesche bewaarplaats van allerlei +heerlyke zaken. Hier kreeg-i de stapeltjes lynwaad van-naby tezien, +waarvan hy reeds de voorsten had waargenomen toen hy dien ochtend zoo +geduldig stond te wachten buiten de glasdeur. Wilkens onderrichtte +hem met 'n pedanterie die moeielyk te beschryven is, omdat gelaat, +houding, stembuiging, jazelfs 't heen-en-weer schuiven van z'n bril, +daarby zóó groote rol speelden dat Wouter zich alweer zeer bezwaard +voelde onder 't gewicht van den nieuwen kursus. + +--Dit is... de kelder. Doch ik zou je maar raden Magazyn te +zeggen, want 'n jong-mensch moet altyd... bescheiden zyn in z'n +uitdrukkingen. Voor jonge-lieden is bescheidenheid 'n hoofdzaak, +en dus... magazyn! + +--Magazyn, stamelde Wouter. + +--Juist! Ma...ga...zyn! Zóó is het! Alle deze goederen +zyn... koopmansgoederen, en alles ligt--gelyk je ziet--op plankjes. Dit +doe ik aldus... om de vochtigheid, want... de vloer is vochtig. Let +daar wel op, en geef acht dat je nooit 'n stuk op den vloer +legt... nooit ofte nimmer! + +--Dat zal ik nooit doen, m'nheer! + +--Zeer wel! Maar de goederen die op deze tafels liggen... leg ik niet +op plankjes, gelyk je ziet. Want... ze liggen op tafels. Dit begryp +je-n-immers wel? + +--O ja, m'nheer! + +--Juist! Al deze goederen ontvang ik uit Engeland, namelyk uit +Manchester. Kan je dit onthouden? + +--Uit Manchester, in... Engeland, m'nheer! + +--Precies! Ze zyn els-breedte, en meten acht-en-twintig yards. Nu +moet je weten hoe lang een yard is. Onthoud dit wel: drie yards zyn +vier ellen. Onthoud dit goed! Indien je een behoorlyk zakboekje hadt, +zou je 't kunnen opschryven. Een jong-mensch moet altyd trachten iets +te leeren. Drie yards maken vier ellen, dit moet je goed onthouden. + +Wouter knikte zoo hard hy kon dat-i altyd z'n best zou doen alles +goed te onthouden. Het diepzinnig onderricht werd voortgezet. + +--De vyf-kwarts katoenen, anders gezegd: de katoenen van vyf-kwart-el +breed, voor-zoo-ver ik die laat komen uit Manchester, zyn slechts +vier-en-twintig yards lang. Dit maakt dus 'n verschil. En de +zwitsersche katoenen, die ik laat komen uit Mühlhausen in den Elsas... + +Hier had-i byna gezegd "een groot land, waarvan myn schoonzoon konsul +is." Maar hy bedacht zich: + +...in den Elsas alzoo. Nu--let wel op!--die stukken hebben geen vaste +maat. De maat staat er op, gelyk je ziet, niet waar? Zoo'n papiertje +draagt de benaming van: etiket... e...ti...ket! Onthoud dit wel! En +het cyfer dat daarop genoteerd staat, beteekent wat men noemt: +aunes. De lengte van het stuk in... aunes. Kan je dit onthouden? + +--Aunes, m'nheer! + +--Zeer wel! Aunes of fransche ellen, want... 'n fransche el noemt +men: aune. Elf van die aunes maken zestien ellen. Ook dit moet je +trachten te onthouden. Wie zich bekwaam wil maken voor den handel, +moet... alles onthouden. Je begrypt dit toch wel? + +--Ja, m'nheer! + +--Anders moet je 't opschrijven. En hier in den hoek hangen eenige +vegers... je ziet ze wel? + +--Ja! m'nheer! + +--Daarmee... veeg je. Je veegt er de goederen mee... als er stof op +ligt. Er is hier in den kelder--zeg jy maar altyd magazyn--altyd iets +te doen, vooral voor 'n jong mensch die wat leeren moet. Zie... zóó +veeg je! + +En de leeraar streek met 'n stoffer 'n paar maal over 'n stapeltje om +Wouter goed te toonen hoe die bezigheid behoorde verricht te worden. Ik +kan verzekeren dat de les terstond begrepen werd, en dat de leerling +nu op-eens "den handel" weer wat minder moeielyk begon te vinden. + +--Dan moet je-n-altyd zorgen dat de stukken behoorlyk recht op elkaar +gestapeld liggen... ziehier, de ruggen in één lyn, en ook de zyden +aan den lichtkant gelyk, want... soms zyn ze niet precies van dezelfde +breedte, zieje. Daarop moet je dus wel letten, want 'n jong-mensch... + +--Ja, m'nheer! + +--En nooit 'n stuk kreukelen... + +--Neen, m'nheer! + +--Of in 'n verkeerden plooi leggen... + +--Neen, m'nheer! + +--Nu zullen wy eens naar de zolders gaan. Want... ook daar is altyd +wat te doen voor 'n jong-mensch. + +Wilkens geleidde nu Wouter naar de hoogere verdiepingen van 't huis +waar-i hem met gelyksoortige lessen besproeide. De daar opgestapelde +koopwaren bestonden gedeeltelyk in goederen die zich door de mode +hadden laten voorbystreven, gedeeltelyk in diemet en shirting, +waarin Wilkens "zoo byzonder knap" was. Hy weigerde evenwel iets van +z'n uitstekende bekwaamheid in dit "vak" aan Wouter overtedoen. Dit +kon, zeide hy, zoo niet te-hooi en te-gras geschieden in 'n paar uur +sprekens. Dat het hem op z'n zestigste jaar nu gelukt was eenigszins +op de ware hoogte van de zaak te komen, moest men als 'n zeer byzonder +geval beschouwen. Hy had van der jeugd af "aanleg gehad voor witte +goederen", maar dat gebeurt niet alle dagen. Gewone menschen brachten +'t nooit zoo ver. + +Wouter hoorde deze mededeelingen met betamelyken eerbied aan, en zou +er nog meer van genoten hebben als-i niet zoo'n honger gehad had. Toch +maakte hy met groote belangstelling kennis met het windas. Dàt was +alzoo de mekaniek die Flip de kruier--en de jongeheer Pompile... met +heel veel kussens--wilde toepassen op de verhuizing van de dikke +mevrouw uit de zykamer! Vanwaar toch dat deze eenvoudige toestel die +door 't straalverschil van twee assen overbodige snelheid omzet in +vereischte kracht, hem aanlokkelyker voorkwam dan al die stapeltjes +katoen en die vegers? Hy zag terstond in, hoe sterk de hand werd die +het touw hield waarmee men 't groote rad in beweging bracht, en dat +de last die slechts invloed had op de dunne spil... waarachtig, men +zou lust krygen met zoo'n ding de dikste mevrouw van de wereld het +venster uittehyschen. Hy hoopte dat-i zoo'n exercitie beleven zou, en +vooral dat men hem vergunnen mocht meetedoen. Wel zou zoo'n prouesse +zonderling afsteken by de dozynen schakingen en venster-evakuaties +waarvan hy ooit gelezen had, maar... + +--En met de kisten die dáár staan, hebje je niet te bemoeien, zei +Wilkens. Dat zyn oude papieren die je niet aangaan... volstrekt +niet! 'n Jong-mensch moet zich nooit bemoeien met iets dat hem niet +aangaat. Leer dit van my. En nu zullen wy de zolders sluiten. Ziehier, +op dezen sleutel... één keep. Dit beteekent: eerste zolder. Op dezen +sleutel zyn twéé keepen, hetwelk tweede zolder beduidt. Eén keep: +eerste zolder, twee keepen: tweede zolder... onthoud dit wel! + +--Ja, m'nheer! + +--En nu zal ik je de zaal toonen. Gedurende den winter gebruiken wy +die zaal niet. Maar des zomers, als de familie naar-buiten is, dan +gebruiken wy de zaal, en wel voornamelyk voor de nieuw-aangekomen +goederen van 't voorjaar. Tracht dit te onthouden. + +--Ja, m'nheer! + +De fameuze "zaal" werd nu voor Wouter's blikken ontsloten. Het was +een niet zeer groote kamer die er met al haar "hoezen" uitzag als +'n blindeman of 'n hospitaalgast. Zelfs 't vloertapyt was tegen +onbescheiden blikken en ruwe zolen beschermd door 'n grof-linnen +kleed. En ook van Mozes by 't Doornbosch was niets te zien dan 'n bleek +vierkant skelet. Wouter beging de vermetelheid er naar te vragen ... + +--Dàt zyn nu eigenlyk je zaken niet! We zyn hier niet om schilderyen +te zien maar om te werken! 'n Jong-mensch moet zich door niets laten +aftrekken van z'n werk! Leer dit van my. + +--Ja, m'nheer! + +--Je ziet wel dat ook hier alles op plankjes ligt? Zoodra er nu op +'t kantoor, of in den kelder, of op de zolders niets voor je te +doen is--want 'n jong-mensch moet nooit ledig zyn!--dan ... veeg je +hier 't stof van de stapeltjes, en je legt alles behoorlyk te-recht +... alles altyd op z'n eigen plaats, begrypje? En kom nu weer mee naar +'t kantoor. Ik zal eens met m'nheer spreken over de uren van je gaan +en komen, want ik ben zeer op orde gesteld, en jonge-menschen moeten +zich daaraan wennen. + +Er werd bepaald dat de nieuwe jongste-bediende "zoo tegen drieën +eventjes naar huis zou gaan om te eten." En zie--goddank!--'t wàs +byna drie uur, want Dieper sloot z'n boeken, en trok z'n jas aan +"voor de beurs." + +Nooit richtte Wouter met zooveel genoegen z'n schreden huiswaarts, 't +Scheen er op toegelegd hem te doen beseffen dat er kringen bestonden +waar even nietige denkbeelden heerschten als in den zynen. Moest-i +genezen worden van den waan dat geen levensopvatting die van zyn +familie kon te-boven gaan in dorheid? Met zeker genoegen zag-i +z'n moeder en zusters weer, en vooral Leentje die hy met nog meer +uitvoerigheid dan de anderen, deelgenoot maakte van alles wat-i +ervaren had. Ze vond het zeer belangryk. Ook de overige leden van +'t huisgezin namen begeerig deel aan de byzonderheden uit 'n wereld +die hun zoo nieuw was. Niets evenwel trof juffrouw Pieterse zóó, +als de moeielykheid van 't binnen-komen. Ze vond daarin iets plechtigs. + +--Zieje wel, dat's wat ànders dan by zoo'n slechten kerel op den +Zeedyk, waar ieder maar uit- en inliep! Deze menschen zullen niet +op-eens naar Amerika gaan met 'n andermans geld! En ... 'n zaal, +zegje? En ... 'n Buiten? En ... eigen rytuig? Ga jy nu eens naar de +komeny, Leentje, en zeg dat de jongeheer ... neen, praten hoeft niet, +maar 't is toch 'n heel ding voor Wouter, nu by menschen te zyn die +'n zaal in hun huis hebben, en 'n buitenplaats, en eigen rytuig! Als +je nu goed oppast, Wouter ... jongen, je kost is gekocht! Wat zeg +jy, Stoffel? + +--Ja, moeder. + +--Want ... weetje wat ik zeg? Ik zeg: 'n mensch is sterfelyk. En die +oude heeren ... voor hoe oud zag je ze wel aan, Wouter? + +--Moeder, die boekhouder was wel ... zestig. En m'nheer Wilkens +ook zoowat. + +--Zieje! Ik zeg dat 'n mensch sterfelyk is. En daarom ... niet dat +ik naar iemands dood verlang, gut né, maar ... als iemand zóó oud is +... wat zeg jy Stoffel? + +--Zeker, moeder. + +--Als zoo'n boekhouder nu eens ... sterft--want alle menschen zyn +sterfelyk, niet waar?--dan zou Wouter best ... denk eens, Trui? + +--Ja, moeder, waarom niet? + +--En die m'nheer Willekes ook. Waarom zou Wouter geen boekhouder +kunnen worden, of ... m'nheer Willekes? + +--Né, moeder. Uwe meent ... + +--Nu ja, wie kan altyd zoo op z'n woorden letten! Ik meen maar +dat z'n kost gekocht is. Wat kan 'n mensch meer verlangen? En dat +zakboekje ... gut, ik heb er graag alles voor over. Kyk jy maar eens +onder je bedstee, Stoffel, daar staat 'n mand met ouwe prullen, en +je zult er zeker nog wel de brieventasch vinden van je vader. 't +Wurm kan er alles in opschryven wat-i onthouden moet, en ... z'n +kost is gekocht ... dàt wil ik maar zeggen! Je mag nu wel 'ns gauw +naar m'nheer Calb gaan om hem te bedanken, Wouter! Want hy is de man +die je gerekommandeerd heeft. Hoe zou je 't vinden, als je-n-eens +'n vers maakte op z'n verjaardag? + +Dit voorstel werd door Stoffel afgekeurd. Hy bracht z'n moeder onder +'t oog dat m'nheer Calb waarschynlyk, als "man van zaken" 'n hekel +aan verzen hebben zou, en dat 'n stoffelyk bewys van erkentelykheid +... 'n anker wyn, of 'n vaatje boter ... + +--Wel zeker, juist wat ik altyd zeg. Denk er aan, Wouter, dat je +m'nheer Calb 'n vaatje boter zendt, of 'n anker wyn ... + +--Gut, moeder! + +--Nu ja, als je ... boekhouder bent, meen ik. Want ... alle menschen +zyn sterfelyk, en als die m'nheer Dieper zoo klaagt over zinkings +... jongen, je kost is gekocht! + +Door deze en dergelyke zottepraat liet zich alweer Wouter's week gemoed +biologeeren tot ingenomenheid met z'n nieuwen werkkring. De niet zeer +aangename indrukken die hyzelf had opgevangen--zonder ze evenwel te +durven verheffen tot meening--werden uitgewischt of overpleisterd door +'t waarnemen van de belangstelling zyner verwanten. Hy voelde dat +er iets van den eerbied dien men z'n "patronen" toedroeg afstraalde +op hemzelf, en dit liet-i zich zonder protest aanleunen. Z'n moeder +vroeg hem uitdrukkelyk of-i de saus naast of over z'n aardappelen +hebben wou, want: + +--Denk eens, Trui, ze hebben 'n zaal in-huis! En jy, Wouter, eet nu +wat dóór, en ga 'r gauw weer heen. Je moet nu ook van jouw kant toonen +dat wy óók by-de-handte menschen zyn, wat zeg jy, Stoffel? Gut ... 'n +eigen Buiten! + +Wouter deed wat-i kon om zich aan doorschynende aardappels en yver +te verslikken. 't Sloeg ter-nauwer-nood halfvier, toen-i zich alweer +'n weg baande door de stokvischbeukery en langs de olievaten, en 'n +oogenblik daarna stond-i hygend en dienstbereid op 't kantoor. Buiten +den ons reeds bekenden stank en de naakte Merkuriussen, vond hy +daar niemand ... ja toch, daar hingen de zoldersleutels! Eén +keep: éérste zolder, twee keepen: twééde zolder! Hy schreef deze +kenmerkende byzonderheden op in de vaderlyke portefeuille die inderdaad +onder Stoffel's bed opgedolven, en meegegeven was met de dringende +aanbeveling tot vlytig gebruik. Ook maakte hy dat eerwaardig zakboek +tot vertrouwde van de andere studiën waaraan hy dien dag een zoo groot +gedeelte van z'n onsterfelyke ziel besteed had. Mochten misschien +eenmaal de lagen stof en asch waaronder de Pietersburg begraven +ligt, worden weggeruimd, dan zal de onderzoekende nazaat nog altyd +kunnen te weten komen hoe lang in Wouter's eeuw 'n stuk engelsch +katoen van acht-en-twintig yards was. En waar de Pleiers woonden, +en de Kruckers en de Hockers, en de juffrouw die borduurpatroontjes +verkocht. En hoe 't Buiten heette van m'nheer Kopperlith. En aan +welk soort van vensterglas men de woning van den jongeheer Pompile +herkennen kon. Waarlyk, men zou lust krygen z'n eigen achterkleinzoon +te wezen, om tegenwoordig te zyn by 't opgraven van al die historische +byzonderheden. Moet de lezer niet erkennen dat reeds hierom alleen de +annalen van Wouter's ontwikkelingsgeschiedenis alle andere jaarboeken +in belangrykheid te-boven gaan? Wortelen ze niet--als de magazyn-kelder +en 't karakter van de firma Ouwetyd & Kopperlith--tot ver beneden de +riolen? Zullen ze niet eenmaal met hun gebladert van zóóveel vellen +druks den schedel belommeren van den laatsten sterveling die over +'n eeuw of wat onfatsoenlyk genoeg wezen zal om nog hollandsch te +verstaan? O, zeker, ik hoor in m'n verbeelding reeds 't verdrietig +geroep van Pompeji en Herculanum: berg, val weer op ons, herbesluier +onze aangezichten met schaamtedekkende lava ... we bezitten niets +... niets ... niets dat waard is het daglicht te aanschouwen na de +heuchelyke verryzenis van Wouter's agenda! + +Zóó zal 't wezen! Maar even als de romeinsche bakker wiens achtvakkige +broodjes thans zoo'n eervolle plaats innemen in 't muzeum te Napels, +niet weten kon dat z'n bollen een zoo schitterende karrière maken +zouden, was ook Wouter onbewust van 't belang der byzonderheden die hy +in z'n zakboek noteerde. Hy volbracht de hem opgedragen plicht met z'n +gewone konscientie, maar hoe onmeetbaar groot ook het aantal was van de +wetenswaardigheden waarmee men zoo edelmoedig z'n geest verrykt had, +er kwam toch 'n eind aan z'n opschryven. Hy begon zich te vervelen, +en leed onder zekere verdrietige verwondering over de leegte van z'n +gemoed. De romantiek was--niet voor altoos, waarschynlyk--uitgeput, +geknot, bedorven. Z'n worsteling tegen afdwalen begon vrucht te dragen, +en de inspanning om zich met niets te bemoeien dan wat allernaast +voor-de-hand lag, werd te pynlyker omdat hy met de hem ingegeven +nietigheden z'n ziel niet voeden kon. Hy was als iemand dien men +'t ongezond gebruik van snoepery verbiedt, en in-plaats daarvan op +zaagsel en zand onthaalt, of ... op niets. Tien, twaalfmaal las-i +de opgeschreven zaken over, en vond zich in-staat 'n prachtig examen +afteleggen in alles wat hem dien dag geleerd was. Maar juist hierom +vreesde hy dat hem iets mocht ontgaan zyn, want ... want ... hy voelde +zich door den last zyner nieuwe wetenschap niet bezwaard genoeg naar +z'n zin. Ze moest zwaarder drukken, meende hy, en daar dit toch maar +niet het geval worden wilde, lag de schuld zeker weer aan hem! Ook z'n +moeder zei altyd dat er nooit iets van hem komen zou ... óók! Want +hyzelf begon weer--en voor 't eerst niet!--'n dergelyke meening te +koesteren, als 't koesteren heeten mag, dat smartelyk wroeten in eigen +borst! Die m'nheer Wilkens was 'n dóórkundig man met grys haar en +'n bril en over de veertig jaren kantoordienst. Wat die man hem zoo +majestueus verkondigde, moest wel belangryk wezen, en de moeite van +zware inspanning waard. Maar hy, botterik, bleef maar altyd niet +begrypen waarop-i z'n inspanning moest toepassen? De pogingen om +de moeilykheden van z'n nieuwe pozitie te overwinnen, ketsten af +op de onwetendheid waarin toch die moeieiykheden bestonden? Had-i +misschien, om niet al te ver beneden z'n plicht te staan, terstond +moeten weten hoeveel fabrieken en inwoners er waren in Manchester? Och, +als m'nheer Wilkens hem dit maar had gelieven te vragen! Dan zoud-i +z'n onwetendheid ... niet geloochend hebben, o neen ... maar tevens +beloofd morgen bekwamer te zullen zyn. Dan had-i geweten wat er +vandaag aan hem gehaperd had, en hy kon zich beteren! + +Men ziet dat de oorzaken van Wouter's verdriet van ongewonen aard +waren. Misschien ook ligt de ongewoonheid slechts in myn poging +om ze te verklaren, want omstandigheden als waarin hy verkeerde, +moeten wel eens meer voorkomen. By elke gelegenheid namelyk, waar +naïve hoogmoed samenvalt met even naïve nederigheid. En dit was hier +'t geval. Wouter voelde aandrang tot het allerhoogste, en zou weldra +geklaagd hebben dat er niet iets moeielykers te bereiken was dan +dat. Maar tevens meende hy dat ieder boven hem stond, en dat hy 't +nooit zoo ver zou brengen als de laagste. Op buitengewone inspanning +was-i dus voorbereid. Al de moeite die hy zich ooit had getroost +om meester Pennewip--en z'n dame!--te voldoen, zou kinderspel wezen +by de taak om 'n bruikbaar jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & +Kopperlith te worden. Hiertoe dus had-i zich--vooral na de vermaningen +van dien goeden dokter Holsma--met byzonderen yver aangegord. Geen +"som" uit z'n Strabbe, meende hy, vereischte zóóveel scherpte van +oordeel, zóóveel nauwgezetheid, zóóveel geheugen, als er zou te-pas +komen in dien nieuwen werkkring. En zie, den eersten dag den besten +reeds, vatte hy alles wat men hem zei met 'n gemakkelykheid die +hem angstig maakte. Daar moest méér achter zitten! Men wordt geen +Ouwetyd & Kopperlith of jongeheer Pompile--noch zelfs 'n behoorlyke +m'nheer Wilkens!--zonder àndere draken verslagen te hebben dan +men onzen kleinen St. Joris te bestryden gaf! Eén keep ... twéé +keepen ... zeker, begrypen is genot--en dit was vooral in Wouter het +geval--maar juist hierom wantrouwde hy 't genot dat hem ditmaal wat al +te gemakkelyk gemaakt was. De gedachte dat z'n leermeesters met hun +gryze haren, brillen, Buiten's en eigen rytuig, beneden hem stonden, +kwam niet in hem op. Het was hem als iemand wien men te raden geeft: +"wat 'n stokjen is, aan de uiteinden bestreken met zwavel" en die +vreest 'n domheid te zeggen door zoo'n ding te verklaren voor 'n +zwavelstokje. De hem aanbevolen plicht om zich steeds te bemoeien +met het naastbyliggende, was hem op 't hart gedrukt met ernst, en als +iets belangryks ... waarin--dit zeg ik er by--Holsma volkomen gelyk +had! Deze plicht moest dus moeilyk te vervullen zyn, meende Wouter, +doch slechts ten-deele was dit juist gezien. Moeielyk zou ze hèm +vallen, omdat-i de neiging had wat vèr en wat hoog te staren, maar +op-zichzelf beschouwd zou ze byna doorgaans uit 'n aaneenschakeling +van nietigheden bestaan. En juist dit bracht hem in de war. Zonder +de nederigheid die hem eigen was, zoud-i--na 'n oefening van zeer +weinig weken alles geleerd hebben wat er op dat kantoor te leeren +viel--zeer spoedig z'n hoogwyze patroon met hun lappenkraam hebben +geminacht. En zonder z'n hoogmoed ware hy volkomen tevreden geweest +met hun goedkeuring zyner vorderingen in 't vlytig bestudeeren van +niemendal. Wat Oxenstiern aan z'n zoon schreef over de onbeduidendheid +der hefboompjes waarmee de wereld geregeerd wordt, is van volle +toepassing op 'n tal van andere zaken, en niet het minst op kringen +als waarin thans onze Wouter was aangeland. Toch zou men verkeerd +doen 't wanstaltig huwelyk zyner ziel met 'n omgeving van zóó laag +standpunt, in alle opzichten te betreuren. Juist zùlke aanrakingen, +en niet boekerige heldenfeiten, leveren de ware vuurproef. De tyd +moest komen dat Wouter zeggen kon ... niet: "ik ben niets, want ik werd +gesmoord in den lappenwinkel van de heeren Ouwetyd & Kopperlith!" maar: +"zie, hoe ook bedolven onder de modder van misdadige gewoonheid ... ik +bleef myzelf, en heb me tot iets weten te maken." Ik behoef hier +immers niet bytevoegen dat dit de ellendelingen niet verschoont, die +'t kind aan deze vuurproef onderwierpen? 't Was hùn doel waarachtig +niet, onzen Wouter tot mensch te maken! + + + +Hy verveelde zich, en voelde verdrietige verwondering over de leegte +van z'n gemoed. Naastbyliggende plicht doen? Als-i eens naar den +zolder ging--twee keepen: den twééden!--om te vegen, en op z'n gemak +dat belangwekkende windas te bekyken? + +Zóó gedacht, zoo gedaan! Hy was recht grootsch dat-i den weg +naar-boven wist, en toen hy op de trap de meid ontmoette, die hem +zoo onheusch-officieel had afgewezen aan de boven-voordeur, gunde +hy zich de weelde van eenig gerammel met de sleutels, niet zonder +'n zegevierend blikje dat zeker zeggen wilde: je ziet, ik bèn er, +en wel in dienst! + +Zoo'n windas is 'n aardig ding. Er zitten gedachten in, en Wouter +wist ze 'r uittehalen. + +--Die dikke mevrouw is zeker tweehonderd pond zwaar ... de fauteuil, +twintig ... de kussens ... hm ... stellen wy voor alles en alles +... tweehonderd-vyftig pond. Ik weeg maar tachtig, denk ik. Als dus +die dikke mevrouw en ik tegenover elkaar hingen aan 'n gewonen takel, +zou ze my 't zoldervenster uithyschen, in-plaats van ik háár uit die +zykamer. Maar als ik háár gewicht oprol om die dunne spil, en ikzelf +wentel dat groote rad ... + +Hy hoorde sloffen op de trap. 't Was Gerrit, die eens kyken kwam wie +er naar den zolder gegaan was. + +--Ah zoo! Ben jy 't Pieterse. En wat doe je daar? + +--Ik ... veeg, zei Wouter. + +--Zoo? Nou, als je zóó yverig blyft, zal je gauw slyten, jongen! + +--Maar m'nheer Wilkens heeft gezegd ... + +--Wullekes is 'n gek. Maar ... wil je vegen, goed! Veeg maar! En wat +veeg je-n-al zoo? + +--De stof van de stapeltjes ... + +--Daar ligt geen stof op! En al lag er stof op, wat doet dat er toe? En +al deed het er wat toe, wat helpt het of je die van den eenen stapel +op den anderen veegt, hè? Je doet monnikenwerk, wat ik je zeg! + +--Gut! + +--Ja, monnikenwerk! Je moet niet alles zoo letterlyk opnemen wat +die Wullekes je zegt. Hy schiet met ... varkensvleesch, weetje? + +--Hè! + +--Dàt doet-i! Ik dacht het wel dat je zou luisteren naar dien +windmaker, en toen ik iemand naar-boven hoorde gaan met de +sleutels--want ik zat in de keuken, omdat ik styf van rimmetiek +ben--toen begreep ik dat jy 't was. Want er kon niemand anders op 't +kantoor wezen. Die Wullekes heeft je zeker niet gezegd dat we-n-in +den komkommertyd zyn, en dat je zoo'n haast niet hoefde te maken +met terugkomen? Hyzelf komt eerst zoo tegen zessen even kyken, en +nu hy weet dat er iemand is om de boodschappen aantenemen, zal-i nog +later komen, of misschien in 't geheel niet. En de jongeheeren zyn uit +... om 't mooie weer, weetje? Je moet de zaak niet zoo zwaar opnemen, +jongetje! Dan ga je-n-er onder door! Je neemt me-n-ommers niet kwalyk? + +--Gut neen! Maar ik wou zoo gaarne ... m'n plicht doen, m'n +naastbyliggende plicht, weetje? + +--Dáár heb ik nu zoo, wil ik maar 'ns zeggen, geen verstand van. Ik +zeg maar dat het schande-n-is dat ze-n-'n jong borssie als jy zoo'n +heelen dag op dat muffe kantoor laten zitten. Ik zeg ... 't is wind en +'n engelsche notting! + +--Hè, Gerrit, ik ben den halven ochtend op-straat geweest! + +--Ja, ik hoor dat je veel boodschappen hebt gedaan voor den jongeheer +Pompile. Nou, dat pleizier kan je dikwyls hebben! Hebben ze je-n-al +gezegd dat je naar de post moet, alle morgens, om den briefbesteller +optewachten? Dat 's 'n baantje voor jou, je zult het zien! 't +Zal je stuivers kosten voor 'n borrel! Want als je dàt niet doet, +kryg je de brieven niet. Ze zyn te gierig om droddebot te betalen +... vyf-en-twintig gulden in 'n heel jaar. Daarvoor kan jy dan staan +blauwbekken in de kou ... als 't winter is, meen ik. Zeg eens, heeft +Dieper je-n-al gesproken over inkasseeren? Want ... als ik styf van +rimmetiek ben, komt dat voor je rekening. En ... als je niet handig +bent met geld, kan dat baantje je veel kosten. Je begrypt wel ... wat +er te-kort komt, leg je-n-er by. Ja, ja, je moet niet denken dat je +hier voor je pleizier bent! Ik heb hier al prinsjesdagen beleefd in +alle saizoenen van 't heele goddelyke jaar, en daarom ... nu ben ik +styf van 't rimmetiek. 't Kan je-n ook gebeuren. Zoodat ik maar zeggen +wil dat je-n-in de komkommerdagen niet zoo yverig hoeft te wezen. Je +bent immers ook maar 'n loontrekkend dienaar, net als ik, niet waar, +en zult dus ook niet graag meer doen dan noodig is? Geen mensen die +er je voor dankt, jongen, en wie z'n eigen doodwerkt, wordt onder +de galg begraven. Komaan, laat dat vegen nu maar blyven. O, als je +alles doen zou wat die Wullekes je zegt ... nou! + +Als ys viel deze zonderlinge Gerritsche filosofie onzen Wouter op +'t gemoed. Beschaamd sloot-i den zolder, en begaf zich naar beneden +met Gerrit, die hem verzocht niet te verklappen dat-i op den bovensten +zolder geweest was. Want, zeid-i: + +--Dan sturen ze m'n op boodschappen uit. En daar ik styf van rimmetiek +ben ... kyk, m'n duim is er krom van, en dus ... loopen kan ik niet, +dat zieje wel! + +Op 't kantoor gekomen, sloeg de knecht 'n klein register op, waarin +de vervaldagen van wissels en acceptatien genoteerd stonden. + +--Zieje, juist wat ik dacht! Morgen is er 'n smerig papiertjen in +den Jodenhoek. Nu, dáár zal je pleizier van hebben! Die smous zal +wel gauw merken dat je-n-'n onnoozel bloedje bent, want ... je +ziet er naar uit. Als je-n-er beneden den daalder afkomt, mag je +van geluk spreken. Daar komt waarachtig Wullekes al ... zeker heeft +z'n vrouw hem de deur uitgejaagd, maar zy is even mal als hy, met 'r +prinsessen. Ze heeft 'reis in den Haag 'n prinses gezien, en daarvan +praat ze-n-altyd. Allemaal wind en 'n engelsche notting. Die Wullekes +... hoor eens, als-i naar me vraagt ... zeg maar dat je niks van me +weet, en dat ik styf ben van rimmetiek, weetje, want ... ik ga na de +keuken om m'n kommetje thee te drinken, 't Zal wel koud wezen, maar +... ik moest toch 'reis even zien wie daar na 't zolder liep. Jawel, +hy is het ... dat kan ik altyd precies hooren aan 't openhalen van +de achterdeur. Hy heeft ruimte noodig voor 'n heel peloton ... ik +ben serjant geweest, weetje, by de Burgerwacht in anno zooveel! + +En Gerrit vertrok. Z'n zonderlinge toespraken hadden dit goede, +dat Wouter--zooals de lezer misschien--er niet veel van begreep, +en dus iets te denken kreeg. De vreemde opvatting van plicht, die +den ouden knecht ... iets minder van andere knechts onderscheidde dan +wenschelyk was, verraste hem. Droddebot? Wat's dàt voor 'n ding? En: +'n "smerig papiertje" dat hem 'n daalder zou kunnen kosten ... wat kon +dit zyn? Vanwaar zou die daalder komen? Waren dàt de emolumenten van +z'n nieuwe betrekking? Heel gaarne had-i m'nheer Wilkens om inlichting +gevraagd, doch sedert z'n struikelen over Mozes by 't Doornbosch durfde +Wouter dat grimmig orakel niet naderen. Bovendien, hy werd weer aan +'t plakken van gekleurde lappen op karton gezet, en dezen arbeid +legde hem Wilkens met zooveel vertoon van stichtelyken ernst op, +dat hy 't niet waagde iets anders aanteroeren. Hy plakte z'n lappen, +en zweeg en mymerde, en betreurde z'n boeken op den Zeedyk. Nog 'n +beetje maar, en Motto zou hem de gedaante vertoonen van 'n beminnelyken +beschermengel die wegzinkt in de nevelen van 't verleden, en waarnaar +de verlatenen reikhalzend maar vruchteloos de armen uitstrekt. + +Armoediger kon 't met z'n zieltje niet geschapen staan, meent men? + +Wie weet! Lieve-god, het wordt nog erger. + + + + + + + + Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke + barbier en 'n benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over + vergankelykheid. Champollion. Handel! Onverwachte verandering van + 'n geminacht briefje in wichtige dukatons. + + +Of 't veroorzaakt werd door de byzondere styfte van z'n rhumatiek, zou +ik niet durven zeggen, maar zeker is het dat Gerrit 'n eigenaardige +manier had om uitheemsche woorden onkenbaar te maken. Droddebot, +byv. beteekende: droit de boîte, hetgeen zooveel zeggen wilde als +het recht om de brieven te doen afhalen van 't postkantoor. De +briefbestellery liet in Wouter's tyd veel te wenschen over, en veel +kooplieden kozen dit middel om zich onafhankelyk te maken van den duur +en 't gewicht der konfidentien die de zeer ongevleugelde boden des +handels gewoonlyk met hun straatvrinden hadden te wisselen. In dit +alles zal nu wel verandering hebben plaats gevonden, vooral omdat de +post meermalen daags aankomt. In Wouter's tyd, en lang daarna nog, +werd de zoogenaamde "fransche, duitsche en engelsche post" slechts +twee keeren 's weeks uitgereikt. Binnenlandsche brieven niet meer +dan eenmaal daags, en wel des-morgens. Het afhalen der brieven voor +de kantoren die droit de boîte hadden, behoorde natuurlyk tot de +funktien van de "jongste-bedienden" 'n soort van loopjongetjes die in +twee opzichten zeer typelyk verschilden van leerlingen op 'n ambacht: +ze leerden niets, en waren onbezoldigd. Sommige handelshuizen wisten +'t misbruiken van zulke knapen te verheffen tot systeem, door zóóveel +allerjongste bedienden te houden dat ze daarmee het bezoldigen van +'n volwassen persoon konden uitwinnen. Zoodra zulke jongeluî begonnen +aanspraken te gronden op 't verouderen van hun doopceel, gaf men hun +den raad die ontkiemende eerzucht te doen wortelen in anderen bodem. + +Wat nu overigens dat fameuze droit de boîte aangaat, er waren ook +handelshuizen die wel gaarne hun korrespondentie iets vroeger ontvingen +dan de slakkengang der bestellers toeliet, maar toch niet genegen waren +de daarvoor vastgestelde belasting te betalen. Ze vonden een probaten +maatregel uit, hoofdzakelyk gegrond op de overweging dat de tyd van +'n onbezoldigden jongste-bediende geen geld reprezenteert. Zoo'n +kereltje moest in de nabyheid van 't postkantoor den besteller +afwachten, en hem overhalen om de voor "m'nheer" of "de heeren" +aangekomen brieven op-straat aan hem aftegeven. Dewyl nu noch het uur +van aankomst der post, noch de tot het sorteeren noodige tyd stipt +kon bepaald worden, moest hy om zeker te zyn dat de besteller hem +niet ontsnapte, altyd véél te vroeg daar wezen. Het natuurlyk gevolg +hiervan was dat zich elken ochtend 'n klubjen onrype jongeheertjes naby +'t postkantoor samenkluwde. By slecht weer was 't vereenigingspunt in +de cour der inrichting. En hier werd veel kwaads uitgebroed, want in +geen stadium, klasse of ontwikkelingsperiode vertoont zich de Mensch +leelyker dan in die van halfwassen jongeling, 'n leeftyd die door de +eene helft van ons geslacht moest kunnen overgewipt worden. Al wat +de Maatschappy oplevert, staat in rang boven hen: kinderen, meisjes, +vrouwen, mannen, grysaards, jonkers, prinsen, soldaten, sjouwerluî, +ambachtslieden ... alles, tot publieke vrouwspersonen toe. Zyzelf +zyn de eenigen die dit niet weten, en staan verbaasd als 'n wezenlyk +mensch blyk geeft van den misselyken indruk dien ze op hem maken. + +Maar wèl had het moeten bekend zyn aan de heeren Kopperlith, vader en +zoons. En misschien wisten zy 't. Maar dit belette niet dat Wouter, +toen-i den eersten avend van den belangryken handelsdag dien ik +trachtte te beschryven, verlof ontving om naar-huis te gaan, van +m'nheer Wilkens het bevel meekreeg, den volgenden morgen voor-i op +'t kantoor kwam, zich aantemelden by m'nheer Pompile "die hem zou +onderrichten in z'n verplichtingen omtrent de post." + +--Zieje wel, Stoffel, riep z'n moeder, ze hebben allerlei voor +hem te doen! Net zooals de dokter zei: 'n jong-mensch moet veel +werken. Precies wat ik altyd zeg. Veel werken is de boodschap. Zorg +nu vooral, Wouter, dat je-n-op je tyd daar bent, en laat vooral die +m'nheer ... hoe heet-i ook? + +--M'nheer Pompile, moeder. + +--Nu ja, de naam doet er niet toe. Ik meen maar dat je zorgt op je +tyd te wezen. Wat zou je-n-er van zeggen als je dat nu eens opschreef? + +--Ik zal 't wel onthouden, moeder. + +--Schryf 't liever op. Waartoe dient anders je boek? Ik heb 't je +dáárvoor gegeven, jongen! + +Met of zonder opschryven dan, reeds om zeven uur schelde Wouter aan +'t huis met spiegelglas. De meid zei dat m'nheer nog niet op was, +en vergunde hem plaats te nemen op de vloermat ... daar stond-i! Wie +myner lezers weet hoe lang 'n minuut is? Nu, dàt wist de friesche +klok die daar in de gang Wouter stond gezelschap te houden met z'n +tik ... tik, en om de zooveel tikjes 'n zwaarder tik! Dan versprong de +groote wyzer als met 'n zenuwachtig schrikje, en met saaie volharding +zette de sekondeslinger z'n eentonige reis voort: aktie, reaktie, +tik, tik ... die klok verveelde zich niet! En 't ding stond op vier +zwarthouten ballen, en hoefde niet te verwisselen van zwaartepunt of +heup. Wouter wel. Dan rustte hy links, en dan weer rechts, dat is: +hy rustte niet. Men begrypt dat z'n naast-byliggende plicht niet +toeliet tegen den wand te leunen in 't huis van z'n patroon. Z'n +enkels, knieën, heupen en ruggegraat ... + +Tik, tik, zei de klok. Ja juist, zoo-iets voelde hy in al z'n +leden. Geen Demosthenes kon 't juister uitdrukken. + +Er werd gescheld. Met z'n gewone zucht om te helpen opende Wouter de +deur. De meid die niet zeer spoedig en zonder haast kwam aansloffen, +bedankte hem in 't minst niet. Wouter mocht getuige zyn van haar +verzekering dat ze geen schuurzand noodig had--want het was 'n +trafikant in dit handelsartikel, die zich aanmeldde--en dit verschafte +hem wat afleiding. Hy hoopte dat men nògeens schellen zou. + +Waarlyk, dit geschiedde, en zelfs nog geen vol kwartier daarna. Een +melkboer! Deze verhaalde iets aan de meid over 't weer, en Sientje was +van zyn gevoelen, maar zei er by dat mevrouw niet tevreden was over +z'n melk, waarop de man iets antwoordde. 't Onderhoud was ... zeer +onderhoudend, maar voor Wouter wat kort. Tik, tik, zei de klok weer. + +Nog andere menschenvrienden kwamen by lange tusschenpoozen de +welsprekendheid van die klok afbreken, en Wouter had ze wel willen +kussen. Heel eindelyk schelde de barbier. Ook deze werd uitgenoodigd +te wachten tot "m'nheer òp zou zyn." + +--Dat doe-n-ik niet, zei de man. Ik kan al m'n andere klanten niet +laten wachten op één van 'n stooter in de week! + +En hy ging. Wat 'n brutale barbier! Zeker, 't was afkeurenswaardig, +'t Was ruw, ongemanierd ... o ja! Maar toch betrapte zich Wouter op +de verzuchting: + +--Och, misschien zou 't beter voor me zyn, barbier te worden dan in +den handel te blyven. + +De ondankbare! Juist immers toen hy zich aan dezen wreveligen indruk +overgaf, vernam-i schreden van iemand die in 't achtereind van de gang +de trap scheen aftekomen. De Heer was naby, of ... de jongeheer Pompile +toch. Hy vertoonde zich in z'n kamerjapon, en werd Wouter gewaar. + +--Ah ... zoo? Ja, juist! Je bent daar? Heel goed! Wilkens heeft je +zeker gezegd ... heel goed, heel goed! Weet je wat je doet? Je moet +zoo goed wezen ... even te wachten. + +M'nheer Pompile verdween in de suite, en de klok was weer aan 't woord. + +Had Wouter maar niet zoo'n pyn in z'n lenden gehad, hy zou wel +in-staat geweest zyn, gedachten te borduren op 't kanevas van dat +eentonig geluid. Maar stoffelyke aandoening belemmerde hem in 't +aan-eenknoopen van z'n indrukken. Hy voelde zich suf en machteloos, +'t Was om neertevallen. + +Na slechts drie-kwartier kwam m'nheer Pompile weer tevoorschyn uit +de suite, waar-i ontbeten had. In 't voorbygaan droeg hy Wouter op, +de goedheid te hebben even te wachten omdat-i zich nu ging kleeden +... tik, tik! + +Alweer 'n afleiding. De meid scheen in de suite geroepen, want ze kwam +haastig aanloopen, en opende de deur van dat vertrek. Wouter mocht +vernemen hoe mevrouw haar meedeelde dat er vandaag 'n kanarievogeltje +zou gebracht worden, en: + +--Als 't komt, Sientje, breng 't vooral terstond binnen! + +Dit beloofde de meid. Wat moest nu Wouter bepeinzen? De +onafhankelijkheid van dien barbier had hem verlokt tot 'n rudiment van +weerspannigheid. Vorderde nu de konsekwentie dat-i verviel in dolle +yverzucht op dat bevoorrecht vogeltje? Misschien wel. Zuinigheid +op z'n aandoeningen zou misplaatst geweest zyn, al ware het hierom +alleen wyl ze van alles wat-i hier te zien en te aanschouwen kreeg, +het duurzaamst blyken zouden. M'nheer Pompile is ter-zyner-tyd zoo +goed moeten wezen te sterven. Ook zoo'n kanarievogel leeft maar kort, +en laat geen andere leegte na dan twee duim kubiek in z'n kooitje. Het +beestje had lang uitgetjilpt voor Wouter de lessen van onafhankelykheid +leerde ontberen, die hy nu nog--ter-loops, maar gretig toch--opving van +'n barbier. En ook deze chirurg is ter-ziele. Hopen wy dat de Hemel +hem niet gesloten bleef, omdat hy oorzaak was dat m'nheer Pompile's +baard gevaar liep 'n dag langer te zyn dan anders te verwachten is +van zestien welgetelde duiten scheerloon in de week. Zooveel namelyk +bedroeg de "stooter" waarvan we zoo-even iets vernamen als bydrage +tot de Lukullische weelderigheid van den jongeheer Pompile. + +Al die dingen zyn dus weggewischt, uitgewreven, vergaan. En nog steeds +leven er gedachten van Wouter ... aere perenniores! 't is mogelyk +dat die klok nog altyd hier-of-daar z'n tikkende loopbaan voortzet, +en dat er nog altyd 'n huis staat met vensters van spiegelglas, +op de Leliegracht--deftige zy, héél deftige zy--maar wat beteekent +dit in vergelyking met 'n hoofdstuk uit de zielegeschiedenis van 'n +mensch? Huizen en klokken zullen voorbygaan, maar niet voorbygaan +zullen de uitvloeisels der gemoedsbitterheid van iemand die daar +de gelukzaligheid staat te benyden van 'n opgesloten vogeltje dat +terstond mocht binnenkomen als 't zich aanmeldde. Toch gis ik dat +Wouter niets of niemand benydde. Hy was er te moê toe, en werd te +zeer bezig-gehouden door 't spit in den rug. + +Daar werd zoowaar de jongeheer Pompile weer zichtbaar, nog altyd +ongekleed. + +--Zoo, sta je daar nog? Ja ... zoo ... hoor eens! Weet je wat je +doet? Je moet eens zoo goed wezen, gauw 'n barbier voor me te halen. + +Die lieve goeie Pompile! Hy vergunde Wouter zich eens te bewegen. Deze +vervulde z'n naastbyliggend plichtje met yver en dankbaarheid. Toen-i +het verlangde gevonden en binnengeleid had, nam-i z'n vorig domicilie +op de vloermat weer in, en verstond heel duidelyk wat de klok zei: + +--Zoo, ben je daar wéér? Ik ben er nòg ... tik ... tik! + +De installatie by 't postkantoor geschiedde wel niet met plechtigheid, +maar toch met al de bereddering die de jongeheer Pompile gewoon was +toetepassen op de nietigheden waarmed-i zich gewoonlyk bezighield. + +--Kyk, je moet nu eens zoo goed wezen hier te komen staan, +alle morgens! En dan houd je 't postkantoor in 't oog. En als +ze dan uitkomen--de bestellers, weetje?--dan let je goed op. En +je loopt ze na. En je vraagt de brieven voor de heeren Ouwetyd & +Kopperlith. Maar je moet dat niet vragen hier vlak voor 't kantoor, +want als de direkteur het ziet, dan worden ze gestraft ... omdat +het verboden is, weetje? Je loopt ze na, daar in die steeg, en +als ze je-n-'n fooi vragen, of 'n borrel--want dit doen ze ... +gemeen volk!--dan zeg je maar dat je ... neen, dan zeg je niets. Of +je zegt maar ... dat je de brieven vraagt voor de heeren Ouwetyd & +Kopperlith. Zóó moet je zeggen! En 'n fooi? "Met nieuwejaar" kan je +wel zeggen, maar zeg niet dat ik 't gezegd heb, want dan verwachten +ze te veel. Onbescheiden volk, weetje? Kyk, daar komen ze! Nu zal +ik je wyzen wie onze buurt heeft. Daar, dáár, die magere met z'n +dikken neus en slobkousen ... dàt is-i! Zeg hem dat-i nog pas gister +'n stuiver van me gehad heeft, en dat-i je de brieven geeft voor de +heeren Ouwetyd & Kopperlith, zóó moet je zeggen! + +Wouter liep den aangewezene na, en haalde hem weldra in. De man, +die hem niet kende, wees hem stug af. Maar de deftige m'nheer Pompile +stond op 'n afstand te wenken en te telegrafeeren, met dit gevolg dat +Wouter zich kon beschouwen als formeel voorgesteld aan den mageren +besteller met den dikken neus en de slobkousen. Er was inderdaad iets +aangekomen voor 't huis Kopperlith. Deze of gene winkelier in een der +provincien scheen behoefte te hebben aan 'n krieuweltje. Wouter kwam +zegevierend met den brief aanloopen op 't kantoor waar-i 't eerwaardig +sanhedrin van z'n patroons reeds vergaderd vond, Pompile meegerekend +die, na 't overseinen van Wouter's geloofsbrieven, zich gehaast had +de gemeene steeg te verlaten, welker duisterheid gewoonlyk het geknoei +met die brieven medeplichtig beschaduwde. + +Onze jongste-bediende werd nu met de noodige aanbevelingen tot "net +werken" aan 't kopieeren gezet van 'n paar brieven. De jongeheer +Pompile Kopperlith maakte gebruik van den komkommertyd, om eenige +debiteuren die wat achterlyk waren, aan betaling te herinneren. 't +Een-of-ander genie uit den voortyd had deze bezigheid vereenvoudigd +door 't vaststellen van drie formulieren die elkander opvolgden in +graden van nadrukkelykheid. Formulier één: beleefd. De aanzuivering was +waarschynlyk den zeer geachten handelsvriend door 't hoofd gegaan, en +de heeren O. & K. konden niet nalaten deze gelegenheid aantegrypen om +"uwe zoo byzonder vereerde firma" hiernevens 'n paar stalen aantebieden +van onbegrypelyk-pryswaardige diemet. Formulier twéé: de--nog altyd +eenigszins geachte--vriend verloor uit het oog dat de pryzen à comptant +waren berekend, en ofschoon men zoo byzonder gaarne zaken met hem deed, +was men wel genoodzaakt ditmaal ... enz. Géén stalen. Derde formulier: +binnen acht dagen solide remise, of anders ... enz. + +Wouter bewonderde de bekwaamheid van z'n chef, die zoo precies wist +hoe men al die menschen moest toespreken. Toch was 't kopieeren van +die korte briefjes weldra afgeloopen, en hy werd weer aan 't plakken +van z'n stalen gezet. + +--En ... zouden wy hem nu maar niet met-een de letters van 't woord +laten leeren? vroeg Pompile aan Wilkens. + +Er scheen iets vreeselyks in dit voorstel te liggen, want Wilkens +keek ontsteld op. + +--M'nheer! + +--Ja, denk je niet? Me dunkt dat ... + +--Maar ... m'nheer! + +Al had Pompile voorgesteld het jonge-mensch te villen of te skalpeeren, +de schrik van Wilkens kon niet grooter geweest zyn. + +--Maar, m'nheer! Dit zou, onder uw welnemen, verbazend onvoorzichtig +zyn! + +--Hé, dacht je dàt? + +--M'nheer, ik kan u plechtig verzekeren dat ik reeds drie jaar by +de zaken was, voor men my de letters van 't woord wees! Men moet +jonge-menschen niet over 't paard ligten, m'nheer! De verwaandheid +komt er gauw genoeg in, m'nheer! + +--Nu, zooals je wilt, Wilkens. Ik had er zoo diep niet over nagedacht, +weetje? + +Dit was de zuivere waarheid, en wel de waarheid eens-voor-al, want de +jongeheer Pompile dacht nooit diep na. Maar in het tegenwoordig geval +zou z'n ligtzinnigheid--als-i niet bekleed ware geweest met den rang +van patroon--onvergeeflyk zyn voorgekomen aan m'nheer Wilkens. De lezer +zal dit beseffen zoodra hy weet dat de zeer belangryke zaak neerkwam +op de vraag of men Wouter reeds nu zou inwyden in de geheimzinnige +teekens waarmee de heeren Ouwetyd & Kopperlith de inkoopspryzen hunner +goederen op de etiketten wisten uittedrukken. Er behoorde veel toe +om deze teekens grif te verstaan. Meer nog om 't vertrouwen waard te +zyn, dat men dit geheim ongeschonden bewaren zou, en volgens m'nheer +Wilkens was Wouter nog lang zoo ver niet. Glansryk was de triumf van +den oud-gediende tegen den onvoorzichtigen jongeheer Pompile die, +zonder zyn raad, dat jonge-mensch zoo maar op-eens 't licht zou +vertoond hebben dat den tabernakel van 't kantoor omluisterde. Maar +de zegepraal van den kleingeestigen grysaard was niet volkomen, voor +Wouter-zelf 't bewustzyn van z'n voorloopige uitsluiting terdeeg +geslikt had. Want deze begreep niet wèlk woord en wèlke letters +te heilig werden beschouwd voor z'n nuchter verstand, onbeproefde +eer en geringe verdienste. Wilkens merkte de door hem opgeplakte +stalen met nummers, en zette daaronder de diepzinnige hierogliefen, +waarover hy 'n vraag wist uittelokken om aanleiding te hebben tot +het verpletterend antwoord: + +--Dàt past je nog niet! Dat past je volstrekt niet! Vraag dáár eens +na, als je-n-'n half-dozyn jaren behoorlyk gewerkt hebt, of ... langer! + +Het vooruitzicht was prachtig. Het spreekt vanzelf dat Wouter +hevige begeerte voelde naar de vrucht van een zoo aptytelyk verboden +boom. Reeds den volgenden dag ontcyferde hy met geringe inspanning, +door 'n beetje vergelyking, de beteekenis van die geheimzinnige +letters. Daar hy--uit voorzichtigheid of konscientie--'t aldus weldra +gevonden heiligwoord niet in z'n zakboek heeft opgeschreven, kan ik +het den lezer niet meedeelen. Met Pompile's baard en vensterglas, +met de krieuweltjes en de wittegrondjes-driekleur, is deze mysterie +onopstandelyk ten-grave gedaald, 'n gaping in myn verhaal waarvoor +ik verschooning vraag. + +By 't schetsen van al deze nietigheden, waarby ik de waarheid zoo +trouw mogelyk tracht naby te blyven, kan ik my niet onthouden van de +vrees dat sommigen my verdenken van overdryving. Deze beschuldiging +tegen 'n schryver is gewoonlyk een kenmerk van oppervlakkigheid, +en byna altyd ongegrond. Hoogstens zou men recht hebben de wyze van +behandeling aftekeuren, de manier van voorstellen, en de door hem +uit de feiten afgeleide gevolgtrekkingen. Overdryving in 't schetsen +van die feiten-zelf is nagenoeg onmogelyk, want de graad waartoe +menschelyke dwaasheid kan afdalen, is voor den boosaardigsten artist +onbereikbaar. Waar deze dwaalt, ligt de fout aan z'n onbekwaamheid +in 't nateekenen, in 't verkeerde van de voorstelling, niet in +overdryving. Dat er onder 't half-dozyn personen waarmee Wouter hier +in aanraking kwam, geen enkele was die zich verheffen kon boven 't +àllerlaagste peil van verstand en hart, mag slechts vreemd voorkomen +aan wie de Maatschappy niet tot 'n onderwerp van studie gemaakt +heeft. Myn schets is wáár. En zelfs behoef ik me niet te beroepen op de +bekende spreuk: que le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable, +om te betoogen dat deze waarheid ditmaal geenszins in-stryd is met +waarschynlykheid. Wie dit begrypen wil, hebbe slechts nategaan wat er +door wezens als de hier bedoelde, levenslang is uitgericht? Wat hun +wenschen waren, hun neigingen, bezigheden, geestelyke behoeften? Hoe +hun opleiding geweest was ... dit doet er minder toe, maar: met welke +opleiding zy volkomen tevreden waren? Nooit kwam het in hen op dat ze, +wèl beschouwd, behoorden tot de laagste soort van schepsels die met +zoölogische welwillendheid gerekend worden boven de dieren des velds +te staan. En ... by dit alles, die koddige trots! + +Ik weet zeer goed dat geestelyke en zedelyke waarde niet volstrekt +samengaat met de meer of mindere belangrykheid van het beroep, +noch daarvan afhangt. Het is begrypelyk dat menigeen om-den-wille +van z'n onderhoud zich moet tevreden stellen met 'n kostwinning, +die òf geen punten van aanraking oplevert met z'n gemoed, of zelfs +lynrecht tegen de opwellingen zyner ziel indruist. Ik laat nu daar, +in-hoe-verre deze disparatie mogelyk en te verontschuldigen is, +en stel dus niet de vraag of, byv. 'n gevoelig mensch 'n degelyk +vleeschhouwer of scherprechter wezen kan--misschien wel!