diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 19:54:25 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 19:54:25 -0700 |
| commit | 9c350c91d6a5c7ee06f2f623bd394667cb1f0f2c (patch) | |
| tree | 50025935a6576246c198d110c95b1922f757df79 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 30751-0.txt | 17954 | ||||
| -rw-r--r-- | 30751-0.zip | bin | 0 -> 356397 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 30751-h.zip | bin | 0 -> 388506 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 30751-h/30751-h.htm | 17574 | ||||
| -rw-r--r-- | 30751-h/images/book.png | bin | 0 -> 364 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 30751-h/images/external.png | bin | 0 -> 172 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/30751-8.txt | 17954 | ||||
| -rw-r--r-- | old/30751-8.zip | bin | 0 -> 355784 bytes |
11 files changed, 53498 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/30751-0.txt b/30751-0.txt new file mode 100644 index 0000000..5657007 --- /dev/null +++ b/30751-0.txt @@ -0,0 +1,17954 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse +(Deel 2 / 2), by Multatuli + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Geschiedenis van Woutertje Pieterse (Deel 2 / 2) + Uit de 'ideen' verzameld + +Author: Multatuli + +Editor: J. van den Berg van Eysinga-Elias + +Release Date: December 24, 2009 [EBook #30751] +[Last updated: June 29, 2012] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + + + Multatuli + + De Geschiedenis van Woutertje Pieterse + + Opnieuw verzameld uit de "Ideen" + + Door + + Dr. J. van den Bergh van Eysinga-Elias + + + Tweede Deel + + + + Amsterdam--Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"--1921 + + + + + + + + + N.V. Electr. Drukkerij "Volharding" Ceintuurbaan 250 Amsterdam + + + + + + + + Voornaam bezoek. Koningen en oliekoeken. De gesprekken van de + "massa." Catapultische inspatting van de "massa." Où peut-on être + mieux? Zweven en vallen. Helaas! De auteur is beschaamd over z'n + held, en bevreesd dat dit wel 'ns meer zal gebeuren. + + +Gedurende den loop der week die Wouters tweede plaatsing "in den +handel" vooraf ging, werd-i door 'n drie- viertal ontmoetingen zoo +vreemd heen-en-weer geslingerd, dat-i zich byna suf voelde, en veel +moeite had om z'n hoofdje heel te houden. + +En z'n hart ook! + +'t Was donderdag. Stoffel kwam thuis met 'n belangryk bericht. De +Koning--ik weet weer niet welke koning--was onverwachts in stad +gekomen, en zou den volgenden avend of 'n dag later den Schouwburg +bezoeken. Alles was in rep en roer, want in republikeinsche landen +hecht men veel waarde aan titels, pronk en geboorte. + +Meer nog dan naar gewoonte was de nieuwsgierigheid des Volks +ditmaal gespannen, omdat veel buitenlandsche vorsten--waaronder +zelfs 'n Keizer--Z.M. waren komen bezoeken. En van uit z'n +residentie--Utrecht? 's-Gravenhage? Haarlem?--zouden die aanzienlyke +vreemdelingen 't Hof naar Amsterdam volgen. 't Was dus deze keer +'n praal mit Umstände, met 'n sleep. + +Het republikeinsche Volk zou niet alleen 't aangezicht te zien +krygen--of 'n slip van den rok--des tirans, maar tevens aangezichten +en rokspanden van veel andere tirannen, om nu niet te spreken van +tiranninnen. + +De vrouwtjes die gewoon waren oliekoeken te verkoopen op den dam--'n +pleintje dat de stedelyke regeering zich veroorloofde te verhuren +als markt--dreigden de stad met 'n proces. + +'t Was dan ook zeer hard, dag-in dag-uit huurgeld voor plaatsen +open-luchtgebruik te betalen voor de kans om 'n paar oliekoeken te +slyten aan de straatjeugd, en nu op-eens verjaagd te worden omdat +Z. M. zich aan "het Volk" zou vertoonen op 't balkon van het gewezen +stadhuis. + +Mocht hy die vrouwtjes niet zien? Moest de oliekoek-industrie 'n +geheim blyven? Vreesde men voor namaak, voor onvorstelyke konkurrentie? + +Of mochten die olievrouwtjes en haar koeken den Koning niet zien? Was +ook hy misschien bevreesd voor onedel nabaksel van z'n majesteit? Dit +zouden noch de vrouwtjes noch de oliebollen gedaan hebben. + +Hoe dit zy, de kraampjes werden weggeruimd, en de verjaagde +industrieelen behielden alleen het recht zich privatim onder de +menigte te dringen, die straks roepen zou: "leve... dit of dat!" naar +den eisch van 't oogenblik. Ze mochten meeschreeuwen ook. + +'t Is eigenlyk heel vreemd dat vorsten sterven. Al die vivat's schynen +niets uittewerken. + +De drukte in de stad was ditmaal ongewoon groot, door en om al de +vreemde Hoog- en Doorluchtigheden die den tiran by deze gelegenheid +vergezelden. + +Daar was--naar men uit de couranten vernam--de prins van Caramanie, +die aanspraak had op de byzondere sympathie des Volks, wyl men +had uitgerekend dat een van z'n voorouders kapitein was geweest +in Staatschen dienst, en dus... z'n bloed had vergoten voor de +Nederlandsche vryheid. + +Dit bloed--en misschien ook de vryheid--was 'n krantenverzinsel. Maar +dat onze prins 'n groenen rok droeg met dikke gouden nestels, was +waar. En op z'n hoofd had-i 'n byzonder grooten steek. Men kon dus +by de eerste gelegenheid zeer gevoegelyk roepen: + +Leve de prins van Caramanie! + +Onder de hooggeboren persoonlykheden bevond zich ook zekere Hertog +die uit z'n land was gejaagd wegens z'n deugden. De man was spaarzaam +en huishoudelyk. Nooit had-i zichzelf te-kort gedaan. Toch was-i door +'t dom gepeupel onttroond, en met 'n schepel diamanten over de grenzen +gezet. Van deze diamanten zoud-i nu in Amsterdam 'n paar dozyn laten +zien, en wel in hoedanigheid van roksknoopen en rottingknoppen. De +couranten vermaanden dus 't Volk tot den allerwelstgemeenden roep: + +Leve de Hertog met z'n diamanten! + +Prinses Erika was 'n nicht van den Koning, en bestemd voor den +troonopvolger van 'n groot Ryk dat te Zaandam timmeren geleerd, en dus +aan Nederland z'n carriere te danken had. Dat Ryk zou de Nederlandsche +staatsschuld betalen--zoo verzekerden eenstemmig de kranten--als men +nu maar braaf schreeuwde: + +Leve prinses Erika! + +De oude Paltsgravin van Aetolie stamde rechtstreeks af van zekeren +ridder die z'n stalknechts liet bedienen door Lusignans. De couranten +betoogden dat het den waren republikein paste, in dit byzonder geval +bewys te geven van heraldische ontwikkeling, door met byzonderen +nadruk aantedringen op de levensverlenging van die hoogheid. Men +moest dus roepen: + +Leve de Paltsgravin van Aetolie! + +De Groothertog van Ysland was de welgeslaagde kleinzoon +van 'n kroeghouder. Z'n verdiensten waren drie krantkolommen +lang... brevier-letter, en nauw gezet. 't Volk moest dus even nauwgezet +wezen in 't waardeeren. De man was meester op kling en bâton, en kon +zelfs--met 'n beetje inspanning, nu ja--hy kon z'n naam zetten. Langs +'n oceaan van afgronden--zoo zei de krant--had-i zich vervolmaakt +tot zwager van 'n halfgod. Ook was-i gewoon zich te kleeden als 'n +koorddanser. Wie dus 't belang des Vaderlands op 't onbesmet harte +droeg--zoo zei de krant--kon niet laten uit zeer onbeklemde borst +meeteschreeuwen: + +Leve de Groothertog van Ysland! + +Er waren nog meer potentaten en potentaatgenooten die Amsterdam +vereerden met 'n bezoek. Ze hadden gehoord dat die stad eigenlyk: +"la Venise du Nord" heette, en... interessant was, zeer interessant! + +En de hollandsche haring! Delicieus! Maar... de Hollanders weten er +niet mee omtegaan: ze moet gebakken zyn. + +En de hollandsche schilderschool! "Rambrà nn... magnifique!" + +Er waren nog meer dingen in Holland byzonder goed, gelyk met +neerbuigende vriendelykheid door al die hoogheden werd erkend. + +--Il paraît qu'un certain Wondèle a écrit des choses, des +choses... mais des choses... passablement bien! + +En de dyken! De Katwyksche sluis... + +Lezer, géén kronologie, wat ik u bidden mag! + +...die sluis: gigantesque! De hollandsche natie houdt zich in +de snipperuren die 'r overblyven na 't haringkaken en kaasmaken, +by-voorkeur bezig met het breidelen van elementen. Dit was met +schaatsryden en harddraven 't meest geliefd--geliefkoosd, zeiden +de kranten--volksvermaak. + +Nu reeds kan ik den lezer verzekeren dat het voorname gezelschap met +minzame tevredenheid ons land weder verlaten heeft. + +De eenige persoon die 'n gansch anderen--doch daarom geenszins +tegenovergestelden--indruk meenam... neen, zóó ver mag ik m'n Wouter +niet vooruitspringen. Ook 'n schryver heeft z'n plichten. + + + +Den eersten avend zou er geïllumineerd worden. Tweehonderd +vyftig duizend vetvlammen zouden de geestdrift van het Volk +verkondigen. Geestdrift, voor wà t eigenlyk? Tweehonderd vyftig duizend +vurige tongen zouden roepen: hosiannah! Gezegend wie komt in den +naam... in den naam van wà t eigenlyk? Hosiannah voor wien, voor wà t? + +Nu, dit is 'n Volk onverschillig. Er was praal, pracht en pronk. Er +was drukte. 't Volk heeft iets van kinderen die zich verheugen in +'n verhuisboel, in 'n sterfgeval, in 'n brand, in alles wat hurry en +bereddering veroorzaakt. + +Wouter had verlof bekomen de illuminatie te gaan zien. Hy getroostte +zich het domme gezicht te zetten, dat by zulke gelegenheden gebruikelyk +is, en hoorde de praatjes van de menschen die hem omstuwden, zonder +acht te slaan op de leegte van die praatjes. + +--Nou, dat 's me 'n ook 'n ulleminatie! Negen pitjes voor zoo'n +groot huis! + +--Twaalf! riep 'n ander. + +--Né, negen! + +--Twaalf! + +--Negen! + +--Drie... drie... drie, en... kyk dáár: drie! Dat's twaalf, of ik heb +'t mis! + +--Né, die drie hooren er niet by. Dat's van de verdieping, weetje? Want +de verdieping is verhuurd. Dat wéét ik. + +--O, als je zóó meent! Ik wil maar zeggen dat viermaal drie, twaalf +is. Wat zeg jij, Hannes? + +Hannes vond het ook. Enz. + +--Tot hoe lang zouden die pitjes branden? + +--Wel tot... één uur. + +--Dat geloof ik niet. + +--Ik wel! + +--Ik niet! Enz. + +--Heb je-n-al gekeken op de Sukkelgracht? + +--Och, 't is er niet mooi. + +--Nou, mooier als hier! + +--Ja. + +--Neen. Enz. + +--Zeg, dring zoo niet! + +--Ik kan 't niet helpen. Ze dringen my ook. + +--De menschen lyken wel mal. Altyd dringen ze zoo. + +--Ja, niet waar? Altyd dringen ze. Weet je wat ik zeg? Ik zeg dat de +kalverstraat eens zoo breed wezen moest. + +--Ja, eens zoo breed. Want... weetje, wat het is? Hy is te smal. Dat +is het! + +--Ja, hy is te smal. + +--En daarom dringen de menschen zoo, weetje! Enz. + + + +Wouter's eigen rykdom was hem te onbewust dan dat hy zich kon ergeren +aan de walgelyke armoed van geest, die by zulke gelegenheden zich alom +vertoont. De tyd was nog niet aangebroken dat-i rilde by 't áánzien +van geestelyke naaktheid. Hoogstens zoud-i bedroefd geweest zyn als +z'n blik gerust had op slechtgevoede lichamen, op 'n bedelfamilie in +lompen gekleed. + +Heel veel moralisten, romanschryvers en vooral staathuishoudkundigen, +zyn heden-ten-dage nog niet veel verder dan onze kleine jongen in den +tyd der vetpitjes. Zou misschien hiervan de oorzaak zyn dat stoffelyke +armoed zich makkelyker laat schilderen? En... genezen? + +Zulke gesprekken zyn toch zoo diepzinnig niet. Ieder kan ze +schryven. Ieder lezer kan ze vermeerderen tot het oneindige toe. Aan +modellen van geestelyke nietigheid is waarlyk geen gebrek. + +Inderdaad, de kalverstraat was wat smal, en... "de menschen drongen +zoo!" + +Wouter werd meegedrongen, en voelde iets als schaamte. Zeker! Was-i +niet: "massa" op dit oogenblik? Dat-i stompen en stooten kreeg, +hinderde hem minder. Kleinzeerig was-i niet. + +Maar: "de menschen drongen zoo!" + +Weldra was er voor stomp en stoot geen geschikte ruimte meer. + +Men werd geknepen, en wie ten-gevolge van 'n laag zwaartecyfer minder +dan anderen aan 't aardsche gehecht was, rees van den grond. 'n +Allergekst excelsior! Wouter werd gedragen, en zag heen over mannen +die veel grooter waren dan hy. + +--Loop jy op stelten, jongeheer? vroeg 'n dikke vrouw, die met haar +heup Wouter tegen de knie schopte. Loop jy op stelten? Nou, dat's er +óók een! + +Dit "ook" heeft 'n geschiedenis en 'n pretensie. 't Beduidt, +ziehier 'n spikspelder nieuwe bydrage tot het bundeltje ana's die +ik verzamel. Deze kurioziteit hoort er in! Als je dit niet grappig, +vreemd en belangryk vindt... + +'t Gedrang werd sterker. Weldra zou de vrouw Wouter op schouder kunnen +nemen als 'n geweer. Ook begon-i kans te krygen daarop te-land te +komen in hoedanigheid van ruiter. Nog 'n beetje, en hy kon "aangegeven" +worden, zooals timmerluî elkaar 'n plank toereiken. + +Naar de lichtjes werd niet meer gekeken. Men hield zich bezig met +dringen en gedrongen worden. Ook 'n uitspanning! + +Neen... de kalverstraat moet niet verbreed, want wel beschouwd is dat +"dringen" 't prettigst van de zaak. + +Och, wat zouden die vetvlammen spoedig vervelend worden, als men +ze alle tweehonderd veertig duizend--er waren er 'n paar uitgewaaid +sedert zoo-even--op z'n gemak had kunnen beschouwen in z'n eentje! + +Onze kleine man lag op de schouders en hoofden van z'n +medemenschen. Als zekere troonveroveraars: il s'appuyait sur la +masse! Wie de geschiedenis van illuminatien en Volken bestudeerd heeft, +zal erkennen dat er steviger rustpunten bestaan. Zichzelf, byv. + +Gut, onze Wouter was zoo verlegen met z'n drukkende pozitie! Telkens +liep hy gevaar zich vasttehouden, aan 'n oor of wenkbrauw. En dit +gedoogt de "massa" niet. Gedrukt wil ze wel worden--daar is ze +voor--maar wie zich aan haar wil vasthouden... + +Krak! + +Schrik niet, lezer! Wouter brak niet, maar de geperste menigte +had de dubbeldeur van 'n koffiehuis verkracht. De inbersting was +vreeselyk. Als berouwhebbende lava stroomde de massa naar binnen, en +vulde den krater waarin onze held--na 't beschryven van den bekenden +bruinvisch-parabool--vry geleidelyk en zonder zich te bezeeren te-land +kwam op 'n tafeltje... + +--Woutertje Pieterse! riep 't verschrikt gezelschap dat er omheen zat. + +--Heb je je zeer gedaan, Wouter? + +Neen! Bezeerd had-i zich niet. Maar hy was lam van verbazing. Over z'n +verheffing eerst, daarna over z'n luchtreis, toen over 't neerkomen op +en onder allerlei glaswerk, en eindelyk--dit was 't minst verrassende +niet!--omdat-i zich op-eens in den kring bevond van de hem zoo goed +bekende familie Holsma. + +'t Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond was. + +"Gods vinger" had al de glazen en glaasjes gebroken, maar Wouter was +heel gebleven. Dit was 'n arglistigheid van dien vinger. De bedoeling +schynt geweest te zyn den patiënt nog heel anders heen-en-weer te +smyten. En als-i nu voortydig gebroken was op dien avend... + +Oom Sybrand hielp hem, zoo goed en kwaad het ging, op de been. De zaak +had veel moeite in, want de volte was... nu ja, er kon ter-nauwernood +iemand by. Maar Wouter was smalletjes, en 't lukte. De kastelein--op +doordringen was geen kans--schreeuwde uit de verte, dat het gebrokene +moest betaald worden. Maar ook van andere plaatsen vernam men dergelyk +gerinkel. De man was wanhopig. Hy vervloekte alle Koningen... en de +massa's er by. + +--Eén flesch wyn... drie limonade... zes glazen stuk! riep Holsma, als +om zich aansprakelyk te stellen voor Wouter's onwillekeurig vergryp. + +En oom Sybrand hield 'n paar zeeuwen omhoog. + +--O God, m'nheer, ik durf niet thuis komen, riep Wouter! Wie zal dat +betalen? Ik heb geen geld, m'nheer! En moeder... + +In de drukte verstond Holsma hem niet. Maar Sietske wel. + +--Sjt! fluisterde zy. Ik ben zeker dat papa 't betaalt, maar +anders... ik heb wel geld. En Willem ook. En Herman ook. Wees gerust... + +Maar dit verstond Wouter weer niet. En toen-i eindelyk onder de hoede +der Holsma's weder op-straat stond, en 't gezelschap door 't inslaan +van 'n zyweg zich onttrokken had aan de "massa" verklaarde hy ronduit +dat hem de moed ontbrak z'n moeder en broer Stoffel onder de oogen +te zien, na zóó'n schandaal! + +--'t Geld is niets, zei de goede Holsma. Daarvoor zal ik wel +zorgen. Maar je bent ontsteld, jongen. Kom even met ons mee naar de +kolveniersburgwal, ik zal je wat hofmansdruppels geven. Dan kan je +daar bekomen van den schrik. + +De afstand van de kolveniersburgwal was niet groot genoeg om Wouter +tot bedaren te brengen voor 't gezelschap daar aankwam. + +--M'n moeder zal boos zyn, als ik te laat thuis kom, klaagde hy. + +Holsma stelde hem gerust. Er zou 'n boodschap naar z'n huis worden +gezonden, om z'n familie te doen weten waar-i was. + +De dokter gaf hem iets te drinken, en bracht hem in 'n kamer naast +die waar de familie scheen plaats te nemen. Het voorschrift was dat +de patiënt daar wat heen-en-weer loopen zou, tot-i zich kalm voelde. + +Maar dit vermoeide hem. Hy deed weldra juist wat 'm verboden was, +zette zich in den hoek van 'n sofa, en viel in slaap. + +Of 't in het algemeen nuttig is, na 'n schrik in beweging te blyven, +kan ik niet beslissen. Zeker is het dat Wouter na hevige aandoeningen +altyd groote behoefte voelde aan slaap, en dan ook werkelyk door dit +middel--de natuur wees het hem aan--meermalen 't verbroken evenwicht +herstelde. Misschien ook was 't geen eigenlyk slapen dat hem by zulke +gelegenheden te-hulp kwam. Maar geheel wakend was-i niet. Hy droomde. + +Er was weer de oude hoogheid in z'n droom. Maar met 'n schok viel-i +telkens neer. + +En weder klom hy, en weer werd-i opgeheven, hoog, hoog tot in de +wolken, en weder maakten duizelingwekkende tuimelingen 'n eind aan +z'n zweven. + +Daar namen sterke vuisten hem op, en staken hem boven de hoofden uit, +en de massa droeg hem, tot 'n man hem in de hand beet... + +Hy schaafde namelyk zyn pols aan 'n ongedresseerd paardehaartje dat +bezig-was z'n dienst optezeggen by 't vulsel van de rustbank. + +...tot 'n vrouw hem toesnauwde: dom? Niet dom? Wy, wy de +massa? Ziedaar! + +En men smeet hem neer. + +Gelukkig kwam z'n hoofd te-recht in Sietske's schoot, zonder 't +minste glaswerk. + +En als ziedend water opkokend, golfde op-nieuw z'n ziel omhoog. Hy +voelde geen handen meer die hem droegen, geen tanden die hem beten, +hy rustte op donzige wolken. En hy overzag de menigte onder hem, +en was verheugd dat-i zoo hoog daarboven stond, maar wilde toch... + +--Ik wil gaarne by u zyn, riep hy, maar maakt 'n plaatsjen open, +waar ik staan kan, staan op m'n eigen beenen! Ik zal waarlyk niemand +hinderen... gooit me niet! In die drukte kan ik niet denken. Ieder moet +handelen naar z'n overtuiging. De massa heeft geen overtuiging. Wie +kan denken als er geen plaats is om te staan? + +Weer schuurde z'n hand langs 't weerspannig paardehaartje. Hy verzette +zich... en scheen niet geheel-en-al te slapen... + +Daar klonk op-eens 'n stem... + +Neen! Hy droomde door. Altyd van zweven en vallen. Daar was Femke... + +Wel zeker, er moest in z'n droomen iets van Femke! Waar bleef ze +zoo lang? + +'t Was weer iets van de bleek. Maar pater Jansen was er ditmaal by. De +man was zonderling gekleed. Hy zweefde met Wouter omhoog, en vertoonde +aan de sterren z'n kostuum: 'n onderbroek... die door háár versteld +was! Orion en de groote beer vonden het ding mooi, maar Wouter niet. + +--Heb je 't zelf gedaan, hoorde hy Sietske vragen in de kamer naast +hem. Jyzelf, of kon je 'r niet dóór? + +--Neen, ik kon niet om de drukte. Maar ik heb 't den kruier opgedragen. + +Wà t? In-godsnaam, wà t? + +Wouter richtte zich op. Pater Jansen was weg. Orion en groote beer +ook. Ook de onderbroek, en de wolken, en de domme "massa" maar... die +stem? + +Die stem klonk nog! + +En ze klonk weer: + +--Ik ken hem heel goed, o, zoo goed! 't Is 'n lief jongetje! Dà t +hoorde hy Femke zeggen! + +Hy sprong op, trad haastig de kamer der Holsma's in, zag nog even +het driehoekje van 't gewaad eener vrouwspersoon die de deur uittrad +en sloot... + +Hy had den moed niet--of wat à nders was daartoe noodig?--om te vragen: + +--Heet dat dienstmeisje... Femke? + +Komaan, in Satans naam, vraag of Femke de naam is van die... meid! + +Op weg naar-huis had Wouter niet den minsten last van zweven. Hy +voelde zich redelyk laag, en had ditmaal volkomen gelyk. + +Want... als die byna tusschen deur en post benepen jurk van zyde +geweest was... + +Of... als-i dat driehoekjen elders ontdekt had, elders! Niet by de +Holsma's! Niet in gezelschap van Sietske die zooveel geld had in haar +spaarpot! Niet in dien allerfatsoenlyksten kring! Niet onder de oogen +van Willem die hem zoo plaagde met z'n hoogmoedig latyn... + +Dan... dan... o zeker! + +Dà n! + +Maar nu! Maar hier! + +Hy was braaf genoeg om zich te schamen. Maar dit is ook 't eenige +wat ik in z'n voordeel zeggen kan. + +Overigens... + +Alas, poor mankind! + +Wat beteekende de dolfyn-parabool op 't koffihuistafeltje, by +zóó'n val? + +Hy had zich dezen keer werkelyk bezeerd! + + + + + + + + Over de zedelyke strekking van 't kleerborstelen. Onridderlyke + verdichtselen des harten. Godenvingers en duivelsklauwen, tweede + editie. De eigenaardige kalmte van 'n kwaad geweten. Iets + over driehoeksmeting in 'n bedstee, en maagdeperen in den + Jodenhoek. Hm... zy weer! + + +Juffrouw Pieterse was in de wolken. Ze hoopte dat de kruier die de +boodschap had overgebracht, haar huis niet te spoedig mocht gevonden +hebben, en dat de man toch vooral hier-en-daar in de buurt te-vergeefs +gezocht had naar 't ware adres. + +--Zeker is-i in de kommeny geweest, zei ze, want ze weten nooit waar +ze wezen moeten... zulke kruiers! En waarom zoud-i daar niet verteld +hebben dat de jongeheer--want "jongeheer" zeid-i--by dokter Holsma +leseerde, op den kolveniersburgwal? Want, zieje, zoo'n man praat +altyd. Die soort van menschen doen niets als praten. + +Nu, ieder mag 't weten. 't Is maar om te zeggen dat de menschen altyd +zoo praten, en zulke kruiers... + +Maar... zeg, Wouter, hoe kwam het toch dat je zoo opeens met de +familie meeging? 't Is nogal heel erg asterant van je. Je bent toch +'n asterante jongen... wat zeg jy er van, Stoffel? + +Stoffel zette het bedenkelyk gezicht dat by zulke gelegenheden +dienst deed als: "ja nogal!" Of: "ik zal er me op beslapen." Of: +"daar zit meer achter dan sommige menschen wel weten!" Enz. + +--Moeder antwoordde Wouter, ik... ontmoette de familie in de +kalverstraat. + +Waar! Zeer waar! Allerwaarst! Hy had inderdaad de Holsma's in de +kalverstraat ontmoet, wat men mag noemen: ontmoet! De lezer kan 't +getuigen. Maar... waarom vertelde hy niets van den nogal byzonderen +modus quo? + +Och! + +--Wat kleeft die rug, klaagde Petrò die belast was met de zorg voor +het "lakensche goed." + +De familie rook, en streek, en wreef, en tastte, en verklaarde +eenstemmig dat Wouter's rug zich had schuldig gemaakt aan 't inzuigen +van allerlei vloeistoffen. + +--'t Ruikt zoowaar naar citroen ook, zei Trui. + +--Het riekt, verbeterde de schoolmeester, en wy ruiken, Sertrude! + +--Och kom... ruik, riek, weet ik het. Ik wil maar zeggen dat het +zoo... + +--Dat het zoo naar lemoentjes... ruikt, zei de moeder. + +--En naar wyn! + +--En je kunt er de suiker afkrabben! Waar ben je toch geweest, +jongen? Schaam je je niet! By zulke fatsoenlyke menschen op vizite +te komen--ik mag wel zeggen: te leseeren, wat zeg jy, Stoffel?--en +je dan zóó aantestellen met suiker en citroen op je rug! 't Is 'n +ware schande! + +--'t Was zoo erg vol op straat, moeder! + +--Van de volte kryg je geen wyn op je rug! En geen citroen ook! En +geen suiker ook! Wat zeg jy, Trui? + +De eenstemmigheid was kompleet. Schuw als altyd, durfde Wouter niet +voor-den-dag komen met de ware toedracht der zaak. En dit zou hem ook +niet gebaat hebben. Het begrip der Pietersens was als 'n verstopt +slot waarop geen enkele sleutel paste. Wouter wist dit by treurige +ondervinding, en liet moedeloos den storm over z'n hoofd waaien, die +toch niet kon bezworen worden. Jammer evenwel dat er ook in hemzelf +iets verstopt, en dus bedorven was. 't Hoog gevoel dat hem gewoonlyk +bezielde, was geknakt. + +Hy had 'n laagheid begaan! + +Zóó gevoelde hy. Geen dominee kon 't wegpreeken! Ja, God-zelf +niet! Noch de God van bliksem en donder uit de Schrift, noch de +andere... + +Die andere! + +Waar was-i toen Petrus struikelde? Waarom was hy zoo gierig op 'n +beetje staal in 't mengsel waaruit Wouter's ziel gegoten werd? + +--Maar... als 't Gods schuld was, dacht-i, dan behoefde ik zoo +beschaamd niet te zyn! Dan kon ik zeggen: ja, Femke, 't is wel +waar dat ik 'n ellendeling ben, 'n brok massa, te dom en te laf om +verantwoordelyk te wezen voor m'n laffe domheid. Maar... zóó heeft +God me gemaakt, zieje! Hy is aansprakelyk. + +Dit kan ik niet zeggen! Want... ieder moet handelen naar z'n +overtuiging. + +Waartoe zou 'n overtuiging dienen, als men de schuld mocht gooien op +God? Dà n had mevrouw Holsma wel gezegd: "ieder moet handelen naar Gods +overtuiging!" En dit heeft ze juist niet gezegd! Waar zou dat heen! + +Ik ben laag geweest, afschuwelyk laag, ik! God is er heelemaal buiten. + +Misschien liet hy de zaak toe, om my te doen zien hoe gemeen ik was! + +Een hond zou Femke gekust hebben, als-i haar weerzag na langen tyd. Ik +ben minder dan 'n hond! + +Want... ze wàs het! Zeker, ze wàs het! Of... + +O, die huichelaar... hy zocht naar ofjes!... + +...of zou 't misschien 'n ander geweest zyn? 't Kan heel best 'n +ander geweest zyn! Hoe zou Femke dáár komen! + +Neen, neen, neen, zy wàs het! Zei ze niet dat ze my zoo goed kende? Zei +ze dat niet met de stem die my 'n lieven jongen noemde toen ze my +dien kus gaf by 't brugje? + +Ze heeft my gekust en 'n lieven jongen genoemd! Ze wist toen nog niet +dat ik 'n ellendige bloodaard ben, zonder hart! + +O, zeker zou zy me niet verloochenen, miskennen, verraden! Zy zou gewis +overal en tegen ieder zeggen: "dat is Wouter, die m'n vrindje... was, +en dien ik eens 'n zoen gegeven heb omdat-i zich dapper toonde tegen +de jongens die steenen wierpen op m'n bleek!" + +En ik... o God! + +Neen, God blyft er heelemaal buiten. Ik ben lafhartig. Zóó kan ik +niet leven! + +Hy dacht aan zelfmoord. En in deze stemming bracht-i den nacht +van donderdag op vrydag door. Zelfs overleefde z'n wanhoop de +duisternis. Hy stond dien vrydag op, met het vaste voornemen 'n eind +te maken aan z'n onwaardig bestaan. + +Heel gelukkig evenwel werd-i terstond na 't ontbyt aan 'n bezigheid +gezet die allergeschiktst is om iemand met het leven te verzoenen. + +Men had hem met algemeene stemmen veroordeeld tot het reinigen van z'n +jasje--een vonnis dat m'n volkomen goedkeuring wegdraagt--en hy spande +zich zóó in, dat-i na 'n uur arbeids met betrekkelyke tevredenheid +naar z'n moeder liep, en juichend uitriep: + +--Kyk, moeder, er is niets meer van te zien! + +'t Onnoozel triumfjen over 'n kleine moeielykheid joeg de wolken voort, +die z'n gemoed beneveld hadden. + +Men zou voor z'n plezier in limonade vallen, als men wist hoe weldadig +de inspanning werkt die noodig is tot het reinigen van 'n paletootje. + +De ongelukkige die nooit z'n eigen kleeren borstelde, kent het +leven niet. + + + +--Ik zal haar vergeving vragen, dacht Wouter. + +En by dit... oneerlyk voornemen lei zich de storm die z'n gemoed +beroerd had, geheel neder. + +"Oneerlyk" noemde ik dit omdat het ware berouw geen vergeving zoekt by +anderen, maar by zichzelf. Wie met 'n uitgesproken klank tevreden is, +wie z'n geweten meent te kunnen paaien met 'n kwitantie van schuld, +geteekend door 'n ander... + +Ei zie, daar ben ik alweer op het terrein van schuldvergiffenis +en genade! Pas-op, lezer, juffrouw Laps is in de buurt! Wie haar +niet ontmoeten wil, moet dit hoofdstuk overslaan. En vooral dien +vrydagavend niet by de Pietersens komen. Want dáár zou ze optreden, +en wel ditmaal met haar wouterkundig: voilà Toulon! + +Maar eerst moet ik nog iets zeggen over 't ellendig gehalte van +Wouter's schuldbesef. Zeker, hy zou vergiffenis vragen! En na 'n beetje +getob zou Femke zeggen--precies als in Kotzebue's Menschenhaat--"ik +verrrgeef het u!" + +En dan zou de zaak zyn als niet gebeurd. + +Hoe sneller hoe beter dan! + +Een ondragelyken last werpt men terstond neer! Terstond! + +Wouter's last bleek niet ondragelyk. Want hy besloot hem nog 'n tydje +te blyven dragen. + +De oorzaak hiervan was deze. Om Femke te spreken moest-i naar de +Holsma's. En dit... durfde hy niet. Wat zouden die menschen 't +gek vinden! + +Gáán zoud-i, o zeker! Maar... niet op dien vrydag! + +'t Kon immers best wachten tot-i eerst 'n paar dagen... "in den handel" +geweest was? Dit geeft houding, vond-i, en dà n zoud-i zeggen... + +Nu ja, hy zou vergeving vragen, en Femke "heusch" verzekeren... + +De uitvinding van dit "heusch" was zoo kwaad niet. By lamlendige +beroerdheid... frazen vóór! Van welken letterkundige had onze +misdadiger dit geleerd? + +Hy zou haar verzekeren... + +Wà t? + +Dit, byv. dat de Weledele heeren Ouwetyd & Kopperlith in wier "handel" +hy nu was aangeland... + +Ja, ja, hy zou iets vertellen van de Weledele heeren Ouwetyd & +Kopperlith en hun "handel." + +Dan hoefde hy niet zoo naakt voor-den-dag te komen met... dat andere. + +Misschien zou z'n nieuwe chef hem pryzen over... z'n krulletters! Of +over z'n aardrykskunde! Of over z'n strabbische uitgeleerdheid! En +dan kon-i tegenover Femke z'n schande hullen in 'n wolkje van +allervereerendste byzaakjes. 't Meisje zou verbaasd staan over z'n +knapheid, en ten-slotte hèm vergeving vragen voor de vrypostigheid +dat ze zich had laten verloochenen door zóó'n handels-fenomeen! + +Aldus redeneerde Wouter niet. En zelfs niet op deze wys werd hem z'n +onbewust gevoel kenbaar, doch... er was iets in hem--wat dan ook!--dat +voorwendsel en verschooning leverde voor 't niet doen van z'n plicht. + +Bovendien... die plicht was zoo makkelyk niet! + +Naar den kolveniersburgwal gaan? Goed. + +Aanschellen? Goed. + +Maar... wat dà n? + +De deur zal geopend worden. Door wien? Juist immers door de dienstmaagd +uit Joh. XVIII, vs. 17, wier aanblik meer dan iets anders den +wankelmoedigen Petrus weerhouden zou van ridderlyke oprechtheid? + +De zaak is dat onze Wouter zich niet waagde aan dokters Kaatje! Wat +zoud-i zeggen? Iets als: + +"Vryster, ik moet Femke spreken, 't adjunkt-kindermeisje?" + +Daar hoort wat toe, waarachtig! + +En dà n? + +In de gang... 'n knieval doen? Of zelfs--o gruwel!--in de keuken? + +Om-godswil, lezer, wat zouden al de ridders uit z'n boeken daarvan +zeggen! + +Welke Turk zou zich laten doodslaan door iemand die zich schuldig +maakte aan zoo'n dorperheid? + +Die engelsche lord zou hem zeker geen hand geven--en de Afrikanen +geen kroon!--als-i... + +Zou Ivanhoe 't gedaan +hebben? Neen! Ypsilanti? neen! Themistocles? Neen! De "Eduards" van +Lafontaine? Hm... dit kon-i niet zoo stellig ontkennen. In de werken +van dien schryver komen inderdaad huiselyke trekken van ridderlykheid +voor. Maar... ze staan in 'n boek, en de lezer kykt er naar, en zal +'t weten dat er, zonder harnas, pluim of veldgeschrei dan, groote +daden geschieden in 'n hoekje. De auteur heeft gewaarschuwd: het +boekeheldje kampt onder de oogen van 'n publiek. + +Zou ook dokters Kaatje gevoelig zyn voor 't grandioze van +de vernedering, als ze daar Wouter zag geknield liggen op de +vloermat? Zoo'n held in de boeken heeft makkelyk plichtdoen. Ieder +slaat acht op z'n prouesses, en weet ze te schatten. + +--Welnu, dacht Wouter, ik zà l m'n plicht doen, o zeker, ik zà l! Maar +eerst "in den handel" en bovendien... + +Een nieuw duiveltje bekroop z'n gemoed. Wie weet of Femke niet +spoedig de Holsma's verlaten zou, en terugkeeren naar 't huisje by +de aschpoort. Dáár... of in de buurt... of op de "paden"... of by 't +brugje, zou alles makkelyker gaan, dacht hy. Daar was geen nood van +Kaatje's fâcheuze tegenwoordigheid, noch van Willem's onmenschelyk +latyn. En ook Sietske die zoo majestueus sprak over drie-guldens... + +De lezer gelieve optemerken dat er 'n leelyk deficit bestond in +Wouter's gemoed en dat de aanzuivering daarvan meer moeite kostte dan +'t reinigen van 'n bemorst jasje. + +Dat overigens 't verloop van z'n... liefde voor 't meisjen, 'n geheel +andere richting insloeg dan z'n onschuld... + +Hier spreek ik van verloren onschuld, en ik meen te weten wat ik zeg! + +...nu, dit spreekt vanzelf! Om lieftehebben, moet men goed zyn, +en Wouter was niet goed op dien vrydag! + +Nu komt de "vinger Gods" die hem straffen zou. Dit goddelyk +lichaamsdeel lei 't zonderling aan. + + + +De vrydag hield zich alsof-i voorby was. Wouter maakte zich gereed z'n +nauwe bedstee te beklimmen in opgeruimder stemming dan hem paste. Hy +had zelfs geen lust in 't kibbelen met Laurens, die altyd--zonder +pretentie op 't konstrueeren van 'n meetkunstig werkstuk--de diagonaal +beschreef. + +Zeer eigenaardig nam ons Petrusje zich voor, z'n inslapen te doen +voorafgaan door 't overdenken van de voorvalletjes die gedurende den +afgeloopen dag aan de orde waren geweest. + +Heel natuurlyk! Hy voelde geen lust zich bezig te houden met zichzelf, +wat anders z'n gewoonte was. + +Zekere prins had geld onder 't volk gestrooid... + +--Hé... als ik zoo'n prins was! + +Nu, deze indruk was de leelykste niet. De meeste jongens denken in +zoo'n geval: hé, als ik mocht meegrabbelen! + +De Paltsgravin van... hoe heet het land waar ze và n was? Ik heb +geen lust den naam optezoeken dien ik haar gaf. 't Mensch was in +'t Trippenhuis geweest, en daar--volgens de couranten--minzaam, +zeer minzaam... + +--Dà t zou ik ook zyn, dacht Wouter, als ik... Paltsgravin was. Wat +is dat toch voor 'n betrekking? + +De Koning had audiënties en 'n diner gegeven, en gezegd... och, de +gewone praatjes. Maar voor Wouter waren ze nieuw en belangryk. Het +welzyn van de Hoofdstad ging Z. M. byzonder ter-harte. Wouter ook. Dit +belette niet dat hy deze byzonderheid heel lief vond in den Koning. In +Afrika zoud-i precies hetzelfde doen! En zyn hoofdstad... + +Neen, weg met Afrika! + +Hy smeet z'n linkerkous onzacht weg, zoodat het ding zich om den +sport van 'n stoel slingerde als 'n stervende paling. + +Weg met Afrika! Want... + +Daar rees de schim van Femke op, en dreigde, en vroeg of zy haar +plaats verbeurd had op dien troon? En of ze... + +Weg met Afrika! + +Wat al zonderlinge vertellingen over prinses Erika! Men zei dat ze +huwen moest met 'n grootvorst, maar... geweigerd had. + +Alle burgerlui vonden dit heel mooi, zonder nog te weten of 't niet +'n malle koppigheid was van prinses Erika. + +Ze was zoo zonderling van gedrag en manieren, en kon zich niet schikken +in de hoogheid van haar stand... + +Wouter trok z'n tweede kous uit, en keurde 't af dat prinses Erika +geen lust had in aanzienlykhedens. Hm... zou ze misschien willen +ruilen? Hy: prins Erik. En zy... + +Zou ook zy 's nachts zoo'n leelyke muts opzetten? Wel neen, dacht +Wouter, prinsessen dragen mutsen van diamanten. 't Is waarlyk zonde +en jammer dat zoo'n schepsel haar geluk niet waardeert! + +En dit scheen toch 't geval. Toen ze met de Paltsgravin uit het +Trippenhuis kwam--waar ze minzaam geweest was--had ze geweigerd +terstond mee terug te ryden naar 't paleis. Ze wou den "amsterdamschen +Jodenhoek" zien, en nam flinkweg 'n kamerheer onder den arm, die +haar den weg wyzen zou. De man kende dien zelf niet, en had alle +moeite haar te loodsen tot op Vlooienburg... in 't hartje! En zie, hy +droeg 'n korte broek--gelyk byna iedereen, in Wouter's tyd--en zyden +kousen. En die kousen werden bespat. En prinses Erika had er zoo om +gelachen. En nog meer onvorstelyke zonderlingheden van die soort... + +Maar dit alles stond niet in de courant. De krant sprak alleen van +de minzaamheid. + +Nu, ook op Vlooienburg was de prinses allerminzaamst geweest, of +zelfs meer dan minzaam. Ze had 'n heele kruiwagen vol maagdeperen leeg +gekocht, en de straatjeugd gebombardeerd met handenvol sappig genot. + +Maar dit stond alweer niet in de krant. De redakteurs wisten niet +hoe ze dat voorvalletje salvâ reverentiâ zouden inkleeden, en +bepaalden zich dus maar tot de alom bekende minzaamheid. Toch had +ieder er van gehoord, al wist men dan niet of 't waar was. Duizenden +schiepen er stof uit tot drie vertellingen. Eerst: dat het geschiedde: +"wezenlyk!" Daarop dat het 'n verzonnen praatjen, niet geschied was: +"wat ik je zeg!" Eindelyk: dat het wel deze keer misschien niet +geschied was, maar dat, wel beschouwd, zoo-iets wel 'ns op 'n anderen +keer geschieden kon, en dat het zeer moeilyk was altyd precies te +weten wà t geschied was, en wat niet. + +Dit vind ik ook. + +Prinses Erika... + +Wouter blies z'n kaarsjen uit, of wilde dit doen. Hy had peiling +genomen op een der twee scherpe driehoeken die Laurens hem te kiezen +had gegeven, en op-eens verneemt hy groote ontsteltenis in den huize +Pieterse: beroering! + +'t Is waar, er was drie, vier malen hevig gescheld, ja +gebengeld. Brand? + +Hm! Zou 't misschien prinses Erika wezen, die komt ruilen? + +Och neen, 't was juffrouw Laps. + +Ruilen kwam ze niets. + +Maar wat dà n, zoo laat op den avend? + +Wouter trok z'n ééne been terug uit den tophoek, en luisterde. + +Wy ook! + + + + + + + + Zelfs juffrouw Laps zegt soms 'n waarheid die 't overdenken + en toepassen waard is. Dezelfde autoriteit in-zake: + menschenkennis. Don Quixote de la Mancha. Goden, duivels + en... Fancy. + + +Het vertrekje waar Wouter met Laurens in één bedstee sliep, was boven +de huiskamer. Ze deelden dat verblyf met twee van hun zusters, en +moesten uit kiesheid altyd 'n kwartiertje vroeger slaap voelen dan +die jonge-juffrouwen. + +Ik ben niet geleerd genoeg om te weten hoeveel zuurstof vier +jonge menschen gedurende acht uren noodig hebben om net even niet +te stikken. Maar benauwd wàs 't in dat hokje! Soldaten zouden +"gereklameerd" hebben. + +In 'n ander lokaaltje had 'n soortgelyke verdeeling van engte plaats, +en ook daar werd het oogenblik van slaperig worden geregeld en bepaald +door gelyke wetten van kiesheid. + +Met 'n weinig administratief genie zal nu de lezer kunnen berekenen wat +de oorzaak was dat 'n gedeelte van den grooten staf der Pietersens--en +wel het deel dat tot de klasse der vrouwspersonen behoorde--nog +altyd in de huiskamer by-een zat, op 't oogenblik toen Wouter zich +voordroomde dat die gekke prinses Erika wel 'ns in 't hoofd kon krygen +met hem te komen ruilen van pozitie. + +In-plaats dáárvan echter, hoorde hy de stem van juffrouw Laps, die +als 'n razende de trap scheen opgevlogen, en schreeuwend, snikkend +en huilend het huisvertrek binnenstormde. + +De gewone tusschenwerpsels van: "mensch, wat is er?" en: "goeie god, +wat is er gebeurd?" waren afgeloopen. Wouter kon waarnemen dat het +traditioneele glas water was aangeboden en leeggedronken, en tevens +hoe men de blykbaar allerdiepst-ongelukige vriendelyk uitnoodigde om +"te bedaren." Een zonderling voorstel altyd. + +Juffrouw Laps begon met de zeer verstaanbaar geartikuleerde verzekering +dat het haar onmogelyk was 'n woord uittebrengen. + +De zaak scheen dus belangryk. Wouter trok z'n eene kous weer aan om +beter te kunnen luisteren. + +--Ik zweer je by God allemachtig, juffrouw Pieterse, dat ik niet +spreken kan van schrik en alteraasie. + +--Gut, mensch! + +--Waar zyn je kinderen... allemaal? Al naar bed? Toch nog niet naar +bed, wil ik hopen! Ik kan waarachtig niet spreken! Nog 'n glas water, +Trui! Hoor 'ns hoe ik bibber... 'n mensch klappertandt van schrik, +niet waar? Dankje, Trui, en waar is... Stoffel? + +--Wel, mensch, die kleedt 'm uit. Hy gaat me vóór, my en Petró. +Want... Mine schopt zoo, weetje, en Trui moet by de jongens wezen... +anders vechten ze. En daarom slaap ik met Petrò, weetje. En daarom +kleedt Stoffel 'm uit, en dan sluit-i z'n gordyntje, weetje, als-i +ons op de trap hoort. Maar, mensch, wat scheelt er an? + +--Ja juist... wat me scheelt, niet waar? Ik ben geschrokken, erg, +heel erg! En is... Laurens ook al naar bed? + +--Gut ja, mensch, al lang! Want-i moet vroeg op z'n drukkery +wezen. Maar... + +--Allemaal al naar bed! En ik...ik loop als 'n ongeluk langs de straat, +als 'n mal mensch--van schrik, weetje!--en weet niet waar ik belanden +zal. Zóó? Is hier... iedereen al... naar... bed... + +--Maar wat is er dan toch gebeurd? + +--Ik zal 't je zeggen, juffrouw Pieterse... och, als je wist hoe ik +geschrokken ben! Verbeelje... + +Wouter trok uit 'n akoustisch beginsel z'n tweede kous aan. + +--Je weet, juffrouw Pieterse, dat er tegenwoordig veel gestolen wordt? + +--O ja, maar... + +--En ingebroken? En gemoord? En dat de politie er maar niet achter +komen kan wie dat telkens gedaan heeft? De moord van de oude Mevrouw +en haar dienstmeid, in de Lommerstraat... + +--Maar mensch, daarvoor zitten er drie in de gevangenis! Wat wil +je meer? + +--'t Mocht wat! De moordenaars loopen vry rond, wat ik je zeg! Dat +gevangen-zetten van die drie kerels is maar om ons 'n doekie voor de +oogen te binden, en dat de menschen niet vragen zullen: waarvoor dient +de jistiessie, zieje! De luî die 't gedaan hebben, willen wel zoo, en +hebben al den tyd om op 'r gemak hun boeltjen opteknappen. Want weetje +wat ik altyd zeg... ik zeg dat 'n gemeene kerel die 'n moord doet, +en veel geld steelt, z'n bebloede kleeren niet kan verdonkeremanen. En +al dat geld ook niet! + +Want, zeg ik, hy is niet gewend met zooveel geld omtegaan. Al z'n +buren kennen z'n buizen en broeken van-buiten. 'n Kast waarin-i +wat kan wegstoppen, heeft zoo'n man niet. Verstand van effekten +of obbeligaassies ook niet! En den weg naar 't buitenland weet-i +ook niet! En vrinden die hem den weg wyzen om van z'n boeltjen +aftekomen, heeft-i ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil dat... 'n +moord of 'n diefstal, of... zoowat... als ze den moordenaar niet +terstond pakken... nu, juffrouw Pieterse, dan zeg ik dat het door +'n fatsoenlyk man gedaan is, die meer rokken en kasten en kemsoossies +heeft dan alleman weet, en... ongeteld linnengoed, zieje! En vrinden +onder bankiers, zieje, die 'm afhelpen van z'n obbeligaassies. 'n +Gemeene vent zou honderdduizend gulden in z'n broodkast leggen, +en daar vinden 't de kinderen als ze boter snoepen. Wat zeg jy, Trui? + +Trui had nooit nagedacht over dezen wel-eens uit het oog verloren +grondregel van kriminalistiek. Althans Wouter vernam geen antwoord, +schoon de nieuwsgierigheid hem noopte z'n broek aantetrekken. + +--Maar, hoorde hy op-nieuw z'n moeder vragen, wat is er dan toch met +je gebeurd? + +--Wat er gebeurd is? Ik ben geschrokken... kyk, hoe ik bibber! De +stad is vol moordenaars, juffrouw Pieterse! + +--Lieve-god, mensch, wat kan ik daaraan doen? + +--Niks, juffrouw Pieterse, heelmaal niks! Maar ik ben geschrokken, +en kom je-n-om raad vragen. En... gaan Stoffel, en... Laurens, +en... iedereen hier altyd zoo vroeg naar bed? Kyk, hoe ik nog +bibber. Zou je wel gelooven dat ik niet naar m'n huis durf te gaan? + +--Maar waaròm dan niet? Denk je dat ze je vermoorden zullen? + +--Ja, juffrouw Pieterse, dà t denk ik! De moordenaars van die +ouwe Mevrouw en haar dienstmeid loopen nog altyd rond--gister by +de ullemenatie hebben ze god weet hoeveel horlogies gerold!--en de +policie... weet je wat de policie doet? Ze kykt of iemand 'n vloerkleed +uitklopt na tienen 's morgens... dà t doet de policie! Maar al die +moordenaars laat ze loopen. Dat zeg ik! + +--Maar wat weet je dan van die moordenaars? Geef ze-n-aan, als je ze +kent! Dat 's je plicht, mensch! + +Wouter trok z'n vest aan, en deed 'n dasjen om. + +--Wat ik er van weet! Ze belagen me-n-in m'n eigen huis! Is 't erg of +niet? Ik ben van middag uit geweest, om 't hardzeilen op den Amstel +te zien. Maar er was niets te kyk, omdat er geen wind was. En 't was +heel vol op den weg, en by den Amstel ook, tot Ouwerkerk toe. Al die +koningen waren er, en die vreemde prinsen en prinsessen, weetje, +en de menschen keken naar de koetsen, en ik ook. Niet dat ik om +'n koning geef, gut né! Want hy is 'n wurm in Gods hand, net als +jy en ik, en als de Heer hem niet steunt... och al 't aardsche is +maar gekheid. Stof en asch... geloof dà t maar! Maar ik keek naar de +koetsen, weetje, en naar de paarden, en naar al 't volk... dat er naar +keek. En ik dacht zoo by mezelf, als ik vanavend thuis kom, zal ik m'n +aardappelen opbakken, want... die had ik over van van-middag, en als ik +aardappelen over heb, bak ik ze 's avends altyd op, weetje. En er was +groot gedrang by den Amstel, en 't speet ieder zoo dat er geen wind +was, want de menschen zyn dol op plezier, en slaan geen acht op wat +des Heeren is. Wereldsch waren die prinsen en prinsessen... kyk! Ja +dacht ik, 't wondert me volstrekt niet dat er zoo erg gemoord wordt, +en gestolen, want ze verzoeken God. En: de Heer zal jeluî wel krygen, +dacht ik, maar Hy wacht z'n uur af. Want, juffrouw Pieterse, dà t +doet-i altyd. Eén dame--'t mensch had roode puisten in 't gezicht, +en was nog ouder dan jy, juffrouw Pieterse!--wat denk je dat ze-n-op +'t hoofd had? 'n Tulleband, mensch! En ze zat in 'n koets met vier +paarden. Is dat den Heer tergen of niet? Dat vraag ik maar! En ze +speelde met 'n soesoe, en toen er 'n prins te-paard naast haar koets +kwam, stak ze d'r hand uit het portier, en liet 'r soesoe driemaal +op-en-neer gaan. En dat deed die prins ook. Waren ze mal of niet? En +wat moet de Heer daarvan zeggen. Als er geen pestilentie komt... + +--Maar... wat is je dan toch overkomen? + +--Ja juist... wat me-n-overkomen is? Dà t zal ik je zeggen... maar +ik beef nog zoo. Ik had m'n aardappelen aan schyfjes gesneden, en +op 'n schoteltjen in de kast gezet. Want, dacht ik, als ik thuis +kom, kan ik terstond aan 't bakken gaan, want ik hecht niet aan +wereldsche dingen--want ik heb de genade, weetje--want ik dacht zoo +by mezelf, dat ik niet lang onder al die menschen blyven wou... gut, +juffrouw Pieterse, je moest... Stoffel roepen. Dan kan-i hooren wat +me-n-overkomen is. + +Stoffel was reeds in aantocht, en dit deed Wouter genoegen. Hy had +geruisch in de kamer naast zich gehoord, en grondde op Stoffel's +opstaan de hoop dat ook hyzelf weer voor-den-dag zou mogen komen, om 't +spannend verhaal wat meer op z'n gemak aantehooren dan door de porien +van z'n kamervloer. Intusschen had hy zich geheel gekleed, omdat-i +niet door juffrouw Laps wou gezien worden in z'n nachtpon. Hy nam nu +waar dat Stoffel de, huiskamer binnentrad, en dat de bezoekster, na +den gewonen groet en de plechtige verzekering dat ze nog altyd van 't +bibberen niet spreken kon, de vraag deed: waar toch... Laurens bleef? + +Laurens? Wèl, hy sliep, en leverde door z'n neusgaten de demonstratie +van 't pythagoreïsch vraagstuk, waarin hyzelf de hypothenuze zoo +aanschouwelyk voorstelde. + +Dit zou juffrouw Laps volkomen onverschillig geweest zyn, als ze +'t geweten had. Ze wist alleen--en 't hinderde haar erg, naar 't +scheen--dat... Laurens zich niet bevond onder haar gehoor. + +Was dit misschien de reden dat ze zoo talmde met de katastroof? Moest +juist... Laurens getuige wezen van de ontwikkeling en de +uitbersting? Waarom toch? + +--Zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of de stad niet vol moordenaars en +dieven is? + +Stoffel zoog z'n bovenlip naar binnen, en trachtte met de andere de +punt van z'n neus te bereiken. De lezer wordt uitgenoodigd dezen +mondgreep natebootsen, en hy zal, volgens de door my meegedeelde +methode van ziel-ontdekking, nagenoeg weten hoe en wat Stoffel niet +antwoordde op deze vraag. + +Juffrouw Laps hield zich of ze "ja!" verstond, omdat het zoo in haar +kraam te-pas kwam. En dus: + +--Zie je wel, Stoffel zegt het ook! De stad is vol dieven en +moordenaars, en... 'n fatsoenlyk mensch durft niet meer in z'n eentje +naar bed gaan. Dat zeg ik! + +--Maar... juffrouw... + +--De policie? Gekheid! Wat helpt de policie, als je niet +op God vertrouwt? Dà t 's 't ware! En wie dà t niet doet, is +verloren. Menschelyke hulp... ik kan me niet begrypen dat... Laurens +altyd zoo vroeg slapen gaat. Weet jelui wel, dat het niet gezond is +zoo veel te slapen! Wat zegt de Schrift? Waak en bid! Maar... ieder +z'n sinnigheid! Ik kan je voor God verklaren dat ik niet alleen naar +huis durf, en... + +Hier vertoonde zich weer 'n "vinger!" Wouter's nieuwsgierigheid was +ten hoogste gespannen. Om beter te kunnen verstaan stond-i in gebukte +houding, en leunde met één hand op den rug van 'n stoel. Z'n steunpunt +kantelde, de stoel gleed uit, knerste over den grond, bereikte 'n +ander meubel... + +--Heere-jesis-kristis, wat 's dà t nu weer? kryschte de moeder. Ben jy +'t, Laurens? + +Wouter piepte verlegen terug, dat het: "ik" was. Uit deze stoornis +vloeide voort dat-i zich wist overteplaatsen in den kring waar zulke +belangwekkende dingen werden verhandeld. + +Z'n entrée de salon had plaats onder de allerongunstigste +omstandigheden. Hy werd hevig berispt omdat-i "nog" niet uitgekleed +was, en... + +--Zet jy je bakker op, voor je je kleeren uittrekt?" riep de moeder. + +Zoo waar, de jongen had vergeten zich te ontdoen van z'n slaapmuts! Hy +meende van schaamte te verzinken. Liever had-i à l 't andere gemist, +dan dat eene te hebben! + +--En... wat heb je dáár? + +Helaas! Ons heldje was belachelyker nog dan men in-staat is zich te +maken met 'n pluimmuts alleen. Er bleek dat-i zich gewapend had met +den yzeren staaf die in voorhistorische dagen door z'n vader gebruikt +werd tot recht-afsnyden van leêr. Gedurende 't begin van 't lapsisch +verhaal dat zoo slecht vlotte, meende hy, dacht-i, hoopte hy... + +Nu ja, hy verstond iets van 't oude: "waar blyft Wouter?" Uit den mond +der spreekster niet, o neen--'t waren immers juist de woorden die +ze by-voorkeur niet uitsprak!--maar... hy meende ze toch te hooren, +al kwamen ze tot hem van geheel anderen kant. + +Wel was-i dien vrydag laag en slecht geweest, onridderlyk en infaam, +maar... hy bleef nog altyd Wouter! + +Moordenaars? Dieven? Een vrouw in nood, 'n dame--ze heette Laps, +godbetert!--wat anders kon daarop volgen, dan: + +--Ce sera moi, Nassau! + +en..: + +--God laat die moordenaars maar begaan... ik niet! Ik, Wouter! Ivanhoe +was-i gewis dien dag niet geweest... helaas! Doch er was toch nog +altyd genoeg in hem van zichzelf, om niet lager te staan dan de +slechtaard Brian de Bois-Guilbert, die toch ook niet wegliep voor +gevaar, al was dan z'n gedrag jegens Rebekka hoogst-indelikaat. + +Slecht? Het zy zoo! Maar lafhartig ook? Dat zou te veel zyn. + +In zóó'n stemming had Wouter--hy scheen niet te weten dat ook z'n eigen +felonie voortkwam uit lafheid!--tusschen z'n tweede kous en z'n broek +in, den leder-lineaal gegrepen. En dat ding hield-i nog altyd in de +hand, toen er door zoo'n zonderlingen samenloop van omstandigheden +'n welgelukt beroep werd gedaan op z'n moed. + +O, eerbiedwaardige, korrekte, maar dikwyls laaghartige, toch +altyd onschuldige, kansverevening, waarom moest ge dat onïngetogen +ridderzwaard in-handen geven van iemand die vergeten had zich te +ontdoen van z'n slaapmuts? Waarom niet die twee belachelykheden in +billykheid over Stoffel en den held verdeeld? Waarom niet aan ieder +wat? Den een de muts, den ander 't wapen? Of, beter nog, waarom niet +Stoffel den hellebaard in de hand gedrukt, en den slapenden Laurens +by uitsluiting belast met het torschen van den gepluimden diadeem? Wat +kon het hèm schelen hoe hy er uitzag in z'n bed! + +Maar... 'n held, 'n ridder? En dat onder de oogen van de dame die hy +beschermen zal! + +Arme Rebekka, wanneer Ivanhoe ware te-voorschyn gekomen met zóó'n helm! + +Wouter was woedend. + +En... ik ook! Op die kansverevening namelyk, en niet zoozeer om de +boosaardige kombinatie van muts en degen. Zy is niet te vermyden, +en de Don Ouixotten schikken zich. Weldra zien ze die pluimmuts voor +'n stalen helm aan, en hun hemd voor 'n schubbejak. + +Niet dáárom alzoo ben ik boos. Ik zou waarlyk te veel te doen hebben, +indien ik toegaf in de neiging tot zùlke verstoordheid. Maar om 'n +andere samenvoeging die bedroevender is, en waarin 'n braaf ridder +zich niet mà g leeren schikken. + +Wouter was lafhartig geweest, toen-i Femke had behooren te kennen en +te èrkennen. En... z'n gevloden ridderlykheid kwam tevoorschyn op 'n +roep uit den mond van juffrouw Laps! Dit is erger dan belachelykheid! + +Tegenover reinheid had-i zich stug betoond, en arm aan ziel. De rykdom +van z'n gemoed berstte weelderig uit, zoodra ze werd opgevorderd door +'t gemeene. Is 't niet treurig? + +Dat de Don Quixotten weldra de onheraldische beteekenis van +hun pluimmutsen over 't hoofd zien--lafaards wachten zich wel +voor zulke gekheid!--is begrypelyk, en te vergeven. Maar wie--en +op-den-duur--genoegen nemen zou met de verkrachting van zedelyke +logika, met het tragisch-heterogeene... + +'t Huwelyk van rapier en muts was maar komisch! + +... wie op-den-duur zich tevreden stelt met... dat andere, hy is +verloren! Hoogstens kan er 'n rykworder uit hem groeien, 'n schoonzoon +van Kappelman, of zoo-iets. + +Goddank, Wouter zou 't leeren inzien. De zeer intelligente lezer +begrypt immers dat-i anders geen geschiedenis hebben zou? Maar hy +was nog in lang zoo ver niet, en meende al veel gedaan te hebben +tot herstel van de zoo sarkastisch bedorven tooneelzetting, toen-i +met driftig gebaar z'n wapen kletterend op den grond smeet, en z'n +muts--flap!--op de tafel. + +Niemand had ooit geweten dat het manneke zoo driftig worden kon. Z'n +moeder vroeg dan ook met de gewone belangstelling in 't welzyn van +z'n zieltje: "of-i dan in gods-heeren-naam heelemaal bezeten was?" 't +Had er veel van. + +De "vinger" van zoo-even zal wel weer de klauw van 'n duivel geweest +zyn, of... van den Duivel, naar verkiezing van den lezer. + + + +--Ik zeg dat jelui 't kind niet zoo moet versagrineeren, zei de +bibberende bezoekster. + +--Oogenblikkelyk naar je bed! riep de moeder. + +--Och, laat het kind zitten! Maar... wat ik je zeggen wou, juffrouw +Pieterse, van m'n aardappelen... + +Wouter blééf. Dat-i dit kon, had hy te danken aan de algemeene +nieuwsgierigheid. Heel gelukkig waarlyk, want ik heb z'n blyven +hoognoodig voor de ekonomie van m'n vertelling. + +...verbeelje toen ik thuis kwam, zoo tegen half-elf... want ik kòn niet +eer, om de drukte, weetje--anders... ik houd niet van remoerigheid, +dat weetje wel--nu, toen ik thuis kwam--de stad is vol moordenaars +en dieven, dit moet je wèl in 't oog houden!--toen waren m'n +aardappelen... waar denk ie dat m'n aardappelen waren? Ze waren... weg! + +--Weg? + +--Weg! + +--Heelemaal weg? + +--Heelemaal... wèg! + +--Je aardappelen weg? + +--M'n aardappelen... heeeeelemaal... wèg! + +--Maar... + +--En ik zeg: dat hebben de dieven en moordenaars gedaan! Wie anders? Er +zyn moordenaars op m'n zolder, en nu wou ik je vragen... want ik durf +niet alleen thuiskomen... + +Wouter's oogen flikkerden. + +...ik wou je vragen of misschien... je zoon Stoffel... + +Stoffel zette 'n allerzonderlingst gezicht, dat zeker alle moordenaars +uitmuntend zou bevallen hebben, omdat het 'n geruststelling bevatte +voor de toekomst van 't métier. + +--Maar, juffrouw Laps, vroeg-i heb je dan geen kat in huis? + +--Een kat? Ben je mal? 'n Kat tegen moordenaars? + +--Né, juffrouw, niet tegen moordenaars. Maar 'n kat die misschien je +aardappels heeft opgegeten? + +--Ik weet van geen kat! Ik weet dat de stad vol gemeen volk is, dat +de menschen vermoordt zonder dat er 'n haan na kraait! Niet dat ik om +m'n leven geef, gut neen, niet... zie zóóveel! Als de Heer me roept, +zal ik zeggen: laat je dienstmaagd gaan in vrede. M'n oogen hebben +je heerlykheid gezien! En dan... + +--Maar, mensch, waarom heb je niet op je zolder gezocht, of onder +je bed? + +--Dat mòcht ik niet, juffrouw Pieterse! Wien God bewaart, is +wèlbewaard, maar... men mag den Heer niet verzoeken! Op m'n zolder +ga ik niet, en onder m'n bed kyk ik niet, voor alle wereldsch +goed niet! Want dáár zit-i zeker! En juist daarom wou ik je vragen +of... je zoon... Stoffel... of--als Stoffel geen senie heeft--byv. je +zoon... Laurens, of... + +--Maar... waarom heeft uwe niet liever de buren er by geroepen, +juffrouw? + +Aldus sprak Stoffel. + +--De buren? Nou, je moet ze kennen, die buren! De man onder me durft +geen schoothondjen aan, laat staan, 'n moordenaar! En naast me woont +er een die... wat zal ik je zeggen, 't is 'n jonkman, en je weet dat +ik me niet graag in opspraak breng. Want... 'n mensch moet zorgen +voor z'n fatsoen, en nooit ergernis geven, dat weet je-n-ook wel. + +Niemand kwam op de gedachte, haar te vragen wie of wat Stoffel dan +voor 'n wezen was? Géén jonkman? Zoud-i misschien "door z'n school" +boven wereldsche verdenking verheven zyn? + +--En bovendien, ging de verlokster voort, meen je dat al die mannen +kerasie hebben? Ik zeg neen! Ze zyn zoo bang voor 'n dief, als de +dood. Verleje week stond er 'n brittale bedelkerel in 't pertaal, +en de vent wou niet weg. Denk je dat ze 'm aandurfden? Maar ik, +ik pakte hem flink beet, en... + +Ze versprak zich, en bemerkte het: + +... nu ja, dat zou ik gedaan hebben als ik niet 'n vrouw was +geweest. Want vrouwen moeten zich nooit inlaten met ruwigheid. Dat +stáát niet... wat zeg jy, Trui? Ik liep weg, en sloot m'n kamer, +zieje! Neen, kerasie hebben al die manlui niet! + +"Al die manlui!" + +Wouter voelde zich beleedigd, en beefde van ingehouden strydlust, +of althans van begeerte om te toonen dat hy niet behoorde onder zùlke +"manluî." Juffrouw Laps merkte 't wel. + +--Nu, als Stoffel 't niet graag doet... + +--Om je de waarheid te zeggen, ik... + +... en als Laurens al slaapt. En als... niemand er senie in heeft... + +Ze stond op. + +... nu, dan zal ik, op God vertrouwend, in m'n eentje... maar griezelig +is 't voor 'n vrouw alleen! + +Ze zag allen beurtelings aan, behalve juist den eenen tot wien ze +sprak. Wouter moest zich vergeten voelen, over 't hoofd gezien, en +daardoor geprikkeld tot den eisch om beschreven te worden onder de +ridderschap van den huize. + +... als dan hier niemand is, die durft... + +--Ik durf, juffrouw! + +Allen stonden verbaasd, behalve onze menschenkenster die niets anders +verwacht had, maar toch geraden vond zich even verbaasd te houden +als de rest. + +--Jy? + +--Jy, Wouter? + +--Jongen, ben je gek? Jy? + +--Ja, ik! Ik durf, al waren er tien op je zolder, juffrouw, en duizend +onder je bed! + +Hm, zoo'n kleine Luther! Maar er was verschil. Luther had 'n +God, waarop-i meende te kunnen rekenen... met behulp van 'n paar +keurvorsten... nu ja, die behoefte hadden aan troebel water. Onze +Wouter--zònder keurvorsten!--trok als 't ware ten-stryde tégen den +god, die toegelaten had dat er duizend en eenige moordenaars onder +'t dak en bed van juffrouw Laps konden zitten. + +--Maar, jongen! + +--Ik durf! + +--Och, laat hem begaan, juffrouw Pieterse! Je begrypt... het is +altyd 'n gezelligheid voor me, zoo'n kind by me te hebben! Zieje, +dan griezelt het me minder, als er misschien 'n moordenaar op zolder +zit. 'n Mensch wil aanspraak hebben, niet waar? + +Ze bereikte haar doel: onze Wouter werd haar meegegeven. Met z'n +nachtpon en bakkersmuts in 'n pakjen onder den arm, verliet hy +'t huis. De yzeren staaf werd achtergelaten, omdat juffrouw Laps +verzekerde dat zy 'n wel gevuld tuighuis had van gereedschappen +waarmee men zooveel moordenaars kon doodslaan als men verkoos. + +De oorzaak dat de Pietersens zoo gemakkelyk toestemden in Wouter's +benoeming tot slotvoogd, lag voornamelyk in ydelheid. Eigenlyk keurde +het geen der leden van 't koncilie goed, dat de jongen meeging met +juffrouw Laps, maar de familie was groots op z'n moed. De zaak zou +bekend raken, oververteld worden, en juffrouw Pieterse zou wel zorgen +dat er bygevoegd werd: + +--'t Is dezelfde jonge-heer, weetje, die laast geleseerd heeft by +dokter Holsma op den Kolveniers-burgwal. + +"Ja, ja, er zit wel wat in die kinderen van diezelfde Juffrouw +Pieterse!" zou dan deze of gene de goedheid hebben te antwoorden. + +En zoo-iets hoort men graag. + +Dáárom kreeg juffrouw Laps ditmaal haar zin. + +Maar... Fancy? + +Preutsch was ze niet! + +Dat verloochenen van Femke vond zy èrger! + +Doch ook dáártegen zou ze raad weten, zy die alles was, alles wist, +alles kon, tot het regelen van de kans-verevening inkluis. + +Niet tevreden--o neen!--maar kalm toch, en geenszins wanhopend, ging +ze met haren arbeid voort. Er was meer spot dan smart in haar gelaat, +toen ze Wouter dien avend den weg zag inslaan naar de woning der +oefenaarster. Ze toonde hierdoor hooger te staan dan de engel die door +Moritz Retsch tot droefgeestige getuige wordt gemaakt van de nederlaag +des jongelings die op 't schaakbord z'n ziel aan den duivel verspeelt. + +Hm... in één party? + +Moet dan het behoud der ziel afhangen van één veronachtzaamd: gardez +la Reine? + +Waarachtig niet! + +Men zou wenschen geen ziel te hebben, als ze zóó snel kon verloren +gaan! + +Eilieve, dan immers stond de party tusschen God en Duivel niet gelyk? + +Hoe! Eén misstap, ééne dwaling, één vergissing, zou naar de hel kunnen +voeren, en na 'n lang leven vol moeite, arbeid, onthouding en stryd, +is er nog 'n byzondere genade noodig om in den hemel te komen? + +Dit moet 'n dwaling zyn! Maar... 'n dwaling die 't verklaart, waarom +de galerie zoo gaarne voor den Duivel parieert! En waarom er zooveel +speciaal-kunsten worden uitgevonden om God 'n beetje te helpen in +z'n ál te ongelyke kans. + +Dit hoeft niet! + +Fancy zal zich weten te redden. Zich, en... hem dien ze aanraakte +met haar vleugel. + +Ze laat hem begaan, en doet--als ik!--haar werk. En: + + + ... doet, als ik, haar werk! + En spint den vlok tot draad, en weeft den draad + Tot doek, waarop zy, eindloos voortbordurend, + Den loop van al wat is, te aanschouwen geeft. + En wie 't verband ontkent, is schuldig blind, + Ter nauwernood onschuldig wie 't niet kent! + + +Van dit alles wist Wouter niets. Z'n onkunde mag wel een der oorzaken +geweest zyn van de rilling die hem bekroop, toen-i met juffrouw Laps +de trap van haar woning opging. + +'t Eerste wat ze hem aanbood, bestond natuurlyk in de gebakken +aardappelen die opgegeten waren door al die gulzige moordenaars. + +Hu! Wouter verbeeldde zich dat-i zou hebben raad geweten met +Schinderhannes in hoogsteigen persoon. En al blyft het nu de vraag, +of z'n--ongeoefende!--moed niet op 't beslissend oogenblik in de +schoenen zou gezakt zyn, hy méénde toch dat-i durfde. En hy was dan +toch begonnen met Schinderhannes inderdaad optezoeken... + +Maar... alleen te wezen met die gebakken aardappelen, en met die +walgelyke vrindelykheid--wat ranser was wist-i niet!--daar hoort +méér toe! + +Hy voelde berouw over z'n veronderstelden moed, en begreep niet +hoe hy z'n heldentocht had kunnen aanvangen zonder te letten op de +onvermydelyke byzaken. + +Wèl beschouwd, was-i toch maar liever in een der driehoekjes gekropen, +die Laurens gewoon was zoo grootmoedig ter zyner beschikking te +stellen. + + + + + + + + De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders + van deze eeuw. "En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn + knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan + hem uit." Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd + werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van + beschermengelen. + + +--Tast jy maar gerust toe, m'n jongen, en seneer je niet! Of wil je +misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch van-nacht +hier blyft, zieje, om op me te passen... + +Wouter hield z'n jasje voorloopig aan. + +En... 'n lekker likeurtje heb ik ook voor je... 't is beste! Van +Fockink, weetje, die z'n fabriek heeft in... die nauwe straat, je +weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar wonen gemeene +vrouwluî, en die staan aan de deur, zieje, en dat 's niet goed voor +'n jonkman als jy. + +De "jonkman" Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou jokken als ik zei +dat-i boos was. Juffrouw Laps had met aanbiddenswaardige handigheid +hem 'n paar tweede-luitenants epauletten op schouder gespykerd... z'n +eersten rang! En welke jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot +jonkman was streelender nog dan 't "in den handel" zyn. + +Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z'n nieuwbakken +hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze +verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort +worden toegemeten. + +--Wel wis en zeker, Wouter, je bent 'n jonkman, wist je dat niet? 't +Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig behandelen. Ik zeg dat +je-n-'n jonkman bent, zoo goed als de beste! Denk je, byv. dat ik +zooveel van... Stoffel houd als van jou? Waarachtig niet! Volstrekt +niet! In 't geheel niet! Ik houd veel meer van jou. Wil je-n-'n pyp +rooken? Je bent er mans genoeg toe. Wel zeker, waarom zou je niet +'n pypie rooken, net als andere mannen? + +"Mannen!" + +Help, Fancy! + +Wouter antwoordde dat-i "nog niet" rooken kon. 't Kostte hem moeite +dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel kinderachtigheid, maar +hy moest wel oprecht zyn omdat 'n eerste poging om Stoffel natedoen +in deze uiting van mannelykheid, zoo byzonder ziekelyk was afgeloopen +dat het voorstel tot herhaling hem schrik aanjoeg. + +--Zóó? Rook je niet... + +Ze liet het, "nog" weg. + +...rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is 't 'n verkeerde gewoonte +van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die niet +rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel--hy is zoo oud als jy, maar +wat kleiner, en vryt met 'n nichtje van me--die rookt ook niet. + +Iemand zoo oud als hy, maar kleiner, en die al aan "vryen" deed: +help, Fancy! + +--Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet +wanneer. Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat +je-n-'n effetieve jonkman bent. 't Is heel mal dat ze je-n-altyd +behandelen als 'n kind! Dà t heb ik wel al honderdmaal aan je +moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om 'reis te noemen... zooeven +op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar 'n zwakke vrouw ben, +weetje? En 't was nacht, niet waar? Denk je dat ik nog bang was, toen +jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? Wèl, omdat ieder zien kon +dat ik 'n manspersoon by me had. Ik had je best 'n arm kunnen geven--je +bent heusch grooter dan ik--maar ik deed het niet, omdat je-n-'n pakje +droeg. En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht +had het kunnen zien, en dan in de buurt overal rondvertellen dat ik +'s nachts met 'n heer liep. + +"Met 'n heer!" + +Fancy! + +--Want 'n mensch moet altyd zorgen voor z'n fatsoen! Hier +binnen'skamers is 't wat à nders, heel wat anders! Gut, ik weet wel +dat jy geen kwaad van me vertellen zult. Wie 'n vrouw bekladt, is +geen ware man, dit weet je-n-ook wel. + +Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z'n besef van loyauteit, +dan helderheid in 't begrip van: "bekladden." Hy vertaalde juffrouw +Laps' maxime in z'n boekentermen, en las voor: "vrouw" en: "man" +de hem gemeenzamer uitdrukkingen: dame en: ridder. + +'t Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf verwachten +of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware geweest +over de likeur--par impossible, want ze was van Fockink--of dat +de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar bejaardheid had +gesmaakt--onmogelyk alweer, want ze bakte met boter, die niet eens veel +slechter was dan de gewoonte der hollandsche vervalschings-industrie +meebrengt--jazelfs al had-i grond gevonden tot het maken van +gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder Wouter dame Laps +zou hebben geschandvlekt? Nooit... "by m'n zwaard!" + +De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit intezien, +of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. Voor +iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was 't +inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om +de belegerde vesting. Had ze inderdaad menschkunde bezeten, ze zou +geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan +had ze tevens--door geestelyke oefening veredeld!--geen lust gevoeld in +zulke krygstochtjes en dus 't heele vestinkje met vrede gelaten. Zooals +nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en kwaad het gaan wilde, +maar voort met de kleine middeltjes die leiden moesten naar 'n +mikroskopisch doeltje. + +Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen +die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet boozer +op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de +wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen +dokter in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou +geweest zyn het mensch voorby- of natestreven op 't zielkundig +terrein dat ze hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens +'t hare was. Want--wie zal dit begrypen?--haar scherpzinnigheid was +minder wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou 'n man--overigens gelyk +begaafd--uit de sobere gegevens die hà à r tendienste stonden, een zóó +praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En, +omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd, +wanneer niet haar kinderachtig plannetjen in-verband had gestaan met +verwrongen geslachtsdrift. + +Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te +kussen! Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van 'n paar +gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand +verdediging mogelyk was? + +En... Fancy? Wendde ze treurig 't hoofd af? Meesmuilde zy? Begon ze +te schreien? Brak zy in jammerklacht uit? + +Teekent haar de artist--die m'n werken illustreeren... zou, als ik +'t geluk had geen Hollander te zyn--wordt ze hier door den schilder +voorgesteld in gebogen houding, handenwringend? + +Vlucht ze heen? + +Wat toch doet hier onze Fancy? + +Komaan, artisten--die m'n werken niet illustreert, omdat ik maar +'n Hollander ben, in-plaats van 'n zevende-klas buitenlandsche +beroemdheid!--komaan, ik zal u helpen. Weg met die tranen op Fancy's +wangen... + +Een geest weent niet om zoo weinig... + +Weg met die geknakte gestalte... + +Geesten bukken niet onder zoo geringen last! + +Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van +dit alles! + +Kalm en ernstig--'n glimlach misstond er niet by!--zette zy haar +kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar op die bovenkamer +iets te véél... welnu, er zou méér geschieden, elders of hier! + +Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning... + +Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de +natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort +komen omdat haar feiten òpraken. + +Aventuur op aventuur! Is 't u te veel? Ei, ziedaar... 'n nieuwen schok! + +Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dà n 'n nieuwen +takel aan de koord geslagen... ze kan méér dragen, méér heffen, +en knappen zal ze niet! + +Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst +met 'n orkaan! + +En ze glimlacht! + +Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet +B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet! + +Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze. + +Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al +gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe +vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den +adem van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken. + +De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde +voor 't gelukken der menschenkennige kunstjes van juffrouw Laps. En +ik verzoek hem uit-bestwil, z'n deel te nemen van die kalmte. + +Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer daarvan! + +Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was +'t slagen zéker? + +Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor 't goede dan de +verleidbaarheid van 'n halfwassen jongeling, al zy het dan dat de +zoetigheid van Fockink's likeurtjes, en de nog zoeter drang van +gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het booze! + +Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden "val"--och, arm!--blyft +het misschien de vraag, of 't Fancy de moeite waard wezen zou de +wapens aantegorden in 'n stryd van zoo weinig belang? Dat... "booze" +was maar ordinair. + +Wanneer ze 't doet, geschiedt het waarschynlyk uit luim +alleen. Want... luimig is ze. Luimig als 't spel, als 't weder, +als de wereldgeschiedenis, als alles wat òns luimig toeschynt omdat +ze dom zyn, beginnertjes maar in de moeielyke studie van 't rerum +cognoscere causas! [1] + +En à ls nu eens onze Fancy--uit zoogenaamden luim dan!--mocht blyven +versmaden 't belaagd jongetje by-tyds de hand te reiken, à ls... + +Juffrouw Laps was 'n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me, +lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan +volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling +ligt aan de vermeende eischen van 't boekmakers-ambacht. Sedert +onheugelyke tyden gebruiken de heeren van 't métier, dergelyke +zaakjes als hoofd-katastroof. 't Afgezaagd: "en ze viel!" is de +lievelings-kataklysme tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen. + +Ze, ja, ze! Want in-verband met de duurte der voedingsmiddelen, en de +daaruit voortspruitende behoefte aan 'n "fatsoenlyk huwelyk"--ik erken +volmondig die behoefte, doch alleen: "omdat uwe harten boos zyn"--is +'t vallend voorwerp gewoonlyk 'n stumperige "zy." + +Welnu, die "zy" begaat 'n fout als ze valt. Men moet niet vallen. Al +vinden de lezers--die de zaak hardschreeuwend afkeuren!--zoo'n "val" +allerplezierigst, en 't onmisbaar element in 'n "mooi" boek: men moet +niet vallen! + +En wanneer by uitzondering de valler 'n "hy" is ... + +Minder pikant, omdat de maatschappelyke pozitie daardoor niet aan 't +wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed ongeschikter +voor den "handel" geworden zyn wanneer-i z'n jasje had uitgetrokken, +en z'n... vestjen er by! + +... als er 'n "hy" valt... + +Wèl, dan heeft-i 'n fout begaan, 'n Mensch moet niet vallen. Hy heeft +beter dingen te doen. + +Doch--"hy" of "zy" dan--leugen is 't, zulke nietigheidjes voortestellen +als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis! + +Dà à rtegen protesteeren Jezus en ik. + +Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó makkelyk komt men niet in +de hel! Zóó ligt is de taak van den Satan niet! Dat mocht-i willen, +de oude stumpert! + +Leugenachtig dus is die triumfelyke voorstelling van 't kwade. Zoo +overdryven kwakzalvers 't gevaar van 'n lichte ongesteldheid, om hun +poeiertjes aan-den-man te brengen. + +En leugen is 't ook uit 'n aesthetisch oogpunt, als men van zulke +armzalige gegeventjes alleen, 't zedelyk schoon of de leelykheid +eener figuur wil laten afhangen. + +Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps 'n handje te helpen in +haar plannetjes--'t staat aan my!--om te doen in 't oog springen +dat m'n heldje, zóó gevallen, nog altyd redelyk wel tot stáán kan +worden gebracht. Maar ik heb 't recht niet, m'n Fancy vóórtegrypen, +die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook, +dat zy me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen +dat zulke valgeschiedenissen... + +Met... dà t, kan men goed zyn, of goed worden. + +En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat! + +Vlek is vlek, bezoedeling is bezoedeling: geen genade voor de minste +afwyking van de wetten der zedelyke logika... + +Zóó immers wordt "deugd" by denkers genoemd? + +Maar die zedelyke logika zou verkracht worden door de ongerymde +machtsverheffing van 'n zweertje tot kanker. + +'t Is lasteren van de deugd, haar by-uitsluiting te zoeken in 't +vermyden van zulke mis... greepjes. + +En we doen aan de ondeugd te veel eer, als we haar vervloeken pour +si peu! + +Goddank, er zyn--'t geringe niet minachtend--verhevener dingen +te bejagen! + +Goddank, er zyn--zonder de minste vergoelyking van +pekelzondjes--vreeselyker zaken te vermyden! + +De te grypen eerekroon in 't strydperk der Mensheid, hangt hóóger. En +wel is 't jammer dat zooveel mislukte gladiatoren krom groeiden door +de opgedrongen hebbelykheid om steeds te bukken naar den lagen prys +dien ze deelen met 'n eunuuk. + +Excelsior, heeren schryvers en lezers en deugdwetgevers en +onthoudingpreekers, en verdere gladiatoren in miniatuur! + +Komaan, moralisten, al hà d nu eens onze Fancy geslapen dien nacht, +of al wà re ze 's morgens ontmoedigd weggeklept naar 't hof van +Wouter's moeder, om daar de treurmare te brengen dat prins Upsilon +gestruikeld was... + +Zou ze niet met 'n strenge vermaning zyn teruggezonden naar 't +zoo ontydig verlaten strydperk? Liep ze niet gevaar--zyzelf nu, de +wachtster!--veranderd te worden in 'n zandkorrel, wegens al te grove +miskenning van haar plicht? + +Er hoorde moed toe--krankzinnigheid liever!--dáár aantekomen met +de boodschap: + + + Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der geesten: + 't Hemelsche Ryk heeft 'n eind ... maak voor uw meerdere plaats! + Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, godbetert, + Met 'n compositum mixtum. [2] van vleipraat en Fockink's likeur! + + +Wat de geesten zouden gelachen hebben! + +Wanneer Fancy aldus gesproken had, zou zy inderdaad één element +van bederf dat den vyand ten-dienste stond, hebben overgeslagen. De +fleemery met het verrassend jonkmanschap miste niet allen grond. Wouter +was inderdaad opweg om 'n jonkman te worden. Misschien wà s-i 't +al. Wie hem dit kwalyk neemt, moet ook afkeuren dat z'n bovenlip +begon te roepen om... den barbier wel niet, maar om de schaar toch. + +--Zoodat ik maar zeggen wil, dat je nooit die steeg moet passeeren. Als +je-n-'n kind was, zou 't geen kwaad kunnen, want 'n kind heeft geen +erg. Maar jy! + +Zeker, hy moest "erg" hebben! En z'n jeugdig kneveltje was er volstrekt +niet tegen om "erg" te krygen. "Al wat van zelven wast, behoeft men +niet te zaaien!" zei Kamphuizen. Onze hovenierster liet het daarop +niet aankomen, en zaaide zoo hard ze kon. Zelfs was ze niet afkeerig +van 't begieten. + +--Laat my je nu reis inschenken... + +Wouter dronk. + +En ... Fancy? + +Ze glimlachte! + +Allerlichtzinnigst voor 'n hofdame uit het gebied der geesten? + +Toch niet! + +--Hoe vind je nu dà t likeurtje? + +Wouter erkende... + +Fancy, Fancy! + +Wouter erkende dat-i smaak vond in de parfait-amour uit de steeg +die-n-i niet passeeren mocht omdat-i te groot geworden was om zich +welstaanshalve te onthouden van "erg". + +En 't winkelmeisje van Satan schonk hem nog eens in. De glaasjes waren +zoo klein, zei ze, ware notendoppen! Nu ja... doppen van zeer groote +noten dan. + +--En, je moest er wat by eten ook, m'n allerbeste jongen--gut, ik +heb altyd zooveel van je gehouden--dat 's zoo gezond by 'n likeurtje! + +God-vergeef-'m-de-zonde, Wouter begon te eten ook! Nog 'n oogenblik, +en hy zal zich thuis voelen, à l te thuis! + +Fancy, ben je blind? + +--En trek jy gerust je jasjen uit, m'n lieveling! Je moet denken, +we zyn hier onder ons beidjes. + +Een koninkryk voor 'n nieuwen vloek, o goden: onze Wouter trok +waarachtig z'n jasjen uit! + +Fancy! + +--Heelemaal met ons beidjes, zieje! + +Fancy, ben je doof? + +--En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je zoo'n lieve +beste jongen bent... + +Fancy... deern! + +Wouter schikte by. + +Wie dáár niet wanhoopt, moet geen hoop te verliezen hebben! + +Och neen! + +Ik zeg juist andersom: wie dáár wanhoopt, had nooit behoorlyken grond +voor z'n hoop! + +"Maar, eilieve... dat is de ware echte oude: zal-i, +zal-i-niet-litteratuur!" + +Ja, lezer! In stipt-letterlyken zin, ja! Maar overigens? + +Meent ge dat ik Wouter in den hemel helpen kan, zonder hem te leiden +langs à lle paden die men moet doorworstelen om daar aantelanden? + +Dacht ge dat hy ooit den rang die hem by geboorterecht toekomt, weder +zou kunnen innemen zonder in 't leger der Menschheid als rekruut te +hebben dienst gedaan van de patroontasch af? + +Mocht iemand, in-weerwil hiervan, aanmerking maken op Fancy's leiding, +dan ligt de schuld aan hem. Het lage bestà à t. Wie 't loochent, +liegt even misdadig als de miskenner van 't hoogere, van 't goede, +want zonder laagheid is er geen hoogte denkbaar. + +Niet in de schildering van dat lage ligt de fout, de fout ligt in +'t sierlyk aankleeden van 't gemeene, en vooral in 't belangryk maken +van onnoozele lapsische platheid. + +Hoort ge nog altyd niet, hoe Fancy schatert van lachen over 't +veldtochtje van haar stumperige vyandin? + +De nietigheid van zulke zaakjes rechtvaardigt zoo'n wyf niet. En ook +onze kleine man liep gevaar... schuldiger te worden dan geoorloofd was, +zelfs aan de nuchterheid van 'n kind. + +Want ieder moet geoordeeld worden naar den maatstaf dien-i omdraagt +in z'n eigen gemoed, en Wouter voelde heel goed dat-i zich bevond +op... onfatsoenlyk terrein. Zóó ongeveer zoud-i de zaak gekwalificeerd +hebben, als-i genoopt ware geworden z'n indruk te vertolken in +'n woord. + +Maar... dit zeer betrekkelyk schuldbesef verheft de zaak, als zoodanig, +niet tot 'n wereldberoerende kalamiteit, tot 'n casus diluvii! Och, wat +zouden we weinig droge jaren hebben als er 'n god was die regenplassend +toornde over zùlke ... kostschooljongensvergrypen! + +Nogeens, juffrouw Laps wàs 'n slecht schepsel. Om 't beoogde feit +niet zoozeer, maar... ze veroorloofde zich zulke feitjes te beoogen +omdà t ze nu eenmaal 'n slecht schepsel was. Godsdienst, vochtmenging, +zittende levenswys, en 'n tal van dusdanige ziekten meer, zouden +kunnen worden aangevoerd ter verligting van schuld. Ik kan me zelfs +'n zéér hoog standpunt denken, vanwaar zou mogen worden gekonkludeerd +tot finale vryspraak. + +Maar op dà t standpunt plaats ik me nu niet, heden niet! Ze was +inderdaad 'n slecht schepsel, en daarmee voor 't oogenblik: uit! Of +zou men misschien... + +Ik beweer vandaag alleen dat ze ... niet zeer byzonder was. Niet zeer +buitengewoon. Niet zeer belangwekkend. Geen kunstenares van eersten, +noch zelfs van eenigen rang. Geen exploitatrice van ryk terrein. Geen +hóóggeplaatst ambtenaresje van den Duivel... + +Och, in myn oog zou 't mensch zoo weinig kontritie behoeven om recht te +hebben op 'n goedig: "uw zonden zyn u vergeven, ga heen en... arbeid!" + +Want, lezer, er zit veel luiheid onder de oorzaken van zulke +afdwalinkjes. Menigeen toont zich wat wulpscher dan noodig en behoorlyk +is, omdat-i te weinig te doen heeft, of te ... denken. + +Misschien had juffrouw Laps de "deugd" van ons kereltje met rust +gelaten, wanneer men in-plaats van met God, Israël en hysterische +theologie, haar pover zieltje gevoed had met... gedachten. Wasschen, +schuren, boenen, is ook goed. Jazelfs, 't verstellen der onderbroeken +van 'n pastoor. + +Wat Femke rein en gezond bleef by de bezigheid die skabreus zou hebben +toegeschenen aan besmette zieken! + +Ziek, ziek ... ziedaar 't woord! Juffrouw Laps was ziek! + +Hoe is 't mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest naar den waren naam +van haar kinderachtig slechtheidje! Dit was dom en verschoold van +me. De lezer bedenke dat ik veel boeken heb gelezen. Toch beloof +ik beterschap, en als blyk van berouw verbind ik my ter-zyner-tyd +ziekteverschynsels van erger soort te schetsen. Ik zal me die laten +leveren door Feith, dominee Hasebroek, en meer lui van dergelyk +allergodzaligst kaliber. Die voorbeelden zyn van 'n aard, dat men byna +achting zou gaan voelen voor juffrouw Laps. De lezer heeft immers +opgemerkt dat ze haar "God" wegliet by de zaak? Geschiedde dit uit +schaamte? Uit diskretie? Uit besef van overbodigheid? Uit vermoeienis +van 't gehuichel? Uit gebrek aan bedrevenheid in toonzetting, en vrees +alzoo voor--vermeenden--wanklank? Hoe dit zy, in al haar geknoei had +het schepsel de verdienste der Sancta Simplicitas. Ze theologizeerde er +niet by, en poogde niet Wouter in den waan te brengen dat-i dezen of +genen "Heer" 'n pleizier deed door 't uittrekken van z'n jasje. Dit, +of zooiets, trachten die andere verlokkers wèl! Blyvende erkennen dat +ons Lapsjen aan zeer ziekelyke aandoeningen leed, wordt het waarlyk +tyd eens voor-goed de symptomen te leeren kennen die den geneesheer +in-staat stellen lichte verkoudheden te onderscheiden van kwaden droes, +huiselyke namiddagkoortsjes van... pest! + +Wouter, overigens... goed, of althans niet volstrekt ziek nog, zou +'r geen grein boozer om geworden zyn, al ware... de likeur van den +hoogstberoemden Nederlander Fockink nog 'n graad of wat sterker +geweest. + +Hierom zeker veroorloofde zich de guitige Fancy te lachen. En ze wrong +zich nog altyd de handen in 't minst niet, zy die toch blyk gaf van +strengheid, door zich verstoord te toonen over Wouter's félonie van +den vorigen dag! + +Fancy was, en is... liberaal! + +Te liberaal? + +Voyons! + +Beste lezer--ik bedoel: gy die onder al m'n lezers de minst onoprechte +zyt--stel u eens op 'n plaats waar zeer veel menschen voorbygaan. En +houd boek! + +Tel, weeg, meet en noteer de tranenstroomen die al dezen voorbygangers +langs wang en kleeren gudsen. Tel de jaren gewrongen handen, de +dozynen wanhopighedens, de duizenden gescheurde opperkleeren, de +legioenen opengereten boezems... + +Verzamel eens al de asch die de voorbygaande dames en heeren zich +op 't hoofd strooiden sedert den misstap van de bekende soort, die +eenmaal voor elk hunner de traditioneele "eerste" was... + +Komponeer vertwyfelings-hymnen uit al 't geween, 'n de profundis uit +het gekners der tanden... + +Bevolk 'n zoölogisch muzeum met al de wurmen die 't gezelschap +inkommodeeren met hardnekkig knagende onsterfelykheid... + +En dan... + +Zeg eens, minst-onoprechte lezer, vertoont zich niet, by de +statistiek van al dien berouwjammer, onze aarde als 'n vóórhel? Als +'n pleisterplaats van verdoemden? + +Toch kan en moet al die zoo zorgvuldig opgezamelde ellende slechts +gevolg zyn van nederlaagjes als die waarmee Wouter bedreigd werd, +van krizes als waaraan hy was blootgesteld. + +Want... zulke krizes en zulke nederlagen bestaan! Ze liggen in den +aard der dingen, en laten zich zoomin vernietigen--'t kinderachtig +wègdenken helpt niet!--als 'n atoom of 'n zon. Zoomin loochenen als +wiskunstige waarheid. + +Wie nu by zoodanige mensch-inspektie al de genoemde akeligheden niet +ontwaart, wie niet stuit op de sporen die "zonde" nalaat, op zùlke +sporen van zùlke zonden... + +Want er zyn anderen wier hoogtreurige beteekenis ik niet ontkennen +mag, helaas! + +Wèl, hy moet erkennen dat Fancy groot gelyk had de zaak luchtigjes +optenemen, en niet den minsten last te geven tot het ilico op-stapel +zetten van 'n goferhouten ark, van-binnen en van-buiten bepekt met pek. + +Onder ons gezegd--en niet gebleven, naar ik hoop!--het komt me voor, +dat de god van Genesis VI zich kleingeestig aanstelde, en dat het +z'n eer niet te nà zou geweest zyn ter-school te gaan by Fancy. + +Maar sterk wàs de likeur, dit is waar! + +En dat Wouter er meer van dronk dan goed was--voor z'n maag vooral!--is +ook waar. + +Hy verloor dan ook iets van z'n bedeesdheid, en antwoordde een-en-ander +op de praatjes van juffrouw Laps, die hiermee zeer in haar schik +was, al bleek er dan ook telkens dat zy en haar kleine gast niet uit +denzelfden sleutel zongen. + +Dat zou straks wel beteren, hoopte ze. + +Van-tyd tot-tyd dacht Wouter aan de eigenlyke reden van z'n komst, +of althans aan wat daarvoor was opgegeven. Z'n gastvrouw scheen +alle dieven en moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, en +spreidde by Wouter's herinnering daaraan, 'n dapperheid ten-toon, +die hem alleraangenaamst was. Want... de zyne was geweken. + +'t Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z'n +aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z'n slecht gezelschap. + +--Ik zou ze... denk je dat ik bang ben voor 'n kerel? zei juffrouw +Laps. In 't geheel niet! Voor geen drie! Voor geen tien! Voor de +heele wereld niet! Ik zou ze... + +Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefde hy niet te... zouwen. + +Daar ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel +kind. + +--Blyf jy hier, riep 't wyf, ik ga kyken, ik! Denk je dat ik jou wil +laten slaan of steken of vermoorden, m'n jongen ... dat nooit! Wie aan +jou komt, komt aan my ... aan my, hoorje, dà t zullen ze ondervinden! + +En ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom +ergens 'n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in 't donker +alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. De rollen waren +omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begon en quenouille +te vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de jongen zou schut en +wering zoeken onder haar voorschoot. + +--Maar, juffrouw ... + +--Zeg jy gerust Kristien... want zóó hiet ik. Jy mag gerust Kristien +tegen me zeggen. + +Dit durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele vokatief. + +--Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan? + +--Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel. De-n-afspraak +was dat je hier zou blyven... ontbyten. + +Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert 'n +uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was om +te rillen! + +--Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal 'n kermisbedje +voor je maken, daar ... in dien hoek! Want, zieje, als ik alleen +ben--ik, als vrouw, weetje--met al die dieven en moordenaars, dan +wordt ik zoo... griezelig. + +Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo streelend +gelast werd... + +Hy weifelde... + +Zy hield aan... + +Hy begon... + +Men bedenke dat het kind beneveld was! + +O Fancy! Liberalismus is 'n goede zaak, en na de bemoedigende +statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan +zou al... + +Maar toch... franchement, Fancy, is 't niet jammer van den jongen? + + + + + + + + Dit hoofdstuk is gekopieerd uit 'n oud Register der handelingen + en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld. (De + lezer kan staatmaken op meer.) 't Verhaal van Klaas Verlaan, + den "Amstelhavenknecht." Geleerde verhandeling over + voetzoekers. Juffrouw Laps wikt, Fancy beschikt. + + +Om van Fancy's spinsel en borduursel iets te leeren begrypen, is +'t noodzakelyk eenige uren terug te gaan. + +De lezer herinnert zich dat er dien middag ter uitspanning van +de hooge personaadjes die Amsterdam vereerden met 'n bezoek, 'n +hardzeilery zou worden gehouden op den Amstel Juffrouw Laps had reeds +de goedheid dit aan ons en de Pietersens meetedeelen, en tevens dat +de zaak mislukt was door 'n onhoffelyk gebrek aan wind. Ze had de +waarheid gezegd. Hopen wy dat deze uitspatting geen al te nadeelige +gevolgen moge gehad hebben voor 't evenwicht van haar ziel. + +Het was dien dag inderdaad bladstil. De mannen van 't vak beweerden +"dat er geen zuchtjen aan de lucht was." Wie zich anders uitdrukte, +werd voor 'n landkrab gehouden. + +Het plezier-roeien was nog niet in de mode--de mode had ongelyk, +want het is 'n flinke mannelyke oefening--doch al ware dit anders +geweest, Amstelboeiers zyn niet op roeien ingericht, en andere +geschikte vaartuigen waren niet by-de-hand, om nu niet te spreken van +'t gebrek aan eelt in de handen van de liefhebbers. + +In dit opzicht dan toch waren onze grootouders nog lamlendiger +fatsoenlyk dan wy. Ze dachten er zelfs niet aan, dat zoo'n matrozige +inspanning 'n vermaak wezen kon zonder de minste schade voor +deftigheid, en meenden al heel wat ferms uitterichten, wanneer ze +als halfleege meelzakken met den schoot in de hand in 'n stuurstoel +lagen te dutten. De wind moest by die gelegenheden al het werk doen, +en had dus eigenlyk alleen aanspraak op 't plezier. + +Maar de wind deed nu eenmaal dien dag z'n werk niet. Hy scheen elders +bezig, en floot misschien onzen tegenvoeters 'n spotdeuntje voor, +op al de gefopte potentaten die tusschen Ouwerkerk en Amsterdam +heen-en-weer pauwden in stof en hitte. + +Ja, 't was gloeiend heet. Koningen en prinsessen zweetten als +menschen. De joujoux de Normandie--'t speel- en groettuig der +beau-monde van dien tyd--klommen al trager en trager by hun koordjes +op. Nu, dit stond zoo kwaad niet, want de goede toon schreef voor, +dat ze zeer langzaam stegen, en zich aanstelden alsof ze moeite +hadden de hand te bereiken die ze had laten vallen. Dat, of zoo-iets, +heette: morbidezza. De beweging der vingers, die 't kleine rukje +moest meedeelen waardoor 't stygen werd te-weeg gebracht, behoorde +onmerkbaar te zyn. Dit gold voor gratie, bekwaamheid, verstand, +en zelfs by-mangel aan beter, voor genie. + +Sommige kroniekschryvers beweren dat de oude puistige Paltsgravin +'n groot gedeelte van 't prestige in hofkringen, dat haar inderdaad +niet kon worden ontzegd, te danken had aan de handigheid waarmee +ze wist omtegaan met den joujou de Normandie. Volgens Stuart Mill +was zy de uitvindster van den zoo beroemden horizontaalworp, en +'t is niet geheel-en-al onmogelyk dat zy ook in 't bezit was van +'t geheim om 't belangwekkend speeltuig loodrecht omhoog te werpen, +en zeer langzaam te laten dalen langs de door 'n onnaspeurlyke oorzaak +gespannen koord. Maar deze byzonderheid vereischt bevestiging. Stuart +Mill heeft de wreedheid gehad te sterven voor-i den Hollanders heeft +voorgezegd wat ze hiervan te denken hebben, en alle kans op licht is +dus afgesneden. + +Dat ook de zeer hooge geboorte van de Paltsgravin meewerkte aan +den invloed dien zy uitoefende op alle Europesche hoven--op één na, +want de edelste zaak heeft haar tegenstanders!--mag waar zyn, maar +toch... haar virtuoziteit op den joujou was en bleef hoofdzaak. + +En ten-onrechte! Want men wordt geboren zonder dat men 't +helpen kan--dit was zelfs met de Paltsgravin eenigermate het geval +geweest--terwyl er tot het wel besturen van 'n paar palmhouten schyfjes +aan 'n koord, natuurgaaf en oefening noodig is. Vorsten en prinsen +weten dit wel, en maken er dikwyls gebruik van. Me dunkt ik hoor +'n koning zeggen: + +Ma toute bonne, vous qui avez la main si légère, ne pourriez vous pas +me faire l'amitié de flanquer à la porte les trente mille hommes que +mon diable d'... allié vient de loger dans ma capitale? + +Of: + +Ach, du meine liebe Cousine, wie du göttlich chouchouirst! Auf und +nieder ... nieder und auf! Wenn du einmal unsern sehr verehrten Vetter +mit Usurpationsminen, Kaiserliche Majestät, so am Kördelchen hieltest +und chouchouirtest? + +Nu spreekt 'n prinsje: + +--Auf Ehre, Durchlaucht sind zum küssen adorable! Nur der Respekt +widerhält mich ... auf Ehre! Clotho, ich beehre mich Ihr Sclave +zu sein. Lachesis, Ihrer geschichtlenkenden Hand empfehle ich mein +Schicksal! Schaffe mir den Erbprinzen vom Halse, o Athropos! Schicke +den... unbescheiden-frühergeborenen nach Italien, ins Pfefferland, in +den Krieg, in... Cytherëischen Vergnügungen, womit eine so gescheute +Parke wie Durchlaucht, Lebenskördelchen abschneidet... zum Entzücken, +verehrungswürdigste Parke Durchlaucht! + +Zoo spraken welopgevoede prinsjes van dien tyd. Laf was het, en +heel mythologisch, o ja! De mythologie is weg, maar de lafheid is +hier-en-daar gebleven. Er bestaan inderdaad tegenwoordig hooggeboren +personaadjes die niet de minste konversatie houden over schikgodinnen, +en toch de moeite van 't aanhooren niet waard zyn. Meer nog. Zelfs +sommige laaggeborenen veroorloven zich zoo'n leegte. Ik heb kooplieden +gekend jazelfs werkluî, die praten konden als 'n... prins nà den bloei +van de salon-mythologie. Maar we zyn nu met vorstjes bezig. Alzoo: + +Een prinsesje spreekt: + +--Liebe mütterliche Cousine... aber nein, so geschickt wie du... nie da +gewesen! Mit dèm Händchen könntest du mir ganz bequem ein halbdutzend +fette Provinzchen aus dem Deutschen Reichsmaraste zur Morgengabe +zusammen fischen, Cousine! + +'n Sterveling van lager soort: + +--Königlich-Kaiserliche Hoheit, ich sehe, staune und... schweige! Wenn +Königlich-Kaiserliche Hoheit nur beliebten... Gottes Erdreich wurde +sich pflichtsschuldigst freuen wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit +geruhten es gnädiglich balanziren zu wollen auf Königlich-Kaiserliche +Hoheit's göttlichen Fingern! Ich schweige gehorsamst, doch... dass eine +Ober-geheim-küchen-ceremonienmeisterstelle vazirt, ist unterthänigste +Wahrheit. + +Enz. Enz. + +Al deze menschen logen 'n beetje. Maar hun praatjes waren minder dom +dan 'n oppervlakkige beoordeelaar meenen zou. Want ze bereikten dikwyls +hun doel. Die laatste aanbidder, byv. kreeg inderdaad 'n aanstelling by +'n königlich-kaiserliche hofkeuken. Wat wil men meer? + +Overdreven verwondering over den invloed van de Prinses, zou 'n blyk +van onkunde wezen. Want al reike nu de historische kennis van den +lezer niet toe om hem te doen raden welke persoonlykheid ik bedoel--men +weet reeds dat ze roode puistjes in 't gezicht had, en ik voeg er nu +by dat ze gewoon was te slapen tusschen lakens van hollandsch linnen: +dit is iets!--welnu, al kent men haar niet, toch mag ik verwachten +dat ieder wete hoe macht, aanzien en invloed gewoonlyk gegrond zyn +op kleinigheden. Misschien zou er eenige verwondering te-pas gekomen +zyn wanneer ik m'n Paltsgravin had voorgesteld als verdienstelyk, +of als bekwaam in belangryker zaken dan 't op-en-neerwippen van +'n joujou. Haarzelf lieten zulke kwestien volkomen onverschillig. + +Een ruiter naderde haar koets. + +--Eh bieng, zjefalier, n'est-ze-pas qu'il fait affreussemang chaud +dang ze pays? + +--Wie K. K. Hoheit befehlen. + +--Ch'étouve! + +--Zu dienen. + +--Und wo steekt denn unsere kleine wilde Katze? Ist sie hinten? Ist +sie vor? Wo ist sie? + +De "chevalier" werd door 'n toedringende volksmenigte van de koets +gescheiden. Dit beviel hem wel. Vooreerst was-i uit de oude school, en +hy durfde zich niet wagen aan 't duitsche hoffransch van de Palatine, +waaraan-i admirablemang wèl deed. Ten-tweede bezat-i te veel routine +van nieuwer school, om gaarne te antwoorden op de vraag naar de "wilde +kat." Dit katje namelyk was 'n zeer superlatief-K. K. Hoheit. De +halfbakken hoveling mocht dus niet te snel verstaan wie er bedoeld +werd, en durfde zich evenmin schuldig te maken aan niet-verstaan. Een +groep welwillende zangers kwam z'n verschrikte diplomatie te-hulp: + + + "Amour à la plus belle, + Honneur au plus vaillant... + + +Ja, ja, lezer, er is 'n tyd geweest, dat de kracht van hollandsche +jenever--amsterdamsche proef--zich openbaarde in fransche romances. Of +onze straatzangers dat refrein precies uitspraken en zongen naar de +bedoeling van den auteur, van de auteur, liever... + +De Paltsgravin scheen dit te ontkennen. Met haar joujou riep zy 'n +zeer elegant jongmensch van 'n jaar of achttien tot zich; dien zy +in haar nabyheid ontdekte. De jonge ruiter groette ganz rittermässig +met z'n karwats terug, en drong door de menigte heen. + +--Ecoutez, mein Prinz! Das Pöbel singt la changsong de la Reine! Oh, +mong Dié, quelle pronongziaziong! + +--Vous avez l'oreille si délicate, ma Cousine! + +--Ang férité! Aber, Prinz, sagen Sie mir 'nmal, wo ist denn Ihre +Prinzessin Schwester, mein Waldkätzchen? + +--Ma foi il y a plus d'une heure que je ne l'ai vue! Elle s'amuse +peut-être là -bas, au village d'Awercric. Qui sait si elle n'a pas passé +l'eau. Vous savez, Palatine, qu'elle n'a pas l'habitude de se gêner... + +Nu ja, dit wist de Paltsgravin. Dit wist ieder die ooit de eer had +het prinsesje van naby gade te slaan, en de lezer zal er ook iets +van te zien krygen, parole d'honneur! + +Honneur au plus vaillant! schreeuwde nu weer 'n troep al te +opgetogen Nederlanders, en onze Paltsgravin reed op-nieuw 'n oogenblik +onverzeld. Van-tyd tot-tyd harkte zy met haar speeltuig dezen of genen +"kavalier" naar zich toe, en knoopte dan 'n gesprek aan, dat echter +telkens door de volte werd afgebroken. + +Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van +'t woord "kavalier" te rymen op: "duitsche manier" in welk geval 't +niet "ruiter" beteekent, maar 'n "heer van den hove" 'n hoffähiger +gentleman, ja misschien zelfs by-uitsluiting: 'n edelman. Niet zonder +deernis met de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen +dat er by de zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy 't dan dat in +dit geval de "kavaliere" werkelyk tevens ruiters waren. Nu ik toch aan +'t uitleggen ben... 't woord: "harken" is van my. Ik nam de vryheid +daarmee alleraardigst te zinspelen op den befaamden horizontaalworp +met den joujou. + +De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het +kon niet anders, om de volte. + +Bovendien, de souvereinen verkeerden in 'n ziekelyke bui van +"Volksthümlichkeit." De mode van den dag bracht 'n misselyke +neerbuigings-manie mee, en de meeste rangmenschen overdreven +de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg filantropie, gelyk wat +vroeger de hoepelrokken, en later crinolines, vryen-arbeid of +chignons. Rousseau--die beter wist, of althans beter weten kon--had +de afgezaagde theorie van "ce bon peuple" op frazen gezet, en wie +te arm was om gedachten te bezitten op z'n eigen hand, neuriede die +frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die luidjes niet. En +dit is nòg zoo. + +'t Spreekt vanzelf dat dit instemmen met den deun van den dag, +gewoonlyk ver van oprecht was. Binnen de wanden der staatsie-koetsen +heette dat "goede Volk" zeer dikwyls doodeenvoudig: la canaille, +'n kwalificatie die wel niet geheel juist was, maar toch niet verder +van de waarheid afweek dan de zoetemelks-praatjes van Rousseau. [3] + +Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde +betreft, vergeten we nooit dat ook "ce bon peuple" geen grein oprechter +is dan de meest geveinsde Machiavel. Al wat men van 't Volk zeggen +kan, is dat het evenmin pozitief valsch is. Het schreeuwt "vivat!" en +denkt... niet juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal. + +By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met +m'n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich schuldig aan +'n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer benadeelde. Niemand +strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. En onze Paltsgravin +was de laatste die op 't denkbeeld komen zou--'t was zoo warm!--dat +deze speciaal-vorstelyke manifestatie aan de feestelykheid ontbrak. + +Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van +zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door +'n lakei op 'n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat z'n zuster--'t +Waldkätzchen?--hem 'n boodschap had gezonden uit "Awercric." En: + +--Palatine, auriez-vous par hasard quelques douzaines de frédérics +à me prêter? vroeg hy. + +--Che parie que z'est pour elle! + +--Si! + +--Elle fait donc angcore l'angrachée, che pangse! + +--C'est possible! Mais en tout cas, il ne faut pas la laisser dans +l'embarras. Dieu sait dans quel gâchis elle vient de se faufiler. Je +n'ai qu'une bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez! + +Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad +te-boven in K. K. Hoogheid. En 't "boschkatje" was de verloofde van 'n +Grootvorst die volgens alle menschelyke berekening keizers tot lakeien +hebben zou. De Paltsgravin--"Oh, mong Dié! Oh, mong Dié!"--was dus wel +genoodzaakt haar eeredame te gelasten aan Prins Erik 'n goudbeursjen +overtereiken. Deze gaf 't den lakei, die 'r mee wegreed zoo snel de +volte gedoogde. + +Prins Erik's zuster had inderdaad geld noodig. Ze speelde +Voorzienigheidje. Wat zy eigenlyk met de geleende som uitvoerde, weet +ik niet, maar zeker is 't dat de dankbaarheid--d. i. de betuiging +van die aandoening--haar wat druk werd. Ook drongen er zeer veel +menschenvrienden toe, die haar ruimer gelegenheid wilden verschaffen +tot het voortzetten van haar liefhebbery, dan goudbeursjen en gezond +verstand toelieten. + +We zullen maar aannemen dat er den vorigen dag te Ouwerkerk 'n +zware brand was geweest--men assureerde niet in die dagen--of... 'n +landman had al z'n koeien verloren aan de veepest--Thorbecke was nog +niet geboren om die onaangenaamheid uitteroeien--of... 'n ongehuwde +kraamvrouw kon geen plaatsje krygen om uitterusten van haar zondige +verlossing--de zedekundige lezer weet misschien dat de "deugd" dit +niet gedoogde in Wouter's tyd--of... + +Hoe 't zy, Prinses Erika had de een-of-andere weldadige gekheid +uitgericht, 'n soort van débauche waaraan ze zich zeer dikwyls +tebuiten ging. Goed was 't zeker niet, maar er zyn erger ondeugden, +en ik ken velen die 't recht niet hebben zulke karakterfouten te +laken. Voorloopig hebben de moralisten dringender arbeid dan 't +waarschuwen tegen fouten als die welke den hoofdtrek uitmaakten in +'t karakter van prinses Erika. + +By deze gelegenheid dan had ze haar koets verlaten, en was van haar +gevolg afgeraakt. Om de menigte te ontwyken, die--juichend, dankend +en... vooral lastig--op haar toedrong, was zy in 'n roeischuitje +gesprongen, dat aan 'n steiger lag, en waarin 'n man zat te +slapen of nagenoeg. 't Was zoo warm! Het was Klaas Verlaan, de +"Amstelhavenknecht." + +De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers +berstten in lachen uit om 't malle gezicht dat-i zette. + +Er was waarlyk reden toe! Prinses Erika droeg 'n vuurrood satynen kleed +met 'n langen sleep dien zy echter--zoo-even reeds by den brand zeker, +of by de kraamvrouw, of by de koeien--had opgeg... + +--Opgegeid, noemde 't Klaas Verlaan vele jaren daarna, als-i de +historie vertelde aan z'n kleinkinderen. + +'t Was de pièce de résistance van z'n ondervinding. Nu, sommigen +hebben minder beleefd! + +--Se sag er uit as 'n fonk, zeid-i, en ik doch werachtich dat er +'n ster in m'n jol was gefalle, so flamde ze! + +Komaan, we zullen Klaas Verlaan 't woord geven, maar ik heb geen lust +z'n spelling te volgen. De lezer zal wel ongeveer weten hoe de man +moet gesproken hebben. + +--Zóó vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte leeren handschoenen +tot den schouder toe. Eén er van ligt nog altyd in 'n doosje by de +Staten-overzetting. 't Lykt wel 'n kinderkousje. Want haar vingers +waren klein, maar ... kracht had ze daarin, kyk! En op 't hoofd 'n +toren van poeier ... net 'n grooten sneeuwbal! Maar 't gezichtje was +lief, dat moet ik zeggen! + +En ik was 'n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist +waarachtig niet wat ik in m'n schuit had, en of ik moest vloeken of +siveplé-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor ik recht wist +hoe ik 't had, pakt ze me-n-'n-riem, en zet m' flink tegen den wal, en +zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou by 't uithalen, want het ding zat +wel half-blads in den modder, en 't zóóg als de bliks... lager. Maar ze +liet 'm steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven we! + +Maar ik was kwaad as 'n spin, en zei--met 'n vloek, want ik vloekte +nog in dien tyd--dat ik baas op m'n jol was. Ja, dat zei ik. + +--Ich rudern! riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was +miserabel. En ze greep naar m'n anderen riem. Maar dáár was ik als +de kippen by! + +--Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken? + +Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen nemen, +maar weetje wat ik zei? Ik zei: m'n vader is geen breeuwer, zei ik, +en ik hou m'n riem! + +Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amste! te liggen draaien +als 'n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en +grabbelde-n-in haar tasch--'n fluweelen ding met gouden knip, dat met +'n haak in haar middel zat--en ze haalde-n-er 'n stuk geld uit, en +wees het me. Toen gaf ik haar den riem... om 't geld, weetje, dat ze +me wees, want, dacht ik, wat kan 't my schelen of de menschen lachen +aan-wal? 't Kon m'n dag nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. 't Zag +er uit als 'n dukaat, maar 't ding was meer waard. Dat heb ik later +gemerkt toen ik 't wisselde op den Vygendam... met al de anderen, +want ik kreeg er meer. Dat zal jelui hooren. + +Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht +worden, en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik +liet haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest. + +--Rücken? riep ze. + +--Wrikken, riep ik. Kyk... zóó! + +En ik wou 't haar wyzen. + +Maar 't ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn altyd tien +roeiers te krygen tegen één wrikker. + +Ik wees haar hoe ze d'r beenen moest zetten. Ze had wit-satynen +schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan 'n vuist, maar ze liep +er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als 'n kievit zoo vlug. + +Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder +kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik m'n +hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. Gut, +op vechten af! + +Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik 't vroeg, riep ze: +"rücken, rücken!" + +Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! 'n Mensch moet toch +weten waar-i heen wil! + +We sukkelden stroom-af--meest gatje-voor!--en naderden de +Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m'n dukaat, en de grap +is uit. Maar jawèl! + +Op-eens houdt ze met wrikken op--'t zweet liep haar by droppels van 't +gezicht!--en leî den riem op den doften. Toen wou ik 't ding grypen, +omdat ik 'n eind aan de zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook +alweer niet. Wat ze dan eigenlyk wèl wou, kon ik eerst niet begrypen +... ik zal 't jelui maar zeggen, ze wou te-water! + +Ik schrok er van! 't Mensch was dóór en dóór van zweet. Maar... ze +wou! Er was niets aan te doen. En ze hield weer zoo'n moffendukaat in +de hoogte. Op den Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor 't stuk, +en de man zei, als ik er meer had, kon ik altyd by 'm te-recht. Dáárvan +is 't zilver beslag op de Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de +waarheid vertel. Ook 't gouden ooryzer van m'n oudje--dat nu jeluî +Grietje-meu draagt--is van dien tyd. + +Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek worden wilt, +of sterven, of rimmetiek krygen... + +Ze trok 'r schoentjes uit, en 'r satynen kleed, en meer nog. Maar ze +hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. En ze gooide haar pruik +af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze schudde-n-'t +hoofd als 'n paard dat de wei ruikt. En ze sprong... kyk! ik had +nog nooit zoo-iets gezien... van 'n vrouwmensch, weet jelui? Flink +koppie-over! + +Eerst was ik bang voor 'n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan ik niet, +en als 't mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? Maar 't hoefde +niet, want zy zwom wel. Als 'n eend! Of liever als 'n paling, want +ze kronkelde-n-onder m'n jol door, en schoot weer op aan de-n-andere +zy... als 'n dobber hoor! 't Speet me toch evel dat ik niet ook zoo +thuis was in 't water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo +de gewoonte niet. Zy was zeker uit 'n land waar de menschen niet zoo +zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan. + +Maar dat tot dááraan toe! De jol dreef tegen de jachthaven, en zy +was er ook. Ik hielp haar op den steiger, en er stond veel volk te +kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m'n pyjekker die in de jol lag, +en sloeg zich 't ding om de schouders. Toen keek ze-n-even rond, zag +'n open deur van een der jachthuisjes, en vloog er in. Net'n wilde kat. + +Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar +ik durfde niet binnengaan, omdat het 't huisje was van m'nheer +Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? Die zou 't heel kwalyk +hebben genomen dat ik met zoo'n vreemd schepsel in z'n jacht-huisje +gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my zoo familjaar omgaat, +dat kà n--om den dukaat, weetje--maar... m'nheer Kopperlith woont op de +Keizersgracht. Dà t scheen ze niet eens te weten. Hoor eens, kinderen, +wat opvoeding en fatsoen aangaat ... geen land boven Holland, dat's +maar zeker! + +Maar ... binnen wàs ze! En ik durfde-n-'t bruggetje niet over, +met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, en die +fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik. + +En daar stond ik! + +De menschen van de brug riepen: "dat is 't huisje van m'nheer +Kopperlith, denk er om!" + +Ja, dacht ik, daar denk ik wèl om, maar wat zal ik doen? Juist begon +ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m'n dochter Geert +kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al dood is... + +Maar toen was ze-n-'n knappe jonge meid van zoowat achttien. En ze zei: + +--Vader, laat 'r in òns huuske! Daar kan ze zich klaren. + +Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie +van de Jachthaven. 't Kon my m'n ontslag kosten als ik rare dingen +deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de huisjes. + +Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al lang +had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in 't oog. Ze vliegt +'t huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt met 'r heen. + +Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by +moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar? + +Maar... 'n rare dag wàs het! O, ik ben nog lang niet klaar! Weet +jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z'n dag goed is, +voor bedtyd! + +Zoo eindigde Solon Verlaan 't eerste hoofdstuk van z'n verhaal. Het +tweede en laatste zal ik vertellen, of vanzelf laten spreken. We laten +dus 't boschkatje voor 't oogenblik onder de hoede van de aanstaande +Geertje-meu die op zich genomen had haar, of de zaak, te "klaren". Nu, +dit deed ze. Sint Maarten was er niets by. + +Op den ryweg langs den Amstel joelde 't Volk maar altyd +voort. Van-lieverlede verdwenen de koetsen van de hooge +heerschappen. Ook de ruiters verveelden zich, en zochten vryer +plaats dan die buurt op dat oogenblik kon aanbieden. De menigte +drong, zong, schreeuwde en dronk. Om zich schadeloos te stellen voor +'t mislukte hardzeilen, begon men hier-en-daar zich te vermaken met +het afsteken van vuurpylen, die den volgenden dag in de couranten +tot getuigen werden geroepen van de ontzaggelyke liefde des Volks +voor alle mogelyke prinsen en prinsessen. + +Dit was onjuist. Het Volk houdt van vuurpylen omdat ze blazen en +proesten en sissen en glinsteren. + +Ook zwermers--de Amsterdammers noemen ze "voetzoekers." Wie kan me +zeggen: waarom?--ook zwermers werden aangevoerd als bewyzen voor de +zeer byzondere gehechtheid des Volks aan alle Souvereinen... + +De Paltsgravin gelóófde het. Heusch! + +Maar ze had ongelyk, precies als die kranten. + +Want, lezer, de menigte houdt van voetzoekers, omdat ze sissen, +en vuur spuwen, en 'n harden klap geven. Dà t is de zaak! Men kan +er gerust alle grieksche wysgeeren op nalezen, op Solon Verlaan na, +die z'n heele wysheid heeft opgemaakt aan 't bedenken der diepzinnige +spreuk van zoo-even. + +Ook de zevenklappers... klapten. Ze spraken en getuigden van dynastieke +opwinding, en alle Souvereinen zaten met zevenvoudige gerustheid op +hun tronen... + +Maar de Souvereinen waren wat voorbarig in die gerustheid. Want 'n +zevenklapper maakt wel veel geraas, maar bewyst niemendal. Het volk +steekt ze niet af om trouw te zweren, maar omdat die dingen zoo grappig +heen-en-weer springen, en by elken sprong zoo'n knetterend geluid +geven. Al zeggen nu hierover de grieksche wysgeeren geen woord--zeker +omdat ook zy nu uitgeput zyn na de inspanning hunner denkvermogens +over de ware beteekenis van 'n voetzoeker--toch is het zoo! + +Veracht me niet te zeer, lezer, als ik u betuig dat de ware vreugd +die er uit vuurwerk te halen is, in 't afsteken--zèlf afsteken!--van +zevenklappers en voetzoekers bestaat. Een "groot vuurwerk" is 'n +ellendig ding, 'n menschonteerende foppery. Eigenlyk 'n schimp, +'n beleediging, 'n laesio dignitatis generis humani! [4] + +Om dit intezien, behoeft men zich maar 'n oogenblik te verbeelden +zoo'n vertooning bytewonen... + +In eenzaamheid! Want als u iemand betrapt in de autopsie die ik +voorsla, zyt ge in zyn opinie 'n reddeloos verloren mensch. Uw vrouw +kon echtscheiding aanvragen, en zeker zou ze 't proces winnen voor +elken rechter die verstand heeft van menschenwaarde. + +Verbeeld u dan dat gy, in uw binnenkamer en alleen, zoo'n vuurwerk +aanschouwt. Roep, zeg, mompel of fluister--ingodsnaam zóó zacht dat +gyzelf uw eenige hoorder zyt--fluister 't onvermydelyke: hè...è...è... + +En houd u 'n spiegeltje voor! + +Dan, lezer--al waart gy de verfoeielykste atheïst--ontsnapt u de +verontwaardigd-religieuze verzuchting: God, myn God ... hebt ge my +dáártoe geschapen? + +En by zoo'n gelegenheid voelt men--tenzy men onvatbaar werd voor +èlke gewaarwording--yverzucht op de intelligentie van z'n paraplui +of laarzentrekker! + +Maar ... voetzoekers, zevenklappers! Men staat er niet by met den open +mond die by elke teekenoefening den leerling wordt aangeprezen als +de uitsluitende vertegenwoordiger van wèl geopenbaarde bêtise! Men +is handig by 't aansteken. Er is gevaar als ze haperen. Men werpt +ze! En... snel, snel ... één sekonde te laat, ze bersten in de +hand! Allergevaarlykst! + +Eens namelyk heeft de traditioneele "iemand" die de hoofdpersoon is +van alle volks-akeligheden, zich door het te lang tusschen de vingers +houden van 'n zwermer, 't even traditioneele "groot ongeluk" op den +... hals gehaald, dat ... enz. + +Och, hoe prettig is die angst. Hoe allerakeligst vermakelyk! + +Helaas, pret en vermaak zyn afgeschaft! De stedelyke Regeeringen +verbieden zulke ruwe vermaken ... om 't brandgevaar, sedert alle huizen +met pannen gedekt zyn. In den tyd der stroodaken kon die vreeselyke +losbandigheid oogluikend worden geduld. Maar nu? + +En de andere gevaarplezieren! Hoe menige juffer kwam thuis--byna +zelfs kwam ze niet thuis--met 'n verbrande jurk! Gilde ze niet van de +pret? En 'n jongen--altyd "de jongen die ook overal met z'n neus by +moet wezen"--had-i niet eens--byna, alweer--'n volle lading in 't +gezicht gekregen? Was er niet gevaar geweest--nogeens: byna--dat +z'n oogen 't gelag te betalen kregen van die onbescheiden neus? + +En... 't mikken met zoo'n aangestoken voetzoeker! Dà t is wat à nders +dan 'n joujou de Normandie! + +Ik weet--en betreur het van-harte!--dat er nog altyd hier-en-daar +menschen worden gevonden, die meenen zich te vermaken met +schyfschieten, 't ouwevrouwigste plezier dat men kan uitdenken, 'n +naaischoolige parodie op ridderlyke wapenoefening. 't Is waarachtig +niet dáármee, dat men op Scyros zou hebben uitgemaakt of Achilles +'n jongetje was, en of-i z'n opvoeding ontving in 't pensionaat +van Chiron! + +Zündnadels, Beaumonts, Chassepots zyn verachtelyke voorwerpen. Ze +spreken niet mee. De kogel die zich zoo onnoozel laat voortdryven +uit de buis van die dingen, is eigenlyk te dwaas om in z'n eentje de +parabool te beschryven die de artilleristen van hem vorderen. Men +zegt dat er projektilen geweest zyn die hun weg vergaten, en zoo +slaafs zich hielden aan de routine die ze meenamen uit den loop ... + +Sakkerloot, ziedaar 't geheim opgelost van de verregaande +ongekwetstheid en welvarendheid der geslagen legers! Die menschlievende +kogels zyn op-reis in den... aether, en willen aërolith spelen op +deze of gene planeet, waar men nog dom genoeg is aan "aërolithen" en +"aether" te gelooven. + +De voetzoeker--hoeden af, lezer!--geeft den drommel van zoo'n bekrompen +loops-opvatting. Hy heeft karakter, en volgt z'n eigen senie... zou +juffrouw Pieterse zeggen. Hy leeft, en kiest z'n weg. Hy spuwt +vuur, en deinst voor 't recul van z'n eigen strydlust. Hy kampt om +'t verloren terrein te herwinnen, en wisselt van zwaartepunt, en +wendt z'n grilligen loop, en kronkelt als 'n vliegende lintwurm. Hy +schryft z'n naam in gloeiende krullen, en vecht tegen den luchtdruk, en +sliert al duiklend voort, en braakt arebesken. En waar-i was, keert-i +weer, als iemand die nog wat te zeggen heeft. En waar-i niet was, +komt-i aanrollen, blazend, blakend, brandend, schroeiend, sissend, +schetterend ... altyd verrassend door nieuw-uitgedachte huppeling, +altyd verschrikkend door vreemdluimigen sprong, altyd boodschapper van +'t onverwachte, maar altyd de drager ook van 'n herhaalde opwekking +tot gillend plezier. + +En de zevenklappers! 't Is waar, ze vuurden niet zoo prettig, en +gingen aanvankelyk bedaarder hun weg. Maar men was zekerder van +z'n worp! En ... éénmaal 'n openstaand venster ingekeild, werden +ze wakker en roerig. Dan klapten zy, en sloegen, en sprongen als +toornige duiveltjes, voltigeerden links-rechts op-en-neer door de +kamer, kris-kras-kruis op de tafel, tegen den spiegel, achter de +schilderyen, tusschen de stoelen, onder bed en sofa. Ja, soms dansten +ze--sarkastische demonen!--de kaars uit... + +De Archimedes die de evolutien van 'n rechtgeaarden zevenklapper +weet te berekenen, moet nog geboren worden. Dit spyt me niet erg, +omdat ik voor ditmaal aan 't zeer byzonder effekt van 'n eerste +uitbersting genoeg heb. Ze had plaats naby Wouter's linkerwang, juist +op 't oogenblik toen juffrouw Laps hem daarop een kus wilde geven: +haar Rubicon! + +Heel aangenaam zou 't Wouter nog altyd niet geweest zyn wanneer 't haar +gelukt was die omineuze rivier overtesteken, maar 't blyft de vraag +of-i daarna kracht, besef of afkeer genoeg zou hebben overgehouden +om zich te verzetten tegen finale verovering. + +De geestige zevenklapper won hem den gevaarlyken tweestryd uit. Wat +die prinses Erika mikken kon! + +Juffrouw Laps had haar zondige lip gebrand, en riep: + +--Heere Krrristis, wat's dà t? + +Heel veel anders viel er dan ook by die malle gelegenheid niet +te vragen. + +Wat het wà s? + +Wèl... 'n brokstuk uit het "Register der Handelingen en Besluiten" +van Fancy. Ze hield zich bezig met het verevenen van kansrekening, en +de lezer wordt uitgenoodigd, als by 'n vuurwerk, te blazen: hè...è...è! + + + + + + + + De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door 't + achterste-voor zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme, + arme, arme, Laps! Mysterieus standbeeld in de "Gekroonde + Jeneverbes." Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht. Wouter + krygt 'n zusje. + + +Fancy is groot, en wy beginnen haar eenigszins te begrypen. Dit heeft +ze op sommige andere godheden voor, want onbegrepen grootheid baat +niet veel, en kon eigenlyk zonder schade gemist worden. + +Ja, ze was groot, en ... praktisch! + +O, verrukkelyke teleologie van den romanschryver ... juffrouw Laps +mocht haar "sinnigheid" niet krygen! + +En dáárom was 't zoo warm, dien dag! En dáárom had ze haar venster +moeten opschuiven, wat anders 'n fatsoenlyk nederlandsch mensch--liever +stikken!--niet doet. Dáárom bleef de hardzeilery in den steek! Dáárom +verveelde zich Prinses Erika! Dáárom beging ze weldadighedens tot +tydverdryf! Dáárom kreeg ze lust in baden! Dáárom joelde al dat +volk--en zy mee!--met voetzoekers en sissers de stad in, Weesper- +en Amstelstraten door, naar de Botermarkt... + +Want op dat plein woonde de Caesarine Laps die 'n zevenklapper in 't +gezicht moest krygen juist toen ze bezig was met haar alleraardigst +venit, tetigi, en... "heere-krrristis wat is dat?" + +Wat dit is, juffrouw Laps? Wèl, 't is fantastische doeleindenleer. Al +die koningen, prinsen, prinsessen--en zelfs de Paltsgravin met haar +puistjes, joujou en hooge geboorte--zyn op dien warmen dag door 'n +hooger Wezen in de stad gezonden om u in de wielen te ryden. Het is +uw plicht dit te gelooven... o, geloofster! + +Ze geloofde het niet! En ze kòn het niet gelooven, want ze wist er +nog minder van, dan van al de andere dingen die ze voorgaf zonder +bezwaar te slikken. Het onweer op Sinaï was door den "Heer" beschikt +om de Joden aan 'n behoorlyke reglement van policie te helpen, maar +die nydige zevenklapper... + +Ze vloog naar 't venster. Wouter ook. Er bleek nu dat de bedoeling +van den haar en hem onbekenden artillerist niet boos geweest was, +want niemand lette op de nieuwe toeschouwers. Bovendien, ook andere +vensters raakten gaandeweg open en bezet, waardoor de aandacht van +'t straatpubliek verdeeld werd. Er bleek uit niets dat men zich +om juffrouw Laps of haar gast meer bekommerde dan om elk ander +die toekeek. Zonder erg werd er rechts en links gebombardeerd, +en onze beide heldjes konden in alle kalmte waarnemen wat er op de +straat voorviel. Juffrouw Laps kwam de zeer gewenschte vergetenheid +nog te-hulp, door 't licht uitteblazen--'n voorzorg die door +den overigens zoo byzonder intelligenten zevenklapper schandelyk +verzuimd was--en Wouter vermaakte zich kinderlyk by 't aanzien van +de pret. Hy vergat z'n buurvrouw en haar opdringende vriendelykheid, +om naar 't gewoel der menigte te kyken. Het meedeelen van de hieruit +voortvloeiende opmerkingen werkte op hem ontnuchterend, en ook zy vond +er onwillekeurig aanleiding in om zich wat eenvoudiger voortedoen dan +ze gewoon was. Ze praatte ditmaal zonder "Heer" en liet de "genade" +wat rusten. Zelfs scheen ze--voor 'n oogenblikje maar, denk ik--haar +plannetjen optegeven. De nacht was nog lang, dacht ze misschien. [5] + +--Gut, hoe gek toch, dat al die menschen daar zoo heen-en-weer dringen, +zonder zelf te weten waarom, zeide hy. + +--Och, ze hebben plezier in 't zingen en joelen, en in de voetzoekers +... kyk, daar vliegt er weer een, paf! + +Klik-klik! antwoordde hierop 'n zevenklapper die z'n domicilie koos +tusschen 'n troep meisjes. Het gezelschap vloog met vermakelyken +schrik uit elkaar. Wel zeker, voor wat anders waren die meiskes daar? + +--Al dat volk is dronken, zei juffrouw Laps, en ik wou dat ze +naar-huis gingen. Ik begin slaap te krygen... 't is twee uur in den +nacht, weetje! + +--Och, nog 'n oogenblikje! verzocht Wouter. Ik heb geen +slaap. Volstrekt niet! heusch niet! + +Hy begon weer angstig te worden voor haar vriendschap, en hoopte +onwillekeurig dat uitstel hem de bondgenootschap van 't onverwachte +brengen zou. + +--Ik ben maar zoo bang, m'n lieveling, dat je kou vat aan 't +venster. Dà t is het maar! Want de nachtlucht, zieje, na zoo'n +heeten dag... + +Volgt: al de bekende burgerluîs-praatjes over nachtlucht, verkoudheid, +rhumatiek en subietelyk doodgaan. Ze hadden nu evenwel dit goede +gevolg, dat Wouter z'n jasje weer aankreeg, 'n verbetering van pozitie +die hem straks zou te-pas komen. O, die voorzienige Fancy! + +--En zet ook je petjen op, m'n beste jongen. Ik wou voor alle +wereldsch goed niet, dat de nachtlucht je-n-in 't hoofd sloeg, +want... dat doet-i soms. Kyk, daar vliegt er weer een! + + + "Amour à la plus belle, + Honneur au plus vaillant... + + +--Waarom zingen ze niet liever hollandsch! Wat hebben wy aan dat +vreemde geseur? Begryp jy er wat van? + +Wouter wist iets van de historie, en vertelde wat-i kon van den +"schoonen Dunois" die zoo byzonder veel Saraceenen doodsloeg, en ter +belooning trouwen mocht met de dochter van: "le comte son seigneur!" +Dat was toch plezierig in ouden tyd! Maar hoe beloonde men de ridders +die al eenmaal beloond waren? En kregen ze in die dagen nog ander +traktement dan 'n bruid? En hoe maakten 't de seigneurs die geen +dochter te begeven hadden? Welke seigneursdochter moest genoegen +nemen met 'n ridder die maar 't meest Saraceenen had doodgeslagen, +op één na? + +Wat al moeielyke vragen! + +Juist begon hy z'n gastvrouw om wat inlichting over dit alles te +verzoeken, toen beider aandacht werd getrokken door zeker roepen, +schreeuwen en schelden dat van andere stemming getuigde dan de +in-eensmeltende geluiden van 't gejoel. Er was "ruzie." In een der +groepen werd niet meer gehost, maar gevochten. Men verstond duidelyk +de by zulke gelegenheden gebruikelyke vloeken en verwenschingen. + +Een verwarde kluw menschen, dichter op-elkaar gepakt dan de overigen, +schoof en seulde heen-en-weer al naarmate een der beide partyen +aan de winnende hand was. Vreedzame hossers golfden zingend voorby +de plek waar gevochten werd. De deelnemers aan den stryd werden van +liever-lede ter-zy gedrongen, en wel in de richting van een der vele +kroegen die de buurt zoo aantrekkelyk maakten voor 'n publiek dat +z'n verdriet over de mislukking der hardzeilery wou verzetten. + +De twistenden, zelf gedrongen, drongen op hun beurt anderen. Men hoorde +hier-en-daar gillen en om hulp roepen. De nooit ontbrekende zwangere +vrouwen, en moeders met zuigelingen lieten haar angst niet onbetuigd. + +Het gedrang werd nu byzonder sterk in zekeren hoek, waar drie stroomen +dood-liepen en 'n vreeselyke botsing te-weeg brachten. Daar namelyk +lag 'n zeer populaire herberg, die 't doelwit scheen van 'n hossende +volksverhuizing uit de Amstelstraat. De tweede stroom vloeide uit de +Utrechtsche straat op dezelfde kroeg toe. En de sterkste persing ging +uit van den vechtenden troep die, op-zy geschoven door voorbytrekkende +benden, almede in dezelfde engte gedreven werd. + +By ondervinding van zeer jongen datum wist Wouter wat het beteekende +zich in zoo'n gedrang te bevinden. Wie op den grond raakte, werd +vertreden. Wel was de kans hierop zoo byzonder gevaarlyk niet in de +kern der samenpakking--'t vallen was onmogelyk--maar des te grooter +aan den rand, waar kelders en holen zich gapend gereed toonden alles +inteslikken, wat hun in de kaken werd gedrongen. Dáár kon men hals en +beenen breken of liggend vertrapt worden, in 't midden slechts staande +gesmoord. O zeker, die opstopping naby de herberg was gevaarlyker +nog dan die van den vorigen avend in de Kalverstraat! Bovendien, +daar was maar drukte, er werd niet gevochten. En hier ... + +--Krrristenzielen, riep juffrouw Laps, ik word er puur akelig van! + +Dit scheen ook met Wouter 't geval. Op-eens greep hy haar arm, en +meende iets te zien, dat... iemand, die... + +--Heel goed, m'n jongen, houd jy me maar vast! 't Is daar, zoo zondig +als ik hier sta--'t eedsformulier was zoo gek niet--'t is daar moord +en doodslag in dien hoek! + +Wouter sprak niet. Ook had-i geen besef zich te verzetten tegen de +overweldiging van z'n ... verleidster, of hoe moet het heeten? 't +Scheen nu wel of Afrika voor 't caesarinnetjen openlag... + +--Is 't niet of ze dol zyn? Houd jy je maar goed aan me vast, en denk +maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van jou! + +Och, hy had juist wat anders te denken gekregen dan aan z'n "eigen +Kristien!" Juffrouw Laps was eenige graden minder gelukkig dan ze zich +verbeeldde. Ze streelde hem, en hy liet haar begaan, o ja, maar toch... + +--Wees jy maar gerust ... och, lieve jesis, 't kind is er zoo ontsteld +van! Aan jou zullen ze niet raken zoolang je hier bent ... by my, +weetje! + +Hy kneep haar boven z'n kracht in den arm, en geen ander blyk van +leven gevende, stond-i overigens als versteend. En altyd die ééne +onverzettelyke blik, dat schynbaar wezenloos staren op één punt... + +--Trek 't je niet zoo aan, m'n lieveling! Maar... akelig is 't! Zie je +daar die meid wel, met 'r noordhollandsche kap? Ik wou niet graag in +'r plaats wezen! En jy? + +--Zy is het ... Femke! O God, o God, het is Femke! + +En, Laps van zich afslingerend, die hem weerhouden wilde, vloog hy +de trap af, en stond weinig oogenblikken daarna in den diksten drom +vlak voor de herberg. + +Hoe hy zoo spoedig dáár kwà m? Ei? En Fancy dan, zyn ... fancy? + +Had ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z'n jasjen aanhad? Wat 'n gekke +historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw Laps! Hoe +zoud-i zoo'n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by z'n moeder? + +De zaak is dat-i lichaamskracht borgend van z'n gemoed--en was zy +dit niet?--zich als 'n razende door de menigte wist heenteslaan. + +Maar de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel +den man met den bonten muts en 't schippersbuis, die hem vanboven +gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. Althans hy meende +bemerkt te hebben dat ze met dien man gearmd uit de Amstelstraat +gekomen was. En dit was ook zoo, maar: + +--Is hier geen meisje met 'n noordhollandsche kap? vroeg hy zoo +duidelyk de vreeselyke drukte toeliet. + +De man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen--dit deed "iedereen" +ook, en Wouter moest wel meedoen: 't was 'n gezelschap Kaïns op +groote schaal!--de man kon niet antwoorden. Maar Wouter bemerkte +dat-i zich moeite gaf de herberg te bereiken, en maakte hieruit op +dat z'n dame daarin gevlucht, of althans, met of tegen haar wil dan, +daar binnengestuwd was. + +Hy raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en +stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra +'t jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was dan +buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets! + +Ziedaar, lezer, 't waar en onvervalscht relaas van de oorzaken die +Wouter heel in 't begin van z'n loopbaan maakten tot 'n kroeg- +en koffihuislooper. Gister in "Polen", heden in "de gekroonde +Jeneverbes"... daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door 't +een-of-ander geperst... 't is te veel! + +Maar hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke. + +Hy meende haar te ontdekken heel achter in 't niet groote vertrek, +op 'n tafeltje dat in 'n hoek stond. Zwygend, met styftoegeknepen +lippen, de armen over elkaar geslagen, en met iets als uittarting in +haar trekken, zag 't meisjen op de menigte neer. De kant van haar kap +hing haar aan flarden in den nek--zy, zoo net altyd!--en, erger nog, +Wouter meende te bespeuren dat haar gezicht bebloed was, het lieve, +lieve, lieve gezicht van Femke! + +Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit behoefde +ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar tafeltje. Hy riep, +maar ze hoorde niet. + +Met onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de +aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy in-een: +ze wilde hem niet kennen! + +--O God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dà t heb ik verdiend voor +m'n lafheid by de Holsma's! + +--Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen +wilt, ga dan na je moeder! + +Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet +verzetten. De aandrang by 't buvet waar-i stond, klemde hem tegen +de jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in +'t oog te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen van +wrevel en smart vloeiden hem over de wangen. + +--Wat doe ie dan in de drukte, zei 't jeneverwyf, as je d'r niet +tegen ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet getapt. Zet 'r +'n borrel op, jongen, of ga heen! + +Lust of niet, hy had heel graag 'n "borrel" besteld om z'n plaats te +betalen. Maar--"daar-i thuis altyd alles kreeg wat-i noodig had"--hy +bezat geen duit, en liep nu gevaar de deur te worden uitgeworpen +wegens overmaat van matigheid. Doch ook dit kon niet, want de persing +aan de deur bleef nog altyd even groot. Bovendien werd de aandacht +der waardin afgeleid door de drukte van 't gevecht, dat al nader en +nader kwam, en weldra dreigde de kroeg te kiezen tot "operatie-bazis" +zooals dit in 't jargon der krygskunde genoemd wordt. De ware reden +was dat elk der strydenden in 't byzonder zich aan de slagen van z'n +tegenparty wou onttrekken door in de kroeg te vluchten. De meeste +"krygskundige evolutien" hebben van ouds-her geen anderen grond. + +Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog +altyd lag er dat spottende op haar gelaat; alsof ze zeggen wilde: +wie durft? + +Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets dan +'n verwyt aan hèm. Femke wilde hem niet kennen. Meer of iets anders +voelde hy niet! + +Och, hoe gaarne had hy in 't bywezen van al die menschen de zolen +van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de vergiffenis, +waarop-i wel geen aanspraak had--naar-i meende--maar zonder welke hy +niet leven kon!-- + +--Femke! riep hy, als 't roepen heeten mocht, want het geschiedde zoo +zacht dat z'n stem onmogelyk tot het meisje kon doordringen. Immers, +er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren ook, zy die +zoo... wreed--nu ja, maar rechtvaardig toch--had blyk gegeven van haar +tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet nemen, en nogeens +riep hy, maar 't was weer fluisterend: + +--Femke! Femke! + +Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en 't schippersbuis +aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de strydvoerende +mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand van z'n +kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende voorrechten der +neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen tegelyk. + +Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in de kroeg, +dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, z'n dame die vóór hem +dat heiligdom bereikt had, niet in den steek te laten, was Wouter +niet duidelyk. Er bestond 'n tertium dat hy niet raden kon, maar +dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid +verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van 't geheim. + +Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde +zelfs 't verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om +zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van z'n +steunpunt afgerukt, want waar velen 't zelfde begeeren, is 't verkrygen +moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van de anderen, omdat zy +slechts betrekkelyke veiligheid zochten--en jenever misschien--terwyl +hy werd aangespoord door... nu ja, 't nog altyd onbekende tertium. + +Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i, +zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden +troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker +geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen, +zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand +durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot? + +Op 'n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor +de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in 't oog te +krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk toe, +Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z'n pogingen om tot haar +doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als 'n verzekering +dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond daar als +'n godin der kalmte, of althans als 'n standbeeld dat vastberadenheid +kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van de meening dat er +geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het uitdeelen van +den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan ieder die +haar te na mocht komen. + +En die glimlach! Over Wouter's hoofd heen had de wreedaard z'n weg +genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper bereikt. Want +de man knikte terug... + +--Hy heeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. 't Is +toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft. + +Op dit oogenblik kreeg 't wyf dat de kroeg hield, den worstelenden +schipper in 't oog. Er bleek dat-i 'n goede bekende was, want ze +schreeuwde van achter de toonbank: + +--Zoo Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, hè? + +En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men +niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich 'n paar stappen +buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats +voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van +Wouter, in de nabyheid van 't buvet te staan kwam. + +--Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad! + +'t Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen +dat niemand zeker van z'n dag is voor bedtyd! Dit had ook Wouter +ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen +in den hoek geblokkeerd stond. + +--Hebje-n-'n goeien dag gehad, vroeg 't wyf. Met de zeilery was +'t miesserabel, hè? + +Klaas lei den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen +toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer +byzonders. + +--'n Glas klare? + +Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle +gezonde systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der +zeer byzondere. 't Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet +gelukkiger toen ze 't onderzoek naar Verlaan's wenschen voortzette: + +--Skille? + +Ook niet! + +--Rooie dan? + +Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in 't bepalen van de +soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy 't hoofd, +en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker gesprek te komen +dan de drukte toeliet. + +"Amour à la plus belle!" galmde het buiten de deur, en eenige heesche +keelen binnen de kroeg trachtten meetezingen. + +--Weg met die moffeliedjes! schreeuwde een der gasten. We +benne-n-ommers hier allemaal Hollanders onder mekaar! + +"Wel ja, we benne Hollanders... + +"En al is ons Prinssie... + +"Sjt!" + +--Ik verkies nu te zingen: al is ons Prinssie! En wie niet mee-doet... + +De prinsman sloeg op z'n vry ongekleede borst. Zóó, denk ik, zoud-i +ieder slaan die niet meezong: "al is ons prinssie." + +Misschien volgens de theorie van 't onbewuste meegaan--Wouter +maakte weer bespiegelingen over "massa"--de meerderheid werd op +eenmaal hollands- en zelfs prinsgezind. Met het verschil tusschen +patriottery en keezigheid, nam men 't nu zoo nauw niet. Hoofdzaak +scheen dat men zich op eenmaal Hollander voelde, of goedvond zich +zoo aantestellen. Het "Prinssie" liep behoorlyk van stapel. Een +der gasten ging verder, en stelde 'n soort van toost in, op de zeer +vervroegde en buitengewoon langdurige ongelukzaligheid van "al die +fransche flikkers!" Met andere woorden, hy wenschte ze zonder uitstel +de bekende "eeuwige verdommenis" toe. + +"Hoerah!" + +--Ja, zieje, toen we nog Hollanders waren ... + +"Ja, toen we nog Hollanders waren!" + +--En onder de Republiek ... + +"Leve de Republiek!" + +--Toen had je-n-'ns 'n hardzeilery moeten zien! Maar nou! + +"Al is ons Prinssie!" en: "Leve de Republiek!" + +--Onder de Republiek waren alle menschen gelyk! + +"Allemaal gelyk!" + +--Zoo'n koning, zoo'n prins, al die tirannen... + +"Weg met die tirannen!" + +--Ze benne geen haar beter als wy! + +"Dat's waar! Ze benne geen haar beter!" + +--En ze zuigen 't arme Volk uit! + +"Ja, ze zuigen 't Volk uit!" + +--En weetje waarom? Omdat jeluî--om nou 'reis de gulle waarheid te +zeggen--allemaal lamme... enz. bent! + +"Ja, ze benne-n-allemaal lamme... enz." + +--Jelui buigt je nek onder 't juk... + +"Juist! "Ze" buigen den nek onder 't juk!" + +--Als 'r 'n koning komt, of 'n keizer, of 'n prins, dan slaat +de-n-angst jelui in de buik als seneblade!" + +"Ja, de-n-angst slaat ze-n-in de buik as seneblade!" + +--En, als jelui kerels was... + +"Precies, as "ze" kerels wasse... + +--Dan zou jelui... + +"Ja, dan zouwen "ze"... + +--'n Mensch is vry gebore... + +"We benne vry gebore!" + +--En 't hollandsch hart... wà t zeg je daar, vrouw Gooremest? Wà t? 'n +dochter van... m'nheer... + +Een allervreeselykst woord scheen den volksredenaar op de lippen te +besterven. Hy werd bleek. + +--'n Dochter van... m'nheer... + +--Wel zeker! Vraag jy 't maar aan Verlaan. + +De ontstelde jenever-Gracchus wendde zich vragend tot den +schipper. Deze knikte toestemmend. + +--Is 't waarachtig waar, Klaas? Wis en waarachtig? En waarom heeft +ze zich dan zoo... angekleed als 'n gemeene meid? + +--Och, 't benne de spulle van m'n dochter Geert, zieje. 't Is 'n +rykeluîs grap... + +--Ah! Jongens... er uit, er uit! Moeder Gooremest wil slapen, +'n Mensch is niet van steen of yzer. Er uit, allemaal! + +"Weg met de tirannen!" "'n Mensch is vry geboren!" "Alle menschen +zyn gelyk!" "Het hollandsch hart"... enz. + +--Sjt! Er uit, zeg ik je, er uit! Die... jongejuffrouw... + +"Wà t? Die meid? Wat zou ze?" + +"Sjt! Ze is de dochter van--maar mondje toe, +hoorje!--van... m'nheer--ja, hoe donder is 't mogelyk, niet waar?--de +dochter van m'nheer... Kopperlith!" + +"Op...de...kei...zers...gracht? Man, wat zeg je? Van +m'nheer... Kop...per...lith? Op de kei... zersgracht?" + +--Ja, wis en bliksems! Er uit! Er uit! + +"Z'n... eigen dochter?" + +Alsof 'n behuwd-hoedanigheid de zaak minder verpletterend gemaakt had! + +--Z'n bloed-eigen dochter, zeg ik je! Maar... mondje toe, dit begryp +jelui! Er uit, er uit! + +De hollandsche harten, onbuigzame republikeinen, onkreukbare karakters, +vrygeboren menschen met nooit gebogen nekken ... slopen als geranselde +honden de kroeg uit. + +De uitvinding om z'n beschermeling te verheffen tot 'n bewoonster +van de Keizersgracht, bracht Klaas Verlaan meer "moffedukaten" op, +dan-i liefst aan z'n kleinkinderen verantwoordde. En tevens komt ze +den lezer te-hulp by 't zoeken naar zeker tertium, naar de oorzaak die +den Amstelhavenknecht zoo koppig maakte in 't bestormen van die kroeg. + +Wouter begreep minder van de zaak dan ieder ander, juist omdat hy in +den waan verkeerde zooveel meer dan anderen te weten van 't meisje +dat daar op tafel stond. Toen-i den... gladgeschuurden duit zag, +dien Verlaan in de hand der kroeghoudster gedrukt had, en later +'n dergelyke manoeuvre met den Republikein... + +Kopperlith? Kopperlith? Op de Keizersgracht? Femke op de +Keizersgracht? Maar juist by dien hoogen heer Kopperlith immers zou +hy overmorgen... + +Z'n hoofd dreigde te bersten. Als-i op dà t oogenblik... + +Neen, denken kon-i niet. Misschien bleef hem nog eenig besef dat +hyzelf Woutertje Pieterse was, maar heel zeker is 't niet. Voor-i +hieromtrent tot 'n onherroepelyk eindbesluit was gekomen, werd hy in +één greep met 'n paar anderen de deur uitgeworpen door Klaas Verlaan +en den hollandschen Republikein. + +Wel zeker! Hy was niet beter dan andere stervelingen, en moest dus +plaats-maken voor de "bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith op +de Keizersgracht. + +De volte op straat was zeer gedund. Wouter bleef in de buurt van +de herberg die hem tot 'n tempel was geworden, om te zien waar z'n +godinnetje belanden zou. De braking was aan 't bedaren. Nog altyd +evenwel werd er van-tyd tot-tyd iemand buiten de deur gezet die, +belust op de vreemdheid van 't geval, nog zoo graag 'n beetje had +willen blyven om 't wonder te zien. Men krygt niet elken dag 'n +"bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith te aanschouwen. + +Sommigen dan wilden zich aansluiten by 't driemanschap Verlaan, +Republikein & Gooremest, om mee-opgenomen te worden in aanspraak op +de baten der veelbelovende ruwaardy. Maar ons trium-viraat voelde +zich sterk genoeg, en vond geen reden om 't aantal deelhebbers in de +vermoedelyke vruchten van den arbeid, grooter te maken dan noodig +was. Menigeen die mee-schreeuwde: "er uit! er uit!" ontving zelf +'n handtastelyke vermaning om 't voorbeeld by de les te voegen. + +Eindelyk hield het uitwerpen van overbodige getuigen geheel op. Juist +toen Wouter zich verstouten wilde om door 'n spleet te gluren van de +gordyn aan de glasdeur, werd deze geopend, en de Republikein trad er +uit. Hy hoorde hoe Verlaan hem nariep: + +--Dáár ergens op 'n hoek in de Paardenstraat, weetje! Kyk nu maar +eens niet op 'n daaldertje... en klop ze maar flink op, en zeg aan +den sleeper ... + +Het woord: "sleeper"--een nu verouderd amsterdamismus voor +wagenverhuurder of huurkoetsier--gaf Wouter 'n licht van betwistbare +helderheid. Dat de Republikein 'n rytuig bestellen moest, was duidelyk, +maar... Femke in 'n koets of brommer? Of ... al was 't maar in 'n +sleê... zy? + +Hy wachtte. Op bespieden van het inwendige der kroeg, was geen kans +meer. Vrouw Gooremest had de blinden gesloten. Zou er nu 'n bruikbaar +licht over deze zaak opgaan uit die Paardenstraat? + +Na lang wachten kwam er 'n rytuig aanrollen. De Republikein sprong +er uit. De deur van de kroeg werd geopend, en Klaas Verlaan vertoonde +zich met z'n vermeende juffer Kopperlith op den dorpel... + +--Femke, ik ben hier! riep Wouter, wild toeschietend, ik ben hier! O +God, o God, Femke, ga niet mee met die vreemde mannen! + +--Wat bliksem is er dà t nou weer voor een! schreeuwde Verlaan, die +Wouter by den kraag pakte en naar binnen trok. Wat mot jy? Wat ben +jy? Wat wil jy? + +--Femke, ga niet mee met die vreemde mannen. Ik zal je thuis brengen, +ik, Wouter! + +--Die jongen is niet wys, zei Vrouw Gooremest, laat 'm los. Hy heeft +hier al den heelen avend staan huilebalken als 'n kalf, en geen duit +verteerd. Nou dáárom niet... ik wil maar zeggen dat-i niet wys is. + +Wouter trachtte de hand van 't meisje te vatten, en bemerkte nu dat +ze allerzonderlingst was toegetakeld. Van gelaat, hoofd, schouders +en gestalte, was niets te zien. Waarschynlyk had de gastvrye Vrouw +Gooremest haar familie-mantel voor dit doel afgestaan. Men doet zoo +veel voor 'n bloed-eigen dochter van m'nheer Kopperlith! Toch was de +edelmoedigheid van de ekonomische jeneverprinses niet zóó ver gegaan, +dat ze meer dan één kaarsje had aangelaten, na 't sluiten van de +eigenlyke nering. Dat armzalige nachtpitje had juist even genoeg licht +verspreid, om niet dezen of genen aan den misgreep bloottestellen +'n tafel of stoel in-plaats van overtollige gasten buiten de deur te +werpen. En nu... + +Nu vlamde het zoo zonderling, en zoo onwillig, en zoo fantastisch! En +ook zyzelf stond daar zoo vreemd! En zoo spookachtig trilden de +omtrekken van die gestalte... + +--Bist du es, Erich? + +--Femke, Femke, ik smeek je-n-om-godswil, ga niet met die vreemde +mannen mee! + +En, zich losworstelend uit den greep van Verlaan, wierp hy zich voor +haar neder, rukte den mantel open, greep hare hand, en bedekte die +met tranen en kussen... + +--Wat ik je zei, riep Vrouw Gooremest, de jongen is stapelgek! + +--Femke, nooit zal ik je weer verloochenen! Schop me, trap me, dood +me, maar... ga niet mee met die vreemde mannen! + +--Licht! riep 't meisjen op zeer gebiedenden toon, en met vreemden +tongval. + +De Republikein nam 't smeerkaarsje van de toonbank, en hield het by +de groep, zoodat de knielende gestalte van Wouter nagenoeg zichtbaar +werd. Het meisje staarde door 'n spleet van haar mantelkap op hem neer, +en zweeg, en verroerde zich niet, en scheen natedenken, en trok de +hand niet terug, die Wouter aan z'n lippen geklemd hield... + +Verlaan maakte een beweging als om den indringer wegterukken... + +Maar zy, den vryen arm uitstrekkend boven Wouter's hoofd, wees den +schipper terug, en zeide: + +--Mein Bruder! + +--Ook alweer 'n bloed-eigen zoon dus van m'nheer Kopperlith, mompelde +de republikein. Wat die jongelui 'n rare manier hebben om hun nachten +doortebrengen! + +De lezer begrypt dat-i deze oneerbiedige woorden niet luid worden +liet. Al z'n hoorders wisten waar de "bloed-eigen" vader van die twee +vagebondjes woonde, en dus: mondje-toe voor de Keizersgracht! Men +had al byzonder ongemanierd moeten wezen--of geen republikeinsche +Amsterdammer--om dit niet te begrypen. + +Toen Wouter weer tot bezinning kwam, stond-i op straat. De brommer was +weggereden, met of zonder haar. Met of zonder die beide mannen. Dit +wist-i niet. Maar 't bekommerde hem nu minder ... Zy had hem haar +broeder genoemd, ernstig, plechtig, boekerig, kerksch... dit was +hem genoeg! + +--O, myn God, ik dank u, riep hy. Gy zyt goed en genadig en +vergevensgezind... o myn God, ik dank u! + +en: + +--Gut, ik wist niet dat Femke zóó spreken kon! Ze moet het wel heel +innig gemeend hebben... anders zou ze "broêr" hebben gezegd, zooals +we gewoon zyn. + +En hy beloofde zichzelf, overmorgen schatryk te worden "in den +handel." Schatryk, en... Koning alweer, om meer nog, véél meer nog, +van Femke te worden, dan haar broer... + +Juffrouw Laps had eer van de les! Maar dit wist Wouter zelf niet, +al voelde hy geheel anders dan gister nog. + +Voor 't oogenblik was-i opgetogen met z'n nieuwen titel. Hoe toch +kwam zy aan zoo'n schoon woord? Zoo verheven? Zoo Bybelsch? Zoo +voornaam? Zy, zoo eenvoudig anders! + +--Ik ben Femke's broeder! juichte z'n hart, en--hoe vermoeid ook--hy +liep als op stelten, en verwonderde zich dat-i 't hoofd niet stootte +aan de wolken. + + + + + + + + Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen + door elken lezer dien 't om voortzetting van de geschiedenis + te doen is. Alleen op 't slot wordt de eentonigheid eenigszins + afgebroken door 't zonderling lotgeval van 'n kruiwagen en 'n + onbillyken droom, 't eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal + leveren kan. + + +Sedert eeuwen vernemen wy uit de boeken, dat we den morgenstond +zoo byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs +zóó ver, dat-i de opgetogenheid over 't opgaan der zon, aanbeveelt +als graadmeter van de "deugd." Wouter kende dit axioma niet, en +veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid van heel andere +vingers te droomen, dan de "roosverwige" van Aurora. Hy dacht aan +de hand die hy gekust had, en... menschelyk gesproken, z'n "deugd" +was er niet minder om. + +Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z'n omgeving. De +volheid van zyn gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der +straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door +'t verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken geleden, +als omdat-i nog nooit op dat uur buitenshuis geweest was. Egoïst +als alle gelukkigen, kwam 't hem heel natuurlyk voor, dat al wat +het leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn +geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in 't Heelal slechts twee +dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als 'n +trouwende vrouw, haar naam by 't huwelyk met die ééne gewaarwording, +met dat ééne gevoel: ze gaat er in op. + +Wouter's oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de +hoeken der straten. Z'n onverschillige blik las: "Botermarkt" en: +"hier gaat men uit porren." Ook kon-i te weten komen waar kousen +te-koop waren, of wagens te-huur, en wie 'n smid was, of 'n timmerman, +of... "in" 't een-of-ander... + +Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke's hand +gekust! Welk verstandig wezen kon 't in z'n hoofd krygen dat er, +na dà t evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter +verkocht, of schoensmeer? Of die man "uit porren" ging, of "in" +effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden e|n duizenden op de wereld +zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs +de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch--wáár +was het!--hy had Femke's vingertoppen gekust, en zy had hem "broeder" +genoemd! + +'t Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien +zomernacht. Horatius had er 'n aardige illustratie by gewonnen voor +z'n fractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk dat Wouter by zoo'n +kataklysme zou overeind gebleven zyn, en--voor 't byna ondenkbaar +geval dat-i notitie van de zaak had genomen--hoogstens gevraagd hebben: +of zy zich bezeerd had? + +Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z'n tyd is, bekend +zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydag-nacht naar +oude gewoonte 'n zaterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van +z'n soort is gebleven. + +Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze +Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman +dat-i "in" effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo +gelukkig voelde. + +Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het +gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van +de vyf laatste uren herhaaldelyk, voortezeggen, om verzekerd te +zyn dat nergens 'n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in +gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend, +maar toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers +had kunnen meenemen--de pink was genoeg geweest, die lieve pink!--als +tastbaar getuigenis van 't gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i ooit +weer haar hand aan z'n lippen voelde! + +Doch neen, ook zonder zoo'n verslindende zorg voor 't bewaren van +'n tastbaar blyk... 't was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem +"broeder" genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen, +porders of effectenlui, kon daaraan iets veranderen. + +Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar +bent voor den triumf van 't allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal +niets veranderen aan het feit... + +Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk +houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde Femke +hèm 'n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe +broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan +de oude betrekking van "vrindje" waarop hy altyd zoo had aangedrongen, +en die hem nooit geweigerd was? + +Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i +redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de +kreditposten van z'n geluk voor--men bedenke dat-i "in den handel" +geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou--en trachtte hoog +gewicht te hechten aan de erlangde vergiffenis voor 't verloochenen. + +Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert +gister op dit punt 'n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs sedert +z'n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol uur geleden +dreigde z'n gemoed te bezwyken onder Femke's verachting, en nu... nu... + +Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig +geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van +zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z'n geluk, omdat hy +'t niet begrypen kon. + +De oorzaak zal wel hierin gelegen hebben dat-i slechts wist wat er +geschied was, en verzuimde zich rekenschap te geven van den samenhang, +zoowel der gebeurtenissen, als van z'n aandoeningen. Hy was als iemand +die den oogenblikkelyken barometerstand waarneemt, en daarby vergeet +het voorafgaande in rekening te brengen. Een door styging bereikt +standpunt heeft 'n andere meteorologische beteekenis, dan datzelfde +standpunt als rezultaat van daling. Gebeurtenissen, aandoeningen, +en zelfs zedelykheid, zyn onderworpen aan de algemeene wet der +traagheid. Wie zich toelegt op genezing van 'n fout, en ten-halve +geslaagd is, staat hooger dan 'n ander die in gelyksoortige fout +verviel en daarin afdaalde tot hetzelfde peil. Wat by dezen gegronde +reden geeft tot bezorgdheid, kan in den ander gelden als hoopvolle +verbetering. Iets dergelyks bepaalt den graad van geluk en tegenspoed, +of althans den indruk daarvan. En slechts met dien indruk hebben wy +te doen. 't Was karakteristiek van Wouter, dat-i--niet tevreden met +z'n veronderstelden rykdom--zich zooveel moeite gaf z'n kapitaal +natetellen. + +En de uitslag was niet volstrekt geruststellend. Hy wist de +by-omstandigheden niet aan elkaar te knoopen, die hem gelukkiger +maakten dan hy-zelf verklaren kon, doch welker invloed duidelyk +kan gemaakt worden voor ieder die niet zoo van naby in 't gebeurde +betrokken is. Men ziet zichzelf niet, en geeft zich maar zeer gebrekkig +rekenschap van den samenhang der gebeurtenissen en aandoeningen die +ons buitengewoon gevoelig maken voor zekere indrukken. In elk ander +tydsgewricht van z'n leven, na à ndere voorbereiding, op 'n à ndere +plaats, en te-midden van à ndere omgeving, zou 't nachttooneeltjen +in die vuile herberg, waarby Wouter 'n hoofdrol speelde, hem veel +minder sterk hebben aangegrepen. Tot zelfs de nawerking van Fockink's +likeur--zoo ontzenuwend anders!--verhoogde het schynbaar of wezenlyk +gewicht der zaak. Juist de uitputting die op zuike opwekkingen volgt, +had hem tot buitengewone krachtsinspanning gedwongen, toen-i zyn Femke +in gevaar meende te zien. En op-nieuw voelde hy zich vernietigd na +'t ondergaan der blyken van haar verachting. Wie dáár niet bezweek, +moest zéér veel veerkracht ontwikkelen, en deze ontwikkeling zelf was +'n oefening in kracht. Na Fockink, het dringen door de menigte! Na +die inspanning weer, haar... glimlach aan 'n ander, haar verachting +voor hèm! Toen had-i geschreid als 'n kinderachtig jongetje. En, nà +deze reeks van Rückschläge en défaillances--ik zoek 'n goed hollandsch +woord voor de hier bedoelde moed-smoorende ontkrachting--na dit alles +hield z'n gebogen ziel spankracht genoeg over, om hem wegteslingeren +uit z'n donkeren schuilhoek en, neervallend voor Femke's voeten, haar +te bezweren: "Femke, Femke, ik ben hier... ik Wouter! Om-godswil, +ga met die vreemde mannen niet mee!" + +Dà t was het! Dáárom voelde hy zich zoo gelukkig. [6] + +Wouter had het recht veroverd--'n recht dat zoovelen zich aanmatigen +zònder grond--dat hy zichzelf voor iets mocht aanzien. En zonderling, +zelfs het... kuiperytje van de oefenaarster had hem goed-gedaan. + +Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed +of... toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing 'n kind, +meer kind zelfs dan byna ieder die even ver als hy van 't uur zyner +geboorte verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort geleden nog ... 'n +kind in alle beteekenissen van 't woord. + +Doch zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg, +die hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan 'n "opvreter van +Stad en Land." Tot Wouter's groote verbazing voelde hy in zichzelf de +kracht--en den lust zelfs--die waarschuwing te trotseeren. Zeker was +geen der omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden dikwyls +"brutale bliksems" gezien, en konden niet weten dat Wouter ... nu ja, +van 'n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i niet. Toch had hy zich +by die gelegenheid voorgedaan als 'n persoonlykheid, eenigszins als +'n persoon... jazelfs--op 'n beetje na!--als 'n wezenlyke man. + +Kort daarop was deze onthulling gevolgd geworden door 'n beroep op +z'n ridderlykheid. "Dieven, moordenaars, en... 'n vrouw in nood!" De +gekste zotternyen die uit al die boeken in z'n gemoed gezaaid waren, +werden daar snel genoeg verwouterd, om terstond voor-den-dag te +treden als iets schoons: hy durfde! Hy durfde, ja, maar... niet +omdat-i moed had, o neen! Het durven-zèlf trok hem aan. God en die +zeven planken kunnen getuigen aan hoeveel ridders hy z'n woord zou +gebroken hebben, wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet der +belaagde onschuld. Dat-i gedurende z'n heldentocht geleden had aan +ontmoediging, is waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem slechts +gebakken aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar. Zoo'n +onthaal werkt niet bezielend. Om ons 't recht te geven, Wouter te +verdenken van... terugtrekkende krygskunde, zou men hem moeten hebben +waargenomen als z'n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe dit zy, +de jongen, of 't kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd getrokken +als n man. En... juffrouw Laps--'n volwassen persoon toch!--had hem +als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er bleek al spoedig dat-i +haar welkomer was in z'n hoedanigheid van ridder dan, byv. de oude +Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had hooren beschuldigen van +verregaande onvolwassenheid. Ook had zy verzekerd dat ze hem liever +had dan Stoffel, 'n persoonlykheid die toch nog altyd--waarheid +bovenal!--'n paar duim langer was dan hy. + +Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven +zich in veel opzichten "groot" te voelen. Maar toch zou er 'n gaping +bestaan hebben in z'n aanspraken op volwassenheid, indien er niet méér +geschied was. Z'n zonderlinge gastvrouw--hoe afschuwelyk ook vroeger +in zyn oog--had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na +'t verlaten van haar woning bleven doortrillen in z'n gemoed. Ze had +hem geleerd dat-i man was, en mneer, of iets anders ten-minste--'n mà n! + +Dit werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met +z'n gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in 't bevestigen +van z'n mondigheid. 't Was zeker al iets heel schoons--en niet +elk protestantsch handelsjongetje gegeven!--te kunnen dienen als +schild tegen dieven en moordenaars, maar... dat à ndere... o, lieve +onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid +aangetoond, dat hy--hy, Wouter!--kon bemind worden als verloofde, +als bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de minnaar in +'n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i Femke lief, ook zóó--à nders ook, +God weet het!--maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de oefenaarster +in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over z'n verregaande +onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot verdriet over den weg +dien z'n pas opgedane wysheid al te haastig insloeg. Had ze niet +als 'n Virgilische by, honig vergaard voor 'n ander? Was 't niet +'n pynigend: sic illae--Femke!--non mihi? [7] + +Zóó althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er dan Virgilius +niet by te-pas. Er was geen twyfel aan, dat juffrouw Laps hem, +met den vinger als 't ware, gewezen had op 'n vroeger onbekende +plek in z'n gemoed, en tevens dat deze ontdekking in-verband stond +met z'n eerzucht zoowel, als met z'n begeerte om te weten, en "het +Lot uittedagen". En over dit alles lag de gloed--we moeten oprecht +zyn!--niet van z'n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte +zinnelykheid die hy natuurlyk met deze liefde verwarde ... zooals +meer gebeurt, by dokters en patiënten beiden. + +Van dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy zich +tot den hoogmoed die by z'n nieuwen rang paste, naar-i meende. Als +'n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o allerlei! Dit, +o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze "maagd" was, en +ook niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld hebben met het malle +woord wulpsch? Hy wist het nu, o goden, zoo goed als Bilderdyk zelf, +en begreep dat zulke praatjes tegenover Femke niet passen zouden in +den mond van 'n "man." + +Het dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z'n genegenheid +voor 't meisje, 'n gevoel dat voor 't minst zeer hartelyk was... + +Men bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat +de onvoedzame dorheid van z'n huiselyken kring hem voorbeschikte tot +het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste. + +...dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen +had op z'n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf 'n +vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i eigenlyk +tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor de +prettige promotie. Maar zóó ver ging z'n erkentelykheid niet. Het +was al veel dat z'n afkeer veranderde in iets als medelyden, en +wanneer-i had kunnen toegeven in de overbruischende mildheid van +z'n hart ... waarlyk, hy had haar met genoegen z'n heelen broer +Stoffel afgestaan! Heel goedig nam-i zich voor, daaromtrent by +de eerste gelegenheid te dienen van konsideratien en aanpryzend +advies. Inderdaad, hy wou gaarne iedereen gelukkig zien, en waarom +dan háár niet, haar die hem zoo zelfopofferend den weg had gewezen +tot wat hy aanzag voor z'n eigen geluk? + +Maar al wat niet Femke-zelf was, hield hem slechts vluchtig bezig. Al +z'n eerzuchtige plannen van ... grover aard, weken beschaamd terug +voor z'n besluit om háár lieftehebben, háár te dwingen tot liefde. De +werelddeelen die van hem hun geluk wachtten... + +Láát ze wachten! Voor zulke nietigheden had-i nu geen ruimte in z'n +ziel. Hy dacht aan Femke, aan haar zachte mollige hand... + +'t Is waar ook! Nooit had hy die hand zóó gevoeld. Hy meende vroeger +dat ze ruwer was, steviger... + +Maar, eilieve, dan had-i vroeger verkeerd gemeend. Nu wist hy--ja, ja, +ja, want gedroomd had-i niet!--nu wist hy, dat de hand die zoo flink +'n zware ben met waschgoed van den grond wipte, fluweelig was als +'t boordsel van Hamlet's mantel, die vergulde kraag waaraan-i zooveel +gom had besteed om 't ding behoorlyk te doen glimmen. + +En ook had-i zich vroeger vergist in Femke's stem. En in haar +toon! Want zie, altyd zoud-i zich hebben voorgesteld dat zy, iets +nauwkeurig willende zien in 't donker, zou gevraagd hebben nà ar... +licht, o ja, maar anders uitgesproken, heel anders! Of liever, ze +zou--zoo meende Wouter in de dagen van z'n onkunde--ze zou by zoo'n +gelegenheid gezegd hebben: + +"Wil jelui asjeblieft die kaars even byhouden?" + +En de houding? Die heele Klaas Verlaan--'n man as 'n boom toch!--en +z'n makker, stonden verbluft! Wat ze die rechterhand uitstrekte! En +toch alweer... 'n droom was 't niet, al geleek het dan precies +op 'n droom! By 't openslaan van den mantel, had-i duidelyk den +blauw-geruiten boezelaar gezien. Zoo-iets ziet men niet zoo helder +in den slaap! Hy had de ruitjes kunnen tellen, als-i niet aan iets +anders gedacht had ... o, aan heel wat anders, en byna zelfs aan niets! + +Neen, neen, gedroomd had-i niet! Maar toch... wat al raadsels! + +Wat beteekenden die praatjes van den schipper over 'n m'nheer +Kopperlith? Wat bewoog hem zich met Femke te bemoeien? Haar +te... verlagen tot 'n ander? Hoe wist-i zoo op-eenmaal dat gemeene +wyf uit de kroeg aan z'n zy te krygen, haar en dien schreeuwer over +menschenrecht? Waarom ging Femke, in-weerwil van z'n bede, met die +mannen mee? Of ... zat zy alleen in dat rytuig. En waarom niet te-voet, +gelyk kinder- en bleekmeisjes gewoon zyn? En waarheen? Kon zy op +dat uur by de Holsma's te-recht? Of was ze naar hare moeder gereden +... die óók vreemd zou opzien als Femke daar kwam aanrollen in 'n +brommer! En uit welke fondsen zouden de "daaldertjes" betaald worden, +waarover die schipper gesproken had met 'n voorname onachtzaamheid +alsof 't maar duiten waren? + +Och, wat al mysterien! Maar hoofdzaak was en bleef dat hy haar vingers +gekust, en dat zy hem ten-aanhoore van drie personen allerplechtigst +haar broeder genoemd had. + +Dit stond vast als 'n rots. Al 't overige? By de eerste gelegenheid +zoud-i haar vragen om inlichting, die ze hem niet weigeren zou ... hèm, +haar broêr.., neen, broedèr. Zóó zei ze! + +Wat overigens 't gevaar aanging--of liever ... 't onbehagelyke--van +haar weggaan met die mannen, hy telde het niet meer. Al waren er tien +mannen met haar in dat rytuig geweest, by de minste onbehoorlykheid +hoefde Femke slechts de rechterhand uittestrekken, en allen zouden +gekropen hebben voor haar voet. Dit immers had hyzelf gezien, en dit +zou hy, Wouter, ook doen--met byzonder veel genoegen, waarlyk!--als-i +maar zeker wist dat ze hem terstond zou opheffen, of althans de hand +reiken tot 'n kus... + +Zoo mymerend doolde hy met lamme schreden--want hy voelde zich zeer +vermoeid!--door de als uitgestorven straten der stad. + +Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hy den Dam. Daar +stond 'n lange reeks van rytuigen voor en naast het Paleis te +wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor +bewaard voor de zonde van 't verwensenen der hooge gasten, die zich +blykbaar hadden voorgenomen 'n hollandsche zon te zien opgaan, doch wat +laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds te vertoonen, +en er was prins noch prinses te zien. + +Behalve eenige werklieden, wier dag wat vroeger dan die van de +anderen scheen te beginnen, stonden er geen toeschouwers om de +"kleine steentjes van 't Paleis." En gepraat werd er onder dat +schamel publiekje niet. Op de deugdzaamheid van de omstanders wil +ik niets afdingen, maar wel bleek er dat de verkwikkende morgenstond +hen slaperig maakte. Misschien heeft de fransche verzenmaker zich in +die beide menschelyke zwakheden vergist, en de eene voor de andere +genomen. Maat of rym zullen dit zoo vereischt hebben. + +Ook Wouter voelde slaperigheid. Gister nog zoud-i zich veel moeite +hebben getroost om 'n wezenlyken koning te zien te krygen--zeker om +te weten of zoo'n wezen op Macbeth, Arthur en King Lear gelykt--maar +nu... och, hy gaf er zoo weinig om. + +Juist wilde hy heengaan, toen de koetsiers zich oprichtten en in 't +styve postuur zetten, dat hun door Heeren, Vrouwen en traditie schynt +voorgeschreven tot verhooging van de deftigheid. Ze sloten de armen +aan 't lyf, als iemand die zichzelf 'n stoot met den elleboog in de +lenden geven wil, haalden de teugels op, en vertoonden zich zoo leelyk +en voornaam als maar eenigszins mogelyk was. Een schoenmakersjongen +die de wereld scheen te kennen, maakte hieruit op: "dat ze nou wel +gauw komme zouwe." + +Die "ze" waren Keizerlyke, Koninklyke en andere Hoogheden. Zoo'n +schoenmakersjongen steekt zonder omslag al zulke waardigheden als +bruine boonen op den elst van z'n tong. + +De olykert had juist geraden. "Ze" kwamen inderdaad, en bestegen de +meestal open wagens, die zoo snel wegreden dat Wouter 't gelaat van +al de Majesteiten en Hoogheden niet te zien kon krygen. Slechts één +bejaarde dame gaf op 't oogenblik van wegryden den koetsier met haar +zonnescherm 'n tikje op den schouder, dat zooveel scheen te beduiden +als: wacht even! + +--Ze het wat vergeten, diagnozeerde 't krispyntje. + +Drie, vier "Kavaliere" vlogen als weerlichten 't paleis in, +en schenen 'n wedloop te houden om den achtergelaten joujou de +Normandie te halen. Een hunner--de ongelukkige!--kon den ingang +niet vinden. Vreemder is 't dat de anderen wèl wisten binnen te +komen, omdat het achtste wereldwonder eigenlyk geen ingang hééft, +'n byzonderheid die zeer gevoegelyk voor negende wonder kan doorgaan, +en dan ook een der hoofdgronden is van den rechtmatigen trots der +Amsterdammers. Paleizen of Stadhuizen met 'n behoorlyke deur of poort +kan men overal te zien krygen. + +Twee ridders des Heiligen Roomschen Ryks betwistten elkander de eer van +'t veroveren... nu ja, veroverd werd er niets, maar ze kwamen te-gelyk +aanloopen met den joujou. Ze schenen 'n compromis te hebben gesloten, +en klemden beiden juist even ver duim en wysvinger om 't gouden +doosje waarin 't kleinood bewaard werd. Beiden lachten en bogen by 't +aanbieden, met gelyke allerunterthänigste Pflichtschuldigkeit. Onder +beiden verdeelde de rechtvaardige Palatine haar tevredenheidswenk van +den zevenden rang. Beiden klopte het hart met gelyke slagen, en wie op +'n goudschaaltje de zieleverrukking van die twee eendrachtige heeren +gewogen had... + +Toch ontstond er later twist. In den jare O. H. tweeduizend zóóveel, +procedeerden de naneven van die twee ridders, over de voorzitting in +'n demokratisch kieskollegie. Ridder A zou volgens de traditie z'n +wysvinger een millimeter verder onder de doos hebben uitgestrekt +dan de helft, en dus grooter aandeel hebben gehad in... grooter +aanspraak op... + +Gekheid! riepen de afstammelingen van z'n mededinger B. Onze voorvader +heeft er ook den ringvinger aan geslagen! Ziedaar ònzen titel, ònze +aanspraak! Welke onverlaat zou in deze demokratische eeuw, de rechten +miskennen... enz. + +--Zieje wel dat ze puissies in d'r gezicht het! riep de +schoenmakersleerling. + +'t Was de waarheid! Koninklyk-Keizerlyke puisten! Menschelyke +puisten! Dit had geen der poppen op Wouter's printen. Al z'n gekleurde +prinsen en prinsessen verheugden zich in gave gezichten, en 't viel +hem zeer tegen, dat 'n dame die tot den stoet van koningen en keizers +bleek te behooren, zoo bitter weinig op z'n printen geleek. Als hy +'t mensch gekleurd had, zou ze 'r beter uitzien, meende hy. + +Hoe geheel anders was dit met... háár, met Femke! Zy had frisscher +gelaat dan-i met al z'n vleeschkleur schilderen kon. En 'n houding! Nu +kwam hem op-eens voor den geest aan welke figuur ze hem had doen +denken, toen ze daar stond met half-opengeslagen mantel by 't +flikkerend kaarslicht: aan konigin Elisabeth van Engeland... juist! + +Maar deze vrouw met haar puistjes? Gut, ze kon best 'n waschvrouw +wezen, 'n allergewoonste waschvrouw, die nog slordig blauwde op den +koop toe, en zoekgeraakte mansetten te vergoeden kreeg. + +Het onaanzienlyk voorkomen van de Paltsgravin, werkte zeer... burgerlyk +op Wouter's verbeelding, en 't kwam hem niet heel waardig voor, +prinses te wezen, als men daarby puistjes in 't gezicht hebben kon +gelyk ieder ander. Hy beloofde zich vast en zeker, dat-i nooit Femke +verlaten zou om-den-wille van welke Majesteit ook. + +Wel voelde hy eenige yverzucht op 'n zeer jong mensch die kort na +'t wegryden van de Paltsgravin, 'n opening in 't Paleis scheen +gevonden te hebben, en naar buiten trad. Gelyk 'n deel der andere +Kavaliere--de meesten torschten 'n witte pruik, met 'n staartjen +in den nek--droeg hy eigen haar, dat vry lang was, en hem los om +de schouders slingerde. Z'n kleeding was 'n eenigszins fantastische +variant op de uniform der adelborsten van die dagen. De kleur van z'n +buis was donkerblauw, met roode opslagen aan hals en mouwen, doch +zonder 't minste goud, wat by de schitterende uitmonstering van al +de andere heeren, zeer in 't oog viel. Ook droeg-i geen ridderorde, +en scheen dus 'n gedistingeerd persoon te wezen, al ware 't hierom +alleen dat-i minder dan alle anderen op 'n begunstigde koninklyke +kamerdienaar of 'n hansworst geleek. Op z'n hoofd had-i 'n zoogenaamd +schotsch-mutsje, zooals ligt-matroosjes gaarne dragen. Twee jockey's +brachten 'n schoon paard voor, dat door den een by den teugel werd +gehouden, terwyl de ander den stygbeugel hield. + +--Dat 's god-straf-me-n-'n jonker! zei 'n sjouwerman. As de bliksem +zes man 't grietje-want in, om dat vet in 't blok te klaren! + +--Mot hy op dat paard? vroeg 'n oud-kavallerist, die 't in zyn vak +gebracht had tot "oppasser" van ongetrouwde ouwe-heeren. Weetje wat +ik zeg? Ik zeg: 'n zeeman op 'n paard, is 'n gruwel in Gods oog! + +Wouter was te onbedreven in de vakpedanterie dezer beide +pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap, om hun spotterny +te begrypen. Voor-i gereed was met het ontcyferen van dat "vet in 't +blok" en dien "gruwel" sprong prins Erik, den stygbeugel versmadend, +op den goudvos. De toeschouwers schrikten van 't steigeren, en maakten +zich gereed om wegtestuiven zoodra 't wilde beest blyk mocht geven +dat de "kleine steentjes" te nauw waren voor den stryd dien 't met +z'n ruiter aanving. Het zette den kop in de borst, steigerde, schoot +vooruit, en stond op-eens pal, zwenkte onverwacht, brieschte, schudde +de manen, schopte, trachtte z'n ruiter over-kop te werpen ... alles +te-vergeefs! Of prins Erik 'n gruwel in Gods oog was, weet ik niet, +maar hy zat vast in 't zaal, dit is zeker. + +--Dà t 'n zeeman? riep de oud-matroos--die in zyn tyd den welverdienden +bynaam droeg van "lamstralige snertmalènger"--dà t 'n zeeman? 't Is +de vraag of-i 't verschil kent tusschen'n bezaan en 'n fok! Al die +rykeluîs-zoontjes komen de kajuitspoort in! Ik en 'n ander kruipen +door de kluisgaten, zieje! Dat 's 't ware! + +En, als om op deze diepzinnige meening 't zegel te zetten, verschikte +hy z'n tabakspruim van rechts naar links. + +--Hm, zei de kavalerist-kleerenklopper, hy heeft meer 'n paard tusschen +de pooten gehad! Anders ... ik wil maar zeggen dat zoo'n pallas van +anderhalf verrel, 'r heel mal by staat. Die vliegeprikker slingert +het arme beest tegen de beenen. Hy moest dat ding opgespen. + +Prins Erik gespte niets op. Hy vermaakte zich met temmen van z'n +paard. Toen dit gelukt was, begon hy op zyn beurt het schoone dier +te plagen, en kittelde het met de sporen, onder 't inhouden van den +toom. Telkens gaf het blyk van goeden wil, maar scheen wat straf +te-goed te hebben voor z'n speelschen moedwil van zoo-even. Eindelyk +scheen de ruiter voldaan. Hy liet den vos, die niets liever wilde +dan de nog altyd wegrollende rytuigen narennen, z'n zin, en schoot +vooruit. De dunne gordel omstanders brak af, en op-eenmaal bevond +zich de ruiter voor 'n kruiwagen, die de dubbele funktie vervulde van +voertuig en augurken-magazyn. Nog juist by-tyds hield de jonge ruiter +z'n paard even in, maar toch... 't was te laat om te wyken. Op-eens +liet hy den teugel schieten, en 't vlugge dier sprong welberaden over +'t beletsel heen. + +De weinige toeschouwers riepen: hé! en onze prinselyke adelborst +joeg den stoet rytuigen na, die sedert eenige oogenblikken in de +kalverstraat verdwenen was. + +Het schoenmakertje, dat zooveel blyk gegeven had op de hoogte +van hofzaken te wezen, beweerde dat "ze" den Diemermeer zouden +doorryden, en, van daar terugkeerend, al de buitensingels om, door +de Haarlemmerpoort weer naar 't Paleis. + +Wouter verheugde zich hartelyk in z'n afkeer van de puistige +Prinses. 't Was hem als 'n geschenk van 't lot, dat hy eens eindelyk +iets had te zien gekregen uit 'n sfeer die van de zyne zoo hemelsbreed +verschilde, en dat toch z'n begeerigheid niet opwekte. + +Met dat schoone paard was 't iets anders! Wat 'n sprong! En wat +die jonge ruiter 'n lief gezicht had! Precies Hamlet... vóór 't +kleuren! Zoo'n paard zou hy ook wel eens bezitten, als-i maar op +goeden voet bleef met Femke... + +Dit scheen hem de eenige bron van alle geluk! + +...als Femke hem maar lief had! En... zoo niet? Wel, dan verkoos-i +niet eens 'n paard te hebben, geen ezel zelfs, en ... niets! 't Was +immers juist om door háár te worden bewonderd, dat-i z'n beest zulke +sprongen wilde laten doen over kruiwagens, of... hooger dingen! + +In afwachting van die gelukzaligheid te-paard, sukkelde hy voorloopig +op z'n voeten verder, en raakte weldra in de buurt van Femke's huisje. + +Hier zette hy zich op haar bleekveldjen in 't gras, en peinsde, en +voelde zich overmand van vermoeienis, en viel in 'n slaap die meer +onrustig dan verkwikkend was. + +Hy droomde allerlei vreemde dingen, waarvan de hoofdzaak was dat 'n +jong meisjen op 'n tafel stond, en zich vermaakte met het opwerpen +en vangen van zware mannen in schippersdracht. Ze speelde er mee, of +'t ballen waren... + +--Laat ik haar nu goed aanzien, vermaande zich Wouter. Straks rydt +zy de lucht in ... ze ziet niet op 'n daalder... en daarom... al is +'t nu maar 'n droom... + +En hy zà g. Hy staarde zoo scherp als men dat in 'n droom kan, en hy +onderscheidde duidelyk de trekken van ... de kleine Sietske Holsma! + +Zéker was zy het! Want ze riep heel verstaanbaar: 'n "massa" is +'n heele troep, weetje! + +En met zoo'n massa--die precies geleek op Klaas Verlaan en de +zynen--kaatste zy... + +--Dà t zal ik nu eens goed onthouden als ik wakker word, beloofde zich +Wouter. Men hoeft zulk volk maar tusschen duim en vinger in den nek te +pakken, en 't gaat vanzelf. Ik zal 't opschryven, want zoo'n droom... + +Van Femke geen woord, helaas! Zou men niet bevreesd worden inteslapen, +als men bedenkt dat dit ons verleiden kan tot zooveel ontrouw, tot +zoo'n valsheid? + + + + + + + + Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit + hoofdstuk weer overslaan. 't Is vol prozaïsch realismus, + zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van 'n + kastalische-fonteinnimf--tevens van beroep: waschvrouw--met + 'n ridder in de luur, die 'n brief ontvangt uit den hemel: mirakel! + + +Toen Wouter zich in 't gras zette met z'n rug tegen 'n boom, was z'n +voornemen daar te blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in +Femke's huisje. Al was 't dan hoogstonzeker of ze zich dáár bevond, +toch immers zou hy dan iets vernemen. In-allen-geval kon haar moeder +hem zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of +de wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was +ze geweest, dit had-i duidelyk gezien. + +Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma's--'n +nicht... hoe zà t dat in elkaar!--op de Kolveniersburgwal sliep, of +'s avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht, +iets zou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte... + +Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet +te veel geweest, en hy had er maar één. Hy viel dan ook weldra om, +en lag daar alleronfatsoenlykst. Z'n petje rolde in de sloot, en +verdween langzaam maar zeker onder 't kroos. + +De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar 'n +beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om bespiegelingen +te maken over de al te vroege rypheid van zoo'n jong ventje. Een +onderzoek naar de oorzaken van 't geval--hy toch kon ziek, gewond +of dood wezen--lag niet in de zeden. Dat zyn politiezaken. 't Was +volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed. + +Gelukkig was 't aantal voorbygangers, om 't vroege morgenuur, nog zeer +gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door 't grasveldje +kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te zien. Maar straks +als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg liggen, dat was zeker. + +Z'n droomen blyven--als 't wakend leven-zelf--'n zonderling mengsel van +schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog ...ziedaar +alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen +dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen. Even als +dichters en lasteraars!--vinden ze niets uit, en bepalen zich tot +eenige verandering in 't rangschikken of samenvoegen. Personen, zaken +en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander 't +heterogeenste. Wouter droomde precies als 'n ander in zyn geval zou +gedaan hebben, d. i. onder den indruk van de gegevens die hem waren +meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z'n lenden +waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem +pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en +kippenhokken. Z'n moeder zag het aan, en geleek op koningin Elisabeth +die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met háár geldje: +honderd kromme pietjes. Klaas Verlaan droeg 'n fluweelen mantel, en +zat schrylings op 'n gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i +heensprong over 'n dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook: +"massa"--persoon geworden--met 'n pruim in den mond, en verklaarde +dat-i Gooremest heette en op de Keizersgracht woonde, waar-i "met +God" in effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over +menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben ... dit was weer de +schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong: honneur au +plus vaillant, en scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die er +naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid 'n wolk +van toegeworpen lauwerkransen opving op 'n yzeren leerlineaal. + +Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in +werkelykheid, krygt z'n deel in 'n anderen droom. + +Maar, in-weerwil van 't vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven +en bont dooreen gemengde beelden van z'n herinnering, behield één +figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat +aan Wouter's verbeelding voorbyschoof. 't Was die van 't meisje dat op +'n tafel stond, en haar armen kruiste. + + + +--Lieve goeie god, jongen, hoe kom je dáár? Hoe kom jy daar? + +Zoo sprak 'n stem, eerst op eenigen afstand, toen naderby, en weldra +zelfs aan z'n oor. Hy had 'n flauw besef dat iemand bezig was hem +opterichten. + +--Sietske! mompelde de slapende. + +--Ja, zoo heet ik! Maar hoe weet jy dat? + +--Sietske... Holsma! + +--Wel zeker! Maar wie heeft je dat gezegd? En hoe kom je hier? Heel +fatsoenlyk is 't niet! Ben je dronken? 't Is 'n groote schande voor +zoo'n jong bloedje! + +Ja, zeker was-i dronken. Maar 't was nog altyd van den slaap. En +nogeens sprak hy den naam van Sietsken uit. + +--'t Kan me niet schelen dat je me by m'n voornaam noemt, maar ... hoe +kom je 'r aan? Heeft Fem je zoo wys gemaakt? 't Is 'n ware schand voor +god, dat ie hier zoo ligt als... 'n zwyn, dat zeg ik je! En zoo-even +nog... geen uur geleden, zat je d'r op als 'n banjer... 't Is schande, +zeg ik! + +De persoon die aldus tot hem sprak, was by hem neergeknield. Ze +richtte hem wat op, en hy viel wezenloos tegen haar aan, zoodat ze +wel genoodzaakt was, hem weer in 't gras te leggen. + +--Och, och, och, 'n waar schandaal! Zoo jong nog, en dan al zoo +gruweloos aan 't verpieteren! + +De vrouw die zich met Wouter bezighield, scheen te willen voortgaan +met de niet ongewone fout, 'n beschonkene z'n schandelyken toestand +te verwyten op 'n oogenblik dat-i onvatbaar is voor rede. Maar op-eens +bedacht ze zich, en, van toon veranderend: + +--Och, lieve god, 't is waar ook, riep ze, hoe kan ik zoo praten! 't +Kind is van 't paard gevallen, de stumpert! Jesis-Maria, wat +ben ik 'n gemeen schepsel! Zeg, jongeheer, ben je van je paard +gevallen? Och, och, och, wat doe je-n-ook op zoo'n beest! En... waar +is je skos-mussie? 't Stond je zoo aardig! En je sabeltje? 't Rinkelde +zoo! En nu al dood... Jesis-Maria! En je kleertjes? Och, lieve god, +hy is dood, en... van z'n paard gevallen! Ben je dood? + +--Sietske! mompelde Wouter. + +--Goed, goed, noem jy me gerust by m'n naam. Ik geef er niets om, want +groots ben ik niet, als je me maar zeggen wilt of je dood bent! Och, +och, och, Maria-Josef, hy is dood! Als Femke maar hier was! + +Daar trilde iets in den zevenslaper: Femke! Was zy 't? Femke? Was +'t niet Sietske? + +--Sietske ben ik, zei... Vrouw Claus. + +Deze vreemde mededeeling was de moeite van 't oog-opslaan waard! Maar +ze vielen weer toe, en hy tegen haar aan. + +--Je mag me noemen zooals je wilt--gut, waarom niet? Ik ben +waschvrouw--als je me maar zeggen wilt of je je bezeerd hebt, en of +'t erg is? En waar is je geruite muts? 't Is schande van je moeder, +dat ze je-n-op zoo'n beest zet ... 'n ware schande! Zeker heb je +armen en beenen gebroken? En je ribben? En misschien je nek, hè? Zeg +'t maar, jongen! Ja 't is schande van je moeder! Zoo-even zag je 'r +nog zoo snoepig uit ... geen uur geleden! En nu ... leg maar gerust +tegen me-n-aan. Och, wat zal Fem er van zeggen? De meid zal desperaat +wezen, en... ik ook! + +Wouter richtte zich 'n weinig op, en wreef zich de oogen uit. + +--Zeg, wat is er aan je gebroken? Wil je dat ik pater Jansen laat +roepen? Och, 't wurm kan niet spreken! Wat is er aan je stuk? + +--Stuk? Gebroken? Aan my? + +--Ja, stumpert, zeg 't maar! + +Wouter betastte zich. Toen z'n hand de plek bereikte, waar die +boomwortel z'n plooien en knoesten had ingestempeld, nam z'n gelaat +'n vragende uitdrukking aan. Geheel overtuigd dat men hem niet buiten +z'n weten had geradbraakt, was-i niet! + +--Gebroken? Stuk? Ik? + +--Wie anders? + +--En... wie zou dat gedaan hebben? + +--Wie? Wèl ... jyzelf, stumpert! + +--Ik? + +--Wat doe je-n-op zoo'n beest! + +--Op 'n beest? Ik op 'n beest? + +--Weet je dan niet dat je d'r afgevallen bent? + +--Ik? Van 'n beest gevallen? Van welk beest? + +--Van 'n paard immers? Weet jyzelf dat niet? Ben je dan +toch... misschien... 'n beetje... dronken ook? + +--Ik? Dronken? Van 't paard gevallen? Ik? + +En hy legde beide handen met wyd-uitgespreide vingers op de borst, +als om met onomstootelyke zekerheid vasttestellen van welke ikheid +hier de rede was: + +--Ik? Ben ik dronken? Ben ik van 't paard gevallen? + +--Wat à nders? Wie à nders? + +--God, god, hoe is dà t mogelyk? + +En nogeens betastte hy z'n rib die 't cachet droeg van den +boomwortel. Daarop greep-i Vrouw Claus by den arm, en schreeuwde, +op elk woord drukkende: + +--Je... zegt... dat... ik... van... 'n paard... ben... gevallen? + +--Ja, schaap, dà t zeg ik! Houd je bedaard! + +Nu sloeg Wouter de handen aan z'n hoofd, misschien begrypende dat +dà à r de ikheid woonde die geraadpleegd worden moest. De slotsom van +z'n overwegingen schynt zonderling, maar is natuurlyk: + +--Ik wou me graag eens wasschen! + +--Wel, dà t 's goed! riep Vrouw Claus verheugd. Zou er dan waarlyk +niets aan je kapot zyn? En waar is je muts? + +--Wasschen, ging Wouter peinzend voort, met heel koud water! + +--Goed, jongen! Kom maar mee naar de pomp! Ben je zeker dat je loopen +kunt? Heb je je beenen niet gebroken? + +Wouter betastte ze, en zei zonder de minste overyling: + +--Ik... geloof... het... niet! + +--En je ribben? + +--Ook... niet! + +--En je nek? + +--N...e...e...n! + +Om de goede vrouw gerusttestellen, schudde hy langzaam 't hoofd, +maar hy had wel eenigen moed noodig om die gymnastische bewysvoering +te beproeven. 't Mocht eens niet lukken! + +--Kom dan mee naar de pomp! En... zeg eens, jongen, maar jok niet, +ben je altemet niet 'n beetje... dronken ook? Zeg de waarheid! + +Wouter stond langzaam op, bedacht zich vry lang, en zei, blykbaar na +konscientieuze raadpleging van z'n herinneringen: + +--Ik geloof het niet! Maar... ik wou me zoo graag wasschen in heel, +heel, heel koud water... koud als ys! + +Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar 't erf daarachter, +waar 'n groote pomp stond. + +--Kleed jy je maar gerust uit, m'n jongen! Niemand kan je hier +zien. Maar... hoe kwam je 'r toe, my zoo op-eens by m'n voornaam te +noemen? Niet dat ik 't kwalyk neem, gut né, maar... + +Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om z'n +herinneringen te regelen, en 't werkelyk gebeurde te zuiveren van de +laatste droomerige toevoegsels, Hy verzekerde daarom dat-i... hoofdpyn +voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich behoorlyk gewasschen +had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te +ontkleeden. Met kostbare naïveteit dacht zy te-dezer-zake in 't +minst niet aan zichzelf, en meende al heel veel gedaan te hebben om +Wouter gerust te stellen, door 'n paar lakens over den rand van 'n +latten-schutting te slaan, zoodat nu 't erfjen, op de zoldering na, +vry wel naar 'n afgesloten kamer geleek. + +--Zie zoo, m'n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen sterveling! Wie +dáár overheen kykt, moet knap wezen! + +Geen "mensch" geen "sterveling?" En zy dan? Wouter wist waarlyk niet +hoe hy 't had. Gister nog zoud-i misschien zonder den minsten erg... + +Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En 'n beetje wyzer ook! En +dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten, +die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus? + +--Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je leedjes +niet tot je wil, dà t is het! Wat doe je-n-ook op zoo'n beest! + +En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z'n kleeren, +en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger geweest +was. 't Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat in hem was, +loste zich op in één uit afmatting berustend: in-godsnaam! De flauwe +tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door z'n baker opgevat als +kinderlyken gril, en dáármee wist ze raad! 't Scheelde weinig, of +ze had er 'n "suia, suia, kindje" by gezongen. Want--honni soit qui +mal y pense!--zoo bakerlyk was haar indruk by 't uitkleeden van den +jongen ridder. + +Toen ze gereed was, zette zy hem op 'n laag bankjen onder de pomp, +en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, en +weldra klaterde 'n breede waterstraal hem op hoofd en schouders. Van +teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, en Vrouw +Claus vatte z'n "brrr!" dat misschien beteekenen moest: "genoeg, +genoeg!" als 'n betuiging van tevredenheid op. + +--Ja, zieje, na zoo'n val stygt het bloed... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...naar je hoofd! En de kou van 't water... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...als je maar niet je nek gebroken hebt... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...want dan helpt het niemendal! En... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...denken, dat het nu genoeg is! ik heb... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...pyn in m'n milt! Maar anders, ik... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...ik wil wel! Zoo lang als je maar... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +... als je maar wilt! + +Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk +te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de patiënt +het verlangen mocht. + +--Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever hebt... + +--Brrr! + +...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd, +weetje? 't Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... 'n +ware spiegel, kompleet 'n spiegel! + +Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wà t zoud-i gezegd +hebben? Femke's rug, een... spiegel? + +--Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, dat komt +alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te wasschen +met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren, +flink! Maar ben jy gewoon 't zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik +ook wel... + +En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger +rees... + +--Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen, +bibberde Wouter. + +En hy kreeg 'n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer niet +verstaan kon. + +--Groene zeep is ook goed voor peesknoopen... + +--Brrr! + +...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent, +want dan... + +--Brrr! + +...is er niks an 'n mensch te doen. + +Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en +gebiologeerd, het waagde zich en z'n bankje eventjes van onder den +straal wegteschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry welsprekend +om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking niet +anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. En +bovendien... de goeie vrouw had z'n kleeren over 'n droogstok geslagen, +die niet onder z'n bereik was, en hy, gaandeweg wakker geworden, begon +schaamte te voelen over z'n volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef +onbewegelyk zitten, maakte zich zoo klein mogelyk, en verschool z'n +kin tusschen de knieën. Ik denk dat Adam in Genesis III ook zoo-iets +gedaan heeft, en dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat +verdrietig hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was. + +--Wou je nog wat? vroeg z'n goedige Najade. + +--Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat 'n nieuwe +straal--de slinger rees al!--hem weer de spraak zou afsnyden. Neen, +maar... + +De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als 'n +klomp en in-een gedoken zat: + +--Heb je véél pyn? vroeg ze. + +--Neen! Pyn juist niet, maar ... + +--Ben je misschien moe van 't ryden? + +--Van 't ryden? Ja, ja, ik ben erg moe! + +--Dà t is het! riep Vrouw Claus. En ik heb 't wurm in z'n slaap +gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat slapen... dat denk +ik er van. + +En met 'n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den +lezer--zouden er zyn, die hiertoe te laag staan?--droogde zy Wouter +af. Ze trok 'n beddelaken van de schutting, wikkelde hem--zoo +opgevouwen als-i was--daarin, en droeg 'm weg als 'n pakje waschgoed. + +Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte... + +--Strek jy je beenen gerust uit, m'n jongen, als ze maar... +in-godsnaam niet gebroken zyn. + +Wouter deed wat ze gelastte, en voelde 'n onbeschryfelyke gewaarwording +van welbehagelykheid. Z'n lichamelyke aandoening steeg tot verrukking, +toen z'n voedster de dekens naast hem "instoppende" de heerlyke +woorden uitte: + +--Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is 't bedje van +onze Fem, weetje! + +Op Femke's bed! Wèl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit hem goed zou +doen! Was 't niet jammer dat-i de kracht niet had, zich wakker te +houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde dit... als +kleine man en als ridder, maar hy bezweek als 'n mensch. + +Doch hoe plezierig 't wakkerblyven zou geweest zyn, ook de slaap--nu +van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met wat gras er +naast--werkte weldadig. Straks by 't ontwaken, zoud-i heel op z'n +gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich voorgenomen toen-i Vrouw Claus +hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. Voor ze die geheel bereikt had, +nam hy niets meer waar, zelfs z'n droomen niet. + +Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy's leiding, +al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot mensch... + +Want--onder ons, lezer--dáárop eigenlyk scheen de zaak aangelegd! + +Toen-i zoo ongeveer tegen vier uren in den namiddag wakker werd, +hoorde hy fluisterend spreken. Hy spande zich in, eerst om te weten +waar-i was, toen om te begrypen hoe hy daar kwam, en daarna om te +verstaan wat er gezegd werd. + +Het scheen er op toegelegd, op-nieuw voedsel te geven aan de +zonderlinge verwarring tusschen Femke en Sietske, die in z'n gemoed +ontstaan was. Zeer duidelyk hoorde hy Vrouw Claus zeggen: + +--Ja, Siet, maar... wat doet-i op zoo'n paard! Als ik z'n moeder was... + +En hoe Sietske nogal nuffig antwoordde: + +--Nicht, ik denk dat z'n moeder er niets van weet. Herman heeft het +ook eens gedaan, want, nicht, de jongens zyn zoo! + +Dus: Sietske was dáár! En... Vrouw Claus was haar nicht, en heette +ook Sietske! En... 't meisje dat op de tafel stond... + +Och, op-eens voelde Wouter zich weer minder gelukkig! Hy kon maar +in 't geheel niet wys-worden, noch uit het gebeurde, noch uit z'n +aandoeningen. Lichamelyk gevoelde hy zich welvarender dan ooit... + +Nooit had-i zóó 'n bad ondergaan, nooit zóó geslapen, na zóóveel +spanning en vermoeienis! + +...maar juist dit gaf hem volle ruimte om verdriet te voelen over de +verwarring van z'n denkbeelden. Was... dà t, dà t en... dà t, wáár, of +was 't niet waar? Daarop moest orde gesteld worden! Straks misschien +zou men hem komen vertellen dat-i op 't bed lag van Klaas Verlaan, +of van de liefelyke weduw Gooremest! + +Neen! Zóó ver zou de helsche spokery niet gedreven worden! Hy lag +wel inderdaad in Femke's kamertjen, of in haar bed toch, want 'n +byzondere kamer had ze zeker niet. + +--Als ik nu 'n stuk uit het laken knipte, dach hy, om morgen te kunnen +zien en tasten, en zeker te zyn? + +En hy bracht er Samuel 26 by te-pas, en droomde zich voor, hoe hy Femke +zou bezweren dat-i haar spies en waterkruik niet had meegenomen om te +dienen als getuigen tegen háár--'n spies zag hy niet, maar 'n Rebekka +stond er--doch alleen om zichzelf 't zwygen te kunnen opleggen, als hy +eens later weer mocht beginnen te vragen, te twyfelen, te ontkennen... + +Wat overigens het beddelaken aangaat, waaruit hy naar Davids voorbeeld +'n slip snyden wilde... 't was eigenlyk jammer dat-i niet aan zeer fyn +linnen gewoon was. Dit belette hem, de poëzie van 't byzonder grove +te genieten. Rein wàs dat lynwaad, als zy die daartusschen geslapen +had! Maar Wouter stond nog in lang niet hoog genoeg, om gevoelig +te zyn voor schoonheid in 't geringe. Was-i niet nog kinderachtig +verslingerd op fluweel, goud, satyn, en zulke voddery? Het zeer +grove weefsel van die lakens was wel inderdaad nog altyd te grof +voor z'n smaak, doch hierom alleen wyl die smaak niet fyn genoeg was +om de tegenstellend-fyne beteekenis der grofheid van dat weefsel te +waardeeren. Gelyk zeker soort van boekenmakers, zoud-i 'n prinses laten +slapen op geborduurde zyde... waarom niet op paarlen, tusschen lakens +van scherpgeslepen diamant? Hy wist nog niet dat men zich--behoudens +alle deftigheid, en eerbied voor de grondwet--Koninklyk-Keizerlyke +Hoogheden by-nacht, à nders kan voorstellen, en dat eenmaal misschien +'n prinses zich te gering achten zou, om Femke's bedje te schudden. + +Neen, neen, zóó ver was Wouter nog niet! Toch keek hy met innig +genoegen 't kamertje rond, en ademde den geur in, die z'n verbeelding +meedeelde aan alles wat-i zag. Al voelde hy zich dan niet in-staat, +den hier uit alles sprekenden eenvoud boven boekerige majesteit te +stellen, toch was-i reeds genoeg gezuiverd van 't à llergemeenste, +om die eenvoudigheid hooger te schatten dan 't benauwd-burgerlyke +waaraan-i gewoon was en dat hem zoo kwelde. Aan paleizen--die hy +nog nooit gezien had--bleef-i nog altyd de voorkeur geven boven +'n hut. Maar te kiezen hebbende tusschen hutten en huizen, tusschen +armoede en burgerlijkheid... o, dan helde z'n smaak onvoorwaardelyk +over naar den kant van 't geringste. + +En, alweer bedroog zich z'n smaak! Om nu niet te spreken van 't +onrecht dat-i aandeed aan wat ik nu in één woord: "burgerlykheid" +noem, door de achter- onder- boven- voor- zy- en opkamertjes waarin +dat maatschappelyk standpunt zich tot-nog-toe aan hem had geopenbaard, +te verheffen tot type--hy zag, door vergelyking dáármee, de Holsma's +voor ryk en voornaam aan--in veel wyder opzicht beging-i 'n fout. Noch +hutten, noch grove beddelakens, noch achterkamers, noch paleizen, noch +zelfs... de puistjes van 'n Palatine, bedingen--d. i. veroorzaken of +weren--de poëzie! Voor haar is dit alles gelyk. Zy zoekt en vindt +haar voedsel in 't schynbaar geringe, niet meer--maar vooral niet +minder ook!--dan in voornaamheid. Gelyk 'n godin--dit is ze, en... de +eenige!--alles overziend, alles waardeerend op juisten prys, alles +vervormend naar háár beeld, alles behoudend, samenvoegend en gebruikend +voor háár doel, de ongelyksoortigste bestanddeelen overgietend met +háár kleur, heft ze alles gelykmakend tot zich op, zonder aanzien van +persoon, standpunt of omgeving. Dit is haar roeping, haar behoefte, +haar Wezen. + +'t Was nog al wèl, dat Wouter niet naar juweelen zocht in 't kamertje +van de prinses zyner ziel. In-plaats hiervan bemerkte hy dat er nòg een +slaapplaats was: 'n "bedstee." Daar sliep zeker Femke's moeder. Tegen +een der wanden van 't vertrek was 'n wyde gemetselde schoorsteen, +alleraardigst gekleed in Delftsche ticheltjes. Ze stelde met hun allen +de opwekking van Lazarus voor, en de man met wien ik den lezer by 'n +vorige gelegenheid in kennis bracht [8] ontbrak niet. Wouter voelde +zich door dit staal van al te wonderbewyzend realismus minder gestuit +dan anders 't geval zou geweest zyn, want... op die poppen had Femke's +oog gerust. Dit denkbeeld adelde alles wat-i zag. Het kamertje was +overigens gemeubeld met vier matte-stoelen, waarvan een voor 't bed +stond, met z'n kleêren, netjes gerangschikt en blykbaar gereinigd, +er op. Zelfs z'n ryglaarsjes waren gepoetst. Die goede Vrouw Claus! + +In 't midden van de kamer zag hy 'n vierkante tafel, waarin 'n +lade die openstond. Het ding kon niet anders, omdat het gaapte door +overlading. De ons bekende wollen kousen staken boven den rand uit, +en wachtten op herstelling of misschien op terugzending naar den +eigenaar... naar pater Jansen? daar was meer brei- en ook naaiwerk +in die lade... goeie hemel, geestelyke onderbroeken misschien! + +Wouter sloot z'n oogen, en keerde zich gemelyk om. Wollen +kousen... va! Maar die onderbroeken... hy zag geen kans ze te +poëtizeeren! De schuld lag aan die broeken niet, meende hy, maar aan +den pastoor. Ik zeg dat de schuld aan hemzelf lag. Of er onderbroeken +lagen in die uitgeschoven tafella, kan ik niet zeggen, doch zoo ja, +dit zou voor Wouter geen reden geweest zyn, zoo vies z'n oogen te +sluiten. We willen hopen dat-i 't maar deed om 'n voorwendsel te hebben +tot nadutten. Dit kon wel wezen, want al voelde hy zich hersteld van +de vermoeienis, hy was nog niet bekomen van den slaap. Toch begreep hy +dat er 'n eind moest komen aan z'n Capua. Niet zonder inspanning sloeg +hy de oogen weer op, en zag nu iets dat hem liefelyker voorkwam. Aan +den wand by 't hoofdeneind van z'n kribbe--heel veel meer was Femke's +bedje niet--hing 'n krucifix met wywaterbakje van zeer gewonen steen, +waarop de bezitster hoogen prys scheen te stellen. Daaraan toch had +zy de eenige versiering aangebracht, die van haar hand in 't gansche +vertrek te vinden was. Het rustte tegen 'n vierkant schildje van +haakwerk, dat op 'n blad karton was gespannen. Blauw glanspapier +gluurde vriendelyk door de symmetrische gaatjes. + +"Daarmee zegende zy zich" dacht Wouter, en onwillekeurig stak hy de +hand in 't bakje... + +Het was droog. Nu, om 't water was het ons protestantsch jongetje +niet te doen. Hy wilde slechts z'n hand... wyden door aanraking met +iets dat door háár voor heilig gehouden werd. Hy wist met dogmatische +precizigheid--lieve god, op z'n katechizatie was-i de eerste in die +zaken, en had er mooie pryzen mee behaald--dat Roomschen zeer dom zyn, +en aan allerlei gekheid gelooven. Hierin namelyk ligt het verschil +tusschen Katholieken en... andere menschen. Wel beschouwd, begreep hy +dus zeer goed dat zoo'n wywaterbakje niets helpt voor de zaligheid, +en dat de lieden die aan zulke prullen gewicht hechten... + +Maar Femke dan? Was ook zy zoo byzonder afschuwelyk papistisch +dom... zy? Wel neen, ze was... Femke! Dit beteekende heel iets anders +in Wouters oog. Aan z'n eigen afgodery met háár, dacht-i in 't geheel +niet. Daarvan stond niets in z'n katechismus, en hy hoefde er dus +niet tegen te waken. + +Heel onprotestants sloot-i z'n vingers om den rand van 't schulpjen, en +trachtte zich voortestellen dat ze daar háár vingers ontmoetten. Dat +steenen ding was wel Femke niet, maar 't kwam hem te-hulp in 't +aanschouwelyk vóór zich dagen van haar beeld, en alzoo... + +Wat is dà t? + +Iets als 'n brief van zeer groot formaat, toegevouwen en dichtgegomd, +viel van achter 't karton uit, en op z'n bed. Wouter nam het op, en +zocht--'n oogenblik lang door naïveteit bewaard voor verbazing--naar +'t adres... aan hèm, natuurlyk! Het steenen Jesusje had hem iets te +zeggen, naar 't scheen. Een achtste kruiswoord misschien? Of kwam de +boodschap van... haar? Of van beiden tegelyk? + +Zóó was de eerste indruk van ons protestanterig vrydenkertje. Een +adres stond niet op den brief, doch in-plaats daarvan, 'n datum van +'n maand of wat oud. Gelukkig dat Wouter zich 'n oogenblik bezon, +voor hy den omslag losbrak. Reeds was z'n onbescheiden vinger daartoe +gereed, toen-i zich nog juist by-tyds verweet dat het stuk onmogelyk +aan hem kon gericht zyn. Immers, welke besteller had hem kunnen vinden +in dat domicilie? Hyzelf begreep ter-nauwernood waar-i was. Dit konden +bovendien noch Femke weten--hy vergiste zich: ze wist het--noch dat +steenen poppetje. + +Maar... 'n wonder? Gekheid! De "Heere" doet geen wonderen dan... op +zeer grooten afstand en... heel lang geleden. Dit is elk rechtschapen +Protestant bekend. + +Uit al deze beschouwingen,vloeide rechtstreeks de slotsom voort dat +de geheimzinnige dépêche onmogelyk voor hem kon bestemd zyn... + +Domme jongen! De brief was wel degelyk aan hem gericht! Met al z'n +wonderhekel wà s-i wel genoodzaakt den inhoud te zien, te begrypen, +in zich optezuigen... + +Bevend van aandoening en met eerbied plaatste hy 't kostbaar +stuk--ongeopend... maar gelezen en verstaan hà d hy 't!--op de oude +plaats, en sprong 't bed uit. + +Hy had den gesloten brief tegen 't licht gehouden, en... zyn gekleurde +Ophelia herkend. Dat beeldje bewaarde Femke in haar binnenste Heilige +der Heiligen... + +Nu eindelyk was-i wakker. Wie zou niet wakker worden na 't ontvangen +van zóó'n brief uit den Hemel? + + + + + + + + Nieuwe blyken der verdorvenheid van Vrouw Claus--en van + den auteur--in-zake: aesthetika. Een weerbarstige verloren + zoon. Verschyning van 'n muts en 'n Sybille. Geroepen, en... à ls + geroepen! Wouter begint iets van de "vier windstreken" te zien. + + +Hy kleedde zich aan, en trad in het andere kamertje, waar-i z'n +gastvrouw en de kleine Sietske meende aantetreffen. Maar er was +niemand. Nu eerst bedacht hy dat-i, na de weinige woorden die hy +verstaan had, geen verder gesprek had waargenomen. Het jonge meisje +was zeker na 'n kort bezoek by haar "nicht" reeds weder vertrokken. + +En Vrouw Claus zelf? Blykbaar had ook deze haar huisje verlaten, doch +ze deed het niet zonder 'n eigenaardig kenmerk achter te laten van +haar ruw karakter, grove levensopvatting en gebrek aan opvoeding. Dat +heeft men van de menschen die nooit verzen of romans lezen! + +Verbeeld u, lezer, wat het onbeschaafde vrouwmensch zich veroorloofd +had! Op 'n klein witwerks-tafeltje, waarby 'n stoel stond aangeschoven +als om uittenoodigen tot plaatsnemen, lagen twee boterammen van de +ons bekende soort op 'n ontbytbordje, en stonden mèt dat bordje op +'n alleronhebbelykst groote kom koffi. Die koffi was nagenoeg koud, +maar... overigens? Zouden niet sommige smakelooze realisten iets als +gloed meenen te ontdekken in dien toestel? Hoe jammer, niet waar, dat +zoo'n vrouw niet in haar jeugd door den bekenden: "dominee die terstond +bemerkte dat er wat in zat" gekuischt was met latynsche verzen! Zonder +maat, rym, spondaeen of mythologie, schreeuwden die plompe boterammen: + +--Tast toe, m'n jongen! Je moet honger hebben! + +Zóó verstond Wouter de alexandrynen van Vrouw Claus. En hy handelde +flinkweg naar z'n overtuiging, door ze met smaak te verslinden, +waartoe wel eenige volharding noodig was, want waarlyk ... één +mondvol meer, en 't was te veel geweest. Hy voelde zich versterkt, +en ook die lauwe koffi deed hem goed. O, dat heerlyke, heerlyke +proza! Zoo'n namiddag-ontbyt... + +'t Is waar ook! Eigenlyk was 't plan geweest, dat-i zou ontbeten +hebben by... + +Hy ontstelde, en verviel--nu door honger noch slaap gekweld--in angst +voor den afloop van z'n zonderlinge uithuizigheid. Het huis Pieterse +torende als 'n verzwelgende waterhoos voor z'n verbeelding op, en +verdreef zelfs de behoefte aan opheldering van al de mysterien die +hem omstrikten. + +Naar huis? Hy durfde niet! + +Z'n moeder, Stoffel, z'n zusters... zy allen vertoonden zich als +Shakespearsche heksen, met kromme nagels, en ongekamde slangen op het +hoofd. Zelfs Leentje, z'n goedig advokaatjen anders, zou hem--als +by gelegenheid van de aardappelgeschiedenis--verraderlyk afvallen, +en zeggen: + +--Ja, maar... zieje, Wouter, dat 's ook geen fatsoenlyke manier van +doen! Déze keer moet ik heusch je moeder gelyk geven. Weetje wat je +doen moet? Vraag excuus, en zeg dat je 't nooit weer zult doen. + +Och, och, Leentje, je weet niet wat je zegt, kind! Ik geef 't je-n-in +drieën, in zessen, in tienen, om na zóó heen-en-weer te zyn gegooid... + +Een oogenblik dacht Wouter aan 't vierde tafereel van den Verloren +Zoon... hm! Hy wist zeer goed dat de zaak niet op vergiffenis en +kalfsvleesch zou uitloopen. "Vader--dit werd: "moeder" hier, maar +'t variantje doet niet tot de zaak--moeder en Stoffel dan, ik heb +gezondigd... + +Sakkerloot, ik hèb niet gezondigd! Niets ... niemendal! Heb ik wat +verkwist? M'n erfdeel? Geen duit! Heb ik wyn gestort? Geen drup! + +De zuivere waarheid! Noch juffrouw Laps, noch Vrouw Gooremest, +wat dan ook overigens de grieven van deze beide dames tegen Wouter +wezen konden, hadden 't recht hem aanteklagen van bovenmatige +spilzucht. En... Vrouw Claus? Deze had hem, ongevraagd-ongeweigerd +immers, krediet gegeven voor koffi, boterammen en verblyf... dagverblyf +slechts, nu ja, maar dit kon nu eenmaal niet anders, omdat de +nacht onherroepelyk was voorby geweest toen ze hem opvischte van +dien boomwortel. Kon hy dit alles helpen? Was-i nu daarom prodigue, +of... verloren dan, als men zich koppig houden wil aan den hollandschen +tekst, die nog altyd--volgens juffrouw Pieterse--de eenig-ware is? + +Wouter vloekte nogeens: sakkerloot! Verder durfde hy ditmaal niet gaan, +hoewel-i terdeeg boos was. Hy kon niet wys-worden uit al z'n zonden, +en begreep toch dat er iets aan hem haperde, want... naar huis durfde +hy niet. + +Met wyde stappen liep hy de enge kamer op-en-neer, en sprak of dacht: + +--Heb ik pleizier gehad? Neen! Heb ik gastmalen aangerecht +met vier dames? Neen! Heb ik jachthonden laten rondloopen in de +eetzaal? Neen! Heb ik al m'n goederen op 'n kameel gepakt? Neen! Heb +ik 'n zwarten knecht gehad, die m'n paard hield? Ben ik er op gaan +zitten? Weggereden... + +Hier bleef-i steken! Van kameelen en hooggekleurde juffers voelde hy +zich zuiver. Ook van jachthonden, wynkruiken en dien zwarten knecht, +maar... 'n paard? En... ryden? + +Vrouw Claus was toch niet gek, niet beschonken! Had ze hem op z'n paard +gezien... ja of neen? Had-i op zoo'n beest gezeten... ja of neen? Zoo +neen, dan was ook dat meisjen in de herberg niet Femke geweest! Dan +was zy evenmin Sietske geweest! Dan was ook die kroeg geen kroeg +geweest, die schipper geen schipper, Laps geen Laps, likeur geen +likeur... dan was à lles schyn, verblinding, droom, goochelspel, waan, +bedrog, razerny, dolheid! Dan was ook het standbeeld met gekruiste +armen en strengen blik... o God, zou ook dà t niets geweest zyn dan +'n sarrend spook? + +Maar... dit was nu de vraag niet. De vraag was, hoe hy 't moest +aanleggen om zich weer te doen inlyven by den huize Pieterse, waartoe +hy nu eenmaal van gods- en rechtswege behoorde... + +Hy pluisde de kruimels van z'n bordjen, en riep, ditmaal niet zonder +onbehoorlyk zeedyksch tusschenvoegsel: + +--Ik wou--...........--dat ik zoo'n kruimel was! Dan wist ik ten-minste +waar ik heen moest! + +En hy stak 't ding in z'n mond. + +Ziedaar de eerste broodkruimel die zich beroemen kan, benyd te zyn +geworden door 'n heertje van de Schepping. + +--Naar... Amerika? + +Dit lachte hem wel toe. Als-i maar in 't bezit was geweest van de +fameuze honderd guldens, waarmee men--volgens z'n moeder--in dat land +kan leven als 'n prins. Doch, nader overlegd, ook die verbazende som +zou hem niet geholpen hebben. Hy kon immers 't huisje van Vrouw Claus +niet ongesloten overlaten aan de hebzucht der voorbygangers? God weet +wie daar al zoo vermoord zouden worden, als voorbygaande booswichten +'t leeg vonden, en onbewaakt! Mocht hy z'n post verlaten, hy die +aanvankelyk was uitgetrokken--'t is waar ook, maar 't was hem +ontgaan--tegen roovers? En, zonder nu juist aan moord of doodslag +te denken, was 't geen medeplichtigheid aan heiligschennis, Femke's +wywaterbakje--en wat daar achter stak!--bloottestellen aan den +ongewyden blik van nieuwsgierigen? + +--Neen, neen, riep-i, en hy nam de huisgoden tot getuigen, ik ga niet +naar Amerika! + +Bovendien, wat zoud-i daar doen, zonder... háár? Dat de Weledele heer +Motto vertrokken was in z'n eentje, was zyn zaak--ieder moet handelen +naar z'n overtuiging!--maar hy, Wouter, 'n nieuw werelddeel betreden, +zonder by 't aan-wal stappen, het neerteleggen voor háár voet... zonder +tot háár te zeggen: trap er gerust op, daartoe juist heb ik 't expres +veroverd voor jou... dat nooit! + +Amerika zelf zou 'r geen vrede mee hebben! Wat is 'n ridder zonder +dame? En welk werelddeel nam ooit genoegen met 'n zoo gebrekkig +toegerusten veroveraar? + +De zaak was nòg onmogelyker dan ze hem in-den-beginne toescheen. By +nader inzien kon-i evenmin naar Amerika, als naar huis... hy had geen +hoed, geen pet, geen muts! Verbysterd keek hy rond, en zag niets dat op +'n hoofddeksel geleek. Toch wel! Daar hing 'n noordhollandsch-friesche +kap op 'n mutsebol, maar... + +De deur werd behoedzaam geopend, en 'n onzichtbare hand die om den +rand boog, hield Wouter 'n elegant mutsje voor... precies geschikt +voor veroveraars, en jongeluî die 't worden willen. Wouter sperde +mond en oogen op, en stond daar als 'n verbaasde Term... + +Wouter's verbazing was gegrond. Hy staarde 't geheimzinnige mutsjen +aan, en twyfelde weer of-i wakker was. Het aardig spookje scheen +aan den rand van de deur te kleven, maar onbewegelyk was het +niet. Verbysterd vroeg Wouter, alsof hy te doen had met 'n levend +voorwerp: + +--Waar kom jy vandaan? Wat wil je van me? + +'t Was al wel dat-i niet, gelyk Luther den Duivel, 't onschuldig +voorwerp iets naar den kop keilde. Z'n boterambordje, byv. dat zeer +geschikt was voor zoo'n worp. + +Er was beweging in de deur, en ook 't mutsje trilde. Nogeens vroeg +Wouter vry onthutst--'t klonk inderdaad als 'n vade retro!--wat +het wilde? + +Als 't mutsje zelf geantwoord had, zoud-i 't op dit oogenblik niet +vreemd gevonden hebben. In-plaats daarvan echter piepte een bevend +stemmetje van achter de deur: + +--Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik mag niet binnen komen. Hier +is je mussie ... neem maar aan... als je de rechte bent, want dat +moet ik eerst weten. + +Wouter bekeek zich. "Ik... naakt? Wel neen! En... de rechte? Ben ik +de rechte?" Dit scheen-i niet te weten. + +Hy liep naar de deur. De muts verdween, en de deur werd toegetrokken +tot op 'n kier. + +--Wie is daar? Wie ben je? snauwde hy. + +--Ik ben 't Stakkervrouwtje. Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik +breng je je mussie... as jy 't bent, de rechte! + +Woedend rukte Wouter de deur open, en grimde de zonderlinge +boodschapster aan ... + +'n Heks, 'n ware heks! De gelykenis met een der Megaeren uit den +Macbeth op z'n printen, was treffend. + +Wat al overleg moet het Fancy gekost hebben om die vrouw te doen +geboren worden op 't vereischt oogenblik, en haar tachtig jaar in +'t leven te houden--in wèlk leven!--om dáár op haar post te zyn met +'n muts in de hand, juist toen hy om zoo'n kleedingstuk verlegen +was. O, domme ondankbare Wouter! Want: + +--Wat motje? zeid-i zoo ruw mogelyk. + +De arme mismaakte stumpert schrok drie waggelingen achteruit. + +--Is uwe niet naakt meer? Wezenlyk niet? + +--Heere-krrristis, wyf--de lapsische verbazings-terminologie had +school gemaakt--wat wil je van me? + +Ze bekeek Wouter van 't hoofd tot de voeten. + +--Ze had gezegd dat je rooie lappies op je kraag had... + +--Wà t op m'n kraag? + +--Rooie là ppies. En 'n sabeltje! + +--En dat ze je-n-onder de pomp had gezet... + +Dit klonk minder onzinnig. Onder de pomp was-i geweest, inderdaad +en... terdege! Maar wat er nu volgde, maakte Wouter weer kriegel. + +...en heelemaal naakt had uitgekleed... as 'n wurm. En dat ik +niet moest binnengaan, omdat ze niet wist of je-n-al je kleertjes +áánhad. Waar is je sabeltje? + +Ze hield het mutsjen op haar rug, als om te betuigen dat ze 't niet +zou afgeven voor ze dat sabeltje zag. + +Wouter wist niet wat-i zeggen zou, en begon weer te twyfelen aan z'n +verstand. Na eenig zwygen: + +--Wie bèn je? + +--En wie ben jy dan, jongeheer? Ben jy 't matroossie die van 't paard +is gevallen? Je ziet er niet uit als 'n matroos, en ik geef je de +muts niet! Vrouw Claus zou me... + +De naam van z'n gastvrye bronnefee bracht Wouter tot nadenken. Hy +meende 'n gelegenheid te bespeuren, eenig licht te doen opgaan over +al de geheimenissen die dreigden hem krankzinnig te maken. Op-eens +van toon veranderend, noodigde hy 't oude vrouwtjen uit, binnen te +komen. Ze gaf hieraan aarzelend gehoor, maar bleef den muts aandrukken +tegen den onderkant van haar bochel. + +--Vertel me-n-eens, zei Wouter zoo minzaam hem mogelyk was, wat je +hier komt doen, en wie je gezonden heeft? Wil je niet zitten vrouwtje? + +En hy schoof haar 'n stoel toe. Maar ze kon er geen gebruik van +maken. Ze was te verdraaid van gestalte, en bovendien te klein, +om zich ter-ruste te zetten op zoo gewone wys. + +--Ja, zitten wil ik wel, maar dat doe-n-ik zoo op m'n eigen manier. Heb +je niet 'n stoof voor me? Die geeft me Vrouw Claus ook altyd, als +ik hier kom eten, want ik eet hier driemaal in de week. Daar staat +er een... + +Wouter volgde de richting van haar vinger, en zag 'n drietal stoven +op 'n stapeltjen in den hoek staan. Hy vloog er heen, greep er een +in de traditioneele vyf gaatjes, en zette den troon die z'n sybille +zou dienen voor drievoet, achter haar neer. De handbeweging die nu +tot plaatsnemen uitnoodigde, was waardig, vroom, bevallig, galant, +in één woord: ouwerwetsch-ridderlyk. Hoe à nders? Die vrouw spysde +driemaal 's weeks in dat huisje. Die vrouw had Femke gezien. Die +vrouw kende zyn Femke. Die vrouw zat daar waarlyk heel goed op haar +stoofje. Wie er mee gespot had, was 'n gek. En ook hy ging nu zitten, +en nam iets aan van de houding der notarissen, als ze zich 'n uitersten +wil laten voorzeggen. + +--Je komt dus van Vrouw Claus? + +--Ik mot eerst weten wie je bent, jongeheer. + +--Wouter Pieterse. + +--Dat kan me niks schelen. Ben jy de jongeheer die van 't paard +gevallen is? Dà t mot ik weten. + +Wouter zag nu in, dat hy om iets van Femke te vernemen, wel +genoodzaakt was zich de onderscheiding aantematigen van 'n nooit +geleden ongeluk. En dus: + +--Ja, ja, ja... o zeker, zeker! Ik ben van 't paard gevallen, +wel... zesmaal! + +--Zy wist maar van ééns! Maar... zesmaal, zeg je? Je was dus wel +wezenlyk 'n beetje dronken? + +--Ja, o ja, ik was dronken... heel erg! + +--Zóó? vroeg de bes, nog altyd wantrouwend. Je was erg dronken, zeg +je? En hoe komt het dan, dat je niet heelemaal naakt bent? Want ze +zei dat ze je-n-onder de pomp... + +--Ik heb me weer aangekleed. + +Dit scheen de achterdochtige vrouw niet volstrekt onmogelyk te +vinden. Maar op-eens: + +--En je rooie lappies dan? Waar heb je die gelaten, hè? + +Luk-raak antwoordde Wouter dat "die dingen"--hy wist waarachtig niet +wat ze bedoelde--in de sloot gevallen waren. + +--Komaan, vleide hy zoo verteederend mogelyk, zeg my je boodschap +maar! Ik ben heusch van 't paard gevallen, en erg dronken geweest! Gut, +zoo erg! Je hebt er geen begrip van, hoe dronken ik geweest ben! Och, +zeg me nu asjeblieft je boodschap! + +Ze liet zich bewegen. Heel gelukkig. Hy was waarachtig in-staat geweest +haar te streelen, maar deze ramp werd hem uitgewonnen, want ze begon: + +--Ik ben 't Stakkervrouwtje, weetje, en woon achter de planken, +by den molen, en Vrouw Claus is eigenlyk 'n nicht van me ... + +O goden, alweer 'n nicht! Als Wouters liefde eenmaal behoorlyk +"bekroond" wordt, wat aan my staat... + +Aan my, en aan... háár: Fancy, Femke, of hoe zou ze +heeten? Causaliteit, misschien? + +...nu, ik wil maar zeggen dat-i dan op-eenmaal in 'n zeer groote +familie komen zou. + +--Ja, 'n nicht, of... 'n tante misschien. Neen, ik ben háár tante. Als +ik m'n broer was, kon ik haar oudtante wezen, of... 'r grootmoeder. En +de kleine Fem is naar me genoemd, of... naar m'n overgrootmoeder +eigenlyk, want in onze familie heeten we allemaal Fem of Sietske. En +de mannen heeten Sybrand of Erik. Dat wist je zeker niet, hè? + +--Sybrand? + +--Ja... of Erik! Maar ik woon achter de planken... + +Op-eens doorschoot Wouter de gedachte--te vroeg was 't niet!--dat die +vrouw krankzinnig was. En er was iets van aan. Maar niet alles wat +ze zeide, gaf daarvan blyk. Integendeel, wie vertrouwd ware geweest +met de oorzaken die haar indrukken benevelden, zou misschien tot +de slotsom gekomen zyn, dat haar verstand in sommige oogenblikken +helderder was dan van menig ander. Niemand is volmaakt gek. + +--Achter de planken? vroeg Wouter. + +--Ja, achter de planken van den molen. Want dáár woon ik, omdat +het de molen is van m'n grootvader. Vraag maar aan alle menschen, +of-i niet gebouwd is door Erik Holsma... den Stoereman? Want zóó +werd-i genoemd. Dà t was 'n kerel! Hy kon er wel zes aan, als jy! 't +Is eigenlyk myn molen, maar ik geef er niet om, als ik maar slapen +mag achter de planken... + +Notaris Wouter keek vragend. + +...ja, omdat ik daar 'n vryertje wacht. Jy bent het niet, maar je +lykt wel wat op hem. En als je wat stoerder was... want stoer was-i! + +Zeker, die vrouw was krankzinnig! + +...'n vryertje, weetje! 'n Smuke jongen die alles neerslaat wat niet +deugt. En hy krygt den molen van me... 't is 'n bovenkruier. Met +paltrokken houd ik me niet op. En jy? + +Wouter werd verlegen. Wat had-i aan zoo'n gesprek? Te weinig ontwikkeld +nog om belang te stellen in de ziektegeschiedenis der ziel van die +vrouw, trachtte hy haar aandacht terug te brengen op de zaken die +hem belang inboezemden. + +--Ja, ja, 'n bovenkruier, beaamde hy, zonder te weten wat dat voor +'n ding was. En wat heeft vrouw Claus je voor my opgedragen? + +--Wel, ze had me geroepen, om met 'r meetegaan om in de Halsteeg +'t mussie voor je te koopen, omdat je naakt was. 'n Mussie van fyn +laken, en 'n rand van allerlei kleur, en 'n kwast van bonte wol. De +Stoereman droeg nooit anders, want zie je, eigenlyk was-i 'n prins, +en heette Erik. + +--En wat zei Vrouw Claus? + +--Dat ik je 't mussie geven zou, maar niet binnen gaan, omdat je +heelemaal naakt was. En ze had zooveel "wasschen" thuis te brengen. En +ik moest je zeggen... als je wakker was... want, zei ze, je sliep... + +De stumpert richtte zich aan de tafel op, en trachtte te zien wat +daarop lag. + +...als je niet sliep, moest ik je zeggen dat er... op de tafel in +'t voorhuis... dat is hier, weetje? + +--Ja, ja, dat is hier! + +--Daar zou 'n boteram voor je staan, en die zou je eten, zei ze, +als je... wakker was. + +--Ja, zeker! Die zou ik eten... + +--Als je wakker was! + +Nog altyd trachtte zy den boteram te zien te krygen. Wouter maakte +'n eind aan haar onderzoek, door de verzekering dat-i de bedoeling +van Vrouw Claus volkomen begrepen, en zich reeds dien-overeenkomstig +gedragen had. Ze hurkte weer neder. + +--Als je wakker was, zei ze. Maar anders moest ik niet binnengaan... om +je naaktheid, zieje! Hy was ook naakt... + +--Wie toch? + +--Prins Erik. + +--Wil je die geschiedenis hooren? vroeg ze. + +--Neen, neen, dankje wel! En geef me 't mutsje maar, en ga nu maar +heen. + +Hy strekte de hand naar de muts uit, maar ze trok die snel terug. + +--Ben jy 't jongetje dat van 't paard is gevallen? + +--Wel zeker! Geef op, de muts! + +--Dà t zal ik wel laten! riep ze. Niet voor ikzelf je van +'t paard zie vallen. Ik moet het eerst met m'n eigen oogen +zien. Denk... jy... dat... ik... mal... ben? + +Hy wou haar 't begeerd voorwerp ontrooven. Maar sneller dan-i +verwachten kon, vloog ze de deur uit, en verdween. + +Alweder moest Wouter zich afvragen of-i te doen had gehad met +'n verschyning? + +Hy werd moe van 't ongewone, en begon intezien dat ook 't +eentonig-banale z'n aangename zyde heeft. Met iets als heimwee, +voelde hy zeker verlangen naar de huiselyke atmosfeer van verveling +in zich opkomen. + +--In-godsnaam naar huis, zuchtte hy, met of zonder muts dan! En... ik +zal de deur zoo goed mogelyk sluiten, want hier kan ik 't niet langer +uithouden! + +Juist was-i van plan dit heldenstuk uittevoeren, toen de deur opnieuw +geopend werd. Er trad iemand binnen. 't Was dokter's Kaatje. Wouter +herkende haar niet, en begreep er niets van, toen ze hem zeide door +Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy zich bevond? Hy zag de +boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan. Eindelyk: + +--Kom... jy... me... nu... hier... ook... voor... mal... houden? + +--Gut jongeheer! Ik kom van Femke... + +--Van... welke... Femke? Is... dat... misschien... weer... +'n grootmoeder van je, hè? + +En met dreigend gebaar deed hy 'n stap vooruit. + +--Ben... jy... de vryster... van... Stoereman den molenaar, hè? + +Weer 'n stap vooruit. En Kaatje terug! + +--Kom... jy... ook... hier... alweer... kyken... of... ik... +heelemaal... naakt... ben, hè? + +--Och, jongeheer, wat 'n praat! + +--Wil jy... me... ook... van 't paard zien vallen... hè? + +Kaatje was de deur uitgedrongen. Hy volgde haar met gebalde vuisten. + +--Maar... jongeheer, om-godswil, wat mankeert je? + +--Wat... me... mankeert? Ik wil niet langer voor gek worden gehouden, +dà t mankeert me! Versta je dà t? + +Ze week jammerend terug, en noodigde hierdoor tot vervolgen uit. Z'n +woede voedde zichzelf, en met afgemeten groote stappen--komiek om +te zien, maar voor hèm de maatslag van z'n verwenschingen--drong +hy voortdurend op haar toe. Ze legde rugwaarts den weg af, dien ze +gekomen was, het padje door 't bleekveld. + +--Och, lieve-jesis, als dokter maar kwam! + +--Waar... zie... jy... me... voor... aan? + +--O god, o god... + +--Wat... denk... je... van +me? Denk... jy... ook... dat... ik... dronken... ben? + +--Neen, neen, o neen... volstrekt niet! + +--Of... gek? + +--Bewaar-ons! Och, waar blyft dokter! + +Twee gelykluidende kreten maakten 'n eind aan den zonderlingen +wedloop. Atalante riep: + +--Daar is-i, goddank! + +Meleager: + +--Daar is-i, goddank! + +De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam +aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar +kikkers vischten, z'n pet hadden opgehaald. + +Wouter nam zonder omslag z'n eigendom terug. Kaatje vloog Holsma +te-gemoet, en deed 'n jammerklagend relaas van haar wedervaren. + +--Zou 't zóó erg wezen? zei de goede man. + +Hy naderde ons leerling-menschje, dat bezig was z'n petje te zuiveren +van modder en kroos, en sprak hem aan. + +Wouter zag verschrikt op. + +--Zoo, m'n jongen, ben je daar? Wel, dat treft goed! Ik kom je +vragen of je plezier hebt, vandaag by ons te komen eten? We wachten +je allemaal, en van-avond gaan we misschien samen uit, als je lust +hebt, ten-minste. + +Dà t was de toon die vereischt werd! + +Wouter berstte in tranen uit--de weerslag van z'n woede--en vloog +den dokter om den hals. + +--Asjeblieft, asjeblieft, m'nheer! Dat 's met-een goed voor m'n moeder! + +Holsma wenkte Kaatje die--bang voor Wouter--op eerbiedigen afstand +het tooneeltjen aanzag. + +--Ga aan juffrouw Pieterse zeggen dat de jongeheer by my is, en den +heelen avend blyft. + +--Ja, riep Wouter haastig, en... + +De geneesheer zag hem onderzoekend aan. Hy vreesde iets van de hem +aangekondigde krankzinnigheid te bespeuren. Maar Wouter's oog spelde +niets verdachts. En z'n woorden ook niet: + +--M'nheer, mag ze 'r asjeblieft byzeggen... + +--Welnu, m'n jongen, spreek op! Wà t moet ze 'r byzeggen? Wat heb +je-n-op je hart? + +--Dat ik... by u ben geweest... den heelen, heelen dag! + +Holsma bedacht zich even. + +--Wel zeker, zeid-i, den heelen dag. + +--Van van-morgen... zeven uur af? + +--Ja, van zeven uur af, herhaalde de dokter. + +--Ik heb... by u ontbeten? + +--Goed, de jongeheer heeft by ons ontbeten. Wel zeker, hy heeft by +ons ontbeten! Je kunt wel meeryden, Kaatje. + +En Wouter in 't koetsje leidende, gaf-i den koetsier last optehouden +voor 't huis Pieterse: "waar 't meisjen 'n boodschap had." Toen hy +naast Wouter plaatsnam, greep deze z'n hand, en riep: + +--Och, m'nheer, wat 'n geluk dat ik u zie! + +--Vind je! 't Is toch... louter toeval. Vrouw Claus is... + +--'n Nicht? viel Wouter haastig in. + +--Ja, en 'n zeer brave vrouw, antwoordde Holsma met 'n eenvoudigheid, +waartoe Wouter nog in lang niet zou in-staat geweest zyn als ze zyn +nicht geweest was. + +--Ze is onze nicht, en ik kwam haar bezoeken. Dit doe ik alle +weken... niet als dokter, maar als neef. Jy mag daar gerust komen, +jongen! Je zult er geen kwaad leeren. + +--M'nheer, riep Wouter--en hy bloosde--ik houd zoo erg veel van Femke! + +--Zóó? antwoordde Holsma droog. Ik ook. + +De geneesheer, alle blyken van onderzoek zorgvuldig verbergende, sprak +over onverschillige zaken, en bespeurde weldra dat z'n keukenmeid +zich vergist had in de diagnose. Wel toonde zich Wouter opgewonden en +uitgeput tegelyk, maar krankzinnig was-i niet. Integendeel. Holsma +bemerkte dat z'n ziel aan 't groeien was. En dit moest wel. Fancy +scheen bezig de aarde om hem wegtegraven, hem te schudden en te +geeselen, gelyk tuinluî gewoon zyn met vruchtboomen te handelen, die +zy byzondere zorg waard-keuren, en willen noodzaken tot dracht. Dit +noemen zy: "de vier windstreken laten zien." + + + + + + + + Femke, nogeens Femke, en--na 'n roerende complainte over den dood + van twee geniën--weer Femke! Alles opgeluisterd met teleologische + opmerkingen over puistjes, vaderlandsliefde, karakter, en verdere + menschelyke zwakheden. + + +Het is my inderdaad onmogelyk, den lezer meetedeelen welken +weg Holsma's koetsier moest inslaan, om van de Aschpoort den +Kolveniers-burgwal te bereiken, en wel zóó dat-i de nog altyd +verschrikte Kaatje kon afzetten by de Pietersens. Ook zonder me nu te +beroepen op m'n volslagen gebrek aan lokaal-memorie--er is geen stad, +vlek of dorp in de wereld, waar ik den weg weet--ga ik gebukt onder +'n onkunde die me byna geschikt maakt voor opgehemelde buitenlandsche +beroemdheid. + +Holsma's koetsier gaf blyk van 'n begaafdheid die we haast +voor exotisch mogen houden, en dit deed zelfs z'n paard. Het +stomme dier--even als ik toch maar in Holland geboren--bleef met +buitenlandsche scherpzinnigheid staan op 't juiste oogenblik om de +keukenmeid gelegenheid te geven tot uitstappen by de Pietersens. Niet +zonder angst schoof ze Wouter's knieën voorby, en achtte zich gelukkig +dat-i haar niet 'n beet meegaf tot afscheid. + +Wouter scheen te meenen dat nu 't oogenblik was aangebroken om wat +inlichtingen te geven en te ontvangen. Maar Holsma scheepte hem +af. Hy toonde wel vriendelykheid, maar geen lust in vertrouwelyke +mededeeling. Toen de jongen 'n verward verhaal begon van z'n +ontmoetingen, viel hy hem in de rede: + +--En... ik heb gehoord, je zult in den handel gaan? + +--Ja, m'nheer... overmorgen! + +--Nu, dat is zoo kwaad niet, als je maar in goede handen valt. Ze +moeten je veel laten werken! Dat 's heel nuttig voor 'n jongen +als jy... + +En, als bevreesd dat Wouter zich zou beginnen aantezien voor wat +byzonders: + +...nuttig voor iedereen, voor à lle jongelui! Op jou jaren zyn ze allen +hetzelfde, en hebben gelyke behoefte aan arbeid en inspanning. Alle +jongens moeten veel werken, en meisjes ook, en... alle menschen! + +Wouter kende zichzelf niet, en kwam dus niet op de gedachte dat de +dokter bezig-was hem 'n geneesmiddel integeven. Maar wel bespeurde hy, +dat de tyd van opheldering nog niet was aangebroken. Zonder nu juist +te meenen dat Holsma hem die geven kon, was 't hem reeds 'n ontlasting +geweest iets te mogen verhalen van z'n wedervaren, al wist-i dan nog +niet recht hoe hy den lapsischen aanval op z'n deugd zou overspringen, +wat toch z'n ridderlyk plan was. + +Nogeens begon hy. Maar alweer brak de dokter z'n relaas af, door by +de gebakken aardappels reeds hem toetevoegen: + +--Och, zulke dingetjes overkomen iedereen. Er is niets vreemds +in. Hoofdzaak voor 'n jong mensch--en voor oude menschen ook!--is +dat ze veel arbeiden. Het schynt nogal te waaien vandaag... + +Hiermee moest Wouter genoegen nemen. Dat er wind aan de lucht was, is +de zuivere waarheid. Helaas... had het gister maar willen waaien! Dan +immers was er behoorlyk gehardzeild op den Amstel. Dan zou niet het +volk dat zich verveelde, uit jolige baldadigheid naar de Botermarkt +gestroomd zyn, en daar... + +Toch niet! Die ééne zevenklapper van prinses Erika kon niet gemist +worden. Lezer, bedenk eens... + +Neen, neen, 't was zeer wys van de Voorzienigheid, dat er gister geen +zuchtjen aan de lucht was, Eén graad atmosfeer-drukking minder, en +'t venster van juffrouw Laps ware gesloten geweest! De noodlottige +gevolgen... + +Alweer niet waar! De heele zaak was--dùs of zóó afloopend--van weinig +beteekenis. + +Maar men ziet uit dit alles, dat de dogmatiek der doeleinden, de +beoefening van de beteekenisleer der opdatten, 'n allermoeielykst +vak is. + +Wanneer de rivieren niet werden warm gehouden door 'n dekkleed van ys, +zegt zeker "Natuurkundig Schoolboek" zouden ze... bevriezen. Ziedaar, +voorzienigheids-preekers, in weinig woorden de karakteristiek der +teleologie! + + + +--Houd je van schilderyen? vroeg Holsma by 't uitstappen. + +--O, zeker, m'nheer! + +--Wel, dan moet je-n-eens in de zykamer zien, wat daar aan den wand +hangt. Bekyk maar alles op je gemak... + +De dokter opende de deur van die kamer, en noodigde Wouter uit, +binnen te treden. Hyzelf echter ging haastig de gang door en de trap +op, die naar de huiskamer leidden, waarschynlyk met de bedoeling +z'n gezin voortebereiden op de manier waarop Wouter moest ontvangen +worden. Dà à rom die verwyzing naar de zykamer. + +Ons vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot het +begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding. En zelfs +was-i te ongeoefend om zich te ergeren aan de leegte van denkbeelden, +die de anderen ternauwernood onderscheidt. By "één heer met één hond +en één haas" zag-i 'n heer met 'n hond en 'n haas. Toch zou juist hy +beter dan menig ander in-staat geweest zyn, dien onnoozelen "heer" 'n +geschiedenis toetedichten, en 't stuk overteschilderen met de kleuren +van z'n fantazie, als-i maar even tyd had gehad. Maar op-eens treft +hem 'n vrouweportret... 'n koningin, of 'n fee, of 'n toovergodin, +of 'n burgemeestersdochter, of 'n dame uit 'n boek... + +'t Was Femke! + +Maar in-plaats van den noordhollandschen kap, droeg zy 'n diadeem +van glinsterende steenen, neen... 'n straalkrans, neen... 't was +'n kroon van sterren, of... + +--Vader en moeder laten je roepen. 't Eten staat op tafel! Heb je +geen pyn van je val? + +Goeie goden, daar kwam nu ook de kleine Sietske hem plagen met z'n +fabelachtig paard! Tegen háár kon-i toch niet opvliegen, zooals hy +tegen Kaatje gedaan had! Bovendien, z'n olympische toorn was òp! Hy +antwoordde vry bedaard dat-i niet gereden had, en dus... + +--Zóó? Niet gereden? Niet op 'n paard gezeten? Wel zeker niet! Ik +bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons tafeltjen in 't +koffihuis! Gut, hoe grappig! En als je geen pyn hebt, en... heelemaal +wel bent, gaan we van-avend samen uit. Vader, moeder, Willem, Herman, +jy, ik... allemaal! Naar de komedie, weetje? + +Het vlugge ding gaf blyk dat zy de door haar vader voorgeschreven +medikatie goed begrepen had. Ze verslikte het fatale paard als 'n +hapje suiker. + +--Uitgaan? seurde Wouter. Heel graag, maar... m'n moeder! + +--Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je dáárover niet! Vader brengt +altyd alles terecht. Kom maar mee... + +Nog in de gang bleef Wouter eensklaps staan. Hy wenkte Sietske, +bracht haar terug voor 't portret in de zykamer, en vroeg: + +--Sietske, zeg me, wie is dat? + +--Wel, 'n over- over- over-grootmoeder van ons. + +--Maar 't lykt op... + +--Op Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op +elkaar. Als Herman 'n amelander kap opzet, kan je 'm niet van Fem +onderscheiden. Kom nu mee, we mogen vader en moeder niet laten wachten. + +En, hem by de hand nemende, trok ze 'm de gang door, de trap op, en de +eetkamer in, waar Wouter verwelkomd werd met de kalme vriendelykheid +die door den dokter was voorgeschreven. Gedurende den maaltyd richtte +men juist even genoeg het woord tot hem, om hem op z'n gemak te +zetten, doch niet genoeg om voedsel te geven aan 't denkbeeld dat hy +'t onderwerp was van byzondere oplettendheid. Toen Sietske, als om +verschooning te vragen voor haar lang toeven in de zykamer, vertelde +dat Wouter de gelykenis van dat oude portret met Femke had opgemerkt, +zei Holsma nuchter: + +--Ja, daarvan is wel iets aan, maar onze kleine Fem is zoo mooi +niet. Dat scheelt veel! + +Hu, 'n droge douche! + +Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy +meende alleen dat er gebrek aan... 't hoogste moest bestaan in alles +wat niet op haar geleek. En dat "hoogste" openbaarde zich... in haar +trekken niet, maar in de aandoeningen die hy vry eigendunkelyk aan +die trekken vastknoopte. Toen-i op z'n laatst examen die moeielyke +"som" zoo korrekt oploste, was 't Femke of iets van Femke, dat hem +aanwees waar de verborgen knoop lag, en toen-i eenmaal gerekend had: +zevenmaal negen is vier-en-vyftig, had de genade van juffrouw Laps z'n +denkvermogen in den weg gezeten, als 'n zandkorl de radertjes van 'n +fyn uurwerk. Z'n vermeende liefde was vereenzelvigd met den lust tot +weten, kennen en begrypen, en dáárom stuitte het hem--hem die onder +aanroeping van Femke's naam, de eerste was gewordem op Pennewip's +school--iets te hooren verheffen boven háár. Als de dokter maar eens +'n flink examen had doortestaan, meende hy, dan zoud-i wel à nders +oordeelen over Femke's "mooiheid." Heerlyk schoon wàs 't portret, +o zeker! Maar lag niet juist hierin 'n reden om precies op háár te +gelyken? En de diadeem, of wat was het? Wel, zoo'n ding zoud-i immers +ook háár opzetten, zoodra hy... + +Ja, wanneer? + +Goed! Eéns zou die tyd komen. En dan kon ze tien diademen krygen voor +een, schoon nog altyd de vraag blyven zou of 'n heel firmament haar +beter kleedde dan de noordhollandsche kap? + +Maar al deze overleggingen--nu-en-dan afgebroken door: "wil je wat +saus, Wouter?" of: "houd je van sjalotten by je vleesch?"--betraden de +wereld niet. Ze bleven zich als kluizenaartjes opsluiten in 't celletje +waar ze geboren werden, en broeiden daar, en gistten, en kookten... + +--Veel peper is niet goed voor je, zei Holsma. + +Och, juist was-i bezig met 'n sterk gekruid: "ze heeft my +broeder genoemd!" En--zonderling niet, maar toch verrassend voor +hem!--op-eens vond-i dat het woord: "broedèr" beter paste by diademen +en sterrenkransen, dan by 'n hoofdtooisel dat gedragen wordt door +melkboerinnen ook. Beter by dat portret, dan by 'n... dame met eelt in +de handen. Want dà t had Femke en dame was ze toch: de zyne! Ach, had +ze maar liever: broer gezegd! Maar... dáárby zou weer die koninklyke +Elisabeths-houding misstaan hebben. Zóó immers ook zou dat portret in +de zykamer de hand uitstrekken... als 'n portret de hand uitstrekken +kòn. Kyk, zóó: + +En Wouter maakte een vry linksche beweging, waarmed-i 'n schotel +scheen aantewyzen. + +--Sla? vroeg Sietske. + +De verwarring die hieruit ontstond, werd weder goedgemaakt door 'n +paar eenvoudige woorden van de moeder, over 't weêr, inverband met +het voorgenomen uitgaan van dien avend. + +--'t Zal heel vol zyn op den weg, beste man. Ieder wil graag koningen +en prinsen zien. 't Is waar ook, we hebben ons gastje nog niet gevraagd +of-i lust in de zaak heeft? Ons plan is naar de komedie te gaan. Je +wilt immers wel mee, mannetje? + +'t Antwoord laat zich raden. Wouter was verrukt. Hy was nooit in +'n schouwburg geweest, en verlangde vurig naar onechte zoons. Dat +de voorstelling zou worden opgeluisterd door de tegenwoordigheid van +'n groep geliefde souvereinen, trof hem minder. Hy had tien koningen +present gegeven voor één baron die volgens de regels van de kunst +'n meisje verleidt. "Zóó noemt men zulks" had Stoffel gezegd, en +Wouter had zich deze terminologische bedrevenheid toegeëigend, niet +zonder toejuiching van z'n eigen deugd. Want--dáár ging hem 'n licht +op!--hy had zich met juffrouw Laps niet gedragen als 'n slechte baron, +volstrekt niet! Hy was gebleven op 't pad der deugd... zoo noemt men +zulks! En zy zou hem zeer dankbaar zyn... hèm! + +Hem, en dien zevenklapper zeker! + +--We zullen de helft der souvereinen van Europa zien, zei Holsma, +en dozynen kandidaten, die misschien nooit... + +Wouter kende dit woord weer niet anders dan in den zin van aanstaande +dominees. Hy gaf halfluid z'n bevreemding te kennen, dat zulke personen +de komedie bezochten... + +--Wel neen, zei Sietske, 'n kandidaat is iemand die... wat worden +wil. Koning, by-voorbeeld. + +Wouter voelde zich allerkandidaatst. + +Hierop vertelde Willem hem iets over witte kleeren, uit z'n +Antiquitates Romanae, dat hem niet het minste belang inboezemde +op-zichzelf, maar alweer de oude snaar deed trillen van verdriet over +z'n gebrek aan kennis. Dit leidde z'n gedachten op den verloopen +schooltyd--hy had toch waarlyk z'n best gedaan!--op z'n huis, op +z'n gewone omgeving, en met angst herinnerde hy den dokter aan de +verstoordheid van z'n moeder over z'n lang uitblyven. Holsma beloofde +hem de familie te gaan geruststellen, waartoe voor 't vertrek naar +de komedie, nog ruimschoots tyd was. Op hoog bevel namelyk zou de +voorstelling twee uur later dan naar gewoonte beginnen. De souvereinen +hadden dit aldus bepaald om de warmte. + +Na Holsma's vertrek vernam Wouter een-en-ander dat hem veel belang +inboezemde, omdat Femke's naam daarby genoemd werd. Ook zy zou den +schouwburg bezoeken, werd er gezegd, en uit de gesprekken aan de +theetafel bleek hem, dat de verhouding tusschen 't gezin dat hem zoo +aanzienlyk was voorgekomen, en 't betrekkelyk arme bleekmeisje, +allergemeenzaamst was. Mevrouw Holsma liet haar door Sietske +uitnoodigen binnen te komen, maar zy antwoordde dat ze liever by +den kleinen Erik wilde blyven, met wien ze juist zoo prettig aan +'t spelen was. "Erik?" dacht Wouter. + +--Dat verwachtte ik wel, zei mevrouw Holsma. Daarom ook was ze +van-middag niet aan tafel. Ze blyft liever by 't bedje van den +kleinen jongen. + +--Ook houdt ze niet van ons eten, riep Sietske. Ze klaagt dat we te +lang aan-tafel zitten. + +--De komedie zal haar ook niet bevallen, was de meening van Willem. Ze +is 'n beste meid, maar staat wat styf op haar stuk, vindt u niet, mama? + +--Ieder moet handelen naar z'n overtuiging, en mag handelen naar z'n +smaak, zei de moeder. Fem is te braaf en te flink om haar in iets +te dwingen. + +--Dat zou ze zich ook niet laten doen! was hierop de algemeene opinie. + +--Zeker niet! Gelukkig dat het niet noodig is. 't Blyft nog altyd de +vraag, of ze van-avend komen wil. Ikzelf ging ook liever niet, maar +'t moet wel! + +Wouter bespeurde dat er 'n byzondere reden bestond, waarom de moeder +"anders liever by den kleinen Erik blyvende, die de mazelen had" +ditmaal de familie vergezellen zou naar 't Leidsche-Plein. Slechts +'n klein uurtje zou ze blyven, werd er gezegd, en dan met Oom Sybrand +huiswaarts keeren, om Femke aftelossen in de kinderkamer. Het meisje +zou dan met hem terugkomen. "Als ze wil" werd er telkens by gezegd, +alsof men dit zeer twyfelachtig bleef vinden. + +--Ik noem 't koppigheid! zei Willem. Ze wil ook geen behoorlyke japon +aantrekken, en met ons op-en-neer gaan... + +--Ja, antwoordde de moeder, 'n dame wil ze nu eenmaal niet worden. Wat +is er aan te doen? + +--Koppigheid! + +--Dat 's de vraag! Zy is zeer verstandig, en ziet misschien in, +dat de verhouding met haar moeder pynlyk worden zou wanneer ze van +stand verwisselde. + +--En met tante Siet! riep Herman. + +Dat is zeker 't Stakkervrouwtje, kommenteerde Wouter zwygend. En: +"'n zonderlinge familie!" dacht-i er by. + +--Bovendien, ging de moeder voort, het veranderen van stand gaat zoo +makkelyk niet! Hiertoe is meer noodig dan kleeren... + +Ach ja, dacht Wouter, men moet onder anderen ook weten wat sjalotten +zyn, en hoe men zoo'n artisjok eet! Want over die twee voornamigheden +was-i zoo-even gestruikeld. + +...als onze Fem dat gewild had--of liever, als haar moeder 't gewild +had toen Femke nog 'n kind was--dan hadden we daarmee heel vroeg moeten +beginnen. Maar nicht Claus zou haar zeker niet uit 'r handen hebben +gegeven. Ze had er te veel hart toe. En nu heeft Femke te veel hart, +om te betreuren dat ze maar 'n bleekmeisjen is. + +--Ze is... intens trotsch! zei Willem, niet zeer ontevreden dat-i +dit mooie adverbium eens terdege plaatsen kon. + +--Ja, ze is... heel trotsch, korrigeerde de moeder. Te trotsch om +iets anders te willen zyn dan ze-n-is. Ze zou niet willen ruilen met +'n prinses... + +Ruilen? Neen! dacht Wouter. Maar ... zelf prinses wezen, koningin, +keizerin... en dat alles door hèm? Dat zou heel iets anders zyn! Hy +vond het onderscheid... intens! En wanneer al die zaken geheel-en-al +geregeld waren naar z'n zin, dan ... nu ja, dà n mocht prinses Femke +van pozitie ruilen met 'n bleekmeisje! Want... wat geeft ware liefde +om stand? + +Zoo liet hy zich foppen door z'n nog altyd kinderachtigen en dus zeer +onvolkomen hoogmoed. En daarom noemde ik z'n liefde: zoogenaamd. Hy +moest nog veel groeien voor-i geheel-en-al de hoogte bereikte, waarop +voorbygaande aandoeningen hem voor 'n oogenblik plaatsten. + +--En, vroeg Herman, we zullen in den bak zitten van-avend? + +--Ja de loge is... onteigend, antwoordde mevrouw Holsma lachend. Dat +moet men over-hebben voor souvereinen. De heele Schouwburg-direktie +zakt van-avend naar 't parterre af, en misschien zelfs de burgemeester. + +--Hy moet den Keizer ontvangen en binnenleiden... + +--Ja, en wordt dan waarschynlyk uitgenoodigd, plaats te nemen in de +keizerlyke loge... + +--Dan kan-i Z. M. het stuk uitleggen... den Floris! En Z. M. kan er +uit leeren wat de plichten zyn van Vorsten... + +--En van Volkeren! + +--En van dichters! + +--En dat men nooit 'n souverein vermoorden mag! + +--Deze maxime zal Z. M. heel aangenaam wezen! Ze is allergezondst +voor koningen en keizers. + +--Als-i de zaak maar goed vat! + +--We willen hopen dat de dichter gezorgd heeft voor 'n duidelyke +fransche vertaling! + +--Als Z. M. maar weet by welke passages hy moet bedanken met 'n knikje. + +--Onze burgemeester zal hem wel waarschuwen. + +--Zeker! "Sire, pas-op, dat gaat jou aan!" En dan moet de Keizer zich +houden alsof hy wat van 't stuk verstaat. Wat 'n treurig métier! + +--Wat moet-i wel denken van onze dichters! + +--En van onze vaderlandsliefde! + +--En van ons karakter! + +--Och, zulke hooggeplaatste personen zyn aan laagheid gewoon. Wat +niet kruipt, komt niet tòt hen. + +--'t Moet hun zeer moeielyk vallen, de mensheid te achten. Ze zien +er altyd het leelykste van, en zyn wel genoodzaakt de rest daarnaar +aftemeten. + +--Zeker heeft men den Keizer wys-gemaakt dat die Bilderdyk 'n heele +kerel is! + +--Natuurlyk! De nederlandsche gewone of huis-bard, de amsterdamsche +Ossian, de volksliereman by-uitnemendheid! + +En de heele familie berstte in lachen uit. Willem verhaalde nu iets van +'n romeinschen keizer die 't menschelyk geslacht één kop toewenschte, +om het te kunnen onthoofden met één slag... + +--'t Klinkt bar, zei Oom Sybrand, die binnentredende de laatste +woorden gehoord had. Maar als boutade is zoo'n uiting begrypelyk. De +tyd nadert dat de Volkeren 'n gelyk lot zullen toewenschen aan de +souvereinen, en met even weinig of even veel recht. Men kent elkaar +niet! Hovelingen en boekenmakers stoken misverstand. + +--Gaat de Floris door? + +--Neen, goddank! De souvereinen zullen onthaald worden op de Scylla +van Rotgans, met 'n Kloris en Roosjen achterna. Men zal hun vertellen +dat het treurspel geheel-en-al geschoeid is op de leest der fransche +"school." Dus zal 't wel goed wezen! En... de Kloris? Wel, dat's +'n idylle! 'n Arkadisch-laaglandsche bergerie! Virgilius in 't +amsterdamsch vertaald! O, Meliboee, deus nobis haec... Ekloge met +kuitgespen fecit! [9] In-plaats van den nieuwjaarswensch krygen we 'n +harangue. De elegante Thomasvaer zal God tot getuige roepen dat het +neerlandsch hart, vry van smart, de noodlotten tart, en op straat, +inderdaad, vurig slaat, voor elken vreemden potentaat. Geloof me, +jongens, die Caligula was zoo gek niet! + +Wouter begreep niet alles wat er gesproken werd. Maar wel, dat-i +weer veel nieuws hoorde. En... Scylla. Zou dat 'n onechte dochter +wezen? Of was 't misschien de naam van de oude vrouw die in den +achter-naherfst van haar leven door de goedigheid van 'n schatryken +baron werd teruggebracht op 't pad der deugd? Zoo noemt men zulks. + +Mevrouw Holsma gelastte de familie zich gereed te maken, om +papa niet te laten wachten als-i terugkeerde van z'n bezoek by de +Pietersens. Dit geschiedde, zoodat men ruim bytyds vertrekken kon naar +'t gebouw waar "der kunsten god" in die dagen werd aangebeden met--zeer +amsterdamsche--geestdrift. Het was 'n waar Apollo's-welvaren, en dit +is nòg zoo. + +Holsma verzekerde Wouter, dat de zaak met z'n moeder "geheel in orde" +was, en hy kon zich dus onbelemmerd overgeven aan 't hem wachtend +genot. De hoogst-onechte Scylla... in de komedie zitten ... morgen +zich te kunnen herinneren dat-i in de komedie gezeten hà d ... vreemde +zaken bywonen--heel wat à nders nog dan artisjokken!--en ... nu ja, +al die keizers en koningen wilde hy ook wel zien, maar de gehoopte +onechtheid van Scylla bleef hem 't voornaamste. + +Vreemd, niet waar, dat-i by al de verwachte heerlykheden, zoo weinig +dacht aan de mogelykheid over eenige uren Femke in z'n nabyheid +te zien? + +Droeg Willem daarvan de schuld, dien-i by 't instygen in een der +rytuigen had hooren mompelen: + +--Wat my betreft, ik mag lyen dat ze wegblyft! Ik bedank er hartelyk +voor, door studenten te worden gezien naast 'n boeredeern. Als ik +groen word in September, zouden zy 't me inpeperen, dat is zeker! + +Wouter begreep noch dat "groen-worden" noch de daarby behoorende +"peper." Maar ... boeredeern? + +Hy wierp 't met z'n geweten op 'n akkoordje, door zich zoowel van +vrees te onthouden als van hoop. En hy trachtte het vurig verlangen +naar Scylla's onechtheid te gebruiken ter aanvulling van de leegte +die deze bestudeerde onverschilligheid openliet in z'n gemoed. + +Helaas! Het was voor 't meisjen in Vrouw Gooremest's kroeg wel +de moeite waard geweest, de hand uittestrekken als 'n koningin, +om nu alweer verloochend te worden om-den-wille van ... van wà t +eigenlyk? Femke's kostuum was minder bespottelyk dan de mode-plaatjes +van den dag. Ware zy inderdaad gekleed geweest zooals boeredeerns +gewoon zyn, die zich nog zotter opschikken dan 'n parysche modiste +verzinnen kan... maar dit was 't geval niet. En hierin lag dan +ook geenszins de reden van Willem's nuffigheid. Femke's schuld was +zwaarder dan dit. Ze zag er uit als 'n meisje dat met haar handen +den kost verdient. Ziedaar den gruwel die alle studenten ergeren zou! + +En--heel in 't voorbygaan, willen wy hopen--Wouter voelde +zich aangestoken door die kinderachtigheid. 't Was jammer, +'t was verdrietig, 't was kleingeestig en ondichterlyk, maar--o, +Caligula!--we zyn zoo! En wie ieder 't hoofd wou afslaan, die zich +ooit schuldig maakte aan zoo'n... menschelykheid, zou veel te doen +hebben. By volslagen wilden, waar koningen hun eigen hout hakken, +vindt men weer andere fouten die even onpleizierig zyn. + + + + + + + + Tekstverklaring van Ovidius, door Willem Holsma. Idem door + Rotgans en den auteur. Konflikt op 't Leidsche-Plein tusschen + twee potentaten: Napoleon I, en Minos van Kreta. + + + Verdienste van 't succes met geestdrift aangebeên, + Kweekt in 't armzalig koor, laaghartigheid alleen. + + +Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door +het leveren eener toelichting van 't stuk dat men straks zou te zien +krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: "omdat verzen zoo moeielyk +te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter heeft +willen zeggen." Ik ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de "taal +der goden"--er ligt 'n Rotgans in kwarto voor me--kostbaar te noemen. + +Maar ook de pedante Willem kende Scylla niet anders dan uit z'n +Ovidius--zonder onzen Vecht-zwaan zou ik 't mensch in 't geheel niet +kennen--en dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z'n relaas +optesieren met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden, +omdat men door 't hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn +sprak. Ziehier iets van z'n verhaal... vry overgezet. + +Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor +medeplichtig hield aan den moord op z'n zoon Androgeos. Oorlog dus. Met +z'n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte hy op 'n +stad die in één richting minstens driehonderd-en-zestig aardbolgraden +breed moet geweest zyn, want rechts en links was geen ruimte om voorby +te trekken. Ze moest dus belegerd worden. Sommigen betwyfelen die +uitgebreidheid, en beweren dat de krygskundige liefhebbery van die +dagen voorschreef met pyl en boog op de muren te schieten, al kon +men er langs. Dit verschafte veel krygsroem, en gaf tevens aan den +vyand gelegenheid ook van zyn kant 'n vesting te belegeren, waaruit de +heugelyke kans geboren werd, overwinningen te behalen aan twee zyden +tegelyk. De traditie dezer wyze van oorlogvoeren, waarby krygslieden +elkaar zoo lang mogelyk uit den weg loopen, is tot heden toe bewaard +gebleven. Slechts enkele botterikken--Napoleon I, byv.--hielden zich +niet met het beschieten van vestingen op, en de garnizoenen geven +zich in zoo'n geval--behoudens krygseer natuurlyk--ongedeerd over, +zonder andere heldendaden te hebben verricht dan 't beredeneeren der +mogelykheid, dat ze rotten en muizen zouden gegeten hebben... à ls ze +belegerd waren geworden. + +De stad met welker omsingeling koning Minos zich vermaakte, was +met-een 'n heel Ryk, heette Megara of Alkathoë, en werd geregeerd +door zekeren Nisus, 'n allerbraafst man die aan den dood van +Androgeos even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk zou +Minos--vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in de +Onderwereld--billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak wat +grondiger te onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor +Alkathoë. Maar men is niet volmaakt. + +Koning Nisus was in 't bezit van twee byzonderheden. Hy had 'n +indelikate dochter--de Scylla van 't stuk--en 'n purperen haartjen op +z'n hoofd, of één purperen haartje, of maar één haartjen, en dat was +purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie mogelykheden +die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden gelaten. Wie +nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal was, heeft +er vryheid toe. Ook is 't geoorloofd zich den man voortestellen als +prykende met 'n dikken haarbos van gewone kleur--spierwit kleedt +antieke koningen het best--mits slechts dat eene haartje ... kortom +'t was 'n uniek en zeer kostbaar exemplaar. Dit was den onderdanen +van koning Nisus--volgens de laatste volkstelling had hy er, hemzelf +meegerekend, drie dozyn--zeer wel bekend. Stad en Ryk waren trotsch +op dat haartje, meer dan trotsch: 't was 'n waarborg voor welvaart, +'n pand van de welwillendheid der goden, 'n palladium. Iets als onze +Kieswet alzoo. + +Maar ... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in +verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te begrypen, +laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat 'n purperen Kieswet, als +dochters die zich lieten geboren worden op de trappen van den troon +... maar laat ons Willem's verhaal niet vooruit loopen. + +Het haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd, +en goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze +Nisus geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een +flinke schildwacht op de kruin van z'n hoofd, moest voldoende geweest +zyn. Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van +krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden +beschermen, onwrikbaar vast, maar ... men mocht de goden te-hulp +komen met militie, schuttery, landstorm, torpedo's, krygsliederen +en naaldgeweren. Als ik 'n heidensche god was geweest, zou ik dit +wantrouwen in de kracht van m'n bescherming heel kwalyk genomen hebben, +en ik had ieder in den steek gelaten, die my 't werk uit de hand +nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom weldadige +vruchten gedragen. In alle landen waar men door 'n waar Geloof 't recht +verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst finaal afgeschaft en +de begrooting van "Oorlog" begrepen in 't budget van "Eeredienst." Dit +is zuinig en rationeel. Maar Nisus was 'n heiden, en had dus verkeerde +begrippen over 't gebruik van theologie in krygskunde. De onnoozele +stumpert zette z'n heele leger achter de wallen van z'n ... Ryk, om +zich daar te verschuilen voor de pylen van Minos en al die Kretenzers. + +De ondeugende Scylla nu was niet afkeerig van das Militär, en +wandelde parmantig op den muur. Nog proëminenter vertoonde zich van +zyn kant koning Minos, en wel zóó dat de jonge prinses smoorlyk op +hem verliefd werd. Niets natuurlyker. Z'n eerbiedwaardige ouderdom, +z'n gebukte houding, z'n lange gryze baard, en misschien ook z'n +aanstaande verheffing in de onderwereld--onze Scylla kende haar +mythologie op 'r duimpje!--dit alles was wel in-staat het hart van +'n treurspelmaagd in gloed te zetten. Zoo waren de tooneelmeisjes in +dien tyd. Men kon nooit te bejaard, te krom of te krygskundig wezen, +als ze maar zeker waren dat haar liefde eenmaal zou noodig zyn tot +het samenflansen van verzen of echt-vaderlandsche treurspelen. + +Zielkundig gesproken, er bestond voor Scylla nòg 'n reden om den ouden +Minos byzonder interessant te vinden. Venus' dartel wicht heeft veel +koorden op z'n boog. Ze had medelyden met hem. En hier was reden toe. + +Met 'n heelen stoet soldaten--men telde in dien tyd duizend krygslieden +op één onderdaan: 'n byzonderheid die 't regelen van de konskriptie +tot 'n moeilyk vak maakte!--met 'n groot leger dan, was de man van +heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Akathoë te belegeren volgens +alle regels van de kunst, en 't was háár bekend dat-i het strand +ploegde... om dat purperen haartje! Arme Minos! + +Hy scheen alweer verzuimd te hebben, vóór z'n oorlogsverklaring +nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te bestryden wezen. Het +schynt dat men in oude tyden vry los over de toebereidselen tot +'n oorlog heenliep. Volgens Ovidius was Minos-zelf zoo byzonder +slordig niet, maar de goden hadden hem gestraft met 'n minister die +op allerzonderlingste manier omhoog was gevallen, en den Louvois +spelen wilde om te worden aangezien voor iets wezenlyks. Hierom dan +ook had-i alle onderzoek naar de voorgewende medeplichtigheid van +Nisus aan Androgeos' dood, weten te verydelen. De casus belli die +hy zoo hoognoodig had voor de zeer partikuliere industrie van z'n +ministerschap, mocht eens niet bestaan, wat toch jammer zou geweest +zyn. Het zedelyk krygsbeginsel in die onbeschaafde dagen schynt +voorgeschreven te hebben: eerst vechten, en dan vragen waarom? Zoo-iets +zou thans niet kunnen gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap +van oorlogsverklaringen vragen, en ook bovendien niet dulden zouden +dat de res publica beheerd werd door zulk soort van ministers. + +Doch zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van regeeren, +werkte Scylla's al te gevoelig hart ten-kwade mee. O goden, zuchtte zy, +zou ik den man niet beminnen, die op z'n ouden dag zóó'n minister te +torschen heeft? En zonder Parlement nogal! + +Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid 'n ware deugd +was. Zoo waren de meisjes in die dagen. + +Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen +over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen die +'t gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft. Misschien +ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen achteruitgang +te konstateeren, òf in de beminnelykheid van ouweheeren, òf in de +ontvlambaarheid van 't vrouwelyk geslacht. Ziehier de gronden waarop +hy, redelyk scherpzinnig voor 'n heiden--Ovidius was Hollander noch +Christen--z'n stellingen bouwt. Er blykt uit het feit der zaak-zelf, +dat Minos door Scylla kon gezien worden van naby genoeg om haar +verliefd te maken, en tevens dat ze niet gedood of gewond werd door +'n kretenser pyl. Ook de voor Scylla zichtbare Minos werd niet +geraakt door de scherpschutters uit de stad. Wat volgt hieruit? Dat +in die dagen de schootvèrheid der liefde, die van 'n pyl uit den +boog teboven ging. Welke grysaard, welke man, welke jongeling, zou +heden-ten-dage kans zien 't hart van 'n maagd te treffen op meer +dan chassepot-afstand? + +Aan 'n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts aan, en +laat den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin gaat-i +stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig besloot +haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door haar +vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel +te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader, +en plukt hem--heu facinus: o gruwel ... ja, 't wàs gemeen!--dat ééne +kostbare haartjen uit, en progressa porta per medios hostes, komt ze by +Minos aan: pervenit ad regem, juist waar ze wezen wou met dat haartje. + +Vorst Minos was 'n kreuzbraver Kerl die o.a. zelf kinderen +had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z'n eigen haren, en aan 't malle +figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar zielenrechter, wanneer-i +nu die ondeugende dochter styfde in haar verkeerdheid. Misschien ook +vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy, principiis obsta: hy noemde haar +kort en goed 'n monster, en gebood... + +--Wy zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat 'n drukte! Ik wou dat ik al +weer goed en wel thuis zat by m'n kleinen Erik! + +Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar 't uittrekken van +dat eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het +purper was? + +--'t Staat er zoo, kind! Crinis purpureus. Stap uit, en hou je jurk +wat by-een, om 't wagensmeer... puelletje! + +De familie nam de plaatsen in, die dezen avend achter in 't +parterre bestemd waren voor de leden van den stedelyken raad, en hun +gezinnen. Ze kwam nagenoeg te zitten onder den rand der loge waarin +ze anders gewoon was de voorstellingen bytewonen. + +Die loge was nog altyd leeg. De hooge, hoogere, hoogste, en +byna-allerhoogste personen die haar dezen avend vullen zouden, waren +nog niet verschenen, en Wouter had dus ruim tyd om te bekomen van +den indruk dien de Schouwburgzaal op hem gemaakt had: dit was alzoo +de Komedie, de ware! + +Hy verslikte z'n teleurstelling over de blykbaar echte geboorte van +Scylla, en keek nieuwsgierig rond. Z'n gedachten wiegden zich op +'t gesuis dat hem omgaf. De toedrang was groot. Alles praatte en +fluisterde. Men twistte over de plaatsen. Men schoof voorby elkaar +heen. Men verschikte z'n kleeren. Men vertelde 't nieuwste nieuws van +'t hof. Men voorspelde wie dáár zitten zou, wie 't eerst zou komen, +wie plaatsnemen moest achter den keizer, en wie achter den Koning. Men +berekende waar de prinsen zouden zitten--die ééne ook, wiens vader +herbergier was, en die zich zoo grappig kleedde--en wat de hooge +heeren en dames zouden bestellen uit het buvet. Men psjstte om 'n +stoof, en loofde fooien uit. Men leende elkaar het tooneelbriefjen, +en verzekerde dat de affiches die daarboven vastgesteld lagen op den +karmozyn-fluweelen rand van loges en balkon, gedrukt waren op satyn +van zóóveel stuiver de el. Men beoordeelde ook het stuk, en zei dat +het gekozen was... + +--Rotgans is 'n eerste dichter! + +--Hm! Eigenlyk 'n tweede of ... derde! + +Onder ons, lezer, eenmaal aangeland in 't verzenmakersgild, is dit +alles zoowat hetzelfde. + +--Hy is maar 'n dichter van den zevenden rang, zei 'n ander. + +--Waarom dan 'n stuk van hèm? We hebben toch à nderen, mannen die +... klinken als klokken! + +--Zeker, zeker! Bilderdyk, by-voorbeeld, 'n ware feniks! + +--Waarom dan Rotgans? + +--Och ... die vreemdelingen verstaan er toch niets van. We kunnen +laten spelen wat we willen. + +--'t Is jammer van den Floris... + +--Die was er expres voor gemaakt, en zou dus wel mooi geweest zyn. + +--Ik hoor dat de akteurs te lui waren om hun rollen te leeren. + +Neen, dà t was de oorzaak niet! Er zit heel iets anders achter. Onze +Bilderdyk is 'n vaderlander... + +--Van belang! + +--'n Hollander in z'n hart! + +--'n Echte! + +--Zeker heeft-i in z'n stuk die vreemde kerels... + +--Sjt! + +... niet genoeg gevleid. Dat doet geen ware Hollander! + +--Neen, dat doet geen Hollander ... nooit! + +--Sjt! + +Alles stond op. Er was reden toe. Een lakei vertoonde zich op den +achtergrond der koningsloge, waarschynlyk om te zien of de kussens +wel behoorlyk op de fauteuils lagen. + +--Ze lyken allemaal wel mal! Optestaan voor 'n lakei, voor 'n +mostertjongen! + +Aldus spraken sommigen, die toch precies 'tzelfde hadden gedaan als +de ons reeds eenigszins bekende zondebok: Ze, en Wouter werd hier +weer levendig herinnerd aan de eigenaardigheden van de "massa". Ook +maakte hy de opmerking dat men niet juist by de Pietersens heeft te +komen, om zich gestuit te voelen door dat eeuwig verschil tusschen +indruk en uiting. "Zou dit overal zoo wezen, dacht hy, en is dit nu +de bekwaamheid die ik me moet eigen maken om iets te worden in de +wereld?" Koningen van Afrika waren eigenlyk de heeren wier gesprekken +hy beluisterde, niet, maar zeer aanzienlyke menschen toch. Daar waren +dokters onder, geleerden, leden van den stadsraad, jazelfs groote +koopluî ... misschien wel m'nheer Kopperlith in eigen persoon. Met +eenige tusschenpoozen, veroorzaakt door 't plaats-nemen van nieuw +aangekomenen, werden deze en dergelyke gesprekken voortgezet. + +--Maar waarom dan juist iets van dien Rotgans? + +--Z'n Boerenkermis is heel aardig. + +--Man, hoe kan je 't zeggen! 't Is 'n onfatsoenlyk stuk, vol gemeene +woorden. + +--Nu ja, maar ... aardig toch! + +--Dat weet ik niet. Ik heb 't nooit gelezen, omdat het zoo gemeen +is. In poëzie gaat by my niets boven deftigheid, en wat niet deftig +is... + +--Och, wat geeft zoo'n Keizer daarom? + +--Ik begryp heel goed waarom ze van-avend 'n stuk van Rotgans +spelen. Hy droeg altyd z'n stukken op aan een van de Huydekopers. Dà t +is de zaak! + +--Hy was van de familie. + +--Juist! Misschien wil een van de schepens, als de Keizer 't stuk mooi +vindt, hem zeggen: Sire, de dichter van die... Scylla, of hoe heet +de man?--die Scylla is 'n bloedneef van me, om uwe Majesteit te dienen. + +--Gekheid! Wie zal grootsch wezen op de verwantschap met 'n man die +komedies maakt? + +--Hm ... in Frankryk is dat anders, heel anders! + +--Bovendien, Rotgans was zoo'n minne man niet. Hy had 'n +buitenplaats aan de Vecht. + +--Dat moeten ze dan den Keizer er by zeggen. + +--De hoofdzaak komt neer... + +Weer 'n lakei. Alles vloog omhoog als duveltjes uit 'n +surprise-doosje. En alles--op de zwygende Holsma's na--schimpte weer +op de verdoemelyke karakterloosheid van "ze". + +...de hoofdzaak komt neer op de toespraak van Thomasvaer. Dit zeg +ik maar! + +--Daarin zal dezen keer 'n echt-vaderlandsche geest heerschen, naar +ik hoor. + +--Ja... echt-vaderlandsch! 't Moet heel mooi zyn. De prefekt van +policie heeft 't zelf gezegd. Er zyn drie gezworen translateurs by +te-pas gekomen. Je begrypt dat men zich zooveel moeite niet geven +zou voor 'n prul? + +--Zeker niet! En de vertaling is naar Parys geweest? De minister +heeft er eigenhandig op geschreven: approuvé! + +--'t Is toch maar altyd 'n zékere waarheid, dat ze-n-in 't buitenland +eerbied hebben voor onze letterkunde. + +--O ja, en voor ons karakter! + +--Er is geen beter volkskarakter dan 't hollandsche. + +--En geen beter letterkunde! Die is... echt-nationaal. + +--Dat zegt de Préfet de Police ook. Hy laat alles vertalen wat er +uitkomt. Wat hem vooral bevalt, naar ik hoor, zyn onze alexandrynen ... + +--Nu ja, en 't karakter! + +--Zeker, 't karakter ook. Maar de alexandrynen zyn even lang als die +van Racine, en dat 's juist het mooie. Ik ben zeer benieuwd naar de +maat van Thomasvaer. Korte regels kan ik niet verdragen... + +--Hm! Bellamy's Roosje dan? + +--Ja, en z'n: Schoone maan, zeg, ziet gy heden... + +--En z'n: 't Was nacht toen u uw moeder baarde... + +--Mooi, hoor! + +--En z'n: Oproeping aan de Bataafsche jongelingen, om den +Engelschman te bestryden. Dat's óók geen gekheid! + +--En z'n toespraak: Aan de vaderlandsche meisjes. Dáár zit pit in, +hè? Weetje wat-i zegt? Hy zegt: + + + Indien ik ooit ontaarde + Van Vaderlandsche fierheid, + Dan moet gy, waardste Fillis... + + +Weer kwam 'n lakei deze echt-vaderlandsche ontboezeming afbreken. De +man inspekteerde ditmaal de kussens in de loge der Palatine die +byzonder graag op 'r gemak zat. Als door 'n veer bewogen, stond het +heele Publiek op. Die groene rok met gouden tressen ... + +--Och, 't is weer zoo'n doodeter. 'k Wou dat de vent... + +En teleurgesteld nam men weer plaats. De liefhebber van korte verzen +waarin echt-vaderlandsche "pit" zat, liet zich niet van z'n stuk +brengen: + + + Indien ik ooit ontaarde, + Dan moet gy my verachten, + Dan moet gy my vervloeken! + + +--Dat's táál, hè? + +--Heel mooi, maar ik houd meer van alexandrynen. Ze zyn honderd +percent deftiger, dunkt me. + +Het gegons werd gedurig sterker. De keeren dat het Publiek misleid +werd door dezen of genen die de deur van een der loges opende--'n +foppery die telkens op 'n te-loor gaande eerbiedsbetuiging te staan +kwam--waren niet meer te tellen. Men begon te morren, maar... zacht, +zeer zacht, zoo zacht als maar gemord worden kan. + +Wat onzen Wouter aangaat, hy vond alles vreemd, maar tot behoorlyke +ontleding van z'n indrukken was-i niet in-staat. Voor den tienden +keer reeds sedert twee dagen, verdrongen de gebeurtenissen die hem +overstelpten, de aandoeningen van 'n oogenblik te-voren. Hy was er +duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal, bracht het +zyne by tot verdooving van z'n begrip. Zoo-even in 't rytuig nog, +had-i zich ingespannen om iets te verstaan van Willem's vertellinkje, +en ook de daarvan opgevangen indrukken waren nu reeds uitgewischt, +of althans zeer vermengd met iets anders. Hy geleek op 't lang +gebruikt leiblad van den schoolknaap, waarin de oude krassen 't later +schrift onleesbaar maken zonder baat voor eigen duidelykheid. Op 'n +palimpsest dat ingewyd werd met catullische zangen, daarna dienst +deed als afstandwyzer van germaans-romeinsche castra, vervolgens +'n spikspelder nieuw systeem van--nogal oude--wysbegeerte op z'n +rug droeg, en eindelyk tot ons kwam als lofzang op de H. Maagd, +gratiâ plena. Er behoort veel geduld toe--en scheikunde--om al dat +overpleisterd menschenwerk uit elkaar te houden. En wanneer nu, +gelyk hier 't behandeld palimpsest, zelf 'n mensch is... 'n codex, +zooveel moeielyker te ontwarren dus dan elk ander geschrift... + +Zoo goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De graad +van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde +hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo erg +was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden òf gewone dingen, +òf erger. De Holsma's waren de eenigen die niet spraken. Eens slechts +hoorde hy Oom Sybrand die naar 'n loge wees, iets zeggen, en 't kort +gesprek dat daaruit voortvloeide: + +--Ik denk dat ze dáár zitten zal... à ls ze komt! + +--'t Zou me leed doen, als ik m'n kleinen Erik had alleen gelaten +voor niemendal, antwoordde mevrouw Holsma. + +--Nu, Femke is vertrouwd! + +--O ja! Maar 't drukt me dat ik hier zit, terwyl m'n kind ziek is. Lang +wacht ik niet op haar... + +--'t Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik hoorde zeggen +dat ze veel luimen heeft, en die altyd in-volgt. Aan etikette stoort +ze zich niet. Dat schynt in 't bloed te zitten. + +--Als ze 'r om tien uur niet is, ga ik heen. Héél veel belang stel +ik niet in de zaak... + +De beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy +had ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de +persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma tegen +haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had. + +Een groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een +oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal +staan ... + +Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er weinig +van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z. M. was +haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet zonder +'n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg stonden... + +Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke +Majesteit. Vivat sequens! + +...hy had daarna 'n oogenblik--één oogenblik maar--in de zaal +rondgezien, éven geknikt, als iemand die byna geen tyd heeft om +te zeggen: "'t is wel!" en daarna z'n fauteuil met 'n ruk schuins +naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en 't Publiek +kon weer gaan zitten... nog niet voor goed. + +Ook de andere loges werden nu als door 'n tooverslag gevuld. Men +zag zonderlinge kostumes: de "Wede. Maaskamp en Zonen!" Dames met +lyven van drie duim, en 'n schoot van byna zooveel ellen. De boezems +zweefden tusschen kin en ceinture. Kleine pofmouwtjes wisten zelf +niet, of ze dienen moesten tot bedekking van den bovenarm of van den +schouder. Maar dit te-kortschieten werd eerlyk aangevuld door witte +kabretleeren handschoenen, die van den pink tot den oksel reikten. Op +'t hoofd droegen de dames tulbanden, toques, bloemtuinen... dáár +was wat te plukken gevallen voor Scylla! Maar al wat er leelyks te +zien was, werd overtroffen door de onuitstaanbare militaire kostumes +van dien tyd. Wie die steeken en chakots gezien had, begreep terstond +waarom de vyand altyd zoo verschrikt op den loop ging. Die aanhoudende +vlucht ontstond uit schoonheidsgevoel. + +De muziek speelde... + +'t Spreekt vanzelf... daar wàs ze weer, de lyzige melodie van den +dapperen Dunois! + +Een vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven aan +de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook immers +gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu ja, +van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen +alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest... + +Debout... debout! werd er geroepen. Een der hardste schreeuwers was +de man van de korte verzen, waarin zooveel echt-vaderlandsche "pit" +zat. En alles schreeuwde mee: debout! Men moest opstaan voor den: +jeune et beau Dunois! + +Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe: de bénir ses exploits, +toen er met 'n bundel papier vry driftig op den rand der koningsloge +werd getikt, juist op de plaats waar men berekenen kon dat de Keizer +zat. De Holsma's recht naar-boven ziende, werden slechts 'n stuk van +den zonderlingen hamer gewaar, waarmee Z. M. de maat sloeg... + +De maat? 't Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, in der +haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan de +maat! Ieder die in 't parterre zat, kon aan de angstige blikken die +uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden geworpen, +duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men van-beneden-af de +oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet spoedig geraden, +zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook de Palatine, juist +bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair van Groenland, heel +hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende loge, raakte in de +war, wat anders de gewoonte van deze dame volstrekt niet was. De koord +van haar joujou krinkelde, en 't ding bleef levenloos hangen, als 'n +geëxekuteerde. Dit was hem in de hand der Palatine nog nooit overkomen! + +De Keizer stond op, en tokkelde met z'n rol papier als 'n razende. + +Een afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie +'t opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met Kykduin en +'t perfide Albion. + +Onze verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als 'n +izegrim. Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen, +maar hy luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op 't +fluweel van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien, +koningen, kamerheeren, maarschalken, adjudanten, aides de camp, +schoten toe. Maar Z. M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos +maakte. Hy verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den +roffel 'n oogenblik aftebreken, om met z'n papieren trommelstok naar +'t orkest te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit beteekenen +moest. De bevolking van de voorste loges gaven den orkest-direkteur +te kennen, dat de schuld der stoornis aan hem scheen te liggen, en +siste hem van alle kanten toe. De man schrok, en bleef als versteend +staan, met z'n maatstok zuid-oost half-oost in de lucht, dat hier +zooveel beteekende als heelemaal buiten-west. 'n Plotselinge stilte +verving nu 't geraas, en liet verraderlyk toe, dat men heel duidelyk +'n te laat ingehouden vaderlandsch nagalmpje te hooren kreeg. In +den engelenbak namelyk--dezen avend bezet door fatsoenlyke burgers, +want alle standen waren 'n graad of tien in waarde gedaald, omdat de +markt van rang overvoerd was--in den engelenbak had 'n onverlaat zich +de magere voldoening gegund: al is ons prinssie te zingen, wèl bedekt +natuurlyk onder de noten van koningin Hortense's prachtstuk. + +Was zy de dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje? Misschien +wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me +byzaak is, omdat ik my de verplichting opleî, juister te zyn dan de +Historie. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten noch met +datums te doen, en trachten slechts mogelyke indrukken te schetsen, +en menschen te teekenen zooals de denker zich kan voorstellen dat ze +geweest zyn. + +De stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als +opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur +kommandeerde eindelyk in den angst van z'n hart: "où peut-on être +mieux." De vaderlander uit den engelenbak maakte zich gereed de +muziek toetelichten met de bekende romance van 'n "sleepersknol... op +hol" toen er bleek dat Z. M. nog altyd niet voldaan was. 't Moest: +"veillons au salut de l'empire" wezen! Dacht hy er aan, dat het +huiselyke: "waar kan men beter zyn" bewaard moest blyven voor de +Beresina, by den terugtocht uit Rusland? Want by die gelegenheid is +'t--o bloedig sarkasme!--gespeeld. + +"Veillons" dus! Weer het knikje: 't is wèl! en weer liet hy zich vallen +in z'n fauteuil, waar-i voortging zich te verdiepen in de vestingwerken +by Huisduinen. Toen 't "Veillons" behoorlyk was afgespeeld, mochten +al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed, goddank! + +Het scherm ging op, en 't woord was aan Rotgans: + + + Ja, Minos, aan 't geschenk dat ik u heb gegeven, + En uit de kerk geschaakt... + + +--Wà t? vroeg Wouter. Uit de kerk? 't Purper haartjen uit de kerk? Ik +meende... + +--Sjt! zei Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit +beteekent. Misschien 'n licentia poetica, weetje. + +Heel juist geraden! De treurspeldichter had den vreemsoortigen crinis +purpureus heel handig omgesmeed in 'n schild dat door Scylla geroofd +wordt. Zeer wel. Maar... uit de kerk? + + + ...hangt Nisus' kroon en leven!" + + +--Qu'est-ze qu'elle changte? riep de Paltsgravin. Il barait que zela +zera excèzivemang larmoyang! Za doilette est egzégraple! La bedite +est attivée d'une magnière ... et quelle langue, mong Dié, mong Dié, +quelle langue! Za m'égorssche les oreiglles! + +Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van den +klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te Boulogne... te +Dover... overal, behalve dáár! Behalve daar, en... op Sint Helena! + +Wouter luisterde als 'n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog minder +omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem te +vreemd om niet z'n aandacht volkomen in beslag te nemen. Z'n wangen +rustten op beide vuisten, en z'n elbogen op de leuning der bank vóór +hem. Wie met half geopenden mond deze houding nabootst, kan precies +weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla's tocht in +'t kamp van Koning Minos. + +Een schild in-plaats van 't haartje? Dacht hy. Wie weet of niet +de dichter, als-i toch aan 't verzinnen gaat, ook iets zegt van +onechte zoons, en van het terugkeeren op 't pad der deugd, dat de +menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om +het terugkeeren mogelyk te maken. + +Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter +mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m'n handen in onschuld. + + + + + + + + De tuchtelooze auteur--gebrek aan school!--vertelt niets van 't + purpren haartje, doch integendeel allerlei zaken die in 'n roman + niet te-pas komen. Hy geleidt den lezer langs keizerlyken weg in + de kommeny waar Leentje zout moet halen. Verzoeke vriendelyk dit + gebrek aan zout niet meer dan driemaal in-verband te brengen met + des auteurs schryfmanier. + + +Die arme Rotgans! 't Was wèl de moeite waard 'n paarduizend verzen by +elkaar te rymen, om zóó verwaarloosd te worden! Geen der toeschouwers +was geroerd door de treurspellige bravigheid van Minos, die de ontaarde +juffer zoo flink op haar plaats zette. Men luisterde niet. [10] + +Met naïve verbazing trachtte Wouter de tirades van 't stuk te +volgen. Ze bevielen hem niet, en byna klom z'n ontevredenheid op +tot den moed, zichzelf in-staat te achten tot het leveren van iets +beters. Vooral trof hem de verregaande leegte aan denkbeelden. De +aan Ovidius ontleende handeling van 't stuk mocht dan in zekeren +zin hoofdzaak zyn, tot het schetsen dáárvan waren geen tweeduizend +regels noodig. Aan "gaan en komen" waren meer verzen besteed dan aan +menschkundige ontwikkeling, of aan opmerkingen die de moeite van 't +onthouden waard schenen. Zoo gaat het meer. Is dà t 'n dichter? vroeg +Wouter. [11] + +Wouter bemerkte dat de volwassen leden van de familie Holsma +by-voortduring niet den minsten acht sloegen op het stuk. Ze richtten +hun blikken naar de loges, doch blykbaar met andere bedoeling dan de +meesten, of zelfs dan à lle anderen, die de hooge personaadjes alleen +om de vreemdigheid aangaapten. Ook uit de afgebroken zinsneden die +tusschen Oom Sybrand met z'n broeder en zuster gewisseld werden, +scheen te blyken dat hun aandacht door iets zeer byzonders werd tot +zich getrokken. + +--Als ze niet spoedig komt, ga ik heen, zei weder mevrouw Holsma. + +--Misschien zit zy in de keizersloge, en achter-af. Dan kunnen we +haar van-hier niet zien. + +--Men heeft me gezegd, dat ze te Parys nooit 'n kwartier achtereen +op dezelfde plaats blyft. Misschien komt ze straks dáár of dáár... + +En met 'n bescheiden beweging van den uit z'n vuist opgestoken duim, +wees Holsma 'n paar der zyloges aan. + +--Ze komt soms in 't parterre ook, naar ik hoor. + +--Langer dan nog vyf minuten wacht ik niet, zei mevrouw Holsma. M'n +kleine Erik is my meer waard dan duizend... + +Wouter meende te verstaan: "dan duizend nichten." Ja, zóó zal 't ook +wel geweest zyn. Want: + +--Van den koning, voegde Holsma er by. + +Dit deed hem den draad weer verliezen. Hy had gemeend dat Femke +bedoeld werd. En nu: van den koning? Waarom was juist die prinses zoo +belangwekkend? De loges zaten vol neven en nichten, de een nog meer +opgepronkt dan de ander. Welke byzonderheid verhief juist die eene +afwezige, in aanspraak op belangstelling tot mededingster van den +kleinen zieken Erik? Toen de tooneelspelers het derde bedryf hadden +afgealexandrynd, was de zorgvuldige moeder niet langer te houden. Ze +verliet de zaal met Oom Sybrand, die weldra zou terugkeeren met Femke: + +--Als ze wil! voegde hy er by, op 'n toon die twyfel te kennen +gaf. Want, zeid-i, ze houdt niet van drukte. + +O he, dit meende Wouter beter te weten. Oom Sybrand had haar eens op +de Botermarkt moeten zien, en in de gekroonde Jeneverbes! Maar zulke +dingen verklapt geen ridder. Hy zweeg dus. + + + +De oude Minos is byzonder verliefd op Ismene die zeer schoon en +deugdzaam is. Scylla is byzonder verliefd op Minos die zeer oud en +eerbiedwaardig is. Ismene is byzonder verliefd op Fokus die zeer +heldhaftig is. En Fokus is byzonder verliefd op Ismene... dat's +mogelyk. Maar hy spreekt haar zonderling toe, en wel juist op 'n +oogenblik dat ze het in alle treurspelen onmisbaar voorstel doet, om +voor haar beminde te sterven. Ik geloof gaarne dat Fokus 'n held was, +maar heel hoffelyk was de man niet: + + + "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen... + + +Wat is dà t? Een nieuw rumoer, en ditmaal in den engelenbak. Aller +oogen richtten zich opwaarts, maar niemand kon spoedig te weten +komen wat er in dat hoog regioen voorviel. Eerst meende men dat er +gevochten werd, maar dit scheen toch 't geval niet te zyn. Na eenig +dringen en andere blyken van roering en onrust, werd de uniform van +'n policiekommissaris zichtbaar, die blykbaat met vruchtelooze moeite +iets wilde begrypelyk maken aan 'n paar mannen op de voorste bank. Het +scheen dat ze van 'n ander gevoelen waren dan hy. Om z'n fransch of +italiaansch te vertolken, greep de vertegenwoordiger van 't gezag die +beide personen by den arm, en trachtte hun aan 't verstand te brengen +dat ze niet zouden worden opgehangen, noch zelfs gearresteerd, maar +dat ze hun plaatsen moesten ruimen. + + + "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen... + + +--Qu'y a-t-il encore? vroeg de keizer weer. + +En toen een der kamerheeren hem op deze vraag geantwoord had, begon +hy hartelyk te lachen. Er scheen iets nieuws geschied te zyn, dat +byzonder in den smaak viel van de aanzienlykste bezoekers der zaal, +want in alle loges stak men de hoofden by elkaar. Men fluisterde, +en lachte, en giechelde, en staarde naar den engelenbak. Zelfs +de keizer stond op, boog zich over den rand van z'n loge, en keek +rechtuit naar boven. Maar zonder baat, want krom-zien kon hy niet, +wat hem by deze gelegenheid wrevel, en zelfs eenige verwondering op den +hals haalde. Ook de bewoners der lagere sfeer in 't parterre, kregen +voorloopig niets te zien dan de gebaren en mimiek der personen die men +verjagen wilde van hun welbetaalde plaatsen, en die zich hiertegen +hardnekkig bleven verzetten. Onze oude kennis, de Paltsgravin, gaf +weldra blyk meer van de zaak te begrypen, dan de onderste laag van +'t gezelschap. Halverweeg uit haar loge buigend, telegrafeerde zy +met iemand die in 't paradys nog altyd op den achtergrond scheen te +blyven. Het stuk van Rotgans... och! + + + "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen... + + +De Palatine groette met haar joujou. Wien of wie groette zy? Het +scheen dat ze zich byzonder vermaakte. Met wyd uitgestrekten arm wees +ze aan al haar buurtgenooten in aanzienlykheid, dat daarboven in die +gemeene-volkskooi iets zeer byzonders te zien was. Arme Rotgans! En +arme akteur ook. De man zag van alle gepruikte en ongepruikte +hoofden niets dan de kruin. Blyf eens begeistert... achter zoo'n +Publiek! Nogeens, en als sprak hy nu zeer in 't byzonder tot de +Palatine: + + + ... Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen ... + + +De Palatine gaf er niets om. Ze schaterde van lachen--ook de keizer +had gelachen: het mocht dus!--en ze scheen maar niet tot bedaren te +kunnen komen van plezier. + +Nu moest ik 'n dubbele pen hebben, om te vertellen wat Oom Sybrand +zei, die teruggekeerd was na mevrouw Holsma te hebben thuis-gebracht, +en te-gelyker-tyd den uitroep van Wouter behoorlyk weertegeven, die +met open mond en verdraaiden hals zat te kyken naar het tooneel van +den stryd. + +--Waar is Femke? vroeg Holsma. + +--Ze wil niet, zei Oom Sybrand. Ik dacht het wel. + +--O God, daar is ze! riep Wouter. + +--Wie? + +--Femke, m'nheer! Femke, Femke... o God, dà t is nu wel wezenlyk +Femke! En ze... vecht! Zie, dáár, daarboven, zie! + +Hm... 't had er veel van! Maar vechten deed ze toch eigenlyk niet. Het +meisjen in den engelenbak had den policiekommissaris by den kraag +genomen, hem achteruit getrokken, was zoo goed mogelyk tusschen de +bezitters van de nauw-bezette voorbank heengedrongen, en liet zich +daar neervallen op de twee halve schoten van de buurtjes die ze zoo +onbarmhartig gescheiden had. + +--'t Is Femke, m'nheer! O god, het is Femke! Als men haar maar geen +kwaad doet! + +Weer stond de keizer op, en weer staarde hy naar boven. Hy kreeg 't +meisje met den noordhollandschen kap in 't oog, en knikte haar toe... + +--Maar, m'nheer Holsma, het is Femke... onze Femke! + +En de Paltsgravin groette het meisje nogeens met den joujou, als om +haar geluk te wenschen met de verovering van dat plaatsje... + +--Maar, m'nheer, 't is Femke! riep de verbaasde Wouter, die maar niet +begrypen kon dat-i geen antwoord kreeg. + +Ook Holsma en Oom Sybrand waren verbaasd, doch niet als Wouter, +die zich by 't hoofd greep om te voelen of-i wel terdeeg wakker was? + +--Nu, kinderen, zei eindelyk de dokter, je kunt straks aan moeder +vertellen dat we haar gezien hebben. + +En, zich tot Wouter keerende: + +--Dat meisjen is 'n nicht van ons... + +--O ja... Femke! + +--Neen, ze heet anders, en... + +--M'nheer, 't is Femke! Zou ik Femke niet kennen! + +Ei, Petrusje! Dit klinkt reeds geheel anders dan: wie is die +meid? Of... dan zelfs dà t niet! + +Op-eens kreeg 't vreemdsoortig meisje dat haar groote blauwe oogen +onbeschroomd door de zaal liet dwalen, onzen kleinen jongen in het +oog. Ze bukte voorover, staarde hem met aandacht en inspanning in +'t gelaat, knikte vriendelyk, en wierp hem 'n kushand toe... + +Zoo meende hy, en zoo wàs het. Maar 't geheel parterre was ditmaal +al te zeer van zyn gevoelen. Ieder meende dat ze hemzelf, of +allen meenden dat zy allen gegroet had. De deftige lui ergerden +zich aan de verregaande onbeschaamdheid van zoo'n boeredeern--in +hoofdsteden heet elk provinciaal 'n boer--en de meer vroolyk gestemden +beantwoordden haar groet met spottende overdryving. Weldra echter +werd er gesist. Uit de hoogere sfeeren kwam de tyding neerdalen dat +'s konings nicht, prinses Erika, 'n blyk willende geven van sympathie +voor 't Nederlandsche Volk, zich kwam vertoonen in "nationaal kostuum" +of wat by vreemdelingen daarvoor doorgaat. + +--O god, geloof er niets van, m'nheer Holsma! Ik zeg u dat het Femke +is, verzekerde Wouter met tranen in de oogen. + +--Neen, m'n jongen, dat meisjen is Femke niet. + +--Maar... ze heeft my gegroet! + +--En de keizer háár. Je begrypt toch wel dat hy geen waschmeisje +groeten zou? + +Zeker! Dit was moeilyk te veronderstellen. Maar even vreemd kwam +het Wouter voor, dat die... prinses 'n nicht wezen zou van dokter +Holsma. Op-nieuw meende hy te bemerken dat het meisje hem toewenkte, +en dat ze haar lippen bewoog. Naar die beweging te oordeelen, kon ze +best gezegd hebben: myn broeder! Wouter hield het er voor, en lispte +die woorden na, en drukte beide handen styf tegen de borst, als om +'n kostbaarheid te bewaren die zoo-even daarin was neergelegd. + +In-weerwil van z'n hoogachting voor dokter Holsma, was het hem +onmogelyk diens verzekering te gelooven, dat het jonge meisje +daar-boven eene andere was dan de door hem verloochende dochter +van Vrouw Claus. Hy knoopte de voorvallen der laatste uren zoo goed +mogelyk aan elkander, en meende te begrypen hoe hy door z'n drift +aan die Kaatje aanleiding had gegeven tot 'n zonderling bericht +van wedervaren. Men had hem voor krankzinnig aangezien, letterlyk: +voor gek gehouden, en wilde nu hem afleiden van 'n idée fixe. Daarom +ook die uitnoodiging tot het bezoeken van den Schouwburg, en Femke's +voorgewende weigering om meetekomen met Oom Sybrand, die van zyn kant +op deze reeds lang afgesproken weigering had voorbereid. Zeker had de +dokter haar den wenk gegeven, wanneer ze dan toch ook iets zien wilde +van al die pracht en vreemdigheid, ergens anders plaats te nemen dan in +'t parterre. 't Was voor zyn ontroerd gestel beter geoordeeld, dat ze +nu juist niet naast Wouter kwam te zitten, die haar verloochend had, +en daaronder zoo leed! Misschien had men daar in die hoogste loge +'n plaats voor haar opengehouden, en die kommissaris van policie ... + +Maar ... hoe durfde zy dien man zoo onzacht storen in de al te +welwillende uitoefening van z'n funktie? Hem 't gezag uit de hand +nemen? En ... die groet van den keizer? En ... vanwaar wist Holsma +dat hy haar verloochend had, en dat haar tegenwoordigheid de kalmte +van z'n gemoed bedreigen kon? + +--Och, m'nheer, laat Femke maar gerust hier zitten ... ik zal heusch +heel bedaard wezen! Ik ben zoo bang dat men haar kwaad zal doen, +daar-boven onder al die ruwe menschen! + +Holsma zag hem vorschend aan. Zou dan toch die Kaatje gelyk hebben +gehad? Hy vond nu goed, Wouter niet langer tegentespreken in z'n +meening omtrent de identiteit van de verschyning, en trachtte door +eenige onverschillige opmerkingen z'n aandacht en gewaarwordingen +afteleiden. Het toeval wilde dat hy hierby 't woord "engelenbak" +gebruikte, dat ook den niet-amsterdamschen lezer nu zeer gewoon klinkt, +omdat ik het reeds verscheiden malen gebruikt heb, doch den nuchteren +Wouter geheel vreemd was. + +--Juist, viel hy den dokter driftig in de rede. Juist: engelenbak! U +ziet dus wel, m'nheer, dat het Femke is! + +Ook deze konklusie klonk weer zonderling in Holsma's oor. Al te +zonderling zelfs, om nu te laten bemerken dat hy er niets van +begreep. En om Wouter te bewaren voor nòg meer opwinding, gaf hy toe. + +--Wel zeker, jongen, dat zeg ik ook. Ik wou je maar 'n beetje +plagen. Femke zit dáár, omdat ze ... niet gaarne hier wil +zitten. Ze meent dat ... het zoo raar zou staan, omdat ze maar 'n +waschmeisjen is. En dat wy ons schamen zouden over de verwantschap +zieje! + +--O, m'nheer, niemand behoeft zich te schamen naast Femke te +zitten. Zelfs de keizer niet! En ... God niet! + +Ei, Petrus! + +--Ja, ja, suste Holsma. Precies! Zóó is het! Wie braaf en goed is, +hoeft zich voor niemand wegtestoppen. Kyk nu maar verder naar 't stuk, +m'n jongen. + +Wouter wilde gehoorzamen, doch niet voor z'n oogen afscheid hadden +genomen van de heerlyke verschyning. Nog eenmaal zag hy op. Zy +wenkte hem toe, nam 't takje met drie rozeknopjes van de borst, +hield het eenige oogenblikken tusschen duim en voorvinger van de +linkerhand, wees met de rechter op Wouter, en liet het vallen. Het +kwam--niet te-recht, o goden, maar neer toch!--op 'n dikken heer +in Wouter's buurt, die 't aangreep, en heel verwonderd keek. De man +leek niet op rozeknopjes, en z'n verbaasd gezicht scheen te vragen: +wat doe ik daarmee? Vóór-i evenwel zichzelf 'n bruikbaar antwoord op +deze vraag geven kon, was Wouter van z'n plaats gesprongen. Hy wipte +langs en over 'n paar buren en banken, greep 't gulden vlies dat den +valschen Jason zoo in verlegenheid bracht, en drukte het, opziende +naar den engelenbak, aan z'n lippen. Overal elders dan te Amsterdam, +zou 't publiek geapplaudisseerd hebben. Hier deed het de Palatine, +vooral toen prinses Erika knikte: "dat ze 't juist zóó gemeend had!" + +Dit was meer dan Wouter's geschokt gestel verdragen kon. Nooit zou +hyzelf zich 't verloochenen van Femke vergeven, maar nu had zy, de +edelmoedige, de groote, de majestueuze, hem vergiffenis geschonken +ten-aanzien van 't gansche Volk! O, dà à rom wilde zy bóven zitten, +zoo hóóg ... in den engelenbak! Zy had de vlek van z'n ziel gewischt, +z'n geschonden riddereer hersteld ... + +By deze gedachten die hem als bliksems door 't hoofd schoten, viel +hy flauw. Was 't wonder? + +Holsma nam hem mede naar zyn huis, en liet aan juffrouw Pieterse +berichten dat de jongeheer Wouter ... + +--Zieje wel, Stoffel, net wat ik gezegd heb! Ieder mag 't weten: het +kind leseert effectief by dokter Holsma op de Kolveniersburgwal. Trui, +denk er aan dat Leentje morgen ochtend zout haalt in de kommeny, +want ... werachtig, 't kind leseert er! + + + + + + Ariadnisme met modern-burgerlyke verwikkeling. Treurzang over + de hedendaagsche onbruikbaarheid van wonderen. Wouter krygt + les, en wordt--als de lezer--uitgenoodigd zich 'n tydje te + spenen van romantiek. + + +Het is me zeer moeielyk, te berekenen hoeveel van m'n lezers genoeg +menschelyk gevoel hebben uitgeschud, om niet te schreien by de +ongelukken van juffrouw Laps. Als het medelyden dat ik voor haar +inroep, gering is, wyt ik dit aan te groote geleerdheid. Het schynt +wel dat de belezen mensch onzer dagen z'n gevoelighedens heeft +opgemaakt aan mythologie, romantiek en bybelkennis. Hy heeft zich +moê getreurd op 't legio modellen van verlatenheid, die ons sedert +eeuwen geleverd zyn in profane en heilige Schriften. De tranen alzoo +waarop juffrouw Laps 'n onmiskenbaar recht heeft, en die haar ook +niet zouden geweigerd zyn door naïver toeschouwers of lezers, zyn de +buit geworden van Medea, van Fedra, van Asnath, der vrouwe Potifars, +van Ariadne op Naxos, en dergelyke persoonlykheden meer, waarvan +er toch geen enkele by ons Lapsjen in welbegrepen rampspoed halen +kon. Ze was, zy by-uitnemendheid, wat de romanschryvers gewoon zyn +met sierlyke spraakwending: "de ongelukkigste der vrouwen" te noemen, +en haar door Wouter zoo schichtig verlaten boven- voor- onder- achter- +insteekkamer, 'n ware tempel van verschillende smarten. + +Het is geenszins m'n bedoeling, Wouter boven Jozef, Theseus, Jason +of Hippolytus te stellen. Apollo beware my voor de by auteurs +somwylen voorkomende apenliefde, die hen in hun helden altyd de +"belangwekkendste der stervelingen" doet zien. De lezer zal erkennen +dat ik genoeg moed en plichtbesef heb, om m'n jongetje nu-en-dan +niet zeer malsch te behandelen. Neen, niet in Wouter's verdienste +zoek ik den maatstaf voor de wanhoop der verlatene. En ook zyzelf +voedde haar verdriet niet uitsluitend met 'n droevig staren op de +waarde van den verloren schat. De hem kwalificeerende benamingen +die ze 't weggeloopen heil namurmureerde, getuigden meer van vinnige +verstoordheid dan van byzondere waardeering. Er bestond iets geheel +anders, dat met volle recht haar verstoordheid stempelde tot wrevel, +en zelfs tot woede. Met gepasten eerbied voor de smart van al die +andere dames, meen ik te mogen in 't midden brengen, dat er onder die +gansche weenende vrouwenschaar geen enkele zoo'n gek figuur maakte +tegenover de respektieve verwanten van haar verlaters, als juffrouw +Laps. Ze moest Wouter verantwoorden aan z'n familie. Dà t was het! + +De zonderlingste plannen gingen haar door 't hoofd. Hoe zou 't zyn, +als ze vertelde dat-i was "weggenomen" van voor de oogen des Volks, +en opgevaren in 'n gloeiende diligence? Ze verwierp dit denkbeeld, +uit zeer gegronde vrees dat men haar niet gelooven zou. Onder alle +wonderen zyn er maar weinig zoo ongeschikt tot dagelyksch gebruik, +als hemelvaarten. Zelfs Politie en Justitie gelooven er niet aan, dit +zy gezegd zonder 't minste wantrouwen op de historische grondslagen +van de christelyke godsdienst, die zulke zaken niet missen kan zonder +in elkaar te storten als 'n slecht gebouwd kaartenhuis. Het zal den +godsdienstigen lezer genoegen doen, te ontwaren dat ik in dit opzicht +geheel-en-al 't gevoelen aankleef van den zeer heiligen Paulus. (I +Corinthen, XV, vs 14.) + +Dus: géén hemelvaart! dacht onze Ariadne, met bedroevend +verstand! Maar... wat dan? + +Ze begon met wachten of haar Theseusje misschien zou terugkeeren? Het +was haar niet duidelyk geweest, of hy in die kroeg geraakt, dan wel +gebleven was onder de volksmenigte die er vóór stond. Misschien ook had +deze of gene stroom van de joelende menigte hem meegevoerd. Hm... hoe +vèr? 't Land uit? Naar... Amerika of 't peperland? Dit zou zoo +kwaad niet wezen, vond ze, want eigenlyk was ze nu meer angstig +voor z'n terugkeer by de zynen, dan begeerig naar zyn wederkomst by +hà à r. De oorzaak is ligt te vatten. Wat zou Wouter vertellen aan z'n +verwanten? Tot haar groote teleurstelling was z'n medeplichtigheid +niet ver genoeg gegaan, om hem bescheidenheid inteboezemen in z'n +eigen belang, en 't schepsel stond te laag om kiesheid te verwachten +uit oorzaken van anderen aard. + +Om by 't schriftuurlyke te blyven, zon ze, na 't verwerpen van de +gedemodeerde luchtvaart, op 't aanwenden der egyptische methode +van Asnath. Helaas, daarby is de verrukkelyke naïveteit van Potifar +onmisbaar, en ze had menschenkennis genoeg om te berekenen dat noch +Stoffel, noch z'n moeder, noch zelfs een van Wouter's zusters, +onnoozel genoeg wezen zouden om zich te laten vangen in 'n strik +van zoo verouderd maaksel. Zeker zou er blyken dat haar zeer bekend +"Geloof" eer 'n wapen tégen haar opleverde, dan 'n schild waarachter +ze schuilen kon. Want, lezer, de achtbaarheid van de goddienery is wat +versleten. Ze voorzag dat men meer vertrouwen stellen zou in Wouter's +... kinderachtigheid, dan in haar gescherm met "Schrift" of "Heer" en +hierin had zy alweer volkomen gelyk. De tyd nadert, dat men zeggen zal: +"ziedaar iemand die niet gelooft, en toch 'n schelm is." Dit "toch" +zal beter op z'n plaats staan dan 't arme woordje gewoon is, daar we +'t nu meestal zien misbruiken om betrekkelyke verdorvenheid en wèl +gelooven--zaakjes die zeer na aan elkander verwant, en dikwyls zelfs +identisch zyn--in tegenstellend verband te brengen. + +Uit spyt en woede beet onze martelares haar nagels af, en vervloekte +al het volk dat daar onder haar vensters nog altyd nafeest vierde van +'n feest dat er niet geweest was. Ze vleide zich eenige oogenblikken +met de hoop haar deserteur in 't oog te krygen, en nam zich voor, als +'t lukte, hem unguibus et rostris in haar nest te slepen, niet om 't +genoegen van z'n gezelschap nu, maar om te voorkomen dat-i naar z'n +eigen huis ging, en daar meer vertelde dan haar aangenaam was. Doch +ze slaagde er niet in, Wouter te ontdekken, en vermoeid van staren +schoof ze eindelyk haar venster toe, juist 'n oogenblik te vroeg om +den wagen te zien wegryden, waarin prinses Erika zich liet brengen naar +'t paleis op den Dam. + +Schoon de morgenstond reeds lang was aangebroken, begreep onze Laps dat +het te vroeg was om reeds nu naar de Pietersens te gaan. En bovendien +... wat zou ze daar zeggen? Dat haar riddertjen in 't holst van den +nacht was weggeloopen? Waarheen? Waarom? Wie verzekerde haar, dat niet +reeds 't heel schandaal door hemzelf was bekend gemaakt, en dat alzoo +Vrouw Asnath ditmaal visschen zou achter Jozef's net? Och, hoe pynlyk! + +Ze besloot ... niet te besluiten, en de zaak nog 'n paar uurtjes +overtelaten aan den "Heer." Met deze verzuchting besteeg ze haar +maagdelyke koets, 't frigidum lectum waarover 'n latynsch dichter de +eenzame Penelope laat klagen in den zevenden regel van haar brief aan +Ulysses. Als juffrouw Laps latyn gesproken had, zou ze waarschynlyk ook +zoo-iets gezegd hebben. De lezing van de twee regels die Ovidius laat +voorafgaan, luidde nu in háár mond: "ik wou liever dat de kwajongen +z'n nek had gebroken op de manier van hoogepriester Eli in 1 Samuel, +IV. Maar de weldadige wonderen zyn de wereld uit. Die vervlll...oekte +zevenklapper!" + +En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my +in, wat daar geschiedde gedurende Wouter's romantische omzwerving, +en zorg dat m'n taal niet al te ver sta beneden de waardigheid van +'t onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit +had zien uittrekken tot bescherming zyner geïmprovizeerde dame, en +hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf, +maar 'n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten +hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem... + +Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze +kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydagavend naar +bed gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me +niets gebleken. In m'n archieven vind ik geen spoor van angst over +'t vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld, +misschien wel omdat dit gevaar z'n verwanten ten-eenen-male onbekend +was. Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig gehad haar opzetje zoo +fyn intekleeden, en 't overslaan van Wouter's naam by 't oproepen +van de ridders wier bescherming zy beweerde noodig te hebben, was 'n +overbodige weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens, +ze zou by veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel +bereikt hebben. De voornaamste aandoening die haar onbegrepen +taktiekje te-weeg bracht, sproot voort uit den afkeer dien hare +geheele persoonlykheid inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht +omtrent haar byzonder plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet +gedacht. De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte, +maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere +lieden zouden omtrent Mensch en Wereld veel te leeren hebben, voor ze +'t standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken. + +En ook van de geestige onwetendheid die we naïveteit noemen, was hier +geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg behoefden +te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze niet. Ze +hadden in dit byzonder geval alleen hierom niets ergs gedacht, omdat ze +gewoon waren in 't geheel niet te denken, en deelden dus de verdienste +van 't vertrouwen, met Wouter's muts die er ook geen kwaad in zag, +juffrouw Laps 'n paar uurtjes gezelschap te houden. [12] + +--Ik begryp om al de wereld niet, waar de jongen zoo lang blyft? zei +de moeder. + +--Hy zal niet vroeg opgestaan wezen, en misschien laat ze hem by +'t ontbyt 'n kapittel uit de Schrift lezen. + +Aldus Stoffel. En de familie berustte zonder veel inspanning 'n +half-uurtjen in die bemoediging. + +--Wat zou je-n-'r van zeggen, als jyzelf er eens heenging? stelde +eindelyk juffrouw Pieterse voor. + +--'t Zal moeielyk gaan, moeder! Want ... uwe weet, het is niet in +den weg van m'n school. + +Dit argument voor non-interventie was volkomen geldig. Men moet nooit +iets doen wat niet op z'n weg ligt. Ziehier een der liefelyke kanten +van 'n welbegrepen konservatismus. Stoffel zelf wist niet hoe diep +de zin was van z'n staatkundig grondbeginsel. + +--Maar... als we dan Leentjen eens daarheen zonden, om te vragen waar +de jongen blyft? + +Dit werd goedgekeurd. Leentje ging, en kwam weldra terug met de +boodschap dat "Wouter waarschynlyk 'n wandelingetje maakte." + +Zóó namelyk had juffrouw Laps in den angst van haar hart gezegd. En +'t was niet geheel-en-al onwaar. Wouter was inderdaad na z'n vertrek +uit haar woning, terdeeg aan 't wandelen geraakt... de lezer weet +het. Maar juffrouw Laps verzuimde wyselyk, er by te zeggen waaròm hy +'n wandeling deed, en op welk uur hy haar verlaten had. Leentje had +geen erg er naar te vragen, omdat het vanzelf scheen te spreken dat-i +niet was uitgetogen in 't holste van den nacht. En zóó ook werd de +zaak door z'n moeder en zusters opgevat. Ze kwam dus eenvoudig neer +op een van de zonderlinge gewoonten van Wouter, waarover men zich +zoo dikwyls te verwonderen had. + +--Daar heb je 't weer! zei de moeder. De last die ik van dà t kind +heb ... kyk! 'n Ander maakt 'n kuiertje na den eten, niet waar? En hy +... wat doet-i? Hy loopt rond in den vroegen morgen. Ik vraag jezelf +nu, Stoffel, of dat 'n manier van doen is? + +--Né, moeder! + +--En ons hier in angst te laten zitten! + +--Ja, moeder! + +--Zieje, 't is toch weer heel erg van hem. Hy moest begrypen dat +we hier allemaal in doodelyke ongerustheid ... god weet waar-i nu +weer rondloopt? + +--Zeker, moeder! En nu is 't tyd voor m'n school. Dag, moeder! + +Stoffel vertrok. Van dien angst en die ongerustheid was geen woord +waar. Deze klacht hoorde er zoo by, meende de familie, overigens niet +de minste blyken gevende van bekommering over Wouter's lot. Ook hier +alweer speelden onkunde, onwetenheid en traagheid haar gewone rol. Het +kòn immers zyn dat den knaap 'n ongeluk overkomen was? Z'n moeder +vond het gemakkelyker hem te beschuldigen van onbehoorlyk gedrag, +dan ernstig te onderzoeken waar-i beland was. En hierby bleef het, +tot dokter's Kaatje kwam. + +De lezer weet hoe Holsma z'n koetsier gelastte 'n oogenblik optehouden +voor Wouter's woning, ten einde dat meisje gelegenheid te geven tot +uitstappen. Alles was haastig naar 't venster geloopen ... + +--Daar is-i, daar is-i! riep de heele familie om 't hardst, hy zit +zoowaar in dokter's koets! + +Deze opmerking verdreef alle andere indrukken, en Kaatje's +geruststellende taak viel byzonder ligt. Eigenlyk had ze niets hoeven +te zeggen. 't Kwam er niet meer op aan, waar Wouter geweest was ... nu +reed hy in 'n koetsje. In's hemelsnaam, wat wil men meer? + +--By dokter ontbeten? Gut, mensch, wat zeg je! En ... en ... waarom +heeft de koetsier z'n beeremuts niet op? + +De verwonderde Kaatje beriep zich op 't saizoen, en vond de ontvangst +die haar te-beurt viel, zeer zonderling. De verdenking die zy koesterde +omtrent Wouter's geestvermogens, ontving nieuw voedsel door de vreemde +manier waarop haar boodschap beantwoord werd. 't Scheen wel dat de +heele familie ... 'n beetje ... + +--En heeft-i wezenlyk by dokter ontbeten? Begryp eens, Trui +... ontbeten! + +--J...a, juffrouw, hy heeft by ons ... ontbeten! O ja, zeker, ontbeten +... m'nheer heeft het gezegd. + +--By den dokter? En ... ontbeten, zeg je? Op den Kolveniersburgwal? + +--Wel zeker! Waar anders? Maar ... wat zou dat? + +--En ... is-i wel fatsoenlyk geweest? + +--Gut ja, juffrouw, maar ... + +--En nu zit hy met den dokter in de koets? + +--Wel zeker, juffrouw! Maar ... + +--Hoor 'ns hier, vryster, ik zal jou eens wat zeggen, maar je moet +er niemand overspreken. Hy is 'n zonderling kind, weetje ... + +--Ja, zuchtte Kaatje, volkomen overtuigd. Dà t weet ik! + +--Zoo? Weetje 't? En weetje-n-ook waarom? Dà t zal ik je nu eens +vertellen. Hy is zoo'n zonderling kind, omdat--ga jy even op-zy, Petrò, +en jy ook Mine ... Trui kan blyven, maar kyk op je werk!--hy is zoo +zonderling en dingsig, weetje, omdat ik, toen ik zwaar van 'm was ... + +--Gut, juffrouw! + +--Ja, vryster! Toen heb ik gedroomd van 'n kapel die 'n olifant +voorttrok. Begryp je 't nu? + +--O ja, ja, ja, precies, juffrouw! Ik begryp 't nu heel best. + +--Zie je? En daarom ... doe de komplimenten aan den dokter, en zeg +dat ik wel laat bedanken. 't Is nu maar te hopen dat-i fatsoenlyk +is ... Wouter, meen ik. Gut, draagt de koetsier zoo'n muts alleen in +den winter? + +Kaatje maakte dat ze wegkwam. Ze nam zich voor, nooit van kapellen +en olifanten te droomen. Zoo'n uitspatting van den geest kwam haar +zeer gevaarlyk voor, want ze begon nu in allen ernst te meenen dat de +heele familie gek was, en dat zy in Wouter daarvan slechts 'n klein +staaltje gezien had. + +Toen, eenige uren later, de dokter-zelf zich de moeite gaf juffrouw +Pieterse te komen geruststellen, kende de vreugd over Wouter's +verheffing geen grenzen. Holsma bestudeerde deze en andere zotternyen, +en maakte van z'n opmerkingen gebruik by 't bepalen van den geestelyken +leefregel dien hy Wouter straks zou voorschryven, een dieet dat hy +nog meende te moeten inkrimpen na 't voorgevallene in den Schouwburg. + +Wat juffrouw Laps aangaat, zyzelf wist niet hoe goed alles buiten +haar toedoen geschikt was. Ze hield zich den heelen dag bezig met +onnoodig gepeins over de mogelykheid om 't ding te redden, dat ze--wel +eenigszins met verkrachting van den zin--haar "eer" noemde. Daar zy +evenwel tot geen besluit kwam, bewaarden de gunstige goden haar voor +'t nemen van maatregelen die juist andersom zouden gewerkt hebben +dan de eisch was. Ze deed niets, en door 'n byzondere welwillendheid +van 't lot, was dit de beste party die ze kiezen kon. 't Spyt me +voor sommige lezers, dat haar veroveringstocht niet tragischer +afliep. Maar de moraliteit wint er by. Ik gis dat Fancy 't gemeene +schepsel de belangwekkende smart niet gunde, van de kastyding die ze +verdiend had. Een paar dagen angst was voor haar peccadille volkomen +genoeg. 't Spreekt vanzelf dat ze nog altyd bleef vreezen dat Wouter +haar aanklagen zou. + + + +Wouter was inderdaad dien saturdag-nacht by de Holsma's gebleven. Den +volgenden morgen vroeg nam de dokter hem by zich op de studeerkamer, en +sprak hem vriendelyk toe. Hy moedigde den ontluikenden jongeling aan, +hem zoo goed mogelyk te vertellen wat er in z'n gemoed omging, doch +onthield zich zorgvuldig van alles wat Wouter in de meening zou kunnen +brengen dat-i byzonder was. Het spreekt overigens vanzelf, dat hy meer +begreep dan Wouter zeggen kon. Ook de niet zeer handig overgeslagen +geschiedenis met de onnoozele verleidster, lag hem klaar voor oogen. Hy +luisterde naar Wouter's ontboezemingen, als naar iets zeer bekends, +en stelde z'n onbegrensde eerzucht--of liever z'n voorbarige en +overspannen zucht naar 't goede: z'n God-zyn--als 'n gewoon verschynsel +voor, dat uit de levensperiode voortsproot, en... dat uit den weg moest +worden geruimd. Ook Wouter's liefde voor Femke, behandelde hy als 'n +zeer gewone zaak. Om aan al deze geringschatting zooveel doenlyk de +pynlykheid te ontnemen, haalde hy gedurig z'n eigen ondervinding aan, +en verklaarde zichzelf schuldig aan de fouten die hy in Wouter meende +te moeten gispen, een methode die nog altyd veel ouders en opvoeders +onbekend schynt te zyn. Ook Jezus heeft over 't hoofd gezien dat men +zich bukken moet om te kunnen opheffen. Of werd hem die terugstootende +heiligheid aangewreven door vervalschers? Meenden zy misschien dat +de zondeloosachtigheid die hem zoo volstrekt onbevoegd maakte tot +voorganger, als onmisbaar bestanddeel van z'n goddelyke natuur moest +worden voorgesteld? Zagen ze niet in, dat de voorgewende verheffing +tot méér dan Mensch, 'n verlaging was beneden 't peil der Mensheid, +die juist aan den specifisch-menschelyken stryd tegen afdwaling, haar +hoogheid te danken heeft? Dat ook hier alweer 't onbruikbaar-goddelyke +uitloopt op ongerymdheid, spreekt vanzelf. + +Holsma, heel ongoddelyk, maar goedig, verstandig en waar, zette +zich niet op 'n voetstuk. Hy begon met de betuiging dat ook hy in +z'n jeugd alles wat Wouter hem meedeelde, ondervonden had, en tevens +dat hy dezelfde gemoedsverschynselen in byna alle andere jongelieden +waarnam. Ook trachtte hy de zaak terugtebrengen op burgerlyk-praktisch +terrein, met vermyding van allen prikkel tot geestvervoering. Het +kwam hem voor, dat z'n patiënt aan zulke behandeling behoefte had, +en hy volgde dus in zekeren zin de koud-water-medikatie van Vrouw +Claus. Of deze ontnuchtering ten-allen-tyde en voor ieder dienstig +is, blyft de vraag. Ook paste de menschkundige Holsma ze slechts +voorloopig toe, en misschien wel als proef om te weten of Wouter +tot hooger levensopvatting in-staat was. Hy liet hem z'n gemoed +uitstorten, en viel hem niet in de rede, waaruit voortvloeide dat +Wouter vry slecht sprak, omdat onafgebroken verhandelingen niet +in de natuur liggen. Juist het gehakkel der voorstelling deed den +ongeoefenden spreker bemerken--en hierom was 't Holsma te doen--dat +z'n aandoeningen minder belangwekkend waren dan hy gemeend had. Hy +voelde lust zichzelf in de reden te vallen met de vraag: "is 't anders +niet?" en begon nu te vreezen dat ook Holsma dit zeggen zou. Maar +toen-i eindelyk scheen gereed te zyn, antwoordde deze vriendelyk: + +--Zeker, zeker, m'n jongen, ik ken dat! In zulke stemming zou je overal +willen zyn, alles willen regelen, beheerschen... alles goed-maken, +niet waar? Je hebt 'n gevoel alsof je voor alles aansprakelyk was. Het +hindert je dat er zooveel verkeerds is in de menschen, en dat zy +... o ja, ja, ik ken dat zeer goed! + +Maar, eilieve, denk eens na over de middelen die je tendienste +staan. Hoe zou je 't aanleggen om iets te verbeteren? Wouter zweeg. + +--Meen je dat à lle menschen slecht zyn? Dit mag je toch niet aannemen, +dunkt me. Onder die menschen zyn er gewis velen die 'tzelfde wenschen +als jy. Waarom veranderen zy de wereld niet? + +Wouter zweeg alweer. Juist de eenvoudigheid van de vraag belemmerde +hem. Maar Holsma drong op antwoord aan. + +--Welnu? Komaan, ik zal je helpen. Geloof je dat ik 'n goed mensch ben? + +--O ja, riep Wouter hartelyk. + +--Ei? Nu, ik geloof 't ook. Ik zou me schamen als ik dit niet durfde +zeggen. Waarom dan verander ik de wereld niet? Je spreekt zoo dikwyls +van Afrika--omdat je dat land niet kent, m'n jongen!--welnu, ik die 'n +goed mensch ben, heb nog altyd de slavenjachten niet afgeschaft. Waarom +niet, denkje? Antwoord eens. + +Wouter was volstrekt geen debater. 't Lag niet in z'n eerlyken aard, +het geven van 'n stellig antwoord te weigeren uit vrees dat het +straks zou kunnen gebruikt worden als stormram tegen de meening die +hy verdedigen wou. Toch bleef hy weifelen. Men bedenke dat Holsma +bezig was met 'n amputatie. Is 't wonder dat de patiënt het deel van +z'n ziel, dat afgezet worden moest, angstig terugtrok? + +--Welnu, dan zal ik de zaak anders voorstellen. Je hoort immers wel +dat aanhoudend geklop en gehamer... luister! Dat is van 'n smedery +hier-naast. Je begrypt wel dat me dit soms hindert? + +--By ziekte? + +--Ja, en als ik te denken heb. Ik wenschte die smedery verplaatst +te zien... zóó... fluks... op-eens! Zeg me nu eens, waarom doe ik +dat niet? + +--Omdat ... u niet kan, m'nheer. + +--Juist! Dáárom ook heb ik tot heden toe niets veranderd aan al wat +er verkeerd geschiedt in Afrika. En ook in Azië niet. En in Amerika +niet. En in zeer veel landen niet. Maar gister-avend in de komedie, +toen je onwel was--'t was er warm!--nam ik je mee, en ik heb je +verzorgd en naar bed laten brengen. En ik heb je moeder laten +geruststellen over je lang uitblyven. Dat alles was m'n plicht, +niet waar? + +--O, m'nheer... + +--Geen dank, m'n jongen! 't Kwam me voor, dat het m'n plicht was, +en ik deed het: omdat het kòn. Wat niet kan, is m'n plicht niet! En +daarom ook neem ik die smedery niet tusschen duim en vinger, om haar te +verzetten naar 'n andere buurt. Om dezelfde reden bemoei ik me niet +met Afrika. Onmogelyke plicht is géén plicht, en het jagen daarnaar +staat het vervullen van onze werkelyke plichten in den weg. Heb je +weleens op-school je les niet gekend? + +--O, dikwyls! Maar in den laatsten tyd niet, omdat Femke... + +--Laat Femke nu even rusten. Misschien zeg ik straks een woordjen over +haar. Toen je op-school je werk verzuimde, had je zeker aan wat anders +dan je lessen gedacht, aan dingen die niet voor-de-hand lagen. Dit +nu is de fout van veel jongeluî, en--word er niet boos om: ik was +ook zoo!--ze komt grootendeels voort uit luiheid. Het is gemakkelyker +zich te verbeelden dat men zweeft boven 'n berg die heel in de verte +ligt, dan in werkelykheid z'n voet optelichten om over 'n steentje +te stappen. Onder de millioenen zaken die je zoudt willen doen, zyn +er slechts weinigen die je zoudt kunnen doen. Bemoei ie voorloopig +alleen met die weinigen. Dà t is de weg om verder te komen. Vraag altyd +jezelf af: "wat wordt er op dit oogenblik van me gevorderd?" en gebruik +niet de ingenomenheid met het vermeend hoogere, als voorwendsel tot +verwaarloozing van wat je lager toeschynt. Je bent ontevreden met je +tegenwoordig standpunt? Wel, maak je 'n beter standpunt waard! Dit is +de manier om het te bereiken, en de eenige goede manier. Vraag jezelf +by elke gelegenheid af: wat is m'n naast-byliggende plicht? Kun je +me dit beloven? + +Wouter gaf er de hand op. + +--En je wou zoo graag meer weten? Ik ook, m'n jongen! Laat ons zien +wat er aan die kwaal te doen is. Wat u betreft, het ontbreekt je nu +zeer in 't byzonder aan de schoolkennis, waarin jongelieden van uw +leeftyd die in andere kringen werden opgevoed, je vooruit zyn. Dà t is +ligt intehalen, en we zullen er op terugkomen, maar... 't is op dit +oogenblik je naast-byliggende plicht niet! 't Beetje latyn dat onze +Willem verstaat, en waar je zoo jaloers op bent, is in 'n paar maanden +geleerd, vooral wanneer je je zult geoefend hebben in 't willen. Wat +zou 't nu helpen, nu? Wen je eerst dat zweven af, dan komt het latyn +vanzelf, en 't grieksch ook, en al de andere zaakjes waartegen je +nu zoo hoog opziet. Er zyn op dit oogenblik heel andere vyanden te +verslaan, dan de ridders uit je romans. Minacht de moeielykheden niet, +die je te bestryden hebt. Dit zou juist oorzaak kunnen worden van +'n treurige nederlaag. Je moet je denkvermogen leeren gebruiken naar +je eigen wil, en de verbeelding knotten die je anders over 't hoofd +groeien zou. Er zyn wysgeeren geweest, die beweerd hebben dat het +leven 'n droom is. Wat ze daarmee eigenlyk bedoelden, is me niet zeer +helder. Die uitspraak-zelf komt me droomerig voor. Misschien vergis +ik me hierin, doch wel durf ik met zekerheid zeggen dat droomen geen +leven is. Begryp je dit? + +Wouter knikte toestemmend. + +--De ware verhevenheid, ging Holsma voort, is dat men doet wat +men doen moet, zelfs 't geringe. Wat zou je zeggen van ridders die +zich op den kop lieten slaan door vagebonden, omdat hun riddereer +niet toeliet zulk kanalje ten-onder te brengen? Zou je dit niet +'n onbruikbare ridderschap vinden? Je gaat nu in den handel? Kom +my over 'n maand eens vertellen of je woord gehouden, en altyd je +naast-byliggende plicht vervuld hebt? Dan zullen we verder zien, +maar... dà t eerst! Zal je 't doen? + +--O zeker, zeker! Maar... m'nheer, mag ik u nu vragen naar... + +--Naar Femke? Wel, dat is 'n best meisjen, 'n heel braaf kind, en +'n nichtje van me. + +--Maar hoe dan te begrypen wat ze daar kwam doen? En hoe ze... + +--Die dame in de komedie was Femke niet. Dat was prinses Erika. We +wilden haar zien, omdat haar voorouders aan de onzen verwant +waren. Hierin is niets byzonders, kereltje! + +--Een wezenlyke prinses? + +--Ja, en Fem is 'n wezenlyk waschmeisje. We willen hopen dat die +Erika even degelyk van karakter is als zy. Maar, jongen, hecht +toch aan zulke dingen zoo'n gewicht niet. Men ziet dat afwyken +van familievertakkingen dagelyks. Of, al ziet men 't niet, het +is zoo. Er moet 'n tyd geweest zyn dat Erika's voorouders zich in +beestenvellen kleedden, en de mynen ook. De vraag is, of zy 't weet +dat ze hier te-lande stamverwanten heeft? Dat wy 't weten... nu ja, m'n +broer Sybrand schept genoegen in 't opsporen der overeenstemming van +schynbare tegenstellingen. Ook in taal... dit heb je by 't kippenhok +gehoord. Wel beschouwd, is de wereld veel kleiner dan je meent: alles +raakt elkaar! Wie weet of 't niet invloed heeft op de Geschiedenis, +dat je morgen by die heeren... hoe heeten ze ook? + +--Ouwetyd en Kopperlith, m'nheer. + +...dat je by de heeren Ouwetyd en Kopperlith den handel gaat +leeren. Welnu, wereldhistorisch of niet, doe daar je naast-byliggende +plicht! Dit is nu de ridderlyke taak die ik je opdraag... als je naar +me luisteren wilt. Zal je 't doen? + +--Heusch, m'nheer! Maar... Femke? + +--Daar heb je 't al! Ze heeft niets met je naast-byliggende plicht +te maken. De eenige dame die je voor 't oogenblik dienen moogt, +is... nu, wie? + +--De... handel? + +--Juist! Wil je nu volstrekt iets van Femke weten... welnu, zy zegt +ook dat je je niet met haar bemoeien moogt, en aan niets moet denken +dan aan je werk... + +--O, ik zà l, ik zà l! + +--Nog wel tien jaren lang. + +--Tien jaren? Tien? + +--Ja, zóó zei ze toen ik haar vertelde dat je nog zoo weinig wist, +en zoo weinig kon. + +--Tien jaren? + +--Nu ja, zóó zei ze. Misschien acht, of... twaalf, of... twintig, want +je begrypt wel dat men zoo-iets niet zoo héél nauwkeurig kan bepalen. + +--Tien jaren? + +--Zóó zei ze. + +--Ik zà l! + +--Heel goed, m'n jongen. 't Zal my genoegen doen, en... háár ook. Begin +er dus spoedig mee, en dring je niet op, dat het zoo byzonder moeielyk +is. Dat maakt zenuwachtig. Duizenden zyn voor tien jaar begonnen +met wat u morgen te doen staat, en... ze leven nog! Je ziet dus wel +dat het kà n. Bovendien, denk nu voorloopig maar alleen aan de eerste +maand. Zoo breek je den tyd. Over 'n week of vyf wacht ik je hier. Dan +zullen we verder zien. + +Na nog eenmaal beloofd te hebben dat-i "alle gekheid" uit z'n +gedachten zetten wou, nam Wouter voor dien dag afscheid. Maar hy +bewaarde z'n rozeknopjes, al was 't hem niet helder of de vereering +van deze reliek--het eenige wat hem uit de afgeloopen driedaagsche +stormperiode overbleef--'n prinses gold, of 'n bleekmeisjen, of beiden, +of de kleine Sietske Holsma, of 't portret uit de zykamer, of z'n +ideaal dat hyzelf samentooverde door 't onwillekeurig ineensmelten +van al deze beelden tegelyk. Om zyn aan Holsma gegeven woord gestand +te doen, verbood hy zich alle onderzoek dienaangaande, en drong met +heldhaftigheid z'n aandoeningen terug. Het blyft de vraag, of-i +tot helderheid en zelfkennis zou geraakt zyn, wanneer hy hierin +niet geslaagd was? Wie zegt ons of niet misschien de indrukken die +hy meende te hebben opgevangen van buiten-af, de afspiegeling waren +van z'n eigen gemoed? Om dezen twyfel begrypelyk te vinden, heeft men +zich slechts aftevragen, of z'n fantazie werkeloos zou gebleven zyn, +indien hy al die voorwerpen niet ontmoet had? Ik acht deze opmerking +hierom niet zonder gewicht, wyl ik aan de gewaarwording die Wouter +beheerschte, nog altyd den naam van liefde niet geven durf. Dat een der +meest karakteristieke kenmerken van het beminnen, de zucht om goed te +zyn hem niet ontbrak, is waar. Doch deze neiging had zich reeds veel +vroeger in eigenaardige overdrevenheid by hem geopenbaard, waaruit +dan ook, lang voor hy Femken ontmoette, z'n overspannen eerzucht en +de daarby behoorende hoogmoed waren voortgesproten. + +Onder de aandoeningen die hy na 't gesprek met Holsma moest +terugdringen, speelde de nieuwsgierigheid naar de oplossing der +verschillende wyzen waarop Femke zich aan hem vertoond had, maar +'n zeer ondergeschikte rol. Dit schynt te vreemder, omdat hy aan de +door Holsma gegeven verklaring geen geloof sloeg. Hy bleef er by, +dat het meisje in den schouwburg wel inderdaad de persoon was geweest +die men tot-nog-toe Femke genoemd had, en schreef Holsma's verzekering +óf aan dwaling toe, óf aan de zucht om hem tot kalmte te brengen. Hy +beweerde meer van dat meisje te weten dan den dokter kon bekend zyn, +die haar niet in die herberg gezien had! Dat ze zich kon voordoen +als prinses, kwam hem volstrekt niet vreemd voor. Het was eer te +verwonderen, meende hy, dat ze de goedheid had, zich nu-en-dan te +vertoonen als kindermeisjen of als dochter van 'n waschvrouw. Een +prinses? Wel mogelyk! Waarom niet? Dat meisjen op die tafel zou niet +Femke geweest zyn? Ook niet die verschyning in den schouwburg? Heel +natuurlyk, en geheel in overeenstemming met de hoogte waarop hy +altyd het voorgewende bleekmeisje geplaatst had? Als dat niet Femke +was, dan kon zeer goed het meisje dat hy tot nog toe Femke noemde, +eens-vooral prinses wezen. Deze verandering was zoo groot niet, +of liever... 't was er geen. Als 'n bliksem schoot hem nu ook de +indruk door de ziel, dien het schrikwekkend bellen van juffrouw Laps +dien vrydagavond op hem gemaakt had. Toen immers reeds vroeg hy zich +af, of daar misschien prinses Erika was, die kwam ruilen? Er bleek +nu, dat ze dit reeds voorlang gedaan had! Dat er in dit alles iets +geheimzinnigs lag, ontveinsde Wouter zich niet, maar dit geheimzinnige +kwam zoo juist overeen met z'n droomen en luchtbeelden, dat het hem +meer bevredigde dan ooit nuchtere waarheid zou hebben kunnen doen. Hy +was evenmin nieuwsgierig als de velen die na de lezing van Genesis, +nu eens-vooral meenen te weten: "waar alles vandaan gekomen is" en +geen lust hebben in 'n onderzoek dat hun die genoegelyke zekerwetery +zou kunnen kosten. Hierin zal dan ook wel de oorzaak liggen, dat voor +zekere gemoederen slechts de fabel 't kenmerk van de waarheid draagt. + +Gelyk de Mensheid in voorhistorische tyden, was Wouter nog altyd +ontvankelyk voor 't buitengewone, voor 't wonderbare, voor 't +onrnogelyke. Wie hem verzekerd had dat Femke onderworpen was aan gewone +aandoeningen, zou niet zoo zeker op geloof hebben kunnen rekenen, +als de dichter die haar tot onderwerp had gekozen van de wildste +fantazie. Wanneer hy haar had te spreken gekregen, zou er aan à nderen +die 't onderhoud bywoonden, gebleken zyn dat zyzelf in dit opzicht +hooger stond, maar of 't hèm gebleken ware, blyft de vraag. Elke +uiting van haar eenvoudig gezond verstand zou hy hebben opgenomen +als neerbuiging om-zynentwil, als 'n poging om 'n taal te spreken die +verstaanbaar was voor... menschen of burgerjongetjes. "Ze houdt zich +zoo om my niet afteschrikken" zou hy dan gedacht hebben. Inhoeverre er +by dit alles invloed werd uitgeoefend door de byna geheel uitgewischte +herinnering aan de Fancy-verschyning, is moeielyk te bepalen. Wel +was de indruk daarvan niet meer te herkennen, doch misschien deden +zich nog altyd de gevolgen van dien indruk eenigszins gelden. Z'n +geest was eenmaal zekeren weg opgestuwd, en in deze richting ging +hy voort, al was dan ook 't punt van uitgang sedert lang uit het +oog verloren. Ook deze byzonderheid is op de Geschiedenis van 't +Menschdom ten-volle van toepassing. Wy werpen de fabels weg, waarmee +ons Geslacht in z'n kindsheid werd vermaakt, we schamen ons over +'t geloof aan de spokery waarmee het bedrogen werd, maar... blyven +gebukt gaan onder de gevolgen der onnoozelheid van vorige geslachten. + +Wouter vroeg niet meer: "zou zy 't zusje wezen, dat ik +zoek?" maar de behoefte aan ineensmelting met 'n wezen, dat hy +wilde toebehooren--in-verband altyd met z'n zucht naar kennis en +stryd--bleef bestaan. En alweder werkte de onbewustheid van deze +neiging bevredigend op z'n begeerte om de vele byzaken die hy niet +begreep, eens eindelyk opgehelderd te zien. In al het vreemde dat +hem de laatste dagen overkomen was, vond hy evenzeer aanleiding om +zich aftevragen: "wat wàs er toch?" als om zich toeteroepen: "zeker, +zeker, zóó is het! Juist wat ik altyd meende!" Dat mysterieuze-zelf +was juist de voldoening die hy zocht, en... dus nog altyd 'n blyk +van z'n onrypheid. Zyn aandoeningen waren hem als 'n bewogen water +waarin de onvolwassen ziel de Nixen ziet spelen, die ze zien wil, hoe +onbestemder van omtrek, hoe weifelender van lynen, hoe liever. Naar +juister teekening, naar meer duidelykheid, haakt die ziel niet... er +mocht eens blyken dat ze zich slechts gespiegeld had in de rimpeling +van den door haarzelf in roering gebrachten vloed! + +Was Femke géén prinses? Was prinses Erika niet--uit weeldeliefhebbery +dan--'n waschmeisje? Eilieve, misschien ook was dat heerlyk standbeeld +op die tafel, noch de een noch de ander... 'n derde verschyning +dus! Drie? 't Is te weinig! Millioenen beelden van dien aard waren +niet te veel om, saamgevat in één totaal-gedachte, de begeerte te +bevredigen van 'n gemoed dat, slechts ontluikend nog, niet Femke +beminde, maar... de Liefde! Waarlyk, de knaap had nog veel te leeren, +en waarschynlyk waren op deze behoefte, de raadgevingen van z'n +menschkundigen vriend gegrond. Het schynt wel, dat Holsma inzag hoe +Wouter vóór alles moest kennismaken met het à llerlaagste, om allengs +opteklimmen tot de Poëzie der Werkelykheid die zooveel hooger staat +dan liefelyk-bontgekleurde--maar kinderachtige, onvoedzame en dus +verderfelyke--droomery! + +Hoe dit zy, even als hyzelf, dalen we voor eenigen tyd naar +lager sferen. Het hoofdkwartier van de Mensheid is nu eenmaal +gelykvloers. Vandaar gaan wy altyd uit, dáárheen keeren wy altyd +terug. Het is al wel, wanneer we niet verleerd hebben van-tyd tot-tyd +ons te vermeien in wat vlucht. Hopen wy dat de lust en de kracht ons +niet begeven, die uitspanning te hervatten. Er bestaat dan tevens +kans, nader kennis te maken met prinses Erika, by welke gelegenheid +we misschien te weten komen dat aristokratie van verstand en hart niet +uitsluitend behoeft gezocht te worden in de... lagere standen, zooals +sommige romanschryvers--hofmakend aan 't gemeen--weleens voorgeven +te gelooven. Reeds nu durf ik verzekeren dat ze wel degelyk "van de +familie" was, en wel in veel hooger zin nog, dan oom Sybrand weten kon. + +Voor 't ons vergund is nader kennis met haar te maken, hebben +we--precies weer als Wouter zelf--vervelender dingen te behandelen. Zóó +immers moet m'n geschiedenisje geschreven worden, op-straffe van niet +op 't leven te gelyken, wat 'n fout wezen zou, 'n groote fout... de +gewone! + + + + + + + + Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare + halsboorden. Non omnibus licet... zonder de minste toespeling + op Corinthe. + + +Fancy's luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van +byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk +uitgenoodigd z'n verwachting op de leest van het dagelyksche te +schoeien. + +De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger aan, +dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde dan +'t meerendeel van z'n medemenschen, maar uit onrust. Hy had weinig of +niet geslapen, en verliet z'n bedstee zoodra 't licht werd, drie volle +uren alzoo voor-i zich had aantemelden op 't kantoor van de heeren +Ouwetyd & Kopperlith. Wat z'n diligentie in dit opzicht aangaat kon dus +dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in +de plichten die onmiddellyk vóór hem lagen, met ter-zydestelling van +utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. Maar hyzelf +zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook, +en vooral, zich uitsluitend bezig-houden met het dagelyksche, maar +juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was, +voerde hy 'n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare neiging +tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan de lezer, +die na al 't vorige wel evenveel moeite hebben zal als Wouter-zelf, +om belangtestellen in 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. + +--Zeker, zeker, dacht hy--nu-en-dan overluid--ik zal braaf oppassen, +en terdeeg m'n best doen, en werken tot ik moê ben, en zorgen dat +ieder tevreden over my is, maar... zou ik nu daarom niet eerst Femke +eens mogen spreken? Zou dà t nu oorzaak kunnen zyn, dat ik m'n plicht +in den handel verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet +waar ze m'n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet +vragen aan Vrouw Claus, wie haar in 't hoofd gezet heeft dat ik op 'n +paard reed? En dat ik 'n sabel op-zy had... 