--doch wáár +blyft het dat iemand die ongenoodzaakt z'n levensonderhoud zoekt in +grove of nietige bedryven, blyk geeft van 'n laag standpunt. + +Wat dan te zeggen van 't ras der koprolithen, dat geheel vrywillig +verstand, hart en karakter laat braak-liggen? Al zy het nu dat de +jongeheer Pompile niet zeer zuiver de waarheid sprak, wanneer-i 'n +onnoozelen "buitenman" die 'n krieuweltje kwam koopen, verzekerde: +"dat papa zoo byzonder ryk was, en dat ze 't om den broode niet hoefden +te doen" toch hadden de jonge-lieden 'n anderen werkkring kunnen +kiezen. Maar ... dan hadden zy iets moeten leeren, zich inspannen, +en dit gedoogde noch hun fatsoen, noch hun traagheid. Arbeid en +kennis was goed voor anderen wier papa niet "zoo byzonder ryk" +was. Die heele rykdom van den oudeheer kwam neer op eenige tonnen, +'n som die bestemd was in zessen te worden verdeeld. Ze hadden dus +wel degelyk behoefte aan 'n werkkring, en twee van de zoons kozen, wat +als voorvaderlyk erfdeel voor-de-hand lag: de lappennegotie. Hiertoe +was slechts 'n klein gedeelte noodig van 't beschikbaar kapitaal dat +hoofdzakelyk in effekten belegd bleef. Hadden zy kunnen besluiten den +inventaris te ontlasten van de goederen die jaar-in jaar-uit op die +zolders lagen, dan zouden ze met nog geringer kapitaal de zaak hebben +kunnen dryven. Tot dit "opruimen" echter--waarop Dieper soms bescheiden +en rente-berekenend aandrong--waren ze niet te bewegen. Meenden zy +misschien dat die oude verkleurde lappen ooit weder den prys zouden +waard zyn, die daarvoor betaald werd vóór den bloei der Amerikaansche +katoenmarkt en der Engelsche weveryen? Ze meenden noch dit, noch iets +anders. Ze meenden niets. + +De dagelyksche handel was allereenvoudigst tot het idiote +toe. Tweemalen 's jaars bestelde men "op staal" eenige duizende +stukken gedrukte katoenen. De by 't kiezen te-pas gebrachte wysheid +overstelpte onzen Wouter, die alweer angstig werd dat hy nooit, nooit, +nooit zoo ver komen zou om te weten of de burgervrouwen die zich +kleedden in gedrukt katoen, dit jaar de voorkeur geven zouden aan 'n +slangetjen of aan moesjes? Wilkens zat by zulke gelegenheden als op 'n +troon. De verhandelingen die hy hield over 't gewicht en de strekking +van 'n klein verschil in kleur of figuur, waren verpletterend. Ik +heb reeds gewezen op de rechters die in 't laatste ressort over de +vonnissen van onzen lappen-wysgeer te beslissen hadden. Toch zou hy +'t zeer vreemd hebben gevonden indien men boerinnen of dienstmeiden +zitting en stem had verleend in 't koncilie dat hy prezideerde. En +... de hoogheid tegen zoo'n handelsreiziger! Het is opmerkelyk dat +de engelsche fabrikanten voor deze betrekking gewoonlyk Duitschers in +dienst nemen. Christelyker werkkring bestaat er niet. Voor dezulken is +'t Evangelie van den linkerwang geschreven! Zoo'n ongelukkig wezen werd +drie, vier keeren weggezonden, voor 't m'nheer Wilkens en den jongeheer +Pompile gelegen kwam te zien welke nieuwe figuurtjes de teekenaars der +fabrieken hadden uitgedacht. Heel eindelyk begunstigde men hem met de +mededeeling dat er waarschynlyk niets zou noodig zyn. Dat men reeds +groote bestellingen gedaan had aan andere "huizen." Dat de markt +slap was, buitengewoon slap. Enz. Ten-laatste werd hy genadiglyk +toegelaten, en de zitting nam 'n aanvang. Eugène, wiens woorden +duur waren, stelde zich 't minst bespottelyk aan. De beide anderen +wedyverden in zotteklap, en de commis-voyageur beantwoordde elke op- +of aanmerking met 'n aller-beleefdsten glimlach. Hy haalde op zyn +beurt z'n schade aan verongelukte menschenwaarde, in diligences en +trekschuiten of aan de table-d'hôte met woeker in. Daar publiceerde +hy de twee dozyn anekdoten die elk handelsreiziger behoort in voorraad +te hebben, en ging by z'n kameraden onder verband van wederkeerigheid, +voor 'n wezenlyken heer door. + +By ontvangst van de bestelde goederen steeg de belangrykheid der +werkzaamheden op 't kantoor en in het magazyn tot het verhevene. De +bedongen prys werd verhoogd met de onkosten van pakking, transport +en assurantie, en daarna volgens de koers van den dag herleid in +hollandsch geld. Deze berekening was zeer in 't byzonder de taak +van Pompile, die er zeer handig in was ... geworden, na veel jaren +sukkelens, zei de oudheidkundige Gerrit. Goed, nu toch verstond +Pompile die kunst! By verkoop legde men 'n procent of vyftien op den +inkoopprys, en de cyclus van beroepswysheid was afgeloopen ... op +'t overbluffen, liefkozen, streelen en bedriegen van de koopende +winkeliers na. Ook in dit gedeelte van 't "vak" was Pompile een eerste +meester. Zelfs Wilkens moest erkennen, dat ... enz. + +Geen van die heeren had ooit iets anders gedaan, geen hunner +had gehaakt naar andere inspanning. Ze voelden zich volkomen +verzadigd. Zelfs 't boekhouden van den ouden Dieper ging hun sfeer +te-boven. Z'n memoriaal en journaal en grootboek waren gewyde arken +waaraan nooit iemand de hand durfde slaan. Wel beschouwd overtrof +zelfs de oude Gerrit de heeren patroons in menschenwaarde: hy kòn +iets! Een van z'n hoofdbekwaamheden bestond in 'n byna onbedriegbare +kennis der geldsoorten, en z'n "worpen" by het tellen waren monumenten +van regelmatigheid. Het was jammer de zest'halven by-een te stryken, +die door hem waren tentoongespreid in symmetrische regels ... zilveren +verzen, waarlyk! En dan 't nog altyd respectabel overschot van z'n +handigheid in 't pakken ... wel te verstaan, als 't hem gelegen kwam +niet styf van rhumatiek te wezen. Toch moest ieder onbevooroordeelde +erkennen--en er bestond reden tot vooroordeel--dat Wouter hem hierin +met reuzenschreden voorbystapte, gelyk we ter-zyner-tyd zullen te +zien krygen. + +Tweemalen 's jaars ging Wilkens op-reis, en speelde dan by winkeliers +de rol waartoe hyzelf gewoon was buitenlandsche reizigers te +veroordeelen, die 't ongeluk hadden van zyn welwillendheid en +zaakkennis aftehangen. De goden zyn rechtvaardig! Dan werd-i terdege +bestraft in z'n zondige plek, en moest soms twaalf keeren tevergeefs +toegang vragen--de door Moore bezongen paradys-peri!--om doortedringen +tot het achterkamertjen in 'n lappenwinkel. Een andermaal liet men +hem schildwacht houden voor de toonbank, en afwachten wat 'n snibbig +winkelmeisje--de "m'nheer Wilkens" loci--over hem zou gelieven +te besluiten. Zekere overleveringen luiden dat-i zich by zulke +gelegenheden meermalen moest laten welgevallen, met z'n wasdoeken +staalpak onder den arm--en den voorgeschreven welwillendheids-glimlach +op 't gelaat--uren lang op de stoep in den regen te wachten: "omdat-i +in den winkel de klanten in den weg stond." Het spreekt vanzelf dat +deze handels-liefkozing beantwoord werd met 'n allerbeleefdst: + +--Met pleizier, juffrouw! + +Van één hoedanigheid die den commis-voyageur kenmerkt, moet ik Wilkens +finaal vryspreken. Nooit vertelde hy anekdoten uit 'n almanak. Het +schynt dat z'n deftigheid zich hiertegen verzette. Waar hy meende z'n +officieel handelsgewaad een oogenblik te mogen afleggen, bepaalde hy +zich tot het uitpluizen van 'n zeer interessant bankroet, waaruit +hy door een byzondere hem alleen eigene gauwigheid, z'n patroon 'n +heel procent meer had weten te bezorgen dan de overige krediteuren +ontvingen. Over 't verguld-koper snuifdoosje dat hem deze heldendaad +had opgebracht, stapte hy losweg heen ... uit bescheidenheid, zeid-i, +maar als 't noodig was zou hy 't nog altyd kunnen laten zien. En wie +dan niet uitdrukkelyk naar deze ridderorde vroeg, vond-i onbeleefd. Z'n +tweede strydpaard aan 't dessert, was de roerende levensgeschiedenis +van drie stukken-bielefeldsch linnen die door 'n onkundige waren +aangezien voor iersch fabrikaat, een vergryp waaruit ongetwyfeld 'n +proces zou voortgesproten zyn, indien niet hy, Wilkens--"want, heeren, +dàt is nu eigenlyk m'n vak!"--als expert of arbiter de zaak tot 'n +vroolyk einde had weten te brengen, door de opmerking ... enz. Dat +deze beide geschiedenissen een byzonderen geur van gezelligheid +meedeelden aan z'n onderhoud, is niet te ontkennen. Maar hy was er +zeer spaarzaam mede, want: "er zyn reizigers en ... reizigers, zeide +hy, en heden-ten-dage is niet ieder op de hoogte om 'n goed diskoers +te waardeeren." + +--En, jongeheer, zei Dieper, hoe moet ik nu doen met dat briefjen in +den Jodenhoek? 't Is 'n smeerig papiertje, jongeheer! + +--Ja, Dieper, dàt is het! Waarom zeg je 't niet aan papa? Die +Gerrit ... + +--Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover +gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne ... + +--Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm! + +En met z'n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan. + +--Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen? + +Wouter's gelaat helderde op by de gedachte dat hy iets kunnen zou. + +--'t Is zeer gevaarlyk, m'nheer, zei Wilkens. + +--Aan den kassier durf ik 't briefje niet geven, klaagde Dieper. 't +Is te smeerig! M'nheer heeft het me verboden, omdat-i wel-eens een der +direkteuren van de Kas ontmoet in Doctrina. En, zegt m'nheer, het stáát +niet ... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de waarheid, jongeheer! + +Nog altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante +uitdrukking niet begrypen. Een "smeerig papiertjen" is 'n accept van +iemand die geen naam op de beurs heeft. Zoo'n man moge solide zyn, +eerlyk, trouw aan z'n woord, het helpt niet. De door hem geteekende +stukken zyn "smeerige papiertjes" en dezulken waren er dikwyls onder de +remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit byzonder geval +echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te bestaan. De man van +wien hier sprake was, woonde in 'n dwarsstraat van 'n dwarsgracht in +den Jodenhoek, en Gerrit die meermalen geld by hem had ontvangen, +klaagde dat-i "by dien kerel" al z'n muntkennis noodig had om +niet te-kort te komen. De acceptant lokte hem steeds in 'n donkere +achterkamer waar 'n zeer groote familie huisde, en die slecht verlicht +was: 'n hol, zei Gerrit. En 'n behoorlyke tafel om geld te tellen, +was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe niet dienen, want hy was +vol reten en gaten, en wanneer men 't in-weerwil hiervan beproefde, +liepen of rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door de worpen +heen. Kortom, de woning van dien jood was 'n tuin der Hesperiden waar +weinig anders te plukken viel dan wat kans om geplukt te worden. En: +"hierop legt de kerel het toe!" zei Gerrit. + +Dit alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er +op aan dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat +"smeerige" briefje. + +--Zie je, Dieper, 't is nuttig voor hem dat-i alles leert. + +--Zeker, jongeheer, maar ... + +--En hoe ànders? Gerrit is styf van rhumatiek ... zeg dàt aan papa. En +als nu Pieterse dat geld ontvangt ... hm, ik wil maar zeggen dat-i +alles leeren moet. + +De ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z'n voorstel deed +aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen +Wouter 'n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er +'n andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in z'n +eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de nadeelen die +Wouter's onbedrevenheid konden na zich slepen--en die met wat overleg +wel op "huishouden" konden gewenteld worden--zou hy slechts deelen +voor 'n half kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens ten-offer +brengen om verlost te raken van 'n knecht die hem als kleinen jongen +gekend had, en ... meer dan aangenaam, ingewyd was in de chronique +scandaleuse van z'n jeugd. Héél skandaleus noem ik die kroniek alweer +niet. Maar Pompile beeldde zich dit groothartiglyk in, al waren dan +z'n afwykingen van 't pad der deugd gewoonlyk te dekken geweest met +'n paar zest'halven. Alle waar is naar z'n geld, tot de uitspattinkjes +van zekere lieden toe. + +Hy dreef dus de zaak door. Wouter ontving 't smeerige papiertje +dat er niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg het met +ingespannen zorg in z'n patriarchaal zakboek. De te ontvangen som +bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem 'n geldzak mee, +en veel vermaningen om--in zeer letterlyken zin--goed op z'n tellen +te passen. + +Binnen 't uur was Wouter met het vereischt bedrag terug. Op 'n weinig +buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in glinsterende dukatons +met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze later als 'n byzonderheid +door Dieper getoond werden, moest erkennen dat men ze zelden zoo +te zien kreeg en dan ... "van zoo'n smeerigen jood!" Het ging z'n +begrip te-boven, en daar ik ditzelfde in den lezer veronderstel, +wil ik de oorzaken van dezen goeden afloop in 'n volgend hoofdstuk +meedeelen. Ik moet erkennen dat ik met genoegen het kantoor van de +heeren Ouwetyd & Kopperlith 'n oogenblikje verlaat. Zoodra mogelyk +keeren wy 't met welgemeenden afkeer den rug toe. Maar men bedenke dat +schryvers en leerjongetjes hun arbeid en verblyf niet voor 't kiezen +hebben. Myn naastbyliggende plicht was nu eenmaal het beschryven van +zeker menschenras waaraan Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken +hebben dat ze niet de àllerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de +Dieren verbindt. + + + + + + + + Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel, + Staathuishoudkunde en Petite Voirie uit den voortyd. Nieuw blyk + der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van + de beloofde dukatons, den lezer afscheept met 'n bespiegeling + over gebrek aan Israëlitische kontroverse. + + +De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur +terug te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen +naar den Jodenhoek. Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de +specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby +te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan +zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte. Wy weten dat zy daarheen +ging om zich te verfrisschen door 'n bad in 't gemeene ... of wat +voor gemeen doorgaat. Ze wilde de walging afspoelen die haar de +hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren +Ouwetyd & Kopperlith, al zy 't dan dat we ons te reinigen hebben +van heel iets ànders dan nasmaak van overdreven hoofsheid. Veel +verder alzoo dan zekere gelyksoortigheid van indruk, gaat deze +overeenstemming met prinses Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen +zyden kousen aantetrekken om Wouter te begeleiden, en ook belooft de +auteur op eerewoord, dat-i de maagdeperen met rust laten zal. Deze +onthouding van prinselyke excentriciteit is te meer gepast, omdat +het perensaisoen nog niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter +te inkasseeren kreeg, verviel op den zooveelsten van Zomermaand, +of misschien in Juli, maar zeker lang voor 't najaar. Het is den +lezer bekend dat er nog altyd één fatsoenlyke familie in de stad +was, en dat alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing, +ver buiten de stad. In zekere toekomstige kritiek op m'n werk meen ik +te lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief +is, een opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nog-eens +te wyzen op m'n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn, +kan niet met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze +algemeen bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied +voorstelt, heeft 'n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan +een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z'n zaak zyn, en zóó vast +staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine +waarschynlykheidjes missen kan. Alleen vervalschers zyn nauwkeurig +in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan +'t onbeschaamde grenzende slordigheid, is ... 'n evangelist. Ziedaar +de gronden waarop de minste twyfel aan de geloofwaardigheid van myn +boodschappen--bly zyn ze niet altyd ... nu ja, maar boodschappen zyn +het toch!--behoort te worden verklaard voor godslastering. Waartoe +zou het Geloof dienen, als 'n profeet, by al z'n andere plichten, zich +nog zou moeten onthouden van de ongerymdheid ook? Om 's hemels-wil, +lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met +de bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd +is met het geloovig aannemen der grofste ongerymdheid--wat ik in +'t voorbygaan bewyzen wilde--heeft de schrandere lezer reeds lang +kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering +Wouter in den komkommertyd belast werd, geen saizoengenoot wezen +kon van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van +ooft en komkommers heeft, handelaars in witte-grondjes-driekleur, +wysgeeren, tuinluî, e. d. De ondeugende prinses Erika had dus heel +iets anders nog begaan dan guitenstukjes of 'n buitensporigheid, +ze had iets onmogelyks verricht: 'n wonder! En zóóver had Wouter +'t nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder +'t gewone, en had al z'n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder +z'n overspannen plichtsbesef. + +Met 'n gewicht alsof 't heele bedrag van 't geaccepteerd wisseltjen +in kopergeld aan z'n hakken gehecht was, stapte hy over den weg. Hy +drukte de linkerhand styf tegen de borst waarop het aan z'n eer +toevertrouwd pand rustte, en hield z'n rechtervuistje gebald om den +eersten den besten nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet +hem te berooven, d. i. de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, 't had +'n zeer sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was! Glorioso, +met al z'n makkers en in z'n besten tyd--vóór die verlammende liefde +namelyk voor twee prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige +landmeisjes--Glorioso zelf zou zich misrekend hebben wanneer-i, +staatmakende op de hartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat +... nu, Glorioso was er niet, en de marteling van 't konflikt tusschen +zieleverwantschap en plicht bleef Wouter ditmaal gespaard. Het +eenig gevaar dat hem bejegende, vertoonde zich in de gedaante van +'n kindermeisje dat naar den weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk +begin van verlokking tot plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby, +en ... met 'n bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch +te zyn jegens iemand die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen +'n bende verkleede roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen +finaal ongedekt gebleven voor de onkosten van hun vermomming. Niet +zóó gemakkelyk ontfutselde men onzen held 'n papiertje dat hem door +z'n lastgevers was toevertrouwd! + +Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben +in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat +door den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit +z'n handen te geven: "voor-i geld zag." En ... niet te kwiteeren: +"voor-i dat geld hàd!" Want ook hyzelf moest teekenen ... ik weet +niet waarom. Het was de gewoonte, en 'n gewoonte die hem verrukkelyk +voorkwam: "ont...van...gen ... Wou...ter ... Pie...ter...se." Zóó zou +er staan in z'n allermooiste schrift. En dat zou bewaard blyven. En +eenmaal zou de nazaat staren en turen op die letters, en eerbiedig +fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols gerust! Dit heeft hy +geschreven, hy die ... ja, wàt? Hier struikelde Wouter's verbeelding, +gelyk telkens geschiedde wanneer-i voorschot nam op 'n toekomst die +zoo byzonder weinig op het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy +z'n verschrikte voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z'n +punt van uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat--tot nader +order!--op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag en +hàd. Zóó had Dieper gezegd! En in z'n gedachten maakte hy kant en +klaar de krul gereed, waar-mede-i z'n handteekening bekrachtigen en +sieren wilde, 't Zou 'n slang wezen, zich slingerend om en door de +spylen van 'n rooster. De staart moest zoo nydig mogelyk byten in +drie stippen, netjes in gelid tusschen 'n paar evenwydige lyntjes, +en de kop werd belast met het als by-toeval kronen van de P. In deze +wending zou de fynheid liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het +uitvaardigen van 'n manifest, waarby al de ongekroonde autografen +die ooit van hem mochten worden in omloop gebracht, werden verklaard +te zyn: bedriegelyk, valsch, en van niet de minste waarde noch in +rechten noch in posthume heldenvereering. + +Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar ... het tellen! Eén, +twee, drie, vier ... dit zou wel gaan. 't Bleef echter de vraag +wàt men hem zou te tellen geven? Dubbeltjes? Stuivers? Duiten, +misschien? Ook dit schrikte hem niet af. Maar ... de pietjes? De +dertiend'halven? De schellingen? De zest'halven? Of--erger nog!--al die +muntsoorten door-elkaar? Hm ... moeielyke zaken! Zoodra hy koning werd, +zoud-i ... och, dit was alweer de vraag niet. Hy wàs geen koning. Hy +was jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith, en op dit +oogenblik belast met het ontvangen en behoorlyk uitleveren van 'n +groote som gelds. Dit was z'n naastbyliggende plicht, en hieraan +slechts had hy dus te denken. + +Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de +kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo +byzonder sterk doen gelyken op 'n verstoord mierennest. 't Verschil +ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar kyken +moet om wys te worden. Wouter had moeite z'n weg te vinden. Van +bespiegelingen over 't zonderling huishouden in de open lucht, dat +daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen spraak +zyn. In z'n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin +ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al 't onschoone dat hy te +zien kreeg, als om belang te stellen in 't karakteristieke van die +leelykheid. Z'n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem 'n plaats +aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige +tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht, +voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde. Een revue +van dertigduizend man linie--zou ze in vertrouwen gezegd hebben--met +vierd'halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. Ook de +opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van middeleeuwsche +oudheden. [16] + +Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? Te +oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, die--altyd toch +met het eigenaardig voorkomen van lieden die en voisin uit zyn--zich +verdrong op de straat, moesten al die woonhuizen leeg staan, van +de kelders af tot de hoogste verdieping toe. Nog altyd heerschte in +die buurt--interessant wàs het, hierin had het prinsesje gelyk!--nog +altyd zag men daar de orde of wanorde van 'n volksstam, zwervend in de +woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor 't +zand der heide--want als hei vertoonen zich die zandzeeën--vergenoegden +zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien +en klinkers. Wat ze voor de weelderige grassoorten der bewaterde +plekken in de plaats kregen, weet ik niet. Doch, ook zonder de +minste vergoeding voor de hier-en-daar verspreide schoonheden in +hun vroeger verblyf, nog altyd was die straat-zelf, en niet de tent +van kalk en steen hun geliefd domicilie. De krotten die ze heetten +te bewonen--vuistslagen in 't gezicht der beschaving... in Wouter's +tyd!--waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens +onvoorwaardelyk. Zoodra 't zomerweer de begoocheling toeliet of +aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken +bevond, nam het zonderling volkje dit op als 'n sein dat de tyd weer +was aangebroken van het leven in de openlucht, en van terugkeer tot +vóórkanaänsche zeden ... met uitsluiting evenwel van de sedert lang +verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootst gedeelte van 't +etmaal tusschen de reien der tenten door. Daar zaten ze, daar lagen +ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid, +d.i. handel gedreven. Daar leefden zy. + +Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z'n hoofdmomenten aan +de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker +geloof. Wie deze buurt betrad, en met voornaam-domme achteloosheid z'n +oog liet heenglyden over die vreemde gestalten, zag slechts de zeer +bekende buitenzyde. Alles was daar om handel te dryven, of liever om +zoo mogelyk iets te verkoopen, want wie eigenlyk op die zonderlinge +markt de koopers waren bleef 'n mysterie. Kochten die straatkramers +van elkander? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste +spykers? Zoo ja, wat aten ze? Of liever, welke produktie leverde het +excedent van kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En +de huishuur? En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest- +en vierdag? + +Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze +dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. Hieraan +zeker is het toeteschryven dat in Wouter's tyd niemand zich de vraag +voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in onafzienbare +reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden "rei" en +"kraam" zyn wel wat weidsch. Orde en regel was er niet: alles stond +en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, de meeste kooplieden hadden +deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun goederen op 'n oud stuk +zeildoek uit. Anderen versmaadden ook dezen omslag, en gebruikten de +bemodderde straatkeien tot toonbank en uitstalkast. En wat men daar al +vond! Daar lag yzerwerk... neen, zóó hoog betitelde de oprechte koopman +z'n goederen niet--neem er 'n voorbeeld aan, opgeblazen kropolithen +van de Keizersgracht!--hy noemde zich: handelaar in oud roest. De +man beweerde niet, yzer te verkoopen, hy verkocht roest van yzer. En +zelfs geen versche roest. Hy verkocht oud-roest, of oud geroest, +of dingen die oud en verroest waren, gewezen voorwerpen vervreten +door roest van ouden datum. En op nòg lager sport plaatste zich onze +koopman. Hy nam den naam aan van de waren "waarin-i deed" en vond er +niets vreemds in, wanneer men hemzelf aansprak als de hoogbejaarde +oxyde van 'n voormaligen spyker: hy heette Oud-roest. Kan 't nederiger? + +Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten +van kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie +protesteerend door 'n beroep op de klassieke beteekenis van hun +naam... en ook wel 'n beetje tegen de aanspraken op taalkennis van +de heeren D. V. & T. W. die ze vrouwelyk maken zouden, 'n jaar of +zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder +kroost, schroeven zonder moer... Niobees en weezen. Daar lagen eenzame +pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun +tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandelooze zagen, beitels +zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder +oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, +hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, +grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, +potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had +kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, +gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest! Dit scheen +de eisch te wezen van dien handel. Misschien was de koopman aan deze +eigenaardigheid gebonden door 'n artikel in de patentwet, volgens +'twelk hy wel voor roest maar niet voor yzer was aangeslagen. En +nu sprak ik nog slechts van de dingen die 'n naam gehad hebben, of +misschien eenmaal 'n naam konden gehad hebben. En we stonden nog maar +'n oogenblik stil voor de uitstalling van den Oud-roest alleen. Het +beschryven van 't overig deel der "markt" gaat m'n talent nog verder +te-boven, aan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon daar +koopen--maar wie toch kocht er iets?--daar waren te bekomen: zure +augurken, runderlappen, nieren en long, nuchter-kalfsvleesch en andere +spyzen, gekookt en ongekookt, met of zonder de saus. Daar werden oude +lappen en vodden gevent, en stukjes leder, en knoken, en gepensioneerde +hoeden, en strooken vilt, en schilderyen zonder lyst, en lysten zonder +schildery. En prenten, en boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen +zonder titel. En landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes +in vieren of zessen geknipt, om en détail te worden aan-den-man +gebracht voor 't mogelyk geval dat 'n heel land of werelddeel +de begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten +kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de +ongelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen +'n tumulus van zuurkool en 'n tropee van hoeven en horens. Ginds stond +'n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynsche dissertatien, +met almanakken en silhouetten van verloopen jaren en dominees. Ook +meubels waren daar. En er was porcelein, en glaswerk, en aardewerk, +en keukengereedschap... ja, wat was er niet! En dat alles was kreupel, +gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig +en voor niemand te gebruiken, wat toch 't geval niet kan zyn, want +dat volkje leefde van den handel in die prullen, en: ab esse ad posse +valet illatio. [17] + +Doch, ik zeide het reeds, dat leven was zonderling. Ook sprak ik +van de domme voornaamheid die in dit alles geen aanleiding vindt tot +nadenken. Reeds wat men ziet, zou hiertoe kunnen opwekken, en om dit +te betoogen is het weinige dat ik daarvan noemde, voldoende. Maar +hoe zou 't wezen, wanneer we met het oog van den geest iets dieper +doordrongen? De bewoners van dat mierennest zyn... menschen. Het "nil +humani alienum" moge dan al niet juist in wysgeerigen zin 'n artikel +in hun dagelykschen kathechismus wezen, toch is dat woord op hen van +volle toepassing in stoffelyke en maatschappelyke beteekenis. En, +ook zielkundig gesproken, het zou 'n ongerymd waagstuk zyn, hun de +aandoeningen te ontzeggen, die, de... half- en verkeerd-beschaafde +zoo gaarne wil doen voorkomen als het uitsluitend eigendom van de +"deftige klasse." Die straathandelaars hebben wenschen en verdriet. Ze +kennen vreugde, hoop, teleurstelling... eerzucht misschien. Ze +weten--zoo goed als anderen toch, en waarom niet?--wat liefde +is. Waarlyk, er is iets menschelyks in zoo'n Oud-roest en in het +oude grootmoedertje daarginds aan dien kruiwagen met "zuur." Vygen +verkoopt zy ook. Zie hoe netjes half-decimaal zy ze vyf-aan-vyf heeft +gespietst op stokjes. Zoo'n stokje koopt de jeugd voor 'n duit. De +winst is groot, want de heele ceroen is 'n onvrywillig geschenk van +den kruidenier die 't ding z'n winkel uitwierp, omdat de suiker na +twintigjarigen bewaardienst zich begon omtezetten in iets als +alcohol en sterkriekende gist. Ja, de winst is enorm:... àls de +jeugd die speetjes koopt. Als! want--en ziehier de oorzaak van m'n +staathuishoudkundige bekommering--vanwaar komt die duit? De vaders +en moeders die hem verstrekken moeten, handelen vlak naast de vygen- +en zuurvrouw in ransige kokosnoot en curaçaosche pienders. [18] Moet +het geld dat hun kind aan die vygen besteedt, niet eerst--en wel boven +'t strikt-noodige voor levensonderhoud--òververdiend zyn op hun eigen +waar? En wie koopt die waar? Hoeveel brokken klapper, hoeveel van +die westindische boontjes, moeten de kleinkinderen van de zuurvrouw +by buurman besteed hebben, om hem in-staat te stellen zyn kroost op +háár vygen te onthalen? Hoeveel vygen moet zy hebben gesleten aan +zyn kinderen voor ze de duit óverheeft, waarmee háár snoepertjes den +koopprys van zyn pienders voldoen? O diepte der verborgenheid, beide +der kennisse en des begrips van den amsterdamschen Jodenhoek! [19] + + + + + + + + Een allernietigst geschiedenisje. Na 't bywonen van 'n middagmaal + in de open lucht, wordt de lezer onthaald op 'n moeielyken tocht + naar de derde verdieping, waar Wouter nog altyd niet vermoord + wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek verzotten + lezer zal de auteur zich weten te troosten. Quo non ascendam? + + +Het wordt tyd terug te keeren naar de zeer byzondere klasse van Joden +die men te Amsterdam vergund heeft een stad te stichten in 'n stad, +en wel bepaaldelyk naar 't oude vrouwtje met die vygen. Zeker neem +ik 't háár niet kwalyk dat zy zich onthoudt van twistgeschryf tegen +professer Oosterzee en andere steunpilaren van 't ware Geloof. Inplaats +daarvan levert zy ons aanleiding tot opmerkingen van geheel anderen +aard, wel beneden de aandacht van sommige lezers misschien, doch de +myne niet onwaard. Al zy 't dan dat m'n intelligentie niet ontwikkeld +genoeg is om doortedringen tot de achterste schuilhoeken van zekere +mysterien--getuige die duit van zoo-even--toch overvalt me soms +'n aanval van fierheid op m'n onwetendheid, tegenover de velen +die zich hunner onwetendheid, niet bewust zyn. Op dit oogenblik, +byv. zoek ik naar de zielegeschiedenis van die vrouw. Want... 'n +ziel heeft ze. En 'n geschiedenis ook. Zy is zuigeling geweest. Zy +is kind, jonkvrouw, bruid, echtgenoot, moeder geworden. En nu is ze +grootmoeder. Misschien wel meer dan dat. Niemand doorloopt een zoo +lange baan zonder ten-minste iets optevangen van de indrukken die hy +ondergaat. Zy heeft velen gekend, sommigen gehaat, eenigen liefgehad, +meer misschien dan eenigen of velen: één! En er waren er, die háár +beminden. Wie, hoe, waarom? Wat gaat ons dit aan? 't Moet zoo geweest +zyn. Zy is moeder geworden, en werd dus eenmaal uitverkoren, al was +'t dan ook maar met de uitverkorenheid van 'n enkel oogenblik. Velen +van hare betrekkingen heeft zy overleefd, en dus by 't doodbed gestaan +van bekenden, vrienden, verwanten, lievelingen. Ook met Staatkunde is +zy in aanraking gekomen voor-zoo-ver niemand geheel-en-al den invloed +kan ontgaan, dien deze uitoefent op iedereen. Toen, toen, en toen, +heeft ze haar kraampje moeten ter-zy halen, of wel geheel sluiten en +wegsleepen misschien, omdat er 'n Prins zou voorbykomen, omdat er +'n Keizer jarig was, omdat de christenen 'n Bededag wilden houden of +'n Dankstond. Misschien ook wel eens omdat de Burgemeester uit z'n +humeur was, want in byzonder vrye landen is niets vryer dan de luimen +der kleine heeren. Hing niet ook zeer dikwyls haar handel af van +'t straatrumoer der revolutien? Wy weten immers hoe de steenen die +door de groote-mannetjes du jour worden geworpen in den oceaan der +Wereldgeschiedenis, kringen vormen, rondom voortkabbelend tot den +uitersten rand der Maatschappy, ook in de diepte zich uitbreidend +tot de onderste laag, waar ze ten-laatste vygen- en zuurvrouwtjes +bereiken? Veel is haar over 't hoofd gegaan, veel heeft haar geraakt, +aangedaan, gewreven, geschokt. En die vrouw zou geen geschiedenis +hebben? Gy die dit meent, erkent liever dat ge verleerd hebt zulke +geschiedenissen te lezen, en tracht dit te herstellen, en wordt niet al +dommer en dommer door u verheven te wanen boven 't allerkleinste. En +vooral... zit niet zoo uilig te wachten op 't lichtstraaltjen uit de +lantaarns van de Prescotten, en de Mac-Auleys en de Mills. De ware +studie van den mensch is: de Mensch. Dit blyft eeuwig waar, al verkoopt +zoo'n studie-exemplaar zure augurken en bedorven vygen aan 'n speetje. + +Ze had traan-oogen, dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk uit +als haar vygen. Rimpels had haar gelaat niet--wàs 't 'n gelaat?--het +waren voren en groeven. Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien +over elkander heen, en de toeschouwer had moeite zich voortestellen +hoe al die vouwen van de overvloedige huid haren weg vonden, en +telkens weer haar eigen plaats wisten intenemen, na zoo zonderling +te zyn heen-en-weer geworpen door de mummelende beweging van haar +mond. Hierin zal dan ook wel eens verwarring ontstaan zyn, maar wat +was er aan te doen? Niemand hield er boek van, en elke plooi hing +waar ze verkoos. Is 't wonder dat die overkompleete lappen wel eens +misbruik maakten van 't volslagen gemis aan tucht en kontrole? + +Het vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van +'n jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest, +'n papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder moeite +en verlies naar den mond geleidde met 'n yzer drietandje, geleend +misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten verloor ze +geen oogenbiik haar zaak uit het oog, en monsterde met kinderkundigen +blik 't onmondig deel van Publiek, dat haar etablissement naderde +of... voorbyging. Want zeer veel kinderen gaven blyk van de wysbegeerte +die ons leert dat aardsche goederen, met vygen en al, niet volstrekt +onmisbaar zyn voor ons geluk, en dikwyls zelfs schadelyk. Misschien ook +was de slapte van de markt het gevolg eener finantieele krisis, gelyk +in den handel soms voorkomt. Om zich edel te wreken, misschien ook +om den snoeplust van andere kinderen optewekken--wie toch doorgrondt +de finesses van den handel?--neen... uit hartelyke genegenheid voor +'t jongetje welks overgrootmoeder ze was, gaf zy 't kind 'n ristje +van haar vygen. Ik moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de +onereuze voorwaarde verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan +moest uitkeeren aan z'n zusje. + +--En mag ik dan 't stokje houden, vroeg de knaap. Heelemaal? 't +Heele stokje? + +--Ja, liewes, jy mag 't stokje houden, heelemaal! + +De oogen van 't kind glinsterden van geluk. Daar ging één vyg +naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver de helft van de +derde. Na de amputatie werd de overschietende helft weer netjes +aangeregen, en: "ik mag 't stokje houden!" juichte de kleine. Toen +'t oudje haar test had leeggegeten, gaf ze die aan 't kind terug, met +liefkozingen en 'n kus. De knaap sprong heen, jubelend het geschenk +voor kleine Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen afstand by +'n groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de blyde mare haar +broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en bezeerde zich... al of +niet, maar schreide zooals vallende kinderen gewoon zyn. + +Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden +namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met +het voornemen háár te vragen naar de woning van den man die 't +smeerige briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder weinig op +'n struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy belast was met 'n +gewichtige finantieele operatie zou veilig kunnen worden neergelegd +in haar schoot. Toch weifelde hy. Ook in Glorioso kwamen zeer oude +vrouwtjes voor, die op 't beslissend oogenblik in welgewapende mannen +veranderden! Terechtwyzing kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy +nu met zekerheid dat-i zich in de straat bevond waar-i "zaken" had, +maar... in welk huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts +nu-en-dan 'n enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol +lappen en lompen. Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van +de vygen- en zuurvrouw, moest naar z'n berekening de gezochte persoon +wonen, doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat bouwvallig huis +kon geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs zooveel duiten +niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger 't onsmakelyk praedikaat +van z'n briefje te begrypen. Want in de gansche straat ontwaarde hy +geen verblyf dat er uitzag alsof daarin ooit 'n wissel kon betaald +worden. Peinzend bleef hy staan, en liet zich 'n oogenblik afleiden +van z'n gedachten door het kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast +als-i was, haalde het juichen van den knaap hem Numeri XIII voor den +geest, waar de verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels +en... vygen. "Ook dáár wordt gesproken van 'n stok, van 'n draagstok," +dacht Wouter, en juist liep hy gevaar zich te verdiepen in... heel iets +anders dan z'n naastbyliggenden plicht alweer, toen hy het tweejarig +Racheltje struikelen en vallen zag. Fluks by-de-hand, richtte hy +'t kind op, en wischte haar traantjes af, en droeg het naar de oude +vrouw, die hem zeer vriendelyk bedankte. + +--Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze. + +Nu weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching +van Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder +gewicht te hechten aan Wouter's nietig dienstbetoon. Dat kind zou wel +vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn. Maar +toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto noch +m'nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig alle +bemoeienis met de zaken van 'n ander verafschuwden, hadden besef van +'t genot der aandoening die de Duitschers Menschenfreundlichkeit +noemen, en waarvoor wy, meen ik, geen woord hebben. 't Is iets als +de vertaling in het dagelyksche, van de hoogdravende Menschenliefde +die maar 'n deugd is voor zeldzame feestdagen, tooneelstukken, +levensbeschryvingen en grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk, +en nooit voelde hy zich zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die +hem gewoonlyk drukte, dan wanneer zich 'n gelegenheid aanbood zich +eens recht welwillend te toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine +voorval den moed het oude vrouwtje naar de woonplaats te vragen van +Roebens, den man dien-i zocht. + +--M'n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake met 'm? Chots seeche d'r +op! Hier woont-i, vlak achter me... kyk, dáár de trap op. Cha jy gerust +na-bove, en loop m'r deur tot 't derde pertaal, waar je die dékes ziet +hangen, en al dat beddechoed, en z'n sjabasj engels-hemt. En je klopt +an de deur naast de cheutsteen, en je roept: Roebe, Roebe! Want Roebe +Roebes hiet-i. En-i is kemissjenèèr in lompe, en m'n êêche kleinsoon, +en Racheltje's fader, werachtich as Chot! + +Deze plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben's +maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder +overbodig dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe +iemand die dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar +dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd +voor dat de beschikker over 'n som die hem zoo aanzienlyk toescheen, +de kleinzoon wezen zou van 'n arme zuurvrouw, en Racheltje's vader. Hy +kende de eigenaardigheid niet die de Joden--zooals veel Aziaten--nog +altyd van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls 'n +redelyke welvarendheid achter schynbare armoed verbergen. Niet zonder +uitzondering, maar--vooral in de lagere standen--heerscht by sommigen +iets dat men het omgekeerde van bluf of reklame zou kunnen noemen, +en als tegenstelling met de Kopperliths komt ons deze opmerking goed +te-pas. Dat de kommissionair in lompen--een der schakels tusschen +papierfabrikanten en voddenrapers--z'n grootmoeder daar op de straat +liet zitten... lieve God, ze verkoos niet anders! Ze was opgebracht +by den handel, by dien handel, en daarby wou ze sterven. Ook was +"zuur" en bedorven kruienierswaar haar specialiteit. In elk ander +"vak" zou ze met handen en hersens verkeerd hebben gestaan, en +zelfs met haar neus. Want ze rook den graad van ontbinding waarin +haar goederen behoorden te verkeeren om te passen in 't kader +van haar ondernemingen. De tachtigjarige oorlog dien ze gevoerd +had tegen flauwen kooplust, slecht weer, lastige policie--eens +namelyk had 'n onwaardige magistraat het veilen van bedorven goedje +verboden... 't is lang geleden!--de leerschool die ze had doorloopen +met taai geduld... zie, dat alles kon ze niet van de meet af opnieuw +beginnen. Haar kunst was zoo lang geweest als haar leven, en wat +er van dat leven nog kon overschieten, zou gewis te kort zyn voor +'t aanleeren van nieuwe kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat +de door haar gekozen specialiteit in-allen-deele aan de illuziën +van hare jeugd had beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting +ontsnapt zyn--'t wordt door wel-onderrichte maar onbescheiden +getuigen verzekerd--"als ik nògeens in de wereld kwam, ging ik in 't +knokenvak!" Maar ze troostte zich by 't bedenken dat ook deze loopbaan +wel haar onaangename zy hebben zou, al scheen dat anders aan wie er +buiten stond. En in-allen-geval, er was geen spraak van dat ze haar +leven zou òverdoen. Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe, +en Jehovah-zelf kon 't niet ongedaan maken dat Vrouw Roebens haar +gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen besteed had. Wat +er in den hemel moet worden aangevangen met zulke zielen... ei, +en de jongeheer Pompile dan, met z'n witte-gronden-driekleur, +en z'n krieuweltjes? En m'nheer Wilkens met z'n diemetten? Welke +ontwikeling brengen dezulken mee in den hemel? En dat zy eenmaal daar +aanlanden, is toch zeker. Want Pompile was van de Walekerk, en Wilkens +hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede gelooven, gelyk ieder weet. + +Wouter bedankte heel beleefd voor de gegeven inlichting, en klauterde +naar-boven. Jammer dat er geen roovers waren op die uitgesleten +trappen, want het was er zoo donker dat men lust krygen zou zichzelf +te bestelen. Het klimmen van onzen jongste-bediende vereischte een +zeer eigenaardige gymnastiek. Heel beneden had z'n rechterhand zich +weten meester te maken van 'n touw. Na 't stygen van 'n paar treden, +was-i wel genoodzaakt z'n oogen te ontslaan van alle dienst, maar +'t gewicht der expeditie kwam des te zwaarder op z'n handen neer, +die slechts van-tyd tot-tyd 'n oogenblik rust kregen als-i wat +vasten grond onder de voeten meende te hebben. De tyd tusschen deze +tempoos in, werd aangevuld door zekere slingering, 'n exercitie +waarvan historie en industrie ons drie toelichtende voorbeelden +aanbieden. Wouter hing daar--maar in 't donker--als de "plukkers" +van vogelnestjes op de Javasche Zuidkust, of: als de verzamelaars van +eiderdons in 't hooge Noorden, of: als de krygslieden van Herodes, +die in hangende bakken de roovers in de rotsen bevechten, gelyk in +'t XIVe boek van Josephus te lezen staat. Wouter kende de plaat die +in de frans-hollandsche vertaling van dat werk ter opheldering daarby +gegeven is, en niet zonder angst berekende hy wat z'n lot wezen zou als +het touw brak. Daar-i volstrekt niet zien kon, zag hy allerduidelykst +de rotspunten en kloven waarop en waarin hy zou neerkomen. Goddank, +de eerste verdieping was eindelyk bereikt, en hy kon wat uitrusten. De +toegang tot de tweede was nauwer, en het touw waaraan hy zich moest +ophyschen, iets gladder en dunner. Met moed ving hy ook dezen tocht +aan, en werkte zich dapper tot 'n portaal hooger op. Hier hoopte +hy dat-i zich 'n verdieping mocht verteld hebben, maar helaas, de +werkelykheid geeft niets toe. Wie slechts twee verdiepingen klimt, +staat niet hooger dan twee verdiepingen. Dit is nu eenmaal zoo: +nil sine labore! + +Wouter tastte rond naar den deurflankeerenden gootsteen, maar +helaas! Hy zag in, dat nog altyd z'n naastbyliggende plicht in stygen +bestond, en dit bleek hem te meer toen hy na eenig zoeken in 't bochtig +portaal, 'n spleet in de voorpui bemerkte, die hem toeliet 'n oog te +slaan op 't buitenhangend garneersel van de vensters. Daar was niets, +niets, niets te zien van 'n "sjabbasj engels-hemt." Er hingen kousen +en mutsen en allerlei lappen te drogen, maar nog altyd woei daar +de vlag niet waarop hy koers zette. Hooger dus, hooger! Wat zoo'n +jongste-bediende op 'n koopmanskantoor zonderlinge naastbyliggende +plichten te vervullen heeft! Die soldaten van Herodes... dit is de +vraag niet. Den derden trap op! Zeker was hy op den goeden weg, want +de uienlucht werd sterker en sterker. Nog 'n beetje volharding, en hy +zou te-land komen in de buurt waar de spys bereid was, die hy beneden +in de bekende vuurterrine had te zien gekregen. Waarlyk, het touw +was ten-eind! Voorzichtig schoof hy den voet vooruit, en bleef grond +voelen, wel 'n halven palm in omtrek. En nòg 'n proef die goed afliep, +en nòg een... hy had iets onder zich, dat vergelykender-wys naar vasten +bodem geleek. Om zich heen tastend ontdekte hy den gootsteen, en al +was er niets te zien van 't feesthemd, hier zou 't wezen! Hy klopte +op den gis tegen den wand, en riep: m'nheer Roebens, m'nheer Roebens! + +--Nou, k'm m'r binne, antwoordde een vrouwestem, wat e skendaal in +'t pertaal! Wâ mot je? Wissels? K'm in, en maak so'n lewaai niet. Me +man is siek. + +Daar er 'n deur geopend werd, kon Wouter nu eindelyk zien. De vrouw +die zich vertoonde, beantwoordde z'n vraag of daar m'nheer Roebens +woonde, bevestigend. En hy trad binnen. + +--Van de heeren Ouwetyd en Kopperlith, stamelde Wouter met 'n mislukte +poging om iets officieels te brengen in stem en houding. + +En hy haalde het smeerige briefje voor den dag. + +--Fader, zei de nog jonge vrouw, d'r binne ze-n-al met een f'n de +wisseltjes... och Chot, de stumpert het 'r f'n nacht fan legge yle! + +Wouter vond het vreemd dat zy iemand scheen toetespreken, want +buiten haar zag hy niemand in de kamer. Dit werd evenwel terstond +opgehelderd. Er klonk antwoord achter de gordynen van 'n bedstee. + +--Je heb 'm wakker gemaakt! zei de vrouw op verwytenden toon. + +--Och, wat spyt me dat, antwoordde Wouter met meer vriendelyke +belangstelling dan z'n funktie meebracht of toeliet. + +Zeker, als 't wisseltje hèm behoord had, zoud-i hebben voorgesteld +'n andermaal eens terug te komen. + +--Wâ sel ik je segge, riep de zieke, ik hep de koors. En f'n wie +komt het? + +--Van de heeren Ouwetyd & Kopperlith... + +--Dâ ken me nie skele. As ik je seg, dâ me dat nix skele ken! Ik +fraag je wie de trekker is. Kyk jy 'ns Ribbetje, of 't briefie +is f'n Sjomele, of 't briefie f'n Bussemakers, of 't briefie f'n +Bebbel Roels in Keule? Want er ferfalle drie f'ndaag... een f'n +sefen-en-dertig, sestien, acht, en een f'n driehondert-drie en een +f'n sevehondert-dertien, ses, twaalf. En geef me nog wat asynwater, +Ribbetje, want ik heb so'n dorst f'n de koors. Sefehondert dertien, +ses, twaalf is f'n Sjomele, en hier is 't gelt. + +Rebekka gaf haren echtvriend iets te drinken. Toen ze daarop Wouter +verzocht haar 't briefje te toonen, hield deze het haar voor, zonder 't +lostelaten. De vrouw toonde zich door dit komiek wantrouwen volstrekt +niet beleedigd. Ze scheen 't niet vreemd te vinden, zoo weinig zelfs +dat ze 'r geen acht op sloeg. + +--'t Is f'n Sjomele, fader. + +--Sefehondert dertien, ses, twaalf, goet! En hier is 't gelt. + +De zieke scheen bezig iets optedelven onder z'n matras. Men hoorde +hem woelen en hygen, en weldra 't geluid van gevulde geldzakken die +tegen elkaar stootten. Rebekka wees Wouter 'n latafel aan, waarop +ter-nauwernood 'n plekje leeg was. Daar zou wel 'n pen liggen, zei +ze. En ook bracht ze hem na eenig zoeken 'n aptekersfleschje met +wat inkt. + +--Ja ... maar ... juffrouw ... + +--Ribbetje, ik hep weer so'n dorst, klaagde de zieke. + +Dit doet me genoegen voor Wouter. Die dorst bewaarde hem voor al +te ruwe uiting van beleedigende voorzichtigheid. Met Rebekka, die +op-nieuw haren man te drinken reikte, trad hy op 't bed van den zieke +toe. Ze scheen bevreesd dat kou of tocht by 't openen der gordynen ... + +--Ik zal je helpen, juffrouw, riep Wouter, meezorgend dat de +opening niet grooter werd dan juist noodig was om 't verlangde +doortelaten. Nadat Roebens gedronken had, reikte hy twee zakken +geld aan. + +--Maar, zei Wouter weifelend, ze hadden me gezegd dat het geld me +zou worden voorgeteld? + +--As ik je seg dâ 'k de koors hep, en siek ben as e geslage man, wâ wil +je? As ik heb geteekent m'n hant f'r betale, na, wâ sel ik doen? Ik +betaal. En as ik teeken m'n hant f'r telle, sel 'k telle. Help 'm, +Ribbetje, en geef me wat drinke, ik heb so'n dorst f'n de koors. En +tel 'm 't gelt foor ... sefehondert dertien, ses, twaalf. + +Het jonge vrouwtje, na haar man gelaafd te hebben, hurkte op den vloer +neer, en Wouter knielde er by. Ze stortte het geld in haar schoot uit, +en wilde beginnen te tellen. Maar 't ging niet. Zyzelf kon niet wys +worden uit de tallooze geldsoorten die haar man had weten by-een te +brengen. Men zou er 'n muzeum mee opgezet hebben. Ook was er geen +plaats, want de vloer lag vol prullen. Ach, de oude Gerrit wist het +wel, en als 'n donderslag klonk Wouter de vreeselyke profetie in de +ooren, "als je 'r afkomt met 'n daalder, mag je van geluk spreken!" Hy +werd zeer angstig. + +Daar stommelde iets op de trap, en 't oude vygenvrouwtje vertoonde +zich in de geopende deur. Ze sprak bargoens, en scheen Ribbetjen iets +te zeggen over dat geld. Het jonge vrouwtje hield op met uitzoeken +en tellen. + +--Fader, d'r is grootemoe, en se seit ... + +Hier volgde een-en-ander dat Wouter weer niet verstond, maar wel +onderscheidde hy eenige keeren den naam van Racheltje. Nogeens begon +de oude vrouw haar verhaal, en ze wees op hem, en scheen zich driftig +te maken tegen al die afgeknabbelde dertiend'halven en schellingen +en byna onherkenbare muntstukken. + +--Na, zei de zieke, 'k heb wel goet gelt ook as 't weze mot. Hier, +Ribbetje, neem an ... + +Hy reikte z'n vrouw 'n grooten zak over, die hy met blykbare moeite +had opgegraven uit z'n beddegoed. + +--Neem an, Ribbetje, en tel er uit ... twee hondert stuks, en dan nog +... twintich stuks, en ... ses. En ... doe 'r 'n achtetwintich by, +die goet is, en ... ses Uiterse duiten, en laat 'm gaan met Chot! En +geef me te drinken, Ribbetje, w'nt ik hep so'n dorst. + +Wouter ontving z'n geld in gerande dukatons, en bedankte zeer +vriendelyk. De welwillendheid van die oude vrouw had hem goed gedaan, +tot roerens toe. Wanneer-i op dat oogenblik in het toekennen van +vereering had moeten kiezen tusschen haar en de zooveel beter geboren +mevrouw Kopperlith ... + +Zonder 't minste opzet om 't rimpelig moedertje natepraten, wenschte +hy haar by 't weggaan duizend goddelyke zegens toe. Haar, en m'nheer +Roebens die zoo ziek was. En de jonge vrouw die zoo liefderyk haar +man verzorgde. En kleine Racheltjen ... o, allemaal! + +Eerst toen hy de straat bereikte, schoot hem in den zin +dat-i--sakkerloot, hoe jammer!--by het teekenen ... z'n krul vergeten +had. Nu, dàt 'n andermaal! Hy was verheugd dat-i menschen ontmoet +had die hem zoo beminnelyk voorkwamen, en dit was meer waard dan de +mooiste krul. + + + + + + + + Alweer over 't kleine. Wouter wordt op post gezet voor de zenuwen + van "mevrouw." Kent de lezer Gus Halleman nog? Verhandeling + over het denken. De auteur maakt tenslotte fiasco in colloquia + prava. [20] + + +Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken +reeds, byna zonder afwisseling rondleid op 'n tentoonstelling van +nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak +... op die nietigheden zeker niet, maar op m'n arbeid. Een zeer +groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit 'n aaneenschakeling +van 't geringe. Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik +deze eigenaardigheid over 't hoofd zag. En aan de goede trouw, +als ik 't deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare +juistheid "aristokratie van den smaak" wordt genoemd. Ook 't woord: +tentoonstellen, is my een niet ongewenschte kwalificatie van m'n +arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken tentoon, die hy van +de wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm ... den zynen! Om +evenwel ook de vele graven en markiezen onder m'n lezers tot moedhouden +optewekken--onder ons gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van zekere +voornamigheid logeeren in stal of keuken--verbind ik my Wouter niet +te laten sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn aan 't een of +ander hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur 'n huis voor hem op +de Keizersgracht. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo'n sprong +noodig is, wacht ik 'n oogenblik van byna krankzinnige tuchteloosheid +af. In kalme stemming zou 't niet lukken. Het is echter de vraag of +hy--aangeland in zóó verheven sfeer--fyner dingen zal te zien krygen +dan de aandoening die 't oude vygenvrouwtje bewoog ook op haar beurt 'n +herodiaansche expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus +haar "handel" over te laten aan de bescheidenheid der voorbygangers, +alleen om Wouter te beschermen tegen al te uitgebreide muntkennis +van haar kleinzoon. + +Wat overigens het aristocratische van den smaak aangaat, de myne is +van edel bloed. Te edel, b.v. om zich aftegeven met de zeer burgerlyke +voorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen schoonheid vatte zonder goud, +fluweel en aanzienlykhedens, en die dus hierin--op de naïveteit na--nog +altyd op de laagte stond van 't kind Wouter. Wat my betreft, ik blyf +aan redelyk goed brood de voorkeur geven boven zieke truffels. Doch, +voor den honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den +smaak. De eenige eisch is: waarheid. Den kunstenaar die hiernaar +streeft, zal al 't andere toegeworpen worden ... natuurlyk op de +toejuiching der koprolithen na, die hy missen kan. + +Wouter oogstte by m'nheer Dieper eenigen lof in over den uitslag van +z'n tocht, en vernam tot hartsterking: "dat-i 't by-gelegenheid eens +weer mocht doen." Maar Gerrit verzekerde dat het niet altyd zóó zou +afloopen, wat ieder weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal. + +De bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel +overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den eersten +dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m'nheer Pompile, het knippen en +opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z'n werk, om nu niet +te spreken van 't vegen op de zolders en in 't magazyn, lokalen waar, +volgens m'nheer Wilkens, voor 'n jong-mensch altyd iets te leeren viel. + +Het is my een gewetensplicht hier alle aanleiding tot zeker misverstand +uit den weg te ruimen, dat zeer veel jongelieden welkomer wezen +zou dan behoorlyk is. Ik verklaar uitdrukkelyk, geen aanmerking te +maken op de soort van bezigheden die men Wouter opdroeg. Niet hierin +waarlyk ligt het zwaartepunt myner aanklacht tegen zekere klasse van +menschbedervers. De stalen moesten nu eenmaal uitgezocht, geknipt en +opgeplakt worden, en die brieven gekopieerd ... wie anders dan hy kon +daarmee belast worden? En zelfs die boodschappen! Geestverheffend +waren al deze werkzaamheden voorzeker niet, doch men neemt geen +jongste-bediende in 'n lappenhandel, met het doel om meetewerken aan +'t verheffen van z'n geest. Dit is evenmin de eisch zyner vorming, +als 't in billykheid verwacht kan worden van de personen die over hem +te beschikken hebben. De bekende spreuk: il n'y a pas de sot métier, +il n'y a que de sottes gens acht ik hier van volkomen toepassing. Een +geest die zich niet weet te ontwikkelen in-weerwil van 't handwerk, +is de moeite der ontwikkeling niet waard. In-weerwil? Dit is de +vraag. Juist zulke nietige bezigheden laten het denkvermogen vry. Ik +meen reeds ergens gezegd te hebben dat ik jaloers was op Spinoza den +brilleslyper ... den geluksvogel! Ook roerde ik in myn Mattheus XIX +de hier behandelde stelling aan. "Uit de Schrift leert men strikvragen +stellen, maar er is veel antwoords in 't denken by 't spinnewiel." [21] +Niemand staat voor 't geringe te hoog, en zeker was dit dan ook 't +geval niet met onzen Wouter, die aan 't breidelen van z'n begeerten zoo +byzondere behoefte had. De kwestie was of-i netjes knipte en plakte, +of z'n kopie korrekt was? Hierin alleen lag z'n naastbyliggende plicht, +en niet in 't onbesuisd haken naar voornamer werkkring. Schreef niet +ook Jezus voor, getrouw te zyn in 't kleine? + +Nog 'n andere bezigheid kwam--aanvankelyk nu-en-dan, later +byna geregeld--voor Wouter's rekening. Hoe weinig er ook in de +zomermaanden "gehandeld" werd, toch kwam het by-uitzondering voor, +dat er verzendingen moesten geschieden "naar buiten." Het "pakken" +van zulke goederen in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de funktien +van Gerrit. Sedert vele jaren evenwel, had deze zich zoo geoefend in +'t voorwenden van allerlei oorzaken tot onthouding van arbeid, dat men +zich telkens genoodzaakt zag de hulp van Flip den kruier interoepen, +en de posten die deze interventie op 't "weekbriefje" te-voorschyn +bracht, bezwaarden het handelsgeweten van den jongeheer Pompile. Uit +eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid eener byzondere styfte van +Gerrit's rhumatiek, de paknaald ter-hand, en werd zoo geprezen over +den uitslag van z'n eerste poging om dat werk te verrichten--men had +het tot-nog-toe voor 'n vak gehouden dat zonder speciale opleiding +ontoegankelyk was--dat de jongeheer Pompile al zeer spoedig hem +gelastte de goedheid te hebben by èlke voorkomende gelegenheid als +pakhuis-knecht optetreden. En inderdaad, de pakken die hy vervaardigde, +waren onberispelyk! Kantig van rand, plat aan de zyden, symmetrisch +gebouwd--gemetseld, had ik byna gezegd--netjes genaaid, wèl bestand +tegen stuwing, wentelen en nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er +was elegantie in de balen die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men +kon ze "over 'n huis gooien" als 'n wel-ingepènd kraamkind uit de oude +bakerschool. "Het is of-i 't al z'n leven gedaan heeft!" betuigde zelfs +m'nheer Wilkens in 'n eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet +erkennen dat ook Wouter schik had in 'n bekwaamheid die hem verraste, +'t Was hem 'n eerezaak dat er nooit klachten werden ingebracht over +avary, noch zelfs over kreukeling, van goederen die hy had toegerust +om de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem schooner dan wrevel, +en het ware te wenschen geweest dat men niet op misdadiger wys z'n +overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd 'n bezigheid voor +hem uitgedacht... neen, 'n bezigheid was 't eigenlyk niet. Het was +'n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus in versuffing +dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar terstond zeggen +dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile zich alweer in de +hier bedoelde zaak van 'n zeer gunstige zyde deed kennen. Op zekeren +morgen kwam de oudeheer het kantoor binnensloffen, en onthaalde het +personeel op de gewone inleiding tot z'n belangryke gesprekken: + +--Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is. + +--Zoo, papa? + +--Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen nacht +gedroomd heeft! + +--Dat is zeker nogal heel akelig, papa! + +--Ze heeft gistr'avend kreeftensla gegeten, weetje? + +--Zoo, papa? + +--En daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit gezegd dat +ze heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig. + +--Dat is wel verdrietig, papa! + +--Niet waar? + +--Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid te zeggen, de familie +Krucker... + +--Ze kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren... + +--Hè, papa? + +--Ja, zóó erg is 't! Want... het ophalen van de draad maakt zoo'n +vreeselyk leven, zegt mama. + +--Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen, +papa? Ze zeggen... + +--Maar, Pompile, wat zullen wy 'r aan doen? Mama lust haar portwyn +ook niet meer... + +--Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa! + +--En ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo zenuwachtig wordt +van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen madera drinkt. + +--Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder zenuwachtig +van madera? + +--Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel gezond +is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is niet +goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar 't helpt allemaal niet, +als er zoo'n vreeselyk leven in huis is. Dat eeuwige schellen, Pompile! + +--Ja, papa! + +--De bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo van. + +--Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, jy moet eens +zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als er dan +iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan 't venster, zieje? En je +ziet... wie 't is? En je vraagt wat ze willen, zieje? En als 't dan +iemand voor de keuken is, dan sluit je de deur, en je gaat zeggen in +de keuken, dat er... iemand voor de keuken is, weetje? En als 't voor +"huis" is, dan sluit je de deur, en je komt hier zeggen aan m'nheer +Eugène... niet waar, Eugène? + +--Hm! + +...dat er iemand voor "huis" is, zieje? En dan zeg je-n-aan m'nheer +Eugène wie er is. En tegen de menschen zeg je dat mevrouw zoo ziek +is, zoo byzonder erg zenuwachtig, moet je zeggen. Maar denk er aan, +dat je-n-altyd de deur van den kelder sluit. Ziet u, papa, dan wordt +er niet gebeld, en... als dan mama weer beter is, kan ze naar-buiten, +papa. Want ik heb gister de Hockers gesproken, papa, en hun gezegd... + +Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan +de Hockers gezegd had? Vorder 't onmogelyke niet, lezer! Zonder nu +juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter's +eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten 'n groote rol in m'n +geschiedkundige navorschingen. Geen lid van de beroemde familie Hocker +heeft zich verwaardigd my iets meetedeelen van 't gesprek waarop hier +de jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat Wouter-zelf aangaat, hy +stond reeds lang op-post achter de glasdeur van 't magazyn, voor die +teedere zoon z'n papa deelgenoot maakte van de Hockersche konfidentie. + +Ja, daar stond-i! Met z'n gewonen dienstyver hield hy de linkerhand +aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, voor 't geval +dat iemand zich verstouten mocht mevrouw Kopperlith's zenuwachtigheid +te prikkelen door onbescheiden bellen aan de bovendeur. Zóó stond-i +daar dan uren achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht +voor mevrouw Kopperlith's rust! Geen vlieg zou kunnen naderen +zonder aangeroepen te worden. Nooit bracht 'n schildknaap die zich +voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie +mee in z'n wapen-vigilie dan Wouter aan z'n afmattende taak ten-koste +lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! Dat +z'n naastbyliggende plicht alweer met z'n wenschen noch met z'n +gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet, +en z'n wenschen telden niet mee. Het sprak vanzelf, begreep hy, +dat men zich moeite en onaangenaamheden getroosten moet om "iets te +worden in de wereld" en 't kwam niet in hem op dat er misbruik werd +gemaakt van z'n goeden wil. Hy beschouwde de vreeselyke verveling +die hy te bestryden had--en den stank!--als zoovele vyanden die +op-straffe van lafhartigheid moesten verslagen worden, en hy week +dus niet! In gewone gevallen zou het niets-doen-op-zichzelf hem +geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer spoedig in de vryheid zyner +gedachten 'n middel zou gevonden hebben tot bezigheid niet alleen, +maar zelfs tot uitspanning. Geen gegeven was hem onbruikbaar tot +punt van uitgang. Een luchtbelletjen in de vensterruit, de richting +van de reien der straatsteenen, 'n voorbydryvend wolkjen... alles +en 't minste was voldoende om hem aan 't denken te brengen en te +houden. Maar juist dit was hem ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van +'t besef zyner naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds +byna gereed met z'n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat +wezen zouden 'n examen afteleggen als hulp-onderwyzer, toen de jongen +van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om +de taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten +in haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z'n nalatigheid, en +beloofde zich plechtig z'n neiging tot denken, vorschen, uitpluizen, +redeneeren, te offeren op 't altaar van z'n onverheven plicht. Zoo +ver mogelyk liet hy z'n blikken rechts en links de straat beheerschen, +om by-tyds--en liefst te vroeg--te kunnen beoordeelen welke onverlaat +'n storing der rust van mevrouw Kopperlith in 't schild voerde. Maar +zéér ver reikten z'n bespiedende oogen niet. Aan-weerszy werden de +beenen van den hoek dien hy overzag, door de uitbouwsels der stoepen +saamgedrongen tot 'n engte die voortdurende oplettendheid vorderde, +en hem telkens plaagde met den angst dat z'n waarschuwing te laat +komen zou. De gedachte rees in hem op: als ik maar voortdurend tikte, +en iedereen van 't beklimmen der stoep terughield? Hm... dat zou +gek staan! Wat zou ik zeggen? "M'nheer, ben je-n-ook misschien van +plan hier aanteschellen aan de bovendeur?" Hy zag in, dat dit niet +kon. En ook, dat er in den handel 'n groote mate van geduld noodig +is. En dan... dat pynlyk slapen van z'n linkerbeen! + +Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van z'n +loopbaan slechts twee keer 'n fout. Eens had 'n bedelbrief-industrieel +z'n waakzaamheid verschalkt, door by arglistige overklimming van de +achterleuning der stoep, de bovenbel te bereiken. De jongeheer Pompile +was er zeer verstoord over, en ook Wouter-zelf voelde verdriet. Wat +zou er van hem worden by zoo'n slordige plichts-vervulling? + +Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door den +kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor +den neus dicht, en ging op 't kantoor aan m'nheer Eugène zeggen: dat +mevrouw Kalbb daar was: "voor huis" naar-i giste. Zeker, ze kwam voor +"huis" en was zeer boos "dat die jongen 't in z'n hersens had genomen, +háár niet doortelaten." Wouter ontving by deze gelegenheid onderricht +in 't groote verschil tusschen: "papa's eigen dochter, mevrouw Kalbb, +weetje, de eigen vrouw van den konsul van 't heele land Elsas, weetje, +en... allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in 't magazyn!" + +Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel +inderdaad 'n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet +achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith's +aangaat... wat wisten zy daarvan? Het verslonsen eener ziel is geen +handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. In-plaats daarvan +hielden ze treffende verhandelingen over 't bederf der kleuren +van de stapeltjes die vooraan in 't magazyn beschenen werden door +'n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren met +'n stuk zaklinnen of papier, want: + +--Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer dàt van my! + +Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z'n +oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld +als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z'n gemoed +aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter +wàs niet eens 'n broeder. Geen neef zelfs. Hy was 'n burgerjongetje, +en de heeren Kopperlith woonden op de Keizersgracht. Ze behoefden +'t zich niet aantetrekken dat hy zich daar stond te vervelen en +te versuffen tot krankzinnig-wordens toe! Misschien zelfs wisten +zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar welke professor had dan +overredingskracht genoeg bezeten om hen te doordringen van 't besef +dat gekleurde lappen 't licht niet verdragen kunnen? Wie toch had déze +wysheid weten intepompen aan zulke indociele gemoederen? Magnus Apollo! + +Doch zie, dat geestverdoovend schildwacht-staan was 't ergste niet! Aan +veel gevaarlyker proef werd Wouter gewetenloos blootgesteld door de +hem opgedragen taak om elken ochtend de brieven van de post te halen, +of liever: om te vragen of er brieven waren? Want drie, vier malen +'s weeks kwam hy met ledige handen op 't kantoor. De toon waarop +hem dan de jongeheer vroeg: "of er alweer niets was?" maakte den +indruk alsof hy 't helpen kon dat niemand 'n wittegrondje-driekleur +bestelde. Toch was hem die gang naar 't postkantoor en 't wachten +daar, een der minst onaangename plichtjes van z'n betrekking, en +hierin lag juist het gevaarlyke. + +De soort van 't gezelschap waarmee hy daar kennis maakte, heb ik +reeds met 'n enkel woord omschreven. Indien niet Wouter door byzondere +omstandigheden in deze levensperiode was voorbeschikt tot afdwaling, +zou hy voorzeker in dien omgang geen smaak hebben gevonden. Maar er +bestond by hem wel degelyk aanleiding tot misgrypen, en zelfs byna +noodzakelykheid. Sedert eenigen tyd voelde hy zich ontwassen aan +al het kinderlyke zyner eerste ideaaltjes, en al zocht hy nu niet +uitdrukkelyk naar aanvulling van de hierdoor teweeggebrachte leegte, +toch onderging hy onbewust de gevolgen van die ylheid. Ware dat eerste +hoofdstuk van z'n zieleleven opgevolgd door ingespannen arbeid--ook +zelfs door schynbaar vernederenden arbeid, mits: vermoeiend!--dan +had de overgang van kind tot mensch geleidelyk plaats gevonden, +en er zou weinig of geen kracht zyn verloren gegaan, iets wat in +psychologie, als in werktuigkunde, de eisch is. Hierop waren dan +ook de vermaningen van Holsma voornamelyk gegrond. Wouter moest +genezen worden van z'n voorliefde voor 't kontemplatieve, de klip +waarop zoovelen--en de slechtsten niet!--te-gronde gaan, en die +hen doet aanlanden in de buurt waar ze 't minst te-huis behooren: +by de luiaards. De hier bedoelde methode laat zich, zonder de minste +aanspraak op wetenschappelyken klank--maar de uitdrukking is er niet +minder schilderachtig om--samenvatten in 't huisbakken voorschrift: +"zit niet te droomen, steek je handen uit!" Denken is voorwaar +des menschen edelste bezigheid, maar juist het wèl denken schryft +handeling voor. De maat der splitsing tusschen 'n geoorloofd toegeven +in bespiegeling, en dat: "handen-uitsteken" is evenwel geenszins voor +allen gelyk. Dit laatste is niet by-uitsluiting laag by den grond. Het +eerste niet, op en door zichzelf, verheven. De verhevenheid ligt in de +korrekte toepassing van beiden. Een onpraktische droomer staat waarlyk +niet hooger dan de domste "man van zaken." We kunnen evenmin in de +wolken wonen als in den modder, en er bestaat geen enkele reden om +aan 't vervliegen van geest de voorkeur te geven boven 't smoren van +geest. Het maat-houden tusschen deze beide uitersten is onze taak, +en niet alleen ontwaren wy telkens groot verschil in neiging tot +overslaan, wanneer we onderscheiden individuen met elkander vergelyken, +maar zelfs in den enkelen mensch bestaat groote onregelmatigheid. In +sommige perioden van het leven hebben wy ons in acht te nemen tegen de +gevaren van onberaden vlucht. 'n Andermaal moeten wy onszelf opwekken +en inspannen om de mollegangen te verlaten waarin we bezig-waren ons +te versteken. Uit de wet der traagheid alweder is het te verklaren +dat wy, na terugkeer van den verkeerden weg, ons vergissen in de +maat van afwyking aan de andere zyde. Dit oscilleeren is geestelyk en +zedelyk leven. Hoe kleiner de boog, die de tong der balans beschryft, +hoe beter, maar volslagen stilstand zou de dood zyn. + +Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht +met die vreeselyke "naastbyliggende plichtjes" vorderde wel zware +inspanning, doch wortelde niet in 'n beginsel. Hy deed dit omdat-i +by-uitstek dociel was, en 't werd hem voorgeschreven door iemand dien +hy achting toedroeg. Er scheelde weinig aan, of hy zou 't zichzelf +hebben toegerekend als 'n goedige poging om dokter Holsma pleizier +te doen. En deze beschouwde z'n voorschrift eenvoudig als 'n tydelyk +middel om hem zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen +van z'n leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat: +"handen-uitsteken" behoefte had, een ziekteverschynsel waaruit zich +myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. Indien ik over +hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren leerjongen by +'n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de grenzen van dit +ambacht te bepalen--'n smid met Wouter's gaven zou zich onmisbaar +ontwikkelen tot 'n Krupp!--maar om z'n al te eenzydige neiging +tot het kontemplatieve te-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor +zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan 's avonds +neervallen op z'n stroozak, en den volgenden morgen geen herinnering +hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na 't uittrekken +van z'n tweede kous, ja van z'n eerste misschien. En wat het opwekken, +aanwakkeren en voeden van z'n zucht tot bespiegeling aangaat, juist +dáártoe is niets geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning +van spieren vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting +"halt!" toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat oogenblik werken de +geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men +zich meent bezig te houden: alleen met denken. + +Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den +blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dàt, of +zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien +had kunnen zetten waarvan z'n ziel vervuld was, doch die hy nu niet +verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. En, +by-gebreke van zoo'n handleiding liep hy gevaar... + +Wel zeker, hy maakte kennis met die jongelui by 't postkantoor! Zy +zouden 't hongerig zieltje vullen met hun voosrype wysheid. En Wouter's +eetlust was groot! Niet alleen psychologisch leed hy honger. Ook +in maatschappelyken en huiselyken zin was dit het geval. Hy voelde +behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet +voldaan werd. En wat de "heeren op 't kantoor" aangaat... ze deden +er niet in. + +Doch in gezelligheid werd wèl "gedaan" door die jongeluî aan +'t postkantoor. Nu ik eenmaal--met stoute miskenning der waarheid +zoowel, als van de lokaal-kleur--de heeren Ouwetyd & Kopperlith tot +'n "handelshuis" heb verheven, durf ik even ongepast die loopjongens +bevorderen tot kantoorbedienden. Zoo namelyk betitelden zy zichzelf. De +eerste aanleiding tot kennismaking werd geleverd door de ontmoeting +met een der Hallemannen. Ook hy was: "jongste-bediende." Wouter sprak +hem aan, en zei: "Gus!" + +--Ah zoo... je bent Pieterse, geloof ik. + +Wouter keek vreemd op by dit "geloof". Maar Pieterse wàs-i. + +--Ja zeker, Gus. Wèl, ken je me niet meer? + +--Ik ken je wel, maar ik moet je ronduit zeggen dat ik geen +kinderachtigheid verdragen kan. 't Lykt wel of we schooljongens zyn, +zoo praat je! + +Wouter begreep er niets van. De zaak was, dat-i: Halleman had moeten +zeggen. Hy leerde dit, en weldra begon-i ook z'n eigen familienaam +mannelyker en aanzienlyker te vinden dan: Wouter. Hy zag al zeer +spoedig dien Gus voor 'n groot man aan, die 'n breede opvatting van +'t leven had. De kwajongen was dan ook inderdaad 'n tweetal jaren ouder +dan hy, en wel twintig in kennis, gelyk we zien zullen, of nagenoeg. + +Ach, lezer, ik heb 'n verdrietig werk te doen. Vloek over de +ellendelingen die m'n Woutertje blootstellen aan zùlke kennismaking! + +--En by wie ben jy op 't kantoor? + +--By de heeren Ouwetyd & Kopperlith... Keizersgracht, weetje? + +--Hm! Dat's nu juist zoo'n heel groot huis niet! In 't geheel niet. Wy +doen in koffi. Jelui doet, geloof ik, op Smirna, hè? + +--Dat weet ik nog niet, zei Wouter, ik ben er pas. + +--Zóó? Weet je dat niet. Nou, dat's 'n rare! + +Nieuw aangekomen "jongeluî" sloten zich aan, en hadden heusch als +wezenlyke menschen gegroet met: "morge, heeren!" Misselyk en komiek, +maar 't was zoo. En Wouter vond dien toon uitstekend. Hy had zich +zoo'n verheffing zelfs in 'n droom niet durven voorstellen. Helaas, +hy die zoo kort geleden nog in den omgang met zichzelf zich wys-maakte +dat-i god wàs, en koning... worden zou, hy voelde zich gestreeld +'n stuk heer te zyn in de oogen van kwajongens die almede voor iets +als heeren wilden doorgaan! + +--Zeg, dàt's 'n rare! Hy weet niet eens waarin ze doen. Hoe vind +jelui die? + +De "heeren" vonden 't byzonder gek. En Wouter, die zeer gevoelig was +voor spot, werd verlegen. + +--Maar, zeid-i stamelend, je vroeg iets van Smirna, en dàt begreep +ik zoo gauw niet. Een van onze jongeheeren is te Rome. Meen je dàt +misschien? + +--Wy zyn op Portugal, zei 'n derde. + +--En wy op de Oostzee. Granen, weetje? + +--Hoe héét dan je huis? vroeg 'n vyfde. + +Wouter noemde de firma. + +--Wel, wat bliksem... + +'t Sprekertje vloekte alleraardigst. En dit deed het heele +troepje. Toch ging 't de mannetjes niet glad af. Men kon duidelyk +bespeuren dat ze nog niet recht thuis waren in de handige toepassing +van al hun mannelykheid. Dit was er 't grappige van. + +--Wat bliksem, dat is in manufakturen! Weet je dàt niet? In +manufakturen, zeg ik je. + +En de spreker-zelf betuigde dat-i "in" assurantie was. + +--Kyk maar, daar heb je polissen. Dat zyn allemaal polissen, weetje? + +En allen beschouwden met eerbied 'n pakje blanko-dokumenten, dat de +loopjongen zoo-even uit den kantoorboekwinkel gehaald had. + +--Ja, ja, polissen! zei Gus, met 'n nadruk die zooveel beduidde als: +"ik weet precies wat dat voor dingen zyn. Ik heb er ook in gedaan." + +--Kyk, wat 'n mooie meid! + +--Pst, pst! Hei! Kom 'reis hier! + +Het dienstmeisje dat zoo hoffelyk werd aangeroepen, spuwde op den +grond, en liep door. Het beste wat ze doen kon! Ze hoefde niet de +minste kuisheid te-hulp te roepen om zich zedig te betoonen. + +--'t Is Mie uit de bakkery, zei 't huis op Portugal. Nou! + +Welke lezer verstaat dit "nou?" + +--Nou! zei 'n tweede. + +--Nou! herhaalde 't koor. + +Wouter begreep er niets van. En dit was te dommer van hem, omdat hy de +gelaatstrekken zag, die dezen uitroep vergezelden. Kon hy 't helpen +dat-i nog altyd de hiërogliefen van gemeenheid niet grif lezen kon, +die al dat genou illustreerden? Erg genoeg dat-i weldra die taal zou +leeren verstaan. Vloek over de Kopperlith's! + +Waarschynlyk keek hy onnoozel, want een van z'n leermeesters vroeg hem: + +--Ben jy op 'n kantoor, jy? + +--Ja... in... manufakturen, heusch! antwoordde Wouter. + +--Weet je wat ik geloof? Ik geloof dat je nog maar 'n nuchter kalf +bent. Dàt geloof ik er van! + +En deze overtuiging werd bezegeld met 'n kernachtige +heerenuitdrukking. + +--Hy is zoo onnoozel als... + +Als 't een-of-ander maar, dat niet onnoozeler behoeft te zyn dan wat +anders, wanneer 't slechts terdeeg gemeen klinkt. De bedoeling zal +geweest zyn dat-i byzonder onnoozel was. + +--Zeg, weet jy nog niet eens waar de kindertjes vandaan +komen? Nou... dàt mankeert er maar aan! + +Goddank, dit wist Wouter! En als hy 't niet geweten had, zou hy hier +in de gelegenheid geweest zyn het te vernemen, en wel op 'n manier sui +generis. Ook andere wysheid was hier optedoen, die wel strikt genomen +evenmin nieuw was voor den leerling, maar welke hem dan toch werd +meegedeeld in bewoordingen die hem onbekend waren. Uit verregaande +mannelykheid hield hy zich als sedert lang behoorlyk ingewyd. Hy gaf +zich moeite om zoo wys mogelyk te lachen, wat hem slecht afging en +heel leelyk stond. + +'t Was 'n liederlyk troepje. Ik heb op dit oogenblik geen lust +uitvoeriger te zyn. + +Wat Wouter aangaat, hy werd by dat Postkantoor bedorven voor-zoo-ver +hy te bederven was. Dit blyft, met of zonder uitvoerige beschryving, +treurig genoeg. + + + + + + Over zekere volksverhuizing die--by groote uitzondering, + voorzeker!--inderdaad heeft plaats gehad. Wouter, al lager en lager + zakkende, komt eindelyk te-land achter de "britschka van Papa." + + +Op zekeren dag was er 'n groote beweging op de Keizergracht by de +Vellestraat. De vensters der bovenverdiepingen aan den overkant prykten +met dienstmeisjes die dagdievend op den uitkyk stonden. Misschien +ook gluurden enkele stervelingen die zich verbeeldden oneindig +verhevener standpunt intenemen, door 'n kykgaatjen in de gordynen der +beneden-voorkamers. Voorbygangers die meer tyd hadden dan bezigheden +of voortvarendheid, bleven staan by 'n schouwspel... + +Hier zou nu romanshalve de beschryving van dat schouwspel moeten +volgen. Helaas, lezer, wat zal 'n arme auteur doen? Er was, om +de waarheid te zeggen, eigenlyk niets byzonders te zien, en de +opmerkzaamheid van die dienstmeisjes, voorbygangers en... anderen, +was maar 'n blyk te meer van de bekende armoed aan indrukken, die +ik reeds in den tweeden bundel behandelde. Wilt ge die bladzyde eens +naslaan lezer? (Verz. Werken, IV:37, I. 451.) + +"De Kopperlith's gaan naar buiten" verhaalden elkander de Grietjes +en Mietjes uit de buurt. En wie zich byzonder goed onderricht wilde +toonen, kwam 'n half-uurtje na 't ontvangen van die boodschap terug met +de vraag: "zeg eens, weetje wel dat de Kopperlith's naar-buiten gaan?" + +Ik zou 'n onwaardig geschiedschryver wezen, als ik verzweeg dat zich +hier-en-daar 'n variant voordeed. Drie mevrouwen, negen "juffrouwen", +zeven-en-twintig kameniers--tevens linnen- en kindermeiden--verzekerden +niets, maar namen zich voor, by de eerste gelegenheid te onderzoeken of +'t wel wezenlyk waar was dat de Kopperlith's naar-buiten zouden gaan? + +Ja, zeg ik. Ja! Ja! Ja! De Kopperlith's zouden inderdaad +naar-buiten gaan. Er lag 'n zolderschuit voor de deur. Om nu den +niet-Amsterdamschen lezer, die evenmin weet wat 'n "zolderschuit" +is, als wat "voor de deur liggen" beteekent, te doen verlangen naar +'n herdruk met noten, geef ik hier de onheldere toelichting dat +'n zolderschuit zeker brak-watervaartuig is, zonder zolder, maar +met 'n vloer. "Voor de deur" beduidt hier zooveel als in de gracht +"waarop" het huis staat. Wie hiervan nu niet veel begrypt, geeft blyk +van zekere bekwaamheid, maar 'n Paryzenaar of andere buitenman moet +zich niet verbeelden dat men zoo op-eenmaal 't ware begrip hebben +kan van de eigenaardigheden eener stad als Amsterdam. + +Een zolderschuit lag alzoo voor de deur, en de gedienstige geesten +van den huize waren druk in-den-weer met het aansleepen van den +inboedel. Oppervlakkig kan het bourgeois voorkomen, dat de begrooting +van de familie Kopperlith geen dubbel stel meubels dragen kon. Eilieve, +om dat verhuizen was 't juist te doen! De buren en voorbygangers +moesten de zolderschuit en de bereddering zien, die hier op de +Keizersgracht denzelfden ontzag-inboezemenden dienst deden, als de +beeremuts van Holsma's koetsier by de Pietersens. En dit moest nogeens +geschieden in 't laatst van Oktober, by het thuiskomen. Ook dan weer +zou de heele buurt zeggen: "weet je wel dat de Kopperlith's weer in +de stad zyn?" Er is niets wat zoozeer op de eigenaardige zotternyen +in zekeren stand gelykt, als de... zotternyen in 'n anderen stand. Wie +er een kent, kent ze allen. + +Alle-man was te-hulp geroepen. Daar waren Flip de kruier met +z'n kameraden. Ook de koetsier met 'n paar geïmprovizeerde +noodhulpen. Gerrit's rhumatieke styvigheid bleek dien dag redelyk +lenig, misschien wel omdat "die Wullekes" niet in de zaak betrokken +was. Zelfs--o hemel!--werd er meegeholpen door de kamenier, +en--o, honderd hemels!--door de "juffrouw." Ieder ligtte, schoof, +reikte aan, zette te-recht, droeg, stutte, duwde, trok en riep: +"voorzichtig!" De intelligente lezer begrypt dat de "juffrouw" die +'n ontzettend quantum fatsoen had optehouden of... te veroveren, +zich slechts waagde tot aan de huisdeur, en... schuchtertjes maar! De +voorbygangers mochten eens ontdekken dat ze handen aan 't lyf had. En +de kamenier-linnenmeid... nu ja, ook deze waardigheidsbekleedster was +niet gehuurd op kruierswerk. Ieder moet z'n stand ontzien, en ze kwam +dus niet verder dan de derde stoeptree, wèl geteld. + +Al die meubels moesten naar Groenenhuize. "Mama" zou volgen met +byzondere gelegenheid. Hoe 't gelukt is, haar uittepellen... neen, +deze uitdrukking deugt niet. Ik dacht aan limburger peteunekes, maar +die behoeven niet héélgehouden te worden, en dáárop kwam 't in dit +byzonder geval juist aan. Met 'n speld pluist men zulke alikruikjes +by stukjes en brokjes uit hun huisjes, en de weledelgeboren Vrouwe +Mevrouwe Kopperlith moest uit haar zy- en binnenkamer worden voor +den dag gehaald... integraal! Dit slechts weet ik, dat zy weinige +dagen later den bodem van Groenenhuize bezwaarde, en dat ook de +oudeheer z'n verveling daarheen overplantte met wortel en tak. De +jongeheeren vertrokken vrydags-avends of saterdags-ochtends uit de +stad, en kwamen meestal 's maandags terug. Gerrit en z'n egae Jans +werden, zooals sedert jaren de gewoonte was, tot huisbewaarders +bevorderd. De ware, echte, fatsoenlyke zomer was alzoo aangebroken +en de jongeheer Pompile kon z'n woord lossen aan de Pleiers en de +Hockers en de Kruckers... goddank! + +Intusschen was Wouter's verveling op 't kantoor, op de zolders, +en in 't magazyn, niet gemakkelyk naar den eisch te beschryven. Het +pynlykste daarby was dat-i zich altyd moest aanstellen alsof hy wat +uitvoerde. Want m'nheer Wilkens beweerde dat er voor 'n jong-mensch +altyd iets te doen was: "leer dàt van my!" + +Dit is waar, o m'nheer Wilkens! En ik zou byna durven verzekeren dat +er ook voor 'n oud mensch gewoonlyk iets te doen valt. Maar dit was +de vraag niet. De vraag was wàt men aan Wouter te doen gaf. Of er +voedsel voor den geest stak in dien arbeid? Heilzame vermoeienis voor +'t lichaam? Geveegd hàd-i. Gekopieerd hàd-i. Stalen uitgezocht, geknipt +en opgeplakt, hàd-i. Hy kende de patroontjes van al die gekleurde +sitsen uit het hoofd, met de nummers van het stalen-kontraboek +er by... ja heusch, en zelfs in den droom! Dat slangetje met 'n +gebroken kruisjen en 'n wipjen of 'n brokkelig moesjen op 'n blauwig +marmer grondje, was... zesduizend zooveel, waarlyk! En zeventien +nummers lager stond hetzelfde patroon, maar de moesjes waren rond, +en 't wipje wipte wat minder. En die diemetten, en die fancy-checks +en die fancy-stripes... och, hy wist het aantal draden op elken +inch van schering en inslag! En wat er te rekenen viel, was niet +meer moeielyk: "zooveel pounds, shillings en pence, tegen twaalf en +drie." En al begreep hy dan den allereersten keer niet wat er bedoeld +werd met dit jargon van den koers, hy vatte de zaak toen men ze hem +eenmaal had gelieven uitteleggen. In z'n Strabbe kwamen moeielyker +"sommen" voor. Wezenlyke inspanning kon hy slechts plaatsen in z'n +stryd tegen verveling, zeker een der onwaardigste manieren waarop +'n jongmensch z'n ziel verkwisten kan. En 'n oud mensch ook. Voor +Wouter was hiervan het onmiddellyk gevolg dat de "gezelligheid" by +'t postkantoor op al te willigen bodem viel. + +Reeds jaren geleden [22] heb ik er op gewezen hoe het horror vacui [23] +der oude natuurkundigen zich ook in het zedelyke alom openbaart. Men +behoorde van deze eigenschap der dingen gebruik te maken in de +opvoeding. De ziel heeft 'n opzuigend vermogen. Men houde haar gezond +voedsel voor en ze zal versmaden wat vuil is omdat ze dan daarvoor +geen ruimte heeft. [24] + +Men vulle het kind met kennis, men make hem gewoon aan begrypen +en weldra zal 't hem stuiten iets aantenemen dat, met z'n weten en +begrip in-stryd, zoowel 'n miskenning van z'n oordeel wezen zal, als +'n beleediging van z'n smaak. + +Dit was by onzen Wouter ten-eenen-male verzuimd. Het weinigje kennis +dat men hem had meegedeeld, was op-verre-na niet voldoende om z'n +aandrift tot kennen, weten en begrypen te bevredigen. Zoolang hy kind +was, had z'n fantazie 't noodige verricht, en meer dan dat. De tyd was +nu gekomen dat-i zich vermoeid voelde van 't vruchteloos grypen naar 't +onmogelyke. Z'n begeerten gingen rond als brieschende leeuwen, zoekende +wat er te verslinden viel... och, alweer 'n beeld dat niet deugt! Er +werd niet gebriescht en niet rondgegaan. Hy knaagde ontevreden op +'t weinige dat hem werd toegeworpen, en voelde zich ongelukkig, 't +Ergste was dat-i alleen zichzelf de schuld gaf van z'n toestand. Ieder +ander, meende hy, was beter, wyzer, bekwamer, gelukkiger, dan hy, +en in zekeren zin was dit de waarheid. We mogen vaststellen dat +noch de jongeheer Pompile, noch de kantoor-satraap Wilkens, geleden +hadden onder 'n wanverhouding tusschen hun gaven en de aanwezige +middelen tot uiting, zooals die welke by-voortduring het evenwicht +van Wouter's gemoed verstoorde. Elke afleiding werd hem welkom, en +van keus was geen spraak meer. Hy zoog op wat zich voordeed. Ware +hy in aanraking gekomen met drinkers... hy had gedronken. Met +dieven... hy had gestolen. Met godzalige jongelingen... hy ware aan +'t preeken en katechizeeren gegaan. Zelfs zóó ver daalde hy af, +dat-i--opgeblazen nu van z'n recente postkantoorsche wysheid--berouw +voelde over de onnoozelheid waarmed-i juffrouw Laps zoo teleurgesteld +en geërgerd had. Berouw? Neen! Maar... schaamte toch. Hy trachtte +zich optedringen dat-i 'n volgenden keer... hm! Zou die volgende +keer ooit komen! 't Geval was vreemd geweest, zeer vreemd! Zoo-iets +gebeurt maar eens in de eeuw, meende Wouter, die zich al z'n vroeger +onbegrepen romanlektuur voor den geest bracht, en daaruit meende +te moeten opmaken dat nietigheidjes als waarvan hy er een... byna +ondervonden had, de spil zou zyn waarom zich 't leven draait. De lezer +weet misschien dat zulk misgrypen in schatting van belangrykheid nog +steeds by ouderen dan Wouter, zeer ten-nadeele der ware zedelykheid, 'n +zotte rol speelt. Ook hier kan Larochefoucauld's ceux qui s'appliquent +(trop?) aux petites choses, enz. van volle toepassing geacht worden. + +Toch was Wouter er niet beter om dat-i berouw voelde over 't gebrek +aan ondeugd, waaraan hy meende zich te hebben schuldig gemaakt. En +dit voelde hy zeer goed. Hy dacht niet gaarne aan wat hem vroeger +liefelyk voorkwam, jazelfs dit durfde hy niet! Z'n herinneringen aan +de indrukken die Femke hem meedeelde, z'n eerzucht, z'n lust om met +'n beetje almacht het goede te bevorderen, z'n onverzadelyke begeerte +om de oorzaken der dingen te kennen... och, dit alles hinderde +hem. Even ontevreden als immer met z'n tegenwoordigen toestand, +had hy zoomin lust zich bezig te houden met het verledene, als met +'n toekomst waarover 't bestuur hem ontglipt was omdat schuldbesef +idealen bederft. Tot krachtig hopen is reinheid noodig, en wèl is 't +grof en dom van godenmakers, dat zy, om afdwaling te bedreigen met +straf, meenden behoefte te hebben aan 'n àndere hel dan 't verlies +van die reinheid meebrengt. Het ambt van paradys-uitjagende Cherub is +'n ware sinekuur. + +Eens, op-straat--boodschappen doende voor den jongeheer Pompile, +natuurlyk--bepeinsde Wouter 't nieuwste nieuwtje van ontwikkeling, +dat dien morgen door een van z'n kameraadjes aan 't Postkantoor was +ten-beste gegeven, en zie... daarginds zag hy Femke aankomen. Hy +keerde zich om en sloeg 'n dwarsstraat in. Waarom toch? Tot 'n beetje +vermindering van z'n schande moet ik hierby zeggen dat-i den avend +van dien dag langen tyd wakker lag voor hy den slaap vatten kon, +en dat hy lust in schreien voelde. Maar hy kon evenmin schreien als +slapen. 't Was zeer pynlyk, en hy nam zich voor... ja, wàt? + +Met schrik bedacht hy dat het tydstip waarop Holsma hem had +uitgenoodigd verslag te komen brengen van de pogingen om altyd z'n +naastbyliggenden plicht te doen, sedert lang verstreken was. Ook dien +goeden dokter zoud-i gemeden hebben, wanneer hy hem op de straat in +de verte had zien aankomen. En misschien zelfs pater Jansen... 'n +slecht teeken! + +--Toch zou ik wel 'ns willen weten, dacht-i, waarom die goeie pastoor +zoo doof is aan z'n linkeroor? + +Hierover peinzende viel-i ten-laatste in slaap. + +'t Was donderdag geweest en vrydag geworden, en Wouter werd, op +'t kantoor komende, verrast met de uitnoodiging om den volgenden +dag zich te komen verlustigen op Groenenhuize. De jongeheer Pompile +verwaardigde zich in hoogsteigen persoon hem deelgenoot te maken van +deze genadige beschikking, niet zonder Wilkens 'n wenk te geven dat +de tien stuivers welke den betrokkene voor reiskosten moesten worden +uitbetaald, zeer gevoegelyk konden geboekt worden op: huishouden. + +--Niet waar, Eugène? Zeg jyzelf nu eens of zulke uitgaven de zaken +aangaan wat je noemt de zaken? + +--Hm! + +--Juist! Niet waar? En wat zeg jy, Dieper? + +--Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, weet u, +'t zyn kleinigheden, niet waar? + +--Precies! En daarom zeg ik altyd... maar, kyk, daar komt my iets nog +beters in den zin. Zeg, Eugène, weet je-n-ook of Calbb en Hersilie van +plan zyn morgen op Groenenhuize te komen? En of ze papa's britschka +gevraagd hebben... met huurpaarden, weetje? Want zieje, dan kon +Pieterse best meeryden. Weetje wat je doet, Pieterse? Je moet de +goedheid hebben even by m'nheer Calbb te gaan, en doe't kompliment van +my--van m'nheer Pompile, moet je zeggen--en vragen of m'nheer Calbb... + +--Calbb is niet thuis, bromde Eugène. + +--Zoo? Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar m'nheer +Calbb z'n huis te gaan, en... je schelt huis, weetje? En je doet +het kompliment van my, van m'nheer Pompile, en je zegt--aan de meid, +weetje, die je opendoet--dat je morgen buiten mag komen--buiten, op +Groenenhuize, moet je maar zeggen--en dat ik vragen laat of mevrouw +Calbb en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz--want Ludwig-Bonifaz +heet het zoontje van m'n zuster, mevrouw Calbb-Kopperlith, weetje?--nu, +dan zeg je dat ik vragen laat of de familie van-plan is morgen met +papa's britschka--met de britschka van m'nheer Kopperlith, moet je +zeggen--met huurpaarden... + +--Hm, bromde Eugène. + +--Ja, juist... van huurpaarden hoef je niet te spreken. Dat weten ze +zelf wel... wat zeg jy, Eugène? Nu dan vraag je-n-of m'nheer Calbb +en mevrouw Calbb en de jongeheer Bonifaz naar buiten gaan? En hoe +laat? En... of ie mee mag ryden? Maar... asjeblieft, moet je zeggen, +niet waar, Eugène? + +--Hm! + +--Juist! Asjeblieft, zeg je, en je moet vooral het kompliment van +my doen. Zeg, Eugène, vind jy 't niet wat indiskreet van Calbb, +zoo altyd met de britschka van papa... + +Vóór Wouter Eugène's meening over dit diepzinnig vraagstuk te weten +kwam, was-i reeds lang op weg naar den huize Calbb. Hy deed z'n +boodschap met de voorgeschreven asjebliefts en komplimenten, en kreeg +ten-antwoord dat mevrouw en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz +Calbb zoo tusschen negenen en twaalven de Haarlemmer Poort passeeren +zouden. "Als dus Pieterse mee wou, liet de edele Hersilia door de +meid aan Wouter op de vloermat boodschappen, had-i te zorgen op z'n +tyd dáár te zyn, en men zou hem 'n plaatsjen inruimen. Maar... lastig +was 't wel, want de jongeheer Bonifaz was er op gesteld zich te laten +vergezellen van z'n hobbelpaard, en dat nam veel plaats in." + +Wouter had den moed niet, m'nheer Pompile voortestellen den weg naar +Haarlem te voet te maken, al zy 't dan dat de onsmakelyke wys waarop +hem passage zou verleend worden, hem zéér deed. En toen hy, te-huis +gekomen, bemerkte dat z'n moeder opgetogen was van de eer die in hem +de heele familie werd aangedaan, meende hy alweer dat-i zich vergist +had in 't beoordeelen van den indruk die mevrouw Calbb's plompheid +by hem te-weeg bracht. + +--Gut, in 'n britschka! Dat 's zeker 'n koets, Trui, 'n +staatsiekoets, denk ik! En daarin zal Wouter ryden als 'n banjerheer, +den heelen weg over van hier af tot Haarlem toe, en dat zal de heele +wereld te zien krygen... + +--Met 'n hobbelpaard, moeder! + +--Nu ja, met 'n hobbelpaard, maar... wat zou dat? Denk je dat iemand +daarvan iets te weten komt? Wat zeg jy, Stoffel? En bovendien, wie +loopt er op den Haarlemmerweg? Geen mensch! Geen levende ziel! Geen +sterveling! Niemand zal 't merken dat je met 'n hobbelpaard in +die... koets zit. Weetje wat ik zou doen in jou plaats? Ik nam 't +tusschen m'n knieën... + +--Gut, moeder! + +--Wel zeker! En je legt 'n zakdoek op je schoot, dan kraait er +geen haan na. Je bent 'n ontevreden jongen. Kyk eens naar al de +arme kinderen die God danken zouden op hun bloote voeten... ja, +dat zouden ze, als ze ook zoo 'reis naar-buiten mochten gaan, naar +'n wezenlyk Buiten. + +--Drie uur wachten aan de Haarlemmer-Poort! + +--Wel, wat zou dat? Wou je dan dat zoo'n heer als m'nheer Calbb +zich haasten zou voor jou? En de mevrouw van die m'nheer? En de +jongeheer... hoe heet-i? + +--Zoo'n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te doen... weet +je wat je bent, Wouter? Je bent 'n rechte izegrim. Als je vader +'t beleefd had, die zoo zuur voor z'n brood... + +Den volgenden morgen stond Wouter op z'n post. 