'n kleintje, zei ze. Nu, +klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze 'r aan? + +En... dat Stakkervrouwtje? + +En... dat portret! + +Ik wil en zà l denken aan m'n werk, alleen aan m'n werk, en aan +de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun kantoor, +en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den +heelen "Strabbe" en moeielyker dan van Strabbe, zullen de sommen +op zoo'n kantoor toch wel niet wezen, denk ik. En al was dit zoo, +dan zal ik... neen, neen, moeielyker dan van Strabbe zyn de sommen +op zoo'n kantoor zeker niet! Zouden nu zulke heeren-zelf ook den +heelen Strabbe doorgewerkt hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord +toen ze jong waren. Dat ik de eerste ben geworden by Pennewip, heb ik +aan Femke te danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik +'t knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o, +in lang niet! Later... ja, toen ik 't geworden was om haar pleizier +te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas +beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of +veel langer nog, aan niets mag denken dan aan m'n werk! Alle Grieken +zullen vermoord zyn, voor ik 'n wezenlyke man ben. En... Femke zal +trouwen met 'n matroos, of 'n timmerman, of... met 'n schipper die +'n bonte muts draagt, of... met 'n prins, als ze wil! + +Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och, +hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat +ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in +zoo'n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... zóó! En in +de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy +vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heele Scylla was +niets dat uit de verte halen kon by háár. Dit zal de keizer ook wel +begrepen hebben, en dáárom heeft hy haar gegroet. + +Zoodra ik heelemaal groot ben--ik meen: als ik den handel versta, +want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat zà l +ik!--nu, later dan, wil ik ook eens 'n treurspel maken, en zóó dat +ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en 't Volk, +en allemaal! Ik zal er iets inbrengen van 'n geroofd schild, en +... Femke zal het terugbrengen ... zy, of ik, of ... wy samen. Ja, +zóó zal 't wezen, juist andersom dan in Scylla. En ik wou m'n stuk wat +minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek +houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen +dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. En telkens wist ik wat er +volgen zou, want als de een wat zei van z'n hart, vertelde terstond +'n ander iets over z'n smart. 'n Enkele keer hindert het niet, maar +op-den-duur is 't heel vervelend. Dat zei dan ook die Focus: weerhou +die redenen, prinses, die my vervelen. Ik geloof niet dat 'n grieksche +held ooit zoo iets kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen +mee dat z'n beminde voor hem stierf--ik zou 't ook niet toestaan--dat +was geen reden om haar zoo onvriendelyk toetespreken. Misschien was +'t weer om 't rym. Daarom zal ik niet rymen in m'n treurspel. Niet +altyd, tenminste. Als ik nu maar lang genoeg leef om zoo-iets te +mogen beproeven, en als zy maar niet vóór dien tyd ... + + + Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft, + My weglokt van de taak die op me rust. + Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel, + En tracht me wegtestelen van m'n plicht ... + Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heen + Omdat ik altyd nog mezelf niet ben, + En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet, + U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept. + En stom, als 't hart me berst van drang tot uiting. + Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog, + Die leeren moet, en leeren, altyd leeren, + En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ... + + +--Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op? + +--Hm ... ja ... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy verlegen. Ik +was opgestaan omdat het zoo warm was in 't bed, en ... en ... dáár +sprak ik over! + +Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds +gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets +anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Zóó had de dokter gezegd! + +En nogeens dwaalden z'n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw +Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte +zich. En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner +schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z'n Strabbe. Met dat boek +bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van 't ontbyt. + + + +Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag, +en was mild in 't uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop Wouter +zich in z'n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy moest vooral +heel fatsoenlyk wezen, en door z'n gedrag de heeren opwekken tot +het besef der goede hoedanigheden van z'n moeder. Ook was 't niet +kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma's op den Kolveniersburgwal +gelogeerd had, en dat de schoenen van z'n vader ... + +--Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op z'n tyd op +'t kantoor wezen. Daar houden zulke menschen van. + +--Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En als +ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel +risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je +boordje, en dat stáát niet voor 'n jongen die al op 'n kantoor is. + +Dat boordje--amsterdamismus voor: halskraag--had 'n groote rol +gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De +belangstellende lezer herinnert zich zeker 't jukkraagje, waaronder +Wouter gebukt ging toen we 't eerst kennis met hem maakten in de +Hartenstraat. Door 'n verdrietige gaping in m'n archief--daarvan +zullen zich méér sporen vertoonen, helaas!--ben ik niet in-staat +met juistheid al de overgangen te schetsen, die in dit opzicht de +toenmalige periode scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik +dat de opstaande boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar +"den handel" 'n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der fondamenten +van juffrouw Pietersen's hoop. En ook Wouter-zelf dacht niet gering +over deze verandering. De twee plankstyve linnen lappen die z'n wangen +bedykten, maakten op hem 'n dubbelen indruk. Eerst en voornamelyk +dien van 'n toga virilis. Vervolgens 'n paar roode streepen, die den +weg wezen van z'n mondhoeken naar z'n ooren. Hy was er grootsch op, +en reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femke ontmoet hebben. Wie +styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand +zou dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde, +en dus beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen +omtegaan. Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid 'n lastige +keerzy hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich +uit zien om z'n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem 'n zot +voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar +'t was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de +niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst +moest winnen van z'n nieuwe chefs. Dus: + +--Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en links, +'n Mensen moet vóór zich kyken. Je kunt er vast op aan, dat zulke +heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met je nieuwe boordjes--'t +zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet er nu niet toe, wat zeg jy, +Trui?--je moet je niet aanstellen als 'n wilde. + +Van wildheid was geen spraak, toen Wouter 'n kwartiertje na deze +laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op +de Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch, +helaas, 't scheen wel of reeds z'n eerste aanraking met die firma 'n +misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich--niet zeer oprecht +uitlokkend, maar bruikbaar toch--den bezoeker aan. Een dubbele +glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve beneden +de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf 'n "opgaande stoep" +gelegenheid om doortedringen tot 'n soort van bel-étage. Wouter, +vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg 't geschiktste, en met niet +zeer flink gestrekte knieën besteeg hy de acht of tien trappen. Op +'t bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men +mocht het eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde +hy door 't venster van de "zykamer" het gelaat eener bejaarde +dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z'n +figuurtje scheen te monsteren. 't Scheen wel dat ze hem de stoep +wou afkyken. Wouter had er 'n pynlyk gevoel van, en maakte zich zoo +klein mogelyk. 't Is niet ieder gegeven, en vooral niet iemand die +z'n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder angst, op de stoep +te staan van 'n huis op de Keizersgracht! Met genoegen ware onze held +hard weggeloopen, maar... wat dà n? Bovendien, hy had geen militairen +rang, en moest dus stáán blyven onder bereik van 't geschut uit die +zykamer. Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met een vinnigen blik, +en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan +háár paleis. De martelende inspektie duurde lang, zóó lang dat Wouter +ernstig begon te denken, óf aan den aftocht, óf aan 't herhalen van z'n +klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was 'n moed +noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben zou, +doch gewis op dit oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat baatte +hem nu Holsma's heerlyk voorschrift om altyd flink z'n naastbyliggenden +plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die +stoep? In 's hemelsnaam: hy wachtte! + +Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannen en +place, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, moeielyk te +genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht respekteeren +zich zeer, waarin ik dan ook 't heel eenig kenmerk vind, dat hen +uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te beweren dat +ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. Wat +overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren +om ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z'n hoede is, +wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die de Natuurlyke +Historie der Kleinstädterei tot onderwerp van hun studien kozen, +verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden afgericht op +'t inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de ongelukkigen die +door 'n gram noodlot veroordeeld werden zich daaraan bloottestellen, +zeer lang wachten op 't openen van de huisdeur. Het schynt dat de +ad hoc dienstdoende keukenmeid, door een tot de uiterste grenzen der +mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker in den waan moet brengen, òf +dat het huis zoo byzonder groot is, of dat haar bezigheden onafbrekelyk +zyn omdat ze zoo byzonder veel te koken heeft. Bedoelde auteurs +schryven dezen diepzinnigen gedragsregel op rekening van zekere jacht +naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik die jacht loochenen zou, +maar de aanzienlykheid draagt in myn mond 'n heel anderen naam. Ze +komt my--met het oog op de van dit woord in m'n vorigen bundel gegeven +definitie--ploertig voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje +voorloopig overgeleverd. Hy wachtte met heldhaftig geduld. Heel +eindelyk werd de deur door 'n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend, +doch maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om +Wouter toetesnauwen: + +--Wat mòtje? Mot je by mefrôô weesse? Wa's je booschap? Je skelt +huis, jonge! Ik ken niet f'r jou plessier den heelen dag de skel +naloope. Waarom skel je huis? + +By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. Maar: +"je skelt huis"... wat is dà t? + +--Of skel je keuke? + +Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee +belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren +door de benamingen "keuken" en "huis." Wie groente, vleesch, +boter, of melk kwamen brengen, moest zich melden door middel van de +keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op toegang +tot het salon--'n ding dat er in zekeren zin niet was, gelyk we zien +zullen--mochten zich aanmatigen de zeer pretentieuze huisschel in +beweging te brengen. Wouter die noch viktualie kwam brengen, noch +z'n opwachting maken wilde aan "mevrouw"--zou zy 't wezen, die zoo +onlieftallig door 't venster van de zykamer gegluurd had?--Wouter +erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet wist waar-i wezen +moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer Pieterse was, +toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde naar z'n +identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet. + +Door m'n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken +tot 'n overdryving die zeer te betreuren is. Herhaaldelyk sprak +ik van 'n deur, en... die geopend. Een klein beetje maar, heel +eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! dit nu was +de waarheid, maar... een deur? Vervloekte hyperbolen: 't was 'n +halve! De huisdeur waarachter 'n rechtgeaard Amsterdammer z'n vrouw, +z'n effekten en z'n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte +in tweeën geknipt. De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd +zyn, voor men hem door 't openen van de onderste helft, den toegang +vry laat. De zeer letterlyk-exklusieve strekking dezer byzonderheid +ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer men ze +in-verband brengt met de tallooze hekjes en afsluitingen die elken +voorbyganger schynen toeteroepen: "myn huis, je komt er niet in!" En +nog zyn er gevoellooze bedillers, die 't den Amsterdammer van zulk +gehalte kwalyk nemen dat-i, by zoo'n benauwde levensopvatting in den +regel 'n dom schepsel blyft! Die onbillykheid is niet uittestaan. + +En nog altyd spionneerde die leelyke dikke dame door 't venster +van de zykamer. 't Kwam Wouter voor, dat zy iets hem betreffende +meedeelde aan iemand die in haar gezelschap was. Een heer van minder +dan middelbaren leeftyd, boog over haar heen naar 't venster, en wenkte +Wouter met niet zeer vriendelyk gebaar, dat-i de stoep verlaten, en +beneden aanschellen zou. Goddank, nu wist onze kandidaat-handelsman +ten-minste iets. Allerbeleefdst nam-i z'n hoed af, en schoof +blootshoofds eenigszins bukkend dat dreigende venster voorby, en de +stoep af. Inderdaad, beneden by de dubbele glasdeur was ook 'n bel, +en daarnaast las hy 't woord: magazyn. + +Hier zal ik moeten wezen, dacht hy. Kantoor en magazyn zal wel zoo +omstreeks 'tzelfde zyn. En hy belde. + +De persoon die belast was met het "naloopen" van deze schel, zou alweer +zeer gevoegelyk kunnen doorgaan voor 'n kurator of superintendent +van 't respekt. Hy gaf Wouter veel tyd tot meditatie, vooral over +den tekst hoe moeielyk het is integaan tot den huize Kopperlith. Of +onze expektant-handelsridder behoorlyk gebruik maakte van de zoo +gul aangeboden gelegenheid tot ontwikkeling van z'n denkvermogen, +is te betwyfelen. Bovendien, hy werd gestoord. Men tikte--en op den +klank af geoordeeld, eenigszins toornig--tegen 'n glasruit van de +zykamer. Wouter stapte een tred achteruit, en zag naar boven. De +m'nheer van zoo-even beduidde hem met driftige bewegingen, dat-i +nogeens moest aanbellen, en wat harder. Wouter bedankte door +het afnemen van z'n hoed--had niet z'n moeder hem vóór alles, +fatsoenlykheid aangeprezen?--en hy waagde nu 'n harder trekje, dat +nog al tyd niet terstond door 't openen van de deur gevolgd werd. Het +scheen wel dat de Cerberus van 't "magazyn" 'n zeer hoog denkbeeld +koesterde van 't respekt dat de heeren Ouwetyd & Kopperlith noodig +hadden. De man overdreef z'n yver. Dit begon zelfs de heer in de +zykamer intezien, die alweer tikte, en wenkte: "schel nògeens voor den +drommel!" met 'n uitdrukking alsof Wouter 't helpen kon dat er niemand +kwam. Hy voelde heel duidelyk hoe de ware fatsoenlykheid voorschreef, +vergeving te vragen dat men hem zoolang wachten liet. + +Intusschen gluurde hy door de glasdeur, en wierp nieuwsgierige blikken +in 't "magazyn." Het was een van die lokalen welker afmetingen +men gewoon is uittedrukken door de dichterlyke vergelyking met +'n pypelâ. Eenigszins in afwyking van de bekende omschryving in de +meetkunst, verheugde zich de hier bedoelde ruimte in de eigenschappen +van lengte, breedte en... laagte. De breedte was met die van 't +huis gelyk. De lengte werd aan de voorzy begrensd door de reeds +bekende glasdeuren, die in haar poging om wat licht doortelaten, +werden bygestaan door 't schuins hoekje venster dat z'n hypothenuze +gemeen had met de stoep, en bovendien door 'n ander raampje dat aan +de vóórzy van die stoep aan de straat uitkwam. Het hokje dat door dit +venstertje z'n licht ontving, heette "het kantoortje" in tegenstelling +van 't "kantoor" dat we straks zullen te zien krygen. Wat overigens +de "laagte" van 't magazyn aangaat, deze benaming is zoowel gegrond +op de zeer geringe afmeting van den opstand, als op 't peil van den +vloer. Een volwassen man kon met z'n opgeheven hand de zoldering +bereiken, en de bodem lag 'n voet of drie beneden den beganen +grond. Hy verhief zich niet verder boven de riolen die in de gracht +uitliepen, dan juist voor de bewoners noodig was om niet te worden +meeweggespoeld met de vuiligheid. Wat de verlichting aangaat, men +begrypt dat het weinige glaswerk aan de voorzy, niet à l 't werk alleen +kon doen. Ongeveer op één derde van de lengte, hield het binnenkruipend +licht op. Wie evenwel scherp van gezicht en rechtvaardig was, moest +erkennen dat-i, heenborende door de duisternis van 't midden, vry +duidelyk kon bemerken dat de bouwmeester gepoogd had ook aan den +achterkant iets te laten binnendringen dat naar vermindering van +duisternis geleek. Daar namelyk was door vriendelyke bemiddeling +van 'n boven de zoldering van 't magazyn gelegen binnenplaatsje, +iets te zien dat niet volstrekt zwart kon genoemd worden. Hoe de +venstersoort heette, die dit wonder te-weeg bracht, weet ik niet +recht. Een lantaarn, of 'n koek-koek, of zoo-iets. Er is altyd wat +armoedigs in zulke bouwkunstige meesterstukken. Ze geven getuigenis +van bekrompenheid--in alle beteekenissen! + +Voor-zoover Wouter's blikken in 't magazyn konden doordringen, bemerkte +hy dat de langsche, middelruimte was ingenomen door 'n breede tafel, +waarop stapels lynwaad gerangschikt lagen. Ook rechts en links langs +de muren waren zulke koopmanschappen opgestapeld, zoodat slechts 'n +nauwe doorgang aan weerszyden van die lange tafel overbleef. Alleen +aan 't vooreind, tusschen 't "kantoortjen" en de glasdeur, was eenige +ruimte overgelaten, waar 'n meubel op schragen stond, dat hy later +leerde kennen en waardeeren als "de paktafel." + +Waarlyk, er begon kans te komen, dat de deur tenlaatste zou geopend +worden. Dat Wouter eindelyk in een der gangetjes iemand naderen +zag, zou wat veel beweerd zyn, en alweer aan sommige kunstrechters +die in polemiek op hun gemak gesteld zyn, gelegenheid geven tot de +bakerlyke aanklacht van overdryving. Neen, Wouter zag niets in die +duisternis, maar wel kwam 't hem voor, dat de duisternis zelf zich +begon te bewegen. Er schoof iets zwarts over den zwarten grond. En +dat zwarte werd--zonder overyling altyd--wat bruiner en gryzer +en lichter ... waarachtig, er naderde een menschelyk wezen. Heel +natuurlyk. Gerrit Sloos kwam de deur openen, en beslofte reeds de +ruimte naast de paktafel. Nog één sekonde, en de slotbrug van het +tooverkasteel zou worden opgehaald. Wat vreemds lag daarin? Voor u en +my niets, lezer, maar Wouter was aan 't versteenen geraakt, en stond +op het punt vasttegroeien in z'n wachtstemming. Alle verwondering over +de moeielykheid om in dat heiligdom doortedringen, was zoo volslagen +geweken, dat hy, nu de deur eindelyk geopend werd, zich niet kon +onthouden van eenige verbazing over het tegendeel. 't Scheelde weinig +of hy had aan Gerrit Sloos gevraagd, of-i zich ook vergiste? In-plaats +daarvan echter, nam hy--voor de hoeveelste maal nu reeds!--z'n hoedjen +af, en Gerrit keek vragend tot hem op. Wouter stotterde iets. + +--Ben jy Pieterse, de jongeheer die hier op 't kantoor komen zou? + +--J...a...a, m'nheer! + +--Zoo? Je hoeft geen m'nheer tegen me te zeggen. Ik hiet Gerrit +... Gerrit Sloos, weetje. Eigenlyk is m'n naam Schlossmann, maar och +... wat heeft 'n mensch aan die moffekuren, niet waar? Daarom zeg ik +maar Sloos, en zoo teeken ik ook, want ... ik ben de knecht, weetje, +de kantoorknecht. Kom maar in! + +Wouter daalde de drie trappen af, die toegang verleenden naar +het hol. Z'n eerste beweging, toen-i naast de paktafel stond, +was 'n onwillekeurige greep naar z'n neus. Want ... de stank was +onverdragelyk. + +--O né, zei Gerrit, als antwoordende op dit welsprekend gebaar. Dat +reukjen is niet van 't magazyn--ik zeg maar kelder, weetje, want zoo +zeien we vroeger toen de ouweheer-zelf nog meedeed--die lucht is van +den kelder niet, maar van de riolen, weetje! + + + Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in 't lyden! + + +--O zoo, zei Wouter, alsof deze opmerking de pestlucht veranderde in +'n geur. O ... zoo! + +--Ja, van de riolen. Daarom ook staat al dat goed daar tegen den muur +op planken, zieje. Als 't den grond raakte, zou 't verrotten. Kom +mee naar 't kantoor. Maar je komt veel te vroeg, want we benne-n-in +den komkommertyd. Dan is er niet veel te doen, dat begryp je-n-ook +wel. Maar hoor eens, je mot niet vóór schellen, aan den kelder--de +jongeheeren zeggen tegenwoordig: magazyn... fransche wind allemaal +... 'n engelsche notting, weetje! Nou, ze hebben 't van dien mallen +Wullekes!--je mot het kantoor ingaan in de Vellestraat. Ik zal 't je +wyzen. Voor vandaag komt het er nou niet op aan, omdat het de eerste +keer is, en omdat je 't niet weet. Je ziet, ik heb je opengedaan ... + +Gelukkig! + +... maar anders, weetje, wie op 't kantoor wezen mot, komt in door +de Vellestraat. 't Is heel makkelyk te vinden ... als je-n-'t maar +eens weet. En daarom zal ik 't je wyzen. Kom maar mee. Maar zet +je hoedjen op. Je hoeft tegen my zoo beleefd niet te wezen, want +ik ben de knecht maar, weetje. De heeren komen straks, zoo tegen +negenen. 't Is komkommertyd, moet je denken. En daarom heb je zoo +lang gewacht voor ik je opendeed. Want ik zat in de keuken, en ik +zei tegen de meid dat zy zou opendoen--in de bovengang, weetje--want +dat het zeker 'n nieuwe aschkarreman was, die nog niet wist waar-i +schellen moest. Maar ze wou niet--'n lui beest is ze!--en ik zei: +'t gaat my niet aan, want we benne-n-in den komkommertyd, en dan +wordt er zoo vroeg niet aan den kelder gescheld door iemand die de +zaken kent. Dat zal jyzelf ook wel te zien krygen, als je hier 'n +tydje geweest bent. Weetje hoe lang ik hier al dien? + +Wouter klaagde zich aan van verzuim. Hoe drommel kon-i zich veroorloven +niet te weten hoe lang Gerrit Sloos reeds in dienst was van Ouwetyd & +Kopperlith? De booswicht stamelde vol schuldbesef dat-i 't niet wist. + +--Nou, raad eens! + +Elk ander zou 'n cyfer genoemd hebben. Wouter was te stipt, te vol +geweten, om aan zeker getal jaren de voorkeur te geven boven 'n ander +getal. Waarom twintig? Waarom dertig? Waarom meer of minder? Hy bleef +er by dat-i 't "heusch" niet wist, en ook geen kans zag het te raden. + +--Zoo? Nou, dan zal ik 't je zeggen. Verléje Pinkster was 't +drie-en-veertig jaar. Wat zeg je dáárvan? + +--Hè! + +--Ja, 't is 'n lange tyd, niet waar? Als je 'r vóór staat, denk je dat +het wat is. En als 't voorby is ... weet je wat het dan is? Niemendal +... 'n engelsche notting! Dat zal je zien, als je-n-'n ouwe kerel +wordt, want nu ben je maar 'n jong borssie. 't Zal me benieuwen of +je-u-'t zult kunnen vinden met Wullekes, met m'nheer Wullekes. Want +tegen hem moet je "m'nheer" zeggen, schoon ik 'm gekend heb zoo kaal +als 'n luis. Toen had-i geen nagels om met permissie ... z'n neus +te snuiten, en hy liep me na als 't horloge van 'n trekschipper die +'n ouwe juffrouw ziet aankomen. Maar nou ... wind, wind, allemaal +wind! En wat is 't? 'n engelsche notting! En z'n vrouw--ook 'n gekkin +van de bovenste plank!--praat altyd over prinsessen die ze-n-eens +gezien heeft. Né, die Wullekes ... wie 'm kent, koopt 'm niet! Nou, +je zal 't zelf zien en ondervinden, als ie tyd van leven hebt. Ieder +moet maar altyd z'n eigen weg gaan, en dat doe-n-ik dan ook. Maar +die Wullekes ... + +Kyk, hier is 't. Tusschen de olievaten moet je door--'t is hier altyd +even smerig, dat komt van 't lekken, want die vaten lekken altyd--maar +eerst moet je door de stokvischbeukery, en als je dat doet. kom je +vanzelf op 't kantoor. + +Wanneer Gerrit Sloos met dit "vanzelf" bedoelde: gemakkelyk, +geleidelyk, zonder omslag, en wat men zou kunnen noemen: op 'n +niet onprettige manier ... 't zy zoo! Over den smaak valt niet te +twisten. Gerrit zal 't maar zoo by-wyze van spreken gezegd hebben. + +Onder 't luisteren naar al deze mededeelingen, had Wouter den +half-onderaardschen weg afgelegd, die van de Keizersgracht naar de +dwarsstraat leidde, waar inen den ingang tot het kantoor van de heeren +Ouwetyd & Kopperlith te zoeken had. Hy prentte die stokvischbeukery en +de gang naast het oliepakhuis diep in z'n geheugen, om zeker te zyn +dat-i nooit weer zou worden overgeleverd aan de spitsroeden die hem +zoo hadden gepynigd aan den voorkant van 't huis. Dat die verheven +stokvisch-industrie en dat oliepakhuis, niets te maken hadden met de +"zaak" waarin Wouter leerling werd, zal de lezer wel begrypen. Er +lag op dat terrein 'n servituut van doorgang, en de stokvischbeuker +moest gedoogen dat er op de deurpost van z'n lokaal 'n ovaal bordje +pronkte met het opschrift: "Ingang naar 't kantoor van Ouwetyd & +Kopperlith." Ook de olieman mocht den doortocht niet versperren, +doch hy nam z'n verplichting zoo nauw op, dat men er gewoonlyk +niet dóór kon zonder 'n paar smeervlekken meetenemen. Juffrouw +Pieterse heeft daarover vaak gekeven, ook Wouter-zelf vond het heel +onaangenaam. Maar... had-i zich dan voorgesteld, met de wereld in +aanraking te kunnen komen zònder bezoedeling? Beste jongen, dat +gaat niet! + + + + + + + + Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor 'n + fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de + handelswereld. Multa tulit! + + +By 't nalezen der laatste helft van 't vorig hoofdstuk, bemerk ik, +'n gedeelte van den weg die van de Vellestraat naar 't "kantoor" +leidde, te hebben overgeslagen. Na 't voorbyworstelen van de +glimmende olievaten, moest men de gang door, langs een achterhuis +van 'n paar verdiepingen hoog, en eindelyk de binnenplaats over, +waarop 't kantoor "uitzag." De lezer die op nauwkeurigheid gesteld +is--anderen zyn me onverschillig--wordt gewaarschuwd deze binnenplaats +niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat licht +meedeelde aan 't magazyn. Tusschen die beide "open-luchtjes" in, +lag 'n groot gedeelte van 't huis, dat lang, smal en hoog was. Na +de ontdekkingsreis geleidde Gerrit onzen Wouter naar 't kantoor, +wees hem daar 'n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot +"de heeren" zouden komen. En, zei de man: + +--Dat zal nog wel 'n uurtje duren, want we zyn in den komkommertyd. En +ik ga m'n kommetje koffi drinken in de keuken. 't Ga je goed, zoolang. + +Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den tabouret +opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde. + +De voorwerpen die z'n aandacht tot zich trokken, waren niet zeer +geschikt om z'n stemming byzonder vroolyk te maken. Het uizicht door de +twee verweerde vensters op de binnenplaats en 't achterhuis, was--op +'t verschil in warmtegraad na--nova-zemblisch: + + + Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... wanden. + Hier houdt geen sterfling 't uit. Hier komt geen Noorman landen. + Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld, + Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt! + + +Meent men dat Tollens ooit die schoone regels had kunnen schryven, +als-i niet door z'n vader was "gedaan" op 'n kantoor in verfwaren? Waar +anders ving z'n oog zulke tinten op van iets droevigs, van 't enge, +benepene, barre, kille? Meent men misschien dat er in 't hooge +Noorden-zelf iets te aanschouwen valt, dat in zielstremmenden invloed +halen kan by zoo'n verblyf? De oude heer Tollens heeft wel geweten +wat-i deed, en 't is waarlyk te verwonderen, dat zyn zoo wèl op z'n +plaats gezette zoon het aanzyn heeft gegeven aan prullen ook. Misschien +werd-i bedorven door 'n bloempotjen op z'n binnenplaats. + +Zoo verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel +voorwerp trok z'n oogen tot zich, dat hem 'n voorwendsel aan de hand +deed om iets anders te denken dan: "in den handel, in den handel, +ik ben hier in den handel!" + +Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken, +naast de onderaardsche gang die naar 't magazyn liep, eenig geruisch te +maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van z'n krukjen, om al +wat er zou binnentreden, met de noodige beleefdheid te groeten. Maar er +kwam niemand, en Wouter besteeg z'n troontje weer. Toch zorgde hy z'n +hoed in de hand te houden, om terstond gereed te zyn tot het aannemen +van 'n groetende pozitie, à ls er eens tenlaatste in die onbehagelyke +eenzaamheid iemand te voorschyn kwam. Op den greenenhouten vloer +bemerkte hy indrukken van voetstappen. Dáár glinsterde de gepolyste +moet van 'n rechts-om-keert-beschryvenden hak ... hoe heette ook de +man dien-i had hooren noemen by de Holsma's, de man op dat eiland, +die zoo verschrikte by 't ontwaren van menschelyke voetstappen? Och, +in deze wildernis ... + +Aan den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming +van kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter +verlegen maakten. Daar waren Cognossementen, Fakturen, Vrachtbrieven, +en zelfs: Diverse Nota's. En die opschriften waren omgeven van 'n +gekoperdrukten rand vol bloemen, rankwerk, hoornen van overvloed en +allerlei krullen, welk bywerk beheerscht werd door 'n spiernaakten +Merkurius, die op wolken zat, en heel pedant neerkeek op de epigrafen +en de weelderige arabesken aan den rand. De wolken waren gemerkt O & +K, No ... later in te vullen by eventueel gebruik. + +--Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zoo'n god ook +begonnen zyn met leerlingetjen op 'n kantoor te worden? Hoe leî +men het toch aan in 't oude Griekenland, om iets te worden in de +wereld? O, ik weet wel dat die fabelleer gekheid is, maar de luî die +zulke geschiedenissen uitdachten, moeten zich toch 'n voorstelling +gemaakt hbben van 't begin der zaken. Van wie had die Merkurius +rekenen geleerd? Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen +... kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest ... dà t +geeft dà t, wat geeft dà t? En dan vermenigvuldigen. En dan deelen met +het voorste. En als er breuken zyn ... lastig is 't, nu ja, maar +ik zoek den algemeenen noemer. Ja, ja, ik zal goed m'n best doen, +zooals de dokter gezegd heeft ... + +Daar werd weer gestommeld in de gang. Misschien zette een der meiden +'n "luiwagen" buiten de keuken. Of ze smeet 'n "varken" de deur uit ... + +Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken, en +voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er niemand. Hy +had nog niets "in den handel" verricht, nog geen enkele evenredigheid +opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor 'n heel ristje breuken +tegelyk, en toch ... hy was vermoeid! De klok sloeg al, of pas, +negen. "Reeds" voor iemand die sedert vyf uren worstelde met z'n +gedachten. "Pas" negen uur, voor 'n werkmannetje dat zoo graag wou +uitmunten, èn nu al vóór 't aanvangen van den arbeid, zich geknakt +voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den onbewusten +indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door 't denkbeeld dat z'n +voornaamste werk in rekenen zou bestaan, angstig dat-i niet voldoen +zou--'t was niet te veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen +zich zouden ophouden met makkelyke "sommen"--legde hy zichzelf 'n +tentamen op, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk betrapte +op: zes maal acht is ... drie en 'n kwart, of ... niemendal. "O God, +o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met ... den handel!" + +Elken keer dat een der beelden die 'n rol hadden gespeeld in +de laatstverloopen dagen van z'n leven, zich aan zyn verbeelding +vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch Gooremest, +noch de goede Vrouw Claus ... hy bloosde, en keek Merkurius aan, +die ... ook geen kleeren aan 't lyf had. Wèl ... gekleed of niet, +hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat hooge stoeltjen +om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch aan dat bad by de +put! Weg met dat alles: hy moest in den handel! En, wel beschouwd, hy +wàs er al in. Bevond hy zich niet op 't kantoor van de heeren Ouwetyd +& Kopperlith? Zoud-i niet straks, dienzelfden dag nog, en binnen 'n +kwartier misschien, gereed moeten zyn tot antwoorden op de moeielykste +vragen? Op vragen die den groote Strabbe-zelf in verlegenheid konden +brengen? Och, waarom had Femke hem niet aangeraden de knapste te worden +van de heele wereld? 't Was immers dan in één moeite doorgegaan? Dan +zoud-i nu niet angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd ... noch +tegenover Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith! + +Ja, ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar eisch was +kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem gebaat? Hy +was juist, of ter-nauwernood, 'n klein weinigje bekwamer maar dan +Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet voldoende is in de +wereld, om god des Koophandels te worden, veel minder nog om 't te +brengen tot "patroon" van 'n amsterdamsch "huis." Dat Femke's bedoeling +goed was geweest, wilde hy wel gelooven ... o, zeker! En boos op háár +was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i gaarne ... + +Weg, weg, weg met Femke ... drie maal negen is zeven-en-dertig: o god, +daar is 't weer! Het was om gek te worden. Juist! Zoo begint ... [13] + +Ja, 't was voor 'n ongedisciplineerd verstandjen om krankzinnig +te worden. Gelukkig hoorde Wouter 'n deur toeslaan, en daarop 't +geluid van voetstappen. Maar 't was niet in het huis. Een oud heer +vertoonde zich in 't gangetje naast het achterhuis, en betrad het +plaatsje. De man naderde de achtervensters, gluurde even naar binnen, +als om te zien wie daar al zoo vroeg op 't kantoor was, verdween door +'n glazen deur in de gang, en vertoonde zich weldra binnen de kamer. + +'t Spreekt vanzelf dat Wouter 'n houding had aangenomen, die om +vergeving scheen te smeeken voor z'n existentie. Och, zoo onnoodig! Die +oude magere heer nam 't hem volstrekt niet kwalyk dat-i bestond, +en zelfs niet dat-i dáár was. + +--Houd je gemak, jongeheer. Uwe-n-is zeker de jongeheer Pieterse? Ja, +ja, ik weet er van. Heel goed! Wel, jongeheer, zal uwe hier zoo op +'t kantoor komen? Nu, dat is best! Houd je gemak ... houd je gemak, +en stoor je niet aan my. Ik ben de boekhouder ... + +Wouter had gebukt en gebogen en geknikt, en zich voorgenomen, wanneer-i +eens weer in den handel ging, z'n hoed op 't hoofd te houden ... om +dien te kunnen afnemen als er iemand binnen kwam, gelyk z'n moeder +had voorgeschreven. Want hy voelde dat dit ontbrak aan z'n begroeting +van den heer Dieper. Die vriendelyke oudeheer moest hem wel voor zeer +lomp aanzien. En dit was-i niet, waarlyk niet! Hy had integendeel +'n gevoel van dankbaarheid aan den heer Dieper, die hem zoo minzaam +kwam verlossen uit z'n drukkende eenzaamheid. Om daarvan iets te doen +blyken, bleef hy staan, zelfs toen de gulle boekhouder hem nògeens +had toegevoegd: "houd je gemak, jongeheer ... ik ben de boekhouder." + +En alweer onderzocht Wouter niet, of deze +maatschappelyke-stand-belydenis misschien beduidde: "ga nu maar zitten, +nu! Straks als "de heeren" komen, is 't wat anders!" Deze zin kon door +hem onmogelyk aan Dieper's woorden gehecht worden, omdat in zyn oog, +'n boekhouder ter-nauwernood 'n minder verheven wezen was, dan de +"patroon" zelf. Het verschil tusschen deze beide standpunten ontsnapte +aan z'n waarnemingsvermogen, en hy zou dus--à ls-i kon geroepen zyn +tot schatting--hierin dezelfde fout gemaakt hebben als 'n kind dat +verwonderd vraagt, waarom de wolken nooit voorbyschuiven achter de +maan om? + +De uitdrukking van Dieper's gelaat was één doorgaande +vriendelykheid. Hy verdween 'n oogenblik in de alkoof die tegenover de +vensters wand vormde, en kwam weldra terug in boekhouders-uniform, +d. i. in 'n gryzen langen jas die veel beleefd had, en met 'n +zwart kalotjen op z'n witte haren. Want: "soms was er tocht op 't +kantoor." Zoo verzekerde hy aan Wouter, die 'n gebaar maakte alsof +hy deze mededeeling met innige dankbaarheid aannam, en ze vergelden +zou by de eerste gelegenheid ... + +Och, hy had zoo graag dien goeden ouden heer Dieper 'n dienst +gedaan. Hy stelde hem boven Merkurius, en vond dat-i op 'n engel +geleek. + +--Ja, het tocht hier soms. En er niets op de wereld, waarvoor 'n +mensch zoo moet oppassen, als tocht. + +Dat Wouter niet tegensprak, zal de lezer wel gelooven. Maar dit was +niet genoeg, meende hy. Als 'n bliksem vloog hem de gedachte door de +ziel, alle reten van vensters, deur en vloer dicht te plakken, om dien +vriendelyken grysaard te helpen in den stryd tegen zoo'n vreeselyken +vyand. Hoe was 't mogelyk dat de man nog middel had weten te vinden, +grys haar te krygen in zoo'n tochtige wereld? Moest-i niet voor zeer +lang reeds--als zuigeling zelfs--bezweken zyn? Er zyn taaie naturen, +dit weet ik wel, maar wie drommel zou 't den ouden Dieper hebben +aangezien dat-i daartoe behoorde? De man had in z'n voorkomen niets +van 'n held, en vertoonde zich eer als 'n sukkelaar die zich zou +laten omvèr- en wegwaaien door de minste luchtbeweging, dan als de +perpetueele triumphator over al de kamer-orkanen waaraan-i sedert +byna zeventig jaren was blootgesteld geweest, en waarvan-i de spolia +opima in den vorm van "zinkings" in 't hoofd droeg. Want lezer, +daarmee beloont de afgod "Tocht" ieder die hem deemoedig vreest in +onkunde en onnoozelheid. By gelegenheid zal ik eens uitleggen hoe +die bespottelyke eeredienst in de wereld gekomen is. + +"Deemoedig." Dit woord bevalt me, en wanneer ik 't recht had, +de helden en heldinnen van m'n vertelling andere namen te geven, +dan zy in werkelykheid gedragen hebben, zou ik me misschien laten +verlokken aan dezen klank de gelegenheid te ontleenen, om den goeden +boekhouder te kenschetsen met één pennestreek. Wie weet of ik hem +niet: m'nheer Deemoed gedoopt had. Maar ik zou dan 'n dubbele fout +begaan hebben. Want hy heette Dieper. En dit wà s-i ook. + +Na de korte verpoozing die 't binnentreden van den boekhouder onzen +Wouter bezorgd had, brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte +verveling aan. Dieper had 'n yzeren kist geopend, waaruit hy 'n half +dozyn kantoorboeken nam, welke hy eenigszins rangschikte op 't vlakke +middelstuk van 'n dubbele kantoorlessenaar "voor twee personen" ook +wel genaamd: 'n vis-à -vis. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder +plaatsnam, stond 'n gelid enkele lessenaars. En daartegen veroorloofde +zich Wouter even te leunen--geschied is 't!--telkens als-i 'n oogenblik +vergat dat de boekhouder wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper +niet. Hy debiteerde en krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht +op de dingen dezer wereld, die al of niet leunden tegen 'n anderen +lessenaar dan den zynen. + +Tusschen de alkoof en de eigenlyke kern van 't hoofdkwartier des +handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees +tusschen vreemde bezoekers van 't kantoor, en de gelukkigen die +er thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep +kon, opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en +vervulde thans in afhangende houding de niet overbodige funktien van +afleider van Wouter's verveling. Het ding werd in deze eervolle taak +bygestaan door 'n ronde opening in een der hoeken, waarin 'n yzeren +ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den rand der +geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy kon nu op z'n +gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de handels-bestemming van +dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk ... goddank, er gebeurde +iets: Dieper nam 'n snuifje, en Wouter stond als 'n paal. + +--De heeren komen wat laat, jongeheer. + +Voor Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was +op de heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit +de betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over +z'n memoriaal. + +Wel beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan vóór Dieper's +komst. Toen en nu verveelde hy zich, maar zoo-even deed-i niets dan +dat. Thans had-i er nog den angst by, dat Dieper merken zou hoe hy zich +verveelde, want--en deze opmerking geef ik wèl voor nieuw--niemand +verveelt zich zonder schaamte. Men wordt er niet graag op betrapt, +waaruit misschien de gevolgtrekking kan gehaald worden, dat het niet +geoorloofd is zich te vervelen. + +Wouter, byv. had in dien tyd zich kunnen meester maken van wat gladheid +in de vermenigvuldigmgs-tafel tot 20 × 20, of verder nog. Waarom +niet? Maar aan zoo-iets dacht-i niet. Z'n eenige zorg was, geen geluid +te maken, om vooral m'nheer Dieper niet te hinderen. Dit was nu--o +Holsma--z'n meest-nabyliggende plicht. Uit het volle besef hiervan, +hield hy den adem in, met het natuurlyk gevolg dat-i uitberstte in +'n hoestbui. + +Geen oneerbiediger ding dan de Natuur! + +--'n Beetje verkouwen, jongeheer? Ja, ja, dat komt van de warmte. 'n +Mensch moet zich wèl in-acht nemen by heet weer. Ineens kryg je +'t beet, in-ééns! + +'t Was wel wat ondeugend van Fancy, dat ze de prikkeling in +Wouter's keel deed voortduren tot en na de binnenkomst van een der +"heeren." De arme jongen voelde zich genoodzaakt een van z'n patroons +den rug toetekeeren, om hem niet in 't gezicht te hoesten. Dit +bedierf de voorstelling, en bedolf Wouter in een der afgrondjes van +oogenblikkelyke wanhoop, waaraan 't leven zoo ryk is, doch die later +blyken niet veer meer te zyn geweest dan 'n geringe oneffenheid op +ons pad. + +--Gmorge, Dieper! had de binnentredende geroepen. Is Wilkens er +nog niet? + +--Dienaar, jongeheer Eugène, antwoordde de boekhouder. Neen, jongeheer +Eugène, Wilkens is er nog niet. Misschien met stalen uit? Dit is de +jongeheer Pieterse. + +--Zoo? + +Wouter hoestte. + +--Hy moet maar wachten tot Pompile komt ... of Wilkens. + +Wouter knikte, altyd doorhoestend, dat-i met het grootste geduld +wachten zou op m'nheer Pompile of m'nheer Wilkens. + +--Neem 'n glaassie water, jongeheer, vermaande de zoetsappige Dieper. + +--Wel ja, laat 'm 'n glas water drinken, hervatte de jongeheer Eugène +grootmoedig. Dáár staat water, en 'n glas ook. + +Inderdaad! Naast de yzeren kist waarin 's nachts de "boeken" +werden geborgen, stond in 'n donker hoek'jn op 'n stoof, een +verweerde waterkaraf, waarby 'n glas met groezelig oranjekleurig +bezinksel. Wouter dronk 'n paar teugen, en behandelde de daartoe +gebruikte gereedschappen met 'n eerbiedige teederheid, zuiver water +en helder glaswerk waardig. Toen-i eindelyk had uitgehoest, zat de +jongeheer Eugène met breed-uitgestrekte elbogen voor een der enkele +lessenaars in 'n fransch romannetje te lezen. Dat Dieper al weer op +z'n boeken lag, spreekt vanzelf. + +Wouter stond nu by die geldkist en dien stoof, waarop-i netjes en +zonder geruisch de kostbare voorwerpen weer had neergezet. Zonder +zich in 't minst te verroeren wachtte hy op m'nheer Pompile en op +m'nheer Wilkens ... + +Sedert het aanbreken van den dageraad had-i niet à nders gedaan dan +wachten, o Fancy! En gy, hardvochtige, gevoellooze, wreede, gy blaast +hem niet in: loopt allemaal vierkant naar den weerlicht, met je handel? + +Neen! + + + "Er moet veel leeds geleden zyn, + Er moet veel stryds gestreden zyn!" + + +Ik geloof juist niet dat altyd--zooals de goede Kamphuyzen, misschien +om 't rym slechts, beweert--het eind van dat alles: "vrede" wezen +zal. Maar ... zelfgevoel toch, en hoogmoed, en de betrekkelyke kalmte +die de belooning is van 't: + + + Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit! + + +Mochten sommigen meenen dat de beide aangehaalde teksten te deftig zyn, +te ernstig, te klassisch voor de soort van Wouter's tegenspoedjes? Ze +vergissen zich. De zwaarste beproevingen worden ons opgelegd door +nietigheden. Zy overvallen ons dagelyks, telkens, aanhoudend, en +vinden ons meestal ongewapend. Bovendien, er wordt geen eer behaald +in zulken stryd. Mozes en de "Heer" wisten 't wel. Ze plaagden Egypte +niet met tygers, maar met sprinkhanen. + +Dat Wouter leed is waar. Maar z'n stryd beduidde niet veel. We kunnen +in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot wegloopen zou +noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht had om te +blyven, en de plicht te vervullen die 't naast voor de hand lag. Zóó +had Holsma gezegd, en zóó zou 't wezen! + +--Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen, +zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid +in 't uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd +geheven van de artikulatie. + +Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy liep +zeer snel, als om blyk te geven van 'n diligentie die niet precies +overeenstemde met de klok. De klok zal vóór geweest zyn. + +--Dienaar, m'nheer! Dag, Dieper! + +--Gmorge! Dat's de jonge Pieterse. + +--A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei! + +Wilkens was 'n oude gek. Z'n geheel leven was één veroveringstocht +geweest naar deftigheid en gewicht. Daar-i 't op z'n ouden dag niet +verder had gebracht dan tot kantoorbediende en handelsreiziger, kan +de lezer narekenen hoeveel veldslagen de man moet verloren hebben. De +voornaamste ammunitie die hem overbleef, bestond in 'n langgerekt +ae of èèèè, of zooiets. Wie hem van naby kende, was er niet zeer +bevreesd voor, maar nog altyd zagen sommige boeren-winkeliers hoog +op tegen iemand die zoo oneenvoudig spreken kon. En ook Wouter voelde +zich heel klein. + +--Jae, m'nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge mensch maer niet +wachten op m'nheer Pompile? + +De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon beteekenen wat +men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen z'n antwoord te worden opgenomen +door m'nheer Wilkens, die nu op zyn beurt in de alkoof verdween, +en weldra weder voor den dag kwam, gehuld in 'n lange kantoorjas. + +--Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten, +zeide hy, als om zich by z'n jongen patroon over z'n laat-komen te +verontschuldigen. + +Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat +juist even genoeg was om te kennen te geven: "ik heb gehoord wat je +zei." En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast Eugène, +waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En hy deed +inderdaad niets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met 'n deficit +van drie stuivers in de "kleine kas" en pynigde zich met zoeken naar +de oorzaak van die vreeselyke gaping. + +--Maer, m'nheer, kan er ook misschien 'n brief zyn geweest voor +"huishouden?" + +--Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op 'n toon van: "wat kan 't my +schelen!" Ook lag er iets in van: "maak toch zoo'n wind niet met je +oogendienende stiptheid!" + +--Jae ... maer ... + +Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van 't nabootsen der +Wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z'n +lymerige ae's. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich 'n verwaande +kwast uitdrukt, die meermalen in den Haag was geweest en zich de +mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis te leggen: ik ben +'n heer! De reden overigens dat hy, in tegenstelling van Dieper en +den ouden Gerrit, het naast hem zittend individu niet aansprak met +het praedikaat: "jongeheer" lag hierin, dat Eugène reeds nagenoeg +halfwassen was, toen Wilkens hem elf jaar geleden leerde kennen, +terwyl Dieper en de knecht dezen telg van den patroon, en zelfs den +ouderen Pompile, als kind hadden gekend. Toch zouden ook deze twee zich +niet veroorloofd hebben, iets aftedingen op 't volslagen heerschap +van de beide ondergoden, indien niet de oude heer Kopperlith-zelf +hun die vryheid had in den mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn +op maatschappelyke onderscheidingen--altyd slechts in toepassing op +anderen, want zichzelf schatte hy 'n graad of zooveel te hoog--en +noemde de jongelieden: "m'nheer Pompile en m'nheer Eugène" wanneer-i +over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in zyn mond heetten ze, als +vroeger: "jongeheeren" wanneer hy 't woord richtte tot de oudere +lyfstaffieren van den huize. Dat iedereen--op den knecht na--tegenover +Wouter volop: "m'nheer" was, spreekt vanzelf. Of 't waar is dat +men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is 't, +dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen. + +Wilkens becyferde de kolommetjes van z'n "kleine-kas-"boekjen, +en zeide: + +--'t Is ienderdaed verbaezend! + +En we nemen by dezen voor goed afscheid van zyn geblaet. [14] + +--Maar, m'nheer, zouden we nu 't jonge-mensch maar niet aan 't werk +zetten? Misschien komt m'nheer Pompile eerst na de koffi. + +--Wel ja. Ga je gang! + +Wilkens wenkte Wouter tot zich, en na 'n paar gemaakte kuchjes: + +--Ik zou je maar raden hier maar plaats te nemen. Leg je hoed maar +weg ... + +Al deze maren hadden 'n beteekenis. De meegedeelde bevelen kregen +daardoor den rang van zware verlossingen na moeielyke dracht. Het +wegleggen van den hoed beviel Wouter uitstekend, want het langdurig +vastklemmen had hem kramp in de vingers bezorgd. Zeker, als 't bekende +spreekwoord waarheid zegt, had hy meer dan iemand kans geloopen 't +heele land doortereizen, daar hy uren lang met z'n hoofddeksel in de +hand had gestaan. Voor 't oogenblik echter bewoog hy zich niet verder +dan tot den lessenaar nummer drie, tusschen Wilkens en 't venster. + +--Ga maar zitten. En zeg me nu eens of je rekenen kunt? Wat men noemt: +goed rekenen? + +--Ja, m'nheer, riep Wouter met ridderlyken moed, als 'n krygsman die +de trom hoort. O ja, m'nheer! + +Wat hy zich schrap zette tegen ... Strabbe! + +--Wel, wel! Tel dan al die postjes eens op: guldens, stuivers en +penningen. Zestien penningen maken 'n stuiver, zieje, en twintig +stuivers 'n gulden. Dit weetje zeker wel? + +--O ja, m'nheer. + +--Zoo? Weetje dà t! Ei! + +En Wouter, de rekenheld, spande zich zóó in om z'n naastbyliggenden +plicht te doen, en om de teleurstelling over het derogeerende van +'n: "optellingsom" te overwinnen, dat-i glad verkeerd telde. Geen +enkele kolom sloot met de facitten van m'nheer Wilkens. Hy werd zeer +verdrietig, en betrapte zich op heimwee naar ... de twee gevestigde +zaken op den Zeedyk! + +Een heer stapte de binnenplaats over. 't Was m'nheer Pompile, oudste +zoon van den huize, prokuratiehouder en medechef van de firma Ouwetyd +& Kopperlith. + + + + + + + + De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige + bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z'n opleiding in + 't vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in + 'n windblaas. + + +Indien de oude heer Kopperlith, die nog altyd op 'n boven-voorkamer +bezig is met z'n ontbyt en de courant van den dag, doch dien we straks +zullen zien verschynen ... + +... indien de jongeheer Pompile, die driftig, beredderend, jagend en +als gejaagd, het kantoor binnenstuift, en 'n stuk of drie "dag'"s +uitstoot, alsof 't beschuitkruimels waren die hem in de keel +prikkelden ... + +... indien de jongeheer Eugène die daar nog altyd over z'n romannetje +gebukt zit, en in knotwilgstyl z'n: "bsjoer Pompile!" laat glippen ... + +... indien à l de Kopperlith's, als daar zyn: de jongeheer Rodomont, +en de jongeheer Flodoard, en de jongeheer Leon ... + +... indien al die jongeheeren ... met den ouden heer er by, en vooral +de dikke leelyke mevrouw uit de zykamer, en de majestueuze Hersilia, +en "de" juffrouw ... + +... indien ... + +Sakkerloot, lezer, m'n galery wordt te vol! Wat 'n arbeid, al die +portretten afteteekenen! Toch zal ik 't beproeven. Maar eerst dit: +indien ze myn Wouter-geschiedenis onder de oogen kregen en lazen ... + +Maar ze lazen geen hollandsch. Nu dan, indien men hun een fransche +vertaling van m'n werk voorlegde ... zy allen zouden my om den hals +vliegen uit dankbaarheid. Eigenlyk is 't me dus niet onaangenaam +dat hun litterarische ontwikkeling by 't fransch is blyven staan, +en dat de kans op vertaling van m'n werken in dat onwysgeerig idioom, +allergeringst is. Bovendien, al die jonge en oude jongeheeren zyn dood. + +Ja, dankbaar zouden ze wezen, tot krankzinnigheid toe! De lezer is +waarschynlyk begaafd met 'n buitengewone verbeeldingskracht, en ik +wil hem gaarne het dubbele van de gemiddelde burgerlyke intelligentie +toekennen, maar toch betwyfel ik of hy in-staat wezen zou, zich de +aandoening voortestellen van 'n familie die, vele jaren na haar +universeel overlyden, van 'n edelmoedigen schryver drie graden +amsterdamsche hoogheid zoo maar klakkeloos prezent krygt. Want, +al kost het m'n eigenliefde een zwaar offer, al loop ik gevaar den +roem van stiptheid te verkleinen, waarop ik hoogen prys stel ... de +waarheid bovenal: onze Kopperlith's woonden niet op de Keizersgracht, +en patriciërs waren ze niet ... ziedaar! + +De oorzaak van m'n dwaling is niet moeielyk optegeven, maar 'n dwaling +is het. Toen ik, 'n hoofdstuk of wat geleden, met juffrouw Laps +langs den Amstel in de buurt van de Jachthaven pantoffelde, daagde +de oudeheer voor m'n schryversoogen op. Nooit zag ik 'n grysaard met +deftiger voorkomen. Op z'n eenigszins te dikken buik na, vertoonde +hy 't model van 'n genueschen Doge ... uit 'n roman, namelyk. Van +'n sterk geïdealizeerden Marino Falliero ... op 'n schildery. En +ieder groette zoo deemoedig, en ieder fluisterde zoo piepend: +"dat is m'nheer Kopperlith!" dat ik--al te oppervlakkige waarnemer +op dat oogenblik--men bedenke dat m'n aandacht werd afgeleid door +'t kyken naar prinses Erika, die 'r lief uitzag--in 's hemelsnaam, ik +vergiste my, en dacht: die man woont zeker op de Keizersgracht! Waar +à nders? Voor 'n graaf of baron vertoonde hy een te fatsoenlyk +voorkomen. Een ridder uit de middeleeuwen was-i niet, want met zoo'n +zwaarlyvigheid bewoont men geen burgt op 'n rotspiek. Bovendien, z'n +harnas was van zwart laken, heel fyn en glanzig wel, maar ... laken +toch. Een keizer, koning of prins kon hy ook niet wezen, want in-plaats +van hem iets toeteschreeuwen, ging ieder verlegen voor hem uit den weg, +en maakte plaats voor den buik dien-i als 'n marskraampje voor zich +uitdroeg. Wat à nders toch kon ik uit dit alles opmaken, dan dat-i op +de Keizersgracht woonde? Tot overmaat van verontschuldiging, beroep +ik my op 't publiek in de kroeg van Vrouw Gooremest. De lezer was +er zelf by, en kan dus getuigen hoe al die bevoegde personen in myn +dwaling deelden. Klaas Verlaan en z'n kornuiten waren òf Amsterdammers +van ouder tot ouder, òf althans Noord-hollanders, en wanneer zulke +autoriteiten zich vergissen, mag men het den armen schryver die deze +eer niet heeft, niet zoo heel erg ten-kwade duiden dat hy in z'n +rangbepaling 'n paar straten of grachten uit den koers dwaalt. + +Hoe dit zy, 'n vergissing wàs het. En heel bedroefd ben ik er +niet over, omdat ze my zoo-even de gelegenheid verschafte zekeren +oudheidskenner die m'n integriteit kwam aantasten, en meende my +omvèr te gooien met 'n adresboek van 't jaar zooveel, de verheven +uitdrukking naar 't hoofd te werpen: + +"Indien de Kopperlith's niet woonden op de Keizersgracht, m'n-heer +... dan, m'nheer, dan ... welnu, m'nheer, dan hadden ze verdiend te +wonen op de Keizersgracht, m'nheer!" + +En daarby blyft het ... verhuizen laat ik ze niet! Ik heb alzoo in +'t vervolg van m'n verhaal de ongewone verdienste, twee waarheden +tegelyk te verkondigen. Ze woonden er, en ze woonden er niet. Het +kantoor "ging in" in de Vellestraat, of in 'n andere straat, of ... in +'t geheel geen straat, en dus "op" 'n gracht. En dat de heele familie +'n pronkstuk was van opgeblazen nietigheid, is ook waar. + +"Dat komt er niemendal op aan, hoor ik zingen door 'n peloton +afgestorven zielen, als je maar terdeeg volhoudt dat wy op de +Keizersgracht woonden!" + +Het is deze koorzang die my den moed geeft, m'n topografische dwaling +voltehouden tegen den letterlyken tekst van dat adresboek in. Komaan, +jongeheer Pompile, spreek, laat je hooren en bekyken door ieder die 'n +abonnement kan betalen aan Wouter's boekenman in de Hartenstraat! En +jy ook, jongeheer Eugène! En Hersilia! En Leon! En Rodomont! En +Flodoard! En de rest! Veroorloof me--of niet, naar verkiezing!--u +'n draadjen om den poot te strikken, u te laten vliegen, huppelen +en dood-liggen als 'n meikever. Spreek, Pompile! Ratel en snater, +Pompile, als toen je nog leefde, en al of niet woonde op die fameuze +Keizersgracht! + +--Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag Eugène! Papa nog niet beneden? Hier +zyn de brieven ... een voor huishouden--van Leon, Eugène!--waar is +Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? Weet-i den weg in de stad! Ik +heb veel boodschappen, weetje! Krimp te Rotterdam vraagt twee +wittegrondjes-driekleur--je weet wel, Wilkens, die Victoria-fancies +van Crawfurth-Leeds--maar hy wil dat ouwe krieuweltje met 'n oogjen +... is 't er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel boodschappen. Hoe is 't +met mama, Eugène? Zou 't lukken vandaag ... ik meen de verhuizing? 't +Saizoen gaat voorby, en ik wou zoo graag de Hocker's en de Pleier's +en de Krucker'S vragen op Groenehuize. Die briefbesteller is 'n +lap ... de vent wil altyd geld voor 'n borrel als-i de brieven +op-straat afgeeft, want ... hy mag 't niet doen, dat weetje. Als +'t gemerkt wordt, krygt-i z'n ontslag. Ik heb 'm dezen keer 'n +stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar ... zet 'm op huishouden, +want er is 'n brief van Leon ook. Dus ... 't kan wel op huishouden: +wat zeg jy, Eugène? Zoo, ei, is dà t de jonge Pieterse? Heb jy wat +voor Gerrit vandaag, Dieper? Ik heb veel boodschappen. Wilkens, +je moet zoo goed wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel +boodschappen heb, en ... en ... ziehier den brief van Krimp. Die +menschen vragen altyd wat er niet is, want ... dat krieweltjen +met dat oogjen is er niet meer. Weetje wat we doen zullen. Als 't +krieuweltje 'r niet meer is--met dat oogje, weetje?--dan zenden wy +'t moesjen, of 't slangetjen, of dat patroontje met de blokjes ... je +weet wel, 't zyn de witte-grondjes-driekleur, Victoria-fancies van +Crawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want +... dat doet-i altyd. Roep Gerrit ... ik heb zooveel boodschappen, +weetje. Zoo, mannetje ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat's goed, +want ... ik heb altyd zooveel boodschappen. Eugène, als papa komt, +zeg dat ik by mama ben, met den brief van Leon, weetje. Want hy is +geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd z'n brieven aan mama ... + +Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op +'t adres van een brief aan 'n gehuwde vrouw, is plaats voor twee +weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te +weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van m'nheer +Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten meester te maken +van 'n geboorte die hemelsbreed afweek van de gewone. Dat het mensch +vóór haar huwelyk Niemendal heette, doet niet ter-zake. De postklerk te +Tjanjor--daar werden die epistels uitgebroed--was niet zeer bedreven in +'t hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien +dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z'n mama +te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer +Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: "postklerken zyn +praterig" hoopte de kwast juffrouw Pieterse na. + +Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z'n +tegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy gedurig heen-en-weer, en +maakte--ook in zeer letterlyken zin--zooveel wind als maar eenigszins +mogelyk was. Een oogenblik nadat-i met Leon's brief in de hand de +kamer verlaten had, keerde hy terug. + +--A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen vertrekken +vandaag? Ik zit anders en peine, zeer, zéér en peine, weetje +... erg en peine, met de Hocker's en de Pleier's en de Krucker's, +die ik allemaal geinviteerd heb op Groenehuize. En ... ik heb de +kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg--grof volk, +zulke kruiers!--of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat +vroeg-i! Lomp, hè? Maar ... zie je, hy meende-n-in 'n leuningstoel, +en ... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik kompromitteer me +zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker's en de Pleier's en de +Krucker's. Dat is het maar, weetje! + +En hierop verliet hy weder 't kantoor. + +'t Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst had +staan toeluisteren. Na 't vertrek van m'nheer Pompile verdiepte hy +zich op-nieuw in z'n optellingen. Och, hy wou zoo heel graag z'n +naast-byliggend plicht je doen. Was 't zyn schuld dat-i zich zeer +onbekwaam voelde, en telkens rekende: drie en acht is vier-en-twintig, +of wat anders? + +Wilkens ging naar 't magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of de +moesjes of de blokjes die 't huis Kopperlith den winkelier Krimp zou +trachten in de maag te stoppen, in plaats van 't verlangde krieuweltje +met 'n oogje. + +"Twee en zes is twaalf, en tien is twintig ... + +'t Begon weer te waaien. Pompile stormde het kantoor in: + +--Hè! Beroerd! Akelig! Heel beroerd! Verbeeldje, Dieper ... zeg, +Eugène, hoor eens, 't wordt à l te erg! Weet jelui 't al, van +Gerrit? Hy is weer styf van de rhumatiek ... hoe vind je dà t? Hy kan +geen boodschappen doen! En ik ... ik had juist zooveel boodschappen. Op +m'n woord van eer, ik heb wel tien boodschappen ... ja, wel twaalf! Heb +jy ook boodschappen, Dieper? Wisseltjes? Accepten? Hè? + +--Vandaag niet, jongeheer. Maar morgen ... + +De boekhouder sloeg 'n kleine agenda op. + +... morgen heb ik 'n wisseltjen in den jodenhoek, 'n smerig dingetje. + +--Zoo? Morgen? Nu dat's goed. Weet je wat je doet, Dieper? Zeg 't +aan papa, dat je telkens wisseltjes hebt, en dat Gerrit altyd styf +van rhumatiek is, en dat het zoo niet langer kà n, weetje? Zeg jy dat +aan papa, Dieper, want ... ik heb zooveel boodschappen, ik heb erg +veel boodschappen. + +--Ja, jongeheer Pompile, ik zal 't zeker aan m'nheer zeggen. En ... +hoe vaart de jongeheer Leon? + +Ei, ei, de slimme Dieper! Hy durfde den ouden rhumatieken Gerrit niet +aan. En ook de jongeheer Pompile, inweerwil van z'n vele boodschappen, +zou liefst dat meubel uit den weg zien zetten door 'n andere hand +dan de zyne. Gerrit namelyk had met den ouden heer relatien uit den +vóórtyd, 'n coprolithische verwantschap die ontzien moest worden. En +daarom sprong de omzichtige Dieper zoo handig en belangstellend over op +'t welvaren van den jongeheer Leon. + +--Heel wel, dankje, antwoordde Pompile. Den heelen brief heb ik nog +niet gelezen. Hy vertelt van tygers, en van slangen en van optochten +met zonneschermen en gouden wapens ... o, allerlei! Mama is er dol +bly mee, dat begryp je. Maar ... hy is nog altyd surnumerair. Hy +klaagt dat allerlei gemeen volk hem over 't hoofd springt ... + +--Dat is zeer hard voor iemand van ... stand, zei Dieper, met 'n +treurigheid in z'n stem, die wel eenige verhooging van traktement +waard was. + +--Niet waar? Die vervloekte Gerrit met z'n rhumathiek! En ik heb juist +zoo erg veel boodschappen! Zeg-eens, jy, Pieterse--je heet immers +Pieterse?--je moet eens zoo goed wezen 'n paar boodschappen voor +me te doen. + +Wouter stond marschvaardig, met z'n hoed in de hand, en 'n verheugd: +"asjeblieft, m'nheer!" op de lippen. Verheugd? Ja, waarlyk! Want de +opdracht die hy te-gemoet zag, was hem 'n verademing. De jongeheer +Pompile nam plaats tegenover Dieper--daar namelyk was de lessenaar +van den "patroon"--en hy wenkte Wouter tot zich. + +--Je weet dus den weg in de stad? Heel goed! Dan moet je-n-eens +zoo goed wezen ... maar zeg, heb je-n- 'n zakboekje? Een +portefeuille-n-of zoo-iets? + +--N... e... e... n, m'nheer. + +--Zoo? Heb je dà t niet? 'n Kantoorbediende moet 'n portefeuille +hebben, om ... iets in opteschryven, weetje? Anders vergeet je 't. Nu, +voor vandaag moet je dan maar de boodschappen ... onthouden, die ik +je-n-opgeef. Je moet zoo goed wezen te gaan by m'nheer Hocker, en daar +doe je-n-'t kompliment van my--van den jongen m'nheer Kopperlith, +moet je zeggen, van m'nheer Pompile, weetje?--en je vraagt, of de +juffrouwen Pleier uit Frankfort--want die logeeren by m'nheer Hocker, +weetje?--of de juffrouwen plezier hebben, vanmiddag met my en m'n +vrouw--zeg jy maar: met de jonge mevrouw Kopperlith-Huddewitz, dan +weten ze-n 't wel--ja, vraag of de juffrouwen Pleier plezier hebben, +met ons en de familie Krucker ... + +--Ben je mal, Pompile? bromde Eugène. De jongen weet immers niet waar +Hocker woont. + +--Ah...ja! Dat's waar! M'nheer Hocker woont ... + +En Wouter's handelswetenschap werd verrykt met de zeer nauwkeurige +kennis van de plek waar m'nheer Hocker woonde. Ook vernam hy wat voor +dien middag de plannen waren met de familie van dien heer, en met de +juffrouwen Pleier uit Frankfort, en hoe ze zich des-verkiezende zouden +kunnen verheugen in 't gezelschap van mevrouw Kopperlith-Huddewitz, +ook wel genaamd: de jonge mevrouw. + +--En dan moet je zoo goed wezen in de Kerkstraat by de +Korte-krulledwarsstraat te gaan naar den stal van papa. Je vraagt maar +naar den stal van m'nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weetje, want +... papa houdt rytuig, eigen rytuig. En daar zeg je-n-aan Jakob--dat +is de koetsier--daar zeg je ... + +Volgt: 'n boodschap aan Jakob, die me glad ontschoten is. + +--En dan moet je zoo goed wezen even naar juffrouw Lins te gaan, +in de Katoenstraat, en je doet het kompliment van de jonge mevrouw +Kopperlith--je moet zeggen: van mevrouw Kopperlith-Huddewitz--en je +zegt dat de juffrouw zoo goed moet wezen om je-n-'t tapisseriepatroon +te geven ... 't is 'n liggende jachthond, kan je dit onthouden? + +--J...a, m'nheer! + +--Goed! 'n Liggende jachthond, weetje? Nu, dat patroon moet ze je geven +voor de jonge mevrouw Kopperlith, voor mevrouw Kopperlith-Huddewitz, +begrypje? En je vraagt den prys ... den allernaasten prys, moet +je zeggen. En dan ga je naar myn huis, en je schelt aan, en je zegt +aan de meid dat je van my komt--van "m'nheer" weetje--en je doet +het kompliment, en je zegt ... + +--Maar, Pompile, hoe kan hy weten waar je huis is? + +--Ah, ja! Ik woon op de Leliegracht ... stille zy, weetje, waar +de deftige huizen staan. 't Is 'n huis met opgaande stoep, en +ruiten van spiegelglas. Dáár moet je maar altyd na kyken, want ... +m'n ruiten zyn van spiegelglas. En je zegt aan de meid, dat je by +juffrouw Lins geweest bent, en dat je van my komt, en dat je de +nieuwe kantoorbediende bent, en hoeveel dat patroon kost. En ... als +dan de jonge mevrouw den prys te hoog vindt--'t is 'n jachthond op +'n kussen, weetje?--dan breng je-n-'t weerom aan juffrouw Lins, +en je zegt dat het te duur is. En dan moet je zoo goed wezen eens +te gaan by m'n schoenmaker. Hy woont in de Hallestraat, en daar doe +je-n-'t kompliment van my--van m'nheer Kopperlith van de Leliegracht, +moet je maar zeggen--en zeggen dat-i zoo goed wezen moet, morgen +ochtend negen uur, de maat te komen nemen van 'n paar pantoffels. En +dan ga je by m'nheer Krucker, en je doet het kompliment van my, en +je vraagt hoe de oude mevrouw vaart--want ze-n-is ziek, weetje, ze +heeft het pootje ... maar dat hoef jy niet te zeggen: je vraagt maar +hoe ze vaart?--en dan breng je daar 't antwoord van de juffrouwen +Pleier uit Frankfort, die by de Hocker's logeeren. Maar als nu de +juffrouwen Pleier de invitatie hebben aangenomen, dan moet je zoo +goed wezen even aanteloopen by m'nheer Kruis op de Engelsche-kaai, +en zeggen daar--maar je moet eerst het kompliment van my doen--dat +ik van-middag door zware hoofdpyn verhinderd ben gebruik te maken van +de uitnoodiging om met de familie te gaan room-eten op Lokhorst. Maar +als nu de juffrouwen Pleier laten bedanken voor de invitatie ... + +--God-zegen-me, Pompile, dat alles kan de jongen nooit onthouden! + +--Niet waar? Juist wat ik zeg. Waarom heeft zoo'n jongmensch geen +zakboekje? Net wat ik zeg! Je moet maken dat je-'n zakboekje krygt, +om ... alles opteschryven, weetje? Want ... 'n kantoorbediende moet +altyd 'n zakboekje hebben: wat zeg jy, Dieper? Maar ... zoo lang je +nu nog geen zakboekje hebt, moet je maar ... alles onthouden wat ik +je gezegd heb. Ga nu maar eerst die boodschappen doen. Dan kan ik je +de anderen later zeggen. Want ... als ik je te veel tegelyk opgeef, +zou je ze maar vergeten--wat zeg jy, Eugène?--omdat je geen zakboekje +hebt, weetje? + +Oef! + + + +Wouter deed z'n boodschappen zoo goed mogelyk, en zeker +allerbeleefdst. Al de meiden die hem de deur openden, vonden hem 'n +fatsoenlyk jongetje. Dit was al iets. Tot m'n innigsten spyt mag ik +niet zeggen dat-i zich zeer gedrukt voelde door de zonderlinge manier +waarop men over z'n gaven beschikte. Hyzelf kende die gaven niet, +en voelde zich in 't minst niet vernederd. Bovendien, hy was verheugd +de buitenlucht inteademen, en z'n leedjes eens te kunnen uitstrekken, +'t Kwam hem voor, dat z'n ruggegraat in slaap gevallen was, en dat +'n beetje beweging hem goed zou doen. Nog iets: hy voelde zich in +funktie, en zou er niet afkeerig van geweest zyn, 'n bordjen om z'n +hals te hangen, met het opschrift: "deze jongeling wandelt langs +'s heeren straten, in dienst van de firma Ouwetyd & Kopperlith" en +niet zonder eenige minachting zag-i neer op de velen die geen recht +hadden op zoo'n bordje. + +Toen-i, na allerlei andere bedryven, was aangeland op de +Leliegracht--de hééle deftige zy!--en aangescheld had aan 't +fameuze huis met spiegelglas, van veertien voet breed--het huis, meen +ik--bespeurde hy terstond dat er door die ruiten heen gerekognosceerd +werd, evenals 'n uur of zooveel geleden op die andere stoep. Maar +de dame die hem begluurde, had 'n veel aangenamer uiterlyk dan de +"oude mevrouw" van de Keizersgracht. Julie Huddewitz, slechts sedert +eenige maanden de echtgenoot van Pompile, was 'n jong ding dat nog +altyd niet diep genoeg was doorgedrongen in amsterdamsch fatsoen en +in de hooge waardigheid van haar gemaal, om precies te weten wat 'n +jongsten kantoorbediende niet toekomt. Ze liet Wouter binnenkomen, +en vergat zich zoover in haar ongemanierdheid, dat ze niet alleen +geheel eigenhandig den liggenden jachthond aannam, maar zelfs aan +Wouter de vraag richtte, hoe hy 't patroon vond? Een der oorzaken van +haar wangedrag lag hierin, dat haar vader--'n Duitscher die "mooie +slagen in koffi" gedaan had--zelf kantoorbediende geweest, en nog +niet lang genoeg in Holland gevestigd was, om te weten dat men zich +met zoo'n wezen nergens anders inlaat dan op 't kantoor. In vreemde +landen namelyk, beschouwt de "patroon" zich eerst dan van andere klei +gekneed, wanneer de "bediende" door 'n huwelyk zich voorgoed laat +inlyven in den niet-vleeschetenden stand. Van dat oogenblik af, heeft +hyzelf zich z'n ontcasting te wyten. In Nederland echter neemt die +uitsluiting lang voor 't huwelyk 'n aanvang, en eigenlyk reeds voor +de geboorte. Voor 'n jongeling die daar de eerste levensduisterheid +aanschouwen mocht--verzenmakers, die 't zoo nauw niet nemen met de +waarheid, noemen 't licht!--bestaat kans om generaal te worden, +zeeheld, planeet-ontdekker, wereldberoemd kunstenaar, vaandrager +van den vaderlandschen roem ... byna al wat men maar wil, maar +deelgenoot in de firma Ouwetyd & Kopperlith wordt-i niet! Men zou, +om dat te beleven, z'n eigen kleinzoon moeten worden, want--dit +erken ik--in 't derde geslacht gelukt het soms 'n handig aventurier, +zich te doen vergeven dat z'n overgrootvader de vreeselyke misdaad +begaan had, iets anders te wezen dan "patroon." Dit alles nu wist +Julie Huddewitz wel, maar ze was er nog niet genoeg van doordrongen, +en daarom boog zy zich op den gewichtigen maandag dien ik beschryf, +zoo onvoorzichtig neder tot belangstelling in Wouter's opinie over +dien jachthond. Ik weet niet of zy ooit dochters ter-wereld bracht, +maar zoo ja ... deze zouden zich niet zoo ver vergeten hebben! Het +verheven geslacht maakt plaats voor verhevener geslachten. + +Wanneer Wouter behoefte gevoeld had aan bemoediging by 't intreden van +z'n nieuwe loopbaan, dan ware zy hem waarschynlyk geleverd door die +verregaande neerbuigendheid van mevrouw Kopperlith-Huddewitz. Een dame +in 'n huis met spiegelglas, op de Leliegracht--heele deftige zy--had +hèm z'n opinie gevraagd! Dit maakte hem dan ook zoo opgetogen, dat-i +op 't punt stond een der zotste antwoorden te geven, die er konden +bedacht worden. Maar ze kwam hem voor: + +--Drie gulden, zestien? Vindje 't niet wat duur? + +--O, mevrouw ... + +En hy hakkelde. Ik geloof dat-i zeggen wou: "mag ik 'n paar dubbeltjes +van dien vreeselyken prys voor myn rekening nemen?" Maar hy bedacht +nog by-tyds dat-i van die paar dubbeltjes juist het allereerste +niet bezat, en vergenoegde zich dus met de betuiging dat-i nog geen +verstand had van borduurpatroontjes. 't Spreekt vanzelf dat-i zich +ernstig voornam dien tak van wetenschap tot 'n onderwerp van byzondere +studie te maken. Voorloopig bepaalde hy zich tot de vraag: + +--Verkiest mevrouw dat ik nog eens ga beproeven by juffrouw Lins ... + +--Wel zeker, ga jy nog eens vragen by juffrouw Lins of 't niet wat +minder kan, by-voorbeeld voor ... drie gulden, twaalf? Of ... als +'t mogelyk is, voor drie gulden, tien? + +En met deze zielverheffende opdracht sukkelde Wouter door den +modder. Want het had zwaar geregend na al die hitte, en de straten +zagen er amsterdamsch uit. Een regenscherm had-i niet, en hy versleet +driemaal meer aan schoeisel en kleeren, dan door de vier-stuivers +die hy inderdaad in den tapisseriewinkel wist aftedingen, kon worden +gedekt. Zóó religieus vervulde hy dien dag z'n naast-byliggenden +plicht, of wat de arme jongen daarvoor hield. + +Juffrouw Lins vroeg, na z'n vertrek, aan haar adjudantjes: + +--Wat scheelde dat jongetje toch? 't Leek wel of-i me kussen of +... vermoorden wou om die paar stuivers? + +Toen hy, na bericht te hebben gedaan van z'n zegevierend wedervaren, +voor den tweeden keer de stoep van 't huis met spiegelglas afstapte, +stond er 'n rytuig voor de deur. Dit won hem den tocht naar de +Korte-krulledwarsstraat uit, want op last van de "jonge mevrouw" +kwam de meid hem achterna roepen dat dit de britschka van m'nheer +Kopperlith was, en die koetsier de Jakob aan wien hy 'n boodschap +had. Hy stelde zich met aandoenlyke bescheidenheid voor, als de +"nieuwe jongste-bediende" van 't kantoor, en zei wat-i te zeggen +had. Uit de britschka golfde een vleeschklomp, 'n reuzin, Hersilia +Kopperlith, de zwaarlyvige huwelyksvreugd van den Elsasser Heinrich +Kalbb, die te Amsterdam konsul van z'n land was, en tevens chef van +'n handelshuis. Met andere woorden: de man "deed" in katoentjes. Maar +heel in 't deftige, namelyk in katoentjes van Mühlhausen. Engelsche +lappen van Manchester zyn minder aanzienlyk. En daarin toch slechts +handelde met groote inspanning van ziel en geestkracht, de zeer +verheven firma Ouwetyd & Kopperlith. Het is den begaafden lezer +misschien bekend dat de grootste mannen hun zwakke zyde hebben, en +dat niemand zoo totaal wordt ondergedompeld in den Styx van kreupele +voornaamheid, of er blyft 'n kwetsbare hiel waarop laaghartige vyanden +hun pylen schieten. Die vervloekte manchestersche katoentjes! Ze +maakten vlek op 't Kopperlithsche fatsoensschild, en eigenlyk op de +heele Keizersgracht. + +Het is niet volkomen zeker, of de Ouwetyd's uit de wereldgeschiedenis +verdwynen tegelyk met een der menigvuldige vallen van Babyion, die +telkens zoo aandoenlyk worden geprofeteerd in de Schrift, en wel met +'n leedvermaak alsof de "Heer" 'n byzonderen hekel aan die stad had, +en of 't koelen van z'n wrevel hem buitengewone moeite kostte. Ook +de oorsprong van de Kopperlith's is moeielyk nategaan, en ik wraak +elke inlichting die te dezer zake zou kunnen worden gegeven door 'n +grieksch lexikon. Van versteende vuiligheid is hier geen spraak, want +de overgrootvader van den ouden heer was loopjongen by 'n bloemist, +en oefende dus een te welriekend ambacht uit, om aan etymologische +pedanterie vat te geven tot het al te beteekenisvol vertalen van +z'n naam. In de dagen van den tulpenhandel, was de zoon van den +aspirant-tuinier 'n paar graden gestegen, zooal niet in geestelyk +opzicht, dan toch in maatschappelyken rang. Eén geslacht daarna, +wist de vertegenwoordiger van de familie zich te nestelen op de +Keizersgracht, en wel in 'tzelfde huis waar we vandaag Wouter +hebben ingeleid. De tegenwoordige "oude-heer" erfde van z'n vader +'n handel in Oostindische lynwaden, en trok zich uit de "zaken" +terug toen de amerikaansche katoen zich meester maakte van de markt, +en engelsche wevers en drukkers van 't fabrikaat. Het naderschuiven +van de bron bedierf 't monopolie waarvan onze groot-ouweluî byzondere +liefhebbers waren, omdat het openstellen van konkurrentie zekere +inspanning noodzakelyk maakt, die niet kan gevorderd worden van 'n +"man met fortuin, zooals m'nheer Kopperlith". Zoo luidde Dieper's +plechtig advies. Het geschiedde in die dagen, dat de jongeheer Pompile +werd aangesteld tot procuratiehouder en chef, doch altyd slechts +voorzoover dien lappenhandel aanging, want het eigenlyk vermogen van +den "ouden-heer" met het daaraan verknocht diepzinnig geknutsel "in" +effekten, bleef onder diens byzondere hoede en behandeling, waarin-i +met verbazende zaakkennis door den ouden Dieper werd bygestaan. Deze +had hieraan op 't kantoor zekere wichtigheid te danken, die hy +geenszins versmaadde, en z'n aanzien stond tot dat van Wilkens +nagenoeg in rede, als 'n vod van papier tot 'n vod van katoen. Men +weet nu eenmaal dat in onze eeuw, papier vóórgaat. + +De "handel" in katoentjes--waarachtig, ze deden in diemet, shirting +en sheeting ook!--heette te strekken tot 'n bezigheid voor de +jongeluî, want: "om-den-broode hoefden zy 't niet te doen! Waarlyk +niet! Volstrekt niet! Papa was zeer ryk, o zoo ryk!" + +Aannemende dat het gesjacher met gedrukte katoentjes--en met de +zoo diep-wetenschappelyke diemetten, waarin Wilkens 'n specialiteit +was--moest strekken tot voedsel voor de ziel der jongeheeren Pompile en +Eugène, en vertrouwende dat deze beide zielen geen geeuwhonger leden, +kan men konkludeeren dat de twee onsterfelyke deelen der ikheid van +die jongeheeren zeer goedkoop in 't leven waren te houden. De ziel van +'n muis zou by zoo'n dieet bezweken zyn. Er is handel en ... handel, +dit wil ik wel gelooven. Maar de "mannen van zaken" worden beleefd +verzocht, niet zeer boos te worden, als ik hier coram populo verklaar, +dat hun "zaken" gewoonlyk niet boven de bevatting gaan van 'n heel +klein jongetje. Godbewaarme dat ik Wouter's bekwaamheden overdryven +zou, maar ik kan den lezer verzekeren dat er op 't kantoor van de +heeren Ouwetyd & Kopperlith niets voorviel, dat niet allergevoegelykst +had kunnen worden toevertrouwd aan zyn ontwikkeling en kennis, +het schryven van 'n kort briefjen in gebroken engelsch, misschien +uitgezonderd. Ook eenige routine in de boekhouding zou hem ontbroken +hebben, maar overigens? Och, zoo'n "handel" is zoo eenvoudig. Men +koopt iets voor ... zooveel, en verkoopt het voor 'n beetje meer, +liefst voor den hoogsten prys die er te bedingen is, getemperd +door de zorg om vandaag niemand afteschrikken door 'n inhaligheid, +die hem al te duidelyk zou waarschuwen tegen 't vilproces waaraan +men hoopt hem morgen te onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den +ander. Diepzinniger is de zaak niet. Maar wà t moet men inslaan? Hiertoe +wordt kennis vereischt, zal menigeen denken, en wie luisteren zou +naar Wilkens, kon allicht op 't idee komen dat er eens 'n huis +te-gronde was gegaan door 't bestellen van 'n "haarstreep-diemet" +te veel, en 'n stuk of wat "dubbel-gebroken-streep" te weinig. Ook +Pompile wist lange verhandelingen te houden over kennis van "zaken" +naar aanleiding van 'n witte-gronds-driekleur-krieuweltje. Die +heeren zouden ons wel willen wysmaken dat hun "vak" bovenmenschelyke +inspanning en studie vordert, en dat de arme wiens ziel haar bezigheid +zocht buiten hun magazyn en kantoor, 'n zeer slecht figuur maken zou +in de "zaken." Zoodanige overschatting ontmoet men overal. Welnu, +lezer, 't is kwakzalvery! Verstand van koffie, verstand van kurken, +verstand van lappen en vodden ... eilieve, ga eens na, wie in 't +laatste ressort al die verbazende verstanden keuren en vonnissen +moet. De verbruiker immers? Al de vakwysheid van den jongeheer +Pompile en van m'nheer Wilkens, moest tenlaatste, om beslissend te +worden goed- of afgekeurd, te-berde komen by 'n dienstmaagd die +'n bont jak kocht, by 'n boeremeid die haar vryer 'n gekleurden +halsdoek wou ten-geschenke geven. Zeker soort van opgeblazenheid +zal wèl doen, 'n beetje te slinken na deze opmerking. Nogeens: +er is handel en handel, maar de meeste beoefenaars van dergelyke +speciaal-vakken staan waarschynlyk byzonder laag in ontwikkeling, +en zéker is 't dat zy tot de uitoefening van hun "vak" aan die +ontwikkeling geen behoefte hebben. Wat is dat voor 'n levensdoel, +zich te bekwamen in de behandeling van de vraag: of dienstmeiden +zich dit jaar zullen opmooien met 'n ruitjen of met 'n streepje? Met +'n witte-grond-driekleur of 'n bruin palmpje? Of men de "dames" zal +kunnen wys-maken dat de ... echte ware onvervalschte zuivere parysche +distinktie van 't saizoen--haute nouveauté, heusch!--zich openbaren zal +in spinazie-groen, in rooie-koolpaars, in kaas-schimmelzilver, of in +'n ander wankleurtje, liefst zoo onnoemelyk mogelyk? Ik blyf vragen, +by welke wysgeerige school de studenten in zulke wetenschappen zich +moeten aanmelden tot het erlangen van den meestergraad? + +Toch neem ik 't niemand kwalyk dat-i 'n onbeduidend wezen is. Ook +dezulken moeten er zyn, om de gaping te vullen die 'r anders bestaan +zou tusschen den Mensch en z'n pantoffel. Maar ... die pantoffel +mag zich niet uitgeven voor 'n rylaars. Ik ken iemand die--hoed en +hooge hakken meegerekend--maar zestig pond weegt. Ben ik daar boos +om? Volstrekt niet. Maar zeker zou ik wrevelig z'n pretentie afwyzen, +wanneer-i zich aan my wou opdringen als 'n reus. En wèl word ik boos by +'t ontwaren van lieden die, niets zynde, niets kunnende, en nooit iets +degelyks hebbende uitgericht, 'n plaats in de Maatschappy innemen, +welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven. Afkeer van zùlk geboefte, +gaf my aanleiding, in dit en 'n paar der volgende hoofdstukken +het bekende draadjen om den poot der Kopperlith's te slaan. Wie nu +niet in gedrukte katoentjes "doet" maar "in tabak is" of "in" gort, +krenten, mixed pickle of schoensmeer--wie schoensmeer maakt staat +hooger!--wie niet precies "in" die katoentjes rondkruipt, behoeft +nu niet te denken dat het verboden is m'n opmerkingen toetepassen op +zichzelf. Lieve hemel, wat zou m'n uitgever verdrietig zyn, wanneer +m'n Wouter-epos alleen waarde had voor handelaars in manchestersche +lynwaden: wittegrond-driekleur-victoria-fancies van Crawfurth-Leeds, +met 'n krabbeltjen of 'n loovertjen of 'n moesjen, of met blokjes of +'n slangetjen of 'n krieuweltje met 'n oogjen ... altyd 'n volslagen +niemendalletje! + +En in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i +overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan +zou z'n ziel worden besteed. + +Is 't niet, om de dagen te betreuren van Pennewip's afsnydende +teekens in de lucht? De dagen van den Weledelen heer Motto, met z'n +gehuurden snuifpot, en wat er verder op dien Zeedyk 't "voornaamste" +mag geweest zyn? Ja, ja, en zelfs--ik word daar byna onzedelyk--byna +zou ik me vergrypen aan de verzuchting, m'n heldje terug te wenschen +op de boven-voor-achter-beneden-insteekkamer van juffrouw Laps! De +verontreiniging die hem dáár dreigde, zou ter-nauwernood weerstand +hebben geboden aan de pomp van Vrouw Claus, terwyl hier ... + +M'n bedoeling is nagenoeg, dat 'n gezonde beenbreuk my minder gevaarlyk +voorkomt dan 't stikken in vermuffing. Gelooft ge niet met my lezer, +dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in 'n atmosfeer als die der +Kopperlith's? Maak liever 'n ambachtsman van uw jongen, of 'n matroos! + + + + + + + + Over al de rytuigen van "papa" en de hoogheid van 'n elsasser + konsul "die m'n zwager is." Engelsche nottings en onderscheiden + windsoorten, uitloopende in 'n lange verhandeling over 't + parelduiken. + + +Toen Wouter, na 'n paar uur dravens, het kantoor weder +betrad--Vellestaat, stokvischbeukery, olievaten, gang naast het +achterhuis, binnenplaats en gangdeur ... hy vond in behoorlyke +volgorde al de stadien der via dolorosa terug, die Gerrit hem dien +ochtend gewezen had, en was er zeer grootsch op!--toen hy bezweet +terugkwam, vond-i alleen Dieper en Wilkens op 't kantoor. De laatste +was half weggedoken in 'n kast, die naast den ingang tot de alkoof in +'n donkeren hoek stond en met lappen gevuld was. Waarschynlyk zocht-i +daar naar 't staal van zeker krieuweltje. Hy had Wouter niet hooren +binnentreden, zoodat deze vergast werd op 't onsmakelyk staartje van +'n diskoers, of wellicht van des heeren Wilkens alleenspraak: + +--Je zult zien: ik zal den schoolmeester moeten spelen! Op my zal +alles neerkomen! Ze zullen my tot plakmonarch willen maken, my! Dat's +m'n vak niet ... dat's m'n karakter niet! In 't geheel niet! + +Toen de man die zoo bang was dat men 'n schoolmeester van hem maken +wilde, Wouter ontwaarde, brak hy op-eens de roerende complainte over +'t gevreesd verkrachten van z'n roeping af. + +--Daar staat 'n tas koffie voor je, zeide hy met 'n majesteit in toon +en vingerwyzing, alsof de oude lappen waarmede hy zich bezighield, +'n kollektie kronen en scepters geweest was. Maar hy had de zuivere +waarheid gesproken. Inderdaad, daar ergens op 'n tafeltje was +koffi. En de heer Wilkens had wel mogen zeggen: 'n bak. Maar "tas" +kwam hem indrukwekkender of aanzienlyker voor, en Wouter, die weinig +grondstof noodig had om zich te verheugen, was zeer in z'n schik met +het nieuwe woord dat-i daar zoo onverwacht en gratis mocht leeren +kennen. By hèm aan-huis namelyk, noemde men zoo'n ding 'n spoelkom. + +--E...è...è...n, ik zou je raden dat je-n-in 't vervolg 'n kadetje +meebracht, of zoo-iets. + +Alweer wat nieuws voor 't jong Amsterdammertje! Hy begreep niet recht +wat Wilkens bedoelde, en vreezend, dat men z'n onkunde zou aanzien voor +'n begin van dienstweigering, antwoordde hy met zekere fermeteit: + +--O zeker, m'nheer! Dat zal ik zeker doen! + +Och, hy was zoo gewillig! Als-i maar geweten had, wà t er dan eigenlyk +moest worden meegebracht in 't vervolg? Gelukkig dat-i uit het +vreemde woord niet opmaakte dat de heer Wilkens de poorten van Gaza +op 't kantoor wenschte te zien, of den merinossen rok van juffrouw +Pieterse! Ja, al ware die juffrouw Pieterse-zelf 't verlangd voorwerp +geweest ... de kleine Simson zou't geleverd hebben, waarachtig! Want +... men moet altyd z'n naastbyliggend plichtje vervullen, en Wouter's +plicht was nu, te doen wat 'm geboden werd door ... iedereen. Er bleek +evenwel dat Wilkens niet aan z'n moeder gedacht had, want--wetende +dat Wouter gespeend was--liet hy op z'n onbegrepen vermaning de +sententieuze kommentaar volgen: dat 'n jongmensch niet zeer lang +zonder voedsel blyven kon. Dit gaf licht. En Wouter's vermoeden +werd tot zekerheid toen-i naast twee geledigde spoelkommen van 'n +zeer aquatintig-bedropen voorkomen, eenige broodkruimels ontwaarde, +in gezelschap van 'n verlept stuk krant met botervlekken. Ook Dieper +en Wilkens alzoo, schenen zich 'n oogenblik geleden gedragen te +hebben als jongeluî die niet lang zonder eten kunnen, en ze hadden de +welwillende voorzorg gebruikt hun kiökkenmödding achtertelaten, om +'n jonger kantoorgeslacht te dienen tot baak. Dat vette stuk krant, +welsprekender dan vóór de botering, fluisterde Wouter de gissing in dat +de benaming van 't voorwerp dat hy in 't vervolg moest meebrengen--hoe +drommel heette het ook?--weleens de zeer aristokratische ambtstitel +wezen kon, waarmee men "in de zaken" 'n boteram aanspreekt. In +'n gelyksoortig vermoeden werd hy versterkt door z'n maag en door +den geest van Strabbe. Hy begon namelyk honger te krygen, en voelde +zich voorbeschikt om eetwaren te verstaan uit èlken klank die z'n oor +bereikte, al ware het 'n engelenzang geweest, of 'n preek. Wat Strabbe +aangaat ... onze handelsstudent wist nu eenmaal dat 'n spoelkom, in +kantoorstyl "tas" heet ... het onbekende ding zal dus wel 'n boteram +zyn! Men ziet, het was een soort van regula de tri, en juist daarin +was-i zoo byzonder sterk geweest op de school van meester Pennewip. + +De jongeheeren Pompile en Eugène waren gewoon zoo tegen twaalven het +kantoor 'n uurtje te verlaten, om te gaan "koffiedrinken en 'n broodjen +eten by mama." Aldus luidde onveranderlyk de aankondiging van Pompile, +waarmede hy aan de "heeren van 't kantoor" verlof scheen te geven ook +iets te gebruiken ... als ze wat hadden. Want "kadetjes" of boterammen +werden niet verstrekt door het huis Ouwetyd & Kopperlith, waarvan de +"papa" zoo byzonder ryk was. De "heeren van 't kantoor" mochten, +indien ze niet wilden flauwvallen, zulke zaken meebrengen in hun +rokzak, en de fyngevoelige Eugène maakte altyd dat-i de kamer uit was, +voor die in papier gekonserveerde levensmiddelen genaderd waren aan +'t oogenblik hunner ontwikkeling. Hy vond dat ze 'r zoo heel onoogelyk +uitzagen, en vooral 't rantsoen van Wilkens die, wys geworden door +treurige ervaring, gewoon was z'n "kadetjes" warm te houden tusschen +den linker voorpand van z'n vest, en z'n edel hart. Eens namelyk +hadden 'n paar neefjes van den huize--ze wisten niet, de onzaligen, +dat welgeboren jongelui geen gekheid maken met 'n kantoorbediende!--ze +hadden den weg gevonden naar de donkere alkoof waar de ongelukkige z'n +met viktualie bezwangerde straatjas bewaarde, en de kadetjes verrykt +met 'n laag fyngeknipte witte-grondjes-driekleur. De martelaar van z'n +"vak" verslikte zoo goed mogelyk de taaie geestigheid der "neefjes +van m'nheer"--z'n naastbyliggend plichtje, naar-i meende--maar droeg +voortaan de mishandelde toeverlaatjes van z'n maag by zich, tot de +finale exekutie toe. En eenmaal is 't gebeurd dat hy ze ongegeten +weer thuis bracht by de trouwe echtgenoot die ze met zooveel liefde +geboterd had, en nu niet zonder moeite haar eigen werk herkende. De +jongeheer Pompile lag dien dag overhoop met "mama" en was op 't +kantoor gebleven. De "heeren" hadden den moed niet hun spaarkruimels +voor den dag te halen. En ook de kommen met geile koffi bleven dien +nefasten dag onaangeroerd staan. Met is hier de plaats, een valsheid +van Klaas Kolyn aan 't licht te brengen, die als eerroovend voor +'n deftig handelshuis, aan de nog levende nazaten der Kopperlith's +menigen traan gekost heeft. Die knoeier beweert dat "de heeren van +'t kantoor" ook hun koffie van-huis meebrachten: dwaling, valsheid, +bedrog, laster! De koffi werd uit de keuken geleverd, en de "booien" +zelf dronken ze niet beter. Dit is voor notaris en getuigen bevestigd +door dezelfde autoriteit die dezen ochtend zoo kordaat geweigerd had, +Wouter wederrechtelyk te-woord te staan by de boven-voordeur. Balthasar +Huydecoper heeft dus volkomen gelyk, zich over dien kakolyn telkens +zoo driftig te maken. Valsche gedenkschriften zyn zaad van den Duivel. + +Juist was Wouter van meening 'n aanval te wagen op den hem aangewezen +spoelkom, toen de jongeheer Pompile met z'n gewone schichtige haast +het kantoor binnenstoof. Vol schrik zette de jeugdige handelsman z'n +vermeten opzet uit den zin, en den kom neer. Was 't niet opmerkelyk +dat-i tegenwoordigheid van geest genoeg had om 't ding niet te +laten vallen? + +--Ei zoo? Terug? Wèl? Hoe is 't? Wat zei de schoenmaker? En de +juffrouwen Pleier? En heb je m'n huis gevonden? Je moet maar altyd +kyken naar spiegelglas, want ... die glazen in m'n zykamer zyn +van spiegelglas, weetje? En wat heeft de jonge mevrouw je laten +zeggen? Heeft ze ie geen boodschap aan my meegegeven? En ... ben +je-n-in den stal geweest? Heb je Jakob gezien? En wat deed-i? Aan +'t poetsen, zeker? Zeker aan 't poetsen, hè? Want ... papa heeft +'n britschka, en 'n landauwer, en 'n tentwagen, en 'n koets, en dat +alles moet gepoetst worden. En zeg me nu maar eerst, wat de juffrouwen +Pleier geantwoord hebben? + +De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon. Het +scheen dat z'n eerste proefstuk niet slecht was uitgevallen, want +de jongeheer Pompile knikte tevreden, en beloofde hem te zullen +begunstigen met meer boodschappen. By 'n aanleg als die welke +Wouter ten-toon spreidde, opgekweekt in den groeizamen zonneschyn +van Pompile's tevredenheid, was het te voorzien dat deze jongste +kantoorbediende--mits in leven blyvende--eenmaal den rang van +alleroudsten kantoorbediende bereiken zou. Hiertoe was slechts wat +tyd noodig. + +--Ei zoo? Heb je mevrouw Kalbb ook al gezien? Wèl, dat is goed! Zoo +leer je de menschen kennen. Mevrouw Kalbb-Kopperlith, weetje? Ei zoo, +heb je die gezien? Juist, precies, dat was de britschka van papa, +want ... papa houdt rytuig. Had ze d'r huurpaarden voor ... och, +dat weet je nog niet. Maar anders ... 't is maar, weetje, dat papa +niet graag ziet dat de paarden ... nu, dit gaat jou niet aan. Je moet +alles goed onthouden ... en 'n zakboekje koopen, 'n klein zakboekjen, +en daarin alles opschryven wat ik je zeg, en wat m'nheer Wilkens je +zegt, niet waar, Wilkens? + +--Ja, m'nheer! + +--Juist. Mevrouw Kalbb is m'n zuster, mevrouw Kalbb-Kopperlith--zóó +moet je zeggen!--en denk er aan dat m'nheer Kalbb z'n naam met twee +b's spelt. Onthoud dat, en schryf 't op als je-n-'n zakboekje hebt +... met twee b's weetje? Want er zyn ook menschen die Kalb heeten +met één b, geringe menschen, heel geringe menschen ... 'n leerkooper, +geloof ik. Wat zeg jy, Dieper? + +Dieper legde langzaam en voorzichtig z'n pen neer, trad 'n stap +achterwaarts--hy boekhouwerde altyd overeind--snoot z'n neus, hèmde +z'n keel schoon, en sprak met expresselyk voor deze betuiging gereed +gemaakte organen: + +--Ja, jongeheer, heel geringe menschen! + +--Zieje, ging Pompile voort, m'nheer Dieper zegt het ook, en ... die +leerkooper schryft z'n naam met één b. Maar myn zwager heet Kalbb +... met twee b's, en hy is konsul van den heelen Elsas, en als de +Koning in de stad komt, moet-i altyd op audiëntie, en dan zegt de +Koning: eh bien, m'sieur le consul, comment vont les affaires? En +dan antwoordt m'nheer Kalbb ... ook in 't fransch. En dan heeft-i +'n rok aan met 'n geborduurden kraag. En dan knikt de Koning--'t is +eergister nog gebeurd, en alle jaren weer!--en m'nheer Kalbb ... is +m'n zwager, de schoonzoon van papa. En ... heb jyzelf nu mevrouw +Kalbb al gezien? Wèl, wat zei ze? + +--Ze zei niets, m'nheer. + +--Zoo, zei ze niets? Dat komt omdat ze niet wist dat je hier jongste +bediende bent, anders zou ze je zeker wel iets ... gezegd hebben, of +... 'n boodschap opgedragen, of zoo-iets, want ... ze is m'n zuster, +weetje! Dat moet je goed onthouden. En hoe is 't afgeloopen met dat +borduurpatroon? + +Wouter's triumf over de afgedongen vier stuivers, werd eenigszins +gematigd door 't gefronsd voorhoofd van Pompile, toen deze de +buitensporigheid van z'n lichtzinnige wederhelft te weten kwam: + +--Binnen geweest? Zelf de jonge-mevrouw gesproken! Ei +... zoo? Binnen-geweest in de zykamer? Waarom ben je binnen geweest? + +--M'nheer, stamelde Wouter, die bemerkte dat-i 'n fout begaan +had, m'nheer, de meid zei dat mevrouw me liet roepen, en dat ik +... binnenkomen moest. + +--De meid, de meid! Wat geef je-n-om 'n meid? Zoo'n meid kan wel +zeggen ... kyk, dit is nu zóó, weetje? Als ik je wat opdraag, dan +moetje-n-altyd ... + +Men hoorde een sloffenden tred in de gang. 't Spyt me. Want ik +had gaarne eens vernomen hoe Wouter zich in 't vervolg zou te +gedragen hebben, wanneer "de jonge-mevrouw" hem door de meid liet +binnenroepen? Pompile brak op-eens z'n onderricht af: + +--Daar is papa! Ik zal je voorstellen aan papa. Je moet nu zoo goed +wezen heel beleefd te zyn tegen papa. Dag, papa! + +De eerwaardige gedaante van den ouden heer Kopperlith schoof 't kantoor +in. Met 'n welbehagelyk lachje nam hy de nederige begroetingen van +Dieper en Wilkens in ontvangst, en ook op Wouter spatte een drupjen af, +van den genadestroom dien hy zich alleredelmoedigst ontvloeien liet. + +--Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar +braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons +gerekommandeerd door m'nheer Dieper ... + +De boekhouder trad 'n pas achterwaarts, en maakte een beweging alsof-i +nogmaals verschooning vroeg voor 'n stoutheid die hy scheen begaan +te hebben. Maar de oude heer glimlachte weder. Goddank, Dieper zou +voorloopig niet geradbraakt worden. + +--Ja, door m'nheer Dieper, die myn boekhouder is. En aan mênheer Dieper +ben je gerekommandeerd door zekeren heer ... hoe heet-i ook weer? + +--Och, m'nheer, antwoordde de boekhouder, als ware de naam dien-i +zou uitspreken, eigenlyk te gering voor het oor van den heer +Kopperlith. Och, m'nheer, 't jonge mensch is my aanbevolen door +... zekeren Kalb, 'n leerkooper ... iemand dien ik wel eens ontmoet +heb ... m'nheer! + +Kalb was z'n neef, en z'n beste vriend, voor-zoo-ver het +kantoorbedienden en boekhouders geoorloofd is, neven en beste vrienden +te hebben. + +--Juist! Zekere ... Kalb. Nu, dat's hetzelfde. Je zult hier veel +werk vinden, jongetje! Hard werken is de boodschap. Heeft Wilkens +hem reeds een-en-ander gewezen? Is-i al in 't magazyn geweest? Op de +zolders? Zeker zet je 'm aan 't kopyboek, Pompile? + +Op al deze vragen had Pompile 'n dozyn: "O ja, papa's" ten-beste +gegeven. + +--En schryft-i 'n mooie hand? + +--O ja, papa! + +Wouter begon eerbied te voelen voor Pompile's doorzicht. De vereerende +hoedanigheid die hem werd toegekend, was zeker gebleken uit z'n +boodschappen by de Pleiers, of de Kruckers, of de Hockers, of den +schoenmaker. Wat die voorname lieden toch scherpzinnig zyn! + +--Zoo? Ei! 'n Mooie hand? Ei, ei! Wel, Pompile, wat zeg je 'r van, +als we hem den brief van Leon 'n keer of wat lieten overschryven voor +Flodoard, en voor neef Griekel, en voor de familie Pruikers? + +--O ja, papa! + +--Niet waar, ze inviteerden Leon altyd zoo trouw op hun +kinderpartytjes. Ze zullen 't aardig vinden dat-i zoo'n man geworden +is, en al zulke mooie brieven schryven kan. Maar ... op dun papier, +op heel dun papier! 't Is om de port naar Rome, weetje ... op héél +dun papier! + +--O ja, papa! + +--Zieje, dan kan 't mannetje zich met-een wat oefenen in briefstyl, +vind je niet, Pompile? + +--O ja, papa! + +En zoo geschiedde het. Wouter werd belast met het verveelvuldigen der +oostindische wysheid van den jongeheer Leon, ter opvroolyking van den +jongeheer Flodoard die te Rome was en daar heette te schilderen. Tot +amuzement ook van neef Griekel te Leiden. En om de vriendschap te +cimenteeren met de familie Pruikers, óók lieden in 't best van hun +fatsoen. Na 't eerbiedig aanhooren van veel leerstelsels over de +ware manier om 'n brief overteschryven, ging Wouter dapper aan +'t werk. Hy keek niet op, kopieerde letter voor letter, woord +voor woord, zin voor zin, en ... netjes! Z'n werk leek op 'n +gravure. Hy volbracht dus alweer zoo goed mogelyk z'n naastbyliggend +plichtje. Maar wel verwonderde het hem dat de heer Leon Kopperlith, +surnumerair by de Landelyke Inkomsten en Kultures in de afdeeling +Tjanjor, residentie Preanger Regentschappen, op het eiland Java, +in Nederlandsch lndië--aldus onderteekende die verre jongeheer 'n +brief aan z'n moeder, die niets vreemds vond in deze zotterny--wel +bevreemdde het hem dat die voorname persoonlykheid zooveel taal- en +spelfouten maakte. En ... iets anders nog. Hy voelde zich eenigszins +beleedigd--meer dan door die boodschappen!--dat men hèm al die fouten +te kopieeren gaf ... tot oefening in briefstyl. + +Er bestond nòg iets dat hem zeer begon te hinderen. Maar dit kon Leon +niet helpen. Hy had 'n vreeselyken honger. + +Slechts zeer zelden verwaardigde zich de oudeheer des morgens op 't +kantoor te komen, d. i. vóór den toenmaligen beurstyd en 't daarop +volgend middagmaal. Het scheen dat-i zich dezen keer wat vroeger dan +gewoonlyk naar beneden had laten dryven door de verveling, een euvel +waaraan hy zich twaalf uren in 't etmaal schuldig maakte, jaar-in, +jaar-uit. Hoe zou 't anders kunnen? De man was leeg. Misschien +herinnert zich de lezer 't portret van den baron Van Een-en-ander, +dat ik tentoonstellend aan den wand hing in m'n "Specialiteiten." Ook +daar schetste ik een nietig wezen. Welnu, zoo'n Een-en-ander-baron +is by den hier bedoelden Kopperlith vergeleken, 'n ware Humboldt, +'n Kroesus naar den geest. Die oude baron beteekende zeer weinig, +omdat-i slechts ... een-en-ander was. Kopperlith senior was nòch +'t een, nòch 't ander. Hy was niets. + +Z'n komst op 't kantoor werd altyd, door Pompile vooral, met weerzin +gezien, omdat hy--voor-zoo-ver er inderdaad iets te doen viel--de +bedienden van 't werk hield door z'n eindeloos gebabbel. Dit was, +vooral nà den middag, zeer hinderlyk, en Wouter's menschenkennis had +dan ook weldra gelegenheid zich uittebreiden tot het besef hoe zekere +lieden byzonder grappig worden als ze goed gedineerd hebben. Doch ook +in den "stillen tyd", in 't saizoen dat z'n botanischen naam aan de +cucurbitaceën ontleent, zagen de jongeheeren den oorsprong van hun +bestaan liever vertrekken dan komen. Door overmaat van opgeblazenheid +namelyk, meende hy in zekere buien niet noodig te hebben den toegang +tot z'n hoogheid zoo angstvallig te versperren als sommige anderen, +en deze noodlottige waan verleidde hem soms--vooral nà tafel!--tot +inbreuk op 't decorum van het kantoor. Dit beviel de jongeheeren +niet, zy die in de bespottelyke gemeenzaamheid van "papa" een element +van bederf meenden te ontdekken voor 't verheven standpunt dat zy +wilden blyven innemen. Wie 'n zuiver muzikaal gehoor had, kon altyd +in den toon dien de jongeheeren terstond na 't vertrek van "papa" +aansloegen, duidelyk zekere scherpte waarnemen, waaruit men verstaan +kon: "denk nu vooral niet dat je geen bediende bent omdat papa zich +zoo met je gekompromitteerd heeft." Het: "je moet eens zoo goed wezen" +van Pompile klonk dan waarlyk komisch, juist omdat z'n linksgedragen +hoogheid zoo kluchtig afstak by de laagte der sfeer waarin hyzelf +zich bewoog. Zeker bezat hy één hoedanigheid van 'n groot man. Déze, +dat niets hem te klein was. Om nu echter wezenlyk-groote mannen niet +te-schande te maken door dezen schyn van verwantschap, behoort men +zich te haasten er bytevoegen dat hem alles te groot was, behalve +het allerlaagste. We vernamen reeds hoe hy den stuiver waarmede hy +'n briefbesteller paaide voor 't verzaken van z'n plicht, niet wilde +doen drukken op de "zaken" waarin hy 'n vierde aandeel had, terwyl-i +als aanstaand mede-erfgenaam ter-zyner-tyd slechts voor 'n geringer +deel zou betrokken zyn in 't wel of wee van "huishouden." En veel +hooger dan Pompile stonden de andere leden der familie Kopperlith niet, +noch in kennis, noch in verstand, noch in hart. + +Het spreekt vanzelf dat Wouter--in 't oordeelen nog altyd +belemmerd door naïveteit--dit alles niet dan zeer langzaam +opmerkte. In-den-beginne nam hy zich z'n eigen verwondering kwalyk. Hoe +trager evenwel z'n oordeel zich ontwikkelde tot overtuiging, hoe dieper +deze overtuiging geworteld werd. Aanvankelyk voelde hy slechts z'n +nieuwsgierigheid geprikkeld. Telkens echter werd er 'n nieuw hoekjen +opgelicht van de gordyn die de Maatschappy--of het nietig onderdeel +er van dat hy nu te beschouwen kreeg--tot-nog-toe voor z'n oogen +bedekt hield. Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging +over, weldra in minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit +ten-slotte de hoogmoed voortkwam die 't doel van ons streven moet +zyn. Maar zoo ver zyn we nog niet. Op dit oogenblik begint hy juist +z'n derde afschrift van den fameuzen brief des zeer jongen heers +Leon. Daarin kwam 'n vertelling over zeker feestmaal voor, waaraan +de auteur beweerde te hebben deelgenomen. Daar was veel gedronken, +gegeten en ... och, Wouter had zoo'n honger! Hy kende het dokument nu +van buiten, en schreef werktuigelyk voort, niet zonder te luisteren +naar alles wat er gesproken werd door de "heeren van 't kantoor." Maar +dat de honger hem vreeselyk plaagde, is de waarheid. Als ooit "de +handel" hem aan "brood" helpen zou, moesten de zaken zeer veranderen. + +Wat de luistervink al zoo te weten kwam, zal ik meedeelen in 't +volgend hoofdstuk, waarschyntyk niet zonder kommentaar. + +De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt--en misschien niet zonder +eenig medelyden met den auteur--dat er onder al de personen die ik +in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt, +althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten. Het +is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van welk artikel +ook uit het Wetboek van Strafrecht, noch zelfs van policie-keur. + +De oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was 't een +voorbarige spruit van z'n eigen dochter geweest. Wilkens maakte reeds +sedert ruim 'n halve eeuw zich niet schuldig aan belletjes-trekken, +en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie stuivers die er te-kort +kwamen in z'n "kleine kas" niet in zyn zak waren overgegaan. Eugène +vermaakte zich wel met de booswichten in die fransche romannetjes, +maar verder ging z'n verkeer met zulk onfatsoenlyk gezelschap niet. In +z'n gedrag geleek hy wel volstrekt niet op de deugdhelden in die +boeken--wat ik verstandig vind--maar toch, hy vermoordde nooit +iemand. Zelfs verleidde hy geen meisjes welker eer den prys van +'n halven dukaton te-boven ging. Dit was 'n principe van hem. Hy +was dus wat men gewoon is te noemen: van onberispelyk zedelyk +gedrag, en zou--wat dit betreft, en nu eens geen acht-slaande op +den gerekwireerden "lust in werken"--best geschikt zyn geweest voor +de betrekking van winkeljongetje by m'nheer Motto. De oude Gerrit +was 'n pruttelaar, maar overigens bestond z'n grootste fout--op de +rhumatiek na--in 't koketteeren mèt die rhumatiek, 'n begaafdheid +die hem alleraardigst te-pas kwam om nu-en-dan 'n boodschap voor den +jongeheer Pompile uittewinnen. En ook deze leverde geen bruikbare +vlek in de eentonige schildery van 't gewone. Gelukkig dus dat ik +geen romanschryver ben! Hoe immers zou ik 't aanleggen, om straks wat +licht te doen uitkomen by zoo weinig bruin? By zoo'n totaal gemis van +'t krimineel-zwarte? Wie zou helder blinkende deugd kunnen schilderen +op zoo'n vaalgryzen grond? + +Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege +blyven--ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal!--dan toch +... vanhier, vanhier, gy die meent 'n roman te halen uit den huize +Kopperlith! + +Als ik 'n romanschryver was, zou m'n taak ligter zyn. Dan immers had ik +slechts den gek Wilkens te verdoopen in 'n bandiet, hem 'n roovermantel +van diemet en shirting om den schouder te slaan, z'n kantoortjen onder +de stoep te veranderen in 'n spelonk vol doodsbeenderen en geronnen +bloed, z'n kadetjes in zakpistolen, z'n pedante praatjes in moord- +en wraakschreeuwende tooneelkrankzinnigheid. Niets gemakkelyker +dan dat alles, maar ... 't is nu eenmaal bepaald dat m'n taak zoo +eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want ... 'n romanschryver ben ik niet! + +Ware ik 'n romanschryver ... zeker, dan liet ik de draadpoppen +myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en +zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia +op-weg naar Gretnagreen, met den ouden Dieper en de kas ... de +groote. Want in die van Wilkens kwamen nog altyd de drie stuivers +te-kort, die volstrekt noodig zyn om sous d'autres climats zalig +te wezen met 'n verboden geliefde. Ware ik romanschryver ... dan +boezemde ik den teederen Pompile yverzucht in tegen 't allerjongst +kantoormannetje dat zich, één halven dag nog slechts in funktie, reeds +verstout had integaan tot z'n vrouws zykamer! Ware ik romanschryver +... dan liet ik den achtenswaardigen hoofddader van 't wanbedryf: +Ouwetyd & Kopperlith, bekneld raken tusschen twee olievaten, woedend +allebeî over de zoo sarrend te-kyk gedragen persifflage hunner smeerige +welgedaanheid ... + +Maar, helaas, 'n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die menschen +niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal! Is 't +niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo weinig +kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat 'n boek +lezenswaard maakt--uitdrukking, styl, schryfmethode, en ... inhoud +nog bovendien op den koop toe--wanneer ik me veroorloofde dat alles +te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot 'n bondig: + +--Je kunt me gelooven, Pieterse, ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk +borssie, maar ... wat ik je zeg: 't is allemaal wind en 'n engelsche +notting! + +Sloos had nog 'n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te bevallen +omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins +tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van +Kotzebue, en laafde gedurende al z'n vele boodschappen zyn kunstzin +aan de tooneelbriefjes die de opvoering van Armuth und Edelsinn +aankondigden. De hollandsche vertaler had dit laatste woord als in +ons land minder gangbaar beschouwd, en doopte dus dat tooneelstuk met +den meer hollands-klinkenden titel: Armoede en Grootheid. Onze Gerrit +had wel dien naam diep in z'n geheugen geprent, doch--eenigszins +tegen de bedoeling van den schryver en vertaler--in den zin van: +kalen bluf. Ieder is de uitlegger van z'n eigen woorden, en indien +de oude Sloos nog leefde ... + +Komaan, z'n engelsche notting is mooier. En z'n wind ook. De oudeheer +was 'n neerbuigend-winderige notting. Eugène's notting-wind woei +naar-binnen. Pompile was 'n notting met kinderachtigen wind. De notting +van Wilkens suisde en blaasde ploertig-pedant. De oude Dieper ... hm, +'n volslagen notting was deze niet, maar toch, de wind die daarby zou +behoord hebben, was hem niet geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien +voor huis- en buurtgebruik. Zoodra hy, van 't kantoor komende, de brug +bereikte die den Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt, +liet-i zyn wind los. Op die brug rekte hy hals en lenden eenige duimen +uit. Hy richtte zich met zekere fierheid omhoog--op 't horloge-n-af, +altyd kwart over vieren--gaf aan longen, armen en beenen, aan gezichts- +en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid weder, en kuchte dat de +Jordaan er van daverde. Die kuch was 'n jerichoosch trompetgeschal +dat schetterend verkondigde: "de Kopperlith van déze buurt ben +ik!" Jammer dat de ware bezitters van dezen roemruchtigen naam zich +nooit verwaardigden hun voeten in die gemeene wyk te zetten. Want +als eens onze Dieper in zoo'n huisbui van overmoedige handlichting +den oudeheer had ontmoet, Of den jongeheer Pompile, of den jongeheer +Eugène ... tot groot nadeel van den Jordaan, nu ja, maar ... dan had +ik 'n natuurtooneel te beschryven gehad, en in deze hoofdstukken iets +anders te schetsen dan één doorgaande nietigheid! + +Waarheid blyft echter, dat Wouter in zóó'n kring 'n paar van z'n +"Lehrjahre" moest doorbrengen ... + +Fancy had gelyk! + +Hy moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan +ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat schooners +moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat grooters dan +werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet toerusten met geheel +à ndere wapenen dan zwaard, lans en Edelsinn, om niet ondertegaan in +den stryd tegen 't geboefte. Wouter moest zich leeren verdedigen tegen +'t kleine. + +Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar +te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in 't oog te houden +... rein te blyven by aanraking met vuil ... buigend en bukkend niet +te breken ... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als +'n gebogen veêr ... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven +... in één woord: steeds zichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen! + + + +Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele +Wouter-geschiedenis: + +Een parelduiker vreest den modder niet. + + + + + + + + Schetsen uit onwelriekende streken van zekere wereld beneden de + oppervlakte der zee, waarby men, o. a. "een man als U, m'nheer!" te + aanschouwen krygt. Ook de jongeheer Pompile blyft voortgaan zich + te vertoonen in al z'n geurige beminnelykheid van verstand en hart. + + +De lezer herinnert zich den indruk dien pater Jansen's eenvoudige taal +op Wouter gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk dááraan nu was z'n +bevreemding over den aard der gesprekken op het kantoor. Doch ... er +bestond verschil. Wel sprak ook pater Jansen geheel anders dan hy +zich had voorgesteld, maar er blonk iets zoo liefelyk-goedaardigs +in z'n onderhoud door, dat Wouter den moed niet had iets in hem +aftekeuren. Al was onze leerling in menschenkennis en menschkunde +nog niet ontwikkeld genoeg om intezien hoe hoog het waar-menschelyke +boven het vals-goddelyke verheven is, toch zou in dit geval z'n +smaak al zeer spoedig den weg hebben gewezen aan z'n oordeel. Om +nu evenwel zelfs den braven Jansen niet meer te geven dan hem +toekomt, moeten wy wel onthouden dat Wouter's kennismaking met dien +eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van 'n boteram, terwyl het +kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet de minste bykomende +omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op de beoordeeling van 't +verhandelde. Geen onzer is in-staat den oorsprong van z'n indrukken +nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften +dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel. De kennismaking +met het stukje nieuwe wereld waarin Wouter aanving zich te bewegen, +ging vergezeld van zulke onaangename byzaken, dat-i moeite zou gehad +hebben de gesprekken die hy aanhoorde schoon of belangryk te vinden, +al hadden de sprekers Bilderdyk's Floris gerepeteerd, of 'n preek +opgezegd. In-plaats van de gulle ontvangst die hem was te-beurt +gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich geplaagd door 'n onbevredigden +eetlust die hand-over-hand toenam. Bovendien ... komaan, we zullen +'t woord dat niet gaarne uit m'n pen vloeit, in den mond leggen van +de sprekende personen-zelf, die niet te goed zyn voor 't platste: + +--Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg de +oudeheer met roerende vertrouwelykheid. + +De plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging tenvolle +waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand- +en voetgrepen: pen in de gleuf van 't opgeslagen boek ... één stap +achteruit ... de handen gewreven, en: + +--Ja, m'nheer, 't stinkt hier wel ... 'n beetje. + +Dat "beetje" was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om 't +gelyk-geven aan m'nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in 'n +vermetele aanranding der eer van m'nheer Kopperlith's kantoor. Zoo +zeilt de wyze tusschen twee klippen door! + +--Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, 't stinkt hier heel erg. Dat komt +van de grachten, niet waar, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, 't komt van de grachten ... + +En, alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroon +tevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze meening met de +plechtige woorden: + +--Ik heb de intieme fiktie, m'nheer, dat het alleen van de grachten +komt! + +--Ei? vroeg of zei m'nheer Kopperlith. + +--Ja, m'nheer! En ... 't is zoo'n ... modderlucht, vindt u niet? + +Dieper had zeer gerust de kwalifikatie 'n paar graden onfatsoenlyker +kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de waarheid. Maar bégueule +stiptheid in omschryving was minder z'n zaak, dan 't reinwasschen +van m'nheer's kantoor van à l te onwelriekenden blaam. Op gelyke wys +had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn in bescherming +genomen door de schuld op de riolen te werpen, al geschiedde dit dan +niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den nieuwen jongste-bediende +een blyk van z'n scherpzinnigheid te geven. Misschien ook was 't +Gerrit alleen om 'n praatje te doen, een bodem waarop veel onbekookte +meeningen groeien. In-zoo-verre echter moet ik zoowel Dieper als +den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide lokalen die thans in +zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend zouden geworden zyn +wanneer men ze had overgeplaatst naar 'n lusthof op den Hymettus. Maar +in zoo'n lusthof lagen ze nu eenmaal niet. + +--Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer met bescheiden +weifeling voor. + +--O né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! Ik zal u +zeggen, papa ... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! Niet +waar, Dieper? + +Dieper betastte z'n hoofd: + +--Zinkings, m'nheer! Allemaal zinkings! + +--En dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt er +dadelyk zoo'n fameuze stank in van de binnenplaats, papa! + +Meer afdoende reden om "versche lucht" buiten te sluiten, zal wel +nooit gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de zaak, en +Pompile die gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken als +bondgenoot--niets was hem ooit te gering!--en als middel om z'n doel +te bereiken met de Pleiers en de Hockers en de Kruckers, bracht zeer +handig het gesprek op iets anders. + +--De zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. Niet +waar, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m'nheer, een man als U, m'nheer, +behoorde reeds lang buiten te wezen! + +Het glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet +opgaan over de boozen en goeden van z'n kantoor was goud waard. Toch +niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het tevoorschyn roepen +zoo dikwyls hy verkoos met 'n allergoedkoopst: "een man als U, +m'nheer!" Maar hy was te bekwaam in z'n specialiteit van perpetueel +ondergeschikte, om de kitteling van z'n streelen aftestompen door +overvoer. Meer dan tweemalen daags zeide hy 't niet. En gewis ook +zóó veel keeren kon m'nheer Kopperlith het verdragen zonder op +'t afgryselyk denkbeeld te komen dat z'n boekhouder hem voor den +gek hield. Neen ... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar +de man was 'n vriend van 't gemiddelde, een vyand van overdryving, +matig, sober en ingetogen, tot in z'n flik-vlooiery toe. Bovendien, +er was inderdaad geen element van bespotting in de hulde die hy vry +periodiek neerlegde op 't altaar van de Kopperlithsche hoogheid. Z'n +opblazen by 't betreden van de buurt die hyzelf bewoonde, had +volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming die inderdaad de +zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht betrad, waar +'t zoo heel erg ... 'n beetje stonk. Hy huichelde evenmin als de +bulhond die, wild en onhandelbaar onder z'n gelyken en by vreemden, +zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z'n meester. + +Oppervlakkige ziel-ontleders denken gewoonlyk veel te spoedig aan +huichelary, wanneer zy iemand ongelyk zien aan zichzelf. Juist deze +ongelykheid is by zeer velen de strenge konsekwentie van allergewoonste +karakterloosheid. + +Ook Dieper hield er 'n wezen op na, dat tienmaal in de week 'n +fleemerig: "een man als U, m'nheer Dieper!" by hem plaatsen kon, en +... op-straffe van ongenade, plaatsen moest. De majesteit waarmee de +oude boekhouder in zyn huis om z'n sloffen riep, of 'n ketel saliemelk +bestelde--zoo byzonder goed tegen de "zinkings"--was nauw verwant aan +'t zelfde hondenkarakter dat hem zou hebben genoopt de pantoffels van +"m'nheer" te kussen, wanneer dit blyk van rechtgeaarde boekhouwery +mocht gevorderd worden. + +--Een man als U, m'nheer, moest al lang buiten wezen, niet waar, +jongeheer? + +--Ja, papa. 't Saizoen gaat voorby, papa! + +--Dat is waar, Pompile. Maar ... als mama niet reizen kan ... wat +zullen we 'r aan doen? Ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is, +byzonder erg, Pompile! + +Dit had hy van "Gerrit" vernomen. De onnoozele lezer die nooit +te logeeren werd gevraagd aan 't hof van Spanje, en dus niet +ingewyd kan zyn in de verheven etikette van zoo'n Kopperlithsche +huishouding, is misschien verwonderd dat 'n man bericht van den +gezondheidstoestand zyner vrouw ontvangt door bemiddeling van den +knecht. Men bedenke dat--op 'n kleine uitzondering na, die straks +zal gemeld worden--slechts zeer weinige stervelingen toegang hadden +tot de suite, waar "mevrouw" huisde, sliep, ziek was, at en dronk, +enz. Daar was 'n "juffrouw" die haar gezelschap hield, en 'n kamenier +voor 't aan- of uitkleeden, en 't optooien. Want ... opgetooid wèrd +ze. Doch zie, deze beide mynslavinnen waren niet sterk genoeg om 't +logge schepsel uit haar bed op den rolstoel te helpen, waarmee ze naar +'t voorvenster van de "zykamer" moest gekruid worden. Jaren geleden +reeds was er over deze zwarigheid 'n kantoor- en familieraad belegd, +met den kanonieken uitslag dat de ook toen reeds niet jeugdige Gerrit +zou worden beschouwd als geslachteloos, 'n vereerende onderscheiding +die hem 't recht van toegang tot den harem verschafte. Men bedenke +dat het er donker was, en de sultane sedert lang grootmoeder. Deze +regeling omtrent Gerrit voldeed te-meer aan den eisch, omdat zy +samenviel met de voortdurende noodzakelykheid om hem met boodschappen +te belasten. Gedurende Wouter's wittebroodsweken pynigde hem telkens +z'n wanbegrip, wanneer een der meiden of de kamenier Gerrit kwamen +zoeken met de onheldere toelichting: "'t is, weetje, om mevrouw +te kruien ... ze wil eruit" of: "ze wil er in." Ook begreep-i niet +volkomen wat er bedoeld werd met den roep: "Gerrit, mevrouw's boeken +ruilen!" Maar dit alles helderde zich weldra op. Dat eeuwige boeken +ruilen stond in verband met haar verveling. Ze was geabonneerd in drie +leesbibliotheken te-gelyk, en verslond al wat daarin fransch was. Dat +er noch door haar, noch door wien ook van de andere familieleden ooit +'n penning besteed werd om 'n boek te koopen, spreekt vanzelf. Van +'n bibliotheek was geen spoor in den huize Kopperlith! De "heeren" +meenden dat zoo-iets behoorde by geleerdheid, 'n eigenschap waarvoor +zy allerfatsoenlykst den neus optrokken. + +Wat overigens die geheimzinnige suite-kamer aangaat, het is te +veronderstellen dat ze weleens bezocht werd door Pompile en Eugène +ook, wanneer deze jongeheeren hun: "broodje gingen eten by mama" +maar overigens waagde zich daarin vóór het uur van 't middagmaal, +geen schepsel. Dan namelyk, maar ook dan eerst, kon de oudeheer +z'n huwelyksgeluk 'n uurtje te zien krygen. Z'n vurige drift om +vóór dat oogenblik iets te vernemen van de wyze waarop zy den +nacht had doorgebracht, kon alleen door Gerrit bevredigd worden, +en deze ontleende alweer aan deze byzonderheid zeker gewicht, dat hy +zeer handig wist op de schaal te leggen in z'n eeuwigen gezagstryd +met: "die Wullekes!" De manier waarop hy 't aanlei om z'n welkome +voorwendsels tot dienstweigering toetepassen, is niet moeielyk te +raden. Zoodra de wyze kantoorheer iets gelastte dat den kantoor- en +huislooper niet aanstond, moest deze juist "boekenruilen voor mevrouw" +'n ultima ratio die Wilkens niet dan schoorvoetend aandurfde. En, +als: "mevrouw straks misschien zou moeten gekrooie worden" verzonk +de autoriteit van den gehaten onder-chef in 't peilloos Niet, juist +waar Gerrit ze gaarne zag om ze op z'n gemak uit het oog te verliezen. + +--Zieje, Pompile, als mama zoo erg is, zoo heel erg.., wat zullen we +doen? Ik kan toch niet in m'n eentje naar Groenenhuize! Wat zeg jy, +Dieper? Ik zou me daar vervelen, denk je niet? + +--Zeker, m'nheer, ik ben zeker dat m'nheer zich daar vervelen +zou. M'nheer zou daar zoo ... heelemaal alleen zyn, niet waar? + +--Nu ja, papa, dat's waar, maar ... 't saizoen gaat voorby. Ik kan u +verzekeren, papa, dat er geen enkele fatsoenlyke familie meer in de +stad is, wat je noemt: 'n fatsoenlyke familie! Wat zeg jy, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, er is geen enkele fatsoenlyke familie meer in +de stad, dà t is waar. + +--Ziet u, papa? En als mama niet zeer spoedig resolveert ... zal ze nog +veel zieker worden. Dat heeft de dokter ook gezegd, niet waar, Dieper? + +Hm! Wat zou de boekhouder zeggen? Hy kon toch in-gemoede de +meening niet bevestigen van 'n dokter dien-i nooit had te zien of +te spreken gekregen? En ook de vreeselyke ziekte van mevrouw was +aan de "heeren van 't kantoor" slechts zeer schemerachtig bekend, +want de half-vertrouwelyke ontboezemingen van Gerrit weken weleens +'n beetje van z'n officieele berichten af, 'n byzonderheid die +oplettende hoorders en lezers ook nu-en-dan in andere kringen kunnen +waarnemen. Ook de betrekkelyke duisternis der onwetendheid omtrent +mevrouw's zeer voorname kwalen zou in diepen nacht zyn overgegaan, +wanneer men by die heeren gevorscht had naar bekendheid met de +mevrouw-zelf. Zy was in hun oog de zeer letterlyk-etymologische +uitdrukking van 't solemneele: men zag haar éénmaal 's jaars, op +den eersten Januari. Op dien dag namelyk werden Dieper, Wilkens, +en later ook Wouter, door een der ad hoc gekommitteerde jongeheeren +plechtstatig door de bovengang in de suite geleid, waar ze dan konden +wachten totdat mevrouw door haar gezelschapsjuffer het sein liet geven +dat "de heeren" mochten binnentreden in de eeuwige zykamer. Schryvers +van middelmatige konscientie zouden allicht uitstrooien dat ze daar +werden toegelaten tot den handkus, maar wie eerbied voor waarheid +heeft, zal ten-allen-tyde verzekeren dat de plechtigheid niet zóó +ver ging. Dieper wenschte by deze gelegenheid: "ook namens de andere +heeren, aan mevrouw ... des Hemels besten zegen, en ... bestendig +welzyn." Ze was er mee tevreden, en zei dat ze 't vandaag zoo +byzonder erg "op" haar zenuwen had, en dat het zeker van 't weer +kwam. Nadat dit door Dieper beaamd was--met 'n buiging, want z'n +welsprekendheid was òp--kon men de zaak als afgeloopen beschouwen. De +gezelschapsjuffer opende een der dubbeldeuren van de suite, en de +"heeren" verlieten ruggelings de "zykamer van mevrouw." Dieper was +dan gewoonlyk zeer warm, en kon niet altyd de schuld hiervan op 't +weer schuiven, want het vroor soms. En ook lag de oorzaak van die +hitte niet in de vermoeienis van de reis die zoo byzonder ver niet +was, en maar weinig inspanning vorderde. De plechtige exodus nam op +'t kantoor 'n begin ... linksom, vyf treden in de ondergang ... de +keuken voorby, waar de meiden stonden te lachen en te ginnegappen, +vooral om 't malle gezicht van m'nheer Wilkens, daarop volgde een +donker slakhuisvormig trapjen, en twaalf korte schreden tot aan +de deur van de suite ... neen, neen, uit vermoeienis van de marsch +ontstond Dieper's verhitting niet! Doch al ware dit anders, ik vraag +of zoo'n kennismaking voldoende is om iemand instaat te stellen tot +beoordeeling van de vraag of "mevrouw nog zieker worden zou ais ze +niet spoedig naar buiten ging?" En tevens: of men uit zoo'n bezoek op +nieuwjaarsdag--en in die hitte nogal--voldoende gegevens putten kan om +te berekenen hoe de dokter mevrouw's toestand zou beoordeelen in 't +hartje van den komkommertyd? Maar de jongeheer Pompile had nu eenmaal +Dieper's getuigenis ingeroepen. Des boekhouders naastbyliggende +plicht schreef dus voor, een "intieme fiktie" by-de-hand te hebben, +die den jongeheer kon dienen by z'n plannetjes, en dus: + +--Ja, ja, m'nheer, 't is zeker goed voor mevrouw, dat ze spoedig naar +Groenenhuize vertrekt, want ziet u--o, prachtsprong over 't onbekend +gezegde van den onbekenden dokter!--'t is zeker goed voor mevrouw, +anders ... gaat de tyd van jonge doppertjes voorby! + +--Ziet u, papa? Dà t is juist wat ik altyd zeg. Mama moet absoluut +naar buiten! 't Is voor mama niet langer in de stad uittehouden, +niet waar, Dieper? + +--Juist, jongeheer! M'nheer, het is voor mevrouw in de stad niet +langer uittehouden! + +--Voor niemand, papa! + +--Zeker, m'nheer, voor niemand! + +En hyzelf dan? En al z'n lotgenooten? + +--'t Water in de grachten ziet paars van den stank, papa! Niet Dieper? + +Ook dit beaamde de getuige, en ditmaal met grondige reden van +wetenschap. Want hyzelf woonde in den Jordaan, waar de opgezamelde +meststof zich niet onbetuigd liet in dartele kleurspeling op 't +water. 't Was juist 'n buurt om nieuwe verfstoffen uittevinden. + +--Maar ... Pompile, hoe krygen wy in-godsnaam mama de stoep af? Dat +is de vraag! + +--Juist, papa, dà t is het! Dà t's de zaak! Ik heb er Flip over +gesproken, Flip den kruier, papa! + +--Hè? + +--Ja, papa, den kruier! Met hun drieën zien ze geen kans mama de +stoep aftedragen ... + +--In 'n fauteuil, Pompile! + +--Juist, papa, in 'n fauteuil! Weet u wat ze zeggen? Ze zeggen: 't +handt niet, omdat de trap van de stoep wat smal is, papa! En ze zouden +mama laten vallen, papa! U moet begrypen, papa, 't is lomp volk, papa! + +--Maar ... hoe dan? + +--Flip zei: als we mevrouw in 'n flinken leuningstoel hadden--fauteuils +kent zoo'n man niet, papa!--en dan 'n strop er om--om den fauteuil, +papa!--en dan ... maar toen zei ik: met veel kussens, papa, weet u, +met héél veel kussens, dan zouden we ... + +Eugène trad binnen. Blykbaar was hy door z'n vader op kondschap +gezonden, of er iets met de oude koppige dame te bereiken zou zyn. Doch +ook hy bracht geen bevredigend antwoord mee. + +--En jy, Pompile, wat had jy dan bedacht? + +--Wel, papa, 'n fauteuil ... en mama daarin, met veel kussens, en dan +'n strop er om ... om den fauteuil, Eugène! En dan ... 't venster +open--Flip zei, 't kon best, maar ik zeg met veel kussens, weet u, +papa?--en dan ... + +--Ben je mal, Pompile, wou jyzelf nu mama 't venster uithyschen? En +zoo-even zei je ... + +--O neen, Eugène, zoo meende Flip. Maar ik zeg: met veel kussens, +weetje? Maar ... die kruiers zyn lompe menschen, en ... ze rekenen +hoog. Al wat boven 'n dubbeltjes-boodschap gaat ... berekenen ze +vreeselyk hoog, papa! 't Weekbriefje--vooral als Gerrit styf van +rhumatiek is, papa!--o, dan is 't weekbriefje ... fameus, papa! En +daarom had ik gedacht--omdat we nu 'n jongstebediende hebben, +ook--nu dacht ik ... kyk, papa, we kunnen voor mama die kruiers best +missen. U weet misschien dat Gerrit weer styf van rhumatiek is? Nu, +dat's hetzelfde ... maar Dieper heeft telkens briefjes te inkasseeren +... morgen 'n smerig papiertje, niet waar, Dieper? + +--Ja, jongeheer! Morgen 'n smerig papiertjen in den Jodenhoek, m'nheer, +heel smerig! + +--Maar, Pompile, wat wou je dan met mama? + +--Met veel kussens, papa! Dan wou ik vragen of Wilkens zoo goed +zou willen zyn--niet waar, Wilkens?--met dat jongemensch daar, aan +'t windas te gaan. Ziet u, papa, dan konden wy die kruiers missen +... lomp volk! Maar ... met veel kussens, dit begrypt uzelf wel, +papa! En, ziet u, papa, Eugène en ik, wy zouden ... beneden staan, +en ... er goed naar kyken, papa! + +Eugène bromde. Maar 't was karakteristiek dat niemand lachte by +Pompile's voorstel om--niet zonder terugzicht op zuinigheid--z'n moeder +'t venster uittehyschen aan 'n strop ... om den fauteuil. + +--De buren! + +--Juist, Eugène, de buren! Precies wat ik zeg! En daarom ... als we +mama konden bewegen ... 's morgens vroeg ... + +By noorderzon alzoo! Wouter wist nog niet wat 'n windas was, en +dacht zich suf over de rol die hy zou te spelen hebben. Hy voelde +reeds angst by de bedenking of-i wel in-staat wezen zou by die +gelegenheid z'n naastbyliggenden plicht te vervullen. 't Was hem 'n +kleine verademing dat Pompile's voorstel nog altyd niet gaaf werd +aangenomen. Men scheen te betwyfelen of "mama" genoegen nemen zou +met de vreemde lokomotie. De oudeheer klaagde dat zy zéker weigeren +zou als ze hèm verdacht van de uitvinding. + +Hy iets uitvinden! + +--Wel, papa ... u kan zeggen dat Flip de kruier het verzonnen +heeft. Dat kan u best zeggen, papa! + +--Hm ... ja ... als nu by-voorbeeld de juffrouw dat aan mama +verzekerde? + +--Dat zou zeker 't allerbeste wezen, papa. Maar ... ik geloof dat wy +op die juffrouw niet best kunnen rekenen, papa! Weet u wat ze doet, +papa? Ze stookt! + +--Zou je dat denken, Pompile? + +--Ja, papa! Want, ziet u, anders had ze 'r al lang op aangedrongen +dat mama naar buiten ging, wat zeg jy, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, zeker! Anders had ze 'r al lang op aangedrongen. + +--Die nieuwe juffrouw is 'n gekkin, bromde Eugène. + +--Mama is zeer met 'r tevreden, zei de oudeheer. Ze is zoo erg +fatsoenlyk, zegt mama, zoo heel erg fatsoenlyk. En ... haar papa was +prokureur, Eugène! + +--Ze heeft kale plekken op 't hoofd. + +--Wel, wel, Eugène! + +--Dat kan my nu niet schelen, zei Pompile, als ze mama maar wou +overhalen om naar Groenenhuize te gaan, papa! + +--Waar is Gerrit? vroeg de oudeheer. + +--Styf van 't rhumatiek, papa! En morgen heeft Dieper 'n smerig +papiertje, niet waar, Dieper? + +--Nu ja, maar als Gerrit nu eens--zonder dat het van ons kwam, begryp +je?--aan de juffrouw vertelde dat de kruier gezegd had ... want zieje, +Pompile, als ik alleen ga, dan verveel ik me zoo! En ... hoe met de +keuken? Ik kan toch niet te Haarlem in 'n restauratie gaan eten, als +'n kantoorbediende! Wat zeg jy, Dieper? + +--Zeker niet, m'nheer! Een man als U kan niet in 'n restauratie gaan +eten. Zeker niet! + +Diezelfde "man als U" kon wel de hulp inroepen van den kruier, +en van den knecht, en van de gezelschapsjuffrouw, om z'n vrouw te +bewegen tot iets dat ze hardnekkig nalaten zou zoolang ze meende dat +hy er op gesteld was! En al die naaktheid mocht Wouter te aanschouwen +krygen! Geen van de sprekers kwam op het denkbeeld dat ze zich voor +dien jongen kantoorbediende vertoonden in 'n zonderling licht. Men +ziet het, ook 't gemeene heeft z'n naïveteit. + +Om overigens den belangstellenden lezer, die zich zeker al ongerust +maakt over den gezondheidstoestand van die "mevrouw in de zykamer" +wat moed intespreken, beroep ik me hier op zeker getuigenis van Gerrit, +die eenmaal aan Wouter deze vertrouwelyke mededeeling deed: + +--Je kunt me gelooven--ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk borssie--zy +... eet te veel, en ze-n-is koppig en sagrineus: dà t is het! Haar +heele ziekte ... komaan, ik zal 't je maar op z'n rond-hollandsch +zeggen, is wind en 'n engelsche notting! Maar zy ... eet te veel. Zy +... eet den godganschelyken dag, dà t is het! Als ik haar dokter was, +kreeg ze niets dan één roggebroodjen in de week, en verder pomp-water +... anders niets, wat ik je zeg! + + + + + + + + De auteur kruipt tot in de nauwste gaatjes de hoogheid na, van + 'n "man als u, m'nheer!" + + +De oudeheer die tot-nog-toe had staan leunen tegen Dieper's lessenaar, +begon zich te vervelen. Of liever, hy kreeg lust de verveling die +hem kwelde en waarmee hy gewoon was ieder te plagen die met hem in +aanraking kwam, te doen veranderen van soort. By Dieper had de man +'n halfuurtje links geleund ... hy wou nu eens rechts leunen. Zoo +wentelt zich de luiaard in z'n bed om, like a door on its hinges, gelyk +Shakespeare, meen ik, ergens zegt. Maar onze emeritus-leeglooper had +nog andere redenen dan zoo'n deur, om zich eens omtekeeren. Het nieuwe +kantoorbediendetje, hoe jong en onbeduidend ook, moest doordrongen +worden van 't besef der hoogheid van m'nheer Kopperlith. Hy naderde +alzoo sloffend den hoek, waar de hongerige Wouter nog altyd bezig-was +zich door 't overschryven van Leon's epistel, bekwaam te maken voor +den "handel." + +--En, mannetje, hoe gaat het nu eigenlyk met jou? Met je werk? Schryf +je wel netjes? Neen, neen, blyf maar zitten, blyf gerust zitten! Ik +kom maar even kyken of je netjes schryft, weetje? En ... klein, +heel klein, om de port. Want, mannetje ... die brief gaat naar Rome. + +'t Werd voor Wouter waarlyk tyd dat-i eens opkeek. Hy zou flauw- +of in-slaap gevallen zyn. Het woord Rome maakte hem eenigszins +wakker. Hy had iets geschreven dat heel naar Rome gaan zou, hy! God +weet welke Paus zyn schrift onder de oogen krygen zou! En zelfs +... welke roover! En de stad-zelf! De stad van Caesar, van Romulus +en Remus, van Numa Pomp ... 't is waar ook, waarom heette z'n hoogste +onderpatroon: Pompilius? [15] + +--Ja, mannetje, naar Rome! Dat dacht je niet, hè? + +--N...e...e...n, m'nheer! + +--Hi, hi, hi, naar Rome! Hoorje wel, Pompile, hy dacht niet dat die +brief heel naar Rome ging! Ja, mannetje, zóó is het toch! Die brief +gaat--daarom moet je netjes schryven--naar m'n zoon, den jongeheer +Flodoard die te ... Rome-n-is! Wat zeg ie dáárvan? + +Wat zou Wouter zeggen? Ik weet het waarachtig niet. En hy-zelf wist het +ook niet. Dit bezwaarde hem. Zou er ook misschien 'n naastbyliggende +plicht verzuimd worden als-i zweeg? De oudeheer genoot van z'n +hakkelen. Hy had z'n doel bereikt: het jonge-mensch was vernietigd. En +nog zyn er onverlaten die uitstrooien dat Hollanders "van fortuin" +zich niet weten te amuzeeren! + +--M'n zoon--de jongeheer Flodoard, weetje?--is daar ... + +Hier stuitte de kinderachtige bluffer. Het denkbeeld kwam in hem +op, dat misschien die domme burgerjongen niet op de ware hoogte +stond om te beseffen wat 'n schilder was. En deze vrees was niet +ongegrond. Juffrouw Pieterse-zelf zou dit maatschappelyk standpunt +niet byzonder hoog gevonden hebben: 'n schilder! + +--Hy is ... fynschilder, weetje? Zeg, Pompile, je moet hem Mozes by +'t Doornbosch eens laten zien ... + +--In de hoes, papa! + +--Ah, ja, in de hoes! Anders, weetje, dan kan je-n-op de zaal--vlak +boven--Mozes by 't Doornbosch zien ... als-i eens niet in de hoes +zit. Dat heeft m'n zoon, de jongeheer Flodoard-zelf geschilderd, +heelemaal zelf. Wat zeg je dà à rvan? En nu is hy te ... Rome om zich +te oefenen in de Kunst, in 't fyne, weetje, heel in 't fyne van de +Kunst. Want ... dit begrypje toch ook wel, niet waar, er is schilder +en schilder! Je moet niet denken dat de jongeheer Flodoard schilderyen +maakt voor z'n brood. Volstrekt niet, in 't geheel niet! Je begrypt +immers 't verschil wel, zeg? + +Die arme knoop! Wouter zette 'n gezicht alsof-i volkomen bereid was +alles te begrypen wat men hem vertellen zou. + +--Om z'n brood ... hi, hi, hi, 't lykt er niets naar! Gut, Pompile, +begryp eens, er zouden menschen zyn die dachten dat Flodoard schilderde +... hi, hi, hi ... om z'n brood! + +--Ja, papa! + +--Neen, mannetje, ik zal je heel wat anders zeggen ... heel wat +anders! De jongeheer Flodoard schildert ... voor z'n pleizier, en +... voor de Kunst. Wat zeg je dáárvan? + +Wouter bleef stom van verbazing. Heel goed! + +--Voor de Kunst, mannetje! Denk je dat-i wat krygt voor z'n +schilderyen? Zeg, Pompile, je moet 'm toch Mozes by 't Doornbosch +eens laten zien ... + +--Ja, papa! + +--Zieje, mannetje, dat heeft-i zelf geschilderd, en hy krygt er niets +voor. En 't hangt op de zaal--vlak, vlak hierboven, weetje?--en je +mag 't zien, als de hoes er af is, want ... nu is er 'n hoes over, +omdat mevrouw naar buiten gaat, naar myn Buiten ... Groenenhuize heet +het. En daar mag je-n-ook wel eens komen, want ... daar hangen ook +schilderyen van den jongeheer Flodoard ... dà t zal je zelf zien! Dacht +jy dat-i er iets voor kreeg? + +--N...e...e...n, m'nheer, o neen! + +--Zoo? Ik dacht dat je dat dacht. Maar zieje, 't is juist andersom. De +jongeheer Flodoard verteert veel geld te Rome, heel veel geld! Zeg +eens, hoeveel geld denk jy wel dat de jongeheer Flodoard te Rome +verteert? Komaan, raad eens! + +Och, daarvan stond weer niets in Strabbe! Onze Wouter voelde zich in +pynlyke verlegenheid. De oude dwaas scheen op antwoord te wachten: + +--Ja, ja, raad eens! Je mag gerust eens raden! + +--Hon...derd... gulden, m'nheer? + +--Hi, hi, hi ... hoorje dat, Pompile? Hoor je 't Eugène? Heb je +'t gehoord, Dieper? Honderd gulden! Help me onthouden, Eugène, +dat ik die aan mama vertel! Honderd gulden? Honderd gulden? Wil ik +je-n-eens wat zeggen, mannetje? Honderd gulden ... ja! In de maand, +weetje? Honderd gulden in de maand ... wat zeg je dáárvan? + +--Hè, m'nheer! + +--In... de... maand! + +--Hè! + +--In... de... maand! Hon...dèrd... gul... den... in... de... máánd! + +Wouter zweette. + +--Ja, al dat geld verteert hy te Rome. En dat haalt-i ... zeg eens, +by wien denk je dat-i al dat geld haalt? + +--By... den... + +--Nu, zeg maar op. Spreek gerust uit. Waar denk jy nu wel dat de +jongeheer Flodoard al dat geld haalt? + +--By den ... Paus, m'nheer? + +Was 't niet jammer dat er niet mocht gelachen worden op 't kantoor van +m'nheer Kopperlith? Wat Wouter aangaat, hy was ditmaal inderdaad iets +minder onnoozel dan-i scheen. Dat wereldsche hoogheid hem altyd door 't +hoofd speelde, was waar. En dat hy, eens zich verplaatsende naar Rome, +aan weinig anders dan pausen en roovers dacht, is ook waar. Toch kwam +z'n malle gissing niet hoofdzakelyk hieruit voort. Z'n onverbiddelyke +partner eischte antwoord. Dit antwoord moest den indruk uitwisschen, +dien z'n onfatsoenlyk-lage-taxatie van Flodoard's vertering gemaakt +had. Om nu zeker te zyn dat-i deze keer niet zoo héél ver beneden 't +peil zou blyven van de ontzettende hoogheid die men hem te bewonderen +gaf, wist-i niet beter dan 't voornaamste te noemen dat hem te Rome +bekend was. Het was hem zeer goed bewust dat-i mis-raadde. Maar om den +oudeheer tevreden te stellen ... och, hy vervulde z'n naastbyliggend +plichtje! En zie ... hy greep minder ver mis, dan de lezer denkt. Al +moest dan de heer Kopperlith ootmoedig erkennen dat-i nog altyd onder +z'n bankiers geen gekroond hoofd had, toch, toch ... + +--De Paus? Neen, mannetje, niet de Paus. De jongeheer Flodoard +ontvangt alle maanden honderd gulden op 't kantoor van een ... van +wien, denk je? Ik zal 't je maar zeggen: van 'n ... prins! Niet waar, +Dieper! Ja, ja, mannetje, m'nheer Dieper kan je de wissels laten +zien--want die worden op myn kantoor door m'nheer Dieper betaald, +weetje?--de wissels van prins Torlonia! Wat zeg je daarvan! Je ziet +dus wel dat de jongeheer Flodoard niet hoeft te schilderen voor z'n +brood? Hy moet volstrekt Mozes in 't Doornbosch eens zien, Pompile, +maar ... alles is nu op de zaal in de hoezen, weetje, anders bederft +het satyn van de stoelen--want er zyn stoelen met satynen zittingen +op de zaal--en 't verguldsel van de spiegels, weetje, omdat mevrouw +naar-buiten gaat, naar Groenenhuize--want zoo heet eigenlyk m'n +Buiten--en ik ook ... ik meen dat ik ook naar-buiten ga. Ben jy wel +eens buiten geweest, mannetje, zeg? + +--J...a...wel, m'nheer! + +Dit antwoord viel den gek tegen. 't Was dan ook wel 'n beetjen +onvoorzichtig van Wouter zoo plomp op de ydelheid te trappen van +iemand die duidelyk te kennen gaf dat-i het buiten-zyn voor z'n +privatief domein houden wilde. + +--Jy ... weleens ... buiten geweest? En wáár dan, mannetje? + +--Op den Singel, m'nheer, buiten de Aschpoort. + +Alweer zou hier 'n algemeen schaterend gelach zyn opgegaan, indien +er door iemand anders dan den oudeheer zelf mocht gelachen worden +op 't kantoor. Deze oefende in z'n eentje zoo goed mogelyk de +funktien van koor uit. Dieper legde z'n pen neer. Wilkens fronsde +'t voorhoofd. Pompile meesmuilde. En zelfs 't officieel gelaat van +Eugène vertrok zich byna in 'n plooi. + +--Hi, hi, hi, buiten de Aschpoort! Maar, jongen... maar, +kereltje... maar, ventje... dat is niet buiten, mannetje! Gut, Pompile, +wat toch zulke burgerlyke menschen rare ideën hebben! + +--O ja, papa! + +Weer verkneuterde zich de oude dwaas van pleizier over Wouter's +domheid, en de knoop van z'n jasje moest het ontgelden. + +--Buiten is... wat je noemt: buiten, heelemaal buiten, weetje? + +Of Wouter 't nu wist, zullen we daar-laten. Hy kromp verlegen in +elkaer. + +--O ja, m'nheer! Zeker, m'nheer! Ik wist niet wat m'nheer bedoelde... + +--Juist! Hi, hi, hi... hy wist niet wat "buiten" was. Nu, +nu, ik neem 't je niet kwalyk, wees maar gerust! Buiten-zyn +is... 's-zomers buiten-zyn, weetje? Dat is... 'n Buitenplaats +hebben, begrypje? Nu... ik heb 'n Buitenplaats... by Haarlem in +den Hout... och, Eugène, hy weet zeker niet wat "den Hout" is. Zeg, +weet je wel? + +--N...e...e...n, m'nheer! + +Wouter jokte. Hy wist zeer goed wat "den Hout" was. Dit stond immers +in z'n geografieboekje? En... Laurens Coster dan, met z'n vermoeiende +uitvinding! Welke Hollander zou "den Hout" niet kennen? Of nu onze +kleine bediende zich zoo onnoozel hield om z'n kinderachtigen patroon +den vollen triumf van z'n uitlegging te laten, weet ik niet. Misschien +zeid-i maar neen, uit verlegenheid, want de graagte waarmee men +z'n domheid van zoo-even als iets vermakelyks had aangegrepen, had +hem zéér gedaan. Hy was beschaamd alsof men hem op diefstal betrapt +had... neen, erger! + +--Ja ja, ik heb 'n Buiten in den Hout, vlak by de "Logementen"... zeg, +Pompile, hy mag van den zomer weleens komen kyken op Groenenhuize, +niet waar? + +--O ja, papa! + +--Zieje, dan kan-i op 'n zondagmorgen met de eerste schuit... + +--Vier stuivers, papa! + +--Ja, vier stuivers. En 's avends terug, dat 's acht, +niet waar? En... 'n dubbeltje voor den man die hem den weg +wyst. Anders... je hoeft maar te vragen naar 't Buiten van m'nheer +Kopperlith, in den Hout, vlak by de "Logementen" zieje, 't is dus +heel makkelyk te vinden. En je hoeft maar te zeggen: 't Buiten van +m'nheer Kopperlith, want... zieje, mannetje, van den zomer mag jy +heel goed eens buiten komen... omdat ikzelf 'n eigen Buiten heb, +weetje, 'n wezenlyk Buiten... dà t zal je zien. 't Is vlak by de +"Logementen"... in den Hout, weetje? In den Haarlemmer Hout! Hi, hi, +hi, by de Aschpoort! Eugène, help me-n-onthouden dat ik die aan mama +vertel, van middag aan tafel, weetje! + +Na nog eenige praatjes van gelyken aard, verloste eindelyk de oudeheer +'t kantoor van z'n tegenwoordigheid. Wouter leed meer dan iemand gissen +kon, en wanneer hem op dit oogenblik de keus gegeven was tusschen 't +bestormen van 'n turksche vesting, of 't òpzien... hy had het eerste +gekozen. Schaamte is altyd pynlyk, maar de valsche! En dan op een +zoo onbekend terrein! Nooit, nooit, nooit had hy kunnen gissen dat de +"handel" zoo'n moeilyke zaak was. + + + + + + + + Vita longa, ars brevis. Plebejervreugd over "gekochte + kost." Dekadentie van Herkulanum en Pompeji. Wouter's verdriet + over z'n snel begrip. Parafraze van Gerrit op Talleyrand's "pas + de zèle!" + + +Toen Wouter eindelyk met z'n afschriften gereed was, begon Wilkens +hem toetespreken op 'n toon en in bewoordingen die niet volstrekt +misplaatst zouden geweest zyn by 'n inwyding in de Eleuzinische +geheimenissen, en den adept dan ook niet weinig angstig maakten. De +mysterie kwam evenwel ditmaal neder op iets wat geen byzondere +illuminatie van den geest vereischte of te-weeg bracht. Wouter +kreeg 'n groot aantal gekleurde katoenen lappen, die hy netjes +moest afknippen naar 'n opgegeven maat en daarna op karton plakken, +'n bezigheid waarvan-i zich beter kweet dan m'nheer Wilkens erkennen +wilde. De man was niet gewoon iets goedtekeuren dat niet de eer had +uitgegaan te zyn van hemzelf. + +--En, Wilkens, nu moest je-n-eens zoo goed zyn hem in den kelder +te brengen, zei Pompile, die nogeens onder vier oogen by Dieper wou +aandringen op 't klagen over Gerrit's hardnekkig-styve rhumatiek. + +Wouter werd weggeleid naar de onderzeesche bewaarplaats van allerlei +heerlyke zaken. Hier kreeg-i de stapeltjes lynwaad van-naby tezien, +waarvan hy reeds de voorsten had waargenomen toen hy dien ochtend zoo +geduldig stond te wachten buiten de glasdeur. Wilkens onderrichtte +hem met 'n pedanterie die moeielyk te beschryven is, omdat gelaat, +houding, stembuiging, jazelfs 't heen-en-weer schuiven van z'n bril, +daarby zóó groote rol speelden dat Wouter zich alweer zeer bezwaard +voelde onder 't gewicht van den nieuwen kursus. + +--Dit is... de kelder. Doch ik zou je maar raden Magazyn te +zeggen, want 'n jong-mensch moet altyd... bescheiden zyn in z'n +uitdrukkingen. Voor jonge-lieden is bescheidenheid 'n hoofdzaak, +en dus... magazyn! + +--Magazyn, stamelde Wouter. + +--Juist! Ma...ga...zyn! Zóó is het! Alle deze goederen +zyn... koopmansgoederen, en alles ligt--gelyk je ziet--op plankjes. Dit +doe ik aldus... om de vochtigheid, want... de vloer is vochtig. Let +daar wel op, en geef acht dat je nooit 'n stuk op den vloer +legt... nooit ofte nimmer! + +--Dat zal ik nooit doen, m'nheer! + +--Zeer wel! Maar de goederen die op deze tafels liggen... leg ik niet +op plankjes, gelyk je ziet. Want... ze liggen op tafels. Dit begryp +je-n-immers wel? + +--O ja, m'nheer! + +--Juist! Al deze goederen ontvang ik uit Engeland, namelyk uit +Manchester. Kan je dit onthouden? + +--Uit Manchester, in... Engeland, m'nheer! + +--Precies! Ze zyn els-breedte, en meten acht-en-twintig yards. Nu +moet je weten hoe lang een yard is. Onthoud dit wel: drie yards zyn +vier ellen. Onthoud dit goed! Indien je een behoorlyk zakboekje hadt, +zou je 't kunnen opschryven. Een jong-mensch moet altyd trachten iets +te leeren. Drie yards maken vier ellen, dit moet je goed onthouden. + +Wouter knikte zoo hard hy kon dat-i altyd z'n best zou doen alles +goed te onthouden. Het diepzinnig onderricht werd voortgezet. + +--De vyf-kwarts katoenen, anders gezegd: de katoenen van vyf-kwart-el +breed, voor-zoo-ver ik die laat komen uit Manchester, zyn slechts +vier-en-twintig yards lang. Dit maakt dus 'n verschil. En de +zwitsersche katoenen, die ik laat komen uit Mühlhausen in den Elsas... + +Hier had-i byna gezegd "een groot land, waarvan myn schoonzoon konsul +is." Maar hy bedacht zich: + +...in den Elsas alzoo. Nu--let wel op!--die stukken hebben geen vaste +maat. De maat staat er op, gelyk je ziet, niet waar? Zoo'n papiertje +draagt de benaming van: etiket... e...ti...ket! Onthoud dit wel! En +het cyfer dat daarop genoteerd staat, beteekent wat men noemt: +aunes. De lengte van het stuk in... aunes. Kan je dit onthouden? + +--Aunes, m'nheer! + +--Zeer wel! Aunes of fransche ellen, want... 'n fransche el noemt +men: aune. Elf van die aunes maken zestien ellen. Ook dit moet je +trachten te onthouden. Wie zich bekwaam wil maken voor den handel, +moet... alles onthouden. Je begrypt dit toch wel? + +--Ja, m'nheer! + +--Anders moet je 't opschrijven. En hier in den hoek hangen eenige +vegers... je ziet ze wel? + +--Ja! m'nheer! + +--Daarmee... veeg je. Je veegt er de goederen mee... als er stof op +ligt. Er is hier in den kelder--zeg jy maar altyd magazyn--altyd iets +te doen, vooral voor 'n jong mensch die wat leeren moet. Zie... zóó +veeg je! + +En de leeraar streek met 'n stoffer 'n paar maal over 'n stapeltje om +Wouter goed te toonen hoe die bezigheid behoorde verricht te worden. Ik +kan verzekeren dat de les terstond begrepen werd, en dat de leerling +nu op-eens "den handel" weer wat minder moeielyk begon te vinden. + +--Dan moet je-n-altyd zorgen dat de stukken behoorlyk recht op elkaar +gestapeld liggen... ziehier, de ruggen in één lyn, en ook de zyden +aan den lichtkant gelyk, want... soms zyn ze niet precies van dezelfde +breedte, zieje. Daarop moet je dus wel letten, want 'n jong-mensch... + +--Ja, m'nheer! + +--En nooit 'n stuk kreukelen... + +--Neen, m'nheer! + +--Of in 'n verkeerden plooi leggen... + +--Neen, m'nheer! + +--Nu zullen wy eens naar de zolders gaan. Want... ook daar is altyd +wat te doen voor 'n jong-mensch. + +Wilkens geleidde nu Wouter naar de hoogere verdiepingen van 't huis +waar-i hem met gelyksoortige lessen besproeide. De daar opgestapelde +koopwaren bestonden gedeeltelyk in goederen die zich door de mode +hadden laten voorbystreven, gedeeltelyk in diemet en shirting, +waarin Wilkens "zoo byzonder knap" was. Hy weigerde evenwel iets van +z'n uitstekende bekwaamheid in dit "vak" aan Wouter overtedoen. Dit +kon, zeide hy, zoo niet te-hooi en te-gras geschieden in 'n paar uur +sprekens. Dat het hem op z'n zestigste jaar nu gelukt was eenigszins +op de ware hoogte van de zaak te komen, moest men als 'n zeer byzonder +geval beschouwen. Hy had van der jeugd af "aanleg gehad voor witte +goederen", maar dat gebeurt niet alle dagen. Gewone menschen brachten +'t nooit zoo ver. + +Wouter hoorde deze mededeelingen met betamelyken eerbied aan, en zou +er nog meer van genoten hebben als-i niet zoo'n honger gehad had. Toch +maakte hy met groote belangstelling kennis met het windas. Dà t was +alzoo de mekaniek die Flip de kruier--en de jongeheer Pompile... met +heel veel kussens--wilde toepassen op de verhuizing van de dikke +mevrouw uit de zykamer! Vanwaar toch dat deze eenvoudige toestel die +door 't straalverschil van twee assen overbodige snelheid omzet in +vereischte kracht, hem aanlokkelyker voorkwam dan al die stapeltjes +katoen en die vegers? Hy zag terstond in, hoe sterk de hand werd die +het touw hield waarmee men 't groote rad in beweging bracht, en dat +de last die slechts invloed had op de dunne spil... waarachtig, men +zou lust krygen met zoo'n ding de dikste mevrouw van de wereld het +venster uittehyschen. Hy hoopte dat-i zoo'n exercitie beleven zou, en +vooral dat men hem vergunnen mocht meetedoen. Wel zou zoo'n prouesse +zonderling afsteken by de dozynen schakingen en venster-evakuaties +waarvan hy ooit gelezen had, maar... + +--En met de kisten die dáár staan, hebje je niet te bemoeien, zei +Wilkens. Dat zyn oude papieren die je niet aangaan... volstrekt +niet! 'n Jong-mensch moet zich nooit bemoeien met iets dat hem niet +aangaat. Leer dit van my. En nu zullen wy de zolders sluiten. Ziehier, +op dezen sleutel... één keep. Dit beteekent: eerste zolder. Op dezen +sleutel zyn twéé keepen, hetwelk tweede zolder beduidt. Eén keep: +eerste zolder, twee keepen: tweede zolder... onthoud dit wel! + +--Ja, m'nheer! + +--En nu zal ik je de zaal toonen. Gedurende den winter gebruiken wy +die zaal niet. Maar des zomers, als de familie naar-buiten is, dan +gebruiken wy de zaal, en wel voornamelyk voor de nieuw-aangekomen +goederen van 't voorjaar. Tracht dit te onthouden. + +--Ja, m'nheer! + +De fameuze "zaal" werd nu voor Wouter's blikken ontsloten. Het was +een niet zeer groote kamer die er met al haar "hoezen" uitzag als +'n blindeman of 'n hospitaalgast. Zelfs 't vloertapyt was tegen +onbescheiden blikken en ruwe zolen beschermd door 'n grof-linnen +kleed. En ook van Mozes by 't Doornbosch was niets te zien dan 'n bleek +vierkant skelet. Wouter beging de vermetelheid er naar te vragen ... + +--Dà t zyn nu eigenlyk je zaken niet! We zyn hier niet om schilderyen +te zien maar om te werken! 'n Jong-mensch moet zich door niets laten +aftrekken van z'n werk! Leer dit van my. + +--Ja, m'nheer! + +--Je ziet wel dat ook hier alles op plankjes ligt? Zoodra er nu op +'t kantoor, of in den kelder, of op de zolders niets voor je te +doen is--want 'n jong-mensch moet nooit ledig zyn!--dan ... veeg je +hier 't stof van de stapeltjes, en je legt alles behoorlyk te-recht +... alles altyd op z'n eigen plaats, begrypje? En kom nu weer mee naar +'t kantoor. Ik zal eens met m'nheer spreken over de uren van je gaan +en komen, want ik ben zeer op orde gesteld, en jonge-menschen moeten +zich daaraan wennen. + +Er werd bepaald dat de nieuwe jongste-bediende "zoo tegen drieën +eventjes naar huis zou gaan om te eten." En zie--goddank!--'t wàs +byna drie uur, want Dieper sloot z'n boeken, en trok z'n jas aan +"voor de beurs." + +Nooit richtte Wouter met zooveel genoegen z'n schreden huiswaarts, 't +Scheen er op toegelegd hem te doen beseffen dat er kringen bestonden +waar even nietige denkbeelden heerschten als in den zynen. Moest-i +genezen worden van den waan dat geen levensopvatting die van zyn +familie kon te-boven gaan in dorheid? Met zeker genoegen zag-i +z'n moeder en zusters weer, en vooral Leentje die hy met nog meer +uitvoerigheid dan de anderen, deelgenoot maakte van alles wat-i +ervaren had. Ze vond het zeer belangryk. Ook de overige leden van +'t huisgezin namen begeerig deel aan de byzonderheden uit 'n wereld +die hun zoo nieuw was. Niets evenwel trof juffrouw Pieterse zóó, +als de moeielykheid van 't binnen-komen. Ze vond daarin iets plechtigs. + +--Zieje wel, dat's wat à nders dan by zoo'n slechten kerel op den +Zeedyk, waar ieder maar uit- en inliep! Deze menschen zullen niet +op-eens naar Amerika gaan met 'n andermans geld! En ... 'n zaal, +zegje? En ... 'n Buiten? En ... eigen rytuig? Ga jy nu eens naar de +komeny, Leentje, en zeg dat de jongeheer ... neen, praten hoeft niet, +maar 't is toch 'n heel ding voor Wouter, nu by menschen te zyn die +'n zaal in hun huis hebben, en 'n buitenplaats, en eigen rytuig! Als +je nu goed oppast, Wouter ... jongen, je kost is gekocht! Wat zeg +jy, Stoffel? + +--Ja, moeder. + +--Want ... weetje wat ik zeg? Ik zeg: 'n mensch is sterfelyk. En die +oude heeren ... voor hoe oud zag je ze wel aan, Wouter? + +--Moeder, die boekhouder was wel ... zestig. En m'nheer Wilkens +ook zoowat. + +--Zieje! Ik zeg dat 'n mensch sterfelyk is. En daarom ... niet dat +ik naar iemands dood verlang, gut né, maar ... als iemand zóó oud is +... wat zeg jy Stoffel? + +--Zeker, moeder. + +--Als zoo'n boekhouder nu eens ... sterft--want alle menschen zyn +sterfelyk, niet waar?--dan zou Wouter best ... denk eens, Trui? + +--Ja, moeder, waarom niet? + +--En die m'nheer Willekes ook. Waarom zou Wouter geen boekhouder +kunnen worden, of ... m'nheer Willekes? + +--Né, moeder. Uwe meent ... + +--Nu ja, wie kan altyd zoo op z'n woorden letten! Ik meen maar +dat z'n kost gekocht is. Wat kan 'n mensch meer verlangen? En dat +zakboekje ... gut, ik heb er graag alles voor over. Kyk jy maar eens +onder je bedstee, Stoffel, daar staat 'n mand met ouwe prullen, en +je zult er zeker nog wel de brieventasch vinden van je vader. 't +Wurm kan er alles in opschryven wat-i onthouden moet, en ... z'n +kost is gekocht ... dà t wil ik maar zeggen! Je mag nu wel 'ns gauw +naar m'nheer Calb gaan om hem te bedanken, Wouter! Want hy is de man +die je gerekommandeerd heeft. Hoe zou je 't vinden, als je-n-eens +'n vers maakte op z'n verjaardag? + +Dit voorstel werd door Stoffel afgekeurd. Hy bracht z'n moeder onder +'t oog dat m'nheer Calb waarschynlyk, als "man van zaken" 'n hekel +aan verzen hebben zou, en dat 'n stoffelyk bewys van erkentelykheid +... 'n anker wyn, of 'n vaatje boter ... + +--Wel zeker, juist wat ik altyd zeg. Denk er aan, Wouter, dat je +m'nheer Calb 'n vaatje boter zendt, of 'n anker wyn ... + +--Gut, moeder! + +--Nu ja, als je ... boekhouder bent, meen ik. Want ... alle menschen +zyn sterfelyk, en als die m'nheer Dieper zoo klaagt over zinkings +... jongen, je kost is gekocht! + +Door deze en dergelyke zottepraat liet zich alweer Wouter's week gemoed +biologeeren tot ingenomenheid met z'n nieuwen werkkring. De niet zeer +aangename indrukken die hyzelf had opgevangen--zonder ze evenwel te +durven verheffen tot meening--werden uitgewischt of overpleisterd door +'t waarnemen van de belangstelling zyner verwanten. Hy voelde dat +er iets van den eerbied dien men z'n "patronen" toedroeg afstraalde +op hemzelf, en dit liet-i zich zonder protest aanleunen. Z'n moeder +vroeg hem uitdrukkelyk of-i de saus naast of over z'n aardappelen +hebben wou, want: + +--Denk eens, Trui, ze hebben 'n zaal in-huis! En jy, Wouter, eet nu +wat dóór, en ga 'r gauw weer heen. Je moet nu ook van jouw kant toonen +dat wy óók by-de-handte menschen zyn, wat zeg jy, Stoffel? Gut ... 'n +eigen Buiten! + +Wouter deed wat-i kon om zich aan doorschynende aardappels en yver +te verslikken. 't Sloeg ter-nauwer-nood halfvier, toen-i zich alweer +'n weg baande door de stokvischbeukery en langs de olievaten, en 'n +oogenblik daarna stond-i hygend en dienstbereid op 't kantoor. Buiten +den ons reeds bekenden stank en de naakte Merkuriussen, vond hy +daar niemand ... ja toch, daar hingen de zoldersleutels! Eén +keep: éérste zolder, twee keepen: twééde zolder! Hy schreef deze +kenmerkende byzonderheden op in de vaderlyke portefeuille die inderdaad +onder Stoffel's bed opgedolven, en meegegeven was met de dringende +aanbeveling tot vlytig gebruik. Ook maakte hy dat eerwaardig zakboek +tot vertrouwde van de andere studiën waaraan hy dien dag een zoo groot +gedeelte van z'n onsterfelyke ziel besteed had. Mochten misschien +eenmaal de lagen stof en asch waaronder de Pietersburg begraven +ligt, worden weggeruimd, dan zal de onderzoekende nazaat nog altyd +kunnen te weten komen hoe lang in Wouter's eeuw 'n stuk engelsch +katoen van acht-en-twintig yards was. En waar de Pleiers woonden, +en de Kruckers en de Hockers, en de juffrouw die borduurpatroontjes +verkocht. En hoe 't Buiten heette van m'nheer Kopperlith. En aan +welk soort van vensterglas men de woning van den jongeheer Pompile +herkennen kon. Waarlyk, men zou lust krygen z'n eigen achterkleinzoon +te wezen, om tegenwoordig te zyn by 't opgraven van al die historische +byzonderheden. Moet de lezer niet erkennen dat reeds hierom alleen de +annalen van Wouter's ontwikkelingsgeschiedenis alle andere jaarboeken +in belangrykheid te-boven gaan? Wortelen ze niet--als de magazyn-kelder +en 't karakter van de firma Ouwetyd & Kopperlith--tot ver beneden de +riolen? Zullen ze niet eenmaal met hun gebladert van zóóveel vellen +druks den schedel belommeren van den laatsten sterveling die over +'n eeuw of wat onfatsoenlyk genoeg wezen zal om nog hollandsch te +verstaan? O, zeker, ik hoor in m'n verbeelding reeds 't verdrietig +geroep van Pompeji en Herculanum: berg, val weer op ons, herbesluier +onze aangezichten met schaamtedekkende lava ... we bezitten niets +... niets ... niets dat waard is het daglicht te aanschouwen na de +heuchelyke verryzenis van Wouter's agenda! + +Zóó zal 't wezen! Maar even als de romeinsche bakker wiens achtvakkige +broodjes thans zoo'n eervolle plaats innemen in 't muzeum te Napels, +niet weten kon dat z'n bollen een zoo schitterende karrière maken +zouden, was ook Wouter onbewust van 't belang der byzonderheden die hy +in z'n zakboek noteerde. Hy volbracht de hem opgedragen plicht met z'n +gewone konscientie, maar hoe onmeetbaar groot ook het aantal was van de +wetenswaardigheden waarmee men zoo edelmoedig z'n geest verrykt had, +er kwam toch 'n eind aan z'n opschryven. Hy begon zich te vervelen, +en leed onder zekere verdrietige verwondering over de leegte van z'n +gemoed. De romantiek was--niet voor altoos, waarschynlyk--uitgeput, +geknot, bedorven. Z'n worsteling tegen afdwalen begon vrucht te dragen, +en de inspanning om zich met niets te bemoeien dan wat allernaast +voor-de-hand lag, werd te pynlyker omdat hy met de hem ingegeven +nietigheden z'n ziel niet voeden kon. Hy was als iemand dien men +'t ongezond gebruik van snoepery verbiedt, en in-plaats daarvan op +zaagsel en zand onthaalt, of ... op niets. Tien, twaalfmaal las-i +de opgeschreven zaken over, en vond zich in-staat 'n prachtig examen +afteleggen in alles wat hem dien dag geleerd was. Maar juist hierom +vreesde hy dat hem iets mocht ontgaan zyn, want ... want ... hy voelde +zich door den last zyner nieuwe wetenschap niet bezwaard genoeg naar +z'n zin. Ze moest zwaarder drukken, meende hy, en daar dit toch maar +niet het geval worden wilde, lag de schuld zeker weer aan hem! Ook z'n +moeder zei altyd dat er nooit iets van hem komen zou ... óók! Want +hyzelf begon weer--en voor 't eerst niet!--'n dergelyke meening te +koesteren, als 't koesteren heeten mag, dat smartelyk wroeten in eigen +borst! Die m'nheer Wilkens was 'n dóórkundig man met grys haar en +'n bril en over de veertig jaren kantoordienst. Wat die man hem zoo +majestueus verkondigde, moest wel belangryk wezen, en de moeite van +zware inspanning waard. Maar hy, botterik, bleef maar altyd niet +begrypen waarop-i z'n inspanning moest toepassen? De pogingen om +de moeilykheden van z'n nieuwe pozitie te overwinnen, ketsten af +op de onwetendheid waarin toch die moeieiykheden bestonden? Had-i +misschien, om niet al te ver beneden z'n plicht te staan, terstond +moeten weten hoeveel fabrieken en inwoners er waren in Manchester? Och, +als m'nheer Wilkens hem dit maar had gelieven te vragen! Dan zoud-i +z'n onwetendheid ... niet geloochend hebben, o neen ... maar tevens +beloofd morgen bekwamer te zullen zyn. Dan had-i geweten wat er +vandaag aan hem gehaperd had, en hy kon zich beteren! + +Men ziet dat de oorzaken van Wouter's verdriet van ongewonen aard +waren. Misschien ook ligt de ongewoonheid slechts in myn poging +om ze te verklaren, want omstandigheden als waarin hy verkeerde, +moeten wel eens meer voorkomen. By elke gelegenheid namelyk, waar +naïve hoogmoed samenvalt met even naïve nederigheid. En dit was hier +'t geval. Wouter voelde aandrang tot het allerhoogste, en zou weldra +geklaagd hebben dat er niet iets moeielykers te bereiken was dan +dat. Maar tevens meende hy dat ieder boven hem stond, en dat hy 't +nooit zoo ver zou brengen als de laagste. Op buitengewone inspanning +was-i dus voorbereid. Al de moeite die hy zich ooit had getroost +om meester Pennewip--en z'n dame!--te voldoen, zou kinderspel wezen +by de taak om 'n bruikbaar jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & +Kopperlith te worden. Hiertoe dus had-i zich--vooral na de vermaningen +van dien goeden dokter Holsma--met byzonderen yver aangegord. Geen +"som" uit z'n Strabbe, meende hy, vereischte zóóveel scherpte van +oordeel, zóóveel nauwgezetheid, zóóveel geheugen, als er zou te-pas +komen in dien nieuwen werkkring. En zie, den eersten dag den besten +reeds, vatte hy alles wat men hem zei met 'n gemakkelykheid die +hem angstig maakte. Daar moest méér achter zitten! Men wordt geen +Ouwetyd & Kopperlith of jongeheer Pompile--noch zelfs 'n behoorlyke +m'nheer Wilkens!--zonder à ndere draken verslagen te hebben dan +men onzen kleinen St. Joris te bestryden gaf! Eén keep ... twéé +keepen ... zeker, begrypen is genot--en dit was vooral in Wouter het +geval--maar juist hierom wantrouwde hy 't genot dat hem ditmaal wat al +te gemakkelyk gemaakt was. De gedachte dat z'n leermeesters met hun +gryze haren, brillen, Buiten's en eigen rytuig, beneden hem stonden, +kwam niet in hem op. Het was hem als iemand wien men te raden geeft: +"wat 'n stokjen is, aan de uiteinden bestreken met zwavel" en die +vreest 'n domheid te zeggen door zoo'n ding te verklaren voor 'n +zwavelstokje. De hem aanbevolen plicht om zich steeds te bemoeien +met het naastbyliggende, was hem op 't hart gedrukt met ernst, en als +iets belangryks ... waarin--dit zeg ik er by--Holsma volkomen gelyk +had! Deze plicht moest dus moeilyk te vervullen zyn, meende Wouter, +doch slechts ten-deele was dit juist gezien. Moeielyk zou ze hèm +vallen, omdat-i de neiging had wat vèr en wat hoog te staren, maar +op-zichzelf beschouwd zou ze byna doorgaans uit 'n aaneenschakeling +van nietigheden bestaan. En juist dit bracht hem in de war. Zonder +de nederigheid die hem eigen was, zoud-i--na 'n oefening van zeer +weinig weken alles geleerd hebben wat er op dat kantoor te leeren +viel--zeer spoedig z'n hoogwyze patroon met hun lappenkraam hebben +geminacht. En zonder z'n hoogmoed ware hy volkomen tevreden geweest +met hun goedkeuring zyner vorderingen in 't vlytig bestudeeren van +niemendal. Wat Oxenstiern aan z'n zoon schreef over de onbeduidendheid +der hefboompjes waarmee de wereld geregeerd wordt, is van volle +toepassing op 'n tal van andere zaken, en niet het minst op kringen +als waarin thans onze Wouter was aangeland. Toch zou men verkeerd +doen 't wanstaltig huwelyk zyner ziel met 'n omgeving van zóó laag +standpunt, in alle opzichten te betreuren. Juist zùlke aanrakingen, +en niet boekerige heldenfeiten, leveren de ware vuurproef. De tyd +moest komen dat Wouter zeggen kon ... niet: "ik ben niets, want ik werd +gesmoord in den lappenwinkel van de heeren Ouwetyd & Kopperlith!" maar: +"zie, hoe ook bedolven onder de modder van misdadige gewoonheid ... ik +bleef myzelf, en heb me tot iets weten te maken." Ik behoef hier +immers niet bytevoegen dat dit de ellendelingen niet verschoont, die +'t kind aan deze vuurproef onderwierpen? 't Was hùn doel waarachtig +niet, onzen Wouter tot mensch te maken! + + + +Hy verveelde zich, en voelde verdrietige verwondering over de leegte +van z'n gemoed. Naastbyliggende plicht doen? Als-i eens naar den +zolder ging--twee keepen: den twééden!--om te vegen, en op z'n gemak +dat belangwekkende windas te bekyken? + +Zóó gedacht, zoo gedaan! Hy was recht grootsch dat-i den weg +naar-boven wist, en toen hy op de trap de meid ontmoette, die hem +zoo onheusch-officieel had afgewezen aan de boven-voordeur, gunde +hy zich de weelde van eenig gerammel met de sleutels, niet zonder +'n zegevierend blikje dat zeker zeggen wilde: je ziet, ik bèn er, +en wel in dienst! + +Zoo'n windas is 'n aardig ding. Er zitten gedachten in, en Wouter +wist ze 'r uittehalen. + +--Die dikke mevrouw is zeker tweehonderd pond zwaar ... de fauteuil, +twintig ... de kussens ... hm ... stellen wy voor alles en alles +... tweehonderd-vyftig pond. Ik weeg maar tachtig, denk ik. Als dus +die dikke mevrouw en ik tegenover elkaar hingen aan 'n gewonen takel, +zou ze my 't zoldervenster uithyschen, in-plaats van ik háár uit die +zykamer. Maar als ik háár gewicht oprol om die dunne spil, en ikzelf +wentel dat groote rad ... + +Hy hoorde sloffen op de trap. 't Was Gerrit, die eens kyken kwam wie +er naar den zolder gegaan was. + +--Ah zoo! Ben jy 't Pieterse. En wat doe je daar? + +--Ik ... veeg, zei Wouter. + +--Zoo? Nou, als je zóó yverig blyft, zal je gauw slyten, jongen! + +--Maar m'nheer Wilkens heeft gezegd ... + +--Wullekes is 'n gek. Maar ... wil je vegen, goed! Veeg maar! En wat +veeg je-n-al zoo? + +--De stof van de stapeltjes ... + +--Daar ligt geen stof op! En al lag er stof op, wat doet dat er toe? En +al deed het er wat toe, wat helpt het of je die van den eenen stapel +op den anderen veegt, hè? Je doet monnikenwerk, wat ik je zeg! + +--Gut! + +--Ja, monnikenwerk! Je moet niet alles zoo letterlyk opnemen wat +die Wullekes je zegt. Hy schiet met ... varkensvleesch, weetje? + +--Hè! + +--Dà t doet-i! Ik dacht het wel dat je zou luisteren naar dien +windmaker, en toen ik iemand naar-boven hoorde gaan met de +sleutels--want ik zat in de keuken, omdat ik styf van rimmetiek +ben--toen begreep ik dat jy 't was. Want er kon niemand anders op 't +kantoor wezen. Die Wullekes heeft je zeker niet gezegd dat we-n-in +den komkommertyd zyn, en dat je zoo'n haast niet hoefde te maken +met terugkomen? Hyzelf komt eerst zoo tegen zessen even kyken, en +nu hy weet dat er iemand is om de boodschappen aantenemen, zal-i nog +later komen, of misschien in 't geheel niet. En de jongeheeren zyn uit +... om 't mooie weer, weetje? Je moet de zaak niet zoo zwaar opnemen, +jongetje! Dan ga je-n-er onder door! Je neemt me-n-ommers niet kwalyk? + +--Gut neen! Maar ik wou zoo gaarne ... m'n plicht doen, m'n +naastbyliggende plicht, weetje? + +--Dáár heb ik nu zoo, wil ik maar 'ns zeggen, geen verstand van. Ik +zeg maar dat het schande-n-is dat ze-n-'n jong borssie als jy zoo'n +heelen dag op dat muffe kantoor laten zitten. Ik zeg ... 't is wind en +'n engelsche notting! + +--Hè, Gerrit, ik ben den halven ochtend op-straat geweest! + +--Ja, ik hoor dat je veel boodschappen hebt gedaan voor den jongeheer +Pompile. Nou, dat pleizier kan je dikwyls hebben! Hebben ze je-n-al +gezegd dat je naar de post moet, alle morgens, om den briefbesteller +optewachten? Dat 's 'n baantje voor jou, je zult het zien! 't +Zal je stuivers kosten voor 'n borrel! Want als je dà t niet doet, +kryg je de brieven niet. Ze zyn te gierig om droddebot te betalen +... vyf-en-twintig gulden in 'n heel jaar. Daarvoor kan jy dan staan +blauwbekken in de kou ... als 't winter is, meen ik. Zeg eens, heeft +Dieper je-n-al gesproken over inkasseeren? Want ... als ik styf van +rimmetiek ben, komt dat voor je rekening. En ... als je niet handig +bent met geld, kan dat baantje je veel kosten. Je begrypt wel ... wat +er te-kort komt, leg je-n-er by. Ja, ja, je moet niet denken dat je +hier voor je pleizier bent! Ik heb hier al prinsjesdagen beleefd in +alle saizoenen van 't heele goddelyke jaar, en daarom ... nu ben ik +styf van 't rimmetiek. 't Kan je-n ook gebeuren. Zoodat ik maar zeggen +wil dat je-n-in de komkommerdagen niet zoo yverig hoeft te wezen. Je +bent immers ook maar 'n loontrekkend dienaar, net als ik, niet waar, +en zult dus ook niet graag meer doen dan noodig is? Geen mensen die +er je voor dankt, jongen, en wie z'n eigen doodwerkt, wordt onder +de galg begraven. Komaan, laat dat vegen nu maar blyven. O, als je +alles doen zou wat die Wullekes je zegt ... nou! + +Als ys viel deze zonderlinge Gerritsche filosofie onzen Wouter op +'t gemoed. Beschaamd sloot-i den zolder, en begaf zich naar beneden +met Gerrit, die hem verzocht niet te verklappen dat-i op den bovensten +zolder geweest was. Want, zeid-i: + +--Dan sturen ze m'n op boodschappen uit. En daar ik styf van rimmetiek +ben ... kyk, m'n duim is er krom van, en dus ... loopen kan ik niet, +dat zieje wel! + +Op 't kantoor gekomen, sloeg de knecht 'n klein register op, waarin +de vervaldagen van wissels en acceptatien genoteerd stonden. + +--Zieje, juist wat ik dacht! Morgen is er 'n smerig papiertjen in +den Jodenhoek. Nu, dáár zal je pleizier van hebben! Die smous zal +wel gauw merken dat je-n-'n onnoozel bloedje bent, want ... je +ziet er naar uit. Als je-n-er beneden den daalder afkomt, mag je +van geluk spreken. Daar komt waarachtig Wullekes al ... zeker heeft +z'n vrouw hem de deur uitgejaagd, maar zy is even mal als hy, met 'r +prinsessen. Ze heeft 'reis in den Haag 'n prinses gezien, en daarvan +praat ze-n-altyd. Allemaal wind en 'n engelsche notting. Die Wullekes +... hoor eens, als-i naar me vraagt ... zeg maar dat je niks van me +weet, en dat ik styf ben van rimmetiek, weetje, want ... ik ga na de +keuken om m'n kommetje thee te drinken, 't Zal wel koud wezen, maar +... ik moest toch 'reis even zien wie daar na 't zolder liep. Jawel, +hy is het ... dat kan ik altyd precies hooren aan 't openhalen van +de achterdeur. Hy heeft ruimte noodig voor 'n heel peloton ... ik +ben serjant geweest, weetje, by de Burgerwacht in anno zooveel! + +En Gerrit vertrok. Z'n zonderlinge toespraken hadden dit goede, +dat Wouter--zooals de lezer misschien--er niet veel van begreep, +en dus iets te denken kreeg. De vreemde opvatting van plicht, die +den ouden knecht ... iets minder van andere knechts onderscheidde dan +wenschelyk was, verraste hem. Droddebot? Wat's dà t voor 'n ding? En: +'n "smerig papiertje" dat hem 'n daalder zou kunnen kosten ... wat kon +dit zyn? Vanwaar zou die daalder komen? Waren dà t de emolumenten van +z'n nieuwe betrekking? Heel gaarne had-i m'nheer Wilkens om inlichting +gevraagd, doch sedert z'n struikelen over Mozes by 't Doornbosch durfde +Wouter dat grimmig orakel niet naderen. Bovendien, hy werd weer aan +'t plakken van gekleurde lappen op karton gezet, en dezen arbeid +legde hem Wilkens met zooveel vertoon van stichtelyken ernst op, +dat hy 't niet waagde iets anders aanteroeren. Hy plakte z'n lappen, +en zweeg en mymerde, en betreurde z'n boeken op den Zeedyk. Nog 'n +beetje maar, en Motto zou hem de gedaante vertoonen van 'n beminnelyken +beschermengel die wegzinkt in de nevelen van 't verleden, en waarnaar +de verlatenen reikhalzend maar vruchteloos de armen uitstrekt. + +Armoediger kon 't met z'n zieltje niet geschapen staan, meent men? + +Wie weet! Lieve-god, het wordt nog erger. + + + + + + + + Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke + barbier en 'n benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over + vergankelykheid. Champollion. Handel! Onverwachte verandering van + 'n geminacht briefje in wichtige dukatons. + + +Of 't veroorzaakt werd door de byzondere styfte van z'n rhumatiek, zou +ik niet durven zeggen, maar zeker is het dat Gerrit 'n eigenaardige +manier had om uitheemsche woorden onkenbaar te maken. Droddebot, +byv. beteekende: droit de boîte, hetgeen zooveel zeggen wilde als +het recht om de brieven te doen afhalen van 't postkantoor. De +briefbestellery liet in Wouter's tyd veel te wenschen over, en veel +kooplieden kozen dit middel om zich onafhankelyk te maken van den duur +en 't gewicht der konfidentien die de zeer ongevleugelde boden des +handels gewoonlyk met hun straatvrinden hadden te wisselen. In dit +alles zal nu wel verandering hebben plaats gevonden, vooral omdat de +post meermalen daags aankomt. In Wouter's tyd, en lang daarna nog, +werd de zoogenaamde "fransche, duitsche en engelsche post" slechts +twee keeren 's weeks uitgereikt. Binnenlandsche brieven niet meer +dan eenmaal daags, en wel des-morgens. Het afhalen der brieven voor +de kantoren die droit de boîte hadden, behoorde natuurlyk tot de +funktien van de "jongste-bedienden" 'n soort van loopjongetjes die in +twee opzichten zeer typelyk verschilden van leerlingen op 'n ambacht: +ze leerden niets, en waren onbezoldigd. Sommige handelshuizen wisten +'t misbruiken van zulke knapen te verheffen tot systeem, door zóóveel +allerjongste bedienden te houden dat ze daarmee het bezoldigen van +'n volwassen persoon konden uitwinnen. Zoodra zulke jongeluî begonnen +aanspraken te gronden op 't verouderen van hun doopceel, gaf men hun +den raad die ontkiemende eerzucht te doen wortelen in anderen bodem. + +Wat nu overigens dat fameuze droit de boîte aangaat, er waren ook +handelshuizen die wel gaarne hun korrespondentie iets vroeger ontvingen +dan de slakkengang der bestellers toeliet, maar toch niet genegen waren +de daarvoor vastgestelde belasting te betalen. Ze vonden een probaten +maatregel uit, hoofdzakelyk gegrond op de overweging dat de tyd van +'n onbezoldigden jongste-bediende geen geld reprezenteert. Zoo'n +kereltje moest in de nabyheid van 't postkantoor den besteller +afwachten, en hem overhalen om de voor "m'nheer" of "de heeren" +aangekomen brieven op-straat aan hem aftegeven. Dewyl nu noch het uur +van aankomst der post, noch de tot het sorteeren noodige tyd stipt +kon bepaald worden, moest hy om zeker te zyn dat de besteller hem +niet ontsnapte, altyd véél te vroeg daar wezen. Het natuurlyk gevolg +hiervan was dat zich elken ochtend 'n klubjen onrype jongeheertjes naby +'t postkantoor samenkluwde. By slecht weer was 't vereenigingspunt in +de cour der inrichting. En hier werd veel kwaads uitgebroed, want in +geen stadium, klasse of ontwikkelingsperiode vertoont zich de Mensch +leelyker dan in die van halfwassen jongeling, 'n leeftyd die door de +eene helft van ons geslacht moest kunnen overgewipt worden. Al wat +de Maatschappy oplevert, staat in rang boven hen: kinderen, meisjes, +vrouwen, mannen, grysaards, jonkers, prinsen, soldaten, sjouwerluî, +ambachtslieden ... alles, tot publieke vrouwspersonen toe. Zyzelf +zyn de eenigen die dit niet weten, en staan verbaasd als 'n wezenlyk +mensch blyk geeft van den misselyken indruk dien ze op hem maken. + +Maar wèl had het moeten bekend zyn aan de heeren Kopperlith, vader en +zoons. En misschien wisten zy 't. Maar dit belette niet dat Wouter, +toen-i den eersten avend van den belangryken handelsdag dien ik +trachtte te beschryven, verlof ontving om naar-huis te gaan, van +m'nheer Wilkens het bevel meekreeg, den volgenden morgen voor-i op +'t kantoor kwam, zich aantemelden by m'nheer Pompile "die hem zou +onderrichten in z'n verplichtingen omtrent de post." + +--Zieje wel, Stoffel, riep z'n moeder, ze hebben allerlei voor +hem te doen! Net zooals de dokter zei: 'n jong-mensch moet veel +werken. Precies wat ik altyd zeg. Veel werken is de boodschap. Zorg +nu vooral, Wouter, dat je-n-op je tyd daar bent, en laat vooral die +m'nheer ... hoe heet-i ook? + +--M'nheer Pompile, moeder. + +--Nu ja, de naam doet er niet toe. Ik meen maar dat je zorgt op je +tyd te wezen. Wat zou je-n-er van zeggen als je dat nu eens opschreef? + +--Ik zal 't wel onthouden, moeder. + +--Schryf 't liever op. Waartoe dient anders je boek? Ik heb 't je +dáárvoor gegeven, jongen! + +Met of zonder opschryven dan, reeds om zeven uur schelde Wouter aan +'t huis met spiegelglas. De meid zei dat m'nheer nog niet op was, +en vergunde hem plaats te nemen op de vloermat ... daar stond-i! Wie +myner lezers weet hoe lang 'n minuut is? Nu, dà t wist de friesche +klok die daar in de gang Wouter stond gezelschap te houden met z'n +tik ... tik, en om de zooveel tikjes 'n zwaarder tik! Dan versprong de +groote wyzer als met 'n zenuwachtig schrikje, en met saaie volharding +zette de sekondeslinger z'n eentonige reis voort: aktie, reaktie, +tik, tik ... die klok verveelde zich niet! En 't ding stond op vier +zwarthouten ballen, en hoefde niet te verwisselen van zwaartepunt of +heup. Wouter wel. Dan rustte hy links, en dan weer rechts, dat is: +hy rustte niet. Men begrypt dat z'n naast-byliggende plicht niet +toeliet tegen den wand te leunen in 't huis van z'n patroon. Z'n +enkels, knieën, heupen en ruggegraat ... + +Tik, tik, zei de klok. Ja juist, zoo-iets voelde hy in al z'n +leden. Geen Demosthenes kon 't juister uitdrukken. + +Er werd gescheld. Met z'n gewone zucht om te helpen opende Wouter de +deur. De meid die niet zeer spoedig en zonder haast kwam aansloffen, +bedankte hem in 't minst niet. Wouter mocht getuige zyn van haar +verzekering dat ze geen schuurzand noodig had--want het was 'n +trafikant in dit handelsartikel, die zich aanmeldde--en dit verschafte +hem wat afleiding. Hy hoopte dat men nògeens schellen zou. + +Waarlyk, dit geschiedde, en zelfs nog geen vol kwartier daarna. Een +melkboer! Deze verhaalde iets aan de meid over 't weer, en Sientje was +van zyn gevoelen, maar zei er by dat mevrouw niet tevreden was over +z'n melk, waarop de man iets antwoordde. 't Onderhoud was ... zeer +onderhoudend, maar voor Wouter wat kort. Tik, tik, zei de klok weer. + +Nog andere menschenvrienden kwamen by lange tusschenpoozen de +welsprekendheid van die klok afbreken, en Wouter had ze wel willen +kussen. Heel eindelyk schelde de barbier. Ook deze werd uitgenoodigd +te wachten tot "m'nheer òp zou zyn." + +--Dat doe-n-ik niet, zei de man. Ik kan al m'n andere klanten niet +laten wachten op één van 'n stooter in de week! + +En hy ging. Wat 'n brutale barbier! Zeker, 't was afkeurenswaardig, +'t Was ruw, ongemanierd ... o ja! Maar toch betrapte zich Wouter op +de verzuchting: + +--Och, misschien zou 't beter voor me zyn, barbier te worden dan in +den handel te blyven. + +De ondankbare! Juist immers toen hy zich aan dezen wreveligen indruk +overgaf, vernam-i schreden van iemand die in 't achtereind van de gang +de trap scheen aftekomen. De Heer was naby, of ... de jongeheer Pompile +toch. Hy vertoonde zich in z'n kamerjapon, en werd Wouter gewaar. + +--Ah ... zoo? Ja, juist! Je bent daar? Heel goed! Wilkens heeft je +zeker gezegd ... heel goed, heel goed! Weet je wat je doet? Je moet +zoo goed wezen ... even te wachten. + +M'nheer Pompile verdween in de suite, en de klok was weer aan 't woord. + +Had Wouter maar niet zoo'n pyn in z'n lenden gehad, hy zou wel +in-staat geweest zyn, gedachten te borduren op 't kanevas van dat +eentonig geluid. Maar stoffelyke aandoening belemmerde hem in 't +aan-eenknoopen van z'n indrukken. Hy voelde zich suf en machteloos, +'t Was om neertevallen. + +Na slechts drie-kwartier kwam m'nheer Pompile weer tevoorschyn uit +de suite, waar-i ontbeten had. In 't voorbygaan droeg hy Wouter op, +de goedheid te hebben even te wachten omdat-i zich nu ging kleeden +... tik, tik! + +Alweer 'n afleiding. De meid scheen in de suite geroepen, want ze kwam +haastig aanloopen, en opende de deur van dat vertrek. Wouter mocht +vernemen hoe mevrouw haar meedeelde dat er vandaag 'n kanarievogeltje +zou gebracht worden, en: + +--Als 't komt, Sientje, breng 't vooral terstond binnen! + +Dit beloofde de meid. Wat moest nu Wouter bepeinzen? De +onafhankelijkheid van dien barbier had hem verlokt tot 'n rudiment van +weerspannigheid. Vorderde nu de konsekwentie dat-i verviel in dolle +yverzucht op dat bevoorrecht vogeltje? Misschien wel. Zuinigheid +op z'n aandoeningen zou misplaatst geweest zyn, al ware het hierom +alleen wyl ze van alles wat-i hier te zien en te aanschouwen kreeg, +het duurzaamst blyken zouden. M'nheer Pompile is ter-zyner-tyd zoo +goed moeten wezen te sterven. Ook zoo'n kanarievogel leeft maar kort, +en laat geen andere leegte na dan twee duim kubiek in z'n kooitje. Het +beestje had lang uitgetjilpt voor Wouter de lessen van onafhankelykheid +leerde ontberen, die hy nu nog--ter-loops, maar gretig toch--opving van +'n barbier. En ook deze chirurg is ter-ziele. Hopen wy dat de Hemel +hem niet gesloten bleef, omdat hy oorzaak was dat m'nheer Pompile's +baard gevaar liep 'n dag langer te zyn dan anders te verwachten is +van zestien welgetelde duiten scheerloon in de week. Zooveel namelyk +bedroeg de "stooter" waarvan we zoo-even iets vernamen als bydrage +tot de Lukullische weelderigheid van den jongeheer Pompile. + +Al die dingen zyn dus weggewischt, uitgewreven, vergaan. En nog steeds +leven er gedachten van Wouter ... aere perenniores! 't is mogelyk +dat die klok nog altyd hier-of-daar z'n tikkende loopbaan voortzet, +en dat er nog altyd 'n huis staat met vensters van spiegelglas, +op de Leliegracht--deftige zy, héél deftige zy--maar wat beteekent +dit in vergelyking met 'n hoofdstuk uit de zielegeschiedenis van 'n +mensch? Huizen en klokken zullen voorbygaan, maar niet voorbygaan +zullen de uitvloeisels der gemoedsbitterheid van iemand die daar +de gelukzaligheid staat te benyden van 'n opgesloten vogeltje dat +terstond mocht binnenkomen als 't zich aanmeldde. Toch gis ik dat +Wouter niets of niemand benydde. Hy was er te moê toe, en werd te +zeer bezig-gehouden door 't spit in den rug. + +Daar werd zoowaar de jongeheer Pompile weer zichtbaar, nog altyd +ongekleed. + +--Zoo, sta je daar nog? Ja ... zoo ... hoor eens! Weet je wat je +doet? Je moet eens zoo goed wezen, gauw 'n barbier voor me te halen. + +Die lieve goeie Pompile! Hy vergunde Wouter zich eens te bewegen. Deze +vervulde z'n naastbyliggend plichtje met yver en dankbaarheid. Toen-i +het verlangde gevonden en binnengeleid had, nam-i z'n vorig domicilie +op de vloermat weer in, en verstond heel duidelyk wat de klok zei: + +--Zoo, ben je daar wéér? Ik ben er nòg ... tik ... tik! + +De installatie by 't postkantoor geschiedde wel niet met plechtigheid, +maar toch met al de bereddering die de jongeheer Pompile gewoon was +toetepassen op de nietigheden waarmed-i zich gewoonlyk bezighield. + +--Kyk, je moet nu eens zoo goed wezen hier te komen staan, +alle morgens! En dan houd je 't postkantoor in 't oog. En als +ze dan uitkomen--de bestellers, weetje?--dan let je goed op. En +je loopt ze na. En je vraagt de brieven voor de heeren Ouwetyd & +Kopperlith. Maar je moet dat niet vragen hier vlak voor 't kantoor, +want als de direkteur het ziet, dan worden ze gestraft ... omdat +het verboden is, weetje? Je loopt ze na, daar in die steeg, en +als ze je-n-'n fooi vragen, of 'n borrel--want dit doen ze ... +gemeen volk!--dan zeg je maar dat je ... neen, dan zeg je niets. Of +je zegt maar ... dat je de brieven vraagt voor de heeren Ouwetyd & +Kopperlith. Zóó moet je zeggen! En 'n fooi? "Met nieuwejaar" kan je +wel zeggen, maar zeg niet dat ik 't gezegd heb, want dan verwachten +ze te veel. Onbescheiden volk, weetje? Kyk, daar komen ze! Nu zal +ik je wyzen wie onze buurt heeft. Daar, dáár, die magere met z'n +dikken neus en slobkousen ... dà t is-i! Zeg hem dat-i nog pas gister +'n stuiver van me gehad heeft, en dat-i je de brieven geeft voor de +heeren Ouwetyd & Kopperlith, zóó moet je zeggen! + +Wouter liep den aangewezene na, en haalde hem weldra in. De man, +die hem niet kende, wees hem stug af. Maar de deftige m'nheer Pompile +stond op 'n afstand te wenken en te telegrafeeren, met dit gevolg dat +Wouter zich kon beschouwen als formeel voorgesteld aan den mageren +besteller met den dikken neus en de slobkousen. Er was inderdaad iets +aangekomen voor 't huis Kopperlith. Deze of gene winkelier in een der +provincien scheen behoefte te hebben aan 'n krieuweltje. Wouter kwam +zegevierend met den brief aanloopen op 't kantoor waar-i 't eerwaardig +sanhedrin van z'n patroons reeds vergaderd vond, Pompile meegerekend +die, na 't overseinen van Wouter's geloofsbrieven, zich gehaast had +de gemeene steeg te verlaten, welker duisterheid gewoonlyk het geknoei +met die brieven medeplichtig beschaduwde. + +Onze jongste-bediende werd nu met de noodige aanbevelingen tot "net +werken" aan 't kopieeren gezet van 'n paar brieven. De jongeheer +Pompile Kopperlith maakte gebruik van den komkommertyd, om eenige +debiteuren die wat achterlyk waren, aan betaling te herinneren. 't +Een-of-ander genie uit den voortyd had deze bezigheid vereenvoudigd +door 't vaststellen van drie formulieren die elkander opvolgden in +graden van nadrukkelykheid. Formulier één: beleefd. De aanzuivering was +waarschynlyk den zeer geachten handelsvriend door 't hoofd gegaan, en +de heeren O. & K. konden niet nalaten deze gelegenheid aantegrypen om +"uwe zoo byzonder vereerde firma" hiernevens 'n paar stalen aantebieden +van onbegrypelyk-pryswaardige diemet. Formulier twéé: de--nog altyd +eenigszins geachte--vriend verloor uit het oog dat de pryzen à comptant +waren berekend, en ofschoon men zoo byzonder gaarne zaken met hem deed, +was men wel genoodzaakt ditmaal ... enz. Géén stalen. Derde formulier: +binnen acht dagen solide remise, of anders ... enz. + +Wouter bewonderde de bekwaamheid van z'n chef, die zoo precies wist +hoe men al die menschen moest toespreken. Toch was 't kopieeren van +die korte briefjes weldra afgeloopen, en hy werd weer aan 't plakken +van z'n stalen gezet. + +--En ... zouden wy hem nu maar niet met-een de letters van 't woord +laten leeren? vroeg Pompile aan Wilkens. + +Er scheen iets vreeselyks in dit voorstel te liggen, want Wilkens +keek ontsteld op. + +--M'nheer! + +--Ja, denk je niet? Me dunkt dat ... + +--Maar ... m'nheer! + +Al had Pompile voorgesteld het jonge-mensch te villen of te skalpeeren, +de schrik van Wilkens kon niet grooter geweest zyn. + +--Maar, m'nheer! Dit zou, onder uw welnemen, verbazend onvoorzichtig +zyn! + +--Hé, dacht je dà t? + +--M'nheer, ik kan u plechtig verzekeren dat ik reeds drie jaar by +de zaken was, voor men my de letters van 't woord wees! Men moet +jonge-menschen niet over 't paard ligten, m'nheer! De verwaandheid +komt er gauw genoeg in, m'nheer! + +--Nu, zooals je wilt, Wilkens. Ik had er zoo diep niet over nagedacht, +weetje? + +Dit was de zuivere waarheid, en wel de waarheid eens-voor-al, want de +jongeheer Pompile dacht nooit diep na. Maar in het tegenwoordig geval +zou z'n ligtzinnigheid--als-i niet bekleed ware geweest met den rang +van patroon--onvergeeflyk zyn voorgekomen aan m'nheer Wilkens. De lezer +zal dit beseffen zoodra hy weet dat de zeer belangryke zaak neerkwam +op de vraag of men Wouter reeds nu zou inwyden in de geheimzinnige +teekens waarmee de heeren Ouwetyd & Kopperlith de inkoopspryzen hunner +goederen op de etiketten wisten uittedrukken. Er behoorde veel toe +om deze teekens grif te verstaan. Meer nog om 't vertrouwen waard te +zyn, dat men dit geheim ongeschonden bewaren zou, en volgens m'nheer +Wilkens was Wouter nog lang zoo ver niet. Glansryk was de triumf van +den oud-gediende tegen den onvoorzichtigen jongeheer Pompile die, +zonder zyn raad, dat jonge-mensch zoo maar op-eens 't licht zou +vertoond hebben dat den tabernakel van 't kantoor omluisterde. Maar +de zegepraal van den kleingeestigen grysaard was niet volkomen, voor +Wouter-zelf 't bewustzyn van z'n voorloopige uitsluiting terdeeg +geslikt had. Want deze begreep niet wèlk woord en wèlke letters +te heilig werden beschouwd voor z'n nuchter verstand, onbeproefde +eer en geringe verdienste. Wilkens merkte de door hem opgeplakte +stalen met nummers, en zette daaronder de diepzinnige hierogliefen, +waarover hy 'n vraag wist uittelokken om aanleiding te hebben tot +het verpletterend antwoord: + +--Dà t past je nog niet! Dat past je volstrekt niet! Vraag dáár eens +na, als je-n-'n half-dozyn jaren behoorlyk gewerkt hebt, of ... langer! + +Het vooruitzicht was prachtig. Het spreekt vanzelf dat Wouter +hevige begeerte voelde naar de vrucht van een zoo aptytelyk verboden +boom. Reeds den volgenden dag ontcyferde hy met geringe inspanning, +door 'n beetje vergelyking, de beteekenis van die geheimzinnige +letters. Daar hy--uit voorzichtigheid of konscientie--'t aldus weldra +gevonden heiligwoord niet in z'n zakboek heeft opgeschreven, kan ik +het den lezer niet meedeelen. Met Pompile's baard en vensterglas, +met de krieuweltjes en de wittegrondjes-driekleur, is deze mysterie +onopstandelyk ten-grave gedaald, 'n gaping in myn verhaal waarvoor +ik verschooning vraag. + +By 't schetsen van al deze nietigheden, waarby ik de waarheid zoo +trouw mogelyk tracht naby te blyven, kan ik my niet onthouden van de +vrees dat sommigen my verdenken van overdryving. Deze beschuldiging +tegen 'n schryver is gewoonlyk een kenmerk van oppervlakkigheid, +en byna altyd ongegrond. Hoogstens zou men recht hebben de wyze van +behandeling aftekeuren, de manier van voorstellen, en de door hem +uit de feiten afgeleide gevolgtrekkingen. Overdryving in 't schetsen +van die feiten-zelf is nagenoeg onmogelyk, want de graad waartoe +menschelyke dwaasheid kan afdalen, is voor den boosaardigsten artist +onbereikbaar. Waar deze dwaalt, ligt de fout aan z'n onbekwaamheid +in 't nateekenen, in 't verkeerde van de voorstelling, niet in +overdryving. Dat er onder 't half-dozyn personen waarmee Wouter hier +in aanraking kwam, geen enkele was die zich verheffen kon boven 't +à llerlaagste peil van verstand en hart, mag slechts vreemd voorkomen +aan wie de Maatschappy niet tot 'n onderwerp van studie gemaakt +heeft. Myn schets is wáár. En zelfs behoef ik me niet te beroepen op de +bekende spreuk: que le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable, +om te betoogen dat deze waarheid ditmaal geenszins in-stryd is met +waarschynlykheid. Wie dit begrypen wil, hebbe slechts nategaan wat er +door wezens als de hier bedoelde, levenslang is uitgericht? Wat hun +wenschen waren, hun neigingen, bezigheden, geestelyke behoeften? Hoe +hun opleiding geweest was ... dit doet er minder toe, maar: met welke +opleiding zy volkomen tevreden waren? Nooit kwam het in hen op dat ze, +wèl beschouwd, behoorden tot de laagste soort van schepsels die met +zoölogische welwillendheid gerekend worden boven de dieren des velds +te staan. En ... by dit alles, die koddige trots! + +Ik weet zeer goed dat geestelyke en zedelyke waarde niet volstrekt +samengaat met de meer of mindere belangrykheid van het beroep, +noch daarvan afhangt. Het is begrypelyk dat menigeen om-den-wille +van z'n onderhoud zich moet tevreden stellen met 'n kostwinning, +die òf geen punten van aanraking oplevert met z'n gemoed, of zelfs +lynrecht tegen de opwellingen zyner ziel indruist. Ik laat nu daar, +in-hoe-verre deze disparatie mogelyk en te verontschuldigen is, +en stel dus niet de vraag of, byv. 'n gevoelig mensch 'n degelyk +vleeschhouwer of scherprechter wezen kan--misschien wel!--doch wáár +blyft het dat iemand die ongenoodzaakt z'n levensonderhoud zoekt in +grove of nietige bedryven, blyk geeft van 'n laag standpunt. + +Wat dan te zeggen van 't ras der koprolithen, dat geheel vrywillig +verstand, hart en karakter laat braak-liggen? Al zy het nu dat de +jongeheer Pompile niet zeer zuiver de waarheid sprak, wanneer-i 'n +onnoozelen "buitenman" die 'n krieuweltje kwam koopen, verzekerde: +"dat papa zoo byzonder ryk was, en dat ze 't om den broode niet hoefden +te doen" toch hadden de jonge-lieden 'n anderen werkkring kunnen +kiezen. Maar ... dan hadden zy iets moeten leeren, zich inspannen, +en dit gedoogde noch hun fatsoen, noch hun traagheid. Arbeid en +kennis was goed voor anderen wier papa niet "zoo byzonder ryk" +was. Die heele rykdom van den oudeheer kwam neer op eenige tonnen, +'n som die bestemd was in zessen te worden verdeeld. Ze hadden dus +wel degelyk behoefte aan 'n werkkring, en twee van de zoons kozen, wat +als voorvaderlyk erfdeel voor-de-hand lag: de lappennegotie. Hiertoe +was slechts 'n klein gedeelte noodig van 't beschikbaar kapitaal dat +hoofdzakelyk in effekten belegd bleef. Hadden zy kunnen besluiten den +inventaris te ontlasten van de goederen die jaar-in jaar-uit op die +zolders lagen, dan zouden ze met nog geringer kapitaal de zaak hebben +kunnen dryven. Tot dit "opruimen" echter--waarop Dieper soms bescheiden +en rente-berekenend aandrong--waren ze niet te bewegen. Meenden zy +misschien dat die oude verkleurde lappen ooit weder den prys zouden +waard zyn, die daarvoor betaald werd vóór den bloei der Amerikaansche +katoenmarkt en der Engelsche weveryen? Ze meenden noch dit, noch iets +anders. Ze meenden niets. + +De dagelyksche handel was allereenvoudigst tot het idiote +toe. Tweemalen 's jaars bestelde men "op staal" eenige duizende +stukken gedrukte katoenen. De by 't kiezen te-pas gebrachte wysheid +overstelpte onzen Wouter, die alweer angstig werd dat hy nooit, nooit, +nooit zoo ver komen zou om te weten of de burgervrouwen die zich +kleedden in gedrukt katoen, dit jaar de voorkeur geven zouden aan 'n +slangetjen of aan moesjes? Wilkens zat by zulke gelegenheden als op 'n +troon. De verhandelingen die hy hield over 't gewicht en de strekking +van 'n klein verschil in kleur of figuur, waren verpletterend. Ik +heb reeds gewezen op de rechters die in 't laatste ressort over de +vonnissen van onzen lappen-wysgeer te beslissen hadden. Toch zou hy +'t zeer vreemd hebben gevonden indien men boerinnen of dienstmeiden +zitting en stem had verleend in 't koncilie dat hy prezideerde. En +... de hoogheid tegen zoo'n handelsreiziger! Het is opmerkelyk dat +de engelsche fabrikanten voor deze betrekking gewoonlyk Duitschers in +dienst nemen. Christelyker werkkring bestaat er niet. Voor dezulken is +'t Evangelie van den linkerwang geschreven! Zoo'n ongelukkig wezen werd +drie, vier keeren weggezonden, voor 't m'nheer Wilkens en den jongeheer +Pompile gelegen kwam te zien welke nieuwe figuurtjes de teekenaars der +fabrieken hadden uitgedacht. Heel eindelyk begunstigde men hem met de +mededeeling dat er waarschynlyk niets zou noodig zyn. Dat men reeds +groote bestellingen gedaan had aan andere "huizen." Dat de markt +slap was, buitengewoon slap. Enz. Ten-laatste werd hy genadiglyk +toegelaten, en de zitting nam 'n aanvang. Eugène, wiens woorden +duur waren, stelde zich 't minst bespottelyk aan. De beide anderen +wedyverden in zotteklap, en de commis-voyageur beantwoordde elke op- +of aanmerking met 'n aller-beleefdsten glimlach. Hy haalde op zyn +beurt z'n schade aan verongelukte menschenwaarde, in diligences en +trekschuiten of aan de table-d'hôte met woeker in. Daar publiceerde +hy de twee dozyn anekdoten die elk handelsreiziger behoort in voorraad +te hebben, en ging by z'n kameraden onder verband van wederkeerigheid, +voor 'n wezenlyken heer door. + +By ontvangst van de bestelde goederen steeg de belangrykheid der +werkzaamheden op 't kantoor en in het magazyn tot het verhevene. De +bedongen prys werd verhoogd met de onkosten van pakking, transport +en assurantie, en daarna volgens de koers van den dag herleid in +hollandsch geld. Deze berekening was zeer in 't byzonder de taak +van Pompile, die er zeer handig in was ... geworden, na veel jaren +sukkelens, zei de oudheidkundige Gerrit. Goed, nu toch verstond +Pompile die kunst! By verkoop legde men 'n procent of vyftien op den +inkoopprys, en de cyclus van beroepswysheid was afgeloopen ... op +'t overbluffen, liefkozen, streelen en bedriegen van de koopende +winkeliers na. Ook in dit gedeelte van 't "vak" was Pompile een eerste +meester. Zelfs Wilkens moest erkennen, dat ... enz. + +Geen van die heeren had ooit iets anders gedaan, geen hunner +had gehaakt naar andere inspanning. Ze voelden zich volkomen +verzadigd. Zelfs 't boekhouden van den ouden Dieper ging hun sfeer +te-boven. Z'n memoriaal en journaal en grootboek waren gewyde arken +waaraan nooit iemand de hand durfde slaan. Wel beschouwd overtrof +zelfs de oude Gerrit de heeren patroons in menschenwaarde: hy kòn +iets! Een van z'n hoofdbekwaamheden bestond in 'n byna onbedriegbare +kennis der geldsoorten, en z'n "worpen" by het tellen waren monumenten +van regelmatigheid. Het was jammer de zest'halven by-een te stryken, +die door hem waren tentoongespreid in symmetrische regels ... zilveren +verzen, waarlyk! En dan 't nog altyd respectabel overschot van z'n +handigheid in 't pakken ... wel te verstaan, als 't hem gelegen kwam +niet styf van rhumatiek te wezen. Toch moest ieder onbevooroordeelde +erkennen--en er bestond reden tot vooroordeel--dat Wouter hem hierin +met reuzenschreden voorbystapte, gelyk we ter-zyner-tyd zullen te +zien krygen. + +Tweemalen 's jaars ging Wilkens op-reis, en speelde dan by winkeliers +de rol waartoe hyzelf gewoon was buitenlandsche reizigers te +veroordeelen, die 't ongeluk hadden van zyn welwillendheid en +zaakkennis aftehangen. De goden zyn rechtvaardig! Dan werd-i terdege +bestraft in z'n zondige plek, en moest soms twaalf keeren tevergeefs +toegang vragen--de door Moore bezongen paradys-peri!--om doortedringen +tot het achterkamertjen in 'n lappenwinkel. Een andermaal liet men +hem schildwacht houden voor de toonbank, en afwachten wat 'n snibbig +winkelmeisje--de "m'nheer Wilkens" loci--over hem zou gelieven +te besluiten. Zekere overleveringen luiden dat-i zich by zulke +gelegenheden meermalen moest laten welgevallen, met z'n wasdoeken +staalpak onder den arm--en den voorgeschreven welwillendheids-glimlach +op 't gelaat--uren lang op de stoep in den regen te wachten: "omdat-i +in den winkel de klanten in den weg stond." Het spreekt vanzelf dat +deze handels-liefkozing beantwoord werd met 'n allerbeleefdst: + +--Met pleizier, juffrouw! + +Van één hoedanigheid die den commis-voyageur kenmerkt, moet ik Wilkens +finaal vryspreken. Nooit vertelde hy anekdoten uit 'n almanak. Het +schynt dat z'n deftigheid zich hiertegen verzette. Waar hy meende z'n +officieel handelsgewaad een oogenblik te mogen afleggen, bepaalde hy +zich tot het uitpluizen van 'n zeer interessant bankroet, waaruit +hy door een byzondere hem alleen eigene gauwigheid, z'n patroon 'n +heel procent meer had weten te bezorgen dan de overige krediteuren +ontvingen. Over 't verguld-koper snuifdoosje dat hem deze heldendaad +had opgebracht, stapte hy losweg heen ... uit bescheidenheid, zeid-i, +maar als 't noodig was zou hy 't nog altyd kunnen laten zien. En wie +dan niet uitdrukkelyk naar deze ridderorde vroeg, vond-i onbeleefd. Z'n +tweede strydpaard aan 't dessert, was de roerende levensgeschiedenis +van drie stukken-bielefeldsch linnen die door 'n onkundige waren +aangezien voor iersch fabrikaat, een vergryp waaruit ongetwyfeld 'n +proces zou voortgesproten zyn, indien niet hy, Wilkens--"want, heeren, +dà t is nu eigenlyk m'n vak!"--als expert of arbiter de zaak tot 'n +vroolyk einde had weten te brengen, door de opmerking ... enz. Dat +deze beide geschiedenissen een byzonderen geur van gezelligheid +meedeelden aan z'n onderhoud, is niet te ontkennen. Maar hy was er +zeer spaarzaam mede, want: "er zyn reizigers en ... reizigers, zeide +hy, en heden-ten-dage is niet ieder op de hoogte om 'n goed diskoers +te waardeeren." + +--En, jongeheer, zei Dieper, hoe moet ik nu doen met dat briefjen in +den Jodenhoek? 't Is 'n smeerig papiertje, jongeheer! + +--Ja, Dieper, dà t is het! Waarom zeg je 't niet aan papa? Die +Gerrit ... + +--Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover +gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne ... + +--Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm! + +En met z'n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan. + +--Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen? + +Wouter's gelaat helderde op by de gedachte dat hy iets kunnen zou. + +--'t Is zeer gevaarlyk, m'nheer, zei Wilkens. + +--Aan den kassier durf ik 't briefje niet geven, klaagde Dieper. 't +Is te smeerig! M'nheer heeft het me verboden, omdat-i wel-eens een der +direkteuren van de Kas ontmoet in Doctrina. En, zegt m'nheer, het stáát +niet ... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de waarheid, jongeheer! + +Nog altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante +uitdrukking niet begrypen. Een "smeerig papiertjen" is 'n accept van +iemand die geen naam op de beurs heeft. Zoo'n man moge solide zyn, +eerlyk, trouw aan z'n woord, het helpt niet. De door hem geteekende +stukken zyn "smeerige papiertjes" en dezulken waren er dikwyls onder de +remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit byzonder geval +echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te bestaan. De man van +wien hier sprake was, woonde in 'n dwarsstraat van 'n dwarsgracht in +den Jodenhoek, en Gerrit die meermalen geld by hem had ontvangen, +klaagde dat-i "by dien kerel" al z'n muntkennis noodig had om +niet te-kort te komen. De acceptant lokte hem steeds in 'n donkere +achterkamer waar 'n zeer groote familie huisde, en die slecht verlicht +was: 'n hol, zei Gerrit. En 'n behoorlyke tafel om geld te tellen, +was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe niet dienen, want hy was +vol reten en gaten, en wanneer men 't in-weerwil hiervan beproefde, +liepen of rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door de worpen +heen. Kortom, de woning van dien jood was 'n tuin der Hesperiden waar +weinig anders te plukken viel dan wat kans om geplukt te worden. En: +"hierop legt de kerel het toe!" zei Gerrit. + +Dit alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er +op aan dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat +"smeerige" briefje. + +--Zie je, Dieper, 't is nuttig voor hem dat-i alles leert. + +--Zeker, jongeheer, maar ... + +--En hoe à nders? Gerrit is styf van rhumatiek ... zeg dà t aan papa. En +als nu Pieterse dat geld ontvangt ... hm, ik wil maar zeggen dat-i +alles leeren moet. + +De ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z'n voorstel deed +aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen +Wouter 'n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er +'n andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in z'n +eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de nadeelen die +Wouter's onbedrevenheid konden na zich slepen--en die met wat overleg +wel op "huishouden" konden gewenteld worden--zou hy slechts deelen +voor 'n half kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens ten-offer +brengen om verlost te raken van 'n knecht die hem als kleinen jongen +gekend had, en ... meer dan aangenaam, ingewyd was in de chronique +scandaleuse van z'n jeugd. Héél skandaleus noem ik die kroniek alweer +niet. Maar Pompile beeldde zich dit groothartiglyk in, al waren dan +z'n afwykingen van 't pad der deugd gewoonlyk te dekken geweest met +'n paar zest'halven. Alle waar is naar z'n geld, tot de uitspattinkjes +van zekere lieden toe. + +Hy dreef dus de zaak door. Wouter ontving 't smeerige papiertje +dat er niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg het met +ingespannen zorg in z'n patriarchaal zakboek. De te ontvangen som +bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem 'n geldzak mee, +en veel vermaningen om--in zeer letterlyken zin--goed op z'n tellen +te passen. + +Binnen 't uur was Wouter met het vereischt bedrag terug. Op 'n weinig +buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in glinsterende dukatons +met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze later als 'n byzonderheid +door Dieper getoond werden, moest erkennen dat men ze zelden zoo +te zien kreeg en dan ... "van zoo'n smeerigen jood!" Het ging z'n +begrip te-boven, en daar ik ditzelfde in den lezer veronderstel, +wil ik de oorzaken van dezen goeden afloop in 'n volgend hoofdstuk +meedeelen. Ik moet erkennen dat ik met genoegen het kantoor van de +heeren Ouwetyd & Kopperlith 'n oogenblikje verlaat. Zoodra mogelyk +keeren wy 't met welgemeenden afkeer den rug toe. Maar men bedenke dat +schryvers en leerjongetjes hun arbeid en verblyf niet voor 't kiezen +hebben. Myn naastbyliggende plicht was nu eenmaal het beschryven van +zeker menschenras waaraan Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken +hebben dat ze niet de à llerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de +Dieren verbindt. + + + + + + + + Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel, + Staathuishoudkunde en Petite Voirie uit den voortyd. Nieuw blyk + der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van + de beloofde dukatons, den lezer afscheept met 'n bespiegeling + over gebrek aan Israëlitische kontroverse. + + +De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur +terug te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen +naar den Jodenhoek. Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de +specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby +te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan +zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte. Wy weten dat zy daarheen +ging om zich te verfrisschen door 'n bad in 't gemeene ... of wat +voor gemeen doorgaat. Ze wilde de walging afspoelen die haar de +hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren +Ouwetyd & Kopperlith, al zy 't dan dat we ons te reinigen hebben +van heel iets à nders dan nasmaak van overdreven hoofsheid. Veel +verder alzoo dan zekere gelyksoortigheid van indruk, gaat deze +overeenstemming met prinses Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen +zyden kousen aantetrekken om Wouter te begeleiden, en ook belooft de +auteur op eerewoord, dat-i de maagdeperen met rust laten zal. Deze +onthouding van prinselyke excentriciteit is te meer gepast, omdat +het perensaisoen nog niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter +te inkasseeren kreeg, verviel op den zooveelsten van Zomermaand, +of misschien in Juli, maar zeker lang voor 't najaar. Het is den +lezer bekend dat er nog altyd één fatsoenlyke familie in de stad +was, en dat alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing, +ver buiten de stad. In zekere toekomstige kritiek op m'n werk meen ik +te lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief +is, een opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nog-eens +te wyzen op m'n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn, +kan niet met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze +algemeen bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied +voorstelt, heeft 'n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan +een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z'n zaak zyn, en zóó vast +staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine +waarschynlykheidjes missen kan. Alleen vervalschers zyn nauwkeurig +in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan +'t onbeschaamde grenzende slordigheid, is ... 'n evangelist. Ziedaar +de gronden waarop de minste twyfel aan de geloofwaardigheid van myn +boodschappen--bly zyn ze niet altyd ... nu ja, maar boodschappen zyn +het toch!--behoort te worden verklaard voor godslastering. Waartoe +zou het Geloof dienen, als 'n profeet, by al z'n andere plichten, zich +nog zou moeten onthouden van de ongerymdheid ook? Om 's hemels-wil, +lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met +de bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd +is met het geloovig aannemen der grofste ongerymdheid--wat ik in +'t voorbygaan bewyzen wilde--heeft de schrandere lezer reeds lang +kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering +Wouter in den komkommertyd belast werd, geen saizoengenoot wezen +kon van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van +ooft en komkommers heeft, handelaars in witte-grondjes-driekleur, +wysgeeren, tuinluî, e. d. De ondeugende prinses Erika had dus heel +iets anders nog begaan dan guitenstukjes of 'n buitensporigheid, +ze had iets onmogelyks verricht: 'n wonder! En zóóver had Wouter +'t nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder +'t gewone, en had al z'n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder +z'n overspannen plichtsbesef. + +Met 'n gewicht alsof 't heele bedrag van 't geaccepteerd wisseltjen +in kopergeld aan z'n hakken gehecht was, stapte hy over den weg. Hy +drukte de linkerhand styf tegen de borst waarop het aan z'n eer +toevertrouwd pand rustte, en hield z'n rechtervuistje gebald om den +eersten den besten nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet +hem te berooven, d. i. de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, 't had +'n zeer sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was! Glorioso, +met al z'n makkers en in z'n besten tyd--vóór die verlammende liefde +namelyk voor twee prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige +landmeisjes--Glorioso zelf zou zich misrekend hebben wanneer-i, +staatmakende op de hartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat +... nu, Glorioso was er niet, en de marteling van 't konflikt tusschen +zieleverwantschap en plicht bleef Wouter ditmaal gespaard. Het +eenig gevaar dat hem bejegende, vertoonde zich in de gedaante van +'n kindermeisje dat naar den weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk +begin van verlokking tot plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby, +en ... met 'n bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch +te zyn jegens iemand die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen +'n bende verkleede roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen +finaal ongedekt gebleven voor de onkosten van hun vermomming. Niet +zóó gemakkelyk ontfutselde men onzen held 'n papiertje dat hem door +z'n lastgevers was toevertrouwd! + +Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben +in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat +door den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit +z'n handen te geven: "voor-i geld zag." En ... niet te kwiteeren: +"voor-i dat geld hà d!" Want ook hyzelf moest teekenen ... ik weet +niet waarom. Het was de gewoonte, en 'n gewoonte die hem verrukkelyk +voorkwam: "ont...van...gen ... Wou...ter ... Pie...ter...se." Zóó zou +er staan in z'n allermooiste schrift. En dat zou bewaard blyven. En +eenmaal zou de nazaat staren en turen op die letters, en eerbiedig +fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols gerust! Dit heeft hy +geschreven, hy die ... ja, wà t? Hier struikelde Wouter's verbeelding, +gelyk telkens geschiedde wanneer-i voorschot nam op 'n toekomst die +zoo byzonder weinig op het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy +z'n verschrikte voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z'n +punt van uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat--tot nader +order!--op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag en +hà d. Zóó had Dieper gezegd! En in z'n gedachten maakte hy kant en +klaar de krul gereed, waar-mede-i z'n handteekening bekrachtigen en +sieren wilde, 't Zou 'n slang wezen, zich slingerend om en door de +spylen van 'n rooster. De staart moest zoo nydig mogelyk byten in +drie stippen, netjes in gelid tusschen 'n paar evenwydige lyntjes, +en de kop werd belast met het als by-toeval kronen van de P. In deze +wending zou de fynheid liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het +uitvaardigen van 'n manifest, waarby al de ongekroonde autografen +die ooit van hem mochten worden in omloop gebracht, werden verklaard +te zyn: bedriegelyk, valsch, en van niet de minste waarde noch in +rechten noch in posthume heldenvereering. + +Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar ... het tellen! Eén, +twee, drie, vier ... dit zou wel gaan. 't Bleef echter de vraag +wà t men hem zou te tellen geven? Dubbeltjes? Stuivers? Duiten, +misschien? Ook dit schrikte hem niet af. Maar ... de pietjes? De +dertiend'halven? De schellingen? De zest'halven? Of--erger nog!--al die +muntsoorten door-elkaar? Hm ... moeielyke zaken! Zoodra hy koning werd, +zoud-i ... och, dit was alweer de vraag niet. Hy wàs geen koning. Hy +was jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith, en op dit +oogenblik belast met het ontvangen en behoorlyk uitleveren van 'n +groote som gelds. Dit was z'n naastbyliggende plicht, en hieraan +slechts had hy dus te denken. + +Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de +kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo +byzonder sterk doen gelyken op 'n verstoord mierennest. 't Verschil +ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar kyken +moet om wys te worden. Wouter had moeite z'n weg te vinden. Van +bespiegelingen over 't zonderling huishouden in de open lucht, dat +daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen spraak +zyn. In z'n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin +ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al 't onschoone dat hy te +zien kreeg, als om belang te stellen in 't karakteristieke van die +leelykheid. Z'n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem 'n plaats +aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige +tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht, +voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde. Een revue +van dertigduizend man linie--zou ze in vertrouwen gezegd hebben--met +vierd'halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. Ook de +opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van middeleeuwsche +oudheden. [16] + +Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? Te +oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, die--altyd toch +met het eigenaardig voorkomen van lieden die en voisin uit zyn--zich +verdrong op de straat, moesten al die woonhuizen leeg staan, van +de kelders af tot de hoogste verdieping toe. Nog altyd heerschte in +die buurt--interessant wàs het, hierin had het prinsesje gelyk!--nog +altyd zag men daar de orde of wanorde van 'n volksstam, zwervend in de +woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor 't +zand der heide--want als hei vertoonen zich die zandzeeën--vergenoegden +zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien +en klinkers. Wat ze voor de weelderige grassoorten der bewaterde +plekken in de plaats kregen, weet ik niet. Doch, ook zonder de +minste vergoeding voor de hier-en-daar verspreide schoonheden in +hun vroeger verblyf, nog altyd was die straat-zelf, en niet de tent +van kalk en steen hun geliefd domicilie. De krotten die ze heetten +te bewonen--vuistslagen in 't gezicht der beschaving... in Wouter's +tyd!--waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens +onvoorwaardelyk. Zoodra 't zomerweer de begoocheling toeliet of +aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken +bevond, nam het zonderling volkje dit op als 'n sein dat de tyd weer +was aangebroken van het leven in de openlucht, en van terugkeer tot +vóórkanaänsche zeden ... met uitsluiting evenwel van de sedert lang +verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootst gedeelte van 't +etmaal tusschen de reien der tenten door. Daar zaten ze, daar lagen +ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid, +d.i. handel gedreven. Daar leefden zy. + +Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z'n hoofdmomenten aan +de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker +geloof. Wie deze buurt betrad, en met voornaam-domme achteloosheid z'n +oog liet heenglyden over die vreemde gestalten, zag slechts de zeer +bekende buitenzyde. Alles was daar om handel te dryven, of liever om +zoo mogelyk iets te verkoopen, want wie eigenlyk op die zonderlinge +markt de koopers waren bleef 'n mysterie. Kochten die straatkramers +van elkander? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste +spykers? Zoo ja, wat aten ze? Of liever, welke produktie leverde het +excedent van kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En +de huishuur? En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest- +en vierdag? + +Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze +dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. Hieraan +zeker is het toeteschryven dat in Wouter's tyd niemand zich de vraag +voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in onafzienbare +reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden "rei" en +"kraam" zyn wel wat weidsch. Orde en regel was er niet: alles stond +en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, de meeste kooplieden hadden +deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun goederen op 'n oud stuk +zeildoek uit. Anderen versmaadden ook dezen omslag, en gebruikten de +bemodderde straatkeien tot toonbank en uitstalkast. En wat men daar al +vond! Daar lag yzerwerk... neen, zóó hoog betitelde de oprechte koopman +z'n goederen niet--neem er 'n voorbeeld aan, opgeblazen kropolithen +van de Keizersgracht!--hy noemde zich: handelaar in oud roest. De +man beweerde niet, yzer te verkoopen, hy verkocht roest van yzer. En +zelfs geen versche roest. Hy verkocht oud-roest, of oud geroest, +of dingen die oud en verroest waren, gewezen voorwerpen vervreten +door roest van ouden datum. En op nòg lager sport plaatste zich onze +koopman. Hy nam den naam aan van de waren "waarin-i deed" en vond er +niets vreemds in, wanneer men hemzelf aansprak als de hoogbejaarde +oxyde van 'n voormaligen spyker: hy heette Oud-roest. Kan 't nederiger? + +Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten +van kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie +protesteerend door 'n beroep op de klassieke beteekenis van hun +naam... en ook wel 'n beetje tegen de aanspraken op taalkennis van +de heeren D. V. & T. W. die ze vrouwelyk maken zouden, 'n jaar of +zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder +kroost, schroeven zonder moer... Niobees en weezen. Daar lagen eenzame +pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun +tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandelooze zagen, beitels +zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder +oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, +hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, +grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, +potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had +kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, +gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest! Dit scheen +de eisch te wezen van dien handel. Misschien was de koopman aan deze +eigenaardigheid gebonden door 'n artikel in de patentwet, volgens +'twelk hy wel voor roest maar niet voor yzer was aangeslagen. En +nu sprak ik nog slechts van de dingen die 'n naam gehad hebben, of +misschien eenmaal 'n naam konden gehad hebben. En we stonden nog maar +'n oogenblik stil voor de uitstalling van den Oud-roest alleen. Het +beschryven van 't overig deel der "markt" gaat m'n talent nog verder +te-boven, aan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon daar +koopen--maar wie toch kocht er iets?--daar waren te bekomen: zure +augurken, runderlappen, nieren en long, nuchter-kalfsvleesch en andere +spyzen, gekookt en ongekookt, met of zonder de saus. Daar werden oude +lappen en vodden gevent, en stukjes leder, en knoken, en gepensioneerde +hoeden, en strooken vilt, en schilderyen zonder lyst, en lysten zonder +schildery. En prenten, en boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen +zonder titel. En landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes +in vieren of zessen geknipt, om en détail te worden aan-den-man +gebracht voor 't mogelyk geval dat 'n heel land of werelddeel +de begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten +kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de +ongelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen +'n tumulus van zuurkool en 'n tropee van hoeven en horens. Ginds stond +'n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynsche dissertatien, +met almanakken en silhouetten van verloopen jaren en dominees. Ook +meubels waren daar. En er was porcelein, en glaswerk, en aardewerk, +en keukengereedschap... ja, wat was er niet! En dat alles was kreupel, +gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig +en voor niemand te gebruiken, wat toch 't geval niet kan zyn, want +dat volkje leefde van den handel in die prullen, en: ab esse ad posse +valet illatio. [17] + +Doch, ik zeide het reeds, dat leven was zonderling. Ook sprak ik +van de domme voornaamheid die in dit alles geen aanleiding vindt tot +nadenken. Reeds wat men ziet, zou hiertoe kunnen opwekken, en om dit +te betoogen is het weinige dat ik daarvan noemde, voldoende. Maar +hoe zou 't wezen, wanneer we met het oog van den geest iets dieper +doordrongen? De bewoners van dat mierennest zyn... menschen. Het "nil +humani alienum" moge dan al niet juist in wysgeerigen zin 'n artikel +in hun dagelykschen kathechismus wezen, toch is dat woord op hen van +volle toepassing in stoffelyke en maatschappelyke beteekenis. En, +ook zielkundig gesproken, het zou 'n ongerymd waagstuk zyn, hun de +aandoeningen te ontzeggen, die, de... half- en verkeerd-beschaafde +zoo gaarne wil doen voorkomen als het uitsluitend eigendom van de +"deftige klasse." Die straathandelaars hebben wenschen en verdriet. Ze +kennen vreugde, hoop, teleurstelling... eerzucht misschien. Ze +weten--zoo goed als anderen toch, en waarom niet?--wat liefde +is. Waarlyk, er is iets menschelyks in zoo'n Oud-roest en in het +oude grootmoedertje daarginds aan dien kruiwagen met "zuur." Vygen +verkoopt zy ook. Zie hoe netjes half-decimaal zy ze vyf-aan-vyf heeft +gespietst op stokjes. Zoo'n stokje koopt de jeugd voor 'n duit. De +winst is groot, want de heele ceroen is 'n onvrywillig geschenk van +den kruidenier die 't ding z'n winkel uitwierp, omdat de suiker na +twintigjarigen bewaardienst zich begon omtezetten in iets als +alcohol en sterkriekende gist. Ja, de winst is enorm:... à ls de +jeugd die speetjes koopt. Als! want--en ziehier de oorzaak van m'n +staathuishoudkundige bekommering--vanwaar komt die duit? De vaders +en moeders die hem verstrekken moeten, handelen vlak naast de vygen- +en zuurvrouw in ransige kokosnoot en curaçaosche pienders. [18] Moet +het geld dat hun kind aan die vygen besteedt, niet eerst--en wel boven +'t strikt-noodige voor levensonderhoud--òververdiend zyn op hun eigen +waar? En wie koopt die waar? Hoeveel brokken klapper, hoeveel van +die westindische boontjes, moeten de kleinkinderen van de zuurvrouw +by buurman besteed hebben, om hem in-staat te stellen zyn kroost op +háár vygen te onthalen? Hoeveel vygen moet zy hebben gesleten aan +zyn kinderen voor ze de duit óverheeft, waarmee háár snoepertjes den +koopprys van zyn pienders voldoen? O diepte der verborgenheid, beide +der kennisse en des begrips van den amsterdamschen Jodenhoek! [19] + + + + + + + + Een allernietigst geschiedenisje. Na 't bywonen van 'n middagmaal + in de open lucht, wordt de lezer onthaald op 'n moeielyken tocht + naar de derde verdieping, waar Wouter nog altyd niet vermoord + wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek verzotten + lezer zal de auteur zich weten te troosten. Quo non ascendam? + + +Het wordt tyd terug te keeren naar de zeer byzondere klasse van Joden +die men te Amsterdam vergund heeft een stad te stichten in 'n stad, +en wel bepaaldelyk naar 't oude vrouwtje met die vygen. Zeker neem +ik 't háár niet kwalyk dat zy zich onthoudt van twistgeschryf tegen +professer Oosterzee en andere steunpilaren van 't ware Geloof. Inplaats +daarvan levert zy ons aanleiding tot opmerkingen van geheel anderen +aard, wel beneden de aandacht van sommige lezers misschien, doch de +myne niet onwaard. Al zy 't dan dat m'n intelligentie niet ontwikkeld +genoeg is om doortedringen tot de achterste schuilhoeken van zekere +mysterien--getuige die duit van zoo-even--toch overvalt me soms +'n aanval van fierheid op m'n onwetendheid, tegenover de velen +die zich hunner onwetendheid, niet bewust zyn. Op dit oogenblik, +byv. zoek ik naar de zielegeschiedenis van die vrouw. Want... 'n +ziel heeft ze. En 'n geschiedenis ook. Zy is zuigeling geweest. Zy +is kind, jonkvrouw, bruid, echtgenoot, moeder geworden. En nu is ze +grootmoeder. Misschien wel meer dan dat. Niemand doorloopt een zoo +lange baan zonder ten-minste iets optevangen van de indrukken die hy +ondergaat. Zy heeft velen gekend, sommigen gehaat, eenigen liefgehad, +meer misschien dan eenigen of velen: één! En er waren er, die háár +beminden. Wie, hoe, waarom? Wat gaat ons dit aan? 't Moet zoo geweest +zyn. Zy is moeder geworden, en werd dus eenmaal uitverkoren, al was +'t dan ook maar met de uitverkorenheid van 'n enkel oogenblik. Velen +van hare betrekkingen heeft zy overleefd, en dus by 't doodbed gestaan +van bekenden, vrienden, verwanten, lievelingen. Ook met Staatkunde is +zy in aanraking gekomen voor-zoo-ver niemand geheel-en-al den invloed +kan ontgaan, dien deze uitoefent op iedereen. Toen, toen, en toen, +heeft ze haar kraampje moeten ter-zy halen, of wel geheel sluiten en +wegsleepen misschien, omdat er 'n Prins zou voorbykomen, omdat er +'n Keizer jarig was, omdat de christenen 'n Bededag wilden houden of +'n Dankstond. Misschien ook wel eens omdat de Burgemeester uit z'n +humeur was, want in byzonder vrye landen is niets vryer dan de luimen +der kleine heeren. Hing niet ook zeer dikwyls haar handel af van +'t straatrumoer der revolutien? Wy weten immers hoe de steenen die +door de groote-mannetjes du jour worden geworpen in den oceaan der +Wereldgeschiedenis, kringen vormen, rondom voortkabbelend tot den +uitersten rand der Maatschappy, ook in de diepte zich uitbreidend +tot de onderste laag, waar ze ten-laatste vygen- en zuurvrouwtjes +bereiken? Veel is haar over 't hoofd gegaan, veel heeft haar geraakt, +aangedaan, gewreven, geschokt. En die vrouw zou geen geschiedenis +hebben? Gy die dit meent, erkent liever dat ge verleerd hebt zulke +geschiedenissen te lezen, en tracht dit te herstellen, en wordt niet al +dommer en dommer door u verheven te wanen boven 't allerkleinste. En +vooral... zit niet zoo uilig te wachten op 't lichtstraaltjen uit de +lantaarns van de Prescotten, en de Mac-Auleys en de Mills. De ware +studie van den mensch is: de Mensch. Dit blyft eeuwig waar, al verkoopt +zoo'n studie-exemplaar zure augurken en bedorven vygen aan 'n speetje. + +Ze had traan-oogen, dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk uit +als haar vygen. Rimpels had haar gelaat niet--wàs 't 'n gelaat?--het +waren voren en groeven. Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien +over elkander heen, en de toeschouwer had moeite zich voortestellen +hoe al die vouwen van de overvloedige huid haren weg vonden, en +telkens weer haar eigen plaats wisten intenemen, na zoo zonderling +te zyn heen-en-weer geworpen door de mummelende beweging van haar +mond. Hierin zal dan ook wel eens verwarring ontstaan zyn, maar wat +was er aan te doen? Niemand hield er boek van, en elke plooi hing +waar ze verkoos. Is 't wonder dat die overkompleete lappen wel eens +misbruik maakten van 't volslagen gemis aan tucht en kontrole? + +Het vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van +'n jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest, +'n papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder moeite +en verlies naar den mond geleidde met 'n yzer drietandje, geleend +misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten verloor ze +geen oogenbiik haar zaak uit het oog, en monsterde met kinderkundigen +blik 't onmondig deel van Publiek, dat haar etablissement naderde +of... voorbyging. Want zeer veel kinderen gaven blyk van de wysbegeerte +die ons leert dat aardsche goederen, met vygen en al, niet volstrekt +onmisbaar zyn voor ons geluk, en dikwyls zelfs schadelyk. Misschien ook +was de slapte van de markt het gevolg eener finantieele krisis, gelyk +in den handel soms voorkomt. Om zich edel te wreken, misschien ook +om den snoeplust van andere kinderen optewekken--wie toch doorgrondt +de finesses van den handel?--neen... uit hartelyke genegenheid voor +'t jongetje welks overgrootmoeder ze was, gaf zy 't kind 'n ristje +van haar vygen. Ik moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de +onereuze voorwaarde verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan +moest uitkeeren aan z'n zusje. + +--En mag ik dan 't stokje houden, vroeg de knaap. Heelemaal? 't +Heele stokje? + +--Ja, liewes, jy mag 't stokje houden, heelemaal! + +De oogen van 't kind glinsterden van geluk. Daar ging één vyg +naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver de helft van de +derde. Na de amputatie werd de overschietende helft weer netjes +aangeregen, en: "ik mag 't stokje houden!" juichte de kleine. Toen +'t oudje haar test had leeggegeten, gaf ze die aan 't kind terug, met +liefkozingen en 'n kus. De knaap sprong heen, jubelend het geschenk +voor kleine Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen afstand by +'n groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de blyde mare haar +broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en bezeerde zich... al of +niet, maar schreide zooals vallende kinderen gewoon zyn. + +Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden +namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met +het voornemen háár te vragen naar de woning van den man die 't +smeerige briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder weinig op +'n struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy belast was met 'n +gewichtige finantieele operatie zou veilig kunnen worden neergelegd +in haar schoot. Toch weifelde hy. Ook in Glorioso kwamen zeer oude +vrouwtjes voor, die op 't beslissend oogenblik in welgewapende mannen +veranderden! Terechtwyzing kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy +nu met zekerheid dat-i zich in de straat bevond waar-i "zaken" had, +maar... in welk huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts +nu-en-dan 'n enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol +lappen en lompen. Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van +de vygen- en zuurvrouw, moest naar z'n berekening de gezochte persoon +wonen, doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat bouwvallig huis +kon geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs zooveel duiten +niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger 't onsmakelyk praedikaat +van z'n briefje te begrypen. Want in de gansche straat ontwaarde hy +geen verblyf dat er uitzag alsof daarin ooit 'n wissel kon betaald +worden. Peinzend bleef hy staan, en liet zich 'n oogenblik afleiden +van z'n gedachten door het kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast +als-i was, haalde het juichen van den knaap hem Numeri XIII voor den +geest, waar de verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels +en... vygen. "Ook dáár wordt gesproken van 'n stok, van 'n draagstok," +dacht Wouter, en juist liep hy gevaar zich te verdiepen in... heel iets +anders dan z'n naastbyliggenden plicht alweer, toen hy het tweejarig +Racheltje struikelen en vallen zag. Fluks by-de-hand, richtte hy +'t kind op, en wischte haar traantjes af, en droeg het naar de oude +vrouw, die hem zeer vriendelyk bedankte. + +--Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze. + +Nu weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching +van Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder +gewicht te hechten aan Wouter's nietig dienstbetoon. Dat kind zou wel +vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn. Maar +toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto noch +m'nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig alle +bemoeienis met de zaken van 'n ander verafschuwden, hadden besef van +'t genot der aandoening die de Duitschers Menschenfreundlichkeit +noemen, en waarvoor wy, meen ik, geen woord hebben. 't Is iets als +de vertaling in het dagelyksche, van de hoogdravende Menschenliefde +die maar 'n deugd is voor zeldzame feestdagen, tooneelstukken, +levensbeschryvingen en grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk, +en nooit voelde hy zich zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die +hem gewoonlyk drukte, dan wanneer zich 'n gelegenheid aanbood zich +eens recht welwillend te toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine +voorval den moed het oude vrouwtje naar de woonplaats te vragen van +Roebens, den man dien-i zocht. + +--M'n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake met 'm? Chots seeche d'r +op! Hier woont-i, vlak achter me... kyk, dáár de trap op. Cha jy gerust +na-bove, en loop m'r deur tot 't derde pertaal, waar je die dékes ziet +hangen, en al dat beddechoed, en z'n sjabasj engels-hemt. En je klopt +an de deur naast de cheutsteen, en je roept: Roebe, Roebe! Want Roebe +Roebes hiet-i. En-i is kemissjenèèr in lompe, en m'n êêche kleinsoon, +en Racheltje's fader, werachtich as Chot! + +Deze plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben's +maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder +overbodig dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe +iemand die dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar +dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd +voor dat de beschikker over 'n som die hem zoo aanzienlyk toescheen, +de kleinzoon wezen zou van 'n arme zuurvrouw, en Racheltje's vader. Hy +kende de eigenaardigheid niet die de Joden--zooals veel Aziaten--nog +altyd van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls 'n +redelyke welvarendheid achter schynbare armoed verbergen. Niet zonder +uitzondering, maar--vooral in de lagere standen--heerscht by sommigen +iets dat men het omgekeerde van bluf of reklame zou kunnen noemen, +en als tegenstelling met de Kopperliths komt ons deze opmerking goed +te-pas. Dat de kommissionair in lompen--een der schakels tusschen +papierfabrikanten en voddenrapers--z'n grootmoeder daar op de straat +liet zitten... lieve God, ze verkoos niet anders! Ze was opgebracht +by den handel, by dien handel, en daarby wou ze sterven. Ook was +"zuur" en bedorven kruienierswaar haar specialiteit. In elk ander +"vak" zou ze met handen en hersens verkeerd hebben gestaan, en +zelfs met haar neus. Want ze rook den graad van ontbinding waarin +haar goederen behoorden te verkeeren om te passen in 't kader +van haar ondernemingen. De tachtigjarige oorlog dien ze gevoerd +had tegen flauwen kooplust, slecht weer, lastige policie--eens +namelyk had 'n onwaardige magistraat het veilen van bedorven goedje +verboden... 't is lang geleden!--de leerschool die ze had doorloopen +met taai geduld... zie, dat alles kon ze niet van de meet af opnieuw +beginnen. Haar kunst was zoo lang geweest als haar leven, en wat +er van dat leven nog kon overschieten, zou gewis te kort zyn voor +'t aanleeren van nieuwe kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat +de door haar gekozen specialiteit in-allen-deele aan de illuziën +van hare jeugd had beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting +ontsnapt zyn--'t wordt door wel-onderrichte maar onbescheiden +getuigen verzekerd--"als ik nògeens in de wereld kwam, ging ik in 't +knokenvak!" Maar ze troostte zich by 't bedenken dat ook deze loopbaan +wel haar onaangename zy hebben zou, al scheen dat anders aan wie er +buiten stond. En in-allen-geval, er was geen spraak van dat ze haar +leven zou òverdoen. Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe, +en Jehovah-zelf kon 't niet ongedaan maken dat Vrouw Roebens haar +gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen besteed had. Wat +er in den hemel moet worden aangevangen met zulke zielen... ei, +en de jongeheer Pompile dan, met z'n witte-gronden-driekleur, +en z'n krieuweltjes? En m'nheer Wilkens met z'n diemetten? Welke +ontwikeling brengen dezulken mee in den hemel? En dat zy eenmaal daar +aanlanden, is toch zeker. Want Pompile was van de Walekerk, en Wilkens +hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede gelooven, gelyk ieder weet. + +Wouter bedankte heel beleefd voor de gegeven inlichting, en klauterde +naar-boven. Jammer dat er geen roovers waren op die uitgesleten +trappen, want het was er zoo donker dat men lust krygen zou zichzelf +te bestelen. Het klimmen van onzen jongste-bediende vereischte een +zeer eigenaardige gymnastiek. Heel beneden had z'n rechterhand zich +weten meester te maken van 'n touw. Na 't stygen van 'n paar treden, +was-i wel genoodzaakt z'n oogen te ontslaan van alle dienst, maar +'t gewicht der expeditie kwam des te zwaarder op z'n handen neer, +die slechts van-tyd tot-tyd 'n oogenblik rust kregen als-i wat +vasten grond onder de voeten meende te hebben. De tyd tusschen deze +tempoos in, werd aangevuld door zekere slingering, 'n exercitie +waarvan historie en industrie ons drie toelichtende voorbeelden +aanbieden. Wouter hing daar--maar in 't donker--als de "plukkers" +van vogelnestjes op de Javasche Zuidkust, of: als de verzamelaars van +eiderdons in 't hooge Noorden, of: als de krygslieden van Herodes, +die in hangende bakken de roovers in de rotsen bevechten, gelyk in +'t XIVe boek van Josephus te lezen staat. Wouter kende de plaat die +in de frans-hollandsche vertaling van dat werk ter opheldering daarby +gegeven is, en niet zonder angst berekende hy wat z'n lot wezen zou als +het touw brak. Daar-i volstrekt niet zien kon, zag hy allerduidelykst +de rotspunten en kloven waarop en waarin hy zou neerkomen. Goddank, +de eerste verdieping was eindelyk bereikt, en hy kon wat uitrusten. De +toegang tot de tweede was nauwer, en het touw waaraan hy zich moest +ophyschen, iets gladder en dunner. Met moed ving hy ook dezen tocht +aan, en werkte zich dapper tot 'n portaal hooger op. Hier hoopte +hy dat-i zich 'n verdieping mocht verteld hebben, maar helaas, de +werkelykheid geeft niets toe. Wie slechts twee verdiepingen klimt, +staat niet hooger dan twee verdiepingen. Dit is nu eenmaal zoo: +nil sine labore! + +Wouter tastte rond naar den deurflankeerenden gootsteen, maar +helaas! Hy zag in, dat nog altyd z'n naastbyliggende plicht in stygen +bestond, en dit bleek hem te meer toen hy na eenig zoeken in 't bochtig +portaal, 'n spleet in de voorpui bemerkte, die hem toeliet 'n oog te +slaan op 't buitenhangend garneersel van de vensters. Daar was niets, +niets, niets te zien van 'n "sjabbasj engels-hemt." Er hingen kousen +en mutsen en allerlei lappen te drogen, maar nog altyd woei daar +de vlag niet waarop hy koers zette. Hooger dus, hooger! Wat zoo'n +jongste-bediende op 'n koopmanskantoor zonderlinge naastbyliggende +plichten te vervullen heeft! Die soldaten van Herodes... dit is de +vraag niet. Den derden trap op! Zeker was hy op den goeden weg, want +de uienlucht werd sterker en sterker. Nog 'n beetje volharding, en hy +zou te-land komen in de buurt waar de spys bereid was, die hy beneden +in de bekende vuurterrine had te zien gekregen. Waarlyk, het touw +was ten-eind! Voorzichtig schoof hy den voet vooruit, en bleef grond +voelen, wel 'n halven palm in omtrek. En nòg 'n proef die goed afliep, +en nòg een... hy had iets onder zich, dat vergelykender-wys naar vasten +bodem geleek. Om zich heen tastend ontdekte hy den gootsteen, en al +was er niets te zien van 't feesthemd, hier zou 't wezen! Hy klopte +op den gis tegen den wand, en riep: m'nheer Roebens, m'nheer Roebens! + +--Nou, k'm m'r binne, antwoordde een vrouwestem, wat e skendaal in +'t pertaal! Wâ mot je? Wissels? K'm in, en maak so'n lewaai niet. Me +man is siek. + +Daar er 'n deur geopend werd, kon Wouter nu eindelyk zien. De vrouw +die zich vertoonde, beantwoordde z'n vraag of daar m'nheer Roebens +woonde, bevestigend. En hy trad binnen. + +--Van de heeren Ouwetyd en Kopperlith, stamelde Wouter met 'n mislukte +poging om iets officieels te brengen in stem en houding. + +En hy haalde het smeerige briefje voor den dag. + +--Fader, zei de nog jonge vrouw, d'r binne ze-n-al met een f'n de +wisseltjes... och Chot, de stumpert het 'r f'n nacht fan legge yle! + +Wouter vond het vreemd dat zy iemand scheen toetespreken, want +buiten haar zag hy niemand in de kamer. Dit werd evenwel terstond +opgehelderd. Er klonk antwoord achter de gordynen van 'n bedstee. + +--Je heb 'm wakker gemaakt! zei de vrouw op verwytenden toon. + +--Och, wat spyt me dat, antwoordde Wouter met meer vriendelyke +belangstelling dan z'n funktie meebracht of toeliet. + +Zeker, als 't wisseltje hèm behoord had, zoud-i hebben voorgesteld +'n andermaal eens terug te komen. + +--Wâ sel ik je segge, riep de zieke, ik hep de koors. En f'n wie +komt het? + +--Van de heeren Ouwetyd & Kopperlith... + +--Dâ ken me nie skele. As ik je seg, dâ me dat nix skele ken! Ik +fraag je wie de trekker is. Kyk jy 'ns Ribbetje, of 't briefie +is f'n Sjomele, of 't briefie f'n Bussemakers, of 't briefie f'n +Bebbel Roels in Keule? Want er ferfalle drie f'ndaag... een f'n +sefen-en-dertig, sestien, acht, en een f'n driehondert-drie en een +f'n sevehondert-dertien, ses, twaalf. En geef me nog wat asynwater, +Ribbetje, want ik heb so'n dorst f'n de koors. Sefehondert dertien, +ses, twaalf is f'n Sjomele, en hier is 't gelt. + +Rebekka gaf haren echtvriend iets te drinken. Toen ze daarop Wouter +verzocht haar 't briefje te toonen, hield deze het haar voor, zonder 't +lostelaten. De vrouw toonde zich door dit komiek wantrouwen volstrekt +niet beleedigd. Ze scheen 't niet vreemd te vinden, zoo weinig zelfs +dat ze 'r geen acht op sloeg. + +--'t Is f'n Sjomele, fader. + +--Sefehondert dertien, ses, twaalf, goet! En hier is 't gelt. + +De zieke scheen bezig iets optedelven onder z'n matras. Men hoorde +hem woelen en hygen, en weldra 't geluid van gevulde geldzakken die +tegen elkaar stootten. Rebekka wees Wouter 'n latafel aan, waarop +ter-nauwernood 'n plekje leeg was. Daar zou wel 'n pen liggen, zei +ze. En ook bracht ze hem na eenig zoeken 'n aptekersfleschje met +wat inkt. + +--Ja ... maar ... juffrouw ... + +--Ribbetje, ik hep weer so'n dorst, klaagde de zieke. + +Dit doet me genoegen voor Wouter. Die dorst bewaarde hem voor al +te ruwe uiting van beleedigende voorzichtigheid. Met Rebekka, die +op-nieuw haren man te drinken reikte, trad hy op 't bed van den zieke +toe. Ze scheen bevreesd dat kou of tocht by 't openen der gordynen ... + +--Ik zal je helpen, juffrouw, riep Wouter, meezorgend dat de +opening niet grooter werd dan juist noodig was om 't verlangde +doortelaten. Nadat Roebens gedronken had, reikte hy twee zakken +geld aan. + +--Maar, zei Wouter weifelend, ze hadden me gezegd dat het geld me +zou worden voorgeteld? + +--As ik je seg dâ 'k de koors hep, en siek ben as e geslage man, wâ wil +je? As ik heb geteekent m'n hant f'r betale, na, wâ sel ik doen? Ik +betaal. En as ik teeken m'n hant f'r telle, sel 'k telle. Help 'm, +Ribbetje, en geef me wat drinke, ik heb so'n dorst f'n de koors. En +tel 'm 't gelt foor ... sefehondert dertien, ses, twaalf. + +Het jonge vrouwtje, na haar man gelaafd te hebben, hurkte op den vloer +neer, en Wouter knielde er by. Ze stortte het geld in haar schoot uit, +en wilde beginnen te tellen. Maar 't ging niet. Zyzelf kon niet wys +worden uit de tallooze geldsoorten die haar man had weten by-een te +brengen. Men zou er 'n muzeum mee opgezet hebben. Ook was er geen +plaats, want de vloer lag vol prullen. Ach, de oude Gerrit wist het +wel, en als 'n donderslag klonk Wouter de vreeselyke profetie in de +ooren, "als je 'r afkomt met 'n daalder, mag je van geluk spreken!" Hy +werd zeer angstig. + +Daar stommelde iets op de trap, en 't oude vygenvrouwtje vertoonde +zich in de geopende deur. Ze sprak bargoens, en scheen Ribbetjen iets +te zeggen over dat geld. Het jonge vrouwtje hield op met uitzoeken +en tellen. + +--Fader, d'r is grootemoe, en se seit ... + +Hier volgde een-en-ander dat Wouter weer niet verstond, maar wel +onderscheidde hy eenige keeren den naam van Racheltje. Nogeens begon +de oude vrouw haar verhaal, en ze wees op hem, en scheen zich driftig +te maken tegen al die afgeknabbelde dertiend'halven en schellingen +en byna onherkenbare muntstukken. + +--Na, zei de zieke, 'k heb wel goet gelt ook as 't weze mot. Hier, +Ribbetje, neem an ... + +Hy reikte z'n vrouw 'n grooten zak over, die hy met blykbare moeite +had opgegraven uit z'n beddegoed. + +--Neem an, Ribbetje, en tel er uit ... twee hondert stuks, en dan nog +... twintich stuks, en ... ses. En ... doe 'r 'n achtetwintich by, +die goet is, en ... ses Uiterse duiten, en laat 'm gaan met Chot! En +geef me te drinken, Ribbetje, w'nt ik hep so'n dorst. + +Wouter ontving z'n geld in gerande dukatons, en bedankte zeer +vriendelyk. De welwillendheid van die oude vrouw had hem goed gedaan, +tot roerens toe. Wanneer-i op dat oogenblik in het toekennen van +vereering had moeten kiezen tusschen haar en de zooveel beter geboren +mevrouw Kopperlith ... + +Zonder 't minste opzet om 't rimpelig moedertje natepraten, wenschte +hy haar by 't weggaan duizend goddelyke zegens toe. Haar, en m'nheer +Roebens die zoo ziek was. En de jonge vrouw die zoo liefderyk haar +man verzorgde. En kleine Racheltjen ... o, allemaal! + +Eerst toen hy de straat bereikte, schoot hem in den zin +dat-i--sakkerloot, hoe jammer!--by het teekenen ... z'n krul vergeten +had. Nu, dà t 'n andermaal! Hy was verheugd dat-i menschen ontmoet +had die hem zoo beminnelyk voorkwamen, en dit was meer waard dan de +mooiste krul. + + + + + + + + Alweer over 't kleine. Wouter wordt op post gezet voor de zenuwen + van "mevrouw." Kent de lezer Gus Halleman nog? Verhandeling + over het denken. De auteur maakt tenslotte fiasco in colloquia + prava. [20] + + +Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken +reeds, byna zonder afwisseling rondleid op 'n tentoonstelling van +nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak +... op die nietigheden zeker niet, maar op m'n arbeid. Een zeer +groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit 'n aaneenschakeling +van 't geringe. Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik +deze eigenaardigheid over 't hoofd zag. En aan de goede trouw, +als ik 't deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare +juistheid "aristokratie van den smaak" wordt genoemd. Ook 't woord: +tentoonstellen, is my een niet ongewenschte kwalificatie van m'n +arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken tentoon, die hy van +de wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm ... den zynen! Om +evenwel ook de vele graven en markiezen onder m'n lezers tot moedhouden +optewekken--onder ons gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van zekere +voornamigheid logeeren in stal of keuken--verbind ik my Wouter niet +te laten sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn aan 't een of +ander hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur 'n huis voor hem op +de Keizersgracht. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo'n sprong +noodig is, wacht ik 'n oogenblik van byna krankzinnige tuchteloosheid +af. In kalme stemming zou 't niet lukken. Het is echter de vraag of +hy--aangeland in zóó verheven sfeer--fyner dingen zal te zien krygen +dan de aandoening die 't oude vygenvrouwtje bewoog ook op haar beurt 'n +herodiaansche expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus +haar "handel" over te laten aan de bescheidenheid der voorbygangers, +alleen om Wouter te beschermen tegen al te uitgebreide muntkennis +van haar kleinzoon. + +Wat overigens het aristocratische van den smaak aangaat, de myne is +van edel bloed. Te edel, b.v. om zich aftegeven met de zeer burgerlyke +voorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen schoonheid vatte zonder goud, +fluweel en aanzienlykhedens, en die dus hierin--op de naïveteit na--nog +altyd op de laagte stond van 't kind Wouter. Wat my betreft, ik blyf +aan redelyk goed brood de voorkeur geven boven zieke truffels. Doch, +voor den honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den +smaak. De eenige eisch is: waarheid. Den kunstenaar die hiernaar +streeft, zal al 't andere toegeworpen worden ... natuurlyk op de +toejuiching der koprolithen na, die hy missen kan. + +Wouter oogstte by m'nheer Dieper eenigen lof in over den uitslag van +z'n tocht, en vernam tot hartsterking: "dat-i 't by-gelegenheid eens +weer mocht doen." Maar Gerrit verzekerde dat het niet altyd zóó zou +afloopen, wat ieder weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal. + +De bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel +overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den eersten +dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m'nheer Pompile, het knippen en +opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z'n werk, om nu niet +te spreken van 't vegen op de zolders en in 't magazyn, lokalen waar, +volgens m'nheer Wilkens, voor 'n jong-mensch altyd iets te leeren viel. + +Het is my een gewetensplicht hier alle aanleiding tot zeker misverstand +uit den weg te ruimen, dat zeer veel jongelieden welkomer wezen +zou dan behoorlyk is. Ik verklaar uitdrukkelyk, geen aanmerking te +maken op de soort van bezigheden die men Wouter opdroeg. Niet hierin +waarlyk ligt het zwaartepunt myner aanklacht tegen zekere klasse van +menschbedervers. De stalen moesten nu eenmaal uitgezocht, geknipt en +opgeplakt worden, en die brieven gekopieerd ... wie anders dan hy kon +daarmee belast worden? En zelfs die boodschappen! Geestverheffend +waren al deze werkzaamheden voorzeker niet, doch men neemt geen +jongste-bediende in 'n lappenhandel, met het doel om meetewerken aan +'t verheffen van z'n geest. Dit is evenmin de eisch zyner vorming, +als 't in billykheid verwacht kan worden van de personen die over hem +te beschikken hebben. De bekende spreuk: il n'y a pas de sot métier, +il n'y a que de sottes gens acht ik hier van volkomen toepassing. Een +geest die zich niet weet te ontwikkelen in-weerwil van 't handwerk, +is de moeite der ontwikkeling niet waard. In-weerwil? Dit is de +vraag. Juist zulke nietige bezigheden laten het denkvermogen vry. Ik +meen reeds ergens gezegd te hebben dat ik jaloers was op Spinoza den +brilleslyper ... den geluksvogel! Ook roerde ik in myn Mattheus XIX +de hier behandelde stelling aan. "Uit de Schrift leert men strikvragen +stellen, maar er is veel antwoords in 't denken by 't spinnewiel." [21] +Niemand staat voor 't geringe te hoog, en zeker was dit dan ook 't +geval niet met onzen Wouter, die aan 't breidelen van z'n begeerten zoo +byzondere behoefte had. De kwestie was of-i netjes knipte en plakte, +of z'n kopie korrekt was? Hierin alleen lag z'n naastbyliggende plicht, +en niet in 't onbesuisd haken naar voornamer werkkring. Schreef niet +ook Jezus voor, getrouw te zyn in 't kleine? + +Nog 'n andere bezigheid kwam--aanvankelyk nu-en-dan, later +byna geregeld--voor Wouter's rekening. Hoe weinig er ook in de +zomermaanden "gehandeld" werd, toch kwam het by-uitzondering voor, +dat er verzendingen moesten geschieden "naar buiten." Het "pakken" +van zulke goederen in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de funktien +van Gerrit. Sedert vele jaren evenwel, had deze zich zoo geoefend in +'t voorwenden van allerlei oorzaken tot onthouding van arbeid, dat men +zich telkens genoodzaakt zag de hulp van Flip den kruier interoepen, +en de posten die deze interventie op 't "weekbriefje" te-voorschyn +bracht, bezwaarden het handelsgeweten van den jongeheer Pompile. Uit +eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid eener byzondere styfte van +Gerrit's rhumatiek, de paknaald ter-hand, en werd zoo geprezen over +den uitslag van z'n eerste poging om dat werk te verrichten--men had +het tot-nog-toe voor 'n vak gehouden dat zonder speciale opleiding +ontoegankelyk was--dat de jongeheer Pompile al zeer spoedig hem +gelastte de goedheid te hebben by èlke voorkomende gelegenheid als +pakhuis-knecht optetreden. En inderdaad, de pakken die hy vervaardigde, +waren onberispelyk! Kantig van rand, plat aan de zyden, symmetrisch +gebouwd--gemetseld, had ik byna gezegd--netjes genaaid, wèl bestand +tegen stuwing, wentelen en nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er +was elegantie in de balen die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men +kon ze "over 'n huis gooien" als 'n wel-ingepènd kraamkind uit de oude +bakerschool. "Het is of-i 't al z'n leven gedaan heeft!" betuigde zelfs +m'nheer Wilkens in 'n eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet +erkennen dat ook Wouter schik had in 'n bekwaamheid die hem verraste, +'t Was hem 'n eerezaak dat er nooit klachten werden ingebracht over +avary, noch zelfs over kreukeling, van goederen die hy had toegerust +om de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem schooner dan wrevel, +en het ware te wenschen geweest dat men niet op misdadiger wys z'n +overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd 'n bezigheid voor +hem uitgedacht... neen, 'n bezigheid was 't eigenlyk niet. Het was +'n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus in versuffing +dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar terstond zeggen +dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile zich alweer in de +hier bedoelde zaak van 'n zeer gunstige zyde deed kennen. Op zekeren +morgen kwam de oudeheer het kantoor binnensloffen, en onthaalde het +personeel op de gewone inleiding tot z'n belangryke gesprekken: + +--Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is. + +--Zoo, papa? + +--Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen nacht +gedroomd heeft! + +--Dat is zeker nogal heel akelig, papa! + +--Ze heeft gistr'avend kreeftensla gegeten, weetje? + +--Zoo, papa? + +--En daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit gezegd dat +ze heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig. + +--Dat is wel verdrietig, papa! + +--Niet waar? + +--Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid te zeggen, de familie +Krucker... + +--Ze kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren... + +--Hè, papa? + +--Ja, zóó erg is 't! Want... het ophalen van de draad maakt zoo'n +vreeselyk leven, zegt mama. + +--Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen, +papa? Ze zeggen... + +--Maar, Pompile, wat zullen wy 'r aan doen? Mama lust haar portwyn +ook niet meer... + +--Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa! + +--En ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo zenuwachtig wordt +van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen madera drinkt. + +--Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder zenuwachtig +van madera? + +--Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel gezond +is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is niet +goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar 't helpt allemaal niet, +als er zoo'n vreeselyk leven in huis is. Dat eeuwige schellen, Pompile! + +--Ja, papa! + +--De bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo van. + +--Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, jy moet eens +zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als er dan +iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan 't venster, zieje? En je +ziet... wie 't is? En je vraagt wat ze willen, zieje? En als 't dan +iemand voor de keuken is, dan sluit je de deur, en je gaat zeggen in +de keuken, dat er... iemand voor de keuken is, weetje? En als 't voor +"huis" is, dan sluit je de deur, en je komt hier zeggen aan m'nheer +Eugène... niet waar, Eugène? + +--Hm! + +...dat er iemand voor "huis" is, zieje? En dan zeg je-n-aan m'nheer +Eugène wie er is. En tegen de menschen zeg je dat mevrouw zoo ziek +is, zoo byzonder erg zenuwachtig, moet je zeggen. Maar denk er aan, +dat je-n-altyd de deur van den kelder sluit. Ziet u, papa, dan wordt +er niet gebeld, en... als dan mama weer beter is, kan ze naar-buiten, +papa. Want ik heb gister de Hockers gesproken, papa, en hun gezegd... + +Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan +de Hockers gezegd had? Vorder 't onmogelyke niet, lezer! Zonder nu +juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter's +eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten 'n groote rol in m'n +geschiedkundige navorschingen. Geen lid van de beroemde familie Hocker +heeft zich verwaardigd my iets meetedeelen van 't gesprek waarop hier +de jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat Wouter-zelf aangaat, hy +stond reeds lang op-post achter de glasdeur van 't magazyn, voor die +teedere zoon z'n papa deelgenoot maakte van de Hockersche konfidentie. + +Ja, daar stond-i! Met z'n gewonen dienstyver hield hy de linkerhand +aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, voor 't geval +dat iemand zich verstouten mocht mevrouw Kopperlith's zenuwachtigheid +te prikkelen door onbescheiden bellen aan de bovendeur. Zóó stond-i +daar dan uren achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht +voor mevrouw Kopperlith's rust! Geen vlieg zou kunnen naderen +zonder aangeroepen te worden. Nooit bracht 'n schildknaap die zich +voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie +mee in z'n wapen-vigilie dan Wouter aan z'n afmattende taak ten-koste +lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! Dat +z'n naastbyliggende plicht alweer met z'n wenschen noch met z'n +gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet, +en z'n wenschen telden niet mee. Het sprak vanzelf, begreep hy, +dat men zich moeite en onaangenaamheden getroosten moet om "iets te +worden in de wereld" en 't kwam niet in hem op dat er misbruik werd +gemaakt van z'n goeden wil. Hy beschouwde de vreeselyke verveling +die hy te bestryden had--en den stank!--als zoovele vyanden die +op-straffe van lafhartigheid moesten verslagen worden, en hy week +dus niet! In gewone gevallen zou het niets-doen-op-zichzelf hem +geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer spoedig in de vryheid zyner +gedachten 'n middel zou gevonden hebben tot bezigheid niet alleen, +maar zelfs tot uitspanning. Geen gegeven was hem onbruikbaar tot +punt van uitgang. Een luchtbelletjen in de vensterruit, de richting +van de reien der straatsteenen, 'n voorbydryvend wolkjen... alles +en 't minste was voldoende om hem aan 't denken te brengen en te +houden. Maar juist dit was hem ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van +'t besef zyner naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds +byna gereed met z'n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat +wezen zouden 'n examen afteleggen als hulp-onderwyzer, toen de jongen +van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om +de taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten +in haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z'n nalatigheid, en +beloofde zich plechtig z'n neiging tot denken, vorschen, uitpluizen, +redeneeren, te offeren op 't altaar van z'n onverheven plicht. Zoo +ver mogelyk liet hy z'n blikken rechts en links de straat beheerschen, +om by-tyds--en liefst te vroeg--te kunnen beoordeelen welke onverlaat +'n storing der rust van mevrouw Kopperlith in 't schild voerde. Maar +zéér ver reikten z'n bespiedende oogen niet. Aan-weerszy werden de +beenen van den hoek dien hy overzag, door de uitbouwsels der stoepen +saamgedrongen tot 'n engte die voortdurende oplettendheid vorderde, +en hem telkens plaagde met den angst dat z'n waarschuwing te laat +komen zou. De gedachte rees in hem op: als ik maar voortdurend tikte, +en iedereen van 't beklimmen der stoep terughield? Hm... dat zou +gek staan! Wat zou ik zeggen? "M'nheer, ben je-n-ook misschien van +plan hier aanteschellen aan de bovendeur?" Hy zag in, dat dit niet +kon. En ook, dat er in den handel 'n groote mate van geduld noodig +is. En dan... dat pynlyk slapen van z'n linkerbeen! + +Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van z'n +loopbaan slechts twee keer 'n fout. Eens had 'n bedelbrief-industrieel +z'n waakzaamheid verschalkt, door by arglistige overklimming van de +achterleuning der stoep, de bovenbel te bereiken. De jongeheer Pompile +was er zeer verstoord over, en ook Wouter-zelf voelde verdriet. Wat +zou er van hem worden by zoo'n slordige plichts-vervulling? + +Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door den +kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor +den neus dicht, en ging op 't kantoor aan m'nheer Eugène zeggen: dat +mevrouw Kalbb daar was: "voor huis" naar-i giste. Zeker, ze kwam voor +"huis" en was zeer boos "dat die jongen 't in z'n hersens had genomen, +háár niet doortelaten." Wouter ontving by deze gelegenheid onderricht +in 't groote verschil tusschen: "papa's eigen dochter, mevrouw Kalbb, +weetje, de eigen vrouw van den konsul van 't heele land Elsas, weetje, +en... allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in 't magazyn!" + +Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel +inderdaad 'n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet +achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith's +aangaat... wat wisten zy daarvan? Het verslonsen eener ziel is geen +handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. In-plaats daarvan +hielden ze treffende verhandelingen over 't bederf der kleuren +van de stapeltjes die vooraan in 't magazyn beschenen werden door +'n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren met +'n stuk zaklinnen of papier, want: + +--Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer dà t van my! + +Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z'n +oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld +als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z'n gemoed +aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter +wàs niet eens 'n broeder. Geen neef zelfs. Hy was 'n burgerjongetje, +en de heeren Kopperlith woonden op de Keizersgracht. Ze behoefden +'t zich niet aantetrekken dat hy zich daar stond te vervelen en +te versuffen tot krankzinnig-wordens toe! Misschien zelfs wisten +zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar welke professor had dan +overredingskracht genoeg bezeten om hen te doordringen van 't besef +dat gekleurde lappen 't licht niet verdragen kunnen? Wie toch had déze +wysheid weten intepompen aan zulke indociele gemoederen? Magnus Apollo! + +Doch zie, dat geestverdoovend schildwacht-staan was 't ergste niet! Aan +veel gevaarlyker proef werd Wouter gewetenloos blootgesteld door de +hem opgedragen taak om elken ochtend de brieven van de post te halen, +of liever: om te vragen of er brieven waren? Want drie, vier malen +'s weeks kwam hy met ledige handen op 't kantoor. De toon waarop +hem dan de jongeheer vroeg: "of er alweer niets was?" maakte den +indruk alsof hy 't helpen kon dat niemand 'n wittegrondje-driekleur +bestelde. Toch was hem die gang naar 't postkantoor en 't wachten +daar, een der minst onaangename plichtjes van z'n betrekking, en +hierin lag juist het gevaarlyke. + +De soort van 't gezelschap waarmee hy daar kennis maakte, heb ik +reeds met 'n enkel woord omschreven. Indien niet Wouter door byzondere +omstandigheden in deze levensperiode was voorbeschikt tot afdwaling, +zou hy voorzeker in dien omgang geen smaak hebben gevonden. Maar er +bestond by hem wel degelyk aanleiding tot misgrypen, en zelfs byna +noodzakelykheid. Sedert eenigen tyd voelde hy zich ontwassen aan +al het kinderlyke zyner eerste ideaaltjes, en al zocht hy nu niet +uitdrukkelyk naar aanvulling van de hierdoor teweeggebrachte leegte, +toch onderging hy onbewust de gevolgen van die ylheid. Ware dat eerste +hoofdstuk van z'n zieleleven opgevolgd door ingespannen arbeid--ook +zelfs door schynbaar vernederenden arbeid, mits: vermoeiend!--dan +had de overgang van kind tot mensch geleidelyk plaats gevonden, +en er zou weinig of geen kracht zyn verloren gegaan, iets wat in +psychologie, als in werktuigkunde, de eisch is. Hierop waren dan +ook de vermaningen van Holsma voornamelyk gegrond. Wouter moest +genezen worden van z'n voorliefde voor 't kontemplatieve, de klip +waarop zoovelen--en de slechtsten niet!--te-gronde gaan, en die +hen doet aanlanden in de buurt waar ze 't minst te-huis behooren: +by de luiaards. De hier bedoelde methode laat zich, zonder de minste +aanspraak op wetenschappelyken klank--maar de uitdrukking is er niet +minder schilderachtig om--samenvatten in 't huisbakken voorschrift: +"zit niet te droomen, steek je handen uit!" Denken is voorwaar +des menschen edelste bezigheid, maar juist het wèl denken schryft +handeling voor. De maat der splitsing tusschen 'n geoorloofd toegeven +in bespiegeling, en dat: "handen-uitsteken" is evenwel geenszins voor +allen gelyk. Dit laatste is niet by-uitsluiting laag by den grond. Het +eerste niet, op en door zichzelf, verheven. De verhevenheid ligt in de +korrekte toepassing van beiden. Een onpraktische droomer staat waarlyk +niet hooger dan de domste "man van zaken." We kunnen evenmin in de +wolken wonen als in den modder, en er bestaat geen enkele reden om +aan 't vervliegen van geest de voorkeur te geven boven 't smoren van +geest. Het maat-houden tusschen deze beide uitersten is onze taak, +en niet alleen ontwaren wy telkens groot verschil in neiging tot +overslaan, wanneer we onderscheiden individuen met elkander vergelyken, +maar zelfs in den enkelen mensch bestaat groote onregelmatigheid. In +sommige perioden van het leven hebben wy ons in acht te nemen tegen de +gevaren van onberaden vlucht. 'n Andermaal moeten wy onszelf opwekken +en inspannen om de mollegangen te verlaten waarin we bezig-waren ons +te versteken. Uit de wet der traagheid alweder is het te verklaren +dat wy, na terugkeer van den verkeerden weg, ons vergissen in de +maat van afwyking aan de andere zyde. Dit oscilleeren is geestelyk en +zedelyk leven. Hoe kleiner de boog, die de tong der balans beschryft, +hoe beter, maar volslagen stilstand zou de dood zyn. + +Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht +met die vreeselyke "naastbyliggende plichtjes" vorderde wel zware +inspanning, doch wortelde niet in 'n beginsel. Hy deed dit omdat-i +by-uitstek dociel was, en 't werd hem voorgeschreven door iemand dien +hy achting toedroeg. Er scheelde weinig aan, of hy zou 't zichzelf +hebben toegerekend als 'n goedige poging om dokter Holsma pleizier +te doen. En deze beschouwde z'n voorschrift eenvoudig als 'n tydelyk +middel om hem zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen +van z'n leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat: +"handen-uitsteken" behoefte had, een ziekteverschynsel waaruit zich +myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. Indien ik over +hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren leerjongen by +'n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de grenzen van dit +ambacht te bepalen--'n smid met Wouter's gaven zou zich onmisbaar +ontwikkelen tot 'n Krupp!--maar om z'n al te eenzydige neiging +tot het kontemplatieve te-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor +zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan 's avonds +neervallen op z'n stroozak, en den volgenden morgen geen herinnering +hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na 't uittrekken +van z'n tweede kous, ja van z'n eerste misschien. En wat het opwekken, +aanwakkeren en voeden van z'n zucht tot bespiegeling aangaat, juist +dáártoe is niets geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning +van spieren vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting +"halt!" toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat oogenblik werken de +geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men +zich meent bezig te houden: alleen met denken. + +Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den +blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dà t, of +zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien +had kunnen zetten waarvan z'n ziel vervuld was, doch die hy nu niet +verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. En, +by-gebreke van zoo'n handleiding liep hy gevaar... + +Wel zeker, hy maakte kennis met die jongelui by 't postkantoor! Zy +zouden 't hongerig zieltje vullen met hun voosrype wysheid. En Wouter's +eetlust was groot! Niet alleen psychologisch leed hy honger. Ook +in maatschappelyken en huiselyken zin was dit het geval. Hy voelde +behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet +voldaan werd. En wat de "heeren op 't kantoor" aangaat... ze deden +er niet in. + +Doch in gezelligheid werd wèl "gedaan" door die jongeluî aan +'t postkantoor. Nu ik eenmaal--met stoute miskenning der waarheid +zoowel, als van de lokaal-kleur--de heeren Ouwetyd & Kopperlith tot +'n "handelshuis" heb verheven, durf ik even ongepast die loopjongens +bevorderen tot kantoorbedienden. Zoo namelyk betitelden zy zichzelf. De +eerste aanleiding tot kennismaking werd geleverd door de ontmoeting +met een der Hallemannen. Ook hy was: "jongste-bediende." Wouter sprak +hem aan, en zei: "Gus!" + +--Ah zoo... je bent Pieterse, geloof ik. + +Wouter keek vreemd op by dit "geloof". Maar Pieterse wà s-i. + +--Ja zeker, Gus. Wèl, ken je me niet meer? + +--Ik ken je wel, maar ik moet je ronduit zeggen dat ik geen +kinderachtigheid verdragen kan. 't Lykt wel of we schooljongens zyn, +zoo praat je! + +Wouter begreep er niets van. De zaak was, dat-i: Halleman had moeten +zeggen. Hy leerde dit, en weldra begon-i ook z'n eigen familienaam +mannelyker en aanzienlyker te vinden dan: Wouter. Hy zag al zeer +spoedig dien Gus voor 'n groot man aan, die 'n breede opvatting van +'t leven had. De kwajongen was dan ook inderdaad 'n tweetal jaren ouder +dan hy, en wel twintig in kennis, gelyk we zien zullen, of nagenoeg. + +Ach, lezer, ik heb 'n verdrietig werk te doen. Vloek over de +ellendelingen die m'n Woutertje blootstellen aan zùlke kennismaking! + +--En by wie ben jy op 't kantoor? + +--By de heeren Ouwetyd & Kopperlith... Keizersgracht, weetje? + +--Hm! Dat's nu juist zoo'n heel groot huis niet! In 't geheel niet. Wy +doen in koffi. Jelui doet, geloof ik, op Smirna, hè? + +--Dat weet ik nog niet, zei Wouter, ik ben er pas. + +--Zóó? Weet je dat niet. Nou, dat's 'n rare! + +Nieuw aangekomen "jongeluî" sloten zich aan, en hadden heusch als +wezenlyke menschen gegroet met: "morge, heeren!" Misselyk en komiek, +maar 't was zoo. En Wouter vond dien toon uitstekend. Hy had zich +zoo'n verheffing zelfs in 'n droom niet durven voorstellen. Helaas, +hy die zoo kort geleden nog in den omgang met zichzelf zich wys-maakte +dat-i god wà s, en koning... worden zou, hy voelde zich gestreeld +'n stuk heer te zyn in de oogen van kwajongens die almede voor iets +als heeren wilden doorgaan! + +--Zeg, dà t's 'n rare! Hy weet niet eens waarin ze doen. Hoe vind +jelui die? + +De "heeren" vonden 't byzonder gek. En Wouter, die zeer gevoelig was +voor spot, werd verlegen. + +--Maar, zeid-i stamelend, je vroeg iets van Smirna, en dà t begreep +ik zoo gauw niet. Een van onze jongeheeren is te Rome. Meen je dà t +misschien? + +--Wy zyn op Portugal, zei 'n derde. + +--En wy op de Oostzee. Granen, weetje? + +--Hoe héét dan je huis? vroeg 'n vyfde. + +Wouter noemde de firma. + +--Wel, wat bliksem... + +'t Sprekertje vloekte alleraardigst. En dit deed het heele +troepje. Toch ging 't de mannetjes niet glad af. Men kon duidelyk +bespeuren dat ze nog niet recht thuis waren in de handige toepassing +van al hun mannelykheid. Dit was er 't grappige van. + +--Wat bliksem, dat is in manufakturen! Weet je dà t niet? In +manufakturen, zeg ik je. + +En de spreker-zelf betuigde dat-i "in" assurantie was. + +--Kyk maar, daar heb je polissen. Dat zyn allemaal polissen, weetje? + +En allen beschouwden met eerbied 'n pakje blanko-dokumenten, dat de +loopjongen zoo-even uit den kantoorboekwinkel gehaald had. + +--Ja, ja, polissen! zei Gus, met 'n nadruk die zooveel beduidde als: +"ik weet precies wat dat voor dingen zyn. Ik heb er ook in gedaan." + +--Kyk, wat 'n mooie meid! + +--Pst, pst! Hei! Kom 'reis hier! + +Het dienstmeisje dat zoo hoffelyk werd aangeroepen, spuwde op den +grond, en liep door. Het beste wat ze doen kon! Ze hoefde niet de +minste kuisheid te-hulp te roepen om zich zedig te betoonen. + +--'t Is Mie uit de bakkery, zei 't huis op Portugal. Nou! + +Welke lezer verstaat dit "nou?" + +--Nou! zei 'n tweede. + +--Nou! herhaalde 't koor. + +Wouter begreep er niets van. En dit was te dommer van hem, omdat hy de +gelaatstrekken zag, die dezen uitroep vergezelden. Kon hy 't helpen +dat-i nog altyd de hiërogliefen van gemeenheid niet grif lezen kon, +die al dat genou illustreerden? Erg genoeg dat-i weldra die taal zou +leeren verstaan. Vloek over de Kopperlith's! + +Waarschynlyk keek hy onnoozel, want een van z'n leermeesters vroeg hem: + +--Ben jy op 'n kantoor, jy? + +--Ja... in... manufakturen, heusch! antwoordde Wouter. + +--Weet je wat ik geloof? Ik geloof dat je nog maar 'n nuchter kalf +bent. Dà t geloof ik er van! + +En deze overtuiging werd bezegeld met 'n kernachtige +heerenuitdrukking. + +--Hy is zoo onnoozel als... + +Als 't een-of-ander maar, dat niet onnoozeler behoeft te zyn dan wat +anders, wanneer 't slechts terdeeg gemeen klinkt. De bedoeling zal +geweest zyn dat-i byzonder onnoozel was. + +--Zeg, weet jy nog niet eens waar de kindertjes vandaan +komen? Nou... dà t mankeert er maar aan! + +Goddank, dit wist Wouter! En als hy 't niet geweten had, zou hy hier +in de gelegenheid geweest zyn het te vernemen, en wel op 'n manier sui +generis. Ook andere wysheid was hier optedoen, die wel strikt genomen +evenmin nieuw was voor den leerling, maar welke hem dan toch werd +meegedeeld in bewoordingen die hem onbekend waren. Uit verregaande +mannelykheid hield hy zich als sedert lang behoorlyk ingewyd. Hy gaf +zich moeite om zoo wys mogelyk te lachen, wat hem slecht afging en +heel leelyk stond. + +'t Was 'n liederlyk troepje. Ik heb op dit oogenblik geen lust +uitvoeriger te zyn. + +Wat Wouter aangaat, hy werd by dat Postkantoor bedorven voor-zoo-ver +hy te bederven was. Dit blyft, met of zonder uitvoerige beschryving, +treurig genoeg. + + + + + + Over zekere volksverhuizing die--by groote uitzondering, + voorzeker!--inderdaad heeft plaats gehad. Wouter, al lager en lager + zakkende, komt eindelyk te-land achter de "britschka van Papa." + + +Op zekeren dag was er 'n groote beweging op de Keizergracht by de +Vellestraat. De vensters der bovenverdiepingen aan den overkant prykten +met dienstmeisjes die dagdievend op den uitkyk stonden. Misschien +ook gluurden enkele stervelingen die zich verbeeldden oneindig +verhevener standpunt intenemen, door 'n kykgaatjen in de gordynen der +beneden-voorkamers. Voorbygangers die meer tyd hadden dan bezigheden +of voortvarendheid, bleven staan by 'n schouwspel... + +Hier zou nu romanshalve de beschryving van dat schouwspel moeten +volgen. Helaas, lezer, wat zal 'n arme auteur doen? Er was, om +de waarheid te zeggen, eigenlyk niets byzonders te zien, en de +opmerkzaamheid van die dienstmeisjes, voorbygangers en... anderen, +was maar 'n blyk te meer van de bekende armoed aan indrukken, die +ik reeds in den tweeden bundel behandelde. Wilt ge die bladzyde eens +naslaan lezer? (Verz. Werken, IV:37, I. 451.) + +"De Kopperlith's gaan naar buiten" verhaalden elkander de Grietjes +en Mietjes uit de buurt. En wie zich byzonder goed onderricht wilde +toonen, kwam 'n half-uurtje na 't ontvangen van die boodschap terug met +de vraag: "zeg eens, weetje wel dat de Kopperlith's naar-buiten gaan?" + +Ik zou 'n onwaardig geschiedschryver wezen, als ik verzweeg dat zich +hier-en-daar 'n variant voordeed. Drie mevrouwen, negen "juffrouwen", +zeven-en-twintig kameniers--tevens linnen- en kindermeiden--verzekerden +niets, maar namen zich voor, by de eerste gelegenheid te onderzoeken of +'t wel wezenlyk waar was dat de Kopperlith's naar-buiten zouden gaan? + +Ja, zeg ik. Ja! Ja! Ja! De Kopperlith's zouden inderdaad +naar-buiten gaan. Er lag 'n zolderschuit voor de deur. Om nu den +niet-Amsterdamschen lezer, die evenmin weet wat 'n "zolderschuit" +is, als wat "voor de deur liggen" beteekent, te doen verlangen naar +'n herdruk met noten, geef ik hier de onheldere toelichting dat +'n zolderschuit zeker brak-watervaartuig is, zonder zolder, maar +met 'n vloer. "Voor de deur" beduidt hier zooveel als in de gracht +"waarop" het huis staat. Wie hiervan nu niet veel begrypt, geeft blyk +van zekere bekwaamheid, maar 'n Paryzenaar of andere buitenman moet +zich niet verbeelden dat men zoo op-eenmaal 't ware begrip hebben +kan van de eigenaardigheden eener stad als Amsterdam. + +Een zolderschuit lag alzoo voor de deur, en de gedienstige geesten +van den huize waren druk in-den-weer met het aansleepen van den +inboedel. Oppervlakkig kan het bourgeois voorkomen, dat de begrooting +van de familie Kopperlith geen dubbel stel meubels dragen kon. Eilieve, +om dat verhuizen was 't juist te doen! De buren en voorbygangers +moesten de zolderschuit en de bereddering zien, die hier op de +Keizersgracht denzelfden ontzag-inboezemenden dienst deden, als de +beeremuts van Holsma's koetsier by de Pietersens. En dit moest nogeens +geschieden in 't laatst van Oktober, by het thuiskomen. Ook dan weer +zou de heele buurt zeggen: "weet je wel dat de Kopperlith's weer in +de stad zyn?" Er is niets wat zoozeer op de eigenaardige zotternyen +in zekeren stand gelykt, als de... zotternyen in 'n anderen stand. Wie +er een kent, kent ze allen. + +Alle-man was te-hulp geroepen. Daar waren Flip de kruier met +z'n kameraden. Ook de koetsier met 'n paar geïmprovizeerde +noodhulpen. Gerrit's rhumatieke styvigheid bleek dien dag redelyk +lenig, misschien wel omdat "die Wullekes" niet in de zaak betrokken +was. Zelfs--o hemel!--werd er meegeholpen door de kamenier, +en--o, honderd hemels!--door de "juffrouw." Ieder ligtte, schoof, +reikte aan, zette te-recht, droeg, stutte, duwde, trok en riep: +"voorzichtig!" De intelligente lezer begrypt dat de "juffrouw" die +'n ontzettend quantum fatsoen had optehouden of... te veroveren, +zich slechts waagde tot aan de huisdeur, en... schuchtertjes maar! De +voorbygangers mochten eens ontdekken dat ze handen aan 't lyf had. En +de kamenier-linnenmeid... nu ja, ook deze waardigheidsbekleedster was +niet gehuurd op kruierswerk. Ieder moet z'n stand ontzien, en ze kwam +dus niet verder dan de derde stoeptree, wèl geteld. + +Al die meubels moesten naar Groenenhuize. "Mama" zou volgen met +byzondere gelegenheid. Hoe 't gelukt is, haar uittepellen... neen, +deze uitdrukking deugt niet. Ik dacht aan limburger peteunekes, maar +die behoeven niet héélgehouden te worden, en dáárop kwam 't in dit +byzonder geval juist aan. Met 'n speld pluist men zulke alikruikjes +by stukjes en brokjes uit hun huisjes, en de weledelgeboren Vrouwe +Mevrouwe Kopperlith moest uit haar zy- en binnenkamer worden voor +den dag gehaald... integraal! Dit slechts weet ik, dat zy weinige +dagen later den bodem van Groenenhuize bezwaarde, en dat ook de +oudeheer z'n verveling daarheen overplantte met wortel en tak. De +jongeheeren vertrokken vrydags-avends of saterdags-ochtends uit de +stad, en kwamen meestal 's maandags terug. Gerrit en z'n egae Jans +werden, zooals sedert jaren de gewoonte was, tot huisbewaarders +bevorderd. De ware, echte, fatsoenlyke zomer was alzoo aangebroken +en de jongeheer Pompile kon z'n woord lossen aan de Pleiers en de +Hockers en de Kruckers... goddank! + +Intusschen was Wouter's verveling op 't kantoor, op de zolders, +en in 't magazyn, niet gemakkelyk naar den eisch te beschryven. Het +pynlykste daarby was dat-i zich altyd moest aanstellen alsof hy wat +uitvoerde. Want m'nheer Wilkens beweerde dat er voor 'n jong-mensch +altyd iets te doen was: "leer dà t van my!" + +Dit is waar, o m'nheer Wilkens! En ik zou byna durven verzekeren dat +er ook voor 'n oud mensch gewoonlyk iets te doen valt. Maar dit was +de vraag niet. De vraag was wà t men aan Wouter te doen gaf. Of er +voedsel voor den geest stak in dien arbeid? Heilzame vermoeienis voor +'t lichaam? Geveegd hà d-i. Gekopieerd hà d-i. Stalen uitgezocht, geknipt +en opgeplakt, hà d-i. Hy kende de patroontjes van al die gekleurde +sitsen uit het hoofd, met de nummers van het stalen-kontraboek +er by... ja heusch, en zelfs in den droom! Dat slangetje met 'n +gebroken kruisjen en 'n wipjen of 'n brokkelig moesjen op 'n blauwig +marmer grondje, was... zesduizend zooveel, waarlyk! En zeventien +nummers lager stond hetzelfde patroon, maar de moesjes waren rond, +en 't wipje wipte wat minder. En die diemetten, en die fancy-checks +en die fancy-stripes... och, hy wist het aantal draden op elken +inch van schering en inslag! En wat er te rekenen viel, was niet +meer moeielyk: "zooveel pounds, shillings en pence, tegen twaalf en +drie." En al begreep hy dan den allereersten keer niet wat er bedoeld +werd met dit jargon van den koers, hy vatte de zaak toen men ze hem +eenmaal had gelieven uitteleggen. In z'n Strabbe kwamen moeielyker +"sommen" voor. Wezenlyke inspanning kon hy slechts plaatsen in z'n +stryd tegen verveling, zeker een der onwaardigste manieren waarop +'n jongmensch z'n ziel verkwisten kan. En 'n oud mensch ook. Voor +Wouter was hiervan het onmiddellyk gevolg dat de "gezelligheid" by +'t postkantoor op al te willigen bodem viel. + +Reeds jaren geleden [22] heb ik er op gewezen hoe het horror vacui [23] +der oude natuurkundigen zich ook in het zedelyke alom openbaart. Men +behoorde van deze eigenschap der dingen gebruik te maken in de +opvoeding. De ziel heeft 'n opzuigend vermogen. Men houde haar gezond +voedsel voor en ze zal versmaden wat vuil is omdat ze dan daarvoor +geen ruimte heeft. [24] + +Men vulle het kind met kennis, men make hem gewoon aan begrypen +en weldra zal 't hem stuiten iets aantenemen dat, met z'n weten en +begrip in-stryd, zoowel 'n miskenning van z'n oordeel wezen zal, als +'n beleediging van z'n smaak. + +Dit was by onzen Wouter ten-eenen-male verzuimd. Het weinigje kennis +dat men hem had meegedeeld, was op-verre-na niet voldoende om z'n +aandrift tot kennen, weten en begrypen te bevredigen. Zoolang hy kind +was, had z'n fantazie 't noodige verricht, en meer dan dat. De tyd was +nu gekomen dat-i zich vermoeid voelde van 't vruchteloos grypen naar 't +onmogelyke. Z'n begeerten gingen rond als brieschende leeuwen, zoekende +wat er te verslinden viel... och, alweer 'n beeld dat niet deugt! Er +werd niet gebriescht en niet rondgegaan. Hy knaagde ontevreden op +'t weinige dat hem werd toegeworpen, en voelde zich ongelukkig, 't +Ergste was dat-i alleen zichzelf de schuld gaf van z'n toestand. Ieder +ander, meende hy, was beter, wyzer, bekwamer, gelukkiger, dan hy, +en in zekeren zin was dit de waarheid. We mogen vaststellen dat +noch de jongeheer Pompile, noch de kantoor-satraap Wilkens, geleden +hadden onder 'n wanverhouding tusschen hun gaven en de aanwezige +middelen tot uiting, zooals die welke by-voortduring het evenwicht +van Wouter's gemoed verstoorde. Elke afleiding werd hem welkom, en +van keus was geen spraak meer. Hy zoog op wat zich voordeed. Ware +hy in aanraking gekomen met drinkers... hy had gedronken. Met +dieven... hy had gestolen. Met godzalige jongelingen... hy ware aan +'t preeken en katechizeeren gegaan. Zelfs zóó ver daalde hy af, +dat-i--opgeblazen nu van z'n recente postkantoorsche wysheid--berouw +voelde over de onnoozelheid waarmed-i juffrouw Laps zoo teleurgesteld +en geërgerd had. Berouw? Neen! Maar... schaamte toch. Hy trachtte +zich optedringen dat-i 'n volgenden keer... hm! Zou die volgende +keer ooit komen! 't Geval was vreemd geweest, zeer vreemd! Zoo-iets +gebeurt maar eens in de eeuw, meende Wouter, die zich al z'n vroeger +onbegrepen romanlektuur voor den geest bracht, en daaruit meende +te moeten opmaken dat nietigheidjes als waarvan hy er een... byna +ondervonden had, de spil zou zyn waarom zich 't leven draait. De lezer +weet misschien dat zulk misgrypen in schatting van belangrykheid nog +steeds by ouderen dan Wouter, zeer ten-nadeele der ware zedelykheid, 'n +zotte rol speelt. Ook hier kan Larochefoucauld's ceux qui s'appliquent +(trop?) aux petites choses, enz. van volle toepassing geacht worden. + +Toch was Wouter er niet beter om dat-i berouw voelde over 't gebrek +aan ondeugd, waaraan hy meende zich te hebben schuldig gemaakt. En +dit voelde hy zeer goed. Hy dacht niet gaarne aan wat hem vroeger +liefelyk voorkwam, jazelfs dit durfde hy niet! Z'n herinneringen aan +de indrukken die Femke hem meedeelde, z'n eerzucht, z'n lust om met +'n beetje almacht het goede te bevorderen, z'n onverzadelyke begeerte +om de oorzaken der dingen te kennen... och, dit alles hinderde +hem. Even ontevreden als immer met z'n tegenwoordigen toestand, +had hy zoomin lust zich bezig te houden met het verledene, als met +'n toekomst waarover 't bestuur hem ontglipt was omdat schuldbesef +idealen bederft. Tot krachtig hopen is reinheid noodig, en wèl is 't +grof en dom van godenmakers, dat zy, om afdwaling te bedreigen met +straf, meenden behoefte te hebben aan 'n à ndere hel dan 't verlies +van die reinheid meebrengt. Het ambt van paradys-uitjagende Cherub is +'n ware sinekuur. + +Eens, op-straat--boodschappen doende voor den jongeheer Pompile, +natuurlyk--bepeinsde Wouter 't nieuwste nieuwtje van ontwikkeling, +dat dien morgen door een van z'n kameraadjes aan 't Postkantoor was +ten-beste gegeven, en zie... daarginds zag hy Femke aankomen. Hy +keerde zich om en sloeg 'n dwarsstraat in. Waarom toch? Tot 'n beetje +vermindering van z'n schande moet ik hierby zeggen dat-i den avend +van dien dag langen tyd wakker lag voor hy den slaap vatten kon, +en dat hy lust in schreien voelde. Maar hy kon evenmin schreien als +slapen. 't Was zeer pynlyk, en hy nam zich voor... ja, wà t? + +Met schrik bedacht hy dat het tydstip waarop Holsma hem had +uitgenoodigd verslag te komen brengen van de pogingen om altyd z'n +naastbyliggenden plicht te doen, sedert lang verstreken was. Ook dien +goeden dokter zoud-i gemeden hebben, wanneer hy hem op de straat in +de verte had zien aankomen. En misschien zelfs pater Jansen... 'n +slecht teeken! + +--Toch zou ik wel 'ns willen weten, dacht-i, waarom die goeie pastoor +zoo doof is aan z'n linkeroor? + +Hierover peinzende viel-i ten-laatste in slaap. + +'t Was donderdag geweest en vrydag geworden, en Wouter werd, op +'t kantoor komende, verrast met de uitnoodiging om den volgenden +dag zich te komen verlustigen op Groenenhuize. De jongeheer Pompile +verwaardigde zich in hoogsteigen persoon hem deelgenoot te maken van +deze genadige beschikking, niet zonder Wilkens 'n wenk te geven dat +de tien stuivers welke den betrokkene voor reiskosten moesten worden +uitbetaald, zeer gevoegelyk konden geboekt worden op: huishouden. + +--Niet waar, Eugène? Zeg jyzelf nu eens of zulke uitgaven de zaken +aangaan wat je noemt de zaken? + +--Hm! + +--Juist! Niet waar? En wat zeg jy, Dieper? + +--Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, weet u, +'t zyn kleinigheden, niet waar? + +--Precies! En daarom zeg ik altyd... maar, kyk, daar komt my iets nog +beters in den zin. Zeg, Eugène, weet je-n-ook of Calbb en Hersilie van +plan zyn morgen op Groenenhuize te komen? En of ze papa's britschka +gevraagd hebben... met huurpaarden, weetje? Want zieje, dan kon +Pieterse best meeryden. Weetje wat je doet, Pieterse? Je moet de +goedheid hebben even by m'nheer Calbb te gaan, en doe't kompliment van +my--van m'nheer Pompile, moet je zeggen--en vragen of m'nheer Calbb... + +--Calbb is niet thuis, bromde Eugène. + +--Zoo? Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar m'nheer +Calbb z'n huis te gaan, en... je schelt huis, weetje? En je doet +het kompliment van my, van m'nheer Pompile, en je zegt--aan de meid, +weetje, die je opendoet--dat je morgen buiten mag komen--buiten, op +Groenenhuize, moet je maar zeggen--en dat ik vragen laat of mevrouw +Calbb en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz--want Ludwig-Bonifaz +heet het zoontje van m'n zuster, mevrouw Calbb-Kopperlith, weetje?--nu, +dan zeg je dat ik vragen laat of de familie van-plan is morgen met +papa's britschka--met de britschka van m'nheer Kopperlith, moet je +zeggen--met huurpaarden... + +--Hm, bromde Eugène. + +--Ja, juist... van huurpaarden hoef je niet te spreken. Dat weten ze +zelf wel... wat zeg jy, Eugène? Nu dan vraag je-n-of m'nheer Calbb +en mevrouw Calbb en de jongeheer Bonifaz naar buiten gaan? En hoe +laat? En... of ie mee mag ryden? Maar... asjeblieft, moet je zeggen, +niet waar, Eugène? + +--Hm! + +--Juist! Asjeblieft, zeg je, en je moet vooral het kompliment van +my doen. Zeg, Eugène, vind jy 't niet wat indiskreet van Calbb, +zoo altyd met de britschka van papa... + +Vóór Wouter Eugène's meening over dit diepzinnig vraagstuk te weten +kwam, was-i reeds lang op weg naar den huize Calbb. Hy deed z'n +boodschap met de voorgeschreven asjebliefts en komplimenten, en kreeg +ten-antwoord dat mevrouw en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz +Calbb zoo tusschen negenen en twaalven de Haarlemmer Poort passeeren +zouden. "Als dus Pieterse mee wou, liet de edele Hersilia door de +meid aan Wouter op de vloermat boodschappen, had-i te zorgen op z'n +tyd dáár te zyn, en men zou hem 'n plaatsjen inruimen. Maar... lastig +was 't wel, want de jongeheer Bonifaz was er op gesteld zich te laten +vergezellen van z'n hobbelpaard, en dat nam veel plaats in." + +Wouter had den moed niet, m'nheer Pompile voortestellen den weg naar +Haarlem te voet te maken, al zy 't dan dat de onsmakelyke wys waarop +hem passage zou verleend worden, hem zéér deed. En toen hy, te-huis +gekomen, bemerkte dat z'n moeder opgetogen was van de eer die in hem +de heele familie werd aangedaan, meende hy alweer dat-i zich vergist +had in 't beoordeelen van den indruk die mevrouw Calbb's plompheid +by hem te-weeg bracht. + +--Gut, in 'n britschka! Dat 's zeker 'n koets, Trui, 'n +staatsiekoets, denk ik! En daarin zal Wouter ryden als 'n banjerheer, +den heelen weg over van hier af tot Haarlem toe, en dat zal de heele +wereld te zien krygen... + +--Met 'n hobbelpaard, moeder! + +--Nu ja, met 'n hobbelpaard, maar... wat zou dat? Denk je dat iemand +daarvan iets te weten komt? Wat zeg jy, Stoffel? En bovendien, wie +loopt er op den Haarlemmerweg? Geen mensch! Geen levende ziel! Geen +sterveling! Niemand zal 't merken dat je met 'n hobbelpaard in +die... koets zit. Weetje wat ik zou doen in jou plaats? Ik nam 't +tusschen m'n knieën... + +--Gut, moeder! + +--Wel zeker! En je legt 'n zakdoek op je schoot, dan kraait er +geen haan na. Je bent 'n ontevreden jongen. Kyk eens naar al de +arme kinderen die God danken zouden op hun bloote voeten... ja, +dat zouden ze, als ze ook zoo 'reis naar-buiten mochten gaan, naar +'n wezenlyk Buiten. + +--Drie uur wachten aan de Haarlemmer-Poort! + +--Wel, wat zou dat? Wou je dan dat zoo'n heer als m'nheer Calbb +zich haasten zou voor jou? En de mevrouw van die m'nheer? En de +jongeheer... hoe heet-i? + +--Zoo'n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te doen... weet +je wat je bent, Wouter? Je bent 'n rechte izegrim. Als je vader +'t beleefd had, die zoo zuur voor z'n brood... + +Den volgenden morgen stond Wouter op z'n post. 't Was nog niet volkomen +middag, toen de familie Calbb zich vertoonde in de britschka van +papa. Er was in dat tentwagentje inderdaad geen plaats over, en Wouter +werd uitgenoodigd zich te behelpen met de ruimte die door 'n menigte +pakken en pakjes was opengelaten in 'n achterbakje. Heel grootsch +was-i niet toen hy bemerkte dat z'n inscheping de aandacht trok van +den accynsman aan de poort, en van 't half dozyn straatjongetjes dat +uit armoed aan pleizier gewoon was geraakt 'n heele gebeurtenis te +zien in 't stilhouden van 'n rytuig. Helaas, hy had graag zichzelf +tusschen de knieën genomen, en... 'n zakdoek er over! Hy haalde +adem toen de Haarlemmerweg bereikt was. Zoo volstrekt verlaten van +menschen, levende zielen en stervelingen, als juffrouw Pieterse +beweerd had, was deze weg nu wel niet, maar toch niet zéér veel +personen kregen gelegenheid optemerken hoe benepen onze Wouter daar +zat tusschen al die bagage. Dat was'n à ndere tocht voorwaar, dan +de rit te-paard waarvan Vrouw Claus... gedroomd had! Hy sloot z'n +oogen, en trachtte in 't sukkelig schokken van den wagen, de kadans te +vinden van z'n eigen galoppeerend rooverslied: met m'n zwaard... hop, +hop, hop... enz. Mevrouw Hersilia Calbb-Kopperlith spaarde hem 't +voortzetten van z'n vruchtelooze pogingen, door 'n vermaning: + +--Zeg, Pieterse... of hoe je heet, je zit toch niet op den zak met +soezen? En... hou toch die mand wat tegen! 't Ding schommelt zoo +tegen m'n hoededoos. + +Wouter deed alweer wat hem gelast was. Mand, hoededoos en soezen +kwamen onbeschadigd op Groenenhuize aan. [25] + + + + + + + + Wouter wordt begunstigd met het verlof om diepzinnige gesprekken + aantehooren, en voor pedant meespreken bewaard door 'n vereerende + zending naar de mangelkamer. + + +De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was... zoo +onlandelyk mogelyk. Men ontving bezoek van ebenbürtige optrekmenschen, +maar liever van hooger geplaatsten. Men maakte rytoeren in den +omtrek, waarby de tentoonstelling van "eigen equipage" hoofddoel was, +en... verveelde zich. Een der minst betwistbare genoegens die men van +'t Buiten-zyn trok, was de voldoening der ydelheid z'n "Buiten" door +vrienden en kennissen te laten bewonderen. Ieder hield er z'n Pleiers +en z'n Hockers en z'n Kruckers op na, jazelfs z'n "jongste-bedienden" +wier plicht voorschreef met open mond de heerlykheid van den gastheer +aantestaren, en zoo mogelyk te bersten van afgunst. In dit bejag +kwamen de optrekmenschen vry-wel met hun meerderen, de bezitters +van eigenlyke Buitenplaatsen overeen. En hierin hadden zy inderdaad +iets bovenmenschelyks, daar wy in de meeste katechismen--heidensche, +grieksche en christelyke--als 'n eigenaardigheid der goden vinden +aangeteekend dat ze zich zoo byzonder verheugen als 'n menschenkind +zich op hun grootheid stom, blind en gek staart. + +Vandaag was de beurt aan onzen Wouter om op Groenenhuize de rol van +lamgeschitterd Serafyntje te spelen. + +De oudeheer Kopperlith had de waarheid gezegd: z'n buiten lag vlak +by "de Logementen." Dit was gezellig, zeide hy, want men vond er +couranten, en menschen uit de stad. Eigenaardig is het, dat de meeste +ontvluchters van 't stadsgewoel hun landelyke eenzaamheid slechts +dan behoorlyk kunnen genieten, wanneer ze nogal heel erg vermengd is +met steedsche drukte. Wouter bemerkte dan ook zeer spoedig dat het +"buiten-zyn" geheel iets anders was dan-i zich had voorgesteld. Hoe +krom en verdraaid ook de idylliteit zich in verzen aan hem had +voorgedaan, hy vond geen spoor van de beelden die zy in z'n fantazie +hadden opgewekt. By 't rondzien uit z'n achterbakjen op 't rytuig, +bespeurde hy geen enkel plekje waar 'n verloren zoon 't kleinste +biggetje had kunnen deelgenoot maken van z'n berouw. Herderinnen +met bebloemde hoeden, korte rokjes en roodkleurige schoenen zag hy +nergens. Geen Damon bespeelde de dwarsfluit. Geen jeugdige landbewoners +dansten op den fluweeligen grasgrond. En ook die grasgrond-zelf, met of +zonder fluweel dan, ontbrak. Overstappende op andere hoofdstukken uit +de geschiedenis zyner verbeelding, wou ook de romantische wildernis, +zoo aantrekkelyk door 't verondersteld gemis aan conventie, zich maar +niet aan hem vertoonen. By 't omslaan van 'n hoek, had de fameuze +"britschka van papa" byna 'n half-blinden vioolspeler overreden... was +dà t de Damon dezer streken? De ryweg was van klinkers, voethoog met +aard en stof overdekt... was dà t de fluweelen dansvloer van de +landjeugd? Aan de boomen ontwaarde hy geen appel, geen peer, geen +noot, ja-zelfs geen kokos of broodvrucht... was dà t de mildheid der +gulle buitennatuur? En... en--komaan, hy moest zichzelf bekennen +dat-i teleurgesteld was--gedurende de reis had geen enkel aventuur +de eentonigheid van dien Haarlemmerweg opgevroolykt. Geen rad van +den wagen had willen breken, geen roover had zich vertoond... ja +toch, even, iets er van. Een bedelaar scheen aanslagen in den zin te +hebben, of althans men had zich 'n oogenblik kunnen opdringen dat-i +wat anders was dan 'n vreedzame landlooper, maar 'n nietig tikje +met de zweep was voldoende om ook deze illuzie den bodem inteslaan, +en Wouter zat weer alleen met z'n soezen en z'n hoededoos. Juist was +hy aan 't bepeinzen van de vraag waarom toch iemand die 'n "Buiten" +bezitten kon, dat niet liever in Afrika zocht, toen 't rytuig +het hek van Groenenhuize binnenreed, en voor de open voorgalery +stilstond. Pompile kwam met z'n gewone schichtigheid te voorschyn: + +--Dag, Calbb! Dag, Hersilie! Heb je soezen meegebracht? Je weet +dat mama er niet buiten kan. Hoe laat ben je-n-afgereden? Stof op +den weg, hè? Ja, veel stof. Die weg is heel stoffig, weetje! Dat +komt van de droogte. Als 't regenen gaat, zal je zien dat 't minder +stoffig wordt. Zoo, Pieterse, ben je daar? Kom er maar uit... je mag +er uit komen... stap maar op 't wiel. Zyn dà t de soezen? Nu, houd +ze maar vast tot de meid komt, want... straks komt de meid, niet +waar, Hersilie? En heeft Bonifaz z'n hobbelpaard meegebracht? Zeg: +dag, oom! 't Kan in de mangelkamer staan, of in 't tuinhuis... want +mama heeft hoofdpyn, weetje, Hersilie, nogal-fameus-erge vreeselyke +hoofdpyn... en zenuwen, weetje? We hebben de Kruckers hier, en +van-middag komen de Hockers, en de juffrouwen Pleier komen morgen +op 'n maderaatje. "Met veel pleizier!" hebben ze laten zeggen, +want... papa heeft ze geinviteerd. En straks gaan we toeren, +weetje, met de Kruckers, maar mama blyft thuis--vreeselyke hoofdpyn, +weetje?--ze zal bataille spelen met de juffrouw. Ze is er mooi kwaad +om, de juffrouw meen ik. Dà t kan my niet schelen, en Eugène zegt... + +Gedurende dit geratel was de wagen ontpakt, en Wouter werd van +z'n soezen ontlast door een van de meiden die hiertoe door den +beredderenden Pompile scheen gekommitteerd te zyn. Hy mocht nu de +familie volgen, die 't huis was ingetreden, en weldra aanlandde in +de achtergalery waar 't hoofdkwartier opgeslagen was. Daar vond men +de steeds nogal fameus-erg zieke oude mevrouw met haar schoondochter +Julie en de gezelschapsjuffrouw. Daar zaten de oudeheer Kopperlith en +z'n spruit Eugène. Daar zat de Krucker-familie. En daar ook namen de +nieuw-aangekomenen onder geleide van Pompile hun plaatsen in. Wouter, +die iets later dan de anderen, en vry verlegen, binnentrad, werd aan +de vrouw des huizes voorgesteld met 'n onachtzaamheid waarin niets +laakbaars zou gelegen hebben, indien ze gegrond ware geweest op z'n +onbeduidend standpunt als mensch. Doch hierin lag de verontschuldiging +voor Pompile's lompheid niet. Hy maakte zoo byzonder weinig omslag +omdat-i te doen had met 'n kantoorbediende, met 'n wezen van +lagere orde. Misschien zelfs bezondigde ik my aan hoogdravendheid +door van "voorstellen" te spreken. De waarheid is dat Wouter met +'n vingerbeweging werd aangewezen als "de jonge Pieterse" en toen +'n paar leden van de familie Krucker zich schenen gereed te maken tot +iets als 'n groet, werden ze voor deze gevaarlyke misvatting bewaard +door 'n snelle vermelding van Wouter's maatschappelyk standpuntje: + +--Onze jongste-bediende, zei Pompile allervoornaamst, en op 'n toon +die zooveel zeggen wilde als: je hoeft je niet op kosten te laten +jagen van beleefdheid. + +Terstond daarop mocht Wouter zitten gaan, en zelfs luisteren naar de +verheven gesprekken die de achtergalery van Groenenhuize zoo byzonder +weinig deden gelyken op 'n bureau d'esprit. + +De réunions die eenmaal in Frankryk dezen naam droegen, lieten zeker +aan goeden smaak veel te wenschen over, en de hemel beware my dat ik de +mode zou wenschen ingevoerd te zien elkaar te bezoeken met 'n beraamd +plan om geestigheden uittekramen, of al ware 't zelfs geest. Misselyker +nog komt my 't uitstallen van--nagemaakte!--geleerdheid voor, zooals +die welke door Molière wordt gehekeld in z'n Femmes savantes en +Précieuses ridicules. Wy weten nu eenmaal dat al dergelyke afdwalingen +van smaak neerkomen op natuurverkrachting, en dus alleen als zoodanig +reeds te veroordeelen zyn. Toch vonden sommigen--en de overgroote +meerderheid!--middel om nòg lager aftedalen, en zich bezigtehouden met +gesprekken, welker gehalte wel evenzeer doorslaand blyk gaf van gemis +aan verstandelyken zin, doch bovendien bewees dat men zelfs den schyn +daarvan niet op prys stelde. Voor onzen Wouter sproot hieruit alweer +'n misrekening voort, zoo als die welke hem de ontheologische tint van +pater Jansen's gesprekken berokkend had. Hy had zich voorgesteld nu +eindelyk iets te vernemen uit de werkelyke wereld, en hy beloofde zich +goed toeteluisteren om den waren toon te vatten die de aanzienlyken +van de burgerlui onderscheidt. Helaas! + +Nadat de zeer byzondere beminnelykheid van Bonifaz naar behooren door +de familie Krucker geprezen was, kwam het gesprek op 't meegebrachte +hobbelpaard, en de moeielykheid om dat dier te stallen. + +--Hy wou 't absoluut mee hebben, mama, verzekerde Hersilie. En als +'t kind z'n zin niet krygt... + +--Ja, dan iest-i vol oenwillen, voegde de elsasser konsul er by. 't +Kind heeft kolossaal viel karakter. + +--Maar... mama heeft zoo'n fameus-erge hoofdpyn. Je kunt het vragen +aan de juffrouw. Niet waar, juffrouw? + +De juffrouw getuigde naar Pompile's zin, en de nogal fameus-erg +zieke mevrouw knikte met het hoofd. De kleine jongen werd +weggezonden, met verzoek z'n beestje niet anders te behobbelen dan +in de mangelkamer. Nu, dit deed hy, en 't huis dreunde er van. Het +gezelschap stelde zich schadeloos door 'n gesprek over weer en wind, +waaraan ook de dames konden deelnemen. Na weinig overgangen kwamen de +"zaken" op 't tapyt, en 't vrouwelyk deel der vergadering kon zich +als uitgesloten beschouwen. De oude, nogal heel fameus-erg zieke +mevrouw stelde zich schadeloos door 't onophoudelyk mummelen van +soezen... zoo byzonder dienstig tot het opwekken van eetlust, had de +dokter gezegd. Julie "werkte" aan haar hooggekleurden jachthond, dien +Wouter by deze gelegenheid met genoegen weerzag. De juffrouw knutselde +aan 'n festonwerkje, en bespiedde de luimpjes van mevrouw, niet +zonder nu-en-dan sentimenteele blikken te werpen op Eugène die de +ongevoeligheid-zelf bleef. De heer van den huize hield zich bezig met +voortdurende handhaving van 't glimlachje waarmede hy gewoon was z'n +existentie toe te juichen. Pompile draaide heen-en-weer op z'n stoel +en verkneuterde zich in de verrukking van z'n Kruckers. Elk zyner +blikken scheen te vragen: "welnu, is 't waar of niet, dat papa 'n +eigen Buiten heeft?" Om hem te bedanken, maakte een hunner de +opmerking "dat lynwaden zoo'n belangryk vak was." + +--Een heel belangryk vak, m'nheer Kopperlith! + +--Zeker, zeker! Maar "kurken" zyn ook niet te versmaden, kaatste de +oudeheer terug. + +De scherpzinnige lezer begrypt dat de Krucker-familie "in" kurk en +kurken "was." + +--Als ik het voor 't kiezen had, was ik liever "in" lynwaden, zei +een hunner zediglyk. + +--Hm, ja, zoo. In lynwaden, ziet u... + +--Daarin is altyd iets te doen. + +--Zeker, zeker, altyd iets! + +--En in kurken heeft men soms... + +--Ja, dit is waar. + +--Maar men kan niet zoo op-eens veranderen van vak. + +--Neen, dit gaat niet. Men moet verstand van 'n vak hebben... + +--Juist! En er by opgebracht zyn. + +'t Heele gezelschap zag met betamelyken eerbied al de Kruckers aan, +die verstand van kurken hadden, en er by waren opgebracht. + +--Papa, vroeg op-eens de terrible Julie, is er véél verstand noodig +voor kurken? + +--Julie! riep de oude mevrouw verwytend. + +--Zeker, zeker, kind! Voor den handel is verstand noodig, véél +verstand! + +--We doen op Spanje, ziet u, riep de familie Krucker. + +Ah! zei Julie, alsof deze mededeeling de zaak ophelderde. + +--Ja, op Spanje! + +--U spreekt dan zeker spaansch? + +Deze vraag gold voor 'n beminnelyke ondeugendheid. Allen begonnen zoo +hartelyk mogelyk te lachen, en de geëxamineerden 't minst luid niet, +misschien wel om 't antwoorden onnoodig te maken. Pompile was grootsch +op de verrukkelyke geestigheid van z'n vrouwtje. + +--Ja, ja, de kurken komen uit Spanje, verzekerde de oudeheer. Wie in +kurk doet, heeft 'n kantoor op Spanje. + +--De reizigers uit Barcelona loopen 't land af, zei de familie Krucker. + +--Ja, papa, 't is 'n fameus vak, verzekerde Pompile, die de door hem +aangebrachte gasten wat wilde ophemelen. + +--Och, er wordt zoo in geklad, jammerde een der Kruckers, vreeselyk, +m'nheer! + +--De menschen kunnen 't kladden niet laten. + +--Ze gaan in de kleinste dorpen, en bezoeken den geringsten winkelier, +m'nheer Kopperlith! + +--Een nekslag voor den handel! + +--Dat moesten ze niet doen. Wat zeg jy, Eugène? + +--Hm, zei Eugène. + +--Voor den groothandel blyft niets te verdienen, niets, volstrekt +niets! Wy, grossiers, visschen achter 't net. + +--En hoe staat de wissel op Spanje? + +--Och, we remitteeren gewoonlyk op Parys. Dat's makkelyker. + +--Parys staat hoog, zei gister m'n boekhouder, niet waar Pompile? + +--Ja, papa. Dieper zei dat Parys heel hoog staat. + +--Papa, riep Julie, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog? + +Algemeen gelach om Julie's geestigheid. Pompile wreef zich de handen +van plezier. + +--Wel, dit beduidt ... + +--Wel zeker, 't beduidt dat ... + +--Men bedoelt daarmee dat de wissel hoog staat. + +--De fransche wissel, weetje? + +--Ah! zei Julie, als voldaan. + +--Daar heb je nu, byv. Engeland, lichtte Pompile toe, Engeland staat +twaalf en drie. + +--Ah, zoo! + +--Juist, zoo is het! Engeland staat twaalf en drie. En Frankryk ... + +--Frankryk staat zeker wel ... + +--Ja, ja, Frankryk staat heel hoog. + +--Papa, waarom staat Frankryk zoo hoog? + +Deze vraag van Julie bracht het gezelschap minder in verlegenheid, +dan welbeschouwd passend zou geweest zyn. Niemand wist 'n behoorlyk +antwoord te geven, en toch schaamde zich geen der aanwezigen over +z'n onkunde. Pompile die zeker niet vernuftiger was dan de rest, +stootte een der Kruckers tegen de knie, alsof hy zeggen wilde: "wel, +wat zeg je van m'n vrouwtje?" Julie meende uit het algemeen gegiechel +te mogen opmaken dat ze 'n vraag had gedaan, die de moeite van 't +herhalen waard was. Nogeens alzoo: + +--Ja, heusch, papa, waarom staat Frankryk zoo hoog? + +Wouter luisterde aandachtig. Ook hy had zich meermalen by het doen van +uitrekeningen voor 't faktuurboek, de vraag voorgelegd waaraan 't ryzen +en dalen van den wisselkoers was toeteschryven? Op 't kantoor durfde +hy geen inlichting vragen. Zeker zou men hem daar hebben afgewezen +met 'n bar: "dat zyn nu eigenlyk je zaken niet!" Zeer diep had hy +dan ook nog niet over 't vraagstuk nagedacht, maar z'n belangstelling +werd nu opgewekt door de onverwachte manier waarop 't hier ter-tafel +gebracht werd. Julie drong hoofdig op antwoord aan, geenszins omdat +ze drang voelde tot weten en begrypen, maar om zoo lang mogelyk te +genieten van het triumfje dat haar naïveteit bleek behaald te hebben. + +--Die Julie! had de oude mevrouw geroepen. + +--Ja, ja, mama, ik vraag waarom nu eigenlyk Frankryk zoo hoog staat? + +--Wel, kind, zei de oudeheer, begryp je dà t niet? Dat is de wissel. De +wissel, weetje? + +--Juist, riepen de Kruckers, 't is de wissel! + +--Zieje, Julie, 't is de wissel, bevestigde Pompile. En zich tot z'n +gasten keerende: à lles, à lles wil ze weten! Zóó is ze! Ze is niet +tevreden voor ze alles weet! + +--Maar, papa, wat wil dat dan zeggen: de wissel staat hoog? + +--Wel, heel eenvoudig, de wissel op Frankryk. + +--Juist, Julie! Zieje, 't is de wissel op Frankryk. + +--Maar ... wat bedoelt men dan daarmee? + +--Wel, dat de wissel duur is. + +--Maar ... waarom is-i duur? + +--Ja, dà t zyn nu zoo van die vragen, kind, die ... + +--Ja, Julie, dat zyn vragen ... + +En ook de familie Krucker betuigde eenstemmiglyk dat dit van die +vragen zyn ... + +Er spookte een duiveltjen in Wouter's gemoed. Het niet-weten der +anderen prikkelde hem tot wat inspanning. Hy begon te meenen dat hy +misschien 't vraagstuk zou kunnen oplossen. Hy dacht na, en peinsde, +en wou iets zeggen, maar durfde niet. Zeker zoud-i geschrokken zyn +van z'n eigen stem in dit voornaam gezelschap. Bovendien, de oudeheer +nam de taak van uitlegger op zich. + +--De wissel is duur, Julie, als-i in de prys-courant hoog genoteerd +staat. + +--Juist, zei Pompile. Dat is de ... beursnoteering, zieje! Dieper +neemt ook altyd onze wissels op Engeland volgens de beursnoteering +van den dag. Niet waar, papa? Niet waar, Eugène? + +Noch papa, noch Eugène spraken dit tegen. En al de Kruckers knikten +toestemmend. + +--Ah, zoo, ja, jawel ... beursnoteering, antwoordde Julie die volkomen +bevredigd was. + +--Het zyn ... zaken, moet je begrypen, gaf Pompile nog ten-beste tot +overmaat van helderheid. + +--Daar heb je 't juist, riepen de Kruckers, 't ligt 'm in de zaken, +lieve mevrouwtje! + +En tot verdere toelichting kwam het niet. Wouter, die al meer en meer +begon te gelooven dat-i wat degelykers over 't onderwerp zou kunnen +meedeelen, bleef zwygen. Behalve den schroom voor z'n eigen stem, +begon hy te vreezen dat er iets gevaarlyks lag in 't aanroeren van +Julie's prysvraag, iets indecents misschien als de geboorte van 'n +kind. Onwillekeurig dacht hy aan z'n kornuiten by 't postkantoor, +z'n vraagbaken sedert 'n maand of wat. Zy zouden 't weten, meende hy, +waarom de wetten die den wisselkoers beheerschen, niet mogen worden +aangeroerd in deftig gezelschap. O, prikkelend mysterie! Maar die +wetten zelf kwamen hem zóó eenvoudig voor dat-i moeite had z'n mond +te houden. Hy werd uit z'n spanning verlost door Pompile: + +--Zeg, jy, Pieterse, weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen +naar de mangelkamer te gaan--niet waar, mama? Niet waar, Hersilie?--en +speel wat met den jongeheer Bonifaz, want hy hobbelt zoo fameus. 't +Is waar, zieje, Hersilie, omdat mama zoo'n fameus erge hoofdpyn heeft, +dát is het maar! + +Het echtpaar Calbb keek onvergenoegd, en scheen 't beneden de +waardigheid van hun spruit te vinden zich ergens anders te vermaken +dan in den salon. Wouter verslikte z'n wysheid over de oorzaken van +den wisselkoers. Hy verliet het gezelschap, en vond de mangelkamer op +'t geluid af. Hier vervulde hy z'n naastbyliggend plichtje, door den +jongeheer Bonifaz aftelokken van z'n hobbelpaard. + + + + + + + + Merkwaardige genoegens van het Buitenleven. Treurig uiteinde van + 'n romantischen droom over wisselkoers, en van 'n parasol. Wouter + gaat de wereld in om zeven gulden dertien te zoeken. + + +Ik moet erkennen dat onze Wouter niet zeer ingenomen was met den hem +in die mangelkamer aangewezen werkkring. Hy voelde zich verdrietig, +ja byna wrevelig. Hoewel dit niemand zal verwonderen, geloof ik +toch niet dat de ware oorzaak van deze in hem ongewone stemming den +oppervlakkigen beschouwer helder voor oogen ligt. In-verband met +sommige opmerkingen in het vorig hoofdstuk, zou men allicht geneigd +wezen z'n verdriet uitsluitend toeteschryven aan de teleurstelling +die 't "Buiten-zyn" hem berokkende. Zeker, de roeping om by 'n +ondeugend knaapje de rol van hobbelsurrogaat te vervullen, was +noch landelyk, noch idyllisch, noch romantisch, noch ridderlyk, +noch zielverheffend, en Wouter nam zich dan ook ernstig voor, andere +soorten van vermaak uittedenken zoodra hyzelf eenmaal in 't bezit wezen +zou van 'n Buitenplaats, of al was 't dan maar van 'n Optrek. Maar +teleurstellingen van dezen aard had hy sedert eenigen tyd zoo véél +ondervonden, dat hy daaraan reeds eenigszins was gewoon geraakt. De +bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden. Tot-nog-toe +leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat hy voor "de +wereld" houden moest, zoo geheel iets anders dan hy zich daarvan had +voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de droombeelden +die vroeger z'n inwendig leven schoon, en daardoor 't andere dragelyk +maakten. De oorzaak dezer ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan +'t verschil tusschen werkelykheid en illuzie, dan aan z'n geknakte +vatbaarheid om dat werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods +te vervormen. + +Wist hy, eenige jaren geleden nog, niet kleur en leven meetedeelen +aan 't geringste dat z'n dor leventje hem aanbood? Had hy niet op +'n benauwd achterkamertje de kracht gehad, zich 'n ganschse wereld +vol heerlykheid in 't aanzyn te tooveren tot eigen gebruik? Waarom +kon hy dit nu niet meer? + +Z'n onzalige kennismaking met 'n dozyn kwajongens was hiervan +de oorzaak. De reinheid zyner ziel was besmet geworden, en dit, +benevelde z'n dichterblik. De voelhorens van z'n zedelykheid verloren +'t vermogen om hem te waarschuwen tegen vuil, om hem den weg te wyzen +naar 't verhevene. Z'n vleugelslag was verlamd, en zelfs meende hy van +'t zweven à lles--tot zelfs den lust daartoe--verloren te hebben. Maar +al had-i zich by nauwkeuriger zelfonderzoek kunnen opdringen--wat hy +zeker beproeven zou--dat slechts aanhoudende teleurstelling de oorzaak +was van z'n moedeloosheid, ik beweer dat hy den moed zou bewaard hebben +indien hy zich z'n reinheid niet had laten ontrooven. Geen voorwerp +kan helder terugkaatsen uit 'n verweerden spiegel, en 'n bedorven +menschenziel is tot dichterlyke levensopvatting niet in-staat. Het is +me zeer wel bekend--en dit moet wel, want dagelyks zie ik daarvan de +bewyzen--dat deze waarheid door velen wordt geloochend, of althans +voorbygezien. Zy is te eenvoudig, denk ik. De zoodanigen behooren, +op-straffe van inkonsekwentie, de juistheid in twyfel te trekken van de +zoo-even gebruikte vergelyking met 'n spiegel, en tevens de stelling +aantekleven dat er zuiver water kan worden geschept uit bevuilde +bron. My komen de bronnen-zelf waaruit zulke stellingen vloeien, +niet zeer zuiver voor. + +Wouter dan had sedert eenigen tyd het poëtizeeren verleerd. Hy durfde +'t niet, omdat hy reden had zich te schamen voor 't liefelyke. Wel +hygde hy soms naar 't verlorene terug, wel betrapte hy zich telkens op +bittere droefgeestigheid, maar er scheen 'n stoot van-buiten-af noodig +te zyn om met de vereischte kracht z'n gewaarwordingen terugteleiden +in 't oude spoor. Deze stoot zou dan ook gegeven worden--wie anders +dan Femke kon het doen, of iemand die zeer op haar geleek?--maar zoo +ver zyn we nog niet. + +Men zou zich vergissen indien men den nadeeligen invloed dien 't +gezelschap van onrype deugnietjes op Wouter uitoefende, vereenzelvigde +met het zoogenaamd wys-maken. Dit op-zichzelf houd ik niet alleen +voor onschadelyk, maar zelfs voor gewenscht. Juist in Wouter's +bespottelyke ònwysheid had de grond gelegen zyner voorbeschiktheid +tot prettig-vinden van liederlyke handlichting. Ware hy opgevoed +geweest door ontwikkelde ouders, die hem met wetenschappelyken +ernst hadden meegedeeld wat er ten-dezen-opzichte meetedeelen valt, +waarlyk hy zou geen smaak hebben gevonden in de geestigheden van +à llerlaagste orde, waarmee men nu z'n zucht tot weten had geprikkeld en +bedrogen. Niet kennis maakt onrein, maar 't aanhooren van vuile praat +over kennis... Schande over ouders en opvoeders die hun jongeren +overlaten aan 't gevaar de liefelykste geschenken der Natuur te +ontvangen op 'n wys die ze tot 'n pest maakt! + +Doch ik zeide reeds dat Wouter's verdriet over de zonderlinge wyze +waarop men hem liet deelnemen aan de genoegens van 't Buitenleven, +ditmaal 'n andere oorzaak had--of 'n andere onmiddellyke aanleiding +ten-minste--dan de reeds eenigszins versleten ergernis over z'n gewone +teleurstellingen. Gedurende de gesprekken die hy zoo-even bywoonde, +was voor 't eerst de gedachte in hem opgekomen dat-i was aangeland in +'n kring van zeer onontwikkelde menschen. Nog kort geleden zoud-i by +de lage vlucht der gewisselde denkbeelden, zichzelf de schuld gegeven +en gemeend hebben dat-i niet op de hoogte stond om het gewicht der +behandelde zaken te vatten. Maar dat gesprek over den wisselkoers had +hem wakker gemaakt. Ook hy had zich tot-nog-toe geen reden gegeven +van dien eb en vloed in den prys der remises naar 't Buitenland, +en eerst door Julie's klakkeloos vragen werd hy zich z'n onkunde +bewust. Onwillekeurig verweet hy zichzelf dat-i deze vraag niet +reeds sedert lang gedaan had, en nu ze eindelyk werd geopperd door 'n +ander, was-i nieuwsgierig naar 't antwoord. Het hakkelen en stamelen +der voorlichters bevreemdde hem. Op-eens bracht hy hun blykbare +onwetendheid in verband met de meer dan onachtzame wyze waarop hy in +dien kring ontvangen was, en tevens met z'n laag standpuntjen over +'t geheel. "Hoe, dacht hy, die volwassen menschen, die aanzienlyke +menschen weten geen reden te geven van 'n verschynsel dat zich dagelyks +aan hun waarneming opdringt? En juist die menschen zyn het, aan wie +ik 'n voorbeeld nemen moet om iets te worden in de wereld? En het is +door hèn dat ik behandeld wordt met 'n minachting die ... die ... + +Kortom, hy was wrevelig, en voelde aandrang tot ... wraak wel niet, +maar tot iets toch als genoegdoening. Hy peinsde op middelen om aan +den oudeheer, en aan m'nheer Pompile en aan al die Kruckers 'n bewys +te leveren dat men verkeerd had gedaan hem naar de mangelkamer te +verwyzen. Het spreekt vanzelf dat Julie's vraag reeds lang vergeten +was in de achtergalery, waar 't onderhoud nog altyd op de bekende +belangwekkende manier z'n gang ging, maar onze Wouter verdiepte zich, +al spelend met den kleinen Bonifaz, in 't opgegeven raadsel. De zaak +begon hem voortekomen als 'n uitdaging. waarop hy ridderlyk verplicht +was in 't kryt te verschynen, teneinde aan de verheven dame die het +tournooi had uitgeschreven ... + +Wel zeker, er was 'n hooggeboren dame in 't spel, en 'n tournooi +ook! Ik deed verkeerd zoo lang te wachten met het wyzen op deze +byzonderheid, de geringste niet onder de oorzaken die Wouter +noopten tot opscherping van z'n denkvermogen. Ach, hy had z'n roman +gereed voor ze nog terdeeg was opgezet! Die Julie ... o goden, +was zy 't niet die zich eenmaal verwaardigde hem te behandelen als +'n persoon, door hem z'n gevoelen te vragen over haar liggenden +jachthond? Een jong ridder die zùlke onderscheiding vergeten zou +... neen, ondankbaar was Wouter niet! Nu zoud-i haar toonen dat z'n +gemoed in-staat was weerklank te geven op zoo'n verheven blyk van +vertrouwen, en dat ze niet te-vergeefs haar sluier had neergeworpen +in 't strydperk. Want ... aldus begon zich de zaak te kleuren. Met +lans en zwaard strydt men niet meer--helaas!--maar de Dame die +in onze dagen riddereer op de proef stellen wil, doet 'n beroep +op de kracht van den geest. Met gemaakte achteloosheid laat zy 'n +onopgelost vraagstuk heenglyden over den rand der tribune, en daar +beneden wachten leeuwen en tygers... neen, deze soort van kampioenen +behooren tot 'n vroeger tydperk, óók niet onbehagelyk voorzeker, +maar we hebben nu zeer uitdrukkelyk met ridders te doen. Verbaasd, +verschrikt, ontzet, verlamd, staren zy 't waagstuk aan, dat er van +hen gevorderd wordt. "Aanstaren" is 't juiste woord niet, want ze +wenden de oogen af, en wiegelen, en trekken zich terug, en beroepen +zich op de onmogelykheid om 't pand ongeschonden terugtebrengen, en +als huldeblyk neerteleggen aan de voeten der uitdaagster. Alles heeft +z'n grenzen, wreede Dame, tot riddermoed toe! Keizers, Koningen en +Prinsen, zoo-even nog vast in 't zaal, en tegen elkander zoo dapper +de lans vellende... uitwegen zoeken ze nu om zich te onttrekken aan +'t schrikbarend wapenfeit dat zoo roekeloos werd gevorderd van hun +geest. Sire Kopperlith-zelf had er z'n glimlach by ingeschoten, en +ridder Pompile z'n zelfgenoegzaamheid. De schrik was Don Eugène om +'t hart geslagen, en hy stond op 't punt--akelig!--méér te zeggen +dan z'n enkele sylbe! Was niet zelfs de krygshaftige clan der +Kruckers--van-ouds toch zoo vermaard om z'n onvergelykelyke prouessen +in kurk!--genoodzaakt geworden z'n veldgeschrei 'n oktaaf lager te +stemmen, en zich te bepalen tot 'n deemoedig: "ja, ziet u, dat zyn +zoo van die zaken... m'n lieve mevrouwtje?" En heette dit niet in +Wouter's overzetting allerduidelykst: "Schoone dame, als je op òns +rekent tot het terugerlangen van je pand, kan je er staat op maken +ongesluierd naar huis te gaan!" + +"Dat nooit!" riep ridder Wouter. En hy gordde zich aan tot begrypen. + +Het vraagstuk waarmee ons heldje zich bezighield, hoe eenvoudig ook +inderdaad--zooals de meeste vraagstukken--is werkelyk 'n struikelblok +voor veel geldmannen en zoogenaamde ekonomisten. Wie meenen mocht +dat ik de geestelyke gelaatstrekken der Kopperliths en Kruckers te +afzichtelyk schilder, neme eens de proef by "mannen van 't vak." En +men behoeft zich niet te bepalen by de vraag die de onnoozele Julie +ter-tafel had gebracht in die achtergalery, noch ook by 't "vak" +waartoe kwestien van dezen aard schynen te behooren. Overal zal den +oplettenden waarnemer blyken dat het begrypen van eenvoudige waarheden +tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet-berusten van +sommigen, hun door vakmenschen wordt aangerekend als onpraktische +buitensporigheid. + +Nu, Wouter wàs buitensporig. De hemzelf onbewuste vertaling van 't +nogal triviale gegeven in 'n heldenfeit, wond hem op. Werktuigelyk +spelend met den kleinen Bonifaz, trachtte hy in de kern van +'t vraagstuk doortedringen, en de eigenaardige richting van z'n +geest--geheel-en-al uitvloeisel van 'n karakter dat slechts vrede had +met eenvoudige waarheid--leidde hem aldra tot de primitiviteit van +opvatting, waaraan alle vraagstukken--ook de moralistische--behooren +getoetst te worden. De steentjes die hy den kleinen jongen toewierp, +en door dezen naar hem werden teruggerold, stelden in z'n verbeelding +al zeer spoedig de koopmanschappen voor, die uit onderscheiden landen +in de naburige streken worden ingevoerd. Behoefte aan betalingsmiddelen +groeide aan naarmate men meer goederen ontving. Zoolang men nu hierin +kon voorzien door het terugzenden van andere waren... zeker, zoo is +het, meende hy. En hy redeneerde: "we zenden... kaas en boter naar +Engeland. Dit moet betaald worden. Zoo 'n koopman ginds, moet iemand +zoeken die van òns geld te-goed heeft voor... wittegrondjes-driekleur +of diemet--'n moeielyk vak, zegt m'nheer Wilkens!--en dan betalen +wy eigenlyk die diemetten met kaas. Maar als we nu te weinig kaas +hebben gezonden om al de lynwaden die wy ontvingen, te betalen, dan +valt het moeielyk in Holland iemand te vinden die geld te goed heeft +van 'n Engelschman. En deze moeielykheid moet overwonnen worden door +hooger bod op den wissel, want het spreekt vanzelf dat het recht om +te trekken in waarde ryst, naarmate het minder voorhanden en meer +noodig is. Wie dus 'n wissel afgeven kan, vraag er méér voor dan... + +Aldus peinzend had-i allengs de steentjes die dienen moesten +tot vermaak van den kleinen jongen, verdeeld in soorten die +allerlei koopwaar voorstelden. De vloer van de mangelkamer werd +in landen en provincien afgedeeld. Dáár lag Engeland met z'n +wittegrondjes-driekleur, dáár Frankryk dat wyn leverde, dáár Nederland +met z'n stereotiepe kaas en boter... jazelfs Spanje kreeg 'n plaatsje +met z'n kurk. En hy schoof de produkten heen-en-weer, en schiep +'n handelsbeweging, en vergat daarby zelfs de crisis niet. Bonifaz +had er 't recht begrip niet van, en schopte wel-eens 'n stock of +entrepôt uit elkaar op 'n manier die gevoegelyk kon doorgaan voor 'n +revolutie, die dan door Wouter zoo goed mogelyk by z'n overleggingen +werd in rekening gebracht. Weldra was-i dan ook met de oplossing van 't +fameuze probleem gereed, en hy verlangde naar 't oogenblik dat-i onder +de oogen zyner dame... du jour, z'n tegenstanders uit het zadel ligten +zou. Laat zien wat er verder gebeuren moest. Keizer Kopperlith stond +hem de helft van z'n ryk af, met de hand zyner schoondochter Julie, +die den hemel danken zou dat ze verlost was uit de onwaardige ketenen +van den pseudo-ridder Pompile. Zeer wel, maar hoe triumfeerend ook, +Wouter schonk hem 't leven. Ook Eugène mocht blyven bestaan, en al de +Kruckers, mits ze driemaal 't schoeisel kusten van Wouter's dame. Eén +onzekerheid nog slechts hield den ridder die straks al z'n vyanden +uit het veld zou slaan, in eenige spanning. Zoud-i z'n wapenfeit +uitvoeren in eenvoudig proza of... nu ja, in verzen kwam hem de +nederlaag des vyands verpletterender voor. En verplettering hadden +ze verdiend! Was 't onheusch of niet van al die verwaten ridders, +zoo prat op hun lynwaden en kurken, de romantische mogelykheid +voorby te zien dat de jonge schildknaap zonder geslachtswapen of +uithangbord, misschien de inkognite spruit wezen kon van edelen +stam? Had men niet wat eerbied moeten voelen voor z'n prikkelende +onbekendheid? "Onze jongste bediende, onze jongste bediende!" had +wapenkoning Pompile geroepen... welnu, waarom bezat alleen de edele +Julia--god zegene haar!--roman-takt genoeg, en lektuur-bedrevenheid +en tournooi-instinkt, om onder 't palletootje van den kantoorklerk +'n kampvechter te vermoeden van den eersten rang? Waren ze dan doof +en blind en idioot, al die anderen? Te-wapen, te-wapen! riep alles +Wouter toe. "Jongste-bediende... hm! Ik zà l ze bedienen, jong of oud +dan, maar bedienen zà l ik ze! En aan de wereld en m'n Dame wil ik +toonen... sakkerloot!" + +Hier kwam een der meiden berichten dat de jongeheer Bonifaz aan-tafel +werd geroepen, en "Pieterse mocht zoo goed zyn, meetekomen." Wouter +stapte met opgeheven hoofd en saamgeknepen vuisten de kamer in, +waar 't gezelschap dineeren zou. By 't binnentreden kon-i zich niet +weerhouden, Julie een blik toetewerpen die zooveel zeggen wilde als: +"wees gerust, dame van m'n hart, ik heb uw noodkreet verstaan en zal +den goeden stryd stryden. De hoofdzaak ligt in de verhouding tusschen +wittegrondjes-driekleur en hollandsche kaas... wees gerust: uw ridder +is hier!" + +Dat Julie hiervan niets begreep, zou te veel beweerd zyn. Ze zag +den heelen Wouter niet, en kon zich dus onmogelyk schuldig maken +aan wanbegrip omtrent z'n bedoelingen. Hy gloeide als 'n kool +en brandde van strydlust, maar... hoe z'n wysheid aan-den-man te +brengen? Eigenlyk was 't Julie's plicht geweest hem op den weg te +helpen. Maar ze hield zich of de heele zaak haar glad ontgaan was! Zoo +zyn die edelvrouwen! Eerst lokken zy 'n ridder op allergevaarlykst +terrein... ze winden hem op tot ylhoofdigen lust om tegronde te gaan +in haar dienst, en dan... wel, ze laten hem over aan zichzelf! Lieve +hemel, domme Julie, begryp je dan niet dat Wouter daar zit te wachten +op 'n blik? Och, och, och... als-i maar door 't eerste woord heen was! + +Dat eerste woord liet zich niet gemakkelyk aanhechten. Wouter bespiedde +elke uiting, elken klank, maar... helaas! Wel begon-i 'n paar keer: +"de wisselkoers, m'nheer... maar de woorden stikten hem in de +keel. Het spreekt vanzelf dat de spyzen uitstekend waren, maar wat +baatte dit hèm? De ligtzinnige Julie stelde zich aan alsof ze nooit +'n ridder op post had gezet. Ze lachte, ze keuvelde, ze ginnegapte, ze +vermaakte het gezelschap met haar naïveteit--of met de onnoozelheid die +daarvoor doorging--en sloeg geen acht op haar aanstaanden bevryder uit +de klauwen van 'n al te laag geboren echtgenoot. Wouter preekte zich +voor, dat ze zyn standvastigheid op de proef wilde stellen. Zoo-iets +was meer geschied, meende hy. + +De tafelgesprekken waren van de bekende gewichtige soort. De oudeheer +begon weldra luidruchtig te worden en den toon aanteslaan, dien Wouter +had leeren kennen by z'n namiddagbezoeken op 't kantoor. Zelfs tot +hèm richtte de oude babbelaar 't woord, natuurlyk tot groote ergernis +van Pompile, die telkens beproefde den vloed van papa's spraakzaamheid +te doen afloopen in voornamer bedding. + +--En jy, mannetje, zeg jy nu eens hoe 't je buiten bevalt? Want, +jongen, je bent nu... buiten! Verbeeld je, mynheer Krucker, hy +meende dat-i buiten was op den singel by de Aschpoort! Hi, hi, hi, +dà t meende-n-i! + +De Kruckers vonden dit byzonder dwaas. + +--En zeg nu nogeens hoeveel je wel dacht dat de jongeheer Flodoard +te Rome verteerde in 'n heel jaar! Neen, stil, Pompile, laat 'm +begaan! Luister, m'nheer Krucker! In 'n heel jaar, weetje! M'n zoon +Flodoard te Rome! + +--Maar, papa... + +--Stil, Pompile! Wel, mannetje, spreek op! Laat m'nheer Krucker dà t +eens hooren. + +Wouter zweette. Hy zocht Julie's oogen te ontmoeten, maar 't lukte +niet. In-godsnaam! Mèt of zonder aanmoediging zyner dame dan, vóór +z'n dame: + +--De wisselkoers, m'nheer... + +--Néééééén, dà t is nu de vraag niet! M'nheer Krucker wou zoo graag +weten hoeveel je dacht dat m'n zoon Flodoard... te Rome... + +Pompile viel z'n vader in de rede, en had het geluk hem ditmaal van z'n +belangryken topic aftebrengen. Ook een der Kruckers hielp 'n handje, +door met roerende belangstelling naar tyding van Leon te vragen. + +--Hy maakt het uitstekend, zei de oudeheer, uitstekend! Zou je +wel gelooven, m'nheer Krucker, dat-i al 'n titel heeft van... o, +zoo'n langen titel! En... hy is weledelgestreng, wat zeg je +daarvan? Wel...e...del...ge...streng, m'nheer Krucker! Is 't niet +waar, Pompile? + +--O ja, papa! + +--En hy schryft fameus-mooie brieven! Pompile, je moet m'nheer Krucker +eens zoo'n brief van Leon laten zien. + +--Zeker, papa! + +--En, uw zoon de zeeofficier, m'nheer Kopperlith? + +--Die was volgens de laatste berichten te... te... hoe heet het ook +weer, Pompile? + +--Te Amboina, papa. + +--Juist! En, m'nheer Krucker, weetje wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft +er gedanst met de dochter van den Gouverneur. Van... den... gouverneur! + +De arme Kruckers kwamen verbazing te-kort. Wouter voelde dat ze hier +'n bewerking ondergingen, van de soort die men op hèm had toegepast, +toen-i flauw moest vallen van bewondering over de vorstelyke uitgaven +van Signore Flodoardo. En deze opmerking bracht hem 'n stapje verder +in menschkunde, of liever ze deelde hem den moed mee om te erkennen +wat-i begreep. Zoolang hyzelf maar patient was, belette hem z'n +verlegenheid om 't kinderachtige van die hoogheidsjacht behoorlyk te +vatten. Maar nu hy op 't gelaat der gasten iets meende te ontdekken +dat naar spot geleek, viel hem 't doordenken iets gemakkelyker. Ook +zonder terugzicht op de schipbreuk die 't geheele gezelschap geleden +had in de opheldering van de koerskwestie, begon hy de mogelykheid +intezien, dat die heele familie Kopperlith met haar buiten en eigen +rytuig en verdere voornaamhedens, wel eens veel lager konden staan +dan ze voorgaven en dan door anderen scheen geloofd te worden. Hy +kon de vergelyking met den onderhoudenden, gezonden toon die er by de +Holsma's heerschte, niet terugdringen, en ze viel zeer tennadeele van +z'n "heeren patroons" uit. Ook maatschappelyk bleken zy eigenlyk geen +recht te hebben op de vergoding die hun door nòg lager geplaatsten +werd toegebracht, want al ware het dat rykdom grond gaf tot zoo groote +vereering, eilieve hoe plat burgerlyk was de inrichting van het huis, +hoe prozaïsch die mangelkamer, hoe bekrompen dat achterbakje van de +britschka, hoe kleingeestig die bekommering over 'n hoedendoos en +'n mand met soezen, hoe kinderachtig dat onophoudelyk streven naar +verheffing op... niemendal! De jongeheer Rodomont had gedanst met +de dochter van 'n gouverneur... gouverneur van wà t, eigenlyk? Lieve +hemel, de Holsma's hadden prinsessen in hun familie, en waren er niet +grootsch op. Hengelden zy naar bewondering van hun hoogheid? Erkenden +ze niet zelfs, zonder noodzaak en zonder schaamte, dat de eenvoudige +Femke na aan hen verwant was... zy, 'n waschmeisje! + +Maar hier brak Wouter z'n gedachtenloop af. Dit geschiedde telkens +zoodra haar beeld zich aan hem vertoonde. Elke herinnering uit den +heldentyd van z'n ziel maakte hem den indruk van snerpend verwyt. Het +liefelyke deed hem zéér, en hy voelde slechts kracht tot eigenaardige +zwakheid die den naam draagt van wrevel: die Kopperlith's! Het duurde +dan ook niet lang voor zich deze stemming duidelyker op z'n gelaat +vertoonde dan in deftig gezelschap geoorloofd is. Hy kneep de lippen op +elkander, en zag een der Kruckers--die 't niet helpen kon!--uitdagend +aan. Maar men gunde hem de eer niet, naar de reden van z'n zuurkyken +te vragen. Waarschynlyk zelfs had niemand daarop acht geslagen, +en juist deze verwaarloozing stemde hem bitterder dan ooit. Hy was +woedend en had lust in... vechten. Met wien? Met allen tegelyk, als +'t wezen kon. Met Bonifaz en den oudeheer, met Pompile, de Kruckers, +Eugène, de "juffrouw" en Hersilie. Met al wat 'n eigen Buiten had, +en wat er geen had. Met de heele wereld, ziedaar! + +Hoe onrechtvaardig ook deze stemming was, het zal den weldenkenden +beschouwer van z'n zielegeschiedenis aangenaam wezen te ontwaren +dat-i nog iets anders was dan kinderlyk en goedig alleen. Het werd +waarlyk tyd. + +Na 't eten werden de Kruckers onthaald op den traditioneelen toer. En +ook Wouter mocht meeryden... in 't achterbakjen alweer, waar men hem +'t aanminnig Bonifaasje te bewaren gaf. 't Kind mocht er durchaus niet +uitvallen, zei de elsasser konsul. Julie snapte in één adem door, +en Wouter begon te vinden dat ze de proef wat ver dreef. Wel bleef +het 'n zekerheid dat zy de eenige van 't gezelschap was, die blyk +had gegeven van den lust iets te willen doorgronden, maar toch... 