't Was nog niet volkomen +middag, toen de familie Calbb zich vertoonde in de britschka van +papa. Er was in dat tentwagentje inderdaad geen plaats over, en Wouter +werd uitgenoodigd zich te behelpen met de ruimte die door 'n menigte +pakken en pakjes was opengelaten in 'n achterbakje. Heel grootsch +was-i niet toen hy bemerkte dat z'n inscheping de aandacht trok van +den accynsman aan de poort, en van 't half dozyn straatjongetjes dat +uit armoed aan pleizier gewoon was geraakt 'n heele gebeurtenis te +zien in 't stilhouden van 'n rytuig. Helaas, hy had graag zichzelf +tusschen de knieën genomen, en... 'n zakdoek er over! Hy haalde +adem toen de Haarlemmerweg bereikt was. Zoo volstrekt verlaten van +menschen, levende zielen en stervelingen, als juffrouw Pieterse +beweerd had, was deze weg nu wel niet, maar toch niet zéér veel +personen kregen gelegenheid optemerken hoe benepen onze Wouter daar +zat tusschen al die bagage. Dat was'n àndere tocht voorwaar, dan +de rit te-paard waarvan Vrouw Claus... gedroomd had! Hy sloot z'n +oogen, en trachtte in 't sukkelig schokken van den wagen, de kadans te +vinden van z'n eigen galoppeerend rooverslied: met m'n zwaard... hop, +hop, hop... enz. Mevrouw Hersilia Calbb-Kopperlith spaarde hem 't +voortzetten van z'n vruchtelooze pogingen, door 'n vermaning: + +--Zeg, Pieterse... of hoe je heet, je zit toch niet op den zak met +soezen? En... hou toch die mand wat tegen! 't Ding schommelt zoo +tegen m'n hoededoos. + +Wouter deed alweer wat hem gelast was. Mand, hoededoos en soezen +kwamen onbeschadigd op Groenenhuize aan. [25] + + + + + + + + Wouter wordt begunstigd met het verlof om diepzinnige gesprekken + aantehooren, en voor pedant meespreken bewaard door 'n vereerende + zending naar de mangelkamer. + + +De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was... zoo +onlandelyk mogelyk. Men ontving bezoek van ebenbürtige optrekmenschen, +maar liever van hooger geplaatsten. Men maakte rytoeren in den +omtrek, waarby de tentoonstelling van "eigen equipage" hoofddoel was, +en... verveelde zich. Een der minst betwistbare genoegens die men van +'t Buiten-zyn trok, was de voldoening der ydelheid z'n "Buiten" door +vrienden en kennissen te laten bewonderen. Ieder hield er z'n Pleiers +en z'n Hockers en z'n Kruckers op na, jazelfs z'n "jongste-bedienden" +wier plicht voorschreef met open mond de heerlykheid van den gastheer +aantestaren, en zoo mogelyk te bersten van afgunst. In dit bejag +kwamen de optrekmenschen vry-wel met hun meerderen, de bezitters +van eigenlyke Buitenplaatsen overeen. En hierin hadden zy inderdaad +iets bovenmenschelyks, daar wy in de meeste katechismen--heidensche, +grieksche en christelyke--als 'n eigenaardigheid der goden vinden +aangeteekend dat ze zich zoo byzonder verheugen als 'n menschenkind +zich op hun grootheid stom, blind en gek staart. + +Vandaag was de beurt aan onzen Wouter om op Groenenhuize de rol van +lamgeschitterd Serafyntje te spelen. + +De oudeheer Kopperlith had de waarheid gezegd: z'n buiten lag vlak +by "de Logementen." Dit was gezellig, zeide hy, want men vond er +couranten, en menschen uit de stad. Eigenaardig is het, dat de meeste +ontvluchters van 't stadsgewoel hun landelyke eenzaamheid slechts +dan behoorlyk kunnen genieten, wanneer ze nogal heel erg vermengd is +met steedsche drukte. Wouter bemerkte dan ook zeer spoedig dat het +"buiten-zyn" geheel iets anders was dan-i zich had voorgesteld. Hoe +krom en verdraaid ook de idylliteit zich in verzen aan hem had +voorgedaan, hy vond geen spoor van de beelden die zy in z'n fantazie +hadden opgewekt. By 't rondzien uit z'n achterbakjen op 't rytuig, +bespeurde hy geen enkel plekje waar 'n verloren zoon 't kleinste +biggetje had kunnen deelgenoot maken van z'n berouw. Herderinnen +met bebloemde hoeden, korte rokjes en roodkleurige schoenen zag hy +nergens. Geen Damon bespeelde de dwarsfluit. Geen jeugdige landbewoners +dansten op den fluweeligen grasgrond. En ook die grasgrond-zelf, met of +zonder fluweel dan, ontbrak. Overstappende op andere hoofdstukken uit +de geschiedenis zyner verbeelding, wou ook de romantische wildernis, +zoo aantrekkelyk door 't verondersteld gemis aan conventie, zich maar +niet aan hem vertoonen. By 't omslaan van 'n hoek, had de fameuze +"britschka van papa" byna 'n half-blinden vioolspeler overreden... was +dàt de Damon dezer streken? De ryweg was van klinkers, voethoog met +aard en stof overdekt... was dàt de fluweelen dansvloer van de +landjeugd? Aan de boomen ontwaarde hy geen appel, geen peer, geen +noot, ja-zelfs geen kokos of broodvrucht... was dàt de mildheid der +gulle buitennatuur? En... en--komaan, hy moest zichzelf bekennen +dat-i teleurgesteld was--gedurende de reis had geen enkel aventuur +de eentonigheid van dien Haarlemmerweg opgevroolykt. Geen rad van +den wagen had willen breken, geen roover had zich vertoond... ja +toch, even, iets er van. Een bedelaar scheen aanslagen in den zin te +hebben, of althans men had zich 'n oogenblik kunnen opdringen dat-i +wat anders was dan 'n vreedzame landlooper, maar 'n nietig tikje +met de zweep was voldoende om ook deze illuzie den bodem inteslaan, +en Wouter zat weer alleen met z'n soezen en z'n hoededoos. Juist was +hy aan 't bepeinzen van de vraag waarom toch iemand die 'n "Buiten" +bezitten kon, dat niet liever in Afrika zocht, toen 't rytuig +het hek van Groenenhuize binnenreed, en voor de open voorgalery +stilstond. Pompile kwam met z'n gewone schichtigheid te voorschyn: + +--Dag, Calbb! Dag, Hersilie! Heb je soezen meegebracht? Je weet +dat mama er niet buiten kan. Hoe laat ben je-n-afgereden? Stof op +den weg, hè? Ja, veel stof. Die weg is heel stoffig, weetje! Dat +komt van de droogte. Als 't regenen gaat, zal je zien dat 't minder +stoffig wordt. Zoo, Pieterse, ben je daar? Kom er maar uit... je mag +er uit komen... stap maar op 't wiel. Zyn dàt de soezen? Nu, houd +ze maar vast tot de meid komt, want... straks komt de meid, niet +waar, Hersilie? En heeft Bonifaz z'n hobbelpaard meegebracht? Zeg: +dag, oom! 't Kan in de mangelkamer staan, of in 't tuinhuis... want +mama heeft hoofdpyn, weetje, Hersilie, nogal-fameus-erge vreeselyke +hoofdpyn... en zenuwen, weetje? We hebben de Kruckers hier, en +van-middag komen de Hockers, en de juffrouwen Pleier komen morgen +op 'n maderaatje. "Met veel pleizier!" hebben ze laten zeggen, +want... papa heeft ze geinviteerd. En straks gaan we toeren, +weetje, met de Kruckers, maar mama blyft thuis--vreeselyke hoofdpyn, +weetje?--ze zal bataille spelen met de juffrouw. Ze is er mooi kwaad +om, de juffrouw meen ik. Dàt kan my niet schelen, en Eugène zegt... + +Gedurende dit geratel was de wagen ontpakt, en Wouter werd van +z'n soezen ontlast door een van de meiden die hiertoe door den +beredderenden Pompile scheen gekommitteerd te zyn. Hy mocht nu de +familie volgen, die 't huis was ingetreden, en weldra aanlandde in +de achtergalery waar 't hoofdkwartier opgeslagen was. Daar vond men +de steeds nogal fameus-erg zieke oude mevrouw met haar schoondochter +Julie en de gezelschapsjuffrouw. Daar zaten de oudeheer Kopperlith en +z'n spruit Eugène. Daar zat de Krucker-familie. En daar ook namen de +nieuw-aangekomenen onder geleide van Pompile hun plaatsen in. Wouter, +die iets later dan de anderen, en vry verlegen, binnentrad, werd aan +de vrouw des huizes voorgesteld met 'n onachtzaamheid waarin niets +laakbaars zou gelegen hebben, indien ze gegrond ware geweest op z'n +onbeduidend standpunt als mensch. Doch hierin lag de verontschuldiging +voor Pompile's lompheid niet. Hy maakte zoo byzonder weinig omslag +omdat-i te doen had met 'n kantoorbediende, met 'n wezen van +lagere orde. Misschien zelfs bezondigde ik my aan hoogdravendheid +door van "voorstellen" te spreken. De waarheid is dat Wouter met +'n vingerbeweging werd aangewezen als "de jonge Pieterse" en toen +'n paar leden van de familie Krucker zich schenen gereed te maken tot +iets als 'n groet, werden ze voor deze gevaarlyke misvatting bewaard +door 'n snelle vermelding van Wouter's maatschappelyk standpuntje: + +--Onze jongste-bediende, zei Pompile allervoornaamst, en op 'n toon +die zooveel zeggen wilde als: je hoeft je niet op kosten te laten +jagen van beleefdheid. + +Terstond daarop mocht Wouter zitten gaan, en zelfs luisteren naar de +verheven gesprekken die de achtergalery van Groenenhuize zoo byzonder +weinig deden gelyken op 'n bureau d'esprit. + +De réunions die eenmaal in Frankryk dezen naam droegen, lieten zeker +aan goeden smaak veel te wenschen over, en de hemel beware my dat ik de +mode zou wenschen ingevoerd te zien elkaar te bezoeken met 'n beraamd +plan om geestigheden uittekramen, of al ware 't zelfs geest. Misselyker +nog komt my 't uitstallen van--nagemaakte!--geleerdheid voor, zooals +die welke door Molière wordt gehekeld in z'n Femmes savantes en +Précieuses ridicules. Wy weten nu eenmaal dat al dergelyke afdwalingen +van smaak neerkomen op natuurverkrachting, en dus alleen als zoodanig +reeds te veroordeelen zyn. Toch vonden sommigen--en de overgroote +meerderheid!--middel om nòg lager aftedalen, en zich bezigtehouden met +gesprekken, welker gehalte wel evenzeer doorslaand blyk gaf van gemis +aan verstandelyken zin, doch bovendien bewees dat men zelfs den schyn +daarvan niet op prys stelde. Voor onzen Wouter sproot hieruit alweer +'n misrekening voort, zoo als die welke hem de ontheologische tint van +pater Jansen's gesprekken berokkend had. Hy had zich voorgesteld nu +eindelyk iets te vernemen uit de werkelyke wereld, en hy beloofde zich +goed toeteluisteren om den waren toon te vatten die de aanzienlyken +van de burgerlui onderscheidt. Helaas! + +Nadat de zeer byzondere beminnelykheid van Bonifaz naar behooren door +de familie Krucker geprezen was, kwam het gesprek op 't meegebrachte +hobbelpaard, en de moeielykheid om dat dier te stallen. + +--Hy wou 't absoluut mee hebben, mama, verzekerde Hersilie. En als +'t kind z'n zin niet krygt... + +--Ja, dan iest-i vol oenwillen, voegde de elsasser konsul er by. 't +Kind heeft kolossaal viel karakter. + +--Maar... mama heeft zoo'n fameus-erge hoofdpyn. Je kunt het vragen +aan de juffrouw. Niet waar, juffrouw? + +De juffrouw getuigde naar Pompile's zin, en de nogal fameus-erg +zieke mevrouw knikte met het hoofd. De kleine jongen werd +weggezonden, met verzoek z'n beestje niet anders te behobbelen dan +in de mangelkamer. Nu, dit deed hy, en 't huis dreunde er van. Het +gezelschap stelde zich schadeloos door 'n gesprek over weer en wind, +waaraan ook de dames konden deelnemen. Na weinig overgangen kwamen de +"zaken" op 't tapyt, en 't vrouwelyk deel der vergadering kon zich +als uitgesloten beschouwen. De oude, nogal heel fameus-erg zieke +mevrouw stelde zich schadeloos door 't onophoudelyk mummelen van +soezen... zoo byzonder dienstig tot het opwekken van eetlust, had de +dokter gezegd. Julie "werkte" aan haar hooggekleurden jachthond, dien +Wouter by deze gelegenheid met genoegen weerzag. De juffrouw knutselde +aan 'n festonwerkje, en bespiedde de luimpjes van mevrouw, niet +zonder nu-en-dan sentimenteele blikken te werpen op Eugène die de +ongevoeligheid-zelf bleef. De heer van den huize hield zich bezig met +voortdurende handhaving van 't glimlachje waarmede hy gewoon was z'n +existentie toe te juichen. Pompile draaide heen-en-weer op z'n stoel +en verkneuterde zich in de verrukking van z'n Kruckers. Elk zyner +blikken scheen te vragen: "welnu, is 't waar of niet, dat papa 'n +eigen Buiten heeft?" Om hem te bedanken, maakte een hunner de +opmerking "dat lynwaden zoo'n belangryk vak was." + +--Een heel belangryk vak, m'nheer Kopperlith! + +--Zeker, zeker! Maar "kurken" zyn ook niet te versmaden, kaatste de +oudeheer terug. + +De scherpzinnige lezer begrypt dat de Krucker-familie "in" kurk en +kurken "was." + +--Als ik het voor 't kiezen had, was ik liever "in" lynwaden, zei +een hunner zediglyk. + +--Hm, ja, zoo. In lynwaden, ziet u... + +--Daarin is altyd iets te doen. + +--Zeker, zeker, altyd iets! + +--En in kurken heeft men soms... + +--Ja, dit is waar. + +--Maar men kan niet zoo op-eens veranderen van vak. + +--Neen, dit gaat niet. Men moet verstand van 'n vak hebben... + +--Juist! En er by opgebracht zyn. + +'t Heele gezelschap zag met betamelyken eerbied al de Kruckers aan, +die verstand van kurken hadden, en er by waren opgebracht. + +--Papa, vroeg op-eens de terrible Julie, is er véél verstand noodig +voor kurken? + +--Julie! riep de oude mevrouw verwytend. + +--Zeker, zeker, kind! Voor den handel is verstand noodig, véél +verstand! + +--We doen op Spanje, ziet u, riep de familie Krucker. + +Ah! zei Julie, alsof deze mededeeling de zaak ophelderde. + +--Ja, op Spanje! + +--U spreekt dan zeker spaansch? + +Deze vraag gold voor 'n beminnelyke ondeugendheid. Allen begonnen zoo +hartelyk mogelyk te lachen, en de geëxamineerden 't minst luid niet, +misschien wel om 't antwoorden onnoodig te maken. Pompile was grootsch +op de verrukkelyke geestigheid van z'n vrouwtje. + +--Ja, ja, de kurken komen uit Spanje, verzekerde de oudeheer. Wie in +kurk doet, heeft 'n kantoor op Spanje. + +--De reizigers uit Barcelona loopen 't land af, zei de familie Krucker. + +--Ja, papa, 't is 'n fameus vak, verzekerde Pompile, die de door hem +aangebrachte gasten wat wilde ophemelen. + +--Och, er wordt zoo in geklad, jammerde een der Kruckers, vreeselyk, +m'nheer! + +--De menschen kunnen 't kladden niet laten. + +--Ze gaan in de kleinste dorpen, en bezoeken den geringsten winkelier, +m'nheer Kopperlith! + +--Een nekslag voor den handel! + +--Dat moesten ze niet doen. Wat zeg jy, Eugène? + +--Hm, zei Eugène. + +--Voor den groothandel blyft niets te verdienen, niets, volstrekt +niets! Wy, grossiers, visschen achter 't net. + +--En hoe staat de wissel op Spanje? + +--Och, we remitteeren gewoonlyk op Parys. Dat's makkelyker. + +--Parys staat hoog, zei gister m'n boekhouder, niet waar Pompile? + +--Ja, papa. Dieper zei dat Parys heel hoog staat. + +--Papa, riep Julie, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog? + +Algemeen gelach om Julie's geestigheid. Pompile wreef zich de handen +van plezier. + +--Wel, dit beduidt ... + +--Wel zeker, 't beduidt dat ... + +--Men bedoelt daarmee dat de wissel hoog staat. + +--De fransche wissel, weetje? + +--Ah! zei Julie, als voldaan. + +--Daar heb je nu, byv. Engeland, lichtte Pompile toe, Engeland staat +twaalf en drie. + +--Ah, zoo! + +--Juist, zoo is het! Engeland staat twaalf en drie. En Frankryk ... + +--Frankryk staat zeker wel ... + +--Ja, ja, Frankryk staat heel hoog. + +--Papa, waarom staat Frankryk zoo hoog? + +Deze vraag van Julie bracht het gezelschap minder in verlegenheid, +dan welbeschouwd passend zou geweest zyn. Niemand wist 'n behoorlyk +antwoord te geven, en toch schaamde zich geen der aanwezigen over +z'n onkunde. Pompile die zeker niet vernuftiger was dan de rest, +stootte een der Kruckers tegen de knie, alsof hy zeggen wilde: "wel, +wat zeg je van m'n vrouwtje?" Julie meende uit het algemeen gegiechel +te mogen opmaken dat ze 'n vraag had gedaan, die de moeite van 't +herhalen waard was. Nogeens alzoo: + +--Ja, heusch, papa, waarom staat Frankryk zoo hoog? + +Wouter luisterde aandachtig. Ook hy had zich meermalen by het doen van +uitrekeningen voor 't faktuurboek, de vraag voorgelegd waaraan 't ryzen +en dalen van den wisselkoers was toeteschryven? Op 't kantoor durfde +hy geen inlichting vragen. Zeker zou men hem daar hebben afgewezen +met 'n bar: "dat zyn nu eigenlyk je zaken niet!" Zeer diep had hy +dan ook nog niet over 't vraagstuk nagedacht, maar z'n belangstelling +werd nu opgewekt door de onverwachte manier waarop 't hier ter-tafel +gebracht werd. Julie drong hoofdig op antwoord aan, geenszins omdat +ze drang voelde tot weten en begrypen, maar om zoo lang mogelyk te +genieten van het triumfje dat haar naïveteit bleek behaald te hebben. + +--Die Julie! had de oude mevrouw geroepen. + +--Ja, ja, mama, ik vraag waarom nu eigenlyk Frankryk zoo hoog staat? + +--Wel, kind, zei de oudeheer, begryp je dàt niet? Dat is de wissel. De +wissel, weetje? + +--Juist, riepen de Kruckers, 't is de wissel! + +--Zieje, Julie, 't is de wissel, bevestigde Pompile. En zich tot z'n +gasten keerende: àlles, àlles wil ze weten! Zóó is ze! Ze is niet +tevreden voor ze alles weet! + +--Maar, papa, wat wil dat dan zeggen: de wissel staat hoog? + +--Wel, heel eenvoudig, de wissel op Frankryk. + +--Juist, Julie! Zieje, 't is de wissel op Frankryk. + +--Maar ... wat bedoelt men dan daarmee? + +--Wel, dat de wissel duur is. + +--Maar ... waarom is-i duur? + +--Ja, dàt zyn nu zoo van die vragen, kind, die ... + +--Ja, Julie, dat zyn vragen ... + +En ook de familie Krucker betuigde eenstemmiglyk dat dit van die +vragen zyn ... + +Er spookte een duiveltjen in Wouter's gemoed. Het niet-weten der +anderen prikkelde hem tot wat inspanning. Hy begon te meenen dat hy +misschien 't vraagstuk zou kunnen oplossen. Hy dacht na, en peinsde, +en wou iets zeggen, maar durfde niet. Zeker zoud-i geschrokken zyn +van z'n eigen stem in dit voornaam gezelschap. Bovendien, de oudeheer +nam de taak van uitlegger op zich. + +--De wissel is duur, Julie, als-i in de prys-courant hoog genoteerd +staat. + +--Juist, zei Pompile. Dat is de ... beursnoteering, zieje! Dieper +neemt ook altyd onze wissels op Engeland volgens de beursnoteering +van den dag. Niet waar, papa? Niet waar, Eugène? + +Noch papa, noch Eugène spraken dit tegen. En al de Kruckers knikten +toestemmend. + +--Ah, zoo, ja, jawel ... beursnoteering, antwoordde Julie die volkomen +bevredigd was. + +--Het zyn ... zaken, moet je begrypen, gaf Pompile nog ten-beste tot +overmaat van helderheid. + +--Daar heb je 't juist, riepen de Kruckers, 't ligt 'm in de zaken, +lieve mevrouwtje! + +En tot verdere toelichting kwam het niet. Wouter, die al meer en meer +begon te gelooven dat-i wat degelykers over 't onderwerp zou kunnen +meedeelen, bleef zwygen. Behalve den schroom voor z'n eigen stem, +begon hy te vreezen dat er iets gevaarlyks lag in 't aanroeren van +Julie's prysvraag, iets indecents misschien als de geboorte van 'n +kind. Onwillekeurig dacht hy aan z'n kornuiten by 't postkantoor, +z'n vraagbaken sedert 'n maand of wat. Zy zouden 't weten, meende hy, +waarom de wetten die den wisselkoers beheerschen, niet mogen worden +aangeroerd in deftig gezelschap. O, prikkelend mysterie! Maar die +wetten zelf kwamen hem zóó eenvoudig voor dat-i moeite had z'n mond +te houden. Hy werd uit z'n spanning verlost door Pompile: + +--Zeg, jy, Pieterse, weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen +naar de mangelkamer te gaan--niet waar, mama? Niet waar, Hersilie?--en +speel wat met den jongeheer Bonifaz, want hy hobbelt zoo fameus. 't +Is waar, zieje, Hersilie, omdat mama zoo'n fameus erge hoofdpyn heeft, +dát is het maar! + +Het echtpaar Calbb keek onvergenoegd, en scheen 't beneden de +waardigheid van hun spruit te vinden zich ergens anders te vermaken +dan in den salon. Wouter verslikte z'n wysheid over de oorzaken van +den wisselkoers. Hy verliet het gezelschap, en vond de mangelkamer op +'t geluid af. Hier vervulde hy z'n naastbyliggend plichtje, door den +jongeheer Bonifaz aftelokken van z'n hobbelpaard. + + + + + + + + Merkwaardige genoegens van het Buitenleven. Treurig uiteinde van + 'n romantischen droom over wisselkoers, en van 'n parasol. Wouter + gaat de wereld in om zeven gulden dertien te zoeken. + + +Ik moet erkennen dat onze Wouter niet zeer ingenomen was met den hem +in die mangelkamer aangewezen werkkring. Hy voelde zich verdrietig, +ja byna wrevelig. Hoewel dit niemand zal verwonderen, geloof ik +toch niet dat de ware oorzaak van deze in hem ongewone stemming den +oppervlakkigen beschouwer helder voor oogen ligt. In-verband met +sommige opmerkingen in het vorig hoofdstuk, zou men allicht geneigd +wezen z'n verdriet uitsluitend toeteschryven aan de teleurstelling +die 't "Buiten-zyn" hem berokkende. Zeker, de roeping om by 'n +ondeugend knaapje de rol van hobbelsurrogaat te vervullen, was +noch landelyk, noch idyllisch, noch romantisch, noch ridderlyk, +noch zielverheffend, en Wouter nam zich dan ook ernstig voor, andere +soorten van vermaak uittedenken zoodra hyzelf eenmaal in 't bezit wezen +zou van 'n Buitenplaats, of al was 't dan maar van 'n Optrek. Maar +teleurstellingen van dezen aard had hy sedert eenigen tyd zoo véél +ondervonden, dat hy daaraan reeds eenigszins was gewoon geraakt. De +bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden. Tot-nog-toe +leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat hy voor "de +wereld" houden moest, zoo geheel iets anders dan hy zich daarvan had +voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de droombeelden +die vroeger z'n inwendig leven schoon, en daardoor 't andere dragelyk +maakten. De oorzaak dezer ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan +'t verschil tusschen werkelykheid en illuzie, dan aan z'n geknakte +vatbaarheid om dat werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods +te vervormen. + +Wist hy, eenige jaren geleden nog, niet kleur en leven meetedeelen +aan 't geringste dat z'n dor leventje hem aanbood? Had hy niet op +'n benauwd achterkamertje de kracht gehad, zich 'n ganschse wereld +vol heerlykheid in 't aanzyn te tooveren tot eigen gebruik? Waarom +kon hy dit nu niet meer? + +Z'n onzalige kennismaking met 'n dozyn kwajongens was hiervan +de oorzaak. De reinheid zyner ziel was besmet geworden, en dit, +benevelde z'n dichterblik. De voelhorens van z'n zedelykheid verloren +'t vermogen om hem te waarschuwen tegen vuil, om hem den weg te wyzen +naar 't verhevene. Z'n vleugelslag was verlamd, en zelfs meende hy van +'t zweven àlles--tot zelfs den lust daartoe--verloren te hebben. Maar +al had-i zich by nauwkeuriger zelfonderzoek kunnen opdringen--wat hy +zeker beproeven zou--dat slechts aanhoudende teleurstelling de oorzaak +was van z'n moedeloosheid, ik beweer dat hy den moed zou bewaard hebben +indien hy zich z'n reinheid niet had laten ontrooven. Geen voorwerp +kan helder terugkaatsen uit 'n verweerden spiegel, en 'n bedorven +menschenziel is tot dichterlyke levensopvatting niet in-staat. Het is +me zeer wel bekend--en dit moet wel, want dagelyks zie ik daarvan de +bewyzen--dat deze waarheid door velen wordt geloochend, of althans +voorbygezien. Zy is te eenvoudig, denk ik. De zoodanigen behooren, +op-straffe van inkonsekwentie, de juistheid in twyfel te trekken van de +zoo-even gebruikte vergelyking met 'n spiegel, en tevens de stelling +aantekleven dat er zuiver water kan worden geschept uit bevuilde +bron. My komen de bronnen-zelf waaruit zulke stellingen vloeien, +niet zeer zuiver voor. + +Wouter dan had sedert eenigen tyd het poëtizeeren verleerd. Hy durfde +'t niet, omdat hy reden had zich te schamen voor 't liefelyke. Wel +hygde hy soms naar 't verlorene terug, wel betrapte hy zich telkens op +bittere droefgeestigheid, maar er scheen 'n stoot van-buiten-af noodig +te zyn om met de vereischte kracht z'n gewaarwordingen terugteleiden +in 't oude spoor. Deze stoot zou dan ook gegeven worden--wie anders +dan Femke kon het doen, of iemand die zeer op haar geleek?--maar zoo +ver zyn we nog niet. + +Men zou zich vergissen indien men den nadeeligen invloed dien 't +gezelschap van onrype deugnietjes op Wouter uitoefende, vereenzelvigde +met het zoogenaamd wys-maken. Dit op-zichzelf houd ik niet alleen +voor onschadelyk, maar zelfs voor gewenscht. Juist in Wouter's +bespottelyke ònwysheid had de grond gelegen zyner voorbeschiktheid +tot prettig-vinden van liederlyke handlichting. Ware hy opgevoed +geweest door ontwikkelde ouders, die hem met wetenschappelyken +ernst hadden meegedeeld wat er ten-dezen-opzichte meetedeelen valt, +waarlyk hy zou geen smaak hebben gevonden in de geestigheden van +àllerlaagste orde, waarmee men nu z'n zucht tot weten had geprikkeld en +bedrogen. Niet kennis maakt onrein, maar 't aanhooren van vuile praat +over kennis... Schande over ouders en opvoeders die hun jongeren +overlaten aan 't gevaar de liefelykste geschenken der Natuur te +ontvangen op 'n wys die ze tot 'n pest maakt! + +Doch ik zeide reeds dat Wouter's verdriet over de zonderlinge wyze +waarop men hem liet deelnemen aan de genoegens van 't Buitenleven, +ditmaal 'n andere oorzaak had--of 'n andere onmiddellyke aanleiding +ten-minste--dan de reeds eenigszins versleten ergernis over z'n gewone +teleurstellingen. Gedurende de gesprekken die hy zoo-even bywoonde, +was voor 't eerst de gedachte in hem opgekomen dat-i was aangeland in +'n kring van zeer onontwikkelde menschen. Nog kort geleden zoud-i by +de lage vlucht der gewisselde denkbeelden, zichzelf de schuld gegeven +en gemeend hebben dat-i niet op de hoogte stond om het gewicht der +behandelde zaken te vatten. Maar dat gesprek over den wisselkoers had +hem wakker gemaakt. Ook hy had zich tot-nog-toe geen reden gegeven +van dien eb en vloed in den prys der remises naar 't Buitenland, +en eerst door Julie's klakkeloos vragen werd hy zich z'n onkunde +bewust. Onwillekeurig verweet hy zichzelf dat-i deze vraag niet +reeds sedert lang gedaan had, en nu ze eindelyk werd geopperd door 'n +ander, was-i nieuwsgierig naar 't antwoord. Het hakkelen en stamelen +der voorlichters bevreemdde hem. Op-eens bracht hy hun blykbare +onwetendheid in verband met de meer dan onachtzame wyze waarop hy in +dien kring ontvangen was, en tevens met z'n laag standpuntjen over +'t geheel. "Hoe, dacht hy, die volwassen menschen, die aanzienlyke +menschen weten geen reden te geven van 'n verschynsel dat zich dagelyks +aan hun waarneming opdringt? En juist die menschen zyn het, aan wie +ik 'n voorbeeld nemen moet om iets te worden in de wereld? En het is +door hèn dat ik behandeld wordt met 'n minachting die ... die ... + +Kortom, hy was wrevelig, en voelde aandrang tot ... wraak wel niet, +maar tot iets toch als genoegdoening. Hy peinsde op middelen om aan +den oudeheer, en aan m'nheer Pompile en aan al die Kruckers 'n bewys +te leveren dat men verkeerd had gedaan hem naar de mangelkamer te +verwyzen. Het spreekt vanzelf dat Julie's vraag reeds lang vergeten +was in de achtergalery, waar 't onderhoud nog altyd op de bekende +belangwekkende manier z'n gang ging, maar onze Wouter verdiepte zich, +al spelend met den kleinen Bonifaz, in 't opgegeven raadsel. De zaak +begon hem voortekomen als 'n uitdaging. waarop hy ridderlyk verplicht +was in 't kryt te verschynen, teneinde aan de verheven dame die het +tournooi had uitgeschreven ... + +Wel zeker, er was 'n hooggeboren dame in 't spel, en 'n tournooi +ook! Ik deed verkeerd zoo lang te wachten met het wyzen op deze +byzonderheid, de geringste niet onder de oorzaken die Wouter +noopten tot opscherping van z'n denkvermogen. Ach, hy had z'n roman +gereed voor ze nog terdeeg was opgezet! Die Julie ... o goden, +was zy 't niet die zich eenmaal verwaardigde hem te behandelen als +'n persoon, door hem z'n gevoelen te vragen over haar liggenden +jachthond? Een jong ridder die zùlke onderscheiding vergeten zou +... neen, ondankbaar was Wouter niet! Nu zoud-i haar toonen dat z'n +gemoed in-staat was weerklank te geven op zoo'n verheven blyk van +vertrouwen, en dat ze niet te-vergeefs haar sluier had neergeworpen +in 't strydperk. Want ... aldus begon zich de zaak te kleuren. Met +lans en zwaard strydt men niet meer--helaas!--maar de Dame die +in onze dagen riddereer op de proef stellen wil, doet 'n beroep +op de kracht van den geest. Met gemaakte achteloosheid laat zy 'n +onopgelost vraagstuk heenglyden over den rand der tribune, en daar +beneden wachten leeuwen en tygers... neen, deze soort van kampioenen +behooren tot 'n vroeger tydperk, óók niet onbehagelyk voorzeker, +maar we hebben nu zeer uitdrukkelyk met ridders te doen. Verbaasd, +verschrikt, ontzet, verlamd, staren zy 't waagstuk aan, dat er van +hen gevorderd wordt. "Aanstaren" is 't juiste woord niet, want ze +wenden de oogen af, en wiegelen, en trekken zich terug, en beroepen +zich op de onmogelykheid om 't pand ongeschonden terugtebrengen, en +als huldeblyk neerteleggen aan de voeten der uitdaagster. Alles heeft +z'n grenzen, wreede Dame, tot riddermoed toe! Keizers, Koningen en +Prinsen, zoo-even nog vast in 't zaal, en tegen elkander zoo dapper +de lans vellende... uitwegen zoeken ze nu om zich te onttrekken aan +'t schrikbarend wapenfeit dat zoo roekeloos werd gevorderd van hun +geest. Sire Kopperlith-zelf had er z'n glimlach by ingeschoten, en +ridder Pompile z'n zelfgenoegzaamheid. De schrik was Don Eugène om +'t hart geslagen, en hy stond op 't punt--akelig!--méér te zeggen +dan z'n enkele sylbe! Was niet zelfs de krygshaftige clan der +Kruckers--van-ouds toch zoo vermaard om z'n onvergelykelyke prouessen +in kurk!--genoodzaakt geworden z'n veldgeschrei 'n oktaaf lager te +stemmen, en zich te bepalen tot 'n deemoedig: "ja, ziet u, dat zyn +zoo van die zaken... m'n lieve mevrouwtje?" En heette dit niet in +Wouter's overzetting allerduidelykst: "Schoone dame, als je op òns +rekent tot het terugerlangen van je pand, kan je er staat op maken +ongesluierd naar huis te gaan!" + +"Dat nooit!" riep ridder Wouter. En hy gordde zich aan tot begrypen. + +Het vraagstuk waarmee ons heldje zich bezighield, hoe eenvoudig ook +inderdaad--zooals de meeste vraagstukken--is werkelyk 'n struikelblok +voor veel geldmannen en zoogenaamde ekonomisten. Wie meenen mocht +dat ik de geestelyke gelaatstrekken der Kopperliths en Kruckers te +afzichtelyk schilder, neme eens de proef by "mannen van 't vak." En +men behoeft zich niet te bepalen by de vraag die de onnoozele Julie +ter-tafel had gebracht in die achtergalery, noch ook by 't "vak" +waartoe kwestien van dezen aard schynen te behooren. Overal zal den +oplettenden waarnemer blyken dat het begrypen van eenvoudige waarheden +tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet-berusten van +sommigen, hun door vakmenschen wordt aangerekend als onpraktische +buitensporigheid. + +Nu, Wouter wàs buitensporig. De hemzelf onbewuste vertaling van 't +nogal triviale gegeven in 'n heldenfeit, wond hem op. Werktuigelyk +spelend met den kleinen Bonifaz, trachtte hy in de kern van +'t vraagstuk doortedringen, en de eigenaardige richting van z'n +geest--geheel-en-al uitvloeisel van 'n karakter dat slechts vrede had +met eenvoudige waarheid--leidde hem aldra tot de primitiviteit van +opvatting, waaraan alle vraagstukken--ook de moralistische--behooren +getoetst te worden. De steentjes die hy den kleinen jongen toewierp, +en door dezen naar hem werden teruggerold, stelden in z'n verbeelding +al zeer spoedig de koopmanschappen voor, die uit onderscheiden landen +in de naburige streken worden ingevoerd. Behoefte aan betalingsmiddelen +groeide aan naarmate men meer goederen ontving. Zoolang men nu hierin +kon voorzien door het terugzenden van andere waren... zeker, zoo is +het, meende hy. En hy redeneerde: "we zenden... kaas en boter naar +Engeland. Dit moet betaald worden. Zoo 'n koopman ginds, moet iemand +zoeken die van òns geld te-goed heeft voor... wittegrondjes-driekleur +of diemet--'n moeielyk vak, zegt m'nheer Wilkens!--en dan betalen +wy eigenlyk die diemetten met kaas. Maar als we nu te weinig kaas +hebben gezonden om al de lynwaden die wy ontvingen, te betalen, dan +valt het moeielyk in Holland iemand te vinden die geld te goed heeft +van 'n Engelschman. En deze moeielykheid moet overwonnen worden door +hooger bod op den wissel, want het spreekt vanzelf dat het recht om +te trekken in waarde ryst, naarmate het minder voorhanden en meer +noodig is. Wie dus 'n wissel afgeven kan, vraag er méér voor dan... + +Aldus peinzend had-i allengs de steentjes die dienen moesten +tot vermaak van den kleinen jongen, verdeeld in soorten die +allerlei koopwaar voorstelden. De vloer van de mangelkamer werd +in landen en provincien afgedeeld. Dáár lag Engeland met z'n +wittegrondjes-driekleur, dáár Frankryk dat wyn leverde, dáár Nederland +met z'n stereotiepe kaas en boter... jazelfs Spanje kreeg 'n plaatsje +met z'n kurk. En hy schoof de produkten heen-en-weer, en schiep +'n handelsbeweging, en vergat daarby zelfs de crisis niet. Bonifaz +had er 't recht begrip niet van, en schopte wel-eens 'n stock of +entrepôt uit elkaar op 'n manier die gevoegelyk kon doorgaan voor 'n +revolutie, die dan door Wouter zoo goed mogelyk by z'n overleggingen +werd in rekening gebracht. Weldra was-i dan ook met de oplossing van 't +fameuze probleem gereed, en hy verlangde naar 't oogenblik dat-i onder +de oogen zyner dame... du jour, z'n tegenstanders uit het zadel ligten +zou. Laat zien wat er verder gebeuren moest. Keizer Kopperlith stond +hem de helft van z'n ryk af, met de hand zyner schoondochter Julie, +die den hemel danken zou dat ze verlost was uit de onwaardige ketenen +van den pseudo-ridder Pompile. Zeer wel, maar hoe triumfeerend ook, +Wouter schonk hem 't leven. Ook Eugène mocht blyven bestaan, en al de +Kruckers, mits ze driemaal 't schoeisel kusten van Wouter's dame. Eén +onzekerheid nog slechts hield den ridder die straks al z'n vyanden +uit het veld zou slaan, in eenige spanning. Zoud-i z'n wapenfeit +uitvoeren in eenvoudig proza of... nu ja, in verzen kwam hem de +nederlaag des vyands verpletterender voor. En verplettering hadden +ze verdiend! Was 't onheusch of niet van al die verwaten ridders, +zoo prat op hun lynwaden en kurken, de romantische mogelykheid +voorby te zien dat de jonge schildknaap zonder geslachtswapen of +uithangbord, misschien de inkognite spruit wezen kon van edelen +stam? Had men niet wat eerbied moeten voelen voor z'n prikkelende +onbekendheid? "Onze jongste bediende, onze jongste bediende!" had +wapenkoning Pompile geroepen... welnu, waarom bezat alleen de edele +Julia--god zegene haar!--roman-takt genoeg, en lektuur-bedrevenheid +en tournooi-instinkt, om onder 't palletootje van den kantoorklerk +'n kampvechter te vermoeden van den eersten rang? Waren ze dan doof +en blind en idioot, al die anderen? Te-wapen, te-wapen! riep alles +Wouter toe. "Jongste-bediende... hm! Ik zàl ze bedienen, jong of oud +dan, maar bedienen zàl ik ze! En aan de wereld en m'n Dame wil ik +toonen... sakkerloot!" + +Hier kwam een der meiden berichten dat de jongeheer Bonifaz aan-tafel +werd geroepen, en "Pieterse mocht zoo goed zyn, meetekomen." Wouter +stapte met opgeheven hoofd en saamgeknepen vuisten de kamer in, +waar 't gezelschap dineeren zou. By 't binnentreden kon-i zich niet +weerhouden, Julie een blik toetewerpen die zooveel zeggen wilde als: +"wees gerust, dame van m'n hart, ik heb uw noodkreet verstaan en zal +den goeden stryd stryden. De hoofdzaak ligt in de verhouding tusschen +wittegrondjes-driekleur en hollandsche kaas... wees gerust: uw ridder +is hier!" + +Dat Julie hiervan niets begreep, zou te veel beweerd zyn. Ze zag +den heelen Wouter niet, en kon zich dus onmogelyk schuldig maken +aan wanbegrip omtrent z'n bedoelingen. Hy gloeide als 'n kool +en brandde van strydlust, maar... hoe z'n wysheid aan-den-man te +brengen? Eigenlyk was 't Julie's plicht geweest hem op den weg te +helpen. Maar ze hield zich of de heele zaak haar glad ontgaan was! Zoo +zyn die edelvrouwen! Eerst lokken zy 'n ridder op allergevaarlykst +terrein... ze winden hem op tot ylhoofdigen lust om tegronde te gaan +in haar dienst, en dan... wel, ze laten hem over aan zichzelf! Lieve +hemel, domme Julie, begryp je dan niet dat Wouter daar zit te wachten +op 'n blik? Och, och, och... als-i maar door 't eerste woord heen was! + +Dat eerste woord liet zich niet gemakkelyk aanhechten. Wouter bespiedde +elke uiting, elken klank, maar... helaas! Wel begon-i 'n paar keer: +"de wisselkoers, m'nheer... maar de woorden stikten hem in de +keel. Het spreekt vanzelf dat de spyzen uitstekend waren, maar wat +baatte dit hèm? De ligtzinnige Julie stelde zich aan alsof ze nooit +'n ridder op post had gezet. Ze lachte, ze keuvelde, ze ginnegapte, ze +vermaakte het gezelschap met haar naïveteit--of met de onnoozelheid die +daarvoor doorging--en sloeg geen acht op haar aanstaanden bevryder uit +de klauwen van 'n al te laag geboren echtgenoot. Wouter preekte zich +voor, dat ze zyn standvastigheid op de proef wilde stellen. Zoo-iets +was meer geschied, meende hy. + +De tafelgesprekken waren van de bekende gewichtige soort. De oudeheer +begon weldra luidruchtig te worden en den toon aanteslaan, dien Wouter +had leeren kennen by z'n namiddagbezoeken op 't kantoor. Zelfs tot +hèm richtte de oude babbelaar 't woord, natuurlyk tot groote ergernis +van Pompile, die telkens beproefde den vloed van papa's spraakzaamheid +te doen afloopen in voornamer bedding. + +--En jy, mannetje, zeg jy nu eens hoe 't je buiten bevalt? Want, +jongen, je bent nu... buiten! Verbeeld je, mynheer Krucker, hy +meende dat-i buiten was op den singel by de Aschpoort! Hi, hi, hi, +dàt meende-n-i! + +De Kruckers vonden dit byzonder dwaas. + +--En zeg nu nogeens hoeveel je wel dacht dat de jongeheer Flodoard +te Rome verteerde in 'n heel jaar! Neen, stil, Pompile, laat 'm +begaan! Luister, m'nheer Krucker! In 'n heel jaar, weetje! M'n zoon +Flodoard te Rome! + +--Maar, papa... + +--Stil, Pompile! Wel, mannetje, spreek op! Laat m'nheer Krucker dàt +eens hooren. + +Wouter zweette. Hy zocht Julie's oogen te ontmoeten, maar 't lukte +niet. In-godsnaam! Mèt of zonder aanmoediging zyner dame dan, vóór +z'n dame: + +--De wisselkoers, m'nheer... + +--Néééééén, dàt is nu de vraag niet! M'nheer Krucker wou zoo graag +weten hoeveel je dacht dat m'n zoon Flodoard... te Rome... + +Pompile viel z'n vader in de rede, en had het geluk hem ditmaal van z'n +belangryken topic aftebrengen. Ook een der Kruckers hielp 'n handje, +door met roerende belangstelling naar tyding van Leon te vragen. + +--Hy maakt het uitstekend, zei de oudeheer, uitstekend! Zou je +wel gelooven, m'nheer Krucker, dat-i al 'n titel heeft van... o, +zoo'n langen titel! En... hy is weledelgestreng, wat zeg je +daarvan? Wel...e...del...ge...streng, m'nheer Krucker! Is 't niet +waar, Pompile? + +--O ja, papa! + +--En hy schryft fameus-mooie brieven! Pompile, je moet m'nheer Krucker +eens zoo'n brief van Leon laten zien. + +--Zeker, papa! + +--En, uw zoon de zeeofficier, m'nheer Kopperlith? + +--Die was volgens de laatste berichten te... te... hoe heet het ook +weer, Pompile? + +--Te Amboina, papa. + +--Juist! En, m'nheer Krucker, weetje wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft +er gedanst met de dochter van den Gouverneur. Van... den... gouverneur! + +De arme Kruckers kwamen verbazing te-kort. Wouter voelde dat ze hier +'n bewerking ondergingen, van de soort die men op hèm had toegepast, +toen-i flauw moest vallen van bewondering over de vorstelyke uitgaven +van Signore Flodoardo. En deze opmerking bracht hem 'n stapje verder +in menschkunde, of liever ze deelde hem den moed mee om te erkennen +wat-i begreep. Zoolang hyzelf maar patient was, belette hem z'n +verlegenheid om 't kinderachtige van die hoogheidsjacht behoorlyk te +vatten. Maar nu hy op 't gelaat der gasten iets meende te ontdekken +dat naar spot geleek, viel hem 't doordenken iets gemakkelyker. Ook +zonder terugzicht op de schipbreuk die 't geheele gezelschap geleden +had in de opheldering van de koerskwestie, begon hy de mogelykheid +intezien, dat die heele familie Kopperlith met haar buiten en eigen +rytuig en verdere voornaamhedens, wel eens veel lager konden staan +dan ze voorgaven en dan door anderen scheen geloofd te worden. Hy +kon de vergelyking met den onderhoudenden, gezonden toon die er by de +Holsma's heerschte, niet terugdringen, en ze viel zeer tennadeele van +z'n "heeren patroons" uit. Ook maatschappelyk bleken zy eigenlyk geen +recht te hebben op de vergoding die hun door nòg lager geplaatsten +werd toegebracht, want al ware het dat rykdom grond gaf tot zoo groote +vereering, eilieve hoe plat burgerlyk was de inrichting van het huis, +hoe prozaïsch die mangelkamer, hoe bekrompen dat achterbakje van de +britschka, hoe kleingeestig die bekommering over 'n hoedendoos en +'n mand met soezen, hoe kinderachtig dat onophoudelyk streven naar +verheffing op... niemendal! De jongeheer Rodomont had gedanst met +de dochter van 'n gouverneur... gouverneur van wàt, eigenlyk? Lieve +hemel, de Holsma's hadden prinsessen in hun familie, en waren er niet +grootsch op. Hengelden zy naar bewondering van hun hoogheid? Erkenden +ze niet zelfs, zonder noodzaak en zonder schaamte, dat de eenvoudige +Femke na aan hen verwant was... zy, 'n waschmeisje! + +Maar hier brak Wouter z'n gedachtenloop af. Dit geschiedde telkens +zoodra haar beeld zich aan hem vertoonde. Elke herinnering uit den +heldentyd van z'n ziel maakte hem den indruk van snerpend verwyt. Het +liefelyke deed hem zéér, en hy voelde slechts kracht tot eigenaardige +zwakheid die den naam draagt van wrevel: die Kopperlith's! Het duurde +dan ook niet lang voor zich deze stemming duidelyker op z'n gelaat +vertoonde dan in deftig gezelschap geoorloofd is. Hy kneep de lippen op +elkander, en zag een der Kruckers--die 't niet helpen kon!--uitdagend +aan. Maar men gunde hem de eer niet, naar de reden van z'n zuurkyken +te vragen. Waarschynlyk zelfs had niemand daarop acht geslagen, +en juist deze verwaarloozing stemde hem bitterder dan ooit. Hy was +woedend en had lust in... vechten. Met wien? Met allen tegelyk, als +'t wezen kon. Met Bonifaz en den oudeheer, met Pompile, de Kruckers, +Eugène, de "juffrouw" en Hersilie. Met al wat 'n eigen Buiten had, +en wat er geen had. Met de heele wereld, ziedaar! + +Hoe onrechtvaardig ook deze stemming was, het zal den weldenkenden +beschouwer van z'n zielegeschiedenis aangenaam wezen te ontwaren +dat-i nog iets anders was dan kinderlyk en goedig alleen. Het werd +waarlyk tyd. + +Na 't eten werden de Kruckers onthaald op den traditioneelen toer. En +ook Wouter mocht meeryden... in 't achterbakjen alweer, waar men hem +'t aanminnig Bonifaasje te bewaren gaf. 't Kind mocht er durchaus niet +uitvallen, zei de elsasser konsul. Julie snapte in één adem door, +en Wouter begon te vinden dat ze de proef wat ver dreef. Wel bleef +het 'n zekerheid dat zy de eenige van 't gezelschap was, die blyk +had gegeven van den lust iets te willen doorgronden, maar toch... 'n +beetje droefenis voor den misselyken toestand waarin ze haar ridder +gebracht had, zou niet kwaad hebben gestaan by haar verheven zucht +tot ontwikkeling. Ze babbelde zoo ongedwongen met al die Kruckers, +ze toonde zich zoo geheel-en-al op de laagte van de rest, ze scheen +zoo volkomen tevreden met de toejuiching waarmee de plompe Pompile +haar domste uitvallen vereerde... kortom, Wouter wist niet hoe hy +'t had met z'n Dame. Hy zou er veel voor gegeven hebben, haar 'n +oogenblik alleen te spreken... hm, 'n voetval zou er niet kwaad by +staan! Maar... hoe daartoe de gelegenheid te vinden? Als-i 't huis in +brand stak? Dit plan was zoo heel verwerpelyk niet. Al de Kopperliths +en Kruckers geschroeid, verbrand, verkoold, verteerd, vernietigd, +en hy de redder van de weetgierige Julie! Hy zag zich in gedachte, +háár door rook en vlam de trap afdragend! Haar hield hy in de armen, +háár fluisterde hy toe: "wees gerust, edele dame van m'n hart, al die +stommelingen zyn dood en byna begraven! Ik ben hier, ik, Wouter, die +uw dorst naar kennis lesschen wil met m'n laatsten druppel bloed en +'n verhandeling over den wisselkoers... + +--Zeg, Pieterse, of hoe heet je, houd m'n parasol wat over 't kind. De +zon steekt zoo! + +Deze ontboezeming vloeide over de lippen der schoone Hersilia, die met +haar zonnescherm onzen ridder aantikte, en hem vry gevoelig terugriep +in de werkelykheid. Hy schrikte, en nam 't ding werktuigelyk aan... + +--Schuif 't op, jongen! Druk op de veer... daar, daar, de veer in +'t stokje! Versta je me niet? Wat 'n onhandig jongetje, Pompile! + +Wouter kneep het ding, en voelde neiging de schoone Hersilia daarmee +den kop te kloven. Hy staarde haar zonderling aan. + +--Op de veer drukken, weetje? Druk op dat veertjen in 't stokje, +schreeuwde Pompile, die evenmin als de anderen aan iets anders dacht +dan aan onhandigheid, of hoogstens meende dat "de jonge Pieterse" +z'n zuster niet verstaan had. + +--Doe 't 'm eens voor, Pompile, zei de oudeheer. + +Pompile die op de voorbank gezeten was, stond op en boog zich over 't +gezelschap heen, om den "jongen Pieterse" les te geven in 't openen +van 'n parasol. Maar hy kwam te laat. Wouter kneep, trok, drukte, +schoof, en schoof wat krachtig... + +--Ik kàn wel, m'nheer, zeid-i. + +... en 't ding was aan flarden! Hy hield den stok in de eene +hand, en de fladderende zy met de andere omhoog als 'n vlag! Het +heele gezelschap was "ontdaan." Men keek elkander verbaasd aan, +als om te vragen wat dit beteekenen moest? Welnu, niemand begreep +het. Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met 'n +gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven +aan onlydelyke pyn. + +--'t Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde Hersilia. Niet +waar, Calbb? + +--Je moet altyd begrypen Hersilie, 't is 'n burgerjongetje, riep +Pompile. Hy wist niet wat je bedoelde, zie je? Je moet altyd denken, +'t is 'n burgerjongetje, en... nooit in gezelschap geweest. Dáár komt +het van! + +--Zeven gulden, dertien! + +Het stokjen en de lappen werden, zoo goed het hossen van 't rytuig +toeliet, aan elkaar gepast om nogeens voor 't laatst te bewonderen hoe +het ding er had uitgezien voor de vreeselyke katastroof, Nog 'n paar +maal mompelde de majestueuze Hersilia haar tragisch: "zeven gulden, +dertien" en vry ontstemd liet het gezelschap zich voortkruien door den +zandweg. Toen men thuis kwam, nam Pompile de rol van verslaggever aan +mama op zich. Niemand was meer verontwaardigd dan "de juffrouw." Ze +had wel drie fransche woorden om te betuigen dat de zaak... + +--Ja, ja, zeker! zei Pompile. Maar u moet begrypen, mama... + +--Hy stond mevrouw zoo délicieus by die gele bergère, maseurde de +juffrouw. + +--Goed, juffrouw. Maar ziet u, mama... + +--'t Is 'n ware balourdise. m'nheer! + +--Zeker, juffrouw! Maar, mama, Hersilie had het niet moeten, +doen, mama. Want zoo'n jongen... + +--Fi donc, zoo lomp te zyn! + +--Volkomen juist, juffrouw! Maar ik wou aan mama zeggen dat mevrouw +Calbb had moeten begrypen dat zoo'n jongetje... + +--'t Is infaam! + +...dat zoo'n jongetje maar... 'n burgerjongetjen is! Dàt wou ik maar +zeggen aan mama. + +En dit alles moest Wouter aanhooren! Z'n woede was gebroken. Hy voelde +zich verlamd, onmachtig, wezenloos, en alweer overmeesterde hem zeker +heimwee naar de vroeger zoo geminachte levensopvatting ten-zynent. + +Was dàt nu de wereld die hy zou leeren kennen als-i "groot" +was? Wanneer hy op dit oogenblik z'n ouden vyand Slachterskeesjen +ontmoet had, hy zou hem aan 't hart hebben gesloten als 'n bode uit +hooger sfeer. Men ziet het, te laag gezonken om behagen te scheppen +in de voorstellingen uit den mythentyd zyner jeugd, begon hy reeds +te verlangen naar 't weerzien van de grove gestalten die hem in die +dagen omgaven. Zoo ook verwarren onnadenkende geschiedschryvers den +onbehagelyken toestand van den wilde met de gouden eeuw van Saturnus. + +Wouter was wanhopig. En z'n stemming werd er niet beter op, toen-i +bemerkte dat ook Julie tot z'n vyanden behoorde, want "vyandschap" +meende hy te moeten veronderstellen in al de menschen die, na hem zóó +te hebben gegriefd en vernederd, niet eens schenen te begrypen dat-i +voor grief en vernedering vatbaar was. Pompile gaf zich de moeite +hem op 'n parapluie te wyzen hoe men 'n parasol opent, en ten-laatste +was Wouter na veel vruchtelooze pogingen om de ware oorzaak van z'n +zonderlingen handgreep onder woorden te brengen, wel genoodzaakt +zich aantestellen alsof hy werkelyk voor 't eerst te weten kwam dat +men by zoo'n gelegenheid op 'n veertje moet drukken. Pompile scheen +zeer voldaan over de les die hy gegeven had, en roemde er op dat +"de jonge Pieterse" de zaak nu volkomen verstond, en zeker by 'n +volgende gelegenheid... + +--Zeven gulden, dertien, jammerde Hersilia. + +De maat liep over. Wouter stond haastig op, vloog de deur uit, +het erf af en den weg op, om zich te verdrinken of... zeven gulden +dertien te zoeken. + +A la bonne heure! + + + + + + + + Wouter spekuleert allervoordeeligst in ouwe-kleeren. Snelle + wisseling in amerikaansche handelsbeweging, waarschynlyk niet + zonder invloed op wisselkoers. Nachtgedachten. De terugkomst van + den verloren broeder. + + +Weldra had hy na eenig dwalen en vragen een der poorten van +Haarlem bereikt. Wat hy daar eigenlyk doen wilde, was hemzelf niet +duidelyk. By 't verlaten van Groenenhuize blies de wanhoop hem in, +met den meesten spoed 'n eind aan z'n leven te maken, en nog altyd kwam +hem dit voornemen als 'n wenschelyke uitweg voor. Doch eerst wilde hy +beproeven zich op andere wys te ontdoen van den ondragelyken last die +hem drukte. 't Was zondag-avend, en er vertoonden zich weinig menschen +op de straten. Ook waren de meeste winkels gesloten. Hier-en-daar +slechts durfde men den dag des Heeren ontheiligen door 't uitstallen +van halletjes en rooletters, of tabak en snuif. De verkoopers van deze +artikelen verheugen zich voornamelyk in zondags-debiet, en de Heer moet +zich hierin schikken. Wouter vermande zich, liep 'n koekbakkerswinkel +in, en vroeg of men hem den weg naar den Jodenhoek wilde wyzen. + +--Jodenhoek, jongeheer? Dat hebben we hier, om zoo te zeggen +niet. Uwe-n-is zeker van Amsterdam? + +--Geen Jodenhoek? Maar... by wien verkoopt men dan hier z'n ouwe +kleeren? Dàt wil ik weten! + +De vrouw uit den winkel keek hem vreemd aan. Eenmaal z'n aangeboren +beschroomdheid overwonnen hebbende, was Wouter's toon zoo kortaf en +gebiedend dat het mensch er van ontstelde. Angstig riep zy als 't +ware om hulp, en er verscheen dan ook 'n manspersoon, die haar vroeg +wat er gaande was, en vry onvriendelyk aan Wouter wat-i "hebbe" wou? + +--Hebben? Niets m'nheer! Ik wou maar weten waar men hier ouwe kleeren +koopt? + +De koekbakkers-familie joeg hem den winkel uit. Tandenknersend stond +hy weer op de straat, en wist niet wat hy doen zou. Na lang zoeken +en veel mislukte pogingen trof hy eindelyk 'n klein meisje dat hem +bracht waar-i wezen wilde. Een oude jood antwoorde toestemmend op +de vraag of hy koopman in kleeren was? Wouter trok z'n jasjen uit, +wierp het op de tafel, en vroeg wat de man daarvoor geven wilde. Het +kleedingstuk werd bevoeld, gewreven, gerekt, tegen 't licht gehouden, +en 't eerste bod luidde: vier gulden! + +--Zeven gulden, dertien! riep Wouter. + +--Nah, w'rom nie liefer dertien gilde sefe, as je 't m'r foor 't +seche heb? Fyf gilde, en cheen dyt meer! Ghedrache kleeren binne +niks waart, want se worre teugeswoordig techeef inchefoert fan +Emerika... te-cheef! Dat sel je-n-ook wel wete. Fyf gilde tien, dan! + +--Ik moet zeven gulden dertien hebben! + +--Wat je hebbe mot, sel je wel 'reis kryche, as je m'r iemant fint die +'t je chefe mot. M'r ik mot je niks chefe, en ik cheef je niks. Nou, +ses gilde! Trek jespille m'r weer an, anders, en cha mê chot! + +Toen Wouter hierop inderdaad vertrekken wilde, steeg het bod tot +zeven gulden. Helaas, die vreeselyke dertien stuivers! Er was niet +aan te doen: de koopman bleef onverbiddelyk. Mocht men 't hem kwalyk +nemen, by zoo'n overvoer van ouwe-kleeren uit Amerika? 't Was al zeer +edelmoedig dat-i by zoo'n stand van zaken zeven gulden geven wilde voor +Wouter's jasje dat--dit is waar!--zonder die ongelukkige mededinging +der Vereenigde Staten, zeker wel twintig gulden zou waard geweest +zyn. Het was 't eerste kleedingstuk dat voor hem gemaakt was, en dat +tot hem kwam zonder eerst, als ter oefening, 'n glansryke loopbaan +om de lenden van broêr Stoffel te hebben afgelegd. Het was de toga +virilis die--en wel zondags alleen--hem plechtig om de schouders +werd geworpen ter viering van z'n promotie tot jongste-bediende by +de heeren Ouwetyd & Kopperlith. + +Maar aan dit alles dacht hy niet. De verfoeielyke Hersilia, en die +sarrende Pompile, en ook Julie, de ontrouwe Dame... hy zou hun toonen +dat-i... dat-i... + +Hy smeet nu ook z'n hoed op de tafel, en bood die te-koop aan. Na +eenig dingen en bieden was 't kapitaal kompleet, waarmee hy de edele +vrouwe mevrouwe Calbb-Kopperlith en haar aanhangers 'n kool vuurs +wilde te slikken geven. Ja-zelfs, er was geld over, want voor den hoed +had-i drie schellingen bedongen. De jood vroeg hem of-i ook van z'n +schoenen wou ontlast worden, maar Wouter liep zonder te antwoorden, +in hemdsmouwen en blootshoofds de straat op. + +Hoe nu? Zèlf naar Groenenhuize terugkeeren? Dat nooit! Het +schoonste blad van den lauwerkrans dien hy door z'n kordaatheid +meende verdiend te hebben, zou verdorren wanneer men daar te weten +kwam door welke middelen hy geslaagd was in 't afbetalen van z'n +drukkende schuld. Langen tyd liep hy peinzend op-en-neder, de minst +bezochte straten kiezend omdat hy zich begon te schamen over z'n +ongekleedheid. Hy wilde de schadeloosstelling waarmee z'n vyandin +moest verpletterd worden, doen vergezeld gaan van 'n brief die op +pooten staan zou! Niets beter dan dit, maar... waar dat stuk te +schryven? Als-i eens in zoo'n halletjeswinkel naar pen, papier en +inkt vroeg? Hm, gemakkelyk ging dit niet. Hoe zou men hem te-woord +staan, hem die zich nu zoo afgetakeld voordeed? Van de humaniteit der +haarlemmer burgerlui had-i reeds proef gehad, toen hy er nog uitzag +als 'n ander. Zoud-i op vriendelyker bejegening kunnen rekenen, nu +hy zich vertoonde in 'n kostuum, dat... sakkerloot, de zaak begon +hem moeielyk voortekomen. + +Z'n opwinding was afgeloopen, en indrukken van meer gewonen aard namen +daarvan allengs de plaats in. Z'n wrok over de ondergane miskenning, +jazelfs het verdriet over Julie's trouweloosheid, moest telkens wyken +voor de ergernis dat-i geen jas aan had. Waar-i by 't schemerlicht +van den zomeravend 'n voorbyganger zag naderen dien hy niet ontwyken +kon, trachtte hy den eigenaardigen tred aantenemen van iemand die +even overwipt om 'n buurman goeden-avend te zeggen. Maar 't baatte +niet. Daar kwamen 'n paar straatjongens hem sarren met den roep: +"heb je 't zoo warm, jongeheer?" 't Was om razend te worden! + +Toch drong hy zich op dat-i nog altyd naar 'n gelegenheid zocht om +'t staatsstuk te schryven dat het geld vergezellen zou, maar 't was +uit geestelyke traagheid alleen, en uit onwil om te erkennen dat +z'n verdriet veranderd was van richting. Ieder manspersoon dien hy +ontmoette en die gewoon gekleed was, vervulde hem met afgunst. + +Ziehier hoe hy schryven wilde... àls hy tot schryven kwam: + + + Weledelgeboren Mevrouw ... + + +Zeker! Zoo adresseerde de jongeheer Leon de brieven aan z'n mama. Dit +zou dus ook wel zoo ongeveer de rechte betiteling wezen voor +mevrouw Calbb-Kopperlith. Hy wilde haar en de heele familie toonen +dat-i wist hoe 't behoort, en dat de manieren der "groote wereld" +niet onbereikbaar waren voor 'n burgerjongetje. "Weledelgeboren +Mevrouw!" alzoo, en verder: + +"Ik heb de eer Uweledelgeboren hiernevens aantebieden de som van +zeven guldens en achttien stuivers voor 'n nieuwen parasol. Myn eer, +Weledelgeboren Mevrouw, gedoogt niet Uweledelgeboren ongelukkig te +maken, en daarom... + +"Heb jy je jas in den lommert gebracht?" vroegen hier op de welbekende +zangwys van 't vroolyke patertje 'n paar belangstellende dienstmeiden, +die van haar zondagmiddags-uitgang zooveel pleizier wilden trekken +als er maar eenigszins van te trekken was. + +Wouter week schichtig uit, en vermeed zooveel mogelyk de minst donkere +plekken. Z'n gedachten keerden terug naar 't punt van uitgang: dien +fameuzen brief! + +"Uweledelgeboren zal ontwaren dat er vyf stuivers over zyn. Die schenk +ik Uweledelgeboren als 'n blyk van... van... + +Hy weifelde tusschen "goedertierenheid" en "genade." Een troepje +Amsterdammers die Kraantje-Lek bezocht hadden, en in de stemming +verkeerden welke van-oudsher by dezen uitgang past, kreeg onzen tobber +in 't oog en nam hem in 't ootje. Wouter sloeg zich dapper genoeg +door den kring heen, maar hy voelde zich zeer verdrietig. Men zal +erkennen dat de voorgenomen heldendaad met die zeven gulden zóóveel, +hem byzonder moeielyk werd gemaakt. Gedurig mompelde hy zich voor: +ik wil 'n brief schryven, ik wil! Als ik maar wist, wáár? En hy +monsterde huis voor huis, of daaronder misschien een mocht zyn dat +hem genoegelyk zou kunnen dienen tot kantoor? Zelfs liep hy nu-en-dan +'n winkel in, maar hy bereikte z'n doel niet. Z'n vreemd voorkomen +en de schichtigheid waarmed-i z'n ongewoon verzoek uitte, schrikten +de menschen af. "Als ik in-godsnaam maar 'n jas aan had!" zuchtte hy. + +Eindelyk--welke booze geest speelde hem dezen trek?--eindelyk stond hy +op-eenmaal weer voor 't huis waar de jood woonde, die zoo goedig hem +van jas en hoed verlost had. Wouter trad instinctmatig binnen. "In 's +hemelsnaam, dacht hy, als ik maar eerst weer behoorlyk gekleed ben, dat +ik me vertoonen kan! O God, wat is 'n mensch die geen jas aan heeft!" + +De jood zag vreemd op toen z'n klantje van zoo-even hem de verkwanselde +kleedingstukken kwam terugvragen. Hy had ze juist naar New-York +verzonden, zeid-i, waar ouwe-kleeren tegen goud werden opgewogen. + +--Maar zoo-even zei je... + +--So-efe-n-is f'rby, en wat cheweest is, is niet. Ik sech je +dat ouwe-kleeren d'r gelt waart binne! Feel uitfoer na Emerika +teugeswoordig! Daar sit 't 'm! Maar ik wil je wel 'n jas ferkoope-n-en +'n hoet ook. Mooie waar, kyk hier! + +Na eenig verdrietig gesukkel verliet Wouter den winkel van +den schacheraar, met 'n jas aan, en 'n hoed op... modellen! De +kleedingstukken die hy 'n uur te-voren in z'n opgewondenheid had +afgestaan waren er vorstelyk by. Toch moest hy voor de nieuwe plunjen +al 't geld neerleggen dat-i bezat, de vier stuivers inkluis die +m'nheer Wilkens hem den vorigen dag op last van den grootmoedigen +Pompile had uitbetaald voor z'n terugreis naar Amsterdam, en die +geaffekteerd zouden worden op "huishouding." De huishoudelykheid nu +van Wouter's transaktie... + +--As je wéér wat te handele heb, zei de edelmoedige jood, kom cherust +by me. + +En hy gaf Wouter 'n adreskaartje dat deze werktuigelyk +in den zak stak. Op-straat gekomen--nu was-i gekleed, o +goden!--betrapte hy zich op 'n volkomen overbodige repetitie van z'n +redaktie-plannen. "Weledelgeboren Mevrouw! Hiernevens heb ik de eer +Uweledelgeboren aantebieden... + +Aantebieden! Wàt? + +Hy sloeg zich voor 't hoofd, en erkende voor de honderdste maal... hoe +zei ook altyd z'n moeder? "Heere jesis-kristis, die jongen! Van hèm +komt nooit wat te-recht?" + +Waar zou-i heen! Al peinzend over den zonderlingen toestand waarin hy +gebracht was door... eilieve, lezer, door wàt eigenlyk? Hyzelf kon er +zich geen reden van geven, maar aan U vraag ik, wat toch de oorzaak +was van de onaangename verwikkelingen waarin hy telkens verstrikt +raakte? En ditmaal nogal erg. De geringschatting van de menschen aan +wie hy verantwoording schuldig was, had reden van bestaan in ieder +ander, maar niet in hèm. Z'n moeder was z'n moeder, de heeren Ouwetyd & +Kopperlith waren zyn patroons. Hy was niet grof genoeg van inborst om +de draden waarmed-i zich aan de maatschappy verbonden voelde, eenvoudig +te verbreken en zich vry te maken: om "de wereld integaan" zooals dit +heet. Hieraan dacht hy wel, doch maar 'n oogenblik want hy was te week +om het besef te verdragen van de smart zyner betrekkingen... die wel +luidruchtig, maar niet zoo byzonder diep zou geweest zyn. Doch dit wist +hy niet. Op-eenmaal kwam hem nu in den zin dat-i in z'n lessenaar op +'t kantoor allerlei rympjes had verborgen, waarin veel schoons werd +gezegd... van háár. Wie deze "haar" was, doet er niet toe. Het is te +betwyfelen, of hyzelf hiervan een heldere voorstelling had. Want al +droegen z'n ontboezemingen gewoonlyk de kleur der indrukken die Femke +hem had meegedeeld, toch dwaalde hy telkens te veel af van dat ééne +model, om te kunnen beweren dat hy in die rympjes z'n liefde voor +háár schetste. Niemand zou 'n waschmeisje zoeken in 't origineel van +de wolkerige portretten die hy leverde. 't Wemelde in z'n poëzie van +prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van wereld-overzien, +en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God was niet vergeten, +dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker bekend, hoe makkelyk dit +eensylbig woordje zich schikt in elke maat. Kompromitteerend in gewonen +zin waren alzoo Wouter's dichtproeven niet. Noch Pompile, noch Wilkens +zouden by 't vinden der achtergelaten rymelary, op 't denkbeeld gekomen +zyn dat hun weggeloopen jongste bediende in betrekking stond tot +'n dame die men noemen kon. Hoogstens zou 'n beetje scherpzinnigheid +hun de middelen aan-de-hand doen om van Wouter's ongedisciplineerde +hartstochtelykheid geen jota te begrypen. Hyzelf echter meende dat-i +maar al te duidelyk had lucht gegeven aan z'n gevoel, en in verbeelding +zag hy reeds z'n onbescheiden talent misbruikt om al de jonkvrouwen +van zyn hart tentoontestellen in de courant. Prinsessen zouden er 't +meest onder lyden, want aan hoven is de eer 'n teedere zaak. En ook +Julie liep gevaar. In dat ééne gedicht namelyk--koupletten van acht +regels met slechts twee rymklanken, denk eens!--had-i zich niet kunnen +onthouden, 'n zwevenden engel uittedosschen in 'n zwierig rykleed van +bruine taf, en van zoo'n stof was juist het japonnetje dat zy aanhad +op den dag toen hy zoo ridderlyk vier stuivers had afgedongen op haar +liggenden jachthond! Duidelyker zinspeling op z'n verrukking over haar +neerbuigen tot hem, kon wel niet gevat worden in koupletten van acht +regels met slechts twee rymen! Ja toch, hy had melding kunnen maken van +'t wollen fichuutje dat ze by die gelegenheid om den hals droeg--want +ze was op dien merkwaardigen stond 'n beetje verkouden--maar de eischen +van rym en maat bewaarden hem genadiglyk voor indiskrete vereeuwiging +van deze byzonderheid. Die zwabberende bruin-zyden amazone was +waarlyk al verraderlyk genoeg! Zou de oude Dieper by 't ontdekken en +beoordeelen zyner rymschatten, de goedheid hebben Pompile aftebrengen +van de gevaarlyke gissing dat er verwantschap bestond tusschen die +zwevende engel en z'n wederhelft? Och, op zoo'n boekhouder valt niet +te rekenen. Gaf-i niet altyd iedereen gelyk? Wouter zag hem z'n pen +neerleggen, z'n snuifdoos opnemen, den bekenden stap achterwaarts doen, +en dit alles om met vereischten nadruk te verzekeren: + +--Juist, jongeheer! Ik heb de intieme fictie dat de jongen met dat +schimpdicht bedoeld heeft... + +--Schimpdicht, Dieper? 't Is geen schimpdicht? Wàs 't dat maar! De +kwajongen is verliefd, en wel op... + +--Precies, jongeheer! Ik wil maar zeggen, net als u, dat-i zeker +met dien golvenden luchtgeest mevrouw Kopperlith-Huddewitz bedoeld +heeft. 'n Mensch moet toch iets bedoelen, niet waar? Zeker, zeker, die +engel in 't bruin is de jonge mevrouw! Vindt u 't niet erg... brutaal, +jongeheer? + +Wouter's verbeelding tooverde hem 't kantoor voor, en dwalend +door den Hout was-i getuige van de woede, van de minachting, van de +vernederingen die 't burgerzielig konklave over hem uitstortte. Wilkens +blaette afkeuring, Eugène bromde z'n: hm! Daar kwam ook de oudeheer +aansloffen: + +--Zieje, Pompile, 't is de schuld van Dieper. Waarom zoo'n deugniet +te rekommandeeren? + +En Dieper beloofde deemoedig dat-i 't nooit weer zou doen. + +De oude Gerrit? Nu, zyn tusschenspraak schikte nogal. Gelukkig voor +Wouter, dat-i eindelyk 'n figuur ontdekte van iets minder afschuwelyken +aard, iemand waarmed-i het tooneel dat z'n angst hem voormaalde, +wat minder krimineel stoffeeren kon. Gerrit mompelde: "wat 'n geseur +over die liedjes! Allemaal wind en 'n engelsche notting!" Lieve Gerrit! + +Opmerkelyk, niet waar, dat Wouter wel de gaaf had zich zoo nauwkeurig +voortespiegelen wat er gebeuren zou, wanneer men na z'n wegblyven z'n +archief doorsnuffelde, hy die zich niet in-tyds rekenschap had weten te +geven van den zotten toestand waarin iemand geraken moet, die z'n zeer +behoorlyk jasje verruilt voor 'n schanslooper van de vreemdste soort, +en z'n fonkelnieuw hoedje voor 'n rooden kalen gedeukten tromblon die +hem bovendien eenige nummers te groot was? Weinig jongelieden zouden +zich in Wouter's geval hebben schuldig gemaakt aan de zotterny die hy +begaan had, en toch zou 't onrecht wezen hen daarom voor verstandiger +te houden. Voor 't meerendeel hadden ze slechts door onthouding van +'t excentrieke, blyk gegeven beneden Wouter's fouten te staan. Kon +hy 't helpen dat-i z'n ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er +'n aanhoudende stryd was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg +en de wereld waarin hy leefde? + +De manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had, +kon zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt +worden onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas +die in den waan verkeert dat z'n beenen van glas zyn, is niet verder +van de waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te kennen zooals +zy inderdaad is, z'n aanraking met haar meent te kunnen regelen naar +'t schema dat hy in omgang met zichzelf alleen, samenknutselde. Wouter +droomde van engelen... die er niet zyn, en van zielenadel... die +niet bestaat. Hy onderging allerlei aandoeningen die aan anderen +niet bekend zyn. Het is er ver af dat deze aandoeningen onverdeeld +schoon waren, en dat alzoo in alle opzichten de werkelykheid beneden +z'n droomeryen zou staan. Integendeel. Onder alle personen, zonder +onderscheid, die hy tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die +niet in 't een-of-ander opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging, +'t geen reeds hieruit blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet +tot dwaasheden als die welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in +den Haarlemmer-Hout. Inderdaad, lezer, 't is onzedelyk 'n nieuwe jas +te verruilen voor 'n oude! Ik laat nu de kazuistische finesse waarmee +sommigen zotterny willen onderscheiden van slechtheid, stilzwygend +in haar onwaarde, zéker is 't dat onze held even beschaamd was over +'t verkwanselen van z'n kleeren, als-i over diefstal zou geweest +zyn. En, wanneer hy de wereld goed gekend had, zoud-i gróóter +schaamte nog gevoeld hebben over z'n dwaasheid dan over eigenlyke +misdaad. Deze immers wordt begrepen, omdat ieder deelt in de aandrift +die daartoe leiden kan. Met 'n vroom: "God zy by ons... wie staat, zie +toe!" bekruist men zich--en hangt den dief op, nu ja--maar men deelt +volkomen in de gevoeligheid voor verlokking die den zondaar máákte tot +'n zondaar. Vraag eens aan juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal +verwanten in geestesarmoed, of ze 't voor mogelyk houden dat zy een +der tien geboden zullen overtreden, of zelfs maar 'n artikel uit het +Wetboek van Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: "de mensch is +zwak! Heer, wees my armen zondaar genadig!" Heel goed, ik mag lyden +dat de Heer het doet. Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor +oogen dat zy 'n splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in +'n onderrokje ronddolen op den publieken weg... zonder de minste +aanroeping van den Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En dit +is de waarheid. Zóó ver kan de slimste Duivel 't mensch niet brengen, +al liet God haar in den steek. Wel schynt alzoo zyn hulp onontbeerlyk +om bewaard te blyven voor galg en rad, maar domheden als die van +onzen Wouter weet men te vermyden zonder de minste tusschenkomst van +den Hemel. + +En nog 'n opmerking, ditmaal van eenigszins aangenamer aard. Dat +Wouter's manier van spekuleeren niet tot welvaart leidt, zal ieder +erkennen en goedkeuren. Maar men is te zeer gewoon zich goede +uitkomsten voortestellen van het tegendeel. Dit is onjuist. Ik kan +den lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig toonde in +zaken, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is 't geval met +velen die zich vermeten minachtend neertezien op 't eigenaardig gebrek +aan praktyk, dat 'n uitvloeisel is van nog onvolkomen dichterlykheid. + +Wouter verweet zich dat niemand in gelyke maat als hy, de begaafdheid +had zich vasttewarren in 'n net van verdrietelykheden. Gelyk de +meeste jongelieden die in nood zitten, dacht-i aan zelfmoord. De +lezer herinnert zich dat dit meer geschied was. Het leven kwam hem +ondragelyk voor, en hy drong zich op, dat-i ditmaal wel degelyk van +plan... wezen zou daaraan 'n kordaat einde te maken, als-i maar niet +zoo terugschrikte voor 't denkbeeld dat die vervloekte Kopperliths +in z'n minneklachten zouden snuffelen. Eerst die verzen vernietigd, +dacht hy, en dan sterven! God zou wel begrypen dat-i 't niet kon +uithouden in zóó'n wereld! In den hemel was zeker wel deze of +gene werkkring die hem paste. Daar zoud-i zich stipt toeleggen op +z'n... naastbyliggenden plicht! O, waarom had-i dien goeden dokter +Holsma veronachtzaamd? En... hoe zou 't zyn als-i zich in z'n +tegenwoordigen nood--ei, zonder sterven, alzoo?--tot hèm wendde? + +Al wat hy zich van die familie herinnerde, kwam hem nu liefelyker voor +dan ooit. Die vlugge Sietske! Die waardige moeder! Die ernstige oom +Sybrand! En Willem... nu ja, z'n wyzigheid was drukkend, maar kon hy +'t helpen dat Wouter geen latyn verstond? Had z'n moeder hem dàt +maar laten leeren, meende hy, dan zou alles anders wezen! Hy zou +dan nu op weg zyn om dominee te worden, of advokaat, of rechter, +of minister... allemaal menschen die 'n behoorlyke jas aanhebben, +en precies weten waar ze belanden moeten als 't nacht wordt! Dit +namelyk wist Wouter nog altyd niet, en 't bezwaarde hem zeer. Maar +al was 't dag geweest, waarheen, waarheen? Op die gansche aarde geen +plek waar-i zich vertoonen kon! Zeker, zeker, God zou er genoegen +mee nemen, als-i onaangediend en ongeroepen in den hemel kwam. + +Sterven dus! Heel goed, als-i maar geweten had, hoe? Inweerwil +van deze onzekerheid stond z'n voornemen byna vast. Byna! Want het +afscheidnemen van z'n plannen, van z'n droombeelden, van z'n toekomst, +viel hem zeer moeielyk. En zelfs het verledene, hoe dor en schraal ook, +bood hem gezichtspunten aan waarvan hy de oogen niet kon afwenden. Die +verschyning in den Schouwburg... die dubbelgangster van Femke... hemel, +de rozeknopjes! Ook die immers lagen in z'n lessenaar op 't kantoor, +geborgen in z'n zakboek, in 't zakboek dat-i anders altyd op 't hart +droeg--schoon 't hem zéér deed, als-i vuile praatjes aanhoorde by 't +postkantoor!--maar dat-i nu voor 't eerst had weggesloten om er niet +mee bezwaard te zyn op z'n voorgenomen tocht naar "buiten." Mocht-i +aan sterven denken zoolang hy dat pand niet had teruggehaald om het +te vrywaren tegen hoon? En nog iets! Was 't niet al te jammer, van +deze wereld te scheiden voor-i zeker wist hoeveel prinselyks er stak +in Femke, hoeveel van 'n bleekmeisjen in die prinses? Hy begreep niet +hoe hy zoolang zich had kunnen bezighouden met allerlei onderwerpen, +en vond het onverantwoordelyk zoo'n raadsel onopgelost achtertelaten. + +Leven dus, leven! Makkelyk gezegd, als-i maar geweten had waar-i slapen +zou? En... eten! Z'n sarrende fantazie hield hem 'n monster-boterham +van Vrouw Claus voor, en hy begon nu werkelyk zich te verbeelden +dat z'n honger onuitstaanbaar was. Stoffelyke behoefte nam de +overhand op smart van anderen aard--daar is ze voor!--en hy begon +afgunstig te worden op 't lot van Jakob Claesz. Want, meende hy, +in zoo'n onbeschaafd Vuurland waren zeker allerlei vruchtboomen, +en er groeide niets eetbaars in den Haarlemmer-Hout. Die Laurens +Coster had ook beter gedaan, vygen en ananassen te planten--of al +waren 't dan maar burgerlyke appels en peren geweest!--dan zich +bezigtehouden met de uitvinding van die vervelende drukkunst! Wat +heeft 'n dolend wildemannetje daaraan? En wat baatte hem nu z'n braaf +oppassen by Pennewip? O, die vervloekte beschaving! Hy verlangde +naar 'n voorwerp waarop-i z'n woede kon koelen, al ware het, byv. 'n +bende Vuurlanders geweest. Dan had-i geweten wat het Noodlot van hem +verlangde: stryden en... overwonnen worden, nu ja, en men zou hem +opeten, ook. In-godsnaam! Daartegenover immers stond altyd de kans dat +hy--onder aanroeping van deze of gene dame: 't was meer gebeurd!--de +overwinning behaalde, z'n vyanden tot Christenen maakte, en zichzelf +tot koning, juist wat-i wezen wilde. Wie weet of niet Jakob Claesz +ook zoo-iets gedaan had, en Wouter besloot dat Vuurland eens. te +bezoeken zoodra hy te beschikken had over 'n vlootje. Dan zoud-i... + +Helaas, heiaas, wat gekke overleggingen in zyn toestand! Beurtelings +woedend en verdrietig, slenterde hy laan-in laan-uit, en wist geen +raad. Eindelyk zette hy zich moedeloos onder 'n boom, en viel in +slaap. Hy droomde dat-i in nood was en dat Femke hem redde. Toen-i +wakker werd, was 't volkomen nacht. Het kostte hem veel moeite zich +te bezinnen wat er gebeurd en hoe hy daar gekomen was. Maar helaas, +hy voelde zich wel genoodzaakt het gebeurde voor inderdaad geschied te +houden, en z'n verdriet weer aanteknoopen waar 't eenige uren geleden +was afgebroken door den slaap. Toch was de daartusschen liggende droom +te levendig geweest om daarop geen acht te slaan, en by gebrek aan +beter dwong hy zich dien optevatten als 'n wenk. Hy besloot dus naar +Amsterdam te gaan en zich onder Femke's hoede te stellen. Al zag hy +niet in hoe zy hem van dienst wezen kon, 't zou hem reeds verluchten +indien hy iemand kon deelgenoot maken van z'n verdriet. En de schaamte +die hem pynigde omdat-i haar zoo lang had verwaarloosd... zeker, +dit maakte den stap niet gemakkelyk. Want hy voelde zeer goed dat-i +zich haar onwaardig had gemaakt, en kon het denkbeeld niet van zich +stooten dat zy dit wist. Ach, mocht hy den dag van vandaag, en dien van +gisteren... neen, de vier, vyf laatste maanden kunnen overleven! Zyn +nu verwaarloosd gemoed zou daarby wèlvaren, en Hersilia's parasol ook. + +Na lang zoeken en dwalen bevond hy zich op den weg dien hy den +namiddag van den vorigen dag was langsgekomen in 't achterbakje van +de britschka. Reeds toen was-i niet tevreden. En nu! Naar Femke, +naar Femke! riep hy, alsof 't meisjen 'n toovergodin was die maar te +bevelen had om verandering te brengen in z'n verdrietigen toestand. En +ongegrond was Wouter's vertrouwen eigenlyk niet, schoon hyzelf daarvan +zeker geen reden geven kon. Femke's eenvoudige kalmte--uitvloeisel der +harmonie van haar gaven, inborst, ontwikkeling en begeerten--maakten +haar inderdaad tot 'n goede raadsvrouw. Zeer vermoeid kwam Wouter tegen +den morgenstond by haar huisjen aan. Hier wachtte hem 'n zonderlinge +verrassing... o, die ondeugende Fancy! + + + +De buitenblinden waren gesloten, wat Wouter niet verwonderde daar het +nog zeer vroeg was. Maar wel was z'n verbazing groot, toen hy bemerkte +dat de deur áánstond. Zou die den geheelen nacht open geweest zyn? Was +Vrouw Claus zoo vroeg reeds uitgegaan? Of misschien Femke-zelf? Helaas, +zou ze dáár wezen? Moed om 't meisjen optezoeken by de Holsma's, +had-i niet. Hy was beschaamd voor die familie, en bovendien, +hy durfde de stad niet in, om die gekke jas! Zeer waarschynlyk +had juist de afkeer om zich in de straten te vertoonen, hem 't +denkbeeld ingegeven hulp of raad by Femke te zoeken, of wel--indien +ze hem noch het een noch het ander verschaffen kon, gelyk immers +te voorzien was--haar tot vertrouwelinge van z'n kommer te maken, +om wat troost. Zeker zoud-i niet tot dit besluit gekomen zyn als 't +meisjen in de stad gewoond had, en niet op 'n buitensingel waar ze +bereikt worden kon zonder 'n spitsroedengang tusschen de reien van +'t straatpubliek. By 't opsporen van de oorzaken onzer handelingen, +moeten we niet zelden afdalen tot het nietigste. Wouter wist niet dat +er verband was tusschen liefde en stryd, en al ware hy in dit opzicht +minder onkundig geweest, dan nog blyft het de vraag of-i lust zou +gevoeld hebben zich in z'n allerzonderlingst kostuum te vertoonen +aan de uitverkorene van z'n hart. Bovendien, nooit had hyzelf zich +rekenschap van z'n verhouding tot Femke gegeven. Nog altyd dobberden +z'n aandoeningen op die grens die 't kind overschryden moet om mensch +te worden, en 't was meer de ontwakende behoefte aan liefde die hem +vervulde, dan de liefde-zelf. Wouter was niet veel meer dan 'n jongen, +en wanneer-i met wat meer juistheid z'n standpuntje begrepen had, +zoud-i ontheven zyn geweest van 'n groot deel der schaamte over z'n +bespottelyke uitrusting. Wel beschouwd kwam 't er nog drommels weinig +op aan, hoe hy er uitzag. Maar hy was alweer niet jong genoeg ook, om +onbewust de voordeelen van z'n onbeduidendheid te genieten. Hoe dit zy, +de nood perste, en hy voelde instinktmatig behoefte aan 't ontmoeten +van iets liefs, iets vriendelyks, na al 't leelyke waarmee men hem +sedert zoo langen tyd oververzadigd had. Toch wist-i zeer goed dat +Femke niet bymachte wezen zou hem zyn kleeren terug te bezorgen, +noch de verhouding tot die gevreesde patroons in orde te brengen, +noch hem te verzoenen met z'n moeder die woedend wezen zou als ze +te weten kwam dat-i onfatsoenlyk was geweest, parasols gebroken, +en fortuinen met voeten geschopt had. Neen, neen, Femke zou hem niet +kunnen helpen! Byna begon hy te wenschen dat-i niet dáár was. + +Maar Vrouw Claus dan? Evenmin! In-godsnaam, als-i zich dan maar +'n oogenblik in haar huisje mocht neerzetten, haar z'n nood klagen, +en... 'n dikken boteram eten. Dàt zou hem de kracht geven om afscheid +van 't leven te nemen. Hy wou wel sterven, heel graag zelfs, als-i maar +niet zoo'n honger gehad had! Dááraan eerst 'n eind gemaakt, en dan... + +Juist wilde hy de deur openstooten en binnengaan, toen z'n aandacht +werd getrokken door 'n luid gelach. Het kwam van verre. Over 't +bleekveld heen, den weg op, zag Wouter twee gestalten die hem schenen +te naderen. Met begeerigheid elk voorwendsel aangrypend om 't gevreesd +binnentreden uittestellen, staarde hy zoo scherp mogelyk op de beide +personen die in luidruchtig gesprek schenen. Van-lieverlede werden de +omtrekken duidelyker. De een scheen 'n jong zeeman en de ander... myn +God, was dat Femke niet? Wouter keek zich blind, en moest telkens +de oogen uitwisschen om opnieuw... ze wàs het! En de ander? 't +Was wel waarlyk 'n matroos: wie anders draagt zoo'n gelakt-leeren +hoed? Van-tyd tot-tyd kaatsten daarop de nog horizontale zonnestralen +in schitterend goud af, zoodat Wouter de oogen sluiten moest als ze +door dien glans getroffen werden. Maar, ze weer opslaande, kon hy zich +niet troosten met onzekerheid. Femke liep daar in den zeer vroegen +morgen--byna was 't nacht nog--met 'n matroos! Ach, Wouter zou minder +tydmeterig-fatsoenlyk met z'n aandoeningen hebben omgegaan, wanneer +de begrooting van de heeren Ouwetyd & Kopperlith vyf-en-twintig gulden +'s jaars had kunnen dragen aan busrecht! + +Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouter's meening, +met 'n matroos! Een oogenblik lang vlood alle herinnering aan 't +gebeurde en aan de oorzaken die hem daar brachten, op den achtergrond, +om slechts plaats te maken voor yverzucht, vreeselyke yverzucht. De +arme jongen had 'n gevoel alsof hem 'n gloeiende dolk in 't hart +werd gestoken. Z'n knieën knikten, en als wezenloos viel hy tegen +den post van de deur aan. Maar jalouzie is de minst kleinzeerige +van alle kwalen: ze houdt van pyn. Wouter sloeg geen oog af van 't +schouwspel dat hem zoo wondde en hoe langer hoe smartelyker aandeed, +want de blykbare vertrouwelykheid tusschen de beide jongelieden +was groot. Gedurende hun wandeling gaven ze elkander de hand, of +liever 't scheen dat ze hun pinken ineenhaakten. Dit kon worden +opgemaakt uit 'n eigenaardig gelykmatig slingeren van den linkerarm +der persoon die rechts liep, en van den rechterarm der andere. Het +gesprek was luidruchtig en zelfs van sarrende vroolykheid. Vooral +het meisje joelde en schaterde, en hierdoor voelde Wouter zich als +vernietigd. Het baatte niet of-i zich al vóórzei dat ze hem niets +schuldig was, dat hy geen recht op haar had, en dat ze... god in +den hemel, moest het nog erger worden? Daar liet zy de hand van den +jongeling los, en viel hem om den hals, en 't duurde wel 'n eeuw, +vond Wouter, of 'n uur, of zooiets, maar 'n zéér langen tyd in allen +geval. In al de romans die hy gelezen had, werd de aandoening die hy +onderging omschreven met de woorden: "onze held stierf duizend dooden" +maar hy had waarlyk geen afgezaagde boekenfraze noodig om te voelen +wat-i leed. Na de omhelzing hervatte het dartele paar de wandeling +op den weg, en naderde, telkens omkeerend, nu en dan het huisje, +waarop dan ook eenige malen door 't meisje gewezen werd alsof ze +daarover iets aan haar vrindje te vertellen had. Wouter spande zich +in om iets van hun gesprek te verstaan, maar 't lukte niet. Als +om hem 't begrypen onmogelyk te maken, keerden zy zich telkens +om als-i juist op 't punt meende te zyn eenig gevolg verzekerd te +zien aan z'n onbescheidenheid, en dan slenterden ze weer den weg +naar de Aschpoort op. De arme jongen meende te droomen, want zelfs +'t niet verstaan van wat er gezegd werd, bracht het zyne tot z'n +verbazing by. Telkens meende hy eenige klanken duidelyk genoeg +te hebben opgevangen om te begrypen wat-i hoorde, en toch wou dit +maar niet het geval worden. Hy wreef zich de ooren alsof daarover +'n vlies gespannen was, doch zonder baat. En, wanneer 't paartje +weer wat verder-af was, hoorde hy slechts 't geschater. Er ontbrak +maar aan dat ze daar gingen dansen op den publieken weg. Waarachtig, +'t scheelde niet veel! Het uitgelaten meisje pakte 'n paar malen den +jonkman, die iets bedaarder bleek dan zy, by den arm, en zwaaide hem +om zich heen. Daarop volgde dan weer luid gejuich en gesnap... er was +geen eind aan! Ja toch, eindelyk bleven ze staan en schenen afscheid +te nemen. Er werd hartelyk gekust, de jongeling verwyderde zich, en 't +meisje sloeg met bedaarder tred, den weg naar 't huisjen in. Eens nog +stond ze stil, wuifde met 'n doek, en ontving haar groet behoorlyk van +'t zeemannetje terug, die driemaal met z'n hoed zwaaide. Voor evenwel +'t meisje genoeg genaderd was om Wouter met kennis te zien, liep deze +woedend heen, en wou... en zou... ja, wat? Na eenig heen-en-weer +zwerven, waarby hem z'n onbehagelyke kleeding zeer ergerde, vooral +omdat het getal der voorbygangers aangroeide, niet zonder verdriet +ook over den honger dien-i zich toedichtte om 'n afleider te hebben +van z'n velerlei wanhopen... kortom, 'n half uur daarna stond-i +weer voor 't huisje van Vrouw Claus, en ditmaal trad hy binnen. De +tafel droeg toebereidselen tot 'n flink ontbyt--goddank!--maar hy +zag niemand. Uit het kamertje waar-i eens zoo heerlyk geslapen had, +klonk 'n stem--'n lieve heldere jonkvrouwelyke stem toch!--die hem +begroette met 'n soldatesk: werda! Wouter antwoordde niet, of byna +niet, want het onnoozele "ik" dat-i zeer verwonderd uit-piepte, +mag geen naam hebben. Hoe drommel kon-i voorbereid wezen op zoo'n +militaire ontvangst? Gelukkig dat zich hierop Vrouw Claus vertoonde, +die hem wat burgerlyker toesprak. + +--Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo lang +weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... ik +kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je. + +Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: "dat is nou +'t jongetje van 't paard, weetje?" Hierop volgde iets als teruggehouden +lachen en daarop 'n doodelyke stilte. Wouter wist alweer niet hoe hy +'t had. Na eenig wachten waagde hy 't even in de kamer te gluren, +waaruit men hem zoo geheimzinnig had toegeroepen. Vrouw Claus, +dacht-i, zou nu toch wel met haar toilet gereed zyn. Nu, dit was zoo, +maar in de kamer was niemand. Moeder en dochter waren zeker op 't erf +by de bekende pomp. Een oogenblik daarna keerde Vrouw Claus terug, +en noodigde op haar gewone vriendelyke manier Wouter op 't ontbyt. + +--Asjeblieft, juffrouw. Maar wil u me asjeblieft zeggen waarom Femke +niet komt? + +--Fem? Jawel, o jawel, die zal wel komen. Of misschien komt ze niet, +want ze staat te wasschen. Zoo zal ik nu maar zeggen, weetje? Weetje +wat jy doet? Eet 'n boteram, jongen, en hier is koffi. En zeg me nu +eens gauw hoe 't met je moeder gaat? Die is immers ziek geweest? Ja, +'n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas op. + +--M'n moeder is heel wel, maar... + +--En jy? Heb je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... neen, neen, +neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op 'n paard gezeten. Hoe kan +ik zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, 'n mensch z'n hoofd +loopt wel 'reis om. En is moeder weer heelemaal in orde. Wel, dat's +best. Als ze nu maar oppast niet weer ziek te worden. Was 't koorts, +of wat was het? + +--M'n moeder is heel wel, juffrouw, maar ikzelf ben 'n beetje... + +--Ben jy ziek? Wat mankeert je? Maar... gut, jongen, wat heb je daar +'n gekke jas aan je lyf. Hoe kom je daaraan? + +--Ja, dat komt... dat is... ik moet... ik wilde... + +Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van z'n +stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van alle +kanten te bekyken. + +--Ajakkes, jongen, wat schikt jou moeder je raar op! Je lykt wel 'n +sjouwerman, neen... ik weet niet wat je wel lykt! Je broekie is netjes, +dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, maar die jas! En +wat zit je vol stof. Waar heb je gezeten, jongen? Waar ben je geweest? + +Toen de goede vrouw zich bukte om 't stof van z'n schoenen te slaan, +kreeg ze tot overmaat van ergernis, Wouter's hoed in 't oog, dien-i by +'t plaatsnemen had verstopt onder z'n stoel. + +--Heeremensch, wat 'n hoed! Ik geloof dat je mal bent, jongen! En, +nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best! Och, och, vroeger +was je zoo'n lief jongetje, en op dat paard... o neen, op 'n paard +heb je nooit gezeten, maar toch, je zag 'r vroeger aardig uit. En +nu? 't Is 'n ware schand zooals je moeder je toetakelt! + +--Moeder kan 't waarlyk niet helpen! Ik zal u alles vertellen, +juffrouw. + +--Wàt? Kan je moeder niet helpen dat jy voor spot loopt? Ik zeg je dat +het schande-n-is, 'n ware schande, ja... 'n schandaal! Hoor eens, ik +ben maar 'n waschvrouw, en dat wil ik blyyen ook, al zouden ze... nu, +dit gaat jou niet aan, maar ik verzeker je dat ik me schamen zou, +schamen, ja schamen, hoorje! + +--M'n moeder weet het niet... + +--Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar is ze +dan moeder voor? + +--Neen, juffrouw, maar... + +--Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil 't niet wezen. + +--Och, Vrouw Claus, m'n moeder weet er niets van. Ik kom van Haarlem, +en... + +--Van Haarlem? Wat deed je dáár? En moet je 'r daarom zoo verpieterd +uitzien? Als Fem hier was, zou ze... + +--Is ze dan niet hier, vroeg Wouter haastig, is Femke niet hier? En +ik heb 'r gezien! + +De beurt om verlegen te worden, was aan Vrouw Claus. Ze antwoordde met +'n zonderling gerekt "ja" dat heel best kon gelden voor 'n ontkenning. + +--Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier eigenlyk +niet. Je moet denken, ze is dikwyls uit, en by m'n nicht op den +Kolveniersburgwal ook, en ze brengt waschgoed weg... och, ze heeft +allerlei te doen, en weetje wat jy doet, jongen? Eet jy nog 'n boteram +of twee, want als je heel van Haarlem komt... onze Fem is aan de +wasch, weetje, en als ze gehinderd wordt in haar werk... jeesis-maria, +wat lieg ik! + +Met dezen kreet op de lippen stoof Vrouw Claus de kamer uit, en 't +achtervertrekjen in. Het scheen wel dat ook zy wat te verbergen had, +want Wouter bemerkte tot z'n verbazing dat zy de deur achter zich +sloot, alsof ze bevreesd was dat-i haar volgen zou. Een oogenblik +lang meende hy 'n onderdrukt lachen te hooren, maar weldra werd +het in de kamer naast hem volkomen stil. Zeker was Vrouw Claus op +haar erfje by de pomp gegaan, om daar aan Femke te vertellen hoe +bespottelyk hy was opgetooid. Hy begon zich optedringen dat de in 't +oog vallend zonderlinge houding der moeder, inverband stond met dat +al te vroegtydig bezoek van den matroos. Zeker giste Vrouw Claus dat +hy daarvan iets bemerkt had, en ze wist niet hoe ze dat voor de eer +van haar huisje zou goedpraten. Zoo wàs het! Weinige maanden geleden +nog, zou Wouter zeker niet op zulke gedachten gekomen zyn. Maar +z'n wereldwysheid was aan 't groeien, en wel als naar gewoonte den +verkeerden kant uit. Wat de kans op juist-raden aangaat, had-i beter +gedaan zich te houden aan z'n kinderlykheid, want de wysheid van deze +wereld is dwaasheid by Fancy. + +Wouter bleef niet zeer lang met z'n boterammen alleen. De buitendeur +werd opengesloten, en een man die blykbaar zoo-even was komen aanryden +met 'n handkar waarop 'n koffer geplaatst was, vroeg of-i te-recht +was by Vrouw Claus? Er bleek dat deze 't voertuig had zien aankomen, +en tevens dat zy de bestemming daarvan kende, want voor nog Wouter +tyd had gehad iets te vernemen van de herkomst--sommigen beweren +dat-i grooten lust had er naar te vragen--kwam de goede oude vrouw +haastig aanloopen. Ze stuwde Wouter op-zy, toen-i met z'n gewone +dienstvaardigheid behulpzaam wezen wou in 't afladen, en droeg met den +kruier 't vry zware voorwerp dat haar gebracht werd, het huisjen in, +en met één vaart naar de achterkamer door. Indien 't haar plan was, +den naam des afzenders voor Wouter geheim te houden--en zoo scheen +'t wel--liep ze gevaar hierin te worden teleurgesteld door den kruier +die op haar vraag naar 't bedrag van 't veerloon, ten antwoord gaf dat +de vracht voldaan was door de heeren... sakkerloot, Wouter verstond +den naam niet! Na 't vertrek van den man met de handkar voelde hy zich +verlegen omdat hem maar al te duidelyk gebleken was dat er iets voor +hem verborgen werd. Hy wilde dus niets liever dan vertrekken, maar +werd weerhouden door Vrouw Claus die hem op-nieuw 'n stoel aanwees. + +--Ze zegt... ik wil maar zeggen dat ik nu graag eens precies weten wou +waarom je 'r zoo mal uitziet, en wat je toch in 's heere-menschen-naam +te Haarlem hebt uitgevoerd? Zeg, jongen, wat deed je te Haarlem, en +waarom heb je zoo'n schandaligen hoed op? En die jas? Vertel me nu eens +alles precies, net of ik je moeder was. Want ze wil alles weten ... + +--Femke? vroeg Wouter. + +--Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. Heeremensch, +wat verveelt me dat liegen...ah! + +Deze uitroep gold pater Jansen, die z'n goedig gezicht aan de deur +vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat bejaard +kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest op +'n ontstemd gemoed. + +--Wel, dat 's goed, pater! Ga zitten, en eet 'n stuk. Heb je-n-'n +zieke-n-in de buurt. + +--Dat ook. Maar ik kom 'ns hooren of ze 't gedaan heeft? + +--Ja zeker! Maar... dat jongetje weet er niets van. We praten er dus +maar niet over voor-i weg is. + +Natuurlyk alweer wilde Wouter, zich hoorende uitmaken voor zoo storend, +z'n bezoek afbreken. Maar Vrouw Claus liet het niet toe. + +--Neen, mannetje, jy blyft nog wat. Net goed dat pater 't hoort wat +je hebt uitgevoerd. Kyk 't kind er 'ns disselaat uitzien, pater! + +De goede pastoor bekeek Wouter van onder tot boven, maar hy was nu +juist de rechte man niet om den snit van 'n jas te-beoordeelen, en +toonde dus minder verontwaardiging dan volgens Vrouw Claus behoorlyk +zou geweest zyn. + +--Nu, pater, jy weet dat zoo niet, maar hy is 'n fatsoenlyk mans kind, +en ziet er uit als 'n schooier uit de polders. En hy is te Haarlem +geweest zonder dat z'n moeder er van weet. Maar vertel dan toch, +jongen, wat je gedaan hebt! Wel ja, niet waar, dan weet pater 't ook! + +Wouter begon z'n relaas hakkelend en verward, en sprak nog veel +slechter dan over 't algemeen de hollandsche gewoonte is, 'n fout +die vergeeflyk voorkomt omdat ze in zekeren zin 't gevolg is van den +rykdom der taal. Och, niet dáárop kon zich de jongen ter verschooning +van z'n gebrabbel beroepen. Behalve de schaamte die hem beheerschte, +hinderde hem zekere onzekerheid omtrent het bevattingsvermogen +van z'n hoorders, 'n twyfel die Demosthenessen en Ciceroos zou +stom gemaakt hebben. Hierdoor werd hy vooral belemmerd wanneer-i +ter verklaring van z'n vreemd gedrag, oorzaken wou uitleggen die +hemzelf niet zeer duidelyk waren. 't Is waar ook, waaròm toch voelde +hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig "thuis" in 't wereldje +dat hem omgaf? De wrevel in byzondere gevallen--over de minachting, +byv. waarmee de opgeblazen Hersilia hem behandeld had--was gemakkelyker +te verklaren, en dit deed-i dan ook zoo goed hy kon. + +--Als 't kind van de kerk was, zou ik zeggen dat je hem eens +onderhanden moest nemen, zei Vrouw Claus tot den pater. En, zieje, +'t is niet om 't verkwanselen van z'n kleeren alleen, en ook niet om +dien perresol, maar z'n gezicht bevalt me-n-ook niet. Zeg jyzelf nu +eens, pater, of-i er niet verpieterd uitziet? Nu, we zullen zien wat +er aan te doen is. + +Dit gezegd hebbende, stond zy op en begaf zich naar 't achterkamertje, +alsof daar de geneesmiddelen voor Wouter's kwalen moesten gezocht +worden. En dit bleek eenige minuten later werkelyk 't geval te zyn. + +--Hoor eens, jongeheer, zei pater Jansen, wil je weten hoe ik over de +zaak denk? Ik vind dat je je kleeren moest zien weerom te krygen. Zie +je kans, 't huis van dien man terugtevinden? + +Wouter vertoonde het adreskaartje van den menschenvriend die hem +zoo edelmoedig behulpzaam geweest was in 't uit- en aankleeden. Hy +maakte de opmerking dat er tot het lossen van de verkochte stukken +geld noodig wezen zou, véél geld, en dat juist dit bezwaar... + +--Geld heb ik ook niet veel, zei de goede man, maar als je wat wachten +kan, zal ik er om schryven naar Vucht, aan m'n broer die daar smid is, +en 't gaat 'm goed. En 'n herberg houdt-i ook, en zondags wordt er by +hem gedanst... nou! Na kerktyd, weetje? Dàt moet je zien, vooral als +'t kermis is. Een pret... je leven zoo niet! + +De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteren, gelyk men +ziet. Of liever, 't waren geen preeken, en misschien zelfs was z'n +taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en kermishouden +zonder afschuw, 'n byzonderheid waarin de scherpzinnige lezers een +der oorzaken zullen ontdekken, waarom de goede pater nooit lid van +'n gemeenteraad geworden is. In zulke kollegien heeft men leden van +eigenaardige bravigheid noodig. Och, Jansen was zoo braaf niet! Hy +preekte niet, en sprak niet over zedelykhedens. Ternauwernood roerde +hy zulke dingen aan, als 't zyn beurt was alleen te praten in de kerk, +wat hem moeielyk genoeg viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had +zich aantestellen alsof-i beter was en meer wist dan 'n ander. Voor +schryver zou hy in 't geheel niet gedeugd hebben. Hy was goed in den +uitgestrektsten zin van 't woord, tenzy men het toekennen van deze +hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads +te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon +nu eenmaal met pater Jansen 't geval niet wezen omdat hy niet wist +wat kwaad was. Toch, of juist daarom misschien, wekte z'n voorkomen, +z'n manier van spreken en vooral, waar 't noodig was, z'n handelwys, +in zeer hooge maat tot deugd op. Maar ook dit was hemzelf geheel +onbewust, 'n onkunde die hem bewaarde voor de nederigheid waarop hy +in dat geval zich misschien zou hebben toegelegd, en die z'n overigens +zoo volkomen ongekunsteld karakter zou ontsierd hebben. + +Hy verhaalde nog een-en-ander van z'n dorp, en Wouter die behoefte +voelde aan afleiding, luisterde met meer belangstelling dan de zaakjes +die pater Jansen meedeelde, waard waren. Het was de gemoedelyke, +zachte, onhartstochtelyke toon die hem goeddeed, en telkens betrapte hy +zich op de verzuchting: "och, was ik maar te Vucht by dien smid!" De +herberg en 't dansen hoefde er niet eens by om naar zoo'n heerlyk +land te verlangen. + +--Je moet 'm zien staan in z'n travalje, zei de pastoor. Klik, +klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En z'n mouwen +opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, zoo'n smid werkt +in z'n hemdsmouwen. + +Wouter voelde neiging z'n pronkjas uittetrekken, en aan 't smeden te +gaan. Wat zoo'n smid toch 'n gelukkig mensch is, en hy... + +--Och, m'nheer, ik zit zoo verlegen! Ik durf waarlyk niet thuis komen +met dit vervloekte ding aan m'n lyf. + +--O, we moeten niet vloeken. Zoo'n jas heeft er geen weet van of-i +mooi of leelyk is, moet je denken. Ja, de man zal zeker veel geld +willen hebben, want van z'n winst moet-i leven, zieje, en zulke +menschen hebben altyd groote huishoudens. Heb je misschien kennis aan +'n horlogemaker? + +--Neen, stamelde Wouter. + +--Misschien weet Vrouw Claus wel waar we wezen moeten, zei de pater, +terwyl-i 'n ouwerwetsch zilveren horloge uithaalde. Maar 't is niet +best van loop... als we maar wisten wie 't koopen wou! Waarom huilje? + +Inderdaad, de tranen liepen Wouter over de wangen. + +--O neen, neen, dàt niet, m'nheer, dat kan niet! + +--Ik zal er weinig weet van hebben, want dikwyls staat-i stil. 't +Is heel lastig, 'n horloge dat niet goed gaat, maar 't is van m'n +vader, en daarom... och, ik hecht er niemendal aan, want ik heb genoeg +andere dingen van hem, die ik bewaar als goud, dat begryp je wel! Als +je-n-'ns by me komt, zal je 't zien. 't Briefje van z'n eerste kommunie +hangt boven den schoorsteen. Hy was ook 'n smid, en nog veel sterker +dan m'n broer... zooals ze zeggen, want gekend heb ik den man niet, +omdat ik pas 'n jaar oud was toen-i stierf. Als we nu maar wisten wie +'t koopen wou! + +De goede man woog 't horloge op de hand. + +--Dat zal niet gebeuren, pater, riep Vrouw Claus, die weer +binnentredend, de laatste woorden verstaan, en terstond begrepen +had wat er mee bedoeld werd. Dàt zal niet gebeuren, en 't is niet +noodig ook, ging ze voort, 'n papiertje waarin geld gewikkeld scheen, +omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was dat zoo niet, +dan zou ikzelf nog wel raad weten voor 'n dukaton of tien. Hoor eens, +jongeheer, kyk me-n-eens goed aan... ja, pater, 't moet er nu maar +uit, ze zegt het zelf, en dat gedraai en gemaal verveelt me danig. +Zeg, jongen, kan je zwygen? + +--Ja, zei Wouter, en hy sprak de waarheid. + +--Nu dan, Fem is niet hier, en 't meiske dat je zeker gezien hebt op +den weg... ja, aan je oogen zie ik dat je 'r gezien hebt... + +'t Is waar dat Wouter 'n eigenaardig gezicht zette by 't ontwaren van +wat kans op opheldering over de vreemde vertooning van dien ochtend. + +... ja, ja, ik begryp heel goed dat je 'r naar gekeken hebt! Nu, dat +was onze Fem niet, jongen! Dat is, om 't nu maar zoo eens uittedrukken, +'n juffer die--hoe zal ik zeggen, pater? Want de pater weet er van, +dat begryp je wel, anders deed ik 't niet!