'n +beetje droefenis voor den misselyken toestand waarin ze haar ridder +gebracht had, zou niet kwaad hebben gestaan by haar verheven zucht +tot ontwikkeling. Ze babbelde zoo ongedwongen met al die Kruckers, +ze toonde zich zoo geheel-en-al op de laagte van de rest, ze scheen +zoo volkomen tevreden met de toejuiching waarmee de plompe Pompile +haar domste uitvallen vereerde... kortom, Wouter wist niet hoe hy +'t had met z'n Dame. Hy zou er veel voor gegeven hebben, haar 'n +oogenblik alleen te spreken... hm, 'n voetval zou er niet kwaad by +staan! Maar... hoe daartoe de gelegenheid te vinden? Als-i 't huis in +brand stak? Dit plan was zoo heel verwerpelyk niet. Al de Kopperliths +en Kruckers geschroeid, verbrand, verkoold, verteerd, vernietigd, +en hy de redder van de weetgierige Julie! Hy zag zich in gedachte, +háár door rook en vlam de trap afdragend! Haar hield hy in de armen, +háár fluisterde hy toe: "wees gerust, edele dame van m'n hart, al die +stommelingen zyn dood en byna begraven! Ik ben hier, ik, Wouter, die +uw dorst naar kennis lesschen wil met m'n laatsten druppel bloed en +'n verhandeling over den wisselkoers... + +--Zeg, Pieterse, of hoe heet je, houd m'n parasol wat over 't kind. De +zon steekt zoo! + +Deze ontboezeming vloeide over de lippen der schoone Hersilia, die met +haar zonnescherm onzen ridder aantikte, en hem vry gevoelig terugriep +in de werkelykheid. Hy schrikte, en nam 't ding werktuigelyk aan... + +--Schuif 't op, jongen! Druk op de veer... daar, daar, de veer in +'t stokje! Versta je me niet? Wat 'n onhandig jongetje, Pompile! + +Wouter kneep het ding, en voelde neiging de schoone Hersilia daarmee +den kop te kloven. Hy staarde haar zonderling aan. + +--Op de veer drukken, weetje? Druk op dat veertjen in 't stokje, +schreeuwde Pompile, die evenmin als de anderen aan iets anders dacht +dan aan onhandigheid, of hoogstens meende dat "de jonge Pieterse" +z'n zuster niet verstaan had. + +--Doe 't 'm eens voor, Pompile, zei de oudeheer. + +Pompile die op de voorbank gezeten was, stond op en boog zich over 't +gezelschap heen, om den "jongen Pieterse" les te geven in 't openen +van 'n parasol. Maar hy kwam te laat. Wouter kneep, trok, drukte, +schoof, en schoof wat krachtig... + +--Ik kà n wel, m'nheer, zeid-i. + +... en 't ding was aan flarden! Hy hield den stok in de eene +hand, en de fladderende zy met de andere omhoog als 'n vlag! Het +heele gezelschap was "ontdaan." Men keek elkander verbaasd aan, +als om te vragen wat dit beteekenen moest? Welnu, niemand begreep +het. Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met 'n +gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven +aan onlydelyke pyn. + +--'t Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde Hersilia. Niet +waar, Calbb? + +--Je moet altyd begrypen Hersilie, 't is 'n burgerjongetje, riep +Pompile. Hy wist niet wat je bedoelde, zie je? Je moet altyd denken, +'t is 'n burgerjongetje, en... nooit in gezelschap geweest. Dáár komt +het van! + +--Zeven gulden, dertien! + +Het stokjen en de lappen werden, zoo goed het hossen van 't rytuig +toeliet, aan elkaar gepast om nogeens voor 't laatst te bewonderen hoe +het ding er had uitgezien voor de vreeselyke katastroof, Nog 'n paar +maal mompelde de majestueuze Hersilia haar tragisch: "zeven gulden, +dertien" en vry ontstemd liet het gezelschap zich voortkruien door den +zandweg. Toen men thuis kwam, nam Pompile de rol van verslaggever aan +mama op zich. Niemand was meer verontwaardigd dan "de juffrouw." Ze +had wel drie fransche woorden om te betuigen dat de zaak... + +--Ja, ja, zeker! zei Pompile. Maar u moet begrypen, mama... + +--Hy stond mevrouw zoo délicieus by die gele bergère, maseurde de +juffrouw. + +--Goed, juffrouw. Maar ziet u, mama... + +--'t Is 'n ware balourdise. m'nheer! + +--Zeker, juffrouw! Maar, mama, Hersilie had het niet moeten, +doen, mama. Want zoo'n jongen... + +--Fi donc, zoo lomp te zyn! + +--Volkomen juist, juffrouw! Maar ik wou aan mama zeggen dat mevrouw +Calbb had moeten begrypen dat zoo'n jongetje... + +--'t Is infaam! + +...dat zoo'n jongetje maar... 'n burgerjongetjen is! Dà t wou ik maar +zeggen aan mama. + +En dit alles moest Wouter aanhooren! Z'n woede was gebroken. Hy voelde +zich verlamd, onmachtig, wezenloos, en alweer overmeesterde hem zeker +heimwee naar de vroeger zoo geminachte levensopvatting ten-zynent. + +Was dà t nu de wereld die hy zou leeren kennen als-i "groot" +was? Wanneer hy op dit oogenblik z'n ouden vyand Slachterskeesjen +ontmoet had, hy zou hem aan 't hart hebben gesloten als 'n bode uit +hooger sfeer. Men ziet het, te laag gezonken om behagen te scheppen +in de voorstellingen uit den mythentyd zyner jeugd, begon hy reeds +te verlangen naar 't weerzien van de grove gestalten die hem in die +dagen omgaven. Zoo ook verwarren onnadenkende geschiedschryvers den +onbehagelyken toestand van den wilde met de gouden eeuw van Saturnus. + +Wouter was wanhopig. En z'n stemming werd er niet beter op, toen-i +bemerkte dat ook Julie tot z'n vyanden behoorde, want "vyandschap" +meende hy te moeten veronderstellen in al de menschen die, na hem zóó +te hebben gegriefd en vernederd, niet eens schenen te begrypen dat-i +voor grief en vernedering vatbaar was. Pompile gaf zich de moeite +hem op 'n parapluie te wyzen hoe men 'n parasol opent, en ten-laatste +was Wouter na veel vruchtelooze pogingen om de ware oorzaak van z'n +zonderlingen handgreep onder woorden te brengen, wel genoodzaakt +zich aantestellen alsof hy werkelyk voor 't eerst te weten kwam dat +men by zoo'n gelegenheid op 'n veertje moet drukken. Pompile scheen +zeer voldaan over de les die hy gegeven had, en roemde er op dat +"de jonge Pieterse" de zaak nu volkomen verstond, en zeker by 'n +volgende gelegenheid... + +--Zeven gulden, dertien, jammerde Hersilia. + +De maat liep over. Wouter stond haastig op, vloog de deur uit, +het erf af en den weg op, om zich te verdrinken of... zeven gulden +dertien te zoeken. + +A la bonne heure! + + + + + + + + Wouter spekuleert allervoordeeligst in ouwe-kleeren. Snelle + wisseling in amerikaansche handelsbeweging, waarschynlyk niet + zonder invloed op wisselkoers. Nachtgedachten. De terugkomst van + den verloren broeder. + + +Weldra had hy na eenig dwalen en vragen een der poorten van +Haarlem bereikt. Wat hy daar eigenlyk doen wilde, was hemzelf niet +duidelyk. By 't verlaten van Groenenhuize blies de wanhoop hem in, +met den meesten spoed 'n eind aan z'n leven te maken, en nog altyd kwam +hem dit voornemen als 'n wenschelyke uitweg voor. Doch eerst wilde hy +beproeven zich op andere wys te ontdoen van den ondragelyken last die +hem drukte. 't Was zondag-avend, en er vertoonden zich weinig menschen +op de straten. Ook waren de meeste winkels gesloten. Hier-en-daar +slechts durfde men den dag des Heeren ontheiligen door 't uitstallen +van halletjes en rooletters, of tabak en snuif. De verkoopers van deze +artikelen verheugen zich voornamelyk in zondags-debiet, en de Heer moet +zich hierin schikken. Wouter vermande zich, liep 'n koekbakkerswinkel +in, en vroeg of men hem den weg naar den Jodenhoek wilde wyzen. + +--Jodenhoek, jongeheer? Dat hebben we hier, om zoo te zeggen +niet. Uwe-n-is zeker van Amsterdam? + +--Geen Jodenhoek? Maar... by wien verkoopt men dan hier z'n ouwe +kleeren? Dà t wil ik weten! + +De vrouw uit den winkel keek hem vreemd aan. Eenmaal z'n aangeboren +beschroomdheid overwonnen hebbende, was Wouter's toon zoo kortaf en +gebiedend dat het mensch er van ontstelde. Angstig riep zy als 't +ware om hulp, en er verscheen dan ook 'n manspersoon, die haar vroeg +wat er gaande was, en vry onvriendelyk aan Wouter wat-i "hebbe" wou? + +--Hebben? Niets m'nheer! Ik wou maar weten waar men hier ouwe kleeren +koopt? + +De koekbakkers-familie joeg hem den winkel uit. Tandenknersend stond +hy weer op de straat, en wist niet wat hy doen zou. Na lang zoeken +en veel mislukte pogingen trof hy eindelyk 'n klein meisje dat hem +bracht waar-i wezen wilde. Een oude jood antwoorde toestemmend op +de vraag of hy koopman in kleeren was? Wouter trok z'n jasjen uit, +wierp het op de tafel, en vroeg wat de man daarvoor geven wilde. Het +kleedingstuk werd bevoeld, gewreven, gerekt, tegen 't licht gehouden, +en 't eerste bod luidde: vier gulden! + +--Zeven gulden, dertien! riep Wouter. + +--Nah, w'rom nie liefer dertien gilde sefe, as je 't m'r foor 't +seche heb? Fyf gilde, en cheen dyt meer! Ghedrache kleeren binne +niks waart, want se worre teugeswoordig techeef inchefoert fan +Emerika... te-cheef! Dat sel je-n-ook wel wete. Fyf gilde tien, dan! + +--Ik moet zeven gulden dertien hebben! + +--Wat je hebbe mot, sel je wel 'reis kryche, as je m'r iemant fint die +'t je chefe mot. M'r ik mot je niks chefe, en ik cheef je niks. Nou, +ses gilde! Trek jespille m'r weer an, anders, en cha mê chot! + +Toen Wouter hierop inderdaad vertrekken wilde, steeg het bod tot +zeven gulden. Helaas, die vreeselyke dertien stuivers! Er was niet +aan te doen: de koopman bleef onverbiddelyk. Mocht men 't hem kwalyk +nemen, by zoo'n overvoer van ouwe-kleeren uit Amerika? 't Was al zeer +edelmoedig dat-i by zoo'n stand van zaken zeven gulden geven wilde voor +Wouter's jasje dat--dit is waar!--zonder die ongelukkige mededinging +der Vereenigde Staten, zeker wel twintig gulden zou waard geweest +zyn. Het was 't eerste kleedingstuk dat voor hem gemaakt was, en dat +tot hem kwam zonder eerst, als ter oefening, 'n glansryke loopbaan +om de lenden van broêr Stoffel te hebben afgelegd. Het was de toga +virilis die--en wel zondags alleen--hem plechtig om de schouders +werd geworpen ter viering van z'n promotie tot jongste-bediende by +de heeren Ouwetyd & Kopperlith. + +Maar aan dit alles dacht hy niet. De verfoeielyke Hersilia, en die +sarrende Pompile, en ook Julie, de ontrouwe Dame... hy zou hun toonen +dat-i... dat-i... + +Hy smeet nu ook z'n hoed op de tafel, en bood die te-koop aan. Na +eenig dingen en bieden was 't kapitaal kompleet, waarmee hy de edele +vrouwe mevrouwe Calbb-Kopperlith en haar aanhangers 'n kool vuurs +wilde te slikken geven. Ja-zelfs, er was geld over, want voor den hoed +had-i drie schellingen bedongen. De jood vroeg hem of-i ook van z'n +schoenen wou ontlast worden, maar Wouter liep zonder te antwoorden, +in hemdsmouwen en blootshoofds de straat op. + +Hoe nu? Zèlf naar Groenenhuize terugkeeren? Dat nooit! Het +schoonste blad van den lauwerkrans dien hy door z'n kordaatheid +meende verdiend te hebben, zou verdorren wanneer men daar te weten +kwam door welke middelen hy geslaagd was in 't afbetalen van z'n +drukkende schuld. Langen tyd liep hy peinzend op-en-neder, de minst +bezochte straten kiezend omdat hy zich begon te schamen over z'n +ongekleedheid. Hy wilde de schadeloosstelling waarmee z'n vyandin +moest verpletterd worden, doen vergezeld gaan van 'n brief die op +pooten staan zou! Niets beter dan dit, maar... waar dat stuk te +schryven? Als-i eens in zoo'n halletjeswinkel naar pen, papier en +inkt vroeg? Hm, gemakkelyk ging dit niet. Hoe zou men hem te-woord +staan, hem die zich nu zoo afgetakeld voordeed? Van de humaniteit der +haarlemmer burgerlui had-i reeds proef gehad, toen hy er nog uitzag +als 'n ander. Zoud-i op vriendelyker bejegening kunnen rekenen, nu +hy zich vertoonde in 'n kostuum, dat... sakkerloot, de zaak begon +hem moeielyk voortekomen. + +Z'n opwinding was afgeloopen, en indrukken van meer gewonen aard namen +daarvan allengs de plaats in. Z'n wrok over de ondergane miskenning, +jazelfs het verdriet over Julie's trouweloosheid, moest telkens wyken +voor de ergernis dat-i geen jas aan had. Waar-i by 't schemerlicht +van den zomeravend 'n voorbyganger zag naderen dien hy niet ontwyken +kon, trachtte hy den eigenaardigen tred aantenemen van iemand die +even overwipt om 'n buurman goeden-avend te zeggen. Maar 't baatte +niet. Daar kwamen 'n paar straatjongens hem sarren met den roep: +"heb je 't zoo warm, jongeheer?" 't Was om razend te worden! + +Toch drong hy zich op dat-i nog altyd naar 'n gelegenheid zocht om +'t staatsstuk te schryven dat het geld vergezellen zou, maar 't was +uit geestelyke traagheid alleen, en uit onwil om te erkennen dat +z'n verdriet veranderd was van richting. Ieder manspersoon dien hy +ontmoette en die gewoon gekleed was, vervulde hem met afgunst. + +Ziehier hoe hy schryven wilde... à ls hy tot schryven kwam: + + + Weledelgeboren Mevrouw ... + + +Zeker! Zoo adresseerde de jongeheer Leon de brieven aan z'n mama. Dit +zou dus ook wel zoo ongeveer de rechte betiteling wezen voor +mevrouw Calbb-Kopperlith. Hy wilde haar en de heele familie toonen +dat-i wist hoe 't behoort, en dat de manieren der "groote wereld" +niet onbereikbaar waren voor 'n burgerjongetje. "Weledelgeboren +Mevrouw!" alzoo, en verder: + +"Ik heb de eer Uweledelgeboren hiernevens aantebieden de som van +zeven guldens en achttien stuivers voor 'n nieuwen parasol. Myn eer, +Weledelgeboren Mevrouw, gedoogt niet Uweledelgeboren ongelukkig te +maken, en daarom... + +"Heb jy je jas in den lommert gebracht?" vroegen hier op de welbekende +zangwys van 't vroolyke patertje 'n paar belangstellende dienstmeiden, +die van haar zondagmiddags-uitgang zooveel pleizier wilden trekken +als er maar eenigszins van te trekken was. + +Wouter week schichtig uit, en vermeed zooveel mogelyk de minst donkere +plekken. Z'n gedachten keerden terug naar 't punt van uitgang: dien +fameuzen brief! + +"Uweledelgeboren zal ontwaren dat er vyf stuivers over zyn. Die schenk +ik Uweledelgeboren als 'n blyk van... van... + +Hy weifelde tusschen "goedertierenheid" en "genade." Een troepje +Amsterdammers die Kraantje-Lek bezocht hadden, en in de stemming +verkeerden welke van-oudsher by dezen uitgang past, kreeg onzen tobber +in 't oog en nam hem in 't ootje. Wouter sloeg zich dapper genoeg +door den kring heen, maar hy voelde zich zeer verdrietig. Men zal +erkennen dat de voorgenomen heldendaad met die zeven gulden zóóveel, +hem byzonder moeielyk werd gemaakt. Gedurig mompelde hy zich voor: +ik wil 'n brief schryven, ik wil! Als ik maar wist, wáár? En hy +monsterde huis voor huis, of daaronder misschien een mocht zyn dat +hem genoegelyk zou kunnen dienen tot kantoor? Zelfs liep hy nu-en-dan +'n winkel in, maar hy bereikte z'n doel niet. Z'n vreemd voorkomen +en de schichtigheid waarmed-i z'n ongewoon verzoek uitte, schrikten +de menschen af. "Als ik in-godsnaam maar 'n jas aan had!" zuchtte hy. + +Eindelyk--welke booze geest speelde hem dezen trek?--eindelyk stond hy +op-eenmaal weer voor 't huis waar de jood woonde, die zoo goedig hem +van jas en hoed verlost had. Wouter trad instinctmatig binnen. "In 's +hemelsnaam, dacht hy, als ik maar eerst weer behoorlyk gekleed ben, dat +ik me vertoonen kan! O God, wat is 'n mensch die geen jas aan heeft!" + +De jood zag vreemd op toen z'n klantje van zoo-even hem de verkwanselde +kleedingstukken kwam terugvragen. Hy had ze juist naar New-York +verzonden, zeid-i, waar ouwe-kleeren tegen goud werden opgewogen. + +--Maar zoo-even zei je... + +--So-efe-n-is f'rby, en wat cheweest is, is niet. Ik sech je +dat ouwe-kleeren d'r gelt waart binne! Feel uitfoer na Emerika +teugeswoordig! Daar sit 't 'm! Maar ik wil je wel 'n jas ferkoope-n-en +'n hoet ook. Mooie waar, kyk hier! + +Na eenig verdrietig gesukkel verliet Wouter den winkel van +den schacheraar, met 'n jas aan, en 'n hoed op... modellen! De +kleedingstukken die hy 'n uur te-voren in z'n opgewondenheid had +afgestaan waren er vorstelyk by. Toch moest hy voor de nieuwe plunjen +al 't geld neerleggen dat-i bezat, de vier stuivers inkluis die +m'nheer Wilkens hem den vorigen dag op last van den grootmoedigen +Pompile had uitbetaald voor z'n terugreis naar Amsterdam, en die +geaffekteerd zouden worden op "huishouding." De huishoudelykheid nu +van Wouter's transaktie... + +--As je wéér wat te handele heb, zei de edelmoedige jood, kom cherust +by me. + +En hy gaf Wouter 'n adreskaartje dat deze werktuigelyk +in den zak stak. Op-straat gekomen--nu was-i gekleed, o +goden!--betrapte hy zich op 'n volkomen overbodige repetitie van z'n +redaktie-plannen. "Weledelgeboren Mevrouw! Hiernevens heb ik de eer +Uweledelgeboren aantebieden... + +Aantebieden! Wà t? + +Hy sloeg zich voor 't hoofd, en erkende voor de honderdste maal... hoe +zei ook altyd z'n moeder? "Heere jesis-kristis, die jongen! Van hèm +komt nooit wat te-recht?" + +Waar zou-i heen! Al peinzend over den zonderlingen toestand waarin hy +gebracht was door... eilieve, lezer, door wà t eigenlyk? Hyzelf kon er +zich geen reden van geven, maar aan U vraag ik, wat toch de oorzaak +was van de onaangename verwikkelingen waarin hy telkens verstrikt +raakte? En ditmaal nogal erg. De geringschatting van de menschen aan +wie hy verantwoording schuldig was, had reden van bestaan in ieder +ander, maar niet in hèm. Z'n moeder was z'n moeder, de heeren Ouwetyd & +Kopperlith waren zyn patroons. Hy was niet grof genoeg van inborst om +de draden waarmed-i zich aan de maatschappy verbonden voelde, eenvoudig +te verbreken en zich vry te maken: om "de wereld integaan" zooals dit +heet. Hieraan dacht hy wel, doch maar 'n oogenblik want hy was te week +om het besef te verdragen van de smart zyner betrekkingen... die wel +luidruchtig, maar niet zoo byzonder diep zou geweest zyn. Doch dit wist +hy niet. Op-eenmaal kwam hem nu in den zin dat-i in z'n lessenaar op +'t kantoor allerlei rympjes had verborgen, waarin veel schoons werd +gezegd... van háár. Wie deze "haar" was, doet er niet toe. Het is te +betwyfelen, of hyzelf hiervan een heldere voorstelling had. Want al +droegen z'n ontboezemingen gewoonlyk de kleur der indrukken die Femke +hem had meegedeeld, toch dwaalde hy telkens te veel af van dat ééne +model, om te kunnen beweren dat hy in die rympjes z'n liefde voor +háár schetste. Niemand zou 'n waschmeisje zoeken in 't origineel van +de wolkerige portretten die hy leverde. 't Wemelde in z'n poëzie van +prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van wereld-overzien, +en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God was niet vergeten, +dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker bekend, hoe makkelyk dit +eensylbig woordje zich schikt in elke maat. Kompromitteerend in gewonen +zin waren alzoo Wouter's dichtproeven niet. Noch Pompile, noch Wilkens +zouden by 't vinden der achtergelaten rymelary, op 't denkbeeld gekomen +zyn dat hun weggeloopen jongste bediende in betrekking stond tot +'n dame die men noemen kon. Hoogstens zou 'n beetje scherpzinnigheid +hun de middelen aan-de-hand doen om van Wouter's ongedisciplineerde +hartstochtelykheid geen jota te begrypen. Hyzelf echter meende dat-i +maar al te duidelyk had lucht gegeven aan z'n gevoel, en in verbeelding +zag hy reeds z'n onbescheiden talent misbruikt om al de jonkvrouwen +van zyn hart tentoontestellen in de courant. Prinsessen zouden er 't +meest onder lyden, want aan hoven is de eer 'n teedere zaak. En ook +Julie liep gevaar. In dat ééne gedicht namelyk--koupletten van acht +regels met slechts twee rymklanken, denk eens!--had-i zich niet kunnen +onthouden, 'n zwevenden engel uittedosschen in 'n zwierig rykleed van +bruine taf, en van zoo'n stof was juist het japonnetje dat zy aanhad +op den dag toen hy zoo ridderlyk vier stuivers had afgedongen op haar +liggenden jachthond! Duidelyker zinspeling op z'n verrukking over haar +neerbuigen tot hem, kon wel niet gevat worden in koupletten van acht +regels met slechts twee rymen! Ja toch, hy had melding kunnen maken van +'t wollen fichuutje dat ze by die gelegenheid om den hals droeg--want +ze was op dien merkwaardigen stond 'n beetje verkouden--maar de eischen +van rym en maat bewaarden hem genadiglyk voor indiskrete vereeuwiging +van deze byzonderheid. Die zwabberende bruin-zyden amazone was +waarlyk al verraderlyk genoeg! Zou de oude Dieper by 't ontdekken en +beoordeelen zyner rymschatten, de goedheid hebben Pompile aftebrengen +van de gevaarlyke gissing dat er verwantschap bestond tusschen die +zwevende engel en z'n wederhelft? Och, op zoo'n boekhouder valt niet +te rekenen. Gaf-i niet altyd iedereen gelyk? Wouter zag hem z'n pen +neerleggen, z'n snuifdoos opnemen, den bekenden stap achterwaarts doen, +en dit alles om met vereischten nadruk te verzekeren: + +--Juist, jongeheer! Ik heb de intieme fictie dat de jongen met dat +schimpdicht bedoeld heeft... + +--Schimpdicht, Dieper? 't Is geen schimpdicht? Wàs 't dat maar! De +kwajongen is verliefd, en wel op... + +--Precies, jongeheer! Ik wil maar zeggen, net als u, dat-i zeker +met dien golvenden luchtgeest mevrouw Kopperlith-Huddewitz bedoeld +heeft. 'n Mensch moet toch iets bedoelen, niet waar? Zeker, zeker, die +engel in 't bruin is de jonge mevrouw! Vindt u 't niet erg... brutaal, +jongeheer? + +Wouter's verbeelding tooverde hem 't kantoor voor, en dwalend +door den Hout was-i getuige van de woede, van de minachting, van de +vernederingen die 't burgerzielig konklave over hem uitstortte. Wilkens +blaette afkeuring, Eugène bromde z'n: hm! Daar kwam ook de oudeheer +aansloffen: + +--Zieje, Pompile, 't is de schuld van Dieper. Waarom zoo'n deugniet +te rekommandeeren? + +En Dieper beloofde deemoedig dat-i 't nooit weer zou doen. + +De oude Gerrit? Nu, zyn tusschenspraak schikte nogal. Gelukkig voor +Wouter, dat-i eindelyk 'n figuur ontdekte van iets minder afschuwelyken +aard, iemand waarmed-i het tooneel dat z'n angst hem voormaalde, +wat minder krimineel stoffeeren kon. Gerrit mompelde: "wat 'n geseur +over die liedjes! Allemaal wind en 'n engelsche notting!" Lieve Gerrit! + +Opmerkelyk, niet waar, dat Wouter wel de gaaf had zich zoo nauwkeurig +voortespiegelen wat er gebeuren zou, wanneer men na z'n wegblyven z'n +archief doorsnuffelde, hy die zich niet in-tyds rekenschap had weten te +geven van den zotten toestand waarin iemand geraken moet, die z'n zeer +behoorlyk jasje verruilt voor 'n schanslooper van de vreemdste soort, +en z'n fonkelnieuw hoedje voor 'n rooden kalen gedeukten tromblon die +hem bovendien eenige nummers te groot was? Weinig jongelieden zouden +zich in Wouter's geval hebben schuldig gemaakt aan de zotterny die hy +begaan had, en toch zou 't onrecht wezen hen daarom voor verstandiger +te houden. Voor 't meerendeel hadden ze slechts door onthouding van +'t excentrieke, blyk gegeven beneden Wouter's fouten te staan. Kon +hy 't helpen dat-i z'n ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er +'n aanhoudende stryd was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg +en de wereld waarin hy leefde? + +De manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had, +kon zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt +worden onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas +die in den waan verkeert dat z'n beenen van glas zyn, is niet verder +van de waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te kennen zooals +zy inderdaad is, z'n aanraking met haar meent te kunnen regelen naar +'t schema dat hy in omgang met zichzelf alleen, samenknutselde. Wouter +droomde van engelen... die er niet zyn, en van zielenadel... die +niet bestaat. Hy onderging allerlei aandoeningen die aan anderen +niet bekend zyn. Het is er ver af dat deze aandoeningen onverdeeld +schoon waren, en dat alzoo in alle opzichten de werkelykheid beneden +z'n droomeryen zou staan. Integendeel. Onder alle personen, zonder +onderscheid, die hy tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die +niet in 't een-of-ander opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging, +'t geen reeds hieruit blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet +tot dwaasheden als die welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in +den Haarlemmer-Hout. Inderdaad, lezer, 't is onzedelyk 'n nieuwe jas +te verruilen voor 'n oude! Ik laat nu de kazuistische finesse waarmee +sommigen zotterny willen onderscheiden van slechtheid, stilzwygend +in haar onwaarde, zéker is 't dat onze held even beschaamd was over +'t verkwanselen van z'n kleeren, als-i over diefstal zou geweest +zyn. En, wanneer hy de wereld goed gekend had, zoud-i gróóter +schaamte nog gevoeld hebben over z'n dwaasheid dan over eigenlyke +misdaad. Deze immers wordt begrepen, omdat ieder deelt in de aandrift +die daartoe leiden kan. Met 'n vroom: "God zy by ons... wie staat, zie +toe!" bekruist men zich--en hangt den dief op, nu ja--maar men deelt +volkomen in de gevoeligheid voor verlokking die den zondaar máákte tot +'n zondaar. Vraag eens aan juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal +verwanten in geestesarmoed, of ze 't voor mogelyk houden dat zy een +der tien geboden zullen overtreden, of zelfs maar 'n artikel uit het +Wetboek van Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: "de mensch is +zwak! Heer, wees my armen zondaar genadig!" Heel goed, ik mag lyden +dat de Heer het doet. Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor +oogen dat zy 'n splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in +'n onderrokje ronddolen op den publieken weg... zonder de minste +aanroeping van den Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En dit +is de waarheid. Zóó ver kan de slimste Duivel 't mensch niet brengen, +al liet God haar in den steek. Wel schynt alzoo zyn hulp onontbeerlyk +om bewaard te blyven voor galg en rad, maar domheden als die van +onzen Wouter weet men te vermyden zonder de minste tusschenkomst van +den Hemel. + +En nog 'n opmerking, ditmaal van eenigszins aangenamer aard. Dat +Wouter's manier van spekuleeren niet tot welvaart leidt, zal ieder +erkennen en goedkeuren. Maar men is te zeer gewoon zich goede +uitkomsten voortestellen van het tegendeel. Dit is onjuist. Ik kan +den lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig toonde in +zaken, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is 't geval met +velen die zich vermeten minachtend neertezien op 't eigenaardig gebrek +aan praktyk, dat 'n uitvloeisel is van nog onvolkomen dichterlykheid. + +Wouter verweet zich dat niemand in gelyke maat als hy, de begaafdheid +had zich vasttewarren in 'n net van verdrietelykheden. Gelyk de +meeste jongelieden die in nood zitten, dacht-i aan zelfmoord. De +lezer herinnert zich dat dit meer geschied was. Het leven kwam hem +ondragelyk voor, en hy drong zich op, dat-i ditmaal wel degelyk van +plan... wezen zou daaraan 'n kordaat einde te maken, als-i maar niet +zoo terugschrikte voor 't denkbeeld dat die vervloekte Kopperliths +in z'n minneklachten zouden snuffelen. Eerst die verzen vernietigd, +dacht hy, en dan sterven! God zou wel begrypen dat-i 't niet kon +uithouden in zóó'n wereld! In den hemel was zeker wel deze of +gene werkkring die hem paste. Daar zoud-i zich stipt toeleggen op +z'n... naastbyliggenden plicht! O, waarom had-i dien goeden dokter +Holsma veronachtzaamd? En... hoe zou 't zyn als-i zich in z'n +tegenwoordigen nood--ei, zonder sterven, alzoo?--tot hèm wendde? + +Al wat hy zich van die familie herinnerde, kwam hem nu liefelyker voor +dan ooit. Die vlugge Sietske! Die waardige moeder! Die ernstige oom +Sybrand! En Willem... nu ja, z'n wyzigheid was drukkend, maar kon hy +'t helpen dat Wouter geen latyn verstond? Had z'n moeder hem dà t +maar laten leeren, meende hy, dan zou alles anders wezen! Hy zou +dan nu op weg zyn om dominee te worden, of advokaat, of rechter, +of minister... allemaal menschen die 'n behoorlyke jas aanhebben, +en precies weten waar ze belanden moeten als 't nacht wordt! Dit +namelyk wist Wouter nog altyd niet, en 't bezwaarde hem zeer. Maar +al was 't dag geweest, waarheen, waarheen? Op die gansche aarde geen +plek waar-i zich vertoonen kon! Zeker, zeker, God zou er genoegen +mee nemen, als-i onaangediend en ongeroepen in den hemel kwam. + +Sterven dus! Heel goed, als-i maar geweten had, hoe? Inweerwil +van deze onzekerheid stond z'n voornemen byna vast. Byna! Want het +afscheidnemen van z'n plannen, van z'n droombeelden, van z'n toekomst, +viel hem zeer moeielyk. En zelfs het verledene, hoe dor en schraal ook, +bood hem gezichtspunten aan waarvan hy de oogen niet kon afwenden. Die +verschyning in den Schouwburg... die dubbelgangster van Femke... hemel, +de rozeknopjes! Ook die immers lagen in z'n lessenaar op 't kantoor, +geborgen in z'n zakboek, in 't zakboek dat-i anders altyd op 't hart +droeg--schoon 't hem zéér deed, als-i vuile praatjes aanhoorde by 't +postkantoor!--maar dat-i nu voor 't eerst had weggesloten om er niet +mee bezwaard te zyn op z'n voorgenomen tocht naar "buiten." Mocht-i +aan sterven denken zoolang hy dat pand niet had teruggehaald om het +te vrywaren tegen hoon? En nog iets! Was 't niet al te jammer, van +deze wereld te scheiden voor-i zeker wist hoeveel prinselyks er stak +in Femke, hoeveel van 'n bleekmeisjen in die prinses? Hy begreep niet +hoe hy zoolang zich had kunnen bezighouden met allerlei onderwerpen, +en vond het onverantwoordelyk zoo'n raadsel onopgelost achtertelaten. + +Leven dus, leven! Makkelyk gezegd, als-i maar geweten had waar-i slapen +zou? En... eten! Z'n sarrende fantazie hield hem 'n monster-boterham +van Vrouw Claus voor, en hy begon nu werkelyk zich te verbeelden +dat z'n honger onuitstaanbaar was. Stoffelyke behoefte nam de +overhand op smart van anderen aard--daar is ze voor!--en hy begon +afgunstig te worden op 't lot van Jakob Claesz. Want, meende hy, +in zoo'n onbeschaafd Vuurland waren zeker allerlei vruchtboomen, +en er groeide niets eetbaars in den Haarlemmer-Hout. Die Laurens +Coster had ook beter gedaan, vygen en ananassen te planten--of al +waren 't dan maar burgerlyke appels en peren geweest!--dan zich +bezigtehouden met de uitvinding van die vervelende drukkunst! Wat +heeft 'n dolend wildemannetje daaraan? En wat baatte hem nu z'n braaf +oppassen by Pennewip? O, die vervloekte beschaving! Hy verlangde +naar 'n voorwerp waarop-i z'n woede kon koelen, al ware het, byv. 'n +bende Vuurlanders geweest. Dan had-i geweten wat het Noodlot van hem +verlangde: stryden en... overwonnen worden, nu ja, en men zou hem +opeten, ook. In-godsnaam! Daartegenover immers stond altyd de kans dat +hy--onder aanroeping van deze of gene dame: 't was meer gebeurd!--de +overwinning behaalde, z'n vyanden tot Christenen maakte, en zichzelf +tot koning, juist wat-i wezen wilde. Wie weet of niet Jakob Claesz +ook zoo-iets gedaan had, en Wouter besloot dat Vuurland eens. te +bezoeken zoodra hy te beschikken had over 'n vlootje. Dan zoud-i... + +Helaas, heiaas, wat gekke overleggingen in zyn toestand! Beurtelings +woedend en verdrietig, slenterde hy laan-in laan-uit, en wist geen +raad. Eindelyk zette hy zich moedeloos onder 'n boom, en viel in +slaap. Hy droomde dat-i in nood was en dat Femke hem redde. Toen-i +wakker werd, was 't volkomen nacht. Het kostte hem veel moeite zich +te bezinnen wat er gebeurd en hoe hy daar gekomen was. Maar helaas, +hy voelde zich wel genoodzaakt het gebeurde voor inderdaad geschied te +houden, en z'n verdriet weer aanteknoopen waar 't eenige uren geleden +was afgebroken door den slaap. Toch was de daartusschen liggende droom +te levendig geweest om daarop geen acht te slaan, en by gebrek aan +beter dwong hy zich dien optevatten als 'n wenk. Hy besloot dus naar +Amsterdam te gaan en zich onder Femke's hoede te stellen. Al zag hy +niet in hoe zy hem van dienst wezen kon, 't zou hem reeds verluchten +indien hy iemand kon deelgenoot maken van z'n verdriet. En de schaamte +die hem pynigde omdat-i haar zoo lang had verwaarloosd... zeker, +dit maakte den stap niet gemakkelyk. Want hy voelde zeer goed dat-i +zich haar onwaardig had gemaakt, en kon het denkbeeld niet van zich +stooten dat zy dit wist. Ach, mocht hy den dag van vandaag, en dien van +gisteren... neen, de vier, vyf laatste maanden kunnen overleven! Zyn +nu verwaarloosd gemoed zou daarby wèlvaren, en Hersilia's parasol ook. + +Na lang zoeken en dwalen bevond hy zich op den weg dien hy den +namiddag van den vorigen dag was langsgekomen in 't achterbakje van +de britschka. Reeds toen was-i niet tevreden. En nu! Naar Femke, +naar Femke! riep hy, alsof 't meisjen 'n toovergodin was die maar te +bevelen had om verandering te brengen in z'n verdrietigen toestand. En +ongegrond was Wouter's vertrouwen eigenlyk niet, schoon hyzelf daarvan +zeker geen reden geven kon. Femke's eenvoudige kalmte--uitvloeisel der +harmonie van haar gaven, inborst, ontwikkeling en begeerten--maakten +haar inderdaad tot 'n goede raadsvrouw. Zeer vermoeid kwam Wouter tegen +den morgenstond by haar huisjen aan. Hier wachtte hem 'n zonderlinge +verrassing... o, die ondeugende Fancy! + + + +De buitenblinden waren gesloten, wat Wouter niet verwonderde daar het +nog zeer vroeg was. Maar wel was z'n verbazing groot, toen hy bemerkte +dat de deur áánstond. Zou die den geheelen nacht open geweest zyn? Was +Vrouw Claus zoo vroeg reeds uitgegaan? Of misschien Femke-zelf? Helaas, +zou ze dáár wezen? Moed om 't meisjen optezoeken by de Holsma's, +had-i niet. Hy was beschaamd voor die familie, en bovendien, +hy durfde de stad niet in, om die gekke jas! Zeer waarschynlyk +had juist de afkeer om zich in de straten te vertoonen, hem 't +denkbeeld ingegeven hulp of raad by Femke te zoeken, of wel--indien +ze hem noch het een noch het ander verschaffen kon, gelyk immers +te voorzien was--haar tot vertrouwelinge van z'n kommer te maken, +om wat troost. Zeker zoud-i niet tot dit besluit gekomen zyn als 't +meisjen in de stad gewoond had, en niet op 'n buitensingel waar ze +bereikt worden kon zonder 'n spitsroedengang tusschen de reien van +'t straatpubliek. By 't opsporen van de oorzaken onzer handelingen, +moeten we niet zelden afdalen tot het nietigste. Wouter wist niet dat +er verband was tusschen liefde en stryd, en al ware hy in dit opzicht +minder onkundig geweest, dan nog blyft het de vraag of-i lust zou +gevoeld hebben zich in z'n allerzonderlingst kostuum te vertoonen +aan de uitverkorene van z'n hart. Bovendien, nooit had hyzelf zich +rekenschap van z'n verhouding tot Femke gegeven. Nog altyd dobberden +z'n aandoeningen op die grens die 't kind overschryden moet om mensch +te worden, en 't was meer de ontwakende behoefte aan liefde die hem +vervulde, dan de liefde-zelf. Wouter was niet veel meer dan 'n jongen, +en wanneer-i met wat meer juistheid z'n standpuntje begrepen had, +zoud-i ontheven zyn geweest van 'n groot deel der schaamte over z'n +bespottelyke uitrusting. Wel beschouwd kwam 't er nog drommels weinig +op aan, hoe hy er uitzag. Maar hy was alweer niet jong genoeg ook, om +onbewust de voordeelen van z'n onbeduidendheid te genieten. Hoe dit zy, +de nood perste, en hy voelde instinktmatig behoefte aan 't ontmoeten +van iets liefs, iets vriendelyks, na al 't leelyke waarmee men hem +sedert zoo langen tyd oververzadigd had. Toch wist-i zeer goed dat +Femke niet bymachte wezen zou hem zyn kleeren terug te bezorgen, +noch de verhouding tot die gevreesde patroons in orde te brengen, +noch hem te verzoenen met z'n moeder die woedend wezen zou als ze +te weten kwam dat-i onfatsoenlyk was geweest, parasols gebroken, +en fortuinen met voeten geschopt had. Neen, neen, Femke zou hem niet +kunnen helpen! Byna begon hy te wenschen dat-i niet dáár was. + +Maar Vrouw Claus dan? Evenmin! In-godsnaam, als-i zich dan maar +'n oogenblik in haar huisje mocht neerzetten, haar z'n nood klagen, +en... 'n dikken boteram eten. Dà t zou hem de kracht geven om afscheid +van 't leven te nemen. Hy wou wel sterven, heel graag zelfs, als-i maar +niet zoo'n honger gehad had! Dááraan eerst 'n eind gemaakt, en dan... + +Juist wilde hy de deur openstooten en binnengaan, toen z'n aandacht +werd getrokken door 'n luid gelach. Het kwam van verre. Over 't +bleekveld heen, den weg op, zag Wouter twee gestalten die hem schenen +te naderen. Met begeerigheid elk voorwendsel aangrypend om 't gevreesd +binnentreden uittestellen, staarde hy zoo scherp mogelyk op de beide +personen die in luidruchtig gesprek schenen. Van-lieverlede werden de +omtrekken duidelyker. De een scheen 'n jong zeeman en de ander... myn +God, was dat Femke niet? Wouter keek zich blind, en moest telkens +de oogen uitwisschen om opnieuw... ze wàs het! En de ander? 't +Was wel waarlyk 'n matroos: wie anders draagt zoo'n gelakt-leeren +hoed? Van-tyd tot-tyd kaatsten daarop de nog horizontale zonnestralen +in schitterend goud af, zoodat Wouter de oogen sluiten moest als ze +door dien glans getroffen werden. Maar, ze weer opslaande, kon hy zich +niet troosten met onzekerheid. Femke liep daar in den zeer vroegen +morgen--byna was 't nacht nog--met 'n matroos! Ach, Wouter zou minder +tydmeterig-fatsoenlyk met z'n aandoeningen hebben omgegaan, wanneer +de begrooting van de heeren Ouwetyd & Kopperlith vyf-en-twintig gulden +'s jaars had kunnen dragen aan busrecht! + +Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouter's meening, +met 'n matroos! Een oogenblik lang vlood alle herinnering aan 't +gebeurde en aan de oorzaken die hem daar brachten, op den achtergrond, +om slechts plaats te maken voor yverzucht, vreeselyke yverzucht. De +arme jongen had 'n gevoel alsof hem 'n gloeiende dolk in 't hart +werd gestoken. Z'n knieën knikten, en als wezenloos viel hy tegen +den post van de deur aan. Maar jalouzie is de minst kleinzeerige +van alle kwalen: ze houdt van pyn. Wouter sloeg geen oog af van 't +schouwspel dat hem zoo wondde en hoe langer hoe smartelyker aandeed, +want de blykbare vertrouwelykheid tusschen de beide jongelieden +was groot. Gedurende hun wandeling gaven ze elkander de hand, of +liever 't scheen dat ze hun pinken ineenhaakten. Dit kon worden +opgemaakt uit 'n eigenaardig gelykmatig slingeren van den linkerarm +der persoon die rechts liep, en van den rechterarm der andere. Het +gesprek was luidruchtig en zelfs van sarrende vroolykheid. Vooral +het meisje joelde en schaterde, en hierdoor voelde Wouter zich als +vernietigd. Het baatte niet of-i zich al vóórzei dat ze hem niets +schuldig was, dat hy geen recht op haar had, en dat ze... god in +den hemel, moest het nog erger worden? Daar liet zy de hand van den +jongeling los, en viel hem om den hals, en 't duurde wel 'n eeuw, +vond Wouter, of 'n uur, of zooiets, maar 'n zéér langen tyd in allen +geval. In al de romans die hy gelezen had, werd de aandoening die hy +onderging omschreven met de woorden: "onze held stierf duizend dooden" +maar hy had waarlyk geen afgezaagde boekenfraze noodig om te voelen +wat-i leed. Na de omhelzing hervatte het dartele paar de wandeling +op den weg, en naderde, telkens omkeerend, nu en dan het huisje, +waarop dan ook eenige malen door 't meisje gewezen werd alsof ze +daarover iets aan haar vrindje te vertellen had. Wouter spande zich +in om iets van hun gesprek te verstaan, maar 't lukte niet. Als +om hem 't begrypen onmogelyk te maken, keerden zy zich telkens +om als-i juist op 't punt meende te zyn eenig gevolg verzekerd te +zien aan z'n onbescheidenheid, en dan slenterden ze weer den weg +naar de Aschpoort op. De arme jongen meende te droomen, want zelfs +'t niet verstaan van wat er gezegd werd, bracht het zyne tot z'n +verbazing by. Telkens meende hy eenige klanken duidelyk genoeg +te hebben opgevangen om te begrypen wat-i hoorde, en toch wou dit +maar niet het geval worden. Hy wreef zich de ooren alsof daarover +'n vlies gespannen was, doch zonder baat. En, wanneer 't paartje +weer wat verder-af was, hoorde hy slechts 't geschater. Er ontbrak +maar aan dat ze daar gingen dansen op den publieken weg. Waarachtig, +'t scheelde niet veel! Het uitgelaten meisje pakte 'n paar malen den +jonkman, die iets bedaarder bleek dan zy, by den arm, en zwaaide hem +om zich heen. Daarop volgde dan weer luid gejuich en gesnap... er was +geen eind aan! Ja toch, eindelyk bleven ze staan en schenen afscheid +te nemen. Er werd hartelyk gekust, de jongeling verwyderde zich, en 't +meisje sloeg met bedaarder tred, den weg naar 't huisjen in. Eens nog +stond ze stil, wuifde met 'n doek, en ontving haar groet behoorlyk van +'t zeemannetje terug, die driemaal met z'n hoed zwaaide. Voor evenwel +'t meisje genoeg genaderd was om Wouter met kennis te zien, liep deze +woedend heen, en wou... en zou... ja, wat? Na eenig heen-en-weer +zwerven, waarby hem z'n onbehagelyke kleeding zeer ergerde, vooral +omdat het getal der voorbygangers aangroeide, niet zonder verdriet +ook over den honger dien-i zich toedichtte om 'n afleider te hebben +van z'n velerlei wanhopen... kortom, 'n half uur daarna stond-i +weer voor 't huisje van Vrouw Claus, en ditmaal trad hy binnen. De +tafel droeg toebereidselen tot 'n flink ontbyt--goddank!--maar hy +zag niemand. Uit het kamertje waar-i eens zoo heerlyk geslapen had, +klonk 'n stem--'n lieve heldere jonkvrouwelyke stem toch!--die hem +begroette met 'n soldatesk: werda! Wouter antwoordde niet, of byna +niet, want het onnoozele "ik" dat-i zeer verwonderd uit-piepte, +mag geen naam hebben. Hoe drommel kon-i voorbereid wezen op zoo'n +militaire ontvangst? Gelukkig dat zich hierop Vrouw Claus vertoonde, +die hem wat burgerlyker toesprak. + +--Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo lang +weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... ik +kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je. + +Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: "dat is nou +'t jongetje van 't paard, weetje?" Hierop volgde iets als teruggehouden +lachen en daarop 'n doodelyke stilte. Wouter wist alweer niet hoe hy +'t had. Na eenig wachten waagde hy 't even in de kamer te gluren, +waaruit men hem zoo geheimzinnig had toegeroepen. Vrouw Claus, +dacht-i, zou nu toch wel met haar toilet gereed zyn. Nu, dit was zoo, +maar in de kamer was niemand. Moeder en dochter waren zeker op 't erf +by de bekende pomp. Een oogenblik daarna keerde Vrouw Claus terug, +en noodigde op haar gewone vriendelyke manier Wouter op 't ontbyt. + +--Asjeblieft, juffrouw. Maar wil u me asjeblieft zeggen waarom Femke +niet komt? + +--Fem? Jawel, o jawel, die zal wel komen. Of misschien komt ze niet, +want ze staat te wasschen. Zoo zal ik nu maar zeggen, weetje? Weetje +wat jy doet? Eet 'n boteram, jongen, en hier is koffi. En zeg me nu +eens gauw hoe 't met je moeder gaat? Die is immers ziek geweest? Ja, +'n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas op. + +--M'n moeder is heel wel, maar... + +--En jy? Heb je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... neen, neen, +neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op 'n paard gezeten. Hoe kan +ik zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, 'n mensch z'n hoofd +loopt wel 'reis om. En is moeder weer heelemaal in orde. Wel, dat's +best. Als ze nu maar oppast niet weer ziek te worden. Was 't koorts, +of wat was het? + +--M'n moeder is heel wel, juffrouw, maar ikzelf ben 'n beetje... + +--Ben jy ziek? Wat mankeert je? Maar... gut, jongen, wat heb je daar +'n gekke jas aan je lyf. Hoe kom je daaraan? + +--Ja, dat komt... dat is... ik moet... ik wilde... + +Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van z'n +stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van alle +kanten te bekyken. + +--Ajakkes, jongen, wat schikt jou moeder je raar op! Je lykt wel 'n +sjouwerman, neen... ik weet niet wat je wel lykt! Je broekie is netjes, +dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, maar die jas! En +wat zit je vol stof. Waar heb je gezeten, jongen? Waar ben je geweest? + +Toen de goede vrouw zich bukte om 't stof van z'n schoenen te slaan, +kreeg ze tot overmaat van ergernis, Wouter's hoed in 't oog, dien-i by +'t plaatsnemen had verstopt onder z'n stoel. + +--Heeremensch, wat 'n hoed! Ik geloof dat je mal bent, jongen! En, +nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best! Och, och, vroeger +was je zoo'n lief jongetje, en op dat paard... o neen, op 'n paard +heb je nooit gezeten, maar toch, je zag 'r vroeger aardig uit. En +nu? 't Is 'n ware schand zooals je moeder je toetakelt! + +--Moeder kan 't waarlyk niet helpen! Ik zal u alles vertellen, +juffrouw. + +--Wà t? Kan je moeder niet helpen dat jy voor spot loopt? Ik zeg je dat +het schande-n-is, 'n ware schande, ja... 'n schandaal! Hoor eens, ik +ben maar 'n waschvrouw, en dat wil ik blyyen ook, al zouden ze... nu, +dit gaat jou niet aan, maar ik verzeker je dat ik me schamen zou, +schamen, ja schamen, hoorje! + +--M'n moeder weet het niet... + +--Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar is ze +dan moeder voor? + +--Neen, juffrouw, maar... + +--Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil 't niet wezen. + +--Och, Vrouw Claus, m'n moeder weet er niets van. Ik kom van Haarlem, +en... + +--Van Haarlem? Wat deed je dáár? En moet je 'r daarom zoo verpieterd +uitzien? Als Fem hier was, zou ze... + +--Is ze dan niet hier, vroeg Wouter haastig, is Femke niet hier? En +ik heb 'r gezien! + +De beurt om verlegen te worden, was aan Vrouw Claus. Ze antwoordde met +'n zonderling gerekt "ja" dat heel best kon gelden voor 'n ontkenning. + +--Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier eigenlyk +niet. Je moet denken, ze is dikwyls uit, en by m'n nicht op den +Kolveniersburgwal ook, en ze brengt waschgoed weg... och, ze heeft +allerlei te doen, en weetje wat jy doet, jongen? Eet jy nog 'n boteram +of twee, want als je heel van Haarlem komt... onze Fem is aan de +wasch, weetje, en als ze gehinderd wordt in haar werk... jeesis-maria, +wat lieg ik! + +Met dezen kreet op de lippen stoof Vrouw Claus de kamer uit, en 't +achtervertrekjen in. Het scheen wel dat ook zy wat te verbergen had, +want Wouter bemerkte tot z'n verbazing dat zy de deur achter zich +sloot, alsof ze bevreesd was dat-i haar volgen zou. Een oogenblik +lang meende hy 'n onderdrukt lachen te hooren, maar weldra werd +het in de kamer naast hem volkomen stil. Zeker was Vrouw Claus op +haar erfje by de pomp gegaan, om daar aan Femke te vertellen hoe +bespottelyk hy was opgetooid. Hy begon zich optedringen dat de in 't +oog vallend zonderlinge houding der moeder, inverband stond met dat +al te vroegtydig bezoek van den matroos. Zeker giste Vrouw Claus dat +hy daarvan iets bemerkt had, en ze wist niet hoe ze dat voor de eer +van haar huisje zou goedpraten. Zoo wàs het! Weinige maanden geleden +nog, zou Wouter zeker niet op zulke gedachten gekomen zyn. Maar +z'n wereldwysheid was aan 't groeien, en wel als naar gewoonte den +verkeerden kant uit. Wat de kans op juist-raden aangaat, had-i beter +gedaan zich te houden aan z'n kinderlykheid, want de wysheid van deze +wereld is dwaasheid by Fancy. + +Wouter bleef niet zeer lang met z'n boterammen alleen. De buitendeur +werd opengesloten, en een man die blykbaar zoo-even was komen aanryden +met 'n handkar waarop 'n koffer geplaatst was, vroeg of-i te-recht +was by Vrouw Claus? Er bleek dat deze 't voertuig had zien aankomen, +en tevens dat zy de bestemming daarvan kende, want voor nog Wouter +tyd had gehad iets te vernemen van de herkomst--sommigen beweren +dat-i grooten lust had er naar te vragen--kwam de goede oude vrouw +haastig aanloopen. Ze stuwde Wouter op-zy, toen-i met z'n gewone +dienstvaardigheid behulpzaam wezen wou in 't afladen, en droeg met den +kruier 't vry zware voorwerp dat haar gebracht werd, het huisjen in, +en met één vaart naar de achterkamer door. Indien 't haar plan was, +den naam des afzenders voor Wouter geheim te houden--en zoo scheen +'t wel--liep ze gevaar hierin te worden teleurgesteld door den kruier +die op haar vraag naar 't bedrag van 't veerloon, ten antwoord gaf dat +de vracht voldaan was door de heeren... sakkerloot, Wouter verstond +den naam niet! Na 't vertrek van den man met de handkar voelde hy zich +verlegen omdat hem maar al te duidelyk gebleken was dat er iets voor +hem verborgen werd. Hy wilde dus niets liever dan vertrekken, maar +werd weerhouden door Vrouw Claus die hem op-nieuw 'n stoel aanwees. + +--Ze zegt... ik wil maar zeggen dat ik nu graag eens precies weten wou +waarom je 'r zoo mal uitziet, en wat je toch in 's heere-menschen-naam +te Haarlem hebt uitgevoerd? Zeg, jongen, wat deed je te Haarlem, en +waarom heb je zoo'n schandaligen hoed op? En die jas? Vertel me nu eens +alles precies, net of ik je moeder was. Want ze wil alles weten ... + +--Femke? vroeg Wouter. + +--Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. Heeremensch, +wat verveelt me dat liegen...ah! + +Deze uitroep gold pater Jansen, die z'n goedig gezicht aan de deur +vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat bejaard +kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest op +'n ontstemd gemoed. + +--Wel, dat 's goed, pater! Ga zitten, en eet 'n stuk. Heb je-n-'n +zieke-n-in de buurt. + +--Dat ook. Maar ik kom 'ns hooren of ze 't gedaan heeft? + +--Ja zeker! Maar... dat jongetje weet er niets van. We praten er dus +maar niet over voor-i weg is. + +Natuurlyk alweer wilde Wouter, zich hoorende uitmaken voor zoo storend, +z'n bezoek afbreken. Maar Vrouw Claus liet het niet toe. + +--Neen, mannetje, jy blyft nog wat. Net goed dat pater 't hoort wat +je hebt uitgevoerd. Kyk 't kind er 'ns disselaat uitzien, pater! + +De goede pastoor bekeek Wouter van onder tot boven, maar hy was nu +juist de rechte man niet om den snit van 'n jas te-beoordeelen, en +toonde dus minder verontwaardiging dan volgens Vrouw Claus behoorlyk +zou geweest zyn. + +--Nu, pater, jy weet dat zoo niet, maar hy is 'n fatsoenlyk mans kind, +en ziet er uit als 'n schooier uit de polders. En hy is te Haarlem +geweest zonder dat z'n moeder er van weet. Maar vertel dan toch, +jongen, wat je gedaan hebt! Wel ja, niet waar, dan weet pater 't ook! + +Wouter begon z'n relaas hakkelend en verward, en sprak nog veel +slechter dan over 't algemeen de hollandsche gewoonte is, 'n fout +die vergeeflyk voorkomt omdat ze in zekeren zin 't gevolg is van den +rykdom der taal. Och, niet dáárop kon zich de jongen ter verschooning +van z'n gebrabbel beroepen. Behalve de schaamte die hem beheerschte, +hinderde hem zekere onzekerheid omtrent het bevattingsvermogen +van z'n hoorders, 'n twyfel die Demosthenessen en Ciceroos zou +stom gemaakt hebben. Hierdoor werd hy vooral belemmerd wanneer-i +ter verklaring van z'n vreemd gedrag, oorzaken wou uitleggen die +hemzelf niet zeer duidelyk waren. 't Is waar ook, waaròm toch voelde +hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig "thuis" in 't wereldje +dat hem omgaf? De wrevel in byzondere gevallen--over de minachting, +byv. waarmee de opgeblazen Hersilia hem behandeld had--was gemakkelyker +te verklaren, en dit deed-i dan ook zoo goed hy kon. + +--Als 't kind van de kerk was, zou ik zeggen dat je hem eens +onderhanden moest nemen, zei Vrouw Claus tot den pater. En, zieje, +'t is niet om 't verkwanselen van z'n kleeren alleen, en ook niet om +dien perresol, maar z'n gezicht bevalt me-n-ook niet. Zeg jyzelf nu +eens, pater, of-i er niet verpieterd uitziet? Nu, we zullen zien wat +er aan te doen is. + +Dit gezegd hebbende, stond zy op en begaf zich naar 't achterkamertje, +alsof daar de geneesmiddelen voor Wouter's kwalen moesten gezocht +worden. En dit bleek eenige minuten later werkelyk 't geval te zyn. + +--Hoor eens, jongeheer, zei pater Jansen, wil je weten hoe ik over de +zaak denk? Ik vind dat je je kleeren moest zien weerom te krygen. Zie +je kans, 't huis van dien man terugtevinden? + +Wouter vertoonde het adreskaartje van den menschenvriend die hem +zoo edelmoedig behulpzaam geweest was in 't uit- en aankleeden. Hy +maakte de opmerking dat er tot het lossen van de verkochte stukken +geld noodig wezen zou, véél geld, en dat juist dit bezwaar... + +--Geld heb ik ook niet veel, zei de goede man, maar als je wat wachten +kan, zal ik er om schryven naar Vucht, aan m'n broer die daar smid is, +en 't gaat 'm goed. En 'n herberg houdt-i ook, en zondags wordt er by +hem gedanst... nou! Na kerktyd, weetje? Dà t moet je zien, vooral als +'t kermis is. Een pret... je leven zoo niet! + +De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteren, gelyk men +ziet. Of liever, 't waren geen preeken, en misschien zelfs was z'n +taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en kermishouden +zonder afschuw, 'n byzonderheid waarin de scherpzinnige lezers een +der oorzaken zullen ontdekken, waarom de goede pater nooit lid van +'n gemeenteraad geworden is. In zulke kollegien heeft men leden van +eigenaardige bravigheid noodig. Och, Jansen was zoo braaf niet! Hy +preekte niet, en sprak niet over zedelykhedens. Ternauwernood roerde +hy zulke dingen aan, als 't zyn beurt was alleen te praten in de kerk, +wat hem moeielyk genoeg viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had +zich aantestellen alsof-i beter was en meer wist dan 'n ander. Voor +schryver zou hy in 't geheel niet gedeugd hebben. Hy was goed in den +uitgestrektsten zin van 't woord, tenzy men het toekennen van deze +hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads +te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon +nu eenmaal met pater Jansen 't geval niet wezen omdat hy niet wist +wat kwaad was. Toch, of juist daarom misschien, wekte z'n voorkomen, +z'n manier van spreken en vooral, waar 't noodig was, z'n handelwys, +in zeer hooge maat tot deugd op. Maar ook dit was hemzelf geheel +onbewust, 'n onkunde die hem bewaarde voor de nederigheid waarop hy +in dat geval zich misschien zou hebben toegelegd, en die z'n overigens +zoo volkomen ongekunsteld karakter zou ontsierd hebben. + +Hy verhaalde nog een-en-ander van z'n dorp, en Wouter die behoefte +voelde aan afleiding, luisterde met meer belangstelling dan de zaakjes +die pater Jansen meedeelde, waard waren. Het was de gemoedelyke, +zachte, onhartstochtelyke toon die hem goeddeed, en telkens betrapte hy +zich op de verzuchting: "och, was ik maar te Vucht by dien smid!" De +herberg en 't dansen hoefde er niet eens by om naar zoo'n heerlyk +land te verlangen. + +--Je moet 'm zien staan in z'n travalje, zei de pastoor. Klik, +klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En z'n mouwen +opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, zoo'n smid werkt +in z'n hemdsmouwen. + +Wouter voelde neiging z'n pronkjas uittetrekken, en aan 't smeden te +gaan. Wat zoo'n smid toch 'n gelukkig mensch is, en hy... + +--Och, m'nheer, ik zit zoo verlegen! Ik durf waarlyk niet thuis komen +met dit vervloekte ding aan m'n lyf. + +--O, we moeten niet vloeken. Zoo'n jas heeft er geen weet van of-i +mooi of leelyk is, moet je denken. Ja, de man zal zeker veel geld +willen hebben, want van z'n winst moet-i leven, zieje, en zulke +menschen hebben altyd groote huishoudens. Heb je misschien kennis aan +'n horlogemaker? + +--Neen, stamelde Wouter. + +--Misschien weet Vrouw Claus wel waar we wezen moeten, zei de pater, +terwyl-i 'n ouwerwetsch zilveren horloge uithaalde. Maar 't is niet +best van loop... als we maar wisten wie 't koopen wou! Waarom huilje? + +Inderdaad, de tranen liepen Wouter over de wangen. + +--O neen, neen, dà t niet, m'nheer, dat kan niet! + +--Ik zal er weinig weet van hebben, want dikwyls staat-i stil. 't +Is heel lastig, 'n horloge dat niet goed gaat, maar 't is van m'n +vader, en daarom... och, ik hecht er niemendal aan, want ik heb genoeg +andere dingen van hem, die ik bewaar als goud, dat begryp je wel! Als +je-n-'ns by me komt, zal je 't zien. 't Briefje van z'n eerste kommunie +hangt boven den schoorsteen. Hy was ook 'n smid, en nog veel sterker +dan m'n broer... zooals ze zeggen, want gekend heb ik den man niet, +omdat ik pas 'n jaar oud was toen-i stierf. Als we nu maar wisten wie +'t koopen wou! + +De goede man woog 't horloge op de hand. + +--Dat zal niet gebeuren, pater, riep Vrouw Claus, die weer +binnentredend, de laatste woorden verstaan, en terstond begrepen +had wat er mee bedoeld werd. Dà t zal niet gebeuren, en 't is niet +noodig ook, ging ze voort, 'n papiertje waarin geld gewikkeld scheen, +omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was dat zoo niet, +dan zou ikzelf nog wel raad weten voor 'n dukaton of tien. Hoor eens, +jongeheer, kyk me-n-eens goed aan... ja, pater, 't moet er nu maar +uit, ze zegt het zelf, en dat gedraai en gemaal verveelt me danig. +Zeg, jongen, kan je zwygen? + +--Ja, zei Wouter, en hy sprak de waarheid. + +--Nu dan, Fem is niet hier, en 't meiske dat je zeker gezien hebt op +den weg... ja, aan je oogen zie ik dat je 'r gezien hebt... + +'t Is waar dat Wouter 'n eigenaardig gezicht zette by 't ontwaren van +wat kans op opheldering over de vreemde vertooning van dien ochtend. + +... ja, ja, ik begryp heel goed dat je 'r naar gekeken hebt! Nu, dat +was onze Fem niet, jongen! Dat is, om 't nu maar zoo eens uittedrukken, +'n juffer die--hoe zal ik zeggen, pater? Want de pater weet er van, +dat begryp je wel, anders deed ik 't niet!--dat is 'n juffer die van +staat veranderen wil. + +--Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O God, +o God, ik wist het wel! + +--Hè? Hoe kon jy dat weten, jongen? Wat weet je? Niks! + +--Prinses Erika! Heeft ze niet naar me gevraagd! O, zeg, of ze niet +naar me gevraagd heeft? + +--'t Is 'n juffer die van staat verandert, zeg ik je, en die by my +'t wasschen leeren wil. Maar ze wil 't niet weten voor de menschen +en voor 'r familie, en daarom laat ze je verzoeken, nooit 'n woord +over haar te spreken. Ze zei me dat je woord houden zou als je 't +beloofde. Je schynt iets met 'r gehad te hebben... + +--Ja, o ja, riep Wouter. + +--Men moet altyd z'n woord houden, zei pater Jansen. + +--Dus je belooft het? vroeg Vrouw Claus. + +--Ja, by God! riep Wouter. + +--Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, die +als 'n eed opnam wat in Wouter's mond slechts 'n romanfraze was, +al meende hy 't dan even goed alsof-i eenvoudig "ja" gezegd had. Hy +'n dame verraden, en háár nogal! + +--Nu, goed dan, vervolgde Vrouw Claus, ik heb haar verteld wat je +op die buitenplaats en te Haarlem hebt uitgevoerd, en ze zegt dat er +geen kwaad by is, als je nu maar precies doet wat ik je zeggen zal. + +--O, alles, alles! + +--Kyk, hier is geld voor je kleertjes--steek je horloge gerust weer in +je zak, pater--maar ze zegt dat het eerst gewisseld moet worden. Gut, +pater, als de jongen 't nu maar niet weer verdoet! + +--Je moet het vooral niet verdoen, jongeheer. Ik ken die munt wel. We +hebben er eens precies zoo een in 't zakje gehad... verleden, weetje, +toen er zooveel vreemde heeren in de stad waren. + +'t Waren gouden friedrichs, en wel vyf in getal. Vrouw Claus zei +dat het meisje meer had willen geven, maar dat ze haar hiervan had +teruggehouden uit vrees voor 't "verdoen." Die glinsterende stukken +herinnerden Wouter aan de gemakkelykheid waarmee de schipper met +den bonten muts zich gezag had weten te verschaffen in die kroeg +op de Botermarkt. Er ging hem 'n lichtjen op, waarvan-i gebruik +maakte om 'n schrede voorwaarts te doen op 't gebied van munt- en +menschenkennis. Maar tyd om zich te verdiepen in de aandoeningen van +dien vreeselyken en toch zoo heerlyken nacht, had-i niet. "Ze noemde +my broeder..." begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z'n gedachten +afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze voortzette, want +ook zy sprak van 'n broeder, schoon men erkennen moest dat het woord +in haar mond wat minder voornaam en boekerig klonk. + +Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z'n trekken haar byzonder +belang inboezemden. + +--Ja, gut, jy zag er vroeger ook lief uit, maar nu niet meer, als +ik je nu eens de gulle waarheid zeggen zal. 't Was misschien voor +jou ook wel 'reis goed als ie 't zeegat uitging--want, pater, hy wil +naar zee... haar broer, meen ik--je ziet erg bleek, jongen, wat zeg +jy, pater? Zoo'n kind versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef +Holsma zei 't ook. Maar nu dat geld, weetje waar 't gewisseld worden +kan? En zal je 't niet verdoen? + +--Neen, juffrouw, zeker niet! Maar... + +--'t Is waar ook, je durft met die malle plunje de stad niet in. Dat +zal toch moeten! En heel naar Haarlem dan, hoe zou je dà t maken? + +--Als ik van dienst wezen kan, zei pater Jansen. + +--Wel, pater, als je met den jongen meeging? + +--Dat wil ik wel doen, antwoordde de goede man, als we maar weten +waar we wezen moeten. + +Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in één ding zich diligent +toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer 't adreskaartje voor +den dag. Pater Jansen verzekerde dat de zaak nu heel makkelyk kon +geschikt worden, en er werd afgesproken dat Wouter hem naar z'n woning +vergezellen zou om daar te wachten tot het geld gewisseld was. Dan +zouden ze tezamen naar Haarlem gaan. + +--Ja, maar dan je moeder nog, en die heeren van de buitenplaats? Ze +heeft gezegd... wacht even, pater. Ik denk dat ze nu wel klaar wezen +zal, want ze wou 'n brief schryven. + +Inderdaad, de juffer die van staat veranderen wou, was aan 't +schryven geweest. Althans Vrouw Claus die zich 'n oogenblik naar +'t achterkamertje verwyderd had, kwam met 'n briefjen in de hand terug. + +--Ze zegt dat je dit bezorgen moet als je van Haarlem terugkomt, maar +eerst moet je by Neef Holsma gaan, en hem alles precies vertellen. En +nu, gaat heen, allebei. Ik heb 'n drukte, je leven zoo niet! En dat +vreemde kind... lief en goed is ze, dat moet ik zeggen Maar, zieje, +ze heeft nooit 'n hand uitgestoken. 't Is onze Fem niet, moet je +denken. Dus, mannetje, je gaat met pater naar Haarlem, en dà n dat +briefje... neen, eerst by Neef Holsma, en daar vertel je alles, +en nu, goeien dag! Pater, pas op 't verdoen, want de jongen steekt +vol rarigheid. + +De beide bezoekers verlieten 't huisje. Wouter bezag met +begrypelyke nieuwsgierigheid het adres. Het was de naam van 'n +zeer bekende koopmansfirma, van "'n huis op Archangel" zouden z'n +postkantoorvrindjes gezegd hebben, en de pater scheen dit best te +begrypen: "want, zeid-i, voor ze van staat veranderde, is ze veel in +Rusland geweest." Hy noodigde Wouter vriendelyk uit, aan z'n rechterzy +te gaan, en begon ter opheldering van dit verzoek zeker voorval uit z'n +jeugd meetedeelen, waarmee hy evenwel op verre na niet gereed was toen +ze zyn woning bereikt hadden. Hier nam 't gesprek 'n andere wending, +zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen weten +waarom pater Jansen zoo doof was aan z'n linkeroor. + + + + + + + + 't Ware, echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol + rammelend gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een + stuk nederlandschen volksroem uit de 17e eeuw, afhankelyk gemaakt + van de vraag of pater Jansen en Wouter in dit hoofdstuk Haarlem + bereiken? Ik geloof het niet, maar de zaak kan meevallen. + + +Het spyt me, lezer, dat ik niet weet of ge ooit 'n protestantsch +jongetje geweest zyt, en in die verheven hoedanigheid bezoeken hebt +afgelegd by 'n katholiek priester? Zoo neen, dan zal 't me moeielyk +vallen, u duidelyk te maken wat er in Wouter omging toen hy met den +pater by de kerk was aangekomen, waarnaast of waarachter de goede man +z'n verblyf hield. 't Was in 'n achterbuurt, en wie niet wist dat daar +'n kerk was, zou 't waarlyk niet geraden hebben. [26] + +In den kring der Pietersens rilt men by de gedachte aan zoo'n +buitensporigheid, maar er zal 'n tyd komen dat 'n schryver +moeite hebben zal z'n lezers duidelyk te maken waaruit die afkeer +voortvloeit. Ook Wouter begreep niet recht wà t hem beheerschte, maar +zeker is 't dat hy iets als beklemdheid voelde toen pater Jansen voor +'t onaanzienlyk huis stilhield "waar z'n kerk was" naar-i zeide. + +--En hier is de ingang naar myn woning, vervolgde hy, 'n deur +openende die den toegang afsloot naar 'n lange smalle gang naast het +hoofdgebouw. Ik woon best, jongeheer, dat zal je zien. Maar zou je +nu niet eerst naar de Kolveniersburgwal gaan? + +Met 'n blik op z'n kleeding smeekte Wouter om genade. + +--Liever als we van Haarlem zyn teruggekomen, m'nheer! Heusch, dan +zal ik terstond gaan, maar nu... + +--Zou je denken dat 'n jas van my... + +--Neen, neen, o neen, riep Wouter haastig, dat zal niet gaan, m'nheer! + +Zeker 't mankeerde nog maar aan de zonderlinge toestanden waarin hy +zich telkens geplaatst zag, dat-i de Holsma's ging bezoeken in de +jurk van 'n pastoor! + +--Nu, wacht dan maar by my tot ik geld gewisseld heb, en dan samen +op reis! Ik doe 't met pleizier, want ik ben lang niet te Haarlem +geweest. Houd je van halletjes? + +De goede man geleidde Wouter in z'n woning die uit 'n paar kamertjes +bestond, welke door 'n somber binnenplaatsje van den achterkant dier +kerk gescheiden waren. + +--Kyk, zeide hy, wat ik hier best woon! Zou je wel gelooven dat ik niet +ruilen wil met 'n bisschop? En gemakkelyk... nergens zoo! Soms ontvang +ik hier aanzienlyke menschen--verleden week nog 'n advokaat--en ze +zyn allemaal jaloersch op m'n woning, en... op 't gemak, zieje. Want +als ik 's morgens opsta voor de vroegdienst--ja, ja, soms is 't nacht +nog!--kyk, zóó ben ik wakker en... wip, in de kerk! Verleden--maar +spreek er niet over--vond onze Styn... daar is ze juist, Wel, Styn, +ik ga naar Haarlem met dezen jongeheer. Wat zeg je daarvan? + +Styn zei er niets van dan: "gut, pater!" en 't was genoeg. Althans +hy drong niet op verder antwoord aan, en ging, tot Wouter sprekende, +voort: + +--Ze bedient me-n-al over de dertig jaar, my en pastoor Koens die +z'n kamers hiernaast heeft... 'n man van belang! Dien moet je leeren +kennen! Hy verstaat grieksch alsof 't niets was. Jy zeker niet, +hè? Nu, dat doet er niet toe. Maar verleden... wat wou ik je vertellen? + +--'t Was iets van Styntje, m'nheer, en dat de kerk zoo naby was. + +--'t Is gek in 'n mensen dat-i soms niet weet wat-i vertellen wou. Ja, +de kerk is vlak by, en als ik 's morgens opsta... kyk, nu weet ik +wat het was. Ik had gedroomd van Vucht en van de kermis, en werd wat +laat wakker, en sprong 't bed uit, en haastte me met kleeden, en wat +doe ik--maar ik wist 't niet, dat begryp je wel--ik vergeet een van +m'n kousen aantetrekken, een van m'n zwarte overkousen. Maar Styn +zag 't, want ze vond hem, en ze liep er me mee achterna, en ze riep: +"pater, pater!" en ik wist niet wat ze wou, maar toen hield ze de kous +omhoog, en toen wist ik het! Maar ik heb niet gelachen--omdat ik al +in de kerk was, en je begrypt... dat is 'n huis Gods--en ik ben hard +teruggeloopen, en toen schater-de-n-ik 't uit, en Styn ook. Maar in +de kerk heeft niemand het gezien, want het was donker, en... er was +nog geen mensch. + +Deze onnoozele vertelling stak alweer zeer vreemd af by Wouter's +hoogdravende begrippen over goddelyke zaken, en niet minder by de +indrukken die de klooster- en monniken-romantiek op z'n verbeelding +had nagelaten. Hy vertrouwde z'n ooren niet. Maar de goede pastoor +bemerkte niets van z'n verwondering, en verliet hem nadat-i hem den +raad had gegeven zich den tyd te korten met 'n paar boeken die hy +uit 'n wandkastje nam en op tafel legde. Maar aan tydkorting had +Wouter geen behoefte. Hy zag 't kamertje rond, en verbaasde zich +over de verregaande eenvoudigheid waarmee 't gemeubeld was. Een +metalen Christusbeeldje en 'n paar Heiligen-printjes maakten met +het eerste-kommuniebriefje van Jansen's vader, daarvan de eenige +versiering uit. Dit laatste hing achter glas in 'n lystje boven den +schoorsteenmantel. De tafel was van geverfd hout, en 'n viertal stoelen +met matten zittingen voltooiden de stoffeering, tenzy men de hortensia +en 'n paar maandrozen meerekene, die buiten 't opgeschoven raam in de +vensterbank stonden. Zelfs Wouter, die waarlyk niet aan weelde gewoon +was, stond verbaasd over de spaarzaamheid van zoo'n inrichting. Kort +voor de onverwachte expatriatie van den Weledelen Heer Motto had-i aan +de hand van Anna Radcliffe en konsorten 'n lange galery van roomsche +akeligheid doorloopen, waarin 't wemelde van overdaad op allerlei +gebied. De armste monnik had kasteelen te zyner beschikking--gewoonlyk +waren ze ontoegankelyk, en men moest al zeer goed den weg in +'t gebergte weten om ze te zien te krygen--kasteelen waarin +weerspannelingen levenslang begraven werden. Elk roomsch geestelyke +bezat zakken vol goud waarmee hy den geloovigen bandiet betaalde, die +de Kerk behulpzaam was in 't uit den weg ruimen van lastige personen, +van iemand, byv. die bybels en traktaatjes verspreidde, of geweigerd +had z'n bruid aftestaan aan 'n bisschop. Wat ter-wereld kon zoo'n +pater Jansen bewogen hebben zich R. C. priester te laten maken, +nu de emolumenten van 't beroep zoo armoedigjes bleken verschraald +te zyn? Of zou er misschien ergens... Wouter betastte den wand om +'n geheime deur te ontdekken, en verheugde zich over 't aanvankelyk +mislukken van z'n poging, omdat de ware geheimheid van zoo'n deur toch +eigenlyk hierin bestaat dat ze zich niet gemakkelyk vinden laat. Nu, +aan deze voorwaarde van geheimzinnigheid voldeden de toegangen tot +pater Jansen's verborgen schatten en martelkamers opperbest. Wel liep +er hier-en-daar 'n scheur door 't gebloemd papier waarmee de wand +bedekt was, maar de richting daarvan gaf te duidelyk getuigenis van +'n onwillekeurige breuk in 't metselwerk, dan dat daarby zou kunnen +gedacht worden aan de kunst waarmee romanschryvers van de bekende +soort groote lokalen weten te verbergen in 'n kleine ruimte. Bovendien: + +--Dáár zyn de kamers van den pastoor die zoo sterk is in 't grieksch, +redeneerde Wouter, en aan die andere zy hoor ik Styntje rammelen met +'r keukengereedschap. Aan den voorkant zyn de vensters, de hortensia, +de binnenplaats en de kerk, en hier... daar zou 't moeten wezen, +à ls er iets was. Maar... + +Ik kan niet juist zeggen door welken gedachtenloop Wouter tot het +besluit kwam dat die vierde wand van de kamer niets geheimzinnigs +bedekken kon. Misschien bedacht hy dat er zeker aan die zyde wel buren +zouden wonen die niet betrokken konden zyn in romantiek. Maar op-eens +sloeg hy de oogen op den grond. Onder dien vloer was zeker plaats +genoeg voor prikkelende akeligheid. O ja, tot de tegenvoeters toe. God +weet hoeveel rammelend gebeente zich daar in zwygende eenzaamheid lag +aantekyken! Misschien ook dwaalden er nog levende slachtoffers van +inkwizitie en verliefde bisschoppen in die gewelven rond. Wie weet +of niet juist op dit oogenblik de schoone Isabella haren voorlaatsten +adem uitblaast. Daar knerste iets... + +Wouter hield den adem in. Ik weet waarachtig niet wat er knerste, +en geef den lezer in overweging te gelooven dat het geluid 'n +alleronschuldigste oorzaak had. + +...daar knerste iets. Zou er dan toch inderdaad onder die mat... + +In geen van de romans die Wouter gelezen had, waren die valluiken +met matten bedekt geweest. Dit kon de nieuwste manier wezen, en in +romantiek moet men op alles verdacht zyn. Wouter was volstrekt niet +van plan den goeden pater Jansen te verraden, als-i z'n geheimen zou +ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou niets liever dan deelnemen +aan al de schatten en kasteelen die er aan 't licht komen zouden, +zoodra hy zou afgedaald zyn in 't hol waar hem de schoone Isabella +zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel bevryd, en dan +met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend! Isabella-zelf +zou er schik in hebben, als ze maar eerst behoorlyk verlost was uit +dat gewelf. Maar... wàs er 'n gewelf? Wàs er 'n hol? Om zekerheid te +hebben, stampte Wouter met den voet... + +--Wou ie wat, jongeheer? vroeg Styntje die juist de kamer binnentrad, +en Wouter's grondig onderzoek niet best begreep. + +--Neen, o neen, juffrouw, volstrekt niet! antwoordde hy bedremmeld. 't +Is maar dat... dat ik... + +--Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis. + +--Dank u, dank u. 't Was maar dat ik... dat m'n voet slaapt. Dà t +was het! + +--Ja, niet waar, en dat prikkelt zoo. Ik heb 't ook wel eens +gehad. Maar 't gaat altyd weer over. Ik moet hier wezen, ziet u, +om paters Jézekie te schuren. + +En de goeie Styn nam 't Christusbeeldje van den wand, en poetste het en +wreef het dat het glom. De krucifix had waarlyk geen reden tot klagen +over verwaarloozing, al zou dan de oppervlakkige beoordeelaar meenen +dat Styntje wel wat ruw omging met het symbool van haar geloof. De +oorzaak van deze schynbare onverschilligheid lag in gewoonte, en in +afwezigheid van tegenstand. Wie kwaad van 't afgodsbeeldje gesproken +had, zou 't zeker by Styntje moeielyk te verantwoorden gekregen hebben, +maar nu hieraan niet gedacht werd, behandelde ze haar Jézekie met +niet meer omslag dan elk ander voorwerp van metaal dat ze reinigde, +schuurde, wreef en oppoetste. + +--Kyk, wat-i glimt! zei ze. Net 'n kaarsenmakers kat in den maneschyn, +vindje niet? + +Wouter had nooit 'n kat van de omschreven soort en in dat byzonder +licht gezien, maar toch erkende hy onvoorwaardelyk dat het beeldjen +er goed uitzag. + +--Ja, 'n mensch moet zindelyk op z'n goedje wezen! Ik heb wat te +stellen met pater... daar heb je geen begrip van! Want hy... denkje +dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En weetje waarom? Wel, +omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is 'n engel van God, en +zou vergeten z'n neus te snuiten, als ik 'm niet zei: pater, je bent +yerkouwen. En je gaat zoo naar Haarlem? En pater ook? Wat ga jelui +daar doen? 't Is 'n heele reis. + +Wouter verhaalde een-en-ander van 't voorgevallene, maar slaagde +er niet in, Styntje begrypelyk te maken wat er eigenlyk geschied +was. Hoofdzaak voor haar was en bleef paters reis naar Haarlem. + +--Als-i maar geen kou vat, mymerde zy halfluid, of... + +--'t Is mooi weer, juffrouw, zei Wouter. + +--O ja, dà t is 't! Maar... och, kou vatten is ook 't ergste niet. Ik +voel me-n-altyd als 'n mal mensch als-i uitgaat, en dan zoo ver! Kan +je me zeggen waar-i nu heen is? + +--Geld wisselen, zei Wouter. + +--Geld? Daar heb je-n-'t al! Nu zit ik in doodelyken angst. Ik wou +dat-i al goed en wel weerom was. + +Ze pakte het gereedschap waarmee ze 't Christusbeeldje zoo verkwikt +had, by elkander, en verliet morrend het vertrek. Wouter wist alweer +niet wat-i van Styntje te denken had. Haar kleeding en voorkomen +was als van 'n zeer bejaarde dienstmaagd, maar de gemeenzaamheid +waarmee ze sprak over haar meester--de man bleek tot het "goedje" te +behooren dat ze zindelyk te houden had--bracht hem in de war. Styntje +maakte met pater niet meer omslag dan met haar krucifix, al kan ik +verzekeren dat ze voor beiden met vreugd den dood getrotseerd had. Er +zou in dit byzonder geval weldra blyken wat de oorzaken waren van +haar bekommering over paters reis en 't geldwisselen. Er vertoonde +zich 'n bedelaar voor 't raam waar de hortensia prykte. De man keek +even naar-binnen, niet zoozeer als iemand die vraagt, maar als 'n +verwachte persoon die te kennen geeft dat-i er is. Weldra werd hy door +'n tweeden en derden gevolgd, die almede blyk gaven zich volkomen +thuis te voelen op 't binnenplaatsje dat den pater voor antichambre +scheen te dienen. Velen maakten 't zich gemakkelyk, en gingen op +'t een of ander uitstek zitten dat aan huis of kerk te vinden was, +als wilden zy door 'n charade en action de waarheid uitdrukken: +het pauperismus is 'n pestbuil van 't geloof. + +Ja, ja, ze waren geestig, die agenten in hemelassurantie! + +Wouter hoorde dat men zich onder dat zoodjen onderhield over +de afwezigheid van den huisheer, en wel op 'n toon die zekere +ontevredenheid liet doorschemeren. Wel zeker, de man had op z'n post +moeten zyn! + +--Maar de meid is er toch, riep 'n jongen die den kost won met lam-zyn, +maar nu toch 't kozyn van een der lagere kerkvensters had weten te +bereiken, waar-i gargouille speelde. + +--Ik wacht liever op den ouwe, zei 'n blinde. + +--Houd jy je mond, je mag er niet eens wezen, je bent 'n dinsdagger. + +--Wat gaat dat jou aan? Jyzelf mag je mond wel houden, je hebt verleden +by 't uitgaan van de Jakobskerk drie gestaan, en je bent maar zeven. + +--Né, zes nou, want de ouwe Jonas is dood. Maar jy bent 'n +dinsdagger. Ga heen, zeg ik je! + +--Je hebt op drie gestaan. + +--Jy bent 'n dinsdagger, ga heen! Toe, allo, jongens, dringt 'm de +gang uit. Hy steelt ons 't brood uit den mond. + +--Wà t? 'n Dinsdagger? riep nu 't uitwas van de kerk. Dat mag niet. Er +uit met hem! + +En de lamme wist vry vlug op den grond te komen om 't geschonden +bedelaarsrecht te handhaven. De man namelyk die tot de bedeelden van +dinsdag behoorde, mocht zich niet vertoonen onder 't gezelschap dat +zich 's maandags om ondersteuning by pater Jansen aanmeldde. En wat die +andere beschuldiging aangaat--"drie staan als zeven je plaats is"--ze +doelde op 't overweldigen van 'n rangnummer. Te na by 't uitgaan van +de kerk wordt voor onvoordeelig gehouden, daar de drukte het uithalen +van beurs of porte-monnaie belet. Ook schynt ieder haast te hebben in +de eerste oogenblikken na 'n kerkdienst. Maar 'n standplaats te ver van +de deur is ook niet goed, want de meeste loopen, na twee of drie keeren +iets aan 'n bedelaar gegeven te hebben, onverschillig door. Zonder 't +minste besef dat ze te veel deden--namelyk iets verkeerds--meenen ze +toch genoeg verricht te hebben. Hoe dit zy, volgens alle oordeelkundige +schryvers die kanker en koudvuur tot 'n byzonder onderwerp van studie +maakten, is er geen voordeeliger standplaats dan nummer drie. Indien +dus de man die den ander zoo liefdeloos beschuldigde van inbreuk op +pater Jansen's dagorde, zich inderdaad schuldig maakte aan diefstal +van dat nummer, was de ander volkomen in z'n recht hem 't zwygen +opteleggen. Maar ook de dinsdagger zelf had zich te verantwoorden, +en wel by Styntje die op 't rumoer naar buiten kwam. De man die zich +'n dag te vroeg aanmeldde, verontschuldigde zich door de opmerking +dat-i op dinsdag "zoovéél huizen had" en dat-i "z'n beenen uit het +lyf moest loopen" om al z'n klanten behoorlyk te bedienen, denk ik. + +Styntje gaf ieder wat, maar niemand scheen tevreden. Er bleek dat +de heeren aan drie duiten de persoon gewoon waren, en nu met twee +werden afgescheept. Maar de oude meid hield zich flink. "Wie nog +'n woord spreekt, wordt van de lyst gestreken, zei ze. Ik heb nog +zes heele dagen van Gods lieve week voor me, en 'n mensch moet toch +zorgen dat-i toekomt, niet waar? Voort, allemaal, de plaats af en de +gang uit, voort! 't Is, dunkt me, wèl zoo! + +Het gemeene troepje liet zich niet zonder moeite bewegen heentegaan, +en Wouter hoorde met verontwaardiging hoe er door sommigen gemord en +gescholden werd. Als 't weer gebeurde dat de-n-ouwe niet thuis was, +heette het, zouden ze liever wachten tot-i weerkwam, want zoo'n +meid was toch ook maar 'n "loontrekkende dienaar, die niet weet wat +'n mensch toekomt." 't Schynt vreemd, maar waar is het, dat in den +mond van den arme, gebrek aan rykdom of laagte van stand 'n misdaad +is. Volgens heeren bedelaars had Styntje ryk moeten zyn, of hertogin, +of burgermeestersnicht, voor ze zich 't recht mocht aanmatigen +'n woordje meetespreken en 'n hand uittesteken--want dit dééd ze, +en Wouter had dapper geholpen--ter verdediging van paters erf: niets +is aristokratischer dan 't gemeen. + +Nadat ze met hun beidjes het terrein hadden schoongeveegd, +volgde Wouter de amazone weder in de kamer. Ze jammerde over haar +voedsterkind. + +--Och, jongeheer, ik wou dat pater kwam! Ik heb rust noch duur als +de man de stad in is. En dan met geld, zeg je? Is 't veel? + +Wouter kon de som niet bepalen, maar sprak van kostbare muntstukken +die gewisseld moesten worden. + +--Goud? Och, lieve Jeessis, dat's voor hem krek 't zelfde. Och, waarom +den man de stad intesturen met geld? Heb jy dat baantje voor hem +uitgedacht, jongeheer? Slim is 't niet van je! Waarom deed je 't niet +liever zelf? Met geld kan men niet te voorzichtig wezen... ieder kan +'t gebruiken, zieje? Als-i nu in Jeessis naam maar niemand tegenkomt +die wat noodig heeft! Goud? 't Kan hèm wat schelen! De gespen van +z'n vaders broek waren van zilver, en toch zyn ze weg! En om koper +geeft-i ook niet. Raad eens hoeveel bedeelden we hebben? Wel tachtig +alle weken! Ik heb er 'n heele lyst van. En ze zouden ieder hun eigen +dag houden, maar denkje dat ze 't doen? Neen! Want er zyn rakkers +onder--dat ik zoo'n zondig woord zeg--ja, rakkers, die tweemaal +komen, maar pater wil 't niet gelooven. En of ik al zeg: "pater, +'t is slecht volk!" hy wil er niet van weten. + +--M'nheer Jansen is te goedig, zei Wouter. + +--Een zoete-n-engel van God is-i! Maar ik moet op 'm passen. Drie +duiten de man, gaat niet, zesmaal in de week... reken maar na! Daar +waren er vyftien vandaag, en de man heeft zelf geen boter op z'n +brood. Nou, ik ook niet, maar dat's tot dááraan toe. Maar dan +alles wegtegeven aan slecht volk! Ik heb ze nu maar twee duiten +gegeven, en daarom bromden ze zoo. Ze willen klagen by pater. 't Is +'n zoodje! Hoe meer je geeft, hoe luier ze worden. En hoe brutaler +ook. Dat heb ik altyd opgemerkt. Maar pater begrypt het niet, of hy wil +'t niet weten. En als ik zeg: "'t Zyn rakkers, pater!" dan zegt-i dat +we-n-allemaal zondaren voor God zyn, en dat hy ook z'n fouten heeft, +en bly toe wezen mag dat God hem kleeren en eten geeft, en 'n mooie +woning. Zondaars voor God? Nou ja, 't heele menschdom, maar hy? Ik +weet sekuur dat God niks van den man te goed heeft, niet zie zóóveel! + +Styntje streek met 'n bevalligen zwaai over de hand. Mocht God 'n +oogenblik te-voren nog in den waan verkeerd hebben dat pater Jansen by +hem in 't kryt stond voor erfzonden en eigen fouten, dan waren Styntjes +gelaatstrekken en haar barbiersgebaar wel geschikt hem den moed te +benemen om op de likwidatie van die onbillyke vordering aantedringen. + +--Niks, niemendal, ging ze voort. Hy is proper en schoon als 'n +brand. Maar dat bedelvolk, kyk! En "al die armen zyn z'n broeders" +zegt-i. + +--Dat heeft Jezus gezegd, kathechizeerde Wouter. + +--Jezus? Zoo! Heeft de Heere Jezus dat gezegd? Nou, dan heb ik er +vrede mee dat-i 't ook zegt. Maar toch... wà t broêr? Ik vind dat 'n +mensch z'n eigen broêr moet wezen ook. En hy? Hy is, om zoo te zeggen +z'n eigen neef niet, z'n zwager niet, z'n eigen stiefkind niet, neen, +dat is-i niet! Hy loopt weer op z'n tandvleesch. Heb je 't niet gezien? + +'t Scheen wel dat Wouter blyk gaf deze schilderachtige uitdrukking +niet te verstaan. Althans de oude Styntje kommenteerde: + +--Nou ja, op 't overleer, z'n schoenen zyn doorgesleten. 't Is m-e-'n +kruis! En z'n jas is ook niet van de nieuwsten. + +Wouter voelde schaamte over 't gewicht dat-i aan zyn kleeding hechtte. + +--Al vier jaar lang spaar ik voor 'n nieuwen, of... ik wou sparen, +maar 't gaat niet! Die bedelaars kosten ons zeker twee gulden in de +week... spaar dan eens voor nieuwe jassen! Zeg, jongeheer, kan je +niet eens aan pater zeggen dat-i wat zuiniger wezen moet, en niet +zoo altyd alles weggeven? + +Wouter groeide. Hy werd aangesteld tot Mentor over 'n bejaard +man, en wel door 'n vrouwspersoon die nog volwassener was dan z'n +pupil. Met veel genoegen had-i Styntjen omarmd, maar hy speende zich +van deze uitspanning, en stelde zich schadeloos door de zelf-genoegzame +pedanterie van z'n antwoord. Styntje's verzoek werd genadig opgenomen +en geflatteerd: + +--Hoor eens, juffrouw, u kan verzekerd wezen dat ik van myn kant al +'t mogelyke zal aanwenden om... + +--Wel zeker! Want my gelooft-i niet, omdat ik niet geleerd ben. Je +moet hem zeggen dat de jongen die daar zooeven met z'n derriére... + +Zoo vertel ik, maar Styntje sprak hollandscher, bondiger, korter +en beter. + +...de jongen die zoo-even met z'n... zitwerktuigen dan, in 't venster +van de kerk zat... 'n luiwammes is-i, 'n doeniet, 'n rekel! Zeg +dat aan pater. Eerst was-i 'n blinde... jawel, zoolang-i 'n zusje +had, dat hem leien kon. Maar nou ze van 'm weggeloopen is--god weet +waarom? Misschien bedelt ze liever op 'r eigen houtje--nou is-i op-eens +'n lamme geworden. Hoe vindje dat? Zeg 't aan pater. + +--Ja, ja, juffrouw, ik zal 't hem zeker zeggen! + +--En dan van dat vuile schepsel ook, dat daar in den hoek zat. Heb +je 'r gezien? Eens toen er sneeuw lag, zei ik: "veeg de sneeuw van +de plaats, dan kryg je zes duiten." Was 't goed geprezenteerd, of +niet? Maar ze deed het niet, en zei dat ze te veel huizen verzuimde. + +--Huizen, juffrouw? + +--Ja, bedelhuizen. Ze had er zeventien alle-dag, zei ze, en toen +schold ze me-n-uit over m'n zes duiten. Dat zei ik aan pater. En wat +zeid-i? "Och, zeid-i, ze is te oud, 't mensch kan niet vegen." Heb +je van z'n leven! Ik zei: "pater ze is jonger dan ik!" Nou, 't is de +waarheid, want ik ben acht-en-zestig, Da's oud, hè? + +Gewis vond Wouter dit oud! Hy begon de vrouw belangwekkend te vinden, +die zooveel moest beleefd hebben naar-i meende. Dat de kring waarin +ze zich bewogen had, wat klein was, kwam niet in hem op. Hy voelde +verlegenheid over z'n jeugd, en om haar te doen voelen dat-i door +studie had aangevuld wat hem aan jaren ontbrak, zocht-i in z'n +herinnering iets op, dat getuigenis geven mocht van voorhistorische +kennis. Styntje moest toch weten dat-i de funktie van zieleherder die +ze hem zoo gul opdroeg, niet geheel onwaard was, en ook dat-i meer +wist dan hy in z'n kort leventje met eigen oogen kon gezien hebben. + +--Zéér oud, betuigde hy. Dan heeft u zeker de uitlegging van de +stad bygewoond? + +--Dáár weet ik niet van, jongeheer. Maar... die oude nukkige Griet! Wat +denk je dat pater deed! Hy zei: "och, Styn, je moet denken ze-n-is +'n arm mensch!" "Dat 's waar, zei ik, en dat denk ik. Maar jy bent ook +arm, pater, en ik ook." Nou, dà t zei ik er maar zoo by, want ik heb 't +wèl, en klaag niet, godbewaarme! Maar dat pater soms droog brood eet, +is 'n ware zonde voor god en menschen. Soms is er geen duit in huis, +en dan moeten we leenen van pastoor hiernaast, die ook niet te veel +heeft. Ook 'n goed mensch anders, dat moet ik zeggen, maar hy spreekt +niet veel. Pater zegt dat-i de geleerdste man van de wereld is, en lang +professer of bisschop had moeten wezen, als-i maar niet zoo... nou, +dat gaat my niet aan, en jou ook niet. Maar die luie Griet! Ze dééj +'t niet, en ze deej 't niet, en de sneeuw bleef liggen dien dag, en +ik zei: "goed, pater, dan zal ik 't doen." En den volgenden morgen +zou ik vroeg opstaan, en dat deed ik ook, want de sneeuw loopt zoo in, +weetje, en dan heeft de man natte voeten, en dat kan ik voor God niet +verantwoorden. En toen ik op de plaats kwam... weg was de sneeuw! Wat +denk je dat er gebeurd was? + +--Dooi? vroeg Wouter. + +--Gut né, 't vroor twee zeeuwen dik. Ik keek beduust op de blanke +steenen, en zocht de sneeuw... geen krummel te zien, hoor! Toen +hoorde ik pater lachen in z'n kamer, want hy zag me daar staan als +'n gek mensch naar de sneeuw te zoeken, die weg was. Hy was vroeger +opgestaan dan ik, en had alles weggeruimd. Hoe vind je dat, jongeheer? + +--Hoor eens, juffrouw, als 't weer gebeurt... roep my, dan zal ik +'t doen. + +--Was 't geen schande? En dat voor zoo'n lui dier als die Griet! Nou, +ik was kwaad als 'n spin, want ik heb den man zielslief, dat begryp +je wel, maar hy lachte me-n-uit. En ik blééf kwaad, en toen sprak hy +weer van arme broeders, maar ik zei dat die luie Griet m'n broêr niet +was, en zyn broer ook niet! Wel neen, wat zeg jy? Zoo'n lui beest! + +Wouter zei ditmaal eens niets, maar aan indrukken ontbrak 't hem +niet. Hy voelde wel dat er iets liefelyks te lezen stond op de bladzy +van 't groote levensboek, dat hier voor hem werd opgeslagen, maar kon +z'n ingenomenheid niet rymen met den weinig romantischen vorm waarin +hem 't schoone werd voorgesteld. Zeker, er moest nogal veel aan Styntje +veranderd worden voor ze, al was 't dan maar heel uit de verte, gelyken +kon op de schoone Isabella die hier in 'n diep gewelf op verlossing +had behooren te liggen wachten. De goede oude vrouw zelf scheen +geen verlossing noodig te hebben, en in-plaats van slachtofferige +dames te bevryden van yzeren ketens, schraal dieet en priesterdwang, +kreeg Wouter zoo'n priester-zelf te redden uit de klauwen van z'n +eigen goedigheid. De ruil kon wreed genoemd worden door ieder die +niet inzag hoe onaangenaam Styntje's vertrouwelykheid prikkelde, en +vooral haar vertrouwen. Bovendien, dat uitdryven van den bedeltroep +had iets van 'n gevecht gehad, en by-gebrek aan beter moet men zich +met het mindere tevreden stellen. De romantiek is veerkrachtig, +en wat er in afmeting en gehalte aan de omstandigheden ontbreekt, +wordt aangevuld en opgesierd door den onbewusten goeden wil van de +Don Quichotten. Wouter was zoo tevreden dat-i z'n eigen jas niet meer +zag. Grootmoedig vergaf-i den pater dat er geen enkele gekluisterde +jonkvrouw in z'n woning was, en ook daaronder niet. Maar toch: + +--Wel, juffrouw, de woning is eigenlyk niet heel groot, vind ik. Heeft +u hier ruimte genoeg? + +--Wel wis en zeker! Als-i grooter was, kon ik den boel niet knap houden +in m'n eentje. Je moet denken dat ik de kamers van pastoor hiernaast +ook voor m'n rekening heb. 't Is 'n heel gedoe voor 'n mensen alleen. + +--En... kelders? + +--Ja, 'n beetje nat, maar anders best. We hebben er 's winters +aardappelen in, en turf ook. Die nattigheid is goed voor de turf... 't +stookt zuinig. Droge turf is geen aanhalen. Dan zou de man nog kou +lyden ook! + +De poging om zich te vermeien in krypt-romantiek brak alzoo weer +als glas af. Ketens en knokenpyramiden pasten niet by die huiselyke +nattigheid. Een "hol" mag vochtig wezen, o ja, en zelfs is dit een der +vereischten van de zaak, maar... aardappelen en turven? O, Lafontaine! +O, Radcliffe! + +--En... zyn er gewelven onder de kerk, juffrouw? + +--Dat weet ik niet. Maar ik verpraat m'n tyd. Beloof je me vast en +zeker dat je 'n oogje houden zult op pater met al dat geld? + +--Wees gerust, juffrouw! Ik zal... + +--En dat je hem eens terdeeg vermaant om wat meer voor zichzelf +te zorgen... + +--Zeker, juffrouw. + +... want, zieje, de man is zoo arm als Job, en dat gáát zoo niet! Ik +hoor nu dat er 'n dame in de stad gekomen is, heel uit Denemarken of +Hamburg of zoo wat, en die zou hem bystaan... + +--Ah! + +... zoo, weet je 'r van? Nou, des-te-beter! Ik hoorde 't van Femke +Claus... + +--Ah! + +... ken je die ook al? Nou, die biecht by pater, vroeger by pastoor +hiernaast, nu altyd by pater. En meestal gaat ze hier over de plaats +de kerk in, want ze brengt paters waschgoed, en zy heeft het me +verteld... van die dame-n-uit Hamburg, meen ik. + +--Ah! + +--Wat mankeert je toch, jongeheer? En ik... als ik die ryke dame +kan te spreken krygen, zal ik haar zeggen dat ze heel voorzichtig +wezen moet, en pater niet te veel geven. Want al had het mensch +'n inkomen van honderden in de week, 't zou niet genoeg wezen voor +al die bedelaars. Hoe meer je geeft, hoe meer er komen. 't Is maar +begieten van onkruid, zeg ik! Wel ja, moet 'n mensch niet werken voor +de kost? Dat heb ik ook gedaan, van zóó klein af. Ik ben 'n vondeling, +weetje, en heb mezelf door de wereld moeten slaan. Kan die luie Griet +dat ook niet doen? + +'t Vondelingschap beviel Wouter byzonder. De lust om daarvan iets +meer te vernemen, verdreef zelfs den indruk dien 't noemen van +Femke's naam--in-verband nogal met prinses Erika--op hem maken +moest. Zou Styntje's vader 'n ryke baron wezen? En teruggekeerd op +'t pad der deugd? Hy wilde meer van de zaak weten, en Styntje zei er +dan ook nog wel iets van, maar alweer 't rechte niet, naar Wouter's +meening. Ook hier wou 't alweer met de romantiek niet best vlotten. Wat +die Leentje toch gelukkig geweest was, zy die by haar eersten en +misschien eenigen uitgang zoo terstond op de smakelyke kern van de +vrucht onthaald werd! Wouter kreeg alweer niets dan leege doppen en +schillen, of althans dit verbeeldde hy zich omdat-i nog niet geleerd +had--er zyn er meer zoo!--z'n ontmoetingen op 'n afstand te zien. Wat +ons in oudheid belangryk, of in middeleeuwen romantisch voorkomt, +is eenmaal gewoon geweest. + +--Ja, jongeheer, 'n vondeling, ging Styntje voort, en ieder mag 't +weten. Wel ja, ik heb immers mezelf niet op de hei gelegd, heb ik +wel? Nou voor m'n moeder is ook gezorgd, en best, hoor! Want... op de +hei ben ik gevonden, piernaakt, om zoo te zeggen, ik had maar 'n oud +stuk mat om 't lyfje. Maar je begrypt dat ik 't maar van hooren-zeggen +heb. Ja, ik was in 'n lap mat gerold, anders niet! En nu? God heeft +me gezegend, dat zieje. Ik ben groot en sterk geworden... neen, sterk +ben ik geweest. Dat's tot daaraan toe. Maar ik heb wel elf hemden... + +--Hè, zei Wouter. + +--Ja, elf. Maar ze zyn wat oud. En telkens als ik er 'n twaalfde +by doe, moet ik een van de anderen weggooien. Daarom heb ik er maar +elf. Maar je moet denken, ik ben begonnen in 'n mat, en op de hei. En +nu woon ik by pater, al vyf-en-dertig jaar... 't is waarachtig geen +kleinigheid! Maar ik heb er voor moeten werken, dat spreekt. Zoolang +ik hier woon, houd ik twee heeren heel, en soms wel drie, want als de +dienst wat druk is, hebben we hier 'n kapelaan ook. Ja, ja, er moet +gewerkt worden in de wereld! Maar als je dà t doet, ben je klaar. Ik +ken menigeen die in 'n huis geboren is, en God op z'n bloote knieën +danken zou als-i by pater mocht wonen. + +--En... u ziet soms Femke hier? vroeg Wouter, niet zonder de strekking +dat deze byzonderheid Styntje's genot nog aanmerkelyk verhoogen moest. + +--Wel zeker! En ik moet zeggen dat ze my trouw helpt aan paters +goed... nu, anders kwam ik er niet. Want 'n mensch alleen... dat begryp +jezelf wel. Ook worden m'n oogen slecht. Maar van pastoor hiernaast +wil ze geen stuk meenemen. Ik geloof dat ze niet van hem houdt. + +--Zou hy haar iets misdaan hebben? vroeg 't riddertje. + +--Wel neen! Waarom? 'n Mensch houdt van den een, en niet van den +ander. Van pater houdt ze, dat weet ik. En hy van haar. Vroeger +biechtte ze by pastoor hiernaast, maar nu al sedert 'n jaar of wat niet +meer. Altyd by pater! Zoo zyn er veel, en de man kan 't niet af. Ik +heb al aan de menschen gezegd "ga toch liever by pastoor hiernaast, +die man is ook goed" zei ik, maar 't helpt niet, alleman wil altyd +by pater wezen. Nou, ikzelf ook, en ik bevind er me goed by, dat +moet ik zeggen. Hy is 'n beste! En zoo zal dat meisjen er ook over +denken. Maar jou heb ik nog nooit in de kerk gezien. Zeker woon je +ver. Waar is je parochie? By wien biecht je? Is je pastoor lastig? + +--Neen, o neen, stamelde Wouter die den moed niet had op dit oogenblik +te openbaren dat-i niet "van 't geloof" was. + +--Anders, ik kan je pater gerust rekommandeeren... hy is erg +gemakkelyk. Wat die man al zielen tot Onslieveheer geholpen +heeft... kyk! Als ik niet by hèm geweest was, zou 't er met m'n +moeder nog slecht uitzien, maar nu is ze wèl. Ga by pater, wat ik je +zeg! Of... neen, toch niet, de man heeft het te druk. Veel drukker dan +pastoor hiernaast. Die is 'n beetje... hoe zal ik zeggen? Isegrimmig, +ziedaar! Hy ziet niks door de vingers niks, niemendal! Nou, +alle menschen zyn niet eender, en sommigen moeten hard aangepakt +worden. Verleden heb ik gehoord dat er eens 'n man geweest is, die +niet bang was voor de hel. Hoe vindje dat? + +--Heel erg, juffrouw. + +--Zoo, vind je dat erg? Ja, 't is erg! Maar ik ben er ook niet +bang voor, want ik doe m'n werk, en ik zorg voor pater. Och, och, +waar blyft-i? + +--Is u niet bang voor de hel, juffrouw? + +--Gut né, volstrekt niet, want ik doe m'n werk. Maar die man deed z'n +werk niet. Hy vloekte en dronk, en ging om met slechte vrouwluî, en +toch was-i niet bang voor de hel. Zie je, hy had er bang voor moeten +wezen. Dat zei pater ook, maar toch zou God 't hem wel vergeven, +zeid-i, omdat de man niet beter wist, want... hy geloofde niet aan de +hel, en dat kan 'n mensch niet helpen, zei pater. Nou, ik had zoo'n +man wel eens op z'n sterfbed willen zien! Maar hy zal wel dood wezen, +want het is zeker lang geleden. Als ik sterf, zal ik heel tevreden +zyn, want pater zal voor m'n bed zitten, en my de hand drukken. Dat +heeft hy me vast beloofd. Dan zal ik God danken voor 't leven dat-i +my geschonken heeft, en omdat ik by pater gewoond heb. + +De goede vrouw bekruiste zich, en Wouter had het hart niet, te veel +hart liever, om hierin ditmaal iets bespottelyks te vinden. + +--Je weet niet hoeveel goeds ik genoten heb, jongeheer. Je moet altyd +denken, ik ben begonnen van niets, van niemendal, denk eens! Ik was +al tien jaar oud toen ik nog achter de koeien in 't veld liep, en als +ik in 't dorp kwam--want ik ben maar van 't boerenland--dan riepen de +jongens: "vondeling, vondeling!" En nu, kyk, al vyf-en-dertig jaar +by pater! Wat wil 'n mensch meer? En ik heb òververdiend voor m'n +moeder ook, dat begryp je. + +Wouter zette een vragend gezicht. + +--Ja, 't moest wel. Want zeker had ze niet goed met me gehandeld, maar +pater zei: "denk je dat 'n mensch voor z'n plezier z'n kind op de hei +legt? Dat zyn treurige zaken, men moet er meely mee hebben!" En ik +heb kousen voor hem gebreid, en voor elke kous gaf-i 'n mis aan m'n +moeder. Dat was heel in den beginne, toen ik pas by hem kwam. En toen +werd het koud, en ik had winterhanden en kon niet breien. En dat speet +me erg voor m'n moeder, en ook voor pater, want de man had z'n kousen +broodnoodig. Maar de ziel van m'n moeder was 't ergste, dat begryp +je. Denk je nu dat pater er na keek of ik breien kon of niet? Gut +né, hy gaf de mis, alle dagen krek! Dat doet-i nu al vyf-en-dertig +jaar... reken dà t eens uit, jongeheer! De man zegt zelf dat er 'n +heele boel òver is. + +--En... de ziel van... uw vader? vroeg Wouter die naar bericht +hunkerde omtrent zekeren schatryken baron, na--of liever nog: 'n beetje +vóór--z'n terugkeer op 't pad der deugd. Gaarne had-i z'n vraag wat +deftiger ingekleed, en zich geïnformeerd naar 't welvaren van wylen +Styntje's "papa" maar deze malle uitheemsheid die in Wouter's tyd +nog voor iets voornaams doorging, wou er niet uit. 't Bleef dus by: +"de ziel van uw vader, juffrouw?" schoon dit woord inderdaad wel wat à l +te burgerlyk klonk voor iemand die de aanzienlyke romanbetrekking van +meisjesverleider bekleed had, 'n funktie waartegen onrype jongetjes, +eunuken en zeker soort van beunhazen in moralistery, ten-allen-tyde zoo +byster hoog--maar vooral begeerig, en met afgunst!--hebben opgezien. + +--Dáár weet ik niet van, antwoordde Styntjen, en 't scheen wel dat +zy over Wouter's vraag 'n beetje verstoord was. Een mensch kan niet +alles tegelyk doen! Wou je dat ik pater nu nog dáármee lastig was +gevallen ook? De man heeft 't werachtig druk genoeg. Voor m'n moeder +is er òver, en daarmee kan God doen wat-i wil. Maar voor m'n vader +sprak ik geen stom woord. God zou wel eens kunnen zeggen: "als je +zoo begeerig bent, kryg je niemendal!" Nou, dit is maar by manier van +spreken, want wat ik verdiend heb, moet ik hebben: eens gezegd blyft +gezegd! Daar is de heilige Jozef voor, die is er werachtig de man +niet na om z'n zoons woord te-schande te laten maken. Heere Jeessis, +waar blyft pater met al dat geld? + +--Daar is-i, riep Wouter die Jansen's vriendelyk gezicht langs de +hortensia zag voorbygaan. + +Als om de gegrondheid van Styntje's angst ditmaal eens te +logenstraffen, telde de goede man 'n twintigtal ryksdaalders op de +tafel. Ter verontschuldiging over z'n uitblyven, deelde hy mee dat +men hem onder-weg by 'n zieke had geroepen, die volstrekt iets naders +van den hemel wilde weten voor-i er heen ging. + +--Ik heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die +geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb +'n briefje gevraagd, waar 't op staat. Nu kan jyzelf alles precies +uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de wereld, +en geld is... geld, wat zeg jy, Styn? + +Styn zei ja, en 'n kwartier daarna was Wouter met pater Jansen op-weg +naar de haarlemmer-schuit. De oude vrouw had haar afgod terdeeg +afgestoft en geschuierd, en ook Wouter kreeg 'n streek of wat met den +borstel, doch 't was blykbaar slechts 'n voorwendsel om hem nogeens +nadrukkelyk in 't oor te fluisteren: + +--Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet verdoet, +jongeheer? + +--Juffrouw, ik belóóf het u! had Wouter geantwoord, en aan den stap +waarmee hy de wandeling aanving, was te bemerken dat-i 't meende. + +Helaas! + +De weg naar... 't verkeerde is geplaveid met goede voornemens en +welgemeende beloften. + + + + + + + + Preekjen over preeken, en hoe Wouter niet aan 't preeken raken + kon. Preek van pater Jansen over 'n preek van pastoor Koens, + opgeluisterd door 'n preek van hemzelf. Hoe de auteur woord houdt. + + +Zeker kanselredenaar moet eens gezegd hebben dat niets gemakkelyker is +dan preeken, doch niets moeielyker dan goed preeken. Ik heb er geen +verstand van, maar als men op den bewusten dag aan Wouter gevraagd +had of niet ook 'n middelmatige preek iemand terdeeg bezwaren kan, +zoud-i 't zeker volmondig hebben toegestemd. Den vorigen dag was-i +redelyk tevreden geweest met het halfgeboren koncept van den brief +aan de opgeblazen Hersilia--jammer dat het niet gediend had--maar 'n +preek... dat was wat anders! Hy wilde 'n paar keer beginnen, maar 't +vlotte niet. Telkens als-i op z'n: "m'nheer, hoor eens!" zoo goedmoedig +ten antwoord kreeg: "wat blief je, jongeheer?" zonk hem 't hart in +de schoenen, en hy maakte de een of andere onnoozele opmerking over +iets dat op hun weg te zien was. Pater mocht alzoo van hem vernemen +dat de haarlemmerdyk 'n lange straat was, en dat ieder die 's avends +laat buiten de stad bleef, 'n stuiver moest betalen, jazelfs als +'t héél laat was, 'n dubbeltje. Jansen stemde dit alles volmondig toe. + +Hoe te beginnen? Wel beschouwd, hebben dominees 't makkelyk. Ze nemen +'n tekst uit de Schrift, en verdeelen hem in drieën, dan volgt de rest +vanzelf. Ook worden zy op den weg geholpen door 't voorgebed. Wel +zeker: "steun, o Heer, den spreker die in ons midden is opgetreden +om uw woord te verkondigen!" Zoo komt 'n mensch op z'n dreef. En 'n +dominee is anders gekleed dan andere menschen. Dat alles geeft zekeren +toon aan, en brengt 'n stemming te-weeg die stamelaars en stommen aan +'t preeken helpen zou. Wouter voelde wel dat het niet te-pas kwam 'n +gebed te doen: "steun, o Heer, den voorganger die naast pater Jansen +is opgetreden om 't woord van Styntje te spreken!" maar hy wou doen +wat-i beloofd had. Dat hy maar 'n domme jongen was, en die m'n-heer +Jansen 'n eerwaardig man, kwam--juist omdat-i 'n domme jongen was--niet +in hem op. En al ware dit anders geweest, het zou hem niet zoo heel +erg gehinderd hebben, want Stoffel had eens verzekerd dat jongelui, +zoo van de schoolbank, volkomen 't recht hadden oude menschen te +kapittelen, als ze maar--door Styntje?--"bevestigd" waren, en de +voorzorg gebruikten hun vermaningen heel theologisch intedeelen in +drieën. Nu, dà t wilde Wouter doen. Ten-eerste: de spaarzaamheid is +Gods wil. Dit zou hy o.a. bewyzen uit eierschalen, appelschillen en +notendoppen die nooit grooter zyn dan precies noodig is om te bedekken +wat er in zit. Ten-tweede: de spaarzaamheid is de wil van God... och, +'t lukte niet! Na veel vergeefsche pogingen om op-streek te raken, +leidde z'n gedachtengang hem eindelyk op de vreemdklinkende vraag: + +--Kan u zingen, m'nheer? + +Voor zoover 't me vergund is, borg te staan voor Wouter's bedoelingen, +kan ik verzekeren dat-i niet juist van plan was den goeden oudeheer +daar op de publieke straat 'n psalm of gezang optegeven, met het +verraderlyk oogmerk zich daardoor te doen stemmen op preekhoogte. Neen, +maar hy had weer: "m'nheer, hoor eens!" geroepen, en moest toch iets +antwoorden, toen Jansen hem vroeg wat-i te zeggen had? + +--Zingen, jongeheer? Jawel. Het hoort om zoo te zeggen by m'n vak. Maar +heel mooi zing ik niet. Je moet pastoor Koens eens hooren, vooral +in den Kerstnacht... prachtig! Verleden was er 'n heer uit Parys +in de kerk, die bood hem... ik weet niet hoeveel geld, als-i zich +wou laten aannemen by 'n zingkomedie die ze daar hebben. Maar hy wou +niet, want hy wil by de kerk blyven, dat begryp ie. Maar anders... hy +zingt iemand het hart uit 't lyf. En preeken! Dat heb je nooit zoo +gehoord! Ik weet niet wat mooier is, z'n zingen of z'n preeken. Hy is +'n heilig man, dat kan ik je verzekeren, maar... meisjes zyn zwakke +vaten, en daarom zyn er vaders die liever hebben dat hun dochters by +my gaan. Kan pastoor Koens dat helpen? In 't geheel niet! + +Als 'n bliksem vloog hier Styntjes mededeeling dat Femke niet van +"pastoor hiernaast" hield, door Wouter's gemoed. Lieve, beste, brave +Femke! Of prinses Erika van pastoor Koens houden zou, als ze hem kende! + +--Hy zingt 'n kyrie... weet je wat 'n kyrie is? Want je bent niet van +de Kerk, niet waar? Gut, ik ben er niet boos om, want de een is zóó, +en de ander is zóó. Er zyn Turken ook. Maar weet je wat 'n kyrie is? + +--Neen, m'nheer! + +--Kyrie beteekent: "Heer" en eleison is zooveel als: "verlos ons!" Nu, +dat zingen wy in onze kerk, en Koens heeft 'n kyrie die expres voor +hem gemaakt is door 'n Duitscher, 'n eerste man in z'n vak. Hy is +orgelist te Weenen, geloof ik. En ze zeggen--nu, dà t zal je vreemd +vinden!--ze zeggen dat-i eens voor 't heele hof... + +Jansen hield even op om Wouter's aandacht te spannen. Maar hiertoe +was meer noodig, want de gedachten van den jongen waren by de preek +over spaarzaamheid. + +...voor 't heele hof, denk eens! + +--Ja, m'nheer, zei Wouter, zonder nog te weten wat er te denken viel.. + +--Hy heeft voor 't heele hof gezeten op... wel, waarop denk je dat-i +gezeten heeft? Dà t moet je nu eens raden, jongeheer. + +--Op 'n stoel, m'nheer. + +--Ook, ook! En op 'n draaikruk ook... want hy had klavecimbel +gespeeld. Maar dat wou ik je nu eigenlyk niet zeggen, want het +gebeurt meer, niet waar? Neen, hy is zoo ver in de muziek, dat 'n +aartshertogin hem op haar schoot heeft genomen, en dáárop heeft-i +gezeten. Hoe vindje dà t? + +Wouter vond het heerlyk, en nam zich voor, de eerste de beste +gelegenheid aantegrypen om zich te oefenen in muziek. De fondsen van +z'n belofte aan Styntje daalden vreeselyk. Wie toch kan aan preeken en +spaarzaamheid denken, als er zóóveel te verdienen valt met ut, re, mi, +fa, sol? Toch vond-i de zaak niet heel helder, en gaf te kennen dat +'n beetje nadere toelichting niet overbodig wezen zou. + +--Op haar schoot, m'nheer? + +--Ja. + +--'n Aartshertogin? + +--Ja, van Oostenryk. + +--Maar, m'nheer, hoe is dat mogelyk? + +--Kyk, ik dacht wel dat je 't vreemd vinden zou, want zoo'n +aartshertogin is 'n heele dame, en daarom vertel ik 't je. Ik heb er +wel al honderd menschen mee vermaakt, en niemand kon 't raden voor +ik 't zei. Maar gebeurd is het, vraag 't maar aan pastoor Koens, +en Styn weet het ook, want ze was er by... + +--Aan 't hof, m'nheer? + +--Neen, toen pastoor Koens 't vertelde. + +De goede Jansen genoot naar hartelust van Wouter's verbazing, die +dan ook inderdaad groot was. Hy hield zich innig overtuigd dat noch +z'n moeder noch een van z'n zusters, noch zelfs Leentje, die toch +anders volstrekt niet hoovaardig was, zich zóó ver vergeten zou met +'n klavierspeler. Neen, nooit, nooit... al was er geen hof by dat er +kwaad van denken kon. In 'n achterkamer niet! + +--Op haar schoot, vervolgde Jansen. En ik zal je nog meer zeggen... + +Nòg meer, o hemel? + +... hy heeft ook op den schoot van de Keizerin gezeten! Zou je dà t +geraden hebben? + +--Neen, m'nheer! + +--Dat dacht ik wel! En ik ben er nog niet! De Keizerin heeft hem +gezoend... + +--Maar, m'nheer! + +... gezoend op allebei z'n wangen. + +"Naar Weenen, naar Weenen!" riep alles wat stem had in Wouter's +gemoed. Met geografische inspanning legde hy zich de vraag voor, of +Haarlem in den weg lag naar dat verrukkelyk oord. Jansen vermaakte +zich kinderlyk met z'n verbazing. Ze werd ten-top gevoerd--ach, +vernietigd te-gelykertyd--door 't vervolg en slot van de historie. + +--De keizerin stopte z'n zakken vol... + +--Hè? + +... vol suikerdemangelen. + +Hier berstte Jansen in lachen uit, zoodat de voorbygangers er schik +in kregen. Maar 't was moeielyk niet te lachen by 't gekke gezicht +dat Wouter zette, en hierom was 't dan ook den goeden pater te doen +geweest, want hy hield van vroolykheid. Na zich eenige oogenblikken +te hebben laten bidden om opheldering, lichtte hy de zaak toe: + +--Ik zal 't je dan maar zeggen. Die klavierspeler was pas zes +jaren oud, en 'n heel lief jongetje. Pastoor Koens heeft met hem +gestudeerd--later, weetje--en ze zyn groote vrienden gebleven. Ik +zei je-n-immers al dat-i 'n kyrie voor hem gemaakt heeft? Ze hebben +samen gestudeerd op 't Jezuiten-kollegie... + +Wouter rilde protestantelyk. + +...daar krygen wy onze knapste menschen vandaan. Maar 't gaat niet +altyd door, want... ik ben er ook geweest. Gut, wat keek je gek, +toen ik je vertelde van die suikerdemangelen! Maar ik zou je wat van +die kyrie zeggen. Als Koens hem zingt... o! In z'n kamer, meen ik, +want in de kerk doet-i 't niet graag. Styn heeft er van gehuild, +want het is heel gehoorig by ons, we kunnen elkander best hooren +zuchten... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten? Nu, Styn huilde, +en ik kreeg kippevel. En weetje wat ik er by dacht? Ik dacht: God, +God, wat ben ik 'n prul by pastoor Koens! + +--Hè, m'nheer! + +--'t Is de waarheid! Maar ik van myn kant ben weer veel sterker +van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor +ondankbaarheid! Als m'n vader me op z'n smedery gedaan had, zou ik net +zoo sterk geworden zyn als m'n broer, maar de theologie maakt 'n mensen +'n beetje lebberig, vindje niet? En toch... verbeelje, ik heb thuis +'n Vulgata. Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in +'t vierkant, en in leer gebonden... 'n heele vracht! En er zyn sloten +aan, ook, Styn schuurt ze alle weken blank. Welnu, ik pak een van die +koperen lippen met m'n pink, en Styn zegt paters op, en ik houd m'n +Vulgata--altyd met die ééne pink, moet je denken--tot quotidianum van +de derde. En Styn is niet eens heel vlug met 'r paters. Als ik ze zelf +zei, bracht ik 't zeker tot remitte van de vierde, of misschien wel +tot amen. Maar ik moet je 'r byzeggen dat wy katholieken geen kracht, +macht en heerlykheid hebben. Dat scheelt altyd 'n beetje. En... er +is niets apokriefs in de Vulgata. Met 'n protestantschen bybel zou ik +'t wel laten, dat vat je wel! + +Neen, Wouter vatte het niet! Of althans hy begreep niet alles. Maar de +konkluzie nam-i goedig aan. Hy hield zich overtuigd dat pater Jansen +byzonder sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den +dood gegaan zyn. + +--Ja, 't is 'n heel ding, niet waar? En dà t kan nu pastoor Koens weer +niet. Zoo zieje dat God altyd ieder 't zyne geeft. Maar ik heb Styn +verboden 't hem te zeggen. Hy mocht eens verdrietig worden omdat-i +'t me niet na kan doen, en dit hoeft niet, want zulke dingen komen +toch in ons vak maar zelden te-pas. Maar eens toch heb ik er recht +schik van gehad... niet van die Vulgata, meen ik, maar dat God me zoo +sterk gemaakt heeft. Hy doet niets voor niemendal, houd je dáár maar +aan vast! Verbeelje, ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n-'n boer +in de buurt, 'n ryke boer. Hy heette Koremans, maar hy was heel ryk, +en hy had veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal +boeremenschen, dat begryp je wel. Een van de meiden heette Trineken, +en ik dacht dat Koremans goed en gul was... maar och, ik heb er geen +pleizier in, je dat te vertellen. Waartoe dient het? Liever vertel +ik je-n-'n ander stukjen, iets van hèm, van pastoor Koens. Dat moet +je hooren! + +'t Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen +eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n +boeremeisje. Hy was in de jaren que tout ce qui porte jupon intéresse, +en in z'n verbeelding vertaalde hy elk onbekend vrouwspersoon in +"Femken" of... iets als Femke. Maar hy begreep toch dat-i den goeden +Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hy +luisterde zoo aandachtig mogelyk, weldra zéér aandachtig zelfs, +en zonder dat dit hem moeite kostte. + +--'t Was eens zyn beurt van preeken, ging de pater voort, en +hy preekte. Den tekst weet ik niet meer, maar 't was over goede +behandeling. Van den eenen mensch jegens den ander, weetje, want dat is +eigenlyk de hoofdzaak van ons geloof. Ik preek er ook wel eens over, +maar... zóó niet, daar scheelt veel aan! Want, wat gebeurt er? Er zat +'n man in de kerk--'t was 'n slachter, moet je begrypen--die kreeg +'n toeval, en hy moest er uit gedragen worden, en ieder dacht dat +het van de warmte was. Maar 't was niet van de warmte. Die man had +stiefkinderen, en hy behandelde ze niet goed, en hy voelde zich zoo +zondig door de preek van pastoor Koens, dat-i van zichzelf viel. Vind +je dat niet sterk voor 'n slachter? Toen-i weer wèl werd, heeft-i z'n +stiefkinderen voor z'n bed geroepen, en hun om vergiffenis gevraagd, +en beloofd dat-i ze nooit weer mishandelen zou, want... dat deed-i +vroeger. En, omdat-i slachter was, zond-i 'n mand met worst aan pater +Koens, met 'n brief er by. Je kunt denken hoe bly we waren... om +die kinderen. + +--En, m'nheer, heeft die slachter woord gehouden? + +--Ik denk 't wel, want hy zal 't zeker prettig gevonden hebben, goed +voor z'n stiefkinderen te wezen, en 'n mensch houdt van pret. Maar +Koens wou de worst niet hebben, want hy eet geen vleesch, Styn moest +ze terugbrengen, zeid-i. + +--Hè, riep Wouter die 't jammer vond zoo'n geschenk aftewyzen. + +--Ja, niet waar, 't zou den man bedroefd hebben. Dit vond Styn ook, +en ik ook, en daarom hebben wy die worst opgegeten, zy en ik, want +ik mag wel worst. + +--Maar, m'nheer, wat was er dan met die Trineke? + +--Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten noemen, +want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood. + +--Wat had-i gedaan met die Trineke? + +--Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit +over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jy 't +vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist +niet erger dan andere boeren, en daarom zou 't me leelyk staan +z'n naam te bekladden, maar wáár is wáár! Hy was heel ryk, en goed +voor de kerk, o best! In onze kapel--want we hadden 'n kapel in 't +Simmenarie--hing 'n geelkoperen Sebastiaan met z'n lyf vol pylen, +wel duizend pond zwaar... nu, die was van hèm. En opschepperig was-i +als we hem bezochten, goedgeefs... je hebt er geen begrip van! Aan +brood en kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n +twintigen... net 'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozynen +op brandewyn, en daar dronken wy simmenaristen van dat het 'n aard +had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen +of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen--'t +was al z'n derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze +hebben--en wy kwamen gelukwenschen, en werden best onthaald, maar de +bruid keek sip, en we dronken brandewyn op rozynen, en er was 'n pret +van belang... op de bruid na! Maar op-eens... och, jongeheer, ik had +het je eigenlyk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je +'r nooit over spreken zult? + +--Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer! + +--Wà t? Nu, je belooft het, dat 's genoeg. Dat ik schik van de zaak +gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest +ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrypt, +'n jongen in theologie-tweede is anders nog niet veel mans. Nu, we +aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlyk +niet, en als 't in 'n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf +gekregen hebben, maar Rector zag wat door de vingers als 't by Koremans +gebeurde, om dien Sebastiaan, weetje, en ook omdat-i wel-eens in z'n +wagen naar stad reed, en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen... in +dien tyd. Nu zou 't niet staan! En ik zou dansen met de bruid die ik +graag lyden mocht... vroeger. En ze hield van my ook wel, dat weet ik +zeker. Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik dat Trineken er niet +was, en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altyd by, +net als de andere knechts en meiden, maar nu was zy er niet. En dat +zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans-zelf. Lies +was de bruid, weetje, die met me dansen zou, en wel 't allereerst, +omdat ik 'n weddingschap van haar vryer had gewonnen... ook al over +sterkte. "Trien is ziek, zei Koremans, en ga nu je gang maar met +Lies." "Is Trineke ziek, vroeg ik, en waar is ze dan?" Want dà t wou +ik weten. "En, zei ik, ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet +waar Trineken is." + +Wouter verwachtte nu 'n landelyk drama met... iets als liefde er +in. Heel véél kon 't niet wezen, dit begreep hy wel, om den aanstaanden +werkkring van den held. Maar juist deze bedenking prikkelde z'n +nieuwsgierigheid te meer. Hy tooverde zich den jeugdigen nog niet +geheel tot geestelyke verwrongen jongeling voor oogen, staande tusschen +twee-, drieërlei plicht, misschien wel tusschen formeele trouwbeloften +en gemoedelyke beloftentrouw, tusschen Trineke, Lies en theologie. En +op den achtergrond vertoonde zich de sombere gestalte van den bruigom, +die gereed stond by de minste overhelling naar Liesje's kant, den al te +gelukkigen Seminarist met één slag doodongelukkig en liefst heelemaal +dood te maken. In byna alle Dorfgeschichten die Wouter gelezen had, +droeg zich de zaak op die wys toe. Of zou pater Jansen den bruigom +hebben neergeveld? Een mensch doet rare dingen als-i verliefd is, +en daarby zoo byzonder sterk. + +--Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet... + +--Ik zal er heusch nooit over spreken, beloofde Wouter, die meende +dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg, en bang was dat Jansen +'t verhaal afbreken zou. + +--O, dit mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't +weet. Ik wou je dan zeggen--maar 't spyt me wel--dat de boeren... soms +niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke... + +--Hè? + +... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer +gemerkt dat men haar achteraf zette, en wegdeed als er wat vroolyks +voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat +ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den +vorigen keer by Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en +nog kaduker was, dan gewoonlyk. Ze was 'n beetje mank ook, maar ze had +altyd braaf gewerkt... o, by Koremans z'n ouders al! En daarom vroeg +ik waar ze was? "Ze is op 'r bed, zei Lies, en ik begryp niet wat je +hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom, dans maar!" En ze wenkte den +speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, +want het was me alsof God me ingaf--dit gebeurt soms--dat ze slecht +behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad +van dat meisje denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou +dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want... ze lag in den +stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet--dat begryp +je wel--maar 't was of God het me ingaf. En ik stond voor den stal, +en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies +riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe mensch?" Maar ik zei: "met +jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen vroeg ik aan Koremans, of-i de +deuren van den stal wou openen? "Neen, zeid-i, en ze is er niet!" En +ik zei dat ze 'r wèl was, en vroeg 't hem nògeens, want men moet +'n mensch altyd tyd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar +hy zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, +en zette m'n schouder tegen de staldeur dat-i kraakte, en... ik was +er in, hoor! Vind je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van. + +--En Trineke, m'nheer? + +--Wel zeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't +Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd, +maar... ze is toch behoorlyk gestorven op 'n kristelyk bed. Want ik heb +Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je! Ik zei dat God hem +verbryzelen zou, precies zoo als ik de staldeur gedaan had... neen, +veel erger nog! En ik zei--met 'n zwaren vloek er op--dat ik bord +noch beker in z'n huis zou aanroeren voor Trineke op 'n bed lag, +met 'n dokter er voor, en medicyn op de plank. 't Gebeurde, hoor! +O, ik heb veel gezegd! Ook over dien Sebastiaan... want daar was-i +erg groots op, en ieder die in de buurt van ons dorp kwam, moest +het weten dat de Sebastiaan in onze kapel van Koremans was. Ik zei: +"denk jy dat God met koperen koppen gediend is? Die oude Trine draagt +meer pylen in haar lyf dan Sebastiaan ooit gehad heeft, want ze is +er heelemaal kaduuk van, en mag je dan zoo'n mensch op stroo leggen +in je stal? Zet jy daar jou Sebastiaan in, die zal er geen weet van +hebben, want hy is maar van koper, en de levendige Trineken is je +nader. Ze heeft je-n-uit de sloot gehaald toen je-n-'n dreumis was, +en wat heeft ooit Sebastiaan voor je gedaan? 't Was 'n heilig man, ja, +maar jy moet ook 'n beetje heilig wezen, en niet je volk in de mest +leggen. Wie denk je wel dat je bent, omdat je geld hebt, en koeien en +land? God heeft veel meer dan jy, en als-i verkiest, kan-i Trineke wel +honderd boerderyen geven waar de jouwe-n-in verdrinken zou. 't Is nu +Gods wil dat zy niks heeft, en jy veel, maar als 't hem in z'n hoofd +komt, keert-i 't om, en geeft je hoest en jicht en allerlei krupsies +meer. Wil jy dan op stroo liggen als 'n varken?" Zoo heb ik gesproken, +en ik zei nog veel meer, en ik gaf er latynsche teksten by, want daar +kan 'n boer niet tegen. Ook zei ik dat-i in de hel komen zou, maar ik +weet niet zeker of dat wel waar was. Je moet denken, ik was nog maar +in theologie-tweede. Gut, er hoort zooveel toe om alles precies te +weten van God en goddelyke zaken! 't Is 't zwaarste vak van de heele +wereld, en ik was nooit erg voorlyk. Die Koremans had eens pastoor +Koens vóór zich moeten hebben, die had 't hem à nders ingepeperd! Maar +Koens had nu weer die staldeur niet zoo gauw opengekregen... krak, +daar lag-i! De hengsels waren verdraaid. + +--En Liesje, m'nheer? + +--Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen +Trineken op 'n bed lag, vroeg ze-n-of ik nu met haar dansen wou? Maar +ik wou niet. En toen bracht ze Trineken 'n glas brandewyn met rozynen +en krentenkoek, dat heel versterkend is by de boeren, en toen vroeg +ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel +plezier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook +anders. En ze wou haar huwelyk uitstellen, maar Koremans was er kwaad +om, en haar vryer ook. Ik geloof dat-i me niet lyden mocht... zeker +om die weddingschap. + +Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten +minder vroolyk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze +maar zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier." Wouter was +wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot +wat gehuppel. Jazelfs hy verwachtte een flinken sprong, 'n saut +périlleux. De onkunde der jeugd is wreed--cet âge est sans pitié , +zei de fabeldichter--en Wouter wist niet wat-i deed, toen hy vroeg: + +--En is Liesje met haar vryer getrouwd, m'nheer? + +--O ja, zeker, zeker! Waarom zou ze niet met hem getrouwd zyn? Alles +was immers afgesproken en klaar. Maar ze beloofde my vooraf dat +ze-n-altyd goed voor haar volk wezen zou, want dà t had ik haar +verzocht, maar ik zei er by dat ik niet heelemaal zeker was van de +hel, omdat ik nog maar theologie-tweede was. Ja, niet waar, ik mocht +me niet voor hooger uitgeven dan me toekwam, en waarom dan zoo'n +meisje voor niemendal schrik aantejagen, als ik 't soms mocht mis +hebben? Maar ze zei dat ze geen hel noodig had, en dat ze-n-altyd +heel goed wezen zou als ze 't my maar beloofd had. Nu, ze méénde +'t wel, want ze gaf er my 'n hartelyken zoen op... och, ze huilde zoo! + +--Waarom huilde ze zoo, m'nheer? + +--Je moet begrypen, de eene mensch is niet als de ander, en soms +heeft men verdrietige buien. Misschien huilde ze-n-omdat ik zoo +driftig tegen haar vader geweest was, en dat was goed van haar, want +'n kind moet altyd partytrekken voor z'n ouders. 't Begon al toen ik +Trineken opnam... + +--Had U dat gedaan, m'nheer? + +--Ja zeker, ik was de sterkste van allemaal, en 't bed was boven in +huis. Wie zou haar den trap opgedragen hebben zonder 't mensch zeer +te doen? Ze was maar vel en been, en alles deed haar pyn. 't Was +Koremans z'n eigen bed... + +--Och! + +--Daar stònd ik op! Ik hield me koppig, en zei dat het zoo wezen moest, +of ik zou 'n omgekeerd Jeruzalem van z'n huis maken. En Lies wou +háár bed afstaan, maar ik zei: "né, in 't zyne, of ik kom hier nooit +weer!" En ik zei er 'n heel ruw woord by, tegen haar vader--je bent +maar 'n ruige Ezau! zei ik--en daarom zal ze misschien gehuild hebben. + +--Was ze-n-'n... lief meisje, m'nheer? + +Deze vraag zweefde Wouter reeds lang op de lippen, maar de weifeling +tusschen de varianten "mooi" en "schoon" deed hem telkens aarzelen. 't +Een kwam hem tegenover 'n geestelyke wat gemeenzaam voor--te gemeen ook +misschien--'t andere klonk te boekerig by Jansens gemeenzaamheid. Toch +moest ons roman-lezertjen iets van Liesjens uiterlyk weten, en +hy kleedde z'n nieuwsgierigheid naar dat hoofdmoment van de zaak, +zoo deftig in als de omstandigheden toelieten. Maar ook Jansen had +zeker dekorum in-acht te nemen. Niet met bewustheid tegenover Wouter, +of wien ook, maar zonder zelf hiervan iets te weten, jegens z'n eigen +vlekkelooze reinheid. Van mooi of niet mooi was dus ook by hem geen +spraak. En meer nog: hy dacht er niet aan, hy wist het niet! + +--O ja, heel lief. En vroom ook, op zondag en hoogty, dà t moet +ik zeggen! Maar de heiligheid van den huwelyken staat wou ze niet +vatten. 't Is by ons 'n Sakrement, weetje, en dat zei ik haar. Maar ze +was er niet mee tevreden, en wou haar trouwen uitstellen tot zy al haar +kristenplichten beter kennen zou, zei ze. En ze vroeg of ik 'r daarin +helpen wou? Maar haar vryer had er geen zin in en zei dat hy dat wel +zou doen, en toen gaf ik hem 'n boek waar alles in stond. Maar, och, +zy is na haar trouwen bleek en verdrietig en ziek geworden, en heeft +niet lang geleefd. Kort voor haar dood liet ze nog vragen hoe Trineken +'t maakte, en of ik de stumpert wel trouw bezocht? Nu, dit deed ik, +en 't zal Liesje zeker plezier gedaan hebben. + +--En, m'nheer, bezocht u Liesje niet? + +--Neen, want haar man was niet heel vrindelyk als ik naar haar +vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen, dien-i +misschien liever niet zag. Want Liesje... kyk, de zaak was zóó. In +'t dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander gehad had, als ze 't maar +had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander +van de kerk was. Ja ja, ik weet wel wie 't was, ook! + +--Hè? vroeg Wouter die 't ook meende te weten. + +--Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op +de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen, +stond zy aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra we naderby +kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand die niet weten wil dat-i +uitgekeken heeft. Zoo zyn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want +nergens doet men zooveel menschenkennis op als op 'n simmenarie. Nu, +dat ze-n-altyd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten, besten +jongen! En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om +Kruger geweest zyn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat +zou ik ook misschien weleens gedaan hebben, want Kruger was m'n beste +vrind, en hy hield byna net zooveel van Liesjen als ik. O, heel veel! + +Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelykheden, toen 't +paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van +de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een +der hoofdpersonen zelf. Hy voelde wel dat Jansen eigenlyk meer verteld +had dan-i zich veroorloofde te weten. Of wist hy meer? Gedurende +het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De +eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en 't spreken +moeielyk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in +de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselyken tocht die +hem de oogen vol zand gewaaid had. + +--Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben +moè ook. Ja, ja, ik heb vandaag al wat af gedraafd, en verlang naar +'n zitje. Maar... wat is dáár te doen? + +Inderdaad, er was 'n "standje" by de aanlegplaats van de schuit Onze +wandelaars versnelden hun stap, om er zoo spoedig mogelyk 't rechte +van te weten. + +Wat my betreft, ik meen in dit hoofdstuk voldaan te hebben aan de +belofte dat ik eens 'n staaltje van pater Jansen's preekmanier geven +zou, en ik zeg er dit uitdrukkelyk by, om niet dezen of genen onkundige +in den waan te laten dat-i 'n idylle gelezen heeft. + + + + + + + + Wouter en deugdzame lezers worden teleurgesteld door Fancy, die + 'n lynch-vonnis kasseert. Ter vergoeding levert ze bydragen tot + de physiologie van zekere nyverheid, en benoemt ze Wouter tot + trooster van 'n diep bedroefde moeder. De lezer wordt gepaaid + met het stuk volksroem, waarop hy al zoo lang gewacht heeft. Of + Wouter Haarlem bereikt? + + +--Wel, jongeheer, daar schynt wat vreemds voortevallen. Hoor me die +vrouwspersoon eens schreeuwen! + +--Ja, m'nheer, ze schelden. Ik geloof zeker dat er ruzie is. + +De opmerking van pater Jansen was gegrond, en Wouter's geloof ditmaal +eens byzonder goed. Er was inderdaad iets byzonders aan de hand en +er werd gescholden. + +En alweer vroeg Wouter waarom die vrouw zoo schold, en "tegen wien +ze 't had?" Hy kon aanvankelyk niet uit de zaak wys worden, en deed +hiermee tot m'n groot genoegen z'n leermeesters by het postkantoor +weinig eer aan. Uit de onnoozele vragen die hy tot z'n bejaarden vriend +richtte, bleek duidelyk dat hun onderwys niet best aan hem besteed +was geweest. En pater Jansen was nu juist de rechte man niet om hem +behoorlyk intelichten, want er was by die schuit iets zeer gemeens te +doen, en daarvan had-i geen verstand. Wel kende hy in z'n hoedanigheid +van zielengeneesheer de gewone verschynselen van de ziekten die men +hem in theologie-derde als "zonde" had leeren kennen en behandelen--de +kursus liep, excusez du peu, in theologie-eerste tot en met genezen +toe!--maar juist omdat-i ze slechts als zoodanig bestudeerd had, +stond-i met de handen verkeerd, zoodra de vyand tot wiens verdelging +hy ambtshalve geroepen was, zich in levenden lyve aan hem vertoonde, +wat hier werkelyk 't geval bleek. De goede pater mocht van geluk +spreken dat-i, eenigszins verlegen door de verrassing, en misschien +ook weerhouden door de stoffeering van het tooneel dat byzonder weinig +op 'n biechtstoel geleek, niet terstond aan 't bedokteren ging van +de zieken die hier overvloedige blyken gaven van behoefte aan wat +beterschap. De goede man zou zeker 'n gek figuur hebben gemaakt, en +dit ware jammer geweest. Hy vernam by deze gelegenheid byna evenveel +nieuws als Wouter, en ook zonder deze overeenstemming was 't opmerkelyk +in hoevéél opzichten de indrukken die zy hier opvingen, elkander +geleken. Jansen was in wereld- en menschenkennis ongeveer blyven +staan op 't standpunt dat Wouter onlangs bereikt had, en alzoo steeds +minderjarig in de boosheid gebleven. Het verschil tusschen deze beide +kinderen bestond hoofdzakelyk hierin, dat de ontwikkelende knaap méér +weten wilde en zichzelf beschuldigde van domheid, terwyl de volwassen +man heel tevreden was met z'n verstandelyke toerusting. En waarom +zoud-i niet? Hy had immers alle voorgeschreven examens achter den +rug, en wist dus precies wat er in zake zielenherderschap kon geweten +worden. Z'n tevredenheid sproot volstrekt niet uit eigenwaan voort, +maar uit plichtmatig vertrouwen op de knappe luî die verklaard hadden +dat-i behoorlyk volleerd was en raad wist met alle zonden. Hy had er +latynsche getuigschriften van, met zegels er op. Wat wil men meer? + +Ik kan de meening niet deelen van sommigen die beweren dat 'n +katholiek geestelyke zoo byzonder veel menschkunde zou opdoen in den +biechtstoel. Het komt me voor, dat men daarby over 't hoofd ziet hoe +moeielyk het is zichzelf te schetsen, en dat de biechteling, ook by de +hoogstdenkbare oprechtheid--volkomen oprechtheid is onmogelyk!--slechts +daden en feiten kan openbaren. Vanwaar immers zou hy de psychologische +ontwikkeling halen, die niet ontbeerd worden kan door iemand die al +de schakeeringen van de roersels zyner handelingen uit elkaar wil +houden? En vanwaar de welbespraaktheid om die duidelyk blootteleggen +voor 'n ander? Waarlyk, wie dit kan, knielt niet naast 'n biechtstoel +om de geheimen van z'n ziel toetefluisteren aan 'n priester! Niet +voor dezulken is de oorbiecht uitgevonden, en niet voor hèn wordt ze +in-stand gehouden. Wie dit betwyfelt, lette eens op den graad van +verstandelyke ontwikkeling waarmee 't meerendeel der geestelyken +blykt te kunnen volstaan. Er hing me hier 'n beeld in de pen, +waarmee ik 't verschil in soort van hun werkzaamheid wilde schetsen, +doch ik houd het terug. 't Was iets als 'n vergelyking tusschen den +Schwartzwalder boer die houten klokjes snitselt, en den fabrikant van +fyne zakuurwerken te Genève. Deugt niet, deugt niet! Er is hier geen +spraak van 't onderscheid tusschen grof en fyn, niet eens zelfs altyd +van meer of minder ingewikkeldheid der organismen. Op 't oneindig +wyd gebied van menschkunde heerschen à ndere verschillen! Reeds +zeer lang geleden zagen we hoe tevreden pater Jansen was over +Femke's ziel--geen Schwartzwalder snitselwerk, op m'n woord!--en +onlangs stelde ik den lezer in de gelegenheid 'n brok theologischen +kursus bytewonen, door hem in kennis te brengen met Styntje. Hoe +gelieft men nu den toon te noemen, waarop die beidie personen zich +uitlieten over zaken die door anderen slechts werden behandeld met +konynenmondjes en in pontifikaal! Ondeftig was die toon, o zeker! Maar +toch--en ik bedoel dit in zéér hoogen zin--onaesthetisch, grof, +onzedelyk dus, was die toon niet! Er was hart in, en kinderlykheid, +en overtuiging. De uitdrukkingen die pater Jansen en z'n dienstbode +zich veroorloofden... och, ze wisten niet dat er iets te veroorlooven +viel! Van kinds-af vereenzelvigd met hun naïf geloof, bespraken zy +de dingen die daarmee in verband stonden, met dezelfde gemakkelykheid +als andere belangen van hun huishoudentje, en Styntje's tevredenheid +over 't vereffenen der schuld van haar moeder was van gelyke soort +als haar voldoening zou geweest zyn over 't wèlslagen van ingemaakte +zuurkool. 't Spyt me dat ik op 't oogenblik niemand tot getuige roepen +kan die haar aankomst in den hemel heeft bygewoond, maar we mogen ons +verzekerd houden dat ze by die gelegenheid even onbevangen gevraagd +heeft: "wel, waar is ze nu... m'n moeder? Ze weet immers dat ik alles +krek in-orde heb gebracht?" als ze Wouter opdroeg haar teerbeminden +pater te beschermen tegen z'n goedgeefsheid. En ook hyzelf was er +de man niet naar, om z'n God en goddelyke dingen terugstootend te +maken door deftigheid. Z'n geloof en al wat daaruit voortvloeide, +was hem de meest dagelyksche zaak van die wereld. + +Maar... die wereld-zelf kende hy nu eenmaal niet! Hy wist er niet +veel meer van dan z'n biechtelingen hem konden of wilden meedeelen, +en deze zeer gebrekkige inlichtingen namen nog bovendien steeds +de kleur aan van z'n eigen schuldeloos gemoed. Elk bedreven kwaad +scheen hem 'n ongeluk toe, en de vermaningen die hy uitsprak of de +boetedoening die hy soms meende te moeten voorschryven, geleken meer +op 'n vriendschappelyk toegediende hartsterking dan op berisping +en straf. 't Was waarlyk geen wonder dat-i niet recht vatte wat er +by die haarlemmer-schuit verhandeld werd! Een der hoofdpersonen in +het drama-bedryf dat hier werd afgespeeld, de vrouw die door haar +luidruchtigheid en gemeenen opschik de aandacht van 't publiek tot +zich trok, was te Amsterdam geweest om wat koopwaar optedoen voor haar +winkel te Haarlem. Die koopwaar bestond in 'n tweetal... meisjes, +neen--twee "meiden" zeg ik ook niet graag--uit twee jeugdige +vrouwspersonen dan, die ze door geschenken en de voorspiegeling van +'n lui leven tot zich had weten te lokken. Wat ik hier "geschenken" +noem, was in werkelykheid 'n driedubbel geboekt woekervoorschot. En +"ze had het zwart op wit" zei ze, op haar dy slaande, waar de kostbare +dokumenten geborgen schenen die haar woorden konden bevestigen. Deze +bewysvoering was tegen de moeder van een der beide schepseltjes +gericht, die lucht van de zaak gekregen, en gezorgd had vóór 't afvaren +van de schuit daar te zyn. 't Woord "moeder" klinkt liefelyk, en de +goedige lezer verwacht dat de vrouw zich daar bevond om haar kind te +ontrukken--"zoo noemt men zulks" zou Stoffel zeggen--aan de klauwen +des verderfs... och, ik ben daar jammerlyk op 'n boekenfraze verzeild +geraakt. Dat komt er van, als men z'n schryftafel zoo vol modellen +heeft liggen! [27] Die "moeder" was doodeenvoudig daargekomen om 'n +aandeel te vorderen in 't reeds genotene, en vooral om 'n aandeel +te bedingen in de toekomstige winst. Het toegeschoten publiek was +verontwaardigd, of toonde zich zoo, en verdeelde de uiting van z'n +misnoegen vry gelyk tusschen de moeder en de waardin. Deze beiden +aan 't kyven! De twee rekruten zwegen, maar toch kon 'n opmerkzaam +toeschouwer te weten komen wie van de strydvoerende partyen met +haar sympathie vereerd werd, en wel door de plaats die zy innamen, +of die ze trachtten te hernemen als ze voor 'n oogenblik vandaar waren +weggedrongen. Blykbaar schaarden ze zich, zoowel in overdrachtelyke als +in letterlyke beteekenis van 't woord, aan den kant der waardin. En er +was reden toe! Deze had "so werachtich as Chot" niets minder verzekerd +dan dat haar kontubernaaltjes 's morgens zoo lang konden slapen als ze +maar verkozen, en 's avends zouden ze onthaald worden op jenever met +suiker... als ze maar 'n "heer" wisten te bewegen die versnaperingen +voor zyn rekening aan 't buvet te bestellen. Nu, hiertoe meenden de +meisjes kans te zien. Maar 't zou haar tegenvallen. Ze overschatten den +invloed en den markt-prys van haar bekoorlykheden--de goedkoopste zaak +ter-wereld!--en ook wel 'n beetje de mildheid van de "heeren." Maar +de beminnelyke waardin liet haar aanstaande voedsterlingetjes in +den waan dat er met nagebootste huurliefde terdeeg wat 'te verdienen +viel. En er werd nog meer beloofd. Ze zouden Krelien en Sefie heeten, +en door de meid "juffrouw" genoemd worden. Om 'n voorsmaak van die +heerlykheid te geven, en tevens van den toon die in haar etablissement +heerschte, sprak 't wyf gedurig van haar "dames." Wat kon, tegenover +zulke schitterende aanloksels, de moeder bieden, zy die maar 'n arme +werkster was? Ik weet wel dat sommige boekenluî 'n antwoord op deze +vraag gereed hebben. Ze spreken by zulke gelegenheden van tucht, +reinheid van ziel, eer, gemoedsrust, moederlyke teederheid... och, +onze beide Kaatjes hadden liever jenever met suiker! Maar ik moet +er by zeggen dat de keus haar niet zóó moeielyk gemaakt werd, als +de papiermoralisten van zoo-even wel denken zouden, want de moeder +hield zich met al die roerende dingen niet op. Ze reklameerde haar +deel van de zaak, en eischte vóór alles 'n bonten voorschoot terug, +dat ze volgens haar beweren aan haar dochter geleend had. + +--En zal ik er nou dà t niet eens van hebben, riep ze, dat ik m'n +eigen goed weerom kryg? Hy heeft me drie skelling en 'n oortje gekost? + +Er van? Wáárvan, o vrouw? Wáárvan? Ik vraag u, wáárvan? Nu, dit kon +háár niet schelen, en: + +--Dat kan my niet schelen, schreeuwde ook de waardin. Mensch, +je moest je schamen, dat moest je! Wel ja, wat zeg jylui--dit was +'n beroep op de kiesheid van de omstanders, die deze onderscheiding +ten-volle verdienden--wat zeg jylui? Is 't geen schande dat 'n moeder +haar eigen kind 'n standje komt maken om 'n boezelaar? + +--Ik wou maar dat we-n-afvoeren, zuchtte een van de Kaatjes. Wat +treuzelt die schipper! + +--Drie skelling en 'n oortje, zoo waar as er 'n God in den hemel is, +op de Numà rt in den bontjeswinkel! Geef hier, m'n goed! 't Is myn goed, +zeg ik je! Geef hier! + +Een poging om 't betwist voorwerp met geweld machtig te worden, +mislukte. Op-eens wendde de teedere moeder de zaak over 'n anderen +boeg. Ze trachtte haar stem aandoenlyk te maken, en huilde: + +--Heb ik je dáártoe opgebracht? + +Wel zeker! Waartoe à nders, o teedere moeder? + +--'t Is om te besterven, menschen, dat is het! En zeg, wat zal je +vader daarvan zeggen? + +--Nou, laat er je man maar buiten, zou ik je raden! Die zit hoog en +droog in de rooie zaagsel. [28] Wat zeg jy, Ka? + +Kaatje bevestigde de zaak wel niet uitdrukkelyk, maar gaf toch +'n antwoord dat heel weinig op verontwaardigde ontkenning geleek, +door op-nieuw moeite te doen om zich van haar moeder te verwyderen, +en 'n veilig plaatsje te krygen achter de waardin. Deze haastte zich +'n zegel op de beteekenis van Kaatje's manoeuvre te zetten: + +--Wel ja, meid, 'n woord 'n woord, 'n man 'n man, niet waar? En... ik +heb ommers al de papieren in m'n zak. Wat zeg jyluî? Een mensch kan +toch niet meer verlangen als zwart op wit! + +De vrouw had weer op haar dy geslagen, en scheen antwoord te +wachten. Er gingen dan ook uit het publiek eenige stemmen op, maar ze +getuigden van verdeeldheid der meeningen. Wel hoorde men hier-en-daar: +"zieje, 't is toch altyd haar moeder!" maar ook toonden sommigen +zich verontwaardigd over de vreemde soort van 't moederschap dat hier +vertoond werd. Een stemming by zittenblyven en opstaan kon moeielyk +verordend worden, omdat de heele zaak in de letterlyke termen van 'n +"standje" viel. Bovendien, de strydvoerende partyen wachtten zich wel +'n beroep op de meerderheid te doen, voor ze met eenige zekerheid +berekenen konden die meerderheid op haar hand te hebben. En hiertoe +bestonden aan geen van beide zyden voldoende gegevens. Velerlei +scheldwoorden rezen uit de vergaderde menigte op, maar 't viel +moeielyk te beslissen tot wie ze gericht waren, omdat ze meestal nogal +toepasselyk konden geacht worden op ieder van de vier vrouwspersonen in +'t byzonder. De hieruit voortspruitende verwarring bewees hoe groot +de behoefte was--ook zelfs in de laagste standen der Maatschappy--aan +eenig besef van onderscheid tusschen schelden en beschuldigen. + +--M'n drie skellinge wil ik hebben, kryschte de vrouw, terwyl ze +trachtte haar dochter by den voorschoot te grypen. Ik wil m'n geld, +m'n drie skellingen, of anders... + +Haar schreeuwen herinnerde Wouter aan de wanhoop der edele Hersilia +over die verloren zeven gulden dertien, en langs de rails van al wat er +sedert 'n etmaal weer met hem was voorgevallen, liep z'n herinnering +uit op de vyftig guldens die hy in z'n zak had. "Als hy eens die arme +vrouw aan 'n nieuw voorschoot hielp? God zou 't zeker weer niet doen, +en daar er nu toch eenmaal in 't helpen iets goddelyks ligt: + +--Wat dunkt u, m'nheer? vroeg-i aan pater Jansen? + +--Ik ben erg bedroefd over die menschen, zei de goede man. + +--O zeker, m'nheer! Maar... die boezelaar? Drie schellingen is nog +geen volle gulden, en als wy nu eens... + +--Dat mag volstrekt niet, jongeheer! Het doet my in de ziel leed dat +die menschen op zoo'n verkeerden weg zyn--want dit moet ik er haast wel +van gelooven--maar 't geld dat je by je hebt, is je niet gegeven om... + +--M'n drie skellinge, huilde het wyf, of anders ten-minste m'n +kind weerom! + +Dit "ten-minste" was verrukkelyk! Zal er misschien straks blyken dat +prinses Erika onzen Wouter die vyftig guldens geschonken heeft om +'n radelooze moeder weer in 't bezit van haar verloren kind te stellen? + +--Ze is heel ongelukkig, m'nheer... hoor maar! Och, wat komt er nu voor +òns die ééne gulden op aan? En... 't is nog niet eens 'n volle gulden! + +--We mogen 't heusch niet doen, jongeheer! Kom, kom mee in de +schuit! Ik word er koud van, en kan 't heusch niet langer aanzien. + +'t Scheen wel dat pater Jansen z'n eigen standvastigheid wantrouwde +en de verlokking ontvlieden wou. Maar hy aarzelde. Ook Wouter volgde +slechts heel langzaam, en niet zonder telkens opnieuw, by z'n geleider +aantedringen op interventie. + +--Wat is voor òns 'n enkele gulden, m'nheer! + +Kyk me-n-eens zoo'n kleine rykaard! Jansen antwoordde niet, bleef +weer staan, en scheen te weifelen. De vrouw die met 'n eigenaardig +armeluî's-instinkt iets bemerkt had van wat er tusschen die twee gaande +was, vond het raadzaam van tekst en toon te veranderen, en begon te +jammeren over de drie "wurmen die ze thuis had, en die nu zouden moeten +vergaan van ongemak en kou." Inhoever deze verdrietige omstandigheden +'t gevolg konden wezen van Kaatje's wangedrag, of van 't bankroet dat +ze aan haar boezelaar leed, liet zy onopgehelderd. Toch had vooral de +beweerde plotselinge temperatuurverlaging van die "wurmen" zoo in 't +hartje van den zomer, best eenige meteorologische toelichting kunnen +gebruiken. Maar hiernaar werd door de tegenparty niet gevraagd. Zoowel +de waardin als anderen uit den hoop beantwoordden haar klachten slechts +met onwetenschappelyke scheldwoorden, doch tereere van 't stukje +publiek dat hier vergaderd was, moet ik erkennen dat ook de koopvrouw +uit Haarlem niet verschoond werd. Haar beroep leverde overvloedige +stof tot schimp en smaad. Maar 't scheen dat ze de uitdrukkingen +waarmee men haar zedelyk en maatschappelyk standpunt kwalificeerde, +wel eens meer gehoord had, en niet gewoon was flauw te vallen om 'n +beetje schande. Tartend, en als om te pronken met haar ongedeerdheid, +bauwde zy de scheldwoorden na die men haar naar 't hoofd wierp, +en wanneer daarin zekere eentonigheid begon te heerschen, omdat de +voorraad wat klein bleek in verhouding tot den duur van de scène, +hielp zy de schreeuwers op den weg door 'n sarrend: "nou mot jelui dà t +weer 'ns zeggen!" of: "ik heb in lang niet dà t of dà t gehoord, koman, +bedenk jelui je nou 'reis goed of je niet ereis wat nieuws weet!" Deze +betrekkelyke kalmte prikkelde tot opwinding, en op zeker oogenblik +nam de afkeer van haar ellendig bedryf zoo de overhand... neen, dit +is onjuist, men werd zóó boos over de onverschilligheid waarmee ze +'t schelden opnam, dat de moeder hoop begon te scheppen. Het blyft 'n +raadsel wat die vrouw eigenlyk van plan was met haar "kind" aantevangen +als 't bevryd wezen zou uit de handen van de waardin, doch zonder +zich hierover te bekommeren begon de meerderheid haar bytevallen. + +Wouter zou weer ruimschoots in de gelegenheid geweest zyn de +psychologie van de massa te bestudeeren, als-i niet te zeer vervuld +ware geweest van z'n zucht om... ja wat? Hy wou helpen, redden, +te-rechtbrengen, hy wou iets doen. Wel ja, 'n mensch heeft niet alle +dagen twintig ryksdaalders in z'n zak! En niet dikwyls valt zoo'n +schitterend standpunt samen met 'n drama als hier vertoond werd, noch +met de akeligheid waarmee 't--niet gansch onverhoopt, om de waarheid +te zeggen--straks dreigde of beloofde te sluiten. Er werd namelyk +geroepen: "te-water!" en dit woord klinkt vreeselyk in de ooren van +'n hollandsch jongetje, opgebracht in de vreeze voor kou-vatten en +den wallekant! + +--Te-water, allo, dat wyf de vaart in, sebit! En die meiden na huis! + +Naar huis, o onbesuisde menigte? Naar wèlk huis? Naar de krotten waar +ze onder opzicht komen zouden van zulke moeders? Ik ben overtuigd dat +geen myner lezers, indien hy 't hier beschreven voorval had bygewoond, +zich met die hoogst onfatsoenlyke zaak zou bemoeid hebben. Maar, +lezer, gesteld eens dat ge hadt moeten stemmen? Zoudt ge in-gemoede +hebben durven roepen: die meisjes naar huis? Men behoeft waarlyk +niet zoo onnoozel als pater Jansen te wezen, om verlegen te zitten +met de keus tusschen twee hellen. En wat het lynch-vonnis tegen die +waardin aangaat... onze Maatschappy--hier niet byzonder oneigenaardig +vertegenwoordigd door 'n troep gemeen--is wel zonderling! Het schepsel +dat men hier te-water wilde dringen, was een van háár leden, en 'n +lid ook van 't gild dat diezelfde Maatschappy blykens eeuwenlange +ervaring nooit heeft kunnen ontberen. Waarom nu, als zoo'n onmisbaar +meubelstuk onzer beschaving zich in 't openbaar vertoont, op-eens +zooveel verontwaardiging voorgewend? Verbiedt niet de wysheid der +volkeren 't schenden van z'n aangezicht? Bedenk toch, o preutsche +Maatschappy, dat zoo'n winkelierster in ontucht een uwer meest +vooruitstekende neuzen is! + +--Te-water met dat wyf, werd er weer geroepen, de vaart in! + +Er viel optemerken dat de hevigheid van dit geschreeuw in omgekeerde +rede stond tot de nabyheid van de plek waar de bedoelde exekutie +zou plaats hebben, en hieruit bleek dat de verst-afstaanden 't meest +verontwaardigd, d. i. de deugdzaamsten waren. We mogen aannemen dat ze +zich in hun braafheid wel 'n beetje gesterkt voelden door de betere +kans zich snel uit de voeten te maken, zoodra het deugd-zoenoffer +zou liggen te spartelen in de Haarlemmer-vaart Ieder weet immers dat +niets op aarde onvermengd is, tot en met de courage van de braven +toe? Hierop scheen de waardin dan ook te rekenen, want ze gaf weinig +blyk van angst, en de uitkomst bewees dat ze gelyk had. Het doet +me leed dat ik den lezer, die waarschynlyk braaf is, en--als die +verst-afstaanden!--met fatsoenlyk verlangen uitziet naar de zegepraal +der deugd, eenigszins moet teleurstellen. Het wyf werd beschimpt +en gehoond, maar... ze bleef droog. Wie er spyt van heeft, trooste +zich met de kameraadschap van Wouter, die by mangel aan ander emplooi +van moed, gulheid en goeden wil, zoo byzonder graag eens iemand uit +het water gehaald had. "'t Komt zoo zelden voor!" mymerde hy, en dit +vind ik ook. Het redden van drenkelingen moet 'n vervelend vak wezen, +tenzy men er compérage by te-pas brengt, en hieraan werd noch door +Wouter noch door 't kandidaat-offerlam gedacht. + +Wel ver van zich op 't altaar der zedelykheid te laten zoen-offeren, +noch zelfs blyk te geven dat ze zich rechtens als de zwakste +beschouwde, dreigde de waardin met de policie. + +--Wel nou nog mooier! Jy, schandvlek, wou jy de policie roepen jy? Je +mag God danken dat er geen diender in de buurt is, jy, die hier de +meissies komt verdibbeseeren! + +--Ik heb 't zwart op wit, schreeuwde zy weer. En, als er policie was, +zou ik 't jelui laten zien! + +Wà t? Haar dy? Neen, denk ik. Dat ze in haar recht was? Dit ook wel +niet, maar toch was de kans dat de vertegenwoordigers der autoriteit +haar niet geheel-en-al in 't ongelyk zouden gesteld hebben, grooter +dan sommigen wel meenen. [29] + +De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad +uit de dagen waarin m'n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich +redde door den kreet: "als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik +m'n kerel stemmen voor X!" Dit was gelogen, anakronistisch gelogen, +gelyk dan ook slechts van 'n blad dat tot... die andere party +behoorde, te verwachten was. Nooit zou men zoo'n afschuwelyk laag +verzinsel vinden in 'n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy, +'n leugen wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het +kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis +is geworden na 't uitsluiten van de arme drommels die zich moeten +tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. Onze Maddam dééd +niet aan staatkunde, en dit is 't slechtste niet wat ik van haar zou +kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes by den arm, +en duwde haar naar 't gapend luikje van de schuit. "Allo, d'r in, +as 'n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo, +d'r in, en jy ook!" Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje +ingescheept. De schuit wiegelde by 't opstappen en dreunde by 't +neerkomen op den vloer van 't ruim. Van onwil bleek er niets. De +bedroefde "moeder" die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog +verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog +iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas 'n +krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren +natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers +te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? Wou ze +'t slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och, +neen, op eer en roem was ze in 't minst niet gesteld, maar er viel voor +haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of er van +dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter's aandringen by +Pater Jansen om voorzichtigheidje te spelen had haar aandacht gewekt, +en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die beide personen uit het +oog verloor, 'n oplettendheid die rechtstreeks tot de eischen van haar +"vak" behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts 't uitvloeisel +van gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de "radelooze moeder" nogeens +ter-markt te komen met haar radeloosheid: + +--Hi, hi, hi, m'n arm kind! + +Wouter vroeg weer aan z'n begeleider, of er dan van hunnentwege +volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen? + +--M'n arm kind! En... m'n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m'n +boezelaar weerom had! + +Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter's gedachten. + +--Drie skelling en 'n oortje! + +Weer rekende Wouter z'n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden +bedroeg. + +--Och, m'nheer, nog niet eens 'n volle heele gulden! Wat scheelt òns +die eene gulden? + +De waardin en de moeder bespiedden om 't zeerst wat er tusschen die +twee broeide. + +--Hoor eens, jongeheer, 't mag niet, zei Jansen, 't mag waarlyk +niet! Maar... + +--Toe, asjeblieft, m'nheer! + +...dan zal ik 't er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld schryven aan +m'n broer te Vucht. Maar gauw dan, 't is geen pleizierig staan hier. + +Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde +'t grauwlinnen zakje waarin z'n geld geborgen was voor den dag, had +'n beetje tyd noodig om den styf in-een-gedraaiden hals te laten +ontkrinkelen... + +De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid +van de wenteling. Maar... 't kon kopergeld wezen? Neen, Wouter haalde +een ryksdaalder voor den dag. + +--Hi, hi, hi, m'n arm kind! + +De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om de +oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de "drie +skelling" sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen +jongeheer op de gedachte te brengen dat 'n ryksdaalder méér bedroeg +dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste +regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde +dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar "verloren kind" +'n onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met +'n schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met +open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i +wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te +hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten +verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf 'n verrassing +toen hy op-eens--in-godsnaam, 't moest wel!--zich aanstelde alsof +'t wel werkelyk z'n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder +te offeren op 't altaar van... van... ja, van wat eigenlyk? + +--God zal 't je duizendmaal loonen, jongeheer! + +--Dat 's vier zak guldens, en nog 'n beetje toe! riep 'n rekenaar +uit den hoop. + +--Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m'n arm kind +worden? + +Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de +zedelyke toekomst van dat "arme kind" eenigszins te verbeteren, +door de jammerende moeder 'n tweeden ryksdaalder aantebieden. + +'t Was waarlyk Wouter's verdienste niet dat-i ditmaal bewaard bleef +voor 't verergeren van de reeds begane fout. Hy hoorde mompelen: +"nou, voor twee-gulden-tien levert ze-n-'t heele nest dat ze thuis +heeft" waarmee waarschynlyk de ons reeds eenigszins bekende "wurmen" +bedoeld werden. Deze taxatie kwam ons weldoenertje liefdeloos en +onhoffelyk voor. Opgewekt tot verzet tegen de "massa" die natuurlyk +met luid gelach den uitval toejuichte, wilde hy... zou hy... och, +'t kwam er niet toe. Pater Jansen stond in den stuurstoel te wenken, +de schipper nam zyn plaats by 't roer in, de knecht maakte het touw +los waaraan de schuit had vastgelegen, en z'n "aan-boord, wie mee +mot!" maakte aan de vertooning 'n eind. Onder luid spotgejuich van de +menigte op den wallekant, gleed de schuit heen. De waardin had heel +fatsoenlyk plaats genomen in de roef, misschien wel om den edelmoedigen +jongeheer in 't oog te houden, schoon men ook zonder deze strategische +byzonderheid erkennen moet dat haar middelen zoo'n gedistingeerdheid +wel veroorloofden. 't Scheen haar alweer niet erg te hinderen dat de +personen die ze in dat hokje vond, ruimer plaats voor haar maakten dan +stipt gezegd noodig was. Elk ander zou zich beleedigd getoond hebben +over de verregaande inschikkelykheid waarmee ze ontvangen werd. Maar +zy? Onze twee helden hoorden haar by 't binnentreden zeggen: "ook +goed! Beter zóó, dan allemaal op 'n hoop, lieve menschen! Wie zweeten +wil, kan z'n gang gaan, maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?" + +Dit vraagje werd gericht tot den état major die in den stuurstoel +zat, en ik zou 't overgeslagen hebben als 't me niet te-pas kwam om +'n opmerking te maken over den oorsprong van de Vrymetselary. Van: +vrymetselary liever, zonder lidwoord. Ik vind het wel zonderling dat +men nog altyd daarnaar zoekt, alsof 'n aanleiding die zich dagelyks +aan onze oogen vertoont, en die zoolang bestaan heeft als er menschen +op de aarde wonen, eenmaal in nauwkeurig bepaalbare omtrekken 'n +historische gebeurtenis zou geweest zyn. Elke Nyl moet, volgens +zeker soort van volksvoorgangers, z'n byzondere bronnen hebben die +men met den vinger op de kaart kan aanwyzen, en uit valsche schaamte +voor den leerling die er naar vraagt, wil men maar niet erkennen +dat die bronnen heel eenvoudig in de wolken liggen. Waarom zou een +der tallooze waarneembare spruitjes die 't hunne bydragen om zoo'n +rivier te maken tot wat zy is, meer dan elk ander beekje, meer dan elke +à ndere vereeniging van doorgesypelde druppels, den naam van eigenlyke +bron verdienen? Zoo bestaan er veel vraagstukken welker oorzaak van +bestaan... 'n vraagstuk behoorde te zyn, of niet eens 'n vraagstuk. We +kunnen de oogen niet opslaan zonder Wording waartenemen, en toch blyft +men nog overal droomen van 'n Schepping. 't Lykt wel of zekere natuur- +en geschiedfilozofen hun beroep leerden op 'n registratiekantoor, +en vandaar de meening meebrachten vóór alles geroepen te zyn de +wereld-akten van 'n vasten datum te voorzien. Het boekdrukken, 'n +hoogstbelangryk vak zeker, maar slechts in zeer letterlyken zin van +'t woord: 'n Kunst, het "stichten" van steden, de volksverhuizingen... + +Hola, we zyn er! En 'n behoorlyke date certaine hebben wy ook. Wel +zeker, de lieftallige herderin was aan 't volksverhuizen met haar +twee veroverde schapen, en men schreef: haarlemmer kermis, den +zooveelsten dag. Ziedaar registratie! Och, ik moet wel korrekt tewerk +gaan. Vanwaar anders dan uit 'n deugdelyk vastgestelden kermistyd zou +ik den orgelman bekomen, die straks langs de vaart over den weg moet +sukkelen om op 't juiste oogenblik onze Maddam te-hulp te komen in +haar natuurvrymetselary? Er is veel talent noodig om dit uitteleggen +aan lezers die 't niet zonder uitlegging verstaan. Vooreerst gelieve +men te begrypen dat er op den ganschen weg, althans zoover 't oog van +onze reizigers reikte, geen orgelman te zien was. Niets natuurlyker. De +man was met de zynen--waaronder z'n gewichtig instrument--'n vol uur +voor 't afvaren der schuit van Amsterdam vertrokken, en 't spreekt +dus vanzelf dat men hem nog niet had ingehaald. Zonder loggen of +zonschieten kan nu de lezer vry precies berekenen hoeveel geografische +zoetwater-ellen door ons vaartuig waren afgelegd, toen de edele vrouw +die betuigd had van ruimte te houden, aan 't stuurstoelpersoneel +vroeg: of 't niet waar was? Strikt genomen hadden Jansen, Wouter +en de schipper 't recht gehad, hierop te antwoorden dat ze 't wel +gelooven wilden maar niet met zekerheid wisten. Inderdaad, men moet +niet alles voor waar aannemen wat er door den eersten den besten +gezegd wordt. Die vrouw kon booze redenen gehad hebben om 't publiek +in 'n verkeerden waan te brengen omtrent haar opinie over zweeten en +benauwdheid. Maar, och, ons drietal dacht zoo diep niet na. Jansen was +te bedroefd om te spreken, en Wouter te zeer vervuld van... iets dat op +'n aventuur geleek, om zoo terstond te kiezen tusschen twyfel, geloof +en ontkenning. Wat den schipper aangaat, hy hééft geantwoord. Maar, +lezer, zoolang ik u niet meedeel wà t de man zei, is 't voor u alsof-i +niet geantwoord had, en ge hebt dus 't recht, u voortestellen dat de +schuit 'n haarbreed verder was dan op 't oogenblik toen de belangryke +vraag gedaan werd. Hoe kan 't na deze opmerkingen iemand in 't hoofd +komen, te meenen dat men dien orgelman reeds had ingehaald? Haasten +laat ik me zoomin als 'n haarlemmer-trekschuit zelf. De schipper +heeft geantwoord, o ja, maar ik ben aan 't woord over de vrymetselary, +en dat gaat vóór. Hoe kan 't anders, daar juist de vraag "of 't niet +waar was, dat ze van ruimte hield?" my de opmerkingen in de pen gaf, +die nu--misschien niet eens terstond--zullen volgen! Zou ik tuchteloos +genoeg wezen my met het antwoord te bemoeien voor ik de vraag heb +afgehandeld? Zulke kapriolen... + +Die orgelman dan was door Fancy besteld om zich niet voor 't juiste +oogenblik te laten zien, en we zouden verkeerd doen haar beschikkingen +vooruit te loopen, vooral wanneer we door geduldig wachten gelegenheid +vinden iets zeer wetenswaardigs te vernemen over den oorsprong van +vrymetselary. Waar de bronnen van den Nyl zyn, heb ik reeds gezegd, +en als ik nu ook dat andere ophelder zal de billyke lezer erkennen +dat ik niet gierig met nieuws ben, schoon 't wel wat veel is voor +één hoofdstuk. + +Eilieve, wat ter-wereld bewoog die waardin tot de vraag: "of 't +niet waar was?" Weetgierigheid? Om-godswil, hoe konden Wouter en +de schipper, of zelfs Jansen die 'n "gestudeerd" persoon was, meer +van de zaak weten dan zyzelf? 't Mensch was wel zoo oud als ik, dat +heel erg is, schoon ik tot eer van haar Publiek erkennen moet dat ze +'t veel verder dan ik in de wereld gebracht had. Maar, gewaardeerd +of niet, men wordt geen zeven-en-vyftig jaar zonder ruimschoots +tyd te hebben tot beoordeeling van de vraag of men aan ruim- of +nauw-zitten de voorkeur geeft. Waarom in deze zaak de meening van +anderen ingeroepen? Hoe zou ze 't opgenomen hebben, als een van +de drie haar geantwoord had: "ik ben 't volstrekt niet met u eens, +juffrouw. U houdt meer van benauwdheid, want de groote die of die +heeft gezegd... enz?" Ik doe de werkelykheid geen geweld aan, door te +veronderstellen dat zoo'n tegenspraak niet zou gewaagd zyn zonder +beroep op den bekenden grooten dichter die frazen geleverd heeft voor +alle gelegenheden. Ik vraag my af wat ikzelf op haar nederig verzoek +om inlichting zou geantwoord hebben indien ik in dien stuurstoel had +gezeten? Maar ik kan me de mogelykheid daarvan niet voorstellen omdat +ik op dat tydstip niet geboren, en alzoo nòg onbekwamer was dan nu in +'t oplossen der vraagstukken van zoo aetherischen aard als waartoe +afkeer van benauwdheid schynt te behooren. Er is geen woord van waar, +van deze klassifikatie, bedoel ik, want op m'n volstrekte onbekwaamheid +om vóór m'n geboorte meetepraten, valt niets aftedingen. En ongeboren +wàs ik. Er liggen honderd twee en zeventig genien tusschen myn +eersten kreet en 't laatste woord van die waardin. De lezer weet +dat er in Nederland dertien genien op 'n maaneklips gaan, en kan +dus nu precies uitrekenen wanneer ik jarig ben. Men wordt verzocht +de miskende meetetellen, anders zou men tot de slotsom komen dat ik +nog in de wieg lig. + +--Maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar? + +Mensch, waarom vraag je dat? Is 't uit wysbegeerte? Heb je aan +duitsche filozofie gedaan, en wil je misschien de eigenschappen van 't +leelyke ding an und für sich dat je--met permissie--je ikheid noemt, +objektievelyk onderwerpen aan de subjektieve reinen-vernunftskritiek +van den haarlemmer-schipper die z'n pyp stopt? + +--Asjeblieft, schippertje! + +Zoowaar, ze wil hem den koperen vuurbak aanreiken, waarin 'n turfkool +ligt te glimmen, voor verstuiving bewaard door 'n deksel van messing, +voor uitdooving ook door vyf ronde gaten, juist groot genoeg om +aan pypekoppen den toegang open te laten naar 't vuur. Toegang? 't +Mocht wat! De schipper, deugdzaam, griffermeerd en verontwaardigd, +vader van zes gehuwde kinderen, antwoordde ditmaal niet. Hy haalde +'n tondeldoos uit z'n zak, nam de roerpen onder den oksel, en bikte +z'n eigen vuur. Was er geen konsekwentie in dat waardig gedrag van den +haarlemmer-schipper? En is 't billyk, my te verwyten dat ik by-voorkeur +beelden teeken die thuis hooren op laag terrein? Kan men zich iets +verheveners voorstellen dan die tondeldoos en dat vuurslaan voor eigen +rekening--als schryver zou de man 'n gek figuur gemaakt hebben!--terwyl +hy de hand maar hoefde uittesteken om met z'n pyp den koperen cylinder +te bereiken die hem zoo gul... neen, zoo verleidelyk werd aangeboden +door de ondeugd? Of, al ware het dat-i met z'n grootkop zou te-kort +geschoten hebben om 't altaar te bereiken dat de valsche Vestale hem +aanlangde, zou niet Wouter, de hulpvaardige by-uitnemendheid, het +vaasje met de meest mogelyke toewyding hebben vastgehouden? Meent ge, +lezer--gy die 'n man van ondervinding en oordeel zyt, en bovendien +als Christen bedreven in de geheimenissen der demonologie--meent ge +dat ooit aan 'n haarlemmer-schipper die op 't punt staat z'n eerste +pyp aantesteken... + +Ze waren alzoo pas by de Eén honderd Roe, of ter-nauwernood zoo +ver. Alweer 'n bewys dat die orgelman nog niet "in-zicht" kon +wezen. Finaal onmogelyk! + +... meent ge dat ooit de Satan zich aan zoo'n schipper aanlokkender +kan vertoond hebben dan in de warme gedaante van 'n gloeiende kool? En +tòch deugdzaam! Tòch konsekwent! + +Deugdzaam? Ja. Maar wie van konsekwentie spreekt, heeft alweer slordig +gelezen. Hoe kan men weten of 's mans pyp-opsteken voor eigen rekening +en risiko, in overeenstemming kan gebracht worden met het antwoord +dat de vrouw zoo-even van hem moet gekregen hebben, zoolang men van +dat antwoord geen kennis draagt? Overyling... uw naam is lezer! Stel +dat-i gezegd had: "Eulalia, ik bemin u meer dan m'n schuit!--en nog +altyd weet geen sterveling of-i wat anders zei--zou 't dan niet van +onvergeeflyke harteloosheid getuigd hebben, als-i zoo kort daarop +Eulalia's vuur had afgewezen? Dat mannen veranderlyk zyn weet ik, +en niemand betreurt deze karakterfout meer dan ik, doch juist daarom +noem ik 't voorbarig dien schipper te stempelen tot uitzondering, +voor wy 'n beetje meer van hem weten. In de eerste plaats alzoo... + +Lieve God, wat moet ik nu 't eerst vertellen? De natuurmetselary +wacht op verklaring. De schipper zuigt en blaast, de tondel tintelt, +en klaagt over m'n spelling, nu ja, maar kan ik 't helpen dat onze +taalwetgevers hun eigen wetten niet volgen? De waardin schuift met +mismoedig gebaar den versmaden vuurbak zoo ver ze maar eenigszins +reiken kan over 't roertafeltje binnenwaarts, en verbergt haar smart +onder den uitroep: + +--Wel man, als 't je niet lykt mot je 't maar zevend'half voet van +je zetten. Graag of niet! 'n Mensch z'n lust' is 'n mensch z'n leven... + +En, 't hoofd buiten de deur-opening stekende, herhaalde zy de +gewichtige vraag: + +... wel ja, niet waar? + +Jansen en Wouter hadden nu twee zaken voor één optelossen. + +De vrouw wilde weten of 't waar is dat 't leven van den mensch in z'n +lust bestaat, 'n onderwerp dat weleens tot de konkluzie zou kunnen +leiden dat men niet juist alle dooden op 't kerkhof behoeft te zoeken, +schoon ik niet verzekeren kan dat de weetgierige vraagster van deze +vroolyke slotsom 't ware besef had. Er bleek dat het zoo duidelyk +uitgezwegen non tali auxilio van den schipper 't mensch gewond had, +en ik verkies nu in haar herhaalde poging om eigen indruk aan 't +oordeel van anderen te toetsen, 'n bydrage te vinden tot den oorsprong +der maçonnerie. + +Ten-allen-tyde bestonden er menschen die meer te zeggen hadden dan +'n ander, en zy die--zooals op 't oogenblik onze schipper--aan 't roer +zitten, maakten wel eens misbruik van hun voordeeliger standpunt. Laat +ons onderzoeken wie de vrouw was die daar in de roef zat, en telkens +haar hoofd buiten 't deurtje stak alsof ze kennis maken wou. Wie ze +was? Wel hoe kan ik dit weten, ik ken 't mensch niet. De vraag is +zonderling. Ik weet alleen dat ze zoo-even terdeeg was uitgescholden, +en daar ze nog geen gelegenheid had gehad het gepeupel dat haar met +zooveel verachting behandelde, te doen verzwelgen door dezen of genen +afgrond, bevond ze zich in 'n staat van vernedering die 't midden +hield tusschen wrevel en kontritie, wel eenigszins gematigd of tot +nader order teruggedrongen door den wensch om Wouter te ontlasten +van z'n ryksdaalders. Wat haar boosheid aangaat, spot er niet mee, +verwaten lezer. Ik had U wel eens willen zien, tien minuten na +'t afgryselyk oogenblik dat 'n brokje Publiek u gebruikt had als +voorwerp van deugdmanifestatie! + +Tien minuten, zeg ik? Misschien was 't nog wat minder, schoon +ik erkennen moet dat de schipper z'n tonteldoos... goddank, met +'n tintelende t dezen keer, 't staat er! Ja, de schipper had z'n +vuurtuig geborgen waar zulks te doen gebruikelyk is. Hy dampte deftig +en dapper, en reeds had-i aan Jansen verzekerd dat het vandaag +mooi weer was. Toch blyf ik beweren dat de schuit nog geen volle +tien minuten gevaren had. Zóólang nog maar was de waardin woedend +geweest. Dit komt iemand die 't nooit ondervond zoo heel erg niet +voor, maar men moet bedenken dat de deugdzame gemaaktheid waarmee +'t roefpubliek zich by haar binnentreden tegen 't voorbeschot had +gedrongen, geen goed aan de zaak deed. Men kan gerust aannemen dat haar +minuten dubbel telden, en waarschynlyk is 't aan deze byzonderheid te +wyten dat sommige historieschryvers, haar zielewenteling verwarrende +met de kopernikaansche gegevens van 't andere zonnestelsel, in de +dwaling vervielen dat onze schepelingen den orgelman reeds in 't +oog konden hebben. Niets is minder waar. De man was de Driehonderd +Roe al lang voorby, toen de vrouw de eerste keer vroeg "of 't niet +waar was?" En nu? Nu, na alles wat er sedert dat gewichtig oogenblik +plaats vond? Dat ik instaat ben op 't kleinste wereldkaartje de +plek aantewyzen waar hy zich bevond, mag beschouwd worden als 'n +billyk schryvers-prerogatief. Maar zoolang ik m'n meerdere kennis +voor mezelf houd, baat die alziendheid weinig aan 'n ander. Om +nu evenwel bewys te geven dat ik op dat geestelyk overwicht niet +groots ben, deel ik gulweg wat van m'n overvloed mee, door alles +te vertellen wat ik van de zaak weet. Het zal velen interesseeren, +vooral omdat er iets onmogelyks in voorkomt. De orgeldraaier dien +ik den lezer vóór den tyd laat zien, was 'n Franschman. Dit is niet +volstrekt onmogelyk. Om geloofszaken had-i z'n land verlaten. Ook dit +gaat de perken van 't denkbare niet te buiten. Wie verlaat niet soms +z'n vaderland wegens verschil van opinie met z'n medeburgers? Hierin +lag alzoo de mogelykheid van z'n aanwezen niet, maar hy torschte een +straatorgel, en dit vind ik ongeoorloofd-byzonder, omdat zoo'n ding +in Wouter's tyd nog niet bestond. Zoo ziet men dat alle verbeteringen +in armwezen, politiek en industrie worden aangekondigd door 'n soort +van voorloopers. 't Voorgeslacht heeft er geen weet van--omdat het +overleden is--de tydgenoot miskent en steenigt ze uit broodnyd, +en de naneef... nu, dit ben ik in dit geval, en ik zal m'n émigré +geven wat hem toekomt. Vooreerst dan kan ik u na 't raadplegen met al +de oude schryvers die de zaak behandeld hebben, verzekeren dat-i op +'t oogenblik toen de waardin bezig was met de vruchtelooze poging om +'t hart van den schipper te doen smelten, in z'n koeterwaalsch stond +te kibbelen aan 't Sloterdyker tolhek. Hy trachtte vrye passage te +bedingen, maar 't lukte niet. Z'n vrouw--zaagt ge ooit 'n orgelman +zonder vrouw?--en haar kinderen--wie zag ooit 'n orgelvrouw zonder +kinderen?--nu, 't heele gezin stond om hem heen, en wachtte met angst +de beslissing af. Maar de tolgaarder was onvermurwbaar, en betoogde op +staathuishoudkundige gronden dat ouwerwetsche kwalen als die waarin +hy een zoo nuttig bestaan vond, met de meeste stiptheid moesten +gehandhaafd worden, omdat alleen hieruit te-eeniger-tyd de algemeene +afkeer kan voortvloeien die de afschaffing zal mogelyk maken. "Maar +ik zal 't niet beleven, zeid-i, en m'n kinderen ook niet!" Dit +was wèl gezegd, voorwaar, en hy had gerust nog 'n paar geslachten +verder kunnen gaan, wat-i zeker naliet uit de bescheiden vrees zich +gezegender stamvaderschap aantematigen dan de Heer hem toedacht. Vol +karakter, en met 'n aandoenlyk vertrouwen op de taaiheid van misbruik, +bleef-i z'n recht tot plicht verheffen, en eischte twee duiten de +persoon. Had de man geen gelyk? By de minste weifeling liep de Staat +gevaar dat de Regeering in den Haag zyn toegevendheid tot precedent +stempelen, en zich daarop beroepen zou om eens 'n enkelen keer met +den tyd meetegaan. Wie huivert niet? En wie huivert niet nogeens by +de bedenking dat misschien alle Haarlemmers en Amsterdammers op-eens +vice-versa aan 't verhuizen zouden gaan, als zoo'n tweeduits-slagboom +werd overgebracht naar 'n muzeum? Wie 't wèl meent met z'n dierbaar +vaderland en ouwerwetsche zotternyen, huivere ten derden maal. Maar +dan is 't ook genoeg. + +De vrouw van den orgelman was 'n Duinkerksche, en kon zich redelyk +verstaanbaar maken, maar haar aanhouden had even weinig gevolg als de +niet verstane hoewel best begrepen vertoogen van haar echtgenoot. Wat +te doen? De stumperts waren nu eenmaal de tien, twaalf duiten niet ryk, +die er noodig waren om Haarlem te bereiken, waar ze zeker opgang en +goede zaken zouden maken met hun zeil. Want ze hadden 'n zeil, waarop +'n fraaie geschiedenis stond afgebeeld. Het was, om 'n paar staken +gerold, gedragen door de twee oudste kinderen, die nu echter by dien +slagboom hun vrachtje moedeloos hadden neergelegd. Ook 't orgel was +op den grond gezet, en de vermoeide man ging er op zitten, niet zonder +vrees dat men tol zou komen vorderen voor 't beetje rust dat-i waarlyk +wel noodig had. De vrouw was uitgepraat, en de tolgaarder had alle +verzoeking tot het schenden van z'n plicht afgesneden door zich in z'n +huisje terugtetrekken, waar-i z'n werkzaam leven voortzette. De nood +was hoog, en alzoo de redding naby. Nu denkt de lezer dat Wouter aan +de beurt komt. Welzeker, wat beteekenden voor hem tien duiten, of al +waren 't er twaalf! Ik heb de kinderen niet geteld, en weet bovendien +niet of de vele zuigelingen die daarby waren, moesten meedragen in +'t onderhoud van den straatweg? Maar al had ik ze geteld, en al wist +ik dat, om godswil, lezer, hoe kon Wouter hier helpen, hy die nog ver +af was, en van de heele zaak geen kennis droeg? Geloof me, als Wouter +in dit byzonder geval God met anderhalven stuiver was te-hulp gekomen +in 't redden van vyf, zes ongelukkigen, ik zou 't zeggen! Reeds voor +mezelf houd ik niet van nederigheid, waarom zou ik--ten-koste nogal +van m'n roem als nauwkeurig geschiedschryver--preutsch omgaan met +de verdiensten van 'n ander? Wouter zat nog altyd lang en breed te +peinzen over... die twee meisjes, en wie z'n indrukken gekend had, zou +gevonden hebben dat-i ditmaal byzonder weinig op 'n plaatsvervangende +Voorzienigheid geleek. Er was toch iets aardigs in, dacht hy, zoo +op-eenmaal door 'n vrouw uit Haarlem uit z'n gewonen kring gehaald +te worden. Hy wou graag gelooven dat ze de wereld niet van den +allerfraaisten kant intraden, maar 't was die Wereld toch, 't was +'n uitvlucht, iets ongewoons. Zoo'n meisje had toch veel voor. Wie +zou ooit hèm komen halen, wie hèm verlossen van Stoffel, Kopperlith's +en gewoonheid? Die meisjes waren "gevallen" o zeker, en dit is heel +verkeerd, maar hadden ze niet byzonder prettige genoegens te wachten +van 't opstaan? Ieder weet dat God graag vergeeft--men moet bedenken +dat het z'n eenige uitspanning is--en ook de Maatschappy strekt tot +verrekkens toe haar armen uit om berouwhebbenden aan haar vriendelyke +borst te sluiten. Onder al die omhelzers bevindt zich alligt 'n prins +die zich zoo verheugt over 't weervinden van 'n verloren schaap, +dat-i al z'n koningryken wat weinig acht om op 't laatste blaadje +van den roman te worden neergelegd aan de voeten... och, hoe jammer +dat Jansen plaats had, genomen in de roef! + +Maar met al die overleggingen hebben we niet te maken, omdat, we nu +te Sloterdyk zyn. Daar Wouter er nog niet was, zag God-zelf zich wel +genoodzaakt 'n hand uittesteken. Hy verwekte een verlosser in Israël, +in de gedaante van 'n kleinen boerenjongen, die uit het dorp over +de vaart heen bemerkte dat er by het tolhek iets byzonders aan de +hand was, en z'n ontdekking aan twee, drie anderen meedeelde. Dezen, +gedreven door den geest, maakten er ook geen geheim van, en alles +liep uit, de brug over, naar den slagboom: er was Publiek! Wat kan +'n artist meer verlangen? "A la bonne heure!" zei de man, en hy +gaf bevel de paaltjes in den grond te slaan, waaraan 't zeil werd +opgeheschen, ontrold, vastgehecht... och, zoo kleurig! Heel Sloterdyk +stond verbaasd, en er was reden toe. Want, al z'n leven, men kreeg +de geschiedenis der schoone Genoveva van Brabant te aanschouwen! Wie +'t zag, zou moeten erkennen dat Wouter groot gelyk had, toen-i in z'n +print-kleurperiode zoo jaloersch was op dat leven in 'n woesteny. Geen +kind in heel Sloterdyk dat er niet precies zóó over dacht. Het zeil was +verdeeld in vier kolommen, en overdwars in zeven ryen, 'n verdeeling +die me straks kan komen te staan op 't vertrouwen van den lezer. Want +zie, de man zong welgeteld negen-en-twintig koepletten, en 't zal dus +schynen dat ik òf 'n koeplet van eigen vinding valschelyk onderschuif, +òf dat ik--erger nog--te-kort doe aan 't zeil. 't Een is zoo onmogelyk +als 't ander. Men schudt geen poëzie als de hier bedoelde uit den mouw, +en wat het zeil aangaat, wie zag er ooit een met negen-en-twintig +vakken? Blyft men in-weerwil hiervan m'n nauwkeurigheid wantrouwen, +'t spyt me wel, maar ik zal trachten my in 't verdriet daarover +weer te schikken. Men is nu eenmaal niet voor z'n pleizier op de +wereld. Misschien ook voelt de ergdenkende lezer berouw, als-i den +tekst van de Complainte gelezen heeft. Hy zal inzien dat men zoo-iets +niet machtig wordt zonder nauwkeurige bronnen geraadpleegd te hebben. + +Men moet daartoe beneden de twaalf jaar zyn, of... véél ouder. Dat de +Sloterdykers er niet veel van verstonden, deed weinig schade aan 't +effect. De acht-en-twintig kleurige tooneeltjes op 't zeil schreeuwden +wèl zoo hard en spraken duidelyker dan de beide zwervers. En wat +men op printjes niet begreep, werd opgehelderd door 't larmoyeerend +orgel. [30] + +Niemand van de toeschouwers had achtgeslagen op 't naderen van de +schuit. Wonder was 't niet, want toen ze begon in-zicht te komen, +had men zich even te-voren vermaakt met de exekutie van Golo, +die zoo duidelyk op het drie-en-twintigste vakje was voorgesteld +dat slechts weinigen er geen kippevel van kregen, en wie in dit +ongevoelig geval verkeerde, wachtte zich wel het te zeggen. Niemand +beklaagde den booswicht, en als de Sloterdykers zitting hadden gehad +in die rechtbank, zouden de stukjes waarin hy gesneden werd, nog +veel kleiner uitgevallen zyn. De chères en de grandes tendresses +waarop Genoveva vervolgens onthaald werd, waren op 't zeil heel +aanlokkelyk voorgesteld. 't Doet me genoegen dat Wouter er niets van +gezien heeft. Ook had de schilder middel gevonden, den toeschouwer +te doordringen van haar aanhoudend omgaan met "J. C." [31] slechts +afgewisseld door 't biddend en dankend gebruiken van ongekookte +boomwortelen. Och, men hoeft zoo weinig fransch te verstaan om zulke +dingen innig te begrypen! Nog één koeplet, en heel Sloterdyk was aan +'t bidden en uitgraven van boomwortels gegaan. Ieder ziet in dat het +publiekje van den troubadour, in zoo'n gewyde stemming wel wat anders +te doen had dan op de schuit te letten, die daar zoo onverschillig kwam +aanschuiven alsof er nooit 'n Genoveva in de wereld geweest was. En die +hinde! Juist toen 't arme dier bezig was met z'n miracle nouveau, door +quoiqu'on lui porte van honger te sterven op dat graf, hoste de jager +voorby. De lyn van zoo'n haarlemmer-schuit is tachtig vaam lang... [32] + + + + + + + + Oorsprong der vrymetselary. Hoe men 't moet aanleggen om met + sommige menschen kennis te maken. Wouter komt niet te Haarlem. [33] + + +Ze was terdege boos. De lezer zal wel weten dat invloed, macht, +gezag, heerschappy, overwicht en de van al deze factoren grootendeels +afhangende tevredenheid met zichzelf voortdurend in stygende of +dalende beweging zyn. Wie aan de verliezende hand is, voelt zich +genoopt naar bondgenooten omtezien, en opent met 'n klein toespraakje +de preliminaire onderhandelingen. Hy tracht te weten te kernon of +er kans bestaat dat anderen in z'n verdriet deelen--of al was 't +maar in z'n afkeuring--en hy staat gereed het minste blyk daarvan +aantegrypen tot herstel van de ondergane krenking. Het spreekt vanzelf +dat de onderliggende party gewoonlyk meer scherpzinnigheid aan deze +taktiek ten-koste legt dan de zegepralende tegenstander die weleens +op z'n behaalde lauweren in den dut valt, en niet aan versterking van +standpunt begint te denken voor de stygende invloed van den vyand +hem daartoe aanspoort. In oogenblikken van betrekkelyke gelykheid +openbaart zich de wryving in morren, twist, krakeel, vechtpartyen +of oorlog, al naarmate de stryd zich tot individueele belangen +bepaalde, of wyder gebied innam. Daar evenwel zoodanige gelykheid +nooit lang aanhoudt, en er alzoo telkens op-nieuw 'n onderliggende +party gevormd wordt die aan herstel van standpunt behoefte voelt, is +dat zoeken naar geestverwantschap 't perpetuum mobile geworden dat +de gansche maatschappy in beweging houdt. De machtigste korporatie +die ooit bestond, moet begonnen zyn met de vraag: of 't niet waar +was? Maar de Geschiedenis zwygt over de tallooze malen dat er op die +vraag geen weerklank werd gegeven, of wel 'n antwoord dat verdere +onderhandelingen afsneed en alle toenadering onmogelyk maakte. Het +is aan 'n zeer byzonder toeval te danken, dat ik kan meedeelen hoe +de eerste poging van de waardin was beantwoord geworden. Zie hier wat +de schipper had gezegd, toen ze terstond na 't instappen van de roef +'n gesprek trachtte aanteknoopen: + +--Zeg 'ns, mensch, als ik jou was, zou ik me nou ereissies heel +bedaard houwen. Ik ben hier baas aan-boord, versta je dat? + +Zeker verstond ze 't wel, maar ze zal evenmin als ik begrepen hebben +hoe dat baasschap hier te-pas kwam? En wat de bedaardheid aangaat, +waaraan de schipper betuigde zich te willen overgeven zoodra hy háár +was... och, ik zeg dat die schipper onmogelyk weten kon wat-i in dat +vreemd geval doen zou. + +--Wel nou keman, nog bedaard ook, en dat na zoo 'n veraffrentasie! + +Meer had ze niet gezegd, en daarmee was 't voor datmaal uit +geweest. Laat ons de geestkracht en de gevatheid bewonderen, waarmee +ze dat komfoor te-baat nam om den aanval te hervatten. Doch we weten +reeds dat ook die poging schipbreuk had geleden op de onafhankelykheid +van karakter die de deugdzame schipper wist te putten uit z'n +tonteldoos. Het speet ons voor de waardin, maar we zyn niet ondankbaar +voor de leering hoe goed het is, by zekere gelegenheden eigen vuur +by de hand te hebben. Het wyf zat nu heel menschenkennig te loeren +op 'n derde gelegenheid. Dat er in elk kuras gapingen zyn, wist ze +wel... lieve god, pater Jansen en Wouter waren in 't geheel niet +geharnast! Ja, had ze maar met die twee alleen te doen gehad. Maar +de schipper was drukkend pedant en groots. Hy blufte op z'n gezag +aan boord, op z'n deugd, op z'n zes gehuwde kinderen: + +--Allemaal best af, m'nheer pastoor, best! Twee by 't waagdragen... +'n mooi vak, m'nheer pastoor! + +Jansen liet z'n kin op de gevouwen handen, en deze op den knop van z'n +rotting rusten, maar antwoordde niet. Z'n gelaat teekende droefheid, +en de waardin bespiedde z'n stemming. 't Was, meende zy, al iets dat-i +door z'n zwygen weinig blyk gaf van den lust om in vriendschappelyke +verstandhouding tot den schipper te komen. + +--En de derde is op 'n armenschool... als onderwyzer, weet u. Dà t +is er een! Als-i 'n woord ziet, vraagt-i dadelyk waarvan ontleent +zich dat? En hy wéét 't! Nou, ik heb ze best opgebracht, dat moet ik +zeggen. 't Oog op God, zoo zei ik maar altyd, en dan... + +Een blik op de roef. + +...eerlyk door de wereld! Wat zegt U, m'nheer pastoor? + +Helaas, Jansen zei weer niets, en de fondsen van de waardin rezen +'n beetje. 't Leek wel of nu de beurt aan den schipper was gekomen +om behoefte te voelen aan wat weerklank. De man verwonderde zich +dat-i met z'n "God voor oogen!" niet beter slaagde vooral omdat-i +met 'n geestelyke te doen had, die beroepshalve wel verplicht was +zulke praatjes heel mooi te vinden. Maar hierin vergiste zich onze +schipper. Over 't algemeen vinden die heeren 't niet aangenaam dat +de terminologie van 't vak door leeken ontwyd wordt. Ze houden meer +van zondaren dan van dilettanten in zaligmakery, omdat 'n klant boven +'n konkurrent gaat. Deze algemeene waarheid was nu wel niet op den +goeden Jansen toepasselyk, maar de teleurstelling van den schipper +werd er niet geringer om. Sedert dertig jaren verkondigde hy z'n +fameuze hoofdgrondstelling tweemaal daags--op den zeldzamen keer na, +dat-i geen enkelen passagier in de roef had--en nog nooit was z'n +hoogstmerkwaardig maxime aangehoord zonder hem 'n zalvend: "ja, ja, +schipper, daar heb je wel gelyk in!" optebrengen. Dit behoorde tot de +emolumenten van z'n verheven beroep, en die pastoor zat maar zwygend op +z'n neus te staren! Zelfs voor het ditmaal zoo byzonder toepasselyke: +"eerlyk door de wereld!" had die vervelende passagier geen goedkeurend +woordjen over, geen knikje! Er moesten andere loopgraven geopend +worden: + +--Ja, God voor oogen, zeg ik maar. Nou, onze Chris--want Chris heet-i +naar z'n grootmoeder, omdat die ook Chris heette--'t is 'n eerst +platje. 't Was eigenlyk m'n vrouws moeder... ook 'n brave vrouw, +dat kan ik je gerust zeggen, m'nheer pastoor! 't Mensch is dood, +maar anders... Jan, vier 'n scheutje tot die modderpraam voorby is. + +Jan de knecht vierde drie vaam van de jaaglyn. Heel noodig was 't +juist niet, maar de schipper vond de gelegenheid gunstig iets van +z'n zeemanschap te laten zien. + +--Ja, m'nheer pastoor, zoo ben ik! Ik heb graag wat speling in de +lyn als er drukte-n-in de vaart is. Een mensch moet op z'n zaken +passen, en... God voor oogen! Dan kom je 'r wel. Haal nu maar weer in, +Jan. Zóó heb ik ze opgebracht, alle zes, m'nheer pastoor. En onze Chris +zei--want hy is 'n platje--"wel, vader, waarom noemen je de menschen +haarlemmer-schipper? Nou, ik begreep terstond dat er wat achter stak, +maar waar 't 'm zat kon ik niet raden, want geleerd ben ik, om 't zoo +'reis ronduit te zeggen, niet. Maar ik versta m'n werk als de beste... + +Waarschynlyk om Jansen hiervan te overtuigen, gelastte hy nu z'n knecht +het dek van de schuit dat met teer en gestampte schulpen besmeerd was, +met water te bevochtigen. + +--'n Paar pussies maar, want ziet u, m'nheer pastoor, anders kleeft +het zoo, als er den heelen dag de zon op staat. Nou, en m'n.. eene +dochter--Jansje heet ze, omdat ze eigenlyk naar my genoemd is, +want... myn naam is Jan--nu die is getrouwd met 'n boekbinder. Die +heeft ook al haar vierde... allemaal meisjes. En de tweede is in de +blye verwachting, want haar man is op 'n kantoor in de accynsen. Daar +worden alle varkens gewogen... van de stad, weet u? + +--Maar, m'nheer, waagde Wouter te vragen, waarom mag men u geen +haarlemmer-schipper noemen? + +--Ja, niet waar, dà t is 'n vraag! Nou, hy is 'n guit, dat zal je +hooren. En alles maar zoo droog-weg. Hy zei... maar zeg eens, ben je +meer te Haarlem geweest? + +Of Wouter er geweest was! + +--Want anders kan je 't niet zoo dadelyk begrypen. Maar ik wou m'nheer +pastoor vertellen van m'n derde dochter. Die woont in de Langstraat, en +haar man heeft 'n winkel, en daarin verkoopen ze zoowat van alles. 't +Is om 't nu zoo eens uittedrukken: 'n komeny, maar aanspreker is-i +ook, en hy bedient 'n begrafenisfonds, en dat geeft nogal. Toen +verleden haar jongste gestorven is, hebben ze-n-uit hun eigen bus +twintig gulden gehad. Bn nu is de middelste ook ziek, 'n meisje, +m'nheer pastoor, met kromme beentjes en nogal pieperig. Ja, 't gaat +'rlui best. Ze wil altyd dat ik m'n rust zal nemen omdat ik op jaren +kom, want Pietje heet ze, omdat ze genoemd is naar m'n vader, en die +heette Piet. En ze wil dat ik zal uitscheien met werken omdat ik zoo +erg op jaren kom, m'nheer pastoor, en al zooveel beleefd heb. Maar +ik zeg maar altyd: né, zoolang God me kracht geeft... + +Zóólang zoud-i zeven uren daags in dien stuurstoel zitten, en nog +meer beleven, en haarlemmer-schipper blyven, of wat-i dan volgens +z'n guitige zoon wezen mocht. + +--Een mensch moet op z'n post blyven naar Gods bestel, m'n-heer +pastoor. Dà t heb ik altyd m'n kinderen voorgehouden, en daarom gaat +het hun best. + +--Maar, m'nheer, waarom mag men u geen haarlemmer-schipper noemen? + +--Precies, zoo kom je-n-op 't ware punt van de zaak. Wel, jongeheer, +hy zei--maar 't is 'n guit, dat zal je zien--"vader, zeid-i, zoodra +je Halfweg gepasseerd bent, word je Amsterdammer-schipper." 't Is +waar ook, zei ik, en ik had er nooit aan gedacht. Zoo zieje wel dat +zoo'n jongen me de baas is. Maar... God voor oogen, dat 's best van +allemaal. Wel ja, straks voorby Halfweg--als je-n-in die streken +bekend bent, zal je 't zelf zien--dan kom ik, om zoo te zeggen, van +Amsterdam, en hier gaan we nog altyd maar naar Haarlem. Hoe vind je +die? En hy is pas zeventien! + +Wouter glimlachte even uit goedhartigheid, maar verder kon-i 't +niet brengen. Dat de maçonnieke poging van den schipper om met pater +Jansen in gesprek te komen niet gelukken kon, spreekt vanzelf. Dit zou +'t geval gebleven zyn al ware de meegedeelde geestigheid eenigszins +geestiger geweest, want de goede man repeteerde z'n theologischen +kursus. Hy overpeinsde of er iets goeds kon gedaan worden, en +wat? Geestelyke hovaardy was hem vreemd, maar toch voelde hy als +fatsoenlyk man 'n instinkmatigen afkeer van 't wyf dat hy wel zou +moeten aanspreken als-i besloot zich het lot van die twee meisjes +aantetrekken. Dit nu hield hy in z'n onnoozelheid voor plicht, en... zy +wist het! Ze wist dat er slechts 'n gepaste aanleiding noodig was om +hem aan 't spreken te krygen. Zonder uitbundige instemming hebben we +hem hooren beweren dat er op 'n Simmenarie zooveel menschenkennis +viel optedoen, maar wel durven we deze eigenschap toekennen aan +de vele simmenarien die onze waardin in haar jeugd bezocht, en na +voleindigde studien op ryper leeftyd bestuurd had. Met grapjes of +'n geestigheid was die ernstige pastoor niet te genaken, dit voelde +ze wel. Met opgedrongen vriendelykheid evenmin. De weg naar z'n +gemoed... ze wàs er! + +--Dà t kan ik niet aanzien, riep ze, 't schreit werachtich tot +God! Schipper, leg 'ereis an, en neem die stumperts in je schuit. Ik +ben goed voor de vracht. + +--Ik mag 't niet afslaan, zei de schipper, die Jansen aankeek alsof-i +zich verontschuldigde. Zaken zyn zaken, dat zal m'nheer pastoor ook +wel weten. + +Hy riep den jager toe, halt te houden. De lyn plaste in 't water, +en de schuit werd naar wal gestuurd. De waardin die uit de roef in +den stuurstoel gestapt was, riep en wenkte de tobbende orgelfamilie +die na eenige opheldering over de onverwachte vriendelykheid in de +schuit werd opgenomen. + +--Zit jelui daar nou maar ereis heel op je gemak, lieve menschen, +en rust wat uit. Ik ben goed voor de vracht... + +En Jansen aanziende: + +... wel ja, niet waar, men moet z'n evenmensch 'n beetje helpen in +de wereld? + +Ziedaar nu haar derde: "niet waar?" en 't beste! Jansen antwoordde wel +niet terstond, maar zag haar vriendelyk aan, en toen ze daarop blyk gaf +naast hem te willen plaatsnemen, overschreed de ruimte die hy maakte, +de grens niet die de welwillendheid in zulke gevallen aanwyst. De +waardin gunde zich de genoegdoening, den schipper 'n zegepralenden blik +toetewerpen. Maar we mogen aannemen dat-i met het oog op God dien slag +overleefd heeft, daar we van-goeder-hand weten dat-i eerst jaren daarna +overleden is, waarschynlyk in 'n oogenblik dat-i 'n verkeerden kant +uitzag. Wie dit vermoeden te liefdeloos vindt, mag veronderstellen +dat de man, ook zonder de minste fout in de richting van z'n oogen, +ten-laatste bezweken is aan deze of gene ziekte die Gods macht te-boven +ging. Aan ouderdom, by-voorbeeld. Want dat gebeurt soms. + +Hoe dit zy, by de gelegenheid die we hier behandelen, hield de man zich +kras. Hy verdampte zoo goed mogelyk z'n ergernis over den triumf van de +waardin. Deze was er werkelyk in geslaagd met den geestelyke in gesprek +te komen, en Wouter luisterde aandachtig toe. Nu 't ys eenmaal gebroken +was, bleek het wyf raad te weten voor 't wegruimen van de schotsen. + +--Best, wees jelui maar vroolyk in de schuit! riep ze toen de tonen +van het draaiorgel zich deden hooren. Ja, m'nheer pastoor, ik hou +van vroolykheid, en de man kan nu zitten by z'n werk! 't Was niet +aantezien, niet waar? + +--Ja, juffrouw, zoo'n orgel is 'n heele vracht. + +--En die arme vrouw met al haar wurmen van kinderen! [34] + +--Ja, zeker, juffrouw, 't is wel om meely mee te hebben. Maar... + +Wat-i "maren" wou, wist hyzelf niet recht. Geheel onwillekeurig +voelde hy aandrang tot iets als protest tegen háár bevoegdheid om 'n +aandoening te openbaren die goed was, of by hem voor goed doorging. De +slimme feeks, op den weg gebracht misschien door 'n eigenaardige +uitdrukking op z'n gelaat, begreep iets van de vyandige strekking +die zich zoo schroomvallig openbaarde, en nam haar maatregelen: + +--Och, m'nheer pastoor, ik kan m'n evenmensch niet zien lyen. Als +ik niet zoo vol behuisd was... kyk, ik nam zoowaar graag een van die +stumperts by me, al was 't de kleine jongen die op 't orgel zat. + +--Hé, riepen Jansen en Wouter tegelyk. + +--Ja, m'nheer, ja, jongeheer, zoo ben ik, werachtich as Chot! + +--Maar, juffrouw... + +--Och, m'nheer pastoor, menig mensch is niet zooals-i 'r uitziet. Ik +heb altyd m'n evenmensch geholpen, dat heb ik. Daar heb je nu die +twee meissies daar vóór in 't ruim! Wat is 't geval? De een heeft +geen moeder, geen vader, geen levendige ziel... nooit gehad, m'nheer +pastoor! Wat doet ze? Ze loopt voor oud vuil op de straat rond. Ze +had om zoo te zeggen, geen hemd aan 't lyf. Wat heb ik gedaan? Ik heb +'r kleeren gekocht, voor dertig gulden kleeren, m'nheer pastoor! En +die andere? Nou, die heeft 'n moeder... godbetert! Liever géén, zeg +ik. Ze stuurt 'r kind de straat op om jongens nateloopen, jongens en +heeren! Nou, 't zyn er heeren na! En van dat schandloon wil de moeder +'t hare hebben! Ik vraag u, m'nheer pastoor, wat komt er te-recht van +'n meid die op straat loopt? + +De arme Jansen was verbluft, en niet genoeg ingewyd in de geheimen van +'t vak, om zoo terstond te weten wat er te antwoorden viel. De vrouw +ging voort: + +--Toen heeft ze my 'n brief geschreven... of ze 'm zelf geschreven +heeft, laat ik daar, maar ze vraagt of ik niet in Haarlem 'n +nette fatsoenlyke dienst voor haar weet by stille menschen, +en... en... en... om 'n beetje voorschot, zooals 't by zulke +gelegenheden gaat. En wat doe-n-ik? Ik zend haar tien dukatons. Tien +dukatons, m'nheer pastoor! En nu ik kom om haar aftehalen--wel ja, +van m'n verlies kan ik niet leven!--wat gebeurt er? De menschen +schelden me-n-uit! + +Hier begon de edele vrouw zeer toepasselyk te schreien. Wouter bleef +haar bewegingloos en met open mond aanstaren. Jansen was geheel in de +war. Uit het ruim der schuit klonken 'n paar wegstervende maten van +de fransche complainte. De schipper richtte z'n oog... altyd op God, +natuurlyk, maar nu ook zeer in 't byzonder dan eens op de wolken, +dan weer op den nagel van z'n linkerduim, 'tgeen scheen te moeten +beteekenen dat het verhandelde hem niet aanging. + +Met allerlei praatjes bracht de waardin 't zoover dat Jansen +haar uitnoodigde de reis naar Haarlem niet met de beide meisjes +voorttezetten. "Hy zou haar wel eens willen spreken" zeide hy, en +ze had er niets tegen. Hieruit vloeide voort dat Jansen, Wouter, +de waardin en haar beide beschermelingen zich by 't "overloopen" +te Halfweg 't genoegen ontzegden den haarlemmer-schipper te zien +overgaan in 'n amsterdammer. Zy wenschten hem goede reis, en namen +gezamenlyk plaats aan 'n herbergtafeltje voor 't gastvrye Huis +Ter-Hart, waar Wouter alweer niet van z'n preek over zuinigheid +verloste. Arme Styntje! + +De waardin kwam 'n volle schuitbeurt later thuis dan ze gedacht +had. Voor haar vertrek van 't Huis Ter-Hart had ze Jansen, Wouter en de +beide berouwhebbende Kaatjes te-voet het pad der deugd zien inslaan, +dat was--in dit byzonder geval, en zonder de minste konsekwentie voor +den vervolge--den vervelenden straatweg naar Amsterdam... + +Om-'s hemelswil, we willen toch hopen dat Jansen niet van plan is +die twee schepsels by Styntje te introduceeren? + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] = het kennen van de oorzaken der dingen. + +[2] = mengsel. + +[3] Idee 1149 besluit M. met de overweging, dat de massa noch goed +noch slecht is. + +[4] = schennis van de menschelyke waardigheid. + +[5] I. 1156 behelst een archaeologische beschouwing over het hossen. + +[6] In I. 1163 weidt M. uit over de bron van smart en geluk. + +[7] = zoo voor haar, niet voor my. + +[8] In een noot by Idee 140 stelt M. het realisme, dat op +middeleeuwsche schilderyen een der omstanders afbeeldt met afgewend +gelaat, de neus tusschen duim en wysvinger, hooger, dan de verklaring +van den modernen schipperenden Renan, die Lazarus schyndood verklaart! + +[9] = O, Meliboeus, een god heeft deze... idylle voor ons gemaakt. + +[10] In I. 1180 weidt M. uit over Hollandsche tooneelkunstenaars en +Napoleon's tooneelbegaafdheid. + +[11] In I. 1181 geeft M. een beschouwing over Rotgans' stuk als +navolging van navolging. + +[12] Naar aanleiding eener uitweiding over de z.gen. onschuld der +meisjes Pieterse betoogt M. aan 't slot van I. 1184, dat alle studie +ascetisme vordert: een oratio pro domo! + +[13] In 1191a betoogt M. dat orde en arbeid geneesmiddelen zyn voor +krankzinnigheid. + +[14] Dit hoofdstuk wordt onderbroken door een beschouwing over de +"diepzinnige kwestie, of 'n auteur uitspraak en dialekt" zyner personen +moet weergeven, naar aanleiding van 't op een congres te Antwerpen +verhandelde, eindigend in een lofrede op Busken Huet. (I. 1194-1199.) + +[15] In I. 1213 volgt hier een komische uitweiding over de +aristocratische voornamen der jonge Kopperliths. + +[16] De verrukking van Prinses Erika ontlokt aan M. een uitweiding over +"echt-vaderlandsche" krantenschryvers en de burgervadery in Wouter's +tyd. (In I. 1223.) + +[17] = de gevolgtrekking geldt: van zyn tot kunnen, d. w. z. omdat +het zoo is, moet het ook kunnen. + +[18] Pienders = pinda's of apenootjes. + +[19] M. besluit 't hoofdstuk met "'n bespiegeling over gebrek aan +israëlitische kontroverse"; hy constateert, dat de Joden niet meer +van Jehovah afvallen tot vreemde eerediensten, maar hy verwondert +er zich over, dat hun rabbi's en geleerden evenmin het Christendom +bestryden. Hy wyst op allerlei wetsovertredingen die de Joden geregeld +begaan, door 't erkennen van niet-Joodsche vorsten, 't omgaan met +onbesnedenen, het niet kwytschelden van alle schuld om de zeven jaar +enz. M. komt tot de conclusie, dat de Joden "even uitmuntend als de +Christenen 't kunstje van akkommodeeren verstaan." (I. 1224.) + +[20] = kwade samensprekingen. + +[21] I. 183. + +[22] In I. 144 en 464. + +[23] = afkeer van leegte. + +[24] Nader licht M. dit toe met een beschouwing over de bestryding +van het geloof aan spoken en wonderen: "daar het kind geen stap in +de maatschappy doet zonder iets van dien god te vernemen," is het +"ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door +onthouding." (I. 1233.) + +[25] Wouters tocht naar het "buiten" der Kopperliths leidt M. in met +een schoone verhandeling over buitenplaatsen; opmerkingen over hun +ontstaan, de geestelyke ontwikkeling hunner bewoners in de 17de en +18de eeuw, het verschil tusschen een werkelyke buitenplaats en een +optrek worden afgewisseld met de geestige anecdote van pastoor Alonzo +Ramirez. (I. 1236-1242.) + +[26] De onaanzienlykheid van de Roomsche kerk in die achterbuurt +ontlokt M. een lange uitweiding over den toestand der katholieken +in ons land, over de halfheid van Thorbecke en de liberalen, die het +beginsel, dat godsdienst geen voorwerp van staatszorg mag zyn, niet +doorvoeren; over zedelyken schoonheidszin, verderfelyke goddienery +en natuurstudie met eenige Engelsche en Duitsche voorbeelden van +minderwaardig zielevoedsel voor kinderen. (I. 1254-1259.) + +[27] Zie noot blz. 305. + +[28] Dat wil zeggen: in het tuchthuis waar de veroordeelden Campêche- +of Fernambakhout raspten. (M.) + +[29] In I. 1272 geeft M. een verhandeling over de machteloosheid van +wet, regeering en philantropie in den stryd tegen de onzedelykheid: +de theorie vermag hier niets tegen de praktyk. Het eenige middel +om den handel in ontucht te gronde te richten is ware beschaving, +d. i. "zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, om +genot te vinden in arbeid." + +[30] In het troubadourslied wordt verhaald van de edele Genoveva, die +door den verrader Golo van overspel beschuldigd, aan den dood ontkomt, +doordat twee dienaars haar met haar kind laten ontkomen. In het woud +leeft ze van wortels, haar kind wordt door een hinde gezoogd. Op de +iacht vindt haar gemaal haar: Golo's verraad komt uit en Genoveva +wordt in eere hersteld: maar ze blyft een ascetisch, vroom leven +leiden, ze voedt zich enkel met boomwortels, en denkt slechts aan +Jezus Christus. Als ze sterft treuren allen,--de hinde weigert op +haar graf alle voedsel en sterft er. + +[31] = Jezus Christus. + +[32] Om zyn naam als letterkundige eer aan te doen verklaart M. dit +te weten, niet door het meten van het touw, maar door het raadplegen +van andere bronnen: als Plinius en Plutarchus! Vervolgens geeft hy in +I. 1278 het in de opschriften van vorige hoofdstukken (zie blz. 265 +en 288)aangekondigde "stuk 17de eeuwsche volksroem," voorafgegaan +door een afbrekende kritiek van Engelsche letterkundigen op Vondel +en Cats, n.l. een citaat vol buitenlandsche lof over de geregeld +varende Treck-schuyten, "dat bestemd was 'n helder licht te werpen +op den vermoedelyken afloop van Wouter's reis naar Haarlem." + +[33] Dit laatste zinnetje voegde Mevr. de Wede. Hamminck-Schepel +aan dit opschrift toe naar aanleiding van uitlatingen van M. over +Wouters reis. + +[34] Hier volgt een opmerking over de oud-testamentische dwaling, +die de goddelyke zegen afmeet naar 't kindertal. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse +(Deel 2 / 2), by Multatuli + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE *** + +***** This file should be named 30751-0.txt or 30751-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/0/7/5/30751/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
\ No newline at end of file diff --git a/30751-0.zip b/30751-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..af3d398 --- /dev/null +++ b/30751-0.zip diff --git a/30751-h.zip b/30751-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e233cea --- /dev/null +++ b/30751-h.zip diff --git a/30751-h/30751-h.htm b/30751-h/30751-h.htm new file mode 100644 index 0000000..49e7017 --- /dev/null +++ b/30751-h/30751-h.htm @@ -0,0 +1,17574 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> +<title>The Project Gutenberg eBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse Opnieuw verzameld uit de “Ideen”, by Multatuli</title> + +<style type="text/css"> + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} +/***** Titlepage *****/ +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +} +h1.docTitle +{ +font-size:1.6em; +line-height:2em; +} +h2.byline +{ +font-size:1.1em; +font-weight:normal; +line-height:1.44em; +} +span.docAuthor +{ +font-size:1.2em; +font-weight:bold; +} +h2.docImprint +{ +font-size:1.2em; +font-weight:normal; +} +/***** End Titlepage *****/ +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.advertisment +{ +background-color:#FFFEE0; +border:black 1px dotted; +color:#000; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.width20 +{ +width: 20%; +} +.width40 +{ +width: 40%; +} +.indextoc +{ +text-align: center; +} +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} +.index +{ +font-size: 80%; +} +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} +.apparatusnote +{ +text-decoration: none; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .pseudoh3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h4, pseudoh4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} +.alignleft +{ +text-align:left; +} +.alignright +{ +text-align:right; +} +.alignblock +{ +text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} +.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl +{ +display: block; +text-align: right; +} +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} +.figure +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} +.figAnnotation +{ +font-size:80%; +position:relative; +margin: 0 auto; /* center this */ +} +.figTopLeft, .figBottomLeft +{ +float: left; +} +.figTop, .figBottom +{ +} +.figTopRight, .figBottomRight +{ +float: right; +} +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} +img +{ +border-width:0; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} +.leftnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +.displayfootnote +{ +display: none; +} +div.footnotes +{ +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ +float:left; +width:2em; +height:12pt; +display:block; +} +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ +font-size: 80%; +} +/****** Tables ******/ +td.sum +{ +padding-top: 2px; border-top: solid black 1px; +} +/****** Poetry ******/ +.lgouter +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */ +} +.lg +{ +text-align: left; +} +.lg h4, .lgouter h4 +{ +font-weight: normal; +} +.lg .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left:-2.5em; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} +p.line +{ +margin: 0 0% 0 0%; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ +color: white; +} +.versenum +{ +font-weight:bold; +} +/***** Drama *****/ +.speaker +{ +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line +{ +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +/***** End Drama *****/ +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} +.footnotes .line +{ +font-size:80%; +} +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} +/****** Font Styles and Colors *****/ +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} +.caps +{ +text-transform:uppercase; +} +/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */ +.overline, .overtilde +{ +text-decoration: overline; +} +.rm +{ +font-style: normal; +} +.red +{ +color: red; +} +/***** End Font Styles and Colors *****/ +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ +text-align:center; +} +h1,h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} +h1.label,h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h5,h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} +p,p.initial +{ +text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} +.lg +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +/***** External Links *****/ +.pglink +{ +background: url(images/book.png) center right no-repeat; +padding-right: 18px; +} +.exlink +{ +background: url(images/external.png) center right no-repeat; +padding-right: 13px; +} +.pglink:hover +{ +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover +{ +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover +{ +background-color: #FFDCDC; +} +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ +color: black; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage +{ +color: #001FA4; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} +p.dropcap:first-letter +{ +color: #001FA4; +font-weight: bold; +} +sub, sup +{ +line-height: 0; +} +.pagenum, .linenum +{ +speak: none; +} +.nohead +{ +padding-top: 100pt; +} +.argument +{ +font-style: italic; +} +.argument p i +{ +font-style: normal; +} +</style> + +<style type="text/css"> +.xd19e98 +{ +text-align:center; +} +.xd19e1293 +{ +text-indent:8em; +} +.xd19e2547 +{ +text-indent:2em; +} +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse +(Deel 2 / 2), by Multatuli + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Geschiedenis van Woutertje Pieterse (Deel 2 / 2) + Uit de 'ideen' verzameld + +Author: Multatuli + +Editor: J. van den Berg van Eysinga-Elias + +Release Date: December 24, 2009 [EBook #30751] +[Last updated: June 29, 2012] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + +<div class="front"> +<div class="titlePage"> +<h2 class="byline"><span class="docAuthor">Multatuli</span></h2> +<h1 class="docTitle">De Geschiedenis van Woutertje Pieterse</h1> +<h1 class="docTitle">Opnieuw verzameld uit de “Ideen”</h1> +<h2 class="byline">Door <span class="docAuthor">Dr. J. van den Bergh +van Eysinga-Elias</span></h2> +<h2 class="docImprint">Tweede Deel<br> +<br> +Amsterdam—Uitgevers-Maatschappij +“Elsevier”—1921</h2> +</div> +<div class="div1"> +<p class="xd19e98">N.V. Electr. Drukkerij “Volharding” +Ceintuurbaan 250 Amsterdam</p> +</div> +</div> +<div class="body"> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name= +"pb1">1</a>]</span></p> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Voornaam bezoek. Koningen en oliekoeken. De gesprekken van de +“massa.” Catapultische inspatting van de +“massa.” <i lang="fr">Où peut-on être +mieux?</i> Zweven en vallen. Helaas! De auteur is beschaamd over +z’n held, en bevreesd dat dit wel ’ns meer zal +gebeuren.</p> +</div> +<p>Gedurende den loop der week die Wouters tweede plaatsing “in +den handel” vooraf ging, werd-i door ’n drie- viertal +ontmoetingen zoo vreemd heen-en-weer geslingerd, dat-i zich byna suf +voelde, en veel moeite had om z’n hoofdje heel te houden.</p> +<p>En z’n hart ook!</p> +<p>’t Was donderdag. Stoffel kwam thuis met ’n belangryk +bericht. De Koning—ik weet weer niet welke koning—was +onverwachts in stad gekomen, en zou den volgenden avend of ’n dag +later den Schouwburg bezoeken. Alles was in rep en roer, want in +republikeinsche landen hecht men veel waarde aan titels, pronk en +geboorte.</p> +<p>Meer nog dan naar gewoonte was de nieuwsgierigheid des Volks ditmaal +gespannen, omdat veel buitenlandsche vorsten—waaronder zelfs +’n Keizer—Z.M. waren komen bezoeken. En van uit z’n +residentie—Utrecht? ’s-Gravenhage? Haarlem?—zouden +die aanzienlyke vreemdelingen ’t Hof naar Amsterdam volgen. +’t Was dus deze keer ’n praal <i lang="de">mit +Umstände</i>, met ’n sleep.</p> +<p>Het republikeinsche Volk zou niet alleen ’t aangezicht te zien +krygen—of ’n slip van den rok—des tirans, maar tevens +aangezichten en rokspanden van veel andere tirannen, om nu niet te +spreken van tiranninnen.</p> +<p>De vrouwtjes die gewoon waren oliekoeken te verkoopen op den +dam—’n pleintje dat de stedelyke regeering zich +veroorloofde te verhuren als markt—dreigden de stad met ’n +proces.</p> +<p>’t Was dan ook zeer hard, dag-in dag-uit huurgeld voor +plaatsen open-luchtgebruik te betalen voor de kans om ’n paar +oliekoeken te slyten aan de straatjeugd, en nu op-eens verjaagd te +worden omdat Z. M. zich aan “het Volk” zou vertoonen op +’t balkon van het gewezen stadhuis.</p> +<p>Mocht <i>hy</i> die vrouwtjes niet zien? Moest de oliekoek-industrie +’n geheim blyven? Vreesde men voor namaak, voor onvorstelyke +konkurrentie?</p> +<p>Of mochten die olievrouwtjes en haar koeken den Koning niet zien? +Was ook hy misschien bevreesd voor onedel nabaksel van z’n +majesteit? Dit zouden noch de vrouwtjes noch de oliebollen gedaan +hebben.</p> +<p>Hoe dit zy, de kraampjes werden weggeruimd, en de verjaagde +industrieelen behielden alleen het recht zich <i>privatim</i> onder de +<span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2" name= +"pb2">2</a>]</span>menigte te dringen, die straks roepen zou: +“leve... dit of dat!” naar den eisch van ’t +oogenblik. Ze mochten meeschreeuwen ook.</p> +<p>’t Is eigenlyk heel vreemd dat vorsten sterven. Al die +<i>vivat’s</i> schynen niets uittewerken.</p> +<p>De drukte in de stad was ditmaal ongewoon groot, door en om al de +vreemde Hoog- en Doorluchtigheden die den tiran by deze gelegenheid +vergezelden.</p> +<p>Daar was—naar men uit de couranten vernam—de prins van +Caramanie, die aanspraak had op de byzondere sympathie des Volks, wyl +men had uitgerekend dat een van z’n voorouders kapitein was +geweest in Staatschen dienst, en dus... z’n bloed had vergoten +voor de Nederlandsche vryheid.</p> +<p>Dit bloed—en misschien ook de vryheid—was ’n +krantenverzinsel. Maar dat onze prins ’n groenen rok droeg met +dikke gouden nestels, was waar. En op z’n hoofd had-i ’n +byzonder grooten steek. Men kon dus by de eerste gelegenheid zeer +gevoegelyk roepen:</p> +<p>Leve de prins van Caramanie!</p> +<p>Onder de hooggeboren persoonlykheden bevond zich ook zekere Hertog +die uit z’n land was gejaagd wegens z’n deugden. De man was +spaarzaam en huishoudelyk. Nooit had-i zichzelf te-kort gedaan. Toch +was-i door ’t dom gepeupel onttroond, en met ’n schepel +diamanten over de grenzen gezet. Van deze diamanten zoud-i nu in +Amsterdam ’n paar dozyn laten zien, en wel in hoedanigheid van +roksknoopen en rottingknoppen. De couranten vermaanden dus ’t +Volk tot den allerwelstgemeenden roep:</p> +<p>Leve de Hertog met z’n diamanten!</p> +<p>Prinses Erika was ’n nicht van den Koning, en bestemd voor den +troonopvolger van ’n groot Ryk dat te Zaandam timmeren geleerd, +en dus aan Nederland z’n carriere te danken had. Dat Ryk zou de +Nederlandsche staatsschuld betalen—zoo verzekerden eenstemmig de +kranten—als men nu maar braaf schreeuwde:</p> +<p>Leve prinses Erika!</p> +<p>De oude Paltsgravin van Aetolie stamde rechtstreeks af van zekeren +ridder die z’n stalknechts liet bedienen door Lusignans. De +couranten betoogden dat het den waren republikein paste, in dit +byzonder geval bewys te geven van heraldische ontwikkeling, door met +byzonderen nadruk aantedringen op de levensverlenging van die hoogheid. +Men moest dus roepen:</p> +<p>Leve de Paltsgravin van Aetolie!</p> +<p>De Groothertog van Ysland was de welgeslaagde kleinzoon van ’n +kroeghouder. Z’n verdiensten waren drie krantkolommen lang... +brevier-letter, en nauw gezet. ’t Volk moest dus even nauwgezet +wezen in ’t waardeeren. De man was meester op kling en +<i>bâton</i>, en kon zelfs—met ’n beetje inspanning, +nu ja—hy kon z’n naam zetten. Langs ’n oceaan van +afgronden—zoo zei de krant—had-i zich vervolmaakt tot +zwager van ’n halfgod. Ook was-i gewoon zich te kleeden als +’n koorddanser. Wie dus ’t belang des Vaderlands op +<span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name= +"pb3">3</a>]</span>’t onbesmet harte droeg—zoo zei de +krant—kon niet laten uit zeer onbeklemde borst +meeteschreeuwen:</p> +<p>Leve de Groothertog van Ysland!</p> +<p>Er waren nog meer potentaten en potentaatgenooten die Amsterdam +vereerden met ’n bezoek. Ze hadden gehoord dat die stad eigenlyk: +“<i lang="fr">la Venise du Nord</i>” heette, en... +interessant was, zeer interessant!</p> +<p>En de hollandsche haring! Delicieus! Maar... de Hollanders weten er +niet mee omtegaan: ze moet gebakken zyn.</p> +<p>En de hollandsche schilderschool! “Rambrànn... <i lang= +"fr">magnifique</i>!”</p> +<p>Er waren nog meer dingen in Holland byzonder goed, gelyk met +neerbuigende vriendelykheid door al die hoogheden werd erkend.</p> +<p>—<i lang="fr">Il paraît qu’un certain</i> +Wondèle <i lang="fr">a écrit des choses, des choses... +mais des choses... passablement bien!</i></p> +<p>En de dyken! De Katwyksche sluis...</p> +<p>Lezer, géén kronologie, wat ik u bidden mag!</p> +<p>...die sluis: <i>gigantesque</i>! De hollandsche natie houdt zich in +de snipperuren die ’r overblyven na ’t haringkaken en +kaasmaken, by-voorkeur bezig met het breidelen van elementen. Dit was +met schaatsryden en harddraven ’t meest +geliefd—geliefkoosd, zeiden de kranten—volksvermaak.</p> +<p>Nu reeds kan ik den lezer verzekeren dat het voorname gezelschap met +minzame tevredenheid ons land weder verlaten heeft.</p> +<p>De eenige persoon die ’n gansch anderen—doch daarom +geenszins tegenovergestelden—indruk meenam... neen, +zóó ver mag ik m’n Wouter niet vooruitspringen. Ook +’n schryver heeft z’n plichten.</p> +<hr class="tb"> +<p>Den eersten avend zou er geïllumineerd worden. Tweehonderd +vyftig duizend vetvlammen zouden de geestdrift van het Volk +verkondigen. Geestdrift, voor wàt eigenlyk? Tweehonderd vyftig +duizend vurige tongen zouden roepen: <i>hosiannah!</i> Gezegend wie +komt in den naam... in den naam van wàt eigenlyk? +<i>Hosiannah</i> voor wien, voor wàt?</p> +<p>Nu, dit is ’n Volk onverschillig. Er was praal, pracht en +pronk. Er was drukte. ’t Volk heeft iets van kinderen die zich +verheugen in ’n verhuisboel, in ’n sterfgeval, in ’n +brand, in alles wat <i>hurry</i> en bereddering veroorzaakt.</p> +<p>Wouter had verlof bekomen de illuminatie te gaan zien. Hy getroostte +zich het domme gezicht te zetten, dat by zulke gelegenheden gebruikelyk +is, en hoorde de praatjes van de menschen die hem omstuwden, zonder +acht te slaan op de leegte van die praatjes.</p> +<p>—Nou, dat ’s me ’n ook ’n ulleminatie! Negen +pitjes voor zoo’n groot huis!</p> +<p>—Twaalf! riep ’n ander.</p> +<p>—Né, negen!</p> +<p>—Twaalf!</p> +<p>—Negen! <span class="pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4" name= +"pb4">4</a>]</span></p> +<p>—Drie... drie... drie, en... kyk dáár: drie! +Dat’s twaalf, of <i>ik</i> heb ’t mis!</p> +<p>—Né, die drie hooren er niet by. Dat’s van de +verdieping, weetje? Want de verdieping is verhuurd. Dat +wéét ik.</p> +<p>—O, als je zóó meent! Ik wil maar zeggen dat +viermaal drie, twaalf is. Wat zeg <i>jij</i>, Hannes?</p> +<p>Hannes vond het ook. <i>Enz.</i></p> +<p>—Tot hoe lang zouden die pitjes branden?</p> +<p>—Wel tot... één uur.</p> +<p>—Dat geloof ik niet.</p> +<p>—Ik wel!</p> +<p>—Ik niet! <i>Enz.</i></p> +<p>—Heb je-n-al gekeken op de Sukkelgracht?</p> +<p>—Och, ’t is er niet mooi.</p> +<p>—Nou, mooier als hier!</p> +<p>—Ja.</p> +<p>—Neen. <i>Enz.</i></p> +<p>—Zeg, dring zoo niet!</p> +<p>—Ik kan ’t niet helpen. Ze dringen my ook.</p> +<p>—De menschen lyken wel mal. Altyd dringen ze zoo.</p> +<p>—Ja, niet waar? Altyd dringen ze. Weet je wat ik zeg? Ik zeg +dat de kalverstraat eens zoo breed wezen moest.</p> +<p>—Ja, eens zoo breed. Want... weetje, wat het is? Hy is te +smal. Dat <i>is</i> het!</p> +<p>—Ja, hy is te smal.</p> +<p>—En daarom dringen de menschen zoo, weetje! <i>Enz.</i></p> +<hr class="tb"> +<p>Wouter’s eigen rykdom was hem te onbewust dan dat hy zich kon +ergeren aan de walgelyke armoed van geest, die by zulke gelegenheden +zich alom vertoont. De tyd was nog niet aangebroken dat-i rilde by +’t áánzien van geestelyke naaktheid. Hoogstens +zoud-i bedroefd geweest zyn als z’n blik gerust had op +slechtgevoede lichamen, op ’n bedelfamilie in lompen gekleed.</p> +<p>Heel veel moralisten, romanschryvers en vooral +staathuishoudkundigen, zyn <i>heden-ten-dage</i> nog niet veel verder +dan onze kleine jongen in den tyd der vetpitjes. Zou misschien hiervan +de oorzaak zyn dat stoffelyke armoed zich makkelyker laat schilderen? +En... genezen?</p> +<p>Zulke gesprekken zyn toch zoo diepzinnig niet. Ieder kan ze +schryven. Ieder lezer kan ze vermeerderen tot het oneindige toe. Aan +modellen van geestelyke nietigheid is waarlyk geen gebrek.</p> +<p>Inderdaad, de kalverstraat was wat smal, en... “de menschen +drongen zoo!”</p> +<p>Wouter werd meegedrongen, en voelde iets als schaamte. Zeker! Was-i +niet: “massa” op dit oogenblik? Dat-i stompen en stooten +kreeg, hinderde hem minder. Kleinzeerig was-i niet.</p> +<p>Maar: “de menschen drongen zoo!”</p> +<p>Weldra was er voor stomp en stoot geen geschikte ruimte meer. +<span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name= +"pb5">5</a>]</span></p> +<p>Men werd geknepen, en wie ten-gevolge van ’n laag zwaartecyfer +minder dan anderen aan ’t aardsche gehecht was, rees van den +grond. ’n Allergekst <i>excelsior</i>! Wouter werd gedragen, en +zag heen over mannen die veel grooter waren dan hy.</p> +<p>—Loop jy op stelten, jongeheer? vroeg ’n dikke vrouw, +die met haar heup Wouter tegen de knie schopte. Loop jy op stelten? +Nou, dat’s er óók een!</p> +<p>Dit “ook” heeft ’n geschiedenis en ’n +pretensie. ’t Beduidt, ziehier ’n spikspelder nieuwe +bydrage tot het bundeltje <i>ana’s</i> die ik verzamel. +<i>Deze</i> kurioziteit hoort er in! Als je <i>dit</i> niet grappig, +vreemd en belangryk vindt...</p> +<p>’t Gedrang werd sterker. Weldra zou de vrouw Wouter op +schouder kunnen nemen als ’n geweer. Ook begon-i kans te krygen +daarop te-land te komen in hoedanigheid van ruiter. Nog ’n +beetje, en hy kon “aangegeven” worden, zooals +timmerluî elkaar ’n plank toereiken.</p> +<p>Naar de lichtjes werd niet meer gekeken. Men hield zich bezig met +dringen en gedrongen worden. Ook ’n uitspanning!</p> +<p>Neen... de kalverstraat moet niet verbreed, want wel beschouwd is +dat “dringen” ’t prettigst van de zaak.</p> +<p>Och, wat zouden die vetvlammen spoedig vervelend worden, als men ze +alle tweehonderd veertig duizend—er waren er ’n paar +uitgewaaid sedert zoo-even—op z’n gemak had kunnen +beschouwen in z’n eentje!</p> +<p>Onze kleine man lag op de schouders en hoofden van z’n +medemenschen. Als zekere troonveroveraars: <i lang="fr">il +s’appuyait sur la masse!</i> Wie de geschiedenis van illuminatien +en Volken bestudeerd heeft, zal erkennen dat er steviger rustpunten +bestaan. Zichzelf, byv.</p> +<p>Gut, onze Wouter was zoo verlegen met z’n drukkende pozitie! +Telkens liep hy gevaar zich vasttehouden, aan ’n oor of +wenkbrauw. En dit gedoogt de “massa” niet. Gedrukt wil ze +wel worden—daar <i>is</i> ze voor—maar wie zich aan haar +wil vasthouden...</p> +<p>Krak!</p> +<p>Schrik niet, lezer! Wouter brak niet, maar de geperste menigte had +de dubbeldeur van ’n koffiehuis verkracht. De inbersting was +vreeselyk. Als berouwhebbende lava stroomde de massa naar binnen, en +vulde den krater waarin onze held—na ’t beschryven van den +bekenden bruinvisch-parabool—vry geleidelyk en zonder zich te +bezeeren te-land kwam op ’n tafeltje...</p> +<p>—Woutertje Pieterse! riep ’t verschrikt gezelschap dat +er omheen zat.</p> +<p>—Heb je je zeer gedaan, Wouter?</p> +<p>Neen! Bezeerd had-i zich niet. Maar hy was lam van verbazing. Over +z’n verheffing eerst, daarna over z’n luchtreis, toen over +’t neerkomen op en onder allerlei glaswerk, en eindelyk—dit +was ’t minst verrassende niet!—omdat-i zich op-eens in den +kring bevond van de hem zoo goed bekende familie Holsma.</p> +<p>’t Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond +was. <span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name= +"pb6">6</a>]</span></p> +<p>“Gods vinger” had al de glazen en glaasjes gebroken, +maar Wouter was heel gebleven. Dit was ’n arglistigheid van dien +vinger. De bedoeling schynt geweest te zyn den patiënt nog heel +anders heen-en-weer te smyten. En als-i nu voortydig gebroken was op +dien avend...</p> +<p>Oom Sybrand hielp hem, zoo goed en kwaad het ging, op de been. De +zaak had veel moeite in, want de volte was... nu ja, er kon +ter-nauwernood iemand by. Maar Wouter was smalletjes, en ’t +lukte<span class="corr" id="xd19e380" title="Niet in bron">.</span> De +kastelein—op doordringen was geen kans—schreeuwde uit de +verte, dat het gebrokene moest betaald worden. Maar ook van andere +plaatsen vernam men dergelyk gerinkel. De man was wanhopig. Hy +vervloekte alle Koningen... en de massa’s er by.</p> +<p>—Eén flesch wyn... drie limonade... zes glazen stuk! +riep Holsma, als om zich aansprakelyk te stellen voor Wouter’s +onwillekeurig vergryp.</p> +<p>En oom Sybrand hield ’n paar zeeuwen omhoog.</p> +<p>—O God, m’nheer, ik durf niet thuis komen, riep Wouter! +Wie zal dat betalen? Ik heb geen geld, m’nheer! En moeder...</p> +<p>In de drukte verstond Holsma hem niet. Maar Sietske wel.</p> +<p>—Sjt! fluisterde zy. Ik ben zeker dat papa ’t betaalt, +maar anders... <i>ik</i> heb wel geld. En Willem ook. En Herman ook. +Wees gerust...</p> +<p>Maar dit verstond Wouter weer niet. En toen-i eindelyk onder de +hoede der Holsma’s weder op-straat stond, en ’t gezelschap +door ’t inslaan van ’n zyweg zich onttrokken had aan de +“massa” verklaarde hy ronduit dat hem de moed ontbrak +z’n moeder en broer Stoffel onder de oogen te zien, na +zóó’n schandaal!</p> +<p>—’t Geld is niets, zei de goede Holsma. Daarvoor zal +<i>ik</i> wel zorgen. Maar je bent ontsteld, jongen. Kom even met ons +mee naar de kolveniersburgwal, ik zal je wat hofmansdruppels geven. Dan +kan je daar bekomen van den schrik.</p> +<p>De afstand van de kolveniersburgwal was niet groot genoeg om Wouter +tot bedaren te brengen voor ’t gezelschap daar aankwam.</p> +<p>—M’n moeder zal boos zyn, als ik te laat thuis kom, +klaagde hy.</p> +<p>Holsma stelde hem gerust. Er zou ’n boodschap naar z’n +huis worden gezonden, om z’n familie te doen weten waar-i +was.</p> +<p>De dokter gaf hem iets te drinken, en bracht hem in ’n kamer +naast die waar de familie scheen plaats te nemen. Het voorschrift was +dat de patiënt daar wat heen-en-weer loopen zou, tot-i zich kalm +voelde.</p> +<p>Maar dit vermoeide hem. Hy deed weldra juist wat ’m verboden +was, zette zich in den hoek van ’n sofa, en viel in slaap.</p> +<p>Of ’t in het algemeen nuttig is, na ’n schrik in +beweging te blyven, kan ik niet beslissen. Zeker is het dat Wouter na +hevige aandoeningen altyd groote behoefte voelde aan slaap, en dan ook +werkelyk door dit middel—de natuur wees het hem +aan—meermalen ’t verbroken evenwicht herstelde. Misschien +ook was ’t geen eigenlyk slapen dat hem by zulke gelegenheden +te-hulp kwam. Maar geheel wakend was-i niet. Hy droomde. <span class= +"pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span></p> +<p>Er was weer de oude hoogheid in z’n droom. Maar met ’n +schok viel-i telkens neer.</p> +<p>En weder klom hy, en weer werd-i opgeheven, hoog, hoog tot in de +wolken, en weder maakten duizelingwekkende tuimelingen ’n eind +aan z’n zweven.</p> +<p>Daar namen sterke vuisten hem op, en staken hem boven de hoofden +uit, en de massa droeg hem, tot ’n man hem in de hand beet...</p> +<p>Hy schaafde namelyk zyn pols aan ’n ongedresseerd +paardehaartje dat bezig-was z’n dienst optezeggen by ’t +vulsel van de rustbank.</p> +<p>...tot ’n vrouw hem toesnauwde: dom? Niet dom? Wy, wy de +massa? Ziedaar!</p> +<p>En men smeet hem neer.</p> +<p>Gelukkig kwam z’n hoofd te-recht in Sietske’s schoot, +zonder ’t minste glaswerk.</p> +<p>En als ziedend water opkokend, golfde op-nieuw z’n ziel +omhoog. Hy voelde geen handen meer die hem droegen, geen tanden die hem +beten, hy rustte op donzige wolken. En hy overzag de menigte onder hem, +en was verheugd dat-i zoo hoog daarboven stond, maar wilde toch...</p> +<p>—Ik wil gaarne by u zyn, riep hy, maar maakt ’n +plaatsjen open, waar ik staan kan, staan op m’n eigen beenen! Ik +zal waarlyk niemand hinderen... gooit me niet! In die drukte kan ik +niet denken. Ieder moet handelen naar z’n overtuiging. De massa +heeft geen overtuiging. Wie kan denken als er geen plaats is om te +staan?</p> +<p>Weer schuurde z’n hand langs ’t weerspannig +paardehaartje. Hy verzette zich... en scheen niet geheel-en-al te +slapen...</p> +<p>Daar klonk op-eens ’n stem...</p> +<p>Neen! Hy droomde door. Altyd van zweven en vallen. Daar was +Femke...</p> +<p>Wel zeker, er moest in z’n droomen iets van Femke! Waar bleef +ze zoo lang?</p> +<p>’t Was weer iets van de bleek. Maar pater Jansen was er +ditmaal by. De man was zonderling gekleed. Hy zweefde met Wouter +omhoog, en vertoonde aan de sterren z’n kostuum: ’n +onderbroek... die door háár versteld was! Orion en de +groote beer vonden het ding mooi, maar Wouter niet.</p> +<p>—Heb je ’t zelf gedaan, hoorde hy Sietske vragen in de +kamer naast hem. Jyzelf, of kon je ’r niet +dóór?</p> +<p>—Neen, ik kon niet om de drukte. Maar ik heb ’t den +kruier opgedragen.</p> +<p>Wàt? In-godsnaam, wàt?</p> +<p>Wouter richtte zich op. Pater Jansen was weg. Orion en groote beer +ook. Ook de onderbroek, en de wolken, en de domme “massa” +maar... die stem?</p> +<p>Die stem klonk nog!</p> +<p>En ze klonk weer: <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" +name="pb8">8</a>]</span></p> +<p>—Ik ken hem heel goed, o, zoo goed! ’t Is ’n lief +jongetje! Dàt hoorde hy Femke zeggen!</p> +<p>Hy sprong op, trad haastig de kamer der Holsma’s in, zag nog +even het driehoekje van ’t gewaad eener vrouwspersoon die de deur +uittrad en sloot...</p> +<p>Hy had den moed niet—of wat ànders was daartoe +noodig?—om te vragen:</p> +<p>—Heet dat dienstmeisje... Femke?</p> +<p>Komaan, in Satans naam, vraag of Femke de naam is van die... +meid!</p> +<p>Op weg naar-huis had Wouter niet den minsten last van zweven. Hy +voelde zich redelyk laag, en had ditmaal volkomen gelyk.</p> +<p>Want... als die byna tusschen deur en post benepen jurk van +<i>zyde</i> geweest was...</p> +<p>Of... als-i dat driehoekjen elders ontdekt had, elders! Niet by de +Holsma’s! Niet in gezelschap van Sietske die zooveel geld had in +haar spaarpot! Niet in dien allerfatsoenlyksten kring! Niet onder de +oogen van Willem die hem zoo plaagde met z’n hoogmoedig +latyn...</p> +<p>Dan... dan... o zeker!</p> +<p>Dàn!</p> +<p>Maar <i>nu</i>! Maar <i>hier</i>!</p> +<p>Hy was braaf genoeg om zich te schamen. Maar dit is ook ’t +eenige wat ik in z’n voordeel zeggen kan.</p> +<p>Overigens...</p> +<p><i lang="en">Alas, poor mankind!</i></p> +<p>Wat beteekende de dolfyn-parabool op ’t koffihuistafeltje, by +zóó’n val?</p> +<p>Hy had zich dezen keer werkelyk bezeerd!</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Over de zedelyke strekking van ’t kleerborstelen. Onridderlyke +verdichtselen des harten. Godenvingers en duivelsklauwen, <i>tweede +editie</i>. De eigenaardige kalmte van ’n kwaad geweten. Iets +over driehoeksmeting in ’n bedstee, en maagdeperen in den +Jodenhoek. Hm... zy weer!</p> +</div> +<p>Juffrouw Pieterse was in de wolken. Ze hoopte dat de kruier die de +boodschap had overgebracht, haar huis niet te spoedig mocht gevonden +hebben, en dat de man toch vooral hier-en-daar in de buurt te-vergeefs +gezocht had naar ’t ware adres.</p> +<p>—Zeker is-i in de kommeny geweest, zei ze, want ze weten nooit +waar ze wezen moeten... zulke kruiers! En waarom zoud-i daar niet +verteld hebben dat de jongeheer—want “jongeheer” +zeid-i—by dokter Holsma leseerde, op den kolveniersburgwal? Want, +zieje, zoo’n man praat altyd. Die soort van menschen doen niets +als praten.</p> +<p>Nu, ieder mag ’t weten. ’t Is maar om te zeggen dat de +menschen altyd zoo praten, en zulke kruiers...</p> +<p>Maar... zeg, Wouter, hoe kwam het toch dat je zoo opeens met +<span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name= +"pb9">9</a>]</span>de familie meeging? ’t Is nogal heel erg +asterant van je. Je bent toch ’n asterante jongen... wat zeg jy +er van, Stoffel?</p> +<p>Stoffel zette het bedenkelyk gezicht dat by zulke gelegenheden +dienst deed als: “ja nogal!” Of: “ik zal er me op +beslapen.” Of: “daar zit meer achter dan sommige menschen +wel weten!” Enz.</p> +<p>—Moeder antwoordde Wouter, ik... ontmoette de familie in de +kalverstraat.</p> +<p>Waar! Zeer waar! Allerwaarst! Hy had inderdaad de Holsma’s in +de kalverstraat ontmoet, wat men mag noemen: ontmoet! De lezer kan +’t getuigen. Maar... waarom vertelde hy niets van den nogal +byzonderen <i>modus quo</i>?</p> +<p>Och!</p> +<p>—Wat kleeft die rug, klaagde Petrò die belast was met +de zorg voor het “lakensche goed.”</p> +<p>De familie rook, en streek, en wreef, en tastte, en verklaarde +eenstemmig dat Wouter’s rug zich had schuldig gemaakt aan +’t inzuigen van allerlei vloeistoffen.</p> +<p>—’t Ruikt zoowaar naar citroen ook, zei Trui.</p> +<p>—<i>Het</i> riekt, verbeterde de schoolmeester, en <i>wy</i> +ruiken, Sertrude!</p> +<p>—Och kom... ruik, riek, weet <i>ik</i> het. Ik wil maar zeggen +dat het zoo...</p> +<p>—Dat het zoo naar lemoentjes... ruikt, zei de moeder.</p> +<p>—En naar wyn!</p> +<p>—En je kunt er de suiker afkrabben! Waar ben je toch geweest, +jongen? Schaam je je niet! By zulke fatsoenlyke menschen op vizite te +komen—ik mag wel zeggen: te leseeren, wat zeg jy, +Stoffel?—en je dan zóó aantestellen met suiker en +citroen op je rug! ’t Is ’n ware schande!</p> +<p>—’t Was zoo erg vol op straat, moeder!</p> +<p>—Van de volte kryg je geen wyn op je rug! En geen citroen ook! +En geen suiker ook! Wat zeg jy, Trui?</p> +<p>De eenstemmigheid was kompleet. Schuw als altyd, durfde Wouter niet +voor-den-dag komen met de ware toedracht der zaak. En dit zou hem ook +niet gebaat hebben. Het begrip der Pietersens was als ’n verstopt +slot waarop geen enkele sleutel paste. Wouter wist dit by treurige +ondervinding, en liet moedeloos den storm over z’n hoofd waaien, +die toch niet kon bezworen worden. Jammer evenwel dat er ook in hemzelf +iets verstopt, en dus bedorven was. ’t Hoog gevoel dat hem +gewoonlyk bezielde, was geknakt.</p> +<p>Hy had ’n laagheid begaan!</p> +<p>Zóó gevoelde hy. Geen dominee kon ’t wegpreeken! +Ja, God-zelf niet! Noch de God van bliksem en donder uit de Schrift, +noch de andere...</p> +<p>Die andere!</p> +<p>Waar was-i toen Petrus struikelde? Waarom was hy zoo gierig op +’n beetje staal in ’t mengsel waaruit Wouter’s ziel +gegoten werd?</p> +<p>—Maar... als ’t Gods schuld was, dacht-i, dan behoefde +<i>ik</i> zoo <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name= +"pb10">10</a>]</span>beschaamd niet te zyn! Dan kon ik zeggen: ja, +Femke, ’t is wel waar dat ik ’n ellendeling ben, ’n +brok massa, te dom en te laf om verantwoordelyk te wezen voor m’n +laffe domheid. Maar... zóó heeft God me gemaakt, zieje! +<i>Hy</i> is aansprakelyk.</p> +<p>Dit kan ik <i>niet</i> zeggen! Want... ieder moet handelen naar +z’n overtuiging.</p> +<p>Waartoe zou ’n overtuiging dienen, als men de schuld mocht +gooien op God? Dàn had mevrouw Holsma wel gezegd: “ieder +moet handelen naar Gods overtuiging!” En dit heeft ze juist +<i>niet</i> gezegd! Waar zou dat heen!</p> +<p><i>Ik</i> ben laag geweest, afschuwelyk laag, <i>ik</i>! God is er +heelemaal buiten.</p> +<p>Misschien liet hy de zaak toe, om my te doen zien hoe gemeen ik +was!</p> +<p>Een hond zou Femke gekust hebben, als-i haar weerzag na langen tyd. +Ik ben minder dan ’n hond!</p> +<p>Want... ze wàs het! Zeker, ze wàs het! Of...</p> +<p>O, die huichelaar... hy zocht naar ofjes!...</p> +<p>...of zou ’t misschien ’n ander geweest zyn? ’t +Kan heel best ’n ander geweest zyn! Hoe zou Femke +dáár komen!</p> +<p>Neen, neen, neen, zy wàs het! Zei ze niet dat ze my zoo goed +kende? Zei ze dat niet met de stem die my ’n lieven jongen noemde +toen ze my dien kus gaf by ’t brugje?</p> +<p>Ze heeft my gekust en ’n lieven jongen genoemd! Ze wist toen +nog niet dat ik ’n ellendige bloodaard ben, zonder hart!</p> +<p>O, zeker zou zy me niet verloochenen, miskennen, verraden! Zy zou +gewis overal en tegen ieder zeggen: “dat is Wouter, die m’n +vrindje... was, en dien ik eens ’n zoen gegeven heb omdat-i zich +dapper toonde tegen de jongens die steenen wierpen op m’n +bleek!”</p> +<p>En ik... o God!</p> +<p>Neen, God blyft er heelemaal buiten. <i>Ik</i> ben lafhartig. +Zóó kan ik niet leven!</p> +<p>Hy dacht aan zelfmoord. En in deze stemming bracht-i den nacht van +donderdag op vrydag door. Zelfs overleefde z’n wanhoop de +duisternis. Hy stond dien vrydag op, met het vaste voornemen ’n +eind te maken aan z’n onwaardig bestaan.</p> +<p>Heel gelukkig evenwel werd-i terstond na ’t ontbyt aan +’n bezigheid gezet die allergeschiktst is om iemand met het leven +te verzoenen.</p> +<p>Men had hem met algemeene stemmen veroordeeld tot het reinigen van +z’n jasje—een vonnis dat m’n volkomen goedkeuring +wegdraagt—en hy spande zich zóó in, dat-i na +’n uur arbeids met betrekkelyke tevredenheid naar z’n +moeder liep, en juichend uitriep:</p> +<p>—Kyk, moeder, er is niets meer van te zien!</p> +<p>’t Onnoozel triumfjen over ’n kleine moeielykheid joeg +de wolken voort, die z’n gemoed beneveld hadden.</p> +<p>Men zou voor z’n plezier in limonade vallen, als men wist hoe +weldadig de inspanning werkt die noodig is tot het reinigen van +’n paletootje. <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" +name="pb11">11</a>]</span></p> +<p>De ongelukkige die nooit z’n eigen kleeren borstelde, kent het +leven niet.</p> +<hr class="tb"> +<p>—Ik zal haar vergeving vragen, dacht Wouter.</p> +<p>En by dit... oneerlyk voornemen lei zich de storm die z’n +gemoed beroerd had, geheel neder.</p> +<p>“Oneerlyk” noemde ik dit omdat het ware berouw geen +vergeving zoekt by anderen, maar by zichzelf. Wie met ’n +uitgesproken <i>klank</i> tevreden is, wie z’n geweten meent te +kunnen paaien met ’n kwitantie van schuld, geteekend door +’n ander...</p> +<p>Ei zie, daar ben ik alweer op het terrein van schuldvergiffenis en +genade! Pas-op, lezer, juffrouw Laps is in de buurt! Wie haar niet +ontmoeten wil, moet dit hoofdstuk overslaan. En vooral dien vrydagavend +niet by de Pietersens komen. Want dáár zou ze optreden, +en wel ditmaal met haar wouterkundig: <i>voilà Toulon!</i></p> +<p>Maar eerst moet ik nog iets zeggen over ’t ellendig gehalte +van Wouter’s schuldbesef. Zeker, hy zou vergiffenis vragen! En na +’n beetje getob zou Femke zeggen—precies als in +Kotzebue’s <i>Menschenhaat</i>—“ik verrrgeef het +u!”</p> +<p>En dan zou de zaak zyn als niet gebeurd.</p> +<p>Hoe sneller hoe beter dan!</p> +<p>Een <i>ondragelyken</i> last werpt men <i>terstond</i> neer! +Terstond!</p> +<p>Wouter’s last bleek niet ondragelyk. Want hy besloot hem nog +’n tydje te blyven dragen.</p> +<p>De oorzaak hiervan was deze. Om Femke te spreken moest-i naar de +Holsma’s. En dit... durfde hy niet. Wat zouden die menschen +’t gek vinden!</p> +<p>Gáán zoud-i, o zeker! Maar... niet op dien vrydag!</p> +<p>’t Kon immers best wachten tot-i eerst ’n paar dagen... +“in den handel” geweest was? Dit geeft houding, vond-i, en +dàn zoud-i zeggen...</p> +<p>Nu ja, hy zou vergeving vragen, en Femke “heusch” +verzekeren...</p> +<p>De uitvinding van dit “heusch” was zoo kwaad niet. By +lamlendige beroerdheid... frazen vóór! Van welken +letterkundige had onze misdadiger dit geleerd?</p> +<p>Hy zou haar verzekeren...</p> +<p>Wàt?</p> +<p>Dit, byv. dat de Weledele heeren Ouwetyd & Kopperlith in wier +“handel” hy nu was aangeland...</p> +<p>Ja, ja, hy zou iets vertellen van de Weledele heeren Ouwetyd & +Kopperlith en hun “handel.”</p> +<p>Dan hoefde hy niet zoo naakt voor-den-dag te komen met... dat +andere.</p> +<p>Misschien zou z’n nieuwe chef hem pryzen over... z’n +krulletters! Of over z’n aardrykskunde! Of over z’n +strabbische uitgeleerdheid! En dan kon-i tegenover Femke z’n +schande hullen in ’n wolkje van allervereerendste byzaakjes. +’t Meisje zou verbaasd staan over z’n knapheid, en +ten-slotte hèm vergeving vragen voor de vrypostigheid +<span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name= +"pb12">12</a>]</span>dat ze zich had laten verloochenen door +zóó’n handels-fenomeen!</p> +<p>Aldus <i>redeneerde</i> Wouter niet. En zelfs niet op deze wys werd +hem z’n onbewust gevoel kenbaar, doch... er was iets in +hem—wat dan ook!—dat voorwendsel en verschooning leverde +voor ’t niet doen van z’n plicht.</p> +<p>Bovendien... die plicht was zoo makkelyk niet!</p> +<p>Naar den kolveniersburgwal gaan? Goed.</p> +<p>Aanschellen? Goed.</p> +<p>Maar... wat dàn?</p> +<p>De deur zal geopend worden. Door wien? Juist immers door de +dienstmaagd uit Joh. XVIII, vs. 17, wier aanblik meer dan <i>iets</i> +anders den wankelmoedigen Petrus weerhouden zou van ridderlyke +oprechtheid?</p> +<p>De zaak is dat onze Wouter zich niet waagde aan dokters Kaatje! Wat +zoud-i zeggen? Iets als:</p> +<p>“Vryster, ik moet Femke spreken, ’t +adjunkt-kindermeisje?”</p> +<p>Daar hoort wat toe, waarachtig!</p> +<p>En dàn?</p> +<p>In de gang... ’n knieval doen? Of zelfs—o +gruwel!—in de keuken?</p> +<p>Om-godswil, lezer, wat zouden al de ridders uit z’n boeken +daarvan zeggen!</p> +<p>Welke Turk zou zich laten doodslaan door iemand die zich schuldig +maakte aan zoo’n dorperheid?</p> +<p>Die engelsche lord zou hem zeker geen hand geven—en de +Afrikanen geen kroon!—als-i...</p> +<p>Zou Ivanhoe ’t gedaan hebben? Neen! Ypsilanti? neen! +Themistocles? Neen! De “Eduards” van Lafontaine? Hm... dit +kon-i niet zoo stellig ontkennen. In de werken van dien schryver komen +inderdaad <i>huiselyke</i> trekken van ridderlykheid voor. Maar... ze +staan in ’n boek, en de lezer kykt er naar, en zal ’t +<i>weten</i> dat er, zonder harnas, pluim of veldgeschrei dan, groote +daden geschieden in ’n hoekje. De auteur heeft gewaarschuwd: het +boekeheldje kampt onder de oogen van ’n publiek.</p> +<p>Zou ook dokters Kaatje gevoelig zyn voor ’t grandioze van de +vernedering, als ze daar Wouter zag geknield liggen op de vloermat? +Zoo’n held in de boeken heeft makkelyk plichtdoen. Ieder slaat +acht op z’n <i>prouesses</i>, en weet ze te schatten.</p> +<p>—Welnu, dacht Wouter, ik zàl m’n plicht doen, o +zeker, ik zàl! Maar eerst “in den handel” en +bovendien...</p> +<p>Een nieuw duiveltje bekroop z’n gemoed. Wie weet of Femke niet +spoedig de Holsma’s verlaten zou, en terugkeeren naar ’t +huisje by de aschpoort. Dáár... of in de buurt... of op +de “paden”... of by ’t brugje, zou alles makkelyker +gaan, dacht hy. Daar was geen nood van Kaatje’s fâcheuze +tegenwoordigheid, noch van Willem’s onmenschelyk latyn. En ook +Sietske die zoo majestueus sprak over drie-guldens...</p> +<p>De lezer gelieve optemerken dat er ’n leelyk <i>deficit</i> +bestond in <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name= +"pb13">13</a>]</span>Wouter’s gemoed en dat de aanzuivering +daarvan meer moeite kostte dan ’t reinigen van ’n bemorst +jasje.</p> +<p>Dat overigens ’t verloop van z’n... liefde voor ’t +meisjen, ’n geheel andere richting insloeg dan z’n +onschuld...</p> +<p>Hier spreek <i>ik</i> van verloren onschuld, en ik meen te weten wat +ik zeg!</p> +<p>...nu, dit spreekt vanzelf! Om lieftehebben, moet men goed zyn, en +Wouter was niet goed op dien vrydag!</p> +<p>Nu komt de “vinger Gods” die hem straffen zou. Dit +goddelyk lichaamsdeel lei ’t zonderling aan.</p> +<hr class="tb"> +<p>De vrydag hield zich alsof-i voorby was. Wouter maakte zich gereed +z’n nauwe bedstee te beklimmen in opgeruimder stemming dan hem +paste. Hy had zelfs geen lust in ’t kibbelen met Laurens, die +altyd—zonder pretentie op ’t konstrueeren van ’n +meetkunstig werkstuk—de diagonaal beschreef.</p> +<p>Zeer eigenaardig nam ons Petrusje zich voor, z’n inslapen te +doen voorafgaan door ’t overdenken van de voorvalletjes die +gedurende den afgeloopen dag aan de orde waren geweest.</p> +<p>Heel natuurlyk! Hy voelde geen lust zich bezig te houden met +zichzelf, wat anders z’n gewoonte was.</p> +<p>Zekere prins had geld onder ’t volk gestrooid...</p> +<p>—Hé... als ik zoo’n prins was!</p> +<p>Nu, deze indruk was de leelykste niet. De meeste jongens denken in +zoo’n geval: hé, als ik mocht meegrabbelen!</p> +<p>De Paltsgravin van... hoe heet het land waar ze vàn was? Ik +heb geen lust den naam optezoeken dien ik haar gaf. ’t Mensch was +in ’t Trippenhuis geweest, en daar—volgens de +couranten—minzaam, zeer minzaam...</p> +<p>—Dàt zou ik ook zyn, dacht Wouter, als ik... +Paltsgravin was. Wat <i>is</i> dat toch voor ’n betrekking?</p> +<p>De Koning had audiënties en ’n diner gegeven, en +gezegd... och, de gewone praatjes. Maar voor Wouter waren ze nieuw en +belangryk. Het welzyn van de Hoofdstad ging Z. M. byzonder ter-harte. +Wouter ook. Dit belette niet dat hy deze byzonderheid heel lief vond in +den Koning. In Afrika zoud-i precies hetzelfde doen! En <i>zyn</i> +hoofdstad...</p> +<p>Neen, weg met Afrika!</p> +<p>Hy smeet z’n linkerkous onzacht weg, zoodat het ding zich om +den sport van ’n stoel slingerde als ’n stervende +paling.</p> +<p>Weg met Afrika! Want...</p> +<p>Daar rees de schim van Femke op, en dreigde, en vroeg of zy haar +plaats verbeurd had op dien troon? En of ze...</p> +<p>Weg met Afrika!</p> +<p>Wat al zonderlinge vertellingen over prinses Erika! Men zei dat ze +huwen moest met ’n grootvorst, maar... geweigerd had.</p> +<p>Alle burgerlui vonden dit heel mooi, zonder nog te weten of ’t +niet ’n malle koppigheid was van prinses Erika. <span class= +"pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name="pb14">14</a>]</span></p> +<p>Ze was zoo zonderling van gedrag en manieren, en kon zich niet +schikken in de hoogheid van haar stand...</p> +<p>Wouter trok z’n tweede kous uit, en keurde ’t af dat +prinses Erika geen lust had in aanzienlykhedens. Hm... zou ze misschien +willen ruilen? <i>Hy</i>: prins Erik. En zy...</p> +<p>Zou ook zy ’s nachts zoo’n leelyke muts opzetten? Wel +neen, dacht Wouter, prinsessen dragen mutsen van diamanten. ’t Is +waarlyk zonde en jammer dat zoo’n schepsel haar geluk niet +waardeert!</p> +<p>En dit scheen toch ’t geval. Toen ze met de Paltsgravin uit +het Trippenhuis kwam—waar ze minzaam geweest was—had ze +geweigerd terstond mee terug te ryden naar ’t paleis. Ze wou den +“amsterdamschen Jodenhoek” zien, en nam flinkweg ’n +kamerheer onder den arm, die haar den weg wyzen zou. De man kende dien +zelf niet, en had alle moeite haar te loodsen tot op Vlooienburg... in +’t hartje! En zie, hy droeg ’n korte broek—gelyk byna +iedereen, in Wouter’s tyd—en zyden kousen. En die kousen +werden bespat. En prinses Erika had er zoo om gelachen. En nog meer +onvorstelyke zonderlingheden van die soort...</p> +<p>Maar dit alles stond niet in de courant. De krant sprak alleen van +de minzaamheid.</p> +<p>Nu, ook op Vlooienburg was de prinses allerminzaamst geweest, of +zelfs meer dan minzaam. Ze had ’n heele kruiwagen vol maagdeperen +leeg gekocht, en de straatjeugd gebombardeerd met handenvol sappig +genot.</p> +<p>Maar dit stond alweer niet in de krant. De redakteurs wisten niet +hoe ze dat voorvalletje <i>salvâ reverentiâ</i> zouden +inkleeden, en bepaalden zich dus maar tot de alom bekende minzaamheid. +Toch had ieder er van gehoord, al wist men dan niet of ’t waar +was. Duizenden schiepen er stof uit tot drie vertellingen. Eerst: dat +het geschiedde: “wezenlyk!” Daarop dat het ’n +verzonnen praatjen, <i>niet</i> geschied was: “wat <i>ik</i> je +zeg!” Eindelyk: dat het wel deze keer misschien niet geschied +was, maar dat, wel beschouwd, zoo-iets wel ’ns op ’n +anderen keer geschieden kon, en dat het zeer moeilyk was altyd precies +te weten wàt geschied was, en wat niet.</p> +<p>Dit vind ik ook.</p> +<p>Prinses Erika...</p> +<p>Wouter blies z’n kaarsjen uit, of wilde dit doen. Hy had +peiling genomen op een der twee scherpe driehoeken die Laurens hem te +kiezen had gegeven, en op-eens verneemt hy groote ontsteltenis in den +huize Pieterse: beroering!</p> +<p>’t Is waar, er was drie, vier malen hevig gescheld, ja +gebengeld. Brand?</p> +<p>Hm! Zou ’t misschien prinses Erika wezen, die komt ruilen?</p> +<p>Och neen, ’t was juffrouw Laps.</p> +<p>Ruilen kwam ze niets.</p> +<p>Maar wat dàn, zoo laat op den avend?</p> +<p>Wouter trok z’n ééne been terug uit den tophoek, +en luisterde.</p> +<p>Wy ook! <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name= +"pb15">15</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Zelfs juffrouw Laps zegt soms ’n waarheid die ’t +overdenken en toepassen waard is. Dezelfde autoriteit in-zake: +<i>menschenkennis</i>. <i>Don Quixote de la Mancha.</i> Goden, duivels +en... <i>Fancy.</i></p> +</div> +<p>Het vertrekje waar Wouter met Laurens in één bedstee +sliep, was boven de huiskamer. Ze deelden dat verblyf met twee van hun +zusters, en moesten uit kiesheid altyd ’n kwartiertje vroeger +slaap voelen dan die jonge-juffrouwen.</p> +<p>Ik ben niet geleerd genoeg om te weten hoeveel zuurstof vier jonge +menschen gedurende acht uren noodig hebben om net even niet te stikken. +Maar benauwd wàs ’t in dat hokje! Soldaten zouden +“gereklameerd” hebben.</p> +<p>In ’n ander lokaaltje had ’n soortgelyke verdeeling van +engte plaats, en ook daar werd het oogenblik van slaperig worden +geregeld en bepaald door gelyke wetten van kiesheid.</p> +<p>Met ’n weinig administratief genie zal nu de lezer kunnen +berekenen wat de oorzaak was dat ’n gedeelte van den grooten staf +der Pietersens—en wel het deel dat tot de klasse der +vrouwspersonen behoorde—nog altyd in de huiskamer by-een zat, op +’t oogenblik toen Wouter zich voordroomde dat die gekke prinses +Erika wel ’ns in ’t hoofd kon krygen met hem te komen +ruilen van pozitie.</p> +<p>In-plaats dáárvan echter, hoorde hy de stem van +juffrouw Laps, die als ’n razende de trap scheen opgevlogen, en +schreeuwend, snikkend en huilend het huisvertrek binnenstormde.</p> +<p>De gewone tusschenwerpsels van: “mensch, wat is er?” en: +“goeie god, wat is er gebeurd?” waren afgeloopen. Wouter +kon waarnemen dat het traditioneele glas water was aangeboden en +leeggedronken, en tevens hoe men de blykbaar allerdiepst-ongelukige +vriendelyk uitnoodigde om “te bedaren.” Een zonderling +voorstel altyd.</p> +<p>Juffrouw Laps begon met de zeer verstaanbaar geartikuleerde +verzekering dat het haar onmogelyk was ’n woord uittebrengen.</p> +<p>De zaak scheen dus belangryk. Wouter trok z’n eene kous weer +aan om beter te kunnen luisteren.</p> +<p>—Ik zweer je by God allemachtig, juffrouw Pieterse, dat ik +niet spreken kan van schrik en alteraasie.</p> +<p>—Gut, mensch!</p> +<p>—Waar zyn je kinderen... allemaal? Al naar bed? Toch nog niet +naar bed, wil ik hopen! Ik kan waarachtig niet spreken! Nog ’n +glas water, Trui! Hoor ’ns hoe ik bibber... ’n mensch +klappertandt van schrik, niet waar? Dankje, Trui, en waar is... +Stoffel?</p> +<p>—Wel, mensch, die kleedt ’m uit. Hy gaat me +vóór, my en Petró. Want... Mine schopt zoo, +weetje, en Trui moet by de jongens wezen... anders vechten ze. En +daarom slaap ik met Petrò, weetje. En daarom kleedt Stoffel +’m uit, en dan sluit-i z’n gordyntje, weetje, als-i ons op +de trap hoort. Maar, mensch, wat scheelt er an?</p> +<p>—Ja juist... wat me scheelt, niet waar? Ik ben geschrokken, +erg, heel erg! En is... Laurens ook al naar bed? <span class= +"pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name="pb16">16</a>]</span></p> +<p>—Gut ja, mensch, al lang! Want-i moet vroeg op z’n +drukkery wezen. Maar...</p> +<p>—Allemaal al naar bed! En ik...ik loop als ’n ongeluk +langs de straat, als ’n mal mensch—van schrik, +weetje!—en weet niet waar ik belanden zal. Zóó? Is +hier... iedereen al... naar... bed...</p> +<p>—Maar wat is er dan toch gebeurd?</p> +<p>—Ik zal ’t je zeggen, juffrouw Pieterse... och, als je +wist hoe ik geschrokken ben! Verbeelje...</p> +<p>Wouter trok uit ’n akoustisch beginsel z’n tweede kous +aan.</p> +<p>—Je weet, juffrouw Pieterse, dat er tegenwoordig veel gestolen +wordt?</p> +<p>—O ja, maar...</p> +<p>—En ingebroken? En gemoord? En dat de politie er maar niet +achter komen kan wie dat telkens gedaan heeft? De moord van de oude +Mevrouw en haar dienstmeid, in de Lommerstraat...</p> +<p>—Maar mensch, daarvoor zitten er drie in de gevangenis! Wat +wil je meer?</p> +<p>—’t Mocht wat! De moordenaars loopen vry rond, wat +<i>ik</i> je zeg! Dat gevangen-zetten van die drie kerels is maar om +ons ’n doekie voor de oogen te binden, en dat de menschen niet +vragen zullen: waarvoor dient de jistiessie, zieje! De luî die +’t gedaan hebben, willen wel zoo, en hebben al den tyd om op +’r gemak hun boeltjen opteknappen. Want weetje wat ik altyd +zeg... <i>ik</i> zeg dat ’n gemeene kerel die ’n moord +doet, en veel geld steelt, z’n bebloede kleeren niet kan +verdonkeremanen. En al dat geld ook niet!</p> +<p>Want, zeg ik, hy is niet gewend met zooveel geld omtegaan. Al +z’n buren kennen z’n buizen en broeken van-buiten. ’n +Kast waarin-i wat kan wegstoppen, heeft zoo’n man niet. Verstand +van effekten of obbeligaassies ook niet! En den weg naar ’t +buitenland weet-i ook niet! En vrinden die hem den weg wyzen om van +z’n boeltjen aftekomen, heeft-i ook niet! Zoodat ik maar zeggen +wil dat... ’n moord of ’n diefstal, of... zoowat... als ze +den moordenaar niet <i>terstond</i> pakken... nu, juffrouw Pieterse, +dan zeg <i>ik</i> dat het door ’n fatsoenlyk man gedaan is, die +meer rokken en kasten en kemsoossies heeft dan alleman weet, en... +ongeteld linnengoed, zieje! En vrinden onder bankiers, zieje, die +’m afhelpen van z’n obbeligaassies. ’n Gemeene vent +zou honderdduizend gulden in z’n broodkast leggen, en daar vinden +’t de kinderen als ze boter snoepen. Wat zeg jy, Trui?</p> +<p>Trui had nooit nagedacht over dezen wel-eens uit het oog verloren +grondregel van kriminalistiek. Althans Wouter vernam geen antwoord, +schoon de nieuwsgierigheid hem noopte z’n broek aantetrekken.</p> +<p>—Maar, hoorde hy op-nieuw z’n moeder vragen, wat is er +dan toch met je gebeurd?</p> +<p>—Wat er gebeurd is? Ik ben geschrokken... kyk, hoe ik bibber! +De stad is vol moordenaars, juffrouw Pieterse!</p> +<p>—Lieve-god, mensch, wat kan <i>ik</i> daaraan doen?</p> +<p>—Niks, juffrouw Pieterse, heelmaal niks! Maar ik ben +geschrokken, <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name= +"pb17">17</a>]</span>en kom je-n-om raad vragen. En... gaan Stoffel, +en... Laurens, en... iedereen hier altyd zoo vroeg naar bed? Kyk, hoe +ik nog bibber. Zou je wel gelooven dat ik niet naar m’n huis durf +te gaan?</p> +<p>—Maar waaròm dan niet? Denk je dat ze je vermoorden +zullen?</p> +<p>—Ja, juffrouw Pieterse, dàt denk ik! De moordenaars van +die ouwe Mevrouw en haar dienstmeid loopen nog altyd rond—gister +by de ullemenatie hebben ze god weet hoeveel horlogies gerold!—en +de policie... weet je wat de policie doet? Ze kykt of iemand ’n +vloerkleed uitklopt na tienen ’s morgens... dàt doet de +policie! Maar al die moordenaars laat ze loopen. Dat zeg <i>ik</i>!</p> +<p>—Maar wat weet je dan van die moordenaars? Geef ze-n-aan, als +je ze kent! Dat ’s je plicht, mensch!</p> +<p>Wouter trok z’n vest aan, en deed ’n dasjen om.</p> +<p>—Wat ik er van weet! Ze belagen me-n-in m’n eigen huis! +Is ’t erg of niet? Ik ben van middag uit geweest, om ’t +hardzeilen op den Amstel te zien. Maar er was niets te kyk, omdat er +geen wind was. En ’t was heel vol op den weg, en by den Amstel +ook, tot Ouwerkerk toe. Al die koningen waren er, en die vreemde +prinsen en prinsessen, weetje, en de menschen keken naar de koetsen, en +ik ook. Niet dat ik om ’n koning geef, gut né! Want hy is +’n wurm in Gods hand, net als jy en ik, en als de Heer hem niet +steunt... och al ’t aardsche is maar gekheid. Stof en asch... +geloof dàt maar! Maar ik keek naar de koetsen, weetje, en naar +de paarden, en naar al ’t volk... dat er naar keek. En ik dacht +zoo by mezelf, als ik vanavend thuis kom, zal ik m’n aardappelen +opbakken, want... die had ik over van van-middag, en als ik aardappelen +over heb, bak ik ze ’s avends altyd op, weetje. En er was groot +gedrang by den Amstel, en ’t speet ieder zoo dat er geen wind +was, want de menschen zyn dol op plezier, en slaan geen acht op wat des +Heeren is. <i>Wereldsch</i> waren die prinsen en prinsessen... kyk! Ja +dacht ik, ’t wondert me volstrekt niet dat er zoo erg gemoord +wordt, en gestolen, want ze verzoeken God. En: de Heer zal jeluî +wel krygen, dacht ik, maar Hy wacht z’n uur af. Want, juffrouw +Pieterse, dàt doet-i altyd. Eén dame—’t +mensch had roode puisten in ’t gezicht, en was nog ouder dan jy, +juffrouw Pieterse!—wat denk je dat ze-n-op ’t hoofd had? +’n Tulleband, mensch! En ze zat in ’n koets met vier +paarden. Is dat den Heer tergen of niet? Dat vraag <i>ik</i> maar! En +ze speelde met ’n <i>soesoe</i>, en toen er ’n prins +te-paard naast haar koets kwam, stak ze d’r hand uit het portier, +en liet ’r <i>soesoe</i> driemaal op-en-neer gaan. En dat deed +die prins ook. Waren ze mal of niet? En wat moet de Heer daarvan +zeggen. Als er geen pestilentie komt...</p> +<p>—Maar... wat is je dan toch overkomen?</p> +<p>—Ja juist... wat me-n-overkomen is? Dàt zal ik je +zeggen... maar ik beef nog zoo. Ik had m’n aardappelen aan +schyfjes gesneden, en op ’n schoteltjen in de kast gezet. Want, +dacht ik, als ik thuis kom, kan ik terstond aan ’t bakken gaan, +want ik hecht niet aan wereldsche dingen—want ik heb de genade, +weetje—want ik dacht zoo by mezelf, dat ik niet lang onder al die +menschen blyven <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name= +"pb18">18</a>]</span>wou... gut, juffrouw Pieterse, je moest... Stoffel +roepen. Dan kan-i hooren wat me-n-overkomen is.</p> +<p>Stoffel was reeds in aantocht, en dit deed Wouter genoegen. Hy had +geruisch in de kamer naast zich gehoord, en grondde op Stoffel’s +opstaan de hoop dat ook hyzelf weer voor-den-dag zou mogen komen, om +’t spannend verhaal wat meer op z’n gemak aantehooren dan +door de porien van z’n kamervloer. Intusschen had hy zich geheel +gekleed, omdat-i niet door juffrouw Laps wou gezien worden in z’n +nachtpon. Hy nam nu waar dat Stoffel de, huiskamer binnentrad, en dat +de bezoekster, na den gewonen groet en de plechtige verzekering dat ze +nog altyd van ’t bibberen niet spreken kon, de vraag deed: waar +toch... Laurens bleef?</p> +<p>Laurens? Wèl, hy sliep, en leverde door z’n neusgaten +de demonstratie van ’t pythagoreïsch vraagstuk, waarin +hyzelf de hypothenuze zoo aanschouwelyk voorstelde.</p> +<p>Dit zou juffrouw Laps volkomen onverschillig geweest zyn, als ze +’t geweten had. Ze wist alleen—en ’t hinderde haar +erg, naar ’t scheen—dat... Laurens zich niet bevond onder +haar gehoor.</p> +<p>Was dit misschien de reden dat ze zoo talmde met de katastroof? +Moest juist... Laurens getuige wezen van de ontwikkeling en de +uitbersting? Waarom toch?</p> +<p>—Zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of de stad niet vol moordenaars +en dieven is?</p> +<p>Stoffel zoog z’n bovenlip naar binnen, en trachtte met de +andere de punt van z’n neus te bereiken. De lezer wordt +uitgenoodigd dezen mondgreep natebootsen, en hy zal, volgens de door my +meegedeelde methode van ziel-ontdekking, nagenoeg weten hoe en wat +Stoffel niet antwoordde op deze vraag.</p> +<p>Juffrouw Laps hield zich of ze “ja!” verstond, omdat het +zoo in haar kraam te-pas kwam. En dus:</p> +<p>—Zie je wel, Stoffel zegt het ook! De stad is vol dieven en +moordenaars, en... ’n fatsoenlyk mensch durft niet meer in +z’n eentje naar bed gaan. Dat zeg <i>ik</i>!</p> +<p>—Maar... juffrouw...</p> +<p>—De policie? Gekheid! Wat helpt de policie, als je niet op God +vertrouwt? Dàt ’s ’t ware! En wie dàt niet +doet, is verloren. Menschelyke hulp... ik kan me niet begrypen dat... +Laurens altyd zoo vroeg slapen gaat. Weet jelui wel, dat het niet +gezond is zoo veel te slapen! Wat zegt de Schrift? Waak en bid! Maar... +ieder z’n sinnigheid! Ik kan je voor God verklaren dat ik niet +alleen naar huis durf, en...</p> +<p>Hier vertoonde zich weer ’n “vinger!” +Wouter’s nieuwsgierigheid was ten hoogste gespannen. Om beter te +kunnen verstaan stond-i in gebukte houding, en leunde met +één hand op den rug van ’n stoel. Z’n +steunpunt kantelde, de stoel gleed uit, knerste over den grond, +bereikte ’n ander meubel...</p> +<p>—Heere-jesis-kristis, wat ’s dàt nu weer? +kryschte de moeder. Ben <i>jy</i> ’t, Laurens? <span class= +"pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span></p> +<p>Wouter piepte verlegen terug, dat het: “ik” was. Uit +deze stoornis vloeide voort dat-i zich wist overteplaatsen in den kring +waar zulke belangwekkende dingen werden verhandeld.</p> +<p>Z’n <i>entrée de salon</i> had plaats onder de +allerongunstigste omstandigheden. Hy werd hevig berispt omdat-i +“nog” niet uitgekleed was, en...</p> +<p>—Zet jy je bakker op, voor je je kleeren uittrekt?” riep +de moeder.</p> +<p>Zoo waar, de jongen had vergeten zich te ontdoen van z’n +slaapmuts! Hy meende van schaamte te verzinken. Liever had-i àl +’t andere gemist, dan dat eene te hebben!</p> +<p>—En... wat heb je dáár?</p> +<p>Helaas! Ons heldje was belachelyker nog dan men in-staat is zich te +maken met ’n pluimmuts alleen. Er bleek dat-i zich gewapend had +met den yzeren staaf die in voorhistorische dagen door z’n vader +gebruikt werd tot recht-afsnyden van leêr. Gedurende ’t +begin van ’t lapsisch verhaal dat zoo slecht vlotte, meende hy, +dacht-i, hoopte hy...</p> +<p>Nu ja, hy verstond iets van ’t oude: “<i>waar blyft</i> +Wouter?” Uit den mond der spreekster niet, o neen—’t +waren immers juist de woorden die ze by-voorkeur <i>niet</i> +uitsprak!—maar... hy meende ze toch te hooren, al kwamen ze tot +hem van geheel anderen kant.</p> +<p>Wel was-i dien vrydag laag en slecht geweest, onridderlyk en infaam, +maar... hy bleef nog altyd Wouter!</p> +<p>Moordenaars? Dieven? Een vrouw in nood, ’n dame—ze +heette Laps, godbetert!—wat anders kon daarop volgen, dan:</p> +<p>—<i>Ce sera moi, Nassau!</i></p> +<p>en..:</p> +<p>—God laat die moordenaars maar begaan... <i>ik</i> niet! Ik, +Wouter! Ivanhoe was-i gewis dien dag niet geweest... helaas! Doch er +was toch nog altyd genoeg in hem van zichzelf, om niet lager te staan +dan de slechtaard Brian de Bois-Guilbert, die toch ook niet wegliep +voor gevaar, al was dan z’n gedrag jegens Rebekka +hoogst-indelikaat.</p> +<p>Slecht? Het zy zoo! Maar lafhartig ook? Dat zou te veel zyn.</p> +<p>In zóó’n stemming had Wouter—hy scheen +niet te weten dat ook z’n eigen felonie voortkwam uit +lafheid!—tusschen z’n tweede kous en z’n broek in, +den leder-lineaal gegrepen. En dat ding hield-i nog altyd in de hand, +toen er door zoo’n zonderlingen samenloop van omstandigheden +’n welgelukt beroep werd gedaan op z’n moed.</p> +<p>O, eerbiedwaardige, korrekte, maar dikwyls laaghartige, toch altyd +onschuldige, kansverevening, waarom moest ge dat onïngetogen +ridderzwaard in-handen geven van iemand die vergeten had zich te +ontdoen van z’n slaapmuts? Waarom niet die twee belachelykheden +in billykheid over Stoffel en den held verdeeld? Waarom niet aan ieder +wat? Den een de muts, den ander ’t wapen? Of, beter nog, waarom +niet Stoffel den hellebaard in de hand gedrukt, en den slapenden +Laurens by uitsluiting belast met het torschen van den <span class= +"pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name= +"pb20">20</a>]</span>gepluimden diadeem? Wat kon het hèm schelen +hoe hy er uitzag in z’n bed!</p> +<p>Maar... ’n held, ’n ridder? En dat onder de oogen van de +dame die hy beschermen zal!</p> +<p>Arme Rebekka, wanneer Ivanhoe ware te-voorschyn gekomen met +zóó’n helm!</p> +<p>Wouter was woedend.</p> +<p>En... ik ook! Op die kansverevening namelyk, en niet zoozeer om de +boosaardige kombinatie van muts en degen. Zy is niet te vermyden, en de +Don Ouixotten schikken zich. Weldra zien ze die pluimmuts voor ’n +stalen helm aan, en hun hemd voor ’n schubbejak.</p> +<p>Niet dáárom alzoo ben ik boos. Ik zou waarlyk te veel +te doen hebben, indien ik toegaf in de neiging tot zùlke +verstoordheid. Maar om ’n andere samenvoeging die bedroevender +is, en waarin ’n braaf ridder zich niet màg leeren +schikken.</p> +<p>Wouter was lafhartig geweest, toen-i Femke had behooren te kennen en +te èrkennen. En... z’n gevloden ridderlykheid kwam +tevoorschyn op ’n roep uit den mond van juffrouw Laps! Dit is +erger dan belachelykheid!</p> +<p>Tegenover reinheid had-i zich stug betoond, en arm aan ziel. De +rykdom van z’n gemoed berstte weelderig uit, zoodra ze werd +opgevorderd door ’t gemeene. Is ’t niet treurig?</p> +<p>Dat de Don Quixotten weldra de onheraldische beteekenis van hun +pluimmutsen over ’t hoofd zien—lafaards wachten zich wel +voor zulke gekheid!—is begrypelyk, en te vergeven. Maar +wie—en <i>op-den-duur</i>—genoegen nemen zou met de +verkrachting van <i>zedelyke</i> logika, met het +<i>tragisch</i>-heterogeene...</p> +<p>’t Huwelyk van rapier en muts was maar <i>komisch</i>!</p> +<p>... wie op-den-duur zich tevreden stelt met... dat andere, hy is +verloren! Hoogstens kan er ’n rykworder uit hem groeien, ’n +schoonzoon van Kappelman, of zoo-iets.</p> +<p>Goddank, Wouter zou ’t leeren inzien. De zeer intelligente +lezer begrypt immers dat-i anders geen geschiedenis hebben zou? Maar hy +was nog in lang zoo ver niet, en meende al veel gedaan te hebben tot +herstel van de zoo sarkastisch bedorven tooneelzetting, toen-i met +driftig gebaar z’n wapen kletterend op den grond smeet, en +z’n muts—flap!—op de tafel.</p> +<p>Niemand had ooit geweten dat het manneke zoo driftig worden kon. +Z’n moeder vroeg dan ook met de gewone belangstelling in ’t +welzyn van z’n zieltje: “of-i dan in gods-heeren-naam +<i>heelemaal</i> bezeten was?” ’t Had er veel van.</p> +<p>De “vinger” van zoo-even zal wel weer de klauw van +’n duivel geweest zyn, of... van den Duivel, naar verkiezing van +den lezer.</p> +<hr class="tb"> +<p>—<i>Ik</i> zeg dat jelui ’t kind niet zoo moet +versagrineeren, zei de bibberende bezoekster.</p> +<p>—Oogenblikkelyk naar je bed! riep de moeder. <span class= +"pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span></p> +<p>—Och, laat het kind zitten! Maar... wat ik je zeggen wou, +juffrouw Pieterse, van m’n aardappelen...</p> +<p>Wouter blééf. Dat-i dit kon, had hy te danken aan de +algemeene nieuwsgierigheid. Heel gelukkig waarlyk, want ik heb +z’n blyven hoognoodig voor de ekonomie van m’n +vertelling.</p> +<p>...verbeelje toen ik thuis kwam, zoo tegen half-elf... want ik +kòn niet eer, om de drukte, weetje—anders... ik houd niet +van remoerigheid, dat weetje wel—nu, toen ik thuis kwam—de +stad is vol moordenaars en dieven, dit moet je wèl in ’t +oog houden!—toen waren m’n aardappelen... waar denk ie dat +m’n aardappelen waren? Ze waren... weg!</p> +<p>—Weg?</p> +<p>—Weg!</p> +<p>—Heelemaal weg?</p> +<p>—Heelemaal... wèg!</p> +<p>—Je aardappelen weg?</p> +<p>—M’n aardappelen... heeeeelemaal... wèg!</p> +<p>—Maar...</p> +<p>—En ik zeg: dat hebben de dieven en moordenaars gedaan! Wie +anders? Er zyn moordenaars op m’n zolder, en nu wou ik je +vragen... want ik durf niet alleen thuiskomen...</p> +<p>Wouter’s oogen flikkerden.</p> +<p>...ik wou je vragen of misschien... je zoon Stoffel...</p> +<p>Stoffel zette ’n allerzonderlingst gezicht, dat zeker alle +moordenaars uitmuntend zou bevallen hebben, omdat het ’n +geruststelling bevatte voor de toekomst van ’t +<i>métier</i>.</p> +<p>—Maar, juffrouw Laps, vroeg-i heb je dan geen kat in huis?</p> +<p>—Een kat? Ben je mal? ’n Kat tegen moordenaars?</p> +<p>—Né, juffrouw, niet tegen moordenaars. Maar ’n +kat die misschien je aardappels heeft opgegeten?</p> +<p>—Ik weet van geen kat! Ik weet dat de stad vol gemeen volk is, +dat de menschen vermoordt zonder dat er ’n haan na kraait! Niet +dat ik om m’n leven geef, gut neen, niet... zie +zóóveel! Als de Heer me roept, zal ik zeggen: laat je +dienstmaagd gaan in vrede. M’n oogen hebben je heerlykheid +gezien! En dan...</p> +<p>—Maar, mensch, waarom heb je niet op je zolder gezocht, of +onder je bed?</p> +<p>—Dat mòcht ik niet, juffrouw Pieterse! Wien God +bewaart, is wèlbewaard, maar... men mag den Heer niet verzoeken! +Op m’n zolder ga ik niet, en onder m’n bed kyk ik niet, +voor alle wereldsch goed niet! Want dáár zit-i zeker! En +juist daarom wou ik je vragen of... je zoon... Stoffel... of—als +Stoffel geen senie heeft—byv. je zoon... Laurens, of...</p> +<p>—Maar... waarom heeft uwe niet liever de buren er by geroepen, +juffrouw?</p> +<p>Aldus sprak Stoffel.</p> +<p>—De buren? Nou, je moet ze kennen, die buren! De man onder me +durft geen schoothondjen aan, laat staan, ’n moordenaar! En +<span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name= +"pb22">22</a>]</span>naast me woont er een die... wat zal ik je zeggen, +’t is ’n jonkman, en je weet dat ik me niet graag in +opspraak breng. Want... ’n mensch moet zorgen voor z’n +fatsoen, en nooit ergernis geven, dat weet je-n-ook wel.</p> +<p>Niemand kwam op de gedachte, haar te vragen wie of wat Stoffel dan +voor ’n wezen was? Géén jonkman? Zoud-i misschien +“door z’n school” boven wereldsche verdenking +verheven zyn?</p> +<p>—En bovendien, ging de verlokster voort, meen je dat al die +mannen kerasie hebben? Ik zeg neen! Ze zyn zoo bang voor ’n dief, +als de dood. Verleje week stond er ’n brittale bedelkerel in +’t pertaal, en de vent wou niet weg. Denk je dat ze ’m +aandurfden? Maar <i>ik</i>, ik pakte hem flink beet, en...</p> +<p>Ze versprak zich, en bemerkte het:</p> +<p>... nu ja, dat zou ik gedaan hebben als ik niet ’n vrouw was +geweest. Want vrouwen moeten zich nooit inlaten met ruwigheid. Dat +stáát niet... wat zeg jy, Trui? Ik liep weg, en sloot +m’n kamer, zieje! Neen, kerasie hebben al die manlui niet!</p> +<p>“Al die manlui!”</p> +<p>Wouter voelde zich beleedigd, en beefde van ingehouden strydlust, of +althans van begeerte om te toonen dat hy niet behoorde onder +zùlke “manluî.” Juffrouw Laps merkte ’t +wel.</p> +<p>—Nu, als Stoffel ’t niet graag doet...</p> +<p>—Om je de waarheid te zeggen, ik...</p> +<p>... en als Laurens al slaapt. En als... niemand er senie in +heeft...</p> +<p>Ze stond op.</p> +<p>... nu, dan zal ik, op God vertrouwend, in m’n eentje... maar +griezelig <i>is</i> ’t voor ’n vrouw alleen!</p> +<p>Ze zag allen beurtelings aan, behalve juist den eenen tot wien ze +sprak. Wouter moest zich vergeten voelen, over ’t hoofd gezien, +en daardoor geprikkeld tot den eisch om beschreven te worden onder de +ridderschap van den huize.</p> +<p>... als dan hier niemand is, die <i>durft</i>...</p> +<p>—<i>Ik</i> durf, juffrouw!</p> +<p>Allen stonden verbaasd, behalve onze menschenkenster die niets +anders verwacht had, maar toch geraden vond zich even verbaasd te +houden als de rest.</p> +<p>—Jy?</p> +<p>—Jy, Wouter?</p> +<p>—Jongen, ben je gek? <i>Jy?</i></p> +<p>—Ja, ik! <i>Ik</i> durf, al waren er tien op je zolder, +juffrouw, en duizend onder je bed!</p> +<p>Hm, zoo’n kleine Luther! Maar er was verschil. Luther had +’n God, waarop-i meende te kunnen rekenen... met behulp van +’n paar keurvorsten... nu ja, die behoefte hadden aan troebel +water. Onze Wouter—zònder keurvorsten!—trok als +’t ware ten-stryde tégen den god, die toegelaten had dat +er duizend en eenige moordenaars onder ’t dak en bed van juffrouw +Laps konden zitten.</p> +<p>—Maar, jongen! <span class="pagenum">[<a id="pb23" href= +"#pb23" name="pb23">23</a>]</span></p> +<p>—Ik durf!</p> +<p>—Och, laat hem begaan, juffrouw Pieterse! Je begrypt... het is +altyd ’n gezelligheid voor me, zoo’n kind by me te hebben! +Zieje, dan griezelt het me minder, als er misschien ’n moordenaar +op zolder zit. ’n Mensch wil aanspraak hebben, niet waar?</p> +<p>Ze bereikte haar doel: onze Wouter werd haar meegegeven. Met +z’n nachtpon en bakkersmuts in ’n pakjen onder den arm, +verliet hy ’t huis. De yzeren staaf werd achtergelaten, omdat +juffrouw Laps verzekerde dat zy ’n wel gevuld tuighuis had van +gereedschappen waarmee men zooveel moordenaars kon doodslaan als men +verkoos.</p> +<p>De oorzaak dat de Pietersens zoo gemakkelyk toestemden in +Wouter’s benoeming tot slotvoogd, lag voornamelyk in ydelheid. +Eigenlyk keurde het geen der leden van ’t koncilie goed, dat de +jongen meeging met juffrouw Laps, maar de familie was groots op +z’n moed. De zaak zou bekend raken, oververteld worden, en +juffrouw Pieterse zou wel zorgen dat er bygevoegd werd:</p> +<p>—’t Is dezelfde jonge-heer, weetje, die laast geleseerd +heeft by dokter Holsma op den Kolveniers-burgwal.</p> +<p>“Ja, ja, er zit wel wat <i>in</i> die kinderen van diezelfde +Juffrouw Pieterse!” zou dan deze of gene de goedheid hebben te +antwoorden.</p> +<p>En zoo-iets hoort men graag.</p> +<p>Dáárom kreeg juffrouw Laps ditmaal haar zin.</p> +<p>Maar... Fancy?</p> +<p>Preutsch was ze niet!</p> +<p>Dat verloochenen van Femke vond zy èrger!</p> +<p>Doch ook dáártegen zou ze raad weten, zy die alles +was, alles wist, alles kon, tot het regelen van de kans-verevening +inkluis.</p> +<p>Niet tevreden—o neen!—maar kalm toch, en geenszins +wanhopend, ging ze met haren arbeid voort. Er was meer spot dan smart +in haar gelaat, toen ze Wouter dien avend den weg zag inslaan naar de +woning der oefenaarster. Ze toonde hierdoor hooger te staan dan de +engel die door Moritz Retsch tot droefgeestige getuige wordt gemaakt +van de nederlaag des jongelings die op ’t schaakbord z’n +ziel aan den duivel verspeelt.</p> +<p>Hm... in één party?</p> +<p>Moet dan het behoud der ziel afhangen van één +veronachtzaamd: <i>gardez la Reine</i>?</p> +<p>Waarachtig niet!</p> +<p>Men zou wenschen geen ziel te hebben, als ze zóó snel +kon verloren gaan!</p> +<p>Eilieve, dan immers stond de party tusschen God en Duivel niet +gelyk?</p> +<p>Hoe! Eén misstap, ééne dwaling, +één vergissing, zou naar de hel kunnen voeren, en na +’n lang leven vol moeite, arbeid, onthouding en stryd, is er nog +’n byzondere genade noodig om in den hemel te komen? <span class= +"pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name="pb24">24</a>]</span></p> +<p>Dit moet ’n dwaling zyn! Maar... ’n dwaling die ’t +verklaart, waarom de <i>galerie</i> zoo gaarne voor den Duivel +parieert! En waarom er zooveel speciaal-kunsten worden uitgevonden om +God ’n beetje te helpen in z’n ál te ongelyke +kans.</p> +<p>Dit hoeft niet!</p> +<p>Fancy zal zich weten te redden. Zich, en... hem dien ze aanraakte +met haar vleugel.</p> +<p>Ze laat hem begaan, en doet—als ik!—haar werk. En:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line xd19e1293">... doet, als ik, haar werk!</p> +<p class="line">En spint den vlok tot draad, en weeft den draad</p> +<p class="line">Tot doek, waarop zy, eindloos voortbordurend,</p> +<p class="line">Den loop van al wat is, te aanschouwen geeft.</p> +<p class="line">En wie ’t verband ontkent, is schuldig blind,</p> +<p class="line">Ter nauwernood onschuldig wie ’t niet kent!</p> +</div> +<p>Van dit alles wist Wouter niets. Z’n onkunde mag wel een der +oorzaken geweest zyn van de rilling die hem bekroop, toen-i met +juffrouw Laps de trap van haar woning opging.</p> +<p>’t Eerste wat ze hem aanbood, bestond natuurlyk in de gebakken +aardappelen die opgegeten waren door al die gulzige moordenaars.</p> +<p>Hu! Wouter verbeeldde zich dat-i zou hebben raad geweten met +Schinderhannes in hoogsteigen persoon. En al blyft het nu de vraag, of +z’n—ongeoefende!—moed niet op ’t beslissend +oogenblik in de schoenen zou gezakt zyn, hy méénde toch +dat-i durfde. En hy was dan toch begonnen met Schinderhannes inderdaad +optezoeken...</p> +<p>Maar... alleen te wezen met die gebakken aardappelen, en met die +walgelyke vrindelykheid—wat ranser was wist-i niet!—daar +hoort méér toe!</p> +<p>Hy voelde berouw over z’n veronderstelden moed, en begreep +niet hoe hy z’n heldentocht had kunnen aanvangen zonder te letten +op de onvermydelyke byzaken.</p> +<p>Wèl beschouwd, was-i toch maar liever in een der driehoekjes +gekropen, die Laurens gewoon was zoo grootmoedig ter zyner beschikking +te stellen.</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders van +deze eeuw. “<i>En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn +knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan hem +uit.</i>” Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd +werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van +beschermengelen.</p> +</div> +<p>—Tast jy maar gerust toe, m’n jongen, en seneer je niet! +Of wil je misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch +van-nacht hier blyft, zieje, om op me te passen...</p> +<p>Wouter hield z’n jasje voorloopig aan.</p> +<p>En... ’n lekker likeurtje heb ik ook voor je... ’t is +beste! Van Fockink, weetje, die z’n fabriek heeft in... die nauwe +straat, je weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar +wonen <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name= +"pb25">25</a>]</span>gemeene vrouwluî, en die staan aan de deur, +zieje, en dat ’s niet goed voor ’n jonkman als jy.</p> +<p>De “jonkman” Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou +jokken als ik zei dat-i boos was. Juffrouw Laps had met +aanbiddenswaardige handigheid hem ’n paar tweede-luitenants +epauletten op schouder gespykerd... z’n eersten rang! En welke +jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot jonkman was streelender nog +dan ’t “in den handel” zyn.</p> +<p>Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z’n nieuwbakken +hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze +verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort +worden toegemeten.</p> +<p>—Wel wis en zeker, Wouter, je bent ’n jonkman, wist je +dat niet? ’t Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig +behandelen. <i>Ik</i> zeg dat je-n-’n jonkman bent, zoo goed als +de beste! Denk je, byv. dat ik zooveel van... Stoffel houd als van jou? +Waarachtig niet! Volstrekt niet! In ’t geheel niet! Ik houd veel +meer van jou. Wil je-n-’n pyp rooken? Je bent er mans genoeg toe. +Wel zeker, waarom zou je niet ’n pypie rooken, net als andere +mannen?</p> +<p>“Mannen!”</p> +<p>Help, Fancy!</p> +<p>Wouter antwoordde dat-i “nog niet” rooken kon. ’t +Kostte hem moeite dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel +kinderachtigheid, maar hy moest wel oprecht zyn omdat ’n eerste +poging om Stoffel natedoen in deze uiting van mannelykheid, zoo +byzonder ziekelyk was afgeloopen dat het voorstel tot herhaling hem +schrik aanjoeg.</p> +<p>—Zóó? Rook je niet...</p> +<p>Ze liet het, “nog” weg.</p> +<p>...rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is ’t ’n verkeerde +gewoonte van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die +niet rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel—hy is zoo oud als jy, +maar wat kleiner, en vryt met ’n nichtje van me—die rookt +ook niet.</p> +<p>Iemand zoo oud als <i>hy</i>, maar <i>kleiner</i>, en die al aan +“vryen” deed: help, Fancy!</p> +<p>—Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet wanneer. +Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat je-n-’n +effetieve jonkman bent. ’t Is heel mal dat ze je-n-altyd +behandelen als ’n kind! Dàt heb ik wel al honderdmaal aan +je moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om ’reis te noemen... +zooeven op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar ’n +zwakke vrouw ben, weetje? En ’t was nacht, niet waar? Denk je dat +ik nog bang was, toen jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? +Wèl, omdat ieder zien kon dat ik ’n manspersoon by me had. +Ik had je best ’n arm kunnen geven—je bent heusch grooter +dan ik—maar ik deed het niet, omdat je-n-’n pakje droeg. +En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht had het +<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name= +"pb26">26</a>]</span>kunnen zien, en dan in de buurt overal +rondvertellen dat ik ’s nachts met ’n heer liep.</p> +<p>“Met ’n heer!”</p> +<p>Fancy!</p> +<p>—Want ’n mensch moet altyd zorgen voor z’n +fatsoen! Hier binnen’skamers is ’t wat ànders, heel +wat anders! Gut, ik weet wel dat jy geen kwaad van me vertellen zult. +Wie ’n vrouw bekladt, is geen ware man, dit weet je-n-ook +wel.</p> +<p>Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z’n besef van +loyauteit, dan helderheid in ’t begrip van: +“bekladden.” Hy vertaalde juffrouw Laps’ maxime in +z’n boekentermen, en las voor: “vrouw” en: +“man” de hem gemeenzamer uitdrukkingen: <i>dame</i> en: +<i>ridder</i>.</p> +<p>’t Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf +verwachten of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware +geweest over de likeur—<i>par impossible</i>, want ze was van +Fockink—of dat de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar +bejaardheid had gesmaakt—onmogelyk alweer, want ze bakte met +boter, die niet eens veel slechter was dan de gewoonte der hollandsche +vervalschings-industrie meebrengt—jazelfs al had-i grond gevonden +tot het maken van gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder +Wouter dame Laps zou hebben geschandvlekt? Nooit... “by m’n +zwaard!”</p> +<p>De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit +intezien, of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. +Voor iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was ’t +inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om de +belegerde vesting. Had ze <i>inderdaad</i> menschkunde bezeten, ze zou +geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan +had ze tevens—door geestelyke oefening veredeld!—geen lust +gevoeld in zulke krygstochtjes en dus ’t heele vestinkje met +vrede gelaten. Zooals nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en +kwaad het gaan wilde, maar voort met de kleine middeltjes die leiden +moesten naar ’n mikroskopisch doeltje.</p> +<p>Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen +die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet +boozer op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de +wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen dokter +in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou geweest zyn +het mensch voorby- of natestreven op ’t zielkundig terrein dat ze +hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens ’t hare was. +Want—wie zal dit begrypen?—haar scherpzinnigheid was minder +wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou ’n +<i>man</i>—overigens gelyk begaafd—uit de sobere gegevens +die hààr tendienste stonden, een zóó +praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En, +omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd, wanneer +niet haar kinderachtig <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" +name="pb27">27</a>]</span>plannetjen in-verband had gestaan met +verwrongen geslachtsdrift.</p> +<p>Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te kussen! +Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van ’n paar +gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand +verdediging mogelyk was?</p> +<p>En... Fancy? Wendde ze treurig ’t hoofd af? Meesmuilde zy? +Begon ze te schreien? Brak zy in jammerklacht uit?</p> +<p>Teekent haar de artist—die m’n werken illustreeren... +zou, als ik ’t geluk had geen Hollander te zyn—wordt ze +hier door den schilder voorgesteld in gebogen houding, +handenwringend?</p> +<p>Vlucht ze heen?</p> +<p>Wat toch doet hier onze Fancy?</p> +<p>Komaan, artisten—die m’n werken niet illustreert, omdat +ik maar ’n Hollander ben, in-plaats van ’n zevende-klas +buitenlandsche beroemdheid!—komaan, ik zal u helpen. Weg met die +tranen op Fancy’s wangen...</p> +<p>Een geest weent niet om zoo weinig...</p> +<p>Weg met die geknakte gestalte...</p> +<p>Geesten bukken niet onder zoo geringen last!</p> +<p>Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van +dit alles!</p> +<p>Kalm en ernstig—’n glimlach misstond er niet +by!—zette zy haar kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar +op die bovenkamer iets te véél... welnu, er zou +méér geschieden, elders of hier!</p> +<p>Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning...</p> +<p>Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de +natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort +komen omdat haar feiten òpraken.</p> +<p>Aventuur op aventuur! Is ’t u te veel? Ei, ziedaar... ’n +nieuwen schok!</p> +<p>Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dàn +’n nieuwen takel aan de koord geslagen... ze kan +méér dragen, méér heffen, en knappen zal ze +niet!</p> +<p>Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst +met ’n orkaan!</p> +<p>En ze glimlacht!</p> +<p>Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet +B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet!</p> +<p>Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze.</p> +<p>Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al +gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe +vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den adem +van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken.</p> +<p>De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde +voor ’t gelukken der menschenkennige kunstjes van <span class= +"pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span>juffrouw +Laps. En ik verzoek hem uit-bestwil, z’n deel te nemen van die +kalmte.</p> +<p>Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer +daarvan!</p> +<p>Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was +’t slagen zéker?</p> +<p>Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor ’t goede dan +de verleidbaarheid van ’n halfwassen jongeling, al zy het dan dat +de zoetigheid van Fockink’s likeurtjes, en de nog zoeter drang +van gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het +booze!</p> +<p>Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden +“val”—och, arm!—blyft het misschien de vraag, +of ’t Fancy de moeite waard wezen zou de wapens aantegorden in +’n stryd van zoo weinig belang? Dat... “booze” was +maar <i>ordinair</i>.</p> +<p>Wanneer ze ’t <i>doet</i>, geschiedt het waarschynlyk uit luim +alleen. Want... luimig is ze. Luimig als ’t spel, als ’t +weder, als de wereldgeschiedenis, als alles wat òns luimig +toeschynt omdat ze dom zyn, beginnertjes maar in de moeielyke studie +van ’t <i>rerum cognoscere causas</i>!<a class="noteref" id= +"xd19e1463src" href="#xd19e1463" name="xd19e1463src">1</a></p> +<p>En àls nu eens onze Fancy—uit zoogenaamden luim +dan!—mocht blyven versmaden ’t belaagd jongetje by-tyds de +hand te reiken, àls...</p> +<p>Juffrouw Laps was ’n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me, +lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan +volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling ligt aan +de vermeende eischen van ’t boekmakers-ambacht. Sedert +onheugelyke tyden gebruiken de heeren van ’t +<i>métier</i>, dergelyke zaakjes als hoofd-katastroof. ’t +Afgezaagd: “<i>en ze viel!</i>” is de lievelings-kataklysme +tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen.</p> +<p><i>Ze</i>, ja<span class="corr" id="xd19e1480" title= +"Bron: .">,</span> <i>ze</i>! Want in-verband met de duurte der +voedingsmiddelen, en de daaruit voortspruitende behoefte aan ’n +“fatsoenlyk huwelyk<span class="corr" id="xd19e1486" title= +"Niet in bron">”</span>—ik erken volmondig die behoefte, +doch alleen: “<i>omdat uwe harten boos zyn</i>”—is +’t vallend voorwerp gewoonlyk ’n stumperige +“zy.”</p> +<p>Welnu, die “zy” begaat ’n fout als ze valt. Men +moet niet vallen. Al vinden de lezers—die de zaak hardschreeuwend +afkeuren!—zoo’n “val” allerplezierigst, en +’t onmisbaar element in ’n “mooi” boek: <i>men +moet niet vallen!</i></p> +<p>En wanneer by uitzondering de valler ’n “hy” is +...</p> +<p>Minder pikant, omdat de <i>maatschappelyke</i> pozitie daardoor niet +aan ’t wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed +ongeschikter voor den “handel” geworden zyn wanneer-i +z’n jasje had uitgetrokken, en z’n... vestjen er by!</p> +<p>... als er ’n “hy” valt...</p> +<p>Wèl<span class="corr" id="xd19e1509" title="Bron: .">,</span> +dan heeft-i ’n fout begaan, ’n Mensch <i>moet niet +vallen</i>. Hy heeft beter dingen te doen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span></p> +<p>Doch—“hy” of “zy” +dan—<i>leugen</i> is ’t, zulke nietigheidjes voortestellen +als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis!</p> +<p>Dààrtegen protesteeren Jezus en ik.</p> +<p>Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó +makkelyk komt men niet in de hel! Zóó ligt is de taak van +den Satan niet! Dat mocht-i willen, de oude stumpert!</p> +<p><i>Leugenachtig</i> dus is die triumfelyke voorstelling van ’t +kwade. Zoo overdryven kwakzalvers ’t gevaar van ’n lichte +ongesteldheid, om hun poeiertjes aan-den-man te brengen.</p> +<p>En <i>leugen</i> is ’t ook uit ’n aesthetisch oogpunt, +als men van zulke armzalige gegeventjes alleen, ’t zedelyk schoon +of de leelykheid eener figuur wil laten afhangen.</p> +<p>Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps ’n handje te helpen +in haar plannetjes—’t staat aan my!—om te doen in +’t oog springen dat m’n heldje, zóó gevallen, +nog altyd redelyk wel tot stáán kan worden gebracht. Maar +ik heb ’t recht niet, m’n Fancy vóórtegrypen, +die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook, dat zy +me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen dat zulke +valgeschiedenissen...</p> +<p>Met... dàt, kan men goed zyn, of goed worden.</p> +<p>En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat!</p> +<p>Vlek is <i>vlek</i>, bezoedeling is <i>bezoedeling</i>: geen genade +voor de minste afwyking van de wetten der <i>zedelyke logika</i>...</p> +<p>Zóó immers wordt “deugd” by denkers +genoemd?</p> +<p>Maar die zedelyke logika zou verkracht worden door de ongerymde +machtsverheffing van ’n zweertje tot kanker.</p> +<p>’t Is lasteren van de deugd, haar <i>by-uitsluiting</i> te +zoeken in ’t vermyden van zulke mis... greepjes.</p> +<p>En we doen aan de ondeugd te veel eer, als we haar vervloeken +<i>pour si peu</i>!</p> +<p>Goddank, er zyn—’t geringe niet +minachtend—verhevener dingen te bejagen!</p> +<p>Goddank, er zyn—zonder de minste vergoelyking van +pekelzondjes—vreeselyker zaken te vermyden!</p> +<p>De te grypen eerekroon in ’t strydperk der Mensheid, hangt +hóóger. En wel is ’t jammer dat zooveel mislukte +gladiatoren krom groeiden door de opgedrongen hebbelykheid om steeds te +bukken naar den lagen prys dien ze deelen met ’n eunuuk.</p> +<p><i>Excelsior</i>, heeren schryvers en lezers en deugdwetgevers en +onthoudingpreekers, en verdere gladiatoren in miniatuur!</p> +<p>Komaan, moralisten, al hàd nu eens onze Fancy geslapen dien +nacht, of al wàre ze ’s morgens ontmoedigd weggeklept naar +’t hof van Wouter’s moeder, om daar de treurmare te brengen +dat prins Upsilon gestruikeld was...</p> +<p>Zou ze niet met ’n strenge vermaning zyn teruggezonden naar +’t zoo ontydig verlaten strydperk? Liep ze niet +gevaar—zyzelf nu, de wachtster!—veranderd te worden in +’n zandkorrel, wegens al te grove miskenning van haar plicht? +<span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name= +"pb30">30</a>]</span></p> +<p>Er hoorde moed toe—krankzinnigheid +liever!—dáár aantekomen met de boodschap:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der +geesten:</p> +<p class="line">’t Hemelsche Ryk heeft ’n eind ... maak +voor uw meerdere plaats!</p> +<p class="line">Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, +godbetert,</p> +<p class="line">Met ’n <i lang="la">compositum +mixtum.</i><a class="noteref" id="xd19e1594src" href="#xd19e1594" name= +"xd19e1594src">2</a> van vleipraat en Fockink’s likeur!</p> +</div> +<p>Wat de geesten zouden gelachen hebben!</p> +<p>Wanneer Fancy aldus gesproken had, zou zy inderdaad +één element van bederf dat den vyand ten-dienste stond, +hebben overgeslagen. De fleemery met het verrassend jonkmanschap miste +niet allen grond. Wouter was inderdaad opweg om ’n jonkman te +worden. Misschien wàs-i ’t al. Wie hem dit kwalyk neemt, +moet ook afkeuren dat z’n bovenlip begon te roepen om... den +barbier wel niet, maar om de schaar toch.</p> +<p>—Zoodat ik maar zeggen wil, dat je nooit die steeg moet +passeeren. Als je-n-’n kind was, zou ’t geen kwaad kunnen, +want ’n kind heeft geen erg. Maar <i>jy</i>!</p> +<p>Zeker, <i>hy</i> moest “erg” hebben! En z’n +jeugdig kneveltje was er volstrekt niet tegen om “erg” te +krygen. “<i>Al wat van zelven wast, behoeft men niet te +zaaien!</i>” zei Kamphuizen. Onze hovenierster liet het daarop +niet aankomen, en zaaide zoo hard ze kon. Zelfs was ze niet afkeerig +van ’t begieten.</p> +<p>—Laat my je nu reis inschenken...</p> +<p>Wouter dronk.</p> +<p>En ... Fancy?</p> +<p>Ze glimlachte!</p> +<p>Allerlichtzinnigst voor ’n hofdame uit het gebied der +geesten?</p> +<p>Toch niet!</p> +<p>—Hoe vind je nu dàt likeurtje?</p> +<p>Wouter erkende...</p> +<p>Fancy, Fancy!</p> +<p>Wouter erkende dat-i smaak vond in de <i>parfait-amour</i> uit de +steeg die-n-i niet passeeren mocht omdat-i te groot geworden was om +zich welstaanshalve te onthouden van “erg”.</p> +<p>En ’t winkelmeisje van Satan schonk hem nog eens in. De +glaasjes waren zoo klein, zei ze, ware notendoppen! Nu ja... doppen van +zeer groote noten dan.</p> +<p>—En, je moest er wat by eten ook, m’n allerbeste +jongen—gut, ik heb altyd zooveel van je gehouden—dat +’s zoo gezond by ’n likeurtje!</p> +<p>God-vergeef-’m-de-zonde, Wouter begon te eten ook! Nog +’n oogenblik, en hy zal zich thuis voelen, àl te +thuis!</p> +<p>Fancy, ben je blind?</p> +<p>—En trek jy gerust je jasjen uit, m’n lieveling! Je moet +denken, we zyn hier onder ons beidjes.</p> +<p>Een koninkryk voor ’n nieuwen vloek, o goden: onze Wouter trok +waarachtig z’n jasjen uit! <span class="pagenum">[<a id="pb31" +href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span></p> +<p>Fancy!</p> +<p>—Heelemaal met ons beidjes, zieje!</p> +<p>Fancy, ben je doof?</p> +<p>—En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je +zoo’n lieve beste jongen bent...</p> +<p>Fancy... deern!</p> +<p>Wouter schikte by.</p> +<p>Wie dáár niet wanhoopt, moet geen hoop te verliezen +hebben!</p> +<p>Och neen!</p> +<p>Ik zeg juist andersom: wie dáár wanhoopt, had nooit +behoorlyken grond voor z’n hoop!</p> +<p>“Maar, eilieve... dat is de ware echte oude: <i>zal-i, +zal-i-niet</i>-litteratuur!”</p> +<p>Ja, lezer! In stipt-<i>letterlyken</i> zin, ja! Maar overigens?</p> +<p>Meent ge dat ik Wouter in den hemel helpen kan, zonder hem te leiden +langs àlle paden die men moet doorworstelen om daar +aantelanden?</p> +<p>Dacht ge dat hy ooit den rang die hem by geboorterecht toekomt, +weder zou kunnen innemen zonder in ’t leger der Menschheid als +rekruut te hebben dienst gedaan van de patroontasch af?</p> +<p>Mocht iemand, in-weerwil hiervan, aanmerking maken op Fancy’s +leiding, dan ligt de schuld aan hem. Het lage bestààt. +Wie ’t loochent, liegt even misdadig als de miskenner van +’t hoogere, van ’t goede, want zonder laagheid is er geen +hoogte denkbaar.</p> +<p>Niet in de schildering van dat lage ligt de fout, de fout ligt in +’t <i>sierlyk aankleeden</i> van ’t gemeene, en vooral in +’t <i>belangryk maken</i> van onnoozele lapsische platheid.</p> +<p>Hoort ge nog altyd niet, hoe Fancy schatert van lachen over ’t +veldtochtje van haar stumperige vyandin?</p> +<p>De nietigheid van zulke zaakjes rechtvaardigt zoo’n wyf niet. +En ook onze kleine man liep gevaar... schuldiger te worden dan +geoorloofd was, zelfs aan de nuchterheid van ’n kind.</p> +<p>Want ieder moet geoordeeld worden naar den maatstaf dien-i omdraagt +in z’n eigen gemoed, en Wouter voelde heel goed dat-i zich bevond +op... onfatsoenlyk terrein. Zóó ongeveer zoud-i de zaak +gekwalificeerd hebben, als-i genoopt ware geworden z’n indruk te +vertolken in ’n woord.</p> +<p>Maar... dit zeer betrekkelyk schuldbesef verheft de zaak, <i>als +zoodanig</i>, niet tot ’n wereldberoerende kalamiteit, tot +’n <i>casus diluvii</i>! Och, wat zouden we weinig droge jaren +hebben als er ’n god was die regenplassend toornde over +zùlke ... kostschooljongensvergrypen!</p> +<p>Nogeens, juffrouw Laps wàs ’n slecht schepsel. Om +’t beoogde feit niet zoozeer, maar... ze veroorloofde zich zulke +feitjes te beoogen omdàt ze nu eenmaal ’n slecht schepsel +was. Godsdienst, vochtmenging, zittende levenswys, en ’n tal van +dusdanige ziekten meer, zouden kunnen worden aangevoerd ter verligting +van schuld. <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name= +"pb32">32</a>]</span>Ik kan me zelfs ’n zéér hoog +standpunt denken, vanwaar zou mogen worden gekonkludeerd tot finale +vryspraak.</p> +<p>Maar op dàt standpunt plaats ik me nu niet, heden niet! Ze +was inderdaad ’n slecht schepsel, en daarmee voor ’t +oogenblik: uit! Of zou men misschien...</p> +<p>Ik beweer vandaag alleen dat ze ... niet zeer byzonder was. Niet +zeer buitengewoon. Niet zeer belangwekkend. Geen kunstenares van +eersten, noch zelfs van eenigen rang. Geen exploitatrice van ryk +terrein. Geen hóóggeplaatst ambtenaresje van den +Duivel...</p> +<p>Och, in myn oog zou ’t mensch zoo weinig kontritie behoeven om +recht te hebben op ’n goedig: “uw zonden zyn u vergeven, ga +heen en... <i>arbeid</i>!”</p> +<p>Want, lezer, er zit veel luiheid onder de oorzaken van zulke +afdwalinkjes. Menigeen toont zich wat wulpscher dan noodig en behoorlyk +is, omdat-i te weinig te doen heeft, of te ... denken.</p> +<p>Misschien had juffrouw Laps de “deugd” van ons kereltje +met rust gelaten, wanneer men in-plaats van met God, Israël en +hysterische theologie, haar pover zieltje gevoed had met... gedachten. +Wasschen, schuren, boenen, is ook goed. Jazelfs, ’t verstellen +der onderbroeken van ’n pastoor.</p> +<p>Wat Femke rein en gezond bleef by de bezigheid die skabreus zou +hebben toegeschenen aan besmette zieken!</p> +<p>Ziek, ziek ... ziedaar ’t woord! Juffrouw Laps was ziek!</p> +<p>Hoe is ’t mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest +naar den waren naam van haar kinderachtig slechtheidje! Dit was dom en +verschoold van me. De lezer bedenke dat ik veel boeken heb gelezen. +Toch beloof ik beterschap, en als blyk van berouw verbind ik my +ter-zyner-tyd ziekteverschynsels <i>van erger soort</i> te schetsen. Ik +zal me die laten leveren door Feith, dominee Hasebroek, en meer lui van +dergelyk allergodzaligst kaliber. Die voorbeelden zyn van ’n +aard, dat men byna achting zou gaan voelen voor juffrouw Laps. De lezer +heeft immers opgemerkt dat ze haar “God” wegliet by de +zaak? Geschiedde dit uit schaamte? Uit diskretie? Uit besef van +overbodigheid? Uit vermoeienis van ’t gehuichel? Uit gebrek aan +bedrevenheid in toonzetting, en vrees alzoo +voor—vermeenden—wanklank? Hoe dit zy, in al haar geknoei +had het schepsel de verdienste der <i>Sancta Simplicitas</i>. Ze +theologizeerde er niet by, en poogde niet Wouter in den waan te brengen +dat-i dezen of genen “Heer” ’n pleizier deed door +’t uittrekken van z’n jasje. Dit, of zooiets, trachten die +andere verlokkers wèl! Blyvende erkennen dat ons Lapsjen aan +zeer ziekelyke aandoeningen leed, wordt het waarlyk tyd eens voor-goed +de symptomen te leeren kennen die den geneesheer in-staat stellen +lichte verkoudheden te onderscheiden van kwaden droes, huiselyke +namiddagkoortsjes van... pest!</p> +<p>Wouter, overigens... <i>goed</i>, of althans niet volstrekt ziek +nog, zou ’r geen grein boozer om geworden zyn, al ware... de +likeur van den hoogstberoemden Nederlander Fockink nog ’n graad +of wat sterker geweest. <span class="pagenum">[<a id="pb33" href= +"#pb33" name="pb33">33</a>]</span></p> +<p>Hierom zeker veroorloofde zich de guitige Fancy te lachen. En ze +wrong zich nog altyd de handen in ’t minst niet, zy die toch blyk +gaf van strengheid, door zich verstoord te toonen over Wouter’s +<i>félonie</i> van den vorigen dag!</p> +<p>Fancy was, en <i>is</i>... liberaal!</p> +<p><i>Te</i> liberaal?</p> +<p><i>Voyons!</i></p> +<p>Beste lezer—ik bedoel: gy die onder al m’n lezers de +minst onoprechte zyt—stel u eens op ’n plaats waar zeer +veel menschen voorbygaan. En houd boek!</p> +<p>Tel, weeg, meet en noteer de tranenstroomen die al dezen +voorbygangers langs wang en kleeren gudsen. Tel de jaren gewrongen +handen, de dozynen wanhopighedens, de duizenden gescheurde +opperkleeren, de legioenen opengereten boezems...</p> +<p>Verzamel eens al de asch die de voorbygaande dames en heeren zich op +’t hoofd strooiden sedert den misstap van de bekende soort, die +eenmaal voor elk hunner de traditioneele “eerste” +was...</p> +<p>Komponeer vertwyfelings-hymnen uit al ’t geween, ’n +<i>de profundis</i> uit het gekners der tanden...</p> +<p>Bevolk ’n zoölogisch muzeum met al de wurmen die ’t +gezelschap inkommodeeren met hardnekkig knagende onsterfelykheid...</p> +<p>En dan...</p> +<p>Zeg eens, minst-onoprechte lezer, vertoont zich niet, by de +statistiek van al dien berouwjammer, onze aarde als ’n +vóórhel? Als ’n pleisterplaats van verdoemden?</p> +<p>Toch kan en moet al die zoo zorgvuldig opgezamelde ellende slechts +gevolg zyn van nederlaagjes als die waarmee Wouter bedreigd werd, van +krizes als waaraan hy was blootgesteld.</p> +<p>Want... zulke krizes en zulke nederlagen <i>bestaan</i>! Ze liggen +in den aard der dingen, en laten zich zoomin vernietigen—’t +kinderachtig wègdenken helpt niet!—als ’n atoom of +’n zon. Zoomin loochenen als wiskunstige waarheid.</p> +<p>Wie nu by zoodanige mensch-inspektie al de genoemde akeligheden +<i>niet</i> ontwaart, wie <i>niet</i> stuit op de sporen die +“zonde” nalaat, op zùlke sporen van zùlke +zonden...</p> +<p>Want er zyn anderen wier hoogtreurige beteekenis ik <i>niet</i> +ontkennen mag, helaas!</p> +<p>Wèl, hy moet erkennen dat Fancy groot gelyk had de zaak +luchtigjes optenemen, en niet den minsten last te geven tot het +<i>ilico</i> op-stapel zetten van ’n goferhouten ark, van-binnen +en van-buiten bepekt met pek.</p> +<p>Onder ons gezegd—en niet gebleven, naar ik hoop!—het +komt me voor, dat de god van <i>Genesis VI</i> zich kleingeestig +aanstelde, en dat het z’n eer niet te nà zou geweest zyn +ter-school te gaan by Fancy.</p> +<p>Maar sterk wàs de likeur, dit is waar!</p> +<p>En dat Wouter er meer van dronk dan goed was—voor z’n +maag vooral!—is ook waar. <span class="pagenum">[<a id="pb34" +href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span></p> +<p>Hy verloor dan ook iets van z’n bedeesdheid, en antwoordde +een-en-ander op de praatjes van juffrouw Laps, die hiermee zeer in haar +schik was, al bleek er dan ook telkens dat zy en haar kleine gast niet +uit denzelfden sleutel zongen.</p> +<p>Dat zou straks wel beteren, hoopte ze.</p> +<p>Van-tyd tot-tyd dacht Wouter aan de eigenlyke reden van z’n +komst, of althans aan wat daarvoor was opgegeven. Z’n gastvrouw +scheen alle dieven en moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, +en spreidde by Wouter’s herinnering daaraan, ’n dapperheid +ten-toon, die hem alleraangenaamst was. Want... de zyne was +geweken.</p> +<p>’t Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische +kontinuïteit van z’n aandoeningen even licht opnam als de +gevaren van z’n slecht gezelschap.</p> +<p>—<i>Ik</i> zou ze... denk je dat ik bang ben voor ’n +kerel? zei juffrouw Laps. In ’t geheel niet! Voor geen drie! Voor +geen tien! Voor de heele wereld niet! Ik zou ze...</p> +<p>Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefde <i>hy</i> niet te... +zouwen.</p> +<p>Daar ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel +kind.</p> +<p>—Blyf jy hier, riep ’t wyf, <i>ik</i> ga kyken, +<i>ik</i>! Denk je dat ik jou wil laten slaan of steken of vermoorden, +m’n jongen ... dat nooit! Wie aan jou komt, komt aan my ... aan +<i>my</i>, hoorje, dàt zullen ze ondervinden!</p> +<p>En ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom +ergens ’n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in +’t donker alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. +De rollen waren omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begon +<i>en quenouille</i> te vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de +jongen zou schut en wering zoeken onder haar voorschoot.</p> +<p>—Maar, juffrouw ...</p> +<p>—Zeg jy gerust Kristien... want zóó hiet ik. Jy +mag gerust Kristien tegen me zeggen.</p> +<p>Dit durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele +vokatief.</p> +<p>—Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan?</p> +<p>—Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel. +De-n-afspraak was dat je hier zou blyven... ontbyten.</p> +<p>Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert +’n uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was +om te rillen!</p> +<p>—Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal ’n +kermisbedje voor je maken, daar ... in dien hoek! Want, zieje, als ik +alleen ben—ik, als vrouw, weetje—met al die dieven en +moordenaars, dan wordt ik zoo... griezelig.</p> +<p>Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo +streelend gelast werd...</p> +<p>Hy weifelde... <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" +name="pb35">35</a>]</span></p> +<p>Zy hield aan...</p> +<p>Hy begon...</p> +<p>Men bedenke dat het kind beneveld was!</p> +<p>O Fancy! Liberalismus is ’n goede zaak, en na de bemoedigende +statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan zou +al...</p> +<p>Maar toch... <i>franchement</i>, Fancy, is ’t niet jammer van +den jongen?</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e1463" href="#xd19e1463src" name="xd19e1463">1</a></span> = het +kennen van de oorzaken der dingen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e1594" href="#xd19e1594src" name="xd19e1594">2</a></span> = +mengsel.</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Dit hoofdstuk is gekopieerd uit ’n oud Register der +handelingen en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld. +<i>(De lezer kan staatmaken op meer.)</i> ’t Verhaal van <i>Klaas +Verlaan</i>, den “<i>Amstelhavenknecht</i>.” Geleerde +verhandeling over voetzoekers. Juffrouw <i>Laps</i> wikt, Fancy +beschikt.</p> +</div> +<p>Om van Fancy’s spinsel en borduursel iets te leeren begrypen, +is ’t noodzakelyk eenige uren terug te gaan.</p> +<p>De lezer herinnert zich dat er dien middag ter uitspanning van de +hooge personaadjes die Amsterdam vereerden met ’n bezoek, +’n hardzeilery zou worden gehouden op den Amstel Juffrouw Laps +had reeds de goedheid dit aan ons en de Pietersens meetedeelen, en +tevens dat de zaak mislukt was door ’n onhoffelyk gebrek aan +wind. Ze had de waarheid gezegd. Hopen wy dat deze uitspatting geen al +te nadeelige gevolgen moge gehad hebben voor ’t evenwicht van +haar ziel.</p> +<p>Het was dien dag inderdaad bladstil. De mannen van ’t vak +beweerden “dat er geen zuchtjen aan de lucht was.” Wie zich +anders uitdrukte, werd voor ’n landkrab gehouden.</p> +<p>Het plezier-roeien was nog niet in de mode—de mode had +ongelyk, want het is ’n flinke mannelyke oefening—doch al +ware dit anders geweest, Amstelboeiers zyn niet op roeien ingericht, en +andere geschikte vaartuigen waren niet by-de-hand, om nu niet te +spreken van ’t gebrek aan eelt in de handen van de +liefhebbers.</p> +<p>In dit opzicht dan toch waren onze grootouders nog lamlendiger +fatsoenlyk dan wy. Ze dachten er zelfs niet aan, dat zoo’n +matrozige inspanning ’n vermaak wezen kon zonder de minste schade +voor deftigheid, en meenden al heel wat ferms uitterichten, wanneer ze +als halfleege meelzakken met den schoot in de hand in ’n +stuurstoel lagen te dutten. De wind moest by die gelegenheden al het +werk doen, en had dus eigenlyk alleen aanspraak op ’t +plezier.</p> +<p>Maar de wind deed nu eenmaal dien dag z’n werk <i>niet</i>. Hy +scheen elders bezig, en floot misschien onzen tegenvoeters ’n +spotdeuntje voor, op al de gefopte potentaten die tusschen Ouwerkerk en +Amsterdam heen-en-weer pauwden in stof en hitte.</p> +<p>Ja, ’t was gloeiend heet. Koningen en prinsessen zweetten als +menschen. De <i>joujoux de Normandie</i>—’t speel- en +groettuig der <i>beau-monde</i> van dien tyd—klommen al trager en +trager by hun koordjes op. Nu, dit stond zoo kwaad niet, want de goede +toon <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name= +"pb36">36</a>]</span>schreef voor, dat ze zeer langzaam stegen, en zich +aanstelden alsof ze moeite hadden de hand te bereiken die ze had laten +vallen. Dat, of zoo-iets, heette: <i>morbidezza</i>. De beweging der +vingers, die ’t kleine rukje moest meedeelen waardoor ’t +stygen werd te-weeg gebracht, behoorde onmerkbaar te zyn. Dit gold voor +gratie, bekwaamheid, verstand, en zelfs by-mangel aan beter, voor +genie.</p> +<p>Sommige kroniekschryvers beweren dat de oude puistige Paltsgravin +’n groot gedeelte van ’t <i>prestige</i> in hofkringen, dat +haar inderdaad niet kon worden ontzegd, te danken had aan de handigheid +waarmee ze wist omtegaan met den <i>joujou de Normandie</i>. Volgens +Stuart Mill was zy de uitvindster van den zoo beroemden +horizontaalworp, en ’t is niet geheel-en-al onmogelyk dat zy ook +in ’t bezit was van ’t geheim om ’t belangwekkend +speeltuig loodrecht omhoog te werpen, en zeer langzaam te laten dalen +langs de door ’n onnaspeurlyke oorzaak gespannen koord. Maar deze +byzonderheid vereischt bevestiging. Stuart Mill heeft de wreedheid +gehad te sterven voor-i den Hollanders heeft voorgezegd wat ze hiervan +te denken hebben, en alle kans op licht is dus afgesneden.</p> +<p>Dat ook de zeer hooge geboorte van de Paltsgravin meewerkte aan den +invloed dien zy uitoefende op alle Europesche hoven—op +één na, want de edelste zaak heeft haar +tegenstanders!—mag waar zyn, maar toch... haar virtuoziteit op +den <i>joujou</i> was en bleef hoofdzaak.</p> +<p>En ten-onrechte! Want men wordt geboren zonder dat men ’t +helpen kan—dit was zelfs met de Paltsgravin eenigermate het geval +geweest—terwyl er tot het wel besturen van ’n paar +palmhouten schyfjes aan ’n koord, natuurgaaf en oefening noodig +is. Vorsten en prinsen weten dit wel, en maken er dikwyls gebruik van. +Me dunkt ik hoor ’n koning zeggen:</p> +<p lang="fr"><i>Ma toute bonne, vous qui avez la main si +légère, ne pourriez vous pas me faire +l’amitié de flanquer à la porte les trente mille +hommes que mon diable d’... allié vient de loger dans ma +capitale?</i></p> +<p>Of:</p> +<p lang="de"><i>Ach, du meine liebe Cousine, wie du göttlich +chouchouirst! Auf und nieder ... nieder und auf! Wenn du einmal unsern +sehr verehrten Vetter mit Usurpationsminen, Kaiserliche Majestät, +so am Kördelchen hieltest und chouchouirtest?</i></p> +<p>Nu spreekt ’n prinsje:</p> +<p lang="de">—<i>Auf Ehre, Durchlaucht sind zum küssen +adorable! Nur der Respekt widerhält mich ... auf Ehre!</i> Clotho, +<i>ich beehre mich Ihr Sclave zu sein.</i> Lachesis, <i>Ihrer +geschichtlenkenden Hand empfehle ich mein Schicksal! Schaffe mir den +Erbprinzen vom Halse, o</i> Athropos! <i>Schicke den... +unbescheiden-frühergeborenen nach Italien, ins Pfefferland, in den +Krieg, in... Cytherëischen Vergnügungen, womit eine so +gescheute</i> Parke <i>wie Durchlaucht, Lebenskördelchen +abschneidet... zum Entzücken, verehrungswürdigste</i> Parke +<i>Durchlaucht!</i></p> +<p>Zoo spraken welopgevoede prinsjes van dien tyd. Laf was het, en heel +mythologisch, o ja! De mythologie is weg, maar de lafheid is +<span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name= +"pb37">37</a>]</span>hier-en-daar gebleven. Er bestaan inderdaad +tegenwoordig hooggeboren personaadjes die niet de minste konversatie +houden over schikgodinnen, en toch de moeite van ’t aanhooren +niet waard zyn. Meer nog. Zelfs sommige laaggeborenen veroorloven zich +zoo’n leegte. Ik heb kooplieden gekend jazelfs werkluî, die +praten konden als ’n... prins nà den bloei van de +salon-mythologie. Maar we zyn nu met vorstjes bezig. Alzoo:</p> +<p>Een prinsesje spreekt:</p> +<p lang="de">—<i>Liebe mütterliche Cousine... aber nein, so +geschickt wie du... nie da gewesen! Mit dèm Händchen +könntest du mir ganz bequem ein halbdutzend fette Provinzchen aus +dem Deutschen Reichsmaraste zur Morgengabe zusammen fischen, +Cousine!</i></p> +<p><span class="corr" id="xd19e1993" title="Bron: n">’n</span> +Sterveling van lager soort:</p> +<p lang="de">—<i>Königlich-Kaiserliche Hoheit, ich sehe, +staune und... schweige! Wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit nur +beliebten... Gottes Erdreich wurde sich pflichtsschuldigst freuen wenn +Königlich-Kaiserliche Hoheit geruhten es gnädiglich +balanziren zu wollen auf Königlich-Kaiserliche Hoheit’s +göttlichen Fingern! Ich schweige gehorsamst, doch... dass eine +Ober-geheim-küchen-ceremonienmeisterstelle vazirt, ist +unterthänigste Wahrheit.</i></p> +<p>Enz. Enz.</p> +<p>Al deze menschen logen ’n beetje. Maar hun praatjes waren +minder dom dan ’n oppervlakkige beoordeelaar meenen zou. Want ze +bereikten dikwyls hun doel. Die laatste aanbidder, byv. kreeg inderdaad +’n aanstelling by ’n <i lang= +"de">königlich-kaiserliche</i> hofkeuken. Wat wil men meer?</p> +<p>Overdreven verwondering over den invloed van de Prinses, zou +’n blyk van onkunde wezen. Want al reike nu de historische kennis +van den lezer niet toe om hem te doen raden welke persoonlykheid ik +bedoel—men weet reeds dat ze roode puistjes in ’t gezicht +had, en ik voeg er nu by dat ze gewoon was te slapen tusschen lakens +van hollandsch linnen: dit is <i>iets</i>!—welnu, al kent men +haar niet, toch mag ik verwachten dat ieder wete hoe macht, aanzien en +invloed gewoonlyk gegrond zyn op kleinigheden. Misschien zou er eenige +verwondering te-pas gekomen zyn wanneer ik m’n Paltsgravin had +voorgesteld als verdienstelyk<span class="corr" id="xd19e2014" title= +"Bron: .">,</span> of als bekwaam in belangryker zaken dan ’t +op-en-neerwippen van ’n <i>joujou</i>. Haarzelf lieten zulke +kwestien volkomen onverschillig.</p> +<p>Een ruiter naderde haar koets.</p> +<p>—<i>Eh bieng, zjefalier, n’est-ze-pas qu’il fait +affreussemang chaud dang ze pays?</i></p> +<p>—<i>Wie K. K. Hoheit befehlen.</i></p> +<p>—<i lang="fr">Ch’étouve!</i></p> +<p>—<i lang="de">Zu dienen.</i></p> +<p>—<i lang="de">Und wo steekt denn unsere kleine wilde Katze? +Ist sie hinten? Ist sie vor? Wo ist sie?</i></p> +<p>De “chevalier” werd door ’n toedringende +volksmenigte van de koets gescheiden. Dit beviel hem wel. Vooreerst +was-i uit de oude <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" +name="pb38">38</a>]</span>school, en hy durfde zich niet wagen aan +’t duitsche hoffransch van de Palatine, waaraan-i +<i>admirablemang</i> wèl deed. Ten-tweede bezat-i te veel +<i>routine</i> van nieuwer school, om gaarne te antwoorden op de vraag +naar de “wilde kat.” Dit katje namelyk was ’n zeer +superlatief-<i>K. K. Hoheit</i>. De halfbakken hoveling mocht dus niet +te snel verstaan wie er bedoeld werd, en durfde zich evenmin schuldig +te maken aan niet-verstaan. Een groep welwillende zangers kwam +z’n verschrikte diplomatie te-hulp:</p> +<div class="lgouter" lang="fr"> +<p class="line">“Amour à la plus belle,</p> +<p class="line">Honneur au plus vaillant...</p> +</div> +<p>Ja, ja, lezer, er is ’n tyd geweest, dat de kracht van +hollandsche jenever—amsterdamsche proef—zich openbaarde in +fransche romances. Of onze straatzangers dat refrein precies uitspraken +en zongen naar de bedoeling van den auteur, van <i>de</i> auteur, +liever...</p> +<p>De Paltsgravin scheen dit te ontkennen. Met haar <i>joujou</i> riep +zy ’n zeer elegant jongmensch van ’n jaar of achttien tot +zich; dien zy in haar nabyheid ontdekte. De jonge ruiter groette +<i>ganz rittermässig</i> met z’n karwats terug, en drong +door de menigte heen.</p> +<p>—<i lang="fr">Ecoutez, mein Prinz! Das Pöbel singt la +changsong de la Reine! Oh, mong Dié, quelle +pronongziaziong!</i></p> +<p>—<i lang="fr">Vous avez l’oreille si délicate, ma +Cousine!</i></p> +<p>—<i lang="de">Ang férité! Aber, Prinz, sagen Sie +mir ’nmal, wo ist denn Ihre Prinzessin Schwester, mein +Waldkätzchen?</i></p> +<p>—<i lang="fr">Ma foi il y a plus d’une heure que je ne +l’ai vue! Elle s’amuse peut-être là-bas, au +village d’Awercric. Qui sait si elle n’a pas passé +l’eau. Vous savez, Palatine, qu’elle n’a pas +l’habitude de se gêner...</i></p> +<p>Nu ja, dit wist de Paltsgravin. Dit wist ieder die ooit de eer had +het prinsesje van naby gade te slaan, en de lezer zal er ook iets van +te zien krygen, <i>parole d’honneur</i>!</p> +<p><i lang="fr">Honneur au plus vaillant!</i> schreeuwde nu weer +’n troep al te opgetogen Nederlanders, en onze Paltsgravin reed +op-nieuw ’n oogenblik onverzeld. Van-tyd tot-tyd harkte zy met +haar speeltuig dezen of genen “<i>kavalier</i>” naar zich +toe, en knoopte dan ’n gesprek aan, dat echter telkens door de +volte werd afgebroken.</p> +<p>Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van +’t woord “<i>kavalier</i>” te rymen op: +“duitsche manier” in welk geval ’t niet +“ruiter” beteekent, maar ’n “heer van den +hove” ’n <i>hoffähiger gentleman</i>, ja misschien +zelfs by-uitsluiting: ’n <i>edelman</i>. Niet zonder deernis met +de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen dat er by de +zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy ’t dan dat in dit +geval de “<i>kavaliere</i>” werkelyk tevens ruiters waren. +Nu ik toch aan ’t uitleggen ben... ’t woord: +“harken” is van my. Ik nam de vryheid daarmee alleraardigst +te zinspelen op den befaamden horizontaalworp met den +<i>joujou</i>.</p> +<p>De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het +kon niet anders, om de volte.</p> +<p>Bovendien, de souvereinen verkeerden in ’n ziekelyke bui van +“<i lang="de">Volksthümlichkeit</i>.” De mode van den +dag bracht ’n misselyke neerbuigings-manie <span class= +"pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>mee, en +de meeste rangmenschen overdreven de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg +filantropie, gelyk wat vroeger de hoepelrokken, en later +<i>crinolines</i>, <i>vryen-arbeid</i> of <i>chignons</i>. +Rousseau—die beter wist, of althans beter weten kon—had de +afgezaagde theorie van “<i>ce bon peuple</i>” op frazen +gezet, en wie te arm was om gedachten te bezitten op z’n eigen +hand, neuriede die frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die +luidjes niet. En dit is nòg zoo.</p> +<p>’t Spreekt vanzelf dat dit instemmen met den deun van den dag, +gewoonlyk ver van oprecht was. Binnen de wanden der staatsie-koetsen +heette dat “goede Volk” zeer dikwyls doodeenvoudig: <i>la +canaille</i>, ’n kwalificatie die wel niet geheel juist was, maar +toch niet verder van de waarheid afweek dan de zoetemelks-praatjes van +Rousseau.<a class="noteref" id="xd19e2155src" href="#xd19e2155" name= +"xd19e2155src">1</a></p> +<p>Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde +betreft, vergeten we nooit dat ook “<i lang="fr">ce bon +peuple</i>” geen grein oprechter is dan de meest geveinsde +Machiavel. Al wat men van ’t Volk zeggen kan, is dat het evenmin +pozitief valsch is. Het schreeuwt “vivat!” en denkt... niet +juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal.</p> +<p>By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met +m’n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich +schuldig aan ’n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer +benadeelde. Niemand strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. +En onze Paltsgravin was de laatste die op ’t denkbeeld komen +zou—’t was zoo warm!—dat deze speciaal-vorstelyke +manifestatie aan de feestelykheid ontbrak.</p> +<p>Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van +zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door +’n lakei op ’n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat +z’n zuster—<i>’t Waldkätzchen?</i>—hem +’n boodschap had gezonden uit “<i>Awercric</i>.” +En:</p> +<p>—<i lang="fr">Palatine, auriez-vous par hasard quelques +douzaines de frédérics à me prêter?</i> +vroeg hy.</p> +<p>—<i lang="fr">Che parie que z’est pour elle!</i></p> +<p>—<i lang="fr">Si!</i></p> +<p>—<i lang="fr">Elle fait donc angcore l’angrachée, +che pangse!</i></p> +<p>—<i lang="fr">C’est possible! Mais en tout cas, il ne +faut pas la laisser dans l’embarras. Dieu sait dans quel +gâchis elle vient de se faufiler. Je n’ai qu’une +bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez!</i></p> +<p>Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad +te-boven in K. K. Hoogheid. En ’t “boschkatje” was de +verloofde van ’n Grootvorst die volgens alle menschelyke +berekening keizers tot lakeien hebben zou. De +Paltsgravin—”<i>Oh, mong Dié! Oh, mong +Dié!</i>”—was dus wel genoodzaakt haar eeredame te +gelasten aan Prins Erik ’n goudbeursjen overtereiken. Deze gaf +’t <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name= +"pb40">40</a>]</span>den lakei, die ’r mee wegreed zoo snel de +volte gedoogde.</p> +<p>Prins Erik’s zuster had inderdaad geld noodig. Ze speelde +Voorzienigheidje. Wat zy eigenlyk met de geleende som uitvoerde, weet +ik niet, maar zeker is ’t dat de dankbaarheid—d. i. de +betuiging van die aandoening—haar wat druk werd. Ook drongen er +zeer veel menschenvrienden toe, die haar ruimer gelegenheid wilden +verschaffen tot het voortzetten van haar liefhebbery, dan goudbeursjen +en gezond verstand toelieten.</p> +<p>We zullen maar aannemen dat er den vorigen dag te Ouwerkerk ’n +zware brand was geweest—men assureerde niet in die +dagen—of... ’n landman had al z’n koeien verloren aan +de veepest—Thorbecke was nog niet geboren om die onaangenaamheid +uitteroeien—of... ’n ongehuwde kraamvrouw kon geen plaatsje +krygen om uitterusten van haar zondige verlossing—de zedekundige +lezer weet misschien dat de “deugd” dit niet gedoogde in +Wouter’s tyd—of...</p> +<p>Hoe ’t zy, Prinses Erika had de een-of-andere weldadige +gekheid uitgericht, ’n soort van <i lang="fr">débauche</i> +waaraan ze zich zeer dikwyls tebuiten ging. Goed was ’t zeker +niet, maar er zyn erger ondeugden, en ik ken velen die ’t recht +niet hebben zulke karakterfouten te laken. Voorloopig hebben de +moralisten dringender arbeid dan ’t waarschuwen tegen fouten als +die welke den hoofdtrek uitmaakten in ’t karakter van prinses +Erika.</p> +<p>By deze gelegenheid dan had ze haar koets verlaten, en was van haar +gevolg afgeraakt<span class="corr" id="xd19e2221" title= +"Niet in bron">.</span> Om de menigte te ontwyken, die—juichend, +dankend en... vooral lastig—op haar toedrong, was zy in ’n +roeischuitje gesprongen, dat aan ’n steiger lag, en waarin +’n man zat te slapen of nagenoeg. ’t Was zoo warm! Het was +Klaas Verlaan, de “<i>Amstelhavenknecht</i>.”</p> +<p>De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers +berstten in lachen uit om ’t malle gezicht dat-i zette.</p> +<p>Er was waarlyk reden toe! Prinses Erika droeg ’n vuurrood +satynen kleed met ’n langen sleep dien zy echter—zoo-even +reeds by den brand zeker, of by de kraamvrouw, of by de +koeien—had opgeg...</p> +<p>—<i>Opgegeid</i>, noemde ’t Klaas Verlaan vele jaren +daarna, als-i de historie vertelde aan z’n kleinkinderen.</p> +<p>’t Was de <i>pièce de résistance</i> van +z’n ondervinding. Nu, sommigen hebben minder beleefd!</p> +<p>—Se sag er uit as ’n fonk, zeid-i, en ik doch werachtich +dat er ’n ster in m’n jol was gefalle, so flamde ze!</p> +<p>Komaan, we zullen Klaas Verlaan ’t woord geven, maar ik heb +geen lust z’n spelling te volgen. De lezer zal wel ongeveer weten +hoe de man moet gesproken hebben.</p> +<p>—Zóó vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte +leeren handschoenen tot den schouder toe. Eén er van ligt nog +altyd in ’n doosje by de Staten-overzetting. ’t Lykt wel +’n kinderkousje. Want haar vingers waren klein, maar ... kracht +had ze daarin, kyk! En <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" +name="pb41">41</a>]</span>op ’t hoofd ’n toren van poeier +... net ’n grooten sneeuwbal! Maar ’t gezichtje was lief, +dat moet ik zeggen!</p> +<p>En ik was ’n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist +waarachtig niet wat ik in m’n schuit had, en of ik moest vloeken +of <i>siveplé</i>-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor +ik recht wist hoe ik ’t had, pakt ze me-n-’n-riem, en zet +m’ flink tegen den wal, en zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou +by ’t uithalen, want het ding zat wel half-blads in den modder, +en ’t zóóg als de bliks... lager. Maar ze liet +’m steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven +we!</p> +<p>Maar ik was kwaad as ’n spin, en zei—met ’n vloek, +want ik vloekte nog in dien tyd—dat ik baas op m’n jol was. +Ja, dat zei ik.</p> +<p>—<i lang="de">Ich rudern!</i> riep ze. Want, kinderen, haar +hollandsch was miserabel. En ze greep naar m’n anderen riem. Maar +dáár was ik als de kippen by!</p> +<p>—Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken?</p> +<p>Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen +nemen, maar weetje wat ik zei? Ik zei: m’n vader is geen +breeuwer, zei ik, en ik hou m’n riem!</p> +<p>Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amste! te liggen draaien +als ’n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en +grabbelde-n-in haar tasch—’n fluweelen ding met gouden +knip, dat met ’n haak in haar middel zat—en ze haalde-n-er +’n stuk geld uit, en wees het me. Toen gaf ik haar den riem... om +’t geld, weetje, dat ze me wees, want, dacht ik, wat kan ’t +my schelen of de menschen lachen aan-wal? ’t Kon m’n dag +nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. ’t Zag er uit als ’n +dukaat, maar ’t ding was meer waard. Dat heb ik later gemerkt +toen ik ’t wisselde op den Vygendam... met al de anderen, want ik +kreeg er meer. Dat zal jelui hooren.</p> +<p>Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht +worden, en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik liet +haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest.</p> +<p>—<i lang="de">Rücken?</i> riep ze.</p> +<p>—Wrikken, riep ik. Kyk... zóó!</p> +<p>En ik wou ’t haar wyzen.</p> +<p>Maar ’t ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn +altyd tien roeiers te krygen tegen één wrikker.</p> +<p>Ik wees haar hoe ze d’r beenen moest zetten. Ze had +wit-satynen schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan ’n vuist, +maar ze liep er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als ’n +kievit zoo vlug.</p> +<p>Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder +kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik +m’n hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. +Gut, op vechten af!</p> +<p>Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik ’t vroeg, +riep ze: “<i lang="de">rücken, rücken!</i>” +<span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name= +"pb42">42</a>]</span></p> +<p>Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! ’n Mensch moet +toch weten waar-i heen wil!</p> +<p>We sukkelden stroom-af—meest gatje-voor!—en naderden de +Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m’n dukaat, en de +grap is uit. Maar jawèl!</p> +<p>Op-eens houdt ze met wrikken op—’t zweet liep haar by +droppels van ’t gezicht!—en leî den riem op den +doften. Toen wou ik ’t ding grypen, omdat ik ’n eind aan de +zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook alweer niet. Wat ze dan +eigenlyk wèl wou, kon ik eerst niet begrypen ... ik zal ’t +jelui maar zeggen, ze wou te-water!</p> +<p>Ik schrok er van! ’t Mensch was dóór en +dóór van zweet. Maar... ze <i>wou</i>! Er was niets aan +te doen. En ze hield weer zoo’n moffendukaat in de hoogte. Op den +Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor ’t stuk, en de man +zei, als ik er meer had, kon ik altyd by ’m te-recht. +Dáárvan is ’t zilver beslag op de +Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de waarheid vertel. Ook ’t +gouden ooryzer van m’n oudje—dat nu jeluî Grietje-meu +draagt—is van dien tyd.</p> +<p>Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek worden +<i>wilt</i>, of sterven, of rimmetiek krygen...</p> +<p>Ze trok ’r schoentjes uit, en ’r satynen kleed, en meer +nog. Maar ze hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. En ze gooide +haar pruik af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze +schudde-n-’t hoofd als ’n paard dat de wei ruikt. En ze +sprong... kyk! ik had nog nooit zoo-iets gezien... van ’n +vrouwmensch, weet jelui? Flink koppie-over!</p> +<p>Eerst was ik bang voor ’n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan +ik niet, en als ’t mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? +Maar ’t hoefde niet, want <i>zy</i> zwom wel. Als ’n eend! +Of liever als ’n paling, want ze kronkelde-n-onder m’n jol +door, en schoot weer op aan de-n-andere zy... als ’n dobber hoor! +’t Speet me toch evel dat ik niet ook zoo thuis was in ’t +water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo de gewoonte niet. +Zy was zeker uit ’n land waar de menschen niet zoo zindelyk zyn +als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan.</p> +<p>Maar dat tot dááraan toe! De jol dreef tegen de +jachthaven, en zy was er ook. Ik hielp haar op den steiger, en er stond +veel volk te kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m’n pyjekker +die in de jol lag, en sloeg zich ’t ding om de schouders. Toen +keek ze-n-even rond, zag ’n open deur van een der jachthuisjes, +en vloog er in. Net’n wilde kat.</p> +<p>Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar ik +durfde niet binnengaan, omdat het ’t huisje was van m’nheer +Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? Die zou ’t heel +kwalyk hebben genomen dat ik met zoo’n vreemd schepsel in +z’n jacht-huisje gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my +zoo familjaar omgaat, dat kàn—om den dukaat, +weetje—maar... m’nheer Kopperlith woont op de +Keizersgracht. Dàt scheen ze niet eens te <span class= +"pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name="pb43">43</a>]</span>weten. +Hoor eens, kinderen, wat opvoeding en fatsoen aangaat ... geen land +boven Holland, dat’s maar zeker!</p> +<p>Maar ... binnen wàs ze! En ik durfde-n-’t bruggetje +niet over, met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, +en die fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik.</p> +<p>En daar stond ik!</p> +<p>De menschen van de brug riepen: “dat is ’t huisje van +m’nheer Kopperlith, denk er om!”</p> +<p>Ja, dacht ik, daar denk ik wèl om, maar wat zal ik doen? +Juist begon ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m’n +dochter Geert kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al +dood is...</p> +<p>Maar toen was ze-n-’n knappe jonge meid van zoowat achttien. +En ze zei:</p> +<p>—Vader, laat ’r in òns huuske! Daar kan ze zich +klaren.</p> +<p>Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie +van de Jachthaven. ’t Kon my m’n ontslag kosten als ik rare +dingen deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de +huisjes.</p> +<p>Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al +lang had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in ’t +oog. Ze vliegt ’t huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt +met ’r heen.</p> +<p>Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by +moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar?</p> +<p>Maar... ’n rare dag wàs het! O, ik ben nog lang niet +klaar! Weet jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of +z’n dag goed is, voor bedtyd!</p> +<p>Zoo eindigde Solon Verlaan ’t eerste hoofdstuk van z’n +verhaal. Het tweede en laatste zal <i>ik</i> vertellen, of vanzelf +laten spreken. We laten dus ’t boschkatje voor ’t oogenblik +onder de hoede van de aanstaande Geertje-meu die op zich genomen had +haar, of de zaak, te “klaren”. Nu, dit deed ze. Sint +Maarten was er niets by.</p> +<p>Op den ryweg langs den Amstel joelde ’t Volk maar altyd voort. +Van-lieverlede verdwenen de koetsen van de hooge heerschappen. Ook de +ruiters verveelden zich, en zochten vryer plaats dan die buurt op dat +oogenblik kon aanbieden. De menigte drong, zong, schreeuwde en dronk. +Om zich schadeloos te stellen voor ’t mislukte hardzeilen, begon +men hier-en-daar zich te vermaken met het afsteken van vuurpylen, die +den volgenden dag in de couranten tot getuigen werden geroepen van de +ontzaggelyke liefde des Volks voor alle mogelyke prinsen en +prinsessen.</p> +<p>Dit was onjuist. Het Volk houdt van vuurpylen omdat ze blazen en +proesten en sissen en glinsteren.</p> +<p>Ook zwermers—de Amsterdammers noemen ze +“voetzoekers.” Wie kan me zeggen: waarom?—ook +zwermers werden aangevoerd als bewyzen voor de zeer byzondere +gehechtheid des Volks aan alle Souvereinen... <span class= +"pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span></p> +<p>De Paltsgravin gelóófde het. Heusch!</p> +<p>Maar ze had ongelyk, precies als die kranten.</p> +<p>Want, lezer, de menigte houdt van voetzoekers, omdat ze sissen, en +vuur spuwen, en ’n harden klap geven. Dàt is de zaak! Men +kan er gerust alle grieksche wysgeeren op nalezen, op Solon Verlaan na, +die z’n heele wysheid heeft opgemaakt aan ’t bedenken der +diepzinnige spreuk van zoo-even.</p> +<p>Ook de zevenklappers... klapten. Ze spraken en getuigden van +dynastieke opwinding, en alle Souvereinen zaten met zevenvoudige +gerustheid op hun tronen...</p> +<p>Maar de Souvereinen waren wat voorbarig in die gerustheid. Want +’n zevenklapper maakt wel veel geraas, maar bewyst niemendal. Het +volk steekt ze niet af om trouw te zweren, maar omdat die dingen zoo +grappig heen-en-weer springen, en by elken sprong zoo’n +knetterend geluid geven. Al zeggen nu hierover de grieksche wysgeeren +geen woord—zeker omdat ook zy nu uitgeput zyn na de inspanning +hunner denkvermogens over de ware beteekenis van ’n +voetzoeker—toch is het zoo!</p> +<p>Veracht me niet te zeer, lezer, als ik u betuig dat de ware vreugd +die er uit vuurwerk te halen is, in ’t afsteken—zèlf +afsteken!—van zevenklappers en voetzoekers bestaat. Een +“groot vuurwerk” is ’n ellendig ding, ’n +menschonteerende foppery. Eigenlyk ’n schimp, ’n +beleediging, ’n <i>laesio dignitatis generis humani</i>!<a class= +"noteref" id="xd19e2370src" href="#xd19e2370" name= +"xd19e2370src">2</a></p> +<p>Om dit intezien, behoeft men zich maar ’n oogenblik te +verbeelden zoo’n vertooning bytewonen...</p> +<p>In eenzaamheid! Want als u iemand betrapt in de autopsie die ik +voorsla, zyt ge in zyn opinie ’n reddeloos verloren mensch. Uw +vrouw kon echtscheiding aanvragen, en zeker zou ze ’t proces +winnen voor elken rechter die verstand heeft van menschenwaarde.</p> +<p>Verbeeld u dan dat gy, in uw binnenkamer en alleen, zoo’n +vuurwerk aanschouwt. Roep, zeg, mompel of fluister—ingodsnaam +zóó zacht dat gyzelf uw eenige hoorder zyt—fluister +’t onvermydelyke: <i>hè...è...è...</i></p> +<p>En houd u ’n spiegeltje voor!</p> +<p>Dan, lezer—al waart gy de verfoeielykste +atheïst—ontsnapt u de verontwaardigd-religieuze verzuchting: +God, myn God ... hebt ge my dáártoe geschapen?</p> +<p>En by zoo’n gelegenheid voelt men—tenzy men onvatbaar +werd voor èlke gewaarwording—yverzucht op de intelligentie +van z’n paraplui of laarzentrekker!</p> +<p>Maar ... voetzoekers, zevenklappers! Men staat er niet by met den +open mond die by elke teekenoefening den leerling wordt aangeprezen als +de uitsluitende vertegenwoordiger van wèl geopenbaarde +<i>bêtise</i>! Men is handig by ’t aansteken. Er is gevaar +als ze haperen. Men <i>werpt</i> ze! En... snel, snel ... +één sekonde te laat, ze bersten in de hand! +Allergevaarlykst! <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" +name="pb45">45</a>]</span></p> +<p>Eens namelyk heeft de traditioneele “iemand” die de +hoofdpersoon is van alle volks-akeligheden, zich door het te lang +tusschen de vingers houden van ’n zwermer, ’t even +traditioneele “groot ongeluk” op den ... hals gehaald, dat +... enz.</p> +<p>Och, hoe prettig is die angst. Hoe allerakeligst vermakelyk!</p> +<p>Helaas, pret en vermaak zyn afgeschaft! De stedelyke Regeeringen +verbieden zulke ruwe vermaken ... om ’t brandgevaar, sedert alle +huizen met pannen gedekt zyn. In den tyd der stroodaken kon die +vreeselyke losbandigheid oogluikend worden geduld. Maar nu?</p> +<p>En de andere gevaarplezieren! Hoe menige juffer kwam +thuis—byna zelfs kwam ze niet thuis—met ’n verbrande +jurk! Gilde ze niet van de pret? En ’n jongen—altyd +“de jongen die ook overal met z’n neus by moet +wezen”—had-i niet eens—<i>byna</i><span class="corr" +id="xd19e2408" title="Niet in bron">,</span> alweer—’n +volle lading in ’t gezicht gekregen? Was er niet gevaar +geweest—nogeens: <i>byna</i>—dat z’n oogen ’t +gelag te betalen kregen van die onbescheiden neus?</p> +<p>En... ’t <i>mikken</i> met zoo’n aangestoken voetzoeker! +Dàt is wat ànders dan ’n <i lang="fr">joujou de +Normandie</i>!</p> +<p>Ik weet—en betreur het van-harte!—dat er nog altyd +hier-en-daar menschen worden gevonden, die meenen zich te vermaken met +schyfschieten, ’t ouwevrouwigste plezier dat men kan uitdenken, +’n naaischoolige parodie op ridderlyke wapenoefening. ’t Is +waarachtig niet dáármee, dat men op Scyros zou hebben +uitgemaakt of Achilles ’n jongetje was, en of-i z’n +opvoeding ontving in ’t pensionaat van Chiron!</p> +<p><i>Zündnadels</i>, <i>Beaumonts</i>, <i>Chassepots</i> zyn +verachtelyke voorwerpen. Ze spreken niet mee. De kogel die zich zoo +onnoozel laat voortdryven uit de buis van die dingen, is eigenlyk te +dwaas om in z’n eentje de parabool te beschryven die de +artilleristen van hem vorderen. Men zegt dat er projektilen geweest zyn +die hun weg vergaten, en zoo slaafs zich hielden aan de <i>routine</i> +die ze meenamen uit den loop ...</p> +<p>Sakkerloot, ziedaar ’t geheim opgelost van de verregaande +ongekwetstheid en welvarendheid der geslagen legers! Die menschlievende +kogels zyn op-reis in den... <i>aether</i>, en willen +<i>aërolith</i> spelen op deze of gene planeet, waar men nog dom +genoeg is aan “aërolithen” en “aether” te +gelooven.</p> +<p>De voetzoeker—hoeden af, lezer!—geeft den drommel van +zoo’n bekrompen loops-opvatting. Hy heeft karakter, en volgt +z’n eigen <i>senie</i>... zou juffrouw Pieterse zeggen. Hy leeft, +en kiest z’n weg. Hy spuwt vuur, en deinst voor ’t +<i>recul</i> van z’n eigen strydlust. Hy kampt om ’t +verloren terrein te herwinnen, en wisselt van zwaartepunt, en wendt +z’n grilligen loop, en kronkelt als ’n vliegende lintwurm. +Hy schryft z’n naam in gloeiende krullen, en vecht tegen den +luchtdruk, en sliert al duiklend voort, en braakt arebesken. En waar-i +was, keert-i weer, als iemand die nog wat te zeggen heeft. En waar-i +niet was, komt-i aanrollen, blazend, blakend, brandend, schroeiend, +sissend, schetterend ... altyd verrassend door nieuw-uitgedachte +<span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name= +"pb46">46</a>]</span>huppeling, altyd verschrikkend door vreemdluimigen +sprong, altyd boodschapper van ’t onverwachte, maar altyd de +drager ook van ’n herhaalde opwekking tot gillend plezier.</p> +<p>En de zevenklappers! ’t Is waar, ze vuurden niet zoo prettig, +en gingen aanvankelyk bedaarder hun weg. Maar men was zekerder van +z’n worp! En ... éénmaal ’n openstaand +venster ingekeild, werden ze wakker en roerig. Dan klapten zy, en +sloegen, en sprongen als toornige duiveltjes, voltigeerden links-rechts +op-en-neer door de kamer, kris-kras-kruis op de tafel, tegen den +spiegel, achter de schilderyen, tusschen de stoelen, onder bed en sofa. +Ja, soms dansten ze—sarkastische demonen!—de kaars +uit...</p> +<p>De Archimedes die de evolutien van ’n rechtgeaarden +zevenklapper weet te berekenen, moet nog geboren worden. Dit spyt me +niet erg, omdat ik voor ditmaal aan ’t zeer byzonder effekt van +’n eerste uitbersting genoeg heb. Ze had plaats naby +Wouter’s linkerwang, juist op ’t oogenblik toen juffrouw +Laps hem daarop een kus wilde geven: haar <i>Rubicon</i>!</p> +<p>Heel aangenaam zou ’t Wouter nog altyd niet geweest zyn +wanneer ’t haar gelukt was die omineuze rivier overtesteken, maar +’t blyft de vraag of-i daarna kracht, besef of afkeer genoeg zou +hebben overgehouden om zich te verzetten tegen finale verovering.</p> +<p>De geestige zevenklapper won hem den gevaarlyken tweestryd uit. Wat +die prinses Erika mikken kon!