--dat is 'n juffer die van +staat veranderen wil. + +--Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O God, +o God, ik wist het wel! + +--Hè? Hoe kon jy dat weten, jongen? Wat weet je? Niks! + +--Prinses Erika! Heeft ze niet naar me gevraagd! O, zeg, of ze niet +naar me gevraagd heeft? + +--'t Is 'n juffer die van staat verandert, zeg ik je, en die by my +'t wasschen leeren wil. Maar ze wil 't niet weten voor de menschen +en voor 'r familie, en daarom laat ze je verzoeken, nooit 'n woord +over haar te spreken. Ze zei me dat je woord houden zou als je 't +beloofde. Je schynt iets met 'r gehad te hebben... + +--Ja, o ja, riep Wouter. + +--Men moet altyd z'n woord houden, zei pater Jansen. + +--Dus je belooft het? vroeg Vrouw Claus. + +--Ja, by God! riep Wouter. + +--Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, die +als 'n eed opnam wat in Wouter's mond slechts 'n romanfraze was, +al meende hy 't dan even goed alsof-i eenvoudig "ja" gezegd had. Hy +'n dame verraden, en háár nogal! + +--Nu, goed dan, vervolgde Vrouw Claus, ik heb haar verteld wat je +op die buitenplaats en te Haarlem hebt uitgevoerd, en ze zegt dat er +geen kwaad by is, als je nu maar precies doet wat ik je zeggen zal. + +--O, alles, alles! + +--Kyk, hier is geld voor je kleertjes--steek je horloge gerust weer in +je zak, pater--maar ze zegt dat het eerst gewisseld moet worden. Gut, +pater, als de jongen 't nu maar niet weer verdoet! + +--Je moet het vooral niet verdoen, jongeheer. Ik ken die munt wel. We +hebben er eens precies zoo een in 't zakje gehad... verleden, weetje, +toen er zooveel vreemde heeren in de stad waren. + +'t Waren gouden friedrichs, en wel vyf in getal. Vrouw Claus zei +dat het meisje meer had willen geven, maar dat ze haar hiervan had +teruggehouden uit vrees voor 't "verdoen." Die glinsterende stukken +herinnerden Wouter aan de gemakkelykheid waarmee de schipper met +den bonten muts zich gezag had weten te verschaffen in die kroeg +op de Botermarkt. Er ging hem 'n lichtjen op, waarvan-i gebruik +maakte om 'n schrede voorwaarts te doen op 't gebied van munt- en +menschenkennis. Maar tyd om zich te verdiepen in de aandoeningen van +dien vreeselyken en toch zoo heerlyken nacht, had-i niet. "Ze noemde +my broeder..." begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z'n gedachten +afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze voortzette, want +ook zy sprak van 'n broeder, schoon men erkennen moest dat het woord +in haar mond wat minder voornaam en boekerig klonk. + +Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z'n trekken haar byzonder +belang inboezemden. + +--Ja, gut, jy zag er vroeger ook lief uit, maar nu niet meer, als +ik je nu eens de gulle waarheid zeggen zal. 't Was misschien voor +jou ook wel 'reis goed als ie 't zeegat uitging--want, pater, hy wil +naar zee... haar broer, meen ik--je ziet erg bleek, jongen, wat zeg +jy, pater? Zoo'n kind versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef +Holsma zei 't ook. Maar nu dat geld, weetje waar 't gewisseld worden +kan? En zal je 't niet verdoen? + +--Neen, juffrouw, zeker niet! Maar... + +--'t Is waar ook, je durft met die malle plunje de stad niet in. Dat +zal toch moeten! En heel naar Haarlem dan, hoe zou je dàt maken? + +--Als ik van dienst wezen kan, zei pater Jansen. + +--Wel, pater, als je met den jongen meeging? + +--Dat wil ik wel doen, antwoordde de goede man, als we maar weten +waar we wezen moeten. + +Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in één ding zich diligent +toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer 't adreskaartje voor +den dag. Pater Jansen verzekerde dat de zaak nu heel makkelyk kon +geschikt worden, en er werd afgesproken dat Wouter hem naar z'n woning +vergezellen zou om daar te wachten tot het geld gewisseld was. Dan +zouden ze tezamen naar Haarlem gaan. + +--Ja, maar dan je moeder nog, en die heeren van de buitenplaats? Ze +heeft gezegd... wacht even, pater. Ik denk dat ze nu wel klaar wezen +zal, want ze wou 'n brief schryven. + +Inderdaad, de juffer die van staat veranderen wou, was aan 't +schryven geweest. Althans Vrouw Claus die zich 'n oogenblik naar +'t achterkamertje verwyderd had, kwam met 'n briefjen in de hand terug. + +--Ze zegt dat je dit bezorgen moet als je van Haarlem terugkomt, maar +eerst moet je by Neef Holsma gaan, en hem alles precies vertellen. En +nu, gaat heen, allebei. Ik heb 'n drukte, je leven zoo niet! En dat +vreemde kind... lief en goed is ze, dat moet ik zeggen Maar, zieje, +ze heeft nooit 'n hand uitgestoken. 't Is onze Fem niet, moet je +denken. Dus, mannetje, je gaat met pater naar Haarlem, en dàn dat +briefje... neen, eerst by Neef Holsma, en daar vertel je alles, +en nu, goeien dag! Pater, pas op 't verdoen, want de jongen steekt +vol rarigheid. + +De beide bezoekers verlieten 't huisje. Wouter bezag met +begrypelyke nieuwsgierigheid het adres. Het was de naam van 'n +zeer bekende koopmansfirma, van "'n huis op Archangel" zouden z'n +postkantoorvrindjes gezegd hebben, en de pater scheen dit best te +begrypen: "want, zeid-i, voor ze van staat veranderde, is ze veel in +Rusland geweest." Hy noodigde Wouter vriendelyk uit, aan z'n rechterzy +te gaan, en begon ter opheldering van dit verzoek zeker voorval uit z'n +jeugd meetedeelen, waarmee hy evenwel op verre na niet gereed was toen +ze zyn woning bereikt hadden. Hier nam 't gesprek 'n andere wending, +zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen weten +waarom pater Jansen zoo doof was aan z'n linkeroor. + + + + + + + + 't Ware, echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol + rammelend gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een + stuk nederlandschen volksroem uit de 17e eeuw, afhankelyk gemaakt + van de vraag of pater Jansen en Wouter in dit hoofdstuk Haarlem + bereiken? Ik geloof het niet, maar de zaak kan meevallen. + + +Het spyt me, lezer, dat ik niet weet of ge ooit 'n protestantsch +jongetje geweest zyt, en in die verheven hoedanigheid bezoeken hebt +afgelegd by 'n katholiek priester? Zoo neen, dan zal 't me moeielyk +vallen, u duidelyk te maken wat er in Wouter omging toen hy met den +pater by de kerk was aangekomen, waarnaast of waarachter de goede man +z'n verblyf hield. 't Was in 'n achterbuurt, en wie niet wist dat daar +'n kerk was, zou 't waarlyk niet geraden hebben. [26] + +In den kring der Pietersens rilt men by de gedachte aan zoo'n +buitensporigheid, maar er zal 'n tyd komen dat 'n schryver +moeite hebben zal z'n lezers duidelyk te maken waaruit die afkeer +voortvloeit. Ook Wouter begreep niet recht wàt hem beheerschte, maar +zeker is 't dat hy iets als beklemdheid voelde toen pater Jansen voor +'t onaanzienlyk huis stilhield "waar z'n kerk was" naar-i zeide. + +--En hier is de ingang naar myn woning, vervolgde hy, 'n deur +openende die den toegang afsloot naar 'n lange smalle gang naast het +hoofdgebouw. Ik woon best, jongeheer, dat zal je zien. Maar zou je +nu niet eerst naar de Kolveniersburgwal gaan? + +Met 'n blik op z'n kleeding smeekte Wouter om genade. + +--Liever als we van Haarlem zyn teruggekomen, m'nheer! Heusch, dan +zal ik terstond gaan, maar nu... + +--Zou je denken dat 'n jas van my... + +--Neen, neen, o neen, riep Wouter haastig, dat zal niet gaan, m'nheer! + +Zeker 't mankeerde nog maar aan de zonderlinge toestanden waarin hy +zich telkens geplaatst zag, dat-i de Holsma's ging bezoeken in de +jurk van 'n pastoor! + +--Nu, wacht dan maar by my tot ik geld gewisseld heb, en dan samen +op reis! Ik doe 't met pleizier, want ik ben lang niet te Haarlem +geweest. Houd je van halletjes? + +De goede man geleidde Wouter in z'n woning die uit 'n paar kamertjes +bestond, welke door 'n somber binnenplaatsje van den achterkant dier +kerk gescheiden waren. + +--Kyk, zeide hy, wat ik hier best woon! Zou je wel gelooven dat ik niet +ruilen wil met 'n bisschop? En gemakkelyk... nergens zoo! Soms ontvang +ik hier aanzienlyke menschen--verleden week nog 'n advokaat--en ze +zyn allemaal jaloersch op m'n woning, en... op 't gemak, zieje. Want +als ik 's morgens opsta voor de vroegdienst--ja, ja, soms is 't nacht +nog!--kyk, zóó ben ik wakker en... wip, in de kerk! Verleden--maar +spreek er niet over--vond onze Styn... daar is ze juist, Wel, Styn, +ik ga naar Haarlem met dezen jongeheer. Wat zeg je daarvan? + +Styn zei er niets van dan: "gut, pater!" en 't was genoeg. Althans +hy drong niet op verder antwoord aan, en ging, tot Wouter sprekende, +voort: + +--Ze bedient me-n-al over de dertig jaar, my en pastoor Koens die +z'n kamers hiernaast heeft... 'n man van belang! Dien moet je leeren +kennen! Hy verstaat grieksch alsof 't niets was. Jy zeker niet, +hè? Nu, dat doet er niet toe. Maar verleden... wat wou ik je vertellen? + +--'t Was iets van Styntje, m'nheer, en dat de kerk zoo naby was. + +--'t Is gek in 'n mensen dat-i soms niet weet wat-i vertellen wou. Ja, +de kerk is vlak by, en als ik 's morgens opsta... kyk, nu weet ik +wat het was. Ik had gedroomd van Vucht en van de kermis, en werd wat +laat wakker, en sprong 't bed uit, en haastte me met kleeden, en wat +doe ik--maar ik wist 't niet, dat begryp je wel--ik vergeet een van +m'n kousen aantetrekken, een van m'n zwarte overkousen. Maar Styn +zag 't, want ze vond hem, en ze liep er me mee achterna, en ze riep: +"pater, pater!" en ik wist niet wat ze wou, maar toen hield ze de kous +omhoog, en toen wist ik het! Maar ik heb niet gelachen--omdat ik al +in de kerk was, en je begrypt... dat is 'n huis Gods--en ik ben hard +teruggeloopen, en toen schater-de-n-ik 't uit, en Styn ook. Maar in +de kerk heeft niemand het gezien, want het was donker, en... er was +nog geen mensch. + +Deze onnoozele vertelling stak alweer zeer vreemd af by Wouter's +hoogdravende begrippen over goddelyke zaken, en niet minder by de +indrukken die de klooster- en monniken-romantiek op z'n verbeelding +had nagelaten. Hy vertrouwde z'n ooren niet. Maar de goede pastoor +bemerkte niets van z'n verwondering, en verliet hem nadat-i hem den +raad had gegeven zich den tyd te korten met 'n paar boeken die hy +uit 'n wandkastje nam en op tafel legde. Maar aan tydkorting had +Wouter geen behoefte. Hy zag 't kamertje rond, en verbaasde zich +over de verregaande eenvoudigheid waarmee 't gemeubeld was. Een +metalen Christusbeeldje en 'n paar Heiligen-printjes maakten met +het eerste-kommuniebriefje van Jansen's vader, daarvan de eenige +versiering uit. Dit laatste hing achter glas in 'n lystje boven den +schoorsteenmantel. De tafel was van geverfd hout, en 'n viertal stoelen +met matten zittingen voltooiden de stoffeering, tenzy men de hortensia +en 'n paar maandrozen meerekene, die buiten 't opgeschoven raam in de +vensterbank stonden. Zelfs Wouter, die waarlyk niet aan weelde gewoon +was, stond verbaasd over de spaarzaamheid van zoo'n inrichting. Kort +voor de onverwachte expatriatie van den Weledelen Heer Motto had-i aan +de hand van Anna Radcliffe en konsorten 'n lange galery van roomsche +akeligheid doorloopen, waarin 't wemelde van overdaad op allerlei +gebied. De armste monnik had kasteelen te zyner beschikking--gewoonlyk +waren ze ontoegankelyk, en men moest al zeer goed den weg in +'t gebergte weten om ze te zien te krygen--kasteelen waarin +weerspannelingen levenslang begraven werden. Elk roomsch geestelyke +bezat zakken vol goud waarmee hy den geloovigen bandiet betaalde, die +de Kerk behulpzaam was in 't uit den weg ruimen van lastige personen, +van iemand, byv. die bybels en traktaatjes verspreidde, of geweigerd +had z'n bruid aftestaan aan 'n bisschop. Wat ter-wereld kon zoo'n +pater Jansen bewogen hebben zich R. C. priester te laten maken, +nu de emolumenten van 't beroep zoo armoedigjes bleken verschraald +te zyn? Of zou er misschien ergens... Wouter betastte den wand om +'n geheime deur te ontdekken, en verheugde zich over 't aanvankelyk +mislukken van z'n poging, omdat de ware geheimheid van zoo'n deur toch +eigenlyk hierin bestaat dat ze zich niet gemakkelyk vinden laat. Nu, +aan deze voorwaarde van geheimzinnigheid voldeden de toegangen tot +pater Jansen's verborgen schatten en martelkamers opperbest. Wel liep +er hier-en-daar 'n scheur door 't gebloemd papier waarmee de wand +bedekt was, maar de richting daarvan gaf te duidelyk getuigenis van +'n onwillekeurige breuk in 't metselwerk, dan dat daarby zou kunnen +gedacht worden aan de kunst waarmee romanschryvers van de bekende +soort groote lokalen weten te verbergen in 'n kleine ruimte. Bovendien: + +--Dáár zyn de kamers van den pastoor die zoo sterk is in 't grieksch, +redeneerde Wouter, en aan die andere zy hoor ik Styntje rammelen met +'r keukengereedschap. Aan den voorkant zyn de vensters, de hortensia, +de binnenplaats en de kerk, en hier... daar zou 't moeten wezen, +àls er iets was. Maar... + +Ik kan niet juist zeggen door welken gedachtenloop Wouter tot het +besluit kwam dat die vierde wand van de kamer niets geheimzinnigs +bedekken kon. Misschien bedacht hy dat er zeker aan die zyde wel buren +zouden wonen die niet betrokken konden zyn in romantiek. Maar op-eens +sloeg hy de oogen op den grond. Onder dien vloer was zeker plaats +genoeg voor prikkelende akeligheid. O ja, tot de tegenvoeters toe. God +weet hoeveel rammelend gebeente zich daar in zwygende eenzaamheid lag +aantekyken! Misschien ook dwaalden er nog levende slachtoffers van +inkwizitie en verliefde bisschoppen in die gewelven rond. Wie weet +of niet juist op dit oogenblik de schoone Isabella haren voorlaatsten +adem uitblaast. Daar knerste iets... + +Wouter hield den adem in. Ik weet waarachtig niet wat er knerste, +en geef den lezer in overweging te gelooven dat het geluid 'n +alleronschuldigste oorzaak had. + +...daar knerste iets. Zou er dan toch inderdaad onder die mat... + +In geen van de romans die Wouter gelezen had, waren die valluiken +met matten bedekt geweest. Dit kon de nieuwste manier wezen, en in +romantiek moet men op alles verdacht zyn. Wouter was volstrekt niet +van plan den goeden pater Jansen te verraden, als-i z'n geheimen zou +ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou niets liever dan deelnemen +aan al de schatten en kasteelen die er aan 't licht komen zouden, +zoodra hy zou afgedaald zyn in 't hol waar hem de schoone Isabella +zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel bevryd, en dan +met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend! Isabella-zelf +zou er schik in hebben, als ze maar eerst behoorlyk verlost was uit +dat gewelf. Maar... wàs er 'n gewelf? Wàs er 'n hol? Om zekerheid te +hebben, stampte Wouter met den voet... + +--Wou ie wat, jongeheer? vroeg Styntje die juist de kamer binnentrad, +en Wouter's grondig onderzoek niet best begreep. + +--Neen, o neen, juffrouw, volstrekt niet! antwoordde hy bedremmeld. 't +Is maar dat... dat ik... + +--Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis. + +--Dank u, dank u. 't Was maar dat ik... dat m'n voet slaapt. Dàt +was het! + +--Ja, niet waar, en dat prikkelt zoo. Ik heb 't ook wel eens +gehad. Maar 't gaat altyd weer over. Ik moet hier wezen, ziet u, +om paters Jézekie te schuren. + +En de goeie Styn nam 't Christusbeeldje van den wand, en poetste het en +wreef het dat het glom. De krucifix had waarlyk geen reden tot klagen +over verwaarloozing, al zou dan de oppervlakkige beoordeelaar meenen +dat Styntje wel wat ruw omging met het symbool van haar geloof. De +oorzaak van deze schynbare onverschilligheid lag in gewoonte, en in +afwezigheid van tegenstand. Wie kwaad van 't afgodsbeeldje gesproken +had, zou 't zeker by Styntje moeielyk te verantwoorden gekregen hebben, +maar nu hieraan niet gedacht werd, behandelde ze haar Jézekie met +niet meer omslag dan elk ander voorwerp van metaal dat ze reinigde, +schuurde, wreef en oppoetste. + +--Kyk, wat-i glimt! zei ze. Net 'n kaarsenmakers kat in den maneschyn, +vindje niet? + +Wouter had nooit 'n kat van de omschreven soort en in dat byzonder +licht gezien, maar toch erkende hy onvoorwaardelyk dat het beeldjen +er goed uitzag. + +--Ja, 'n mensch moet zindelyk op z'n goedje wezen! Ik heb wat te +stellen met pater... daar heb je geen begrip van! Want hy... denkje +dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En weetje waarom? Wel, +omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is 'n engel van God, en +zou vergeten z'n neus te snuiten, als ik 'm niet zei: pater, je bent +yerkouwen. En je gaat zoo naar Haarlem? En pater ook? Wat ga jelui +daar doen? 't Is 'n heele reis. + +Wouter verhaalde een-en-ander van 't voorgevallene, maar slaagde +er niet in, Styntje begrypelyk te maken wat er eigenlyk geschied +was. Hoofdzaak voor haar was en bleef paters reis naar Haarlem. + +--Als-i maar geen kou vat, mymerde zy halfluid, of... + +--'t Is mooi weer, juffrouw, zei Wouter. + +--O ja, dàt is 't! Maar... och, kou vatten is ook 't ergste niet. Ik +voel me-n-altyd als 'n mal mensch als-i uitgaat, en dan zoo ver! Kan +je me zeggen waar-i nu heen is? + +--Geld wisselen, zei Wouter. + +--Geld? Daar heb je-n-'t al! Nu zit ik in doodelyken angst. Ik wou +dat-i al goed en wel weerom was. + +Ze pakte het gereedschap waarmee ze 't Christusbeeldje zoo verkwikt +had, by elkander, en verliet morrend het vertrek. Wouter wist alweer +niet wat-i van Styntje te denken had. Haar kleeding en voorkomen +was als van 'n zeer bejaarde dienstmaagd, maar de gemeenzaamheid +waarmee ze sprak over haar meester--de man bleek tot het "goedje" te +behooren dat ze zindelyk te houden had--bracht hem in de war. Styntje +maakte met pater niet meer omslag dan met haar krucifix, al kan ik +verzekeren dat ze voor beiden met vreugd den dood getrotseerd had. Er +zou in dit byzonder geval weldra blyken wat de oorzaken waren van +haar bekommering over paters reis en 't geldwisselen. Er vertoonde +zich 'n bedelaar voor 't raam waar de hortensia prykte. De man keek +even naar-binnen, niet zoozeer als iemand die vraagt, maar als 'n +verwachte persoon die te kennen geeft dat-i er is. Weldra werd hy door +'n tweeden en derden gevolgd, die almede blyk gaven zich volkomen +thuis te voelen op 't binnenplaatsje dat den pater voor antichambre +scheen te dienen. Velen maakten 't zich gemakkelyk, en gingen op +'t een of ander uitstek zitten dat aan huis of kerk te vinden was, +als wilden zy door 'n charade en action de waarheid uitdrukken: +het pauperismus is 'n pestbuil van 't geloof. + +Ja, ja, ze waren geestig, die agenten in hemelassurantie! + +Wouter hoorde dat men zich onder dat zoodjen onderhield over +de afwezigheid van den huisheer, en wel op 'n toon die zekere +ontevredenheid liet doorschemeren. Wel zeker, de man had op z'n post +moeten zyn! + +--Maar de meid is er toch, riep 'n jongen die den kost won met lam-zyn, +maar nu toch 't kozyn van een der lagere kerkvensters had weten te +bereiken, waar-i gargouille speelde. + +--Ik wacht liever op den ouwe, zei 'n blinde. + +--Houd jy je mond, je mag er niet eens wezen, je bent 'n dinsdagger. + +--Wat gaat dat jou aan? Jyzelf mag je mond wel houden, je hebt verleden +by 't uitgaan van de Jakobskerk drie gestaan, en je bent maar zeven. + +--Né, zes nou, want de ouwe Jonas is dood. Maar jy bent 'n +dinsdagger. Ga heen, zeg ik je! + +--Je hebt op drie gestaan. + +--Jy bent 'n dinsdagger, ga heen! Toe, allo, jongens, dringt 'm de +gang uit. Hy steelt ons 't brood uit den mond. + +--Wàt? 'n Dinsdagger? riep nu 't uitwas van de kerk. Dat mag niet. Er +uit met hem! + +En de lamme wist vry vlug op den grond te komen om 't geschonden +bedelaarsrecht te handhaven. De man namelyk die tot de bedeelden van +dinsdag behoorde, mocht zich niet vertoonen onder 't gezelschap dat +zich 's maandags om ondersteuning by pater Jansen aanmeldde. En wat die +andere beschuldiging aangaat--"drie staan als zeven je plaats is"--ze +doelde op 't overweldigen van 'n rangnummer. Te na by 't uitgaan van +de kerk wordt voor onvoordeelig gehouden, daar de drukte het uithalen +van beurs of porte-monnaie belet. Ook schynt ieder haast te hebben in +de eerste oogenblikken na 'n kerkdienst. Maar 'n standplaats te ver van +de deur is ook niet goed, want de meeste loopen, na twee of drie keeren +iets aan 'n bedelaar gegeven te hebben, onverschillig door. Zonder 't +minste besef dat ze te veel deden--namelyk iets verkeerds--meenen ze +toch genoeg verricht te hebben. Hoe dit zy, volgens alle oordeelkundige +schryvers die kanker en koudvuur tot 'n byzonder onderwerp van studie +maakten, is er geen voordeeliger standplaats dan nummer drie. Indien +dus de man die den ander zoo liefdeloos beschuldigde van inbreuk op +pater Jansen's dagorde, zich inderdaad schuldig maakte aan diefstal +van dat nummer, was de ander volkomen in z'n recht hem 't zwygen +opteleggen. Maar ook de dinsdagger zelf had zich te verantwoorden, +en wel by Styntje die op 't rumoer naar buiten kwam. De man die zich +'n dag te vroeg aanmeldde, verontschuldigde zich door de opmerking +dat-i op dinsdag "zoovéél huizen had" en dat-i "z'n beenen uit het +lyf moest loopen" om al z'n klanten behoorlyk te bedienen, denk ik. + +Styntje gaf ieder wat, maar niemand scheen tevreden. Er bleek dat +de heeren aan drie duiten de persoon gewoon waren, en nu met twee +werden afgescheept. Maar de oude meid hield zich flink. "Wie nog +'n woord spreekt, wordt van de lyst gestreken, zei ze. Ik heb nog +zes heele dagen van Gods lieve week voor me, en 'n mensch moet toch +zorgen dat-i toekomt, niet waar? Voort, allemaal, de plaats af en de +gang uit, voort! 't Is, dunkt me, wèl zoo! + +Het gemeene troepje liet zich niet zonder moeite bewegen heentegaan, +en Wouter hoorde met verontwaardiging hoe er door sommigen gemord en +gescholden werd. Als 't weer gebeurde dat de-n-ouwe niet thuis was, +heette het, zouden ze liever wachten tot-i weerkwam, want zoo'n +meid was toch ook maar 'n "loontrekkende dienaar, die niet weet wat +'n mensch toekomt." 't Schynt vreemd, maar waar is het, dat in den +mond van den arme, gebrek aan rykdom of laagte van stand 'n misdaad +is. Volgens heeren bedelaars had Styntje ryk moeten zyn, of hertogin, +of burgermeestersnicht, voor ze zich 't recht mocht aanmatigen +'n woordje meetespreken en 'n hand uittesteken--want dit dééd ze, +en Wouter had dapper geholpen--ter verdediging van paters erf: niets +is aristokratischer dan 't gemeen. + +Nadat ze met hun beidjes het terrein hadden schoongeveegd, +volgde Wouter de amazone weder in de kamer. Ze jammerde over haar +voedsterkind. + +--Och, jongeheer, ik wou dat pater kwam! Ik heb rust noch duur als +de man de stad in is. En dan met geld, zeg je? Is 't veel? + +Wouter kon de som niet bepalen, maar sprak van kostbare muntstukken +die gewisseld moesten worden. + +--Goud? Och, lieve Jeessis, dat's voor hem krek 't zelfde. Och, waarom +den man de stad intesturen met geld? Heb jy dat baantje voor hem +uitgedacht, jongeheer? Slim is 't niet van je! Waarom deed je 't niet +liever zelf? Met geld kan men niet te voorzichtig wezen... ieder kan +'t gebruiken, zieje? Als-i nu in Jeessis naam maar niemand tegenkomt +die wat noodig heeft! Goud? 't Kan hèm wat schelen! De gespen van +z'n vaders broek waren van zilver, en toch zyn ze weg! En om koper +geeft-i ook niet. Raad eens hoeveel bedeelden we hebben? Wel tachtig +alle weken! Ik heb er 'n heele lyst van. En ze zouden ieder hun eigen +dag houden, maar denkje dat ze 't doen? Neen! Want er zyn rakkers +onder--dat ik zoo'n zondig woord zeg--ja, rakkers, die tweemaal +komen, maar pater wil 't niet gelooven. En of ik al zeg: "pater, +'t is slecht volk!" hy wil er niet van weten. + +--M'nheer Jansen is te goedig, zei Wouter. + +--Een zoete-n-engel van God is-i! Maar ik moet op 'm passen. Drie +duiten de man, gaat niet, zesmaal in de week... reken maar na! Daar +waren er vyftien vandaag, en de man heeft zelf geen boter op z'n +brood. Nou, ik ook niet, maar dat's tot dááraan toe. Maar dan +alles wegtegeven aan slecht volk! Ik heb ze nu maar twee duiten +gegeven, en daarom bromden ze zoo. Ze willen klagen by pater. 't Is +'n zoodje! Hoe meer je geeft, hoe luier ze worden. En hoe brutaler +ook. Dat heb ik altyd opgemerkt. Maar pater begrypt het niet, of hy wil +'t niet weten. En als ik zeg: "'t Zyn rakkers, pater!" dan zegt-i dat +we-n-allemaal zondaren voor God zyn, en dat hy ook z'n fouten heeft, +en bly toe wezen mag dat God hem kleeren en eten geeft, en 'n mooie +woning. Zondaars voor God? Nou ja, 't heele menschdom, maar hy? Ik +weet sekuur dat God niks van den man te goed heeft, niet zie zóóveel! + +Styntje streek met 'n bevalligen zwaai over de hand. Mocht God 'n +oogenblik te-voren nog in den waan verkeerd hebben dat pater Jansen by +hem in 't kryt stond voor erfzonden en eigen fouten, dan waren Styntjes +gelaatstrekken en haar barbiersgebaar wel geschikt hem den moed te +benemen om op de likwidatie van die onbillyke vordering aantedringen. + +--Niks, niemendal, ging ze voort. Hy is proper en schoon als 'n +brand. Maar dat bedelvolk, kyk! En "al die armen zyn z'n broeders" +zegt-i. + +--Dat heeft Jezus gezegd, kathechizeerde Wouter. + +--Jezus? Zoo! Heeft de Heere Jezus dat gezegd? Nou, dan heb ik er +vrede mee dat-i 't ook zegt. Maar toch... wàt broêr? Ik vind dat 'n +mensch z'n eigen broêr moet wezen ook. En hy? Hy is, om zoo te zeggen +z'n eigen neef niet, z'n zwager niet, z'n eigen stiefkind niet, neen, +dat is-i niet! Hy loopt weer op z'n tandvleesch. Heb je 't niet gezien? + +'t Scheen wel dat Wouter blyk gaf deze schilderachtige uitdrukking +niet te verstaan. Althans de oude Styntje kommenteerde: + +--Nou ja, op 't overleer, z'n schoenen zyn doorgesleten. 't Is m-e-'n +kruis! En z'n jas is ook niet van de nieuwsten. + +Wouter voelde schaamte over 't gewicht dat-i aan zyn kleeding hechtte. + +--Al vier jaar lang spaar ik voor 'n nieuwen, of... ik wou sparen, +maar 't gaat niet! Die bedelaars kosten ons zeker twee gulden in de +week... spaar dan eens voor nieuwe jassen! Zeg, jongeheer, kan je +niet eens aan pater zeggen dat-i wat zuiniger wezen moet, en niet +zoo altyd alles weggeven? + +Wouter groeide. Hy werd aangesteld tot Mentor over 'n bejaard +man, en wel door 'n vrouwspersoon die nog volwassener was dan z'n +pupil. Met veel genoegen had-i Styntjen omarmd, maar hy speende zich +van deze uitspanning, en stelde zich schadeloos door de zelf-genoegzame +pedanterie van z'n antwoord. Styntje's verzoek werd genadig opgenomen +en geflatteerd: + +--Hoor eens, juffrouw, u kan verzekerd wezen dat ik van myn kant al +'t mogelyke zal aanwenden om... + +--Wel zeker! Want my gelooft-i niet, omdat ik niet geleerd ben. Je +moet hem zeggen dat de jongen die daar zooeven met z'n derriére... + +Zoo vertel ik, maar Styntje sprak hollandscher, bondiger, korter +en beter. + +...de jongen die zoo-even met z'n... zitwerktuigen dan, in 't venster +van de kerk zat... 'n luiwammes is-i, 'n doeniet, 'n rekel! Zeg +dat aan pater. Eerst was-i 'n blinde... jawel, zoolang-i 'n zusje +had, dat hem leien kon. Maar nou ze van 'm weggeloopen is--god weet +waarom? Misschien bedelt ze liever op 'r eigen houtje--nou is-i op-eens +'n lamme geworden. Hoe vindje dat? Zeg 't aan pater. + +--Ja, ja, juffrouw, ik zal 't hem zeker zeggen! + +--En dan van dat vuile schepsel ook, dat daar in den hoek zat. Heb +je 'r gezien? Eens toen er sneeuw lag, zei ik: "veeg de sneeuw van +de plaats, dan kryg je zes duiten." Was 't goed geprezenteerd, of +niet? Maar ze deed het niet, en zei dat ze te veel huizen verzuimde. + +--Huizen, juffrouw? + +--Ja, bedelhuizen. Ze had er zeventien alle-dag, zei ze, en toen +schold ze me-n-uit over m'n zes duiten. Dat zei ik aan pater. En wat +zeid-i? "Och, zeid-i, ze is te oud, 't mensch kan niet vegen." Heb +je van z'n leven! Ik zei: "pater ze is jonger dan ik!" Nou, 't is de +waarheid, want ik ben acht-en-zestig, Da's oud, hè? + +Gewis vond Wouter dit oud! Hy begon de vrouw belangwekkend te vinden, +die zooveel moest beleefd hebben naar-i meende. Dat de kring waarin +ze zich bewogen had, wat klein was, kwam niet in hem op. Hy voelde +verlegenheid over z'n jeugd, en om haar te doen voelen dat-i door +studie had aangevuld wat hem aan jaren ontbrak, zocht-i in z'n +herinnering iets op, dat getuigenis geven mocht van voorhistorische +kennis. Styntje moest toch weten dat-i de funktie van zieleherder die +ze hem zoo gul opdroeg, niet geheel onwaard was, en ook dat-i meer +wist dan hy in z'n kort leventje met eigen oogen kon gezien hebben. + +--Zéér oud, betuigde hy. Dan heeft u zeker de uitlegging van de +stad bygewoond? + +--Dáár weet ik niet van, jongeheer. Maar... die oude nukkige Griet! Wat +denk je dat pater deed! Hy zei: "och, Styn, je moet denken ze-n-is +'n arm mensch!" "Dat 's waar, zei ik, en dat denk ik. Maar jy bent ook +arm, pater, en ik ook." Nou, dàt zei ik er maar zoo by, want ik heb 't +wèl, en klaag niet, godbewaarme! Maar dat pater soms droog brood eet, +is 'n ware zonde voor god en menschen. Soms is er geen duit in huis, +en dan moeten we leenen van pastoor hiernaast, die ook niet te veel +heeft. Ook 'n goed mensch anders, dat moet ik zeggen, maar hy spreekt +niet veel. Pater zegt dat-i de geleerdste man van de wereld is, en lang +professer of bisschop had moeten wezen, als-i maar niet zoo... nou, +dat gaat my niet aan, en jou ook niet. Maar die luie Griet! Ze dééj +'t niet, en ze deej 't niet, en de sneeuw bleef liggen dien dag, en +ik zei: "goed, pater, dan zal ik 't doen." En den volgenden morgen +zou ik vroeg opstaan, en dat deed ik ook, want de sneeuw loopt zoo in, +weetje, en dan heeft de man natte voeten, en dat kan ik voor God niet +verantwoorden. En toen ik op de plaats kwam... weg was de sneeuw! Wat +denk je dat er gebeurd was? + +--Dooi? vroeg Wouter. + +--Gut né, 't vroor twee zeeuwen dik. Ik keek beduust op de blanke +steenen, en zocht de sneeuw... geen krummel te zien, hoor! Toen +hoorde ik pater lachen in z'n kamer, want hy zag me daar staan als +'n gek mensch naar de sneeuw te zoeken, die weg was. Hy was vroeger +opgestaan dan ik, en had alles weggeruimd. Hoe vind je dat, jongeheer? + +--Hoor eens, juffrouw, als 't weer gebeurt... roep my, dan zal ik +'t doen. + +--Was 't geen schande? En dat voor zoo'n lui dier als die Griet! Nou, +ik was kwaad als 'n spin, want ik heb den man zielslief, dat begryp +je wel, maar hy lachte me-n-uit. En ik blééf kwaad, en toen sprak hy +weer van arme broeders, maar ik zei dat die luie Griet m'n broêr niet +was, en zyn broer ook niet! Wel neen, wat zeg jy? Zoo'n lui beest! + +Wouter zei ditmaal eens niets, maar aan indrukken ontbrak 't hem +niet. Hy voelde wel dat er iets liefelyks te lezen stond op de bladzy +van 't groote levensboek, dat hier voor hem werd opgeslagen, maar kon +z'n ingenomenheid niet rymen met den weinig romantischen vorm waarin +hem 't schoone werd voorgesteld. Zeker, er moest nogal veel aan Styntje +veranderd worden voor ze, al was 't dan maar heel uit de verte, gelyken +kon op de schoone Isabella die hier in 'n diep gewelf op verlossing +had behooren te liggen wachten. De goede oude vrouw zelf scheen +geen verlossing noodig te hebben, en in-plaats van slachtofferige +dames te bevryden van yzeren ketens, schraal dieet en priesterdwang, +kreeg Wouter zoo'n priester-zelf te redden uit de klauwen van z'n +eigen goedigheid. De ruil kon wreed genoemd worden door ieder die +niet inzag hoe onaangenaam Styntje's vertrouwelykheid prikkelde, en +vooral haar vertrouwen. Bovendien, dat uitdryven van den bedeltroep +had iets van 'n gevecht gehad, en by-gebrek aan beter moet men zich +met het mindere tevreden stellen. De romantiek is veerkrachtig, +en wat er in afmeting en gehalte aan de omstandigheden ontbreekt, +wordt aangevuld en opgesierd door den onbewusten goeden wil van de +Don Quichotten. Wouter was zoo tevreden dat-i z'n eigen jas niet meer +zag. Grootmoedig vergaf-i den pater dat er geen enkele gekluisterde +jonkvrouw in z'n woning was, en ook daaronder niet. Maar toch: + +--Wel, juffrouw, de woning is eigenlyk niet heel groot, vind ik. Heeft +u hier ruimte genoeg? + +--Wel wis en zeker! Als-i grooter was, kon ik den boel niet knap houden +in m'n eentje. Je moet denken dat ik de kamers van pastoor hiernaast +ook voor m'n rekening heb. 't Is 'n heel gedoe voor 'n mensen alleen. + +--En... kelders? + +--Ja, 'n beetje nat, maar anders best. We hebben er 's winters +aardappelen in, en turf ook. Die nattigheid is goed voor de turf... 't +stookt zuinig. Droge turf is geen aanhalen. Dan zou de man nog kou +lyden ook! + +De poging om zich te vermeien in krypt-romantiek brak alzoo weer +als glas af. Ketens en knokenpyramiden pasten niet by die huiselyke +nattigheid. Een "hol" mag vochtig wezen, o ja, en zelfs is dit een der +vereischten van de zaak, maar... aardappelen en turven? O, Lafontaine! +O, Radcliffe! + +--En... zyn er gewelven onder de kerk, juffrouw? + +--Dat weet ik niet. Maar ik verpraat m'n tyd. Beloof je me vast en +zeker dat je 'n oogje houden zult op pater met al dat geld? + +--Wees gerust, juffrouw! Ik zal... + +--En dat je hem eens terdeeg vermaant om wat meer voor zichzelf +te zorgen... + +--Zeker, juffrouw. + +... want, zieje, de man is zoo arm als Job, en dat gáát zoo niet! Ik +hoor nu dat er 'n dame in de stad gekomen is, heel uit Denemarken of +Hamburg of zoo wat, en die zou hem bystaan... + +--Ah! + +... zoo, weet je 'r van? Nou, des-te-beter! Ik hoorde 't van Femke +Claus... + +--Ah! + +... ken je die ook al? Nou, die biecht by pater, vroeger by pastoor +hiernaast, nu altyd by pater. En meestal gaat ze hier over de plaats +de kerk in, want ze brengt paters waschgoed, en zy heeft het me +verteld... van die dame-n-uit Hamburg, meen ik. + +--Ah! + +--Wat mankeert je toch, jongeheer? En ik... als ik die ryke dame +kan te spreken krygen, zal ik haar zeggen dat ze heel voorzichtig +wezen moet, en pater niet te veel geven. Want al had het mensch +'n inkomen van honderden in de week, 't zou niet genoeg wezen voor +al die bedelaars. Hoe meer je geeft, hoe meer er komen. 't Is maar +begieten van onkruid, zeg ik! Wel ja, moet 'n mensch niet werken voor +de kost? Dat heb ik ook gedaan, van zóó klein af. Ik ben 'n vondeling, +weetje, en heb mezelf door de wereld moeten slaan. Kan die luie Griet +dat ook niet doen? + +'t Vondelingschap beviel Wouter byzonder. De lust om daarvan iets +meer te vernemen, verdreef zelfs den indruk dien 't noemen van +Femke's naam--in-verband nogal met prinses Erika--op hem maken +moest. Zou Styntje's vader 'n ryke baron wezen? En teruggekeerd op +'t pad der deugd? Hy wilde meer van de zaak weten, en Styntje zei er +dan ook nog wel iets van, maar alweer 't rechte niet, naar Wouter's +meening. Ook hier wou 't alweer met de romantiek niet best vlotten. Wat +die Leentje toch gelukkig geweest was, zy die by haar eersten en +misschien eenigen uitgang zoo terstond op de smakelyke kern van de +vrucht onthaald werd! Wouter kreeg alweer niets dan leege doppen en +schillen, of althans dit verbeeldde hy zich omdat-i nog niet geleerd +had--er zyn er meer zoo!--z'n ontmoetingen op 'n afstand te zien. Wat +ons in oudheid belangryk, of in middeleeuwen romantisch voorkomt, +is eenmaal gewoon geweest. + +--Ja, jongeheer, 'n vondeling, ging Styntje voort, en ieder mag 't +weten. Wel ja, ik heb immers mezelf niet op de hei gelegd, heb ik +wel? Nou voor m'n moeder is ook gezorgd, en best, hoor! Want... op de +hei ben ik gevonden, piernaakt, om zoo te zeggen, ik had maar 'n oud +stuk mat om 't lyfje. Maar je begrypt dat ik 't maar van hooren-zeggen +heb. Ja, ik was in 'n lap mat gerold, anders niet! En nu? God heeft +me gezegend, dat zieje. Ik ben groot en sterk geworden... neen, sterk +ben ik geweest. Dat's tot daaraan toe. Maar ik heb wel elf hemden... + +--Hè, zei Wouter. + +--Ja, elf. Maar ze zyn wat oud. En telkens als ik er 'n twaalfde +by doe, moet ik een van de anderen weggooien. Daarom heb ik er maar +elf. Maar je moet denken, ik ben begonnen in 'n mat, en op de hei. En +nu woon ik by pater, al vyf-en-dertig jaar... 't is waarachtig geen +kleinigheid! Maar ik heb er voor moeten werken, dat spreekt. Zoolang +ik hier woon, houd ik twee heeren heel, en soms wel drie, want als de +dienst wat druk is, hebben we hier 'n kapelaan ook. Ja, ja, er moet +gewerkt worden in de wereld! Maar als je dàt doet, ben je klaar. Ik +ken menigeen die in 'n huis geboren is, en God op z'n bloote knieën +danken zou als-i by pater mocht wonen. + +--En... u ziet soms Femke hier? vroeg Wouter, niet zonder de strekking +dat deze byzonderheid Styntje's genot nog aanmerkelyk verhoogen moest. + +--Wel zeker! En ik moet zeggen dat ze my trouw helpt aan paters +goed... nu, anders kwam ik er niet. Want 'n mensch alleen... dat begryp +jezelf wel. Ook worden m'n oogen slecht. Maar van pastoor hiernaast +wil ze geen stuk meenemen. Ik geloof dat ze niet van hem houdt. + +--Zou hy haar iets misdaan hebben? vroeg 't riddertje. + +--Wel neen! Waarom? 'n Mensch houdt van den een, en niet van den +ander. Van pater houdt ze, dat weet ik. En hy van haar. Vroeger +biechtte ze by pastoor hiernaast, maar nu al sedert 'n jaar of wat niet +meer. Altyd by pater! Zoo zyn er veel, en de man kan 't niet af. Ik +heb al aan de menschen gezegd "ga toch liever by pastoor hiernaast, +die man is ook goed" zei ik, maar 't helpt niet, alleman wil altyd +by pater wezen. Nou, ikzelf ook, en ik bevind er me goed by, dat +moet ik zeggen. Hy is 'n beste! En zoo zal dat meisjen er ook over +denken. Maar jou heb ik nog nooit in de kerk gezien. Zeker woon je +ver. Waar is je parochie? By wien biecht je? Is je pastoor lastig? + +--Neen, o neen, stamelde Wouter die den moed niet had op dit oogenblik +te openbaren dat-i niet "van 't geloof" was. + +--Anders, ik kan je pater gerust rekommandeeren... hy is erg +gemakkelyk. Wat die man al zielen tot Onslieveheer geholpen +heeft... kyk! Als ik niet by hèm geweest was, zou 't er met m'n +moeder nog slecht uitzien, maar nu is ze wèl. Ga by pater, wat ik je +zeg! Of... neen, toch niet, de man heeft het te druk. Veel drukker dan +pastoor hiernaast. Die is 'n beetje... hoe zal ik zeggen? Isegrimmig, +ziedaar! Hy ziet niks door de vingers niks, niemendal! Nou, +alle menschen zyn niet eender, en sommigen moeten hard aangepakt +worden. Verleden heb ik gehoord dat er eens 'n man geweest is, die +niet bang was voor de hel. Hoe vindje dat? + +--Heel erg, juffrouw. + +--Zoo, vind je dat erg? Ja, 't is erg! Maar ik ben er ook niet +bang voor, want ik doe m'n werk, en ik zorg voor pater. Och, och, +waar blyft-i? + +--Is u niet bang voor de hel, juffrouw? + +--Gut né, volstrekt niet, want ik doe m'n werk. Maar die man deed z'n +werk niet. Hy vloekte en dronk, en ging om met slechte vrouwluî, en +toch was-i niet bang voor de hel. Zie je, hy had er bang voor moeten +wezen. Dat zei pater ook, maar toch zou God 't hem wel vergeven, +zeid-i, omdat de man niet beter wist, want... hy geloofde niet aan de +hel, en dat kan 'n mensch niet helpen, zei pater. Nou, ik had zoo'n +man wel eens op z'n sterfbed willen zien! Maar hy zal wel dood wezen, +want het is zeker lang geleden. Als ik sterf, zal ik heel tevreden +zyn, want pater zal voor m'n bed zitten, en my de hand drukken. Dat +heeft hy me vast beloofd. Dan zal ik God danken voor 't leven dat-i +my geschonken heeft, en omdat ik by pater gewoond heb. + +De goede vrouw bekruiste zich, en Wouter had het hart niet, te veel +hart liever, om hierin ditmaal iets bespottelyks te vinden. + +--Je weet niet hoeveel goeds ik genoten heb, jongeheer. Je moet altyd +denken, ik ben begonnen van niets, van niemendal, denk eens! Ik was +al tien jaar oud toen ik nog achter de koeien in 't veld liep, en als +ik in 't dorp kwam--want ik ben maar van 't boerenland--dan riepen de +jongens: "vondeling, vondeling!" En nu, kyk, al vyf-en-dertig jaar +by pater! Wat wil 'n mensch meer? En ik heb òververdiend voor m'n +moeder ook, dat begryp je. + +Wouter zette een vragend gezicht. + +--Ja, 't moest wel. Want zeker had ze niet goed met me gehandeld, maar +pater zei: "denk je dat 'n mensch voor z'n plezier z'n kind op de hei +legt? Dat zyn treurige zaken, men moet er meely mee hebben!" En ik +heb kousen voor hem gebreid, en voor elke kous gaf-i 'n mis aan m'n +moeder. Dat was heel in den beginne, toen ik pas by hem kwam. En toen +werd het koud, en ik had winterhanden en kon niet breien. En dat speet +me erg voor m'n moeder, en ook voor pater, want de man had z'n kousen +broodnoodig. Maar de ziel van m'n moeder was 't ergste, dat begryp +je. Denk je nu dat pater er na keek of ik breien kon of niet? Gut +né, hy gaf de mis, alle dagen krek! Dat doet-i nu al vyf-en-dertig +jaar... reken dàt eens uit, jongeheer! De man zegt zelf dat er 'n +heele boel òver is. + +--En... de ziel van... uw vader? vroeg Wouter die naar bericht +hunkerde omtrent zekeren schatryken baron, na--of liever nog: 'n beetje +vóór--z'n terugkeer op 't pad der deugd. Gaarne had-i z'n vraag wat +deftiger ingekleed, en zich geïnformeerd naar 't welvaren van wylen +Styntje's "papa" maar deze malle uitheemsheid die in Wouter's tyd +nog voor iets voornaams doorging, wou er niet uit. 't Bleef dus by: +"de ziel van uw vader, juffrouw?" schoon dit woord inderdaad wel wat àl +te burgerlyk klonk voor iemand die de aanzienlyke romanbetrekking van +meisjesverleider bekleed had, 'n funktie waartegen onrype jongetjes, +eunuken en zeker soort van beunhazen in moralistery, ten-allen-tyde zoo +byster hoog--maar vooral begeerig, en met afgunst!--hebben opgezien. + +--Dáár weet ik niet van, antwoordde Styntjen, en 't scheen wel dat +zy over Wouter's vraag 'n beetje verstoord was. Een mensch kan niet +alles tegelyk doen! Wou je dat ik pater nu nog dáármee lastig was +gevallen ook? De man heeft 't werachtig druk genoeg. Voor m'n moeder +is er òver, en daarmee kan God doen wat-i wil. Maar voor m'n vader +sprak ik geen stom woord. God zou wel eens kunnen zeggen: "als je +zoo begeerig bent, kryg je niemendal!" Nou, dit is maar by manier van +spreken, want wat ik verdiend heb, moet ik hebben: eens gezegd blyft +gezegd! Daar is de heilige Jozef voor, die is er werachtig de man +niet na om z'n zoons woord te-schande te laten maken. Heere Jeessis, +waar blyft pater met al dat geld? + +--Daar is-i, riep Wouter die Jansen's vriendelyk gezicht langs de +hortensia zag voorbygaan. + +Als om de gegrondheid van Styntje's angst ditmaal eens te +logenstraffen, telde de goede man 'n twintigtal ryksdaalders op de +tafel. Ter verontschuldiging over z'n uitblyven, deelde hy mee dat +men hem onder-weg by 'n zieke had geroepen, die volstrekt iets naders +van den hemel wilde weten voor-i er heen ging. + +--Ik heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die +geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb +'n briefje gevraagd, waar 't op staat. Nu kan jyzelf alles precies +uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de wereld, +en geld is... geld, wat zeg jy, Styn? + +Styn zei ja, en 'n kwartier daarna was Wouter met pater Jansen op-weg +naar de haarlemmer-schuit. De oude vrouw had haar afgod terdeeg +afgestoft en geschuierd, en ook Wouter kreeg 'n streek of wat met den +borstel, doch 't was blykbaar slechts 'n voorwendsel om hem nogeens +nadrukkelyk in 't oor te fluisteren: + +--Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet verdoet, +jongeheer? + +--Juffrouw, ik belóóf het u! had Wouter geantwoord, en aan den stap +waarmee hy de wandeling aanving, was te bemerken dat-i 't meende. + +Helaas! + +De weg naar... 't verkeerde is geplaveid met goede voornemens en +welgemeende beloften. + + + + + + + + Preekjen over preeken, en hoe Wouter niet aan 't preeken raken + kon. Preek van pater Jansen over 'n preek van pastoor Koens, + opgeluisterd door 'n preek van hemzelf. Hoe de auteur woord houdt. + + +Zeker kanselredenaar moet eens gezegd hebben dat niets gemakkelyker is +dan preeken, doch niets moeielyker dan goed preeken. Ik heb er geen +verstand van, maar als men op den bewusten dag aan Wouter gevraagd +had of niet ook 'n middelmatige preek iemand terdeeg bezwaren kan, +zoud-i 't zeker volmondig hebben toegestemd. Den vorigen dag was-i +redelyk tevreden geweest met het halfgeboren koncept van den brief +aan de opgeblazen Hersilia--jammer dat het niet gediend had--maar 'n +preek... dat was wat anders! Hy wilde 'n paar keer beginnen, maar 't +vlotte niet. Telkens als-i op z'n: "m'nheer, hoor eens!" zoo goedmoedig +ten antwoord kreeg: "wat blief je, jongeheer?" zonk hem 't hart in +de schoenen, en hy maakte de een of andere onnoozele opmerking over +iets dat op hun weg te zien was. Pater mocht alzoo van hem vernemen +dat de haarlemmerdyk 'n lange straat was, en dat ieder die 's avends +laat buiten de stad bleef, 'n stuiver moest betalen, jazelfs als +'t héél laat was, 'n dubbeltje. Jansen stemde dit alles volmondig toe. + +Hoe te beginnen? Wel beschouwd, hebben dominees 't makkelyk. Ze nemen +'n tekst uit de Schrift, en verdeelen hem in drieën, dan volgt de rest +vanzelf. Ook worden zy op den weg geholpen door 't voorgebed. Wel +zeker: "steun, o Heer, den spreker die in ons midden is opgetreden +om uw woord te verkondigen!" Zoo komt 'n mensch op z'n dreef. En 'n +dominee is anders gekleed dan andere menschen. Dat alles geeft zekeren +toon aan, en brengt 'n stemming te-weeg die stamelaars en stommen aan +'t preeken helpen zou. Wouter voelde wel dat het niet te-pas kwam 'n +gebed te doen: "steun, o Heer, den voorganger die naast pater Jansen +is opgetreden om 't woord van Styntje te spreken!" maar hy wou doen +wat-i beloofd had. Dat hy maar 'n domme jongen was, en die m'n-heer +Jansen 'n eerwaardig man, kwam--juist omdat-i 'n domme jongen was--niet +in hem op. En al ware dit anders geweest, het zou hem niet zoo heel +erg gehinderd hebben, want Stoffel had eens verzekerd dat jongelui, +zoo van de schoolbank, volkomen 't recht hadden oude menschen te +kapittelen, als ze maar--door Styntje?--"bevestigd" waren, en de +voorzorg gebruikten hun vermaningen heel theologisch intedeelen in +drieën. Nu, dàt wilde Wouter doen. Ten-eerste: de spaarzaamheid is +Gods wil. Dit zou hy o.a. bewyzen uit eierschalen, appelschillen en +notendoppen die nooit grooter zyn dan precies noodig is om te bedekken +wat er in zit. Ten-tweede: de spaarzaamheid is de wil van God... och, +'t lukte niet! Na veel vergeefsche pogingen om op-streek te raken, +leidde z'n gedachtengang hem eindelyk op de vreemdklinkende vraag: + +--Kan u zingen, m'nheer? + +Voor zoover 't me vergund is, borg te staan voor Wouter's bedoelingen, +kan ik verzekeren dat-i niet juist van plan was den goeden oudeheer +daar op de publieke straat 'n psalm of gezang optegeven, met het +verraderlyk oogmerk zich daardoor te doen stemmen op preekhoogte. Neen, +maar hy had weer: "m'nheer, hoor eens!" geroepen, en moest toch iets +antwoorden, toen Jansen hem vroeg wat-i te zeggen had? + +--Zingen, jongeheer? Jawel. Het hoort om zoo te zeggen by m'n vak. Maar +heel mooi zing ik niet. Je moet pastoor Koens eens hooren, vooral +in den Kerstnacht... prachtig! Verleden was er 'n heer uit Parys +in de kerk, die bood hem... ik weet niet hoeveel geld, als-i zich +wou laten aannemen by 'n zingkomedie die ze daar hebben. Maar hy wou +niet, want hy wil by de kerk blyven, dat begryp ie. Maar anders... hy +zingt iemand het hart uit 't lyf. En preeken! Dat heb je nooit zoo +gehoord! Ik weet niet wat mooier is, z'n zingen of z'n preeken. Hy is +'n heilig man, dat kan ik je verzekeren, maar... meisjes zyn zwakke +vaten, en daarom zyn er vaders die liever hebben dat hun dochters by +my gaan. Kan pastoor Koens dat helpen? In 't geheel niet! + +Als 'n bliksem vloog hier Styntjes mededeeling dat Femke niet van +"pastoor hiernaast" hield, door Wouter's gemoed. Lieve, beste, brave +Femke! Of prinses Erika van pastoor Koens houden zou, als ze hem kende! + +--Hy zingt 'n kyrie... weet je wat 'n kyrie is? Want je bent niet van +de Kerk, niet waar? Gut, ik ben er niet boos om, want de een is zóó, +en de ander is zóó. Er zyn Turken ook. Maar weet je wat 'n kyrie is? + +--Neen, m'nheer! + +--Kyrie beteekent: "Heer" en eleison is zooveel als: "verlos ons!" Nu, +dat zingen wy in onze kerk, en Koens heeft 'n kyrie die expres voor +hem gemaakt is door 'n Duitscher, 'n eerste man in z'n vak. Hy is +orgelist te Weenen, geloof ik. En ze zeggen--nu, dàt zal je vreemd +vinden!