</p> +<p>Juffrouw Laps had haar zondige lip gebrand, en riep:</p> +<p>—Heere Krrristis, wat’s dàt?</p> +<p>Heel veel anders viel er dan ook by die malle gelegenheid niet te +vragen.</p> +<p>Wat het wàs?</p> +<p>Wèl... ’n brokstuk uit het “<i>Register der +Handelingen en Besluiten</i>” van Fancy. Ze hield zich bezig met +het verevenen van kansrekening, en de lezer wordt uitgenoodigd, als by +’n vuurwerk, te blazen: +<i>hè...è...è!</i></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e2155" href="#xd19e2155src" name="xd19e2155">1</a></span> Idee +1149 besluit M. met de overweging, dat <i>de massa</i> noch goed noch +slecht is.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e2370" href="#xd19e2370src" name="xd19e2370">2</a></span> = +schennis van de menschelyke waardigheid.</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door ’t achterste-voor +zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme, arme, arme, <i>Laps!</i> +Mysterieus standbeeld in de “<i>Gekroonde Jeneverbes.</i>” +Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht. <i>Wouter</i> krygt +’n zusje.</p> +</div> +<p>Fancy is groot, en wy beginnen haar eenigszins te begrypen. Dit +heeft ze op sommige andere godheden voor, want onbegrepen grootheid +baat niet veel, en kon eigenlyk zonder schade gemist worden.</p> +<p>Ja, ze was groot, en ... praktisch!</p> +<p>O, verrukkelyke teleologie van den romanschryver ... juffrouw Laps +mocht haar “sinnigheid” niet krygen!</p> +<p>En dáárom was ’t zoo warm, dien dag! En +dáárom had ze haar venster moeten opschuiven, wat anders +’n fatsoenlyk nederlandsch mensch—liever +stikken!—niet doet. Dáárom bleef de hardzeilery +<span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name= +"pb47">47</a>]</span>in den steek! Dáárom verveelde zich +Prinses Erika! Dáárom beging ze weldadighedens tot +tydverdryf! Dáárom kreeg ze lust in baden! +Dáárom joelde al dat volk—en zy mee!—met +voetzoekers en sissers de stad in, Weesper- en Amstelstraten door, naar +de Botermarkt...</p> +<p>Want op dat plein woonde de <i>Caesarine</i> Laps die ’n +zevenklapper in ’t gezicht moest krygen juist toen ze bezig was +met haar alleraardigst <i>venit, tetigi</i>, en... +“heere-krrristis wat is dat?”</p> +<p>Wat dit is, juffrouw Laps? Wèl, ’t is fantastische +doeleindenleer. Al die koningen, prinsen, prinsessen—en zelfs de +Paltsgravin met haar puistjes, <i>joujou</i> en hooge +geboorte—zyn op dien warmen dag door ’n hooger Wezen in de +stad gezonden om u in de wielen te ryden. Het is uw plicht dit te +gelooven... o, geloofster!</p> +<p>Ze geloofde het niet! En ze kòn het niet gelooven, want ze +wist er nog minder van, dan van al de andere dingen die ze voorgaf +zonder bezwaar te slikken. Het onweer op Sinaï was door den +“Heer” beschikt om de Joden aan ’n behoorlyke +reglement van policie te helpen, maar die nydige zevenklapper...</p> +<p>Ze vloog naar ’t venster. Wouter ook. Er bleek nu dat de +bedoeling van den haar en hem onbekenden artillerist niet boos geweest +was, want niemand lette op de nieuwe toeschouwers. Bovendien, ook +andere vensters raakten gaandeweg open en bezet, waardoor de aandacht +van ’t straatpubliek verdeeld werd. Er bleek uit niets dat men +zich om juffrouw Laps of haar gast meer bekommerde dan om elk ander die +toekeek. Zonder erg werd er rechts en links gebombardeerd, en onze +beide heldjes konden in alle kalmte waarnemen wat er op de straat +voorviel. Juffrouw Laps kwam de zeer gewenschte vergetenheid nog +te-hulp, door ’t licht uitteblazen—’n voorzorg die +door den overigens zoo byzonder intelligenten zevenklapper schandelyk +verzuimd was—en Wouter vermaakte zich kinderlyk by ’t +aanzien van de pret. Hy vergat z’n buurvrouw en haar opdringende +vriendelykheid, om naar ’t gewoel der menigte te kyken. Het +meedeelen van de hieruit voortvloeiende opmerkingen werkte op hem +ontnuchterend, en ook zy vond er onwillekeurig aanleiding in om zich +wat eenvoudiger voortedoen dan ze gewoon was. Ze praatte ditmaal zonder +“Heer” en liet de “genade” wat rusten. Zelfs +scheen ze—voor ’n oogenblikje maar, denk ik—haar +plannetjen optegeven. De nacht was nog lang, dacht ze +misschien.<a class="noteref" id="xd19e2523src" href="#xd19e2523" name= +"xd19e2523src">1</a></p> +<p>—Gut, hoe gek toch, dat al die menschen daar zoo heen-en-weer +dringen, zonder zelf te weten waarom, zeide hy.</p> +<p>—Och, ze hebben plezier in ’t zingen en joelen, en in de +voetzoekers ... kyk, daar vliegt er weer een, paf!</p> +<p>Klik-klik! antwoordde hierop ’n zevenklapper die z’n +domicilie koos tusschen ’n troep meisjes. Het gezelschap vloog +met vermakelyken schrik uit elkaar. Wel zeker, voor wat anders waren +die meiskes daar? <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" +name="pb48">48</a>]</span></p> +<p>—Al dat volk is dronken, zei juffrouw Laps, en ik wou dat ze +naar-huis gingen. Ik begin slaap te krygen... ’t is twee uur in +den nacht, weetje!</p> +<p>—Och, nog ’n oogenblikje! verzocht Wouter. Ik heb geen +slaap. Volstrekt niet! heusch niet!</p> +<p>Hy begon weer angstig te worden voor haar vriendschap, en hoopte +onwillekeurig dat uitstel hem de bondgenootschap van ’t +onverwachte brengen zou.</p> +<p>—Ik ben maar zoo bang, m’n lieveling, dat je kou vat aan +’t venster. Dàt is het maar! Want de nachtlucht, zieje, na +zoo’n heeten dag...</p> +<p>Volgt: al de bekende burgerluîs-praatjes over nachtlucht, +verkoudheid, rhumatiek en subietelyk doodgaan. Ze hadden nu evenwel dit +goede gevolg, dat Wouter z’n jasje weer aankreeg, ’n +verbetering van pozitie die hem straks zou te-pas komen. O, die +voorzienige Fancy!</p> +<p>—En zet ook je petjen op, m’n beste jongen. Ik wou voor +alle wereldsch goed niet, dat de nachtlucht je-n-in ’t hoofd +sloeg, want... dat doet-i soms. Kyk, daar vliegt er weer een!</p> +<div class="lgouter" lang="fr"> +<p class="line xd19e2547">“Amour à la plus belle,</p> +<p class="line">Honneur au plus vaillant...</p> +</div> +<p>—Waarom zingen ze niet liever hollandsch! Wat hebben wy aan +dat vreemde geseur? Begryp <i>jy</i> er wat van?</p> +<p>Wouter wist iets van de historie, en vertelde wat-i kon van den +“schoonen Dunois” die zoo byzonder veel Saraceenen +doodsloeg, en ter belooning trouwen mocht met de dochter van: +“<i lang="fr">le comte son seigneur</i>!” Dat was toch +plezierig in ouden tyd! Maar hoe beloonde men de ridders die al eenmaal +beloond waren? En kregen ze in die dagen nog ander traktement dan +’n bruid? En hoe maakten ’t de <i>seigneurs</i> die geen +dochter te begeven hadden? Welke seigneursdochter moest genoegen nemen +met ’n ridder die maar ’t meest Saraceenen had +doodgeslagen, op één na?</p> +<p>Wat al moeielyke vragen!</p> +<p>Juist begon hy z’n gastvrouw om wat inlichting over dit alles +te verzoeken, toen beider aandacht werd getrokken door zeker roepen, +schreeuwen en schelden dat van andere stemming getuigde dan de +in-eensmeltende geluiden van ’t gejoel. Er was +“ruzie.” In een der groepen werd niet meer gehost, maar +gevochten. Men verstond duidelyk de by zulke gelegenheden gebruikelyke +vloeken en verwenschingen.</p> +<p>Een verwarde kluw menschen, dichter op-elkaar gepakt dan de +overigen, schoof en seulde heen-en-weer al naarmate een der beide +partyen aan de winnende hand was. Vreedzame hossers golfden zingend +voorby de plek waar gevochten werd. De deelnemers aan den stryd werden +van liever-lede ter-zy gedrongen, en wel in de richting van een der +vele kroegen die de buurt zoo aantrekkelyk maakten voor ’n +publiek dat z’n verdriet over de mislukking der hardzeilery wou +verzetten. <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name= +"pb49">49</a>]</span></p> +<p>De twistenden, zelf gedrongen, drongen op hun beurt anderen. Men +hoorde hier-en-daar gillen en om hulp roepen. De nooit ontbrekende +zwangere vrouwen, en moeders met zuigelingen lieten haar angst niet +onbetuigd.</p> +<p>Het gedrang werd nu byzonder sterk in zekeren hoek, waar drie +stroomen dood-liepen en ’n vreeselyke botsing te-weeg brachten. +Daar namelyk lag ’n zeer populaire herberg, die ’t doelwit +scheen van ’n hossende volksverhuizing uit de Amstelstraat. De +tweede stroom vloeide uit de Utrechtsche straat op dezelfde kroeg toe. +En de sterkste persing ging uit van den vechtenden troep die, op-zy +geschoven door voorbytrekkende benden, almede in dezelfde engte +gedreven werd.</p> +<p>By ondervinding van zeer jongen datum wist Wouter wat het beteekende +zich in zoo’n gedrang te bevinden. Wie op den grond raakte, werd +vertreden. Wel was de kans hierop zoo byzonder gevaarlyk niet in de +kern der samenpakking—’t vallen was onmogelyk—maar +des te grooter aan den rand, waar kelders en holen zich gapend gereed +toonden alles inteslikken, wat hun in de kaken werd gedrongen. +Dáár kon men hals en beenen breken of liggend vertrapt +worden, in ’t midden slechts staande gesmoord. O zeker, die +opstopping naby de herberg was gevaarlyker nog dan die van den vorigen +avend in de Kalverstraat! Bovendien, daar was maar drukte, er werd niet +gevochten. En hier ...</p> +<p>—Krrristenzielen, riep juffrouw Laps, ik word er puur akelig +van!</p> +<p>Dit scheen ook met Wouter ’t geval. Op-eens greep hy haar arm, +en meende iets te zien, dat... iemand, die...</p> +<p>—Heel goed, m’n jongen, houd jy me maar vast! ’t +Is daar, zoo zondig als ik hier sta—’t eedsformulier was +zoo gek niet—’t is daar moord en doodslag in dien hoek!</p> +<p>Wouter sprak niet. Ook had-i geen besef zich te verzetten tegen de +overweldiging van z’n ... verleidster, of hoe moet het heeten? +’t Scheen nu wel of Afrika voor ’t caesarinnetjen +openlag...</p> +<p>—Is ’t niet of ze dol zyn? Houd jy je maar goed aan me +vast, en denk maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van +jou!</p> +<p>Och, hy had juist wat anders te denken gekregen dan aan z’n +“eigen Kristien!” Juffrouw Laps was eenige graden minder +gelukkig dan ze zich verbeeldde. Ze streelde hem, en hy liet haar +begaan, o ja, maar toch...</p> +<p>—Wees jy maar gerust ... och, lieve jesis, ’t kind is er +zoo ontsteld van! Aan jou zullen ze niet raken zoolang je hier bent ... +by <i>my</i>, weetje!</p> +<p>Hy kneep haar boven z’n kracht in den arm, en geen ander blyk +van leven gevende, stond-i overigens als versteend. En altyd die +ééne onverzettelyke blik, dat schynbaar wezenloos staren +op één punt...</p> +<p>—Trek ’t je niet zoo aan, m’n lieveling! Maar... +akelig <i>is</i> ’t! Zie je daar die meid wel, met ’r +noordhollandsche kap? Ik wou niet graag in ’r plaats wezen! En +jy? <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name= +"pb50">50</a>]</span></p> +<p>—Zy is het ... Femke! O God, o God, het is Femke!</p> +<p>En, Laps van zich afslingerend, die hem weerhouden wilde, vloog hy +de trap af, en stond weinig oogenblikken daarna in den diksten drom +vlak voor de herberg.</p> +<p>Hoe hy zoo spoedig dáár kwàm? Ei? En Fancy dan, +zyn ... <i>fancy</i>?</p> +<p>Had ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z’n jasjen aanhad? Wat +’n gekke historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw +Laps! Hoe zoud-i zoo’n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by +z’n moeder?</p> +<p>De zaak is dat-i lichaamskracht borgend van z’n +gemoed—en was <i>zy</i> dit niet?—zich als ’n razende +door de menigte wist heenteslaan.</p> +<p>Maar de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel +den man met den bonten muts en ’t schippersbuis, die hem vanboven +gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. Althans hy meende +bemerkt te hebben dat ze met <i>dien</i> man gearmd uit de Amstelstraat +gekomen was. En dit was ook zoo, maar:</p> +<p>—Is hier geen meisje met ’n noordhollandsche kap? vroeg +hy zoo duidelyk de vreeselyke drukte toeliet.</p> +<p>De man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen—dit deed +“iedereen” ook, en Wouter moest wel meedoen: ’t was +’n gezelschap Kaïns op groote schaal!—de man kon niet +antwoorden. Maar Wouter bemerkte dat-i zich moeite gaf de herberg te +bereiken, en maakte hieruit op dat z’n dame daarin gevlucht, of +althans, met of tegen haar wil dan, daar binnengestuwd was.</p> +<p>Hy raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en +stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra +’t jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was +dan buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets!</p> +<p>Ziedaar, lezer, ’t waar en onvervalscht relaas van de oorzaken +die Wouter heel in ’t begin van z’n loopbaan maakten tot +’n kroeg- en koffihuislooper. Gister in +“<i>Polen</i>”, heden in “<i>de gekroonde +Jeneverbes</i>”... daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door +’t een-of-ander geperst... ’t is te veel!</p> +<p>Maar hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke.</p> +<p>Hy meende haar te ontdekken heel achter in ’t niet groote +vertrek, op ’n tafeltje dat in ’n hoek stond. Zwygend, met +styftoegeknepen lippen, de armen over elkaar geslagen, en met iets als +uittarting in haar trekken, zag ’t meisjen op de menigte neer. De +kant van haar kap hing haar aan flarden in den nek—zy, zoo net +altyd!—en, erger nog, Wouter meende te bespeuren dat haar gezicht +bebloed was, het lieve, lieve, lieve gezicht van Femke!</p> +<p>Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit +behoefde ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar tafeltje. +Hy riep, maar ze hoorde niet.</p> +<p>Met onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de +aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy in-een: +ze wilde hem niet kennen! <span class="pagenum">[<a id="pb51" href= +"#pb51" name="pb51">51</a>]</span></p> +<p>—O God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik +verdiend voor m’n lafheid by de Holsma’s!</p> +<p>—Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je +huilen wilt, ga dan na je moeder!</p> +<p>Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet +verzetten. De aandrang by ’t buvet waar-i stond, klemde hem tegen +de jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in +’t oog te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen +van wrevel en smart vloeiden hem over de wangen.</p> +<p>—Wat doe ie dan in de drukte, zei ’t jeneverwyf, as je +d’r niet tegen ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet +getapt. Zet ’r ’n borrel op, jongen, of ga heen!</p> +<p>Lust of niet, hy had heel graag ’n “borrel” +besteld om z’n plaats te betalen. Maar—“daar-i thuis +altyd alles kreeg wat-i noodig had”—hy bezat geen duit, en +liep nu gevaar de deur te worden uitgeworpen wegens overmaat van +matigheid. Doch ook dit kon niet, want de persing aan de deur bleef nog +altyd even groot. Bovendien werd de aandacht der waardin afgeleid door +de drukte van ’t gevecht, dat al nader en nader kwam, en weldra +dreigde de kroeg te kiezen tot “operatie-bazis” zooals dit +in ’t <i>jargon</i> der krygskunde genoemd wordt. De ware reden +was dat elk der strydenden in ’t byzonder zich aan de slagen van +z’n tegenparty wou onttrekken door in de kroeg te vluchten. De +meeste “krygskundige evolutien” hebben van ouds-her geen +anderen grond.</p> +<p>Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog +altyd lag er dat spottende op haar gelaat; alsof ze zeggen wilde: wie +durft?</p> +<p>Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets +dan ’n verwyt aan hèm. Femke wilde hem niet kennen. Meer +of iets anders voelde hy niet!</p> +<p>Och, hoe gaarne had hy in ’t bywezen van al die menschen de +zolen van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de +vergiffenis, waarop-i wel geen aanspraak had—naar-i +meende—maar zonder welke hy niet leven kon!—</p> +<p>—Femke! riep hy, als ’t roepen heeten mocht, want het +geschiedde zoo zacht dat z’n stem onmogelyk tot het meisje kon +doordringen. Immers, er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren +ook, zy die zoo... wreed—nu ja, maar rechtvaardig toch—had +blyk gegeven van haar tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet +nemen, en nogeens riep hy, maar ’t was weer fluisterend:</p> +<p>—Femke! Femke!</p> +<p>Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en ’t +schippersbuis aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de +strydvoerende mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand +van z’n kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende +voorrechten der neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen +tegelyk.</p> +<p>Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in de +<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name= +"pb52">52</a>]</span>kroeg, dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, +z’n dame die vóór hem dat heiligdom bereikt had, +niet in den steek te laten, was Wouter niet duidelyk. Er bestond +’n <i>tertium</i> dat hy niet raden kon, maar dat volkomen bekend +is aan den alwetenden schryver die zich bereid verklaart straks den +lezer deelgenoot te maken van ’t geheim.</p> +<p>Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde +zelfs ’t verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om +zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van +z’n steunpunt afgerukt, want waar velen ’t zelfde begeeren, +is ’t verkrygen moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van +de anderen, omdat zy slechts betrekkelyke veiligheid zochten—en +jenever misschien—terwyl hy werd aangespoord door... nu ja, +’t nog altyd onbekende <i>tertium</i>.</p> +<p>Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i, +zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden +troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker +geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen, +zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand +durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot?</p> +<p>Op ’n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor +de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in ’t oog +te krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk +toe, Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z’n pogingen om +tot haar doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als ’n +verzekering dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond +daar als ’n godin der kalmte, of althans als ’n standbeeld +dat vastberadenheid kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van +de meening dat er geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het +uitdeelen van den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan +ieder die haar te na mocht komen.</p> +<p>En die glimlach! Over Wouter’s hoofd heen had de wreedaard +z’n weg genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper +bereikt. Want de man knikte terug...</p> +<p>—<i>Hy</i> heeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons +Petrusje. ’t Is toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is +en alle zonden straft.</p> +<p>Op dit oogenblik kreeg ’t wyf dat de kroeg hield, den +worstelenden schipper in ’t oog. Er bleek dat-i ’n goede +bekende was, want ze schreeuwde van achter de toonbank:</p> +<p>—Zoo Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, hè?</p> +<p>En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men +niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich ’n paar stappen +buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats +voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van +Wouter, in de nabyheid van ’t buvet te staan kwam.</p> +<p>—Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad! <span class= +"pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span></p> +<p>’t Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen +dat niemand zeker van z’n dag is voor bedtyd! Dit had ook Wouter +ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen in +den hoek geblokkeerd stond.</p> +<p>—Hebje-n-’n goeien dag gehad, vroeg ’t wyf. Met de +zeilery was ’t miesserabel, hè?</p> +<p>Klaas lei den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen +toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer +byzonders.</p> +<p>—’n Glas klare?</p> +<p>Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle gezonde +systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der zeer byzondere. +’t Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet gelukkiger +toen ze ’t onderzoek naar Verlaan’s wenschen +voortzette:</p> +<p>—Skille?</p> +<p>Ook niet!</p> +<p>—Rooie dan?</p> +<p>Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in ’t bepalen van +de soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy +’t hoofd, en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker +gesprek te komen dan de drukte toeliet.</p> +<p>“<i>Amour à la plus belle!</i>” galmde het buiten +de deur, en eenige heesche keelen binnen de kroeg trachtten +meetezingen.</p> +<p>—Weg met die moffeliedjes! schreeuwde een der gasten. We +benne-n-ommers hier allemaal Hollanders onder mekaar!</p> +<p>“<i>Wel ja, we benne Hollanders...</i></p> +<p>“<i>En al is ons Prinssie...</i></p> +<p>“<i>Sjt!</i>”</p> +<p>—<i>Ik</i> verkies nu te zingen: <i>al is ons Prinssie</i>! En +wie niet mee-doet...</p> +<p>De prinsman sloeg op z’n vry ongekleede borst. +Zóó, denk ik, zoud-i ieder slaan die niet meezong: +“<i>al is ons prinssie</i>.”</p> +<p>Misschien volgens de theorie van ’t onbewuste +meegaan—Wouter maakte weer bespiegelingen over +“massa”—de meerderheid werd op eenmaal hollands- en +zelfs prinsgezind. Met het verschil tusschen patriottery en keezigheid, +nam men ’t nu zoo nauw niet. Hoofdzaak scheen dat men zich op +eenmaal Hollander voelde, of goedvond zich zoo aantestellen. Het +“<i>Prinssie</i>” liep behoorlyk van stapel. Een der gasten +ging verder, en stelde ’n soort van toost in, op de zeer +vervroegde en buitengewoon langdurige ongelukzaligheid van “al +die fransche flikkers!” Met andere woorden, hy wenschte ze zonder +uitstel de bekende “eeuwige verdommenis” toe.</p> +<p>“<i>Hoerah!</i>”</p> +<p>—Ja, zieje, toen we nog Hollanders waren ...</p> +<p>“<i>Ja, toen we nog Hollanders waren!</i>”</p> +<p>—En onder de Republiek ...</p> +<p>“<i>Leve de Republiek!</i>” <span class= +"pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name="pb54">54</a>]</span></p> +<p>—<i>Toen</i> had je-n-’ns ’n hardzeilery moeten +zien! Maar nou!</p> +<p>“<i>Al is ons Prinssie!</i>” en: “<i>Leve de +Republiek!</i>”</p> +<p>—Onder de Republiek waren alle menschen gelyk!</p> +<p>“<i>Allemaal gelyk!</i>”</p> +<p>—Zoo’n koning, zoo’n prins, al die tirannen...</p> +<p>“<i>Weg met die tirannen!</i>”</p> +<p>—Ze benne geen haar beter als wy!</p> +<p>“<i>Dat’s waar! Ze benne geen haar beter!</i>”</p> +<p>—En ze zuigen ’t arme Volk uit!</p> +<p>“<i>Ja<span class="corr" id="xd19e2829" title= +"Bron: .">,</span> ze zuigen ’t Volk uit!</i>”</p> +<p>—En weetje waarom? Omdat jeluî—om nou ’reis +de gulle waarheid te zeggen—allemaal lamme... enz. bent!</p> +<p>“<i>Ja, ze benne-n-allemaal lamme</i>... enz.<span class= +"corr" id="xd19e2840" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>—Jelui buigt je nek onder ’t juk...</p> +<p>“<i>Juist! “Ze” buigen den nek onder ’t +juk!</i>”</p> +<p>—Als ’r ’n koning komt, of ’n keizer, of +’n prins, dan slaat de-n-angst jelui in de buik als +seneblade!”</p> +<p>“<i>Ja, de-n-angst slaat ze-n-in de buik as +seneblade!</i>”</p> +<p>—En, als jelui kerels was...</p> +<p>“<i>Precies, as “ze” kerels wasse</i>...</p> +<p>—Dan zou jelui...</p> +<p>“<i>Ja, dan zouwen “ze”</i>...</p> +<p>—’n Mensch is vry gebore...</p> +<p>“<i>We benne vry gebore!</i>”</p> +<p>—En ’t hollandsch hart... wàt zeg je daar, vrouw +Gooremest? Wàt? ’n dochter van... m’nheer...</p> +<p>Een allervreeselykst woord scheen den volksredenaar op de lippen te +besterven. Hy werd bleek.</p> +<p>—’n Dochter van... m’nheer...</p> +<p>—Wel zeker! Vraag jy ’t maar aan Verlaan.</p> +<p>De ontstelde jenever-Gracchus wendde zich vragend tot den schipper. +Deze knikte toestemmend.</p> +<p>—Is ’t waarachtig waar, Klaas? Wis en waarachtig? En +waarom heeft ze zich dan zoo... angekleed als ’n gemeene +meid?</p> +<p>—Och, ’t benne de spulle van m’n dochter Geert, +zieje. ’t Is ’n rykeluîs grap...</p> +<p>—Ah! Jongens... er uit, er uit! Moeder Gooremest wil slapen, +’n Mensch is niet van steen of yzer. Er uit, allemaal!</p> +<p>“<i>Weg met de tirannen!</i>” “<i>’n Mensch +is vry geboren!</i>” “<i>Alle menschen zyn +gelyk!</i>” “<i>Het hollandsch hart</i><span class="corr" +id="xd19e2909" title="Niet in bron">”</span>... enz.</p> +<p>—Sjt! Er uit, zeg ik je, er uit! Die... jongejuffrouw...</p> +<p>“<i>Wàt? Die meid? Wat zou ze?</i>”</p> +<p>“Sjt! Ze is de dochter van—maar mondje toe, +hoorje!—van... m’nheer—ja, hoe donder is ’t +mogelyk, niet waar?—de dochter van m’nheer... +Kopperlith!<span class="corr" id="xd19e2921" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>“<i>Op...de...kei...zers...gracht? Man, wat zeg je? Van +m’nheer... Kop...per...lith? Op de kei... +zersgracht?</i><span class="corr" id="xd19e2928" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>—Ja, wis en bliksems! Er uit! Er uit! <span class= +"pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span></p> +<p>“<i>Z’n... eigen dochter?</i>”</p> +<p>Alsof ’n behuwd-hoedanigheid de zaak minder verpletterend +gemaakt had!</p> +<p>—Z’n bloed-eigen dochter, zeg ik je! Maar... mondje toe, +dit begryp jelui! Er uit, er uit!</p> +<p>De hollandsche harten, onbuigzame republikeinen, onkreukbare +karakters, vrygeboren menschen met nooit gebogen nekken ... slopen als +geranselde honden de kroeg uit.</p> +<p>De uitvinding om z’n beschermeling te verheffen tot ’n +bewoonster van de <i>Keizersgracht</i>, bracht Klaas Verlaan meer +“moffedukaten” op, dan-i liefst aan z’n kleinkinderen +verantwoordde. En tevens komt ze den lezer te-hulp by ’t zoeken +naar zeker <i>tertium</i>, naar de oorzaak die den Amstelhavenknecht +zoo koppig maakte in ’t bestormen van die kroeg.</p> +<p>Wouter begreep minder van de zaak dan ieder ander, juist omdat hy in +den waan verkeerde zooveel meer dan anderen te weten van ’t +meisje dat daar op tafel stond. Toen-i den... gladgeschuurden duit zag, +dien Verlaan in de hand der kroeghoudster gedrukt had, en later +’n dergelyke manoeuvre met den Republikein...</p> +<p>Kopperlith? Kopperlith? Op de Keizersgracht? Femke op de +Keizersgracht? Maar juist by dien hoogen heer Kopperlith immers zou hy +overmorgen...</p> +<p>Z’n hoofd dreigde te bersten. Als-i op dàt +oogenblik...</p> +<p>Neen, denken kon-i niet. Misschien bleef hem nog eenig besef dat +hyzelf Woutertje Pieterse was, maar heel zeker is ’t niet. Voor-i +hieromtrent tot ’n onherroepelyk eindbesluit was gekomen, werd hy +in één greep met ’n paar anderen de deur +uitgeworpen door Klaas Verlaan en den hollandschen Republikein.</p> +<p>Wel zeker! Hy was niet beter dan andere stervelingen, en moest dus +plaats-maken voor de “bloed-eigen” dochter van +m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht.</p> +<p>De volte op straat was zeer gedund. Wouter bleef in de buurt van de +herberg die hem tot ’n tempel was geworden, om te zien waar +z’n godinnetje belanden zou. De braking was aan ’t bedaren. +Nog altyd evenwel werd er van-tyd tot-tyd iemand buiten de deur gezet +die, belust op de vreemdheid van ’t geval, nog zoo graag ’n +beetje had willen blyven om ’t wonder te zien. Men krygt niet +elken dag ’n “bloed-eigen” dochter van m’nheer +Kopperlith te aanschouwen.</p> +<p>Sommigen dan wilden zich aansluiten by ’t driemanschap +Verlaan, Republikein & Gooremest, om mee-opgenomen te worden in +aanspraak op de baten der veelbelovende ruwaardy. Maar ons trium-viraat +voelde zich sterk genoeg, en vond geen reden om ’t aantal +deelhebbers in de vermoedelyke vruchten van den arbeid, grooter te +maken dan noodig was. Menigeen die mee-schreeuwde: “er uit! er +uit!” ontving zelf ’n handtastelyke vermaning om ’t +voorbeeld by de les te voegen.</p> +<p>Eindelyk hield het uitwerpen van overbodige getuigen geheel op. +Juist toen Wouter zich verstouten wilde om door ’n spleet te +gluren <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name= +"pb56">56</a>]</span>van de gordyn aan de glasdeur, werd deze geopend, +en de Republikein trad er uit. Hy hoorde hoe Verlaan hem nariep:</p> +<p>—Dáár ergens op ’n hoek in de +Paardenstraat, weetje! Kyk nu maar eens niet op ’n daaldertje... +en klop ze maar flink op, en zeg aan den sleeper ...</p> +<p>Het woord: “sleeper”—een nu verouderd +amsterdamismus voor wagenverhuurder of huurkoetsier—gaf Wouter +’n licht van betwistbare helderheid. Dat de Republikein ’n +rytuig bestellen moest, was duidelyk, maar... Femke in ’n koets +of brommer? Of ... al was ’t maar in ’n sleê... +<i>zy</i>?</p> +<p>Hy wachtte. Op bespieden van het inwendige der kroeg, was geen kans +meer. Vrouw Gooremest had de blinden gesloten. Zou er nu ’n +bruikbaar licht over deze zaak opgaan uit die Paardenstraat?</p> +<p>Na lang wachten kwam er ’n rytuig aanrollen. De Republikein +sprong er uit. De deur van de kroeg werd geopend, en Klaas Verlaan +vertoonde zich met z’n vermeende juffer Kopperlith op den +dorpel...</p> +<p>—Femke, <i>ik</i> ben hier! riep Wouter, wild toeschietend, +<i>ik</i> ben hier! O God, o God, Femke, ga niet mee met die vreemde +mannen!</p> +<p>—Wat bliksem is er dàt nou weer voor een! schreeuwde +Verlaan, die Wouter by den kraag pakte en naar binnen trok. Wat mot jy? +Wat ben jy? Wat wil jy?</p> +<p>—Femke, ga niet mee met die vreemde mannen. <i>Ik</i> zal je +thuis brengen, ik, Wouter!</p> +<p>—Die jongen is niet wys, zei Vrouw Gooremest, laat ’m +los. Hy heeft hier al den heelen avend staan huilebalken als ’n +kalf, en geen duit verteerd. Nou dáárom niet... ik wil +maar zeggen dat-i niet wys is.</p> +<p>Wouter trachtte de hand van ’t meisje te vatten, en bemerkte +nu dat ze allerzonderlingst was toegetakeld. Van gelaat, hoofd, +schouders en gestalte, was niets te zien. Waarschynlyk had de gastvrye +Vrouw Gooremest haar familie-mantel voor dit doel afgestaan. Men doet +zoo veel voor ’n bloed-eigen dochter van m’nheer +Kopperlith! Toch was de edelmoedigheid van de ekonomische +jeneverprinses niet zóó ver gegaan, dat ze meer dan +één kaarsje had aangelaten, na ’t sluiten van de +eigenlyke nering. Dat armzalige nachtpitje had juist even genoeg licht +verspreid, om niet dezen of genen aan den misgreep bloottestellen +’n tafel of stoel in-plaats van overtollige gasten buiten de deur +te werpen. En nu...</p> +<p>Nu vlamde het zoo zonderling, en zoo onwillig, en zoo fantastisch! +En ook zyzelf stond daar zoo vreemd! En zoo spookachtig trilden de +omtrekken van die gestalte...</p> +<p>—<i>Bist du es</i>, Erich?</p> +<p>—Femke, Femke, ik smeek je-n-om-godswil, ga niet met die +vreemde mannen mee!</p> +<p>En, zich losworstelend uit den greep van Verlaan, wierp hy zich voor +haar neder, rukte den mantel open, greep hare hand, en bedekte die met +tranen en kussen...</p> +<p>—Wat <i>ik</i> je zei, riep Vrouw Gooremest, de jongen is +stapelgek! <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name= +"pb57">57</a>]</span></p> +<p>—Femke, nooit zal ik je weer verloochenen! Schop me, trap me, +dood me, maar... ga niet mee met die vreemde mannen!</p> +<p>—<i>Licht!</i> riep ’t meisjen op zeer gebiedenden toon, +en met vreemden tongval.</p> +<p>De Republikein nam ’t smeerkaarsje van de toonbank, en hield +het by de groep, zoodat de knielende gestalte van Wouter nagenoeg +zichtbaar werd. Het meisje staarde door ’n spleet van haar +mantelkap op hem neer, en zweeg, en verroerde zich niet, en scheen +natedenken, en trok de hand niet terug, die Wouter aan z’n lippen +geklemd hield...</p> +<p>Verlaan maakte een beweging als om den indringer wegterukken...</p> +<p>Maar zy, den vryen arm uitstrekkend boven Wouter’s hoofd, wees +den schipper terug, en zeide:</p> +<p>—<i>Mein Bruder!</i></p> +<p>—Ook alweer ’n bloed-eigen zoon dus van m’nheer +Kopperlith, mompelde de republikein. Wat die jongelui ’n rare +manier hebben om hun nachten doortebrengen!</p> +<p>De lezer begrypt dat-i deze oneerbiedige woorden niet luid worden +liet. Al z’n hoorders wisten waar de “bloed-eigen” +vader van die twee vagebondjes woonde, en dus: mondje-toe voor de +Keizersgracht! Men had al byzonder ongemanierd moeten wezen—of +geen republikeinsche Amsterdammer—om dit niet te begrypen.</p> +<p>Toen Wouter weer tot bezinning kwam, stond-i op straat. De brommer +was weggereden, met of zonder haar. Met of zonder die beide mannen. Dit +wist-i niet. Maar ’t bekommerde hem nu minder ... <i>Zy</i> had +hem haar broeder genoemd, ernstig, plechtig, boekerig, kerksch... dit +was hem genoeg!</p> +<p>—O, myn God, ik dank u, riep hy. Gy zyt goed en genadig en +vergevensgezind... o myn God, ik dank u!</p> +<p>en:</p> +<p>—Gut, ik wist niet dat Femke zóó spreken kon! Ze +moet het wel heel innig gemeend hebben... anders zou ze +“broêr” hebben gezegd, zooals we gewoon zyn.</p> +<p>En hy beloofde zichzelf, overmorgen schatryk te worden “in den +handel.” Schatryk, en... Koning alweer, om meer nog, +véél meer nog, van Femke te worden, dan haar broer...</p> +<p>Juffrouw Laps had eer van de les! Maar dit wist Wouter zelf niet, al +voelde hy geheel anders dan gister nog.</p> +<p>Voor ’t oogenblik was-i opgetogen met z’n nieuwen titel. +Hoe toch kwam zy aan zoo’n schoon woord? Zoo verheven? Zoo +Bybelsch? Zoo voornaam? Zy, zoo eenvoudig anders!</p> +<p>—Ik ben Femke’s broeder! juichte z’n hart, +en—hoe vermoeid ook—hy liep als op stelten, en verwonderde +zich dat-i ’t hoofd niet stootte aan de wolken. <span class= +"pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e2523" href="#xd19e2523src" name="xd19e2523">1</a></span> I. 1156 +behelst een archaeologische beschouwing over het hossen.</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen +door elken lezer dien ’t om voortzetting van de geschiedenis te +doen is. Alleen op ’t slot wordt de eentonigheid eenigszins +afgebroken door ’t zonderling lotgeval van ’n kruiwagen en +’n onbillyken droom, ’t eenige wat de uitgeputte auteur +ditmaal leveren kan.</p> +</div> +<p>Sedert eeuwen vernemen wy uit de boeken, dat we den morgenstond zoo +byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs +zóó ver, dat-i de opgetogenheid over ’t opgaan der +zon, aanbeveelt als graadmeter van de “deugd.” Wouter kende +dit axioma niet, en veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid +van heel andere vingers te droomen, dan de “roosverwige” +van Aurora. Hy dacht aan de hand die hy gekust had, en... menschelyk +gesproken, z’n “deugd” was er niet minder om.</p> +<p>Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z’n omgeving. +De volheid van zyn gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der +straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door +’t verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken +geleden, als omdat-i nog nooit op dat uur buitenshuis geweest was. +Egoïst als alle gelukkigen, kwam ’t hem heel natuurlyk voor, +dat al wat het leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken +voor zyn geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in ’t Heelal +slechts twee dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, +als ’n trouwende vrouw, haar naam by ’t huwelyk met die +ééne gewaarwording, met dat ééne gevoel: ze +gaat er in op.</p> +<p>Wouter’s oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op +de hoeken der straten. Z’n onverschillige blik las: +“<i>Botermarkt</i>” en: “<i>hier gaat men uit +porren</i>.” Ook kon-i te weten komen waar kousen te-koop waren, +of wagens te-huur, en wie ’n smid was, of ’n timmerman, +of... “in” ’t een-of-ander...</p> +<p>Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke’s hand +gekust! Welk verstandig wezen kon ’t in z’n hoofd krygen +dat er, na dàt evenement, iets aan gelegen lag of men op die +markt boter verkocht, of schoensmeer? Of die man “<i>uit +porren</i>” ging, of “in” effekten was? Hoe mal toch, +dat duizenden e|n duizenden op de wereld zich bleven aanstellen alsof +er niets byzonders gebeurd was! Zelfs de straatsteenen lagen daar +precies als naar gewoonte, en toch—wáár was +het!—hy had Femke’s vingertoppen gekust, en zy had hem +“broeder” genoemd!</p> +<p>’t Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien +zomernacht. Horatius had er ’n aardige illustratie by gewonnen +voor z’n <i>fractus illabitur orbis</i>. Ik geloof waarlyk dat +Wouter by zoo’n kataklysme zou overeind gebleven zyn, +en—voor ’t byna ondenkbaar geval dat-i notitie van de zaak +had genomen—hoogstens gevraagd hebben: of <i>zy</i> zich bezeerd +had?</p> +<p>Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z’n tyd is, +bekend zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydagnacht +naar oude gewoonte ’n zaterdag volgde, die ook alweer niet de +laatste van z’n soort is gebleven. <span class="pagenum">[<a id= +"pb59" href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span></p> +<p>Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze +Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman +dat-i “in” effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy +zich zoo gelukkig voelde.</p> +<p>Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het +gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van de vyf +laatste uren herhaaldelyk, voortezeggen, om verzekerd te zyn dat +nergens ’n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in +gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend, maar +toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers had +kunnen meenemen—de pink was genoeg geweest, die lieve +pink!—als tastbaar getuigenis van ’t gebeurde. Femke mocht +oppassen, als-i ooit weer haar hand aan z’n lippen voelde!</p> +<p>Doch neen, ook zonder zoo’n verslindende zorg voor ’t +bewaren van ’n tastbaar blyk... ’t was wáár! +Hy had haar hand gekust, zy had hem “broeder” genoemd. Geen +onverschilligheid van zon, straatsteenen, porders of effectenlui, kon +daaraan iets veranderen.</p> +<p>Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar +bent voor den triumf van ’t allerheerlykste. Die ongevoeligheid +zal niets veranderen aan het feit...</p> +<p>Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo +héél belangryk houden? En waarom toch! Had niet, lang +geleden reeds, diezelfde Femke hèm ’n kus gegeven, en toen +geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe broerschap? Eilieve, waarom +zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan de oude betrekking van +“vrindje” waarop hy altyd zoo had aangedrongen, en die hem +nooit geweigerd was?</p> +<p>Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i +redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de +kreditposten van z’n geluk voor—men bedenke dat-i “in +den handel” geweest was, en er overmorgen wéér in +gaan zou—en trachtte hoog gewicht te hechten aan de erlangde +vergiffenis voor ’t verloochenen.</p> +<p>Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i +sedert gister op dit punt ’n wyde schrede was vooruitgegaan, en +zelfs sedert z’n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog +geen vol uur geleden dreigde z’n gemoed te bezwyken onder +Femke’s verachting, en nu... nu...</p> +<p>Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig +geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van +zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z’n geluk, omdat +hy ’t niet begrypen kon.</p> +<p>De oorzaak zal wel hierin gelegen hebben dat-i slechts wist wat er +geschied was, en verzuimde zich rekenschap te geven van den samenhang, +zoowel der gebeurtenissen, als van z’n aandoeningen. Hy was als +iemand die den oogenblikkelyken barometerstand waarneemt, en daarby +vergeet het voorafgaande in rekening te brengen. Een door styging +bereikt standpunt heeft ’n andere meteorologische <span class= +"pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name= +"pb60">60</a>]</span>beteekenis, dan datzelfde standpunt als rezultaat +van daling. Gebeurtenissen, aandoeningen, en zelfs zedelykheid, zyn +onderworpen aan de algemeene wet der traagheid. Wie zich toelegt op +genezing van ’n fout, en ten-halve geslaagd is, staat hooger dan +’n ander die in gelyksoortige fout verviel en daarin afdaalde tot +hetzelfde peil. Wat by dezen gegronde reden geeft tot bezorgdheid, kan +in den ander gelden als hoopvolle verbetering. Iets dergelyks bepaalt +den graad van geluk en tegenspoed, of althans den indruk daarvan. En +slechts met dien indruk hebben wy te doen. ’t Was karakteristiek +van Wouter, dat-i—niet tevreden met z’n veronderstelden +rykdom—zich zooveel moeite gaf z’n kapitaal natetellen.</p> +<p>En de uitslag was niet volstrekt geruststellend. Hy wist de +by-omstandigheden niet aan elkaar te knoopen, die hem gelukkiger +maakten dan hy-zelf verklaren kon, doch welker invloed duidelyk kan +gemaakt worden voor ieder die niet zoo van naby in ’t gebeurde +betrokken is. Men ziet zichzelf niet, en geeft zich maar zeer gebrekkig +rekenschap van den samenhang der gebeurtenissen en aandoeningen die ons +buitengewoon gevoelig maken voor zekere indrukken. In elk ander +tydsgewricht van z’n leven, na àndere voorbereiding, op +’n àndere plaats, en te-midden van àndere omgeving, +zou ’t nachttooneeltjen in die vuile herberg, waarby Wouter +’n hoofdrol speelde, hem veel minder sterk hebben aangegrepen. +Tot zelfs de nawerking van Fockink’s likeur—zoo ontzenuwend +anders!—verhoogde het schynbaar of wezenlyk gewicht der zaak. +Juist de uitputting die op zuike opwekkingen volgt, had hem tot +buitengewone krachtsinspanning gedwongen, toen-i zyn Femke in gevaar +meende te zien. En op-nieuw voelde hy zich vernietigd na ’t +ondergaan der blyken van haar verachting. Wie dáár niet +bezweek, moest zéér veel veerkracht ontwikkelen, en deze +ontwikkeling zelf was ’n oefening in kracht. Na Fockink, het +dringen door de menigte! Na <i>die</i> inspanning weer, haar... +glimlach aan ’n ander, haar verachting voor hèm! Toen +had-i geschreid als ’n kinderachtig jongetje. En, nà deze +reeks van <i lang="de">Rückschläge</i> en <i lang= +"fr">défaillances</i>—ik zoek ’n goed hollandsch +woord voor de hier bedoelde moed-smoorende ontkrachting—na dit +alles hield z’n gebogen ziel spankracht genoeg over, om hem +wegteslingeren uit z’n donkeren schuilhoek en, neervallend voor +Femke’s voeten, haar te bezweren: “Femke, Femke, <i>ik</i> +ben hier... ik Wouter! Om-godswil, ga met die vreemde mannen niet +mee!”</p> +<p>Dàt was het! Dáárom voelde hy zich zoo +gelukkig.<a class="noteref" id="xd19e3133src" href="#xd19e3133" name= +"xd19e3133src">1</a></p> +<p>Wouter had het recht veroverd—’n recht dat zoovelen zich +aanmatigen zònder grond—dat hy zichzelf voor iets mocht +aanzien. En zonderling, zelfs het... kuiperytje van de oefenaarster had +hem goed-gedaan.</p> +<p>Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed of... +toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing ’n kind, meer +kind <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name= +"pb61">61</a>]</span>zelfs dan byna ieder die even ver als hy van +’t uur zyner geboorte verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort +geleden nog ... ’n kind in <i>alle</i> beteekenissen van ’t +woord.</p> +<p>Doch zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg, +die hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan ’n +“opvreter van Stad en Land.” Tot Wouter’s groote +verbazing voelde hy in zichzelf de kracht—en den lust +zelfs—die waarschuwing te trotseeren. Zeker was geen der +omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden dikwyls +“brutale bliksems” gezien, en konden niet weten dat Wouter +... nu ja, van ’n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i niet. +Toch had hy zich by die gelegenheid voorgedaan als ’n +persoonlykheid, eenigszins als ’n persoon... jazelfs—op +’n beetje na!—als ’n wezenlyke man.</p> +<p>Kort daarop was deze onthulling gevolgd geworden door ’n +beroep op z’n ridderlykheid. “Dieven, moordenaars, en... +’n vrouw in nood!” De gekste zotternyen die uit al die +boeken in z’n gemoed gezaaid waren, werden daar snel genoeg +verwouterd, om terstond voor-den-dag te treden als iets schoons: hy +durfde! Hy durfde, ja, maar... niet omdat-i moed had, o neen! Het +durven-zèlf trok hem aan. God en die zeven planken kunnen +getuigen aan hoeveel ridders hy z’n woord zou gebroken hebben, +wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet der belaagde onschuld. +Dat-i gedurende z’n heldentocht geleden had aan ontmoediging, is +waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem slechts gebakken +aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar. Zoo’n onthaal +werkt niet bezielend. Om ons ’t recht te geven, Wouter te +verdenken van... terugtrekkende krygskunde, zou men hem moeten hebben +waargenomen als z’n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe dit +zy, de jongen, of ’t kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd +getrokken als n man. En... juffrouw Laps—’n volwassen +persoon toch!—had hem als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er +bleek al spoedig dat-i haar welkomer was in z’n hoedanigheid van +ridder dan, byv. de oude Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had +hooren beschuldigen van verregaande onvolwassenheid. Ook had zy +verzekerd dat ze hem liever had dan Stoffel, ’n persoonlykheid +die toch nog altyd—waarheid bovenal!—’n paar duim +langer was dan hy.</p> +<p>Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven +zich in veel opzichten “groot” te voelen. Maar toch zou er +’n gaping bestaan hebben in z’n aanspraken op +volwassenheid, indien er niet méér geschied was. +Z’n zonderlinge gastvrouw—hoe afschuwelyk ook vroeger in +zyn oog—had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na +’t verlaten van haar woning bleven doortrillen in z’n +gemoed. Ze had hem geleerd dat-i man was, en mneer, of iets anders +ten-minste—’n màn!</p> +<p>Dit werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met +z’n gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in ’t +bevestigen van z’n mondigheid. ’t Was zeker al iets heel +schoons—en niet elk protestantsch handelsjongetje +gegeven!—te kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb62" href= +"#pb62" name="pb62">62</a>]</span>dienen als schild tegen dieven en +moordenaars, maar... dat àndere... o, lieve onbaatzuchtige +edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid aangetoond, dat +hy—hy, Wouter!—kon bemind worden als verloofde, als +bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de +minnaar in ’n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i +Femke lief, ook zóó—ànders ook, God weet +het!—maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de +oefenaarster in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over +z’n verregaande onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot +verdriet over den weg dien z’n pas opgedane wysheid al te haastig +insloeg. Had ze niet als ’n Virgilische by, honig vergaard voor +’n ander? Was ’t niet ’n pynigend: <i>sic +illae</i>—Femke!—<i>non mihi</i>?<a class="noteref" id= +"xd19e3162src" href="#xd19e3162" name="xd19e3162src">2</a></p> +<p>Zóó althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er +dan Virgilius niet by te-pas. Er was geen twyfel aan, dat juffrouw Laps +hem, met den vinger als ’t ware, gewezen had op ’n vroeger +onbekende plek in z’n gemoed, en tevens dat deze ontdekking +in-verband stond met z’n eerzucht zoowel, als met z’n +begeerte om te <i>weten</i>, en “het Lot uittedagen”. En +over dit alles lag de gloed—we moeten oprecht zyn!—niet van +z’n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte zinnelykheid +die hy natuurlyk met deze liefde verwarde ... zooals meer gebeurt, by +dokters en patiënten beiden.</p> +<p>Van dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy +zich tot den hoogmoed die by z’n nieuwen rang paste, naar-i +meende. Als ’n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o +allerlei! Dit, o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze +“maagd” was, en ook niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld +hebben met het malle woord <i>wulpsch</i>? Hy wist het nu, o goden, zoo +goed als Bilderdyk zelf, en begreep dat zulke praatjes tegenover Femke +niet passen zouden in den mond van ’n “man.”</p> +<p>Het dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z’n +genegenheid voor ’t meisje, ’n gevoel dat voor ’t +minst zeer hartelyk was...</p> +<p>Men bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat de +onvoedzame dorheid van z’n huiselyken kring hem voorbeschikte tot +het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste.</p> +<p>...dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen +had op z’n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf +’n vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i +eigenlyk tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor +de prettige promotie. Maar zóó ver ging z’n +erkentelykheid niet. Het was al veel dat z’n afkeer veranderde in +iets als medelyden, en wanneer-i had kunnen toegeven in de +overbruischende mildheid van z’n hart ... waarlyk, hy had haar +met genoegen z’n heelen broer Stoffel afgestaan! Heel goedig +nam-i zich voor, daaromtrent by de eerste gelegenheid te dienen van +konsideratien en aanpryzend advies. Inderdaad, hy wou gaarne iedereen +gelukkig zien, en waarom dan <span class="pagenum">[<a id="pb63" href= +"#pb63" name="pb63">63</a>]</span>háár niet, haar die hem +zoo zelfopofferend den weg had gewezen tot wat hy aanzag voor z’n +eigen geluk?</p> +<p>Maar al wat niet Femke-zelf was, hield hem slechts vluchtig bezig. +Al z’n eerzuchtige plannen van ... grover aard, weken beschaamd +terug voor z’n besluit om háár lieftehebben, +háár te dwingen tot liefde. De werelddeelen die van hem +hun geluk wachtten...</p> +<p>Láát ze wachten! Voor zulke nietigheden had-i nu geen +ruimte in z’n ziel. Hy dacht aan Femke, aan haar zachte mollige +hand...</p> +<p>’t Is waar ook! Nooit had hy die hand zóó +gevoeld. Hy meende vroeger dat ze ruwer was, steviger...</p> +<p>Maar, eilieve, dan had-i vroeger verkeerd gemeend. Nu wist +hy—ja, ja, ja, want gedroomd had-i niet!—nu wist hy, dat de +hand die zoo flink ’n zware ben met waschgoed van den grond +wipte, fluweelig was als ’t boordsel van Hamlet’s mantel, +die vergulde kraag waaraan-i zooveel gom had besteed om ’t ding +behoorlyk te doen glimmen.</p> +<p>En ook had-i zich vroeger vergist in Femke’s stem. En in haar +toon! Want zie, altyd zoud-i zich hebben voorgesteld dat zy, iets +nauwkeurig willende zien in ’t donker, zou gevraagd hebben +nàar... licht, o ja, maar anders uitgesproken, heel anders! Of +liever, ze zou—zoo meende Wouter in de dagen van z’n +onkunde—ze zou by zoo’n gelegenheid gezegd hebben:</p> +<p>“Wil jelui asjeblieft die kaars even byhouden?”</p> +<p>En de houding? Die heele Klaas Verlaan—’n man as +’n boom toch!—en z’n makker, stonden verbluft! Wat ze +die rechterhand uitstrekte! En toch alweer... ’n droom was +’t niet, al geleek het dan precies op ’n droom! By ’t +openslaan van den mantel, had-i duidelyk den blauw-geruiten boezelaar +gezien. Zoo-iets ziet men niet zoo helder in den slaap! Hy had de +ruitjes kunnen tellen, als-i niet aan iets anders gedacht had ... o, +aan heel wat anders, en byna zelfs aan niets!</p> +<p>Neen, neen, gedroomd had-i niet! Maar toch... wat al raadsels!</p> +<p>Wat beteekenden die praatjes van den schipper over ’n +m’nheer Kopperlith? Wat bewoog hem zich met Femke te bemoeien? +Haar te... verlagen tot ’n ander? Hoe wist-i zoo op-eenmaal dat +gemeene wyf uit de kroeg aan z’n zy te krygen, haar en dien +schreeuwer over menschenrecht? Waarom ging Femke, in-weerwil van +z’n bede, met die mannen mee? Of ... zat zy alleen in dat rytuig. +En waarom niet te-voet, gelyk kinder- en bleekmeisjes gewoon zyn? En +waarheen? Kon zy op dat uur by de Holsma’s te-recht? Of was ze +naar hare moeder gereden ... die óók vreemd zou opzien +als Femke daar kwam aanrollen in ’n brommer! En uit welke fondsen +zouden de “daaldertjes” betaald worden, waarover die +schipper gesproken had met ’n voorname onachtzaamheid alsof +’t maar duiten waren?</p> +<p>Och, wat al mysterien! Maar hoofdzaak was en bleef dat hy haar +vingers gekust, en dat zy hem ten-aanhoore van drie personen +allerplechtigst haar broeder genoemd had.</p> +<p>Dit stond vast als ’n rots. Al ’t overige? By de eerste +gelegenheid <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name= +"pb64">64</a>]</span>zoud-i haar vragen om inlichting, die ze hem niet +weigeren zou ... hèm, haar broêr.., neen, broedèr. +Zóó zei ze!</p> +<p>Wat overigens ’t gevaar aanging—of liever ... ’t +onbehagelyke—van haar weggaan met die mannen, hy telde het niet +meer. Al waren er tien mannen met haar in dat rytuig geweest, by de +minste onbehoorlykheid hoefde Femke slechts de rechterhand +uittestrekken, en allen zouden gekropen hebben voor haar voet. Dit +immers had hyzelf gezien, en dit zou hy, Wouter, ook doen—met +byzonder veel genoegen, waarlyk!—als-i maar zeker wist dat ze hem +terstond zou opheffen, of althans de hand reiken tot ’n +kus...</p> +<p>Zoo mymerend doolde hy met lamme schreden—want hy voelde zich +zeer vermoeid!—door de als uitgestorven straten der stad.</p> +<p>Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hy den Dam. +Daar stond ’n lange reeks van rytuigen voor en naast het Paleis +te wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor +bewaard voor de zonde van ’t verwensenen der hooge gasten, die +zich blykbaar hadden voorgenomen ’n hollandsche zon te zien +opgaan, doch wat laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds +te vertoonen, en er was prins noch prinses te zien.</p> +<p>Behalve eenige werklieden, wier dag wat vroeger dan die van de +anderen scheen te beginnen, stonden er geen toeschouwers om de +“kleine steentjes van ’t Paleis.” En gepraat werd er +onder dat schamel publiekje niet. Op de deugdzaamheid van de omstanders +wil ik niets afdingen, maar wel bleek er dat de verkwikkende +morgenstond hen slaperig maakte. Misschien heeft de fransche +verzenmaker zich in die beide menschelyke zwakheden vergist, en de eene +voor de andere genomen. Maat of rym zullen dit zoo vereischt +hebben.</p> +<p>Ook Wouter voelde slaperigheid. Gister nog zoud-i zich veel moeite +hebben getroost om ’n wezenlyken koning te zien te +krygen—zeker om te weten of zoo’n wezen op <i>Macbeth</i>, +<i>Arthur</i> en <i>King Lear</i> gelykt—maar nu... och, hy gaf +er zoo weinig om.</p> +<p>Juist wilde hy heengaan, toen de koetsiers zich oprichtten en in +’t styve postuur zetten, dat hun door Heeren, Vrouwen en traditie +schynt voorgeschreven tot verhooging van de deftigheid. Ze sloten de +armen aan ’t lyf, als iemand die zichzelf ’n stoot met den +elleboog in de lenden geven wil, haalden de teugels op, en vertoonden +zich zoo leelyk en voornaam als maar eenigszins mogelyk was. Een +schoenmakersjongen die de wereld scheen te kennen, maakte hieruit op: +“dat <i>ze</i> nou wel gauw komme zouwe.”</p> +<p>Die “ze” waren Keizerlyke, Koninklyke en andere +Hoogheden. Zoo’n schoenmakersjongen steekt zonder omslag al zulke +waardigheden als bruine boonen op den elst van z’n tong.</p> +<p>De olykert had juist geraden. “Ze” kwamen inderdaad, en +bestegen de meestal open wagens, die zoo snel wegreden dat Wouter +’t gelaat van al de Majesteiten en Hoogheden niet te zien kon +krygen. Slechts één bejaarde dame gaf op ’t +oogenblik van wegryden <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" +name="pb65">65</a>]</span>den koetsier met haar zonnescherm ’n +tikje op den schouder, dat zooveel scheen te beduiden als: wacht +even!</p> +<p>—Ze het wat vergeten, diagnozeerde ’t krispyntje.</p> +<p>Drie, vier “<i>Kavaliere</i>” vlogen als weerlichten +’t paleis in, en schenen ’n wedloop te houden om den +achtergelaten <i lang="fr">joujou de Normandie</i> te halen. Een +hunner—de ongelukkige!—kon den ingang niet vinden. Vreemder +is ’t dat de anderen wèl wisten binnen te komen, omdat het +achtste wereldwonder eigenlyk geen ingang hééft, ’n +byzonderheid die zeer gevoegelyk voor negende wonder kan doorgaan, en +dan ook een der hoofdgronden is van den rechtmatigen trots der +Amsterdammers. Paleizen of Stadhuizen met ’n behoorlyke deur of +poort kan men overal te zien krygen.</p> +<p>Twee ridders des Heiligen Roomschen Ryks betwistten elkander de eer +van ’t veroveren... nu ja, veroverd werd er niets, maar ze kwamen +te-gelyk aanloopen met den <i>joujou</i>. Ze schenen ’n +<i>compromis</i> te hebben gesloten, en klemden beiden juist even ver +duim en wysvinger om ’t gouden doosje waarin ’t kleinood +bewaard werd. Beiden lachten en bogen by ’t aanbieden, met gelyke +<i>allerunterthänigste Pflichtschuldigkeit</i>. Onder beiden +verdeelde de rechtvaardige Palatine haar tevredenheidswenk van den +zevenden rang. Beiden klopte het hart met gelyke slagen, en wie op +’n goudschaaltje de zieleverrukking van die twee eendrachtige +heeren gewogen had...</p> +<p>Toch ontstond er later twist. In den jare O. H. tweeduizend +zóóveel, procedeerden de naneven van die twee ridders, +over de voorzitting in ’n demokratisch kieskollegie. Ridder A zou +volgens de traditie z’n wysvinger een millimeter verder onder de +doos hebben uitgestrekt dan de helft, en dus grooter aandeel hebben +gehad in... grooter aanspraak op...</p> +<p>Gekheid! riepen de afstammelingen van z’n mededinger B. Onze +voorvader heeft er ook den ringvinger aan geslagen! Ziedaar +ònzen titel, ònze aanspraak! Welke onverlaat zou in deze +demokratische eeuw, de rechten miskennen... enz.</p> +<p>—Zieje wel dat ze puissies in d’r gezicht het! riep de +schoenmakersleerling.</p> +<p>’t Was de waarheid! Koninklyk-Keizerlyke puisten! Menschelyke +puisten! Dit had geen der poppen op Wouter’s printen. Al +z’n gekleurde prinsen en prinsessen verheugden zich in gave +gezichten, en ’t viel hem zeer tegen, dat ’n dame die tot +den stoet van koningen en keizers bleek te behooren, zoo bitter weinig +op z’n printen geleek. Als <i>hy</i> ’t mensch gekleurd +had, zou ze ’r beter uitzien, meende hy.</p> +<p>Hoe geheel anders was dit met... háár, met Femke! Zy +had frisscher gelaat dan-i met al z’n vleeschkleur schilderen +kon. En ’n houding! Nu kwam hem op-eens voor den geest aan welke +figuur ze hem had doen denken, toen ze daar stond met half-opengeslagen +mantel by ’t flikkerend kaarslicht: aan konigin Elisabeth van +Engeland... juist!</p> +<p>Maar deze vrouw met haar puistjes? Gut, ze kon best ’n +waschvrouw <span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name= +"pb66">66</a>]</span>wezen, ’n allergewoonste waschvrouw, die nog +slordig blauwde op den koop toe, en zoekgeraakte <i>mansetten</i> te +vergoeden kreeg.</p> +<p>Het onaanzienlyk voorkomen van de Paltsgravin, werkte zeer... +burgerlyk op Wouter’s verbeelding, en ’t kwam hem niet heel +waardig voor, prinses te wezen, als men daarby puistjes in ’t +gezicht hebben kon gelyk ieder ander. Hy beloofde zich vast en zeker, +dat-i nooit Femke verlaten zou om-den-wille van welke Majesteit +ook.</p> +<p>Wel voelde hy eenige yverzucht op ’n zeer jong mensch die kort +na ’t wegryden van de Paltsgravin, ’n opening in ’t +Paleis scheen gevonden te hebben, en naar buiten trad. Gelyk ’n +deel der andere <i>Kavaliere</i>—de meesten torschten ’n +witte pruik, met ’n staartjen in den nek—droeg hy eigen +haar, dat vry lang was, en hem los om de schouders slingerde. Z’n +kleeding was ’n eenigszins fantastische variant op de uniform der +adelborsten van die dagen. De kleur van z’n buis was donkerblauw, +met roode opslagen aan hals en mouwen, doch zonder ’t minste +goud, wat by de schitterende uitmonstering van al de andere heeren, +zeer in ’t oog viel. Ook droeg-i geen ridderorde, en scheen dus +’n gedistingeerd persoon te wezen, al ware ’t hierom alleen +dat-i minder dan alle anderen op ’n begunstigde koninklyke +kamerdienaar of ’n hansworst geleek. Op z’n hoofd had-i +’n zoogenaamd schotsch-mutsje, zooals ligt-matroosjes gaarne +dragen. Twee <b>jockey’s</b> brachten ’n schoon paard voor, +dat door den een by den teugel werd gehouden, terwyl de ander den +stygbeugel hield.</p> +<p>—Dat ’s god-straf-me-n-’n jonker! zei ’n +sjouwerman. As de bliksem zes man ’t grietje-want in, om dat vet +in ’t blok te klaren!</p> +<p>—Mot <i>hy</i> op dat paard? vroeg ’n oud-kavallerist, +die ’t in zyn vak gebracht had tot “oppasser” van +ongetrouwde ouwe-heeren. Weetje wat ik zeg? Ik zeg: ’n zeeman op +’n paard, is ’n gruwel in Gods oog!</p> +<p>Wouter was te onbedreven in de vakpedanterie dezer beide +pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap, om hun spotterny te +begrypen. Voor-i gereed was met het ontcyferen van dat “<i>vet in +’t blok</i>” en dien “<i>gruwel</i>” sprong +prins Erik, den stygbeugel versmadend, op den goudvos. De toeschouwers +schrikten van ’t steigeren, en maakten zich gereed om +wegtestuiven zoodra ’t wilde beest blyk mocht geven dat de +“kleine steentjes” te nauw waren voor den stryd dien +’t met z’n ruiter aanving. Het zette den kop in de borst, +steigerde, schoot vooruit, en stond op-eens pal, zwenkte onverwacht, +brieschte, schudde de manen, schopte, trachtte z’n ruiter +over-kop te werpen ... alles te-vergeefs! Of prins Erik ’n gruwel +in Gods oog was, weet ik niet, maar hy zat vast in ’t zaal, dit +is zeker.</p> +<p>—Dàt ’n zeeman? riep de oud-matroos—die in +zyn tyd den welverdienden bynaam droeg van “lamstralige +snertmalènger”—dàt ’n zeeman? ’t +Is de vraag of-i ’t verschil kent tusschen’n bezaan en +’n fok! Al die rykeluîs-zoontjes komen de kajuitspoort in! +Ik en ’n ander kruipen door de kluisgaten, zieje! Dat ’s +’t ware! <span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name= +"pb67">67</a>]</span></p> +<p>En, als om op deze diepzinnige meening ’t zegel te zetten, +verschikte hy z’n tabakspruim van rechts naar links.</p> +<p>—Hm, zei de kavalerist-kleerenklopper, hy heeft meer ’n +paard tusschen de pooten gehad! Anders ... ik wil maar zeggen dat +zoo’n pallas van anderhalf verrel, ’r heel mal by staat. +Die vliegeprikker slingert het arme beest tegen de beenen. Hy moest dat +ding opgespen.</p> +<p>Prins Erik gespte niets op. Hy vermaakte zich met temmen van +z’n paard. Toen dit gelukt was, begon hy op zyn beurt het schoone +dier te plagen, en kittelde het met de sporen, onder ’t inhouden +van den toom. Telkens gaf het blyk van goeden wil, maar scheen wat +straf te-goed te hebben voor z’n speelschen moedwil van zoo-even. +Eindelyk scheen de ruiter voldaan. Hy liet den vos, die niets liever +wilde dan de nog altyd wegrollende rytuigen narennen, z’n zin, en +schoot vooruit. De dunne gordel omstanders brak af, en op-eenmaal +bevond zich de ruiter voor ’n kruiwagen, die de dubbele funktie +vervulde van voertuig en augurken-magazyn. Nog juist by-tyds hield de +jonge ruiter z’n paard even in, maar toch... ’t was te laat +om te wyken. Op-eens liet hy den teugel schieten, en ’t vlugge +dier sprong welberaden over ’t beletsel heen.</p> +<p>De weinige toeschouwers riepen: hé! en onze prinselyke +adelborst joeg den stoet rytuigen na, die sedert eenige oogenblikken in +de kalverstraat verdwenen was.</p> +<p>Het schoenmakertje, dat zooveel blyk gegeven had op de hoogte van +hofzaken te wezen, beweerde dat “ze” den Diemermeer zouden +doorryden, en, van daar terugkeerend, al de buitensingels om, door de +Haarlemmerpoort weer naar ’t Paleis.</p> +<p>Wouter verheugde zich hartelyk in z’n afkeer van de puistige +Prinses. ’t Was hem als ’n geschenk van ’t lot, dat +hy eens eindelyk iets had te zien gekregen uit ’n sfeer die van +de zyne zoo hemelsbreed verschilde, en dat toch z’n begeerigheid +niet opwekte.</p> +<p>Met dat schoone paard was ’t iets anders! Wat ’n sprong! +En wat die jonge ruiter ’n lief gezicht had! Precies Hamlet... +vóór ’t kleuren! Zoo’n paard zou hy ook wel +eens bezitten, als-i maar op goeden voet bleef met Femke...</p> +<p>Dit scheen hem de eenige bron van alle geluk!</p> +<p>...als Femke hem maar lief had! En... zoo niet? Wel, dan verkoos-i +niet eens ’n paard te hebben, geen ezel zelfs, en ... niets! +’t Was immers juist om door háár te worden +bewonderd, dat-i z’n beest zulke sprongen wilde laten doen over +kruiwagens, of... hooger dingen!</p> +<p>In afwachting van die gelukzaligheid te-paard, sukkelde hy +voorloopig op z’n voeten verder, en raakte weldra in de buurt van +Femke’s huisje.</p> +<p>Hier zette hy zich op haar bleekveldjen in ’t gras, en +peinsde, en voelde zich overmand van vermoeienis, en viel in ’n +slaap die meer onrustig dan verkwikkend was.</p> +<p>Hy droomde allerlei vreemde dingen, waarvan de hoofdzaak was +<span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name= +"pb68">68</a>]</span>dat ’n jong meisjen op ’n tafel stond, +en zich vermaakte met het opwerpen en vangen van zware mannen in +schippersdracht. Ze speelde er mee, of ’t ballen waren...</p> +<p>—Laat ik haar nu goed aanzien, vermaande zich Wouter. Straks +rydt zy de lucht in ... ze ziet niet op ’n daalder... en +daarom... al is ’t nu maar ’n droom...</p> +<p>En hy zàg. Hy staarde zoo scherp als men dat in ’n +droom kan, en hy onderscheidde duidelyk de trekken van ... de kleine +Sietske Holsma!</p> +<p>Zéker was <i>zy</i> het! Want ze riep heel verstaanbaar: +’n “massa” is ’n heele troep, weetje!</p> +<p>En met zoo’n massa—die precies geleek op Klaas Verlaan +en de zynen—kaatste zy...</p> +<p>—Dàt zal ik nu eens goed onthouden als ik wakker word, +beloofde zich Wouter. Men hoeft zulk volk maar tusschen duim en vinger +in den nek te pakken, en ’t gaat vanzelf. Ik zal ’t +opschryven, want zoo’n droom...</p> +<p>Van Femke geen woord, helaas! Zou men niet bevreesd worden +inteslapen, als men bedenkt dat dit ons verleiden kan tot zooveel +ontrouw, tot zoo’n valsheid?</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e3133" href="#xd19e3133src" name="xd19e3133">1</a></span> In I. +1163 weidt M. uit over de bron van smart en geluk.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e3162" href="#xd19e3162src" name="xd19e3162">2</a></span> = zoo +voor haar, niet voor my.</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit +hoofdstuk weer overslaan. ’t Is vol prozaïsch realismus, +zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van ’n +kastalische-fonteinnimf—tevens van beroep: +<i>waschvrouw</i>—met ’n ridder in de luur, die ’n +brief ontvangt uit den hemel: <i>mirakel!</i></p> +</div> +<p>Toen Wouter zich in ’t gras zette met z’n rug tegen +’n boom, was z’n voornemen daar te blyven zitten wachten +tot-i leven bespeuren zou in Femke’s huisje. Al was ’t dan +hoogstonzeker of ze zich dáár bevond, toch immers zou hy +dan <i>iets</i> vernemen. In-allen-geval kon haar moeder hem zeggen, +zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of de wond in haar +hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was ze geweest, dit +had-i duidelyk gezien.</p> +<p>Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de +Holsma’s—’n <i>nicht</i>... hoe zàt dat in +elkaar!—op de Kolveniersburgwal sliep, of ’s avends te-huis +kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht, <i>iets</i> zou hy nu +zeker vernemen, als-i maar wachtte...</p> +<p>Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet te +veel geweest, en hy had er maar één. Hy viel dan ook +weldra om, en lag daar alleronfatsoenlykst. Z’n petje rolde in de +sloot, en verdween langzaam maar zeker onder ’t kroos.</p> +<p>De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar +’n beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om +bespiegelingen te maken over de al te vroege rypheid van zoo’n +jong ventje. Een onderzoek naar de oorzaken van ’t geval—hy +toch kon ziek, gewond of dood wezen—lag niet in de zeden. Dat zyn +<span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name= +"pb69">69</a>]</span>politiezaken. ’t Was volgens die zeden al +wel, dat niemand hem leed deed.</p> +<p>Gelukkig was ’t aantal voorbygangers, om ’t vroege +morgenuur, nog zeer gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad +dat door ’t grasveldje kronkelde, en de meesten gingen voorby +zonder hem te zien. Maar straks als er gebleekt moest worden, zoud-i in +den weg liggen, dat was zeker.</p> +<p>Z’n droomen blyven—als ’t wakend +leven-zelf—’n zonderling mengsel van schyn en werkelykheid. +Een beetje waarheid, en veel bedrog ...ziedaar alles! Om rechtvaardig +te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen dat ze maar beschikken +kunnen over één soort van leugen. Even als dichters en +lasteraars!—vinden ze niets uit, en bepalen zich tot eenige +verandering in ’t rangschikken of samenvoegen. Personen, zaken en +denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander ’t +heterogeenste. Wouter droomde precies als ’n ander in zyn geval +zou gedaan hebben, d. i. onder den indruk van de gegevens die hem waren +meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z’n lenden +waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem +pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en +kippenhokken. Z’n moeder zag het aan, en geleek op koningin +Elisabeth die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met +háár geldje: honderd kromme <i>pietjes</i>. Klaas Verlaan +droeg ’n fluweelen mantel, en zat schrylings op ’n +gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i heensprong over ’n +dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook: +“massa”—persoon geworden—met ’n pruim in +den mond, en verklaarde dat-i Gooremest heette en op de +<i>Keizersgracht</i> woonde, waar-i “met God” in effekten +deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over menschenrecht, en +beukte Wouter in de ribben ... dit was weer de schuld van dien wortel. +Een vries-bont boezelaar zong: <i>honneur au plus vaillant</i>, en +scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die er naar stond te +luisteren, en met allerliefste bescheidenheid ’n wolk van +toegeworpen lauwerkransen opving op ’n yzeren leerlineaal.</p> +<p>Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in +werkelykheid, krygt z’n deel in ’n anderen droom.</p> +<p>Maar, in-weerwil van ’t vermoeiend geflikker dezer +half-uitgewreven en bont dooreen gemengde beelden van z’n +herinnering, behield één figuur vry standvastig haar +trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat aan Wouter’s verbeelding +voorbyschoof. ’t Was die van ’t meisje dat op ’n +tafel stond, en haar armen kruiste.</p> +<hr class="tb"> +<p>—Lieve goeie god, jongen, hoe kom je dáár? Hoe +kom jy daar?</p> +<p>Zoo sprak ’n stem, eerst op eenigen afstand, toen naderby, en +weldra zelfs aan z’n oor. Hy had ’n flauw besef dat iemand +bezig was hem opterichten.</p> +<p>—Sietske! mompelde de slapende.</p> +<p>—Ja, zoo heet ik! Maar hoe weet jy dat? <span class= +"pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span></p> +<p>—Sietske... Holsma!</p> +<p>—Wel zeker! Maar wie heeft je dat gezegd? En hoe kom je hier? +Heel fatsoenlyk is ’t niet<span class="corr" id="xd19e3413" +title="Bron: ?">!</span> Ben je dronken? ’t Is ’n groote +schande voor zoo’n jong bloedje!</p> +<p>Ja, zeker was-i dronken. Maar ’t was nog altyd van den slaap. +En nogeens sprak hy den naam van Sietsken uit.</p> +<p>—’t Kan me niet schelen dat je me by m’n voornaam +noemt, maar ... hoe kom je ’r aan? Heeft Fem je zoo wys gemaakt? +’t Is ’n ware schand voor god, dat ie hier zoo ligt als... +’n zwyn, dat zeg <i>ik</i> je! En zoo-even nog... geen uur +geleden, zat je d’r op als ’n banjer... ’t Is +schande, zeg ik!</p> +<p>De persoon die aldus tot hem sprak, was by hem neergeknield. Ze +richtte hem wat op, en hy viel wezenloos tegen haar aan, zoodat ze wel +genoodzaakt was, hem weer in ’t gras te leggen.</p> +<p>—Och, och, och, ’n waar schandaal! Zoo jong nog, en dan +al zoo gruweloos aan ’t verpieteren!</p> +<p>De vrouw die zich met Wouter bezighield, scheen te willen voortgaan +met de niet ongewone fout, ’n beschonkene z’n schandelyken +toestand te verwyten op ’n oogenblik dat-i onvatbaar is voor +rede. Maar op-eens bedacht ze zich, en, van toon veranderend:</p> +<p>—Och, lieve god, ’t is waar ook, riep ze, hoe kan ik zoo +praten! ’t Kind is van ’t paard gevallen, de stumpert! +Jesis-Maria, wat ben ik ’n gemeen schepsel! Zeg, jongeheer, ben +je van je paard gevallen? Och, och, och, wat doe je-n-ook op +zoo’n beest! En... waar is je skos-mussie? ’t Stond je zoo +aardig! En je sabeltje? ’t Rinkelde zoo! En nu al dood... +Jesis-Maria! En je kleertjes? Och, lieve god, hy is dood, en... van +z’n paard gevallen! Ben je dood?</p> +<p>—Sietske! mompelde Wouter.</p> +<p>—Goed, goed, noem jy me gerust by m’n naam. Ik geef er +niets om, want groots ben ik niet, als je me maar zeggen wilt of je +dood bent! Och, och, och, Maria-Josef, hy is dood! Als Femke maar hier +was!</p> +<p>Daar trilde iets in den zevenslaper: Femke! Was <i>zy</i> ’t? +Femke? Was ’t niet Sietske?</p> +<p>—Sietske ben <i>ik</i>, zei... Vrouw Claus.</p> +<p>Deze vreemde mededeeling was de moeite van ’t oog-opslaan +waard! Maar ze vielen weer toe, en hy tegen haar aan.</p> +<p>—Je mag me noemen zooals je wilt—gut, waarom niet? Ik +ben waschvrouw—als je me maar zeggen wilt of je je bezeerd hebt, +en of ’t erg is? En waar is je geruite muts? ’t Is schande +van je moeder, dat ze je-n-op zoo’n beest zet ... ’n ware +schande! Zeker heb je armen en beenen gebroken? En je ribben? En +misschien je nek, hè? Zeg ’t maar, jongen! Ja ’t is +schande van je moeder! Zoo-even zag je ’r nog zoo snoepig uit ... +geen uur geleden! En nu ... leg maar gerust tegen me-n-aan. Och, wat +zal Fem er van zeggen? De meid zal desperaat wezen, en... ik ook!</p> +<p>Wouter richtte zich ’n weinig op, en wreef zich de oogen +uit.</p> +<p>—Zeg, wat is er aan je gebroken? Wil je dat ik pater Jansen +<span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name= +"pb71">71</a>]</span>laat roepen? Och, ’t wurm kan niet spreken! +Wat is er aan je stuk?</p> +<p>—Stuk? Gebroken? Aan my?</p> +<p>—Ja, stumpert, zeg ’t maar!</p> +<p>Wouter betastte zich. Toen z’n hand de plek bereikte, waar die +boomwortel z’n plooien en knoesten had ingestempeld, nam +z’n gelaat ’n vragende uitdrukking aan. Geheel overtuigd +dat men hem niet buiten z’n weten had geradbraakt, was-i +niet!</p> +<p>—Gebroken? Stuk? Ik?</p> +<p>—Wie anders?</p> +<p>—En... wie zou dat gedaan hebben?</p> +<p>—Wie? Wèl ... jyzelf, stumpert!</p> +<p>—Ik?</p> +<p>—Wat doe je-n-op zoo’n beest!</p> +<p>—Op ’n beest? <i>Ik</i> op ’n beest?</p> +<p>—Weet je dan niet dat je d’r afgevallen bent?</p> +<p>—Ik? Van ’n beest gevallen? Van welk beest?</p> +<p>—Van ’n paard immers? Weet jyzelf dat niet? Ben je dan +toch... misschien... ’n beetje... dronken ook?</p> +<p>—Ik? Dronken? Van ’t paard gevallen? <i>Ik?</i></p> +<p>En hy legde beide handen met wyd-uitgespreide vingers op de borst, +als om met onomstootelyke zekerheid vasttestellen van welke ikheid hier +de rede was:</p> +<p>—<i>Ik?</i> Ben <i>ik</i> dronken? Ben <i>ik</i> van ’t +paard gevallen?</p> +<p>—Wat ànders? Wie ànders?</p> +<p>—God, god, hoe is dàt mogelyk?</p> +<p>En nogeens betastte hy z’n rib die ’t cachet droeg van +den boomwortel. Daarop greep-i Vrouw Claus by den arm, en schreeuwde, +op elk woord drukkende:</p> +<p>—Je... zegt... dat... ik... van... ’n paard... ben... +gevallen?</p> +<p>—Ja, schaap, dàt zeg ik! Houd je bedaard!</p> +<p>Nu sloeg Wouter de handen aan z’n hoofd, misschien begrypende +dat dààr de ikheid woonde die geraadpleegd worden moest. +De slotsom van z’n overwegingen schynt zonderling, maar is +natuurlyk:</p> +<p>—Ik wou me graag eens wasschen!</p> +<p>—Wel, dàt ’s goed! riep Vrouw Claus verheugd. Zou +er dan waarlyk niets aan je kapot zyn? En waar is je muts?</p> +<p>—Wasschen, ging Wouter peinzend voort, met heel koud +water!</p> +<p>—Goed, jongen! Kom maar mee naar de pomp! Ben je zeker dat je +loopen kunt? Heb je je beenen niet gebroken?</p> +<p>Wouter betastte ze, en zei zonder de minste overyling:</p> +<p>—Ik... geloof... het... niet!</p> +<p>—En je ribben?</p> +<p>—Ook... niet!</p> +<p>—En je nek?</p> +<p>—N...e...e...n!</p> +<p>Om de goede vrouw gerusttestellen, schudde hy langzaam ’t +hoofd, maar hy had wel eenigen moed noodig om die gymnastische +bewysvoering te beproeven. ’t Mocht eens niet lukken! +<span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name= +"pb72">72</a>]</span></p> +<p>—Kom dan mee naar de pomp! En... zeg eens, jongen, maar jok +niet<span class="corr" id="xd19e3543" title="Bron: .">,</span> ben je +altemet niet ’n beetje... dronken ook? Zeg de waarheid!</p> +<p>Wouter stond langzaam op, bedacht zich vry lang, en zei, blykbaar na +konscientieuze raadpleging van z’n herinneringen:</p> +<p>—Ik geloof het niet! Maar... ik wou me zoo graag wasschen in +heel, heel, heel koud water... koud als ys!</p> +<p>Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar ’t erf +daarachter, waar ’n groote pomp stond.</p> +<p>—Kleed jy je maar gerust uit, m’n jongen! Niemand kan je +hier zien. Maar... hoe kwam je ’r toe, my zoo op-eens by +m’n voornaam te noemen? Niet dat ik ’t kwalyk neem, gut +né, maar...</p> +<p>Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om +z’n herinneringen te regelen, en ’t werkelyk gebeurde te +zuiveren van de laatste droomerige toevoegsels, Hy verzekerde daarom +dat-i... hoofdpyn voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich +behoorlyk gewasschen had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was +om zich te ontkleeden. Met kostbare naïveteit dacht zy +te-dezer-zake in ’t minst niet aan zichzelf, en meende al heel +veel gedaan te hebben om Wouter gerust te stellen, door ’n paar +lakens over den rand van ’n latten-schutting te slaan, zoodat nu +’t erfjen, op de zoldering na, vry wel naar ’n afgesloten +kamer geleek.</p> +<p>—Zie zoo, m’n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen +sterveling! Wie dáár overheen kykt, moet knap wezen!</p> +<p>Geen “mensch” geen “sterveling?” En +<i>zy</i> dan? Wouter wist waarlyk niet hoe hy ’t had. Gister nog +zoud-i misschien zonder den minsten erg...</p> +<p>Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En ’n beetje wyzer +ook! En dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten, +die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw +Claus?</p> +<p>—Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je +leedjes niet tot je wil, dàt is het! Wat doe je-n-ook op +zoo’n beest!</p> +<p>En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z’n +kleeren, en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger +geweest was. ’t Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat +in hem was, loste zich op in één uit afmatting berustend: +in-godsnaam! De flauwe tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door +z’n baker opgevat als kinderlyken gril, en dáármee +wist ze raad! ’t Scheelde weinig, of ze had er ’n +“<i>suia, suia, kindje</i>” by gezongen. +Want—<i lang="fr">honni soit qui mal y pense!</i>—zoo +bakerlyk was haar indruk by ’t uitkleeden van den jongen +ridder.</p> +<p>Toen ze gereed was, zette zy hem op ’n laag bankjen onder de +pomp, en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, +en weldra klaterde ’n breede waterstraal hem op hoofd en +schouders. Van teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, +en Vrouw Claus vatte z’n “<i>brrr!</i>” dat misschien +beteekenen moest: “genoeg, genoeg!” als ’n betuiging +van tevredenheid op. <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" +name="pb73">73</a>]</span></p> +<p>—Ja, zieje, na zoo’n val stygt het bloed...</p> +<p>’n Pompslag!</p> +<p>—Brrr!</p> +<p>...naar je hoofd! En de kou van ’t water...</p> +<p>’n Pompslag!</p> +<p>—Brrr!</p> +<p>...als je maar niet je nek gebroken hebt...</p> +<p>’n Pompslag!</p> +<p>—Brrr!</p> +<p>...want dan helpt het niemendal! En...</p> +<p>’n Pompslag!</p> +<p>—Brrr!</p> +<p>...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet...</p> +<p>’n Pompslag!</p> +<p>—Brrr!</p> +<p>...denken, dat het nu genoeg is! ik heb...</p> +<p>’n Pompslag!</p> +<p>—Brrr!</p> +<p>...pyn in m’n milt! Maar anders, ik...</p> +<p>’n Pompslag!</p> +<p>—Brrr!</p> +<p>...ik wil wel! Zoo lang als je maar...</p> +<p>’n Pompslag!</p> +<p>—Brrr!</p> +<p>... als je maar wilt!</p> +<p>Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk +te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de +patiënt het verlangen mocht.</p> +<p>—Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever +hebt...</p> +<p>—Brrr!</p> +<p>...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd, +weetje? ’t Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... +’n ware spiegel, kompleet ’n spiegel!</p> +<p>Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wàt zoud-i +gezegd hebben? Femke’s rug, een... spiegel?</p> +<p>—Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, +dat komt alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te +wasschen met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren, +flink! Maar ben jy gewoon ’t zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik +ook wel...</p> +<p>En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger +rees...</p> +<p>—Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen, +bibberde Wouter.</p> +<p>En hy kreeg ’n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer +niet verstaan kon.</p> +<p>—Groene zeep is ook goed voor peesknoopen...</p> +<p>—Brrr! <span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name= +"pb74">74</a>]</span></p> +<p>...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent, +want dan...</p> +<p>—Brrr!</p> +<p>...is er niks an ’n mensch te doen.</p> +<p>Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en +gebiologeerd, het waagde zich en z’n bankje eventjes van onder +den straal wegteschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry +welsprekend om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking +niet anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. +En bovendien... de goeie vrouw had z’n kleeren over ’n +droogstok geslagen, die niet onder z’n bereik was, en hy, +gaandeweg wakker geworden, begon schaamte te voelen over z’n +volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef onbewegelyk zitten, maakte zich +zoo klein mogelyk, en verschool z’n kin tusschen de knieën. +Ik denk dat Adam in <i>Genesis</i> III ook zoo-iets gedaan heeft, en +dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat verdrietig +hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was.</p> +<p>—Wou je nog wat? vroeg z’n goedige Najade.</p> +<p>—Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat ’n +nieuwe straal—de slinger rees al!—hem weer de spraak zou +afsnyden. Neen, maar...</p> +<p>De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als +’n klomp en in-een gedoken zat:</p> +<p>—Heb je véél pyn? vroeg ze.</p> +<p>—Neen! Pyn juist niet, maar ...</p> +<p>—Ben je misschien moe van ’t ryden?</p> +<p>—Van ’t ryden? Ja, ja, ik ben erg moe!</p> +<p>—Dàt is het! riep Vrouw Claus. En ik heb ’t wurm +in z’n slaap gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat +slapen... dat denk ik er van.</p> +<p>En met ’n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den +lezer—zouden er zyn, die hiertoe te laag staan?—droogde zy +Wouter af. Ze trok ’n beddelaken van de schutting, wikkelde +hem—zoo opgevouwen als-i was—daarin, en droeg ’m weg +als ’n pakje waschgoed.</p> +<p>Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte...</p> +<p>—Strek jy je beenen gerust uit, m’n jongen, als ze +maar... in-godsnaam niet gebroken zyn.</p> +<p>Wouter deed wat ze gelastte, en voelde ’n onbeschryfelyke +gewaarwording van welbehagelykheid. Z’n lichamelyke aandoening +steeg tot verrukking, toen z’n voedster de dekens naast hem +“instoppende” de heerlyke woorden uitte:</p> +<p>—Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is +’t bedje van onze Fem, weetje!</p> +<p>Op Femke’s bed! Wèl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit +hem goed zou doen! Was ’t niet jammer dat-i de kracht niet had, +zich wakker te houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde +dit... als kleine man en als ridder, maar hy bezweek als ’n +mensch. <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name= +"pb75">75</a>]</span></p> +<p>Doch hoe plezierig ’t wakkerblyven zou geweest zyn, ook de +slaap—nu van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met +wat gras er naast—werkte weldadig. Straks by ’t ontwaken, +zoud-i heel op z’n gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich +voorgenomen toen-i Vrouw Claus hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. +Voor ze die geheel bereikt had, nam hy niets meer waar, zelfs z’n +droomen niet.</p> +<p>Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy’s +leiding, al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot +mensch...</p> +<p>Want—onder ons, lezer—dáárop eigenlyk +scheen de zaak aangelegd!</p> +<p>Toen-i zoo ongeveer tegen vier uren in den namiddag wakker werd, +hoorde hy fluisterend spreken. Hy spande zich in, eerst om te weten +waar-i was, toen om te begrypen hoe hy daar kwam, en daarna om te +verstaan wat er gezegd werd.</p> +<p>Het scheen er op toegelegd, op-nieuw voedsel te geven aan de +zonderlinge verwarring tusschen Femke en Sietske, die in z’n +gemoed ontstaan was. Zeer duidelyk hoorde hy Vrouw Claus zeggen:</p> +<p>—Ja, Siet, maar... wat doet-i op zoo’n paard! Als +<i>ik</i> z’n moeder was...</p> +<p>En hoe Sietske nogal nuffig antwoordde:</p> +<p>—Nicht, ik denk dat z’n moeder er niets van weet. Herman +heeft het ook eens gedaan, want, nicht, de jongens <i>zyn</i> zoo!</p> +<p>Dus: Sietske was dáár! En... Vrouw Claus was haar +nicht, en heette ook Sietske! En... ’t meisje dat op de tafel +stond...</p> +<p>Och, op-eens voelde Wouter zich weer minder gelukkig! Hy kon maar in +’t geheel niet wys-worden, noch uit het gebeurde, noch uit +z’n aandoeningen. Lichamelyk gevoelde hy zich welvarender dan +ooit...</p> +<p>Nooit had-i zóó ’n bad ondergaan, nooit +zóó geslapen, na zóóveel spanning en +vermoeienis!</p> +<p>...maar juist dit gaf hem volle ruimte om verdriet te voelen over de +verwarring van z’n denkbeelden. Was... dàt, dàt +en... dàt, wáár, of was ’t <i>niet</i> waar? +Daarop moest orde gesteld worden! Straks misschien zou men hem komen +vertellen dat-i op ’t bed lag van Klaas Verlaan, of van de +liefelyke weduw Gooremest!</p> +<p>Neen! Zóó ver zou de helsche spokery niet gedreven +worden! Hy lag wel inderdaad in Femke’s kamertjen, of in haar bed +toch, want ’n byzondere kamer had ze zeker niet.</p> +<p>—Als ik nu ’n stuk uit het laken knipte, dach hy, om +morgen te kunnen zien en tasten, en zeker te zyn?</p> +<p>En hy bracht er <i>Samuel 26</i> by te-pas, en droomde zich voor, +hoe hy Femke zou bezweren dat-i haar spies en waterkruik niet had +meegenomen om te dienen als getuigen tegen +háár—’n spies zag hy niet, maar ’n +<i>Rebekka</i> stond er—doch alleen om zichzelf ’t zwygen +te kunnen opleggen, als hy eens later weer mocht beginnen te vragen, te +twyfelen, te ontkennen... <span class="pagenum">[<a id="pb76" href= +"#pb76" name="pb76">76</a>]</span></p> +<p>Wat overigens het beddelaken aangaat, waaruit hy naar Davids +voorbeeld ’n slip snyden wilde... ’t was eigenlyk jammer +dat-i niet aan zeer fyn linnen gewoon was. Dit belette hem, de +poëzie van ’t byzonder grove te genieten. Rein wàs +dat lynwaad, als zy die daartusschen geslapen had! Maar Wouter stond +nog in lang niet hoog genoeg, om gevoelig te zyn voor schoonheid in +’t geringe. Was-i niet nog kinderachtig verslingerd op fluweel, +goud, satyn, en zulke voddery? Het zeer grove weefsel van die lakens +was wel inderdaad nog altyd te grof voor z’n smaak, doch hierom +alleen wyl die smaak niet fyn genoeg was om de tegenstellend-fyne +beteekenis der grofheid van dat weefsel te waardeeren. Gelyk zeker +soort van boekenmakers, zoud-i ’n prinses laten slapen op +geborduurde zyde... waarom niet op paarlen, tusschen lakens van +scherpgeslepen diamant? Hy wist nog niet dat men zich—behoudens +alle deftigheid, en eerbied voor de grondwet—Koninklyk-Keizerlyke +Hoogheden by-nacht, ànders kan voorstellen, en dat eenmaal +misschien ’n prinses zich te gering achten zou, om Femke’s +bedje te schudden.</p> +<p>Neen, neen, zóó ver was Wouter nog niet! Toch keek hy +met innig genoegen ’t kamertje rond, en ademde den geur in, die +z’n verbeelding meedeelde aan alles wat-i zag. Al voelde hy zich +dan niet in-staat, den hier uit alles sprekenden eenvoud boven +boekerige majesteit te stellen, toch was-i reeds genoeg gezuiverd van +’t àllergemeenste, om die eenvoudigheid hooger te schatten +dan ’t benauwd-burgerlyke waaraan-i gewoon was en dat hem zoo +kwelde. Aan paleizen—die hy nog nooit gezien had—bleef-i +nog altyd de voorkeur geven boven ’n hut. Maar te kiezen hebbende +tusschen hutten en huizen, tusschen armoede en burgerlijkheid... o, dan +helde z’n smaak onvoorwaardelyk over naar den kant van ’t +geringste.</p> +<p>En, alweer bedroog zich z’n smaak! Om nu niet te spreken van +’t onrecht dat-i aandeed aan wat ik nu in één +woord: “burgerlykheid” noem, door de achter- onder- boven- +voor- zy- en opkamertjes waarin dat maatschappelyk standpunt zich +tot-nog-toe aan hem had geopenbaard, te verheffen tot +<i>type</i>—hy zag, door vergelyking dáármee, de +Holsma’s voor ryk en voornaam aan—in veel wyder opzicht +beging-i ’n fout. Noch hutten, noch grove beddelakens, noch +achterkamers, noch paleizen, noch zelfs... de puistjes van ’n +Palatine, bedingen—d. i. veroorzaken of weren—de +poëzie! Voor haar is dit alles gelyk. Zy zoekt en vindt haar +voedsel in ’t schynbaar geringe, niet meer—maar vooral niet +minder ook!—dan in voornaamheid. Gelyk ’n godin—dit +<i>is</i> ze, en... de eenige!—alles overziend, alles waardeerend +op juisten prys, alles vervormend naar háár beeld, alles +behoudend, samenvoegend en gebruikend voor háár doel, de +ongelyksoortigste bestanddeelen overgietend met háár +kleur, heft ze alles gelykmakend tot zich op, zonder aanzien van +persoon, standpunt of omgeving. Dit is haar roeping, haar behoefte, +haar <i>Wezen</i>.</p> +<p>’t Was nog al wèl, dat Wouter niet naar juweelen zocht +in ’t kamertje van de prinses zyner ziel. In-plaats hiervan +bemerkte hy <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name= +"pb77">77</a>]</span>dat er nòg een slaapplaats was: ’n +“bedstee.” Daar sliep zeker Femke’s moeder. Tegen een +der wanden van ’t vertrek was ’n wyde gemetselde +schoorsteen, alleraardigst gekleed in Delftsche ticheltjes. Ze stelde +met hun allen de opwekking van Lazarus voor, en de man met wien ik den +lezer by ’n vorige gelegenheid in kennis bracht<a class="noteref" +id="xd19e3767src" href="#xd19e3767" name="xd19e3767src">1</a> ontbrak +niet. Wouter voelde zich door dit staal van al te wonderbewyzend +realismus minder gestuit dan anders ’t geval zou geweest zyn, +want... op die poppen had Femke’s oog gerust. Dit denkbeeld +adelde alles wat-i zag. Het kamertje was overigens gemeubeld met vier +matte-stoelen, waarvan een voor ’t bed stond, met z’n +kleêren, netjes gerangschikt en blykbaar gereinigd, er op. Zelfs +z’n ryglaarsjes waren gepoetst. Die goede Vrouw Claus!</p> +<p>In ’t midden van de kamer zag hy ’n vierkante tafel, +waarin ’n lade die openstond. Het ding kon niet anders, omdat het +gaapte door overlading. De ons bekende wollen kousen staken boven den +rand uit, en wachtten op herstelling of misschien op terugzending naar +den eigenaar... naar pater Jansen? daar was meer brei- en ook naaiwerk +in die lade... goeie hemel, geestelyke onderbroeken misschien!</p> +<p>Wouter sloot z’n oogen, en keerde zich gemelyk om. Wollen +kousen... va! Maar die onderbroeken... hy zag geen kans ze te +poëtizeeren! De schuld lag aan die broeken niet, meende hy, maar +aan den pastoor. Ik zeg dat de schuld aan hemzelf lag. Of er +onderbroeken lagen in die uitgeschoven tafella, kan ik niet zeggen, +doch zoo ja, dit zou voor Wouter geen reden geweest zyn, zoo vies +z’n oogen te sluiten. We willen hopen dat-i ’t maar deed om +’n voorwendsel te hebben tot nadutten. Dit kon wel wezen, want al +voelde hy zich hersteld van de vermoeienis, hy was nog niet bekomen van +den slaap. Toch begreep hy dat er ’n eind moest komen aan +z’n <i>Capua</i>. Niet zonder inspanning sloeg hy de oogen weer +op, en zag nu iets dat hem liefelyker voorkwam. Aan den wand by +’t hoofdeneind van z’n kribbe—heel veel meer was +Femke’s bedje niet—hing ’n krucifix met wywaterbakje +van zeer gewonen steen, waarop de bezitster hoogen prys scheen te +stellen. Daaraan toch had zy de eenige versiering aangebracht, die van +haar hand in ’t gansche vertrek te vinden was. Het rustte tegen +’n vierkant schildje van haakwerk, dat op ’n blad karton +was gespannen. Blauw glanspapier gluurde vriendelyk door de +symmetrische gaatjes.</p> +<p>“Daarmee zegende zy zich” dacht Wouter, en onwillekeurig +stak hy de hand in ’t bakje...</p> +<p>Het was droog. Nu, om ’t water was het ons protestantsch +jongetje niet te doen. Hy wilde slechts z’n hand... wyden door +aanraking met iets dat door háár voor heilig gehouden +werd. Hy wist met dogmatische precizigheid—lieve god, op +z’n katechizatie was-i de eerste in die zaken, en had er mooie +pryzen mee behaald—dat <span class="pagenum">[<a id="pb78" href= +"#pb78" name="pb78">78</a>]</span>Roomschen zeer dom zyn, en aan +allerlei gekheid gelooven. Hierin namelyk ligt het verschil tusschen +Katholieken en... andere menschen. Wel beschouwd, begreep hy dus zeer +goed dat zoo’n wywaterbakje niets helpt voor de zaligheid, en dat +de lieden die aan zulke prullen gewicht hechten...</p> +<p>Maar Femke dan? Was ook zy zoo byzonder afschuwelyk papistisch +dom... zy? Wel neen, ze was... Femke! Dit beteekende heel iets anders +in Wouters oog. Aan z’n eigen afgodery met háár, +dacht-i in ’t geheel niet. Daarvan stond niets in z’n +katechismus, en hy hoefde er dus niet tegen te waken.</p> +<p>Heel onprotestants sloot-i z’n vingers om den rand van +’t schulpjen, en trachtte zich voortestellen dat ze daar +háár vingers ontmoetten. Dat steenen ding was wel Femke +niet, maar ’t kwam hem te-hulp in ’t aanschouwelyk +vóór zich dagen van haar beeld, en alzoo...</p> +<p>Wat is dàt?</p> +<p>Iets als ’n brief van zeer groot formaat, toegevouwen en +dichtgegomd, viel van achter ’t karton uit, en op z’n bed. +Wouter nam het op, en zocht—’n oogenblik lang door +naïveteit bewaard voor verbazing—naar ’t adres... aan +hèm, natuurlyk! Het steenen Jesusje had hem iets te zeggen, naar +’t scheen. Een achtste kruiswoord misschien? Of kwam de boodschap +van... haar? Of van beiden tegelyk?</p> +<p>Zóó was de eerste indruk van ons protestanterig +vrydenkertje. Een adres stond niet op den brief, doch in-plaats +daarvan, ’n datum van ’n maand of wat oud. Gelukkig dat +Wouter zich ’n oogenblik bezon, voor hy den omslag losbrak. Reeds +was z’n onbescheiden vinger daartoe gereed, toen-i zich nog juist +by-tyds verweet dat het stuk onmogelyk aan hem kon gericht zyn. Immers, +welke besteller had hem kunnen vinden in dat domicilie? Hyzelf begreep +ter-nauwernood waar-i was. Dit konden bovendien noch Femke +weten—hy vergiste zich: ze wist het—noch dat steenen +poppetje.</p> +<p>Maar... ’n wonder? Gekheid! De “Heere” doet geen +wonderen dan... op zeer grooten afstand en... heel lang geleden. Dit is +elk rechtschapen Protestant bekend.</p> +<p>Uit al deze beschouwingen,vloeide rechtstreeks de slotsom voort dat +de geheimzinnige <i>dépêche</i> onmogelyk voor hem kon +bestemd zyn...</p> +<p>Domme jongen! De brief was wel degelyk aan hem gericht! Met al +z’n wonderhekel wàs-i wel genoodzaakt den inhoud te zien, +te begrypen, in zich optezuigen...</p> +<p>Bevend van aandoening en met eerbied plaatste hy ’t kostbaar +stuk—ongeopend... maar gelezen en verstaan hàd hy +’t!—op de oude plaats, en sprong ’t bed uit.</p> +<p>Hy had den gesloten brief tegen ’t licht gehouden, en... zyn +gekleurde Ophelia herkend. Dat beeldje bewaarde Femke in haar binnenste +Heilige der Heiligen...</p> +<p>Nu eindelyk was-i wakker. Wie zou niet wakker worden na ’t +ontvangen van zóó’n brief uit den Hemel? +<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name= +"pb79">79</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e3767" href="#xd19e3767src" name="xd19e3767">1</a></span> In een +noot by Idee 140 stelt M. het realisme, dat op middeleeuwsche +schilderyen een der omstanders afbeeldt met afgewend gelaat, de neus +tusschen duim en wysvinger, hooger, dan de verklaring van den modernen +schipperenden Renan, die Lazarus schyndood verklaart!</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Nieuwe blyken der verdorvenheid van Vrouw <i>Claus</i>—en van +den auteur—in-zake: <i>aesthetika.</i> Een weerbarstige verloren +zoon. Verschyning van ’n muts en ’n <i>Sybille.</i> +Geroepen, en... àls geroepen! <i>Wouter</i> begint iets van de +“<i>vier windstreken</i>” te zien.</p> +</div> +<p>Hy kleedde zich aan, en trad in het andere kamertje, waar-i +z’n gastvrouw en de kleine Sietske meende aantetreffen. Maar er +was niemand. Nu eerst bedacht hy dat-i, na de weinige woorden die hy +verstaan had, geen verder gesprek had waargenomen. Het jonge meisje was +zeker na ’n kort bezoek by haar “nicht” reeds weder +vertrokken.</p> +<p>En Vrouw Claus zelf? Blykbaar had ook deze haar huisje verlaten, +doch ze deed het niet zonder ’n eigenaardig kenmerk achter te +laten van haar ruw karakter, grove levensopvatting en gebrek aan +opvoeding. Dat heeft men van de menschen die nooit verzen of romans +lezen!</p> +<p>Verbeeld u, lezer, wat het onbeschaafde vrouwmensch zich veroorloofd +had! Op ’n klein witwerks-tafeltje, waarby ’n stoel stond +aangeschoven als om uittenoodigen tot plaatsnemen, lagen twee +boterammen van de ons bekende soort op ’n ontbytbordje, en +stonden mèt dat bordje op ’n alleronhebbelykst groote kom +koffi. Die koffi was nagenoeg koud, maar... overigens? Zouden niet +sommige smakelooze realisten iets als gloed meenen te ontdekken in dien +toestel? Hoe jammer, niet waar, dat zoo’n vrouw niet in haar +jeugd door den bekenden: “dominee die terstond bemerkte dat er +wat <i>in</i> zat” gekuischt was met latynsche verzen! Zonder +maat, rym, spondaeen of mythologie, schreeuwden die plompe +boterammen:</p> +<p>—Tast toe, m’n jongen! Je moet honger hebben!</p> +<p>Zóó verstond Wouter de alexandrynen van Vrouw Claus. +En hy handelde flinkweg naar z’n overtuiging, door ze met smaak +te verslinden, waartoe wel eenige volharding noodig was, want waarlyk +... één mondvol meer, en ’t was te veel geweest. Hy +voelde zich versterkt, en ook die lauwe koffi deed hem goed. O, dat +heerlyke, heerlyke proza! Zoo’n namiddag-ontbyt...</p> +<p>’t Is waar ook! Eigenlyk was ’t plan geweest, dat-i zou +ontbeten hebben by...</p> +<p>Hy ontstelde, en verviel—nu door honger noch slaap +gekweld—in angst voor den afloop van z’n zonderlinge +uithuizigheid. Het huis Pieterse torende als ’n verzwelgende +waterhoos voor z’n verbeelding op, en verdreef zelfs de behoefte +aan opheldering van al de mysterien die hem omstrikten.</p> +<p>Naar huis? Hy durfde niet!</p> +<p>Z’n moeder, Stoffel, z’n zusters... zy allen vertoonden +zich als Shakespearsche heksen, met kromme nagels, en ongekamde slangen +op het hoofd. Zelfs Leentje, z’n goedig advokaatjen anders, zou +hem—als by gelegenheid van de +aardappelgeschiedenis—verraderlyk afvallen, en zeggen:</p> +<p>—Ja, maar... zieje, Wouter, dat ’s ook geen fatsoenlyke +manier van doen! Déze keer moet ik heusch je moeder gelyk geven. +Weetje <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" name= +"pb80">80</a>]</span>wat je doen moet? Vraag excuus, en zeg dat je +’t nooit weer zult doen.</p> +<p>Och, och, Leentje, je weet niet wat je zegt, kind! Ik geef ’t +je-n-in drieën, in zessen, in tienen, om na zóó +heen-en-weer te zyn gegooid...</p> +<p>Een oogenblik dacht Wouter aan ’t vierde tafereel van den +<i>Verloren Zoon</i>... hm! Hy wist zeer goed dat de zaak niet op +vergiffenis en kalfsvleesch zou uitloopen. “Vader—dit werd: +“moeder” hier<span class="corr" id="xd19e3862" title= +"Bron: .">,</span> maar ’t variantje doet niet tot de +zaak—moeder en Stoffel dan, ik heb gezondigd...</p> +<p>Sakkerloot, ik hèb niet gezondigd! Niets ... niemendal! Heb +ik wat verkwist? M’n erfdeel? Geen duit! Heb ik wyn gestort? Geen +drup!</p> +<p>De zuivere waarheid! Noch juffrouw Laps, noch Vrouw Gooremest, wat +dan ook overigens de grieven van deze beide dames tegen Wouter wezen +konden, hadden ’t recht hem aanteklagen van bovenmatige +spilzucht. En... Vrouw Claus? Deze had hem, ongevraagd-ongeweigerd +immers, krediet gegeven voor koffi, boterammen en verblyf... dagverblyf +slechts, nu ja, maar dit kon nu eenmaal niet anders, omdat de nacht +onherroepelyk was voorby geweest toen ze hem opvischte van dien +boomwortel. Kon hy dit alles helpen? Was-i nu daarom <i>prodigue</i>, +of... <i>verloren</i> dan, als men zich koppig houden wil aan den +hollandschen tekst, die nog altyd—volgens juffrouw +Pieterse—de eenig-ware is?</p> +<p>Wouter vloekte nogeens: sakkerloot! Verder durfde hy ditmaal niet +gaan, hoewel-i terdeeg boos was. Hy kon niet wys-worden uit al +z’n zonden, en begreep toch dat er iets aan hem haperde, want... +naar huis durfde hy niet.</p> +<p>Met wyde stappen liep hy de enge kamer op-en-neer, en sprak of +dacht:</p> +<p>—Heb ik pleizier gehad? Neen! Heb ik gastmalen aangerecht met +vier dames? Neen! Heb ik jachthonden laten rondloopen in de eetzaal? +Neen! Heb ik al m’n goederen op ’n kameel gepakt? Neen! Heb +ik ’n zwarten knecht gehad, die m’n paard hield? Ben ik er +op gaan zitten? Weggereden...</p> +<p>Hier bleef-i steken! Van kameelen en hooggekleurde juffers voelde hy +zich zuiver. Ook van jachthonden, wynkruiken en dien zwarten knecht, +maar... ’n paard? En... ryden?</p> +<p>Vrouw Claus was toch niet gek, niet beschonken! Had ze hem op +z’n paard gezien... ja of neen? Had-i op zoo’n beest +gezeten... ja of neen? Zoo neen, dan was ook dat meisjen in de herberg +niet Femke geweest! Dan was zy evenmin Sietske geweest! Dan was ook die +kroeg geen kroeg geweest, die schipper geen schipper, Laps geen Laps, +likeur geen likeur... dan was àlles schyn<span class="corr" id= +"xd19e3885" title="Bron: .">,</span> verblinding, droom, goochelspel, +waan, bedrog, razerny, dolheid! Dan was ook het standbeeld met +gekruiste armen en strengen blik... o God, zou ook dàt niets +geweest zyn dan ’n sarrend spook?</p> +<p>Maar... dit was nu de vraag niet. De vraag was, hoe hy ’t +moest aanleggen om zich weer te doen inlyven by den huize Pieterse, +<span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name= +"pb81">81</a>]</span>waartoe hy nu eenmaal van gods- en rechtswege +behoorde...</p> +<p>Hy pluisde de kruimels van z’n bordjen, en riep, ditmaal niet +zonder onbehoorlyk zeedyksch tusschenvoegsel:</p> +<p>—Ik wou—...........—dat ik zoo’n kruimel +was! Dan wist ik ten-minste waar ik heen moest!</p> +<p>En hy stak ’t ding in z’n mond.</p> +<p>Ziedaar de eerste broodkruimel die zich beroemen kan, benyd te zyn +geworden door ’n heertje van de Schepping.</p> +<p>—Naar... Amerika?</p> +<p>Dit lachte hem wel toe. Als-i maar in ’t bezit was geweest van +de fameuze honderd guldens, waarmee men—volgens z’n +moeder—in dat land kan leven als ’n prins. Doch, nader +overlegd, ook die verbazende som zou hem niet geholpen hebben. Hy kon +immers ’t huisje van Vrouw Claus niet ongesloten overlaten aan de +hebzucht der voorbygangers? God weet wie daar al zoo vermoord zouden +worden, als voorbygaande booswichten ’t leeg vonden, en +onbewaakt! Mocht hy z’n post verlaten, hy die aanvankelyk was +uitgetrokken—’t is waar ook, maar ’t was hem +ontgaan—tegen roovers? En, zonder nu juist aan moord of doodslag +te denken, was ’t geen medeplichtigheid aan heiligschennis, +Femke’s wywaterbakje—en wat daar achter +stak!—bloottestellen aan den ongewyden blik van +nieuwsgierigen?</p> +<p>—Neen, neen, riep-i, en hy nam de huisgoden tot getuigen, ik +ga niet naar Amerika!</p> +<p>Bovendien, wat zoud-i daar doen, zonder... háár? Dat +de Weledele heer Motto vertrokken was in z’n eentje, was zyn +zaak—ieder moet handelen naar z’n overtuiging!—maar +hy, Wouter, ’n nieuw werelddeel betreden, zonder by ’t +aan-wal stappen, het neerteleggen voor háár voet... +zonder tot háár te zeggen: trap er gerust op, daartoe +juist heb ik ’t expres veroverd voor jou... dat nooit!</p> +<p>Amerika zelf zou ’r geen vrede mee hebben! Wat is ’n +ridder zonder dame? En welk werelddeel nam ooit genoegen met ’n +zoo gebrekkig toegerusten veroveraar?</p> +<p>De zaak was nòg onmogelyker dan ze hem in-den-beginne +toescheen. By nader inzien kon-i evenmin naar Amerika, als naar huis... +hy had geen hoed, geen pet, geen muts! Verbysterd keek hy rond, en zag +niets dat op ’n hoofddeksel geleek. Toch wel! Daar hing ’n +noordhollandsch-friesche kap op ’n mutsebol, maar...</p> +<p>De deur werd behoedzaam geopend, en ’n onzichtbare hand die om +den rand boog, hield Wouter ’n elegant mutsje voor... precies +geschikt voor veroveraars, en jongeluî die ’t worden +willen. Wouter sperde mond en oogen op, en stond daar als ’n +verbaasde <i>Term</i>...</p> +<p>Wouter’s verbazing was gegrond. Hy staarde ’t +geheimzinnige mutsjen aan, en twyfelde weer of-i wakker was. Het aardig +spookje scheen aan den rand van de deur te kleven, maar onbewegelyk was +het niet. Verbysterd vroeg Wouter, alsof hy te doen had met ’n +levend voorwerp:</p> +<p>—Waar kom jy vandaan? Wat wil je van me? <span class= +"pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span></p> +<p>’t Was al wel dat-i niet, gelyk Luther den Duivel, ’t +onschuldig voorwerp iets naar den kop keilde. Z’n boterambordje, +byv. dat zeer geschikt was voor zoo’n worp.</p> +<p>Er was beweging in de deur, en ook ’t mutsje trilde. Nogeens +vroeg Wouter vry onthutst—’t klonk inderdaad als ’n +<i>vade retro</i>!—wat het wilde?</p> +<p>Als ’t mutsje zelf geantwoord had, zoud-i ’t op dit +oogenblik niet vreemd gevonden hebben. In-plaats daarvan echter piepte +een bevend stemmetje van achter de deur:</p> +<p>—Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik mag niet binnen +komen. Hier is je mussie ... neem maar aan... als je de rechte bent, +want dat moet ik eerst weten.</p> +<p>Wouter bekeek zich. “Ik... naakt? Wel neen! En... de rechte? +Ben ik de rechte?” Dit scheen-i niet te weten.</p> +<p>Hy liep naar de deur. De muts verdween, en de deur werd toegetrokken +tot op ’n kier.</p> +<p>—Wie is daar? Wie ben je? snauwde hy.</p> +<p>—Ik ben ’t <i>Stakkervrouwtje</i>. Ben je nog heelemaal +naakt, jongeheer? Ik breng je je mussie... as jy ’t bent, de +rechte!</p> +<p>Woedend rukte Wouter de deur open, en grimde de zonderlinge +boodschapster aan ...</p> +<p>’n Heks, ’n ware heks! De gelykenis met een der Megaeren +uit den Macbeth op z’n printen, was treffend.</p> +<p>Wat al overleg moet het Fancy gekost hebben om die vrouw te doen +geboren worden op ’t vereischt oogenblik, en haar tachtig jaar in +’t leven te houden—in wèlk leven!—om +dáár op haar post te zyn met ’n muts in de hand, +juist toen hy om zoo’n kleedingstuk verlegen was. O, domme +ondankbare Wouter! Want:</p> +<p>—Wat motje? zeid-i zoo ruw mogelyk.</p> +<p>De arme mismaakte stumpert schrok drie waggelingen achteruit.</p> +<p>—Is uwe niet naakt meer? Wezenlyk niet?</p> +<p>—Heere-krrristis, wyf—de lapsische +verbazings-terminologie had school gemaakt—wat wil je van me?</p> +<p>Ze bekeek Wouter van ’t hoofd tot de voeten.</p> +<p>—Ze had gezegd dat je rooie lappies op je kraag had...</p> +<p>—Wàt op m’n kraag?</p> +<p>—Rooie làppies. En ’n sabeltje!</p> +<p>—En dat ze je-n-onder de pomp had gezet...</p> +<p>Dit klonk minder onzinnig. Onder de pomp was-i geweest, inderdaad +en... terdege! Maar wat er nu volgde, maakte Wouter weer kriegel.</p> +<p>...en heelemaal naakt had uitgekleed... as ’n wurm. En dat ik +niet moest binnengaan, omdat ze niet wist of je-n-al je kleertjes +áánhad. Waar is je sabeltje?</p> +<p>Ze hield het mutsjen op haar rug, als om te betuigen dat ze ’t +niet zou afgeven voor ze dat sabeltje zag.</p> +<p>Wouter wist niet wat-i zeggen zou, en begon weer te twyfelen aan +z’n verstand. Na eenig zwygen:</p> +<p>—Wie bèn je? <span class="pagenum">[<a id="pb83" href= +"#pb83" name="pb83">83</a>]</span></p> +<p>—En wie ben <i>jy</i> dan, jongeheer? Ben jy ’t +matroossie die van ’t paard is gevallen? Je ziet er niet uit als +’n matroos, en ik geef je de muts niet! Vrouw Claus zou me...</p> +<p>De naam van z’n gastvrye bronnefee bracht Wouter tot nadenken. +Hy meende ’n gelegenheid te bespeuren, eenig licht te doen opgaan +over al de geheimenissen die dreigden hem krankzinnig te maken. Op-eens +van toon veranderend, noodigde hy ’t oude vrouwtjen uit, binnen +te komen. Ze gaf hieraan aarzelend gehoor, maar bleef den muts +aandrukken tegen den onderkant van haar bochel.</p> +<p>—Vertel me-n-eens, zei Wouter zoo minzaam hem mogelyk was, wat +je hier komt doen, en wie je gezonden heeft? Wil je niet zitten +vrouwtje?</p> +<p>En hy schoof haar ’n stoel toe. Maar ze kon er geen gebruik +van maken. Ze was te verdraaid van gestalte, en bovendien te klein, om +zich ter-ruste te zetten op zoo gewone wys.</p> +<p>—Ja, zitten wil ik wel, maar dat doe-n-ik zoo op m’n +eigen manier. Heb je niet ’n stoof voor me? Die geeft me Vrouw +Claus ook altyd, als ik hier kom eten, want ik eet hier driemaal in de +week. Daar staat er een...</p> +<p>Wouter volgde de richting van haar vinger, en zag ’n drietal +stoven op ’n stapeltjen in den hoek staan. Hy vloog er heen, +greep er een in de traditioneele vyf gaatjes, en zette den troon die +z’n sybille zou dienen voor drievoet, achter haar neer. De +handbeweging die nu tot plaatsnemen uitnoodigde, was waardig, vroom, +bevallig, galant, in één woord: ouwerwetsch-ridderlyk. +Hoe ànders? Die vrouw spysde driemaal ’s weeks in dat +huisje. Die vrouw had Femke gezien. Die vrouw kende zyn Femke. Die +vrouw zat daar waarlyk heel goed op haar stoofje. Wie er mee gespot +had, was ’n gek. En ook hy ging nu zitten, en nam iets aan van de +houding der notarissen, als ze zich ’n uitersten wil laten +voorzeggen.</p> +<p>—Je komt dus van Vrouw Claus?</p> +<p>—Ik mot eerst weten wie je bent, jongeheer.</p> +<p>—Wouter Pieterse.</p> +<p>—Dat kan me niks schelen. Ben jy de jongeheer die van ’t +paard gevallen is? Dàt mot ik weten.</p> +<p>Wouter zag nu in, dat hy om iets van Femke te vernemen, wel +genoodzaakt was zich de onderscheiding aantematigen van ’n nooit +geleden ongeluk. En dus:</p> +<p>—Ja, ja, ja... o zeker, zeker! Ik ben van ’t paard +gevallen, wel... zesmaal!</p> +<p>—Zy wist maar van ééns! Maar... zesmaal, zeg je? +Je was dus wel wezenlyk ’n beetje dronken?</p> +<p>—Ja, o ja, ik was dronken... heel erg!</p> +<p>—Zóó? vroeg de bes, nog altyd wantrouwend. Je +was erg dronken, zeg je? En hoe komt het dan, dat je niet heelemaal +naakt bent? Want ze zei dat ze je-n-onder de pomp...</p> +<p>—Ik heb me weer aangekleed.</p> +<p>Dit scheen de achterdochtige vrouw niet volstrekt onmogelyk te +vinden. Maar op-eens: <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" +name="pb84">84</a>]</span></p> +<p>—En je rooie lappies dan? Waar heb je die gelaten, +hè?</p> +<p>Luk-raak antwoordde Wouter dat “die dingen”—hy +wist waarachtig niet wat ze bedoelde—in de sloot gevallen +waren.</p> +<p>—Komaan, vleide hy zoo verteederend mogelyk, zeg my je +boodschap maar! Ik ben heusch van ’t paard gevallen, en erg +dronken geweest! Gut, zoo erg! Je hebt er geen begrip van, hoe dronken +ik geweest ben! Och, zeg me nu asjeblieft je boodschap!</p> +<p>Ze liet zich bewegen. Heel gelukkig. Hy was waarachtig in-staat +geweest haar te streelen, maar deze ramp werd hem uitgewonnen, want ze +begon:</p> +<p>—Ik ben ’t <i>Stakkervrouwtje</i>, weetje, en woon +achter de planken, by den molen, en Vrouw Claus is eigenlyk ’n +nicht van me ...</p> +<p>O goden, alweer ’n nicht! Als Wouters liefde eenmaal behoorlyk +“bekroond” wordt, wat aan my staat...</p> +<p>Aan my, en aan... háár: Fancy, Femke, of hoe zou ze +heeten? <i>Causaliteit</i>, misschien?</p> +<p>...nu, ik wil maar zeggen dat-i dan op-eenmaal in ’n zeer +groote familie komen zou.</p> +<p>—Ja, ’n nicht, of... ’n tante misschien. Neen, ik +ben háár tante. Als ik m’n broer was, kon ik haar +oudtante wezen, of... ’r grootmoeder. En de kleine Fem is naar me +genoemd, of... naar m’n overgrootmoeder eigenlyk, want in onze +familie heeten we allemaal Fem of Sietske. En de mannen heeten Sybrand +of Erik. Dat wist je zeker niet, hè?</p> +<p>—Sybrand?</p> +<p>—Ja... of Erik! Maar ik woon achter de planken...</p> +<p>Op-eens doorschoot Wouter de gedachte—te vroeg was ’t +niet!—dat die vrouw krankzinnig was. En er was iets van aan. Maar +niet alles wat ze zeide, gaf daarvan blyk. Integendeel, wie vertrouwd +ware geweest met de oorzaken die haar indrukken benevelden, zou +misschien tot de slotsom gekomen zyn, dat haar verstand in sommige +oogenblikken helderder was dan van menig ander. Niemand is volmaakt +gek.</p> +<p>—Achter de planken? vroeg Wouter.</p> +<p>—Ja, achter de planken van den molen. Want dáár +woon ik, omdat het de molen is van m’n grootvader. Vraag maar aan +alle menschen, of-i niet gebouwd is door Erik Holsma... den +<i>Stoereman</i>? Want zóó werd-i genoemd. Dàt was +’n kerel! Hy kon er wel zes aan, als jy! ’t Is eigenlyk +<i>myn</i> molen, maar ik geef er niet om, als ik maar slapen mag +achter de planken...</p> +<p>Notaris Wouter keek vragend.</p> +<p>...ja, omdat ik daar ’n vryertje wacht. Jy bent het niet, maar +je lykt wel wat op hem. En als je wat stoerder was... want stoer +was-i!</p> +<p>Zeker, die vrouw was krankzinnig!</p> +<p>...’n vryertje, weetje! ’n Smuke jongen die alles +neerslaat wat niet deugt. En <i>hy</i> krygt den molen van me... +’t is ’n bovenkruier. Met paltrokken houd ik me niet op. En +jy? <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name= +"pb85">85</a>]</span></p> +<p>Wouter werd verlegen. Wat had-i aan zoo’n gesprek? Te weinig +ontwikkeld nog om belang te stellen in de ziektegeschiedenis der ziel +van die vrouw, trachtte hy haar aandacht terug te brengen op de zaken +die hem belang inboezemden.</p> +<p>—Ja, ja, ’n bovenkruier, beaamde hy, zonder te weten wat +dat voor ’n ding was. En wat heeft vrouw Claus je voor my +opgedragen?</p> +<p>—Wel, ze had me geroepen, om met ’r meetegaan om in de +Halsteeg ’t mussie voor je te koopen, omdat je naakt was. +’n Mussie van fyn laken, en ’n rand van allerlei kleur, en +’n kwast van bonte wol. De <i>Stoereman</i> droeg nooit anders, +want zie je, eigenlyk was-i ’n prins, en heette Erik.</p> +<p>—En wat zei Vrouw Claus?</p> +<p>—Dat ik je ’t mussie geven zou, maar niet binnen gaan, +omdat je heelemaal naakt was. En ze had zooveel “wasschen” +thuis te brengen. En ik moest je zeggen... als je wakker was... want, +zei ze, je sliep...</p> +<p>De stumpert richtte zich aan de tafel op, en trachtte te zien wat +daarop lag.</p> +<p>...als je niet sliep, moest ik je zeggen dat er... op de tafel in +’t voorhuis... dat is hier, weetje?</p> +<p>—Ja, ja, dat is hier!</p> +<p>—Daar zou ’n boteram voor je staan, en die zou je eten, +zei ze, als je... wakker was.</p> +<p>—Ja, zeker! Die zou ik eten...</p> +<p>—Als je wakker was!</p> +<p>Nog altyd trachtte zy den boteram te zien te krygen. Wouter maakte +’n eind aan haar onderzoek, door de verzekering dat-i de +bedoeling van Vrouw Claus volkomen begrepen, en zich reeds +dien-overeenkomstig gedragen had. Ze hurkte weer neder.</p> +<p>—Als je wakker was, zei ze. Maar anders moest ik niet +binnengaan... om je naaktheid, zieje! <i>Hy</i> was ook naakt...</p> +<p>—Wie toch?</p> +<p>—Prins Erik.</p> +<p>—Wil je die geschiedenis hooren? vroeg ze.</p> +<p>—Neen, neen, dankje wel! En geef me ’t mutsje maar, en +ga nu maar heen.</p> +<p>Hy strekte de hand naar de muts uit, maar ze trok die snel +terug.</p> +<p>—Ben jy ’t jongetje dat van ’t paard is +gevallen?</p> +<p>—Wel zeker! Geef op, de muts!</p> +<p>—Dàt zal ik wel laten! riep ze. Niet voor ikzelf je van +’t paard zie vallen. Ik moet het eerst met m’n eigen oogen +zien. Denk... jy<span class="corr" id="xd19e4126" title= +"Bron: .">...</span> dat... ik... mal... ben?</p> +<p>Hy wou haar ’t begeerd voorwerp ontrooven. Maar sneller dan-i +verwachten kon, vloog ze de deur uit, en verdween.</p> +<p>Alweder moest Wouter zich afvragen of-i te doen had gehad met +’n verschyning?</p> +<p>Hy werd moe van ’t ongewone, en begon intezien dat ook +’t eentonig-banale z’n aangename zyde heeft. Met iets als +heimwee, voelde <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name= +"pb86">86</a>]</span>hy zeker verlangen naar de huiselyke atmosfeer van +verveling in zich opkomen.</p> +<p>—In-godsnaam naar huis, zuchtte hy, met of zonder muts dan! +En... ik zal de deur zoo goed mogelyk sluiten, want hier kan ik +’t niet langer uithouden!</p> +<p>Juist was-i van plan dit heldenstuk uittevoeren, toen de deur +opnieuw geopend werd. Er trad iemand binnen. ’t Was +dokter’s Kaatje. Wouter herkende haar niet, en begreep er niets +van, toen ze hem zeide door Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy +zich bevond? Hy zag de boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan. +Eindelyk:</p> +<p>—Kom... jy... me... nu... hier... ook... voor... mal... +houden?</p> +<p>—Gut jongeheer! Ik kom van Femke...</p> +<p>—Van... welke... Femke? Is... dat... misschien... weer... +’n grootmoeder van je, hè?</p> +<p>En met dreigend gebaar deed hy ’n stap vooruit.</p> +<p>—Ben... jy... de vryster... van... <i>Stoereman</i> den +molenaar, hè?</p> +<p>Weer ’n stap vooruit. En <span class="corr" id="xd19e4157" +title="Bron: kaatje">Kaatje</span> terug!</p> +<p>—Kom... jy... ook... hier... alweer... kyken... of... ik... +heelemaal... naakt... ben, hè?</p> +<p>—Och, jongeheer, wat ’n praat!</p> +<p>—Wil jy... me... ook... van ’t paard zien vallen... +hè?</p> +<p>Kaatje was de deur uitgedrongen. Hy volgde haar met gebalde +vuisten.</p> +<p>—Maar... jongeheer, om-godswil, wat mankeert je?</p> +<p>—Wat... me... mankeert? Ik wil niet langer voor gek worden +gehouden, dàt mankeert me! Versta je dàt?</p> +<p>Ze week jammerend terug, en noodigde hierdoor tot vervolgen uit. +Z’n woede voedde zichzelf, en met afgemeten groote +stappen—komiek om te zien, maar voor hèm de maatslag van +z’n verwenschingen—drong hy voortdurend op haar toe. Ze +legde rugwaarts den weg af, dien ze gekomen was, het padje door +’t bleekveld.</p> +<p>—Och, lieve-jesis, als dokter maar kwam!</p> +<p>—Waar... zie... jy... me... voor... aan?</p> +<p>—O god, o god...</p> +<p>—Wat... denk... je... van me? Denk... jy... ook... dat... +ik... dronken... ben?</p> +<p>—Neen, neen, o neen... volstrekt niet!</p> +<p>—Of... gek?</p> +<p>—Bewaar-ons! Och, waar blyft dokter!</p> +<p>Twee gelykluidende kreten maakten ’n eind aan den zonderlingen +wedloop. Atalante riep:</p> +<p>—Daar is-i, goddank!</p> +<p>Meleager:</p> +<p>—Daar is-i, goddank!</p> +<p>De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam +aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar +kikkers vischten, z’n pet hadden opgehaald. <span class= +"pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span></p> +<p>Wouter nam zonder omslag z’n eigendom terug. Kaatje vloog +Holsma te-gemoet, en deed ’n jammerklagend relaas van haar +wedervaren.</p> +<p>—Zou ’t zóó erg wezen? zei de goede +man.</p> +<p>Hy naderde ons leerling-menschje, dat bezig was z’n petje te +zuiveren van modder en kroos, en sprak hem aan.</p> +<p>Wouter zag verschrikt op.</p> +<p>—Zoo, m’n jongen, ben je daar? Wel, dat treft goed! Ik +kom je vragen of je plezier hebt, vandaag by ons te komen eten? We +wachten je allemaal, en van-avond gaan we misschien samen uit, als je +lust hebt, ten-minste.</p> +<p>Dàt was de toon die vereischt werd!</p> +<p>Wouter berstte in tranen uit—de weerslag van z’n +woede—en vloog den dokter om den hals.</p> +<p>—Asjeblieft, asjeblieft, m’nheer! Dat ’s met-een +goed voor m’n moeder!</p> +<p>Holsma wenkte Kaatje die—bang voor Wouter—op eerbiedigen +afstand het tooneeltjen aanzag.</p> +<p>—Ga aan juffrouw Pieterse zeggen dat de jongeheer by my is, en +den heelen avend blyft.</p> +<p>—Ja, riep Wouter haastig, en...</p> +<p>De geneesheer zag hem onderzoekend aan. Hy vreesde iets van de hem +aangekondigde krankzinnigheid te bespeuren. Maar Wouter’s oog +spelde niets verdachts. En z’n woorden ook niet:</p> +<p>—M’nheer, mag ze ’r asjeblieft byzeggen...</p> +<p>—Welnu, m’n jongen, spreek op! Wàt moet ze +’r byzeggen? Wat heb je-n-op je hart?</p> +<p>—Dat ik... by u ben geweest... den heelen, heelen dag!</p> +<p>Holsma bedacht zich even.</p> +<p>—Wel zeker, zeid-i, den heelen dag.</p> +<p>—Van van-morgen... zeven uur af?</p> +<p>—Ja, van zeven uur af, herhaalde de dokter.</p> +<p>—Ik heb... by u ontbeten?</p> +<p>—Goed, de jongeheer heeft by ons ontbeten. Wel zeker, hy heeft +by ons ontbeten! Je kunt wel meeryden, Kaatje.</p> +<p>En Wouter in ’t koetsje leidende, gaf-i den koetsier last +optehouden voor ’t huis Pieterse: “waar ’t meisjen +’n boodschap had.” Toen hy naast Wouter plaatsnam, greep +deze z’n hand, en riep:</p> +<p>—Och, m’nheer, wat ’n geluk dat ik u zie!</p> +<p>—Vind je! ’t Is toch... louter toeval. Vrouw Claus +is...</p> +<p>—’n Nicht? viel Wouter haastig in.</p> +<p>—Ja, en ’n zeer brave vrouw, antwoordde Holsma met +’n eenvoudigheid, waartoe Wouter nog in lang niet zou in-staat +geweest zyn als ze <i>zyn</i> nicht geweest was.</p> +<p>—Ze is onze nicht, en ik kwam haar bezoeken. Dit doe ik alle +weken... niet als dokter, maar als neef. Jy mag daar gerust komen, +jongen! Je zult er geen kwaad leeren. <span class="pagenum">[<a id= +"pb88" href="#pb88" name="pb88">88</a>]</span></p> +<p>—M’nheer, riep Wouter—en hy bloosde—ik houd +zoo erg veel van Femke!</p> +<p>—Zóó? antwoordde Holsma droog. Ik ook.</p> +<p>De geneesheer, alle blyken van onderzoek zorgvuldig verbergende, +sprak over onverschillige zaken, en bespeurde weldra dat z’n +keukenmeid zich vergist had in de <i>diagnose</i>. Wel toonde zich +Wouter opgewonden en uitgeput tegelyk, maar krankzinnig was-i niet. +Integendeel. Holsma bemerkte dat z’n ziel aan ’t groeien +was. En dit moest wel. Fancy scheen bezig de aarde om hem wegtegraven, +hem te schudden en te geeselen, gelyk tuinluî gewoon zyn met +vruchtboomen te handelen, die zy byzondere zorg waard-keuren, en willen +noodzaken tot dracht. Dit noemen zy: “<i>de vier windstreken +laten zien</i>.”</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p><i>Femke,</i> nogeens <i>Femke,</i> en—na ’n roerende +complainte over den dood van twee geniën—weer <i>Femke!</i> +Alles opgeluisterd met teleologische opmerkingen over puistjes, +vaderlandsliefde, karakter, en verdere menschelyke zwakheden.</p> +</div> +<p>Het is my inderdaad onmogelyk, den lezer meetedeelen welken weg +Holsma’s koetsier moest inslaan, om van de Aschpoort den +Kolveniers-burgwal te bereiken, en wel zóó dat-i de nog +altyd verschrikte Kaatje kon afzetten by de Pietersens. Ook zonder me +nu te beroepen op m’n volslagen gebrek aan +lokaal-memorie—er is geen stad, vlek of dorp in de wereld, waar +ik den weg weet—ga ik gebukt onder ’n onkunde die me byna +geschikt maakt voor opgehemelde buitenlandsche beroemdheid.</p> +<p>Holsma’s koetsier gaf blyk van ’n begaafdheid die we +haast voor exotisch mogen houden, en dit deed zelfs z’n paard. +Het stomme dier—even als ik toch maar in Holland +geboren—bleef met buitenlandsche scherpzinnigheid staan op +’t juiste oogenblik om de keukenmeid gelegenheid te geven tot +uitstappen by de Pietersens. Niet zonder angst schoof ze Wouter’s +knieën voorby, en achtte zich gelukkig dat-i haar niet ’n +beet meegaf tot afscheid.</p> +<p>Wouter scheen te meenen dat nu ’t oogenblik was aangebroken om +wat inlichtingen te geven en te ontvangen. Maar Holsma scheepte hem af. +Hy toonde wel vriendelykheid, maar geen lust in vertrouwelyke +mededeeling. Toen de jongen ’n verward verhaal begon van +z’n ontmoetingen, viel hy hem in de rede:</p> +<p>—En... ik heb gehoord, je zult in den handel gaan?</p> +<p>—Ja, m’nheer... overmorgen!</p> +<p>—Nu, dat is zoo kwaad niet, als je maar in goede handen valt. +Ze moeten je veel laten werken! Dat ’s heel nuttig voor ’n +jongen als jy...</p> +<p>En, als bevreesd dat Wouter zich zou beginnen aantezien voor wat +byzonders:</p> +<p>...nuttig voor iedereen, voor àlle jongelui! Op jou jaren zyn +ze allen hetzelfde, en hebben gelyke behoefte aan arbeid en inspanning. +<span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name= +"pb89">89</a>]</span>Alle jongens moeten veel werken, en meisjes ook, +en... alle menschen!</p> +<p>Wouter kende zichzelf niet, en kwam dus niet op de gedachte dat de +dokter bezig-was hem ’n geneesmiddel integeven. Maar wel +bespeurde hy, dat de tyd van opheldering nog niet was aangebroken. +Zonder nu juist te meenen dat Holsma hem die geven kon, was ’t +hem reeds ’n ontlasting geweest iets te mogen verhalen van +z’n wedervaren, al wist-i dan nog niet recht hoe hy den +lapsischen aanval op z’n deugd zou overspringen, wat toch +z’n ridderlyk plan was.</p> +<p>Nogeens begon hy. Maar alweer brak de dokter z’n relaas af, +door by de gebakken aardappels reeds hem toetevoegen:</p> +<p>—Och, zulke dingetjes overkomen iedereen. Er is niets vreemds +in. Hoofdzaak voor ’n jong mensch—en voor oude menschen +ook!—is dat ze veel arbeiden. Het schynt nogal te waaien +vandaag...</p> +<p>Hiermee moest Wouter genoegen nemen. Dat er wind aan de lucht was, +is de zuivere waarheid. Helaas... had het gister maar willen waaien! +Dan immers was er behoorlyk gehardzeild op den Amstel. Dan zou niet het +volk dat zich verveelde, uit jolige baldadigheid naar de Botermarkt +gestroomd zyn, en daar...</p> +<p>Toch niet! Die ééne zevenklapper van prinses Erika kon +niet gemist worden. Lezer, bedenk eens...</p> +<p>Neen, neen, ’t was zeer wys van de Voorzienigheid, dat er +gister geen zuchtjen aan de lucht was, Eén graad +atmosfeer-drukking minder, en ’t venster van juffrouw Laps ware +gesloten geweest! De noodlottige gevolgen...</p> +<p>Alweer niet waar! De heele zaak was—dùs of +zóó afloopend—van weinig beteekenis.</p> +<p>Maar men ziet uit dit alles, dat de dogmatiek der doeleinden, de +beoefening van de beteekenisleer der <i>opdatten</i>, ’n +allermoeielykst vak is.</p> +<p>Wanneer de rivieren niet werden warm gehouden door ’n dekkleed +van ys, zegt zeker “<i>Natuurkundig Schoolboek</i>” zouden +ze... bevriezen. Ziedaar, voorzienigheids-preekers, in weinig woorden +de karakteristiek der <i>teleologie</i>!</p> +<hr class="tb"> +<p>—Houd je van schilderyen? vroeg Holsma by ’t +uitstappen.</p> +<p>—O, zeker, m’nheer!</p> +<p>—Wel, dan moet je-n-eens in de zykamer zien, wat daar aan den +wand hangt. Bekyk maar alles op je gemak...</p> +<p>De dokter opende de deur van die kamer, en noodigde Wouter uit, +binnen te treden. Hyzelf echter ging haastig de gang door en de trap +op, die naar de huiskamer leidden, waarschynlyk met de bedoeling +z’n gezin voortebereiden op de manier waarop Wouter moest +ontvangen worden. Dààrom die verwyzing naar de +zykamer.</p> +<p>Ons vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot +het begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding. +<span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name= +"pb90">90</a>]</span>En zelfs was-i te ongeoefend om zich te ergeren +aan de leegte van denkbeelden, die de anderen ternauwernood +onderscheidt. By “<i>één heer met één +hond en één haas</i>” zag-i ’n heer met +’n hond en ’n haas. Toch zou juist hy beter dan menig ander +in-staat geweest zyn, dien onnoozelen “heer” ’n +geschiedenis toetedichten, en ’t stuk overteschilderen met de +kleuren van z’n fantazie, als-i maar even tyd had gehad. Maar +op-eens treft hem ’n vrouweportret... ’n koningin, of +’n fee, of ’n toovergodin, of ’n +burgemeestersdochter, of ’n dame uit ’n boek...</p> +<p>’t Was Femke!</p> +<p>Maar in-plaats van den noordhollandschen kap, droeg zy ’n +diadeem van glinsterende steenen, neen... ’n straalkrans, neen... +’t was ’n kroon van sterren, of...</p> +<p>—Vader en moeder laten je roepen. ’t Eten staat op +tafel! Heb je geen pyn van je val?</p> +<p>Goeie goden, daar kwam nu ook de kleine Sietske hem plagen met +z’n fabelachtig paard! Tegen háár kon-i toch niet +opvliegen, zooals hy tegen Kaatje gedaan had! Bovendien, z’n +olympische toorn was òp! Hy antwoordde vry bedaard dat-i niet +gereden had, en dus...</p> +<p>—Zóó? Niet gereden? Niet op ’n paard +gezeten? Wel zeker niet! Ik bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons +tafeltjen in ’t koffihuis! Gut, hoe grappig! En als je geen pyn +hebt, en... heelemaal wel bent, gaan we van-avend samen uit. Vader, +moeder, Willem, Herman, jy, ik... allemaal! Naar de komedie, +weetje?</p> +<p>Het vlugge ding gaf blyk dat zy de door haar vader voorgeschreven +medikatie goed begrepen had. Ze verslikte het fatale paard als ’n +hapje suiker.</p> +<p>—Uitgaan? seurde Wouter. Heel graag, maar... m’n +moeder!</p> +<p>—Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je +dáárover niet! Vader brengt altyd alles terecht. Kom maar +mee...</p> +<p>Nog in de gang bleef Wouter eensklaps staan. Hy wenkte Sietske, +bracht haar terug voor ’t portret in de zykamer, en vroeg:</p> +<p>—Sietske, zeg me, wie is dat?</p> +<p>—Wel, ’n over- over- over-grootmoeder van ons.</p> +<p>—Maar ’t lykt op...</p> +<p>—Op Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op elkaar. +Als Herman ’n amelander kap opzet, kan je ’m niet van Fem +onderscheiden. Kom nu mee, we mogen vader en moeder niet laten +wachten.</p> +<p>En, hem by de hand nemende, trok ze ’m de gang door, de trap +op, en de eetkamer in, waar Wouter verwelkomd werd met de kalme +vriendelykheid die door den dokter was voorgeschreven. Gedurende den +maaltyd richtte men juist even genoeg het woord tot hem, om hem op +z’n gemak te zetten, doch niet genoeg om voedsel te geven aan +’t denkbeeld dat hy ’t onderwerp was van byzondere +oplettendheid. Toen Sietske, als om verschooning te vragen voor haar +lang toeven in de zykamer, vertelde dat Wouter de gelykenis van +<span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name= +"pb91">91</a>]</span>dat oude portret met Femke had opgemerkt, zei +Holsma nuchter:</p> +<p>—Ja, daarvan is wel iets aan, maar onze kleine Fem is zoo mooi +niet. Dat scheelt veel!</p> +<p>Hu, ’n droge <i>douche</i>!</p> +<p>Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy +meende alleen dat er gebrek aan... ’t hoogste moest bestaan in +alles wat niet op haar geleek. En dat “hoogste” openbaarde +zich... in haar trekken niet, maar in de aandoeningen die hy vry +eigendunkelyk aan die trekken vastknoopte. Toen-i op z’n laatst +examen die moeielyke “som” zoo korrekt oploste, was +’t Femke of iets van Femke, dat hem aanwees waar de verborgen +knoop lag, en toen-i eenmaal gerekend had: <i>zevenmaal negen is +vier-en-vyftig</i>, had de genade van juffrouw Laps z’n +denkvermogen in den weg gezeten, als ’n zandkorl de radertjes van +’n fyn uurwerk. Z’n vermeende liefde was vereenzelvigd met +den lust tot weten, kennen en begrypen, en dáárom stuitte +het hem—hem die onder aanroeping van Femke’s naam, de +eerste was gewordem op Pennewip’s school—iets te hooren +verheffen boven háár. Als de dokter maar eens ’n +flink examen had doortestaan, meende hy, dan zoud-i wel ànders +oordeelen over Femke’s “mooiheid.” Heerlyk schoon +wàs ’t portret, o zeker! Maar lag niet juist hierin +’n reden om precies op háár te gelyken? En de +diadeem, of wat was het? Wel, zoo’n ding zoud-i immers ook +háár opzetten, zoodra hy...</p> +<p>Ja, wanneer?</p> +<p>Goed! Eéns zou die tyd komen. En dan kon ze tien diademen +krygen voor een, schoon nog altyd de vraag blyven zou of ’n heel +firmament haar beter kleedde dan de noordhollandsche kap?</p> +<p>Maar al deze overleggingen—nu-en-dan afgebroken door: +“wil je wat saus, Wouter?” of: “houd je van sjalotten +by je vleesch?”—betraden de wereld niet. Ze bleven zich als +kluizenaartjes opsluiten in ’t celletje waar ze geboren werden, +en broeiden daar, en gistten, en kookten...</p> +<p>—Veel peper is niet goed voor je, zei Holsma.</p> +<p>Och, juist was-i bezig met ’n sterk gekruid: “ze heeft +my <i>broeder</i> genoemd!” En—zonderling niet, maar toch +verrassend voor hem!—op-eens vond-i dat het woord: +“broedèr” beter paste by diademen en sterrenkransen, +dan by ’n hoofdtooisel dat gedragen wordt door melkboerinnen ook. +Beter by dat portret, dan by ’n... dame met eelt in de handen. +Want dàt had Femke en <i>dame</i> was ze toch: de <i>zyne</i>! +Ach, had ze maar liever: <i>broer</i> gezegd! Maar... +dáárby zou weer die koninklyke Elisabeths-houding +misstaan hebben. Zóó immers ook zou dat portret in de +zykamer de hand uitstrekken... als ’n portret de hand uitstrekken +kòn. Kyk, zóó:</p> +<p>En Wouter maakte een vry linksche beweging, waarmed-i ’n +schotel scheen aantewyzen.</p> +<p>—Sla? vroeg Sietske.</p> +<p>De verwarring die hieruit ontstond, werd weder goedgemaakt +<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name= +"pb92">92</a>]</span>door ’n paar eenvoudige woorden van de +moeder, over ’t weêr, inverband met het voorgenomen uitgaan +van dien avend.</p> +<p>—’t Zal heel vol zyn op den weg, beste man. Ieder wil +graag koningen en prinsen zien. ’t Is waar ook, we hebben ons +gastje nog niet gevraagd of-i lust in de zaak heeft? Ons plan is naar +de komedie te gaan. Je wilt immers wel mee, mannetje?</p> +<p>’t Antwoord laat zich raden. Wouter was verrukt. Hy was nooit +in ’n schouwburg geweest, en verlangde vurig naar onechte zoons. +Dat de voorstelling zou worden opgeluisterd door de tegenwoordigheid +van ’n groep geliefde souvereinen, trof hem minder. Hy had tien +koningen present gegeven voor één baron die volgens de +regels van de kunst ’n meisje verleidt. “Zóó +noemt men zulks” had Stoffel gezegd, en Wouter had zich deze +terminologische bedrevenheid toegeëigend, niet zonder toejuiching +van z’n eigen deugd. Want—dáár ging hem +’n licht op!—<i>hy</i> had zich met juffrouw Laps niet +gedragen als ’n slechte baron, volstrekt niet! Hy was gebleven op +’t pad der deugd... zoo noemt men zulks! En zy zou hem zeer +dankbaar zyn... hèm!</p> +<p>Hem, en dien zevenklapper zeker!</p> +<p>—We zullen de helft der souvereinen van Europa zien, zei +Holsma, en dozynen kandidaten, die misschien nooit...</p> +<p>Wouter kende dit woord weer niet anders dan in den zin van +aanstaande dominees. Hy gaf halfluid z’n bevreemding te kennen, +dat zulke personen de komedie bezochten...</p> +<p>—Wel neen, zei Sietske, ’n kandidaat is iemand die... +wat worden wil. Koning, by-voorbeeld.</p> +<p>Wouter voelde zich allerkandidaatst.</p> +<p>Hierop vertelde Willem hem iets over witte kleeren, uit z’n +<i>Antiquitates Romanae</i>, dat hem niet het minste belang inboezemde +op-zichzelf, maar alweer de oude snaar deed trillen van verdriet over +z’n gebrek aan kennis. Dit leidde z’n gedachten op den +verloopen schooltyd—hy had toch waarlyk z’n best +gedaan!—op z’n huis, op z’n gewone omgeving, en met +angst herinnerde hy den dokter aan de verstoordheid van z’n +moeder over z’n lang uitblyven. Holsma beloofde hem de familie te +gaan geruststellen, waartoe voor ’t vertrek naar de komedie, nog +ruimschoots tyd was. Op hoog bevel namelyk zou de voorstelling twee uur +later dan naar gewoonte beginnen. De souvereinen hadden dit aldus +bepaald om de warmte.</p> +<p>Na Holsma’s vertrek vernam Wouter een-en-ander dat hem veel +belang inboezemde, omdat Femke’s naam daarby genoemd werd. Ook zy +zou den schouwburg bezoeken, werd er gezegd, en uit de gesprekken aan +de theetafel bleek hem, dat de verhouding tusschen ’t gezin dat +hem zoo aanzienlyk was voorgekomen, en ’t betrekkelyk arme +bleekmeisje, allergemeenzaamst was. Mevrouw Holsma liet haar door +Sietske uitnoodigen binnen te komen, maar zy antwoordde dat ze liever +by den kleinen Erik wilde blyven, met wien ze juist zoo prettig aan +’t spelen was. “Erik?” dacht Wouter.</p> +<p>—Dat verwachtte ik wel, zei mevrouw Holsma. Daarom ook was +<span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name= +"pb93">93</a>]</span>ze van-middag niet aan tafel. Ze blyft liever by +’t bedje van den kleinen jongen.</p> +<p>—Ook houdt ze niet van ons eten, riep Sietske. Ze klaagt dat +we te lang aan-tafel zitten.</p> +<p>—De komedie zal haar ook niet bevallen, was de meening van +Willem. Ze is ’n beste meid, maar staat wat styf op haar stuk, +vindt u niet, mama?</p> +<p>—Ieder moet handelen naar z’n overtuiging, en mag +handelen naar z’n smaak, zei de moeder. Fem is te braaf en te +flink om haar in iets te dwingen.</p> +<p>—Dat zou ze zich ook niet laten doen! was hierop de algemeene +opinie.</p> +<p>—Zeker niet! Gelukkig dat het niet noodig is. ’t Blyft +nog altyd de vraag, of ze van-avend komen wil. Ikzelf ging ook liever +niet, maar ’t moet wel!</p> +<p>Wouter bespeurde dat er ’n byzondere reden bestond, waarom de +moeder “anders liever by den kleinen Erik blyvende, die de +mazelen had” ditmaal de familie vergezellen zou naar ’t +<i>Leidsche-Plein</i>. Slechts ’n klein uurtje zou ze blyven, +werd er gezegd, en dan met Oom Sybrand huiswaarts keeren, om Femke +aftelossen in de kinderkamer. Het meisje zou dan met hem terugkomen. +“Als ze wil” werd er telkens by gezegd, alsof men dit zeer +twyfelachtig bleef vinden.</p> +<p>—Ik noem ’t koppigheid! zei Willem. Ze wil ook geen +behoorlyke japon aantrekken, en met ons op-en-neer gaan...</p> +<p>—Ja, antwoordde de moeder, ’n dame wil ze nu eenmaal +niet worden. Wat is er aan te doen?</p> +<p>—Koppigheid!</p> +<p>—Dat ’s de vraag! Zy is zeer verstandig, en ziet +misschien in, dat de verhouding met haar moeder pynlyk worden zou +wanneer ze van stand verwisselde.</p> +<p>—En met tante Siet! riep Herman.</p> +<p>Dat is zeker ’t <i>Stakkervrouwtje</i>, kommenteerde Wouter +zwygend. En: “’n zonderlinge familie!” dacht-i er +by.</p> +<p>—Bovendien, ging de moeder voort, het veranderen van stand +gaat zoo makkelyk niet! Hiertoe is meer noodig dan kleeren...</p> +<p>Ach ja, dacht Wouter, men moet onder anderen ook weten wat sjalotten +zyn, en hoe men zoo’n artisjok eet! Want over die twee +voornamigheden was-i zoo-even gestruikeld.</p> +<p>...als onze Fem dat gewild had—of liever, als haar moeder +’t gewild had toen Femke nog ’n kind was—dan hadden +we daarmee heel vroeg moeten beginnen. Maar nicht Claus zou haar zeker +niet uit ’r handen hebben gegeven. Ze had er te veel hart toe. En +nu heeft Femke te veel hart, om te betreuren dat ze maar ’n +bleekmeisjen is.</p> +<p>—Ze is... <i>intens</i> trotsch! zei Willem, niet zeer +ontevreden dat-i dit mooie <i>adverbium</i> eens terdege plaatsen +kon.</p> +<p>—Ja, ze is... heel trotsch, korrigeerde de moeder. Te trotsch +<span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name= +"pb94">94</a>]</span>om iets anders te willen zyn dan ze-n-is. Ze zou +niet willen ruilen met ’n prinses...</p> +<p>Ruilen? Neen! dacht Wouter. Maar ... zelf prinses wezen, koningin, +keizerin... en dat alles door hèm? Dat zou heel iets anders zyn! +Hy vond het onderscheid... <i>intens</i>! En wanneer al die zaken +geheel-en-al geregeld waren naar z’n zin, dan ... nu ja, +dàn mocht prinses Femke van pozitie ruilen met ’n +bleekmeisje! Want... wat geeft ware liefde om stand?</p> +<p>Zoo liet hy zich foppen door z’n nog altyd kinderachtigen en +dus zeer onvolkomen hoogmoed. En daarom noemde ik z’n liefde: +zoogenaamd. Hy moest nog veel groeien voor-i geheel-en-al de hoogte +bereikte, waarop voorbygaande aandoeningen hem voor ’n oogenblik +plaatsten.</p> +<p>—En, vroeg Herman, we zullen in den bak zitten van-avend?</p> +<p>—Ja de <i>loge</i> is... onteigend, antwoordde mevrouw Holsma +lachend. Dat moet men over-hebben voor souvereinen. De heele +Schouwburg-direktie zakt van-avend naar ’t <i>parterre</i> af, en +misschien zelfs de burgemeester.</p> +<p>—Hy moet den Keizer ontvangen en binnenleiden...</p> +<p>—Ja, en wordt dan waarschynlyk uitgenoodigd, plaats te nemen +in de keizerlyke loge...</p> +<p>—Dan kan-i Z. M. het stuk uitleggen... den <i>Floris</i>! En +Z. M. kan er uit leeren wat de plichten zyn van Vorsten...</p> +<p>—En van Volkeren!</p> +<p>—En van dichters!</p> +<p>—En dat men nooit ’n souverein vermoorden mag!</p> +<p>—Deze maxime zal Z. M. heel aangenaam wezen! Ze is +allergezondst voor koningen en keizers.</p> +<p>—Als-i de zaak maar goed vat!</p> +<p>—We willen hopen dat de dichter gezorgd heeft voor ’n +duidelyke fransche vertaling!</p> +<p>—Als Z. M. maar weet by welke passages hy moet bedanken met +’n knikje.</p> +<p>—Onze burgemeester zal hem wel waarschuwen.</p> +<p>—Zeker! “Sire, pas-op, dat gaat jou aan!” En dan +moet de Keizer zich houden alsof hy wat van ’t stuk verstaat. Wat +’n treurig <i>métier</i>!</p> +<p>—Wat moet-i wel denken van onze dichters!</p> +<p>—En van onze vaderlandsliefde!</p> +<p>—En van ons karakter!</p> +<p>—Och, zulke hooggeplaatste personen zyn aan laagheid gewoon. +Wat niet kruipt, komt niet tòt hen.</p> +<p>—’t Moet hun zeer moeielyk vallen, de mensheid te +achten. Ze zien er altyd het leelykste van, en zyn wel genoodzaakt de +rest daarnaar aftemeten.</p> +<p>—Zeker heeft men den Keizer wys-gemaakt dat die Bilderdyk +’n heele kerel is!</p> +<p>—Natuurlyk! De nederlandsche gewone of huis-bard, de +amsterdamsche Ossian, de volksliereman by-uitnemendheid! <span class= +"pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span></p> +<p>En de heele familie berstte in lachen uit. Willem verhaalde nu iets +van ’n romeinschen keizer die ’t menschelyk geslacht +één kop toewenschte, om het te kunnen onthoofden met +één slag...</p> +<p>—’t Klinkt bar, zei Oom Sybrand, die binnentredende de +laatste woorden gehoord had. Maar als <i>boutade</i> is zoo’n +uiting begrypelyk. De tyd nadert dat de Volkeren ’n gelyk lot +zullen toewenschen aan de souvereinen, en met even weinig of even veel +recht. Men kent elkaar niet! Hovelingen en boekenmakers stoken +misverstand.</p> +<p>—Gaat de <i>Floris</i> door?</p> +<p>—Neen, goddank! De souvereinen zullen onthaald worden op de +<i>Scylla</i> van Rotgans, met ’n <i>Kloris en Roosjen</i> +achterna. Men zal hun vertellen dat het treurspel geheel-en-al +geschoeid is op de leest der fransche “school.” Dus zal +’t wel goed wezen! En... de <i>Kloris</i>? Wel, dat’s +’n <i>idylle</i>! ’n Arkadisch-laaglandsche +<i>bergerie</i>! Virgilius in ’t amsterdamsch vertaald! <i>O, +Meliboee, deus nobis haec...</i> <i>Ekloge</i> met kuitgespen +<i>fecit</i>!<a class="noteref" id="xd19e4605src" href="#xd19e4605" +name="xd19e4605src">1</a> In-plaats van den nieuwjaarswensch krygen we +’n <i>harangue</i>. De elegante Thomasvaer zal God tot getuige +roepen dat het neerlandsch hart, vry van smart, de noodlotten tart, en +op straat, inderdaad, vurig slaat, voor elken vreemden potentaat. +Geloof me, jongens, die Caligula was zoo gek niet!</p> +<p>Wouter begreep niet alles wat er gesproken werd. Maar wel, dat-i +weer veel nieuws hoorde. En... <i>Scylla</i>. Zou dat ’n onechte +dochter wezen? Of was ’t misschien de naam van de oude vrouw die +in den achter-naherfst van haar leven door de goedigheid van ’n +schatryken baron werd teruggebracht op ’t pad der deugd? Zoo +noemt men zulks.</p> +<p>Mevrouw Holsma gelastte de familie zich gereed te maken, om papa +niet te laten wachten als-i terugkeerde van z’n bezoek by de +Pietersens. Dit geschiedde, zoodat men ruim bytyds vertrekken kon naar +’t gebouw waar “der kunsten god” in die dagen werd +aangebeden met—zeer amsterdamsche—geestdrift. Het was +’n waar Apollo’s-welvaren, en dit is nòg zoo.</p> +<p>Holsma verzekerde Wouter, dat de zaak met z’n moeder +“geheel in orde” was, en hy kon zich dus onbelemmerd +overgeven aan ’t hem wachtend genot. De hoogst-onechte +<i>Scylla</i>... in de komedie zitten ... morgen zich te kunnen +herinneren dat-i in de komedie gezeten hàd ... vreemde zaken +bywonen—heel wat ànders nog dan artisjokken!—en ... +nu ja, al die keizers en koningen wilde hy ook wel zien, maar de +gehoopte onechtheid van <i>Scylla</i> bleef hem ’t +voornaamste.</p> +<p>Vreemd, niet waar, dat-i by al de verwachte heerlykheden, zoo weinig +dacht aan de mogelykheid over eenige uren Femke in z’n nabyheid +te zien?</p> +<p>Droeg Willem daarvan de schuld, dien-i by ’t instygen in een +der rytuigen had hooren mompelen:</p> +<p>—Wat my betreft, ik mag lyen dat ze wegblyft! Ik bedank er +<span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name= +"pb96">96</a>]</span>hartelyk voor, door studenten te worden gezien +naast ’n boeredeern. Als ik groen word in September, zouden zy +’t me inpeperen, dat is zeker!</p> +<p>Wouter begreep noch dat “groen-worden” noch de daarby +behoorende “peper.” Maar ... boeredeern?</p> +<p>Hy wierp ’t met z’n geweten op ’n akkoordje, door +zich zoowel van vrees te onthouden als van hoop. En hy trachtte het +vurig verlangen naar <i>Scylla’s</i> onechtheid te gebruiken ter +aanvulling van de leegte die deze bestudeerde onverschilligheid +openliet in z’n gemoed.</p> +<p>Helaas! Het was voor ’t meisjen in Vrouw Gooremest’s +kroeg wel de moeite waard geweest, de hand uittestrekken als ’n +koningin, om nu alweer verloochend te worden om-den-wille van ... van +wàt eigenlyk? Femke’s kostuum was minder bespottelyk dan +de mode-plaatjes van den dag. Ware zy inderdaad gekleed geweest zooals +boeredeerns gewoon zyn, die zich nog zotter opschikken dan ’n +parysche modiste verzinnen kan... maar dit was ’t geval niet. En +hierin lag dan ook geenszins de reden van Willem’s nuffigheid. +Femke’s schuld was zwaarder dan dit. Ze zag er uit als ’n +meisje dat met haar handen den kost verdient. Ziedaar den gruwel die +alle studenten ergeren zou!</p> +<p>En—heel in ’t voorbygaan, willen wy hopen—Wouter +voelde zich aangestoken door die kinderachtigheid. ’t Was jammer, +’t was verdrietig, ’t was kleingeestig en +<i>ondichterlyk</i>, maar—o, Caligula!—we zyn zoo! En wie +ieder ’t hoofd wou afslaan, die zich ooit schuldig maakte aan +zoo’n... menschelykheid, zou veel te doen hebben. By volslagen +wilden, waar koningen hun eigen hout hakken, vindt men weer andere +fouten die even onpleizierig zyn.</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e4605" href="#xd19e4605src" name="xd19e4605">1</a></span> = O, +Meliboeus, een god heeft deze... idylle voor ons gemaakt.</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Tekstverklaring van <i>Ovidius,</i> door <i>Willem Holsma. Idem</i> +door <i>Rotgans</i> en den auteur. Konflikt op ’t Leidsche-Plein +tusschen twee potentaten: <i>Napoleon I,</i> en <i>Minos</i> van +Kreta.</p> +</div> +<div class="epigraph"> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Verdienste van ’t succes met geestdrift +aangebeên,</p> +<p class="line">Kweekt in ’t armzalig koor, laaghartigheid +alleen.</p> +</div> +</div> +<p>Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door +het leveren eener toelichting van ’t stuk dat men straks zou te +zien krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: “omdat verzen zoo +moeielyk te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter +heeft willen zeggen.” Ik ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de +“taal der goden”—er ligt ’n <i>Rotgans</i> in +kwarto voor me—kostbaar te noemen.</p> +<p>Maar ook de pedante Willem kende <i>Scylla</i> niet anders dan uit +z’n Ovidius—zonder onzen <i>Vecht</i>-zwaan zou ik ’t +mensch in ’t geheel niet kennen—en dit verschafte hem +gewenschte aanleiding om z’n relaas optesieren met citaten die +wel eenige kans hadden begrepen te worden, omdat men door ’t +hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn sprak. Ziehier iets +van z’n verhaal... vry overgezet. <span class="pagenum">[<a id= +"pb97" href="#pb97" name="pb97">97</a>]</span></p> +<p>Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor +medeplichtig hield aan den moord op z’n zoon Androgeos. Oorlog +dus. Met z’n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte +hy op ’n stad die in één richting minstens +driehonderd-en-zestig aardbolgraden breed moet geweest zyn, want rechts +en links was geen ruimte om voorby te trekken. Ze moest dus belegerd +worden. Sommigen betwyfelen die uitgebreidheid, en beweren dat de +krygskundige liefhebbery van die dagen voorschreef met pyl en boog op +de muren te schieten, al kon men er langs. Dit verschafte veel +krygsroem, en gaf tevens aan den vyand gelegenheid ook van zyn kant +’n vesting te belegeren, waaruit de heugelyke kans geboren werd, +overwinningen te behalen aan twee zyden tegelyk. De traditie dezer wyze +van oorlogvoeren, waarby krygslieden elkaar zoo lang mogelyk uit den +weg loopen, is tot heden toe bewaard gebleven. Slechts enkele +botterikken—Napoleon I, byv.—hielden zich niet met het +beschieten van vestingen op, en de garnizoenen geven zich in +zoo’n geval—behoudens krygseer natuurlyk—ongedeerd +over, zonder andere heldendaden te hebben verricht dan ’t +beredeneeren der mogelykheid, dat ze rotten en muizen zouden gegeten +hebben... àls ze belegerd waren geworden.</p> +<p>De stad met welker omsingeling koning Minos zich vermaakte, was +met-een ’n heel Ryk, heette Megara of Alkathoë, en werd +geregeerd door zekeren Nisus, ’n allerbraafst man die aan den +dood van Androgeos even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk +zou Minos—vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in +de Onderwereld—billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak +wat grondiger te onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor +Alkathoë. Maar men is niet volmaakt.</p> +<p>Koning Nisus was in ’t bezit van twee byzonderheden. Hy had +’n indelikate dochter—de <i>Scylla</i> van ’t +stuk—en ’n purperen haartjen op z’n hoofd, of +één purperen haartje, of maar één haartjen, +en dat was purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie +mogelykheden die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden +gelaten. Wie nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal +was, heeft er vryheid toe. Ook is ’t geoorloofd zich den man +voortestellen als prykende met ’n dikken haarbos van gewone +kleur—spierwit kleedt antieke koningen het best—mits +slechts dat eene haartje ... kortom ’t was ’n uniek en zeer +kostbaar exemplaar. Dit was den onderdanen van koning +Nisus—volgens de laatste volkstelling had hy er, hemzelf +meegerekend, drie dozyn—zeer wel bekend. Stad en Ryk waren +trotsch op dat haartje, meer dan trotsch: ’t was ’n +waarborg voor welvaart, ’n pand van de welwillendheid der goden, +’n <i>palladium</i>. Iets als onze Kieswet alzoo.</p> +<p>Maar ... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in +verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te begrypen, +laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat ’n purperen Kieswet, +als dochters die zich lieten geboren worden op de trappen van den troon +... maar laat ons Willem’s verhaal niet vooruit loopen. +<span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name= +"pb98">98</a>]</span></p> +<p>Het haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd, en +goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze Nisus +geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een flinke +schildwacht op de kruin van z’n hoofd, moest voldoende geweest +zyn. Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van +krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden +beschermen, onwrikbaar vast, maar ... men mocht de goden te-hulp komen +met militie, schuttery, landstorm, torpedo’s, krygsliederen en +naaldgeweren. Als ik ’n heidensche god was geweest, zou ik dit +wantrouwen in de kracht van m’n bescherming heel kwalyk genomen +hebben, en ik had ieder in den steek gelaten, die my ’t werk uit +de hand nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom +weldadige vruchten gedragen. In alle landen waar men door ’n waar +Geloof ’t recht verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst +finaal afgeschaft en de begrooting van “Oorlog” begrepen in +’t budget van “Eeredienst.” Dit is zuinig en +rationeel. Maar Nisus was ’n heiden, en had dus verkeerde +begrippen over ’t gebruik van theologie in krygskunde. De +onnoozele stumpert zette z’n heele leger achter de wallen van +z’n ... Ryk, om zich daar te verschuilen voor de pylen van Minos +en al die Kretenzers.</p> +<p>De ondeugende <i>Scylla</i> nu was niet afkeerig van <i>das +Militär</i>, en wandelde parmantig op den muur. Nog +proëminenter vertoonde zich van zyn kant koning Minos, en wel +zóó dat de jonge prinses smoorlyk op hem verliefd werd. +Niets natuurlyker. Z’n eerbiedwaardige ouderdom, z’n +gebukte houding, z’n lange gryze baard, en misschien ook +z’n aanstaande verheffing in de onderwereld—onze +<i>Scylla</i> kende haar mythologie op ’r duimpje!—dit +alles was wel in-staat het hart van ’n treurspelmaagd in gloed te +zetten. Zoo waren de tooneelmeisjes in dien tyd. Men kon nooit te +bejaard, te krom of te krygskundig wezen, als ze maar zeker waren dat +haar liefde eenmaal zou noodig zyn tot het samenflansen van verzen of +echt-vaderlandsche treurspelen.</p> +<p>Zielkundig gesproken, er bestond voor <i>Scylla</i> nòg +’n reden om den ouden Minos byzonder interessant te vinden. +Venus’ dartel wicht heeft veel koorden op z’n boog. Ze had +medelyden met hem. En hier was reden toe.</p> +<p>Met ’n heelen stoet soldaten—men telde in dien tyd +duizend krygslieden op één onderdaan: ’n +byzonderheid die ’t regelen van de konskriptie tot ’n +moeilyk vak maakte!—met ’n groot leger dan, was de man van +heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Akathoë te belegeren +volgens alle regels van de kunst, en ’t was háár +bekend dat-i het strand ploegde... om dat purperen haartje! Arme +Minos!</p> +<p>Hy scheen alweer verzuimd te hebben, vóór z’n +oorlogsverklaring nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te +bestryden wezen. Het schynt dat men in oude tyden vry los over de +toebereidselen tot ’n oorlog heenliep. Volgens Ovidius was +Minos-zelf zoo byzonder slordig niet, maar de goden hadden hem gestraft +met <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name= +"pb99">99</a>]</span>’n minister die op allerzonderlingste manier +omhoog was gevallen, en den Louvois spelen wilde om te worden aangezien +voor iets wezenlyks. Hierom dan ook had-i alle onderzoek naar de +voorgewende medeplichtigheid van Nisus aan Androgeos’ dood, weten +te verydelen. De <i>casus belli</i> die hy zoo hoognoodig had voor de +zeer partikuliere industrie van z’n ministerschap, mocht eens +niet bestaan, wat toch jammer zou geweest zyn. Het zedelyk +krygsbeginsel in die onbeschaafde dagen schynt voorgeschreven te +hebben: eerst vechten, en dan vragen <i>waarom</i>? Zoo-iets zou thans +niet kunnen gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap van +oorlogsverklaringen vragen, en ook bovendien niet dulden zouden dat de +<i>res publica</i> beheerd werd door zulk soort van ministers.</p> +<p>Doch zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van +regeeren, werkte <i>Scylla’s</i> al te gevoelig hart ten-kwade +mee. O goden, zuchtte zy, zou ik den man niet beminnen, die op +z’n ouden dag zóó’n minister te torschen +heeft? En zonder Parlement nogal!</p> +<p>Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid ’n ware +deugd was. Zoo waren de meisjes in die dagen.</p> +<p>Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen +over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen die +’t gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft. +Misschien ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen +achteruitgang te konstateeren, òf in de beminnelykheid van +ouweheeren, òf in de ontvlambaarheid van ’t vrouwelyk +geslacht. Ziehier de gronden waarop hy, redelyk scherpzinnig voor +’n heiden—Ovidius was Hollander noch +Christen—z’n stellingen bouwt. Er blykt uit het feit der +zaak-zelf, dat Minos door Scylla kon gezien worden van naby genoeg om +haar verliefd te maken, en tevens dat ze niet gedood of gewond werd +door ’n kretenser pyl. Ook de voor Scylla zichtbare Minos werd +niet geraakt door de scherpschutters uit de stad. Wat volgt hieruit? +Dat in die dagen de schootvèrheid der liefde, die van ’n +pyl uit den boog teboven ging. Welke grysaard, welke man, welke +jongeling, zou heden-ten-dage kans zien ’t hart van ’n +maagd te treffen op meer dan <i>chassepot-afstand</i>?</p> +<p>Aan ’n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts +aan, en laat den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin +gaat-i stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig +besloot haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door +haar vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel +te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader, en +plukt hem—<i>heu facinus</i>: o gruwel ... ja, ’t +wàs gemeen!—dat ééne kostbare haartjen uit, +en <i>progressa porta per medios hostes</i>, komt ze by Minos aan: +<i>pervenit ad regem</i>, juist waar ze wezen wou met dat haartje.</p> +<p>Vorst Minos was ’n <i>kreuzbraver Kerl</i> die o.a. zelf +kinderen had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z’n eigen haren, en +aan ’t malle figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar +zielenrechter, wanneer-i nu die ondeugende dochter styfde in haar +verkeerdheid. <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name= +"pb100">100</a>]</span>Misschien ook vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy, +<i>principiis obsta</i>: hy noemde haar kort en goed ’n monster, +en gebood...</p> +<p>—Wy zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat ’n drukte! Ik wou +dat ik al weer goed en wel thuis zat by m’n kleinen Erik!</p> +<p>Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar ’t uittrekken +van dat eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het +purper was?</p> +<p>—’t Staat er zoo<span class="corr" id="xd19e4777" title= +"Bron: .">,</span> kind! <i>Crinis purpureus.</i> Stap uit, en hou je +jurk wat by-een, om ’t wagensmeer... <i>puelletje</i>!</p> +<p>De familie nam de plaatsen in, die dezen avend achter in ’t +parterre bestemd waren voor de leden van den stedelyken raad, en hun +gezinnen. Ze kwam nagenoeg te zitten onder den rand der loge waarin ze +anders gewoon was de voorstellingen bytewonen.</p> +<p>Die loge was nog altyd leeg. De hooge, hoogere, hoogste, en +byna-allerhoogste personen die haar dezen avend vullen zouden, waren +nog niet verschenen, en Wouter had dus ruim tyd om te bekomen van den +indruk dien de Schouwburgzaal op hem gemaakt had: dit was alzoo +<i>de</i> Komedie, de ware!</p> +<p>Hy verslikte z’n teleurstelling over de blykbaar echte +geboorte van Scylla, en keek nieuwsgierig rond. Z’n gedachten +wiegden zich op ’t gesuis dat hem omgaf. De toedrang was groot. +Alles praatte en fluisterde. Men twistte over de plaatsen. Men schoof +voorby elkaar heen. Men verschikte z’n kleeren. Men vertelde +’t nieuwste nieuws van ’t hof. Men voorspelde wie +dáár zitten zou, wie ’t eerst zou komen, wie +plaatsnemen moest achter den keizer, en wie achter den Koning. Men +berekende waar de prinsen zouden zitten—die ééne +ook, wiens vader herbergier was, en die zich zoo grappig +kleedde—en wat de hooge heeren en dames zouden bestellen uit het +buvet. Men psjstte om ’n stoof, en loofde fooien uit. Men leende +elkaar het tooneelbriefjen, en verzekerde dat de affiches die daarboven +vastgesteld lagen op den karmozyn-fluweelen rand van loges en balkon, +gedrukt waren op satyn van zóóveel stuiver de el. Men +beoordeelde ook het stuk, en zei dat het gekozen was...</p> +<p>—Rotgans is ’n eerste dichter!</p> +<p>—Hm! Eigenlyk ’n tweede of ... derde!</p> +<p>Onder ons, lezer, eenmaal aangeland in ’t verzenmakersgild, is +dit alles zoowat hetzelfde.</p> +<p>—Hy is maar ’n dichter van den zevenden rang, zei +’n ander.</p> +<p>—Waarom dan ’n stuk van hèm? We hebben toch +ànderen, mannen die ... klinken als klokken!</p> +<p>—Zeker, zeker! Bilderdyk, by-voorbeeld, ’n ware +feniks!</p> +<p>—Waarom dan Rotgans?</p> +<p>—Och ... die vreemdelingen verstaan er toch niets van. We +kunnen laten spelen wat we willen.</p> +<p>—’t Is jammer van den <i>Floris</i>...</p> +<p>—Die was er expres voor gemaakt, en zou dus wel mooi geweest +zyn.</p> +<p>—Ik hoor dat de akteurs te lui waren om hun rollen te leeren. +<span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name= +"pb101">101</a>]</span></p> +<p>Neen, dàt was de oorzaak niet! Er zit heel iets anders +achter. Onze Bilderdyk is ’n vaderlander...</p> +<p>—Van belang!</p> +<p>—’n Hollander in z’n hart!</p> +<p>—’n Echte!</p> +<p>—Zeker heeft-i in z’n stuk die vreemde kerels...</p> +<p>—Sjt!</p> +<p>... niet genoeg gevleid. Dat doet geen ware Hollander!</p> +<p>—Neen, dat doet geen Hollander ... nooit!</p> +<p>—Sjt!</p> +<p>Alles stond op. Er was reden toe. Een lakei vertoonde zich op den +achtergrond der koningsloge, waarschynlyk om te zien of de kussens wel +behoorlyk op de fauteuils lagen.</p> +<p>—Ze lyken allemaal wel mal! Optestaan voor ’n lakei, +voor ’n mostertjongen!</p> +<p>Aldus spraken sommigen, die toch precies ’tzelfde hadden +gedaan als de ons reeds eenigszins bekende zondebok: <i>Ze</i>, en +Wouter werd hier weer levendig herinnerd aan de eigenaardigheden van de +“massa”. Ook maakte hy de opmerking dat men niet juist by +de Pietersens heeft te komen, om zich gestuit te voelen door dat eeuwig +verschil tusschen indruk en uiting. “Zou dit overal zoo wezen, +dacht hy, en is dit nu de bekwaamheid die ik me moet eigen maken om +iets te worden in de wereld?” Koningen van Afrika waren eigenlyk +de heeren wier gesprekken hy beluisterde, niet, maar zeer aanzienlyke +menschen toch. Daar waren dokters onder, geleerden, leden van den +stadsraad, jazelfs groote koopluî ... misschien wel m’nheer +Kopperlith in eigen persoon. Met eenige tusschenpoozen, veroorzaakt +door ’t plaats-nemen van nieuw aangekomenen, werden deze en +dergelyke gesprekken voortgezet.</p> +<p>—Maar waarom dan juist iets van dien Rotgans?</p> +<p>—Z’n <i>Boerenkermis</i> is heel aardig.</p> +<p>—Man, hoe kan je ’t zeggen! ’t Is ’n +onfatsoenlyk stuk, vol gemeene woorden.</p> +<p>—Nu ja, maar ... aardig toch!</p> +<p>—Dat weet ik niet. Ik heb ’t nooit gelezen, omdat het +zoo gemeen is. In poëzie gaat by my niets boven deftigheid, en wat +niet deftig is...</p> +<p>—Och, wat geeft zoo’n Keizer daarom?</p> +<p>—Ik begryp heel goed waarom ze van-avend ’n stuk van +Rotgans spelen. Hy droeg altyd z’n stukken op aan een van de +Huydekopers. Dàt is de zaak!</p> +<p>—Hy was van de familie.</p> +<p>—Juist! Misschien wil een van de schepens, als de Keizer +’t stuk mooi vindt, hem zeggen: Sire, de dichter van die... +<i>Scylla</i>, of hoe heet de man?—die Scylla is ’n +bloedneef van me, om uwe Majesteit te dienen.</p> +<p>—Gekheid! Wie zal grootsch wezen op de verwantschap met +’n man die komedies maakt? <span class="pagenum">[<a id="pb102" +href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span></p> +<p>—Hm ... in Frankryk is dat anders, heel anders!</p> +<p>—Bovendien, Rotgans was zoo’n minne man niet. Hy had +’n buitenplaats aan de Vecht.</p> +<p>—Dat moeten ze dan den Keizer er by zeggen.</p> +<p>—De hoofdzaak komt neer...</p> +<p>Weer ’n lakei. Alles vloog omhoog als duveltjes uit ’n +<i>surprise</i>-doosje. En alles—op de zwygende Holsma’s +na—schimpte weer op de verdoemelyke karakterloosheid van +“ze”.</p> +<p>...de hoofdzaak komt neer op de toespraak van Thomasvaer. Dit zeg +<i>ik</i> maar!</p> +<p>—Daarin zal dezen keer ’n echt-vaderlandsche geest +heerschen, naar ik hoor.</p> +<p>—Ja... echt-vaderlandsch! ’t Moet heel mooi zyn. De +prefekt van policie heeft ’t zelf gezegd. Er zyn drie gezworen +translateurs by te-pas gekomen. Je begrypt dat men zich zooveel moeite +niet geven zou voor ’n prul?</p> +<p>—Zeker niet! En de vertaling is naar Parys geweest? De +minister heeft er eigenhandig op geschreven: +<i>approuvé</i>!</p> +<p>—’t Is toch maar altyd ’n zékere waarheid, +dat ze-n-in ’t buitenland eerbied hebben voor onze +letterkunde.</p> +<p>—O ja, en voor ons karakter!</p> +<p>—Er is geen beter volkskarakter dan ’t hollandsche.</p> +<p>—En geen beter letterkunde! Die is... echt-nationaal.</p> +<p>—Dat zegt de <i>Préfet de Police</i> ook. Hy laat alles +vertalen wat er uitkomt. Wat hem vooral bevalt, naar ik hoor, zyn onze +alexandrynen ...</p> +<p>—Nu ja, en ’t karakter!</p> +<p>—Zeker, ’t karakter ook. Maar de alexandrynen zyn even +lang als die van Racine, en dat ’s juist het mooie. Ik ben zeer +benieuwd naar de maat van <i>Thomasvaer</i>. Korte regels kan ik niet +verdragen...</p> +<p>—Hm! Bellamy’s <i>Roosje</i> dan?</p> +<p>—Ja, en z’n: <i>Schoone maan, zeg, ziet gy +heden</i>...</p> +<p>—En z’n: <i>’t Was nacht toen u uw moeder +baarde</i>...</p> +<p>—Mooi, hoor!</p> +<p>—En z’n: <i>Oproeping aan de Bataafsche jongelingen</i>, +om den Engelschman te bestryden. Dat’s óók geen +gekheid!</p> +<p>—En z’n toespraak: <i>Aan de vaderlandsche meisjes</i>. +Dáár zit pit in, hè? Weetje wat-i zegt? Hy +zegt:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Indien ik ooit ontaarde</p> +<p class="line">Van Vaderlandsche fierheid,</p> +<p class="line">Dan moet gy, waardste Fillis...</p> +</div> +<p>Weer kwam ’n lakei deze echt-vaderlandsche ontboezeming +afbreken. De man inspekteerde ditmaal de kussens in de loge der +Palatine die byzonder graag op ’r gemak zat. Als door ’n +veer bewogen, stond het heele Publiek op. Die groene rok met gouden +tressen ...</p> +<p>—Och, ’t is weer zoo’n doodeter. ’k Wou dat +de vent...</p> +<p>En teleurgesteld nam men weer plaats. De liefhebber van korte +<span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" name= +"pb103">103</a>]</span>verzen waarin echt-vaderlandsche +“pit” zat, liet zich niet van z’n stuk brengen:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Indien ik ooit ontaarde,</p> +<p class="line">Dan moet gy my verachten,</p> +<p class="line">Dan moet gy my vervloeken!</p> +</div> +<p>—Dat’s táál, hè?</p> +<p>—Heel mooi, maar ik houd meer van alexandrynen. Ze zyn honderd +percent deftiger, dunkt me.</p> +<p>Het gegons werd gedurig sterker. De keeren dat het Publiek misleid +werd door dezen of genen die de deur van een der loges +opende—’n foppery die telkens op ’n te-loor gaande +eerbiedsbetuiging te staan kwam—waren niet meer te tellen. Men +begon te morren, maar... zacht, zeer zacht, zoo zacht als maar gemord +worden kan.</p> +<p>Wat onzen Wouter aangaat, hy vond alles vreemd, maar tot behoorlyke +ontleding van z’n indrukken was-i niet in-staat. Voor den tienden +keer reeds sedert twee dagen, verdrongen de gebeurtenissen die hem +overstelpten, de aandoeningen van ’n oogenblik te-voren. Hy was +er duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal, bracht het +zyne by tot verdooving van z’n begrip. Zoo-even in ’t +rytuig nog, had-i zich ingespannen om iets te verstaan van +Willem’s vertellinkje, en ook de daarvan opgevangen indrukken +waren nu reeds uitgewischt, of althans zeer vermengd met iets anders. +Hy geleek op ’t lang gebruikt leiblad van den schoolknaap, waarin +de oude krassen ’t later schrift onleesbaar maken zonder baat +voor eigen duidelykheid. Op ’n palimpsest dat ingewyd werd met +catullische zangen, daarna dienst deed als afstandwyzer van +germaans-romeinsche <i>castra</i>, vervolgens ’n spikspelder +nieuw systeem van—nogal oude—wysbegeerte op z’n rug +droeg, en eindelyk tot ons kwam als lofzang op de H. Maagd, +<i>gratiâ plena</i>. Er behoort veel geduld toe—en +scheikunde—om al dat overpleisterd menschenwerk uit elkaar te +houden. En wanneer nu, gelyk hier ’t behandeld palimpsest, zelf +’n mensch is... ’n <i>codex</i>, zooveel moeielyker te +ontwarren dus dan elk ander geschrift...</p> +<p>Zoo goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De +graad van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde +hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo erg +was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden òf gewone +dingen, òf erger. De Holsma’s waren de eenigen die niet +spraken. Eens slechts hoorde hy Oom Sybrand die naar ’n loge +wees, iets zeggen, en ’t kort gesprek dat daaruit +voortvloeide:</p> +<p>—Ik denk dat ze dáár zitten zal... àls ze +komt!</p> +<p>—’t Zou me leed doen, als ik m’n kleinen Erik had +alleen gelaten voor niemendal, antwoordde mevrouw Holsma.</p> +<p>—Nu, Femke is vertrouwd!</p> +<p>—O ja! Maar ’t drukt me dat ik hier zit, terwyl +m’n kind ziek is. Lang wacht ik niet op haar...</p> +<p>—’t Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik +hoorde <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name= +"pb104">104</a>]</span>zeggen dat ze veel luimen heeft, en die altyd +in-volgt. Aan etikette stoort ze zich niet. Dat schynt in ’t +bloed te zitten.</p> +<p>—Als ze ’r om tien uur niet is, ga ik heen. +Héél veel belang stel ik niet in de zaak...</p> +<p>De beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy +had ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de +persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma tegen +haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had.</p> +<p>Een groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een +oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal staan +...</p> +<p>Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er +weinig van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z. M. +was haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet zonder +’n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg +stonden...</p> +<p>Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke Majesteit. +<i>Vivat sequens!</i></p> +<p>...hy had daarna ’n oogenblik—één +oogenblik maar—in de zaal rondgezien, éven geknikt, als +iemand die byna geen tyd heeft om te zeggen: “’t is +wel!” en daarna z’n fauteuil met ’n ruk schuins +naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en ’t +Publiek kon weer gaan zitten... nog niet voor goed.</p> +<p>Ook de andere loges werden nu als door ’n tooverslag gevuld. +Men zag zonderlinge kostumes: de “<i>Wed<sup>e</sup>. Maaskamp en +Zonen</i>!” Dames met lyven van drie duim, en ’n schoot van +byna zooveel ellen. De boezems zweefden tusschen kin en +<i>ceinture</i>. Kleine pofmouwtjes wisten zelf niet, of ze dienen +moesten tot bedekking van den bovenarm of van den schouder. Maar dit +te-kortschieten werd eerlyk aangevuld door witte kabretleeren +handschoenen, die van den pink tot den oksel reikten. Op ’t hoofd +droegen de dames tulbanden, <i>toques</i>, bloemtuinen... +dáár was wat te plukken gevallen voor Scylla! Maar al wat +er leelyks te zien was, werd overtroffen door de onuitstaanbare +militaire kostumes van dien tyd. Wie die steeken en chakots gezien had, +begreep terstond waarom de vyand altyd zoo verschrikt op den loop ging. +Die aanhoudende vlucht ontstond uit schoonheidsgevoel.</p> +<p>De muziek speelde...</p> +<p>’t Spreekt vanzelf... daar wàs ze weer, de lyzige +melodie van den dapperen <i>Dunois</i>!</p> +<p>Een vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven +aan de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook +immers gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu +ja, van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen +alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest...</p> +<p><i lang="fr">Debout... debout!</i> werd er geroepen. Een der hardste +schreeuwers <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name= +"pb105">105</a>]</span>was de man van de korte verzen, waarin zooveel +echt-vaderlandsche “pit” zat. En alles schreeuwde mee: +<i>debout!</i> Men moest opstaan voor den: <i lang="fr">jeune et beau +Dunois</i>!</p> +<p>Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe: <i lang="fr">de +bénir ses exploits</i>, toen er met ’n bundel papier vry +driftig op den rand der koningsloge werd getikt, juist op de plaats +waar men berekenen kon dat de Keizer zat. De Holsma’s recht +naar-boven ziende, werden slechts ’n stuk van den zonderlingen +hamer gewaar, waarmee Z. M. de maat sloeg...</p> +<p>De maat? ’t Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, +in der haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan +de maat! Ieder die in ’t parterre zat, kon aan de angstige +blikken die uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden +geworpen, duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men +van-beneden-af de oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet +spoedig geraden, zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook +de Palatine, juist bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair +van Groenland, heel hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende +loge, raakte in de war, wat anders de gewoonte van deze dame volstrekt +niet was. De koord van haar <i>joujou</i> krinkelde, en ’t ding +bleef levenloos hangen, als ’n geëxekuteerde. Dit was hem in +de hand der Palatine nog nooit overkomen!</p> +<p>De Keizer stond op, en tokkelde met z’n rol papier als +’n razende.</p> +<p>Een afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie +’t opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met +Kykduin en ’t <i>perfide Albion</i>.</p> +<p>Onze verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als ’n +izegrim. Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen, maar hy +luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op ’t fluweel +van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien, koningen, +kamerheeren, maarschalken, adjudanten, <i>aides de camp</i>, schoten +toe. Maar Z. M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos maakte. Hy +verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den roffel ’n +oogenblik aftebreken, om met z’n papieren trommelstok naar +’t orkest te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit +beteekenen moest. De bevolking van de voorste loges gaven den +orkest-direkteur te kennen, dat de schuld der stoornis aan hem scheen +te liggen, en siste hem van alle kanten toe. De man schrok, en bleef +als versteend staan, met z’n maatstok zuid-oost half-oost in de +lucht, dat hier zooveel beteekende als heelemaal buiten-west. ’n +Plotselinge stilte verving nu ’t geraas, en liet verraderlyk toe, +dat men heel duidelyk ’n te laat ingehouden vaderlandsch +nagalmpje te hooren kreeg. In den engelenbak namelyk—dezen avend +bezet door fatsoenlyke burgers, want alle standen waren ’n graad +of tien in waarde gedaald, omdat de markt van rang overvoerd +was—in den engelenbak had ’n onverlaat zich de magere +voldoening gegund: <i>al is ons prinssie</i> te zingen, wèl +bedekt natuurlyk onder de noten van koningin Hortense’s +prachtstuk. <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name= +"pb106">106</a>]</span></p> +<p>Was <i>zy</i> de dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje? +Misschien wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid +me byzaak is, omdat ik my de verplichting opleî, juister te zyn +dan de <i>Historie</i>. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten +noch met datums te doen, en trachten slechts <i>mogelyke indrukken</i> +te schetsen, en menschen te teekenen zooals de denker zich kan +voorstellen dat ze geweest zyn.</p> +<p>De stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als +opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur +kommandeerde eindelyk in den angst van z’n hart: “<i lang= +"fr">où peut-on être mieux</i>.” De vaderlander uit +den engelenbak maakte zich gereed de muziek toetelichten met de bekende +romance van ’n “<i>sleepersknol... op hol</i>” toen +er bleek dat Z. M. nog altyd niet voldaan was. ’t Moest: +“<i lang="fr">veillons au salut de l’empire</i>” +wezen! Dacht hy er aan, dat het huiselyke: “<i>waar kan men beter +zyn</i>” bewaard moest blyven voor de <i>Beresina</i>, by den +terugtocht uit Rusland? Want by die gelegenheid is ’t—o +bloedig sarkasme!—gespeeld.</p> +<p>“<i>Veillons</i>” dus! Weer het knikje: ’t is +wèl! en weer liet hy zich vallen in z’n fauteuil, waar-i +voortging zich te verdiepen in de vestingwerken by Huisduinen. Toen +’t “<i>Veillons</i>” behoorlyk was afgespeeld, +mochten al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed, +goddank!</p> +<p>Het scherm ging op, en ’t woord was aan Rotgans:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Ja, Minos, aan ’t geschenk dat ik u heb +gegeven,</p> +<p class="line">En uit de kerk geschaakt...</p> +</div> +<p>—Wàt? vroeg Wouter. Uit de kerk? ’t Purper +haartjen uit de kerk? Ik meende...</p> +<p>—Sjt! zei Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit +beteekent. Misschien ’n <i lang="la">licentia poetica</i>, +weetje.</p> +<p>Heel juist geraden! De treurspeldichter had den vreemsoortigen +<i lang="la">crinis purpureus</i> heel handig omgesmeed in ’n +schild dat door Scylla geroofd wordt. Zeer wel. Maar... uit de +kerk?</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">...hangt Nisus’ kroon en leven!”</p> +</div> +<p>—<i lang="fr">Qu’est-ze qu’elle changte?</i> riep +de Paltsgravin. <i lang="fr">Il barait que zela zera +excèzivemang larmoyang! Za doilette est egzégraple! La +bedite est attivée d’une magnière ... et quelle +langue, mong Dié, mong Dié, quelle langue! Za +m’égorssche les oreiglles!</i></p> +<p>Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van +den klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te Boulogne... +te Dover... overal, behalve dáár! Behalve daar, en... op +<i>Sint Helena</i>!</p> +<p>Wouter luisterde als ’n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog +minder omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem te +vreemd om niet z’n aandacht volkomen in beslag te nemen. +Z’n wangen rustten op beide vuisten, en z’n elbogen op de +leuning der bank vóór hem. Wie met half geopenden mond +deze houding nabootst, kan precies weten hoe nieuwsgierig hy was naar +den afloop van Scylla’s tocht in ’t kamp van Koning Minos. +<span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name= +"pb107">107</a>]</span></p> +<p>Een schild in-plaats van ’t haartje? Dacht hy. Wie weet of +niet de dichter, als-i toch aan ’t verzinnen gaat, ook iets zegt +van onechte zoons, en van het terugkeeren op ’t pad der deugd, +dat de menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker +om het terugkeeren mogelyk te maken.</p> +<p>Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. +Wouter mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m’n handen in +onschuld.</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>De tuchtelooze auteur—<i>gebrek aan school!</i>—vertelt +niets van ’t purpren haartje, doch integendeel allerlei zaken die +in ’n roman niet te-pas komen. Hy geleidt den lezer langs +keizerlyken weg in de kommeny waar <i>Leentje</i> zout moet halen. +Verzoeke vriendelyk dit gebrek aan zout niet meer dan driemaal +in-verband te brengen met des auteurs schryfmanier.</p> +</div> +<p>Die arme Rotgans! ’t Was wèl de moeite waard ’n +paarduizend verzen by elkaar te rymen, om zóó +verwaarloosd te worden! Geen der toeschouwers was geroerd door de +treurspellige bravigheid van Minos, die de ontaarde juffer zoo flink op +haar plaats zette. Men luisterde niet.<a class="noteref" id= +"xd19e5178src" href="#xd19e5178" name="xd19e5178src">1</a></p> +<p>Met naïve verbazing trachtte Wouter de tirades van ’t +stuk te volgen. Ze bevielen hem niet, en byna klom z’n +ontevredenheid op tot den moed, zichzelf in-staat te achten tot het +leveren van iets beters. Vooral trof hem de verregaande leegte aan +denkbeelden. De aan Ovidius ontleende <i>handeling</i> van ’t +stuk mocht dan in zekeren zin hoofdzaak zyn<span class="corr" id= +"xd19e5186" title="Niet in bron">,</span> tot het schetsen +dáárvan waren geen tweeduizend regels noodig. Aan +“gaan en komen” waren meer verzen besteed dan aan +menschkundige ontwikkeling, of aan opmerkingen die de moeite van +’t onthouden waard schenen. Zoo gaat het meer. Is dàt +’n dichter? vroeg Wouter.<a class="noteref" id="xd19e5189src" +href="#xd19e5189" name="xd19e5189src">2</a></p> +<p>Wouter bemerkte dat de volwassen leden van de familie Holsma +by-voortduring niet den minsten acht sloegen op het stuk. Ze richtten +hun blikken naar de loges, doch blykbaar met andere bedoeling dan de +meesten, of zelfs dan àlle anderen, die de hooge personaadjes +alleen om de vreemdigheid aangaapten. Ook uit de afgebroken zinsneden +die tusschen Oom Sybrand met z’n broeder en zuster gewisseld +werden, scheen te blyken dat hun aandacht door iets zeer byzonders werd +tot zich getrokken.</p> +<p>—Als ze niet spoedig komt, ga ik heen, zei weder mevrouw +Holsma.</p> +<p>—Misschien zit zy in de keizersloge, en achter-af. Dan kunnen +we haar van-hier niet zien.</p> +<p>—Men heeft me gezegd, dat ze te Parys nooit ’n kwartier +achtereen <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name= +"pb108">108</a>]</span>op dezelfde plaats blyft. Misschien komt ze +straks dáár of dáár...</p> +<p>En met ’n bescheiden beweging van den uit z’n vuist +opgestoken duim, wees Holsma ’n paar der zyloges aan.</p> +<p>—Ze komt soms in ’t parterre ook, naar ik hoor.</p> +<p>—Langer dan nog vyf minuten wacht ik niet, zei mevrouw Holsma. +M’n kleine Erik is my meer waard dan duizend...</p> +<p>Wouter meende te verstaan: “dan duizend nichten.” Ja, +zóó zal ’t ook wel geweest zyn. Want:</p> +<p>—Van den koning, voegde Holsma er by.</p> +<p>Dit deed hem den draad weer verliezen. Hy had gemeend dat Femke +bedoeld werd. En nu: <i>van den koning</i>? Waarom was juist <i>die</i> +prinses zoo belangwekkend? De loges zaten vol neven en nichten, de een +nog meer opgepronkt dan de ander. Welke byzonderheid verhief juist die +eene afwezige, in aanspraak op belangstelling tot mededingster van den +kleinen zieken Erik? Toen de tooneelspelers het derde bedryf hadden +afgealexandrynd, was de zorgvuldige moeder niet langer te houden. Ze +verliet de zaal met Oom Sybrand, die weldra zou terugkeeren met +Femke:</p> +<p>—Als ze wil! voegde hy er by, op ’n toon die twyfel te +kennen gaf. Want, zeid-i, ze houdt niet van drukte.</p> +<p>O he, dit meende Wouter beter te weten. Oom Sybrand had haar eens op +de Botermarkt moeten zien, en in de <i>gekroonde Jeneverbes</i>! Maar +zulke dingen verklapt geen ridder. Hy zweeg dus.</p> +<hr class="tb"> +<p>De oude Minos is byzonder verliefd op Ismene die zeer schoon en +deugdzaam is. Scylla is byzonder verliefd op Minos die zeer oud en +eerbiedwaardig is. Ismene is byzonder verliefd op Fokus die zeer +heldhaftig is. En Fokus is byzonder verliefd op Ismene... dat’s +mogelyk. Maar hy spreekt haar zonderling toe, en wel juist op ’n +oogenblik dat ze het in alle treurspelen onmisbaar voorstel doet, om +voor haar beminde te sterven. Ik geloof gaarne dat Fokus ’n held +was, maar heel hoffelyk was de man niet:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">“Weerhou die redenèn, prinses, die my +verveelen...</p> +</div> +<p>Wat is dàt? Een nieuw rumoer, en ditmaal in den engelenbak. +Aller oogen richtten zich opwaarts, maar niemand kon spoedig te weten +komen wat er in dat hoog regioen voorviel. Eerst meende men dat er +gevochten werd, maar dit scheen toch ’t geval niet te zyn. Na +eenig dringen en andere blyken van roering en onrust, werd de uniform +van ’n policiekommissaris zichtbaar, die blykbaat met +vruchtelooze moeite iets wilde begrypelyk maken aan ’n paar +mannen op de voorste bank. Het scheen dat ze van ’n ander +gevoelen waren dan hy. Om z’n fransch of italiaansch te +vertolken, greep de vertegenwoordiger van ’t gezag die beide +personen by den arm, en trachtte hun aan ’t verstand te brengen +dat ze niet zouden worden opgehangen, noch zelfs gearresteerd, maar dat +ze hun plaatsen moesten ruimen.</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">“Weerhou die redenèn, prinses, die my +verveelen...</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name= +"pb109">109</a>]</span></p> +<p>—<i lang="fr">Qu’y a-t-il encore?</i> vroeg de keizer +weer.</p> +<p>En toen een der kamerheeren hem op deze vraag geantwoord had, begon +hy hartelyk te lachen. Er scheen iets nieuws geschied te zyn, dat +byzonder in den smaak viel van de aanzienlykste bezoekers der zaal, +want in alle loges stak men de hoofden by elkaar. Men fluisterde, en +lachte, en giechelde, en staarde naar den engelenbak. Zelfs de keizer +stond op, boog zich over den rand van z’n loge, en keek rechtuit +naar boven. Maar zonder baat, want krom-zien kon hy niet, wat hem by +deze gelegenheid wrevel, en zelfs eenige verwondering op den hals +haalde. Ook de bewoners der lagere sfeer in ’t parterre, kregen +voorloopig niets te zien dan de gebaren en mimiek der personen die men +verjagen wilde van hun welbetaalde plaatsen, en die zich hiertegen +hardnekkig bleven verzetten. Onze oude kennis, de Paltsgravin, gaf +weldra blyk meer van de zaak te begrypen, dan de onderste laag van +’t gezelschap. Halverweeg uit haar loge buigend, telegrafeerde zy +met iemand die in ’t paradys nog altyd op den achtergrond scheen +te blyven. Het stuk van Rotgans... och!</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">“Weerhou die redenèn, prinses, die my +verveelen...</p> +</div> +<p>De Palatine groette met haar <i>joujou</i>. Wien of wie groette zy? +Het scheen dat ze zich byzonder vermaakte. Met wyd uitgestrekten arm +wees ze aan al haar buurtgenooten in aanzienlykheid, dat daarboven in +die gemeene-volkskooi iets zeer byzonders te zien was. Arme Rotgans! En +arme akteur ook. De man zag van alle gepruikte en ongepruikte hoofden +niets dan de kruin. Blyf eens <i lang="de">begeistert</i>... achter +zoo’n Publiek! Nogeens, en als sprak hy nu zeer in ’t +byzonder tot de Palatine:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">... Weerhou die redenèn, prinses, die my +verveelen ...</p> +</div> +<p>De Palatine gaf er niets om. Ze schaterde van lachen—ook de +keizer had gelachen: het mocht dus!—en ze scheen maar niet tot +bedaren te kunnen komen van plezier.</p> +<p>Nu moest ik ’n dubbele pen hebben, om te vertellen wat Oom +Sybrand zei, die teruggekeerd was na mevrouw Holsma te hebben +thuis-gebracht, en te-gelyker-tyd den uitroep van Wouter behoorlyk +weertegeven, die met open mond en verdraaiden hals zat te kyken naar +het tooneel van den stryd.</p> +<p>—Waar is Femke? vroeg Holsma.</p> +<p>—Ze wil niet, zei Oom Sybrand. Ik dacht het wel.</p> +<p>—O God, daar is ze! riep Wouter.</p> +<p>—Wie?</p> +<p>—Femke, m’nheer! Femke, Femke... o God, dàt is nu +wel wezenlyk Femke! En ze... vecht! Zie, dáár, daarboven, +zie!</p> +<p>Hm... ’t had er veel van! Maar vechten deed ze toch eigenlyk +niet. Het meisjen in den engelenbak had den policiekommissaris by den +kraag genomen, hem achteruit getrokken, was zoo goed mogelyk tusschen +de bezitters van de nauw-bezette voorbank heengedrongen, en liet zich +daar neervallen op de twee halve schoten van de buurtjes die ze zoo +onbarmhartig gescheiden had. <span class="pagenum">[<a id="pb110" href= +"#pb110" name="pb110">110</a>]</span></p> +<p>—’t Is Femke, m’nheer! O god, het is Femke! Als +men haar maar geen kwaad doet!</p> +<p>Weer stond de keizer op, en weer staarde hy naar boven. Hy kreeg +’t meisje met den noordhollandschen kap in ’t oog, en +knikte haar toe...</p> +<p>—Maar, m’nheer Holsma, het is Femke... <i>onze</i> +Femke!</p> +<p>En de Paltsgravin groette het meisje nogeens met den <i>joujou</i>, +als om haar geluk te wenschen met de verovering van dat plaatsje...</p> +<p>—Maar, m’nheer, ’t is Femke! riep de verbaasde +Wouter, die maar niet begrypen kon dat-i geen antwoord kreeg.</p> +<p>Ook Holsma en Oom Sybrand waren verbaasd, doch niet als Wouter, die +zich by ’t hoofd greep om te voelen of-i wel terdeeg wakker +was?</p> +<p>—Nu, kinderen, zei eindelyk de dokter, je kunt straks aan +moeder vertellen dat we haar gezien hebben.</p> +<p>En, zich tot Wouter keerende:</p> +<p>—Dat meisjen is ’n nicht van ons...</p> +<p>—O ja... Femke!</p> +<p>—Neen, ze heet anders, en...</p> +<p>—M’nheer, ’t is Femke! Zou <i>ik</i> Femke niet +kennen!</p> +<p>Ei, Petrusje! Dit klinkt reeds geheel anders dan: wie is die meid? +Of... dan zelfs dàt niet!</p> +<p>Op-eens kreeg ’t vreemdsoortig meisje dat haar groote blauwe +oogen onbeschroomd door de zaal liet dwalen, onzen kleinen jongen in +het oog. Ze bukte voorover, staarde hem met aandacht en inspanning in +’t gelaat, knikte vriendelyk, en wierp hem ’n kushand +toe...</p> +<p>Zoo meende hy, en zoo wàs het. Maar ’t geheel parterre +was ditmaal al te zeer van zyn gevoelen. Ieder meende dat ze hemzelf, +of allen meenden dat zy allen gegroet had. De deftige lui ergerden zich +aan de verregaande onbeschaamdheid van zoo’n boeredeern—in +hoofdsteden heet elk provinciaal ’n boer—en de meer vroolyk +gestemden beantwoordden haar groet met spottende overdryving. Weldra +echter werd er gesist. Uit de hoogere sfeeren kwam de tyding neerdalen +dat ’s konings nicht, prinses Erika, ’n blyk willende geven +van sympathie voor ’t Nederlandsche Volk, zich kwam vertoonen in +“nationaal kostuum” of wat by vreemdelingen daarvoor +doorgaat.</p> +<p>—O god, geloof er niets van, m’nheer Holsma! Ik zeg u +dat het Femke is, verzekerde Wouter met tranen in de oogen.</p> +<p>—Neen, m’n jongen, dat meisjen is Femke niet.</p> +<p>—Maar... ze heeft my gegroet!</p> +<p>—En de keizer háár. Je begrypt toch wel dat hy +geen waschmeisje groeten zou?</p> +<p>Zeker! Dit was moeilyk te veronderstellen. Maar even vreemd kwam het +Wouter voor, dat die... prinses ’n nicht wezen zou van dokter +Holsma. Op-nieuw meende hy te bemerken dat het meisje hem toewenkte, en +dat ze haar lippen bewoog. Naar die <span class="pagenum">[<a id= +"pb111" href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span>beweging te +oordeelen, kon ze best gezegd hebben: myn broeder! Wouter hield het er +voor, en lispte die woorden na, en drukte beide handen styf tegen de +borst, als om ’n kostbaarheid te bewaren die zoo-even daarin was +neergelegd.</p> +<p>In-weerwil van z’n hoogachting voor dokter Holsma, was het hem +onmogelyk diens verzekering te gelooven, dat het jonge meisje +daar-boven eene andere was dan de door hem verloochende dochter van +Vrouw Claus. Hy knoopte de voorvallen der laatste uren zoo goed mogelyk +aan elkander, en meende te begrypen hoe hy door z’n drift aan die +Kaatje aanleiding had gegeven tot ’n zonderling bericht van +wedervaren. Men had hem voor krankzinnig aangezien, letterlyk: voor gek +gehouden, en wilde nu hem afleiden van ’n <i>idée +fixe</i>. Daarom ook die uitnoodiging tot het bezoeken van den +Schouwburg, en Femke’s voorgewende weigering om meetekomen met +Oom Sybrand, die van zyn kant op deze reeds lang afgesproken weigering +had voorbereid. Zeker had de dokter haar den wenk gegeven, wanneer ze +dan toch ook iets zien wilde van al die pracht en vreemdigheid, ergens +anders plaats te nemen dan in ’t parterre. ’t Was voor zyn +ontroerd gestel beter geoordeeld, dat ze nu juist niet naast Wouter +kwam te zitten, die haar verloochend had, en daaronder zoo leed! +Misschien had men daar in die hoogste loge ’n plaats voor haar +opengehouden, en die kommissaris van policie ...</p> +<p>Maar ... hoe durfde zy dien man zoo onzacht storen in de al te +welwillende uitoefening van z’n funktie? Hem ’t gezag uit +de hand nemen? En ... die groet van den keizer? En ... vanwaar wist +Holsma dat hy haar verloochend had, en dat haar tegenwoordigheid de +kalmte van z’n gemoed bedreigen kon?</p> +<p>—Och, m’nheer, laat Femke maar gerust hier zitten ... ik +zal heusch heel bedaard wezen! Ik ben zoo bang dat men haar kwaad zal +doen, daar-boven onder al die ruwe menschen!</p> +<p>Holsma zag hem vorschend aan. Zou dan toch die Kaatje gelyk hebben +gehad? Hy vond nu goed, Wouter niet langer tegentespreken in z’n +meening omtrent de identiteit van de verschyning, en trachtte door +eenige onverschillige opmerkingen z’n aandacht en gewaarwordingen +afteleiden. Het toeval wilde dat hy hierby ’t woord +“engelenbak” gebruikte, dat ook den niet-amsterdamschen +lezer nu zeer gewoon klinkt, omdat ik het reeds verscheiden malen +gebruikt heb, doch den nuchteren Wouter geheel vreemd was.</p> +<p>—Juist, viel hy den dokter driftig in de rede. Juist: +engelenbak! U ziet dus wel, m’nheer, dat het Femke is!</p> +<p>Ook deze konklusie klonk weer zonderling in Holsma’s oor. Al +te zonderling zelfs, om nu te laten bemerken dat hy er niets van +begreep. En om Wouter te bewaren voor nòg meer opwinding, gaf hy +toe.</p> +<p>—Wel zeker, jongen, dat zeg ik ook. Ik wou je maar ’n +beetje plagen. Femke zit dáár, omdat ze ... niet gaarne +hier wil zitten. Ze meent dat ... het zoo raar zou staan, omdat ze maar +’n waschmeisjen <span class="pagenum">[<a id="pb112" href= +"#pb112" name="pb112">112</a>]</span>is. En dat wy ons schamen zouden +over de verwantschap zieje!</p> +<p>—O, m’nheer, niemand behoeft zich te schamen naast Femke +te zitten. Zelfs de keizer niet! En ... God niet!</p> +<p>Ei, Petrus!</p> +<p>—Ja, ja, suste Holsma. Precies! Zóó is het! Wie +braaf en goed is, hoeft zich voor niemand wegtestoppen. Kyk nu maar +verder naar ’t stuk, m’n jongen.</p> +<p>Wouter wilde gehoorzamen, doch niet voor z’n oogen afscheid +hadden genomen van de heerlyke verschyning. Nog eenmaal zag hy op. Zy +wenkte hem toe, nam ’t takje met drie rozeknopjes van de borst, +hield het eenige oogenblikken tusschen duim en voorvinger van de +linkerhand, wees met de rechter op Wouter, en liet het vallen. Het +kwam—niet te-recht, o goden, maar neer toch!—op ’n +dikken heer in Wouter’s buurt, die ’t aangreep, en heel +verwonderd keek. De man leek niet op rozeknopjes, en z’n verbaasd +gezicht scheen te vragen: wat doe <i>ik</i> daarmee? +Vóór-i evenwel zichzelf ’n bruikbaar antwoord op +deze vraag geven kon, was Wouter van z’n plaats gesprongen. Hy +wipte langs en over ’n paar buren en banken, greep ’t +gulden vlies dat den valschen Jason zoo in verlegenheid bracht, en +drukte het, opziende naar den engelenbak, aan z’n lippen. Overal +elders dan te Amsterdam, zou ’t publiek geapplaudisseerd hebben. +Hier deed het de Palatine, vooral toen prinses Erika knikte: “dat +ze ’t juist zóó gemeend had!”</p> +<p>Dit was meer dan Wouter’s geschokt gestel verdragen kon. Nooit +zou hyzelf zich ’t verloochenen van Femke vergeven, maar nu had +zy, de edelmoedige, de groote, de majestueuze, hem vergiffenis +geschonken ten-aanzien van ’t gansche Volk! O, +dààrom wilde zy bóven zitten, zoo +hóóg ... in den engelenbak! Zy had de vlek van z’n +ziel gewischt, z’n geschonden riddereer hersteld ...</p> +<p>By deze gedachten die hem als bliksems door ’t hoofd schoten, +viel hy flauw. Was ’t wonder?</p> +<p>Holsma nam hem mede naar zyn huis, en liet aan juffrouw Pieterse +berichten dat de jongeheer Wouter ...</p> +<p>—Zieje wel, Stoffel, net wat ik gezegd heb! Ieder mag ’t +weten: het kind leseert effectief by dokter Holsma op de +Kolveniersburgwal. Trui, denk er aan dat Leentje morgen ochtend zout +haalt in de kommeny, want ... werachtig, ’t kind leseert er!</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e5178" href="#xd19e5178src" name="xd19e5178">1</a></span> In I. +1180 weidt M. uit over Hollandsche tooneelkunstenaars en +Napoleon’s tooneelbegaafdheid.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e5189" href="#xd19e5189src" name="xd19e5189">2</a></span> In I. +1181 geeft M. een beschouwing over Rotgans’ stuk als navolging +van navolging.</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p><i>Ariadnisme</i> met modern-burgerlyke verwikkeling. Treurzang over +de hedendaagsche onbruikbaarheid van wonderen. <i>Wouter</i> krygt les, +en wordt—<i>als de lezer</i>—uitgenoodigd zich ’n +tydje te spenen van romantiek.</p> +</div> +<p>Het is me zeer moeielyk, te berekenen hoeveel van m’n lezers +genoeg menschelyk gevoel hebben uitgeschud, om niet te schreien by de +ongelukken van juffrouw Laps. Als het medelyden dat ik voor haar +inroep, gering is, wyt ik dit aan te groote geleerdheid. Het schynt wel +dat de belezen mensch onzer dagen z’n gevoelighedens <span class= +"pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name= +"pb113">113</a>]</span>heeft opgemaakt aan mythologie, romantiek en +bybelkennis. Hy heeft zich moê getreurd op ’t legio +modellen van verlatenheid, die ons sedert eeuwen geleverd zyn in +profane en heilige Schriften. De tranen alzoo waarop juffrouw Laps +’n onmiskenbaar recht heeft, en die haar ook niet zouden +geweigerd zyn door naïver toeschouwers of lezers, zyn de buit +geworden van Medea, van Fedra, van Asnath, der vrouwe Potifars, van +Ariadne op Naxos, en dergelyke persoonlykheden meer, waarvan er toch +geen enkele by ons Lapsjen in welbegrepen rampspoed halen kon. Ze was, +zy by-uitnemendheid, wat de romanschryvers gewoon zyn met sierlyke +spraakwending: “de ongelukkigste der vrouwen” te noemen, en +haar door Wouter zoo schichtig verlaten boven- voor- onder- achter- +insteekkamer, ’n ware tempel van verschillende smarten.</p> +<p>Het is geenszins m’n bedoeling, Wouter boven Jozef, Theseus, +Jason of Hippolytus te stellen. Apollo beware my voor de by auteurs +somwylen voorkomende apenliefde, die hen in hun helden altyd de +“belangwekkendste der stervelingen” doet zien. De lezer zal +erkennen dat ik genoeg moed en plichtbesef heb, om m’n jongetje +nu-en-dan niet zeer malsch te behandelen. Neen, niet in Wouter’s +verdienste zoek ik den maatstaf voor de wanhoop der verlatene. En ook +zyzelf voedde haar verdriet niet uitsluitend met ’n droevig +staren op de waarde van den verloren schat. De hem kwalificeerende +benamingen die ze ’t weggeloopen heil namurmureerde, getuigden +meer van vinnige verstoordheid dan van byzondere waardeering. Er +bestond iets geheel anders, dat met volle recht haar verstoordheid +stempelde tot wrevel, en zelfs tot woede. Met gepasten eerbied voor de +smart van al die andere dames, meen ik te mogen in ’t midden +brengen, dat er onder die gansche weenende vrouwenschaar geen enkele +zoo’n gek figuur maakte tegenover de respektieve verwanten van +haar verlaters, als juffrouw Laps. Ze moest Wouter verantwoorden aan +z’n familie. Dàt was het!</p> +<p>De zonderlingste plannen gingen haar door ’t hoofd. Hoe zou +’t zyn, als ze vertelde dat-i was “weggenomen” van +voor de oogen des Volks, en opgevaren in ’n gloeiende diligence? +Ze verwierp dit denkbeeld, uit zeer gegronde vrees dat men haar niet +gelooven zou. Onder alle wonderen zyn er maar weinig zoo ongeschikt tot +dagelyksch gebruik, als hemelvaarten. Zelfs Politie en Justitie +gelooven er niet aan, dit zy gezegd zonder ’t minste wantrouwen +op de historische grondslagen van de christelyke godsdienst, die zulke +zaken niet missen kan zonder in elkaar te storten als ’n slecht +gebouwd kaartenhuis. Het zal den godsdienstigen lezer genoegen doen, te +ontwaren dat ik in dit opzicht geheel-en-al ’t gevoelen aankleef +van den zeer heiligen Paulus. (I <i>Corinthen</i>, <i>XV</i>, vs +14.)</p> +<p>Dus: géén hemelvaart! dacht onze Ariadne, met +bedroevend verstand! Maar... wat dan?</p> +<p>Ze begon met wachten of haar Theseusje misschien zou terugkeeren? +Het was haar niet duidelyk geweest, of hy in die kroeg geraakt, dan wel +gebleven was onder de volksmenigte die er vóór +<span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name= +"pb114">114</a>]</span>stond. Misschien ook had deze of gene stroom van +de joelende menigte hem meegevoerd. Hm... hoe vèr? ’t Land +uit? Naar... Amerika of ’t peperland? Dit zou zoo kwaad niet +wezen, vond ze, want eigenlyk was ze nu meer angstig voor z’n +terugkeer by de zynen, dan begeerig naar zyn wederkomst by +hààr. De oorzaak is ligt te vatten. Wat zou Wouter +vertellen aan z’n verwanten? Tot haar groote teleurstelling was +z’n medeplichtigheid niet ver genoeg gegaan, om hem +bescheidenheid inteboezemen in z’n eigen belang, en ’t +schepsel stond te laag om kiesheid te verwachten uit oorzaken van +anderen aard.</p> +<p>Om by ’t schriftuurlyke te blyven, zon ze, na ’t +verwerpen van de gedemodeerde luchtvaart, op ’t aanwenden der +egyptische methode van Asnath. Helaas, daarby is de verrukkelyke +naïveteit van Potifar onmisbaar, en ze had menschenkennis genoeg +om te berekenen dat noch Stoffel, noch z’n moeder, noch zelfs een +van Wouter’s zusters, onnoozel genoeg wezen zouden om zich te +laten vangen in ’n strik van zoo verouderd maaksel. Zeker zou er +blyken dat haar zeer bekend “Geloof” eer ’n wapen +tégen haar opleverde, dan ’n schild waarachter ze schuilen +kon. Want, lezer, de achtbaarheid van de goddienery is wat versleten. +Ze voorzag dat men meer vertrouwen stellen zou in Wouter’s ... +kinderachtigheid, dan in haar gescherm met “Schrift” of +“Heer” en hierin had zy alweer volkomen gelyk. De tyd +nadert, dat men zeggen zal: “ziedaar iemand die <i>niet</i> +gelooft, en toch ’n schelm is.” Dit +“<i>toch</i>” zal beter op z’n plaats staan dan +’t arme woordje gewoon is, daar we ’t nu meestal zien +misbruiken om betrekkelyke verdorvenheid en wèl +gelooven—zaakjes die zeer na aan elkander verwant, en dikwyls +zelfs <i>identisch</i> zyn—in tegenstellend verband te +brengen.</p> +<p>Uit spyt en woede beet onze martelares haar nagels af, en vervloekte +al het volk dat daar onder haar vensters nog altyd nafeest vierde van +’n feest dat er niet geweest was. Ze vleide zich eenige +oogenblikken met de hoop haar deserteur in ’t oog te krygen, en +nam zich voor, als ’t lukte, hem <i>unguibus et rostris</i> in +haar nest te slepen, niet om ’t genoegen van z’n gezelschap +nu, maar om te voorkomen dat-i naar z’n eigen huis ging, en daar +meer vertelde dan haar aangenaam was. Doch ze slaagde er niet in, +Wouter te ontdekken, en vermoeid van staren schoof ze eindelyk haar +venster toe, juist ’n oogenblik te vroeg om den wagen te zien +wegryden, waarin prinses Erika zich liet brengen naar ’t paleis +op den Dam.</p> +<p>Schoon de morgenstond reeds lang was aangebroken, begreep onze Laps +dat het te vroeg was om reeds nu naar de Pietersens te gaan. En +bovendien ... wat zou ze daar zeggen? Dat haar riddertjen in ’t +holst van den nacht was weggeloopen? Waarheen? Waarom? Wie verzekerde +haar, dat niet reeds ’t heel schandaal door hemzelf was bekend +gemaakt, en dat alzoo Vrouw Asnath ditmaal visschen zou achter +Jozef’s net? Och, hoe pynlyk!</p> +<p>Ze besloot ... niet te besluiten, en de zaak nog ’n paar +uurtjes overtelaten aan den “Heer.” Met deze verzuchting +besteeg ze haar <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" +name="pb115">115</a>]</span>maagdelyke koets, ’t <i>frigidum +lectum</i> waarover ’n latynsch dichter de eenzame Penelope laat +klagen in den zevenden regel van haar brief aan Ulysses. Als juffrouw +Laps latyn gesproken had, zou ze waarschynlyk ook zoo-iets gezegd +hebben. De lezing van de twee regels die Ovidius laat voorafgaan, +luidde nu in háár mond: “ik wou liever dat de +kwajongen z’n nek had gebroken op de manier van hoogepriester Eli +in <i>1 Samuel, IV</i>. Maar de weldadige wonderen zyn de wereld uit. +Die vervlll...oekte zevenklapper!”</p> +<p>En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my +in, wat daar geschiedde gedurende Wouter’s romantische +omzwerving, en zorg dat m’n taal niet al te ver sta beneden de +waardigheid van ’t onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de +slotvoogdes haren spruit had zien uittrekken tot bescherming zyner +geïmprovizeerde dame, en hoe zy hem wel geen zegenbeden, +heilwenschen of gewyden sjerp meegaf, maar ’n slaapmuts toch, en +den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten hoe Jonker Stoffel, +erfstadhouder van den familieroem...</p> +<p>Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze +kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydagavend naar bed +gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me niets +gebleken. In m’n archieven vind ik geen spoor van angst over +’t vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had +blootgesteld, misschien wel omdat dit gevaar z’n verwanten +ten-eenen-male onbekend was. Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig +gehad haar opzetje zoo fyn intekleeden, en ’t overslaan van +Wouter’s naam by ’t oproepen van de ridders wier +bescherming zy beweerde noodig te hebben, was ’n overbodige +weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens, ze zou by +veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel bereikt hebben. +De voornaamste aandoening die haar onbegrepen taktiekje te-weeg bracht, +sproot voort uit den afkeer dien hare geheele persoonlykheid +inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht omtrent haar byzonder +plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet gedacht. De oorzaak +hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte, maar geheel-en-al in +laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere lieden zouden omtrent +<i>Mensch</i> en <i>Wereld</i> veel te leeren hebben, voor ze ’t +standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken.</p> +<p>En ook van de geestige onwetendheid die we naïveteit noemen, +was hier geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg +behoefden te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze +niet. Ze hadden in dit byzonder geval alleen hierom niets ergs gedacht, +omdat ze gewoon waren in ’t geheel niet te denken, en deelden dus +de verdienste van ’t vertrouwen, met Wouter’s muts die er +ook geen kwaad in zag, juffrouw Laps ’n paar uurtjes gezelschap +te houden.<a class="noteref" id="xd19e5446src" href="#xd19e5446" name= +"xd19e5446src">1</a> <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" +name="pb116">116</a>]</span></p> +<p>—Ik begryp om al de wereld niet, waar de jongen zoo lang +blyft? zei de moeder.</p> +<p>—Hy zal niet vroeg opgestaan wezen, en misschien laat ze hem +by ’t ontbyt ’n kapittel uit de Schrift lezen.</p> +<p>Aldus Stoffel. En de familie berustte zonder veel inspanning +’n half-uurtjen in die bemoediging.</p> +<p>—Wat zou je-n-’r van zeggen, als jyzelf er eens +heenging? stelde eindelyk juffrouw Pieterse voor.</p> +<p>—’t Zal moeielyk gaan, moeder! Want ... uwe weet, het is +niet in den weg van m’n school.</p> +<p>Dit argument voor non-interventie was volkomen geldig. Men moet +nooit iets doen wat niet op z’n weg ligt. Ziehier een der +liefelyke kanten van ’n welbegrepen konservatismus. Stoffel zelf +wist niet hoe diep de zin was van z’n staatkundig +grondbeginsel.</p> +<p>—Maar... als we dan Leentjen eens daarheen zonden, om te +vragen waar de jongen blyft?</p> +<p>Dit werd goedgekeurd. Leentje ging, en kwam weldra terug met de +boodschap dat “Wouter waarschynlyk ’n wandelingetje +maakte.”</p> +<p>Zóó namelyk had juffrouw Laps in den angst van haar +hart gezegd. En ’t was niet geheel-en-al onwaar. Wouter was +inderdaad na z’n vertrek uit haar woning, terdeeg aan ’t +wandelen geraakt... de lezer weet het. Maar juffrouw Laps verzuimde +wyselyk, er by te zeggen waaròm hy ’n wandeling deed, en +op welk uur hy haar verlaten had. Leentje had geen erg er naar te +vragen, omdat het vanzelf scheen te spreken dat-i niet was uitgetogen +in ’t holste van den nacht. En zóó ook werd de zaak +door z’n moeder en zusters opgevat. Ze kwam dus eenvoudig neer op +een van de zonderlinge gewoonten van Wouter, waarover men zich zoo +dikwyls te verwonderen had.</p> +<p>—Daar heb je ’t weer! zei de moeder. De last die ik van +dàt kind heb ... kyk! ’n Ander maakt ’n kuiertje na +den eten, niet waar? En hy ... wat doet-i? Hy loopt rond in den vroegen +morgen. Ik vraag jezelf nu, Stoffel, of dat ’n manier van doen +is?</p> +<p>—Né, moeder!</p> +<p>—En ons hier in angst te laten zitten!</p> +<p>—Ja, moeder!</p> +<p>—Zieje, ’t is toch weer heel erg van hem. Hy moest +begrypen dat we hier allemaal in doodelyke ongerustheid ... god weet +waar-i nu weer rondloopt?</p> +<p>—Zeker, moeder! En nu is ’t tyd voor m’n school. +Dag, moeder!</p> +<p>Stoffel vertrok. Van dien angst en die ongerustheid was geen woord +waar. Deze klacht hoorde er zoo by, meende de familie, overigens niet +de minste blyken gevende van bekommering over Wouter’s lot. Ook +hier alweer speelden onkunde, onwetenheid en traagheid haar gewone rol. +Het kòn immers zyn dat den knaap ’n ongeluk overkomen was? +Z’n moeder vond het gemakkelyker hem te beschuldigen van +onbehoorlyk gedrag, dan ernstig te onderzoeken waar-i beland was. En +hierby bleef het, tot dokter’s Kaatje kwam. <span class= +"pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span></p> +<p>De lezer weet hoe Holsma z’n koetsier gelastte ’n +oogenblik optehouden voor Wouter’s woning, ten einde dat meisje +gelegenheid te geven tot uitstappen. Alles was haastig naar ’t +venster geloopen ...</p> +<p>—Daar is-i, daar is-i! riep de heele familie om ’t +hardst, hy zit zoowaar in dokter’s koets!</p> +<p>Deze opmerking verdreef alle andere indrukken, en Kaatje’s +geruststellende taak viel byzonder ligt. Eigenlyk had ze niets hoeven +te zeggen. ’t Kwam er niet meer op aan, waar Wouter geweest was +... <i>nu</i> reed hy in ’n koetsje. In’s hemelsnaam, wat +wil men meer?</p> +<p>—By dokter ontbeten? Gut, mensch, wat zeg je! En ... en ... +waarom heeft de koetsier z’n beeremuts niet op?</p> +<p>De verwonderde Kaatje beriep zich op ’t saizoen, en vond de +ontvangst die haar te-beurt viel, zeer zonderling. De verdenking die zy +koesterde omtrent Wouter’s geestvermogens, ontving nieuw voedsel +door de vreemde manier waarop haar boodschap beantwoord werd. ’t +Scheen wel dat de heele familie ... ’n beetje ...</p> +<p>—En heeft-i wezenlyk by dokter ontbeten? Begryp eens, Trui ... +ontbeten!</p> +<p>—J...a, juffrouw, hy heeft by ons ... ontbeten! O ja, zeker, +ontbeten ... m’nheer heeft het gezegd.</p> +<p>—By den dokter? En ... ontbeten, zeg je? Op den +Kolveniersburgwal?</p> +<p>—Wel zeker! Waar anders? Maar ... wat zou dat?</p> +<p>—En ... is-i wel fatsoenlyk geweest?</p> +<p>—Gut ja, juffrouw, maar ...</p> +<p>—En nu zit hy met den dokter in de koets?</p> +<p>—Wel zeker, juffrouw! Maar ...</p> +<p>—Hoor ’ns hier, vryster, ik zal jou eens wat zeggen, +maar je moet er niemand overspreken. Hy is ’n zonderling kind, +weetje ...</p> +<p>—Ja, zuchtte Kaatje, volkomen overtuigd. Dàt weet +ik!</p> +<p>—Zoo? Weetje ’t? En weetje-n-ook waarom? Dàt zal +<i>ik</i> je nu eens vertellen. Hy is zoo’n zonderling kind, +omdat—ga jy even op-zy, Petrò, en jy ook Mine ... Trui kan +blyven, maar kyk op je werk!—hy is zoo zonderling en dingsig, +weetje, omdat ik, toen ik zwaar van ’m was ...</p> +<p>—Gut, juffrouw!</p> +<p>—Ja, vryster! Toen heb ik gedroomd van ’n kapel die +’n olifant voorttrok. Begryp je ’t nu?</p> +<p>—O ja, ja, ja, precies, juffrouw! Ik begryp ’t nu heel +best.</p> +<p>—Zie je? En daarom ... doe de komplimenten aan den dokter, en +zeg dat ik wel laat bedanken. ’t Is nu maar te hopen dat-i +fatsoenlyk is ... Wouter, meen ik. Gut, draagt de koetsier zoo’n +muts alleen in den winter?</p> +<p>Kaatje maakte dat ze wegkwam. Ze nam zich voor, nooit van kapellen +en olifanten te droomen. Zoo’n uitspatting van den geest kwam +haar zeer gevaarlyk voor, want ze begon nu in allen ernst te meenen dat +de heele familie gek was, en dat zy in Wouter daarvan slechts ’n +klein staaltje gezien had. <span class="pagenum">[<a id="pb118" href= +"#pb118" name="pb118">118</a>]</span></p> +<p>Toen, eenige uren later, de dokter-zelf zich de moeite gaf juffrouw +Pieterse te komen geruststellen, kende de vreugd over Wouter’s +verheffing geen grenzen. Holsma bestudeerde deze en andere zotternyen, +en maakte van z’n opmerkingen gebruik by ’t bepalen van den +geestelyken leefregel dien hy Wouter straks zou voorschryven, een +<i>dieet</i> dat hy nog meende te moeten inkrimpen na ’t +voorgevallene in den Schouwburg.</p> +<p>Wat juffrouw Laps aangaat, zyzelf wist niet hoe goed alles buiten +haar toedoen geschikt was. Ze hield zich den heelen dag bezig met +onnoodig gepeins over de mogelykheid om ’t ding te redden, dat +ze—wel eenigszins met verkrachting van den zin—haar +“eer” noemde. Daar zy evenwel tot geen besluit kwam, +bewaarden de gunstige goden haar voor ’t nemen van maatregelen +die juist andersom zouden gewerkt hebben dan de eisch was. Ze deed +niets, en door ’n byzondere welwillendheid van ’t lot, was +dit de beste party die ze kiezen kon. ’t Spyt me voor sommige +lezers, dat haar veroveringstocht niet tragischer afliep. Maar de +moraliteit wint er by. Ik gis dat Fancy ’t gemeene schepsel de +belangwekkende smart niet gunde, van de kastyding die ze verdiend had. +Een paar dagen angst was voor haar <i>peccadille</i> volkomen genoeg. +’t Spreekt vanzelf dat ze nog altyd bleef vreezen dat Wouter haar +aanklagen zou.</p> +<hr class="tb"> +<p>Wouter was inderdaad dien saturdag-nacht by de Holsma’s +gebleven. Den volgenden morgen vroeg nam de dokter hem by zich op de +studeerkamer, en sprak hem vriendelyk toe. Hy moedigde den ontluikenden +jongeling aan, hem zoo goed mogelyk te vertellen wat er in z’n +gemoed omging, doch onthield zich zorgvuldig van alles wat Wouter in de +meening zou kunnen brengen dat-i <i>byzonder</i> was. Het spreekt +overigens vanzelf, dat hy meer begreep dan Wouter zeggen kon. Ook de +niet zeer handig overgeslagen geschiedenis met de onnoozele +verleidster, lag hem klaar voor oogen. Hy luisterde naar Wouter’s +ontboezemingen, als naar iets zeer bekends, en stelde z’n +onbegrensde eerzucht—of liever z’n voorbarige en +overspannen zucht naar ’t goede: z’n +<i>God-zyn</i>—als ’n gewoon verschynsel voor, dat uit de +levensperiode voortsproot, en... dat uit den weg moest worden geruimd. +Ook Wouter’s liefde voor Femke, behandelde hy als ’n zeer +gewone zaak. Om aan al deze geringschatting zooveel doenlyk de +pynlykheid te ontnemen, haalde hy gedurig z’n eigen ondervinding +aan, en verklaarde zichzelf schuldig aan de fouten die hy in Wouter +meende te moeten gispen, een methode die nog altyd veel ouders en +opvoeders onbekend schynt te zyn. Ook Jezus heeft over ’t hoofd +gezien dat men zich bukken moet om te kunnen opheffen. Of werd hem die +terugstootende heiligheid aangewreven door vervalschers? Meenden +<i>zy</i> misschien dat de zondeloosachtigheid die hem zoo volstrekt +onbevoegd maakte tot voorganger, als onmisbaar bestanddeel van +z’n goddelyke natuur moest worden voorgesteld? Zagen ze niet in, +dat de voorgewende verheffing tot méér dan <i>Mensch</i>, +’n verlaging was beneden ’t peil <span class= +"pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>der +Mensheid, die juist aan den specifisch-<i>menschelyken</i> stryd tegen +afdwaling, haar hoogheid te danken heeft? Dat ook hier alweer ’t +onbruikbaar-<i>goddelyke</i> uitloopt op ongerymdheid, spreekt +vanzelf.</p> +<p>Holsma, heel ongoddelyk, maar goedig, verstandig en <i>waar</i>, +zette zich niet op ’n voetstuk. Hy begon met de betuiging dat ook +hy in z’n jeugd alles wat Wouter hem meedeelde, ondervonden had, +en tevens dat hy dezelfde gemoedsverschynselen in byna alle andere +jongelieden waarnam. Ook trachtte hy de zaak terugtebrengen op +burgerlyk-praktisch terrein, met vermyding van allen prikkel tot +geestvervoering. Het kwam hem voor, dat z’n patiënt aan +zulke behandeling behoefte had, en hy volgde dus in zekeren zin de +koud-water-medikatie van Vrouw Claus. Of deze ontnuchtering +ten-allen-tyde en voor ieder dienstig is, blyft de vraag. Ook paste de +menschkundige Holsma ze slechts voorloopig toe, en misschien wel als +proef om te weten of Wouter tot hooger levensopvatting in-staat was. Hy +liet hem z’n gemoed uitstorten, en viel hem niet in de rede, +waaruit voortvloeide dat Wouter vry slecht sprak, omdat onafgebroken +verhandelingen niet in de natuur liggen. Juist het gehakkel der +voorstelling deed den ongeoefenden spreker bemerken—en hierom was +’t Holsma te doen—dat z’n aandoeningen minder +belangwekkend waren dan hy gemeend had. Hy voelde lust zichzelf in de +reden te vallen met de vraag: “is ’t anders niet?” en +begon nu te vreezen dat ook Holsma dit zeggen zou. Maar toen-i eindelyk +scheen gereed te zyn, antwoordde deze vriendelyk:</p> +<p>—Zeker, zeker, m’n jongen, ik ken dat! In zulke stemming +zou je overal willen zyn, alles willen regelen, beheerschen... alles +<i>goed-maken</i>, niet waar? Je hebt ’n gevoel alsof je voor +alles aansprakelyk was. Het hindert je dat er zooveel verkeerds is in +de menschen, en dat zy ... o ja, ja, ik ken dat zeer goed!</p> +<p>Maar, eilieve, denk eens na over de middelen die je tendienste +staan. Hoe zou je ’t aanleggen om iets te verbeteren? Wouter +zweeg.</p> +<p>—Meen je dat àlle menschen slecht zyn? Dit mag je toch +niet aannemen, dunkt me. Onder die menschen zyn er gewis velen die +’tzelfde wenschen als jy. Waarom veranderen <i>zy</i> de wereld +niet?</p> +<p>Wouter zweeg alweer. Juist de eenvoudigheid van de vraag belemmerde +hem. Maar Holsma drong op antwoord aan.</p> +<p>—Welnu? Komaan, ik zal je helpen. Geloof je dat <i>ik</i> +’n goed mensch ben?</p> +<p>—O ja, riep Wouter hartelyk.</p> +<p>—Ei? Nu, ik geloof ’t ook. Ik zou me schamen als ik dit +niet durfde zeggen. Waarom dan verander <i>ik</i> de wereld niet? Je +spreekt zoo dikwyls van Afrika—omdat je dat land niet kent, +m’n jongen!—welnu, ik die ’n goed mensch ben, heb nog +altyd de slavenjachten niet afgeschaft. Waarom niet, denkje? Antwoord +eens.</p> +<p>Wouter was volstrekt geen <i>debater</i>. ’t Lag niet in +z’n eerlyken aard, het geven van ’n stellig antwoord te +weigeren uit vrees dat het straks zou kunnen gebruikt worden als +stormram tegen de <span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" +name="pb120">120</a>]</span>meening die hy verdedigen wou. Toch bleef +hy weifelen. Men bedenke dat Holsma bezig was met ’n amputatie. +Is ’t wonder dat de patiënt het deel van z’n ziel, dat +afgezet worden moest, angstig terugtrok?</p> +<p>—Welnu, dan zal ik de zaak anders voorstellen. Je hoort immers +wel dat aanhoudend geklop en gehamer... luister! Dat is van ’n +smedery hier-naast. Je begrypt wel dat me dit soms hindert?</p> +<p>—By ziekte?</p> +<p>—Ja, en als ik te denken heb. Ik wenschte die smedery +verplaatst te zien... zóó... fluks... op-eens! Zeg me nu +eens, waarom doe ik dat niet?</p> +<p>—Omdat ... u niet kan, m’nheer.</p> +<p>—Juist! Dáárom ook heb ik tot heden toe niets +veranderd aan al wat er verkeerd geschiedt in Afrika. En ook in +Azië niet. En in Amerika niet. En in zeer veel landen niet. Maar +gister-avend in de komedie, toen je onwel was—’t was er +warm!—nam ik je mee, en ik heb je verzorgd en naar bed laten +brengen. En ik heb je moeder laten geruststellen over je lang +uitblyven. Dat alles was m’n plicht, niet waar?</p> +<p>—O, m’nheer...</p> +<p>—Geen dank, m’n jongen! ’t Kwam me voor, dat het +m’n plicht was, en ik deed het: <i>omdat het kòn</i>. Wat +<i>niet</i> kan, is m’n plicht niet! En daarom ook neem ik die +smedery niet tusschen duim en vinger, om haar te verzetten naar +’n andere buurt. Om dezelfde reden bemoei ik me niet met Afrika. +Onmogelyke plicht is géén plicht, en het jagen daarnaar +staat het vervullen van onze werkelyke plichten in den weg. Heb je +weleens op-school je les niet gekend?</p> +<p>—O, dikwyls! Maar in den laatsten tyd niet, omdat Femke...</p> +<p>—Laat Femke nu even rusten. Misschien zeg ik straks een +woordjen over haar. Toen je op-school je werk verzuimde, had je zeker +aan wat anders dan je lessen gedacht, aan dingen die niet voor-de-hand +lagen. Dit nu is de fout van veel jongeluî, en—word er niet +boos om: ik was ook zoo!—ze komt grootendeels voort uit luiheid. +Het is gemakkelyker zich te verbeelden dat men zweeft boven ’n +berg die heel in de verte ligt, dan in werkelykheid z’n voet +optelichten om over ’n steentje te stappen. Onder de millioenen +zaken die je zoudt <i>willen</i> doen, zyn er slechts weinigen die je +zoudt <i>kunnen</i> doen. Bemoei ie voorloopig alleen met die weinigen. +Dàt is de weg om verder te komen. Vraag altyd jezelf af: +“wat wordt er <i>op dit oogenblik</i> van me gevorderd?” en +gebruik niet de ingenomenheid met het vermeend hoogere, als voorwendsel +tot verwaarloozing van wat je lager toeschynt. Je bent ontevreden met +je tegenwoordig standpunt? Wel, maak je ’n beter standpunt waard! +Dit is de manier om het te bereiken, en de eenige goede manier. Vraag +jezelf by elke gelegenheid af: wat is m’n <i>naast-byliggende</i> +plicht? Kun je me dit beloven?</p> +<p>Wouter gaf er de hand op.</p> +<p>—En je wou zoo graag meer <i>weten</i>? Ik ook, m’n +jongen! Laat <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name= +"pb121">121</a>]</span>ons zien wat er aan die kwaal te doen is. Wat u +betreft, het ontbreekt je nu zeer in ’t byzonder aan de +schoolkennis, waarin jongelieden van uw leeftyd die in andere kringen +werden opgevoed, je vooruit zyn. Dàt is ligt intehalen, en we +zullen er op terugkomen, maar... ’t is op dit oogenblik je +naast-byliggende plicht <i>niet</i>! ’t Beetje latyn dat onze +Willem verstaat, en waar je zoo jaloers op bent, is in ’n paar +maanden geleerd, vooral wanneer je je zult geoefend hebben in ’t +<i>willen.</i> Wat zou ’t nu helpen, nu? Wen je eerst dat zweven +af, dan komt het latyn vanzelf, en ’t grieksch ook, en al de +andere zaakjes waartegen je nu zoo hoog opziet. Er zyn op dit oogenblik +heel andere vyanden te verslaan, dan de ridders uit je romans. Minacht +de moeielykheden niet, die je te bestryden hebt. Dit zou juist oorzaak +kunnen worden van ’n treurige nederlaag. Je moet je denkvermogen +leeren gebruiken naar je eigen wil, en de verbeelding knotten die je +anders over ’t hoofd groeien zou. Er zyn wysgeeren geweest, die +beweerd hebben dat het leven ’n droom is. Wat ze daarmee eigenlyk +bedoelden, is me niet zeer helder. Die uitspraak-zelf komt me droomerig +voor. Misschien vergis ik me hierin, doch wel durf ik met zekerheid +zeggen dat droomen geen leven is. Begryp je dit?</p> +<p>Wouter knikte toestemmend.</p> +<p>—De ware verhevenheid, ging Holsma voort, is dat men doet wat +men doen moet, zelfs ’t geringe. Wat zou je zeggen van ridders +die zich op den kop lieten slaan door vagebonden, omdat hun riddereer +niet toeliet zulk kanalje ten-onder te brengen? Zou je dit niet +’n onbruikbare ridderschap vinden? Je gaat nu in den handel? Kom +my over ’n maand eens vertellen of je woord gehouden, en altyd je +naast-byliggende plicht vervuld hebt? Dan zullen we verder zien, +maar... dàt eerst! Zal je ’t doen?</p> +<p>—O zeker, zeker! Maar... m’nheer, mag ik u nu vragen +naar...</p> +<p>—Naar Femke? Wel, dat is ’n best meisjen, ’n heel +braaf kind, en ’n nichtje van me.</p> +<p>—Maar hoe dan te begrypen wat ze daar kwam doen? En hoe +ze...</p> +<p>—Die dame in de komedie was Femke niet. Dat was prinses Erika. +We wilden haar zien, omdat haar voorouders aan de onzen verwant waren. +Hierin is niets byzonders, kereltje!</p> +<p>—Een wezenlyke prinses?</p> +<p>—Ja, en Fem is ’n wezenlyk waschmeisje. We willen hopen +dat die Erika even degelyk van karakter is als zy. Maar, jongen, hecht +toch aan zulke dingen zoo’n gewicht niet. Men ziet dat afwyken +van familievertakkingen dagelyks. Of, al <i>ziet</i> men ’t niet, +het <i>is</i> zoo. Er moet ’n tyd geweest zyn dat Erika’s +voorouders zich in beestenvellen kleedden, en de mynen ook. De vraag +is, of zy ’t weet dat ze hier te-lande stamverwanten heeft? Dat +<i>wy</i> ’t weten... nu ja, m’n broer Sybrand schept +genoegen in ’t opsporen der overeenstemming van schynbare +tegenstellingen. Ook in taal... dit heb je by ’t kippenhok +gehoord. Wel beschouwd, is de wereld veel kleiner dan je meent: +<span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name= +"pb122">122</a>]</span>alles raakt elkaar! Wie weet of ’t niet +invloed heeft op de Geschiedenis, dat je morgen by die heeren... hoe +heeten ze ook?</p> +<p>—Ouwetyd en Kopperlith, m’nheer.</p> +<p>...dat je by de heeren Ouwetyd en Kopperlith den handel gaat leeren. +Welnu, wereldhistorisch of niet, doe daar je naast-byliggende plicht! +Dit is nu de ridderlyke taak die ik je opdraag... als je naar me +luisteren wilt. Zal je ’t doen?</p> +<p>—Heusch, m’nheer! Maar... Femke?</p> +<p>—Daar heb je ’t al! Ze heeft niets met je +naast-byliggende plicht te maken. De eenige dame die je voor ’t +oogenblik dienen moogt, is... nu, wie?</p> +<p>—De... handel?</p> +<p>—Juist! Wil je nu volstrekt iets van Femke weten... welnu, zy +zegt ook dat je je niet met haar bemoeien moogt, en aan niets moet +denken dan aan je werk...</p> +<p>—O, ik zàl, ik zàl!</p> +<p>—Nog wel tien jaren lang.</p> +<p>—Tien jaren? <i>Tien?</i></p> +<p>—Ja, zóó zei ze toen ik haar vertelde dat je nog +zoo weinig wist, en zoo weinig kon.</p> +<p>—<i>Tien</i> jaren?</p> +<p>—Nu ja, zóó zei ze. Misschien acht, of... +twaalf, of... twintig, want je begrypt wel dat men zoo-iets niet zoo +héél nauwkeurig kan bepalen.</p> +<p>—<i>Tien</i> jaren?</p> +<p>—Zóó zei ze.</p> +<p>—Ik zàl!</p> +<p>—Heel goed, m’n jongen. ’t Zal my genoegen doen, +en... háár ook. Begin er dus spoedig mee, en dring je +niet op, dat het zoo byzonder moeielyk is. Dat maakt zenuwachtig. +Duizenden zyn voor tien jaar begonnen met wat u morgen te doen staat, +en... ze leven nog! Je ziet dus wel dat het kàn. Bovendien, denk +nu voorloopig maar alleen aan de eerste maand. Zoo breek je den tyd. +Over ’n week of vyf wacht ik je hier. Dan zullen we verder +zien.</p> +<p>Na nog eenmaal beloofd te hebben dat-i “alle gekheid” +uit z’n gedachten zetten wou, nam Wouter voor dien dag afscheid. +Maar hy bewaarde z’n rozeknopjes, al was ’t hem niet helder +of de vereering van deze reliek—het eenige wat hem uit de +afgeloopen driedaagsche stormperiode overbleef—’n prinses +gold, of ’n bleekmeisjen, of beiden, of de kleine Sietske Holsma, +of ’t portret uit de zykamer, of z’n ideaal dat hyzelf +samentooverde door ’t onwillekeurig ineensmelten van al deze +beelden tegelyk. Om zyn aan Holsma gegeven woord gestand te doen, +verbood hy zich alle onderzoek dienaangaande, en drong met +heldhaftigheid z’n aandoeningen terug. Het blyft de vraag, of-i +tot helderheid en zelfkennis zou geraakt zyn, wanneer hy hierin niet +geslaagd was? Wie zegt ons of niet misschien de indrukken die hy meende +te hebben opgevangen van buiten-af, de afspiegeling waren van z’n +eigen gemoed? Om <span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" +name="pb123">123</a>]</span>dezen twyfel begrypelyk te vinden, heeft +men zich slechts aftevragen, of z’n fantazie werkeloos zou +gebleven zyn, indien hy al die voorwerpen niet ontmoet had? Ik acht +deze opmerking hierom niet zonder gewicht, wyl ik aan de gewaarwording +die Wouter beheerschte, nog altyd den naam van liefde niet geven durf. +Dat een der meest karakteristieke kenmerken van het beminnen, de +<i>zucht om goed te zyn</i> hem niet ontbrak, is waar. Doch deze +neiging had zich reeds veel vroeger in eigenaardige overdrevenheid by +hem geopenbaard, waaruit dan ook, lang voor hy Femken ontmoette, +z’n overspannen eerzucht en de daarby behoorende hoogmoed waren +voortgesproten.</p> +<p>Onder de aandoeningen die hy na ’t gesprek met Holsma moest +terugdringen, speelde de nieuwsgierigheid naar de oplossing der +verschillende wyzen waarop Femke zich aan hem vertoond had, maar +’n zeer ondergeschikte rol. Dit schynt te vreemder, omdat hy aan +de door Holsma gegeven verklaring geen geloof sloeg. Hy bleef er by, +dat het meisje in den schouwburg wel inderdaad de persoon was geweest +die men tot-nog-toe Femke genoemd had, en schreef Holsma’s +verzekering óf aan dwaling toe, óf aan de zucht om hem +tot kalmte te brengen. Hy beweerde meer van dat meisje te weten dan den +dokter kon bekend zyn, die haar niet in die herberg gezien had! Dat ze +zich kon voordoen als prinses, kwam hem volstrekt niet vreemd voor. Het +was eer te verwonderen, meende hy, dat ze de goedheid had, zich +nu-en-dan te vertoonen als kindermeisjen of als dochter van ’n +waschvrouw. Een prinses? Wel mogelyk! Waarom niet? Dat meisjen op die +tafel zou niet Femke geweest zyn? Ook niet die verschyning in den +schouwburg? Heel natuurlyk, en geheel in overeenstemming met de hoogte +waarop hy altyd het voorgewende bleekmeisje geplaatst had? Als dat niet +Femke was, dan kon zeer goed het meisje dat hy tot nog toe Femke +noemde, eens-vooral prinses wezen. Deze verandering was zoo groot niet, +of liever... ’t was er geen. Als ’n bliksem schoot hem nu +ook de indruk door de ziel, dien het schrikwekkend bellen van juffrouw +Laps dien vrydagavond op hem gemaakt had. Toen immers reeds vroeg hy +zich af, of daar misschien prinses Erika was, die kwam ruilen? Er bleek +nu, dat ze dit reeds voorlang gedaan had! Dat er in dit alles iets +geheimzinnigs lag, ontveinsde Wouter zich niet, maar dit geheimzinnige +kwam zoo juist overeen met z’n droomen en luchtbeelden, dat het +hem meer bevredigde dan ooit nuchtere waarheid zou hebben kunnen doen. +Hy was evenmin nieuwsgierig als de velen die na de lezing van +<i>Genesis</i>, nu eens-vooral meenen te weten: “waar alles +vandaan gekomen is” en geen lust hebben in ’n onderzoek dat +hun die genoegelyke zekerwetery zou kunnen kosten. Hierin zal dan ook +wel de oorzaak liggen, dat voor zekere gemoederen slechts de fabel +’t kenmerk van de waarheid draagt.</p> +<p>Gelyk de Mensheid in voorhistorische tyden, was Wouter nog altyd +ontvankelyk voor ’t buitengewone, voor ’t wonderbare, voor +’t onrnogelyke. Wie hem verzekerd had dat Femke onderworpen was +<span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name= +"pb124">124</a>]</span>aan gewone aandoeningen, zou niet zoo zeker op +geloof hebben kunnen rekenen, als de dichter die haar tot onderwerp had +gekozen van de wildste fantazie. Wanneer hy haar had te spreken +gekregen, zou er aan ànderen die ’t onderhoud bywoonden, +gebleken zyn dat zyzelf in dit opzicht hooger stond, maar of ’t +hèm gebleken ware, blyft de vraag. Elke uiting van haar +eenvoudig gezond verstand zou hy hebben opgenomen als neerbuiging +om-zynentwil, als ’n poging om ’n taal te spreken die +verstaanbaar was voor... menschen of burgerjongetjes. “Ze houdt +zich zoo om my niet afteschrikken” zou hy dan gedacht hebben. +Inhoeverre er by dit alles invloed werd uitgeoefend door de byna geheel +uitgewischte herinnering aan de Fancy-verschyning, is moeielyk te +bepalen. Wel was de indruk daarvan niet meer te herkennen, doch +misschien deden zich nog altyd de gevolgen van dien indruk eenigszins +gelden. Z’n geest was eenmaal zekeren weg opgestuwd, en in deze +richting ging hy voort, al was dan ook ’t punt van uitgang sedert +lang uit het oog verloren. Ook deze byzonderheid is op de Geschiedenis +van ’t Menschdom ten-volle van toepassing. Wy werpen de fabels +weg, waarmee ons Geslacht in z’n kindsheid werd vermaakt, we +schamen ons over ’t geloof aan de spokery waarmee het bedrogen +werd, maar... blyven gebukt gaan onder de gevolgen der onnoozelheid van +vorige geslachten.</p> +<p>Wouter vroeg niet meer: “zou <i>zy</i> ’t zusje wezen, +dat ik zoek?” maar de behoefte aan ineensmelting met ’n +wezen, dat hy wilde toebehooren—in-verband altyd met z’n +zucht naar kennis en stryd—bleef bestaan. En alweder werkte de +onbewustheid van deze neiging bevredigend op z’n begeerte om de +vele byzaken die hy niet begreep, eens eindelyk opgehelderd te zien. In +al het vreemde dat hem de laatste dagen overkomen was, vond hy evenzeer +aanleiding om zich aftevragen: “wat wàs er toch?” +als om zich toeteroepen: “zeker, zeker, zóó is het! +Juist wat ik altyd meende!” Dat mysterieuze-zelf was juist de +voldoening die hy zocht, en... dus nog altyd ’n blyk van +z’n onrypheid. Zyn aandoeningen waren hem als ’n bewogen +water waarin de onvolwassen ziel de Nixen ziet spelen, die ze zien +<i>wil</i>, hoe onbestemder van omtrek, hoe weifelender van lynen, hoe +liever. Naar juister teekening, naar meer duidelykheid, haakt die ziel +niet... er mocht eens blyken dat ze zich slechts gespiegeld had in de +rimpeling van den door haarzelf in roering gebrachten vloed!</p> +<p>Was Femke géén prinses? Was prinses Erika +niet—uit weeldeliefhebbery dan—’n waschmeisje? +Eilieve, misschien ook was dat heerlyk standbeeld op die tafel, noch de +een noch de ander... ’n derde verschyning dus! Drie? ’t Is +te weinig! Millioenen beelden van dien aard waren niet te veel om, +saamgevat in één totaal-gedachte, de begeerte te +bevredigen van ’n gemoed dat, slechts ontluikend nog, niet Femke +beminde, maar... de <i>Liefde</i>! Waarlyk, de knaap had nog veel te +leeren, en waarschynlyk waren op deze behoefte, de raadgevingen van +z’n menschkundigen vriend gegrond. <span class="pagenum">[<a id= +"pb125" href="#pb125" name="pb125">125</a>]</span>Het schynt wel, dat +Holsma inzag hoe Wouter vóór alles moest kennismaken met +het àllerlaagste, om allengs opteklimmen tot de <i>Poëzie +der Werkelykheid</i> die zooveel hooger staat dan +liefelyk-bontgekleurde—maar kinderachtige, onvoedzame en dus +verderfelyke—droomery!</p> +<p>Hoe dit zy, even als hyzelf, dalen we voor eenigen tyd naar lager +sferen. Het hoofdkwartier van de Mensheid is nu eenmaal gelykvloers. +Vandaar gaan wy altyd uit, dáárheen keeren wy altyd +terug. Het is al wel, wanneer we niet verleerd hebben van-tyd tot-tyd +ons te vermeien in wat vlucht. Hopen wy dat de lust en de kracht ons +niet begeven, die uitspanning te hervatten. Er bestaat dan tevens kans, +nader kennis te maken met prinses Erika, by welke gelegenheid we +misschien te weten komen dat aristokratie van verstand en hart niet +uitsluitend behoeft gezocht te worden in de... lagere standen, zooals +sommige romanschryvers—hofmakend aan ’t +gemeen—weleens voorgeven te gelooven. Reeds nu durf ik verzekeren +dat ze wel degelyk “van de familie” was, en wel in veel +hooger zin nog, dan oom Sybrand weten kon.</p> +<p>Voor ’t ons vergund is nader kennis met haar te maken, hebben +we—precies weer als Wouter zelf—vervelender dingen te +behandelen. Zóó immers moet m’n geschiedenisje +geschreven worden, op-straffe van niet op ’t leven te gelyken, +wat ’n fout wezen zou, ’n groote fout... de gewone!</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e5446" href="#xd19e5446src" name="xd19e5446">1</a></span> Naar +aanleiding eener uitweiding over de z.gen. onschuld der meisjes +Pieterse betoogt M. aan ’t slot van I. 1184, dat alle studie +<i>ascetisme</i> vordert: een oratio pro domo!</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare +halsboorden. <i lang="la">Non omnibus licet...</i> zonder de minste +toespeling op Corinthe.</p> +</div> +<p>Fancy’s luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van +byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk +uitgenoodigd z’n verwachting op de leest van het dagelyksche te +schoeien.</p> +<p>De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger +aan, dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde +dan ’t meerendeel van z’n medemenschen, maar uit onrust. Hy +had weinig of niet geslapen, en verliet z’n bedstee zoodra +’t licht werd, drie volle uren alzoo voor-i zich had aantemelden +op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Wat +z’n diligentie in dit opzicht aangaat kon dus dokter Holsma die +zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in de plichten die +onmiddellyk vóór hem lagen, met ter-zydestelling van +utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. Maar hyzelf +zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook, +en vooral, zich uitsluitend <i>bezig-houden</i> met het dagelyksche, +maar juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was, +voerde hy ’n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare +neiging tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan de +<span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name= +"pb126">126</a>]</span>lezer, die na al ’t vorige wel evenveel +moeite hebben zal als Wouter-zelf, om belangtestellen in ’t +kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.</p> +<p>—Zeker, zeker, dacht hy—nu-en-dan overluid—ik zal +braaf oppassen, en terdeeg m’n best doen, en werken tot ik +moê ben, en zorgen dat ieder tevreden over my is, maar... zou ik +nu daarom niet eerst Femke eens mogen spreken? Zou dàt nu +oorzaak kunnen zyn, dat ik m’n plicht in den handel +verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet waar ze +m’n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet +vragen aan Vrouw Claus, wie haar in ’t hoofd gezet heeft dat ik +op ’n paard reed? En dat ik ’n sabel op-zy had... ’n +kleintje, zei ze. Nu, klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... +hoe komt ze ’r aan?</p> +<p>En... dat <i>Stakkervrouwtje</i>?</p> +<p>En... dat portret!</p> +<p>Ik wil en zàl denken aan m’n werk, alleen aan m’n +werk, en aan de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun +kantoor, en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den +heelen “<i>Strabbe</i>” en moeielyker dan van +<i>Strabbe</i>, zullen de sommen op zoo’n kantoor toch wel niet +wezen, denk ik. En al was dit zoo, dan zal ik... neen, neen, moeielyker +dan van <i>Strabbe</i> zyn de sommen op zoo’n kantoor zeker niet! +Zouden nu zulke heeren-zelf ook den heelen <i>Strabbe</i> doorgewerkt +hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord toen ze jong waren. Dat +<i>ik</i> de eerste ben geworden by Pennewip, heb ik aan Femke te +danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik ’t +knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o, in +lang niet! Later... ja, toen ik ’t geworden was om haar pleizier +te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas +beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of veel +langer nog, aan niets mag denken dan aan m’n werk! Alle Grieken +zullen vermoord zyn, voor ik ’n wezenlyke man ben. En... Femke +zal trouwen met ’n matroos, of ’n timmerman, of... met +’n schipper die ’n bonte muts draagt, of... met ’n +prins, als ze wil!</p> +<p>Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. +Och, hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat ze +zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in +zoo’n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... +zóó! En in de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de +keizer haar groette. Hy vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In +die heele <i>Scylla</i> was niets dat uit de verte halen kon by +háár. Dit zal de keizer ook wel begrepen hebben, en +dáárom heeft hy haar gegroet.</p> +<p>Zoodra ik heelemaal groot ben—ik meen: als ik den handel +versta, want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat +zàl ik!—nu, later dan, wil ik ook eens ’n treurspel +maken, en zóó dat ook de keizer er naar luistert, hy, de +prinsessen, en ’t Volk, en allemaal! Ik zal er iets inbrengen van +’n geroofd schild, <span class="pagenum">[<a id="pb127" href= +"#pb127" name="pb127">127</a>]</span>en ... Femke zal het terugbrengen +... zy, of ik, of ... wy samen. Ja, zóó zal ’t +wezen, juist andersom dan in <i>Scylla</i>. En ik wou m’n stuk +wat minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor +gek houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders +zeggen dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. En telkens wist ik +wat er volgen zou, want als de een wat zei van z’n hart, vertelde +terstond ’n ander iets over z’n smart. ’n Enkele keer +hindert het niet, maar op-den-duur is ’t heel vervelend. Dat zei +dan ook die Focus: <i>weerhou die redenen, prinses, die my +vervelen</i>. Ik geloof niet dat ’n grieksche held ooit zoo iets +kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen mee dat z’n +beminde voor hem stierf—<i>ik</i> zou ’t ook niet +toestaan—dat was geen reden om haar zoo onvriendelyk +toetespreken. Misschien was ’t weer om ’t rym. Daarom zal +ik niet rymen in m’n treurspel. Niet altyd, tenminste. Als ik nu +maar lang genoeg leef om zoo-iets te mogen beproeven, en als zy maar +niet vóór dien tyd ...</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft,</p> +<p class="line">My weglokt van de taak die op me rust.</p> +<p class="line">Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel,</p> +<p class="line">En tracht me wegtestelen van m’n plicht ...</p> +<p class="line">Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heen</p> +<p class="line">Omdat ik altyd nog mezelf niet ben,</p> +<p class="line">En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet,</p> +<p class="line">U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept.</p> +<p class="line">En stom, als ’t hart me berst van drang tot +uiting.</p> +<p class="line">Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog,</p> +<p class="line">Die leeren moet, en leeren, altyd leeren,</p> +<p class="line">En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ...</p> +</div> +<p>—Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes +op?</p> +<p>—Hm ... ja ... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy +verlegen. Ik was opgestaan omdat het zoo warm was in ’t bed, en +... en ... dáár sprak ik over!</p> +<p>Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds +gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets +anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Zóó had de +dokter gezegd!</p> +<p>En nogeens dwaalden z’n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw +Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte +zich. En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner +schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z’n <i>Strabbe</i>. +Met dat boek bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van +’t ontbyt.</p> +<hr class="tb"> +<p>Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag, +en was mild in ’t uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop +Wouter zich in z’n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy +moest vooral heel fatsoenlyk wezen, en door z’n gedrag de heeren +opwekken tot het besef der goede hoedanigheden van z’n moeder. +Ook was ’t niet kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma’s +op den Kolveniersburgwal gelogeerd had, en dat de schoenen van +z’n vader ... <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" +name="pb128">128</a>]</span></p> +<p>—Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op +z’n tyd op ’t kantoor wezen. Daar houden zulke menschen +van.</p> +<p>—Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En +als ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel +risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je +boordje, en dat stáát niet voor ’n jongen die al op +’n kantoor is.</p> +<p>Dat boordje—amsterdamismus voor: halskraag—had ’n +groote rol gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen +dag. De belangstellende lezer herinnert zich zeker ’t jukkraagje, +waaronder Wouter gebukt ging toen we ’t eerst kennis met hem +maakten in de Hartenstraat. Door ’n verdrietige gaping in +m’n archief—daarvan zullen zich méér sporen +vertoonen, helaas!—ben ik niet in-staat met juistheid al de +overgangen te schetsen, die in dit opzicht de toenmalige periode +scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik dat de opstaande +boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar “den +handel” ’n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der +fondamenten van juffrouw Pietersen’s hoop. En ook Wouter-zelf +dacht niet gering over deze verandering. De twee plankstyve linnen +lappen die z’n wangen bedykten, maakten op hem ’n dubbelen +indruk. Eerst en voornamelyk dien van ’n <i>toga virilis</i>. +Vervolgens ’n paar roode streepen, die den weg wezen van +z’n mondhoeken naar z’n ooren. Hy was er grootsch op, en +reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femke ontmoet hebben. Wie +styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand zou +dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde, en dus +beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen omtegaan. +Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid ’n lastige keerzy +hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich uit zien +om z’n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem ’n zot +voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar +’t was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens +de niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst +moest winnen van z’n nieuwe chefs. Dus:</p> +<p>—Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en +links, ’n Mensen moet vóór zich kyken. Je kunt er +vast op aan, dat zulke heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met +je nieuwe boordjes—’t zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet +er nu niet toe, wat zeg jy, Trui?—je moet je niet aanstellen als +’n wilde.</p> +<p>Van wildheid was geen spraak, toen Wouter ’n kwartiertje na +deze laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op de +Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch, helaas, +’t scheen wel of reeds z’n eerste aanraking met die firma +’n misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich—niet +zeer oprecht uitlokkend, maar bruikbaar toch—den bezoeker aan. +Een dubbele glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve +beneden de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf ’n +“opgaande stoep” gelegenheid om doortedringen tot ’n +soort van <i>bel-étage</i>. Wouter, vol fatsoensbejag, vond den +laatsten weg ’t geschiktste, <span class="pagenum">[<a id="pb129" +href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span>en met niet zeer flink +gestrekte knieën besteeg hy de acht of tien trappen. Op ’t +bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men mocht het +eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde hy door +’t venster van de “zykamer” het gelaat eener bejaarde +dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z’n +figuurtje scheen te monsteren. ’t Scheen wel dat ze hem de stoep +wou afkyken. Wouter had er ’n pynlyk gevoel van, en maakte zich +zoo klein mogelyk. ’t Is niet ieder gegeven, en vooral niet +iemand die z’n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder +angst, op de stoep te staan van ’n huis op de Keizersgracht! Met +genoegen ware onze held hard weggeloopen, maar... wat dàn? +Bovendien, hy had geen militairen rang, en moest dus +stáán blyven onder bereik van ’t geschut uit die +zykamer. Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met een vinnigen blik, +en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan +háár paleis. De martelende inspektie duurde lang, +zóó lang dat Wouter ernstig begon te denken, óf +aan den aftocht, óf aan ’t herhalen van z’n +klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was ’n +moed noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben +zou, doch gewis op dit oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat +baatte hem nu Holsma’s heerlyk voorschrift om altyd flink +z’n naastbyliggenden plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? +Wat kon-i arbeiden op die stoep? In ’s hemelsnaam: hy +wachtte!</p> +<p>Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannen +<i>en place</i>, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, +moeielyk te genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht +respekteeren zich zeer, waarin ik dan ook ’t heel eenig kenmerk +vind, dat hen uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te +beweren dat ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. +Wat overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren om +ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z’n hoede is, +wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die de <i>Natuurlyke +Historie der Kleinstädterei</i> tot onderwerp van hun studien +kozen, verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden +afgericht op ’t inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de +ongelukkigen die door ’n gram noodlot veroordeeld werden zich +daaraan bloottestellen, zeer lang wachten op ’t openen van de +huisdeur. Het schynt dat de <i>ad hoc</i> dienstdoende keukenmeid, door +een tot de uiterste grenzen der mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker +in den waan moet brengen, òf dat het huis zoo byzonder groot is, +of dat haar bezigheden onafbrekelyk zyn omdat ze zoo byzonder veel te +koken heeft. Bedoelde auteurs schryven dezen diepzinnigen gedragsregel +op rekening van zekere jacht naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik +die jacht loochenen zou, maar de aanzienlykheid draagt in myn mond +’n heel anderen naam. Ze komt my—met het oog op de van dit +woord in m’n vorigen bundel gegeven definitie—ploertig +voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje voorloopig +overgeleverd. Hy wachtte met heldhaftig <span class="pagenum">[<a id= +"pb130" href="#pb130" name="pb130">130</a>]</span>geduld. Heel eindelyk +werd de deur door ’n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend, doch +maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om Wouter +toetesnauwen:</p> +<p>—Wat mòtje? Mot je by mefrôô weesse? +Wa’s je booschap? Je skelt <i>huis</i>, jonge! Ik ken niet +f’r jou plessier den heelen dag de skel naloope. Waarom skel je +<i>huis</i>?</p> +<p>By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. +Maar: “je skelt <i>huis</i>”... wat is dàt?</p> +<p>—Of skel je <i>keuke</i>?</p> +<p>Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee +belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren door +de benamingen “keuken” en “huis.” Wie groente, +vleesch, boter, of melk kwamen brengen, moest zich melden door middel +van de keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op +toegang tot het <i>salon</i>—’n ding dat er in zekeren zin +niet was, gelyk we zien zullen—mochten zich aanmatigen de zeer +pretentieuze huisschel in beweging te brengen. Wouter die noch +viktualie kwam brengen, noch z’n opwachting maken wilde aan +“mevrouw”—zou <i>zy</i> ’t wezen, die zoo +onlieftallig door ’t venster van de zykamer gegluurd +had?—Wouter erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet +wist waar-i wezen moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer +Pieterse was, toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde +naar z’n identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet.</p> +<p>Door m’n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten +verlokken tot ’n overdryving die zeer te betreuren is. +Herhaaldelyk sprak ik van ’n deur, en... die geopend. Een klein +beetje maar, heel eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! +dit nu was de waarheid, maar... een <i>deur</i>? Vervloekte hyperbolen: +’t was ’n halve! De huisdeur waarachter ’n +rechtgeaard Amsterdammer z’n vrouw, z’n effekten en +z’n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte in +tweeën geknipt. De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd +zyn, voor men hem door ’t openen van de onderste helft, den +toegang vry laat. De zeer letterlyk-<i>exklusieve</i> strekking dezer +byzonderheid ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer +men ze in-verband brengt met de tallooze hekjes en afsluitingen die +elken voorbyganger schynen toeteroepen: “<i>myn</i> huis, je komt +er niet in!” En nog zyn er gevoellooze bedillers, die ’t +den Amsterdammer van zulk gehalte kwalyk nemen dat-i, by zoo’n +benauwde levensopvatting in den regel ’n dom schepsel blyft! Die +onbillykheid is niet uittestaan.</p> +<p>En nog altyd spionneerde die leelyke dikke dame door ’t +venster van de zykamer. ’t Kwam Wouter voor, dat zy iets hem +betreffende meedeelde aan iemand die in haar gezelschap was. Een heer +van minder dan middelbaren leeftyd, boog over haar heen naar ’t +venster, en wenkte Wouter met niet zeer vriendelyk gebaar, dat-i de +stoep verlaten, en beneden aanschellen zou. Goddank, nu wist onze +kandidaat-handelsman ten-minste iets. Allerbeleefdst nam-i z’n +<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name= +"pb131">131</a>]</span>hoed af, en schoof blootshoofds eenigszins +bukkend dat dreigende venster voorby, en de stoep af. Inderdaad, +beneden by de dubbele glasdeur was ook ’n bel, en daarnaast las +hy ’t woord: <i>magazyn</i>.</p> +<p>Hier zal ik moeten wezen, dacht hy. Kantoor en magazyn zal wel zoo +omstreeks ’tzelfde zyn. En hy belde.</p> +<p>De persoon die belast was met het “naloopen” van deze +schel, zou alweer zeer gevoegelyk kunnen doorgaan voor ’n kurator +of superintendent van ’t respekt. Hy gaf Wouter veel tyd tot +meditatie, vooral over den tekst hoe moeielyk het is integaan tot den +huize Kopperlith. Of onze expektant-handelsridder behoorlyk gebruik +maakte van de zoo gul aangeboden gelegenheid tot ontwikkeling van +z’n denkvermogen, is te betwyfelen. Bovendien, hy werd gestoord. +Men tikte—en op den klank af geoordeeld, eenigszins +toornig—tegen ’n glasruit van de zykamer. Wouter stapte een +tred achteruit, en zag naar boven. De m’nheer van zoo-even +beduidde hem met driftige bewegingen, dat-i nogeens moest aanbellen, en +wat harder. Wouter bedankte door het afnemen van z’n +hoed—had niet z’n moeder hem vóór alles, +fatsoenlykheid aangeprezen?—en hy waagde nu ’n harder +trekje, dat nog al tyd niet terstond door ’t openen van de deur +gevolgd werd. Het scheen wel dat de Cerberus van ’t +“magazyn” ’n zeer hoog denkbeeld koesterde van +’t respekt dat de heeren Ouwetyd & Kopperlith noodig hadden. +De man overdreef z’n yver. Dit begon zelfs de heer in de zykamer +intezien, die alweer tikte, en wenkte: “schel nògeens voor +den drommel!” met ’n uitdrukking alsof Wouter ’t +helpen kon dat er niemand kwam. Hy voelde heel duidelyk hoe de ware +fatsoenlykheid voorschreef, vergeving te vragen dat men hem zoolang +wachten liet.</p> +<p>Intusschen gluurde hy door de glasdeur, en wierp nieuwsgierige +blikken in ’t “magazyn.” Het was een van die lokalen +welker afmetingen men gewoon is uittedrukken door de dichterlyke +vergelyking met ’n pypelâ. Eenigszins in afwyking van de +bekende omschryving in de meetkunst, verheugde zich de hier bedoelde +ruimte in de eigenschappen van lengte, breedte en... laagte. De breedte +was met die van ’t huis gelyk. De lengte werd aan de voorzy +begrensd door de reeds bekende glasdeuren, die in haar poging om wat +licht doortelaten, werden bygestaan door ’t schuins hoekje +venster dat z’n hypothenuze gemeen had met de stoep, en bovendien +door ’n ander raampje dat aan de vóórzy van die +stoep aan de straat uitkwam. Het hokje dat door dit venstertje +z’n licht ontving, heette “het kantoortje” in +tegenstelling van ’t “kantoor” dat we straks zullen +te zien krygen. Wat overigens de “laagte” van ’t +magazyn aangaat, deze benaming is zoowel gegrond op de zeer geringe +afmeting van den opstand, als op ’t peil van den vloer. Een +volwassen man kon met z’n opgeheven hand de zoldering bereiken, +en de bodem lag ’n voet of drie beneden den beganen grond. Hy +verhief zich niet verder boven de riolen die in de gracht uitliepen, +dan juist voor de <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" +name="pb132">132</a>]</span>bewoners noodig was om niet te worden +meeweggespoeld met de vuiligheid. Wat de verlichting aangaat, men +begrypt dat het weinige glaswerk aan de voorzy, niet àl ’t +werk alleen kon doen. Ongeveer op één derde van de +lengte, hield het binnenkruipend licht op. Wie evenwel scherp van +gezicht en rechtvaardig was, moest erkennen dat-i, heenborende door de +duisternis van ’t midden, vry duidelyk kon bemerken dat de +bouwmeester gepoogd had ook aan den achterkant iets te laten +binnendringen dat naar vermindering van duisternis geleek. Daar namelyk +was door vriendelyke bemiddeling van ’n boven de zoldering van +’t magazyn gelegen binnenplaatsje, iets te zien dat niet +volstrekt zwart kon genoemd worden. Hoe de venstersoort heette, die dit +wonder te-weeg bracht, weet ik niet recht. Een lantaarn, of ’n +koek-koek, of zoo-iets. Er is altyd wat armoedigs in zulke bouwkunstige +meesterstukken. Ze geven getuigenis van bekrompenheid—in alle +beteekenissen!</p> +<p>Voor-zoover Wouter’s blikken in ’t magazyn konden +doordringen, bemerkte hy dat de langsche, middelruimte was ingenomen +door ’n breede tafel, waarop stapels lynwaad gerangschikt lagen. +Ook rechts en links langs de muren waren zulke koopmanschappen +opgestapeld, zoodat slechts ’n nauwe doorgang aan weerszyden van +die lange tafel overbleef. Alleen aan ’t vooreind, tusschen +’t “kantoortjen” en de glasdeur, was eenige ruimte +overgelaten, waar ’n meubel op schragen stond, dat hy later +leerde kennen en waardeeren als “de paktafel.”</p> +<p>Waarlyk, er begon kans te komen, dat de deur tenlaatste zou geopend +worden. Dat Wouter eindelyk in een der gangetjes iemand naderen zag, +zou wat veel beweerd zyn, en alweer aan sommige kunstrechters die in +polemiek op hun gemak gesteld zyn, gelegenheid geven tot de bakerlyke +aanklacht van overdryving. Neen, Wouter zag niets in die duisternis, +maar wel kwam ’t hem voor, dat de duisternis zelf zich begon te +bewegen. Er schoof iets zwarts over den zwarten grond. En dat zwarte +werd—zonder overyling altyd—wat bruiner en gryzer en +lichter ... waarachtig, er naderde een menschelyk wezen. Heel +natuurlyk. Gerrit Sloos kwam de deur openen, en beslofte reeds de +ruimte naast de paktafel. Nog één sekonde, en de slotbrug +van het tooverkasteel zou worden opgehaald. Wat vreemds lag daarin? +Voor u en my niets, lezer, maar Wouter was aan ’t versteenen +geraakt, en stond op het punt vasttegroeien in z’n wachtstemming. +Alle verwondering over de moeielykheid om in dat heiligdom +doortedringen, was zoo volslagen geweken, dat hy, nu de deur eindelyk +geopend werd, zich niet kon onthouden van eenige verbazing over het +tegendeel. ’t Scheelde weinig of hy had aan Gerrit Sloos +gevraagd, of-i zich ook vergiste? In-plaats daarvan echter, nam +hy—voor de hoeveelste maal nu reeds!—z’n hoedjen af, +en Gerrit keek vragend tot hem op. Wouter stotterde iets.</p> +<p>—Ben jy Pieterse, de jongeheer die hier op ’t kantoor +komen zou? <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name= +"pb133">133</a>]</span></p> +<p>—J...a...a, m’nheer!</p> +<p>—Zoo? Je hoeft geen m’nheer tegen me te zeggen. Ik hiet +Gerrit ... Gerrit Sloos, weetje. Eigenlyk is m’n naam +Schlossmann, maar och ... wat heeft ’n mensch aan die moffekuren, +niet waar? Daarom zeg ik maar Sloos, en zoo teeken ik ook, want ... ik +ben de knecht, weetje, de kantoorknecht. Kom maar in!</p> +<p>Wouter daalde de drie trappen af, die toegang verleenden naar het +hol. Z’n eerste beweging, toen-i naast de paktafel stond, was +’n onwillekeurige greep naar z’n neus. Want ... de stank +was onverdragelyk.</p> +<p>—O né, zei Gerrit, als antwoordende op dit welsprekend +gebaar. Dat reukjen is niet van ’t magazyn—ik zeg maar +<i>kelder</i>, weetje, want zoo zeien we vroeger toen de ouweheer-zelf +nog meedeed—die lucht is van den kelder niet, maar van de riolen, +weetje!</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in ’t +lyden!</p> +</div> +<p>—O zoo, zei Wouter, alsof deze opmerking de pestlucht +veranderde in ’n geur. O ... zoo!</p> +<p>—Ja, van de riolen. Daarom ook staat al dat goed daar tegen +den muur op planken, zieje. Als ’t den grond raakte, zou ’t +verrotten. Kom mee naar ’t kantoor. Maar je komt veel te vroeg, +want we benne-n-in den komkommertyd. Dan is er niet veel te doen, dat +begryp je-n-ook wel. Maar hoor eens, je mot niet vóór +schellen, aan den kelder—de jongeheeren zeggen tegenwoordig: +<i>magazyn</i>... fransche wind allemaal ... ’n engelsche +<i>notting</i>, weetje! Nou, ze hebben ’t van dien mallen +Wullekes!—je mot het kantoor ingaan in de Vellestraat. Ik zal +’t je wyzen. Voor vandaag komt het er nou niet op aan, omdat het +de eerste keer is, en omdat je ’t niet weet. Je ziet, ik heb je +opengedaan ...</p> +<p>Gelukkig!</p> +<p>... maar anders, weetje, wie op ’t kantoor wezen mot, komt in +door de Vellestraat. ’t Is heel makkelyk te vinden ... als +je-n-’t maar eens weet. En daarom zal ik ’t je wyzen. Kom +maar mee. Maar zet je hoedjen op. Je hoeft tegen my zoo beleefd niet te +wezen, want ik ben de knecht maar, weetje. De heeren komen straks, zoo +tegen negenen. ’t Is komkommertyd, moet je denken. En daarom heb +je zoo lang gewacht voor ik je opendeed. Want ik zat in de keuken, en +ik zei tegen de meid dat zy zou opendoen—in de bovengang, +weetje—want dat het zeker ’n nieuwe aschkarreman was, die +nog niet wist waar-i schellen moest. Maar ze wou niet—’n +lui beest is ze!—en ik zei: ’t gaat my niet aan, want we +benne-n-in den komkommertyd, en dan wordt er zoo vroeg niet aan den +kelder gescheld door iemand die de zaken kent. Dat zal jyzelf ook wel +te zien krygen, als je hier ’n tydje geweest bent. Weetje hoe +lang ik hier al dien?</p> +<p>Wouter klaagde zich aan van verzuim. Hoe drommel kon-i zich +veroorloven niet te weten hoe lang Gerrit Sloos reeds in dienst was van +Ouwetyd & Kopperlith? De booswicht stamelde vol schuldbesef dat-i +’t niet wist. <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" +name="pb134">134</a>]</span></p> +<p>—Nou, raad eens!</p> +<p>Elk ander zou ’n cyfer genoemd hebben. Wouter was te stipt, te +vol geweten, om aan zeker getal jaren de voorkeur te geven boven +’n ander getal. Waarom <i>twintig</i>? Waarom <i>dertig</i>? +Waarom meer of minder? Hy bleef er by dat-i ’t +“heusch” niet wist, en ook geen kans zag het te raden.</p> +<p>—Zoo? Nou, dan zal ik ’t je zeggen. Verléje +Pinkster was ’t drie-en-veertig jaar. Wat zeg je +dáárvan?</p> +<p>—Hè!</p> +<p>—Ja, ’t is ’n lange tyd, niet waar? Als je +’r vóór staat, denk je dat het wat is. En als +’t voorby is ... weet je wat het dan is? Niemendal ... ’n +engelsche <i>notting</i>! Dat zal je zien, als je-n-’n ouwe kerel +wordt, want nu ben je maar ’n jong borssie. ’t Zal me +benieuwen of je-u-’t zult kunnen vinden met Wullekes, met +<i>m’nheer</i> Wullekes. Want tegen hem moet je +“m’nheer” zeggen, schoon ik ’m gekend heb zoo +kaal als ’n luis. Toen had-i geen nagels om met permissie ... +z’n neus te snuiten, en hy liep me na als ’t horloge van +’n trekschipper die ’n ouwe juffrouw ziet aankomen. Maar +nou ... wind, wind, allemaal wind! En wat is ’t? ’n +engelsche <i>notting</i>! En z’n vrouw—ook ’n gekkin +van de bovenste plank!—praat altyd over prinsessen die ze-n-eens +gezien heeft. Né, die Wullekes ... wie ’m kent, koopt +’m niet! Nou, je zal ’t zelf zien en ondervinden, als ie +tyd van leven hebt. Ieder moet maar altyd z’n eigen weg gaan, en +dat doe-n-ik dan ook. Maar die Wullekes ...</p> +<p>Kyk, hier is ’t. Tusschen de olievaten moet je +door—’t is hier altyd even smerig, dat komt van ’t +lekken, want die vaten lekken altyd—maar eerst moet je door de +stokvischbeukery, en als je dat doet. kom je vanzelf op ’t +kantoor.</p> +<p>Wanneer Gerrit Sloos met dit “vanzelf” bedoelde: +gemakkelyk, geleidelyk, zonder omslag, en wat men zou kunnen noemen: op +’n niet onprettige manier ... ’t zy zoo! Over den smaak +valt niet te twisten. Gerrit zal ’t maar zoo by-wyze van spreken +gezegd hebben.</p> +<p>Onder ’t luisteren naar al deze mededeelingen, had Wouter den +half-onderaardschen weg afgelegd, die van de Keizersgracht naar de +dwarsstraat leidde, waar inen den ingang tot het kantoor van de heeren +Ouwetyd & Kopperlith te zoeken had. Hy prentte die stokvischbeukery +en de gang naast het oliepakhuis diep in z’n geheugen, om zeker +te zyn dat-i nooit weer zou worden overgeleverd aan de spitsroeden die +hem zoo hadden gepynigd aan den voorkant van ’t huis. Dat die +verheven stokvisch-industrie en dat oliepakhuis, niets te maken hadden +met de “zaak” waarin Wouter leerling werd, zal de lezer wel +begrypen. Er lag op dat terrein ’n servituut van doorgang, en de +stokvischbeuker moest gedoogen dat er op de deurpost van z’n +lokaal ’n ovaal bordje pronkte met het opschrift: +“<i>Ingang naar ’t kantoor van</i> Ouwetyd & +Kopperlith.” Ook de olieman mocht den doortocht niet versperren, +doch hy nam z’n verplichting zoo nauw op, dat men er gewoonlyk +niet dóór kon zonder ’n paar smeervlekken +meetenemen. Juffrouw Pieterse heeft <span class="pagenum">[<a id= +"pb135" href="#pb135" name="pb135">135</a>]</span>daarover vaak +gekeven, ook Wouter-zelf vond het heel onaangenaam. Maar... had-i zich +dan voorgesteld, met de wereld in aanraking te kunnen komen +zònder bezoedeling? Beste jongen, dat gaat niet!</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor ’n +fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de +handelswereld. <i lang="la">Multa tulit!</i></p> +</div> +<p>By ’t nalezen der laatste helft van ’t vorig hoofdstuk, +bemerk ik, ’n gedeelte van den weg die van de Vellestraat naar +’t “kantoor” leidde, te hebben overgeslagen. Na +’t voorbyworstelen van de glimmende olievaten, moest men de gang +door, langs een achterhuis van ’n paar verdiepingen hoog, en +eindelyk de binnenplaats over, waarop ’t kantoor +“uitzag.” De lezer die op nauwkeurigheid gesteld +is—anderen zyn me onverschillig—wordt gewaarschuwd deze +binnenplaats niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat +licht meedeelde aan ’t magazyn. Tusschen die beide +“open-luchtjes” in, lag ’n groot gedeelte van +’t huis, dat lang, smal en hoog was. Na de ontdekkingsreis +geleidde Gerrit onzen Wouter naar ’t kantoor, wees hem daar +’n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot “de +heeren” zouden komen. En, zei de man:</p> +<p>—Dat zal nog wel ’n uurtje duren, want we zyn in den +komkommertyd. En ik ga m’n kommetje koffi drinken in de keuken. +’t Ga je goed, zoolang.</p> +<p>Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den +tabouret opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde.</p> +<p>De voorwerpen die z’n aandacht tot zich trokken, waren niet +zeer geschikt om z’n stemming byzonder vroolyk te maken. Het +uizicht door de twee verweerde vensters op de binnenplaats en ’t +achterhuis, was—op ’t verschil in warmtegraad +na—nova-zemblisch:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... +wanden.</p> +<p class="line">Hier houdt geen sterfling ’t uit. Hier komt geen +Noorman landen.</p> +<p class="line">Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld,</p> +<p class="line">Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt!</p> +</div> +<p>Meent men dat Tollens ooit die schoone regels had kunnen schryven, +als-i niet door z’n vader was “gedaan” op ’n +kantoor in verfwaren? Waar anders ving z’n oog zulke tinten op +van iets droevigs, van ’t enge, benepene, barre, kille? Meent men +misschien dat er in ’t hooge Noorden-zelf iets te aanschouwen +valt, dat in zielstremmenden invloed halen kan by zoo’n verblyf? +De oude heer Tollens heeft wel geweten wat-i deed, en ’t is +waarlyk te verwonderen, dat zyn zoo wèl op z’n plaats +gezette zoon het aanzyn heeft gegeven aan prullen ook. Misschien werd-i +bedorven door ’n bloempotjen op z’n binnenplaats.</p> +<p>Zoo verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel +voorwerp trok z’n oogen tot zich, dat hem ’n voorwendsel +aan de <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name= +"pb136">136</a>]</span>hand deed om iets anders te denken dan: +“in den handel, in den handel, ik ben hier in den +handel!”</p> +<p>Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken, +naast de onderaardsche gang die naar ’t magazyn liep, eenig +geruisch te maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van +z’n krukjen, om al wat er zou binnentreden, met de noodige +beleefdheid te groeten. Maar er kwam niemand, en Wouter besteeg +z’n troontje weer. Toch zorgde hy z’n hoed in de hand te +houden, om terstond gereed te zyn tot het aannemen van ’n +groetende pozitie, àls er eens tenlaatste in die onbehagelyke +eenzaamheid iemand te voorschyn kwam. Op den greenenhouten vloer +bemerkte hy indrukken van voetstappen. Dáár glinsterde de +gepolyste moet van ’n rechts-om-keert-beschryvenden hak ... hoe +heette ook de man dien-i had hooren noemen by de Holsma’s, de man +op dat eiland, die zoo verschrikte by ’t ontwaren van menschelyke +voetstappen? Och, in <i>deze</i> wildernis ...</p> +<p>Aan den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming +van kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter +verlegen maakten. Daar waren <i>Cognossementen</i>, <i>Fakturen</i>, +<i>Vrachtbrieven</i>, en zelfs: <i>Diverse Nota’s.</i> En die +opschriften waren omgeven van ’n gekoperdrukten rand vol bloemen, +rankwerk, hoornen van overvloed en allerlei krullen, welk bywerk +beheerscht werd door ’n spiernaakten Merkurius, die op wolken +zat, en heel pedant neerkeek op de epigrafen en de weelderige arabesken +aan den rand. De wolken waren gemerkt O & K, N<sup>o</sup> ... +later in te vullen by eventueel gebruik.</p> +<p>—Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu +zoo’n god ook begonnen zyn met leerlingetjen op ’n kantoor +te worden? Hoe leî men het toch aan in ’t oude Griekenland, +om iets te worden in de wereld? O, ik weet wel dat die fabelleer +gekheid is, maar de luî die zulke geschiedenissen uitdachten, +moeten zich toch ’n voorstelling gemaakt hbben van ’t begin +der zaken. Van wie had die Merkurius rekenen geleerd? +Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen ... +<i>kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest ... +dàt geeft dàt, wat geeft dàt?</i> En dan +vermenigvuldigen. En dan deelen met het voorste. En als er breuken zyn +... lastig is ’t, nu ja, maar ik zoek den algemeenen noemer. Ja, +ja, ik zal goed m’n best doen, zooals de dokter gezegd heeft +...</p> +<p>Daar werd weer gestommeld in de gang. Misschien zette een der meiden +’n “luiwagen” buiten de keuken. Of ze smeet ’n +“varken” de deur uit ...</p> +<p>Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken, +en voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er niemand. +Hy had nog niets “in den handel” verricht, nog geen enkele +evenredigheid opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor ’n +heel ristje breuken tegelyk, en toch ... hy was vermoeid! De klok sloeg +al, of pas, negen. “Reeds” voor iemand die sedert vyf uren +worstelde met z’n gedachten. “Pas” negen uur, voor +’n werkmannetje <span class="pagenum">[<a id="pb137" href= +"#pb137" name="pb137">137</a>]</span>dat zoo graag wou uitmunten, +èn nu al vóór ’t aanvangen van den arbeid, +zich geknakt voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den +onbewusten indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door ’t +denkbeeld dat z’n voornaamste werk in rekenen zou bestaan, +angstig dat-i niet voldoen zou—’t was niet te +veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen zich zouden ophouden met +makkelyke “sommen”—legde hy zichzelf ’n +<i>tentamen</i> op, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk +betrapte op: <i>zes maal acht is ... drie en ’n kwart</i>, of ... +niemendal. “O God, o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met ... +den handel!”</p> +<p>Elken keer dat een der beelden die ’n rol hadden gespeeld in +de laatstverloopen dagen van z’n leven, zich aan zyn verbeelding +vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch Gooremest, +noch de goede Vrouw Claus ... hy bloosde, en keek Merkurius aan, die +... ook geen kleeren aan ’t lyf had. Wèl ... gekleed of +niet, hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat hooge stoeltjen +om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch aan dat bad by de +put! Weg met dat alles: hy moest in den handel! En, wel beschouwd, hy +wàs er al in. Bevond hy zich niet op ’t kantoor van de +heeren Ouwetyd & Kopperlith? Zoud-i niet straks, dienzelfden dag +nog, en binnen ’n kwartier misschien, gereed moeten zyn tot +antwoorden op de moeielykste vragen? Op vragen die den groote +Strabbe-zelf in verlegenheid konden brengen? Och, waarom had Femke hem +niet aangeraden de knapste te worden van de heele wereld? ’t Was +immers dan in één moeite doorgegaan? Dan zoud-i nu niet +angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd ... noch tegenover +Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith!</p> +<p>Ja, ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar +eisch was kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem +gebaat? Hy was juist, of ter-nauwernood, ’n klein weinigje +bekwamer maar dan Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet +voldoende is in de wereld, om god des Koophandels te worden, veel +minder nog om ’t te brengen tot “patroon” van +’n amsterdamsch “huis.” Dat Femke’s bedoeling +goed was geweest, wilde hy wel gelooven ... o, zeker! En boos op +háár was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i +gaarne ...</p> +<p>Weg, weg, weg met Femke ... <i>drie maal negen is +zeven-en-dertig</i>: o god, daar is ’t weer! Het was om gek te +worden. Juist! Zoo begint ...<a class="noteref" id="xd19e6114src" href= +"#xd19e6114" name="xd19e6114src">1</a></p> +<p>Ja, ’t was voor ’n ongedisciplineerd verstandjen om +krankzinnig te worden. Gelukkig hoorde Wouter ’n deur toeslaan, +en daarop ’t geluid van voetstappen. Maar ’t was niet in +het huis. Een oud heer vertoonde zich in ’t gangetje naast het +achterhuis, en betrad het plaatsje. De man naderde de achtervensters, +gluurde even naar binnen, als om te zien wie daar al zoo vroeg op +’t kantoor was, <span class="pagenum">[<a id="pb138" href= +"#pb138" name="pb138">138</a>]</span>verdween door ’n glazen deur +in de gang, en vertoonde zich weldra binnen de kamer.</p> +<p>’t Spreekt vanzelf dat Wouter ’n houding had aangenomen, +die om vergeving scheen te smeeken voor z’n existentie. Och, zoo +onnoodig! Die oude magere heer nam ’t hem volstrekt niet kwalyk +dat-i bestond, en zelfs niet dat-i dáár was.</p> +<p>—Houd je gemak, jongeheer. Uwe-n-is zeker de jongeheer +Pieterse? Ja, ja, ik weet er van. Heel goed! Wel, jongeheer, zal uwe +hier zoo op ’t kantoor komen? Nu, dat is best! Houd je gemak ... +houd je gemak, en stoor je niet aan my. Ik ben de boekhouder ...</p> +<p>Wouter had gebukt en gebogen en geknikt, en zich voorgenomen, +wanneer-i eens weer in den handel ging, z’n hoed op ’t +hoofd te houden ... om dien te kunnen afnemen als er iemand binnen +kwam, gelyk z’n moeder had voorgeschreven. Want hy voelde dat dit +ontbrak aan z’n begroeting van den heer Dieper. Die vriendelyke +oudeheer moest hem wel voor zeer lomp aanzien. En dit was-i niet, +waarlyk niet! Hy had integendeel ’n gevoel van dankbaarheid aan +den heer Dieper, die hem zoo minzaam kwam verlossen uit z’n +drukkende eenzaamheid. Om daarvan iets te doen blyken, bleef hy staan, +zelfs toen de gulle boekhouder hem nògeens had toegevoegd: +“houd je gemak, jongeheer ... ik ben de boekhouder.”</p> +<p>En alweer onderzocht Wouter niet, of deze +maatschappelyke-stand-belydenis misschien beduidde: “ga nu maar +zitten, <i>nu</i>! Straks als “de heeren” komen, is +’t wat anders!” Deze zin kon door hem onmogelyk aan +Dieper’s woorden gehecht worden, omdat in zyn oog, ’n +boekhouder ter-nauwernood ’n minder verheven wezen was, dan de +“patroon” zelf. Het verschil tusschen deze beide +standpunten ontsnapte aan z’n waarnemingsvermogen, en hy zou +dus—àls-i kon geroepen zyn tot schatting—hierin +dezelfde fout gemaakt hebben als ’n kind dat verwonderd vraagt, +waarom de wolken nooit voorbyschuiven achter de maan om?</p> +<p>De uitdrukking van Dieper’s gelaat was één +doorgaande vriendelykheid. Hy verdween ’n oogenblik in de alkoof +die tegenover de vensters wand vormde, en kwam weldra terug in +boekhouders-uniform, d. i. in ’n gryzen langen jas die veel +beleefd had, en met ’n zwart kalotjen op z’n witte haren. +Want: “soms was er tocht op ’t kantoor.” Zoo +verzekerde hy aan Wouter, die ’n gebaar maakte alsof hy deze +mededeeling met innige dankbaarheid aannam, en ze vergelden zou by de +eerste gelegenheid ...</p> +<p>Och, hy had zoo graag dien goeden ouden heer Dieper ’n dienst +gedaan. Hy stelde hem boven Merkurius, en vond dat-i op ’n engel +geleek.</p> +<p>—Ja, het tocht hier soms. En er niets op de wereld, waarvoor +’n mensch zoo moet oppassen, als tocht.</p> +<p>Dat Wouter niet tegensprak, zal de lezer wel gelooven. Maar dit was +niet genoeg, meende hy. Als ’n bliksem vloog hem de gedachte door +de ziel, alle reten van vensters, deur en vloer dicht te plakken, om +dien vriendelyken grysaard te helpen in den stryd tegen zoo’n +<span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name= +"pb139">139</a>]</span>vreeselyken vyand. Hoe was ’t mogelyk dat +de man nog middel had weten te vinden, grys haar te krygen in +zoo’n tochtige wereld? Moest-i niet voor zeer lang +reeds—als zuigeling zelfs—bezweken zyn? Er zyn taaie +naturen, dit weet ik wel, maar wie drommel zou ’t den ouden +Dieper hebben aangezien dat-i daartoe behoorde? De man had in z’n +voorkomen niets van ’n held, en vertoonde zich eer als ’n +sukkelaar die zich zou laten omvèr- en wegwaaien door de minste +luchtbeweging, dan als de perpetueele <i>triumphator</i> over al de +kamer-orkanen waaraan-i sedert byna zeventig jaren was blootgesteld +geweest, en waarvan-i de <i>spolia opima</i> in den vorm van +“zinkings” in ’t hoofd droeg. Want lezer, daarmee +beloont de afgod “Tocht” ieder die hem deemoedig vreest in +onkunde en onnoozelheid. By gelegenheid zal ik eens uitleggen hoe die +bespottelyke eeredienst in de wereld gekomen is.</p> +<p>“Deemoedig.” Dit woord bevalt me, en wanneer ik ’t +recht had, de helden en heldinnen van m’n vertelling andere namen +te geven, dan zy in werkelykheid gedragen hebben, zou ik me misschien +laten verlokken aan dezen klank de gelegenheid te ontleenen, om den +goeden boekhouder te kenschetsen met één pennestreek. Wie +weet of ik hem niet: m’nheer Deemoed gedoopt had. Maar ik zou dan +’n dubbele fout begaan hebben. Want hy heette Dieper. En dit +wàs-i ook.</p> +<p>Na de korte verpoozing die ’t binnentreden van den boekhouder +onzen Wouter bezorgd had, brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte +verveling aan. Dieper had ’n yzeren kist geopend, waaruit hy +’n half dozyn kantoorboeken nam, welke hy eenigszins rangschikte +op ’t vlakke middelstuk van ’n dubbele kantoorlessenaar +“voor twee personen” ook wel genaamd: ’n +<i>vis-à-vis</i>. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder +plaatsnam, stond ’n gelid enkele lessenaars. En daartegen +veroorloofde zich Wouter even te leunen—geschied <i>is</i> +’t!—telkens als-i ’n oogenblik vergat dat de +boekhouder wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper niet. Hy +debiteerde en krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht op de +dingen dezer wereld, die al of niet leunden tegen ’n anderen +lessenaar dan den zynen.</p> +<p>Tusschen de alkoof en de eigenlyke kern van ’t hoofdkwartier +des handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees +tusschen vreemde bezoekers van ’t kantoor, en de gelukkigen die +er thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep kon, +opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en vervulde +thans in afhangende houding de niet overbodige funktien van afleider +van Wouter’s verveling. Het ding werd in deze eervolle taak +bygestaan door ’n ronde opening in een der hoeken, waarin +’n yzeren ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den +rand der geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy kon +nu op z’n gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de +handels-bestemming van dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk ... +goddank, er gebeurde iets: Dieper nam ’n snuifje, en Wouter stond +als ’n paal. <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" +name="pb140">140</a>]</span></p> +<p>—De heeren komen wat laat, jongeheer.</p> +<p>Voor Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was op +de heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit de +betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over +z’n memoriaal.</p> +<p>Wel beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan +vóór Dieper’s komst. Toen en nu verveelde hy zich, +maar zoo-even deed-i niets dan dat. Thans had-i er nog den angst by, +dat Dieper merken zou <i>hoe</i> hy zich verveelde, want—en deze +opmerking geef ik wèl voor nieuw—niemand verveelt zich +zonder schaamte. Men wordt er niet graag op betrapt, waaruit misschien +de gevolgtrekking kan gehaald worden, dat het niet geoorloofd is zich +te vervelen.</p> +<p>Wouter, byv. had in dien tyd zich kunnen meester maken van wat +gladheid in de vermenigvuldigmgs-tafel tot 20 × 20, of verder +nog. Waarom niet? Maar aan zoo-iets dacht-i niet. Z’n eenige zorg +was, geen geluid te maken, om vooral m’nheer Dieper niet te +hinderen. Dit was nu—o Holsma—z’n meest-nabyliggende +plicht. Uit het volle besef hiervan, hield hy den adem in, met het +natuurlyk gevolg dat-i uitberstte in ’n hoestbui.</p> +<p>Geen oneerbiediger ding dan de Natuur!</p> +<p>—’n Beetje verkouwen, jongeheer? Ja, ja, dat komt van de +warmte. ’n Mensch moet zich wèl in-acht nemen by heet +weer. Ineens kryg je ’t beet, in-ééns!</p> +<p>’t Was wel wat ondeugend van Fancy, dat ze de prikkeling in +Wouter’s keel deed voortduren tot en na de binnenkomst van een +der “heeren.” De arme jongen voelde zich genoodzaakt een +van z’n patroons den rug toetekeeren, om hem niet in ’t +gezicht te hoesten. Dit bedierf de voorstelling, en bedolf Wouter in +een der afgrondjes van oogenblikkelyke wanhoop, waaraan ’t leven +zoo ryk is, doch die later blyken niet veer meer te zyn geweest dan +’n geringe oneffenheid op ons pad.</p> +<p>—Gmorge, Dieper! had de binnentredende geroepen. Is Wilkens er +nog niet?</p> +<p>—Dienaar, jongeheer Eugène, antwoordde de boekhouder. +Neen, jongeheer Eugène, Wilkens is er nog niet. Misschien met +stalen uit? Dit is de jongeheer Pieterse.</p> +<p>—Zoo?</p> +<p>Wouter hoestte.</p> +<p>—Hy moet maar wachten tot Pompile komt ... of Wilkens.</p> +<p>Wouter knikte, altyd doorhoestend, dat-i met het grootste geduld +wachten zou op m’nheer Pompile of m’nheer Wilkens.</p> +<p>—Neem ’n glaassie water, jongeheer, vermaande de +zoetsappige Dieper.</p> +<p>—Wel ja, laat ’m ’n glas water drinken, hervatte +de jongeheer Eugène grootmoedig. Dáár staat water, +en ’n glas ook.</p> +<p>Inderdaad! Naast de yzeren kist waarin ’s nachts de +“boeken” werden geborgen, stond in ’n donker +hoek’jn op ’n stoof, een verweerde waterkaraf, waarby +’n glas met groezelig oranjekleurig <span class="pagenum">[<a id= +"pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>bezinksel. Wouter +dronk ’n paar teugen, en behandelde de daartoe gebruikte +gereedschappen met ’n eerbiedige teederheid, zuiver water en +helder glaswerk waardig. Toen-i eindelyk had uitgehoest, zat de +jongeheer Eugène met breed-uitgestrekte elbogen voor een der +enkele lessenaars in ’n fransch romannetje te lezen. Dat Dieper +al weer op z’n boeken lag, spreekt vanzelf.</p> +<p>Wouter stond nu by die geldkist en dien stoof, waarop-i netjes en +zonder geruisch de kostbare voorwerpen weer had neergezet. Zonder zich +in ’t minst te verroeren wachtte hy op m’nheer Pompile en +op m’nheer Wilkens ...</p> +<p>Sedert het aanbreken van den dageraad had-i niet ànders +gedaan dan wachten, o Fancy! En gy, hardvochtige, gevoellooze, wreede, +gy blaast hem niet in: loopt allemaal vierkant naar den weerlicht, met +je handel?</p> +<p>Neen!</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">“Er moet veel leeds geleden zyn,</p> +<p class="line">Er moet veel stryds gestreden zyn!”</p> +</div> +<p>Ik geloof juist niet dat altyd—zooals de goede Kamphuyzen, +misschien om ’t rym slechts, beweert—het eind van dat +alles: “vrede” wezen zal. Maar ... zelfgevoel toch, en +hoogmoed, en de betrekkelyke kalmte die de belooning is van +’t:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line"><i lang="la">Multa tulit fecitque puer, sudavit et +alsit!</i></p> +</div> +<p>Mochten sommigen meenen dat de beide aangehaalde teksten te deftig +zyn, te ernstig, te klassisch voor de <i>soort</i> van Wouter’s +tegenspoedjes? Ze vergissen zich. De zwaarste beproevingen worden ons +opgelegd door nietigheden. Zy overvallen ons dagelyks, telkens, +aanhoudend, en vinden ons meestal ongewapend. Bovendien, er wordt geen +eer behaald in zulken stryd. Mozes en de “Heer” wisten +’t wel. Ze plaagden Egypte niet met tygers, maar met +sprinkhanen.</p> +<p>Dat Wouter <i>leed</i> is waar. Maar z’n <i>stryd</i> beduidde +niet veel. We kunnen in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot +wegloopen zou noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht +had om te blyven, en de plicht te vervullen die ’t naast voor de +hand lag. Zóó had Holsma gezegd, en zóó zou +’t wezen!</p> +<p>—Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer +Eugène te zeggen, zonder de minste verandering van houding, en +met zekere zuinigheid in ’t uitspreken der woorden, alsof er +deuren- en venstergeld werd geheven van de artikulatie.</p> +<p>Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy +liep zeer snel, als om blyk te geven van ’n diligentie die niet +precies overeenstemde met de klok. De klok zal vóór +geweest zyn.</p> +<p>—Dienaar, m’nheer! Dag, Dieper!</p> +<p>—Gmorge! Dat’s de jonge Pieterse.</p> +<p>—A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei!</p> +<p>Wilkens was ’n oude gek. Z’n geheel leven was +één veroveringstocht geweest naar deftigheid en gewicht. +Daar-i ’t op z’n ouden dag niet verder had gebracht dan tot +kantoorbediende en handelsreiziger, kan de lezer narekenen hoeveel +veldslagen de man moet verloren <span class="pagenum">[<a id="pb142" +href="#pb142" name="pb142">142</a>]</span>hebben. De voornaamste +ammunitie die hem overbleef, bestond in ’n langgerekt <i>ae</i> +of <i>èèèè,</i> of zooiets. Wie hem van +naby kende, was er niet zeer bevreesd voor, maar nog altyd zagen +sommige boeren-winkeliers hoog op tegen iemand die zoo oneenvoudig +spreken kon. En ook Wouter voelde zich heel klein.</p> +<p>—Jae, m’nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge +mensch maer niet wachten op m’nheer Pompile?</p> +<p>De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon +beteekenen wat men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen +z’n antwoord te worden opgenomen door m’nheer Wilkens, die +nu op zyn beurt in de alkoof verdween, en weldra weder voor den dag +kwam, gehuld in ’n lange kantoorjas.</p> +<p>—Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten, +zeide hy, als om zich by z’n jongen patroon over z’n +laat-komen te verontschuldigen.</p> +<p>Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat juist +even genoeg was om te kennen te geven: “ik heb gehoord wat je +zei.” En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast +Eugène, waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En +hy deed inderdaad niets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met +’n <i>deficit</i> van drie stuivers in de “kleine +kas” en pynigde zich met zoeken naar de oorzaak van die +vreeselyke gaping.</p> +<p>—Maer, m’nheer, kan er ook misschien ’n brief zyn +geweest voor “<i>huishouden?</i>”</p> +<p>—Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op ’n toon van: +“wat kan ’t my schelen!” Ook lag er iets in van: +“maak toch zoo’n wind niet met je oogendienende +stiptheid!”</p> +<p>—Jae ... maer ...</p> +<p>Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van ’t nabootsen +der Wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z’n +lymerige <i>ae’s</i>. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich +’n verwaande kwast uitdrukt, die meermalen in den Haag was +geweest en zich de mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis +te leggen: ik ben ’n heer! De reden overigens dat hy, in +tegenstelling van Dieper en den ouden Gerrit, het naast hem zittend +individu niet aansprak met het praedikaat: “jongeheer” lag +hierin, dat Eugène reeds nagenoeg halfwassen was, toen Wilkens +hem elf jaar geleden leerde kennen, terwyl Dieper en de knecht dezen +telg van den patroon, en zelfs den ouderen Pompile, als kind hadden +gekend. Toch zouden ook deze twee zich niet veroorloofd hebben, iets +aftedingen op ’t volslagen heerschap van de beide ondergoden, +indien niet de oude heer Kopperlith-zelf hun die vryheid had in den +mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn op maatschappelyke +onderscheidingen—altyd slechts in toepassing op anderen, want +zichzelf schatte hy ’n graad of zooveel te hoog—en noemde +de jongelieden: “m’nheer Pompile en m’nheer +Eugène” wanneer-i over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in +zyn mond heetten ze, als vroeger: “jongeheeren” wanneer hy +’t woord richtte tot de oudere lyfstaffieren <span class= +"pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span>van +den huize. Dat iedereen—op den knecht na—tegenover Wouter +volop: “m’nheer” was, spreekt vanzelf. Of ’t +waar is dat men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker +is ’t, dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te +eerbiedigen.</p> +<p>Wilkens becyferde de kolommetjes van z’n +“kleine-kas-“boekjen, en zeide:</p> +<p>—’t Is ienderdaed verbaezend!</p> +<p>En we nemen by dezen voor goed afscheid van zyn geblaet.<a class= +"noteref" id="xd19e6292src" href="#xd19e6292" name= +"xd19e6292src">2</a></p> +<p>—Maar, m’nheer, zouden we nu ’t jonge-mensch maar +niet aan ’t werk zetten? Misschien komt m’nheer Pompile +eerst na de koffi.</p> +<p>—Wel ja. Ga je gang!</p> +<p>Wilkens wenkte Wouter tot zich, en na ’n paar gemaakte +kuchjes:</p> +<p>—Ik zou je maar raden hier maar plaats te nemen. Leg je hoed +maar weg ...</p> +<p>Al deze <i>maren</i> hadden ’n beteekenis. De meegedeelde +bevelen kregen daardoor den rang van zware verlossingen na moeielyke +dracht. Het wegleggen van den hoed beviel Wouter uitstekend, want het +langdurig vastklemmen had hem kramp in de vingers bezorgd. Zeker, als +’t bekende spreekwoord waarheid zegt, had hy meer dan iemand kans +geloopen ’t heele land doortereizen, daar hy uren lang met +z’n hoofddeksel in de hand had gestaan. Voor ’t oogenblik +echter bewoog hy zich niet verder dan tot den lessenaar nummer +<i>drie</i>, tusschen Wilkens en ’t venster.</p> +<p>—Ga maar zitten. En zeg me nu eens of je rekenen kunt? Wat men +noemt: goed rekenen?</p> +<p>—Ja, m’nheer, riep Wouter met ridderlyken moed, als +’n krygsman die de trom hoort. O ja, m’nheer!</p> +<p>Wat hy zich schrap zette tegen ... Strabbe!</p> +<p>—Wel, wel! Tel dan al die postjes eens op: guldens, stuivers +en penningen. Zestien penningen maken ’n stuiver, zieje, en +twintig stuivers ’n gulden. Dit weetje zeker wel?</p> +<p>—O ja, m’nheer.</p> +<p>—Zoo? Weetje dàt! Ei!</p> +<p>En Wouter, de rekenheld, spande zich zóó in om +z’n naastbyliggenden plicht te doen, en om de teleurstelling over +het derogeerende van ’n: “optellingsom” te +overwinnen, dat-i glad verkeerd telde. Geen enkele kolom sloot met de +facitten van m’nheer Wilkens. Hy werd zeer verdrietig, en +betrapte zich op heimwee naar ... de twee gevestigde zaken op den +<i>Zeedyk</i>!</p> +<p>Een heer stapte de binnenplaats over. ’t Was m’nheer +Pompile, oudste zoon van den huize, prokuratiehouder en medechef van de +firma Ouwetyd & Kopperlith. <span class="pagenum">[<a id="pb144" +href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e6114" href="#xd19e6114src" name="xd19e6114">1</a></span> In 1191a +betoogt M. dat <i>orde</i> en <i>arbeid</i> geneesmiddelen zyn voor +krankzinnigheid.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e6292" href="#xd19e6292src" name="xd19e6292">2</a></span> Dit +hoofdstuk wordt onderbroken door een beschouwing over de +“diepzinnige kwestie, of ’n auteur uitspraak en +dialekt” zyner personen moet weergeven, naar aanleiding van +’t op een congres te Antwerpen verhandelde, eindigend in een +lofrede op Busken Huet. (I. 1194–1199.)</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige +bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z’n opleiding in +’t vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in +’n windblaas.</p> +</div> +<p>Indien de oude heer Kopperlith, die nog altyd op ’n +boven-voorkamer bezig is met z’n ontbyt en de courant van den +dag, doch dien we straks zullen zien verschynen ...</p> +<p>... indien de jongeheer Pompile, die driftig, beredderend, jagend en +als gejaagd, het kantoor binnenstuift, en ’n stuk of drie +“dag’“s uitstoot, alsof ’t beschuitkruimels +waren die hem in de keel prikkelden ...</p> +<p>... indien de jongeheer Eugène die daar nog altyd over +z’n romannetje gebukt zit, en in knotwilgstyl z’n: +“<i>bsjoer Pompile!</i>” laat glippen ...</p> +<p>... indien àl de Kopperlith’s, als daar zyn: de +jongeheer Rodomont, en de jongeheer Flodoard, en de jongeheer Leon +...</p> +<p>... indien al die jongeheeren ... met den ouden heer er by, en +vooral de dikke leelyke mevrouw uit de zykamer, en de majestueuze +Hersilia, en “de” juffrouw ...</p> +<p>... indien ...</p> +<p>Sakkerloot, lezer, m’n galery wordt te vol! Wat ’n +arbeid, al die portretten afteteekenen! Toch zal ik ’t beproeven. +Maar eerst dit: indien ze myn Wouter-geschiedenis onder de oogen kregen +en lazen ...</p> +<p>Maar ze lazen geen hollandsch. Nu dan, indien men hun een fransche +vertaling van m’n werk voorlegde ... zy allen zouden my om den +hals vliegen uit dankbaarheid. Eigenlyk is ’t me dus niet +onaangenaam dat hun litterarische ontwikkeling by ’t fransch is +blyven staan, en dat de kans op vertaling van m’n werken in dat +onwysgeerig idioom, allergeringst is. Bovendien, al die jonge en oude +jongeheeren zyn dood.</p> +<p>Ja, dankbaar zouden ze wezen, tot krankzinnigheid toe! De lezer is +waarschynlyk begaafd met ’n buitengewone verbeeldingskracht, en +ik wil hem gaarne het dubbele van de gemiddelde burgerlyke +intelligentie toekennen, maar toch betwyfel ik of hy in-staat wezen +zou, zich de aandoening voortestellen van ’n familie die, vele +jaren na haar universeel overlyden, van ’n edelmoedigen schryver +drie graden amsterdamsche hoogheid zoo maar klakkeloos prezent krygt. +Want, al kost het m’n eigenliefde een zwaar offer, al loop ik +gevaar den roem van stiptheid te verkleinen, waarop ik hoogen prys stel +... de waarheid bovenal: onze Kopperlith’s woonden <i>niet</i> op +de Keizersgracht, en patriciërs waren ze <i>niet</i> ... +ziedaar!</p> +<p>De oorzaak van m’n dwaling is niet moeielyk optegeven, maar +’n dwaling <i>is</i> het. Toen ik, ’n hoofdstuk of wat +geleden, met juffrouw Laps langs den Amstel in de buurt van de +Jachthaven pantoffelde, daagde de oudeheer voor m’n +schryversoogen op. Nooit zag ik ’n grysaard met deftiger +voorkomen. Op z’n eenigszins te dikken buik na, vertoonde hy +’t model van ’n genueschen <i>Doge</i> ... uit ’n +roman, namelyk. Van ’n sterk geïdealizeerden Marino Falliero +... op ’n schildery. <span class="pagenum">[<a id="pb145" href= +"#pb145" name="pb145">145</a>]</span>En ieder groette zoo deemoedig, en +ieder fluisterde zoo piepend: “dat is m’nheer +Kopperlith!” dat ik—al te oppervlakkige waarnemer op dat +oogenblik—men bedenke dat m’n aandacht werd afgeleid door +’t kyken naar prinses Erika, die ’r lief uitzag—in +’s hemelsnaam, ik vergiste my, en dacht: die man woont zeker op +de Keizersgracht! Waar ànders? Voor ’n graaf of baron +vertoonde hy een te fatsoenlyk voorkomen. Een ridder uit de +middeleeuwen was-i niet, want met zoo’n zwaarlyvigheid bewoont +men geen burgt op ’n rotspiek. Bovendien, z’n harnas was +van zwart laken, heel fyn en glanzig wel, maar ... laken toch. Een +keizer, koning of prins kon hy ook niet wezen, want in-plaats van hem +iets toeteschreeuwen, ging ieder verlegen voor hem uit den weg, en +maakte plaats voor den buik dien-i als ’n marskraampje voor zich +uitdroeg. Wat ànders toch kon ik uit dit alles opmaken, dan +dat-i op de Keizersgracht woonde? Tot overmaat van verontschuldiging, +beroep ik my op ’t publiek in de kroeg van Vrouw Gooremest. De +lezer was er zelf by, en kan dus getuigen hoe al die bevoegde personen +in myn dwaling deelden. Klaas Verlaan en z’n kornuiten waren +òf Amsterdammers van ouder tot ouder, òf althans +Noord-hollanders, en wanneer zulke autoriteiten zich vergissen, mag men +het den armen schryver die deze eer niet heeft, niet zoo heel erg +ten-kwade duiden dat hy in z’n rangbepaling ’n paar straten +of grachten uit den koers dwaalt.</p> +<p>Hoe dit zy, ’n vergissing wàs het. En heel bedroefd ben +ik er niet over, omdat ze my zoo-even de gelegenheid verschafte zekeren +oudheidskenner die m’n integriteit kwam aantasten, en meende my +omvèr te gooien met ’n adresboek van ’t jaar +zooveel, de verheven uitdrukking naar ’t hoofd te werpen:</p> +<p>“Indien de Kopperlith’s niet woonden op de +Keizersgracht, m’n-heer ... dan, m’nheer, dan ... welnu, +m’nheer, dan hadden ze verdiend te wonen op de Keizersgracht, +m’nheer!”</p> +<p>En daarby blyft het ... verhuizen laat ik ze niet! Ik heb alzoo in +’t vervolg van m’n verhaal de ongewone verdienste, twee +waarheden tegelyk te verkondigen. Ze woonden er, en ze woonden er niet. +Het kantoor “ging in” in de Vellestraat, of in ’n +andere straat, of ... in ’t geheel geen straat, en dus +“op” ’n gracht. En dat de heele familie ’n +pronkstuk was van opgeblazen nietigheid, is ook waar.</p> +<p>“Dat komt er niemendal op aan, hoor ik zingen door ’n +peloton afgestorven zielen, als je maar terdeeg volhoudt dat wy op de +Keizersgracht woonden!”</p> +<p>Het is deze koorzang die my den moed geeft, m’n topografische +dwaling voltehouden tegen den letterlyken tekst van dat adresboek in. +Komaan, jongeheer Pompile, spreek, laat je hooren en bekyken door ieder +die ’n abonnement kan betalen aan Wouter’s boekenman in de +Hartenstraat! En jy ook, jongeheer Eugène! En Hersilia! En Leon! +En Rodomont! En Flodoard! En de rest! Veroorloof me—of niet, naar +verkiezing!—u ’n draadjen om den poot te strikken, u te +laten vliegen, huppelen en dood-liggen als ’n meikever. Spreek, +<span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name= +"pb146">146</a>]</span>Pompile! Ratel en snater, Pompile, als toen je +nog leefde, en al of niet woonde op die fameuze Keizersgracht!</p> +<p>—Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag Eugène! Papa nog niet +beneden? Hier zyn de brieven ... een voor huishouden—van Leon, +Eugène!—waar is Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? +Weet-i den weg in de stad! Ik heb veel boodschappen, weetje! Krimp te +Rotterdam vraagt twee wittegrondjes-driekleur—je weet wel, +Wilkens, die <i>Victoria-fancies</i> van +<i>Crawfurth-Leeds</i>—maar hy wil dat ouwe krieuweltje met +’n oogjen ... is ’t er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel +boodschappen. Hoe is ’t met mama, Eugène? Zou ’t +lukken vandaag ... ik meen de verhuizing? ’t Saizoen gaat voorby, +en ik wou zoo graag de Hocker’s en de Pleier’s en de +Krucker’S vragen op <i>Groenehuize</i>. Die briefbesteller is +’n lap ... de vent wil altyd geld voor ’n borrel als-i de +brieven op-straat afgeeft, want ... hy mag ’t niet doen, dat +weetje. Als ’t gemerkt wordt, krygt-i z’n ontslag. Ik heb +’m dezen keer ’n stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar +... zet ’m op huishouden, want er is ’n brief van Leon ook. +Dus ... ’t kan wel op huishouden: wat zeg jy, Eugène? Zoo, +ei, is dàt de jonge Pieterse? Heb jy wat voor Gerrit vandaag, +Dieper? <i>Ik</i> heb veel boodschappen. Wilkens, je moet zoo goed +wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel boodschappen heb, en +... en ... ziehier den brief van Krimp. Die menschen vragen altyd wat +er niet is, want ... dat krieweltjen met dat oogjen is er niet meer. +Weetje wat we doen zullen. Als ’t krieuweltje ’r niet meer +is—met dat oogje, weetje?—dan zenden wy ’t moesjen, +of ’t slangetjen, of dat patroontje met de blokjes ... je weet +wel, ’t zyn de witte-grondjes-driekleur, <i>Victoria-fancies</i> +van <i>Crawfurth-Leeds</i>. Maar je zult zien dat Krimp weer +chikaneert, want ... dat doet-i altyd. Roep Gerrit ... ik heb zooveel +boodschappen, weetje. Zoo, mannetje ken jy goed den weg in de stad? Nu, +dat’s goed, want ... ik heb altyd zooveel boodschappen. +Eugène, als papa komt, zeg dat ik by mama ben, met den brief van +Leon, weetje. Want hy is geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd +z’n brieven aan mama ...</p> +<p>Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op +’t adres van een brief aan ’n gehuwde vrouw, is plaats voor +twee weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te +weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van +m’nheer Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten +meester te maken van ’n geboorte die hemelsbreed afweek van de +gewone. Dat het mensch vóór haar huwelyk <i>Niemendal</i> +heette, doet niet ter-zake. De postklerk te Tjanjor—daar werden +die epistels uitgebroed—was niet zeer bedreven in ’t +hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien dat de +jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om +z’n mama te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van +den jongeheer Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: +“postklerken zyn praterig” hoopte de kwast juffrouw +Pieterse na.</p> +<p>Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z’n +<span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name= +"pb147">147</a>]</span>tegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy +gedurig heen-en-weer, en maakte—ook in zeer letterlyken +zin—zooveel wind als maar eenigszins mogelyk was. Een oogenblik +nadat-i met Leon’s brief in de hand de kamer verlaten had, keerde +hy terug.</p> +<p>—A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen +vertrekken vandaag? Ik zit anders <i>en peine,</i> zeer, +zéér <i>en peine</i>, weetje ... erg <i>en peine</i>, met +de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’s, die ik +allemaal geinviteerd heb op <i>Groenehuize</i>. En ... ik heb de +kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg—grof volk, +zulke kruiers!—of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat +vroeg-i! Lomp, hè? Maar ... zie je, hy meende-n-in ’n +leuningstoel, en ... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik +kompromitteer me zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker’s en de +Pleier’s en de Krucker’s. Dat is het maar, weetje!</p> +<p>En hierop verliet hy weder ’t kantoor.</p> +<p>’t Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst +had staan toeluisteren. Na ’t vertrek van m’nheer Pompile +verdiepte hy zich op-nieuw in z’n optellingen. Och, hy wou zoo +heel graag z’n naast-byliggend plicht je doen. Was ’t +<i>zyn</i> schuld dat-i zich zeer onbekwaam voelde, en telkens rekende: +<i>drie en acht is vier-en-twintig</i>, of wat anders?</p> +<p>Wilkens ging naar ’t magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of +de moesjes of de blokjes die ’t huis Kopperlith den winkelier +Krimp zou trachten in de maag te stoppen, in plaats van ’t +verlangde krieuweltje met ’n oogje.</p> +<p><i>“Twee en zes is twaalf, en tien is twintig ...</i></p> +<p>’t Begon weer te waaien. Pompile stormde het kantoor in:</p> +<p>—Hè! Beroerd! Akelig! Heel beroerd! Verbeeldje, Dieper +... zeg, Eugène, hoor eens, ’t wordt àl te erg! +Weet jelui ’t al, van Gerrit? Hy is weer styf van de rhumatiek +... hoe vind je dàt? Hy kan geen boodschappen doen! En ik ... ik +had juist zooveel boodschappen. Op m’n woord van eer, ik heb wel +tien boodschappen ... ja, wel twaalf! Heb jy ook boodschappen, Dieper? +Wisseltjes? Accepten? Hè?</p> +<p>—Vandaag niet, jongeheer. Maar morgen ...</p> +<p>De boekhouder sloeg ’n kleine agenda op.</p> +<p>... morgen heb ik ’n wisseltjen in den jodenhoek, ’n +smerig dingetje.</p> +<p>—Zoo? Morgen? Nu dat’s goed. Weet je wat je doet, +Dieper? Zeg ’t aan papa, dat je telkens wisseltjes hebt, en dat +Gerrit altyd styf van rhumatiek is, en dat het zoo niet langer +kàn, weetje? Zeg jy dat aan papa, Dieper, want ... ik heb +zooveel boodschappen, ik heb erg veel boodschappen.</p> +<p>—Ja, jongeheer Pompile, ik zal ’t zeker aan +m’nheer zeggen. En ... hoe vaart de jongeheer Leon?</p> +<p>Ei, ei, de slimme Dieper! Hy durfde den ouden rhumatieken Gerrit +niet aan. En ook de jongeheer Pompile, inweerwil van z’n vele +boodschappen, zou liefst dat meubel uit den weg zien zetten door +<span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name= +"pb148">148</a>]</span>’n andere hand dan de zyne. Gerrit namelyk +had met den ouden heer relatien uit den vóórtyd, ’n +<i>coprolithische</i> verwantschap die ontzien moest worden. En daarom +sprong de omzichtige Dieper zoo handig en belangstellend over op +’t welvaren van den jongeheer Leon.</p> +<p>—Heel wel, dankje, antwoordde Pompile. Den heelen brief heb ik +nog niet gelezen. Hy vertelt van tygers, en van slangen en van +optochten met zonneschermen en gouden wapens ... o, allerlei! Mama is +er dol bly mee, dat begryp je. Maar ... hy is nog altyd surnumerair. Hy +klaagt dat allerlei gemeen volk hem over ’t hoofd springt ...</p> +<p>—Dat is zeer hard voor iemand van ... stand, zei Dieper, met +’n treurigheid in z’n stem, die wel eenige verhooging van +traktement waard was.</p> +<p>—Niet waar? Die vervloekte Gerrit met z’n rhumathiek! En +ik heb juist zoo erg veel boodschappen! Zeg-eens, jy, Pieterse—je +heet immers Pieterse?—je moet eens zoo goed wezen ’n paar +boodschappen voor me te doen.</p> +<p>Wouter stond marschvaardig, met z’n hoed in de hand, en +’n verheugd: “asjeblieft, m’nheer!” op de +lippen. Verheugd? Ja, waarlyk! Want de opdracht die hy te-gemoet zag, +was hem ’n verademing. De jongeheer Pompile nam plaats tegenover +Dieper—daar namelyk was de lessenaar van den +“patroon”—en hy wenkte Wouter tot zich.</p> +<p>—Je weet dus den weg in de stad? Heel goed! Dan moet je-n-eens +zoo goed wezen ... maar zeg, heb je-n- ’n zakboekje? Een +portefeuille-n-of zoo-iets?</p> +<p>—N... e... e... n, m’nheer.</p> +<p>—Zoo? Heb je dàt niet? ’n Kantoorbediende moet +’n portefeuille hebben, om ... iets in opteschryven, weetje? +Anders vergeet je ’t. Nu, voor vandaag moet je dan maar de +boodschappen ... onthouden, die ik je-n-opgeef. Je moet zoo goed wezen +te gaan by m’nheer Hocker, en daar doe je-n-’t kompliment +van my—van den jongen m’nheer Kopperlith, moet je zeggen, +van m’nheer Pompile, weetje?—en je vraagt, of de juffrouwen +Pleier uit Frankfort—want die logeeren by m’nheer Hocker, +weetje?—of de juffrouwen plezier hebben, vanmiddag met my en +m’n vrouw—zeg jy maar: met de jonge mevrouw +Kopperlith-Huddewitz, dan weten ze-n ’t wel—ja, vraag of de +juffrouwen Pleier plezier hebben, met ons en de familie Krucker ...</p> +<p>—Ben je mal, Pompile? bromde Eugène. De jongen weet +immers niet waar Hocker woont.</p> +<p>—Ah...ja! Dat’s waar! M’nheer Hocker woont ...</p> +<p>En Wouter’s handelswetenschap werd verrykt met de zeer +nauwkeurige kennis van de plek waar m’nheer Hocker woonde. Ook +vernam hy wat voor dien middag de plannen waren met de familie van dien +heer, en met de juffrouwen Pleier uit Frankfort, en hoe ze zich +des-verkiezende zouden kunnen verheugen in ’t gezelschap van +<span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name= +"pb149">149</a>]</span>mevrouw Kopperlith-Huddewitz, ook wel genaamd: +de jonge mevrouw.</p> +<p>—En dan moet je zoo goed wezen in de Kerkstraat by de +Korte-krulledwarsstraat te gaan naar den stal van papa. Je vraagt maar +naar den stal van m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weetje, +want ... papa houdt rytuig, eigen rytuig. En daar zeg je-n-aan +Jakob—dat is de koetsier—daar zeg je ...</p> +<p>Volgt: ’n boodschap aan Jakob, die me glad ontschoten is.</p> +<p>—En dan moet je zoo goed wezen even naar juffrouw Lins te +gaan, in de Katoenstraat, en je doet het kompliment van de jonge +mevrouw Kopperlith—je moet zeggen: van mevrouw +Kopperlith-Huddewitz—en je zegt dat de juffrouw zoo goed moet +wezen om je-n-’t tapisseriepatroon te geven ... ’t is +’n liggende jachthond, kan je dit onthouden?</p> +<p>—J...a, m’nheer!</p> +<p>—Goed! ’n Liggende jachthond, weetje? Nu, dat patroon +moet ze je geven voor de jonge mevrouw Kopperlith, voor mevrouw +Kopperlith-Huddewitz, begrypje? En je vraagt den prys ... den +allernaasten prys, moet je zeggen. En dan ga je naar myn huis, en je +schelt aan, en je zegt aan de meid dat je van my komt—van +“m’nheer” weetje—en je doet het kompliment, en +je zegt ...</p> +<p>—Maar, Pompile, hoe kan hy weten waar je huis is?</p> +<p>—Ah, ja! Ik woon op de Leliegracht ... stille zy, weetje, waar +de deftige huizen staan. ’t Is ’n huis met opgaande stoep, +en ruiten van spiegelglas. Dáár moet je maar altyd na +kyken, want ... m’n ruiten zyn van spiegelglas. En je zegt aan de +meid, dat je by juffrouw Lins geweest bent, en dat je van my komt, en +dat je de nieuwe kantoorbediende bent, en hoeveel dat patroon kost. En +... als dan de jonge mevrouw den prys te hoog vindt—’t is +’n jachthond op ’n kussen, weetje?—dan breng +je-n-’t weerom aan juffrouw Lins, en je zegt dat het te duur is. +En dan moet je zoo goed wezen eens te gaan by m’n schoenmaker. Hy +woont in de Hallestraat, en daar doe je-n-’t kompliment van +my—van m’nheer Kopperlith van de Leliegracht, moet je maar +zeggen—en zeggen dat-i zoo goed wezen moet, morgen ochtend negen +uur, de maat te komen nemen van ’n paar pantoffels. En dan ga je +by m’nheer Krucker, en je doet het kompliment van my, en je +vraagt hoe de oude mevrouw vaart—want ze-n-is ziek, weetje, ze +heeft het pootje ... maar dat hoef jy niet te zeggen: je vraagt maar +hoe ze vaart?—en dan breng je daar ’t antwoord van de +juffrouwen Pleier uit Frankfort, die by de Hocker’s logeeren. +Maar als nu de juffrouwen Pleier de invitatie hebben aangenomen, dan +moet je zoo goed wezen even aanteloopen by m’nheer Kruis op de +Engelsche-kaai, en zeggen daar—maar je moet eerst het kompliment +van my doen—dat ik van-middag door zware hoofdpyn verhinderd ben +gebruik te maken van de uitnoodiging om met de familie te gaan +room-eten op Lokhorst. Maar als nu de juffrouwen Pleier laten bedanken +voor de invitatie ...</p> +<p>—God-zegen-me, Pompile, dat alles kan de jongen nooit +onthouden! <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name= +"pb150">150</a>]</span></p> +<p>—Niet waar? Juist wat ik zeg. Waarom heeft zoo’n +jongmensch geen zakboekje? Net wat ik zeg! Je moet maken dat +je-’n zakboekje krygt, om ... alles opteschryven, weetje? Want +... ’n kantoorbediende moet altyd ’n zakboekje hebben: wat +zeg jy, Dieper? Maar ... zoo lang je nu nog geen zakboekje hebt, moet +je maar ... alles onthouden wat ik je gezegd heb. Ga nu maar eerst die +boodschappen doen. Dan kan ik je de anderen later zeggen. Want ... als +ik je te veel tegelyk opgeef, zou je ze maar vergeten—wat zeg jy, +Eugène?—omdat je geen zakboekje hebt, weetje?</p> +<p>Oef!</p> +<hr class="tb"> +<p>Wouter deed z’n boodschappen zoo goed mogelyk, en zeker +allerbeleefdst. Al de meiden die hem de deur openden, vonden hem +’n fatsoenlyk jongetje. Dit was al iets. Tot m’n innigsten +spyt mag ik niet zeggen dat-i zich zeer gedrukt voelde door de +zonderlinge manier waarop men over z’n gaven beschikte. Hyzelf +kende die gaven niet, en voelde zich in ’t minst niet vernederd. +Bovendien, hy was verheugd de buitenlucht inteademen, en z’n +leedjes eens te kunnen uitstrekken, ’t Kwam hem voor, dat +z’n ruggegraat in slaap gevallen was, en dat ’n beetje +beweging hem goed zou doen. Nog iets: hy voelde zich in funktie, en zou +er niet afkeerig van geweest zyn, ’n bordjen om z’n hals te +hangen, met het opschrift: “deze jongeling wandelt langs ’s +heeren straten, in dienst van de firma Ouwetyd & Kopperlith” +en niet zonder eenige minachting zag-i neer op de velen die geen recht +hadden op zoo’n bordje.</p> +<p>Toen-i, na allerlei andere bedryven, was aangeland op de +Leliegracht—de hééle deftige zy!—en +aangescheld had aan ’t fameuze huis met spiegelglas, van veertien +voet breed—het huis, meen ik—bespeurde hy terstond dat er +door die ruiten heen gerekognosceerd werd, evenals ’n uur of +zooveel geleden op die andere stoep. Maar de dame die hem begluurde, +had ’n veel aangenamer uiterlyk dan de “oude mevrouw” +van de Keizersgracht. Julie Huddewitz, slechts sedert eenige maanden de +echtgenoot van Pompile, was ’n jong ding dat nog altyd niet diep +genoeg was doorgedrongen in amsterdamsch fatsoen en in de hooge +waardigheid van haar gemaal, om precies te weten wat ’n jongsten +kantoorbediende niet toekomt. Ze liet Wouter binnenkomen, en vergat +zich zoover in haar ongemanierdheid, dat ze niet alleen geheel +eigenhandig den liggenden jachthond aannam, maar zelfs aan Wouter de +vraag richtte, hoe <i>hy</i> ’t patroon vond? Een der oorzaken +van haar wangedrag lag hierin, dat haar vader—’n Duitscher +die “mooie slagen in koffi” gedaan had—zelf +kantoorbediende geweest, en nog niet lang genoeg in Holland gevestigd +was, om te weten dat men zich met zoo’n wezen nergens anders +inlaat dan op ’t kantoor. In vreemde landen namelyk, beschouwt de +“patroon” zich eerst dan van andere klei gekneed, wanneer +de “bediende” door ’n huwelyk zich voorgoed laat +inlyven in den niet-vleeschetenden stand. Van dat oogenblik af, heeft +hyzelf zich z’n ontcasting te wyten. In Nederland echter neemt +<span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name= +"pb151">151</a>]</span>die uitsluiting lang voor ’t huwelyk +’n aanvang, en eigenlyk reeds voor de geboorte. Voor ’n +jongeling die daar de eerste levensduisterheid aanschouwen +mocht—verzenmakers, die ’t zoo nauw niet nemen met de +waarheid, noemen ’t licht!—bestaat kans om generaal te +worden, zeeheld, planeet-ontdekker, wereldberoemd kunstenaar, +vaandrager van den vaderlandschen roem ... byna al wat men maar wil, +maar deelgenoot in de firma Ouwetyd & Kopperlith wordt-i niet! Men +zou, om dat te beleven, z’n eigen kleinzoon moeten worden, +want—dit erken ik—in ’t derde geslacht gelukt het +soms ’n handig aventurier, zich te doen vergeven dat z’n +overgrootvader de vreeselyke misdaad begaan had, iets anders te wezen +dan “patroon.” Dit alles nu wist Julie Huddewitz wel, maar +ze was er nog niet genoeg van doordrongen, en daarom boog zy zich op +den gewichtigen maandag dien ik beschryf, zoo onvoorzichtig neder tot +belangstelling in Wouter’s opinie over dien jachthond. Ik weet +niet of zy ooit dochters ter-wereld bracht, maar zoo ja ... deze zouden +zich niet zoo ver vergeten hebben! Het verheven geslacht maakt plaats +voor verhevener geslachten.</p> +<p>Wanneer Wouter behoefte gevoeld had aan bemoediging by ’t +intreden van z’n nieuwe loopbaan, dan ware zy hem waarschynlyk +geleverd door die verregaande neerbuigendheid van mevrouw +Kopperlith-Huddewitz. Een dame in ’n huis met spiegelglas, op de +Leliegracht—heele deftige zy—had hèm z’n +opinie gevraagd! Dit maakte hem dan ook zoo opgetogen, dat-i op +’t punt stond een der zotste antwoorden te geven, die er konden +bedacht worden. Maar ze kwam hem voor:</p> +<p>—Drie gulden, zestien? Vindje ’t niet wat duur?</p> +<p>—O, mevrouw ...</p> +<p>En hy hakkelde. Ik geloof dat-i zeggen wou: “mag ik ’n +paar dubbeltjes van dien vreeselyken prys voor myn rekening +nemen?” Maar hy bedacht nog by-tyds dat-i van die paar dubbeltjes +juist het allereerste niet bezat, en vergenoegde zich dus met de +betuiging dat-i nog geen verstand had van borduurpatroontjes. ’t +Spreekt vanzelf dat-i zich ernstig voornam dien tak van wetenschap tot +’n onderwerp van byzondere studie te maken. Voorloopig bepaalde +hy zich tot de vraag:</p> +<p>—Verkiest mevrouw dat ik nog eens ga beproeven by juffrouw +Lins ...</p> +<p>—Wel zeker, ga jy nog eens vragen by juffrouw Lins of ’t +niet wat minder kan, by-voorbeeld voor ... drie gulden, twaalf? Of ... +als ’t mogelyk is, voor drie gulden, tien?</p> +<p>En met deze zielverheffende opdracht sukkelde Wouter door den +modder. Want het had zwaar geregend na al die hitte, en de straten +zagen er amsterdamsch uit. Een regenscherm had-i niet, en hy versleet +driemaal meer aan schoeisel en kleeren, dan door de vier-stuivers die +hy inderdaad in den tapisseriewinkel wist aftedingen, kon worden +gedekt. Zóó religieus vervulde hy dien dag z’n +naast-byliggenden plicht, of wat de arme jongen daarvoor hield. +<span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name= +"pb152">152</a>]</span></p> +<p>Juffrouw Lins vroeg, na z’n vertrek, aan haar adjudantjes:</p> +<p>—Wat scheelde dat jongetje toch? ’t Leek wel of-i me +kussen of ... vermoorden wou om die paar stuivers?</p> +<p>Toen hy, na bericht te hebben gedaan van z’n zegevierend +wedervaren, voor den tweeden keer de stoep van ’t huis met +spiegelglas afstapte, stond er ’n rytuig voor de deur. Dit won +hem den tocht naar de Korte-krulledwarsstraat uit, want op last van de +“jonge mevrouw” kwam de meid hem achterna roepen dat dit de +<i>britschka</i> van m’nheer Kopperlith was, en die koetsier de +Jakob aan wien hy ’n boodschap had. Hy stelde zich met +aandoenlyke bescheidenheid voor, als de “nieuwe +jongste-bediende” van ’t kantoor, en zei wat-i te zeggen +had. Uit de <i>britschka</i> golfde een vleeschklomp, ’n reuzin, +Hersilia Kopperlith, de zwaarlyvige huwelyksvreugd van den Elsasser +Heinrich Kalbb, die te Amsterdam konsul van z’n land was, en +tevens chef van ’n handelshuis. Met andere woorden: de man +“deed” in katoentjes. Maar heel in ’t deftige, +namelyk in katoentjes van Mühlhausen. Engelsche lappen van +Manchester zyn minder aanzienlyk. En daarin toch slechts handelde met +groote inspanning van ziel en geestkracht, de zeer verheven firma +Ouwetyd & Kopperlith. Het is den begaafden lezer misschien bekend +dat de grootste mannen hun zwakke zyde hebben, en dat niemand zoo +totaal wordt ondergedompeld in den Styx van kreupele voornaamheid, of +er blyft ’n kwetsbare hiel waarop laaghartige vyanden hun pylen +schieten. Die vervloekte manchestersche katoentjes! Ze maakten vlek op +’t Kopperlithsche fatsoensschild, en eigenlyk op de heele +Keizersgracht.</p> +<p>Het is niet volkomen zeker, of de Ouwetyd’s uit de +wereldgeschiedenis verdwynen tegelyk met een der menigvuldige vallen +van Babyion, die telkens zoo aandoenlyk worden geprofeteerd in de +Schrift, en wel met ’n leedvermaak alsof de “Heer” +’n byzonderen hekel aan die stad had, en of ’t koelen van +z’n wrevel hem buitengewone moeite kostte. Ook de oorsprong van +de Kopperlith’s is moeielyk nategaan, en ik wraak elke inlichting +die te dezer zake zou kunnen worden gegeven door ’n grieksch +lexikon. Van versteende vuiligheid is hier geen spraak, want de +overgrootvader van den ouden heer was loopjongen by ’n bloemist, +en oefende dus een te welriekend ambacht uit, om aan etymologische +pedanterie vat te geven tot het al te beteekenisvol vertalen van +z’n naam. In de dagen van den tulpenhandel, was de zoon van den +aspirant-tuinier ’n paar graden gestegen, zooal niet in geestelyk +opzicht, dan toch in maatschappelyken rang. Eén geslacht daarna, +wist de vertegenwoordiger van de familie zich te nestelen op de +Keizersgracht, en wel in ’tzelfde huis waar we vandaag Wouter +hebben ingeleid. De tegenwoordige “oude-heer” erfde van +z’n vader ’n handel in Oostindische lynwaden, en trok zich +uit de “zaken” terug toen de amerikaansche katoen zich +meester maakte van de markt, en engelsche wevers en drukkers van +’t fabrikaat. Het naderschuiven van de bron bedierf ’t +monopolie waarvan onze groot-ouweluî byzondere liefhebbers +<span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name= +"pb153">153</a>]</span>waren, omdat het openstellen van konkurrentie +zekere inspanning noodzakelyk maakt, die niet kan gevorderd worden van +’n “man met fortuin, zooals m’nheer +Kopperlith”. Zoo luidde Dieper’s plechtig advies. Het +geschiedde in die dagen, dat de jongeheer Pompile werd aangesteld tot +procuratiehouder en chef, doch altyd slechts voorzoover dien +lappenhandel aanging, want het eigenlyk vermogen van den +“ouden-heer” met het daaraan verknocht diepzinnig geknutsel +“in” effekten, bleef onder diens byzondere hoede en +behandeling, waarin-i met verbazende zaakkennis door den ouden Dieper +werd bygestaan. Deze had hieraan op ’t kantoor zekere wichtigheid +te danken, die hy geenszins versmaadde, en z’n aanzien stond tot +dat van Wilkens nagenoeg in rede, als ’n vod van papier tot +’n vod van katoen. Men weet nu eenmaal dat in onze eeuw, papier +vóórgaat.</p> +<p>De “handel” in katoentjes—waarachtig, ze deden in +<i>diemet</i>, <i>shirting</i> en <i>sheeting</i> ook!—heette te +strekken tot ’n bezigheid voor de jongeluî, want: +“om-den-broode hoefden zy ’t niet te doen! Waarlyk niet! +Volstrekt niet! Papa was zeer ryk, o zoo ryk!”</p> +<p>Aannemende dat het gesjacher met gedrukte katoentjes—en met de +zoo diep-wetenschappelyke diemetten, waarin Wilkens ’n +specialiteit was—moest strekken tot voedsel voor de ziel der +jongeheeren Pompile en Eugène, en vertrouwende dat deze beide +zielen geen geeuwhonger leden, kan men konkludeeren dat de twee +onsterfelyke deelen der ikheid van die jongeheeren zeer goedkoop in +’t leven waren te houden. De ziel van ’n muis zou by +zoo’n dieet bezweken zyn. Er is handel en ... handel, dit wil ik +wel gelooven. Maar de “mannen van zaken” worden beleefd +verzocht, niet zeer boos te worden, als ik hier <i>coram populo</i> +verklaar, dat hun “zaken” gewoonlyk niet boven de bevatting +gaan van ’n heel klein jongetje. Godbewaarme dat ik +Wouter’s bekwaamheden overdryven zou, maar ik kan den lezer +verzekeren dat er op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & +Kopperlith niets voorviel, dat niet allergevoegelykst had kunnen worden +toevertrouwd aan zyn ontwikkeling en kennis, het schryven van ’n +kort briefjen in gebroken engelsch, misschien uitgezonderd. Ook eenige +routine in de boekhouding zou hem ontbroken hebben, maar overigens? +Och, zoo’n “handel” is zoo eenvoudig. Men koopt iets +voor ... zooveel, en verkoopt het voor ’n beetje meer, liefst +voor den hoogsten prys die er te bedingen is, getemperd door de zorg om +vandaag niemand afteschrikken door ’n inhaligheid, die hem al te +duidelyk zou waarschuwen tegen ’t vilproces waaraan men hoopt hem +morgen te onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den ander. +Diepzinniger is de zaak niet. Maar wàt moet men inslaan? Hiertoe +wordt <i>kennis</i> vereischt, zal menigeen denken, en wie luisteren +zou naar Wilkens, kon allicht op ’t idee komen dat er eens +’n huis te-gronde was gegaan door ’t bestellen van ’n +“haarstreep-diemet” te veel, en ’n stuk of wat +“dubbel-gebroken-streep” te weinig. Ook Pompile wist lange +verhandelingen te houden over kennis van “zaken” naar +aanleiding van ’n witte-gronds-driekleur-krieuweltje. Die heeren +zouden ons wel willen wysmaken dat hun “vak” +bovenmenschelyke <span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" +name="pb154">154</a>]</span>inspanning en studie vordert, en dat de +arme wiens ziel haar bezigheid zocht buiten hun magazyn en kantoor, +’n zeer slecht figuur maken zou in de “zaken.” +Zoodanige overschatting ontmoet men overal. Welnu, lezer, ’t is +kwakzalvery! Verstand van koffie, verstand van kurken, verstand van +lappen en vodden ... eilieve, ga eens na, wie <i>in ’t laatste +ressort</i> al die verbazende verstanden keuren en vonnissen moet. De +verbruiker immers? Al de vakwysheid van den jongeheer Pompile en van +m’nheer Wilkens, moest tenlaatste, om beslissend te worden goed- +of afgekeurd, te-berde komen by ’n dienstmaagd die ’n bont +jak kocht, by ’n boeremeid die haar vryer ’n gekleurden +halsdoek wou ten-geschenke geven. Zeker soort van opgeblazenheid zal +wèl doen, ’n beetje te slinken na deze opmerking. Nogeens: +er is handel en handel, maar de meeste beoefenaars van dergelyke +speciaal-vakken staan waarschynlyk byzonder laag in ontwikkeling, en +zéker is ’t dat zy tot de uitoefening van hun +“vak” aan die ontwikkeling geen behoefte hebben. Wat is dat +voor ’n levensdoel, zich te bekwamen in de behandeling van de +vraag: of dienstmeiden zich dit jaar zullen opmooien met ’n +ruitjen of met ’n streepje? Met ’n witte-grond-driekleur of +’n bruin palmpje? Of men de “dames” zal kunnen +wys-maken dat de ... echte ware onvervalschte zuivere parysche +distinktie van ’t saizoen—<i>haute nouveauté</i>, +heusch!—zich openbaren zal in spinazie-groen, in rooie-koolpaars, +in kaas-schimmelzilver, of in ’n ander wankleurtje, liefst zoo +onnoemelyk mogelyk? Ik blyf vragen, by welke wysgeerige school de +studenten in zulke wetenschappen zich moeten aanmelden tot het erlangen +van den meestergraad?</p> +<p>Toch neem ik ’t niemand kwalyk dat-i ’n onbeduidend +wezen is. Ook dezulken moeten er zyn, om de gaping te vullen die +’r anders bestaan zou tusschen den Mensch en z’n pantoffel. +Maar ... die pantoffel mag zich niet uitgeven voor ’n rylaars. Ik +ken iemand die—hoed en hooge hakken meegerekend—maar zestig +pond weegt. Ben ik daar boos om? Volstrekt niet. Maar zeker zou ik +wrevelig z’n pretentie afwyzen, wanneer-i zich aan my wou +opdringen als ’n reus. En wèl word ik boos by ’t +ontwaren van lieden die, niets zynde, niets kunnende, en nooit iets +degelyks hebbende uitgericht, ’n plaats in de Maatschappy +innemen, welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven. Afkeer van +zùlk geboefte, gaf my aanleiding, in dit en ’n paar der +volgende hoofdstukken het bekende draadjen om den poot der +Kopperlith’s te slaan. Wie nu niet in gedrukte katoentjes +“doet” maar “in tabak is” of “in” +gort, krenten, <i>mixed pickle</i> of schoensmeer—wie schoensmeer +<i>maakt</i> staat hooger!—wie niet precies “in” die +katoentjes rondkruipt, behoeft nu niet te denken dat het verboden is +m’n opmerkingen toetepassen op zichzelf. Lieve hemel, wat zou +m’n uitgever verdrietig zyn, wanneer m’n Wouter-epos alleen +waarde had voor handelaars in manchestersche lynwaden: +<i>wittegrond-driekleur-victoria-fancies</i> van +<i>Crawfurth-Leeds,</i> met ’n <i>krabbeltjen</i> of ’n +<i>loovertjen</i> of ’n <i>moesjen</i>, of met <i>blokjes</i> of +’n <i>slangetjen</i> of ’n <i>krieuweltje</i> met ’n +<i>oogjen</i> ... altyd ’n volslagen niemendalletje! <span class= +"pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name="pb155">155</a>]</span></p> +<p>En in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i +overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan zou +z’n <i>ziel</i> worden besteed.</p> +<p>Is ’t niet, om de dagen te betreuren van Pennewip’s +afsnydende teekens in de lucht? De dagen van den Weledelen heer Motto, +met z’n gehuurden snuifpot, en wat er verder op dien +<i>Zeedyk</i> ’t “voornaamste” mag geweest zyn? Ja, +ja, en zelfs—ik word daar byna onzedelyk—byna zou ik me +vergrypen aan de verzuchting, m’n heldje terug te wenschen op de +boven-voor-achter-beneden-insteekkamer van juffrouw Laps! De +verontreiniging die hem dáár dreigde, zou ter-nauwernood +weerstand hebben geboden aan de pomp van Vrouw Claus, terwyl +<i>hier</i> ...</p> +<p>M’n bedoeling is nagenoeg, dat ’n gezonde beenbreuk my +minder gevaarlyk voorkomt dan ’t stikken in vermuffing. Gelooft +ge niet met my lezer, dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in +’n atmosfeer als die der Kopperlith’s? Maak liever ’n +ambachtsman van uw jongen, of ’n matroos!</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Over al de rytuigen van “papa” en de hoogheid van +’n elsasser konsul “die m’n zwager is.” +Engelsche <i lang="en">nottings</i> en onderscheiden windsoorten, +uitloopende in ’n lange verhandeling over ’t +parelduiken.</p> +</div> +<p>Toen Wouter, na ’n paar uur dravens, het kantoor weder +betrad—<i>Vellestaat</i>, stokvischbeukery, olievaten, gang naast +het achterhuis, binnenplaats en gangdeur ... hy vond in behoorlyke +volgorde al de stadien der <i>via dolorosa</i> terug, die Gerrit hem +dien ochtend gewezen had, en was er zeer grootsch op!—toen hy +bezweet terugkwam, vond-i alleen Dieper en Wilkens op ’t kantoor. +De laatste was half weggedoken in ’n kast, die naast den ingang +tot de alkoof in ’n donkeren hoek stond en met lappen gevuld was. +Waarschynlyk zocht-i daar naar ’t staal van zeker krieuweltje. Hy +had Wouter niet hooren binnentreden, zoodat deze vergast werd op +’t onsmakelyk staartje van ’n diskoers, of wellicht van des +heeren Wilkens alleenspraak:</p> +<p>—Je zult zien: <i>ik</i> zal den schoolmeester moeten spelen! +Op <i>my</i> zal alles neerkomen! Ze zullen <i>my</i> tot plakmonarch +willen maken, <i>my</i>! Dat’s m’n vak niet ... dat’s +m’n karakter niet! In ’t geheel niet!</p> +<p>Toen de man die zoo bang was dat men ’n schoolmeester van hem +maken wilde, Wouter ontwaarde, brak hy op-eens de roerende +<i>complainte</i> over ’t gevreesd verkrachten van z’n +roeping af.</p> +<p>—Daar staat ’n tas koffie voor je, zeide hy met ’n +majesteit in toon en vingerwyzing, alsof de oude lappen waarmede hy +zich bezighield, ’n kollektie kronen en scepters geweest was. +Maar hy had de zuivere waarheid gesproken. Inderdaad, daar ergens op +’n tafeltje was koffi. En de heer Wilkens had wel mogen zeggen: +’n bak. Maar “tas” kwam hem indrukwekkender of +aanzienlyker voor, en Wouter, die weinig grondstof noodig had om zich +te verheugen, was zeer in z’n schik met het nieuwe woord dat-i +daar zoo onverwacht en <span class="pagenum">[<a id="pb156" href= +"#pb156" name="pb156">156</a>]</span><i>gratis</i> mocht leeren kennen. +By hèm aan-huis namelyk, noemde men zoo’n ding ’n +spoelkom.</p> +<p>—E...è...è...n, ik zou je raden dat je-n-in +’t vervolg ’n kadetje meebracht, of zoo-iets.</p> +<p>Alweer wat nieuws voor ’t jong Amsterdammertje! Hy begreep +niet recht wat Wilkens bedoelde, en vreezend, dat men z’n onkunde +zou aanzien voor ’n begin van dienstweigering, antwoordde hy met +zekere fermeteit:</p> +<p>—O zeker, m’nheer! Dat zal ik zeker doen!</p> +<p>Och, hy was zoo gewillig! Als-i maar geweten had, wàt er dan +eigenlyk moest worden meegebracht in ’t vervolg? Gelukkig dat-i +uit het vreemde woord niet opmaakte dat de heer Wilkens de poorten van +Gaza op ’t kantoor wenschte te zien, of den merinossen rok van +juffrouw Pieterse! Ja, al ware die juffrouw Pieterse-zelf ’t +verlangd voorwerp geweest ... de kleine Simson zou’t geleverd +hebben, waarachtig! Want ... men moet altyd z’n naastbyliggend +plichtje vervullen, en Wouter’s plicht was nu, te doen wat +’m geboden werd door ... iedereen. Er bleek evenwel dat Wilkens +niet aan z’n moeder gedacht had, want—wetende dat Wouter +gespeend was—liet hy op z’n onbegrepen vermaning de +sententieuze kommentaar volgen: dat ’n jongmensch niet zeer lang +zonder voedsel blyven kon. Dit gaf licht. En Wouter’s vermoeden +werd tot zekerheid toen-i naast twee geledigde spoelkommen van ’n +zeer aquatintig-bedropen voorkomen, eenige broodkruimels ontwaarde, in +gezelschap van ’n verlept stuk krant met botervlekken. Ook Dieper +en Wilkens alzoo, schenen zich ’n oogenblik geleden gedragen te +hebben als jongeluî die niet lang zonder eten kunnen, en ze +hadden de welwillende voorzorg gebruikt hun +<i>kiökkenmödding</i> achtertelaten, om ’n jonger +kantoorgeslacht te dienen tot baak. Dat vette stuk krant, welsprekender +dan vóór de botering, fluisterde Wouter de gissing in dat +de benaming van ’t voorwerp dat hy in ’t vervolg moest +meebrengen—hoe drommel heette het ook?—weleens de zeer +aristokratische ambtstitel wezen kon, waarmee men “in de +zaken” ’n boteram aanspreekt. In ’n gelyksoortig +vermoeden werd hy versterkt door z’n maag en door den geest van +Strabbe. Hy begon namelyk honger te krygen, en voelde zich voorbeschikt +om eetwaren te verstaan uit èlken klank die z’n oor +bereikte, al ware het ’n engelenzang geweest, of ’n preek. +Wat Strabbe aangaat ... onze handelsstudent wist nu eenmaal dat +’n spoelkom, in kantoorstyl “tas” heet ... het +onbekende ding zal dus wel ’n boteram zyn! Men ziet, het was een +soort van <i>regula de tri</i>, en juist daarin was-i zoo byzonder +sterk geweest op de school van meester Pennewip.</p> +<p>De jongeheeren Pompile en Eugène waren gewoon zoo tegen +twaalven het kantoor ’n uurtje te verlaten, om te gaan +“koffiedrinken en ’n broodjen eten by mama.” Aldus +luidde onveranderlyk de aankondiging van Pompile, waarmede hy aan de +“heeren van ’t kantoor” verlof scheen te geven ook +iets te gebruiken ... als ze wat hadden. Want “kadetjes” of +boterammen werden niet verstrekt door het huis <span class= +"pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name= +"pb157">157</a>]</span>Ouwetyd & Kopperlith, waarvan de +“papa” zoo byzonder ryk was. De “heeren van ’t +kantoor” mochten, indien ze niet wilden flauwvallen, zulke zaken +meebrengen in hun rokzak, en de fyngevoelige Eugène maakte altyd +dat-i de kamer uit was, voor die in papier gekonserveerde +levensmiddelen genaderd waren aan ’t oogenblik hunner +ontwikkeling. Hy vond dat ze ’r zoo heel onoogelyk uitzagen, en +vooral ’t rantsoen van Wilkens die, wys geworden door treurige +ervaring, gewoon was z’n “kadetjes” warm te houden +tusschen den linker voorpand van z’n vest, en z’n edel +hart. Eens namelyk hadden ’n paar neefjes van den huize—ze +wisten niet, de onzaligen, dat welgeboren jongelui geen gekheid maken +met ’n kantoorbediende!—ze hadden den weg gevonden naar de +donkere alkoof waar de ongelukkige z’n met viktualie bezwangerde +straatjas bewaarde, en de kadetjes verrykt met ’n laag +fyngeknipte witte-grondjes-driekleur. De martelaar van z’n +“vak” verslikte zoo goed mogelyk de taaie geestigheid der +“neefjes van m’nheer”—z’n naastbyliggend +plichtje, naar-i meende—maar droeg voortaan de mishandelde +toeverlaatjes van z’n maag by zich, tot de finale exekutie toe. +En eenmaal is ’t gebeurd dat hy ze ongegeten weer thuis bracht by +de trouwe echtgenoot die ze met zooveel liefde geboterd had, en nu niet +zonder moeite haar eigen werk herkende. De jongeheer Pompile lag dien +dag overhoop met “mama” en was op ’t kantoor +gebleven. De “heeren” hadden den moed niet hun +spaarkruimels voor den dag te halen. En ook de kommen met geile koffi +bleven dien nefasten dag onaangeroerd staan. Met is hier de plaats, een +valsheid van Klaas Kolyn aan ’t licht te brengen, die als +eerroovend voor ’n deftig handelshuis, aan de nog levende nazaten +der Kopperlith’s menigen traan gekost heeft. Die knoeier beweert +dat “de heeren van ’t kantoor” ook hun koffie +van-huis meebrachten: dwaling, valsheid, bedrog, laster! De koffi werd +uit de keuken geleverd, en de “booien” zelf dronken ze niet +beter. Dit is voor notaris en getuigen bevestigd door dezelfde +autoriteit die dezen ochtend zoo kordaat geweigerd had, Wouter +wederrechtelyk te-woord te staan by de boven-voordeur. Balthasar +Huydecoper heeft dus volkomen gelyk, zich over dien <i>kakolyn</i> +telkens zoo driftig te maken. Valsche gedenkschriften zyn zaad van den +Duivel.</p> +<p>Juist was Wouter van meening ’n aanval te wagen op den hem +aangewezen spoelkom, toen de jongeheer Pompile met z’n gewone +schichtige haast het kantoor binnenstoof. Vol schrik zette de jeugdige +handelsman z’n vermeten opzet uit den zin, en den kom neer. Was +’t niet opmerkelyk dat-i tegenwoordigheid van geest genoeg had om +’t ding niet te laten vallen?</p> +<p>—Ei zoo? Terug? Wèl? Hoe is ’t? Wat zei de +schoenmaker? En de juffrouwen Pleier? En heb je m’n huis +gevonden? Je moet maar altyd kyken naar spiegelglas, want ... die +glazen in m’n zykamer zyn van spiegelglas, weetje? En wat heeft +de jonge mevrouw je laten zeggen? Heeft ze ie geen boodschap aan my +meegegeven? En ... ben je-n-in den stal geweest? Heb je Jakob gezien? +En wat deed-i? <span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name= +"pb158">158</a>]</span>Aan ’t poetsen, zeker? Zeker aan ’t +poetsen, hè? Want ... papa heeft ’n <i>britschka</i>, en +’n <i>landauwer</i>, en ’n tentwagen, en ’n koets, en +dat alles moet gepoetst worden. En zeg me nu maar eerst, wat de +juffrouwen Pleier geantwoord hebben?</p> +<p>De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon. +Het scheen dat z’n eerste proefstuk niet slecht was uitgevallen, +want de jongeheer Pompile knikte tevreden, en beloofde hem te zullen +begunstigen met meer boodschappen. By ’n aanleg als die welke +Wouter ten-toon spreidde, opgekweekt in den groeizamen zonneschyn van +Pompile’s tevredenheid, was het te voorzien dat deze jongste +kantoorbediende—mits in leven blyvende—eenmaal den rang van +alleroudsten kantoorbediende bereiken zou. Hiertoe was slechts wat tyd +noodig.</p> +<p>—Ei zoo? Heb je mevrouw Kalbb ook al gezien? Wèl, dat +is goed! Zoo leer je de menschen kennen. Mevrouw Kalbb-Kopperlith, +weetje? Ei zoo, heb je die gezien? Juist, precies, dat was de +<i>britschka</i> van papa, want ... papa houdt rytuig. Had ze d’r +huurpaarden voor ... och, dat weet je nog niet. Maar anders ... +’t is maar, weetje, dat papa niet graag ziet dat de paarden ... +nu, dit gaat jou niet aan. Je moet alles goed onthouden ... en ’n +zakboekje koopen, ’n klein zakboekjen, en daarin alles opschryven +wat ik je zeg, en wat m’nheer Wilkens je zegt, niet waar, +Wilkens?</p> +<p>—Ja, m’nheer!</p> +<p>—Juist. Mevrouw Kalbb is m’n zuster, mevrouw +Kalbb-Kopperlith—zóó moet je zeggen!—en denk +er aan dat m’nheer Kalbb z’n naam met twee <i>b</i>’s +spelt. Onthoud dat, en schryf ’t op als je-n-’n zakboekje +hebt ... met twee <i>b</i>’s weetje? Want er zyn ook menschen die +Kalb heeten met één <i>b</i>, geringe menschen, heel +geringe menschen ... ’n leerkooper, geloof ik. Wat zeg jy, +Dieper?</p> +<p>Dieper legde langzaam en voorzichtig z’n pen neer, trad +’n stap achterwaarts—hy boekhouwerde altyd +overeind—snoot z’n neus, hèmde z’n keel +schoon, en sprak met expresselyk voor deze betuiging gereed gemaakte +organen:</p> +<p>—Ja, jongeheer, heel geringe menschen!</p> +<p>—Zieje, ging Pompile voort, m’nheer Dieper zegt het ook, +en ... die leerkooper schryft z’n naam met één +<i>b</i>. Maar myn zwager heet Kalbb ... met twee <i>b</i>’s, en +hy is konsul van den heelen Elsas, en als de Koning in de stad komt, +moet-i altyd op audiëntie, en dan zegt de Koning: <i>eh bien, +m’sieur le consul, comment vont les affaires</i>? En dan +antwoordt m’nheer Kalbb ... ook in ’t fransch. En dan +heeft-i ’n rok aan met ’n geborduurden kraag. En dan knikt +de Koning—’t is eergister nog gebeurd, en alle jaren +weer!—en m’nheer Kalbb ... is m’n zwager, de +schoonzoon van papa. En ... heb jyzelf nu mevrouw Kalbb al gezien? +Wèl, wat zei ze?</p> +<p>—Ze zei niets, m’nheer.</p> +<p>—Zoo, zei ze niets? Dat komt omdat ze niet wist dat je hier +jongste bediende bent, anders zou ze je zeker wel iets ... gezegd +hebben, of ... ’n boodschap opgedragen, of zoo-iets, want ... ze +is <span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name= +"pb159">159</a>]</span>m’n zuster, weetje! Dat moet je goed +onthouden. En hoe is ’t afgeloopen met dat borduurpatroon?</p> +<p>Wouter’s triumf over de afgedongen vier stuivers, werd +eenigszins gematigd door ’t gefronsd voorhoofd van Pompile, toen +deze de buitensporigheid van z’n lichtzinnige wederhelft te weten +kwam:</p> +<p>—Binnen geweest? Zelf de jonge-mevrouw gesproken! Ei ... zoo? +Binnen-geweest in de zykamer? Waarom ben je binnen geweest?</p> +<p>—M’nheer, stamelde Wouter, die bemerkte dat-i ’n +fout begaan had, m’nheer, de meid zei dat mevrouw me liet roepen, +en dat ik ... binnenkomen moest.</p> +<p>—De meid, de meid! Wat geef je-n-om ’n meid? Zoo’n +meid kan wel zeggen ... kyk, dit is nu zóó, weetje? Als +ik je wat opdraag, dan moetje-n-altyd ...</p> +<p>Men hoorde een sloffenden tred in de gang. ’t Spyt me. Want ik +had gaarne eens vernomen hoe Wouter zich in ’t vervolg zou te +gedragen hebben, wanneer “de jonge-mevrouw” hem door de +meid liet binnenroepen? Pompile brak op-eens z’n onderricht +af:</p> +<p>—Daar is papa! Ik zal je voorstellen aan papa. Je moet nu zoo +goed wezen heel beleefd te zyn tegen papa. Dag, papa!</p> +<p>De eerwaardige gedaante van den ouden heer Kopperlith schoof +’t kantoor in. Met ’n welbehagelyk lachje nam hy de +nederige begroetingen van Dieper en Wilkens in ontvangst, en ook op +Wouter spatte een drupjen af, van den genadestroom dien hy zich +alleredelmoedigst ontvloeien liet.</p> +<p>—Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar +braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons +gerekommandeerd door m’nheer Dieper ...</p> +<p>De boekhouder trad ’n pas achterwaarts, en maakte een beweging +alsof-i nogmaals verschooning vroeg voor ’n stoutheid die hy +scheen begaan te hebben. Maar de oude heer glimlachte weder. Goddank, +Dieper zou voorloopig niet geradbraakt worden.</p> +<p>—Ja, door m’nheer Dieper, die myn boekhouder is. En aan +mênheer Dieper ben je gerekommandeerd door zekeren heer ... hoe +heet-i ook weer?</p> +<p>—Och, m’nheer, antwoordde de boekhouder, als ware de +naam dien-i zou uitspreken, eigenlyk te gering voor het oor van den +heer Kopperlith. Och, m’nheer, ’t jonge mensch is my +aanbevolen door ... zekeren Kalb, ’n leerkooper ... iemand dien +ik wel eens ontmoet heb ... m’nheer!</p> +<p>Kalb was z’n neef, en z’n beste vriend, voor-zoo-ver het +kantoorbedienden en boekhouders geoorloofd is, neven en beste vrienden +te hebben.</p> +<p>—Juist! Zekere ... Kalb. Nu, dat’s hetzelfde. Je zult +hier veel werk vinden, jongetje! Hard werken is de boodschap. Heeft +Wilkens hem reeds een-en-ander gewezen? Is-i al in ’t magazyn +geweest? Op de zolders? Zeker zet je ’m aan ’t kopyboek, +Pompile?</p> +<p>Op al deze vragen had Pompile ’n dozyn: “O ja, +<span class="corr" id="xd19e6782" title= +"Bron: papa’”s">papa’s”</span> ten-beste +gegeven. <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name= +"pb160">160</a>]</span></p> +<p>—En schryft-i ’n mooie hand?</p> +<p>—O ja, papa!</p> +<p>Wouter begon eerbied te voelen voor Pompile’s doorzicht. De +vereerende hoedanigheid die hem werd toegekend, was zeker gebleken uit +z’n boodschappen by de <i>Pleiers</i>, of de <i>Kruckers</i>, of +de <i>Hockers</i>, of den schoenmaker. Wat die voorname lieden toch +scherpzinnig zyn!</p> +<p>—Zoo? Ei! ’n Mooie hand? Ei, ei! Wel, Pompile, wat zeg +je ’r van, als we hem den brief van Leon ’n keer of wat +lieten overschryven voor Flodoard, en voor neef Griekel, en voor de +familie Pruikers?</p> +<p>—O ja, papa!</p> +<p>—Niet waar, ze inviteerden Leon altyd zoo trouw op hun +kinderpartytjes. Ze zullen ’t aardig vinden dat-i zoo’n man +geworden is, en al zulke mooie brieven schryven kan. Maar ... op dun +papier, op heel dun papier! ’t Is om de port naar Rome, weetje +... op héél dun papier!</p> +<p>—O ja, papa!</p> +<p>—Zieje, dan kan ’t mannetje zich met-een wat oefenen in +briefstyl, vind je niet, Pompile?</p> +<p>—O ja, papa!</p> +<p>En zoo geschiedde het. Wouter werd belast met het verveelvuldigen +der oostindische wysheid van den jongeheer Leon, ter opvroolyking van +den jongeheer Flodoard die te Rome was en daar heette te schilderen. +Tot amuzement ook van neef Griekel te Leiden. En om de vriendschap te +cimenteeren met de familie Pruikers, óók lieden in +’t best van hun fatsoen. Na ’t eerbiedig aanhooren van veel +leerstelsels over de ware manier om ’n brief overteschryven, ging +Wouter dapper aan ’t werk. Hy keek niet op, kopieerde letter voor +letter, woord voor woord, zin voor zin, en ... netjes! Z’n werk +leek op ’n gravure. Hy volbracht dus alweer zoo goed mogelyk +z’n naastbyliggend plichtje. Maar wel verwonderde het hem dat de +heer Leon Kopperlith, <i>surnumerair by de Landelyke Inkomsten en +Kultures in de afdeeling Tjanjor, residentie Preanger Regentschappen, +op het eiland Java, in Nederlandsch lndië</i>—aldus +onderteekende die verre jongeheer ’n brief aan z’n moeder, +die niets vreemds vond in deze zotterny—wel bevreemdde het hem +dat die voorname persoonlykheid zooveel taal- en spelfouten maakte. En +... iets anders nog. Hy voelde zich eenigszins beleedigd—meer dan +door die boodschappen!—dat men hèm al die fouten te +kopieeren gaf ... tot oefening in briefstyl.</p> +<p>Er bestond nòg iets dat hem zeer begon te hinderen. Maar dit +kon Leon niet helpen. Hy had ’n vreeselyken honger.</p> +<p>Slechts zeer zelden verwaardigde zich de oudeheer des morgens op +’t kantoor te komen, d. i. vóór den toenmaligen +beurstyd en ’t daarop volgend middagmaal. Het scheen dat-i zich +dezen keer wat vroeger dan gewoonlyk naar beneden had laten dryven door +de verveling, een euvel waaraan hy zich twaalf uren in ’t etmaal +schuldig <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name= +"pb161">161</a>]</span>maakte, jaar-in, jaar-uit. Hoe zou ’t +anders kunnen? De man was leeg. Misschien herinnert zich de lezer +’t portret van den baron <i>Van Een-en-ander</i>, dat ik +tentoonstellend aan den wand hing in m’n +“<i>Specialiteiten</i>.” Ook daar schetste ik een nietig +wezen. Welnu, zoo’n <i>Een-en-ander</i>-baron is by den hier +bedoelden Kopperlith vergeleken, ’n ware Humboldt, ’n +Kroesus naar den geest. Die oude baron beteekende zeer weinig, omdat-i +slechts ... een-en-ander was. Kopperlith <i>senior</i> was nòch +’t een, nòch ’t ander. Hy was niets.</p> +<p>Z’n komst op ’t kantoor werd altyd, door Pompile vooral, +met weerzin gezien, omdat hy—voor-zoo-ver er inderdaad iets te +doen viel—de bedienden van ’t werk hield door z’n +eindeloos gebabbel. Dit was, vooral nà den middag, zeer +hinderlyk, en Wouter’s menschenkennis had dan ook weldra +gelegenheid zich uittebreiden tot het besef hoe zekere lieden byzonder +grappig worden als ze goed gedineerd hebben. Doch ook in den +“stillen tyd”, in ’t saizoen dat z’n +botanischen naam aan de <i>cucurbitaceën</i> ontleent, zagen de +jongeheeren den oorsprong van hun bestaan liever vertrekken dan komen. +Door overmaat van opgeblazenheid namelyk, meende hy in zekere buien +niet noodig te hebben den toegang tot z’n hoogheid zoo +angstvallig te versperren als sommige anderen, en deze noodlottige waan +verleidde hem soms—vooral nà tafel!—tot inbreuk op +’t <i>decorum</i> van het kantoor. Dit beviel de jongeheeren +niet, zy die in de bespottelyke gemeenzaamheid van “papa” +een element van bederf meenden te ontdekken voor ’t verheven +standpunt dat zy wilden blyven innemen. Wie ’n zuiver muzikaal +gehoor had, kon altyd in den toon dien de jongeheeren terstond na +’t vertrek van “papa” aansloegen, duidelyk zekere +scherpte waarnemen, waaruit men verstaan kon: “denk nu vooral +niet dat je geen bediende bent omdat papa zich zoo met je +gekompromitteerd heeft.” Het: “je moet eens zoo goed +wezen” van Pompile klonk dan waarlyk komisch, juist omdat +z’n linksgedragen hoogheid zoo kluchtig afstak by de laagte der +sfeer waarin hyzelf zich bewoog. Zeker bezat hy één +hoedanigheid van ’n groot man. Déze, dat niets hem te +klein was. Om nu echter wezenlyk-groote mannen niet te-schande te maken +door dezen schyn van verwantschap, behoort men zich te haasten er +bytevoegen dat hem alles te groot was, behalve het allerlaagste. We +vernamen reeds hoe hy den stuiver waarmede hy ’n briefbesteller +paaide voor ’t verzaken van z’n plicht, niet wilde doen +drukken op de “zaken” waarin hy ’n <i>vierde</i> +aandeel had, terwyl-i als aanstaand mede-erfgenaam ter-zyner-tyd +slechts voor ’n geringer deel zou betrokken zyn in ’t wel +of wee van “huishouden.” En veel hooger dan Pompile stonden +de andere leden der familie Kopperlith niet, noch in kennis, noch in +verstand, noch in hart.</p> +<p>Het spreekt vanzelf dat Wouter—in ’t oordeelen nog altyd +belemmerd door naïveteit—dit alles niet dan zeer langzaam +opmerkte. In-den-beginne nam hy zich z’n eigen verwondering +kwalyk. Hoe trager evenwel z’n oordeel zich ontwikkelde tot +overtuiging, hoe dieper deze overtuiging geworteld werd. Aanvankelyk +voelde hy <span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name= +"pb162">162</a>]</span>slechts z’n nieuwsgierigheid geprikkeld. +Telkens echter werd er ’n nieuw hoekjen opgelicht van de gordyn +die de Maatschappy—of het nietig onderdeel er van dat hy nu te +beschouwen kreeg—tot-nog-toe voor z’n oogen bedekt hield. +Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging over, weldra in +minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit ten-slotte de +hoogmoed voortkwam die ’t doel van ons streven moet zyn. Maar zoo +ver zyn we nog niet. Op dit oogenblik begint hy juist z’n derde +afschrift van den fameuzen brief des zeer jongen heers Leon. Daarin +kwam ’n vertelling over zeker feestmaal voor, waaraan de auteur +beweerde te hebben deelgenomen. Daar was veel gedronken, gegeten en ... +och, Wouter had zoo’n honger! Hy kende het dokument nu van +buiten, en schreef werktuigelyk voort, niet zonder te luisteren naar +alles wat er gesproken werd door de “heeren van ’t +kantoor.” Maar dat de honger hem vreeselyk plaagde, is de +waarheid. Als ooit “de handel” hem aan “brood” +helpen zou, moesten de zaken zeer veranderen.</p> +<p>Wat de luistervink al zoo te weten kwam, zal ik meedeelen in +’t volgend hoofdstuk, waarschyntyk niet zonder kommentaar.</p> +<p>De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt—en misschien niet +zonder eenig medelyden met den auteur—dat er onder al de personen +die ik in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch +voorkomt, althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord +hechten. Het is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van welk +artikel ook uit het <i>Wetboek van Strafrecht</i>, noch zelfs van +policie-keur.</p> +<p>De oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was ’t +een voorbarige spruit van z’n eigen dochter geweest. Wilkens +maakte reeds sedert ruim ’n halve eeuw zich niet schuldig aan +belletjes-trekken, en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie +stuivers die er te-kort kwamen in z’n “kleine kas” +niet in zyn zak waren overgegaan. Eugène vermaakte zich wel met +de booswichten in die fransche romannetjes, maar verder ging z’n +verkeer met zulk onfatsoenlyk gezelschap niet. In z’n gedrag +geleek hy wel volstrekt niet op de deugdhelden in die boeken—wat +ik verstandig vind—maar toch, hy vermoordde nooit iemand. Zelfs +verleidde hy geen meisjes welker eer den prys van ’n halven +dukaton te-boven ging. Dit was ’n principe van hem. Hy was dus +wat men gewoon is te noemen: van onberispelyk zedelyk gedrag, en +zou—wat dit betreft, en nu eens geen acht-slaande op den +gerekwireerden “lust in werken”—best geschikt zyn +geweest voor de betrekking van winkeljongetje by m’nheer Motto. +De oude Gerrit was ’n pruttelaar, maar overigens bestond +z’n grootste fout—op de rhumatiek na—in ’t +koketteeren mèt die rhumatiek, ’n begaafdheid die hem +alleraardigst te-pas kwam om nu-en-dan ’n boodschap voor den +jongeheer Pompile uittewinnen. En ook deze leverde geen bruikbare vlek +in de eentonige schildery van ’t gewone. Gelukkig dus dat ik geen +romanschryver ben! Hoe immers zou ik ’t aanleggen, om straks wat +licht te doen uitkomen by zoo weinig bruin? By zoo’n totaal gemis +van ’t krimineel-zwarte? <span class="pagenum">[<a id="pb163" +href="#pb163" name="pb163">163</a>]</span>Wie zou helder blinkende +deugd kunnen schilderen op zoo’n vaalgryzen grond?</p> +<p>Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege +blyven—ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal!—dan +toch ... vanhier, vanhier, gy die meent ’n <i>roman</i> te halen +uit den huize Kopperlith!</p> +<p>Als ik ’n <span class="corr" id="xd19e6870" title= +"Bron: romanschrver">romanschryver</span> was, zou m’n taak +ligter zyn. Dan immers had ik slechts den gek Wilkens te verdoopen in +’n bandiet, hem ’n roovermantel van diemet en +<i>shirting</i> om den schouder te slaan, z’n kantoortjen onder +de stoep te veranderen in ’n spelonk vol doodsbeenderen en +geronnen bloed, z’n kadetjes in zakpistolen, z’n pedante +praatjes in moord- en wraakschreeuwende tooneelkrankzinnigheid. Niets +gemakkelyker dan dat alles, maar ... ’t is nu eenmaal bepaald dat +m’n taak zoo eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want ... ’n +romanschryver ben ik niet!</p> +<p>Ware ik ’n romanschryver ... zeker, dan liet ik de draadpoppen +myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en +zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia +op-weg naar <i>Gretnagreen</i>, met den ouden Dieper en de kas ... de +groote. Want in die van Wilkens kwamen nog altyd de drie stuivers +te-kort, die volstrekt noodig zyn om <i lang="fr">sous d’autres +climats</i> zalig te wezen met ’n verboden geliefde. Ware ik +romanschryver ... dan boezemde ik den teederen Pompile yverzucht in +tegen ’t allerjongst kantoormannetje dat zich, één +halven dag nog slechts in funktie, reeds verstout had integaan tot +z’n vrouws zykamer! Ware ik romanschryver ... dan liet ik den +achtenswaardigen hoofddader van ’t wanbedryf: Ouwetyd & +Kopperlith, bekneld raken tusschen twee olievaten, woedend +allebeî over de zoo sarrend te-kyk gedragen persifflage hunner +smeerige welgedaanheid ...</p> +<p>Maar, helaas, ’n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die +menschen niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal! Is +’t niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo +weinig kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat +’n boek lezenswaard maakt—uitdrukking, styl, schryfmethode, +en ... inhoud nog bovendien op den koop toe—wanneer ik me +veroorloofde dat alles te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot +’n bondig:</p> +<p>—Je kunt me gelooven, Pieterse, <i>ik</i> ben ’n oud +man, en jy ’n jonk borssie, maar ... wat <i>ik</i> je zeg: +’t is allemaal wind en ’n engelsche <i>notting</i>!</p> +<p>Sloos had nog ’n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te +bevallen omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins +tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van +Kotzebue, en laafde gedurende al z’n vele boodschappen zyn +kunstzin aan de tooneelbriefjes die de opvoering van <i>Armuth und +Edelsinn</i> aankondigden. De hollandsche vertaler had dit laatste +woord als in ons land minder gangbaar beschouwd, en doopte dus dat +tooneelstuk met den meer hollands-klinkenden titel: <i>Armoede en +Grootheid</i>. <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name= +"pb164">164</a>]</span>Onze Gerrit had wel dien naam diep in z’n +geheugen geprent, doch—eenigszins tegen de bedoeling van den +schryver en vertaler—in den zin van: <i>kalen bluf</i>. Ieder is +de uitlegger van z’n eigen woorden, en indien de oude Sloos nog +leefde ...</p> +<p>Komaan, z’n engelsche <i>notting</i> is mooier. En z’n +wind ook. De oudeheer was ’n neerbuigend-winderige +<i>notting</i>. Eugène’s <i>notting</i>-wind woei +naar-binnen. Pompile was ’n <i>notting</i> met kinderachtigen +wind. De <i>notting</i> van Wilkens suisde en blaasde ploertig-pedant. +De oude Dieper ... hm, ’n volslagen <i>notting</i> was deze niet, +maar toch, de wind die daarby zou behoord hebben, was hem niet +geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien voor huis- en buurtgebruik. +Zoodra hy, van ’t kantoor komende, de brug bereikte die den +Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt, liet-i <i>zyn</i> +wind los. Op die brug rekte hy hals en lenden eenige duimen uit. Hy +richtte zich met zekere fierheid omhoog—op ’t horloge-n-af, +altyd kwart over vieren—gaf aan longen, armen en beenen, aan +gezichts- en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid weder, en kuchte +dat de Jordaan er van daverde. Die kuch was ’n jerichoosch +trompetgeschal dat schetterend verkondigde: “de Kopperlith van +déze buurt ben ik!” Jammer dat de ware bezitters van dezen +roemruchtigen naam zich nooit verwaardigden hun voeten in die gemeene +wyk te zetten. Want als eens onze Dieper in zoo’n huisbui van +overmoedige handlichting den oudeheer had ontmoet, Of den jongeheer +Pompile, of den jongeheer Eugène ... tot groot nadeel van den +Jordaan, nu ja, maar ... dan had <i>ik</i> ’n natuurtooneel te +<span class="corr" id="xd19e6938" title= +"Bron: beschyven">beschryven</span> gehad, en in deze hoofdstukken iets +anders te schetsen dan één doorgaande nietigheid!</p> +<p>Waarheid blyft echter, dat Wouter in zóó’n kring +’n paar van z’n “<i lang="de">Lehrjahre</i>” +moest doorbrengen ...</p> +<p>Fancy had gelyk!</p> +<p>Hy moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan +ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat schooners +moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat grooters dan +werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet toerusten met geheel +àndere wapenen dan zwaard, lans en <i>Edelsinn</i>, om niet +ondertegaan in den stryd tegen ’t geboefte. Wouter moest zich +leeren verdedigen tegen ’t kleine.</p> +<p>Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar +te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in ’t oog te houden +... rein te blyven by aanraking met vuil ... buigend en bukkend niet te +breken ... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als ’n +gebogen veêr ... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven +... in één woord: steeds <i>zichzelf te zyn</i>. Dit +gelukt weinigen!</p> +<hr class="tb"> +<p>Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele +Wouter-geschiedenis:</p> +<p>Een parelduiker vreest den modder niet. <span class= +"pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name="pb165">165</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Schetsen uit onwelriekende streken van zekere wereld beneden de +oppervlakte der zee, waarby men, o. a. “<i>een man als</i> U, +<i>m’nheer!</i>” te aanschouwen krygt. Ook de jongeheer +<i>Pompile</i> blyft voortgaan zich te vertoonen in al z’n +geurige beminnelykheid van verstand en hart.</p> +</div> +<p>De lezer herinnert zich den indruk dien pater Jansen’s +eenvoudige taal op Wouter gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk +dááraan nu was z’n bevreemding over den aard der +gesprekken op het kantoor. Doch ... er bestond verschil. Wel sprak ook +pater Jansen geheel anders dan hy zich had voorgesteld, maar er blonk +iets zoo liefelyk-goedaardigs in z’n onderhoud door, dat Wouter +den moed niet had iets in hem aftekeuren. Al was onze leerling in +menschenkennis en menschkunde nog niet ontwikkeld genoeg om intezien +hoe hoog het <i>waar-menschelyke</i> boven het <i>vals-goddelyke</i> +verheven is, toch zou in dit geval z’n smaak al zeer spoedig den +weg hebben gewezen aan z’n oordeel. Om nu evenwel zelfs den +braven Jansen niet meer te geven dan hem toekomt, moeten wy wel +onthouden dat Wouter’s kennismaking met dien eenvoudigen +geestelyke vergezeld ging van ’n boteram, terwyl het kantoor van +de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet de minste bykomende +omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op de beoordeeling van +’t verhandelde. Geen onzer is in-staat den oorsprong van +z’n indrukken nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het +aandeel te schiften dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel. +De kennismaking met het stukje nieuwe wereld waarin Wouter aanving zich +te bewegen, ging vergezeld van zulke onaangename byzaken, dat-i moeite +zou gehad hebben de gesprekken die hy aanhoorde schoon of belangryk te +vinden, al hadden de sprekers Bilderdyk’s <i>Floris</i> +gerepeteerd, of ’n preek opgezegd. In-plaats van de gulle +ontvangst die hem was te-beurt gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich +geplaagd door ’n onbevredigden eetlust die hand-over-hand toenam. +Bovendien ... komaan, we zullen ’t woord dat niet gaarne uit +m’n pen vloeit, in den mond leggen van de sprekende +personen-zelf, die niet te goed zyn voor ’t platste:</p> +<p>—Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg +de oudeheer met roerende vertrouwelykheid.</p> +<p>De plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging tenvolle +waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand- en +voetgrepen: pen in de gleuf van ’t opgeslagen boek ... +één stap achteruit ... de handen gewreven, en:</p> +<p>—Ja, m’nheer, ’t stinkt hier wel ... ’n +beetje.</p> +<p>Dat “beetje” was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om +’t gelyk-geven aan m’nheer Kopperlith niet te doen +ontaarden in ’n vermetele aanranding der eer van m’nheer +Kopperlith’s kantoor. Zoo zeilt de wyze tusschen twee klippen +door!</p> +<p>—Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, ’t stinkt hier heel +erg. Dat komt van de grachten, niet waar, Dieper?</p> +<p>—Zeker, jongeheer, ’t komt van de grachten ...</p> +<p>En, alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroon +<span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name= +"pb166">166</a>]</span>tevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze +meening met de plechtige woorden:</p> +<p>—Ik heb de intieme <i>fiktie</i>, m’nheer, dat het +alleen van de grachten komt!</p> +<p>—Ei? vroeg of zei m’nheer Kopperlith.</p> +<p>—Ja, m’nheer! En ... ’t is zoo’n ... +modderlucht, vindt u niet?</p> +<p>Dieper had zeer gerust de kwalifikatie ’n paar graden +onfatsoenlyker kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de +waarheid. Maar <i>bégueule</i> stiptheid in omschryving was +minder z’n zaak, dan ’t reinwasschen van +m’nheer’s kantoor van àl te onwelriekenden blaam. Op +gelyke wys had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn in +bescherming genomen door de schuld op de riolen te werpen, al +geschiedde dit dan niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den nieuwen +jongste-bediende een blyk van z’n scherpzinnigheid te geven. +Misschien ook was ’t Gerrit alleen om ’n praatje te doen, +een bodem waarop veel onbekookte meeningen groeien. In-zoo-verre echter +moet ik zoowel Dieper als den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide +lokalen die thans in zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend +zouden geworden zyn wanneer men ze had overgeplaatst naar ’n +lusthof op den Hymettus. Maar in zoo’n lusthof lagen ze nu +eenmaal niet.</p> +<p>—Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer +met bescheiden weifeling voor.</p> +<p>—O né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! +Ik zal u zeggen, papa ... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! +Niet waar, Dieper?</p> +<p>Dieper betastte z’n hoofd:</p> +<p>—Zinkings, m’nheer! Allemaal zinkings!</p> +<p>—En dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt +er dadelyk zoo’n fameuze stank in van de binnenplaats, papa!</p> +<p>Meer afdoende reden om “versche lucht” buiten te +sluiten, zal wel nooit gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de +zaak, en Pompile die gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken +als bondgenoot—niets was hem ooit te gering!—en als middel +om z’n doel te bereiken met de <i>Pleiers</i> en de +<i>Hockers</i> en de <i>Kruckers</i>, bracht zeer handig het gesprek op +iets anders.</p> +<p>—De zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. +Niet waar, Dieper?</p> +<p>—Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m’nheer, een man als +<i>U</i>, m’nheer, behoorde reeds lang buiten te wezen!</p> +<p>Het glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet +opgaan over de boozen en goeden van z’n kantoor was goud waard. +Toch niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het tevoorschyn roepen +zoo dikwyls hy verkoos met ’n allergoedkoopst: “een man als +<i>U</i>, m’nheer!” Maar hy was te bekwaam in z’n +specialiteit van perpetueel ondergeschikte, om de kitteling van +z’n streelen aftestompen door overvoer. Meer dan tweemalen daags +zeide hy ’t niet. En gewis ook zóó veel keeren kon +m’nheer Kopperlith het verdragen <span class="pagenum">[<a id= +"pb167" href="#pb167" name="pb167">167</a>]</span>zonder op ’t +afgryselyk denkbeeld te komen dat z’n boekhouder hem voor den gek +hield. Neen ... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar de man +was ’n vriend van ’t gemiddelde, een vyand van overdryving, +matig, sober en ingetogen, tot in z’n flik-vlooiery toe. +Bovendien, er was inderdaad geen element van bespotting in de hulde die +hy vry periodiek neerlegde op ’t altaar van de Kopperlithsche +hoogheid. Z’n opblazen by ’t betreden van de buurt die +hyzelf bewoonde, had volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming +die inderdaad de zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht +betrad, waar ’t zoo heel erg ... ’n beetje stonk. Hy +huichelde evenmin als de bulhond die, wild en onhandelbaar onder +z’n gelyken en by vreemden, zich deemoedig kruipend neerstrekt +voor de voeten van z’n meester.</p> +<p>Oppervlakkige ziel-ontleders denken gewoonlyk veel te spoedig aan +huichelary, wanneer zy iemand ongelyk zien aan zichzelf. Juist deze +ongelykheid is by zeer velen de strenge konsekwentie van allergewoonste +karakterloosheid.</p> +<p>Ook Dieper hield er ’n wezen op na, dat tienmaal in de week +’n fleemerig: “een man als <i>U</i>, m’nheer +Dieper!” by hem plaatsen kon, en ... op-straffe van ongenade, +plaatsen <i>moest</i>. De majesteit waarmee de oude boekhouder in +<i>zyn</i> huis om z’n sloffen riep, of ’n ketel saliemelk +bestelde—zoo byzonder goed tegen de +“zinkings”—was nauw verwant aan ’t zelfde +hondenkarakter dat hem zou hebben genoopt de pantoffels van +“m’nheer” te kussen, wanneer dit blyk van +rechtgeaarde boekhouwery mocht gevorderd worden.</p> +<p>—Een man als <i>U</i>, m’nheer, moest al lang buiten +wezen, niet waar, jongeheer?</p> +<p>—Ja, papa. ’t Saizoen gaat voorby, papa!</p> +<p>—Dat is waar, Pompile. Maar ... als mama niet reizen kan ... +wat zullen we ’r aan doen? Ik hoor van Gerrit dat mama weer heel +erg is, byzonder erg, Pompile!</p> +<p>Dit had hy van “Gerrit” vernomen. De onnoozele lezer die +nooit te logeeren werd gevraagd aan ’t hof van Spanje, en dus +niet ingewyd kan zyn in de verheven etikette van zoo’n +Kopperlithsche huishouding, is misschien verwonderd dat ’n man +bericht van den gezondheidstoestand zyner vrouw ontvangt door +bemiddeling van den knecht. Men bedenke dat—op ’n kleine +uitzondering na, die straks zal gemeld worden—slechts zeer +weinige stervelingen toegang hadden tot de <i>suite</i>, waar +“mevrouw” huisde, sliep, ziek was, at en dronk, enz. Daar +was ’n “juffrouw” die haar gezelschap hield, en +’n kamenier voor ’t aan- of uitkleeden, en ’t +optooien. Want ... opgetooid wèrd ze. Doch zie, deze beide +mynslavinnen waren niet sterk genoeg om ’t logge schepsel uit +haar bed op den rolstoel te helpen, waarmee ze naar ’t +voorvenster van de “zykamer” moest gekruid worden. Jaren +geleden reeds was er over deze zwarigheid ’n kantoor- en +familieraad belegd, met den kanonieken uitslag dat de ook toen reeds +niet jeugdige Gerrit zou worden beschouwd als geslachteloos, ’n +vereerende onderscheiding die hem ’t recht van toegang +<span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name= +"pb168">168</a>]</span>tot den harem verschafte. Men bedenke dat het er +donker was, en de sultane sedert lang grootmoeder. Deze regeling +omtrent Gerrit voldeed te-meer aan den eisch, omdat zy samenviel met de +voortdurende noodzakelykheid om hem met boodschappen te belasten. +Gedurende Wouter’s wittebroodsweken pynigde hem telkens z’n +wanbegrip, wanneer een der meiden of de kamenier Gerrit kwamen zoeken +met de onheldere toelichting: “’t is, weetje, om mevrouw te +kruien ... ze wil eruit” of: “ze wil er in.” Ook +begreep-i niet volkomen wat er bedoeld werd met den roep: +“Gerrit, mevrouw’s boeken ruilen!” Maar dit alles +helderde zich weldra op. Dat eeuwige boeken ruilen stond in verband met +haar verveling. Ze was geabonneerd in drie leesbibliotheken te-gelyk, +en verslond al wat daarin fransch was. Dat er noch door haar, noch door +wien ook van de andere familieleden ooit ’n penning besteed werd +om ’n boek te <i>koopen</i>, spreekt vanzelf. Van ’n +bibliotheek was geen spoor in den huize Kopperlith! De +“heeren” meenden dat zoo-iets behoorde by geleerdheid, +’n eigenschap waarvoor zy allerfatsoenlykst den neus +optrokken.</p> +<p>Wat overigens die geheimzinnige <i>suite</i>-kamer aangaat, het is +te veronderstellen dat ze weleens bezocht werd door Pompile en +Eugène ook, wanneer deze jongeheeren hun: “broodje gingen +eten by mama” maar overigens waagde zich daarin +vóór het uur van ’t middagmaal, geen schepsel. Dan +namelyk, maar ook dan eerst, kon de oudeheer z’n huwelyksgeluk +’n uurtje te zien krygen. Z’n vurige drift om +vóór dat oogenblik iets te vernemen van de wyze waarop zy +den nacht had doorgebracht, kon alleen door Gerrit bevredigd worden, en +deze ontleende alweer aan deze byzonderheid zeker gewicht, dat hy zeer +handig wist op de schaal te leggen in z’n eeuwigen gezagstryd +met: “die Wullekes!” De manier waarop hy ’t aanlei om +z’n welkome voorwendsels tot dienstweigering toetepassen, is niet +moeielyk te raden. Zoodra de wyze kantoorheer iets gelastte dat den +kantoor- en huislooper niet aanstond, moest deze juist +“boekenruilen voor mevrouw” ’n <i>ultima ratio</i> +die Wilkens niet dan schoorvoetend aandurfde. En, als: “mevrouw +straks misschien zou moeten <i>gekrooie</i> worden” verzonk de +autoriteit van den gehaten onder-chef in ’t peilloos <i>Niet</i>, +juist waar Gerrit ze gaarne zag om ze op z’n gemak uit het oog te +verliezen.</p> +<p>—Zieje, Pompile, als mama zoo erg is, zoo heel erg.., wat +zullen we doen? Ik kan toch niet in m’n eentje naar +<i>Groenenhuize</i>! Wat zeg jy, Dieper? Ik zou me daar vervelen, denk +je niet?</p> +<p>—Zeker, m’nheer, ik ben zeker dat m’nheer zich +daar vervelen zou. M’nheer zou daar zoo ... heelemaal alleen zyn, +niet waar?</p> +<p>—Nu ja, papa, dat’s waar, maar ... ’t saizoen gaat +voorby. Ik kan u verzekeren, papa, dat er geen enkele fatsoenlyke +familie meer in de stad is, wat je noemt: ’n fatsoenlyke familie! +Wat zeg jy, Dieper?</p> +<p>—Zeker, jongeheer, er is geen enkele fatsoenlyke familie meer +in de stad, dàt is waar. <span class="pagenum">[<a id="pb169" +href="#pb169" name="pb169">169</a>]</span></p> +<p>—Ziet u, papa? En als mama niet zeer spoedig resolveert ... +zal ze nog veel zieker worden. Dat heeft de dokter ook gezegd, niet +waar, Dieper?</p> +<p>Hm! Wat zou de boekhouder zeggen? Hy kon toch in-gemoede de meening +niet bevestigen van ’n dokter dien-i nooit had te zien of te +spreken gekregen? En ook de vreeselyke ziekte van mevrouw was aan de +“heeren van ’t kantoor” slechts zeer schemerachtig +bekend, want de half-vertrouwelyke ontboezemingen van Gerrit weken +weleens ’n beetje van z’n officieele berichten af, ’n +byzonderheid die oplettende hoorders en lezers ook nu-en-dan in andere +kringen kunnen waarnemen. Ook de betrekkelyke duisternis der +onwetendheid omtrent mevrouw’s zeer voorname kwalen zou in diepen +nacht zyn overgegaan, wanneer men by die heeren gevorscht had naar +bekendheid met de mevrouw-zelf. Zy was in hun oog de zeer +letterlyk-etymologische uitdrukking van ’t <i>solemneele</i>: men +zag haar éénmaal ’s jaars, op den eersten Januari. +Op dien dag namelyk werden Dieper, Wilkens, en later ook Wouter, door +een der <i>ad hoc</i> gekommitteerde jongeheeren plechtstatig door de +bovengang in de <i>suite</i> geleid, waar ze dan konden wachten totdat +mevrouw door haar gezelschapsjuffer het sein liet geven dat “de +heeren” mochten binnentreden in de eeuwige zykamer. Schryvers van +middelmatige konscientie zouden allicht uitstrooien dat ze daar werden +toegelaten tot den handkus, maar wie eerbied voor waarheid heeft, zal +ten-allen-tyde verzekeren dat de plechtigheid niet zóó +ver ging. Dieper wenschte by deze gelegenheid: “ook namens de +andere heeren, aan mevrouw ... des Hemels besten zegen, en ... +bestendig welzyn.” Ze was er mee tevreden, en zei dat ze ’t +vandaag zoo byzonder erg “op” haar zenuwen had, en dat het +zeker van ’t weer kwam. Nadat dit door Dieper beaamd +was—met ’n buiging, want z’n welsprekendheid was +òp—kon men de zaak als afgeloopen beschouwen. De +gezelschapsjuffer opende een der dubbeldeuren van de <i>suite</i>, en +de “heeren” verlieten ruggelings de “zykamer van +mevrouw.” Dieper was dan gewoonlyk zeer warm, en kon niet altyd +de schuld hiervan op ’t weer schuiven, want het vroor soms. En +ook lag de oorzaak van die hitte niet in de vermoeienis van de reis die +zoo byzonder ver niet was, en maar weinig inspanning vorderde. De +plechtige <i>exodus</i> nam op ’t kantoor ’n begin ... +linksom, vyf treden in de ondergang ... de keuken voorby, waar de +meiden stonden te lachen en te ginnegappen, vooral om ’t malle +gezicht van m’nheer Wilkens, daarop volgde een donker +slakhuisvormig trapjen, en twaalf korte schreden tot aan de deur van de +<i>suite</i> ... neen, neen, uit vermoeienis van de marsch ontstond +Dieper’s verhitting niet! Doch al ware dit anders, ik vraag of +zoo’n kennismaking voldoende is om iemand instaat te stellen tot +beoordeeling van de vraag of “mevrouw nog zieker worden zou ais +ze niet spoedig naar buiten ging?” En tevens: of men uit +zoo’n bezoek op nieuwjaarsdag—en in die hitte +nogal—voldoende gegevens putten kan om te berekenen hoe de dokter +mevrouw’s toestand zou beoordeelen in ’t <span class= +"pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name= +"pb170">170</a>]</span>hartje van den komkommertyd? Maar de jongeheer +Pompile had nu eenmaal Dieper’s getuigenis ingeroepen. Des +boekhouders naastbyliggende plicht schreef dus voor, een “intieme +<i>fiktie</i>” by-de-hand te hebben, die den jongeheer kon dienen +by z’n plannetjes, en dus:</p> +<p>—Ja, ja, m’nheer, ’t is zeker goed voor mevrouw, +dat ze spoedig naar <i>Groenenhuize</i> vertrekt, want ziet u—o, +prachtsprong over ’t onbekend gezegde van den onbekenden +dokter!—’t is zeker goed voor mevrouw, anders ... gaat de +tyd van jonge doppertjes voorby!</p> +<p>—Ziet u, papa? Dàt is juist wat ik altyd zeg. Mama moet +absoluut naar buiten! ’t Is voor mama niet langer in de stad +uittehouden, niet waar, Dieper?</p> +<p>—Juist, jongeheer! M’nheer, het is voor mevrouw in de +stad niet langer uittehouden!</p> +<p>—Voor niemand, papa!</p> +<p>—Zeker, m’nheer, voor niemand!</p> +<p>En hyzelf dan? En al z’n lotgenooten?</p> +<p>—’t Water in de grachten ziet paars van den stank, papa! +Niet Dieper?</p> +<p>Ook dit beaamde de getuige, en ditmaal met grondige reden van +wetenschap. Want hyzelf woonde in den Jordaan, waar de opgezamelde +meststof zich niet onbetuigd liet in dartele kleurspeling op ’t +water. ’t Was juist ’n buurt om nieuwe verfstoffen +uittevinden.</p> +<p>—Maar ... Pompile, hoe krygen wy in-godsnaam mama de stoep af? +Dat is de vraag!</p> +<p>—Juist, papa, dàt is het! Dàt’s de zaak! +Ik heb er Flip over gesproken, Flip den kruier, papa!</p> +<p>—Hè?</p> +<p>—Ja, papa, den kruier! Met hun drieën zien ze geen kans +mama de stoep aftedragen ...</p> +<p>—In ’n fauteuil, Pompile!</p> +<p>—Juist, papa, in ’n fauteuil! Weet u wat ze zeggen? Ze +zeggen: ’t handt niet, omdat de trap van de stoep wat smal is, +papa! En ze zouden mama laten vallen, papa! U moet begrypen, papa, +’t is lomp volk, papa!</p> +<p>—Maar ... hoe dan?</p> +<p>—Flip zei: als we mevrouw in ’n flinken leuningstoel +hadden—<i>fauteuils</i> kent zoo’n man niet, papa!—en +dan ’n strop er om—om den fauteuil, papa!—en dan ... +maar toen zei ik: met veel kussens, papa, weet u, met +héél veel kussens, dan zouden we ...</p> +<p>Eugène trad binnen. Blykbaar was hy door z’n vader op +kondschap gezonden, of er iets met de oude koppige dame te bereiken zou +zyn. Doch ook hy bracht geen bevredigend antwoord mee.</p> +<p>—En jy, Pompile, wat had jy dan bedacht?</p> +<p>—Wel, papa, ’n fauteuil ... en mama daarin, met veel +kussens, en dan ’n strop er om ... om den <i>fauteuil,</i> +Eugène! En dan ... ’t venster open—Flip zei, +’t kon best, maar ik zeg met veel kussens, weet u, papa?—en +dan ... <span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name= +"pb171">171</a>]</span></p> +<p>—Ben je mal, Pompile, wou jyzelf nu mama ’t venster +uithyschen? En zoo-even zei je ...</p> +<p>—O neen, Eugène, zoo meende Flip. Maar <i>ik</i> zeg: +met veel kussens, weetje? Maar ... die kruiers zyn lompe menschen, en +... ze rekenen hoog. Al wat boven ’n dubbeltjes-boodschap gaat +... berekenen ze vreeselyk hoog, papa! ’t +Weekbriefje—vooral als Gerrit styf van rhumatiek is, +papa!—o, dan is ’t weekbriefje ... fameus, papa! En daarom +had ik gedacht—omdat we nu ’n jongstebediende hebben, +ook—nu dacht ik ... kyk, papa, we kunnen voor mama die kruiers +best missen. U weet misschien dat Gerrit weer styf van rhumatiek is? +Nu, dat’s hetzelfde ... maar Dieper heeft telkens briefjes te +inkasseeren ... morgen ’n smerig papiertje, niet waar, +Dieper?</p> +<p>—Ja, jongeheer! Morgen ’n smerig papiertjen in den +Jodenhoek, m’nheer, heel smerig!</p> +<p>—Maar, Pompile, wat wou je dan met mama?</p> +<p>—Met veel kussens, papa! Dan wou ik vragen of Wilkens zoo goed +zou willen zyn—niet waar, Wilkens?—met dat jongemensch +daar, aan ’t windas te gaan. Ziet u, papa, dan konden wy die +kruiers missen ... lomp volk! Maar ... met veel kussens, dit begrypt +uzelf wel, papa! En, ziet u, papa, Eugène en ik, wy zouden ... +beneden staan, en ... er goed naar kyken, papa!</p> +<p>Eugène bromde. Maar ’t was karakteristiek dat niemand +lachte by Pompile’s voorstel om—niet zonder terugzicht op +zuinigheid—z’n moeder ’t venster uittehyschen aan +’n strop ... om den <i>fauteuil</i>.</p> +<p>—De buren!</p> +<p>—Juist, Eugène, de buren! Precies wat ik zeg! En daarom +... als we mama konden bewegen ... ’s morgens vroeg ...</p> +<p>By noorderzon alzoo! Wouter wist nog niet wat ’n windas was, +en dacht zich suf over de rol die hy zou te spelen hebben. Hy voelde +reeds angst by de bedenking of-i wel in-staat wezen zou by die +gelegenheid z’n naastbyliggenden plicht te vervullen. ’t +Was hem ’n kleine verademing dat Pompile’s voorstel nog +altyd niet gaaf werd aangenomen. Men scheen te betwyfelen of +“mama” genoegen nemen zou met de vreemde lokomotie. De +oudeheer klaagde dat zy zéker weigeren zou als ze hèm +verdacht van de uitvinding.</p> +<p>Hy iets uitvinden!</p> +<p>—Wel, papa ... u kan zeggen dat Flip de kruier het verzonnen +heeft. Dat kan u best zeggen, papa!</p> +<p>—Hm ... ja ... als nu by-voorbeeld de juffrouw dat aan mama +verzekerde?</p> +<p>—Dat zou zeker ’t allerbeste wezen, papa. Maar ... ik +geloof dat wy op die juffrouw niet best kunnen rekenen, papa! Weet u +wat ze doet, papa? Ze stookt!</p> +<p>—Zou je dat denken, Pompile?</p> +<p>—Ja, papa! Want, ziet u, anders had ze ’r al lang op +aangedrongen dat mama naar buiten ging, wat zeg jy, Dieper? +<span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172" name= +"pb172">172</a>]</span></p> +<p>—Zeker, jongeheer, zeker! Anders had ze ’r al lang op +aangedrongen.</p> +<p>—Die nieuwe juffrouw is ’n gekkin, bromde +Eugène.</p> +<p>—Mama is zeer met ’r tevreden, zei de oudeheer. Ze is +zoo erg fatsoenlyk, zegt mama, zoo heel erg fatsoenlyk. En ... haar +papa was prokureur, Eugène!</p> +<p>—Ze heeft kale plekken op ’t hoofd.</p> +<p>—Wel, wel, Eugène!</p> +<p>—Dat kan <i>my</i> nu niet schelen, zei Pompile, als ze mama +maar wou overhalen om naar <i>Groenenhuize</i> te gaan, papa!</p> +<p>—Waar is Gerrit? vroeg de oudeheer.</p> +<p>—Styf van ’t rhumatiek, papa! En morgen heeft Dieper +’n smerig papiertje, niet waar, Dieper?</p> +<p>—Nu ja, maar als Gerrit nu eens—zonder dat het van ons +kwam, begryp je?—aan de juffrouw vertelde dat de kruier gezegd +had ... want zieje, Pompile, als ik alleen ga, dan verveel ik me zoo! +En ... hoe met de keuken? Ik kan toch niet te Haarlem in ’n +restauratie gaan eten, als ’n kantoorbediende! Wat zeg jy, +Dieper?</p> +<p>—Zeker niet, m’nheer! Een man als <i>U</i> kan niet in +’n restauratie gaan eten. Zeker niet!</p> +<p>Diezelfde “man als U” kon wel de hulp inroepen van den +kruier, en van den knecht, en van de gezelschapsjuffrouw, om z’n +vrouw te bewegen tot iets dat ze hardnekkig nalaten zou zoolang ze +meende dat <i>hy</i> er op gesteld was! En al die naaktheid mocht +Wouter te aanschouwen krygen! Geen van de sprekers kwam op het +denkbeeld dat ze zich voor dien jongen kantoorbediende vertoonden in +’n zonderling licht. Men ziet het, ook ’t gemeene heeft +z’n naïveteit.</p> +<p>Om overigens den belangstellenden lezer, die zich zeker al ongerust +maakt over den gezondheidstoestand van die “mevrouw in de +zykamer” wat moed intespreken, beroep ik me hier op zeker +getuigenis van Gerrit, die eenmaal aan Wouter deze vertrouwelyke +mededeeling deed:</p> +<p>—Je kunt me gelooven—<i>ik</i> ben ’n oud man, en +jy ’n jonk borssie—zy ... eet te veel, en ze-n-is koppig en +sagrineus: dàt is het! Haar heele ziekte ... komaan, ik zal +’t je maar op z’n rond-hollandsch zeggen, is wind en +’n engelsche <i>notting</i>! Maar zy ... eet te veel. Zy ... eet +den godganschelyken dag, dàt is het! Als <i>ik</i> haar dokter +was, kreeg ze niets dan één roggebroodjen in de week, en +verder pomp-water ... anders niets, wat <i>ik</i> je zeg!</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>De auteur kruipt tot in de nauwste gaatjes de hoogheid na, van +’n “<i>man als u, m’nheer!</i>”</p> +</div> +<p>De oudeheer die tot-nog-toe had staan leunen tegen Dieper’s +lessenaar, begon zich te vervelen. Of liever, hy kreeg lust de +verveling die hem kwelde en waarmee hy gewoon was ieder te plagen +<span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173" name= +"pb173">173</a>]</span>die met hem in aanraking kwam, te doen +veranderen van soort. By Dieper had de man ’n halfuurtje links +geleund ... hy wou nu eens rechts leunen. Zoo wentelt zich de luiaard +in z’n bed om, <i lang="en">like a door on its hinges</i>, gelyk +Shakespeare, meen ik, ergens zegt. Maar onze emeritus-leeglooper had +nog andere redenen dan zoo’n deur, om zich eens omtekeeren. Het +nieuwe kantoorbediendetje, hoe jong en onbeduidend ook, moest +doordrongen worden van ’t besef der hoogheid van m’nheer +Kopperlith. Hy naderde alzoo sloffend den hoek, waar de hongerige +Wouter nog altyd bezig-was zich door ’t overschryven van +Leon’s epistel, bekwaam te maken voor den +“handel.”</p> +<p>—En, mannetje, hoe gaat het nu eigenlyk met jou? Met je werk? +Schryf je wel netjes? Neen, neen, blyf maar zitten, blyf gerust zitten! +Ik kom maar even kyken of je netjes schryft, weetje? En ... klein, heel +klein, om de port. Want, mannetje ... die brief gaat naar Rome.</p> +<p>’t Werd voor Wouter waarlyk tyd dat-i eens opkeek. Hy zou +flauw- of in-slaap gevallen zyn. Het woord <i>Rome</i> maakte hem +eenigszins wakker. Hy had iets geschreven dat heel naar Rome gaan zou, +<i>hy</i>! God weet welke Paus zyn schrift onder de oogen krygen zou! +En zelfs ... welke roover! En de stad-zelf! De stad van Caesar, van +Romulus en Remus, van Numa Pomp ... ’t is waar ook, waarom heette +z’n hoogste onderpatroon: <i>Pompilius</i>?<a class="noteref" id= +"xd19e7309src" href="#xd19e7309" name="xd19e7309src">1</a></p> +<p>—Ja, mannetje, naar Rome! Dat dacht je niet, hè?</p> +<p>—N...e...e...n, m’nheer!</p> +<p>—Hi, hi, hi, naar Rome! Hoorje wel, Pompile, hy dacht niet dat +die brief heel naar Rome ging! Ja, mannetje, zóó is het +toch! Die brief gaat—daarom moet je netjes schryven—naar +m’n zoon, den jongeheer Flodoard die te ... Rome-n-is! Wat zeg ie +dáárvan?</p> +<p>Wat zou Wouter zeggen? Ik weet het waarachtig niet. En hy-zelf wist +het ook niet. Dit bezwaarde hem. Zou er ook misschien ’n +naastbyliggende plicht verzuimd worden als-i zweeg? De oudeheer genoot +van z’n hakkelen. Hy had z’n doel bereikt: het jonge-mensch +was vernietigd. En nog zyn er onverlaten die uitstrooien dat Hollanders +“van fortuin” zich niet weten te amuzeeren!</p> +<p>—M’n zoon—de jongeheer Flodoard, weetje?—is +daar ...</p> +<p>Hier stuitte de kinderachtige bluffer. Het denkbeeld kwam in hem op, +dat misschien die domme burgerjongen niet op de ware hoogte stond om te +beseffen wat ’n schilder was. En deze vrees was niet ongegrond. +Juffrouw Pieterse-zelf zou dit maatschappelyk standpunt niet byzonder +hoog gevonden hebben: ’n schilder!</p> +<p>—Hy is ... fynschilder, weetje? Zeg, Pompile, je moet hem +<i>Mozes by ’t Doornbosch</i> eens laten zien ...</p> +<p>—In de hoes, papa!</p> +<p>—Ah, ja, in de hoes! Anders, weetje, dan kan je-n-op de +zaal—vlak boven—<i>Mozes by ’t Doornbosch</i> zien +... als-i eens niet in <span class="pagenum">[<a id="pb174" href= +"#pb174" name="pb174">174</a>]</span>de hoes zit. Dat heeft m’n +zoon, de jongeheer Flodoard-zelf geschilderd, heelemaal zelf. Wat zeg +je dààrvan? En nu is hy te ... Rome om zich te oefenen in +de Kunst, in ’t fyne, weetje, heel in ’t fyne van de Kunst. +Want ... dit begrypje toch ook wel, niet waar, er is schilder en +schilder! Je moet niet denken dat de jongeheer Flodoard schilderyen +maakt voor z’n brood. Volstrekt niet, in ’t geheel niet! Je +begrypt immers ’t verschil wel, zeg?</p> +<p>Die arme knoop! Wouter zette ’n gezicht alsof-i volkomen +bereid was alles te begrypen wat men hem vertellen zou.</p> +<p>—Om z’n brood ... hi, hi, hi, ’t lykt er niets +naar! Gut, Pompile, begryp eens, er zouden menschen zyn die dachten dat +Flodoard schilderde ... hi, hi, hi ... om z’n brood!</p> +<p>—Ja, papa!</p> +<p>—Neen, mannetje, ik zal je heel wat anders zeggen ... heel wat +anders! De jongeheer Flodoard schildert ... voor z’n pleizier, en +... voor de <i>Kunst</i>. Wat zeg je dáárvan?</p> +<p>Wouter bleef stom van verbazing. Heel goed!</p> +<p>—Voor de <i>Kunst</i>, mannetje! Denk je dat-i wat krygt voor +z’n schilderyen? Zeg, Pompile, je moet ’m toch <i>Mozes by +’t Doornbosch</i> eens laten zien ...</p> +<p>—Ja, papa!</p> +<p>—Zieje, mannetje, dat heeft-i zelf geschilderd, en hy krygt er +niets voor. En ’t hangt op de zaal—vlak, vlak hierboven, +weetje?—en je mag ’t zien, als de hoes er af is, want ... +nu is er ’n hoes over, omdat mevrouw naar buiten gaat, naar myn +Buiten ... <i>Groenenhuize</i> heet het. En daar mag je-n-ook wel eens +komen, want ... daar hangen ook schilderyen van den jongeheer Flodoard +... dàt zal je zelf zien! Dacht jy dat-i er iets voor kreeg?</p> +<p>—N...e...e...n, m’nheer, o neen!</p> +<p>—Zoo? Ik dacht dat je dat dacht. Maar zieje, ’t is juist +andersom. De jongeheer Flodoard verteert veel geld te Rome, heel veel +geld! Zeg eens, hoeveel geld denk jy wel dat de jongeheer Flodoard te +Rome verteert? Komaan, raad eens!</p> +<p>Och, daarvan stond weer niets in <i>Strabbe!</i> Onze Wouter voelde +zich in pynlyke verlegenheid. De oude dwaas scheen op antwoord te +wachten:</p> +<p>—Ja, ja, raad eens! Je mag gerust eens raden!</p> +<p>—Hon...derd... gulden, m’nheer?</p> +<p>—Hi, hi, hi ... hoorje dat, Pompile? Hoor je ’t +Eugène? Heb je ’t gehoord, Dieper? Honderd gulden! Help me +onthouden, Eugène, dat ik <i>die</i> aan mama vertel! Honderd +gulden? Honderd gulden? Wil <i>ik</i> je-n-eens wat zeggen, mannetje? +Honderd gulden ... ja! In de <i>maand</i>, weetje? Honderd gulden in de +<i>maand</i> ... wat zeg je dáárvan?</p> +<p>—Hè, m’nheer!</p> +<p>—In... de... maand!</p> +<p>—Hè!</p> +<p>—In... de... maand! Hon...dèrd... gul... den... in... +de... máánd! <span class="pagenum">[<a id="pb175" href= +"#pb175" name="pb175">175</a>]</span></p> +<p>Wouter zweette.</p> +<p>—Ja, al dat geld verteert hy te Rome. En dat haalt-i ... zeg +eens, by wien denk je dat-i al dat geld haalt?</p> +<p>—By... den...</p> +<p>—Nu, zeg maar op. Spreek gerust uit. Waar denk jy nu wel dat +de jongeheer Flodoard al dat geld haalt?</p> +<p>—By den ... Paus, m’nheer?</p> +<p>Was ’t niet jammer dat er niet mocht gelachen worden op +’t kantoor van m’nheer Kopperlith? Wat Wouter aangaat, hy +was ditmaal inderdaad iets minder onnoozel dan-i scheen. Dat wereldsche +hoogheid hem altyd door ’t hoofd speelde, was waar. En dat hy, +eens zich verplaatsende naar Rome, aan weinig anders dan pausen en +roovers dacht, is ook waar. Toch kwam z’n malle gissing niet +hoofdzakelyk hieruit voort. Z’n onverbiddelyke <i>partner</i> +eischte antwoord. Dit antwoord moest den indruk uitwisschen, dien +z’n onfatsoenlyk-lage-taxatie van Flodoard’s vertering +gemaakt had. Om nu zeker te zyn dat-i deze keer niet zoo +héél ver beneden ’t peil zou blyven van de +ontzettende hoogheid die men hem te bewonderen gaf, wist-i niet beter +dan ’t voornaamste te noemen dat hem te Rome bekend was. Het was +hem zeer goed bewust dat-i mis-raadde. Maar om den oudeheer tevreden te +stellen ... och, hy vervulde z’n naastbyliggend plichtje! En zie +... hy greep minder ver mis, dan de lezer denkt. Al moest dan de heer +Kopperlith ootmoedig erkennen dat-i nog altyd onder z’n bankiers +geen gekroond hoofd had, toch, toch ...</p> +<p>—De Paus? Neen, mannetje, niet de Paus. De jongeheer Flodoard +ontvangt alle maanden honderd gulden op ’t kantoor van een ... +van wien, denk je? Ik zal ’t je maar zeggen: van ’n ... +prins! Niet waar, Dieper! Ja, ja, mannetje, m’nheer Dieper kan je +de wissels laten zien—want die worden op myn kantoor door +m’nheer Dieper betaald, weetje?—de wissels van prins +Torlonia! Wat zeg je daarvan! Je ziet dus wel dat de jongeheer Flodoard +niet hoeft te schilderen voor z’n brood? Hy moet volstrekt +<i>Mozes in ’t Doornbosch</i> eens zien, Pompile, maar ... alles +is nu op de zaal in de hoezen, weetje, anders bederft het satyn van de +stoelen—want er zyn stoelen met satynen zittingen op de +zaal—en ’t verguldsel van de spiegels, weetje, omdat +mevrouw naar-buiten gaat, naar <i>Groenenhuize</i>—want zoo heet +eigenlyk m’n <i>Buiten</i>—en ik ook ... ik meen dat ik ook +naar-buiten ga. Ben jy wel eens buiten geweest, mannetje, zeg?</p> +<p>—J...a...wel, m’nheer!</p> +<p>Dit antwoord viel den gek tegen. ’t Was dan ook wel ’n +beetjen onvoorzichtig van Wouter zoo plomp op de ydelheid te trappen +van iemand die duidelyk te kennen gaf dat-i het buiten-zyn voor +z’n privatief domein houden wilde.</p> +<p>—Jy ... weleens ... buiten geweest? En wáár dan, +mannetje?</p> +<p>—Op den Singel, m’nheer, buiten de Aschpoort.</p> +<p>Alweer zou hier ’n algemeen schaterend gelach zyn opgegaan, +indien er door iemand anders dan den oudeheer zelf mocht gelachen +worden op ’t kantoor. Deze oefende in z’n eentje zoo goed +mogelyk <span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name= +"pb176">176</a>]</span>de funktien van koor uit. Dieper legde z’n +pen neer. Wilkens fronsde ’t voorhoofd. Pompile meesmuilde. En +zelfs ’t officieel gelaat van Eugène vertrok zich byna in +’n plooi.</p> +<p>—Hi, hi, hi, buiten de Aschpoort! Maar, jongen... maar, +kereltje... maar, ventje... dat is niet <i>buiten,</i> mannetje! Gut, +Pompile, wat toch zulke burgerlyke menschen rare ideën hebben!</p> +<p>—O ja, papa!</p> +<p>Weer verkneuterde zich de oude dwaas van pleizier over +Wouter’s domheid, en de knoop van z’n jasje moest het +ontgelden.</p> +<p>—<i>Buiten</i> is... wat je noemt: <i>buiten</i>, heelemaal +<i>buiten</i>, weetje?</p> +<p>Of Wouter ’t nu wist, zullen we daar-laten. Hy kromp verlegen +in elkaer.</p> +<p>—O ja, m’nheer! Zeker, m’nheer! Ik wist niet wat +m’nheer bedoelde...</p> +<p>—Juist! Hi, hi, hi... hy wist niet wat “buiten” +was. Nu, nu, ik neem ’t je niet kwalyk, wees maar gerust! +Buiten-zyn is... <i>’s-zomers</i> buiten-zyn, weetje? Dat is... +’n Buitenplaats hebben, begrypje? Nu... <i>ik</i> heb ’n +Buitenplaats... by Haarlem in <i>den Hout</i>... och, Eugène, hy +weet zeker niet wat “<i>den Hout</i>” is. Zeg, weet je +wel?</p> +<p>—N...e...e...n, m’nheer!</p> +<p>Wouter jokte. Hy wist zeer goed wat “<i>den Hout</i>” +was. Dit stond immers in z’n geografieboekje? En... Laurens +Coster dan, met z’n vermoeiende uitvinding! Welke Hollander zou +“<i>den Hout</i>” niet kennen? Of nu onze kleine bediende +zich zoo onnoozel hield om z’n kinderachtigen patroon den vollen +triumf van z’n uitlegging te laten, weet ik niet. Misschien +zeid-i maar <i>neen</i>, uit verlegenheid, want de graagte waarmee men +z’n domheid van zoo-even als iets vermakelyks had aangegrepen, +had hem zéér gedaan. Hy was beschaamd alsof men hem op +diefstal betrapt had... neen, erger!</p> +<p>—Ja ja, ik heb ’n <i>Buiten</i> in <i>den Hout</i>, vlak +by de “<i>Logementen</i>”... zeg, Pompile, hy mag van den +zomer weleens komen kyken op <i>Groenenhuize</i>, niet waar?</p> +<p>—O ja, papa!</p> +<p>—Zieje, dan kan-i op ’n zondagmorgen met de eerste +schuit...</p> +<p>—Vier stuivers, papa!</p> +<p>—Ja, vier stuivers. En ’s avends terug, dat ’s +acht, niet waar? En... ’n dubbeltje voor den man die hem den weg +wyst. Anders... je hoeft maar te vragen naar ’t <i>Buiten</i> van +m’nheer Kopperlith, in <i>den Hout</i>, vlak by de +“<i>Logementen</i>” zieje, ’t is dus heel makkelyk te +vinden. En je hoeft maar te zeggen: ’t Buiten van m’nheer +Kopperlith, want... zieje, mannetje, van den zomer mag jy heel goed +eens buiten komen... omdat ikzelf ’n eigen <i>Buiten</i> heb, +weetje, ’n wezenlyk <i>Buiten</i>... dàt zal je zien. +’t Is vlak by de “<i>Logementen</i>”... in <i>den +Hout</i>, weetje? In den <i>Haarlemmer Hout</i>! Hi, hi, hi, by de +Aschpoort! Eugène, help me-n-onthouden dat ik <i>die</i> aan +mama vertel, van middag aan tafel, weetje!</p> +<p>Na nog eenige praatjes van gelyken aard, verloste eindelyk de +oudeheer ’t kantoor van z’n tegenwoordigheid. Wouter leed +meer dan <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name= +"pb177">177</a>]</span>iemand gissen kon, en wanneer hem op dit +oogenblik de keus gegeven was tusschen ’t bestormen van ’n +turksche vesting, of ’t òpzien... hy had het eerste +gekozen. Schaamte is altyd pynlyk, maar de valsche! En dan op een zoo +onbekend terrein! Nooit, nooit, nooit had hy kunnen gissen dat de +“handel” zoo’n moeilyke zaak was.</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e7309" href="#xd19e7309src" name="xd19e7309">1</a></span> In I. +1213 volgt hier een komische uitweiding over de aristocratische +voornamen der jonge Kopperliths.</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p><i lang="la">Vita longa, ars brevis.</i> Plebejervreugd over +“<i>gekochte kost.</i>” Dekadentie van <i>Herkulanum en +Pompeji. Wouter’s</i> verdriet over z’n snel begrip. +Parafraze van <i>Gerrit</i> op <i>Talleyrand’s “pas de +zèle!”</i></p> +</div> +<p>Toen Wouter eindelyk met z’n afschriften gereed was, begon +Wilkens hem toetespreken op ’n toon en in bewoordingen die niet +volstrekt misplaatst zouden geweest zyn by ’n inwyding in de +Eleuzinische geheimenissen, en den adept dan ook niet weinig angstig +maakten. De mysterie kwam evenwel ditmaal neder op iets wat geen +byzondere illuminatie van den geest vereischte of te-weeg bracht. +Wouter kreeg ’n groot aantal gekleurde katoenen lappen, die hy +netjes moest afknippen naar ’n opgegeven maat en daarna op karton +plakken, ’n bezigheid waarvan-i zich beter kweet dan +m’nheer Wilkens erkennen wilde. De man was niet gewoon iets +goedtekeuren dat niet de eer had uitgegaan te zyn van hemzelf.</p> +<p>—En, Wilkens, nu moest je-n-eens zoo goed zyn hem in den +kelder te brengen, zei Pompile, die nogeens onder vier oogen by Dieper +wou aandringen op ’t klagen over Gerrit’s hardnekkig-styve +rhumatiek.</p> +<p>Wouter werd weggeleid naar de onderzeesche bewaarplaats van allerlei +heerlyke zaken. Hier kreeg-i de stapeltjes lynwaad van-naby tezien, +waarvan hy reeds de voorsten had waargenomen toen hy dien ochtend zoo +geduldig stond te wachten buiten de glasdeur. Wilkens onderrichtte hem +met ’n pedanterie die moeielyk te beschryven is, omdat gelaat, +houding, stembuiging, jazelfs ’t heen-en-weer schuiven van +z’n bril, daarby zóó groote rol speelden dat Wouter +zich alweer zeer bezwaard voelde onder ’t gewicht van den nieuwen +kursus.</p> +<p>—Dit is... de kelder. Doch ik zou je maar raden <i>Magazyn</i> +te zeggen, want ’n jong-mensch moet altyd... bescheiden zyn in +z’n uitdrukkingen. Voor jonge-lieden is bescheidenheid ’n +hoofdzaak, en dus... magazyn!</p> +<p>—Magazyn, stamelde Wouter.</p> +<p>—Juist! Ma...ga...zyn! Zóó is het! Alle deze +goederen zyn... koopmansgoederen, en alles ligt—gelyk je +ziet—op plankjes. Dit doe ik aldus... om de vochtigheid, want... +de vloer is vochtig. Let daar wel op, en geef acht dat je nooit +’n stuk op den vloer legt... nooit ofte nimmer!</p> +<p>—Dat zal ik nooit doen, m’nheer!</p> +<p>—Zeer wel! Maar de goederen die op deze tafels liggen... leg +ik niet op plankjes, gelyk je ziet. Want... ze liggen op tafels. Dit +begryp je-n-immers wel? <span class="pagenum">[<a id="pb178" href= +"#pb178" name="pb178">178</a>]</span></p> +<p>—O ja, m’nheer!</p> +<p>—Juist! Al deze goederen ontvang ik uit Engeland, namelyk uit +Manchester. Kan je dit onthouden?</p> +<p>—Uit Manchester, in... Engeland, m’nheer!</p> +<p>—Precies! Ze zyn els-breedte, en meten acht-en-twintig +<i>yards</i>. Nu moet je weten hoe lang een <i>yard</i> is. Onthoud dit +wel: drie <i>yards</i> zyn vier ellen. Onthoud dit goed! Indien je een +behoorlyk zakboekje hadt, zou je ’t kunnen opschryven. Een +jong-mensch moet altyd trachten iets te leeren. Drie <i>yards</i> maken +vier ellen, dit moet je goed onthouden.</p> +<p>Wouter knikte zoo hard hy kon dat-i altyd z’n best zou doen +alles goed te onthouden. Het diepzinnig onderricht werd voortgezet.</p> +<p>—De vyf-kwarts katoenen, anders gezegd: de katoenen van +vyf-kwart-el breed, voor-zoo-ver ik die laat komen uit Manchester, zyn +slechts vier-en-twintig <i>yards</i> lang. Dit maakt dus ’n +verschil. En de zwitsersche katoenen, die ik laat komen uit +Mühlhausen in den Elsas...</p> +<p>Hier had-i byna gezegd “een groot land, waarvan myn schoonzoon +konsul is.” Maar hy bedacht zich:</p> +<p>...in den Elsas alzoo. Nu—let wel op!—die stukken hebben +geen vaste maat. De maat staat er op, gelyk je ziet, niet waar? +Zoo’n papiertje draagt de benaming van: etiket... +<i>e...ti...ket</i>! Onthoud dit wel! En het cyfer dat daarop genoteerd +staat, beteekent wat men noemt: <i>aunes</i>. De lengte van het stuk +in... <i>aunes</i>. Kan je dit onthouden?</p> +<p>—<i>Aunes</i>, m’nheer!</p> +<p>—Zeer wel! <i>Aunes</i> of fransche ellen, want... ’n +fransche el noemt men: <i>aune</i>. Elf van die <i>aunes</i> maken +zestien ellen. Ook dit moet je trachten te onthouden. Wie zich bekwaam +wil maken voor den handel, moet... alles onthouden. Je begrypt dit toch +wel?</p> +<p>—Ja, m’nheer!</p> +<p>—Anders moet je ’t opschrijven. En hier in den hoek +hangen eenige vegers... je ziet ze wel?</p> +<p>—Ja! m’nheer!</p> +<p>—Daarmee... veeg je. Je veegt er de goederen mee... als er +stof op ligt. Er is hier in den kelder—zeg jy maar altyd +<i>magazyn</i>—altyd iets te doen, vooral voor ’n jong +mensch die wat leeren moet. Zie... zóó veeg je!</p> +<p>En de leeraar streek met ’n stoffer ’n paar maal over +’n stapeltje om Wouter goed te toonen hoe die bezigheid behoorde +verricht te worden. Ik kan verzekeren dat de les terstond begrepen +werd, en dat de leerling nu op-eens “den handel” weer wat +minder moeielyk begon te vinden.</p> +<p>—Dan moet je-n-altyd zorgen dat de stukken behoorlyk recht op +elkaar gestapeld liggen... ziehier, de ruggen in één lyn, +en ook de zyden aan den lichtkant gelyk, want... soms zyn ze niet +precies van dezelfde breedte, zieje. Daarop moet je dus wel letten, +want ’n jong-mensch... <span class="pagenum">[<a id="pb179" href= +"#pb179" name="pb179">179</a>]</span></p> +<p>—Ja, m’nheer!</p> +<p>—En nooit ’n stuk kreukelen...</p> +<p>—Neen, m’nheer!</p> +<p>—Of in ’n verkeerden plooi leggen...</p> +<p>—Neen, m’nheer!</p> +<p>—Nu zullen wy eens naar de zolders gaan. Want... ook daar is +altyd wat te doen voor ’n jong-mensch.</p> +<p>Wilkens geleidde nu Wouter naar de hoogere verdiepingen van ’t +huis waar-i hem met gelyksoortige lessen besproeide. De daar +opgestapelde koopwaren bestonden gedeeltelyk in goederen die zich door +de mode hadden laten voorbystreven, gedeeltelyk in <i>diemet</i> en +<i>shirting</i>, waarin Wilkens “zoo byzonder knap” was. Hy +weigerde evenwel iets van z’n uitstekende bekwaamheid in dit +“vak” aan Wouter overtedoen. Dit kon, zeide hy, zoo niet +te-hooi en te-gras geschieden in ’n paar uur sprekens. Dat het +hem op z’n zestigste jaar nu gelukt was eenigszins op de ware +hoogte van de zaak te komen, moest men als ’n zeer byzonder geval +beschouwen. Hy had van der jeugd af “aanleg gehad voor witte +goederen”, maar dat gebeurt niet alle dagen. Gewone menschen +brachten ’t nooit zoo ver.</p> +<p>Wouter hoorde deze mededeelingen met betamelyken eerbied aan, en zou +er nog meer van genoten hebben als-i niet zoo’n honger gehad had. +Toch maakte hy met groote belangstelling kennis met het windas. +Dàt was alzoo de mekaniek die Flip de kruier—en de +jongeheer Pompile... met heel veel kussens—wilde toepassen op de +verhuizing van de dikke mevrouw uit de zykamer! Vanwaar toch dat deze +eenvoudige toestel die door ’t straalverschil van twee assen +overbodige snelheid omzet in vereischte kracht, hem aanlokkelyker +voorkwam dan al die stapeltjes katoen en die vegers? Hy zag terstond +in, hoe sterk de hand werd die het touw hield waarmee men ’t +groote rad in beweging bracht, en dat de last die slechts invloed had +op de dunne spil... waarachtig, men zou lust krygen met zoo’n +ding de dikste mevrouw van de wereld het venster uittehyschen. Hy +hoopte dat-i zoo’n exercitie beleven zou, en vooral dat men hem +vergunnen mocht meetedoen. Wel zou zoo’n <i>prouesse</i> +zonderling afsteken by de dozynen schakingen en venster-evakuaties +waarvan hy ooit gelezen had, maar...</p> +<p>—En met de kisten die dáár staan, hebje je niet +te bemoeien, zei Wilkens. Dat zyn oude papieren die je niet aangaan... +volstrekt niet! ’n Jong-mensch moet zich nooit bemoeien met iets +dat hem niet aangaat. Leer dit van my. En nu zullen wy de zolders +sluiten. Ziehier, op dezen sleutel... één keep. Dit +beteekent: eerste zolder. Op dezen sleutel zyn twéé +keepen, hetwelk tweede zolder beduidt. Eén keep: <i>eerste</i> +zolder, twee keepen: <i>tweede</i> zolder... onthoud dit wel!</p> +<p>—Ja, m’nheer!</p> +<p>—En nu zal ik je de zaal toonen. Gedurende den winter +gebruiken wy die zaal niet. Maar des zomers, als de familie naar-buiten +is, <span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name= +"pb180">180</a>]</span>dan gebruiken wy de zaal, en wel voornamelyk +voor de nieuw-aangekomen goederen van ’t voorjaar. Tracht dit te +onthouden.</p> +<p>—Ja, m’nheer!</p> +<p>De fameuze “zaal” werd nu voor Wouter’s blikken +ontsloten. Het was een niet zeer groote kamer die er met al haar +“hoezen” uitzag als ’n blindeman of ’n +hospitaalgast. Zelfs ’t vloertapyt was tegen onbescheiden blikken +en ruwe zolen beschermd door ’n grof-linnen kleed. En ook van +<i>Mozes by ’t Doornbosch</i> was niets te zien dan ’n +bleek vierkant skelet. Wouter beging de vermetelheid er naar te vragen +...</p> +<p>—Dàt zyn nu eigenlyk je zaken niet! We zyn hier niet om +schilderyen te zien maar om te werken! ’n Jong-mensch moet zich +door niets laten aftrekken van z’n werk! Leer dit van my.</p> +<p>—Ja, m’nheer!</p> +<p>—Je ziet wel dat ook hier alles op plankjes ligt? Zoodra er nu +op ’t kantoor, of in den kelder, of op de zolders niets voor je +te doen is—want ’n jong-mensch moet nooit ledig +zyn!—dan ... veeg je hier ’t stof van de stapeltjes, en je +legt alles behoorlyk te-recht ... alles altyd op z’n eigen +plaats, begrypje? En kom nu weer mee naar ’t kantoor. Ik zal eens +met m’nheer spreken over de uren van je gaan en komen, want ik +ben zeer op orde gesteld, en jonge-menschen moeten zich daaraan +wennen.</p> +<p>Er werd bepaald dat de nieuwe jongste-bediende “zoo tegen +drieën eventjes naar huis zou gaan om te eten.” En +zie—goddank!—’t wàs byna drie uur, want Dieper +sloot z’n boeken, en trok z’n jas aan “voor de +beurs.”</p> +<p>Nooit richtte Wouter met zooveel genoegen z’n schreden +huiswaarts, ’t Scheen er op toegelegd hem te doen beseffen dat er +kringen bestonden waar even nietige denkbeelden heerschten als in den +zynen. Moest-i genezen worden van den waan dat geen levensopvatting die +van zyn familie kon te-boven gaan in dorheid? Met zeker genoegen zag-i +z’n moeder en zusters weer, en vooral Leentje die hy met nog meer +uitvoerigheid dan de anderen, deelgenoot maakte van alles wat-i ervaren +had. Ze vond het zeer belangryk. Ook de overige leden van ’t +huisgezin namen begeerig deel aan de byzonderheden uit ’n wereld +die hun zoo nieuw was. Niets evenwel trof juffrouw Pieterse +zóó, als de moeielykheid van ’t binnen-komen. Ze +vond daarin iets plechtigs.</p> +<p>—Zieje wel, dat’s wat ànders dan by zoo’n +slechten kerel op den Zeedyk, waar ieder maar uit- en inliep! Deze +menschen zullen niet op-eens naar Amerika gaan met ’n andermans +geld! En ... ’n <i>zaal</i>, zegje? En ... ’n +<i>Buiten?</i> En ... eigen rytuig? Ga jy nu eens naar de komeny, +Leentje, en zeg dat de jongeheer ... neen, praten hoeft niet, maar +’t is toch ’n heel ding voor Wouter, nu by menschen te zyn +die ’n zaal in hun huis hebben, en ’n buitenplaats, en +eigen rytuig! Als je <i>nu</i> goed oppast, Wouter ... jongen, je kost +is gekocht! Wat zeg jy, Stoffel?</p> +<p>—Ja, moeder. <span class="pagenum">[<a id="pb181" href= +"#pb181" name="pb181">181</a>]</span></p> +<p>—Want ... weetje wat ik zeg? Ik zeg: ’n mensch is +sterfelyk. En die oude heeren ... voor hoe oud zag je ze wel aan, +Wouter?</p> +<p>—Moeder, die boekhouder was wel ... zestig. En m’nheer +Wilkens ook zoowat.</p> +<p>—Zieje! Ik zeg dat ’n mensch sterfelyk is. En daarom ... +niet dat ik naar iemands dood verlang, gut né, maar ... als +iemand zóó oud is ... wat zeg jy Stoffel?</p> +<p>—Zeker, moeder.</p> +<p>—Als zoo’n boekhouder nu eens ... sterft—want alle +menschen zyn sterfelyk, niet waar?—dan zou Wouter best ... denk +eens, Trui?</p> +<p>—Ja, moeder, waarom niet?</p> +<p>—En die m’nheer Willekes ook. Waarom zou Wouter geen +boekhouder kunnen worden, of ... m’nheer Willekes?</p> +<p>—Né, moeder. Uwe meent ...</p> +<p>—Nu ja, wie kan altyd zoo op z’n woorden letten! Ik meen +maar dat z’n kost gekocht is. Wat kan ’n mensch meer +verlangen? En dat zakboekje ... gut, ik heb er graag alles voor over. +Kyk jy maar eens onder je bedstee, Stoffel, daar staat ’n mand +met ouwe prullen, en je zult er zeker nog wel de brieventasch vinden +van je vader. ’t Wurm kan er alles in opschryven wat-i onthouden +moet, en ... z’n kost is gekocht ... dàt wil ik maar +zeggen! Je mag nu wel ’ns gauw naar m’nheer Calb gaan om +hem te bedanken, Wouter! Want hy is de man die je gerekommandeerd +heeft. Hoe zou je ’t vinden, als je-n-eens ’n vers maakte +op z’n verjaardag?</p> +<p>Dit voorstel werd door Stoffel afgekeurd. Hy bracht z’n moeder +onder ’t oog dat m’nheer Calb waarschynlyk, als “man +van zaken” ’n hekel aan verzen hebben zou, en dat ’n +stoffelyk bewys van erkentelykheid ... ’n anker wyn, of ’n +vaatje boter ...</p> +<p>—Wel zeker, juist wat ik altyd zeg. Denk er aan, Wouter, dat +je m’nheer Calb ’n vaatje boter zendt, of ’n anker +wyn ...</p> +<p>—Gut, moeder!</p> +<p>—Nu ja, als je ... boekhouder bent, meen ik. Want ... alle +menschen zyn sterfelyk, en als die m’nheer Dieper zoo klaagt over +zinkings ... jongen, je kost is gekocht!</p> +<p>Door deze en dergelyke zottepraat liet zich alweer Wouter’s +week gemoed biologeeren tot ingenomenheid met z’n nieuwen +werkkring. De niet zeer aangename indrukken die hyzelf had +opgevangen—zonder ze evenwel te durven verheffen tot +meening—werden uitgewischt of overpleisterd door ’t +waarnemen van de belangstelling zyner verwanten. Hy voelde dat er iets +van den eerbied dien men z’n “patronen” toedroeg +afstraalde op hemzelf, en dit liet-i zich zonder protest aanleunen. +Z’n moeder vroeg hem uitdrukkelyk of-i de saus naast of over +z’n aardappelen hebben wou, want:</p> +<p>—Denk eens, Trui, ze hebben ’n zaal in-huis! En jy, +Wouter, eet nu wat dóór, en ga ’r gauw weer heen. +Je moet nu ook van jouw kant toonen dat wy óók +by-de-handte menschen zyn, wat zeg jy, Stoffel? Gut ... ’n eigen +<i>Buiten!</i> <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name= +"pb182">182</a>]</span></p> +<p>Wouter deed wat-i kon om zich aan doorschynende aardappels en yver +te verslikken. ’t Sloeg ter-nauwer-nood halfvier, toen-i zich +alweer ’n weg baande door de stokvischbeukery en langs de +olievaten, en ’n oogenblik daarna stond-i hygend en dienstbereid +op ’t kantoor. Buiten den ons reeds bekenden stank en de naakte +Merkuriussen, vond hy daar niemand ... ja toch, daar hingen de +zoldersleutels! Eén keep: éérste zolder, twee +keepen: twééde zolder! Hy schreef deze kenmerkende +byzonderheden op in de vaderlyke portefeuille die inderdaad onder +Stoffel’s bed opgedolven, en meegegeven was met de dringende +aanbeveling tot vlytig gebruik. Ook maakte hy dat eerwaardig zakboek +tot vertrouwde van de andere studiën waaraan hy dien dag een zoo +groot gedeelte van z’n onsterfelyke ziel besteed had. Mochten +misschien eenmaal de lagen stof en asch waaronder de Pietersburg +begraven ligt, worden weggeruimd, dan zal de onderzoekende nazaat nog +altyd kunnen te weten komen hoe lang in Wouter’s eeuw ’n +stuk engelsch katoen van acht-en-twintig <i>yards</i> was. En waar de +<i>Pleiers</i> woonden, en de <i>Kruckers</i> en de <i>Hockers,</i> en +de juffrouw die borduurpatroontjes verkocht. En hoe ’t +<i>Buiten</i> heette van m’nheer Kopperlith. En aan welk soort +van vensterglas men de woning van den jongeheer Pompile herkennen kon. +Waarlyk, men zou lust krygen z’n eigen achterkleinzoon te wezen, +om tegenwoordig te zyn by ’t opgraven van al die historische +byzonderheden. Moet de lezer niet erkennen dat reeds hierom alleen de +annalen van Wouter’s ontwikkelingsgeschiedenis alle andere +jaarboeken in belangrykheid te-boven gaan? Wortelen ze niet—als +de magazyn-kelder en ’t karakter van de firma Ouwetyd & +Kopperlith—tot ver beneden de riolen? Zullen ze niet eenmaal met +hun gebladert van zóóveel vellen druks den schedel +belommeren van den laatsten sterveling die over ’n eeuw of wat +onfatsoenlyk genoeg wezen zal om nog hollandsch te verstaan? O, zeker, +ik hoor in m’n verbeelding reeds ’t verdrietig geroep van +<i>Pompeji</i> en <i>Herculanum:</i> berg, val weer op ons, herbesluier +onze aangezichten met schaamtedekkende lava ... we bezitten niets ... +niets ... niets dat waard is het daglicht te aanschouwen na de +heuchelyke verryzenis van Wouter’s <i>agenda!</i></p> +<p><i>Zóó</i> zal ’t wezen! Maar even als de +romeinsche bakker wiens achtvakkige broodjes thans zoo’n eervolle +plaats innemen in ’t muzeum te Napels, niet weten kon dat +z’n bollen een zoo schitterende karrière maken zouden, was +ook Wouter onbewust van ’t belang der byzonderheden die hy in +z’n zakboek noteerde. Hy volbracht de hem opgedragen plicht met +z’n gewone konscientie, maar hoe onmeetbaar groot ook het aantal +was van de wetenswaardigheden waarmee men zoo edelmoedig z’n +geest verrykt had, er kwam toch ’n eind aan z’n opschryven. +Hy begon zich te vervelen, en leed onder zekere verdrietige +verwondering over de leegte van z’n gemoed. De romantiek +was—niet voor altoos, waarschynlyk—uitgeput, geknot, +bedorven. Z’n worsteling tegen afdwalen begon vrucht te dragen, +en de inspanning om zich met niets te bemoeien <span class= +"pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span>dan +wat allernaast voor-de-hand lag, werd te pynlyker omdat hy met de hem +ingegeven nietigheden z’n ziel niet voeden kon. Hy was als iemand +dien men ’t ongezond gebruik van snoepery verbiedt, en in-plaats +daarvan op zaagsel en zand onthaalt, of ... op niets. Tien, twaalfmaal +las-i de opgeschreven zaken over, en vond zich in-staat ’n +prachtig examen afteleggen in alles wat hem dien dag geleerd was. Maar +juist hierom vreesde hy dat hem iets mocht ontgaan zyn, want ... want +... hy voelde zich door den last zyner nieuwe wetenschap niet bezwaard +genoeg naar z’n zin. Ze moest zwaarder drukken, meende hy, en +daar dit toch maar niet het geval worden wilde, lag de schuld zeker +weer aan hem! Ook z’n moeder zei altyd dat er nooit iets van hem +komen zou ... óók! Want hyzelf begon weer—en voor +’t eerst niet!—’n dergelyke meening te koesteren, als +’t koesteren heeten mag, dat smartelyk wroeten in eigen borst! +Die m’nheer Wilkens was ’n dóórkundig man met +grys haar en ’n bril en over de veertig jaren kantoordienst. Wat +<i>die</i> man hem zoo majestueus verkondigde, moest wel belangryk +wezen, en de moeite van zware inspanning waard. Maar hy, botterik, +bleef maar altyd niet begrypen waarop-i z’n inspanning moest +toepassen? De pogingen om de moeilykheden van z’n nieuwe pozitie +te overwinnen, ketsten af op de onwetendheid waarin toch die +moeieiykheden bestonden? Had-i misschien, om niet al te ver beneden +z’n plicht te staan, terstond moeten weten hoeveel fabrieken en +inwoners er waren in Manchester? Och, als m’nheer Wilkens hem dit +maar had gelieven te vragen! Dan zoud-i z’n onwetendheid ... niet +geloochend hebben, o neen ... maar tevens beloofd morgen bekwamer te +zullen zyn. Dan had-i geweten wat er vandaag aan hem gehaperd had, en +hy kon zich beteren!</p> +<p>Men ziet dat de oorzaken van Wouter’s verdriet van ongewonen +aard waren. Misschien ook ligt de ongewoonheid slechts in myn poging om +ze te verklaren, want omstandigheden als waarin hy verkeerde, moeten +wel eens meer voorkomen. By elke gelegenheid namelyk, waar naïve +hoogmoed samenvalt met even naïve nederigheid. En dit was hier +’t geval. Wouter voelde aandrang tot het allerhoogste, en zou +weldra geklaagd hebben dat er niet iets moeielykers te bereiken was dan +dat. Maar tevens meende hy dat ieder boven hem stond, en dat hy +’t nooit zoo ver zou brengen als de laagste. Op buitengewone +inspanning was-i dus voorbereid. Al de moeite die hy zich ooit had +getroost om meester Pennewip—en z’n dame!—te voldoen, +zou kinderspel wezen by de taak om ’n bruikbaar jongste-bediende +by de heeren Ouwetyd & Kopperlith te worden. Hiertoe dus had-i +zich—vooral na de vermaningen van dien goeden dokter +Holsma—met byzonderen yver aangegord. Geen “som” uit +z’n <i>Strabbe</i>, meende hy, vereischte zóóveel +scherpte van oordeel, zóóveel nauwgezetheid, +zóóveel geheugen, als er zou te-pas komen in dien nieuwen +werkkring. En zie, den eersten dag den besten reeds, vatte hy alles wat +men hem zei met ’n gemakkelykheid die hem angstig maakte. Daar +moest méér achter zitten! Men <span class= +"pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name= +"pb184">184</a>]</span>wordt geen Ouwetyd & Kopperlith of jongeheer +Pompile—noch zelfs ’n behoorlyke m’nheer +Wilkens!—zonder àndere draken verslagen te hebben dan men +onzen kleinen St. Joris te bestryden gaf! Eén keep ... +twéé keepen ... zeker, begrypen is genot—en dit was +vooral in Wouter het geval—maar juist hierom wantrouwde hy +’t genot dat hem ditmaal wat al te gemakkelyk gemaakt was. De +gedachte dat z’n leermeesters met hun gryze haren, brillen, +<i>Buiten’s</i> en eigen rytuig, beneden hem stonden, kwam niet +in hem op. Het was hem als iemand wien men te raden geeft: +“<i>wat ’n stokjen is, aan de uiteinden bestreken met +zwavel</i>” en die vreest ’n domheid te zeggen door +zoo’n ding te verklaren voor ’n zwavelstokje. De hem +aanbevolen plicht om zich steeds te bemoeien met het naastbyliggende, +was hem op ’t hart gedrukt met ernst, en als iets belangryks ... +waarin—dit zeg <i>ik</i> er by—Holsma volkomen gelyk had! +Deze plicht moest dus moeilyk te vervullen zyn, meende Wouter, doch +slechts ten-deele was dit juist gezien. Moeielyk zou ze hèm +vallen, omdat-i de neiging had wat vèr en wat hoog te staren, +maar op-zichzelf beschouwd zou ze byna doorgaans uit ’n +aaneenschakeling van nietigheden bestaan. En juist dit bracht hem in de +war. Zonder de nederigheid die hem eigen was, zoud-i—na ’n +oefening van zeer weinig weken alles geleerd hebben wat er op dat +kantoor te leeren viel—zeer spoedig z’n hoogwyze patroon +met hun lappenkraam hebben geminacht. En zonder z’n hoogmoed ware +hy volkomen tevreden geweest met hun goedkeuring zyner vorderingen in +’t vlytig bestudeeren van niemendal. Wat Oxenstiern aan z’n +zoon schreef over de onbeduidendheid der hefboompjes waarmee de wereld +geregeerd wordt, is van volle toepassing op ’n tal van andere +zaken, en niet het minst op kringen als waarin thans onze Wouter was +aangeland. Toch zou men verkeerd doen ’t wanstaltig huwelyk zyner +ziel met ’n omgeving van zóó laag standpunt, in +<i>alle</i> opzichten te betreuren. Juist zùlke aanrakingen, en +niet boekerige heldenfeiten, leveren de ware vuurproef. De tyd moest +komen dat Wouter zeggen kon ... niet: “ik ben <i>niets,</i> want +ik werd gesmoord in den lappenwinkel van de heeren Ouwetyd & +Kopperlith!” maar: “zie, hoe ook bedolven onder de modder +van misdadige gewoonheid ... ik bleef myzelf, en heb me tot <i>iets</i> +weten te maken.” Ik behoef hier immers niet bytevoegen dat dit de +ellendelingen niet verschoont, die ’t kind aan deze vuurproef +onderwierpen? ’t Was hùn doel waarachtig niet, onzen +Wouter tot mensch te maken!</p> +<hr class="tb"> +<p>Hy verveelde zich, en voelde verdrietige verwondering over de leegte +van z’n gemoed. Naastbyliggende plicht doen? Als-i eens naar den +zolder ging—twee keepen: den twééden!—om te +vegen, en op z’n gemak dat belangwekkende windas te bekyken?</p> +<p>Zóó gedacht, zoo gedaan! Hy was recht grootsch dat-i +den weg naar-boven wist, en toen hy op de trap de meid ontmoette, die +hem zoo onheusch-officieel had afgewezen aan de boven-voordeur, gunde +hy zich de weelde van eenig gerammel met de sleutels, niet zonder +<span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name= +"pb185">185</a>]</span>’n zegevierend blikje dat zeker zeggen +wilde: je ziet, ik bèn er, en wel in dienst!</p> +<p>Zoo’n windas is ’n aardig ding. Er zitten gedachten in, +en Wouter wist ze ’r uittehalen.</p> +<p>—Die dikke mevrouw is zeker tweehonderd pond zwaar ... de +<i>fauteuil</i>, twintig ... de kussens ... hm ... stellen wy voor +alles en alles ... tweehonderd-vyftig pond. Ik weeg maar tachtig, denk +ik. Als dus die dikke mevrouw en ik tegenover elkaar hingen aan +’n gewonen takel, zou ze <i>my</i> ’t zoldervenster +uithyschen, in-plaats van ik háár uit die zykamer. Maar +als ik háár gewicht oprol om die dunne spil, en ikzelf +wentel dat groote rad ...</p> +<p>Hy hoorde sloffen op de trap. ’t Was Gerrit, die eens kyken +kwam wie er naar den zolder gegaan was.</p> +<p>—Ah zoo! Ben jy ’t Pieterse. En wat doe je daar?</p> +<p>—Ik ... veeg, zei Wouter.</p> +<p>—Zoo? Nou, als je zóó yverig blyft, zal je gauw +slyten, jongen!</p> +<p>—Maar m’nheer Wilkens heeft gezegd ...</p> +<p>—Wullekes is ’n gek. Maar ... wil je vegen, goed! Veeg +maar! En wat veeg je-n-al zoo?</p> +<p>—De stof van de stapeltjes ...</p> +<p>—Daar ligt geen stof op! En al lag er stof op, wat doet dat er +toe? En al deed het er wat toe, wat helpt het of je die van den eenen +stapel op den anderen veegt, hè? Je doet monnikenwerk, wat ik je +zeg!</p> +<p>—Gut!</p> +<p>—Ja, monnikenwerk! Je moet niet alles zoo letterlyk opnemen +wat die Wullekes je zegt. Hy schiet met ... varkensvleesch, weetje?</p> +<p>—Hè!</p> +<p>—Dàt doet-i! Ik dacht het wel dat je zou luisteren naar +dien windmaker, en toen ik iemand naar-boven hoorde gaan met de +sleutels—want ik zat in de keuken, omdat ik styf van rimmetiek +ben—toen begreep ik dat jy ’t was. Want er kon niemand +anders op ’t kantoor wezen. Die Wullekes heeft je zeker niet +gezegd dat we-n-in den komkommertyd zyn, en dat je zoo’n haast +niet hoefde te maken met terugkomen? Hyzelf komt eerst zoo tegen zessen +even kyken, en nu hy weet dat er iemand is om de boodschappen +aantenemen, zal-i nog later komen, of misschien in ’t geheel +niet. En de jongeheeren zyn uit ... om ’t mooie weer, weetje? Je +moet de zaak niet zoo zwaar opnemen, jongetje! Dan ga je-n-er onder +door! Je neemt me-n-ommers niet kwalyk?</p> +<p>—Gut neen! Maar ik wou zoo gaarne ... m’n plicht doen, +m’n naastbyliggende plicht, weetje?</p> +<p>—Dáár heb ik nu zoo, wil ik maar ’ns +zeggen, geen verstand van. Ik zeg maar dat het schande-n-is dat +ze-n-’n jong borssie als jy zoo’n heelen dag op dat muffe +kantoor laten zitten. Ik zeg ... ’t is wind en ’n engelsche +<i>notting!</i></p> +<p>—Hè, Gerrit, ik ben den halven ochtend op-straat +geweest!</p> +<p>—Ja, ik hoor dat je veel boodschappen hebt gedaan voor den +<span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name= +"pb186">186</a>]</span>jongeheer Pompile. Nou, dat pleizier kan je +dikwyls hebben! Hebben ze je-n-al gezegd dat je naar de post moet, alle +morgens, om den briefbesteller optewachten? Dat ’s ’n +baantje voor jou, je zult het zien! ’t Zal je stuivers kosten +voor ’n borrel! Want als je dàt niet doet, kryg je de +brieven niet. Ze zyn te gierig om <i>droddebot</i> te betalen ... +vyf-en-twintig gulden in ’n heel jaar. Daarvoor kan jy dan staan +blauwbekken in de kou ... als ’t winter is, meen ik. Zeg eens, +heeft Dieper je-n-al gesproken over inkasseeren? Want ... als ik styf +van rimmetiek ben, komt dat voor je rekening. En ... als je niet handig +bent met geld, kan dat baantje je veel kosten. Je begrypt wel ... wat +er te-kort komt, leg je-n-er by. Ja, ja, je moet niet denken dat je +hier voor je pleizier bent! Ik heb hier al prinsjesdagen beleefd in +alle saizoenen van ’t heele goddelyke jaar, en daarom ... nu ben +ik styf van ’t rimmetiek. ’t Kan je-n ook gebeuren. Zoodat +ik maar zeggen wil dat je-n-in de komkommerdagen niet zoo yverig hoeft +te wezen. Je bent immers ook maar ’n loontrekkend dienaar, net +als ik, niet waar, en zult dus ook niet graag meer doen dan noodig is? +Geen mensen die er je voor dankt, jongen, en wie z’n eigen +doodwerkt, wordt onder de galg begraven. Komaan, laat dat vegen nu maar +blyven. O, als je alles doen zou wat die Wullekes je zegt ... nou!</p> +<p>Als ys viel deze zonderlinge Gerritsche filosofie onzen Wouter op +’t gemoed. Beschaamd sloot-i den zolder, en begaf zich naar +beneden met Gerrit, die hem verzocht niet te verklappen dat-i op den +bovensten zolder geweest was. Want, zeid-i:</p> +<p>—Dan sturen ze m’n op boodschappen uit. En daar ik styf +van rimmetiek ben ... kyk, m’n duim is er krom van, en dus ... +loopen kan ik niet, dat zieje wel!</p> +<p>Op ’t kantoor gekomen, sloeg de knecht ’n klein register +op, waarin de vervaldagen van wissels en acceptatien genoteerd +stonden.</p> +<p>—Zieje, juist wat ik dacht! Morgen is er ’n smerig +papiertjen in den Jodenhoek. Nu, dáár zal je pleizier van +hebben! Die smous zal wel gauw merken dat je-n-’n onnoozel +bloedje bent, want ... je ziet er naar uit. Als je-n-er beneden den +daalder afkomt, mag je van geluk spreken. Daar komt waarachtig Wullekes +al ... zeker heeft z’n vrouw hem de deur uitgejaagd, maar zy is +even mal als hy, met ’r prinsessen. Ze heeft ’reis in den +Haag ’n prinses gezien, en daarvan praat ze-n-altyd. Allemaal +wind en ’n engelsche <i>notting</i>. Die Wullekes ... hoor eens, +als-i naar me vraagt ... zeg maar dat je niks van me weet, en dat ik +styf ben van rimmetiek, weetje, want ... ik ga na de keuken om +m’n kommetje thee te drinken, ’t Zal wel koud wezen, maar +... ik moest toch ’reis even zien wie daar na ’t zolder +liep. Jawel, hy is het ... dat kan ik altyd precies hooren aan ’t +openhalen van de achterdeur. Hy heeft ruimte noodig voor ’n heel +peloton ... ik ben serjant geweest, weetje, by de Burgerwacht in +<i>anno</i> zooveel!</p> +<p>En Gerrit vertrok. Z’n zonderlinge toespraken hadden dit +goede, <span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name= +"pb187">187</a>]</span>dat Wouter—zooals de lezer +misschien—er niet veel van begreep, en dus iets te denken kreeg. +De vreemde opvatting van plicht, die den ouden knecht ... iets minder +van andere knechts onderscheidde dan wenschelyk was, verraste hem. +<i>Droddebot?</i> Wat’s dàt voor ’n ding? En: +’n “smerig papiertje” dat hem ’n daalder zou +kunnen kosten ... wat kon dit zyn? Vanwaar zou die daalder komen? Waren +dàt de emolumenten van z’n nieuwe betrekking? Heel gaarne +had-i m’nheer Wilkens om inlichting gevraagd, doch sedert +z’n struikelen over <i>Mozes by ’t Doornbosch</i> durfde +Wouter dat grimmig orakel niet naderen. Bovendien, hy werd weer aan +’t plakken van gekleurde lappen op karton gezet, en dezen arbeid +legde hem Wilkens met zooveel vertoon van stichtelyken ernst op, dat hy +’t niet waagde iets anders aanteroeren. Hy plakte z’n +lappen, en zweeg en mymerde, en betreurde z’n boeken op den +<i>Zeedyk</i>. Nog ’n beetje maar, en Motto zou hem de gedaante +vertoonen van ’n beminnelyken beschermengel die wegzinkt in de +nevelen van ’t verleden, en waarnaar de verlatenen reikhalzend +maar vruchteloos de armen uitstrekt.</p> +<p>Armoediger kon ’t met z’n zieltje niet geschapen staan, +meent men?</p> +<p>Wie weet! Lieve-god, het wordt nog erger.</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke barbier en ’n +benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over vergankelykheid. +<i>Champollion.</i> Handel! Onverwachte verandering van ’n +geminacht briefje in wichtige dukatons.</p> +</div> +<p>Of ’t veroorzaakt werd door de byzondere styfte van z’n +rhumatiek, zou ik niet durven zeggen, maar zeker is het dat Gerrit +’n eigenaardige manier had om uitheemsche woorden onkenbaar te +maken. <i>Droddebot</i>, byv. beteekende: <i lang="fr">droit de +boîte</i>, hetgeen zooveel zeggen wilde als het recht om de +brieven te doen afhalen van ’t postkantoor. De briefbestellery +liet in Wouter’s tyd veel te wenschen over, en veel kooplieden +kozen dit middel om zich onafhankelyk te maken van den duur en ’t +gewicht der konfidentien die de zeer ongevleugelde boden des handels +gewoonlyk met hun straatvrinden hadden te wisselen. In dit alles zal nu +wel verandering hebben plaats gevonden, vooral omdat de post meermalen +daags aankomt. In Wouter’s tyd, en lang daarna nog, werd de +zoogenaamde “fransche, duitsche en engelsche post” slechts +twee keeren ’s weeks uitgereikt. Binnenlandsche brieven niet meer +dan eenmaal daags, en wel des-morgens. Het afhalen der brieven voor de +kantoren die <i lang="fr">droit de boîte</i> hadden, behoorde +natuurlyk tot de funktien van de “jongste-bedienden” +’n soort van loopjongetjes die in twee opzichten zeer typelyk +verschilden van leerlingen op ’n ambacht: ze leerden niets, en +waren onbezoldigd. Sommige handelshuizen wisten ’t misbruiken van +zulke knapen te verheffen tot systeem, door zóóveel +allerjongste bedienden te houden dat ze daarmee het bezoldigen van +’n volwassen persoon konden uitwinnen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name= +"pb188">188</a>]</span>Zoodra zulke jongeluî begonnen aanspraken +te gronden op ’t verouderen van hun doopceel, gaf men hun den +raad die ontkiemende eerzucht te doen wortelen in anderen bodem.</p> +<p>Wat nu overigens dat fameuze <i lang="fr">droit de boîte</i> +aangaat, er waren ook handelshuizen die wel gaarne hun korrespondentie +iets vroeger ontvingen dan de slakkengang der bestellers toeliet, maar +toch niet genegen waren de daarvoor vastgestelde belasting te betalen. +Ze vonden een probaten maatregel uit, hoofdzakelyk gegrond op de +overweging dat de tyd van ’n onbezoldigden jongste-bediende geen +geld reprezenteert. Zoo’n kereltje moest in de nabyheid van +’t postkantoor den besteller afwachten, en hem overhalen om de +voor “m’nheer” of “de heeren” aangekomen +brieven op-straat aan hem aftegeven. Dewyl nu noch het uur van aankomst +der post, noch de tot het sorteeren noodige tyd stipt kon bepaald +worden, moest hy om zeker te zyn dat de besteller hem niet ontsnapte, +altyd véél te vroeg daar wezen. Het natuurlyk gevolg +hiervan was dat zich elken ochtend ’n klubjen onrype +jongeheertjes naby ’t postkantoor samenkluwde. By slecht weer was +’t vereenigingspunt in de <i lang="fr">cour</i> der inrichting. +En hier werd veel kwaads uitgebroed, want in geen <i>stadium</i>, +klasse of ontwikkelingsperiode vertoont zich de Mensch leelyker dan in +die van halfwassen jongeling, ’n leeftyd die door de eene helft +van ons geslacht moest kunnen overgewipt worden. Al wat de Maatschappy +oplevert, staat in rang boven hen: kinderen, meisjes, vrouwen, mannen, +grysaards, jonkers, prinsen, soldaten, sjouwerluî, ambachtslieden +... alles, tot publieke vrouwspersonen toe. Zyzelf zyn de eenigen die +dit niet weten, en staan verbaasd als ’n wezenlyk mensch blyk +geeft van den misselyken indruk dien ze op hem maken.</p> +<p>Maar wèl had het moeten bekend zyn aan de heeren Kopperlith, +vader en zoons. En misschien wisten zy ’t. Maar dit belette niet +dat Wouter, toen-i den eersten avend van den belangryken handelsdag +dien ik trachtte te beschryven, verlof ontving om naar-huis te gaan, +van m’nheer Wilkens het bevel meekreeg, den volgenden morgen +voor-i op ’t kantoor kwam, zich aantemelden by m’nheer +Pompile “die hem zou onderrichten in z’n verplichtingen +omtrent de post.”</p> +<p>—Zieje wel, Stoffel, riep z’n moeder, ze hebben allerlei +voor hem te doen! Net zooals de dokter zei: ’n jong-mensch moet +veel werken. Precies wat ik altyd zeg. Veel werken is de boodschap. +Zorg nu vooral, Wouter, dat je-n-op je tyd daar bent, en laat vooral +die m’nheer ... hoe heet-i ook?</p> +<p>—M’nheer Pompile, moeder.</p> +<p>—Nu ja, de naam doet er niet toe. Ik meen maar dat je zorgt op +je tyd te wezen. Wat zou je-n-er van zeggen als je dat nu eens +opschreef?</p> +<p>—Ik zal ’t wel onthouden, moeder.</p> +<p>—Schryf ’t liever op. Waartoe dient anders je boek? Ik +heb ’t je dáárvoor gegeven, jongen!</p> +<p>Met of zonder opschryven dan, reeds om zeven uur schelde +<span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name= +"pb189">189</a>]</span>Wouter aan ’t huis met spiegelglas. De +meid zei dat m’nheer nog niet op was, en vergunde hem plaats te +nemen op de vloermat ... daar stond-i! Wie myner lezers weet hoe lang +’n minuut is? Nu, dàt wist de friesche klok die daar in de +gang Wouter stond gezelschap te houden met z’n tik ... tik, en om +de zooveel tikjes ’n zwaarder tik! Dan versprong de groote wyzer +als met ’n zenuwachtig schrikje, en met saaie volharding zette de +sekondeslinger z’n eentonige reis voort: aktie, reaktie, tik, tik +... die klok verveelde zich niet! En ’t ding stond op vier +zwarthouten ballen, en hoefde niet te verwisselen van zwaartepunt of +heup. Wouter wel. Dan rustte hy links, en dan weer rechts, dat is: hy +rustte niet. Men begrypt dat z’n naast-byliggende plicht niet +toeliet tegen den wand te leunen in ’t huis van z’n +patroon. Z’n enkels, knieën, heupen en ruggegraat ...</p> +<p>Tik, tik, zei de klok. Ja juist, zoo-iets voelde hy in al z’n +leden. Geen Demosthenes kon ’t juister uitdrukken.</p> +<p>Er werd gescheld. Met z’n gewone zucht om te helpen opende +Wouter de deur. De meid die niet zeer spoedig en zonder haast kwam +aansloffen, bedankte hem in ’t minst niet. Wouter mocht getuige +zyn van haar verzekering dat ze geen schuurzand noodig had—want +het was ’n trafikant in dit handelsartikel, die zich +aanmeldde—en dit verschafte hem wat afleiding. Hy hoopte dat men +nògeens schellen zou.</p> +<p>Waarlyk, dit geschiedde, en zelfs nog geen vol kwartier daarna. Een +melkboer! Deze verhaalde iets aan de meid over ’t weer, en +Sientje was van zyn gevoelen, maar zei er by dat mevrouw niet tevreden +was over z’n melk, waarop de man iets antwoordde. ’t +Onderhoud was ... zeer onderhoudend, maar voor Wouter wat kort. Tik, +tik, zei de klok weer.</p> +<p>Nog andere menschenvrienden kwamen by lange tusschenpoozen de +welsprekendheid van die klok afbreken, en Wouter had ze wel willen +kussen. Heel eindelyk schelde de barbier. Ook deze werd uitgenoodigd te +wachten tot “m’nheer òp zou zyn.”</p> +<p>—Dat doe-n-ik niet, zei de man. Ik kan al m’n andere +klanten niet laten wachten op één van ’n stooter in +de week!</p> +<p>En hy ging. Wat ’n brutale barbier! Zeker, ’t was +afkeurenswaardig, ’t Was ruw, ongemanierd ... o ja! Maar toch +betrapte zich Wouter op de verzuchting:</p> +<p>—Och, misschien zou ’t beter voor me zyn, barbier te +worden dan in den handel te blyven.</p> +<p>De ondankbare! Juist immers toen hy zich aan dezen wreveligen indruk +overgaf, vernam-i schreden van iemand die in ’t achtereind van de +gang de trap scheen aftekomen. De Heer was naby, of ... de jongeheer +Pompile toch. Hy vertoonde zich in z’n kamerjapon, en werd Wouter +gewaar.</p> +<p>—Ah ... zoo? Ja, juist! Je bent daar? Heel goed! Wilkens heeft +je zeker gezegd ... heel goed, heel goed! Weet je wat je doet? Je moet +zoo goed wezen ... even te wachten. <span class="pagenum">[<a id= +"pb190" href="#pb190" name="pb190">190</a>]</span></p> +<p>M’nheer Pompile verdween in de <i>suite</i>, en de klok was +weer aan ’t woord.</p> +<p>Had Wouter maar niet zoo’n pyn in z’n lenden gehad, hy +zou wel in-staat geweest zyn, gedachten te borduren op ’t kanevas +van dat eentonig geluid. Maar stoffelyke aandoening belemmerde hem in +’t aan-eenknoopen van z’n indrukken. Hy voelde zich suf en +machteloos, ’t Was om neertevallen.</p> +<p>Na slechts drie-kwartier kwam m’nheer Pompile weer tevoorschyn +uit de <i>suite</i>, waar-i ontbeten had. In ’t voorbygaan droeg +hy Wouter op, de goedheid te hebben even te wachten omdat-i zich nu +ging kleeden ... tik, tik!</p> +<p>Alweer ’n afleiding. De meid scheen in de <i>suite</i> +geroepen, want ze kwam haastig aanloopen, en opende de deur van dat +vertrek. Wouter mocht vernemen hoe mevrouw haar meedeelde dat er +vandaag ’n kanarievogeltje zou gebracht worden, en:</p> +<p>—Als ’t komt, Sientje, breng ’t vooral terstond +binnen!</p> +<p>Dit beloofde de meid. Wat moest nu Wouter bepeinzen? De +onafhankelijkheid van dien barbier had hem verlokt tot ’n +rudiment van weerspannigheid. Vorderde nu de konsekwentie dat-i verviel +in dolle yverzucht op dat bevoorrecht vogeltje? Misschien wel. +Zuinigheid op z’n aandoeningen zou misplaatst geweest zyn, al +ware het hierom alleen wyl ze van alles wat-i hier te zien en te +aanschouwen kreeg, het duurzaamst blyken zouden. M’nheer Pompile +is ter-zyner-tyd zoo goed moeten wezen te sterven. Ook zoo’n +kanarievogel leeft maar kort, en laat geen andere leegte na dan twee +duim kubiek in z’n kooitje. Het beestje had lang uitgetjilpt voor +Wouter de lessen van onafhankelykheid leerde ontberen, die hy nu +nog—ter-loops, maar gretig toch—opving van ’n +barbier. En ook deze chirurg is ter-ziele. Hopen wy dat de Hemel hem +niet gesloten bleef, omdat hy oorzaak was dat m’nheer +Pompile’s baard gevaar liep ’n dag langer te zyn dan anders +te verwachten is van zestien welgetelde duiten scheerloon in de week. +Zooveel namelyk bedroeg de “stooter” waarvan we zoo-even +iets vernamen als bydrage tot de Lukullische weelderigheid van den +jongeheer Pompile.</p> +<p>Al die dingen zyn dus weggewischt, uitgewreven, vergaan. En nog +steeds leven er gedachten van Wouter ... <i>aere perenniores!</i> +’t is mogelyk dat die klok nog altyd hier-of-daar z’n +tikkende loopbaan voortzet, en dat er nog altyd ’n huis staat met +vensters van spiegelglas, op de Leliegracht—deftige zy, +héél deftige zy—maar wat beteekent dit in +vergelyking met ’n hoofdstuk uit de zielegeschiedenis van +’n mensch? Huizen en klokken zullen voorbygaan, maar niet +voorbygaan zullen de uitvloeisels der gemoedsbitterheid van iemand die +daar de gelukzaligheid staat te benyden van ’n opgesloten +vogeltje dat terstond mocht binnenkomen als ’t zich aanmeldde. +Toch gis ik dat Wouter niets of niemand benydde. Hy was er te moê +toe, en werd te zeer bezig-gehouden door ’t spit in den rug.</p> +<p>Daar werd zoowaar de jongeheer Pompile weer zichtbaar, nog altyd +ongekleed. <span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name= +"pb191">191</a>]</span></p> +<p>—Zoo, sta je daar nog? Ja ... zoo ... hoor eens! Weet je wat +je doet? Je moet eens zoo goed wezen, gauw ’n barbier voor me te +halen.</p> +<p>Die lieve goeie Pompile! Hy vergunde Wouter zich eens te bewegen. +Deze vervulde z’n naastbyliggend plichtje met yver en +dankbaarheid. Toen-i het verlangde gevonden en binnengeleid had, nam-i +z’n vorig domicilie op de vloermat weer in, en verstond heel +duidelyk wat de klok zei:</p> +<p>—Zoo, ben je daar wéér? Ik ben er nòg ... +tik ... tik!</p> +<p>De installatie by ’t postkantoor geschiedde wel niet met +plechtigheid, maar toch met al de bereddering die de jongeheer Pompile +gewoon was toetepassen op de nietigheden waarmed-i zich gewoonlyk +bezighield.</p> +<p>—Kyk, je moet nu eens zoo goed wezen hier te komen staan, alle +morgens! En dan houd je ’t postkantoor in ’t oog. En als ze +dan uitkomen—de bestellers, weetje?—dan let je goed op. En +je loopt ze na. En je vraagt de brieven voor de heeren Ouwetyd & +Kopperlith. Maar je moet dat niet vragen hier vlak voor ’t +kantoor, want als de direkteur het ziet, dan worden ze gestraft ... +omdat het verboden is, weetje? Je loopt ze na, daar in die steeg, en +als ze je-n-’n fooi vragen, of ’n borrel—want dit +doen ze ... gemeen volk!—dan zeg je maar dat je ... neen, dan zeg +je niets. Of je zegt maar ... dat je de brieven vraagt voor de heeren +Ouwetyd & Kopperlith. Zóó moet je zeggen! En ’n +fooi? “Met nieuwejaar” kan je wel zeggen, maar zeg niet dat +ik ’t gezegd heb, want dan verwachten ze te veel. Onbescheiden +volk, weetje? Kyk, daar komen ze! Nu zal ik je wyzen wie onze buurt +heeft. Daar, dáár, die magere met z’n dikken neus +en slobkousen ... dàt is-i! Zeg hem dat-i nog pas gister +’n stuiver van me gehad heeft, en dat-i je de brieven geeft voor +de heeren Ouwetyd & Kopperlith, zóó moet je +zeggen!</p> +<p>Wouter liep den aangewezene na, en haalde hem weldra in. De man, die +hem niet kende, wees hem stug af. Maar de deftige m’nheer Pompile +stond op ’n afstand te wenken en te telegrafeeren, met dit gevolg +dat Wouter zich kon beschouwen als formeel voorgesteld aan den mageren +besteller met den dikken neus en de slobkousen. Er was inderdaad iets +aangekomen voor ’t huis Kopperlith. Deze of gene winkelier in een +der provincien scheen behoefte te hebben aan ’n krieuweltje. +Wouter kwam zegevierend met den brief aanloopen op ’t kantoor +waar-i ’t eerwaardig sanhedrin van z’n patroons reeds +vergaderd vond, Pompile meegerekend die, na ’t overseinen van +Wouter’s geloofsbrieven, zich gehaast had de gemeene steeg te +verlaten, welker duisterheid gewoonlyk het geknoei met die brieven +medeplichtig beschaduwde.</p> +<p>Onze jongste-bediende werd nu met de noodige aanbevelingen tot +“net werken” aan ’t kopieeren gezet van ’n paar +brieven. De jongeheer Pompile Kopperlith maakte gebruik van den +komkommertyd, om eenige debiteuren die wat achterlyk waren, aan +betaling te herinneren. ’t Een-of-ander genie uit den voortyd had +deze bezigheid <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name= +"pb192">192</a>]</span>vereenvoudigd door ’t vaststellen van drie +formulieren die elkander opvolgden in graden van nadrukkelykheid. +Formulier één: beleefd. De aanzuivering was waarschynlyk +den zeer geachten handelsvriend door ’t hoofd gegaan, en de +heeren O. & K. konden niet nalaten deze gelegenheid aantegrypen om +“uwe zoo byzonder vereerde firma” hiernevens ’n paar +stalen aantebieden van onbegrypelyk-pryswaardige diemet. Formulier +twéé: de—nog altyd eenigszins geachte—vriend +verloor uit het oog dat de pryzen <i>à comptant</i> waren +berekend, en ofschoon men zoo byzonder gaarne zaken met hem deed, was +men wel genoodzaakt ditmaal ... enz. Géén stalen. Derde +formulier: binnen acht dagen solide remise, of anders ... enz.</p> +<p>Wouter bewonderde de bekwaamheid van z’n chef, die zoo precies +wist hoe men al die menschen moest toespreken. Toch was ’t +kopieeren van die korte briefjes weldra afgeloopen, en hy werd weer aan +’t plakken van z’n stalen gezet.</p> +<p>—En ... zouden wy hem nu maar niet met-een de letters van +’t woord laten leeren? vroeg Pompile aan Wilkens.</p> +<p>Er scheen iets vreeselyks in dit voorstel te liggen, want Wilkens +keek ontsteld op.</p> +<p>—M’nheer!</p> +<p>—Ja, denk je niet? Me dunkt dat ...</p> +<p>—Maar ... m’nheer!</p> +<p>Al had Pompile voorgesteld het jonge-mensch te villen of te +skalpeeren, de schrik van Wilkens kon niet grooter geweest zyn.</p> +<p>—Maar, m’nheer! Dit zou, onder uw welnemen, verbazend +onvoorzichtig zyn!</p> +<p>—Hé, dacht je dàt?</p> +<p>—M’nheer, ik kan u plechtig verzekeren dat ik reeds drie +jaar by de zaken was, voor men my de letters van ’t woord wees! +Men moet jonge-menschen niet over ’t paard ligten, m’nheer! +De verwaandheid komt er gauw genoeg in, m’nheer!</p> +<p>—Nu, zooals je wilt, Wilkens. Ik had er zoo diep niet over +nagedacht, weetje?</p> +<p>Dit was de zuivere waarheid, en wel de waarheid eens-voor-al, want +de jongeheer Pompile dacht nooit diep na. Maar in het tegenwoordig +geval zou z’n ligtzinnigheid—als-i niet bekleed ware +geweest met den rang van patroon—onvergeeflyk zyn voorgekomen aan +m’nheer Wilkens. De lezer zal dit beseffen zoodra hy weet dat de +zeer belangryke zaak neerkwam op de vraag of men Wouter reeds nu zou +inwyden in de geheimzinnige teekens waarmee de heeren Ouwetyd & +Kopperlith de inkoopspryzen hunner goederen op de etiketten wisten +uittedrukken. Er behoorde veel toe om deze teekens grif te verstaan. +Meer nog om ’t vertrouwen waard te zyn, dat men dit geheim +ongeschonden bewaren zou, en volgens m’nheer Wilkens was Wouter +nog lang zoo ver niet. Glansryk was de triumf van den oud-gediende +tegen den onvoorzichtigen jongeheer Pompile die, zonder zyn raad, dat +jonge-mensch zoo maar op-eens ’t licht <span class= +"pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name="pb193">193</a>]</span>zou +vertoond hebben dat den tabernakel van ’t kantoor omluisterde. +Maar de zegepraal van den kleingeestigen grysaard was niet volkomen, +voor Wouter-zelf ’t bewustzyn van z’n voorloopige +uitsluiting terdeeg geslikt had. Want deze begreep niet wèlk +woord en wèlke letters te heilig werden beschouwd voor z’n +nuchter verstand, onbeproefde eer en geringe verdienste. Wilkens merkte +de door hem opgeplakte stalen met nummers, en zette daaronder de +diepzinnige hierogliefen, waarover hy ’n vraag wist uittelokken +om aanleiding te hebben tot het verpletterend antwoord:</p> +<p>—Dàt past je nog niet! Dat past je volstrekt niet! +Vraag dáár eens na, als je-n-’n half-dozyn jaren +behoorlyk gewerkt hebt, of ... langer!</p> +<p>Het vooruitzicht was prachtig. Het spreekt vanzelf dat Wouter hevige +begeerte voelde naar de vrucht van een zoo aptytelyk verboden boom. +Reeds den volgenden dag ontcyferde hy met geringe inspanning, door +’n beetje vergelyking, de beteekenis van die geheimzinnige +letters. Daar hy—uit voorzichtigheid of +konscientie—’t aldus weldra gevonden heiligwoord niet in +z’n zakboek heeft opgeschreven, kan ik het den lezer niet +meedeelen. Met Pompile’s baard en vensterglas, met de +krieuweltjes en de wittegrondjes-driekleur, is deze mysterie +onopstandelyk ten-grave gedaald, ’n gaping in myn verhaal +waarvoor ik verschooning vraag.</p> +<p>By ’t schetsen van al deze nietigheden, waarby ik de waarheid +zoo trouw mogelyk tracht naby te blyven, kan ik my niet onthouden van +de vrees dat sommigen my verdenken van overdryving. Deze beschuldiging +tegen ’n schryver is gewoonlyk een kenmerk van oppervlakkigheid, +en byna altyd ongegrond. Hoogstens zou men recht hebben de wyze van +behandeling aftekeuren, de manier van voorstellen, en de door hem uit +de feiten afgeleide gevolgtrekkingen. Overdryving in ’t schetsen +van die feiten-zelf is nagenoeg onmogelyk, want de graad waartoe +menschelyke dwaasheid kan afdalen, is voor den boosaardigsten artist +onbereikbaar. Waar deze dwaalt, ligt de fout aan z’n +onbekwaamheid in ’t nateekenen, in ’t <i>verkeerde</i> van +de voorstelling, niet in <i>overdryving</i>. Dat er onder ’t +half-dozyn personen waarmee Wouter hier in aanraking kwam, geen enkele +was die zich verheffen kon boven ’t àllerlaagste peil van +verstand en hart, mag slechts vreemd voorkomen aan wie de Maatschappy +niet tot ’n onderwerp van studie gemaakt heeft. Myn schets is +wáár. En zelfs behoef ik me niet te beroepen op de +bekende spreuk: <i>que le vrai peut quelquefois n’être pas +vraisemblable</i>, om te betoogen dat deze waarheid ditmaal geenszins +in-stryd is met waarschynlykheid. Wie dit begrypen wil, hebbe slechts +nategaan wat er door wezens als de hier bedoelde, levenslang is +uitgericht? Wat hun wenschen waren, hun neigingen, bezigheden, +geestelyke behoeften? Hoe hun opleiding geweest was ... dit doet er +minder toe, maar: met welke opleiding zy volkomen tevreden waren? Nooit +kwam het in hen op dat ze, wèl beschouwd, behoorden tot de +laagste soort van schepsels die met zoölogische welwillendheid +gerekend worden boven de dieren des velds te staan. En ... by dit +alles, die koddige trots! <span class="pagenum">[<a id="pb194" href= +"#pb194" name="pb194">194</a>]</span></p> +<p>Ik weet zeer goed dat geestelyke en zedelyke waarde niet volstrekt +samengaat met de meer of mindere belangrykheid van het beroep, noch +daarvan afhangt. Het is begrypelyk dat menigeen om-den-wille van +z’n onderhoud zich moet tevreden stellen met ’n +kostwinning, die òf geen punten van aanraking oplevert met +z’n gemoed, of zelfs lynrecht tegen de opwellingen zyner ziel +indruist. Ik laat nu daar, in-hoe-verre deze disparatie mogelyk en te +verontschuldigen is, en stel dus niet de vraag of, byv. ’n +gevoelig mensch ’n degelyk vleeschhouwer of scherprechter wezen +kan—misschien wel!—doch wáár blyft het dat +iemand die <i>ongenoodzaakt</i> z’n levensonderhoud zoekt in +grove of nietige bedryven, blyk geeft van ’n laag standpunt.</p> +<p>Wat dan te zeggen van ’t ras der <i>koprolithen</i>, dat +geheel <i>vrywillig</i> verstand, hart en karakter laat braak-liggen? +Al zy het nu dat de jongeheer Pompile niet zeer zuiver de waarheid +sprak, wanneer-i ’n onnoozelen “buitenman” die +’n krieuweltje kwam koopen, verzekerde: “dat papa zoo +byzonder ryk was, en dat ze ’t om den broode niet hoefden te +doen” toch hadden de jonge-lieden ’n anderen werkkring +kunnen kiezen. Maar ... dan hadden zy iets moeten leeren, zich +inspannen, en dit gedoogde noch hun fatsoen, noch hun traagheid. Arbeid +en kennis was goed voor anderen wier papa niet “zoo byzonder +ryk” was. Die heele rykdom van den oudeheer kwam neer op eenige +tonnen, ’n som die bestemd was in zessen te worden verdeeld. Ze +hadden dus wel degelyk behoefte aan ’n werkkring, en twee van de +zoons kozen, wat als voorvaderlyk erfdeel voor-de-hand lag: de +lappennegotie. Hiertoe was slechts ’n klein gedeelte noodig van +’t beschikbaar kapitaal dat hoofdzakelyk in effekten belegd +bleef. Hadden zy kunnen besluiten den inventaris te ontlasten van de +goederen die jaar-in jaar-uit op die zolders lagen, dan zouden ze met +nog geringer kapitaal de zaak hebben kunnen dryven. Tot dit +“opruimen” echter—waarop Dieper soms bescheiden en +rente-berekenend aandrong—waren ze niet te bewegen. Meenden zy +misschien dat die oude verkleurde lappen ooit weder den prys zouden +waard zyn, die daarvoor betaald werd vóór den bloei der +Amerikaansche katoenmarkt en der Engelsche weveryen? Ze meenden noch +dit, noch iets anders. Ze meenden niets.</p> +<p>De dagelyksche handel was allereenvoudigst tot het idiote toe. +Tweemalen ’s jaars bestelde men “op staal” eenige +duizende stukken gedrukte katoenen. De by ’t kiezen te-pas +gebrachte wysheid overstelpte onzen Wouter, die alweer angstig werd dat +<i>hy</i> nooit, nooit, nooit zoo ver komen zou om te weten of de +burgervrouwen die zich kleedden in gedrukt katoen, dit jaar de voorkeur +geven zouden aan ’n slangetjen of aan moesjes? Wilkens zat by +zulke gelegenheden als op ’n troon. De verhandelingen die hy +hield over ’t gewicht en de strekking van ’n klein verschil +in kleur of figuur, waren verpletterend. Ik heb reeds gewezen op de +rechters die in ’t laatste ressort over de vonnissen van onzen +lappen-wysgeer te beslissen hadden. Toch zou hy ’t zeer vreemd +hebben gevonden <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" +name="pb195">195</a>]</span>indien men boerinnen of dienstmeiden +zitting en stem had verleend in ’t koncilie dat hy prezideerde. +En ... de hoogheid tegen zoo’n handelsreiziger! Het is opmerkelyk +dat de engelsche fabrikanten voor deze betrekking gewoonlyk Duitschers +in dienst nemen. Christelyker werkkring bestaat er niet. Voor dezulken +is ’t Evangelie van den linkerwang geschreven! Zoo’n +ongelukkig wezen werd drie, vier keeren weggezonden, voor ’t +m’nheer Wilkens en den jongeheer Pompile gelegen kwam te zien +welke nieuwe figuurtjes de teekenaars der fabrieken hadden uitgedacht. +Heel eindelyk begunstigde men hem met de mededeeling dat er +waarschynlyk niets zou noodig zyn. Dat men reeds groote bestellingen +gedaan had aan andere “huizen.” Dat de markt slap was, +buitengewoon slap. Enz. Ten-laatste werd hy genadiglyk toegelaten, en +de zitting nam ’n aanvang. Eugène, wiens woorden duur +waren, stelde zich ’t minst bespottelyk aan. De beide anderen +wedyverden in zotteklap, en de <i>commis-voyageur</i> beantwoordde elke +op- of aanmerking met ’n aller-beleefdsten glimlach. Hy haalde op +zyn beurt z’n schade aan verongelukte menschenwaarde, in +diligences en trekschuiten of aan de <i>table-d’hôte</i> +met woeker in. Daar publiceerde hy de twee dozyn anekdoten die elk +handelsreiziger behoort in voorraad te hebben, en ging by z’n +kameraden onder verband van wederkeerigheid, voor ’n wezenlyken +heer door.</p> +<p>By ontvangst van de bestelde goederen steeg de belangrykheid der +werkzaamheden op ’t kantoor en in het magazyn tot het verhevene. +De bedongen prys werd verhoogd met de onkosten van pakking, transport +en assurantie, en daarna volgens de koers van den dag herleid in +hollandsch geld. Deze berekening was zeer in ’t byzonder de taak +van Pompile, die er zeer handig in was ... geworden, na veel jaren +sukkelens, zei de oudheidkundige Gerrit. Goed, nu toch verstond Pompile +die kunst! By verkoop legde men ’n procent of vyftien op den +inkoopprys, en de cyclus van beroepswysheid was afgeloopen ... op +’t overbluffen, liefkozen, streelen en bedriegen van de koopende +winkeliers na. Ook in dit gedeelte van ’t “vak” was +Pompile een eerste meester. Zelfs Wilkens moest erkennen, dat ... +enz.</p> +<p>Geen van die heeren had ooit iets anders gedaan, geen hunner had +gehaakt naar andere inspanning. Ze voelden zich volkomen verzadigd. +Zelfs ’t boekhouden van den ouden Dieper ging hun sfeer te-boven. +Z’n memoriaal en journaal en grootboek waren gewyde arken waaraan +nooit iemand de hand durfde slaan. Wel beschouwd overtrof zelfs de oude +Gerrit de heeren patroons in menschenwaarde: hy kòn iets! Een +van z’n hoofdbekwaamheden bestond in ’n byna onbedriegbare +kennis der geldsoorten, en z’n “worpen” by het tellen +waren monumenten van regelmatigheid. Het was jammer de +zest’halven by-een te stryken, die door hem waren tentoongespreid +in symmetrische regels ... zilveren verzen, waarlyk! En dan ’t +nog altyd respectabel overschot van z’n handigheid in ’t +pakken ... wel te verstaan, als ’t hem gelegen kwam niet styf van +rhumatiek te wezen. Toch moest ieder onbevooroordeelde +erkennen—en er bestond <span class="pagenum">[<a id="pb196" href= +"#pb196" name="pb196">196</a>]</span>reden tot vooroordeel—dat +Wouter hem hierin met reuzenschreden voorbystapte, gelyk we +ter-zyner-tyd zullen te zien krygen.</p> +<p>Tweemalen ’s jaars ging Wilkens op-reis, en speelde dan by +winkeliers de rol waartoe hyzelf gewoon was buitenlandsche reizigers te +veroordeelen, die ’t ongeluk hadden van zyn welwillendheid en +zaakkennis aftehangen. De goden zyn rechtvaardig! Dan werd-i terdege +bestraft in z’n zondige plek, en moest soms twaalf keeren +tevergeefs toegang vragen—de door Moore bezongen +paradys-peri!—om doortedringen tot het achterkamertjen in +’n lappenwinkel. Een andermaal liet men hem schildwacht houden +voor de toonbank, en afwachten wat ’n snibbig +winkelmeisje—de “m’nheer Wilkens” +<i>loci</i>—over hem zou gelieven te besluiten. Zekere +overleveringen luiden dat-i zich by zulke gelegenheden meermalen moest +laten welgevallen, met z’n wasdoeken staalpak onder den +arm—en den voorgeschreven welwillendheids-glimlach op ’t +gelaat—uren lang op de stoep in den regen te wachten: +“omdat-i in den winkel de klanten in den weg stond.” Het +spreekt vanzelf dat deze handels-liefkozing beantwoord werd met +’n allerbeleefdst:</p> +<p>—Met pleizier, juffrouw!</p> +<p>Van één hoedanigheid die den <i>commis-voyageur</i> +kenmerkt, moet ik Wilkens finaal vryspreken. Nooit vertelde hy +anekdoten uit ’n almanak. Het schynt dat z’n deftigheid +zich hiertegen verzette. Waar hy meende z’n officieel +handelsgewaad een oogenblik te mogen afleggen, bepaalde hy zich tot het +uitpluizen van ’n zeer interessant bankroet, waaruit hy door een +byzondere hem alleen eigene gauwigheid, z’n patroon ’n heel +procent meer had weten te bezorgen dan de overige krediteuren +ontvingen. Over ’t verguld-koper snuifdoosje dat hem deze +heldendaad had opgebracht, stapte hy losweg heen ... uit +bescheidenheid, zeid-i, maar als ’t noodig was zou hy ’t +nog altyd kunnen laten zien. En wie dan niet uitdrukkelyk naar deze +ridderorde vroeg, vond-i onbeleefd. Z’n tweede strydpaard aan +’t dessert, was de roerende levensgeschiedenis van drie +stukken-bielefeldsch linnen die door ’n onkundige waren aangezien +voor iersch fabrikaat, een vergryp waaruit ongetwyfeld ’n proces +zou voortgesproten zyn, indien niet hy, Wilkens—“want, +heeren, dàt is nu eigenlyk m’n vak!”—als +expert of arbiter de zaak tot ’n vroolyk einde had weten te +brengen, door de opmerking ... enz. Dat deze beide geschiedenissen een +byzonderen geur van gezelligheid meedeelden aan z’n onderhoud, is +niet te ontkennen. Maar hy was er zeer spaarzaam mede, want: “er +zyn <i>reizigers</i> en ... <i>reizigers</i>, zeide hy, en +heden-ten-dage is niet ieder op de hoogte om ’n goed diskoers te +waardeeren.”</p> +<p>—En, jongeheer, zei Dieper, hoe moet ik nu doen met dat +briefjen in den Jodenhoek? ’t Is ’n smeerig papiertje, +jongeheer!</p> +<p>—Ja, Dieper, dàt is het! Waarom zeg je ’t niet +aan papa? Die Gerrit ...</p> +<p>—Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover +gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne ... <span class= +"pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span></p> +<p>—Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm!</p> +<p>En met z’n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan.</p> +<p>—Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen?</p> +<p>Wouter’s gelaat helderde op by de gedachte dat <i>hy</i> iets +kunnen zou.</p> +<p>—’t Is zeer gevaarlyk, m’nheer, zei Wilkens.</p> +<p>—Aan den kassier durf ik ’t briefje niet geven, klaagde +Dieper. ’t Is te smeerig! M’nheer heeft het me verboden, +omdat-i wel-eens een der direkteuren van de Kas ontmoet in +<i>Doctrina</i>. En, zegt m’nheer, het stáát niet +... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de waarheid, jongeheer!</p> +<p>Nog altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante +uitdrukking niet begrypen. Een “smeerig<a id="xd19e8161" name= +"xd19e8161"></a> papiertjen” is ’n accept van iemand die +geen naam op de beurs heeft. Zoo’n man moge solide zyn, eerlyk, +trouw aan z’n woord, het helpt niet. De door hem geteekende +stukken zyn “smeerige papiertjes” en dezulken waren er +dikwyls onder de remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit +byzonder geval echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te +bestaan. De man van wien hier sprake was, woonde in ’n +dwarsstraat van ’n dwarsgracht in den Jodenhoek, en Gerrit die +meermalen geld by hem had ontvangen, klaagde dat-i “by dien +kerel” al z’n muntkennis noodig had om niet te-kort te +komen. De acceptant lokte hem steeds in ’n donkere achterkamer +waar ’n zeer groote familie huisde, en die slecht verlicht was: +’n hol, zei Gerrit. En ’n behoorlyke tafel om geld te +tellen, was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe niet dienen, want +hy was vol reten en gaten, en wanneer men ’t in-weerwil hiervan +beproefde, liepen of rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door +de worpen heen. Kortom, de woning van dien jood was ’n tuin der +Hesperiden waar weinig anders te plukken viel dan wat kans om geplukt +te worden. En: “hierop legt de kerel het toe!” zei +Gerrit.</p> +<p>Dit alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er op +aan dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat +“smeerige” briefje.</p> +<p>—Zie je, Dieper, ’t is nuttig voor hem dat-i alles +leert.</p> +<p>—Zeker, jongeheer, maar ...</p> +<p>—En hoe ànders? Gerrit is styf van rhumatiek ... zeg +dàt aan papa. En als nu Pieterse dat geld ontvangt ... hm, ik +wil maar zeggen dat-i alles leeren moet.</p> +<p>De ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z’n voorstel deed +aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen Wouter +’n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er +’n andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in +z’n eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de +nadeelen die Wouter’s onbedrevenheid konden na zich +slepen—en die met wat overleg wel op “huishouden” +konden gewenteld worden—zou hy slechts deelen voor ’n half +kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens ten-offer +brengen om verlost te raken van ’n knecht die hem als kleinen +jongen gekend had, en ... meer dan aangenaam, ingewyd was in de +<i>chronique scandaleuse</i> van z’n jeugd. Héél +skandaleus <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name= +"pb198">198</a>]</span>noem ik die kroniek alweer niet. Maar Pompile +beeldde zich dit groothartiglyk in, al waren dan z’n afwykingen +van ’t pad der deugd gewoonlyk te dekken geweest met ’n +paar zest’halven. Alle waar is naar z’n geld, tot de +uitspattinkjes van zekere lieden toe.</p> +<p>Hy dreef dus de zaak door. Wouter ontving ’t smeerige +papiertje dat er niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg +het met ingespannen zorg in z’n patriarchaal zakboek. De te +ontvangen som bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem ’n +geldzak mee, en veel vermaningen om—in zeer letterlyken +zin—goed op z’n tellen te passen.</p> +<p>Binnen ’t uur was Wouter met het vereischt bedrag terug. Op +’n weinig buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in +glinsterende dukatons met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze later +als ’n byzonderheid door Dieper getoond werden, moest erkennen +dat men ze zelden zoo te zien kreeg en dan ... “van zoo’n +smeerigen jood!” Het ging z’n begrip te-boven, en daar ik +ditzelfde in den lezer veronderstel, wil ik de oorzaken van dezen +goeden afloop in ’n volgend hoofdstuk meedeelen. Ik moet erkennen +dat ik met genoegen het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith +’n oogenblikje verlaat. Zoodra mogelyk keeren wy ’t met +welgemeenden afkeer den rug toe. Maar men bedenke dat schryvers en +leerjongetjes hun arbeid en verblyf niet voor ’t kiezen hebben. +<i>Myn</i> naastbyliggende plicht was nu eenmaal het beschryven van +zeker menschenras waaraan Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken +hebben dat ze niet de àllerlaatste schakel zyn die den Mensch +aan de Dieren verbindt.</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel, +Staathuishoudkunde en <i lang="fr">Petite Voirie</i> uit den voortyd. +Nieuw blyk der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats +van de beloofde dukatons, den lezer afscheept met ’n bespiegeling +over gebrek aan Israëlitische kontroverse.</p> +</div> +<p>De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur terug +te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen naar den Jodenhoek. +Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de specifiek-dichterlyke gaaf +van assimilatie, om den familietrek voorby te zien, die dezen tocht +doet zweemen naar de uitspatting waaraan zich eenmaal prinses Erika +schuldig maakte. Wy weten dat zy daarheen ging om zich te verfrisschen +door ’n bad in ’t gemeene ... of wat voor gemeen doorgaat. +Ze wilde de walging afspoelen die haar de hoftoon veroorzaakte. Wy +immers ook zyn misselyk van de heeren Ouwetyd & Kopperlith, al zy +’t dan dat we ons te reinigen hebben van heel iets ànders +dan nasmaak van overdreven hoofsheid. Veel verder alzoo dan zekere +gelyksoortigheid van indruk, gaat deze overeenstemming met prinses +Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen zyden kousen aantetrekken om +Wouter te begeleiden, en ook belooft de auteur op eerewoord, dat-i de +maagdeperen met rust laten zal. Deze onthouding van prinselyke +excentriciteit is te <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" +name="pb199">199</a>]</span>meer gepast, omdat het perensaisoen nog +niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter te inkasseeren kreeg, +verviel op den zooveelsten van Zomermaand, of misschien in Juli, maar +zeker lang voor ’t najaar. Het is den lezer bekend dat er nog +altyd één fatsoenlyke familie in de stad was, en dat +alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing, ver <i>buiten</i> +de stad. In zekere toekomstige kritiek op m’n werk meen ik te +lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief is, een +opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nog-eens te wyzen op +m’n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn, kan niet +met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze algemeen +bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied voorstelt, +heeft ’n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan een +ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z’n zaak zyn, en +zóó vast staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i +het steunen op kleine waarschynlykheidjes missen kan. Alleen +vervalschers zyn nauwkeurig in byzaken, en wie zulke byzaken durft +verwaarloozen met eene aan ’t onbeschaamde grenzende slordigheid, +is ... ’n evangelist. Ziedaar de gronden waarop de minste twyfel +aan de geloofwaardigheid van myn boodschappen—bly zyn ze niet +altyd ... nu ja, maar boodschappen zyn het toch!—behoort te +worden verklaard voor godslastering. Waartoe zou het <i>Geloof</i> +dienen, als ’n profeet, by al z’n andere plichten, zich nog +zou moeten onthouden van de ongerymdheid ook? Om ’s hemels-wil, +lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met de +bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd is met het +geloovig aannemen der grofste ongerymdheid—wat ik in ’t +voorbygaan bewyzen wilde—heeft de schrandere lezer reeds lang +kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering +Wouter in den komkommertyd belast werd, geen saizoengenoot wezen kon +van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van ooft en +komkommers heeft, handelaars in witte-grondjes-driekleur, wysgeeren, +tuinluî, e. d. De ondeugende prinses Erika had dus heel iets +anders nog begaan dan guitenstukjes of ’n buitensporigheid, ze +had iets onmogelyks verricht: ’n wonder! En zóóver +had Wouter ’t nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer +gebukt onder ’t gewone, en had al z’n geestkracht noodig om +niet te bezwyken onder z’n overspannen plichtsbesef.</p> +<p>Met ’n gewicht alsof ’t heele bedrag van ’t +geaccepteerd wisseltjen in kopergeld aan z’n hakken gehecht was, +stapte hy over den weg. Hy drukte de linkerhand styf tegen de borst +waarop het aan z’n eer toevertrouwd pand rustte, en hield +z’n rechtervuistje gebald om den eersten den besten +nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet hem te berooven, d. i. +de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, ’t had ’n zeer +sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was! <i>Glorioso</i>, met +al z’n makkers en in z’n besten +tyd—vóór die verlammende liefde namelyk voor twee +prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige +landmeisjes—<i>Glorioso</i> zelf zou zich misrekend hebben +wanneer-i, staatmakende op de <span class="pagenum">[<a id="pb200" +href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span>hartelykheid van de oude +relatie in de Hartenstraat ... nu, <i>Glorioso</i> was er niet, en de +marteling van ’t konflikt tusschen zieleverwantschap en plicht +bleef Wouter ditmaal gespaard. Het eenig gevaar dat hem bejegende, +vertoonde zich in de gedaante van ’n kindermeisje dat naar den +weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk begin van verlokking tot +plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby, en ... met ’n +bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch te zyn jegens iemand +die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen ’n bende verkleede +roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen finaal ongedekt gebleven +voor de onkosten van hun vermomming. Niet zóó gemakkelyk +ontfutselde men onzen held ’n papiertje dat hem door z’n +lastgevers was toevertrouwd!</p> +<p>Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben +in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat door +den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit z’n +handen te geven: “voor-i geld zag.” En ... niet te +kwiteeren: “voor-i dat geld hàd!” Want ook hyzelf +moest teekenen ... ik weet niet waarom. Het was de gewoonte, en +’n gewoonte die hem verrukkelyk voorkwam: +“<i>ont...van...gen</i> ... Wou...ter ... Pie...ter...se.” +Zóó zou er staan in z’n allermooiste schrift. En +dat zou bewaard blyven. En eenmaal zou de nazaat staren en turen op die +letters, en eerbiedig fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols +gerust! Dit heeft hy geschreven, hy die ... ja, wàt? Hier +struikelde Wouter’s verbeelding, gelyk telkens geschiedde +wanneer-i voorschot nam op ’n toekomst die zoo byzonder weinig op +het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy z’n verschrikte +voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z’n punt van +uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat—tot nader +order!—op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag +en hàd. Zóó had Dieper gezegd! En in z’n +gedachten maakte hy kant en klaar de krul gereed, waar-mede-i z’n +handteekening bekrachtigen en sieren wilde, ’t Zou ’n slang +wezen, zich slingerend om en door de spylen van ’n rooster. De +staart moest zoo nydig mogelyk byten in drie stippen, netjes in gelid +tusschen ’n paar evenwydige lyntjes, en de kop werd belast met +het als by-toeval kronen van de P. In deze wending zou de fynheid +liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het uitvaardigen van ’n +manifest, waarby al de ongekroonde autografen die ooit van hem mochten +worden in omloop gebracht, werden verklaard te zyn: bedriegelyk, +valsch, en van niet de minste waarde noch in rechten noch in posthume +heldenvereering.</p> +<p>Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar ... het tellen! +<i>Eén, twee, drie, vier</i> ... dit zou wel gaan. ’t +Bleef echter de vraag wàt men hem zou te tellen geven? +Dubbeltjes? Stuivers? Duiten, misschien? Ook dit schrikte hem niet af. +Maar ... de <i>pietjes?</i> De <i>dertiend’halven?</i> De +<i>schellingen?</i> De <i>zest’halven?</i> Of—erger +nog!—al die muntsoorten door-elkaar? Hm ... moeielyke zaken! +Zoodra hy koning werd, zoud-i ... och, dit was alweer de vraag niet. Hy +wàs geen koning. Hy was jongste-bediende by de heeren Ouwetyd +<span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name= +"pb201">201</a>]</span>& Kopperlith, en op dit oogenblik belast met +het ontvangen en behoorlyk uitleveren van ’n groote som gelds. +Dit was z’n naastbyliggende plicht, en hieraan slechts had hy dus +te denken.</p> +<p>Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de +kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo +byzonder sterk doen gelyken op ’n verstoord mierennest. ’t +Verschil ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar +kyken moet om wys te worden. Wouter had moeite z’n weg te vinden. +Van bespiegelingen over ’t zonderling huishouden in de open +lucht, dat daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen +spraak zyn. In z’n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was +hy evenmin ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al ’t +onschoone dat hy te zien kreeg, als om belang te stellen in ’t +karakteristieke van die leelykheid. Z’n standpunt omtrent dit +laatste vooral wees hem ’n plaats aan ver beneden prinses Erika, +die naar getuigenis van geloofwaardige tydgenooten, het uur dat ze in +den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht, voor een der belangwekkendsten +van haar leven verklaarde. Een revue van dertigduizend man +linie—zou ze in vertrouwen gezegd hebben—met +vierd’halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. +Ook de opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van +middeleeuwsche oudheden.<a class="noteref" id="xd19e8243src" href= +"#xd19e8243" name="xd19e8243src">1</a></p> +<p>Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? +Te oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, +die—altyd toch met het eigenaardig voorkomen van lieden die <i>en +voisin</i> uit zyn—zich verdrong op de straat, moesten al die +woonhuizen leeg staan, van de kelders af tot de hoogste verdieping toe. +Nog altyd heerschte in die buurt—interessant wàs het, +hierin had het prinsesje gelyk!—nog altyd zag men daar de orde of +wanorde van ’n volksstam, zwervend in de woestyn. Het lynwaad der +tenten was hout en steen geworden, en voor ’t zand der +heide—want als <i>hei</i> vertoonen zich die +zandzeeën—vergenoegden zich de tot staan gebrachte nomaden +met modder of stof op straatkeien en klinkers. Wat ze voor de +weelderige grassoorten der bewaterde plekken in de plaats kregen, weet +ik niet. Doch, ook zonder de minste vergoeding voor de hier-en-daar +verspreide schoonheden in hun vroeger verblyf, nog altyd was die +straat-zelf, en niet de tent van kalk en steen hun geliefd domicilie. +De krotten die ze heetten te bewonen—vuistslagen in ’t +gezicht der beschaving... in Wouter’s tyd!—waren hoogstens +goed genoeg om er in te slapen, en niet eens onvoorwaardelyk. Zoodra +’t zomerweer de begoocheling toeliet of aanmoedigde dat men zich +op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken bevond, nam het zonderling +volkje dit op als ’n sein dat de tyd weer was aangebroken van het +leven in de openlucht, en van terugkeer tot +vóórkanaänsche <span class="pagenum">[<a id="pb202" +href="#pb202" name="pb202">202</a>]</span>zeden ... met uitsluiting +evenwel van de sedert lang verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het +grootst gedeelte van ’t etmaal tusschen de reien der tenten door. +Daar zaten ze, daar lagen ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, +gedronken, en gearbeid, d.i. handel <span class="corr" id="xd19e8256" +title="Bron: gedrevan">gedreven</span>. Daar <i>leefden zy</i>.</p> +<p>Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z’n +hoofdmomenten aan de waarneming hunner medeburgers van anderen +oorsprong en behoorlyker geloof. Wie deze buurt betrad, en met +voornaam-domme achteloosheid z’n oog liet heenglyden over die +vreemde gestalten, zag slechts de zeer bekende buitenzyde. Alles was +daar om handel te dryven, of liever om zoo mogelyk iets te verkoopen, +want wie eigenlyk op die zonderlinge markt de koopers waren bleef +’n mysterie. Kochten die straatkramers van elkander? Dreven ze +ruilhandel in prullen, lompen en verroeste spykers? Zoo ja, wat +<i>aten</i> ze? Of liever, welke produktie leverde het excedent van +kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En de huishuur? +En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest- en vierdag?</p> +<p>Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze +dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. +Hieraan zeker is het toeteschryven dat in Wouter’s tyd niemand +zich de vraag voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in +onafzienbare reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden +“rei” en “kraam” zyn wel wat weidsch. Orde en +regel was er niet: alles stond en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, +de meeste kooplieden hadden deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun +goederen op ’n oud stuk zeildoek uit. Anderen versmaadden ook +dezen omslag, en gebruikten de bemodderde straatkeien tot toonbank en +uitstalkast. En wat men daar al vond! Daar lag yzerwerk... neen, +zóó hoog betitelde de oprechte koopman z’n goederen +niet—neem er ’n voorbeeld aan, opgeblazen +<i>kropolithen</i> van de Keizersgracht!—hy noemde zich: +handelaar in oud roest. De man beweerde niet, <i>yzer</i> te verkoopen, +hy verkocht <i>roest</i> van yzer. En zelfs geen versche roest. Hy +verkocht oud-roest, of oud geroest, of dingen die oud en verroest +waren, gewezen voorwerpen vervreten door roest van ouden datum. En op +nòg lager sport plaatste zich onze koopman. Hy nam den naam aan +van de waren “waarin-i deed” en vond er niets vreemds in, +wanneer men <i>hemzelf</i> aansprak als de hoogbejaarde <i>oxyde</i> +van ’n voormaligen spyker: hy <i>heette</i> Oud-roest. Kan +’t nederiger?</p> +<p>Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten van +kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie +protesteerend door ’n beroep op de klassieke beteekenis van hun +naam... en ook wel ’n beetje tegen de aanspraken op taalkennis +van de heeren D. V. & T. W. die ze vrouwelyk maken zouden, ’n +jaar of zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren +zonder kroost, schroeven zonder moer... <i>Niobees</i> en weezen. Daar +lagen eenzame pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed +gescheiden van hun tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandelooze +<span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name= +"pb203">203</a>]</span>zagen, beitels zonder snee, sloten zonder veer, +sleutels zonder slot, haken zonder oog, oogen zonder haak, gespen +zonder tong. Daar lagen scharnieren, hoepels, stiften, krammen, ringen, +deurkrukken, spanjoletten, grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, +vuurpoken, kolenscheppers, potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag +alles wat ooit van yzer had kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar +nu, verdraaid, gebersten, gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: +verroest! Dit scheen de eisch te wezen van dien handel. Misschien was +de koopman aan deze eigenaardigheid gebonden door ’n artikel in +de patentwet, volgens ’twelk hy wel voor roest maar niet voor +yzer was aangeslagen. En nu sprak ik nog slechts van de dingen die +’n naam gehad hebben, of misschien eenmaal ’n naam konden +gehad hebben. En we stonden nog maar ’n oogenblik stil voor de +uitstalling van den <i>Oud-roest</i> alleen. Het beschryven van +’t overig deel der “markt” gaat m’n talent nog +verder te-boven, aan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon +daar koopen—maar wie toch kocht er iets?—daar waren te +bekomen: zure augurken, runderlappen, nieren en long, +nuchter-kalfsvleesch en andere spyzen, gekookt en ongekookt, met of +zonder de saus. Daar werden oude lappen en vodden gevent, en stukjes +leder, en knoken, en gepensioneerde hoeden, en strooken vilt, en +schilderyen zonder lyst, en lysten zonder schildery. En prenten, en +boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen zonder titel. En +landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes in vieren of zessen +geknipt, om <i>en détail</i> te worden aan-den-man gebracht voor +’t mogelyk geval dat ’n heel land of werelddeel de +begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten +kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de +ongelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen +’n <i>tumulus</i> van zuurkool en ’n <i>tropee</i> van +hoeven en horens. Ginds stond ’n kruiwagen volgeladen met potjes +pomade en latynsche dissertatien, met almanakken en silhouetten van +verloopen jaren en dominees. Ook meubels waren daar. En er was +porcelein, en glaswerk, en aardewerk, en keukengereedschap... ja, wat +was er niet! En dat alles was kreupel, gelymd, gekramd, onsmakelyk, +onvolledig, schynbaar tot niets dienstig en voor niemand te gebruiken, +wat toch ’t geval niet kan zyn, want dat volkje <i>leefde</i> van +den handel in die prullen, en: <i>ab esse ad posse valet +illatio</i>.<a class="noteref" id="xd19e8314src" href="#xd19e8314" +name="xd19e8314src">2</a></p> +<p>Doch, ik zeide het reeds, dat leven was zonderling. Ook sprak ik van +de domme voornaamheid die in dit alles geen aanleiding vindt tot +nadenken. Reeds wat men ziet, zou hiertoe kunnen opwekken, en om dit te +betoogen is het weinige dat ik daarvan noemde, voldoende. Maar hoe zou +’t wezen, wanneer we met het oog van den geest iets dieper +doordrongen? De bewoners van dat mierennest zyn... menschen. Het +“<i lang="la">nil humani alienum</i>” moge dan al niet +juist in wysgeerigen zin ’n artikel in hun dagelykschen +kathechismus <span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name= +"pb204">204</a>]</span>wezen, toch is dat woord op hen van volle +toepassing in stoffelyke en maatschappelyke beteekenis. En, ook +zielkundig gesproken, het zou ’n ongerymd waagstuk zyn, hun de +aandoeningen te ontzeggen, die, de... half- en verkeerd-beschaafde zoo +gaarne wil doen voorkomen als het uitsluitend eigendom van de +“deftige klasse.” Die straathandelaars hebben wenschen en +verdriet. Ze kennen vreugde, hoop, teleurstelling... eerzucht +misschien. Ze weten—zoo goed als anderen toch, en waarom +<i>niet</i>?—wat liefde is. Waarlyk, er is iets menschelyks in +zoo’n <i>Oud-roest</i> en in het oude grootmoedertje daarginds +aan dien kruiwagen met “zuur.” Vygen verkoopt zy ook. Zie +hoe netjes half-decimaal zy ze vyf-aan-vyf heeft gespietst op stokjes. +Zoo’n stokje koopt de jeugd voor ’n duit. De winst is +groot, want de heele ceroen is ’n onvrywillig geschenk van den +kruidenier die ’t ding z’n winkel uitwierp, omdat de suiker +na twintigjarigen bewaardienst zich begon omtezetten in iets als +alcohol en sterkriekende gist. Ja, de winst is enorm:... àls de +jeugd die speetjes koopt. <i>Als!</i> want—en ziehier de oorzaak +van m’n staathuishoudkundige bekommering—vanwaar komt die +duit? De vaders en moeders die hem verstrekken moeten, handelen vlak +naast de vygen- en zuurvrouw in ransige kokosnoot en curaçaosche +<i>pienders</i>.<a class="noteref" id="xd19e8337src" href="#xd19e8337" +name="xd19e8337src">3</a> Moet het geld dat hun kind aan die vygen +besteedt, niet eerst—en wel boven ’t strikt-noodige voor +levensonderhoud—òververdiend zyn op hun eigen waar? En wie +koopt die waar? Hoeveel brokken <i>klapper</i>, hoeveel van die +westindische boontjes, moeten de kleinkinderen van de zuurvrouw by +buurman besteed hebben, om hem in-staat te stellen <i>zyn</i> kroost op +háár vygen te onthalen? Hoeveel vygen moet <i>zy</i> +hebben gesleten aan <i>zyn</i> kinderen voor ze de duit +óverheeft, waarmee háár snoepertjes den koopprys +van zyn <i>pienders</i> voldoen? O diepte der verborgenheid, beide der +kennisse en des begrips van den amsterdamschen Jodenhoek!<a class= +"noteref" id="xd19e8356src" href="#xd19e8356" name= +"xd19e8356src">4</a></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e8243" href="#xd19e8243src" name="xd19e8243">1</a></span> De +verrukking van Prinses Erika ontlokt aan M. een uitweiding over +“echt-vaderlandsche” krantenschryvers en de burgervadery in +Wouter’s tyd. (In I. 1223.)</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e8314" href="#xd19e8314src" name="xd19e8314">2</a></span> = de +gevolgtrekking geldt: van zyn tot kunnen, d. w. z. omdat het zoo is, +moet het ook kunnen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e8337" href="#xd19e8337src" name="xd19e8337">3</a></span> Pienders += pinda’s of apenootjes.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e8356" href="#xd19e8356src" name="xd19e8356">4</a></span> M. +besluit ’t hoofdstuk met “’n bespiegeling over gebrek +aan israëlitische kontroverse”; hy constateert, dat de Joden +niet meer van Jehovah afvallen tot vreemde eerediensten, maar hy +verwondert er zich over, dat hun rabbi’s en geleerden evenmin het +Christendom bestryden. Hy wyst op allerlei wetsovertredingen die de +Joden geregeld begaan, door ’t erkennen van niet-Joodsche +vorsten, ’t omgaan met onbesnedenen, het niet kwytschelden van +alle schuld om de zeven jaar enz. M. komt tot de conclusie, dat de +Joden “even uitmuntend als de Christenen ’t kunstje van +akkommodeeren verstaan.” (I. 1224.)</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Een allernietigst geschiedenisje. Na ’t bywonen van ’n +middagmaal in de open lucht, wordt de lezer onthaald op ’n +moeielyken tocht naar de derde verdieping, waar <i>Wouter</i> nog altyd +niet vermoord wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek +verzotten lezer zal de auteur zich weten te troosten. <i lang="la">Quo +non ascendam?</i></p> +</div> +<p>Het wordt tyd terug te keeren naar de zeer byzondere klasse van +Joden die men te Amsterdam vergund heeft een stad te stichten in +’n stad, en wel bepaaldelyk naar ’t oude vrouwtje met die +vygen. <span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205" name= +"pb205">205</a>]</span>Zeker neem ik ’t háár niet +kwalyk dat zy zich onthoudt van twistgeschryf tegen professer Oosterzee +en andere steunpilaren van ’t ware Geloof. Inplaats daarvan +levert zy ons aanleiding tot opmerkingen van geheel anderen aard, wel +beneden de aandacht van sommige lezers misschien, doch de myne niet +onwaard. Al zy ’t dan dat m’n intelligentie niet ontwikkeld +genoeg is om doortedringen tot de achterste schuilhoeken van zekere +mysterien—getuige die duit van zoo-even—toch overvalt me +soms ’n aanval van fierheid op m’n onwetendheid, tegenover +de velen die zich hunner onwetendheid, niet bewust zyn. Op dit +oogenblik, byv. zoek ik naar de zielegeschiedenis van die vrouw. +Want... ’n ziel heeft ze. En ’n geschiedenis ook. Zy is +zuigeling geweest. Zy is kind, jonkvrouw, bruid, echtgenoot, moeder +geworden. En nu is ze grootmoeder. Misschien wel meer dan dat. Niemand +doorloopt een zoo lange baan zonder ten-minste <i>iets</i> optevangen +van de indrukken die hy ondergaat. Zy heeft velen gekend, sommigen +gehaat, eenigen liefgehad, meer misschien dan eenigen of velen: +één! En er waren er, die háár beminden. +Wie, hoe, waarom? Wat gaat ons dit aan? ’t Moet zoo geweest zyn. +Zy is moeder geworden, en werd dus eenmaal uitverkoren, al was ’t +dan ook maar met de uitverkorenheid van ’n enkel oogenblik. Velen +van hare betrekkingen heeft zy overleefd, en dus by ’t doodbed +gestaan van bekenden, vrienden, verwanten, lievelingen. Ook met +Staatkunde is zy in aanraking gekomen voor-zoo-ver niemand geheel-en-al +den invloed kan ontgaan, dien deze uitoefent op iedereen. Toen, toen, +en toen, heeft ze haar kraampje moeten ter-zy halen, of wel geheel +sluiten en wegsleepen misschien, omdat er ’n Prins zou +voorbykomen, omdat er ’n Keizer jarig was, omdat de christenen +’n Bededag wilden houden of ’n Dankstond. Misschien ook wel +eens omdat de Burgemeester uit z’n humeur was, want in byzonder +vrye landen is niets vryer dan de luimen der kleine heeren. Hing niet +ook zeer dikwyls haar handel af van ’t straatrumoer der +revolutien? Wy weten immers hoe de steenen die door de groote-mannetjes +<i lang="fr">du jour</i> worden geworpen in den oceaan der +Wereldgeschiedenis, kringen vormen, rondom voortkabbelend tot den +uitersten rand der Maatschappy, ook in de diepte zich uitbreidend tot +de onderste laag, waar ze ten-laatste vygen- en zuurvrouwtjes bereiken? +Veel is haar over ’t hoofd gegaan, veel heeft haar geraakt, +aangedaan, gewreven, geschokt. En die vrouw zou geen geschiedenis +hebben? Gy die dit meent, erkent liever dat ge verleerd hebt zulke +geschiedenissen te lezen, en tracht dit te herstellen, en wordt niet al +dommer en dommer door u verheven te wanen boven ’t allerkleinste. +En vooral... zit niet zoo uilig te wachten op ’t lichtstraaltjen +uit de lantaarns van de <i>Prescotten</i>, en de <i>Mac-Auleys</i> en +de <i>Mills</i>. De ware studie van den mensch is: <i>de Mensch</i>. +Dit blyft eeuwig waar, al verkoopt zoo’n studie-exemplaar zure +augurken en bedorven vygen aan ’n speetje.</p> +<p>Ze had traan-oogen, dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk +uit als haar vygen. Rimpels had haar gelaat niet—wàs +’t ’n gelaat?<span class="pagenum">[<a id="pb206" href= +"#pb206" name="pb206">206</a>]</span>—het waren voren en groeven. +Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien over elkander heen, en de +toeschouwer had moeite zich voortestellen hoe al die vouwen van de +overvloedige huid haren weg vonden, en telkens weer haar eigen plaats +wisten intenemen, na zoo zonderling te zyn heen-en-weer geworpen door +de mummelende beweging van haar mond. Hierin zal dan ook wel eens +verwarring ontstaan zyn, maar wat was er aan te doen? Niemand hield er +boek van, en elke plooi hing waar ze verkoos. Is ’t wonder dat +die overkompleete lappen wel eens misbruik maakten van ’t +volslagen gemis aan tucht en kontrole?</p> +<p>Het vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van +’n jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest, +’n papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder +moeite en verlies naar den mond geleidde met ’n yzer drietandje, +geleend misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten +verloor ze geen oogenbiik haar zaak uit het oog, en monsterde met +kinderkundigen blik ’t onmondig deel van Publiek, dat haar +etablissement naderde of... voorbyging. Want zeer veel kinderen gaven +blyk van de wysbegeerte die ons leert dat aardsche goederen, met vygen +en al, niet volstrekt onmisbaar zyn voor ons geluk, en dikwyls zelfs +schadelyk. Misschien ook was de slapte van de markt het gevolg eener +finantieele krisis, gelyk in den handel soms voorkomt. Om zich edel te +wreken, misschien ook om den snoeplust van andere kinderen +optewekken—wie toch doorgrondt de finesses van den +handel?—neen... uit hartelyke genegenheid voor ’t jongetje +welks overgrootmoeder ze was, gaf zy ’t kind ’n ristje van +haar vygen. Ik moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de onereuze +voorwaarde verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan moest +uitkeeren aan z’n zusje.</p> +<p>—En mag ik dan ’t stokje houden, vroeg de knaap. +Heelemaal? ’t Heele stokje?</p> +<p>—Ja, liewes, jy mag ’t stokje houden, heelemaal!</p> +<p>De oogen van ’t kind glinsterden van geluk. Daar ging +één vyg naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver +de helft van de derde. Na de amputatie werd de overschietende helft +weer netjes aangeregen, en: “ik mag ’t stokje +houden!” juichte de kleine. Toen ’t oudje haar test had +leeggegeten, gaf ze die aan ’t kind terug, met liefkozingen en +’n kus. De knaap sprong heen, jubelend het geschenk voor kleine +Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen afstand by ’n +groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de blyde mare haar +broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en bezeerde zich... al of +niet, maar schreide zooals vallende kinderen gewoon zyn.</p> +<p>Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden +namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met het +voornemen háár te vragen naar de woning van den man die +’t smeerige briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder +weinig op ’n struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy +belast <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name= +"pb207">207</a>]</span>was met ’n gewichtige finantieele operatie +zou veilig kunnen worden neergelegd in haar schoot. Toch weifelde hy. +Ook in <i>Glorioso</i> kwamen zeer oude vrouwtjes voor, die op ’t +beslissend oogenblik in welgewapende mannen veranderden! Terechtwyzing +kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy nu met zekerheid dat-i zich +in de straat bevond waar-i “zaken” had, maar... in welk +huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts nu-en-dan ’n +enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol lappen en lompen. +Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van de +vygen- en zuurvrouw, moest naar z’n berekening de gezochte +persoon wonen, doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat +bouwvallig huis kon geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs +zooveel duiten niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger ’t +onsmakelyk praedikaat van z’n briefje te begrypen. Want in de +gansche straat ontwaarde hy geen verblyf dat er uitzag alsof daarin +ooit ’n wissel kon betaald worden. Peinzend bleef hy staan, en +liet zich ’n oogenblik afleiden van z’n gedachten door het +kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast als-i was, haalde het juichen +van den knaap hem <i>Numeri XIII</i> voor den geest, waar de +verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels en... vygen. +“Ook dáár wordt gesproken van ’n stok, van +’n <i>draagstok</i><span class="corr" id="xd19e8415" title= +"Niet in bron">,</span>” dacht Wouter, en juist liep hy gevaar +zich te verdiepen in... heel iets anders dan z’n naastbyliggenden +plicht alweer, toen hy het tweejarig Racheltje struikelen en vallen +zag. Fluks by-de-hand, richtte hy ’t kind op, en wischte haar +traantjes af, en droeg het naar de oude vrouw, die hem zeer vriendelyk +bedankte.</p> +<p>—Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze.</p> +<p>Nu weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching +van Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder +gewicht te hechten aan Wouter’s nietig dienstbetoon. Dat kind zou +wel vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn. Maar +toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto noch +m’nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig +alle bemoeienis met de zaken van ’n ander verafschuwden, hadden +besef van ’t genot der aandoening die de Duitschers +<i>Menschenfreundlichkeit</i> noemen, en waarvoor wy, meen ik, geen +woord hebben. ’t Is iets als de vertaling in het dagelyksche, van +de hoogdravende <i>Menschenliefde</i> die maar ’n deugd is voor +zeldzame feestdagen, tooneelstukken, levensbeschryvingen en +grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk, en nooit voelde hy zich +zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die hem gewoonlyk drukte, dan +wanneer zich ’n gelegenheid aanbood zich eens recht welwillend te +toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine voorval den moed het oude +vrouwtje naar de woonplaats te vragen van Roebens, den man dien-i +zocht.</p> +<p>—M’n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake +met ’m? Chots seeche d’r op! Hier woont-i, vlak achter +me... kyk, dáár de trap op. Cha jy gerust na-bove, en +loop m’r deur tot ’t derde pertaal, waar je die +dékes ziet hangen, en al dat beddechoed, en z’n sjabasj +<span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name= +"pb208">208</a>]</span>engels-hemt. En je klopt an de deur naast de +cheutsteen, en je roept: Roebe, Roebe! Want Roebe Roebes hiet-i. En-i +is kemissjenèèr in lompe, en m’n êêche +kleinsoon, en Racheltje’s fader, werachtich as Chot!</p> +<p>Deze plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben’s +maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder overbodig +dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe iemand die +dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar +dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd voor +dat de beschikker over ’n som die hem zoo aanzienlyk toescheen, +de kleinzoon wezen zou van ’n arme zuurvrouw, en +Racheltje’s vader. Hy kende de eigenaardigheid niet die de +Joden—zooals veel Aziaten—nog altyd van Westersche volken +onderscheidt, dat ze zeer dikwyls ’n redelyke welvarendheid +achter schynbare armoed verbergen. Niet zonder uitzondering, +maar—vooral in de lagere standen—heerscht by sommigen iets +dat men het omgekeerde van bluf of <i>reklame</i> zou kunnen noemen, en +als tegenstelling met de Kopperliths komt ons deze opmerking goed +te-pas. Dat de kommissionair in lompen—een der schakels tusschen +papierfabrikanten en voddenrapers—z’n grootmoeder daar op +de straat liet zitten... lieve God, ze verkoos niet anders! Ze was +opgebracht by den handel, by <i>dien</i> handel, en daarby wou ze +sterven. Ook was “zuur” en bedorven kruienierswaar haar +specialiteit. In elk ander “vak” zou ze met handen en +hersens verkeerd hebben gestaan, en zelfs met haar neus. Want ze +<i>rook</i> den graad van ontbinding waarin haar goederen behoorden te +verkeeren om te passen in ’t kader van haar ondernemingen. De +tachtigjarige oorlog dien ze gevoerd had tegen flauwen kooplust, slecht +weer, lastige policie—eens namelyk had ’n onwaardige +magistraat het veilen van bedorven goedje verboden... ’t is lang +geleden!—de leerschool die ze had doorloopen met taai geduld... +zie, dat alles kon ze niet van de meet af opnieuw beginnen. Haar kunst +was zoo lang geweest als haar leven, en wat er van dat leven nog kon +overschieten, zou gewis te kort zyn voor ’t aanleeren van nieuwe +kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat de door haar gekozen +specialiteit in-allen-deele aan de illuziën van hare jeugd had +beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting ontsnapt +zyn—’t wordt door wel-onderrichte maar onbescheiden +getuigen verzekerd—“als ik nògeens in de wereld +kwam, ging ik in ’t knokenvak!” Maar ze troostte zich by +’t bedenken dat ook deze loopbaan wel haar onaangename zy hebben +zou, al scheen dat anders aan wie er buiten stond. En in-allen-geval, +er was geen spraak van dat ze haar leven zou òverdoen. +Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe, en +Jehovah-zelf kon ’t niet ongedaan maken dat Vrouw Roebens haar +gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen besteed had. Wat er in +den hemel moet worden aangevangen met zulke zielen... ei, en de +jongeheer Pompile dan, met z’n witte-gronden-driekleur, en +z’n krieuweltjes? En m’nheer Wilkens met z’n +diemetten? Welke ontwikeling brengen dezulken mee in den hemel? En dat +zy eenmaal daar aanlanden, is toch zeker. Want Pompile was <span class= +"pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span>van +de Walekerk, en Wilkens hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede +gelooven, gelyk ieder weet.</p> +<p>Wouter bedankte heel beleefd voor de gegeven inlichting, en +klauterde naar-boven. Jammer dat er geen roovers waren op die +uitgesleten trappen, want het was er zoo donker dat men lust krygen zou +zichzelf te bestelen. Het klimmen van onzen jongste-bediende vereischte +een zeer eigenaardige gymnastiek. Heel beneden had z’n +rechterhand zich weten meester te maken van ’n touw. Na ’t +stygen van ’n paar treden, was-i wel genoodzaakt z’n oogen +te ontslaan van alle dienst, maar ’t gewicht der expeditie kwam +des te zwaarder op z’n handen neer, die slechts van-tyd tot-tyd +’n oogenblik rust kregen als-i wat vasten grond onder de voeten +meende te hebben. De tyd tusschen deze tempoos in, werd aangevuld door +zekere slingering, ’n exercitie waarvan historie en industrie ons +drie toelichtende voorbeelden aanbieden. Wouter hing daar—maar in +’t donker—als de “plukkers” van vogelnestjes op +de Javasche Zuidkust, of: als de verzamelaars van eiderdons in ’t +hooge Noorden, of: als de krygslieden van Herodes, die in hangende +bakken de roovers in de rotsen bevechten, gelyk in ’t XIVe boek +van Josephus te lezen staat. Wouter kende de plaat die in de +frans-hollandsche vertaling van dat werk ter opheldering daarby gegeven +is, en niet zonder angst berekende hy wat z’n lot wezen zou als +het touw brak. Daar-i volstrekt niet zien kon, zag hy allerduidelykst +de rotspunten en kloven waarop en waarin hy zou neerkomen. Goddank, de +eerste verdieping was eindelyk bereikt, en hy kon wat uitrusten. De +toegang tot de tweede was nauwer, en het touw waaraan hy zich moest +ophyschen, iets gladder en dunner. Met moed ving hy ook dezen tocht +aan, en werkte zich dapper tot ’n portaal hooger op. Hier hoopte +hy dat-i zich ’n verdieping mocht verteld hebben, maar helaas, de +werkelykheid geeft niets toe. Wie slechts twee verdiepingen klimt, +staat niet hooger dan twee verdiepingen. Dit is nu eenmaal zoo: <i>nil +sine labore</i>!</p> +<p>Wouter tastte rond naar den deurflankeerenden gootsteen, maar +helaas! Hy zag in, dat nog altyd z’n naastbyliggende plicht in +stygen bestond, en dit bleek hem te meer toen hy na eenig zoeken in +’t bochtig portaal, ’n spleet in de voorpui bemerkte, die +hem toeliet ’n oog te slaan op ’t buitenhangend garneersel +van de vensters. Daar was niets, niets, niets te zien van ’n +“sjabbasj engels-hemt.” Er hingen kousen en mutsen en +allerlei lappen te drogen, maar nog altyd woei daar de vlag niet waarop +hy koers zette. Hooger dus, hooger! Wat zoo’n jongste-bediende op +’n koopmanskantoor zonderlinge naastbyliggende plichten te +vervullen heeft! Die soldaten van Herodes... dit is de vraag niet. Den +derden trap op! Zeker was hy op den goeden weg, want de uienlucht werd +sterker en sterker. Nog ’n beetje volharding, en hy zou te-land +komen in de buurt waar de spys bereid was, die hy beneden in de bekende +vuurterrine had te zien gekregen. Waarlyk, het touw was ten-eind! +Voorzichtig schoof hy den voet vooruit, en bleef grond voelen, wel +’n halven palm in omtrek. En nòg ’n proef die goed +afliep, en nòg een... hy had iets <span class="pagenum">[<a id= +"pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span>onder zich, dat +vergelykender-wys naar vasten bodem geleek. Om zich heen tastend +ontdekte hy den gootsteen, en al was er niets te zien van ’t +feesthemd, <i>hier</i> zou ’t wezen! Hy klopte op den gis tegen +den wand, en riep: <i>m’nheer</i> Roebens, <i>m’nheer</i> +Roebens!</p> +<p>—Nou, k’m m’r binne, antwoordde een vrouwestem, +wat e skendaal in ’t pertaal! Wâ mot je? Wissels? K’m +in, en maak so’n lewaai niet. Me man is siek.</p> +<p>Daar er ’n deur geopend werd, kon Wouter nu eindelyk zien. De +vrouw die zich vertoonde, beantwoordde z’n vraag of daar +<i>m’nheer</i> Roebens woonde, bevestigend. En hy trad +binnen.</p> +<p>—Van de heeren Ouwetyd en Kopperlith, stamelde Wouter met +’n mislukte poging om iets officieels te brengen in stem en +houding.</p> +<p>En hy haalde het smeerige briefje voor den dag.</p> +<p>—Fader, zei de nog jonge vrouw, d’r binne ze-n-al met +een f’n de wisseltjes... och Chot, de stumpert het ’r +f’n nacht fan legge yle!</p> +<p>Wouter vond het vreemd dat zy iemand scheen toetespreken, want +buiten haar zag hy niemand in de kamer. Dit werd evenwel terstond +opgehelderd. Er klonk antwoord achter de gordynen van ’n +bedstee.</p> +<p>—Je heb ’m wakker gemaakt! zei de vrouw op verwytenden +toon.</p> +<p>—Och, wat spyt me dat, antwoordde Wouter met meer vriendelyke +belangstelling dan z’n funktie meebracht of toeliet.</p> +<p>Zeker, als ’t wisseltje hèm behoord had, zoud-i hebben +voorgesteld ’n andermaal eens terug te komen.</p> +<p>—Wâ sel ik je segge, riep de zieke, ik hep de koors. En +f’n wie komt het?</p> +<p>—Van de heeren Ouwetyd & Kopperlith...</p> +<p>—Dâ ken me nie skele. As ik je seg, dâ me dat nix +skele ken! Ik fraag je wie de trekker is. Kyk jy ’ns Ribbetje, of +’t briefie is f’n Sjomele, of ’t briefie f’n +Bussemakers, of ’t briefie f’n Bebbel Roels in Keule? Want +er ferfalle drie f’ndaag... een f’n <i>sefen-en-dertig, +sestien, acht</i>, en een f’n <i>driehondert-drie</i> en een +f’n <i>sevehondert-dertien, ses, twaalf</i>. En geef me nog wat +asynwater, Ribbetje, want ik heb so’n dorst f’n de koors. +<i>Sefehondert dertien, ses, twaalf</i> is f’n Sjomele, en hier +is ’t gelt.</p> +<p>Rebekka gaf haren echtvriend iets te drinken. Toen ze daarop Wouter +verzocht haar ’t briefje te toonen, hield deze het haar voor, +zonder ’t lostelaten. De vrouw toonde zich door dit komiek +wantrouwen volstrekt niet beleedigd. Ze scheen ’t niet vreemd te +vinden, zoo weinig zelfs dat ze ’r geen acht op sloeg.</p> +<p>—’t Is f’n Sjomele, fader.</p> +<p>—<i>Sefehondert dertien, ses, twaalf</i>, goet! En hier is +’t gelt.</p> +<p>De zieke scheen bezig iets optedelven onder z’n matras. Men +hoorde hem woelen en hygen, en weldra ’t geluid van gevulde +geldzakken die tegen elkaar stootten. Rebekka wees Wouter ’n +latafel aan, waarop ter-nauwernood ’n plekje leeg was. Daar zou +wel ’n pen liggen, zei ze. En ook bracht ze hem na eenig zoeken +’n aptekersfleschje met wat inkt. <span class="pagenum">[<a id= +"pb211" href="#pb211" name="pb211">211</a>]</span></p> +<p>—Ja ... maar ... juffrouw ...</p> +<p>—Ribbetje, ik hep weer so’n dorst, klaagde de zieke.</p> +<p>Dit doet me genoegen voor Wouter. Die dorst bewaarde hem voor al te +ruwe uiting van beleedigende voorzichtigheid. Met Rebekka, die op-nieuw +haren man te drinken reikte, trad hy op ’t bed van den zieke toe. +Ze scheen bevreesd dat kou of tocht by ’t openen der gordynen +...</p> +<p>—Ik zal je helpen, juffrouw, riep Wouter, meezorgend dat de +opening niet grooter werd dan juist noodig was om ’t verlangde +doortelaten. Nadat Roebens gedronken had, reikte hy twee zakken geld +aan.</p> +<p>—Maar, zei Wouter weifelend, ze hadden me gezegd dat het geld +me zou worden voorgeteld?</p> +<p>—As ik je seg dâ ’k de koors hep, en siek ben as e +geslage man, wâ wil je? As ik heb geteekent m’n hant +f’r betale, na, wâ sel ik doen? Ik betaal. En as ik teeken +m’n hant f’r telle, sel ’k telle. Help ’m, +Ribbetje, en geef me wat drinke, ik heb so’n dorst f’n de +koors. En tel ’m ’t gelt foor ... <i>sefehondert dertien, +ses, twaalf.</i></p> +<p>Het jonge vrouwtje, na haar man gelaafd te hebben, hurkte op den +vloer neer, en Wouter knielde er by. Ze stortte het geld in haar schoot +uit, en wilde beginnen te tellen. Maar ’t ging niet. Zyzelf kon +niet wys worden uit de tallooze geldsoorten die haar man had weten +by-een te brengen. Men zou er ’n muzeum mee opgezet hebben. Ook +was er geen plaats, want de vloer lag vol prullen. Ach, de oude Gerrit +wist het wel, en als ’n donderslag klonk Wouter de vreeselyke +profetie in de ooren, “als je ’r afkomt met ’n +daalder, mag je van geluk spreken!” Hy werd zeer angstig.</p> +<p>Daar stommelde iets op de trap, en ’t oude vygenvrouwtje +vertoonde zich in de geopende deur. Ze sprak bargoens, en scheen +Ribbetjen iets te zeggen over dat geld. Het jonge vrouwtje hield op met +uitzoeken en tellen.</p> +<p>—Fader, d’r is grootemoe, en se seit ...</p> +<p>Hier volgde een-en-ander dat Wouter weer niet verstond, maar wel +onderscheidde hy eenige keeren den naam van Racheltje. Nogeens begon de +oude vrouw haar verhaal, en ze wees op hem, en scheen zich driftig te +maken tegen al die afgeknabbelde <i>dertiend’halven</i> en +<i>schellingen</i> en byna onherkenbare muntstukken.</p> +<p>—Na, zei de zieke, ’k heb wel goet gelt ook as ’t +weze mot. Hier, Ribbetje, neem an ...</p> +<p>Hy reikte z’n vrouw ’n grooten zak over, die hy met +blykbare moeite had opgegraven uit z’n beddegoed.</p> +<p>—Neem an, Ribbetje, en tel er uit ... <i>twee hondert</i> +stuks, en dan nog ... <i>twintich</i> stuks, en ... <i>ses</i>. En ... +doe ’r ’n <i>achtetwintich</i> by, die goet is, en ... ses +<i>Uiterse</i> duiten, en laat ’m gaan met Chot! En geef me te +drinken, Ribbetje, w’nt ik hep so’n dorst.</p> +<p>Wouter ontving z’n geld in gerande dukatons, en bedankte zeer +vriendelyk. De welwillendheid van die oude vrouw had hem goed gedaan, +tot roerens toe. Wanneer-i op dat oogenblik in het toekennen +<span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name= +"pb212">212</a>]</span>van vereering had moeten kiezen tusschen haar en +de zooveel beter geboren mevrouw Kopperlith ...</p> +<p>Zonder ’t minste opzet om ’t rimpelig moedertje +natepraten, wenschte hy haar by ’t weggaan duizend goddelyke +zegens toe. Haar, en m’nheer Roebens die zoo ziek was. En de +jonge vrouw die zoo liefderyk haar man verzorgde. En kleine Racheltjen +... o, allemaal!</p> +<p>Eerst toen hy de straat bereikte, schoot hem in den zin +dat-i—sakkerloot, hoe jammer!—by het teekenen ... z’n +krul vergeten had. Nu, dàt ’n andermaal! Hy was verheugd +dat-i menschen ontmoet had die hem zoo beminnelyk voorkwamen, en dit +was meer waard dan de mooiste krul.</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Alweer over ’t kleine. <i>Wouter</i> wordt op post gezet voor +de zenuwen van “<i>mevrouw.</i>” Kent de lezer <i>Gus +Halleman</i> nog? Verhandeling over het denken. De auteur maakt +tenslotte <i>fiasco</i> in <i>colloquia prava.</i><a class="noteref" +id="xd19e8594src" href="#xd19e8594" name="xd19e8594src">1</a></p> +</div> +<p>Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken +reeds, byna zonder afwisseling rondleid op ’n tentoonstelling van +nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak ... +op die nietigheden zeker niet, maar op m’n arbeid. Een zeer groot +gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit ’n aaneenschakeling +van ’t geringe. Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik +deze eigenaardigheid over ’t hoofd zag. En aan de goede trouw, +als ik ’t deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare +juistheid “aristokratie van den smaak” wordt genoemd. Ook +’t woord: tentoonstellen, is my een niet ongewenschte +kwalificatie van m’n arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken +tentoon, die hy van de wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm ... +den zynen! Om evenwel ook de vele graven en markiezen onder m’n +lezers tot moedhouden optewekken—onder ons gezegd, de +onverzadelykste liefhebbers van zekere voornamigheid logeeren in stal +of keuken—verbind ik my Wouter niet te laten sterven voor-i +statiglyk zal geprezenteerd zyn aan ’t een of ander hof. +Misschien zelfs ga ik verder, en huur ’n huis voor hem op de +<i>Keizersgracht</i>. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo’n +sprong noodig is, wacht ik ’n oogenblik van byna krankzinnige +tuchteloosheid af. In kalme stemming zou ’t niet lukken. Het is +echter de vraag of hy—aangeland in zóó verheven +sfeer—fyner dingen zal te zien krygen dan de aandoening die +’t oude vygenvrouwtje bewoog ook op haar beurt ’n +herodiaansche expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus +haar “handel” over te laten aan de bescheidenheid der +voorbygangers, alleen om Wouter te beschermen tegen al te uitgebreide +muntkennis van haar kleinzoon.</p> +<p>Wat overigens het aristocratische van den smaak aangaat, de myne is +van edel bloed. Te edel, b.v. om zich aftegeven met de zeer +<i>burgerlyke</i> <span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" +name="pb213">213</a>]</span>voorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen +schoonheid vatte zonder goud, fluweel en aanzienlykhedens, en die dus +hierin—op de naïveteit na—nog altyd op de laagte stond +van ’t kind Wouter. Wat my betreft, ik blyf aan redelyk goed +brood de voorkeur geven boven zieke truffels. Doch, voor den +honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den smaak. De +eenige eisch is: <i>waarheid</i>. Den kunstenaar die hiernaar streeft, +zal al ’t andere toegeworpen worden ... natuurlyk op de +toejuiching der <i>koprolithen</i> na, die hy missen kan.</p> +<p>Wouter oogstte by m’nheer Dieper eenigen lof in over den +uitslag van z’n tocht, en vernam tot hartsterking: “dat-i +’t by-gelegenheid eens weer mocht doen.” Maar Gerrit +verzekerde dat het niet altyd zóó zou afloopen, wat ieder +weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal.</p> +<p>De bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel +overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den eersten +dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m’nheer Pompile, het +knippen en opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z’n +werk, om nu niet te spreken van ’t vegen op de zolders en in +’t magazyn, lokalen waar, volgens m’nheer Wilkens, voor +’n jong-mensch altyd iets te leeren viel.</p> +<p>Het is my een gewetensplicht hier alle aanleiding tot zeker +misverstand uit den weg te ruimen, dat zeer veel jongelieden welkomer +wezen zou dan behoorlyk is. Ik verklaar uitdrukkelyk, geen aanmerking +te maken op de soort van bezigheden die men Wouter opdroeg. Niet hierin +waarlyk ligt het zwaartepunt myner aanklacht tegen zekere klasse van +menschbedervers. De stalen moesten nu eenmaal uitgezocht, geknipt en +opgeplakt worden, en die brieven gekopieerd ... wie anders dan hy kon +daarmee belast worden? En zelfs die boodschappen! Geestverheffend waren +al deze werkzaamheden voorzeker niet, doch men neemt geen +jongste-bediende in ’n lappenhandel, met het doel om meetewerken +aan ’t verheffen van z’n geest. Dit is evenmin de eisch +zyner vorming, als ’t in billykheid verwacht kan worden van de +personen die over hem te beschikken hebben. De bekende spreuk: <i>il +n’y a pas de sot métier, il n’y a que de sottes +gens</i> acht ik hier van volkomen toepassing. Een geest die zich niet +weet te ontwikkelen in-weerwil van ’t handwerk, is de moeite der +ontwikkeling niet waard. <i>In-weerwil?</i> Dit is de vraag. Juist +zulke nietige bezigheden laten het denkvermogen vry. Ik meen reeds +ergens gezegd te hebben dat ik jaloers was op Spinoza den brilleslyper +... den geluksvogel! Ook roerde ik in myn <i>Mattheus XIX</i> de hier +behandelde stelling aan. “<i>Uit de Schrift leert men strikvragen +stellen, maar er is veel antwoords in ’t denken by ’t +spinnewiel.</i>”<a class="noteref" id="xd19e8632src" href= +"#xd19e8632" name="xd19e8632src">2</a> Niemand staat voor ’t +geringe te hoog, en zeker was dit dan ook ’t geval niet met onzen +Wouter, die aan ’t breidelen van z’n begeerten zoo +byzondere behoefte had. De kwestie was of-i <i>netjes</i> knipte en +plakte, of z’n kopie <i>korrekt</i> was? Hierin alleen lag +z’n naastbyliggende plicht, en niet in <span class= +"pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name= +"pb214">214</a>]</span>’t onbesuisd haken naar voornamer +werkkring. Schreef niet ook Jezus voor, getrouw te zyn in ’t +kleine?</p> +<p>Nog ’n andere bezigheid kwam—aanvankelyk nu-en-dan, +later byna geregeld—voor Wouter’s rekening. Hoe weinig er +ook in de zomermaanden “gehandeld” werd, toch kwam het +by-uitzondering voor, dat er verzendingen moesten geschieden +“naar buiten.” Het “pakken” van zulke goederen +in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de funktien van Gerrit. Sedert +vele jaren evenwel, had deze zich zoo geoefend in ’t voorwenden +van allerlei oorzaken tot onthouding van arbeid, dat men zich telkens +genoodzaakt zag de hulp van Flip den kruier interoepen, en de posten +die deze interventie op ’t “weekbriefje” te-voorschyn +bracht, bezwaarden het handelsgeweten van den jongeheer Pompile. Uit +eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid eener byzondere styfte van +Gerrit’s rhumatiek, de paknaald ter-hand, en werd zoo geprezen +over den uitslag van z’n eerste poging om dat werk te +verrichten—men had het tot-nog-toe voor ’n vak gehouden dat +zonder speciale opleiding ontoegankelyk was—dat de jongeheer +Pompile al zeer spoedig hem gelastte de goedheid te hebben by +èlke voorkomende gelegenheid als pakhuis-knecht optetreden. En +inderdaad, de pakken die hy vervaardigde, waren onberispelyk! Kantig +van rand, plat aan de zyden, symmetrisch gebouwd—gemetseld, had +ik byna gezegd—netjes genaaid, wèl bestand tegen stuwing, +wentelen en nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er was elegantie in +de balen die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men kon ze “over +’n huis gooien” als ’n wel-ingepènd kraamkind +uit de oude bakerschool. “Het is of-i ’t al z’n leven +gedaan heeft!” betuigde zelfs m’nheer Wilkens in ’n +eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet erkennen dat ook +Wouter schik had in ’n bekwaamheid die hem verraste, ’t Was +hem ’n eerezaak dat er nooit klachten werden ingebracht over +avary, noch zelfs over kreukeling, van goederen die hy had toegerust om +de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem schooner dan wrevel, en het +ware te wenschen geweest dat men niet op misdadiger wys z’n +overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd ’n bezigheid voor +hem uitgedacht... neen, ’n bezigheid was ’t eigenlyk niet. +Het was ’n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus in +versuffing dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar +terstond zeggen dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile +zich alweer in de hier bedoelde zaak van ’n zeer gunstige zyde +deed kennen. Op zekeren morgen kwam de oudeheer het kantoor +binnensloffen, en onthaalde het personeel op de gewone inleiding tot +z’n belangryke gesprekken:</p> +<p>—Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg +is.</p> +<p>—Zoo, papa?</p> +<p>—Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen +nacht gedroomd heeft!</p> +<p>—Dat is zeker nogal heel akelig, papa!</p> +<p>—Ze heeft gistr’avend kreeftensla gegeten, weetje? +<span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name= +"pb215">215</a>]</span></p> +<p>—Zoo, papa?</p> +<p>—En daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit +gezegd dat ze heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig.</p> +<p>—Dat is wel verdrietig, papa!</p> +<p>—Niet waar?</p> +<p>—Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid +te zeggen, de familie Krucker...</p> +<p>—Ze kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren...</p> +<p>—Hè, papa?</p> +<p>—Ja, zóó erg is ’t! Want... het ophalen +van de draad maakt zoo’n vreeselyk leven, zegt mama.</p> +<p>—Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen, +papa? Ze zeggen...</p> +<p>—Maar, Pompile, wat zullen wy ’r aan doen? Mama lust +haar portwyn ook niet meer...</p> +<p>—Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa!</p> +<p>—En ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo +zenuwachtig wordt van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen +madera drinkt.</p> +<p>—Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder +zenuwachtig van madera?</p> +<p>—Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel +gezond is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is +niet goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar ’t helpt +allemaal niet, als er zoo’n vreeselyk leven in huis is. Dat +eeuwige schellen, Pompile!</p> +<p>—Ja, papa!</p> +<p>—De bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo +van.</p> +<p>—Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, +jy moet eens zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als +er dan iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan ’t venster, +zieje? En je ziet... wie ’t is? En je vraagt wat ze willen, +zieje? En als ’t dan iemand voor de keuken is, dan sluit je de +deur, en je gaat zeggen in de keuken, dat er... iemand voor de keuken +is, weetje? En als ’t voor “huis” is, dan sluit je de +deur, en je komt hier zeggen aan m’nheer Eugène... niet +waar, Eugène?</p> +<p>—Hm!</p> +<p>...dat er iemand voor “huis” is, zieje? En dan zeg +je-n-aan m’nheer Eugène <i>wie</i> er is. En tegen de +menschen zeg je dat mevrouw zoo ziek is, zoo byzonder erg zenuwachtig, +moet je zeggen. Maar denk er aan, dat je-n-altyd de deur van den kelder +sluit. Ziet u, papa, dan wordt er niet gebeld, en... als dan mama weer +beter is, kan ze naar-buiten, papa. Want ik heb gister de Hockers +gesproken, papa, en hun gezegd...</p> +<p>Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan +de Hockers gezegd had? Vorder ’t onmogelyke niet, lezer! Zonder +nu juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan +Wouter’s eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten +<span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name= +"pb216">216</a>]</span>’n groote rol in m’n geschiedkundige +navorschingen. Geen lid van de beroemde familie Hocker heeft zich +verwaardigd my iets meetedeelen van ’t gesprek waarop hier de +jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat Wouter-zelf aangaat, hy stond +reeds lang op-post achter de glasdeur van ’t magazyn, voor die +teedere zoon z’n papa deelgenoot maakte van de Hockersche +konfidentie.</p> +<p>Ja, daar stond-i! Met z’n gewonen dienstyver hield hy de +linkerhand aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, +voor ’t geval dat iemand zich verstouten mocht mevrouw +Kopperlith’s zenuwachtigheid te prikkelen door onbescheiden +bellen aan de bovendeur. Zóó stond-i daar dan uren +achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht voor mevrouw +Kopperlith’s rust! Geen vlieg zou kunnen naderen zonder +aangeroepen te worden. Nooit bracht ’n schildknaap die zich +voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie mee +in z’n wapen-vigilie dan Wouter aan z’n afmattende taak +ten-koste lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! +Dat z’n naastbyliggende plicht alweer met z’n wenschen noch +met z’n gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende +hy niet, en z’n wenschen telden niet mee. Het sprak vanzelf, +begreep hy, dat men zich moeite en onaangenaamheden getroosten moet om +“iets te worden in de wereld” en ’t kwam niet in hem +op dat er misbruik werd gemaakt van z’n goeden wil. Hy beschouwde +de vreeselyke verveling die hy te bestryden had—en den +stank!—als zoovele vyanden die op-straffe van lafhartigheid +moesten verslagen worden, en hy week dus niet! In gewone gevallen zou +het niets-doen-op-zichzelf hem geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer +spoedig in de vryheid zyner gedachten ’n middel zou gevonden +hebben tot bezigheid niet alleen, maar zelfs tot uitspanning. Geen +gegeven was hem onbruikbaar tot punt van uitgang. Een luchtbelletjen in +de vensterruit, de richting van de reien der straatsteenen, ’n +voorbydryvend wolkjen... alles en ’t minste was voldoende om hem +aan ’t denken te brengen en te houden. Maar juist dit was hem +ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van ’t besef zyner +naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds byna gereed met +z’n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat wezen +zouden ’n examen afteleggen als hulp-onderwyzer, toen de jongen +van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om de +taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten in +haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z’n nalatigheid, en +beloofde zich plechtig z’n neiging tot denken, vorschen, +uitpluizen, redeneeren, te offeren op ’t altaar van z’n +onverheven plicht. Zoo ver mogelyk liet hy z’n blikken rechts en +links de straat beheerschen, om by-tyds—en liefst te +vroeg—te kunnen beoordeelen welke onverlaat ’n storing der +rust van mevrouw Kopperlith in ’t schild voerde. Maar +zéér ver reikten z’n bespiedende oogen niet. +Aan-weerszy werden de beenen van den hoek dien hy overzag, door de +uitbouwsels der stoepen saamgedrongen tot ’n engte die +voortdurende oplettendheid vorderde, en <span class="pagenum">[<a id= +"pb217" href="#pb217" name="pb217">217</a>]</span>hem telkens plaagde +met den angst dat z’n waarschuwing te laat komen zou. De gedachte +rees in hem op: als ik maar <i>voortdurend</i> tikte, en +<i>iedereen</i> van ’t beklimmen der stoep terughield? Hm... dat +zou gek staan! Wat zou ik zeggen? “M’nheer, ben je-n-ook +misschien van plan hier aanteschellen aan de bovendeur?” Hy zag +in, dat dit niet kon. En ook, dat er in den handel ’n groote mate +van geduld noodig is. En dan... dat pynlyk slapen van z’n +linkerbeen!</p> +<p>Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van +z’n loopbaan slechts twee keer ’n fout. Eens had ’n +bedelbrief-industrieel z’n waakzaamheid verschalkt, door by +arglistige overklimming van de achterleuning der stoep, de bovenbel te +bereiken. De jongeheer Pompile was er zeer verstoord over, en ook +Wouter-zelf voelde verdriet. Wat zou er van hem worden by zoo’n +slordige plichts-vervulling?</p> +<p>Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door +den kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor +den neus dicht, en ging op ’t kantoor aan m’nheer +Eugène zeggen: dat mevrouw Kalbb daar was: “<i>voor +huis</i>” naar-i giste. Zeker, ze kwam voor “huis” en +was zeer boos “dat die jongen ’t in z’n hersens had +genomen, háár niet doortelaten.” Wouter ontving by +deze gelegenheid onderricht in ’t groote verschil tusschen: +“papa’s eigen dochter, mevrouw Kalbb, weetje, de eigen +vrouw van den konsul van ’t heele land Elsas, weetje, en... +allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in ’t +magazyn!”</p> +<p>Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel +inderdaad ’n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet +achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith’s +aangaat... wat wisten <i>zy</i> daarvan? Het verslonsen eener ziel is +geen handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. In-plaats daarvan +hielden ze treffende verhandelingen over ’t bederf der kleuren +van de stapeltjes die vooraan in ’t magazyn beschenen werden door +’n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren +met ’n stuk zaklinnen of papier, want:</p> +<p>—Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer +dàt van my!</p> +<p>Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z’n +oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld +als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z’n +gemoed aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En +Wouter wàs niet eens ’n broeder. Geen neef zelfs. Hy was +’n burgerjongetje, en de heeren Kopperlith woonden op de +<i>Keizersgracht</i>. Ze behoefden ’t zich niet aantetrekken dat +hy zich daar stond te vervelen en te versuffen tot krankzinnig-wordens +toe! Misschien zelfs wisten zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar +welke professor had dan overredingskracht genoeg bezeten om hen te +doordringen van ’t besef dat gekleurde lappen ’t licht niet +verdragen kunnen? Wie toch had déze wysheid weten intepompen aan +zulke indociele gemoederen? <i>Magnus Apollo!</i> <span class= +"pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name="pb218">218</a>]</span></p> +<p>Doch zie, dat geestverdoovend schildwacht-staan was ’t ergste +niet! Aan veel gevaarlyker proef werd Wouter gewetenloos blootgesteld +door de hem opgedragen taak om elken ochtend de brieven van de post te +halen, of liever: om te vragen of er brieven waren? Want drie, vier +malen ’s weeks kwam hy met ledige handen op ’t kantoor. De +toon waarop hem dan de jongeheer vroeg: “of er <i>alweer</i> +niets was?” maakte den indruk alsof <i>hy</i> ’t helpen kon +dat niemand ’n wittegrondje-driekleur bestelde. Toch was hem die +gang naar ’t postkantoor en ’t wachten daar, een der minst +onaangename plichtjes van z’n betrekking, en hierin lag juist het +gevaarlyke.</p> +<p>De soort van ’t gezelschap waarmee hy daar kennis maakte, heb +ik reeds met ’n enkel woord omschreven. Indien niet Wouter door +byzondere omstandigheden in deze levensperiode was voorbeschikt tot +afdwaling, zou hy voorzeker in dien omgang geen smaak hebben gevonden. +Maar er bestond by hem wel degelyk aanleiding tot misgrypen, en zelfs +byna noodzakelykheid. Sedert eenigen tyd voelde hy zich ontwassen aan +al het kinderlyke zyner eerste ideaaltjes, en al zocht hy nu niet +uitdrukkelyk naar aanvulling van de hierdoor teweeggebrachte leegte, +toch onderging hy onbewust de gevolgen van die ylheid. Ware dat eerste +hoofdstuk van z’n zieleleven opgevolgd door ingespannen +arbeid—ook zelfs door schynbaar vernederenden arbeid, mits: +<i>vermoeiend!</i>—dan had de overgang van kind tot mensch +geleidelyk plaats gevonden, en er zou weinig of geen kracht zyn +verloren gegaan, iets wat in psychologie, als in werktuigkunde, de +eisch is. Hierop waren dan ook de vermaningen van Holsma voornamelyk +gegrond. Wouter moest genezen worden van z’n voorliefde voor +’t <i>kontemplatieve</i>, de klip waarop zoovelen—en de +slechtsten niet!—te-gronde gaan, en die hen doet aanlanden in de +buurt waar ze ’t minst te-huis behooren: by de luiaards. De hier +bedoelde methode laat zich, zonder de minste aanspraak op +wetenschappelyken klank—maar de uitdrukking is er niet minder +schilderachtig om—samenvatten in ’t huisbakken voorschrift: +“zit niet te droomen, steek je handen uit!” Denken is +voorwaar des menschen edelste bezigheid, maar juist het wèl +denken schryft <i>handeling</i> voor. De <i>maat</i> der splitsing +tusschen ’n geoorloofd toegeven in bespiegeling, en dat: +“handen-uitsteken” is evenwel geenszins voor allen gelyk. +Dit laatste is niet by-uitsluiting laag by den grond. Het eerste niet, +op en door zichzelf, verheven. De verhevenheid ligt in de korrekte +toepassing van <i>beiden</i>. Een onpraktische droomer staat waarlyk +niet hooger dan de domste “man van zaken.” We kunnen +evenmin in de wolken wonen als in den modder, en er bestaat geen enkele +reden om aan ’t vervliegen van geest de voorkeur te geven boven +’t smoren van geest. Het maat-houden tusschen deze beide +uitersten is onze taak, en niet alleen ontwaren wy telkens groot +verschil in neiging tot overslaan, wanneer we onderscheiden individuen +<i>met elkander</i> vergelyken, maar zelfs in den enkelen mensch +bestaat groote onregelmatigheid. In sommige perioden van het leven +hebben <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name= +"pb219">219</a>]</span>wy ons in acht te nemen tegen de gevaren van +onberaden vlucht. ’n Andermaal moeten wy onszelf opwekken en +inspannen om de mollegangen te verlaten waarin we bezig-waren ons te +versteken. Uit de wet der traagheid alweder is het te verklaren dat wy, +na terugkeer van den verkeerden weg, ons vergissen in de maat van +afwyking aan de andere zyde. Dit oscilleeren is geestelyk en zedelyk +leven. Hoe kleiner de boog, die de tong der balans beschryft, hoe +beter, maar volslagen stilstand zou de dood zyn.</p> +<p>Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht +met die vreeselyke “naastbyliggende plichtjes” vorderde wel +zware inspanning, doch wortelde niet in ’n beginsel. Hy deed dit +omdat-i by-uitstek <i>dociel</i> was, en ’t werd hem +voorgeschreven door iemand dien hy achting toedroeg. Er scheelde weinig +aan, of hy zou ’t zichzelf hebben toegerekend als ’n +goedige poging om dokter Holsma pleizier te doen. En deze beschouwde +z’n voorschrift eenvoudig als ’n tydelyk middel om hem +zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen van z’n +leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat: +“handen-uitsteken” behoefte had, een ziekteverschynsel +waaruit zich myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. +Indien <i>ik</i> over hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren +leerjongen by ’n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de +grenzen van dit ambacht te bepalen—’n smid met +Wouter’s gaven zou zich onmisbaar ontwikkelen tot ’n +<i>Krupp!</i>—maar om z’n al te eenzydige neiging tot het +<i>kontemplatieve</i> te-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor +zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan ’s +avonds neervallen op z’n stroozak, en den volgenden morgen geen +herinnering hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na +’t uittrekken van z’n tweede kous, ja van z’n eerste +misschien. En wat het opwekken, aanwakkeren en voeden van z’n +zucht tot bespiegeling aangaat, juist dáártoe is niets +geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning van spieren +vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting +“halt!” toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat +oogenblik werken de geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, +dan wanneer men zich meent bezig te houden: <i>alleen met +denken</i>.</p> +<p>Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den +blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dàt, of +zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien +had kunnen zetten waarvan z’n ziel vervuld was, doch die hy nu +niet verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. +En, by-gebreke van zoo’n handleiding liep hy gevaar...</p> +<p>Wel zeker, hy maakte kennis met die jongelui by ’t +postkantoor! Zy zouden ’t hongerig zieltje vullen met hun +voosrype wysheid. En Wouter’s eetlust was groot! Niet alleen +psychologisch leed hy honger. Ook in maatschappelyken en huiselyken zin +was dit het geval. Hy voelde behoefte aan gezelligheid. We weten reeds +dat hieraan ten-zynent niet voldaan werd. En wat de “heeren op +’t kantoor” aangaat... ze deden er niet in. <span class= +"pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name="pb220">220</a>]</span></p> +<p>Doch in gezelligheid werd wèl “gedaan” door die +jongeluî aan ’t postkantoor. Nu ik eenmaal—met stoute +miskenning der waarheid zoowel, als van de lokaal-kleur—de heeren +Ouwetyd & Kopperlith tot ’n “handelshuis” heb +verheven, durf ik even ongepast die loopjongens bevorderen tot +kantoorbedienden. Zoo namelyk betitelden zy zichzelf. De eerste +aanleiding tot kennismaking werd geleverd door de ontmoeting met een +der Hallemannen. Ook hy was: “jongste-bediende.” Wouter +sprak hem aan, en zei: “<i>Gus!</i>”</p> +<p>—Ah zoo... je bent Pieterse, geloof ik.</p> +<p>Wouter keek vreemd op by dit “geloof”. Maar Pieterse +wàs-i.</p> +<p>—Ja zeker, Gus. Wèl, ken je me niet meer?</p> +<p>—Ik ken je wel, maar ik moet je ronduit zeggen dat ik geen +kinderachtigheid verdragen kan. ’t Lykt wel of we schooljongens +zyn, zoo praat je!</p> +<p>Wouter begreep er niets van. De zaak was, dat-i: <i>Halleman</i> had +moeten zeggen. Hy leerde dit, en weldra begon-i ook z’n eigen +familienaam mannelyker en aanzienlyker te vinden dan: <i>Wouter</i>. Hy +zag al zeer spoedig dien Gus voor ’n groot man aan, die ’n +breede opvatting van ’t leven had. De kwajongen was dan ook +inderdaad ’n tweetal jaren ouder dan hy, en wel twintig in +kennis, gelyk we zien zullen, of nagenoeg.</p> +<p>Ach, lezer, ik heb ’n verdrietig werk te doen. Vloek over de +ellendelingen die m’n Woutertje blootstellen aan zùlke +kennismaking!</p> +<p>—En by wie ben jy op ’t kantoor?</p> +<p>—By de heeren Ouwetyd & Kopperlith... +<i>Keizersgracht</i>, weetje?</p> +<p>—Hm! Dat’s nu juist zoo’n heel groot huis niet! In +’t geheel niet. <i>Wy</i> doen in koffi. Jelui doet, geloof ik, +op Smirna, hè?</p> +<p>—Dat weet ik nog niet, zei Wouter, ik ben er pas.</p> +<p>—Zóó? Weet je dat niet. Nou, dat’s +’n rare!</p> +<p>Nieuw aangekomen “jongeluî” sloten zich aan, en +hadden heusch als wezenlyke menschen gegroet met: “morge, +heeren!” Misselyk en komiek, maar ’t was zoo. En Wouter +vond dien toon uitstekend. Hy had zich zoo’n verheffing zelfs in +’n droom niet durven voorstellen. Helaas, hy die zoo kort geleden +nog in den omgang met zichzelf zich wys-maakte dat-i god wàs, en +koning... worden zou, hy voelde zich gestreeld ’n stuk +<i>heer</i> te zyn in de oogen van kwajongens die almede voor iets als +<i>heeren</i> wilden doorgaan!</p> +<p>—Zeg, dàt’s ’n rare! Hy weet niet eens +waarin ze doen. Hoe vind <i>jelui</i> die?</p> +<p>De “heeren” vonden ’t byzonder gek. En Wouter, die +zeer gevoelig was voor spot, werd verlegen.</p> +<p>—Maar, zeid-i stamelend, je vroeg iets van Smirna, en +dàt begreep ik zoo gauw niet. Een van onze jongeheeren is te +Rome. Meen je dàt misschien?</p> +<p>—<i>Wy</i> zyn op Portugal, zei ’n derde.</p> +<p>—En <i>wy</i> op de Oostzee. Granen, weetje?</p> +<p>—Hoe héét dan je huis? vroeg ’n vyfde.</p> +<p>Wouter noemde de firma. <span class="pagenum">[<a id="pb221" href= +"#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p> +<p>—Wel, wat bliksem...</p> +<p>’t Sprekertje vloekte alleraardigst. En dit deed het heele +troepje. Toch ging ’t de mannetjes niet glad af. Men kon duidelyk +bespeuren dat ze nog niet recht thuis waren in de handige toepassing +van al hun mannelykheid. Dit was er ’t grappige van.</p> +<p>—Wat bliksem, dat is in manufakturen! Weet je dàt niet? +In manufakturen, zeg ik je.</p> +<p>En de spreker-zelf betuigde dat-i “in” assurantie +was.</p> +<p>—Kyk maar, daar heb je polissen. Dat zyn allemaal polissen, +weetje?</p> +<p>En allen beschouwden met eerbied ’n pakje blanko-dokumenten, +dat de loopjongen zoo-even uit den kantoorboekwinkel gehaald had.</p> +<p>—Ja, ja, polissen! zei Gus, met ’n nadruk die zooveel +beduidde als: “<i>ik</i> weet precies wat dat voor dingen zyn. Ik +heb er ook in gedaan.”</p> +<p>—Kyk, wat ’n mooie meid!</p> +<p>—Pst, pst! Hei! Kom ’reis hier!</p> +<p>Het dienstmeisje dat zoo hoffelyk werd aangeroepen, spuwde op den +grond, en liep door. Het beste wat ze doen kon! Ze hoefde niet de +minste kuisheid te-hulp te roepen om zich zedig te betoonen.</p> +<p>—’t Is Mie uit de bakkery, zei ’t huis op +Portugal. Nou!</p> +<p>Welke lezer verstaat dit “nou?”</p> +<p>—Nou! zei ’n tweede.</p> +<p>—Nou! herhaalde ’t koor.</p> +<p>Wouter begreep er niets van. En dit was te dommer van hem, omdat hy +de gelaatstrekken zag, die dezen uitroep vergezelden. Kon <i>hy</i> +’t helpen dat-i nog altyd de hiërogliefen van gemeenheid +niet grif lezen kon, die al dat genou illustreerden? Erg genoeg dat-i +weldra die taal zou leeren verstaan. Vloek over de +Kopperlith’s!</p> +<p>Waarschynlyk keek hy onnoozel, want een van z’n leermeesters +vroeg hem:</p> +<p>—Ben jy op ’n kantoor, <i>jy</i>?</p> +<p>—Ja... in... manufakturen, heusch! antwoordde Wouter.</p> +<p>—Weet je wat <i>ik</i> geloof? Ik geloof dat je nog maar +’n nuchter kalf bent. Dàt geloof ik er van!</p> +<p>En deze overtuiging werd bezegeld met ’n kernachtige +heerenuitdrukking.</p> +<p>—Hy is zoo onnoozel als...</p> +<p>Als ’t een-of-ander maar, dat niet onnoozeler behoeft te zyn +dan wat anders, wanneer ’t slechts terdeeg gemeen klinkt. De +bedoeling zal geweest zyn dat-i byzonder onnoozel was.</p> +<p>—Zeg, weet jy nog niet eens waar de kindertjes vandaan komen? +Nou... dàt mankeert er maar aan!</p> +<p>Goddank, dit wist Wouter! En als hy ’t niet geweten had, zou +hy hier in de gelegenheid geweest zyn het te vernemen, en wel op +’n manier <i>sui generis</i>. Ook andere wysheid was hier +optedoen, die wel strikt genomen evenmin nieuw was voor den leerling, +maar welke hem dan toch werd meegedeeld in bewoordingen die hem +onbekend waren. Uit verregaande mannelykheid hield hy zich als +<span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name= +"pb222">222</a>]</span>sedert lang behoorlyk ingewyd. Hy gaf zich +moeite om zoo wys mogelyk te lachen, wat hem slecht afging en heel +leelyk stond.</p> +<p>’t Was ’n liederlyk troepje. Ik heb op dit oogenblik +geen lust uitvoeriger te zyn.</p> +<p>Wat Wouter aangaat, hy werd by dat Postkantoor bedorven voor-zoo-ver +hy te bederven was. Dit blyft, met of zonder uitvoerige beschryving, +treurig genoeg.</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e8594" href="#xd19e8594src" name="xd19e8594">1</a></span> = kwade +samensprekingen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e8632" href="#xd19e8632src" name="xd19e8632">2</a></span> I. +183.</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Over zekere volksverhuizing die—by groote uitzondering, +voorzeker!—inderdaad heeft plaats gehad. <i>Wouter,</i> al lager +en lager zakkende, komt eindelyk te-land achter de +“<i>britschka</i> van Papa.”</p> +</div> +<p>Op zekeren dag was er ’n groote beweging op de Keizergracht by +de Vellestraat. De vensters der bovenverdiepingen aan den overkant +prykten met dienstmeisjes die dagdievend op den uitkyk stonden. +Misschien ook gluurden enkele stervelingen die zich verbeeldden +oneindig verhevener standpunt intenemen, door ’n kykgaatjen in de +gordynen der beneden-voorkamers. Voorbygangers die meer tyd hadden dan +bezigheden of voortvarendheid, bleven staan by ’n +schouwspel...</p> +<p>Hier zou nu romanshalve de beschryving van dat schouwspel moeten +volgen. Helaas, lezer, wat zal ’n arme auteur doen? Er was, om de +waarheid te zeggen, eigenlyk niets byzonders te zien, en de +opmerkzaamheid van die dienstmeisjes, voorbygangers en... anderen, was +maar ’n blyk te meer van de bekende armoed aan indrukken, die ik +reeds in den tweeden bundel behandelde. Wilt ge die bladzyde eens +naslaan lezer? (<i>Verz. Werken</i>, IV:37, I. 451.)</p> +<p>“De Kopperlith’s gaan naar buiten” verhaalden +elkander de Grietjes en Mietjes uit de buurt. En wie zich byzonder goed +onderricht wilde toonen, kwam ’n half-uurtje na ’t +ontvangen van die boodschap terug met de vraag: “zeg eens, weetje +wel dat de Kopperlith’s naar-buiten gaan?”</p> +<p>Ik zou ’n onwaardig geschiedschryver wezen, als ik verzweeg +dat zich hier-en-daar ’n variant voordeed. Drie mevrouwen, negen +“juffrouwen”, zeven-en-twintig kameniers—tevens +linnen- en kindermeiden—verzekerden niets, maar namen zich voor, +by de eerste gelegenheid te onderzoeken of ’t wel wezenlyk waar +was dat de Kopperlith’s naar-buiten zouden gaan?</p> +<p>Ja, zeg ik. Ja! Ja! Ja! De Kopperlith’s zouden inderdaad +naar-buiten gaan. Er lag ’n zolderschuit voor de deur. Om nu den +niet-Amsterdamschen lezer, die evenmin weet wat ’n +“zolderschuit” is, als wat “voor de deur +liggen” beteekent, te doen verlangen naar ’n herdruk met +noten, geef ik hier de onheldere toelichting dat ’n zolderschuit +zeker brak-watervaartuig is, zonder zolder, maar met ’n vloer. +“Voor de deur” beduidt hier zooveel als in de gracht +“waarop” het huis staat. Wie hiervan nu niet veel begrypt, +geeft blyk van zekere bekwaamheid, maar ’n Paryzenaar of andere +buitenman <span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name= +"pb223">223</a>]</span>moet zich niet verbeelden dat men zoo op-eenmaal +’t ware begrip hebben kan van de eigenaardigheden eener stad als +Amsterdam.</p> +<p>Een zolderschuit lag alzoo voor de deur, en de gedienstige geesten +van den huize waren druk in-den-weer met het aansleepen van den +inboedel. Oppervlakkig kan het <i>bourgeois</i> voorkomen, dat de +begrooting van de familie Kopperlith geen dubbel stel meubels dragen +kon. Eilieve, om dat verhuizen was ’t juist te doen! De buren en +voorbygangers moesten de zolderschuit en de bereddering zien, die hier +op de Keizersgracht denzelfden ontzag-inboezemenden dienst deden, als +de beeremuts van Holsma’s koetsier by de Pietersens. En dit moest +nogeens geschieden in ’t laatst van Oktober, by het thuiskomen. +Ook dan weer zou de heele buurt zeggen: “weet je wel dat de +Kopperlith’s weer in de stad zyn?” Er is niets wat zoozeer +op de eigenaardige zotternyen in zekeren stand gelykt, als de... +zotternyen in ’n anderen stand. Wie er een kent, kent ze +allen.</p> +<p>Alle-man was te-hulp geroepen. Daar waren Flip de kruier met +z’n kameraden. Ook de koetsier met ’n paar +geïmprovizeerde noodhulpen. Gerrit’s rhumatieke styvigheid +bleek dien dag redelyk lenig, misschien wel omdat “die +Wullekes” niet in de zaak betrokken was. Zelfs—o +hemel!—werd er meegeholpen door de kamenier, en—o, honderd +hemels!—door de “juffrouw.” Ieder ligtte, schoof, +reikte aan, zette te-recht, droeg, stutte, duwde, trok en riep: +“voorzichtig!” De intelligente lezer begrypt dat de +“juffrouw” die ’n ontzettend <i>quantum</i> fatsoen +had optehouden of... te veroveren, zich slechts waagde tot aan de +huisdeur, en... schuchtertjes maar! De voorbygangers mochten eens +ontdekken dat ze handen aan ’t lyf had. En de +kamenier-linnenmeid... nu ja, ook deze waardigheidsbekleedster was niet +gehuurd op kruierswerk. Ieder moet z’n stand ontzien, en ze kwam +dus niet verder dan de derde stoeptree, wèl geteld.</p> +<p>Al die meubels moesten naar <i>Groenenhuize</i>. “Mama” +zou volgen met byzondere gelegenheid. Hoe ’t gelukt is, haar +uittepellen... neen, deze uitdrukking deugt niet. Ik dacht aan +limburger <i>peteunekes</i>, maar die behoeven niet +héélgehouden te worden, en dáárop kwam +’t in dit byzonder geval juist aan. Met ’n speld pluist men +zulke alikruikjes by stukjes en brokjes uit hun huisjes, en de +weledelgeboren Vrouwe Mevrouwe Kopperlith moest uit haar zy- en +binnenkamer worden voor den dag gehaald... integraal! Dit slechts weet +<i>ik</i>, dat zy weinige dagen later den bodem van <i>Groenenhuize</i> +bezwaarde, en dat ook de oudeheer z’n verveling daarheen +overplantte met wortel en tak. De jongeheeren vertrokken vrydags-avends +of saterdags-ochtends uit de stad, en kwamen meestal ’s maandags +terug. Gerrit en z’n egae Jans werden, zooals sedert jaren de +gewoonte was, tot huisbewaarders bevorderd. De ware, echte, fatsoenlyke +zomer was alzoo aangebroken en de jongeheer Pompile kon z’n woord +lossen aan de Pleiers en de Hockers en de Kruckers... goddank! +<span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224" name= +"pb224">224</a>]</span></p> +<p>Intusschen was Wouter’s verveling op ’t kantoor, op de +zolders, en in ’t magazyn, niet gemakkelyk naar den eisch te +beschryven. Het pynlykste daarby was dat-i zich altyd moest aanstellen +alsof hy wat uitvoerde. Want m’nheer Wilkens beweerde dat er voor +’n jong-mensch altyd iets te doen was: “leer dàt van +my!”</p> +<p>Dit is waar, o m’nheer Wilkens! En ik zou byna durven +verzekeren dat er ook voor ’n oud mensch gewoonlyk iets te doen +valt. Maar dit was de vraag niet. De vraag was wàt men aan +Wouter te doen gaf. Of er voedsel voor den geest stak in dien arbeid? +Heilzame vermoeienis voor ’t lichaam? Geveegd hàd-i. +Gekopieerd hàd-i. Stalen uitgezocht, geknipt en opgeplakt, +hàd-i. Hy kende de patroontjes van al die gekleurde sitsen uit +het hoofd, met de nummers van het stalen-kontraboek er by... ja heusch, +en zelfs in den droom! Dat slangetje met ’n gebroken kruisjen en +’n wipjen of ’n brokkelig moesjen op ’n blauwig +marmer grondje, was... zesduizend zooveel, waarlyk! En zeventien +nummers lager stond hetzelfde patroon, maar de moesjes waren rond, en +’t wipje wipte wat minder. En die diemetten, en die +<i>fancy-checks</i> en die <i>fancy-stripes</i>... och, hy wist het +aantal draden op elken <i>inch</i> van schering en inslag! En wat er te +rekenen viel, was niet meer moeielyk: “zooveel <i>pounds</i>, +<i>shillings</i> en <i>pence</i>, tegen <i>twaalf en drie</i>.” +En al begreep hy dan den allereersten keer niet wat er bedoeld werd met +dit <i>jargon</i> van den koers, hy vatte de zaak toen men ze hem +eenmaal had gelieven uitteleggen. In z’n <i>Strabbe</i> kwamen +moeielyker “sommen” voor. Wezenlyke inspanning kon hy +slechts plaatsen in z’n stryd tegen verveling, zeker een der +onwaardigste manieren waarop ’n jongmensch z’n ziel +verkwisten kan. En ’n oud mensch ook. Voor Wouter was hiervan het +onmiddellyk gevolg dat de “gezelligheid” by ’t +postkantoor op al te willigen bodem viel.</p> +<p>Reeds jaren geleden<a class="noteref" id="xd19e9021src" href= +"#xd19e9021" name="xd19e9021src">1</a> heb ik er op gewezen hoe het +horror vacui<a class="noteref" id="xd19e9024src" href="#xd19e9024" +name="xd19e9024src">2</a> der oude natuurkundigen zich ook in het +zedelyke alom openbaart. Men behoorde van deze eigenschap der dingen +gebruik te maken in de opvoeding. De ziel heeft ’n opzuigend +vermogen. Men houde haar gezond voedsel voor en ze zal versmaden wat +vuil is omdat ze dan daarvoor geen ruimte heeft.<a class="noteref" id= +"xd19e9027src" href="#xd19e9027" name="xd19e9027src">3</a></p> +<p>Men vulle het kind met kennis, men make hem gewoon aan +<i>begrypen</i> en weldra zal ’t hem stuiten iets aantenemen dat, +met z’n weten en begrip in-stryd, zoowel ’n miskenning van +z’n <i>oordeel</i> wezen zal, als ’n beleediging van +z’n <i>smaak</i>.</p> +<p>Dit was by onzen Wouter ten-eenen-male verzuimd. Het weinigje kennis +dat men hem had meegedeeld, was op-verre-na niet voldoende om z’n +aandrift tot kennen, weten en begrypen te bevredigen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" name= +"pb225">225</a>]</span>Zoolang hy kind was, had z’n fantazie +’t noodige verricht, en meer dan dat. De tyd was nu gekomen dat-i +zich vermoeid voelde van ’t vruchteloos grypen naar ’t +onmogelyke. Z’n begeerten gingen rond als brieschende leeuwen, +zoekende wat er te verslinden viel... och, alweer ’n beeld dat +niet deugt! Er werd niet gebriescht en niet rondgegaan. Hy knaagde +ontevreden op ’t weinige dat hem werd toegeworpen, en voelde zich +ongelukkig, ’t Ergste was dat-i alleen zichzelf de schuld gaf van +z’n toestand. Ieder ander, meende hy, was beter, wyzer, bekwamer, +gelukkiger, dan hy, en in zekeren zin was dit de waarheid. We mogen +vaststellen dat noch de jongeheer Pompile, noch de kantoor-satraap +Wilkens, geleden hadden onder ’n wanverhouding tusschen hun gaven +en de aanwezige middelen tot uiting, zooals die welke by-voortduring +het evenwicht van Wouter’s gemoed verstoorde. Elke afleiding werd +hem welkom, en van keus was geen spraak meer. Hy zoog op wat zich +voordeed. Ware hy in aanraking gekomen met drinkers... hy had +gedronken. Met dieven... hy had gestolen. Met godzalige jongelingen... +hy ware aan ’t preeken en katechizeeren gegaan. Zelfs +zóó ver daalde hy af, dat-i—opgeblazen nu van +z’n recente postkantoorsche wysheid—berouw voelde over de +onnoozelheid waarmed-i juffrouw Laps zoo teleurgesteld en geërgerd +had. Berouw? Neen! Maar... schaamte toch. Hy trachtte zich optedringen +dat-i ’n volgenden keer... hm! Zou die volgende keer ooit komen! +’t Geval was vreemd geweest, zeer vreemd! Zoo-iets gebeurt maar +eens in de eeuw, meende Wouter, die zich al z’n vroeger +onbegrepen romanlektuur voor den geest bracht, en daaruit meende te +moeten opmaken dat nietigheidjes als waarvan hy er een... byna +ondervonden had, de spil zou zyn waarom zich ’t leven draait. De +lezer weet misschien dat zulk <i>misgrypen in schatting van +belangrykheid</i> nog steeds by ouderen dan Wouter, zeer ten-nadeele +der <i>ware</i> zedelykheid, ’n zotte rol speelt. Ook hier kan +Larochefoucauld’s <i>ceux qui s’appliquent</i> (trop?) +<i>aux petites choses</i>, enz. van volle toepassing geacht worden.</p> +<p>Toch was Wouter er niet beter om dat-i berouw voelde over ’t +gebrek aan ondeugd, waaraan hy meende zich te hebben schuldig gemaakt. +En dit voelde hy zeer goed. Hy dacht niet gaarne aan wat hem vroeger +liefelyk voorkwam, jazelfs dit durfde hy niet! Z’n herinneringen +aan de indrukken die Femke hem meedeelde, z’n eerzucht, z’n +lust om met ’n beetje almacht het goede te bevorderen, z’n +onverzadelyke begeerte om de oorzaken der dingen te kennen... och, dit +alles hinderde hem. Even ontevreden als immer met z’n +tegenwoordigen toestand, had hy zoomin lust zich bezig te houden met +het verledene, als met ’n toekomst waarover ’t bestuur hem +ontglipt was omdat schuldbesef idealen bederft. Tot krachtig hopen is +reinheid noodig, en wèl is ’t grof en dom van godenmakers, +dat zy, om afdwaling te bedreigen met straf, meenden behoefte te hebben +aan ’n àndere hel dan ’t verlies van die reinheid +meebrengt. Het ambt van paradys-uitjagende Cherub is ’n ware +sinekuur. <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name= +"pb226">226</a>]</span></p> +<p>Eens, op-straat—boodschappen doende voor den jongeheer +Pompile, natuurlyk—bepeinsde Wouter ’t nieuwste nieuwtje +van ontwikkeling, dat dien morgen door een van z’n kameraadjes +aan ’t Postkantoor was ten-beste gegeven, en zie... daarginds zag +hy Femke aankomen. Hy keerde zich om en sloeg ’n dwarsstraat in. +Waarom toch? Tot ’n beetje vermindering van z’n schande +moet ik hierby zeggen dat-i den avend van dien dag langen tyd wakker +lag voor hy den slaap vatten kon, en dat hy lust in schreien voelde. +Maar hy kon evenmin schreien als slapen. ’t Was zeer pynlyk, en +hy nam zich voor... ja, wàt?</p> +<p>Met schrik bedacht hy dat het tydstip waarop Holsma hem had +uitgenoodigd verslag te komen brengen van de pogingen om altyd +z’n naastbyliggenden plicht te doen, sedert lang verstreken was. +Ook dien goeden dokter zoud-i gemeden hebben, wanneer hy hem op de +straat in de verte had zien aankomen. En misschien zelfs pater +Jansen... ’n slecht teeken!</p> +<p>—Toch zou ik wel ’ns willen weten, dacht-i, waarom die +goeie pastoor zoo doof is aan z’n linkeroor?</p> +<p>Hierover peinzende viel-i ten-laatste in slaap.</p> +<p>’t Was donderdag geweest en vrydag geworden, en Wouter werd, +op ’t kantoor komende, verrast met de uitnoodiging om den +volgenden dag zich te komen verlustigen op <i>Groenenhuize</i>. De +jongeheer Pompile verwaardigde zich in hoogsteigen persoon hem +deelgenoot te maken van deze genadige beschikking, niet zonder Wilkens +’n wenk te geven dat de tien stuivers welke den betrokkene voor +reiskosten moesten worden uitbetaald, zeer gevoegelyk konden geboekt +worden op: <i>huishouden</i>.</p> +<p>—Niet waar, Eugène? Zeg jyzelf nu eens of zulke +uitgaven de zaken aangaan wat je noemt de <i>zaken</i>?</p> +<p>—Hm!</p> +<p>—Juist! Niet waar? En wat zeg jy, Dieper?</p> +<p>—Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, +weet u, ’t zyn kleinigheden, niet waar?</p> +<p>—Precies! En daarom zeg ik altyd... maar, kyk, daar komt my +iets nog beters in den zin. Zeg, Eugène, weet je-n-ook of Calbb +en Hersilie van plan zyn morgen op <i>Groenenhuize</i> te komen? En of +ze papa’s <i>britschka</i> gevraagd hebben... met huurpaarden, +weetje? Want zieje, dan kon Pieterse best meeryden. Weetje wat je doet, +Pieterse? Je moet de goedheid hebben even by m’nheer Calbb te +gaan, en doe’t kompliment van my—van m’nheer Pompile, +moet je zeggen—en vragen of m’nheer Calbb...</p> +<p>—Calbb is niet thuis, bromde Eugène.</p> +<p>—Zoo? Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar +m’nheer Calbb z’n huis te gaan, en... je schelt +<i>huis</i>, weetje? En je doet het kompliment van my, van +m’nheer Pompile, en je zegt—aan de meid, weetje, die je +opendoet—dat je morgen buiten mag komen—<i>buiten</i>, op +<i>Groenenhuize</i>, moet je maar zeggen—en dat ik vragen laat of +mevrouw Calbb en m’nheer Calbb en de jongeheer <span class= +"pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227" name= +"pb227">227</a>]</span>Bonifaz—want Ludwig-Bonifaz heet het +zoontje van m’n zuster, mevrouw Calbb-Kopperlith, +weetje?—nu, dan zeg je dat ik vragen laat of de familie van-plan +is morgen met papa’s <i>britschka</i>—met de +<i>britschka</i> van m’nheer Kopperlith, moet je zeggen—met +huurpaarden...</p> +<p>—Hm, bromde Eugène.</p> +<p>—Ja, juist... van huurpaarden hoef je niet te spreken. Dat +weten ze zelf wel... wat zeg jy, Eugène? Nu dan vraag je-n-of +m’nheer Calbb en mevrouw Calbb en de jongeheer Bonifaz naar +buiten gaan? En hoe laat? En... of ie mee mag ryden? Maar... +<i>asjeblieft</i>, moet je zeggen, niet waar, Eugène?</p> +<p>—Hm!</p> +<p>—Juist! <i>Asjeblieft</i>, zeg je, en je moet vooral het +kompliment van my doen. Zeg, Eugène, vind jy ’t niet wat +indiskreet van Calbb, zoo altyd met de <i>britschka</i> van papa...</p> +<p>Vóór Wouter Eugène’s meening over dit +diepzinnig vraagstuk te weten kwam, was-i reeds lang op weg naar den +huize Calbb. Hy deed z’n boodschap met de voorgeschreven +asjebliefts en komplimenten, en kreeg ten-antwoord dat mevrouw en +m’nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz Calbb zoo tusschen negenen +en twaalven de <i>Haarlemmer Poort</i> passeeren zouden. “Als dus +Pieterse mee wou, liet de edele Hersilia door de meid aan Wouter op de +vloermat boodschappen, had-i te zorgen op z’n tyd +dáár te zyn, en men zou hem ’n plaatsjen inruimen. +Maar... lastig was ’t wel, want de jongeheer Bonifaz was er op +gesteld zich te laten vergezellen van z’n hobbelpaard, en dat nam +veel plaats in.”</p> +<p>Wouter had den moed niet, m’nheer Pompile voortestellen den +weg naar Haarlem te voet te maken, al zy ’t dan dat de +onsmakelyke wys waarop hem passage zou verleend worden, hem +zéér deed. En toen hy, te-huis gekomen, bemerkte dat +z’n moeder opgetogen was van de eer die in hem de heele familie +werd aangedaan, meende hy alweer dat-i zich vergist had in ’t +beoordeelen van den indruk die mevrouw Calbb’s plompheid by hem +te-weeg bracht.</p> +<p>—Gut, in ’n <i>britschka!</i> Dat ’s zeker +’n koets, Trui, ’n staatsiekoets, denk ik! En daarin zal +Wouter ryden als ’n banjerheer, den heelen weg over van hier af +tot Haarlem toe, en dat zal de heele wereld te zien krygen...</p> +<p>—Met ’n hobbelpaard, moeder!</p> +<p>—Nu ja, met ’n hobbelpaard, maar... wat zou dat? Denk je +dat iemand daarvan iets te weten komt? Wat zeg jy, Stoffel? En +bovendien, wie loopt er op den Haarlemmerweg? Geen mensch! Geen levende +ziel! Geen sterveling! Niemand zal ’t merken dat je met ’n +hobbelpaard in die... koets zit. Weetje wat <i>ik</i> zou doen in jou +plaats? Ik nam ’t tusschen m’n knieën...</p> +<p>—Gut, moeder!</p> +<p>—Wel zeker! En je legt ’n zakdoek op je schoot, dan +kraait er geen haan na. Je bent ’n ontevreden jongen. Kyk eens +naar al de arme kinderen die God danken zouden op hun bloote voeten... +ja, <span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name= +"pb228">228</a>]</span>dat zouden ze, als ze ook zoo ’reis +naar-buiten mochten gaan, naar ’n wezenlyk <i>Buiten</i>.</p> +<p>—Drie uur wachten aan de Haarlemmer-Poort!</p> +<p>—Wel, wat zou dat? Wou je dan dat zoo’n heer als +m’nheer Calbb zich haasten zou voor jou? En de mevrouw van die +m’nheer? En de jongeheer... hoe heet-i?</p> +<p>—Zoo’n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te +doen... weet je wat je bent, Wouter? Je bent ’n rechte izegrim. +Als je vader ’t beleefd had, die zoo zuur voor z’n +brood...</p> +<p>Den volgenden morgen stond Wouter op z’n post. ’t Was +nog niet volkomen middag, toen de familie Calbb zich vertoonde in de +<i>britschka</i> van papa. Er was in dat tentwagentje inderdaad geen +plaats over, en Wouter werd uitgenoodigd zich te behelpen met de ruimte +die door ’n menigte pakken en pakjes was opengelaten in ’n +achterbakje. Heel grootsch was-i niet toen hy bemerkte dat z’n +inscheping de aandacht trok van den accynsman aan de poort, en van +’t half dozyn straatjongetjes dat uit armoed aan pleizier gewoon +was geraakt ’n heele gebeurtenis te zien in ’t stilhouden +van ’n rytuig. Helaas, hy had graag zichzelf tusschen de +knieën genomen, en... ’n zakdoek er over! Hy haalde adem +toen de Haarlemmerweg bereikt was. Zoo volstrekt verlaten van menschen, +levende zielen en stervelingen, als juffrouw Pieterse beweerd had, was +deze weg nu wel niet, maar toch niet zéér veel personen +kregen gelegenheid optemerken hoe benepen onze Wouter daar zat tusschen +al die bagage. Dat was’n àndere tocht voorwaar, dan de rit +te-paard waarvan Vrouw Claus... gedroomd had! Hy sloot z’n oogen, +en trachtte in ’t sukkelig schokken van den wagen, de kadans te +vinden van z’n eigen galoppeerend rooverslied: <i>met m’n +zwaard... hop, hop, hop...</i> enz. Mevrouw Hersilia Calbb-Kopperlith +spaarde hem ’t voortzetten van z’n vruchtelooze pogingen, +door ’n vermaning:</p> +<p>—Zeg, Pieterse... of hoe je heet, je zit toch niet op den zak +met soezen? En... hou toch die mand wat tegen! ’t Ding schommelt +zoo tegen m’n hoededoos.</p> +<p>Wouter deed alweer wat hem gelast was. Mand, hoededoos en soezen +kwamen onbeschadigd op <i>Groenenhuize</i> aan.<a class="noteref" id= +"xd19e9185src" href="#xd19e9185" name="xd19e9185src">4</a></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e9021" href="#xd19e9021src" name="xd19e9021">1</a></span> In I. +144 en 464.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e9024" href="#xd19e9024src" name="xd19e9024">2</a></span> = afkeer +van leegte.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e9027" href="#xd19e9027src" name="xd19e9027">3</a></span> Nader +licht M. dit toe met een beschouwing over de bestryding van het geloof +aan spoken en wonderen: “daar het kind geen stap in de +maatschappy doet zonder iets van dien god te vernemen,” is het +“ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door +onthouding.” (I. 1233.)</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e9185" href="#xd19e9185src" name="xd19e9185">4</a></span> Wouters +tocht naar het “buiten” der Kopperliths leidt M. in met een +schoone <i>verhandeling over buitenplaatsen</i>; opmerkingen over hun +ontstaan, de geestelyke ontwikkeling hunner bewoners in de 17de en 18de +eeuw, het verschil tusschen een werkelyke buitenplaats en een optrek +worden afgewisseld met de geestige anecdote van pastoor Alonzo Ramirez. +(I. 1236–1242.)</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p><i>Wouter</i> wordt begunstigd met het verlof om diepzinnige +gesprekken aantehooren, en voor pedant meespreken bewaard door ’n +vereerende zending naar de mangelkamer.</p> +</div> +<p>De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was... zoo +onlandelyk mogelyk. Men ontving bezoek van <i>ebenbürtige</i> +optrekmenschen, maar liever van hooger geplaatsten. Men maakte +<span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name= +"pb229">229</a>]</span>rytoeren in den omtrek, waarby de +tentoonstelling van “eigen equipage” hoofddoel was, en... +verveelde zich. Een der minst betwistbare genoegens die men van +’t Buiten-zyn trok, was de voldoening der ydelheid z’n +“<i>Buiten</i>” door vrienden en kennissen te laten +bewonderen. Ieder hield er z’n <i>Pleiers</i> en z’n +<i>Hockers</i> en z’n <i>Kruckers</i> op na, jazelfs z’n +“jongste-bedienden” wier plicht voorschreef met open mond +de heerlykheid van den gastheer aantestaren, en zoo mogelyk te bersten +van afgunst. In dit bejag kwamen de optrekmenschen vry-wel met hun +meerderen, de bezitters van eigenlyke Buitenplaatsen overeen. En hierin +hadden zy inderdaad iets bovenmenschelyks, daar wy in de meeste +katechismen—heidensche, grieksche en christelyke—als +’n eigenaardigheid der goden vinden aangeteekend dat ze zich zoo +byzonder verheugen als ’n menschenkind zich op hun grootheid +stom, blind en gek staart.</p> +<p>Vandaag was de beurt aan onzen Wouter om op <i>Groenenhuize</i> de +rol van lamgeschitterd Serafyntje te spelen.</p> +<p>De oudeheer Kopperlith had de waarheid gezegd: z’n buiten lag +vlak by “<i>de Logementen</i>.” Dit was gezellig, zeide hy, +want men vond er couranten, en menschen uit de stad. Eigenaardig is +het, dat de meeste ontvluchters van ’t stadsgewoel hun landelyke +eenzaamheid slechts dan behoorlyk kunnen genieten, wanneer ze nogal +heel erg vermengd is met steedsche drukte. Wouter bemerkte dan ook zeer +spoedig dat het “buiten-zyn” geheel iets anders was dan-i +zich had voorgesteld. Hoe krom en verdraaid ook de idylliteit zich in +verzen aan hem had voorgedaan, hy vond geen spoor van de beelden die zy +in z’n fantazie hadden opgewekt. By ’t rondzien uit +z’n achterbakjen op ’t rytuig, bespeurde hy geen enkel +plekje waar ’n verloren zoon ’t kleinste biggetje had +kunnen deelgenoot maken van z’n berouw. Herderinnen met bebloemde +hoeden, korte rokjes en roodkleurige schoenen zag hy nergens. Geen +Damon bespeelde de dwarsfluit. Geen jeugdige landbewoners dansten op +den fluweeligen grasgrond. En ook die grasgrond-zelf, met of zonder +fluweel dan, ontbrak. Overstappende op andere hoofdstukken uit de +geschiedenis zyner verbeelding, wou ook de romantische wildernis, zoo +aantrekkelyk door ’t verondersteld gemis aan conventie, zich maar +niet aan hem vertoonen. By ’t omslaan van ’n hoek, had de +fameuze “britschka van papa” byna ’n half-blinden +vioolspeler overreden... was dàt de Damon dezer streken? De +ryweg was van klinkers, voethoog met aard en stof overdekt... was +dàt de fluweelen dansvloer van de landjeugd? Aan de boomen +ontwaarde hy geen appel, geen peer, geen noot, ja-zelfs geen kokos of +broodvrucht... was dàt de mildheid der gulle buitennatuur? En... +en—komaan, hy moest zichzelf bekennen dat-i teleurgesteld +was—gedurende de reis had geen enkel aventuur de eentonigheid van +dien Haarlemmerweg opgevroolykt. Geen rad van den wagen had willen +breken, geen roover had zich vertoond... ja toch, even, iets er van. +Een bedelaar scheen aanslagen in den zin te hebben, of althans men had +zich ’n oogenblik kunnen opdringen dat-i wat anders was dan +’n <span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name= +"pb230">230</a>]</span>vreedzame landlooper, maar ’n nietig tikje +met de zweep was voldoende om ook deze illuzie den bodem inteslaan, en +Wouter zat weer alleen met z’n soezen en z’n hoededoos. +Juist was hy aan ’t bepeinzen van de vraag waarom toch iemand die +’n “<i>Buiten</i>” bezitten kon, dat niet liever in +Afrika zocht, toen ’t rytuig het hek van <i>Groenenhuize</i> +binnenreed, en voor de open voorgalery stilstond. Pompile kwam met +z’n gewone schichtigheid te voorschyn:</p> +<p>—Dag, Calbb! Dag, Hersilie! Heb je soezen meegebracht? Je weet +dat mama er niet buiten kan. Hoe laat ben je-n-afgereden? Stof op den +weg, hè? Ja, veel stof. Die weg is heel stoffig, weetje! Dat +komt van de droogte. Als ’t regenen gaat, zal je zien dat +’t minder stoffig wordt. Zoo, Pieterse, ben je daar? Kom er maar +uit... je mag er uit komen... stap maar op ’t wiel. Zyn +dàt de soezen? Nu, houd ze maar vast tot de meid komt, want... +straks komt de meid, niet waar, Hersilie? En heeft Bonifaz z’n +hobbelpaard meegebracht? Zeg: dag, oom! ’t Kan in de mangelkamer +staan, of in ’t tuinhuis... want mama heeft hoofdpyn, weetje, +Hersilie, nogal-fameus-erge vreeselyke hoofdpyn... en zenuwen, weetje? +We hebben de <i>Kruckers</i> hier, en van-middag komen de +<i>Hockers</i>, en de juffrouwen Pleier komen morgen op ’n +maderaatje. “Met veel pleizier!” hebben ze laten zeggen, +want... papa heeft ze geinviteerd. En straks gaan we toeren, weetje, +met de <i>Kruckers</i>, maar mama blyft thuis—vreeselyke +hoofdpyn, weetje?—ze zal bataille spelen met de juffrouw. Ze is +er mooi kwaad om, de juffrouw meen ik. Dàt kan my niet schelen, +en Eugène zegt...</p> +<p>Gedurende dit geratel was de wagen ontpakt, en Wouter werd van +z’n soezen ontlast door een van de meiden die hiertoe door den +beredderenden Pompile scheen gekommitteerd te zyn. Hy mocht nu de +familie volgen, die ’t huis was ingetreden, en weldra aanlandde +in de achtergalery waar ’t hoofdkwartier opgeslagen was. Daar +vond men de steeds nogal fameus-erg zieke oude mevrouw met haar +schoondochter Julie en de gezelschapsjuffrouw. Daar zaten de oudeheer +Kopperlith en z’n spruit Eugène. Daar zat de +<i>Krucker</i>-familie. En daar ook namen de nieuw-aangekomenen onder +geleide van Pompile hun plaatsen in. Wouter, die iets later dan de +anderen, en vry verlegen, binnentrad, werd aan de vrouw des huizes +voorgesteld met ’n onachtzaamheid waarin niets laakbaars zou +gelegen hebben, indien ze gegrond ware geweest op z’n onbeduidend +standpunt als mensch. Doch hierin lag de verontschuldiging voor +Pompile’s lompheid niet. Hy maakte zoo byzonder weinig omslag +omdat-i te doen had met ’n kantoorbediende, met ’n wezen +van lagere orde. Misschien zelfs bezondigde ik my aan hoogdravendheid +door van “voorstellen” te spreken. De waarheid is dat +Wouter met ’n vingerbeweging werd aangewezen als “de jonge +Pieterse” en toen ’n paar leden van de familie Krucker zich +schenen gereed te maken tot iets als ’n groet, werden ze voor +deze gevaarlyke misvatting bewaard door ’n snelle vermelding van +Wouter’s maatschappelyk standpuntje: <span class= +"pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span></p> +<p>—Onze jongste-bediende, zei Pompile allervoornaamst, en op +’n toon die zooveel zeggen wilde als: je hoeft je niet op kosten +te laten jagen van beleefdheid.</p> +<p>Terstond daarop mocht Wouter zitten gaan, en zelfs luisteren naar de +verheven gesprekken die de achtergalery van <i>Groenenhuize</i> zoo +byzonder weinig deden gelyken op ’n <i>bureau +d’esprit</i>.</p> +<p>De <i>réunions</i> die eenmaal in Frankryk dezen naam +droegen, lieten zeker aan goeden smaak veel te wenschen over, en de +hemel beware my dat ik de mode zou wenschen ingevoerd te zien elkaar te +bezoeken met ’n beraamd plan om geestigheden uittekramen, of al +ware ’t zelfs geest. Misselyker nog komt my ’t uitstallen +van—nagemaakte!—geleerdheid voor, zooals die welke door +Molière wordt gehekeld in z’n <i>Femmes savantes</i> en +<i>Précieuses ridicules</i>. Wy weten nu eenmaal dat al +dergelyke afdwalingen van smaak neerkomen op natuurverkrachting, en dus +alleen als zoodanig reeds te veroordeelen zyn. Toch vonden +sommigen—en de overgroote meerderheid!—middel om nòg +lager aftedalen, en zich bezigtehouden met gesprekken, welker gehalte +wel evenzeer doorslaand blyk gaf van gemis aan verstandelyken zin, doch +bovendien bewees dat men zelfs den schyn daarvan niet op prys stelde. +Voor onzen Wouter sproot hieruit alweer ’n misrekening voort, zoo +als die welke hem de ontheologische tint van pater Jansen’s +gesprekken berokkend had. Hy had zich voorgesteld nu eindelyk iets te +vernemen uit de werkelyke wereld, en hy beloofde zich goed +toeteluisteren om den waren toon te vatten die de aanzienlyken van de +burgerlui onderscheidt. Helaas!</p> +<p>Nadat de zeer byzondere beminnelykheid van Bonifaz naar behooren +door de familie Krucker geprezen was, kwam het gesprek op ’t +meegebrachte hobbelpaard, en de moeielykheid om dat dier te +stallen.</p> +<p>—Hy wou ’t absoluut mee hebben, mama, verzekerde +Hersilie. En als ’t kind z’n zin niet krygt...</p> +<p>—Ja, dan iest-i vol oenwillen, voegde de elsasser konsul er +by. ’t Kind heeft kolossaal viel karakter.</p> +<p>—Maar... mama heeft zoo’n fameus-erge hoofdpyn. Je kunt +het vragen aan de juffrouw. Niet waar, juffrouw?</p> +<p>De juffrouw getuigde naar Pompile’s zin, en de nogal +fameus-erg zieke mevrouw knikte met het hoofd. De kleine jongen werd +weggezonden, met verzoek z’n beestje niet anders te behobbelen +dan in de mangelkamer. Nu, dit deed hy, en ’t huis dreunde er +van. Het gezelschap stelde zich schadeloos door ’n gesprek over +weer en wind, waaraan ook de dames konden deelnemen. Na weinig +overgangen kwamen de “zaken” op ’t tapyt, en ’t +vrouwelyk deel der vergadering kon zich als uitgesloten beschouwen. De +oude, nogal heel fameus-erg zieke mevrouw stelde zich schadeloos door +’t onophoudelyk mummelen van soezen... zoo byzonder dienstig tot +het opwekken van eetlust, had de dokter gezegd. Julie +“werkte” aan haar hooggekleurden jachthond, dien Wouter by +deze gelegenheid <span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" +name="pb232">232</a>]</span>met genoegen weerzag. De juffrouw knutselde +aan ’n festonwerkje, en bespiedde de luimpjes van mevrouw, niet +zonder nu-en-dan sentimenteele blikken te werpen op Eugène die +de ongevoeligheid-zelf bleef. De heer van den huize hield zich bezig +met voortdurende handhaving van ’t glimlachje waarmede hy gewoon +was z’n existentie toe te juichen. Pompile draaide heen-en-weer +op z’n stoel en verkneuterde zich in de verrukking van z’n +<i>Kruckers</i>. Elk zyner blikken scheen te vragen: “welnu, is +’t waar of niet, dat papa ’n eigen <i>Buiten</i> +heeft?” Om hem te bedanken, maakte een hunner de opmerking +“dat lynwaden zoo’n belangryk vak was.”</p> +<p>—Een heel belangryk vak, m’nheer Kopperlith!</p> +<p>—Zeker, zeker! Maar “kurken” zyn ook niet te +versmaden, kaatste de oudeheer terug.</p> +<p>De scherpzinnige lezer begrypt dat de <i>Krucker</i>-familie +“in” kurk en kurken “was.”</p> +<p>—Als ik het voor ’t kiezen had, was ik liever +“in” lynwaden, zei een hunner zediglyk.</p> +<p>—Hm, ja, zoo. In lynwaden, ziet u...</p> +<p>—Daarin is altyd iets te doen.</p> +<p>—Zeker, zeker, altyd iets!</p> +<p>—En in kurken heeft men soms...</p> +<p>—Ja, dit is waar.</p> +<p>—Maar men kan niet zoo op-eens veranderen van vak.</p> +<p>—Neen, dit gaat niet. Men moet verstand van ’n vak +hebben...</p> +<p>—Juist! En er by opgebracht zyn.</p> +<p>’t Heele gezelschap zag met betamelyken eerbied al de +<i>Kruckers</i> aan, die verstand van kurken hadden, en er by waren +opgebracht.</p> +<p>—Papa, vroeg op-eens de terrible Julie, is er +véél verstand noodig voor kurken?</p> +<p>—Julie! riep de oude mevrouw verwytend.</p> +<p>—Zeker, zeker, kind! Voor den handel is verstand noodig, +véél verstand!</p> +<p>—We doen op Spanje, ziet u, riep de familie Krucker.</p> +<p>Ah! zei Julie, alsof deze mededeeling de zaak ophelderde.</p> +<p>—Ja, op Spanje!</p> +<p>—U spreekt dan zeker spaansch?</p> +<p>Deze vraag gold voor ’n beminnelyke ondeugendheid. Allen +begonnen zoo hartelyk mogelyk te lachen, en de geëxamineerden +’t minst luid niet, misschien wel om ’t antwoorden onnoodig +te maken. Pompile was grootsch op de verrukkelyke geestigheid van +z’n vrouwtje.</p> +<p>—Ja, ja, de kurken komen uit Spanje, verzekerde de oudeheer. +Wie in kurk doet, heeft ’n kantoor op Spanje.</p> +<p>—De reizigers uit Barcelona loopen ’t land af, zei de +familie Krucker.</p> +<p>—Ja, papa, ’t is ’n fameus vak, verzekerde +Pompile, die de door hem aangebrachte gasten wat wilde ophemelen. +<span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name= +"pb233">233</a>]</span></p> +<p>—Och, er wordt zoo in geklad, jammerde een der +<i>Kruckers</i>, vreeselyk, m’nheer!</p> +<p>—De menschen kunnen ’t kladden niet laten.</p> +<p>—Ze gaan in de kleinste dorpen, en bezoeken den geringsten +winkelier, m’nheer Kopperlith!</p> +<p>—Een nekslag voor den handel!</p> +<p>—Dat moesten ze niet doen. Wat zeg jy, Eugène?</p> +<p>—Hm, zei Eugène.</p> +<p>—Voor den groothandel blyft niets te verdienen, niets, +volstrekt niets! Wy, grossiers, visschen achter ’t net.</p> +<p>—En hoe staat de wissel op Spanje?</p> +<p>—Och, we remitteeren gewoonlyk op Parys. Dat’s +makkelyker.</p> +<p>—Parys staat hoog, zei gister m’n boekhouder, niet waar +Pompile?</p> +<p>—Ja, papa. Dieper zei dat Parys heel hoog staat.</p> +<p>—Papa, riep Julie, wat wil dat toch zeggen: Parys staat +hoog?</p> +<p>Algemeen gelach om Julie’s geestigheid. Pompile wreef zich de +handen van plezier.</p> +<p>—Wel, dit beduidt ...</p> +<p>—Wel zeker, ’t beduidt dat ...</p> +<p>—Men bedoelt daarmee dat de wissel hoog staat.</p> +<p>—De fransche wissel, weetje?</p> +<p>—Ah! zei Julie, als voldaan.</p> +<p>—Daar heb je nu, byv. Engeland, lichtte Pompile toe, Engeland +staat <i>twaalf en drie</i>.</p> +<p>—Ah, zoo!</p> +<p>—Juist, zoo is het! Engeland staat <i>twaalf en drie</i>. En +Frankryk ...</p> +<p>—Frankryk staat zeker wel ...</p> +<p>—Ja, ja, Frankryk staat heel hoog.</p> +<p>—Papa, <i>waarom</i> staat Frankryk zoo hoog?</p> +<p>Deze vraag van Julie bracht het gezelschap minder in verlegenheid, +dan welbeschouwd passend zou geweest zyn. Niemand wist ’n +behoorlyk antwoord te geven, en toch schaamde zich geen der aanwezigen +over z’n onkunde. Pompile die zeker niet vernuftiger was dan de +rest, stootte een der <i>Kruckers</i> tegen de knie, alsof hy zeggen +wilde: “wel, wat zeg je van m’n vrouwtje?” Julie +meende uit het algemeen gegiechel te mogen opmaken dat ze ’n +vraag had gedaan, die de moeite van ’t herhalen waard was. +Nogeens alzoo:</p> +<p>—Ja, heusch, papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?</p> +<p>Wouter luisterde aandachtig. Ook hy had zich meermalen by het doen +van uitrekeningen voor ’t faktuurboek, de vraag voorgelegd +waaraan ’t ryzen en dalen van den wisselkoers was toeteschryven? +Op ’t kantoor durfde hy geen inlichting vragen. Zeker zou men hem +daar hebben afgewezen met ’n bar: “dat zyn nu eigenlyk je +zaken niet!” Zeer diep had hy dan ook nog niet over ’t +vraagstuk nagedacht, maar z’n belangstelling werd nu opgewekt +door de onverwachte manier waarop ’t hier ter-tafel gebracht +werd. Julie drong hoofdig op antwoord aan, geenszins omdat ze drang +voelde <span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name= +"pb234">234</a>]</span>tot weten en begrypen, maar om zoo lang mogelyk +te genieten van het triumfje dat haar naïveteit bleek behaald te +hebben.</p> +<p>—Die Julie! had de oude mevrouw geroepen.</p> +<p>—Ja, ja, mama, ik vraag waarom nu eigenlyk Frankryk zoo hoog +staat?</p> +<p>—Wel, kind, zei de oudeheer, begryp je dàt niet? Dat is +de wissel. De wissel, weetje?</p> +<p>—Juist, riepen de <i>Kruckers</i>, ’t is de wissel!</p> +<p>—Zieje, Julie, ’t is de wissel, bevestigde Pompile. En +zich tot z’n gasten keerende: àlles, àlles wil ze +weten! Zóó is ze! Ze is niet tevreden voor ze alles +weet!</p> +<p>—Maar, papa, wat wil dat dan zeggen: de wissel staat hoog?</p> +<p>—Wel, heel eenvoudig, de wissel op Frankryk.</p> +<p>—Juist, Julie! Zieje, ’t is de wissel op Frankryk.</p> +<p>—Maar ... wat bedoelt men dan daarmee?</p> +<p>—Wel, dat de wissel duur is.</p> +<p>—Maar ... waarom is-i duur?</p> +<p>—Ja, dàt zyn nu zoo van die vragen, kind, die ...</p> +<p>—Ja, Julie, dat zyn vragen ...</p> +<p>En ook de familie Krucker betuigde eenstemmiglyk dat dit van die +vragen zyn ...</p> +<p>Er spookte een duiveltjen in Wouter’s gemoed. Het niet-weten +der anderen prikkelde hem tot wat inspanning. Hy begon te meenen dat hy +misschien ’t vraagstuk zou kunnen oplossen. Hy dacht na, en +peinsde, en wou iets zeggen, maar durfde niet. Zeker zoud-i geschrokken +zyn van z’n eigen stem in dit voornaam gezelschap. Bovendien, de +oudeheer nam de taak van uitlegger op zich.</p> +<p>—De wissel is duur, Julie, als-i in de prys-courant hoog +genoteerd staat.</p> +<p>—Juist, zei Pompile. Dat is de ... beursnoteering, zieje! +Dieper neemt ook altyd onze wissels op Engeland volgens de +beursnoteering van den dag. Niet waar, papa? Niet waar, +Eugène?</p> +<p>Noch papa, noch Eugène spraken dit tegen. En al de +<i>Kruckers</i> knikten toestemmend.</p> +<p>—Ah, zoo, ja, jawel ... beursnoteering, antwoordde Julie die +volkomen bevredigd was.</p> +<p>—Het zyn ... <i>zaken</i>, moet je begrypen, gaf Pompile nog +ten-beste tot overmaat van helderheid.</p> +<p>—Daar heb je ’t juist, riepen de <i>Kruckers,</i> +’t ligt ’m in de <i>zaken</i>, lieve mevrouwtje!</p> +<p>En tot verdere toelichting kwam het niet. Wouter, die al meer en +meer begon te gelooven dat-i wat degelykers over ’t onderwerp zou +kunnen meedeelen, bleef zwygen. Behalve den schroom voor z’n +eigen stem, begon hy te vreezen dat er iets gevaarlyks lag in ’t +aanroeren van Julie’s prysvraag, iets indecents misschien als de +geboorte van ’n kind. Onwillekeurig dacht hy aan z’n +kornuiten by ’t postkantoor, z’n vraagbaken sedert ’n +maand of wat. <i>Zy</i> zouden ’t weten, meende hy, waarom de +wetten die den wisselkoers beheerschen, <span class="pagenum">[<a id= +"pb235" href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span>niet mogen worden +aangeroerd in deftig gezelschap. O, prikkelend mysterie! Maar die +wetten zelf kwamen hem zóó eenvoudig voor dat-i moeite +had z’n mond te houden. Hy werd uit z’n spanning verlost +door Pompile:</p> +<p>—Zeg, jy, Pieterse, weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed +wezen naar de mangelkamer te gaan—niet waar, mama? Niet waar, +Hersilie?—en speel wat met den jongeheer Bonifaz, want hy hobbelt +zoo fameus. ’t Is waar, zieje, Hersilie, omdat mama zoo’n +fameus erge hoofdpyn heeft, dát is het maar!</p> +<p>Het echtpaar Calbb keek onvergenoegd, en scheen ’t beneden de +waardigheid van hun spruit te vinden zich ergens anders te vermaken dan +in den salon. Wouter verslikte z’n wysheid over de oorzaken van +den wisselkoers. Hy verliet het gezelschap, en vond de mangelkamer op +’t geluid af. Hier vervulde hy z’n naastbyliggend plichtje, +door den jongeheer Bonifaz aftelokken van z’n hobbelpaard.</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Merkwaardige genoegens van het <i>Buitenleven.</i> Treurig uiteinde +van ’n romantischen droom over wisselkoers, en van ’n +parasol. <i>Wouter</i> gaat de wereld in om <i>zeven gulden dertien</i> +te zoeken.</p> +</div> +<p>Ik moet erkennen dat onze Wouter niet zeer ingenomen was met den hem +in die mangelkamer aangewezen werkkring. Hy voelde zich verdrietig, ja +byna wrevelig. Hoewel dit niemand zal verwonderen, geloof ik toch niet +dat de ware oorzaak van deze in hem ongewone stemming den +oppervlakkigen beschouwer helder voor oogen ligt. In-verband met +sommige opmerkingen in het vorig hoofdstuk, zou men allicht geneigd +wezen z’n verdriet uitsluitend toeteschryven aan de +teleurstelling die ’t “Buiten-zyn” hem berokkende. +Zeker, de roeping om by ’n ondeugend knaapje de rol van +hobbelsurrogaat te vervullen, was noch landelyk, noch idyllisch, noch +romantisch, noch ridderlyk, noch zielverheffend, en Wouter nam zich dan +ook ernstig voor, andere soorten van vermaak uittedenken zoodra hyzelf +eenmaal in ’t bezit wezen zou van ’n Buitenplaats, of al +was ’t dan maar van ’n <i>Optrek</i>. Maar teleurstellingen +van dezen aard had hy sedert eenigen tyd zoo véél +ondervonden, dat hy daaraan reeds eenigszins was gewoon geraakt. De +bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden. Tot-nog-toe +leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat hy voor +“de wereld” houden moest, zoo geheel iets anders dan hy +zich daarvan had voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de +droombeelden die vroeger z’n inwendig leven schoon, en daardoor +’t andere dragelyk maakten. De oorzaak dezer ontrouw aan +zichzelf, lag evenwel minder aan ’t verschil tusschen +werkelykheid en illuzie, dan aan z’n geknakte vatbaarheid om dat +werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods te vervormen.</p> +<p>Wist hy, eenige jaren geleden nog, niet kleur en leven meetedeelen +aan ’t geringste dat z’n dor leventje hem aanbood? Had hy +niet <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name= +"pb236">236</a>]</span>op ’n benauwd achterkamertje de kracht +gehad, zich ’n ganschse wereld vol heerlykheid in ’t aanzyn +te tooveren tot eigen gebruik? Waarom kon hy dit nu niet meer?</p> +<p>Z’n onzalige kennismaking met ’n dozyn kwajongens was +hiervan de oorzaak. De reinheid zyner ziel was besmet geworden, en dit, +benevelde z’n dichterblik. De voelhorens van z’n +zedelykheid verloren ’t vermogen om hem te waarschuwen tegen +vuil, om hem den weg te wyzen naar ’t verhevene. Z’n +vleugelslag was verlamd, en zelfs meende hy van ’t zweven +àlles—tot zelfs den lust daartoe—verloren te hebben. +Maar al had-i zich by nauwkeuriger zelfonderzoek kunnen +opdringen—wat hy zeker beproeven zou—dat slechts +aanhoudende teleurstelling de oorzaak was van z’n moedeloosheid, +ik beweer dat hy den moed zou bewaard hebben indien hy zich z’n +reinheid niet had laten ontrooven. Geen voorwerp kan helder +terugkaatsen uit ’n verweerden spiegel, en ’n bedorven +menschenziel is tot dichterlyke levensopvatting niet in-staat. Het is +me zeer wel bekend—en dit moet wel, want dagelyks zie ik daarvan +de bewyzen—dat deze waarheid door velen wordt geloochend, of +althans voorbygezien. Zy is te eenvoudig, denk ik. De zoodanigen +behooren, op-straffe van inkonsekwentie, de juistheid in twyfel te +trekken van de zoo-even gebruikte vergelyking met ’n spiegel, en +tevens de stelling aantekleven dat er zuiver water kan worden geschept +uit bevuilde bron. <i>My</i> komen de bronnen-zelf waaruit zulke +stellingen vloeien, niet zeer zuiver voor.</p> +<p>Wouter dan had sedert eenigen tyd het poëtizeeren verleerd. Hy +durfde ’t niet, omdat hy reden had zich te schamen voor ’t +liefelyke. Wel hygde hy soms naar ’t verlorene terug, wel +betrapte hy zich telkens op bittere droefgeestigheid, maar er scheen +’n stoot van-buiten-af noodig te zyn om met de vereischte kracht +z’n gewaarwordingen terugteleiden in ’t oude spoor. Deze +stoot zou dan ook gegeven worden—wie anders dan Femke kon het +doen, of iemand die zeer op haar geleek?—maar zoo ver zyn we nog +niet.</p> +<p>Men zou zich vergissen indien men den nadeeligen invloed dien +’t gezelschap van onrype deugnietjes op Wouter uitoefende, +vereenzelvigde met het zoogenaamd wys-maken. Dit op-zichzelf houd ik +niet alleen voor onschadelyk, maar zelfs voor gewenscht. Juist in +Wouter’s bespottelyke ònwysheid had de grond gelegen zyner +voorbeschiktheid tot prettig-vinden van liederlyke handlichting. Ware +hy opgevoed geweest door ontwikkelde ouders, die hem met +wetenschappelyken ernst hadden meegedeeld wat er ten-dezen-opzichte +meetedeelen valt, waarlyk hy zou geen smaak hebben gevonden in de +geestigheden van àllerlaagste orde, waarmee men nu z’n +zucht tot weten had geprikkeld en bedrogen. Niet <i>kennis</i> maakt +onrein, maar ’t aanhooren van <i>vuile praat over</i> kennis... +Schande over ouders en opvoeders die hun jongeren overlaten aan +’t gevaar de liefelykste geschenken der Natuur te ontvangen op +’n wys die ze tot ’n pest maakt!</p> +<p>Doch ik zeide reeds dat Wouter’s verdriet over de zonderlinge +<span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name= +"pb237">237</a>]</span>wyze waarop men hem liet deelnemen aan de +genoegens van ’t Buitenleven, ditmaal ’n andere oorzaak +had—of ’n andere onmiddellyke aanleiding +ten-minste—dan de reeds eenigszins versleten ergernis over +z’n gewone teleurstellingen. Gedurende de gesprekken die hy +zoo-even bywoonde, was voor ’t eerst de gedachte in hem opgekomen +dat-i was aangeland in ’n kring van zeer onontwikkelde menschen. +Nog kort geleden zoud-i by de lage vlucht der gewisselde denkbeelden, +zichzelf de schuld gegeven en gemeend hebben dat-i niet op de hoogte +stond om het gewicht der behandelde zaken te vatten. Maar dat gesprek +over den wisselkoers had hem wakker gemaakt. Ook hy had zich +tot-nog-toe geen reden gegeven van dien eb en vloed in den prys der +remises naar ’t Buitenland, en eerst door Julie’s +klakkeloos vragen werd hy zich z’n onkunde bewust. Onwillekeurig +verweet hy zichzelf dat-i deze vraag niet reeds sedert lang gedaan had, +en nu ze eindelyk werd geopperd door ’n ander, was-i nieuwsgierig +naar ’t antwoord. Het hakkelen en stamelen der voorlichters +bevreemdde hem. Op-eens bracht hy hun blykbare onwetendheid in verband +met de meer dan onachtzame wyze waarop hy in dien kring ontvangen was, +en tevens met z’n laag standpuntjen over ’t geheel. +“Hoe, dacht hy, die volwassen menschen, die aanzienlyke menschen +weten geen reden te geven van ’n verschynsel dat zich dagelyks +aan hun waarneming opdringt? En juist die menschen zyn het, aan wie ik +’n voorbeeld nemen moet om iets te worden in de wereld? En het is +door hèn dat ik behandeld wordt met ’n minachting die ... +die ...</p> +<p>Kortom, hy was wrevelig, en voelde aandrang tot ... wraak wel niet, +maar tot iets toch als genoegdoening. Hy peinsde op middelen om aan den +oudeheer, en aan m’nheer Pompile en aan al die <i>Kruckers</i> +’n bewys te leveren dat men verkeerd had gedaan hem naar de +mangelkamer te verwyzen. Het spreekt vanzelf dat Julie’s vraag +reeds lang vergeten was in de achtergalery, waar ’t onderhoud nog +altyd op de bekende belangwekkende manier z’n gang ging, maar +onze Wouter verdiepte zich, al spelend met den kleinen Bonifaz, in +’t opgegeven raadsel. De zaak begon hem voortekomen als ’n +uitdaging. waarop hy ridderlyk verplicht was in ’t kryt te +verschynen, teneinde aan de verheven dame die het tournooi had +uitgeschreven ...</p> +<p>Wel zeker, er was ’n hooggeboren dame in ’t spel, en +’n tournooi ook! Ik deed verkeerd zoo lang te wachten met het +wyzen op deze byzonderheid, de geringste niet onder de oorzaken die +Wouter noopten tot opscherping van z’n denkvermogen. Ach, hy had +z’n roman gereed voor ze nog terdeeg was opgezet! Die Julie ... o +goden, was zy ’t niet die zich eenmaal verwaardigde hem te +behandelen als ’n <i>persoon</i>, door hem z’n gevoelen te +vragen over haar liggenden jachthond? Een jong ridder die zùlke +onderscheiding vergeten zou ... neen, ondankbaar was Wouter niet! Nu +zoud-i haar toonen dat z’n gemoed in-staat was weerklank te geven +op zoo’n verheven blyk van vertrouwen, en dat ze niet te-vergeefs +haar sluier had neergeworpen in ’t strydperk. Want ... aldus +begon zich de zaak te kleuren. Met <span class="pagenum">[<a id="pb238" +href="#pb238" name="pb238">238</a>]</span>lans en zwaard strydt men +niet meer—helaas!—maar de Dame die in onze dagen riddereer +op de proef stellen wil, doet ’n beroep op de kracht van den +geest. Met gemaakte achteloosheid laat zy ’n onopgelost vraagstuk +heenglyden over den rand der tribune, en daar beneden wachten leeuwen +en tygers... neen, deze soort van kampioenen behooren tot ’n +vroeger tydperk, óók niet onbehagelyk voorzeker, maar we +hebben nu zeer uitdrukkelyk met ridders te doen. Verbaasd, verschrikt, +ontzet, verlamd, staren zy ’t waagstuk aan, dat er van hen +gevorderd wordt. “Aanstaren” is ’t juiste woord niet, +want ze wenden de oogen af, en wiegelen, en trekken zich terug, en +beroepen zich op de onmogelykheid om ’t pand ongeschonden +terugtebrengen, en als huldeblyk neerteleggen aan de voeten der +uitdaagster. Alles heeft z’n grenzen, wreede Dame, tot riddermoed +toe! Keizers, Koningen en Prinsen, zoo-even nog vast in ’t zaal, +en tegen elkander zoo dapper de lans vellende... uitwegen zoeken ze nu +om zich te onttrekken aan ’t schrikbarend wapenfeit dat zoo +roekeloos werd gevorderd van hun geest. Sire Kopperlith-zelf had er +z’n glimlach by ingeschoten, en ridder Pompile z’n +zelfgenoegzaamheid. De schrik was Don Eugène om ’t hart +geslagen, en hy stond op ’t +punt—akelig!—méér te zeggen dan z’n +enkele sylbe! Was niet zelfs de krygshaftige <i>clan</i> der +<i>Kruckers</i>—van-ouds toch zoo vermaard om z’n +onvergelykelyke prouessen in kurk!—genoodzaakt geworden z’n +veldgeschrei ’n oktaaf lager te stemmen, en zich te bepalen tot +’n deemoedig: “ja, ziet u, dat zyn zoo van die zaken... +m’n lieve mevrouwtje?” En heette dit niet in Wouter’s +overzetting allerduidelykst: “Schoone dame, als je op òns +rekent tot het terugerlangen van je pand, kan je er staat op maken +ongesluierd naar huis te gaan!”</p> +<p>“Dat nooit!” riep ridder Wouter. En hy gordde zich aan +tot begrypen.</p> +<p>Het vraagstuk waarmee ons heldje zich bezighield, hoe eenvoudig ook +<i>inderdaad</i>—zooals de meeste vraagstukken—is werkelyk +’n struikelblok voor veel geldmannen en zoogenaamde ekonomisten. +Wie meenen mocht dat ik de geestelyke gelaatstrekken der +<i>Kopperliths</i> en <i>Kruckers</i> te afzichtelyk schilder, neme +eens de proef by “mannen van ’t vak.” En men behoeft +zich niet te bepalen by de vraag die de onnoozele Julie ter-tafel had +gebracht in die achtergalery, noch ook by ’t “vak” +waartoe kwestien van dezen aard schynen te behooren. <i>Overal</i> zal +den oplettenden waarnemer blyken dat het begrypen van eenvoudige +waarheden tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet-berusten +van sommigen, hun door vakmenschen wordt aangerekend als onpraktische +buitensporigheid.</p> +<p>Nu, Wouter wàs buitensporig. De hemzelf onbewuste vertaling +van ’t nogal triviale gegeven in ’n heldenfeit, wond hem +op. Werktuigelyk spelend met den kleinen Bonifaz, trachtte hy in de +kern van ’t vraagstuk doortedringen, en de eigenaardige richting +van z’n geest—geheel-en-al uitvloeisel van ’n +karakter dat slechts vrede had met eenvoudige waarheid—leidde hem +aldra tot de primitiviteit <span class="pagenum">[<a id="pb239" href= +"#pb239" name="pb239">239</a>]</span>van opvatting, waaraan alle +vraagstukken—ook de moralistische—behooren getoetst te +worden. De steentjes die hy den kleinen jongen toewierp, en door dezen +naar hem werden teruggerold, stelden in z’n verbeelding al zeer +spoedig de koopmanschappen voor, die uit onderscheiden landen in de +naburige streken worden ingevoerd. Behoefte aan betalingsmiddelen +groeide aan naarmate men meer goederen ontving. Zoolang men nu hierin +kon voorzien door het terugzenden van andere waren... zeker, zoo +<i>is</i> het, meende hy. En hy redeneerde: “we zenden... kaas en +boter naar Engeland. Dit moet betaald worden. Zoo ’n koopman +ginds, moet iemand zoeken die van òns geld te-goed heeft voor... +wittegrondjes-driekleur of diemet—’n moeielyk vak, zegt +m’nheer Wilkens!—en dan betalen wy eigenlyk die diemetten +met kaas. Maar als we nu te weinig kaas hebben gezonden om al de +lynwaden die wy ontvingen, te betalen, dan valt het moeielyk in Holland +iemand te vinden die geld te goed heeft van ’n Engelschman. En +deze moeielykheid moet overwonnen worden door hooger bod op den wissel, +want het spreekt vanzelf dat het recht om te trekken in waarde ryst, +naarmate het minder voorhanden en meer noodig is. Wie dus ’n +wissel afgeven kan, vraag er méér voor dan...</p> +<p>Aldus peinzend had-i allengs de steentjes die dienen moesten tot +vermaak van den kleinen jongen, verdeeld in soorten die allerlei +koopwaar voorstelden. De vloer van de mangelkamer werd in landen en +provincien afgedeeld. Dáár lag Engeland met z’n +wittegrondjes-driekleur, dáár Frankryk dat wyn leverde, +dáár Nederland met z’n stereotiepe kaas en boter... +jazelfs Spanje kreeg ’n plaatsje met z’n kurk. En hy schoof +de produkten heen-en-weer, en schiep ’n handelsbeweging, en +vergat daarby zelfs de <i>crisis</i> niet. Bonifaz had er ’t +recht begrip niet van, en schopte wel-eens ’n <i>stock</i> of +<i>entrepôt</i> uit elkaar op ’n manier die gevoegelyk kon +doorgaan voor ’n revolutie, die dan door Wouter zoo goed mogelyk +by z’n overleggingen werd in rekening gebracht. Weldra was-i dan +ook met de oplossing van ’t fameuze probleem gereed, en hy +verlangde naar ’t oogenblik dat-i onder de oogen zyner dame... +<i>du jour</i>, z’n tegenstanders uit het zadel ligten zou. Laat +zien wat er verder gebeuren moest. Keizer Kopperlith stond hem de helft +van z’n ryk af, met de hand zyner schoondochter Julie, die den +hemel danken zou dat ze verlost was uit de onwaardige ketenen van den +pseudo-ridder Pompile. Zeer wel, maar hoe triumfeerend ook, Wouter +schonk hem ’t leven. Ook Eugène mocht blyven bestaan, en +al de <i>Kruckers</i>, mits ze driemaal ’t schoeisel kusten van +Wouter’s dame. Eén onzekerheid nog slechts hield den +ridder die straks al z’n vyanden uit het veld zou slaan, in +eenige spanning. Zoud-i z’n wapenfeit uitvoeren in eenvoudig +proza of... nu ja, in verzen kwam hem de nederlaag des vyands +verpletterender voor. En verplettering hadden ze verdiend! Was ’t +onheusch of niet van al die verwaten ridders, zoo prat op hun lynwaden +en kurken, de romantische mogelykheid voorby te zien dat de jonge +schildknaap zonder geslachtswapen of uithangbord, misschien de +inkognite spruit <span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" +name="pb240">240</a>]</span>wezen kon van edelen stam? Had men niet wat +eerbied moeten voelen voor z’n prikkelende onbekendheid? +“<i>Onze jongste bediende, onze jongste bediende!</i>” had +wapenkoning Pompile geroepen... welnu, waarom bezat alleen de edele +Julia—god zegene haar!—roman-takt genoeg, en +lektuur-bedrevenheid en tournooi-instinkt, om onder ’t +palletootje van den kantoorklerk ’n kampvechter te vermoeden van +den eersten rang? Waren ze dan doof en blind en idioot, al die anderen? +Te-wapen, te-wapen! riep alles Wouter toe. “Jongste-bediende... +hm! Ik zàl ze bedienen, jong of oud dan, maar bedienen +zàl ik ze! En aan de wereld en m’n Dame wil ik toonen... +sakkerloot!”</p> +<p>Hier kwam een der meiden berichten dat de jongeheer Bonifaz +aan-tafel werd geroepen, en “Pieterse mocht zoo goed zyn, +meetekomen.” Wouter stapte met opgeheven hoofd en saamgeknepen +vuisten de kamer in, waar ’t gezelschap dineeren zou. By ’t +binnentreden kon-i zich niet weerhouden, Julie een blik toetewerpen die +zooveel zeggen wilde als: “wees gerust, dame van m’n hart, +ik heb uw noodkreet verstaan en zal den goeden stryd stryden. De +hoofdzaak ligt in de verhouding tusschen wittegrondjes-driekleur en +hollandsche kaas... wees gerust: uw ridder is hier!”</p> +<p>Dat Julie hiervan niets begreep, zou te veel beweerd zyn. Ze zag den +heelen Wouter niet, en kon zich dus onmogelyk schuldig maken aan +wanbegrip omtrent z’n bedoelingen. Hy gloeide als ’n kool +en brandde van strydlust, maar... hoe z’n wysheid aan-den-man te +brengen? Eigenlyk was ’t Julie’s plicht geweest hem op den +weg te helpen. Maar ze hield zich of de heele zaak haar glad ontgaan +was! Zoo zyn die edelvrouwen! Eerst lokken zy ’n ridder op +allergevaarlykst terrein... ze winden hem op tot ylhoofdigen lust om +tegronde te gaan in haar dienst, en dan... wel, ze laten hem over aan +zichzelf! Lieve hemel, domme Julie, begryp je dan niet dat Wouter daar +zit te wachten op ’n blik? Och, och, och... als-i maar door +’t eerste woord heen was!</p> +<p>Dat eerste woord liet zich niet gemakkelyk aanhechten. Wouter +bespiedde elke uiting, elken klank, maar... helaas! Wel begon-i +’n paar keer: “de wisselkoers, m’nheer... maar de +woorden stikten hem in de keel. Het spreekt vanzelf dat de spyzen +uitstekend waren, maar wat baatte dit hèm? De ligtzinnige Julie +stelde zich aan alsof ze nooit ’n ridder op post had gezet. Ze +lachte, ze keuvelde, ze ginnegapte, ze vermaakte het gezelschap met +haar naïveteit—of met de onnoozelheid die daarvoor +doorging—en sloeg geen acht op haar aanstaanden bevryder uit de +klauwen van ’n al te laag geboren echtgenoot. Wouter preekte zich +voor, dat ze zyn standvastigheid op de proef wilde stellen. Zoo-iets +was meer geschied, meende hy.</p> +<p>De tafelgesprekken waren van de bekende gewichtige soort. De +oudeheer begon weldra luidruchtig te worden en den toon aanteslaan, +dien Wouter had leeren kennen by z’n namiddagbezoeken op ’t +kantoor. Zelfs tot hèm richtte de oude babbelaar ’t woord, +natuurlyk tot groote ergernis van Pompile, die telkens beproefde den +vloed <span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name= +"pb241">241</a>]</span>van papa’s spraakzaamheid te doen afloopen +in voornamer bedding.</p> +<p>—En jy, mannetje, zeg jy nu eens hoe ’t je <i>buiten</i> +bevalt? Want, jongen, je bent nu... buiten! Verbeeld je, mynheer +Krucker, hy meende dat-i <i>buiten</i> was op den singel by de +Aschpoort! Hi, hi, hi, dàt meende-n-i!</p> +<p>De <i>Kruckers</i> vonden dit byzonder dwaas.</p> +<p>—En zeg nu nogeens hoeveel je wel dacht dat de jongeheer +Flodoard te Rome verteerde in ’n heel jaar! Neen, stil, Pompile, +laat ’m begaan! Luister, m’nheer Krucker! In ’n heel +jaar, weetje! M’n zoon Flodoard te Rome!</p> +<p>—Maar, papa...</p> +<p>—Stil, Pompile! Wel, mannetje, spreek op! Laat m’nheer +Krucker dàt eens hooren.</p> +<p>Wouter zweette. Hy zocht Julie’s oogen te ontmoeten, maar +’t lukte niet. In-godsnaam! Mèt of zonder aanmoediging +zyner dame dan, vóór z’n dame:</p> +<p>—De wisselkoers, m’nheer...</p> +<p>—Néééééén, +dàt is nu de vraag niet! M’nheer Krucker wou zoo graag +weten hoeveel je dacht dat m’n zoon Flodoard... te Rome...</p> +<p>Pompile viel z’n vader in de rede, en had het geluk hem +ditmaal van z’n belangryken <i>topic</i> aftebrengen. Ook een der +<i>Kruckers</i> hielp ’n handje, door met roerende belangstelling +naar tyding van Leon te vragen.</p> +<p>—Hy maakt het uitstekend, zei de oudeheer, uitstekend! Zou je +wel gelooven, m’nheer Krucker, dat-i al ’n titel heeft +van... o, zoo’n langen titel! En... hy is <i>weledelgestreng</i>, +wat zeg je daarvan? <i>Wel...e...del...ge...streng</i>, m’nheer +Krucker! Is ’t niet waar, Pompile?</p> +<p>—O ja, papa!</p> +<p>—En hy schryft fameus-mooie brieven! Pompile, je moet +m’nheer Krucker eens zoo’n brief van Leon laten zien.</p> +<p>—Zeker, papa!</p> +<p>—En, uw zoon de zeeofficier, m’nheer Kopperlith?</p> +<p>—Die was volgens de laatste berichten te... te... hoe heet het +ook weer, Pompile?</p> +<p>—Te Amboina, papa.</p> +<p>—Juist! En, m’nheer Krucker, weetje wat-i daar gedaan +heeft? Hy heeft er gedanst met de dochter van den Gouverneur. Van... +den... gouverneur!</p> +<p>De arme <i>Kruckers</i> kwamen verbazing te-kort. Wouter voelde dat +ze hier ’n bewerking ondergingen, van de soort die men op +hèm had toegepast, toen-i flauw moest vallen van bewondering +over de vorstelyke uitgaven van <i>Signore</i> Flodoardo. En deze +opmerking bracht hem ’n stapje verder in menschkunde, of liever +ze deelde hem den moed mee om te erkennen wat-i begreep. Zoolang hyzelf +maar patient was, belette hem z’n verlegenheid om ’t +kinderachtige van die hoogheidsjacht behoorlyk te vatten. Maar nu hy op +’t gelaat der gasten iets meende te ontdekken dat naar spot +geleek, <span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name= +"pb242">242</a>]</span>viel hem ’t doordenken iets gemakkelyker. +Ook zonder terugzicht op de schipbreuk die ’t geheele gezelschap +geleden had in de opheldering van de koerskwestie, begon hy de +mogelykheid intezien, dat die heele familie Kopperlith met haar +<i>buiten</i> en <i>eigen rytuig</i> en verdere voornaamhedens, wel +eens veel lager konden staan dan ze voorgaven en dan door anderen +scheen geloofd te worden. Hy kon de vergelyking met den onderhoudenden, +gezonden toon die er by de <i>Holsma’s</i> heerschte, niet +terugdringen, en ze viel zeer tennadeele van z’n “heeren +patroons” uit. Ook maatschappelyk bleken zy eigenlyk geen recht +te hebben op de vergoding die hun door nòg lager geplaatsten +werd toegebracht, want al ware het dat rykdom grond gaf tot zoo groote +vereering, eilieve hoe plat burgerlyk was de inrichting van het huis, +hoe prozaïsch die mangelkamer, hoe bekrompen dat achterbakje van +de <i>britschka</i>, hoe kleingeestig die bekommering over ’n +hoedendoos en ’n mand met soezen, hoe kinderachtig dat +onophoudelyk streven naar verheffing op... niemendal! De jongeheer +Rodomont had gedanst met de dochter van ’n gouverneur... +gouverneur van wàt, eigenlyk? Lieve hemel, de +<i>Holsma’s</i> hadden prinsessen in hun familie, en waren er +niet grootsch op. Hengelden zy naar bewondering van hun hoogheid? +Erkenden ze niet zelfs, zonder noodzaak en zonder schaamte, dat de +eenvoudige Femke na aan hen verwant was... zy, ’n +waschmeisje!</p> +<p>Maar hier brak Wouter z’n gedachtenloop af. Dit geschiedde +telkens zoodra haar beeld zich aan hem vertoonde. Elke herinnering uit +den heldentyd van z’n ziel maakte hem den indruk van snerpend +verwyt. Het liefelyke deed hem zéér, en hy voelde slechts +kracht tot eigenaardige zwakheid die den naam draagt van wrevel: die +<i>Kopperlith’s</i>! Het duurde dan ook niet lang voor zich deze +stemming duidelyker op z’n gelaat vertoonde dan in deftig +gezelschap geoorloofd is. Hy kneep de lippen op elkander, en zag een +der <i>Kruckers</i>—die ’t niet helpen kon!—uitdagend +aan. Maar men gunde hem de eer niet, naar de reden van z’n +zuurkyken te vragen. Waarschynlyk zelfs had niemand daarop acht +geslagen, en juist deze verwaarloozing stemde hem bitterder dan ooit. +Hy was woedend en had lust in... vechten. Met wien? Met allen tegelyk, +als ’t wezen kon. Met Bonifaz en den oudeheer, met Pompile, de +<i>Kruckers</i>, Eugène, de “juffrouw” en Hersilie. +Met al wat ’n eigen <i>Buiten</i> had, en wat er geen had. Met de +heele wereld, ziedaar!</p> +<p>Hoe onrechtvaardig ook deze stemming was, het zal den weldenkenden +beschouwer van z’n zielegeschiedenis aangenaam wezen te ontwaren +dat-i nog iets anders was dan kinderlyk en goedig alleen. Het werd +waarlyk tyd.</p> +<p>Na ’t eten werden de <i>Kruckers</i> onthaald op den +traditioneelen toer. En ook Wouter mocht meeryden... in ’t +achterbakjen alweer, waar men hem ’t aanminnig Bonifaasje te +bewaren gaf. ’t Kind mocht er <i>durchaus</i> niet uitvallen, zei +de elsasser konsul. Julie snapte in één adem door, en +Wouter begon te vinden dat ze de proef wat ver dreef. Wel bleef het +’n zekerheid dat zy de eenige van ’t gezelschap +<span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name= +"pb243">243</a>]</span>was, die blyk had gegeven van den lust iets te +willen doorgronden, maar toch... ’n beetje droefenis voor den +misselyken toestand waarin ze haar ridder gebracht had, zou niet kwaad +hebben gestaan by haar verheven zucht tot ontwikkeling. Ze babbelde zoo +ongedwongen met al die <i>Kruckers</i>, ze toonde zich zoo geheel-en-al +op de laagte van de rest, ze scheen zoo volkomen tevreden met de +toejuiching waarmee de plompe Pompile haar domste uitvallen vereerde... +kortom, Wouter wist niet hoe hy ’t had met z’n <i>Dame</i>. +Hy zou er veel voor gegeven hebben, haar ’n oogenblik alleen te +spreken... hm, ’n voetval zou er niet kwaad by staan! Maar... hoe +daartoe de gelegenheid te vinden? Als-i ’t huis in brand stak? +Dit plan was zoo heel verwerpelyk niet. Al de <i>Kopperliths</i> en +<i>Kruckers</i> geschroeid, verbrand, verkoold, verteerd, vernietigd, +en <i>hy</i> de redder van de weetgierige Julie! Hy zag zich in +gedachte, háár door rook en vlam de trap afdragend! Haar +hield hy in de armen, háár fluisterde hy toe: “wees +gerust, edele dame van m’n hart, al die stommelingen zyn dood en +byna begraven! Ik ben hier, <i>ik</i>, Wouter, die uw dorst naar kennis +lesschen wil met m’n laatsten druppel bloed en ’n +verhandeling over den wisselkoers...</p> +<p>—Zeg, Pieterse, of hoe heet je, houd m’n parasol wat +over ’t kind. De zon steekt zoo!</p> +<p>Deze ontboezeming vloeide over de lippen der schoone Hersilia, die +met haar zonnescherm onzen ridder aantikte, en hem vry gevoelig +terugriep in de werkelykheid. Hy schrikte, en nam ’t ding +werktuigelyk aan...</p> +<p>—Schuif ’t op, jongen! Druk op de veer... daar, daar, de +veer in ’t stokje! Versta je me niet? Wat ’n onhandig +jongetje, Pompile!</p> +<p>Wouter kneep het ding, en voelde neiging de schoone Hersilia daarmee +den kop te kloven. Hy staarde haar zonderling aan.</p> +<p>—Op de veer drukken, weetje? Druk op dat veertjen in ’t +stokje, schreeuwde Pompile, die evenmin als de anderen aan iets anders +dacht dan aan onhandigheid, of hoogstens meende dat “de jonge +Pieterse” z’n zuster niet verstaan had.</p> +<p>—Doe ’t ’m eens voor, Pompile, zei de +oudeheer.</p> +<p>Pompile die op de voorbank gezeten was, stond op en boog zich over +’t gezelschap heen, om den “jongen Pieterse” les te +geven in ’t openen van ’n parasol. Maar hy kwam te laat. +Wouter kneep, trok, drukte, schoof, en schoof wat krachtig...</p> +<p>—Ik kàn wel, m’nheer, zeid-i.</p> +<p>... en ’t ding was aan flarden! Hy hield den stok in de eene +hand, en de fladderende zy met de andere omhoog als ’n vlag! Het +heele gezelschap was “ontdaan.” Men keek elkander verbaasd +aan, als om te vragen wat dit beteekenen moest? Welnu, niemand begreep +het. Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met ’n +gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven +aan onlydelyke pyn.</p> +<p>—’t Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde +Hersilia. Niet waar, Calbb? <span class="pagenum">[<a id="pb244" href= +"#pb244" name="pb244">244</a>]</span></p> +<p>—Je moet altyd begrypen Hersilie, ’t is ’n +burgerjongetje, riep Pompile. Hy wist niet wat je bedoelde, zie je? Je +moet altyd denken, ’t is ’n burgerjongetje, en... nooit in +gezelschap geweest. Dáár komt het van!</p> +<p>—Zeven gulden, dertien!</p> +<p>Het stokjen en de lappen werden, zoo goed het hossen van ’t +rytuig toeliet, aan elkaar gepast om nogeens voor ’t laatst te +bewonderen hoe het ding er had uitgezien voor de vreeselyke katastroof, +Nog ’n paar maal mompelde de majestueuze Hersilia haar tragisch: +“<i>zeven gulden, dertien</i>” en vry ontstemd liet het +gezelschap zich voortkruien door den zandweg. Toen men thuis kwam, nam +Pompile de rol van verslaggever aan mama op zich. Niemand was meer +verontwaardigd dan “de juffrouw.” Ze had wel drie fransche +woorden om te betuigen dat de zaak...</p> +<p>—Ja, ja, zeker! zei Pompile. Maar u moet begrypen, mama...</p> +<p>—Hy stond mevrouw zoo <i>délicieus</i> by die gele +<i>bergère</i>, maseurde de juffrouw.</p> +<p>—Goed, juffrouw. Maar ziet u, mama...</p> +<p>—’t Is ’n ware <i>balourdise</i>. +m’nheer!</p> +<p>—Zeker, juffrouw! Maar, mama, Hersilie had het niet moeten, +doen, mama. Want zoo’n jongen...</p> +<p>—<i>Fi donc</i>, zoo lomp te zyn!</p> +<p>—Volkomen juist, juffrouw! Maar ik wou aan mama zeggen dat +mevrouw Calbb had moeten begrypen dat zoo’n jongetje...</p> +<p>—’t Is infaam!</p> +<p>...dat zoo’n jongetje maar... ’n burgerjongetjen is! +Dàt wou ik maar zeggen aan mama.</p> +<p>En dit alles moest Wouter aanhooren! Z’n woede was gebroken. +Hy voelde zich verlamd, onmachtig, wezenloos, en alweer overmeesterde +hem zeker heimwee naar de vroeger zoo geminachte levensopvatting +ten-zynent.</p> +<p>Was dàt nu de wereld die hy zou leeren kennen als-i +“groot” was? Wanneer hy op dit oogenblik z’n ouden +vyand Slachterskeesjen ontmoet had, hy zou hem aan ’t hart hebben +gesloten als ’n bode uit hooger sfeer. Men ziet het, te laag +gezonken om behagen te scheppen in de voorstellingen uit den mythentyd +zyner jeugd, begon hy reeds te verlangen naar ’t weerzien van de +grove gestalten die hem in die dagen omgaven. Zoo ook verwarren +onnadenkende geschiedschryvers den onbehagelyken toestand van den wilde +met de gouden eeuw van Saturnus.</p> +<p>Wouter was wanhopig. En z’n stemming werd er niet beter op, +toen-i bemerkte dat ook Julie tot z’n vyanden behoorde, want +“vyandschap” meende hy te moeten veronderstellen in al de +menschen die, na hem zóó te hebben gegriefd en vernederd, +niet eens schenen te begrypen dat-i voor grief en vernedering vatbaar +was. Pompile gaf zich de moeite hem op ’n parapluie te wyzen hoe +men ’n parasol opent, en ten-laatste was Wouter na veel +vruchtelooze pogingen om de ware oorzaak van z’n zonderlingen +handgreep onder woorden te <span class="pagenum">[<a id="pb245" href= +"#pb245" name="pb245">245</a>]</span>brengen, wel genoodzaakt zich +aantestellen alsof hy werkelyk voor ’t eerst te weten kwam dat +men by zoo’n gelegenheid op ’n veertje moet drukken. +Pompile scheen zeer voldaan over de les die hy gegeven had, en roemde +er op dat “de jonge Pieterse” de zaak nu volkomen verstond, +en zeker by ’n volgende gelegenheid...</p> +<p>—Zeven gulden, dertien, jammerde Hersilia.</p> +<p>De maat liep over. Wouter stond haastig op, vloog de deur uit, het +erf af en den weg op, om zich te verdrinken of... zeven gulden dertien +te zoeken.</p> +<p><i lang="fr">A la bonne heure!</i></p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p><i>Wouter</i> spekuleert allervoordeeligst in ouwe-kleeren. Snelle +wisseling in amerikaansche handelsbeweging, waarschynlyk niet zonder +invloed op wisselkoers. Nachtgedachten. De terugkomst van den verloren +broeder.</p> +</div> +<p>Weldra had hy na eenig dwalen en vragen een der poorten van Haarlem +bereikt. Wat hy daar eigenlyk doen wilde, was hemzelf niet duidelyk. By +’t verlaten van <i>Groenenhuize</i> blies de wanhoop hem in, met +den meesten spoed ’n eind aan z’n leven te maken, en nog +altyd kwam hem dit voornemen als ’n wenschelyke uitweg voor. Doch +eerst wilde hy beproeven zich op andere wys te ontdoen van den +ondragelyken last die hem drukte. ’t Was zondag-avend, en er +vertoonden zich weinig menschen op de straten. Ook waren de meeste +winkels gesloten. Hier-en-daar slechts durfde men den dag des Heeren +ontheiligen door ’t uitstallen van halletjes en rooletters, of +tabak en snuif. De verkoopers van deze artikelen verheugen zich +voornamelyk in zondags-debiet, en de Heer moet zich hierin schikken. +Wouter vermande zich, liep ’n koekbakkerswinkel in, en vroeg of +men hem den weg naar den Jodenhoek wilde wyzen.</p> +<p>—Jodenhoek, jongeheer? Dat hebben we hier, om zoo te zeggen +niet. Uwe-n-is zeker van Amsterdam?</p> +<p>—Geen Jodenhoek? Maar... by wien verkoopt men dan hier +z’n ouwe kleeren? Dàt wil ik weten!</p> +<p>De vrouw uit den winkel keek hem vreemd aan. Eenmaal z’n +aangeboren beschroomdheid overwonnen hebbende, was Wouter’s toon +zoo kortaf en gebiedend dat het mensch er van ontstelde. Angstig riep +zy als ’t ware om hulp, en er verscheen dan ook ’n +manspersoon, die haar vroeg wat er gaande was, en vry onvriendelyk aan +Wouter wat-i “hebbe” wou?</p> +<p>—Hebben? Niets m’nheer! Ik wou maar weten waar men hier +ouwe kleeren koopt?</p> +<p>De koekbakkers-familie joeg hem den winkel uit. Tandenknersend stond +hy weer op de straat, en wist niet wat hy doen zou. Na lang zoeken en +veel mislukte pogingen trof hy eindelyk ’n klein meisje dat hem +bracht waar-i wezen wilde. Een oude jood antwoorde toestemmend op de +vraag of hy koopman in kleeren was? Wouter trok z’n jasjen uit, +wierp het op de tafel, en vroeg wat de man daarvoor <span class= +"pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246" name= +"pb246">246</a>]</span>geven wilde. Het kleedingstuk werd bevoeld, +gewreven, gerekt, tegen ’t licht gehouden, en ’t eerste bod +luidde: vier gulden!</p> +<p>—Zeven gulden, dertien! riep Wouter.</p> +<p>—Nah, w’rom nie liefer dertien gilde sefe, as je +’t m’r foor ’t seche heb? Fyf gilde, en cheen dyt +meer! Ghedrache kleeren binne niks waart, want se worre teugeswoordig +techeef inchefoert fan Emerika... te-cheef! Dat sel je-n-ook wel wete. +Fyf gilde tien, dan!</p> +<p>—Ik moet zeven gulden dertien hebben!</p> +<p>—Wat je hebbe mot, sel je wel ’reis kryche, as je +m’r iemant fint die ’t je chefe mot. M’r ik mot je +niks chefe, en ik cheef je niks. Nou, ses gilde! Trek jespille +m’r weer an, anders, en cha mê chot!</p> +<p>Toen Wouter hierop inderdaad vertrekken wilde, steeg het bod tot +zeven gulden. Helaas, die vreeselyke dertien stuivers! Er was niet aan +te doen: de koopman bleef onverbiddelyk. Mocht men ’t hem kwalyk +nemen, by zoo’n overvoer van ouwe-kleeren uit Amerika? ’t +Was al zeer edelmoedig dat-i by zoo’n stand van zaken zeven +gulden geven wilde voor Wouter’s jasje dat—dit is +waar!—zonder die ongelukkige mededinging der Vereenigde Staten, +zeker wel twintig gulden zou waard geweest zyn. Het was ’t eerste +kleedingstuk dat voor hem gemaakt was, en dat tot hem kwam zonder +eerst, als ter oefening, ’n glansryke loopbaan om de lenden van +broêr Stoffel te hebben afgelegd. Het was de <i>toga virilis</i> +die—en wel zondags alleen—hem plechtig om de schouders werd +geworpen ter viering van z’n promotie tot jongste-bediende by de +heeren Ouwetyd & Kopperlith.</p> +<p>Maar aan dit alles dacht hy niet. De verfoeielyke Hersilia, en die +sarrende Pompile, en ook Julie, de ontrouwe <i>Dame</i>... hy zou hun +toonen dat-i... dat-i...</p> +<p>Hy smeet nu ook z’n hoed op de tafel, en bood die te-koop aan. +Na eenig dingen en bieden was ’t kapitaal kompleet, waarmee hy de +edele vrouwe mevrouwe Calbb-Kopperlith en haar aanhangers ’n kool +vuurs wilde te slikken geven. Ja-zelfs, er was geld over, want voor den +hoed had-i drie schellingen bedongen. De jood vroeg hem of-i ook van +z’n schoenen wou ontlast worden, maar Wouter liep zonder te +antwoorden, in hemdsmouwen en blootshoofds de straat op.</p> +<p>Hoe nu? Zèlf naar <i>Groenenhuize</i> terugkeeren? Dat nooit! +Het schoonste blad van den lauwerkrans dien hy door z’n +kordaatheid meende verdiend te hebben, zou verdorren wanneer men daar +te weten kwam door welke middelen hy geslaagd was in ’t afbetalen +van z’n drukkende schuld. Langen tyd liep hy peinzend +op-en-neder, de minst bezochte straten kiezend omdat hy zich begon te +schamen over z’n ongekleedheid. Hy wilde de schadeloosstelling +waarmee z’n vyandin moest verpletterd worden, doen vergezeld gaan +van ’n brief die op pooten staan zou! Niets beter dan dit, +maar... waar dat stuk te schryven? Als-i eens in zoo’n +halletjeswinkel naar pen, papier en inkt vroeg? Hm, gemakkelyk ging dit +niet. Hoe zou men hem te-woord staan, hem die zich nu zoo afgetakeld +voordeed? Van <span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name= +"pb247">247</a>]</span>de humaniteit der haarlemmer burgerlui had-i +reeds proef gehad, toen hy er nog uitzag als ’n ander. Zoud-i op +vriendelyker bejegening kunnen rekenen, nu hy zich vertoonde in +’n kostuum, dat... sakkerloot, de zaak begon hem moeielyk +voortekomen.</p> +<p>Z’n opwinding was afgeloopen, en indrukken van meer gewonen +aard namen daarvan allengs de plaats in. Z’n wrok over de +ondergane miskenning, jazelfs het verdriet over Julie’s +trouweloosheid, moest telkens wyken voor de ergernis dat-i geen jas aan +had. Waar-i by ’t schemerlicht van den zomeravend ’n +voorbyganger zag naderen dien hy niet ontwyken kon, trachtte hy den +eigenaardigen tred aantenemen van iemand die even overwipt om ’n +buurman goeden-avend te zeggen. Maar ’t baatte niet. Daar kwamen +’n paar straatjongens hem sarren met den roep: “heb je +’t zoo warm, jongeheer?” ’t Was om razend te +worden!</p> +<p>Toch drong hy zich op dat-i nog altyd naar ’n gelegenheid +zocht om ’t staatsstuk te schryven dat het geld vergezellen zou, +maar ’t was uit geestelyke traagheid alleen, en uit onwil om te +erkennen dat z’n verdriet veranderd was van richting. Ieder +manspersoon dien hy ontmoette en die gewoon gekleed was, vervulde hem +met afgunst.</p> +<p>Ziehier hoe hy schryven wilde... àls hy tot schryven +kwam:</p> +<div class="blockquote"> +<p><i>Weledelgeboren Mevrouw</i> ...</p> +</div> +<p>Zeker! Zoo adresseerde de jongeheer Leon de brieven aan z’n +mama. Dit zou dus ook wel zoo ongeveer de rechte betiteling wezen voor +mevrouw Calbb-Kopperlith. Hy wilde haar en de heele familie toonen +dat-i wist hoe ’t behoort, en dat de manieren der “groote +wereld” niet onbereikbaar waren voor ’n burgerjongetje. +<i>“Weledelgeboren Mevrouw!”</i> alzoo, en verder:</p> +<p>“<i>Ik heb de eer Uweledelgeboren hiernevens aantebieden de +som van zeven guldens en achttien stuivers voor ’n nieuwen +parasol. Myn eer, Weledelgeboren Mevrouw, gedoogt niet Uweledelgeboren +ongelukkig te maken, en daarom...</i></p> +<p>“Heb jy je jas in den lommert gebracht?” vroegen hier op +de welbekende zangwys van ’t vroolyke patertje ’n paar +belangstellende dienstmeiden, die van haar zondagmiddags-uitgang +zooveel pleizier wilden trekken als er maar eenigszins van te trekken +was.</p> +<p>Wouter week schichtig uit, en vermeed zooveel mogelyk de minst +donkere plekken. Z’n gedachten keerden terug naar ’t punt +van uitgang: dien fameuzen brief!</p> +<p>“<i>Uweledelgeboren zal ontwaren dat er vyf stuivers over zyn. +Die schenk ik Uweledelgeboren als ’n blyk van... van...</i></p> +<p>Hy weifelde tusschen “goedertierenheid” en +“genade.” Een troepje Amsterdammers die <i>Kraantje-Lek</i> +bezocht hadden, en in de stemming verkeerden welke van-oudsher by dezen +uitgang past, kreeg onzen tobber in ’t oog en nam hem in ’t +ootje. Wouter sloeg zich dapper genoeg door den kring heen, maar hy +voelde zich zeer verdrietig. Men zal erkennen dat de voorgenomen +heldendaad met die zeven gulden zóóveel, hem byzonder +moeielyk werd gemaakt. <span class="pagenum">[<a id="pb248" href= +"#pb248" name="pb248">248</a>]</span>Gedurig mompelde hy zich voor: ik +<i>wil</i> ’n brief schryven, ik <i>wil!</i> Als ik maar wist, +wáár? En hy monsterde huis voor huis, of daaronder +misschien een mocht zyn dat hem genoegelyk zou kunnen dienen tot +kantoor? Zelfs liep hy nu-en-dan ’n winkel in, maar hy bereikte +z’n doel niet. Z’n vreemd voorkomen en de schichtigheid +waarmed-i z’n ongewoon verzoek uitte, schrikten de menschen af. +“Als ik in-godsnaam maar ’n jas aan had!” zuchtte +hy.</p> +<p>Eindelyk—welke booze geest speelde hem dezen +trek?—eindelyk stond hy op-eenmaal weer voor ’t huis waar +de jood woonde, die zoo goedig hem van jas en hoed verlost had. Wouter +trad instinctmatig binnen. “In ’s hemelsnaam, dacht hy, als +ik maar eerst weer behoorlyk gekleed ben, dat ik me vertoonen kan! O +God, wat is ’n mensch die geen jas aan heeft!”</p> +<p>De jood zag vreemd op toen z’n klantje van zoo-even hem de +verkwanselde kleedingstukken kwam terugvragen. Hy had ze juist naar +New-York verzonden, zeid-i, waar ouwe-kleeren tegen goud werden +opgewogen.</p> +<p>—Maar zoo-even zei je...</p> +<p>—So-efe-n-is f’rby, en wat cheweest is, <i>is</i> niet. +Ik sech je dat ouwe-kleeren d’r gelt waart binne! Feel uitfoer na +Emerika teugeswoordig! Daar sit ’t ’m! Maar ik wil je wel +’n jas ferkoope-n-en ’n hoet ook. Mooie waar, kyk hier!</p> +<p>Na eenig verdrietig gesukkel verliet Wouter den winkel van den +schacheraar, met ’n jas aan, en ’n hoed op... modellen! De +kleedingstukken die hy ’n uur te-voren in z’n +opgewondenheid had afgestaan waren er vorstelyk by. Toch moest hy voor +de nieuwe plunjen al ’t geld neerleggen dat-i bezat, de vier +stuivers inkluis die m’nheer Wilkens hem den vorigen dag op last +van den grootmoedigen Pompile had uitbetaald voor z’n terugreis +naar Amsterdam, en die geaffekteerd zouden worden op +“huishouding.” De huishoudelykheid nu van Wouter’s +transaktie...</p> +<p>—As je wéér wat te handele heb, zei de +edelmoedige jood, kom cherust by me.</p> +<p>En hy gaf Wouter ’n adreskaartje dat deze werktuigelyk in den +zak stak. Op-straat gekomen—<i>nu</i> was-i gekleed, o +goden!—betrapte hy zich op ’n volkomen overbodige repetitie +van z’n redaktie-plannen. “<i>Weledelgeboren Mevrouw! +Hiernevens heb ik de eer Uweledelgeboren aantebieden...</i></p> +<p>Aantebieden! Wàt?</p> +<p>Hy sloeg zich voor ’t hoofd, en erkende voor de honderdste +maal... hoe zei ook altyd z’n moeder? “Heere jesis-kristis, +die jongen! Van hèm komt nooit wat te-recht?”</p> +<p>Waar zou-i heen! Al peinzend over den zonderlingen toestand waarin +hy gebracht was door... eilieve, lezer, door wàt eigenlyk? +Hyzelf kon er zich geen reden van geven, maar aan <i>U</i> vraag ik, +wat toch de oorzaak was van de onaangename verwikkelingen waarin hy +telkens verstrikt raakte? En ditmaal nogal erg. De geringschatting van +de menschen aan wie hy verantwoording schuldig <span class= +"pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name="pb249">249</a>]</span>was, +had reden van bestaan in ieder ander, maar niet in hèm. +Z’n moeder was z’n <i>moeder</i>, de heeren Ouwetyd & +Kopperlith waren <i>zyn</i> patroons. Hy was niet grof genoeg van +inborst om de draden waarmed-i zich aan de maatschappy verbonden +voelde, eenvoudig te verbreken en zich vry te maken: om “de +wereld integaan” zooals dit heet. Hieraan dacht hy wel, doch maar +’n oogenblik want hy was te week om het besef te verdragen van de +smart zyner betrekkingen... die wel luidruchtig, maar niet zoo byzonder +diep zou geweest zyn. Doch dit wist hy niet. Op-eenmaal kwam hem nu in +den zin dat-i in z’n lessenaar op ’t kantoor allerlei +rympjes had verborgen, waarin veel schoons werd gezegd... van +háár. Wie deze “haar” was, doet er niet toe. +Het is te betwyfelen, of hyzelf hiervan een heldere voorstelling had. +Want al droegen z’n ontboezemingen gewoonlyk de kleur der +indrukken die Femke hem had meegedeeld, toch dwaalde hy telkens te veel +af van dat ééne model, om te kunnen beweren dat hy in die +rympjes z’n liefde voor háár schetste. Niemand zou +’n waschmeisje zoeken in ’t origineel van de wolkerige +portretten die hy leverde. ’t Wemelde in z’n poëzie +van prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van +wereld-overzien, en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God +was niet vergeten, dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker +bekend, hoe makkelyk dit eensylbig woordje zich schikt in elke maat. +Kompromitteerend in gewonen zin waren alzoo Wouter’s dichtproeven +niet. Noch Pompile, noch Wilkens zouden by ’t vinden der +achtergelaten rymelary, op ’t denkbeeld gekomen zyn dat hun +weggeloopen jongste bediende in betrekking stond tot ’n dame die +men noemen kon. Hoogstens zou ’n beetje scherpzinnigheid hun de +middelen aan-de-hand doen om van Wouter’s ongedisciplineerde +hartstochtelykheid geen jota te begrypen. Hyzelf echter meende dat-i +maar al te duidelyk had lucht gegeven aan z’n gevoel, en in +verbeelding zag hy reeds z’n onbescheiden talent misbruikt om al +de jonkvrouwen van zyn hart tentoontestellen in de courant. Prinsessen +zouden er ’t meest onder lyden, want aan hoven is de eer ’n +teedere zaak. En ook Julie liep gevaar. In dat ééne +gedicht namelyk—koupletten van acht regels met slechts twee +rymklanken, denk eens!—had-i zich niet kunnen onthouden, ’n +zwevenden engel uittedosschen in ’n zwierig rykleed van bruine +taf, en van zoo’n stof was juist het japonnetje dat zy aanhad op +den dag toen hy zoo ridderlyk vier stuivers had afgedongen op haar +liggenden jachthond! Duidelyker zinspeling op z’n verrukking over +haar neerbuigen tot hem, kon wel niet gevat worden in koupletten van +acht regels met slechts twee rymen! Ja toch, hy had melding kunnen +maken van ’t wollen fichuutje dat ze by die gelegenheid om den +hals droeg—want ze was op dien merkwaardigen stond ’n +beetje verkouden—maar de eischen van rym en maat bewaarden hem +genadiglyk voor indiskrete vereeuwiging van deze byzonderheid. Die +zwabberende bruin-zyden amazone was waarlyk al verraderlyk genoeg! Zou +de oude Dieper by ’t ontdekken en beoordeelen zyner rymschatten, +<span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name= +"pb250">250</a>]</span>de goedheid hebben Pompile aftebrengen van de +gevaarlyke gissing dat er verwantschap bestond tusschen die zwevende +engel en z’n wederhelft? Och, op zoo’n boekhouder valt niet +te rekenen. Gaf-i niet altyd iedereen gelyk? Wouter zag hem z’n +pen neerleggen, z’n snuifdoos opnemen, den bekenden stap +achterwaarts doen, en dit alles om met vereischten nadruk te +verzekeren:</p> +<p>—Juist, jongeheer! Ik heb de intieme <i>fictie</i> dat de +jongen met dat schimpdicht bedoeld heeft...</p> +<p>—Schimpdicht, Dieper? ’t Is geen schimpdicht? Wàs +’t dat maar! De kwajongen is verliefd, en wel op...</p> +<p>—Precies, jongeheer! Ik wil maar zeggen, net als u, dat-i +zeker met dien golvenden luchtgeest mevrouw Kopperlith-Huddewitz +bedoeld heeft. ’n Mensch moet toch iets bedoelen, niet waar? +Zeker, zeker, die engel in ’t bruin is de jonge mevrouw! Vindt u +’t niet erg... brutaal, jongeheer?</p> +<p>Wouter’s verbeelding tooverde hem ’t kantoor voor, en +dwalend door den <i>Hout</i> was-i getuige van de woede, van de +minachting, van de vernederingen die ’t burgerzielig konklave +over hem uitstortte. Wilkens blaette afkeuring, Eugène bromde +z’n: hm! Daar kwam ook de oudeheer aansloffen:</p> +<p>—Zieje, Pompile, ’t is de schuld van Dieper. Waarom +zoo’n deugniet te rekommandeeren?</p> +<p>En Dieper beloofde deemoedig dat-i ’t nooit weer zou doen.</p> +<p>De oude Gerrit? Nu, <i>zyn</i> tusschenspraak schikte nogal. +Gelukkig voor Wouter, dat-i eindelyk ’n figuur ontdekte van iets +minder afschuwelyken aard, iemand waarmed-i het tooneel dat z’n +angst hem voormaalde, wat minder krimineel stoffeeren kon. Gerrit +mompelde: “wat ’n geseur over die liedjes! Allemaal wind en +’n engelsche <i>notting!</i>” Lieve Gerrit!</p> +<p>Opmerkelyk, niet waar, dat Wouter wel de gaaf had zich zoo +nauwkeurig voortespiegelen wat er gebeuren zou, wanneer men na +z’n wegblyven z’n archief doorsnuffelde, hy die zich niet +in-tyds rekenschap had weten te geven van den zotten toestand waarin +iemand geraken moet, die z’n zeer behoorlyk jasje verruilt voor +’n schanslooper van de vreemdste soort, en z’n fonkelnieuw +hoedje voor ’n rooden kalen gedeukten <i>tromblon</i> die hem +bovendien eenige nummers te groot was? Weinig jongelieden zouden zich +in Wouter’s geval hebben schuldig gemaakt aan de zotterny die hy +begaan had, en toch zou ’t onrecht wezen hen daarom voor +verstandiger te houden. Voor ’t meerendeel hadden ze slechts door +onthouding van ’t excentrieke, blyk gegeven beneden +Wouter’s fouten te staan. Kon hy ’t helpen dat-i z’n +ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er ’n aanhoudende stryd +was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg en de wereld waarin hy +leefde?</p> +<p>De manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had, +kon zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt +worden onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas die +in den waan verkeert dat z’n beenen van glas <span class= +"pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span>zyn, +is niet verder van de waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te +kennen zooals zy inderdaad <i>is</i>, z’n aanraking met haar +meent te kunnen regelen naar ’t <i>schema</i> dat hy in omgang +met zichzelf alleen, samenknutselde. Wouter droomde van engelen... die +er niet zyn, en van zielenadel... die niet bestaat. Hy onderging +allerlei aandoeningen die aan anderen niet bekend zyn. Het is er ver af +dat deze aandoeningen onverdeeld schoon waren, en dat alzoo <i>in alle +opzichten</i> de werkelykheid beneden z’n droomeryen zou staan. +Integendeel. Onder alle personen, zonder onderscheid, die hy +tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die niet in ’t +een-of-ander opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging, ’t +geen reeds hieruit blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet tot +dwaasheden als die welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in den +<i>Haarlemmer-Hout</i>. Inderdaad, lezer, ’t is onzedelyk +’n nieuwe jas te verruilen voor ’n oude! Ik laat nu de +kazuistische finesse waarmee sommigen zotterny willen onderscheiden van +slechtheid, stilzwygend in haar onwaarde, zéker is ’t dat +onze held even beschaamd was over ’t verkwanselen van z’n +kleeren, als-i over diefstal zou geweest zyn. En, wanneer hy de wereld +goed gekend had, zoud-i gróóter schaamte nog gevoeld +hebben over z’n dwaasheid dan over eigenlyke misdaad. Deze immers +wordt <i>begrepen</i>, omdat ieder deelt in de aandrift die daartoe +leiden kan. Met ’n vroom: “God zy by ons... wie staat, zie +toe!” bekruist men zich—en hangt den dief op, nu +ja—maar men deelt volkomen in de gevoeligheid voor verlokking die +den zondaar máákte tot ’n zondaar. Vraag eens aan +juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal verwanten in geestesarmoed, +of ze ’t voor mogelyk houden dat zy een der tien geboden zullen +overtreden, of zelfs maar ’n artikel uit het Wetboek van +Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: “de mensch is zwak! +Heer, wees my armen zondaar genadig!” Heel goed, ik mag lyden dat +de Heer het doet. Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor oogen +dat zy ’n splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in +’n onderrokje ronddolen op den publieken weg... zonder de minste +aanroeping van den Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En dit +is de waarheid. Zóó ver kan de slimste Duivel ’t +mensch niet brengen, al liet God haar in den steek. Wel schynt alzoo +zyn hulp onontbeerlyk om bewaard te blyven voor galg en rad, maar +domheden als die van onzen Wouter weet men te vermyden zonder de minste +tusschenkomst van den Hemel.</p> +<p>En nog ’n opmerking, ditmaal van eenigszins aangenamer aard. +Dat Wouter’s manier van spekuleeren niet tot welvaart leidt, zal +ieder erkennen en goedkeuren. Maar men is te zeer gewoon zich goede +uitkomsten voortestellen van het tegendeel. Dit is onjuist. Ik kan den +lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig toonde in +<i>zaken</i>, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is +’t geval met velen die zich vermeten minachtend neertezien op +’t eigenaardig gebrek aan praktyk, dat ’n uitvloeisel is +van nog onvolkomen dichterlykheid. <span class="pagenum">[<a id="pb252" +href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span></p> +<p>Wouter verweet zich dat niemand in gelyke maat als hy, de +begaafdheid had zich vasttewarren in ’n net van +verdrietelykheden. Gelyk de meeste jongelieden die in nood zitten, +dacht-i aan zelfmoord. De lezer herinnert zich dat dit meer geschied +was. Het leven kwam hem ondragelyk voor, en hy drong zich op, dat-i +ditmaal wel degelyk van plan... wezen zou daaraan ’n kordaat +einde te maken, als-i maar niet zoo terugschrikte voor ’t +denkbeeld dat die vervloekte <i>Kopperliths</i> in z’n +minneklachten zouden snuffelen. Eerst die verzen vernietigd, dacht hy, +en dan sterven! God zou wel begrypen dat-i ’t niet kon uithouden +in zóó’n wereld! In den hemel was zeker wel deze of +gene werkkring die hem paste. Daar zoud-i zich stipt toeleggen op +z’n... naastbyliggenden plicht! O, waarom had-i dien goeden +dokter Holsma veronachtzaamd? En... hoe zou ’t zyn als-i zich in +z’n tegenwoordigen nood—ei, zonder sterven, +alzoo?—tot hèm wendde?</p> +<p>Al wat hy zich van die familie herinnerde, kwam hem nu liefelyker +voor dan ooit. Die vlugge Sietske! Die waardige moeder! Die ernstige +oom Sybrand! En Willem... nu ja, z’n wyzigheid was drukkend, maar +kon hy ’t helpen dat Wouter geen latyn verstond? Had z’n +moeder hem dàt maar laten leeren, meende hy, dan zou alles +anders wezen! Hy zou dan nu op weg zyn om dominee te worden, of +advokaat, of rechter, of minister... allemaal menschen die ’n +behoorlyke jas aanhebben, en precies weten waar ze belanden moeten als +’t nacht wordt! Dit namelyk wist Wouter nog altyd niet, en +’t bezwaarde hem zeer. Maar al was ’t dag geweest, +waarheen, waarheen? Op die gansche aarde geen plek waar-i zich +vertoonen kon! Zeker, zeker, God zou er genoegen mee nemen, als-i +onaangediend en ongeroepen in den hemel kwam.</p> +<p>Sterven dus! Heel goed, als-i maar geweten had, hoe? Inweerwil van +deze onzekerheid stond z’n voornemen byna vast. Byna! Want het +afscheidnemen van z’n plannen, van z’n droombeelden, van +z’n toekomst, viel hem zeer moeielyk. En zelfs het verledene, hoe +dor en schraal ook, bood hem gezichtspunten aan waarvan hy de oogen +niet kon afwenden. Die verschyning in den Schouwburg... die +dubbelgangster van Femke... hemel, de rozeknopjes! Ook die immers lagen +in z’n lessenaar op ’t kantoor, geborgen in z’n +zakboek, in ’t zakboek dat-i anders altyd op ’t hart +droeg—schoon ’t hem zéér deed, als-i vuile +praatjes aanhoorde by ’t postkantoor!—maar dat-i nu voor +’t eerst had weggesloten om er niet mee bezwaard te zyn op +z’n voorgenomen tocht naar “buiten.” Mocht-i aan +sterven denken zoolang hy dat pand niet had teruggehaald om het te +vrywaren tegen hoon? En nog iets! Was ’t niet al te jammer, van +deze wereld te scheiden voor-i zeker wist hoeveel prinselyks er stak in +Femke, hoeveel van ’n bleekmeisjen in die prinses? Hy begreep +niet hoe hy zoolang zich had kunnen bezighouden met allerlei +onderwerpen, en vond het onverantwoordelyk zoo’n raadsel +onopgelost achtertelaten.</p> +<p>Leven dus, leven! Makkelyk gezegd, als-i maar geweten had +<span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name= +"pb253">253</a>]</span>waar-i slapen zou? En... eten! Z’n +sarrende fantazie hield hem ’n monster-boterham van Vrouw Claus +voor, en hy begon nu werkelyk zich te verbeelden dat z’n honger +onuitstaanbaar was. Stoffelyke behoefte nam de overhand op smart van +anderen aard—daar <i>is</i> ze voor!—en hy begon afgunstig +te worden op ’t lot van Jakob Claesz. Want, meende hy, in +zoo’n onbeschaafd Vuurland waren zeker allerlei vruchtboomen, en +er groeide niets eetbaars in den <i>Haarlemmer-Hout</i>. Die Laurens +Coster had ook beter gedaan, vygen en ananassen te planten—of al +waren ’t dan maar burgerlyke appels en peren geweest!—dan +zich bezigtehouden met de uitvinding van die vervelende drukkunst! Wat +heeft ’n dolend wildemannetje daaraan? En wat baatte hem nu +z’n braaf oppassen by Pennewip? O, die vervloekte beschaving! Hy +verlangde naar ’n voorwerp waarop-i z’n woede kon koelen, +al ware het, byv. ’n bende Vuurlanders geweest. Dan had-i geweten +wat het Noodlot van hem verlangde: stryden en... overwonnen worden, nu +ja, en men zou hem opeten, ook. In-godsnaam! Daartegenover immers stond +altyd de kans dat hy—onder aanroeping van deze of gene dame: +’t was meer gebeurd!—de overwinning behaalde, z’n +vyanden tot Christenen maakte, en zichzelf tot koning, juist wat-i +wezen wilde. Wie weet of niet Jakob Claesz ook zoo-iets gedaan had, en +Wouter besloot dat Vuurland eens. te bezoeken zoodra hy te beschikken +had over ’n vlootje. Dan zoud-i...</p> +<p>Helaas, heiaas, wat gekke overleggingen in zyn toestand! Beurtelings +woedend en verdrietig, slenterde hy laan-in laan-uit, en wist geen +raad. Eindelyk zette hy zich moedeloos onder ’n boom, en viel in +slaap. Hy droomde dat-i in nood was en dat Femke hem redde. Toen-i +wakker werd, was ’t volkomen nacht. Het kostte hem veel moeite +zich te bezinnen wat er gebeurd en hoe hy daar gekomen was. Maar +helaas, hy voelde zich wel genoodzaakt het gebeurde voor inderdaad +geschied te houden, en z’n verdriet weer aanteknoopen waar +’t eenige uren geleden was afgebroken door den slaap. Toch was de +daartusschen liggende droom te levendig geweest om daarop geen acht te +slaan, en by gebrek aan beter dwong hy zich dien optevatten als +’n wenk. Hy besloot dus naar Amsterdam te gaan en zich onder +Femke’s hoede te stellen. Al zag hy niet in hoe zy hem van dienst +wezen kon, ’t zou hem reeds verluchten indien hy iemand kon +deelgenoot maken van z’n verdriet. En de schaamte die hem pynigde +omdat-i haar zoo lang had verwaarloosd... zeker, dit maakte den stap +niet gemakkelyk. Want hy voelde zeer goed dat-i zich haar onwaardig had +gemaakt, en kon het denkbeeld niet van zich stooten dat zy dit wist. +Ach, mocht hy den dag van vandaag, en dien van gisteren... neen, de +vier, vyf laatste maanden kunnen overleven! Zyn nu verwaarloosd gemoed +zou daarby wèlvaren, en Hersilia’s parasol ook.</p> +<p>Na lang zoeken en dwalen bevond hy zich op den weg dien hy den +namiddag van den vorigen dag was langsgekomen in ’t achterbakje +van de britschka. Reeds toen was-i niet tevreden. En <i>nu!</i> +<span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254" name= +"pb254">254</a>]</span>Naar Femke, naar Femke! riep hy, alsof ’t +meisjen ’n toovergodin was die maar te bevelen had om verandering +te brengen in z’n verdrietigen toestand. En ongegrond was +Wouter’s vertrouwen eigenlyk niet, schoon hyzelf daarvan zeker +geen reden geven kon. Femke’s eenvoudige kalmte—uitvloeisel +der harmonie van haar gaven, inborst, ontwikkeling en +begeerten—maakten haar inderdaad tot ’n goede raadsvrouw. +Zeer vermoeid kwam Wouter tegen den morgenstond by haar huisjen aan. +Hier wachtte hem ’n zonderlinge verrassing... o, die ondeugende +Fancy!</p> +<hr class="tb"> +<p>De buitenblinden waren gesloten, wat Wouter niet verwonderde daar +het nog zeer vroeg was. Maar wel was z’n verbazing groot, toen hy +bemerkte dat de deur áánstond. Zou die den geheelen nacht +open geweest zyn? Was Vrouw Claus zoo vroeg reeds uitgegaan? Of +misschien Femke-zelf? Helaas, zou ze dáár wezen? Moed om +’t meisjen optezoeken by de Holsma’s, had-i niet. Hy was +beschaamd voor die familie, en bovendien, hy durfde de stad niet in, om +die gekke jas! Zeer waarschynlyk had juist de afkeer om zich in de +straten te vertoonen, hem ’t denkbeeld ingegeven hulp of raad by +Femke te zoeken, of wel—indien ze hem noch het een noch het ander +verschaffen kon, gelyk immers te voorzien was—haar tot +vertrouwelinge van z’n kommer te maken, om wat troost. Zeker +zoud-i niet tot dit besluit gekomen zyn als ’t meisjen in de stad +gewoond had, en niet op ’n buitensingel waar ze bereikt worden +kon zonder ’n spitsroedengang tusschen de reien van ’t +straatpubliek. By ’t opsporen van de oorzaken onzer handelingen, +moeten we niet zelden afdalen tot het nietigste. Wouter wist niet dat +er verband was tusschen liefde en stryd, en al ware hy in dit opzicht +minder onkundig geweest, dan nog blyft het de vraag of-i lust zou +gevoeld hebben zich in z’n allerzonderlingst kostuum te vertoonen +aan de uitverkorene van z’n hart. Bovendien, nooit had hyzelf +zich rekenschap van z’n verhouding tot Femke gegeven. Nog altyd +dobberden z’n aandoeningen op die grens die ’t kind +overschryden moet om mensch te worden, en ’t was meer de +ontwakende behoefte aan liefde die hem vervulde, dan de liefde-zelf. +Wouter was niet veel meer dan ’n jongen, en wanneer-i met wat +meer juistheid z’n standpuntje begrepen had, zoud-i ontheven zyn +geweest van ’n groot deel der schaamte over z’n +bespottelyke uitrusting. Wel beschouwd kwam ’t er nog drommels +weinig op aan, hoe hy er uitzag. Maar hy was alweer niet jong genoeg +ook, om onbewust de voordeelen van z’n onbeduidendheid te +genieten. Hoe dit zy, de nood perste, en hy voelde instinktmatig +behoefte aan ’t ontmoeten van iets liefs, iets vriendelyks, na al +’t leelyke waarmee men hem sedert zoo langen tyd oververzadigd +had. Toch wist-i zeer goed dat Femke niet bymachte wezen zou hem zyn +kleeren terug te bezorgen, noch de verhouding tot die gevreesde +patroons in orde te brengen, noch hem te verzoenen met z’n moeder +die woedend wezen zou als ze te weten kwam dat-i onfatsoenlyk was +geweest, parasols gebroken, en fortuinen <span class="pagenum">[<a id= +"pb255" href="#pb255" name="pb255">255</a>]</span>met voeten geschopt +had. Neen, neen, Femke zou hem niet kunnen helpen! Byna begon hy te +wenschen dat-i niet dáár was.</p> +<p>Maar Vrouw Claus dan? Evenmin! In-godsnaam, als-i zich dan maar +’n oogenblik in haar huisje mocht neerzetten, haar z’n nood +klagen, en... ’n dikken boteram eten. Dàt zou hem de +kracht geven om afscheid van ’t leven te nemen. Hy wou wel +sterven, heel graag zelfs, als-i maar niet zoo’n honger gehad +had! Dááraan eerst ’n eind gemaakt, en dan...</p> +<p>Juist wilde hy de deur openstooten en binnengaan, toen z’n +aandacht werd getrokken door ’n luid gelach. Het kwam van verre. +Over ’t bleekveld heen, den weg op, zag Wouter twee gestalten die +hem schenen te naderen. Met begeerigheid elk voorwendsel aangrypend om +’t gevreesd binnentreden uittestellen, staarde hy zoo scherp +mogelyk op de beide personen die in luidruchtig gesprek schenen. +Van-lieverlede werden de omtrekken duidelyker. De een scheen ’n +jong zeeman en de ander... myn God, was dat Femke niet? Wouter keek +zich blind, en moest telkens de oogen uitwisschen om opnieuw... ze +wàs het! En de ander? ’t Was wel waarlyk ’n matroos: +wie anders draagt zoo’n gelakt-leeren hoed? Van-tyd tot-tyd +kaatsten daarop de nog horizontale zonnestralen in schitterend goud af, +zoodat Wouter de oogen sluiten moest als ze door dien glans getroffen +werden. Maar, ze weer opslaande, kon hy zich niet troosten met +onzekerheid. Femke liep daar in den zeer vroegen morgen—byna was +’t nacht nog—met ’n matroos! Ach, Wouter zou minder +tydmeterig-fatsoenlyk met z’n aandoeningen hebben omgegaan, +wanneer de begrooting van de heeren Ouwetyd & Kopperlith +vyf-en-twintig gulden ’s jaars had kunnen dragen aan +busrecht!</p> +<p>Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouter’s +meening, met ’n matroos! Een oogenblik lang vlood alle +herinnering aan ’t gebeurde en aan de oorzaken die hem daar +brachten, op den achtergrond, om slechts plaats te maken voor +yverzucht, vreeselyke yverzucht. De arme jongen had ’n gevoel +alsof hem ’n gloeiende dolk in ’t hart werd gestoken. +Z’n knieën knikten, en als wezenloos viel hy tegen den post +van de deur aan. Maar jalouzie is de minst kleinzeerige van alle +kwalen: ze houdt van pyn. Wouter sloeg geen oog af van ’t +schouwspel dat hem zoo wondde en hoe langer hoe smartelyker aandeed, +want de blykbare vertrouwelykheid tusschen de beide jongelieden was +groot. Gedurende hun wandeling gaven ze elkander de hand, of liever +’t scheen dat ze hun pinken ineenhaakten. Dit kon worden +opgemaakt uit ’n eigenaardig gelykmatig slingeren van den +linkerarm der persoon die rechts liep, en van den rechterarm der +andere. Het gesprek was luidruchtig en zelfs van sarrende vroolykheid. +Vooral het meisje joelde en schaterde, en hierdoor voelde Wouter zich +als vernietigd. Het baatte niet of-i zich al vóórzei dat +ze hem niets schuldig was, dat hy geen recht op haar had, en dat ze... +god in den hemel, moest het nog erger worden? Daar liet zy de hand van +den jongeling los, en viel hem om den hals, en ’t duurde wel +’n eeuw, vond Wouter, of ’n uur, of zooiets, <span class= +"pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256" name="pb256">256</a>]</span>maar +’n zéér langen tyd in allen geval. In al de romans +die hy gelezen had, werd de aandoening die hy onderging omschreven met +de woorden: “onze held stierf duizend dooden” maar hy had +waarlyk geen afgezaagde boekenfraze noodig om te voelen wat-i leed. Na +de omhelzing hervatte het dartele paar de wandeling op den weg, en +naderde, telkens omkeerend, nu en dan het huisje, waarop dan ook eenige +malen door ’t meisje gewezen werd alsof ze daarover iets aan haar +vrindje te vertellen had. Wouter spande zich in om iets van hun gesprek +te verstaan, maar ’t lukte niet. Als om hem ’t begrypen +onmogelyk te maken, keerden zy zich telkens om als-i juist op ’t +punt meende te zyn eenig gevolg verzekerd te zien aan z’n +onbescheidenheid, en dan slenterden ze weer den weg naar de Aschpoort +op. De arme jongen meende te droomen, want zelfs ’t niet verstaan +van wat er gezegd werd, bracht het zyne tot z’n verbazing by. +Telkens meende hy eenige klanken duidelyk genoeg te hebben opgevangen +om te begrypen wat-i hoorde, en toch wou dit maar niet het geval +worden. Hy wreef zich de ooren alsof daarover ’n vlies gespannen +was, doch zonder baat. En, wanneer ’t paartje weer wat verder-af +was, hoorde hy slechts ’t geschater. Er ontbrak maar aan dat ze +daar gingen dansen op den publieken weg. Waarachtig, ’t scheelde +niet veel! Het uitgelaten meisje pakte ’n paar malen den jonkman, +die iets bedaarder bleek dan zy, by den arm, en zwaaide hem om zich +heen. Daarop volgde dan weer luid gejuich en gesnap... er was geen eind +aan! Ja toch, eindelyk bleven ze staan en schenen afscheid te nemen. Er +werd hartelyk gekust, de jongeling verwyderde zich, en ’t meisje +sloeg met bedaarder tred, den weg naar ’t huisjen in. Eens nog +stond ze stil, wuifde met ’n doek, en ontving haar groet +behoorlyk van ’t zeemannetje terug, die driemaal met z’n +hoed zwaaide. Voor evenwel ’t meisje genoeg genaderd was om +Wouter met kennis te zien, liep deze woedend heen, en wou... en zou... +ja, wat? Na eenig heen-en-weer zwerven, waarby hem z’n +onbehagelyke kleeding zeer ergerde, vooral omdat het getal der +voorbygangers aangroeide, niet zonder verdriet ook over den honger +dien-i zich toedichtte om ’n afleider te hebben van z’n +velerlei wanhopen... kortom, ’n half uur daarna stond-i weer voor +’t huisje van Vrouw Claus, en ditmaal trad hy binnen. De tafel +droeg toebereidselen tot ’n flink +ontbyt—goddank!—maar hy zag niemand. Uit het kamertje +waar-i eens zoo heerlyk geslapen had, klonk ’n +stem—’n lieve heldere jonkvrouwelyke stem toch!—die +hem begroette met ’n soldatesk: <i>werda!</i> Wouter antwoordde +niet, of byna niet, want het onnoozele “ik” dat-i zeer +verwonderd uit-piepte, mag geen naam hebben. Hoe drommel kon-i +voorbereid wezen op zoo’n militaire ontvangst? Gelukkig dat zich +hierop Vrouw Claus vertoonde, die hem wat burgerlyker toesprak.</p> +<p>—Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo +lang weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... +ik kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je.</p> +<p>Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: “dat +<span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name= +"pb257">257</a>]</span>is nou ’t jongetje van ’t paard, +weetje?” Hierop volgde iets als teruggehouden lachen en daarop +’n doodelyke stilte. Wouter wist alweer niet hoe hy ’t had. +Na eenig wachten waagde hy ’t even in de kamer te gluren, waaruit +men hem zoo geheimzinnig had toegeroepen. Vrouw Claus, dacht-i, zou nu +toch wel met haar toilet gereed zyn. Nu, dit was zoo, maar in de kamer +was niemand. Moeder en dochter waren zeker op ’t erf by de +bekende pomp. Een oogenblik daarna keerde Vrouw Claus terug, en +noodigde op haar gewone vriendelyke manier Wouter op ’t +ontbyt.</p> +<p>—Asjeblieft, juffrouw. Maar wil u me asjeblieft zeggen waarom +Femke niet komt?</p> +<p>—Fem? Jawel, o jawel, die zal wel komen. Of misschien komt ze +niet, want ze staat te wasschen. Zoo zal ik nu maar zeggen, weetje? +Weetje wat jy doet? Eet ’n boteram, jongen, en hier is koffi. En +zeg me nu eens gauw hoe ’t met je moeder gaat? Die is immers ziek +geweest? Ja, ’n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas +op.</p> +<p>—M’n moeder is heel wel, maar...</p> +<p>—En jy? Heb je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... +neen, neen, neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op ’n paard +gezeten. Hoe kan ik zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, ’n +mensch z’n hoofd loopt wel ’reis om. En is moeder weer +heelemaal in orde. Wel, dat’s best. Als ze nu maar oppast niet +weer ziek te worden. Was ’t koorts, of wat was het?</p> +<p>—M’n moeder is heel wel, juffrouw, maar ikzelf ben +’n beetje...</p> +<p>—Ben jy ziek? Wat mankeert je? Maar... gut, jongen, wat heb je +daar ’n gekke jas aan je lyf. Hoe kom je daaraan?</p> +<p>—Ja, dat komt... dat is... ik moet... ik wilde...</p> +<p>Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van +z’n stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van +alle kanten te bekyken.</p> +<p>—Ajakkes, jongen, wat schikt jou moeder je raar op! Je lykt +wel ’n sjouwerman, neen... ik weet niet wat je wel lykt! Je +broekie is netjes, dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, +maar die jas! En wat zit je vol stof. Waar heb je gezeten, jongen? Waar +ben je geweest?</p> +<p>Toen de goede vrouw zich bukte om ’t stof van z’n +schoenen te slaan, kreeg ze tot overmaat van ergernis, Wouter’s +hoed in ’t oog, dien-i by ’t plaatsnemen had verstopt onder +z’n stoel.</p> +<p>—Heeremensch, wat ’n hoed! Ik geloof dat je mal bent, +jongen! En, nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best! Och, +och, vroeger was je zoo’n lief jongetje, en op dat paard... o +neen, op ’n paard heb je nooit gezeten, maar toch, je zag +’r vroeger aardig uit. En nu? ’t Is ’n ware schand +zooals je moeder je toetakelt!</p> +<p>—Moeder kan ’t waarlyk niet helpen! Ik zal u alles +vertellen, juffrouw.</p> +<p>—Wàt? Kan je moeder niet helpen dat jy voor spot loopt? +Ik zeg je dat het schande-n-is, ’n ware schande, ja... ’n +schandaal! <span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258" name= +"pb258">258</a>]</span>Hoor eens, ik ben maar ’n waschvrouw, en +dat wil ik blyyen ook, al zouden ze... nu, dit gaat jou niet aan, maar +ik verzeker je dat ik me schamen zou, schamen, ja <i>schamen</i>, +hoorje!</p> +<p>—M’n moeder weet het niet...</p> +<p>—Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar +is ze dan moeder voor?</p> +<p>—Neen, juffrouw, maar...</p> +<p>—Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil +’t niet wezen.</p> +<p>—Och, Vrouw Claus, m’n moeder weet er niets van. Ik kom +van Haarlem, en...</p> +<p>—Van Haarlem? Wat deed je dáár? En moet je +’r daarom zoo verpieterd uitzien? Als Fem hier was, zou ze...</p> +<p>—Is ze dan <i>niet</i> hier, vroeg Wouter haastig, is Femke +<i>niet</i> hier? En ik heb ’r gezien!</p> +<p>De beurt om verlegen te worden, was aan Vrouw Claus. Ze antwoordde +met ’n zonderling gerekt “ja” dat heel best kon +gelden voor ’n ontkenning.</p> +<p>—Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier +eigenlyk niet. Je moet denken, ze is dikwyls uit, en by m’n nicht +op den <i>Kolveniersburgwal</i> ook, en ze brengt waschgoed weg... och, +ze heeft allerlei te doen, en weetje wat jy doet, jongen? Eet jy nog +’n boteram of twee, want als je heel van Haarlem komt... onze Fem +is aan de wasch, weetje, en als ze gehinderd wordt in haar werk... +jeesis-maria, wat lieg ik!</p> +<p>Met dezen kreet op de lippen stoof Vrouw Claus de kamer uit, en +’t achtervertrekjen in. Het scheen wel dat ook zy wat te +verbergen had, want Wouter bemerkte tot z’n verbazing dat zy de +deur achter zich sloot, alsof ze bevreesd was dat-i haar volgen zou. +Een oogenblik lang meende hy ’n onderdrukt lachen te hooren, maar +weldra werd het in de kamer naast hem volkomen stil. Zeker was Vrouw +Claus op haar erfje by de pomp gegaan, om daar aan Femke te vertellen +hoe bespottelyk hy was opgetooid. Hy begon zich optedringen dat de in +’t oog vallend zonderlinge houding der moeder, inverband stond +met dat al te vroegtydig bezoek van den matroos. Zeker giste Vrouw +Claus dat hy daarvan iets bemerkt had, en ze wist niet hoe ze dat voor +de eer van haar huisje zou goedpraten. Zoo wàs het! Weinige +maanden geleden nog, zou Wouter zeker niet op zulke gedachten gekomen +zyn. Maar z’n wereldwysheid was aan ’t groeien, en wel als +naar gewoonte den verkeerden kant uit. Wat de kans op juist-raden +aangaat, had-i beter gedaan zich te houden aan z’n kinderlykheid, +want de wysheid van deze wereld is dwaasheid by Fancy.</p> +<p>Wouter bleef niet zeer lang met z’n boterammen alleen. De +buitendeur werd opengesloten, en een man die blykbaar zoo-even was +komen aanryden met ’n handkar waarop ’n koffer geplaatst +was, vroeg of-i te-recht was by Vrouw Claus? Er bleek dat deze ’t +voertuig had zien aankomen, en tevens dat zy de bestemming daarvan +<span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259" name= +"pb259">259</a>]</span>kende, want voor nog Wouter tyd had gehad iets +te vernemen van de herkomst—sommigen beweren dat-i grooten lust +had er naar te vragen—kwam de goede oude vrouw haastig aanloopen. +Ze stuwde Wouter op-zy, toen-i met z’n gewone dienstvaardigheid +behulpzaam wezen wou in ’t afladen, en droeg met den kruier +’t vry zware voorwerp dat haar gebracht werd, het huisjen in, en +met één vaart naar de achterkamer door. Indien ’t +haar plan was, den naam des afzenders voor Wouter geheim te +houden—en zoo scheen ’t wel—liep ze gevaar hierin te +worden teleurgesteld door den kruier die op haar vraag naar ’t +bedrag van ’t veerloon, ten antwoord gaf dat de vracht voldaan +was door de heeren... sakkerloot, Wouter verstond den naam niet! Na +’t vertrek van den man met de handkar voelde hy zich verlegen +omdat hem maar al te duidelyk gebleken was dat er iets voor hem +verborgen werd. Hy wilde dus niets liever dan vertrekken, maar werd +weerhouden door Vrouw Claus die hem op-nieuw ’n stoel +aanwees.</p> +<p>—Ze zegt... ik wil maar zeggen dat ik nu graag eens precies +weten wou waarom je ’r zoo mal uitziet, en wat je toch in +’s heere-menschen-naam te Haarlem hebt uitgevoerd? Zeg, jongen, +wat deed je te Haarlem, en waarom heb je zoo’n schandaligen hoed +op? En die jas? Vertel me nu eens alles precies, net of ik je moeder +was. Want ze wil alles weten ...</p> +<p>—Femke? vroeg Wouter.</p> +<p>—Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. +Heeremensch, wat verveelt me dat liegen...ah!</p> +<p>Deze uitroep gold pater Jansen, die z’n goedig gezicht aan de +deur vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat +bejaard kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest +op ’n ontstemd gemoed.</p> +<p>—Wel, dat ’s goed, pater! Ga zitten, en eet ’n +stuk. Heb je-n-’n zieke-n-in de buurt.</p> +<p>—Dat ook. Maar ik kom ’ns hooren of ze ’t gedaan +heeft?</p> +<p>—Ja zeker! Maar... dat jongetje weet er niets van. We praten +er dus maar niet over voor-i weg is.</p> +<p>Natuurlyk alweer wilde Wouter, zich hoorende uitmaken voor zoo +storend, z’n bezoek afbreken. Maar Vrouw Claus liet het niet +toe.</p> +<p>—Neen, mannetje, jy blyft nog wat. Net goed dat pater ’t +hoort wat je hebt uitgevoerd. Kyk ’t kind er ’ns disselaat +uitzien, pater!</p> +<p>De goede pastoor bekeek Wouter van onder tot boven, maar hy was nu +juist de rechte man niet om den snit van ’n jas te-beoordeelen, +en toonde dus minder verontwaardiging dan volgens Vrouw Claus behoorlyk +zou geweest zyn.</p> +<p>—Nu, pater, jy weet dat zoo niet, maar hy is ’n +fatsoenlyk mans kind, en ziet er uit als ’n schooier uit de +polders. En hy is te Haarlem geweest zonder dat z’n moeder er van +weet. Maar vertel dan toch, jongen, wat je gedaan hebt! Wel ja, niet +waar, dan weet pater ’t ook!</p> +<p>Wouter begon z’n relaas hakkelend en verward, en sprak nog +<span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260" name= +"pb260">260</a>]</span>veel slechter dan over ’t algemeen de +hollandsche gewoonte is, ’n fout die vergeeflyk voorkomt omdat ze +in zekeren zin ’t gevolg is van den rykdom der taal. Och, niet +dáárop kon zich de jongen ter verschooning van z’n +gebrabbel beroepen. Behalve de schaamte die hem beheerschte, hinderde +hem zekere onzekerheid omtrent het bevattingsvermogen van z’n +hoorders, ’n twyfel die Demosthenessen en Ciceroos zou stom +gemaakt hebben. Hierdoor werd hy vooral belemmerd wanneer-i ter +verklaring van z’n vreemd gedrag, oorzaken wou uitleggen die +hemzelf niet zeer duidelyk waren. ’t Is waar ook, waaròm +toch voelde hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig +“thuis” in ’t wereldje dat hem omgaf? De wrevel in +byzondere gevallen—over de minachting, byv. waarmee de opgeblazen +Hersilia hem behandeld had—was gemakkelyker te verklaren, en dit +deed-i dan ook zoo goed hy kon.</p> +<p>—Als ’t kind van de kerk was, zou ik zeggen dat je hem +eens onderhanden moest nemen, zei Vrouw Claus tot den pater. En, zieje, +’t is niet om ’t verkwanselen van z’n kleeren alleen, +en ook niet om dien perresol, maar z’n gezicht bevalt me-n-ook +niet. Zeg jyzelf nu eens, pater, of-i er niet verpieterd uitziet? Nu, +we zullen zien wat er aan te doen is.</p> +<p>Dit gezegd hebbende, stond zy op en begaf zich naar ’t +achterkamertje, alsof daar de geneesmiddelen voor Wouter’s kwalen +moesten gezocht worden. En dit bleek eenige minuten later werkelyk +’t geval te zyn.</p> +<p>—Hoor eens, jongeheer, zei pater Jansen, wil je weten hoe ik +over de zaak denk? Ik vind dat je je kleeren moest zien weerom te +krygen. Zie je kans, ’t huis van dien man terugtevinden?</p> +<p>Wouter vertoonde het adreskaartje van den menschenvriend die hem zoo +edelmoedig behulpzaam geweest was in ’t uit- en aankleeden. Hy +maakte de opmerking dat er tot het lossen van de verkochte stukken geld +noodig wezen zou, véél geld, en dat juist dit +bezwaar...</p> +<p>—Geld heb ik ook niet veel, zei de goede man, maar als je wat +wachten kan, zal ik er om schryven naar Vucht, aan m’n broer die +daar smid is, en ’t gaat ’m goed. En ’n herberg +houdt-i ook, en zondags wordt er by hem gedanst... nou! Na kerktyd, +weetje? Dàt moet je zien, vooral als ’t kermis is. Een +pret... je leven zoo niet!</p> +<p>De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteren, gelyk men +ziet. Of liever, ’t waren geen preeken, en misschien zelfs was +z’n taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en +kermishouden zonder afschuw, ’n byzonderheid waarin de +scherpzinnige lezers een der oorzaken zullen ontdekken, waarom de goede +pater nooit lid van ’n gemeenteraad geworden is. In zulke +kollegien heeft men leden van eigenaardige bravigheid noodig. Och, +Jansen was zoo braaf niet! Hy preekte niet, en sprak niet over +zedelykhedens. Ternauwernood roerde hy zulke dingen aan, als ’t +zyn beurt was alleen te praten in de kerk, wat hem moeielyk genoeg +viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had zich aantestellen alsof-i +beter was <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" name= +"pb261">261</a>]</span>en meer wist dan ’n ander. Voor schryver +zou hy in ’t geheel niet gedeugd hebben. Hy was <i>goed</i> in +den uitgestrektsten zin van ’t woord, tenzy men het toekennen van +deze hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads +te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon nu +eenmaal met pater Jansen ’t geval niet wezen omdat hy niet wist +wat kwaad was. Toch, of juist daarom misschien, wekte z’n +voorkomen, z’n manier van spreken en vooral, waar ’t noodig +was, z’n handelwys, in zeer hooge maat tot deugd op. Maar ook dit +was hemzelf geheel onbewust, ’n onkunde die hem bewaarde voor de +nederigheid waarop hy in dat geval zich misschien zou hebben toegelegd, +en die z’n overigens zoo volkomen ongekunsteld karakter zou +ontsierd hebben.</p> +<p>Hy verhaalde nog een-en-ander van z’n dorp, en Wouter die +behoefte voelde aan afleiding, luisterde met meer belangstelling dan de +zaakjes die pater Jansen meedeelde, waard waren. Het was de +gemoedelyke, zachte, onhartstochtelyke <i>toon</i> die hem goeddeed, en +telkens betrapte hy zich op de verzuchting: “och, was ik maar te +Vucht by dien smid!” De herberg en ’t dansen hoefde er niet +eens by om naar zoo’n heerlyk land te verlangen.</p> +<p>—Je moet ’m zien staan in z’n travalje, zei de +pastoor. Klik, klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En +z’n mouwen opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, +zoo’n smid werkt in z’n hemdsmouwen.</p> +<p>Wouter voelde neiging z’n pronkjas uittetrekken, en aan +’t smeden te gaan. Wat zoo’n smid toch ’n gelukkig +mensch is, en <i>hy</i>...</p> +<p>—Och, m’nheer, ik zit zoo verlegen! Ik durf waarlyk niet +thuis komen met dit vervloekte ding aan m’n lyf.</p> +<p>—O, we moeten niet vloeken. Zoo’n jas heeft er geen weet +van of-i mooi of leelyk is, moet je denken. Ja, de man zal zeker veel +geld willen hebben, want van z’n winst moet-i leven, zieje, en +zulke menschen hebben altyd groote huishoudens. Heb je misschien kennis +aan ’n horlogemaker?</p> +<p>—Neen, stamelde Wouter.</p> +<p>—Misschien weet Vrouw Claus wel waar we wezen moeten, zei de +pater, terwyl-i ’n ouwerwetsch zilveren horloge uithaalde. Maar +’t is niet best van loop... als we maar wisten wie ’t +koopen wou! Waarom huilje?</p> +<p>Inderdaad, de tranen liepen Wouter over de wangen.</p> +<p>—O neen, neen, dàt niet, m’nheer, dat kan +niet!</p> +<p>—Ik zal er weinig weet van hebben, want dikwyls staat-i stil. +’t Is heel lastig, ’n horloge dat niet goed gaat, maar +’t is van m’n vader, en daarom... och, ik hecht er +niemendal aan, want ik heb genoeg andere dingen van hem, die ik bewaar +als goud, dat begryp je wel! Als je-n-’ns by me komt, zal je +’t zien. ’t Briefje van z’n eerste kommunie hangt +boven den schoorsteen. Hy was ook ’n smid, en nog veel sterker +dan m’n broer... zooals ze zeggen, want gekend heb ik den man +niet, omdat ik pas ’n jaar oud was toen-i stierf. Als we nu maar +wisten wie ’t koopen wou! <span class="pagenum">[<a id="pb262" +href="#pb262" name="pb262">262</a>]</span></p> +<p>De goede man woog ’t horloge op de hand.</p> +<p>—Dat zal niet gebeuren, pater, riep Vrouw Claus, die weer +binnentredend, de laatste woorden verstaan, en terstond begrepen had +wat er mee bedoeld werd. Dàt zal niet gebeuren, en ’t is +niet noodig ook, ging ze voort, ’n papiertje waarin geld +gewikkeld scheen, omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was +dat zoo niet, dan zou ikzelf nog wel raad weten voor ’n dukaton +of tien. Hoor eens, jongeheer, kyk me-n-eens goed aan... ja, pater, +’t moet er nu maar uit, ze zegt het zelf, en dat gedraai en +gemaal verveelt me danig. Zeg, jongen, kan je zwygen?</p> +<p>—Ja, zei Wouter, en hy sprak de waarheid.</p> +<p>—Nu dan, Fem is niet hier, en ’t meiske dat je zeker +gezien hebt op den weg... ja, aan je oogen zie ik dat je ’r +gezien hebt...</p> +<p>’t Is waar dat Wouter ’n eigenaardig gezicht zette by +’t ontwaren van wat kans op opheldering over de vreemde +vertooning van dien ochtend.</p> +<p>... ja, ja, ik begryp heel goed dat je ’r naar gekeken hebt! +Nu, dat was onze Fem niet, jongen! Dat is, om ’t nu maar zoo eens +uittedrukken, ’n juffer die—hoe zal ik zeggen, pater? Want +de pater weet er van, dat begryp je wel, anders deed ik ’t +niet!—dat is ’n juffer die van staat veranderen wil.</p> +<p>—Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O +God, o God, ik wist het wel!</p> +<p>—Hè? Hoe kon jy dat weten, jongen? Wat weet je? +Niks!</p> +<p>—Prinses Erika! Heeft ze niet naar me gevraagd! O, zeg, of ze +niet naar me gevraagd heeft?</p> +<p>—’t Is ’n juffer die van staat verandert, zeg ik +je, en die by my ’t wasschen leeren wil. Maar ze wil ’t +niet weten voor de menschen en voor ’r familie, en daarom laat ze +je verzoeken, nooit ’n woord over haar te spreken. Ze zei me dat +je woord houden zou als je ’t beloofde. Je schynt iets met +’r gehad te hebben...</p> +<p>—Ja, o ja, riep Wouter.</p> +<p>—Men moet altyd z’n woord houden, zei pater Jansen.</p> +<p>—Dus je belooft het? vroeg Vrouw Claus.</p> +<p>—Ja, by God! riep Wouter.</p> +<p>—Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, +die als ’n eed opnam wat in Wouter’s mond slechts ’n +romanfraze was, al meende hy ’t dan even goed alsof-i eenvoudig +“ja” gezegd had. <i>Hy</i> ’n dame verraden, en +háár nogal!</p> +<p>—Nu, goed dan, vervolgde Vrouw Claus, ik heb haar verteld wat +je op die buitenplaats en te Haarlem hebt uitgevoerd, en ze zegt dat er +geen kwaad by is, als je nu maar precies doet wat ik je zeggen zal.</p> +<p>—O, alles, alles!</p> +<p>—Kyk, hier is geld voor je kleertjes—steek je horloge +gerust weer in je zak, pater—maar ze zegt dat het eerst gewisseld +moet worden. Gut, pater, als de jongen ’t nu maar niet weer +verdoet!</p> +<p>—Je moet het vooral niet verdoen, jongeheer. Ik ken die munt +<span class="pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263" name= +"pb263">263</a>]</span>wel. We hebben er eens precies zoo een in +’t zakje gehad... verleden, weetje, toen er zooveel vreemde +heeren in de stad waren.</p> +<p>’t Waren gouden <i>friedrichs</i>, en wel vyf in getal. Vrouw +Claus zei dat het meisje meer had willen geven, maar dat ze haar +hiervan had teruggehouden uit vrees voor ’t +“verdoen.” Die glinsterende stukken herinnerden Wouter aan +de gemakkelykheid waarmee de schipper met den bonten muts zich gezag +had weten te verschaffen in die kroeg op de Botermarkt. Er ging hem +’n lichtjen op, waarvan-i gebruik maakte om ’n schrede +voorwaarts te doen op ’t gebied van munt- en menschenkennis. Maar +tyd om zich te verdiepen in de aandoeningen van dien vreeselyken en +toch zoo heerlyken nacht, had-i niet. “Ze noemde my +broeder...” begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z’n +gedachten afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze +voortzette, want ook zy sprak van ’n broeder, schoon men erkennen +moest dat het woord in haar mond wat minder voornaam en boekerig +klonk.</p> +<p>Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z’n trekken haar +byzonder belang inboezemden.</p> +<p>—Ja, gut, jy zag er vroeger ook lief uit, maar nu niet meer, +als ik je nu eens de gulle waarheid zeggen zal. ’t Was misschien +voor jou ook wel ’reis goed als ie ’t zeegat +uitging—want, pater, hy wil naar zee... haar broer, meen +ik—je ziet erg bleek, jongen, wat zeg jy, pater? Zoo’n kind +versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef Holsma zei ’t ook. +Maar nu dat geld, weetje waar ’t gewisseld worden kan? En zal je +’t niet verdoen?</p> +<p>—Neen, juffrouw, zeker niet! Maar...</p> +<p>—’t Is waar ook, je durft met die malle plunje de stad +niet in. Dat zal toch moeten! En heel naar Haarlem dan, hoe zou je +dàt maken?</p> +<p>—Als <i>ik</i> van dienst wezen kan, zei pater Jansen.</p> +<p>—Wel, pater, als je met den jongen meeging?</p> +<p>—Dat wil ik wel doen, antwoordde de goede man, als we maar +weten waar we wezen moeten.</p> +<p>Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in één +ding zich diligent toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer +’t adreskaartje voor den dag. Pater Jansen verzekerde dat de zaak +nu heel makkelyk kon geschikt worden, en er werd afgesproken dat Wouter +hem naar z’n woning vergezellen zou om daar te wachten tot het +geld gewisseld was. Dan zouden ze tezamen naar Haarlem gaan.</p> +<p>—Ja, maar dan je moeder nog, en die heeren van de +buitenplaats? Ze heeft gezegd... wacht even, pater. Ik denk dat ze nu +wel klaar wezen zal, want ze wou ’n brief schryven.</p> +<p>Inderdaad, de juffer die van staat veranderen wou, was aan ’t +schryven geweest. Althans Vrouw Claus die zich ’n oogenblik naar +’t achterkamertje verwyderd had, kwam met ’n briefjen in de +hand terug.</p> +<p>—Ze zegt dat je dit bezorgen moet als je van Haarlem +terugkomt, maar eerst moet je by Neef Holsma gaan, en hem alles precies +vertellen. En nu, gaat heen, allebei. Ik heb ’n drukte, je leven +zoo <span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264" name= +"pb264">264</a>]</span>niet! En dat vreemde kind... lief en goed is ze, +dat moet ik zeggen Maar, zieje, ze heeft nooit ’n hand +uitgestoken. ’t Is onze Fem niet, moet je denken. Dus, mannetje, +je gaat met pater naar Haarlem, en dàn dat briefje... neen, +eerst by Neef Holsma, en daar vertel je alles, en nu, goeien dag! +Pater, pas op ’t verdoen, want de jongen steekt vol +rarigheid.</p> +<p>De beide bezoekers verlieten ’t huisje. Wouter bezag met +begrypelyke nieuwsgierigheid het adres. Het was de naam van ’n +zeer bekende koopmansfirma, van “’n huis op +Archangel” zouden z’n postkantoorvrindjes gezegd hebben, en +de pater scheen dit best te begrypen: “want, zeid-i, voor ze van +staat veranderde, is ze veel in Rusland geweest.” Hy noodigde +Wouter vriendelyk uit, aan z’n rechterzy te gaan, en begon ter +opheldering van dit verzoek zeker voorval uit z’n jeugd +meetedeelen, waarmee hy evenwel op verre na niet gereed was toen ze zyn +woning bereikt hadden. Hier nam ’t gesprek ’n andere +wending, zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen +weten waarom pater Jansen zoo doof was aan z’n linkeroor.</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>’t Ware, echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol +rammelend gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een stuk +nederlandschen volksroem uit de <i>17e</i> eeuw, afhankelyk gemaakt van +de vraag of pater <i>Jansen</i> en <i>Wouter</i> in dit hoofdstuk +<i>Haarlem</i> bereiken? Ik geloof het niet, maar de zaak kan +meevallen.</p> +</div> +<p>Het spyt me, lezer, dat ik niet weet of ge ooit ’n +protestantsch jongetje geweest zyt, en in die verheven hoedanigheid +bezoeken hebt afgelegd by ’n katholiek priester? Zoo neen, dan +zal ’t me moeielyk vallen, u duidelyk te maken wat er in Wouter +omging toen hy met den pater by de kerk was aangekomen, waarnaast of +waarachter de goede man z’n verblyf hield. ’t Was in +’n achterbuurt, en wie niet wist dat daar ’n kerk was, zou +’t waarlyk niet geraden hebben.<a class="noteref" id= +"xd19e10300src" href="#xd19e10300" name="xd19e10300src">1</a></p> +<p>In den kring der Pietersens rilt men by de gedachte aan zoo’n +buitensporigheid, maar er zal ’n tyd komen dat ’n schryver +moeite hebben zal z’n lezers duidelyk te maken waaruit die afkeer +voortvloeit. Ook Wouter begreep niet recht wàt hem beheerschte, +maar zeker is ’t dat hy iets als beklemdheid voelde toen pater +Jansen voor ’t onaanzienlyk huis stilhield “waar z’n +kerk was” naar-i zeide.</p> +<p>—En hier is de ingang naar myn woning, vervolgde hy, ’n +deur openende die den toegang afsloot naar ’n lange smalle gang +naast het hoofdgebouw. Ik woon best, jongeheer, dat zal je zien. Maar +zou je nu niet eerst naar de <i>Kolveniersburgwal</i> gaan? +<span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" name= +"pb265">265</a>]</span></p> +<p>Met ’n blik op z’n kleeding smeekte Wouter om +genade.</p> +<p>—Liever als we van Haarlem zyn teruggekomen, m’nheer! +Heusch, dan zal ik terstond gaan, maar nu...</p> +<p>—Zou je denken dat ’n jas van my...</p> +<p>—Neen, neen, o neen, riep Wouter haastig, dat zal niet gaan, +m’nheer!</p> +<p>Zeker ’t mankeerde nog maar aan de zonderlinge toestanden +waarin hy zich telkens geplaatst zag, dat-i de Holsma’s ging +bezoeken in de jurk van ’n pastoor!</p> +<p>—Nu, wacht dan maar by my tot ik geld gewisseld heb, en dan +samen op reis! Ik doe ’t met pleizier, want ik ben lang niet te +Haarlem geweest. Houd je van halletjes?</p> +<p>De goede man geleidde Wouter in z’n woning die uit ’n +paar kamertjes bestond, welke door ’n somber binnenplaatsje van +den achterkant dier kerk gescheiden waren.</p> +<p>—Kyk, zeide hy, wat ik hier best woon! Zou je wel gelooven dat +ik niet ruilen wil met ’n bisschop? En gemakkelyk... nergens zoo! +Soms ontvang ik hier aanzienlyke menschen—verleden week nog +’n advokaat—en ze zyn allemaal jaloersch op m’n +woning, en... op ’t gemak, zieje. Want als ik ’s morgens +opsta voor de vroegdienst—ja, ja, soms is ’t nacht +nog!—kyk, zóó ben ik wakker en... wip, in de kerk! +Verleden—maar spreek er niet over—vond onze Styn... daar is +ze juist, Wel, Styn, ik ga naar Haarlem met dezen jongeheer. Wat zeg je +daarvan?</p> +<p>Styn zei er niets van dan: “gut, pater!” en ’t was +genoeg. Althans hy drong niet op verder antwoord aan, en ging, tot +Wouter sprekende, voort:</p> +<p>—Ze bedient me-n-al over de dertig jaar, my en pastoor Koens +die z’n kamers hiernaast heeft... ’n man van belang! Dien +moet je leeren kennen! Hy verstaat grieksch alsof ’t niets was. +Jy zeker niet, hè? Nu, dat doet er niet toe. Maar verleden... +wat wou ik je vertellen?</p> +<p>—’t Was iets van Styntje, m’nheer, en dat de kerk +zoo naby was.</p> +<p>—’t Is gek in ’n mensen dat-i soms niet weet wat-i +vertellen wou. Ja, de kerk is vlak by, en als ik ’s morgens +opsta... kyk, nu weet ik wat het was. Ik had gedroomd van Vucht en van +de kermis, en werd wat laat wakker, en sprong ’t bed uit, en +haastte me met kleeden, en wat doe ik—maar ik wist ’t niet, +dat begryp je wel—ik vergeet een van m’n kousen +aantetrekken, een van m’n zwarte overkousen. Maar Styn zag +’t, want ze vond hem, en ze liep er me mee achterna, en ze riep: +“pater, pater!” en ik wist niet wat ze wou, maar toen hield +ze de kous omhoog, en toen wist ik het! Maar ik heb niet +gelachen—omdat ik al in de kerk was, en je begrypt... dat is +’n huis Gods—en ik ben hard teruggeloopen, en toen +schater-de-n-ik ’t uit, en Styn ook. Maar in de kerk heeft +niemand het gezien, want het was donker, en... er was nog geen +mensch.</p> +<p>Deze onnoozele vertelling stak alweer zeer vreemd af by +Wouter’s hoogdravende begrippen over goddelyke zaken, en niet +minder <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266" name= +"pb266">266</a>]</span>by de indrukken die de klooster- en +monniken-romantiek op z’n verbeelding had nagelaten. Hy +vertrouwde z’n ooren niet. Maar de goede pastoor bemerkte niets +van z’n verwondering, en verliet hem nadat-i hem den raad had +gegeven zich den tyd te korten met ’n paar boeken die hy uit +’n wandkastje nam en op tafel legde. Maar aan tydkorting had +Wouter geen behoefte. Hy zag ’t kamertje rond, en verbaasde zich +over de verregaande eenvoudigheid waarmee ’t gemeubeld was. Een +metalen Christusbeeldje en ’n paar Heiligen-printjes maakten met +het eerste-kommuniebriefje van Jansen’s vader, daarvan de eenige +versiering uit. Dit laatste hing achter glas in ’n lystje boven +den schoorsteenmantel. De tafel was van geverfd hout, en ’n +viertal stoelen met matten zittingen voltooiden de stoffeering, tenzy +men de <i>hortensia</i> en ’n paar maandrozen meerekene, die +buiten ’t opgeschoven raam in de vensterbank stonden. Zelfs +Wouter, die waarlyk niet aan weelde gewoon was, stond verbaasd over de +spaarzaamheid van zoo’n inrichting. Kort voor de onverwachte +expatriatie van den Weledelen Heer Motto had-i aan de hand van Anna +Radcliffe en konsorten ’n lange galery van roomsche akeligheid +doorloopen, waarin ’t wemelde van overdaad op allerlei gebied. De +armste monnik had kasteelen te zyner beschikking—gewoonlyk waren +ze ontoegankelyk, en men moest al zeer goed den weg in ’t +gebergte weten om ze te zien te krygen—kasteelen waarin +weerspannelingen levenslang begraven werden. Elk roomsch geestelyke +bezat zakken vol goud waarmee hy den geloovigen bandiet betaalde, die +de Kerk behulpzaam was in ’t uit den weg ruimen van lastige +personen, van iemand, byv. die bybels en traktaatjes verspreidde, of +geweigerd had z’n bruid aftestaan aan ’n bisschop. Wat +ter-wereld kon zoo’n pater Jansen bewogen hebben zich R. C. +priester te laten maken, nu de emolumenten van ’t beroep zoo +armoedigjes bleken verschraald te zyn? Of zou er misschien ergens... +Wouter betastte den wand om ’n geheime deur te ontdekken, en +verheugde zich over ’t aanvankelyk mislukken van z’n +poging, omdat de ware geheimheid van zoo’n deur toch eigenlyk +hierin bestaat dat ze zich niet gemakkelyk vinden laat. Nu, aan deze +voorwaarde van geheimzinnigheid voldeden de toegangen tot pater +Jansen’s verborgen schatten en martelkamers opperbest. Wel liep +er hier-en-daar ’n scheur door ’t gebloemd papier waarmee +de wand bedekt was, maar de richting daarvan gaf te duidelyk getuigenis +van ’n onwillekeurige breuk in ’t metselwerk, dan dat +daarby zou kunnen gedacht worden aan de kunst waarmee romanschryvers +van de bekende soort groote lokalen weten te verbergen in ’n +kleine ruimte. Bovendien:</p> +<p>—Dáár zyn de kamers van den pastoor die zoo +sterk is in ’t grieksch, redeneerde Wouter, en aan die andere zy +hoor ik Styntje rammelen met ’r keukengereedschap. Aan den +voorkant zyn de vensters, de <i>hortensia</i>, de binnenplaats en de +kerk, en hier... daar zou ’t moeten wezen, àls er iets +was. Maar...</p> +<p>Ik kan niet juist zeggen door welken gedachtenloop Wouter tot het +besluit kwam dat die vierde wand van de kamer niets geheimzinnigs +<span class="pagenum">[<a id="pb267" href="#pb267" name= +"pb267">267</a>]</span>bedekken kon. Misschien bedacht hy dat er zeker +aan die zyde wel buren zouden wonen die niet betrokken konden zyn in +romantiek. Maar op-eens sloeg hy de oogen op den grond. Onder dien +vloer was zeker plaats genoeg voor prikkelende akeligheid. O ja, tot de +tegenvoeters toe. God weet hoeveel rammelend gebeente zich daar in +zwygende eenzaamheid lag aantekyken! Misschien ook dwaalden er nog +levende slachtoffers van inkwizitie en verliefde bisschoppen in die +gewelven rond. Wie weet of niet juist op dit oogenblik de schoone +Isabella haren voorlaatsten adem uitblaast. Daar knerste iets...</p> +<p>Wouter hield den adem in. Ik weet waarachtig niet wat er knerste, en +geef den lezer in overweging te gelooven dat het geluid ’n +alleronschuldigste oorzaak had.</p> +<p>...daar knerste iets. Zou er dan toch inderdaad onder die mat...</p> +<p>In geen van de romans die Wouter gelezen had, waren die valluiken +met matten bedekt geweest. Dit kon de nieuwste manier wezen, en in +romantiek moet men op alles verdacht zyn. Wouter was volstrekt niet van +plan den goeden pater Jansen te verraden, als-i z’n geheimen zou +ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou niets liever dan deelnemen +aan al de schatten en kasteelen die er aan ’t licht komen zouden, +zoodra hy zou afgedaald zyn in ’t hol waar hem de schoone +Isabella zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel bevryd, en +dan met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend! +Isabella-zelf zou er schik in hebben, als ze maar eerst behoorlyk +verlost was uit dat gewelf. Maar... wàs er ’n gewelf? +Wàs er ’n hol? Om zekerheid te hebben, stampte Wouter met +den voet...</p> +<p>—Wou ie wat, jongeheer? vroeg Styntje die juist de kamer +binnentrad, en Wouter’s grondig onderzoek niet best begreep.</p> +<p>—Neen, o neen, juffrouw, volstrekt niet! antwoordde hy +bedremmeld. ’t Is maar dat... dat ik...</p> +<p>—Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis.</p> +<p>—Dank u, dank u. ’t Was maar dat ik... dat m’n +voet slaapt. Dàt was het!</p> +<p>—Ja, niet waar, en dat prikkelt zoo. Ik heb ’t ook wel +eens gehad. Maar ’t gaat altyd weer over. Ik moet hier wezen, +ziet u, om paters <i>Jézekie</i> te schuren.</p> +<p>En de goeie Styn nam ’t Christusbeeldje van den wand, en +poetste het en wreef het dat het glom. De krucifix had waarlyk geen +reden tot klagen over verwaarloozing, al zou dan de oppervlakkige +beoordeelaar meenen dat Styntje wel wat ruw omging met het symbool van +haar geloof. De oorzaak van deze schynbare onverschilligheid lag in +gewoonte, en in afwezigheid van tegenstand. Wie kwaad van ’t +afgodsbeeldje gesproken had, zou ’t zeker by Styntje moeielyk te +verantwoorden gekregen hebben, maar nu hieraan niet gedacht werd, +behandelde ze haar <i>Jézekie</i> met niet meer omslag dan elk +ander voorwerp van metaal dat ze reinigde, schuurde, wreef en +oppoetste. <span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name= +"pb268">268</a>]</span></p> +<p>—Kyk, wat-i glimt! zei ze. Net ’n kaarsenmakers kat in +den maneschyn, vindje niet?</p> +<p>Wouter had nooit ’n kat van de omschreven soort en in dat +byzonder licht gezien, maar toch erkende hy onvoorwaardelyk dat het +beeldjen er goed uitzag.</p> +<p>—Ja, ’n mensch moet zindelyk op z’n goedje wezen! +Ik heb wat te stellen met pater... daar heb je geen begrip van! Want +hy... denkje dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En weetje +waarom? Wel, omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is ’n +engel van God, en zou vergeten z’n neus te snuiten, als ik +’m niet zei: pater, je bent yerkouwen. En je gaat zoo naar +Haarlem? En pater ook? Wat ga jelui daar doen? ’t Is ’n +heele reis.</p> +<p>Wouter verhaalde een-en-ander van ’t voorgevallene, maar +slaagde er niet in, Styntje begrypelyk te maken wat er eigenlyk +geschied was. Hoofdzaak voor haar was en bleef paters reis naar +Haarlem.</p> +<p>—Als-i maar geen kou vat, mymerde zy halfluid, of...</p> +<p>—’t Is mooi weer, juffrouw, zei Wouter.</p> +<p>—O ja, dàt is ’t! Maar... och, kou vatten is ook +’t ergste niet. Ik voel me-n-altyd als ’n mal mensch als-i +uitgaat, en dan zoo ver! Kan je me zeggen waar-i nu heen is?</p> +<p>—Geld wisselen, zei Wouter.</p> +<p>—Geld? Daar heb je-n-’t al! Nu zit ik in doodelyken +angst. Ik wou dat-i al goed en wel weerom was.</p> +<p>Ze pakte het gereedschap waarmee ze ’t Christusbeeldje zoo +verkwikt had, by elkander, en verliet morrend het vertrek. Wouter wist +alweer niet wat-i van Styntje te denken had. Haar kleeding en voorkomen +was als van ’n zeer bejaarde dienstmaagd, maar de gemeenzaamheid +waarmee ze sprak over haar meester—de man bleek tot het +“goedje” te behooren dat ze zindelyk te houden +had—bracht hem in de war. Styntje maakte met pater niet meer +omslag dan met haar krucifix, al kan ik verzekeren dat ze voor beiden +met vreugd den dood getrotseerd had. Er zou in dit byzonder geval +weldra blyken wat de oorzaken waren van haar bekommering over paters +reis en ’t geldwisselen. Er vertoonde zich ’n bedelaar voor +’t raam waar de <i>hortensia</i> prykte. De man keek even +naar-binnen, niet zoozeer als iemand die <i>vraagt</i>, maar als +’n verwachte persoon die te kennen geeft dat-i er <i>is</i>. +Weldra werd hy door ’n tweeden en derden gevolgd, die almede blyk +gaven zich volkomen thuis te voelen op ’t binnenplaatsje dat den +pater voor antichambre scheen te dienen. Velen maakten ’t zich +gemakkelyk, en gingen op ’t een of ander uitstek zitten dat aan +huis of kerk te vinden was, als wilden zy door ’n <i>charade en +action</i> de waarheid uitdrukken: het pauperismus is ’n pestbuil +van ’t geloof.</p> +<p>Ja, ja, ze waren geestig, die agenten in hemelassurantie!</p> +<p>Wouter hoorde dat men zich onder dat zoodjen onderhield over de +afwezigheid van den huisheer, en wel op ’n toon die zekere +ontevredenheid liet doorschemeren. Wel zeker, de man had op z’n +post moeten zyn! <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" +name="pb269">269</a>]</span></p> +<p>—Maar de meid is er toch, riep ’n jongen die den kost +won met lam-zyn, maar nu toch ’t kozyn van een der lagere +kerkvensters had weten te bereiken, waar-i <i>gargouille</i> +speelde.