--ze zeggen dat-i eens voor 't heele hof... + +Jansen hield even op om Wouter's aandacht te spannen. Maar hiertoe +was meer noodig, want de gedachten van den jongen waren by de preek +over spaarzaamheid. + +...voor 't heele hof, denk eens! + +--Ja, m'nheer, zei Wouter, zonder nog te weten wat er te denken viel.. + +--Hy heeft voor 't heele hof gezeten op... wel, waarop denk je dat-i +gezeten heeft? Dàt moet je nu eens raden, jongeheer. + +--Op 'n stoel, m'nheer. + +--Ook, ook! En op 'n draaikruk ook... want hy had klavecimbel +gespeeld. Maar dat wou ik je nu eigenlyk niet zeggen, want het +gebeurt meer, niet waar? Neen, hy is zoo ver in de muziek, dat 'n +aartshertogin hem op haar schoot heeft genomen, en dáárop heeft-i +gezeten. Hoe vindje dàt? + +Wouter vond het heerlyk, en nam zich voor, de eerste de beste +gelegenheid aantegrypen om zich te oefenen in muziek. De fondsen van +z'n belofte aan Styntje daalden vreeselyk. Wie toch kan aan preeken en +spaarzaamheid denken, als er zóóveel te verdienen valt met ut, re, mi, +fa, sol? Toch vond-i de zaak niet heel helder, en gaf te kennen dat +'n beetje nadere toelichting niet overbodig wezen zou. + +--Op haar schoot, m'nheer? + +--Ja. + +--'n Aartshertogin? + +--Ja, van Oostenryk. + +--Maar, m'nheer, hoe is dat mogelyk? + +--Kyk, ik dacht wel dat je 't vreemd vinden zou, want zoo'n +aartshertogin is 'n heele dame, en daarom vertel ik 't je. Ik heb er +wel al honderd menschen mee vermaakt, en niemand kon 't raden voor +ik 't zei. Maar gebeurd is het, vraag 't maar aan pastoor Koens, +en Styn weet het ook, want ze was er by... + +--Aan 't hof, m'nheer? + +--Neen, toen pastoor Koens 't vertelde. + +De goede Jansen genoot naar hartelust van Wouter's verbazing, die +dan ook inderdaad groot was. Hy hield zich innig overtuigd dat noch +z'n moeder noch een van z'n zusters, noch zelfs Leentje, die toch +anders volstrekt niet hoovaardig was, zich zóó ver vergeten zou met +'n klavierspeler. Neen, nooit, nooit... al was er geen hof by dat er +kwaad van denken kon. In 'n achterkamer niet! + +--Op haar schoot, vervolgde Jansen. En ik zal je nog meer zeggen... + +Nòg meer, o hemel? + +... hy heeft ook op den schoot van de Keizerin gezeten! Zou je dàt +geraden hebben? + +--Neen, m'nheer! + +--Dat dacht ik wel! En ik ben er nog niet! De Keizerin heeft hem +gezoend... + +--Maar, m'nheer! + +... gezoend op allebei z'n wangen. + +"Naar Weenen, naar Weenen!" riep alles wat stem had in Wouter's +gemoed. Met geografische inspanning legde hy zich de vraag voor, of +Haarlem in den weg lag naar dat verrukkelyk oord. Jansen vermaakte +zich kinderlyk met z'n verbazing. Ze werd ten-top gevoerd--ach, +vernietigd te-gelykertyd--door 't vervolg en slot van de historie. + +--De keizerin stopte z'n zakken vol... + +--Hè? + +... vol suikerdemangelen. + +Hier berstte Jansen in lachen uit, zoodat de voorbygangers er schik +in kregen. Maar 't was moeielyk niet te lachen by 't gekke gezicht +dat Wouter zette, en hierom was 't dan ook den goeden pater te doen +geweest, want hy hield van vroolykheid. Na zich eenige oogenblikken +te hebben laten bidden om opheldering, lichtte hy de zaak toe: + +--Ik zal 't je dan maar zeggen. Die klavierspeler was pas zes +jaren oud, en 'n heel lief jongetje. Pastoor Koens heeft met hem +gestudeerd--later, weetje--en ze zyn groote vrienden gebleven. Ik +zei je-n-immers al dat-i 'n kyrie voor hem gemaakt heeft? Ze hebben +samen gestudeerd op 't Jezuiten-kollegie... + +Wouter rilde protestantelyk. + +...daar krygen wy onze knapste menschen vandaan. Maar 't gaat niet +altyd door, want... ik ben er ook geweest. Gut, wat keek je gek, +toen ik je vertelde van die suikerdemangelen! Maar ik zou je wat van +die kyrie zeggen. Als Koens hem zingt... o! In z'n kamer, meen ik, +want in de kerk doet-i 't niet graag. Styn heeft er van gehuild, +want het is heel gehoorig by ons, we kunnen elkander best hooren +zuchten... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten? Nu, Styn huilde, +en ik kreeg kippevel. En weetje wat ik er by dacht? Ik dacht: God, +God, wat ben ik 'n prul by pastoor Koens! + +--Hè, m'nheer! + +--'t Is de waarheid! Maar ik van myn kant ben weer veel sterker +van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor +ondankbaarheid! Als m'n vader me op z'n smedery gedaan had, zou ik net +zoo sterk geworden zyn als m'n broer, maar de theologie maakt 'n mensen +'n beetje lebberig, vindje niet? En toch... verbeelje, ik heb thuis +'n Vulgata. Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in +'t vierkant, en in leer gebonden... 'n heele vracht! En er zyn sloten +aan, ook, Styn schuurt ze alle weken blank. Welnu, ik pak een van die +koperen lippen met m'n pink, en Styn zegt paters op, en ik houd m'n +Vulgata--altyd met die ééne pink, moet je denken--tot quotidianum van +de derde. En Styn is niet eens heel vlug met 'r paters. Als ik ze zelf +zei, bracht ik 't zeker tot remitte van de vierde, of misschien wel +tot amen. Maar ik moet je 'r byzeggen dat wy katholieken geen kracht, +macht en heerlykheid hebben. Dat scheelt altyd 'n beetje. En... er +is niets apokriefs in de Vulgata. Met 'n protestantschen bybel zou ik +'t wel laten, dat vat je wel! + +Neen, Wouter vatte het niet! Of althans hy begreep niet alles. Maar de +konkluzie nam-i goedig aan. Hy hield zich overtuigd dat pater Jansen +byzonder sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den +dood gegaan zyn. + +--Ja, 't is 'n heel ding, niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer +niet. Zoo zieje dat God altyd ieder 't zyne geeft. Maar ik heb Styn +verboden 't hem te zeggen. Hy mocht eens verdrietig worden omdat-i +'t me niet na kan doen, en dit hoeft niet, want zulke dingen komen +toch in ons vak maar zelden te-pas. Maar eens toch heb ik er recht +schik van gehad... niet van die Vulgata, meen ik, maar dat God me zoo +sterk gemaakt heeft. Hy doet niets voor niemendal, houd je dáár maar +aan vast! Verbeelje, ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n-'n boer +in de buurt, 'n ryke boer. Hy heette Koremans, maar hy was heel ryk, +en hy had veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal +boeremenschen, dat begryp je wel. Een van de meiden heette Trineken, +en ik dacht dat Koremans goed en gul was... maar och, ik heb er geen +pleizier in, je dat te vertellen. Waartoe dient het? Liever vertel +ik je-n-'n ander stukjen, iets van hèm, van pastoor Koens. Dat moet +je hooren! + +'t Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen +eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n +boeremeisje. Hy was in de jaren que tout ce qui porte jupon intéresse, +en in z'n verbeelding vertaalde hy elk onbekend vrouwspersoon in +"Femken" of... iets als Femke. Maar hy begreep toch dat-i den goeden +Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hy +luisterde zoo aandachtig mogelyk, weldra zéér aandachtig zelfs, +en zonder dat dit hem moeite kostte. + +--'t Was eens zyn beurt van preeken, ging de pater voort, en +hy preekte. Den tekst weet ik niet meer, maar 't was over goede +behandeling. Van den eenen mensch jegens den ander, weetje, want dat is +eigenlyk de hoofdzaak van ons geloof. Ik preek er ook wel eens over, +maar... zóó niet, daar scheelt veel aan! Want, wat gebeurt er? Er zat +'n man in de kerk--'t was 'n slachter, moet je begrypen--die kreeg +'n toeval, en hy moest er uit gedragen worden, en ieder dacht dat +het van de warmte was. Maar 't was niet van de warmte. Die man had +stiefkinderen, en hy behandelde ze niet goed, en hy voelde zich zoo +zondig door de preek van pastoor Koens, dat-i van zichzelf viel. Vind +je dat niet sterk voor 'n slachter? Toen-i weer wèl werd, heeft-i z'n +stiefkinderen voor z'n bed geroepen, en hun om vergiffenis gevraagd, +en beloofd dat-i ze nooit weer mishandelen zou, want... dat deed-i +vroeger. En, omdat-i slachter was, zond-i 'n mand met worst aan pater +Koens, met 'n brief er by. Je kunt denken hoe bly we waren... om +die kinderen. + +--En, m'nheer, heeft die slachter woord gehouden? + +--Ik denk 't wel, want hy zal 't zeker prettig gevonden hebben, goed +voor z'n stiefkinderen te wezen, en 'n mensch houdt van pret. Maar +Koens wou de worst niet hebben, want hy eet geen vleesch, Styn moest +ze terugbrengen, zeid-i. + +--Hè, riep Wouter die 't jammer vond zoo'n geschenk aftewyzen. + +--Ja, niet waar, 't zou den man bedroefd hebben. Dit vond Styn ook, +en ik ook, en daarom hebben wy die worst opgegeten, zy en ik, want +ik mag wel worst. + +--Maar, m'nheer, wat was er dan met die Trineke? + +--Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten noemen, +want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood. + +--Wat had-i gedaan met die Trineke? + +--Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit +over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jy 't +vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist +niet erger dan andere boeren, en daarom zou 't me leelyk staan +z'n naam te bekladden, maar wáár is wáár! Hy was heel ryk, en goed +voor de kerk, o best! In onze kapel--want we hadden 'n kapel in 't +Simmenarie--hing 'n geelkoperen Sebastiaan met z'n lyf vol pylen, +wel duizend pond zwaar... nu, die was van hèm. En opschepperig was-i +als we hem bezochten, goedgeefs... je hebt er geen begrip van! Aan +brood en kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n +twintigen... net 'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozynen +op brandewyn, en daar dronken wy simmenaristen van dat het 'n aard +had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen +of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen--'t +was al z'n derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze +hebben--en wy kwamen gelukwenschen, en werden best onthaald, maar de +bruid keek sip, en we dronken brandewyn op rozynen, en er was 'n pret +van belang... op de bruid na! Maar op-eens... och, jongeheer, ik had +het je eigenlyk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je +'r nooit over spreken zult? + +--Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer! + +--Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg. Dat ik schik van de zaak +gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest +ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrypt, +'n jongen in theologie-tweede is anders nog niet veel mans. Nu, we +aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlyk +niet, en als 't in 'n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf +gekregen hebben, maar Rector zag wat door de vingers als 't by Koremans +gebeurde, om dien Sebastiaan, weetje, en ook omdat-i wel-eens in z'n +wagen naar stad reed, en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen... in +dien tyd. Nu zou 't niet staan! En ik zou dansen met de bruid die ik +graag lyden mocht... vroeger. En ze hield van my ook wel, dat weet ik +zeker. Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik dat Trineken er niet +was, en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altyd by, +net als de andere knechts en meiden, maar nu was zy er niet. En dat +zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans-zelf. Lies +was de bruid, weetje, die met me dansen zou, en wel 't allereerst, +omdat ik 'n weddingschap van haar vryer had gewonnen... ook al over +sterkte. "Trien is ziek, zei Koremans, en ga nu je gang maar met +Lies." "Is Trineke ziek, vroeg ik, en waar is ze dan?" Want dàt wou +ik weten. "En, zei ik, ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet +waar Trineken is." + +Wouter verwachtte nu 'n landelyk drama met... iets als liefde er +in. Heel véél kon 't niet wezen, dit begreep hy wel, om den aanstaanden +werkkring van den held. Maar juist deze bedenking prikkelde z'n +nieuwsgierigheid te meer. Hy tooverde zich den jeugdigen nog niet +geheel tot geestelyke verwrongen jongeling voor oogen, staande tusschen +twee-, drieërlei plicht, misschien wel tusschen formeele trouwbeloften +en gemoedelyke beloftentrouw, tusschen Trineke, Lies en theologie. En +op den achtergrond vertoonde zich de sombere gestalte van den bruigom, +die gereed stond by de minste overhelling naar Liesje's kant, den al te +gelukkigen Seminarist met één slag doodongelukkig en liefst heelemaal +dood te maken. In byna alle Dorfgeschichten die Wouter gelezen had, +droeg zich de zaak op die wys toe. Of zou pater Jansen den bruigom +hebben neergeveld? Een mensch doet rare dingen als-i verliefd is, +en daarby zoo byzonder sterk. + +--Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet... + +--Ik zal er heusch nooit over spreken, beloofde Wouter, die meende +dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg, en bang was dat Jansen +'t verhaal afbreken zou. + +--O, dit mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't +weet. Ik wou je dan zeggen--maar 't spyt me wel--dat de boeren... soms +niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke... + +--Hè? + +... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer +gemerkt dat men haar achteraf zette, en wegdeed als er wat vroolyks +voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat +ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den +vorigen keer by Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en +nog kaduker was, dan gewoonlyk. Ze was 'n beetje mank ook, maar ze had +altyd braaf gewerkt... o, by Koremans z'n ouders al! En daarom vroeg +ik waar ze was? "Ze is op 'r bed, zei Lies, en ik begryp niet wat je +hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom, dans maar!" En ze wenkte den +speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, +want het was me alsof God me ingaf--dit gebeurt soms--dat ze slecht +behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad +van dat meisje denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou +dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want... ze lag in den +stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet--dat begryp +je wel--maar 't was of God het me ingaf. En ik stond voor den stal, +en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies +riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe mensch?" Maar ik zei: "met +jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen vroeg ik aan Koremans, of-i de +deuren van den stal wou openen? "Neen, zeid-i, en ze is er niet!" En +ik zei dat ze 'r wèl was, en vroeg 't hem nògeens, want men moet +'n mensch altyd tyd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar +hy zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, +en zette m'n schouder tegen de staldeur dat-i kraakte, en... ik was +er in, hoor! Vind je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van. + +--En Trineke, m'nheer? + +--Wel zeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't +Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd, +maar... ze is toch behoorlyk gestorven op 'n kristelyk bed. Want ik heb +Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je! Ik zei dat God hem +verbryzelen zou, precies zoo als ik de staldeur gedaan had... neen, +veel erger nog! En ik zei--met 'n zwaren vloek er op--dat ik bord +noch beker in z'n huis zou aanroeren voor Trineke op 'n bed lag, +met 'n dokter er voor, en medicyn op de plank. 't Gebeurde, hoor! +O, ik heb veel gezegd! Ook over dien Sebastiaan... want daar was-i +erg groots op, en ieder die in de buurt van ons dorp kwam, moest +het weten dat de Sebastiaan in onze kapel van Koremans was. Ik zei: +"denk jy dat God met koperen koppen gediend is? Die oude Trine draagt +meer pylen in haar lyf dan Sebastiaan ooit gehad heeft, want ze is +er heelemaal kaduuk van, en mag je dan zoo'n mensch op stroo leggen +in je stal? Zet jy daar jou Sebastiaan in, die zal er geen weet van +hebben, want hy is maar van koper, en de levendige Trineken is je +nader. Ze heeft je-n-uit de sloot gehaald toen je-n-'n dreumis was, +en wat heeft ooit Sebastiaan voor je gedaan? 't Was 'n heilig man, ja, +maar jy moet ook 'n beetje heilig wezen, en niet je volk in de mest +leggen. Wie denk je wel dat je bent, omdat je geld hebt, en koeien en +land? God heeft veel meer dan jy, en als-i verkiest, kan-i Trineke wel +honderd boerderyen geven waar de jouwe-n-in verdrinken zou. 't Is nu +Gods wil dat zy niks heeft, en jy veel, maar als 't hem in z'n hoofd +komt, keert-i 't om, en geeft je hoest en jicht en allerlei krupsies +meer. Wil jy dan op stroo liggen als 'n varken?" Zoo heb ik gesproken, +en ik zei nog veel meer, en ik gaf er latynsche teksten by, want daar +kan 'n boer niet tegen. Ook zei ik dat-i in de hel komen zou, maar ik +weet niet zeker of dat wel waar was. Je moet denken, ik was nog maar +in theologie-tweede. Gut, er hoort zooveel toe om alles precies te +weten van God en goddelyke zaken! 't Is 't zwaarste vak van de heele +wereld, en ik was nooit erg voorlyk. Die Koremans had eens pastoor +Koens vóór zich moeten hebben, die had 't hem ànders ingepeperd! Maar +Koens had nu weer die staldeur niet zoo gauw opengekregen... krak, +daar lag-i! De hengsels waren verdraaid. + +--En Liesje, m'nheer? + +--Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen +Trineken op 'n bed lag, vroeg ze-n-of ik nu met haar dansen wou? Maar +ik wou niet. En toen bracht ze Trineken 'n glas brandewyn met rozynen +en krentenkoek, dat heel versterkend is by de boeren, en toen vroeg +ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel +plezier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook +anders. En ze wou haar huwelyk uitstellen, maar Koremans was er kwaad +om, en haar vryer ook. Ik geloof dat-i me niet lyden mocht... zeker +om die weddingschap. + +Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten +minder vroolyk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze +maar zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier." Wouter was +wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot +wat gehuppel. Jazelfs hy verwachtte een flinken sprong, 'n saut +périlleux. De onkunde der jeugd is wreed--cet âge est sans pitié , +zei de fabeldichter--en Wouter wist niet wat-i deed, toen hy vroeg: + +--En is Liesje met haar vryer getrouwd, m'nheer? + +--O ja, zeker, zeker! Waarom zou ze niet met hem getrouwd zyn? Alles +was immers afgesproken en klaar. Maar ze beloofde my vooraf dat +ze-n-altyd goed voor haar volk wezen zou, want dàt had ik haar +verzocht, maar ik zei er by dat ik niet heelemaal zeker was van de +hel, omdat ik nog maar theologie-tweede was. Ja, niet waar, ik mocht +me niet voor hooger uitgeven dan me toekwam, en waarom dan zoo'n +meisje voor niemendal schrik aantejagen, als ik 't soms mocht mis +hebben? Maar ze zei dat ze geen hel noodig had, en dat ze-n-altyd +heel goed wezen zou als ze 't my maar beloofd had. Nu, ze méénde +'t wel, want ze gaf er my 'n hartelyken zoen op... och, ze huilde zoo! + +--Waarom huilde ze zoo, m'nheer? + +--Je moet begrypen, de eene mensch is niet als de ander, en soms +heeft men verdrietige buien. Misschien huilde ze-n-omdat ik zoo +driftig tegen haar vader geweest was, en dat was goed van haar, want +'n kind moet altyd partytrekken voor z'n ouders. 't Begon al toen ik +Trineken opnam... + +--Had U dat gedaan, m'nheer? + +--Ja zeker, ik was de sterkste van allemaal, en 't bed was boven in +huis. Wie zou haar den trap opgedragen hebben zonder 't mensch zeer +te doen? Ze was maar vel en been, en alles deed haar pyn. 't Was +Koremans z'n eigen bed... + +--Och! + +--Daar stònd ik op! Ik hield me koppig, en zei dat het zoo wezen moest, +of ik zou 'n omgekeerd Jeruzalem van z'n huis maken. En Lies wou +háár bed afstaan, maar ik zei: "né, in 't zyne, of ik kom hier nooit +weer!" En ik zei er 'n heel ruw woord by, tegen haar vader--je bent +maar 'n ruige Ezau! zei ik--en daarom zal ze misschien gehuild hebben. + +--Was ze-n-'n... lief meisje, m'nheer? + +Deze vraag zweefde Wouter reeds lang op de lippen, maar de weifeling +tusschen de varianten "mooi" en "schoon" deed hem telkens aarzelen. 't +Een kwam hem tegenover 'n geestelyke wat gemeenzaam voor--te gemeen ook +misschien--'t andere klonk te boekerig by Jansens gemeenzaamheid. Toch +moest ons roman-lezertjen iets van Liesjens uiterlyk weten, en +hy kleedde z'n nieuwsgierigheid naar dat hoofdmoment van de zaak, +zoo deftig in als de omstandigheden toelieten. Maar ook Jansen had +zeker dekorum in-acht te nemen. Niet met bewustheid tegenover Wouter, +of wien ook, maar zonder zelf hiervan iets te weten, jegens z'n eigen +vlekkelooze reinheid. Van mooi of niet mooi was dus ook by hem geen +spraak. En meer nog: hy dacht er niet aan, hy wist het niet! + +--O ja, heel lief. En vroom ook, op zondag en hoogty, dàt moet +ik zeggen! Maar de heiligheid van den huwelyken staat wou ze niet +vatten. 't Is by ons 'n Sakrement, weetje, en dat zei ik haar. Maar ze +was er niet mee tevreden, en wou haar trouwen uitstellen tot zy al haar +kristenplichten beter kennen zou, zei ze. En ze vroeg of ik 'r daarin +helpen wou? Maar haar vryer had er geen zin in en zei dat hy dat wel +zou doen, en toen gaf ik hem 'n boek waar alles in stond. Maar, och, +zy is na haar trouwen bleek en verdrietig en ziek geworden, en heeft +niet lang geleefd. Kort voor haar dood liet ze nog vragen hoe Trineken +'t maakte, en of ik de stumpert wel trouw bezocht? Nu, dit deed ik, +en 't zal Liesje zeker plezier gedaan hebben. + +--En, m'nheer, bezocht u Liesje niet? + +--Neen, want haar man was niet heel vrindelyk als ik naar haar +vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen, dien-i +misschien liever niet zag. Want Liesje... kyk, de zaak was zóó. In +'t dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander gehad had, als ze 't maar +had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander +van de kerk was. Ja ja, ik weet wel wie 't was, ook! + +--Hè? vroeg Wouter die 't ook meende te weten. + +--Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op +de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen, +stond zy aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra we naderby +kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand die niet weten wil dat-i +uitgekeken heeft. Zoo zyn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want +nergens doet men zooveel menschenkennis op als op 'n simmenarie. Nu, +dat ze-n-altyd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten, besten +jongen! En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om +Kruger geweest zyn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat +zou ik ook misschien weleens gedaan hebben, want Kruger was m'n beste +vrind, en hy hield byna net zooveel van Liesjen als ik. O, heel veel! + +Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelykheden, toen 't +paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van +de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een +der hoofdpersonen zelf. Hy voelde wel dat Jansen eigenlyk meer verteld +had dan-i zich veroorloofde te weten. Of wist hy meer? Gedurende +het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De +eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en 't spreken +moeielyk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in +de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselyken tocht die +hem de oogen vol zand gewaaid had. + +--Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben +moè ook. Ja, ja, ik heb vandaag al wat af gedraafd, en verlang naar +'n zitje. Maar... wat is dáár te doen? + +Inderdaad, er was 'n "standje" by de aanlegplaats van de schuit Onze +wandelaars versnelden hun stap, om er zoo spoedig mogelyk 't rechte +van te weten. + +Wat my betreft, ik meen in dit hoofdstuk voldaan te hebben aan de +belofte dat ik eens 'n staaltje van pater Jansen's preekmanier geven +zou, en ik zeg er dit uitdrukkelyk by, om niet dezen of genen onkundige +in den waan te laten dat-i 'n idylle gelezen heeft. + + + + + + + + Wouter en deugdzame lezers worden teleurgesteld door Fancy, die + 'n lynch-vonnis kasseert. Ter vergoeding levert ze bydragen tot + de physiologie van zekere nyverheid, en benoemt ze Wouter tot + trooster van 'n diep bedroefde moeder. De lezer wordt gepaaid + met het stuk volksroem, waarop hy al zoo lang gewacht heeft. Of + Wouter Haarlem bereikt? + + +--Wel, jongeheer, daar schynt wat vreemds voortevallen. Hoor me die +vrouwspersoon eens schreeuwen! + +--Ja, m'nheer, ze schelden. Ik geloof zeker dat er ruzie is. + +De opmerking van pater Jansen was gegrond, en Wouter's geloof ditmaal +eens byzonder goed. Er was inderdaad iets byzonders aan de hand en +er werd gescholden. + +En alweer vroeg Wouter waarom die vrouw zoo schold, en "tegen wien +ze 't had?" Hy kon aanvankelyk niet uit de zaak wys worden, en deed +hiermee tot m'n groot genoegen z'n leermeesters by het postkantoor +weinig eer aan. Uit de onnoozele vragen die hy tot z'n bejaarden vriend +richtte, bleek duidelyk dat hun onderwys niet best aan hem besteed +was geweest. En pater Jansen was nu juist de rechte man niet om hem +behoorlyk intelichten, want er was by die schuit iets zeer gemeens te +doen, en daarvan had-i geen verstand. Wel kende hy in z'n hoedanigheid +van zielengeneesheer de gewone verschynselen van de ziekten die men +hem in theologie-derde als "zonde" had leeren kennen en behandelen--de +kursus liep, excusez du peu, in theologie-eerste tot en met genezen +toe!--maar juist omdat-i ze slechts als zoodanig bestudeerd had, +stond-i met de handen verkeerd, zoodra de vyand tot wiens verdelging +hy ambtshalve geroepen was, zich in levenden lyve aan hem vertoonde, +wat hier werkelyk 't geval bleek. De goede pater mocht van geluk +spreken dat-i, eenigszins verlegen door de verrassing, en misschien +ook weerhouden door de stoffeering van het tooneel dat byzonder weinig +op 'n biechtstoel geleek, niet terstond aan 't bedokteren ging van +de zieken die hier overvloedige blyken gaven van behoefte aan wat +beterschap. De goede man zou zeker 'n gek figuur hebben gemaakt, en +dit ware jammer geweest. Hy vernam by deze gelegenheid byna evenveel +nieuws als Wouter, en ook zonder deze overeenstemming was 't opmerkelyk +in hoevéél opzichten de indrukken die zy hier opvingen, elkander +geleken. Jansen was in wereld- en menschenkennis ongeveer blyven +staan op 't standpunt dat Wouter onlangs bereikt had, en alzoo steeds +minderjarig in de boosheid gebleven. Het verschil tusschen deze beide +kinderen bestond hoofdzakelyk hierin, dat de ontwikkelende knaap méér +weten wilde en zichzelf beschuldigde van domheid, terwyl de volwassen +man heel tevreden was met z'n verstandelyke toerusting. En waarom +zoud-i niet? Hy had immers alle voorgeschreven examens achter den +rug, en wist dus precies wat er in zake zielenherderschap kon geweten +worden. Z'n tevredenheid sproot volstrekt niet uit eigenwaan voort, +maar uit plichtmatig vertrouwen op de knappe luî die verklaard hadden +dat-i behoorlyk volleerd was en raad wist met alle zonden. Hy had er +latynsche getuigschriften van, met zegels er op. Wat wil men meer? + +Ik kan de meening niet deelen van sommigen die beweren dat 'n +katholiek geestelyke zoo byzonder veel menschkunde zou opdoen in den +biechtstoel. Het komt me voor, dat men daarby over 't hoofd ziet hoe +moeielyk het is zichzelf te schetsen, en dat de biechteling, ook by de +hoogstdenkbare oprechtheid--volkomen oprechtheid is onmogelyk!--slechts +daden en feiten kan openbaren. Vanwaar immers zou hy de psychologische +ontwikkeling halen, die niet ontbeerd worden kan door iemand die al +de schakeeringen van de roersels zyner handelingen uit elkaar wil +houden? En vanwaar de welbespraaktheid om die duidelyk blootteleggen +voor 'n ander? Waarlyk, wie dit kan, knielt niet naast 'n biechtstoel +om de geheimen van z'n ziel toetefluisteren aan 'n priester! Niet +voor dezulken is de oorbiecht uitgevonden, en niet voor hèn wordt ze +in-stand gehouden. Wie dit betwyfelt, lette eens op den graad van +verstandelyke ontwikkeling waarmee 't meerendeel der geestelyken +blykt te kunnen volstaan. Er hing me hier 'n beeld in de pen, +waarmee ik 't verschil in soort van hun werkzaamheid wilde schetsen, +doch ik houd het terug. 't Was iets als 'n vergelyking tusschen den +Schwartzwalder boer die houten klokjes snitselt, en den fabrikant van +fyne zakuurwerken te Genève. Deugt niet, deugt niet! Er is hier geen +spraak van 't onderscheid tusschen grof en fyn, niet eens zelfs altyd +van meer of minder ingewikkeldheid der organismen. Op 't oneindig +wyd gebied van menschkunde heerschen àndere verschillen! Reeds +zeer lang geleden zagen we hoe tevreden pater Jansen was over +Femke's ziel--geen Schwartzwalder snitselwerk, op m'n woord!--en +onlangs stelde ik den lezer in de gelegenheid 'n brok theologischen +kursus bytewonen, door hem in kennis te brengen met Styntje. Hoe +gelieft men nu den toon te noemen, waarop die beidie personen zich +uitlieten over zaken die door anderen slechts werden behandeld met +konynenmondjes en in pontifikaal! Ondeftig was die toon, o zeker! Maar +toch--en ik bedoel dit in zéér hoogen zin--onaesthetisch, grof, +onzedelyk dus, was die toon niet! Er was hart in, en kinderlykheid, +en overtuiging. De uitdrukkingen die pater Jansen en z'n dienstbode +zich veroorloofden... och, ze wisten niet dat er iets te veroorlooven +viel! Van kinds-af vereenzelvigd met hun naïf geloof, bespraken zy +de dingen die daarmee in verband stonden, met dezelfde gemakkelykheid +als andere belangen van hun huishoudentje, en Styntje's tevredenheid +over 't vereffenen der schuld van haar moeder was van gelyke soort +als haar voldoening zou geweest zyn over 't wèlslagen van ingemaakte +zuurkool. 't Spyt me dat ik op 't oogenblik niemand tot getuige roepen +kan die haar aankomst in den hemel heeft bygewoond, maar we mogen ons +verzekerd houden dat ze by die gelegenheid even onbevangen gevraagd +heeft: "wel, waar is ze nu... m'n moeder? Ze weet immers dat ik alles +krek in-orde heb gebracht?" als ze Wouter opdroeg haar teerbeminden +pater te beschermen tegen z'n goedgeefsheid. En ook hyzelf was er +de man niet naar, om z'n God en goddelyke dingen terugstootend te +maken door deftigheid. Z'n geloof en al wat daaruit voortvloeide, +was hem de meest dagelyksche zaak van die wereld. + +Maar... die wereld-zelf kende hy nu eenmaal niet! Hy wist er niet +veel meer van dan z'n biechtelingen hem konden of wilden meedeelen, +en deze zeer gebrekkige inlichtingen namen nog bovendien steeds +de kleur aan van z'n eigen schuldeloos gemoed. Elk bedreven kwaad +scheen hem 'n ongeluk toe, en de vermaningen die hy uitsprak of de +boetedoening die hy soms meende te moeten voorschryven, geleken meer +op 'n vriendschappelyk toegediende hartsterking dan op berisping +en straf. 't Was waarlyk geen wonder dat-i niet recht vatte wat er +by die haarlemmer-schuit verhandeld werd! Een der hoofdpersonen in +het drama-bedryf dat hier werd afgespeeld, de vrouw die door haar +luidruchtigheid en gemeenen opschik de aandacht van 't publiek tot +zich trok, was te Amsterdam geweest om wat koopwaar optedoen voor haar +winkel te Haarlem. Die koopwaar bestond in 'n tweetal... meisjes, +neen--twee "meiden" zeg ik ook niet graag--uit twee jeugdige +vrouwspersonen dan, die ze door geschenken en de voorspiegeling van +'n lui leven tot zich had weten te lokken. Wat ik hier "geschenken" +noem, was in werkelykheid 'n driedubbel geboekt woekervoorschot. En +"ze had het zwart op wit" zei ze, op haar dy slaande, waar de kostbare +dokumenten geborgen schenen die haar woorden konden bevestigen. Deze +bewysvoering was tegen de moeder van een der beide schepseltjes +gericht, die lucht van de zaak gekregen, en gezorgd had vóór 't afvaren +van de schuit daar te zyn. 't Woord "moeder" klinkt liefelyk, en de +goedige lezer verwacht dat de vrouw zich daar bevond om haar kind te +ontrukken--"zoo noemt men zulks" zou Stoffel zeggen--aan de klauwen +des verderfs... och, ik ben daar jammerlyk op 'n boekenfraze verzeild +geraakt. Dat komt er van, als men z'n schryftafel zoo vol modellen +heeft liggen! [27] Die "moeder" was doodeenvoudig daargekomen om 'n +aandeel te vorderen in 't reeds genotene, en vooral om 'n aandeel +te bedingen in de toekomstige winst. Het toegeschoten publiek was +verontwaardigd, of toonde zich zoo, en verdeelde de uiting van z'n +misnoegen vry gelyk tusschen de moeder en de waardin. Deze beiden +aan 't kyven! De twee rekruten zwegen, maar toch kon 'n opmerkzaam +toeschouwer te weten komen wie van de strydvoerende partyen met +haar sympathie vereerd werd, en wel door de plaats die zy innamen, +of die ze trachtten te hernemen als ze voor 'n oogenblik vandaar waren +weggedrongen. Blykbaar schaarden ze zich, zoowel in overdrachtelyke als +in letterlyke beteekenis van 't woord, aan den kant der waardin. En er +was reden toe! Deze had "so werachtich as Chot" niets minder verzekerd +dan dat haar kontubernaaltjes 's morgens zoo lang konden slapen als ze +maar verkozen, en 's avends zouden ze onthaald worden op jenever met +suiker... als ze maar 'n "heer" wisten te bewegen die versnaperingen +voor zyn rekening aan 't buvet te bestellen. Nu, hiertoe meenden de +meisjes kans te zien. Maar 't zou haar tegenvallen. Ze overschatten den +invloed en den markt-prys van haar bekoorlykheden--de goedkoopste zaak +ter-wereld!--en ook wel 'n beetje de mildheid van de "heeren." Maar +de beminnelyke waardin liet haar aanstaande voedsterlingetjes in +den waan dat er met nagebootste huurliefde terdeeg wat 'te verdienen +viel. En er werd nog meer beloofd. Ze zouden Krelien en Sefie heeten, +en door de meid "juffrouw" genoemd worden. Om 'n voorsmaak van die +heerlykheid te geven, en tevens van den toon die in haar etablissement +heerschte, sprak 't wyf gedurig van haar "dames." Wat kon, tegenover +zulke schitterende aanloksels, de moeder bieden, zy die maar 'n arme +werkster was? Ik weet wel dat sommige boekenluî 'n antwoord op deze +vraag gereed hebben. Ze spreken by zulke gelegenheden van tucht, +reinheid van ziel, eer, gemoedsrust, moederlyke teederheid... och, +onze beide Kaatjes hadden liever jenever met suiker! Maar ik moet +er by zeggen dat de keus haar niet zóó moeielyk gemaakt werd, als +de papiermoralisten van zoo-even wel denken zouden, want de moeder +hield zich met al die roerende dingen niet op. Ze reklameerde haar +deel van de zaak, en eischte vóór alles 'n bonten voorschoot terug, +dat ze volgens haar beweren aan haar dochter geleend had. + +--En zal ik er nou dàt niet eens van hebben, riep ze, dat ik m'n +eigen goed weerom kryg? Hy heeft me drie skelling en 'n oortje gekost? + +Er van? Wáárvan, o vrouw? Wáárvan? Ik vraag u, wáárvan? Nu, dit kon +háár niet schelen, en: + +--Dat kan my niet schelen, schreeuwde ook de waardin. Mensch, +je moest je schamen, dat moest je! Wel ja, wat zeg jylui--dit was +'n beroep op de kiesheid van de omstanders, die deze onderscheiding +ten-volle verdienden--wat zeg jylui? Is 't geen schande dat 'n moeder +haar eigen kind 'n standje komt maken om 'n boezelaar? + +--Ik wou maar dat we-n-afvoeren, zuchtte een van de Kaatjes. Wat +treuzelt die schipper! + +--Drie skelling en 'n oortje, zoo waar as er 'n God in den hemel is, +op de Numàrt in den bontjeswinkel! Geef hier, m'n goed! 't Is myn goed, +zeg ik je! Geef hier! + +Een poging om 't betwist voorwerp met geweld machtig te worden, +mislukte. Op-eens wendde de teedere moeder de zaak over 'n anderen +boeg. Ze trachtte haar stem aandoenlyk te maken, en huilde: + +--Heb ik je dáártoe opgebracht? + +Wel zeker! Waartoe ànders, o teedere moeder? + +--'t Is om te besterven, menschen, dat is het! En zeg, wat zal je +vader daarvan zeggen? + +--Nou, laat er je man maar buiten, zou ik je raden! Die zit hoog en +droog in de rooie zaagsel. [28] Wat zeg jy, Ka? + +Kaatje bevestigde de zaak wel niet uitdrukkelyk, maar gaf toch +'n antwoord dat heel weinig op verontwaardigde ontkenning geleek, +door op-nieuw moeite te doen om zich van haar moeder te verwyderen, +en 'n veilig plaatsje te krygen achter de waardin. Deze haastte zich +'n zegel op de beteekenis van Kaatje's manoeuvre te zetten: + +--Wel ja, meid, 'n woord 'n woord, 'n man 'n man, niet waar? En... ik +heb ommers al de papieren in m'n zak. Wat zeg jyluî? Een mensch kan +toch niet meer verlangen als zwart op wit! + +De vrouw had weer op haar dy geslagen, en scheen antwoord te +wachten. Er gingen dan ook uit het publiek eenige stemmen op, maar ze +getuigden van verdeeldheid der meeningen. Wel hoorde men hier-en-daar: +"zieje, 't is toch altyd haar moeder!" maar ook toonden sommigen +zich verontwaardigd over de vreemde soort van 't moederschap dat hier +vertoond werd. Een stemming by zittenblyven en opstaan kon moeielyk +verordend worden, omdat de heele zaak in de letterlyke termen van 'n +"standje" viel. Bovendien, de strydvoerende partyen wachtten zich wel +'n beroep op de meerderheid te doen, voor ze met eenige zekerheid +berekenen konden die meerderheid op haar hand te hebben. En hiertoe +bestonden aan geen van beide zyden voldoende gegevens. Velerlei +scheldwoorden rezen uit de vergaderde menigte op, maar 't viel +moeielyk te beslissen tot wie ze gericht waren, omdat ze meestal nogal +toepasselyk konden geacht worden op ieder van de vier vrouwspersonen in +'t byzonder. De hieruit voortspruitende verwarring bewees hoe groot +de behoefte was--ook zelfs in de laagste standen der Maatschappy--aan +eenig besef van onderscheid tusschen schelden en beschuldigen. + +--M'n drie skellinge wil ik hebben, kryschte de vrouw, terwyl ze +trachtte haar dochter by den voorschoot te grypen. Ik wil m'n geld, +m'n drie skellingen, of anders... + +Haar schreeuwen herinnerde Wouter aan de wanhoop der edele Hersilia +over die verloren zeven gulden dertien, en langs de rails van al wat er +sedert 'n etmaal weer met hem was voorgevallen, liep z'n herinnering +uit op de vyftig guldens die hy in z'n zak had. "Als hy eens die arme +vrouw aan 'n nieuw voorschoot hielp? God zou 't zeker weer niet doen, +en daar er nu toch eenmaal in 't helpen iets goddelyks ligt: + +--Wat dunkt u, m'nheer? vroeg-i aan pater Jansen? + +--Ik ben erg bedroefd over die menschen, zei de goede man. + +--O zeker, m'nheer! Maar... die boezelaar? Drie schellingen is nog +geen volle gulden, en als wy nu eens... + +--Dat mag volstrekt niet, jongeheer! Het doet my in de ziel leed dat +die menschen op zoo'n verkeerden weg zyn--want dit moet ik er haast wel +van gelooven--maar 't geld dat je by je hebt, is je niet gegeven om... + +--M'n drie skellinge, huilde het wyf, of anders ten-minste m'n +kind weerom! + +Dit "ten-minste" was verrukkelyk! Zal er misschien straks blyken dat +prinses Erika onzen Wouter die vyftig guldens geschonken heeft om +'n radelooze moeder weer in 't bezit van haar verloren kind te stellen? + +--Ze is heel ongelukkig, m'nheer... hoor maar! Och, wat komt er nu voor +òns die ééne gulden op aan? En... 't is nog niet eens 'n volle gulden! + +--We mogen 't heusch niet doen, jongeheer! Kom, kom mee in de +schuit! Ik word er koud van, en kan 't heusch niet langer aanzien. + +'t Scheen wel dat pater Jansen z'n eigen standvastigheid wantrouwde +en de verlokking ontvlieden wou. Maar hy aarzelde. Ook Wouter volgde +slechts heel langzaam, en niet zonder telkens opnieuw, by z'n geleider +aantedringen op interventie. + +--Wat is voor òns 'n enkele gulden, m'nheer! + +Kyk me-n-eens zoo'n kleine rykaard! Jansen antwoordde niet, bleef +weer staan, en scheen te weifelen. De vrouw die met 'n eigenaardig +armeluî's-instinkt iets bemerkt had van wat er tusschen die twee gaande +was, vond het raadzaam van tekst en toon te veranderen, en begon te +jammeren over de drie "wurmen die ze thuis had, en die nu zouden moeten +vergaan van ongemak en kou." Inhoever deze verdrietige omstandigheden +'t gevolg konden wezen van Kaatje's wangedrag, of van 't bankroet dat +ze aan haar boezelaar leed, liet zy onopgehelderd. Toch had vooral de +beweerde plotselinge temperatuurverlaging van die "wurmen" zoo in 't +hartje van den zomer, best eenige meteorologische toelichting kunnen +gebruiken. Maar hiernaar werd door de tegenparty niet gevraagd. Zoowel +de waardin als anderen uit den hoop beantwoordden haar klachten slechts +met onwetenschappelyke scheldwoorden, doch tereere van 't stukje +publiek dat hier vergaderd was, moet ik erkennen dat ook de koopvrouw +uit Haarlem niet verschoond werd. Haar beroep leverde overvloedige +stof tot schimp en smaad. Maar 't scheen dat ze de uitdrukkingen +waarmee men haar zedelyk en maatschappelyk standpunt kwalificeerde, +wel eens meer gehoord had, en niet gewoon was flauw te vallen om 'n +beetje schande. Tartend, en als om te pronken met haar ongedeerdheid, +bauwde zy de scheldwoorden na die men haar naar 't hoofd wierp, +en wanneer daarin zekere eentonigheid begon te heerschen, omdat de +voorraad wat klein bleek in verhouding tot den duur van de scène, +hielp zy de schreeuwers op den weg door 'n sarrend: "nou mot jelui dàt +weer 'ns zeggen!" of: "ik heb in lang niet dàt of dàt gehoord, koman, +bedenk jelui je nou 'reis goed of je niet ereis wat nieuws weet!" Deze +betrekkelyke kalmte prikkelde tot opwinding, en op zeker oogenblik +nam de afkeer van haar ellendig bedryf zoo de overhand... neen, dit +is onjuist, men werd zóó boos over de onverschilligheid waarmee ze +'t schelden opnam, dat de moeder hoop begon te scheppen. Het blyft 'n +raadsel wat die vrouw eigenlyk van plan was met haar "kind" aantevangen +als 't bevryd wezen zou uit de handen van de waardin, doch zonder +zich hierover te bekommeren begon de meerderheid haar bytevallen. + +Wouter zou weer ruimschoots in de gelegenheid geweest zyn de +psychologie van de massa te bestudeeren, als-i niet te zeer vervuld +ware geweest van z'n zucht om... ja wat? Hy wou helpen, redden, +te-rechtbrengen, hy wou iets doen. Wel ja, 'n mensch heeft niet alle +dagen twintig ryksdaalders in z'n zak! En niet dikwyls valt zoo'n +schitterend standpunt samen met 'n drama als hier vertoond werd, noch +met de akeligheid waarmee 't--niet gansch onverhoopt, om de waarheid +te zeggen--straks dreigde of beloofde te sluiten. Er werd namelyk +geroepen: "te-water!" en dit woord klinkt vreeselyk in de ooren van +'n hollandsch jongetje, opgebracht in de vreeze voor kou-vatten en +den wallekant! + +--Te-water, allo, dat wyf de vaart in, sebit! En die meiden na huis! + +Naar huis, o onbesuisde menigte? Naar wèlk huis? Naar de krotten waar +ze onder opzicht komen zouden van zulke moeders? Ik ben overtuigd dat +geen myner lezers, indien hy 't hier beschreven voorval had bygewoond, +zich met die hoogst onfatsoenlyke zaak zou bemoeid hebben. Maar, +lezer, gesteld eens dat ge hadt moeten stemmen? Zoudt ge in-gemoede +hebben durven roepen: die meisjes naar huis? Men behoeft waarlyk +niet zoo onnoozel als pater Jansen te wezen, om verlegen te zitten +met de keus tusschen twee hellen. En wat het lynch-vonnis tegen die +waardin aangaat... onze Maatschappy--hier niet byzonder oneigenaardig +vertegenwoordigd door 'n troep gemeen--is wel zonderling! Het schepsel +dat men hier te-water wilde dringen, was een van háár leden, en 'n +lid ook van 't gild dat diezelfde Maatschappy blykens eeuwenlange +ervaring nooit heeft kunnen ontberen. Waarom nu, als zoo'n onmisbaar +meubelstuk onzer beschaving zich in 't openbaar vertoont, op-eens +zooveel verontwaardiging voorgewend? Verbiedt niet de wysheid der +volkeren 't schenden van z'n aangezicht? Bedenk toch, o preutsche +Maatschappy, dat zoo'n winkelierster in ontucht een uwer meest +vooruitstekende neuzen is! + +--Te-water met dat wyf, werd er weer geroepen, de vaart in! + +Er viel optemerken dat de hevigheid van dit geschreeuw in omgekeerde +rede stond tot de nabyheid van de plek waar de bedoelde exekutie +zou plaats hebben, en hieruit bleek dat de verst-afstaanden 't meest +verontwaardigd, d. i. de deugdzaamsten waren. We mogen aannemen dat ze +zich in hun braafheid wel 'n beetje gesterkt voelden door de betere +kans zich snel uit de voeten te maken, zoodra het deugd-zoenoffer +zou liggen te spartelen in de Haarlemmer-vaart Ieder weet immers dat +niets op aarde onvermengd is, tot en met de courage van de braven +toe? Hierop scheen de waardin dan ook te rekenen, want ze gaf weinig +blyk van angst, en de uitkomst bewees dat ze gelyk had. Het doet +me leed dat ik den lezer, die waarschynlyk braaf is, en--als die +verst-afstaanden!--met fatsoenlyk verlangen uitziet naar de zegepraal +der deugd, eenigszins moet teleurstellen. Het wyf werd beschimpt +en gehoond, maar... ze bleef droog. Wie er spyt van heeft, trooste +zich met de kameraadschap van Wouter, die by mangel aan ander emplooi +van moed, gulheid en goeden wil, zoo byzonder graag eens iemand uit +het water gehaald had. "'t Komt zoo zelden voor!" mymerde hy, en dit +vind ik ook. Het redden van drenkelingen moet 'n vervelend vak wezen, +tenzy men er compérage by te-pas brengt, en hieraan werd noch door +Wouter noch door 't kandidaat-offerlam gedacht. + +Wel ver van zich op 't altaar der zedelykheid te laten zoen-offeren, +noch zelfs blyk te geven dat ze zich rechtens als de zwakste +beschouwde, dreigde de waardin met de policie. + +--Wel nou nog mooier! Jy, schandvlek, wou jy de policie roepen jy? Je +mag God danken dat er geen diender in de buurt is, jy, die hier de +meissies komt verdibbeseeren! + +--Ik heb 't zwart op wit, schreeuwde zy weer. En, als er policie was, +zou ik 't jelui laten zien! + +Wàt? Haar dy? Neen, denk ik. Dat ze in haar recht was? Dit ook wel +niet, maar toch was de kans dat de vertegenwoordigers der autoriteit +haar niet geheel-en-al in 't ongelyk zouden gesteld hebben, grooter +dan sommigen wel meenen. [29] + +De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad +uit de dagen waarin m'n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich +redde door den kreet: "als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik +m'n kerel stemmen voor X!" Dit was gelogen, anakronistisch gelogen, +gelyk dan ook slechts van 'n blad dat tot... die andere party +behoorde, te verwachten was. Nooit zou men zoo'n afschuwelyk laag +verzinsel vinden in 'n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy, +'n leugen wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het +kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis +is geworden na 't uitsluiten van de arme drommels die zich moeten +tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. Onze Maddam dééd +niet aan staatkunde, en dit is 't slechtste niet wat ik van haar zou +kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes by den arm, +en duwde haar naar 't gapend luikje van de schuit. "Allo, d'r in, +as 'n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo, +d'r in, en jy ook!" Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje +ingescheept. De schuit wiegelde by 't opstappen en dreunde by 't +neerkomen op den vloer van 't ruim. Van onwil bleek er niets. De +bedroefde "moeder" die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog +verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog +iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas 'n +krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren +natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers +te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? Wou ze +'t slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och, +neen, op eer en roem was ze in 't minst niet gesteld, maar er viel voor +haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of er van +dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter's aandringen by +Pater Jansen om voorzichtigheidje te spelen had haar aandacht gewekt, +en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die beide personen uit het +oog verloor, 'n oplettendheid die rechtstreeks tot de eischen van haar +"vak" behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts 't uitvloeisel +van gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de "radelooze moeder" nogeens +ter-markt te komen met haar radeloosheid: + +--Hi, hi, hi, m'n arm kind! + +Wouter vroeg weer aan z'n begeleider, of er dan van hunnentwege +volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen? + +--M'n arm kind! En... m'n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m'n +boezelaar weerom had! + +Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter's gedachten. + +--Drie skelling en 'n oortje! + +Weer rekende Wouter z'n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden +bedroeg. + +--Och, m'nheer, nog niet eens 'n volle heele gulden! Wat scheelt òns +die eene gulden? + +De waardin en de moeder bespiedden om 't zeerst wat er tusschen die +twee broeide. + +--Hoor eens, jongeheer, 't mag niet, zei Jansen, 't mag waarlyk +niet! Maar... + +--Toe, asjeblieft, m'nheer! + +...dan zal ik 't er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld schryven aan +m'n broer te Vucht. Maar gauw dan, 't is geen pleizierig staan hier. + +Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde +'t grauwlinnen zakje waarin z'n geld geborgen was voor den dag, had +'n beetje tyd noodig om den styf in-een-gedraaiden hals te laten +ontkrinkelen... + +De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid +van de wenteling. Maar... 't kon kopergeld wezen? Neen, Wouter haalde +een ryksdaalder voor den dag. + +--Hi, hi, hi, m'n arm kind! + +De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om de +oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de "drie +skelling" sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen +jongeheer op de gedachte te brengen dat 'n ryksdaalder méér bedroeg +dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste +regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde +dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar "verloren kind" +'n onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met +'n schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met +open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i +wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te +hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten +verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf 'n verrassing +toen hy op-eens--in-godsnaam, 't moest wel!