</p> +<p>—Ik wacht liever op den ouwe, zei ’n blinde.</p> +<p>—Houd jy je mond, je mag er niet eens wezen, je bent ’n +dinsdagger.</p> +<p>—Wat gaat dat jou aan? Jyzelf mag je mond wel houden, je hebt +verleden by ’t uitgaan van de Jakobskerk <i>drie</i> gestaan, en +je bent maar <i>zeven</i>.</p> +<p>—Né, <i>zes nou,</i> want de ouwe Jonas is dood. Maar +jy bent ’n dinsdagger. Ga heen, zeg ik je!</p> +<p>—Je hebt op <i>drie</i> gestaan.</p> +<p>—Jy bent ’n dinsdagger, ga heen! Toe, allo, jongens, +dringt ’m de gang uit. Hy steelt ons ’t brood uit den +mond.</p> +<p>—Wàt? ’n Dinsdagger? riep nu ’t uitwas van +de kerk. Dat mag niet. Er uit met hem!</p> +<p>En de lamme wist vry vlug op den grond te komen om ’t +geschonden bedelaarsrecht te handhaven. De man namelyk die tot de +bedeelden van dinsdag behoorde, mocht zich niet vertoonen onder +’t gezelschap dat zich ’s maandags om ondersteuning by +pater Jansen aanmeldde. En wat die andere beschuldiging +aangaat—”<i>drie</i> staan als <i>zeven</i> je plaats +is”—ze doelde op ’t overweldigen van ’n +rangnummer. <i>Te</i> na by ’t uitgaan van de kerk wordt voor +onvoordeelig gehouden, daar de drukte het uithalen van beurs of +porte-monnaie belet. Ook schynt ieder haast te hebben in de eerste +oogenblikken na ’n kerkdienst. Maar ’n standplaats +<i>te</i> ver van de deur is ook niet goed, want de meeste loopen, na +twee of drie keeren iets aan ’n bedelaar gegeven te hebben, +onverschillig door. Zonder ’t minste besef dat ze te veel +deden—namelyk iets verkeerds—meenen ze toch genoeg verricht +te hebben. Hoe dit zy, volgens alle oordeelkundige schryvers die kanker +en koudvuur tot ’n byzonder onderwerp van studie maakten, is er +geen voordeeliger standplaats dan nummer <i>drie</i>. Indien dus de man +die den ander zoo liefdeloos beschuldigde van inbreuk op pater +Jansen’s dagorde, zich inderdaad schuldig maakte aan diefstal van +dat nummer, was de ander volkomen in z’n recht hem ’t +zwygen opteleggen. Maar ook de dinsdagger zelf had zich te +verantwoorden, en wel by Styntje die op ’t rumoer naar buiten +kwam. De man die zich ’n dag te vroeg aanmeldde, verontschuldigde +zich door de opmerking dat-i op dinsdag “zoovéél +huizen had” en dat-i “z’n beenen uit het lyf moest +loopen” om al z’n klanten behoorlyk te bedienen, denk +ik.</p> +<p>Styntje gaf ieder wat, maar niemand scheen tevreden. Er bleek dat de +heeren aan drie duiten de persoon gewoon waren, en nu met twee werden +afgescheept. Maar de oude meid hield zich flink. “Wie nog +’n woord spreekt, wordt van de lyst gestreken, zei ze. Ik heb nog +zes heele dagen van Gods lieve week voor me, en ’n mensch moet +toch zorgen dat-i toekomt, niet waar? Voort, allemaal, de plaats af en +de gang uit, voort! ’t Is, dunkt me, wèl zoo! <span class= +"pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270" name="pb270">270</a>]</span></p> +<p>Het gemeene troepje liet zich niet zonder moeite bewegen heentegaan, +en Wouter hoorde met verontwaardiging hoe er door sommigen gemord en +gescholden werd. Als ’t weer gebeurde dat de-n-ouwe niet thuis +was, heette het, zouden ze liever wachten tot-i weerkwam, want +zoo’n meid was toch ook maar ’n “loontrekkende +dienaar, die niet weet wat ’n mensch toekomt.” ’t +Schynt vreemd, maar waar is het, dat in den mond van den arme, gebrek +aan rykdom of laagte van stand ’n misdaad is. Volgens heeren +bedelaars had Styntje ryk moeten zyn, of hertogin, of +burgermeestersnicht, voor ze zich ’t recht mocht aanmatigen +’n woordje meetespreken en ’n hand uittesteken—want +dit dééd ze, en Wouter had dapper geholpen—ter +verdediging van paters erf: niets is aristokratischer dan ’t +gemeen.</p> +<p>Nadat ze met hun beidjes het terrein hadden schoongeveegd, volgde +Wouter de amazone weder in de kamer. Ze jammerde over haar +voedsterkind.</p> +<p>—Och, jongeheer, ik wou dat pater kwam! Ik heb rust noch duur +als de man de stad in is. En dan met geld, zeg je? Is ’t +veel?</p> +<p>Wouter kon de som niet bepalen, maar sprak van kostbare muntstukken +die gewisseld moesten worden.</p> +<p>—Goud? Och, lieve Jeessis, dat’s voor hem krek ’t +zelfde. Och, waarom den man de stad intesturen met geld? Heb jy dat +baantje voor hem uitgedacht, jongeheer? Slim is ’t niet van je! +Waarom deed je ’t niet liever zelf? Met geld kan men niet te +voorzichtig wezen... ieder kan ’t gebruiken, zieje? Als-i nu in +Jeessis naam maar niemand tegenkomt die wat noodig heeft! Goud? +’t Kan hèm wat schelen! De gespen van z’n vaders +broek waren van zilver, en toch zyn ze weg! En om koper geeft-i ook +niet. Raad eens hoeveel bedeelden we hebben? Wel tachtig alle weken! Ik +heb er ’n heele lyst van. En ze zouden ieder hun eigen dag +houden, maar denkje dat ze ’t doen? Neen! Want er zyn rakkers +onder—dat ik zoo’n zondig woord zeg—ja, rakkers, die +tweemaal komen, maar pater wil ’t niet gelooven. En of ik al zeg: +“pater, ’t is slecht volk!” hy wil er niet van +weten.</p> +<p>—M’nheer Jansen is te goedig, zei Wouter.</p> +<p>—Een zoete-n-engel van God is-i! Maar ik moet op ’m +passen. Drie duiten de man, gaat niet, zesmaal in de week... reken maar +na! Daar waren er vyftien vandaag, en de man heeft zelf geen boter op +z’n brood. Nou, ik ook niet, maar dat’s tot +dááraan toe. Maar dan alles wegtegeven aan slecht volk! +Ik heb ze nu maar twee duiten gegeven, en daarom bromden ze zoo. Ze +willen klagen by pater. ’t Is ’n zoodje! Hoe meer je geeft, +hoe luier ze worden. En hoe brutaler ook. Dat heb ik altyd opgemerkt. +Maar pater begrypt het niet, of hy wil ’t niet weten. En als ik +zeg: “’t Zyn rakkers, pater!” dan zegt-i dat +we-n-allemaal zondaren voor God zyn, en dat <i>hy</i> ook z’n +fouten heeft, en bly toe wezen mag dat God hem kleeren en eten geeft, +en ’n mooie woning. Zondaars voor God? Nou ja, ’t heele +menschdom, maar <i>hy?</i> Ik weet sekuur dat God niks van den man te +goed heeft, niet zie zóóveel! <span class= +"pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271" name="pb271">271</a>]</span></p> +<p>Styntje streek met ’n bevalligen zwaai over de hand. Mocht God +’n oogenblik te-voren nog in den waan verkeerd hebben dat pater +Jansen by hem in ’t kryt stond voor erfzonden en eigen fouten, +dan waren Styntjes gelaatstrekken en haar barbiersgebaar wel geschikt +hem den moed te benemen om op de likwidatie van die onbillyke vordering +aantedringen.</p> +<p>—Niks, niemendal, ging ze voort. Hy is proper en schoon als +’n brand. Maar dat bedelvolk, kyk! En “al die armen zyn +z’n broeders” zegt-i.</p> +<p>—Dat heeft Jezus gezegd, kathechizeerde Wouter.</p> +<p>—Jezus? Zoo! Heeft de Heere Jezus dat gezegd? Nou, dan heb ik +er vrede mee dat-i ’t ook zegt. Maar toch... wàt +broêr? Ik vind dat ’n mensch z’n eigen broêr +moet wezen ook. En <i>hy?</i> Hy is, om zoo te zeggen z’n eigen +neef niet, z’n zwager niet, z’n eigen stiefkind niet, neen, +dat is-i <i>niet!</i> Hy loopt weer op z’n tandvleesch. Heb je +’t niet gezien?</p> +<p>’t Scheen wel dat Wouter blyk gaf deze schilderachtige +uitdrukking niet te verstaan. Althans de oude Styntje kommenteerde:</p> +<p>—Nou ja, op ’t overleer, z’n schoenen zyn +doorgesleten. ’t Is m-e-’n kruis! En z’n jas is ook +niet van de nieuwsten.</p> +<p>Wouter voelde schaamte over ’t gewicht dat-i aan <i>zyn</i> +kleeding hechtte.</p> +<p>—Al vier jaar lang spaar ik voor ’n nieuwen, of... ik +<i>wou</i> sparen, maar ’t gaat niet! Die bedelaars kosten ons +zeker twee gulden in de week... spaar dan eens voor nieuwe jassen! Zeg, +jongeheer, kan je niet eens aan pater zeggen dat-i wat zuiniger wezen +moet, en niet zoo altyd alles weggeven?</p> +<p>Wouter groeide. <i>Hy</i> werd aangesteld tot Mentor over ’n +bejaard man, en wel door ’n vrouwspersoon die nog volwassener was +dan z’n pupil. Met veel genoegen had-i Styntjen omarmd, maar hy +speende zich van deze uitspanning, en stelde zich schadeloos door de +zelf-genoegzame pedanterie van z’n antwoord. Styntje’s +verzoek werd genadig opgenomen en geflatteerd:</p> +<p>—Hoor eens, juffrouw, u kan verzekerd wezen dat ik van myn +kant al ’t mogelyke zal aanwenden om...</p> +<p>—Wel zeker! Want my gelooft-i niet, omdat ik niet geleerd ben. +Je moet hem zeggen dat de jongen die daar zooeven met z’n +<i>derriére</i>...</p> +<p>Zoo vertel <i>ik</i>, maar Styntje sprak hollandscher, bondiger, +korter en beter.</p> +<p>...de jongen die zoo-even met z’n... zitwerktuigen dan, in +’t venster van de kerk zat... ’n luiwammes is-i, ’n +doeniet, ’n rekel! Zeg dat aan pater. Eerst was-i ’n +blinde... jawel, zoolang-i ’n zusje had, dat hem leien kon. Maar +nou ze van ’m weggeloopen is—god weet waarom? Misschien +bedelt ze liever op ’r eigen houtje—nou is-i op-eens +’n lamme geworden. Hoe vindje dat? Zeg ’t aan pater.</p> +<p>—Ja, ja, juffrouw, ik zal ’t hem zeker zeggen! +<span class="pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272" name= +"pb272">272</a>]</span></p> +<p>—En dan van dat vuile schepsel ook, dat daar in den hoek zat. +Heb je ’r gezien? Eens toen er sneeuw lag, zei ik: “veeg de +sneeuw van de plaats, dan kryg je zes duiten.” Was ’t goed +geprezenteerd, of niet? Maar ze deed het niet, en zei dat ze te veel +huizen verzuimde.</p> +<p>—Huizen, juffrouw?</p> +<p>—Ja, bedelhuizen. Ze had er zeventien alle-dag, zei ze, en +toen schold ze me-n-uit over m’n zes duiten. Dat zei ik aan +pater. En wat zeid-i? “Och, zeid-i, ze is te oud, ’t mensch +kan niet vegen.” Heb je van z’n leven! Ik zei: “pater +ze is jonger dan ik!” Nou, ’t is de waarheid, want ik ben +acht-en-zestig, Da’s oud, hè?</p> +<p>Gewis vond Wouter dit oud! Hy begon de vrouw belangwekkend te +vinden, die zooveel moest beleefd hebben naar-i meende. Dat de kring +waarin ze zich bewogen had, wat klein was, kwam niet in hem op. Hy +voelde verlegenheid over z’n jeugd, en om haar te doen voelen +dat-i door studie had aangevuld wat hem aan jaren ontbrak, zocht-i in +z’n herinnering iets op, dat getuigenis geven mocht van +voorhistorische kennis. Styntje moest toch weten dat-i de funktie van +zieleherder die ze hem zoo gul opdroeg, niet geheel onwaard was, en ook +dat-i meer wist dan hy in z’n kort leventje met eigen oogen kon +gezien hebben.</p> +<p>—Zéér oud, betuigde hy. Dan heeft u zeker de +uitlegging van de stad bygewoond?</p> +<p>—Dáár weet ik niet van, jongeheer. Maar... die +oude nukkige Griet! Wat denk je dat pater deed! Hy zei: “och, +Styn, je moet denken ze-n-is ’n arm mensch!” “Dat +’s waar, zei ik, en dat denk ik. Maar jy bent ook arm, pater, en +ik ook.” Nou, dàt zei ik er maar zoo by, want <i>ik</i> +heb ’t wèl, en klaag niet, godbewaarme! Maar dat pater +soms droog brood eet, is ’n ware zonde voor god en menschen. Soms +is er geen duit in huis, en dan moeten we leenen van pastoor hiernaast, +die ook niet te veel heeft. Ook ’n goed mensch anders, dat moet +ik zeggen, maar hy spreekt niet veel. Pater zegt dat-i de geleerdste +man van de wereld is, en lang professer of bisschop had moeten wezen, +als-i maar niet zoo... nou, dat gaat my niet aan, en jou ook niet. Maar +die luie Griet! Ze dééj ’t niet, en ze deej +’t niet, en de sneeuw bleef liggen dien dag, en ik zei: +“goed, pater, dan zal ik ’t doen.” En den volgenden +morgen zou ik vroeg opstaan, en dat deed ik ook, want de sneeuw loopt +zoo <i>in</i>, weetje, en dan heeft de man natte voeten, en dat kan ik +voor God niet verantwoorden. En toen ik op de plaats kwam... weg was de +sneeuw! Wat denk je dat er gebeurd was?</p> +<p>—Dooi? vroeg Wouter.</p> +<p>—Gut né, ’t vroor twee zeeuwen dik. Ik keek +beduust op de blanke steenen, en zocht de sneeuw... geen krummel te +zien, hoor! Toen hoorde ik pater lachen in z’n kamer, want hy zag +me daar staan als ’n gek mensch naar de sneeuw te zoeken, die weg +was. Hy was vroeger opgestaan dan ik, en had alles weggeruimd. Hoe vind +je dat, jongeheer? <span class="pagenum">[<a id="pb273" href="#pb273" +name="pb273">273</a>]</span></p> +<p>—Hoor eens, juffrouw, als ’t weer gebeurt... roep my, +dan zal ik ’t doen.</p> +<p>—Was ’t geen schande? En dat voor zoo’n lui dier +als die Griet! Nou, ik was kwaad als ’n spin, want ik heb den man +zielslief, dat begryp je wel, maar hy lachte me-n-uit. En ik +blééf kwaad, en toen sprak hy weer van arme broeders, +maar ik zei dat die luie Griet m’n broêr niet was, en zyn +broer ook niet! Wel neen, wat zeg jy? Zoo’n lui beest!</p> +<p>Wouter zei ditmaal eens niets, maar aan indrukken ontbrak ’t +hem niet. Hy voelde wel dat er iets liefelyks te lezen stond op de +bladzy van ’t groote levensboek, dat hier voor hem werd +opgeslagen, maar kon z’n ingenomenheid niet rymen met den weinig +romantischen vorm waarin hem ’t schoone werd voorgesteld. Zeker, +er moest nogal veel aan Styntje veranderd worden voor ze, al was +’t dan maar heel uit de verte, gelyken kon op de schoone Isabella +die hier in ’n diep gewelf op verlossing had behooren te liggen +wachten. De goede oude vrouw zelf scheen geen verlossing noodig te +hebben, en in-plaats van slachtofferige dames te bevryden van yzeren +ketens, schraal dieet en priesterdwang, kreeg Wouter zoo’n +priester-zelf te redden uit de klauwen van z’n eigen goedigheid. +De ruil kon wreed genoemd worden door ieder die niet inzag hoe +onaangenaam Styntje’s vertrouwelykheid prikkelde, en vooral haar +vertrouwen. Bovendien, dat uitdryven van den bedeltroep had iets van +’n gevecht gehad, en by-gebrek aan beter moet men zich met het +mindere tevreden stellen. De romantiek is veerkrachtig, en wat er in +afmeting en gehalte aan de omstandigheden ontbreekt, wordt aangevuld en +opgesierd door den onbewusten goeden wil van de Don Quichotten. Wouter +was zoo tevreden dat-i z’n eigen jas niet meer zag. Grootmoedig +vergaf-i den pater dat er geen enkele gekluisterde jonkvrouw in +z’n woning was, en ook daaronder niet. Maar toch:</p> +<p>—Wel, juffrouw, de woning is eigenlyk niet heel groot, vind +ik. Heeft u hier ruimte genoeg?</p> +<p>—Wel wis en zeker! Als-i grooter was, kon ik den boel niet +knap houden in m’n eentje. Je moet denken dat ik de kamers van +pastoor hiernaast ook voor m’n rekening heb. ’t Is ’n +heel gedoe voor ’n mensen alleen.</p> +<p>—En... kelders?</p> +<p>—Ja, ’n beetje nat, maar anders best. We hebben er +’s winters aardappelen in, en turf ook. Die nattigheid is goed +voor de turf... ’t stookt zuinig. Droge turf is geen aanhalen. +Dan zou de man nog kou lyden ook!</p> +<p>De poging om zich te vermeien in <i>krypt</i>-romantiek brak alzoo +weer als glas af. Ketens en knokenpyramiden pasten niet by die +huiselyke nattigheid. Een “hol” mag vochtig wezen, o ja, en +zelfs is dit een der vereischten van de zaak, maar... aardappelen en +turven? O, Lafontaine! O, Radcliffe!</p> +<p>—En... zyn er gewelven onder de kerk, juffrouw?</p> +<p>—Dat weet ik niet. Maar ik verpraat m’n tyd. Beloof je +me vast <span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name= +"pb274">274</a>]</span>en zeker dat je ’n oogje houden zult op +pater met al dat geld?</p> +<p>—Wees gerust, juffrouw! Ik zal...</p> +<p>—En dat je hem eens terdeeg vermaant om wat meer voor zichzelf +te zorgen...</p> +<p>—Zeker, juffrouw.</p> +<p>... want, zieje, de man is zoo arm als Job, en dat +gáát zoo niet! Ik hoor nu dat er ’n dame in de stad +gekomen is, heel uit Denemarken of Hamburg of zoo wat, en die zou hem +bystaan...</p> +<p>—Ah!</p> +<p>... zoo, weet je ’r van? Nou, des-te-beter! Ik hoorde ’t +van Femke Claus...</p> +<p>—Ah!</p> +<p>... ken je die ook al? Nou, die biecht by pater, vroeger by pastoor +hiernaast, nu altyd by pater. En meestal gaat ze hier over de plaats de +kerk in, want ze brengt paters waschgoed, en zy heeft het me verteld... +van die dame-n-uit Hamburg, meen ik.</p> +<p>—Ah!</p> +<p>—Wat mankeert je toch, jongeheer? En ik... als ik die ryke +dame kan te spreken krygen, zal ik haar zeggen dat ze heel voorzichtig +wezen moet, en pater niet te veel geven. Want al had het mensch +’n inkomen van honderden in de week, ’t zou niet genoeg +wezen voor al die bedelaars. Hoe meer je geeft, hoe meer er komen. +’t Is maar begieten van onkruid, zeg ik! Wel ja, moet ’n +mensch niet werken voor de kost? Dat heb ik ook gedaan, van +zóó klein af. Ik ben ’n vondeling, weetje, en heb +mezelf door de wereld moeten slaan. Kan die luie Griet dat ook niet +doen?</p> +<p>’t Vondelingschap beviel Wouter byzonder. De lust om daarvan +iets meer te vernemen, verdreef zelfs den indruk dien ’t noemen +van Femke’s naam—in-verband nogal met prinses +Erika—op hem maken moest. Zou Styntje’s vader ’n ryke +baron wezen? En teruggekeerd op ’t pad der deugd? Hy wilde meer +van de zaak weten, en Styntje zei er dan ook nog wel iets van, maar +alweer ’t rechte niet, naar Wouter’s meening. Ook hier wou +’t alweer met de romantiek niet best vlotten. Wat die Leentje +toch gelukkig geweest was, zy die by haar eersten en misschien eenigen +uitgang zoo terstond op de smakelyke kern van de vrucht onthaald werd! +Wouter kreeg alweer niets dan leege doppen en schillen, of althans dit +verbeeldde hy zich omdat-i nog niet geleerd had—er zyn er meer +zoo!—z’n ontmoetingen op ’n afstand te zien. Wat ons +in oudheid belangryk, of in middeleeuwen romantisch voorkomt, is +eenmaal <i>gewoon</i> geweest.</p> +<p>—Ja, jongeheer, ’n vondeling, ging Styntje voort, en +ieder mag ’t weten. Wel ja, ik heb immers mezelf niet op de hei +gelegd, heb ik wel? Nou voor m’n moeder is ook gezorgd, en best, +hoor! Want... op de hei ben ik gevonden, piernaakt, om zoo te zeggen, +ik had maar ’n oud stuk mat om ’t lyfje. Maar je begrypt +dat ik ’t maar van hooren-zeggen heb. Ja, ik was in ’n lap +mat gerold, anders niet! En nu? God heeft me gezegend, dat zieje. Ik +ben groot en sterk <span class="pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" +name="pb275">275</a>]</span>geworden... neen, sterk ben ik geweest. +Dat’s tot daaraan toe. Maar ik heb wel elf hemden...</p> +<p>—Hè, zei Wouter.</p> +<p>—Ja, elf. Maar ze zyn wat oud. En telkens als ik er ’n +twaalfde by doe, moet ik een van de anderen weggooien. Daarom heb ik er +maar elf. Maar je moet denken, ik ben begonnen in ’n mat, en op +de hei. En nu woon ik by pater, al vyf-en-dertig jaar... ’t is +waarachtig geen kleinigheid! Maar ik heb er voor moeten werken, dat +spreekt. Zoolang ik hier woon, houd ik twee heeren heel, en soms wel +drie, want als de dienst wat druk is, hebben we hier ’n kapelaan +ook. Ja, ja, er moet gewerkt worden in de wereld! Maar als je +dàt doet, ben je klaar. Ik ken menigeen die in ’n huis +geboren is, en God op z’n bloote knieën danken zou als-i by +pater mocht wonen.</p> +<p>—En... u ziet soms Femke hier? vroeg Wouter, niet zonder de +strekking dat deze byzonderheid Styntje’s genot nog aanmerkelyk +verhoogen moest.</p> +<p>—Wel zeker! En ik moet zeggen dat ze my trouw helpt aan paters +goed... nu, anders kwam ik er niet. Want ’n mensch alleen... dat +begryp jezelf wel. Ook worden m’n oogen slecht. Maar van pastoor +hiernaast wil ze geen stuk meenemen. Ik geloof dat ze niet van hem +houdt.</p> +<p>—Zou hy haar iets misdaan hebben? vroeg ’t +riddertje.</p> +<p>—Wel neen! Waarom? ’n Mensch houdt van den een, en niet +van den ander. Van pater houdt ze, dat weet ik. En hy van haar. Vroeger +biechtte ze by pastoor hiernaast, maar nu al sedert ’n jaar of +wat niet meer. Altyd by pater! Zoo zyn er veel, en de man kan ’t +niet af. Ik heb al aan de menschen gezegd “ga toch liever by +pastoor hiernaast, die man is ook goed” zei ik, maar ’t +helpt niet, alleman wil altyd by pater wezen. Nou, ikzelf ook, en ik +bevind er me goed by, dat moet ik zeggen. Hy is ’n beste! En zoo +zal dat meisjen er ook over denken. Maar jou heb ik nog nooit in de +kerk gezien. Zeker woon je ver. Waar is je parochie? By wien biecht je? +Is je pastoor lastig?</p> +<p>—Neen, o neen, stamelde Wouter die den moed niet had op dit +oogenblik te openbaren dat-i niet “van ’t geloof” +was.</p> +<p>—Anders, ik kan je pater gerust rekommandeeren... hy is erg +gemakkelyk. Wat <i>die</i> man al zielen tot Onslieveheer geholpen +heeft... kyk! Als ik niet by hèm geweest was, zou ’t er +met m’n moeder nog slecht uitzien, maar nu is ze wèl. Ga +by pater, wat ik je zeg! Of... neen, toch niet, de man heeft het te +druk. Veel drukker dan pastoor hiernaast. Die is ’n beetje... hoe +zal ik zeggen? Isegrimmig, ziedaar! Hy ziet niks door de vingers niks, +niemendal! Nou, alle menschen zyn niet eender, en sommigen moeten hard +aangepakt worden. Verleden heb ik gehoord dat er eens ’n man +geweest is, die niet bang was voor de hel. Hoe vindje dat?</p> +<p>—Heel erg, juffrouw.</p> +<p>—Zoo, vind je dat erg? Ja, ’t <i>is</i> erg! Maar ik ben +er ook niet <span class="pagenum">[<a id="pb276" href="#pb276" name= +"pb276">276</a>]</span>bang voor, want ik doe m’n werk, en ik +zorg voor pater. Och, och, waar blyft-i?</p> +<p>—Is u niet bang voor de hel, juffrouw?</p> +<p>—Gut né, volstrekt niet, want ik doe m’n werk. +Maar die man deed z’n werk niet. Hy vloekte en dronk, en ging om +met slechte vrouwluî, en toch was-i niet bang voor de hel. Zie +je, <i>hy</i> had er bang voor moeten wezen. Dat zei pater ook, maar +toch zou God ’t hem wel vergeven, zeid-i, omdat de man niet beter +wist, want... hy geloofde niet aan de hel, en dat kan ’n mensch +niet helpen, zei pater. Nou, ik had zoo’n man wel eens op +z’n sterfbed willen zien! Maar hy zal wel dood wezen, want het is +zeker lang geleden. Als ik sterf, zal ik heel tevreden zyn, want pater +zal voor m’n bed zitten, en my de hand drukken. Dat heeft hy me +vast beloofd. Dan zal ik God danken voor ’t leven dat-i my +geschonken heeft, en omdat ik by pater gewoond heb.</p> +<p>De goede vrouw bekruiste zich, en Wouter had het hart niet, te veel +hart liever, om hierin ditmaal iets bespottelyks te vinden.</p> +<p>—Je weet niet hoeveel goeds ik genoten heb, jongeheer. Je moet +altyd denken, ik ben begonnen van niets, van niemendal, denk eens! Ik +was al tien jaar oud toen ik nog achter de koeien in ’t veld +liep, en als ik in ’t dorp kwam—want ik ben maar van +’t boerenland—dan riepen de jongens: “vondeling, +vondeling!” En nu, kyk, al vyf-en-dertig jaar by pater! Wat wil +’n mensch meer? En ik heb òververdiend voor m’n +moeder ook, dat begryp je.</p> +<p>Wouter zette een vragend gezicht.</p> +<p>—Ja, ’t moest wel. Want zeker had ze niet goed met me +gehandeld, maar pater zei: “denk je dat ’n mensch voor +z’n plezier z’n kind op de hei legt? Dat zyn treurige +zaken, men moet er meely mee hebben!” En ik heb kousen voor hem +gebreid, en voor elke kous gaf-i ’n mis aan m’n moeder. Dat +was heel in den beginne, toen ik pas by hem kwam. En toen werd het +koud, en ik had winterhanden en kon niet breien. En dat speet me erg +voor m’n moeder, en ook voor pater, want de man had z’n +kousen broodnoodig. Maar de ziel van m’n moeder was ’t +ergste, dat begryp je. Denk je nu dat pater er na keek of ik breien kon +of niet? Gut né, hy gaf de mis, alle dagen krek! Dat doet-i nu +al vyf-en-dertig jaar... reken dàt eens uit, jongeheer! De man +zegt zelf dat er ’n heele boel òver is.</p> +<p>—En... de ziel van... uw vader? vroeg Wouter die naar bericht +hunkerde omtrent zekeren schatryken baron, na—of liever nog: +’n beetje vóór—z’n terugkeer op +’t pad der deugd. Gaarne had-i z’n vraag wat deftiger +ingekleed, en zich geïnformeerd naar ’t welvaren van wylen +Styntje’s “papa” maar deze malle uitheemsheid die in +Wouter’s tyd nog voor iets voornaams doorging, wou er niet uit. +’t Bleef dus by: “de ziel van uw vader, juffrouw?” +schoon dit woord inderdaad wel wat àl te burgerlyk klonk voor +iemand die de aanzienlyke romanbetrekking van meisjesverleider bekleed +had, ’n funktie waartegen onrype jongetjes, eunuken en zeker +soort van <span class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name= +"pb277">277</a>]</span>beunhazen in moralistery, ten-allen-tyde zoo +byster hoog—maar vooral begeerig, en met afgunst!—hebben +opgezien.</p> +<p>—Dáár weet ik niet van, antwoordde Styntjen, en +’t scheen wel dat zy over Wouter’s vraag ’n beetje +verstoord was. Een mensch kan niet alles tegelyk doen! Wou je dat ik +pater nu nog dáármee lastig was gevallen ook? De man +heeft ’t werachtig druk genoeg. Voor m’n moeder is er +òver, en daarmee kan God doen wat-i wil. Maar voor m’n +vader sprak ik geen stom woord. God zou wel eens kunnen zeggen: +“als je zoo begeerig bent, kryg je niemendal!” Nou, dit is +maar by manier van spreken, want wat ik verdiend heb, moet ik hebben: +eens gezegd blyft gezegd! Daar is de heilige Jozef voor, die is er +werachtig de man niet na om z’n zoons woord te-schande te laten +maken. Heere Jeessis, waar blyft pater met al dat geld?</p> +<p>—Daar is-i, riep Wouter die Jansen’s vriendelyk gezicht +langs de <i>hortensia</i> zag voorbygaan.</p> +<p>Als om de gegrondheid van Styntje’s angst ditmaal eens te +logenstraffen, telde de goede man ’n twintigtal ryksdaalders op +de tafel. Ter verontschuldiging over z’n uitblyven, deelde hy mee +dat men hem onder-weg by ’n zieke had geroepen, die volstrekt +iets naders van den hemel wilde weten voor-i er heen ging.</p> +<p>—Ik heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die +geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb +’n briefje gevraagd, waar ’t op staat. Nu kan jyzelf alles +precies uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de +wereld, en geld is... geld, wat zeg jy, Styn?</p> +<p>Styn zei ja, en ’n kwartier daarna was Wouter met pater Jansen +op-weg naar de haarlemmer-schuit. De oude vrouw had haar afgod terdeeg +afgestoft en geschuierd, en ook Wouter kreeg ’n streek of wat met +den borstel, doch ’t was blykbaar slechts ’n voorwendsel om +hem nogeens nadrukkelyk in ’t oor te fluisteren:</p> +<p>—Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet +verdoet, jongeheer?</p> +<p>—Juffrouw, ik belóóf het u! had Wouter +geantwoord, en aan den stap waarmee hy de wandeling aanving, was te +bemerken dat-i ’t meende.</p> +<p>Helaas!</p> +<p>De weg naar... ’t verkeerde is geplaveid met goede voornemens +en welgemeende beloften.</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e10300" href="#xd19e10300src" name="xd19e10300">1</a></span> De +onaanzienlykheid van de Roomsche kerk in die achterbuurt ontlokt M. een +lange uitweiding over den toestand der katholieken in ons land, over de +halfheid van Thorbecke en de liberalen, die het beginsel, dat +godsdienst geen voorwerp van staatszorg mag zyn, niet doorvoeren; over +zedelyken schoonheidszin, verderfelyke goddienery en natuurstudie met +eenige Engelsche en Duitsche voorbeelden van minderwaardig zielevoedsel +voor kinderen. (I. 1254–1259.)</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Preekjen over preeken, en hoe <i>Wouter</i> niet aan ’t +preeken raken kon. Preek van pater <i>Jansen</i> over ’n preek +van pastoor <i>Koens,</i> opgeluisterd door ’n preek van hemzelf. +Hoe de auteur woord houdt.</p> +</div> +<p>Zeker kanselredenaar moet eens gezegd hebben dat niets gemakkelyker +is dan preeken, doch niets moeielyker dan goed preeken. Ik heb er geen +verstand van, maar als men op den bewusten dag aan Wouter gevraagd had +of niet ook ’n middelmatige preek iemand <span class= +"pagenum">[<a id="pb278" href="#pb278" name= +"pb278">278</a>]</span>terdeeg bezwaren kan, zoud-i ’t zeker +volmondig hebben toegestemd. Den vorigen dag was-i redelyk tevreden +geweest met het halfgeboren koncept van den brief aan de opgeblazen +Hersilia—jammer dat het niet gediend had—maar ’n +preek... dat was wat anders! Hy wilde ’n paar keer beginnen, maar +’t vlotte niet. Telkens als-i op z’n: “m’nheer, +hoor eens!” zoo goedmoedig ten antwoord kreeg: “wat blief +je, jongeheer?” zonk hem ’t hart in de schoenen, en hy +maakte de een of andere onnoozele opmerking over iets dat op hun weg te +zien was. Pater mocht alzoo van hem vernemen dat de haarlemmerdyk +’n lange straat was, en dat ieder die ’s avends laat buiten +de stad bleef, ’n stuiver moest betalen, jazelfs als ’t +héél laat was, ’n dubbeltje. Jansen stemde dit +alles volmondig toe.</p> +<p>Hoe te beginnen? Wel beschouwd, hebben dominees ’t makkelyk. +Ze nemen ’n tekst uit de Schrift, en verdeelen hem in +drieën, dan volgt de rest vanzelf. Ook worden zy op den weg +geholpen door ’t voorgebed. Wel zeker: “steun, o Heer, den +spreker die in ons midden is opgetreden om uw woord te +verkondigen!” Zoo komt ’n mensch op z’n dreef. En +’n dominee is anders gekleed dan andere menschen. Dat alles geeft +zekeren toon aan, en brengt ’n stemming te-weeg die stamelaars en +stommen aan ’t preeken helpen zou. Wouter voelde wel dat het niet +te-pas kwam ’n gebed te doen: “steun, o Heer, den +voorganger die naast pater Jansen is opgetreden om ’t woord van +Styntje te spreken!” maar hy wou doen wat-i beloofd had. Dat hy +maar ’n domme jongen was, en die m’n-heer Jansen ’n +eerwaardig man, kwam—juist omdat-i ’n domme jongen +was—niet in hem op. En al ware dit anders geweest, het zou hem +niet zoo heel erg gehinderd hebben, want Stoffel had eens verzekerd dat +jongelui, zoo van de schoolbank, volkomen ’t recht hadden oude +menschen te kapittelen, als ze maar—door +Styntje?—“bevestigd” waren, en de voorzorg gebruikten +hun vermaningen heel theologisch intedeelen in drieën. Nu, +dàt wilde Wouter doen. <i>Ten-eerste:</i> de spaarzaamheid is +Gods wil. Dit zou hy o.a. bewyzen uit eierschalen, appelschillen en +notendoppen die nooit grooter zyn dan precies noodig is om te bedekken +wat er in zit. <i>Ten-tweede:</i> de spaarzaamheid is de wil van God... +och, ’t lukte niet! Na veel vergeefsche pogingen om op-streek te +raken, leidde z’n gedachtengang hem eindelyk op de +vreemdklinkende vraag:</p> +<p>—Kan u zingen, m’nheer?</p> +<p>Voor zoover ’t me vergund is, borg te staan voor +Wouter’s bedoelingen, kan ik verzekeren dat-i niet juist van plan +was den goeden oudeheer daar op de publieke straat ’n psalm of +gezang optegeven, met het verraderlyk oogmerk zich daardoor te doen +stemmen op preekhoogte. Neen, maar hy had weer: “m’nheer, +hoor eens!” geroepen, en moest toch <i>iets</i> antwoorden, toen +Jansen hem vroeg wat-i te zeggen had?</p> +<p>—Zingen, jongeheer? Jawel. Het hoort om zoo te zeggen by +m’n vak. Maar heel mooi zing ik niet. Je moet pastoor Koens eens +<span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" name= +"pb279">279</a>]</span>hooren, vooral in den Kerstnacht... prachtig! +Verleden was er ’n heer uit Parys in de kerk, die bood hem... ik +weet niet hoeveel geld, als-i zich wou laten aannemen by ’n +zingkomedie die ze daar hebben. Maar hy wou niet, want hy wil by de +kerk blyven, dat begryp ie. Maar anders... hy zingt iemand het hart uit +’t lyf. En preeken! Dat heb je nooit zoo gehoord! Ik weet niet +wat mooier is, z’n zingen of z’n preeken. Hy is ’n +heilig man, dat kan ik je verzekeren, maar... meisjes zyn zwakke vaten, +en daarom zyn er vaders die liever hebben dat hun dochters by my gaan. +Kan pastoor Koens dat helpen? In ’t geheel niet!</p> +<p>Als ’n bliksem vloog hier Styntjes mededeeling dat Femke niet +van “pastoor hiernaast” hield, door Wouter’s gemoed. +Lieve, beste, brave Femke! Of prinses Erika van pastoor Koens houden +zou, als ze hem kende!</p> +<p>—Hy zingt ’n <i>kyrie</i>... weet je wat ’n +<i>kyrie</i> is? Want je bent niet van de Kerk, niet waar? Gut, ik ben +er niet boos om, want de een is zóó, en de ander is +zóó. Er zyn Turken ook. Maar weet je wat ’n +<i>kyrie</i> is?</p> +<p>—Neen, m’nheer!</p> +<p>—<i>Kyrie</i> beteekent: “Heer” en <i>eleison</i> +is zooveel als: “verlos ons!” Nu, dat zingen wy in onze +kerk, en Koens heeft ’n <i>kyrie</i> die expres voor hem gemaakt +is door ’n Duitscher, ’n eerste man in z’n vak. Hy is +orgelist te Weenen, geloof ik. En ze zeggen—nu, dàt zal je +vreemd vinden!—ze zeggen dat-i eens voor ’t heele +hof...</p> +<p>Jansen hield even op om Wouter’s aandacht te spannen. Maar +hiertoe was meer noodig, want de gedachten van den jongen waren by de +preek over spaarzaamheid.</p> +<p>...voor ’t heele hof, denk eens!</p> +<p>—Ja, m’nheer, zei Wouter, zonder nog te weten wat er te +denken viel..</p> +<p>—Hy heeft voor ’t heele hof gezeten op... wel, waarop +denk je dat-i gezeten heeft? Dàt moet je nu eens raden, +jongeheer.</p> +<p>—Op ’n stoel, m’nheer.</p> +<p>—Ook, ook! En op ’n draaikruk ook... want hy had +klavecimbel gespeeld. Maar dat wou ik je nu eigenlyk niet zeggen, want +het gebeurt meer, niet waar? Neen, hy is zoo ver in de muziek, dat +’n aartshertogin hem op haar schoot heeft genomen, en +dáárop heeft-i gezeten. Hoe vindje dàt?</p> +<p>Wouter vond het heerlyk, en nam zich voor, de eerste de beste +gelegenheid aantegrypen om zich te oefenen in muziek. De fondsen van +z’n belofte aan Styntje daalden vreeselyk. Wie toch kan aan +preeken en spaarzaamheid denken, als er zóóveel te +verdienen valt met <i>ut, re, mi, fa, sol?</i> Toch vond-i de zaak niet +heel helder, en gaf te kennen dat ’n beetje nadere toelichting +niet overbodig wezen zou.</p> +<p>—Op haar <i>schoot</i>, m’nheer?</p> +<p>—Ja.</p> +<p>—’n Aartshertogin? <span class="pagenum">[<a id="pb280" +href="#pb280" name="pb280">280</a>]</span></p> +<p>—Ja, van Oostenryk.</p> +<p>—Maar, m’nheer, hoe is dat mogelyk?</p> +<p>—Kyk, ik dacht wel dat je ’t vreemd vinden zou, want +zoo’n aartshertogin is ’n heele dame, en daarom vertel ik +’t je. Ik heb er wel al honderd menschen mee vermaakt, en niemand +kon ’t raden voor ik ’t zei. Maar gebeurd <i>is</i> het, +vraag ’t maar aan pastoor Koens, en Styn weet het ook, want ze +was er by...</p> +<p>—Aan ’t hof, m’nheer?</p> +<p>—Neen, toen pastoor Koens ’t vertelde.</p> +<p>De goede Jansen genoot naar hartelust van Wouter’s verbazing, +die dan ook inderdaad groot was. Hy hield zich innig overtuigd dat noch +z’n moeder noch een van z’n zusters, noch zelfs Leentje, +die toch anders volstrekt niet hoovaardig was, zich zóó +ver vergeten zou met ’n klavierspeler. Neen, nooit, nooit... al +was er geen hof by dat er kwaad van denken kon. In ’n achterkamer +niet!</p> +<p>—Op haar <i>schoot</i>, vervolgde Jansen. En ik zal je nog +meer zeggen...</p> +<p>Nòg meer, o hemel?</p> +<p>... hy heeft ook op den schoot van de Keizerin gezeten! Zou je +dàt geraden hebben?</p> +<p>—Neen, m’nheer!</p> +<p>—Dat dacht ik wel! En ik ben er nog niet! De Keizerin heeft +hem gezoend...</p> +<p>—Maar, m’nheer!</p> +<p>... gezoend op allebei z’n wangen.</p> +<p>“Naar Weenen, naar Weenen!” riep alles wat stem had in +Wouter’s gemoed. Met geografische inspanning legde hy zich de +vraag voor, of Haarlem in den weg lag naar dat verrukkelyk oord. Jansen +vermaakte zich kinderlyk met z’n verbazing. Ze werd ten-top +gevoerd—ach, vernietigd te-gelykertyd—door ’t vervolg +en slot van de historie.</p> +<p>—De keizerin stopte z’n zakken vol...</p> +<p>—Hè?</p> +<p>... vol suikerdemangelen.</p> +<p>Hier berstte Jansen in lachen uit, zoodat de voorbygangers er schik +in kregen. Maar ’t was moeielyk niet te lachen by ’t gekke +gezicht dat Wouter zette, en hierom was ’t dan ook den goeden +pater te doen geweest, want hy hield van vroolykheid. Na zich eenige +oogenblikken te hebben laten bidden om opheldering, lichtte hy de zaak +toe:</p> +<p>—Ik zal ’t je dan maar zeggen. Die klavierspeler was pas +zes jaren oud, en ’n heel lief jongetje. Pastoor Koens heeft met +hem gestudeerd—later, weetje—en ze zyn groote vrienden +gebleven. Ik zei je-n-immers al dat-i ’n <i>kyrie</i> voor hem +gemaakt heeft? Ze hebben samen gestudeerd op ’t +Jezuiten-kollegie...</p> +<p>Wouter rilde protestantelyk.</p> +<p>...daar krygen wy onze knapste menschen vandaan. Maar ’t gaat +niet altyd door, want... ik ben er ook geweest. Gut, wat keek je +<span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281" name= +"pb281">281</a>]</span>gek, toen ik je vertelde van die +suikerdemangelen! Maar ik zou je wat van die <i>kyrie</i> zeggen. Als +Koens hem zingt... o! In z’n kamer, meen ik, want in de kerk +doet-i ’t niet graag. Styn heeft er van gehuild, want het is heel +gehoorig by ons, we kunnen elkander best hooren zuchten... maar ik +zucht nooit. Waarom zou ik zuchten? Nu, Styn huilde, en ik kreeg +kippevel. En weetje wat ik er by dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik +’n prul by pastoor Koens!</p> +<p>—Hè, m’nheer!</p> +<p>—’t Is de waarheid! Maar ik van myn kant ben weer veel +sterker van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme +voor ondankbaarheid! Als m’n vader me op z’n smedery gedaan +had, zou ik net zoo sterk geworden zyn als m’n broer, maar de +theologie maakt ’n mensen ’n beetje lebberig, vindje niet? +En toch... verbeelje, ik heb thuis ’n <i>Vulgata</i>. Daar staat +wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in ’t +vierkant, en in leer gebonden... ’n heele vracht! En er zyn +sloten aan, ook, Styn schuurt ze alle weken blank. Welnu, ik pak een +van die koperen lippen met m’n pink, en Styn zegt <i>paters</i> +op, en ik houd m’n <i>Vulgata</i>—altyd met die +ééne pink, moet je denken—tot <i>quotidianum</i> +van de derde. En Styn is niet eens heel vlug met ’r +<i>paters</i>. Als ik ze zelf zei, bracht ik ’t zeker tot +<i>remitte</i> van de vierde, of misschien wel tot <i>amen</i>. Maar ik +moet je ’r byzeggen dat wy katholieken geen kracht, macht en +heerlykheid hebben. Dat scheelt altyd ’n beetje. En... er is +niets apokriefs in de <i>Vulgata</i>. Met ’n protestantschen +bybel zou ik ’t wel laten, dat vat je wel!</p> +<p>Neen, Wouter vatte het niet! Of althans hy begreep niet +<i>alles</i>. Maar de konkluzie nam-i goedig aan. Hy hield zich +overtuigd dat pater Jansen byzonder sterk in z’n pink was, en zou +voor die overtuiging in den dood gegaan zyn.</p> +<p>—Ja, ’t is ’n heel ding, niet waar? En dàt +kan nu pastoor Koens weer niet. Zoo zieje dat God altyd ieder ’t +zyne geeft. Maar ik heb Styn verboden ’t hem te zeggen. Hy mocht +eens verdrietig worden omdat-i ’t me niet na kan doen, en dit +hoeft niet, want zulke dingen komen toch in ons vak maar zelden te-pas. +Maar eens toch heb ik er recht schik van gehad... niet van die +<i>Vulgata</i>, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hy +doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! +Verbeelje, ik was op ’t Simmenarie, en daar woonde-n-’n +boer in de buurt, ’n ryke boer. Hy heette Koremans, maar hy was +heel ryk, en hy had veel arbeiders in z’n dienst, meiden en +knechts, allemaal boeremenschen, dat begryp je wel. Een van de meiden +heette Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was... maar och, +ik heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. Waartoe dient het? +Liever vertel ik je-n-’n ander stukjen, iets van hèm, van +pastoor Koens. Dat moet je hooren!</p> +<p>’t Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met +allen eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan +’n boeremeisje. Hy was in de jaren <i>que tout ce qui porte jupon +intéresse</i>, en in z’n verbeelding vertaalde hy elk +onbekend vrouwspersoon in “Femken” of... iets als Femke. +Maar hy begreep toch dat-i <span class="pagenum">[<a id="pb282" href= +"#pb282" name="pb282">282</a>]</span>den goeden Jansen niet dwingen +mocht in de keus van z’n onderwerpen, en hy luisterde zoo +aandachtig mogelyk, weldra zéér aandachtig zelfs, en +zonder dat dit hem moeite kostte.</p> +<p>—’t Was eens zyn beurt van preeken, ging de pater voort, +en hy preekte. Den tekst weet ik niet meer, maar ’t was over +goede behandeling. Van den eenen mensch jegens den ander, weetje, want +dat is eigenlyk de hoofdzaak van ons geloof. Ik preek er ook wel eens +over, maar... zóó niet, daar scheelt veel aan! Want, wat +gebeurt er? Er zat ’n man in de kerk—’t was ’n +slachter, moet je begrypen—die kreeg ’n toeval, en hy moest +er uit gedragen worden, en ieder dacht dat het van de warmte was. Maar +’t was niet van de warmte. Die man had stiefkinderen, en hy +behandelde ze niet goed, en hy voelde zich zoo zondig door de preek van +pastoor Koens, dat-i van zichzelf viel. Vind je dat niet sterk voor +’n slachter? Toen-i weer wèl werd, heeft-i z’n +stiefkinderen voor z’n bed geroepen, en hun om vergiffenis +gevraagd, en beloofd dat-i ze nooit weer mishandelen zou, want... dat +deed-i vroeger. En, omdat-i slachter was, zond-i ’n mand met +worst aan pater Koens, met ’n brief er by. Je kunt denken hoe bly +we waren... om die kinderen.</p> +<p>—En, m’nheer, heeft die slachter woord gehouden?</p> +<p>—Ik denk ’t wel, want hy zal ’t zeker prettig +gevonden hebben, goed voor z’n stiefkinderen te wezen, en +’n mensch houdt van pret. Maar Koens wou de worst niet hebben, +want hy eet geen vleesch, Styn moest ze terugbrengen, zeid-i.</p> +<p>—Hè, riep Wouter die ’t jammer vond zoo’n +geschenk aftewyzen.</p> +<p>—Ja, niet waar, ’t zou den man bedroefd hebben. Dit vond +Styn ook, en ik ook, en daarom hebben wy die worst opgegeten, zy en ik, +want ik mag wel worst.</p> +<p>—Maar, m’nheer, wat was er dan met die Trineke?</p> +<p>—Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z’n naam niet +moeten noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na +z’n dood.</p> +<p>—Wat had-i gedaan met die Trineke?</p> +<p>—Gedaan? Niets! Ik wil ’t je wel vertellen, maar spreek +er nooit over. Misschien leven z’n kleinkinderen nog, en hoe zou +jy ’t vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was +juist niet erger dan andere boeren, en daarom zou ’t me leelyk +staan z’n naam te bekladden, maar wáár is +wáár! Hy was heel ryk, en goed voor de kerk, o best! In +onze kapel—want we hadden ’n kapel in ’t +Simmenarie—hing ’n geelkoperen <i>Sebastiaan</i> met +z’n lyf vol pylen, wel duizend pond zwaar... nu, die was van +hèm. En opschepperig was-i als we hem bezochten, goedgeefs... je +hebt er geen begrip van! Aan brood en kaas of karnemelk was nooit +gebrek, al kwamen we met z’n twintigen... net ’n +zoete-n-inval! En z’n dochters zetten rozynen op brandewyn, en +daar dronken wy simmenaristen van dat het ’n aard had. Maar dat +kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of +zoowat. En eens zou een van z’n dochters trouwen—’t +was al z’n derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou +ieder ze hebben—en wy kwamen gelukwenschen, en werden +<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283" name= +"pb283">283</a>]</span>best onthaald, maar de bruid keek sip, en we +dronken brandewyn op rozynen, en er was ’n pret van belang... op +de bruid na! Maar op-eens... och, jongeheer, ik had het je eigenlyk +niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je ’r nooit +over spreken zult?</p> +<p>—Nooit, nooit, m’nheer, op m’n woord van eer!</p> +<p>—Wàt? Nu, je belooft het, dat ’s genoeg. Dat ik +schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult +hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg +uitgegroeid. Je begrypt, ’n jongen in <i>theologie-tweede</i> is +anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou gedanst +worden ook. Dit mocht eigenlyk niet, en als ’t in ’n ander +huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maar +<i>Rector</i> zag wat door de vingers als ’t by Koremans +gebeurde, om dien <i>Sebastiaan</i>, weetje, en ook omdat-i wel-eens in +z’n wagen naar stad reed, en roomkaas kreeg. Ik was dol op +dansen... in dien tyd. Nu zou ’t niet staan! En ik zou dansen met +de bruid die ik graag lyden mocht... vroeger. En ze hield van my ook +wel, dat weet ik zeker. Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik dat +Trineken er niet was, en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was +ze-n-’r altyd by, net als de andere knechts en meiden, maar nu +was zy er niet. En dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan +Koremans-zelf. Lies was de bruid, weetje, die met me dansen zou, en wel +’t allereerst, omdat ik ’n weddingschap van haar vryer had +gewonnen... ook al over sterkte. “Trien is ziek, zei Koremans, en +ga nu je gang maar met Lies.” “Is Trineke ziek, vroeg ik, +en waar is ze dan?” Want dàt wou ik weten. “En, zei +ik, ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet waar Trineken +is.”</p> +<p>Wouter verwachtte nu ’n landelyk drama met... iets als liefde +er in. Heel véél kon ’t niet wezen, dit begreep hy +wel, om den aanstaanden werkkring van den held. Maar juist deze +bedenking prikkelde z’n nieuwsgierigheid te meer. Hy tooverde +zich den jeugdigen nog niet geheel tot geestelyke verwrongen jongeling +voor oogen, staande tusschen twee-, drieërlei plicht, misschien +wel tusschen formeele trouwbeloften en gemoedelyke beloftentrouw, +tusschen Trineke, Lies en theologie. En op den achtergrond vertoonde +zich de sombere gestalte van den bruigom, die gereed stond by de minste +overhelling naar Liesje’s kant, den al te gelukkigen Seminarist +met één slag doodongelukkig en liefst heelemaal dood te +maken. In byna alle <i>Dorfgeschichten</i> die Wouter gelezen had, +droeg zich de zaak op die wys toe. Of zou pater Jansen den bruigom +hebben neergeveld? Een mensch doet rare dingen als-i verliefd is, en +daarby zoo byzonder sterk.</p> +<p>—Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed +doet...</p> +<p>—Ik zal er heusch nooit over spreken, beloofde Wouter, die +meende dat-i ’t geheim van ’n moord te bewaren kreeg, en +bang was dat Jansen ’t verhaal afbreken zou.</p> +<p>—O, <i>dit</i> mag je wel vertellen, ’t kan soms nuttig +wezen dat <span class="pagenum">[<a id="pb284" href="#pb284" name= +"pb284">284</a>]</span>men ’t weet. Ik wou je dan +zeggen—maar ’t spyt me wel—dat de boeren... soms niet +heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...</p> +<p>—Hè?</p> +<p>... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer +gemerkt dat men haar achteraf zette, en wegdeed als er wat vroolyks +voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat ik +niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den +vorigen keer by Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en +nog kaduker was, dan gewoonlyk. Ze was ’n beetje mank ook, maar +ze had altyd braaf gewerkt... o, by Koremans z’n ouders al! En +daarom vroeg ik waar ze was? “Ze is op ’r bed, zei Lies, en +ik begryp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom, dans +maar!” En ze wenkte den speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep +weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof God me ingaf—dit +gebeurt soms—dat ze slecht behandeld werd. En Lies me na! En +Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje denken omdat ze me +naliep. ’t Was maar dat ze niet wou dat ik Trineke zou vinden, en +weten waar ze lag. Want... ze lag in den stal. Maar dat wist ik niet, +en Koremans zei ’t me niet—dat begryp je wel—maar +’t was of God het me ingaf. En ik stond voor den stal, en vroeg: +“is ze hier?” maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies +riep weer: “wat wil je toch met dat ouwe mensch?” Maar ik +zei: “met jou dans ik niet!” en ’t speet ’r. +Toen vroeg ik aan Koremans, of-i de deuren van den stal wou openen? +“Neen, zeid-i, en ze is er niet!” En ik zei dat ze ’r +wèl was, en vroeg ’t hem nògeens, want men moet +’n mensch altyd tyd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. +Maar hy zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar +weg, en zette m’n schouder tegen de staldeur dat-i kraakte, en... +ik was er in, hoor! Vind je dat niet sterk? Ik heb er nog schik +van.</p> +<p>—En Trineke, m’nheer?</p> +<p>—Wel zeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit ’s heeren +Schrift! ’t Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze +niet meer geleefd, maar... ze is toch behoorlyk gestorven op ’n +kristelyk bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker +ik je! Ik zei dat God hem verbryzelen zou, precies zoo als ik de +staldeur gedaan had... neen, veel erger nog! En ik zei—met +’n zwaren vloek er op—dat ik bord noch beker in z’n +huis zou aanroeren voor Trineke op ’n bed lag, met ’n +dokter er voor, en medicyn op de plank. ’t Gebeurde, hoor! O, ik +heb veel gezegd! Ook over dien <i>Sebastiaan</i>... want daar was-i erg +groots op, en ieder die in de buurt van ons dorp kwam, moest het weten +dat de <i>Sebastiaan</i> in onze kapel van Koremans was. Ik zei: +“denk jy dat God met koperen koppen gediend is? Die oude Trine +draagt meer pylen in haar lyf dan <i>Sebastiaan</i> ooit gehad heeft, +want ze is er heelemaal kaduuk van, en mag je dan zoo’n mensch op +stroo leggen in je stal? Zet jy daar jou <i>Sebastiaan</i> in, die zal +er geen weet van hebben, want hy <span class="pagenum">[<a id="pb285" +href="#pb285" name="pb285">285</a>]</span>is maar van koper, en de +levendige Trineken is je nader. Ze heeft je-n-uit de sloot gehaald toen +je-n-’n dreumis was, en wat heeft ooit Sebastiaan voor je gedaan? +’t Was ’n heilig man, ja, maar jy moet ook ’n beetje +heilig wezen, en niet je volk in de mest leggen. Wie denk je wel dat je +bent, omdat je geld hebt, en koeien en land? God heeft veel meer dan +jy, en als-i verkiest, kan-i Trineke wel honderd boerderyen geven waar +de jouwe-n-in verdrinken zou. ’t Is nu Gods wil dat zy niks +heeft, en jy veel, maar als ’t hem in z’n hoofd komt, +keert-i ’t om, en geeft je hoest en jicht en allerlei krupsies +meer. Wil <i>jy</i> dan op stroo liggen als ’n varken?” Zoo +heb ik gesproken, en ik zei nog veel meer, en ik gaf er latynsche +teksten by, want daar kan ’n boer niet tegen. Ook zei ik dat-i in +de hel komen zou, maar ik weet niet zeker of dat wel waar was. Je moet +denken, ik was nog maar in <i>theologie-tweede</i>. Gut, er hoort +zooveel toe om alles precies te weten van God en goddelyke zaken! +’t Is ’t zwaarste vak van de heele wereld, en ik was nooit +erg voorlyk. Die Koremans had eens pastoor Koens vóór +zich moeten hebben, die had ’t hem ànders ingepeperd! Maar +Koens had nu weer die staldeur niet zoo gauw opengekregen... krak, daar +lag-i! De hengsels waren verdraaid.</p> +<p>—En Liesje, m’nheer?</p> +<p>—Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en +toen Trineken op ’n bed lag, vroeg ze-n-of ik nu met haar dansen +wou? Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineken ’n glas +brandewyn met rozynen en krentenkoek, dat heel versterkend is by de +boeren, en toen vroeg ze weer of ik met ’r dansen wou, en ik deed +het, maar zonder veel plezier. Ik schoof maar zoo’n beetje +heen-en-weer, en Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelyk +uitstellen, maar Koremans was er kwaad om, en haar vryer ook. Ik geloof +dat-i me niet lyden mocht... zeker om die weddingschap.</p> +<p>Hier zweeg Jansen ’n oogenblik: en ’t scheen wel of +z’n gedachten minder vroolyk waren dan naar gewoonte. Misschien +“schoven ze maar zoo’n beetje heen-en-weer, zonder veel +plezier.” Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden +man aantezetten tot wat gehuppel. Jazelfs hy verwachtte een flinken +sprong, ’n <i>saut périlleux</i>. De onkunde der jeugd is +wreed—<i>cet âge est sans pitié</i> , zei de +fabeldichter—en Wouter wist niet wat-i deed, toen hy vroeg:</p> +<p>—En is Liesje met haar vryer getrouwd, m’nheer?</p> +<p>—O ja, zeker, zeker! Waarom zou ze niet met hem getrouwd zyn? +Alles was immers afgesproken en klaar. Maar ze beloofde my vooraf dat +ze-n-altyd goed voor haar volk wezen zou, want dàt had ik haar +verzocht, maar ik zei er by dat ik niet heelemaal zeker was van de hel, +omdat ik nog maar <i>theologie-tweede</i> was. Ja, niet waar, ik mocht +me niet voor hooger uitgeven dan me toekwam, en waarom dan zoo’n +meisje voor niemendal schrik aantejagen, als ik ’t soms mocht mis +hebben? Maar ze zei dat ze geen hel noodig had, en dat ze-n-altyd heel +goed wezen zou als ze ’t my maar beloofd <span class= +"pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286" name="pb286">286</a>]</span>had. +Nu, ze méénde ’t wel, want ze gaf er my ’n +hartelyken zoen op... och, ze huilde zoo!</p> +<p>—Waarom huilde ze zoo, m’nheer?</p> +<p>—Je moet begrypen, de eene mensch is niet als de ander, en +soms heeft men verdrietige buien. Misschien huilde ze-n-omdat ik zoo +driftig tegen haar vader geweest was, en dat was goed van haar, want +’n kind moet altyd partytrekken voor z’n ouders. ’t +Begon al toen ik Trineken opnam...</p> +<p>—Had <i>U</i> dat gedaan, m’nheer?</p> +<p>—Ja zeker, ik was de sterkste van allemaal, en ’t bed +was boven in huis. Wie zou haar den trap opgedragen hebben zonder +’t mensch zeer te doen? Ze was maar vel en been, en alles deed +haar pyn. ’t Was Koremans z’n eigen bed...</p> +<p>—Och!</p> +<p>—Daar stònd ik op! Ik hield me koppig, en zei dat het +zoo wezen moest, of ik zou ’n omgekeerd Jeruzalem van z’n +huis maken. En Lies wou háár bed afstaan, maar ik zei: +“né, in ’t zyne, of ik kom hier nooit weer!” +En ik zei er ’n heel ruw woord by, tegen haar vader—je bent +maar ’n ruige Ezau! zei ik—en daarom zal ze misschien +gehuild hebben.</p> +<p>—Was ze-n-’n... lief meisje, m’nheer?</p> +<p>Deze vraag zweefde Wouter reeds lang op de lippen, maar de weifeling +tusschen de varianten “mooi” en “schoon” deed +hem telkens aarzelen. ’t Een kwam hem tegenover ’n +geestelyke wat gemeenzaam voor—te gemeen ook +misschien—’t andere klonk te boekerig by Jansens +gemeenzaamheid. Toch moest ons roman-lezertjen iets van Liesjens +uiterlyk weten, en hy kleedde z’n nieuwsgierigheid naar dat +hoofdmoment van de zaak, zoo deftig in als de omstandigheden toelieten. +Maar ook Jansen had zeker dekorum in-acht te nemen. Niet met bewustheid +tegenover Wouter, of wien ook, maar zonder zelf hiervan iets te weten, +jegens z’n eigen vlekkelooze reinheid. Van mooi of niet mooi was +dus ook by hem geen spraak. En meer nog: hy dacht er niet aan, hy wist +het niet!</p> +<p>—O ja, heel lief. En vroom ook, op zondag en hoogty, +dàt moet ik zeggen! Maar de heiligheid van den huwelyken staat +wou ze niet vatten. ’t Is by ons ’n Sakrement, weetje, en +dat zei ik haar. Maar ze was er niet mee tevreden, en wou haar trouwen +uitstellen tot zy al haar kristenplichten beter kennen zou, zei ze. En +ze vroeg of ik ’r daarin helpen wou? Maar haar vryer had er geen +zin in en zei dat <i>hy</i> dat wel zou doen, en toen gaf ik hem +’n boek waar alles in stond. Maar, och, zy is na haar trouwen +bleek en verdrietig en ziek geworden, en heeft niet lang geleefd. Kort +voor haar dood liet ze nog vragen hoe Trineken ’t maakte, en of +ik de stumpert wel trouw bezocht? Nu, dit deed ik, en ’t zal +Liesje zeker plezier gedaan hebben.</p> +<p>—En, m’nheer, bezocht u Liesje niet?</p> +<p>—Neen, want haar man was niet heel vrindelyk als ik naar haar +vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen, +<span class="pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287" name= +"pb287">287</a>]</span>dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje... +kyk, de zaak was zóó. In ’t dorp zei iedereen dat +ze liever ’n ander gehad had, als ze ’t maar had durven +zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander van de kerk was. +Ja ja, ik weet wel wie ’t was, ook!</p> +<p>—Hè? vroeg Wouter die ’t ook meende te weten.</p> +<p>—Ja, maar zeg ’t niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze +zoo best op de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om +karnemelk kwamen, stond zy aan ’t venster. Ook soms aan ’t +hek, maar zoodra we naderby kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand +die niet weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zyn de meisjes, en dit +wist ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als +op ’n simmenarie. Nu, dat ze-n-altyd zoo uitkeek, was zeker om +Kruger, ’n besten, besten jongen! En dat haar man zoo stuursch +tegen me was, zal ook zeker om Kruger geweest zyn. Misschien dacht-i +dat ik hem zou meebrengen, en dat zou ik ook misschien weleens gedaan +hebben, want Kruger was m’n beste vrind, en hy hield byna net +zooveel van Liesjen als ik. O, heel veel!</p> +<p>Tot zoover was Jansen gevorderd met z’n vertrouwelykheden, +toen ’t paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer +vernomen van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te +worden door een der hoofdpersonen zelf. Hy voelde wel dat Jansen +eigenlyk meer verteld had dan-i zich veroorloofde te weten. Of +<i>wist</i> hy meer? Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige +poort had de man gezwegen. De eigenaardige galm die door dat +zonderlinge gewelf dreunde en ’t spreken moeielyk maakte, was +daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, +klaagde Jansen over den vreeselyken tocht die hem de oogen vol zand +gewaaid had.</p> +<p>—Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze ’r van tranen? +En ik ben moè ook. Ja, ja, ik heb vandaag al wat af gedraafd, en +verlang naar ’n zitje. Maar... wat is dáár te +doen?</p> +<p>Inderdaad, er was ’n “standje” by de aanlegplaats +van de schuit Onze wandelaars versnelden hun stap, om er zoo spoedig +mogelyk ’t rechte van te weten.</p> +<p>Wat my betreft, ik meen in dit hoofdstuk voldaan te hebben aan de +belofte dat ik eens ’n staaltje van pater Jansen’s +preekmanier geven zou, en ik zeg er dit uitdrukkelyk by, om niet dezen +of genen onkundige in den waan te laten dat-i ’n idylle gelezen +heeft.</p> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p><i>Wouter</i> en deugdzame lezers worden teleurgesteld door +<i>Fancy,</i> die ’n lynch-vonnis kasseert. Ter vergoeding levert +ze bydragen tot de physiologie van zekere nyverheid, en benoemt ze +<i>Wouter</i> tot trooster van ’n diep bedroefde moeder. De lezer +wordt gepaaid met het stuk volksroem, waarop hy al zoo lang gewacht +heeft. Of <i>Wouter</i> Haarlem bereikt?</p> +</div> +<p>—Wel, jongeheer, daar schynt wat vreemds voortevallen. Hoor me +die vrouwspersoon eens schreeuwen! <span class="pagenum">[<a id="pb288" +href="#pb288" name="pb288">288</a>]</span></p> +<p>—Ja, m’nheer, ze schelden. Ik geloof zeker dat er ruzie +is.</p> +<p>De opmerking van pater Jansen was gegrond, en Wouter’s geloof +ditmaal eens byzonder goed. Er was inderdaad iets byzonders aan de hand +en er werd gescholden.</p> +<p>En alweer vroeg Wouter waarom die vrouw zoo schold, en “tegen +wien ze ’t had?” Hy kon aanvankelyk niet uit de zaak wys +worden, en deed hiermee tot m’n groot genoegen z’n +leermeesters by het postkantoor weinig eer aan. Uit de onnoozele vragen +die hy tot z’n bejaarden vriend richtte, bleek duidelyk dat hun +onderwys niet best aan hem besteed was geweest. En pater Jansen was nu +juist de rechte man niet om hem behoorlyk intelichten, want er was by +die schuit iets zeer gemeens te doen, en daarvan had-i geen verstand. +Wel kende hy in z’n hoedanigheid van zielengeneesheer de gewone +verschynselen van de ziekten die men hem in <i>theologie-derde</i> als +“zonde” had leeren kennen en behandelen—de kursus +liep, <i>excusez du peu</i>, in <i>theologie-eerste</i> tot en met +<i>genezen</i> toe!—maar juist omdat-i ze slechts als zoodanig +bestudeerd had, stond-i met de handen verkeerd, zoodra de vyand tot +wiens verdelging hy ambtshalve geroepen was, zich in levenden lyve aan +hem vertoonde, wat hier werkelyk ’t geval bleek. De goede pater +mocht van geluk spreken dat-i, eenigszins verlegen door de verrassing, +en misschien ook weerhouden door de stoffeering van het tooneel dat +byzonder weinig op ’n biechtstoel geleek, niet terstond aan +’t bedokteren ging van de zieken die hier overvloedige blyken +gaven van behoefte aan wat beterschap. De goede man zou zeker ’n +gek figuur hebben gemaakt, en dit ware jammer geweest. Hy vernam by +deze gelegenheid byna evenveel nieuws als Wouter, en ook zonder deze +overeenstemming was ’t opmerkelyk in hoevéél +opzichten de indrukken die zy hier opvingen, elkander geleken. Jansen +was in wereld- en menschenkennis ongeveer blyven staan op ’t +standpunt dat Wouter onlangs bereikt had, en alzoo steeds minderjarig +in de boosheid gebleven. Het verschil tusschen deze beide kinderen +bestond hoofdzakelyk hierin, dat de ontwikkelende knaap +méér weten wilde en zichzelf beschuldigde van domheid, +terwyl de volwassen man heel tevreden was met z’n verstandelyke +toerusting. En waarom zoud-i niet? Hy had immers alle voorgeschreven +examens achter den rug, en wist dus precies wat er in zake +zielenherderschap kon geweten worden. Z’n tevredenheid sproot +volstrekt niet uit eigenwaan voort, maar uit plichtmatig vertrouwen op +de knappe luî die verklaard hadden dat-i behoorlyk volleerd was +en raad wist met alle zonden. Hy had er latynsche getuigschriften van, +met zegels er op. Wat wil men meer?</p> +<p>Ik kan de meening niet deelen van sommigen die beweren dat ’n +katholiek geestelyke zoo byzonder veel menschkunde zou opdoen in den +biechtstoel. Het komt me voor, dat men daarby over ’t hoofd ziet +hoe moeielyk het is zichzelf te schetsen, en dat de biechteling, ook by +de hoogstdenkbare oprechtheid—volkomen oprechtheid is +onmogelyk!—slechts <i>daden</i> en <i>feiten</i> kan openbaren. +Vanwaar <span class="pagenum">[<a id="pb289" href="#pb289" name= +"pb289">289</a>]</span>immers zou hy de psychologische ontwikkeling +halen, die niet ontbeerd worden kan door iemand die al de schakeeringen +van de <i>roersels</i> zyner handelingen uit elkaar wil houden? En +vanwaar de welbespraaktheid om die duidelyk blootteleggen voor ’n +ander? Waarlyk, wie <i>dit</i> kan, knielt niet naast ’n +biechtstoel om de geheimen van z’n ziel toetefluisteren aan +’n priester! Niet voor dezulken is de oorbiecht uitgevonden, en +niet voor hèn wordt ze in-stand gehouden. Wie dit betwyfelt, +lette eens op den graad van verstandelyke ontwikkeling waarmee ’t +meerendeel der geestelyken blykt te kunnen volstaan. Er hing me hier +’n beeld in de pen, waarmee ik ’t verschil in soort van hun +werkzaamheid wilde schetsen, doch ik houd het terug. ’t Was iets +als ’n vergelyking tusschen den Schwartzwalder boer die houten +klokjes snitselt, en den fabrikant van fyne zakuurwerken te +Genève. Deugt niet, deugt niet! Er is hier geen spraak van +’t onderscheid tusschen grof en fyn, niet eens zelfs altyd van +meer of minder ingewikkeldheid der organismen. Op ’t oneindig wyd +gebied van menschkunde heerschen àndere verschillen! Reeds zeer +lang geleden zagen we hoe tevreden pater Jansen was over Femke’s +ziel—geen Schwartzwalder snitselwerk, op m’n +woord!—en onlangs stelde ik den lezer in de gelegenheid ’n +brok theologischen kursus bytewonen, door hem in kennis te brengen met +Styntje. Hoe gelieft men nu den toon te noemen, waarop die beidie +personen zich uitlieten over zaken die door anderen slechts werden +behandeld met konynenmondjes en in pontifikaal! Ondeftig was die toon, +o zeker! Maar toch—en ik bedoel dit in zéér hoogen +zin—onaesthetisch, grof, onzedelyk dus, was die toon <i>niet!</i> +Er was hart in, en kinderlykheid, en overtuiging. De uitdrukkingen die +pater Jansen en z’n dienstbode zich veroorloofden... och, ze +wisten niet dat er iets te veroorlooven viel! Van kinds-af +vereenzelvigd met hun naïf geloof, bespraken zy de dingen die +daarmee in verband stonden, met dezelfde gemakkelykheid als andere +belangen van hun huishoudentje, en Styntje’s tevredenheid over +’t vereffenen der schuld van haar moeder was van gelyke soort als +haar voldoening zou geweest zyn over ’t wèlslagen van +ingemaakte zuurkool. ’t Spyt me dat ik op ’t oogenblik +niemand tot getuige roepen kan die haar aankomst in den hemel heeft +bygewoond, maar we mogen ons verzekerd houden dat ze by die gelegenheid +even onbevangen gevraagd heeft: “wel, waar is ze nu... m’n +moeder? Ze weet immers dat ik alles krek in-orde heb gebracht?” +als ze Wouter opdroeg haar teerbeminden pater te beschermen tegen +z’n goedgeefsheid. En ook hyzelf was er de man niet naar, om +z’n God en goddelyke dingen terugstootend te maken door +deftigheid. Z’n geloof en al wat daaruit voortvloeide, was hem de +meest dagelyksche zaak van die wereld.</p> +<p>Maar... die wereld-zelf kende hy nu eenmaal niet! Hy wist er niet +veel meer van dan z’n biechtelingen hem konden of wilden +meedeelen, en deze zeer gebrekkige inlichtingen namen nog bovendien +steeds de kleur aan van z’n eigen schuldeloos gemoed. Elk +bedreven <span class="pagenum">[<a id="pb290" href="#pb290" name= +"pb290">290</a>]</span>kwaad scheen hem ’n ongeluk toe, en de +vermaningen die hy uitsprak of de boetedoening die hy soms meende te +moeten voorschryven, geleken meer op ’n vriendschappelyk +toegediende hartsterking dan op berisping en straf. ’t Was +waarlyk geen wonder dat-i niet recht vatte wat er by die +haarlemmer-schuit verhandeld werd! Een der hoofdpersonen in het +drama-bedryf dat hier werd afgespeeld, de vrouw die door haar +luidruchtigheid en gemeenen opschik de aandacht van ’t publiek +tot zich trok, was te Amsterdam geweest om wat koopwaar optedoen voor +haar winkel te Haarlem. Die koopwaar bestond in ’n tweetal... +meisjes, neen—twee “meiden” zeg ik ook niet +graag—uit twee jeugdige vrouwspersonen dan, die ze door +geschenken en de voorspiegeling van ’n lui leven tot zich had +weten te lokken. Wat ik hier “geschenken” noem, was in +werkelykheid ’n driedubbel geboekt woekervoorschot. En “ze +had het zwart op wit” zei ze, op haar dy slaande, waar de +kostbare dokumenten geborgen schenen die haar woorden konden +bevestigen. Deze bewysvoering was tegen de moeder van een der beide +schepseltjes gericht, die lucht van de zaak gekregen, en gezorgd had +vóór ’t afvaren van de schuit daar te zyn. ’t +Woord “moeder” klinkt liefelyk, en de goedige lezer +verwacht dat de vrouw zich daar bevond om haar kind te +ontrukken—“zoo noemt men zulks” zou Stoffel +zeggen—aan de klauwen des verderfs... och, ik ben daar jammerlyk +op ’n boekenfraze verzeild geraakt. Dat komt er van, als men +z’n schryftafel zoo vol modellen heeft liggen!<a class="noteref" +id="xd19e11096src" href="#xd19e11096" name="xd19e11096src">1</a> Die +“moeder” was doodeenvoudig daargekomen om ’n aandeel +te vorderen in ’t reeds genotene, en vooral om ’n aandeel +te bedingen in de toekomstige winst. Het toegeschoten publiek was +verontwaardigd, of toonde zich zoo, en verdeelde de uiting van +z’n misnoegen vry gelyk tusschen de moeder en de waardin. Deze +beiden aan ’t kyven! De twee rekruten zwegen, maar toch kon +’n opmerkzaam toeschouwer te weten komen wie van de strydvoerende +partyen met haar sympathie vereerd werd, en wel door de plaats die zy +innamen, of die ze trachtten te hernemen als ze voor ’n oogenblik +vandaar waren weggedrongen. Blykbaar schaarden ze zich, zoowel in +overdrachtelyke als in letterlyke beteekenis van ’t woord, aan +den kant der waardin. En er was reden toe! Deze had “<i>so +werachtich as Chot</i>” niets minder verzekerd dan dat haar +kontubernaaltjes ’s morgens zoo lang konden slapen als ze maar +verkozen, en ’s avends zouden ze onthaald worden op jenever met +suiker... als ze maar ’n “heer” wisten te bewegen die +versnaperingen voor zyn rekening aan ’t buvet te bestellen. Nu, +hiertoe meenden de meisjes kans te zien. Maar ’t zou haar +tegenvallen. Ze overschatten den invloed en den markt-prys van haar +bekoorlykheden—de goedkoopste zaak ter-wereld!—en ook wel +’n beetje de mildheid van de “heeren.” Maar de +beminnelyke waardin liet haar aanstaande voedsterlingetjes in den waan +dat er met nagebootste huurliefde terdeeg wat ’te verdienen +<span class="pagenum">[<a id="pb291" href="#pb291" name= +"pb291">291</a>]</span>viel. En er werd nog meer beloofd. Ze zouden +<i>Krelien</i> en <i>Sefie</i> heeten, en door de meid +“juffrouw” genoemd worden. Om ’n voorsmaak van die +heerlykheid te geven, en tevens van den toon die in haar etablissement +heerschte, sprak ’t wyf gedurig van haar “dames.” Wat +kon, tegenover zulke schitterende aanloksels, de moeder bieden, zy die +maar ’n arme werkster was? Ik weet wel dat sommige +boekenluî ’n antwoord op deze vraag gereed hebben. Ze +spreken by zulke gelegenheden van tucht, reinheid van ziel, eer, +gemoedsrust, moederlyke teederheid... och, onze beide Kaatjes hadden +liever jenever met suiker! Maar ik moet er by zeggen dat de keus haar +niet zóó moeielyk gemaakt werd, als de papiermoralisten +van zoo-even wel denken zouden, want de moeder hield zich met al die +roerende dingen niet op. Ze reklameerde haar deel van de zaak, en +eischte vóór alles ’n bonten voorschoot terug, dat +ze volgens haar beweren aan haar dochter geleend had.</p> +<p>—En zal ik er nou dàt niet eens van hebben, riep ze, +dat ik m’n eigen goed weerom kryg? Hy heeft me drie skelling en +’n oortje gekost?</p> +<p><i>Er</i> van? Wáárvan, o vrouw? +Wáárvan? Ik vraag u, <i>wáárvan?</i> Nu, +dit kon háár niet schelen, en:</p> +<p>—Dat kan <i>my</i> niet schelen, schreeuwde ook de waardin. +Mensch, je moest je schamen, dat moest je! Wel ja, wat zeg +jylui—dit was ’n beroep op de kiesheid van de omstanders, +die deze onderscheiding ten-volle verdienden—wat zeg jylui? Is +’t geen schande dat ’n moeder haar eigen kind ’n +standje komt maken om ’n boezelaar?</p> +<p>—Ik wou maar dat we-n-afvoeren, zuchtte een van de Kaatjes. +Wat treuzelt die schipper!</p> +<p>—Drie skelling en ’n oortje, zoo waar as er ’n God +in den hemel is, op de <i>Numàrt</i> in den bontjeswinkel! Geef +hier, m’n goed! ’t Is <i>myn</i> goed, zeg ik je! Geef +hier!</p> +<p>Een poging om ’t betwist voorwerp met geweld machtig te +worden, mislukte. Op-eens wendde de teedere moeder de zaak over +’n anderen boeg. Ze trachtte haar stem aandoenlyk te maken, en +huilde:</p> +<p>—Heb ik je dáártoe opgebracht?</p> +<p>Wel zeker! Waartoe ànders, o teedere moeder?</p> +<p>—’t Is om te besterven, menschen, dat is het! En zeg, +wat zal je vader daarvan zeggen?</p> +<p>—Nou, laat er je man maar buiten, zou ik je raden! Die zit +hoog en droog in de rooie zaagsel.<a class="noteref" id="xd19e11146src" +href="#xd19e11146" name="xd19e11146src">2</a> Wat zeg jy, Ka?</p> +<p>Kaatje bevestigde de zaak wel niet uitdrukkelyk, maar gaf toch +’n antwoord dat heel weinig op verontwaardigde ontkenning geleek, +door op-nieuw moeite te doen om zich van haar moeder te verwyderen, en +’n veilig plaatsje te krygen achter de waardin. Deze haastte zich +’n zegel op de beteekenis van Kaatje’s manoeuvre te +zetten:</p> +<p>—Wel ja, meid, ’n woord ’n woord, ’n man +’n man, niet waar? <span class="pagenum">[<a id="pb292" href= +"#pb292" name="pb292">292</a>]</span>En... ik heb ommers al de papieren +in m’n zak. Wat zeg jyluî? Een mensch kan toch niet meer +verlangen als zwart op wit!</p> +<p>De vrouw had weer op haar dy geslagen, en scheen antwoord te +wachten. Er gingen dan ook uit het publiek eenige stemmen op, maar ze +getuigden van verdeeldheid der meeningen. Wel hoorde men hier-en-daar: +“zieje, ’t is toch altyd haar moeder!” maar ook +toonden sommigen zich verontwaardigd over de vreemde soort van ’t +moederschap dat hier vertoond werd. Een stemming by zittenblyven en +opstaan kon moeielyk verordend worden, omdat de <i>heele</i> zaak in de +letterlyke termen van ’n “standje” viel. Bovendien, +de strydvoerende partyen wachtten zich wel ’n beroep op de +meerderheid te doen, voor ze met eenige zekerheid berekenen konden die +meerderheid op haar hand te hebben. En hiertoe bestonden aan geen van +beide zyden voldoende gegevens. Velerlei scheldwoorden rezen uit de +vergaderde menigte op, maar ’t viel moeielyk te beslissen tot wie +ze gericht waren, omdat ze meestal nogal toepasselyk konden geacht +worden op ieder van de vier vrouwspersonen in ’t byzonder. De +hieruit voortspruitende verwarring bewees hoe groot de behoefte +was—ook zelfs in de laagste standen der Maatschappy—aan +eenig besef van onderscheid <span class="corr" id="xd19e11166" title= +"Bron: tuschen">tusschen</span> <i>schelden</i> en +<i>beschuldigen</i>.</p> +<p>—M’n drie skellinge wil ik hebben, kryschte de vrouw, +terwyl ze trachtte haar dochter by den voorschoot te grypen. Ik wil +m’n geld, m’n drie skellingen, of anders...</p> +<p>Haar schreeuwen herinnerde Wouter aan de wanhoop der edele Hersilia +over die verloren <i>zeven gulden dertien</i>, en langs de <i>rails</i> +van al wat er sedert ’n etmaal weer met hem was voorgevallen, +liep z’n herinnering uit op de vyftig guldens die hy in z’n +zak had. “Als <i>hy</i> eens die arme vrouw aan ’n nieuw +voorschoot hielp? God zou ’t zeker weer niet doen, en daar er nu +toch eenmaal in ’t helpen iets goddelyks ligt:</p> +<p>—Wat dunkt u, m’nheer? vroeg-i aan pater Jansen?</p> +<p>—Ik ben erg bedroefd over die menschen, zei de goede man.</p> +<p>—O zeker, m’nheer! Maar... die boezelaar? Drie +schellingen is nog geen volle gulden, en als <i>wy</i> nu eens...</p> +<p>—Dat mag volstrekt niet, jongeheer! Het doet my in de ziel +leed dat die menschen op zoo’n verkeerden weg zyn—want dit +moet ik er haast wel van gelooven—maar ’t geld dat je by je +hebt, is je niet gegeven om...</p> +<p>—M’n drie skellinge, huilde het wyf, of anders +ten-minste m’n kind weerom!</p> +<p>Dit “ten-minste” was verrukkelyk! Zal er misschien +straks blyken dat prinses Erika onzen Wouter die vyftig guldens +geschonken heeft om ’n radelooze moeder weer in ’t bezit +van haar verloren kind te stellen?</p> +<p>—Ze is heel ongelukkig, m’nheer... hoor maar! Och, wat +komt er nu voor òns die ééne gulden op aan? En... +’t is nog niet eens ’n volle gulden!</p> +<p>—We mogen ’t heusch niet doen, jongeheer! Kom, kom mee +in <span class="pagenum">[<a id="pb293" href="#pb293" name= +"pb293">293</a>]</span>de schuit! Ik word er koud van, en kan ’t +heusch niet langer aanzien.</p> +<p>’t Scheen wel dat pater Jansen z’n eigen standvastigheid +wantrouwde en de verlokking ontvlieden wou. Maar hy aarzelde. Ook +Wouter volgde slechts heel langzaam, en niet zonder telkens opnieuw, by +z’n geleider aantedringen op interventie.</p> +<p>—Wat is voor òns ’n enkele gulden, +m’nheer!</p> +<p>Kyk me-n-eens zoo’n kleine rykaard! Jansen antwoordde niet, +bleef weer staan, en scheen te weifelen. De vrouw die met ’n +eigenaardig armeluî’s-instinkt iets bemerkt had van wat er +tusschen die twee gaande was, vond het raadzaam van tekst en toon te +veranderen, en begon te jammeren over de drie “wurmen die ze +thuis had, en die nu zouden moeten vergaan van ongemak en kou.” +Inhoever deze verdrietige omstandigheden ’t gevolg konden wezen +van Kaatje’s wangedrag, of van ’t bankroet dat ze aan haar +boezelaar leed, liet zy onopgehelderd. Toch had vooral de beweerde +plotselinge temperatuurverlaging van die “wurmen” zoo in +’t hartje van den zomer, best eenige meteorologische toelichting +kunnen gebruiken. Maar hiernaar werd door de tegenparty niet gevraagd. +Zoowel de waardin als anderen uit den hoop beantwoordden haar klachten +slechts met onwetenschappelyke scheldwoorden, doch tereere van ’t +stukje publiek dat hier vergaderd was, moet ik erkennen dat ook de +koopvrouw uit Haarlem niet verschoond werd. Haar beroep leverde +overvloedige stof tot schimp en smaad. Maar ’t scheen dat ze de +uitdrukkingen waarmee men haar zedelyk en maatschappelyk standpunt +kwalificeerde, wel eens meer gehoord had, en niet gewoon was flauw te +vallen om ’n beetje schande. Tartend, en als om te pronken met +haar ongedeerdheid, bauwde zy de scheldwoorden na die men haar naar +’t hoofd wierp, en wanneer daarin zekere eentonigheid begon te +heerschen, omdat de voorraad wat klein bleek in verhouding tot den duur +van de <i>scène</i>, hielp zy de schreeuwers op den weg door +’n sarrend: “nou mot jelui dàt weer ’ns +zeggen!” of: “ik heb in lang niet dàt of dàt +gehoord, koman, bedenk jelui je nou ’reis goed of je niet ereis +wat nieuws weet!” Deze betrekkelyke kalmte prikkelde tot +opwinding, en op zeker oogenblik nam de afkeer van haar ellendig bedryf +zoo de overhand... neen, dit is onjuist, men werd zóó +boos over de onverschilligheid waarmee ze ’t schelden opnam, dat +de moeder hoop begon te scheppen. Het blyft ’n raadsel wat die +vrouw eigenlyk van plan was met haar “kind” aantevangen als +’t bevryd wezen zou uit de handen van de waardin, doch zonder +zich hierover te bekommeren begon de meerderheid haar bytevallen.</p> +<p>Wouter zou weer ruimschoots in de gelegenheid geweest zyn de +psychologie van de <i>massa</i> te bestudeeren, als-i niet te zeer +vervuld ware geweest van z’n zucht om... ja wat? Hy wou helpen, +redden, te-rechtbrengen, hy wou iets <i>doen</i>. Wel ja, ’n +mensch heeft niet alle dagen twintig ryksdaalders in z’n zak! En +niet dikwyls valt zoo’n schitterend standpunt samen met ’n +drama als hier vertoond werd, noch met de akeligheid waarmee +’t—niet gansch onverhoopt, om <span class="pagenum">[<a id= +"pb294" href="#pb294" name="pb294">294</a>]</span>de waarheid te +zeggen—straks dreigde of beloofde te sluiten. Er werd namelyk +geroepen: “te-water!” en dit woord klinkt vreeselyk in de +ooren van ’n hollandsch jongetje, opgebracht in de vreeze voor +kou-vatten en den wallekant!</p> +<p>—Te-water, allo, dat wyf de vaart in, sebit! En die meiden na +huis!</p> +<p>Naar huis, o onbesuisde menigte? Naar wèlk huis? Naar de +krotten waar ze onder opzicht komen zouden van zulke moeders? Ik ben +overtuigd dat geen myner lezers, indien hy ’t hier beschreven +voorval had bygewoond, zich met die hoogst onfatsoenlyke zaak zou +bemoeid hebben. Maar, lezer, gesteld eens dat ge hadt <i>moeten</i> +stemmen? Zoudt ge in-gemoede hebben durven roepen: <i>die meisjes naar +huis?</i> Men behoeft waarlyk niet zoo onnoozel als pater Jansen te +wezen, om verlegen te zitten met de keus tusschen twee hellen. En wat +het <i>lynch</i>-vonnis tegen die waardin aangaat... onze +Maatschappy—hier niet byzonder oneigenaardig vertegenwoordigd +door ’n troep gemeen—is wel zonderling! Het schepsel dat +men hier te-water wilde dringen, was een van háár leden, +en ’n lid ook van ’t gild dat diezelfde Maatschappy blykens +eeuwenlange ervaring nooit heeft kunnen ontberen. Waarom nu, als +zoo’n onmisbaar meubelstuk onzer beschaving zich in ’t +openbaar vertoont, op-eens zooveel verontwaardiging voorgewend? +Verbiedt niet de wysheid der volkeren ’t schenden van z’n +aangezicht? Bedenk toch, o preutsche Maatschappy, dat zoo’n +winkelierster in ontucht een uwer meest vooruitstekende neuzen is!</p> +<p>—Te-water met dat wyf, werd er weer geroepen, de vaart in!</p> +<p>Er viel optemerken dat de hevigheid van dit geschreeuw in omgekeerde +rede stond tot de nabyheid van de plek waar de bedoelde exekutie zou +plaats hebben, en hieruit bleek dat de verst-afstaanden ’t meest +verontwaardigd, d. i. de deugdzaamsten waren. We mogen aannemen dat ze +zich in hun braafheid wel ’n beetje gesterkt voelden door de +betere kans zich snel uit de voeten te maken, zoodra het +deugd-zoenoffer zou liggen te spartelen in de Haarlemmer-vaart Ieder +weet immers dat niets op aarde onvermengd is, tot en met de courage van +de braven toe? Hierop scheen de waardin dan ook te rekenen, want ze gaf +weinig blyk van angst, en de uitkomst bewees dat ze gelyk had. Het doet +me leed dat ik den lezer, die waarschynlyk braaf is, en—als die +verst-afstaanden!—met fatsoenlyk verlangen uitziet naar de +zegepraal der deugd, eenigszins moet teleurstellen. Het wyf werd +beschimpt en gehoond, maar... ze bleef droog. Wie er spyt van heeft, +trooste zich met de kameraadschap van Wouter, die by mangel aan ander +emplooi van moed, gulheid en goeden wil, zoo byzonder graag eens iemand +uit het water gehaald had. “’t Komt zoo zelden voor!” +mymerde hy, en dit vind ik ook. Het redden van drenkelingen moet +’n vervelend vak wezen, tenzy men er <i>compérage</i> by +te-pas brengt, en hieraan werd noch door Wouter noch door ’t +kandidaat-offerlam gedacht.</p> +<p>Wel ver van zich op ’t altaar der zedelykheid te laten +zoen-offeren, <span class="pagenum">[<a id="pb295" href="#pb295" name= +"pb295">295</a>]</span>noch zelfs blyk te geven dat ze zich rechtens +als de zwakste beschouwde, dreigde de waardin met de policie.</p> +<p>—Wel nou nog mooier! Jy, schandvlek, wou jy de policie roepen +<i>jy?</i> Je mag God danken dat er geen diender in de buurt is, +<i>jy</i>, die hier de meissies komt verdibbeseeren!</p> +<p>—Ik heb ’t zwart op wit, schreeuwde zy weer. En, als er +policie was, zou ik ’t jelui laten zien!</p> +<p>Wàt? Haar dy? Neen, denk ik. Dat ze in haar recht was? Dit +ook wel niet, maar toch was de kans dat de vertegenwoordigers der +autoriteit haar niet geheel-en-al in ’t ongelyk zouden gesteld +hebben, grooter dan sommigen wel meenen.<a class="noteref" id= +"xd19e11266src" href="#xd19e11266" name="xd19e11266src">3</a></p> +<p>De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad +uit de dagen waarin m’n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze +zich redde door den kreet: “als jelui niet ophoudt met dringen, +laat ik m’n kerel stemmen voor X!” Dit was gelogen, +anakronistisch gelogen, gelyk dan ook slechts van ’n blad dat +tot... die andere party behoorde, te verwachten was. Nooit zou men +zoo’n afschuwelyk laag verzinsel vinden in ’n blad van +de... niet-andere party. Hoe dit zy, ’n leugen wàs het. +Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het kiesrecht der +echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis is geworden +na ’t uitsluiten van de arme drommels die zich moeten tevreden +stellen met minder winstgevenden werkkring. Onze <i>Maddam</i> +dééd niet aan staatkunde, en dit is ’t slechtste +niet wat ik van haar zou kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een +der meisjes by den arm, en duwde haar naar ’t gapend luikje van +de schuit. “Allo, d’r in, as ’n meid! Koman, ik heb +nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo, d’r in, en jy ook!” +Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje ingescheept. De schuit +wiegelde by ’t opstappen en dreunde by ’t neerkomen op den +vloer van ’t ruim. Van onwil bleek er niets. De bedroefde +“moeder” die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog +verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog iets +aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas ’n +krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren +natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers te +maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? Wou ze +’t slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? +Och, neen, op eer en roem was ze in ’t minst niet gesteld, maar +er viel voor haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde +weten of er van dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. +Wouter’s aandringen by Pater Jansen om voorzichtigheidje te +spelen had haar aandacht gewekt, en ze wilde meer van de zaak weten +voor ze die beide personen uit het oog verloor, ’n oplettendheid +die rechtstreeks <span class="pagenum">[<a id="pb296" href="#pb296" +name="pb296">296</a>]</span>tot de eischen van haar “vak” +behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts ’t uitvloeisel van +gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de “radelooze moeder” +nogeens ter-markt te komen met haar radeloosheid:</p> +<p>—Hi, hi, hi, m’n arm kind!</p> +<p>Wouter vroeg weer aan z’n begeleider, of er dan van +hunnentwege volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen?</p> +<p>—M’n arm kind! En... m’n boezelaar! Als ik dan +in-godsnaam maar m’n boezelaar weerom had!</p> +<p>Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter’s +gedachten.</p> +<p>—Drie skelling en ’n oortje!</p> +<p>Weer rekende Wouter z’n Mentor voor, dat dit nog geen vollen +gulden bedroeg.</p> +<p>—Och, m’nheer, nog niet eens ’n volle heele +gulden! Wat scheelt òns die eene gulden?</p> +<p>De waardin en de moeder bespiedden om ’t zeerst wat er +tusschen die twee broeide.</p> +<p>—Hoor eens, jongeheer, ’t mag niet, zei Jansen, ’t +mag waarlyk niet! Maar...</p> +<p>—Toe, asjeblieft, m’nheer!</p> +<p>...dan zal <i>ik</i> ’t er byleggen. Ga je gang! Ik zal om +geld schryven aan m’n broer te Vucht. Maar gauw dan, ’t is +geen pleizierig staan hier.</p> +<p>Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde +’t grauwlinnen zakje waarin z’n geld geborgen was voor den +dag, had ’n beetje tyd noodig om den styf in-een-gedraaiden hals +te laten ontkrinkelen...</p> +<p>De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de +snelheid van de wenteling. Maar... ’t kon kopergeld wezen? Neen, +Wouter haalde een ryksdaalder voor den dag.</p> +<p>—Hi, hi, hi, m’n arm kind!</p> +<p>De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om de +oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de “drie +skelling” sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen +jongeheer op de gedachte te brengen dat ’n ryksdaalder +méér bedroeg dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er +volgens de eenvoudigste regelen van komptabiliteit iets viel terug te +geven? Ze veranderde dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar +“verloren kind” ’n onderwerp dat haar voorkwam in +beter evenredigheid te staan met ’n schadeloosstelling van vyftig +heele stuivers. Wouter stond met open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik +kan waarlyk niet zeggen of-i wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg +met haar oogen te doen te hebben om geen voedsel te geven aan de +gissing dat zy op wachten verdacht was, en misschien was het voor +Wouter-zelf ’n verrassing toen hy op-eens—in-godsnaam, +’t moest wel!—zich aanstelde alsof ’t wel werkelyk +z’n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder te offeren op +’t altaar van... van... ja, van wat eigenlyk? <span class= +"pagenum">[<a id="pb297" href="#pb297" name="pb297">297</a>]</span></p> +<p>—God zal ’t je duizendmaal loonen, jongeheer!</p> +<p>—Dat ’s vier zak guldens, en nog ’n beetje toe! +riep ’n rekenaar uit den hoop.</p> +<p>—Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m’n +arm kind worden?</p> +<p>Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de +zedelyke toekomst van dat “arme kind” eenigszins te +verbeteren, door de jammerende moeder ’n tweeden ryksdaalder +aantebieden.</p> +<p>’t Was waarlyk Wouter’s verdienste niet dat-i ditmaal +bewaard bleef voor ’t verergeren van de reeds begane fout. Hy +hoorde mompelen: “nou, voor <i>twee-gulden-tien</i> levert +ze-n-’t heele nest dat ze thuis heeft” waarmee waarschynlyk +de ons reeds eenigszins bekende “wurmen” bedoeld werden. +Deze taxatie kwam ons weldoenertje liefdeloos en onhoffelyk voor. +Opgewekt tot verzet tegen de “massa” die natuurlyk met luid +gelach den uitval toejuichte, wilde hy... zou hy... och, ’t kwam +er niet toe. Pater Jansen stond in den stuurstoel te wenken, de +schipper nam zyn plaats by ’t roer in, de knecht maakte het touw +los waaraan de schuit had vastgelegen, en z’n “aan-boord, +wie mee mot!” maakte aan de vertooning ’n eind. Onder luid +spotgejuich van de menigte op den wallekant, gleed de schuit heen. De +waardin had heel fatsoenlyk plaats genomen in de roef, misschien wel om +den edelmoedigen jongeheer in ’t oog te houden, schoon men ook +zonder deze strategische byzonderheid erkennen moet dat haar middelen +zoo’n gedistingeerdheid wel veroorloofden. ’t Scheen haar +alweer niet erg te hinderen dat de personen die ze in dat hokje vond, +ruimer plaats voor haar maakten dan stipt gezegd noodig was. Elk ander +zou zich beleedigd getoond hebben over de verregaande inschikkelykheid +waarmee ze ontvangen werd. Maar zy? Onze twee helden hoorden haar by +’t binnentreden zeggen: “ook goed! Beter zóó, +dan allemaal op ’n hoop, lieve menschen! Wie zweeten wil, kan +z’n gang gaan, maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet +waar?”</p> +<p>Dit vraagje werd gericht tot den <i>état major</i> die in den +stuurstoel zat, en ik zou ’t overgeslagen hebben als ’t me +niet te-pas kwam om ’n opmerking te maken over den oorsprong van +de Vrymetselary. Van: <i>vrymetselary</i> liever, zonder lidwoord. Ik +vind het wel zonderling dat men nog altyd daarnaar zoekt, alsof +’n aanleiding die zich dagelyks aan onze oogen vertoont, en die +zoolang bestaan heeft als er menschen op de aarde wonen, eenmaal in +nauwkeurig bepaalbare omtrekken ’n historische gebeurtenis zou +geweest zyn. Elke Nyl moet, volgens zeker soort van volksvoorgangers, +z’n byzondere bronnen hebben die men met den vinger op de kaart +kan aanwyzen, en uit valsche schaamte voor den leerling die er naar +vraagt, wil men maar niet erkennen dat die bronnen heel eenvoudig in de +wolken liggen. Waarom zou een der tallooze waarneembare spruitjes die +’t hunne bydragen om zoo’n rivier te maken tot wat zy is, +meer dan elk ander beekje, meer dan elke àndere vereeniging van +doorgesypelde druppels, den naam van eigenlyke bron verdienen? Zoo +bestaan <span class="pagenum">[<a id="pb298" href="#pb298" name= +"pb298">298</a>]</span>er veel vraagstukken welker oorzaak van +bestaan... ’n vraagstuk behoorde te zyn, of niet eens ’n +vraagstuk. We kunnen de oogen niet opslaan zonder <i>Wording</i> +waartenemen, en toch blyft men nog overal droomen van ’n +<i>Schepping</i>. ’t Lykt wel of zekere natuur- en +geschiedfilozofen hun beroep leerden op ’n registratiekantoor, en +vandaar de meening meebrachten vóór alles geroepen te zyn +de wereld-akten van ’n vasten datum te voorzien. Het boekdrukken, +’n hoogstbelangryk vak zeker, maar slechts in zeer letterlyken +zin van ’t woord: ’n <i>Kunst</i>, het +“stichten” van steden, de volksverhuizingen...</p> +<p>Hola, we zyn er! En ’n behoorlyke <i>date certaine</i> hebben +wy ook. Wel zeker, de lieftallige herderin was aan ’t +volksverhuizen met haar twee veroverde schapen, en men schreef: +<i>haarlemmer kermis, den zooveelsten dag</i>. Ziedaar registratie! +Och, ik moet wel korrekt tewerk gaan. Vanwaar anders dan uit ’n +deugdelyk vastgestelden kermistyd zou ik den orgelman bekomen, die +straks langs de vaart over den weg moet sukkelen om op ’t juiste +oogenblik onze <i>Maddam</i> te-hulp te komen in haar +natuurvrymetselary? Er is veel talent noodig om dit uitteleggen aan +lezers die ’t niet zonder uitlegging verstaan. Vooreerst gelieve +men te begrypen dat er op den ganschen weg, althans zoover ’t oog +van onze reizigers reikte, geen orgelman te zien was. Niets +natuurlyker. De man was met de zynen—waaronder z’n +gewichtig instrument—’n vol uur voor ’t afvaren der +schuit van Amsterdam vertrokken, en ’t spreekt dus vanzelf dat +men hem nog niet had ingehaald. Zonder loggen of zonschieten kan nu de +lezer vry precies berekenen hoeveel geografische zoetwater-ellen door +ons vaartuig waren afgelegd, toen de edele vrouw die betuigd had van +ruimte te houden, aan ’t stuurstoelpersoneel vroeg: of ’t +niet waar was? Strikt genomen hadden Jansen, Wouter en de schipper +’t recht gehad, hierop te antwoorden dat ze ’t wel gelooven +wilden maar niet met zekerheid wisten. Inderdaad, men moet niet alles +voor waar aannemen wat er door den eersten den besten gezegd wordt. Die +vrouw kon booze redenen gehad hebben om ’t publiek in ’n +verkeerden waan te brengen omtrent haar opinie over zweeten en +benauwdheid. Maar, och, ons drietal dacht zoo diep niet na. Jansen was +te bedroefd om te spreken, en Wouter te zeer vervuld van... iets dat op +’n aventuur geleek, om zoo terstond te kiezen tusschen twyfel, +geloof en ontkenning. Wat den schipper aangaat, hy hééft +geantwoord. Maar, lezer, zoolang ik u niet meedeel wàt de man +zei, is ’t voor u alsof-i niet geantwoord had, en ge hebt dus +’t recht, u voortestellen dat de schuit ’n haarbreed verder +was dan op ’t oogenblik toen de belangryke vraag gedaan werd. Hoe +kan ’t na deze opmerkingen iemand in ’t hoofd komen, te +meenen dat men dien orgelman reeds had ingehaald? Haasten laat ik me +zoomin als ’n haarlemmer-trekschuit zelf. De schipper heeft +geantwoord, o ja, maar ik ben aan ’t woord over de vrymetselary, +en dat gaat vóór. Hoe kan ’t anders, daar juist de +vraag “of ’t niet waar was, dat ze van ruimte hield?” +my de opmerkingen <span class="pagenum">[<a id="pb299" href="#pb299" +name="pb299">299</a>]</span>in de pen gaf, die nu—misschien niet +eens terstond—zullen volgen! Zou ik tuchteloos genoeg wezen my +met het antwoord te bemoeien voor ik de vraag heb afgehandeld? Zulke +kapriolen...</p> +<p>Die orgelman dan was door Fancy besteld om zich niet voor ’t +juiste oogenblik te laten zien, en we zouden verkeerd doen haar +beschikkingen vooruit te loopen, vooral wanneer we door geduldig +wachten gelegenheid vinden iets zeer wetenswaardigs te vernemen over +den oorsprong van vrymetselary. Waar de bronnen van den Nyl zyn, heb ik +reeds gezegd, en als ik nu ook dat andere ophelder zal de billyke lezer +erkennen dat ik niet gierig met nieuws ben, schoon ’t wel wat +veel is voor één hoofdstuk.</p> +<p>Eilieve, wat ter-wereld bewoog die waardin tot de vraag: “of +’t niet waar was?” Weetgierigheid? Om-godswil, hoe konden +Wouter en de schipper, of zelfs Jansen die ’n +“gestudeerd” persoon was, meer van de zaak weten dan +zyzelf? ’t Mensch was wel zoo oud als ik, dat heel erg is, schoon +ik tot eer van haar Publiek erkennen moet dat ze ’t veel verder +dan ik in de wereld gebracht had. Maar, gewaardeerd of niet, men wordt +geen zeven-en-vyftig jaar zonder ruimschoots tyd te hebben tot +beoordeeling van de vraag of men aan ruim- of nauw-zitten de voorkeur +geeft. Waarom in deze zaak de meening van anderen ingeroepen? Hoe zou +ze ’t opgenomen hebben, als een van de drie haar geantwoord had: +“ik ben ’t volstrekt niet met u eens, juffrouw. U houdt +meer van benauwdheid, want de groote <i>die</i> of <i>die heeft</i> +gezegd... enz?” Ik doe de werkelykheid geen geweld aan, door te +veronderstellen dat zoo’n tegenspraak niet zou gewaagd zyn zonder +beroep op den bekenden grooten dichter die frazen geleverd heeft voor +alle gelegenheden. Ik vraag my af wat ikzelf op haar nederig verzoek om +inlichting zou geantwoord hebben indien ik in dien stuurstoel had +gezeten? Maar ik kan me de mogelykheid daarvan niet voorstellen omdat +ik op dat tydstip niet geboren, en alzoo nòg onbekwamer was dan +nu in ’t oplossen der vraagstukken van zoo aetherischen aard als +waartoe afkeer van benauwdheid schynt te behooren. Er is geen woord van +waar, van deze klassifikatie, bedoel ik, want op m’n volstrekte +onbekwaamheid om vóór m’n geboorte meetepraten, +valt niets aftedingen. En ongeboren wàs ik. Er liggen honderd +twee en zeventig genien tusschen myn eersten kreet en ’t laatste +woord van die waardin. De lezer weet dat er in Nederland dertien genien +op ’n maaneklips gaan, en kan dus nu precies uitrekenen wanneer +ik jarig ben. Men wordt verzocht de miskende meetetellen, anders zou +men tot de slotsom komen dat ik nog in de wieg lig.</p> +<p>—Maar <i>ik</i> houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?</p> +<p>Mensch, waarom vraag je dat? Is ’t uit wysbegeerte? Heb je aan +duitsche filozofie gedaan, en wil je misschien de eigenschappen van +’t leelyke ding <i>an und für sich</i> dat je—met +permissie—je ikheid noemt, objektievelyk onderwerpen aan de +subjektieve <i>reinen-vernunftskritiek</i> van den haarlemmer-schipper +die z’n pyp stopt? <span class="pagenum">[<a id="pb300" href= +"#pb300" name="pb300">300</a>]</span></p> +<p>—Asjeblieft, schippertje!</p> +<p>Zoowaar, ze wil hem den koperen vuurbak aanreiken, waarin ’n +turfkool ligt te glimmen, voor verstuiving bewaard door ’n deksel +van messing, voor uitdooving ook door vyf ronde gaten, juist groot +genoeg om aan pypekoppen den toegang open te laten naar ’t vuur. +Toegang? ’t Mocht wat! De schipper, deugdzaam, griffermeerd en +verontwaardigd, vader van zes gehuwde kinderen, antwoordde ditmaal +niet. Hy haalde ’n tondeldoos uit z’n zak, nam de roerpen +onder den oksel, en bikte z’n eigen vuur. Was er geen +konsekwentie in dat waardig gedrag van den haarlemmer-schipper? En is +’t billyk, my te verwyten dat ik by-voorkeur beelden teeken die +thuis hooren op laag terrein? Kan men zich iets verheveners voorstellen +dan die tondeldoos en dat vuurslaan voor eigen rekening—als +schryver zou de man ’n gek figuur gemaakt hebben!—terwyl hy +de hand maar hoefde uittesteken om met z’n pyp den koperen +cylinder te bereiken die hem zoo gul... neen, zoo verleidelyk werd +aangeboden door de ondeugd? Of, al ware het dat-i met z’n +grootkop zou te-kort geschoten hebben om ’t altaar te bereiken +dat de valsche Vestale hem aanlangde, zou niet Wouter, de hulpvaardige +by-uitnemendheid, het vaasje met de meest mogelyke toewyding hebben +vastgehouden? Meent ge, lezer—gy die ’n man van +ondervinding en oordeel zyt, en bovendien als Christen bedreven in de +geheimenissen der demonologie—meent ge dat ooit aan ’n +haarlemmer-schipper die op ’t punt staat z’n eerste pyp +aantesteken...</p> +<p>Ze waren alzoo pas by de <i>Eén honderd Roe</i>, of +ter-nauwernood zoo ver. Alweer ’n bewys dat die orgelman nog niet +“in-zicht” kon wezen. Finaal onmogelyk!</p> +<p>... meent ge dat ooit de Satan zich aan zoo’n schipper +aanlokkender kan vertoond hebben dan in de warme gedaante van ’n +gloeiende kool? En tòch deugdzaam! Tòch konsekwent!</p> +<p>Deugdzaam? Ja. Maar wie van konsekwentie spreekt, heeft alweer +slordig gelezen. Hoe kan men weten of ’s mans pyp-opsteken voor +eigen rekening en risiko, in overeenstemming kan gebracht worden met +het antwoord dat de vrouw zoo-even van hem moet gekregen hebben, +zoolang men van dat antwoord geen kennis draagt? Overyling... uw naam +is lezer! Stel dat-i gezegd had: “Eulalia, ik bemin u meer dan +m’n schuit!—en nog altyd weet geen sterveling of-i wat +anders zei—zou ’t dan niet van onvergeeflyke harteloosheid +getuigd hebben, als-i zoo kort daarop Eulalia’s vuur had +afgewezen? Dat mannen veranderlyk zyn weet ik, en niemand betreurt deze +karakterfout meer dan ik, doch juist daarom noem ik ’t voorbarig +dien schipper te stempelen tot uitzondering, voor wy ’n beetje +meer van hem weten. In de eerste plaats alzoo...</p> +<p>Lieve God, wat moet ik nu ’t eerst vertellen? De +natuurmetselary wacht op verklaring. De schipper zuigt en blaast, de +tondel tintelt, en klaagt over m’n spelling, nu ja, maar kan ik +’t helpen dat onze taalwetgevers hun eigen wetten niet volgen? De +waardin schuift met mismoedig gebaar den versmaden vuurbak zoo ver ze +maar <span class="pagenum">[<a id="pb301" href="#pb301" name= +"pb301">301</a>]</span>eenigszins reiken kan over ’t roertafeltje +binnenwaarts, en verbergt haar smart onder den uitroep:</p> +<p>—Wel man, als ’t je niet lykt mot je ’t maar +zevend’half voet van je zetten. Graag of niet! ’n Mensch +z’n lust’ is ’n mensch z’n leven...</p> +<p>En, ’t hoofd buiten de deur-opening stekende, herhaalde zy de +gewichtige vraag:</p> +<p>... wel ja, niet waar?</p> +<p>Jansen en Wouter hadden nu twee zaken voor één +optelossen.</p> +<p>De vrouw wilde weten of ’t waar is dat ’t leven van den +mensch in z’n lust bestaat, ’n onderwerp dat weleens tot de +konkluzie zou kunnen leiden dat men niet juist alle dooden op ’t +kerkhof behoeft te zoeken, schoon ik niet verzekeren kan dat de +weetgierige vraagster van deze vroolyke slotsom ’t ware besef +had. Er bleek dat het zoo duidelyk uitgezwegen <i>non tali auxilio</i> +van den schipper ’t mensch gewond had, en ik verkies nu in haar +herhaalde poging om eigen indruk aan ’t oordeel van anderen te +toetsen, ’n bydrage te vinden tot den oorsprong der +<i>maçonnerie</i>.</p> +<p>Ten-allen-tyde bestonden er menschen die meer te zeggen hadden dan +’n ander, en zy die—zooals op ’t oogenblik onze +schipper—aan ’t roer zitten, maakten wel eens misbruik van +hun voordeeliger standpunt. Laat ons onderzoeken wie de vrouw was die +daar in de roef zat, en telkens haar hoofd buiten ’t deurtje stak +alsof ze kennis maken wou. Wie ze was? Wel hoe kan ik dit weten, ik ken +’t mensch niet. De vraag is zonderling. Ik weet alleen dat ze +zoo-even terdeeg was uitgescholden, en daar ze nog geen gelegenheid had +gehad het gepeupel dat haar met zooveel verachting behandelde, te doen +verzwelgen door dezen of genen afgrond, bevond ze zich in ’n +staat van vernedering die ’t midden hield tusschen wrevel en +kontritie, wel eenigszins gematigd of tot nader order teruggedrongen +door den wensch om Wouter te ontlasten van z’n ryksdaalders. Wat +haar boosheid aangaat, spot er niet mee, verwaten lezer. Ik had +<i>U</i> wel eens willen zien, tien minuten na ’t afgryselyk +oogenblik dat ’n brokje Publiek u gebruikt had als voorwerp van +deugdmanifestatie!</p> +<p>Tien minuten, zeg ik? Misschien was ’t nog wat minder, schoon +ik erkennen moet dat de schipper z’n tonteldoos... goddank, met +’n tintelende <i>t</i> dezen keer, ’t staat er! Ja, de +schipper had z’n vuurtuig geborgen waar zulks te doen gebruikelyk +is. Hy dampte deftig en dapper, en reeds had-i aan Jansen verzekerd dat +het vandaag mooi weer was. Toch blyf ik beweren dat de schuit nog geen +volle tien minuten gevaren had. Zóólang nog maar was de +waardin woedend geweest. Dit komt iemand die ’t nooit ondervond +zoo heel erg niet voor, maar men moet bedenken dat de deugdzame +gemaaktheid waarmee ’t roefpubliek zich by haar binnentreden +tegen ’t voorbeschot had gedrongen, geen goed aan de zaak deed. +Men kan gerust aannemen dat haar minuten dubbel telden, en waarschynlyk +is ’t aan deze byzonderheid te wyten dat sommige +historieschryvers, haar zielewenteling verwarrende met de +kopernikaansche gegevens <span class="pagenum">[<a id="pb302" href= +"#pb302" name="pb302">302</a>]</span>van ’t andere zonnestelsel, +in de dwaling vervielen dat onze schepelingen den orgelman reeds in +’t oog konden hebben. Niets is minder waar. De man was de +<i>Driehonderd Roe</i> al lang voorby, toen de vrouw de eerste keer +vroeg “of ’t niet waar was?” En nu? Nu, na alles wat +er sedert dat gewichtig oogenblik plaats vond? Dat <i>ik</i> instaat +ben op ’t kleinste wereldkaartje de plek aantewyzen waar hy zich +bevond, mag beschouwd worden als ’n billyk schryvers-prerogatief. +Maar zoolang ik m’n meerdere kennis voor mezelf houd, baat die +alziendheid weinig aan ’n ander. Om nu evenwel bewys te geven dat +ik op dat geestelyk overwicht niet groots ben, deel ik gulweg wat van +m’n overvloed mee, door alles te vertellen wat ik van de zaak +weet. Het zal velen interesseeren, vooral omdat er iets onmogelyks in +voorkomt. De orgeldraaier dien ik den lezer vóór den tyd +laat zien, was ’n Franschman. Dit is niet volstrekt onmogelyk. Om +geloofszaken had-i z’n land verlaten. Ook dit gaat de perken van +’t denkbare niet te buiten. Wie verlaat niet soms z’n +vaderland wegens verschil van opinie met z’n medeburgers? Hierin +lag alzoo de mogelykheid van z’n aanwezen niet, maar hy torschte +een straatorgel, en dit vind ik ongeoorloofd-byzonder, omdat +zoo’n ding in Wouter’s tyd nog niet bestond. Zoo ziet men +dat alle verbeteringen in armwezen, politiek en industrie worden +aangekondigd door ’n soort van voorloopers. ’t Voorgeslacht +heeft er geen weet van—omdat het overleden is—de tydgenoot +miskent en steenigt ze uit broodnyd, en de naneef... nu, dit ben +<i>ik</i> in dit geval, en ik zal m’n <i>émigré</i> +geven wat hem toekomt. Vooreerst dan kan ik u na ’t raadplegen +met al de oude schryvers die de zaak behandeld hebben, verzekeren dat-i +op ’t oogenblik toen de waardin bezig was met de vruchtelooze +poging om ’t hart van den schipper te doen smelten, in z’n +koeterwaalsch stond te kibbelen aan ’t Sloterdyker tolhek. Hy +trachtte vrye passage te bedingen, maar ’t lukte niet. Z’n +vrouw—zaagt ge ooit ’n orgelman zonder vrouw?—en haar +kinderen—wie zag ooit ’n orgelvrouw zonder +kinderen?—nu, ’t heele gezin stond om hem heen, en wachtte +met angst de beslissing af. Maar de tolgaarder was onvermurwbaar, en +betoogde op staathuishoudkundige gronden dat ouwerwetsche kwalen als +die waarin hy een zoo nuttig bestaan vond, met de meeste stiptheid +moesten gehandhaafd worden, omdat alleen hieruit te-eeniger-tyd de +algemeene afkeer kan voortvloeien die de afschaffing zal mogelyk maken. +“Maar ik zal ’t niet beleven, zeid-i, en m’n kinderen +ook niet!” Dit was wèl gezegd, voorwaar, en hy had gerust +nog ’n paar geslachten verder kunnen gaan, wat-i zeker naliet uit +de bescheiden vrees zich gezegender stamvaderschap aantematigen dan de +Heer hem toedacht. Vol karakter, en met ’n aandoenlyk vertrouwen +op de taaiheid van misbruik, bleef-i z’n recht tot plicht +verheffen, en eischte twee duiten de persoon. Had de man geen gelyk? By +de minste weifeling liep de Staat gevaar dat de Regeering in den Haag +zyn toegevendheid tot precedent stempelen, en zich daarop beroepen zou +om eens ’n enkelen keer met den tyd meetegaan. Wie huivert niet? +En wie <span class="pagenum">[<a id="pb303" href="#pb303" name= +"pb303">303</a>]</span>huivert niet nogeens by de bedenking dat +misschien alle Haarlemmers en Amsterdammers op-eens <i>vice-versa</i> +aan ’t verhuizen zouden gaan, als zoo’n tweeduits-slagboom +werd overgebracht naar ’n muzeum? Wie ’t wèl meent +met z’n dierbaar vaderland en ouwerwetsche zotternyen, huivere +ten derden maal. Maar dan is ’t ook genoeg.</p> +<p>De vrouw van den orgelman was ’n Duinkerksche, en kon zich +redelyk verstaanbaar maken, maar haar aanhouden had even weinig gevolg +als de niet verstane hoewel best begrepen vertoogen van haar +echtgenoot. Wat te doen? De stumperts waren nu eenmaal de tien, twaalf +duiten niet ryk, die er noodig waren om Haarlem te bereiken, waar ze +zeker opgang en goede zaken zouden maken met hun zeil. Want ze hadden +’n zeil, waarop ’n fraaie geschiedenis stond afgebeeld. Het +was, om ’n paar staken gerold, gedragen door de twee oudste +kinderen, die nu echter by dien slagboom hun vrachtje moedeloos hadden +neergelegd. Ook ’t orgel was op den grond gezet, en de vermoeide +man ging er op zitten, niet zonder vrees dat men tol zou komen vorderen +voor ’t beetje rust dat-i waarlyk wel noodig had. De vrouw was +uitgepraat, en de tolgaarder had alle verzoeking tot het schenden van +z’n plicht afgesneden door zich in z’n huisje +terugtetrekken, waar-i z’n werkzaam leven voortzette. De nood was +hoog, en alzoo de redding naby. Nu denkt de lezer dat Wouter aan de +beurt komt. Welzeker, wat beteekenden voor hem tien duiten, of al waren +’t er twaalf! Ik heb de kinderen niet geteld, en weet bovendien +niet of de vele zuigelingen die daarby waren, moesten meedragen in +’t onderhoud van den straatweg? Maar al had ik ze geteld, en al +wist ik dat, om godswil, lezer, hoe kon Wouter hier helpen, hy die nog +ver af was, en van de heele zaak geen kennis droeg? Geloof me, als +Wouter in dit byzonder geval God met anderhalven stuiver was te-hulp +gekomen in ’t redden van vyf, zes ongelukkigen, ik zou ’t +zeggen! Reeds voor mezelf houd ik niet van nederigheid, waarom zou +ik—ten-koste nogal van m’n roem als nauwkeurig +geschiedschryver—preutsch omgaan met de verdiensten van ’n +ander? Wouter zat nog altyd lang en breed te peinzen over... die twee +meisjes, en wie z’n indrukken gekend had, zou gevonden hebben +dat-i ditmaal byzonder weinig op ’n plaatsvervangende +Voorzienigheid geleek. Er was toch iets aardigs in, dacht hy, zoo +op-eenmaal door ’n vrouw uit Haarlem uit z’n gewonen kring +gehaald te worden. Hy wou graag gelooven dat ze de wereld niet van den +allerfraaisten kant intraden, maar ’t was die <i>Wereld</i> toch, +’t was ’n uitvlucht, iets ongewoons. Zoo’n meisje had +toch veel voor. Wie zou ooit hèm komen halen, wie hèm +verlossen van Stoffel, Kopperlith’s en gewoonheid? Die meisjes +waren “gevallen” o zeker, en dit is heel verkeerd, maar +hadden ze niet byzonder prettige genoegens te wachten van ’t +opstaan? Ieder weet dat God graag vergeeft—men moet bedenken dat +het z’n eenige uitspanning is—en ook de Maatschappy strekt +tot verrekkens toe haar armen uit om berouwhebbenden aan haar +vriendelyke borst te sluiten. Onder al die omhelzers bevindt zich +alligt ’n prins die zich zoo verheugt over <span class= +"pagenum">[<a id="pb304" href="#pb304" name= +"pb304">304</a>]</span>’t weervinden van ’n verloren +schaap, dat-i al z’n koningryken wat weinig acht om op ’t +laatste blaadje van den roman te worden neergelegd aan de voeten... +och, hoe jammer dat Jansen plaats had, genomen in de roef!</p> +<p>Maar met al die overleggingen hebben we niet te maken, omdat, we nu +te Sloterdyk zyn. Daar Wouter er nog niet was, zag God-zelf zich wel +genoodzaakt ’n hand uittesteken. Hy verwekte een verlosser in +Israël, in de gedaante van ’n kleinen boerenjongen, die uit +het dorp over de vaart heen bemerkte dat er by het tolhek iets +byzonders aan de hand was, en z’n ontdekking aan twee, drie +anderen meedeelde. Dezen, gedreven door den geest, maakten er ook geen +geheim van, en alles liep uit, de brug over, naar den slagboom: er was +Publiek! Wat kan ’n artist meer verlangen? “<i lang="fr">A +la bonne heure!</i>” zei de man, en hy gaf bevel de paaltjes in +den grond te slaan, waaraan ’t zeil werd opgeheschen, ontrold, +vastgehecht... och, zoo kleurig! Heel Sloterdyk stond verbaasd, en er +was reden toe. Want, al z’n leven, men kreeg de geschiedenis der +schoone <i>Genoveva van Brabant</i> te aanschouwen! Wie ’t zag, +zou moeten erkennen dat Wouter groot gelyk had, toen-i in z’n +print-kleurperiode zoo jaloersch was op dat leven in ’n woesteny. +Geen kind in heel Sloterdyk dat er niet precies zóó over +dacht. Het zeil was verdeeld in vier kolommen, en overdwars in zeven +ryen, ’n verdeeling die me straks kan komen te staan op ’t +vertrouwen van den lezer. Want zie, de man zong welgeteld +negen-en-twintig koepletten, en ’t zal dus schynen dat ik +òf ’n koeplet van eigen vinding valschelyk onderschuif, +òf dat ik—erger nog—te-kort doe aan ’t zeil. +’t Een is zoo onmogelyk als ’t ander. Men schudt geen +poëzie als de hier bedoelde uit den mouw, en wat het zeil aangaat, +wie zag er ooit een met negen-en-twintig vakken? Blyft men in-weerwil +hiervan m’n nauwkeurigheid wantrouwen, ’t spyt me wel, maar +ik zal trachten my in ’t verdriet daarover weer te schikken. Men +is nu eenmaal niet voor z’n pleizier op de wereld. Misschien ook +voelt de ergdenkende lezer berouw, als-i den tekst van de +<i>Complainte</i> gelezen heeft. Hy zal inzien dat men zoo-iets niet +machtig wordt zonder nauwkeurige bronnen geraadpleegd te hebben.</p> +<p>Men moet daartoe beneden de twaalf jaar zyn, of... +véél ouder. Dat de Sloterdykers er niet veel van +verstonden, deed weinig schade aan ’t effect. De acht-en-twintig +kleurige tooneeltjes op ’t zeil schreeuwden wèl zoo hard +en spraken duidelyker dan de beide zwervers. En wat men op printjes +niet begreep, werd opgehelderd door ’t larmoyeerend +orgel.<a class="noteref" id="xd19e11473src" href="#xd19e11473" name= +"xd19e11473src">4</a> <span class="pagenum">[<a id="pb305" href= +"#pb305" name="pb305">305</a>]</span></p> +<p>Niemand van de toeschouwers had achtgeslagen op ’t naderen van +de schuit. Wonder was ’t niet, want toen ze begon in-zicht te +komen, had men zich even te-voren vermaakt met de exekutie van Golo, +die zoo duidelyk op het drie-en-twintigste vakje was voorgesteld dat +slechts weinigen er geen kippevel van kregen, en wie in dit ongevoelig +geval verkeerde, wachtte zich wel het te zeggen. Niemand beklaagde den +booswicht, en als de Sloterdykers zitting hadden gehad in die +rechtbank, zouden de stukjes waarin hy gesneden werd, nog veel kleiner +uitgevallen zyn. De <i>chères</i> en de <i>grandes +tendresses</i> waarop Genoveva vervolgens onthaald werd, waren op +’t zeil heel aanlokkelyk voorgesteld. ’t Doet me genoegen +dat Wouter er niets van gezien heeft. Ook had de schilder middel +gevonden, den toeschouwer te doordringen van haar aanhoudend omgaan met +“J. C.”<a class="noteref" id="xd19e11485src" href= +"#xd19e11485" name="xd19e11485src">5</a> slechts afgewisseld door +’t biddend en dankend gebruiken van ongekookte boomwortelen. Och, +men hoeft zoo weinig fransch te verstaan om zulke dingen innig te +begrypen! Nog één koeplet, en heel Sloterdyk was aan +’t bidden en uitgraven van boomwortels gegaan. Ieder ziet in dat +het publiekje van den troubadour, in zoo’n gewyde stemming wel +wat anders te doen had dan op de schuit te letten, die daar zoo +onverschillig kwam aanschuiven alsof er nooit ’n Genoveva in de +wereld geweest was. En die hinde! Juist toen ’t arme dier bezig +was met z’n <i>miracle nouveau</i>, door <i>quoiqu’on lui +porte</i> van honger te sterven op dat graf, hoste de jager voorby. De +lyn van zoo’n haarlemmer-schuit is tachtig vaam lang...<a class= +"noteref" id="xd19e11495src" href="#xd19e11495" name= +"xd19e11495src">6</a></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e11096" href="#xd19e11096src" name="xd19e11096">1</a></span> Zie +noot blz. 305.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e11146" href="#xd19e11146src" name="xd19e11146">2</a></span> Dat +wil zeggen: in het tuchthuis waar de veroordeelden +<i>Campêche-</i> of <i>Fernambakhout</i> raspten. (M.)</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e11266" href="#xd19e11266src" name="xd19e11266">3</a></span> In I. +1272 geeft M. een verhandeling over de machteloosheid van wet, +regeering en philantropie in den stryd tegen de onzedelykheid: de +theorie vermag hier niets tegen de praktyk. Het eenige middel om den +handel in ontucht te gronde te richten is <i>ware</i> beschaving, d. i. +“zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, om +<i>genot te vinden in arbeid</i>.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e11473" href="#xd19e11473src" name="xd19e11473">4</a></span> In +het troubadourslied wordt verhaald van de edele Genoveva, die door den +verrader Golo van overspel beschuldigd, aan den dood ontkomt, doordat +twee dienaars haar met haar kind laten ontkomen. In het woud leeft ze +van wortels, haar kind wordt door een hinde gezoogd. Op de iacht vindt +haar gemaal haar: Golo’s verraad komt uit en Genoveva wordt in +eere hersteld: maar ze blyft een ascetisch, vroom leven leiden, ze +voedt zich enkel met boomwortels, en denkt slechts aan Jezus Christus. +Als ze sterft treuren allen,—de hinde weigert op haar graf alle +voedsel en sterft er.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e11485" href="#xd19e11485src" name="xd19e11485">5</a></span> = +Jezus Christus.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e11495" href="#xd19e11495src" name="xd19e11495">6</a></span> Om +zyn naam als letterkundige eer aan te doen verklaart M. dit te weten, +niet door het <i>meten</i> van het touw, maar door het raadplegen van +andere bronnen: als Plinius en Plutarchus! Vervolgens geeft hy in I. +1278 het in de opschriften van vorige hoofdstukken (zie blz. 265 en +288)aangekondigde “stuk 17de eeuwsche volksroem,” +voorafgegaan door een afbrekende kritiek van Engelsche letterkundigen +op Vondel en Cats, n.l. een citaat vol buitenlandsche lof over de +geregeld varende Treck-schuyten, “dat bestemd was ’n helder +licht te werpen op den vermoedelyken afloop van Wouter’s reis +naar Haarlem.”</p> +</div> +</div> +<div class="div1 nohead"> +<div class="argument"> +<p>Oorsprong der <i>vrymetselary.</i> Hoe men ’t moet aanleggen +om met sommige menschen kennis te maken. Wouter komt niet te +Haarlem.<a class="noteref" id="xd19e11508src" href="#xd19e11508" name= +"xd19e11508src">1</a></p> +</div> +<p>Ze was terdege boos. De lezer zal wel weten dat invloed, macht, +gezag, heerschappy, overwicht en de van al deze factoren grootendeels +afhangende tevredenheid met zichzelf voortdurend in stygende of dalende +beweging zyn. Wie aan de verliezende hand is, voelt zich genoopt naar +bondgenooten omtezien, en opent met ’n klein toespraakje de +preliminaire onderhandelingen. Hy tracht te weten te kernon of er kans +bestaat dat anderen in z’n verdriet deelen—of al was +’t maar in z’n afkeuring—en hy staat gereed het +minste blyk daarvan aantegrypen tot herstel van de ondergane krenking. +<span class="pagenum">[<a id="pb306" href="#pb306" name= +"pb306">306</a>]</span>Het spreekt vanzelf dat de onderliggende party +gewoonlyk meer scherpzinnigheid aan deze taktiek ten-koste legt dan de +zegepralende tegenstander die weleens op z’n behaalde lauweren in +den dut valt, en niet aan versterking van standpunt begint te denken +voor de stygende invloed van den vyand hem daartoe aanspoort. In +oogenblikken van betrekkelyke gelykheid openbaart zich de wryving in +morren, twist, krakeel, vechtpartyen of oorlog, al naarmate de stryd +zich tot individueele belangen bepaalde, of wyder gebied innam. Daar +evenwel zoodanige gelykheid nooit lang aanhoudt, en er alzoo telkens +op-nieuw ’n onderliggende party gevormd wordt die aan herstel van +standpunt behoefte voelt, is dat zoeken naar geestverwantschap ’t +<i>perpetuum mobile</i> geworden dat de gansche maatschappy in beweging +houdt. De machtigste korporatie die ooit bestond, moet begonnen zyn met +de vraag: of ’t niet waar was? Maar de Geschiedenis zwygt over de +tallooze malen dat er op die vraag geen weerklank werd gegeven, of wel +’n antwoord dat verdere onderhandelingen afsneed en alle +toenadering onmogelyk maakte. Het is aan ’n zeer byzonder toeval +te danken, dat ik kan meedeelen hoe de eerste poging van de waardin was +beantwoord geworden. Zie hier wat de schipper had gezegd, toen ze +terstond na ’t instappen van de roef ’n gesprek trachtte +aanteknoopen:</p> +<p>—Zeg ’ns, mensch, als ik jou was, zou ik me nou +ereissies heel bedaard houwen. Ik ben hier baas aan-boord, versta je +dat?</p> +<p>Zeker verstond ze ’t wel, maar ze zal evenmin als ik begrepen +hebben hoe dat baasschap hier te-pas kwam? En wat de bedaardheid +aangaat, waaraan de schipper betuigde zich te willen overgeven zoodra +hy háár was... och, ik zeg dat die schipper onmogelyk +weten kon wat-i in dat vreemd geval doen zou.</p> +<p>—Wel nou keman, nog bedaard ook, en dat na zoo ’n +veraffrentasie!</p> +<p>Meer had ze niet gezegd, en daarmee was ’t voor datmaal uit +geweest. Laat ons de geestkracht en de gevatheid bewonderen, waarmee ze +dat komfoor te-baat nam om den aanval te hervatten. Doch we weten reeds +dat ook die poging schipbreuk had geleden op de onafhankelykheid van +karakter die de deugdzame schipper wist te putten uit z’n +tonteldoos. Het speet ons voor de waardin, maar we zyn niet ondankbaar +voor de leering hoe goed het is, by zekere gelegenheden eigen vuur by +de hand te hebben. Het wyf zat nu heel menschenkennig te loeren op +’n derde gelegenheid. Dat er in elk kuras gapingen zyn, wist ze +wel... lieve god, pater Jansen en Wouter waren in ’t geheel niet +geharnast! Ja, had ze maar met die twee alleen te doen gehad. Maar de +schipper was drukkend pedant en groots. Hy blufte op z’n gezag +aan boord, op z’n deugd, op z’n zes gehuwde kinderen:</p> +<p>—Allemaal best af, m’nheer pastoor, best! <span class= +"letterspaced">Twee</span> by ’t waagdragen... ’n mooi vak, +m’nheer pastoor!</p> +<p>Jansen liet z’n kin op de gevouwen handen, en deze op den knop +van z’n rotting rusten, maar antwoordde niet. Z’n gelaat +teekende <span class="pagenum">[<a id="pb307" href="#pb307" name= +"pb307">307</a>]</span>droefheid, en de waardin bespiedde z’n +stemming. ’t Was, meende zy, al <i>iets</i> dat-i door z’n +zwygen weinig blyk gaf van den lust om in vriendschappelyke +verstandhouding tot den schipper te komen.</p> +<p>—En de derde is op ’n armenschool... als onderwyzer, +weet u. Dàt is er een! Als-i ’n woord ziet, vraagt-i +dadelyk waarvan ontleent zich dat? En hy wéét ’t! +Nou, ik heb ze best opgebracht, dat moet ik zeggen. ’t Oog op +God, zoo zei ik maar altyd, en dan...</p> +<p>Een blik op de roef.</p> +<p>...eerlyk door de wereld! Wat zegt <i>U</i>, m’nheer +pastoor?</p> +<p>Helaas, Jansen zei weer niets, en de fondsen van de waardin rezen +’n beetje. ’t Leek wel of nu de beurt aan den schipper was +gekomen om behoefte te voelen aan wat weerklank. De man verwonderde +zich dat-i met z’n “God voor oogen!” niet beter +slaagde vooral omdat-i met ’n geestelyke te doen had, die +beroepshalve wel verplicht was zulke praatjes heel mooi te vinden. Maar +hierin vergiste zich onze schipper. Over ’t algemeen vinden die +heeren ’t niet aangenaam dat de terminologie van ’t vak +door leeken ontwyd wordt. Ze houden meer van zondaren dan van +dilettanten in zaligmakery, omdat ’n klant boven ’n +konkurrent gaat. Deze algemeene waarheid was nu wel niet op den goeden +Jansen toepasselyk, maar de teleurstelling van den schipper werd er +niet geringer om. Sedert dertig jaren verkondigde hy z’n fameuze +hoofdgrondstelling tweemaal daags—op den zeldzamen keer na, dat-i +geen enkelen passagier in de roef had—en nog nooit was z’n +hoogstmerkwaardig maxime aangehoord zonder hem ’n zalvend: +“ja, ja, schipper, daar heb je wel gelyk in!” optebrengen. +Dit behoorde tot de emolumenten van z’n verheven beroep, en die +pastoor zat maar zwygend op z’n neus te staren! Zelfs voor het +ditmaal zoo byzonder toepasselyke: “eerlyk door de wereld!” +had die vervelende passagier geen goedkeurend woordjen over, geen +knikje! Er moesten andere loopgraven geopend worden:</p> +<p>—Ja, God voor oogen, zeg ik maar. Nou, onze Chris—want +Chris heet-i naar z’n grootmoeder, omdat die ook Chris +heette—’t is ’n eerst platje. ’t Was eigenlyk +m’n vrouws moeder... ook ’n brave vrouw, dat kan ik je +gerust zeggen, m’nheer pastoor! ’t Mensch is dood, maar +anders... Jan, vier ’n scheutje tot die modderpraam voorby +is.</p> +<p>Jan de knecht vierde drie vaam van de jaaglyn. Heel noodig was +’t juist niet, maar de schipper vond de gelegenheid gunstig iets +van z’n zeemanschap te laten zien.</p> +<p>—Ja, m’nheer pastoor, zoo ben ik! Ik heb graag wat +speling in de lyn als er drukte-n-in de vaart is. Een mensch moet op +z’n zaken passen, en... God voor oogen! Dan kom je ’r wel. +Haal nu maar weer in, Jan. Zóó heb ik ze opgebracht, alle +zes, m’nheer pastoor. En onze Chris zei—want hy is ’n +platje—“wel, vader, waarom noemen je de menschen +haarlemmer-schipper? Nou, ik begreep terstond dat er wat achter stak, +maar waar ’t ’m zat kon <span class="pagenum">[<a id= +"pb308" href="#pb308" name="pb308">308</a>]</span>ik niet raden, want +geleerd ben ik, om ’t zoo ’reis ronduit te zeggen, niet. +Maar ik versta m’n werk als de beste...</p> +<p>Waarschynlyk om Jansen hiervan te overtuigen, gelastte hy nu +z’n knecht het dek van de schuit dat met teer en gestampte +schulpen besmeerd was, met water te bevochtigen.</p> +<p>—’n Paar pussies maar, want ziet u, m’nheer +pastoor, anders kleeft het zoo, als er den heelen dag de zon op staat. +Nou, en m’n.. eene dochter—Jansje heet ze, omdat ze +eigenlyk naar my genoemd is, want... myn naam is Jan—nu die is +getrouwd met ’n boekbinder. Die heeft ook al haar vierde... +allemaal meisjes. En de tweede is in de blye verwachting, want haar man +is op ’n kantoor in de accynsen. Daar worden alle varkens +gewogen... van de stad, weet u?</p> +<p>—Maar, m’nheer, waagde Wouter te vragen, waarom mag men +u geen haarlemmer-schipper noemen?</p> +<p>—Ja, niet waar, dàt is ’n vraag! Nou, hy is +’n guit, dat zal je hooren. En alles maar zoo droog-weg. Hy +zei... maar zeg eens, ben je meer te Haarlem geweest?</p> +<p>Of Wouter er geweest was!</p> +<p>—Want anders kan je ’t niet zoo dadelyk begrypen. Maar +ik wou m’nheer pastoor vertellen van m’n derde dochter. Die +woont in de Langstraat, en haar man heeft ’n winkel, en daarin +verkoopen ze zoowat van alles. ’t Is om ’t nu zoo eens +uittedrukken: ’n komeny, maar aanspreker is-i ook, en hy bedient +’n begrafenisfonds, en dat geeft nogal. Toen verleden haar +jongste gestorven is, hebben ze-n-uit hun eigen bus twintig gulden +gehad. Bn nu is de middelste ook ziek, ’n meisje, m’nheer +pastoor, met kromme beentjes en nogal pieperig. Ja, ’t gaat +’rlui best. Ze wil altyd dat ik m’n rust zal nemen omdat ik +op jaren kom, want Pietje heet ze, omdat ze genoemd is naar m’n +vader, en die heette Piet. En ze wil dat ik zal uitscheien met werken +omdat ik zoo erg op jaren kom, m’nheer pastoor, en al zooveel +beleefd heb. Maar ik zeg maar altyd: né, zoolang God me kracht +geeft...</p> +<p>Zóólang zoud-i zeven uren daags in dien stuurstoel +zitten, en nog meer beleven, en haarlemmer-schipper blyven, of wat-i +dan volgens z’n guitige zoon wezen mocht.</p> +<p>—Een mensch moet op z’n post blyven naar Gods bestel, +m’n-heer pastoor. Dàt heb ik altyd m’n kinderen +voorgehouden, en daarom gaat het hun best.</p> +<p>—Maar, m’nheer, waarom mag men u geen +haarlemmer-schipper noemen?</p> +<p>—Precies, zoo kom je-n-op ’t ware punt van de zaak. Wel, +jongeheer, hy zei—maar ’t is ’n guit, dat zal je +zien—“vader, zeid-i, zoodra je <i>Halfweg</i> gepasseerd +bent, word je Amsterdammer-schipper.” ’t Is waar ook, zei +ik, en ik had er nooit aan gedacht. Zoo zieje wel dat zoo’n +jongen me de baas is. Maar... God voor oogen, dat ’s best van +allemaal. Wel ja, straks voorby <i>Halfweg</i>—als je-n-in die +streken bekend bent, zal je ’t zelf zien—dan kom ik, om zoo +<span class="pagenum">[<a id="pb309" href="#pb309" name= +"pb309">309</a>]</span>te zeggen, van Amsterdam, en hier gaan we nog +altyd maar naar Haarlem. Hoe vind je die? En hy is pas zeventien!</p> +<p>Wouter glimlachte even uit goedhartigheid, maar verder kon-i +’t niet brengen. Dat de maçonnieke poging van den schipper +om met pater Jansen in gesprek te komen niet gelukken kon, spreekt +vanzelf. Dit zou ’t geval gebleven zyn al ware de meegedeelde +geestigheid eenigszins geestiger geweest, want de goede man repeteerde +z’n theologischen kursus. Hy overpeinsde of er iets goeds kon +gedaan worden, en wat? Geestelyke hovaardy was hem vreemd, maar toch +voelde hy als fatsoenlyk man ’n instinkmatigen afkeer van +’t wyf dat hy wel zou moeten aanspreken als-i besloot zich het +lot van die twee meisjes aantetrekken. Dit nu hield hy in z’n +onnoozelheid voor plicht, en... zy wist het! Ze wist dat er slechts +’n gepaste aanleiding noodig was om hem aan ’t spreken te +krygen. Zonder uitbundige instemming hebben we hem hooren beweren dat +er op ’n <i>Simmenarie</i> zooveel menschenkennis viel optedoen, +maar wel durven we deze eigenschap toekennen aan de vele simmenarien +die onze waardin in haar jeugd bezocht, en na voleindigde studien op +ryper leeftyd bestuurd had. Met grapjes of ’n geestigheid was die +ernstige pastoor niet te genaken, dit voelde ze wel. Met opgedrongen +vriendelykheid evenmin. De weg naar z’n gemoed... ze wàs +er!</p> +<p>—Dàt kan ik niet aanzien, riep ze, ’t schreit +werachtich tot God! Schipper, leg ’ereis an, en neem die +stumperts in je schuit. <i>Ik</i> ben goed voor de vracht.</p> +<p>—Ik mag ’t niet afslaan, zei de schipper, die Jansen +aankeek alsof-i zich verontschuldigde. Zaken zyn zaken, dat zal +m’nheer pastoor ook wel weten.</p> +<p>Hy riep den jager toe, halt te houden. De lyn plaste in ’t +water, en de schuit werd naar wal gestuurd. De waardin die uit de roef +in den stuurstoel gestapt was, riep en wenkte de tobbende orgelfamilie +die na eenige opheldering over de onverwachte vriendelykheid in de +schuit werd opgenomen.</p> +<p>—Zit jelui daar nou maar ereis heel op je gemak, lieve +menschen, en rust wat uit. <i>Ik</i> ben goed voor de vracht...</p> +<p>En Jansen aanziende:</p> +<p>... wel ja, niet waar, men moet z’n evenmensch ’n beetje +helpen in de wereld?</p> +<p>Ziedaar nu haar derde: “niet waar?” en ’t beste! +Jansen antwoordde wel niet terstond, maar zag haar vriendelyk aan, en +toen ze daarop blyk gaf naast hem te willen plaatsnemen, overschreed de +ruimte die hy maakte, de grens niet die de welwillendheid in zulke +gevallen aanwyst. De waardin gunde zich de genoegdoening, den schipper +’n zegepralenden blik toetewerpen. Maar we mogen aannemen dat-i +met het oog op God dien slag overleefd heeft, daar we van-goeder-hand +weten dat-i eerst jaren daarna overleden is, waarschynlyk in ’n +oogenblik dat-i ’n verkeerden kant uitzag. Wie dit vermoeden te +liefdeloos vindt, mag veronderstellen dat de man, <span class= +"pagenum">[<a id="pb310" href="#pb310" name="pb310">310</a>]</span>ook +zonder de minste fout in de richting van z’n oogen, ten-laatste +bezweken is aan deze of gene ziekte die Gods macht te-boven ging. Aan +ouderdom, by-voorbeeld. Want dat gebeurt soms.</p> +<p>Hoe dit zy, by de gelegenheid die we hier behandelen, hield de man +zich kras. Hy verdampte zoo goed mogelyk z’n ergernis over den +triumf van de waardin. Deze was er werkelyk in geslaagd met den +geestelyke in gesprek te komen, en Wouter luisterde aandachtig toe. Nu +’t ys eenmaal gebroken was, bleek het wyf raad te weten voor +’t wegruimen van de schotsen.</p> +<p>—Best, wees jelui maar vroolyk in de schuit! riep ze toen de +tonen van het draaiorgel zich deden hooren. Ja, m’nheer pastoor, +ik hou van vroolykheid, en de man kan nu zitten by z’n werk! +’t Was niet aantezien, niet waar?</p> +<p>—Ja, juffrouw, zoo’n orgel is ’n heele vracht.</p> +<p>—En die arme vrouw met al haar wurmen van kinderen!<a class= +"noteref" id="xd19e11622src" href="#xd19e11622" name= +"xd19e11622src">2</a></p> +<p>—Ja, zeker, juffrouw, ’t is wel om meely mee te hebben. +Maar...</p> +<p>Wat-i “maren” wou, wist hyzelf niet recht. Geheel +onwillekeurig voelde hy aandrang tot iets als protest tegen +háár bevoegdheid om ’n aandoening te openbaren die +goed was, of by hem voor goed doorging. De slimme feeks, op den weg +gebracht misschien door ’n eigenaardige uitdrukking op z’n +gelaat, begreep iets van de vyandige strekking die zich zoo +schroomvallig openbaarde, en nam haar maatregelen:</p> +<p>—Och, m’nheer pastoor, ik kan m’n evenmensch niet +zien lyen. Als ik niet zoo vol behuisd was... kyk, ik nam zoowaar graag +een van die stumperts by me, al was ’t de kleine jongen die op +’t orgel zat.</p> +<p>—Hé, riepen Jansen en Wouter tegelyk.</p> +<p>—Ja, m’nheer, ja, jongeheer, zoo ben ik, werachtich as +Chot!</p> +<p>—Maar, juffrouw...</p> +<p>—Och, m’nheer pastoor, menig mensch is niet zooals-i +’r uitziet. Ik heb altyd m’n evenmensch geholpen, dat heb +ik. Daar heb je nu die twee meissies daar vóór in +’t ruim! Wat is ’t geval? De een heeft geen moeder, geen +vader, geen levendige ziel... nooit gehad, m’nheer pastoor! Wat +doet ze? Ze loopt voor oud vuil op de straat rond. Ze had om zoo te +zeggen, geen hemd aan ’t lyf. Wat heb ik gedaan? Ik heb ’r +kleeren gekocht, voor dertig gulden kleeren, m’nheer pastoor! En +die andere? Nou, die heeft ’n moeder... godbetert! Liever +géén, zeg ik. Ze stuurt ’r kind de straat op om +jongens nateloopen, jongens en heeren! Nou, ’t zyn er heeren na! +En van dat schandloon wil de moeder ’t hare hebben! Ik vraag u, +m’nheer pastoor, wat komt er te-recht van ’n meid die op +straat loopt?</p> +<p>De arme Jansen was verbluft, en niet genoeg ingewyd in de geheimen +van ’t vak, om zoo terstond te weten wat er te antwoorden viel. +De vrouw ging voort: <span class="pagenum">[<a id="pb311" href="#pb311" +name="pb311">311</a>]</span></p> +<p>—Toen heeft ze my ’n brief geschreven... of ze ’m +zelf geschreven heeft, laat ik daar, maar ze vraagt of ik niet in +Haarlem ’n nette fatsoenlyke dienst voor haar weet by stille +menschen, en... en... en... om ’n beetje voorschot, zooals +’t by zulke gelegenheden gaat. En wat doe-n-ik? Ik zend haar tien +dukatons. <i>Tien dukatons</i>, m’nheer pastoor! En nu ik kom om +haar aftehalen—wel ja, van m’n verlies kan ik niet +leven!—wat gebeurt er? De menschen schelden me-n-uit!</p> +<p>Hier begon de edele vrouw zeer toepasselyk te schreien. Wouter bleef +haar bewegingloos en met open mond aanstaren. Jansen was geheel in de +war. Uit het ruim der schuit klonken ’n paar wegstervende maten +van de fransche <i>complainte</i>. De schipper richtte z’n oog... +altyd op God, natuurlyk, maar nu ook zeer in ’t byzonder dan eens +op de wolken, dan weer op den nagel van z’n linkerduim, +’tgeen scheen te moeten beteekenen dat het verhandelde hem niet +aanging.</p> +<p>Met allerlei praatjes bracht de waardin ’t zoover dat Jansen +haar uitnoodigde de reis naar Haarlem niet met de beide meisjes +voorttezetten. “Hy zou haar wel eens willen spreken” zeide +hy, en ze had er niets tegen. Hieruit vloeide voort dat Jansen, Wouter, +de waardin en haar beide beschermelingen zich by ’t +“overloopen” te <i>Halfweg</i> ’t genoegen ontzegden +den haarlemmer-schipper te zien overgaan in ’n amsterdammer. Zy +wenschten hem goede reis, en namen gezamenlyk plaats aan ’n +herbergtafeltje voor ’t gastvrye <i>Huis Ter-Hart</i>, waar +Wouter alweer niet van z’n preek over zuinigheid verloste. Arme +Styntje!</p> +<p>De waardin kwam ’n volle schuitbeurt later thuis dan ze +gedacht had. Voor haar vertrek van ’t <i>Huis Ter-Hart</i> had ze +Jansen, Wouter en de beide berouwhebbende Kaatjes te-voet het pad der +deugd zien inslaan, dat was—in dit byzonder geval, en zonder de +minste konsekwentie voor den vervolge—den vervelenden straatweg +naar Amsterdam...</p> +<p>Om-’s hemelswil, we willen toch hopen dat Jansen niet van plan +is die twee schepsels by Styntje te introduceeren?</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e11508" href="#xd19e11508src" name="xd19e11508">1</a></span> Dit +laatste zinnetje voegde Mevr. de Wede. Hamminck-Schepel aan dit +opschrift toe naar aanleiding van uitlatingen van M. over Wouters +reis.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd19e11622" href="#xd19e11622src" name="xd19e11622">2</a></span> Hier +volgt een opmerking over de oud-testamentische dwaling, die de +goddelyke zegen afmeet naar ’t kindertal.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> +<h3>Beschikbaarheid</h3> +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met +vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de +Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a class= +"exlink" title="Externe link" href= +"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie +team op <a class="exlink" title="Externe link" href= +"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> +<p>Deel één is beschikbaar in Project Gutenberg als ebook +nummer <a class="exlink" title="Externe link" href= +"http://www.gutenberg.org/etext/23796">23796</a>.</p> +<h3>Codering</h3> +<p>Dit bestand is in de originele spelling van Multatuli. Er is geen +poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in +het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd +met het corr-element.</p> +<h3>Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>29-JUN-2009 begonnen.</li> +</ul> +<h3>Externe Referenties</h3> +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn +dat deze links voor u niet werken.</p> +<h3>Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%" summary= +"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e380">6</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e1480">28</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e1486">28</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e1509">28</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e1993">37</a></td> +<td class="width40">n</td> +<td class="width40">’n</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e2014">37</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e2221">40</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e2408">45</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e2829">54</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e2840">54</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e2909">54</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e2921">54</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e2928">54</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e3413">70</a></td> +<td class="width40">?</td> +<td class="width40">!</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e3543">72</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e3862">80</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e3885">80</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e4126">85</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">...</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e4157">86</a></td> +<td class="width40">kaatje</td> +<td class="width40">Kaatje</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e4777">100</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e5186">107</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e6782">159</a></td> +<td class="width40">papa’”s</td> +<td class="width40">papa’s”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e6870">163</a></td> +<td class="width40">romanschrver</td> +<td class="width40">romanschryver</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e6938">164</a></td> +<td class="width40">beschyven</td> +<td class="width40">beschryven</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e8161">197</a></td> +<td class="width40">”</td> +<td class="width40">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e8256">202</a></td> +<td class="width40">gedrevan</td> +<td class="width40">gedreven</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e8415">207</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd19e11166">292</a></td> +<td class="width40">tuschen</td> +<td class="width40">tusschen</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse +(Deel 2 / 2), by Multatuli + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE *** + +***** This file should be named 30751-h.htm or 30751-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/0/7/5/30751/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/30751-h/images/book.png b/30751-h/images/book.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..963d165 --- /dev/null +++ b/30751-h/images/book.png diff --git a/30751-h/images/external.png b/30751-h/images/external.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ba4f205 --- /dev/null +++ b/30751-h/images/external.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..96919ff --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #30751 (https://www.gutenberg.org/ebooks/30751) diff --git a/old/30751-8.txt b/old/30751-8.txt new file mode 100644 index 0000000..ae1eed9 --- /dev/null +++ b/old/30751-8.txt @@ -0,0 +1,17954 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse +(Deel 2 / 2), by Multatuli + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Geschiedenis van Woutertje Pieterse (Deel 2 / 2) + Uit de 'ideen' verzameld + +Author: Multatuli + +Editor: J. van den Berg van Eysinga-Elias + +Release Date: December 24, 2009 [EBook #30751] +[Last updated: June 29, 2012] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + + + Multatuli + + De Geschiedenis van Woutertje Pieterse + + Opnieuw verzameld uit de "Ideen" + + Door + + Dr. J. van den Bergh van Eysinga-Elias + + + Tweede Deel + + + + Amsterdam--Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"--1921 + + + + + + + + + N.V. Electr. Drukkerij "Volharding" Ceintuurbaan 250 Amsterdam + + + + + + + + Voornaam bezoek. Koningen en oliekoeken. De gesprekken van de + "massa." Catapultische inspatting van de "massa." Où peut-on être + mieux? Zweven en vallen. Helaas! De auteur is beschaamd over z'n + held, en bevreesd dat dit wel 'ns meer zal gebeuren. + + +Gedurende den loop der week die Wouters tweede plaatsing "in den +handel" vooraf ging, werd-i door 'n drie- viertal ontmoetingen zoo +vreemd heen-en-weer geslingerd, dat-i zich byna suf voelde, en veel +moeite had om z'n hoofdje heel te houden. + +En z'n hart ook! + +'t Was donderdag. Stoffel kwam thuis met 'n belangryk bericht. De +Koning--ik weet weer niet welke koning--was onverwachts in stad +gekomen, en zou den volgenden avend of 'n dag later den Schouwburg +bezoeken. Alles was in rep en roer, want in republikeinsche landen +hecht men veel waarde aan titels, pronk en geboorte. + +Meer nog dan naar gewoonte was de nieuwsgierigheid des Volks +ditmaal gespannen, omdat veel buitenlandsche vorsten--waaronder +zelfs 'n Keizer--Z.M. waren komen bezoeken. En van uit z'n +residentie--Utrecht? 's-Gravenhage? Haarlem?--zouden die aanzienlyke +vreemdelingen 't Hof naar Amsterdam volgen. 't Was dus deze keer +'n praal mit Umstände, met 'n sleep. + +Het republikeinsche Volk zou niet alleen 't aangezicht te zien +krygen--of 'n slip van den rok--des tirans, maar tevens aangezichten +en rokspanden van veel andere tirannen, om nu niet te spreken van +tiranninnen. + +De vrouwtjes die gewoon waren oliekoeken te verkoopen op den dam--'n +pleintje dat de stedelyke regeering zich veroorloofde te verhuren +als markt--dreigden de stad met 'n proces. + +'t Was dan ook zeer hard, dag-in dag-uit huurgeld voor plaatsen +open-luchtgebruik te betalen voor de kans om 'n paar oliekoeken te +slyten aan de straatjeugd, en nu op-eens verjaagd te worden omdat +Z. M. zich aan "het Volk" zou vertoonen op 't balkon van het gewezen +stadhuis. + +Mocht hy die vrouwtjes niet zien? Moest de oliekoek-industrie 'n +geheim blyven? Vreesde men voor namaak, voor onvorstelyke konkurrentie? + +Of mochten die olievrouwtjes en haar koeken den Koning niet zien? Was +ook hy misschien bevreesd voor onedel nabaksel van z'n majesteit? Dit +zouden noch de vrouwtjes noch de oliebollen gedaan hebben. + +Hoe dit zy, de kraampjes werden weggeruimd, en de verjaagde +industrieelen behielden alleen het recht zich privatim onder de +menigte te dringen, die straks roepen zou: "leve... dit of dat!" naar +den eisch van 't oogenblik. Ze mochten meeschreeuwen ook. + +'t Is eigenlyk heel vreemd dat vorsten sterven. Al die vivat's schynen +niets uittewerken. + +De drukte in de stad was ditmaal ongewoon groot, door en om al de +vreemde Hoog- en Doorluchtigheden die den tiran by deze gelegenheid +vergezelden. + +Daar was--naar men uit de couranten vernam--de prins van Caramanie, +die aanspraak had op de byzondere sympathie des Volks, wyl men +had uitgerekend dat een van z'n voorouders kapitein was geweest +in Staatschen dienst, en dus... z'n bloed had vergoten voor de +Nederlandsche vryheid. + +Dit bloed--en misschien ook de vryheid--was 'n krantenverzinsel. Maar +dat onze prins 'n groenen rok droeg met dikke gouden nestels, was +waar. En op z'n hoofd had-i 'n byzonder grooten steek. Men kon dus +by de eerste gelegenheid zeer gevoegelyk roepen: + +Leve de prins van Caramanie! + +Onder de hooggeboren persoonlykheden bevond zich ook zekere Hertog +die uit z'n land was gejaagd wegens z'n deugden. De man was spaarzaam +en huishoudelyk. Nooit had-i zichzelf te-kort gedaan. Toch was-i door +'t dom gepeupel onttroond, en met 'n schepel diamanten over de grenzen +gezet. Van deze diamanten zoud-i nu in Amsterdam 'n paar dozyn laten +zien, en wel in hoedanigheid van roksknoopen en rottingknoppen. De +couranten vermaanden dus 't Volk tot den allerwelstgemeenden roep: + +Leve de Hertog met z'n diamanten! + +Prinses Erika was 'n nicht van den Koning, en bestemd voor den +troonopvolger van 'n groot Ryk dat te Zaandam timmeren geleerd, en dus +aan Nederland z'n carriere te danken had. Dat Ryk zou de Nederlandsche +staatsschuld betalen--zoo verzekerden eenstemmig de kranten--als men +nu maar braaf schreeuwde: + +Leve prinses Erika! + +De oude Paltsgravin van Aetolie stamde rechtstreeks af van zekeren +ridder die z'n stalknechts liet bedienen door Lusignans. De couranten +betoogden dat het den waren republikein paste, in dit byzonder geval +bewys te geven van heraldische ontwikkeling, door met byzonderen +nadruk aantedringen op de levensverlenging van die hoogheid. Men +moest dus roepen: + +Leve de Paltsgravin van Aetolie! + +De Groothertog van Ysland was de welgeslaagde kleinzoon +van 'n kroeghouder. Z'n verdiensten waren drie krantkolommen +lang... brevier-letter, en nauw gezet. 't Volk moest dus even nauwgezet +wezen in 't waardeeren. De man was meester op kling en bâton, en kon +zelfs--met 'n beetje inspanning, nu ja--hy kon z'n naam zetten. Langs +'n oceaan van afgronden--zoo zei de krant--had-i zich vervolmaakt +tot zwager van 'n halfgod. Ook was-i gewoon zich te kleeden als 'n +koorddanser. Wie dus 't belang des Vaderlands op 't onbesmet harte +droeg--zoo zei de krant--kon niet laten uit zeer onbeklemde borst +meeteschreeuwen: + +Leve de Groothertog van Ysland! + +Er waren nog meer potentaten en potentaatgenooten die Amsterdam +vereerden met 'n bezoek. Ze hadden gehoord dat die stad eigenlyk: +"la Venise du Nord" heette, en... interessant was, zeer interessant! + +En de hollandsche haring! Delicieus! Maar... de Hollanders weten er +niet mee omtegaan: ze moet gebakken zyn. + +En de hollandsche schilderschool! "Rambrànn... magnifique!" + +Er waren nog meer dingen in Holland byzonder goed, gelyk met +neerbuigende vriendelykheid door al die hoogheden werd erkend. + +--Il paraît qu'un certain Wondèle a écrit des choses, des +choses... mais des choses... passablement bien! + +En de dyken! De Katwyksche sluis... + +Lezer, géén kronologie, wat ik u bidden mag! + +...die sluis: gigantesque! De hollandsche natie houdt zich in +de snipperuren die 'r overblyven na 't haringkaken en kaasmaken, +by-voorkeur bezig met het breidelen van elementen. Dit was met +schaatsryden en harddraven 't meest geliefd--geliefkoosd, zeiden +de kranten--volksvermaak. + +Nu reeds kan ik den lezer verzekeren dat het voorname gezelschap met +minzame tevredenheid ons land weder verlaten heeft. + +De eenige persoon die 'n gansch anderen--doch daarom geenszins +tegenovergestelden--indruk meenam... neen, zóó ver mag ik m'n Wouter +niet vooruitspringen. Ook 'n schryver heeft z'n plichten. + + + +Den eersten avend zou er geïllumineerd worden. Tweehonderd +vyftig duizend vetvlammen zouden de geestdrift van het Volk +verkondigen. Geestdrift, voor wàt eigenlyk? Tweehonderd vyftig duizend +vurige tongen zouden roepen: hosiannah! Gezegend wie komt in den +naam... in den naam van wàt eigenlyk? Hosiannah voor wien, voor wàt? + +Nu, dit is 'n Volk onverschillig. Er was praal, pracht en pronk. Er +was drukte. 't Volk heeft iets van kinderen die zich verheugen in +'n verhuisboel, in 'n sterfgeval, in 'n brand, in alles wat hurry en +bereddering veroorzaakt. + +Wouter had verlof bekomen de illuminatie te gaan zien. Hy getroostte +zich het domme gezicht te zetten, dat by zulke gelegenheden gebruikelyk +is, en hoorde de praatjes van de menschen die hem omstuwden, zonder +acht te slaan op de leegte van die praatjes. + +--Nou, dat 's me 'n ook 'n ulleminatie! Negen pitjes voor zoo'n +groot huis! + +--Twaalf! riep 'n ander. + +--Né, negen! + +--Twaalf! + +--Negen! + +--Drie... drie... drie, en... kyk dáár: drie! Dat's twaalf, of ik heb +'t mis! + +--Né, die drie hooren er niet by. Dat's van de verdieping, weetje? Want +de verdieping is verhuurd. Dat wéét ik. + +--O, als je zóó meent! Ik wil maar zeggen dat viermaal drie, twaalf +is. Wat zeg jij, Hannes? + +Hannes vond het ook. Enz. + +--Tot hoe lang zouden die pitjes branden? + +--Wel tot... één uur. + +--Dat geloof ik niet. + +--Ik wel! + +--Ik niet! Enz. + +--Heb je-n-al gekeken op de Sukkelgracht? + +--Och, 't is er niet mooi. + +--Nou, mooier als hier! + +--Ja. + +--Neen. Enz. + +--Zeg, dring zoo niet! + +--Ik kan 't niet helpen. Ze dringen my ook. + +--De menschen lyken wel mal. Altyd dringen ze zoo. + +--Ja, niet waar? Altyd dringen ze. Weet je wat ik zeg? Ik zeg dat de +kalverstraat eens zoo breed wezen moest. + +--Ja, eens zoo breed. Want... weetje, wat het is? Hy is te smal. Dat +is het! + +--Ja, hy is te smal. + +--En daarom dringen de menschen zoo, weetje! Enz. + + + +Wouter's eigen rykdom was hem te onbewust dan dat hy zich kon ergeren +aan de walgelyke armoed van geest, die by zulke gelegenheden zich alom +vertoont. De tyd was nog niet aangebroken dat-i rilde by 't áánzien +van geestelyke naaktheid. Hoogstens zoud-i bedroefd geweest zyn als +z'n blik gerust had op slechtgevoede lichamen, op 'n bedelfamilie in +lompen gekleed. + +Heel veel moralisten, romanschryvers en vooral staathuishoudkundigen, +zyn heden-ten-dage nog niet veel verder dan onze kleine jongen in den +tyd der vetpitjes. Zou misschien hiervan de oorzaak zyn dat stoffelyke +armoed zich makkelyker laat schilderen? En... genezen? + +Zulke gesprekken zyn toch zoo diepzinnig niet. Ieder kan ze +schryven. Ieder lezer kan ze vermeerderen tot het oneindige toe. Aan +modellen van geestelyke nietigheid is waarlyk geen gebrek. + +Inderdaad, de kalverstraat was wat smal, en... "de menschen drongen +zoo!" + +Wouter werd meegedrongen, en voelde iets als schaamte. Zeker! Was-i +niet: "massa" op dit oogenblik? Dat-i stompen en stooten kreeg, +hinderde hem minder. Kleinzeerig was-i niet. + +Maar: "de menschen drongen zoo!" + +Weldra was er voor stomp en stoot geen geschikte ruimte meer. + +Men werd geknepen, en wie ten-gevolge van 'n laag zwaartecyfer minder +dan anderen aan 't aardsche gehecht was, rees van den grond. 'n +Allergekst excelsior! Wouter werd gedragen, en zag heen over mannen +die veel grooter waren dan hy. + +--Loop jy op stelten, jongeheer? vroeg 'n dikke vrouw, die met haar +heup Wouter tegen de knie schopte. Loop jy op stelten? Nou, dat's er +óók een! + +Dit "ook" heeft 'n geschiedenis en 'n pretensie. 't Beduidt, +ziehier 'n spikspelder nieuwe bydrage tot het bundeltje ana's die +ik verzamel. Deze kurioziteit hoort er in! Als je dit niet grappig, +vreemd en belangryk vindt... + +'t Gedrang werd sterker. Weldra zou de vrouw Wouter op schouder kunnen +nemen als 'n geweer. Ook begon-i kans te krygen daarop te-land te +komen in hoedanigheid van ruiter. Nog 'n beetje, en hy kon "aangegeven" +worden, zooals timmerluî elkaar 'n plank toereiken. + +Naar de lichtjes werd niet meer gekeken. Men hield zich bezig met +dringen en gedrongen worden. Ook 'n uitspanning! + +Neen... de kalverstraat moet niet verbreed, want wel beschouwd is dat +"dringen" 't prettigst van de zaak. + +Och, wat zouden die vetvlammen spoedig vervelend worden, als men +ze alle tweehonderd veertig duizend--er waren er 'n paar uitgewaaid +sedert zoo-even--op z'n gemak had kunnen beschouwen in z'n eentje! + +Onze kleine man lag op de schouders en hoofden van z'n +medemenschen. Als zekere troonveroveraars: il s'appuyait sur la +masse! Wie de geschiedenis van illuminatien en Volken bestudeerd heeft, +zal erkennen dat er steviger rustpunten bestaan. Zichzelf, byv. + +Gut, onze Wouter was zoo verlegen met z'n drukkende pozitie! Telkens +liep hy gevaar zich vasttehouden, aan 'n oor of wenkbrauw. En dit +gedoogt de "massa" niet. Gedrukt wil ze wel worden--daar is ze +voor--maar wie zich aan haar wil vasthouden... + +Krak! + +Schrik niet, lezer! Wouter brak niet, maar de geperste menigte +had de dubbeldeur van 'n koffiehuis verkracht. De inbersting was +vreeselyk. Als berouwhebbende lava stroomde de massa naar binnen, en +vulde den krater waarin onze held--na 't beschryven van den bekenden +bruinvisch-parabool--vry geleidelyk en zonder zich te bezeeren te-land +kwam op 'n tafeltje... + +--Woutertje Pieterse! riep 't verschrikt gezelschap dat er omheen zat. + +--Heb je je zeer gedaan, Wouter? + +Neen! Bezeerd had-i zich niet. Maar hy was lam van verbazing. Over z'n +verheffing eerst, daarna over z'n luchtreis, toen over 't neerkomen op +en onder allerlei glaswerk, en eindelyk--dit was 't minst verrassende +niet!--omdat-i zich op-eens in den kring bevond van de hem zoo goed +bekende familie Holsma. + +'t Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond was. + +"Gods vinger" had al de glazen en glaasjes gebroken, maar Wouter was +heel gebleven. Dit was 'n arglistigheid van dien vinger. De bedoeling +schynt geweest te zyn den patiënt nog heel anders heen-en-weer te +smyten. En als-i nu voortydig gebroken was op dien avend... + +Oom Sybrand hielp hem, zoo goed en kwaad het ging, op de been. De zaak +had veel moeite in, want de volte was... nu ja, er kon ter-nauwernood +iemand by. Maar Wouter was smalletjes, en 't lukte. De kastelein--op +doordringen was geen kans--schreeuwde uit de verte, dat het gebrokene +moest betaald worden. Maar ook van andere plaatsen vernam men dergelyk +gerinkel. De man was wanhopig. Hy vervloekte alle Koningen... en de +massa's er by. + +--Eén flesch wyn... drie limonade... zes glazen stuk! riep Holsma, als +om zich aansprakelyk te stellen voor Wouter's onwillekeurig vergryp. + +En oom Sybrand hield 'n paar zeeuwen omhoog. + +--O God, m'nheer, ik durf niet thuis komen, riep Wouter! Wie zal dat +betalen? Ik heb geen geld, m'nheer! En moeder... + +In de drukte verstond Holsma hem niet. Maar Sietske wel. + +--Sjt! fluisterde zy. Ik ben zeker dat papa 't betaalt, maar +anders... ik heb wel geld. En Willem ook. En Herman ook. Wees gerust... + +Maar dit verstond Wouter weer niet. En toen-i eindelyk onder de hoede +der Holsma's weder op-straat stond, en 't gezelschap door 't inslaan +van 'n zyweg zich onttrokken had aan de "massa" verklaarde hy ronduit +dat hem de moed ontbrak z'n moeder en broer Stoffel onder de oogen +te zien, na zóó'n schandaal! + +--'t Geld is niets, zei de goede Holsma. Daarvoor zal ik wel +zorgen. Maar je bent ontsteld, jongen. Kom even met ons mee naar de +kolveniersburgwal, ik zal je wat hofmansdruppels geven. Dan kan je +daar bekomen van den schrik. + +De afstand van de kolveniersburgwal was niet groot genoeg om Wouter +tot bedaren te brengen voor 't gezelschap daar aankwam. + +--M'n moeder zal boos zyn, als ik te laat thuis kom, klaagde hy. + +Holsma stelde hem gerust. Er zou 'n boodschap naar z'n huis worden +gezonden, om z'n familie te doen weten waar-i was. + +De dokter gaf hem iets te drinken, en bracht hem in 'n kamer naast +die waar de familie scheen plaats te nemen. Het voorschrift was dat +de patiënt daar wat heen-en-weer loopen zou, tot-i zich kalm voelde. + +Maar dit vermoeide hem. Hy deed weldra juist wat 'm verboden was, +zette zich in den hoek van 'n sofa, en viel in slaap. + +Of 't in het algemeen nuttig is, na 'n schrik in beweging te blyven, +kan ik niet beslissen. Zeker is het dat Wouter na hevige aandoeningen +altyd groote behoefte voelde aan slaap, en dan ook werkelyk door dit +middel--de natuur wees het hem aan--meermalen 't verbroken evenwicht +herstelde. Misschien ook was 't geen eigenlyk slapen dat hem by zulke +gelegenheden te-hulp kwam. Maar geheel wakend was-i niet. Hy droomde. + +Er was weer de oude hoogheid in z'n droom. Maar met 'n schok viel-i +telkens neer. + +En weder klom hy, en weer werd-i opgeheven, hoog, hoog tot in de +wolken, en weder maakten duizelingwekkende tuimelingen 'n eind aan +z'n zweven. + +Daar namen sterke vuisten hem op, en staken hem boven de hoofden uit, +en de massa droeg hem, tot 'n man hem in de hand beet... + +Hy schaafde namelyk zyn pols aan 'n ongedresseerd paardehaartje dat +bezig-was z'n dienst optezeggen by 't vulsel van de rustbank. + +...tot 'n vrouw hem toesnauwde: dom? Niet dom? Wy, wy de +massa? Ziedaar! + +En men smeet hem neer. + +Gelukkig kwam z'n hoofd te-recht in Sietske's schoot, zonder 't +minste glaswerk. + +En als ziedend water opkokend, golfde op-nieuw z'n ziel omhoog. Hy +voelde geen handen meer die hem droegen, geen tanden die hem beten, +hy rustte op donzige wolken. En hy overzag de menigte onder hem, +en was verheugd dat-i zoo hoog daarboven stond, maar wilde toch... + +--Ik wil gaarne by u zyn, riep hy, maar maakt 'n plaatsjen open, +waar ik staan kan, staan op m'n eigen beenen! Ik zal waarlyk niemand +hinderen... gooit me niet! In die drukte kan ik niet denken. Ieder moet +handelen naar z'n overtuiging. De massa heeft geen overtuiging. Wie +kan denken als er geen plaats is om te staan? + +Weer schuurde z'n hand langs 't weerspannig paardehaartje. Hy verzette +zich... en scheen niet geheel-en-al te slapen... + +Daar klonk op-eens 'n stem... + +Neen! Hy droomde door. Altyd van zweven en vallen. Daar was Femke... + +Wel zeker, er moest in z'n droomen iets van Femke! Waar bleef ze +zoo lang? + +'t Was weer iets van de bleek. Maar pater Jansen was er ditmaal by. De +man was zonderling gekleed. Hy zweefde met Wouter omhoog, en vertoonde +aan de sterren z'n kostuum: 'n onderbroek... die door háár versteld +was! Orion en de groote beer vonden het ding mooi, maar Wouter niet. + +--Heb je 't zelf gedaan, hoorde hy Sietske vragen in de kamer naast +hem. Jyzelf, of kon je 'r niet dóór? + +--Neen, ik kon niet om de drukte. Maar ik heb 't den kruier opgedragen. + +Wàt? In-godsnaam, wàt? + +Wouter richtte zich op. Pater Jansen was weg. Orion en groote beer +ook. Ook de onderbroek, en de wolken, en de domme "massa" maar... die +stem? + +Die stem klonk nog! + +En ze klonk weer: + +--Ik ken hem heel goed, o, zoo goed! 't Is 'n lief jongetje! Dàt +hoorde hy Femke zeggen! + +Hy sprong op, trad haastig de kamer der Holsma's in, zag nog even +het driehoekje van 't gewaad eener vrouwspersoon die de deur uittrad +en sloot... + +Hy had den moed niet--of wat ànders was daartoe noodig?--om te vragen: + +--Heet dat dienstmeisje... Femke? + +Komaan, in Satans naam, vraag of Femke de naam is van die... meid! + +Op weg naar-huis had Wouter niet den minsten last van zweven. Hy +voelde zich redelyk laag, en had ditmaal volkomen gelyk. + +Want... als die byna tusschen deur en post benepen jurk van zyde +geweest was... + +Of... als-i dat driehoekjen elders ontdekt had, elders! Niet by de +Holsma's! Niet in gezelschap van Sietske die zooveel geld had in haar +spaarpot! Niet in dien allerfatsoenlyksten kring! Niet onder de oogen +van Willem die hem zoo plaagde met z'n hoogmoedig latyn... + +Dan... dan... o zeker! + +Dàn! + +Maar nu! Maar hier! + +Hy was braaf genoeg om zich te schamen. Maar dit is ook 't eenige +wat ik in z'n voordeel zeggen kan. + +Overigens... + +Alas, poor mankind! + +Wat beteekende de dolfyn-parabool op 't koffihuistafeltje, by +zóó'n val? + +Hy had zich dezen keer werkelyk bezeerd! + + + + + + + + Over de zedelyke strekking van 't kleerborstelen. Onridderlyke + verdichtselen des harten. Godenvingers en duivelsklauwen, tweede + editie. De eigenaardige kalmte van 'n kwaad geweten. Iets + over driehoeksmeting in 'n bedstee, en maagdeperen in den + Jodenhoek. Hm... zy weer! + + +Juffrouw Pieterse was in de wolken. Ze hoopte dat de kruier die de +boodschap had overgebracht, haar huis niet te spoedig mocht gevonden +hebben, en dat de man toch vooral hier-en-daar in de buurt te-vergeefs +gezocht had naar 't ware adres. + +--Zeker is-i in de kommeny geweest, zei ze, want ze weten nooit waar +ze wezen moeten... zulke kruiers! En waarom zoud-i daar niet verteld +hebben dat de jongeheer--want "jongeheer" zeid-i--by dokter Holsma +leseerde, op den kolveniersburgwal? Want, zieje, zoo'n man praat +altyd. Die soort van menschen doen niets als praten. + +Nu, ieder mag 't weten. 't Is maar om te zeggen dat de menschen altyd +zoo praten, en zulke kruiers... + +Maar... zeg, Wouter, hoe kwam het toch dat je zoo opeens met de +familie meeging? 't Is nogal heel erg asterant van je. Je bent toch +'n asterante jongen... wat zeg jy er van, Stoffel? + +Stoffel zette het bedenkelyk gezicht dat by zulke gelegenheden +dienst deed als: "ja nogal!" Of: "ik zal er me op beslapen." Of: +"daar zit meer achter dan sommige menschen wel weten!" Enz. + +--Moeder antwoordde Wouter, ik... ontmoette de familie in de +kalverstraat. + +Waar! Zeer waar! Allerwaarst! Hy had inderdaad de Holsma's in de +kalverstraat ontmoet, wat men mag noemen: ontmoet! De lezer kan 't +getuigen. Maar... waarom vertelde hy niets van den nogal byzonderen +modus quo? + +Och! + +--Wat kleeft die rug, klaagde Petrò die belast was met de zorg voor +het "lakensche goed." + +De familie rook, en streek, en wreef, en tastte, en verklaarde +eenstemmig dat Wouter's rug zich had schuldig gemaakt aan 't inzuigen +van allerlei vloeistoffen. + +--'t Ruikt zoowaar naar citroen ook, zei Trui. + +--Het riekt, verbeterde de schoolmeester, en wy ruiken, Sertrude! + +--Och kom... ruik, riek, weet ik het. Ik wil maar zeggen dat het +zoo... + +--Dat het zoo naar lemoentjes... ruikt, zei de moeder. + +--En naar wyn! + +--En je kunt er de suiker afkrabben! Waar ben je toch geweest, +jongen? Schaam je je niet! By zulke fatsoenlyke menschen op vizite +te komen--ik mag wel zeggen: te leseeren, wat zeg jy, Stoffel?--en +je dan zóó aantestellen met suiker en citroen op je rug! 't Is 'n +ware schande! + +--'t Was zoo erg vol op straat, moeder! + +--Van de volte kryg je geen wyn op je rug! En geen citroen ook! En +geen suiker ook! Wat zeg jy, Trui? + +De eenstemmigheid was kompleet. Schuw als altyd, durfde Wouter niet +voor-den-dag komen met de ware toedracht der zaak. En dit zou hem ook +niet gebaat hebben. Het begrip der Pietersens was als 'n verstopt +slot waarop geen enkele sleutel paste. Wouter wist dit by treurige +ondervinding, en liet moedeloos den storm over z'n hoofd waaien, die +toch niet kon bezworen worden. Jammer evenwel dat er ook in hemzelf +iets verstopt, en dus bedorven was. 't Hoog gevoel dat hem gewoonlyk +bezielde, was geknakt. + +Hy had 'n laagheid begaan! + +Zóó gevoelde hy. Geen dominee kon 't wegpreeken! Ja, God-zelf +niet! Noch de God van bliksem en donder uit de Schrift, noch de +andere... + +Die andere! + +Waar was-i toen Petrus struikelde? Waarom was hy zoo gierig op 'n +beetje staal in 't mengsel waaruit Wouter's ziel gegoten werd? + +--Maar... als 't Gods schuld was, dacht-i, dan behoefde ik zoo +beschaamd niet te zyn! Dan kon ik zeggen: ja, Femke, 't is wel +waar dat ik 'n ellendeling ben, 'n brok massa, te dom en te laf om +verantwoordelyk te wezen voor m'n laffe domheid. Maar... zóó heeft +God me gemaakt, zieje! Hy is aansprakelyk. + +Dit kan ik niet zeggen! Want... ieder moet handelen naar z'n +overtuiging. + +Waartoe zou 'n overtuiging dienen, als men de schuld mocht gooien op +God? Dàn had mevrouw Holsma wel gezegd: "ieder moet handelen naar Gods +overtuiging!" En dit heeft ze juist niet gezegd! Waar zou dat heen! + +Ik ben laag geweest, afschuwelyk laag, ik! God is er heelemaal buiten. + +Misschien liet hy de zaak toe, om my te doen zien hoe gemeen ik was! + +Een hond zou Femke gekust hebben, als-i haar weerzag na langen tyd. Ik +ben minder dan 'n hond! + +Want... ze wàs het! Zeker, ze wàs het! Of... + +O, die huichelaar... hy zocht naar ofjes!... + +...of zou 't misschien 'n ander geweest zyn? 't Kan heel best 'n +ander geweest zyn! Hoe zou Femke dáár komen! + +Neen, neen, neen, zy wàs het! Zei ze niet dat ze my zoo goed kende? Zei +ze dat niet met de stem die my 'n lieven jongen noemde toen ze my +dien kus gaf by 't brugje? + +Ze heeft my gekust en 'n lieven jongen genoemd! Ze wist toen nog niet +dat ik 'n ellendige bloodaard ben, zonder hart! + +O, zeker zou zy me niet verloochenen, miskennen, verraden! Zy zou gewis +overal en tegen ieder zeggen: "dat is Wouter, die m'n vrindje... was, +en dien ik eens 'n zoen gegeven heb omdat-i zich dapper toonde tegen +de jongens die steenen wierpen op m'n bleek!" + +En ik... o God! + +Neen, God blyft er heelemaal buiten. Ik ben lafhartig. Zóó kan ik +niet leven! + +Hy dacht aan zelfmoord. En in deze stemming bracht-i den nacht +van donderdag op vrydag door. Zelfs overleefde z'n wanhoop de +duisternis. Hy stond dien vrydag op, met het vaste voornemen 'n eind +te maken aan z'n onwaardig bestaan. + +Heel gelukkig evenwel werd-i terstond na 't ontbyt aan 'n bezigheid +gezet die allergeschiktst is om iemand met het leven te verzoenen. + +Men had hem met algemeene stemmen veroordeeld tot het reinigen van z'n +jasje--een vonnis dat m'n volkomen goedkeuring wegdraagt--en hy spande +zich zóó in, dat-i na 'n uur arbeids met betrekkelyke tevredenheid +naar z'n moeder liep, en juichend uitriep: + +--Kyk, moeder, er is niets meer van te zien! + +'t Onnoozel triumfjen over 'n kleine moeielykheid joeg de wolken voort, +die z'n gemoed beneveld hadden. + +Men zou voor z'n plezier in limonade vallen, als men wist hoe weldadig +de inspanning werkt die noodig is tot het reinigen van 'n paletootje. + +De ongelukkige die nooit z'n eigen kleeren borstelde, kent het +leven niet. + + + +--Ik zal haar vergeving vragen, dacht Wouter. + +En by dit... oneerlyk voornemen lei zich de storm die z'n gemoed +beroerd had, geheel neder. + +"Oneerlyk" noemde ik dit omdat het ware berouw geen vergeving zoekt by +anderen, maar by zichzelf. Wie met 'n uitgesproken klank tevreden is, +wie z'n geweten meent te kunnen paaien met 'n kwitantie van schuld, +geteekend door 'n ander... + +Ei zie, daar ben ik alweer op het terrein van schuldvergiffenis +en genade! Pas-op, lezer, juffrouw Laps is in de buurt! Wie haar +niet ontmoeten wil, moet dit hoofdstuk overslaan. En vooral dien +vrydagavend niet by de Pietersens komen. Want dáár zou ze optreden, +en wel ditmaal met haar wouterkundig: voilà Toulon! + +Maar eerst moet ik nog iets zeggen over 't ellendig gehalte van +Wouter's schuldbesef. Zeker, hy zou vergiffenis vragen! En na 'n beetje +getob zou Femke zeggen--precies als in Kotzebue's Menschenhaat--"ik +verrrgeef het u!" + +En dan zou de zaak zyn als niet gebeurd. + +Hoe sneller hoe beter dan! + +Een ondragelyken last werpt men terstond neer! Terstond! + +Wouter's last bleek niet ondragelyk. Want hy besloot hem nog 'n tydje +te blyven dragen. + +De oorzaak hiervan was deze. Om Femke te spreken moest-i naar de +Holsma's. En dit... durfde hy niet. Wat zouden die menschen 't +gek vinden! + +Gáán zoud-i, o zeker! Maar... niet op dien vrydag! + +'t Kon immers best wachten tot-i eerst 'n paar dagen... "in den handel" +geweest was? Dit geeft houding, vond-i, en dàn zoud-i zeggen... + +Nu ja, hy zou vergeving vragen, en Femke "heusch" verzekeren... + +De uitvinding van dit "heusch" was zoo kwaad niet. By lamlendige +beroerdheid... frazen vóór! Van welken letterkundige had onze +misdadiger dit geleerd? + +Hy zou haar verzekeren... + +Wàt? + +Dit, byv. dat de Weledele heeren Ouwetyd & Kopperlith in wier "handel" +hy nu was aangeland... + +Ja, ja, hy zou iets vertellen van de Weledele heeren Ouwetyd & +Kopperlith en hun "handel." + +Dan hoefde hy niet zoo naakt voor-den-dag te komen met... dat andere. + +Misschien zou z'n nieuwe chef hem pryzen over... z'n krulletters! Of +over z'n aardrykskunde! Of over z'n strabbische uitgeleerdheid! En +dan kon-i tegenover Femke z'n schande hullen in 'n wolkje van +allervereerendste byzaakjes. 't Meisje zou verbaasd staan over z'n +knapheid, en ten-slotte hèm vergeving vragen voor de vrypostigheid +dat ze zich had laten verloochenen door zóó'n handels-fenomeen! + +Aldus redeneerde Wouter niet. En zelfs niet op deze wys werd hem z'n +onbewust gevoel kenbaar, doch... er was iets in hem--wat dan ook!--dat +voorwendsel en verschooning leverde voor 't niet doen van z'n plicht. + +Bovendien... die plicht was zoo makkelyk niet! + +Naar den kolveniersburgwal gaan? Goed. + +Aanschellen? Goed. + +Maar... wat dàn? + +De deur zal geopend worden. Door wien? Juist immers door de dienstmaagd +uit Joh. XVIII, vs. 17, wier aanblik meer dan iets anders den +wankelmoedigen Petrus weerhouden zou van ridderlyke oprechtheid? + +De zaak is dat onze Wouter zich niet waagde aan dokters Kaatje! Wat +zoud-i zeggen? Iets als: + +"Vryster, ik moet Femke spreken, 't adjunkt-kindermeisje?" + +Daar hoort wat toe, waarachtig! + +En dàn? + +In de gang... 'n knieval doen? Of zelfs--o gruwel!--in de keuken? + +Om-godswil, lezer, wat zouden al de ridders uit z'n boeken daarvan +zeggen! + +Welke Turk zou zich laten doodslaan door iemand die zich schuldig +maakte aan zoo'n dorperheid? + +Die engelsche lord zou hem zeker geen hand geven--en de Afrikanen +geen kroon!--als-i... + +Zou Ivanhoe 't gedaan +hebben? Neen! Ypsilanti? neen! Themistocles? Neen! De "Eduards" van +Lafontaine? Hm... dit kon-i niet zoo stellig ontkennen. In de werken +van dien schryver komen inderdaad huiselyke trekken van ridderlykheid +voor. Maar... ze staan in 'n boek, en de lezer kykt er naar, en zal +'t weten dat er, zonder harnas, pluim of veldgeschrei dan, groote +daden geschieden in 'n hoekje. De auteur heeft gewaarschuwd: het +boekeheldje kampt onder de oogen van 'n publiek. + +Zou ook dokters Kaatje gevoelig zyn voor 't grandioze van +de vernedering, als ze daar Wouter zag geknield liggen op de +vloermat? Zoo'n held in de boeken heeft makkelyk plichtdoen. Ieder +slaat acht op z'n prouesses, en weet ze te schatten. + +--Welnu, dacht Wouter, ik zàl m'n plicht doen, o zeker, ik zàl! Maar +eerst "in den handel" en bovendien... + +Een nieuw duiveltje bekroop z'n gemoed. Wie weet of Femke niet +spoedig de Holsma's verlaten zou, en terugkeeren naar 't huisje by +de aschpoort. Dáár... of in de buurt... of op de "paden"... of by 't +brugje, zou alles makkelyker gaan, dacht hy. Daar was geen nood van +Kaatje's fâcheuze tegenwoordigheid, noch van Willem's onmenschelyk +latyn. En ook Sietske die zoo majestueus sprak over drie-guldens... + +De lezer gelieve optemerken dat er 'n leelyk deficit bestond in +Wouter's gemoed en dat de aanzuivering daarvan meer moeite kostte dan +'t reinigen van 'n bemorst jasje. + +Dat overigens 't verloop van z'n... liefde voor 't meisjen, 'n geheel +andere richting insloeg dan z'n onschuld... + +Hier spreek ik van verloren onschuld, en ik meen te weten wat ik zeg! + +...nu, dit spreekt vanzelf! Om lieftehebben, moet men goed zyn, +en Wouter was niet goed op dien vrydag! + +Nu komt de "vinger Gods" die hem straffen zou. Dit goddelyk +lichaamsdeel lei 't zonderling aan. + + + +De vrydag hield zich alsof-i voorby was. Wouter maakte zich gereed z'n +nauwe bedstee te beklimmen in opgeruimder stemming dan hem paste. Hy +had zelfs geen lust in 't kibbelen met Laurens, die altyd--zonder +pretentie op 't konstrueeren van 'n meetkunstig werkstuk--de diagonaal +beschreef. + +Zeer eigenaardig nam ons Petrusje zich voor, z'n inslapen te doen +voorafgaan door 't overdenken van de voorvalletjes die gedurende den +afgeloopen dag aan de orde waren geweest. + +Heel natuurlyk! Hy voelde geen lust zich bezig te houden met zichzelf, +wat anders z'n gewoonte was. + +Zekere prins had geld onder 't volk gestrooid... + +--Hé... als ik zoo'n prins was! + +Nu, deze indruk was de leelykste niet. De meeste jongens denken in +zoo'n geval: hé, als ik mocht meegrabbelen! + +De Paltsgravin van... hoe heet het land waar ze vàn was? Ik heb +geen lust den naam optezoeken dien ik haar gaf. 't Mensch was in +'t Trippenhuis geweest, en daar--volgens de couranten--minzaam, +zeer minzaam... + +--Dàt zou ik ook zyn, dacht Wouter, als ik... Paltsgravin was. Wat +is dat toch voor 'n betrekking? + +De Koning had audiënties en 'n diner gegeven, en gezegd... och, de +gewone praatjes. Maar voor Wouter waren ze nieuw en belangryk. Het +welzyn van de Hoofdstad ging Z. M. byzonder ter-harte. Wouter ook. Dit +belette niet dat hy deze byzonderheid heel lief vond in den Koning. In +Afrika zoud-i precies hetzelfde doen! En zyn hoofdstad... + +Neen, weg met Afrika! + +Hy smeet z'n linkerkous onzacht weg, zoodat het ding zich om den +sport van 'n stoel slingerde als 'n stervende paling. + +Weg met Afrika! Want... + +Daar rees de schim van Femke op, en dreigde, en vroeg of zy haar +plaats verbeurd had op dien troon? En of ze... + +Weg met Afrika! + +Wat al zonderlinge vertellingen over prinses Erika! Men zei dat ze +huwen moest met 'n grootvorst, maar... geweigerd had. + +Alle burgerlui vonden dit heel mooi, zonder nog te weten of 't niet +'n malle koppigheid was van prinses Erika. + +Ze was zoo zonderling van gedrag en manieren, en kon zich niet schikken +in de hoogheid van haar stand... + +Wouter trok z'n tweede kous uit, en keurde 't af dat prinses Erika +geen lust had in aanzienlykhedens. Hm... zou ze misschien willen +ruilen? Hy: prins Erik. En zy... + +Zou ook zy 's nachts zoo'n leelyke muts opzetten? Wel neen, dacht +Wouter, prinsessen dragen mutsen van diamanten. 't Is waarlyk zonde +en jammer dat zoo'n schepsel haar geluk niet waardeert! + +En dit scheen toch 't geval. Toen ze met de Paltsgravin uit het +Trippenhuis kwam--waar ze minzaam geweest was--had ze geweigerd +terstond mee terug te ryden naar 't paleis. Ze wou den "amsterdamschen +Jodenhoek" zien, en nam flinkweg 'n kamerheer onder den arm, die +haar den weg wyzen zou. De man kende dien zelf niet, en had alle +moeite haar te loodsen tot op Vlooienburg... in 't hartje! En zie, hy +droeg 'n korte broek--gelyk byna iedereen, in Wouter's tyd--en zyden +kousen. En die kousen werden bespat. En prinses Erika had er zoo om +gelachen. En nog meer onvorstelyke zonderlingheden van die soort... + +Maar dit alles stond niet in de courant. De krant sprak alleen van +de minzaamheid. + +Nu, ook op Vlooienburg was de prinses allerminzaamst geweest, of +zelfs meer dan minzaam. Ze had 'n heele kruiwagen vol maagdeperen leeg +gekocht, en de straatjeugd gebombardeerd met handenvol sappig genot. + +Maar dit stond alweer niet in de krant. De redakteurs wisten niet +hoe ze dat voorvalletje salvâ reverentiâ zouden inkleeden, en +bepaalden zich dus maar tot de alom bekende minzaamheid. Toch had +ieder er van gehoord, al wist men dan niet of 't waar was. Duizenden +schiepen er stof uit tot drie vertellingen. Eerst: dat het geschiedde: +"wezenlyk!" Daarop dat het 'n verzonnen praatjen, niet geschied was: +"wat ik je zeg!" Eindelyk: dat het wel deze keer misschien niet +geschied was, maar dat, wel beschouwd, zoo-iets wel 'ns op 'n anderen +keer geschieden kon, en dat het zeer moeilyk was altyd precies te +weten wàt geschied was, en wat niet. + +Dit vind ik ook. + +Prinses Erika... + +Wouter blies z'n kaarsjen uit, of wilde dit doen. Hy had peiling +genomen op een der twee scherpe driehoeken die Laurens hem te kiezen +had gegeven, en op-eens verneemt hy groote ontsteltenis in den huize +Pieterse: beroering! + +'t Is waar, er was drie, vier malen hevig gescheld, ja +gebengeld. Brand? + +Hm! Zou 't misschien prinses Erika wezen, die komt ruilen? + +Och neen, 't was juffrouw Laps. + +Ruilen kwam ze niets. + +Maar wat dàn, zoo laat op den avend? + +Wouter trok z'n ééne been terug uit den tophoek, en luisterde. + +Wy ook! + + + + + + + + Zelfs juffrouw Laps zegt soms 'n waarheid die 't overdenken + en toepassen waard is. Dezelfde autoriteit in-zake: + menschenkennis. Don Quixote de la Mancha. Goden, duivels + en... Fancy. + + +Het vertrekje waar Wouter met Laurens in één bedstee sliep, was boven +de huiskamer. Ze deelden dat verblyf met twee van hun zusters, en +moesten uit kiesheid altyd 'n kwartiertje vroeger slaap voelen dan +die jonge-juffrouwen. + +Ik ben niet geleerd genoeg om te weten hoeveel zuurstof vier +jonge menschen gedurende acht uren noodig hebben om net even niet +te stikken. Maar benauwd wàs 't in dat hokje! Soldaten zouden +"gereklameerd" hebben. + +In 'n ander lokaaltje had 'n soortgelyke verdeeling van engte plaats, +en ook daar werd het oogenblik van slaperig worden geregeld en bepaald +door gelyke wetten van kiesheid. + +Met 'n weinig administratief genie zal nu de lezer kunnen berekenen wat +de oorzaak was dat 'n gedeelte van den grooten staf der Pietersens--en +wel het deel dat tot de klasse der vrouwspersonen behoorde--nog +altyd in de huiskamer by-een zat, op 't oogenblik toen Wouter zich +voordroomde dat die gekke prinses Erika wel 'ns in 't hoofd kon krygen +met hem te komen ruilen van pozitie. + +In-plaats dáárvan echter, hoorde hy de stem van juffrouw Laps, die +als 'n razende de trap scheen opgevlogen, en schreeuwend, snikkend +en huilend het huisvertrek binnenstormde. + +De gewone tusschenwerpsels van: "mensch, wat is er?" en: "goeie god, +wat is er gebeurd?" waren afgeloopen. Wouter kon waarnemen dat het +traditioneele glas water was aangeboden en leeggedronken, en tevens +hoe men de blykbaar allerdiepst-ongelukige vriendelyk uitnoodigde om +"te bedaren." Een zonderling voorstel altyd. + +Juffrouw Laps begon met de zeer verstaanbaar geartikuleerde verzekering +dat het haar onmogelyk was 'n woord uittebrengen. + +De zaak scheen dus belangryk. Wouter trok z'n eene kous weer aan om +beter te kunnen luisteren. + +--Ik zweer je by God allemachtig, juffrouw Pieterse, dat ik niet +spreken kan van schrik en alteraasie. + +--Gut, mensch! + +--Waar zyn je kinderen... allemaal? Al naar bed? Toch nog niet naar +bed, wil ik hopen! Ik kan waarachtig niet spreken! Nog 'n glas water, +Trui! Hoor 'ns hoe ik bibber... 'n mensch klappertandt van schrik, +niet waar? Dankje, Trui, en waar is... Stoffel? + +--Wel, mensch, die kleedt 'm uit. Hy gaat me vóór, my en Petró. +Want... Mine schopt zoo, weetje, en Trui moet by de jongens wezen... +anders vechten ze. En daarom slaap ik met Petrò, weetje. En daarom +kleedt Stoffel 'm uit, en dan sluit-i z'n gordyntje, weetje, als-i +ons op de trap hoort. Maar, mensch, wat scheelt er an? + +--Ja juist... wat me scheelt, niet waar? Ik ben geschrokken, erg, +heel erg! En is... Laurens ook al naar bed? + +--Gut ja, mensch, al lang! Want-i moet vroeg op z'n drukkery +wezen. Maar... + +--Allemaal al naar bed! En ik...ik loop als 'n ongeluk langs de straat, +als 'n mal mensch--van schrik, weetje!--en weet niet waar ik belanden +zal. Zóó? Is hier... iedereen al... naar... bed... + +--Maar wat is er dan toch gebeurd? + +--Ik zal 't je zeggen, juffrouw Pieterse... och, als je wist hoe ik +geschrokken ben! Verbeelje... + +Wouter trok uit 'n akoustisch beginsel z'n tweede kous aan. + +--Je weet, juffrouw Pieterse, dat er tegenwoordig veel gestolen wordt? + +--O ja, maar... + +--En ingebroken? En gemoord? En dat de politie er maar niet achter +komen kan wie dat telkens gedaan heeft? De moord van de oude Mevrouw +en haar dienstmeid, in de Lommerstraat... + +--Maar mensch, daarvoor zitten er drie in de gevangenis! Wat wil +je meer? + +--'t Mocht wat! De moordenaars loopen vry rond, wat ik je zeg! Dat +gevangen-zetten van die drie kerels is maar om ons 'n doekie voor de +oogen te binden, en dat de menschen niet vragen zullen: waarvoor dient +de jistiessie, zieje! De luî die 't gedaan hebben, willen wel zoo, en +hebben al den tyd om op 'r gemak hun boeltjen opteknappen. Want weetje +wat ik altyd zeg... ik zeg dat 'n gemeene kerel die 'n moord doet, +en veel geld steelt, z'n bebloede kleeren niet kan verdonkeremanen. En +al dat geld ook niet! + +Want, zeg ik, hy is niet gewend met zooveel geld omtegaan. Al z'n +buren kennen z'n buizen en broeken van-buiten. 'n Kast waarin-i +wat kan wegstoppen, heeft zoo'n man niet. Verstand van effekten +of obbeligaassies ook niet! En den weg naar 't buitenland weet-i +ook niet! En vrinden die hem den weg wyzen om van z'n boeltjen +aftekomen, heeft-i ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil dat... 'n +moord of 'n diefstal, of... zoowat... als ze den moordenaar niet +terstond pakken... nu, juffrouw Pieterse, dan zeg ik dat het door +'n fatsoenlyk man gedaan is, die meer rokken en kasten en kemsoossies +heeft dan alleman weet, en... ongeteld linnengoed, zieje! En vrinden +onder bankiers, zieje, die 'm afhelpen van z'n obbeligaassies. 'n +Gemeene vent zou honderdduizend gulden in z'n broodkast leggen, +en daar vinden 't de kinderen als ze boter snoepen. Wat zeg jy, Trui? + +Trui had nooit nagedacht over dezen wel-eens uit het oog verloren +grondregel van kriminalistiek. Althans Wouter vernam geen antwoord, +schoon de nieuwsgierigheid hem noopte z'n broek aantetrekken. + +--Maar, hoorde hy op-nieuw z'n moeder vragen, wat is er dan toch met +je gebeurd? + +--Wat er gebeurd is? Ik ben geschrokken... kyk, hoe ik bibber! De +stad is vol moordenaars, juffrouw Pieterse! + +--Lieve-god, mensch, wat kan ik daaraan doen? + +--Niks, juffrouw Pieterse, heelmaal niks! Maar ik ben geschrokken, +en kom je-n-om raad vragen. En... gaan Stoffel, en... Laurens, +en... iedereen hier altyd zoo vroeg naar bed? Kyk, hoe ik nog +bibber. Zou je wel gelooven dat ik niet naar m'n huis durf te gaan? + +--Maar waaròm dan niet? Denk je dat ze je vermoorden zullen? + +--Ja, juffrouw Pieterse, dàt denk ik! De moordenaars van die +ouwe Mevrouw en haar dienstmeid loopen nog altyd rond--gister by +de ullemenatie hebben ze god weet hoeveel horlogies gerold!--en de +policie... weet je wat de policie doet? Ze kykt of iemand 'n vloerkleed +uitklopt na tienen 's morgens... dàt doet de policie! Maar al die +moordenaars laat ze loopen. Dat zeg ik! + +--Maar wat weet je dan van die moordenaars? Geef ze-n-aan, als je ze +kent! Dat 's je plicht, mensch! + +Wouter trok z'n vest aan, en deed 'n dasjen om. + +--Wat ik er van weet! Ze belagen me-n-in m'n eigen huis! Is 't erg of +niet? Ik ben van middag uit geweest, om 't hardzeilen op den Amstel +te zien. Maar er was niets te kyk, omdat er geen wind was. En 't was +heel vol op den weg, en by den Amstel ook, tot Ouwerkerk toe. Al die +koningen waren er, en die vreemde prinsen en prinsessen, weetje, +en de menschen keken naar de koetsen, en ik ook. Niet dat ik om +'n koning geef, gut né! Want hy is 'n wurm in Gods hand, net als +jy en ik, en als de Heer hem niet steunt... och al 't aardsche is +maar gekheid. Stof en asch... geloof dàt maar! Maar ik keek naar de +koetsen, weetje, en naar de paarden, en naar al 't volk... dat er naar +keek. En ik dacht zoo by mezelf, als ik vanavend thuis kom, zal ik m'n +aardappelen opbakken, want... die had ik over van van-middag, en als ik +aardappelen over heb, bak ik ze 's avends altyd op, weetje. En er was +groot gedrang by den Amstel, en 't speet ieder zoo dat er geen wind +was, want de menschen zyn dol op plezier, en slaan geen acht op wat +des Heeren is. Wereldsch waren die prinsen en prinsessen... kyk! Ja +dacht ik, 't wondert me volstrekt niet dat er zoo erg gemoord wordt, +en gestolen, want ze verzoeken God. En: de Heer zal jeluî wel krygen, +dacht ik, maar Hy wacht z'n uur af. Want, juffrouw Pieterse, dàt +doet-i altyd. Eén dame--'t mensch had roode puisten in 't gezicht, +en was nog ouder dan jy, juffrouw Pieterse!--wat denk je dat ze-n-op +'t hoofd had? 'n Tulleband, mensch! En ze zat in 'n koets met vier +paarden. Is dat den Heer tergen of niet? Dat vraag ik maar! En ze +speelde met 'n soesoe, en toen er 'n prins te-paard naast haar koets +kwam, stak ze d'r hand uit het portier, en liet 'r soesoe driemaal +op-en-neer gaan. En dat deed die prins ook. Waren ze mal of niet? En +wat moet de Heer daarvan zeggen. Als er geen pestilentie komt... + +--Maar... wat is je dan toch overkomen? + +--Ja juist... wat me-n-overkomen is? Dàt zal ik je zeggen... maar +ik beef nog zoo. Ik had m'n aardappelen aan schyfjes gesneden, en +op 'n schoteltjen in de kast gezet. Want, dacht ik, als ik thuis +kom, kan ik terstond aan 't bakken gaan, want ik hecht niet aan +wereldsche dingen--want ik heb de genade, weetje--want ik dacht zoo +by mezelf, dat ik niet lang onder al die menschen blyven wou... gut, +juffrouw Pieterse, je moest... Stoffel roepen. Dan kan-i hooren wat +me-n-overkomen is. + +Stoffel was reeds in aantocht, en dit deed Wouter genoegen. Hy had +geruisch in de kamer naast zich gehoord, en grondde op Stoffel's +opstaan de hoop dat ook hyzelf weer voor-den-dag zou mogen komen, om 't +spannend verhaal wat meer op z'n gemak aantehooren dan door de porien +van z'n kamervloer. Intusschen had hy zich geheel gekleed, omdat-i +niet door juffrouw Laps wou gezien worden in z'n nachtpon. Hy nam nu +waar dat Stoffel de, huiskamer binnentrad, en dat de bezoekster, na +den gewonen groet en de plechtige verzekering dat ze nog altyd van 't +bibberen niet spreken kon, de vraag deed: waar toch... Laurens bleef? + +Laurens? Wèl, hy sliep, en leverde door z'n neusgaten de demonstratie +van 't pythagoreïsch vraagstuk, waarin hyzelf de hypothenuze zoo +aanschouwelyk voorstelde. + +Dit zou juffrouw Laps volkomen onverschillig geweest zyn, als ze +'t geweten had. Ze wist alleen--en 't hinderde haar erg, naar 't +scheen--dat... Laurens zich niet bevond onder haar gehoor. + +Was dit misschien de reden dat ze zoo talmde met de katastroof? Moest +juist... Laurens getuige wezen van de ontwikkeling en de +uitbersting? Waarom toch? + +--Zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of de stad niet vol moordenaars en +dieven is? + +Stoffel zoog z'n bovenlip naar binnen, en trachtte met de andere de +punt van z'n neus te bereiken. De lezer wordt uitgenoodigd dezen +mondgreep natebootsen, en hy zal, volgens de door my meegedeelde +methode van ziel-ontdekking, nagenoeg weten hoe en wat Stoffel niet +antwoordde op deze vraag. + +Juffrouw Laps hield zich of ze "ja!" verstond, omdat het zoo in haar +kraam te-pas kwam. En dus: + +--Zie je wel, Stoffel zegt het ook! De stad is vol dieven en +moordenaars, en... 'n fatsoenlyk mensch durft niet meer in z'n eentje +naar bed gaan. Dat zeg ik! + +--Maar... juffrouw... + +--De policie? Gekheid! Wat helpt de policie, als je niet +op God vertrouwt? Dàt 's 't ware! En wie dàt niet doet, is +verloren. Menschelyke hulp... ik kan me niet begrypen dat... Laurens +altyd zoo vroeg slapen gaat. Weet jelui wel, dat het niet gezond is +zoo veel te slapen! Wat zegt de Schrift? Waak en bid! Maar... ieder +z'n sinnigheid! Ik kan je voor God verklaren dat ik niet alleen naar +huis durf, en... + +Hier vertoonde zich weer 'n "vinger!" Wouter's nieuwsgierigheid was +ten hoogste gespannen. Om beter te kunnen verstaan stond-i in gebukte +houding, en leunde met één hand op den rug van 'n stoel. Z'n steunpunt +kantelde, de stoel gleed uit, knerste over den grond, bereikte 'n +ander meubel... + +--Heere-jesis-kristis, wat 's dàt nu weer? kryschte de moeder. Ben jy +'t, Laurens? + +Wouter piepte verlegen terug, dat het: "ik" was. Uit deze stoornis +vloeide voort dat-i zich wist overteplaatsen in den kring waar zulke +belangwekkende dingen werden verhandeld. + +Z'n entrée de salon had plaats onder de allerongunstigste +omstandigheden. Hy werd hevig berispt omdat-i "nog" niet uitgekleed +was, en... + +--Zet jy je bakker op, voor je je kleeren uittrekt?" riep de moeder. + +Zoo waar, de jongen had vergeten zich te ontdoen van z'n slaapmuts! Hy +meende van schaamte te verzinken. Liever had-i àl 't andere gemist, +dan dat eene te hebben! + +--En... wat heb je dáár? + +Helaas! Ons heldje was belachelyker nog dan men in-staat is zich te +maken met 'n pluimmuts alleen. Er bleek dat-i zich gewapend had met +den yzeren staaf die in voorhistorische dagen door z'n vader gebruikt +werd tot recht-afsnyden van leêr. Gedurende 't begin van 't lapsisch +verhaal dat zoo slecht vlotte, meende hy, dacht-i, hoopte hy... + +Nu ja, hy verstond iets van 't oude: "waar blyft Wouter?" Uit den mond +der spreekster niet, o neen--'t waren immers juist de woorden die +ze by-voorkeur niet uitsprak!--maar... hy meende ze toch te hooren, +al kwamen ze tot hem van geheel anderen kant. + +Wel was-i dien vrydag laag en slecht geweest, onridderlyk en infaam, +maar... hy bleef nog altyd Wouter! + +Moordenaars? Dieven? Een vrouw in nood, 'n dame--ze heette Laps, +godbetert!--wat anders kon daarop volgen, dan: + +--Ce sera moi, Nassau! + +en..: + +--God laat die moordenaars maar begaan... ik niet! Ik, Wouter! Ivanhoe +was-i gewis dien dag niet geweest... helaas! Doch er was toch nog +altyd genoeg in hem van zichzelf, om niet lager te staan dan de +slechtaard Brian de Bois-Guilbert, die toch ook niet wegliep voor +gevaar, al was dan z'n gedrag jegens Rebekka hoogst-indelikaat. + +Slecht? Het zy zoo! Maar lafhartig ook? Dat zou te veel zyn. + +In zóó'n stemming had Wouter--hy scheen niet te weten dat ook z'n eigen +felonie voortkwam uit lafheid!--tusschen z'n tweede kous en z'n broek +in, den leder-lineaal gegrepen. En dat ding hield-i nog altyd in de +hand, toen er door zoo'n zonderlingen samenloop van omstandigheden +'n welgelukt beroep werd gedaan op z'n moed. + +O, eerbiedwaardige, korrekte, maar dikwyls laaghartige, toch +altyd onschuldige, kansverevening, waarom moest ge dat onïngetogen +ridderzwaard in-handen geven van iemand die vergeten had zich te +ontdoen van z'n slaapmuts? Waarom niet die twee belachelykheden in +billykheid over Stoffel en den held verdeeld? Waarom niet aan ieder +wat? Den een de muts, den ander 't wapen? Of, beter nog, waarom niet +Stoffel den hellebaard in de hand gedrukt, en den slapenden Laurens +by uitsluiting belast met het torschen van den gepluimden diadeem? Wat +kon het hèm schelen hoe hy er uitzag in z'n bed! + +Maar... 'n held, 'n ridder? En dat onder de oogen van de dame die hy +beschermen zal! + +Arme Rebekka, wanneer Ivanhoe ware te-voorschyn gekomen met zóó'n helm! + +Wouter was woedend. + +En... ik ook! Op die kansverevening namelyk, en niet zoozeer om de +boosaardige kombinatie van muts en degen. Zy is niet te vermyden, +en de Don Ouixotten schikken zich. Weldra zien ze die pluimmuts voor +'n stalen helm aan, en hun hemd voor 'n schubbejak. + +Niet dáárom alzoo ben ik boos. Ik zou waarlyk te veel te doen hebben, +indien ik toegaf in de neiging tot zùlke verstoordheid. Maar om 'n +andere samenvoeging die bedroevender is, en waarin 'n braaf ridder +zich niet màg leeren schikken. + +Wouter was lafhartig geweest, toen-i Femke had behooren te kennen en +te èrkennen. En... z'n gevloden ridderlykheid kwam tevoorschyn op 'n +roep uit den mond van juffrouw Laps! Dit is erger dan belachelykheid! + +Tegenover reinheid had-i zich stug betoond, en arm aan ziel. De rykdom +van z'n gemoed berstte weelderig uit, zoodra ze werd opgevorderd door +'t gemeene. Is 't niet treurig? + +Dat de Don Quixotten weldra de onheraldische beteekenis van +hun pluimmutsen over 't hoofd zien--lafaards wachten zich wel +voor zulke gekheid!--is begrypelyk, en te vergeven. Maar wie--en +op-den-duur--genoegen nemen zou met de verkrachting van zedelyke +logika, met het tragisch-heterogeene... + +'t Huwelyk van rapier en muts was maar komisch! + +... wie op-den-duur zich tevreden stelt met... dat andere, hy is +verloren! Hoogstens kan er 'n rykworder uit hem groeien, 'n schoonzoon +van Kappelman, of zoo-iets. + +Goddank, Wouter zou 't leeren inzien. De zeer intelligente lezer +begrypt immers dat-i anders geen geschiedenis hebben zou? Maar hy +was nog in lang zoo ver niet, en meende al veel gedaan te hebben +tot herstel van de zoo sarkastisch bedorven tooneelzetting, toen-i +met driftig gebaar z'n wapen kletterend op den grond smeet, en z'n +muts--flap!--op de tafel. + +Niemand had ooit geweten dat het manneke zoo driftig worden kon. Z'n +moeder vroeg dan ook met de gewone belangstelling in 't welzyn van +z'n zieltje: "of-i dan in gods-heeren-naam heelemaal bezeten was?" 't +Had er veel van. + +De "vinger" van zoo-even zal wel weer de klauw van 'n duivel geweest +zyn, of... van den Duivel, naar verkiezing van den lezer. + + + +--Ik zeg dat jelui 't kind niet zoo moet versagrineeren, zei de +bibberende bezoekster. + +--Oogenblikkelyk naar je bed! riep de moeder. + +--Och, laat het kind zitten! Maar... wat ik je zeggen wou, juffrouw +Pieterse, van m'n aardappelen... + +Wouter blééf. Dat-i dit kon, had hy te danken aan de algemeene +nieuwsgierigheid. Heel gelukkig waarlyk, want ik heb z'n blyven +hoognoodig voor de ekonomie van m'n vertelling. + +...verbeelje toen ik thuis kwam, zoo tegen half-elf... want ik kòn niet +eer, om de drukte, weetje--anders... ik houd niet van remoerigheid, +dat weetje wel--nu, toen ik thuis kwam--de stad is vol moordenaars +en dieven, dit moet je wèl in 't oog houden!--toen waren m'n +aardappelen... waar denk ie dat m'n aardappelen waren? Ze waren... weg! + +--Weg? + +--Weg! + +--Heelemaal weg? + +--Heelemaal... wèg! + +--Je aardappelen weg? + +--M'n aardappelen... heeeeelemaal... wèg! + +--Maar... + +--En ik zeg: dat hebben de dieven en moordenaars gedaan! Wie anders? Er +zyn moordenaars op m'n zolder, en nu wou ik je vragen... want ik durf +niet alleen thuiskomen... + +Wouter's oogen flikkerden. + +...ik wou je vragen of misschien... je zoon Stoffel... + +Stoffel zette 'n allerzonderlingst gezicht, dat zeker alle moordenaars +uitmuntend zou bevallen hebben, omdat het 'n geruststelling bevatte +voor de toekomst van 't métier. + +--Maar, juffrouw Laps, vroeg-i heb je dan geen kat in huis? + +--Een kat? Ben je mal? 'n Kat tegen moordenaars? + +--Né, juffrouw, niet tegen moordenaars. Maar 'n kat die misschien je +aardappels heeft opgegeten? + +--Ik weet van geen kat! Ik weet dat de stad vol gemeen volk is, dat +de menschen vermoordt zonder dat er 'n haan na kraait! Niet dat ik om +m'n leven geef, gut neen, niet... zie zóóveel! Als de Heer me roept, +zal ik zeggen: laat je dienstmaagd gaan in vrede. M'n oogen hebben +je heerlykheid gezien! En dan... + +--Maar, mensch, waarom heb je niet op je zolder gezocht, of onder +je bed? + +--Dat mòcht ik niet, juffrouw Pieterse! Wien God bewaart, is +wèlbewaard, maar... men mag den Heer niet verzoeken! Op m'n zolder +ga ik niet, en onder m'n bed kyk ik niet, voor alle wereldsch +goed niet! Want dáár zit-i zeker! En juist daarom wou ik je vragen +of... je zoon... Stoffel... of--als Stoffel geen senie heeft--byv. je +zoon... Laurens, of... + +--Maar... waarom heeft uwe niet liever de buren er by geroepen, +juffrouw? + +Aldus sprak Stoffel. + +--De buren? Nou, je moet ze kennen, die buren! De man onder me durft +geen schoothondjen aan, laat staan, 'n moordenaar! En naast me woont +er een die... wat zal ik je zeggen, 't is 'n jonkman, en je weet dat +ik me niet graag in opspraak breng. Want... 'n mensch moet zorgen +voor z'n fatsoen, en nooit ergernis geven, dat weet je-n-ook wel. + +Niemand kwam op de gedachte, haar te vragen wie of wat Stoffel dan +voor 'n wezen was? Géén jonkman? Zoud-i misschien "door z'n school" +boven wereldsche verdenking verheven zyn? + +--En bovendien, ging de verlokster voort, meen je dat al die mannen +kerasie hebben? Ik zeg neen! Ze zyn zoo bang voor 'n dief, als de +dood. Verleje week stond er 'n brittale bedelkerel in 't pertaal, +en de vent wou niet weg. Denk je dat ze 'm aandurfden? Maar ik, +ik pakte hem flink beet, en... + +Ze versprak zich, en bemerkte het: + +... nu ja, dat zou ik gedaan hebben als ik niet 'n vrouw was +geweest. Want vrouwen moeten zich nooit inlaten met ruwigheid. Dat +stáát niet... wat zeg jy, Trui? Ik liep weg, en sloot m'n kamer, +zieje! Neen, kerasie hebben al die manlui niet! + +"Al die manlui!" + +Wouter voelde zich beleedigd, en beefde van ingehouden strydlust, +of althans van begeerte om te toonen dat hy niet behoorde onder zùlke +"manluî." Juffrouw Laps merkte 't wel. + +--Nu, als Stoffel 't niet graag doet... + +--Om je de waarheid te zeggen, ik... + +... en als Laurens al slaapt. En als... niemand er senie in heeft... + +Ze stond op. + +... nu, dan zal ik, op God vertrouwend, in m'n eentje... maar griezelig +is 't voor 'n vrouw alleen! + +Ze zag allen beurtelings aan, behalve juist den eenen tot wien ze +sprak. Wouter moest zich vergeten voelen, over 't hoofd gezien, en +daardoor geprikkeld tot den eisch om beschreven te worden onder de +ridderschap van den huize. + +... als dan hier niemand is, die durft... + +--Ik durf, juffrouw! + +Allen stonden verbaasd, behalve onze menschenkenster die niets anders +verwacht had, maar toch geraden vond zich even verbaasd te houden +als de rest. + +--Jy? + +--Jy, Wouter? + +--Jongen, ben je gek? Jy? + +--Ja, ik! Ik durf, al waren er tien op je zolder, juffrouw, en duizend +onder je bed! + +Hm, zoo'n kleine Luther! Maar er was verschil. Luther had 'n +God, waarop-i meende te kunnen rekenen... met behulp van 'n paar +keurvorsten... nu ja, die behoefte hadden aan troebel water. Onze +Wouter--zònder keurvorsten!--trok als 't ware ten-stryde tégen den +god, die toegelaten had dat er duizend en eenige moordenaars onder +'t dak en bed van juffrouw Laps konden zitten. + +--Maar, jongen! + +--Ik durf! + +--Och, laat hem begaan, juffrouw Pieterse! Je begrypt... het is +altyd 'n gezelligheid voor me, zoo'n kind by me te hebben! Zieje, +dan griezelt het me minder, als er misschien 'n moordenaar op zolder +zit. 'n Mensch wil aanspraak hebben, niet waar? + +Ze bereikte haar doel: onze Wouter werd haar meegegeven. Met z'n +nachtpon en bakkersmuts in 'n pakjen onder den arm, verliet hy +'t huis. De yzeren staaf werd achtergelaten, omdat juffrouw Laps +verzekerde dat zy 'n wel gevuld tuighuis had van gereedschappen +waarmee men zooveel moordenaars kon doodslaan als men verkoos. + +De oorzaak dat de Pietersens zoo gemakkelyk toestemden in Wouter's +benoeming tot slotvoogd, lag voornamelyk in ydelheid. Eigenlyk keurde +het geen der leden van 't koncilie goed, dat de jongen meeging met +juffrouw Laps, maar de familie was groots op z'n moed. De zaak zou +bekend raken, oververteld worden, en juffrouw Pieterse zou wel zorgen +dat er bygevoegd werd: + +--'t Is dezelfde jonge-heer, weetje, die laast geleseerd heeft by +dokter Holsma op den Kolveniers-burgwal. + +"Ja, ja, er zit wel wat in die kinderen van diezelfde Juffrouw +Pieterse!" zou dan deze of gene de goedheid hebben te antwoorden. + +En zoo-iets hoort men graag. + +Dáárom kreeg juffrouw Laps ditmaal haar zin. + +Maar... Fancy? + +Preutsch was ze niet! + +Dat verloochenen van Femke vond zy èrger! + +Doch ook dáártegen zou ze raad weten, zy die alles was, alles wist, +alles kon, tot het regelen van de kans-verevening inkluis. + +Niet tevreden--o neen!--maar kalm toch, en geenszins wanhopend, ging +ze met haren arbeid voort. Er was meer spot dan smart in haar gelaat, +toen ze Wouter dien avend den weg zag inslaan naar de woning der +oefenaarster. Ze toonde hierdoor hooger te staan dan de engel die door +Moritz Retsch tot droefgeestige getuige wordt gemaakt van de nederlaag +des jongelings die op 't schaakbord z'n ziel aan den duivel verspeelt. + +Hm... in één party? + +Moet dan het behoud der ziel afhangen van één veronachtzaamd: gardez +la Reine? + +Waarachtig niet! + +Men zou wenschen geen ziel te hebben, als ze zóó snel kon verloren +gaan! + +Eilieve, dan immers stond de party tusschen God en Duivel niet gelyk? + +Hoe! Eén misstap, ééne dwaling, één vergissing, zou naar de hel kunnen +voeren, en na 'n lang leven vol moeite, arbeid, onthouding en stryd, +is er nog 'n byzondere genade noodig om in den hemel te komen? + +Dit moet 'n dwaling zyn! Maar... 'n dwaling die 't verklaart, waarom +de galerie zoo gaarne voor den Duivel parieert! En waarom er zooveel +speciaal-kunsten worden uitgevonden om God 'n beetje te helpen in +z'n ál te ongelyke kans. + +Dit hoeft niet! + +Fancy zal zich weten te redden. Zich, en... hem dien ze aanraakte +met haar vleugel. + +Ze laat hem begaan, en doet--als ik!--haar werk. En: + + + ... doet, als ik, haar werk! + En spint den vlok tot draad, en weeft den draad + Tot doek, waarop zy, eindloos voortbordurend, + Den loop van al wat is, te aanschouwen geeft. + En wie 't verband ontkent, is schuldig blind, + Ter nauwernood onschuldig wie 't niet kent! + + +Van dit alles wist Wouter niets. Z'n onkunde mag wel een der oorzaken +geweest zyn van de rilling die hem bekroop, toen-i met juffrouw Laps +de trap van haar woning opging. + +'t Eerste wat ze hem aanbood, bestond natuurlyk in de gebakken +aardappelen die opgegeten waren door al die gulzige moordenaars. + +Hu! Wouter verbeeldde zich dat-i zou hebben raad geweten met +Schinderhannes in hoogsteigen persoon. En al blyft het nu de vraag, +of z'n--ongeoefende!--moed niet op 't beslissend oogenblik in de +schoenen zou gezakt zyn, hy méénde toch dat-i durfde. En hy was dan +toch begonnen met Schinderhannes inderdaad optezoeken... + +Maar... alleen te wezen met die gebakken aardappelen, en met die +walgelyke vrindelykheid--wat ranser was wist-i niet!--daar hoort +méér toe! + +Hy voelde berouw over z'n veronderstelden moed, en begreep niet +hoe hy z'n heldentocht had kunnen aanvangen zonder te letten op de +onvermydelyke byzaken. + +Wèl beschouwd, was-i toch maar liever in een der driehoekjes gekropen, +die Laurens gewoon was zoo grootmoedig ter zyner beschikking te +stellen. + + + + + + + + De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders + van deze eeuw. "En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn + knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan + hem uit." Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd + werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van + beschermengelen. + + +--Tast jy maar gerust toe, m'n jongen, en seneer je niet! Of wil je +misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch van-nacht +hier blyft, zieje, om op me te passen... + +Wouter hield z'n jasje voorloopig aan. + +En... 'n lekker likeurtje heb ik ook voor je... 't is beste! Van +Fockink, weetje, die z'n fabriek heeft in... die nauwe straat, je +weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar wonen gemeene +vrouwluî, en die staan aan de deur, zieje, en dat 's niet goed voor +'n jonkman als jy. + +De "jonkman" Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou jokken als ik zei +dat-i boos was. Juffrouw Laps had met aanbiddenswaardige handigheid +hem 'n paar tweede-luitenants epauletten op schouder gespykerd... z'n +eersten rang! En welke jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot +jonkman was streelender nog dan 't "in den handel" zyn. + +Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z'n nieuwbakken +hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze +verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort +worden toegemeten. + +--Wel wis en zeker, Wouter, je bent 'n jonkman, wist je dat niet? 't +Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig behandelen. Ik zeg dat +je-n-'n jonkman bent, zoo goed als de beste! Denk je, byv. dat ik +zooveel van... Stoffel houd als van jou? Waarachtig niet! Volstrekt +niet! In 't geheel niet! Ik houd veel meer van jou. Wil je-n-'n pyp +rooken? Je bent er mans genoeg toe. Wel zeker, waarom zou je niet +'n pypie rooken, net als andere mannen? + +"Mannen!" + +Help, Fancy! + +Wouter antwoordde dat-i "nog niet" rooken kon. 't Kostte hem moeite +dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel kinderachtigheid, maar +hy moest wel oprecht zyn omdat 'n eerste poging om Stoffel natedoen +in deze uiting van mannelykheid, zoo byzonder ziekelyk was afgeloopen +dat het voorstel tot herhaling hem schrik aanjoeg. + +--Zóó? Rook je niet... + +Ze liet het, "nog" weg. + +...rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is 't 'n verkeerde gewoonte +van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die niet +rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel--hy is zoo oud als jy, maar +wat kleiner, en vryt met 'n nichtje van me--die rookt ook niet. + +Iemand zoo oud als hy, maar kleiner, en die al aan "vryen" deed: +help, Fancy! + +--Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet +wanneer. Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat +je-n-'n effetieve jonkman bent. 't Is heel mal dat ze je-n-altyd +behandelen als 'n kind! Dàt heb ik wel al honderdmaal aan je +moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om 'reis te noemen... zooeven +op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar 'n zwakke vrouw ben, +weetje? En 't was nacht, niet waar? Denk je dat ik nog bang was, toen +jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? Wèl, omdat ieder zien kon +dat ik 'n manspersoon by me had. Ik had je best 'n arm kunnen geven--je +bent heusch grooter dan ik--maar ik deed het niet, omdat je-n-'n pakje +droeg. En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht +had het kunnen zien, en dan in de buurt overal rondvertellen dat ik +'s nachts met 'n heer liep. + +"Met 'n heer!" + +Fancy! + +--Want 'n mensch moet altyd zorgen voor z'n fatsoen! Hier +binnen'skamers is 't wat ànders, heel wat anders! Gut, ik weet wel +dat jy geen kwaad van me vertellen zult. Wie 'n vrouw bekladt, is +geen ware man, dit weet je-n-ook wel. + +Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z'n besef van loyauteit, +dan helderheid in 't begrip van: "bekladden." Hy vertaalde juffrouw +Laps' maxime in z'n boekentermen, en las voor: "vrouw" en: "man" +de hem gemeenzamer uitdrukkingen: dame en: ridder. + +'t Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf verwachten +of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware geweest +over de likeur--par impossible, want ze was van Fockink--of dat +de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar bejaardheid had +gesmaakt--onmogelyk alweer, want ze bakte met boter, die niet eens veel +slechter was dan de gewoonte der hollandsche vervalschings-industrie +meebrengt--jazelfs al had-i grond gevonden tot het maken van +gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder Wouter dame Laps +zou hebben geschandvlekt? Nooit... "by m'n zwaard!" + +De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit intezien, +of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. Voor +iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was 't +inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om +de belegerde vesting. Had ze inderdaad menschkunde bezeten, ze zou +geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan +had ze tevens--door geestelyke oefening veredeld!--geen lust gevoeld in +zulke krygstochtjes en dus 't heele vestinkje met vrede gelaten. Zooals +nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en kwaad het gaan wilde, +maar voort met de kleine middeltjes die leiden moesten naar 'n +mikroskopisch doeltje. + +Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen +die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet boozer +op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de +wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen +dokter in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou +geweest zyn het mensch voorby- of natestreven op 't zielkundig +terrein dat ze hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens +'t hare was. Want--wie zal dit begrypen?--haar scherpzinnigheid was +minder wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou 'n man--overigens gelyk +begaafd--uit de sobere gegevens die hààr tendienste stonden, een zóó +praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En, +omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd, +wanneer niet haar kinderachtig plannetjen in-verband had gestaan met +verwrongen geslachtsdrift. + +Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te +kussen! Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van 'n paar +gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand +verdediging mogelyk was? + +En... Fancy? Wendde ze treurig 't hoofd af? Meesmuilde zy? Begon ze +te schreien? Brak zy in jammerklacht uit? + +Teekent haar de artist--die m'n werken illustreeren... zou, als ik +'t geluk had geen Hollander te zyn--wordt ze hier door den schilder +voorgesteld in gebogen houding, handenwringend? + +Vlucht ze heen? + +Wat toch doet hier onze Fancy? + +Komaan, artisten--die m'n werken niet illustreert, omdat ik maar +'n Hollander ben, in-plaats van 'n zevende-klas buitenlandsche +beroemdheid!--komaan, ik zal u helpen. Weg met die tranen op Fancy's +wangen... + +Een geest weent niet om zoo weinig... + +Weg met die geknakte gestalte... + +Geesten bukken niet onder zoo geringen last! + +Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van +dit alles! + +Kalm en ernstig--'n glimlach misstond er niet by!--zette zy haar +kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar op die bovenkamer +iets te véél... welnu, er zou méér geschieden, elders of hier! + +Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning... + +Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de +natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort +komen omdat haar feiten òpraken. + +Aventuur op aventuur! Is 't u te veel? Ei, ziedaar... 'n nieuwen schok! + +Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dàn 'n nieuwen +takel aan de koord geslagen... ze kan méér dragen, méér heffen, +en knappen zal ze niet! + +Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst +met 'n orkaan! + +En ze glimlacht! + +Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet +B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet! + +Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze. + +Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al +gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe +vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den +adem van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken. + +De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde +voor 't gelukken der menschenkennige kunstjes van juffrouw Laps. En +ik verzoek hem uit-bestwil, z'n deel te nemen van die kalmte. + +Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer daarvan! + +Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was +'t slagen zéker? + +Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor 't goede dan de +verleidbaarheid van 'n halfwassen jongeling, al zy het dan dat de +zoetigheid van Fockink's likeurtjes, en de nog zoeter drang van +gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het booze! + +Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden "val"--och, arm!--blyft +het misschien de vraag, of 't Fancy de moeite waard wezen zou de +wapens aantegorden in 'n stryd van zoo weinig belang? Dat... "booze" +was maar ordinair. + +Wanneer ze 't doet, geschiedt het waarschynlyk uit luim +alleen. Want... luimig is ze. Luimig als 't spel, als 't weder, +als de wereldgeschiedenis, als alles wat òns luimig toeschynt omdat +ze dom zyn, beginnertjes maar in de moeielyke studie van 't rerum +cognoscere causas! [1] + +En àls nu eens onze Fancy--uit zoogenaamden luim dan!--mocht blyven +versmaden 't belaagd jongetje by-tyds de hand te reiken, àls... + +Juffrouw Laps was 'n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me, +lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan +volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling +ligt aan de vermeende eischen van 't boekmakers-ambacht. Sedert +onheugelyke tyden gebruiken de heeren van 't métier, dergelyke +zaakjes als hoofd-katastroof. 't Afgezaagd: "en ze viel!" is de +lievelings-kataklysme tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen. + +Ze, ja, ze! Want in-verband met de duurte der voedingsmiddelen, en de +daaruit voortspruitende behoefte aan 'n "fatsoenlyk huwelyk"--ik erken +volmondig die behoefte, doch alleen: "omdat uwe harten boos zyn"--is +'t vallend voorwerp gewoonlyk 'n stumperige "zy." + +Welnu, die "zy" begaat 'n fout als ze valt. Men moet niet vallen. Al +vinden de lezers--die de zaak hardschreeuwend afkeuren!--zoo'n "val" +allerplezierigst, en 't onmisbaar element in 'n "mooi" boek: men moet +niet vallen! + +En wanneer by uitzondering de valler 'n "hy" is ... + +Minder pikant, omdat de maatschappelyke pozitie daardoor niet aan 't +wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed ongeschikter +voor den "handel" geworden zyn wanneer-i z'n jasje had uitgetrokken, +en z'n... vestjen er by! + +... als er 'n "hy" valt... + +Wèl, dan heeft-i 'n fout begaan, 'n Mensch moet niet vallen. Hy heeft +beter dingen te doen. + +Doch--"hy" of "zy" dan--leugen is 't, zulke nietigheidjes voortestellen +als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis! + +Dààrtegen protesteeren Jezus en ik. + +Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó makkelyk komt men niet in +de hel! Zóó ligt is de taak van den Satan niet! Dat mocht-i willen, +de oude stumpert! + +Leugenachtig dus is die triumfelyke voorstelling van 't kwade. Zoo +overdryven kwakzalvers 't gevaar van 'n lichte ongesteldheid, om hun +poeiertjes aan-den-man te brengen. + +En leugen is 't ook uit 'n aesthetisch oogpunt, als men van zulke +armzalige gegeventjes alleen, 't zedelyk schoon of de leelykheid +eener figuur wil laten afhangen. + +Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps 'n handje te helpen in +haar plannetjes--'t staat aan my!--om te doen in 't oog springen +dat m'n heldje, zóó gevallen, nog altyd redelyk wel tot stáán kan +worden gebracht. Maar ik heb 't recht niet, m'n Fancy vóórtegrypen, +die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook, +dat zy me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen +dat zulke valgeschiedenissen... + +Met... dàt, kan men goed zyn, of goed worden. + +En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat! + +Vlek is vlek, bezoedeling is bezoedeling: geen genade voor de minste +afwyking van de wetten der zedelyke logika... + +Zóó immers wordt "deugd" by denkers genoemd? + +Maar die zedelyke logika zou verkracht worden door de ongerymde +machtsverheffing van 'n zweertje tot kanker. + +'t Is lasteren van de deugd, haar by-uitsluiting te zoeken in 't +vermyden van zulke mis... greepjes. + +En we doen aan de ondeugd te veel eer, als we haar vervloeken pour +si peu! + +Goddank, er zyn--'t geringe niet minachtend--verhevener dingen +te bejagen! + +Goddank, er zyn--zonder de minste vergoelyking van +pekelzondjes--vreeselyker zaken te vermyden! + +De te grypen eerekroon in 't strydperk der Mensheid, hangt hóóger. En +wel is 't jammer dat zooveel mislukte gladiatoren krom groeiden door +de opgedrongen hebbelykheid om steeds te bukken naar den lagen prys +dien ze deelen met 'n eunuuk. + +Excelsior, heeren schryvers en lezers en deugdwetgevers en +onthoudingpreekers, en verdere gladiatoren in miniatuur! + +Komaan, moralisten, al hàd nu eens onze Fancy geslapen dien nacht, +of al wàre ze 's morgens ontmoedigd weggeklept naar 't hof van +Wouter's moeder, om daar de treurmare te brengen dat prins Upsilon +gestruikeld was... + +Zou ze niet met 'n strenge vermaning zyn teruggezonden naar 't +zoo ontydig verlaten strydperk? Liep ze niet gevaar--zyzelf nu, de +wachtster!--veranderd te worden in 'n zandkorrel, wegens al te grove +miskenning van haar plicht? + +Er hoorde moed toe--krankzinnigheid liever!--dáár aantekomen met +de boodschap: + + + Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der geesten: + 't Hemelsche Ryk heeft 'n eind ... maak voor uw meerdere plaats! + Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, godbetert, + Met 'n compositum mixtum. [2] van vleipraat en Fockink's likeur! + + +Wat de geesten zouden gelachen hebben! + +Wanneer Fancy aldus gesproken had, zou zy inderdaad één element +van bederf dat den vyand ten-dienste stond, hebben overgeslagen. De +fleemery met het verrassend jonkmanschap miste niet allen grond. Wouter +was inderdaad opweg om 'n jonkman te worden. Misschien wàs-i 't +al. Wie hem dit kwalyk neemt, moet ook afkeuren dat z'n bovenlip +begon te roepen om... den barbier wel niet, maar om de schaar toch. + +--Zoodat ik maar zeggen wil, dat je nooit die steeg moet passeeren. Als +je-n-'n kind was, zou 't geen kwaad kunnen, want 'n kind heeft geen +erg. Maar jy! + +Zeker, hy moest "erg" hebben! En z'n jeugdig kneveltje was er volstrekt +niet tegen om "erg" te krygen. "Al wat van zelven wast, behoeft men +niet te zaaien!" zei Kamphuizen. Onze hovenierster liet het daarop +niet aankomen, en zaaide zoo hard ze kon. Zelfs was ze niet afkeerig +van 't begieten. + +--Laat my je nu reis inschenken... + +Wouter dronk. + +En ... Fancy? + +Ze glimlachte! + +Allerlichtzinnigst voor 'n hofdame uit het gebied der geesten? + +Toch niet! + +--Hoe vind je nu dàt likeurtje? + +Wouter erkende... + +Fancy, Fancy! + +Wouter erkende dat-i smaak vond in de parfait-amour uit de steeg +die-n-i niet passeeren mocht omdat-i te groot geworden was om zich +welstaanshalve te onthouden van "erg". + +En 't winkelmeisje van Satan schonk hem nog eens in. De glaasjes waren +zoo klein, zei ze, ware notendoppen! Nu ja... doppen van zeer groote +noten dan. + +--En, je moest er wat by eten ook, m'n allerbeste jongen--gut, ik +heb altyd zooveel van je gehouden--dat 's zoo gezond by 'n likeurtje! + +God-vergeef-'m-de-zonde, Wouter begon te eten ook! Nog 'n oogenblik, +en hy zal zich thuis voelen, àl te thuis! + +Fancy, ben je blind? + +--En trek jy gerust je jasjen uit, m'n lieveling! Je moet denken, +we zyn hier onder ons beidjes. + +Een koninkryk voor 'n nieuwen vloek, o goden: onze Wouter trok +waarachtig z'n jasjen uit! + +Fancy! + +--Heelemaal met ons beidjes, zieje! + +Fancy, ben je doof? + +--En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je zoo'n lieve +beste jongen bent... + +Fancy... deern! + +Wouter schikte by. + +Wie dáár niet wanhoopt, moet geen hoop te verliezen hebben! + +Och neen! + +Ik zeg juist andersom: wie dáár wanhoopt, had nooit behoorlyken grond +voor z'n hoop! + +"Maar, eilieve... dat is de ware echte oude: zal-i, +zal-i-niet-litteratuur!" + +Ja, lezer! In stipt-letterlyken zin, ja! Maar overigens? + +Meent ge dat ik Wouter in den hemel helpen kan, zonder hem te leiden +langs àlle paden die men moet doorworstelen om daar aantelanden? + +Dacht ge dat hy ooit den rang die hem by geboorterecht toekomt, weder +zou kunnen innemen zonder in 't leger der Menschheid als rekruut te +hebben dienst gedaan van de patroontasch af? + +Mocht iemand, in-weerwil hiervan, aanmerking maken op Fancy's leiding, +dan ligt de schuld aan hem. Het lage bestààt. Wie 't loochent, +liegt even misdadig als de miskenner van 't hoogere, van 't goede, +want zonder laagheid is er geen hoogte denkbaar. + +Niet in de schildering van dat lage ligt de fout, de fout ligt in +'t sierlyk aankleeden van 't gemeene, en vooral in 't belangryk maken +van onnoozele lapsische platheid. + +Hoort ge nog altyd niet, hoe Fancy schatert van lachen over 't +veldtochtje van haar stumperige vyandin? + +De nietigheid van zulke zaakjes rechtvaardigt zoo'n wyf niet. En ook +onze kleine man liep gevaar... schuldiger te worden dan geoorloofd was, +zelfs aan de nuchterheid van 'n kind. + +Want ieder moet geoordeeld worden naar den maatstaf dien-i omdraagt +in z'n eigen gemoed, en Wouter voelde heel goed dat-i zich bevond +op... onfatsoenlyk terrein. Zóó ongeveer zoud-i de zaak gekwalificeerd +hebben, als-i genoopt ware geworden z'n indruk te vertolken in +'n woord. + +Maar... dit zeer betrekkelyk schuldbesef verheft de zaak, als zoodanig, +niet tot 'n wereldberoerende kalamiteit, tot 'n casus diluvii! Och, wat +zouden we weinig droge jaren hebben als er 'n god was die regenplassend +toornde over zùlke ... kostschooljongensvergrypen! + +Nogeens, juffrouw Laps wàs 'n slecht schepsel. Om 't beoogde feit +niet zoozeer, maar... ze veroorloofde zich zulke feitjes te beoogen +omdàt ze nu eenmaal 'n slecht schepsel was. Godsdienst, vochtmenging, +zittende levenswys, en 'n tal van dusdanige ziekten meer, zouden +kunnen worden aangevoerd ter verligting van schuld. Ik kan me zelfs +'n zéér hoog standpunt denken, vanwaar zou mogen worden gekonkludeerd +tot finale vryspraak. + +Maar op dàt standpunt plaats ik me nu niet, heden niet! Ze was +inderdaad 'n slecht schepsel, en daarmee voor 't oogenblik: uit! Of +zou men misschien... + +Ik beweer vandaag alleen dat ze ... niet zeer byzonder was. Niet zeer +buitengewoon. Niet zeer belangwekkend. Geen kunstenares van eersten, +noch zelfs van eenigen rang. Geen exploitatrice van ryk terrein. Geen +hóóggeplaatst ambtenaresje van den Duivel... + +Och, in myn oog zou 't mensch zoo weinig kontritie behoeven om recht te +hebben op 'n goedig: "uw zonden zyn u vergeven, ga heen en... arbeid!" + +Want, lezer, er zit veel luiheid onder de oorzaken van zulke +afdwalinkjes. Menigeen toont zich wat wulpscher dan noodig en behoorlyk +is, omdat-i te weinig te doen heeft, of te ... denken. + +Misschien had juffrouw Laps de "deugd" van ons kereltje met rust +gelaten, wanneer men in-plaats van met God, Israël en hysterische +theologie, haar pover zieltje gevoed had met... gedachten. Wasschen, +schuren, boenen, is ook goed. Jazelfs, 't verstellen der onderbroeken +van 'n pastoor. + +Wat Femke rein en gezond bleef by de bezigheid die skabreus zou hebben +toegeschenen aan besmette zieken! + +Ziek, ziek ... ziedaar 't woord! Juffrouw Laps was ziek! + +Hoe is 't mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest naar den waren naam +van haar kinderachtig slechtheidje! Dit was dom en verschoold van +me. De lezer bedenke dat ik veel boeken heb gelezen. Toch beloof +ik beterschap, en als blyk van berouw verbind ik my ter-zyner-tyd +ziekteverschynsels van erger soort te schetsen. Ik zal me die laten +leveren door Feith, dominee Hasebroek, en meer lui van dergelyk +allergodzaligst kaliber. Die voorbeelden zyn van 'n aard, dat men byna +achting zou gaan voelen voor juffrouw Laps. De lezer heeft immers +opgemerkt dat ze haar "God" wegliet by de zaak? Geschiedde dit uit +schaamte? Uit diskretie? Uit besef van overbodigheid? Uit vermoeienis +van 't gehuichel? Uit gebrek aan bedrevenheid in toonzetting, en vrees +alzoo voor--vermeenden--wanklank? Hoe dit zy, in al haar geknoei had +het schepsel de verdienste der Sancta Simplicitas. Ze theologizeerde er +niet by, en poogde niet Wouter in den waan te brengen dat-i dezen of +genen "Heer" 'n pleizier deed door 't uittrekken van z'n jasje. Dit, +of zooiets, trachten die andere verlokkers wèl! Blyvende erkennen dat +ons Lapsjen aan zeer ziekelyke aandoeningen leed, wordt het waarlyk +tyd eens voor-goed de symptomen te leeren kennen die den geneesheer +in-staat stellen lichte verkoudheden te onderscheiden van kwaden droes, +huiselyke namiddagkoortsjes van... pest! + +Wouter, overigens... goed, of althans niet volstrekt ziek nog, zou +'r geen grein boozer om geworden zyn, al ware... de likeur van den +hoogstberoemden Nederlander Fockink nog 'n graad of wat sterker +geweest. + +Hierom zeker veroorloofde zich de guitige Fancy te lachen. En ze wrong +zich nog altyd de handen in 't minst niet, zy die toch blyk gaf van +strengheid, door zich verstoord te toonen over Wouter's félonie van +den vorigen dag! + +Fancy was, en is... liberaal! + +Te liberaal? + +Voyons! + +Beste lezer--ik bedoel: gy die onder al m'n lezers de minst onoprechte +zyt--stel u eens op 'n plaats waar zeer veel menschen voorbygaan. En +houd boek! + +Tel, weeg, meet en noteer de tranenstroomen die al dezen voorbygangers +langs wang en kleeren gudsen. Tel de jaren gewrongen handen, de +dozynen wanhopighedens, de duizenden gescheurde opperkleeren, de +legioenen opengereten boezems... + +Verzamel eens al de asch die de voorbygaande dames en heeren zich +op 't hoofd strooiden sedert den misstap van de bekende soort, die +eenmaal voor elk hunner de traditioneele "eerste" was... + +Komponeer vertwyfelings-hymnen uit al 't geween, 'n de profundis uit +het gekners der tanden... + +Bevolk 'n zoölogisch muzeum met al de wurmen die 't gezelschap +inkommodeeren met hardnekkig knagende onsterfelykheid... + +En dan... + +Zeg eens, minst-onoprechte lezer, vertoont zich niet, by de +statistiek van al dien berouwjammer, onze aarde als 'n vóórhel? Als +'n pleisterplaats van verdoemden? + +Toch kan en moet al die zoo zorgvuldig opgezamelde ellende slechts +gevolg zyn van nederlaagjes als die waarmee Wouter bedreigd werd, +van krizes als waaraan hy was blootgesteld. + +Want... zulke krizes en zulke nederlagen bestaan! Ze liggen in den +aard der dingen, en laten zich zoomin vernietigen--'t kinderachtig +wègdenken helpt niet!--als 'n atoom of 'n zon. Zoomin loochenen als +wiskunstige waarheid. + +Wie nu by zoodanige mensch-inspektie al de genoemde akeligheden niet +ontwaart, wie niet stuit op de sporen die "zonde" nalaat, op zùlke +sporen van zùlke zonden... + +Want er zyn anderen wier hoogtreurige beteekenis ik niet ontkennen +mag, helaas! + +Wèl, hy moet erkennen dat Fancy groot gelyk had de zaak luchtigjes +optenemen, en niet den minsten last te geven tot het ilico op-stapel +zetten van 'n goferhouten ark, van-binnen en van-buiten bepekt met pek. + +Onder ons gezegd--en niet gebleven, naar ik hoop!--het komt me voor, +dat de god van Genesis VI zich kleingeestig aanstelde, en dat het +z'n eer niet te nà zou geweest zyn ter-school te gaan by Fancy. + +Maar sterk wàs de likeur, dit is waar! + +En dat Wouter er meer van dronk dan goed was--voor z'n maag vooral!--is +ook waar. + +Hy verloor dan ook iets van z'n bedeesdheid, en antwoordde een-en-ander +op de praatjes van juffrouw Laps, die hiermee zeer in haar schik +was, al bleek er dan ook telkens dat zy en haar kleine gast niet uit +denzelfden sleutel zongen. + +Dat zou straks wel beteren, hoopte ze. + +Van-tyd tot-tyd dacht Wouter aan de eigenlyke reden van z'n komst, +of althans aan wat daarvoor was opgegeven. Z'n gastvrouw scheen +alle dieven en moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, en +spreidde by Wouter's herinnering daaraan, 'n dapperheid ten-toon, +die hem alleraangenaamst was. Want... de zyne was geweken. + +'t Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z'n +aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z'n slecht gezelschap. + +--Ik zou ze... denk je dat ik bang ben voor 'n kerel? zei juffrouw +Laps. In 't geheel niet! Voor geen drie! Voor geen tien! Voor de +heele wereld niet! Ik zou ze... + +Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefde hy niet te... zouwen. + +Daar ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel +kind. + +--Blyf jy hier, riep 't wyf, ik ga kyken, ik! Denk je dat ik jou wil +laten slaan of steken of vermoorden, m'n jongen ... dat nooit! Wie aan +jou komt, komt aan my ... aan my, hoorje, dàt zullen ze ondervinden! + +En ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom +ergens 'n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in 't donker +alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. De rollen waren +omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begon en quenouille +te vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de jongen zou schut en +wering zoeken onder haar voorschoot. + +--Maar, juffrouw ... + +--Zeg jy gerust Kristien... want zóó hiet ik. Jy mag gerust Kristien +tegen me zeggen. + +Dit durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele vokatief. + +--Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan? + +--Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel. De-n-afspraak +was dat je hier zou blyven... ontbyten. + +Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert 'n +uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was om +te rillen! + +--Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal 'n kermisbedje +voor je maken, daar ... in dien hoek! Want, zieje, als ik alleen +ben--ik, als vrouw, weetje--met al die dieven en moordenaars, dan +wordt ik zoo... griezelig. + +Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo streelend +gelast werd... + +Hy weifelde... + +Zy hield aan... + +Hy begon... + +Men bedenke dat het kind beneveld was! + +O Fancy! Liberalismus is 'n goede zaak, en na de bemoedigende +statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan +zou al... + +Maar toch... franchement, Fancy, is 't niet jammer van den jongen? + + + + + + + + Dit hoofdstuk is gekopieerd uit 'n oud Register der handelingen + en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld. (De + lezer kan staatmaken op meer.) 't Verhaal van Klaas Verlaan, + den "Amstelhavenknecht." Geleerde verhandeling over + voetzoekers. Juffrouw Laps wikt, Fancy beschikt. + + +Om van Fancy's spinsel en borduursel iets te leeren begrypen, is +'t noodzakelyk eenige uren terug te gaan. + +De lezer herinnert zich dat er dien middag ter uitspanning van +de hooge personaadjes die Amsterdam vereerden met 'n bezoek, 'n +hardzeilery zou worden gehouden op den Amstel Juffrouw Laps had reeds +de goedheid dit aan ons en de Pietersens meetedeelen, en tevens dat +de zaak mislukt was door 'n onhoffelyk gebrek aan wind. Ze had de +waarheid gezegd. Hopen wy dat deze uitspatting geen al te nadeelige +gevolgen moge gehad hebben voor 't evenwicht van haar ziel. + +Het was dien dag inderdaad bladstil. De mannen van 't vak beweerden +"dat er geen zuchtjen aan de lucht was." Wie zich anders uitdrukte, +werd voor 'n landkrab gehouden. + +Het plezier-roeien was nog niet in de mode--de mode had ongelyk, +want het is 'n flinke mannelyke oefening--doch al ware dit anders +geweest, Amstelboeiers zyn niet op roeien ingericht, en andere +geschikte vaartuigen waren niet by-de-hand, om nu niet te spreken van +'t gebrek aan eelt in de handen van de liefhebbers. + +In dit opzicht dan toch waren onze grootouders nog lamlendiger +fatsoenlyk dan wy. Ze dachten er zelfs niet aan, dat zoo'n matrozige +inspanning 'n vermaak wezen kon zonder de minste schade voor +deftigheid, en meenden al heel wat ferms uitterichten, wanneer ze +als halfleege meelzakken met den schoot in de hand in 'n stuurstoel +lagen te dutten. De wind moest by die gelegenheden al het werk doen, +en had dus eigenlyk alleen aanspraak op 't plezier. + +Maar de wind deed nu eenmaal dien dag z'n werk niet. Hy scheen elders +bezig, en floot misschien onzen tegenvoeters 'n spotdeuntje voor, +op al de gefopte potentaten die tusschen Ouwerkerk en Amsterdam +heen-en-weer pauwden in stof en hitte. + +Ja, 't was gloeiend heet. Koningen en prinsessen zweetten als +menschen. De joujoux de Normandie--'t speel- en groettuig der +beau-monde van dien tyd--klommen al trager en trager by hun koordjes +op. Nu, dit stond zoo kwaad niet, want de goede toon schreef voor, +dat ze zeer langzaam stegen, en zich aanstelden alsof ze moeite +hadden de hand te bereiken die ze had laten vallen. Dat, of zoo-iets, +heette: morbidezza. De beweging der vingers, die 't kleine rukje +moest meedeelen waardoor 't stygen werd te-weeg gebracht, behoorde +onmerkbaar te zyn. Dit gold voor gratie, bekwaamheid, verstand, +en zelfs by-mangel aan beter, voor genie. + +Sommige kroniekschryvers beweren dat de oude puistige Paltsgravin +'n groot gedeelte van 't prestige in hofkringen, dat haar inderdaad +niet kon worden ontzegd, te danken had aan de handigheid waarmee +ze wist omtegaan met den joujou de Normandie. Volgens Stuart Mill +was zy de uitvindster van den zoo beroemden horizontaalworp, en +'t is niet geheel-en-al onmogelyk dat zy ook in 't bezit was van +'t geheim om 't belangwekkend speeltuig loodrecht omhoog te werpen, +en zeer langzaam te laten dalen langs de door 'n onnaspeurlyke oorzaak +gespannen koord. Maar deze byzonderheid vereischt bevestiging. Stuart +Mill heeft de wreedheid gehad te sterven voor-i den Hollanders heeft +voorgezegd wat ze hiervan te denken hebben, en alle kans op licht is +dus afgesneden. + +Dat ook de zeer hooge geboorte van de Paltsgravin meewerkte aan +den invloed dien zy uitoefende op alle Europesche hoven--op één na, +want de edelste zaak heeft haar tegenstanders!--mag waar zyn, maar +toch... haar virtuoziteit op den joujou was en bleef hoofdzaak. + +En ten-onrechte! Want men wordt geboren zonder dat men 't +helpen kan--dit was zelfs met de Paltsgravin eenigermate het geval +geweest--terwyl er tot het wel besturen van 'n paar palmhouten schyfjes +aan 'n koord, natuurgaaf en oefening noodig is. Vorsten en prinsen +weten dit wel, en maken er dikwyls gebruik van. Me dunkt ik hoor +'n koning zeggen: + +Ma toute bonne, vous qui avez la main si légère, ne pourriez vous pas +me faire l'amitié de flanquer à la porte les trente mille hommes que +mon diable d'... allié vient de loger dans ma capitale? + +Of: + +Ach, du meine liebe Cousine, wie du göttlich chouchouirst! Auf und +nieder ... nieder und auf! Wenn du einmal unsern sehr verehrten Vetter +mit Usurpationsminen, Kaiserliche Majestät, so am Kördelchen hieltest +und chouchouirtest? + +Nu spreekt 'n prinsje: + +--Auf Ehre, Durchlaucht sind zum küssen adorable! Nur der Respekt +widerhält mich ... auf Ehre! Clotho, ich beehre mich Ihr Sclave +zu sein. Lachesis, Ihrer geschichtlenkenden Hand empfehle ich mein +Schicksal! Schaffe mir den Erbprinzen vom Halse, o Athropos! Schicke +den... unbescheiden-frühergeborenen nach Italien, ins Pfefferland, in +den Krieg, in... Cytherëischen Vergnügungen, womit eine so gescheute +Parke wie Durchlaucht, Lebenskördelchen abschneidet... zum Entzücken, +verehrungswürdigste Parke Durchlaucht! + +Zoo spraken welopgevoede prinsjes van dien tyd. Laf was het, en +heel mythologisch, o ja! De mythologie is weg, maar de lafheid is +hier-en-daar gebleven. Er bestaan inderdaad tegenwoordig hooggeboren +personaadjes die niet de minste konversatie houden over schikgodinnen, +en toch de moeite van 't aanhooren niet waard zyn. Meer nog. Zelfs +sommige laaggeborenen veroorloven zich zoo'n leegte. Ik heb kooplieden +gekend jazelfs werkluî, die praten konden als 'n... prins nà den bloei +van de salon-mythologie. Maar we zyn nu met vorstjes bezig. Alzoo: + +Een prinsesje spreekt: + +--Liebe mütterliche Cousine... aber nein, so geschickt wie du... nie da +gewesen! Mit dèm Händchen könntest du mir ganz bequem ein halbdutzend +fette Provinzchen aus dem Deutschen Reichsmaraste zur Morgengabe +zusammen fischen, Cousine! + +'n Sterveling van lager soort: + +--Königlich-Kaiserliche Hoheit, ich sehe, staune und... schweige! Wenn +Königlich-Kaiserliche Hoheit nur beliebten... Gottes Erdreich wurde +sich pflichtsschuldigst freuen wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit +geruhten es gnädiglich balanziren zu wollen auf Königlich-Kaiserliche +Hoheit's göttlichen Fingern! Ich schweige gehorsamst, doch... dass eine +Ober-geheim-küchen-ceremonienmeisterstelle vazirt, ist unterthänigste +Wahrheit. + +Enz. Enz. + +Al deze menschen logen 'n beetje. Maar hun praatjes waren minder dom +dan 'n oppervlakkige beoordeelaar meenen zou. Want ze bereikten dikwyls +hun doel. Die laatste aanbidder, byv. kreeg inderdaad 'n aanstelling by +'n königlich-kaiserliche hofkeuken. Wat wil men meer? + +Overdreven verwondering over den invloed van de Prinses, zou 'n blyk +van onkunde wezen. Want al reike nu de historische kennis van den +lezer niet toe om hem te doen raden welke persoonlykheid ik bedoel--men +weet reeds dat ze roode puistjes in 't gezicht had, en ik voeg er nu +by dat ze gewoon was te slapen tusschen lakens van hollandsch linnen: +dit is iets!--welnu, al kent men haar niet, toch mag ik verwachten +dat ieder wete hoe macht, aanzien en invloed gewoonlyk gegrond zyn +op kleinigheden. Misschien zou er eenige verwondering te-pas gekomen +zyn wanneer ik m'n Paltsgravin had voorgesteld als verdienstelyk, +of als bekwaam in belangryker zaken dan 't op-en-neerwippen van +'n joujou. Haarzelf lieten zulke kwestien volkomen onverschillig. + +Een ruiter naderde haar koets. + +--Eh bieng, zjefalier, n'est-ze-pas qu'il fait affreussemang chaud +dang ze pays? + +--Wie K. K. Hoheit befehlen. + +--Ch'étouve! + +--Zu dienen. + +--Und wo steekt denn unsere kleine wilde Katze? Ist sie hinten? Ist +sie vor? Wo ist sie? + +De "chevalier" werd door 'n toedringende volksmenigte van de koets +gescheiden. Dit beviel hem wel. Vooreerst was-i uit de oude school, en +hy durfde zich niet wagen aan 't duitsche hoffransch van de Palatine, +waaraan-i admirablemang wèl deed. Ten-tweede bezat-i te veel routine +van nieuwer school, om gaarne te antwoorden op de vraag naar de "wilde +kat." Dit katje namelyk was 'n zeer superlatief-K. K. Hoheit. De +halfbakken hoveling mocht dus niet te snel verstaan wie er bedoeld +werd, en durfde zich evenmin schuldig te maken aan niet-verstaan. Een +groep welwillende zangers kwam z'n verschrikte diplomatie te-hulp: + + + "Amour à la plus belle, + Honneur au plus vaillant... + + +Ja, ja, lezer, er is 'n tyd geweest, dat de kracht van hollandsche +jenever--amsterdamsche proef--zich openbaarde in fransche romances. Of +onze straatzangers dat refrein precies uitspraken en zongen naar de +bedoeling van den auteur, van de auteur, liever... + +De Paltsgravin scheen dit te ontkennen. Met haar joujou riep zy 'n +zeer elegant jongmensch van 'n jaar of achttien tot zich; dien zy +in haar nabyheid ontdekte. De jonge ruiter groette ganz rittermässig +met z'n karwats terug, en drong door de menigte heen. + +--Ecoutez, mein Prinz! Das Pöbel singt la changsong de la Reine! Oh, +mong Dié, quelle pronongziaziong! + +--Vous avez l'oreille si délicate, ma Cousine! + +--Ang férité! Aber, Prinz, sagen Sie mir 'nmal, wo ist denn Ihre +Prinzessin Schwester, mein Waldkätzchen? + +--Ma foi il y a plus d'une heure que je ne l'ai vue! Elle s'amuse +peut-être là-bas, au village d'Awercric. Qui sait si elle n'a pas passé +l'eau. Vous savez, Palatine, qu'elle n'a pas l'habitude de se gêner... + +Nu ja, dit wist de Paltsgravin. Dit wist ieder die ooit de eer had +het prinsesje van naby gade te slaan, en de lezer zal er ook iets +van te zien krygen, parole d'honneur! + +Honneur au plus vaillant! schreeuwde nu weer 'n troep al te +opgetogen Nederlanders, en onze Paltsgravin reed op-nieuw 'n oogenblik +onverzeld. Van-tyd tot-tyd harkte zy met haar speeltuig dezen of genen +"kavalier" naar zich toe, en knoopte dan 'n gesprek aan, dat echter +telkens door de volte werd afgebroken. + +Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van +'t woord "kavalier" te rymen op: "duitsche manier" in welk geval 't +niet "ruiter" beteekent, maar 'n "heer van den hove" 'n hoffähiger +gentleman, ja misschien zelfs by-uitsluiting: 'n edelman. Niet zonder +deernis met de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen +dat er by de zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy 't dan dat in +dit geval de "kavaliere" werkelyk tevens ruiters waren. Nu ik toch aan +'t uitleggen ben... 't woord: "harken" is van my. Ik nam de vryheid +daarmee alleraardigst te zinspelen op den befaamden horizontaalworp +met den joujou. + +De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het +kon niet anders, om de volte. + +Bovendien, de souvereinen verkeerden in 'n ziekelyke bui van +"Volksthümlichkeit." De mode van den dag bracht 'n misselyke +neerbuigings-manie mee, en de meeste rangmenschen overdreven +de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg filantropie, gelyk wat +vroeger de hoepelrokken, en later crinolines, vryen-arbeid of +chignons. Rousseau--die beter wist, of althans beter weten kon--had +de afgezaagde theorie van "ce bon peuple" op frazen gezet, en wie +te arm was om gedachten te bezitten op z'n eigen hand, neuriede die +frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die luidjes niet. En +dit is nòg zoo. + +'t Spreekt vanzelf dat dit instemmen met den deun van den dag, +gewoonlyk ver van oprecht was. Binnen de wanden der staatsie-koetsen +heette dat "goede Volk" zeer dikwyls doodeenvoudig: la canaille, +'n kwalificatie die wel niet geheel juist was, maar toch niet verder +van de waarheid afweek dan de zoetemelks-praatjes van Rousseau. [3] + +Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde +betreft, vergeten we nooit dat ook "ce bon peuple" geen grein oprechter +is dan de meest geveinsde Machiavel. Al wat men van 't Volk zeggen +kan, is dat het evenmin pozitief valsch is. Het schreeuwt "vivat!" en +denkt... niet juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal. + +By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met +m'n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich schuldig aan +'n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer benadeelde. Niemand +strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. En onze Paltsgravin +was de laatste die op 't denkbeeld komen zou--'t was zoo warm!--dat +deze speciaal-vorstelyke manifestatie aan de feestelykheid ontbrak. + +Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van +zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door +'n lakei op 'n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat z'n zuster--'t +Waldkätzchen?--hem 'n boodschap had gezonden uit "Awercric." En: + +--Palatine, auriez-vous par hasard quelques douzaines de frédérics +à me prêter? vroeg hy. + +--Che parie que z'est pour elle! + +--Si! + +--Elle fait donc angcore l'angrachée, che pangse! + +--C'est possible! Mais en tout cas, il ne faut pas la laisser dans +l'embarras. Dieu sait dans quel gâchis elle vient de se faufiler. Je +n'ai qu'une bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez! + +Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad +te-boven in K. K. Hoogheid. En 't "boschkatje" was de verloofde van 'n +Grootvorst die volgens alle menschelyke berekening keizers tot lakeien +hebben zou. De Paltsgravin--"Oh, mong Dié! Oh, mong Dié!"--was dus wel +genoodzaakt haar eeredame te gelasten aan Prins Erik 'n goudbeursjen +overtereiken. Deze gaf 't den lakei, die 'r mee wegreed zoo snel de +volte gedoogde. + +Prins Erik's zuster had inderdaad geld noodig. Ze speelde +Voorzienigheidje. Wat zy eigenlyk met de geleende som uitvoerde, weet +ik niet, maar zeker is 't dat de dankbaarheid--d. i. de betuiging +van die aandoening--haar wat druk werd. Ook drongen er zeer veel +menschenvrienden toe, die haar ruimer gelegenheid wilden verschaffen +tot het voortzetten van haar liefhebbery, dan goudbeursjen en gezond +verstand toelieten. + +We zullen maar aannemen dat er den vorigen dag te Ouwerkerk 'n +zware brand was geweest--men assureerde niet in die dagen--of... 'n +landman had al z'n koeien verloren aan de veepest--Thorbecke was nog +niet geboren om die onaangenaamheid uitteroeien--of... 'n ongehuwde +kraamvrouw kon geen plaatsje krygen om uitterusten van haar zondige +verlossing--de zedekundige lezer weet misschien dat de "deugd" dit +niet gedoogde in Wouter's tyd--of... + +Hoe 't zy, Prinses Erika had de een-of-andere weldadige gekheid +uitgericht, 'n soort van débauche waaraan ze zich zeer dikwyls +tebuiten ging. Goed was 't zeker niet, maar er zyn erger ondeugden, +en ik ken velen die 't recht niet hebben zulke karakterfouten te +laken. Voorloopig hebben de moralisten dringender arbeid dan 't +waarschuwen tegen fouten als die welke den hoofdtrek uitmaakten in +'t karakter van prinses Erika. + +By deze gelegenheid dan had ze haar koets verlaten, en was van haar +gevolg afgeraakt. Om de menigte te ontwyken, die--juichend, dankend +en... vooral lastig--op haar toedrong, was zy in 'n roeischuitje +gesprongen, dat aan 'n steiger lag, en waarin 'n man zat te +slapen of nagenoeg. 't Was zoo warm! Het was Klaas Verlaan, de +"Amstelhavenknecht." + +De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers +berstten in lachen uit om 't malle gezicht dat-i zette. + +Er was waarlyk reden toe! Prinses Erika droeg 'n vuurrood satynen kleed +met 'n langen sleep dien zy echter--zoo-even reeds by den brand zeker, +of by de kraamvrouw, of by de koeien--had opgeg... + +--Opgegeid, noemde 't Klaas Verlaan vele jaren daarna, als-i de +historie vertelde aan z'n kleinkinderen. + +'t Was de pièce de résistance van z'n ondervinding. Nu, sommigen +hebben minder beleefd! + +--Se sag er uit as 'n fonk, zeid-i, en ik doch werachtich dat er +'n ster in m'n jol was gefalle, so flamde ze! + +Komaan, we zullen Klaas Verlaan 't woord geven, maar ik heb geen lust +z'n spelling te volgen. De lezer zal wel ongeveer weten hoe de man +moet gesproken hebben. + +--Zóó vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte leeren handschoenen +tot den schouder toe. Eén er van ligt nog altyd in 'n doosje by de +Staten-overzetting. 't Lykt wel 'n kinderkousje. Want haar vingers +waren klein, maar ... kracht had ze daarin, kyk! En op 't hoofd 'n +toren van poeier ... net 'n grooten sneeuwbal! Maar 't gezichtje was +lief, dat moet ik zeggen! + +En ik was 'n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist +waarachtig niet wat ik in m'n schuit had, en of ik moest vloeken of +siveplé-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor ik recht wist +hoe ik 't had, pakt ze me-n-'n-riem, en zet m' flink tegen den wal, en +zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou by 't uithalen, want het ding zat +wel half-blads in den modder, en 't zóóg als de bliks... lager. Maar ze +liet 'm steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven we! + +Maar ik was kwaad as 'n spin, en zei--met 'n vloek, want ik vloekte +nog in dien tyd--dat ik baas op m'n jol was. Ja, dat zei ik. + +--Ich rudern! riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was +miserabel. En ze greep naar m'n anderen riem. Maar dáár was ik als +de kippen by! + +--Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken? + +Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen nemen, +maar weetje wat ik zei? Ik zei: m'n vader is geen breeuwer, zei ik, +en ik hou m'n riem! + +Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amste! te liggen draaien +als 'n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en +grabbelde-n-in haar tasch--'n fluweelen ding met gouden knip, dat met +'n haak in haar middel zat--en ze haalde-n-er 'n stuk geld uit, en +wees het me. Toen gaf ik haar den riem... om 't geld, weetje, dat ze +me wees, want, dacht ik, wat kan 't my schelen of de menschen lachen +aan-wal? 't Kon m'n dag nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. 't Zag +er uit als 'n dukaat, maar 't ding was meer waard. Dat heb ik later +gemerkt toen ik 't wisselde op den Vygendam... met al de anderen, +want ik kreeg er meer. Dat zal jelui hooren. + +Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht +worden, en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik +liet haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest. + +--Rücken? riep ze. + +--Wrikken, riep ik. Kyk... zóó! + +En ik wou 't haar wyzen. + +Maar 't ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn altyd tien +roeiers te krygen tegen één wrikker. + +Ik wees haar hoe ze d'r beenen moest zetten. Ze had wit-satynen +schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan 'n vuist, maar ze liep +er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als 'n kievit zoo vlug. + +Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder +kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik m'n +hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. Gut, +op vechten af! + +Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik 't vroeg, riep ze: +"rücken, rücken!" + +Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! 'n Mensch moet toch +weten waar-i heen wil! + +We sukkelden stroom-af--meest gatje-voor!--en naderden de +Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m'n dukaat, en de grap +is uit. Maar jawèl! + +Op-eens houdt ze met wrikken op--'t zweet liep haar by droppels van 't +gezicht!--en leî den riem op den doften. Toen wou ik 't ding grypen, +omdat ik 'n eind aan de zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook +alweer niet. Wat ze dan eigenlyk wèl wou, kon ik eerst niet begrypen +... ik zal 't jelui maar zeggen, ze wou te-water! + +Ik schrok er van! 't Mensch was dóór en dóór van zweet. Maar... ze +wou! Er was niets aan te doen. En ze hield weer zoo'n moffendukaat in +de hoogte. Op den Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor 't stuk, +en de man zei, als ik er meer had, kon ik altyd by 'm te-recht. Dáárvan +is 't zilver beslag op de Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de +waarheid vertel. Ook 't gouden ooryzer van m'n oudje--dat nu jeluî +Grietje-meu draagt--is van dien tyd. + +Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek worden wilt, +of sterven, of rimmetiek krygen... + +Ze trok 'r schoentjes uit, en 'r satynen kleed, en meer nog. Maar ze +hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. En ze gooide haar pruik +af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze schudde-n-'t +hoofd als 'n paard dat de wei ruikt. En ze sprong... kyk! ik had +nog nooit zoo-iets gezien... van 'n vrouwmensch, weet jelui? Flink +koppie-over! + +Eerst was ik bang voor 'n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan ik niet, +en als 't mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? Maar 't hoefde +niet, want zy zwom wel. Als 'n eend! Of liever als 'n paling, want +ze kronkelde-n-onder m'n jol door, en schoot weer op aan de-n-andere +zy... als 'n dobber hoor! 't Speet me toch evel dat ik niet ook zoo +thuis was in 't water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo +de gewoonte niet. Zy was zeker uit 'n land waar de menschen niet zoo +zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan. + +Maar dat tot dááraan toe! De jol dreef tegen de jachthaven, en zy +was er ook. Ik hielp haar op den steiger, en er stond veel volk te +kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m'n pyjekker die in de jol lag, +en sloeg zich 't ding om de schouders. Toen keek ze-n-even rond, zag +'n open deur van een der jachthuisjes, en vloog er in. Net'n wilde kat. + +Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar +ik durfde niet binnengaan, omdat het 't huisje was van m'nheer +Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? Die zou 't heel kwalyk +hebben genomen dat ik met zoo'n vreemd schepsel in z'n jacht-huisje +gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my zoo familjaar omgaat, +dat kàn--om den dukaat, weetje--maar... m'nheer Kopperlith woont op de +Keizersgracht. Dàt scheen ze niet eens te weten. Hoor eens, kinderen, +wat opvoeding en fatsoen aangaat ... geen land boven Holland, dat's +maar zeker! + +Maar ... binnen wàs ze! En ik durfde-n-'t bruggetje niet over, +met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, en die +fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik. + +En daar stond ik! + +De menschen van de brug riepen: "dat is 't huisje van m'nheer +Kopperlith, denk er om!" + +Ja, dacht ik, daar denk ik wèl om, maar wat zal ik doen? Juist begon +ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m'n dochter Geert +kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al dood is... + +Maar toen was ze-n-'n knappe jonge meid van zoowat achttien. En ze zei: + +--Vader, laat 'r in òns huuske! Daar kan ze zich klaren. + +Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie +van de Jachthaven. 't Kon my m'n ontslag kosten als ik rare dingen +deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de huisjes. + +Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al lang +had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in 't oog. Ze vliegt +'t huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt met 'r heen. + +Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by +moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar? + +Maar... 'n rare dag wàs het! O, ik ben nog lang niet klaar! Weet +jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z'n dag goed is, +voor bedtyd! + +Zoo eindigde Solon Verlaan 't eerste hoofdstuk van z'n verhaal. Het +tweede en laatste zal ik vertellen, of vanzelf laten spreken. We laten +dus 't boschkatje voor 't oogenblik onder de hoede van de aanstaande +Geertje-meu die op zich genomen had haar, of de zaak, te "klaren". Nu, +dit deed ze. Sint Maarten was er niets by. + +Op den ryweg langs den Amstel joelde 't Volk maar altyd +voort. Van-lieverlede verdwenen de koetsen van de hooge +heerschappen. Ook de ruiters verveelden zich, en zochten vryer +plaats dan die buurt op dat oogenblik kon aanbieden. De menigte +drong, zong, schreeuwde en dronk. Om zich schadeloos te stellen voor +'t mislukte hardzeilen, begon men hier-en-daar zich te vermaken met +het afsteken van vuurpylen, die den volgenden dag in de couranten +tot getuigen werden geroepen van de ontzaggelyke liefde des Volks +voor alle mogelyke prinsen en prinsessen. + +Dit was onjuist. Het Volk houdt van vuurpylen omdat ze blazen en +proesten en sissen en glinsteren. + +Ook zwermers--de Amsterdammers noemen ze "voetzoekers." Wie kan me +zeggen: waarom?--ook zwermers werden aangevoerd als bewyzen voor de +zeer byzondere gehechtheid des Volks aan alle Souvereinen... + +De Paltsgravin gelóófde het. Heusch! + +Maar ze had ongelyk, precies als die kranten. + +Want, lezer, de menigte houdt van voetzoekers, omdat ze sissen, +en vuur spuwen, en 'n harden klap geven. Dàt is de zaak! Men kan +er gerust alle grieksche wysgeeren op nalezen, op Solon Verlaan na, +die z'n heele wysheid heeft opgemaakt aan 't bedenken der diepzinnige +spreuk van zoo-even. + +Ook de zevenklappers... klapten. Ze spraken en getuigden van dynastieke +opwinding, en alle Souvereinen zaten met zevenvoudige gerustheid op +hun tronen... + +Maar de Souvereinen waren wat voorbarig in die gerustheid. Want 'n +zevenklapper maakt wel veel geraas, maar bewyst niemendal. Het volk +steekt ze niet af om trouw te zweren, maar omdat die dingen zoo grappig +heen-en-weer springen, en by elken sprong zoo'n knetterend geluid +geven. Al zeggen nu hierover de grieksche wysgeeren geen woord--zeker +omdat ook zy nu uitgeput zyn na de inspanning hunner denkvermogens +over de ware beteekenis van 'n voetzoeker--toch is het zoo! + +Veracht me niet te zeer, lezer, als ik u betuig dat de ware vreugd +die er uit vuurwerk te halen is, in 't afsteken--zèlf afsteken!--van +zevenklappers en voetzoekers bestaat. Een "groot vuurwerk" is 'n +ellendig ding, 'n menschonteerende foppery. Eigenlyk 'n schimp, +'n beleediging, 'n laesio dignitatis generis humani! [4] + +Om dit intezien, behoeft men zich maar 'n oogenblik te verbeelden +zoo'n vertooning bytewonen... + +In eenzaamheid! Want als u iemand betrapt in de autopsie die ik +voorsla, zyt ge in zyn opinie 'n reddeloos verloren mensch. Uw vrouw +kon echtscheiding aanvragen, en zeker zou ze 't proces winnen voor +elken rechter die verstand heeft van menschenwaarde. + +Verbeeld u dan dat gy, in uw binnenkamer en alleen, zoo'n vuurwerk +aanschouwt. Roep, zeg, mompel of fluister--ingodsnaam zóó zacht dat +gyzelf uw eenige hoorder zyt--fluister 't onvermydelyke: hè...è...è... + +En houd u 'n spiegeltje voor! + +Dan, lezer--al waart gy de verfoeielykste atheïst--ontsnapt u de +verontwaardigd-religieuze verzuchting: God, myn God ... hebt ge my +dáártoe geschapen? + +En by zoo'n gelegenheid voelt men--tenzy men onvatbaar werd voor +èlke gewaarwording--yverzucht op de intelligentie van z'n paraplui +of laarzentrekker! + +Maar ... voetzoekers, zevenklappers! Men staat er niet by met den open +mond die by elke teekenoefening den leerling wordt aangeprezen als +de uitsluitende vertegenwoordiger van wèl geopenbaarde bêtise! Men +is handig by 't aansteken. Er is gevaar als ze haperen. Men werpt +ze! En... snel, snel ... één sekonde te laat, ze bersten in de +hand! Allergevaarlykst! + +Eens namelyk heeft de traditioneele "iemand" die de hoofdpersoon is +van alle volks-akeligheden, zich door het te lang tusschen de vingers +houden van 'n zwermer, 't even traditioneele "groot ongeluk" op den +... hals gehaald, dat ... enz. + +Och, hoe prettig is die angst. Hoe allerakeligst vermakelyk! + +Helaas, pret en vermaak zyn afgeschaft! De stedelyke Regeeringen +verbieden zulke ruwe vermaken ... om 't brandgevaar, sedert alle huizen +met pannen gedekt zyn. In den tyd der stroodaken kon die vreeselyke +losbandigheid oogluikend worden geduld. Maar nu? + +En de andere gevaarplezieren! Hoe menige juffer kwam thuis--byna +zelfs kwam ze niet thuis--met 'n verbrande jurk! Gilde ze niet van de +pret? En 'n jongen--altyd "de jongen die ook overal met z'n neus by +moet wezen"--had-i niet eens--byna, alweer--'n volle lading in 't +gezicht gekregen? Was er niet gevaar geweest--nogeens: byna--dat +z'n oogen 't gelag te betalen kregen van die onbescheiden neus? + +En... 't mikken met zoo'n aangestoken voetzoeker! Dàt is wat ànders +dan 'n joujou de Normandie! + +Ik weet--en betreur het van-harte!--dat er nog altyd hier-en-daar +menschen worden gevonden, die meenen zich te vermaken met +schyfschieten, 't ouwevrouwigste plezier dat men kan uitdenken, 'n +naaischoolige parodie op ridderlyke wapenoefening. 't Is waarachtig +niet dáármee, dat men op Scyros zou hebben uitgemaakt of Achilles +'n jongetje was, en of-i z'n opvoeding ontving in 't pensionaat +van Chiron! + +Zündnadels, Beaumonts, Chassepots zyn verachtelyke voorwerpen. Ze +spreken niet mee. De kogel die zich zoo onnoozel laat voortdryven +uit de buis van die dingen, is eigenlyk te dwaas om in z'n eentje de +parabool te beschryven die de artilleristen van hem vorderen. Men +zegt dat er projektilen geweest zyn die hun weg vergaten, en zoo +slaafs zich hielden aan de routine die ze meenamen uit den loop ... + +Sakkerloot, ziedaar 't geheim opgelost van de verregaande +ongekwetstheid en welvarendheid der geslagen legers! Die menschlievende +kogels zyn op-reis in den... aether, en willen aërolith spelen op +deze of gene planeet, waar men nog dom genoeg is aan "aërolithen" en +"aether" te gelooven. + +De voetzoeker--hoeden af, lezer!--geeft den drommel van zoo'n bekrompen +loops-opvatting. Hy heeft karakter, en volgt z'n eigen senie... zou +juffrouw Pieterse zeggen. Hy leeft, en kiest z'n weg. Hy spuwt +vuur, en deinst voor 't recul van z'n eigen strydlust. Hy kampt om +'t verloren terrein te herwinnen, en wisselt van zwaartepunt, en +wendt z'n grilligen loop, en kronkelt als 'n vliegende lintwurm. Hy +schryft z'n naam in gloeiende krullen, en vecht tegen den luchtdruk, en +sliert al duiklend voort, en braakt arebesken. En waar-i was, keert-i +weer, als iemand die nog wat te zeggen heeft. En waar-i niet was, +komt-i aanrollen, blazend, blakend, brandend, schroeiend, sissend, +schetterend ... altyd verrassend door nieuw-uitgedachte huppeling, +altyd verschrikkend door vreemdluimigen sprong, altyd boodschapper van +'t onverwachte, maar altyd de drager ook van 'n herhaalde opwekking +tot gillend plezier. + +En de zevenklappers! 't Is waar, ze vuurden niet zoo prettig, en +gingen aanvankelyk bedaarder hun weg. Maar men was zekerder van +z'n worp! En ... éénmaal 'n openstaand venster ingekeild, werden +ze wakker en roerig. Dan klapten zy, en sloegen, en sprongen als +toornige duiveltjes, voltigeerden links-rechts op-en-neer door de +kamer, kris-kras-kruis op de tafel, tegen den spiegel, achter de +schilderyen, tusschen de stoelen, onder bed en sofa. Ja, soms dansten +ze--sarkastische demonen!--de kaars uit... + +De Archimedes die de evolutien van 'n rechtgeaarden zevenklapper +weet te berekenen, moet nog geboren worden. Dit spyt me niet erg, +omdat ik voor ditmaal aan 't zeer byzonder effekt van 'n eerste +uitbersting genoeg heb. Ze had plaats naby Wouter's linkerwang, juist +op 't oogenblik toen juffrouw Laps hem daarop een kus wilde geven: +haar Rubicon! + +Heel aangenaam zou 't Wouter nog altyd niet geweest zyn wanneer 't haar +gelukt was die omineuze rivier overtesteken, maar 't blyft de vraag +of-i daarna kracht, besef of afkeer genoeg zou hebben overgehouden +om zich te verzetten tegen finale verovering. + +De geestige zevenklapper won hem den gevaarlyken tweestryd uit. Wat +die prinses Erika mikken kon! + +Juffrouw Laps had haar zondige lip gebrand, en riep: + +--Heere Krrristis, wat's dàt? + +Heel veel anders viel er dan ook by die malle gelegenheid niet +te vragen. + +Wat het wàs? + +Wèl... 'n brokstuk uit het "Register der Handelingen en Besluiten" +van Fancy. Ze hield zich bezig met het verevenen van kansrekening, en +de lezer wordt uitgenoodigd, als by 'n vuurwerk, te blazen: hè...è...è! + + + + + + + + De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door 't + achterste-voor zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme, + arme, arme, Laps! Mysterieus standbeeld in de "Gekroonde + Jeneverbes." Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht. Wouter + krygt 'n zusje. + + +Fancy is groot, en wy beginnen haar eenigszins te begrypen. Dit heeft +ze op sommige andere godheden voor, want onbegrepen grootheid baat +niet veel, en kon eigenlyk zonder schade gemist worden. + +Ja, ze was groot, en ... praktisch! + +O, verrukkelyke teleologie van den romanschryver ... juffrouw Laps +mocht haar "sinnigheid" niet krygen! + +En dáárom was 't zoo warm, dien dag! En dáárom had ze haar venster +moeten opschuiven, wat anders 'n fatsoenlyk nederlandsch mensch--liever +stikken!--niet doet. Dáárom bleef de hardzeilery in den steek! Dáárom +verveelde zich Prinses Erika! Dáárom beging ze weldadighedens tot +tydverdryf! Dáárom kreeg ze lust in baden! Dáárom joelde al dat +volk--en zy mee!--met voetzoekers en sissers de stad in, Weesper- +en Amstelstraten door, naar de Botermarkt... + +Want op dat plein woonde de Caesarine Laps die 'n zevenklapper in 't +gezicht moest krygen juist toen ze bezig was met haar alleraardigst +venit, tetigi, en... "heere-krrristis wat is dat?" + +Wat dit is, juffrouw Laps? Wèl, 't is fantastische doeleindenleer. Al +die koningen, prinsen, prinsessen--en zelfs de Paltsgravin met haar +puistjes, joujou en hooge geboorte--zyn op dien warmen dag door 'n +hooger Wezen in de stad gezonden om u in de wielen te ryden. Het is +uw plicht dit te gelooven... o, geloofster! + +Ze geloofde het niet! En ze kòn het niet gelooven, want ze wist er +nog minder van, dan van al de andere dingen die ze voorgaf zonder +bezwaar te slikken. Het onweer op Sinaï was door den "Heer" beschikt +om de Joden aan 'n behoorlyke reglement van policie te helpen, maar +die nydige zevenklapper... + +Ze vloog naar 't venster. Wouter ook. Er bleek nu dat de bedoeling +van den haar en hem onbekenden artillerist niet boos geweest was, +want niemand lette op de nieuwe toeschouwers. Bovendien, ook andere +vensters raakten gaandeweg open en bezet, waardoor de aandacht van +'t straatpubliek verdeeld werd. Er bleek uit niets dat men zich +om juffrouw Laps of haar gast meer bekommerde dan om elk ander +die toekeek. Zonder erg werd er rechts en links gebombardeerd, +en onze beide heldjes konden in alle kalmte waarnemen wat er op de +straat voorviel. Juffrouw Laps kwam de zeer gewenschte vergetenheid +nog te-hulp, door 't licht uitteblazen--'n voorzorg die door +den overigens zoo byzonder intelligenten zevenklapper schandelyk +verzuimd was--en Wouter vermaakte zich kinderlyk by 't aanzien van +de pret. Hy vergat z'n buurvrouw en haar opdringende vriendelykheid, +om naar 't gewoel der menigte te kyken. Het meedeelen van de hieruit +voortvloeiende opmerkingen werkte op hem ontnuchterend, en ook zy vond +er onwillekeurig aanleiding in om zich wat eenvoudiger voortedoen dan +ze gewoon was. Ze praatte ditmaal zonder "Heer" en liet de "genade" +wat rusten. Zelfs scheen ze--voor 'n oogenblikje maar, denk ik--haar +plannetjen optegeven. De nacht was nog lang, dacht ze misschien. [5] + +--Gut, hoe gek toch, dat al die menschen daar zoo heen-en-weer dringen, +zonder zelf te weten waarom, zeide hy. + +--Och, ze hebben plezier in 't zingen en joelen, en in de voetzoekers +... kyk, daar vliegt er weer een, paf! + +Klik-klik! antwoordde hierop 'n zevenklapper die z'n domicilie koos +tusschen 'n troep meisjes. Het gezelschap vloog met vermakelyken +schrik uit elkaar. Wel zeker, voor wat anders waren die meiskes daar? + +--Al dat volk is dronken, zei juffrouw Laps, en ik wou dat ze +naar-huis gingen. Ik begin slaap te krygen... 't is twee uur in den +nacht, weetje! + +--Och, nog 'n oogenblikje! verzocht Wouter. Ik heb geen +slaap. Volstrekt niet! heusch niet! + +Hy begon weer angstig te worden voor haar vriendschap, en hoopte +onwillekeurig dat uitstel hem de bondgenootschap van 't onverwachte +brengen zou. + +--Ik ben maar zoo bang, m'n lieveling, dat je kou vat aan 't +venster. Dàt is het maar! Want de nachtlucht, zieje, na zoo'n +heeten dag... + +Volgt: al de bekende burgerluîs-praatjes over nachtlucht, verkoudheid, +rhumatiek en subietelyk doodgaan. Ze hadden nu evenwel dit goede +gevolg, dat Wouter z'n jasje weer aankreeg, 'n verbetering van pozitie +die hem straks zou te-pas komen. O, die voorzienige Fancy! + +--En zet ook je petjen op, m'n beste jongen. Ik wou voor alle +wereldsch goed niet, dat de nachtlucht je-n-in 't hoofd sloeg, +want... dat doet-i soms. Kyk, daar vliegt er weer een! + + + "Amour à la plus belle, + Honneur au plus vaillant... + + +--Waarom zingen ze niet liever hollandsch! Wat hebben wy aan dat +vreemde geseur? Begryp jy er wat van? + +Wouter wist iets van de historie, en vertelde wat-i kon van den +"schoonen Dunois" die zoo byzonder veel Saraceenen doodsloeg, en ter +belooning trouwen mocht met de dochter van: "le comte son seigneur!" +Dat was toch plezierig in ouden tyd! Maar hoe beloonde men de ridders +die al eenmaal beloond waren? En kregen ze in die dagen nog ander +traktement dan 'n bruid? En hoe maakten 't de seigneurs die geen +dochter te begeven hadden? Welke seigneursdochter moest genoegen +nemen met 'n ridder die maar 't meest Saraceenen had doodgeslagen, +op één na? + +Wat al moeielyke vragen! + +Juist begon hy z'n gastvrouw om wat inlichting over dit alles te +verzoeken, toen beider aandacht werd getrokken door zeker roepen, +schreeuwen en schelden dat van andere stemming getuigde dan de +in-eensmeltende geluiden van 't gejoel. Er was "ruzie." In een der +groepen werd niet meer gehost, maar gevochten. Men verstond duidelyk +de by zulke gelegenheden gebruikelyke vloeken en verwenschingen. + +Een verwarde kluw menschen, dichter op-elkaar gepakt dan de overigen, +schoof en seulde heen-en-weer al naarmate een der beide partyen +aan de winnende hand was. Vreedzame hossers golfden zingend voorby +de plek waar gevochten werd. De deelnemers aan den stryd werden van +liever-lede ter-zy gedrongen, en wel in de richting van een der vele +kroegen die de buurt zoo aantrekkelyk maakten voor 'n publiek dat +z'n verdriet over de mislukking der hardzeilery wou verzetten. + +De twistenden, zelf gedrongen, drongen op hun beurt anderen. Men hoorde +hier-en-daar gillen en om hulp roepen. De nooit ontbrekende zwangere +vrouwen, en moeders met zuigelingen lieten haar angst niet onbetuigd. + +Het gedrang werd nu byzonder sterk in zekeren hoek, waar drie stroomen +dood-liepen en 'n vreeselyke botsing te-weeg brachten. Daar namelyk +lag 'n zeer populaire herberg, die 't doelwit scheen van 'n hossende +volksverhuizing uit de Amstelstraat. De tweede stroom vloeide uit de +Utrechtsche straat op dezelfde kroeg toe. En de sterkste persing ging +uit van den vechtenden troep die, op-zy geschoven door voorbytrekkende +benden, almede in dezelfde engte gedreven werd. + +By ondervinding van zeer jongen datum wist Wouter wat het beteekende +zich in zoo'n gedrang te bevinden. Wie op den grond raakte, werd +vertreden. Wel was de kans hierop zoo byzonder gevaarlyk niet in de +kern der samenpakking--'t vallen was onmogelyk--maar des te grooter +aan den rand, waar kelders en holen zich gapend gereed toonden alles +inteslikken, wat hun in de kaken werd gedrongen. Dáár kon men hals en +beenen breken of liggend vertrapt worden, in 't midden slechts staande +gesmoord. O zeker, die opstopping naby de herberg was gevaarlyker +nog dan die van den vorigen avend in de Kalverstraat! Bovendien, +daar was maar drukte, er werd niet gevochten. En hier ... + +--Krrristenzielen, riep juffrouw Laps, ik word er puur akelig van! + +Dit scheen ook met Wouter 't geval. Op-eens greep hy haar arm, en +meende iets te zien, dat... iemand, die... + +--Heel goed, m'n jongen, houd jy me maar vast! 't Is daar, zoo zondig +als ik hier sta--'t eedsformulier was zoo gek niet--'t is daar moord +en doodslag in dien hoek! + +Wouter sprak niet. Ook had-i geen besef zich te verzetten tegen de +overweldiging van z'n ... verleidster, of hoe moet het heeten? 't +Scheen nu wel of Afrika voor 't caesarinnetjen openlag... + +--Is 't niet of ze dol zyn? Houd jy je maar goed aan me vast, en denk +maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van jou! + +Och, hy had juist wat anders te denken gekregen dan aan z'n "eigen +Kristien!" Juffrouw Laps was eenige graden minder gelukkig dan ze zich +verbeeldde. Ze streelde hem, en hy liet haar begaan, o ja, maar toch... + +--Wees jy maar gerust ... och, lieve jesis, 't kind is er zoo ontsteld +van! Aan jou zullen ze niet raken zoolang je hier bent ... by my, +weetje! + +Hy kneep haar boven z'n kracht in den arm, en geen ander blyk van +leven gevende, stond-i overigens als versteend. En altyd die ééne +onverzettelyke blik, dat schynbaar wezenloos staren op één punt... + +--Trek 't je niet zoo aan, m'n lieveling! Maar... akelig is 't! Zie je +daar die meid wel, met 'r noordhollandsche kap? Ik wou niet graag in +'r plaats wezen! En jy? + +--Zy is het ... Femke! O God, o God, het is Femke! + +En, Laps van zich afslingerend, die hem weerhouden wilde, vloog hy +de trap af, en stond weinig oogenblikken daarna in den diksten drom +vlak voor de herberg. + +Hoe hy zoo spoedig dáár kwàm? Ei? En Fancy dan, zyn ... fancy? + +Had ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z'n jasjen aanhad? Wat 'n gekke +historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw Laps! Hoe +zoud-i zoo'n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by z'n moeder? + +De zaak is dat-i lichaamskracht borgend van z'n gemoed--en was zy +dit niet?--zich als 'n razende door de menigte wist heenteslaan. + +Maar de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel +den man met den bonten muts en 't schippersbuis, die hem vanboven +gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. Althans hy meende +bemerkt te hebben dat ze met dien man gearmd uit de Amstelstraat +gekomen was. En dit was ook zoo, maar: + +--Is hier geen meisje met 'n noordhollandsche kap? vroeg hy zoo +duidelyk de vreeselyke drukte toeliet. + +De man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen--dit deed "iedereen" +ook, en Wouter moest wel meedoen: 't was 'n gezelschap Kaïns op +groote schaal!--de man kon niet antwoorden. Maar Wouter bemerkte +dat-i zich moeite gaf de herberg te bereiken, en maakte hieruit op +dat z'n dame daarin gevlucht, of althans, met of tegen haar wil dan, +daar binnengestuwd was. + +Hy raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en +stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra +'t jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was dan +buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets! + +Ziedaar, lezer, 't waar en onvervalscht relaas van de oorzaken die +Wouter heel in 't begin van z'n loopbaan maakten tot 'n kroeg- +en koffihuislooper. Gister in "Polen", heden in "de gekroonde +Jeneverbes"... daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door 't +een-of-ander geperst... 't is te veel! + +Maar hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke. + +Hy meende haar te ontdekken heel achter in 't niet groote vertrek, +op 'n tafeltje dat in 'n hoek stond. Zwygend, met styftoegeknepen +lippen, de armen over elkaar geslagen, en met iets als uittarting in +haar trekken, zag 't meisjen op de menigte neer. De kant van haar kap +hing haar aan flarden in den nek--zy, zoo net altyd!--en, erger nog, +Wouter meende te bespeuren dat haar gezicht bebloed was, het lieve, +lieve, lieve gezicht van Femke! + +Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit behoefde +ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar tafeltje. Hy riep, +maar ze hoorde niet. + +Met onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de +aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy in-een: +ze wilde hem niet kennen! + +--O God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik verdiend voor +m'n lafheid by de Holsma's! + +--Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen +wilt, ga dan na je moeder! + +Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet +verzetten. De aandrang by 't buvet waar-i stond, klemde hem tegen +de jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in +'t oog te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen van +wrevel en smart vloeiden hem over de wangen. + +--Wat doe ie dan in de drukte, zei 't jeneverwyf, as je d'r niet +tegen ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet getapt. Zet 'r +'n borrel op, jongen, of ga heen! + +Lust of niet, hy had heel graag 'n "borrel" besteld om z'n plaats te +betalen. Maar--"daar-i thuis altyd alles kreeg wat-i noodig had"--hy +bezat geen duit, en liep nu gevaar de deur te worden uitgeworpen +wegens overmaat van matigheid. Doch ook dit kon niet, want de persing +aan de deur bleef nog altyd even groot. Bovendien werd de aandacht +der waardin afgeleid door de drukte van 't gevecht, dat al nader en +nader kwam, en weldra dreigde de kroeg te kiezen tot "operatie-bazis" +zooals dit in 't jargon der krygskunde genoemd wordt. De ware reden +was dat elk der strydenden in 't byzonder zich aan de slagen van z'n +tegenparty wou onttrekken door in de kroeg te vluchten. De meeste +"krygskundige evolutien" hebben van ouds-her geen anderen grond. + +Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog +altyd lag er dat spottende op haar gelaat; alsof ze zeggen wilde: +wie durft? + +Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets dan +'n verwyt aan hèm. Femke wilde hem niet kennen. Meer of iets anders +voelde hy niet! + +Och, hoe gaarne had hy in 't bywezen van al die menschen de zolen +van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de vergiffenis, +waarop-i wel geen aanspraak had--naar-i meende--maar zonder welke hy +niet leven kon!-- + +--Femke! riep hy, als 't roepen heeten mocht, want het geschiedde zoo +zacht dat z'n stem onmogelyk tot het meisje kon doordringen. Immers, +er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren ook, zy die +zoo... wreed--nu ja, maar rechtvaardig toch--had blyk gegeven van haar +tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet nemen, en nogeens +riep hy, maar 't was weer fluisterend: + +--Femke! Femke! + +Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en 't schippersbuis +aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de strydvoerende +mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand van z'n +kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende voorrechten der +neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen tegelyk. + +Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in de kroeg, +dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, z'n dame die vóór hem +dat heiligdom bereikt had, niet in den steek te laten, was Wouter +niet duidelyk. Er bestond 'n tertium dat hy niet raden kon, maar +dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid +verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van 't geheim. + +Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde +zelfs 't verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om +zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van z'n +steunpunt afgerukt, want waar velen 't zelfde begeeren, is 't verkrygen +moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van de anderen, omdat zy +slechts betrekkelyke veiligheid zochten--en jenever misschien--terwyl +hy werd aangespoord door... nu ja, 't nog altyd onbekende tertium. + +Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i, +zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden +troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker +geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen, +zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand +durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot? + +Op 'n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor +de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in 't oog te +krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk toe, +Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z'n pogingen om tot haar +doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als 'n verzekering +dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond daar als +'n godin der kalmte, of althans als 'n standbeeld dat vastberadenheid +kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van de meening dat er +geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het uitdeelen van +den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan ieder die +haar te na mocht komen. + +En die glimlach! Over Wouter's hoofd heen had de wreedaard z'n weg +genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper bereikt. Want +de man knikte terug... + +--Hy heeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. 't Is +toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft. + +Op dit oogenblik kreeg 't wyf dat de kroeg hield, den worstelenden +schipper in 't oog. Er bleek dat-i 'n goede bekende was, want ze +schreeuwde van achter de toonbank: + +--Zoo Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, hè? + +En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men +niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich 'n paar stappen +buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats +voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van +Wouter, in de nabyheid van 't buvet te staan kwam. + +--Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad! + +'t Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen +dat niemand zeker van z'n dag is voor bedtyd! Dit had ook Wouter +ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen +in den hoek geblokkeerd stond. + +--Hebje-n-'n goeien dag gehad, vroeg 't wyf. Met de zeilery was +'t miesserabel, hè? + +Klaas lei den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen +toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer +byzonders. + +--'n Glas klare? + +Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle +gezonde systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der +zeer byzondere. 't Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet +gelukkiger toen ze 't onderzoek naar Verlaan's wenschen voortzette: + +--Skille? + +Ook niet! + +--Rooie dan? + +Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in 't bepalen van de +soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy 't hoofd, +en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker gesprek te komen +dan de drukte toeliet. + +"Amour à la plus belle!" galmde het buiten de deur, en eenige heesche +keelen binnen de kroeg trachtten meetezingen. + +--Weg met die moffeliedjes! schreeuwde een der gasten. We +benne-n-ommers hier allemaal Hollanders onder mekaar! + +"Wel ja, we benne Hollanders... + +"En al is ons Prinssie... + +"Sjt!" + +--Ik verkies nu te zingen: al is ons Prinssie! En wie niet mee-doet... + +De prinsman sloeg op z'n vry ongekleede borst. Zóó, denk ik, zoud-i +ieder slaan die niet meezong: "al is ons prinssie." + +Misschien volgens de theorie van 't onbewuste meegaan--Wouter +maakte weer bespiegelingen over "massa"--de meerderheid werd op +eenmaal hollands- en zelfs prinsgezind. Met het verschil tusschen +patriottery en keezigheid, nam men 't nu zoo nauw niet. Hoofdzaak +scheen dat men zich op eenmaal Hollander voelde, of goedvond zich +zoo aantestellen. Het "Prinssie" liep behoorlyk van stapel. Een +der gasten ging verder, en stelde 'n soort van toost in, op de zeer +vervroegde en buitengewoon langdurige ongelukzaligheid van "al die +fransche flikkers!" Met andere woorden, hy wenschte ze zonder uitstel +de bekende "eeuwige verdommenis" toe. + +"Hoerah!" + +--Ja, zieje, toen we nog Hollanders waren ... + +"Ja, toen we nog Hollanders waren!" + +--En onder de Republiek ... + +"Leve de Republiek!" + +--Toen had je-n-'ns 'n hardzeilery moeten zien! Maar nou! + +"Al is ons Prinssie!" en: "Leve de Republiek!" + +--Onder de Republiek waren alle menschen gelyk! + +"Allemaal gelyk!" + +--Zoo'n koning, zoo'n prins, al die tirannen... + +"Weg met die tirannen!" + +--Ze benne geen haar beter als wy! + +"Dat's waar! Ze benne geen haar beter!" + +--En ze zuigen 't arme Volk uit! + +"Ja, ze zuigen 't Volk uit!" + +--En weetje waarom? Omdat jeluî--om nou 'reis de gulle waarheid te +zeggen--allemaal lamme... enz. bent! + +"Ja, ze benne-n-allemaal lamme... enz." + +--Jelui buigt je nek onder 't juk... + +"Juist! "Ze" buigen den nek onder 't juk!" + +--Als 'r 'n koning komt, of 'n keizer, of 'n prins, dan slaat +de-n-angst jelui in de buik als seneblade!" + +"Ja, de-n-angst slaat ze-n-in de buik as seneblade!" + +--En, als jelui kerels was... + +"Precies, as "ze" kerels wasse... + +--Dan zou jelui... + +"Ja, dan zouwen "ze"... + +--'n Mensch is vry gebore... + +"We benne vry gebore!" + +--En 't hollandsch hart... wàt zeg je daar, vrouw Gooremest? Wàt? 'n +dochter van... m'nheer... + +Een allervreeselykst woord scheen den volksredenaar op de lippen te +besterven. Hy werd bleek. + +--'n Dochter van... m'nheer... + +--Wel zeker! Vraag jy 't maar aan Verlaan. + +De ontstelde jenever-Gracchus wendde zich vragend tot den +schipper. Deze knikte toestemmend. + +--Is 't waarachtig waar, Klaas? Wis en waarachtig? En waarom heeft +ze zich dan zoo... angekleed als 'n gemeene meid? + +--Och, 't benne de spulle van m'n dochter Geert, zieje. 't Is 'n +rykeluîs grap... + +--Ah! Jongens... er uit, er uit! Moeder Gooremest wil slapen, +'n Mensch is niet van steen of yzer. Er uit, allemaal! + +"Weg met de tirannen!" "'n Mensch is vry geboren!" "Alle menschen +zyn gelyk!" "Het hollandsch hart"... enz. + +--Sjt! Er uit, zeg ik je, er uit! Die... jongejuffrouw... + +"Wàt? Die meid? Wat zou ze?" + +"Sjt! Ze is de dochter van--maar mondje toe, +hoorje!--van... m'nheer--ja, hoe donder is 't mogelyk, niet waar?--de +dochter van m'nheer... Kopperlith!" + +"Op...de...kei...zers...gracht? Man, wat zeg je? Van +m'nheer... Kop...per...lith? Op de kei... zersgracht?" + +--Ja, wis en bliksems! Er uit! Er uit! + +"Z'n... eigen dochter?" + +Alsof 'n behuwd-hoedanigheid de zaak minder verpletterend gemaakt had! + +--Z'n bloed-eigen dochter, zeg ik je! Maar... mondje toe, dit begryp +jelui! Er uit, er uit! + +De hollandsche harten, onbuigzame republikeinen, onkreukbare karakters, +vrygeboren menschen met nooit gebogen nekken ... slopen als geranselde +honden de kroeg uit. + +De uitvinding om z'n beschermeling te verheffen tot 'n bewoonster +van de Keizersgracht, bracht Klaas Verlaan meer "moffedukaten" op, +dan-i liefst aan z'n kleinkinderen verantwoordde. En tevens komt ze +den lezer te-hulp by 't zoeken naar zeker tertium, naar de oorzaak die +den Amstelhavenknecht zoo koppig maakte in 't bestormen van die kroeg. + +Wouter begreep minder van de zaak dan ieder ander, juist omdat hy in +den waan verkeerde zooveel meer dan anderen te weten van 't meisje +dat daar op tafel stond. Toen-i den... gladgeschuurden duit zag, +dien Verlaan in de hand der kroeghoudster gedrukt had, en later +'n dergelyke manoeuvre met den Republikein... + +Kopperlith? Kopperlith? Op de Keizersgracht? Femke op de +Keizersgracht? Maar juist by dien hoogen heer Kopperlith immers zou +hy overmorgen... + +Z'n hoofd dreigde te bersten. Als-i op dàt oogenblik... + +Neen, denken kon-i niet. Misschien bleef hem nog eenig besef dat +hyzelf Woutertje Pieterse was, maar heel zeker is 't niet. Voor-i +hieromtrent tot 'n onherroepelyk eindbesluit was gekomen, werd hy in +één greep met 'n paar anderen de deur uitgeworpen door Klaas Verlaan +en den hollandschen Republikein. + +Wel zeker! Hy was niet beter dan andere stervelingen, en moest dus +plaats-maken voor de "bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith op +de Keizersgracht. + +De volte op straat was zeer gedund. Wouter bleef in de buurt van +de herberg die hem tot 'n tempel was geworden, om te zien waar z'n +godinnetje belanden zou. De braking was aan 't bedaren. Nog altyd +evenwel werd er van-tyd tot-tyd iemand buiten de deur gezet die, +belust op de vreemdheid van 't geval, nog zoo graag 'n beetje had +willen blyven om 't wonder te zien. Men krygt niet elken dag 'n +"bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith te aanschouwen. + +Sommigen dan wilden zich aansluiten by 't driemanschap Verlaan, +Republikein & Gooremest, om mee-opgenomen te worden in aanspraak op +de baten der veelbelovende ruwaardy. Maar ons trium-viraat voelde +zich sterk genoeg, en vond geen reden om 't aantal deelhebbers in de +vermoedelyke vruchten van den arbeid, grooter te maken dan noodig +was. Menigeen die mee-schreeuwde: "er uit! er uit!" ontving zelf +'n handtastelyke vermaning om 't voorbeeld by de les te voegen. + +Eindelyk hield het uitwerpen van overbodige getuigen geheel op. Juist +toen Wouter zich verstouten wilde om door 'n spleet te gluren van de +gordyn aan de glasdeur, werd deze geopend, en de Republikein trad er +uit. Hy hoorde hoe Verlaan hem nariep: + +--Dáár ergens op 'n hoek in de Paardenstraat, weetje! Kyk nu maar +eens niet op 'n daaldertje... en klop ze maar flink op, en zeg aan +den sleeper ... + +Het woord: "sleeper"--een nu verouderd amsterdamismus voor +wagenverhuurder of huurkoetsier--gaf Wouter 'n licht van betwistbare +helderheid. Dat de Republikein 'n rytuig bestellen moest, was duidelyk, +maar... Femke in 'n koets of brommer? Of ... al was 't maar in 'n +sleê... zy? + +Hy wachtte. Op bespieden van het inwendige der kroeg, was geen kans +meer. Vrouw Gooremest had de blinden gesloten. Zou er nu 'n bruikbaar +licht over deze zaak opgaan uit die Paardenstraat? + +Na lang wachten kwam er 'n rytuig aanrollen. De Republikein sprong +er uit. De deur van de kroeg werd geopend, en Klaas Verlaan vertoonde +zich met z'n vermeende juffer Kopperlith op den dorpel... + +--Femke, ik ben hier! riep Wouter, wild toeschietend, ik ben hier! O +God, o God, Femke, ga niet mee met die vreemde mannen! + +--Wat bliksem is er dàt nou weer voor een! schreeuwde Verlaan, die +Wouter by den kraag pakte en naar binnen trok. Wat mot jy? Wat ben +jy? Wat wil jy? + +--Femke, ga niet mee met die vreemde mannen. Ik zal je thuis brengen, +ik, Wouter! + +--Die jongen is niet wys, zei Vrouw Gooremest, laat 'm los. Hy heeft +hier al den heelen avend staan huilebalken als 'n kalf, en geen duit +verteerd. Nou dáárom niet... ik wil maar zeggen dat-i niet wys is. + +Wouter trachtte de hand van 't meisje te vatten, en bemerkte nu dat +ze allerzonderlingst was toegetakeld. Van gelaat, hoofd, schouders +en gestalte, was niets te zien. Waarschynlyk had de gastvrye Vrouw +Gooremest haar familie-mantel voor dit doel afgestaan. Men doet zoo +veel voor 'n bloed-eigen dochter van m'nheer Kopperlith! Toch was de +edelmoedigheid van de ekonomische jeneverprinses niet zóó ver gegaan, +dat ze meer dan één kaarsje had aangelaten, na 't sluiten van de +eigenlyke nering. Dat armzalige nachtpitje had juist even genoeg licht +verspreid, om niet dezen of genen aan den misgreep bloottestellen +'n tafel of stoel in-plaats van overtollige gasten buiten de deur te +werpen. En nu... + +Nu vlamde het zoo zonderling, en zoo onwillig, en zoo fantastisch! En +ook zyzelf stond daar zoo vreemd! En zoo spookachtig trilden de +omtrekken van die gestalte... + +--Bist du es, Erich? + +--Femke, Femke, ik smeek je-n-om-godswil, ga niet met die vreemde +mannen mee! + +En, zich losworstelend uit den greep van Verlaan, wierp hy zich voor +haar neder, rukte den mantel open, greep hare hand, en bedekte die +met tranen en kussen... + +--Wat ik je zei, riep Vrouw Gooremest, de jongen is stapelgek! + +--Femke, nooit zal ik je weer verloochenen! Schop me, trap me, dood +me, maar... ga niet mee met die vreemde mannen! + +--Licht! riep 't meisjen op zeer gebiedenden toon, en met vreemden +tongval. + +De Republikein nam 't smeerkaarsje van de toonbank, en hield het by +de groep, zoodat de knielende gestalte van Wouter nagenoeg zichtbaar +werd. Het meisje staarde door 'n spleet van haar mantelkap op hem neer, +en zweeg, en verroerde zich niet, en scheen natedenken, en trok de +hand niet terug, die Wouter aan z'n lippen geklemd hield... + +Verlaan maakte een beweging als om den indringer wegterukken... + +Maar zy, den vryen arm uitstrekkend boven Wouter's hoofd, wees den +schipper terug, en zeide: + +--Mein Bruder! + +--Ook alweer 'n bloed-eigen zoon dus van m'nheer Kopperlith, mompelde +de republikein. Wat die jongelui 'n rare manier hebben om hun nachten +doortebrengen! + +De lezer begrypt dat-i deze oneerbiedige woorden niet luid worden +liet. Al z'n hoorders wisten waar de "bloed-eigen" vader van die twee +vagebondjes woonde, en dus: mondje-toe voor de Keizersgracht! Men +had al byzonder ongemanierd moeten wezen--of geen republikeinsche +Amsterdammer--om dit niet te begrypen. + +Toen Wouter weer tot bezinning kwam, stond-i op straat. De brommer was +weggereden, met of zonder haar. Met of zonder die beide mannen. Dit +wist-i niet. Maar 't bekommerde hem nu minder ... Zy had hem haar +broeder genoemd, ernstig, plechtig, boekerig, kerksch... dit was +hem genoeg! + +--O, myn God, ik dank u, riep hy. Gy zyt goed en genadig en +vergevensgezind... o myn God, ik dank u! + +en: + +--Gut, ik wist niet dat Femke zóó spreken kon! Ze moet het wel heel +innig gemeend hebben... anders zou ze "broêr" hebben gezegd, zooals +we gewoon zyn. + +En hy beloofde zichzelf, overmorgen schatryk te worden "in den +handel." Schatryk, en... Koning alweer, om meer nog, véél meer nog, +van Femke te worden, dan haar broer... + +Juffrouw Laps had eer van de les! Maar dit wist Wouter zelf niet, +al voelde hy geheel anders dan gister nog. + +Voor 't oogenblik was-i opgetogen met z'n nieuwen titel. Hoe toch +kwam zy aan zoo'n schoon woord? Zoo verheven? Zoo Bybelsch? Zoo +voornaam? Zy, zoo eenvoudig anders! + +--Ik ben Femke's broeder! juichte z'n hart, en--hoe vermoeid ook--hy +liep als op stelten, en verwonderde zich dat-i 't hoofd niet stootte +aan de wolken. + + + + + + + + Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen + door elken lezer dien 't om voortzetting van de geschiedenis + te doen is. Alleen op 't slot wordt de eentonigheid eenigszins + afgebroken door 't zonderling lotgeval van 'n kruiwagen en 'n + onbillyken droom, 't eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal + leveren kan. + + +Sedert eeuwen vernemen wy uit de boeken, dat we den morgenstond +zoo byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs +zóó ver, dat-i de opgetogenheid over 't opgaan der zon, aanbeveelt +als graadmeter van de "deugd." Wouter kende dit axioma niet, en +veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid van heel andere +vingers te droomen, dan de "roosverwige" van Aurora. Hy dacht aan +de hand die hy gekust had, en... menschelyk gesproken, z'n "deugd" +was er niet minder om. + +Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z'n omgeving. De +volheid van zyn gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der +straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door +'t verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken geleden, +als omdat-i nog nooit op dat uur buitenshuis geweest was. Egoïst +als alle gelukkigen, kwam 't hem heel natuurlyk voor, dat al wat +het leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn +geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in 't Heelal slechts twee +dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als 'n +trouwende vrouw, haar naam by 't huwelyk met die ééne gewaarwording, +met dat ééne gevoel: ze gaat er in op. + +Wouter's oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de +hoeken der straten. Z'n onverschillige blik las: "Botermarkt" en: +"hier gaat men uit porren." Ook kon-i te weten komen waar kousen +te-koop waren, of wagens te-huur, en wie 'n smid was, of 'n timmerman, +of... "in" 't een-of-ander... + +Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke's hand +gekust! Welk verstandig wezen kon 't in z'n hoofd krygen dat er, +na dàt evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter +verkocht, of schoensmeer? Of die man "uit porren" ging, of "in" +effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden e|n duizenden op de wereld +zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs +de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch--wáár +was het!--hy had Femke's vingertoppen gekust, en zy had hem "broeder" +genoemd! + +'t Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien +zomernacht. Horatius had er 'n aardige illustratie by gewonnen voor +z'n fractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk dat Wouter by zoo'n +kataklysme zou overeind gebleven zyn, en--voor 't byna ondenkbaar +geval dat-i notitie van de zaak had genomen--hoogstens gevraagd hebben: +of zy zich bezeerd had? + +Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z'n tyd is, bekend +zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydag-nacht naar +oude gewoonte 'n zaterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van +z'n soort is gebleven. + +Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze +Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman +dat-i "in" effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo +gelukkig voelde. + +Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het +gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van +de vyf laatste uren herhaaldelyk, voortezeggen, om verzekerd te +zyn dat nergens 'n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in +gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend, +maar toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers +had kunnen meenemen--de pink was genoeg geweest, die lieve pink!--als +tastbaar getuigenis van 't gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i ooit +weer haar hand aan z'n lippen voelde! + +Doch neen, ook zonder zoo'n verslindende zorg voor 't bewaren van +'n tastbaar blyk... 't was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem +"broeder" genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen, +porders of effectenlui, kon daaraan iets veranderen. + +Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar +bent voor den triumf van 't allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal +niets veranderen aan het feit... + +Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk +houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde Femke +hèm 'n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe +broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan +de oude betrekking van "vrindje" waarop hy altyd zoo had aangedrongen, +en die hem nooit geweigerd was? + +Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i +redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de +kreditposten van z'n geluk voor--men bedenke dat-i "in den handel" +geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou--en trachtte hoog +gewicht te hechten aan de erlangde vergiffenis voor 't verloochenen. + +Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert +gister op dit punt 'n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs sedert +z'n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol uur geleden +dreigde z'n gemoed te bezwyken onder Femke's verachting, en nu... nu... + +Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig +geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van +zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z'n geluk, omdat hy +'t niet begrypen kon. + +De oorzaak zal wel hierin gelegen hebben dat-i slechts wist wat er +geschied was, en verzuimde zich rekenschap te geven van den samenhang, +zoowel der gebeurtenissen, als van z'n aandoeningen. Hy was als iemand +die den oogenblikkelyken barometerstand waarneemt, en daarby vergeet +het voorafgaande in rekening te brengen. Een door styging bereikt +standpunt heeft 'n andere meteorologische beteekenis, dan datzelfde +standpunt als rezultaat van daling. Gebeurtenissen, aandoeningen, +en zelfs zedelykheid, zyn onderworpen aan de algemeene wet der +traagheid. Wie zich toelegt op genezing van 'n fout, en ten-halve +geslaagd is, staat hooger dan 'n ander die in gelyksoortige fout +verviel en daarin afdaalde tot hetzelfde peil. Wat by dezen gegronde +reden geeft tot bezorgdheid, kan in den ander gelden als hoopvolle +verbetering. Iets dergelyks bepaalt den graad van geluk en tegenspoed, +of althans den indruk daarvan. En slechts met dien indruk hebben wy +te doen. 't Was karakteristiek van Wouter, dat-i--niet tevreden met +z'n veronderstelden rykdom--zich zooveel moeite gaf z'n kapitaal +natetellen. + +En de uitslag was niet volstrekt geruststellend. Hy wist de +by-omstandigheden niet aan elkaar te knoopen, die hem gelukkiger +maakten dan hy-zelf verklaren kon, doch welker invloed duidelyk +kan gemaakt worden voor ieder die niet zoo van naby in 't gebeurde +betrokken is. Men ziet zichzelf niet, en geeft zich maar zeer gebrekkig +rekenschap van den samenhang der gebeurtenissen en aandoeningen die +ons buitengewoon gevoelig maken voor zekere indrukken. In elk ander +tydsgewricht van z'n leven, na àndere voorbereiding, op 'n àndere +plaats, en te-midden van àndere omgeving, zou 't nachttooneeltjen +in die vuile herberg, waarby Wouter 'n hoofdrol speelde, hem veel +minder sterk hebben aangegrepen. Tot zelfs de nawerking van Fockink's +likeur--zoo ontzenuwend anders!--verhoogde het schynbaar of wezenlyk +gewicht der zaak. Juist de uitputting die op zuike opwekkingen volgt, +had hem tot buitengewone krachtsinspanning gedwongen, toen-i zyn Femke +in gevaar meende te zien. En op-nieuw voelde hy zich vernietigd na +'t ondergaan der blyken van haar verachting. Wie dáár niet bezweek, +moest zéér veel veerkracht ontwikkelen, en deze ontwikkeling zelf was +'n oefening in kracht. Na Fockink, het dringen door de menigte! Na +die inspanning weer, haar... glimlach aan 'n ander, haar verachting +voor hèm! Toen had-i geschreid als 'n kinderachtig jongetje. En, nà +deze reeks van Rückschläge en défaillances--ik zoek 'n goed hollandsch +woord voor de hier bedoelde moed-smoorende ontkrachting--na dit alles +hield z'n gebogen ziel spankracht genoeg over, om hem wegteslingeren +uit z'n donkeren schuilhoek en, neervallend voor Femke's voeten, haar +te bezweren: "Femke, Femke, ik ben hier... ik Wouter! Om-godswil, +ga met die vreemde mannen niet mee!" + +Dàt was het! Dáárom voelde hy zich zoo gelukkig. [6] + +Wouter had het recht veroverd--'n recht dat zoovelen zich aanmatigen +zònder grond--dat hy zichzelf voor iets mocht aanzien. En zonderling, +zelfs het... kuiperytje van de oefenaarster had hem goed-gedaan. + +Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed +of... toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing 'n kind, +meer kind zelfs dan byna ieder die even ver als hy van 't uur zyner +geboorte verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort geleden nog ... 'n +kind in alle beteekenissen van 't woord. + +Doch zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg, +die hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan 'n "opvreter van +Stad en Land." Tot Wouter's groote verbazing voelde hy in zichzelf de +kracht--en den lust zelfs--die waarschuwing te trotseeren. Zeker was +geen der omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden dikwyls +"brutale bliksems" gezien, en konden niet weten dat Wouter ... nu ja, +van 'n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i niet. Toch had hy zich +by die gelegenheid voorgedaan als 'n persoonlykheid, eenigszins als +'n persoon... jazelfs--op 'n beetje na!--als 'n wezenlyke man. + +Kort daarop was deze onthulling gevolgd geworden door 'n beroep op +z'n ridderlykheid. "Dieven, moordenaars, en... 'n vrouw in nood!" De +gekste zotternyen die uit al die boeken in z'n gemoed gezaaid waren, +werden daar snel genoeg verwouterd, om terstond voor-den-dag te +treden als iets schoons: hy durfde! Hy durfde, ja, maar... niet +omdat-i moed had, o neen! Het durven-zèlf trok hem aan. God en die +zeven planken kunnen getuigen aan hoeveel ridders hy z'n woord zou +gebroken hebben, wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet der +belaagde onschuld. Dat-i gedurende z'n heldentocht geleden had aan +ontmoediging, is waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem slechts +gebakken aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar. Zoo'n +onthaal werkt niet bezielend. Om ons 't recht te geven, Wouter te +verdenken van... terugtrekkende krygskunde, zou men hem moeten hebben +waargenomen als z'n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe dit zy, +de jongen, of 't kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd getrokken +als n man. En... juffrouw Laps--'n volwassen persoon toch!--had hem +als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er bleek al spoedig dat-i +haar welkomer was in z'n hoedanigheid van ridder dan, byv. de oude +Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had hooren beschuldigen van +verregaande onvolwassenheid. Ook had zy verzekerd dat ze hem liever +had dan Stoffel, 'n persoonlykheid die toch nog altyd--waarheid +bovenal!--'n paar duim langer was dan hy. + +Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven +zich in veel opzichten "groot" te voelen. Maar toch zou er 'n gaping +bestaan hebben in z'n aanspraken op volwassenheid, indien er niet méér +geschied was. Z'n zonderlinge gastvrouw--hoe afschuwelyk ook vroeger +in zyn oog--had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na +'t verlaten van haar woning bleven doortrillen in z'n gemoed. Ze had +hem geleerd dat-i man was, en mneer, of iets anders ten-minste--'n màn! + +Dit werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met +z'n gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in 't bevestigen +van z'n mondigheid. 't Was zeker al iets heel schoons--en niet +elk protestantsch handelsjongetje gegeven!--te kunnen dienen als +schild tegen dieven en moordenaars, maar... dat àndere... o, lieve +onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid +aangetoond, dat hy--hy, Wouter!--kon bemind worden als verloofde, +als bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de minnaar in +'n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i Femke lief, ook zóó--ànders ook, +God weet het!--maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de oefenaarster +in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over z'n verregaande +onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot verdriet over den weg +dien z'n pas opgedane wysheid al te haastig insloeg. Had ze niet +als 'n Virgilische by, honig vergaard voor 'n ander? Was 't niet +'n pynigend: sic illae--Femke!--non mihi? [7] + +Zóó althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er dan Virgilius +niet by te-pas. Er was geen twyfel aan, dat juffrouw Laps hem, +met den vinger als 't ware, gewezen had op 'n vroeger onbekende +plek in z'n gemoed, en tevens dat deze ontdekking in-verband stond +met z'n eerzucht zoowel, als met z'n begeerte om te weten, en "het +Lot uittedagen". En over dit alles lag de gloed--we moeten oprecht +zyn!--niet van z'n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte +zinnelykheid die hy natuurlyk met deze liefde verwarde ... zooals +meer gebeurt, by dokters en patiënten beiden. + +Van dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy zich +tot den hoogmoed die by z'n nieuwen rang paste, naar-i meende. Als +'n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o allerlei! Dit, +o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze "maagd" was, en +ook niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld hebben met het malle +woord wulpsch? Hy wist het nu, o goden, zoo goed als Bilderdyk zelf, +en begreep dat zulke praatjes tegenover Femke niet passen zouden in +den mond van 'n "man." + +Het dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z'n genegenheid +voor 't meisje, 'n gevoel dat voor 't minst zeer hartelyk was... + +Men bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat +de onvoedzame dorheid van z'n huiselyken kring hem voorbeschikte tot +het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste. + +...dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen +had op z'n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf 'n +vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i eigenlyk +tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor de +prettige promotie. Maar zóó ver ging z'n erkentelykheid niet. Het +was al veel dat z'n afkeer veranderde in iets als medelyden, en +wanneer-i had kunnen toegeven in de overbruischende mildheid van +z'n hart ... waarlyk, hy had haar met genoegen z'n heelen broer +Stoffel afgestaan! Heel goedig nam-i zich voor, daaromtrent by +de eerste gelegenheid te dienen van konsideratien en aanpryzend +advies. Inderdaad, hy wou gaarne iedereen gelukkig zien, en waarom +dan háár niet, haar die hem zoo zelfopofferend den weg had gewezen +tot wat hy aanzag voor z'n eigen geluk? + +Maar al wat niet Femke-zelf was, hield hem slechts vluchtig bezig. Al +z'n eerzuchtige plannen van ... grover aard, weken beschaamd terug +voor z'n besluit om háár lieftehebben, háár te dwingen tot liefde. De +werelddeelen die van hem hun geluk wachtten... + +Láát ze wachten! Voor zulke nietigheden had-i nu geen ruimte in z'n +ziel. Hy dacht aan Femke, aan haar zachte mollige hand... + +'t Is waar ook! Nooit had hy die hand zóó gevoeld. Hy meende vroeger +dat ze ruwer was, steviger... + +Maar, eilieve, dan had-i vroeger verkeerd gemeend. Nu wist hy--ja, ja, +ja, want gedroomd had-i niet!--nu wist hy, dat de hand die zoo flink +'n zware ben met waschgoed van den grond wipte, fluweelig was als +'t boordsel van Hamlet's mantel, die vergulde kraag waaraan-i zooveel +gom had besteed om 't ding behoorlyk te doen glimmen. + +En ook had-i zich vroeger vergist in Femke's stem. En in haar +toon! Want zie, altyd zoud-i zich hebben voorgesteld dat zy, iets +nauwkeurig willende zien in 't donker, zou gevraagd hebben nàar... +licht, o ja, maar anders uitgesproken, heel anders! Of liever, ze +zou--zoo meende Wouter in de dagen van z'n onkunde--ze zou by zoo'n +gelegenheid gezegd hebben: + +"Wil jelui asjeblieft die kaars even byhouden?" + +En de houding? Die heele Klaas Verlaan--'n man as 'n boom toch!--en +z'n makker, stonden verbluft! Wat ze die rechterhand uitstrekte! En +toch alweer... 'n droom was 't niet, al geleek het dan precies +op 'n droom! By 't openslaan van den mantel, had-i duidelyk den +blauw-geruiten boezelaar gezien. Zoo-iets ziet men niet zoo helder +in den slaap! Hy had de ruitjes kunnen tellen, als-i niet aan iets +anders gedacht had ... o, aan heel wat anders, en byna zelfs aan niets! + +Neen, neen, gedroomd had-i niet! Maar toch... wat al raadsels! + +Wat beteekenden die praatjes van den schipper over 'n m'nheer +Kopperlith? Wat bewoog hem zich met Femke te bemoeien? Haar +te... verlagen tot 'n ander? Hoe wist-i zoo op-eenmaal dat gemeene +wyf uit de kroeg aan z'n zy te krygen, haar en dien schreeuwer over +menschenrecht? Waarom ging Femke, in-weerwil van z'n bede, met die +mannen mee? Of ... zat zy alleen in dat rytuig. En waarom niet te-voet, +gelyk kinder- en bleekmeisjes gewoon zyn? En waarheen? Kon zy op +dat uur by de Holsma's te-recht? Of was ze naar hare moeder gereden +... die óók vreemd zou opzien als Femke daar kwam aanrollen in 'n +brommer! En uit welke fondsen zouden de "daaldertjes" betaald worden, +waarover die schipper gesproken had met 'n voorname onachtzaamheid +alsof 't maar duiten waren? + +Och, wat al mysterien! Maar hoofdzaak was en bleef dat hy haar vingers +gekust, en dat zy hem ten-aanhoore van drie personen allerplechtigst +haar broeder genoemd had. + +Dit stond vast als 'n rots. Al 't overige? By de eerste gelegenheid +zoud-i haar vragen om inlichting, die ze hem niet weigeren zou ... hèm, +haar broêr.., neen, broedèr. Zóó zei ze! + +Wat overigens 't gevaar aanging--of liever ... 't onbehagelyke--van +haar weggaan met die mannen, hy telde het niet meer. Al waren er tien +mannen met haar in dat rytuig geweest, by de minste onbehoorlykheid +hoefde Femke slechts de rechterhand uittestrekken, en allen zouden +gekropen hebben voor haar voet. Dit immers had hyzelf gezien, en dit +zou hy, Wouter, ook doen--met byzonder veel genoegen, waarlyk!--als-i +maar zeker wist dat ze hem terstond zou opheffen, of althans de hand +reiken tot 'n kus... + +Zoo mymerend doolde hy met lamme schreden--want hy voelde zich zeer +vermoeid!--door de als uitgestorven straten der stad. + +Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hy den Dam. Daar +stond 'n lange reeks van rytuigen voor en naast het Paleis te +wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor +bewaard voor de zonde van 't verwensenen der hooge gasten, die zich +blykbaar hadden voorgenomen 'n hollandsche zon te zien opgaan, doch wat +laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds te vertoonen, +en er was prins noch prinses te zien. + +Behalve eenige werklieden, wier dag wat vroeger dan die van de +anderen scheen te beginnen, stonden er geen toeschouwers om de +"kleine steentjes van 't Paleis." En gepraat werd er onder dat +schamel publiekje niet. Op de deugdzaamheid van de omstanders wil +ik niets afdingen, maar wel bleek er dat de verkwikkende morgenstond +hen slaperig maakte. Misschien heeft de fransche verzenmaker zich in +die beide menschelyke zwakheden vergist, en de eene voor de andere +genomen. Maat of rym zullen dit zoo vereischt hebben. + +Ook Wouter voelde slaperigheid. Gister nog zoud-i zich veel moeite +hebben getroost om 'n wezenlyken koning te zien te krygen--zeker om +te weten of zoo'n wezen op Macbeth, Arthur en King Lear gelykt--maar +nu... och, hy gaf er zoo weinig om. + +Juist wilde hy heengaan, toen de koetsiers zich oprichtten en in 't +styve postuur zetten, dat hun door Heeren, Vrouwen en traditie schynt +voorgeschreven tot verhooging van de deftigheid. Ze sloten de armen +aan 't lyf, als iemand die zichzelf 'n stoot met den elleboog in de +lenden geven wil, haalden de teugels op, en vertoonden zich zoo leelyk +en voornaam als maar eenigszins mogelyk was. Een schoenmakersjongen +die de wereld scheen te kennen, maakte hieruit op: "dat ze nou wel +gauw komme zouwe." + +Die "ze" waren Keizerlyke, Koninklyke en andere Hoogheden. Zoo'n +schoenmakersjongen steekt zonder omslag al zulke waardigheden als +bruine boonen op den elst van z'n tong. + +De olykert had juist geraden. "Ze" kwamen inderdaad, en bestegen de +meestal open wagens, die zoo snel wegreden dat Wouter 't gelaat van +al de Majesteiten en Hoogheden niet te zien kon krygen. Slechts één +bejaarde dame gaf op 't oogenblik van wegryden den koetsier met haar +zonnescherm 'n tikje op den schouder, dat zooveel scheen te beduiden +als: wacht even! + +--Ze het wat vergeten, diagnozeerde 't krispyntje. + +Drie, vier "Kavaliere" vlogen als weerlichten 't paleis in, +en schenen 'n wedloop te houden om den achtergelaten joujou de +Normandie te halen. Een hunner--de ongelukkige!--kon den ingang +niet vinden. Vreemder is 't dat de anderen wèl wisten binnen te +komen, omdat het achtste wereldwonder eigenlyk geen ingang hééft, +'n byzonderheid die zeer gevoegelyk voor negende wonder kan doorgaan, +en dan ook een der hoofdgronden is van den rechtmatigen trots der +Amsterdammers. Paleizen of Stadhuizen met 'n behoorlyke deur of poort +kan men overal te zien krygen. + +Twee ridders des Heiligen Roomschen Ryks betwistten elkander de eer van +'t veroveren... nu ja, veroverd werd er niets, maar ze kwamen te-gelyk +aanloopen met den joujou. Ze schenen 'n compromis te hebben gesloten, +en klemden beiden juist even ver duim en wysvinger om 't gouden +doosje waarin 't kleinood bewaard werd. Beiden lachten en bogen by 't +aanbieden, met gelyke allerunterthänigste Pflichtschuldigkeit. Onder +beiden verdeelde de rechtvaardige Palatine haar tevredenheidswenk van +den zevenden rang. Beiden klopte het hart met gelyke slagen, en wie op +'n goudschaaltje de zieleverrukking van die twee eendrachtige heeren +gewogen had... + +Toch ontstond er later twist. In den jare O. H. tweeduizend zóóveel, +procedeerden de naneven van die twee ridders, over de voorzitting in +'n demokratisch kieskollegie. Ridder A zou volgens de traditie z'n +wysvinger een millimeter verder onder de doos hebben uitgestrekt +dan de helft, en dus grooter aandeel hebben gehad in... grooter +aanspraak op... + +Gekheid! riepen de afstammelingen van z'n mededinger B. Onze voorvader +heeft er ook den ringvinger aan geslagen! Ziedaar ònzen titel, ònze +aanspraak! Welke onverlaat zou in deze demokratische eeuw, de rechten +miskennen... enz. + +--Zieje wel dat ze puissies in d'r gezicht het! riep de +schoenmakersleerling. + +'t Was de waarheid! Koninklyk-Keizerlyke puisten! Menschelyke +puisten! Dit had geen der poppen op Wouter's printen. Al z'n gekleurde +prinsen en prinsessen verheugden zich in gave gezichten, en 't viel +hem zeer tegen, dat 'n dame die tot den stoet van koningen en keizers +bleek te behooren, zoo bitter weinig op z'n printen geleek. Als hy +'t mensch gekleurd had, zou ze 'r beter uitzien, meende hy. + +Hoe geheel anders was dit met... háár, met Femke! Zy had frisscher +gelaat dan-i met al z'n vleeschkleur schilderen kon. En 'n houding! Nu +kwam hem op-eens voor den geest aan welke figuur ze hem had doen +denken, toen ze daar stond met half-opengeslagen mantel by 't +flikkerend kaarslicht: aan konigin Elisabeth van Engeland... juist! + +Maar deze vrouw met haar puistjes? Gut, ze kon best 'n waschvrouw +wezen, 'n allergewoonste waschvrouw, die nog slordig blauwde op den +koop toe, en zoekgeraakte mansetten te vergoeden kreeg. + +Het onaanzienlyk voorkomen van de Paltsgravin, werkte zeer... burgerlyk +op Wouter's verbeelding, en 't kwam hem niet heel waardig voor, +prinses te wezen, als men daarby puistjes in 't gezicht hebben kon +gelyk ieder ander. Hy beloofde zich vast en zeker, dat-i nooit Femke +verlaten zou om-den-wille van welke Majesteit ook. + +Wel voelde hy eenige yverzucht op 'n zeer jong mensch die kort na +'t wegryden van de Paltsgravin, 'n opening in 't Paleis scheen +gevonden te hebben, en naar buiten trad. Gelyk 'n deel der andere +Kavaliere--de meesten torschten 'n witte pruik, met 'n staartjen +in den nek--droeg hy eigen haar, dat vry lang was, en hem los om +de schouders slingerde. Z'n kleeding was 'n eenigszins fantastische +variant op de uniform der adelborsten van die dagen. De kleur van z'n +buis was donkerblauw, met roode opslagen aan hals en mouwen, doch +zonder 't minste goud, wat by de schitterende uitmonstering van al +de andere heeren, zeer in 't oog viel. Ook droeg-i geen ridderorde, +en scheen dus 'n gedistingeerd persoon te wezen, al ware 't hierom +alleen dat-i minder dan alle anderen op 'n begunstigde koninklyke +kamerdienaar of 'n hansworst geleek. Op z'n hoofd had-i 'n zoogenaamd +schotsch-mutsje, zooals ligt-matroosjes gaarne dragen. Twee jockey's +brachten 'n schoon paard voor, dat door den een by den teugel werd +gehouden, terwyl de ander den stygbeugel hield. + +--Dat 's god-straf-me-n-'n jonker! zei 'n sjouwerman. As de bliksem +zes man 't grietje-want in, om dat vet in 't blok te klaren! + +--Mot hy op dat paard? vroeg 'n oud-kavallerist, die 't in zyn vak +gebracht had tot "oppasser" van ongetrouwde ouwe-heeren. Weetje wat +ik zeg? Ik zeg: 'n zeeman op 'n paard, is 'n gruwel in Gods oog! + +Wouter was te onbedreven in de vakpedanterie dezer beide +pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap, om hun spotterny +te begrypen. Voor-i gereed was met het ontcyferen van dat "vet in 't +blok" en dien "gruwel" sprong prins Erik, den stygbeugel versmadend, +op den goudvos. De toeschouwers schrikten van 't steigeren, en maakten +zich gereed om wegtestuiven zoodra 't wilde beest blyk mocht geven +dat de "kleine steentjes" te nauw waren voor den stryd dien 't met +z'n ruiter aanving. Het zette den kop in de borst, steigerde, schoot +vooruit, en stond op-eens pal, zwenkte onverwacht, brieschte, schudde +de manen, schopte, trachtte z'n ruiter over-kop te werpen ... alles +te-vergeefs! Of prins Erik 'n gruwel in Gods oog was, weet ik niet, +maar hy zat vast in 't zaal, dit is zeker. + +--Dàt 'n zeeman? riep de oud-matroos--die in zyn tyd den welverdienden +bynaam droeg van "lamstralige snertmalènger"--dàt 'n zeeman? 't Is +de vraag of-i 't verschil kent tusschen'n bezaan en 'n fok! Al die +rykeluîs-zoontjes komen de kajuitspoort in! Ik en 'n ander kruipen +door de kluisgaten, zieje! Dat 's 't ware! + +En, als om op deze diepzinnige meening 't zegel te zetten, verschikte +hy z'n tabakspruim van rechts naar links. + +--Hm, zei de kavalerist-kleerenklopper, hy heeft meer 'n paard tusschen +de pooten gehad! Anders ... ik wil maar zeggen dat zoo'n pallas van +anderhalf verrel, 'r heel mal by staat. Die vliegeprikker slingert +het arme beest tegen de beenen. Hy moest dat ding opgespen. + +Prins Erik gespte niets op. Hy vermaakte zich met temmen van z'n +paard. Toen dit gelukt was, begon hy op zyn beurt het schoone dier +te plagen, en kittelde het met de sporen, onder 't inhouden van den +toom. Telkens gaf het blyk van goeden wil, maar scheen wat straf +te-goed te hebben voor z'n speelschen moedwil van zoo-even. Eindelyk +scheen de ruiter voldaan. Hy liet den vos, die niets liever wilde +dan de nog altyd wegrollende rytuigen narennen, z'n zin, en schoot +vooruit. De dunne gordel omstanders brak af, en op-eenmaal bevond +zich de ruiter voor 'n kruiwagen, die de dubbele funktie vervulde van +voertuig en augurken-magazyn. Nog juist by-tyds hield de jonge ruiter +z'n paard even in, maar toch... 't was te laat om te wyken. Op-eens +liet hy den teugel schieten, en 't vlugge dier sprong welberaden over +'t beletsel heen. + +De weinige toeschouwers riepen: hé! en onze prinselyke adelborst +joeg den stoet rytuigen na, die sedert eenige oogenblikken in de +kalverstraat verdwenen was. + +Het schoenmakertje, dat zooveel blyk gegeven had op de hoogte +van hofzaken te wezen, beweerde dat "ze" den Diemermeer zouden +doorryden, en, van daar terugkeerend, al de buitensingels om, door +de Haarlemmerpoort weer naar 't Paleis. + +Wouter verheugde zich hartelyk in z'n afkeer van de puistige +Prinses. 't Was hem als 'n geschenk van 't lot, dat hy eens eindelyk +iets had te zien gekregen uit 'n sfeer die van de zyne zoo hemelsbreed +verschilde, en dat toch z'n begeerigheid niet opwekte. + +Met dat schoone paard was 't iets anders! Wat 'n sprong! En wat +die jonge ruiter 'n lief gezicht had! Precies Hamlet... vóór 't +kleuren! Zoo'n paard zou hy ook wel eens bezitten, als-i maar op +goeden voet bleef met Femke... + +Dit scheen hem de eenige bron van alle geluk! + +...als Femke hem maar lief had! En... zoo niet? Wel, dan verkoos-i +niet eens 'n paard te hebben, geen ezel zelfs, en ... niets! 't Was +immers juist om door háár te worden bewonderd, dat-i z'n beest zulke +sprongen wilde laten doen over kruiwagens, of... hooger dingen! + +In afwachting van die gelukzaligheid te-paard, sukkelde hy voorloopig +op z'n voeten verder, en raakte weldra in de buurt van Femke's huisje. + +Hier zette hy zich op haar bleekveldjen in 't gras, en peinsde, en +voelde zich overmand van vermoeienis, en viel in 'n slaap die meer +onrustig dan verkwikkend was. + +Hy droomde allerlei vreemde dingen, waarvan de hoofdzaak was dat 'n +jong meisjen op 'n tafel stond, en zich vermaakte met het opwerpen +en vangen van zware mannen in schippersdracht. Ze speelde er mee, of +'t ballen waren... + +--Laat ik haar nu goed aanzien, vermaande zich Wouter. Straks rydt +zy de lucht in ... ze ziet niet op 'n daalder... en daarom... al is +'t nu maar 'n droom... + +En hy zàg. Hy staarde zoo scherp als men dat in 'n droom kan, en hy +onderscheidde duidelyk de trekken van ... de kleine Sietske Holsma! + +Zéker was zy het! Want ze riep heel verstaanbaar: 'n "massa" is +'n heele troep, weetje! + +En met zoo'n massa--die precies geleek op Klaas Verlaan en de +zynen--kaatste zy... + +--Dàt zal ik nu eens goed onthouden als ik wakker word, beloofde zich +Wouter. Men hoeft zulk volk maar tusschen duim en vinger in den nek te +pakken, en 't gaat vanzelf. Ik zal 't opschryven, want zoo'n droom... + +Van Femke geen woord, helaas! Zou men niet bevreesd worden inteslapen, +als men bedenkt dat dit ons verleiden kan tot zooveel ontrouw, tot +zoo'n valsheid? + + + + + + + + Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit + hoofdstuk weer overslaan. 't Is vol prozaïsch realismus, + zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van 'n + kastalische-fonteinnimf--tevens van beroep: waschvrouw--met + 'n ridder in de luur, die 'n brief ontvangt uit den hemel: mirakel! + + +Toen Wouter zich in 't gras zette met z'n rug tegen 'n boom, was z'n +voornemen daar te blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in +Femke's huisje. Al was 't dan hoogstonzeker of ze zich dáár bevond, +toch immers zou hy dan iets vernemen. In-allen-geval kon haar moeder +hem zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of +de wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was +ze geweest, dit had-i duidelyk gezien. + +Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma's--'n +nicht... hoe zàt dat in elkaar!--op de Kolveniersburgwal sliep, of +'s avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht, +iets zou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte... + +Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet +te veel geweest, en hy had er maar één. Hy viel dan ook weldra om, +en lag daar alleronfatsoenlykst. Z'n petje rolde in de sloot, en +verdween langzaam maar zeker onder 't kroos. + +De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar 'n +beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om bespiegelingen +te maken over de al te vroege rypheid van zoo'n jong ventje. Een +onderzoek naar de oorzaken van 't geval--hy toch kon ziek, gewond +of dood wezen--lag niet in de zeden. Dat zyn politiezaken. 't Was +volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed. + +Gelukkig was 't aantal voorbygangers, om 't vroege morgenuur, nog zeer +gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door 't grasveldje +kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te zien. Maar straks +als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg liggen, dat was zeker. + +Z'n droomen blyven--als 't wakend leven-zelf--'n zonderling mengsel van +schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog ...ziedaar +alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen +dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen. Even als +dichters en lasteraars!--vinden ze niets uit, en bepalen zich tot +eenige verandering in 't rangschikken of samenvoegen. Personen, zaken +en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander 't +heterogeenste. Wouter droomde precies als 'n ander in zyn geval zou +gedaan hebben, d. i. onder den indruk van de gegevens die hem waren +meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z'n lenden +waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem +pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en +kippenhokken. Z'n moeder zag het aan, en geleek op koningin Elisabeth +die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met háár geldje: +honderd kromme pietjes. Klaas Verlaan droeg 'n fluweelen mantel, en +zat schrylings op 'n gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i +heensprong over 'n dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook: +"massa"--persoon geworden--met 'n pruim in den mond, en verklaarde +dat-i Gooremest heette en op de Keizersgracht woonde, waar-i "met +God" in effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over +menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben ... dit was weer de +schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong: honneur au +plus vaillant, en scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die er +naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid 'n wolk +van toegeworpen lauwerkransen opving op 'n yzeren leerlineaal. + +Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in +werkelykheid, krygt z'n deel in 'n anderen droom. + +Maar, in-weerwil van 't vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven +en bont dooreen gemengde beelden van z'n herinnering, behield één +figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat +aan Wouter's verbeelding voorbyschoof. 't Was die van 't meisje dat op +'n tafel stond, en haar armen kruiste. + + + +--Lieve goeie god, jongen, hoe kom je dáár? Hoe kom jy daar? + +Zoo sprak 'n stem, eerst op eenigen afstand, toen naderby, en weldra +zelfs aan z'n oor. Hy had 'n flauw besef dat iemand bezig was hem +opterichten. + +--Sietske! mompelde de slapende. + +--Ja, zoo heet ik! Maar hoe weet jy dat? + +--Sietske... Holsma! + +--Wel zeker! Maar wie heeft je dat gezegd? En hoe kom je hier? Heel +fatsoenlyk is 't niet! Ben je dronken? 't Is 'n groote schande voor +zoo'n jong bloedje! + +Ja, zeker was-i dronken. Maar 't was nog altyd van den slaap. En +nogeens sprak hy den naam van Sietsken uit. + +--'t Kan me niet schelen dat je me by m'n voornaam noemt, maar ... hoe +kom je 'r aan? Heeft Fem je zoo wys gemaakt? 't Is 'n ware schand voor +god, dat ie hier zoo ligt als... 'n zwyn, dat zeg ik je! En zoo-even +nog... geen uur geleden, zat je d'r op als 'n banjer... 't Is schande, +zeg ik! + +De persoon die aldus tot hem sprak, was by hem neergeknield. Ze +richtte hem wat op, en hy viel wezenloos tegen haar aan, zoodat ze +wel genoodzaakt was, hem weer in 't gras te leggen. + +--Och, och, och, 'n waar schandaal! Zoo jong nog, en dan al zoo +gruweloos aan 't verpieteren! + +De vrouw die zich met Wouter bezighield, scheen te willen voortgaan +met de niet ongewone fout, 'n beschonkene z'n schandelyken toestand +te verwyten op 'n oogenblik dat-i onvatbaar is voor rede. Maar op-eens +bedacht ze zich, en, van toon veranderend: + +--Och, lieve god, 't is waar ook, riep ze, hoe kan ik zoo praten! 't +Kind is van 't paard gevallen, de stumpert! Jesis-Maria, wat +ben ik 'n gemeen schepsel! Zeg, jongeheer, ben je van je paard +gevallen? Och, och, och, wat doe je-n-ook op zoo'n beest! En... waar +is je skos-mussie? 't Stond je zoo aardig! En je sabeltje? 't Rinkelde +zoo! En nu al dood... Jesis-Maria! En je kleertjes? Och, lieve god, +hy is dood, en... van z'n paard gevallen! Ben je dood? + +--Sietske! mompelde Wouter. + +--Goed, goed, noem jy me gerust by m'n naam. Ik geef er niets om, want +groots ben ik niet, als je me maar zeggen wilt of je dood bent! Och, +och, och, Maria-Josef, hy is dood! Als Femke maar hier was! + +Daar trilde iets in den zevenslaper: Femke! Was zy 't? Femke? Was +'t niet Sietske? + +--Sietske ben ik, zei... Vrouw Claus. + +Deze vreemde mededeeling was de moeite van 't oog-opslaan waard! Maar +ze vielen weer toe, en hy tegen haar aan. + +--Je mag me noemen zooals je wilt--gut, waarom niet? Ik ben +waschvrouw--als je me maar zeggen wilt of je je bezeerd hebt, en of +'t erg is? En waar is je geruite muts? 't Is schande van je moeder, +dat ze je-n-op zoo'n beest zet ... 'n ware schande! Zeker heb je +armen en beenen gebroken? En je ribben? En misschien je nek, hè? Zeg +'t maar, jongen! Ja 't is schande van je moeder! Zoo-even zag je 'r +nog zoo snoepig uit ... geen uur geleden! En nu ... leg maar gerust +tegen me-n-aan. Och, wat zal Fem er van zeggen? De meid zal desperaat +wezen, en... ik ook! + +Wouter richtte zich 'n weinig op, en wreef zich de oogen uit. + +--Zeg, wat is er aan je gebroken? Wil je dat ik pater Jansen laat +roepen? Och, 't wurm kan niet spreken! Wat is er aan je stuk? + +--Stuk? Gebroken? Aan my? + +--Ja, stumpert, zeg 't maar! + +Wouter betastte zich. Toen z'n hand de plek bereikte, waar die +boomwortel z'n plooien en knoesten had ingestempeld, nam z'n gelaat +'n vragende uitdrukking aan. Geheel overtuigd dat men hem niet buiten +z'n weten had geradbraakt, was-i niet! + +--Gebroken? Stuk? Ik? + +--Wie anders? + +--En... wie zou dat gedaan hebben? + +--Wie? Wèl ... jyzelf, stumpert! + +--Ik? + +--Wat doe je-n-op zoo'n beest! + +--Op 'n beest? Ik op 'n beest? + +--Weet je dan niet dat je d'r afgevallen bent? + +--Ik? Van 'n beest gevallen? Van welk beest? + +--Van 'n paard immers? Weet jyzelf dat niet? Ben je dan +toch... misschien... 'n beetje... dronken ook? + +--Ik? Dronken? Van 't paard gevallen? Ik? + +En hy legde beide handen met wyd-uitgespreide vingers op de borst, +als om met onomstootelyke zekerheid vasttestellen van welke ikheid +hier de rede was: + +--Ik? Ben ik dronken? Ben ik van 't paard gevallen? + +--Wat ànders? Wie ànders? + +--God, god, hoe is dàt mogelyk? + +En nogeens betastte hy z'n rib die 't cachet droeg van den +boomwortel. Daarop greep-i Vrouw Claus by den arm, en schreeuwde, +op elk woord drukkende: + +--Je... zegt... dat... ik... van... 'n paard... ben... gevallen? + +--Ja, schaap, dàt zeg ik! Houd je bedaard! + +Nu sloeg Wouter de handen aan z'n hoofd, misschien begrypende dat +dààr de ikheid woonde die geraadpleegd worden moest. De slotsom van +z'n overwegingen schynt zonderling, maar is natuurlyk: + +--Ik wou me graag eens wasschen! + +--Wel, dàt 's goed! riep Vrouw Claus verheugd. Zou er dan waarlyk +niets aan je kapot zyn? En waar is je muts? + +--Wasschen, ging Wouter peinzend voort, met heel koud water! + +--Goed, jongen! Kom maar mee naar de pomp! Ben je zeker dat je loopen +kunt? Heb je je beenen niet gebroken? + +Wouter betastte ze, en zei zonder de minste overyling: + +--Ik... geloof... het... niet! + +--En je ribben? + +--Ook... niet! + +--En je nek? + +--N...e...e...n! + +Om de goede vrouw gerusttestellen, schudde hy langzaam 't hoofd, +maar hy had wel eenigen moed noodig om die gymnastische bewysvoering +te beproeven. 't Mocht eens niet lukken! + +--Kom dan mee naar de pomp! En... zeg eens, jongen, maar jok niet, +ben je altemet niet 'n beetje... dronken ook? Zeg de waarheid! + +Wouter stond langzaam op, bedacht zich vry lang, en zei, blykbaar na +konscientieuze raadpleging van z'n herinneringen: + +--Ik geloof het niet! Maar... ik wou me zoo graag wasschen in heel, +heel, heel koud water... koud als ys! + +Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar 't erf daarachter, +waar 'n groote pomp stond. + +--Kleed jy je maar gerust uit, m'n jongen! Niemand kan je hier +zien. Maar... hoe kwam je 'r toe, my zoo op-eens by m'n voornaam te +noemen? Niet dat ik 't kwalyk neem, gut né, maar... + +Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om z'n +herinneringen te regelen, en 't werkelyk gebeurde te zuiveren van de +laatste droomerige toevoegsels, Hy verzekerde daarom dat-i... hoofdpyn +voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich behoorlyk gewasschen +had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te +ontkleeden. Met kostbare naïveteit dacht zy te-dezer-zake in 't +minst niet aan zichzelf, en meende al heel veel gedaan te hebben om +Wouter gerust te stellen, door 'n paar lakens over den rand van 'n +latten-schutting te slaan, zoodat nu 't erfjen, op de zoldering na, +vry wel naar 'n afgesloten kamer geleek. + +--Zie zoo, m'n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen sterveling! Wie +dáár overheen kykt, moet knap wezen! + +Geen "mensch" geen "sterveling?" En zy dan? Wouter wist waarlyk niet +hoe hy 't had. Gister nog zoud-i misschien zonder den minsten erg... + +Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En 'n beetje wyzer ook! En +dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten, +die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus? + +--Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je leedjes +niet tot je wil, dàt is het! Wat doe je-n-ook op zoo'n beest! + +En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z'n kleeren, +en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger geweest +was. 't Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat in hem was, +loste zich op in één uit afmatting berustend: in-godsnaam! De flauwe +tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door z'n baker opgevat als +kinderlyken gril, en dáármee wist ze raad! 't Scheelde weinig, of +ze had er 'n "suia, suia, kindje" by gezongen. Want--honni soit qui +mal y pense!--zoo bakerlyk was haar indruk by 't uitkleeden van den +jongen ridder. + +Toen ze gereed was, zette zy hem op 'n laag bankjen onder de pomp, +en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, en +weldra klaterde 'n breede waterstraal hem op hoofd en schouders. Van +teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, en Vrouw +Claus vatte z'n "brrr!" dat misschien beteekenen moest: "genoeg, +genoeg!" als 'n betuiging van tevredenheid op. + +--Ja, zieje, na zoo'n val stygt het bloed... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...naar je hoofd! En de kou van 't water... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...als je maar niet je nek gebroken hebt... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...want dan helpt het niemendal! En... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...denken, dat het nu genoeg is! ik heb... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...pyn in m'n milt! Maar anders, ik... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +...ik wil wel! Zoo lang als je maar... + +'n Pompslag! + +--Brrr! + +... als je maar wilt! + +Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk +te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de patiënt +het verlangen mocht. + +--Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever hebt... + +--Brrr! + +...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd, +weetje? 't Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... 'n +ware spiegel, kompleet 'n spiegel! + +Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wàt zoud-i gezegd +hebben? Femke's rug, een... spiegel? + +--Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, dat komt +alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te wasschen +met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren, +flink! Maar ben jy gewoon 't zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik +ook wel... + +En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger +rees... + +--Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen, +bibberde Wouter. + +En hy kreeg 'n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer niet +verstaan kon. + +--Groene zeep is ook goed voor peesknoopen... + +--Brrr! + +...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent, +want dan... + +--Brrr! + +...is er niks an 'n mensch te doen. + +Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en +gebiologeerd, het waagde zich en z'n bankje eventjes van onder den +straal wegteschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry welsprekend +om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking niet +anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. En +bovendien... de goeie vrouw had z'n kleeren over 'n droogstok geslagen, +die niet onder z'n bereik was, en hy, gaandeweg wakker geworden, begon +schaamte te voelen over z'n volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef +onbewegelyk zitten, maakte zich zoo klein mogelyk, en verschool z'n +kin tusschen de knieën. Ik denk dat Adam in Genesis III ook zoo-iets +gedaan heeft, en dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat +verdrietig hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was. + +--Wou je nog wat? vroeg z'n goedige Najade. + +--Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat 'n nieuwe +straal--de slinger rees al!--hem weer de spraak zou afsnyden. Neen, +maar... + +De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als 'n +klomp en in-een gedoken zat: + +--Heb je véél pyn? vroeg ze. + +--Neen! Pyn juist niet, maar ... + +--Ben je misschien moe van 't ryden? + +--Van 't ryden? Ja, ja, ik ben erg moe! + +--Dàt is het! riep Vrouw Claus. En ik heb 't wurm in z'n slaap +gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat slapen... dat denk +ik er van. + +En met 'n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den +lezer--zouden er zyn, die hiertoe te laag staan?--droogde zy Wouter +af. Ze trok 'n beddelaken van de schutting, wikkelde hem--zoo +opgevouwen als-i was--daarin, en droeg 'm weg als 'n pakje waschgoed. + +Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte... + +--Strek jy je beenen gerust uit, m'n jongen, als ze maar... +in-godsnaam niet gebroken zyn. + +Wouter deed wat ze gelastte, en voelde 'n onbeschryfelyke gewaarwording +van welbehagelykheid. Z'n lichamelyke aandoening steeg tot verrukking, +toen z'n voedster de dekens naast hem "instoppende" de heerlyke +woorden uitte: + +--Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is 't bedje van +onze Fem, weetje! + +Op Femke's bed! Wèl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit hem goed zou +doen! Was 't niet jammer dat-i de kracht niet had, zich wakker te +houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde dit... als +kleine man en als ridder, maar hy bezweek als 'n mensch. + +Doch hoe plezierig 't wakkerblyven zou geweest zyn, ook de slaap--nu +van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met wat gras er +naast--werkte weldadig. Straks by 't ontwaken, zoud-i heel op z'n +gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich voorgenomen toen-i Vrouw Claus +hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. Voor ze die geheel bereikt had, +nam hy niets meer waar, zelfs z'n droomen niet. + +Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy's leiding, +al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot mensch... + +Want--onder ons, lezer--dáárop eigenlyk scheen de zaak aangelegd! + +Toen-i zoo ongeveer tegen vier uren in den namiddag wakker werd, +hoorde hy fluisterend spreken. Hy spande zich in, eerst om te weten +waar-i was, toen om te begrypen hoe hy daar kwam, en daarna om te +verstaan wat er gezegd werd. + +Het scheen er op toegelegd, op-nieuw voedsel te geven aan de +zonderlinge verwarring tusschen Femke en Sietske, die in z'n gemoed +ontstaan was. Zeer duidelyk hoorde hy Vrouw Claus zeggen: + +--Ja, Siet, maar... wat doet-i op zoo'n paard! Als ik z'n moeder was... + +En hoe Sietske nogal nuffig antwoordde: + +--Nicht, ik denk dat z'n moeder er niets van weet. Herman heeft het +ook eens gedaan, want, nicht, de jongens zyn zoo! + +Dus: Sietske was dáár! En... Vrouw Claus was haar nicht, en heette +ook Sietske! En... 't meisje dat op de tafel stond... + +Och, op-eens voelde Wouter zich weer minder gelukkig! Hy kon maar +in 't geheel niet wys-worden, noch uit het gebeurde, noch uit z'n +aandoeningen. Lichamelyk gevoelde hy zich welvarender dan ooit... + +Nooit had-i zóó 'n bad ondergaan, nooit zóó geslapen, na zóóveel +spanning en vermoeienis! + +...maar juist dit gaf hem volle ruimte om verdriet te voelen over de +verwarring van z'n denkbeelden. Was... dàt, dàt en... dàt, wáár, of +was 't niet waar? Daarop moest orde gesteld worden! Straks misschien +zou men hem komen vertellen dat-i op 't bed lag van Klaas Verlaan, +of van de liefelyke weduw Gooremest! + +Neen! Zóó ver zou de helsche spokery niet gedreven worden! Hy lag +wel inderdaad in Femke's kamertjen, of in haar bed toch, want 'n +byzondere kamer had ze zeker niet. + +--Als ik nu 'n stuk uit het laken knipte, dach hy, om morgen te kunnen +zien en tasten, en zeker te zyn? + +En hy bracht er Samuel 26 by te-pas, en droomde zich voor, hoe hy Femke +zou bezweren dat-i haar spies en waterkruik niet had meegenomen om te +dienen als getuigen tegen háár--'n spies zag hy niet, maar 'n Rebekka +stond er--doch alleen om zichzelf 't zwygen te kunnen opleggen, als hy +eens later weer mocht beginnen te vragen, te twyfelen, te ontkennen... + +Wat overigens het beddelaken aangaat, waaruit hy naar Davids voorbeeld +'n slip snyden wilde... 't was eigenlyk jammer dat-i niet aan zeer fyn +linnen gewoon was. Dit belette hem, de poëzie van 't byzonder grove +te genieten. Rein wàs dat lynwaad, als zy die daartusschen geslapen +had! Maar Wouter stond nog in lang niet hoog genoeg, om gevoelig +te zyn voor schoonheid in 't geringe. Was-i niet nog kinderachtig +verslingerd op fluweel, goud, satyn, en zulke voddery? Het zeer +grove weefsel van die lakens was wel inderdaad nog altyd te grof +voor z'n smaak, doch hierom alleen wyl die smaak niet fyn genoeg was +om de tegenstellend-fyne beteekenis der grofheid van dat weefsel te +waardeeren. Gelyk zeker soort van boekenmakers, zoud-i 'n prinses laten +slapen op geborduurde zyde... waarom niet op paarlen, tusschen lakens +van scherpgeslepen diamant? Hy wist nog niet dat men zich--behoudens +alle deftigheid, en eerbied voor de grondwet--Koninklyk-Keizerlyke +Hoogheden by-nacht, ànders kan voorstellen, en dat eenmaal misschien +'n prinses zich te gering achten zou, om Femke's bedje te schudden. + +Neen, neen, zóó ver was Wouter nog niet! Toch keek hy met innig +genoegen 't kamertje rond, en ademde den geur in, die z'n verbeelding +meedeelde aan alles wat-i zag. Al voelde hy zich dan niet in-staat, +den hier uit alles sprekenden eenvoud boven boekerige majesteit te +stellen, toch was-i reeds genoeg gezuiverd van 't àllergemeenste, +om die eenvoudigheid hooger te schatten dan 't benauwd-burgerlyke +waaraan-i gewoon was en dat hem zoo kwelde. Aan paleizen--die hy +nog nooit gezien had--bleef-i nog altyd de voorkeur geven boven +'n hut. Maar te kiezen hebbende tusschen hutten en huizen, tusschen +armoede en burgerlijkheid... o, dan helde z'n smaak onvoorwaardelyk +over naar den kant van 't geringste. + +En, alweer bedroog zich z'n smaak! Om nu niet te spreken van 't +onrecht dat-i aandeed aan wat ik nu in één woord: "burgerlykheid" +noem, door de achter- onder- boven- voor- zy- en opkamertjes waarin +dat maatschappelyk standpunt zich tot-nog-toe aan hem had geopenbaard, +te verheffen tot type--hy zag, door vergelyking dáármee, de Holsma's +voor ryk en voornaam aan--in veel wyder opzicht beging-i 'n fout. Noch +hutten, noch grove beddelakens, noch achterkamers, noch paleizen, noch +zelfs... de puistjes van 'n Palatine, bedingen--d. i. veroorzaken of +weren--de poëzie! Voor haar is dit alles gelyk. Zy zoekt en vindt +haar voedsel in 't schynbaar geringe, niet meer--maar vooral niet +minder ook!--dan in voornaamheid. Gelyk 'n godin--dit is ze, en... de +eenige!--alles overziend, alles waardeerend op juisten prys, alles +vervormend naar háár beeld, alles behoudend, samenvoegend en gebruikend +voor háár doel, de ongelyksoortigste bestanddeelen overgietend met +háár kleur, heft ze alles gelykmakend tot zich op, zonder aanzien van +persoon, standpunt of omgeving. Dit is haar roeping, haar behoefte, +haar Wezen. + +'t Was nog al wèl, dat Wouter niet naar juweelen zocht in 't kamertje +van de prinses zyner ziel. In-plaats hiervan bemerkte hy dat er nòg een +slaapplaats was: 'n "bedstee." Daar sliep zeker Femke's moeder. Tegen +een der wanden van 't vertrek was 'n wyde gemetselde schoorsteen, +alleraardigst gekleed in Delftsche ticheltjes. Ze stelde met hun allen +de opwekking van Lazarus voor, en de man met wien ik den lezer by 'n +vorige gelegenheid in kennis bracht [8] ontbrak niet. Wouter voelde +zich door dit staal van al te wonderbewyzend realismus minder gestuit +dan anders 't geval zou geweest zyn, want... op die poppen had Femke's +oog gerust. Dit denkbeeld adelde alles wat-i zag. Het kamertje was +overigens gemeubeld met vier matte-stoelen, waarvan een voor 't bed +stond, met z'n kleêren, netjes gerangschikt en blykbaar gereinigd, +er op. Zelfs z'n ryglaarsjes waren gepoetst. Die goede Vrouw Claus! + +In 't midden van de kamer zag hy 'n vierkante tafel, waarin 'n +lade die openstond. Het ding kon niet anders, omdat het gaapte door +overlading. De ons bekende wollen kousen staken boven den rand uit, +en wachtten op herstelling of misschien op terugzending naar den +eigenaar... naar pater Jansen? daar was meer brei- en ook naaiwerk +in die lade... goeie hemel, geestelyke onderbroeken misschien! + +Wouter sloot z'n oogen, en keerde zich gemelyk om. Wollen +kousen... va! Maar die onderbroeken... hy zag geen kans ze te +poëtizeeren! De schuld lag aan die broeken niet, meende hy, maar aan +den pastoor. Ik zeg dat de schuld aan hemzelf lag. Of er onderbroeken +lagen in die uitgeschoven tafella, kan ik niet zeggen, doch zoo ja, +dit zou voor Wouter geen reden geweest zyn, zoo vies z'n oogen te +sluiten. We willen hopen dat-i 't maar deed om 'n voorwendsel te hebben +tot nadutten. Dit kon wel wezen, want al voelde hy zich hersteld van +de vermoeienis, hy was nog niet bekomen van den slaap. Toch begreep hy +dat er 'n eind moest komen aan z'n Capua. Niet zonder inspanning sloeg +hy de oogen weer op, en zag nu iets dat hem liefelyker voorkwam. Aan +den wand by 't hoofdeneind van z'n kribbe--heel veel meer was Femke's +bedje niet--hing 'n krucifix met wywaterbakje van zeer gewonen steen, +waarop de bezitster hoogen prys scheen te stellen. Daaraan toch had +zy de eenige versiering aangebracht, die van haar hand in 't gansche +vertrek te vinden was. Het rustte tegen 'n vierkant schildje van +haakwerk, dat op 'n blad karton was gespannen. Blauw glanspapier +gluurde vriendelyk door de symmetrische gaatjes. + +"Daarmee zegende zy zich" dacht Wouter, en onwillekeurig stak hy de +hand in 't bakje... + +Het was droog. Nu, om 't water was het ons protestantsch jongetje +niet te doen. Hy wilde slechts z'n hand... wyden door aanraking met +iets dat door háár voor heilig gehouden werd. Hy wist met dogmatische +precizigheid--lieve god, op z'n katechizatie was-i de eerste in die +zaken, en had er mooie pryzen mee behaald--dat Roomschen zeer dom zyn, +en aan allerlei gekheid gelooven. Hierin namelyk ligt het verschil +tusschen Katholieken en... andere menschen. Wel beschouwd, begreep hy +dus zeer goed dat zoo'n wywaterbakje niets helpt voor de zaligheid, +en dat de lieden die aan zulke prullen gewicht hechten... + +Maar Femke dan? Was ook zy zoo byzonder afschuwelyk papistisch +dom... zy? Wel neen, ze was... Femke! Dit beteekende heel iets anders +in Wouters oog. Aan z'n eigen afgodery met háár, dacht-i in 't geheel +niet. Daarvan stond niets in z'n katechismus, en hy hoefde er dus +niet tegen te waken. + +Heel onprotestants sloot-i z'n vingers om den rand van 't schulpjen, en +trachtte zich voortestellen dat ze daar háár vingers ontmoetten. Dat +steenen ding was wel Femke niet, maar 't kwam hem te-hulp in 't +aanschouwelyk vóór zich dagen van haar beeld, en alzoo... + +Wat is dàt? + +Iets als 'n brief van zeer groot formaat, toegevouwen en dichtgegomd, +viel van achter 't karton uit, en op z'n bed. Wouter nam het op, en +zocht--'n oogenblik lang door naïveteit bewaard voor verbazing--naar +'t adres... aan hèm, natuurlyk! Het steenen Jesusje had hem iets te +zeggen, naar 't scheen. Een achtste kruiswoord misschien? Of kwam de +boodschap van... haar? Of van beiden tegelyk? + +Zóó was de eerste indruk van ons protestanterig vrydenkertje. Een +adres stond niet op den brief, doch in-plaats daarvan, 'n datum van +'n maand of wat oud. Gelukkig dat Wouter zich 'n oogenblik bezon, +voor hy den omslag losbrak. Reeds was z'n onbescheiden vinger daartoe +gereed, toen-i zich nog juist by-tyds verweet dat het stuk onmogelyk +aan hem kon gericht zyn. Immers, welke besteller had hem kunnen vinden +in dat domicilie? Hyzelf begreep ter-nauwernood waar-i was. Dit konden +bovendien noch Femke weten--hy vergiste zich: ze wist het--noch dat +steenen poppetje. + +Maar... 'n wonder? Gekheid! De "Heere" doet geen wonderen dan... op +zeer grooten afstand en... heel lang geleden. Dit is elk rechtschapen +Protestant bekend. + +Uit al deze beschouwingen,vloeide rechtstreeks de slotsom voort dat +de geheimzinnige dépêche onmogelyk voor hem kon bestemd zyn... + +Domme jongen! De brief was wel degelyk aan hem gericht! Met al z'n +wonderhekel wàs-i wel genoodzaakt den inhoud te zien, te begrypen, +in zich optezuigen... + +Bevend van aandoening en met eerbied plaatste hy 't kostbaar +stuk--ongeopend... maar gelezen en verstaan hàd hy 't!--op de oude +plaats, en sprong 't bed uit. + +Hy had den gesloten brief tegen 't licht gehouden, en... zyn gekleurde +Ophelia herkend. Dat beeldje bewaarde Femke in haar binnenste Heilige +der Heiligen... + +Nu eindelyk was-i wakker. Wie zou niet wakker worden na 't ontvangen +van zóó'n brief uit den Hemel? + + + + + + + + Nieuwe blyken der verdorvenheid van Vrouw Claus--en van + den auteur--in-zake: aesthetika. Een weerbarstige verloren + zoon. Verschyning van 'n muts en 'n Sybille. Geroepen, en... àls + geroepen! Wouter begint iets van de "vier windstreken" te zien. + + +Hy kleedde zich aan, en trad in het andere kamertje, waar-i z'n +gastvrouw en de kleine Sietske meende aantetreffen. Maar er was +niemand. Nu eerst bedacht hy dat-i, na de weinige woorden die hy +verstaan had, geen verder gesprek had waargenomen. Het jonge meisje +was zeker na 'n kort bezoek by haar "nicht" reeds weder vertrokken. + +En Vrouw Claus zelf? Blykbaar had ook deze haar huisje verlaten, doch +ze deed het niet zonder 'n eigenaardig kenmerk achter te laten van +haar ruw karakter, grove levensopvatting en gebrek aan opvoeding. Dat +heeft men van de menschen die nooit verzen of romans lezen! + +Verbeeld u, lezer, wat het onbeschaafde vrouwmensch zich veroorloofd +had! Op 'n klein witwerks-tafeltje, waarby 'n stoel stond aangeschoven +als om uittenoodigen tot plaatsnemen, lagen twee boterammen van de +ons bekende soort op 'n ontbytbordje, en stonden mèt dat bordje op +'n alleronhebbelykst groote kom koffi. Die koffi was nagenoeg koud, +maar... overigens? Zouden niet sommige smakelooze realisten iets als +gloed meenen te ontdekken in dien toestel? Hoe jammer, niet waar, dat +zoo'n vrouw niet in haar jeugd door den bekenden: "dominee die terstond +bemerkte dat er wat in zat" gekuischt was met latynsche verzen! Zonder +maat, rym, spondaeen of mythologie, schreeuwden die plompe boterammen: + +--Tast toe, m'n jongen! Je moet honger hebben! + +Zóó verstond Wouter de alexandrynen van Vrouw Claus. En hy handelde +flinkweg naar z'n overtuiging, door ze met smaak te verslinden, +waartoe wel eenige volharding noodig was, want waarlyk ... één +mondvol meer, en 't was te veel geweest. Hy voelde zich versterkt, +en ook die lauwe koffi deed hem goed. O, dat heerlyke, heerlyke +proza! Zoo'n namiddag-ontbyt... + +'t Is waar ook! Eigenlyk was 't plan geweest, dat-i zou ontbeten +hebben by... + +Hy ontstelde, en verviel--nu door honger noch slaap gekweld--in angst +voor den afloop van z'n zonderlinge uithuizigheid. Het huis Pieterse +torende als 'n verzwelgende waterhoos voor z'n verbeelding op, en +verdreef zelfs de behoefte aan opheldering van al de mysterien die +hem omstrikten. + +Naar huis? Hy durfde niet! + +Z'n moeder, Stoffel, z'n zusters... zy allen vertoonden zich als +Shakespearsche heksen, met kromme nagels, en ongekamde slangen op het +hoofd. Zelfs Leentje, z'n goedig advokaatjen anders, zou hem--als +by gelegenheid van de aardappelgeschiedenis--verraderlyk afvallen, +en zeggen: + +--Ja, maar... zieje, Wouter, dat 's ook geen fatsoenlyke manier van +doen! Déze keer moet ik heusch je moeder gelyk geven. Weetje wat je +doen moet? Vraag excuus, en zeg dat je 't nooit weer zult doen. + +Och, och, Leentje, je weet niet wat je zegt, kind! Ik geef 't je-n-in +drieën, in zessen, in tienen, om na zóó heen-en-weer te zyn gegooid... + +Een oogenblik dacht Wouter aan 't vierde tafereel van den Verloren +Zoon... hm! Hy wist zeer goed dat de zaak niet op vergiffenis en +kalfsvleesch zou uitloopen. "Vader--dit werd: "moeder" hier, maar +'t variantje doet niet tot de zaak--moeder en Stoffel dan, ik heb +gezondigd... + +Sakkerloot, ik hèb niet gezondigd! Niets ... niemendal! Heb ik wat +verkwist? M'n erfdeel? Geen duit! Heb ik wyn gestort? Geen drup! + +De zuivere waarheid! Noch juffrouw Laps, noch Vrouw Gooremest, +wat dan ook overigens de grieven van deze beide dames tegen Wouter +wezen konden, hadden 't recht hem aanteklagen van bovenmatige +spilzucht. En... Vrouw Claus? Deze had hem, ongevraagd-ongeweigerd +immers, krediet gegeven voor koffi, boterammen en verblyf... dagverblyf +slechts, nu ja, maar dit kon nu eenmaal niet anders, omdat de +nacht onherroepelyk was voorby geweest toen ze hem opvischte van +dien boomwortel. Kon hy dit alles helpen? Was-i nu daarom prodigue, +of... verloren dan, als men zich koppig houden wil aan den hollandschen +tekst, die nog altyd--volgens juffrouw Pieterse--de eenig-ware is? + +Wouter vloekte nogeens: sakkerloot! Verder durfde hy ditmaal niet gaan, +hoewel-i terdeeg boos was. Hy kon niet wys-worden uit al z'n zonden, +en begreep toch dat er iets aan hem haperde, want... naar huis durfde +hy niet. + +Met wyde stappen liep hy de enge kamer op-en-neer, en sprak of dacht: + +--Heb ik pleizier gehad? Neen! Heb ik gastmalen aangerecht +met vier dames? Neen! Heb ik jachthonden laten rondloopen in de +eetzaal? Neen! Heb ik al m'n goederen op 'n kameel gepakt? Neen! Heb +ik 'n zwarten knecht gehad, die m'n paard hield? Ben ik er op gaan +zitten? Weggereden... + +Hier bleef-i steken! Van kameelen en hooggekleurde juffers voelde hy +zich zuiver. Ook van jachthonden, wynkruiken en dien zwarten knecht, +maar... 'n paard? En... ryden? + +Vrouw Claus was toch niet gek, niet beschonken! Had ze hem op z'n paard +gezien... ja of neen? Had-i op zoo'n beest gezeten... ja of neen? Zoo +neen, dan was ook dat meisjen in de herberg niet Femke geweest! Dan +was zy evenmin Sietske geweest! Dan was ook die kroeg geen kroeg +geweest, die schipper geen schipper, Laps geen Laps, likeur geen +likeur... dan was àlles schyn, verblinding, droom, goochelspel, waan, +bedrog, razerny, dolheid! Dan was ook het standbeeld met gekruiste +armen en strengen blik... o God, zou ook dàt niets geweest zyn dan +'n sarrend spook? + +Maar... dit was nu de vraag niet. De vraag was, hoe hy 't moest +aanleggen om zich weer te doen inlyven by den huize Pieterse, waartoe +hy nu eenmaal van gods- en rechtswege behoorde... + +Hy pluisde de kruimels van z'n bordjen, en riep, ditmaal niet zonder +onbehoorlyk zeedyksch tusschenvoegsel: + +--Ik wou--...........--dat ik zoo'n kruimel was! Dan wist ik ten-minste +waar ik heen moest! + +En hy stak 't ding in z'n mond. + +Ziedaar de eerste broodkruimel die zich beroemen kan, benyd te zyn +geworden door 'n heertje van de Schepping. + +--Naar... Amerika? + +Dit lachte hem wel toe. Als-i maar in 't bezit was geweest van de +fameuze honderd guldens, waarmee men--volgens z'n moeder--in dat land +kan leven als 'n prins. Doch, nader overlegd, ook die verbazende som +zou hem niet geholpen hebben. Hy kon immers 't huisje van Vrouw Claus +niet ongesloten overlaten aan de hebzucht der voorbygangers? God weet +wie daar al zoo vermoord zouden worden, als voorbygaande booswichten +'t leeg vonden, en onbewaakt! Mocht hy z'n post verlaten, hy die +aanvankelyk was uitgetrokken--'t is waar ook, maar 't was hem +ontgaan--tegen roovers? En, zonder nu juist aan moord of doodslag +te denken, was 't geen medeplichtigheid aan heiligschennis, Femke's +wywaterbakje--en wat daar achter stak!--bloottestellen aan den +ongewyden blik van nieuwsgierigen? + +--Neen, neen, riep-i, en hy nam de huisgoden tot getuigen, ik ga niet +naar Amerika! + +Bovendien, wat zoud-i daar doen, zonder... háár? Dat de Weledele heer +Motto vertrokken was in z'n eentje, was zyn zaak--ieder moet handelen +naar z'n overtuiging!--maar hy, Wouter, 'n nieuw werelddeel betreden, +zonder by 't aan-wal stappen, het neerteleggen voor háár voet... zonder +tot háár te zeggen: trap er gerust op, daartoe juist heb ik 't expres +veroverd voor jou... dat nooit! + +Amerika zelf zou 'r geen vrede mee hebben! Wat is 'n ridder zonder +dame? En welk werelddeel nam ooit genoegen met 'n zoo gebrekkig +toegerusten veroveraar? + +De zaak was nòg onmogelyker dan ze hem in-den-beginne toescheen. By +nader inzien kon-i evenmin naar Amerika, als naar huis... hy had geen +hoed, geen pet, geen muts! Verbysterd keek hy rond, en zag niets dat op +'n hoofddeksel geleek. Toch wel! Daar hing 'n noordhollandsch-friesche +kap op 'n mutsebol, maar... + +De deur werd behoedzaam geopend, en 'n onzichtbare hand die om den +rand boog, hield Wouter 'n elegant mutsje voor... precies geschikt +voor veroveraars, en jongeluî die 't worden willen. Wouter sperde +mond en oogen op, en stond daar als 'n verbaasde Term... + +Wouter's verbazing was gegrond. Hy staarde 't geheimzinnige mutsjen +aan, en twyfelde weer of-i wakker was. Het aardig spookje scheen +aan den rand van de deur te kleven, maar onbewegelyk was het +niet. Verbysterd vroeg Wouter, alsof hy te doen had met 'n levend +voorwerp: + +--Waar kom jy vandaan? Wat wil je van me? + +'t Was al wel dat-i niet, gelyk Luther den Duivel, 't onschuldig +voorwerp iets naar den kop keilde. Z'n boterambordje, byv. dat zeer +geschikt was voor zoo'n worp. + +Er was beweging in de deur, en ook 't mutsje trilde. Nogeens vroeg +Wouter vry onthutst--'t klonk inderdaad als 'n vade retro!--wat +het wilde? + +Als 't mutsje zelf geantwoord had, zoud-i 't op dit oogenblik niet +vreemd gevonden hebben. In-plaats daarvan echter piepte een bevend +stemmetje van achter de deur: + +--Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik mag niet binnen komen. Hier +is je mussie ... neem maar aan... als je de rechte bent, want dat +moet ik eerst weten. + +Wouter bekeek zich. "Ik... naakt? Wel neen! En... de rechte? Ben ik +de rechte?" Dit scheen-i niet te weten. + +Hy liep naar de deur. De muts verdween, en de deur werd toegetrokken +tot op 'n kier. + +--Wie is daar? Wie ben je? snauwde hy. + +--Ik ben 't Stakkervrouwtje. Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik +breng je je mussie... as jy 't bent, de rechte! + +Woedend rukte Wouter de deur open, en grimde de zonderlinge +boodschapster aan ... + +'n Heks, 'n ware heks! De gelykenis met een der Megaeren uit den +Macbeth op z'n printen, was treffend. + +Wat al overleg moet het Fancy gekost hebben om die vrouw te doen +geboren worden op 't vereischt oogenblik, en haar tachtig jaar in +'t leven te houden--in wèlk leven!--om dáár op haar post te zyn met +'n muts in de hand, juist toen hy om zoo'n kleedingstuk verlegen +was. O, domme ondankbare Wouter! Want: + +--Wat motje? zeid-i zoo ruw mogelyk. + +De arme mismaakte stumpert schrok drie waggelingen achteruit. + +--Is uwe niet naakt meer? Wezenlyk niet? + +--Heere-krrristis, wyf--de lapsische verbazings-terminologie had +school gemaakt--wat wil je van me? + +Ze bekeek Wouter van 't hoofd tot de voeten. + +--Ze had gezegd dat je rooie lappies op je kraag had... + +--Wàt op m'n kraag? + +--Rooie làppies. En 'n sabeltje! + +--En dat ze je-n-onder de pomp had gezet... + +Dit klonk minder onzinnig. Onder de pomp was-i geweest, inderdaad +en... terdege! Maar wat er nu volgde, maakte Wouter weer kriegel. + +...en heelemaal naakt had uitgekleed... as 'n wurm. En dat ik +niet moest binnengaan, omdat ze niet wist of je-n-al je kleertjes +áánhad. Waar is je sabeltje? + +Ze hield het mutsjen op haar rug, als om te betuigen dat ze 't niet +zou afgeven voor ze dat sabeltje zag. + +Wouter wist niet wat-i zeggen zou, en begon weer te twyfelen aan z'n +verstand. Na eenig zwygen: + +--Wie bèn je? + +--En wie ben jy dan, jongeheer? Ben jy 't matroossie die van 't paard +is gevallen? Je ziet er niet uit als 'n matroos, en ik geef je de +muts niet! Vrouw Claus zou me... + +De naam van z'n gastvrye bronnefee bracht Wouter tot nadenken. Hy +meende 'n gelegenheid te bespeuren, eenig licht te doen opgaan over +al de geheimenissen die dreigden hem krankzinnig te maken. Op-eens +van toon veranderend, noodigde hy 't oude vrouwtjen uit, binnen te +komen. Ze gaf hieraan aarzelend gehoor, maar bleef den muts aandrukken +tegen den onderkant van haar bochel. + +--Vertel me-n-eens, zei Wouter zoo minzaam hem mogelyk was, wat je +hier komt doen, en wie je gezonden heeft? Wil je niet zitten vrouwtje? + +En hy schoof haar 'n stoel toe. Maar ze kon er geen gebruik van +maken. Ze was te verdraaid van gestalte, en bovendien te klein, +om zich ter-ruste te zetten op zoo gewone wys. + +--Ja, zitten wil ik wel, maar dat doe-n-ik zoo op m'n eigen manier. Heb +je niet 'n stoof voor me? Die geeft me Vrouw Claus ook altyd, als +ik hier kom eten, want ik eet hier driemaal in de week. Daar staat +er een... + +Wouter volgde de richting van haar vinger, en zag 'n drietal stoven +op 'n stapeltjen in den hoek staan. Hy vloog er heen, greep er een +in de traditioneele vyf gaatjes, en zette den troon die z'n sybille +zou dienen voor drievoet, achter haar neer. De handbeweging die nu +tot plaatsnemen uitnoodigde, was waardig, vroom, bevallig, galant, +in één woord: ouwerwetsch-ridderlyk. Hoe ànders? Die vrouw spysde +driemaal 's weeks in dat huisje. Die vrouw had Femke gezien. Die +vrouw kende zyn Femke. Die vrouw zat daar waarlyk heel goed op haar +stoofje. Wie er mee gespot had, was 'n gek. En ook hy ging nu zitten, +en nam iets aan van de houding der notarissen, als ze zich 'n uitersten +wil laten voorzeggen. + +--Je komt dus van Vrouw Claus? + +--Ik mot eerst weten wie je bent, jongeheer. + +--Wouter Pieterse. + +--Dat kan me niks schelen. Ben jy de jongeheer die van 't paard +gevallen is? Dàt mot ik weten. + +Wouter zag nu in, dat hy om iets van Femke te vernemen, wel +genoodzaakt was zich de onderscheiding aantematigen van 'n nooit +geleden ongeluk. En dus: + +--Ja, ja, ja... o zeker, zeker! Ik ben van 't paard gevallen, +wel... zesmaal! + +--Zy wist maar van ééns! Maar... zesmaal, zeg je? Je was dus wel +wezenlyk 'n beetje dronken? + +--Ja, o ja, ik was dronken... heel erg! + +--Zóó? vroeg de bes, nog altyd wantrouwend. Je was erg dronken, zeg +je? En hoe komt het dan, dat je niet heelemaal naakt bent? Want ze +zei dat ze je-n-onder de pomp... + +--Ik heb me weer aangekleed. + +Dit scheen de achterdochtige vrouw niet volstrekt onmogelyk te +vinden. Maar op-eens: + +--En je rooie lappies dan? Waar heb je die gelaten, hè? + +Luk-raak antwoordde Wouter dat "die dingen"--hy wist waarachtig niet +wat ze bedoelde--in de sloot gevallen waren. + +--Komaan, vleide hy zoo verteederend mogelyk, zeg my je boodschap +maar! Ik ben heusch van 't paard gevallen, en erg dronken geweest! Gut, +zoo erg! Je hebt er geen begrip van, hoe dronken ik geweest ben! Och, +zeg me nu asjeblieft je boodschap! + +Ze liet zich bewegen. Heel gelukkig. Hy was waarachtig in-staat geweest +haar te streelen, maar deze ramp werd hem uitgewonnen, want ze begon: + +--Ik ben 't Stakkervrouwtje, weetje, en woon achter de planken, +by den molen, en Vrouw Claus is eigenlyk 'n nicht van me ... + +O goden, alweer 'n nicht! Als Wouters liefde eenmaal behoorlyk +"bekroond" wordt, wat aan my staat... + +Aan my, en aan... háár: Fancy, Femke, of hoe zou ze +heeten? Causaliteit, misschien? + +...nu, ik wil maar zeggen dat-i dan op-eenmaal in 'n zeer groote +familie komen zou. + +--Ja, 'n nicht, of... 'n tante misschien. Neen, ik ben háár tante. Als +ik m'n broer was, kon ik haar oudtante wezen, of... 'r grootmoeder. En +de kleine Fem is naar me genoemd, of... naar m'n overgrootmoeder +eigenlyk, want in onze familie heeten we allemaal Fem of Sietske. En +de mannen heeten Sybrand of Erik. Dat wist je zeker niet, hè? + +--Sybrand? + +--Ja... of Erik! Maar ik woon achter de planken... + +Op-eens doorschoot Wouter de gedachte--te vroeg was 't niet!--dat die +vrouw krankzinnig was. En er was iets van aan. Maar niet alles wat +ze zeide, gaf daarvan blyk. Integendeel, wie vertrouwd ware geweest +met de oorzaken die haar indrukken benevelden, zou misschien tot +de slotsom gekomen zyn, dat haar verstand in sommige oogenblikken +helderder was dan van menig ander. Niemand is volmaakt gek. + +--Achter de planken? vroeg Wouter. + +--Ja, achter de planken van den molen. Want dáár woon ik, omdat +het de molen is van m'n grootvader. Vraag maar aan alle menschen, +of-i niet gebouwd is door Erik Holsma... den Stoereman? Want zóó +werd-i genoemd. Dàt was 'n kerel! Hy kon er wel zes aan, als jy! 't +Is eigenlyk myn molen, maar ik geef er niet om, als ik maar slapen +mag achter de planken... + +Notaris Wouter keek vragend. + +...ja, omdat ik daar 'n vryertje wacht. Jy bent het niet, maar je +lykt wel wat op hem. En als je wat stoerder was... want stoer was-i! + +Zeker, die vrouw was krankzinnig! + +...'n vryertje, weetje! 'n Smuke jongen die alles neerslaat wat niet +deugt. En hy krygt den molen van me... 't is 'n bovenkruier. Met +paltrokken houd ik me niet op. En jy? + +Wouter werd verlegen. Wat had-i aan zoo'n gesprek? Te weinig ontwikkeld +nog om belang te stellen in de ziektegeschiedenis der ziel van die +vrouw, trachtte hy haar aandacht terug te brengen op de zaken die +hem belang inboezemden. + +--Ja, ja, 'n bovenkruier, beaamde hy, zonder te weten wat dat voor +'n ding was. En wat heeft vrouw Claus je voor my opgedragen? + +--Wel, ze had me geroepen, om met 'r meetegaan om in de Halsteeg +'t mussie voor je te koopen, omdat je naakt was. 'n Mussie van fyn +laken, en 'n rand van allerlei kleur, en 'n kwast van bonte wol. De +Stoereman droeg nooit anders, want zie je, eigenlyk was-i 'n prins, +en heette Erik. + +--En wat zei Vrouw Claus? + +--Dat ik je 't mussie geven zou, maar niet binnen gaan, omdat je +heelemaal naakt was. En ze had zooveel "wasschen" thuis te brengen. En +ik moest je zeggen... als je wakker was... want, zei ze, je sliep... + +De stumpert richtte zich aan de tafel op, en trachtte te zien wat +daarop lag. + +...als je niet sliep, moest ik je zeggen dat er... op de tafel in +'t voorhuis... dat is hier, weetje? + +--Ja, ja, dat is hier! + +--Daar zou 'n boteram voor je staan, en die zou je eten, zei ze, +als je... wakker was. + +--Ja, zeker! Die zou ik eten... + +--Als je wakker was! + +Nog altyd trachtte zy den boteram te zien te krygen. Wouter maakte +'n eind aan haar onderzoek, door de verzekering dat-i de bedoeling +van Vrouw Claus volkomen begrepen, en zich reeds dien-overeenkomstig +gedragen had. Ze hurkte weer neder. + +--Als je wakker was, zei ze. Maar anders moest ik niet binnengaan... om +je naaktheid, zieje! Hy was ook naakt... + +--Wie toch? + +--Prins Erik. + +--Wil je die geschiedenis hooren? vroeg ze. + +--Neen, neen, dankje wel! En geef me 't mutsje maar, en ga nu maar +heen. + +Hy strekte de hand naar de muts uit, maar ze trok die snel terug. + +--Ben jy 't jongetje dat van 't paard is gevallen? + +--Wel zeker! Geef op, de muts! + +--Dàt zal ik wel laten! riep ze. Niet voor ikzelf je van +'t paard zie vallen. Ik moet het eerst met m'n eigen oogen +zien. Denk... jy... dat... ik... mal... ben? + +Hy wou haar 't begeerd voorwerp ontrooven. Maar sneller dan-i +verwachten kon, vloog ze de deur uit, en verdween. + +Alweder moest Wouter zich afvragen of-i te doen had gehad met +'n verschyning? + +Hy werd moe van 't ongewone, en begon intezien dat ook 't +eentonig-banale z'n aangename zyde heeft. Met iets als heimwee, +voelde hy zeker verlangen naar de huiselyke atmosfeer van verveling +in zich opkomen. + +--In-godsnaam naar huis, zuchtte hy, met of zonder muts dan! En... ik +zal de deur zoo goed mogelyk sluiten, want hier kan ik 't niet langer +uithouden! + +Juist was-i van plan dit heldenstuk uittevoeren, toen de deur opnieuw +geopend werd. Er trad iemand binnen. 't Was dokter's Kaatje. Wouter +herkende haar niet, en begreep er niets van, toen ze hem zeide door +Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy zich bevond? Hy zag de +boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan. Eindelyk: + +--Kom... jy... me... nu... hier... ook... voor... mal... houden? + +--Gut jongeheer! Ik kom van Femke... + +--Van... welke... Femke? Is... dat... misschien... weer... +'n grootmoeder van je, hè? + +En met dreigend gebaar deed hy 'n stap vooruit. + +--Ben... jy... de vryster... van... Stoereman den molenaar, hè? + +Weer 'n stap vooruit. En Kaatje terug! + +--Kom... jy... ook... hier... alweer... kyken... of... ik... +heelemaal... naakt... ben, hè? + +--Och, jongeheer, wat 'n praat! + +--Wil jy... me... ook... van 't paard zien vallen... hè? + +Kaatje was de deur uitgedrongen. Hy volgde haar met gebalde vuisten. + +--Maar... jongeheer, om-godswil, wat mankeert je? + +--Wat... me... mankeert? Ik wil niet langer voor gek worden gehouden, +dàt mankeert me! Versta je dàt? + +Ze week jammerend terug, en noodigde hierdoor tot vervolgen uit. Z'n +woede voedde zichzelf, en met afgemeten groote stappen--komiek om +te zien, maar voor hèm de maatslag van z'n verwenschingen--drong +hy voortdurend op haar toe. Ze legde rugwaarts den weg af, dien ze +gekomen was, het padje door 't bleekveld. + +--Och, lieve-jesis, als dokter maar kwam! + +--Waar... zie... jy... me... voor... aan? + +--O god, o god... + +--Wat... denk... je... van +me? Denk... jy... ook... dat... ik... dronken... ben? + +--Neen, neen, o neen... volstrekt niet! + +--Of... gek? + +--Bewaar-ons! Och, waar blyft dokter! + +Twee gelykluidende kreten maakten 'n eind aan den zonderlingen +wedloop. Atalante riep: + +--Daar is-i, goddank! + +Meleager: + +--Daar is-i, goddank! + +De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam +aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar +kikkers vischten, z'n pet hadden opgehaald. + +Wouter nam zonder omslag z'n eigendom terug. Kaatje vloog Holsma +te-gemoet, en deed 'n jammerklagend relaas van haar wedervaren. + +--Zou 't zóó erg wezen? zei de goede man. + +Hy naderde ons leerling-menschje, dat bezig was z'n petje te zuiveren +van modder en kroos, en sprak hem aan. + +Wouter zag verschrikt op. + +--Zoo, m'n jongen, ben je daar? Wel, dat treft goed! Ik kom je +vragen of je plezier hebt, vandaag by ons te komen eten? We wachten +je allemaal, en van-avond gaan we misschien samen uit, als je lust +hebt, ten-minste. + +Dàt was de toon die vereischt werd! + +Wouter berstte in tranen uit--de weerslag van z'n woede--en vloog +den dokter om den hals. + +--Asjeblieft, asjeblieft, m'nheer! Dat 's met-een goed voor m'n moeder! + +Holsma wenkte Kaatje die--bang voor Wouter--op eerbiedigen afstand +het tooneeltjen aanzag. + +--Ga aan juffrouw Pieterse zeggen dat de jongeheer by my is, en den +heelen avend blyft. + +--Ja, riep Wouter haastig, en... + +De geneesheer zag hem onderzoekend aan. Hy vreesde iets van de hem +aangekondigde krankzinnigheid te bespeuren. Maar Wouter's oog spelde +niets verdachts. En z'n woorden ook niet: + +--M'nheer, mag ze 'r asjeblieft byzeggen... + +--Welnu, m'n jongen, spreek op! Wàt moet ze 'r byzeggen? Wat heb +je-n-op je hart? + +--Dat ik... by u ben geweest... den heelen, heelen dag! + +Holsma bedacht zich even. + +--Wel zeker, zeid-i, den heelen dag. + +--Van van-morgen... zeven uur af? + +--Ja, van zeven uur af, herhaalde de dokter. + +--Ik heb... by u ontbeten? + +--Goed, de jongeheer heeft by ons ontbeten. Wel zeker, hy heeft by +ons ontbeten! Je kunt wel meeryden, Kaatje. + +En Wouter in 't koetsje leidende, gaf-i den koetsier last optehouden +voor 't huis Pieterse: "waar 't meisjen 'n boodschap had." Toen hy +naast Wouter plaatsnam, greep deze z'n hand, en riep: + +--Och, m'nheer, wat 'n geluk dat ik u zie! + +--Vind je! 't Is toch... louter toeval. Vrouw Claus is... + +--'n Nicht? viel Wouter haastig in. + +--Ja, en 'n zeer brave vrouw, antwoordde Holsma met 'n eenvoudigheid, +waartoe Wouter nog in lang niet zou in-staat geweest zyn als ze zyn +nicht geweest was. + +--Ze is onze nicht, en ik kwam haar bezoeken. Dit doe ik alle +weken... niet als dokter, maar als neef. Jy mag daar gerust komen, +jongen! Je zult er geen kwaad leeren. + +--M'nheer, riep Wouter--en hy bloosde--ik houd zoo erg veel van Femke! + +--Zóó? antwoordde Holsma droog. Ik ook. + +De geneesheer, alle blyken van onderzoek zorgvuldig verbergende, sprak +over onverschillige zaken, en bespeurde weldra dat z'n keukenmeid +zich vergist had in de diagnose. Wel toonde zich Wouter opgewonden en +uitgeput tegelyk, maar krankzinnig was-i niet. Integendeel. Holsma +bemerkte dat z'n ziel aan 't groeien was. En dit moest wel. Fancy +scheen bezig de aarde om hem wegtegraven, hem te schudden en te +geeselen, gelyk tuinluî gewoon zyn met vruchtboomen te handelen, die +zy byzondere zorg waard-keuren, en willen noodzaken tot dracht. Dit +noemen zy: "de vier windstreken laten zien." + + + + + + + + Femke, nogeens Femke, en--na 'n roerende complainte over den dood + van twee geniën--weer Femke! Alles opgeluisterd met teleologische + opmerkingen over puistjes, vaderlandsliefde, karakter, en verdere + menschelyke zwakheden. + + +Het is my inderdaad onmogelyk, den lezer meetedeelen welken +weg Holsma's koetsier moest inslaan, om van de Aschpoort den +Kolveniers-burgwal te bereiken, en wel zóó dat-i de nog altyd +verschrikte Kaatje kon afzetten by de Pietersens. Ook zonder me nu te +beroepen op m'n volslagen gebrek aan lokaal-memorie--er is geen stad, +vlek of dorp in de wereld, waar ik den weg weet--ga ik gebukt onder +'n onkunde die me byna geschikt maakt voor opgehemelde buitenlandsche +beroemdheid. + +Holsma's koetsier gaf blyk van 'n begaafdheid die we haast +voor exotisch mogen houden, en dit deed zelfs z'n paard. Het +stomme dier--even als ik toch maar in Holland geboren--bleef met +buitenlandsche scherpzinnigheid staan op 't juiste oogenblik om de +keukenmeid gelegenheid te geven tot uitstappen by de Pietersens. Niet +zonder angst schoof ze Wouter's knieën voorby, en achtte zich gelukkig +dat-i haar niet 'n beet meegaf tot afscheid. + +Wouter scheen te meenen dat nu 't oogenblik was aangebroken om wat +inlichtingen te geven en te ontvangen. Maar Holsma scheepte hem +af. Hy toonde wel vriendelykheid, maar geen lust in vertrouwelyke +mededeeling. Toen de jongen 'n verward verhaal begon van z'n +ontmoetingen, viel hy hem in de rede: + +--En... ik heb gehoord, je zult in den handel gaan? + +--Ja, m'nheer... overmorgen! + +--Nu, dat is zoo kwaad niet, als je maar in goede handen valt. Ze +moeten je veel laten werken! Dat 's heel nuttig voor 'n jongen +als jy... + +En, als bevreesd dat Wouter zich zou beginnen aantezien voor wat +byzonders: + +...nuttig voor iedereen, voor àlle jongelui! Op jou jaren zyn ze allen +hetzelfde, en hebben gelyke behoefte aan arbeid en inspanning. Alle +jongens moeten veel werken, en meisjes ook, en... alle menschen! + +Wouter kende zichzelf niet, en kwam dus niet op de gedachte dat de +dokter bezig-was hem 'n geneesmiddel integeven. Maar wel bespeurde hy, +dat de tyd van opheldering nog niet was aangebroken. Zonder nu juist +te meenen dat Holsma hem die geven kon, was 't hem reeds 'n ontlasting +geweest iets te mogen verhalen van z'n wedervaren, al wist-i dan nog +niet recht hoe hy den lapsischen aanval op z'n deugd zou overspringen, +wat toch z'n ridderlyk plan was. + +Nogeens begon hy. Maar alweer brak de dokter z'n relaas af, door by +de gebakken aardappels reeds hem toetevoegen: + +--Och, zulke dingetjes overkomen iedereen. Er is niets vreemds +in. Hoofdzaak voor 'n jong mensch--en voor oude menschen ook!--is +dat ze veel arbeiden. Het schynt nogal te waaien vandaag... + +Hiermee moest Wouter genoegen nemen. Dat er wind aan de lucht was, is +de zuivere waarheid. Helaas... had het gister maar willen waaien! Dan +immers was er behoorlyk gehardzeild op den Amstel. Dan zou niet het +volk dat zich verveelde, uit jolige baldadigheid naar de Botermarkt +gestroomd zyn, en daar... + +Toch niet! Die ééne zevenklapper van prinses Erika kon niet gemist +worden. Lezer, bedenk eens... + +Neen, neen, 't was zeer wys van de Voorzienigheid, dat er gister geen +zuchtjen aan de lucht was, Eén graad atmosfeer-drukking minder, en +'t venster van juffrouw Laps ware gesloten geweest! De noodlottige +gevolgen... + +Alweer niet waar! De heele zaak was--dùs of zóó afloopend--van weinig +beteekenis. + +Maar men ziet uit dit alles, dat de dogmatiek der doeleinden, de +beoefening van de beteekenisleer der opdatten, 'n allermoeielykst +vak is. + +Wanneer de rivieren niet werden warm gehouden door 'n dekkleed van ys, +zegt zeker "Natuurkundig Schoolboek" zouden ze... bevriezen. Ziedaar, +voorzienigheids-preekers, in weinig woorden de karakteristiek der +teleologie! + + + +--Houd je van schilderyen? vroeg Holsma by 't uitstappen. + +--O, zeker, m'nheer! + +--Wel, dan moet je-n-eens in de zykamer zien, wat daar aan den wand +hangt. Bekyk maar alles op je gemak... + +De dokter opende de deur van die kamer, en noodigde Wouter uit, +binnen te treden. Hyzelf echter ging haastig de gang door en de trap +op, die naar de huiskamer leidden, waarschynlyk met de bedoeling +z'n gezin voortebereiden op de manier waarop Wouter moest ontvangen +worden. Dààrom die verwyzing naar de zykamer. + +Ons vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot het +begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding. En zelfs +was-i te ongeoefend om zich te ergeren aan de leegte van denkbeelden, +die de anderen ternauwernood onderscheidt. By "één heer met één hond +en één haas" zag-i 'n heer met 'n hond en 'n haas. Toch zou juist hy +beter dan menig ander in-staat geweest zyn, dien onnoozelen "heer" 'n +geschiedenis toetedichten, en 't stuk overteschilderen met de kleuren +van z'n fantazie, als-i maar even tyd had gehad. Maar op-eens treft +hem 'n vrouweportret... 'n koningin, of 'n fee, of 'n toovergodin, +of 'n burgemeestersdochter, of 'n dame uit 'n boek... + +'t Was Femke! + +Maar in-plaats van den noordhollandschen kap, droeg zy 'n diadeem +van glinsterende steenen, neen... 'n straalkrans, neen... 't was +'n kroon van sterren, of... + +--Vader en moeder laten je roepen. 't Eten staat op tafel! Heb je +geen pyn van je val? + +Goeie goden, daar kwam nu ook de kleine Sietske hem plagen met z'n +fabelachtig paard! Tegen háár kon-i toch niet opvliegen, zooals hy +tegen Kaatje gedaan had! Bovendien, z'n olympische toorn was òp! Hy +antwoordde vry bedaard dat-i niet gereden had, en dus... + +--Zóó? Niet gereden? Niet op 'n paard gezeten? Wel zeker niet! Ik +bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons tafeltjen in 't +koffihuis! Gut, hoe grappig! En als je geen pyn hebt, en... heelemaal +wel bent, gaan we van-avend samen uit. Vader, moeder, Willem, Herman, +jy, ik... allemaal! Naar de komedie, weetje? + +Het vlugge ding gaf blyk dat zy de door haar vader voorgeschreven +medikatie goed begrepen had. Ze verslikte het fatale paard als 'n +hapje suiker. + +--Uitgaan? seurde Wouter. Heel graag, maar... m'n moeder! + +--Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je dáárover niet! Vader brengt +altyd alles terecht. Kom maar mee... + +Nog in de gang bleef Wouter eensklaps staan. Hy wenkte Sietske, +bracht haar terug voor 't portret in de zykamer, en vroeg: + +--Sietske, zeg me, wie is dat? + +--Wel, 'n over- over- over-grootmoeder van ons. + +--Maar 't lykt op... + +--Op Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op +elkaar. Als Herman 'n amelander kap opzet, kan je 'm niet van Fem +onderscheiden. Kom nu mee, we mogen vader en moeder niet laten wachten. + +En, hem by de hand nemende, trok ze 'm de gang door, de trap op, en de +eetkamer in, waar Wouter verwelkomd werd met de kalme vriendelykheid +die door den dokter was voorgeschreven. Gedurende den maaltyd richtte +men juist even genoeg het woord tot hem, om hem op z'n gemak te +zetten, doch niet genoeg om voedsel te geven aan 't denkbeeld dat hy +'t onderwerp was van byzondere oplettendheid. Toen Sietske, als om +verschooning te vragen voor haar lang toeven in de zykamer, vertelde +dat Wouter de gelykenis van dat oude portret met Femke had opgemerkt, +zei Holsma nuchter: + +--Ja, daarvan is wel iets aan, maar onze kleine Fem is zoo mooi +niet. Dat scheelt veel! + +Hu, 'n droge douche! + +Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy +meende alleen dat er gebrek aan... 't hoogste moest bestaan in alles +wat niet op haar geleek. En dat "hoogste" openbaarde zich... in haar +trekken niet, maar in de aandoeningen die hy vry eigendunkelyk aan +die trekken vastknoopte. Toen-i op z'n laatst examen die moeielyke +"som" zoo korrekt oploste, was 't Femke of iets van Femke, dat hem +aanwees waar de verborgen knoop lag, en toen-i eenmaal gerekend had: +zevenmaal negen is vier-en-vyftig, had de genade van juffrouw Laps z'n +denkvermogen in den weg gezeten, als 'n zandkorl de radertjes van 'n +fyn uurwerk. Z'n vermeende liefde was vereenzelvigd met den lust tot +weten, kennen en begrypen, en dáárom stuitte het hem--hem die onder +aanroeping van Femke's naam, de eerste was gewordem op Pennewip's +school--iets te hooren verheffen boven háár. Als de dokter maar eens +'n flink examen had doortestaan, meende hy, dan zoud-i wel ànders +oordeelen over Femke's "mooiheid." Heerlyk schoon wàs 't portret, +o zeker! Maar lag niet juist hierin 'n reden om precies op háár te +gelyken? En de diadeem, of wat was het? Wel, zoo'n ding zoud-i immers +ook háár opzetten, zoodra hy... + +Ja, wanneer? + +Goed! Eéns zou die tyd komen. En dan kon ze tien diademen krygen voor +een, schoon nog altyd de vraag blyven zou of 'n heel firmament haar +beter kleedde dan de noordhollandsche kap? + +Maar al deze overleggingen--nu-en-dan afgebroken door: "wil je wat +saus, Wouter?" of: "houd je van sjalotten by je vleesch?"--betraden de +wereld niet. Ze bleven zich als kluizenaartjes opsluiten in 't celletje +waar ze geboren werden, en broeiden daar, en gistten, en kookten... + +--Veel peper is niet goed voor je, zei Holsma. + +Och, juist was-i bezig met 'n sterk gekruid: "ze heeft my +broeder genoemd!" En--zonderling niet, maar toch verrassend voor +hem!--op-eens vond-i dat het woord: "broedèr" beter paste by diademen +en sterrenkransen, dan by 'n hoofdtooisel dat gedragen wordt door +melkboerinnen ook. Beter by dat portret, dan by 'n... dame met eelt in +de handen. Want dàt had Femke en dame was ze toch: de zyne! Ach, had +ze maar liever: broer gezegd! Maar... dáárby zou weer die koninklyke +Elisabeths-houding misstaan hebben. Zóó immers ook zou dat portret in +de zykamer de hand uitstrekken... als 'n portret de hand uitstrekken +kòn. Kyk, zóó: + +En Wouter maakte een vry linksche beweging, waarmed-i 'n schotel +scheen aantewyzen. + +--Sla? vroeg Sietske. + +De verwarring die hieruit ontstond, werd weder goedgemaakt door 'n +paar eenvoudige woorden van de moeder, over 't weêr, inverband met +het voorgenomen uitgaan van dien avend. + +--'t Zal heel vol zyn op den weg, beste man. Ieder wil graag koningen +en prinsen zien. 't Is waar ook, we hebben ons gastje nog niet gevraagd +of-i lust in de zaak heeft? Ons plan is naar de komedie te gaan. Je +wilt immers wel mee, mannetje? + +'t Antwoord laat zich raden. Wouter was verrukt. Hy was nooit in +'n schouwburg geweest, en verlangde vurig naar onechte zoons. Dat +de voorstelling zou worden opgeluisterd door de tegenwoordigheid van +'n groep geliefde souvereinen, trof hem minder. Hy had tien koningen +present gegeven voor één baron die volgens de regels van de kunst +'n meisje verleidt. "Zóó noemt men zulks" had Stoffel gezegd, en +Wouter had zich deze terminologische bedrevenheid toegeëigend, niet +zonder toejuiching van z'n eigen deugd. Want--dáár ging hem 'n licht +op!--hy had zich met juffrouw Laps niet gedragen als 'n slechte baron, +volstrekt niet! Hy was gebleven op 't pad der deugd... zoo noemt men +zulks! En zy zou hem zeer dankbaar zyn... hèm! + +Hem, en dien zevenklapper zeker! + +--We zullen de helft der souvereinen van Europa zien, zei Holsma, +en dozynen kandidaten, die misschien nooit... + +Wouter kende dit woord weer niet anders dan in den zin van aanstaande +dominees. Hy gaf halfluid z'n bevreemding te kennen, dat zulke personen +de komedie bezochten... + +--Wel neen, zei Sietske, 'n kandidaat is iemand die... wat worden +wil. Koning, by-voorbeeld. + +Wouter voelde zich allerkandidaatst. + +Hierop vertelde Willem hem iets over witte kleeren, uit z'n +Antiquitates Romanae, dat hem niet het minste belang inboezemde +op-zichzelf, maar alweer de oude snaar deed trillen van verdriet over +z'n gebrek aan kennis. Dit leidde z'n gedachten op den verloopen +schooltyd--hy had toch waarlyk z'n best gedaan!--op z'n huis, op +z'n gewone omgeving, en met angst herinnerde hy den dokter aan de +verstoordheid van z'n moeder over z'n lang uitblyven. Holsma beloofde +hem de familie te gaan geruststellen, waartoe voor 't vertrek naar +de komedie, nog ruimschoots tyd was. Op hoog bevel namelyk zou de +voorstelling twee uur later dan naar gewoonte beginnen. De souvereinen +hadden dit aldus bepaald om de warmte. + +Na Holsma's vertrek vernam Wouter een-en-ander dat hem veel belang +inboezemde, omdat Femke's naam daarby genoemd werd. Ook zy zou den +schouwburg bezoeken, werd er gezegd, en uit de gesprekken aan de +theetafel bleek hem, dat de verhouding tusschen 't gezin dat hem zoo +aanzienlyk was voorgekomen, en 't betrekkelyk arme bleekmeisje, +allergemeenzaamst was. Mevrouw Holsma liet haar door Sietske +uitnoodigen binnen te komen, maar zy antwoordde dat ze liever by +den kleinen Erik wilde blyven, met wien ze juist zoo prettig aan +'t spelen was. "Erik?" dacht Wouter. + +--Dat verwachtte ik wel, zei mevrouw Holsma. Daarom ook was ze +van-middag niet aan tafel. Ze blyft liever by 't bedje van den +kleinen jongen. + +--Ook houdt ze niet van ons eten, riep Sietske. Ze klaagt dat we te +lang aan-tafel zitten. + +--De komedie zal haar ook niet bevallen, was de meening van Willem. Ze +is 'n beste meid, maar staat wat styf op haar stuk, vindt u niet, mama? + +--Ieder moet handelen naar z'n overtuiging, en mag handelen naar z'n +smaak, zei de moeder. Fem is te braaf en te flink om haar in iets +te dwingen. + +--Dat zou ze zich ook niet laten doen! was hierop de algemeene opinie. + +--Zeker niet! Gelukkig dat het niet noodig is. 't Blyft nog altyd de +vraag, of ze van-avend komen wil. Ikzelf ging ook liever niet, maar +'t moet wel! + +Wouter bespeurde dat er 'n byzondere reden bestond, waarom de moeder +"anders liever by den kleinen Erik blyvende, die de mazelen had" +ditmaal de familie vergezellen zou naar 't Leidsche-Plein. Slechts +'n klein uurtje zou ze blyven, werd er gezegd, en dan met Oom Sybrand +huiswaarts keeren, om Femke aftelossen in de kinderkamer. Het meisje +zou dan met hem terugkomen. "Als ze wil" werd er telkens by gezegd, +alsof men dit zeer twyfelachtig bleef vinden. + +--Ik noem 't koppigheid! zei Willem. Ze wil ook geen behoorlyke japon +aantrekken, en met ons op-en-neer gaan... + +--Ja, antwoordde de moeder, 'n dame wil ze nu eenmaal niet worden. Wat +is er aan te doen? + +--Koppigheid! + +--Dat 's de vraag! Zy is zeer verstandig, en ziet misschien in, +dat de verhouding met haar moeder pynlyk worden zou wanneer ze van +stand verwisselde. + +--En met tante Siet! riep Herman. + +Dat is zeker 't Stakkervrouwtje, kommenteerde Wouter zwygend. En: +"'n zonderlinge familie!" dacht-i er by. + +--Bovendien, ging de moeder voort, het veranderen van stand gaat zoo +makkelyk niet! Hiertoe is meer noodig dan kleeren... + +Ach ja, dacht Wouter, men moet onder anderen ook weten wat sjalotten +zyn, en hoe men zoo'n artisjok eet! Want over die twee voornamigheden +was-i zoo-even gestruikeld. + +...als onze Fem dat gewild had--of liever, als haar moeder 't gewild +had toen Femke nog 'n kind was--dan hadden we daarmee heel vroeg moeten +beginnen. Maar nicht Claus zou haar zeker niet uit 'r handen hebben +gegeven. Ze had er te veel hart toe. En nu heeft Femke te veel hart, +om te betreuren dat ze maar 'n bleekmeisjen is. + +--Ze is... intens trotsch! zei Willem, niet zeer ontevreden dat-i +dit mooie adverbium eens terdege plaatsen kon. + +--Ja, ze is... heel trotsch, korrigeerde de moeder. Te trotsch om +iets anders te willen zyn dan ze-n-is. Ze zou niet willen ruilen met +'n prinses... + +Ruilen? Neen! dacht Wouter. Maar ... zelf prinses wezen, koningin, +keizerin... en dat alles door hèm? Dat zou heel iets anders zyn! Hy +vond het onderscheid... intens! En wanneer al die zaken geheel-en-al +geregeld waren naar z'n zin, dan ... nu ja, dàn mocht prinses Femke +van pozitie ruilen met 'n bleekmeisje! Want... wat geeft ware liefde +om stand? + +Zoo liet hy zich foppen door z'n nog altyd kinderachtigen en dus zeer +onvolkomen hoogmoed. En daarom noemde ik z'n liefde: zoogenaamd. Hy +moest nog veel groeien voor-i geheel-en-al de hoogte bereikte, waarop +voorbygaande aandoeningen hem voor 'n oogenblik plaatsten. + +--En, vroeg Herman, we zullen in den bak zitten van-avend? + +--Ja de loge is... onteigend, antwoordde mevrouw Holsma lachend. Dat +moet men over-hebben voor souvereinen. De heele Schouwburg-direktie +zakt van-avend naar 't parterre af, en misschien zelfs de burgemeester. + +--Hy moet den Keizer ontvangen en binnenleiden... + +--Ja, en wordt dan waarschynlyk uitgenoodigd, plaats te nemen in de +keizerlyke loge... + +--Dan kan-i Z. M. het stuk uitleggen... den Floris! En Z. M. kan er +uit leeren wat de plichten zyn van Vorsten... + +--En van Volkeren! + +--En van dichters! + +--En dat men nooit 'n souverein vermoorden mag! + +--Deze maxime zal Z. M. heel aangenaam wezen! Ze is allergezondst +voor koningen en keizers. + +--Als-i de zaak maar goed vat! + +--We willen hopen dat de dichter gezorgd heeft voor 'n duidelyke +fransche vertaling! + +--Als Z. M. maar weet by welke passages hy moet bedanken met 'n knikje. + +--Onze burgemeester zal hem wel waarschuwen. + +--Zeker! "Sire, pas-op, dat gaat jou aan!" En dan moet de Keizer zich +houden alsof hy wat van 't stuk verstaat. Wat 'n treurig métier! + +--Wat moet-i wel denken van onze dichters! + +--En van onze vaderlandsliefde! + +--En van ons karakter! + +--Och, zulke hooggeplaatste personen zyn aan laagheid gewoon. Wat +niet kruipt, komt niet tòt hen. + +--'t Moet hun zeer moeielyk vallen, de mensheid te achten. Ze zien +er altyd het leelykste van, en zyn wel genoodzaakt de rest daarnaar +aftemeten. + +--Zeker heeft men den Keizer wys-gemaakt dat die Bilderdyk 'n heele +kerel is! + +--Natuurlyk! De nederlandsche gewone of huis-bard, de amsterdamsche +Ossian, de volksliereman by-uitnemendheid! + +En de heele familie berstte in lachen uit. Willem verhaalde nu iets van +'n romeinschen keizer die 't menschelyk geslacht één kop toewenschte, +om het te kunnen onthoofden met één slag... + +--'t Klinkt bar, zei Oom Sybrand, die binnentredende de laatste +woorden gehoord had. Maar als boutade is zoo'n uiting begrypelyk. De +tyd nadert dat de Volkeren 'n gelyk lot zullen toewenschen aan de +souvereinen, en met even weinig of even veel recht. Men kent elkaar +niet! Hovelingen en boekenmakers stoken misverstand. + +--Gaat de Floris door? + +--Neen, goddank! De souvereinen zullen onthaald worden op de Scylla +van Rotgans, met 'n Kloris en Roosjen achterna. Men zal hun vertellen +dat het treurspel geheel-en-al geschoeid is op de leest der fransche +"school." Dus zal 't wel goed wezen! En... de Kloris? Wel, dat's +'n idylle! 'n Arkadisch-laaglandsche bergerie! Virgilius in 't +amsterdamsch vertaald! O, Meliboee, deus nobis haec... Ekloge met +kuitgespen fecit! [9] In-plaats van den nieuwjaarswensch krygen we 'n +harangue. De elegante Thomasvaer zal God tot getuige roepen dat het +neerlandsch hart, vry van smart, de noodlotten tart, en op straat, +inderdaad, vurig slaat, voor elken vreemden potentaat. Geloof me, +jongens, die Caligula was zoo gek niet! + +Wouter begreep niet alles wat er gesproken werd. Maar wel, dat-i +weer veel nieuws hoorde. En... Scylla. Zou dat 'n onechte dochter +wezen? Of was 't misschien de naam van de oude vrouw die in den +achter-naherfst van haar leven door de goedigheid van 'n schatryken +baron werd teruggebracht op 't pad der deugd? Zoo noemt men zulks. + +Mevrouw Holsma gelastte de familie zich gereed te maken, om +papa niet te laten wachten als-i terugkeerde van z'n bezoek by de +Pietersens. Dit geschiedde, zoodat men ruim bytyds vertrekken kon naar +'t gebouw waar "der kunsten god" in die dagen werd aangebeden met--zeer +amsterdamsche--geestdrift. Het was 'n waar Apollo's-welvaren, en dit +is nòg zoo. + +Holsma verzekerde Wouter, dat de zaak met z'n moeder "geheel in orde" +was, en hy kon zich dus onbelemmerd overgeven aan 't hem wachtend +genot. De hoogst-onechte Scylla... in de komedie zitten ... morgen +zich te kunnen herinneren dat-i in de komedie gezeten hàd ... vreemde +zaken bywonen--heel wat ànders nog dan artisjokken!--en ... nu ja, +al die keizers en koningen wilde hy ook wel zien, maar de gehoopte +onechtheid van Scylla bleef hem 't voornaamste. + +Vreemd, niet waar, dat-i by al de verwachte heerlykheden, zoo weinig +dacht aan de mogelykheid over eenige uren Femke in z'n nabyheid +te zien? + +Droeg Willem daarvan de schuld, dien-i by 't instygen in een der +rytuigen had hooren mompelen: + +--Wat my betreft, ik mag lyen dat ze wegblyft! Ik bedank er hartelyk +voor, door studenten te worden gezien naast 'n boeredeern. Als ik +groen word in September, zouden zy 't me inpeperen, dat is zeker! + +Wouter begreep noch dat "groen-worden" noch de daarby behoorende +"peper." Maar ... boeredeern? + +Hy wierp 't met z'n geweten op 'n akkoordje, door zich zoowel van +vrees te onthouden als van hoop. En hy trachtte het vurig verlangen +naar Scylla's onechtheid te gebruiken ter aanvulling van de leegte +die deze bestudeerde onverschilligheid openliet in z'n gemoed. + +Helaas! Het was voor 't meisjen in Vrouw Gooremest's kroeg wel +de moeite waard geweest, de hand uittestrekken als 'n koningin, +om nu alweer verloochend te worden om-den-wille van ... van wàt +eigenlyk? Femke's kostuum was minder bespottelyk dan de mode-plaatjes +van den dag. Ware zy inderdaad gekleed geweest zooals boeredeerns +gewoon zyn, die zich nog zotter opschikken dan 'n parysche modiste +verzinnen kan... maar dit was 't geval niet. En hierin lag dan +ook geenszins de reden van Willem's nuffigheid. Femke's schuld was +zwaarder dan dit. Ze zag er uit als 'n meisje dat met haar handen +den kost verdient. Ziedaar den gruwel die alle studenten ergeren zou! + +En--heel in 't voorbygaan, willen wy hopen--Wouter voelde +zich aangestoken door die kinderachtigheid. 't Was jammer, +'t was verdrietig, 't was kleingeestig en ondichterlyk, maar--o, +Caligula!--we zyn zoo! En wie ieder 't hoofd wou afslaan, die zich +ooit schuldig maakte aan zoo'n... menschelykheid, zou veel te doen +hebben. By volslagen wilden, waar koningen hun eigen hout hakken, +vindt men weer andere fouten die even onpleizierig zyn. + + + + + + + + Tekstverklaring van Ovidius, door Willem Holsma. Idem door + Rotgans en den auteur. Konflikt op 't Leidsche-Plein tusschen + twee potentaten: Napoleon I, en Minos van Kreta. + + + Verdienste van 't succes met geestdrift aangebeên, + Kweekt in 't armzalig koor, laaghartigheid alleen. + + +Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door +het leveren eener toelichting van 't stuk dat men straks zou te zien +krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: "omdat verzen zoo moeielyk +te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter heeft +willen zeggen." Ik ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de "taal +der goden"--er ligt 'n Rotgans in kwarto voor me--kostbaar te noemen. + +Maar ook de pedante Willem kende Scylla niet anders dan uit z'n +Ovidius--zonder onzen Vecht-zwaan zou ik 't mensch in 't geheel niet +kennen--en dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z'n relaas +optesieren met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden, +omdat men door 't hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn +sprak. Ziehier iets van z'n verhaal... vry overgezet. + +Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor +medeplichtig hield aan den moord op z'n zoon Androgeos. Oorlog dus. Met +z'n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte hy op 'n +stad die in één richting minstens driehonderd-en-zestig aardbolgraden +breed moet geweest zyn, want rechts en links was geen ruimte om voorby +te trekken. Ze moest dus belegerd worden. Sommigen betwyfelen die +uitgebreidheid, en beweren dat de krygskundige liefhebbery van die +dagen voorschreef met pyl en boog op de muren te schieten, al kon +men er langs. Dit verschafte veel krygsroem, en gaf tevens aan den +vyand gelegenheid ook van zyn kant 'n vesting te belegeren, waaruit de +heugelyke kans geboren werd, overwinningen te behalen aan twee zyden +tegelyk. De traditie dezer wyze van oorlogvoeren, waarby krygslieden +elkaar zoo lang mogelyk uit den weg loopen, is tot heden toe bewaard +gebleven. Slechts enkele botterikken--Napoleon I, byv.--hielden zich +niet met het beschieten van vestingen op, en de garnizoenen geven +zich in zoo'n geval--behoudens krygseer natuurlyk--ongedeerd over, +zonder andere heldendaden te hebben verricht dan 't beredeneeren der +mogelykheid, dat ze rotten en muizen zouden gegeten hebben... àls ze +belegerd waren geworden. + +De stad met welker omsingeling koning Minos zich vermaakte, was +met-een 'n heel Ryk, heette Megara of Alkathoë, en werd geregeerd +door zekeren Nisus, 'n allerbraafst man die aan den dood van +Androgeos even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk zou +Minos--vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in de +Onderwereld--billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak wat +grondiger te onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor +Alkathoë. Maar men is niet volmaakt. + +Koning Nisus was in 't bezit van twee byzonderheden. Hy had 'n +indelikate dochter--de Scylla van 't stuk--en 'n purperen haartjen op +z'n hoofd, of één purperen haartje, of maar één haartjen, en dat was +purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie mogelykheden +die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden gelaten. Wie +nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal was, heeft +er vryheid toe. Ook is 't geoorloofd zich den man voortestellen als +prykende met 'n dikken haarbos van gewone kleur--spierwit kleedt +antieke koningen het best--mits slechts dat eene haartje ... kortom +'t was 'n uniek en zeer kostbaar exemplaar. Dit was den onderdanen +van koning Nisus--volgens de laatste volkstelling had hy er, hemzelf +meegerekend, drie dozyn--zeer wel bekend. Stad en Ryk waren trotsch +op dat haartje, meer dan trotsch: 't was 'n waarborg voor welvaart, +'n pand van de welwillendheid der goden, 'n palladium. Iets als onze +Kieswet alzoo. + +Maar ... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in +verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te begrypen, +laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat 'n purperen Kieswet, als +dochters die zich lieten geboren worden op de trappen van den troon +... maar laat ons Willem's verhaal niet vooruit loopen. + +Het haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd, +en goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze +Nisus geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een +flinke schildwacht op de kruin van z'n hoofd, moest voldoende geweest +zyn. Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van +krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden +beschermen, onwrikbaar vast, maar ... men mocht de goden te-hulp +komen met militie, schuttery, landstorm, torpedo's, krygsliederen +en naaldgeweren. Als ik 'n heidensche god was geweest, zou ik dit +wantrouwen in de kracht van m'n bescherming heel kwalyk genomen hebben, +en ik had ieder in den steek gelaten, die my 't werk uit de hand +nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom weldadige +vruchten gedragen. In alle landen waar men door 'n waar Geloof 't recht +verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst finaal afgeschaft en +de begrooting van "Oorlog" begrepen in 't budget van "Eeredienst." Dit +is zuinig en rationeel. Maar Nisus was 'n heiden, en had dus verkeerde +begrippen over 't gebruik van theologie in krygskunde. De onnoozele +stumpert zette z'n heele leger achter de wallen van z'n ... Ryk, om +zich daar te verschuilen voor de pylen van Minos en al die Kretenzers. + +De ondeugende Scylla nu was niet afkeerig van das Militär, en +wandelde parmantig op den muur. Nog proëminenter vertoonde zich van +zyn kant koning Minos, en wel zóó dat de jonge prinses smoorlyk op +hem verliefd werd. Niets natuurlyker. Z'n eerbiedwaardige ouderdom, +z'n gebukte houding, z'n lange gryze baard, en misschien ook z'n +aanstaande verheffing in de onderwereld--onze Scylla kende haar +mythologie op 'r duimpje!--dit alles was wel in-staat het hart van +'n treurspelmaagd in gloed te zetten. Zoo waren de tooneelmeisjes in +dien tyd. Men kon nooit te bejaard, te krom of te krygskundig wezen, +als ze maar zeker waren dat haar liefde eenmaal zou noodig zyn tot +het samenflansen van verzen of echt-vaderlandsche treurspelen. + +Zielkundig gesproken, er bestond voor Scylla nòg 'n reden om den ouden +Minos byzonder interessant te vinden. Venus' dartel wicht heeft veel +koorden op z'n boog. Ze had medelyden met hem. En hier was reden toe. + +Met 'n heelen stoet soldaten--men telde in dien tyd duizend krygslieden +op één onderdaan: 'n byzonderheid die 't regelen van de konskriptie +tot 'n moeilyk vak maakte!--met 'n groot leger dan, was de man van +heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Akathoë te belegeren volgens +alle regels van de kunst, en 't was háár bekend dat-i het strand +ploegde... om dat purperen haartje! Arme Minos! + +Hy scheen alweer verzuimd te hebben, vóór z'n oorlogsverklaring +nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te bestryden wezen. Het +schynt dat men in oude tyden vry los over de toebereidselen tot +'n oorlog heenliep. Volgens Ovidius was Minos-zelf zoo byzonder +slordig niet, maar de goden hadden hem gestraft met 'n minister die +op allerzonderlingste manier omhoog was gevallen, en den Louvois +spelen wilde om te worden aangezien voor iets wezenlyks. Hierom dan +ook had-i alle onderzoek naar de voorgewende medeplichtigheid van +Nisus aan Androgeos' dood, weten te verydelen. De casus belli die +hy zoo hoognoodig had voor de zeer partikuliere industrie van z'n +ministerschap, mocht eens niet bestaan, wat toch jammer zou geweest +zyn. Het zedelyk krygsbeginsel in die onbeschaafde dagen schynt +voorgeschreven te hebben: eerst vechten, en dan vragen waarom? Zoo-iets +zou thans niet kunnen gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap +van oorlogsverklaringen vragen, en ook bovendien niet dulden zouden +dat de res publica beheerd werd door zulk soort van ministers. + +Doch zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van regeeren, +werkte Scylla's al te gevoelig hart ten-kwade mee. O goden, zuchtte zy, +zou ik den man niet beminnen, die op z'n ouden dag zóó'n minister te +torschen heeft? En zonder Parlement nogal! + +Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid 'n ware deugd +was. Zoo waren de meisjes in die dagen. + +Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen +over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen die +'t gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft. Misschien +ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen achteruitgang +te konstateeren, òf in de beminnelykheid van ouweheeren, òf in de +ontvlambaarheid van 't vrouwelyk geslacht. Ziehier de gronden waarop +hy, redelyk scherpzinnig voor 'n heiden--Ovidius was Hollander noch +Christen--z'n stellingen bouwt. Er blykt uit het feit der zaak-zelf, +dat Minos door Scylla kon gezien worden van naby genoeg om haar +verliefd te maken, en tevens dat ze niet gedood of gewond werd door +'n kretenser pyl. Ook de voor Scylla zichtbare Minos werd niet +geraakt door de scherpschutters uit de stad. Wat volgt hieruit? Dat +in die dagen de schootvèrheid der liefde, die van 'n pyl uit den +boog teboven ging. Welke grysaard, welke man, welke jongeling, zou +heden-ten-dage kans zien 't hart van 'n maagd te treffen op meer +dan chassepot-afstand? + +Aan 'n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts aan, en +laat den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin gaat-i +stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig besloot +haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door haar +vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel +te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader, +en plukt hem--heu facinus: o gruwel ... ja, 't wàs gemeen!--dat ééne +kostbare haartjen uit, en progressa porta per medios hostes, komt ze by +Minos aan: pervenit ad regem, juist waar ze wezen wou met dat haartje. + +Vorst Minos was 'n kreuzbraver Kerl die o.a. zelf kinderen +had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z'n eigen haren, en aan 't malle +figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar zielenrechter, wanneer-i +nu die ondeugende dochter styfde in haar verkeerdheid. Misschien ook +vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy, principiis obsta: hy noemde haar +kort en goed 'n monster, en gebood... + +--Wy zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat 'n drukte! Ik wou dat ik al +weer goed en wel thuis zat by m'n kleinen Erik! + +Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar 't uittrekken van +dat eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het +purper was? + +--'t Staat er zoo, kind! Crinis purpureus. Stap uit, en hou je jurk +wat by-een, om 't wagensmeer... puelletje! + +De familie nam de plaatsen in, die dezen avend achter in 't +parterre bestemd waren voor de leden van den stedelyken raad, en hun +gezinnen. Ze kwam nagenoeg te zitten onder den rand der loge waarin +ze anders gewoon was de voorstellingen bytewonen. + +Die loge was nog altyd leeg. De hooge, hoogere, hoogste, en +byna-allerhoogste personen die haar dezen avend vullen zouden, waren +nog niet verschenen, en Wouter had dus ruim tyd om te bekomen van +den indruk dien de Schouwburgzaal op hem gemaakt had: dit was alzoo +de Komedie, de ware! + +Hy verslikte z'n teleurstelling over de blykbaar echte geboorte van +Scylla, en keek nieuwsgierig rond. Z'n gedachten wiegden zich op +'t gesuis dat hem omgaf. De toedrang was groot. Alles praatte en +fluisterde. Men twistte over de plaatsen. Men schoof voorby elkaar +heen. Men verschikte z'n kleeren. Men vertelde 't nieuwste nieuws van +'t hof. Men voorspelde wie dáár zitten zou, wie 't eerst zou komen, +wie plaatsnemen moest achter den keizer, en wie achter den Koning. Men +berekende waar de prinsen zouden zitten--die ééne ook, wiens vader +herbergier was, en die zich zoo grappig kleedde--en wat de hooge +heeren en dames zouden bestellen uit het buvet. Men psjstte om 'n +stoof, en loofde fooien uit. Men leende elkaar het tooneelbriefjen, +en verzekerde dat de affiches die daarboven vastgesteld lagen op den +karmozyn-fluweelen rand van loges en balkon, gedrukt waren op satyn +van zóóveel stuiver de el. Men beoordeelde ook het stuk, en zei dat +het gekozen was... + +--Rotgans is 'n eerste dichter! + +--Hm! Eigenlyk 'n tweede of ... derde! + +Onder ons, lezer, eenmaal aangeland in 't verzenmakersgild, is dit +alles zoowat hetzelfde. + +--Hy is maar 'n dichter van den zevenden rang, zei 'n ander. + +--Waarom dan 'n stuk van hèm? We hebben toch ànderen, mannen die +... klinken als klokken! + +--Zeker, zeker! Bilderdyk, by-voorbeeld, 'n ware feniks! + +--Waarom dan Rotgans? + +--Och ... die vreemdelingen verstaan er toch niets van. We kunnen +laten spelen wat we willen. + +--'t Is jammer van den Floris... + +--Die was er expres voor gemaakt, en zou dus wel mooi geweest zyn. + +--Ik hoor dat de akteurs te lui waren om hun rollen te leeren. + +Neen, dàt was de oorzaak niet! Er zit heel iets anders achter. Onze +Bilderdyk is 'n vaderlander... + +--Van belang! + +--'n Hollander in z'n hart! + +--'n Echte! + +--Zeker heeft-i in z'n stuk die vreemde kerels... + +--Sjt! + +... niet genoeg gevleid. Dat doet geen ware Hollander! + +--Neen, dat doet geen Hollander ... nooit! + +--Sjt! + +Alles stond op. Er was reden toe. Een lakei vertoonde zich op den +achtergrond der koningsloge, waarschynlyk om te zien of de kussens +wel behoorlyk op de fauteuils lagen. + +--Ze lyken allemaal wel mal! Optestaan voor 'n lakei, voor 'n +mostertjongen! + +Aldus spraken sommigen, die toch precies 'tzelfde hadden gedaan als +de ons reeds eenigszins bekende zondebok: Ze, en Wouter werd hier +weer levendig herinnerd aan de eigenaardigheden van de "massa". Ook +maakte hy de opmerking dat men niet juist by de Pietersens heeft te +komen, om zich gestuit te voelen door dat eeuwig verschil tusschen +indruk en uiting. "Zou dit overal zoo wezen, dacht hy, en is dit nu +de bekwaamheid die ik me moet eigen maken om iets te worden in de +wereld?" Koningen van Afrika waren eigenlyk de heeren wier gesprekken +hy beluisterde, niet, maar zeer aanzienlyke menschen toch. Daar waren +dokters onder, geleerden, leden van den stadsraad, jazelfs groote +koopluî ... misschien wel m'nheer Kopperlith in eigen persoon. Met +eenige tusschenpoozen, veroorzaakt door 't plaats-nemen van nieuw +aangekomenen, werden deze en dergelyke gesprekken voortgezet. + +--Maar waarom dan juist iets van dien Rotgans? + +--Z'n Boerenkermis is heel aardig. + +--Man, hoe kan je 't zeggen! 't Is 'n onfatsoenlyk stuk, vol gemeene +woorden. + +--Nu ja, maar ... aardig toch! + +--Dat weet ik niet. Ik heb 't nooit gelezen, omdat het zoo gemeen +is. In poëzie gaat by my niets boven deftigheid, en wat niet deftig +is... + +--Och, wat geeft zoo'n Keizer daarom? + +--Ik begryp heel goed waarom ze van-avend 'n stuk van Rotgans +spelen. Hy droeg altyd z'n stukken op aan een van de Huydekopers. Dàt +is de zaak! + +--Hy was van de familie. + +--Juist! Misschien wil een van de schepens, als de Keizer 't stuk mooi +vindt, hem zeggen: Sire, de dichter van die... Scylla, of hoe heet +de man?--die Scylla is 'n bloedneef van me, om uwe Majesteit te dienen. + +--Gekheid! Wie zal grootsch wezen op de verwantschap met 'n man die +komedies maakt? + +--Hm ... in Frankryk is dat anders, heel anders! + +--Bovendien, Rotgans was zoo'n minne man niet. Hy had 'n +buitenplaats aan de Vecht. + +--Dat moeten ze dan den Keizer er by zeggen. + +--De hoofdzaak komt neer... + +Weer 'n lakei. Alles vloog omhoog als duveltjes uit 'n +surprise-doosje. En alles--op de zwygende Holsma's na--schimpte weer +op de verdoemelyke karakterloosheid van "ze". + +...de hoofdzaak komt neer op de toespraak van Thomasvaer. Dit zeg +ik maar! + +--Daarin zal dezen keer 'n echt-vaderlandsche geest heerschen, naar +ik hoor. + +--Ja... echt-vaderlandsch! 't Moet heel mooi zyn. De prefekt van +policie heeft 't zelf gezegd. Er zyn drie gezworen translateurs by +te-pas gekomen. Je begrypt dat men zich zooveel moeite niet geven +zou voor 'n prul? + +--Zeker niet! En de vertaling is naar Parys geweest? De minister +heeft er eigenhandig op geschreven: approuvé! + +--'t Is toch maar altyd 'n zékere waarheid, dat ze-n-in 't buitenland +eerbied hebben voor onze letterkunde. + +--O ja, en voor ons karakter! + +--Er is geen beter volkskarakter dan 't hollandsche. + +--En geen beter letterkunde! Die is... echt-nationaal. + +--Dat zegt de Préfet de Police ook. Hy laat alles vertalen wat er +uitkomt. Wat hem vooral bevalt, naar ik hoor, zyn onze alexandrynen ... + +--Nu ja, en 't karakter! + +--Zeker, 't karakter ook. Maar de alexandrynen zyn even lang als die +van Racine, en dat 's juist het mooie. Ik ben zeer benieuwd naar de +maat van Thomasvaer. Korte regels kan ik niet verdragen... + +--Hm! Bellamy's Roosje dan? + +--Ja, en z'n: Schoone maan, zeg, ziet gy heden... + +--En z'n: 't Was nacht toen u uw moeder baarde... + +--Mooi, hoor! + +--En z'n: Oproeping aan de Bataafsche jongelingen, om den +Engelschman te bestryden. Dat's óók geen gekheid! + +--En z'n toespraak: Aan de vaderlandsche meisjes. Dáár zit pit in, +hè? Weetje wat-i zegt? Hy zegt: + + + Indien ik ooit ontaarde + Van Vaderlandsche fierheid, + Dan moet gy, waardste Fillis... + + +Weer kwam 'n lakei deze echt-vaderlandsche ontboezeming afbreken. De +man inspekteerde ditmaal de kussens in de loge der Palatine die +byzonder graag op 'r gemak zat. Als door 'n veer bewogen, stond het +heele Publiek op. Die groene rok met gouden tressen ... + +--Och, 't is weer zoo'n doodeter. 'k Wou dat de vent... + +En teleurgesteld nam men weer plaats. De liefhebber van korte verzen +waarin echt-vaderlandsche "pit" zat, liet zich niet van z'n stuk +brengen: + + + Indien ik ooit ontaarde, + Dan moet gy my verachten, + Dan moet gy my vervloeken! + + +--Dat's táál, hè? + +--Heel mooi, maar ik houd meer van alexandrynen. Ze zyn honderd +percent deftiger, dunkt me. + +Het gegons werd gedurig sterker. De keeren dat het Publiek misleid +werd door dezen of genen die de deur van een der loges opende--'n +foppery die telkens op 'n te-loor gaande eerbiedsbetuiging te staan +kwam--waren niet meer te tellen. Men begon te morren, maar... zacht, +zeer zacht, zoo zacht als maar gemord worden kan. + +Wat onzen Wouter aangaat, hy vond alles vreemd, maar tot behoorlyke +ontleding van z'n indrukken was-i niet in-staat. Voor den tienden +keer reeds sedert twee dagen, verdrongen de gebeurtenissen die hem +overstelpten, de aandoeningen van 'n oogenblik te-voren. Hy was er +duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal, bracht het +zyne by tot verdooving van z'n begrip. Zoo-even in 't rytuig nog, +had-i zich ingespannen om iets te verstaan van Willem's vertellinkje, +en ook de daarvan opgevangen indrukken waren nu reeds uitgewischt, +of althans zeer vermengd met iets anders. Hy geleek op 't lang +gebruikt leiblad van den schoolknaap, waarin de oude krassen 't later +schrift onleesbaar maken zonder baat voor eigen duidelykheid. Op 'n +palimpsest dat ingewyd werd met catullische zangen, daarna dienst +deed als afstandwyzer van germaans-romeinsche castra, vervolgens +'n spikspelder nieuw systeem van--nogal oude--wysbegeerte op z'n +rug droeg, en eindelyk tot ons kwam als lofzang op de H. Maagd, +gratiâ plena. Er behoort veel geduld toe--en scheikunde--om al dat +overpleisterd menschenwerk uit elkaar te houden. En wanneer nu, +gelyk hier 't behandeld palimpsest, zelf 'n mensch is... 'n codex, +zooveel moeielyker te ontwarren dus dan elk ander geschrift... + +Zoo goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De graad +van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde +hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo erg +was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden òf gewone dingen, +òf erger. De Holsma's waren de eenigen die niet spraken. Eens slechts +hoorde hy Oom Sybrand die naar 'n loge wees, iets zeggen, en 't kort +gesprek dat daaruit voortvloeide: + +--Ik denk dat ze dáár zitten zal... àls ze komt! + +--'t Zou me leed doen, als ik m'n kleinen Erik had alleen gelaten +voor niemendal, antwoordde mevrouw Holsma. + +--Nu, Femke is vertrouwd! + +--O ja! Maar 't drukt me dat ik hier zit, terwyl m'n kind ziek is. Lang +wacht ik niet op haar... + +--'t Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik hoorde zeggen +dat ze veel luimen heeft, en die altyd in-volgt. Aan etikette stoort +ze zich niet. Dat schynt in 't bloed te zitten. + +--Als ze 'r om tien uur niet is, ga ik heen. Héél veel belang stel +ik niet in de zaak... + +De beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy +had ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de +persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma tegen +haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had. + +Een groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een +oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal +staan ... + +Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er weinig +van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z. M. was +haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet zonder +'n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg stonden... + +Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke +Majesteit. Vivat sequens! + +...hy had daarna 'n oogenblik--één oogenblik maar--in de zaal +rondgezien, éven geknikt, als iemand die byna geen tyd heeft om +te zeggen: "'t is wel!" en daarna z'n fauteuil met 'n ruk schuins +naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en 't Publiek +kon weer gaan zitten... nog niet voor goed. + +Ook de andere loges werden nu als door 'n tooverslag gevuld. Men +zag zonderlinge kostumes: de "Wede. Maaskamp en Zonen!" Dames met +lyven van drie duim, en 'n schoot van byna zooveel ellen. De boezems +zweefden tusschen kin en ceinture. Kleine pofmouwtjes wisten zelf +niet, of ze dienen moesten tot bedekking van den bovenarm of van den +schouder. Maar dit te-kortschieten werd eerlyk aangevuld door witte +kabretleeren handschoenen, die van den pink tot den oksel reikten. Op +'t hoofd droegen de dames tulbanden, toques, bloemtuinen... dáár +was wat te plukken gevallen voor Scylla! Maar al wat er leelyks te +zien was, werd overtroffen door de onuitstaanbare militaire kostumes +van dien tyd. Wie die steeken en chakots gezien had, begreep terstond +waarom de vyand altyd zoo verschrikt op den loop ging. Die aanhoudende +vlucht ontstond uit schoonheidsgevoel. + +De muziek speelde... + +'t Spreekt vanzelf... daar wàs ze weer, de lyzige melodie van den +dapperen Dunois! + +Een vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven aan +de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook immers +gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu ja, +van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen +alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest... + +Debout... debout! werd er geroepen. Een der hardste schreeuwers was +de man van de korte verzen, waarin zooveel echt-vaderlandsche "pit" +zat. En alles schreeuwde mee: debout! Men moest opstaan voor den: +jeune et beau Dunois! + +Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe: de bénir ses exploits, +toen er met 'n bundel papier vry driftig op den rand der koningsloge +werd getikt, juist op de plaats waar men berekenen kon dat de Keizer +zat. De Holsma's recht naar-boven ziende, werden slechts 'n stuk van +den zonderlingen hamer gewaar, waarmee Z. M. de maat sloeg... + +De maat? 't Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, in der +haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan de +maat! Ieder die in 't parterre zat, kon aan de angstige blikken die +uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden geworpen, +duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men van-beneden-af de +oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet spoedig geraden, +zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook de Palatine, juist +bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair van Groenland, heel +hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende loge, raakte in de +war, wat anders de gewoonte van deze dame volstrekt niet was. De koord +van haar joujou krinkelde, en 't ding bleef levenloos hangen, als 'n +geëxekuteerde. Dit was hem in de hand der Palatine nog nooit overkomen! + +De Keizer stond op, en tokkelde met z'n rol papier als 'n razende. + +Een afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie +'t opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met Kykduin en +'t perfide Albion. + +Onze verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als 'n +izegrim. Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen, +maar hy luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op 't +fluweel van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien, +koningen, kamerheeren, maarschalken, adjudanten, aides de camp, +schoten toe. Maar Z. M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos +maakte. Hy verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den +roffel 'n oogenblik aftebreken, om met z'n papieren trommelstok naar +'t orkest te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit beteekenen +moest. De bevolking van de voorste loges gaven den orkest-direkteur +te kennen, dat de schuld der stoornis aan hem scheen te liggen, en +siste hem van alle kanten toe. De man schrok, en bleef als versteend +staan, met z'n maatstok zuid-oost half-oost in de lucht, dat hier +zooveel beteekende als heelemaal buiten-west. 'n Plotselinge stilte +verving nu 't geraas, en liet verraderlyk toe, dat men heel duidelyk +'n te laat ingehouden vaderlandsch nagalmpje te hooren kreeg. In +den engelenbak namelyk--dezen avend bezet door fatsoenlyke burgers, +want alle standen waren 'n graad of tien in waarde gedaald, omdat de +markt van rang overvoerd was--in den engelenbak had 'n onverlaat zich +de magere voldoening gegund: al is ons prinssie te zingen, wèl bedekt +natuurlyk onder de noten van koningin Hortense's prachtstuk. + +Was zy de dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje? Misschien +wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me +byzaak is, omdat ik my de verplichting opleî, juister te zyn dan de +Historie. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten noch met +datums te doen, en trachten slechts mogelyke indrukken te schetsen, +en menschen te teekenen zooals de denker zich kan voorstellen dat ze +geweest zyn. + +De stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als +opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur +kommandeerde eindelyk in den angst van z'n hart: "où peut-on être +mieux." De vaderlander uit den engelenbak maakte zich gereed de +muziek toetelichten met de bekende romance van 'n "sleepersknol... op +hol" toen er bleek dat Z. M. nog altyd niet voldaan was. 't Moest: +"veillons au salut de l'empire" wezen! Dacht hy er aan, dat het +huiselyke: "waar kan men beter zyn" bewaard moest blyven voor de +Beresina, by den terugtocht uit Rusland? Want by die gelegenheid is +'t--o bloedig sarkasme!--gespeeld. + +"Veillons" dus! Weer het knikje: 't is wèl! en weer liet hy zich vallen +in z'n fauteuil, waar-i voortging zich te verdiepen in de vestingwerken +by Huisduinen. Toen 't "Veillons" behoorlyk was afgespeeld, mochten +al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed, goddank! + +Het scherm ging op, en 't woord was aan Rotgans: + + + Ja, Minos, aan 't geschenk dat ik u heb gegeven, + En uit de kerk geschaakt... + + +--Wàt? vroeg Wouter. Uit de kerk? 't Purper haartjen uit de kerk? Ik +meende... + +--Sjt! zei Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit +beteekent. Misschien 'n licentia poetica, weetje. + +Heel juist geraden! De treurspeldichter had den vreemsoortigen crinis +purpureus heel handig omgesmeed in 'n schild dat door Scylla geroofd +wordt. Zeer wel. Maar... uit de kerk? + + + ...hangt Nisus' kroon en leven!" + + +--Qu'est-ze qu'elle changte? riep de Paltsgravin. Il barait que zela +zera excèzivemang larmoyang! Za doilette est egzégraple! La bedite +est attivée d'une magnière ... et quelle langue, mong Dié, mong Dié, +quelle langue! Za m'égorssche les oreiglles! + +Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van den +klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te Boulogne... te +Dover... overal, behalve dáár! Behalve daar, en... op Sint Helena! + +Wouter luisterde als 'n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog minder +omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem te +vreemd om niet z'n aandacht volkomen in beslag te nemen. Z'n wangen +rustten op beide vuisten, en z'n elbogen op de leuning der bank vóór +hem. Wie met half geopenden mond deze houding nabootst, kan precies +weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla's tocht in +'t kamp van Koning Minos. + +Een schild in-plaats van 't haartje? Dacht hy. Wie weet of niet +de dichter, als-i toch aan 't verzinnen gaat, ook iets zegt van +onechte zoons, en van het terugkeeren op 't pad der deugd, dat de +menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om +het terugkeeren mogelyk te maken. + +Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter +mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m'n handen in onschuld. + + + + + + + + De tuchtelooze auteur--gebrek aan school!--vertelt niets van 't + purpren haartje, doch integendeel allerlei zaken die in 'n roman + niet te-pas komen. Hy geleidt den lezer langs keizerlyken weg in + de kommeny waar Leentje zout moet halen. Verzoeke vriendelyk dit + gebrek aan zout niet meer dan driemaal in-verband te brengen met + des auteurs schryfmanier. + + +Die arme Rotgans! 't Was wèl de moeite waard 'n paarduizend verzen by +elkaar te rymen, om zóó verwaarloosd te worden! Geen der toeschouwers +was geroerd door de treurspellige bravigheid van Minos, die de ontaarde +juffer zoo flink op haar plaats zette. Men luisterde niet. [10] + +Met naïve verbazing trachtte Wouter de tirades van 't stuk te +volgen. Ze bevielen hem niet, en byna klom z'n ontevredenheid op +tot den moed, zichzelf in-staat te achten tot het leveren van iets +beters. Vooral trof hem de verregaande leegte aan denkbeelden. De +aan Ovidius ontleende handeling van 't stuk mocht dan in zekeren +zin hoofdzaak zyn, tot het schetsen dáárvan waren geen tweeduizend +regels noodig. Aan "gaan en komen" waren meer verzen besteed dan aan +menschkundige ontwikkeling, of aan opmerkingen die de moeite van 't +onthouden waard schenen. Zoo gaat het meer. Is dàt 'n dichter? vroeg +Wouter. [11] + +Wouter bemerkte dat de volwassen leden van de familie Holsma +by-voortduring niet den minsten acht sloegen op het stuk. Ze richtten +hun blikken naar de loges, doch blykbaar met andere bedoeling dan de +meesten, of zelfs dan àlle anderen, die de hooge personaadjes alleen +om de vreemdigheid aangaapten. Ook uit de afgebroken zinsneden die +tusschen Oom Sybrand met z'n broeder en zuster gewisseld werden, +scheen te blyken dat hun aandacht door iets zeer byzonders werd tot +zich getrokken. + +--Als ze niet spoedig komt, ga ik heen, zei weder mevrouw Holsma. + +--Misschien zit zy in de keizersloge, en achter-af. Dan kunnen we +haar van-hier niet zien. + +--Men heeft me gezegd, dat ze te Parys nooit 'n kwartier achtereen +op dezelfde plaats blyft. Misschien komt ze straks dáár of dáár... + +En met 'n bescheiden beweging van den uit z'n vuist opgestoken duim, +wees Holsma 'n paar der zyloges aan. + +--Ze komt soms in 't parterre ook, naar ik hoor. + +--Langer dan nog vyf minuten wacht ik niet, zei mevrouw Holsma. M'n +kleine Erik is my meer waard dan duizend... + +Wouter meende te verstaan: "dan duizend nichten." Ja, zóó zal 't ook +wel geweest zyn. Want: + +--Van den koning, voegde Holsma er by. + +Dit deed hem den draad weer verliezen. Hy had gemeend dat Femke +bedoeld werd. En nu: van den koning? Waarom was juist die prinses zoo +belangwekkend? De loges zaten vol neven en nichten, de een nog meer +opgepronkt dan de ander. Welke byzonderheid verhief juist die eene +afwezige, in aanspraak op belangstelling tot mededingster van den +kleinen zieken Erik? Toen de tooneelspelers het derde bedryf hadden +afgealexandrynd, was de zorgvuldige moeder niet langer te houden. Ze +verliet de zaal met Oom Sybrand, die weldra zou terugkeeren met Femke: + +--Als ze wil! voegde hy er by, op 'n toon die twyfel te kennen +gaf. Want, zeid-i, ze houdt niet van drukte. + +O he, dit meende Wouter beter te weten. Oom Sybrand had haar eens op +de Botermarkt moeten zien, en in de gekroonde Jeneverbes! Maar zulke +dingen verklapt geen ridder. Hy zweeg dus. + + + +De oude Minos is byzonder verliefd op Ismene die zeer schoon en +deugdzaam is. Scylla is byzonder verliefd op Minos die zeer oud en +eerbiedwaardig is. Ismene is byzonder verliefd op Fokus die zeer +heldhaftig is. En Fokus is byzonder verliefd op Ismene... dat's +mogelyk. Maar hy spreekt haar zonderling toe, en wel juist op 'n +oogenblik dat ze het in alle treurspelen onmisbaar voorstel doet, om +voor haar beminde te sterven. Ik geloof gaarne dat Fokus 'n held was, +maar heel hoffelyk was de man niet: + + + "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen... + + +Wat is dàt? Een nieuw rumoer, en ditmaal in den engelenbak. Aller +oogen richtten zich opwaarts, maar niemand kon spoedig te weten +komen wat er in dat hoog regioen voorviel. Eerst meende men dat er +gevochten werd, maar dit scheen toch 't geval niet te zyn. Na eenig +dringen en andere blyken van roering en onrust, werd de uniform van +'n policiekommissaris zichtbaar, die blykbaat met vruchtelooze moeite +iets wilde begrypelyk maken aan 'n paar mannen op de voorste bank. Het +scheen dat ze van 'n ander gevoelen waren dan hy. Om z'n fransch of +italiaansch te vertolken, greep de vertegenwoordiger van 't gezag die +beide personen by den arm, en trachtte hun aan 't verstand te brengen +dat ze niet zouden worden opgehangen, noch zelfs gearresteerd, maar +dat ze hun plaatsen moesten ruimen. + + + "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen... + + +--Qu'y a-t-il encore? vroeg de keizer weer. + +En toen een der kamerheeren hem op deze vraag geantwoord had, begon +hy hartelyk te lachen. Er scheen iets nieuws geschied te zyn, dat +byzonder in den smaak viel van de aanzienlykste bezoekers der zaal, +want in alle loges stak men de hoofden by elkaar. Men fluisterde, +en lachte, en giechelde, en staarde naar den engelenbak. Zelfs +de keizer stond op, boog zich over den rand van z'n loge, en keek +rechtuit naar boven. Maar zonder baat, want krom-zien kon hy niet, +wat hem by deze gelegenheid wrevel, en zelfs eenige verwondering op den +hals haalde. Ook de bewoners der lagere sfeer in 't parterre, kregen +voorloopig niets te zien dan de gebaren en mimiek der personen die men +verjagen wilde van hun welbetaalde plaatsen, en die zich hiertegen +hardnekkig bleven verzetten. Onze oude kennis, de Paltsgravin, gaf +weldra blyk meer van de zaak te begrypen, dan de onderste laag van +'t gezelschap. Halverweeg uit haar loge buigend, telegrafeerde zy +met iemand die in 't paradys nog altyd op den achtergrond scheen te +blyven. Het stuk van Rotgans... och! + + + "Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen... + + +De Palatine groette met haar joujou. Wien of wie groette zy? Het +scheen dat ze zich byzonder vermaakte. Met wyd uitgestrekten arm wees +ze aan al haar buurtgenooten in aanzienlykheid, dat daarboven in die +gemeene-volkskooi iets zeer byzonders te zien was. Arme Rotgans! En +arme akteur ook. De man zag van alle gepruikte en ongepruikte +hoofden niets dan de kruin. Blyf eens begeistert... achter zoo'n +Publiek! Nogeens, en als sprak hy nu zeer in 't byzonder tot de +Palatine: + + + ... Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen ... + + +De Palatine gaf er niets om. Ze schaterde van lachen--ook de keizer +had gelachen: het mocht dus!--en ze scheen maar niet tot bedaren te +kunnen komen van plezier. + +Nu moest ik 'n dubbele pen hebben, om te vertellen wat Oom Sybrand +zei, die teruggekeerd was na mevrouw Holsma te hebben thuis-gebracht, +en te-gelyker-tyd den uitroep van Wouter behoorlyk weertegeven, die +met open mond en verdraaiden hals zat te kyken naar het tooneel van +den stryd. + +--Waar is Femke? vroeg Holsma. + +--Ze wil niet, zei Oom Sybrand. Ik dacht het wel. + +--O God, daar is ze! riep Wouter. + +--Wie? + +--Femke, m'nheer! Femke, Femke... o God, dàt is nu wel wezenlyk +Femke! En ze... vecht! Zie, dáár, daarboven, zie! + +Hm... 't had er veel van! Maar vechten deed ze toch eigenlyk niet. Het +meisjen in den engelenbak had den policiekommissaris by den kraag +genomen, hem achteruit getrokken, was zoo goed mogelyk tusschen de +bezitters van de nauw-bezette voorbank heengedrongen, en liet zich +daar neervallen op de twee halve schoten van de buurtjes die ze zoo +onbarmhartig gescheiden had. + +--'t Is Femke, m'nheer! O god, het is Femke! Als men haar maar geen +kwaad doet! + +Weer stond de keizer op, en weer staarde hy naar boven. Hy kreeg 't +meisje met den noordhollandschen kap in 't oog, en knikte haar toe... + +--Maar, m'nheer Holsma, het is Femke... onze Femke! + +En de Paltsgravin groette het meisje nogeens met den joujou, als om +haar geluk te wenschen met de verovering van dat plaatsje... + +--Maar, m'nheer, 't is Femke! riep de verbaasde Wouter, die maar niet +begrypen kon dat-i geen antwoord kreeg. + +Ook Holsma en Oom Sybrand waren verbaasd, doch niet als Wouter, +die zich by 't hoofd greep om te voelen of-i wel terdeeg wakker was? + +--Nu, kinderen, zei eindelyk de dokter, je kunt straks aan moeder +vertellen dat we haar gezien hebben. + +En, zich tot Wouter keerende: + +--Dat meisjen is 'n nicht van ons... + +--O ja... Femke! + +--Neen, ze heet anders, en... + +--M'nheer, 't is Femke! Zou ik Femke niet kennen! + +Ei, Petrusje! Dit klinkt reeds geheel anders dan: wie is die +meid? Of... dan zelfs dàt niet! + +Op-eens kreeg 't vreemdsoortig meisje dat haar groote blauwe oogen +onbeschroomd door de zaal liet dwalen, onzen kleinen jongen in het +oog. Ze bukte voorover, staarde hem met aandacht en inspanning in +'t gelaat, knikte vriendelyk, en wierp hem 'n kushand toe... + +Zoo meende hy, en zoo wàs het. Maar 't geheel parterre was ditmaal +al te zeer van zyn gevoelen. Ieder meende dat ze hemzelf, of +allen meenden dat zy allen gegroet had. De deftige lui ergerden +zich aan de verregaande onbeschaamdheid van zoo'n boeredeern--in +hoofdsteden heet elk provinciaal 'n boer--en de meer vroolyk gestemden +beantwoordden haar groet met spottende overdryving. Weldra echter +werd er gesist. Uit de hoogere sfeeren kwam de tyding neerdalen dat +'s konings nicht, prinses Erika, 'n blyk willende geven van sympathie +voor 't Nederlandsche Volk, zich kwam vertoonen in "nationaal kostuum" +of wat by vreemdelingen daarvoor doorgaat. + +--O god, geloof er niets van, m'nheer Holsma! Ik zeg u dat het Femke +is, verzekerde Wouter met tranen in de oogen. + +--Neen, m'n jongen, dat meisjen is Femke niet. + +--Maar... ze heeft my gegroet! + +--En de keizer háár. Je begrypt toch wel dat hy geen waschmeisje +groeten zou? + +Zeker! Dit was moeilyk te veronderstellen. Maar even vreemd kwam +het Wouter voor, dat die... prinses 'n nicht wezen zou van dokter +Holsma. Op-nieuw meende hy te bemerken dat het meisje hem toewenkte, +en dat ze haar lippen bewoog. Naar die beweging te oordeelen, kon ze +best gezegd hebben: myn broeder! Wouter hield het er voor, en lispte +die woorden na, en drukte beide handen styf tegen de borst, als om +'n kostbaarheid te bewaren die zoo-even daarin was neergelegd. + +In-weerwil van z'n hoogachting voor dokter Holsma, was het hem +onmogelyk diens verzekering te gelooven, dat het jonge meisje +daar-boven eene andere was dan de door hem verloochende dochter +van Vrouw Claus. Hy knoopte de voorvallen der laatste uren zoo goed +mogelyk aan elkander, en meende te begrypen hoe hy door z'n drift +aan die Kaatje aanleiding had gegeven tot 'n zonderling bericht +van wedervaren. Men had hem voor krankzinnig aangezien, letterlyk: +voor gek gehouden, en wilde nu hem afleiden van 'n idée fixe. Daarom +ook die uitnoodiging tot het bezoeken van den Schouwburg, en Femke's +voorgewende weigering om meetekomen met Oom Sybrand, die van zyn kant +op deze reeds lang afgesproken weigering had voorbereid. Zeker had de +dokter haar den wenk gegeven, wanneer ze dan toch ook iets zien wilde +van al die pracht en vreemdigheid, ergens anders plaats te nemen dan in +'t parterre. 't Was voor zyn ontroerd gestel beter geoordeeld, dat ze +nu juist niet naast Wouter kwam te zitten, die haar verloochend had, +en daaronder zoo leed! Misschien had men daar in die hoogste loge +'n plaats voor haar opengehouden, en die kommissaris van policie ... + +Maar ... hoe durfde zy dien man zoo onzacht storen in de al te +welwillende uitoefening van z'n funktie? Hem 't gezag uit de hand +nemen? En ... die groet van den keizer? En ... vanwaar wist Holsma +dat hy haar verloochend had, en dat haar tegenwoordigheid de kalmte +van z'n gemoed bedreigen kon? + +--Och, m'nheer, laat Femke maar gerust hier zitten ... ik zal heusch +heel bedaard wezen! Ik ben zoo bang dat men haar kwaad zal doen, +daar-boven onder al die ruwe menschen! + +Holsma zag hem vorschend aan. Zou dan toch die Kaatje gelyk hebben +gehad? Hy vond nu goed, Wouter niet langer tegentespreken in z'n +meening omtrent de identiteit van de verschyning, en trachtte door +eenige onverschillige opmerkingen z'n aandacht en gewaarwordingen +afteleiden. Het toeval wilde dat hy hierby 't woord "engelenbak" +gebruikte, dat ook den niet-amsterdamschen lezer nu zeer gewoon klinkt, +omdat ik het reeds verscheiden malen gebruikt heb, doch den nuchteren +Wouter geheel vreemd was. + +--Juist, viel hy den dokter driftig in de rede. Juist: engelenbak! U +ziet dus wel, m'nheer, dat het Femke is! + +Ook deze konklusie klonk weer zonderling in Holsma's oor. Al te +zonderling zelfs, om nu te laten bemerken dat hy er niets van +begreep. En om Wouter te bewaren voor nòg meer opwinding, gaf hy toe. + +--Wel zeker, jongen, dat zeg ik ook. Ik wou je maar 'n beetje +plagen. Femke zit dáár, omdat ze ... niet gaarne hier wil +zitten. Ze meent dat ... het zoo raar zou staan, omdat ze maar 'n +waschmeisjen is. En dat wy ons schamen zouden over de verwantschap +zieje! + +--O, m'nheer, niemand behoeft zich te schamen naast Femke te +zitten. Zelfs de keizer niet! En ... God niet! + +Ei, Petrus! + +--Ja, ja, suste Holsma. Precies! Zóó is het! Wie braaf en goed is, +hoeft zich voor niemand wegtestoppen. Kyk nu maar verder naar 't stuk, +m'n jongen. + +Wouter wilde gehoorzamen, doch niet voor z'n oogen afscheid hadden +genomen van de heerlyke verschyning. Nog eenmaal zag hy op. Zy +wenkte hem toe, nam 't takje met drie rozeknopjes van de borst, +hield het eenige oogenblikken tusschen duim en voorvinger van de +linkerhand, wees met de rechter op Wouter, en liet het vallen. Het +kwam--niet te-recht, o goden, maar neer toch!--op 'n dikken heer +in Wouter's buurt, die 't aangreep, en heel verwonderd keek. De man +leek niet op rozeknopjes, en z'n verbaasd gezicht scheen te vragen: +wat doe ik daarmee? Vóór-i evenwel zichzelf 'n bruikbaar antwoord op +deze vraag geven kon, was Wouter van z'n plaats gesprongen. Hy wipte +langs en over 'n paar buren en banken, greep 't gulden vlies dat den +valschen Jason zoo in verlegenheid bracht, en drukte het, opziende +naar den engelenbak, aan z'n lippen. Overal elders dan te Amsterdam, +zou 't publiek geapplaudisseerd hebben. Hier deed het de Palatine, +vooral toen prinses Erika knikte: "dat ze 't juist zóó gemeend had!" + +Dit was meer dan Wouter's geschokt gestel verdragen kon. Nooit zou +hyzelf zich 't verloochenen van Femke vergeven, maar nu had zy, de +edelmoedige, de groote, de majestueuze, hem vergiffenis geschonken +ten-aanzien van 't gansche Volk! O, dààrom wilde zy bóven zitten, +zoo hóóg ... in den engelenbak! Zy had de vlek van z'n ziel gewischt, +z'n geschonden riddereer hersteld ... + +By deze gedachten die hem als bliksems door 't hoofd schoten, viel +hy flauw. Was 't wonder? + +Holsma nam hem mede naar zyn huis, en liet aan juffrouw Pieterse +berichten dat de jongeheer Wouter ... + +--Zieje wel, Stoffel, net wat ik gezegd heb! Ieder mag 't weten: het +kind leseert effectief by dokter Holsma op de Kolveniersburgwal. Trui, +denk er aan dat Leentje morgen ochtend zout haalt in de kommeny, +want ... werachtig, 't kind leseert er! + + + + + + Ariadnisme met modern-burgerlyke verwikkeling. Treurzang over + de hedendaagsche onbruikbaarheid van wonderen. Wouter krygt + les, en wordt--als de lezer--uitgenoodigd zich 'n tydje te + spenen van romantiek. + + +Het is me zeer moeielyk, te berekenen hoeveel van m'n lezers genoeg +menschelyk gevoel hebben uitgeschud, om niet te schreien by de +ongelukken van juffrouw Laps. Als het medelyden dat ik voor haar +inroep, gering is, wyt ik dit aan te groote geleerdheid. Het schynt +wel dat de belezen mensch onzer dagen z'n gevoelighedens heeft +opgemaakt aan mythologie, romantiek en bybelkennis. Hy heeft zich +moê getreurd op 't legio modellen van verlatenheid, die ons sedert +eeuwen geleverd zyn in profane en heilige Schriften. De tranen alzoo +waarop juffrouw Laps 'n onmiskenbaar recht heeft, en die haar ook +niet zouden geweigerd zyn door naïver toeschouwers of lezers, zyn de +buit geworden van Medea, van Fedra, van Asnath, der vrouwe Potifars, +van Ariadne op Naxos, en dergelyke persoonlykheden meer, waarvan +er toch geen enkele by ons Lapsjen in welbegrepen rampspoed halen +kon. Ze was, zy by-uitnemendheid, wat de romanschryvers gewoon zyn +met sierlyke spraakwending: "de ongelukkigste der vrouwen" te noemen, +en haar door Wouter zoo schichtig verlaten boven- voor- onder- achter- +insteekkamer, 'n ware tempel van verschillende smarten. + +Het is geenszins m'n bedoeling, Wouter boven Jozef, Theseus, Jason +of Hippolytus te stellen. Apollo beware my voor de by auteurs +somwylen voorkomende apenliefde, die hen in hun helden altyd de +"belangwekkendste der stervelingen" doet zien. De lezer zal erkennen +dat ik genoeg moed en plichtbesef heb, om m'n jongetje nu-en-dan +niet zeer malsch te behandelen. Neen, niet in Wouter's verdienste +zoek ik den maatstaf voor de wanhoop der verlatene. En ook zyzelf +voedde haar verdriet niet uitsluitend met 'n droevig staren op de +waarde van den verloren schat. De hem kwalificeerende benamingen +die ze 't weggeloopen heil namurmureerde, getuigden meer van vinnige +verstoordheid dan van byzondere waardeering. Er bestond iets geheel +anders, dat met volle recht haar verstoordheid stempelde tot wrevel, +en zelfs tot woede. Met gepasten eerbied voor de smart van al die +andere dames, meen ik te mogen in 't midden brengen, dat er onder die +gansche weenende vrouwenschaar geen enkele zoo'n gek figuur maakte +tegenover de respektieve verwanten van haar verlaters, als juffrouw +Laps. Ze moest Wouter verantwoorden aan z'n familie. Dàt was het! + +De zonderlingste plannen gingen haar door 't hoofd. Hoe zou 't zyn, +als ze vertelde dat-i was "weggenomen" van voor de oogen des Volks, +en opgevaren in 'n gloeiende diligence? Ze verwierp dit denkbeeld, +uit zeer gegronde vrees dat men haar niet gelooven zou. Onder alle +wonderen zyn er maar weinig zoo ongeschikt tot dagelyksch gebruik, +als hemelvaarten. Zelfs Politie en Justitie gelooven er niet aan, dit +zy gezegd zonder 't minste wantrouwen op de historische grondslagen +van de christelyke godsdienst, die zulke zaken niet missen kan zonder +in elkaar te storten als 'n slecht gebouwd kaartenhuis. Het zal den +godsdienstigen lezer genoegen doen, te ontwaren dat ik in dit opzicht +geheel-en-al 't gevoelen aankleef van den zeer heiligen Paulus. (I +Corinthen, XV, vs 14.) + +Dus: géén hemelvaart! dacht onze Ariadne, met bedroevend +verstand! Maar... wat dan? + +Ze begon met wachten of haar Theseusje misschien zou terugkeeren? Het +was haar niet duidelyk geweest, of hy in die kroeg geraakt, dan wel +gebleven was onder de volksmenigte die er vóór stond. Misschien ook had +deze of gene stroom van de joelende menigte hem meegevoerd. Hm... hoe +vèr? 't Land uit? Naar... Amerika of 't peperland? Dit zou zoo +kwaad niet wezen, vond ze, want eigenlyk was ze nu meer angstig +voor z'n terugkeer by de zynen, dan begeerig naar zyn wederkomst by +hààr. De oorzaak is ligt te vatten. Wat zou Wouter vertellen aan z'n +verwanten? Tot haar groote teleurstelling was z'n medeplichtigheid +niet ver genoeg gegaan, om hem bescheidenheid inteboezemen in z'n +eigen belang, en 't schepsel stond te laag om kiesheid te verwachten +uit oorzaken van anderen aard. + +Om by 't schriftuurlyke te blyven, zon ze, na 't verwerpen van de +gedemodeerde luchtvaart, op 't aanwenden der egyptische methode +van Asnath. Helaas, daarby is de verrukkelyke naïveteit van Potifar +onmisbaar, en ze had menschenkennis genoeg om te berekenen dat noch +Stoffel, noch z'n moeder, noch zelfs een van Wouter's zusters, +onnoozel genoeg wezen zouden om zich te laten vangen in 'n strik +van zoo verouderd maaksel. Zeker zou er blyken dat haar zeer bekend +"Geloof" eer 'n wapen tégen haar opleverde, dan 'n schild waarachter +ze schuilen kon. Want, lezer, de achtbaarheid van de goddienery is wat +versleten. Ze voorzag dat men meer vertrouwen stellen zou in Wouter's +... kinderachtigheid, dan in haar gescherm met "Schrift" of "Heer" en +hierin had zy alweer volkomen gelyk. De tyd nadert, dat men zeggen zal: +"ziedaar iemand die niet gelooft, en toch 'n schelm is." Dit "toch" +zal beter op z'n plaats staan dan 't arme woordje gewoon is, daar we +'t nu meestal zien misbruiken om betrekkelyke verdorvenheid en wèl +gelooven--zaakjes die zeer na aan elkander verwant, en dikwyls zelfs +identisch zyn--in tegenstellend verband te brengen. + +Uit spyt en woede beet onze martelares haar nagels af, en vervloekte +al het volk dat daar onder haar vensters nog altyd nafeest vierde van +'n feest dat er niet geweest was. Ze vleide zich eenige oogenblikken +met de hoop haar deserteur in 't oog te krygen, en nam zich voor, als +'t lukte, hem unguibus et rostris in haar nest te slepen, niet om 't +genoegen van z'n gezelschap nu, maar om te voorkomen dat-i naar z'n +eigen huis ging, en daar meer vertelde dan haar aangenaam was. Doch +ze slaagde er niet in, Wouter te ontdekken, en vermoeid van staren +schoof ze eindelyk haar venster toe, juist 'n oogenblik te vroeg om +den wagen te zien wegryden, waarin prinses Erika zich liet brengen naar +'t paleis op den Dam. + +Schoon de morgenstond reeds lang was aangebroken, begreep onze Laps dat +het te vroeg was om reeds nu naar de Pietersens te gaan. En bovendien +... wat zou ze daar zeggen? Dat haar riddertjen in 't holst van den +nacht was weggeloopen? Waarheen? Waarom? Wie verzekerde haar, dat niet +reeds 't heel schandaal door hemzelf was bekend gemaakt, en dat alzoo +Vrouw Asnath ditmaal visschen zou achter Jozef's net? Och, hoe pynlyk! + +Ze besloot ... niet te besluiten, en de zaak nog 'n paar uurtjes +overtelaten aan den "Heer." Met deze verzuchting besteeg ze haar +maagdelyke koets, 't frigidum lectum waarover 'n latynsch dichter de +eenzame Penelope laat klagen in den zevenden regel van haar brief aan +Ulysses. Als juffrouw Laps latyn gesproken had, zou ze waarschynlyk ook +zoo-iets gezegd hebben. De lezing van de twee regels die Ovidius laat +voorafgaan, luidde nu in háár mond: "ik wou liever dat de kwajongen +z'n nek had gebroken op de manier van hoogepriester Eli in 1 Samuel, +IV. Maar de weldadige wonderen zyn de wereld uit. Die vervlll...oekte +zevenklapper!" + +En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my +in, wat daar geschiedde gedurende Wouter's romantische omzwerving, +en zorg dat m'n taal niet al te ver sta beneden de waardigheid van +'t onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit +had zien uittrekken tot bescherming zyner geïmprovizeerde dame, en +hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf, +maar 'n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten +hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem... + +Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze +kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydagavend naar +bed gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me +niets gebleken. In m'n archieven vind ik geen spoor van angst over +'t vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld, +misschien wel omdat dit gevaar z'n verwanten ten-eenen-male onbekend +was. Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig gehad haar opzetje zoo +fyn intekleeden, en 't overslaan van Wouter's naam by 't oproepen +van de ridders wier bescherming zy beweerde noodig te hebben, was 'n +overbodige weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens, +ze zou by veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel +bereikt hebben. De voornaamste aandoening die haar onbegrepen +taktiekje te-weeg bracht, sproot voort uit den afkeer dien hare +geheele persoonlykheid inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht +omtrent haar byzonder plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet +gedacht. De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte, +maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere +lieden zouden omtrent Mensch en Wereld veel te leeren hebben, voor ze +'t standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken. + +En ook van de geestige onwetendheid die we naïveteit noemen, was hier +geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg behoefden +te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze niet. Ze +hadden in dit byzonder geval alleen hierom niets ergs gedacht, omdat ze +gewoon waren in 't geheel niet te denken, en deelden dus de verdienste +van 't vertrouwen, met Wouter's muts die er ook geen kwaad in zag, +juffrouw Laps 'n paar uurtjes gezelschap te houden. [12] + +--Ik begryp om al de wereld niet, waar de jongen zoo lang blyft? zei +de moeder. + +--Hy zal niet vroeg opgestaan wezen, en misschien laat ze hem by +'t ontbyt 'n kapittel uit de Schrift lezen. + +Aldus Stoffel. En de familie berustte zonder veel inspanning 'n +half-uurtjen in die bemoediging. + +--Wat zou je-n-'r van zeggen, als jyzelf er eens heenging? stelde +eindelyk juffrouw Pieterse voor. + +--'t Zal moeielyk gaan, moeder! Want ... uwe weet, het is niet in +den weg van m'n school. + +Dit argument voor non-interventie was volkomen geldig. Men moet nooit +iets doen wat niet op z'n weg ligt. Ziehier een der liefelyke kanten +van 'n welbegrepen konservatismus. Stoffel zelf wist niet hoe diep +de zin was van z'n staatkundig grondbeginsel. + +--Maar... als we dan Leentjen eens daarheen zonden, om te vragen waar +de jongen blyft? + +Dit werd goedgekeurd. Leentje ging, en kwam weldra terug met de +boodschap dat "Wouter waarschynlyk 'n wandelingetje maakte." + +Zóó namelyk had juffrouw Laps in den angst van haar hart gezegd. En +'t was niet geheel-en-al onwaar. Wouter was inderdaad na z'n vertrek +uit haar woning, terdeeg aan 't wandelen geraakt... de lezer weet +het. Maar juffrouw Laps verzuimde wyselyk, er by te zeggen waaròm hy +'n wandeling deed, en op welk uur hy haar verlaten had. Leentje had +geen erg er naar te vragen, omdat het vanzelf scheen te spreken dat-i +niet was uitgetogen in 't holste van den nacht. En zóó ook werd de +zaak door z'n moeder en zusters opgevat. Ze kwam dus eenvoudig neer +op een van de zonderlinge gewoonten van Wouter, waarover men zich +zoo dikwyls te verwonderen had. + +--Daar heb je 't weer! zei de moeder. De last die ik van dàt kind +heb ... kyk! 'n Ander maakt 'n kuiertje na den eten, niet waar? En hy +... wat doet-i? Hy loopt rond in den vroegen morgen. Ik vraag jezelf +nu, Stoffel, of dat 'n manier van doen is? + +--Né, moeder! + +--En ons hier in angst te laten zitten! + +--Ja, moeder! + +--Zieje, 't is toch weer heel erg van hem. Hy moest begrypen dat +we hier allemaal in doodelyke ongerustheid ... god weet waar-i nu +weer rondloopt? + +--Zeker, moeder! En nu is 't tyd voor m'n school. Dag, moeder! + +Stoffel vertrok. Van dien angst en die ongerustheid was geen woord +waar. Deze klacht hoorde er zoo by, meende de familie, overigens niet +de minste blyken gevende van bekommering over Wouter's lot. Ook hier +alweer speelden onkunde, onwetenheid en traagheid haar gewone rol. Het +kòn immers zyn dat den knaap 'n ongeluk overkomen was? Z'n moeder +vond het gemakkelyker hem te beschuldigen van onbehoorlyk gedrag, +dan ernstig te onderzoeken waar-i beland was. En hierby bleef het, +tot dokter's Kaatje kwam. + +De lezer weet hoe Holsma z'n koetsier gelastte 'n oogenblik optehouden +voor Wouter's woning, ten einde dat meisje gelegenheid te geven tot +uitstappen. Alles was haastig naar 't venster geloopen ... + +--Daar is-i, daar is-i! riep de heele familie om 't hardst, hy zit +zoowaar in dokter's koets! + +Deze opmerking verdreef alle andere indrukken, en Kaatje's +geruststellende taak viel byzonder ligt. Eigenlyk had ze niets hoeven +te zeggen. 't Kwam er niet meer op aan, waar Wouter geweest was ... nu +reed hy in 'n koetsje. In's hemelsnaam, wat wil men meer? + +--By dokter ontbeten? Gut, mensch, wat zeg je! En ... en ... waarom +heeft de koetsier z'n beeremuts niet op? + +De verwonderde Kaatje beriep zich op 't saizoen, en vond de ontvangst +die haar te-beurt viel, zeer zonderling. De verdenking die zy koesterde +omtrent Wouter's geestvermogens, ontving nieuw voedsel door de vreemde +manier waarop haar boodschap beantwoord werd. 't Scheen wel dat de +heele familie ... 'n beetje ... + +--En heeft-i wezenlyk by dokter ontbeten? Begryp eens, Trui +... ontbeten! + +--J...a, juffrouw, hy heeft by ons ... ontbeten! O ja, zeker, ontbeten +... m'nheer heeft het gezegd. + +--By den dokter? En ... ontbeten, zeg je? Op den Kolveniersburgwal? + +--Wel zeker! Waar anders? Maar ... wat zou dat? + +--En ... is-i wel fatsoenlyk geweest? + +--Gut ja, juffrouw, maar ... + +--En nu zit hy met den dokter in de koets? + +--Wel zeker, juffrouw! Maar ... + +--Hoor 'ns hier, vryster, ik zal jou eens wat zeggen, maar je moet +er niemand overspreken. Hy is 'n zonderling kind, weetje ... + +--Ja, zuchtte Kaatje, volkomen overtuigd. Dàt weet ik! + +--Zoo? Weetje 't? En weetje-n-ook waarom? Dàt zal ik je nu eens +vertellen. Hy is zoo'n zonderling kind, omdat--ga jy even op-zy, Petrò, +en jy ook Mine ... Trui kan blyven, maar kyk op je werk!--hy is zoo +zonderling en dingsig, weetje, omdat ik, toen ik zwaar van 'm was ... + +--Gut, juffrouw! + +--Ja, vryster! Toen heb ik gedroomd van 'n kapel die 'n olifant +voorttrok. Begryp je 't nu? + +--O ja, ja, ja, precies, juffrouw! Ik begryp 't nu heel best. + +--Zie je? En daarom ... doe de komplimenten aan den dokter, en zeg +dat ik wel laat bedanken. 't Is nu maar te hopen dat-i fatsoenlyk +is ... Wouter, meen ik. Gut, draagt de koetsier zoo'n muts alleen in +den winter? + +Kaatje maakte dat ze wegkwam. Ze nam zich voor, nooit van kapellen +en olifanten te droomen. Zoo'n uitspatting van den geest kwam haar +zeer gevaarlyk voor, want ze begon nu in allen ernst te meenen dat de +heele familie gek was, en dat zy in Wouter daarvan slechts 'n klein +staaltje gezien had. + +Toen, eenige uren later, de dokter-zelf zich de moeite gaf juffrouw +Pieterse te komen geruststellen, kende de vreugd over Wouter's +verheffing geen grenzen. Holsma bestudeerde deze en andere zotternyen, +en maakte van z'n opmerkingen gebruik by 't bepalen van den geestelyken +leefregel dien hy Wouter straks zou voorschryven, een dieet dat hy +nog meende te moeten inkrimpen na 't voorgevallene in den Schouwburg. + +Wat juffrouw Laps aangaat, zyzelf wist niet hoe goed alles buiten +haar toedoen geschikt was. Ze hield zich den heelen dag bezig met +onnoodig gepeins over de mogelykheid om 't ding te redden, dat ze--wel +eenigszins met verkrachting van den zin--haar "eer" noemde. Daar zy +evenwel tot geen besluit kwam, bewaarden de gunstige goden haar voor +'t nemen van maatregelen die juist andersom zouden gewerkt hebben +dan de eisch was. Ze deed niets, en door 'n byzondere welwillendheid +van 't lot, was dit de beste party die ze kiezen kon. 't Spyt me +voor sommige lezers, dat haar veroveringstocht niet tragischer +afliep. Maar de moraliteit wint er by. Ik gis dat Fancy 't gemeene +schepsel de belangwekkende smart niet gunde, van de kastyding die ze +verdiend had. Een paar dagen angst was voor haar peccadille volkomen +genoeg. 't Spreekt vanzelf dat ze nog altyd bleef vreezen dat Wouter +haar aanklagen zou. + + + +Wouter was inderdaad dien saturdag-nacht by de Holsma's gebleven. Den +volgenden morgen vroeg nam de dokter hem by zich op de studeerkamer, en +sprak hem vriendelyk toe. Hy moedigde den ontluikenden jongeling aan, +hem zoo goed mogelyk te vertellen wat er in z'n gemoed omging, doch +onthield zich zorgvuldig van alles wat Wouter in de meening zou kunnen +brengen dat-i byzonder was. Het spreekt overigens vanzelf, dat hy meer +begreep dan Wouter zeggen kon. Ook de niet zeer handig overgeslagen +geschiedenis met de onnoozele verleidster, lag hem klaar voor oogen. Hy +luisterde naar Wouter's ontboezemingen, als naar iets zeer bekends, +en stelde z'n onbegrensde eerzucht--of liever z'n voorbarige en +overspannen zucht naar 't goede: z'n God-zyn--als 'n gewoon verschynsel +voor, dat uit de levensperiode voortsproot, en... dat uit den weg moest +worden geruimd. Ook Wouter's liefde voor Femke, behandelde hy als 'n +zeer gewone zaak. Om aan al deze geringschatting zooveel doenlyk de +pynlykheid te ontnemen, haalde hy gedurig z'n eigen ondervinding aan, +en verklaarde zichzelf schuldig aan de fouten die hy in Wouter meende +te moeten gispen, een methode die nog altyd veel ouders en opvoeders +onbekend schynt te zyn. Ook Jezus heeft over 't hoofd gezien dat men +zich bukken moet om te kunnen opheffen. Of werd hem die terugstootende +heiligheid aangewreven door vervalschers? Meenden zy misschien dat +de zondeloosachtigheid die hem zoo volstrekt onbevoegd maakte tot +voorganger, als onmisbaar bestanddeel van z'n goddelyke natuur moest +worden voorgesteld? Zagen ze niet in, dat de voorgewende verheffing +tot méér dan Mensch, 'n verlaging was beneden 't peil der Mensheid, +die juist aan den specifisch-menschelyken stryd tegen afdwaling, haar +hoogheid te danken heeft? Dat ook hier alweer 't onbruikbaar-goddelyke +uitloopt op ongerymdheid, spreekt vanzelf. + +Holsma, heel ongoddelyk, maar goedig, verstandig en waar, zette +zich niet op 'n voetstuk. Hy begon met de betuiging dat ook hy in +z'n jeugd alles wat Wouter hem meedeelde, ondervonden had, en tevens +dat hy dezelfde gemoedsverschynselen in byna alle andere jongelieden +waarnam. Ook trachtte hy de zaak terugtebrengen op burgerlyk-praktisch +terrein, met vermyding van allen prikkel tot geestvervoering. Het +kwam hem voor, dat z'n patiënt aan zulke behandeling behoefte had, +en hy volgde dus in zekeren zin de koud-water-medikatie van Vrouw +Claus. Of deze ontnuchtering ten-allen-tyde en voor ieder dienstig +is, blyft de vraag. Ook paste de menschkundige Holsma ze slechts +voorloopig toe, en misschien wel als proef om te weten of Wouter +tot hooger levensopvatting in-staat was. Hy liet hem z'n gemoed +uitstorten, en viel hem niet in de rede, waaruit voortvloeide dat +Wouter vry slecht sprak, omdat onafgebroken verhandelingen niet +in de natuur liggen. Juist het gehakkel der voorstelling deed den +ongeoefenden spreker bemerken--en hierom was 't Holsma te doen--dat +z'n aandoeningen minder belangwekkend waren dan hy gemeend had. Hy +voelde lust zichzelf in de reden te vallen met de vraag: "is 't anders +niet?" en begon nu te vreezen dat ook Holsma dit zeggen zou. Maar +toen-i eindelyk scheen gereed te zyn, antwoordde deze vriendelyk: + +--Zeker, zeker, m'n jongen, ik ken dat! In zulke stemming zou je overal +willen zyn, alles willen regelen, beheerschen... alles goed-maken, +niet waar? Je hebt 'n gevoel alsof je voor alles aansprakelyk was. Het +hindert je dat er zooveel verkeerds is in de menschen, en dat zy +... o ja, ja, ik ken dat zeer goed! + +Maar, eilieve, denk eens na over de middelen die je tendienste +staan. Hoe zou je 't aanleggen om iets te verbeteren? Wouter zweeg. + +--Meen je dat àlle menschen slecht zyn? Dit mag je toch niet aannemen, +dunkt me. Onder die menschen zyn er gewis velen die 'tzelfde wenschen +als jy. Waarom veranderen zy de wereld niet? + +Wouter zweeg alweer. Juist de eenvoudigheid van de vraag belemmerde +hem. Maar Holsma drong op antwoord aan. + +--Welnu? Komaan, ik zal je helpen. Geloof je dat ik 'n goed mensch ben? + +--O ja, riep Wouter hartelyk. + +--Ei? Nu, ik geloof 't ook. Ik zou me schamen als ik dit niet durfde +zeggen. Waarom dan verander ik de wereld niet? Je spreekt zoo dikwyls +van Afrika--omdat je dat land niet kent, m'n jongen!--welnu, ik die 'n +goed mensch ben, heb nog altyd de slavenjachten niet afgeschaft. Waarom +niet, denkje? Antwoord eens. + +Wouter was volstrekt geen debater. 't Lag niet in z'n eerlyken aard, +het geven van 'n stellig antwoord te weigeren uit vrees dat het +straks zou kunnen gebruikt worden als stormram tegen de meening die +hy verdedigen wou. Toch bleef hy weifelen. Men bedenke dat Holsma +bezig was met 'n amputatie. Is 't wonder dat de patiënt het deel van +z'n ziel, dat afgezet worden moest, angstig terugtrok? + +--Welnu, dan zal ik de zaak anders voorstellen. Je hoort immers wel +dat aanhoudend geklop en gehamer... luister! Dat is van 'n smedery +hier-naast. Je begrypt wel dat me dit soms hindert? + +--By ziekte? + +--Ja, en als ik te denken heb. Ik wenschte die smedery verplaatst +te zien... zóó... fluks... op-eens! Zeg me nu eens, waarom doe ik +dat niet? + +--Omdat ... u niet kan, m'nheer. + +--Juist! Dáárom ook heb ik tot heden toe niets veranderd aan al wat +er verkeerd geschiedt in Afrika. En ook in Azië niet. En in Amerika +niet. En in zeer veel landen niet. Maar gister-avend in de komedie, +toen je onwel was--'t was er warm!--nam ik je mee, en ik heb je +verzorgd en naar bed laten brengen. En ik heb je moeder laten +geruststellen over je lang uitblyven. Dat alles was m'n plicht, +niet waar? + +--O, m'nheer... + +--Geen dank, m'n jongen! 't Kwam me voor, dat het m'n plicht was, +en ik deed het: omdat het kòn. Wat niet kan, is m'n plicht niet! En +daarom ook neem ik die smedery niet tusschen duim en vinger, om haar te +verzetten naar 'n andere buurt. Om dezelfde reden bemoei ik me niet +met Afrika. Onmogelyke plicht is géén plicht, en het jagen daarnaar +staat het vervullen van onze werkelyke plichten in den weg. Heb je +weleens op-school je les niet gekend? + +--O, dikwyls! Maar in den laatsten tyd niet, omdat Femke... + +--Laat Femke nu even rusten. Misschien zeg ik straks een woordjen over +haar. Toen je op-school je werk verzuimde, had je zeker aan wat anders +dan je lessen gedacht, aan dingen die niet voor-de-hand lagen. Dit +nu is de fout van veel jongeluî, en--word er niet boos om: ik was +ook zoo!--ze komt grootendeels voort uit luiheid. Het is gemakkelyker +zich te verbeelden dat men zweeft boven 'n berg die heel in de verte +ligt, dan in werkelykheid z'n voet optelichten om over 'n steentje +te stappen. Onder de millioenen zaken die je zoudt willen doen, zyn +er slechts weinigen die je zoudt kunnen doen. Bemoei ie voorloopig +alleen met die weinigen. Dàt is de weg om verder te komen. Vraag altyd +jezelf af: "wat wordt er op dit oogenblik van me gevorderd?" en gebruik +niet de ingenomenheid met het vermeend hoogere, als voorwendsel tot +verwaarloozing van wat je lager toeschynt. Je bent ontevreden met je +tegenwoordig standpunt? Wel, maak je 'n beter standpunt waard! Dit is +de manier om het te bereiken, en de eenige goede manier. Vraag jezelf +by elke gelegenheid af: wat is m'n naast-byliggende plicht? Kun je +me dit beloven? + +Wouter gaf er de hand op. + +--En je wou zoo graag meer weten? Ik ook, m'n jongen! Laat ons zien +wat er aan die kwaal te doen is. Wat u betreft, het ontbreekt je nu +zeer in 't byzonder aan de schoolkennis, waarin jongelieden van uw +leeftyd die in andere kringen werden opgevoed, je vooruit zyn. Dàt is +ligt intehalen, en we zullen er op terugkomen, maar... 't is op dit +oogenblik je naast-byliggende plicht niet! 't Beetje latyn dat onze +Willem verstaat, en waar je zoo jaloers op bent, is in 'n paar maanden +geleerd, vooral wanneer je je zult geoefend hebben in 't willen. Wat +zou 't nu helpen, nu? Wen je eerst dat zweven af, dan komt het latyn +vanzelf, en 't grieksch ook, en al de andere zaakjes waartegen je +nu zoo hoog opziet. Er zyn op dit oogenblik heel andere vyanden te +verslaan, dan de ridders uit je romans. Minacht de moeielykheden niet, +die je te bestryden hebt. Dit zou juist oorzaak kunnen worden van +'n treurige nederlaag. Je moet je denkvermogen leeren gebruiken naar +je eigen wil, en de verbeelding knotten die je anders over 't hoofd +groeien zou. Er zyn wysgeeren geweest, die beweerd hebben dat het +leven 'n droom is. Wat ze daarmee eigenlyk bedoelden, is me niet zeer +helder. Die uitspraak-zelf komt me droomerig voor. Misschien vergis +ik me hierin, doch wel durf ik met zekerheid zeggen dat droomen geen +leven is. Begryp je dit? + +Wouter knikte toestemmend. + +--De ware verhevenheid, ging Holsma voort, is dat men doet wat +men doen moet, zelfs 't geringe. Wat zou je zeggen van ridders die +zich op den kop lieten slaan door vagebonden, omdat hun riddereer +niet toeliet zulk kanalje ten-onder te brengen? Zou je dit niet +'n onbruikbare ridderschap vinden? Je gaat nu in den handel? Kom +my over 'n maand eens vertellen of je woord gehouden, en altyd je +naast-byliggende plicht vervuld hebt? Dan zullen we verder zien, +maar... dàt eerst! Zal je 't doen? + +--O zeker, zeker! Maar... m'nheer, mag ik u nu vragen naar... + +--Naar Femke? Wel, dat is 'n best meisjen, 'n heel braaf kind, en +'n nichtje van me. + +--Maar hoe dan te begrypen wat ze daar kwam doen? En hoe ze... + +--Die dame in de komedie was Femke niet. Dat was prinses Erika. We +wilden haar zien, omdat haar voorouders aan de onzen verwant +waren. Hierin is niets byzonders, kereltje! + +--Een wezenlyke prinses? + +--Ja, en Fem is 'n wezenlyk waschmeisje. We willen hopen dat die +Erika even degelyk van karakter is als zy. Maar, jongen, hecht +toch aan zulke dingen zoo'n gewicht niet. Men ziet dat afwyken +van familievertakkingen dagelyks. Of, al ziet men 't niet, het +is zoo. Er moet 'n tyd geweest zyn dat Erika's voorouders zich in +beestenvellen kleedden, en de mynen ook. De vraag is, of zy 't weet +dat ze hier te-lande stamverwanten heeft? Dat wy 't weten... nu ja, m'n +broer Sybrand schept genoegen in 't opsporen der overeenstemming van +schynbare tegenstellingen. Ook in taal... dit heb je by 't kippenhok +gehoord. Wel beschouwd, is de wereld veel kleiner dan je meent: alles +raakt elkaar! Wie weet of 't niet invloed heeft op de Geschiedenis, +dat je morgen by die heeren... hoe heeten ze ook? + +--Ouwetyd en Kopperlith, m'nheer. + +...dat je by de heeren Ouwetyd en Kopperlith den handel gaat +leeren. Welnu, wereldhistorisch of niet, doe daar je naast-byliggende +plicht! Dit is nu de ridderlyke taak die ik je opdraag... als je naar +me luisteren wilt. Zal je 't doen? + +--Heusch, m'nheer! Maar... Femke? + +--Daar heb je 't al! Ze heeft niets met je naast-byliggende plicht +te maken. De eenige dame die je voor 't oogenblik dienen moogt, +is... nu, wie? + +--De... handel? + +--Juist! Wil je nu volstrekt iets van Femke weten... welnu, zy zegt +ook dat je je niet met haar bemoeien moogt, en aan niets moet denken +dan aan je werk... + +--O, ik zàl, ik zàl! + +--Nog wel tien jaren lang. + +--Tien jaren? Tien? + +--Ja, zóó zei ze toen ik haar vertelde dat je nog zoo weinig wist, +en zoo weinig kon. + +--Tien jaren? + +--Nu ja, zóó zei ze. Misschien acht, of... twaalf, of... twintig, want +je begrypt wel dat men zoo-iets niet zoo héél nauwkeurig kan bepalen. + +--Tien jaren? + +--Zóó zei ze. + +--Ik zàl! + +--Heel goed, m'n jongen. 't Zal my genoegen doen, en... háár ook. Begin +er dus spoedig mee, en dring je niet op, dat het zoo byzonder moeielyk +is. Dat maakt zenuwachtig. Duizenden zyn voor tien jaar begonnen +met wat u morgen te doen staat, en... ze leven nog! Je ziet dus wel +dat het kàn. Bovendien, denk nu voorloopig maar alleen aan de eerste +maand. Zoo breek je den tyd. Over 'n week of vyf wacht ik je hier. Dan +zullen we verder zien. + +Na nog eenmaal beloofd te hebben dat-i "alle gekheid" uit z'n +gedachten zetten wou, nam Wouter voor dien dag afscheid. Maar hy +bewaarde z'n rozeknopjes, al was 't hem niet helder of de vereering +van deze reliek--het eenige wat hem uit de afgeloopen driedaagsche +stormperiode overbleef--'n prinses gold, of 'n bleekmeisjen, of beiden, +of de kleine Sietske Holsma, of 't portret uit de zykamer, of z'n +ideaal dat hyzelf samentooverde door 't onwillekeurig ineensmelten +van al deze beelden tegelyk. Om zyn aan Holsma gegeven woord gestand +te doen, verbood hy zich alle onderzoek dienaangaande, en drong met +heldhaftigheid z'n aandoeningen terug. Het blyft de vraag, of-i +tot helderheid en zelfkennis zou geraakt zyn, wanneer hy hierin +niet geslaagd was? Wie zegt ons of niet misschien de indrukken die +hy meende te hebben opgevangen van buiten-af, de afspiegeling waren +van z'n eigen gemoed? Om dezen twyfel begrypelyk te vinden, heeft men +zich slechts aftevragen, of z'n fantazie werkeloos zou gebleven zyn, +indien hy al die voorwerpen niet ontmoet had? Ik acht deze opmerking +hierom niet zonder gewicht, wyl ik aan de gewaarwording die Wouter +beheerschte, nog altyd den naam van liefde niet geven durf. Dat een der +meest karakteristieke kenmerken van het beminnen, de zucht om goed te +zyn hem niet ontbrak, is waar. Doch deze neiging had zich reeds veel +vroeger in eigenaardige overdrevenheid by hem geopenbaard, waaruit +dan ook, lang voor hy Femken ontmoette, z'n overspannen eerzucht en +de daarby behoorende hoogmoed waren voortgesproten. + +Onder de aandoeningen die hy na 't gesprek met Holsma moest +terugdringen, speelde de nieuwsgierigheid naar de oplossing der +verschillende wyzen waarop Femke zich aan hem vertoond had, maar +'n zeer ondergeschikte rol. Dit schynt te vreemder, omdat hy aan de +door Holsma gegeven verklaring geen geloof sloeg. Hy bleef er by, +dat het meisje in den schouwburg wel inderdaad de persoon was geweest +die men tot-nog-toe Femke genoemd had, en schreef Holsma's verzekering +óf aan dwaling toe, óf aan de zucht om hem tot kalmte te brengen. Hy +beweerde meer van dat meisje te weten dan den dokter kon bekend zyn, +die haar niet in die herberg gezien had! Dat ze zich kon voordoen +als prinses, kwam hem volstrekt niet vreemd voor. Het was eer te +verwonderen, meende hy, dat ze de goedheid had, zich nu-en-dan te +vertoonen als kindermeisjen of als dochter van 'n waschvrouw. Een +prinses? Wel mogelyk! Waarom niet? Dat meisjen op die tafel zou niet +Femke geweest zyn? Ook niet die verschyning in den schouwburg? Heel +natuurlyk, en geheel in overeenstemming met de hoogte waarop hy +altyd het voorgewende bleekmeisje geplaatst had? Als dat niet Femke +was, dan kon zeer goed het meisje dat hy tot nog toe Femke noemde, +eens-vooral prinses wezen. Deze verandering was zoo groot niet, +of liever... 't was er geen. Als 'n bliksem schoot hem nu ook de +indruk door de ziel, dien het schrikwekkend bellen van juffrouw Laps +dien vrydagavond op hem gemaakt had. Toen immers reeds vroeg hy zich +af, of daar misschien prinses Erika was, die kwam ruilen? Er bleek +nu, dat ze dit reeds voorlang gedaan had! Dat er in dit alles iets +geheimzinnigs lag, ontveinsde Wouter zich niet, maar dit geheimzinnige +kwam zoo juist overeen met z'n droomen en luchtbeelden, dat het hem +meer bevredigde dan ooit nuchtere waarheid zou hebben kunnen doen. Hy +was evenmin nieuwsgierig als de velen die na de lezing van Genesis, +nu eens-vooral meenen te weten: "waar alles vandaan gekomen is" en +geen lust hebben in 'n onderzoek dat hun die genoegelyke zekerwetery +zou kunnen kosten. Hierin zal dan ook wel de oorzaak liggen, dat voor +zekere gemoederen slechts de fabel 't kenmerk van de waarheid draagt. + +Gelyk de Mensheid in voorhistorische tyden, was Wouter nog altyd +ontvankelyk voor 't buitengewone, voor 't wonderbare, voor 't +onrnogelyke. Wie hem verzekerd had dat Femke onderworpen was aan gewone +aandoeningen, zou niet zoo zeker op geloof hebben kunnen rekenen, +als de dichter die haar tot onderwerp had gekozen van de wildste +fantazie. Wanneer hy haar had te spreken gekregen, zou er aan ànderen +die 't onderhoud bywoonden, gebleken zyn dat zyzelf in dit opzicht +hooger stond, maar of 't hèm gebleken ware, blyft de vraag. Elke +uiting van haar eenvoudig gezond verstand zou hy hebben opgenomen +als neerbuiging om-zynentwil, als 'n poging om 'n taal te spreken die +verstaanbaar was voor... menschen of burgerjongetjes. "Ze houdt zich +zoo om my niet afteschrikken" zou hy dan gedacht hebben. Inhoeverre er +by dit alles invloed werd uitgeoefend door de byna geheel uitgewischte +herinnering aan de Fancy-verschyning, is moeielyk te bepalen. Wel +was de indruk daarvan niet meer te herkennen, doch misschien deden +zich nog altyd de gevolgen van dien indruk eenigszins gelden. Z'n +geest was eenmaal zekeren weg opgestuwd, en in deze richting ging +hy voort, al was dan ook 't punt van uitgang sedert lang uit het +oog verloren. Ook deze byzonderheid is op de Geschiedenis van 't +Menschdom ten-volle van toepassing. Wy werpen de fabels weg, waarmee +ons Geslacht in z'n kindsheid werd vermaakt, we schamen ons over +'t geloof aan de spokery waarmee het bedrogen werd, maar... blyven +gebukt gaan onder de gevolgen der onnoozelheid van vorige geslachten. + +Wouter vroeg niet meer: "zou zy 't zusje wezen, dat ik +zoek?" maar de behoefte aan ineensmelting met 'n wezen, dat hy +wilde toebehooren--in-verband altyd met z'n zucht naar kennis en +stryd--bleef bestaan. En alweder werkte de onbewustheid van deze +neiging bevredigend op z'n begeerte om de vele byzaken die hy niet +begreep, eens eindelyk opgehelderd te zien. In al het vreemde dat +hem de laatste dagen overkomen was, vond hy evenzeer aanleiding om +zich aftevragen: "wat wàs er toch?" als om zich toeteroepen: "zeker, +zeker, zóó is het! Juist wat ik altyd meende!" Dat mysterieuze-zelf +was juist de voldoening die hy zocht, en... dus nog altyd 'n blyk +van z'n onrypheid. Zyn aandoeningen waren hem als 'n bewogen water +waarin de onvolwassen ziel de Nixen ziet spelen, die ze zien wil, hoe +onbestemder van omtrek, hoe weifelender van lynen, hoe liever. Naar +juister teekening, naar meer duidelykheid, haakt die ziel niet... er +mocht eens blyken dat ze zich slechts gespiegeld had in de rimpeling +van den door haarzelf in roering gebrachten vloed! + +Was Femke géén prinses? Was prinses Erika niet--uit weeldeliefhebbery +dan--'n waschmeisje? Eilieve, misschien ook was dat heerlyk standbeeld +op die tafel, noch de een noch de ander... 'n derde verschyning +dus! Drie? 't Is te weinig! Millioenen beelden van dien aard waren +niet te veel om, saamgevat in één totaal-gedachte, de begeerte te +bevredigen van 'n gemoed dat, slechts ontluikend nog, niet Femke +beminde, maar... de Liefde! Waarlyk, de knaap had nog veel te leeren, +en waarschynlyk waren op deze behoefte, de raadgevingen van z'n +menschkundigen vriend gegrond. Het schynt wel, dat Holsma inzag hoe +Wouter vóór alles moest kennismaken met het àllerlaagste, om allengs +opteklimmen tot de Poëzie der Werkelykheid die zooveel hooger staat +dan liefelyk-bontgekleurde--maar kinderachtige, onvoedzame en dus +verderfelyke--droomery! + +Hoe dit zy, even als hyzelf, dalen we voor eenigen tyd naar +lager sferen. Het hoofdkwartier van de Mensheid is nu eenmaal +gelykvloers. Vandaar gaan wy altyd uit, dáárheen keeren wy altyd +terug. Het is al wel, wanneer we niet verleerd hebben van-tyd tot-tyd +ons te vermeien in wat vlucht. Hopen wy dat de lust en de kracht ons +niet begeven, die uitspanning te hervatten. Er bestaat dan tevens +kans, nader kennis te maken met prinses Erika, by welke gelegenheid +we misschien te weten komen dat aristokratie van verstand en hart niet +uitsluitend behoeft gezocht te worden in de... lagere standen, zooals +sommige romanschryvers--hofmakend aan 't gemeen--weleens voorgeven +te gelooven. Reeds nu durf ik verzekeren dat ze wel degelyk "van de +familie" was, en wel in veel hooger zin nog, dan oom Sybrand weten kon. + +Voor 't ons vergund is nader kennis met haar te maken, hebben +we--precies weer als Wouter zelf--vervelender dingen te behandelen. Zóó +immers moet m'n geschiedenisje geschreven worden, op-straffe van niet +op 't leven te gelyken, wat 'n fout wezen zou, 'n groote fout... de +gewone! + + + + + + + + Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare + halsboorden. Non omnibus licet... zonder de minste toespeling + op Corinthe. + + +Fancy's luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van +byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk +uitgenoodigd z'n verwachting op de leest van het dagelyksche te +schoeien. + +De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger aan, +dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde dan +'t meerendeel van z'n medemenschen, maar uit onrust. Hy had weinig of +niet geslapen, en verliet z'n bedstee zoodra 't licht werd, drie volle +uren alzoo voor-i zich had aantemelden op 't kantoor van de heeren +Ouwetyd & Kopperlith. Wat z'n diligentie in dit opzicht aangaat kon dus +dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in +de plichten die onmiddellyk vóór hem lagen, met ter-zydestelling van +utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. Maar hyzelf +zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook, +en vooral, zich uitsluitend bezig-houden met het dagelyksche, maar +juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was, +voerde hy 'n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare neiging +tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan de lezer, +die na al 't vorige wel evenveel moeite hebben zal als Wouter-zelf, +om belangtestellen in 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. + +--Zeker, zeker, dacht hy--nu-en-dan overluid--ik zal braaf oppassen, +en terdeeg m'n best doen, en werken tot ik moê ben, en zorgen dat +ieder tevreden over my is, maar... zou ik nu daarom niet eerst Femke +eens mogen spreken? Zou dàt nu oorzaak kunnen zyn, dat ik m'n plicht +in den handel verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet +waar ze m'n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet +vragen aan Vrouw Claus, wie haar in 't hoofd gezet heeft dat ik op 'n +paard reed? En dat ik 'n sabel op-zy had... 'n kleintje, zei ze. Nu, +klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze 'r aan? + +En... dat Stakkervrouwtje? + +En... dat portret! + +Ik wil en zàl denken aan m'n werk, alleen aan m'n werk, en aan +de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun kantoor, +en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den +heelen "Strabbe" en moeielyker dan van Strabbe, zullen de sommen +op zoo'n kantoor toch wel niet wezen, denk ik. En al was dit zoo, +dan zal ik... neen, neen, moeielyker dan van Strabbe zyn de sommen +op zoo'n kantoor zeker niet! Zouden nu zulke heeren-zelf ook den +heelen Strabbe doorgewerkt hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord +toen ze jong waren. Dat ik de eerste ben geworden by Pennewip, heb ik +aan Femke te danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik +'t knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o, +in lang niet! Later... ja, toen ik 't geworden was om haar pleizier +te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas +beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of +veel langer nog, aan niets mag denken dan aan m'n werk! Alle Grieken +zullen vermoord zyn, voor ik 'n wezenlyke man ben. En... Femke zal +trouwen met 'n matroos, of 'n timmerman, of... met 'n schipper die +'n bonte muts draagt, of... met 'n prins, als ze wil! + +Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och, +hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat +ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in +zoo'n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... zóó! En in +de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy +vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heele Scylla was +niets dat uit de verte halen kon by háár. Dit zal de keizer ook wel +begrepen hebben, en dáárom heeft hy haar gegroet. + +Zoodra ik heelemaal groot ben--ik meen: als ik den handel versta, +want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat zàl +ik!--nu, later dan, wil ik ook eens 'n treurspel maken, en zóó dat +ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en 't Volk, +en allemaal! Ik zal er iets inbrengen van 'n geroofd schild, en +... Femke zal het terugbrengen ... zy, of ik, of ... wy samen. Ja, +zóó zal 't wezen, juist andersom dan in Scylla. En ik wou m'n stuk wat +minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek +houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen +dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. En telkens wist ik wat er +volgen zou, want als de een wat zei van z'n hart, vertelde terstond +'n ander iets over z'n smart. 'n Enkele keer hindert het niet, maar +op-den-duur is 't heel vervelend. Dat zei dan ook die Focus: weerhou +die redenen, prinses, die my vervelen. Ik geloof niet dat 'n grieksche +held ooit zoo iets kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen +mee dat z'n beminde voor hem stierf--ik zou 't ook niet toestaan--dat +was geen reden om haar zoo onvriendelyk toetespreken. Misschien was +'t weer om 't rym. Daarom zal ik niet rymen in m'n treurspel. Niet +altyd, tenminste. Als ik nu maar lang genoeg leef om zoo-iets te +mogen beproeven, en als zy maar niet vóór dien tyd ... + + + Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft, + My weglokt van de taak die op me rust. + Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel, + En tracht me wegtestelen van m'n plicht ... + Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heen + Omdat ik altyd nog mezelf niet ben, + En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet, + U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept. + En stom, als 't hart me berst van drang tot uiting. + Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog, + Die leeren moet, en leeren, altyd leeren, + En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ... + + +--Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op? + +--Hm ... ja ... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy verlegen. Ik +was opgestaan omdat het zoo warm was in 't bed, en ... en ... dáár +sprak ik over! + +Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds +gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets +anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Zóó had de dokter gezegd! + +En nogeens dwaalden z'n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw +Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte +zich. En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner +schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z'n Strabbe. Met dat boek +bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van 't ontbyt. + + + +Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag, +en was mild in 't uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop Wouter +zich in z'n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy moest vooral +heel fatsoenlyk wezen, en door z'n gedrag de heeren opwekken tot +het besef der goede hoedanigheden van z'n moeder. Ook was 't niet +kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma's op den Kolveniersburgwal +gelogeerd had, en dat de schoenen van z'n vader ... + +--Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op z'n tyd op +'t kantoor wezen. Daar houden zulke menschen van. + +--Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En als +ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel +risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je +boordje, en dat stáát niet voor 'n jongen die al op 'n kantoor is. + +Dat boordje--amsterdamismus voor: halskraag--had 'n groote rol +gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De +belangstellende lezer herinnert zich zeker 't jukkraagje, waaronder +Wouter gebukt ging toen we 't eerst kennis met hem maakten in de +Hartenstraat. Door 'n verdrietige gaping in m'n archief--daarvan +zullen zich méér sporen vertoonen, helaas!--ben ik niet in-staat +met juistheid al de overgangen te schetsen, die in dit opzicht de +toenmalige periode scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik +dat de opstaande boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar +"den handel" 'n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der fondamenten +van juffrouw Pietersen's hoop. En ook Wouter-zelf dacht niet gering +over deze verandering. De twee plankstyve linnen lappen die z'n wangen +bedykten, maakten op hem 'n dubbelen indruk. Eerst en voornamelyk +dien van 'n toga virilis. Vervolgens 'n paar roode streepen, die den +weg wezen van z'n mondhoeken naar z'n ooren. Hy was er grootsch op, +en reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femke ontmoet hebben. Wie +styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand +zou dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde, +en dus beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen +omtegaan. Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid 'n lastige +keerzy hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich +uit zien om z'n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem 'n zot +voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar +'t was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de +niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst +moest winnen van z'n nieuwe chefs. Dus: + +--Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en links, +'n Mensen moet vóór zich kyken. Je kunt er vast op aan, dat zulke +heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met je nieuwe boordjes--'t +zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet er nu niet toe, wat zeg jy, +Trui?--je moet je niet aanstellen als 'n wilde. + +Van wildheid was geen spraak, toen Wouter 'n kwartiertje na deze +laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op +de Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch, +helaas, 't scheen wel of reeds z'n eerste aanraking met die firma 'n +misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich--niet zeer oprecht +uitlokkend, maar bruikbaar toch--den bezoeker aan. Een dubbele +glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve beneden +de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf 'n "opgaande stoep" +gelegenheid om doortedringen tot 'n soort van bel-étage. Wouter, +vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg 't geschiktste, en met niet +zeer flink gestrekte knieën besteeg hy de acht of tien trappen. Op +'t bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men +mocht het eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde +hy door 't venster van de "zykamer" het gelaat eener bejaarde +dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z'n +figuurtje scheen te monsteren. 't Scheen wel dat ze hem de stoep +wou afkyken. Wouter had er 'n pynlyk gevoel van, en maakte zich zoo +klein mogelyk. 't Is niet ieder gegeven, en vooral niet iemand die +z'n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder angst, op de stoep +te staan van 'n huis op de Keizersgracht! Met genoegen ware onze held +hard weggeloopen, maar... wat dàn? Bovendien, hy had geen militairen +rang, en moest dus stáán blyven onder bereik van 't geschut uit die +zykamer. Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met een vinnigen blik, +en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan +háár paleis. De martelende inspektie duurde lang, zóó lang dat Wouter +ernstig begon te denken, óf aan den aftocht, óf aan 't herhalen van z'n +klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was 'n moed +noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben zou, +doch gewis op dit oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat baatte +hem nu Holsma's heerlyk voorschrift om altyd flink z'n naastbyliggenden +plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die +stoep? In 's hemelsnaam: hy wachtte! + +Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannen en +place, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, moeielyk te +genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht respekteeren +zich zeer, waarin ik dan ook 't heel eenig kenmerk vind, dat hen +uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te beweren dat +ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. Wat +overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren +om ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z'n hoede is, +wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die de Natuurlyke +Historie der Kleinstädterei tot onderwerp van hun studien kozen, +verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden afgericht op +'t inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de ongelukkigen die +door 'n gram noodlot veroordeeld werden zich daaraan bloottestellen, +zeer lang wachten op 't openen van de huisdeur. Het schynt dat de +ad hoc dienstdoende keukenmeid, door een tot de uiterste grenzen der +mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker in den waan moet brengen, òf +dat het huis zoo byzonder groot is, of dat haar bezigheden onafbrekelyk +zyn omdat ze zoo byzonder veel te koken heeft. Bedoelde auteurs +schryven dezen diepzinnigen gedragsregel op rekening van zekere jacht +naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik die jacht loochenen zou, +maar de aanzienlykheid draagt in myn mond 'n heel anderen naam. Ze +komt my--met het oog op de van dit woord in m'n vorigen bundel gegeven +definitie--ploertig voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje +voorloopig overgeleverd. Hy wachtte met heldhaftig geduld. Heel +eindelyk werd de deur door 'n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend, +doch maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om +Wouter toetesnauwen: + +--Wat mòtje? Mot je by mefrôô weesse? Wa's je booschap? Je skelt +huis, jonge! Ik ken niet f'r jou plessier den heelen dag de skel +naloope. Waarom skel je huis? + +By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. Maar: +"je skelt huis"... wat is dàt? + +--Of skel je keuke? + +Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee +belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren +door de benamingen "keuken" en "huis." Wie groente, vleesch, +boter, of melk kwamen brengen, moest zich melden door middel van de +keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op toegang +tot het salon--'n ding dat er in zekeren zin niet was, gelyk we zien +zullen--mochten zich aanmatigen de zeer pretentieuze huisschel in +beweging te brengen. Wouter die noch viktualie kwam brengen, noch +z'n opwachting maken wilde aan "mevrouw"--zou zy 't wezen, die zoo +onlieftallig door 't venster van de zykamer gegluurd had?--Wouter +erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet wist waar-i wezen +moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer Pieterse was, +toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde naar z'n +identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet. + +Door m'n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken +tot 'n overdryving die zeer te betreuren is. Herhaaldelyk sprak +ik van 'n deur, en... die geopend. Een klein beetje maar, heel +eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! dit nu was +de waarheid, maar... een deur? Vervloekte hyperbolen: 't was 'n +halve! De huisdeur waarachter 'n rechtgeaard Amsterdammer z'n vrouw, +z'n effekten en z'n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte +in tweeën geknipt. De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd +zyn, voor men hem door 't openen van de onderste helft, den toegang +vry laat. De zeer letterlyk-exklusieve strekking dezer byzonderheid +ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer men ze +in-verband brengt met de tallooze hekjes en afsluitingen die elken +voorbyganger schynen toeteroepen: "myn huis, je komt er niet in!" En +nog zyn er gevoellooze bedillers, die 't den Amsterdammer van zulk +gehalte kwalyk nemen dat-i, by zoo'n benauwde levensopvatting in den +regel 'n dom schepsel blyft! Die onbillykheid is niet uittestaan. + +En nog altyd spionneerde die leelyke dikke dame door 't venster +van de zykamer. 't Kwam Wouter voor, dat zy iets hem betreffende +meedeelde aan iemand die in haar gezelschap was. Een heer van minder +dan middelbaren leeftyd, boog over haar heen naar 't venster, en wenkte +Wouter met niet zeer vriendelyk gebaar, dat-i de stoep verlaten, en +beneden aanschellen zou. Goddank, nu wist onze kandidaat-handelsman +ten-minste iets. Allerbeleefdst nam-i z'n hoed af, en schoof +blootshoofds eenigszins bukkend dat dreigende venster voorby, en de +stoep af. Inderdaad, beneden by de dubbele glasdeur was ook 'n bel, +en daarnaast las hy 't woord: magazyn. + +Hier zal ik moeten wezen, dacht hy. Kantoor en magazyn zal wel zoo +omstreeks 'tzelfde zyn. En hy belde. + +De persoon die belast was met het "naloopen" van deze schel, zou alweer +zeer gevoegelyk kunnen doorgaan voor 'n kurator of superintendent +van 't respekt. Hy gaf Wouter veel tyd tot meditatie, vooral over +den tekst hoe moeielyk het is integaan tot den huize Kopperlith. Of +onze expektant-handelsridder behoorlyk gebruik maakte van de zoo +gul aangeboden gelegenheid tot ontwikkeling van z'n denkvermogen, +is te betwyfelen. Bovendien, hy werd gestoord. Men tikte--en op den +klank af geoordeeld, eenigszins toornig--tegen 'n glasruit van de +zykamer. Wouter stapte een tred achteruit, en zag naar boven. De +m'nheer van zoo-even beduidde hem met driftige bewegingen, dat-i +nogeens moest aanbellen, en wat harder. Wouter bedankte door +het afnemen van z'n hoed--had niet z'n moeder hem vóór alles, +fatsoenlykheid aangeprezen?--en hy waagde nu 'n harder trekje, dat +nog al tyd niet terstond door 't openen van de deur gevolgd werd. Het +scheen wel dat de Cerberus van 't "magazyn" 'n zeer hoog denkbeeld +koesterde van 't respekt dat de heeren Ouwetyd & Kopperlith noodig +hadden. De man overdreef z'n yver. Dit begon zelfs de heer in de +zykamer intezien, die alweer tikte, en wenkte: "schel nògeens voor den +drommel!" met 'n uitdrukking alsof Wouter 't helpen kon dat er niemand +kwam. Hy voelde heel duidelyk hoe de ware fatsoenlykheid voorschreef, +vergeving te vragen dat men hem zoolang wachten liet. + +Intusschen gluurde hy door de glasdeur, en wierp nieuwsgierige blikken +in 't "magazyn." Het was een van die lokalen welker afmetingen +men gewoon is uittedrukken door de dichterlyke vergelyking met +'n pypelâ. Eenigszins in afwyking van de bekende omschryving in de +meetkunst, verheugde zich de hier bedoelde ruimte in de eigenschappen +van lengte, breedte en... laagte. De breedte was met die van 't +huis gelyk. De lengte werd aan de voorzy begrensd door de reeds +bekende glasdeuren, die in haar poging om wat licht doortelaten, +werden bygestaan door 't schuins hoekje venster dat z'n hypothenuze +gemeen had met de stoep, en bovendien door 'n ander raampje dat aan +de vóórzy van die stoep aan de straat uitkwam. Het hokje dat door dit +venstertje z'n licht ontving, heette "het kantoortje" in tegenstelling +van 't "kantoor" dat we straks zullen te zien krygen. Wat overigens +de "laagte" van 't magazyn aangaat, deze benaming is zoowel gegrond +op de zeer geringe afmeting van den opstand, als op 't peil van den +vloer. Een volwassen man kon met z'n opgeheven hand de zoldering +bereiken, en de bodem lag 'n voet of drie beneden den beganen +grond. Hy verhief zich niet verder boven de riolen die in de gracht +uitliepen, dan juist voor de bewoners noodig was om niet te worden +meeweggespoeld met de vuiligheid. Wat de verlichting aangaat, men +begrypt dat het weinige glaswerk aan de voorzy, niet àl 't werk alleen +kon doen. Ongeveer op één derde van de lengte, hield het binnenkruipend +licht op. Wie evenwel scherp van gezicht en rechtvaardig was, moest +erkennen dat-i, heenborende door de duisternis van 't midden, vry +duidelyk kon bemerken dat de bouwmeester gepoogd had ook aan den +achterkant iets te laten binnendringen dat naar vermindering van +duisternis geleek. Daar namelyk was door vriendelyke bemiddeling +van 'n boven de zoldering van 't magazyn gelegen binnenplaatsje, +iets te zien dat niet volstrekt zwart kon genoemd worden. Hoe de +venstersoort heette, die dit wonder te-weeg bracht, weet ik niet +recht. Een lantaarn, of 'n koek-koek, of zoo-iets. Er is altyd wat +armoedigs in zulke bouwkunstige meesterstukken. Ze geven getuigenis +van bekrompenheid--in alle beteekenissen! + +Voor-zoover Wouter's blikken in 't magazyn konden doordringen, bemerkte +hy dat de langsche, middelruimte was ingenomen door 'n breede tafel, +waarop stapels lynwaad gerangschikt lagen. Ook rechts en links langs +de muren waren zulke koopmanschappen opgestapeld, zoodat slechts 'n +nauwe doorgang aan weerszyden van die lange tafel overbleef. Alleen +aan 't vooreind, tusschen 't "kantoortjen" en de glasdeur, was eenige +ruimte overgelaten, waar 'n meubel op schragen stond, dat hy later +leerde kennen en waardeeren als "de paktafel." + +Waarlyk, er begon kans te komen, dat de deur tenlaatste zou geopend +worden. Dat Wouter eindelyk in een der gangetjes iemand naderen +zag, zou wat veel beweerd zyn, en alweer aan sommige kunstrechters +die in polemiek op hun gemak gesteld zyn, gelegenheid geven tot de +bakerlyke aanklacht van overdryving. Neen, Wouter zag niets in die +duisternis, maar wel kwam 't hem voor, dat de duisternis zelf zich +begon te bewegen. Er schoof iets zwarts over den zwarten grond. En +dat zwarte werd--zonder overyling altyd--wat bruiner en gryzer +en lichter ... waarachtig, er naderde een menschelyk wezen. Heel +natuurlyk. Gerrit Sloos kwam de deur openen, en beslofte reeds de +ruimte naast de paktafel. Nog één sekonde, en de slotbrug van het +tooverkasteel zou worden opgehaald. Wat vreemds lag daarin? Voor u en +my niets, lezer, maar Wouter was aan 't versteenen geraakt, en stond +op het punt vasttegroeien in z'n wachtstemming. Alle verwondering over +de moeielykheid om in dat heiligdom doortedringen, was zoo volslagen +geweken, dat hy, nu de deur eindelyk geopend werd, zich niet kon +onthouden van eenige verbazing over het tegendeel. 't Scheelde weinig +of hy had aan Gerrit Sloos gevraagd, of-i zich ook vergiste? In-plaats +daarvan echter, nam hy--voor de hoeveelste maal nu reeds!--z'n hoedjen +af, en Gerrit keek vragend tot hem op. Wouter stotterde iets. + +--Ben jy Pieterse, de jongeheer die hier op 't kantoor komen zou? + +--J...a...a, m'nheer! + +--Zoo? Je hoeft geen m'nheer tegen me te zeggen. Ik hiet Gerrit +... Gerrit Sloos, weetje. Eigenlyk is m'n naam Schlossmann, maar och +... wat heeft 'n mensch aan die moffekuren, niet waar? Daarom zeg ik +maar Sloos, en zoo teeken ik ook, want ... ik ben de knecht, weetje, +de kantoorknecht. Kom maar in! + +Wouter daalde de drie trappen af, die toegang verleenden naar +het hol. Z'n eerste beweging, toen-i naast de paktafel stond, +was 'n onwillekeurige greep naar z'n neus. Want ... de stank was +onverdragelyk. + +--O né, zei Gerrit, als antwoordende op dit welsprekend gebaar. Dat +reukjen is niet van 't magazyn--ik zeg maar kelder, weetje, want zoo +zeien we vroeger toen de ouweheer-zelf nog meedeed--die lucht is van +den kelder niet, maar van de riolen, weetje! + + + Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in 't lyden! + + +--O zoo, zei Wouter, alsof deze opmerking de pestlucht veranderde in +'n geur. O ... zoo! + +--Ja, van de riolen. Daarom ook staat al dat goed daar tegen den muur +op planken, zieje. Als 't den grond raakte, zou 't verrotten. Kom +mee naar 't kantoor. Maar je komt veel te vroeg, want we benne-n-in +den komkommertyd. Dan is er niet veel te doen, dat begryp je-n-ook +wel. Maar hoor eens, je mot niet vóór schellen, aan den kelder--de +jongeheeren zeggen tegenwoordig: magazyn... fransche wind allemaal +... 'n engelsche notting, weetje! Nou, ze hebben 't van dien mallen +Wullekes!--je mot het kantoor ingaan in de Vellestraat. Ik zal 't je +wyzen. Voor vandaag komt het er nou niet op aan, omdat het de eerste +keer is, en omdat je 't niet weet. Je ziet, ik heb je opengedaan ... + +Gelukkig! + +... maar anders, weetje, wie op 't kantoor wezen mot, komt in door +de Vellestraat. 't Is heel makkelyk te vinden ... als je-n-'t maar +eens weet. En daarom zal ik 't je wyzen. Kom maar mee. Maar zet +je hoedjen op. Je hoeft tegen my zoo beleefd niet te wezen, want +ik ben de knecht maar, weetje. De heeren komen straks, zoo tegen +negenen. 't Is komkommertyd, moet je denken. En daarom heb je zoo +lang gewacht voor ik je opendeed. Want ik zat in de keuken, en ik +zei tegen de meid dat zy zou opendoen--in de bovengang, weetje--want +dat het zeker 'n nieuwe aschkarreman was, die nog niet wist waar-i +schellen moest. Maar ze wou niet--'n lui beest is ze!--en ik zei: +'t gaat my niet aan, want we benne-n-in den komkommertyd, en dan +wordt er zoo vroeg niet aan den kelder gescheld door iemand die de +zaken kent. Dat zal jyzelf ook wel te zien krygen, als je hier 'n +tydje geweest bent. Weetje hoe lang ik hier al dien? + +Wouter klaagde zich aan van verzuim. Hoe drommel kon-i zich veroorloven +niet te weten hoe lang Gerrit Sloos reeds in dienst was van Ouwetyd & +Kopperlith? De booswicht stamelde vol schuldbesef dat-i 't niet wist. + +--Nou, raad eens! + +Elk ander zou 'n cyfer genoemd hebben. Wouter was te stipt, te vol +geweten, om aan zeker getal jaren de voorkeur te geven boven 'n ander +getal. Waarom twintig? Waarom dertig? Waarom meer of minder? Hy bleef +er by dat-i 't "heusch" niet wist, en ook geen kans zag het te raden. + +--Zoo? Nou, dan zal ik 't je zeggen. Verléje Pinkster was 't +drie-en-veertig jaar. Wat zeg je dáárvan? + +--Hè! + +--Ja, 't is 'n lange tyd, niet waar? Als je 'r vóór staat, denk je dat +het wat is. En als 't voorby is ... weet je wat het dan is? Niemendal +... 'n engelsche notting! Dat zal je zien, als je-n-'n ouwe kerel +wordt, want nu ben je maar 'n jong borssie. 't Zal me benieuwen of +je-u-'t zult kunnen vinden met Wullekes, met m'nheer Wullekes. Want +tegen hem moet je "m'nheer" zeggen, schoon ik 'm gekend heb zoo kaal +als 'n luis. Toen had-i geen nagels om met permissie ... z'n neus +te snuiten, en hy liep me na als 't horloge van 'n trekschipper die +'n ouwe juffrouw ziet aankomen. Maar nou ... wind, wind, allemaal +wind! En wat is 't? 'n engelsche notting! En z'n vrouw--ook 'n gekkin +van de bovenste plank!--praat altyd over prinsessen die ze-n-eens +gezien heeft. Né, die Wullekes ... wie 'm kent, koopt 'm niet! Nou, +je zal 't zelf zien en ondervinden, als ie tyd van leven hebt. Ieder +moet maar altyd z'n eigen weg gaan, en dat doe-n-ik dan ook. Maar +die Wullekes ... + +Kyk, hier is 't. Tusschen de olievaten moet je door--'t is hier altyd +even smerig, dat komt van 't lekken, want die vaten lekken altyd--maar +eerst moet je door de stokvischbeukery, en als je dat doet. kom je +vanzelf op 't kantoor. + +Wanneer Gerrit Sloos met dit "vanzelf" bedoelde: gemakkelyk, +geleidelyk, zonder omslag, en wat men zou kunnen noemen: op 'n +niet onprettige manier ... 't zy zoo! Over den smaak valt niet te +twisten. Gerrit zal 't maar zoo by-wyze van spreken gezegd hebben. + +Onder 't luisteren naar al deze mededeelingen, had Wouter den +half-onderaardschen weg afgelegd, die van de Keizersgracht naar de +dwarsstraat leidde, waar inen den ingang tot het kantoor van de heeren +Ouwetyd & Kopperlith te zoeken had. Hy prentte die stokvischbeukery en +de gang naast het oliepakhuis diep in z'n geheugen, om zeker te zyn +dat-i nooit weer zou worden overgeleverd aan de spitsroeden die hem +zoo hadden gepynigd aan den voorkant van 't huis. Dat die verheven +stokvisch-industrie en dat oliepakhuis, niets te maken hadden met de +"zaak" waarin Wouter leerling werd, zal de lezer wel begrypen. Er +lag op dat terrein 'n servituut van doorgang, en de stokvischbeuker +moest gedoogen dat er op de deurpost van z'n lokaal 'n ovaal bordje +pronkte met het opschrift: "Ingang naar 't kantoor van Ouwetyd & +Kopperlith." Ook de olieman mocht den doortocht niet versperren, +doch hy nam z'n verplichting zoo nauw op, dat men er gewoonlyk +niet dóór kon zonder 'n paar smeervlekken meetenemen. Juffrouw +Pieterse heeft daarover vaak gekeven, ook Wouter-zelf vond het heel +onaangenaam. Maar... had-i zich dan voorgesteld, met de wereld in +aanraking te kunnen komen zònder bezoedeling? Beste jongen, dat +gaat niet! + + + + + + + + Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor 'n + fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de + handelswereld. Multa tulit! + + +By 't nalezen der laatste helft van 't vorig hoofdstuk, bemerk ik, +'n gedeelte van den weg die van de Vellestraat naar 't "kantoor" +leidde, te hebben overgeslagen. Na 't voorbyworstelen van de +glimmende olievaten, moest men de gang door, langs een achterhuis +van 'n paar verdiepingen hoog, en eindelyk de binnenplaats over, +waarop 't kantoor "uitzag." De lezer die op nauwkeurigheid gesteld +is--anderen zyn me onverschillig--wordt gewaarschuwd deze binnenplaats +niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat licht +meedeelde aan 't magazyn. Tusschen die beide "open-luchtjes" in, +lag 'n groot gedeelte van 't huis, dat lang, smal en hoog was. Na +de ontdekkingsreis geleidde Gerrit onzen Wouter naar 't kantoor, +wees hem daar 'n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot +"de heeren" zouden komen. En, zei de man: + +--Dat zal nog wel 'n uurtje duren, want we zyn in den komkommertyd. En +ik ga m'n kommetje koffi drinken in de keuken. 't Ga je goed, zoolang. + +Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den tabouret +opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde. + +De voorwerpen die z'n aandacht tot zich trokken, waren niet zeer +geschikt om z'n stemming byzonder vroolyk te maken. Het uizicht door de +twee verweerde vensters op de binnenplaats en 't achterhuis, was--op +'t verschil in warmtegraad na--nova-zemblisch: + + + Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... wanden. + Hier houdt geen sterfling 't uit. Hier komt geen Noorman landen. + Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld, + Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt! + + +Meent men dat Tollens ooit die schoone regels had kunnen schryven, +als-i niet door z'n vader was "gedaan" op 'n kantoor in verfwaren? Waar +anders ving z'n oog zulke tinten op van iets droevigs, van 't enge, +benepene, barre, kille? Meent men misschien dat er in 't hooge +Noorden-zelf iets te aanschouwen valt, dat in zielstremmenden invloed +halen kan by zoo'n verblyf? De oude heer Tollens heeft wel geweten +wat-i deed, en 't is waarlyk te verwonderen, dat zyn zoo wèl op z'n +plaats gezette zoon het aanzyn heeft gegeven aan prullen ook. Misschien +werd-i bedorven door 'n bloempotjen op z'n binnenplaats. + +Zoo verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel +voorwerp trok z'n oogen tot zich, dat hem 'n voorwendsel aan de hand +deed om iets anders te denken dan: "in den handel, in den handel, +ik ben hier in den handel!" + +Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken, +naast de onderaardsche gang die naar 't magazyn liep, eenig geruisch te +maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van z'n krukjen, om al +wat er zou binnentreden, met de noodige beleefdheid te groeten. Maar er +kwam niemand, en Wouter besteeg z'n troontje weer. Toch zorgde hy z'n +hoed in de hand te houden, om terstond gereed te zyn tot het aannemen +van 'n groetende pozitie, àls er eens tenlaatste in die onbehagelyke +eenzaamheid iemand te voorschyn kwam. Op den greenenhouten vloer +bemerkte hy indrukken van voetstappen. Dáár glinsterde de gepolyste +moet van 'n rechts-om-keert-beschryvenden hak ... hoe heette ook de +man dien-i had hooren noemen by de Holsma's, de man op dat eiland, +die zoo verschrikte by 't ontwaren van menschelyke voetstappen? Och, +in deze wildernis ... + +Aan den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming +van kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter +verlegen maakten. Daar waren Cognossementen, Fakturen, Vrachtbrieven, +en zelfs: Diverse Nota's. En die opschriften waren omgeven van 'n +gekoperdrukten rand vol bloemen, rankwerk, hoornen van overvloed en +allerlei krullen, welk bywerk beheerscht werd door 'n spiernaakten +Merkurius, die op wolken zat, en heel pedant neerkeek op de epigrafen +en de weelderige arabesken aan den rand. De wolken waren gemerkt O & +K, No ... later in te vullen by eventueel gebruik. + +--Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zoo'n god ook +begonnen zyn met leerlingetjen op 'n kantoor te worden? Hoe leî +men het toch aan in 't oude Griekenland, om iets te worden in de +wereld? O, ik weet wel dat die fabelleer gekheid is, maar de luî die +zulke geschiedenissen uitdachten, moeten zich toch 'n voorstelling +gemaakt hbben van 't begin der zaken. Van wie had die Merkurius +rekenen geleerd? Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen +... kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest ... dàt +geeft dàt, wat geeft dàt? En dan vermenigvuldigen. En dan deelen met +het voorste. En als er breuken zyn ... lastig is 't, nu ja, maar +ik zoek den algemeenen noemer. Ja, ja, ik zal goed m'n best doen, +zooals de dokter gezegd heeft ... + +Daar werd weer gestommeld in de gang. Misschien zette een der meiden +'n "luiwagen" buiten de keuken. Of ze smeet 'n "varken" de deur uit ... + +Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken, en +voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er niemand. Hy +had nog niets "in den handel" verricht, nog geen enkele evenredigheid +opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor 'n heel ristje breuken +tegelyk, en toch ... hy was vermoeid! De klok sloeg al, of pas, +negen. "Reeds" voor iemand die sedert vyf uren worstelde met z'n +gedachten. "Pas" negen uur, voor 'n werkmannetje dat zoo graag wou +uitmunten, èn nu al vóór 't aanvangen van den arbeid, zich geknakt +voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den onbewusten +indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door 't denkbeeld dat z'n +voornaamste werk in rekenen zou bestaan, angstig dat-i niet voldoen +zou--'t was niet te veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen +zich zouden ophouden met makkelyke "sommen"--legde hy zichzelf 'n +tentamen op, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk betrapte +op: zes maal acht is ... drie en 'n kwart, of ... niemendal. "O God, +o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met ... den handel!" + +Elken keer dat een der beelden die 'n rol hadden gespeeld in +de laatstverloopen dagen van z'n leven, zich aan zyn verbeelding +vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch Gooremest, +noch de goede Vrouw Claus ... hy bloosde, en keek Merkurius aan, +die ... ook geen kleeren aan 't lyf had. Wèl ... gekleed of niet, +hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat hooge stoeltjen +om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch aan dat bad by de +put! Weg met dat alles: hy moest in den handel! En, wel beschouwd, hy +wàs er al in. Bevond hy zich niet op 't kantoor van de heeren Ouwetyd +& Kopperlith? Zoud-i niet straks, dienzelfden dag nog, en binnen 'n +kwartier misschien, gereed moeten zyn tot antwoorden op de moeielykste +vragen? Op vragen die den groote Strabbe-zelf in verlegenheid konden +brengen? Och, waarom had Femke hem niet aangeraden de knapste te worden +van de heele wereld? 't Was immers dan in één moeite doorgegaan? Dan +zoud-i nu niet angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd ... noch +tegenover Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith! + +Ja, ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar eisch was +kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem gebaat? Hy +was juist, of ter-nauwernood, 'n klein weinigje bekwamer maar dan +Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet voldoende is in de +wereld, om god des Koophandels te worden, veel minder nog om 't te +brengen tot "patroon" van 'n amsterdamsch "huis." Dat Femke's bedoeling +goed was geweest, wilde hy wel gelooven ... o, zeker! En boos op háár +was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i gaarne ... + +Weg, weg, weg met Femke ... drie maal negen is zeven-en-dertig: o god, +daar is 't weer! Het was om gek te worden. Juist! Zoo begint ... [13] + +Ja, 't was voor 'n ongedisciplineerd verstandjen om krankzinnig +te worden. Gelukkig hoorde Wouter 'n deur toeslaan, en daarop 't +geluid van voetstappen. Maar 't was niet in het huis. Een oud heer +vertoonde zich in 't gangetje naast het achterhuis, en betrad het +plaatsje. De man naderde de achtervensters, gluurde even naar binnen, +als om te zien wie daar al zoo vroeg op 't kantoor was, verdween door +'n glazen deur in de gang, en vertoonde zich weldra binnen de kamer. + +'t Spreekt vanzelf dat Wouter 'n houding had aangenomen, die om +vergeving scheen te smeeken voor z'n existentie. Och, zoo onnoodig! Die +oude magere heer nam 't hem volstrekt niet kwalyk dat-i bestond, +en zelfs niet dat-i dáár was. + +--Houd je gemak, jongeheer. Uwe-n-is zeker de jongeheer Pieterse? Ja, +ja, ik weet er van. Heel goed! Wel, jongeheer, zal uwe hier zoo op +'t kantoor komen? Nu, dat is best! Houd je gemak ... houd je gemak, +en stoor je niet aan my. Ik ben de boekhouder ... + +Wouter had gebukt en gebogen en geknikt, en zich voorgenomen, wanneer-i +eens weer in den handel ging, z'n hoed op 't hoofd te houden ... om +dien te kunnen afnemen als er iemand binnen kwam, gelyk z'n moeder +had voorgeschreven. Want hy voelde dat dit ontbrak aan z'n begroeting +van den heer Dieper. Die vriendelyke oudeheer moest hem wel voor zeer +lomp aanzien. En dit was-i niet, waarlyk niet! Hy had integendeel +'n gevoel van dankbaarheid aan den heer Dieper, die hem zoo minzaam +kwam verlossen uit z'n drukkende eenzaamheid. Om daarvan iets te doen +blyken, bleef hy staan, zelfs toen de gulle boekhouder hem nògeens +had toegevoegd: "houd je gemak, jongeheer ... ik ben de boekhouder." + +En alweer onderzocht Wouter niet, of deze +maatschappelyke-stand-belydenis misschien beduidde: "ga nu maar zitten, +nu! Straks als "de heeren" komen, is 't wat anders!" Deze zin kon door +hem onmogelyk aan Dieper's woorden gehecht worden, omdat in zyn oog, +'n boekhouder ter-nauwernood 'n minder verheven wezen was, dan de +"patroon" zelf. Het verschil tusschen deze beide standpunten ontsnapte +aan z'n waarnemingsvermogen, en hy zou dus--àls-i kon geroepen zyn +tot schatting--hierin dezelfde fout gemaakt hebben als 'n kind dat +verwonderd vraagt, waarom de wolken nooit voorbyschuiven achter de +maan om? + +De uitdrukking van Dieper's gelaat was één doorgaande +vriendelykheid. Hy verdween 'n oogenblik in de alkoof die tegenover de +vensters wand vormde, en kwam weldra terug in boekhouders-uniform, +d. i. in 'n gryzen langen jas die veel beleefd had, en met 'n +zwart kalotjen op z'n witte haren. Want: "soms was er tocht op 't +kantoor." Zoo verzekerde hy aan Wouter, die 'n gebaar maakte alsof +hy deze mededeeling met innige dankbaarheid aannam, en ze vergelden +zou by de eerste gelegenheid ... + +Och, hy had zoo graag dien goeden ouden heer Dieper 'n dienst +gedaan. Hy stelde hem boven Merkurius, en vond dat-i op 'n engel +geleek. + +--Ja, het tocht hier soms. En er niets op de wereld, waarvoor 'n +mensch zoo moet oppassen, als tocht. + +Dat Wouter niet tegensprak, zal de lezer wel gelooven. Maar dit was +niet genoeg, meende hy. Als 'n bliksem vloog hem de gedachte door de +ziel, alle reten van vensters, deur en vloer dicht te plakken, om dien +vriendelyken grysaard te helpen in den stryd tegen zoo'n vreeselyken +vyand. Hoe was 't mogelyk dat de man nog middel had weten te vinden, +grys haar te krygen in zoo'n tochtige wereld? Moest-i niet voor zeer +lang reeds--als zuigeling zelfs--bezweken zyn? Er zyn taaie naturen, +dit weet ik wel, maar wie drommel zou 't den ouden Dieper hebben +aangezien dat-i daartoe behoorde? De man had in z'n voorkomen niets +van 'n held, en vertoonde zich eer als 'n sukkelaar die zich zou +laten omvèr- en wegwaaien door de minste luchtbeweging, dan als de +perpetueele triumphator over al de kamer-orkanen waaraan-i sedert +byna zeventig jaren was blootgesteld geweest, en waarvan-i de spolia +opima in den vorm van "zinkings" in 't hoofd droeg. Want lezer, +daarmee beloont de afgod "Tocht" ieder die hem deemoedig vreest in +onkunde en onnoozelheid. By gelegenheid zal ik eens uitleggen hoe +die bespottelyke eeredienst in de wereld gekomen is. + +"Deemoedig." Dit woord bevalt me, en wanneer ik 't recht had, +de helden en heldinnen van m'n vertelling andere namen te geven, +dan zy in werkelykheid gedragen hebben, zou ik me misschien laten +verlokken aan dezen klank de gelegenheid te ontleenen, om den goeden +boekhouder te kenschetsen met één pennestreek. Wie weet of ik hem +niet: m'nheer Deemoed gedoopt had. Maar ik zou dan 'n dubbele fout +begaan hebben. Want hy heette Dieper. En dit wàs-i ook. + +Na de korte verpoozing die 't binnentreden van den boekhouder onzen +Wouter bezorgd had, brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte +verveling aan. Dieper had 'n yzeren kist geopend, waaruit hy 'n half +dozyn kantoorboeken nam, welke hy eenigszins rangschikte op 't vlakke +middelstuk van 'n dubbele kantoorlessenaar "voor twee personen" ook +wel genaamd: 'n vis-à-vis. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder +plaatsnam, stond 'n gelid enkele lessenaars. En daartegen veroorloofde +zich Wouter even te leunen--geschied is 't!--telkens als-i 'n oogenblik +vergat dat de boekhouder wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper +niet. Hy debiteerde en krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht +op de dingen dezer wereld, die al of niet leunden tegen 'n anderen +lessenaar dan den zynen. + +Tusschen de alkoof en de eigenlyke kern van 't hoofdkwartier des +handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees +tusschen vreemde bezoekers van 't kantoor, en de gelukkigen die +er thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep +kon, opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en +vervulde thans in afhangende houding de niet overbodige funktien van +afleider van Wouter's verveling. Het ding werd in deze eervolle taak +bygestaan door 'n ronde opening in een der hoeken, waarin 'n yzeren +ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den rand der +geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy kon nu op z'n +gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de handels-bestemming van +dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk ... goddank, er gebeurde +iets: Dieper nam 'n snuifje, en Wouter stond als 'n paal. + +--De heeren komen wat laat, jongeheer. + +Voor Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was +op de heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit +de betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over +z'n memoriaal. + +Wel beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan vóór Dieper's +komst. Toen en nu verveelde hy zich, maar zoo-even deed-i niets dan +dat. Thans had-i er nog den angst by, dat Dieper merken zou hoe hy zich +verveelde, want--en deze opmerking geef ik wèl voor nieuw--niemand +verveelt zich zonder schaamte. Men wordt er niet graag op betrapt, +waaruit misschien de gevolgtrekking kan gehaald worden, dat het niet +geoorloofd is zich te vervelen. + +Wouter, byv. had in dien tyd zich kunnen meester maken van wat gladheid +in de vermenigvuldigmgs-tafel tot 20 × 20, of verder nog. Waarom +niet? Maar aan zoo-iets dacht-i niet. Z'n eenige zorg was, geen geluid +te maken, om vooral m'nheer Dieper niet te hinderen. Dit was nu--o +Holsma--z'n meest-nabyliggende plicht. Uit het volle besef hiervan, +hield hy den adem in, met het natuurlyk gevolg dat-i uitberstte in +'n hoestbui. + +Geen oneerbiediger ding dan de Natuur! + +--'n Beetje verkouwen, jongeheer? Ja, ja, dat komt van de warmte. 'n +Mensch moet zich wèl in-acht nemen by heet weer. Ineens kryg je +'t beet, in-ééns! + +'t Was wel wat ondeugend van Fancy, dat ze de prikkeling in +Wouter's keel deed voortduren tot en na de binnenkomst van een der +"heeren." De arme jongen voelde zich genoodzaakt een van z'n patroons +den rug toetekeeren, om hem niet in 't gezicht te hoesten. Dit +bedierf de voorstelling, en bedolf Wouter in een der afgrondjes van +oogenblikkelyke wanhoop, waaraan 't leven zoo ryk is, doch die later +blyken niet veer meer te zyn geweest dan 'n geringe oneffenheid op +ons pad. + +--Gmorge, Dieper! had de binnentredende geroepen. Is Wilkens er +nog niet? + +--Dienaar, jongeheer Eugène, antwoordde de boekhouder. Neen, jongeheer +Eugène, Wilkens is er nog niet. Misschien met stalen uit? Dit is de +jongeheer Pieterse. + +--Zoo? + +Wouter hoestte. + +--Hy moet maar wachten tot Pompile komt ... of Wilkens. + +Wouter knikte, altyd doorhoestend, dat-i met het grootste geduld +wachten zou op m'nheer Pompile of m'nheer Wilkens. + +--Neem 'n glaassie water, jongeheer, vermaande de zoetsappige Dieper. + +--Wel ja, laat 'm 'n glas water drinken, hervatte de jongeheer Eugène +grootmoedig. Dáár staat water, en 'n glas ook. + +Inderdaad! Naast de yzeren kist waarin 's nachts de "boeken" +werden geborgen, stond in 'n donker hoek'jn op 'n stoof, een +verweerde waterkaraf, waarby 'n glas met groezelig oranjekleurig +bezinksel. Wouter dronk 'n paar teugen, en behandelde de daartoe +gebruikte gereedschappen met 'n eerbiedige teederheid, zuiver water +en helder glaswerk waardig. Toen-i eindelyk had uitgehoest, zat de +jongeheer Eugène met breed-uitgestrekte elbogen voor een der enkele +lessenaars in 'n fransch romannetje te lezen. Dat Dieper al weer op +z'n boeken lag, spreekt vanzelf. + +Wouter stond nu by die geldkist en dien stoof, waarop-i netjes en +zonder geruisch de kostbare voorwerpen weer had neergezet. Zonder +zich in 't minst te verroeren wachtte hy op m'nheer Pompile en op +m'nheer Wilkens ... + +Sedert het aanbreken van den dageraad had-i niet ànders gedaan dan +wachten, o Fancy! En gy, hardvochtige, gevoellooze, wreede, gy blaast +hem niet in: loopt allemaal vierkant naar den weerlicht, met je handel? + +Neen! + + + "Er moet veel leeds geleden zyn, + Er moet veel stryds gestreden zyn!" + + +Ik geloof juist niet dat altyd--zooals de goede Kamphuyzen, misschien +om 't rym slechts, beweert--het eind van dat alles: "vrede" wezen +zal. Maar ... zelfgevoel toch, en hoogmoed, en de betrekkelyke kalmte +die de belooning is van 't: + + + Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit! + + +Mochten sommigen meenen dat de beide aangehaalde teksten te deftig zyn, +te ernstig, te klassisch voor de soort van Wouter's tegenspoedjes? Ze +vergissen zich. De zwaarste beproevingen worden ons opgelegd door +nietigheden. Zy overvallen ons dagelyks, telkens, aanhoudend, en +vinden ons meestal ongewapend. Bovendien, er wordt geen eer behaald +in zulken stryd. Mozes en de "Heer" wisten 't wel. Ze plaagden Egypte +niet met tygers, maar met sprinkhanen. + +Dat Wouter leed is waar. Maar z'n stryd beduidde niet veel. We kunnen +in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot wegloopen zou +noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht had om te +blyven, en de plicht te vervullen die 't naast voor de hand lag. Zóó +had Holsma gezegd, en zóó zou 't wezen! + +--Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen, +zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid +in 't uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd +geheven van de artikulatie. + +Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy liep +zeer snel, als om blyk te geven van 'n diligentie die niet precies +overeenstemde met de klok. De klok zal vóór geweest zyn. + +--Dienaar, m'nheer! Dag, Dieper! + +--Gmorge! Dat's de jonge Pieterse. + +--A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei! + +Wilkens was 'n oude gek. Z'n geheel leven was één veroveringstocht +geweest naar deftigheid en gewicht. Daar-i 't op z'n ouden dag niet +verder had gebracht dan tot kantoorbediende en handelsreiziger, kan +de lezer narekenen hoeveel veldslagen de man moet verloren hebben. De +voornaamste ammunitie die hem overbleef, bestond in 'n langgerekt +ae of èèèè, of zooiets. Wie hem van naby kende, was er niet zeer +bevreesd voor, maar nog altyd zagen sommige boeren-winkeliers hoog +op tegen iemand die zoo oneenvoudig spreken kon. En ook Wouter voelde +zich heel klein. + +--Jae, m'nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge mensch maer niet +wachten op m'nheer Pompile? + +De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon beteekenen wat +men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen z'n antwoord te worden opgenomen +door m'nheer Wilkens, die nu op zyn beurt in de alkoof verdween, +en weldra weder voor den dag kwam, gehuld in 'n lange kantoorjas. + +--Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten, +zeide hy, als om zich by z'n jongen patroon over z'n laat-komen te +verontschuldigen. + +Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat +juist even genoeg was om te kennen te geven: "ik heb gehoord wat je +zei." En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast Eugène, +waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En hy deed +inderdaad niets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met 'n deficit +van drie stuivers in de "kleine kas" en pynigde zich met zoeken naar +de oorzaak van die vreeselyke gaping. + +--Maer, m'nheer, kan er ook misschien 'n brief zyn geweest voor +"huishouden?" + +--Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op 'n toon van: "wat kan 't my +schelen!" Ook lag er iets in van: "maak toch zoo'n wind niet met je +oogendienende stiptheid!" + +--Jae ... maer ... + +Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van 't nabootsen der +Wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z'n +lymerige ae's. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich 'n verwaande +kwast uitdrukt, die meermalen in den Haag was geweest en zich de +mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis te leggen: ik ben +'n heer! De reden overigens dat hy, in tegenstelling van Dieper en +den ouden Gerrit, het naast hem zittend individu niet aansprak met +het praedikaat: "jongeheer" lag hierin, dat Eugène reeds nagenoeg +halfwassen was, toen Wilkens hem elf jaar geleden leerde kennen, +terwyl Dieper en de knecht dezen telg van den patroon, en zelfs den +ouderen Pompile, als kind hadden gekend. Toch zouden ook deze twee zich +niet veroorloofd hebben, iets aftedingen op 't volslagen heerschap +van de beide ondergoden, indien niet de oude heer Kopperlith-zelf +hun die vryheid had in den mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn +op maatschappelyke onderscheidingen--altyd slechts in toepassing op +anderen, want zichzelf schatte hy 'n graad of zooveel te hoog--en +noemde de jongelieden: "m'nheer Pompile en m'nheer Eugène" wanneer-i +over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in zyn mond heetten ze, als +vroeger: "jongeheeren" wanneer hy 't woord richtte tot de oudere +lyfstaffieren van den huize. Dat iedereen--op den knecht na--tegenover +Wouter volop: "m'nheer" was, spreekt vanzelf. Of 't waar is dat +men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is 't, +dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen. + +Wilkens becyferde de kolommetjes van z'n "kleine-kas-"boekjen, +en zeide: + +--'t Is ienderdaed verbaezend! + +En we nemen by dezen voor goed afscheid van zyn geblaet. [14] + +--Maar, m'nheer, zouden we nu 't jonge-mensch maar niet aan 't werk +zetten? Misschien komt m'nheer Pompile eerst na de koffi. + +--Wel ja. Ga je gang! + +Wilkens wenkte Wouter tot zich, en na 'n paar gemaakte kuchjes: + +--Ik zou je maar raden hier maar plaats te nemen. Leg je hoed maar +weg ... + +Al deze maren hadden 'n beteekenis. De meegedeelde bevelen kregen +daardoor den rang van zware verlossingen na moeielyke dracht. Het +wegleggen van den hoed beviel Wouter uitstekend, want het langdurig +vastklemmen had hem kramp in de vingers bezorgd. Zeker, als 't bekende +spreekwoord waarheid zegt, had hy meer dan iemand kans geloopen 't +heele land doortereizen, daar hy uren lang met z'n hoofddeksel in de +hand had gestaan. Voor 't oogenblik echter bewoog hy zich niet verder +dan tot den lessenaar nummer drie, tusschen Wilkens en 't venster. + +--Ga maar zitten. En zeg me nu eens of je rekenen kunt? Wat men noemt: +goed rekenen? + +--Ja, m'nheer, riep Wouter met ridderlyken moed, als 'n krygsman die +de trom hoort. O ja, m'nheer! + +Wat hy zich schrap zette tegen ... Strabbe! + +--Wel, wel! Tel dan al die postjes eens op: guldens, stuivers en +penningen. Zestien penningen maken 'n stuiver, zieje, en twintig +stuivers 'n gulden. Dit weetje zeker wel? + +--O ja, m'nheer. + +--Zoo? Weetje dàt! Ei! + +En Wouter, de rekenheld, spande zich zóó in om z'n naastbyliggenden +plicht te doen, en om de teleurstelling over het derogeerende van +'n: "optellingsom" te overwinnen, dat-i glad verkeerd telde. Geen +enkele kolom sloot met de facitten van m'nheer Wilkens. Hy werd zeer +verdrietig, en betrapte zich op heimwee naar ... de twee gevestigde +zaken op den Zeedyk! + +Een heer stapte de binnenplaats over. 't Was m'nheer Pompile, oudste +zoon van den huize, prokuratiehouder en medechef van de firma Ouwetyd +& Kopperlith. + + + + + + + + De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige + bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z'n opleiding in + 't vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in + 'n windblaas. + + +Indien de oude heer Kopperlith, die nog altyd op 'n boven-voorkamer +bezig is met z'n ontbyt en de courant van den dag, doch dien we straks +zullen zien verschynen ... + +... indien de jongeheer Pompile, die driftig, beredderend, jagend en +als gejaagd, het kantoor binnenstuift, en 'n stuk of drie "dag'"s +uitstoot, alsof 't beschuitkruimels waren die hem in de keel +prikkelden ... + +... indien de jongeheer Eugène die daar nog altyd over z'n romannetje +gebukt zit, en in knotwilgstyl z'n: "bsjoer Pompile!" laat glippen ... + +... indien àl de Kopperlith's, als daar zyn: de jongeheer Rodomont, +en de jongeheer Flodoard, en de jongeheer Leon ... + +... indien al die jongeheeren ... met den ouden heer er by, en vooral +de dikke leelyke mevrouw uit de zykamer, en de majestueuze Hersilia, +en "de" juffrouw ... + +... indien ... + +Sakkerloot, lezer, m'n galery wordt te vol! Wat 'n arbeid, al die +portretten afteteekenen! Toch zal ik 't beproeven. Maar eerst dit: +indien ze myn Wouter-geschiedenis onder de oogen kregen en lazen ... + +Maar ze lazen geen hollandsch. Nu dan, indien men hun een fransche +vertaling van m'n werk voorlegde ... zy allen zouden my om den hals +vliegen uit dankbaarheid. Eigenlyk is 't me dus niet onaangenaam +dat hun litterarische ontwikkeling by 't fransch is blyven staan, +en dat de kans op vertaling van m'n werken in dat onwysgeerig idioom, +allergeringst is. Bovendien, al die jonge en oude jongeheeren zyn dood. + +Ja, dankbaar zouden ze wezen, tot krankzinnigheid toe! De lezer is +waarschynlyk begaafd met 'n buitengewone verbeeldingskracht, en ik +wil hem gaarne het dubbele van de gemiddelde burgerlyke intelligentie +toekennen, maar toch betwyfel ik of hy in-staat wezen zou, zich de +aandoening voortestellen van 'n familie die, vele jaren na haar +universeel overlyden, van 'n edelmoedigen schryver drie graden +amsterdamsche hoogheid zoo maar klakkeloos prezent krygt. Want, +al kost het m'n eigenliefde een zwaar offer, al loop ik gevaar den +roem van stiptheid te verkleinen, waarop ik hoogen prys stel ... de +waarheid bovenal: onze Kopperlith's woonden niet op de Keizersgracht, +en patriciërs waren ze niet ... ziedaar! + +De oorzaak van m'n dwaling is niet moeielyk optegeven, maar 'n dwaling +is het. Toen ik, 'n hoofdstuk of wat geleden, met juffrouw Laps +langs den Amstel in de buurt van de Jachthaven pantoffelde, daagde +de oudeheer voor m'n schryversoogen op. Nooit zag ik 'n grysaard met +deftiger voorkomen. Op z'n eenigszins te dikken buik na, vertoonde +hy 't model van 'n genueschen Doge ... uit 'n roman, namelyk. Van +'n sterk geïdealizeerden Marino Falliero ... op 'n schildery. En +ieder groette zoo deemoedig, en ieder fluisterde zoo piepend: +"dat is m'nheer Kopperlith!" dat ik--al te oppervlakkige waarnemer +op dat oogenblik--men bedenke dat m'n aandacht werd afgeleid door +'t kyken naar prinses Erika, die 'r lief uitzag--in 's hemelsnaam, ik +vergiste my, en dacht: die man woont zeker op de Keizersgracht! Waar +ànders? Voor 'n graaf of baron vertoonde hy een te fatsoenlyk +voorkomen. Een ridder uit de middeleeuwen was-i niet, want met zoo'n +zwaarlyvigheid bewoont men geen burgt op 'n rotspiek. Bovendien, z'n +harnas was van zwart laken, heel fyn en glanzig wel, maar ... laken +toch. Een keizer, koning of prins kon hy ook niet wezen, want in-plaats +van hem iets toeteschreeuwen, ging ieder verlegen voor hem uit den weg, +en maakte plaats voor den buik dien-i als 'n marskraampje voor zich +uitdroeg. Wat ànders toch kon ik uit dit alles opmaken, dan dat-i op +de Keizersgracht woonde? Tot overmaat van verontschuldiging, beroep +ik my op 't publiek in de kroeg van Vrouw Gooremest. De lezer was +er zelf by, en kan dus getuigen hoe al die bevoegde personen in myn +dwaling deelden. Klaas Verlaan en z'n kornuiten waren òf Amsterdammers +van ouder tot ouder, òf althans Noord-hollanders, en wanneer zulke +autoriteiten zich vergissen, mag men het den armen schryver die deze +eer niet heeft, niet zoo heel erg ten-kwade duiden dat hy in z'n +rangbepaling 'n paar straten of grachten uit den koers dwaalt. + +Hoe dit zy, 'n vergissing wàs het. En heel bedroefd ben ik er +niet over, omdat ze my zoo-even de gelegenheid verschafte zekeren +oudheidskenner die m'n integriteit kwam aantasten, en meende my +omvèr te gooien met 'n adresboek van 't jaar zooveel, de verheven +uitdrukking naar 't hoofd te werpen: + +"Indien de Kopperlith's niet woonden op de Keizersgracht, m'n-heer +... dan, m'nheer, dan ... welnu, m'nheer, dan hadden ze verdiend te +wonen op de Keizersgracht, m'nheer!" + +En daarby blyft het ... verhuizen laat ik ze niet! Ik heb alzoo in +'t vervolg van m'n verhaal de ongewone verdienste, twee waarheden +tegelyk te verkondigen. Ze woonden er, en ze woonden er niet. Het +kantoor "ging in" in de Vellestraat, of in 'n andere straat, of ... in +'t geheel geen straat, en dus "op" 'n gracht. En dat de heele familie +'n pronkstuk was van opgeblazen nietigheid, is ook waar. + +"Dat komt er niemendal op aan, hoor ik zingen door 'n peloton +afgestorven zielen, als je maar terdeeg volhoudt dat wy op de +Keizersgracht woonden!" + +Het is deze koorzang die my den moed geeft, m'n topografische dwaling +voltehouden tegen den letterlyken tekst van dat adresboek in. Komaan, +jongeheer Pompile, spreek, laat je hooren en bekyken door ieder die 'n +abonnement kan betalen aan Wouter's boekenman in de Hartenstraat! En +jy ook, jongeheer Eugène! En Hersilia! En Leon! En Rodomont! En +Flodoard! En de rest! Veroorloof me--of niet, naar verkiezing!--u +'n draadjen om den poot te strikken, u te laten vliegen, huppelen +en dood-liggen als 'n meikever. Spreek, Pompile! Ratel en snater, +Pompile, als toen je nog leefde, en al of niet woonde op die fameuze +Keizersgracht! + +--Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag Eugène! Papa nog niet beneden? Hier +zyn de brieven ... een voor huishouden--van Leon, Eugène!--waar is +Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? Weet-i den weg in de stad! Ik +heb veel boodschappen, weetje! Krimp te Rotterdam vraagt twee +wittegrondjes-driekleur--je weet wel, Wilkens, die Victoria-fancies +van Crawfurth-Leeds--maar hy wil dat ouwe krieuweltje met 'n oogjen +... is 't er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel boodschappen. Hoe is 't +met mama, Eugène? Zou 't lukken vandaag ... ik meen de verhuizing? 't +Saizoen gaat voorby, en ik wou zoo graag de Hocker's en de Pleier's +en de Krucker'S vragen op Groenehuize. Die briefbesteller is 'n +lap ... de vent wil altyd geld voor 'n borrel als-i de brieven +op-straat afgeeft, want ... hy mag 't niet doen, dat weetje. Als +'t gemerkt wordt, krygt-i z'n ontslag. Ik heb 'm dezen keer 'n +stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar ... zet 'm op huishouden, +want er is 'n brief van Leon ook. Dus ... 't kan wel op huishouden: +wat zeg jy, Eugène? Zoo, ei, is dàt de jonge Pieterse? Heb jy wat +voor Gerrit vandaag, Dieper? Ik heb veel boodschappen. Wilkens, +je moet zoo goed wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel +boodschappen heb, en ... en ... ziehier den brief van Krimp. Die +menschen vragen altyd wat er niet is, want ... dat krieweltjen +met dat oogjen is er niet meer. Weetje wat we doen zullen. Als 't +krieuweltje 'r niet meer is--met dat oogje, weetje?--dan zenden wy +'t moesjen, of 't slangetjen, of dat patroontje met de blokjes ... je +weet wel, 't zyn de witte-grondjes-driekleur, Victoria-fancies van +Crawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want +... dat doet-i altyd. Roep Gerrit ... ik heb zooveel boodschappen, +weetje. Zoo, mannetje ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat's goed, +want ... ik heb altyd zooveel boodschappen. Eugène, als papa komt, +zeg dat ik by mama ben, met den brief van Leon, weetje. Want hy is +geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd z'n brieven aan mama ... + +Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op +'t adres van een brief aan 'n gehuwde vrouw, is plaats voor twee +weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te +weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van m'nheer +Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten meester te maken +van 'n geboorte die hemelsbreed afweek van de gewone. Dat het mensch +vóór haar huwelyk Niemendal heette, doet niet ter-zake. De postklerk te +Tjanjor--daar werden die epistels uitgebroed--was niet zeer bedreven in +'t hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien +dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z'n mama +te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer +Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: "postklerken zyn +praterig" hoopte de kwast juffrouw Pieterse na. + +Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z'n +tegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy gedurig heen-en-weer, en +maakte--ook in zeer letterlyken zin--zooveel wind als maar eenigszins +mogelyk was. Een oogenblik nadat-i met Leon's brief in de hand de +kamer verlaten had, keerde hy terug. + +--A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen vertrekken +vandaag? Ik zit anders en peine, zeer, zéér en peine, weetje +... erg en peine, met de Hocker's en de Pleier's en de Krucker's, +die ik allemaal geinviteerd heb op Groenehuize. En ... ik heb de +kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg--grof volk, +zulke kruiers!--of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat +vroeg-i! Lomp, hè? Maar ... zie je, hy meende-n-in 'n leuningstoel, +en ... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik kompromitteer me +zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker's en de Pleier's en de +Krucker's. Dat is het maar, weetje! + +En hierop verliet hy weder 't kantoor. + +'t Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst had +staan toeluisteren. Na 't vertrek van m'nheer Pompile verdiepte hy +zich op-nieuw in z'n optellingen. Och, hy wou zoo heel graag z'n +naast-byliggend plicht je doen. Was 't zyn schuld dat-i zich zeer +onbekwaam voelde, en telkens rekende: drie en acht is vier-en-twintig, +of wat anders? + +Wilkens ging naar 't magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of de +moesjes of de blokjes die 't huis Kopperlith den winkelier Krimp zou +trachten in de maag te stoppen, in plaats van 't verlangde krieuweltje +met 'n oogje. + +"Twee en zes is twaalf, en tien is twintig ... + +'t Begon weer te waaien. Pompile stormde het kantoor in: + +--Hè! Beroerd! Akelig! Heel beroerd! Verbeeldje, Dieper ... zeg, +Eugène, hoor eens, 't wordt àl te erg! Weet jelui 't al, van +Gerrit? Hy is weer styf van de rhumatiek ... hoe vind je dàt? Hy kan +geen boodschappen doen! En ik ... ik had juist zooveel boodschappen. Op +m'n woord van eer, ik heb wel tien boodschappen ... ja, wel twaalf! Heb +jy ook boodschappen, Dieper? Wisseltjes? Accepten? Hè? + +--Vandaag niet, jongeheer. Maar morgen ... + +De boekhouder sloeg 'n kleine agenda op. + +... morgen heb ik 'n wisseltjen in den jodenhoek, 'n smerig dingetje. + +--Zoo? Morgen? Nu dat's goed. Weet je wat je doet, Dieper? Zeg 't +aan papa, dat je telkens wisseltjes hebt, en dat Gerrit altyd styf +van rhumatiek is, en dat het zoo niet langer kàn, weetje? Zeg jy dat +aan papa, Dieper, want ... ik heb zooveel boodschappen, ik heb erg +veel boodschappen. + +--Ja, jongeheer Pompile, ik zal 't zeker aan m'nheer zeggen. En ... +hoe vaart de jongeheer Leon? + +Ei, ei, de slimme Dieper! Hy durfde den ouden rhumatieken Gerrit niet +aan. En ook de jongeheer Pompile, inweerwil van z'n vele boodschappen, +zou liefst dat meubel uit den weg zien zetten door 'n andere hand +dan de zyne. Gerrit namelyk had met den ouden heer relatien uit den +vóórtyd, 'n coprolithische verwantschap die ontzien moest worden. En +daarom sprong de omzichtige Dieper zoo handig en belangstellend over op +'t welvaren van den jongeheer Leon. + +--Heel wel, dankje, antwoordde Pompile. Den heelen brief heb ik nog +niet gelezen. Hy vertelt van tygers, en van slangen en van optochten +met zonneschermen en gouden wapens ... o, allerlei! Mama is er dol +bly mee, dat begryp je. Maar ... hy is nog altyd surnumerair. Hy +klaagt dat allerlei gemeen volk hem over 't hoofd springt ... + +--Dat is zeer hard voor iemand van ... stand, zei Dieper, met 'n +treurigheid in z'n stem, die wel eenige verhooging van traktement +waard was. + +--Niet waar? Die vervloekte Gerrit met z'n rhumathiek! En ik heb juist +zoo erg veel boodschappen! Zeg-eens, jy, Pieterse--je heet immers +Pieterse?--je moet eens zoo goed wezen 'n paar boodschappen voor +me te doen. + +Wouter stond marschvaardig, met z'n hoed in de hand, en 'n verheugd: +"asjeblieft, m'nheer!" op de lippen. Verheugd? Ja, waarlyk! Want de +opdracht die hy te-gemoet zag, was hem 'n verademing. De jongeheer +Pompile nam plaats tegenover Dieper--daar namelyk was de lessenaar +van den "patroon"--en hy wenkte Wouter tot zich. + +--Je weet dus den weg in de stad? Heel goed! Dan moet je-n-eens +zoo goed wezen ... maar zeg, heb je-n- 'n zakboekje? Een +portefeuille-n-of zoo-iets? + +--N... e... e... n, m'nheer. + +--Zoo? Heb je dàt niet? 'n Kantoorbediende moet 'n portefeuille +hebben, om ... iets in opteschryven, weetje? Anders vergeet je 't. Nu, +voor vandaag moet je dan maar de boodschappen ... onthouden, die ik +je-n-opgeef. Je moet zoo goed wezen te gaan by m'nheer Hocker, en daar +doe je-n-'t kompliment van my--van den jongen m'nheer Kopperlith, +moet je zeggen, van m'nheer Pompile, weetje?--en je vraagt, of de +juffrouwen Pleier uit Frankfort--want die logeeren by m'nheer Hocker, +weetje?--of de juffrouwen plezier hebben, vanmiddag met my en m'n +vrouw--zeg jy maar: met de jonge mevrouw Kopperlith-Huddewitz, dan +weten ze-n 't wel--ja, vraag of de juffrouwen Pleier plezier hebben, +met ons en de familie Krucker ... + +--Ben je mal, Pompile? bromde Eugène. De jongen weet immers niet waar +Hocker woont. + +--Ah...ja! Dat's waar! M'nheer Hocker woont ... + +En Wouter's handelswetenschap werd verrykt met de zeer nauwkeurige +kennis van de plek waar m'nheer Hocker woonde. Ook vernam hy wat voor +dien middag de plannen waren met de familie van dien heer, en met de +juffrouwen Pleier uit Frankfort, en hoe ze zich des-verkiezende zouden +kunnen verheugen in 't gezelschap van mevrouw Kopperlith-Huddewitz, +ook wel genaamd: de jonge mevrouw. + +--En dan moet je zoo goed wezen in de Kerkstraat by de +Korte-krulledwarsstraat te gaan naar den stal van papa. Je vraagt maar +naar den stal van m'nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weetje, want +... papa houdt rytuig, eigen rytuig. En daar zeg je-n-aan Jakob--dat +is de koetsier--daar zeg je ... + +Volgt: 'n boodschap aan Jakob, die me glad ontschoten is. + +--En dan moet je zoo goed wezen even naar juffrouw Lins te gaan, +in de Katoenstraat, en je doet het kompliment van de jonge mevrouw +Kopperlith--je moet zeggen: van mevrouw Kopperlith-Huddewitz--en je +zegt dat de juffrouw zoo goed moet wezen om je-n-'t tapisseriepatroon +te geven ... 't is 'n liggende jachthond, kan je dit onthouden? + +--J...a, m'nheer! + +--Goed! 'n Liggende jachthond, weetje? Nu, dat patroon moet ze je geven +voor de jonge mevrouw Kopperlith, voor mevrouw Kopperlith-Huddewitz, +begrypje? En je vraagt den prys ... den allernaasten prys, moet +je zeggen. En dan ga je naar myn huis, en je schelt aan, en je zegt +aan de meid dat je van my komt--van "m'nheer" weetje--en je doet +het kompliment, en je zegt ... + +--Maar, Pompile, hoe kan hy weten waar je huis is? + +--Ah, ja! Ik woon op de Leliegracht ... stille zy, weetje, waar +de deftige huizen staan. 't Is 'n huis met opgaande stoep, en +ruiten van spiegelglas. Dáár moet je maar altyd na kyken, want ... +m'n ruiten zyn van spiegelglas. En je zegt aan de meid, dat je by +juffrouw Lins geweest bent, en dat je van my komt, en dat je de +nieuwe kantoorbediende bent, en hoeveel dat patroon kost. En ... als +dan de jonge mevrouw den prys te hoog vindt--'t is 'n jachthond op +'n kussen, weetje?--dan breng je-n-'t weerom aan juffrouw Lins, +en je zegt dat het te duur is. En dan moet je zoo goed wezen eens +te gaan by m'n schoenmaker. Hy woont in de Hallestraat, en daar doe +je-n-'t kompliment van my--van m'nheer Kopperlith van de Leliegracht, +moet je maar zeggen--en zeggen dat-i zoo goed wezen moet, morgen +ochtend negen uur, de maat te komen nemen van 'n paar pantoffels. En +dan ga je by m'nheer Krucker, en je doet het kompliment van my, en +je vraagt hoe de oude mevrouw vaart--want ze-n-is ziek, weetje, ze +heeft het pootje ... maar dat hoef jy niet te zeggen: je vraagt maar +hoe ze vaart?--en dan breng je daar 't antwoord van de juffrouwen +Pleier uit Frankfort, die by de Hocker's logeeren. Maar als nu de +juffrouwen Pleier de invitatie hebben aangenomen, dan moet je zoo +goed wezen even aanteloopen by m'nheer Kruis op de Engelsche-kaai, +en zeggen daar--maar je moet eerst het kompliment van my doen--dat +ik van-middag door zware hoofdpyn verhinderd ben gebruik te maken van +de uitnoodiging om met de familie te gaan room-eten op Lokhorst. Maar +als nu de juffrouwen Pleier laten bedanken voor de invitatie ... + +--God-zegen-me, Pompile, dat alles kan de jongen nooit onthouden! + +--Niet waar? Juist wat ik zeg. Waarom heeft zoo'n jongmensch geen +zakboekje? Net wat ik zeg! Je moet maken dat je-'n zakboekje krygt, +om ... alles opteschryven, weetje? Want ... 'n kantoorbediende moet +altyd 'n zakboekje hebben: wat zeg jy, Dieper? Maar ... zoo lang je +nu nog geen zakboekje hebt, moet je maar ... alles onthouden wat ik +je gezegd heb. Ga nu maar eerst die boodschappen doen. Dan kan ik je +de anderen later zeggen. Want ... als ik je te veel tegelyk opgeef, +zou je ze maar vergeten--wat zeg jy, Eugène?--omdat je geen zakboekje +hebt, weetje? + +Oef! + + + +Wouter deed z'n boodschappen zoo goed mogelyk, en zeker +allerbeleefdst. Al de meiden die hem de deur openden, vonden hem 'n +fatsoenlyk jongetje. Dit was al iets. Tot m'n innigsten spyt mag ik +niet zeggen dat-i zich zeer gedrukt voelde door de zonderlinge manier +waarop men over z'n gaven beschikte. Hyzelf kende die gaven niet, +en voelde zich in 't minst niet vernederd. Bovendien, hy was verheugd +de buitenlucht inteademen, en z'n leedjes eens te kunnen uitstrekken, +'t Kwam hem voor, dat z'n ruggegraat in slaap gevallen was, en dat +'n beetje beweging hem goed zou doen. Nog iets: hy voelde zich in +funktie, en zou er niet afkeerig van geweest zyn, 'n bordjen om z'n +hals te hangen, met het opschrift: "deze jongeling wandelt langs +'s heeren straten, in dienst van de firma Ouwetyd & Kopperlith" en +niet zonder eenige minachting zag-i neer op de velen die geen recht +hadden op zoo'n bordje. + +Toen-i, na allerlei andere bedryven, was aangeland op de +Leliegracht--de hééle deftige zy!--en aangescheld had aan 't +fameuze huis met spiegelglas, van veertien voet breed--het huis, meen +ik--bespeurde hy terstond dat er door die ruiten heen gerekognosceerd +werd, evenals 'n uur of zooveel geleden op die andere stoep. Maar +de dame die hem begluurde, had 'n veel aangenamer uiterlyk dan de +"oude mevrouw" van de Keizersgracht. Julie Huddewitz, slechts sedert +eenige maanden de echtgenoot van Pompile, was 'n jong ding dat nog +altyd niet diep genoeg was doorgedrongen in amsterdamsch fatsoen en +in de hooge waardigheid van haar gemaal, om precies te weten wat 'n +jongsten kantoorbediende niet toekomt. Ze liet Wouter binnenkomen, +en vergat zich zoover in haar ongemanierdheid, dat ze niet alleen +geheel eigenhandig den liggenden jachthond aannam, maar zelfs aan +Wouter de vraag richtte, hoe hy 't patroon vond? Een der oorzaken van +haar wangedrag lag hierin, dat haar vader--'n Duitscher die "mooie +slagen in koffi" gedaan had--zelf kantoorbediende geweest, en nog +niet lang genoeg in Holland gevestigd was, om te weten dat men zich +met zoo'n wezen nergens anders inlaat dan op 't kantoor. In vreemde +landen namelyk, beschouwt de "patroon" zich eerst dan van andere klei +gekneed, wanneer de "bediende" door 'n huwelyk zich voorgoed laat +inlyven in den niet-vleeschetenden stand. Van dat oogenblik af, heeft +hyzelf zich z'n ontcasting te wyten. In Nederland echter neemt die +uitsluiting lang voor 't huwelyk 'n aanvang, en eigenlyk reeds voor +de geboorte. Voor 'n jongeling die daar de eerste levensduisterheid +aanschouwen mocht--verzenmakers, die 't zoo nauw niet nemen met de +waarheid, noemen 't licht!--bestaat kans om generaal te worden, +zeeheld, planeet-ontdekker, wereldberoemd kunstenaar, vaandrager +van den vaderlandschen roem ... byna al wat men maar wil, maar +deelgenoot in de firma Ouwetyd & Kopperlith wordt-i niet! Men zou, +om dat te beleven, z'n eigen kleinzoon moeten worden, want--dit +erken ik--in 't derde geslacht gelukt het soms 'n handig aventurier, +zich te doen vergeven dat z'n overgrootvader de vreeselyke misdaad +begaan had, iets anders te wezen dan "patroon." Dit alles nu wist +Julie Huddewitz wel, maar ze was er nog niet genoeg van doordrongen, +en daarom boog zy zich op den gewichtigen maandag dien ik beschryf, +zoo onvoorzichtig neder tot belangstelling in Wouter's opinie over +dien jachthond. Ik weet niet of zy ooit dochters ter-wereld bracht, +maar zoo ja ... deze zouden zich niet zoo ver vergeten hebben! Het +verheven geslacht maakt plaats voor verhevener geslachten. + +Wanneer Wouter behoefte gevoeld had aan bemoediging by 't intreden van +z'n nieuwe loopbaan, dan ware zy hem waarschynlyk geleverd door die +verregaande neerbuigendheid van mevrouw Kopperlith-Huddewitz. Een dame +in 'n huis met spiegelglas, op de Leliegracht--heele deftige zy--had +hèm z'n opinie gevraagd! Dit maakte hem dan ook zoo opgetogen, dat-i +op 't punt stond een der zotste antwoorden te geven, die er konden +bedacht worden. Maar ze kwam hem voor: + +--Drie gulden, zestien? Vindje 't niet wat duur? + +--O, mevrouw ... + +En hy hakkelde. Ik geloof dat-i zeggen wou: "mag ik 'n paar dubbeltjes +van dien vreeselyken prys voor myn rekening nemen?" Maar hy bedacht +nog by-tyds dat-i van die paar dubbeltjes juist het allereerste +niet bezat, en vergenoegde zich dus met de betuiging dat-i nog geen +verstand had van borduurpatroontjes. 't Spreekt vanzelf dat-i zich +ernstig voornam dien tak van wetenschap tot 'n onderwerp van byzondere +studie te maken. Voorloopig bepaalde hy zich tot de vraag: + +--Verkiest mevrouw dat ik nog eens ga beproeven by juffrouw Lins ... + +--Wel zeker, ga jy nog eens vragen by juffrouw Lins of 't niet wat +minder kan, by-voorbeeld voor ... drie gulden, twaalf? Of ... als +'t mogelyk is, voor drie gulden, tien? + +En met deze zielverheffende opdracht sukkelde Wouter door den +modder. Want het had zwaar geregend na al die hitte, en de straten +zagen er amsterdamsch uit. Een regenscherm had-i niet, en hy versleet +driemaal meer aan schoeisel en kleeren, dan door de vier-stuivers +die hy inderdaad in den tapisseriewinkel wist aftedingen, kon worden +gedekt. Zóó religieus vervulde hy dien dag z'n naast-byliggenden +plicht, of wat de arme jongen daarvoor hield. + +Juffrouw Lins vroeg, na z'n vertrek, aan haar adjudantjes: + +--Wat scheelde dat jongetje toch? 't Leek wel of-i me kussen of +... vermoorden wou om die paar stuivers? + +Toen hy, na bericht te hebben gedaan van z'n zegevierend wedervaren, +voor den tweeden keer de stoep van 't huis met spiegelglas afstapte, +stond er 'n rytuig voor de deur. Dit won hem den tocht naar de +Korte-krulledwarsstraat uit, want op last van de "jonge mevrouw" +kwam de meid hem achterna roepen dat dit de britschka van m'nheer +Kopperlith was, en die koetsier de Jakob aan wien hy 'n boodschap +had. Hy stelde zich met aandoenlyke bescheidenheid voor, als de +"nieuwe jongste-bediende" van 't kantoor, en zei wat-i te zeggen +had. Uit de britschka golfde een vleeschklomp, 'n reuzin, Hersilia +Kopperlith, de zwaarlyvige huwelyksvreugd van den Elsasser Heinrich +Kalbb, die te Amsterdam konsul van z'n land was, en tevens chef van +'n handelshuis. Met andere woorden: de man "deed" in katoentjes. Maar +heel in 't deftige, namelyk in katoentjes van Mühlhausen. Engelsche +lappen van Manchester zyn minder aanzienlyk. En daarin toch slechts +handelde met groote inspanning van ziel en geestkracht, de zeer +verheven firma Ouwetyd & Kopperlith. Het is den begaafden lezer +misschien bekend dat de grootste mannen hun zwakke zyde hebben, en +dat niemand zoo totaal wordt ondergedompeld in den Styx van kreupele +voornaamheid, of er blyft 'n kwetsbare hiel waarop laaghartige vyanden +hun pylen schieten. Die vervloekte manchestersche katoentjes! Ze +maakten vlek op 't Kopperlithsche fatsoensschild, en eigenlyk op de +heele Keizersgracht. + +Het is niet volkomen zeker, of de Ouwetyd's uit de wereldgeschiedenis +verdwynen tegelyk met een der menigvuldige vallen van Babyion, die +telkens zoo aandoenlyk worden geprofeteerd in de Schrift, en wel met +'n leedvermaak alsof de "Heer" 'n byzonderen hekel aan die stad had, +en of 't koelen van z'n wrevel hem buitengewone moeite kostte. Ook +de oorsprong van de Kopperlith's is moeielyk nategaan, en ik wraak +elke inlichting die te dezer zake zou kunnen worden gegeven door 'n +grieksch lexikon. Van versteende vuiligheid is hier geen spraak, want +de overgrootvader van den ouden heer was loopjongen by 'n bloemist, +en oefende dus een te welriekend ambacht uit, om aan etymologische +pedanterie vat te geven tot het al te beteekenisvol vertalen van +z'n naam. In de dagen van den tulpenhandel, was de zoon van den +aspirant-tuinier 'n paar graden gestegen, zooal niet in geestelyk +opzicht, dan toch in maatschappelyken rang. Eén geslacht daarna, +wist de vertegenwoordiger van de familie zich te nestelen op de +Keizersgracht, en wel in 'tzelfde huis waar we vandaag Wouter +hebben ingeleid. De tegenwoordige "oude-heer" erfde van z'n vader +'n handel in Oostindische lynwaden, en trok zich uit de "zaken" +terug toen de amerikaansche katoen zich meester maakte van de markt, +en engelsche wevers en drukkers van 't fabrikaat. Het naderschuiven +van de bron bedierf 't monopolie waarvan onze groot-ouweluî byzondere +liefhebbers waren, omdat het openstellen van konkurrentie zekere +inspanning noodzakelyk maakt, die niet kan gevorderd worden van 'n +"man met fortuin, zooals m'nheer Kopperlith". Zoo luidde Dieper's +plechtig advies. Het geschiedde in die dagen, dat de jongeheer Pompile +werd aangesteld tot procuratiehouder en chef, doch altyd slechts +voorzoover dien lappenhandel aanging, want het eigenlyk vermogen van +den "ouden-heer" met het daaraan verknocht diepzinnig geknutsel "in" +effekten, bleef onder diens byzondere hoede en behandeling, waarin-i +met verbazende zaakkennis door den ouden Dieper werd bygestaan. Deze +had hieraan op 't kantoor zekere wichtigheid te danken, die hy +geenszins versmaadde, en z'n aanzien stond tot dat van Wilkens +nagenoeg in rede, als 'n vod van papier tot 'n vod van katoen. Men +weet nu eenmaal dat in onze eeuw, papier vóórgaat. + +De "handel" in katoentjes--waarachtig, ze deden in diemet, shirting +en sheeting ook!--heette te strekken tot 'n bezigheid voor de +jongeluî, want: "om-den-broode hoefden zy 't niet te doen! Waarlyk +niet! Volstrekt niet! Papa was zeer ryk, o zoo ryk!" + +Aannemende dat het gesjacher met gedrukte katoentjes--en met de +zoo diep-wetenschappelyke diemetten, waarin Wilkens 'n specialiteit +was--moest strekken tot voedsel voor de ziel der jongeheeren Pompile en +Eugène, en vertrouwende dat deze beide zielen geen geeuwhonger leden, +kan men konkludeeren dat de twee onsterfelyke deelen der ikheid van +die jongeheeren zeer goedkoop in 't leven waren te houden. De ziel van +'n muis zou by zoo'n dieet bezweken zyn. Er is handel en ... handel, +dit wil ik wel gelooven. Maar de "mannen van zaken" worden beleefd +verzocht, niet zeer boos te worden, als ik hier coram populo verklaar, +dat hun "zaken" gewoonlyk niet boven de bevatting gaan van 'n heel +klein jongetje. Godbewaarme dat ik Wouter's bekwaamheden overdryven +zou, maar ik kan den lezer verzekeren dat er op 't kantoor van de +heeren Ouwetyd & Kopperlith niets voorviel, dat niet allergevoegelykst +had kunnen worden toevertrouwd aan zyn ontwikkeling en kennis, +het schryven van 'n kort briefjen in gebroken engelsch, misschien +uitgezonderd. Ook eenige routine in de boekhouding zou hem ontbroken +hebben, maar overigens? Och, zoo'n "handel" is zoo eenvoudig. Men +koopt iets voor ... zooveel, en verkoopt het voor 'n beetje meer, +liefst voor den hoogsten prys die er te bedingen is, getemperd +door de zorg om vandaag niemand afteschrikken door 'n inhaligheid, +die hem al te duidelyk zou waarschuwen tegen 't vilproces waaraan +men hoopt hem morgen te onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den +ander. Diepzinniger is de zaak niet. Maar wàt moet men inslaan? Hiertoe +wordt kennis vereischt, zal menigeen denken, en wie luisteren zou +naar Wilkens, kon allicht op 't idee komen dat er eens 'n huis +te-gronde was gegaan door 't bestellen van 'n "haarstreep-diemet" +te veel, en 'n stuk of wat "dubbel-gebroken-streep" te weinig. Ook +Pompile wist lange verhandelingen te houden over kennis van "zaken" +naar aanleiding van 'n witte-gronds-driekleur-krieuweltje. Die +heeren zouden ons wel willen wysmaken dat hun "vak" bovenmenschelyke +inspanning en studie vordert, en dat de arme wiens ziel haar bezigheid +zocht buiten hun magazyn en kantoor, 'n zeer slecht figuur maken zou +in de "zaken." Zoodanige overschatting ontmoet men overal. Welnu, +lezer, 't is kwakzalvery! Verstand van koffie, verstand van kurken, +verstand van lappen en vodden ... eilieve, ga eens na, wie in 't +laatste ressort al die verbazende verstanden keuren en vonnissen +moet. De verbruiker immers? Al de vakwysheid van den jongeheer +Pompile en van m'nheer Wilkens, moest tenlaatste, om beslissend te +worden goed- of afgekeurd, te-berde komen by 'n dienstmaagd die +'n bont jak kocht, by 'n boeremeid die haar vryer 'n gekleurden +halsdoek wou ten-geschenke geven. Zeker soort van opgeblazenheid +zal wèl doen, 'n beetje te slinken na deze opmerking. Nogeens: +er is handel en handel, maar de meeste beoefenaars van dergelyke +speciaal-vakken staan waarschynlyk byzonder laag in ontwikkeling, +en zéker is 't dat zy tot de uitoefening van hun "vak" aan die +ontwikkeling geen behoefte hebben. Wat is dat voor 'n levensdoel, +zich te bekwamen in de behandeling van de vraag: of dienstmeiden +zich dit jaar zullen opmooien met 'n ruitjen of met 'n streepje? Met +'n witte-grond-driekleur of 'n bruin palmpje? Of men de "dames" zal +kunnen wys-maken dat de ... echte ware onvervalschte zuivere parysche +distinktie van 't saizoen--haute nouveauté, heusch!--zich openbaren zal +in spinazie-groen, in rooie-koolpaars, in kaas-schimmelzilver, of in +'n ander wankleurtje, liefst zoo onnoemelyk mogelyk? Ik blyf vragen, +by welke wysgeerige school de studenten in zulke wetenschappen zich +moeten aanmelden tot het erlangen van den meestergraad? + +Toch neem ik 't niemand kwalyk dat-i 'n onbeduidend wezen is. Ook +dezulken moeten er zyn, om de gaping te vullen die 'r anders bestaan +zou tusschen den Mensch en z'n pantoffel. Maar ... die pantoffel +mag zich niet uitgeven voor 'n rylaars. Ik ken iemand die--hoed en +hooge hakken meegerekend--maar zestig pond weegt. Ben ik daar boos +om? Volstrekt niet. Maar zeker zou ik wrevelig z'n pretentie afwyzen, +wanneer-i zich aan my wou opdringen als 'n reus. En wèl word ik boos by +'t ontwaren van lieden die, niets zynde, niets kunnende, en nooit iets +degelyks hebbende uitgericht, 'n plaats in de Maatschappy innemen, +welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven. Afkeer van zùlk geboefte, +gaf my aanleiding, in dit en 'n paar der volgende hoofdstukken +het bekende draadjen om den poot der Kopperlith's te slaan. Wie nu +niet in gedrukte katoentjes "doet" maar "in tabak is" of "in" gort, +krenten, mixed pickle of schoensmeer--wie schoensmeer maakt staat +hooger!--wie niet precies "in" die katoentjes rondkruipt, behoeft +nu niet te denken dat het verboden is m'n opmerkingen toetepassen op +zichzelf. Lieve hemel, wat zou m'n uitgever verdrietig zyn, wanneer +m'n Wouter-epos alleen waarde had voor handelaars in manchestersche +lynwaden: wittegrond-driekleur-victoria-fancies van Crawfurth-Leeds, +met 'n krabbeltjen of 'n loovertjen of 'n moesjen, of met blokjes of +'n slangetjen of 'n krieuweltje met 'n oogjen ... altyd 'n volslagen +niemendalletje! + +En in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i +overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan +zou z'n ziel worden besteed. + +Is 't niet, om de dagen te betreuren van Pennewip's afsnydende +teekens in de lucht? De dagen van den Weledelen heer Motto, met z'n +gehuurden snuifpot, en wat er verder op dien Zeedyk 't "voornaamste" +mag geweest zyn? Ja, ja, en zelfs--ik word daar byna onzedelyk--byna +zou ik me vergrypen aan de verzuchting, m'n heldje terug te wenschen +op de boven-voor-achter-beneden-insteekkamer van juffrouw Laps! De +verontreiniging die hem dáár dreigde, zou ter-nauwernood weerstand +hebben geboden aan de pomp van Vrouw Claus, terwyl hier ... + +M'n bedoeling is nagenoeg, dat 'n gezonde beenbreuk my minder gevaarlyk +voorkomt dan 't stikken in vermuffing. Gelooft ge niet met my lezer, +dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in 'n atmosfeer als die der +Kopperlith's? Maak liever 'n ambachtsman van uw jongen, of 'n matroos! + + + + + + + + Over al de rytuigen van "papa" en de hoogheid van 'n elsasser + konsul "die m'n zwager is." Engelsche nottings en onderscheiden + windsoorten, uitloopende in 'n lange verhandeling over 't + parelduiken. + + +Toen Wouter, na 'n paar uur dravens, het kantoor weder +betrad--Vellestaat, stokvischbeukery, olievaten, gang naast het +achterhuis, binnenplaats en gangdeur ... hy vond in behoorlyke +volgorde al de stadien der via dolorosa terug, die Gerrit hem dien +ochtend gewezen had, en was er zeer grootsch op!--toen hy bezweet +terugkwam, vond-i alleen Dieper en Wilkens op 't kantoor. De laatste +was half weggedoken in 'n kast, die naast den ingang tot de alkoof in +'n donkeren hoek stond en met lappen gevuld was. Waarschynlyk zocht-i +daar naar 't staal van zeker krieuweltje. Hy had Wouter niet hooren +binnentreden, zoodat deze vergast werd op 't onsmakelyk staartje van +'n diskoers, of wellicht van des heeren Wilkens alleenspraak: + +--Je zult zien: ik zal den schoolmeester moeten spelen! Op my zal +alles neerkomen! Ze zullen my tot plakmonarch willen maken, my! Dat's +m'n vak niet ... dat's m'n karakter niet! In 't geheel niet! + +Toen de man die zoo bang was dat men 'n schoolmeester van hem maken +wilde, Wouter ontwaarde, brak hy op-eens de roerende complainte over +'t gevreesd verkrachten van z'n roeping af. + +--Daar staat 'n tas koffie voor je, zeide hy met 'n majesteit in toon +en vingerwyzing, alsof de oude lappen waarmede hy zich bezighield, +'n kollektie kronen en scepters geweest was. Maar hy had de zuivere +waarheid gesproken. Inderdaad, daar ergens op 'n tafeltje was +koffi. En de heer Wilkens had wel mogen zeggen: 'n bak. Maar "tas" +kwam hem indrukwekkender of aanzienlyker voor, en Wouter, die weinig +grondstof noodig had om zich te verheugen, was zeer in z'n schik met +het nieuwe woord dat-i daar zoo onverwacht en gratis mocht leeren +kennen. By hèm aan-huis namelyk, noemde men zoo'n ding 'n spoelkom. + +--E...è...è...n, ik zou je raden dat je-n-in 't vervolg 'n kadetje +meebracht, of zoo-iets. + +Alweer wat nieuws voor 't jong Amsterdammertje! Hy begreep niet recht +wat Wilkens bedoelde, en vreezend, dat men z'n onkunde zou aanzien voor +'n begin van dienstweigering, antwoordde hy met zekere fermeteit: + +--O zeker, m'nheer! Dat zal ik zeker doen! + +Och, hy was zoo gewillig! Als-i maar geweten had, wàt er dan eigenlyk +moest worden meegebracht in 't vervolg? Gelukkig dat-i uit het +vreemde woord niet opmaakte dat de heer Wilkens de poorten van Gaza +op 't kantoor wenschte te zien, of den merinossen rok van juffrouw +Pieterse! Ja, al ware die juffrouw Pieterse-zelf 't verlangd voorwerp +geweest ... de kleine Simson zou't geleverd hebben, waarachtig! Want +... men moet altyd z'n naastbyliggend plichtje vervullen, en Wouter's +plicht was nu, te doen wat 'm geboden werd door ... iedereen. Er bleek +evenwel dat Wilkens niet aan z'n moeder gedacht had, want--wetende +dat Wouter gespeend was--liet hy op z'n onbegrepen vermaning de +sententieuze kommentaar volgen: dat 'n jongmensch niet zeer lang +zonder voedsel blyven kon. Dit gaf licht. En Wouter's vermoeden +werd tot zekerheid toen-i naast twee geledigde spoelkommen van 'n +zeer aquatintig-bedropen voorkomen, eenige broodkruimels ontwaarde, +in gezelschap van 'n verlept stuk krant met botervlekken. Ook Dieper +en Wilkens alzoo, schenen zich 'n oogenblik geleden gedragen te +hebben als jongeluî die niet lang zonder eten kunnen, en ze hadden de +welwillende voorzorg gebruikt hun kiökkenmödding achtertelaten, om +'n jonger kantoorgeslacht te dienen tot baak. Dat vette stuk krant, +welsprekender dan vóór de botering, fluisterde Wouter de gissing in dat +de benaming van 't voorwerp dat hy in 't vervolg moest meebrengen--hoe +drommel heette het ook?--weleens de zeer aristokratische ambtstitel +wezen kon, waarmee men "in de zaken" 'n boteram aanspreekt. In +'n gelyksoortig vermoeden werd hy versterkt door z'n maag en door +den geest van Strabbe. Hy begon namelyk honger te krygen, en voelde +zich voorbeschikt om eetwaren te verstaan uit èlken klank die z'n oor +bereikte, al ware het 'n engelenzang geweest, of 'n preek. Wat Strabbe +aangaat ... onze handelsstudent wist nu eenmaal dat 'n spoelkom, in +kantoorstyl "tas" heet ... het onbekende ding zal dus wel 'n boteram +zyn! Men ziet, het was een soort van regula de tri, en juist daarin +was-i zoo byzonder sterk geweest op de school van meester Pennewip. + +De jongeheeren Pompile en Eugène waren gewoon zoo tegen twaalven het +kantoor 'n uurtje te verlaten, om te gaan "koffiedrinken en 'n broodjen +eten by mama." Aldus luidde onveranderlyk de aankondiging van Pompile, +waarmede hy aan de "heeren van 't kantoor" verlof scheen te geven ook +iets te gebruiken ... als ze wat hadden. Want "kadetjes" of boterammen +werden niet verstrekt door het huis Ouwetyd & Kopperlith, waarvan de +"papa" zoo byzonder ryk was. De "heeren van 't kantoor" mochten, +indien ze niet wilden flauwvallen, zulke zaken meebrengen in hun +rokzak, en de fyngevoelige Eugène maakte altyd dat-i de kamer uit was, +voor die in papier gekonserveerde levensmiddelen genaderd waren aan +'t oogenblik hunner ontwikkeling. Hy vond dat ze 'r zoo heel onoogelyk +uitzagen, en vooral 't rantsoen van Wilkens die, wys geworden door +treurige ervaring, gewoon was z'n "kadetjes" warm te houden tusschen +den linker voorpand van z'n vest, en z'n edel hart. Eens namelyk +hadden 'n paar neefjes van den huize--ze wisten niet, de onzaligen, +dat welgeboren jongelui geen gekheid maken met 'n kantoorbediende!--ze +hadden den weg gevonden naar de donkere alkoof waar de ongelukkige z'n +met viktualie bezwangerde straatjas bewaarde, en de kadetjes verrykt +met 'n laag fyngeknipte witte-grondjes-driekleur. De martelaar van z'n +"vak" verslikte zoo goed mogelyk de taaie geestigheid der "neefjes +van m'nheer"--z'n naastbyliggend plichtje, naar-i meende--maar droeg +voortaan de mishandelde toeverlaatjes van z'n maag by zich, tot de +finale exekutie toe. En eenmaal is 't gebeurd dat hy ze ongegeten +weer thuis bracht by de trouwe echtgenoot die ze met zooveel liefde +geboterd had, en nu niet zonder moeite haar eigen werk herkende. De +jongeheer Pompile lag dien dag overhoop met "mama" en was op 't +kantoor gebleven. De "heeren" hadden den moed niet hun spaarkruimels +voor den dag te halen. En ook de kommen met geile koffi bleven dien +nefasten dag onaangeroerd staan. Met is hier de plaats, een valsheid +van Klaas Kolyn aan 't licht te brengen, die als eerroovend voor +'n deftig handelshuis, aan de nog levende nazaten der Kopperlith's +menigen traan gekost heeft. Die knoeier beweert dat "de heeren van +'t kantoor" ook hun koffie van-huis meebrachten: dwaling, valsheid, +bedrog, laster! De koffi werd uit de keuken geleverd, en de "booien" +zelf dronken ze niet beter. Dit is voor notaris en getuigen bevestigd +door dezelfde autoriteit die dezen ochtend zoo kordaat geweigerd had, +Wouter wederrechtelyk te-woord te staan by de boven-voordeur. Balthasar +Huydecoper heeft dus volkomen gelyk, zich over dien kakolyn telkens +zoo driftig te maken. Valsche gedenkschriften zyn zaad van den Duivel. + +Juist was Wouter van meening 'n aanval te wagen op den hem aangewezen +spoelkom, toen de jongeheer Pompile met z'n gewone schichtige haast +het kantoor binnenstoof. Vol schrik zette de jeugdige handelsman z'n +vermeten opzet uit den zin, en den kom neer. Was 't niet opmerkelyk +dat-i tegenwoordigheid van geest genoeg had om 't ding niet te +laten vallen? + +--Ei zoo? Terug? Wèl? Hoe is 't? Wat zei de schoenmaker? En de +juffrouwen Pleier? En heb je m'n huis gevonden? Je moet maar altyd +kyken naar spiegelglas, want ... die glazen in m'n zykamer zyn +van spiegelglas, weetje? En wat heeft de jonge mevrouw je laten +zeggen? Heeft ze ie geen boodschap aan my meegegeven? En ... ben +je-n-in den stal geweest? Heb je Jakob gezien? En wat deed-i? Aan +'t poetsen, zeker? Zeker aan 't poetsen, hè? Want ... papa heeft +'n britschka, en 'n landauwer, en 'n tentwagen, en 'n koets, en dat +alles moet gepoetst worden. En zeg me nu maar eerst, wat de juffrouwen +Pleier geantwoord hebben? + +De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon. Het +scheen dat z'n eerste proefstuk niet slecht was uitgevallen, want +de jongeheer Pompile knikte tevreden, en beloofde hem te zullen +begunstigen met meer boodschappen. By 'n aanleg als die welke +Wouter ten-toon spreidde, opgekweekt in den groeizamen zonneschyn +van Pompile's tevredenheid, was het te voorzien dat deze jongste +kantoorbediende--mits in leven blyvende--eenmaal den rang van +alleroudsten kantoorbediende bereiken zou. Hiertoe was slechts wat +tyd noodig. + +--Ei zoo? Heb je mevrouw Kalbb ook al gezien? Wèl, dat is goed! Zoo +leer je de menschen kennen. Mevrouw Kalbb-Kopperlith, weetje? Ei zoo, +heb je die gezien? Juist, precies, dat was de britschka van papa, +want ... papa houdt rytuig. Had ze d'r huurpaarden voor ... och, +dat weet je nog niet. Maar anders ... 't is maar, weetje, dat papa +niet graag ziet dat de paarden ... nu, dit gaat jou niet aan. Je moet +alles goed onthouden ... en 'n zakboekje koopen, 'n klein zakboekjen, +en daarin alles opschryven wat ik je zeg, en wat m'nheer Wilkens je +zegt, niet waar, Wilkens? + +--Ja, m'nheer! + +--Juist. Mevrouw Kalbb is m'n zuster, mevrouw Kalbb-Kopperlith--zóó +moet je zeggen!--en denk er aan dat m'nheer Kalbb z'n naam met twee +b's spelt. Onthoud dat, en schryf 't op als je-n-'n zakboekje hebt +... met twee b's weetje? Want er zyn ook menschen die Kalb heeten +met één b, geringe menschen, heel geringe menschen ... 'n leerkooper, +geloof ik. Wat zeg jy, Dieper? + +Dieper legde langzaam en voorzichtig z'n pen neer, trad 'n stap +achterwaarts--hy boekhouwerde altyd overeind--snoot z'n neus, hèmde +z'n keel schoon, en sprak met expresselyk voor deze betuiging gereed +gemaakte organen: + +--Ja, jongeheer, heel geringe menschen! + +--Zieje, ging Pompile voort, m'nheer Dieper zegt het ook, en ... die +leerkooper schryft z'n naam met één b. Maar myn zwager heet Kalbb +... met twee b's, en hy is konsul van den heelen Elsas, en als de +Koning in de stad komt, moet-i altyd op audiëntie, en dan zegt de +Koning: eh bien, m'sieur le consul, comment vont les affaires? En +dan antwoordt m'nheer Kalbb ... ook in 't fransch. En dan heeft-i +'n rok aan met 'n geborduurden kraag. En dan knikt de Koning--'t is +eergister nog gebeurd, en alle jaren weer!--en m'nheer Kalbb ... is +m'n zwager, de schoonzoon van papa. En ... heb jyzelf nu mevrouw +Kalbb al gezien? Wèl, wat zei ze? + +--Ze zei niets, m'nheer. + +--Zoo, zei ze niets? Dat komt omdat ze niet wist dat je hier jongste +bediende bent, anders zou ze je zeker wel iets ... gezegd hebben, of +... 'n boodschap opgedragen, of zoo-iets, want ... ze is m'n zuster, +weetje! Dat moet je goed onthouden. En hoe is 't afgeloopen met dat +borduurpatroon? + +Wouter's triumf over de afgedongen vier stuivers, werd eenigszins +gematigd door 't gefronsd voorhoofd van Pompile, toen deze de +buitensporigheid van z'n lichtzinnige wederhelft te weten kwam: + +--Binnen geweest? Zelf de jonge-mevrouw gesproken! Ei +... zoo? Binnen-geweest in de zykamer? Waarom ben je binnen geweest? + +--M'nheer, stamelde Wouter, die bemerkte dat-i 'n fout begaan +had, m'nheer, de meid zei dat mevrouw me liet roepen, en dat ik +... binnenkomen moest. + +--De meid, de meid! Wat geef je-n-om 'n meid? Zoo'n meid kan wel +zeggen ... kyk, dit is nu zóó, weetje? Als ik je wat opdraag, dan +moetje-n-altyd ... + +Men hoorde een sloffenden tred in de gang. 't Spyt me. Want ik +had gaarne eens vernomen hoe Wouter zich in 't vervolg zou te +gedragen hebben, wanneer "de jonge-mevrouw" hem door de meid liet +binnenroepen? Pompile brak op-eens z'n onderricht af: + +--Daar is papa! Ik zal je voorstellen aan papa. Je moet nu zoo goed +wezen heel beleefd te zyn tegen papa. Dag, papa! + +De eerwaardige gedaante van den ouden heer Kopperlith schoof 't kantoor +in. Met 'n welbehagelyk lachje nam hy de nederige begroetingen van +Dieper en Wilkens in ontvangst, en ook op Wouter spatte een drupjen af, +van den genadestroom dien hy zich alleredelmoedigst ontvloeien liet. + +--Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar +braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons +gerekommandeerd door m'nheer Dieper ... + +De boekhouder trad 'n pas achterwaarts, en maakte een beweging alsof-i +nogmaals verschooning vroeg voor 'n stoutheid die hy scheen begaan +te hebben. Maar de oude heer glimlachte weder. Goddank, Dieper zou +voorloopig niet geradbraakt worden. + +--Ja, door m'nheer Dieper, die myn boekhouder is. En aan mênheer Dieper +ben je gerekommandeerd door zekeren heer ... hoe heet-i ook weer? + +--Och, m'nheer, antwoordde de boekhouder, als ware de naam dien-i +zou uitspreken, eigenlyk te gering voor het oor van den heer +Kopperlith. Och, m'nheer, 't jonge mensch is my aanbevolen door +... zekeren Kalb, 'n leerkooper ... iemand dien ik wel eens ontmoet +heb ... m'nheer! + +Kalb was z'n neef, en z'n beste vriend, voor-zoo-ver het +kantoorbedienden en boekhouders geoorloofd is, neven en beste vrienden +te hebben. + +--Juist! Zekere ... Kalb. Nu, dat's hetzelfde. Je zult hier veel +werk vinden, jongetje! Hard werken is de boodschap. Heeft Wilkens +hem reeds een-en-ander gewezen? Is-i al in 't magazyn geweest? Op de +zolders? Zeker zet je 'm aan 't kopyboek, Pompile? + +Op al deze vragen had Pompile 'n dozyn: "O ja, papa's" ten-beste +gegeven. + +--En schryft-i 'n mooie hand? + +--O ja, papa! + +Wouter begon eerbied te voelen voor Pompile's doorzicht. De vereerende +hoedanigheid die hem werd toegekend, was zeker gebleken uit z'n +boodschappen by de Pleiers, of de Kruckers, of de Hockers, of den +schoenmaker. Wat die voorname lieden toch scherpzinnig zyn! + +--Zoo? Ei! 'n Mooie hand? Ei, ei! Wel, Pompile, wat zeg je 'r van, +als we hem den brief van Leon 'n keer of wat lieten overschryven voor +Flodoard, en voor neef Griekel, en voor de familie Pruikers? + +--O ja, papa! + +--Niet waar, ze inviteerden Leon altyd zoo trouw op hun +kinderpartytjes. Ze zullen 't aardig vinden dat-i zoo'n man geworden +is, en al zulke mooie brieven schryven kan. Maar ... op dun papier, +op heel dun papier! 't Is om de port naar Rome, weetje ... op héél +dun papier! + +--O ja, papa! + +--Zieje, dan kan 't mannetje zich met-een wat oefenen in briefstyl, +vind je niet, Pompile? + +--O ja, papa! + +En zoo geschiedde het. Wouter werd belast met het verveelvuldigen der +oostindische wysheid van den jongeheer Leon, ter opvroolyking van den +jongeheer Flodoard die te Rome was en daar heette te schilderen. Tot +amuzement ook van neef Griekel te Leiden. En om de vriendschap te +cimenteeren met de familie Pruikers, óók lieden in 't best van hun +fatsoen. Na 't eerbiedig aanhooren van veel leerstelsels over de +ware manier om 'n brief overteschryven, ging Wouter dapper aan +'t werk. Hy keek niet op, kopieerde letter voor letter, woord +voor woord, zin voor zin, en ... netjes! Z'n werk leek op 'n +gravure. Hy volbracht dus alweer zoo goed mogelyk z'n naastbyliggend +plichtje. Maar wel verwonderde het hem dat de heer Leon Kopperlith, +surnumerair by de Landelyke Inkomsten en Kultures in de afdeeling +Tjanjor, residentie Preanger Regentschappen, op het eiland Java, +in Nederlandsch lndië--aldus onderteekende die verre jongeheer 'n +brief aan z'n moeder, die niets vreemds vond in deze zotterny--wel +bevreemdde het hem dat die voorname persoonlykheid zooveel taal- en +spelfouten maakte. En ... iets anders nog. Hy voelde zich eenigszins +beleedigd--meer dan door die boodschappen!--dat men hèm al die fouten +te kopieeren gaf ... tot oefening in briefstyl. + +Er bestond nòg iets dat hem zeer begon te hinderen. Maar dit kon Leon +niet helpen. Hy had 'n vreeselyken honger. + +Slechts zeer zelden verwaardigde zich de oudeheer des morgens op 't +kantoor te komen, d. i. vóór den toenmaligen beurstyd en 't daarop +volgend middagmaal. Het scheen dat-i zich dezen keer wat vroeger dan +gewoonlyk naar beneden had laten dryven door de verveling, een euvel +waaraan hy zich twaalf uren in 't etmaal schuldig maakte, jaar-in, +jaar-uit. Hoe zou 't anders kunnen? De man was leeg. Misschien +herinnert zich de lezer 't portret van den baron Van Een-en-ander, +dat ik tentoonstellend aan den wand hing in m'n "Specialiteiten." Ook +daar schetste ik een nietig wezen. Welnu, zoo'n Een-en-ander-baron +is by den hier bedoelden Kopperlith vergeleken, 'n ware Humboldt, +'n Kroesus naar den geest. Die oude baron beteekende zeer weinig, +omdat-i slechts ... een-en-ander was. Kopperlith senior was nòch +'t een, nòch 't ander. Hy was niets. + +Z'n komst op 't kantoor werd altyd, door Pompile vooral, met weerzin +gezien, omdat hy--voor-zoo-ver er inderdaad iets te doen viel--de +bedienden van 't werk hield door z'n eindeloos gebabbel. Dit was, +vooral nà den middag, zeer hinderlyk, en Wouter's menschenkennis had +dan ook weldra gelegenheid zich uittebreiden tot het besef hoe zekere +lieden byzonder grappig worden als ze goed gedineerd hebben. Doch ook +in den "stillen tyd", in 't saizoen dat z'n botanischen naam aan de +cucurbitaceën ontleent, zagen de jongeheeren den oorsprong van hun +bestaan liever vertrekken dan komen. Door overmaat van opgeblazenheid +namelyk, meende hy in zekere buien niet noodig te hebben den toegang +tot z'n hoogheid zoo angstvallig te versperren als sommige anderen, +en deze noodlottige waan verleidde hem soms--vooral nà tafel!--tot +inbreuk op 't decorum van het kantoor. Dit beviel de jongeheeren +niet, zy die in de bespottelyke gemeenzaamheid van "papa" een element +van bederf meenden te ontdekken voor 't verheven standpunt dat zy +wilden blyven innemen. Wie 'n zuiver muzikaal gehoor had, kon altyd +in den toon dien de jongeheeren terstond na 't vertrek van "papa" +aansloegen, duidelyk zekere scherpte waarnemen, waaruit men verstaan +kon: "denk nu vooral niet dat je geen bediende bent omdat papa zich +zoo met je gekompromitteerd heeft." Het: "je moet eens zoo goed wezen" +van Pompile klonk dan waarlyk komisch, juist omdat z'n linksgedragen +hoogheid zoo kluchtig afstak by de laagte der sfeer waarin hyzelf +zich bewoog. Zeker bezat hy één hoedanigheid van 'n groot man. Déze, +dat niets hem te klein was. Om nu echter wezenlyk-groote mannen niet +te-schande te maken door dezen schyn van verwantschap, behoort men +zich te haasten er bytevoegen dat hem alles te groot was, behalve +het allerlaagste. We vernamen reeds hoe hy den stuiver waarmede hy +'n briefbesteller paaide voor 't verzaken van z'n plicht, niet wilde +doen drukken op de "zaken" waarin hy 'n vierde aandeel had, terwyl-i +als aanstaand mede-erfgenaam ter-zyner-tyd slechts voor 'n geringer +deel zou betrokken zyn in 't wel of wee van "huishouden." En veel +hooger dan Pompile stonden de andere leden der familie Kopperlith niet, +noch in kennis, noch in verstand, noch in hart. + +Het spreekt vanzelf dat Wouter--in 't oordeelen nog altyd +belemmerd door naïveteit--dit alles niet dan zeer langzaam +opmerkte. In-den-beginne nam hy zich z'n eigen verwondering kwalyk. Hoe +trager evenwel z'n oordeel zich ontwikkelde tot overtuiging, hoe dieper +deze overtuiging geworteld werd. Aanvankelyk voelde hy slechts z'n +nieuwsgierigheid geprikkeld. Telkens echter werd er 'n nieuw hoekjen +opgelicht van de gordyn die de Maatschappy--of het nietig onderdeel +er van dat hy nu te beschouwen kreeg--tot-nog-toe voor z'n oogen +bedekt hield. Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging +over, weldra in minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit +ten-slotte de hoogmoed voortkwam die 't doel van ons streven moet +zyn. Maar zoo ver zyn we nog niet. Op dit oogenblik begint hy juist +z'n derde afschrift van den fameuzen brief des zeer jongen heers +Leon. Daarin kwam 'n vertelling over zeker feestmaal voor, waaraan +de auteur beweerde te hebben deelgenomen. Daar was veel gedronken, +gegeten en ... och, Wouter had zoo'n honger! Hy kende het dokument nu +van buiten, en schreef werktuigelyk voort, niet zonder te luisteren +naar alles wat er gesproken werd door de "heeren van 't kantoor." Maar +dat de honger hem vreeselyk plaagde, is de waarheid. Als ooit "de +handel" hem aan "brood" helpen zou, moesten de zaken zeer veranderen. + +Wat de luistervink al zoo te weten kwam, zal ik meedeelen in 't +volgend hoofdstuk, waarschyntyk niet zonder kommentaar. + +De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt--en misschien niet zonder +eenig medelyden met den auteur--dat er onder al de personen die ik +in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt, +althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten. Het +is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van welk artikel +ook uit het Wetboek van Strafrecht, noch zelfs van policie-keur. + +De oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was 't een +voorbarige spruit van z'n eigen dochter geweest. Wilkens maakte reeds +sedert ruim 'n halve eeuw zich niet schuldig aan belletjes-trekken, +en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie stuivers die er te-kort +kwamen in z'n "kleine kas" niet in zyn zak waren overgegaan. Eugène +vermaakte zich wel met de booswichten in die fransche romannetjes, +maar verder ging z'n verkeer met zulk onfatsoenlyk gezelschap niet. In +z'n gedrag geleek hy wel volstrekt niet op de deugdhelden in die +boeken--wat ik verstandig vind--maar toch, hy vermoordde nooit +iemand. Zelfs verleidde hy geen meisjes welker eer den prys van +'n halven dukaton te-boven ging. Dit was 'n principe van hem. Hy +was dus wat men gewoon is te noemen: van onberispelyk zedelyk +gedrag, en zou--wat dit betreft, en nu eens geen acht-slaande op +den gerekwireerden "lust in werken"--best geschikt zyn geweest voor +de betrekking van winkeljongetje by m'nheer Motto. De oude Gerrit +was 'n pruttelaar, maar overigens bestond z'n grootste fout--op de +rhumatiek na--in 't koketteeren mèt die rhumatiek, 'n begaafdheid +die hem alleraardigst te-pas kwam om nu-en-dan 'n boodschap voor den +jongeheer Pompile uittewinnen. En ook deze leverde geen bruikbare +vlek in de eentonige schildery van 't gewone. Gelukkig dus dat ik +geen romanschryver ben! Hoe immers zou ik 't aanleggen, om straks wat +licht te doen uitkomen by zoo weinig bruin? By zoo'n totaal gemis van +'t krimineel-zwarte? Wie zou helder blinkende deugd kunnen schilderen +op zoo'n vaalgryzen grond? + +Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege +blyven--ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal!--dan toch +... vanhier, vanhier, gy die meent 'n roman te halen uit den huize +Kopperlith! + +Als ik 'n romanschryver was, zou m'n taak ligter zyn. Dan immers had ik +slechts den gek Wilkens te verdoopen in 'n bandiet, hem 'n roovermantel +van diemet en shirting om den schouder te slaan, z'n kantoortjen onder +de stoep te veranderen in 'n spelonk vol doodsbeenderen en geronnen +bloed, z'n kadetjes in zakpistolen, z'n pedante praatjes in moord- +en wraakschreeuwende tooneelkrankzinnigheid. Niets gemakkelyker +dan dat alles, maar ... 't is nu eenmaal bepaald dat m'n taak zoo +eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want ... 'n romanschryver ben ik niet! + +Ware ik 'n romanschryver ... zeker, dan liet ik de draadpoppen +myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en +zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia +op-weg naar Gretnagreen, met den ouden Dieper en de kas ... de +groote. Want in die van Wilkens kwamen nog altyd de drie stuivers +te-kort, die volstrekt noodig zyn om sous d'autres climats zalig +te wezen met 'n verboden geliefde. Ware ik romanschryver ... dan +boezemde ik den teederen Pompile yverzucht in tegen 't allerjongst +kantoormannetje dat zich, één halven dag nog slechts in funktie, reeds +verstout had integaan tot z'n vrouws zykamer! Ware ik romanschryver +... dan liet ik den achtenswaardigen hoofddader van 't wanbedryf: +Ouwetyd & Kopperlith, bekneld raken tusschen twee olievaten, woedend +allebeî over de zoo sarrend te-kyk gedragen persifflage hunner smeerige +welgedaanheid ... + +Maar, helaas, 'n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die menschen +niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal! Is 't +niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo weinig +kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat 'n boek +lezenswaard maakt--uitdrukking, styl, schryfmethode, en ... inhoud +nog bovendien op den koop toe--wanneer ik me veroorloofde dat alles +te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot 'n bondig: + +--Je kunt me gelooven, Pieterse, ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk +borssie, maar ... wat ik je zeg: 't is allemaal wind en 'n engelsche +notting! + +Sloos had nog 'n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te bevallen +omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins +tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van +Kotzebue, en laafde gedurende al z'n vele boodschappen zyn kunstzin +aan de tooneelbriefjes die de opvoering van Armuth und Edelsinn +aankondigden. De hollandsche vertaler had dit laatste woord als in +ons land minder gangbaar beschouwd, en doopte dus dat tooneelstuk met +den meer hollands-klinkenden titel: Armoede en Grootheid. Onze Gerrit +had wel dien naam diep in z'n geheugen geprent, doch--eenigszins +tegen de bedoeling van den schryver en vertaler--in den zin van: +kalen bluf. Ieder is de uitlegger van z'n eigen woorden, en indien +de oude Sloos nog leefde ... + +Komaan, z'n engelsche notting is mooier. En z'n wind ook. De oudeheer +was 'n neerbuigend-winderige notting. Eugène's notting-wind woei +naar-binnen. Pompile was 'n notting met kinderachtigen wind. De notting +van Wilkens suisde en blaasde ploertig-pedant. De oude Dieper ... hm, +'n volslagen notting was deze niet, maar toch, de wind die daarby zou +behoord hebben, was hem niet geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien +voor huis- en buurtgebruik. Zoodra hy, van 't kantoor komende, de brug +bereikte die den Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt, +liet-i zyn wind los. Op die brug rekte hy hals en lenden eenige duimen +uit. Hy richtte zich met zekere fierheid omhoog--op 't horloge-n-af, +altyd kwart over vieren--gaf aan longen, armen en beenen, aan gezichts- +en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid weder, en kuchte dat de +Jordaan er van daverde. Die kuch was 'n jerichoosch trompetgeschal +dat schetterend verkondigde: "de Kopperlith van déze buurt ben +ik!" Jammer dat de ware bezitters van dezen roemruchtigen naam zich +nooit verwaardigden hun voeten in die gemeene wyk te zetten. Want +als eens onze Dieper in zoo'n huisbui van overmoedige handlichting +den oudeheer had ontmoet, Of den jongeheer Pompile, of den jongeheer +Eugène ... tot groot nadeel van den Jordaan, nu ja, maar ... dan had +ik 'n natuurtooneel te beschryven gehad, en in deze hoofdstukken iets +anders te schetsen dan één doorgaande nietigheid! + +Waarheid blyft echter, dat Wouter in zóó'n kring 'n paar van z'n +"Lehrjahre" moest doorbrengen ... + +Fancy had gelyk! + +Hy moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan +ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat schooners +moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat grooters dan +werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet toerusten met geheel +àndere wapenen dan zwaard, lans en Edelsinn, om niet ondertegaan in +den stryd tegen 't geboefte. Wouter moest zich leeren verdedigen tegen +'t kleine. + +Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar +te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in 't oog te houden +... rein te blyven by aanraking met vuil ... buigend en bukkend niet +te breken ... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als +'n gebogen veêr ... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven +... in één woord: steeds zichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen! + + + +Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele +Wouter-geschiedenis: + +Een parelduiker vreest den modder niet. + + + + + + + + Schetsen uit onwelriekende streken van zekere wereld beneden de + oppervlakte der zee, waarby men, o. a. "een man als U, m'nheer!" te + aanschouwen krygt. Ook de jongeheer Pompile blyft voortgaan zich + te vertoonen in al z'n geurige beminnelykheid van verstand en hart. + + +De lezer herinnert zich den indruk dien pater Jansen's eenvoudige taal +op Wouter gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk dááraan nu was z'n +bevreemding over den aard der gesprekken op het kantoor. Doch ... er +bestond verschil. Wel sprak ook pater Jansen geheel anders dan hy +zich had voorgesteld, maar er blonk iets zoo liefelyk-goedaardigs +in z'n onderhoud door, dat Wouter den moed niet had iets in hem +aftekeuren. Al was onze leerling in menschenkennis en menschkunde +nog niet ontwikkeld genoeg om intezien hoe hoog het waar-menschelyke +boven het vals-goddelyke verheven is, toch zou in dit geval z'n +smaak al zeer spoedig den weg hebben gewezen aan z'n oordeel. Om +nu evenwel zelfs den braven Jansen niet meer te geven dan hem +toekomt, moeten wy wel onthouden dat Wouter's kennismaking met dien +eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van 'n boteram, terwyl het +kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet de minste bykomende +omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op de beoordeeling van 't +verhandelde. Geen onzer is in-staat den oorsprong van z'n indrukken +nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften +dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel. De kennismaking +met het stukje nieuwe wereld waarin Wouter aanving zich te bewegen, +ging vergezeld van zulke onaangename byzaken, dat-i moeite zou gehad +hebben de gesprekken die hy aanhoorde schoon of belangryk te vinden, +al hadden de sprekers Bilderdyk's Floris gerepeteerd, of 'n preek +opgezegd. In-plaats van de gulle ontvangst die hem was te-beurt +gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich geplaagd door 'n onbevredigden +eetlust die hand-over-hand toenam. Bovendien ... komaan, we zullen +'t woord dat niet gaarne uit m'n pen vloeit, in den mond leggen van +de sprekende personen-zelf, die niet te goed zyn voor 't platste: + +--Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg de +oudeheer met roerende vertrouwelykheid. + +De plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging tenvolle +waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand- +en voetgrepen: pen in de gleuf van 't opgeslagen boek ... één stap +achteruit ... de handen gewreven, en: + +--Ja, m'nheer, 't stinkt hier wel ... 'n beetje. + +Dat "beetje" was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om 't +gelyk-geven aan m'nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in 'n +vermetele aanranding der eer van m'nheer Kopperlith's kantoor. Zoo +zeilt de wyze tusschen twee klippen door! + +--Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, 't stinkt hier heel erg. Dat komt +van de grachten, niet waar, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, 't komt van de grachten ... + +En, alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroon +tevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze meening met de +plechtige woorden: + +--Ik heb de intieme fiktie, m'nheer, dat het alleen van de grachten +komt! + +--Ei? vroeg of zei m'nheer Kopperlith. + +--Ja, m'nheer! En ... 't is zoo'n ... modderlucht, vindt u niet? + +Dieper had zeer gerust de kwalifikatie 'n paar graden onfatsoenlyker +kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de waarheid. Maar bégueule +stiptheid in omschryving was minder z'n zaak, dan 't reinwasschen +van m'nheer's kantoor van àl te onwelriekenden blaam. Op gelyke wys +had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn in bescherming +genomen door de schuld op de riolen te werpen, al geschiedde dit dan +niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den nieuwen jongste-bediende +een blyk van z'n scherpzinnigheid te geven. Misschien ook was 't +Gerrit alleen om 'n praatje te doen, een bodem waarop veel onbekookte +meeningen groeien. In-zoo-verre echter moet ik zoowel Dieper als +den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide lokalen die thans in +zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend zouden geworden zyn +wanneer men ze had overgeplaatst naar 'n lusthof op den Hymettus. Maar +in zoo'n lusthof lagen ze nu eenmaal niet. + +--Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer met bescheiden +weifeling voor. + +--O né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! Ik zal u +zeggen, papa ... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! Niet +waar, Dieper? + +Dieper betastte z'n hoofd: + +--Zinkings, m'nheer! Allemaal zinkings! + +--En dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt er +dadelyk zoo'n fameuze stank in van de binnenplaats, papa! + +Meer afdoende reden om "versche lucht" buiten te sluiten, zal wel +nooit gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de zaak, en +Pompile die gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken als +bondgenoot--niets was hem ooit te gering!--en als middel om z'n doel +te bereiken met de Pleiers en de Hockers en de Kruckers, bracht zeer +handig het gesprek op iets anders. + +--De zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. Niet +waar, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m'nheer, een man als U, m'nheer, +behoorde reeds lang buiten te wezen! + +Het glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet +opgaan over de boozen en goeden van z'n kantoor was goud waard. Toch +niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het tevoorschyn roepen +zoo dikwyls hy verkoos met 'n allergoedkoopst: "een man als U, +m'nheer!" Maar hy was te bekwaam in z'n specialiteit van perpetueel +ondergeschikte, om de kitteling van z'n streelen aftestompen door +overvoer. Meer dan tweemalen daags zeide hy 't niet. En gewis ook +zóó veel keeren kon m'nheer Kopperlith het verdragen zonder op +'t afgryselyk denkbeeld te komen dat z'n boekhouder hem voor den +gek hield. Neen ... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar +de man was 'n vriend van 't gemiddelde, een vyand van overdryving, +matig, sober en ingetogen, tot in z'n flik-vlooiery toe. Bovendien, +er was inderdaad geen element van bespotting in de hulde die hy vry +periodiek neerlegde op 't altaar van de Kopperlithsche hoogheid. Z'n +opblazen by 't betreden van de buurt die hyzelf bewoonde, had +volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming die inderdaad de +zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht betrad, waar +'t zoo heel erg ... 'n beetje stonk. Hy huichelde evenmin als de +bulhond die, wild en onhandelbaar onder z'n gelyken en by vreemden, +zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z'n meester. + +Oppervlakkige ziel-ontleders denken gewoonlyk veel te spoedig aan +huichelary, wanneer zy iemand ongelyk zien aan zichzelf. Juist deze +ongelykheid is by zeer velen de strenge konsekwentie van allergewoonste +karakterloosheid. + +Ook Dieper hield er 'n wezen op na, dat tienmaal in de week 'n +fleemerig: "een man als U, m'nheer Dieper!" by hem plaatsen kon, en +... op-straffe van ongenade, plaatsen moest. De majesteit waarmee de +oude boekhouder in zyn huis om z'n sloffen riep, of 'n ketel saliemelk +bestelde--zoo byzonder goed tegen de "zinkings"--was nauw verwant aan +'t zelfde hondenkarakter dat hem zou hebben genoopt de pantoffels van +"m'nheer" te kussen, wanneer dit blyk van rechtgeaarde boekhouwery +mocht gevorderd worden. + +--Een man als U, m'nheer, moest al lang buiten wezen, niet waar, +jongeheer? + +--Ja, papa. 't Saizoen gaat voorby, papa! + +--Dat is waar, Pompile. Maar ... als mama niet reizen kan ... wat +zullen we 'r aan doen? Ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is, +byzonder erg, Pompile! + +Dit had hy van "Gerrit" vernomen. De onnoozele lezer die nooit +te logeeren werd gevraagd aan 't hof van Spanje, en dus niet +ingewyd kan zyn in de verheven etikette van zoo'n Kopperlithsche +huishouding, is misschien verwonderd dat 'n man bericht van den +gezondheidstoestand zyner vrouw ontvangt door bemiddeling van den +knecht. Men bedenke dat--op 'n kleine uitzondering na, die straks +zal gemeld worden--slechts zeer weinige stervelingen toegang hadden +tot de suite, waar "mevrouw" huisde, sliep, ziek was, at en dronk, +enz. Daar was 'n "juffrouw" die haar gezelschap hield, en 'n kamenier +voor 't aan- of uitkleeden, en 't optooien. Want ... opgetooid wèrd +ze. Doch zie, deze beide mynslavinnen waren niet sterk genoeg om 't +logge schepsel uit haar bed op den rolstoel te helpen, waarmee ze naar +'t voorvenster van de "zykamer" moest gekruid worden. Jaren geleden +reeds was er over deze zwarigheid 'n kantoor- en familieraad belegd, +met den kanonieken uitslag dat de ook toen reeds niet jeugdige Gerrit +zou worden beschouwd als geslachteloos, 'n vereerende onderscheiding +die hem 't recht van toegang tot den harem verschafte. Men bedenke +dat het er donker was, en de sultane sedert lang grootmoeder. Deze +regeling omtrent Gerrit voldeed te-meer aan den eisch, omdat zy +samenviel met de voortdurende noodzakelykheid om hem met boodschappen +te belasten. Gedurende Wouter's wittebroodsweken pynigde hem telkens +z'n wanbegrip, wanneer een der meiden of de kamenier Gerrit kwamen +zoeken met de onheldere toelichting: "'t is, weetje, om mevrouw +te kruien ... ze wil eruit" of: "ze wil er in." Ook begreep-i niet +volkomen wat er bedoeld werd met den roep: "Gerrit, mevrouw's boeken +ruilen!" Maar dit alles helderde zich weldra op. Dat eeuwige boeken +ruilen stond in verband met haar verveling. Ze was geabonneerd in drie +leesbibliotheken te-gelyk, en verslond al wat daarin fransch was. Dat +er noch door haar, noch door wien ook van de andere familieleden ooit +'n penning besteed werd om 'n boek te koopen, spreekt vanzelf. Van +'n bibliotheek was geen spoor in den huize Kopperlith! De "heeren" +meenden dat zoo-iets behoorde by geleerdheid, 'n eigenschap waarvoor +zy allerfatsoenlykst den neus optrokken. + +Wat overigens die geheimzinnige suite-kamer aangaat, het is te +veronderstellen dat ze weleens bezocht werd door Pompile en Eugène +ook, wanneer deze jongeheeren hun: "broodje gingen eten by mama" +maar overigens waagde zich daarin vóór het uur van 't middagmaal, +geen schepsel. Dan namelyk, maar ook dan eerst, kon de oudeheer +z'n huwelyksgeluk 'n uurtje te zien krygen. Z'n vurige drift om +vóór dat oogenblik iets te vernemen van de wyze waarop zy den +nacht had doorgebracht, kon alleen door Gerrit bevredigd worden, +en deze ontleende alweer aan deze byzonderheid zeker gewicht, dat hy +zeer handig wist op de schaal te leggen in z'n eeuwigen gezagstryd +met: "die Wullekes!" De manier waarop hy 't aanlei om z'n welkome +voorwendsels tot dienstweigering toetepassen, is niet moeielyk te +raden. Zoodra de wyze kantoorheer iets gelastte dat den kantoor- en +huislooper niet aanstond, moest deze juist "boekenruilen voor mevrouw" +'n ultima ratio die Wilkens niet dan schoorvoetend aandurfde. En, +als: "mevrouw straks misschien zou moeten gekrooie worden" verzonk +de autoriteit van den gehaten onder-chef in 't peilloos Niet, juist +waar Gerrit ze gaarne zag om ze op z'n gemak uit het oog te verliezen. + +--Zieje, Pompile, als mama zoo erg is, zoo heel erg.., wat zullen we +doen? Ik kan toch niet in m'n eentje naar Groenenhuize! Wat zeg jy, +Dieper? Ik zou me daar vervelen, denk je niet? + +--Zeker, m'nheer, ik ben zeker dat m'nheer zich daar vervelen +zou. M'nheer zou daar zoo ... heelemaal alleen zyn, niet waar? + +--Nu ja, papa, dat's waar, maar ... 't saizoen gaat voorby. Ik kan u +verzekeren, papa, dat er geen enkele fatsoenlyke familie meer in de +stad is, wat je noemt: 'n fatsoenlyke familie! Wat zeg jy, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, er is geen enkele fatsoenlyke familie meer in +de stad, dàt is waar. + +--Ziet u, papa? En als mama niet zeer spoedig resolveert ... zal ze nog +veel zieker worden. Dat heeft de dokter ook gezegd, niet waar, Dieper? + +Hm! Wat zou de boekhouder zeggen? Hy kon toch in-gemoede de +meening niet bevestigen van 'n dokter dien-i nooit had te zien of +te spreken gekregen? En ook de vreeselyke ziekte van mevrouw was +aan de "heeren van 't kantoor" slechts zeer schemerachtig bekend, +want de half-vertrouwelyke ontboezemingen van Gerrit weken weleens +'n beetje van z'n officieele berichten af, 'n byzonderheid die +oplettende hoorders en lezers ook nu-en-dan in andere kringen kunnen +waarnemen. Ook de betrekkelyke duisternis der onwetendheid omtrent +mevrouw's zeer voorname kwalen zou in diepen nacht zyn overgegaan, +wanneer men by die heeren gevorscht had naar bekendheid met de +mevrouw-zelf. Zy was in hun oog de zeer letterlyk-etymologische +uitdrukking van 't solemneele: men zag haar éénmaal 's jaars, op +den eersten Januari. Op dien dag namelyk werden Dieper, Wilkens, +en later ook Wouter, door een der ad hoc gekommitteerde jongeheeren +plechtstatig door de bovengang in de suite geleid, waar ze dan konden +wachten totdat mevrouw door haar gezelschapsjuffer het sein liet geven +dat "de heeren" mochten binnentreden in de eeuwige zykamer. Schryvers +van middelmatige konscientie zouden allicht uitstrooien dat ze daar +werden toegelaten tot den handkus, maar wie eerbied voor waarheid +heeft, zal ten-allen-tyde verzekeren dat de plechtigheid niet zóó +ver ging. Dieper wenschte by deze gelegenheid: "ook namens de andere +heeren, aan mevrouw ... des Hemels besten zegen, en ... bestendig +welzyn." Ze was er mee tevreden, en zei dat ze 't vandaag zoo +byzonder erg "op" haar zenuwen had, en dat het zeker van 't weer +kwam. Nadat dit door Dieper beaamd was--met 'n buiging, want z'n +welsprekendheid was òp--kon men de zaak als afgeloopen beschouwen. De +gezelschapsjuffer opende een der dubbeldeuren van de suite, en de +"heeren" verlieten ruggelings de "zykamer van mevrouw." Dieper was +dan gewoonlyk zeer warm, en kon niet altyd de schuld hiervan op 't +weer schuiven, want het vroor soms. En ook lag de oorzaak van die +hitte niet in de vermoeienis van de reis die zoo byzonder ver niet +was, en maar weinig inspanning vorderde. De plechtige exodus nam op +'t kantoor 'n begin ... linksom, vyf treden in de ondergang ... de +keuken voorby, waar de meiden stonden te lachen en te ginnegappen, +vooral om 't malle gezicht van m'nheer Wilkens, daarop volgde een +donker slakhuisvormig trapjen, en twaalf korte schreden tot aan +de deur van de suite ... neen, neen, uit vermoeienis van de marsch +ontstond Dieper's verhitting niet! Doch al ware dit anders, ik vraag +of zoo'n kennismaking voldoende is om iemand instaat te stellen tot +beoordeeling van de vraag of "mevrouw nog zieker worden zou ais ze +niet spoedig naar buiten ging?" En tevens: of men uit zoo'n bezoek op +nieuwjaarsdag--en in die hitte nogal--voldoende gegevens putten kan om +te berekenen hoe de dokter mevrouw's toestand zou beoordeelen in 't +hartje van den komkommertyd? Maar de jongeheer Pompile had nu eenmaal +Dieper's getuigenis ingeroepen. Des boekhouders naastbyliggende +plicht schreef dus voor, een "intieme fiktie" by-de-hand te hebben, +die den jongeheer kon dienen by z'n plannetjes, en dus: + +--Ja, ja, m'nheer, 't is zeker goed voor mevrouw, dat ze spoedig naar +Groenenhuize vertrekt, want ziet u--o, prachtsprong over 't onbekend +gezegde van den onbekenden dokter!--'t is zeker goed voor mevrouw, +anders ... gaat de tyd van jonge doppertjes voorby! + +--Ziet u, papa? Dàt is juist wat ik altyd zeg. Mama moet absoluut +naar buiten! 't Is voor mama niet langer in de stad uittehouden, +niet waar, Dieper? + +--Juist, jongeheer! M'nheer, het is voor mevrouw in de stad niet +langer uittehouden! + +--Voor niemand, papa! + +--Zeker, m'nheer, voor niemand! + +En hyzelf dan? En al z'n lotgenooten? + +--'t Water in de grachten ziet paars van den stank, papa! Niet Dieper? + +Ook dit beaamde de getuige, en ditmaal met grondige reden van +wetenschap. Want hyzelf woonde in den Jordaan, waar de opgezamelde +meststof zich niet onbetuigd liet in dartele kleurspeling op 't +water. 't Was juist 'n buurt om nieuwe verfstoffen uittevinden. + +--Maar ... Pompile, hoe krygen wy in-godsnaam mama de stoep af? Dat +is de vraag! + +--Juist, papa, dàt is het! Dàt's de zaak! Ik heb er Flip over +gesproken, Flip den kruier, papa! + +--Hè? + +--Ja, papa, den kruier! Met hun drieën zien ze geen kans mama de +stoep aftedragen ... + +--In 'n fauteuil, Pompile! + +--Juist, papa, in 'n fauteuil! Weet u wat ze zeggen? Ze zeggen: 't +handt niet, omdat de trap van de stoep wat smal is, papa! En ze zouden +mama laten vallen, papa! U moet begrypen, papa, 't is lomp volk, papa! + +--Maar ... hoe dan? + +--Flip zei: als we mevrouw in 'n flinken leuningstoel hadden--fauteuils +kent zoo'n man niet, papa!--en dan 'n strop er om--om den fauteuil, +papa!--en dan ... maar toen zei ik: met veel kussens, papa, weet u, +met héél veel kussens, dan zouden we ... + +Eugène trad binnen. Blykbaar was hy door z'n vader op kondschap +gezonden, of er iets met de oude koppige dame te bereiken zou zyn. Doch +ook hy bracht geen bevredigend antwoord mee. + +--En jy, Pompile, wat had jy dan bedacht? + +--Wel, papa, 'n fauteuil ... en mama daarin, met veel kussens, en dan +'n strop er om ... om den fauteuil, Eugène! En dan ... 't venster +open--Flip zei, 't kon best, maar ik zeg met veel kussens, weet u, +papa?--en dan ... + +--Ben je mal, Pompile, wou jyzelf nu mama 't venster uithyschen? En +zoo-even zei je ... + +--O neen, Eugène, zoo meende Flip. Maar ik zeg: met veel kussens, +weetje? Maar ... die kruiers zyn lompe menschen, en ... ze rekenen +hoog. Al wat boven 'n dubbeltjes-boodschap gaat ... berekenen ze +vreeselyk hoog, papa! 't Weekbriefje--vooral als Gerrit styf van +rhumatiek is, papa!--o, dan is 't weekbriefje ... fameus, papa! En +daarom had ik gedacht--omdat we nu 'n jongstebediende hebben, +ook--nu dacht ik ... kyk, papa, we kunnen voor mama die kruiers best +missen. U weet misschien dat Gerrit weer styf van rhumatiek is? Nu, +dat's hetzelfde ... maar Dieper heeft telkens briefjes te inkasseeren +... morgen 'n smerig papiertje, niet waar, Dieper? + +--Ja, jongeheer! Morgen 'n smerig papiertjen in den Jodenhoek, m'nheer, +heel smerig! + +--Maar, Pompile, wat wou je dan met mama? + +--Met veel kussens, papa! Dan wou ik vragen of Wilkens zoo goed +zou willen zyn--niet waar, Wilkens?--met dat jongemensch daar, aan +'t windas te gaan. Ziet u, papa, dan konden wy die kruiers missen +... lomp volk! Maar ... met veel kussens, dit begrypt uzelf wel, +papa! En, ziet u, papa, Eugène en ik, wy zouden ... beneden staan, +en ... er goed naar kyken, papa! + +Eugène bromde. Maar 't was karakteristiek dat niemand lachte by +Pompile's voorstel om--niet zonder terugzicht op zuinigheid--z'n moeder +'t venster uittehyschen aan 'n strop ... om den fauteuil. + +--De buren! + +--Juist, Eugène, de buren! Precies wat ik zeg! En daarom ... als we +mama konden bewegen ... 's morgens vroeg ... + +By noorderzon alzoo! Wouter wist nog niet wat 'n windas was, en +dacht zich suf over de rol die hy zou te spelen hebben. Hy voelde +reeds angst by de bedenking of-i wel in-staat wezen zou by die +gelegenheid z'n naastbyliggenden plicht te vervullen. 't Was hem 'n +kleine verademing dat Pompile's voorstel nog altyd niet gaaf werd +aangenomen. Men scheen te betwyfelen of "mama" genoegen nemen zou +met de vreemde lokomotie. De oudeheer klaagde dat zy zéker weigeren +zou als ze hèm verdacht van de uitvinding. + +Hy iets uitvinden! + +--Wel, papa ... u kan zeggen dat Flip de kruier het verzonnen +heeft. Dat kan u best zeggen, papa! + +--Hm ... ja ... als nu by-voorbeeld de juffrouw dat aan mama +verzekerde? + +--Dat zou zeker 't allerbeste wezen, papa. Maar ... ik geloof dat wy +op die juffrouw niet best kunnen rekenen, papa! Weet u wat ze doet, +papa? Ze stookt! + +--Zou je dat denken, Pompile? + +--Ja, papa! Want, ziet u, anders had ze 'r al lang op aangedrongen +dat mama naar buiten ging, wat zeg jy, Dieper? + +--Zeker, jongeheer, zeker! Anders had ze 'r al lang op aangedrongen. + +--Die nieuwe juffrouw is 'n gekkin, bromde Eugène. + +--Mama is zeer met 'r tevreden, zei de oudeheer. Ze is zoo erg +fatsoenlyk, zegt mama, zoo heel erg fatsoenlyk. En ... haar papa was +prokureur, Eugène! + +--Ze heeft kale plekken op 't hoofd. + +--Wel, wel, Eugène! + +--Dat kan my nu niet schelen, zei Pompile, als ze mama maar wou +overhalen om naar Groenenhuize te gaan, papa! + +--Waar is Gerrit? vroeg de oudeheer. + +--Styf van 't rhumatiek, papa! En morgen heeft Dieper 'n smerig +papiertje, niet waar, Dieper? + +--Nu ja, maar als Gerrit nu eens--zonder dat het van ons kwam, begryp +je?--aan de juffrouw vertelde dat de kruier gezegd had ... want zieje, +Pompile, als ik alleen ga, dan verveel ik me zoo! En ... hoe met de +keuken? Ik kan toch niet te Haarlem in 'n restauratie gaan eten, als +'n kantoorbediende! Wat zeg jy, Dieper? + +--Zeker niet, m'nheer! Een man als U kan niet in 'n restauratie gaan +eten. Zeker niet! + +Diezelfde "man als U" kon wel de hulp inroepen van den kruier, +en van den knecht, en van de gezelschapsjuffrouw, om z'n vrouw te +bewegen tot iets dat ze hardnekkig nalaten zou zoolang ze meende dat +hy er op gesteld was! En al die naaktheid mocht Wouter te aanschouwen +krygen! Geen van de sprekers kwam op het denkbeeld dat ze zich voor +dien jongen kantoorbediende vertoonden in 'n zonderling licht. Men +ziet het, ook 't gemeene heeft z'n naïveteit. + +Om overigens den belangstellenden lezer, die zich zeker al ongerust +maakt over den gezondheidstoestand van die "mevrouw in de zykamer" +wat moed intespreken, beroep ik me hier op zeker getuigenis van Gerrit, +die eenmaal aan Wouter deze vertrouwelyke mededeeling deed: + +--Je kunt me gelooven--ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk borssie--zy +... eet te veel, en ze-n-is koppig en sagrineus: dàt is het! Haar +heele ziekte ... komaan, ik zal 't je maar op z'n rond-hollandsch +zeggen, is wind en 'n engelsche notting! Maar zy ... eet te veel. Zy +... eet den godganschelyken dag, dàt is het! Als ik haar dokter was, +kreeg ze niets dan één roggebroodjen in de week, en verder pomp-water +... anders niets, wat ik je zeg! + + + + + + + + De auteur kruipt tot in de nauwste gaatjes de hoogheid na, van + 'n "man als u, m'nheer!" + + +De oudeheer die tot-nog-toe had staan leunen tegen Dieper's lessenaar, +begon zich te vervelen. Of liever, hy kreeg lust de verveling die +hem kwelde en waarmee hy gewoon was ieder te plagen die met hem in +aanraking kwam, te doen veranderen van soort. By Dieper had de man +'n halfuurtje links geleund ... hy wou nu eens rechts leunen. Zoo +wentelt zich de luiaard in z'n bed om, like a door on its hinges, gelyk +Shakespeare, meen ik, ergens zegt. Maar onze emeritus-leeglooper had +nog andere redenen dan zoo'n deur, om zich eens omtekeeren. Het nieuwe +kantoorbediendetje, hoe jong en onbeduidend ook, moest doordrongen +worden van 't besef der hoogheid van m'nheer Kopperlith. Hy naderde +alzoo sloffend den hoek, waar de hongerige Wouter nog altyd bezig-was +zich door 't overschryven van Leon's epistel, bekwaam te maken voor +den "handel." + +--En, mannetje, hoe gaat het nu eigenlyk met jou? Met je werk? Schryf +je wel netjes? Neen, neen, blyf maar zitten, blyf gerust zitten! Ik +kom maar even kyken of je netjes schryft, weetje? En ... klein, +heel klein, om de port. Want, mannetje ... die brief gaat naar Rome. + +'t Werd voor Wouter waarlyk tyd dat-i eens opkeek. Hy zou flauw- +of in-slaap gevallen zyn. Het woord Rome maakte hem eenigszins +wakker. Hy had iets geschreven dat heel naar Rome gaan zou, hy! God +weet welke Paus zyn schrift onder de oogen krygen zou! En zelfs +... welke roover! En de stad-zelf! De stad van Caesar, van Romulus +en Remus, van Numa Pomp ... 't is waar ook, waarom heette z'n hoogste +onderpatroon: Pompilius? [15] + +--Ja, mannetje, naar Rome! Dat dacht je niet, hè? + +--N...e...e...n, m'nheer! + +--Hi, hi, hi, naar Rome! Hoorje wel, Pompile, hy dacht niet dat die +brief heel naar Rome ging! Ja, mannetje, zóó is het toch! Die brief +gaat--daarom moet je netjes schryven--naar m'n zoon, den jongeheer +Flodoard die te ... Rome-n-is! Wat zeg ie dáárvan? + +Wat zou Wouter zeggen? Ik weet het waarachtig niet. En hy-zelf wist het +ook niet. Dit bezwaarde hem. Zou er ook misschien 'n naastbyliggende +plicht verzuimd worden als-i zweeg? De oudeheer genoot van z'n +hakkelen. Hy had z'n doel bereikt: het jonge-mensch was vernietigd. En +nog zyn er onverlaten die uitstrooien dat Hollanders "van fortuin" +zich niet weten te amuzeeren! + +--M'n zoon--de jongeheer Flodoard, weetje?--is daar ... + +Hier stuitte de kinderachtige bluffer. Het denkbeeld kwam in hem +op, dat misschien die domme burgerjongen niet op de ware hoogte +stond om te beseffen wat 'n schilder was. En deze vrees was niet +ongegrond. Juffrouw Pieterse-zelf zou dit maatschappelyk standpunt +niet byzonder hoog gevonden hebben: 'n schilder! + +--Hy is ... fynschilder, weetje? Zeg, Pompile, je moet hem Mozes by +'t Doornbosch eens laten zien ... + +--In de hoes, papa! + +--Ah, ja, in de hoes! Anders, weetje, dan kan je-n-op de zaal--vlak +boven--Mozes by 't Doornbosch zien ... als-i eens niet in de hoes +zit. Dat heeft m'n zoon, de jongeheer Flodoard-zelf geschilderd, +heelemaal zelf. Wat zeg je dààrvan? En nu is hy te ... Rome om zich +te oefenen in de Kunst, in 't fyne, weetje, heel in 't fyne van de +Kunst. Want ... dit begrypje toch ook wel, niet waar, er is schilder +en schilder! Je moet niet denken dat de jongeheer Flodoard schilderyen +maakt voor z'n brood. Volstrekt niet, in 't geheel niet! Je begrypt +immers 't verschil wel, zeg? + +Die arme knoop! Wouter zette 'n gezicht alsof-i volkomen bereid was +alles te begrypen wat men hem vertellen zou. + +--Om z'n brood ... hi, hi, hi, 't lykt er niets naar! Gut, Pompile, +begryp eens, er zouden menschen zyn die dachten dat Flodoard schilderde +... hi, hi, hi ... om z'n brood! + +--Ja, papa! + +--Neen, mannetje, ik zal je heel wat anders zeggen ... heel wat +anders! De jongeheer Flodoard schildert ... voor z'n pleizier, en +... voor de Kunst. Wat zeg je dáárvan? + +Wouter bleef stom van verbazing. Heel goed! + +--Voor de Kunst, mannetje! Denk je dat-i wat krygt voor z'n +schilderyen? Zeg, Pompile, je moet 'm toch Mozes by 't Doornbosch +eens laten zien ... + +--Ja, papa! + +--Zieje, mannetje, dat heeft-i zelf geschilderd, en hy krygt er niets +voor. En 't hangt op de zaal--vlak, vlak hierboven, weetje?--en je +mag 't zien, als de hoes er af is, want ... nu is er 'n hoes over, +omdat mevrouw naar buiten gaat, naar myn Buiten ... Groenenhuize heet +het. En daar mag je-n-ook wel eens komen, want ... daar hangen ook +schilderyen van den jongeheer Flodoard ... dàt zal je zelf zien! Dacht +jy dat-i er iets voor kreeg? + +--N...e...e...n, m'nheer, o neen! + +--Zoo? Ik dacht dat je dat dacht. Maar zieje, 't is juist andersom. De +jongeheer Flodoard verteert veel geld te Rome, heel veel geld! Zeg +eens, hoeveel geld denk jy wel dat de jongeheer Flodoard te Rome +verteert? Komaan, raad eens! + +Och, daarvan stond weer niets in Strabbe! Onze Wouter voelde zich in +pynlyke verlegenheid. De oude dwaas scheen op antwoord te wachten: + +--Ja, ja, raad eens! Je mag gerust eens raden! + +--Hon...derd... gulden, m'nheer? + +--Hi, hi, hi ... hoorje dat, Pompile? Hoor je 't Eugène? Heb je +'t gehoord, Dieper? Honderd gulden! Help me onthouden, Eugène, +dat ik die aan mama vertel! Honderd gulden? Honderd gulden? Wil ik +je-n-eens wat zeggen, mannetje? Honderd gulden ... ja! In de maand, +weetje? Honderd gulden in de maand ... wat zeg je dáárvan? + +--Hè, m'nheer! + +--In... de... maand! + +--Hè! + +--In... de... maand! Hon...dèrd... gul... den... in... de... máánd! + +Wouter zweette. + +--Ja, al dat geld verteert hy te Rome. En dat haalt-i ... zeg eens, +by wien denk je dat-i al dat geld haalt? + +--By... den... + +--Nu, zeg maar op. Spreek gerust uit. Waar denk jy nu wel dat de +jongeheer Flodoard al dat geld haalt? + +--By den ... Paus, m'nheer? + +Was 't niet jammer dat er niet mocht gelachen worden op 't kantoor van +m'nheer Kopperlith? Wat Wouter aangaat, hy was ditmaal inderdaad iets +minder onnoozel dan-i scheen. Dat wereldsche hoogheid hem altyd door 't +hoofd speelde, was waar. En dat hy, eens zich verplaatsende naar Rome, +aan weinig anders dan pausen en roovers dacht, is ook waar. Toch kwam +z'n malle gissing niet hoofdzakelyk hieruit voort. Z'n onverbiddelyke +partner eischte antwoord. Dit antwoord moest den indruk uitwisschen, +dien z'n onfatsoenlyk-lage-taxatie van Flodoard's vertering gemaakt +had. Om nu zeker te zyn dat-i deze keer niet zoo héél ver beneden 't +peil zou blyven van de ontzettende hoogheid die men hem te bewonderen +gaf, wist-i niet beter dan 't voornaamste te noemen dat hem te Rome +bekend was. Het was hem zeer goed bewust dat-i mis-raadde. Maar om den +oudeheer tevreden te stellen ... och, hy vervulde z'n naastbyliggend +plichtje! En zie ... hy greep minder ver mis, dan de lezer denkt. Al +moest dan de heer Kopperlith ootmoedig erkennen dat-i nog altyd onder +z'n bankiers geen gekroond hoofd had, toch, toch ... + +--De Paus? Neen, mannetje, niet de Paus. De jongeheer Flodoard +ontvangt alle maanden honderd gulden op 't kantoor van een ... van +wien, denk je? Ik zal 't je maar zeggen: van 'n ... prins! Niet waar, +Dieper! Ja, ja, mannetje, m'nheer Dieper kan je de wissels laten +zien--want die worden op myn kantoor door m'nheer Dieper betaald, +weetje?--de wissels van prins Torlonia! Wat zeg je daarvan! Je ziet +dus wel dat de jongeheer Flodoard niet hoeft te schilderen voor z'n +brood? Hy moet volstrekt Mozes in 't Doornbosch eens zien, Pompile, +maar ... alles is nu op de zaal in de hoezen, weetje, anders bederft +het satyn van de stoelen--want er zyn stoelen met satynen zittingen +op de zaal--en 't verguldsel van de spiegels, weetje, omdat mevrouw +naar-buiten gaat, naar Groenenhuize--want zoo heet eigenlyk m'n +Buiten--en ik ook ... ik meen dat ik ook naar-buiten ga. Ben jy wel +eens buiten geweest, mannetje, zeg? + +--J...a...wel, m'nheer! + +Dit antwoord viel den gek tegen. 't Was dan ook wel 'n beetjen +onvoorzichtig van Wouter zoo plomp op de ydelheid te trappen van +iemand die duidelyk te kennen gaf dat-i het buiten-zyn voor z'n +privatief domein houden wilde. + +--Jy ... weleens ... buiten geweest? En wáár dan, mannetje? + +--Op den Singel, m'nheer, buiten de Aschpoort. + +Alweer zou hier 'n algemeen schaterend gelach zyn opgegaan, indien +er door iemand anders dan den oudeheer zelf mocht gelachen worden +op 't kantoor. Deze oefende in z'n eentje zoo goed mogelyk de +funktien van koor uit. Dieper legde z'n pen neer. Wilkens fronsde +'t voorhoofd. Pompile meesmuilde. En zelfs 't officieel gelaat van +Eugène vertrok zich byna in 'n plooi. + +--Hi, hi, hi, buiten de Aschpoort! Maar, jongen... maar, +kereltje... maar, ventje... dat is niet buiten, mannetje! Gut, Pompile, +wat toch zulke burgerlyke menschen rare ideën hebben! + +--O ja, papa! + +Weer verkneuterde zich de oude dwaas van pleizier over Wouter's +domheid, en de knoop van z'n jasje moest het ontgelden. + +--Buiten is... wat je noemt: buiten, heelemaal buiten, weetje? + +Of Wouter 't nu wist, zullen we daar-laten. Hy kromp verlegen in +elkaer. + +--O ja, m'nheer! Zeker, m'nheer! Ik wist niet wat m'nheer bedoelde... + +--Juist! Hi, hi, hi... hy wist niet wat "buiten" was. Nu, +nu, ik neem 't je niet kwalyk, wees maar gerust! Buiten-zyn +is... 's-zomers buiten-zyn, weetje? Dat is... 'n Buitenplaats +hebben, begrypje? Nu... ik heb 'n Buitenplaats... by Haarlem in +den Hout... och, Eugène, hy weet zeker niet wat "den Hout" is. Zeg, +weet je wel? + +--N...e...e...n, m'nheer! + +Wouter jokte. Hy wist zeer goed wat "den Hout" was. Dit stond immers +in z'n geografieboekje? En... Laurens Coster dan, met z'n vermoeiende +uitvinding! Welke Hollander zou "den Hout" niet kennen? Of nu onze +kleine bediende zich zoo onnoozel hield om z'n kinderachtigen patroon +den vollen triumf van z'n uitlegging te laten, weet ik niet. Misschien +zeid-i maar neen, uit verlegenheid, want de graagte waarmee men +z'n domheid van zoo-even als iets vermakelyks had aangegrepen, had +hem zéér gedaan. Hy was beschaamd alsof men hem op diefstal betrapt +had... neen, erger! + +--Ja ja, ik heb 'n Buiten in den Hout, vlak by de "Logementen"... zeg, +Pompile, hy mag van den zomer weleens komen kyken op Groenenhuize, +niet waar? + +--O ja, papa! + +--Zieje, dan kan-i op 'n zondagmorgen met de eerste schuit... + +--Vier stuivers, papa! + +--Ja, vier stuivers. En 's avends terug, dat 's acht, +niet waar? En... 'n dubbeltje voor den man die hem den weg +wyst. Anders... je hoeft maar te vragen naar 't Buiten van m'nheer +Kopperlith, in den Hout, vlak by de "Logementen" zieje, 't is dus +heel makkelyk te vinden. En je hoeft maar te zeggen: 't Buiten van +m'nheer Kopperlith, want... zieje, mannetje, van den zomer mag jy +heel goed eens buiten komen... omdat ikzelf 'n eigen Buiten heb, +weetje, 'n wezenlyk Buiten... dàt zal je zien. 't Is vlak by de +"Logementen"... in den Hout, weetje? In den Haarlemmer Hout! Hi, hi, +hi, by de Aschpoort! Eugène, help me-n-onthouden dat ik die aan mama +vertel, van middag aan tafel, weetje! + +Na nog eenige praatjes van gelyken aard, verloste eindelyk de oudeheer +'t kantoor van z'n tegenwoordigheid. Wouter leed meer dan iemand gissen +kon, en wanneer hem op dit oogenblik de keus gegeven was tusschen 't +bestormen van 'n turksche vesting, of 't òpzien... hy had het eerste +gekozen. Schaamte is altyd pynlyk, maar de valsche! En dan op een +zoo onbekend terrein! Nooit, nooit, nooit had hy kunnen gissen dat de +"handel" zoo'n moeilyke zaak was. + + + + + + + + Vita longa, ars brevis. Plebejervreugd over "gekochte + kost." Dekadentie van Herkulanum en Pompeji. Wouter's verdriet + over z'n snel begrip. Parafraze van Gerrit op Talleyrand's "pas + de zèle!" + + +Toen Wouter eindelyk met z'n afschriften gereed was, begon Wilkens +hem toetespreken op 'n toon en in bewoordingen die niet volstrekt +misplaatst zouden geweest zyn by 'n inwyding in de Eleuzinische +geheimenissen, en den adept dan ook niet weinig angstig maakten. De +mysterie kwam evenwel ditmaal neder op iets wat geen byzondere +illuminatie van den geest vereischte of te-weeg bracht. Wouter +kreeg 'n groot aantal gekleurde katoenen lappen, die hy netjes +moest afknippen naar 'n opgegeven maat en daarna op karton plakken, +'n bezigheid waarvan-i zich beter kweet dan m'nheer Wilkens erkennen +wilde. De man was niet gewoon iets goedtekeuren dat niet de eer had +uitgegaan te zyn van hemzelf. + +--En, Wilkens, nu moest je-n-eens zoo goed zyn hem in den kelder +te brengen, zei Pompile, die nogeens onder vier oogen by Dieper wou +aandringen op 't klagen over Gerrit's hardnekkig-styve rhumatiek. + +Wouter werd weggeleid naar de onderzeesche bewaarplaats van allerlei +heerlyke zaken. Hier kreeg-i de stapeltjes lynwaad van-naby tezien, +waarvan hy reeds de voorsten had waargenomen toen hy dien ochtend zoo +geduldig stond te wachten buiten de glasdeur. Wilkens onderrichtte +hem met 'n pedanterie die moeielyk te beschryven is, omdat gelaat, +houding, stembuiging, jazelfs 't heen-en-weer schuiven van z'n bril, +daarby zóó groote rol speelden dat Wouter zich alweer zeer bezwaard +voelde onder 't gewicht van den nieuwen kursus. + +--Dit is... de kelder. Doch ik zou je maar raden Magazyn te +zeggen, want 'n jong-mensch moet altyd... bescheiden zyn in z'n +uitdrukkingen. Voor jonge-lieden is bescheidenheid 'n hoofdzaak, +en dus... magazyn! + +--Magazyn, stamelde Wouter. + +--Juist! Ma...ga...zyn! Zóó is het! Alle deze goederen +zyn... koopmansgoederen, en alles ligt--gelyk je ziet--op plankjes. Dit +doe ik aldus... om de vochtigheid, want... de vloer is vochtig. Let +daar wel op, en geef acht dat je nooit 'n stuk op den vloer +legt... nooit ofte nimmer! + +--Dat zal ik nooit doen, m'nheer! + +--Zeer wel! Maar de goederen die op deze tafels liggen... leg ik niet +op plankjes, gelyk je ziet. Want... ze liggen op tafels. Dit begryp +je-n-immers wel? + +--O ja, m'nheer! + +--Juist! Al deze goederen ontvang ik uit Engeland, namelyk uit +Manchester. Kan je dit onthouden? + +--Uit Manchester, in... Engeland, m'nheer! + +--Precies! Ze zyn els-breedte, en meten acht-en-twintig yards. Nu +moet je weten hoe lang een yard is. Onthoud dit wel: drie yards zyn +vier ellen. Onthoud dit goed! Indien je een behoorlyk zakboekje hadt, +zou je 't kunnen opschryven. Een jong-mensch moet altyd trachten iets +te leeren. Drie yards maken vier ellen, dit moet je goed onthouden. + +Wouter knikte zoo hard hy kon dat-i altyd z'n best zou doen alles +goed te onthouden. Het diepzinnig onderricht werd voortgezet. + +--De vyf-kwarts katoenen, anders gezegd: de katoenen van vyf-kwart-el +breed, voor-zoo-ver ik die laat komen uit Manchester, zyn slechts +vier-en-twintig yards lang. Dit maakt dus 'n verschil. En de +zwitsersche katoenen, die ik laat komen uit Mühlhausen in den Elsas... + +Hier had-i byna gezegd "een groot land, waarvan myn schoonzoon konsul +is." Maar hy bedacht zich: + +...in den Elsas alzoo. Nu--let wel op!--die stukken hebben geen vaste +maat. De maat staat er op, gelyk je ziet, niet waar? Zoo'n papiertje +draagt de benaming van: etiket... e...ti...ket! Onthoud dit wel! En +het cyfer dat daarop genoteerd staat, beteekent wat men noemt: +aunes. De lengte van het stuk in... aunes. Kan je dit onthouden? + +--Aunes, m'nheer! + +--Zeer wel! Aunes of fransche ellen, want... 'n fransche el noemt +men: aune. Elf van die aunes maken zestien ellen. Ook dit moet je +trachten te onthouden. Wie zich bekwaam wil maken voor den handel, +moet... alles onthouden. Je begrypt dit toch wel? + +--Ja, m'nheer! + +--Anders moet je 't opschrijven. En hier in den hoek hangen eenige +vegers... je ziet ze wel? + +--Ja! m'nheer! + +--Daarmee... veeg je. Je veegt er de goederen mee... als er stof op +ligt. Er is hier in den kelder--zeg jy maar altyd magazyn--altyd iets +te doen, vooral voor 'n jong mensch die wat leeren moet. Zie... zóó +veeg je! + +En de leeraar streek met 'n stoffer 'n paar maal over 'n stapeltje om +Wouter goed te toonen hoe die bezigheid behoorde verricht te worden. Ik +kan verzekeren dat de les terstond begrepen werd, en dat de leerling +nu op-eens "den handel" weer wat minder moeielyk begon te vinden. + +--Dan moet je-n-altyd zorgen dat de stukken behoorlyk recht op elkaar +gestapeld liggen... ziehier, de ruggen in één lyn, en ook de zyden +aan den lichtkant gelyk, want... soms zyn ze niet precies van dezelfde +breedte, zieje. Daarop moet je dus wel letten, want 'n jong-mensch... + +--Ja, m'nheer! + +--En nooit 'n stuk kreukelen... + +--Neen, m'nheer! + +--Of in 'n verkeerden plooi leggen... + +--Neen, m'nheer! + +--Nu zullen wy eens naar de zolders gaan. Want... ook daar is altyd +wat te doen voor 'n jong-mensch. + +Wilkens geleidde nu Wouter naar de hoogere verdiepingen van 't huis +waar-i hem met gelyksoortige lessen besproeide. De daar opgestapelde +koopwaren bestonden gedeeltelyk in goederen die zich door de mode +hadden laten voorbystreven, gedeeltelyk in diemet en shirting, +waarin Wilkens "zoo byzonder knap" was. Hy weigerde evenwel iets van +z'n uitstekende bekwaamheid in dit "vak" aan Wouter overtedoen. Dit +kon, zeide hy, zoo niet te-hooi en te-gras geschieden in 'n paar uur +sprekens. Dat het hem op z'n zestigste jaar nu gelukt was eenigszins +op de ware hoogte van de zaak te komen, moest men als 'n zeer byzonder +geval beschouwen. Hy had van der jeugd af "aanleg gehad voor witte +goederen", maar dat gebeurt niet alle dagen. Gewone menschen brachten +'t nooit zoo ver. + +Wouter hoorde deze mededeelingen met betamelyken eerbied aan, en zou +er nog meer van genoten hebben als-i niet zoo'n honger gehad had. Toch +maakte hy met groote belangstelling kennis met het windas. Dàt was +alzoo de mekaniek die Flip de kruier--en de jongeheer Pompile... met +heel veel kussens--wilde toepassen op de verhuizing van de dikke +mevrouw uit de zykamer! Vanwaar toch dat deze eenvoudige toestel die +door 't straalverschil van twee assen overbodige snelheid omzet in +vereischte kracht, hem aanlokkelyker voorkwam dan al die stapeltjes +katoen en die vegers? Hy zag terstond in, hoe sterk de hand werd die +het touw hield waarmee men 't groote rad in beweging bracht, en dat +de last die slechts invloed had op de dunne spil... waarachtig, men +zou lust krygen met zoo'n ding de dikste mevrouw van de wereld het +venster uittehyschen. Hy hoopte dat-i zoo'n exercitie beleven zou, en +vooral dat men hem vergunnen mocht meetedoen. Wel zou zoo'n prouesse +zonderling afsteken by de dozynen schakingen en venster-evakuaties +waarvan hy ooit gelezen had, maar... + +--En met de kisten die dáár staan, hebje je niet te bemoeien, zei +Wilkens. Dat zyn oude papieren die je niet aangaan... volstrekt +niet! 'n Jong-mensch moet zich nooit bemoeien met iets dat hem niet +aangaat. Leer dit van my. En nu zullen wy de zolders sluiten. Ziehier, +op dezen sleutel... één keep. Dit beteekent: eerste zolder. Op dezen +sleutel zyn twéé keepen, hetwelk tweede zolder beduidt. Eén keep: +eerste zolder, twee keepen: tweede zolder... onthoud dit wel! + +--Ja, m'nheer! + +--En nu zal ik je de zaal toonen. Gedurende den winter gebruiken wy +die zaal niet. Maar des zomers, als de familie naar-buiten is, dan +gebruiken wy de zaal, en wel voornamelyk voor de nieuw-aangekomen +goederen van 't voorjaar. Tracht dit te onthouden. + +--Ja, m'nheer! + +De fameuze "zaal" werd nu voor Wouter's blikken ontsloten. Het was +een niet zeer groote kamer die er met al haar "hoezen" uitzag als +'n blindeman of 'n hospitaalgast. Zelfs 't vloertapyt was tegen +onbescheiden blikken en ruwe zolen beschermd door 'n grof-linnen +kleed. En ook van Mozes by 't Doornbosch was niets te zien dan 'n bleek +vierkant skelet. Wouter beging de vermetelheid er naar te vragen ... + +--Dàt zyn nu eigenlyk je zaken niet! We zyn hier niet om schilderyen +te zien maar om te werken! 'n Jong-mensch moet zich door niets laten +aftrekken van z'n werk! Leer dit van my. + +--Ja, m'nheer! + +--Je ziet wel dat ook hier alles op plankjes ligt? Zoodra er nu op +'t kantoor, of in den kelder, of op de zolders niets voor je te +doen is--want 'n jong-mensch moet nooit ledig zyn!--dan ... veeg je +hier 't stof van de stapeltjes, en je legt alles behoorlyk te-recht +... alles altyd op z'n eigen plaats, begrypje? En kom nu weer mee naar +'t kantoor. Ik zal eens met m'nheer spreken over de uren van je gaan +en komen, want ik ben zeer op orde gesteld, en jonge-menschen moeten +zich daaraan wennen. + +Er werd bepaald dat de nieuwe jongste-bediende "zoo tegen drieën +eventjes naar huis zou gaan om te eten." En zie--goddank!--'t wàs +byna drie uur, want Dieper sloot z'n boeken, en trok z'n jas aan +"voor de beurs." + +Nooit richtte Wouter met zooveel genoegen z'n schreden huiswaarts, 't +Scheen er op toegelegd hem te doen beseffen dat er kringen bestonden +waar even nietige denkbeelden heerschten als in den zynen. Moest-i +genezen worden van den waan dat geen levensopvatting die van zyn +familie kon te-boven gaan in dorheid? Met zeker genoegen zag-i +z'n moeder en zusters weer, en vooral Leentje die hy met nog meer +uitvoerigheid dan de anderen, deelgenoot maakte van alles wat-i +ervaren had. Ze vond het zeer belangryk. Ook de overige leden van +'t huisgezin namen begeerig deel aan de byzonderheden uit 'n wereld +die hun zoo nieuw was. Niets evenwel trof juffrouw Pieterse zóó, +als de moeielykheid van 't binnen-komen. Ze vond daarin iets plechtigs. + +--Zieje wel, dat's wat ànders dan by zoo'n slechten kerel op den +Zeedyk, waar ieder maar uit- en inliep! Deze menschen zullen niet +op-eens naar Amerika gaan met 'n andermans geld! En ... 'n zaal, +zegje? En ... 'n Buiten? En ... eigen rytuig? Ga jy nu eens naar de +komeny, Leentje, en zeg dat de jongeheer ... neen, praten hoeft niet, +maar 't is toch 'n heel ding voor Wouter, nu by menschen te zyn die +'n zaal in hun huis hebben, en 'n buitenplaats, en eigen rytuig! Als +je nu goed oppast, Wouter ... jongen, je kost is gekocht! Wat zeg +jy, Stoffel? + +--Ja, moeder. + +--Want ... weetje wat ik zeg? Ik zeg: 'n mensch is sterfelyk. En die +oude heeren ... voor hoe oud zag je ze wel aan, Wouter? + +--Moeder, die boekhouder was wel ... zestig. En m'nheer Wilkens +ook zoowat. + +--Zieje! Ik zeg dat 'n mensch sterfelyk is. En daarom ... niet dat +ik naar iemands dood verlang, gut né, maar ... als iemand zóó oud is +... wat zeg jy Stoffel? + +--Zeker, moeder. + +--Als zoo'n boekhouder nu eens ... sterft--want alle menschen zyn +sterfelyk, niet waar?--dan zou Wouter best ... denk eens, Trui? + +--Ja, moeder, waarom niet? + +--En die m'nheer Willekes ook. Waarom zou Wouter geen boekhouder +kunnen worden, of ... m'nheer Willekes? + +--Né, moeder. Uwe meent ... + +--Nu ja, wie kan altyd zoo op z'n woorden letten! Ik meen maar +dat z'n kost gekocht is. Wat kan 'n mensch meer verlangen? En dat +zakboekje ... gut, ik heb er graag alles voor over. Kyk jy maar eens +onder je bedstee, Stoffel, daar staat 'n mand met ouwe prullen, en +je zult er zeker nog wel de brieventasch vinden van je vader. 't +Wurm kan er alles in opschryven wat-i onthouden moet, en ... z'n +kost is gekocht ... dàt wil ik maar zeggen! Je mag nu wel 'ns gauw +naar m'nheer Calb gaan om hem te bedanken, Wouter! Want hy is de man +die je gerekommandeerd heeft. Hoe zou je 't vinden, als je-n-eens +'n vers maakte op z'n verjaardag? + +Dit voorstel werd door Stoffel afgekeurd. Hy bracht z'n moeder onder +'t oog dat m'nheer Calb waarschynlyk, als "man van zaken" 'n hekel +aan verzen hebben zou, en dat 'n stoffelyk bewys van erkentelykheid +... 'n anker wyn, of 'n vaatje boter ... + +--Wel zeker, juist wat ik altyd zeg. Denk er aan, Wouter, dat je +m'nheer Calb 'n vaatje boter zendt, of 'n anker wyn ... + +--Gut, moeder! + +--Nu ja, als je ... boekhouder bent, meen ik. Want ... alle menschen +zyn sterfelyk, en als die m'nheer Dieper zoo klaagt over zinkings +... jongen, je kost is gekocht! + +Door deze en dergelyke zottepraat liet zich alweer Wouter's week gemoed +biologeeren tot ingenomenheid met z'n nieuwen werkkring. De niet zeer +aangename indrukken die hyzelf had opgevangen--zonder ze evenwel te +durven verheffen tot meening--werden uitgewischt of overpleisterd door +'t waarnemen van de belangstelling zyner verwanten. Hy voelde dat +er iets van den eerbied dien men z'n "patronen" toedroeg afstraalde +op hemzelf, en dit liet-i zich zonder protest aanleunen. Z'n moeder +vroeg hem uitdrukkelyk of-i de saus naast of over z'n aardappelen +hebben wou, want: + +--Denk eens, Trui, ze hebben 'n zaal in-huis! En jy, Wouter, eet nu +wat dóór, en ga 'r gauw weer heen. Je moet nu ook van jouw kant toonen +dat wy óók by-de-handte menschen zyn, wat zeg jy, Stoffel? Gut ... 'n +eigen Buiten! + +Wouter deed wat-i kon om zich aan doorschynende aardappels en yver +te verslikken. 't Sloeg ter-nauwer-nood halfvier, toen-i zich alweer +'n weg baande door de stokvischbeukery en langs de olievaten, en 'n +oogenblik daarna stond-i hygend en dienstbereid op 't kantoor. Buiten +den ons reeds bekenden stank en de naakte Merkuriussen, vond hy +daar niemand ... ja toch, daar hingen de zoldersleutels! Eén +keep: éérste zolder, twee keepen: twééde zolder! Hy schreef deze +kenmerkende byzonderheden op in de vaderlyke portefeuille die inderdaad +onder Stoffel's bed opgedolven, en meegegeven was met de dringende +aanbeveling tot vlytig gebruik. Ook maakte hy dat eerwaardig zakboek +tot vertrouwde van de andere studiën waaraan hy dien dag een zoo groot +gedeelte van z'n onsterfelyke ziel besteed had. Mochten misschien +eenmaal de lagen stof en asch waaronder de Pietersburg begraven +ligt, worden weggeruimd, dan zal de onderzoekende nazaat nog altyd +kunnen te weten komen hoe lang in Wouter's eeuw 'n stuk engelsch +katoen van acht-en-twintig yards was. En waar de Pleiers woonden, +en de Kruckers en de Hockers, en de juffrouw die borduurpatroontjes +verkocht. En hoe 't Buiten heette van m'nheer Kopperlith. En aan +welk soort van vensterglas men de woning van den jongeheer Pompile +herkennen kon. Waarlyk, men zou lust krygen z'n eigen achterkleinzoon +te wezen, om tegenwoordig te zyn by 't opgraven van al die historische +byzonderheden. Moet de lezer niet erkennen dat reeds hierom alleen de +annalen van Wouter's ontwikkelingsgeschiedenis alle andere jaarboeken +in belangrykheid te-boven gaan? Wortelen ze niet--als de magazyn-kelder +en 't karakter van de firma Ouwetyd & Kopperlith--tot ver beneden de +riolen? Zullen ze niet eenmaal met hun gebladert van zóóveel vellen +druks den schedel belommeren van den laatsten sterveling die over +'n eeuw of wat onfatsoenlyk genoeg wezen zal om nog hollandsch te +verstaan? O, zeker, ik hoor in m'n verbeelding reeds 't verdrietig +geroep van Pompeji en Herculanum: berg, val weer op ons, herbesluier +onze aangezichten met schaamtedekkende lava ... we bezitten niets +... niets ... niets dat waard is het daglicht te aanschouwen na de +heuchelyke verryzenis van Wouter's agenda! + +Zóó zal 't wezen! Maar even als de romeinsche bakker wiens achtvakkige +broodjes thans zoo'n eervolle plaats innemen in 't muzeum te Napels, +niet weten kon dat z'n bollen een zoo schitterende karrière maken +zouden, was ook Wouter onbewust van 't belang der byzonderheden die hy +in z'n zakboek noteerde. Hy volbracht de hem opgedragen plicht met z'n +gewone konscientie, maar hoe onmeetbaar groot ook het aantal was van de +wetenswaardigheden waarmee men zoo edelmoedig z'n geest verrykt had, +er kwam toch 'n eind aan z'n opschryven. Hy begon zich te vervelen, +en leed onder zekere verdrietige verwondering over de leegte van z'n +gemoed. De romantiek was--niet voor altoos, waarschynlyk--uitgeput, +geknot, bedorven. Z'n worsteling tegen afdwalen begon vrucht te dragen, +en de inspanning om zich met niets te bemoeien dan wat allernaast +voor-de-hand lag, werd te pynlyker omdat hy met de hem ingegeven +nietigheden z'n ziel niet voeden kon. Hy was als iemand dien men +'t ongezond gebruik van snoepery verbiedt, en in-plaats daarvan op +zaagsel en zand onthaalt, of ... op niets. Tien, twaalfmaal las-i +de opgeschreven zaken over, en vond zich in-staat 'n prachtig examen +afteleggen in alles wat hem dien dag geleerd was. Maar juist hierom +vreesde hy dat hem iets mocht ontgaan zyn, want ... want ... hy voelde +zich door den last zyner nieuwe wetenschap niet bezwaard genoeg naar +z'n zin. Ze moest zwaarder drukken, meende hy, en daar dit toch maar +niet het geval worden wilde, lag de schuld zeker weer aan hem! Ook z'n +moeder zei altyd dat er nooit iets van hem komen zou ... óók! Want +hyzelf begon weer--en voor 't eerst niet!--'n dergelyke meening te +koesteren, als 't koesteren heeten mag, dat smartelyk wroeten in eigen +borst! Die m'nheer Wilkens was 'n dóórkundig man met grys haar en +'n bril en over de veertig jaren kantoordienst. Wat die man hem zoo +majestueus verkondigde, moest wel belangryk wezen, en de moeite van +zware inspanning waard. Maar hy, botterik, bleef maar altyd niet +begrypen waarop-i z'n inspanning moest toepassen? De pogingen om +de moeilykheden van z'n nieuwe pozitie te overwinnen, ketsten af +op de onwetendheid waarin toch die moeieiykheden bestonden? Had-i +misschien, om niet al te ver beneden z'n plicht te staan, terstond +moeten weten hoeveel fabrieken en inwoners er waren in Manchester? Och, +als m'nheer Wilkens hem dit maar had gelieven te vragen! Dan zoud-i +z'n onwetendheid ... niet geloochend hebben, o neen ... maar tevens +beloofd morgen bekwamer te zullen zyn. Dan had-i geweten wat er +vandaag aan hem gehaperd had, en hy kon zich beteren! + +Men ziet dat de oorzaken van Wouter's verdriet van ongewonen aard +waren. Misschien ook ligt de ongewoonheid slechts in myn poging +om ze te verklaren, want omstandigheden als waarin hy verkeerde, +moeten wel eens meer voorkomen. By elke gelegenheid namelyk, waar +naïve hoogmoed samenvalt met even naïve nederigheid. En dit was hier +'t geval. Wouter voelde aandrang tot het allerhoogste, en zou weldra +geklaagd hebben dat er niet iets moeielykers te bereiken was dan +dat. Maar tevens meende hy dat ieder boven hem stond, en dat hy 't +nooit zoo ver zou brengen als de laagste. Op buitengewone inspanning +was-i dus voorbereid. Al de moeite die hy zich ooit had getroost +om meester Pennewip--en z'n dame!--te voldoen, zou kinderspel wezen +by de taak om 'n bruikbaar jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & +Kopperlith te worden. Hiertoe dus had-i zich--vooral na de vermaningen +van dien goeden dokter Holsma--met byzonderen yver aangegord. Geen +"som" uit z'n Strabbe, meende hy, vereischte zóóveel scherpte van +oordeel, zóóveel nauwgezetheid, zóóveel geheugen, als er zou te-pas +komen in dien nieuwen werkkring. En zie, den eersten dag den besten +reeds, vatte hy alles wat men hem zei met 'n gemakkelykheid die +hem angstig maakte. Daar moest méér achter zitten! Men wordt geen +Ouwetyd & Kopperlith of jongeheer Pompile--noch zelfs 'n behoorlyke +m'nheer Wilkens!--zonder àndere draken verslagen te hebben dan +men onzen kleinen St. Joris te bestryden gaf! Eén keep ... twéé +keepen ... zeker, begrypen is genot--en dit was vooral in Wouter het +geval--maar juist hierom wantrouwde hy 't genot dat hem ditmaal wat al +te gemakkelyk gemaakt was. De gedachte dat z'n leermeesters met hun +gryze haren, brillen, Buiten's en eigen rytuig, beneden hem stonden, +kwam niet in hem op. Het was hem als iemand wien men te raden geeft: +"wat 'n stokjen is, aan de uiteinden bestreken met zwavel" en die +vreest 'n domheid te zeggen door zoo'n ding te verklaren voor 'n +zwavelstokje. De hem aanbevolen plicht om zich steeds te bemoeien +met het naastbyliggende, was hem op 't hart gedrukt met ernst, en als +iets belangryks ... waarin--dit zeg ik er by--Holsma volkomen gelyk +had! Deze plicht moest dus moeilyk te vervullen zyn, meende Wouter, +doch slechts ten-deele was dit juist gezien. Moeielyk zou ze hèm +vallen, omdat-i de neiging had wat vèr en wat hoog te staren, maar +op-zichzelf beschouwd zou ze byna doorgaans uit 'n aaneenschakeling +van nietigheden bestaan. En juist dit bracht hem in de war. Zonder +de nederigheid die hem eigen was, zoud-i--na 'n oefening van zeer +weinig weken alles geleerd hebben wat er op dat kantoor te leeren +viel--zeer spoedig z'n hoogwyze patroon met hun lappenkraam hebben +geminacht. En zonder z'n hoogmoed ware hy volkomen tevreden geweest +met hun goedkeuring zyner vorderingen in 't vlytig bestudeeren van +niemendal. Wat Oxenstiern aan z'n zoon schreef over de onbeduidendheid +der hefboompjes waarmee de wereld geregeerd wordt, is van volle +toepassing op 'n tal van andere zaken, en niet het minst op kringen +als waarin thans onze Wouter was aangeland. Toch zou men verkeerd +doen 't wanstaltig huwelyk zyner ziel met 'n omgeving van zóó laag +standpunt, in alle opzichten te betreuren. Juist zùlke aanrakingen, +en niet boekerige heldenfeiten, leveren de ware vuurproef. De tyd +moest komen dat Wouter zeggen kon ... niet: "ik ben niets, want ik werd +gesmoord in den lappenwinkel van de heeren Ouwetyd & Kopperlith!" maar: +"zie, hoe ook bedolven onder de modder van misdadige gewoonheid ... ik +bleef myzelf, en heb me tot iets weten te maken." Ik behoef hier +immers niet bytevoegen dat dit de ellendelingen niet verschoont, die +'t kind aan deze vuurproef onderwierpen? 't Was hùn doel waarachtig +niet, onzen Wouter tot mensch te maken! + + + +Hy verveelde zich, en voelde verdrietige verwondering over de leegte +van z'n gemoed. Naastbyliggende plicht doen? Als-i eens naar den +zolder ging--twee keepen: den twééden!--om te vegen, en op z'n gemak +dat belangwekkende windas te bekyken? + +Zóó gedacht, zoo gedaan! Hy was recht grootsch dat-i den weg +naar-boven wist, en toen hy op de trap de meid ontmoette, die hem +zoo onheusch-officieel had afgewezen aan de boven-voordeur, gunde +hy zich de weelde van eenig gerammel met de sleutels, niet zonder +'n zegevierend blikje dat zeker zeggen wilde: je ziet, ik bèn er, +en wel in dienst! + +Zoo'n windas is 'n aardig ding. Er zitten gedachten in, en Wouter +wist ze 'r uittehalen. + +--Die dikke mevrouw is zeker tweehonderd pond zwaar ... de fauteuil, +twintig ... de kussens ... hm ... stellen wy voor alles en alles +... tweehonderd-vyftig pond. Ik weeg maar tachtig, denk ik. Als dus +die dikke mevrouw en ik tegenover elkaar hingen aan 'n gewonen takel, +zou ze my 't zoldervenster uithyschen, in-plaats van ik háár uit die +zykamer. Maar als ik háár gewicht oprol om die dunne spil, en ikzelf +wentel dat groote rad ... + +Hy hoorde sloffen op de trap. 't Was Gerrit, die eens kyken kwam wie +er naar den zolder gegaan was. + +--Ah zoo! Ben jy 't Pieterse. En wat doe je daar? + +--Ik ... veeg, zei Wouter. + +--Zoo? Nou, als je zóó yverig blyft, zal je gauw slyten, jongen! + +--Maar m'nheer Wilkens heeft gezegd ... + +--Wullekes is 'n gek. Maar ... wil je vegen, goed! Veeg maar! En wat +veeg je-n-al zoo? + +--De stof van de stapeltjes ... + +--Daar ligt geen stof op! En al lag er stof op, wat doet dat er toe? En +al deed het er wat toe, wat helpt het of je die van den eenen stapel +op den anderen veegt, hè? Je doet monnikenwerk, wat ik je zeg! + +--Gut! + +--Ja, monnikenwerk! Je moet niet alles zoo letterlyk opnemen wat +die Wullekes je zegt. Hy schiet met ... varkensvleesch, weetje? + +--Hè! + +--Dàt doet-i! Ik dacht het wel dat je zou luisteren naar dien +windmaker, en toen ik iemand naar-boven hoorde gaan met de +sleutels--want ik zat in de keuken, omdat ik styf van rimmetiek +ben--toen begreep ik dat jy 't was. Want er kon niemand anders op 't +kantoor wezen. Die Wullekes heeft je zeker niet gezegd dat we-n-in +den komkommertyd zyn, en dat je zoo'n haast niet hoefde te maken +met terugkomen? Hyzelf komt eerst zoo tegen zessen even kyken, en +nu hy weet dat er iemand is om de boodschappen aantenemen, zal-i nog +later komen, of misschien in 't geheel niet. En de jongeheeren zyn uit +... om 't mooie weer, weetje? Je moet de zaak niet zoo zwaar opnemen, +jongetje! Dan ga je-n-er onder door! Je neemt me-n-ommers niet kwalyk? + +--Gut neen! Maar ik wou zoo gaarne ... m'n plicht doen, m'n +naastbyliggende plicht, weetje? + +--Dáár heb ik nu zoo, wil ik maar 'ns zeggen, geen verstand van. Ik +zeg maar dat het schande-n-is dat ze-n-'n jong borssie als jy zoo'n +heelen dag op dat muffe kantoor laten zitten. Ik zeg ... 't is wind en +'n engelsche notting! + +--Hè, Gerrit, ik ben den halven ochtend op-straat geweest! + +--Ja, ik hoor dat je veel boodschappen hebt gedaan voor den jongeheer +Pompile. Nou, dat pleizier kan je dikwyls hebben! Hebben ze je-n-al +gezegd dat je naar de post moet, alle morgens, om den briefbesteller +optewachten? Dat 's 'n baantje voor jou, je zult het zien! 't +Zal je stuivers kosten voor 'n borrel! Want als je dàt niet doet, +kryg je de brieven niet. Ze zyn te gierig om droddebot te betalen +... vyf-en-twintig gulden in 'n heel jaar. Daarvoor kan jy dan staan +blauwbekken in de kou ... als 't winter is, meen ik. Zeg eens, heeft +Dieper je-n-al gesproken over inkasseeren? Want ... als ik styf van +rimmetiek ben, komt dat voor je rekening. En ... als je niet handig +bent met geld, kan dat baantje je veel kosten. Je begrypt wel ... wat +er te-kort komt, leg je-n-er by. Ja, ja, je moet niet denken dat je +hier voor je pleizier bent! Ik heb hier al prinsjesdagen beleefd in +alle saizoenen van 't heele goddelyke jaar, en daarom ... nu ben ik +styf van 't rimmetiek. 't Kan je-n ook gebeuren. Zoodat ik maar zeggen +wil dat je-n-in de komkommerdagen niet zoo yverig hoeft te wezen. Je +bent immers ook maar 'n loontrekkend dienaar, net als ik, niet waar, +en zult dus ook niet graag meer doen dan noodig is? Geen mensen die +er je voor dankt, jongen, en wie z'n eigen doodwerkt, wordt onder +de galg begraven. Komaan, laat dat vegen nu maar blyven. O, als je +alles doen zou wat die Wullekes je zegt ... nou! + +Als ys viel deze zonderlinge Gerritsche filosofie onzen Wouter op +'t gemoed. Beschaamd sloot-i den zolder, en begaf zich naar beneden +met Gerrit, die hem verzocht niet te verklappen dat-i op den bovensten +zolder geweest was. Want, zeid-i: + +--Dan sturen ze m'n op boodschappen uit. En daar ik styf van rimmetiek +ben ... kyk, m'n duim is er krom van, en dus ... loopen kan ik niet, +dat zieje wel! + +Op 't kantoor gekomen, sloeg de knecht 'n klein register op, waarin +de vervaldagen van wissels en acceptatien genoteerd stonden. + +--Zieje, juist wat ik dacht! Morgen is er 'n smerig papiertjen in +den Jodenhoek. Nu, dáár zal je pleizier van hebben! Die smous zal +wel gauw merken dat je-n-'n onnoozel bloedje bent, want ... je +ziet er naar uit. Als je-n-er beneden den daalder afkomt, mag je +van geluk spreken. Daar komt waarachtig Wullekes al ... zeker heeft +z'n vrouw hem de deur uitgejaagd, maar zy is even mal als hy, met 'r +prinsessen. Ze heeft 'reis in den Haag 'n prinses gezien, en daarvan +praat ze-n-altyd. Allemaal wind en 'n engelsche notting. Die Wullekes +... hoor eens, als-i naar me vraagt ... zeg maar dat je niks van me +weet, en dat ik styf ben van rimmetiek, weetje, want ... ik ga na de +keuken om m'n kommetje thee te drinken, 't Zal wel koud wezen, maar +... ik moest toch 'reis even zien wie daar na 't zolder liep. Jawel, +hy is het ... dat kan ik altyd precies hooren aan 't openhalen van +de achterdeur. Hy heeft ruimte noodig voor 'n heel peloton ... ik +ben serjant geweest, weetje, by de Burgerwacht in anno zooveel! + +En Gerrit vertrok. Z'n zonderlinge toespraken hadden dit goede, +dat Wouter--zooals de lezer misschien--er niet veel van begreep, +en dus iets te denken kreeg. De vreemde opvatting van plicht, die +den ouden knecht ... iets minder van andere knechts onderscheidde dan +wenschelyk was, verraste hem. Droddebot? Wat's dàt voor 'n ding? En: +'n "smerig papiertje" dat hem 'n daalder zou kunnen kosten ... wat kon +dit zyn? Vanwaar zou die daalder komen? Waren dàt de emolumenten van +z'n nieuwe betrekking? Heel gaarne had-i m'nheer Wilkens om inlichting +gevraagd, doch sedert z'n struikelen over Mozes by 't Doornbosch durfde +Wouter dat grimmig orakel niet naderen. Bovendien, hy werd weer aan +'t plakken van gekleurde lappen op karton gezet, en dezen arbeid +legde hem Wilkens met zooveel vertoon van stichtelyken ernst op, +dat hy 't niet waagde iets anders aanteroeren. Hy plakte z'n lappen, +en zweeg en mymerde, en betreurde z'n boeken op den Zeedyk. Nog 'n +beetje maar, en Motto zou hem de gedaante vertoonen van 'n beminnelyken +beschermengel die wegzinkt in de nevelen van 't verleden, en waarnaar +de verlatenen reikhalzend maar vruchteloos de armen uitstrekt. + +Armoediger kon 't met z'n zieltje niet geschapen staan, meent men? + +Wie weet! Lieve-god, het wordt nog erger. + + + + + + + + Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke + barbier en 'n benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over + vergankelykheid. Champollion. Handel! Onverwachte verandering van + 'n geminacht briefje in wichtige dukatons. + + +Of 't veroorzaakt werd door de byzondere styfte van z'n rhumatiek, zou +ik niet durven zeggen, maar zeker is het dat Gerrit 'n eigenaardige +manier had om uitheemsche woorden onkenbaar te maken. Droddebot, +byv. beteekende: droit de boîte, hetgeen zooveel zeggen wilde als +het recht om de brieven te doen afhalen van 't postkantoor. De +briefbestellery liet in Wouter's tyd veel te wenschen over, en veel +kooplieden kozen dit middel om zich onafhankelyk te maken van den duur +en 't gewicht der konfidentien die de zeer ongevleugelde boden des +handels gewoonlyk met hun straatvrinden hadden te wisselen. In dit +alles zal nu wel verandering hebben plaats gevonden, vooral omdat de +post meermalen daags aankomt. In Wouter's tyd, en lang daarna nog, +werd de zoogenaamde "fransche, duitsche en engelsche post" slechts +twee keeren 's weeks uitgereikt. Binnenlandsche brieven niet meer +dan eenmaal daags, en wel des-morgens. Het afhalen der brieven voor +de kantoren die droit de boîte hadden, behoorde natuurlyk tot de +funktien van de "jongste-bedienden" 'n soort van loopjongetjes die in +twee opzichten zeer typelyk verschilden van leerlingen op 'n ambacht: +ze leerden niets, en waren onbezoldigd. Sommige handelshuizen wisten +'t misbruiken van zulke knapen te verheffen tot systeem, door zóóveel +allerjongste bedienden te houden dat ze daarmee het bezoldigen van +'n volwassen persoon konden uitwinnen. Zoodra zulke jongeluî begonnen +aanspraken te gronden op 't verouderen van hun doopceel, gaf men hun +den raad die ontkiemende eerzucht te doen wortelen in anderen bodem. + +Wat nu overigens dat fameuze droit de boîte aangaat, er waren ook +handelshuizen die wel gaarne hun korrespondentie iets vroeger ontvingen +dan de slakkengang der bestellers toeliet, maar toch niet genegen waren +de daarvoor vastgestelde belasting te betalen. Ze vonden een probaten +maatregel uit, hoofdzakelyk gegrond op de overweging dat de tyd van +'n onbezoldigden jongste-bediende geen geld reprezenteert. Zoo'n +kereltje moest in de nabyheid van 't postkantoor den besteller +afwachten, en hem overhalen om de voor "m'nheer" of "de heeren" +aangekomen brieven op-straat aan hem aftegeven. Dewyl nu noch het uur +van aankomst der post, noch de tot het sorteeren noodige tyd stipt +kon bepaald worden, moest hy om zeker te zyn dat de besteller hem +niet ontsnapte, altyd véél te vroeg daar wezen. Het natuurlyk gevolg +hiervan was dat zich elken ochtend 'n klubjen onrype jongeheertjes naby +'t postkantoor samenkluwde. By slecht weer was 't vereenigingspunt in +de cour der inrichting. En hier werd veel kwaads uitgebroed, want in +geen stadium, klasse of ontwikkelingsperiode vertoont zich de Mensch +leelyker dan in die van halfwassen jongeling, 'n leeftyd die door de +eene helft van ons geslacht moest kunnen overgewipt worden. Al wat +de Maatschappy oplevert, staat in rang boven hen: kinderen, meisjes, +vrouwen, mannen, grysaards, jonkers, prinsen, soldaten, sjouwerluî, +ambachtslieden ... alles, tot publieke vrouwspersonen toe. Zyzelf +zyn de eenigen die dit niet weten, en staan verbaasd als 'n wezenlyk +mensch blyk geeft van den misselyken indruk dien ze op hem maken. + +Maar wèl had het moeten bekend zyn aan de heeren Kopperlith, vader en +zoons. En misschien wisten zy 't. Maar dit belette niet dat Wouter, +toen-i den eersten avend van den belangryken handelsdag dien ik +trachtte te beschryven, verlof ontving om naar-huis te gaan, van +m'nheer Wilkens het bevel meekreeg, den volgenden morgen voor-i op +'t kantoor kwam, zich aantemelden by m'nheer Pompile "die hem zou +onderrichten in z'n verplichtingen omtrent de post." + +--Zieje wel, Stoffel, riep z'n moeder, ze hebben allerlei voor +hem te doen! Net zooals de dokter zei: 'n jong-mensch moet veel +werken. Precies wat ik altyd zeg. Veel werken is de boodschap. Zorg +nu vooral, Wouter, dat je-n-op je tyd daar bent, en laat vooral die +m'nheer ... hoe heet-i ook? + +--M'nheer Pompile, moeder. + +--Nu ja, de naam doet er niet toe. Ik meen maar dat je zorgt op je +tyd te wezen. Wat zou je-n-er van zeggen als je dat nu eens opschreef? + +--Ik zal 't wel onthouden, moeder. + +--Schryf 't liever op. Waartoe dient anders je boek? Ik heb 't je +dáárvoor gegeven, jongen! + +Met of zonder opschryven dan, reeds om zeven uur schelde Wouter aan +'t huis met spiegelglas. De meid zei dat m'nheer nog niet op was, +en vergunde hem plaats te nemen op de vloermat ... daar stond-i! Wie +myner lezers weet hoe lang 'n minuut is? Nu, dàt wist de friesche +klok die daar in de gang Wouter stond gezelschap te houden met z'n +tik ... tik, en om de zooveel tikjes 'n zwaarder tik! Dan versprong de +groote wyzer als met 'n zenuwachtig schrikje, en met saaie volharding +zette de sekondeslinger z'n eentonige reis voort: aktie, reaktie, +tik, tik ... die klok verveelde zich niet! En 't ding stond op vier +zwarthouten ballen, en hoefde niet te verwisselen van zwaartepunt of +heup. Wouter wel. Dan rustte hy links, en dan weer rechts, dat is: +hy rustte niet. Men begrypt dat z'n naast-byliggende plicht niet +toeliet tegen den wand te leunen in 't huis van z'n patroon. Z'n +enkels, knieën, heupen en ruggegraat ... + +Tik, tik, zei de klok. Ja juist, zoo-iets voelde hy in al z'n +leden. Geen Demosthenes kon 't juister uitdrukken. + +Er werd gescheld. Met z'n gewone zucht om te helpen opende Wouter de +deur. De meid die niet zeer spoedig en zonder haast kwam aansloffen, +bedankte hem in 't minst niet. Wouter mocht getuige zyn van haar +verzekering dat ze geen schuurzand noodig had--want het was 'n +trafikant in dit handelsartikel, die zich aanmeldde--en dit verschafte +hem wat afleiding. Hy hoopte dat men nògeens schellen zou. + +Waarlyk, dit geschiedde, en zelfs nog geen vol kwartier daarna. Een +melkboer! Deze verhaalde iets aan de meid over 't weer, en Sientje was +van zyn gevoelen, maar zei er by dat mevrouw niet tevreden was over +z'n melk, waarop de man iets antwoordde. 't Onderhoud was ... zeer +onderhoudend, maar voor Wouter wat kort. Tik, tik, zei de klok weer. + +Nog andere menschenvrienden kwamen by lange tusschenpoozen de +welsprekendheid van die klok afbreken, en Wouter had ze wel willen +kussen. Heel eindelyk schelde de barbier. Ook deze werd uitgenoodigd +te wachten tot "m'nheer òp zou zyn." + +--Dat doe-n-ik niet, zei de man. Ik kan al m'n andere klanten niet +laten wachten op één van 'n stooter in de week! + +En hy ging. Wat 'n brutale barbier! Zeker, 't was afkeurenswaardig, +'t Was ruw, ongemanierd ... o ja! Maar toch betrapte zich Wouter op +de verzuchting: + +--Och, misschien zou 't beter voor me zyn, barbier te worden dan in +den handel te blyven. + +De ondankbare! Juist immers toen hy zich aan dezen wreveligen indruk +overgaf, vernam-i schreden van iemand die in 't achtereind van de gang +de trap scheen aftekomen. De Heer was naby, of ... de jongeheer Pompile +toch. Hy vertoonde zich in z'n kamerjapon, en werd Wouter gewaar. + +--Ah ... zoo? Ja, juist! Je bent daar? Heel goed! Wilkens heeft je +zeker gezegd ... heel goed, heel goed! Weet je wat je doet? Je moet +zoo goed wezen ... even te wachten. + +M'nheer Pompile verdween in de suite, en de klok was weer aan 't woord. + +Had Wouter maar niet zoo'n pyn in z'n lenden gehad, hy zou wel +in-staat geweest zyn, gedachten te borduren op 't kanevas van dat +eentonig geluid. Maar stoffelyke aandoening belemmerde hem in 't +aan-eenknoopen van z'n indrukken. Hy voelde zich suf en machteloos, +'t Was om neertevallen. + +Na slechts drie-kwartier kwam m'nheer Pompile weer tevoorschyn uit +de suite, waar-i ontbeten had. In 't voorbygaan droeg hy Wouter op, +de goedheid te hebben even te wachten omdat-i zich nu ging kleeden +... tik, tik! + +Alweer 'n afleiding. De meid scheen in de suite geroepen, want ze kwam +haastig aanloopen, en opende de deur van dat vertrek. Wouter mocht +vernemen hoe mevrouw haar meedeelde dat er vandaag 'n kanarievogeltje +zou gebracht worden, en: + +--Als 't komt, Sientje, breng 't vooral terstond binnen! + +Dit beloofde de meid. Wat moest nu Wouter bepeinzen? De +onafhankelijkheid van dien barbier had hem verlokt tot 'n rudiment van +weerspannigheid. Vorderde nu de konsekwentie dat-i verviel in dolle +yverzucht op dat bevoorrecht vogeltje? Misschien wel. Zuinigheid +op z'n aandoeningen zou misplaatst geweest zyn, al ware het hierom +alleen wyl ze van alles wat-i hier te zien en te aanschouwen kreeg, +het duurzaamst blyken zouden. M'nheer Pompile is ter-zyner-tyd zoo +goed moeten wezen te sterven. Ook zoo'n kanarievogel leeft maar kort, +en laat geen andere leegte na dan twee duim kubiek in z'n kooitje. Het +beestje had lang uitgetjilpt voor Wouter de lessen van onafhankelykheid +leerde ontberen, die hy nu nog--ter-loops, maar gretig toch--opving van +'n barbier. En ook deze chirurg is ter-ziele. Hopen wy dat de Hemel +hem niet gesloten bleef, omdat hy oorzaak was dat m'nheer Pompile's +baard gevaar liep 'n dag langer te zyn dan anders te verwachten is +van zestien welgetelde duiten scheerloon in de week. Zooveel namelyk +bedroeg de "stooter" waarvan we zoo-even iets vernamen als bydrage +tot de Lukullische weelderigheid van den jongeheer Pompile. + +Al die dingen zyn dus weggewischt, uitgewreven, vergaan. En nog steeds +leven er gedachten van Wouter ... aere perenniores! 't is mogelyk +dat die klok nog altyd hier-of-daar z'n tikkende loopbaan voortzet, +en dat er nog altyd 'n huis staat met vensters van spiegelglas, +op de Leliegracht--deftige zy, héél deftige zy--maar wat beteekent +dit in vergelyking met 'n hoofdstuk uit de zielegeschiedenis van 'n +mensch? Huizen en klokken zullen voorbygaan, maar niet voorbygaan +zullen de uitvloeisels der gemoedsbitterheid van iemand die daar +de gelukzaligheid staat te benyden van 'n opgesloten vogeltje dat +terstond mocht binnenkomen als 't zich aanmeldde. Toch gis ik dat +Wouter niets of niemand benydde. Hy was er te moê toe, en werd te +zeer bezig-gehouden door 't spit in den rug. + +Daar werd zoowaar de jongeheer Pompile weer zichtbaar, nog altyd +ongekleed. + +--Zoo, sta je daar nog? Ja ... zoo ... hoor eens! Weet je wat je +doet? Je moet eens zoo goed wezen, gauw 'n barbier voor me te halen. + +Die lieve goeie Pompile! Hy vergunde Wouter zich eens te bewegen. Deze +vervulde z'n naastbyliggend plichtje met yver en dankbaarheid. Toen-i +het verlangde gevonden en binnengeleid had, nam-i z'n vorig domicilie +op de vloermat weer in, en verstond heel duidelyk wat de klok zei: + +--Zoo, ben je daar wéér? Ik ben er nòg ... tik ... tik! + +De installatie by 't postkantoor geschiedde wel niet met plechtigheid, +maar toch met al de bereddering die de jongeheer Pompile gewoon was +toetepassen op de nietigheden waarmed-i zich gewoonlyk bezighield. + +--Kyk, je moet nu eens zoo goed wezen hier te komen staan, +alle morgens! En dan houd je 't postkantoor in 't oog. En als +ze dan uitkomen--de bestellers, weetje?--dan let je goed op. En +je loopt ze na. En je vraagt de brieven voor de heeren Ouwetyd & +Kopperlith. Maar je moet dat niet vragen hier vlak voor 't kantoor, +want als de direkteur het ziet, dan worden ze gestraft ... omdat +het verboden is, weetje? Je loopt ze na, daar in die steeg, en +als ze je-n-'n fooi vragen, of 'n borrel--want dit doen ze ... +gemeen volk!--dan zeg je maar dat je ... neen, dan zeg je niets. Of +je zegt maar ... dat je de brieven vraagt voor de heeren Ouwetyd & +Kopperlith. Zóó moet je zeggen! En 'n fooi? "Met nieuwejaar" kan je +wel zeggen, maar zeg niet dat ik 't gezegd heb, want dan verwachten +ze te veel. Onbescheiden volk, weetje? Kyk, daar komen ze! Nu zal +ik je wyzen wie onze buurt heeft. Daar, dáár, die magere met z'n +dikken neus en slobkousen ... dàt is-i! Zeg hem dat-i nog pas gister +'n stuiver van me gehad heeft, en dat-i je de brieven geeft voor de +heeren Ouwetyd & Kopperlith, zóó moet je zeggen! + +Wouter liep den aangewezene na, en haalde hem weldra in. De man, +die hem niet kende, wees hem stug af. Maar de deftige m'nheer Pompile +stond op 'n afstand te wenken en te telegrafeeren, met dit gevolg dat +Wouter zich kon beschouwen als formeel voorgesteld aan den mageren +besteller met den dikken neus en de slobkousen. Er was inderdaad iets +aangekomen voor 't huis Kopperlith. Deze of gene winkelier in een der +provincien scheen behoefte te hebben aan 'n krieuweltje. Wouter kwam +zegevierend met den brief aanloopen op 't kantoor waar-i 't eerwaardig +sanhedrin van z'n patroons reeds vergaderd vond, Pompile meegerekend +die, na 't overseinen van Wouter's geloofsbrieven, zich gehaast had +de gemeene steeg te verlaten, welker duisterheid gewoonlyk het geknoei +met die brieven medeplichtig beschaduwde. + +Onze jongste-bediende werd nu met de noodige aanbevelingen tot "net +werken" aan 't kopieeren gezet van 'n paar brieven. De jongeheer +Pompile Kopperlith maakte gebruik van den komkommertyd, om eenige +debiteuren die wat achterlyk waren, aan betaling te herinneren. 't +Een-of-ander genie uit den voortyd had deze bezigheid vereenvoudigd +door 't vaststellen van drie formulieren die elkander opvolgden in +graden van nadrukkelykheid. Formulier één: beleefd. De aanzuivering was +waarschynlyk den zeer geachten handelsvriend door 't hoofd gegaan, en +de heeren O. & K. konden niet nalaten deze gelegenheid aantegrypen om +"uwe zoo byzonder vereerde firma" hiernevens 'n paar stalen aantebieden +van onbegrypelyk-pryswaardige diemet. Formulier twéé: de--nog altyd +eenigszins geachte--vriend verloor uit het oog dat de pryzen à comptant +waren berekend, en ofschoon men zoo byzonder gaarne zaken met hem deed, +was men wel genoodzaakt ditmaal ... enz. Géén stalen. Derde formulier: +binnen acht dagen solide remise, of anders ... enz. + +Wouter bewonderde de bekwaamheid van z'n chef, die zoo precies wist +hoe men al die menschen moest toespreken. Toch was 't kopieeren van +die korte briefjes weldra afgeloopen, en hy werd weer aan 't plakken +van z'n stalen gezet. + +--En ... zouden wy hem nu maar niet met-een de letters van 't woord +laten leeren? vroeg Pompile aan Wilkens. + +Er scheen iets vreeselyks in dit voorstel te liggen, want Wilkens +keek ontsteld op. + +--M'nheer! + +--Ja, denk je niet? Me dunkt dat ... + +--Maar ... m'nheer! + +Al had Pompile voorgesteld het jonge-mensch te villen of te skalpeeren, +de schrik van Wilkens kon niet grooter geweest zyn. + +--Maar, m'nheer! Dit zou, onder uw welnemen, verbazend onvoorzichtig +zyn! + +--Hé, dacht je dàt? + +--M'nheer, ik kan u plechtig verzekeren dat ik reeds drie jaar by +de zaken was, voor men my de letters van 't woord wees! Men moet +jonge-menschen niet over 't paard ligten, m'nheer! De verwaandheid +komt er gauw genoeg in, m'nheer! + +--Nu, zooals je wilt, Wilkens. Ik had er zoo diep niet over nagedacht, +weetje? + +Dit was de zuivere waarheid, en wel de waarheid eens-voor-al, want de +jongeheer Pompile dacht nooit diep na. Maar in het tegenwoordig geval +zou z'n ligtzinnigheid--als-i niet bekleed ware geweest met den rang +van patroon--onvergeeflyk zyn voorgekomen aan m'nheer Wilkens. De lezer +zal dit beseffen zoodra hy weet dat de zeer belangryke zaak neerkwam +op de vraag of men Wouter reeds nu zou inwyden in de geheimzinnige +teekens waarmee de heeren Ouwetyd & Kopperlith de inkoopspryzen hunner +goederen op de etiketten wisten uittedrukken. Er behoorde veel toe +om deze teekens grif te verstaan. Meer nog om 't vertrouwen waard te +zyn, dat men dit geheim ongeschonden bewaren zou, en volgens m'nheer +Wilkens was Wouter nog lang zoo ver niet. Glansryk was de triumf van +den oud-gediende tegen den onvoorzichtigen jongeheer Pompile die, +zonder zyn raad, dat jonge-mensch zoo maar op-eens 't licht zou +vertoond hebben dat den tabernakel van 't kantoor omluisterde. Maar +de zegepraal van den kleingeestigen grysaard was niet volkomen, voor +Wouter-zelf 't bewustzyn van z'n voorloopige uitsluiting terdeeg +geslikt had. Want deze begreep niet wèlk woord en wèlke letters +te heilig werden beschouwd voor z'n nuchter verstand, onbeproefde +eer en geringe verdienste. Wilkens merkte de door hem opgeplakte +stalen met nummers, en zette daaronder de diepzinnige hierogliefen, +waarover hy 'n vraag wist uittelokken om aanleiding te hebben tot +het verpletterend antwoord: + +--Dàt past je nog niet! Dat past je volstrekt niet! Vraag dáár eens +na, als je-n-'n half-dozyn jaren behoorlyk gewerkt hebt, of ... langer! + +Het vooruitzicht was prachtig. Het spreekt vanzelf dat Wouter +hevige begeerte voelde naar de vrucht van een zoo aptytelyk verboden +boom. Reeds den volgenden dag ontcyferde hy met geringe inspanning, +door 'n beetje vergelyking, de beteekenis van die geheimzinnige +letters. Daar hy--uit voorzichtigheid of konscientie--'t aldus weldra +gevonden heiligwoord niet in z'n zakboek heeft opgeschreven, kan ik +het den lezer niet meedeelen. Met Pompile's baard en vensterglas, +met de krieuweltjes en de wittegrondjes-driekleur, is deze mysterie +onopstandelyk ten-grave gedaald, 'n gaping in myn verhaal waarvoor +ik verschooning vraag. + +By 't schetsen van al deze nietigheden, waarby ik de waarheid zoo +trouw mogelyk tracht naby te blyven, kan ik my niet onthouden van de +vrees dat sommigen my verdenken van overdryving. Deze beschuldiging +tegen 'n schryver is gewoonlyk een kenmerk van oppervlakkigheid, +en byna altyd ongegrond. Hoogstens zou men recht hebben de wyze van +behandeling aftekeuren, de manier van voorstellen, en de door hem +uit de feiten afgeleide gevolgtrekkingen. Overdryving in 't schetsen +van die feiten-zelf is nagenoeg onmogelyk, want de graad waartoe +menschelyke dwaasheid kan afdalen, is voor den boosaardigsten artist +onbereikbaar. Waar deze dwaalt, ligt de fout aan z'n onbekwaamheid +in 't nateekenen, in 't verkeerde van de voorstelling, niet in +overdryving. Dat er onder 't half-dozyn personen waarmee Wouter hier +in aanraking kwam, geen enkele was die zich verheffen kon boven 't +àllerlaagste peil van verstand en hart, mag slechts vreemd voorkomen +aan wie de Maatschappy niet tot 'n onderwerp van studie gemaakt +heeft. Myn schets is wáár. En zelfs behoef ik me niet te beroepen op de +bekende spreuk: que le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable, +om te betoogen dat deze waarheid ditmaal geenszins in-stryd is met +waarschynlykheid. Wie dit begrypen wil, hebbe slechts nategaan wat er +door wezens als de hier bedoelde, levenslang is uitgericht? Wat hun +wenschen waren, hun neigingen, bezigheden, geestelyke behoeften? Hoe +hun opleiding geweest was ... dit doet er minder toe, maar: met welke +opleiding zy volkomen tevreden waren? Nooit kwam het in hen op dat ze, +wèl beschouwd, behoorden tot de laagste soort van schepsels die met +zoölogische welwillendheid gerekend worden boven de dieren des velds +te staan. En ... by dit alles, die koddige trots! + +Ik weet zeer goed dat geestelyke en zedelyke waarde niet volstrekt +samengaat met de meer of mindere belangrykheid van het beroep, +noch daarvan afhangt. Het is begrypelyk dat menigeen om-den-wille +van z'n onderhoud zich moet tevreden stellen met 'n kostwinning, +die òf geen punten van aanraking oplevert met z'n gemoed, of zelfs +lynrecht tegen de opwellingen zyner ziel indruist. Ik laat nu daar, +in-hoe-verre deze disparatie mogelyk en te verontschuldigen is, +en stel dus niet de vraag of, byv. 'n gevoelig mensch 'n degelyk +vleeschhouwer of scherprechter wezen kan--misschien wel!--doch wáár +blyft het dat iemand die ongenoodzaakt z'n levensonderhoud zoekt in +grove of nietige bedryven, blyk geeft van 'n laag standpunt. + +Wat dan te zeggen van 't ras der koprolithen, dat geheel vrywillig +verstand, hart en karakter laat braak-liggen? Al zy het nu dat de +jongeheer Pompile niet zeer zuiver de waarheid sprak, wanneer-i 'n +onnoozelen "buitenman" die 'n krieuweltje kwam koopen, verzekerde: +"dat papa zoo byzonder ryk was, en dat ze 't om den broode niet hoefden +te doen" toch hadden de jonge-lieden 'n anderen werkkring kunnen +kiezen. Maar ... dan hadden zy iets moeten leeren, zich inspannen, +en dit gedoogde noch hun fatsoen, noch hun traagheid. Arbeid en +kennis was goed voor anderen wier papa niet "zoo byzonder ryk" +was. Die heele rykdom van den oudeheer kwam neer op eenige tonnen, +'n som die bestemd was in zessen te worden verdeeld. Ze hadden dus +wel degelyk behoefte aan 'n werkkring, en twee van de zoons kozen, wat +als voorvaderlyk erfdeel voor-de-hand lag: de lappennegotie. Hiertoe +was slechts 'n klein gedeelte noodig van 't beschikbaar kapitaal dat +hoofdzakelyk in effekten belegd bleef. Hadden zy kunnen besluiten den +inventaris te ontlasten van de goederen die jaar-in jaar-uit op die +zolders lagen, dan zouden ze met nog geringer kapitaal de zaak hebben +kunnen dryven. Tot dit "opruimen" echter--waarop Dieper soms bescheiden +en rente-berekenend aandrong--waren ze niet te bewegen. Meenden zy +misschien dat die oude verkleurde lappen ooit weder den prys zouden +waard zyn, die daarvoor betaald werd vóór den bloei der Amerikaansche +katoenmarkt en der Engelsche weveryen? Ze meenden noch dit, noch iets +anders. Ze meenden niets. + +De dagelyksche handel was allereenvoudigst tot het idiote +toe. Tweemalen 's jaars bestelde men "op staal" eenige duizende +stukken gedrukte katoenen. De by 't kiezen te-pas gebrachte wysheid +overstelpte onzen Wouter, die alweer angstig werd dat hy nooit, nooit, +nooit zoo ver komen zou om te weten of de burgervrouwen die zich +kleedden in gedrukt katoen, dit jaar de voorkeur geven zouden aan 'n +slangetjen of aan moesjes? Wilkens zat by zulke gelegenheden als op 'n +troon. De verhandelingen die hy hield over 't gewicht en de strekking +van 'n klein verschil in kleur of figuur, waren verpletterend. Ik +heb reeds gewezen op de rechters die in 't laatste ressort over de +vonnissen van onzen lappen-wysgeer te beslissen hadden. Toch zou hy +'t zeer vreemd hebben gevonden indien men boerinnen of dienstmeiden +zitting en stem had verleend in 't koncilie dat hy prezideerde. En +... de hoogheid tegen zoo'n handelsreiziger! Het is opmerkelyk dat +de engelsche fabrikanten voor deze betrekking gewoonlyk Duitschers in +dienst nemen. Christelyker werkkring bestaat er niet. Voor dezulken is +'t Evangelie van den linkerwang geschreven! Zoo'n ongelukkig wezen werd +drie, vier keeren weggezonden, voor 't m'nheer Wilkens en den jongeheer +Pompile gelegen kwam te zien welke nieuwe figuurtjes de teekenaars der +fabrieken hadden uitgedacht. Heel eindelyk begunstigde men hem met de +mededeeling dat er waarschynlyk niets zou noodig zyn. Dat men reeds +groote bestellingen gedaan had aan andere "huizen." Dat de markt +slap was, buitengewoon slap. Enz. Ten-laatste werd hy genadiglyk +toegelaten, en de zitting nam 'n aanvang. Eugène, wiens woorden +duur waren, stelde zich 't minst bespottelyk aan. De beide anderen +wedyverden in zotteklap, en de commis-voyageur beantwoordde elke op- +of aanmerking met 'n aller-beleefdsten glimlach. Hy haalde op zyn +beurt z'n schade aan verongelukte menschenwaarde, in diligences en +trekschuiten of aan de table-d'hôte met woeker in. Daar publiceerde +hy de twee dozyn anekdoten die elk handelsreiziger behoort in voorraad +te hebben, en ging by z'n kameraden onder verband van wederkeerigheid, +voor 'n wezenlyken heer door. + +By ontvangst van de bestelde goederen steeg de belangrykheid der +werkzaamheden op 't kantoor en in het magazyn tot het verhevene. De +bedongen prys werd verhoogd met de onkosten van pakking, transport +en assurantie, en daarna volgens de koers van den dag herleid in +hollandsch geld. Deze berekening was zeer in 't byzonder de taak +van Pompile, die er zeer handig in was ... geworden, na veel jaren +sukkelens, zei de oudheidkundige Gerrit. Goed, nu toch verstond +Pompile die kunst! By verkoop legde men 'n procent of vyftien op den +inkoopprys, en de cyclus van beroepswysheid was afgeloopen ... op +'t overbluffen, liefkozen, streelen en bedriegen van de koopende +winkeliers na. Ook in dit gedeelte van 't "vak" was Pompile een eerste +meester. Zelfs Wilkens moest erkennen, dat ... enz. + +Geen van die heeren had ooit iets anders gedaan, geen hunner +had gehaakt naar andere inspanning. Ze voelden zich volkomen +verzadigd. Zelfs 't boekhouden van den ouden Dieper ging hun sfeer +te-boven. Z'n memoriaal en journaal en grootboek waren gewyde arken +waaraan nooit iemand de hand durfde slaan. Wel beschouwd overtrof +zelfs de oude Gerrit de heeren patroons in menschenwaarde: hy kòn +iets! Een van z'n hoofdbekwaamheden bestond in 'n byna onbedriegbare +kennis der geldsoorten, en z'n "worpen" by het tellen waren monumenten +van regelmatigheid. Het was jammer de zest'halven by-een te stryken, +die door hem waren tentoongespreid in symmetrische regels ... zilveren +verzen, waarlyk! En dan 't nog altyd respectabel overschot van z'n +handigheid in 't pakken ... wel te verstaan, als 't hem gelegen kwam +niet styf van rhumatiek te wezen. Toch moest ieder onbevooroordeelde +erkennen--en er bestond reden tot vooroordeel--dat Wouter hem hierin +met reuzenschreden voorbystapte, gelyk we ter-zyner-tyd zullen te +zien krygen. + +Tweemalen 's jaars ging Wilkens op-reis, en speelde dan by winkeliers +de rol waartoe hyzelf gewoon was buitenlandsche reizigers te +veroordeelen, die 't ongeluk hadden van zyn welwillendheid en +zaakkennis aftehangen. De goden zyn rechtvaardig! Dan werd-i terdege +bestraft in z'n zondige plek, en moest soms twaalf keeren tevergeefs +toegang vragen--de door Moore bezongen paradys-peri!