--zich aanstelde alsof +'t wel werkelyk z'n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder +te offeren op 't altaar van... van... ja, van wat eigenlyk? + +--God zal 't je duizendmaal loonen, jongeheer! + +--Dat 's vier zak guldens, en nog 'n beetje toe! riep 'n rekenaar +uit den hoop. + +--Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m'n arm kind +worden? + +Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de +zedelyke toekomst van dat "arme kind" eenigszins te verbeteren, +door de jammerende moeder 'n tweeden ryksdaalder aantebieden. + +'t Was waarlyk Wouter's verdienste niet dat-i ditmaal bewaard bleef +voor 't verergeren van de reeds begane fout. Hy hoorde mompelen: +"nou, voor twee-gulden-tien levert ze-n-'t heele nest dat ze thuis +heeft" waarmee waarschynlyk de ons reeds eenigszins bekende "wurmen" +bedoeld werden. Deze taxatie kwam ons weldoenertje liefdeloos en +onhoffelyk voor. Opgewekt tot verzet tegen de "massa" die natuurlyk +met luid gelach den uitval toejuichte, wilde hy... zou hy... och, +'t kwam er niet toe. Pater Jansen stond in den stuurstoel te wenken, +de schipper nam zyn plaats by 't roer in, de knecht maakte het touw +los waaraan de schuit had vastgelegen, en z'n "aan-boord, wie mee +mot!" maakte aan de vertooning 'n eind. Onder luid spotgejuich van de +menigte op den wallekant, gleed de schuit heen. De waardin had heel +fatsoenlyk plaats genomen in de roef, misschien wel om den edelmoedigen +jongeheer in 't oog te houden, schoon men ook zonder deze strategische +byzonderheid erkennen moet dat haar middelen zoo'n gedistingeerdheid +wel veroorloofden. 't Scheen haar alweer niet erg te hinderen dat de +personen die ze in dat hokje vond, ruimer plaats voor haar maakten dan +stipt gezegd noodig was. Elk ander zou zich beleedigd getoond hebben +over de verregaande inschikkelykheid waarmee ze ontvangen werd. Maar +zy? Onze twee helden hoorden haar by 't binnentreden zeggen: "ook +goed! Beter zóó, dan allemaal op 'n hoop, lieve menschen! Wie zweeten +wil, kan z'n gang gaan, maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?" + +Dit vraagje werd gericht tot den état major die in den stuurstoel +zat, en ik zou 't overgeslagen hebben als 't me niet te-pas kwam om +'n opmerking te maken over den oorsprong van de Vrymetselary. Van: +vrymetselary liever, zonder lidwoord. Ik vind het wel zonderling dat +men nog altyd daarnaar zoekt, alsof 'n aanleiding die zich dagelyks +aan onze oogen vertoont, en die zoolang bestaan heeft als er menschen +op de aarde wonen, eenmaal in nauwkeurig bepaalbare omtrekken 'n +historische gebeurtenis zou geweest zyn. Elke Nyl moet, volgens +zeker soort van volksvoorgangers, z'n byzondere bronnen hebben die +men met den vinger op de kaart kan aanwyzen, en uit valsche schaamte +voor den leerling die er naar vraagt, wil men maar niet erkennen +dat die bronnen heel eenvoudig in de wolken liggen. Waarom zou een +der tallooze waarneembare spruitjes die 't hunne bydragen om zoo'n +rivier te maken tot wat zy is, meer dan elk ander beekje, meer dan elke +àndere vereeniging van doorgesypelde druppels, den naam van eigenlyke +bron verdienen? Zoo bestaan er veel vraagstukken welker oorzaak van +bestaan... 'n vraagstuk behoorde te zyn, of niet eens 'n vraagstuk. We +kunnen de oogen niet opslaan zonder Wording waartenemen, en toch blyft +men nog overal droomen van 'n Schepping. 't Lykt wel of zekere natuur- +en geschiedfilozofen hun beroep leerden op 'n registratiekantoor, +en vandaar de meening meebrachten vóór alles geroepen te zyn de +wereld-akten van 'n vasten datum te voorzien. Het boekdrukken, 'n +hoogstbelangryk vak zeker, maar slechts in zeer letterlyken zin van +'t woord: 'n Kunst, het "stichten" van steden, de volksverhuizingen... + +Hola, we zyn er! En 'n behoorlyke date certaine hebben wy ook. Wel +zeker, de lieftallige herderin was aan 't volksverhuizen met haar +twee veroverde schapen, en men schreef: haarlemmer kermis, den +zooveelsten dag. Ziedaar registratie! Och, ik moet wel korrekt tewerk +gaan. Vanwaar anders dan uit 'n deugdelyk vastgestelden kermistyd zou +ik den orgelman bekomen, die straks langs de vaart over den weg moet +sukkelen om op 't juiste oogenblik onze Maddam te-hulp te komen in +haar natuurvrymetselary? Er is veel talent noodig om dit uitteleggen +aan lezers die 't niet zonder uitlegging verstaan. Vooreerst gelieve +men te begrypen dat er op den ganschen weg, althans zoover 't oog van +onze reizigers reikte, geen orgelman te zien was. Niets natuurlyker. De +man was met de zynen--waaronder z'n gewichtig instrument--'n vol uur +voor 't afvaren der schuit van Amsterdam vertrokken, en 't spreekt +dus vanzelf dat men hem nog niet had ingehaald. Zonder loggen of +zonschieten kan nu de lezer vry precies berekenen hoeveel geografische +zoetwater-ellen door ons vaartuig waren afgelegd, toen de edele vrouw +die betuigd had van ruimte te houden, aan 't stuurstoelpersoneel +vroeg: of 't niet waar was? Strikt genomen hadden Jansen, Wouter +en de schipper 't recht gehad, hierop te antwoorden dat ze 't wel +gelooven wilden maar niet met zekerheid wisten. Inderdaad, men moet +niet alles voor waar aannemen wat er door den eersten den besten +gezegd wordt. Die vrouw kon booze redenen gehad hebben om 't publiek +in 'n verkeerden waan te brengen omtrent haar opinie over zweeten en +benauwdheid. Maar, och, ons drietal dacht zoo diep niet na. Jansen was +te bedroefd om te spreken, en Wouter te zeer vervuld van... iets dat op +'n aventuur geleek, om zoo terstond te kiezen tusschen twyfel, geloof +en ontkenning. Wat den schipper aangaat, hy hééft geantwoord. Maar, +lezer, zoolang ik u niet meedeel wàt de man zei, is 't voor u alsof-i +niet geantwoord had, en ge hebt dus 't recht, u voortestellen dat de +schuit 'n haarbreed verder was dan op 't oogenblik toen de belangryke +vraag gedaan werd. Hoe kan 't na deze opmerkingen iemand in 't hoofd +komen, te meenen dat men dien orgelman reeds had ingehaald? Haasten +laat ik me zoomin als 'n haarlemmer-trekschuit zelf. De schipper +heeft geantwoord, o ja, maar ik ben aan 't woord over de vrymetselary, +en dat gaat vóór. Hoe kan 't anders, daar juist de vraag "of 't niet +waar was, dat ze van ruimte hield?" my de opmerkingen in de pen gaf, +die nu--misschien niet eens terstond--zullen volgen! Zou ik tuchteloos +genoeg wezen my met het antwoord te bemoeien voor ik de vraag heb +afgehandeld? Zulke kapriolen... + +Die orgelman dan was door Fancy besteld om zich niet voor 't juiste +oogenblik te laten zien, en we zouden verkeerd doen haar beschikkingen +vooruit te loopen, vooral wanneer we door geduldig wachten gelegenheid +vinden iets zeer wetenswaardigs te vernemen over den oorsprong van +vrymetselary. Waar de bronnen van den Nyl zyn, heb ik reeds gezegd, +en als ik nu ook dat andere ophelder zal de billyke lezer erkennen +dat ik niet gierig met nieuws ben, schoon 't wel wat veel is voor +één hoofdstuk. + +Eilieve, wat ter-wereld bewoog die waardin tot de vraag: "of 't +niet waar was?" Weetgierigheid? Om-godswil, hoe konden Wouter en +de schipper, of zelfs Jansen die 'n "gestudeerd" persoon was, meer +van de zaak weten dan zyzelf? 't Mensch was wel zoo oud als ik, dat +heel erg is, schoon ik tot eer van haar Publiek erkennen moet dat ze +'t veel verder dan ik in de wereld gebracht had. Maar, gewaardeerd +of niet, men wordt geen zeven-en-vyftig jaar zonder ruimschoots +tyd te hebben tot beoordeeling van de vraag of men aan ruim- of +nauw-zitten de voorkeur geeft. Waarom in deze zaak de meening van +anderen ingeroepen? Hoe zou ze 't opgenomen hebben, als een van +de drie haar geantwoord had: "ik ben 't volstrekt niet met u eens, +juffrouw. U houdt meer van benauwdheid, want de groote die of die +heeft gezegd... enz?" Ik doe de werkelykheid geen geweld aan, door te +veronderstellen dat zoo'n tegenspraak niet zou gewaagd zyn zonder +beroep op den bekenden grooten dichter die frazen geleverd heeft voor +alle gelegenheden. Ik vraag my af wat ikzelf op haar nederig verzoek +om inlichting zou geantwoord hebben indien ik in dien stuurstoel had +gezeten? Maar ik kan me de mogelykheid daarvan niet voorstellen omdat +ik op dat tydstip niet geboren, en alzoo nòg onbekwamer was dan nu in +'t oplossen der vraagstukken van zoo aetherischen aard als waartoe +afkeer van benauwdheid schynt te behooren. Er is geen woord van waar, +van deze klassifikatie, bedoel ik, want op m'n volstrekte onbekwaamheid +om vóór m'n geboorte meetepraten, valt niets aftedingen. En ongeboren +wàs ik. Er liggen honderd twee en zeventig genien tusschen myn +eersten kreet en 't laatste woord van die waardin. De lezer weet +dat er in Nederland dertien genien op 'n maaneklips gaan, en kan +dus nu precies uitrekenen wanneer ik jarig ben. Men wordt verzocht +de miskende meetetellen, anders zou men tot de slotsom komen dat ik +nog in de wieg lig. + +--Maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar? + +Mensch, waarom vraag je dat? Is 't uit wysbegeerte? Heb je aan +duitsche filozofie gedaan, en wil je misschien de eigenschappen van 't +leelyke ding an und für sich dat je--met permissie--je ikheid noemt, +objektievelyk onderwerpen aan de subjektieve reinen-vernunftskritiek +van den haarlemmer-schipper die z'n pyp stopt? + +--Asjeblieft, schippertje! + +Zoowaar, ze wil hem den koperen vuurbak aanreiken, waarin 'n turfkool +ligt te glimmen, voor verstuiving bewaard door 'n deksel van messing, +voor uitdooving ook door vyf ronde gaten, juist groot genoeg om +aan pypekoppen den toegang open te laten naar 't vuur. Toegang? 't +Mocht wat! De schipper, deugdzaam, griffermeerd en verontwaardigd, +vader van zes gehuwde kinderen, antwoordde ditmaal niet. Hy haalde +'n tondeldoos uit z'n zak, nam de roerpen onder den oksel, en bikte +z'n eigen vuur. Was er geen konsekwentie in dat waardig gedrag van den +haarlemmer-schipper? En is 't billyk, my te verwyten dat ik by-voorkeur +beelden teeken die thuis hooren op laag terrein? Kan men zich iets +verheveners voorstellen dan die tondeldoos en dat vuurslaan voor eigen +rekening--als schryver zou de man 'n gek figuur gemaakt hebben!--terwyl +hy de hand maar hoefde uittesteken om met z'n pyp den koperen cylinder +te bereiken die hem zoo gul... neen, zoo verleidelyk werd aangeboden +door de ondeugd? Of, al ware het dat-i met z'n grootkop zou te-kort +geschoten hebben om 't altaar te bereiken dat de valsche Vestale hem +aanlangde, zou niet Wouter, de hulpvaardige by-uitnemendheid, het +vaasje met de meest mogelyke toewyding hebben vastgehouden? Meent ge, +lezer--gy die 'n man van ondervinding en oordeel zyt, en bovendien +als Christen bedreven in de geheimenissen der demonologie--meent ge +dat ooit aan 'n haarlemmer-schipper die op 't punt staat z'n eerste +pyp aantesteken... + +Ze waren alzoo pas by de Eén honderd Roe, of ter-nauwernood zoo +ver. Alweer 'n bewys dat die orgelman nog niet "in-zicht" kon +wezen. Finaal onmogelyk! + +... meent ge dat ooit de Satan zich aan zoo'n schipper aanlokkender +kan vertoond hebben dan in de warme gedaante van 'n gloeiende kool? En +tòch deugdzaam! Tòch konsekwent! + +Deugdzaam? Ja. Maar wie van konsekwentie spreekt, heeft alweer slordig +gelezen. Hoe kan men weten of 's mans pyp-opsteken voor eigen rekening +en risiko, in overeenstemming kan gebracht worden met het antwoord +dat de vrouw zoo-even van hem moet gekregen hebben, zoolang men van +dat antwoord geen kennis draagt? Overyling... uw naam is lezer! Stel +dat-i gezegd had: "Eulalia, ik bemin u meer dan m'n schuit!--en nog +altyd weet geen sterveling of-i wat anders zei--zou 't dan niet van +onvergeeflyke harteloosheid getuigd hebben, als-i zoo kort daarop +Eulalia's vuur had afgewezen? Dat mannen veranderlyk zyn weet ik, +en niemand betreurt deze karakterfout meer dan ik, doch juist daarom +noem ik 't voorbarig dien schipper te stempelen tot uitzondering, +voor wy 'n beetje meer van hem weten. In de eerste plaats alzoo... + +Lieve God, wat moet ik nu 't eerst vertellen? De natuurmetselary +wacht op verklaring. De schipper zuigt en blaast, de tondel tintelt, +en klaagt over m'n spelling, nu ja, maar kan ik 't helpen dat onze +taalwetgevers hun eigen wetten niet volgen? De waardin schuift met +mismoedig gebaar den versmaden vuurbak zoo ver ze maar eenigszins +reiken kan over 't roertafeltje binnenwaarts, en verbergt haar smart +onder den uitroep: + +--Wel man, als 't je niet lykt mot je 't maar zevend'half voet van +je zetten. Graag of niet! 'n Mensch z'n lust' is 'n mensch z'n leven... + +En, 't hoofd buiten de deur-opening stekende, herhaalde zy de +gewichtige vraag: + +... wel ja, niet waar? + +Jansen en Wouter hadden nu twee zaken voor één optelossen. + +De vrouw wilde weten of 't waar is dat 't leven van den mensch in z'n +lust bestaat, 'n onderwerp dat weleens tot de konkluzie zou kunnen +leiden dat men niet juist alle dooden op 't kerkhof behoeft te zoeken, +schoon ik niet verzekeren kan dat de weetgierige vraagster van deze +vroolyke slotsom 't ware besef had. Er bleek dat het zoo duidelyk +uitgezwegen non tali auxilio van den schipper 't mensch gewond had, +en ik verkies nu in haar herhaalde poging om eigen indruk aan 't +oordeel van anderen te toetsen, 'n bydrage te vinden tot den oorsprong +der maçonnerie. + +Ten-allen-tyde bestonden er menschen die meer te zeggen hadden dan +'n ander, en zy die--zooals op 't oogenblik onze schipper--aan 't roer +zitten, maakten wel eens misbruik van hun voordeeliger standpunt. Laat +ons onderzoeken wie de vrouw was die daar in de roef zat, en telkens +haar hoofd buiten 't deurtje stak alsof ze kennis maken wou. Wie ze +was? Wel hoe kan ik dit weten, ik ken 't mensch niet. De vraag is +zonderling. Ik weet alleen dat ze zoo-even terdeeg was uitgescholden, +en daar ze nog geen gelegenheid had gehad het gepeupel dat haar met +zooveel verachting behandelde, te doen verzwelgen door dezen of genen +afgrond, bevond ze zich in 'n staat van vernedering die 't midden +hield tusschen wrevel en kontritie, wel eenigszins gematigd of tot +nader order teruggedrongen door den wensch om Wouter te ontlasten +van z'n ryksdaalders. Wat haar boosheid aangaat, spot er niet mee, +verwaten lezer. Ik had U wel eens willen zien, tien minuten na +'t afgryselyk oogenblik dat 'n brokje Publiek u gebruikt had als +voorwerp van deugdmanifestatie! + +Tien minuten, zeg ik? Misschien was 't nog wat minder, schoon +ik erkennen moet dat de schipper z'n tonteldoos... goddank, met +'n tintelende t dezen keer, 't staat er! Ja, de schipper had z'n +vuurtuig geborgen waar zulks te doen gebruikelyk is. Hy dampte deftig +en dapper, en reeds had-i aan Jansen verzekerd dat het vandaag +mooi weer was. Toch blyf ik beweren dat de schuit nog geen volle +tien minuten gevaren had. Zóólang nog maar was de waardin woedend +geweest. Dit komt iemand die 't nooit ondervond zoo heel erg niet +voor, maar men moet bedenken dat de deugdzame gemaaktheid waarmee +'t roefpubliek zich by haar binnentreden tegen 't voorbeschot had +gedrongen, geen goed aan de zaak deed. Men kan gerust aannemen dat haar +minuten dubbel telden, en waarschynlyk is 't aan deze byzonderheid te +wyten dat sommige historieschryvers, haar zielewenteling verwarrende +met de kopernikaansche gegevens van 't andere zonnestelsel, in de +dwaling vervielen dat onze schepelingen den orgelman reeds in 't +oog konden hebben. Niets is minder waar. De man was de Driehonderd +Roe al lang voorby, toen de vrouw de eerste keer vroeg "of 't niet +waar was?" En nu? Nu, na alles wat er sedert dat gewichtig oogenblik +plaats vond? Dat ik instaat ben op 't kleinste wereldkaartje de +plek aantewyzen waar hy zich bevond, mag beschouwd worden als 'n +billyk schryvers-prerogatief. Maar zoolang ik m'n meerdere kennis +voor mezelf houd, baat die alziendheid weinig aan 'n ander. Om +nu evenwel bewys te geven dat ik op dat geestelyk overwicht niet +groots ben, deel ik gulweg wat van m'n overvloed mee, door alles +te vertellen wat ik van de zaak weet. Het zal velen interesseeren, +vooral omdat er iets onmogelyks in voorkomt. De orgeldraaier dien +ik den lezer vóór den tyd laat zien, was 'n Franschman. Dit is niet +volstrekt onmogelyk. Om geloofszaken had-i z'n land verlaten. Ook dit +gaat de perken van 't denkbare niet te buiten. Wie verlaat niet soms +z'n vaderland wegens verschil van opinie met z'n medeburgers? Hierin +lag alzoo de mogelykheid van z'n aanwezen niet, maar hy torschte een +straatorgel, en dit vind ik ongeoorloofd-byzonder, omdat zoo'n ding +in Wouter's tyd nog niet bestond. Zoo ziet men dat alle verbeteringen +in armwezen, politiek en industrie worden aangekondigd door 'n soort +van voorloopers. 't Voorgeslacht heeft er geen weet van--omdat het +overleden is--de tydgenoot miskent en steenigt ze uit broodnyd, +en de naneef... nu, dit ben ik in dit geval, en ik zal m'n émigré +geven wat hem toekomt. Vooreerst dan kan ik u na 't raadplegen met al +de oude schryvers die de zaak behandeld hebben, verzekeren dat-i op +'t oogenblik toen de waardin bezig was met de vruchtelooze poging om +'t hart van den schipper te doen smelten, in z'n koeterwaalsch stond +te kibbelen aan 't Sloterdyker tolhek. Hy trachtte vrye passage te +bedingen, maar 't lukte niet. Z'n vrouw--zaagt ge ooit 'n orgelman +zonder vrouw?--en haar kinderen--wie zag ooit 'n orgelvrouw zonder +kinderen?--nu, 't heele gezin stond om hem heen, en wachtte met angst +de beslissing af. Maar de tolgaarder was onvermurwbaar, en betoogde op +staathuishoudkundige gronden dat ouwerwetsche kwalen als die waarin +hy een zoo nuttig bestaan vond, met de meeste stiptheid moesten +gehandhaafd worden, omdat alleen hieruit te-eeniger-tyd de algemeene +afkeer kan voortvloeien die de afschaffing zal mogelyk maken. "Maar +ik zal 't niet beleven, zeid-i, en m'n kinderen ook niet!" Dit +was wèl gezegd, voorwaar, en hy had gerust nog 'n paar geslachten +verder kunnen gaan, wat-i zeker naliet uit de bescheiden vrees zich +gezegender stamvaderschap aantematigen dan de Heer hem toedacht. Vol +karakter, en met 'n aandoenlyk vertrouwen op de taaiheid van misbruik, +bleef-i z'n recht tot plicht verheffen, en eischte twee duiten de +persoon. Had de man geen gelyk? By de minste weifeling liep de Staat +gevaar dat de Regeering in den Haag zyn toegevendheid tot precedent +stempelen, en zich daarop beroepen zou om eens 'n enkelen keer met +den tyd meetegaan. Wie huivert niet? En wie huivert niet nogeens by +de bedenking dat misschien alle Haarlemmers en Amsterdammers op-eens +vice-versa aan 't verhuizen zouden gaan, als zoo'n tweeduits-slagboom +werd overgebracht naar 'n muzeum? Wie 't wèl meent met z'n dierbaar +vaderland en ouwerwetsche zotternyen, huivere ten derden maal. Maar +dan is 't ook genoeg. + +De vrouw van den orgelman was 'n Duinkerksche, en kon zich redelyk +verstaanbaar maken, maar haar aanhouden had even weinig gevolg als de +niet verstane hoewel best begrepen vertoogen van haar echtgenoot. Wat +te doen? De stumperts waren nu eenmaal de tien, twaalf duiten niet ryk, +die er noodig waren om Haarlem te bereiken, waar ze zeker opgang en +goede zaken zouden maken met hun zeil. Want ze hadden 'n zeil, waarop +'n fraaie geschiedenis stond afgebeeld. Het was, om 'n paar staken +gerold, gedragen door de twee oudste kinderen, die nu echter by dien +slagboom hun vrachtje moedeloos hadden neergelegd. Ook 't orgel was +op den grond gezet, en de vermoeide man ging er op zitten, niet zonder +vrees dat men tol zou komen vorderen voor 't beetje rust dat-i waarlyk +wel noodig had. De vrouw was uitgepraat, en de tolgaarder had alle +verzoeking tot het schenden van z'n plicht afgesneden door zich in z'n +huisje terugtetrekken, waar-i z'n werkzaam leven voortzette. De nood +was hoog, en alzoo de redding naby. Nu denkt de lezer dat Wouter aan +de beurt komt. Welzeker, wat beteekenden voor hem tien duiten, of al +waren 't er twaalf! Ik heb de kinderen niet geteld, en weet bovendien +niet of de vele zuigelingen die daarby waren, moesten meedragen in +'t onderhoud van den straatweg? Maar al had ik ze geteld, en al wist +ik dat, om godswil, lezer, hoe kon Wouter hier helpen, hy die nog ver +af was, en van de heele zaak geen kennis droeg? Geloof me, als Wouter +in dit byzonder geval God met anderhalven stuiver was te-hulp gekomen +in 't redden van vyf, zes ongelukkigen, ik zou 't zeggen! Reeds voor +mezelf houd ik niet van nederigheid, waarom zou ik--ten-koste nogal +van m'n roem als nauwkeurig geschiedschryver--preutsch omgaan met +de verdiensten van 'n ander? Wouter zat nog altyd lang en breed te +peinzen over... die twee meisjes, en wie z'n indrukken gekend had, zou +gevonden hebben dat-i ditmaal byzonder weinig op 'n plaatsvervangende +Voorzienigheid geleek. Er was toch iets aardigs in, dacht hy, zoo +op-eenmaal door 'n vrouw uit Haarlem uit z'n gewonen kring gehaald +te worden. Hy wou graag gelooven dat ze de wereld niet van den +allerfraaisten kant intraden, maar 't was die Wereld toch, 't was +'n uitvlucht, iets ongewoons. Zoo'n meisje had toch veel voor. Wie +zou ooit hèm komen halen, wie hèm verlossen van Stoffel, Kopperlith's +en gewoonheid? Die meisjes waren "gevallen" o zeker, en dit is heel +verkeerd, maar hadden ze niet byzonder prettige genoegens te wachten +van 't opstaan? Ieder weet dat God graag vergeeft--men moet bedenken +dat het z'n eenige uitspanning is--en ook de Maatschappy strekt tot +verrekkens toe haar armen uit om berouwhebbenden aan haar vriendelyke +borst te sluiten. Onder al die omhelzers bevindt zich alligt 'n prins +die zich zoo verheugt over 't weervinden van 'n verloren schaap, +dat-i al z'n koningryken wat weinig acht om op 't laatste blaadje +van den roman te worden neergelegd aan de voeten... och, hoe jammer +dat Jansen plaats had, genomen in de roef! + +Maar met al die overleggingen hebben we niet te maken, omdat, we nu +te Sloterdyk zyn. Daar Wouter er nog niet was, zag God-zelf zich wel +genoodzaakt 'n hand uittesteken. Hy verwekte een verlosser in Israël, +in de gedaante van 'n kleinen boerenjongen, die uit het dorp over +de vaart heen bemerkte dat er by het tolhek iets byzonders aan de +hand was, en z'n ontdekking aan twee, drie anderen meedeelde. Dezen, +gedreven door den geest, maakten er ook geen geheim van, en alles +liep uit, de brug over, naar den slagboom: er was Publiek! Wat kan +'n artist meer verlangen? "A la bonne heure!" zei de man, en hy +gaf bevel de paaltjes in den grond te slaan, waaraan 't zeil werd +opgeheschen, ontrold, vastgehecht... och, zoo kleurig! Heel Sloterdyk +stond verbaasd, en er was reden toe. Want, al z'n leven, men kreeg +de geschiedenis der schoone Genoveva van Brabant te aanschouwen! Wie +'t zag, zou moeten erkennen dat Wouter groot gelyk had, toen-i in z'n +print-kleurperiode zoo jaloersch was op dat leven in 'n woesteny. Geen +kind in heel Sloterdyk dat er niet precies zóó over dacht. Het zeil was +verdeeld in vier kolommen, en overdwars in zeven ryen, 'n verdeeling +die me straks kan komen te staan op 't vertrouwen van den lezer. Want +zie, de man zong welgeteld negen-en-twintig koepletten, en 't zal dus +schynen dat ik òf 'n koeplet van eigen vinding valschelyk onderschuif, +òf dat ik--erger nog--te-kort doe aan 't zeil. 't Een is zoo onmogelyk +als 't ander. Men schudt geen poëzie als de hier bedoelde uit den mouw, +en wat het zeil aangaat, wie zag er ooit een met negen-en-twintig +vakken? Blyft men in-weerwil hiervan m'n nauwkeurigheid wantrouwen, +'t spyt me wel, maar ik zal trachten my in 't verdriet daarover +weer te schikken. Men is nu eenmaal niet voor z'n pleizier op de +wereld. Misschien ook voelt de ergdenkende lezer berouw, als-i den +tekst van de Complainte gelezen heeft. Hy zal inzien dat men zoo-iets +niet machtig wordt zonder nauwkeurige bronnen geraadpleegd te hebben. + +Men moet daartoe beneden de twaalf jaar zyn, of... véél ouder. Dat de +Sloterdykers er niet veel van verstonden, deed weinig schade aan 't +effect. De acht-en-twintig kleurige tooneeltjes op 't zeil schreeuwden +wèl zoo hard en spraken duidelyker dan de beide zwervers. En wat +men op printjes niet begreep, werd opgehelderd door 't larmoyeerend +orgel. [30] + +Niemand van de toeschouwers had achtgeslagen op 't naderen van de +schuit. Wonder was 't niet, want toen ze begon in-zicht te komen, +had men zich even te-voren vermaakt met de exekutie van Golo, +die zoo duidelyk op het drie-en-twintigste vakje was voorgesteld +dat slechts weinigen er geen kippevel van kregen, en wie in dit +ongevoelig geval verkeerde, wachtte zich wel het te zeggen. Niemand +beklaagde den booswicht, en als de Sloterdykers zitting hadden gehad +in die rechtbank, zouden de stukjes waarin hy gesneden werd, nog +veel kleiner uitgevallen zyn. De chères en de grandes tendresses +waarop Genoveva vervolgens onthaald werd, waren op 't zeil heel +aanlokkelyk voorgesteld. 't Doet me genoegen dat Wouter er niets van +gezien heeft. Ook had de schilder middel gevonden, den toeschouwer +te doordringen van haar aanhoudend omgaan met "J. C." [31] slechts +afgewisseld door 't biddend en dankend gebruiken van ongekookte +boomwortelen. Och, men hoeft zoo weinig fransch te verstaan om zulke +dingen innig te begrypen! Nog één koeplet, en heel Sloterdyk was aan +'t bidden en uitgraven van boomwortels gegaan. Ieder ziet in dat het +publiekje van den troubadour, in zoo'n gewyde stemming wel wat anders +te doen had dan op de schuit te letten, die daar zoo onverschillig kwam +aanschuiven alsof er nooit 'n Genoveva in de wereld geweest was. En die +hinde! Juist toen 't arme dier bezig was met z'n miracle nouveau, door +quoiqu'on lui porte van honger te sterven op dat graf, hoste de jager +voorby. De lyn van zoo'n haarlemmer-schuit is tachtig vaam lang... [32] + + + + + + + + Oorsprong der vrymetselary. Hoe men 't moet aanleggen om met + sommige menschen kennis te maken. Wouter komt niet te Haarlem. [33] + + +Ze was terdege boos. De lezer zal wel weten dat invloed, macht, +gezag, heerschappy, overwicht en de van al deze factoren grootendeels +afhangende tevredenheid met zichzelf voortdurend in stygende of +dalende beweging zyn. Wie aan de verliezende hand is, voelt zich +genoopt naar bondgenooten omtezien, en opent met 'n klein toespraakje +de preliminaire onderhandelingen. Hy tracht te weten te kernon of +er kans bestaat dat anderen in z'n verdriet deelen--of al was 't +maar in z'n afkeuring--en hy staat gereed het minste blyk daarvan +aantegrypen tot herstel van de ondergane krenking. Het spreekt vanzelf +dat de onderliggende party gewoonlyk meer scherpzinnigheid aan deze +taktiek ten-koste legt dan de zegepralende tegenstander die weleens +op z'n behaalde lauweren in den dut valt, en niet aan versterking van +standpunt begint te denken voor de stygende invloed van den vyand +hem daartoe aanspoort. In oogenblikken van betrekkelyke gelykheid +openbaart zich de wryving in morren, twist, krakeel, vechtpartyen +of oorlog, al naarmate de stryd zich tot individueele belangen +bepaalde, of wyder gebied innam. Daar evenwel zoodanige gelykheid +nooit lang aanhoudt, en er alzoo telkens op-nieuw 'n onderliggende +party gevormd wordt die aan herstel van standpunt behoefte voelt, is +dat zoeken naar geestverwantschap 't perpetuum mobile geworden dat +de gansche maatschappy in beweging houdt. De machtigste korporatie +die ooit bestond, moet begonnen zyn met de vraag: of 't niet waar +was? Maar de Geschiedenis zwygt over de tallooze malen dat er op die +vraag geen weerklank werd gegeven, of wel 'n antwoord dat verdere +onderhandelingen afsneed en alle toenadering onmogelyk maakte. Het +is aan 'n zeer byzonder toeval te danken, dat ik kan meedeelen hoe +de eerste poging van de waardin was beantwoord geworden. Zie hier wat +de schipper had gezegd, toen ze terstond na 't instappen van de roef +'n gesprek trachtte aanteknoopen: + +--Zeg 'ns, mensch, als ik jou was, zou ik me nou ereissies heel +bedaard houwen. Ik ben hier baas aan-boord, versta je dat? + +Zeker verstond ze 't wel, maar ze zal evenmin als ik begrepen hebben +hoe dat baasschap hier te-pas kwam? En wat de bedaardheid aangaat, +waaraan de schipper betuigde zich te willen overgeven zoodra hy háár +was... och, ik zeg dat die schipper onmogelyk weten kon wat-i in dat +vreemd geval doen zou. + +--Wel nou keman, nog bedaard ook, en dat na zoo 'n veraffrentasie! + +Meer had ze niet gezegd, en daarmee was 't voor datmaal uit +geweest. Laat ons de geestkracht en de gevatheid bewonderen, waarmee +ze dat komfoor te-baat nam om den aanval te hervatten. Doch we weten +reeds dat ook die poging schipbreuk had geleden op de onafhankelykheid +van karakter die de deugdzame schipper wist te putten uit z'n +tonteldoos. Het speet ons voor de waardin, maar we zyn niet ondankbaar +voor de leering hoe goed het is, by zekere gelegenheden eigen vuur +by de hand te hebben. Het wyf zat nu heel menschenkennig te loeren +op 'n derde gelegenheid. Dat er in elk kuras gapingen zyn, wist ze +wel... lieve god, pater Jansen en Wouter waren in 't geheel niet +geharnast! Ja, had ze maar met die twee alleen te doen gehad. Maar +de schipper was drukkend pedant en groots. Hy blufte op z'n gezag +aan boord, op z'n deugd, op z'n zes gehuwde kinderen: + +--Allemaal best af, m'nheer pastoor, best! Twee by 't waagdragen... +'n mooi vak, m'nheer pastoor! + +Jansen liet z'n kin op de gevouwen handen, en deze op den knop van z'n +rotting rusten, maar antwoordde niet. Z'n gelaat teekende droefheid, +en de waardin bespiedde z'n stemming. 't Was, meende zy, al iets dat-i +door z'n zwygen weinig blyk gaf van den lust om in vriendschappelyke +verstandhouding tot den schipper te komen. + +--En de derde is op 'n armenschool... als onderwyzer, weet u. Dàt +is er een! Als-i 'n woord ziet, vraagt-i dadelyk waarvan ontleent +zich dat? En hy wéét 't! Nou, ik heb ze best opgebracht, dat moet ik +zeggen. 't Oog op God, zoo zei ik maar altyd, en dan... + +Een blik op de roef. + +...eerlyk door de wereld! Wat zegt U, m'nheer pastoor? + +Helaas, Jansen zei weer niets, en de fondsen van de waardin rezen +'n beetje. 't Leek wel of nu de beurt aan den schipper was gekomen +om behoefte te voelen aan wat weerklank. De man verwonderde zich +dat-i met z'n "God voor oogen!" niet beter slaagde vooral omdat-i +met 'n geestelyke te doen had, die beroepshalve wel verplicht was +zulke praatjes heel mooi te vinden. Maar hierin vergiste zich onze +schipper. Over 't algemeen vinden die heeren 't niet aangenaam dat +de terminologie van 't vak door leeken ontwyd wordt. Ze houden meer +van zondaren dan van dilettanten in zaligmakery, omdat 'n klant boven +'n konkurrent gaat. Deze algemeene waarheid was nu wel niet op den +goeden Jansen toepasselyk, maar de teleurstelling van den schipper +werd er niet geringer om. Sedert dertig jaren verkondigde hy z'n +fameuze hoofdgrondstelling tweemaal daags--op den zeldzamen keer na, +dat-i geen enkelen passagier in de roef had--en nog nooit was z'n +hoogstmerkwaardig maxime aangehoord zonder hem 'n zalvend: "ja, ja, +schipper, daar heb je wel gelyk in!" optebrengen. Dit behoorde tot de +emolumenten van z'n verheven beroep, en die pastoor zat maar zwygend op +z'n neus te staren! Zelfs voor het ditmaal zoo byzonder toepasselyke: +"eerlyk door de wereld!" had die vervelende passagier geen goedkeurend +woordjen over, geen knikje! Er moesten andere loopgraven geopend +worden: + +--Ja, God voor oogen, zeg ik maar. Nou, onze Chris--want Chris heet-i +naar z'n grootmoeder, omdat die ook Chris heette--'t is 'n eerst +platje. 't Was eigenlyk m'n vrouws moeder... ook 'n brave vrouw, +dat kan ik je gerust zeggen, m'nheer pastoor! 't Mensch is dood, +maar anders... Jan, vier 'n scheutje tot die modderpraam voorby is. + +Jan de knecht vierde drie vaam van de jaaglyn. Heel noodig was 't +juist niet, maar de schipper vond de gelegenheid gunstig iets van +z'n zeemanschap te laten zien. + +--Ja, m'nheer pastoor, zoo ben ik! Ik heb graag wat speling in de +lyn als er drukte-n-in de vaart is. Een mensch moet op z'n zaken +passen, en... God voor oogen! Dan kom je 'r wel. Haal nu maar weer in, +Jan. Zóó heb ik ze opgebracht, alle zes, m'nheer pastoor. En onze Chris +zei--want hy is 'n platje--"wel, vader, waarom noemen je de menschen +haarlemmer-schipper? Nou, ik begreep terstond dat er wat achter stak, +maar waar 't 'm zat kon ik niet raden, want geleerd ben ik, om 't zoo +'reis ronduit te zeggen, niet. Maar ik versta m'n werk als de beste... + +Waarschynlyk om Jansen hiervan te overtuigen, gelastte hy nu z'n knecht +het dek van de schuit dat met teer en gestampte schulpen besmeerd was, +met water te bevochtigen. + +--'n Paar pussies maar, want ziet u, m'nheer pastoor, anders kleeft +het zoo, als er den heelen dag de zon op staat. Nou, en m'n.. eene +dochter--Jansje heet ze, omdat ze eigenlyk naar my genoemd is, +want... myn naam is Jan--nu die is getrouwd met 'n boekbinder. Die +heeft ook al haar vierde... allemaal meisjes. En de tweede is in de +blye verwachting, want haar man is op 'n kantoor in de accynsen. Daar +worden alle varkens gewogen... van de stad, weet u? + +--Maar, m'nheer, waagde Wouter te vragen, waarom mag men u geen +haarlemmer-schipper noemen? + +--Ja, niet waar, dàt is 'n vraag! Nou, hy is 'n guit, dat zal je +hooren. En alles maar zoo droog-weg. Hy zei... maar zeg eens, ben je +meer te Haarlem geweest? + +Of Wouter er geweest was! + +--Want anders kan je 't niet zoo dadelyk begrypen. Maar ik wou m'nheer +pastoor vertellen van m'n derde dochter. Die woont in de Langstraat, en +haar man heeft 'n winkel, en daarin verkoopen ze zoowat van alles. 't +Is om 't nu zoo eens uittedrukken: 'n komeny, maar aanspreker is-i +ook, en hy bedient 'n begrafenisfonds, en dat geeft nogal. Toen +verleden haar jongste gestorven is, hebben ze-n-uit hun eigen bus +twintig gulden gehad. Bn nu is de middelste ook ziek, 'n meisje, +m'nheer pastoor, met kromme beentjes en nogal pieperig. Ja, 't gaat +'rlui best. Ze wil altyd dat ik m'n rust zal nemen omdat ik op jaren +kom, want Pietje heet ze, omdat ze genoemd is naar m'n vader, en die +heette Piet. En ze wil dat ik zal uitscheien met werken omdat ik zoo +erg op jaren kom, m'nheer pastoor, en al zooveel beleefd heb. Maar +ik zeg maar altyd: né, zoolang God me kracht geeft... + +Zóólang zoud-i zeven uren daags in dien stuurstoel zitten, en nog +meer beleven, en haarlemmer-schipper blyven, of wat-i dan volgens +z'n guitige zoon wezen mocht. + +--Een mensch moet op z'n post blyven naar Gods bestel, m'n-heer +pastoor. Dàt heb ik altyd m'n kinderen voorgehouden, en daarom gaat +het hun best. + +--Maar, m'nheer, waarom mag men u geen haarlemmer-schipper noemen? + +--Precies, zoo kom je-n-op 't ware punt van de zaak. Wel, jongeheer, +hy zei--maar 't is 'n guit, dat zal je zien--"vader, zeid-i, zoodra +je Halfweg gepasseerd bent, word je Amsterdammer-schipper." 't Is +waar ook, zei ik, en ik had er nooit aan gedacht. Zoo zieje wel dat +zoo'n jongen me de baas is. Maar... God voor oogen, dat 's best van +allemaal. Wel ja, straks voorby Halfweg--als je-n-in die streken +bekend bent, zal je 't zelf zien--dan kom ik, om zoo te zeggen, van +Amsterdam, en hier gaan we nog altyd maar naar Haarlem. Hoe vind je +die? En hy is pas zeventien! + +Wouter glimlachte even uit goedhartigheid, maar verder kon-i 't +niet brengen. Dat de maçonnieke poging van den schipper om met pater +Jansen in gesprek te komen niet gelukken kon, spreekt vanzelf. Dit zou +'t geval gebleven zyn al ware de meegedeelde geestigheid eenigszins +geestiger geweest, want de goede man repeteerde z'n theologischen +kursus. Hy overpeinsde of er iets goeds kon gedaan worden, en +wat? Geestelyke hovaardy was hem vreemd, maar toch voelde hy als +fatsoenlyk man 'n instinkmatigen afkeer van 't wyf dat hy wel zou +moeten aanspreken als-i besloot zich het lot van die twee meisjes +aantetrekken. Dit nu hield hy in z'n onnoozelheid voor plicht, en... zy +wist het! Ze wist dat er slechts 'n gepaste aanleiding noodig was om +hem aan 't spreken te krygen. Zonder uitbundige instemming hebben we +hem hooren beweren dat er op 'n Simmenarie zooveel menschenkennis +viel optedoen, maar wel durven we deze eigenschap toekennen aan +de vele simmenarien die onze waardin in haar jeugd bezocht, en na +voleindigde studien op ryper leeftyd bestuurd had. Met grapjes of +'n geestigheid was die ernstige pastoor niet te genaken, dit voelde +ze wel. Met opgedrongen vriendelykheid evenmin. De weg naar z'n +gemoed... ze wàs er! + +--Dàt kan ik niet aanzien, riep ze, 't schreit werachtich tot +God! Schipper, leg 'ereis an, en neem die stumperts in je schuit. Ik +ben goed voor de vracht. + +--Ik mag 't niet afslaan, zei de schipper, die Jansen aankeek alsof-i +zich verontschuldigde. Zaken zyn zaken, dat zal m'nheer pastoor ook +wel weten. + +Hy riep den jager toe, halt te houden. De lyn plaste in 't water, +en de schuit werd naar wal gestuurd. De waardin die uit de roef in +den stuurstoel gestapt was, riep en wenkte de tobbende orgelfamilie +die na eenige opheldering over de onverwachte vriendelykheid in de +schuit werd opgenomen. + +--Zit jelui daar nou maar ereis heel op je gemak, lieve menschen, +en rust wat uit. Ik ben goed voor de vracht... + +En Jansen aanziende: + +... wel ja, niet waar, men moet z'n evenmensch 'n beetje helpen in +de wereld? + +Ziedaar nu haar derde: "niet waar?" en 't beste! Jansen antwoordde wel +niet terstond, maar zag haar vriendelyk aan, en toen ze daarop blyk gaf +naast hem te willen plaatsnemen, overschreed de ruimte die hy maakte, +de grens niet die de welwillendheid in zulke gevallen aanwyst. De +waardin gunde zich de genoegdoening, den schipper 'n zegepralenden blik +toetewerpen. Maar we mogen aannemen dat-i met het oog op God dien slag +overleefd heeft, daar we van-goeder-hand weten dat-i eerst jaren daarna +overleden is, waarschynlyk in 'n oogenblik dat-i 'n verkeerden kant +uitzag. Wie dit vermoeden te liefdeloos vindt, mag veronderstellen +dat de man, ook zonder de minste fout in de richting van z'n oogen, +ten-laatste bezweken is aan deze of gene ziekte die Gods macht te-boven +ging. Aan ouderdom, by-voorbeeld. Want dat gebeurt soms. + +Hoe dit zy, by de gelegenheid die we hier behandelen, hield de man zich +kras. Hy verdampte zoo goed mogelyk z'n ergernis over den triumf van de +waardin. Deze was er werkelyk in geslaagd met den geestelyke in gesprek +te komen, en Wouter luisterde aandachtig toe. Nu 't ys eenmaal gebroken +was, bleek het wyf raad te weten voor 't wegruimen van de schotsen. + +--Best, wees jelui maar vroolyk in de schuit! riep ze toen de tonen +van het draaiorgel zich deden hooren. Ja, m'nheer pastoor, ik hou +van vroolykheid, en de man kan nu zitten by z'n werk! 't Was niet +aantezien, niet waar? + +--Ja, juffrouw, zoo'n orgel is 'n heele vracht. + +--En die arme vrouw met al haar wurmen van kinderen! [34] + +--Ja, zeker, juffrouw, 't is wel om meely mee te hebben. Maar... + +Wat-i "maren" wou, wist hyzelf niet recht. Geheel onwillekeurig +voelde hy aandrang tot iets als protest tegen háár bevoegdheid om 'n +aandoening te openbaren die goed was, of by hem voor goed doorging. De +slimme feeks, op den weg gebracht misschien door 'n eigenaardige +uitdrukking op z'n gelaat, begreep iets van de vyandige strekking +die zich zoo schroomvallig openbaarde, en nam haar maatregelen: + +--Och, m'nheer pastoor, ik kan m'n evenmensch niet zien lyen. Als +ik niet zoo vol behuisd was... kyk, ik nam zoowaar graag een van die +stumperts by me, al was 't de kleine jongen die op 't orgel zat. + +--Hé, riepen Jansen en Wouter tegelyk. + +--Ja, m'nheer, ja, jongeheer, zoo ben ik, werachtich as Chot! + +--Maar, juffrouw... + +--Och, m'nheer pastoor, menig mensch is niet zooals-i 'r uitziet. Ik +heb altyd m'n evenmensch geholpen, dat heb ik. Daar heb je nu die +twee meissies daar vóór in 't ruim! Wat is 't geval? De een heeft +geen moeder, geen vader, geen levendige ziel... nooit gehad, m'nheer +pastoor! Wat doet ze? Ze loopt voor oud vuil op de straat rond. Ze +had om zoo te zeggen, geen hemd aan 't lyf. Wat heb ik gedaan? Ik heb +'r kleeren gekocht, voor dertig gulden kleeren, m'nheer pastoor! En +die andere? Nou, die heeft 'n moeder... godbetert! Liever géén, zeg +ik. Ze stuurt 'r kind de straat op om jongens nateloopen, jongens en +heeren! Nou, 't zyn er heeren na! En van dat schandloon wil de moeder +'t hare hebben! Ik vraag u, m'nheer pastoor, wat komt er te-recht van +'n meid die op straat loopt? + +De arme Jansen was verbluft, en niet genoeg ingewyd in de geheimen van +'t vak, om zoo terstond te weten wat er te antwoorden viel. De vrouw +ging voort: + +--Toen heeft ze my 'n brief geschreven... of ze 'm zelf geschreven +heeft, laat ik daar, maar ze vraagt of ik niet in Haarlem 'n +nette fatsoenlyke dienst voor haar weet by stille menschen, +en... en... en... om 'n beetje voorschot, zooals 't by zulke +gelegenheden gaat. En wat doe-n-ik? Ik zend haar tien dukatons. Tien +dukatons, m'nheer pastoor! En nu ik kom om haar aftehalen--wel ja, +van m'n verlies kan ik niet leven!--wat gebeurt er? De menschen +schelden me-n-uit! + +Hier begon de edele vrouw zeer toepasselyk te schreien. Wouter bleef +haar bewegingloos en met open mond aanstaren. Jansen was geheel in de +war. Uit het ruim der schuit klonken 'n paar wegstervende maten van +de fransche complainte. De schipper richtte z'n oog... altyd op God, +natuurlyk, maar nu ook zeer in 't byzonder dan eens op de wolken, +dan weer op den nagel van z'n linkerduim, 'tgeen scheen te moeten +beteekenen dat het verhandelde hem niet aanging. + +Met allerlei praatjes bracht de waardin 't zoover dat Jansen +haar uitnoodigde de reis naar Haarlem niet met de beide meisjes +voorttezetten. "Hy zou haar wel eens willen spreken" zeide hy, en +ze had er niets tegen. Hieruit vloeide voort dat Jansen, Wouter, +de waardin en haar beide beschermelingen zich by 't "overloopen" +te Halfweg 't genoegen ontzegden den haarlemmer-schipper te zien +overgaan in 'n amsterdammer. Zy wenschten hem goede reis, en namen +gezamenlyk plaats aan 'n herbergtafeltje voor 't gastvrye Huis +Ter-Hart, waar Wouter alweer niet van z'n preek over zuinigheid +verloste. Arme Styntje! + +De waardin kwam 'n volle schuitbeurt later thuis dan ze gedacht +had. Voor haar vertrek van 't Huis Ter-Hart had ze Jansen, Wouter en de +beide berouwhebbende Kaatjes te-voet het pad der deugd zien inslaan, +dat was--in dit byzonder geval, en zonder de minste konsekwentie voor +den vervolge--den vervelenden straatweg naar Amsterdam... + +Om-'s hemelswil, we willen toch hopen dat Jansen niet van plan is +die twee schepsels by Styntje te introduceeren? + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] = het kennen van de oorzaken der dingen. + +[2] = mengsel. + +[3] Idee 1149 besluit M. met de overweging, dat de massa noch goed +noch slecht is. + +[4] = schennis van de menschelyke waardigheid. + +[5] I. 1156 behelst een archaeologische beschouwing over het hossen. + +[6] In I. 1163 weidt M. uit over de bron van smart en geluk. + +[7] = zoo voor haar, niet voor my. + +[8] In een noot by Idee 140 stelt M. het realisme, dat op +middeleeuwsche schilderyen een der omstanders afbeeldt met afgewend +gelaat, de neus tusschen duim en wysvinger, hooger, dan de verklaring +van den modernen schipperenden Renan, die Lazarus schyndood verklaart! + +[9] = O, Meliboeus, een god heeft deze... idylle voor ons gemaakt. + +[10] In I. 1180 weidt M. uit over Hollandsche tooneelkunstenaars en +Napoleon's tooneelbegaafdheid. + +[11] In I. 1181 geeft M. een beschouwing over Rotgans' stuk als +navolging van navolging. + +[12] Naar aanleiding eener uitweiding over de z.gen. onschuld der +meisjes Pieterse betoogt M. aan 't slot van I. 1184, dat alle studie +ascetisme vordert: een oratio pro domo! + +[13] In 1191a betoogt M. dat orde en arbeid geneesmiddelen zyn voor +krankzinnigheid. + +[14] Dit hoofdstuk wordt onderbroken door een beschouwing over de +"diepzinnige kwestie, of 'n auteur uitspraak en dialekt" zyner personen +moet weergeven, naar aanleiding van 't op een congres te Antwerpen +verhandelde, eindigend in een lofrede op Busken Huet. (I. 1194-1199.) + +[15] In I. 1213 volgt hier een komische uitweiding over de +aristocratische voornamen der jonge Kopperliths. + +[16] De verrukking van Prinses Erika ontlokt aan M. een uitweiding over +"echt-vaderlandsche" krantenschryvers en de burgervadery in Wouter's +tyd. (In I. 1223.) + +[17] = de gevolgtrekking geldt: van zyn tot kunnen, d. w. z. omdat +het zoo is, moet het ook kunnen. + +[18] Pienders = pinda's of apenootjes. + +[19] M. besluit 't hoofdstuk met "'n bespiegeling over gebrek aan +israëlitische kontroverse"; hy constateert, dat de Joden niet meer +van Jehovah afvallen tot vreemde eerediensten, maar hy verwondert +er zich over, dat hun rabbi's en geleerden evenmin het Christendom +bestryden. Hy wyst op allerlei wetsovertredingen die de Joden geregeld +begaan, door 't erkennen van niet-Joodsche vorsten, 't omgaan met +onbesnedenen, het niet kwytschelden van alle schuld om de zeven jaar +enz. M. komt tot de conclusie, dat de Joden "even uitmuntend als de +Christenen 't kunstje van akkommodeeren verstaan." (I. 1224.) + +[20] = kwade samensprekingen. + +[21] I. 183. + +[22] In I. 144 en 464. + +[23] = afkeer van leegte. + +[24] Nader licht M. dit toe met een beschouwing over de bestryding +van het geloof aan spoken en wonderen: "daar het kind geen stap in +de maatschappy doet zonder iets van dien god te vernemen," is het +"ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door +onthouding." (I. 1233.) + +[25] Wouters tocht naar het "buiten" der Kopperliths leidt M. in met +een schoone verhandeling over buitenplaatsen; opmerkingen over hun +ontstaan, de geestelyke ontwikkeling hunner bewoners in de 17de en +18de eeuw, het verschil tusschen een werkelyke buitenplaats en een +optrek worden afgewisseld met de geestige anecdote van pastoor Alonzo +Ramirez. (I. 1236-1242.) + +[26] De onaanzienlykheid van de Roomsche kerk in die achterbuurt +ontlokt M. een lange uitweiding over den toestand der katholieken +in ons land, over de halfheid van Thorbecke en de liberalen, die het +beginsel, dat godsdienst geen voorwerp van staatszorg mag zyn, niet +doorvoeren; over zedelyken schoonheidszin, verderfelyke goddienery +en natuurstudie met eenige Engelsche en Duitsche voorbeelden van +minderwaardig zielevoedsel voor kinderen. (I. 1254-1259.) + +[27] Zie noot blz. 305. + +[28] Dat wil zeggen: in het tuchthuis waar de veroordeelden Campêche- +of Fernambakhout raspten. (M.) + +[29] In I. 1272 geeft M. een verhandeling over de machteloosheid van +wet, regeering en philantropie in den stryd tegen de onzedelykheid: +de theorie vermag hier niets tegen de praktyk. Het eenige middel +om den handel in ontucht te gronde te richten is ware beschaving, +d. i. "zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, om +genot te vinden in arbeid." + +[30] In het troubadourslied wordt verhaald van de edele Genoveva, die +door den verrader Golo van overspel beschuldigd, aan den dood ontkomt, +doordat twee dienaars haar met haar kind laten ontkomen. In het woud +leeft ze van wortels, haar kind wordt door een hinde gezoogd. Op de +iacht vindt haar gemaal haar: Golo's verraad komt uit en Genoveva +wordt in eere hersteld: maar ze blyft een ascetisch, vroom leven +leiden, ze voedt zich enkel met boomwortels, en denkt slechts aan +Jezus Christus. Als ze sterft treuren allen,--de hinde weigert op +haar graf alle voedsel en sterft er. + +[31] = Jezus Christus. + +[32] Om zyn naam als letterkundige eer aan te doen verklaart M. dit +te weten, niet door het meten van het touw, maar door het raadplegen +van andere bronnen: als Plinius en Plutarchus! Vervolgens geeft hy in +I. 1278 het in de opschriften van vorige hoofdstukken (zie blz. 265 +en 288)aangekondigde "stuk 17de eeuwsche volksroem," voorafgegaan +door een afbrekende kritiek van Engelsche letterkundigen op Vondel +en Cats, n.l. een citaat vol buitenlandsche lof over de geregeld +varende Treck-schuyten, "dat bestemd was 'n helder licht te werpen +op den vermoedelyken afloop van Wouter's reis naar Haarlem." + +[33] Dit laatste zinnetje voegde Mevr. de Wede. Hamminck-Schepel +aan dit opschrift toe naar aanleiding van uitlatingen van M. over +Wouters reis. + +[34] Hier volgt een opmerking over de oud-testamentische dwaling, +die de goddelyke zegen afmeet naar 't kindertal. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse +(Deel 2 / 2), by Multatuli + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE *** + +***** This file should be named 30751-8.txt or 30751-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/0/7/5/30751/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/30751-8.zip b/old/30751-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..71b7ab3 --- /dev/null +++ b/old/30751-8.zip |