--om doortedringen +tot het achterkamertjen in 'n lappenwinkel. Een andermaal liet men +hem schildwacht houden voor de toonbank, en afwachten wat 'n snibbig +winkelmeisje--de "m'nheer Wilkens" loci--over hem zou gelieven +te besluiten. Zekere overleveringen luiden dat-i zich by zulke +gelegenheden meermalen moest laten welgevallen, met z'n wasdoeken +staalpak onder den arm--en den voorgeschreven welwillendheids-glimlach +op 't gelaat--uren lang op de stoep in den regen te wachten: "omdat-i +in den winkel de klanten in den weg stond." Het spreekt vanzelf dat +deze handels-liefkozing beantwoord werd met 'n allerbeleefdst: + +--Met pleizier, juffrouw! + +Van één hoedanigheid die den commis-voyageur kenmerkt, moet ik Wilkens +finaal vryspreken. Nooit vertelde hy anekdoten uit 'n almanak. Het +schynt dat z'n deftigheid zich hiertegen verzette. Waar hy meende z'n +officieel handelsgewaad een oogenblik te mogen afleggen, bepaalde hy +zich tot het uitpluizen van 'n zeer interessant bankroet, waaruit +hy door een byzondere hem alleen eigene gauwigheid, z'n patroon 'n +heel procent meer had weten te bezorgen dan de overige krediteuren +ontvingen. Over 't verguld-koper snuifdoosje dat hem deze heldendaad +had opgebracht, stapte hy losweg heen ... uit bescheidenheid, zeid-i, +maar als 't noodig was zou hy 't nog altyd kunnen laten zien. En wie +dan niet uitdrukkelyk naar deze ridderorde vroeg, vond-i onbeleefd. Z'n +tweede strydpaard aan 't dessert, was de roerende levensgeschiedenis +van drie stukken-bielefeldsch linnen die door 'n onkundige waren +aangezien voor iersch fabrikaat, een vergryp waaruit ongetwyfeld 'n +proces zou voortgesproten zyn, indien niet hy, Wilkens--"want, heeren, +dàt is nu eigenlyk m'n vak!"--als expert of arbiter de zaak tot 'n +vroolyk einde had weten te brengen, door de opmerking ... enz. Dat +deze beide geschiedenissen een byzonderen geur van gezelligheid +meedeelden aan z'n onderhoud, is niet te ontkennen. Maar hy was er +zeer spaarzaam mede, want: "er zyn reizigers en ... reizigers, zeide +hy, en heden-ten-dage is niet ieder op de hoogte om 'n goed diskoers +te waardeeren." + +--En, jongeheer, zei Dieper, hoe moet ik nu doen met dat briefjen in +den Jodenhoek? 't Is 'n smeerig papiertje, jongeheer! + +--Ja, Dieper, dàt is het! Waarom zeg je 't niet aan papa? Die +Gerrit ... + +--Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover +gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne ... + +--Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm! + +En met z'n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan. + +--Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen? + +Wouter's gelaat helderde op by de gedachte dat hy iets kunnen zou. + +--'t Is zeer gevaarlyk, m'nheer, zei Wilkens. + +--Aan den kassier durf ik 't briefje niet geven, klaagde Dieper. 't +Is te smeerig! M'nheer heeft het me verboden, omdat-i wel-eens een der +direkteuren van de Kas ontmoet in Doctrina. En, zegt m'nheer, het stáát +niet ... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de waarheid, jongeheer! + +Nog altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante +uitdrukking niet begrypen. Een "smeerig papiertjen" is 'n accept van +iemand die geen naam op de beurs heeft. Zoo'n man moge solide zyn, +eerlyk, trouw aan z'n woord, het helpt niet. De door hem geteekende +stukken zyn "smeerige papiertjes" en dezulken waren er dikwyls onder de +remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit byzonder geval +echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te bestaan. De man van +wien hier sprake was, woonde in 'n dwarsstraat van 'n dwarsgracht in +den Jodenhoek, en Gerrit die meermalen geld by hem had ontvangen, +klaagde dat-i "by dien kerel" al z'n muntkennis noodig had om +niet te-kort te komen. De acceptant lokte hem steeds in 'n donkere +achterkamer waar 'n zeer groote familie huisde, en die slecht verlicht +was: 'n hol, zei Gerrit. En 'n behoorlyke tafel om geld te tellen, +was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe niet dienen, want hy was +vol reten en gaten, en wanneer men 't in-weerwil hiervan beproefde, +liepen of rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door de worpen +heen. Kortom, de woning van dien jood was 'n tuin der Hesperiden waar +weinig anders te plukken viel dan wat kans om geplukt te worden. En: +"hierop legt de kerel het toe!" zei Gerrit. + +Dit alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er +op aan dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat +"smeerige" briefje. + +--Zie je, Dieper, 't is nuttig voor hem dat-i alles leert. + +--Zeker, jongeheer, maar ... + +--En hoe ànders? Gerrit is styf van rhumatiek ... zeg dàt aan papa. En +als nu Pieterse dat geld ontvangt ... hm, ik wil maar zeggen dat-i +alles leeren moet. + +De ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z'n voorstel deed +aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen +Wouter 'n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er +'n andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in z'n +eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de nadeelen die +Wouter's onbedrevenheid konden na zich slepen--en die met wat overleg +wel op "huishouden" konden gewenteld worden--zou hy slechts deelen +voor 'n half kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens ten-offer +brengen om verlost te raken van 'n knecht die hem als kleinen jongen +gekend had, en ... meer dan aangenaam, ingewyd was in de chronique +scandaleuse van z'n jeugd. Héél skandaleus noem ik die kroniek alweer +niet. Maar Pompile beeldde zich dit groothartiglyk in, al waren dan +z'n afwykingen van 't pad der deugd gewoonlyk te dekken geweest met +'n paar zest'halven. Alle waar is naar z'n geld, tot de uitspattinkjes +van zekere lieden toe. + +Hy dreef dus de zaak door. Wouter ontving 't smeerige papiertje +dat er niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg het met +ingespannen zorg in z'n patriarchaal zakboek. De te ontvangen som +bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem 'n geldzak mee, +en veel vermaningen om--in zeer letterlyken zin--goed op z'n tellen +te passen. + +Binnen 't uur was Wouter met het vereischt bedrag terug. Op 'n weinig +buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in glinsterende dukatons +met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze later als 'n byzonderheid +door Dieper getoond werden, moest erkennen dat men ze zelden zoo +te zien kreeg en dan ... "van zoo'n smeerigen jood!" Het ging z'n +begrip te-boven, en daar ik ditzelfde in den lezer veronderstel, +wil ik de oorzaken van dezen goeden afloop in 'n volgend hoofdstuk +meedeelen. Ik moet erkennen dat ik met genoegen het kantoor van de +heeren Ouwetyd & Kopperlith 'n oogenblikje verlaat. Zoodra mogelyk +keeren wy 't met welgemeenden afkeer den rug toe. Maar men bedenke dat +schryvers en leerjongetjes hun arbeid en verblyf niet voor 't kiezen +hebben. Myn naastbyliggende plicht was nu eenmaal het beschryven van +zeker menschenras waaraan Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken +hebben dat ze niet de àllerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de +Dieren verbindt. + + + + + + + + Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel, + Staathuishoudkunde en Petite Voirie uit den voortyd. Nieuw blyk + der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van + de beloofde dukatons, den lezer afscheept met 'n bespiegeling + over gebrek aan Israëlitische kontroverse. + + +De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur +terug te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen +naar den Jodenhoek. Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de +specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby +te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan +zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte. Wy weten dat zy daarheen +ging om zich te verfrisschen door 'n bad in 't gemeene ... of wat +voor gemeen doorgaat. Ze wilde de walging afspoelen die haar de +hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren +Ouwetyd & Kopperlith, al zy 't dan dat we ons te reinigen hebben +van heel iets ànders dan nasmaak van overdreven hoofsheid. Veel +verder alzoo dan zekere gelyksoortigheid van indruk, gaat deze +overeenstemming met prinses Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen +zyden kousen aantetrekken om Wouter te begeleiden, en ook belooft de +auteur op eerewoord, dat-i de maagdeperen met rust laten zal. Deze +onthouding van prinselyke excentriciteit is te meer gepast, omdat +het perensaisoen nog niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter +te inkasseeren kreeg, verviel op den zooveelsten van Zomermaand, +of misschien in Juli, maar zeker lang voor 't najaar. Het is den +lezer bekend dat er nog altyd één fatsoenlyke familie in de stad +was, en dat alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing, +ver buiten de stad. In zekere toekomstige kritiek op m'n werk meen ik +te lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief +is, een opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nog-eens +te wyzen op m'n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn, +kan niet met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze +algemeen bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied +voorstelt, heeft 'n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan +een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z'n zaak zyn, en zóó vast +staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine +waarschynlykheidjes missen kan. Alleen vervalschers zyn nauwkeurig +in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan +'t onbeschaamde grenzende slordigheid, is ... 'n evangelist. Ziedaar +de gronden waarop de minste twyfel aan de geloofwaardigheid van myn +boodschappen--bly zyn ze niet altyd ... nu ja, maar boodschappen zyn +het toch!--behoort te worden verklaard voor godslastering. Waartoe +zou het Geloof dienen, als 'n profeet, by al z'n andere plichten, zich +nog zou moeten onthouden van de ongerymdheid ook? Om 's hemels-wil, +lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met +de bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd +is met het geloovig aannemen der grofste ongerymdheid--wat ik in +'t voorbygaan bewyzen wilde--heeft de schrandere lezer reeds lang +kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering +Wouter in den komkommertyd belast werd, geen saizoengenoot wezen +kon van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van +ooft en komkommers heeft, handelaars in witte-grondjes-driekleur, +wysgeeren, tuinluî, e. d. De ondeugende prinses Erika had dus heel +iets anders nog begaan dan guitenstukjes of 'n buitensporigheid, +ze had iets onmogelyks verricht: 'n wonder! En zóóver had Wouter +'t nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder +'t gewone, en had al z'n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder +z'n overspannen plichtsbesef. + +Met 'n gewicht alsof 't heele bedrag van 't geaccepteerd wisseltjen +in kopergeld aan z'n hakken gehecht was, stapte hy over den weg. Hy +drukte de linkerhand styf tegen de borst waarop het aan z'n eer +toevertrouwd pand rustte, en hield z'n rechtervuistje gebald om den +eersten den besten nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet +hem te berooven, d. i. de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, 't had +'n zeer sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was! Glorioso, +met al z'n makkers en in z'n besten tyd--vóór die verlammende liefde +namelyk voor twee prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige +landmeisjes--Glorioso zelf zou zich misrekend hebben wanneer-i, +staatmakende op de hartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat +... nu, Glorioso was er niet, en de marteling van 't konflikt tusschen +zieleverwantschap en plicht bleef Wouter ditmaal gespaard. Het +eenig gevaar dat hem bejegende, vertoonde zich in de gedaante van +'n kindermeisje dat naar den weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk +begin van verlokking tot plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby, +en ... met 'n bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch +te zyn jegens iemand die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen +'n bende verkleede roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen +finaal ongedekt gebleven voor de onkosten van hun vermomming. Niet +zóó gemakkelyk ontfutselde men onzen held 'n papiertje dat hem door +z'n lastgevers was toevertrouwd! + +Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben +in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat +door den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit +z'n handen te geven: "voor-i geld zag." En ... niet te kwiteeren: +"voor-i dat geld hàd!" Want ook hyzelf moest teekenen ... ik weet +niet waarom. Het was de gewoonte, en 'n gewoonte die hem verrukkelyk +voorkwam: "ont...van...gen ... Wou...ter ... Pie...ter...se." Zóó zou +er staan in z'n allermooiste schrift. En dat zou bewaard blyven. En +eenmaal zou de nazaat staren en turen op die letters, en eerbiedig +fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols gerust! Dit heeft hy +geschreven, hy die ... ja, wàt? Hier struikelde Wouter's verbeelding, +gelyk telkens geschiedde wanneer-i voorschot nam op 'n toekomst die +zoo byzonder weinig op het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy +z'n verschrikte voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z'n +punt van uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat--tot nader +order!--op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag en +hàd. Zóó had Dieper gezegd! En in z'n gedachten maakte hy kant en +klaar de krul gereed, waar-mede-i z'n handteekening bekrachtigen en +sieren wilde, 't Zou 'n slang wezen, zich slingerend om en door de +spylen van 'n rooster. De staart moest zoo nydig mogelyk byten in +drie stippen, netjes in gelid tusschen 'n paar evenwydige lyntjes, +en de kop werd belast met het als by-toeval kronen van de P. In deze +wending zou de fynheid liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het +uitvaardigen van 'n manifest, waarby al de ongekroonde autografen +die ooit van hem mochten worden in omloop gebracht, werden verklaard +te zyn: bedriegelyk, valsch, en van niet de minste waarde noch in +rechten noch in posthume heldenvereering. + +Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar ... het tellen! Eén, +twee, drie, vier ... dit zou wel gaan. 't Bleef echter de vraag +wàt men hem zou te tellen geven? Dubbeltjes? Stuivers? Duiten, +misschien? Ook dit schrikte hem niet af. Maar ... de pietjes? De +dertiend'halven? De schellingen? De zest'halven? Of--erger nog!--al die +muntsoorten door-elkaar? Hm ... moeielyke zaken! Zoodra hy koning werd, +zoud-i ... och, dit was alweer de vraag niet. Hy wàs geen koning. Hy +was jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith, en op dit +oogenblik belast met het ontvangen en behoorlyk uitleveren van 'n +groote som gelds. Dit was z'n naastbyliggende plicht, en hieraan +slechts had hy dus te denken. + +Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de +kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo +byzonder sterk doen gelyken op 'n verstoord mierennest. 't Verschil +ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar kyken +moet om wys te worden. Wouter had moeite z'n weg te vinden. Van +bespiegelingen over 't zonderling huishouden in de open lucht, dat +daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen spraak +zyn. In z'n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin +ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al 't onschoone dat hy te +zien kreeg, als om belang te stellen in 't karakteristieke van die +leelykheid. Z'n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem 'n plaats +aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige +tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht, +voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde. Een revue +van dertigduizend man linie--zou ze in vertrouwen gezegd hebben--met +vierd'halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. Ook de +opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van middeleeuwsche +oudheden. [16] + +Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? Te +oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, die--altyd toch +met het eigenaardig voorkomen van lieden die en voisin uit zyn--zich +verdrong op de straat, moesten al die woonhuizen leeg staan, van +de kelders af tot de hoogste verdieping toe. Nog altyd heerschte in +die buurt--interessant wàs het, hierin had het prinsesje gelyk!--nog +altyd zag men daar de orde of wanorde van 'n volksstam, zwervend in de +woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor 't +zand der heide--want als hei vertoonen zich die zandzeeën--vergenoegden +zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien +en klinkers. Wat ze voor de weelderige grassoorten der bewaterde +plekken in de plaats kregen, weet ik niet. Doch, ook zonder de +minste vergoeding voor de hier-en-daar verspreide schoonheden in +hun vroeger verblyf, nog altyd was die straat-zelf, en niet de tent +van kalk en steen hun geliefd domicilie. De krotten die ze heetten +te bewonen--vuistslagen in 't gezicht der beschaving... in Wouter's +tyd!--waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens +onvoorwaardelyk. Zoodra 't zomerweer de begoocheling toeliet of +aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken +bevond, nam het zonderling volkje dit op als 'n sein dat de tyd weer +was aangebroken van het leven in de openlucht, en van terugkeer tot +vóórkanaänsche zeden ... met uitsluiting evenwel van de sedert lang +verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootst gedeelte van 't +etmaal tusschen de reien der tenten door. Daar zaten ze, daar lagen +ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid, +d.i. handel gedreven. Daar leefden zy. + +Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z'n hoofdmomenten aan +de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker +geloof. Wie deze buurt betrad, en met voornaam-domme achteloosheid z'n +oog liet heenglyden over die vreemde gestalten, zag slechts de zeer +bekende buitenzyde. Alles was daar om handel te dryven, of liever om +zoo mogelyk iets te verkoopen, want wie eigenlyk op die zonderlinge +markt de koopers waren bleef 'n mysterie. Kochten die straatkramers +van elkander? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste +spykers? Zoo ja, wat aten ze? Of liever, welke produktie leverde het +excedent van kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En +de huishuur? En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest- +en vierdag? + +Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze +dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. Hieraan +zeker is het toeteschryven dat in Wouter's tyd niemand zich de vraag +voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in onafzienbare +reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden "rei" en +"kraam" zyn wel wat weidsch. Orde en regel was er niet: alles stond +en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, de meeste kooplieden hadden +deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun goederen op 'n oud stuk +zeildoek uit. Anderen versmaadden ook dezen omslag, en gebruikten de +bemodderde straatkeien tot toonbank en uitstalkast. En wat men daar al +vond! Daar lag yzerwerk... neen, zóó hoog betitelde de oprechte koopman +z'n goederen niet--neem er 'n voorbeeld aan, opgeblazen kropolithen +van de Keizersgracht!--hy noemde zich: handelaar in oud roest. De +man beweerde niet, yzer te verkoopen, hy verkocht roest van yzer. En +zelfs geen versche roest. Hy verkocht oud-roest, of oud geroest, +of dingen die oud en verroest waren, gewezen voorwerpen vervreten +door roest van ouden datum. En op nòg lager sport plaatste zich onze +koopman. Hy nam den naam aan van de waren "waarin-i deed" en vond er +niets vreemds in, wanneer men hemzelf aansprak als de hoogbejaarde +oxyde van 'n voormaligen spyker: hy heette Oud-roest. Kan 't nederiger? + +Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten +van kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie +protesteerend door 'n beroep op de klassieke beteekenis van hun +naam... en ook wel 'n beetje tegen de aanspraken op taalkennis van +de heeren D. V. & T. W. die ze vrouwelyk maken zouden, 'n jaar of +zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder +kroost, schroeven zonder moer... Niobees en weezen. Daar lagen eenzame +pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun +tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandelooze zagen, beitels +zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder +oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, +hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, +grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, +potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had +kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, +gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest! Dit scheen +de eisch te wezen van dien handel. Misschien was de koopman aan deze +eigenaardigheid gebonden door 'n artikel in de patentwet, volgens +'twelk hy wel voor roest maar niet voor yzer was aangeslagen. En +nu sprak ik nog slechts van de dingen die 'n naam gehad hebben, of +misschien eenmaal 'n naam konden gehad hebben. En we stonden nog maar +'n oogenblik stil voor de uitstalling van den Oud-roest alleen. Het +beschryven van 't overig deel der "markt" gaat m'n talent nog verder +te-boven, aan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon daar +koopen--maar wie toch kocht er iets?--daar waren te bekomen: zure +augurken, runderlappen, nieren en long, nuchter-kalfsvleesch en andere +spyzen, gekookt en ongekookt, met of zonder de saus. Daar werden oude +lappen en vodden gevent, en stukjes leder, en knoken, en gepensioneerde +hoeden, en strooken vilt, en schilderyen zonder lyst, en lysten zonder +schildery. En prenten, en boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen +zonder titel. En landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes +in vieren of zessen geknipt, om en détail te worden aan-den-man +gebracht voor 't mogelyk geval dat 'n heel land of werelddeel +de begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten +kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de +ongelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen +'n tumulus van zuurkool en 'n tropee van hoeven en horens. Ginds stond +'n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynsche dissertatien, +met almanakken en silhouetten van verloopen jaren en dominees. Ook +meubels waren daar. En er was porcelein, en glaswerk, en aardewerk, +en keukengereedschap... ja, wat was er niet! En dat alles was kreupel, +gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig +en voor niemand te gebruiken, wat toch 't geval niet kan zyn, want +dat volkje leefde van den handel in die prullen, en: ab esse ad posse +valet illatio. [17] + +Doch, ik zeide het reeds, dat leven was zonderling. Ook sprak ik +van de domme voornaamheid die in dit alles geen aanleiding vindt tot +nadenken. Reeds wat men ziet, zou hiertoe kunnen opwekken, en om dit +te betoogen is het weinige dat ik daarvan noemde, voldoende. Maar +hoe zou 't wezen, wanneer we met het oog van den geest iets dieper +doordrongen? De bewoners van dat mierennest zyn... menschen. Het "nil +humani alienum" moge dan al niet juist in wysgeerigen zin 'n artikel +in hun dagelykschen kathechismus wezen, toch is dat woord op hen van +volle toepassing in stoffelyke en maatschappelyke beteekenis. En, +ook zielkundig gesproken, het zou 'n ongerymd waagstuk zyn, hun de +aandoeningen te ontzeggen, die, de... half- en verkeerd-beschaafde +zoo gaarne wil doen voorkomen als het uitsluitend eigendom van de +"deftige klasse." Die straathandelaars hebben wenschen en verdriet. Ze +kennen vreugde, hoop, teleurstelling... eerzucht misschien. Ze +weten--zoo goed als anderen toch, en waarom niet?--wat liefde +is. Waarlyk, er is iets menschelyks in zoo'n Oud-roest en in het +oude grootmoedertje daarginds aan dien kruiwagen met "zuur." Vygen +verkoopt zy ook. Zie hoe netjes half-decimaal zy ze vyf-aan-vyf heeft +gespietst op stokjes. Zoo'n stokje koopt de jeugd voor 'n duit. De +winst is groot, want de heele ceroen is 'n onvrywillig geschenk van +den kruidenier die 't ding z'n winkel uitwierp, omdat de suiker na +twintigjarigen bewaardienst zich begon omtezetten in iets als +alcohol en sterkriekende gist. Ja, de winst is enorm:... àls de +jeugd die speetjes koopt. Als! want--en ziehier de oorzaak van m'n +staathuishoudkundige bekommering--vanwaar komt die duit? De vaders +en moeders die hem verstrekken moeten, handelen vlak naast de vygen- +en zuurvrouw in ransige kokosnoot en curaçaosche pienders. [18] Moet +het geld dat hun kind aan die vygen besteedt, niet eerst--en wel boven +'t strikt-noodige voor levensonderhoud--òververdiend zyn op hun eigen +waar? En wie koopt die waar? Hoeveel brokken klapper, hoeveel van +die westindische boontjes, moeten de kleinkinderen van de zuurvrouw +by buurman besteed hebben, om hem in-staat te stellen zyn kroost op +háár vygen te onthalen? Hoeveel vygen moet zy hebben gesleten aan +zyn kinderen voor ze de duit óverheeft, waarmee háár snoepertjes den +koopprys van zyn pienders voldoen? O diepte der verborgenheid, beide +der kennisse en des begrips van den amsterdamschen Jodenhoek! [19] + + + + + + + + Een allernietigst geschiedenisje. Na 't bywonen van 'n middagmaal + in de open lucht, wordt de lezer onthaald op 'n moeielyken tocht + naar de derde verdieping, waar Wouter nog altyd niet vermoord + wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek verzotten + lezer zal de auteur zich weten te troosten. Quo non ascendam? + + +Het wordt tyd terug te keeren naar de zeer byzondere klasse van Joden +die men te Amsterdam vergund heeft een stad te stichten in 'n stad, +en wel bepaaldelyk naar 't oude vrouwtje met die vygen. Zeker neem +ik 't háár niet kwalyk dat zy zich onthoudt van twistgeschryf tegen +professer Oosterzee en andere steunpilaren van 't ware Geloof. Inplaats +daarvan levert zy ons aanleiding tot opmerkingen van geheel anderen +aard, wel beneden de aandacht van sommige lezers misschien, doch de +myne niet onwaard. Al zy 't dan dat m'n intelligentie niet ontwikkeld +genoeg is om doortedringen tot de achterste schuilhoeken van zekere +mysterien--getuige die duit van zoo-even--toch overvalt me soms +'n aanval van fierheid op m'n onwetendheid, tegenover de velen +die zich hunner onwetendheid, niet bewust zyn. Op dit oogenblik, +byv. zoek ik naar de zielegeschiedenis van die vrouw. Want... 'n +ziel heeft ze. En 'n geschiedenis ook. Zy is zuigeling geweest. Zy +is kind, jonkvrouw, bruid, echtgenoot, moeder geworden. En nu is ze +grootmoeder. Misschien wel meer dan dat. Niemand doorloopt een zoo +lange baan zonder ten-minste iets optevangen van de indrukken die hy +ondergaat. Zy heeft velen gekend, sommigen gehaat, eenigen liefgehad, +meer misschien dan eenigen of velen: één! En er waren er, die háár +beminden. Wie, hoe, waarom? Wat gaat ons dit aan? 't Moet zoo geweest +zyn. Zy is moeder geworden, en werd dus eenmaal uitverkoren, al was +'t dan ook maar met de uitverkorenheid van 'n enkel oogenblik. Velen +van hare betrekkingen heeft zy overleefd, en dus by 't doodbed gestaan +van bekenden, vrienden, verwanten, lievelingen. Ook met Staatkunde is +zy in aanraking gekomen voor-zoo-ver niemand geheel-en-al den invloed +kan ontgaan, dien deze uitoefent op iedereen. Toen, toen, en toen, +heeft ze haar kraampje moeten ter-zy halen, of wel geheel sluiten en +wegsleepen misschien, omdat er 'n Prins zou voorbykomen, omdat er +'n Keizer jarig was, omdat de christenen 'n Bededag wilden houden of +'n Dankstond. Misschien ook wel eens omdat de Burgemeester uit z'n +humeur was, want in byzonder vrye landen is niets vryer dan de luimen +der kleine heeren. Hing niet ook zeer dikwyls haar handel af van +'t straatrumoer der revolutien? Wy weten immers hoe de steenen die +door de groote-mannetjes du jour worden geworpen in den oceaan der +Wereldgeschiedenis, kringen vormen, rondom voortkabbelend tot den +uitersten rand der Maatschappy, ook in de diepte zich uitbreidend +tot de onderste laag, waar ze ten-laatste vygen- en zuurvrouwtjes +bereiken? Veel is haar over 't hoofd gegaan, veel heeft haar geraakt, +aangedaan, gewreven, geschokt. En die vrouw zou geen geschiedenis +hebben? Gy die dit meent, erkent liever dat ge verleerd hebt zulke +geschiedenissen te lezen, en tracht dit te herstellen, en wordt niet al +dommer en dommer door u verheven te wanen boven 't allerkleinste. En +vooral... zit niet zoo uilig te wachten op 't lichtstraaltjen uit de +lantaarns van de Prescotten, en de Mac-Auleys en de Mills. De ware +studie van den mensch is: de Mensch. Dit blyft eeuwig waar, al verkoopt +zoo'n studie-exemplaar zure augurken en bedorven vygen aan 'n speetje. + +Ze had traan-oogen, dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk uit +als haar vygen. Rimpels had haar gelaat niet--wàs 't 'n gelaat?--het +waren voren en groeven. Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien +over elkander heen, en de toeschouwer had moeite zich voortestellen +hoe al die vouwen van de overvloedige huid haren weg vonden, en +telkens weer haar eigen plaats wisten intenemen, na zoo zonderling +te zyn heen-en-weer geworpen door de mummelende beweging van haar +mond. Hierin zal dan ook wel eens verwarring ontstaan zyn, maar wat +was er aan te doen? Niemand hield er boek van, en elke plooi hing +waar ze verkoos. Is 't wonder dat die overkompleete lappen wel eens +misbruik maakten van 't volslagen gemis aan tucht en kontrole? + +Het vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van +'n jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest, +'n papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder moeite +en verlies naar den mond geleidde met 'n yzer drietandje, geleend +misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten verloor ze +geen oogenbiik haar zaak uit het oog, en monsterde met kinderkundigen +blik 't onmondig deel van Publiek, dat haar etablissement naderde +of... voorbyging. Want zeer veel kinderen gaven blyk van de wysbegeerte +die ons leert dat aardsche goederen, met vygen en al, niet volstrekt +onmisbaar zyn voor ons geluk, en dikwyls zelfs schadelyk. Misschien ook +was de slapte van de markt het gevolg eener finantieele krisis, gelyk +in den handel soms voorkomt. Om zich edel te wreken, misschien ook +om den snoeplust van andere kinderen optewekken--wie toch doorgrondt +de finesses van den handel?--neen... uit hartelyke genegenheid voor +'t jongetje welks overgrootmoeder ze was, gaf zy 't kind 'n ristje +van haar vygen. Ik moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de +onereuze voorwaarde verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan +moest uitkeeren aan z'n zusje. + +--En mag ik dan 't stokje houden, vroeg de knaap. Heelemaal? 't +Heele stokje? + +--Ja, liewes, jy mag 't stokje houden, heelemaal! + +De oogen van 't kind glinsterden van geluk. Daar ging één vyg +naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver de helft van de +derde. Na de amputatie werd de overschietende helft weer netjes +aangeregen, en: "ik mag 't stokje houden!" juichte de kleine. Toen +'t oudje haar test had leeggegeten, gaf ze die aan 't kind terug, met +liefkozingen en 'n kus. De knaap sprong heen, jubelend het geschenk +voor kleine Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen afstand by +'n groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de blyde mare haar +broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en bezeerde zich... al of +niet, maar schreide zooals vallende kinderen gewoon zyn. + +Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden +namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met +het voornemen háár te vragen naar de woning van den man die 't +smeerige briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder weinig op +'n struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy belast was met 'n +gewichtige finantieele operatie zou veilig kunnen worden neergelegd +in haar schoot. Toch weifelde hy. Ook in Glorioso kwamen zeer oude +vrouwtjes voor, die op 't beslissend oogenblik in welgewapende mannen +veranderden! Terechtwyzing kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy +nu met zekerheid dat-i zich in de straat bevond waar-i "zaken" had, +maar... in welk huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts +nu-en-dan 'n enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol +lappen en lompen. Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van +de vygen- en zuurvrouw, moest naar z'n berekening de gezochte persoon +wonen, doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat bouwvallig huis +kon geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs zooveel duiten +niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger 't onsmakelyk praedikaat +van z'n briefje te begrypen. Want in de gansche straat ontwaarde hy +geen verblyf dat er uitzag alsof daarin ooit 'n wissel kon betaald +worden. Peinzend bleef hy staan, en liet zich 'n oogenblik afleiden +van z'n gedachten door het kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast +als-i was, haalde het juichen van den knaap hem Numeri XIII voor den +geest, waar de verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels +en... vygen. "Ook dáár wordt gesproken van 'n stok, van 'n draagstok," +dacht Wouter, en juist liep hy gevaar zich te verdiepen in... heel iets +anders dan z'n naastbyliggenden plicht alweer, toen hy het tweejarig +Racheltje struikelen en vallen zag. Fluks by-de-hand, richtte hy +'t kind op, en wischte haar traantjes af, en droeg het naar de oude +vrouw, die hem zeer vriendelyk bedankte. + +--Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze. + +Nu weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching +van Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder +gewicht te hechten aan Wouter's nietig dienstbetoon. Dat kind zou wel +vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn. Maar +toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto noch +m'nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig alle +bemoeienis met de zaken van 'n ander verafschuwden, hadden besef van +'t genot der aandoening die de Duitschers Menschenfreundlichkeit +noemen, en waarvoor wy, meen ik, geen woord hebben. 't Is iets als +de vertaling in het dagelyksche, van de hoogdravende Menschenliefde +die maar 'n deugd is voor zeldzame feestdagen, tooneelstukken, +levensbeschryvingen en grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk, +en nooit voelde hy zich zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die +hem gewoonlyk drukte, dan wanneer zich 'n gelegenheid aanbood zich +eens recht welwillend te toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine +voorval den moed het oude vrouwtje naar de woonplaats te vragen van +Roebens, den man dien-i zocht. + +--M'n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake met 'm? Chots seeche d'r +op! Hier woont-i, vlak achter me... kyk, dáár de trap op. Cha jy gerust +na-bove, en loop m'r deur tot 't derde pertaal, waar je die dékes ziet +hangen, en al dat beddechoed, en z'n sjabasj engels-hemt. En je klopt +an de deur naast de cheutsteen, en je roept: Roebe, Roebe! Want Roebe +Roebes hiet-i. En-i is kemissjenèèr in lompe, en m'n êêche kleinsoon, +en Racheltje's fader, werachtich as Chot! + +Deze plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben's +maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder +overbodig dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe +iemand die dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar +dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd +voor dat de beschikker over 'n som die hem zoo aanzienlyk toescheen, +de kleinzoon wezen zou van 'n arme zuurvrouw, en Racheltje's vader. Hy +kende de eigenaardigheid niet die de Joden--zooals veel Aziaten--nog +altyd van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls 'n +redelyke welvarendheid achter schynbare armoed verbergen. Niet zonder +uitzondering, maar--vooral in de lagere standen--heerscht by sommigen +iets dat men het omgekeerde van bluf of reklame zou kunnen noemen, +en als tegenstelling met de Kopperliths komt ons deze opmerking goed +te-pas. Dat de kommissionair in lompen--een der schakels tusschen +papierfabrikanten en voddenrapers--z'n grootmoeder daar op de straat +liet zitten... lieve God, ze verkoos niet anders! Ze was opgebracht +by den handel, by dien handel, en daarby wou ze sterven. Ook was +"zuur" en bedorven kruienierswaar haar specialiteit. In elk ander +"vak" zou ze met handen en hersens verkeerd hebben gestaan, en +zelfs met haar neus. Want ze rook den graad van ontbinding waarin +haar goederen behoorden te verkeeren om te passen in 't kader +van haar ondernemingen. De tachtigjarige oorlog dien ze gevoerd +had tegen flauwen kooplust, slecht weer, lastige policie--eens +namelyk had 'n onwaardige magistraat het veilen van bedorven goedje +verboden... 't is lang geleden!--de leerschool die ze had doorloopen +met taai geduld... zie, dat alles kon ze niet van de meet af opnieuw +beginnen. Haar kunst was zoo lang geweest als haar leven, en wat +er van dat leven nog kon overschieten, zou gewis te kort zyn voor +'t aanleeren van nieuwe kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat +de door haar gekozen specialiteit in-allen-deele aan de illuziën +van hare jeugd had beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting +ontsnapt zyn--'t wordt door wel-onderrichte maar onbescheiden +getuigen verzekerd--"als ik nògeens in de wereld kwam, ging ik in 't +knokenvak!" Maar ze troostte zich by 't bedenken dat ook deze loopbaan +wel haar onaangename zy hebben zou, al scheen dat anders aan wie er +buiten stond. En in-allen-geval, er was geen spraak van dat ze haar +leven zou òverdoen. Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe, +en Jehovah-zelf kon 't niet ongedaan maken dat Vrouw Roebens haar +gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen besteed had. Wat +er in den hemel moet worden aangevangen met zulke zielen... ei, +en de jongeheer Pompile dan, met z'n witte-gronden-driekleur, +en z'n krieuweltjes? En m'nheer Wilkens met z'n diemetten? Welke +ontwikeling brengen dezulken mee in den hemel? En dat zy eenmaal daar +aanlanden, is toch zeker. Want Pompile was van de Walekerk, en Wilkens +hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede gelooven, gelyk ieder weet. + +Wouter bedankte heel beleefd voor de gegeven inlichting, en klauterde +naar-boven. Jammer dat er geen roovers waren op die uitgesleten +trappen, want het was er zoo donker dat men lust krygen zou zichzelf +te bestelen. Het klimmen van onzen jongste-bediende vereischte een +zeer eigenaardige gymnastiek. Heel beneden had z'n rechterhand zich +weten meester te maken van 'n touw. Na 't stygen van 'n paar treden, +was-i wel genoodzaakt z'n oogen te ontslaan van alle dienst, maar +'t gewicht der expeditie kwam des te zwaarder op z'n handen neer, +die slechts van-tyd tot-tyd 'n oogenblik rust kregen als-i wat +vasten grond onder de voeten meende te hebben. De tyd tusschen deze +tempoos in, werd aangevuld door zekere slingering, 'n exercitie +waarvan historie en industrie ons drie toelichtende voorbeelden +aanbieden. Wouter hing daar--maar in 't donker--als de "plukkers" +van vogelnestjes op de Javasche Zuidkust, of: als de verzamelaars van +eiderdons in 't hooge Noorden, of: als de krygslieden van Herodes, +die in hangende bakken de roovers in de rotsen bevechten, gelyk in +'t XIVe boek van Josephus te lezen staat. Wouter kende de plaat die +in de frans-hollandsche vertaling van dat werk ter opheldering daarby +gegeven is, en niet zonder angst berekende hy wat z'n lot wezen zou als +het touw brak. Daar-i volstrekt niet zien kon, zag hy allerduidelykst +de rotspunten en kloven waarop en waarin hy zou neerkomen. Goddank, +de eerste verdieping was eindelyk bereikt, en hy kon wat uitrusten. De +toegang tot de tweede was nauwer, en het touw waaraan hy zich moest +ophyschen, iets gladder en dunner. Met moed ving hy ook dezen tocht +aan, en werkte zich dapper tot 'n portaal hooger op. Hier hoopte +hy dat-i zich 'n verdieping mocht verteld hebben, maar helaas, de +werkelykheid geeft niets toe. Wie slechts twee verdiepingen klimt, +staat niet hooger dan twee verdiepingen. Dit is nu eenmaal zoo: +nil sine labore! + +Wouter tastte rond naar den deurflankeerenden gootsteen, maar +helaas! Hy zag in, dat nog altyd z'n naastbyliggende plicht in stygen +bestond, en dit bleek hem te meer toen hy na eenig zoeken in 't bochtig +portaal, 'n spleet in de voorpui bemerkte, die hem toeliet 'n oog te +slaan op 't buitenhangend garneersel van de vensters. Daar was niets, +niets, niets te zien van 'n "sjabbasj engels-hemt." Er hingen kousen +en mutsen en allerlei lappen te drogen, maar nog altyd woei daar +de vlag niet waarop hy koers zette. Hooger dus, hooger! Wat zoo'n +jongste-bediende op 'n koopmanskantoor zonderlinge naastbyliggende +plichten te vervullen heeft! Die soldaten van Herodes... dit is de +vraag niet. Den derden trap op! Zeker was hy op den goeden weg, want +de uienlucht werd sterker en sterker. Nog 'n beetje volharding, en hy +zou te-land komen in de buurt waar de spys bereid was, die hy beneden +in de bekende vuurterrine had te zien gekregen. Waarlyk, het touw +was ten-eind! Voorzichtig schoof hy den voet vooruit, en bleef grond +voelen, wel 'n halven palm in omtrek. En nòg 'n proef die goed afliep, +en nòg een... hy had iets onder zich, dat vergelykender-wys naar vasten +bodem geleek. Om zich heen tastend ontdekte hy den gootsteen, en al +was er niets te zien van 't feesthemd, hier zou 't wezen! Hy klopte +op den gis tegen den wand, en riep: m'nheer Roebens, m'nheer Roebens! + +--Nou, k'm m'r binne, antwoordde een vrouwestem, wat e skendaal in +'t pertaal! Wâ mot je? Wissels? K'm in, en maak so'n lewaai niet. Me +man is siek. + +Daar er 'n deur geopend werd, kon Wouter nu eindelyk zien. De vrouw +die zich vertoonde, beantwoordde z'n vraag of daar m'nheer Roebens +woonde, bevestigend. En hy trad binnen. + +--Van de heeren Ouwetyd en Kopperlith, stamelde Wouter met 'n mislukte +poging om iets officieels te brengen in stem en houding. + +En hy haalde het smeerige briefje voor den dag. + +--Fader, zei de nog jonge vrouw, d'r binne ze-n-al met een f'n de +wisseltjes... och Chot, de stumpert het 'r f'n nacht fan legge yle! + +Wouter vond het vreemd dat zy iemand scheen toetespreken, want +buiten haar zag hy niemand in de kamer. Dit werd evenwel terstond +opgehelderd. Er klonk antwoord achter de gordynen van 'n bedstee. + +--Je heb 'm wakker gemaakt! zei de vrouw op verwytenden toon. + +--Och, wat spyt me dat, antwoordde Wouter met meer vriendelyke +belangstelling dan z'n funktie meebracht of toeliet. + +Zeker, als 't wisseltje hèm behoord had, zoud-i hebben voorgesteld +'n andermaal eens terug te komen. + +--Wâ sel ik je segge, riep de zieke, ik hep de koors. En f'n wie +komt het? + +--Van de heeren Ouwetyd & Kopperlith... + +--Dâ ken me nie skele. As ik je seg, dâ me dat nix skele ken! Ik +fraag je wie de trekker is. Kyk jy 'ns Ribbetje, of 't briefie +is f'n Sjomele, of 't briefie f'n Bussemakers, of 't briefie f'n +Bebbel Roels in Keule? Want er ferfalle drie f'ndaag... een f'n +sefen-en-dertig, sestien, acht, en een f'n driehondert-drie en een +f'n sevehondert-dertien, ses, twaalf. En geef me nog wat asynwater, +Ribbetje, want ik heb so'n dorst f'n de koors. Sefehondert dertien, +ses, twaalf is f'n Sjomele, en hier is 't gelt. + +Rebekka gaf haren echtvriend iets te drinken. Toen ze daarop Wouter +verzocht haar 't briefje te toonen, hield deze het haar voor, zonder 't +lostelaten. De vrouw toonde zich door dit komiek wantrouwen volstrekt +niet beleedigd. Ze scheen 't niet vreemd te vinden, zoo weinig zelfs +dat ze 'r geen acht op sloeg. + +--'t Is f'n Sjomele, fader. + +--Sefehondert dertien, ses, twaalf, goet! En hier is 't gelt. + +De zieke scheen bezig iets optedelven onder z'n matras. Men hoorde +hem woelen en hygen, en weldra 't geluid van gevulde geldzakken die +tegen elkaar stootten. Rebekka wees Wouter 'n latafel aan, waarop +ter-nauwernood 'n plekje leeg was. Daar zou wel 'n pen liggen, zei +ze. En ook bracht ze hem na eenig zoeken 'n aptekersfleschje met +wat inkt. + +--Ja ... maar ... juffrouw ... + +--Ribbetje, ik hep weer so'n dorst, klaagde de zieke. + +Dit doet me genoegen voor Wouter. Die dorst bewaarde hem voor al +te ruwe uiting van beleedigende voorzichtigheid. Met Rebekka, die +op-nieuw haren man te drinken reikte, trad hy op 't bed van den zieke +toe. Ze scheen bevreesd dat kou of tocht by 't openen der gordynen ... + +--Ik zal je helpen, juffrouw, riep Wouter, meezorgend dat de +opening niet grooter werd dan juist noodig was om 't verlangde +doortelaten. Nadat Roebens gedronken had, reikte hy twee zakken +geld aan. + +--Maar, zei Wouter weifelend, ze hadden me gezegd dat het geld me +zou worden voorgeteld? + +--As ik je seg dâ 'k de koors hep, en siek ben as e geslage man, wâ wil +je? As ik heb geteekent m'n hant f'r betale, na, wâ sel ik doen? Ik +betaal. En as ik teeken m'n hant f'r telle, sel 'k telle. Help 'm, +Ribbetje, en geef me wat drinke, ik heb so'n dorst f'n de koors. En +tel 'm 't gelt foor ... sefehondert dertien, ses, twaalf. + +Het jonge vrouwtje, na haar man gelaafd te hebben, hurkte op den vloer +neer, en Wouter knielde er by. Ze stortte het geld in haar schoot uit, +en wilde beginnen te tellen. Maar 't ging niet. Zyzelf kon niet wys +worden uit de tallooze geldsoorten die haar man had weten by-een te +brengen. Men zou er 'n muzeum mee opgezet hebben. Ook was er geen +plaats, want de vloer lag vol prullen. Ach, de oude Gerrit wist het +wel, en als 'n donderslag klonk Wouter de vreeselyke profetie in de +ooren, "als je 'r afkomt met 'n daalder, mag je van geluk spreken!" Hy +werd zeer angstig. + +Daar stommelde iets op de trap, en 't oude vygenvrouwtje vertoonde +zich in de geopende deur. Ze sprak bargoens, en scheen Ribbetjen iets +te zeggen over dat geld. Het jonge vrouwtje hield op met uitzoeken +en tellen. + +--Fader, d'r is grootemoe, en se seit ... + +Hier volgde een-en-ander dat Wouter weer niet verstond, maar wel +onderscheidde hy eenige keeren den naam van Racheltje. Nogeens begon +de oude vrouw haar verhaal, en ze wees op hem, en scheen zich driftig +te maken tegen al die afgeknabbelde dertiend'halven en schellingen +en byna onherkenbare muntstukken. + +--Na, zei de zieke, 'k heb wel goet gelt ook as 't weze mot. Hier, +Ribbetje, neem an ... + +Hy reikte z'n vrouw 'n grooten zak over, die hy met blykbare moeite +had opgegraven uit z'n beddegoed. + +--Neem an, Ribbetje, en tel er uit ... twee hondert stuks, en dan nog +... twintich stuks, en ... ses. En ... doe 'r 'n achtetwintich by, +die goet is, en ... ses Uiterse duiten, en laat 'm gaan met Chot! En +geef me te drinken, Ribbetje, w'nt ik hep so'n dorst. + +Wouter ontving z'n geld in gerande dukatons, en bedankte zeer +vriendelyk. De welwillendheid van die oude vrouw had hem goed gedaan, +tot roerens toe. Wanneer-i op dat oogenblik in het toekennen van +vereering had moeten kiezen tusschen haar en de zooveel beter geboren +mevrouw Kopperlith ... + +Zonder 't minste opzet om 't rimpelig moedertje natepraten, wenschte +hy haar by 't weggaan duizend goddelyke zegens toe. Haar, en m'nheer +Roebens die zoo ziek was. En de jonge vrouw die zoo liefderyk haar +man verzorgde. En kleine Racheltjen ... o, allemaal! + +Eerst toen hy de straat bereikte, schoot hem in den zin +dat-i--sakkerloot, hoe jammer!--by het teekenen ... z'n krul vergeten +had. Nu, dàt 'n andermaal! Hy was verheugd dat-i menschen ontmoet +had die hem zoo beminnelyk voorkwamen, en dit was meer waard dan de +mooiste krul. + + + + + + + + Alweer over 't kleine. Wouter wordt op post gezet voor de zenuwen + van "mevrouw." Kent de lezer Gus Halleman nog? Verhandeling + over het denken. De auteur maakt tenslotte fiasco in colloquia + prava. [20] + + +Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken +reeds, byna zonder afwisseling rondleid op 'n tentoonstelling van +nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak +... op die nietigheden zeker niet, maar op m'n arbeid. Een zeer +groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit 'n aaneenschakeling +van 't geringe. Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik +deze eigenaardigheid over 't hoofd zag. En aan de goede trouw, +als ik 't deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare +juistheid "aristokratie van den smaak" wordt genoemd. Ook 't woord: +tentoonstellen, is my een niet ongewenschte kwalificatie van m'n +arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken tentoon, die hy van +de wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm ... den zynen! Om +evenwel ook de vele graven en markiezen onder m'n lezers tot moedhouden +optewekken--onder ons gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van zekere +voornamigheid logeeren in stal of keuken--verbind ik my Wouter niet +te laten sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn aan 't een of +ander hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur 'n huis voor hem op +de Keizersgracht. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo'n sprong +noodig is, wacht ik 'n oogenblik van byna krankzinnige tuchteloosheid +af. In kalme stemming zou 't niet lukken. Het is echter de vraag of +hy--aangeland in zóó verheven sfeer--fyner dingen zal te zien krygen +dan de aandoening die 't oude vygenvrouwtje bewoog ook op haar beurt 'n +herodiaansche expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus +haar "handel" over te laten aan de bescheidenheid der voorbygangers, +alleen om Wouter te beschermen tegen al te uitgebreide muntkennis +van haar kleinzoon. + +Wat overigens het aristocratische van den smaak aangaat, de myne is +van edel bloed. Te edel, b.v. om zich aftegeven met de zeer burgerlyke +voorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen schoonheid vatte zonder goud, +fluweel en aanzienlykhedens, en die dus hierin--op de naïveteit na--nog +altyd op de laagte stond van 't kind Wouter. Wat my betreft, ik blyf +aan redelyk goed brood de voorkeur geven boven zieke truffels. Doch, +voor den honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den +smaak. De eenige eisch is: waarheid. Den kunstenaar die hiernaar +streeft, zal al 't andere toegeworpen worden ... natuurlyk op de +toejuiching der koprolithen na, die hy missen kan. + +Wouter oogstte by m'nheer Dieper eenigen lof in over den uitslag van +z'n tocht, en vernam tot hartsterking: "dat-i 't by-gelegenheid eens +weer mocht doen." Maar Gerrit verzekerde dat het niet altyd zóó zou +afloopen, wat ieder weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal. + +De bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel +overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den eersten +dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m'nheer Pompile, het knippen en +opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z'n werk, om nu niet +te spreken van 't vegen op de zolders en in 't magazyn, lokalen waar, +volgens m'nheer Wilkens, voor 'n jong-mensch altyd iets te leeren viel. + +Het is my een gewetensplicht hier alle aanleiding tot zeker misverstand +uit den weg te ruimen, dat zeer veel jongelieden welkomer wezen +zou dan behoorlyk is. Ik verklaar uitdrukkelyk, geen aanmerking te +maken op de soort van bezigheden die men Wouter opdroeg. Niet hierin +waarlyk ligt het zwaartepunt myner aanklacht tegen zekere klasse van +menschbedervers. De stalen moesten nu eenmaal uitgezocht, geknipt en +opgeplakt worden, en die brieven gekopieerd ... wie anders dan hy kon +daarmee belast worden? En zelfs die boodschappen! Geestverheffend +waren al deze werkzaamheden voorzeker niet, doch men neemt geen +jongste-bediende in 'n lappenhandel, met het doel om meetewerken aan +'t verheffen van z'n geest. Dit is evenmin de eisch zyner vorming, +als 't in billykheid verwacht kan worden van de personen die over hem +te beschikken hebben. De bekende spreuk: il n'y a pas de sot métier, +il n'y a que de sottes gens acht ik hier van volkomen toepassing. Een +geest die zich niet weet te ontwikkelen in-weerwil van 't handwerk, +is de moeite der ontwikkeling niet waard. In-weerwil? Dit is de +vraag. Juist zulke nietige bezigheden laten het denkvermogen vry. Ik +meen reeds ergens gezegd te hebben dat ik jaloers was op Spinoza den +brilleslyper ... den geluksvogel! Ook roerde ik in myn Mattheus XIX +de hier behandelde stelling aan. "Uit de Schrift leert men strikvragen +stellen, maar er is veel antwoords in 't denken by 't spinnewiel." [21] +Niemand staat voor 't geringe te hoog, en zeker was dit dan ook 't +geval niet met onzen Wouter, die aan 't breidelen van z'n begeerten zoo +byzondere behoefte had. De kwestie was of-i netjes knipte en plakte, +of z'n kopie korrekt was? Hierin alleen lag z'n naastbyliggende plicht, +en niet in 't onbesuisd haken naar voornamer werkkring. Schreef niet +ook Jezus voor, getrouw te zyn in 't kleine? + +Nog 'n andere bezigheid kwam--aanvankelyk nu-en-dan, later +byna geregeld--voor Wouter's rekening. Hoe weinig er ook in de +zomermaanden "gehandeld" werd, toch kwam het by-uitzondering voor, +dat er verzendingen moesten geschieden "naar buiten." Het "pakken" +van zulke goederen in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de funktien +van Gerrit. Sedert vele jaren evenwel, had deze zich zoo geoefend in +'t voorwenden van allerlei oorzaken tot onthouding van arbeid, dat men +zich telkens genoodzaakt zag de hulp van Flip den kruier interoepen, +en de posten die deze interventie op 't "weekbriefje" te-voorschyn +bracht, bezwaarden het handelsgeweten van den jongeheer Pompile. Uit +eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid eener byzondere styfte van +Gerrit's rhumatiek, de paknaald ter-hand, en werd zoo geprezen over +den uitslag van z'n eerste poging om dat werk te verrichten--men had +het tot-nog-toe voor 'n vak gehouden dat zonder speciale opleiding +ontoegankelyk was--dat de jongeheer Pompile al zeer spoedig hem +gelastte de goedheid te hebben by èlke voorkomende gelegenheid als +pakhuis-knecht optetreden. En inderdaad, de pakken die hy vervaardigde, +waren onberispelyk! Kantig van rand, plat aan de zyden, symmetrisch +gebouwd--gemetseld, had ik byna gezegd--netjes genaaid, wèl bestand +tegen stuwing, wentelen en nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er +was elegantie in de balen die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men +kon ze "over 'n huis gooien" als 'n wel-ingepènd kraamkind uit de oude +bakerschool. "Het is of-i 't al z'n leven gedaan heeft!" betuigde zelfs +m'nheer Wilkens in 'n eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet +erkennen dat ook Wouter schik had in 'n bekwaamheid die hem verraste, +'t Was hem 'n eerezaak dat er nooit klachten werden ingebracht over +avary, noch zelfs over kreukeling, van goederen die hy had toegerust +om de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem schooner dan wrevel, +en het ware te wenschen geweest dat men niet op misdadiger wys z'n +overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd 'n bezigheid voor +hem uitgedacht... neen, 'n bezigheid was 't eigenlyk niet. Het was +'n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus in versuffing +dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar terstond zeggen +dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile zich alweer in de +hier bedoelde zaak van 'n zeer gunstige zyde deed kennen. Op zekeren +morgen kwam de oudeheer het kantoor binnensloffen, en onthaalde het +personeel op de gewone inleiding tot z'n belangryke gesprekken: + +--Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is. + +--Zoo, papa? + +--Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen nacht +gedroomd heeft! + +--Dat is zeker nogal heel akelig, papa! + +--Ze heeft gistr'avend kreeftensla gegeten, weetje? + +--Zoo, papa? + +--En daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit gezegd dat +ze heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig. + +--Dat is wel verdrietig, papa! + +--Niet waar? + +--Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid te zeggen, de familie +Krucker... + +--Ze kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren... + +--Hè, papa? + +--Ja, zóó erg is 't! Want... het ophalen van de draad maakt zoo'n +vreeselyk leven, zegt mama. + +--Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen, +papa? Ze zeggen... + +--Maar, Pompile, wat zullen wy 'r aan doen? Mama lust haar portwyn +ook niet meer... + +--Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa! + +--En ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo zenuwachtig wordt +van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen madera drinkt. + +--Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder zenuwachtig +van madera? + +--Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel gezond +is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is niet +goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar 't helpt allemaal niet, +als er zoo'n vreeselyk leven in huis is. Dat eeuwige schellen, Pompile! + +--Ja, papa! + +--De bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo van. + +--Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, jy moet eens +zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als er dan +iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan 't venster, zieje? En je +ziet... wie 't is? En je vraagt wat ze willen, zieje? En als 't dan +iemand voor de keuken is, dan sluit je de deur, en je gaat zeggen in +de keuken, dat er... iemand voor de keuken is, weetje? En als 't voor +"huis" is, dan sluit je de deur, en je komt hier zeggen aan m'nheer +Eugène... niet waar, Eugène? + +--Hm! + +...dat er iemand voor "huis" is, zieje? En dan zeg je-n-aan m'nheer +Eugène wie er is. En tegen de menschen zeg je dat mevrouw zoo ziek +is, zoo byzonder erg zenuwachtig, moet je zeggen. Maar denk er aan, +dat je-n-altyd de deur van den kelder sluit. Ziet u, papa, dan wordt +er niet gebeld, en... als dan mama weer beter is, kan ze naar-buiten, +papa. Want ik heb gister de Hockers gesproken, papa, en hun gezegd... + +Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan +de Hockers gezegd had? Vorder 't onmogelyke niet, lezer! Zonder nu +juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter's +eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten 'n groote rol in m'n +geschiedkundige navorschingen. Geen lid van de beroemde familie Hocker +heeft zich verwaardigd my iets meetedeelen van 't gesprek waarop hier +de jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat Wouter-zelf aangaat, hy +stond reeds lang op-post achter de glasdeur van 't magazyn, voor die +teedere zoon z'n papa deelgenoot maakte van de Hockersche konfidentie. + +Ja, daar stond-i! Met z'n gewonen dienstyver hield hy de linkerhand +aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, voor 't geval +dat iemand zich verstouten mocht mevrouw Kopperlith's zenuwachtigheid +te prikkelen door onbescheiden bellen aan de bovendeur. Zóó stond-i +daar dan uren achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht +voor mevrouw Kopperlith's rust! Geen vlieg zou kunnen naderen +zonder aangeroepen te worden. Nooit bracht 'n schildknaap die zich +voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie +mee in z'n wapen-vigilie dan Wouter aan z'n afmattende taak ten-koste +lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! Dat +z'n naastbyliggende plicht alweer met z'n wenschen noch met z'n +gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet, +en z'n wenschen telden niet mee. Het sprak vanzelf, begreep hy, +dat men zich moeite en onaangenaamheden getroosten moet om "iets te +worden in de wereld" en 't kwam niet in hem op dat er misbruik werd +gemaakt van z'n goeden wil. Hy beschouwde de vreeselyke verveling +die hy te bestryden had--en den stank!--als zoovele vyanden die +op-straffe van lafhartigheid moesten verslagen worden, en hy week +dus niet! In gewone gevallen zou het niets-doen-op-zichzelf hem +geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer spoedig in de vryheid zyner +gedachten 'n middel zou gevonden hebben tot bezigheid niet alleen, +maar zelfs tot uitspanning. Geen gegeven was hem onbruikbaar tot +punt van uitgang. Een luchtbelletjen in de vensterruit, de richting +van de reien der straatsteenen, 'n voorbydryvend wolkjen... alles +en 't minste was voldoende om hem aan 't denken te brengen en te +houden. Maar juist dit was hem ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van +'t besef zyner naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds +byna gereed met z'n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat +wezen zouden 'n examen afteleggen als hulp-onderwyzer, toen de jongen +van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om +de taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten +in haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z'n nalatigheid, en +beloofde zich plechtig z'n neiging tot denken, vorschen, uitpluizen, +redeneeren, te offeren op 't altaar van z'n onverheven plicht. Zoo +ver mogelyk liet hy z'n blikken rechts en links de straat beheerschen, +om by-tyds--en liefst te vroeg--te kunnen beoordeelen welke onverlaat +'n storing der rust van mevrouw Kopperlith in 't schild voerde. Maar +zéér ver reikten z'n bespiedende oogen niet. Aan-weerszy werden de +beenen van den hoek dien hy overzag, door de uitbouwsels der stoepen +saamgedrongen tot 'n engte die voortdurende oplettendheid vorderde, +en hem telkens plaagde met den angst dat z'n waarschuwing te laat +komen zou. De gedachte rees in hem op: als ik maar voortdurend tikte, +en iedereen van 't beklimmen der stoep terughield? Hm... dat zou +gek staan! Wat zou ik zeggen? "M'nheer, ben je-n-ook misschien van +plan hier aanteschellen aan de bovendeur?" Hy zag in, dat dit niet +kon. En ook, dat er in den handel 'n groote mate van geduld noodig +is. En dan... dat pynlyk slapen van z'n linkerbeen! + +Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van z'n +loopbaan slechts twee keer 'n fout. Eens had 'n bedelbrief-industrieel +z'n waakzaamheid verschalkt, door by arglistige overklimming van de +achterleuning der stoep, de bovenbel te bereiken. De jongeheer Pompile +was er zeer verstoord over, en ook Wouter-zelf voelde verdriet. Wat +zou er van hem worden by zoo'n slordige plichts-vervulling? + +Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door den +kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor +den neus dicht, en ging op 't kantoor aan m'nheer Eugène zeggen: dat +mevrouw Kalbb daar was: "voor huis" naar-i giste. Zeker, ze kwam voor +"huis" en was zeer boos "dat die jongen 't in z'n hersens had genomen, +háár niet doortelaten." Wouter ontving by deze gelegenheid onderricht +in 't groote verschil tusschen: "papa's eigen dochter, mevrouw Kalbb, +weetje, de eigen vrouw van den konsul van 't heele land Elsas, weetje, +en... allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in 't magazyn!" + +Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel +inderdaad 'n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet +achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith's +aangaat... wat wisten zy daarvan? Het verslonsen eener ziel is geen +handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. In-plaats daarvan +hielden ze treffende verhandelingen over 't bederf der kleuren +van de stapeltjes die vooraan in 't magazyn beschenen werden door +'n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren met +'n stuk zaklinnen of papier, want: + +--Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer dàt van my! + +Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z'n +oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld +als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z'n gemoed +aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter +wàs niet eens 'n broeder. Geen neef zelfs. Hy was 'n burgerjongetje, +en de heeren Kopperlith woonden op de Keizersgracht. Ze behoefden +'t zich niet aantetrekken dat hy zich daar stond te vervelen en +te versuffen tot krankzinnig-wordens toe! Misschien zelfs wisten +zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar welke professor had dan +overredingskracht genoeg bezeten om hen te doordringen van 't besef +dat gekleurde lappen 't licht niet verdragen kunnen? Wie toch had déze +wysheid weten intepompen aan zulke indociele gemoederen? Magnus Apollo! + +Doch zie, dat geestverdoovend schildwacht-staan was 't ergste niet! Aan +veel gevaarlyker proef werd Wouter gewetenloos blootgesteld door de +hem opgedragen taak om elken ochtend de brieven van de post te halen, +of liever: om te vragen of er brieven waren? Want drie, vier malen +'s weeks kwam hy met ledige handen op 't kantoor. De toon waarop +hem dan de jongeheer vroeg: "of er alweer niets was?" maakte den +indruk alsof hy 't helpen kon dat niemand 'n wittegrondje-driekleur +bestelde. Toch was hem die gang naar 't postkantoor en 't wachten +daar, een der minst onaangename plichtjes van z'n betrekking, en +hierin lag juist het gevaarlyke. + +De soort van 't gezelschap waarmee hy daar kennis maakte, heb ik +reeds met 'n enkel woord omschreven. Indien niet Wouter door byzondere +omstandigheden in deze levensperiode was voorbeschikt tot afdwaling, +zou hy voorzeker in dien omgang geen smaak hebben gevonden. Maar er +bestond by hem wel degelyk aanleiding tot misgrypen, en zelfs byna +noodzakelykheid. Sedert eenigen tyd voelde hy zich ontwassen aan +al het kinderlyke zyner eerste ideaaltjes, en al zocht hy nu niet +uitdrukkelyk naar aanvulling van de hierdoor teweeggebrachte leegte, +toch onderging hy onbewust de gevolgen van die ylheid. Ware dat eerste +hoofdstuk van z'n zieleleven opgevolgd door ingespannen arbeid--ook +zelfs door schynbaar vernederenden arbeid, mits: vermoeiend!--dan +had de overgang van kind tot mensch geleidelyk plaats gevonden, +en er zou weinig of geen kracht zyn verloren gegaan, iets wat in +psychologie, als in werktuigkunde, de eisch is. Hierop waren dan +ook de vermaningen van Holsma voornamelyk gegrond. Wouter moest +genezen worden van z'n voorliefde voor 't kontemplatieve, de klip +waarop zoovelen--en de slechtsten niet!--te-gronde gaan, en die +hen doet aanlanden in de buurt waar ze 't minst te-huis behooren: +by de luiaards. De hier bedoelde methode laat zich, zonder de minste +aanspraak op wetenschappelyken klank--maar de uitdrukking is er niet +minder schilderachtig om--samenvatten in 't huisbakken voorschrift: +"zit niet te droomen, steek je handen uit!" Denken is voorwaar +des menschen edelste bezigheid, maar juist het wèl denken schryft +handeling voor. De maat der splitsing tusschen 'n geoorloofd toegeven +in bespiegeling, en dat: "handen-uitsteken" is evenwel geenszins voor +allen gelyk. Dit laatste is niet by-uitsluiting laag by den grond. Het +eerste niet, op en door zichzelf, verheven. De verhevenheid ligt in de +korrekte toepassing van beiden. Een onpraktische droomer staat waarlyk +niet hooger dan de domste "man van zaken." We kunnen evenmin in de +wolken wonen als in den modder, en er bestaat geen enkele reden om +aan 't vervliegen van geest de voorkeur te geven boven 't smoren van +geest. Het maat-houden tusschen deze beide uitersten is onze taak, +en niet alleen ontwaren wy telkens groot verschil in neiging tot +overslaan, wanneer we onderscheiden individuen met elkander vergelyken, +maar zelfs in den enkelen mensch bestaat groote onregelmatigheid. In +sommige perioden van het leven hebben wy ons in acht te nemen tegen de +gevaren van onberaden vlucht. 'n Andermaal moeten wy onszelf opwekken +en inspannen om de mollegangen te verlaten waarin we bezig-waren ons +te versteken. Uit de wet der traagheid alweder is het te verklaren +dat wy, na terugkeer van den verkeerden weg, ons vergissen in de +maat van afwyking aan de andere zyde. Dit oscilleeren is geestelyk en +zedelyk leven. Hoe kleiner de boog, die de tong der balans beschryft, +hoe beter, maar volslagen stilstand zou de dood zyn. + +Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht +met die vreeselyke "naastbyliggende plichtjes" vorderde wel zware +inspanning, doch wortelde niet in 'n beginsel. Hy deed dit omdat-i +by-uitstek dociel was, en 't werd hem voorgeschreven door iemand dien +hy achting toedroeg. Er scheelde weinig aan, of hy zou 't zichzelf +hebben toegerekend als 'n goedige poging om dokter Holsma pleizier +te doen. En deze beschouwde z'n voorschrift eenvoudig als 'n tydelyk +middel om hem zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen +van z'n leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat: +"handen-uitsteken" behoefte had, een ziekteverschynsel waaruit zich +myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. Indien ik over +hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren leerjongen by +'n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de grenzen van dit +ambacht te bepalen--'n smid met Wouter's gaven zou zich onmisbaar +ontwikkelen tot 'n Krupp!--maar om z'n al te eenzydige neiging +tot het kontemplatieve te-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor +zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan 's avonds +neervallen op z'n stroozak, en den volgenden morgen geen herinnering +hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na 't uittrekken +van z'n tweede kous, ja van z'n eerste misschien. En wat het opwekken, +aanwakkeren en voeden van z'n zucht tot bespiegeling aangaat, juist +dáártoe is niets geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning +van spieren vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting +"halt!" toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat oogenblik werken de +geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men +zich meent bezig te houden: alleen met denken. + +Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den +blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dàt, of +zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien +had kunnen zetten waarvan z'n ziel vervuld was, doch die hy nu niet +verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. En, +by-gebreke van zoo'n handleiding liep hy gevaar... + +Wel zeker, hy maakte kennis met die jongelui by 't postkantoor! Zy +zouden 't hongerig zieltje vullen met hun voosrype wysheid. En Wouter's +eetlust was groot! Niet alleen psychologisch leed hy honger. Ook +in maatschappelyken en huiselyken zin was dit het geval. Hy voelde +behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet +voldaan werd. En wat de "heeren op 't kantoor" aangaat... ze deden +er niet in. + +Doch in gezelligheid werd wèl "gedaan" door die jongeluî aan +'t postkantoor. Nu ik eenmaal--met stoute miskenning der waarheid +zoowel, als van de lokaal-kleur--de heeren Ouwetyd & Kopperlith tot +'n "handelshuis" heb verheven, durf ik even ongepast die loopjongens +bevorderen tot kantoorbedienden. Zoo namelyk betitelden zy zichzelf. De +eerste aanleiding tot kennismaking werd geleverd door de ontmoeting +met een der Hallemannen. Ook hy was: "jongste-bediende." Wouter sprak +hem aan, en zei: "Gus!" + +--Ah zoo... je bent Pieterse, geloof ik. + +Wouter keek vreemd op by dit "geloof". Maar Pieterse wàs-i. + +--Ja zeker, Gus. Wèl, ken je me niet meer? + +--Ik ken je wel, maar ik moet je ronduit zeggen dat ik geen +kinderachtigheid verdragen kan. 't Lykt wel of we schooljongens zyn, +zoo praat je! + +Wouter begreep er niets van. De zaak was, dat-i: Halleman had moeten +zeggen. Hy leerde dit, en weldra begon-i ook z'n eigen familienaam +mannelyker en aanzienlyker te vinden dan: Wouter. Hy zag al zeer +spoedig dien Gus voor 'n groot man aan, die 'n breede opvatting van +'t leven had. De kwajongen was dan ook inderdaad 'n tweetal jaren ouder +dan hy, en wel twintig in kennis, gelyk we zien zullen, of nagenoeg. + +Ach, lezer, ik heb 'n verdrietig werk te doen. Vloek over de +ellendelingen die m'n Woutertje blootstellen aan zùlke kennismaking! + +--En by wie ben jy op 't kantoor? + +--By de heeren Ouwetyd & Kopperlith... Keizersgracht, weetje? + +--Hm! Dat's nu juist zoo'n heel groot huis niet! In 't geheel niet. Wy +doen in koffi. Jelui doet, geloof ik, op Smirna, hè? + +--Dat weet ik nog niet, zei Wouter, ik ben er pas. + +--Zóó? Weet je dat niet. Nou, dat's 'n rare! + +Nieuw aangekomen "jongeluî" sloten zich aan, en hadden heusch als +wezenlyke menschen gegroet met: "morge, heeren!" Misselyk en komiek, +maar 't was zoo. En Wouter vond dien toon uitstekend. Hy had zich +zoo'n verheffing zelfs in 'n droom niet durven voorstellen. Helaas, +hy die zoo kort geleden nog in den omgang met zichzelf zich wys-maakte +dat-i god wàs, en koning... worden zou, hy voelde zich gestreeld +'n stuk heer te zyn in de oogen van kwajongens die almede voor iets +als heeren wilden doorgaan! + +--Zeg, dàt's 'n rare! Hy weet niet eens waarin ze doen. Hoe vind +jelui die? + +De "heeren" vonden 't byzonder gek. En Wouter, die zeer gevoelig was +voor spot, werd verlegen. + +--Maar, zeid-i stamelend, je vroeg iets van Smirna, en dàt begreep +ik zoo gauw niet. Een van onze jongeheeren is te Rome. Meen je dàt +misschien? + +--Wy zyn op Portugal, zei 'n derde. + +--En wy op de Oostzee. Granen, weetje? + +--Hoe héét dan je huis? vroeg 'n vyfde. + +Wouter noemde de firma. + +--Wel, wat bliksem... + +'t Sprekertje vloekte alleraardigst. En dit deed het heele +troepje. Toch ging 't de mannetjes niet glad af. Men kon duidelyk +bespeuren dat ze nog niet recht thuis waren in de handige toepassing +van al hun mannelykheid. Dit was er 't grappige van. + +--Wat bliksem, dat is in manufakturen! Weet je dàt niet? In +manufakturen, zeg ik je. + +En de spreker-zelf betuigde dat-i "in" assurantie was. + +--Kyk maar, daar heb je polissen. Dat zyn allemaal polissen, weetje? + +En allen beschouwden met eerbied 'n pakje blanko-dokumenten, dat de +loopjongen zoo-even uit den kantoorboekwinkel gehaald had. + +--Ja, ja, polissen! zei Gus, met 'n nadruk die zooveel beduidde als: +"ik weet precies wat dat voor dingen zyn. Ik heb er ook in gedaan." + +--Kyk, wat 'n mooie meid! + +--Pst, pst! Hei! Kom 'reis hier! + +Het dienstmeisje dat zoo hoffelyk werd aangeroepen, spuwde op den +grond, en liep door. Het beste wat ze doen kon! Ze hoefde niet de +minste kuisheid te-hulp te roepen om zich zedig te betoonen. + +--'t Is Mie uit de bakkery, zei 't huis op Portugal. Nou! + +Welke lezer verstaat dit "nou?" + +--Nou! zei 'n tweede. + +--Nou! herhaalde 't koor. + +Wouter begreep er niets van. En dit was te dommer van hem, omdat hy de +gelaatstrekken zag, die dezen uitroep vergezelden. Kon hy 't helpen +dat-i nog altyd de hiërogliefen van gemeenheid niet grif lezen kon, +die al dat genou illustreerden? Erg genoeg dat-i weldra die taal zou +leeren verstaan. Vloek over de Kopperlith's! + +Waarschynlyk keek hy onnoozel, want een van z'n leermeesters vroeg hem: + +--Ben jy op 'n kantoor, jy? + +--Ja... in... manufakturen, heusch! antwoordde Wouter. + +--Weet je wat ik geloof? Ik geloof dat je nog maar 'n nuchter kalf +bent. Dàt geloof ik er van! + +En deze overtuiging werd bezegeld met 'n kernachtige +heerenuitdrukking. + +--Hy is zoo onnoozel als... + +Als 't een-of-ander maar, dat niet onnoozeler behoeft te zyn dan wat +anders, wanneer 't slechts terdeeg gemeen klinkt. De bedoeling zal +geweest zyn dat-i byzonder onnoozel was. + +--Zeg, weet jy nog niet eens waar de kindertjes vandaan +komen? Nou... dàt mankeert er maar aan! + +Goddank, dit wist Wouter! En als hy 't niet geweten had, zou hy hier +in de gelegenheid geweest zyn het te vernemen, en wel op 'n manier sui +generis. Ook andere wysheid was hier optedoen, die wel strikt genomen +evenmin nieuw was voor den leerling, maar welke hem dan toch werd +meegedeeld in bewoordingen die hem onbekend waren. Uit verregaande +mannelykheid hield hy zich als sedert lang behoorlyk ingewyd. Hy gaf +zich moeite om zoo wys mogelyk te lachen, wat hem slecht afging en +heel leelyk stond. + +'t Was 'n liederlyk troepje. Ik heb op dit oogenblik geen lust +uitvoeriger te zyn. + +Wat Wouter aangaat, hy werd by dat Postkantoor bedorven voor-zoo-ver +hy te bederven was. Dit blyft, met of zonder uitvoerige beschryving, +treurig genoeg. + + + + + + Over zekere volksverhuizing die--by groote uitzondering, + voorzeker!--inderdaad heeft plaats gehad. Wouter, al lager en lager + zakkende, komt eindelyk te-land achter de "britschka van Papa." + + +Op zekeren dag was er 'n groote beweging op de Keizergracht by de +Vellestraat. De vensters der bovenverdiepingen aan den overkant prykten +met dienstmeisjes die dagdievend op den uitkyk stonden. Misschien +ook gluurden enkele stervelingen die zich verbeeldden oneindig +verhevener standpunt intenemen, door 'n kykgaatjen in de gordynen der +beneden-voorkamers. Voorbygangers die meer tyd hadden dan bezigheden +of voortvarendheid, bleven staan by 'n schouwspel... + +Hier zou nu romanshalve de beschryving van dat schouwspel moeten +volgen. Helaas, lezer, wat zal 'n arme auteur doen? Er was, om +de waarheid te zeggen, eigenlyk niets byzonders te zien, en de +opmerkzaamheid van die dienstmeisjes, voorbygangers en... anderen, +was maar 'n blyk te meer van de bekende armoed aan indrukken, die +ik reeds in den tweeden bundel behandelde. Wilt ge die bladzyde eens +naslaan lezer? (Verz. Werken, IV:37, I. 451.) + +"De Kopperlith's gaan naar buiten" verhaalden elkander de Grietjes +en Mietjes uit de buurt. En wie zich byzonder goed onderricht wilde +toonen, kwam 'n half-uurtje na 't ontvangen van die boodschap terug met +de vraag: "zeg eens, weetje wel dat de Kopperlith's naar-buiten gaan?" + +Ik zou 'n onwaardig geschiedschryver wezen, als ik verzweeg dat zich +hier-en-daar 'n variant voordeed. Drie mevrouwen, negen "juffrouwen", +zeven-en-twintig kameniers--tevens linnen- en kindermeiden--verzekerden +niets, maar namen zich voor, by de eerste gelegenheid te onderzoeken of +'t wel wezenlyk waar was dat de Kopperlith's naar-buiten zouden gaan? + +Ja, zeg ik. Ja! Ja! Ja! De Kopperlith's zouden inderdaad +naar-buiten gaan. Er lag 'n zolderschuit voor de deur. Om nu den +niet-Amsterdamschen lezer, die evenmin weet wat 'n "zolderschuit" +is, als wat "voor de deur liggen" beteekent, te doen verlangen naar +'n herdruk met noten, geef ik hier de onheldere toelichting dat +'n zolderschuit zeker brak-watervaartuig is, zonder zolder, maar +met 'n vloer. "Voor de deur" beduidt hier zooveel als in de gracht +"waarop" het huis staat. Wie hiervan nu niet veel begrypt, geeft blyk +van zekere bekwaamheid, maar 'n Paryzenaar of andere buitenman moet +zich niet verbeelden dat men zoo op-eenmaal 't ware begrip hebben +kan van de eigenaardigheden eener stad als Amsterdam. + +Een zolderschuit lag alzoo voor de deur, en de gedienstige geesten +van den huize waren druk in-den-weer met het aansleepen van den +inboedel. Oppervlakkig kan het bourgeois voorkomen, dat de begrooting +van de familie Kopperlith geen dubbel stel meubels dragen kon. Eilieve, +om dat verhuizen was 't juist te doen! De buren en voorbygangers +moesten de zolderschuit en de bereddering zien, die hier op de +Keizersgracht denzelfden ontzag-inboezemenden dienst deden, als de +beeremuts van Holsma's koetsier by de Pietersens. En dit moest nogeens +geschieden in 't laatst van Oktober, by het thuiskomen. Ook dan weer +zou de heele buurt zeggen: "weet je wel dat de Kopperlith's weer in +de stad zyn?" Er is niets wat zoozeer op de eigenaardige zotternyen +in zekeren stand gelykt, als de... zotternyen in 'n anderen stand. Wie +er een kent, kent ze allen. + +Alle-man was te-hulp geroepen. Daar waren Flip de kruier met +z'n kameraden. Ook de koetsier met 'n paar geïmprovizeerde +noodhulpen. Gerrit's rhumatieke styvigheid bleek dien dag redelyk +lenig, misschien wel omdat "die Wullekes" niet in de zaak betrokken +was. Zelfs--o hemel!--werd er meegeholpen door de kamenier, +en--o, honderd hemels!--door de "juffrouw." Ieder ligtte, schoof, +reikte aan, zette te-recht, droeg, stutte, duwde, trok en riep: +"voorzichtig!" De intelligente lezer begrypt dat de "juffrouw" die +'n ontzettend quantum fatsoen had optehouden of... te veroveren, +zich slechts waagde tot aan de huisdeur, en... schuchtertjes maar! De +voorbygangers mochten eens ontdekken dat ze handen aan 't lyf had. En +de kamenier-linnenmeid... nu ja, ook deze waardigheidsbekleedster was +niet gehuurd op kruierswerk. Ieder moet z'n stand ontzien, en ze kwam +dus niet verder dan de derde stoeptree, wèl geteld. + +Al die meubels moesten naar Groenenhuize. "Mama" zou volgen met +byzondere gelegenheid. Hoe 't gelukt is, haar uittepellen... neen, +deze uitdrukking deugt niet. Ik dacht aan limburger peteunekes, maar +die behoeven niet héélgehouden te worden, en dáárop kwam 't in dit +byzonder geval juist aan. Met 'n speld pluist men zulke alikruikjes +by stukjes en brokjes uit hun huisjes, en de weledelgeboren Vrouwe +Mevrouwe Kopperlith moest uit haar zy- en binnenkamer worden voor +den dag gehaald... integraal! Dit slechts weet ik, dat zy weinige +dagen later den bodem van Groenenhuize bezwaarde, en dat ook de +oudeheer z'n verveling daarheen overplantte met wortel en tak. De +jongeheeren vertrokken vrydags-avends of saterdags-ochtends uit de +stad, en kwamen meestal 's maandags terug. Gerrit en z'n egae Jans +werden, zooals sedert jaren de gewoonte was, tot huisbewaarders +bevorderd. De ware, echte, fatsoenlyke zomer was alzoo aangebroken +en de jongeheer Pompile kon z'n woord lossen aan de Pleiers en de +Hockers en de Kruckers... goddank! + +Intusschen was Wouter's verveling op 't kantoor, op de zolders, +en in 't magazyn, niet gemakkelyk naar den eisch te beschryven. Het +pynlykste daarby was dat-i zich altyd moest aanstellen alsof hy wat +uitvoerde. Want m'nheer Wilkens beweerde dat er voor 'n jong-mensch +altyd iets te doen was: "leer dàt van my!" + +Dit is waar, o m'nheer Wilkens! En ik zou byna durven verzekeren dat +er ook voor 'n oud mensch gewoonlyk iets te doen valt. Maar dit was +de vraag niet. De vraag was wàt men aan Wouter te doen gaf. Of er +voedsel voor den geest stak in dien arbeid? Heilzame vermoeienis voor +'t lichaam? Geveegd hàd-i. Gekopieerd hàd-i. Stalen uitgezocht, geknipt +en opgeplakt, hàd-i. Hy kende de patroontjes van al die gekleurde +sitsen uit het hoofd, met de nummers van het stalen-kontraboek +er by... ja heusch, en zelfs in den droom! Dat slangetje met 'n +gebroken kruisjen en 'n wipjen of 'n brokkelig moesjen op 'n blauwig +marmer grondje, was... zesduizend zooveel, waarlyk! En zeventien +nummers lager stond hetzelfde patroon, maar de moesjes waren rond, +en 't wipje wipte wat minder. En die diemetten, en die fancy-checks +en die fancy-stripes... och, hy wist het aantal draden op elken +inch van schering en inslag! En wat er te rekenen viel, was niet +meer moeielyk: "zooveel pounds, shillings en pence, tegen twaalf en +drie." En al begreep hy dan den allereersten keer niet wat er bedoeld +werd met dit jargon van den koers, hy vatte de zaak toen men ze hem +eenmaal had gelieven uitteleggen. In z'n Strabbe kwamen moeielyker +"sommen" voor. Wezenlyke inspanning kon hy slechts plaatsen in z'n +stryd tegen verveling, zeker een der onwaardigste manieren waarop +'n jongmensch z'n ziel verkwisten kan. En 'n oud mensch ook. Voor +Wouter was hiervan het onmiddellyk gevolg dat de "gezelligheid" by +'t postkantoor op al te willigen bodem viel. + +Reeds jaren geleden [22] heb ik er op gewezen hoe het horror vacui [23] +der oude natuurkundigen zich ook in het zedelyke alom openbaart. Men +behoorde van deze eigenschap der dingen gebruik te maken in de +opvoeding. De ziel heeft 'n opzuigend vermogen. Men houde haar gezond +voedsel voor en ze zal versmaden wat vuil is omdat ze dan daarvoor +geen ruimte heeft. [24] + +Men vulle het kind met kennis, men make hem gewoon aan begrypen +en weldra zal 't hem stuiten iets aantenemen dat, met z'n weten en +begrip in-stryd, zoowel 'n miskenning van z'n oordeel wezen zal, als +'n beleediging van z'n smaak. + +Dit was by onzen Wouter ten-eenen-male verzuimd. Het weinigje kennis +dat men hem had meegedeeld, was op-verre-na niet voldoende om z'n +aandrift tot kennen, weten en begrypen te bevredigen. Zoolang hy kind +was, had z'n fantazie 't noodige verricht, en meer dan dat. De tyd was +nu gekomen dat-i zich vermoeid voelde van 't vruchteloos grypen naar 't +onmogelyke. Z'n begeerten gingen rond als brieschende leeuwen, zoekende +wat er te verslinden viel... och, alweer 'n beeld dat niet deugt! Er +werd niet gebriescht en niet rondgegaan. Hy knaagde ontevreden op +'t weinige dat hem werd toegeworpen, en voelde zich ongelukkig, 't +Ergste was dat-i alleen zichzelf de schuld gaf van z'n toestand. Ieder +ander, meende hy, was beter, wyzer, bekwamer, gelukkiger, dan hy, +en in zekeren zin was dit de waarheid. We mogen vaststellen dat +noch de jongeheer Pompile, noch de kantoor-satraap Wilkens, geleden +hadden onder 'n wanverhouding tusschen hun gaven en de aanwezige +middelen tot uiting, zooals die welke by-voortduring het evenwicht +van Wouter's gemoed verstoorde. Elke afleiding werd hem welkom, en +van keus was geen spraak meer. Hy zoog op wat zich voordeed. Ware +hy in aanraking gekomen met drinkers... hy had gedronken. Met +dieven... hy had gestolen. Met godzalige jongelingen... hy ware aan +'t preeken en katechizeeren gegaan. Zelfs zóó ver daalde hy af, +dat-i--opgeblazen nu van z'n recente postkantoorsche wysheid--berouw +voelde over de onnoozelheid waarmed-i juffrouw Laps zoo teleurgesteld +en geërgerd had. Berouw? Neen! Maar... schaamte toch. Hy trachtte +zich optedringen dat-i 'n volgenden keer... hm! Zou die volgende +keer ooit komen! 't Geval was vreemd geweest, zeer vreemd! Zoo-iets +gebeurt maar eens in de eeuw, meende Wouter, die zich al z'n vroeger +onbegrepen romanlektuur voor den geest bracht, en daaruit meende +te moeten opmaken dat nietigheidjes als waarvan hy er een... byna +ondervonden had, de spil zou zyn waarom zich 't leven draait. De lezer +weet misschien dat zulk misgrypen in schatting van belangrykheid nog +steeds by ouderen dan Wouter, zeer ten-nadeele der ware zedelykheid, 'n +zotte rol speelt. Ook hier kan Larochefoucauld's ceux qui s'appliquent +(trop?) aux petites choses, enz. van volle toepassing geacht worden. + +Toch was Wouter er niet beter om dat-i berouw voelde over 't gebrek +aan ondeugd, waaraan hy meende zich te hebben schuldig gemaakt. En +dit voelde hy zeer goed. Hy dacht niet gaarne aan wat hem vroeger +liefelyk voorkwam, jazelfs dit durfde hy niet! Z'n herinneringen aan +de indrukken die Femke hem meedeelde, z'n eerzucht, z'n lust om met +'n beetje almacht het goede te bevorderen, z'n onverzadelyke begeerte +om de oorzaken der dingen te kennen... och, dit alles hinderde +hem. Even ontevreden als immer met z'n tegenwoordigen toestand, +had hy zoomin lust zich bezig te houden met het verledene, als met +'n toekomst waarover 't bestuur hem ontglipt was omdat schuldbesef +idealen bederft. Tot krachtig hopen is reinheid noodig, en wèl is 't +grof en dom van godenmakers, dat zy, om afdwaling te bedreigen met +straf, meenden behoefte te hebben aan 'n àndere hel dan 't verlies +van die reinheid meebrengt. Het ambt van paradys-uitjagende Cherub is +'n ware sinekuur. + +Eens, op-straat--boodschappen doende voor den jongeheer Pompile, +natuurlyk--bepeinsde Wouter 't nieuwste nieuwtje van ontwikkeling, +dat dien morgen door een van z'n kameraadjes aan 't Postkantoor was +ten-beste gegeven, en zie... daarginds zag hy Femke aankomen. Hy +keerde zich om en sloeg 'n dwarsstraat in. Waarom toch? Tot 'n beetje +vermindering van z'n schande moet ik hierby zeggen dat-i den avend +van dien dag langen tyd wakker lag voor hy den slaap vatten kon, +en dat hy lust in schreien voelde. Maar hy kon evenmin schreien als +slapen. 't Was zeer pynlyk, en hy nam zich voor... ja, wàt? + +Met schrik bedacht hy dat het tydstip waarop Holsma hem had +uitgenoodigd verslag te komen brengen van de pogingen om altyd z'n +naastbyliggenden plicht te doen, sedert lang verstreken was. Ook dien +goeden dokter zoud-i gemeden hebben, wanneer hy hem op de straat in +de verte had zien aankomen. En misschien zelfs pater Jansen... 'n +slecht teeken! + +--Toch zou ik wel 'ns willen weten, dacht-i, waarom die goeie pastoor +zoo doof is aan z'n linkeroor? + +Hierover peinzende viel-i ten-laatste in slaap. + +'t Was donderdag geweest en vrydag geworden, en Wouter werd, op +'t kantoor komende, verrast met de uitnoodiging om den volgenden +dag zich te komen verlustigen op Groenenhuize. De jongeheer Pompile +verwaardigde zich in hoogsteigen persoon hem deelgenoot te maken van +deze genadige beschikking, niet zonder Wilkens 'n wenk te geven dat +de tien stuivers welke den betrokkene voor reiskosten moesten worden +uitbetaald, zeer gevoegelyk konden geboekt worden op: huishouden. + +--Niet waar, Eugène? Zeg jyzelf nu eens of zulke uitgaven de zaken +aangaan wat je noemt de zaken? + +--Hm! + +--Juist! Niet waar? En wat zeg jy, Dieper? + +--Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, weet u, +'t zyn kleinigheden, niet waar? + +--Precies! En daarom zeg ik altyd... maar, kyk, daar komt my iets nog +beters in den zin. Zeg, Eugène, weet je-n-ook of Calbb en Hersilie van +plan zyn morgen op Groenenhuize te komen? En of ze papa's britschka +gevraagd hebben... met huurpaarden, weetje? Want zieje, dan kon +Pieterse best meeryden. Weetje wat je doet, Pieterse? Je moet de +goedheid hebben even by m'nheer Calbb te gaan, en doe't kompliment van +my--van m'nheer Pompile, moet je zeggen--en vragen of m'nheer Calbb... + +--Calbb is niet thuis, bromde Eugène. + +--Zoo? Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar m'nheer +Calbb z'n huis te gaan, en... je schelt huis, weetje? En je doet +het kompliment van my, van m'nheer Pompile, en je zegt--aan de meid, +weetje, die je opendoet--dat je morgen buiten mag komen--buiten, op +Groenenhuize, moet je maar zeggen--en dat ik vragen laat of mevrouw +Calbb en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz--want Ludwig-Bonifaz +heet het zoontje van m'n zuster, mevrouw Calbb-Kopperlith, weetje?--nu, +dan zeg je dat ik vragen laat of de familie van-plan is morgen met +papa's britschka--met de britschka van m'nheer Kopperlith, moet je +zeggen--met huurpaarden... + +--Hm, bromde Eugène. + +--Ja, juist... van huurpaarden hoef je niet te spreken. Dat weten ze +zelf wel... wat zeg jy, Eugène? Nu dan vraag je-n-of m'nheer Calbb +en mevrouw Calbb en de jongeheer Bonifaz naar buiten gaan? En hoe +laat? En... of ie mee mag ryden? Maar... asjeblieft, moet je zeggen, +niet waar, Eugène? + +--Hm! + +--Juist! Asjeblieft, zeg je, en je moet vooral het kompliment van +my doen. Zeg, Eugène, vind jy 't niet wat indiskreet van Calbb, +zoo altyd met de britschka van papa... + +Vóór Wouter Eugène's meening over dit diepzinnig vraagstuk te weten +kwam, was-i reeds lang op weg naar den huize Calbb. Hy deed z'n +boodschap met de voorgeschreven asjebliefts en komplimenten, en kreeg +ten-antwoord dat mevrouw en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz +Calbb zoo tusschen negenen en twaalven de Haarlemmer Poort passeeren +zouden. "Als dus Pieterse mee wou, liet de edele Hersilia door de +meid aan Wouter op de vloermat boodschappen, had-i te zorgen op z'n +tyd dáár te zyn, en men zou hem 'n plaatsjen inruimen. Maar... lastig +was 't wel, want de jongeheer Bonifaz was er op gesteld zich te laten +vergezellen van z'n hobbelpaard, en dat nam veel plaats in." + +Wouter had den moed niet, m'nheer Pompile voortestellen den weg naar +Haarlem te voet te maken, al zy 't dan dat de onsmakelyke wys waarop +hem passage zou verleend worden, hem zéér deed. En toen hy, te-huis +gekomen, bemerkte dat z'n moeder opgetogen was van de eer die in hem +de heele familie werd aangedaan, meende hy alweer dat-i zich vergist +had in 't beoordeelen van den indruk die mevrouw Calbb's plompheid +by hem te-weeg bracht. + +--Gut, in 'n britschka! Dat 's zeker 'n koets, Trui, 'n +staatsiekoets, denk ik! En daarin zal Wouter ryden als 'n banjerheer, +den heelen weg over van hier af tot Haarlem toe, en dat zal de heele +wereld te zien krygen... + +--Met 'n hobbelpaard, moeder! + +--Nu ja, met 'n hobbelpaard, maar... wat zou dat? Denk je dat iemand +daarvan iets te weten komt? Wat zeg jy, Stoffel? En bovendien, wie +loopt er op den Haarlemmerweg? Geen mensch! Geen levende ziel! Geen +sterveling! Niemand zal 't merken dat je met 'n hobbelpaard in +die... koets zit. Weetje wat ik zou doen in jou plaats? Ik nam 't +tusschen m'n knieën... + +--Gut, moeder! + +--Wel zeker! En je legt 'n zakdoek op je schoot, dan kraait er +geen haan na. Je bent 'n ontevreden jongen. Kyk eens naar al de +arme kinderen die God danken zouden op hun bloote voeten... ja, +dat zouden ze, als ze ook zoo 'reis naar-buiten mochten gaan, naar +'n wezenlyk Buiten. + +--Drie uur wachten aan de Haarlemmer-Poort! + +--Wel, wat zou dat? Wou je dan dat zoo'n heer als m'nheer Calbb +zich haasten zou voor jou? En de mevrouw van die m'nheer? En de +jongeheer... hoe heet-i? + +--Zoo'n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te doen... weet +je wat je bent, Wouter? Je bent 'n rechte izegrim. Als je vader +'t beleefd had, die zoo zuur voor z'n brood... + +Den volgenden morgen stond Wouter op z'n post. 't Was nog niet volkomen +middag, toen de familie Calbb zich vertoonde in de britschka van +papa. Er was in dat tentwagentje inderdaad geen plaats over, en Wouter +werd uitgenoodigd zich te behelpen met de ruimte die door 'n menigte +pakken en pakjes was opengelaten in 'n achterbakje. Heel grootsch +was-i niet toen hy bemerkte dat z'n inscheping de aandacht trok van +den accynsman aan de poort, en van 't half dozyn straatjongetjes dat +uit armoed aan pleizier gewoon was geraakt 'n heele gebeurtenis te +zien in 't stilhouden van 'n rytuig. Helaas, hy had graag zichzelf +tusschen de knieën genomen, en... 'n zakdoek er over! Hy haalde +adem toen de Haarlemmerweg bereikt was. Zoo volstrekt verlaten van +menschen, levende zielen en stervelingen, als juffrouw Pieterse +beweerd had, was deze weg nu wel niet, maar toch niet zéér veel +personen kregen gelegenheid optemerken hoe benepen onze Wouter daar +zat tusschen al die bagage. Dat was'n àndere tocht voorwaar, dan +de rit te-paard waarvan Vrouw Claus... gedroomd had! Hy sloot z'n +oogen, en trachtte in 't sukkelig schokken van den wagen, de kadans te +vinden van z'n eigen galoppeerend rooverslied: met m'n zwaard... hop, +hop, hop... enz. Mevrouw Hersilia Calbb-Kopperlith spaarde hem 't +voortzetten van z'n vruchtelooze pogingen, door 'n vermaning: + +--Zeg, Pieterse... of hoe je heet, je zit toch niet op den zak met +soezen? En... hou toch die mand wat tegen! 't Ding schommelt zoo +tegen m'n hoededoos. + +Wouter deed alweer wat hem gelast was. Mand, hoededoos en soezen +kwamen onbeschadigd op Groenenhuize aan. [25] + + + + + + + + Wouter wordt begunstigd met het verlof om diepzinnige gesprekken + aantehooren, en voor pedant meespreken bewaard door 'n vereerende + zending naar de mangelkamer. + + +De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was... zoo +onlandelyk mogelyk. Men ontving bezoek van ebenbürtige optrekmenschen, +maar liever van hooger geplaatsten. Men maakte rytoeren in den +omtrek, waarby de tentoonstelling van "eigen equipage" hoofddoel was, +en... verveelde zich. Een der minst betwistbare genoegens die men van +'t Buiten-zyn trok, was de voldoening der ydelheid z'n "Buiten" door +vrienden en kennissen te laten bewonderen. Ieder hield er z'n Pleiers +en z'n Hockers en z'n Kruckers op na, jazelfs z'n "jongste-bedienden" +wier plicht voorschreef met open mond de heerlykheid van den gastheer +aantestaren, en zoo mogelyk te bersten van afgunst. In dit bejag +kwamen de optrekmenschen vry-wel met hun meerderen, de bezitters +van eigenlyke Buitenplaatsen overeen. En hierin hadden zy inderdaad +iets bovenmenschelyks, daar wy in de meeste katechismen--heidensche, +grieksche en christelyke--als 'n eigenaardigheid der goden vinden +aangeteekend dat ze zich zoo byzonder verheugen als 'n menschenkind +zich op hun grootheid stom, blind en gek staart. + +Vandaag was de beurt aan onzen Wouter om op Groenenhuize de rol van +lamgeschitterd Serafyntje te spelen. + +De oudeheer Kopperlith had de waarheid gezegd: z'n buiten lag vlak +by "de Logementen." Dit was gezellig, zeide hy, want men vond er +couranten, en menschen uit de stad. Eigenaardig is het, dat de meeste +ontvluchters van 't stadsgewoel hun landelyke eenzaamheid slechts +dan behoorlyk kunnen genieten, wanneer ze nogal heel erg vermengd is +met steedsche drukte. Wouter bemerkte dan ook zeer spoedig dat het +"buiten-zyn" geheel iets anders was dan-i zich had voorgesteld. Hoe +krom en verdraaid ook de idylliteit zich in verzen aan hem had +voorgedaan, hy vond geen spoor van de beelden die zy in z'n fantazie +hadden opgewekt. By 't rondzien uit z'n achterbakjen op 't rytuig, +bespeurde hy geen enkel plekje waar 'n verloren zoon 't kleinste +biggetje had kunnen deelgenoot maken van z'n berouw. Herderinnen +met bebloemde hoeden, korte rokjes en roodkleurige schoenen zag hy +nergens. Geen Damon bespeelde de dwarsfluit. Geen jeugdige landbewoners +dansten op den fluweeligen grasgrond. En ook die grasgrond-zelf, met of +zonder fluweel dan, ontbrak. Overstappende op andere hoofdstukken uit +de geschiedenis zyner verbeelding, wou ook de romantische wildernis, +zoo aantrekkelyk door 't verondersteld gemis aan conventie, zich maar +niet aan hem vertoonen. By 't omslaan van 'n hoek, had de fameuze +"britschka van papa" byna 'n half-blinden vioolspeler overreden... was +dàt de Damon dezer streken? De ryweg was van klinkers, voethoog met +aard en stof overdekt... was dàt de fluweelen dansvloer van de +landjeugd? Aan de boomen ontwaarde hy geen appel, geen peer, geen +noot, ja-zelfs geen kokos of broodvrucht... was dàt de mildheid der +gulle buitennatuur? En... en--komaan, hy moest zichzelf bekennen +dat-i teleurgesteld was--gedurende de reis had geen enkel aventuur +de eentonigheid van dien Haarlemmerweg opgevroolykt. Geen rad van +den wagen had willen breken, geen roover had zich vertoond... ja +toch, even, iets er van. Een bedelaar scheen aanslagen in den zin te +hebben, of althans men had zich 'n oogenblik kunnen opdringen dat-i +wat anders was dan 'n vreedzame landlooper, maar 'n nietig tikje +met de zweep was voldoende om ook deze illuzie den bodem inteslaan, +en Wouter zat weer alleen met z'n soezen en z'n hoededoos. Juist was +hy aan 't bepeinzen van de vraag waarom toch iemand die 'n "Buiten" +bezitten kon, dat niet liever in Afrika zocht, toen 't rytuig +het hek van Groenenhuize binnenreed, en voor de open voorgalery +stilstond. Pompile kwam met z'n gewone schichtigheid te voorschyn: + +--Dag, Calbb! Dag, Hersilie! Heb je soezen meegebracht? Je weet +dat mama er niet buiten kan. Hoe laat ben je-n-afgereden? Stof op +den weg, hè? Ja, veel stof. Die weg is heel stoffig, weetje! Dat +komt van de droogte. Als 't regenen gaat, zal je zien dat 't minder +stoffig wordt. Zoo, Pieterse, ben je daar? Kom er maar uit... je mag +er uit komen... stap maar op 't wiel. Zyn dàt de soezen? Nu, houd +ze maar vast tot de meid komt, want... straks komt de meid, niet +waar, Hersilie? En heeft Bonifaz z'n hobbelpaard meegebracht? Zeg: +dag, oom! 't Kan in de mangelkamer staan, of in 't tuinhuis... want +mama heeft hoofdpyn, weetje, Hersilie, nogal-fameus-erge vreeselyke +hoofdpyn... en zenuwen, weetje? We hebben de Kruckers hier, en +van-middag komen de Hockers, en de juffrouwen Pleier komen morgen +op 'n maderaatje. "Met veel pleizier!" hebben ze laten zeggen, +want... papa heeft ze geinviteerd. En straks gaan we toeren, +weetje, met de Kruckers, maar mama blyft thuis--vreeselyke hoofdpyn, +weetje?--ze zal bataille spelen met de juffrouw. Ze is er mooi kwaad +om, de juffrouw meen ik. Dàt kan my niet schelen, en Eugène zegt... + +Gedurende dit geratel was de wagen ontpakt, en Wouter werd van +z'n soezen ontlast door een van de meiden die hiertoe door den +beredderenden Pompile scheen gekommitteerd te zyn. Hy mocht nu de +familie volgen, die 't huis was ingetreden, en weldra aanlandde in +de achtergalery waar 't hoofdkwartier opgeslagen was. Daar vond men +de steeds nogal fameus-erg zieke oude mevrouw met haar schoondochter +Julie en de gezelschapsjuffrouw. Daar zaten de oudeheer Kopperlith en +z'n spruit Eugène. Daar zat de Krucker-familie. En daar ook namen de +nieuw-aangekomenen onder geleide van Pompile hun plaatsen in. Wouter, +die iets later dan de anderen, en vry verlegen, binnentrad, werd aan +de vrouw des huizes voorgesteld met 'n onachtzaamheid waarin niets +laakbaars zou gelegen hebben, indien ze gegrond ware geweest op z'n +onbeduidend standpunt als mensch. Doch hierin lag de verontschuldiging +voor Pompile's lompheid niet. Hy maakte zoo byzonder weinig omslag +omdat-i te doen had met 'n kantoorbediende, met 'n wezen van +lagere orde. Misschien zelfs bezondigde ik my aan hoogdravendheid +door van "voorstellen" te spreken. De waarheid is dat Wouter met +'n vingerbeweging werd aangewezen als "de jonge Pieterse" en toen +'n paar leden van de familie Krucker zich schenen gereed te maken tot +iets als 'n groet, werden ze voor deze gevaarlyke misvatting bewaard +door 'n snelle vermelding van Wouter's maatschappelyk standpuntje: + +--Onze jongste-bediende, zei Pompile allervoornaamst, en op 'n toon +die zooveel zeggen wilde als: je hoeft je niet op kosten te laten +jagen van beleefdheid. + +Terstond daarop mocht Wouter zitten gaan, en zelfs luisteren naar de +verheven gesprekken die de achtergalery van Groenenhuize zoo byzonder +weinig deden gelyken op 'n bureau d'esprit. + +De réunions die eenmaal in Frankryk dezen naam droegen, lieten zeker +aan goeden smaak veel te wenschen over, en de hemel beware my dat ik de +mode zou wenschen ingevoerd te zien elkaar te bezoeken met 'n beraamd +plan om geestigheden uittekramen, of al ware 't zelfs geest. Misselyker +nog komt my 't uitstallen van--nagemaakte!--geleerdheid voor, zooals +die welke door Molière wordt gehekeld in z'n Femmes savantes en +Précieuses ridicules. Wy weten nu eenmaal dat al dergelyke afdwalingen +van smaak neerkomen op natuurverkrachting, en dus alleen als zoodanig +reeds te veroordeelen zyn. Toch vonden sommigen--en de overgroote +meerderheid!--middel om nòg lager aftedalen, en zich bezigtehouden met +gesprekken, welker gehalte wel evenzeer doorslaand blyk gaf van gemis +aan verstandelyken zin, doch bovendien bewees dat men zelfs den schyn +daarvan niet op prys stelde. Voor onzen Wouter sproot hieruit alweer +'n misrekening voort, zoo als die welke hem de ontheologische tint van +pater Jansen's gesprekken berokkend had. Hy had zich voorgesteld nu +eindelyk iets te vernemen uit de werkelyke wereld, en hy beloofde zich +goed toeteluisteren om den waren toon te vatten die de aanzienlyken +van de burgerlui onderscheidt. Helaas! + +Nadat de zeer byzondere beminnelykheid van Bonifaz naar behooren door +de familie Krucker geprezen was, kwam het gesprek op 't meegebrachte +hobbelpaard, en de moeielykheid om dat dier te stallen. + +--Hy wou 't absoluut mee hebben, mama, verzekerde Hersilie. En als +'t kind z'n zin niet krygt... + +--Ja, dan iest-i vol oenwillen, voegde de elsasser konsul er by. 't +Kind heeft kolossaal viel karakter. + +--Maar... mama heeft zoo'n fameus-erge hoofdpyn. Je kunt het vragen +aan de juffrouw. Niet waar, juffrouw? + +De juffrouw getuigde naar Pompile's zin, en de nogal fameus-erg +zieke mevrouw knikte met het hoofd. De kleine jongen werd +weggezonden, met verzoek z'n beestje niet anders te behobbelen dan +in de mangelkamer. Nu, dit deed hy, en 't huis dreunde er van. Het +gezelschap stelde zich schadeloos door 'n gesprek over weer en wind, +waaraan ook de dames konden deelnemen. Na weinig overgangen kwamen de +"zaken" op 't tapyt, en 't vrouwelyk deel der vergadering kon zich +als uitgesloten beschouwen. De oude, nogal heel fameus-erg zieke +mevrouw stelde zich schadeloos door 't onophoudelyk mummelen van +soezen... zoo byzonder dienstig tot het opwekken van eetlust, had de +dokter gezegd. Julie "werkte" aan haar hooggekleurden jachthond, dien +Wouter by deze gelegenheid met genoegen weerzag. De juffrouw knutselde +aan 'n festonwerkje, en bespiedde de luimpjes van mevrouw, niet +zonder nu-en-dan sentimenteele blikken te werpen op Eugène die de +ongevoeligheid-zelf bleef. De heer van den huize hield zich bezig met +voortdurende handhaving van 't glimlachje waarmede hy gewoon was z'n +existentie toe te juichen. Pompile draaide heen-en-weer op z'n stoel +en verkneuterde zich in de verrukking van z'n Kruckers. Elk zyner +blikken scheen te vragen: "welnu, is 't waar of niet, dat papa 'n +eigen Buiten heeft?" Om hem te bedanken, maakte een hunner de +opmerking "dat lynwaden zoo'n belangryk vak was." + +--Een heel belangryk vak, m'nheer Kopperlith! + +--Zeker, zeker! Maar "kurken" zyn ook niet te versmaden, kaatste de +oudeheer terug. + +De scherpzinnige lezer begrypt dat de Krucker-familie "in" kurk en +kurken "was." + +--Als ik het voor 't kiezen had, was ik liever "in" lynwaden, zei +een hunner zediglyk. + +--Hm, ja, zoo. In lynwaden, ziet u... + +--Daarin is altyd iets te doen. + +--Zeker, zeker, altyd iets! + +--En in kurken heeft men soms... + +--Ja, dit is waar. + +--Maar men kan niet zoo op-eens veranderen van vak. + +--Neen, dit gaat niet. Men moet verstand van 'n vak hebben... + +--Juist! En er by opgebracht zyn. + +'t Heele gezelschap zag met betamelyken eerbied al de Kruckers aan, +die verstand van kurken hadden, en er by waren opgebracht. + +--Papa, vroeg op-eens de terrible Julie, is er véél verstand noodig +voor kurken? + +--Julie! riep de oude mevrouw verwytend. + +--Zeker, zeker, kind! Voor den handel is verstand noodig, véél +verstand! + +--We doen op Spanje, ziet u, riep de familie Krucker. + +Ah! zei Julie, alsof deze mededeeling de zaak ophelderde. + +--Ja, op Spanje! + +--U spreekt dan zeker spaansch? + +Deze vraag gold voor 'n beminnelyke ondeugendheid. Allen begonnen zoo +hartelyk mogelyk te lachen, en de geëxamineerden 't minst luid niet, +misschien wel om 't antwoorden onnoodig te maken. Pompile was grootsch +op de verrukkelyke geestigheid van z'n vrouwtje. + +--Ja, ja, de kurken komen uit Spanje, verzekerde de oudeheer. Wie in +kurk doet, heeft 'n kantoor op Spanje. + +--De reizigers uit Barcelona loopen 't land af, zei de familie Krucker. + +--Ja, papa, 't is 'n fameus vak, verzekerde Pompile, die de door hem +aangebrachte gasten wat wilde ophemelen. + +--Och, er wordt zoo in geklad, jammerde een der Kruckers, vreeselyk, +m'nheer! + +--De menschen kunnen 't kladden niet laten. + +--Ze gaan in de kleinste dorpen, en bezoeken den geringsten winkelier, +m'nheer Kopperlith! + +--Een nekslag voor den handel! + +--Dat moesten ze niet doen. Wat zeg jy, Eugène? + +--Hm, zei Eugène. + +--Voor den groothandel blyft niets te verdienen, niets, volstrekt +niets! Wy, grossiers, visschen achter 't net. + +--En hoe staat de wissel op Spanje? + +--Och, we remitteeren gewoonlyk op Parys. Dat's makkelyker. + +--Parys staat hoog, zei gister m'n boekhouder, niet waar Pompile? + +--Ja, papa. Dieper zei dat Parys heel hoog staat. + +--Papa, riep Julie, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog? + +Algemeen gelach om Julie's geestigheid. Pompile wreef zich de handen +van plezier. + +--Wel, dit beduidt ... + +--Wel zeker, 't beduidt dat ... + +--Men bedoelt daarmee dat de wissel hoog staat. + +--De fransche wissel, weetje? + +--Ah! zei Julie, als voldaan. + +--Daar heb je nu, byv. Engeland, lichtte Pompile toe, Engeland staat +twaalf en drie. + +--Ah, zoo! + +--Juist, zoo is het! Engeland staat twaalf en drie. En Frankryk ... + +--Frankryk staat zeker wel ... + +--Ja, ja, Frankryk staat heel hoog. + +--Papa, waarom staat Frankryk zoo hoog? + +Deze vraag van Julie bracht het gezelschap minder in verlegenheid, +dan welbeschouwd passend zou geweest zyn. Niemand wist 'n behoorlyk +antwoord te geven, en toch schaamde zich geen der aanwezigen over +z'n onkunde. Pompile die zeker niet vernuftiger was dan de rest, +stootte een der Kruckers tegen de knie, alsof hy zeggen wilde: "wel, +wat zeg je van m'n vrouwtje?" Julie meende uit het algemeen gegiechel +te mogen opmaken dat ze 'n vraag had gedaan, die de moeite van 't +herhalen waard was. Nogeens alzoo: + +--Ja, heusch, papa, waarom staat Frankryk zoo hoog? + +Wouter luisterde aandachtig. Ook hy had zich meermalen by het doen van +uitrekeningen voor 't faktuurboek, de vraag voorgelegd waaraan 't ryzen +en dalen van den wisselkoers was toeteschryven? Op 't kantoor durfde +hy geen inlichting vragen. Zeker zou men hem daar hebben afgewezen +met 'n bar: "dat zyn nu eigenlyk je zaken niet!" Zeer diep had hy +dan ook nog niet over 't vraagstuk nagedacht, maar z'n belangstelling +werd nu opgewekt door de onverwachte manier waarop 't hier ter-tafel +gebracht werd. Julie drong hoofdig op antwoord aan, geenszins omdat +ze drang voelde tot weten en begrypen, maar om zoo lang mogelyk te +genieten van het triumfje dat haar naïveteit bleek behaald te hebben. + +--Die Julie! had de oude mevrouw geroepen. + +--Ja, ja, mama, ik vraag waarom nu eigenlyk Frankryk zoo hoog staat? + +--Wel, kind, zei de oudeheer, begryp je dàt niet? Dat is de wissel. De +wissel, weetje? + +--Juist, riepen de Kruckers, 't is de wissel! + +--Zieje, Julie, 't is de wissel, bevestigde Pompile. En zich tot z'n +gasten keerende: àlles, àlles wil ze weten! Zóó is ze! Ze is niet +tevreden voor ze alles weet! + +--Maar, papa, wat wil dat dan zeggen: de wissel staat hoog? + +--Wel, heel eenvoudig, de wissel op Frankryk. + +--Juist, Julie! Zieje, 't is de wissel op Frankryk. + +--Maar ... wat bedoelt men dan daarmee? + +--Wel, dat de wissel duur is. + +--Maar ... waarom is-i duur? + +--Ja, dàt zyn nu zoo van die vragen, kind, die ... + +--Ja, Julie, dat zyn vragen ... + +En ook de familie Krucker betuigde eenstemmiglyk dat dit van die +vragen zyn ... + +Er spookte een duiveltjen in Wouter's gemoed. Het niet-weten der +anderen prikkelde hem tot wat inspanning. Hy begon te meenen dat hy +misschien 't vraagstuk zou kunnen oplossen. Hy dacht na, en peinsde, +en wou iets zeggen, maar durfde niet. Zeker zoud-i geschrokken zyn +van z'n eigen stem in dit voornaam gezelschap. Bovendien, de oudeheer +nam de taak van uitlegger op zich. + +--De wissel is duur, Julie, als-i in de prys-courant hoog genoteerd +staat. + +--Juist, zei Pompile. Dat is de ... beursnoteering, zieje! Dieper +neemt ook altyd onze wissels op Engeland volgens de beursnoteering +van den dag. Niet waar, papa? Niet waar, Eugène? + +Noch papa, noch Eugène spraken dit tegen. En al de Kruckers knikten +toestemmend. + +--Ah, zoo, ja, jawel ... beursnoteering, antwoordde Julie die volkomen +bevredigd was. + +--Het zyn ... zaken, moet je begrypen, gaf Pompile nog ten-beste tot +overmaat van helderheid. + +--Daar heb je 't juist, riepen de Kruckers, 't ligt 'm in de zaken, +lieve mevrouwtje! + +En tot verdere toelichting kwam het niet. Wouter, die al meer en meer +begon te gelooven dat-i wat degelykers over 't onderwerp zou kunnen +meedeelen, bleef zwygen. Behalve den schroom voor z'n eigen stem, +begon hy te vreezen dat er iets gevaarlyks lag in 't aanroeren van +Julie's prysvraag, iets indecents misschien als de geboorte van 'n +kind. Onwillekeurig dacht hy aan z'n kornuiten by 't postkantoor, +z'n vraagbaken sedert 'n maand of wat. Zy zouden 't weten, meende hy, +waarom de wetten die den wisselkoers beheerschen, niet mogen worden +aangeroerd in deftig gezelschap. O, prikkelend mysterie! Maar die +wetten zelf kwamen hem zóó eenvoudig voor dat-i moeite had z'n mond +te houden. Hy werd uit z'n spanning verlost door Pompile: + +--Zeg, jy, Pieterse, weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen +naar de mangelkamer te gaan--niet waar, mama? Niet waar, Hersilie?--en +speel wat met den jongeheer Bonifaz, want hy hobbelt zoo fameus. 't +Is waar, zieje, Hersilie, omdat mama zoo'n fameus erge hoofdpyn heeft, +dát is het maar! + +Het echtpaar Calbb keek onvergenoegd, en scheen 't beneden de +waardigheid van hun spruit te vinden zich ergens anders te vermaken +dan in den salon. Wouter verslikte z'n wysheid over de oorzaken van +den wisselkoers. Hy verliet het gezelschap, en vond de mangelkamer op +'t geluid af. Hier vervulde hy z'n naastbyliggend plichtje, door den +jongeheer Bonifaz aftelokken van z'n hobbelpaard. + + + + + + + + Merkwaardige genoegens van het Buitenleven. Treurig uiteinde van + 'n romantischen droom over wisselkoers, en van 'n parasol. Wouter + gaat de wereld in om zeven gulden dertien te zoeken. + + +Ik moet erkennen dat onze Wouter niet zeer ingenomen was met den hem +in die mangelkamer aangewezen werkkring. Hy voelde zich verdrietig, +ja byna wrevelig. Hoewel dit niemand zal verwonderen, geloof ik +toch niet dat de ware oorzaak van deze in hem ongewone stemming den +oppervlakkigen beschouwer helder voor oogen ligt. In-verband met +sommige opmerkingen in het vorig hoofdstuk, zou men allicht geneigd +wezen z'n verdriet uitsluitend toeteschryven aan de teleurstelling +die 't "Buiten-zyn" hem berokkende. Zeker, de roeping om by 'n +ondeugend knaapje de rol van hobbelsurrogaat te vervullen, was +noch landelyk, noch idyllisch, noch romantisch, noch ridderlyk, +noch zielverheffend, en Wouter nam zich dan ook ernstig voor, andere +soorten van vermaak uittedenken zoodra hyzelf eenmaal in 't bezit wezen +zou van 'n Buitenplaats, of al was 't dan maar van 'n Optrek. Maar +teleurstellingen van dezen aard had hy sedert eenigen tyd zoo véél +ondervonden, dat hy daaraan reeds eenigszins was gewoon geraakt. De +bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden. Tot-nog-toe +leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat hy voor "de +wereld" houden moest, zoo geheel iets anders dan hy zich daarvan had +voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de droombeelden +die vroeger z'n inwendig leven schoon, en daardoor 't andere dragelyk +maakten. De oorzaak dezer ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan +'t verschil tusschen werkelykheid en illuzie, dan aan z'n geknakte +vatbaarheid om dat werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods +te vervormen. + +Wist hy, eenige jaren geleden nog, niet kleur en leven meetedeelen +aan 't geringste dat z'n dor leventje hem aanbood? Had hy niet op +'n benauwd achterkamertje de kracht gehad, zich 'n ganschse wereld +vol heerlykheid in 't aanzyn te tooveren tot eigen gebruik? Waarom +kon hy dit nu niet meer? + +Z'n onzalige kennismaking met 'n dozyn kwajongens was hiervan +de oorzaak. De reinheid zyner ziel was besmet geworden, en dit, +benevelde z'n dichterblik. De voelhorens van z'n zedelykheid verloren +'t vermogen om hem te waarschuwen tegen vuil, om hem den weg te wyzen +naar 't verhevene. Z'n vleugelslag was verlamd, en zelfs meende hy van +'t zweven àlles--tot zelfs den lust daartoe--verloren te hebben. Maar +al had-i zich by nauwkeuriger zelfonderzoek kunnen opdringen--wat hy +zeker beproeven zou--dat slechts aanhoudende teleurstelling de oorzaak +was van z'n moedeloosheid, ik beweer dat hy den moed zou bewaard hebben +indien hy zich z'n reinheid niet had laten ontrooven. Geen voorwerp +kan helder terugkaatsen uit 'n verweerden spiegel, en 'n bedorven +menschenziel is tot dichterlyke levensopvatting niet in-staat. Het is +me zeer wel bekend--en dit moet wel, want dagelyks zie ik daarvan de +bewyzen--dat deze waarheid door velen wordt geloochend, of althans +voorbygezien. Zy is te eenvoudig, denk ik. De zoodanigen behooren, +op-straffe van inkonsekwentie, de juistheid in twyfel te trekken van de +zoo-even gebruikte vergelyking met 'n spiegel, en tevens de stelling +aantekleven dat er zuiver water kan worden geschept uit bevuilde +bron. My komen de bronnen-zelf waaruit zulke stellingen vloeien, +niet zeer zuiver voor. + +Wouter dan had sedert eenigen tyd het poëtizeeren verleerd. Hy durfde +'t niet, omdat hy reden had zich te schamen voor 't liefelyke. Wel +hygde hy soms naar 't verlorene terug, wel betrapte hy zich telkens op +bittere droefgeestigheid, maar er scheen 'n stoot van-buiten-af noodig +te zyn om met de vereischte kracht z'n gewaarwordingen terugteleiden +in 't oude spoor. Deze stoot zou dan ook gegeven worden--wie anders +dan Femke kon het doen, of iemand die zeer op haar geleek?--maar zoo +ver zyn we nog niet. + +Men zou zich vergissen indien men den nadeeligen invloed dien 't +gezelschap van onrype deugnietjes op Wouter uitoefende, vereenzelvigde +met het zoogenaamd wys-maken. Dit op-zichzelf houd ik niet alleen +voor onschadelyk, maar zelfs voor gewenscht. Juist in Wouter's +bespottelyke ònwysheid had de grond gelegen zyner voorbeschiktheid +tot prettig-vinden van liederlyke handlichting. Ware hy opgevoed +geweest door ontwikkelde ouders, die hem met wetenschappelyken +ernst hadden meegedeeld wat er ten-dezen-opzichte meetedeelen valt, +waarlyk hy zou geen smaak hebben gevonden in de geestigheden van +àllerlaagste orde, waarmee men nu z'n zucht tot weten had geprikkeld en +bedrogen. Niet kennis maakt onrein, maar 't aanhooren van vuile praat +over kennis... Schande over ouders en opvoeders die hun jongeren +overlaten aan 't gevaar de liefelykste geschenken der Natuur te +ontvangen op 'n wys die ze tot 'n pest maakt! + +Doch ik zeide reeds dat Wouter's verdriet over de zonderlinge wyze +waarop men hem liet deelnemen aan de genoegens van 't Buitenleven, +ditmaal 'n andere oorzaak had--of 'n andere onmiddellyke aanleiding +ten-minste--dan de reeds eenigszins versleten ergernis over z'n gewone +teleurstellingen. Gedurende de gesprekken die hy zoo-even bywoonde, +was voor 't eerst de gedachte in hem opgekomen dat-i was aangeland in +'n kring van zeer onontwikkelde menschen. Nog kort geleden zoud-i by +de lage vlucht der gewisselde denkbeelden, zichzelf de schuld gegeven +en gemeend hebben dat-i niet op de hoogte stond om het gewicht der +behandelde zaken te vatten. Maar dat gesprek over den wisselkoers had +hem wakker gemaakt. Ook hy had zich tot-nog-toe geen reden gegeven +van dien eb en vloed in den prys der remises naar 't Buitenland, +en eerst door Julie's klakkeloos vragen werd hy zich z'n onkunde +bewust. Onwillekeurig verweet hy zichzelf dat-i deze vraag niet +reeds sedert lang gedaan had, en nu ze eindelyk werd geopperd door 'n +ander, was-i nieuwsgierig naar 't antwoord. Het hakkelen en stamelen +der voorlichters bevreemdde hem. Op-eens bracht hy hun blykbare +onwetendheid in verband met de meer dan onachtzame wyze waarop hy in +dien kring ontvangen was, en tevens met z'n laag standpuntjen over +'t geheel. "Hoe, dacht hy, die volwassen menschen, die aanzienlyke +menschen weten geen reden te geven van 'n verschynsel dat zich dagelyks +aan hun waarneming opdringt? En juist die menschen zyn het, aan wie +ik 'n voorbeeld nemen moet om iets te worden in de wereld? En het is +door hèn dat ik behandeld wordt met 'n minachting die ... die ... + +Kortom, hy was wrevelig, en voelde aandrang tot ... wraak wel niet, +maar tot iets toch als genoegdoening. Hy peinsde op middelen om aan +den oudeheer, en aan m'nheer Pompile en aan al die Kruckers 'n bewys +te leveren dat men verkeerd had gedaan hem naar de mangelkamer te +verwyzen. Het spreekt vanzelf dat Julie's vraag reeds lang vergeten +was in de achtergalery, waar 't onderhoud nog altyd op de bekende +belangwekkende manier z'n gang ging, maar onze Wouter verdiepte zich, +al spelend met den kleinen Bonifaz, in 't opgegeven raadsel. De zaak +begon hem voortekomen als 'n uitdaging. waarop hy ridderlyk verplicht +was in 't kryt te verschynen, teneinde aan de verheven dame die het +tournooi had uitgeschreven ... + +Wel zeker, er was 'n hooggeboren dame in 't spel, en 'n tournooi +ook! Ik deed verkeerd zoo lang te wachten met het wyzen op deze +byzonderheid, de geringste niet onder de oorzaken die Wouter +noopten tot opscherping van z'n denkvermogen. Ach, hy had z'n roman +gereed voor ze nog terdeeg was opgezet! Die Julie ... o goden, +was zy 't niet die zich eenmaal verwaardigde hem te behandelen als +'n persoon, door hem z'n gevoelen te vragen over haar liggenden +jachthond? Een jong ridder die zùlke onderscheiding vergeten zou +... neen, ondankbaar was Wouter niet! Nu zoud-i haar toonen dat z'n +gemoed in-staat was weerklank te geven op zoo'n verheven blyk van +vertrouwen, en dat ze niet te-vergeefs haar sluier had neergeworpen +in 't strydperk. Want ... aldus begon zich de zaak te kleuren. Met +lans en zwaard strydt men niet meer--helaas!--maar de Dame die +in onze dagen riddereer op de proef stellen wil, doet 'n beroep +op de kracht van den geest. Met gemaakte achteloosheid laat zy 'n +onopgelost vraagstuk heenglyden over den rand der tribune, en daar +beneden wachten leeuwen en tygers... neen, deze soort van kampioenen +behooren tot 'n vroeger tydperk, óók niet onbehagelyk voorzeker, +maar we hebben nu zeer uitdrukkelyk met ridders te doen. Verbaasd, +verschrikt, ontzet, verlamd, staren zy 't waagstuk aan, dat er van +hen gevorderd wordt. "Aanstaren" is 't juiste woord niet, want ze +wenden de oogen af, en wiegelen, en trekken zich terug, en beroepen +zich op de onmogelykheid om 't pand ongeschonden terugtebrengen, en +als huldeblyk neerteleggen aan de voeten der uitdaagster. Alles heeft +z'n grenzen, wreede Dame, tot riddermoed toe! Keizers, Koningen en +Prinsen, zoo-even nog vast in 't zaal, en tegen elkander zoo dapper +de lans vellende... uitwegen zoeken ze nu om zich te onttrekken aan +'t schrikbarend wapenfeit dat zoo roekeloos werd gevorderd van hun +geest. Sire Kopperlith-zelf had er z'n glimlach by ingeschoten, en +ridder Pompile z'n zelfgenoegzaamheid. De schrik was Don Eugène om +'t hart geslagen, en hy stond op 't punt--akelig!--méér te zeggen +dan z'n enkele sylbe! Was niet zelfs de krygshaftige clan der +Kruckers--van-ouds toch zoo vermaard om z'n onvergelykelyke prouessen +in kurk!--genoodzaakt geworden z'n veldgeschrei 'n oktaaf lager te +stemmen, en zich te bepalen tot 'n deemoedig: "ja, ziet u, dat zyn +zoo van die zaken... m'n lieve mevrouwtje?" En heette dit niet in +Wouter's overzetting allerduidelykst: "Schoone dame, als je op òns +rekent tot het terugerlangen van je pand, kan je er staat op maken +ongesluierd naar huis te gaan!" + +"Dat nooit!" riep ridder Wouter. En hy gordde zich aan tot begrypen. + +Het vraagstuk waarmee ons heldje zich bezighield, hoe eenvoudig ook +inderdaad--zooals de meeste vraagstukken--is werkelyk 'n struikelblok +voor veel geldmannen en zoogenaamde ekonomisten. Wie meenen mocht +dat ik de geestelyke gelaatstrekken der Kopperliths en Kruckers te +afzichtelyk schilder, neme eens de proef by "mannen van 't vak." En +men behoeft zich niet te bepalen by de vraag die de onnoozele Julie +ter-tafel had gebracht in die achtergalery, noch ook by 't "vak" +waartoe kwestien van dezen aard schynen te behooren. Overal zal den +oplettenden waarnemer blyken dat het begrypen van eenvoudige waarheden +tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet-berusten van +sommigen, hun door vakmenschen wordt aangerekend als onpraktische +buitensporigheid. + +Nu, Wouter wàs buitensporig. De hemzelf onbewuste vertaling van 't +nogal triviale gegeven in 'n heldenfeit, wond hem op. Werktuigelyk +spelend met den kleinen Bonifaz, trachtte hy in de kern van +'t vraagstuk doortedringen, en de eigenaardige richting van z'n +geest--geheel-en-al uitvloeisel van 'n karakter dat slechts vrede had +met eenvoudige waarheid--leidde hem aldra tot de primitiviteit van +opvatting, waaraan alle vraagstukken--ook de moralistische--behooren +getoetst te worden. De steentjes die hy den kleinen jongen toewierp, +en door dezen naar hem werden teruggerold, stelden in z'n verbeelding +al zeer spoedig de koopmanschappen voor, die uit onderscheiden landen +in de naburige streken worden ingevoerd. Behoefte aan betalingsmiddelen +groeide aan naarmate men meer goederen ontving. Zoolang men nu hierin +kon voorzien door het terugzenden van andere waren... zeker, zoo is +het, meende hy. En hy redeneerde: "we zenden... kaas en boter naar +Engeland. Dit moet betaald worden. Zoo 'n koopman ginds, moet iemand +zoeken die van òns geld te-goed heeft voor... wittegrondjes-driekleur +of diemet--'n moeielyk vak, zegt m'nheer Wilkens!--en dan betalen +wy eigenlyk die diemetten met kaas. Maar als we nu te weinig kaas +hebben gezonden om al de lynwaden die wy ontvingen, te betalen, dan +valt het moeielyk in Holland iemand te vinden die geld te goed heeft +van 'n Engelschman. En deze moeielykheid moet overwonnen worden door +hooger bod op den wissel, want het spreekt vanzelf dat het recht om +te trekken in waarde ryst, naarmate het minder voorhanden en meer +noodig is. Wie dus 'n wissel afgeven kan, vraag er méér voor dan... + +Aldus peinzend had-i allengs de steentjes die dienen moesten +tot vermaak van den kleinen jongen, verdeeld in soorten die +allerlei koopwaar voorstelden. De vloer van de mangelkamer werd +in landen en provincien afgedeeld. Dáár lag Engeland met z'n +wittegrondjes-driekleur, dáár Frankryk dat wyn leverde, dáár Nederland +met z'n stereotiepe kaas en boter... jazelfs Spanje kreeg 'n plaatsje +met z'n kurk. En hy schoof de produkten heen-en-weer, en schiep +'n handelsbeweging, en vergat daarby zelfs de crisis niet. Bonifaz +had er 't recht begrip niet van, en schopte wel-eens 'n stock of +entrepôt uit elkaar op 'n manier die gevoegelyk kon doorgaan voor 'n +revolutie, die dan door Wouter zoo goed mogelyk by z'n overleggingen +werd in rekening gebracht. Weldra was-i dan ook met de oplossing van 't +fameuze probleem gereed, en hy verlangde naar 't oogenblik dat-i onder +de oogen zyner dame... du jour, z'n tegenstanders uit het zadel ligten +zou. Laat zien wat er verder gebeuren moest. Keizer Kopperlith stond +hem de helft van z'n ryk af, met de hand zyner schoondochter Julie, +die den hemel danken zou dat ze verlost was uit de onwaardige ketenen +van den pseudo-ridder Pompile. Zeer wel, maar hoe triumfeerend ook, +Wouter schonk hem 't leven. Ook Eugène mocht blyven bestaan, en al de +Kruckers, mits ze driemaal 't schoeisel kusten van Wouter's dame. Eén +onzekerheid nog slechts hield den ridder die straks al z'n vyanden +uit het veld zou slaan, in eenige spanning. Zoud-i z'n wapenfeit +uitvoeren in eenvoudig proza of... nu ja, in verzen kwam hem de +nederlaag des vyands verpletterender voor. En verplettering hadden +ze verdiend! Was 't onheusch of niet van al die verwaten ridders, +zoo prat op hun lynwaden en kurken, de romantische mogelykheid +voorby te zien dat de jonge schildknaap zonder geslachtswapen of +uithangbord, misschien de inkognite spruit wezen kon van edelen +stam? Had men niet wat eerbied moeten voelen voor z'n prikkelende +onbekendheid? "Onze jongste bediende, onze jongste bediende!" had +wapenkoning Pompile geroepen... welnu, waarom bezat alleen de edele +Julia--god zegene haar!--roman-takt genoeg, en lektuur-bedrevenheid +en tournooi-instinkt, om onder 't palletootje van den kantoorklerk +'n kampvechter te vermoeden van den eersten rang? Waren ze dan doof +en blind en idioot, al die anderen? Te-wapen, te-wapen! riep alles +Wouter toe. "Jongste-bediende... hm! Ik zàl ze bedienen, jong of oud +dan, maar bedienen zàl ik ze! En aan de wereld en m'n Dame wil ik +toonen... sakkerloot!" + +Hier kwam een der meiden berichten dat de jongeheer Bonifaz aan-tafel +werd geroepen, en "Pieterse mocht zoo goed zyn, meetekomen." Wouter +stapte met opgeheven hoofd en saamgeknepen vuisten de kamer in, +waar 't gezelschap dineeren zou. By 't binnentreden kon-i zich niet +weerhouden, Julie een blik toetewerpen die zooveel zeggen wilde als: +"wees gerust, dame van m'n hart, ik heb uw noodkreet verstaan en zal +den goeden stryd stryden. De hoofdzaak ligt in de verhouding tusschen +wittegrondjes-driekleur en hollandsche kaas... wees gerust: uw ridder +is hier!" + +Dat Julie hiervan niets begreep, zou te veel beweerd zyn. Ze zag +den heelen Wouter niet, en kon zich dus onmogelyk schuldig maken +aan wanbegrip omtrent z'n bedoelingen. Hy gloeide als 'n kool +en brandde van strydlust, maar... hoe z'n wysheid aan-den-man te +brengen? Eigenlyk was 't Julie's plicht geweest hem op den weg te +helpen. Maar ze hield zich of de heele zaak haar glad ontgaan was! Zoo +zyn die edelvrouwen! Eerst lokken zy 'n ridder op allergevaarlykst +terrein... ze winden hem op tot ylhoofdigen lust om tegronde te gaan +in haar dienst, en dan... wel, ze laten hem over aan zichzelf! Lieve +hemel, domme Julie, begryp je dan niet dat Wouter daar zit te wachten +op 'n blik? Och, och, och... als-i maar door 't eerste woord heen was! + +Dat eerste woord liet zich niet gemakkelyk aanhechten. Wouter bespiedde +elke uiting, elken klank, maar... helaas! Wel begon-i 'n paar keer: +"de wisselkoers, m'nheer... maar de woorden stikten hem in de +keel. Het spreekt vanzelf dat de spyzen uitstekend waren, maar wat +baatte dit hèm? De ligtzinnige Julie stelde zich aan alsof ze nooit +'n ridder op post had gezet. Ze lachte, ze keuvelde, ze ginnegapte, ze +vermaakte het gezelschap met haar naïveteit--of met de onnoozelheid die +daarvoor doorging--en sloeg geen acht op haar aanstaanden bevryder uit +de klauwen van 'n al te laag geboren echtgenoot. Wouter preekte zich +voor, dat ze zyn standvastigheid op de proef wilde stellen. Zoo-iets +was meer geschied, meende hy. + +De tafelgesprekken waren van de bekende gewichtige soort. De oudeheer +begon weldra luidruchtig te worden en den toon aanteslaan, dien Wouter +had leeren kennen by z'n namiddagbezoeken op 't kantoor. Zelfs tot +hèm richtte de oude babbelaar 't woord, natuurlyk tot groote ergernis +van Pompile, die telkens beproefde den vloed van papa's spraakzaamheid +te doen afloopen in voornamer bedding. + +--En jy, mannetje, zeg jy nu eens hoe 't je buiten bevalt? Want, +jongen, je bent nu... buiten! Verbeeld je, mynheer Krucker, hy +meende dat-i buiten was op den singel by de Aschpoort! Hi, hi, hi, +dàt meende-n-i! + +De Kruckers vonden dit byzonder dwaas. + +--En zeg nu nogeens hoeveel je wel dacht dat de jongeheer Flodoard +te Rome verteerde in 'n heel jaar! Neen, stil, Pompile, laat 'm +begaan! Luister, m'nheer Krucker! In 'n heel jaar, weetje! M'n zoon +Flodoard te Rome! + +--Maar, papa... + +--Stil, Pompile! Wel, mannetje, spreek op! Laat m'nheer Krucker dàt +eens hooren. + +Wouter zweette. Hy zocht Julie's oogen te ontmoeten, maar 't lukte +niet. In-godsnaam! Mèt of zonder aanmoediging zyner dame dan, vóór +z'n dame: + +--De wisselkoers, m'nheer... + +--Néééééén, dàt is nu de vraag niet! M'nheer Krucker wou zoo graag +weten hoeveel je dacht dat m'n zoon Flodoard... te Rome... + +Pompile viel z'n vader in de rede, en had het geluk hem ditmaal van z'n +belangryken topic aftebrengen. Ook een der Kruckers hielp 'n handje, +door met roerende belangstelling naar tyding van Leon te vragen. + +--Hy maakt het uitstekend, zei de oudeheer, uitstekend! Zou je +wel gelooven, m'nheer Krucker, dat-i al 'n titel heeft van... o, +zoo'n langen titel! En... hy is weledelgestreng, wat zeg je +daarvan? Wel...e...del...ge...streng, m'nheer Krucker! Is 't niet +waar, Pompile? + +--O ja, papa! + +--En hy schryft fameus-mooie brieven! Pompile, je moet m'nheer Krucker +eens zoo'n brief van Leon laten zien. + +--Zeker, papa! + +--En, uw zoon de zeeofficier, m'nheer Kopperlith? + +--Die was volgens de laatste berichten te... te... hoe heet het ook +weer, Pompile? + +--Te Amboina, papa. + +--Juist! En, m'nheer Krucker, weetje wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft +er gedanst met de dochter van den Gouverneur. Van... den... gouverneur! + +De arme Kruckers kwamen verbazing te-kort. Wouter voelde dat ze hier +'n bewerking ondergingen, van de soort die men op hèm had toegepast, +toen-i flauw moest vallen van bewondering over de vorstelyke uitgaven +van Signore Flodoardo. En deze opmerking bracht hem 'n stapje verder +in menschkunde, of liever ze deelde hem den moed mee om te erkennen +wat-i begreep. Zoolang hyzelf maar patient was, belette hem z'n +verlegenheid om 't kinderachtige van die hoogheidsjacht behoorlyk te +vatten. Maar nu hy op 't gelaat der gasten iets meende te ontdekken +dat naar spot geleek, viel hem 't doordenken iets gemakkelyker. Ook +zonder terugzicht op de schipbreuk die 't geheele gezelschap geleden +had in de opheldering van de koerskwestie, begon hy de mogelykheid +intezien, dat die heele familie Kopperlith met haar buiten en eigen +rytuig en verdere voornaamhedens, wel eens veel lager konden staan +dan ze voorgaven en dan door anderen scheen geloofd te worden. Hy +kon de vergelyking met den onderhoudenden, gezonden toon die er by de +Holsma's heerschte, niet terugdringen, en ze viel zeer tennadeele van +z'n "heeren patroons" uit. Ook maatschappelyk bleken zy eigenlyk geen +recht te hebben op de vergoding die hun door nòg lager geplaatsten +werd toegebracht, want al ware het dat rykdom grond gaf tot zoo groote +vereering, eilieve hoe plat burgerlyk was de inrichting van het huis, +hoe prozaïsch die mangelkamer, hoe bekrompen dat achterbakje van de +britschka, hoe kleingeestig die bekommering over 'n hoedendoos en +'n mand met soezen, hoe kinderachtig dat onophoudelyk streven naar +verheffing op... niemendal! De jongeheer Rodomont had gedanst met +de dochter van 'n gouverneur... gouverneur van wàt, eigenlyk? Lieve +hemel, de Holsma's hadden prinsessen in hun familie, en waren er niet +grootsch op. Hengelden zy naar bewondering van hun hoogheid? Erkenden +ze niet zelfs, zonder noodzaak en zonder schaamte, dat de eenvoudige +Femke na aan hen verwant was... zy, 'n waschmeisje! + +Maar hier brak Wouter z'n gedachtenloop af. Dit geschiedde telkens +zoodra haar beeld zich aan hem vertoonde. Elke herinnering uit den +heldentyd van z'n ziel maakte hem den indruk van snerpend verwyt. Het +liefelyke deed hem zéér, en hy voelde slechts kracht tot eigenaardige +zwakheid die den naam draagt van wrevel: die Kopperlith's! Het duurde +dan ook niet lang voor zich deze stemming duidelyker op z'n gelaat +vertoonde dan in deftig gezelschap geoorloofd is. Hy kneep de lippen op +elkander, en zag een der Kruckers--die 't niet helpen kon!--uitdagend +aan. Maar men gunde hem de eer niet, naar de reden van z'n zuurkyken +te vragen. Waarschynlyk zelfs had niemand daarop acht geslagen, +en juist deze verwaarloozing stemde hem bitterder dan ooit. Hy was +woedend en had lust in... vechten. Met wien? Met allen tegelyk, als +'t wezen kon. Met Bonifaz en den oudeheer, met Pompile, de Kruckers, +Eugène, de "juffrouw" en Hersilie. Met al wat 'n eigen Buiten had, +en wat er geen had. Met de heele wereld, ziedaar! + +Hoe onrechtvaardig ook deze stemming was, het zal den weldenkenden +beschouwer van z'n zielegeschiedenis aangenaam wezen te ontwaren +dat-i nog iets anders was dan kinderlyk en goedig alleen. Het werd +waarlyk tyd. + +Na 't eten werden de Kruckers onthaald op den traditioneelen toer. En +ook Wouter mocht meeryden... in 't achterbakjen alweer, waar men hem +'t aanminnig Bonifaasje te bewaren gaf. 't Kind mocht er durchaus niet +uitvallen, zei de elsasser konsul. Julie snapte in één adem door, +en Wouter begon te vinden dat ze de proef wat ver dreef. Wel bleef +het 'n zekerheid dat zy de eenige van 't gezelschap was, die blyk +had gegeven van den lust iets te willen doorgronden, maar toch... 'n +beetje droefenis voor den misselyken toestand waarin ze haar ridder +gebracht had, zou niet kwaad hebben gestaan by haar verheven zucht +tot ontwikkeling. Ze babbelde zoo ongedwongen met al die Kruckers, +ze toonde zich zoo geheel-en-al op de laagte van de rest, ze scheen +zoo volkomen tevreden met de toejuiching waarmee de plompe Pompile +haar domste uitvallen vereerde... kortom, Wouter wist niet hoe hy +'t had met z'n Dame. Hy zou er veel voor gegeven hebben, haar 'n +oogenblik alleen te spreken... hm, 'n voetval zou er niet kwaad by +staan! Maar... hoe daartoe de gelegenheid te vinden? Als-i 't huis in +brand stak? Dit plan was zoo heel verwerpelyk niet. Al de Kopperliths +en Kruckers geschroeid, verbrand, verkoold, verteerd, vernietigd, +en hy de redder van de weetgierige Julie! Hy zag zich in gedachte, +háár door rook en vlam de trap afdragend! Haar hield hy in de armen, +háár fluisterde hy toe: "wees gerust, edele dame van m'n hart, al die +stommelingen zyn dood en byna begraven! Ik ben hier, ik, Wouter, die +uw dorst naar kennis lesschen wil met m'n laatsten druppel bloed en +'n verhandeling over den wisselkoers... + +--Zeg, Pieterse, of hoe heet je, houd m'n parasol wat over 't kind. De +zon steekt zoo! + +Deze ontboezeming vloeide over de lippen der schoone Hersilia, die met +haar zonnescherm onzen ridder aantikte, en hem vry gevoelig terugriep +in de werkelykheid. Hy schrikte, en nam 't ding werktuigelyk aan... + +--Schuif 't op, jongen! Druk op de veer... daar, daar, de veer in +'t stokje! Versta je me niet? Wat 'n onhandig jongetje, Pompile! + +Wouter kneep het ding, en voelde neiging de schoone Hersilia daarmee +den kop te kloven. Hy staarde haar zonderling aan. + +--Op de veer drukken, weetje? Druk op dat veertjen in 't stokje, +schreeuwde Pompile, die evenmin als de anderen aan iets anders dacht +dan aan onhandigheid, of hoogstens meende dat "de jonge Pieterse" +z'n zuster niet verstaan had. + +--Doe 't 'm eens voor, Pompile, zei de oudeheer. + +Pompile die op de voorbank gezeten was, stond op en boog zich over 't +gezelschap heen, om den "jongen Pieterse" les te geven in 't openen +van 'n parasol. Maar hy kwam te laat. Wouter kneep, trok, drukte, +schoof, en schoof wat krachtig... + +--Ik kàn wel, m'nheer, zeid-i. + +... en 't ding was aan flarden! Hy hield den stok in de eene +hand, en de fladderende zy met de andere omhoog als 'n vlag! Het +heele gezelschap was "ontdaan." Men keek elkander verbaasd aan, +als om te vragen wat dit beteekenen moest? Welnu, niemand begreep +het. Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met 'n +gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven +aan onlydelyke pyn. + +--'t Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde Hersilia. Niet +waar, Calbb? + +--Je moet altyd begrypen Hersilie, 't is 'n burgerjongetje, riep +Pompile. Hy wist niet wat je bedoelde, zie je? Je moet altyd denken, +'t is 'n burgerjongetje, en... nooit in gezelschap geweest. Dáár komt +het van! + +--Zeven gulden, dertien! + +Het stokjen en de lappen werden, zoo goed het hossen van 't rytuig +toeliet, aan elkaar gepast om nogeens voor 't laatst te bewonderen hoe +het ding er had uitgezien voor de vreeselyke katastroof, Nog 'n paar +maal mompelde de majestueuze Hersilia haar tragisch: "zeven gulden, +dertien" en vry ontstemd liet het gezelschap zich voortkruien door den +zandweg. Toen men thuis kwam, nam Pompile de rol van verslaggever aan +mama op zich. Niemand was meer verontwaardigd dan "de juffrouw." Ze +had wel drie fransche woorden om te betuigen dat de zaak... + +--Ja, ja, zeker! zei Pompile. Maar u moet begrypen, mama... + +--Hy stond mevrouw zoo délicieus by die gele bergère, maseurde de +juffrouw. + +--Goed, juffrouw. Maar ziet u, mama... + +--'t Is 'n ware balourdise. m'nheer! + +--Zeker, juffrouw! Maar, mama, Hersilie had het niet moeten, +doen, mama. Want zoo'n jongen... + +--Fi donc, zoo lomp te zyn! + +--Volkomen juist, juffrouw! Maar ik wou aan mama zeggen dat mevrouw +Calbb had moeten begrypen dat zoo'n jongetje... + +--'t Is infaam! + +...dat zoo'n jongetje maar... 'n burgerjongetjen is! Dàt wou ik maar +zeggen aan mama. + +En dit alles moest Wouter aanhooren! Z'n woede was gebroken. Hy voelde +zich verlamd, onmachtig, wezenloos, en alweer overmeesterde hem zeker +heimwee naar de vroeger zoo geminachte levensopvatting ten-zynent. + +Was dàt nu de wereld die hy zou leeren kennen als-i "groot" +was? Wanneer hy op dit oogenblik z'n ouden vyand Slachterskeesjen +ontmoet had, hy zou hem aan 't hart hebben gesloten als 'n bode uit +hooger sfeer. Men ziet het, te laag gezonken om behagen te scheppen +in de voorstellingen uit den mythentyd zyner jeugd, begon hy reeds +te verlangen naar 't weerzien van de grove gestalten die hem in die +dagen omgaven. Zoo ook verwarren onnadenkende geschiedschryvers den +onbehagelyken toestand van den wilde met de gouden eeuw van Saturnus. + +Wouter was wanhopig. En z'n stemming werd er niet beter op, toen-i +bemerkte dat ook Julie tot z'n vyanden behoorde, want "vyandschap" +meende hy te moeten veronderstellen in al de menschen die, na hem zóó +te hebben gegriefd en vernederd, niet eens schenen te begrypen dat-i +voor grief en vernedering vatbaar was. Pompile gaf zich de moeite +hem op 'n parapluie te wyzen hoe men 'n parasol opent, en ten-laatste +was Wouter na veel vruchtelooze pogingen om de ware oorzaak van z'n +zonderlingen handgreep onder woorden te brengen, wel genoodzaakt +zich aantestellen alsof hy werkelyk voor 't eerst te weten kwam dat +men by zoo'n gelegenheid op 'n veertje moet drukken. Pompile scheen +zeer voldaan over de les die hy gegeven had, en roemde er op dat +"de jonge Pieterse" de zaak nu volkomen verstond, en zeker by 'n +volgende gelegenheid... + +--Zeven gulden, dertien, jammerde Hersilia. + +De maat liep over. Wouter stond haastig op, vloog de deur uit, +het erf af en den weg op, om zich te verdrinken of... zeven gulden +dertien te zoeken. + +A la bonne heure! + + + + + + + + Wouter spekuleert allervoordeeligst in ouwe-kleeren. Snelle + wisseling in amerikaansche handelsbeweging, waarschynlyk niet + zonder invloed op wisselkoers. Nachtgedachten. De terugkomst van + den verloren broeder. + + +Weldra had hy na eenig dwalen en vragen een der poorten van +Haarlem bereikt. Wat hy daar eigenlyk doen wilde, was hemzelf niet +duidelyk. By 't verlaten van Groenenhuize blies de wanhoop hem in, +met den meesten spoed 'n eind aan z'n leven te maken, en nog altyd kwam +hem dit voornemen als 'n wenschelyke uitweg voor. Doch eerst wilde hy +beproeven zich op andere wys te ontdoen van den ondragelyken last die +hem drukte. 't Was zondag-avend, en er vertoonden zich weinig menschen +op de straten. Ook waren de meeste winkels gesloten. Hier-en-daar +slechts durfde men den dag des Heeren ontheiligen door 't uitstallen +van halletjes en rooletters, of tabak en snuif. De verkoopers van deze +artikelen verheugen zich voornamelyk in zondags-debiet, en de Heer moet +zich hierin schikken. Wouter vermande zich, liep 'n koekbakkerswinkel +in, en vroeg of men hem den weg naar den Jodenhoek wilde wyzen. + +--Jodenhoek, jongeheer? Dat hebben we hier, om zoo te zeggen +niet. Uwe-n-is zeker van Amsterdam? + +--Geen Jodenhoek? Maar... by wien verkoopt men dan hier z'n ouwe +kleeren? Dàt wil ik weten! + +De vrouw uit den winkel keek hem vreemd aan. Eenmaal z'n aangeboren +beschroomdheid overwonnen hebbende, was Wouter's toon zoo kortaf en +gebiedend dat het mensch er van ontstelde. Angstig riep zy als 't +ware om hulp, en er verscheen dan ook 'n manspersoon, die haar vroeg +wat er gaande was, en vry onvriendelyk aan Wouter wat-i "hebbe" wou? + +--Hebben? Niets m'nheer! Ik wou maar weten waar men hier ouwe kleeren +koopt? + +De koekbakkers-familie joeg hem den winkel uit. Tandenknersend stond +hy weer op de straat, en wist niet wat hy doen zou. Na lang zoeken +en veel mislukte pogingen trof hy eindelyk 'n klein meisje dat hem +bracht waar-i wezen wilde. Een oude jood antwoorde toestemmend op +de vraag of hy koopman in kleeren was? Wouter trok z'n jasjen uit, +wierp het op de tafel, en vroeg wat de man daarvoor geven wilde. Het +kleedingstuk werd bevoeld, gewreven, gerekt, tegen 't licht gehouden, +en 't eerste bod luidde: vier gulden! + +--Zeven gulden, dertien! riep Wouter. + +--Nah, w'rom nie liefer dertien gilde sefe, as je 't m'r foor 't +seche heb? Fyf gilde, en cheen dyt meer! Ghedrache kleeren binne +niks waart, want se worre teugeswoordig techeef inchefoert fan +Emerika... te-cheef! Dat sel je-n-ook wel wete. Fyf gilde tien, dan! + +--Ik moet zeven gulden dertien hebben! + +--Wat je hebbe mot, sel je wel 'reis kryche, as je m'r iemant fint die +'t je chefe mot. M'r ik mot je niks chefe, en ik cheef je niks. Nou, +ses gilde! Trek jespille m'r weer an, anders, en cha mê chot! + +Toen Wouter hierop inderdaad vertrekken wilde, steeg het bod tot +zeven gulden. Helaas, die vreeselyke dertien stuivers! Er was niet +aan te doen: de koopman bleef onverbiddelyk. Mocht men 't hem kwalyk +nemen, by zoo'n overvoer van ouwe-kleeren uit Amerika? 't Was al zeer +edelmoedig dat-i by zoo'n stand van zaken zeven gulden geven wilde voor +Wouter's jasje dat--dit is waar!--zonder die ongelukkige mededinging +der Vereenigde Staten, zeker wel twintig gulden zou waard geweest +zyn. Het was 't eerste kleedingstuk dat voor hem gemaakt was, en dat +tot hem kwam zonder eerst, als ter oefening, 'n glansryke loopbaan +om de lenden van broêr Stoffel te hebben afgelegd. Het was de toga +virilis die--en wel zondags alleen--hem plechtig om de schouders +werd geworpen ter viering van z'n promotie tot jongste-bediende by +de heeren Ouwetyd & Kopperlith. + +Maar aan dit alles dacht hy niet. De verfoeielyke Hersilia, en die +sarrende Pompile, en ook Julie, de ontrouwe Dame... hy zou hun toonen +dat-i... dat-i... + +Hy smeet nu ook z'n hoed op de tafel, en bood die te-koop aan. Na +eenig dingen en bieden was 't kapitaal kompleet, waarmee hy de edele +vrouwe mevrouwe Calbb-Kopperlith en haar aanhangers 'n kool vuurs +wilde te slikken geven. Ja-zelfs, er was geld over, want voor den hoed +had-i drie schellingen bedongen. De jood vroeg hem of-i ook van z'n +schoenen wou ontlast worden, maar Wouter liep zonder te antwoorden, +in hemdsmouwen en blootshoofds de straat op. + +Hoe nu? Zèlf naar Groenenhuize terugkeeren? Dat nooit! Het +schoonste blad van den lauwerkrans dien hy door z'n kordaatheid +meende verdiend te hebben, zou verdorren wanneer men daar te weten +kwam door welke middelen hy geslaagd was in 't afbetalen van z'n +drukkende schuld. Langen tyd liep hy peinzend op-en-neder, de minst +bezochte straten kiezend omdat hy zich begon te schamen over z'n +ongekleedheid. Hy wilde de schadeloosstelling waarmee z'n vyandin +moest verpletterd worden, doen vergezeld gaan van 'n brief die op +pooten staan zou! Niets beter dan dit, maar... waar dat stuk te +schryven? Als-i eens in zoo'n halletjeswinkel naar pen, papier en +inkt vroeg? Hm, gemakkelyk ging dit niet. Hoe zou men hem te-woord +staan, hem die zich nu zoo afgetakeld voordeed? Van de humaniteit der +haarlemmer burgerlui had-i reeds proef gehad, toen hy er nog uitzag +als 'n ander. Zoud-i op vriendelyker bejegening kunnen rekenen, nu +hy zich vertoonde in 'n kostuum, dat... sakkerloot, de zaak begon +hem moeielyk voortekomen. + +Z'n opwinding was afgeloopen, en indrukken van meer gewonen aard namen +daarvan allengs de plaats in. Z'n wrok over de ondergane miskenning, +jazelfs het verdriet over Julie's trouweloosheid, moest telkens wyken +voor de ergernis dat-i geen jas aan had. Waar-i by 't schemerlicht +van den zomeravend 'n voorbyganger zag naderen dien hy niet ontwyken +kon, trachtte hy den eigenaardigen tred aantenemen van iemand die +even overwipt om 'n buurman goeden-avend te zeggen. Maar 't baatte +niet. Daar kwamen 'n paar straatjongens hem sarren met den roep: +"heb je 't zoo warm, jongeheer?" 't Was om razend te worden! + +Toch drong hy zich op dat-i nog altyd naar 'n gelegenheid zocht om +'t staatsstuk te schryven dat het geld vergezellen zou, maar 't was +uit geestelyke traagheid alleen, en uit onwil om te erkennen dat +z'n verdriet veranderd was van richting. Ieder manspersoon dien hy +ontmoette en die gewoon gekleed was, vervulde hem met afgunst. + +Ziehier hoe hy schryven wilde... àls hy tot schryven kwam: + + + Weledelgeboren Mevrouw ... + + +Zeker! Zoo adresseerde de jongeheer Leon de brieven aan z'n mama. Dit +zou dus ook wel zoo ongeveer de rechte betiteling wezen voor +mevrouw Calbb-Kopperlith. Hy wilde haar en de heele familie toonen +dat-i wist hoe 't behoort, en dat de manieren der "groote wereld" +niet onbereikbaar waren voor 'n burgerjongetje. "Weledelgeboren +Mevrouw!" alzoo, en verder: + +"Ik heb de eer Uweledelgeboren hiernevens aantebieden de som van +zeven guldens en achttien stuivers voor 'n nieuwen parasol. Myn eer, +Weledelgeboren Mevrouw, gedoogt niet Uweledelgeboren ongelukkig te +maken, en daarom... + +"Heb jy je jas in den lommert gebracht?" vroegen hier op de welbekende +zangwys van 't vroolyke patertje 'n paar belangstellende dienstmeiden, +die van haar zondagmiddags-uitgang zooveel pleizier wilden trekken +als er maar eenigszins van te trekken was. + +Wouter week schichtig uit, en vermeed zooveel mogelyk de minst donkere +plekken. Z'n gedachten keerden terug naar 't punt van uitgang: dien +fameuzen brief! + +"Uweledelgeboren zal ontwaren dat er vyf stuivers over zyn. Die schenk +ik Uweledelgeboren als 'n blyk van... van... + +Hy weifelde tusschen "goedertierenheid" en "genade." Een troepje +Amsterdammers die Kraantje-Lek bezocht hadden, en in de stemming +verkeerden welke van-oudsher by dezen uitgang past, kreeg onzen tobber +in 't oog en nam hem in 't ootje. Wouter sloeg zich dapper genoeg +door den kring heen, maar hy voelde zich zeer verdrietig. Men zal +erkennen dat de voorgenomen heldendaad met die zeven gulden zóóveel, +hem byzonder moeielyk werd gemaakt. Gedurig mompelde hy zich voor: +ik wil 'n brief schryven, ik wil! Als ik maar wist, wáár? En hy +monsterde huis voor huis, of daaronder misschien een mocht zyn dat +hem genoegelyk zou kunnen dienen tot kantoor? Zelfs liep hy nu-en-dan +'n winkel in, maar hy bereikte z'n doel niet. Z'n vreemd voorkomen +en de schichtigheid waarmed-i z'n ongewoon verzoek uitte, schrikten +de menschen af. "Als ik in-godsnaam maar 'n jas aan had!" zuchtte hy. + +Eindelyk--welke booze geest speelde hem dezen trek?--eindelyk stond hy +op-eenmaal weer voor 't huis waar de jood woonde, die zoo goedig hem +van jas en hoed verlost had. Wouter trad instinctmatig binnen. "In 's +hemelsnaam, dacht hy, als ik maar eerst weer behoorlyk gekleed ben, dat +ik me vertoonen kan! O God, wat is 'n mensch die geen jas aan heeft!" + +De jood zag vreemd op toen z'n klantje van zoo-even hem de verkwanselde +kleedingstukken kwam terugvragen. Hy had ze juist naar New-York +verzonden, zeid-i, waar ouwe-kleeren tegen goud werden opgewogen. + +--Maar zoo-even zei je... + +--So-efe-n-is f'rby, en wat cheweest is, is niet. Ik sech je +dat ouwe-kleeren d'r gelt waart binne! Feel uitfoer na Emerika +teugeswoordig! Daar sit 't 'm! Maar ik wil je wel 'n jas ferkoope-n-en +'n hoet ook. Mooie waar, kyk hier! + +Na eenig verdrietig gesukkel verliet Wouter den winkel van +den schacheraar, met 'n jas aan, en 'n hoed op... modellen! De +kleedingstukken die hy 'n uur te-voren in z'n opgewondenheid had +afgestaan waren er vorstelyk by. Toch moest hy voor de nieuwe plunjen +al 't geld neerleggen dat-i bezat, de vier stuivers inkluis die +m'nheer Wilkens hem den vorigen dag op last van den grootmoedigen +Pompile had uitbetaald voor z'n terugreis naar Amsterdam, en die +geaffekteerd zouden worden op "huishouding." De huishoudelykheid nu +van Wouter's transaktie... + +--As je wéér wat te handele heb, zei de edelmoedige jood, kom cherust +by me. + +En hy gaf Wouter 'n adreskaartje dat deze werktuigelyk +in den zak stak. Op-straat gekomen--nu was-i gekleed, o +goden!--betrapte hy zich op 'n volkomen overbodige repetitie van z'n +redaktie-plannen. "Weledelgeboren Mevrouw! Hiernevens heb ik de eer +Uweledelgeboren aantebieden... + +Aantebieden! Wàt? + +Hy sloeg zich voor 't hoofd, en erkende voor de honderdste maal... hoe +zei ook altyd z'n moeder? "Heere jesis-kristis, die jongen! Van hèm +komt nooit wat te-recht?" + +Waar zou-i heen! Al peinzend over den zonderlingen toestand waarin hy +gebracht was door... eilieve, lezer, door wàt eigenlyk? Hyzelf kon er +zich geen reden van geven, maar aan U vraag ik, wat toch de oorzaak +was van de onaangename verwikkelingen waarin hy telkens verstrikt +raakte? En ditmaal nogal erg. De geringschatting van de menschen aan +wie hy verantwoording schuldig was, had reden van bestaan in ieder +ander, maar niet in hèm. Z'n moeder was z'n moeder, de heeren Ouwetyd & +Kopperlith waren zyn patroons. Hy was niet grof genoeg van inborst om +de draden waarmed-i zich aan de maatschappy verbonden voelde, eenvoudig +te verbreken en zich vry te maken: om "de wereld integaan" zooals dit +heet. Hieraan dacht hy wel, doch maar 'n oogenblik want hy was te week +om het besef te verdragen van de smart zyner betrekkingen... die wel +luidruchtig, maar niet zoo byzonder diep zou geweest zyn. Doch dit wist +hy niet. Op-eenmaal kwam hem nu in den zin dat-i in z'n lessenaar op +'t kantoor allerlei rympjes had verborgen, waarin veel schoons werd +gezegd... van háár. Wie deze "haar" was, doet er niet toe. Het is te +betwyfelen, of hyzelf hiervan een heldere voorstelling had. Want al +droegen z'n ontboezemingen gewoonlyk de kleur der indrukken die Femke +hem had meegedeeld, toch dwaalde hy telkens te veel af van dat ééne +model, om te kunnen beweren dat hy in die rympjes z'n liefde voor +háár schetste. Niemand zou 'n waschmeisje zoeken in 't origineel van +de wolkerige portretten die hy leverde. 't Wemelde in z'n poëzie van +prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van wereld-overzien, +en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God was niet vergeten, +dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker bekend, hoe makkelyk dit +eensylbig woordje zich schikt in elke maat. Kompromitteerend in gewonen +zin waren alzoo Wouter's dichtproeven niet. Noch Pompile, noch Wilkens +zouden by 't vinden der achtergelaten rymelary, op 't denkbeeld gekomen +zyn dat hun weggeloopen jongste bediende in betrekking stond tot +'n dame die men noemen kon. Hoogstens zou 'n beetje scherpzinnigheid +hun de middelen aan-de-hand doen om van Wouter's ongedisciplineerde +hartstochtelykheid geen jota te begrypen. Hyzelf echter meende dat-i +maar al te duidelyk had lucht gegeven aan z'n gevoel, en in verbeelding +zag hy reeds z'n onbescheiden talent misbruikt om al de jonkvrouwen +van zyn hart tentoontestellen in de courant. Prinsessen zouden er 't +meest onder lyden, want aan hoven is de eer 'n teedere zaak. En ook +Julie liep gevaar. In dat ééne gedicht namelyk--koupletten van acht +regels met slechts twee rymklanken, denk eens!--had-i zich niet kunnen +onthouden, 'n zwevenden engel uittedosschen in 'n zwierig rykleed van +bruine taf, en van zoo'n stof was juist het japonnetje dat zy aanhad +op den dag toen hy zoo ridderlyk vier stuivers had afgedongen op haar +liggenden jachthond! Duidelyker zinspeling op z'n verrukking over haar +neerbuigen tot hem, kon wel niet gevat worden in koupletten van acht +regels met slechts twee rymen! Ja toch, hy had melding kunnen maken van +'t wollen fichuutje dat ze by die gelegenheid om den hals droeg--want +ze was op dien merkwaardigen stond 'n beetje verkouden--maar de eischen +van rym en maat bewaarden hem genadiglyk voor indiskrete vereeuwiging +van deze byzonderheid. Die zwabberende bruin-zyden amazone was +waarlyk al verraderlyk genoeg! Zou de oude Dieper by 't ontdekken en +beoordeelen zyner rymschatten, de goedheid hebben Pompile aftebrengen +van de gevaarlyke gissing dat er verwantschap bestond tusschen die +zwevende engel en z'n wederhelft? Och, op zoo'n boekhouder valt niet +te rekenen. Gaf-i niet altyd iedereen gelyk? Wouter zag hem z'n pen +neerleggen, z'n snuifdoos opnemen, den bekenden stap achterwaarts doen, +en dit alles om met vereischten nadruk te verzekeren: + +--Juist, jongeheer! Ik heb de intieme fictie dat de jongen met dat +schimpdicht bedoeld heeft... + +--Schimpdicht, Dieper? 't Is geen schimpdicht? Wàs 't dat maar! De +kwajongen is verliefd, en wel op... + +--Precies, jongeheer! Ik wil maar zeggen, net als u, dat-i zeker +met dien golvenden luchtgeest mevrouw Kopperlith-Huddewitz bedoeld +heeft. 'n Mensch moet toch iets bedoelen, niet waar? Zeker, zeker, die +engel in 't bruin is de jonge mevrouw! Vindt u 't niet erg... brutaal, +jongeheer? + +Wouter's verbeelding tooverde hem 't kantoor voor, en dwalend +door den Hout was-i getuige van de woede, van de minachting, van de +vernederingen die 't burgerzielig konklave over hem uitstortte. Wilkens +blaette afkeuring, Eugène bromde z'n: hm! Daar kwam ook de oudeheer +aansloffen: + +--Zieje, Pompile, 't is de schuld van Dieper. Waarom zoo'n deugniet +te rekommandeeren? + +En Dieper beloofde deemoedig dat-i 't nooit weer zou doen. + +De oude Gerrit? Nu, zyn tusschenspraak schikte nogal. Gelukkig voor +Wouter, dat-i eindelyk 'n figuur ontdekte van iets minder afschuwelyken +aard, iemand waarmed-i het tooneel dat z'n angst hem voormaalde, +wat minder krimineel stoffeeren kon. Gerrit mompelde: "wat 'n geseur +over die liedjes! Allemaal wind en 'n engelsche notting!" Lieve Gerrit! + +Opmerkelyk, niet waar, dat Wouter wel de gaaf had zich zoo nauwkeurig +voortespiegelen wat er gebeuren zou, wanneer men na z'n wegblyven z'n +archief doorsnuffelde, hy die zich niet in-tyds rekenschap had weten te +geven van den zotten toestand waarin iemand geraken moet, die z'n zeer +behoorlyk jasje verruilt voor 'n schanslooper van de vreemdste soort, +en z'n fonkelnieuw hoedje voor 'n rooden kalen gedeukten tromblon die +hem bovendien eenige nummers te groot was? Weinig jongelieden zouden +zich in Wouter's geval hebben schuldig gemaakt aan de zotterny die hy +begaan had, en toch zou 't onrecht wezen hen daarom voor verstandiger +te houden. Voor 't meerendeel hadden ze slechts door onthouding van +'t excentrieke, blyk gegeven beneden Wouter's fouten te staan. Kon +hy 't helpen dat-i z'n ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er +'n aanhoudende stryd was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg +en de wereld waarin hy leefde? + +De manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had, +kon zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt +worden onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas +die in den waan verkeert dat z'n beenen van glas zyn, is niet verder +van de waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te kennen zooals +zy inderdaad is, z'n aanraking met haar meent te kunnen regelen naar +'t schema dat hy in omgang met zichzelf alleen, samenknutselde. Wouter +droomde van engelen... die er niet zyn, en van zielenadel... die +niet bestaat. Hy onderging allerlei aandoeningen die aan anderen +niet bekend zyn. Het is er ver af dat deze aandoeningen onverdeeld +schoon waren, en dat alzoo in alle opzichten de werkelykheid beneden +z'n droomeryen zou staan. Integendeel. Onder alle personen, zonder +onderscheid, die hy tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die +niet in 't een-of-ander opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging, +'t geen reeds hieruit blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet +tot dwaasheden als die welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in +den Haarlemmer-Hout. Inderdaad, lezer, 't is onzedelyk 'n nieuwe jas +te verruilen voor 'n oude! Ik laat nu de kazuistische finesse waarmee +sommigen zotterny willen onderscheiden van slechtheid, stilzwygend +in haar onwaarde, zéker is 't dat onze held even beschaamd was over +'t verkwanselen van z'n kleeren, als-i over diefstal zou geweest +zyn. En, wanneer hy de wereld goed gekend had, zoud-i gróóter +schaamte nog gevoeld hebben over z'n dwaasheid dan over eigenlyke +misdaad. Deze immers wordt begrepen, omdat ieder deelt in de aandrift +die daartoe leiden kan. Met 'n vroom: "God zy by ons... wie staat, zie +toe!" bekruist men zich--en hangt den dief op, nu ja--maar men deelt +volkomen in de gevoeligheid voor verlokking die den zondaar máákte tot +'n zondaar. Vraag eens aan juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal +verwanten in geestesarmoed, of ze 't voor mogelyk houden dat zy een +der tien geboden zullen overtreden, of zelfs maar 'n artikel uit het +Wetboek van Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: "de mensch is +zwak! Heer, wees my armen zondaar genadig!" Heel goed, ik mag lyden +dat de Heer het doet. Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor +oogen dat zy 'n splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in +'n onderrokje ronddolen op den publieken weg... zonder de minste +aanroeping van den Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En dit +is de waarheid. Zóó ver kan de slimste Duivel 't mensch niet brengen, +al liet God haar in den steek. Wel schynt alzoo zyn hulp onontbeerlyk +om bewaard te blyven voor galg en rad, maar domheden als die van +onzen Wouter weet men te vermyden zonder de minste tusschenkomst van +den Hemel. + +En nog 'n opmerking, ditmaal van eenigszins aangenamer aard. Dat +Wouter's manier van spekuleeren niet tot welvaart leidt, zal ieder +erkennen en goedkeuren. Maar men is te zeer gewoon zich goede +uitkomsten voortestellen van het tegendeel. Dit is onjuist. Ik kan +den lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig toonde in +zaken, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is 't geval met +velen die zich vermeten minachtend neertezien op 't eigenaardig gebrek +aan praktyk, dat 'n uitvloeisel is van nog onvolkomen dichterlykheid. + +Wouter verweet zich dat niemand in gelyke maat als hy, de begaafdheid +had zich vasttewarren in 'n net van verdrietelykheden. Gelyk de +meeste jongelieden die in nood zitten, dacht-i aan zelfmoord. De +lezer herinnert zich dat dit meer geschied was. Het leven kwam hem +ondragelyk voor, en hy drong zich op, dat-i ditmaal wel degelyk van +plan... wezen zou daaraan 'n kordaat einde te maken, als-i maar niet +zoo terugschrikte voor 't denkbeeld dat die vervloekte Kopperliths +in z'n minneklachten zouden snuffelen. Eerst die verzen vernietigd, +dacht hy, en dan sterven! God zou wel begrypen dat-i 't niet kon +uithouden in zóó'n wereld! In den hemel was zeker wel deze of +gene werkkring die hem paste. Daar zoud-i zich stipt toeleggen op +z'n... naastbyliggenden plicht! O, waarom had-i dien goeden dokter +Holsma veronachtzaamd? En... hoe zou 't zyn als-i zich in z'n +tegenwoordigen nood--ei, zonder sterven, alzoo?--tot hèm wendde? + +Al wat hy zich van die familie herinnerde, kwam hem nu liefelyker voor +dan ooit. Die vlugge Sietske! Die waardige moeder! Die ernstige oom +Sybrand! En Willem... nu ja, z'n wyzigheid was drukkend, maar kon hy +'t helpen dat Wouter geen latyn verstond? Had z'n moeder hem dàt +maar laten leeren, meende hy, dan zou alles anders wezen! Hy zou +dan nu op weg zyn om dominee te worden, of advokaat, of rechter, +of minister... allemaal menschen die 'n behoorlyke jas aanhebben, +en precies weten waar ze belanden moeten als 't nacht wordt! Dit +namelyk wist Wouter nog altyd niet, en 't bezwaarde hem zeer. Maar +al was 't dag geweest, waarheen, waarheen? Op die gansche aarde geen +plek waar-i zich vertoonen kon! Zeker, zeker, God zou er genoegen +mee nemen, als-i onaangediend en ongeroepen in den hemel kwam. + +Sterven dus! Heel goed, als-i maar geweten had, hoe? Inweerwil +van deze onzekerheid stond z'n voornemen byna vast. Byna! Want het +afscheidnemen van z'n plannen, van z'n droombeelden, van z'n toekomst, +viel hem zeer moeielyk. En zelfs het verledene, hoe dor en schraal ook, +bood hem gezichtspunten aan waarvan hy de oogen niet kon afwenden. Die +verschyning in den Schouwburg... die dubbelgangster van Femke... hemel, +de rozeknopjes! Ook die immers lagen in z'n lessenaar op 't kantoor, +geborgen in z'n zakboek, in 't zakboek dat-i anders altyd op 't hart +droeg--schoon 't hem zéér deed, als-i vuile praatjes aanhoorde by 't +postkantoor!--maar dat-i nu voor 't eerst had weggesloten om er niet +mee bezwaard te zyn op z'n voorgenomen tocht naar "buiten." Mocht-i +aan sterven denken zoolang hy dat pand niet had teruggehaald om het +te vrywaren tegen hoon? En nog iets! Was 't niet al te jammer, van +deze wereld te scheiden voor-i zeker wist hoeveel prinselyks er stak +in Femke, hoeveel van 'n bleekmeisjen in die prinses? Hy begreep niet +hoe hy zoolang zich had kunnen bezighouden met allerlei onderwerpen, +en vond het onverantwoordelyk zoo'n raadsel onopgelost achtertelaten. + +Leven dus, leven! Makkelyk gezegd, als-i maar geweten had waar-i slapen +zou? En... eten! Z'n sarrende fantazie hield hem 'n monster-boterham +van Vrouw Claus voor, en hy begon nu werkelyk zich te verbeelden +dat z'n honger onuitstaanbaar was. Stoffelyke behoefte nam de +overhand op smart van anderen aard--daar is ze voor!--en hy begon +afgunstig te worden op 't lot van Jakob Claesz. Want, meende hy, +in zoo'n onbeschaafd Vuurland waren zeker allerlei vruchtboomen, +en er groeide niets eetbaars in den Haarlemmer-Hout. Die Laurens +Coster had ook beter gedaan, vygen en ananassen te planten--of al +waren 't dan maar burgerlyke appels en peren geweest!--dan zich +bezigtehouden met de uitvinding van die vervelende drukkunst! Wat +heeft 'n dolend wildemannetje daaraan? En wat baatte hem nu z'n braaf +oppassen by Pennewip? O, die vervloekte beschaving! Hy verlangde +naar 'n voorwerp waarop-i z'n woede kon koelen, al ware het, byv. 'n +bende Vuurlanders geweest. Dan had-i geweten wat het Noodlot van hem +verlangde: stryden en... overwonnen worden, nu ja, en men zou hem +opeten, ook. In-godsnaam! Daartegenover immers stond altyd de kans dat +hy--onder aanroeping van deze of gene dame: 't was meer gebeurd!--de +overwinning behaalde, z'n vyanden tot Christenen maakte, en zichzelf +tot koning, juist wat-i wezen wilde. Wie weet of niet Jakob Claesz +ook zoo-iets gedaan had, en Wouter besloot dat Vuurland eens. te +bezoeken zoodra hy te beschikken had over 'n vlootje. Dan zoud-i... + +Helaas, heiaas, wat gekke overleggingen in zyn toestand! Beurtelings +woedend en verdrietig, slenterde hy laan-in laan-uit, en wist geen +raad. Eindelyk zette hy zich moedeloos onder 'n boom, en viel in +slaap. Hy droomde dat-i in nood was en dat Femke hem redde. Toen-i +wakker werd, was 't volkomen nacht. Het kostte hem veel moeite zich +te bezinnen wat er gebeurd en hoe hy daar gekomen was. Maar helaas, +hy voelde zich wel genoodzaakt het gebeurde voor inderdaad geschied te +houden, en z'n verdriet weer aanteknoopen waar 't eenige uren geleden +was afgebroken door den slaap. Toch was de daartusschen liggende droom +te levendig geweest om daarop geen acht te slaan, en by gebrek aan +beter dwong hy zich dien optevatten als 'n wenk. Hy besloot dus naar +Amsterdam te gaan en zich onder Femke's hoede te stellen. Al zag hy +niet in hoe zy hem van dienst wezen kon, 't zou hem reeds verluchten +indien hy iemand kon deelgenoot maken van z'n verdriet. En de schaamte +die hem pynigde omdat-i haar zoo lang had verwaarloosd... zeker, +dit maakte den stap niet gemakkelyk. Want hy voelde zeer goed dat-i +zich haar onwaardig had gemaakt, en kon het denkbeeld niet van zich +stooten dat zy dit wist. Ach, mocht hy den dag van vandaag, en dien van +gisteren... neen, de vier, vyf laatste maanden kunnen overleven! Zyn +nu verwaarloosd gemoed zou daarby wèlvaren, en Hersilia's parasol ook. + +Na lang zoeken en dwalen bevond hy zich op den weg dien hy den +namiddag van den vorigen dag was langsgekomen in 't achterbakje van +de britschka. Reeds toen was-i niet tevreden. En nu! Naar Femke, +naar Femke! riep hy, alsof 't meisjen 'n toovergodin was die maar te +bevelen had om verandering te brengen in z'n verdrietigen toestand. En +ongegrond was Wouter's vertrouwen eigenlyk niet, schoon hyzelf daarvan +zeker geen reden geven kon. Femke's eenvoudige kalmte--uitvloeisel der +harmonie van haar gaven, inborst, ontwikkeling en begeerten--maakten +haar inderdaad tot 'n goede raadsvrouw. Zeer vermoeid kwam Wouter tegen +den morgenstond by haar huisjen aan. Hier wachtte hem 'n zonderlinge +verrassing... o, die ondeugende Fancy! + + + +De buitenblinden waren gesloten, wat Wouter niet verwonderde daar het +nog zeer vroeg was. Maar wel was z'n verbazing groot, toen hy bemerkte +dat de deur áánstond. Zou die den geheelen nacht open geweest zyn? Was +Vrouw Claus zoo vroeg reeds uitgegaan? Of misschien Femke-zelf? Helaas, +zou ze dáár wezen? Moed om 't meisjen optezoeken by de Holsma's, +had-i niet. Hy was beschaamd voor die familie, en bovendien, +hy durfde de stad niet in, om die gekke jas! Zeer waarschynlyk +had juist de afkeer om zich in de straten te vertoonen, hem 't +denkbeeld ingegeven hulp of raad by Femke te zoeken, of wel--indien +ze hem noch het een noch het ander verschaffen kon, gelyk immers +te voorzien was--haar tot vertrouwelinge van z'n kommer te maken, +om wat troost. Zeker zoud-i niet tot dit besluit gekomen zyn als 't +meisjen in de stad gewoond had, en niet op 'n buitensingel waar ze +bereikt worden kon zonder 'n spitsroedengang tusschen de reien van +'t straatpubliek. By 't opsporen van de oorzaken onzer handelingen, +moeten we niet zelden afdalen tot het nietigste. Wouter wist niet dat +er verband was tusschen liefde en stryd, en al ware hy in dit opzicht +minder onkundig geweest, dan nog blyft het de vraag of-i lust zou +gevoeld hebben zich in z'n allerzonderlingst kostuum te vertoonen +aan de uitverkorene van z'n hart. Bovendien, nooit had hyzelf zich +rekenschap van z'n verhouding tot Femke gegeven. Nog altyd dobberden +z'n aandoeningen op die grens die 't kind overschryden moet om mensch +te worden, en 't was meer de ontwakende behoefte aan liefde die hem +vervulde, dan de liefde-zelf. Wouter was niet veel meer dan 'n jongen, +en wanneer-i met wat meer juistheid z'n standpuntje begrepen had, +zoud-i ontheven zyn geweest van 'n groot deel der schaamte over z'n +bespottelyke uitrusting. Wel beschouwd kwam 't er nog drommels weinig +op aan, hoe hy er uitzag. Maar hy was alweer niet jong genoeg ook, om +onbewust de voordeelen van z'n onbeduidendheid te genieten. Hoe dit zy, +de nood perste, en hy voelde instinktmatig behoefte aan 't ontmoeten +van iets liefs, iets vriendelyks, na al 't leelyke waarmee men hem +sedert zoo langen tyd oververzadigd had. Toch wist-i zeer goed dat +Femke niet bymachte wezen zou hem zyn kleeren terug te bezorgen, +noch de verhouding tot die gevreesde patroons in orde te brengen, +noch hem te verzoenen met z'n moeder die woedend wezen zou als ze +te weten kwam dat-i onfatsoenlyk was geweest, parasols gebroken, +en fortuinen met voeten geschopt had. Neen, neen, Femke zou hem niet +kunnen helpen! Byna begon hy te wenschen dat-i niet dáár was. + +Maar Vrouw Claus dan? Evenmin! In-godsnaam, als-i zich dan maar +'n oogenblik in haar huisje mocht neerzetten, haar z'n nood klagen, +en... 'n dikken boteram eten. Dàt zou hem de kracht geven om afscheid +van 't leven te nemen. Hy wou wel sterven, heel graag zelfs, als-i maar +niet zoo'n honger gehad had! Dááraan eerst 'n eind gemaakt, en dan... + +Juist wilde hy de deur openstooten en binnengaan, toen z'n aandacht +werd getrokken door 'n luid gelach. Het kwam van verre. Over 't +bleekveld heen, den weg op, zag Wouter twee gestalten die hem schenen +te naderen. Met begeerigheid elk voorwendsel aangrypend om 't gevreesd +binnentreden uittestellen, staarde hy zoo scherp mogelyk op de beide +personen die in luidruchtig gesprek schenen. Van-lieverlede werden de +omtrekken duidelyker. De een scheen 'n jong zeeman en de ander... myn +God, was dat Femke niet? Wouter keek zich blind, en moest telkens +de oogen uitwisschen om opnieuw... ze wàs het! En de ander? 't +Was wel waarlyk 'n matroos: wie anders draagt zoo'n gelakt-leeren +hoed? Van-tyd tot-tyd kaatsten daarop de nog horizontale zonnestralen +in schitterend goud af, zoodat Wouter de oogen sluiten moest als ze +door dien glans getroffen werden. Maar, ze weer opslaande, kon hy zich +niet troosten met onzekerheid. Femke liep daar in den zeer vroegen +morgen--byna was 't nacht nog--met 'n matroos! Ach, Wouter zou minder +tydmeterig-fatsoenlyk met z'n aandoeningen hebben omgegaan, wanneer +de begrooting van de heeren Ouwetyd & Kopperlith vyf-en-twintig gulden +'s jaars had kunnen dragen aan busrecht! + +Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouter's meening, +met 'n matroos! Een oogenblik lang vlood alle herinnering aan 't +gebeurde en aan de oorzaken die hem daar brachten, op den achtergrond, +om slechts plaats te maken voor yverzucht, vreeselyke yverzucht. De +arme jongen had 'n gevoel alsof hem 'n gloeiende dolk in 't hart +werd gestoken. Z'n knieën knikten, en als wezenloos viel hy tegen +den post van de deur aan. Maar jalouzie is de minst kleinzeerige +van alle kwalen: ze houdt van pyn. Wouter sloeg geen oog af van 't +schouwspel dat hem zoo wondde en hoe langer hoe smartelyker aandeed, +want de blykbare vertrouwelykheid tusschen de beide jongelieden +was groot. Gedurende hun wandeling gaven ze elkander de hand, of +liever 't scheen dat ze hun pinken ineenhaakten. Dit kon worden +opgemaakt uit 'n eigenaardig gelykmatig slingeren van den linkerarm +der persoon die rechts liep, en van den rechterarm der andere. Het +gesprek was luidruchtig en zelfs van sarrende vroolykheid. Vooral +het meisje joelde en schaterde, en hierdoor voelde Wouter zich als +vernietigd. Het baatte niet of-i zich al vóórzei dat ze hem niets +schuldig was, dat hy geen recht op haar had, en dat ze... god in +den hemel, moest het nog erger worden? Daar liet zy de hand van den +jongeling los, en viel hem om den hals, en 't duurde wel 'n eeuw, +vond Wouter, of 'n uur, of zooiets, maar 'n zéér langen tyd in allen +geval. In al de romans die hy gelezen had, werd de aandoening die hy +onderging omschreven met de woorden: "onze held stierf duizend dooden" +maar hy had waarlyk geen afgezaagde boekenfraze noodig om te voelen +wat-i leed. Na de omhelzing hervatte het dartele paar de wandeling +op den weg, en naderde, telkens omkeerend, nu en dan het huisje, +waarop dan ook eenige malen door 't meisje gewezen werd alsof ze +daarover iets aan haar vrindje te vertellen had. Wouter spande zich +in om iets van hun gesprek te verstaan, maar 't lukte niet. Als +om hem 't begrypen onmogelyk te maken, keerden zy zich telkens +om als-i juist op 't punt meende te zyn eenig gevolg verzekerd te +zien aan z'n onbescheidenheid, en dan slenterden ze weer den weg +naar de Aschpoort op. De arme jongen meende te droomen, want zelfs +'t niet verstaan van wat er gezegd werd, bracht het zyne tot z'n +verbazing by. Telkens meende hy eenige klanken duidelyk genoeg +te hebben opgevangen om te begrypen wat-i hoorde, en toch wou dit +maar niet het geval worden. Hy wreef zich de ooren alsof daarover +'n vlies gespannen was, doch zonder baat. En, wanneer 't paartje +weer wat verder-af was, hoorde hy slechts 't geschater. Er ontbrak +maar aan dat ze daar gingen dansen op den publieken weg. Waarachtig, +'t scheelde niet veel! Het uitgelaten meisje pakte 'n paar malen den +jonkman, die iets bedaarder bleek dan zy, by den arm, en zwaaide hem +om zich heen. Daarop volgde dan weer luid gejuich en gesnap... er was +geen eind aan! Ja toch, eindelyk bleven ze staan en schenen afscheid +te nemen. Er werd hartelyk gekust, de jongeling verwyderde zich, en 't +meisje sloeg met bedaarder tred, den weg naar 't huisjen in. Eens nog +stond ze stil, wuifde met 'n doek, en ontving haar groet behoorlyk van +'t zeemannetje terug, die driemaal met z'n hoed zwaaide. Voor evenwel +'t meisje genoeg genaderd was om Wouter met kennis te zien, liep deze +woedend heen, en wou... en zou... ja, wat? Na eenig heen-en-weer +zwerven, waarby hem z'n onbehagelyke kleeding zeer ergerde, vooral +omdat het getal der voorbygangers aangroeide, niet zonder verdriet +ook over den honger dien-i zich toedichtte om 'n afleider te hebben +van z'n velerlei wanhopen... kortom, 'n half uur daarna stond-i +weer voor 't huisje van Vrouw Claus, en ditmaal trad hy binnen. De +tafel droeg toebereidselen tot 'n flink ontbyt--goddank!--maar hy +zag niemand. Uit het kamertje waar-i eens zoo heerlyk geslapen had, +klonk 'n stem--'n lieve heldere jonkvrouwelyke stem toch!--die hem +begroette met 'n soldatesk: werda! Wouter antwoordde niet, of byna +niet, want het onnoozele "ik" dat-i zeer verwonderd uit-piepte, +mag geen naam hebben. Hoe drommel kon-i voorbereid wezen op zoo'n +militaire ontvangst? Gelukkig dat zich hierop Vrouw Claus vertoonde, +die hem wat burgerlyker toesprak. + +--Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo lang +weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... ik +kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je. + +Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: "dat is nou +'t jongetje van 't paard, weetje?" Hierop volgde iets als teruggehouden +lachen en daarop 'n doodelyke stilte. Wouter wist alweer niet hoe hy +'t had. Na eenig wachten waagde hy 't even in de kamer te gluren, +waaruit men hem zoo geheimzinnig had toegeroepen. Vrouw Claus, +dacht-i, zou nu toch wel met haar toilet gereed zyn. Nu, dit was zoo, +maar in de kamer was niemand. Moeder en dochter waren zeker op 't erf +by de bekende pomp. Een oogenblik daarna keerde Vrouw Claus terug, +en noodigde op haar gewone vriendelyke manier Wouter op 't ontbyt. + +--Asjeblieft, juffrouw. Maar wil u me asjeblieft zeggen waarom Femke +niet komt? + +--Fem? Jawel, o jawel, die zal wel komen. Of misschien komt ze niet, +want ze staat te wasschen. Zoo zal ik nu maar zeggen, weetje? Weetje +wat jy doet? Eet 'n boteram, jongen, en hier is koffi. En zeg me nu +eens gauw hoe 't met je moeder gaat? Die is immers ziek geweest? Ja, +'n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas op. + +--M'n moeder is heel wel, maar... + +--En jy? Heb je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... neen, neen, +neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op 'n paard gezeten. Hoe kan +ik zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, 'n mensch z'n hoofd +loopt wel 'reis om. En is moeder weer heelemaal in orde. Wel, dat's +best. Als ze nu maar oppast niet weer ziek te worden. Was 't koorts, +of wat was het? + +--M'n moeder is heel wel, juffrouw, maar ikzelf ben 'n beetje... + +--Ben jy ziek? Wat mankeert je? Maar... gut, jongen, wat heb je daar +'n gekke jas aan je lyf. Hoe kom je daaraan? + +--Ja, dat komt... dat is... ik moet... ik wilde... + +Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van z'n +stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van alle +kanten te bekyken. + +--Ajakkes, jongen, wat schikt jou moeder je raar op! Je lykt wel 'n +sjouwerman, neen... ik weet niet wat je wel lykt! Je broekie is netjes, +dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, maar die jas! En +wat zit je vol stof. Waar heb je gezeten, jongen? Waar ben je geweest? + +Toen de goede vrouw zich bukte om 't stof van z'n schoenen te slaan, +kreeg ze tot overmaat van ergernis, Wouter's hoed in 't oog, dien-i by +'t plaatsnemen had verstopt onder z'n stoel. + +--Heeremensch, wat 'n hoed! Ik geloof dat je mal bent, jongen! En, +nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best! Och, och, vroeger +was je zoo'n lief jongetje, en op dat paard... o neen, op 'n paard +heb je nooit gezeten, maar toch, je zag 'r vroeger aardig uit. En +nu? 't Is 'n ware schand zooals je moeder je toetakelt! + +--Moeder kan 't waarlyk niet helpen! Ik zal u alles vertellen, +juffrouw. + +--Wàt? Kan je moeder niet helpen dat jy voor spot loopt? Ik zeg je dat +het schande-n-is, 'n ware schande, ja... 'n schandaal! Hoor eens, ik +ben maar 'n waschvrouw, en dat wil ik blyyen ook, al zouden ze... nu, +dit gaat jou niet aan, maar ik verzeker je dat ik me schamen zou, +schamen, ja schamen, hoorje! + +--M'n moeder weet het niet... + +--Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar is ze +dan moeder voor? + +--Neen, juffrouw, maar... + +--Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil 't niet wezen. + +--Och, Vrouw Claus, m'n moeder weet er niets van. Ik kom van Haarlem, +en... + +--Van Haarlem? Wat deed je dáár? En moet je 'r daarom zoo verpieterd +uitzien? Als Fem hier was, zou ze... + +--Is ze dan niet hier, vroeg Wouter haastig, is Femke niet hier? En +ik heb 'r gezien! + +De beurt om verlegen te worden, was aan Vrouw Claus. Ze antwoordde met +'n zonderling gerekt "ja" dat heel best kon gelden voor 'n ontkenning. + +--Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier eigenlyk +niet. Je moet denken, ze is dikwyls uit, en by m'n nicht op den +Kolveniersburgwal ook, en ze brengt waschgoed weg... och, ze heeft +allerlei te doen, en weetje wat jy doet, jongen? Eet jy nog 'n boteram +of twee, want als je heel van Haarlem komt... onze Fem is aan de +wasch, weetje, en als ze gehinderd wordt in haar werk... jeesis-maria, +wat lieg ik! + +Met dezen kreet op de lippen stoof Vrouw Claus de kamer uit, en 't +achtervertrekjen in. Het scheen wel dat ook zy wat te verbergen had, +want Wouter bemerkte tot z'n verbazing dat zy de deur achter zich +sloot, alsof ze bevreesd was dat-i haar volgen zou. Een oogenblik +lang meende hy 'n onderdrukt lachen te hooren, maar weldra werd +het in de kamer naast hem volkomen stil. Zeker was Vrouw Claus op +haar erfje by de pomp gegaan, om daar aan Femke te vertellen hoe +bespottelyk hy was opgetooid. Hy begon zich optedringen dat de in 't +oog vallend zonderlinge houding der moeder, inverband stond met dat +al te vroegtydig bezoek van den matroos. Zeker giste Vrouw Claus dat +hy daarvan iets bemerkt had, en ze wist niet hoe ze dat voor de eer +van haar huisje zou goedpraten. Zoo wàs het! Weinige maanden geleden +nog, zou Wouter zeker niet op zulke gedachten gekomen zyn. Maar +z'n wereldwysheid was aan 't groeien, en wel als naar gewoonte den +verkeerden kant uit. Wat de kans op juist-raden aangaat, had-i beter +gedaan zich te houden aan z'n kinderlykheid, want de wysheid van deze +wereld is dwaasheid by Fancy. + +Wouter bleef niet zeer lang met z'n boterammen alleen. De buitendeur +werd opengesloten, en een man die blykbaar zoo-even was komen aanryden +met 'n handkar waarop 'n koffer geplaatst was, vroeg of-i te-recht +was by Vrouw Claus? Er bleek dat deze 't voertuig had zien aankomen, +en tevens dat zy de bestemming daarvan kende, want voor nog Wouter +tyd had gehad iets te vernemen van de herkomst--sommigen beweren +dat-i grooten lust had er naar te vragen--kwam de goede oude vrouw +haastig aanloopen. Ze stuwde Wouter op-zy, toen-i met z'n gewone +dienstvaardigheid behulpzaam wezen wou in 't afladen, en droeg met den +kruier 't vry zware voorwerp dat haar gebracht werd, het huisjen in, +en met één vaart naar de achterkamer door. Indien 't haar plan was, +den naam des afzenders voor Wouter geheim te houden--en zoo scheen +'t wel--liep ze gevaar hierin te worden teleurgesteld door den kruier +die op haar vraag naar 't bedrag van 't veerloon, ten antwoord gaf dat +de vracht voldaan was door de heeren... sakkerloot, Wouter verstond +den naam niet! Na 't vertrek van den man met de handkar voelde hy zich +verlegen omdat hem maar al te duidelyk gebleken was dat er iets voor +hem verborgen werd. Hy wilde dus niets liever dan vertrekken, maar +werd weerhouden door Vrouw Claus die hem op-nieuw 'n stoel aanwees. + +--Ze zegt... ik wil maar zeggen dat ik nu graag eens precies weten wou +waarom je 'r zoo mal uitziet, en wat je toch in 's heere-menschen-naam +te Haarlem hebt uitgevoerd? Zeg, jongen, wat deed je te Haarlem, en +waarom heb je zoo'n schandaligen hoed op? En die jas? Vertel me nu eens +alles precies, net of ik je moeder was. Want ze wil alles weten ... + +--Femke? vroeg Wouter. + +--Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. Heeremensch, +wat verveelt me dat liegen...ah! + +Deze uitroep gold pater Jansen, die z'n goedig gezicht aan de deur +vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat bejaard +kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest op +'n ontstemd gemoed. + +--Wel, dat 's goed, pater! Ga zitten, en eet 'n stuk. Heb je-n-'n +zieke-n-in de buurt. + +--Dat ook. Maar ik kom 'ns hooren of ze 't gedaan heeft? + +--Ja zeker! Maar... dat jongetje weet er niets van. We praten er dus +maar niet over voor-i weg is. + +Natuurlyk alweer wilde Wouter, zich hoorende uitmaken voor zoo storend, +z'n bezoek afbreken. Maar Vrouw Claus liet het niet toe. + +--Neen, mannetje, jy blyft nog wat. Net goed dat pater 't hoort wat +je hebt uitgevoerd. Kyk 't kind er 'ns disselaat uitzien, pater! + +De goede pastoor bekeek Wouter van onder tot boven, maar hy was nu +juist de rechte man niet om den snit van 'n jas te-beoordeelen, en +toonde dus minder verontwaardiging dan volgens Vrouw Claus behoorlyk +zou geweest zyn. + +--Nu, pater, jy weet dat zoo niet, maar hy is 'n fatsoenlyk mans kind, +en ziet er uit als 'n schooier uit de polders. En hy is te Haarlem +geweest zonder dat z'n moeder er van weet. Maar vertel dan toch, +jongen, wat je gedaan hebt! Wel ja, niet waar, dan weet pater 't ook! + +Wouter begon z'n relaas hakkelend en verward, en sprak nog veel +slechter dan over 't algemeen de hollandsche gewoonte is, 'n fout +die vergeeflyk voorkomt omdat ze in zekeren zin 't gevolg is van den +rykdom der taal. Och, niet dáárop kon zich de jongen ter verschooning +van z'n gebrabbel beroepen. Behalve de schaamte die hem beheerschte, +hinderde hem zekere onzekerheid omtrent het bevattingsvermogen +van z'n hoorders, 'n twyfel die Demosthenessen en Ciceroos zou +stom gemaakt hebben. Hierdoor werd hy vooral belemmerd wanneer-i +ter verklaring van z'n vreemd gedrag, oorzaken wou uitleggen die +hemzelf niet zeer duidelyk waren. 't Is waar ook, waaròm toch voelde +hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig "thuis" in 't wereldje +dat hem omgaf? De wrevel in byzondere gevallen--over de minachting, +byv. waarmee de opgeblazen Hersilia hem behandeld had--was gemakkelyker +te verklaren, en dit deed-i dan ook zoo goed hy kon. + +--Als 't kind van de kerk was, zou ik zeggen dat je hem eens +onderhanden moest nemen, zei Vrouw Claus tot den pater. En, zieje, +'t is niet om 't verkwanselen van z'n kleeren alleen, en ook niet om +dien perresol, maar z'n gezicht bevalt me-n-ook niet. Zeg jyzelf nu +eens, pater, of-i er niet verpieterd uitziet? Nu, we zullen zien wat +er aan te doen is. + +Dit gezegd hebbende, stond zy op en begaf zich naar 't achterkamertje, +alsof daar de geneesmiddelen voor Wouter's kwalen moesten gezocht +worden. En dit bleek eenige minuten later werkelyk 't geval te zyn. + +--Hoor eens, jongeheer, zei pater Jansen, wil je weten hoe ik over de +zaak denk? Ik vind dat je je kleeren moest zien weerom te krygen. Zie +je kans, 't huis van dien man terugtevinden? + +Wouter vertoonde het adreskaartje van den menschenvriend die hem +zoo edelmoedig behulpzaam geweest was in 't uit- en aankleeden. Hy +maakte de opmerking dat er tot het lossen van de verkochte stukken +geld noodig wezen zou, véél geld, en dat juist dit bezwaar... + +--Geld heb ik ook niet veel, zei de goede man, maar als je wat wachten +kan, zal ik er om schryven naar Vucht, aan m'n broer die daar smid is, +en 't gaat 'm goed. En 'n herberg houdt-i ook, en zondags wordt er by +hem gedanst... nou! Na kerktyd, weetje? Dàt moet je zien, vooral als +'t kermis is. Een pret... je leven zoo niet! + +De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteren, gelyk men +ziet. Of liever, 't waren geen preeken, en misschien zelfs was z'n +taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en kermishouden +zonder afschuw, 'n byzonderheid waarin de scherpzinnige lezers een +der oorzaken zullen ontdekken, waarom de goede pater nooit lid van +'n gemeenteraad geworden is. In zulke kollegien heeft men leden van +eigenaardige bravigheid noodig. Och, Jansen was zoo braaf niet! Hy +preekte niet, en sprak niet over zedelykhedens. Ternauwernood roerde +hy zulke dingen aan, als 't zyn beurt was alleen te praten in de kerk, +wat hem moeielyk genoeg viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had +zich aantestellen alsof-i beter was en meer wist dan 'n ander. Voor +schryver zou hy in 't geheel niet gedeugd hebben. Hy was goed in den +uitgestrektsten zin van 't woord, tenzy men het toekennen van deze +hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads +te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon +nu eenmaal met pater Jansen 't geval niet wezen omdat hy niet wist +wat kwaad was. Toch, of juist daarom misschien, wekte z'n voorkomen, +z'n manier van spreken en vooral, waar 't noodig was, z'n handelwys, +in zeer hooge maat tot deugd op. Maar ook dit was hemzelf geheel +onbewust, 'n onkunde die hem bewaarde voor de nederigheid waarop hy +in dat geval zich misschien zou hebben toegelegd, en die z'n overigens +zoo volkomen ongekunsteld karakter zou ontsierd hebben. + +Hy verhaalde nog een-en-ander van z'n dorp, en Wouter die behoefte +voelde aan afleiding, luisterde met meer belangstelling dan de zaakjes +die pater Jansen meedeelde, waard waren. Het was de gemoedelyke, +zachte, onhartstochtelyke toon die hem goeddeed, en telkens betrapte hy +zich op de verzuchting: "och, was ik maar te Vucht by dien smid!" De +herberg en 't dansen hoefde er niet eens by om naar zoo'n heerlyk +land te verlangen. + +--Je moet 'm zien staan in z'n travalje, zei de pastoor. Klik, +klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En z'n mouwen +opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, zoo'n smid werkt +in z'n hemdsmouwen. + +Wouter voelde neiging z'n pronkjas uittetrekken, en aan 't smeden te +gaan. Wat zoo'n smid toch 'n gelukkig mensch is, en hy... + +--Och, m'nheer, ik zit zoo verlegen! Ik durf waarlyk niet thuis komen +met dit vervloekte ding aan m'n lyf. + +--O, we moeten niet vloeken. Zoo'n jas heeft er geen weet van of-i +mooi of leelyk is, moet je denken. Ja, de man zal zeker veel geld +willen hebben, want van z'n winst moet-i leven, zieje, en zulke +menschen hebben altyd groote huishoudens. Heb je misschien kennis aan +'n horlogemaker? + +--Neen, stamelde Wouter. + +--Misschien weet Vrouw Claus wel waar we wezen moeten, zei de pater, +terwyl-i 'n ouwerwetsch zilveren horloge uithaalde. Maar 't is niet +best van loop... als we maar wisten wie 't koopen wou! Waarom huilje? + +Inderdaad, de tranen liepen Wouter over de wangen. + +--O neen, neen, dàt niet, m'nheer, dat kan niet! + +--Ik zal er weinig weet van hebben, want dikwyls staat-i stil. 't +Is heel lastig, 'n horloge dat niet goed gaat, maar 't is van m'n +vader, en daarom... och, ik hecht er niemendal aan, want ik heb genoeg +andere dingen van hem, die ik bewaar als goud, dat begryp je wel! Als +je-n-'ns by me komt, zal je 't zien. 't Briefje van z'n eerste kommunie +hangt boven den schoorsteen. Hy was ook 'n smid, en nog veel sterker +dan m'n broer... zooals ze zeggen, want gekend heb ik den man niet, +omdat ik pas 'n jaar oud was toen-i stierf. Als we nu maar wisten wie +'t koopen wou! + +De goede man woog 't horloge op de hand. + +--Dat zal niet gebeuren, pater, riep Vrouw Claus, die weer +binnentredend, de laatste woorden verstaan, en terstond begrepen +had wat er mee bedoeld werd. Dàt zal niet gebeuren, en 't is niet +noodig ook, ging ze voort, 'n papiertje waarin geld gewikkeld scheen, +omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was dat zoo niet, +dan zou ikzelf nog wel raad weten voor 'n dukaton of tien. Hoor eens, +jongeheer, kyk me-n-eens goed aan... ja, pater, 't moet er nu maar +uit, ze zegt het zelf, en dat gedraai en gemaal verveelt me danig. +Zeg, jongen, kan je zwygen? + +--Ja, zei Wouter, en hy sprak de waarheid. + +--Nu dan, Fem is niet hier, en 't meiske dat je zeker gezien hebt op +den weg... ja, aan je oogen zie ik dat je 'r gezien hebt... + +'t Is waar dat Wouter 'n eigenaardig gezicht zette by 't ontwaren van +wat kans op opheldering over de vreemde vertooning van dien ochtend. + +... ja, ja, ik begryp heel goed dat je 'r naar gekeken hebt! Nu, dat +was onze Fem niet, jongen! Dat is, om 't nu maar zoo eens uittedrukken, +'n juffer die--hoe zal ik zeggen, pater? Want de pater weet er van, +dat begryp je wel, anders deed ik 't niet!--dat is 'n juffer die van +staat veranderen wil. + +--Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O God, +o God, ik wist het wel! + +--Hè? Hoe kon jy dat weten, jongen? Wat weet je? Niks! + +--Prinses Erika! Heeft ze niet naar me gevraagd! O, zeg, of ze niet +naar me gevraagd heeft? + +--'t Is 'n juffer die van staat verandert, zeg ik je, en die by my +'t wasschen leeren wil. Maar ze wil 't niet weten voor de menschen +en voor 'r familie, en daarom laat ze je verzoeken, nooit 'n woord +over haar te spreken. Ze zei me dat je woord houden zou als je 't +beloofde. Je schynt iets met 'r gehad te hebben... + +--Ja, o ja, riep Wouter. + +--Men moet altyd z'n woord houden, zei pater Jansen. + +--Dus je belooft het? vroeg Vrouw Claus. + +--Ja, by God! riep Wouter. + +--Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, die +als 'n eed opnam wat in Wouter's mond slechts 'n romanfraze was, +al meende hy 't dan even goed alsof-i eenvoudig "ja" gezegd had. Hy +'n dame verraden, en háár nogal! + +--Nu, goed dan, vervolgde Vrouw Claus, ik heb haar verteld wat je +op die buitenplaats en te Haarlem hebt uitgevoerd, en ze zegt dat er +geen kwaad by is, als je nu maar precies doet wat ik je zeggen zal. + +--O, alles, alles! + +--Kyk, hier is geld voor je kleertjes--steek je horloge gerust weer in +je zak, pater--maar ze zegt dat het eerst gewisseld moet worden. Gut, +pater, als de jongen 't nu maar niet weer verdoet! + +--Je moet het vooral niet verdoen, jongeheer. Ik ken die munt wel. We +hebben er eens precies zoo een in 't zakje gehad... verleden, weetje, +toen er zooveel vreemde heeren in de stad waren. + +'t Waren gouden friedrichs, en wel vyf in getal. Vrouw Claus zei +dat het meisje meer had willen geven, maar dat ze haar hiervan had +teruggehouden uit vrees voor 't "verdoen." Die glinsterende stukken +herinnerden Wouter aan de gemakkelykheid waarmee de schipper met +den bonten muts zich gezag had weten te verschaffen in die kroeg +op de Botermarkt. Er ging hem 'n lichtjen op, waarvan-i gebruik +maakte om 'n schrede voorwaarts te doen op 't gebied van munt- en +menschenkennis. Maar tyd om zich te verdiepen in de aandoeningen van +dien vreeselyken en toch zoo heerlyken nacht, had-i niet. "Ze noemde +my broeder..." begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z'n gedachten +afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze voortzette, want +ook zy sprak van 'n broeder, schoon men erkennen moest dat het woord +in haar mond wat minder voornaam en boekerig klonk. + +Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z'n trekken haar byzonder +belang inboezemden. + +--Ja, gut, jy zag er vroeger ook lief uit, maar nu niet meer, als +ik je nu eens de gulle waarheid zeggen zal. 't Was misschien voor +jou ook wel 'reis goed als ie 't zeegat uitging--want, pater, hy wil +naar zee... haar broer, meen ik--je ziet erg bleek, jongen, wat zeg +jy, pater? Zoo'n kind versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef +Holsma zei 't ook. Maar nu dat geld, weetje waar 't gewisseld worden +kan? En zal je 't niet verdoen? + +--Neen, juffrouw, zeker niet! Maar... + +--'t Is waar ook, je durft met die malle plunje de stad niet in. Dat +zal toch moeten! En heel naar Haarlem dan, hoe zou je dàt maken? + +--Als ik van dienst wezen kan, zei pater Jansen. + +--Wel, pater, als je met den jongen meeging? + +--Dat wil ik wel doen, antwoordde de goede man, als we maar weten +waar we wezen moeten. + +Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in één ding zich diligent +toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer 't adreskaartje voor +den dag. Pater Jansen verzekerde dat de zaak nu heel makkelyk kon +geschikt worden, en er werd afgesproken dat Wouter hem naar z'n woning +vergezellen zou om daar te wachten tot het geld gewisseld was. Dan +zouden ze tezamen naar Haarlem gaan. + +--Ja, maar dan je moeder nog, en die heeren van de buitenplaats? Ze +heeft gezegd... wacht even, pater. Ik denk dat ze nu wel klaar wezen +zal, want ze wou 'n brief schryven. + +Inderdaad, de juffer die van staat veranderen wou, was aan 't +schryven geweest. Althans Vrouw Claus die zich 'n oogenblik naar +'t achterkamertje verwyderd had, kwam met 'n briefjen in de hand terug. + +--Ze zegt dat je dit bezorgen moet als je van Haarlem terugkomt, maar +eerst moet je by Neef Holsma gaan, en hem alles precies vertellen. En +nu, gaat heen, allebei. Ik heb 'n drukte, je leven zoo niet! En dat +vreemde kind... lief en goed is ze, dat moet ik zeggen Maar, zieje, +ze heeft nooit 'n hand uitgestoken. 't Is onze Fem niet, moet je +denken. Dus, mannetje, je gaat met pater naar Haarlem, en dàn dat +briefje... neen, eerst by Neef Holsma, en daar vertel je alles, +en nu, goeien dag! Pater, pas op 't verdoen, want de jongen steekt +vol rarigheid. + +De beide bezoekers verlieten 't huisje. Wouter bezag met +begrypelyke nieuwsgierigheid het adres. Het was de naam van 'n +zeer bekende koopmansfirma, van "'n huis op Archangel" zouden z'n +postkantoorvrindjes gezegd hebben, en de pater scheen dit best te +begrypen: "want, zeid-i, voor ze van staat veranderde, is ze veel in +Rusland geweest." Hy noodigde Wouter vriendelyk uit, aan z'n rechterzy +te gaan, en begon ter opheldering van dit verzoek zeker voorval uit z'n +jeugd meetedeelen, waarmee hy evenwel op verre na niet gereed was toen +ze zyn woning bereikt hadden. Hier nam 't gesprek 'n andere wending, +zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen weten +waarom pater Jansen zoo doof was aan z'n linkeroor. + + + + + + + + 't Ware, echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol + rammelend gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een + stuk nederlandschen volksroem uit de 17e eeuw, afhankelyk gemaakt + van de vraag of pater Jansen en Wouter in dit hoofdstuk Haarlem + bereiken? Ik geloof het niet, maar de zaak kan meevallen. + + +Het spyt me, lezer, dat ik niet weet of ge ooit 'n protestantsch +jongetje geweest zyt, en in die verheven hoedanigheid bezoeken hebt +afgelegd by 'n katholiek priester? Zoo neen, dan zal 't me moeielyk +vallen, u duidelyk te maken wat er in Wouter omging toen hy met den +pater by de kerk was aangekomen, waarnaast of waarachter de goede man +z'n verblyf hield. 't Was in 'n achterbuurt, en wie niet wist dat daar +'n kerk was, zou 't waarlyk niet geraden hebben. [26] + +In den kring der Pietersens rilt men by de gedachte aan zoo'n +buitensporigheid, maar er zal 'n tyd komen dat 'n schryver +moeite hebben zal z'n lezers duidelyk te maken waaruit die afkeer +voortvloeit. Ook Wouter begreep niet recht wàt hem beheerschte, maar +zeker is 't dat hy iets als beklemdheid voelde toen pater Jansen voor +'t onaanzienlyk huis stilhield "waar z'n kerk was" naar-i zeide. + +--En hier is de ingang naar myn woning, vervolgde hy, 'n deur +openende die den toegang afsloot naar 'n lange smalle gang naast het +hoofdgebouw. Ik woon best, jongeheer, dat zal je zien. Maar zou je +nu niet eerst naar de Kolveniersburgwal gaan? + +Met 'n blik op z'n kleeding smeekte Wouter om genade. + +--Liever als we van Haarlem zyn teruggekomen, m'nheer! Heusch, dan +zal ik terstond gaan, maar nu... + +--Zou je denken dat 'n jas van my... + +--Neen, neen, o neen, riep Wouter haastig, dat zal niet gaan, m'nheer! + +Zeker 't mankeerde nog maar aan de zonderlinge toestanden waarin hy +zich telkens geplaatst zag, dat-i de Holsma's ging bezoeken in de +jurk van 'n pastoor! + +--Nu, wacht dan maar by my tot ik geld gewisseld heb, en dan samen +op reis! Ik doe 't met pleizier, want ik ben lang niet te Haarlem +geweest. Houd je van halletjes? + +De goede man geleidde Wouter in z'n woning die uit 'n paar kamertjes +bestond, welke door 'n somber binnenplaatsje van den achterkant dier +kerk gescheiden waren. + +--Kyk, zeide hy, wat ik hier best woon! Zou je wel gelooven dat ik niet +ruilen wil met 'n bisschop? En gemakkelyk... nergens zoo! Soms ontvang +ik hier aanzienlyke menschen--verleden week nog 'n advokaat--en ze +zyn allemaal jaloersch op m'n woning, en... op 't gemak, zieje. Want +als ik 's morgens opsta voor de vroegdienst--ja, ja, soms is 't nacht +nog!--kyk, zóó ben ik wakker en... wip, in de kerk! Verleden--maar +spreek er niet over--vond onze Styn... daar is ze juist, Wel, Styn, +ik ga naar Haarlem met dezen jongeheer. Wat zeg je daarvan? + +Styn zei er niets van dan: "gut, pater!" en 't was genoeg. Althans +hy drong niet op verder antwoord aan, en ging, tot Wouter sprekende, +voort: + +--Ze bedient me-n-al over de dertig jaar, my en pastoor Koens die +z'n kamers hiernaast heeft... 'n man van belang! Dien moet je leeren +kennen! Hy verstaat grieksch alsof 't niets was. Jy zeker niet, +hè? Nu, dat doet er niet toe. Maar verleden... wat wou ik je vertellen? + +--'t Was iets van Styntje, m'nheer, en dat de kerk zoo naby was. + +--'t Is gek in 'n mensen dat-i soms niet weet wat-i vertellen wou. Ja, +de kerk is vlak by, en als ik 's morgens opsta... kyk, nu weet ik +wat het was. Ik had gedroomd van Vucht en van de kermis, en werd wat +laat wakker, en sprong 't bed uit, en haastte me met kleeden, en wat +doe ik--maar ik wist 't niet, dat begryp je wel--ik vergeet een van +m'n kousen aantetrekken, een van m'n zwarte overkousen. Maar Styn +zag 't, want ze vond hem, en ze liep er me mee achterna, en ze riep: +"pater, pater!" en ik wist niet wat ze wou, maar toen hield ze de kous +omhoog, en toen wist ik het! Maar ik heb niet gelachen--omdat ik al +in de kerk was, en je begrypt... dat is 'n huis Gods--en ik ben hard +teruggeloopen, en toen schater-de-n-ik 't uit, en Styn ook. Maar in +de kerk heeft niemand het gezien, want het was donker, en... er was +nog geen mensch. + +Deze onnoozele vertelling stak alweer zeer vreemd af by Wouter's +hoogdravende begrippen over goddelyke zaken, en niet minder by de +indrukken die de klooster- en monniken-romantiek op z'n verbeelding +had nagelaten. Hy vertrouwde z'n ooren niet. Maar de goede pastoor +bemerkte niets van z'n verwondering, en verliet hem nadat-i hem den +raad had gegeven zich den tyd te korten met 'n paar boeken die hy +uit 'n wandkastje nam en op tafel legde. Maar aan tydkorting had +Wouter geen behoefte. Hy zag 't kamertje rond, en verbaasde zich +over de verregaande eenvoudigheid waarmee 't gemeubeld was. Een +metalen Christusbeeldje en 'n paar Heiligen-printjes maakten met +het eerste-kommuniebriefje van Jansen's vader, daarvan de eenige +versiering uit. Dit laatste hing achter glas in 'n lystje boven den +schoorsteenmantel. De tafel was van geverfd hout, en 'n viertal stoelen +met matten zittingen voltooiden de stoffeering, tenzy men de hortensia +en 'n paar maandrozen meerekene, die buiten 't opgeschoven raam in de +vensterbank stonden. Zelfs Wouter, die waarlyk niet aan weelde gewoon +was, stond verbaasd over de spaarzaamheid van zoo'n inrichting. Kort +voor de onverwachte expatriatie van den Weledelen Heer Motto had-i aan +de hand van Anna Radcliffe en konsorten 'n lange galery van roomsche +akeligheid doorloopen, waarin 't wemelde van overdaad op allerlei +gebied. De armste monnik had kasteelen te zyner beschikking--gewoonlyk +waren ze ontoegankelyk, en men moest al zeer goed den weg in +'t gebergte weten om ze te zien te krygen--kasteelen waarin +weerspannelingen levenslang begraven werden. Elk roomsch geestelyke +bezat zakken vol goud waarmee hy den geloovigen bandiet betaalde, die +de Kerk behulpzaam was in 't uit den weg ruimen van lastige personen, +van iemand, byv. die bybels en traktaatjes verspreidde, of geweigerd +had z'n bruid aftestaan aan 'n bisschop. Wat ter-wereld kon zoo'n +pater Jansen bewogen hebben zich R. C. priester te laten maken, +nu de emolumenten van 't beroep zoo armoedigjes bleken verschraald +te zyn? Of zou er misschien ergens... Wouter betastte den wand om +'n geheime deur te ontdekken, en verheugde zich over 't aanvankelyk +mislukken van z'n poging, omdat de ware geheimheid van zoo'n deur toch +eigenlyk hierin bestaat dat ze zich niet gemakkelyk vinden laat. Nu, +aan deze voorwaarde van geheimzinnigheid voldeden de toegangen tot +pater Jansen's verborgen schatten en martelkamers opperbest. Wel liep +er hier-en-daar 'n scheur door 't gebloemd papier waarmee de wand +bedekt was, maar de richting daarvan gaf te duidelyk getuigenis van +'n onwillekeurige breuk in 't metselwerk, dan dat daarby zou kunnen +gedacht worden aan de kunst waarmee romanschryvers van de bekende +soort groote lokalen weten te verbergen in 'n kleine ruimte. Bovendien: + +--Dáár zyn de kamers van den pastoor die zoo sterk is in 't grieksch, +redeneerde Wouter, en aan die andere zy hoor ik Styntje rammelen met +'r keukengereedschap. Aan den voorkant zyn de vensters, de hortensia, +de binnenplaats en de kerk, en hier... daar zou 't moeten wezen, +àls er iets was. Maar... + +Ik kan niet juist zeggen door welken gedachtenloop Wouter tot het +besluit kwam dat die vierde wand van de kamer niets geheimzinnigs +bedekken kon. Misschien bedacht hy dat er zeker aan die zyde wel buren +zouden wonen die niet betrokken konden zyn in romantiek. Maar op-eens +sloeg hy de oogen op den grond. Onder dien vloer was zeker plaats +genoeg voor prikkelende akeligheid. O ja, tot de tegenvoeters toe. God +weet hoeveel rammelend gebeente zich daar in zwygende eenzaamheid lag +aantekyken! Misschien ook dwaalden er nog levende slachtoffers van +inkwizitie en verliefde bisschoppen in die gewelven rond. Wie weet +of niet juist op dit oogenblik de schoone Isabella haren voorlaatsten +adem uitblaast. Daar knerste iets... + +Wouter hield den adem in. Ik weet waarachtig niet wat er knerste, +en geef den lezer in overweging te gelooven dat het geluid 'n +alleronschuldigste oorzaak had. + +...daar knerste iets. Zou er dan toch inderdaad onder die mat... + +In geen van de romans die Wouter gelezen had, waren die valluiken +met matten bedekt geweest. Dit kon de nieuwste manier wezen, en in +romantiek moet men op alles verdacht zyn. Wouter was volstrekt niet +van plan den goeden pater Jansen te verraden, als-i z'n geheimen zou +ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou niets liever dan deelnemen +aan al de schatten en kasteelen die er aan 't licht komen zouden, +zoodra hy zou afgedaald zyn in 't hol waar hem de schoone Isabella +zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel bevryd, en dan +met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend! Isabella-zelf +zou er schik in hebben, als ze maar eerst behoorlyk verlost was uit +dat gewelf. Maar... wàs er 'n gewelf? Wàs er 'n hol? Om zekerheid te +hebben, stampte Wouter met den voet... + +--Wou ie wat, jongeheer? vroeg Styntje die juist de kamer binnentrad, +en Wouter's grondig onderzoek niet best begreep. + +--Neen, o neen, juffrouw, volstrekt niet! antwoordde hy bedremmeld. 't +Is maar dat... dat ik... + +--Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis. + +--Dank u, dank u. 't Was maar dat ik... dat m'n voet slaapt. Dàt +was het! + +--Ja, niet waar, en dat prikkelt zoo. Ik heb 't ook wel eens +gehad. Maar 't gaat altyd weer over. Ik moet hier wezen, ziet u, +om paters Jézekie te schuren. + +En de goeie Styn nam 't Christusbeeldje van den wand, en poetste het en +wreef het dat het glom. De krucifix had waarlyk geen reden tot klagen +over verwaarloozing, al zou dan de oppervlakkige beoordeelaar meenen +dat Styntje wel wat ruw omging met het symbool van haar geloof. De +oorzaak van deze schynbare onverschilligheid lag in gewoonte, en in +afwezigheid van tegenstand. Wie kwaad van 't afgodsbeeldje gesproken +had, zou 't zeker by Styntje moeielyk te verantwoorden gekregen hebben, +maar nu hieraan niet gedacht werd, behandelde ze haar Jézekie met +niet meer omslag dan elk ander voorwerp van metaal dat ze reinigde, +schuurde, wreef en oppoetste. + +--Kyk, wat-i glimt! zei ze. Net 'n kaarsenmakers kat in den maneschyn, +vindje niet? + +Wouter had nooit 'n kat van de omschreven soort en in dat byzonder +licht gezien, maar toch erkende hy onvoorwaardelyk dat het beeldjen +er goed uitzag. + +--Ja, 'n mensch moet zindelyk op z'n goedje wezen! Ik heb wat te +stellen met pater... daar heb je geen begrip van! Want hy... denkje +dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En weetje waarom? Wel, +omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is 'n engel van God, en +zou vergeten z'n neus te snuiten, als ik 'm niet zei: pater, je bent +yerkouwen. En je gaat zoo naar Haarlem? En pater ook? Wat ga jelui +daar doen? 't Is 'n heele reis. + +Wouter verhaalde een-en-ander van 't voorgevallene, maar slaagde +er niet in, Styntje begrypelyk te maken wat er eigenlyk geschied +was. Hoofdzaak voor haar was en bleef paters reis naar Haarlem. + +--Als-i maar geen kou vat, mymerde zy halfluid, of... + +--'t Is mooi weer, juffrouw, zei Wouter. + +--O ja, dàt is 't! Maar... och, kou vatten is ook 't ergste niet. Ik +voel me-n-altyd als 'n mal mensch als-i uitgaat, en dan zoo ver! Kan +je me zeggen waar-i nu heen is? + +--Geld wisselen, zei Wouter. + +--Geld? Daar heb je-n-'t al! Nu zit ik in doodelyken angst. Ik wou +dat-i al goed en wel weerom was. + +Ze pakte het gereedschap waarmee ze 't Christusbeeldje zoo verkwikt +had, by elkander, en verliet morrend het vertrek. Wouter wist alweer +niet wat-i van Styntje te denken had. Haar kleeding en voorkomen +was als van 'n zeer bejaarde dienstmaagd, maar de gemeenzaamheid +waarmee ze sprak over haar meester--de man bleek tot het "goedje" te +behooren dat ze zindelyk te houden had--bracht hem in de war. Styntje +maakte met pater niet meer omslag dan met haar krucifix, al kan ik +verzekeren dat ze voor beiden met vreugd den dood getrotseerd had. Er +zou in dit byzonder geval weldra blyken wat de oorzaken waren van +haar bekommering over paters reis en 't geldwisselen. Er vertoonde +zich 'n bedelaar voor 't raam waar de hortensia prykte. De man keek +even naar-binnen, niet zoozeer als iemand die vraagt, maar als 'n +verwachte persoon die te kennen geeft dat-i er is. Weldra werd hy door +'n tweeden en derden gevolgd, die almede blyk gaven zich volkomen +thuis te voelen op 't binnenplaatsje dat den pater voor antichambre +scheen te dienen. Velen maakten 't zich gemakkelyk, en gingen op +'t een of ander uitstek zitten dat aan huis of kerk te vinden was, +als wilden zy door 'n charade en action de waarheid uitdrukken: +het pauperismus is 'n pestbuil van 't geloof. + +Ja, ja, ze waren geestig, die agenten in hemelassurantie! + +Wouter hoorde dat men zich onder dat zoodjen onderhield over +de afwezigheid van den huisheer, en wel op 'n toon die zekere +ontevredenheid liet doorschemeren. Wel zeker, de man had op z'n post +moeten zyn! + +--Maar de meid is er toch, riep 'n jongen die den kost won met lam-zyn, +maar nu toch 't kozyn van een der lagere kerkvensters had weten te +bereiken, waar-i gargouille speelde. + +--Ik wacht liever op den ouwe, zei 'n blinde. + +--Houd jy je mond, je mag er niet eens wezen, je bent 'n dinsdagger. + +--Wat gaat dat jou aan? Jyzelf mag je mond wel houden, je hebt verleden +by 't uitgaan van de Jakobskerk drie gestaan, en je bent maar zeven. + +--Né, zes nou, want de ouwe Jonas is dood. Maar jy bent 'n +dinsdagger. Ga heen, zeg ik je! + +--Je hebt op drie gestaan. + +--Jy bent 'n dinsdagger, ga heen! Toe, allo, jongens, dringt 'm de +gang uit. Hy steelt ons 't brood uit den mond. + +--Wàt? 'n Dinsdagger? riep nu 't uitwas van de kerk. Dat mag niet. Er +uit met hem! + +En de lamme wist vry vlug op den grond te komen om 't geschonden +bedelaarsrecht te handhaven. De man namelyk die tot de bedeelden van +dinsdag behoorde, mocht zich niet vertoonen onder 't gezelschap dat +zich 's maandags om ondersteuning by pater Jansen aanmeldde. En wat die +andere beschuldiging aangaat--"drie staan als zeven je plaats is"--ze +doelde op 't overweldigen van 'n rangnummer. Te na by 't uitgaan van +de kerk wordt voor onvoordeelig gehouden, daar de drukte het uithalen +van beurs of porte-monnaie belet. Ook schynt ieder haast te hebben in +de eerste oogenblikken na 'n kerkdienst. Maar 'n standplaats te ver van +de deur is ook niet goed, want de meeste loopen, na twee of drie keeren +iets aan 'n bedelaar gegeven te hebben, onverschillig door. Zonder 't +minste besef dat ze te veel deden--namelyk iets verkeerds--meenen ze +toch genoeg verricht te hebben. Hoe dit zy, volgens alle oordeelkundige +schryvers die kanker en koudvuur tot 'n byzonder onderwerp van studie +maakten, is er geen voordeeliger standplaats dan nummer drie. Indien +dus de man die den ander zoo liefdeloos beschuldigde van inbreuk op +pater Jansen's dagorde, zich inderdaad schuldig maakte aan diefstal +van dat nummer, was de ander volkomen in z'n recht hem 't zwygen +opteleggen. Maar ook de dinsdagger zelf had zich te verantwoorden, +en wel by Styntje die op 't rumoer naar buiten kwam. De man die zich +'n dag te vroeg aanmeldde, verontschuldigde zich door de opmerking +dat-i op dinsdag "zoovéél huizen had" en dat-i "z'n beenen uit het +lyf moest loopen" om al z'n klanten behoorlyk te bedienen, denk ik. + +Styntje gaf ieder wat, maar niemand scheen tevreden. Er bleek dat +de heeren aan drie duiten de persoon gewoon waren, en nu met twee +werden afgescheept. Maar de oude meid hield zich flink. "Wie nog +'n woord spreekt, wordt van de lyst gestreken, zei ze. Ik heb nog +zes heele dagen van Gods lieve week voor me, en 'n mensch moet toch +zorgen dat-i toekomt, niet waar? Voort, allemaal, de plaats af en de +gang uit, voort! 't Is, dunkt me, wèl zoo! + +Het gemeene troepje liet zich niet zonder moeite bewegen heentegaan, +en Wouter hoorde met verontwaardiging hoe er door sommigen gemord en +gescholden werd. Als 't weer gebeurde dat de-n-ouwe niet thuis was, +heette het, zouden ze liever wachten tot-i weerkwam, want zoo'n +meid was toch ook maar 'n "loontrekkende dienaar, die niet weet wat +'n mensch toekomt." 't Schynt vreemd, maar waar is het, dat in den +mond van den arme, gebrek aan rykdom of laagte van stand 'n misdaad +is. Volgens heeren bedelaars had Styntje ryk moeten zyn, of hertogin, +of burgermeestersnicht, voor ze zich 't recht mocht aanmatigen +'n woordje meetespreken en 'n hand uittesteken--want dit dééd ze, +en Wouter had dapper geholpen--ter verdediging van paters erf: niets +is aristokratischer dan 't gemeen. + +Nadat ze met hun beidjes het terrein hadden schoongeveegd, +volgde Wouter de amazone weder in de kamer. Ze jammerde over haar +voedsterkind. + +--Och, jongeheer, ik wou dat pater kwam! Ik heb rust noch duur als +de man de stad in is. En dan met geld, zeg je? Is 't veel? + +Wouter kon de som niet bepalen, maar sprak van kostbare muntstukken +die gewisseld moesten worden. + +--Goud? Och, lieve Jeessis, dat's voor hem krek 't zelfde. Och, waarom +den man de stad intesturen met geld? Heb jy dat baantje voor hem +uitgedacht, jongeheer? Slim is 't niet van je! Waarom deed je 't niet +liever zelf? Met geld kan men niet te voorzichtig wezen... ieder kan +'t gebruiken, zieje? Als-i nu in Jeessis naam maar niemand tegenkomt +die wat noodig heeft! Goud? 't Kan hèm wat schelen! De gespen van +z'n vaders broek waren van zilver, en toch zyn ze weg! En om koper +geeft-i ook niet. Raad eens hoeveel bedeelden we hebben? Wel tachtig +alle weken! Ik heb er 'n heele lyst van. En ze zouden ieder hun eigen +dag houden, maar denkje dat ze 't doen? Neen! Want er zyn rakkers +onder--dat ik zoo'n zondig woord zeg--ja, rakkers, die tweemaal +komen, maar pater wil 't niet gelooven. En of ik al zeg: "pater, +'t is slecht volk!" hy wil er niet van weten. + +--M'nheer Jansen is te goedig, zei Wouter. + +--Een zoete-n-engel van God is-i! Maar ik moet op 'm passen. Drie +duiten de man, gaat niet, zesmaal in de week... reken maar na! Daar +waren er vyftien vandaag, en de man heeft zelf geen boter op z'n +brood. Nou, ik ook niet, maar dat's tot dááraan toe. Maar dan +alles wegtegeven aan slecht volk! Ik heb ze nu maar twee duiten +gegeven, en daarom bromden ze zoo. Ze willen klagen by pater. 't Is +'n zoodje! Hoe meer je geeft, hoe luier ze worden. En hoe brutaler +ook. Dat heb ik altyd opgemerkt. Maar pater begrypt het niet, of hy wil +'t niet weten. En als ik zeg: "'t Zyn rakkers, pater!" dan zegt-i dat +we-n-allemaal zondaren voor God zyn, en dat hy ook z'n fouten heeft, +en bly toe wezen mag dat God hem kleeren en eten geeft, en 'n mooie +woning. Zondaars voor God? Nou ja, 't heele menschdom, maar hy? Ik +weet sekuur dat God niks van den man te goed heeft, niet zie zóóveel! + +Styntje streek met 'n bevalligen zwaai over de hand. Mocht God 'n +oogenblik te-voren nog in den waan verkeerd hebben dat pater Jansen by +hem in 't kryt stond voor erfzonden en eigen fouten, dan waren Styntjes +gelaatstrekken en haar barbiersgebaar wel geschikt hem den moed te +benemen om op de likwidatie van die onbillyke vordering aantedringen. + +--Niks, niemendal, ging ze voort. Hy is proper en schoon als 'n +brand. Maar dat bedelvolk, kyk! En "al die armen zyn z'n broeders" +zegt-i. + +--Dat heeft Jezus gezegd, kathechizeerde Wouter. + +--Jezus? Zoo! Heeft de Heere Jezus dat gezegd? Nou, dan heb ik er +vrede mee dat-i 't ook zegt. Maar toch... wàt broêr? Ik vind dat 'n +mensch z'n eigen broêr moet wezen ook. En hy? Hy is, om zoo te zeggen +z'n eigen neef niet, z'n zwager niet, z'n eigen stiefkind niet, neen, +dat is-i niet! Hy loopt weer op z'n tandvleesch. Heb je 't niet gezien? + +'t Scheen wel dat Wouter blyk gaf deze schilderachtige uitdrukking +niet te verstaan. Althans de oude Styntje kommenteerde: + +--Nou ja, op 't overleer, z'n schoenen zyn doorgesleten. 't Is m-e-'n +kruis! En z'n jas is ook niet van de nieuwsten. + +Wouter voelde schaamte over 't gewicht dat-i aan zyn kleeding hechtte. + +--Al vier jaar lang spaar ik voor 'n nieuwen, of... ik wou sparen, +maar 't gaat niet! Die bedelaars kosten ons zeker twee gulden in de +week... spaar dan eens voor nieuwe jassen! Zeg, jongeheer, kan je +niet eens aan pater zeggen dat-i wat zuiniger wezen moet, en niet +zoo altyd alles weggeven? + +Wouter groeide. Hy werd aangesteld tot Mentor over 'n bejaard +man, en wel door 'n vrouwspersoon die nog volwassener was dan z'n +pupil. Met veel genoegen had-i Styntjen omarmd, maar hy speende zich +van deze uitspanning, en stelde zich schadeloos door de zelf-genoegzame +pedanterie van z'n antwoord. Styntje's verzoek werd genadig opgenomen +en geflatteerd: + +--Hoor eens, juffrouw, u kan verzekerd wezen dat ik van myn kant al +'t mogelyke zal aanwenden om... + +--Wel zeker! Want my gelooft-i niet, omdat ik niet geleerd ben. Je +moet hem zeggen dat de jongen die daar zooeven met z'n derriére... + +Zoo vertel ik, maar Styntje sprak hollandscher, bondiger, korter +en beter. + +...de jongen die zoo-even met z'n... zitwerktuigen dan, in 't venster +van de kerk zat... 'n luiwammes is-i, 'n doeniet, 'n rekel! Zeg +dat aan pater. Eerst was-i 'n blinde... jawel, zoolang-i 'n zusje +had, dat hem leien kon. Maar nou ze van 'm weggeloopen is--god weet +waarom? Misschien bedelt ze liever op 'r eigen houtje--nou is-i op-eens +'n lamme geworden. Hoe vindje dat? Zeg 't aan pater. + +--Ja, ja, juffrouw, ik zal 't hem zeker zeggen! + +--En dan van dat vuile schepsel ook, dat daar in den hoek zat. Heb +je 'r gezien? Eens toen er sneeuw lag, zei ik: "veeg de sneeuw van +de plaats, dan kryg je zes duiten." Was 't goed geprezenteerd, of +niet? Maar ze deed het niet, en zei dat ze te veel huizen verzuimde. + +--Huizen, juffrouw? + +--Ja, bedelhuizen. Ze had er zeventien alle-dag, zei ze, en toen +schold ze me-n-uit over m'n zes duiten. Dat zei ik aan pater. En wat +zeid-i? "Och, zeid-i, ze is te oud, 't mensch kan niet vegen." Heb +je van z'n leven! Ik zei: "pater ze is jonger dan ik!" Nou, 't is de +waarheid, want ik ben acht-en-zestig, Da's oud, hè? + +Gewis vond Wouter dit oud! Hy begon de vrouw belangwekkend te vinden, +die zooveel moest beleefd hebben naar-i meende. Dat de kring waarin +ze zich bewogen had, wat klein was, kwam niet in hem op. Hy voelde +verlegenheid over z'n jeugd, en om haar te doen voelen dat-i door +studie had aangevuld wat hem aan jaren ontbrak, zocht-i in z'n +herinnering iets op, dat getuigenis geven mocht van voorhistorische +kennis. Styntje moest toch weten dat-i de funktie van zieleherder die +ze hem zoo gul opdroeg, niet geheel onwaard was, en ook dat-i meer +wist dan hy in z'n kort leventje met eigen oogen kon gezien hebben. + +--Zéér oud, betuigde hy. Dan heeft u zeker de uitlegging van de +stad bygewoond? + +--Dáár weet ik niet van, jongeheer. Maar... die oude nukkige Griet! Wat +denk je dat pater deed! Hy zei: "och, Styn, je moet denken ze-n-is +'n arm mensch!" "Dat 's waar, zei ik, en dat denk ik. Maar jy bent ook +arm, pater, en ik ook." Nou, dàt zei ik er maar zoo by, want ik heb 't +wèl, en klaag niet, godbewaarme! Maar dat pater soms droog brood eet, +is 'n ware zonde voor god en menschen. Soms is er geen duit in huis, +en dan moeten we leenen van pastoor hiernaast, die ook niet te veel +heeft. Ook 'n goed mensch anders, dat moet ik zeggen, maar hy spreekt +niet veel. Pater zegt dat-i de geleerdste man van de wereld is, en lang +professer of bisschop had moeten wezen, als-i maar niet zoo... nou, +dat gaat my niet aan, en jou ook niet. Maar die luie Griet! Ze dééj +'t niet, en ze deej 't niet, en de sneeuw bleef liggen dien dag, en +ik zei: "goed, pater, dan zal ik 't doen." En den volgenden morgen +zou ik vroeg opstaan, en dat deed ik ook, want de sneeuw loopt zoo in, +weetje, en dan heeft de man natte voeten, en dat kan ik voor God niet +verantwoorden. En toen ik op de plaats kwam... weg was de sneeuw! Wat +denk je dat er gebeurd was? + +--Dooi? vroeg Wouter. + +--Gut né, 't vroor twee zeeuwen dik. Ik keek beduust op de blanke +steenen, en zocht de sneeuw... geen krummel te zien, hoor! Toen +hoorde ik pater lachen in z'n kamer, want hy zag me daar staan als +'n gek mensch naar de sneeuw te zoeken, die weg was. Hy was vroeger +opgestaan dan ik, en had alles weggeruimd. Hoe vind je dat, jongeheer? + +--Hoor eens, juffrouw, als 't weer gebeurt... roep my, dan zal ik +'t doen. + +--Was 't geen schande? En dat voor zoo'n lui dier als die Griet! Nou, +ik was kwaad als 'n spin, want ik heb den man zielslief, dat begryp +je wel, maar hy lachte me-n-uit. En ik blééf kwaad, en toen sprak hy +weer van arme broeders, maar ik zei dat die luie Griet m'n broêr niet +was, en zyn broer ook niet! Wel neen, wat zeg jy? Zoo'n lui beest! + +Wouter zei ditmaal eens niets, maar aan indrukken ontbrak 't hem +niet. Hy voelde wel dat er iets liefelyks te lezen stond op de bladzy +van 't groote levensboek, dat hier voor hem werd opgeslagen, maar kon +z'n ingenomenheid niet rymen met den weinig romantischen vorm waarin +hem 't schoone werd voorgesteld. Zeker, er moest nogal veel aan Styntje +veranderd worden voor ze, al was 't dan maar heel uit de verte, gelyken +kon op de schoone Isabella die hier in 'n diep gewelf op verlossing +had behooren te liggen wachten. De goede oude vrouw zelf scheen +geen verlossing noodig te hebben, en in-plaats van slachtofferige +dames te bevryden van yzeren ketens, schraal dieet en priesterdwang, +kreeg Wouter zoo'n priester-zelf te redden uit de klauwen van z'n +eigen goedigheid. De ruil kon wreed genoemd worden door ieder die +niet inzag hoe onaangenaam Styntje's vertrouwelykheid prikkelde, en +vooral haar vertrouwen. Bovendien, dat uitdryven van den bedeltroep +had iets van 'n gevecht gehad, en by-gebrek aan beter moet men zich +met het mindere tevreden stellen. De romantiek is veerkrachtig, +en wat er in afmeting en gehalte aan de omstandigheden ontbreekt, +wordt aangevuld en opgesierd door den onbewusten goeden wil van de +Don Quichotten. Wouter was zoo tevreden dat-i z'n eigen jas niet meer +zag. Grootmoedig vergaf-i den pater dat er geen enkele gekluisterde +jonkvrouw in z'n woning was, en ook daaronder niet. Maar toch: + +--Wel, juffrouw, de woning is eigenlyk niet heel groot, vind ik. Heeft +u hier ruimte genoeg? + +--Wel wis en zeker! Als-i grooter was, kon ik den boel niet knap houden +in m'n eentje. Je moet denken dat ik de kamers van pastoor hiernaast +ook voor m'n rekening heb. 't Is 'n heel gedoe voor 'n mensen alleen. + +--En... kelders? + +--Ja, 'n beetje nat, maar anders best. We hebben er 's winters +aardappelen in, en turf ook. Die nattigheid is goed voor de turf... 't +stookt zuinig. Droge turf is geen aanhalen. Dan zou de man nog kou +lyden ook! + +De poging om zich te vermeien in krypt-romantiek brak alzoo weer +als glas af. Ketens en knokenpyramiden pasten niet by die huiselyke +nattigheid. Een "hol" mag vochtig wezen, o ja, en zelfs is dit een der +vereischten van de zaak, maar... aardappelen en turven? O, Lafontaine! +O, Radcliffe! + +--En... zyn er gewelven onder de kerk, juffrouw? + +--Dat weet ik niet. Maar ik verpraat m'n tyd. Beloof je me vast en +zeker dat je 'n oogje houden zult op pater met al dat geld? + +--Wees gerust, juffrouw! Ik zal... + +--En dat je hem eens terdeeg vermaant om wat meer voor zichzelf +te zorgen... + +--Zeker, juffrouw. + +... want, zieje, de man is zoo arm als Job, en dat gáát zoo niet! Ik +hoor nu dat er 'n dame in de stad gekomen is, heel uit Denemarken of +Hamburg of zoo wat, en die zou hem bystaan... + +--Ah! + +... zoo, weet je 'r van? Nou, des-te-beter! Ik hoorde 't van Femke +Claus... + +--Ah! + +... ken je die ook al? Nou, die biecht by pater, vroeger by pastoor +hiernaast, nu altyd by pater. En meestal gaat ze hier over de plaats +de kerk in, want ze brengt paters waschgoed, en zy heeft het me +verteld... van die dame-n-uit Hamburg, meen ik. + +--Ah! + +--Wat mankeert je toch, jongeheer? En ik... als ik die ryke dame +kan te spreken krygen, zal ik haar zeggen dat ze heel voorzichtig +wezen moet, en pater niet te veel geven. Want al had het mensch +'n inkomen van honderden in de week, 't zou niet genoeg wezen voor +al die bedelaars. Hoe meer je geeft, hoe meer er komen. 't Is maar +begieten van onkruid, zeg ik! Wel ja, moet 'n mensch niet werken voor +de kost? Dat heb ik ook gedaan, van zóó klein af. Ik ben 'n vondeling, +weetje, en heb mezelf door de wereld moeten slaan. Kan die luie Griet +dat ook niet doen? + +'t Vondelingschap beviel Wouter byzonder. De lust om daarvan iets +meer te vernemen, verdreef zelfs den indruk dien 't noemen van +Femke's naam--in-verband nogal met prinses Erika--op hem maken +moest. Zou Styntje's vader 'n ryke baron wezen? En teruggekeerd op +'t pad der deugd? Hy wilde meer van de zaak weten, en Styntje zei er +dan ook nog wel iets van, maar alweer 't rechte niet, naar Wouter's +meening. Ook hier wou 't alweer met de romantiek niet best vlotten. Wat +die Leentje toch gelukkig geweest was, zy die by haar eersten en +misschien eenigen uitgang zoo terstond op de smakelyke kern van de +vrucht onthaald werd! Wouter kreeg alweer niets dan leege doppen en +schillen, of althans dit verbeeldde hy zich omdat-i nog niet geleerd +had--er zyn er meer zoo!--z'n ontmoetingen op 'n afstand te zien. Wat +ons in oudheid belangryk, of in middeleeuwen romantisch voorkomt, +is eenmaal gewoon geweest. + +--Ja, jongeheer, 'n vondeling, ging Styntje voort, en ieder mag 't +weten. Wel ja, ik heb immers mezelf niet op de hei gelegd, heb ik +wel? Nou voor m'n moeder is ook gezorgd, en best, hoor! Want... op de +hei ben ik gevonden, piernaakt, om zoo te zeggen, ik had maar 'n oud +stuk mat om 't lyfje. Maar je begrypt dat ik 't maar van hooren-zeggen +heb. Ja, ik was in 'n lap mat gerold, anders niet! En nu? God heeft +me gezegend, dat zieje. Ik ben groot en sterk geworden... neen, sterk +ben ik geweest. Dat's tot daaraan toe. Maar ik heb wel elf hemden... + +--Hè, zei Wouter. + +--Ja, elf. Maar ze zyn wat oud. En telkens als ik er 'n twaalfde +by doe, moet ik een van de anderen weggooien. Daarom heb ik er maar +elf. Maar je moet denken, ik ben begonnen in 'n mat, en op de hei. En +nu woon ik by pater, al vyf-en-dertig jaar... 't is waarachtig geen +kleinigheid! Maar ik heb er voor moeten werken, dat spreekt. Zoolang +ik hier woon, houd ik twee heeren heel, en soms wel drie, want als de +dienst wat druk is, hebben we hier 'n kapelaan ook. Ja, ja, er moet +gewerkt worden in de wereld! Maar als je dàt doet, ben je klaar. Ik +ken menigeen die in 'n huis geboren is, en God op z'n bloote knieën +danken zou als-i by pater mocht wonen. + +--En... u ziet soms Femke hier? vroeg Wouter, niet zonder de strekking +dat deze byzonderheid Styntje's genot nog aanmerkelyk verhoogen moest. + +--Wel zeker! En ik moet zeggen dat ze my trouw helpt aan paters +goed... nu, anders kwam ik er niet. Want 'n mensch alleen... dat begryp +jezelf wel. Ook worden m'n oogen slecht. Maar van pastoor hiernaast +wil ze geen stuk meenemen. Ik geloof dat ze niet van hem houdt. + +--Zou hy haar iets misdaan hebben? vroeg 't riddertje. + +--Wel neen! Waarom? 'n Mensch houdt van den een, en niet van den +ander. Van pater houdt ze, dat weet ik. En hy van haar. Vroeger +biechtte ze by pastoor hiernaast, maar nu al sedert 'n jaar of wat niet +meer. Altyd by pater! Zoo zyn er veel, en de man kan 't niet af. Ik +heb al aan de menschen gezegd "ga toch liever by pastoor hiernaast, +die man is ook goed" zei ik, maar 't helpt niet, alleman wil altyd +by pater wezen. Nou, ikzelf ook, en ik bevind er me goed by, dat +moet ik zeggen. Hy is 'n beste! En zoo zal dat meisjen er ook over +denken. Maar jou heb ik nog nooit in de kerk gezien. Zeker woon je +ver. Waar is je parochie? By wien biecht je? Is je pastoor lastig? + +--Neen, o neen, stamelde Wouter die den moed niet had op dit oogenblik +te openbaren dat-i niet "van 't geloof" was. + +--Anders, ik kan je pater gerust rekommandeeren... hy is erg +gemakkelyk. Wat die man al zielen tot Onslieveheer geholpen +heeft... kyk! Als ik niet by hèm geweest was, zou 't er met m'n +moeder nog slecht uitzien, maar nu is ze wèl. Ga by pater, wat ik je +zeg! Of... neen, toch niet, de man heeft het te druk. Veel drukker dan +pastoor hiernaast. Die is 'n beetje... hoe zal ik zeggen? Isegrimmig, +ziedaar! Hy ziet niks door de vingers niks, niemendal! Nou, +alle menschen zyn niet eender, en sommigen moeten hard aangepakt +worden. Verleden heb ik gehoord dat er eens 'n man geweest is, die +niet bang was voor de hel. Hoe vindje dat? + +--Heel erg, juffrouw. + +--Zoo, vind je dat erg? Ja, 't is erg! Maar ik ben er ook niet +bang voor, want ik doe m'n werk, en ik zorg voor pater. Och, och, +waar blyft-i? + +--Is u niet bang voor de hel, juffrouw? + +--Gut né, volstrekt niet, want ik doe m'n werk. Maar die man deed z'n +werk niet. Hy vloekte en dronk, en ging om met slechte vrouwluî, en +toch was-i niet bang voor de hel. Zie je, hy had er bang voor moeten +wezen. Dat zei pater ook, maar toch zou God 't hem wel vergeven, +zeid-i, omdat de man niet beter wist, want... hy geloofde niet aan de +hel, en dat kan 'n mensch niet helpen, zei pater. Nou, ik had zoo'n +man wel eens op z'n sterfbed willen zien! Maar hy zal wel dood wezen, +want het is zeker lang geleden. Als ik sterf, zal ik heel tevreden +zyn, want pater zal voor m'n bed zitten, en my de hand drukken. Dat +heeft hy me vast beloofd. Dan zal ik God danken voor 't leven dat-i +my geschonken heeft, en omdat ik by pater gewoond heb. + +De goede vrouw bekruiste zich, en Wouter had het hart niet, te veel +hart liever, om hierin ditmaal iets bespottelyks te vinden. + +--Je weet niet hoeveel goeds ik genoten heb, jongeheer. Je moet altyd +denken, ik ben begonnen van niets, van niemendal, denk eens! Ik was +al tien jaar oud toen ik nog achter de koeien in 't veld liep, en als +ik in 't dorp kwam--want ik ben maar van 't boerenland--dan riepen de +jongens: "vondeling, vondeling!" En nu, kyk, al vyf-en-dertig jaar +by pater! Wat wil 'n mensch meer? En ik heb òververdiend voor m'n +moeder ook, dat begryp je. + +Wouter zette een vragend gezicht. + +--Ja, 't moest wel. Want zeker had ze niet goed met me gehandeld, maar +pater zei: "denk je dat 'n mensch voor z'n plezier z'n kind op de hei +legt? Dat zyn treurige zaken, men moet er meely mee hebben!" En ik +heb kousen voor hem gebreid, en voor elke kous gaf-i 'n mis aan m'n +moeder. Dat was heel in den beginne, toen ik pas by hem kwam. En toen +werd het koud, en ik had winterhanden en kon niet breien. En dat speet +me erg voor m'n moeder, en ook voor pater, want de man had z'n kousen +broodnoodig. Maar de ziel van m'n moeder was 't ergste, dat begryp +je. Denk je nu dat pater er na keek of ik breien kon of niet? Gut +né, hy gaf de mis, alle dagen krek! Dat doet-i nu al vyf-en-dertig +jaar... reken dàt eens uit, jongeheer! De man zegt zelf dat er 'n +heele boel òver is. + +--En... de ziel van... uw vader? vroeg Wouter die naar bericht +hunkerde omtrent zekeren schatryken baron, na--of liever nog: 'n beetje +vóór--z'n terugkeer op 't pad der deugd. Gaarne had-i z'n vraag wat +deftiger ingekleed, en zich geïnformeerd naar 't welvaren van wylen +Styntje's "papa" maar deze malle uitheemsheid die in Wouter's tyd +nog voor iets voornaams doorging, wou er niet uit. 't Bleef dus by: +"de ziel van uw vader, juffrouw?" schoon dit woord inderdaad wel wat àl +te burgerlyk klonk voor iemand die de aanzienlyke romanbetrekking van +meisjesverleider bekleed had, 'n funktie waartegen onrype jongetjes, +eunuken en zeker soort van beunhazen in moralistery, ten-allen-tyde zoo +byster hoog--maar vooral begeerig, en met afgunst!--hebben opgezien. + +--Dáár weet ik niet van, antwoordde Styntjen, en 't scheen wel dat +zy over Wouter's vraag 'n beetje verstoord was. Een mensch kan niet +alles tegelyk doen! Wou je dat ik pater nu nog dáármee lastig was +gevallen ook? De man heeft 't werachtig druk genoeg. Voor m'n moeder +is er òver, en daarmee kan God doen wat-i wil. Maar voor m'n vader +sprak ik geen stom woord. God zou wel eens kunnen zeggen: "als je +zoo begeerig bent, kryg je niemendal!" Nou, dit is maar by manier van +spreken, want wat ik verdiend heb, moet ik hebben: eens gezegd blyft +gezegd! Daar is de heilige Jozef voor, die is er werachtig de man +niet na om z'n zoons woord te-schande te laten maken. Heere Jeessis, +waar blyft pater met al dat geld? + +--Daar is-i, riep Wouter die Jansen's vriendelyk gezicht langs de +hortensia zag voorbygaan. + +Als om de gegrondheid van Styntje's angst ditmaal eens te +logenstraffen, telde de goede man 'n twintigtal ryksdaalders op de +tafel. Ter verontschuldiging over z'n uitblyven, deelde hy mee dat +men hem onder-weg by 'n zieke had geroepen, die volstrekt iets naders +van den hemel wilde weten voor-i er heen ging. + +--Ik heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die +geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb +'n briefje gevraagd, waar 't op staat. Nu kan jyzelf alles precies +uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de wereld, +en geld is... geld, wat zeg jy, Styn? + +Styn zei ja, en 'n kwartier daarna was Wouter met pater Jansen op-weg +naar de haarlemmer-schuit. De oude vrouw had haar afgod terdeeg +afgestoft en geschuierd, en ook Wouter kreeg 'n streek of wat met den +borstel, doch 't was blykbaar slechts 'n voorwendsel om hem nogeens +nadrukkelyk in 't oor te fluisteren: + +--Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet verdoet, +jongeheer? + +--Juffrouw, ik belóóf het u! had Wouter geantwoord, en aan den stap +waarmee hy de wandeling aanving, was te bemerken dat-i 't meende. + +Helaas! + +De weg naar... 't verkeerde is geplaveid met goede voornemens en +welgemeende beloften. + + + + + + + + Preekjen over preeken, en hoe Wouter niet aan 't preeken raken + kon. Preek van pater Jansen over 'n preek van pastoor Koens, + opgeluisterd door 'n preek van hemzelf. Hoe de auteur woord houdt. + + +Zeker kanselredenaar moet eens gezegd hebben dat niets gemakkelyker is +dan preeken, doch niets moeielyker dan goed preeken. Ik heb er geen +verstand van, maar als men op den bewusten dag aan Wouter gevraagd +had of niet ook 'n middelmatige preek iemand terdeeg bezwaren kan, +zoud-i 't zeker volmondig hebben toegestemd. Den vorigen dag was-i +redelyk tevreden geweest met het halfgeboren koncept van den brief +aan de opgeblazen Hersilia--jammer dat het niet gediend had--maar 'n +preek... dat was wat anders! Hy wilde 'n paar keer beginnen, maar 't +vlotte niet. Telkens als-i op z'n: "m'nheer, hoor eens!" zoo goedmoedig +ten antwoord kreeg: "wat blief je, jongeheer?" zonk hem 't hart in +de schoenen, en hy maakte de een of andere onnoozele opmerking over +iets dat op hun weg te zien was. Pater mocht alzoo van hem vernemen +dat de haarlemmerdyk 'n lange straat was, en dat ieder die 's avends +laat buiten de stad bleef, 'n stuiver moest betalen, jazelfs als +'t héél laat was, 'n dubbeltje. Jansen stemde dit alles volmondig toe. + +Hoe te beginnen? Wel beschouwd, hebben dominees 't makkelyk. Ze nemen +'n tekst uit de Schrift, en verdeelen hem in drieën, dan volgt de rest +vanzelf. Ook worden zy op den weg geholpen door 't voorgebed. Wel +zeker: "steun, o Heer, den spreker die in ons midden is opgetreden +om uw woord te verkondigen!" Zoo komt 'n mensch op z'n dreef. En 'n +dominee is anders gekleed dan andere menschen. Dat alles geeft zekeren +toon aan, en brengt 'n stemming te-weeg die stamelaars en stommen aan +'t preeken helpen zou. Wouter voelde wel dat het niet te-pas kwam 'n +gebed te doen: "steun, o Heer, den voorganger die naast pater Jansen +is opgetreden om 't woord van Styntje te spreken!" maar hy wou doen +wat-i beloofd had. Dat hy maar 'n domme jongen was, en die m'n-heer +Jansen 'n eerwaardig man, kwam--juist omdat-i 'n domme jongen was--niet +in hem op. En al ware dit anders geweest, het zou hem niet zoo heel +erg gehinderd hebben, want Stoffel had eens verzekerd dat jongelui, +zoo van de schoolbank, volkomen 't recht hadden oude menschen te +kapittelen, als ze maar--door Styntje?--"bevestigd" waren, en de +voorzorg gebruikten hun vermaningen heel theologisch intedeelen in +drieën. Nu, dàt wilde Wouter doen. Ten-eerste: de spaarzaamheid is +Gods wil. Dit zou hy o.a. bewyzen uit eierschalen, appelschillen en +notendoppen die nooit grooter zyn dan precies noodig is om te bedekken +wat er in zit. Ten-tweede: de spaarzaamheid is de wil van God... och, +'t lukte niet! Na veel vergeefsche pogingen om op-streek te raken, +leidde z'n gedachtengang hem eindelyk op de vreemdklinkende vraag: + +--Kan u zingen, m'nheer? + +Voor zoover 't me vergund is, borg te staan voor Wouter's bedoelingen, +kan ik verzekeren dat-i niet juist van plan was den goeden oudeheer +daar op de publieke straat 'n psalm of gezang optegeven, met het +verraderlyk oogmerk zich daardoor te doen stemmen op preekhoogte. Neen, +maar hy had weer: "m'nheer, hoor eens!" geroepen, en moest toch iets +antwoorden, toen Jansen hem vroeg wat-i te zeggen had? + +--Zingen, jongeheer? Jawel. Het hoort om zoo te zeggen by m'n vak. Maar +heel mooi zing ik niet. Je moet pastoor Koens eens hooren, vooral +in den Kerstnacht... prachtig! Verleden was er 'n heer uit Parys +in de kerk, die bood hem... ik weet niet hoeveel geld, als-i zich +wou laten aannemen by 'n zingkomedie die ze daar hebben. Maar hy wou +niet, want hy wil by de kerk blyven, dat begryp ie. Maar anders... hy +zingt iemand het hart uit 't lyf. En preeken! Dat heb je nooit zoo +gehoord! Ik weet niet wat mooier is, z'n zingen of z'n preeken. Hy is +'n heilig man, dat kan ik je verzekeren, maar... meisjes zyn zwakke +vaten, en daarom zyn er vaders die liever hebben dat hun dochters by +my gaan. Kan pastoor Koens dat helpen? In 't geheel niet! + +Als 'n bliksem vloog hier Styntjes mededeeling dat Femke niet van +"pastoor hiernaast" hield, door Wouter's gemoed. Lieve, beste, brave +Femke! Of prinses Erika van pastoor Koens houden zou, als ze hem kende! + +--Hy zingt 'n kyrie... weet je wat 'n kyrie is? Want je bent niet van +de Kerk, niet waar? Gut, ik ben er niet boos om, want de een is zóó, +en de ander is zóó. Er zyn Turken ook. Maar weet je wat 'n kyrie is? + +--Neen, m'nheer! + +--Kyrie beteekent: "Heer" en eleison is zooveel als: "verlos ons!" Nu, +dat zingen wy in onze kerk, en Koens heeft 'n kyrie die expres voor +hem gemaakt is door 'n Duitscher, 'n eerste man in z'n vak. Hy is +orgelist te Weenen, geloof ik. En ze zeggen--nu, dàt zal je vreemd +vinden!--ze zeggen dat-i eens voor 't heele hof... + +Jansen hield even op om Wouter's aandacht te spannen. Maar hiertoe +was meer noodig, want de gedachten van den jongen waren by de preek +over spaarzaamheid. + +...voor 't heele hof, denk eens! + +--Ja, m'nheer, zei Wouter, zonder nog te weten wat er te denken viel.. + +--Hy heeft voor 't heele hof gezeten op... wel, waarop denk je dat-i +gezeten heeft? Dàt moet je nu eens raden, jongeheer. + +--Op 'n stoel, m'nheer. + +--Ook, ook! En op 'n draaikruk ook... want hy had klavecimbel +gespeeld. Maar dat wou ik je nu eigenlyk niet zeggen, want het +gebeurt meer, niet waar? Neen, hy is zoo ver in de muziek, dat 'n +aartshertogin hem op haar schoot heeft genomen, en dáárop heeft-i +gezeten. Hoe vindje dàt? + +Wouter vond het heerlyk, en nam zich voor, de eerste de beste +gelegenheid aantegrypen om zich te oefenen in muziek. De fondsen van +z'n belofte aan Styntje daalden vreeselyk. Wie toch kan aan preeken en +spaarzaamheid denken, als er zóóveel te verdienen valt met ut, re, mi, +fa, sol? Toch vond-i de zaak niet heel helder, en gaf te kennen dat +'n beetje nadere toelichting niet overbodig wezen zou. + +--Op haar schoot, m'nheer? + +--Ja. + +--'n Aartshertogin? + +--Ja, van Oostenryk. + +--Maar, m'nheer, hoe is dat mogelyk? + +--Kyk, ik dacht wel dat je 't vreemd vinden zou, want zoo'n +aartshertogin is 'n heele dame, en daarom vertel ik 't je. Ik heb er +wel al honderd menschen mee vermaakt, en niemand kon 't raden voor +ik 't zei. Maar gebeurd is het, vraag 't maar aan pastoor Koens, +en Styn weet het ook, want ze was er by... + +--Aan 't hof, m'nheer? + +--Neen, toen pastoor Koens 't vertelde. + +De goede Jansen genoot naar hartelust van Wouter's verbazing, die +dan ook inderdaad groot was. Hy hield zich innig overtuigd dat noch +z'n moeder noch een van z'n zusters, noch zelfs Leentje, die toch +anders volstrekt niet hoovaardig was, zich zóó ver vergeten zou met +'n klavierspeler. Neen, nooit, nooit... al was er geen hof by dat er +kwaad van denken kon. In 'n achterkamer niet! + +--Op haar schoot, vervolgde Jansen. En ik zal je nog meer zeggen... + +Nòg meer, o hemel? + +... hy heeft ook op den schoot van de Keizerin gezeten! Zou je dàt +geraden hebben? + +--Neen, m'nheer! + +--Dat dacht ik wel! En ik ben er nog niet! De Keizerin heeft hem +gezoend... + +--Maar, m'nheer! + +... gezoend op allebei z'n wangen. + +"Naar Weenen, naar Weenen!" riep alles wat stem had in Wouter's +gemoed. Met geografische inspanning legde hy zich de vraag voor, of +Haarlem in den weg lag naar dat verrukkelyk oord. Jansen vermaakte +zich kinderlyk met z'n verbazing. Ze werd ten-top gevoerd--ach, +vernietigd te-gelykertyd--door 't vervolg en slot van de historie. + +--De keizerin stopte z'n zakken vol... + +--Hè? + +... vol suikerdemangelen. + +Hier berstte Jansen in lachen uit, zoodat de voorbygangers er schik +in kregen. Maar 't was moeielyk niet te lachen by 't gekke gezicht +dat Wouter zette, en hierom was 't dan ook den goeden pater te doen +geweest, want hy hield van vroolykheid. Na zich eenige oogenblikken +te hebben laten bidden om opheldering, lichtte hy de zaak toe: + +--Ik zal 't je dan maar zeggen. Die klavierspeler was pas zes +jaren oud, en 'n heel lief jongetje. Pastoor Koens heeft met hem +gestudeerd--later, weetje--en ze zyn groote vrienden gebleven. Ik +zei je-n-immers al dat-i 'n kyrie voor hem gemaakt heeft? Ze hebben +samen gestudeerd op 't Jezuiten-kollegie... + +Wouter rilde protestantelyk. + +...daar krygen wy onze knapste menschen vandaan. Maar 't gaat niet +altyd door, want... ik ben er ook geweest. Gut, wat keek je gek, +toen ik je vertelde van die suikerdemangelen! Maar ik zou je wat van +die kyrie zeggen. Als Koens hem zingt... o! In z'n kamer, meen ik, +want in de kerk doet-i 't niet graag. Styn heeft er van gehuild, +want het is heel gehoorig by ons, we kunnen elkander best hooren +zuchten... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten? Nu, Styn huilde, +en ik kreeg kippevel. En weetje wat ik er by dacht? Ik dacht: God, +God, wat ben ik 'n prul by pastoor Koens! + +--Hè, m'nheer! + +--'t Is de waarheid! Maar ik van myn kant ben weer veel sterker +van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor +ondankbaarheid! Als m'n vader me op z'n smedery gedaan had, zou ik net +zoo sterk geworden zyn als m'n broer, maar de theologie maakt 'n mensen +'n beetje lebberig, vindje niet? En toch... verbeelje, ik heb thuis +'n Vulgata. Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in +'t vierkant, en in leer gebonden... 'n heele vracht! En er zyn sloten +aan, ook, Styn schuurt ze alle weken blank. Welnu, ik pak een van die +koperen lippen met m'n pink, en Styn zegt paters op, en ik houd m'n +Vulgata--altyd met die ééne pink, moet je denken--tot quotidianum van +de derde. En Styn is niet eens heel vlug met 'r paters. Als ik ze zelf +zei, bracht ik 't zeker tot remitte van de vierde, of misschien wel +tot amen. Maar ik moet je 'r byzeggen dat wy katholieken geen kracht, +macht en heerlykheid hebben. Dat scheelt altyd 'n beetje. En... er +is niets apokriefs in de Vulgata. Met 'n protestantschen bybel zou ik +'t wel laten, dat vat je wel! + +Neen, Wouter vatte het niet! Of althans hy begreep niet alles. Maar de +konkluzie nam-i goedig aan. Hy hield zich overtuigd dat pater Jansen +byzonder sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den +dood gegaan zyn. + +--Ja, 't is 'n heel ding, niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer +niet. Zoo zieje dat God altyd ieder 't zyne geeft. Maar ik heb Styn +verboden 't hem te zeggen. Hy mocht eens verdrietig worden omdat-i +'t me niet na kan doen, en dit hoeft niet, want zulke dingen komen +toch in ons vak maar zelden te-pas. Maar eens toch heb ik er recht +schik van gehad... niet van die Vulgata, meen ik, maar dat God me zoo +sterk gemaakt heeft. Hy doet niets voor niemendal, houd je dáár maar +aan vast! Verbeelje, ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n-'n boer +in de buurt, 'n ryke boer. Hy heette Koremans, maar hy was heel ryk, +en hy had veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal +boeremenschen, dat begryp je wel. Een van de meiden heette Trineken, +en ik dacht dat Koremans goed en gul was... maar och, ik heb er geen +pleizier in, je dat te vertellen. Waartoe dient het? Liever vertel +ik je-n-'n ander stukjen, iets van hèm, van pastoor Koens. Dat moet +je hooren! + +'t Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen +eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n +boeremeisje. Hy was in de jaren que tout ce qui porte jupon intéresse, +en in z'n verbeelding vertaalde hy elk onbekend vrouwspersoon in +"Femken" of... iets als Femke. Maar hy begreep toch dat-i den goeden +Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hy +luisterde zoo aandachtig mogelyk, weldra zéér aandachtig zelfs, +en zonder dat dit hem moeite kostte. + +--'t Was eens zyn beurt van preeken, ging de pater voort, en +hy preekte. Den tekst weet ik niet meer, maar 't was over goede +behandeling. Van den eenen mensch jegens den ander, weetje, want dat is +eigenlyk de hoofdzaak van ons geloof. Ik preek er ook wel eens over, +maar... zóó niet, daar scheelt veel aan! Want, wat gebeurt er? Er zat +'n man in de kerk--'t was 'n slachter, moet je begrypen--die kreeg +'n toeval, en hy moest er uit gedragen worden, en ieder dacht dat +het van de warmte was. Maar 't was niet van de warmte. Die man had +stiefkinderen, en hy behandelde ze niet goed, en hy voelde zich zoo +zondig door de preek van pastoor Koens, dat-i van zichzelf viel. Vind +je dat niet sterk voor 'n slachter? Toen-i weer wèl werd, heeft-i z'n +stiefkinderen voor z'n bed geroepen, en hun om vergiffenis gevraagd, +en beloofd dat-i ze nooit weer mishandelen zou, want... dat deed-i +vroeger. En, omdat-i slachter was, zond-i 'n mand met worst aan pater +Koens, met 'n brief er by. Je kunt denken hoe bly we waren... om +die kinderen. + +--En, m'nheer, heeft die slachter woord gehouden? + +--Ik denk 't wel, want hy zal 't zeker prettig gevonden hebben, goed +voor z'n stiefkinderen te wezen, en 'n mensch houdt van pret. Maar +Koens wou de worst niet hebben, want hy eet geen vleesch, Styn moest +ze terugbrengen, zeid-i. + +--Hè, riep Wouter die 't jammer vond zoo'n geschenk aftewyzen. + +--Ja, niet waar, 't zou den man bedroefd hebben. Dit vond Styn ook, +en ik ook, en daarom hebben wy die worst opgegeten, zy en ik, want +ik mag wel worst. + +--Maar, m'nheer, wat was er dan met die Trineke? + +--Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten noemen, +want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood. + +--Wat had-i gedaan met die Trineke? + +--Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit +over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jy 't +vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist +niet erger dan andere boeren, en daarom zou 't me leelyk staan +z'n naam te bekladden, maar wáár is wáár! Hy was heel ryk, en goed +voor de kerk, o best! In onze kapel--want we hadden 'n kapel in 't +Simmenarie--hing 'n geelkoperen Sebastiaan met z'n lyf vol pylen, +wel duizend pond zwaar... nu, die was van hèm. En opschepperig was-i +als we hem bezochten, goedgeefs... je hebt er geen begrip van! Aan +brood en kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n +twintigen... net 'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozynen +op brandewyn, en daar dronken wy simmenaristen van dat het 'n aard +had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen +of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen--'t +was al z'n derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze +hebben--en wy kwamen gelukwenschen, en werden best onthaald, maar de +bruid keek sip, en we dronken brandewyn op rozynen, en er was 'n pret +van belang... op de bruid na! Maar op-eens... och, jongeheer, ik had +het je eigenlyk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je +'r nooit over spreken zult? + +--Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer! + +--Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg. Dat ik schik van de zaak +gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest +ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrypt, +'n jongen in theologie-tweede is anders nog niet veel mans. Nu, we +aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlyk +niet, en als 't in 'n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf +gekregen hebben, maar Rector zag wat door de vingers als 't by Koremans +gebeurde, om dien Sebastiaan, weetje, en ook omdat-i wel-eens in z'n +wagen naar stad reed, en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen... in +dien tyd. Nu zou 't niet staan! En ik zou dansen met de bruid die ik +graag lyden mocht... vroeger. En ze hield van my ook wel, dat weet ik +zeker. Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik dat Trineken er niet +was, en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altyd by, +net als de andere knechts en meiden, maar nu was zy er niet. En dat +zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans-zelf. Lies +was de bruid, weetje, die met me dansen zou, en wel 't allereerst, +omdat ik 'n weddingschap van haar vryer had gewonnen... ook al over +sterkte. "Trien is ziek, zei Koremans, en ga nu je gang maar met +Lies." "Is Trineke ziek, vroeg ik, en waar is ze dan?" Want dàt wou +ik weten. "En, zei ik, ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet +waar Trineken is." + +Wouter verwachtte nu 'n landelyk drama met... iets als liefde er +in. Heel véél kon 't niet wezen, dit begreep hy wel, om den aanstaanden +werkkring van den held. Maar juist deze bedenking prikkelde z'n +nieuwsgierigheid te meer. Hy tooverde zich den jeugdigen nog niet +geheel tot geestelyke verwrongen jongeling voor oogen, staande tusschen +twee-, drieërlei plicht, misschien wel tusschen formeele trouwbeloften +en gemoedelyke beloftentrouw, tusschen Trineke, Lies en theologie. En +op den achtergrond vertoonde zich de sombere gestalte van den bruigom, +die gereed stond by de minste overhelling naar Liesje's kant, den al te +gelukkigen Seminarist met één slag doodongelukkig en liefst heelemaal +dood te maken. In byna alle Dorfgeschichten die Wouter gelezen had, +droeg zich de zaak op die wys toe. Of zou pater Jansen den bruigom +hebben neergeveld? Een mensch doet rare dingen als-i verliefd is, +en daarby zoo byzonder sterk. + +--Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet... + +--Ik zal er heusch nooit over spreken, beloofde Wouter, die meende +dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg, en bang was dat Jansen +'t verhaal afbreken zou. + +--O, dit mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't +weet. Ik wou je dan zeggen--maar 't spyt me wel--dat de boeren... soms +niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke... + +--Hè? + +... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer +gemerkt dat men haar achteraf zette, en wegdeed als er wat vroolyks +voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat +ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den +vorigen keer by Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en +nog kaduker was, dan gewoonlyk. Ze was 'n beetje mank ook, maar ze had +altyd braaf gewerkt... o, by Koremans z'n ouders al! En daarom vroeg +ik waar ze was? "Ze is op 'r bed, zei Lies, en ik begryp niet wat je +hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom, dans maar!" En ze wenkte den +speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, +want het was me alsof God me ingaf--dit gebeurt soms--dat ze slecht +behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad +van dat meisje denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou +dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want... ze lag in den +stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet--dat begryp +je wel--maar 't was of God het me ingaf. En ik stond voor den stal, +en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies +riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe mensch?" Maar ik zei: "met +jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen vroeg ik aan Koremans, of-i de +deuren van den stal wou openen? "Neen, zeid-i, en ze is er niet!" En +ik zei dat ze 'r wèl was, en vroeg 't hem nògeens, want men moet +'n mensch altyd tyd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar +hy zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, +en zette m'n schouder tegen de staldeur dat-i kraakte, en... ik was +er in, hoor! Vind je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van. + +--En Trineke, m'nheer? + +--Wel zeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't +Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd, +maar... ze is toch behoorlyk gestorven op 'n kristelyk bed. Want ik heb +Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je! Ik zei dat God hem +verbryzelen zou, precies zoo als ik de staldeur gedaan had... neen, +veel erger nog! En ik zei--met 'n zwaren vloek er op--dat ik bord +noch beker in z'n huis zou aanroeren voor Trineke op 'n bed lag, +met 'n dokter er voor, en medicyn op de plank. 't Gebeurde, hoor! +O, ik heb veel gezegd! Ook over dien Sebastiaan... want daar was-i +erg groots op, en ieder die in de buurt van ons dorp kwam, moest +het weten dat de Sebastiaan in onze kapel van Koremans was. Ik zei: +"denk jy dat God met koperen koppen gediend is? Die oude Trine draagt +meer pylen in haar lyf dan Sebastiaan ooit gehad heeft, want ze is +er heelemaal kaduuk van, en mag je dan zoo'n mensch op stroo leggen +in je stal? Zet jy daar jou Sebastiaan in, die zal er geen weet van +hebben, want hy is maar van koper, en de levendige Trineken is je +nader. Ze heeft je-n-uit de sloot gehaald toen je-n-'n dreumis was, +en wat heeft ooit Sebastiaan voor je gedaan? 't Was 'n heilig man, ja, +maar jy moet ook 'n beetje heilig wezen, en niet je volk in de mest +leggen. Wie denk je wel dat je bent, omdat je geld hebt, en koeien en +land? God heeft veel meer dan jy, en als-i verkiest, kan-i Trineke wel +honderd boerderyen geven waar de jouwe-n-in verdrinken zou. 't Is nu +Gods wil dat zy niks heeft, en jy veel, maar als 't hem in z'n hoofd +komt, keert-i 't om, en geeft je hoest en jicht en allerlei krupsies +meer. Wil jy dan op stroo liggen als 'n varken?" Zoo heb ik gesproken, +en ik zei nog veel meer, en ik gaf er latynsche teksten by, want daar +kan 'n boer niet tegen. Ook zei ik dat-i in de hel komen zou, maar ik +weet niet zeker of dat wel waar was. Je moet denken, ik was nog maar +in theologie-tweede. Gut, er hoort zooveel toe om alles precies te +weten van God en goddelyke zaken! 't Is 't zwaarste vak van de heele +wereld, en ik was nooit erg voorlyk. Die Koremans had eens pastoor +Koens vóór zich moeten hebben, die had 't hem ànders ingepeperd! Maar +Koens had nu weer die staldeur niet zoo gauw opengekregen... krak, +daar lag-i! De hengsels waren verdraaid. + +--En Liesje, m'nheer? + +--Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen +Trineken op 'n bed lag, vroeg ze-n-of ik nu met haar dansen wou? Maar +ik wou niet. En toen bracht ze Trineken 'n glas brandewyn met rozynen +en krentenkoek, dat heel versterkend is by de boeren, en toen vroeg +ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel +plezier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook +anders. En ze wou haar huwelyk uitstellen, maar Koremans was er kwaad +om, en haar vryer ook. Ik geloof dat-i me niet lyden mocht... zeker +om die weddingschap. + +Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten +minder vroolyk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze +maar zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier." Wouter was +wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot +wat gehuppel. Jazelfs hy verwachtte een flinken sprong, 'n saut +périlleux. De onkunde der jeugd is wreed--cet âge est sans pitié , +zei de fabeldichter--en Wouter wist niet wat-i deed, toen hy vroeg: + +--En is Liesje met haar vryer getrouwd, m'nheer? + +--O ja, zeker, zeker! Waarom zou ze niet met hem getrouwd zyn? Alles +was immers afgesproken en klaar. Maar ze beloofde my vooraf dat +ze-n-altyd goed voor haar volk wezen zou, want dàt had ik haar +verzocht, maar ik zei er by dat ik niet heelemaal zeker was van de +hel, omdat ik nog maar theologie-tweede was. Ja, niet waar, ik mocht +me niet voor hooger uitgeven dan me toekwam, en waarom dan zoo'n +meisje voor niemendal schrik aantejagen, als ik 't soms mocht mis +hebben? Maar ze zei dat ze geen hel noodig had, en dat ze-n-altyd +heel goed wezen zou als ze 't my maar beloofd had. Nu, ze méénde +'t wel, want ze gaf er my 'n hartelyken zoen op... och, ze huilde zoo! + +--Waarom huilde ze zoo, m'nheer? + +--Je moet begrypen, de eene mensch is niet als de ander, en soms +heeft men verdrietige buien. Misschien huilde ze-n-omdat ik zoo +driftig tegen haar vader geweest was, en dat was goed van haar, want +'n kind moet altyd partytrekken voor z'n ouders. 't Begon al toen ik +Trineken opnam... + +--Had U dat gedaan, m'nheer? + +--Ja zeker, ik was de sterkste van allemaal, en 't bed was boven in +huis. Wie zou haar den trap opgedragen hebben zonder 't mensch zeer +te doen? Ze was maar vel en been, en alles deed haar pyn. 't Was +Koremans z'n eigen bed... + +--Och! + +--Daar stònd ik op! Ik hield me koppig, en zei dat het zoo wezen moest, +of ik zou 'n omgekeerd Jeruzalem van z'n huis maken. En Lies wou +háár bed afstaan, maar ik zei: "né, in 't zyne, of ik kom hier nooit +weer!" En ik zei er 'n heel ruw woord by, tegen haar vader--je bent +maar 'n ruige Ezau! zei ik--en daarom zal ze misschien gehuild hebben. + +--Was ze-n-'n... lief meisje, m'nheer? + +Deze vraag zweefde Wouter reeds lang op de lippen, maar de weifeling +tusschen de varianten "mooi" en "schoon" deed hem telkens aarzelen. 't +Een kwam hem tegenover 'n geestelyke wat gemeenzaam voor--te gemeen ook +misschien--'t andere klonk te boekerig by Jansens gemeenzaamheid. Toch +moest ons roman-lezertjen iets van Liesjens uiterlyk weten, en +hy kleedde z'n nieuwsgierigheid naar dat hoofdmoment van de zaak, +zoo deftig in als de omstandigheden toelieten. Maar ook Jansen had +zeker dekorum in-acht te nemen. Niet met bewustheid tegenover Wouter, +of wien ook, maar zonder zelf hiervan iets te weten, jegens z'n eigen +vlekkelooze reinheid. Van mooi of niet mooi was dus ook by hem geen +spraak. En meer nog: hy dacht er niet aan, hy wist het niet! + +--O ja, heel lief. En vroom ook, op zondag en hoogty, dàt moet +ik zeggen! Maar de heiligheid van den huwelyken staat wou ze niet +vatten. 't Is by ons 'n Sakrement, weetje, en dat zei ik haar. Maar ze +was er niet mee tevreden, en wou haar trouwen uitstellen tot zy al haar +kristenplichten beter kennen zou, zei ze. En ze vroeg of ik 'r daarin +helpen wou? Maar haar vryer had er geen zin in en zei dat hy dat wel +zou doen, en toen gaf ik hem 'n boek waar alles in stond. Maar, och, +zy is na haar trouwen bleek en verdrietig en ziek geworden, en heeft +niet lang geleefd. Kort voor haar dood liet ze nog vragen hoe Trineken +'t maakte, en of ik de stumpert wel trouw bezocht? Nu, dit deed ik, +en 't zal Liesje zeker plezier gedaan hebben. + +--En, m'nheer, bezocht u Liesje niet? + +--Neen, want haar man was niet heel vrindelyk als ik naar haar +vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen, dien-i +misschien liever niet zag. Want Liesje... kyk, de zaak was zóó. In +'t dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander gehad had, als ze 't maar +had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander +van de kerk was. Ja ja, ik weet wel wie 't was, ook! + +--Hè? vroeg Wouter die 't ook meende te weten. + +--Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op +de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen, +stond zy aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra we naderby +kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand die niet weten wil dat-i +uitgekeken heeft. Zoo zyn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want +nergens doet men zooveel menschenkennis op als op 'n simmenarie. Nu, +dat ze-n-altyd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten, besten +jongen! En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om +Kruger geweest zyn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat +zou ik ook misschien weleens gedaan hebben, want Kruger was m'n beste +vrind, en hy hield byna net zooveel van Liesjen als ik. O, heel veel! + +Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelykheden, toen 't +paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van +de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een +der hoofdpersonen zelf. Hy voelde wel dat Jansen eigenlyk meer verteld +had dan-i zich veroorloofde te weten. Of wist hy meer? Gedurende +het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De +eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en 't spreken +moeielyk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in +de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselyken tocht die +hem de oogen vol zand gewaaid had. + +--Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben +moè ook. Ja, ja, ik heb vandaag al wat af gedraafd, en verlang naar +'n zitje. Maar... wat is dáár te doen? + +Inderdaad, er was 'n "standje" by de aanlegplaats van de schuit Onze +wandelaars versnelden hun stap, om er zoo spoedig mogelyk 't rechte +van te weten. + +Wat my betreft, ik meen in dit hoofdstuk voldaan te hebben aan de +belofte dat ik eens 'n staaltje van pater Jansen's preekmanier geven +zou, en ik zeg er dit uitdrukkelyk by, om niet dezen of genen onkundige +in den waan te laten dat-i 'n idylle gelezen heeft. + + + + + + + + Wouter en deugdzame lezers worden teleurgesteld door Fancy, die + 'n lynch-vonnis kasseert. Ter vergoeding levert ze bydragen tot + de physiologie van zekere nyverheid, en benoemt ze Wouter tot + trooster van 'n diep bedroefde moeder. De lezer wordt gepaaid + met het stuk volksroem, waarop hy al zoo lang gewacht heeft. Of + Wouter Haarlem bereikt? + + +--Wel, jongeheer, daar schynt wat vreemds voortevallen. Hoor me die +vrouwspersoon eens schreeuwen! + +--Ja, m'nheer, ze schelden. Ik geloof zeker dat er ruzie is. + +De opmerking van pater Jansen was gegrond, en Wouter's geloof ditmaal +eens byzonder goed. Er was inderdaad iets byzonders aan de hand en +er werd gescholden. + +En alweer vroeg Wouter waarom die vrouw zoo schold, en "tegen wien +ze 't had?" Hy kon aanvankelyk niet uit de zaak wys worden, en deed +hiermee tot m'n groot genoegen z'n leermeesters by het postkantoor +weinig eer aan. Uit de onnoozele vragen die hy tot z'n bejaarden vriend +richtte, bleek duidelyk dat hun onderwys niet best aan hem besteed +was geweest. En pater Jansen was nu juist de rechte man niet om hem +behoorlyk intelichten, want er was by die schuit iets zeer gemeens te +doen, en daarvan had-i geen verstand. Wel kende hy in z'n hoedanigheid +van zielengeneesheer de gewone verschynselen van de ziekten die men +hem in theologie-derde als "zonde" had leeren kennen en behandelen--de +kursus liep, excusez du peu, in theologie-eerste tot en met genezen +toe!--maar juist omdat-i ze slechts als zoodanig bestudeerd had, +stond-i met de handen verkeerd, zoodra de vyand tot wiens verdelging +hy ambtshalve geroepen was, zich in levenden lyve aan hem vertoonde, +wat hier werkelyk 't geval bleek. De goede pater mocht van geluk +spreken dat-i, eenigszins verlegen door de verrassing, en misschien +ook weerhouden door de stoffeering van het tooneel dat byzonder weinig +op 'n biechtstoel geleek, niet terstond aan 't bedokteren ging van +de zieken die hier overvloedige blyken gaven van behoefte aan wat +beterschap. De goede man zou zeker 'n gek figuur hebben gemaakt, en +dit ware jammer geweest. Hy vernam by deze gelegenheid byna evenveel +nieuws als Wouter, en ook zonder deze overeenstemming was 't opmerkelyk +in hoevéél opzichten de indrukken die zy hier opvingen, elkander +geleken. Jansen was in wereld- en menschenkennis ongeveer blyven +staan op 't standpunt dat Wouter onlangs bereikt had, en alzoo steeds +minderjarig in de boosheid gebleven. Het verschil tusschen deze beide +kinderen bestond hoofdzakelyk hierin, dat de ontwikkelende knaap méér +weten wilde en zichzelf beschuldigde van domheid, terwyl de volwassen +man heel tevreden was met z'n verstandelyke toerusting. En waarom +zoud-i niet? Hy had immers alle voorgeschreven examens achter den +rug, en wist dus precies wat er in zake zielenherderschap kon geweten +worden. Z'n tevredenheid sproot volstrekt niet uit eigenwaan voort, +maar uit plichtmatig vertrouwen op de knappe luî die verklaard hadden +dat-i behoorlyk volleerd was en raad wist met alle zonden. Hy had er +latynsche getuigschriften van, met zegels er op. Wat wil men meer? + +Ik kan de meening niet deelen van sommigen die beweren dat 'n +katholiek geestelyke zoo byzonder veel menschkunde zou opdoen in den +biechtstoel. Het komt me voor, dat men daarby over 't hoofd ziet hoe +moeielyk het is zichzelf te schetsen, en dat de biechteling, ook by de +hoogstdenkbare oprechtheid--volkomen oprechtheid is onmogelyk!--slechts +daden en feiten kan openbaren. Vanwaar immers zou hy de psychologische +ontwikkeling halen, die niet ontbeerd worden kan door iemand die al +de schakeeringen van de roersels zyner handelingen uit elkaar wil +houden? En vanwaar de welbespraaktheid om die duidelyk blootteleggen +voor 'n ander? Waarlyk, wie dit kan, knielt niet naast 'n biechtstoel +om de geheimen van z'n ziel toetefluisteren aan 'n priester! Niet +voor dezulken is de oorbiecht uitgevonden, en niet voor hèn wordt ze +in-stand gehouden. Wie dit betwyfelt, lette eens op den graad van +verstandelyke ontwikkeling waarmee 't meerendeel der geestelyken +blykt te kunnen volstaan. Er hing me hier 'n beeld in de pen, +waarmee ik 't verschil in soort van hun werkzaamheid wilde schetsen, +doch ik houd het terug. 't Was iets als 'n vergelyking tusschen den +Schwartzwalder boer die houten klokjes snitselt, en den fabrikant van +fyne zakuurwerken te Genève. Deugt niet, deugt niet! Er is hier geen +spraak van 't onderscheid tusschen grof en fyn, niet eens zelfs altyd +van meer of minder ingewikkeldheid der organismen. Op 't oneindig +wyd gebied van menschkunde heerschen àndere verschillen! Reeds +zeer lang geleden zagen we hoe tevreden pater Jansen was over +Femke's ziel--geen Schwartzwalder snitselwerk, op m'n woord!--en +onlangs stelde ik den lezer in de gelegenheid 'n brok theologischen +kursus bytewonen, door hem in kennis te brengen met Styntje. Hoe +gelieft men nu den toon te noemen, waarop die beidie personen zich +uitlieten over zaken die door anderen slechts werden behandeld met +konynenmondjes en in pontifikaal! Ondeftig was die toon, o zeker! Maar +toch--en ik bedoel dit in zéér hoogen zin--onaesthetisch, grof, +onzedelyk dus, was die toon niet! Er was hart in, en kinderlykheid, +en overtuiging. De uitdrukkingen die pater Jansen en z'n dienstbode +zich veroorloofden... och, ze wisten niet dat er iets te veroorlooven +viel! Van kinds-af vereenzelvigd met hun naïf geloof, bespraken zy +de dingen die daarmee in verband stonden, met dezelfde gemakkelykheid +als andere belangen van hun huishoudentje, en Styntje's tevredenheid +over 't vereffenen der schuld van haar moeder was van gelyke soort +als haar voldoening zou geweest zyn over 't wèlslagen van ingemaakte +zuurkool. 't Spyt me dat ik op 't oogenblik niemand tot getuige roepen +kan die haar aankomst in den hemel heeft bygewoond, maar we mogen ons +verzekerd houden dat ze by die gelegenheid even onbevangen gevraagd +heeft: "wel, waar is ze nu... m'n moeder? Ze weet immers dat ik alles +krek in-orde heb gebracht?" als ze Wouter opdroeg haar teerbeminden +pater te beschermen tegen z'n goedgeefsheid. En ook hyzelf was er +de man niet naar, om z'n God en goddelyke dingen terugstootend te +maken door deftigheid. Z'n geloof en al wat daaruit voortvloeide, +was hem de meest dagelyksche zaak van die wereld. + +Maar... die wereld-zelf kende hy nu eenmaal niet! Hy wist er niet +veel meer van dan z'n biechtelingen hem konden of wilden meedeelen, +en deze zeer gebrekkige inlichtingen namen nog bovendien steeds +de kleur aan van z'n eigen schuldeloos gemoed. Elk bedreven kwaad +scheen hem 'n ongeluk toe, en de vermaningen die hy uitsprak of de +boetedoening die hy soms meende te moeten voorschryven, geleken meer +op 'n vriendschappelyk toegediende hartsterking dan op berisping +en straf. 't Was waarlyk geen wonder dat-i niet recht vatte wat er +by die haarlemmer-schuit verhandeld werd! Een der hoofdpersonen in +het drama-bedryf dat hier werd afgespeeld, de vrouw die door haar +luidruchtigheid en gemeenen opschik de aandacht van 't publiek tot +zich trok, was te Amsterdam geweest om wat koopwaar optedoen voor haar +winkel te Haarlem. Die koopwaar bestond in 'n tweetal... meisjes, +neen--twee "meiden" zeg ik ook niet graag--uit twee jeugdige +vrouwspersonen dan, die ze door geschenken en de voorspiegeling van +'n lui leven tot zich had weten te lokken. Wat ik hier "geschenken" +noem, was in werkelykheid 'n driedubbel geboekt woekervoorschot. En +"ze had het zwart op wit" zei ze, op haar dy slaande, waar de kostbare +dokumenten geborgen schenen die haar woorden konden bevestigen. Deze +bewysvoering was tegen de moeder van een der beide schepseltjes +gericht, die lucht van de zaak gekregen, en gezorgd had vóór 't afvaren +van de schuit daar te zyn. 't Woord "moeder" klinkt liefelyk, en de +goedige lezer verwacht dat de vrouw zich daar bevond om haar kind te +ontrukken--"zoo noemt men zulks" zou Stoffel zeggen--aan de klauwen +des verderfs... och, ik ben daar jammerlyk op 'n boekenfraze verzeild +geraakt. Dat komt er van, als men z'n schryftafel zoo vol modellen +heeft liggen! [27] Die "moeder" was doodeenvoudig daargekomen om 'n +aandeel te vorderen in 't reeds genotene, en vooral om 'n aandeel +te bedingen in de toekomstige winst. Het toegeschoten publiek was +verontwaardigd, of toonde zich zoo, en verdeelde de uiting van z'n +misnoegen vry gelyk tusschen de moeder en de waardin. Deze beiden +aan 't kyven! De twee rekruten zwegen, maar toch kon 'n opmerkzaam +toeschouwer te weten komen wie van de strydvoerende partyen met +haar sympathie vereerd werd, en wel door de plaats die zy innamen, +of die ze trachtten te hernemen als ze voor 'n oogenblik vandaar waren +weggedrongen. Blykbaar schaarden ze zich, zoowel in overdrachtelyke als +in letterlyke beteekenis van 't woord, aan den kant der waardin. En er +was reden toe! Deze had "so werachtich as Chot" niets minder verzekerd +dan dat haar kontubernaaltjes 's morgens zoo lang konden slapen als ze +maar verkozen, en 's avends zouden ze onthaald worden op jenever met +suiker... als ze maar 'n "heer" wisten te bewegen die versnaperingen +voor zyn rekening aan 't buvet te bestellen. Nu, hiertoe meenden de +meisjes kans te zien. Maar 't zou haar tegenvallen. Ze overschatten den +invloed en den markt-prys van haar bekoorlykheden--de goedkoopste zaak +ter-wereld!--en ook wel 'n beetje de mildheid van de "heeren." Maar +de beminnelyke waardin liet haar aanstaande voedsterlingetjes in +den waan dat er met nagebootste huurliefde terdeeg wat 'te verdienen +viel. En er werd nog meer beloofd. Ze zouden Krelien en Sefie heeten, +en door de meid "juffrouw" genoemd worden. Om 'n voorsmaak van die +heerlykheid te geven, en tevens van den toon die in haar etablissement +heerschte, sprak 't wyf gedurig van haar "dames." Wat kon, tegenover +zulke schitterende aanloksels, de moeder bieden, zy die maar 'n arme +werkster was? Ik weet wel dat sommige boekenluî 'n antwoord op deze +vraag gereed hebben. Ze spreken by zulke gelegenheden van tucht, +reinheid van ziel, eer, gemoedsrust, moederlyke teederheid... och, +onze beide Kaatjes hadden liever jenever met suiker! Maar ik moet +er by zeggen dat de keus haar niet zóó moeielyk gemaakt werd, als +de papiermoralisten van zoo-even wel denken zouden, want de moeder +hield zich met al die roerende dingen niet op. Ze reklameerde haar +deel van de zaak, en eischte vóór alles 'n bonten voorschoot terug, +dat ze volgens haar beweren aan haar dochter geleend had. + +--En zal ik er nou dàt niet eens van hebben, riep ze, dat ik m'n +eigen goed weerom kryg? Hy heeft me drie skelling en 'n oortje gekost? + +Er van? Wáárvan, o vrouw? Wáárvan? Ik vraag u, wáárvan? Nu, dit kon +háár niet schelen, en: + +--Dat kan my niet schelen, schreeuwde ook de waardin. Mensch, +je moest je schamen, dat moest je! Wel ja, wat zeg jylui--dit was +'n beroep op de kiesheid van de omstanders, die deze onderscheiding +ten-volle verdienden--wat zeg jylui? Is 't geen schande dat 'n moeder +haar eigen kind 'n standje komt maken om 'n boezelaar? + +--Ik wou maar dat we-n-afvoeren, zuchtte een van de Kaatjes. Wat +treuzelt die schipper! + +--Drie skelling en 'n oortje, zoo waar as er 'n God in den hemel is, +op de Numàrt in den bontjeswinkel! Geef hier, m'n goed! 't Is myn goed, +zeg ik je! Geef hier! + +Een poging om 't betwist voorwerp met geweld machtig te worden, +mislukte. Op-eens wendde de teedere moeder de zaak over 'n anderen +boeg. Ze trachtte haar stem aandoenlyk te maken, en huilde: + +--Heb ik je dáártoe opgebracht? + +Wel zeker! Waartoe ànders, o teedere moeder? + +--'t Is om te besterven, menschen, dat is het! En zeg, wat zal je +vader daarvan zeggen? + +--Nou, laat er je man maar buiten, zou ik je raden! Die zit hoog en +droog in de rooie zaagsel. [28] Wat zeg jy, Ka? + +Kaatje bevestigde de zaak wel niet uitdrukkelyk, maar gaf toch +'n antwoord dat heel weinig op verontwaardigde ontkenning geleek, +door op-nieuw moeite te doen om zich van haar moeder te verwyderen, +en 'n veilig plaatsje te krygen achter de waardin. Deze haastte zich +'n zegel op de beteekenis van Kaatje's manoeuvre te zetten: + +--Wel ja, meid, 'n woord 'n woord, 'n man 'n man, niet waar? En... ik +heb ommers al de papieren in m'n zak. Wat zeg jyluî? Een mensch kan +toch niet meer verlangen als zwart op wit! + +De vrouw had weer op haar dy geslagen, en scheen antwoord te +wachten. Er gingen dan ook uit het publiek eenige stemmen op, maar ze +getuigden van verdeeldheid der meeningen. Wel hoorde men hier-en-daar: +"zieje, 't is toch altyd haar moeder!" maar ook toonden sommigen +zich verontwaardigd over de vreemde soort van 't moederschap dat hier +vertoond werd. Een stemming by zittenblyven en opstaan kon moeielyk +verordend worden, omdat de heele zaak in de letterlyke termen van 'n +"standje" viel. Bovendien, de strydvoerende partyen wachtten zich wel +'n beroep op de meerderheid te doen, voor ze met eenige zekerheid +berekenen konden die meerderheid op haar hand te hebben. En hiertoe +bestonden aan geen van beide zyden voldoende gegevens. Velerlei +scheldwoorden rezen uit de vergaderde menigte op, maar 't viel +moeielyk te beslissen tot wie ze gericht waren, omdat ze meestal nogal +toepasselyk konden geacht worden op ieder van de vier vrouwspersonen in +'t byzonder. De hieruit voortspruitende verwarring bewees hoe groot +de behoefte was--ook zelfs in de laagste standen der Maatschappy--aan +eenig besef van onderscheid tusschen schelden en beschuldigen. + +--M'n drie skellinge wil ik hebben, kryschte de vrouw, terwyl ze +trachtte haar dochter by den voorschoot te grypen. Ik wil m'n geld, +m'n drie skellingen, of anders... + +Haar schreeuwen herinnerde Wouter aan de wanhoop der edele Hersilia +over die verloren zeven gulden dertien, en langs de rails van al wat er +sedert 'n etmaal weer met hem was voorgevallen, liep z'n herinnering +uit op de vyftig guldens die hy in z'n zak had. "Als hy eens die arme +vrouw aan 'n nieuw voorschoot hielp? God zou 't zeker weer niet doen, +en daar er nu toch eenmaal in 't helpen iets goddelyks ligt: + +--Wat dunkt u, m'nheer? vroeg-i aan pater Jansen? + +--Ik ben erg bedroefd over die menschen, zei de goede man. + +--O zeker, m'nheer! Maar... die boezelaar? Drie schellingen is nog +geen volle gulden, en als wy nu eens... + +--Dat mag volstrekt niet, jongeheer! Het doet my in de ziel leed dat +die menschen op zoo'n verkeerden weg zyn--want dit moet ik er haast wel +van gelooven--maar 't geld dat je by je hebt, is je niet gegeven om... + +--M'n drie skellinge, huilde het wyf, of anders ten-minste m'n +kind weerom! + +Dit "ten-minste" was verrukkelyk! Zal er misschien straks blyken dat +prinses Erika onzen Wouter die vyftig guldens geschonken heeft om +'n radelooze moeder weer in 't bezit van haar verloren kind te stellen? + +--Ze is heel ongelukkig, m'nheer... hoor maar! Och, wat komt er nu voor +òns die ééne gulden op aan? En... 't is nog niet eens 'n volle gulden! + +--We mogen 't heusch niet doen, jongeheer! Kom, kom mee in de +schuit! Ik word er koud van, en kan 't heusch niet langer aanzien. + +'t Scheen wel dat pater Jansen z'n eigen standvastigheid wantrouwde +en de verlokking ontvlieden wou. Maar hy aarzelde. Ook Wouter volgde +slechts heel langzaam, en niet zonder telkens opnieuw, by z'n geleider +aantedringen op interventie. + +--Wat is voor òns 'n enkele gulden, m'nheer! + +Kyk me-n-eens zoo'n kleine rykaard! Jansen antwoordde niet, bleef +weer staan, en scheen te weifelen. De vrouw die met 'n eigenaardig +armeluî's-instinkt iets bemerkt had van wat er tusschen die twee gaande +was, vond het raadzaam van tekst en toon te veranderen, en begon te +jammeren over de drie "wurmen die ze thuis had, en die nu zouden moeten +vergaan van ongemak en kou." Inhoever deze verdrietige omstandigheden +'t gevolg konden wezen van Kaatje's wangedrag, of van 't bankroet dat +ze aan haar boezelaar leed, liet zy onopgehelderd. Toch had vooral de +beweerde plotselinge temperatuurverlaging van die "wurmen" zoo in 't +hartje van den zomer, best eenige meteorologische toelichting kunnen +gebruiken. Maar hiernaar werd door de tegenparty niet gevraagd. Zoowel +de waardin als anderen uit den hoop beantwoordden haar klachten slechts +met onwetenschappelyke scheldwoorden, doch tereere van 't stukje +publiek dat hier vergaderd was, moet ik erkennen dat ook de koopvrouw +uit Haarlem niet verschoond werd. Haar beroep leverde overvloedige +stof tot schimp en smaad. Maar 't scheen dat ze de uitdrukkingen +waarmee men haar zedelyk en maatschappelyk standpunt kwalificeerde, +wel eens meer gehoord had, en niet gewoon was flauw te vallen om 'n +beetje schande. Tartend, en als om te pronken met haar ongedeerdheid, +bauwde zy de scheldwoorden na die men haar naar 't hoofd wierp, +en wanneer daarin zekere eentonigheid begon te heerschen, omdat de +voorraad wat klein bleek in verhouding tot den duur van de scène, +hielp zy de schreeuwers op den weg door 'n sarrend: "nou mot jelui dàt +weer 'ns zeggen!" of: "ik heb in lang niet dàt of dàt gehoord, koman, +bedenk jelui je nou 'reis goed of je niet ereis wat nieuws weet!" Deze +betrekkelyke kalmte prikkelde tot opwinding, en op zeker oogenblik +nam de afkeer van haar ellendig bedryf zoo de overhand... neen, dit +is onjuist, men werd zóó boos over de onverschilligheid waarmee ze +'t schelden opnam, dat de moeder hoop begon te scheppen. Het blyft 'n +raadsel wat die vrouw eigenlyk van plan was met haar "kind" aantevangen +als 't bevryd wezen zou uit de handen van de waardin, doch zonder +zich hierover te bekommeren begon de meerderheid haar bytevallen. + +Wouter zou weer ruimschoots in de gelegenheid geweest zyn de +psychologie van de massa te bestudeeren, als-i niet te zeer vervuld +ware geweest van z'n zucht om... ja wat? Hy wou helpen, redden, +te-rechtbrengen, hy wou iets doen. Wel ja, 'n mensch heeft niet alle +dagen twintig ryksdaalders in z'n zak! En niet dikwyls valt zoo'n +schitterend standpunt samen met 'n drama als hier vertoond werd, noch +met de akeligheid waarmee 't--niet gansch onverhoopt, om de waarheid +te zeggen--straks dreigde of beloofde te sluiten. Er werd namelyk +geroepen: "te-water!" en dit woord klinkt vreeselyk in de ooren van +'n hollandsch jongetje, opgebracht in de vreeze voor kou-vatten en +den wallekant! + +--Te-water, allo, dat wyf de vaart in, sebit! En die meiden na huis! + +Naar huis, o onbesuisde menigte? Naar wèlk huis? Naar de krotten waar +ze onder opzicht komen zouden van zulke moeders? Ik ben overtuigd dat +geen myner lezers, indien hy 't hier beschreven voorval had bygewoond, +zich met die hoogst onfatsoenlyke zaak zou bemoeid hebben. Maar, +lezer, gesteld eens dat ge hadt moeten stemmen? Zoudt ge in-gemoede +hebben durven roepen: die meisjes naar huis? Men behoeft waarlyk +niet zoo onnoozel als pater Jansen te wezen, om verlegen te zitten +met de keus tusschen twee hellen. En wat het lynch-vonnis tegen die +waardin aangaat... onze Maatschappy--hier niet byzonder oneigenaardig +vertegenwoordigd door 'n troep gemeen--is wel zonderling! Het schepsel +dat men hier te-water wilde dringen, was een van háár leden, en 'n +lid ook van 't gild dat diezelfde Maatschappy blykens eeuwenlange +ervaring nooit heeft kunnen ontberen. Waarom nu, als zoo'n onmisbaar +meubelstuk onzer beschaving zich in 't openbaar vertoont, op-eens +zooveel verontwaardiging voorgewend? Verbiedt niet de wysheid der +volkeren 't schenden van z'n aangezicht? Bedenk toch, o preutsche +Maatschappy, dat zoo'n winkelierster in ontucht een uwer meest +vooruitstekende neuzen is! + +--Te-water met dat wyf, werd er weer geroepen, de vaart in! + +Er viel optemerken dat de hevigheid van dit geschreeuw in omgekeerde +rede stond tot de nabyheid van de plek waar de bedoelde exekutie +zou plaats hebben, en hieruit bleek dat de verst-afstaanden 't meest +verontwaardigd, d. i. de deugdzaamsten waren. We mogen aannemen dat ze +zich in hun braafheid wel 'n beetje gesterkt voelden door de betere +kans zich snel uit de voeten te maken, zoodra het deugd-zoenoffer +zou liggen te spartelen in de Haarlemmer-vaart Ieder weet immers dat +niets op aarde onvermengd is, tot en met de courage van de braven +toe? Hierop scheen de waardin dan ook te rekenen, want ze gaf weinig +blyk van angst, en de uitkomst bewees dat ze gelyk had. Het doet +me leed dat ik den lezer, die waarschynlyk braaf is, en--als die +verst-afstaanden!--met fatsoenlyk verlangen uitziet naar de zegepraal +der deugd, eenigszins moet teleurstellen. Het wyf werd beschimpt +en gehoond, maar... ze bleef droog. Wie er spyt van heeft, trooste +zich met de kameraadschap van Wouter, die by mangel aan ander emplooi +van moed, gulheid en goeden wil, zoo byzonder graag eens iemand uit +het water gehaald had. "'t Komt zoo zelden voor!" mymerde hy, en dit +vind ik ook. Het redden van drenkelingen moet 'n vervelend vak wezen, +tenzy men er compérage by te-pas brengt, en hieraan werd noch door +Wouter noch door 't kandidaat-offerlam gedacht. + +Wel ver van zich op 't altaar der zedelykheid te laten zoen-offeren, +noch zelfs blyk te geven dat ze zich rechtens als de zwakste +beschouwde, dreigde de waardin met de policie. + +--Wel nou nog mooier! Jy, schandvlek, wou jy de policie roepen jy? Je +mag God danken dat er geen diender in de buurt is, jy, die hier de +meissies komt verdibbeseeren! + +--Ik heb 't zwart op wit, schreeuwde zy weer. En, als er policie was, +zou ik 't jelui laten zien! + +Wàt? Haar dy? Neen, denk ik. Dat ze in haar recht was? Dit ook wel +niet, maar toch was de kans dat de vertegenwoordigers der autoriteit +haar niet geheel-en-al in 't ongelyk zouden gesteld hebben, grooter +dan sommigen wel meenen. [29] + +De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad +uit de dagen waarin m'n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich +redde door den kreet: "als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik +m'n kerel stemmen voor X!" Dit was gelogen, anakronistisch gelogen, +gelyk dan ook slechts van 'n blad dat tot... die andere party +behoorde, te verwachten was. Nooit zou men zoo'n afschuwelyk laag +verzinsel vinden in 'n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy, +'n leugen wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het +kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis +is geworden na 't uitsluiten van de arme drommels die zich moeten +tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. Onze Maddam dééd +niet aan staatkunde, en dit is 't slechtste niet wat ik van haar zou +kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes by den arm, +en duwde haar naar 't gapend luikje van de schuit. "Allo, d'r in, +as 'n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo, +d'r in, en jy ook!" Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje +ingescheept. De schuit wiegelde by 't opstappen en dreunde by 't +neerkomen op den vloer van 't ruim. Van onwil bleek er niets. De +bedroefde "moeder" die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog +verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog +iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas 'n +krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren +natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers +te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? Wou ze +'t slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och, +neen, op eer en roem was ze in 't minst niet gesteld, maar er viel voor +haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of er van +dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter's aandringen by +Pater Jansen om voorzichtigheidje te spelen had haar aandacht gewekt, +en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die beide personen uit het +oog verloor, 'n oplettendheid die rechtstreeks tot de eischen van haar +"vak" behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts 't uitvloeisel +van gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de "radelooze moeder" nogeens +ter-markt te komen met haar radeloosheid: + +--Hi, hi, hi, m'n arm kind! + +Wouter vroeg weer aan z'n begeleider, of er dan van hunnentwege +volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen? + +--M'n arm kind! En... m'n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m'n +boezelaar weerom had! + +Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter's gedachten. + +--Drie skelling en 'n oortje! + +Weer rekende Wouter z'n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden +bedroeg. + +--Och, m'nheer, nog niet eens 'n volle heele gulden! Wat scheelt òns +die eene gulden? + +De waardin en de moeder bespiedden om 't zeerst wat er tusschen die +twee broeide. + +--Hoor eens, jongeheer, 't mag niet, zei Jansen, 't mag waarlyk +niet! Maar... + +--Toe, asjeblieft, m'nheer! + +...dan zal ik 't er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld schryven aan +m'n broer te Vucht. Maar gauw dan, 't is geen pleizierig staan hier. + +Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde +'t grauwlinnen zakje waarin z'n geld geborgen was voor den dag, had +'n beetje tyd noodig om den styf in-een-gedraaiden hals te laten +ontkrinkelen... + +De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid +van de wenteling. Maar... 't kon kopergeld wezen? Neen, Wouter haalde +een ryksdaalder voor den dag. + +--Hi, hi, hi, m'n arm kind! + +De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om de +oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de "drie +skelling" sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen +jongeheer op de gedachte te brengen dat 'n ryksdaalder méér bedroeg +dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste +regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde +dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar "verloren kind" +'n onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met +'n schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met +open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i +wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te +hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten +verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf 'n verrassing +toen hy op-eens--in-godsnaam, 't moest wel!--zich aanstelde alsof +'t wel werkelyk z'n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder +te offeren op 't altaar van... van... ja, van wat eigenlyk? + +--God zal 't je duizendmaal loonen, jongeheer! + +--Dat 's vier zak guldens, en nog 'n beetje toe! riep 'n rekenaar +uit den hoop. + +--Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m'n arm kind +worden? + +Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de +zedelyke toekomst van dat "arme kind" eenigszins te verbeteren, +door de jammerende moeder 'n tweeden ryksdaalder aantebieden. + +'t Was waarlyk Wouter's verdienste niet dat-i ditmaal bewaard bleef +voor 't verergeren van de reeds begane fout. Hy hoorde mompelen: +"nou, voor twee-gulden-tien levert ze-n-'t heele nest dat ze thuis +heeft" waarmee waarschynlyk de ons reeds eenigszins bekende "wurmen" +bedoeld werden. Deze taxatie kwam ons weldoenertje liefdeloos en +onhoffelyk voor. Opgewekt tot verzet tegen de "massa" die natuurlyk +met luid gelach den uitval toejuichte, wilde hy... zou hy... och, +'t kwam er niet toe. Pater Jansen stond in den stuurstoel te wenken, +de schipper nam zyn plaats by 't roer in, de knecht maakte het touw +los waaraan de schuit had vastgelegen, en z'n "aan-boord, wie mee +mot!" maakte aan de vertooning 'n eind. Onder luid spotgejuich van de +menigte op den wallekant, gleed de schuit heen. De waardin had heel +fatsoenlyk plaats genomen in de roef, misschien wel om den edelmoedigen +jongeheer in 't oog te houden, schoon men ook zonder deze strategische +byzonderheid erkennen moet dat haar middelen zoo'n gedistingeerdheid +wel veroorloofden. 't Scheen haar alweer niet erg te hinderen dat de +personen die ze in dat hokje vond, ruimer plaats voor haar maakten dan +stipt gezegd noodig was. Elk ander zou zich beleedigd getoond hebben +over de verregaande inschikkelykheid waarmee ze ontvangen werd. Maar +zy? Onze twee helden hoorden haar by 't binnentreden zeggen: "ook +goed! Beter zóó, dan allemaal op 'n hoop, lieve menschen! Wie zweeten +wil, kan z'n gang gaan, maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?" + +Dit vraagje werd gericht tot den état major die in den stuurstoel +zat, en ik zou 't overgeslagen hebben als 't me niet te-pas kwam om +'n opmerking te maken over den oorsprong van de Vrymetselary. Van: +vrymetselary liever, zonder lidwoord. Ik vind het wel zonderling dat +men nog altyd daarnaar zoekt, alsof 'n aanleiding die zich dagelyks +aan onze oogen vertoont, en die zoolang bestaan heeft als er menschen +op de aarde wonen, eenmaal in nauwkeurig bepaalbare omtrekken 'n +historische gebeurtenis zou geweest zyn. Elke Nyl moet, volgens +zeker soort van volksvoorgangers, z'n byzondere bronnen hebben die +men met den vinger op de kaart kan aanwyzen, en uit valsche schaamte +voor den leerling die er naar vraagt, wil men maar niet erkennen +dat die bronnen heel eenvoudig in de wolken liggen. Waarom zou een +der tallooze waarneembare spruitjes die 't hunne bydragen om zoo'n +rivier te maken tot wat zy is, meer dan elk ander beekje, meer dan elke +àndere vereeniging van doorgesypelde druppels, den naam van eigenlyke +bron verdienen? Zoo bestaan er veel vraagstukken welker oorzaak van +bestaan... 'n vraagstuk behoorde te zyn, of niet eens 'n vraagstuk. We +kunnen de oogen niet opslaan zonder Wording waartenemen, en toch blyft +men nog overal droomen van 'n Schepping. 't Lykt wel of zekere natuur- +en geschiedfilozofen hun beroep leerden op 'n registratiekantoor, +en vandaar de meening meebrachten vóór alles geroepen te zyn de +wereld-akten van 'n vasten datum te voorzien. Het boekdrukken, 'n +hoogstbelangryk vak zeker, maar slechts in zeer letterlyken zin van +'t woord: 'n Kunst, het "stichten" van steden, de volksverhuizingen... + +Hola, we zyn er! En 'n behoorlyke date certaine hebben wy ook. Wel +zeker, de lieftallige herderin was aan 't volksverhuizen met haar +twee veroverde schapen, en men schreef: haarlemmer kermis, den +zooveelsten dag. Ziedaar registratie! Och, ik moet wel korrekt tewerk +gaan. Vanwaar anders dan uit 'n deugdelyk vastgestelden kermistyd zou +ik den orgelman bekomen, die straks langs de vaart over den weg moet +sukkelen om op 't juiste oogenblik onze Maddam te-hulp te komen in +haar natuurvrymetselary? Er is veel talent noodig om dit uitteleggen +aan lezers die 't niet zonder uitlegging verstaan. Vooreerst gelieve +men te begrypen dat er op den ganschen weg, althans zoover 't oog van +onze reizigers reikte, geen orgelman te zien was. Niets natuurlyker. De +man was met de zynen--waaronder z'n gewichtig instrument--'n vol uur +voor 't afvaren der schuit van Amsterdam vertrokken, en 't spreekt +dus vanzelf dat men hem nog niet had ingehaald. Zonder loggen of +zonschieten kan nu de lezer vry precies berekenen hoeveel geografische +zoetwater-ellen door ons vaartuig waren afgelegd, toen de edele vrouw +die betuigd had van ruimte te houden, aan 't stuurstoelpersoneel +vroeg: of 't niet waar was? Strikt genomen hadden Jansen, Wouter +en de schipper 't recht gehad, hierop te antwoorden dat ze 't wel +gelooven wilden maar niet met zekerheid wisten. Inderdaad, men moet +niet alles voor waar aannemen wat er door den eersten den besten +gezegd wordt. Die vrouw kon booze redenen gehad hebben om 't publiek +in 'n verkeerden waan te brengen omtrent haar opinie over zweeten en +benauwdheid. Maar, och, ons drietal dacht zoo diep niet na. Jansen was +te bedroefd om te spreken, en Wouter te zeer vervuld van... iets dat op +'n aventuur geleek, om zoo terstond te kiezen tusschen twyfel, geloof +en ontkenning. Wat den schipper aangaat, hy hééft geantwoord. Maar, +lezer, zoolang ik u niet meedeel wàt de man zei, is 't voor u alsof-i +niet geantwoord had, en ge hebt dus 't recht, u voortestellen dat de +schuit 'n haarbreed verder was dan op 't oogenblik toen de belangryke +vraag gedaan werd. Hoe kan 't na deze opmerkingen iemand in 't hoofd +komen, te meenen dat men dien orgelman reeds had ingehaald? Haasten +laat ik me zoomin als 'n haarlemmer-trekschuit zelf. De schipper +heeft geantwoord, o ja, maar ik ben aan 't woord over de vrymetselary, +en dat gaat vóór. Hoe kan 't anders, daar juist de vraag "of 't niet +waar was, dat ze van ruimte hield?" my de opmerkingen in de pen gaf, +die nu--misschien niet eens terstond--zullen volgen! Zou ik tuchteloos +genoeg wezen my met het antwoord te bemoeien voor ik de vraag heb +afgehandeld? Zulke kapriolen... + +Die orgelman dan was door Fancy besteld om zich niet voor 't juiste +oogenblik te laten zien, en we zouden verkeerd doen haar beschikkingen +vooruit te loopen, vooral wanneer we door geduldig wachten gelegenheid +vinden iets zeer wetenswaardigs te vernemen over den oorsprong van +vrymetselary. Waar de bronnen van den Nyl zyn, heb ik reeds gezegd, +en als ik nu ook dat andere ophelder zal de billyke lezer erkennen +dat ik niet gierig met nieuws ben, schoon 't wel wat veel is voor +één hoofdstuk. + +Eilieve, wat ter-wereld bewoog die waardin tot de vraag: "of 't +niet waar was?" Weetgierigheid? Om-godswil, hoe konden Wouter en +de schipper, of zelfs Jansen die 'n "gestudeerd" persoon was, meer +van de zaak weten dan zyzelf? 't Mensch was wel zoo oud als ik, dat +heel erg is, schoon ik tot eer van haar Publiek erkennen moet dat ze +'t veel verder dan ik in de wereld gebracht had. Maar, gewaardeerd +of niet, men wordt geen zeven-en-vyftig jaar zonder ruimschoots +tyd te hebben tot beoordeeling van de vraag of men aan ruim- of +nauw-zitten de voorkeur geeft. Waarom in deze zaak de meening van +anderen ingeroepen? Hoe zou ze 't opgenomen hebben, als een van +de drie haar geantwoord had: "ik ben 't volstrekt niet met u eens, +juffrouw. U houdt meer van benauwdheid, want de groote die of die +heeft gezegd... enz?" Ik doe de werkelykheid geen geweld aan, door te +veronderstellen dat zoo'n tegenspraak niet zou gewaagd zyn zonder +beroep op den bekenden grooten dichter die frazen geleverd heeft voor +alle gelegenheden. Ik vraag my af wat ikzelf op haar nederig verzoek +om inlichting zou geantwoord hebben indien ik in dien stuurstoel had +gezeten? Maar ik kan me de mogelykheid daarvan niet voorstellen omdat +ik op dat tydstip niet geboren, en alzoo nòg onbekwamer was dan nu in +'t oplossen der vraagstukken van zoo aetherischen aard als waartoe +afkeer van benauwdheid schynt te behooren. Er is geen woord van waar, +van deze klassifikatie, bedoel ik, want op m'n volstrekte onbekwaamheid +om vóór m'n geboorte meetepraten, valt niets aftedingen. En ongeboren +wàs ik. Er liggen honderd twee en zeventig genien tusschen myn +eersten kreet en 't laatste woord van die waardin. De lezer weet +dat er in Nederland dertien genien op 'n maaneklips gaan, en kan +dus nu precies uitrekenen wanneer ik jarig ben. Men wordt verzocht +de miskende meetetellen, anders zou men tot de slotsom komen dat ik +nog in de wieg lig. + +--Maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar? + +Mensch, waarom vraag je dat? Is 't uit wysbegeerte? Heb je aan +duitsche filozofie gedaan, en wil je misschien de eigenschappen van 't +leelyke ding an und für sich dat je--met permissie--je ikheid noemt, +objektievelyk onderwerpen aan de subjektieve reinen-vernunftskritiek +van den haarlemmer-schipper die z'n pyp stopt? + +--Asjeblieft, schippertje! + +Zoowaar, ze wil hem den koperen vuurbak aanreiken, waarin 'n turfkool +ligt te glimmen, voor verstuiving bewaard door 'n deksel van messing, +voor uitdooving ook door vyf ronde gaten, juist groot genoeg om +aan pypekoppen den toegang open te laten naar 't vuur. Toegang? 't +Mocht wat! De schipper, deugdzaam, griffermeerd en verontwaardigd, +vader van zes gehuwde kinderen, antwoordde ditmaal niet. Hy haalde +'n tondeldoos uit z'n zak, nam de roerpen onder den oksel, en bikte +z'n eigen vuur. Was er geen konsekwentie in dat waardig gedrag van den +haarlemmer-schipper? En is 't billyk, my te verwyten dat ik by-voorkeur +beelden teeken die thuis hooren op laag terrein? Kan men zich iets +verheveners voorstellen dan die tondeldoos en dat vuurslaan voor eigen +rekening--als schryver zou de man 'n gek figuur gemaakt hebben!--terwyl +hy de hand maar hoefde uittesteken om met z'n pyp den koperen cylinder +te bereiken die hem zoo gul... neen, zoo verleidelyk werd aangeboden +door de ondeugd? Of, al ware het dat-i met z'n grootkop zou te-kort +geschoten hebben om 't altaar te bereiken dat de valsche Vestale hem +aanlangde, zou niet Wouter, de hulpvaardige by-uitnemendheid, het +vaasje met de meest mogelyke toewyding hebben vastgehouden? Meent ge, +lezer--gy die 'n man van ondervinding en oordeel zyt, en bovendien +als Christen bedreven in de geheimenissen der demonologie--meent ge +dat ooit aan 'n haarlemmer-schipper die op 't punt staat z'n eerste +pyp aantesteken... + +Ze waren alzoo pas by de Eén honderd Roe, of ter-nauwernood zoo +ver. Alweer 'n bewys dat die orgelman nog niet "in-zicht" kon +wezen. Finaal onmogelyk! + +... meent ge dat ooit de Satan zich aan zoo'n schipper aanlokkender +kan vertoond hebben dan in de warme gedaante van 'n gloeiende kool? En +tòch deugdzaam! Tòch konsekwent! + +Deugdzaam? Ja. Maar wie van konsekwentie spreekt, heeft alweer slordig +gelezen. Hoe kan men weten of 's mans pyp-opsteken voor eigen rekening +en risiko, in overeenstemming kan gebracht worden met het antwoord +dat de vrouw zoo-even van hem moet gekregen hebben, zoolang men van +dat antwoord geen kennis draagt? Overyling... uw naam is lezer! Stel +dat-i gezegd had: "Eulalia, ik bemin u meer dan m'n schuit!--en nog +altyd weet geen sterveling of-i wat anders zei--zou 't dan niet van +onvergeeflyke harteloosheid getuigd hebben, als-i zoo kort daarop +Eulalia's vuur had afgewezen? Dat mannen veranderlyk zyn weet ik, +en niemand betreurt deze karakterfout meer dan ik, doch juist daarom +noem ik 't voorbarig dien schipper te stempelen tot uitzondering, +voor wy 'n beetje meer van hem weten. In de eerste plaats alzoo... + +Lieve God, wat moet ik nu 't eerst vertellen? De natuurmetselary +wacht op verklaring. De schipper zuigt en blaast, de tondel tintelt, +en klaagt over m'n spelling, nu ja, maar kan ik 't helpen dat onze +taalwetgevers hun eigen wetten niet volgen? De waardin schuift met +mismoedig gebaar den versmaden vuurbak zoo ver ze maar eenigszins +reiken kan over 't roertafeltje binnenwaarts, en verbergt haar smart +onder den uitroep: + +--Wel man, als 't je niet lykt mot je 't maar zevend'half voet van +je zetten. Graag of niet! 'n Mensch z'n lust' is 'n mensch z'n leven... + +En, 't hoofd buiten de deur-opening stekende, herhaalde zy de +gewichtige vraag: + +... wel ja, niet waar? + +Jansen en Wouter hadden nu twee zaken voor één optelossen. + +De vrouw wilde weten of 't waar is dat 't leven van den mensch in z'n +lust bestaat, 'n onderwerp dat weleens tot de konkluzie zou kunnen +leiden dat men niet juist alle dooden op 't kerkhof behoeft te zoeken, +schoon ik niet verzekeren kan dat de weetgierige vraagster van deze +vroolyke slotsom 't ware besef had. Er bleek dat het zoo duidelyk +uitgezwegen non tali auxilio van den schipper 't mensch gewond had, +en ik verkies nu in haar herhaalde poging om eigen indruk aan 't +oordeel van anderen te toetsen, 'n bydrage te vinden tot den oorsprong +der maçonnerie. + +Ten-allen-tyde bestonden er menschen die meer te zeggen hadden dan +'n ander, en zy die--zooals op 't oogenblik onze schipper--aan 't roer +zitten, maakten wel eens misbruik van hun voordeeliger standpunt. Laat +ons onderzoeken wie de vrouw was die daar in de roef zat, en telkens +haar hoofd buiten 't deurtje stak alsof ze kennis maken wou. Wie ze +was? Wel hoe kan ik dit weten, ik ken 't mensch niet. De vraag is +zonderling. Ik weet alleen dat ze zoo-even terdeeg was uitgescholden, +en daar ze nog geen gelegenheid had gehad het gepeupel dat haar met +zooveel verachting behandelde, te doen verzwelgen door dezen of genen +afgrond, bevond ze zich in 'n staat van vernedering die 't midden +hield tusschen wrevel en kontritie, wel eenigszins gematigd of tot +nader order teruggedrongen door den wensch om Wouter te ontlasten +van z'n ryksdaalders. Wat haar boosheid aangaat, spot er niet mee, +verwaten lezer. Ik had U wel eens willen zien, tien minuten na +'t afgryselyk oogenblik dat 'n brokje Publiek u gebruikt had als +voorwerp van deugdmanifestatie! + +Tien minuten, zeg ik? Misschien was 't nog wat minder, schoon +ik erkennen moet dat de schipper z'n tonteldoos... goddank, met +'n tintelende t dezen keer, 't staat er! Ja, de schipper had z'n +vuurtuig geborgen waar zulks te doen gebruikelyk is. Hy dampte deftig +en dapper, en reeds had-i aan Jansen verzekerd dat het vandaag +mooi weer was. Toch blyf ik beweren dat de schuit nog geen volle +tien minuten gevaren had. Zóólang nog maar was de waardin woedend +geweest. Dit komt iemand die 't nooit ondervond zoo heel erg niet +voor, maar men moet bedenken dat de deugdzame gemaaktheid waarmee +'t roefpubliek zich by haar binnentreden tegen 't voorbeschot had +gedrongen, geen goed aan de zaak deed. Men kan gerust aannemen dat haar +minuten dubbel telden, en waarschynlyk is 't aan deze byzonderheid te +wyten dat sommige historieschryvers, haar zielewenteling verwarrende +met de kopernikaansche gegevens van 't andere zonnestelsel, in de +dwaling vervielen dat onze schepelingen den orgelman reeds in 't +oog konden hebben. Niets is minder waar. De man was de Driehonderd +Roe al lang voorby, toen de vrouw de eerste keer vroeg "of 't niet +waar was?" En nu? Nu, na alles wat er sedert dat gewichtig oogenblik +plaats vond? Dat ik instaat ben op 't kleinste wereldkaartje de +plek aantewyzen waar hy zich bevond, mag beschouwd worden als 'n +billyk schryvers-prerogatief. Maar zoolang ik m'n meerdere kennis +voor mezelf houd, baat die alziendheid weinig aan 'n ander. Om +nu evenwel bewys te geven dat ik op dat geestelyk overwicht niet +groots ben, deel ik gulweg wat van m'n overvloed mee, door alles +te vertellen wat ik van de zaak weet. Het zal velen interesseeren, +vooral omdat er iets onmogelyks in voorkomt. De orgeldraaier dien +ik den lezer vóór den tyd laat zien, was 'n Franschman. Dit is niet +volstrekt onmogelyk. Om geloofszaken had-i z'n land verlaten. Ook dit +gaat de perken van 't denkbare niet te buiten. Wie verlaat niet soms +z'n vaderland wegens verschil van opinie met z'n medeburgers? Hierin +lag alzoo de mogelykheid van z'n aanwezen niet, maar hy torschte een +straatorgel, en dit vind ik ongeoorloofd-byzonder, omdat zoo'n ding +in Wouter's tyd nog niet bestond. Zoo ziet men dat alle verbeteringen +in armwezen, politiek en industrie worden aangekondigd door 'n soort +van voorloopers. 't Voorgeslacht heeft er geen weet van--omdat het +overleden is--de tydgenoot miskent en steenigt ze uit broodnyd, +en de naneef... nu, dit ben ik in dit geval, en ik zal m'n émigré +geven wat hem toekomt. Vooreerst dan kan ik u na 't raadplegen met al +de oude schryvers die de zaak behandeld hebben, verzekeren dat-i op +'t oogenblik toen de waardin bezig was met de vruchtelooze poging om +'t hart van den schipper te doen smelten, in z'n koeterwaalsch stond +te kibbelen aan 't Sloterdyker tolhek. Hy trachtte vrye passage te +bedingen, maar 't lukte niet. Z'n vrouw--zaagt ge ooit 'n orgelman +zonder vrouw?--en haar kinderen--wie zag ooit 'n orgelvrouw zonder +kinderen?--nu, 't heele gezin stond om hem heen, en wachtte met angst +de beslissing af. Maar de tolgaarder was onvermurwbaar, en betoogde op +staathuishoudkundige gronden dat ouwerwetsche kwalen als die waarin +hy een zoo nuttig bestaan vond, met de meeste stiptheid moesten +gehandhaafd worden, omdat alleen hieruit te-eeniger-tyd de algemeene +afkeer kan voortvloeien die de afschaffing zal mogelyk maken. "Maar +ik zal 't niet beleven, zeid-i, en m'n kinderen ook niet!" Dit +was wèl gezegd, voorwaar, en hy had gerust nog 'n paar geslachten +verder kunnen gaan, wat-i zeker naliet uit de bescheiden vrees zich +gezegender stamvaderschap aantematigen dan de Heer hem toedacht. Vol +karakter, en met 'n aandoenlyk vertrouwen op de taaiheid van misbruik, +bleef-i z'n recht tot plicht verheffen, en eischte twee duiten de +persoon. Had de man geen gelyk? By de minste weifeling liep de Staat +gevaar dat de Regeering in den Haag zyn toegevendheid tot precedent +stempelen, en zich daarop beroepen zou om eens 'n enkelen keer met +den tyd meetegaan. Wie huivert niet? En wie huivert niet nogeens by +de bedenking dat misschien alle Haarlemmers en Amsterdammers op-eens +vice-versa aan 't verhuizen zouden gaan, als zoo'n tweeduits-slagboom +werd overgebracht naar 'n muzeum? Wie 't wèl meent met z'n dierbaar +vaderland en ouwerwetsche zotternyen, huivere ten derden maal. Maar +dan is 't ook genoeg. + +De vrouw van den orgelman was 'n Duinkerksche, en kon zich redelyk +verstaanbaar maken, maar haar aanhouden had even weinig gevolg als de +niet verstane hoewel best begrepen vertoogen van haar echtgenoot. Wat +te doen? De stumperts waren nu eenmaal de tien, twaalf duiten niet ryk, +die er noodig waren om Haarlem te bereiken, waar ze zeker opgang en +goede zaken zouden maken met hun zeil. Want ze hadden 'n zeil, waarop +'n fraaie geschiedenis stond afgebeeld. Het was, om 'n paar staken +gerold, gedragen door de twee oudste kinderen, die nu echter by dien +slagboom hun vrachtje moedeloos hadden neergelegd. Ook 't orgel was +op den grond gezet, en de vermoeide man ging er op zitten, niet zonder +vrees dat men tol zou komen vorderen voor 't beetje rust dat-i waarlyk +wel noodig had. De vrouw was uitgepraat, en de tolgaarder had alle +verzoeking tot het schenden van z'n plicht afgesneden door zich in z'n +huisje terugtetrekken, waar-i z'n werkzaam leven voortzette. De nood +was hoog, en alzoo de redding naby. Nu denkt de lezer dat Wouter aan +de beurt komt. Welzeker, wat beteekenden voor hem tien duiten, of al +waren 't er twaalf! Ik heb de kinderen niet geteld, en weet bovendien +niet of de vele zuigelingen die daarby waren, moesten meedragen in +'t onderhoud van den straatweg? Maar al had ik ze geteld, en al wist +ik dat, om godswil, lezer, hoe kon Wouter hier helpen, hy die nog ver +af was, en van de heele zaak geen kennis droeg? Geloof me, als Wouter +in dit byzonder geval God met anderhalven stuiver was te-hulp gekomen +in 't redden van vyf, zes ongelukkigen, ik zou 't zeggen! Reeds voor +mezelf houd ik niet van nederigheid, waarom zou ik--ten-koste nogal +van m'n roem als nauwkeurig geschiedschryver--preutsch omgaan met +de verdiensten van 'n ander? Wouter zat nog altyd lang en breed te +peinzen over... die twee meisjes, en wie z'n indrukken gekend had, zou +gevonden hebben dat-i ditmaal byzonder weinig op 'n plaatsvervangende +Voorzienigheid geleek. Er was toch iets aardigs in, dacht hy, zoo +op-eenmaal door 'n vrouw uit Haarlem uit z'n gewonen kring gehaald +te worden. Hy wou graag gelooven dat ze de wereld niet van den +allerfraaisten kant intraden, maar 't was die Wereld toch, 't was +'n uitvlucht, iets ongewoons. Zoo'n meisje had toch veel voor. Wie +zou ooit hèm komen halen, wie hèm verlossen van Stoffel, Kopperlith's +en gewoonheid? Die meisjes waren "gevallen" o zeker, en dit is heel +verkeerd, maar hadden ze niet byzonder prettige genoegens te wachten +van 't opstaan? Ieder weet dat God graag vergeeft--men moet bedenken +dat het z'n eenige uitspanning is--en ook de Maatschappy strekt tot +verrekkens toe haar armen uit om berouwhebbenden aan haar vriendelyke +borst te sluiten. Onder al die omhelzers bevindt zich alligt 'n prins +die zich zoo verheugt over 't weervinden van 'n verloren schaap, +dat-i al z'n koningryken wat weinig acht om op 't laatste blaadje +van den roman te worden neergelegd aan de voeten... och, hoe jammer +dat Jansen plaats had, genomen in de roef! + +Maar met al die overleggingen hebben we niet te maken, omdat, we nu +te Sloterdyk zyn. Daar Wouter er nog niet was, zag God-zelf zich wel +genoodzaakt 'n hand uittesteken. Hy verwekte een verlosser in Israël, +in de gedaante van 'n kleinen boerenjongen, die uit het dorp over +de vaart heen bemerkte dat er by het tolhek iets byzonders aan de +hand was, en z'n ontdekking aan twee, drie anderen meedeelde. Dezen, +gedreven door den geest, maakten er ook geen geheim van, en alles +liep uit, de brug over, naar den slagboom: er was Publiek! Wat kan +'n artist meer verlangen? "A la bonne heure!" zei de man, en hy +gaf bevel de paaltjes in den grond te slaan, waaraan 't zeil werd +opgeheschen, ontrold, vastgehecht... och, zoo kleurig! Heel Sloterdyk +stond verbaasd, en er was reden toe. Want, al z'n leven, men kreeg +de geschiedenis der schoone Genoveva van Brabant te aanschouwen! Wie +'t zag, zou moeten erkennen dat Wouter groot gelyk had, toen-i in z'n +print-kleurperiode zoo jaloersch was op dat leven in 'n woesteny. Geen +kind in heel Sloterdyk dat er niet precies zóó over dacht. Het zeil was +verdeeld in vier kolommen, en overdwars in zeven ryen, 'n verdeeling +die me straks kan komen te staan op 't vertrouwen van den lezer. Want +zie, de man zong welgeteld negen-en-twintig koepletten, en 't zal dus +schynen dat ik òf 'n koeplet van eigen vinding valschelyk onderschuif, +òf dat ik--erger nog--te-kort doe aan 't zeil. 't Een is zoo onmogelyk +als 't ander. Men schudt geen poëzie als de hier bedoelde uit den mouw, +en wat het zeil aangaat, wie zag er ooit een met negen-en-twintig +vakken? Blyft men in-weerwil hiervan m'n nauwkeurigheid wantrouwen, +'t spyt me wel, maar ik zal trachten my in 't verdriet daarover +weer te schikken. Men is nu eenmaal niet voor z'n pleizier op de +wereld. Misschien ook voelt de ergdenkende lezer berouw, als-i den +tekst van de Complainte gelezen heeft. Hy zal inzien dat men zoo-iets +niet machtig wordt zonder nauwkeurige bronnen geraadpleegd te hebben. + +Men moet daartoe beneden de twaalf jaar zyn, of... véél ouder. Dat de +Sloterdykers er niet veel van verstonden, deed weinig schade aan 't +effect. De acht-en-twintig kleurige tooneeltjes op 't zeil schreeuwden +wèl zoo hard en spraken duidelyker dan de beide zwervers. En wat +men op printjes niet begreep, werd opgehelderd door 't larmoyeerend +orgel. [30] + +Niemand van de toeschouwers had achtgeslagen op 't naderen van de +schuit. Wonder was 't niet, want toen ze begon in-zicht te komen, +had men zich even te-voren vermaakt met de exekutie van Golo, +die zoo duidelyk op het drie-en-twintigste vakje was voorgesteld +dat slechts weinigen er geen kippevel van kregen, en wie in dit +ongevoelig geval verkeerde, wachtte zich wel het te zeggen. Niemand +beklaagde den booswicht, en als de Sloterdykers zitting hadden gehad +in die rechtbank, zouden de stukjes waarin hy gesneden werd, nog +veel kleiner uitgevallen zyn. De chères en de grandes tendresses +waarop Genoveva vervolgens onthaald werd, waren op 't zeil heel +aanlokkelyk voorgesteld. 't Doet me genoegen dat Wouter er niets van +gezien heeft. Ook had de schilder middel gevonden, den toeschouwer +te doordringen van haar aanhoudend omgaan met "J. C." [31] slechts +afgewisseld door 't biddend en dankend gebruiken van ongekookte +boomwortelen. Och, men hoeft zoo weinig fransch te verstaan om zulke +dingen innig te begrypen! Nog één koeplet, en heel Sloterdyk was aan +'t bidden en uitgraven van boomwortels gegaan. Ieder ziet in dat het +publiekje van den troubadour, in zoo'n gewyde stemming wel wat anders +te doen had dan op de schuit te letten, die daar zoo onverschillig kwam +aanschuiven alsof er nooit 'n Genoveva in de wereld geweest was. En die +hinde! Juist toen 't arme dier bezig was met z'n miracle nouveau, door +quoiqu'on lui porte van honger te sterven op dat graf, hoste de jager +voorby. De lyn van zoo'n haarlemmer-schuit is tachtig vaam lang... [32] + + + + + + + + Oorsprong der vrymetselary. Hoe men 't moet aanleggen om met + sommige menschen kennis te maken. Wouter komt niet te Haarlem. [33] + + +Ze was terdege boos. De lezer zal wel weten dat invloed, macht, +gezag, heerschappy, overwicht en de van al deze factoren grootendeels +afhangende tevredenheid met zichzelf voortdurend in stygende of +dalende beweging zyn. Wie aan de verliezende hand is, voelt zich +genoopt naar bondgenooten omtezien, en opent met 'n klein toespraakje +de preliminaire onderhandelingen. Hy tracht te weten te kernon of +er kans bestaat dat anderen in z'n verdriet deelen--of al was 't +maar in z'n afkeuring--en hy staat gereed het minste blyk daarvan +aantegrypen tot herstel van de ondergane krenking. Het spreekt vanzelf +dat de onderliggende party gewoonlyk meer scherpzinnigheid aan deze +taktiek ten-koste legt dan de zegepralende tegenstander die weleens +op z'n behaalde lauweren in den dut valt, en niet aan versterking van +standpunt begint te denken voor de stygende invloed van den vyand +hem daartoe aanspoort. In oogenblikken van betrekkelyke gelykheid +openbaart zich de wryving in morren, twist, krakeel, vechtpartyen +of oorlog, al naarmate de stryd zich tot individueele belangen +bepaalde, of wyder gebied innam. Daar evenwel zoodanige gelykheid +nooit lang aanhoudt, en er alzoo telkens op-nieuw 'n onderliggende +party gevormd wordt die aan herstel van standpunt behoefte voelt, is +dat zoeken naar geestverwantschap 't perpetuum mobile geworden dat +de gansche maatschappy in beweging houdt. De machtigste korporatie +die ooit bestond, moet begonnen zyn met de vraag: of 't niet waar +was? Maar de Geschiedenis zwygt over de tallooze malen dat er op die +vraag geen weerklank werd gegeven, of wel 'n antwoord dat verdere +onderhandelingen afsneed en alle toenadering onmogelyk maakte. Het +is aan 'n zeer byzonder toeval te danken, dat ik kan meedeelen hoe +de eerste poging van de waardin was beantwoord geworden. Zie hier wat +de schipper had gezegd, toen ze terstond na 't instappen van de roef +'n gesprek trachtte aanteknoopen: + +--Zeg 'ns, mensch, als ik jou was, zou ik me nou ereissies heel +bedaard houwen. Ik ben hier baas aan-boord, versta je dat? + +Zeker verstond ze 't wel, maar ze zal evenmin als ik begrepen hebben +hoe dat baasschap hier te-pas kwam? En wat de bedaardheid aangaat, +waaraan de schipper betuigde zich te willen overgeven zoodra hy háár +was... och, ik zeg dat die schipper onmogelyk weten kon wat-i in dat +vreemd geval doen zou. + +--Wel nou keman, nog bedaard ook, en dat na zoo 'n veraffrentasie! + +Meer had ze niet gezegd, en daarmee was 't voor datmaal uit +geweest. Laat ons de geestkracht en de gevatheid bewonderen, waarmee +ze dat komfoor te-baat nam om den aanval te hervatten. Doch we weten +reeds dat ook die poging schipbreuk had geleden op de onafhankelykheid +van karakter die de deugdzame schipper wist te putten uit z'n +tonteldoos. Het speet ons voor de waardin, maar we zyn niet ondankbaar +voor de leering hoe goed het is, by zekere gelegenheden eigen vuur +by de hand te hebben. Het wyf zat nu heel menschenkennig te loeren +op 'n derde gelegenheid. Dat er in elk kuras gapingen zyn, wist ze +wel... lieve god, pater Jansen en Wouter waren in 't geheel niet +geharnast! Ja, had ze maar met die twee alleen te doen gehad. Maar +de schipper was drukkend pedant en groots. Hy blufte op z'n gezag +aan boord, op z'n deugd, op z'n zes gehuwde kinderen: + +--Allemaal best af, m'nheer pastoor, best! Twee by 't waagdragen... +'n mooi vak, m'nheer pastoor! + +Jansen liet z'n kin op de gevouwen handen, en deze op den knop van z'n +rotting rusten, maar antwoordde niet. Z'n gelaat teekende droefheid, +en de waardin bespiedde z'n stemming. 't Was, meende zy, al iets dat-i +door z'n zwygen weinig blyk gaf van den lust om in vriendschappelyke +verstandhouding tot den schipper te komen. + +--En de derde is op 'n armenschool... als onderwyzer, weet u. Dàt +is er een! Als-i 'n woord ziet, vraagt-i dadelyk waarvan ontleent +zich dat? En hy wéét 't! Nou, ik heb ze best opgebracht, dat moet ik +zeggen. 't Oog op God, zoo zei ik maar altyd, en dan... + +Een blik op de roef. + +...eerlyk door de wereld! Wat zegt U, m'nheer pastoor? + +Helaas, Jansen zei weer niets, en de fondsen van de waardin rezen +'n beetje. 't Leek wel of nu de beurt aan den schipper was gekomen +om behoefte te voelen aan wat weerklank. De man verwonderde zich +dat-i met z'n "God voor oogen!" niet beter slaagde vooral omdat-i +met 'n geestelyke te doen had, die beroepshalve wel verplicht was +zulke praatjes heel mooi te vinden. Maar hierin vergiste zich onze +schipper. Over 't algemeen vinden die heeren 't niet aangenaam dat +de terminologie van 't vak door leeken ontwyd wordt. Ze houden meer +van zondaren dan van dilettanten in zaligmakery, omdat 'n klant boven +'n konkurrent gaat. Deze algemeene waarheid was nu wel niet op den +goeden Jansen toepasselyk, maar de teleurstelling van den schipper +werd er niet geringer om. Sedert dertig jaren verkondigde hy z'n +fameuze hoofdgrondstelling tweemaal daags--op den zeldzamen keer na, +dat-i geen enkelen passagier in de roef had--en nog nooit was z'n +hoogstmerkwaardig maxime aangehoord zonder hem 'n zalvend: "ja, ja, +schipper, daar heb je wel gelyk in!" optebrengen. Dit behoorde tot de +emolumenten van z'n verheven beroep, en die pastoor zat maar zwygend op +z'n neus te staren! Zelfs voor het ditmaal zoo byzonder toepasselyke: +"eerlyk door de wereld!" had die vervelende passagier geen goedkeurend +woordjen over, geen knikje! Er moesten andere loopgraven geopend +worden: + +--Ja, God voor oogen, zeg ik maar. Nou, onze Chris--want Chris heet-i +naar z'n grootmoeder, omdat die ook Chris heette--'t is 'n eerst +platje. 't Was eigenlyk m'n vrouws moeder... ook 'n brave vrouw, +dat kan ik je gerust zeggen, m'nheer pastoor! 't Mensch is dood, +maar anders... Jan, vier 'n scheutje tot die modderpraam voorby is. + +Jan de knecht vierde drie vaam van de jaaglyn. Heel noodig was 't +juist niet, maar de schipper vond de gelegenheid gunstig iets van +z'n zeemanschap te laten zien. + +--Ja, m'nheer pastoor, zoo ben ik! Ik heb graag wat speling in de +lyn als er drukte-n-in de vaart is. Een mensch moet op z'n zaken +passen, en... God voor oogen! Dan kom je 'r wel. Haal nu maar weer in, +Jan. Zóó heb ik ze opgebracht, alle zes, m'nheer pastoor. En onze Chris +zei--want hy is 'n platje--"wel, vader, waarom noemen je de menschen +haarlemmer-schipper? Nou, ik begreep terstond dat er wat achter stak, +maar waar 't 'm zat kon ik niet raden, want geleerd ben ik, om 't zoo +'reis ronduit te zeggen, niet. Maar ik versta m'n werk als de beste... + +Waarschynlyk om Jansen hiervan te overtuigen, gelastte hy nu z'n knecht +het dek van de schuit dat met teer en gestampte schulpen besmeerd was, +met water te bevochtigen. + +--'n Paar pussies maar, want ziet u, m'nheer pastoor, anders kleeft +het zoo, als er den heelen dag de zon op staat. Nou, en m'n.. eene +dochter--Jansje heet ze, omdat ze eigenlyk naar my genoemd is, +want... myn naam is Jan--nu die is getrouwd met 'n boekbinder. Die +heeft ook al haar vierde... allemaal meisjes. En de tweede is in de +blye verwachting, want haar man is op 'n kantoor in de accynsen. Daar +worden alle varkens gewogen... van de stad, weet u? + +--Maar, m'nheer, waagde Wouter te vragen, waarom mag men u geen +haarlemmer-schipper noemen? + +--Ja, niet waar, dàt is 'n vraag! Nou, hy is 'n guit, dat zal je +hooren. En alles maar zoo droog-weg. Hy zei... maar zeg eens, ben je +meer te Haarlem geweest? + +Of Wouter er geweest was! + +--Want anders kan je 't niet zoo dadelyk begrypen. Maar ik wou m'nheer +pastoor vertellen van m'n derde dochter. Die woont in de Langstraat, en +haar man heeft 'n winkel, en daarin verkoopen ze zoowat van alles. 't +Is om 't nu zoo eens uittedrukken: 'n komeny, maar aanspreker is-i +ook, en hy bedient 'n begrafenisfonds, en dat geeft nogal. Toen +verleden haar jongste gestorven is, hebben ze-n-uit hun eigen bus +twintig gulden gehad. Bn nu is de middelste ook ziek, 'n meisje, +m'nheer pastoor, met kromme beentjes en nogal pieperig. Ja, 't gaat +'rlui best. Ze wil altyd dat ik m'n rust zal nemen omdat ik op jaren +kom, want Pietje heet ze, omdat ze genoemd is naar m'n vader, en die +heette Piet. En ze wil dat ik zal uitscheien met werken omdat ik zoo +erg op jaren kom, m'nheer pastoor, en al zooveel beleefd heb. Maar +ik zeg maar altyd: né, zoolang God me kracht geeft... + +Zóólang zoud-i zeven uren daags in dien stuurstoel zitten, en nog +meer beleven, en haarlemmer-schipper blyven, of wat-i dan volgens +z'n guitige zoon wezen mocht. + +--Een mensch moet op z'n post blyven naar Gods bestel, m'n-heer +pastoor. Dàt heb ik altyd m'n kinderen voorgehouden, en daarom gaat +het hun best. + +--Maar, m'nheer, waarom mag men u geen haarlemmer-schipper noemen? + +--Precies, zoo kom je-n-op 't ware punt van de zaak. Wel, jongeheer, +hy zei--maar 't is 'n guit, dat zal je zien--"vader, zeid-i, zoodra +je Halfweg gepasseerd bent, word je Amsterdammer-schipper." 't Is +waar ook, zei ik, en ik had er nooit aan gedacht. Zoo zieje wel dat +zoo'n jongen me de baas is. Maar... God voor oogen, dat 's best van +allemaal. Wel ja, straks voorby Halfweg--als je-n-in die streken +bekend bent, zal je 't zelf zien--dan kom ik, om zoo te zeggen, van +Amsterdam, en hier gaan we nog altyd maar naar Haarlem. Hoe vind je +die? En hy is pas zeventien! + +Wouter glimlachte even uit goedhartigheid, maar verder kon-i 't +niet brengen. Dat de maçonnieke poging van den schipper om met pater +Jansen in gesprek te komen niet gelukken kon, spreekt vanzelf. Dit zou +'t geval gebleven zyn al ware de meegedeelde geestigheid eenigszins +geestiger geweest, want de goede man repeteerde z'n theologischen +kursus. Hy overpeinsde of er iets goeds kon gedaan worden, en +wat? Geestelyke hovaardy was hem vreemd, maar toch voelde hy als +fatsoenlyk man 'n instinkmatigen afkeer van 't wyf dat hy wel zou +moeten aanspreken als-i besloot zich het lot van die twee meisjes +aantetrekken. Dit nu hield hy in z'n onnoozelheid voor plicht, en... zy +wist het! Ze wist dat er slechts 'n gepaste aanleiding noodig was om +hem aan 't spreken te krygen. Zonder uitbundige instemming hebben we +hem hooren beweren dat er op 'n Simmenarie zooveel menschenkennis +viel optedoen, maar wel durven we deze eigenschap toekennen aan +de vele simmenarien die onze waardin in haar jeugd bezocht, en na +voleindigde studien op ryper leeftyd bestuurd had. Met grapjes of +'n geestigheid was die ernstige pastoor niet te genaken, dit voelde +ze wel. Met opgedrongen vriendelykheid evenmin. De weg naar z'n +gemoed... ze wàs er! + +--Dàt kan ik niet aanzien, riep ze, 't schreit werachtich tot +God! Schipper, leg 'ereis an, en neem die stumperts in je schuit. Ik +ben goed voor de vracht. + +--Ik mag 't niet afslaan, zei de schipper, die Jansen aankeek alsof-i +zich verontschuldigde. Zaken zyn zaken, dat zal m'nheer pastoor ook +wel weten. + +Hy riep den jager toe, halt te houden. De lyn plaste in 't water, +en de schuit werd naar wal gestuurd. De waardin die uit de roef in +den stuurstoel gestapt was, riep en wenkte de tobbende orgelfamilie +die na eenige opheldering over de onverwachte vriendelykheid in de +schuit werd opgenomen. + +--Zit jelui daar nou maar ereis heel op je gemak, lieve menschen, +en rust wat uit. Ik ben goed voor de vracht... + +En Jansen aanziende: + +... wel ja, niet waar, men moet z'n evenmensch 'n beetje helpen in +de wereld? + +Ziedaar nu haar derde: "niet waar?" en 't beste! Jansen antwoordde wel +niet terstond, maar zag haar vriendelyk aan, en toen ze daarop blyk gaf +naast hem te willen plaatsnemen, overschreed de ruimte die hy maakte, +de grens niet die de welwillendheid in zulke gevallen aanwyst. De +waardin gunde zich de genoegdoening, den schipper 'n zegepralenden blik +toetewerpen. Maar we mogen aannemen dat-i met het oog op God dien slag +overleefd heeft, daar we van-goeder-hand weten dat-i eerst jaren daarna +overleden is, waarschynlyk in 'n oogenblik dat-i 'n verkeerden kant +uitzag. Wie dit vermoeden te liefdeloos vindt, mag veronderstellen +dat de man, ook zonder de minste fout in de richting van z'n oogen, +ten-laatste bezweken is aan deze of gene ziekte die Gods macht te-boven +ging. Aan ouderdom, by-voorbeeld. Want dat gebeurt soms. + +Hoe dit zy, by de gelegenheid die we hier behandelen, hield de man zich +kras. Hy verdampte zoo goed mogelyk z'n ergernis over den triumf van de +waardin. Deze was er werkelyk in geslaagd met den geestelyke in gesprek +te komen, en Wouter luisterde aandachtig toe. Nu 't ys eenmaal gebroken +was, bleek het wyf raad te weten voor 't wegruimen van de schotsen. + +--Best, wees jelui maar vroolyk in de schuit! riep ze toen de tonen +van het draaiorgel zich deden hooren. Ja, m'nheer pastoor, ik hou +van vroolykheid, en de man kan nu zitten by z'n werk! 't Was niet +aantezien, niet waar? + +--Ja, juffrouw, zoo'n orgel is 'n heele vracht. + +--En die arme vrouw met al haar wurmen van kinderen! [34] + +--Ja, zeker, juffrouw, 't is wel om meely mee te hebben. Maar... + +Wat-i "maren" wou, wist hyzelf niet recht. Geheel onwillekeurig +voelde hy aandrang tot iets als protest tegen háár bevoegdheid om 'n +aandoening te openbaren die goed was, of by hem voor goed doorging. De +slimme feeks, op den weg gebracht misschien door 'n eigenaardige +uitdrukking op z'n gelaat, begreep iets van de vyandige strekking +die zich zoo schroomvallig openbaarde, en nam haar maatregelen: + +--Och, m'nheer pastoor, ik kan m'n evenmensch niet zien lyen. Als +ik niet zoo vol behuisd was... kyk, ik nam zoowaar graag een van die +stumperts by me, al was 't de kleine jongen die op 't orgel zat. + +--Hé, riepen Jansen en Wouter tegelyk. + +--Ja, m'nheer, ja, jongeheer, zoo ben ik, werachtich as Chot! + +--Maar, juffrouw... + +--Och, m'nheer pastoor, menig mensch is niet zooals-i 'r uitziet. Ik +heb altyd m'n evenmensch geholpen, dat heb ik. Daar heb je nu die +twee meissies daar vóór in 't ruim! Wat is 't geval? De een heeft +geen moeder, geen vader, geen levendige ziel... nooit gehad, m'nheer +pastoor! Wat doet ze? Ze loopt voor oud vuil op de straat rond. Ze +had om zoo te zeggen, geen hemd aan 't lyf. Wat heb ik gedaan? Ik heb +'r kleeren gekocht, voor dertig gulden kleeren, m'nheer pastoor! En +die andere? Nou, die heeft 'n moeder... godbetert! Liever géén, zeg +ik. Ze stuurt 'r kind de straat op om jongens nateloopen, jongens en +heeren! Nou, 't zyn er heeren na! En van dat schandloon wil de moeder +'t hare hebben! Ik vraag u, m'nheer pastoor, wat komt er te-recht van +'n meid die op straat loopt? + +De arme Jansen was verbluft, en niet genoeg ingewyd in de geheimen van +'t vak, om zoo terstond te weten wat er te antwoorden viel. De vrouw +ging voort: + +--Toen heeft ze my 'n brief geschreven... of ze 'm zelf geschreven +heeft, laat ik daar, maar ze vraagt of ik niet in Haarlem 'n +nette fatsoenlyke dienst voor haar weet by stille menschen, +en... en... en... om 'n beetje voorschot, zooals 't by zulke +gelegenheden gaat. En wat doe-n-ik? Ik zend haar tien dukatons. Tien +dukatons, m'nheer pastoor! En nu ik kom om haar aftehalen--wel ja, +van m'n verlies kan ik niet leven!--wat gebeurt er? De menschen +schelden me-n-uit! + +Hier begon de edele vrouw zeer toepasselyk te schreien. Wouter bleef +haar bewegingloos en met open mond aanstaren. Jansen was geheel in de +war. Uit het ruim der schuit klonken 'n paar wegstervende maten van +de fransche complainte. De schipper richtte z'n oog... altyd op God, +natuurlyk, maar nu ook zeer in 't byzonder dan eens op de wolken, +dan weer op den nagel van z'n linkerduim, 'tgeen scheen te moeten +beteekenen dat het verhandelde hem niet aanging. + +Met allerlei praatjes bracht de waardin 't zoover dat Jansen +haar uitnoodigde de reis naar Haarlem niet met de beide meisjes +voorttezetten. "Hy zou haar wel eens willen spreken" zeide hy, en +ze had er niets tegen. Hieruit vloeide voort dat Jansen, Wouter, +de waardin en haar beide beschermelingen zich by 't "overloopen" +te Halfweg 't genoegen ontzegden den haarlemmer-schipper te zien +overgaan in 'n amsterdammer. Zy wenschten hem goede reis, en namen +gezamenlyk plaats aan 'n herbergtafeltje voor 't gastvrye Huis +Ter-Hart, waar Wouter alweer niet van z'n preek over zuinigheid +verloste. Arme Styntje! + +De waardin kwam 'n volle schuitbeurt later thuis dan ze gedacht +had. Voor haar vertrek van 't Huis Ter-Hart had ze Jansen, Wouter en de +beide berouwhebbende Kaatjes te-voet het pad der deugd zien inslaan, +dat was--in dit byzonder geval, en zonder de minste konsekwentie voor +den vervolge--den vervelenden straatweg naar Amsterdam... + +Om-'s hemelswil, we willen toch hopen dat Jansen niet van plan is +die twee schepsels by Styntje te introduceeren? + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] = het kennen van de oorzaken der dingen. + +[2] = mengsel. + +[3] Idee 1149 besluit M. met de overweging, dat de massa noch goed +noch slecht is. + +[4] = schennis van de menschelyke waardigheid. + +[5] I. 1156 behelst een archaeologische beschouwing over het hossen. + +[6] In I. 1163 weidt M. uit over de bron van smart en geluk. + +[7] = zoo voor haar, niet voor my. + +[8] In een noot by Idee 140 stelt M. het realisme, dat op +middeleeuwsche schilderyen een der omstanders afbeeldt met afgewend +gelaat, de neus tusschen duim en wysvinger, hooger, dan de verklaring +van den modernen schipperenden Renan, die Lazarus schyndood verklaart! + +[9] = O, Meliboeus, een god heeft deze... idylle voor ons gemaakt. + +[10] In I. 1180 weidt M. uit over Hollandsche tooneelkunstenaars en +Napoleon's tooneelbegaafdheid. + +[11] In I. 1181 geeft M. een beschouwing over Rotgans' stuk als +navolging van navolging. + +[12] Naar aanleiding eener uitweiding over de z.gen. onschuld der +meisjes Pieterse betoogt M. aan 't slot van I. 1184, dat alle studie +ascetisme vordert: een oratio pro domo! + +[13] In 1191a betoogt M. dat orde en arbeid geneesmiddelen zyn voor +krankzinnigheid. + +[14] Dit hoofdstuk wordt onderbroken door een beschouwing over de +"diepzinnige kwestie, of 'n auteur uitspraak en dialekt" zyner personen +moet weergeven, naar aanleiding van 't op een congres te Antwerpen +verhandelde, eindigend in een lofrede op Busken Huet. (I. 1194-1199.) + +[15] In I. 1213 volgt hier een komische uitweiding over de +aristocratische voornamen der jonge Kopperliths. + +[16] De verrukking van Prinses Erika ontlokt aan M. een uitweiding over +"echt-vaderlandsche" krantenschryvers en de burgervadery in Wouter's +tyd. (In I. 1223.) + +[17] = de gevolgtrekking geldt: van zyn tot kunnen, d. w. z. omdat +het zoo is, moet het ook kunnen. + +[18] Pienders = pinda's of apenootjes. + +[19] M. besluit 't hoofdstuk met "'n bespiegeling over gebrek aan +israëlitische kontroverse"; hy constateert, dat de Joden niet meer +van Jehovah afvallen tot vreemde eerediensten, maar hy verwondert +er zich over, dat hun rabbi's en geleerden evenmin het Christendom +bestryden. Hy wyst op allerlei wetsovertredingen die de Joden geregeld +begaan, door 't erkennen van niet-Joodsche vorsten, 't omgaan met +onbesnedenen, het niet kwytschelden van alle schuld om de zeven jaar +enz. M. komt tot de conclusie, dat de Joden "even uitmuntend als de +Christenen 't kunstje van akkommodeeren verstaan." (I. 1224.) + +[20] = kwade samensprekingen. + +[21] I. 183. + +[22] In I. 144 en 464. + +[23] = afkeer van leegte. + +[24] Nader licht M. dit toe met een beschouwing over de bestryding +van het geloof aan spoken en wonderen: "daar het kind geen stap in +de maatschappy doet zonder iets van dien god te vernemen," is het +"ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door +onthouding." (I. 1233.) + +[25] Wouters tocht naar het "buiten" der Kopperliths leidt M. in met +een schoone verhandeling over buitenplaatsen; opmerkingen over hun +ontstaan, de geestelyke ontwikkeling hunner bewoners in de 17de en +18de eeuw, het verschil tusschen een werkelyke buitenplaats en een +optrek worden afgewisseld met de geestige anecdote van pastoor Alonzo +Ramirez. (I. 1236-1242.) + +[26] De onaanzienlykheid van de Roomsche kerk in die achterbuurt +ontlokt M. een lange uitweiding over den toestand der katholieken +in ons land, over de halfheid van Thorbecke en de liberalen, die het +beginsel, dat godsdienst geen voorwerp van staatszorg mag zyn, niet +doorvoeren; over zedelyken schoonheidszin, verderfelyke goddienery +en natuurstudie met eenige Engelsche en Duitsche voorbeelden van +minderwaardig zielevoedsel voor kinderen. (I. 1254-1259.) + +[27] Zie noot blz. 305. + +[28] Dat wil zeggen: in het tuchthuis waar de veroordeelden Campêche- +of Fernambakhout raspten. (M.) + +[29] In I. 1272 geeft M. een verhandeling over de machteloosheid van +wet, regeering en philantropie in den stryd tegen de onzedelykheid: +de theorie vermag hier niets tegen de praktyk. Het eenige middel +om den handel in ontucht te gronde te richten is ware beschaving, +d. i. "zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, om +genot te vinden in arbeid." + +[30] In het troubadourslied wordt verhaald van de edele Genoveva, die +door den verrader Golo van overspel beschuldigd, aan den dood ontkomt, +doordat twee dienaars haar met haar kind laten ontkomen. In het woud +leeft ze van wortels, haar kind wordt door een hinde gezoogd. Op de +iacht vindt haar gemaal haar: Golo's verraad komt uit en Genoveva +wordt in eere hersteld: maar ze blyft een ascetisch, vroom leven +leiden, ze voedt zich enkel met boomwortels, en denkt slechts aan +Jezus Christus. Als ze sterft treuren allen,--de hinde weigert op +haar graf alle voedsel en sterft er. + +[31] = Jezus Christus. + +[32] Om zyn naam als letterkundige eer aan te doen verklaart M. dit +te weten, niet door het meten van het touw, maar door het raadplegen +van andere bronnen: als Plinius en Plutarchus! Vervolgens geeft hy in +I. 1278 het in de opschriften van vorige hoofdstukken (zie blz. 265 +en 288)aangekondigde "stuk 17de eeuwsche volksroem," voorafgegaan +door een afbrekende kritiek van Engelsche letterkundigen op Vondel +en Cats, n.l. een citaat vol buitenlandsche lof over de geregeld +varende Treck-schuyten, "dat bestemd was 'n helder licht te werpen +op den vermoedelyken afloop van Wouter's reis naar Haarlem." + +[33] Dit laatste zinnetje voegde Mevr. de Wede. Hamminck-Schepel +aan dit opschrift toe naar aanleiding van uitlatingen van M. over +Wouters reis. + +[34] Hier volgt een opmerking over de oud-testamentische dwaling, +die de goddelyke zegen afmeet naar 't kindertal. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse +(Deel 2 / 2), by Multatuli + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE *** + +***** This file should be named 30751-8.txt or 30751-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/0/7/5/30751/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/30751-8.zip b/old/30751-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..71b7ab3 --- /dev/null +++ b/old/30751-8.zip |
